summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/64986-0.txt26979
-rw-r--r--old/64986-0.zipbin538276 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/64986-h.zipbin2630786 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/64986-h/64986-h.htm25631
-rw-r--r--old/64986-h/images/back.jpgbin111290 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/64986-h/images/book.pngbin219 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/64986-h/images/card.pngbin230 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/64986-h/images/external.pngbin159 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/64986-h/images/front.jpgbin159506 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/64986-h/images/plate1.pngbin310058 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/64986-h/images/plate2.pngbin223490 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/64986-h/images/plate3.pngbin206057 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/64986-h/images/plate4.pngbin300492 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/64986-h/images/plate5.pngbin215236 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/64986-h/images/plate6.pngbin366964 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/64986-h/images/spines.jpgbin93865 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/64986-h/images/titlepage.pngbin45155 -> 0 bytes
20 files changed, 17 insertions, 52610 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..96958a3
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #64986 (https://www.gutenberg.org/ebooks/64986)
diff --git a/old/64986-0.txt b/old/64986-0.txt
deleted file mode 100644
index df59ed5..0000000
--- a/old/64986-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,26979 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Aspasia, by Robert Hamerling
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Aspasia
-
-Author: Robert Hamerling
-
-Translator: W.F.P. Enklaar
-
-Illustrator: A. Poussin
-
-Release Date: April 03, 2021 [eBook #64986]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ASPASIA ***
-
-
-
-
- ASPASIA
-
- DOOR
- ROBERT HAMERLING
-
- VOLLEDIGE VERTALING DOOR
- W. F. P. ENKLAAR
-
- VIERDE GEAUTORISEERDE UITGAVE
-
- MET ILLUSTRATIE’S VAN
- A. POUSSIN
-
-
-
-
- Uitgave van
- Gebroeders E. & M. COHEN, AMSTERDAM
- Heerengracht 326
-
-
-
-
-
-
-
-VOORREDE.
-
-
-Wanneer deze roman, naar eene vele malen aangehaalde les van onzen
-tijd, een volk—het oud-helleensche—„bij zijn arbeid opzoekt” en de
-cosmopolitische arbeid van het Helleensche volk zich uitstrekt tot den
-werkkring van kunstenaars, dichters en denkers, zal het dan niet
-schijnen, dat aan deze soort van arbeid en aan de schildering daarvan
-iets diepzinnigs en wijsgeerigs aankleeft?
-
-Zal de frissche bekoorlijkheid van den indruk niet achterstaan bij die
-beelden, welke aan de bron van een naïef, oorspronkelijk, werkelijk
-ontluikend leven zijn ontleend, waaruit de poëzie nog heeft geput? En
-moet zulk eene poging, evenals op de bekoorlijkheid van dat naïeve en
-natuurlijke, ook niet schipbreuk lijden op de bekoorlijkheid van het
-geestige in onzen hedendaagschen zin, van het realistische pikante op
-de verscheidenheid der tegenwoordige poëzie? Mocht Helleensch leven
-anders dan met Helleenschen eenvoud voorgesteld worden? Mocht de
-schrijver naar iets anders trachten dan naar een adem van den
-Helleenschen geest, van Helleensche bevalligheid en liefelijkheid?
-Rijzen er bovendien geene bedenkelijke bezwaren, om een leven, dat
-reeds is ondergegaan te schilderen? Détail-schildering van het
-hedendaagsche leven wordt als een aantrekkelijk realisme geprezen; die
-der Oudheid echter zal op velen den indruk van huiveringwekkende
-geleerdheid maken. Inderdaad, wie dit werk slechts vluchtig
-doorbladert, en opmerkt dat de afzonderlijke hoofdstukken verschillende
-zijden van het Helleensche leven openen, hij zal spoedig met zijn
-oordeel gereed zijn, hij zal gelooven alleen een schetsboek vóór zich
-te hebben, in het gunstigste geval een „historischen” roman, wat, naar
-de beschouwing des meesten, zooveel zegt als geen roman.
-
-En toch—wanneer deze roman als kunstwerk van de levensbeschrijving, de
-geschiedenis, het bloote verhaal zich door innerlijke en uiterlijke
-samenstelling onderscheidt, wanneer hij niet alleen de uitdrukking van
-een in zich besloten leven en lot is, maar ook van een kamp in
-natuurlijke ontwikkeling en oplossing, dan is het volgende verhaal een
-roman te noemen. Want niet alleen blinkt daarin in bepaalde gestalte de
-schoone, geestelijk opgevatte zinnelijkheid door, en hare opkomst,
-bloei en verval; de strijd tusschen het aesthetisch en zedelijk
-levens-ideaal wordt ontwikkeld en beslist in het lot van één enkel
-persoon en van één volk. Steeds heeft deze vergelijking van het lot van
-enkele personen en volken, van het individueele en het algemeene leven
-mij voor den geest gestaan, als het echte geheim der Epische dichting,
-als haar hoogste beginsel, als haar eigenlijk gebied. Evenwel niet
-alzoo, dat het détail van het verhaalde individueele leven en van het
-algemeene juist naast elkander loopen: alsof het eene slechts eene
-episode ware van het andere, maar dat beide aan één en hetzelfde détail
-zijn vastgeknoopt en zooveel mogelijk, als een organisch geheel,
-levendig in elkander geweven en gevlochten zijn.
-
-Met mate slechts mocht, om den reinen, bevalligen indruk van het beeld
-niet te bederven, de strijd worden aangegeven: slechts zacht mocht hij
-voortgaan en zoo schijnt de handeling wellicht door een dunnen draad
-verbonden te zijn. Maar de schilderingen en gesprekken, die als eene
-uitweiding voorkomen, dat alles zonder uitzondering komt ten laatste
-tot zijn recht, vol licht, het vertoont zich in zijne noodzakelijkheid,
-in betrekking tot het geheel, tot de gedachte.
-
-Maar niet tot eene gedachte in den afgetrokken zin des woords. Laat de
-meening zich niet van u meester maken, welwillende lezer, dat het
-verloop van deze geschiedenis om eene bepaalde strekking veranderd of
-verdraaid is geworden. Ik geef het reilen en zeilen, het worstelen en
-streven der menschen weder en de woorden waarmede zij het verdedigen.
-Ik heb geene strekking op het oog dan die van het leven, geene zedeleer
-dan die der noodzakelijkheid, geene logica dan die der feiten, welke
-uit schering en inslag bestaat, zoo gelijkmatig en bestendig, als het
-heen en weder bewogen worden van de pijnboomtoppen door den wind. De
-wijzen beweren wel te recht, dat de idee nooit volkomen opgaat in de
-werkelijkheid. De dichter, die eene bepaalde bedoeling beoogt, volgt
-haar tot op eene zekere hoogte van hare ontwikkeling, houdt ze daar op
-een punt, hetwelk zij toch eigenlijk slechts vluchtig raakt, met geweld
-vast, laat haar in alle bonte kleuren schitteren tot vreugde der
-stervelingen, en maakt de zeepbel tot eene vaste ster. De reine,
-onbevooroordeelde poëzie echter begeleidt de idee op den weg harer
-ontwikkeling het liefst tot dat punt, waar zij, om weder tot hare
-reinheid terug te keeren, aan den Phoenix gelijk, zich zelven aan de
-vlammen overgeeft.
-
- R. H.
-
- Gräz, November 1875.
-
-
-
-
-
-
-
-ASPASIA
-
-I.
-
-DE SCHAT VAN DELOS [1].
-
-
-Op een zonnigen dag in het zwoele jaargetijde richtte een slanke,
-jeugdige vrouwengestalte, vergezeld door eene slavin, in de stad der
-Atheners haren snellen tred over de Agora [2]. De verschijning dezer
-vrouw had de wonderlijke uitwerking, dat elk wie haar ook op den weg
-ontmoette en had aangekeken, achter haar stil stond en als vastgenageld
-haar een geruimen tijd naöogde. De oorzaak daarvan lag niet zoozeer in
-de omstandigheid, dat het schier eene zeldzaamheid was, wanneer men
-eene vrije Atheensche vrouw uit den hoogeren stand openlijk op de
-straten zag wandelen, als wel vooral hierin, dat deze vrouwengestalte
-van eene buitengewone en overweldigende schoonheid was.
-
-Op de gezichten van hen, die bij de ontmoeting haar aanstaarden, of
-achter haar, als aan den grond genageld haar naöogden, spiegelde de
-verbazing zich op alle mogelijke wijzen van uitdrukking af.
-
-Eenigen lachten met welgevallen, de oogen van grijsaards, wier baard
-reeds grauwde, fonkelden, anderen sloegen op de vrouw blikken, als die
-van een Faun [3], wederom anderen drukten een soort van eerbied uit,
-alsof zij eene Godin zagen. Eenigen vestigden op haar een ernstigen,
-bevredigden kennersblik, anderen keken als dwazen, met den mond van
-verwondering half geopend. Evenwel waren er ook niet weinigen, die een
-spottenden grijnslach vertoonden en een kwaadaardigen, sarkastischen
-blik op haar vestigden, alsof schoonheid zonde ware.—Mannen, die twee
-aan twee of in groepen stonden, braken hun gesprek af. Gezichten,
-waarop de verveling te lezen stond, schenen op eens als bezield; het
-voorhoofd, met rimpels doorploegd, werd effen. Er kwam beweging in de
-gemoederen.
-
-De verschijning der vrouw was als een zonnestraal, die in een priëel
-van rozen valt en waarin de muggen in bacchantische dwarling hare
-dansen uitvoeren.
-
-Onder degenen, wier aandacht de indrukwekkende vrouwengestalte tot zich
-trok, waren ook twee mannen, die zwijgend naast elkander voortgingen.
-Rustig, ernstig, vol waardigheid en edel waren beiden van uiterlijk; de
-een, om wiens hoofd donkere lokken golfden, was jonger, statig, doch
-niet zonder een spoor van weekelijkheid in zijn trekken; nog hooger,
-bijna eerbied afdwingend, stak naast hem de gestalte uit van den
-ouderen man, en het groote voorhoofd welfde zich over zijn diepzinnige
-oogen. Het was, als zag men den vurigen Achilles voortschrijden, naast
-Agamemnon, den gebieder der volken.
-
-De jongste sloeg een blik van verrassing op de betooverende vrouw; de
-oudste daarentegen bleef rustig: het was, alsof hij de schoone niet
-voor de eerste maal had gezien en hij scheen zóó onverschillig, zóó
-diep in andere gedachten verzonken, dat zijn metgezel eene vraag
-onderdrukte, die hem reeds op de lippen zweefde.
-
-Een slaaf liep achter de beide mannen. Zij volgden den langen,
-stoffigen weg, die naar den Piraeus [4] voerde.
-
-Vorschend liet in het voortgaan de jongste soms zijn blikken weiden
-over den hel schitterenden spiegel van den Saronischen zeeboezem. Zijn
-oog was scherp, als het oog van een adelaar. Hij ontwaarde een schip,
-dat nog niet zichtbaar was voor den blik van een ander mensch. Hij zag
-het opdoemen aan het uiteinde van den horizont der zee. De nadering van
-het vaartuig was onmerkbaar bij den grooten afstand. De man, met den
-adelaarsblik, had het voorkomen van iemand, die zich weet te
-beheerschen; maar wanneer hij zoo heentuurde naar het vaartuig in de
-verte, scheen het toch soms voor een oogenblik, alsof hij met den adem
-van zijn eigene borst het talmende zeil wilde doen zwellen en het schip
-in snelle vaart doen naderen.
-
-Wanneer men den blik rechts van den weg wendde, welken de beide mannen
-betraden, dan stiet men op eenigen afstand op een in de zon blinkenden
-muur, die schier onafzienbaar van de stad afliep tot aan het klippige
-strand der zee. Richtte men zijn oog naar den linkerkant, dan zag men
-een muur van dezelfde soort, als die, welke zoo even voor den blik van
-den beschouwer zich scheen op te doen. De bouwlieden stapelden
-rechthoekig gehouwen stukken op elkander en waar de massa gereed was,
-daar klonk wijd en zijt het dreunen van de hamers, die de aaneen
-hechtende ijzeren krammen in het arduin dreven.
-
-Ook deze muur strekte zich naar beneden uit tot aan de zee, breidde
-zich daar met een groote kromming uit en, zoowel boven de stad als daar
-beneden met den anderen muur verbonden, omvatte hij de haven met hare
-gebouwen, als met een beschuttenden arm.
-
-Op dit muurwerk rustte het oog van den jongste der beide mannen
-vorschend en met eene soort van bevrediging, wanneer het voor een
-oogenblik zich afwendde van het door het zeil bewogen schip in de
-verte. En lachende sprak hij ten laatste, terwijl hij langs de
-eindelooze lijn van aaneengehecht arduin schouwde, zich tot zijn makker
-wendend:
-
-„Wanneer ieder woord, dat ik met aandrang ter wille van dit werk tot de
-Atheners sprak, tot een steen daarvoor was geworden, waarlijk, dan zou
-het reeds lang gereed voor onze oogen staan. Maar ook nu zien wij het
-eindelijk der voltooiing nabij.”
-
-„En was deze middelste muur inderdaad onmisbaar?” vroeg de oudste,
-terwijl hij op het werk een onverschilligen, vluchtigen blik wierp.
-
-„Dat was hij,” hernam de ander. „Veel te ver wijkt de oudere, linker
-muur af naar Phaleron [5]. Eene groote uitgestrektheid van het strand
-der haven bleef open. Nu eerst is de taak ten volle afgewerkt. Verjongd
-uit de asch van den brand des Perzischen krijgs verrezen, heeft de stad
-Pallas Athene [6], schitterend en machtig, gevoed door de cijnsen der
-Grieksche kunsten en eilanden, dezen arduinen gordel om haar leden
-geslagen, en is van nu af sterk genoeg, om de afgunst van Grieken,
-zoowel als den aanval van alle barbaren in het Oosten te trotseeren.”
-
-De man, die zoo tot zijn makker sprak, was Xanthippus’ zoon, de
-Alcmaeönide [7] Pericles, dien men den Olympiër noemde. Zijn metgezel
-echter was een beroemd beeldhouwer in metaal en marmer, Phidias
-geheeten. Het werk zijner handen was het reusachtige standbeeld der „in
-de voorste rijen strijdende Athene,” dat van den top der Acropolis [8]
-wijd schitterde in het Attische land en in de verte der zee, waar de
-naderende schippers de van goud fonkelende lansspitsen der Godin met
-blijdschap begroetten, als eerste kenteeken van het rechtsgebied van
-het „met violen omkranste Athenen.”
-
-Bijna van denzelfden vorm schenen de zich ver uitstrekkende rijen van
-arduin, maar zij hadden, door het licht van den Griekschen hemel
-beschenen, niets sombers. Eene levendige drukte heerschte daartusschen
-van alle kanten. Luid klonken de uitroepen, waarmede de drijvers de
-muildieren aanspoorden en in lange rijen gingen de rijk bevrachte
-dieren langs den weg van de haven naar de stad en van de stad naar de
-haven.
-
-Hier en daar reikte een olijfboschje tot vlak bij den weg, in welks
-groene toppen van tijd tot tijd een verfrisschend koeltje, van de golf
-overwaaiend, ritselde.
-
-Dan nam de beeldhouwer den breed geranden petasus [9] van het hoofd en
-liet het koeltje spelen om zijn hoog, kaal voorhoofd. De Olympiër
-echter stapte steeds moediger door, hield steeds vaster den blik op de
-galei gericht, die uit den boezem der baai nu toch langzamerhand de
-haven naderde.
-
-Nu zijn zij beiden niet verre van de zee gekomen. De haven is bereikt.
-Ook hier weidt het oog van den man, dien men den Olympiër noemt,
-bevredigd rond. Zijn werk is het grootendeels, wat zich daar aan ’t oog
-voordoet, iets nieuws voor het volk der Grieken van dien tijd: breede,
-statige, recht loopende straten. Hier prijkt de groote, met zuilenrijen
-omgevene marktplaats, die naar den naam van haar bouwmeester Hipodamus,
-van Milete, genoemd werd. Trapsgewijze verheffen zich ter linkerzijde,
-over het woud van zuilen van het Theater heen, aan de helling van den
-versterkten heuvel Munichia, de rijen der huizen en op den top van den
-heuvel prijkt schitterend het marmeren heiligdom van Artemis [10].
-Daaronder echter in de vlakte strekken zich tot aan de zee onafzienbaar
-ver de zuilenrijen uit; hier de prachtige Stoa [11] van Pericles, daar
-de ontzettende magazijnen, waar ontscheepte vrachten ten verkoop of tot
-verdere verzending zich bevonden, ginds de reusachtige bazar van de
-haven, de handelsbeurs, het „Deigma” [12] waar schippers en handelaars
-hunne waren ten toon stelden, waar zij hun accoord troffen.
-
-Tusschen deze zuilen, op deze steenterrassen staat de kloeke Griek, als
-op den bodem zijner kracht, verheugd omdat met het toenemen van het
-algemeen welvaren, ook zijn eigen welzijn toeneemt. Hier ontvangt hij
-uit de handen van den bevrienden zeegod den vollen hoorn aller gaven
-van het buitenland en ziet de laatste golfkringen van den Pontus [13],
-van den Nijl en van de Indische zee aan zijn strand in schuim
-vaneenspatten.
-
-Hier woelt het Grieksche volk van Pericles dooreen; schoone
-donkerbruine gestalten steken af tegen den achtergrond der witte
-marmeren zuilen. De hoofden der meesten zijn ontbloot, de sandalen ter
-nauwernood aan de voeten, het sobere, lichte gewaad, half doek half
-mantel, achteloos om de schouders geworpen,—maar toch in plastische
-schoonheid als bruine beelden van metaal, staan zij tusschen de zuilen.
-Doch levendig zijn hunne gebaarden en in het bonte mengelmoes van
-stemmen doen zij de klanken van het welluidend Grieksche taaleigen
-vernemen, vol energie in spraak en gebaarden en waardig tevens, als
-personen in het treurspel.
-
-Sinds de Athener na gelukkig gevoerde oorlogen de zee beheerschte,
-heeft hij geleerd zich te begeven naar de havenstad den Piraeus en zich
-te verrijken. Hij gaat naar den Piraeus en zoekt reeders voor
-overzeesche vaarten en ondernemingen op. Hij gaat naar de kassiers, de
-wisselaars, deponeert bij hen gelden of neemt ze in ontvangst en
-wanneer hij noch gelden te ontvangen noch te deponeeren heeft, zoo
-neemt hij eenige op. Want handel en vertier bloeien en de Athener kent
-de gelegenheden. Hij weet, wanneer het tijd is graan uit den Pontus te
-halen, of hout uit Thracië, of de papyrusplant uit Egypte, of tapijten
-uit Milete, of fijn schoeisel uit Sicyon, of druiven uit Rhodus. Hij
-weet ook waar zijn olijfolie, zijn honig, zijne vijgen, zijn metalen
-werken, zijn aardewerk gezocht en het duurst betaald worden. En de
-makelaar, de wisselaar geeft het geld zonder lang bedenken.
-
-De rentestandaard is hoog en voor rijke percenten kan men iets wagen.
-Zoo menige vrij gelatene, menige Pasio [14], menige Simo, menige
-Phormio zit thans tevreden achter zijn wisseltafel in den Piraeus, en
-gedraagt zich als een overheidspersoon, want men sluit bij hem
-contracten. Hij geeft twee talenten [15], zonder van gelaat te
-veranderen, en ontvangt even onverschillig twee talenten, wanneer men
-die bij hem neêrlegt. Hij schrijft de som en den naam van hem, die ze
-gedeponeerd heeft, in zijn boek en de zaak is afgedaan. Men vertrouwt
-op de eerlijkheid van Pasio en Pasio is eerlijk, zoolang ten minste als
-niet het voordeel eener oneerlijkheid opweegt tegen den in gevaar
-gebrachten naam zijner eerlijkheid.
-
-Thans zien de beide mannen de zee, zacht gerimpeld en smaragdgroen
-klotsend tegen de steenen terrassen. Open ligt voor hunne oogen de
-diepe ronde bocht van de zeehaven den Piraeus. Als wachters der
-zeepoorten bewaken twee geweldige torens ter rechter en ter linkerzijde
-den ingang. In tijden van gevaar kan eene ijzeren, reusachtige ketting
-ter versperring van den eenen toren naar den anderen gespannen worden.
-In tallooze menigte liggen in de bocht de ronde, dikbuikige
-handelsschepen voor anker; het strand ter linkerzijde echter is geheel
-bedekt met de hooge triëren [16] der Atheensche vloot, naar de gewoonte
-der Grieken, op het vaste land getrokken, ieder in hare bijzondere
-omheining, als monsters in hunne holen rustend, geweldige zeedraken,
-met phantastische snebben en met vinnen voorziene, in de hoogte zich
-verheffende staarten; en op de andere zijde van het Piraeische
-schiereiland bevinden zich nog veel meer van deze prachtige
-zeegedrochten, (in de krijgshavens Zea en Munichia) en daarachter
-strekken zich de zeearsenalen uit, waar het „want” der onttakelde
-schepen bewaard wordt, en verderop breiden zich de werven uit, waar
-onophoudelijk nieuw scheepsmateriaal gelost en onverpoosd nieuwe kielen
-gebouwd worden.
-
-Nu loopt het vaartuig, hetwelk de Olympiër op den weg naar den Piraeus
-zoo scherp in het oog had gehouden, de haven binnen. Het is het
-Atheensche staatsschip „Amphitrite.”
-
-Hoopen volks stormen naar de landingsplaats; in alle gaanderijen, op
-alle steenterrassen weerklinkt een gemompel van stemmen.
-
-„Daar is de Amphitrite—de Amphitrite met den schat van Delos!—de
-Amphitrite met de bondskas!—zoo heeft hij het doorgedreven, de slimme
-Pericles!—Wat zullen de bondgenooten daarvan zeggen?—Wat zij willen!
-Wij staan aan hun hoofd, wij beschermen hen, wij zenden onze triëren
-naar hunne kusten, wij voeren hunne oorlogen, daarvoor betalen zij de
-bondsgelden—wat wij overhouden, is ons eigendom.”
-
-De tonen van fluiten klinken van het vaartuig, terwijl het nadert. Op
-de Amphitrite werd, evenals op alle staatsschepen der Atheners, de
-riemslag naar den klank der fluiten bestuurd. Ook gezang klinkt van de
-roeibanken en daartusschen het geklater van de door tallooze riemen
-geslagen zee. Als goud schittert van de spits der scheepsnebbe het
-beeld van de zeegodin, naar welke het schip is genaamd. Schoon
-beschilderd blinkt de rand van het hooge boord in den zonneschijn. Het
-gezang en de muziek van fluiten werd overstemd door de heldere,
-vroolijke kreten der Atheners, welke de door het weêr gebruinde
-zeelieden op het schip krachtig beantwoordden.
-
-De klank der fluiten verstomt, de riemen bewegen zich niet meer, het
-schip ligt stil, er begint een gekraak van touwen, een gerammel van
-kettingen, een heen- en wederloopen aan boord; het anker wordt
-uitgeworpen, de zeilen worden gereefd, een trap wordt van den oever
-naar het schip gelegd. Eenige Atheensche overheidspersonen staan voor
-aan het uiterste van het strand. Hen nadert Pericles de Olympiër, en
-spreekt eenige woorden. De klank zijner stem heeft iets eigenaardigs,
-iets wondervols. Die hem nog niet herkend hebben, herkennen hem nu.
-Niet alle Atheners zagen nauwkeurig zijne gelaatstrekken in de
-volksvergadering op de Pnyx [17]. Maar allen hoorden, allen kennen
-zijne stem. Eenigen van de overheidspersonen begeven zich nu over de
-trappen aan boord van het schip.
-
-Na eenigen tijd worden uit de diepte van het ruim een paar met ijzer
-beslagene, goed bewaarde vaten geheschen en aan land gebracht, waar een
-span muildieren voor den zwaren last gereed staat. De Triërarch [18]
-komt aan land en spreekt met Pericles.
-
-Het is een gouden schat, welke de „Amphitrite” onder de oogen van het
-vol deelneming gespannen Atheensche volk op de blauwe zeegolven
-aandroeg. Het is de schat van het Atheensche Bond. Hij komt uit Delos,
-de „Ster der Zee”, naar het machtige Athene, welke, op aansporing van
-Pericles, niet meer als Bondschat zal beheerd worden, maar in ontvangst
-genomen als cijnsen der steden en eilanden.
-
-Om gouden schatten zweeft iets huiveringwekkends, een schemerlicht, een
-adem van onzekerheid die bewuste verwachtingen ontvlamt, een onbewuste
-angst doet binnen sluipen. Het bare goud wordt gemunt, maar ook de munt
-wordt in de hand van den eigenaar weder omgemunt. Zij verandert onder
-iederen vinger, die haar aanraakt. Den eenen wordt zij ten zegen, den
-anderen ten vloek. En zóó ook deze schat van Delos, waarop de oogen van
-de schare der Atheners vol verwachtingen zijn gevestigd—wie weet, of er
-meer zegen dan vloek uit zal voortkomen, of er meer genot dan berouw
-voor gekocht zal worden, of er meer blijvends dan vergankelijks
-daarmede tot stand zal worden gebracht? Wie kent de winden, die uit
-deze Aeölusharp zullen waaien?
-
-„Met dit goud zou men Athene tot den onbedwingbaren burg van Hellas
-[19] kunnen maken!” dachten eenige der magistraten, die Pericles
-omgaven.
-
-„Met dit goud zou men de zeemacht van Athene kunnen versterken, Sicilië
-en Aegypte veroveren, de Perzen beoorlogen, Sparta onderdrukken!” dacht
-de Triërarch.
-
-„Met dit goud kon men ons de gelden voor feesten en schouwspelen
-betalen!” dacht het volk, dat de steenterrassen van de haven vulde.
-
-„Van dit goud kon men de heerlijkste tempels bouwen, de schitterendste
-standbeelden oprichten,” dacht de peinzende beeldhouwer aan de zijde
-van Pericles.
-
-En Pericles, de Olympiër zelf?—In zijn hoofd, en in het zijne alleen,
-waren alle deze gedachten vereenigd....
-
-Het muildierspan, dat bestemd was, om de gouden vracht van de haven
-naar de stad te brengen, zette zich in beweging. De schare der Atheners
-verdrong zich daarachter en nadat het gedrang had opgehouden, namen ook
-Pericles en Phidias den terugweg aan. Daar het grootste deel van het
-volk den schat nastroomde, zoo was daarachter de weg van den Piraeus
-tamelijk ledig en enkele figuren konden gemakkelijk in het oog vallen.
-
-Op de marmeren zerk van een der grafteekenen, welke aan den kant van
-den weg zich bevonden, zaten twee mannen in een levendig gesprek
-verdiept. Het gelaat van den eenen vertoonde de opgeruimde waardigheid
-van den wijze; somber waren de trekken van den anderen en uit zijne
-vurige oogen sprak eene dweepzieke eigenzinnigheid. De eerste groette
-Pericles, die hem voorbij ging, met een vertrouwelijken lach, de
-andere, met het sombere gelaat, wierp hem een scherpen blik uit
-vijandige oogen toe.
-
-Weder waren de beide mannen een eind verder gekomen, toen zij een
-jongen man, in nadenken verzonken, zagen staan. Hij scheen de wereld om
-zich heen vergeten of onder de voeten verloren te hebben, en er over na
-te denken, waar hij een nieuwe konde vinden. Hij had eigenaardige,
-juist geene liefelijke trekken en staarde met onafgewenden blik naar
-den grond.
-
-„Een van mijne steenhouwers!” zeide de ernstige Phidias tot zijn
-metgezel, terwijl hij in het voorbijgaan den peinzende op den schouder
-klopte, als om hem wakker te schudden; „een brave, maar wonderlijke
-knaap. Hij werkt een dag lang ijverig in mijne werkplaats, en den
-volgenden is hij verdwenen. Zoo peinzend daar te staan is zijne
-gewoonte.”
-
-Niet verre van den peinzende zat een lamme, kreupele man aan den weg
-ineengedoken, een bedelaar met een wonderlijk grijnzend gezicht. De
-goedhartige Pericles wierp hem een goudstuk toe. De kreupele bedelaar
-echter verwrong zijn grijnzend gelaat nog meer en scheen iets als een
-scheldwoord tusschen de tanden te mompelen.
-
-Toen de twee mannen ongeveer de helft van den weg afgelegd hadden, en
-uit een olijfboschje, hetwelk den weg een eind als omzoomde, te
-voorschijn traden, rees de Acropolis van de stad voor hen op en men zag
-het reusachtige metalen beeld van „Athene Promachos” [20], in den glans
-der avondzon schitteren. Men zag haar gehelmd hoofd, men zag de
-opgestoken lans en het groote schild, waarop haar linker hand rustte.
-Ook fonkelde van de helling van den berg, oogverblindend, een gouden
-Gorgonenhoofd [21], dat een bemiddeld Athener daar als wijgeschenk had
-geplaatst.
-
-Van dit oogenblik af aan greep eene zeldzame verandering plaats in het
-wezen van den beeldhouwer. Hij scheen nu geheel met zijn metgezel van
-rol verwisseld te hebben. Evenals toch deze op den weg van de stad naar
-de haven met opgewekten zin en vurigen blik naar een doel in de verte
-gestaard had, zijn metgezel echter ernstig, zwijgend, bijna
-onverschillig naast hem was voortgeschreden, zoo had nu omgekeerd op
-den terugweg de beeldhouwer met haastigen tred en vurigen blik
-onafgewend zich naar de Acropolis gericht, terwijl zijn metgezel
-bedaard en schier vermoeid naast hem voortstapte. Het was de aanblik
-zijner Godin, na hetgeen hij in den Piraeus gezien had, die hem
-eigenaardig opwekte. Daar was hem de praal van het nuttige voor oogen
-gekomen: het gewemel van de haven, het geschreeuw van kijvende
-makelaars, de geweldige, maar in hare groote eentoonige
-zuilengaanderijen, welke op tempels zonder Goden geleken, eindelijk de
-door den nevelachtigen adem van het „onzekere” omhulden gouden schat:
-dat alles had zijne kunstenaarsziel bijna verduisterd. Hij moest het
-zijn gang laten gaan, maar het verstoorde zijne reeks van
-onverwezenlijkte, ideale, schitterende scheppingen, waarmede zijn ziel
-vervuld was. Thans, nu de Acropolis voor hem opdoemde, scheen hij
-veranderd en liet zóó peinzend, zóó vol nadenken en als ’t ware metend
-zijn onafgewenden blik over de blinkende hoogte van de Acropolis
-zweven, dat Pericles hem reeds naar de oorzaak zijner overpeinzingen
-wilde vragen.
-
-„Vader!” zei op dit oogenblik een knaapje tot een ouderen man, onder
-wiens geleide het onmiddellijk vóór Pericles en Phidias op den weg liep
-met de donkere oogen onafgewend naar de Acropolis ziende: „Hebben de
-Atheners geheel alleen de stedebeschermende Godin Pallas op hun burg,
-of woont zij ook bij andere menschen?”
-
-„Ook de Rhodiërs,” antwoordde de man het knaapje, „wilden haar bij zich
-op hun burg hebben, maar hun gelukte het echter niet.”
-
-„Is Pallas Athene op hen vertoornd?” vroeg het knaapje verder.
-
-„De Atheners op het vaste land en in de zee de Rhodiërs dongen naar de
-bescherming van de Godin. Genen zoowel als dezen maakten een offerfeest
-gereed op hun burg, om de gunst van Pallas te winnen. Maar de Rhodiërs
-waren achteloos; zij beklommen hun burg, doch toen zij het offer wilden
-brengen, hadden zij geen vuur. Zoo brachten zij geen betamelijk, maar
-een koud offer, terwijl bij de schrandere Atheners vuur en vetdamp
-vroolijk flikkerde en opsteeg over de rotsen van de Acropolis. Daarom
-gaf Pallas Athene den Atheners de voorkeur. Maar de Rhodiërs hielden
-aan bij Zeus en om hen schadeloos te stellen, goot hij van den hemel
-een gouden regen naar beneden, die hunne straten en huizen vulde.
-Deswege verheugden zich de Rhodiërs en troostten zich daarmede, en
-plaatsten op hun burg den God des rijkdoms, Plutus.”
-
-Deze vertelling, welke de man het knaapje deed, trof het oor der beide
-mannen, die achter hen liepen. Phidias glimlachte even en wendde zich
-na een oogenblik stilzwijgens tot zijn metgezel met deze woorden:
-
-„Pericles, het komt mij voor, dat de tijden veranderd zijn en dat wij
-weldra zullen doen als de Rhodiërs. Denkt gij er ook niet aan, Plutus
-op den burg te plaatsen?”
-
-„Vrees niets!” hernam Pericles lachend. „Zoo lang de zee het Attische
-strand bespoelt, zal het metalen beeld uwer Godin heerschend uitsteken
-op de Acropolis der Atheners!”
-
-„Maar onder de puinhoopen der tempels,” hernam Phidias. „Half woest
-ligt nog steeds de rots van den burg, zooals hem de brandende hand der
-Perzen heeft gelaten. Laat toch de zuilbrokken en puinhoopen wegruimen
-en bouw daarmede uwe havendammen en lange muren verder: want wat de
-Pers in de stad vernielde, dat bouwt gij toch slechts in den Piraeus
-weder op!”
-
-Op dit oogenblik keerde zich de man, die het knaapje geleidde, om, daar
-hij het geluid der sprekenden achter zich vernam, en hij herkende
-Pericles; deze beantwoordde vriendelijk zijn groet, want hij kende hem
-sedert langen tijd en was zijn gastvriend geweest, toen gene nog in
-Syracuse leefde.
-
-„Uw gesprek en dat van uw zoontje Lysias, mijn beste Cephalus,” zeide
-hij tot den man, „heeft onzen Phidias hier zooeven aanleiding gegeven
-mij heftig aan te vallen.”
-
-„Hoe zoo?” vroeg Cephalus.
-
-„Wij komen uit den Piraeus,” vervolgde de Olympiër, „en reeds daar was
-onze vriend, de lieveling van Pallas Athene, bijna in eene slechte
-luim. Hij zou wel altijd onder godengestalten willen verkeeren. Hij
-haat de lange muren, de breede zuilengaanderijen, de balen koopwaren,
-de pakken, de vaten, de geiteleeren zakken; het geschreeuw der
-makelaars in den Piraeus heeft zijn gehoorvlies verscheurd. Hij zal,
-wanneer hij door de poort de kromme, onaanzienlijke straten der oude
-Atheensche stad weder binnengetreden is, met een verlicht hart zich het
-stof van den weg naar de haven van zijne voeten afschudden.
-
-„Maar zeg toch,” ging Pericles, tot den beeldhouwer zich keerend,
-voort, „wat staart gij zoo vol gedachten en onafgewend naar de hoogte
-der Acropolis? Is het het gezicht van uwe Godin, dat u bezielt—van uwe
-gehelmde, lansslingerende Promachos?”
-
-„Weet,” hernam Phidias, „de gehelmde, lansslingerende Promachos is
-sedert geruimen tijd in mijne ziel verdrongen door eene Pallas Athene
-des vredes; door eene Pallas, die niet meer kampt met kletterend
-metaal, maar rustig en toch zegevierend met haar blinkend
-Gorgonenschild [22] de geboorten van den nacht versteent. Wanneer ik nu
-mijn blik op de hoogte van de Acropolis richt, zoo weet, dat ik daar
-dit beeld, in mijn geest gerijpt, plaats en dat ik een heerlijk,
-schitterend feestelijk huis daarover welf; dat ik den gevel en den
-fries van dat huis met honderdvoudig beeldwerk tooi en dat ik zelfs van
-verre schitterende, prachtige portalen bouw, van den kant, waar de
-feestelijke optocht der Panathenaeën [23] henen trekt. Maar vrees niet,
-dat ik goud en elpenbeen voor die Pallas Athene des Vredes, en marmer
-voor dat heiligdom van u zal afsmeeken—neen—ik bouw en versier zoo maar
-in gedachten—maak u niet ongerust!”
-
-„Zóó zijn zij allen, de kunstenaars en de dichters,” zei Pericles,
-bijna gekrenkt door den spottenden toon van zijn vriend. „Gij weet
-niet, dat het schoone slechts de bloesem is van het nuttige. Gij
-vergeet, dat het volkswelzijn op vaste grondslagen moet gebaseerd zijn
-en dat de volle bloei der kunst zich slechts in rijke, machtige staten
-ontplooit. Onze Phidias is op mij verstoord, omdat ik een paar jaren
-lang aan koornbeurzen in den Piraeus en aan den langen middelmuur
-gebouwd heb, in plaats van den tempel van de Acropolis weder op te
-richten, en omdat ik het niet geheel alleen aan de heerschende lans
-zijner metalen Godin op den burg overlaat, om ons tegen iederen vijand,
-die te land en ter zee ons kan bedreigen, te beschermen.”
-
-Phidias hief het hoofd beleedigd op, en wierp een donkeren blik op
-Pericles. Deze echter beantwoordde den blik van den beleedigden met een
-verzoenenden glimlach en ging voort, terwijl hij de hand van zijn
-vriend greep: „Kent gij mij zóó weinig, dat gij mij in ernst voor een
-vijand en bespotter der goddelijke beeldende kunst moogt houden? Ben ik
-niet de vriend en bezielde aanmoediger van al het schoone?”
-
-„Ik weet het,” zeide Phidias, nu op zijn beurt sarkastisch lachende.
-„Ik weet het, gij zijt de vriend van het schoone. Een blik in de oogen
-der schoone Chrysilla....”
-
-„Niet dat alleen,” viel Pericles snel in en vervolgde op ernstigen
-toon:
-
-„Gelooft mij, mijne vrienden, wanneer de staatszorgen mij drukken, en
-nevens die van den staat mijne eigene, wanneer menige tegenwerking mij
-hindert, menige tegenspraak mij verbittert, wanneer ik ontstemd uit de
-vergadering der Atheners terugkeer, bijna verstoord door de straten
-wandel, zoo is dikwijls eene kleine zuilengalerij, die door schoone
-evenredigheden mijn oog bekoort, of een beeld aan den weg, met fijnen
-geest ontworpen, in staat mij af te leiden en mij in betere stemming te
-brengen, en ik herinner mij niet, dat ik ooit eene smart heb
-ondervonden, die niet door het voorlezen van een gezang uit Homerus ten
-minste gelenigd is geworden.”
-
-De vrienden waren thans door de poort de stad binnen getreden. Hier
-schenen de straten nauwer, de woonhuizen minder statig dan in den
-Piraeus. Maar het was het echte Athene. Het was heilige grond.
-
-Toen Phidias reeds in de nabijheid van zijn huis was gekomen, zeide hij
-tot Pericles en Cephalus: „Wanneer gij tijd en lust hebt, bij mij nog
-even binnen te komen, dan zult gij een belangrijken wedstrijd in mijne
-werkplaats door uwe uitspraak kunnen beslissen.”
-
-„Gij prikkelt onze nieuwsgierigheid,” hernam Pericles.
-
-„Gij herinnert u toch,” vervolgde Phidias, „het marmerblok, ’t welk het
-Perzische leger over zee met zich mede voerde, om, na onze
-onderwerping, een Perzisch zegeteeken, uit Perzisch marmer gehouwen, in
-Hellas op te richten, en dat, toen de barbaren verslagen waren, op het
-slagveld van Marathon [24] in onze handen viel. Na menige omzwerving
-kwam het kostbare blok in mijne werkplaats terecht, en, zooals u bekend
-is, Pericles, wenschten de Atheners, dat daaruit een beeld van de
-Cyprische Godin [25] gebeiteld werd, om de Tuinen daarmede te
-versieren. Geen mijner leerlingen hield ik er beter voor geschikt, dat
-Agoracritus van Paros [26], om door de voltooiing van zulk een beeld
-zich roem te verwerven, en zoo vertrouwde ik hem, op zijn verlangen,
-het marmerblok toe, waaruit hij nu een voortreffelijk werk vervaardigd
-heeft. Maar, een ander van mijne beste leerlingen, de eergierige
-Alcamenes, benijdde Agoracritus het blok en den roem van zijn arbeid en
-waagde het, in wedijver met den Pariër, mijn lieveling, zooals hij hem
-noemt, een marmeren beeld van dezelfde Godin te ontwerpen. Nu is het
-beeld van beide jongelingen voltooid en een groot aantal kunstlievende
-mannen is heden in mijn huis bijeen gekomen. Wanneer gij u bij hen
-wildet voegen, welk een spoorslag zou dat voor die beiden zijn! Komt en
-ziet, hoe verschillend het ideaal van het goddelijk wezen zich in de
-ziel van beide jonge mannen heeft afgespiegeld!”
-
-Niet lang bedachten zich Pericles en Cephalus. Zij knikten toestemmend
-en traden met gespannen verwachting het huis van Phidias binnen.
-
-Zij vonden hier reeds vele kunstkenners bijeen. Daar waren onder
-anderen de Milesiër Hippodamus, Antiphon, de redenaar, Ephialtes, de
-bij het volk geliefde aanhanger en medehelper van Pericles, de
-bouwmeester van den langen middelmuur en Ictinus [27], een bouwmeester
-van groote geleerdheid en juisten kunstsmaak, de intieme vriend van
-Phidias.
-
-Toen deze mannen en de nieuw aangekomenen elkander hadden begroet,
-bracht de meester hen in een der ruimste vertrekken van zijn huis.
-
-Daar verhieven zich op een voetstuk naast elkander twee
-hooguitstekende, omhulde marmerblokken. Een bont doek was, om het
-witte, schitterende marmer, tegen stof en bezoedelingen te bewaren,
-daar over heen geworpen. Een slaaf trok nu, op een wenk van Phidias,
-het doek weg. Toen deden zich de beide schitterende beelden in hun
-machtig edel gevormde lijnen aan de blikken der beschouwers op, die
-daar vóór bijeen stonden.
-
-De mannen staarden langen tijd en zonder een woord te spreken de beide
-beelden aan. Op hunne trekken stond een eigenaardige, overweldigende
-indruk te lezen. Het was klaarblijkelijk dat de merkwaardige
-verscheidenheid der beelden hen getroffen had.
-
-Het eene vertoonde eene vrouwelijke gestalte van verhevene schoonheid
-en bovenmenschelijken adeldom. Zij was omkleed en haar gewaad golfde in
-breede, schoon vallende plooien tot op de enkels af. Slechts een der
-beide borsten was onbedekt gelaten. De uitdrukking was strak en streng:
-niets vrouwelijks was er in de trekken, niets weelderigs in de
-ledematen, niets bevalligs in de houding. En toch was het schoon. Het
-was een strenge, eene rijpe en toch jonkvrouwelijke schoonheid. Het was
-Aphrodite zonder den geur van Crocus- en Hyacynth-bloesems, waarmede de
-later geboren Chariten [28] en boschnymfen van den Ida [29] de Goden
-omkransten. Zij verspreidde nog geen welriekende geuren en geen
-glimlach plooide nog hare lippen.
-
-Zoo lang de omstanders alleen dit beschouwden, misten zij niets. Een
-door alle Gratiën en liefdegoden omgeven Cypris was tot nu toe nog niet
-in den geest der Grieken gerijpt.
-
-Zooals zij daar stond, de uit het schuim geborene, door de hand van
-Agoracritus gebeiteld, was haar ideaal dat der vaderen.
-
-Zoodra de beschouwer intusschen van dit beeld een tijd lang den blik
-gevestigd had op dat van Alcamenes, werd hij door eene soort van onrust
-aangegrepen; en wanneer hij dan tot het eerste beeld wilde terugkeeren,
-was het hem alsof het minder begrijpelijk was dan straks, en alsof hij
-den maatstaf voor de juiste waardeering daarvoor verloren had. Het was
-geheel iets nieuws, wat zich aan de blikken dier mannen voordeed. Nog
-konden zij niet zeggen, of hun dat nieuwe beviel. Nog wisten zij niet,
-of het recht had hun te behagen. Dit slechts stond vast, dat hun het
-vorige daarnaast thans minder voldeed.
-
-Hoe vaker echter de blik van het beeld van Alcamenes naar dat van
-Agoracritus, en van dit naar het andere dwaalde, des te langer bleef
-hij op dat van Alcamenes rusten.—Wat daarin met zulk eene heimelijke
-betoovering werkte, was de macht eener bekoorlijkheid, eener bezieling,
-van eene frischheid en eenvoud, zooals de beitel der Grieksche meesters
-tot nog toe nog niet bereikt, waarnaar hij niet eens had gestreefd.
-
-Van allen bleef niemand, niemand met zoo vurige oogen aan de vormen,
-welke Alcamenes hier ten toon had gesteld, hangen, als Pericles.
-
-„Dit werk,” sprak hij na eenigen tijd, „herinnert mij bijna het
-standbeeld van Pygmalion [30]; het schijnt bezield te zijn en juist op
-het punt, om van het strakke marmer in een levend wezen, met warm bloed
-in de aderen, te verkeeren.”
-
-„Ja waarlijk,” riep Cephalus, „het werk van Agoracritus tintelt van den
-geest van zijn meester Phidias, ja overtreft het in ernst. In het beeld
-van Alcamenes echter schijnt mij eene vonk te gloren uit eene vreemde
-smidse, die het met een zeldzaam, eigenaardig leven doorgloeit.”
-
-„Welke nieuwe geest is in u gevaren, wakkere Alcamenes,” riep Pericles
-uit, „daar toch tot hen uwe wijze van die van Agoracritus nauwelijks
-kon onderscheiden worden? Hebt ge soms de Godin in een droom gezien?
-Weet ge, dat ge mij in eene verrukking hebt gebracht, zooals nog nooit
-een beeld heeft vermocht?”
-
-Alcamenes glimlachte. Doch Phidias vestigde nu, als door eene
-plotselinge gedachte bezield, een scherpen blik op het werk van
-Alcamenes en scheen de omtrekken, de vormen van enkele leden onder den
-invloed dier gedachte te bestudeeren.
-
-„Geen droombeeld,” sprak hij eindelijk, „schijnt mij toe in dit marmer
-belichaamd te zijn, maar veel bekoorlijks uit de zinnelijke
-werkelijkheid opgenomen, om het beeld der Godin daarmede te tooien. Hoe
-langer ik de slankheid van dit geheele beeld, het teedere en toch
-weelderige van dezen boezem en van deze heupen, de eigenaardige
-fijnheid van dezen spits toeloopenden vinger en bekoorlijk gebogen
-handgewrichten beschouw, des te sterker gevoel ik eene vrouw in mijne
-herinnering teruggeroepen, die wij een paar malen in dit huis hebben
-gezien.”
-
-„Het is, zoo al niet het gelaat, dan toch de gestalte van de
-Milesische!” riep een ander der leerlingen van Phidias, naderbij
-tredende; en alle leerlingen naderden de een na den ander eerst het
-beeld en riepen toen elkander aanziende uit één mond: „ongetwijfeld;
-het is de Milesische.”
-
-„Wie is die Milesische?” vroeg Pericles haastig en in spanning.
-
-„Wie zij is?” zeide Phidias glimlachend: „gij hebt haar reeds eens
-gezien—heden—weinige uren geleden—een oogenblik slechts heeft de glans
-harer schoonheid u getroffen.—Overigens vraag het Alcamenes.”
-
-„Wie zij is?” herhaalde nu de vurige Alcamenes. „Een zonnestraal is
-zij, een dauwdroppel, eene schoone vrouw, een roos, een verkwikkende
-Zephyr. Wie zal een zonnestraal naar zijn naam en afkomst vragen?
-Misschien weet Hipponicus wat anders van haar te zeggen. Hij heeft haar
-als gast in zijn huis gehuisvest.”
-
-„Eens kwam zij met Hipponicus hier in deze werkplaats,” zeide Phidias.
-
-„Met welke bedoeling?” vroeg Pericles.
-
-„Om dingen te zeggen,” hernam Phidias, „zooals ik nog nooit uit den
-mond eener vrouw vernomen heb.”
-
-„Derhalve is zij de gast van Hipponicus?” vroeg Pericles.
-
-„In een klein huis, dat hem toebehoort,” zeide Phidias, „’t welk
-tusschen zijn woonhuis en dit is gelegen. Sedert echter de Milesische
-in dat huis vertoeft, is er een zonderlinge geest in dezen geheelen
-zwerm gevaren.”
-
-„Hoe dat?” vorschte Pericles.
-
-„Sinds dien tijd,” hernam Phidias, „is de suffer, dien ge op de straat
-aan de haven eenzaam hebt zien staan, peinzend voor zich starend, nog
-veel droomeriger geworden, en wat Alcamenes betreft, hij behoort tot
-diegenen, die ik het meest boven op het platte dak van het huis
-aantrof, vanwaar men in het peristylium [31] van het aangrenzende huis
-neerziet, en werwaarts zij van hun werk heensluipen, nu eens onder
-voorwendsel een ontsnapte vogel of aap op te vangen, dan weder om in de
-avondlucht zittende zich te verfrisschen, omdat hun, naar zij zeggen,
-het bloed zoo geweldig naar het hoofd steeg—inderdaad echter, om het
-snarenspel der Milesische te kunnen hooren.”
-
-„En dezer toovenares dus,” zei Pericles, „heeft onzen Alcamenes hare
-bekoorlijkheden afgezien, die ons hier zelfs in het marmer verrukken?”
-
-„Hoe het zich toedroeg, kan ik niet zeggen!” hernam Phidias. „Misschien
-heeft de suffer voor koppelaar gespeeld; want hij schijnt op een
-vertrouwelijken voet met haar te staan. Deze zonderlinge knaap toch
-heeft zich voorgenomen een Eros [32] te beitelen en houdt het voor dit
-doel noodig vooraf goed bekend te zijn met het wezen van dezen God en
-zich er volkomen vertrouwd mede te maken. Want zoo is nu eenmaal zijne
-manier: hij tracht nooit naar de dingen zelven, maar steeds naar hun
-begrip, naar waarheid en wijsheid, zooals hij zegt; daarom noemen wij
-hem ook altijd den vriend der wijsheid en zoeker naar waarheid. Thans
-streeft hij naar het zuivere begrip van liefde en wil zich daarin door
-zijne schoone Milesische vriendin doen onderwijzen.
-
-„Deze laat, naar het schijnt, den zonderling begaan en ik heb haar eens
-een uur lang, in dezen tuin op een steenklomp zittende, met hem zien
-spreken. Heeft nu werkelijk niet alleen hij, maar ook Alcamenes, van
-het geheime onderricht van de Milesische genoten, zoo moge hij ook
-voortaan op dezen weg zijn heil zoeken. Moge hij voortgaan meer van
-schoone vrouwen te leeren, dan van de meesters zijner kunst.”
-
-„Wat hier voor uw blik zich vertoont,” riep Alcamenes opstuivend op
-deze spottende taal van Phidias, „is het werk mijner handen; de
-berisping, die het ondervindt, neem ik op mij, en den lof, dien men het
-toezwaait, behoef ik met niemand te deelen!”
-
-„Ei wat,” riep Agoracritus met donkeren blik; „met de Milesische hebt
-gij dien te deelen! Heimelijk sloop zij naar u toe!”
-
-Een donkere blos kleurde Alcamenes’ wangen.
-
-„En gij?” riep hij, „wie sloop naar u toe? Meent ge, dat wij het niet
-weten? Phidias zelf was het, de meester, die ’s nachts heimelijk in uw
-werkplaats kwam, om de laatste hand aan het werk van zijn lieveling te
-leggen.”
-
-Nu kleurde eene donkerroode kleur Phidias’ gelaat, hij wierp een
-gramstorigen blik op den vermetelen leerling en wilde iets antwoorden.
-
-Maar Pericles trad tusschen beiden en sprak verzoenend:
-
-„Geen twist, voortreffelijke mannen! Het zij, zooals gij zegt; naar
-Alcamenes is de Milesische, naar Agoracritus is Phidias geslopen. Laat
-ieder leeren waar en op welke wijze hij kan en laat niemand zijn naaste
-het schoone benijden, dat hem door de gunst der Muzen [33] of der
-Chariten of door welke andere Godheden ook ten deel is gevallen.”
-
-„Ik heb het nooit versmaad iets van Phidias te leeren,” zeide
-Alcamenes, die het eerst van hun drieën zijne kalmte herkregen had;
-„maar ook van de levende werkelijkheid de schoonheid af te zien, is het
-werk van een verstandigen kunstenaar; en, laat mij het eerlijk
-bekennen, mij komt eene Milesische of in ’t algemeen eene dochter van
-de levenslustige Ionische kusten beter in staat voor, aan het vorschend
-oog van den kunstenaar de geheimen der schoone kunst te ontdekken, dan
-de vrouwen en jonkvrouwen van ons Attische land. Het is niet hetzelfde
-hoe de kunstenaar de vrouw ziet; of ze in bloode schaamte den worm
-gelijk is, die schijnt in zich zelven weg te kruipen, dan of ze de
-bloeiende schoonheid harer vrouwelijkheid in vrije bekoorlijkheid
-ontplooit. Onze Atheensche vrouwen brengen haar leven in strenge
-afzondering, in hare vrouwenvertrekken bewaakt, door. Wil men den
-vrijen blik eener vrouw genieten, die het verstaat, zonder blooheid en
-zonder onbeschaamdheid door hare geheele bekoorlijkheid te verrukken,
-dan moet men tot deze Ionische, deze Lydische vrouwen gaan, die van
-gindsche kusten komende en tegelijkertijd een adem van de schoone
-ongedwongenheid van hare inheemsche dartele feesten met zich brengende,
-de vroolijke wet der schoonheid en der zinnelijke vreugde verkondigen.”
-
-Velen der aanwezigen waren het met Alcamenes eens, en prezen hem
-gelukkig, dat hij de gunst had verworven van een vrouw, als de
-Milesische.
-
-„De gunst?” vroeg Alcamenes. „Ik weet niet wat gij bedoelt; de gunst
-dezer vrouw heeft hare grenzen.... Vraagt het maar eens aan dien
-droomer, den waarheidzoeker, haar vriend.”
-
-Zoo sprak Alcamenes en wees op den jongen beeldhouwer, die straks op de
-straat naar den Piraeus zoo peinzend had gestaan en, inmiddels
-teruggekeerd, het vertrek was binnengetreden. Alle aanwezigen keken op
-deze woorden van Alcamenes naar den droomer en glimlachten; want zij
-vonden in zijn uiterlijk niets, wat hun voorkwam, den omgang en de
-vriendschap der Milesische waardig te zijn. Hij had een stompen neus en
-zijn geheele uiterlijk was niet dat van een welgevormden Griek. Wel is
-waar, de glimlach om zijn mond was, trots de dikke lippen, fijn, en
-wanneer zijne oogen niet nadenkend, star op één punt gericht waren,
-keken zij vroolijk en boezemden zij vertrouwen in.
-
-„Wij raken van ons onderwerp af,” merkte Phidias nu op. „Alcamenes en
-Agoracritus wachten nog steeds ons oordeel af. Voorloopig schijnt het,
-dat we het hierover eens zijn dat Agoracritus eene Godin, Alcamenes
-eene schoone vrouw gebeiteld heeft.
-
-„Nu,” sprak Pericles, „ik geloof waarlijk, dat onze Alcamenes niet
-alleen, maar ook onze Agoracritus, de onsterfelijken zullen vertoornen,
-omdat zij toch beiden van onzen meester Phidias geleerd hebben, wanneer
-zij een goddelijk wezen willen scheppen, de menschelijke gedaante tot
-in hare fijnste aderen, na te gaan. In den grond zijt gij beeldhouwers
-toch allen aan elkander hierin gelijk, dat gij voorgeeft Goden te
-vormen, in wie wij inderdaad iets goddelijks meenen te zien en aan te
-staren: wanneer we echter nauwlettender toezien, dan bevinden wij, dat
-dit goddelijke slechts de reinste schoonheid en volkomenheid van het
-menschelijke is, en dat ook de aetherische Godengestalte slechts eene
-samenvoeging is van menschelijke polsen, spieren, zenuwen en
-vaatbundels. Hoort nu ook eens de meening van dien tweeden leerling, uw
-droomer daar over, de Milesische! Ook hij is gerechtigd, zijne meening
-daaromtrent te zeggen.”
-
-„Wat meent ge,” riep Alcamenes den droomer toe, „is de natuur van den
-mensch goddelijk?”
-
-„Wat Homerus en Hesiodus [34] betreft, en de andere dichters,” zeide de
-droomer, „zoo herinner ik mij, dat zij de zee en de aarde en alle
-mogelijke dingen goddelijk noemen; het zou mij daarom verwonderen,
-wanneer de menschelijke natuur ook niet met hare zenuwen, spieren en
-aderen goddelijk was. Pindarus [35] schijnt mij zelfs nog verder te
-gaan, wanneer hij zingt: „Eén is van den beginne af het geslacht der
-Goden en der stervelingen!” En ik herinner mij dat ik eens den wijsgeer
-Anaxagoras [36] kort en bondig heb hooren zeggen, dat al wat is, levend
-is en wat leeft goddelijk is. Wilt gij echter naar deze Ouden niet
-hooren, zoo vraagt het aan de schoone Milesische.”
-
-„Ik geloof,” hernam Pericles, „dat wij allen niet ongezind zouden zijn
-dezen raad te volgen, wanneer wij slechts wisten hoe wij gedaan konden
-krijgen, om de Milesische tot beslechting dezer zaak hier te doen
-komen. Kan soms Phidias ons dezen dienst bewijzen, of wil Alcamenes ons
-het geheim openbaren, hoe men deze schoone raadpleegt, of zullen wij
-tot den droomer ons wenden?”
-
-„Ja, tot den droomer!” riep Alcamenes levendig. „Ik wed, dat deze, als
-hij wil, ons de Milesische nog heden uit het huis van Hipponicus, als
-eene slang uit hare schuilplaats door tooverzangen en bezweringen,
-hierheen zal lokken!”
-
-„Wanneer Alcamenes zelf ons naar hem verwijst,” zeide Pericles, „zoo is
-hij wel de rechte man en niemand anders, die ons in deze zaak kan
-helpen. Maar wat kunnen we den man beloven, opdat hij medelijden met
-ons moge hebben en heenga, om de Milesische tot ons te lokken?”
-
-„Het zal zoo heel veel moeite niet kosten,” hernam de droomer, „iemand
-te bewegen hier binnen te treden, die reeds als ’t ware wachtende,
-achter de deur staat.”
-
-„Is de Milesische derhalve in onze nabijheid?” vroeg Pericles.
-
-„Toen ik straks,” vervolgde de droomer, „van mijne wandeling naar den
-Piraeus terugkeerde, en, door de achterdeur dit huis binnen willende
-treden, vlak langs de heining van den tuin van Hipponicus kwam, zag ik
-de Milesische tusschen de bloembedden en de bloeiende struiken staan,
-terwijl zij een tak van een laurierboom afplukte. Ik vroeg haar welken
-held of wijze of kunstenaar zij met dezen tak dacht te versieren? Zij
-zeide, dat hij bestemd was voor dengene der beide voortreffelijkste
-leerlingen van Phidias, die heden, naar de uitspraak van kunstrechters,
-als overwinnaar uit den wedstrijd zou te voorschijn treden. „Gij wilt
-derhalve het geluk van den overwinnaar oneindig vergrooten?” zei ik,
-„zoek toch den overwonnene ook eenigszins te troosten!”—„Goed,”
-hervatte de Milesische, „men moet ook medelijden hebben met den
-overwonnene; ik zal voor hem eene roos plukken.”—„Eene roos,” hernam
-ik, „is dat niet wat te veel? Zijt gij zeker, dat dan de overwinnaar
-den overwonnene niet benijdt?”—„Zoo moge de overwinnaar kiezen,” riep
-zij; „daar, neem den lauriertak en de roos en reik ze hem over.”—„Zoudt
-gij ze hem niet liever zelve overhandigen?” vroeg ik. „Meent ge dat
-waarlijk,” hernam zij. „Voorzeker,” zei ik. „Nu welaan dan,” hervatte
-zij; „zend den overwinnaar en den overwonnene hier naar mij toe aan de
-tuindeur, zoodra de kunstrechters het vonnis uitgesproken en zich
-verwijderd hebben.”—„Weet derhalve,” zoo besloot de droomer zijn
-verhaal, „dat de Milesische met den lauwertak en de roos achter de
-tuinheining van Hipponicus staat.”
-
-„Goed,” zeide Pericles, „ga en haal ze hier heen.”
-
-„Hoe kan ik dat?” hernam de andere. „Hoe zal ik haar overhalen, dat zij
-hier kome in tegenwoordigheid van zulk een aantal mannen?”
-
-„Mij om ’t even, hoe gij het beproeft,” zeide Phidias; „dat behoort tot
-uw geheime koppelaarskunsten; die behoeft gij ons niet te verklappen.
-Ga ze maar halen, omdat Pericles het zoozeer verlangt.”
-
-De droomer gehoorzaamde. Hij ging en keerde na eenige oogenblikken met
-eene vrouw terug, in wier gestalte de edelste fijnheid met bekoorlijke
-weelderigheid van vormen op eene wonderlijke wijze vereenigd waren.
-Pericles herkende aanstonds in haar de schoone, die hij vluchtig had
-gezien, toen hij met Phidias zich van de markt naar de haven wilde
-begeven. Zij was slank; toch waren de ledematen van de bekoorlijkste
-volheid en weelderigheid. Haar gang was fier en tegelijk bekoorlijk.
-Haar gekruld, zacht haar had een donkerrossen glans, haar gelaat was
-van eene onvergelijkelijke schoonheid. Het betooverendste echter aan
-haar was een vochtige glans, een zachte onweêrstaanbare gloed in de
-heerlijke oogen, aan welks betoovering niemand, die slechts even haar
-aanzag, wederstand kon bieden. Haar gewaad uit geel, zacht byssus [37],
-sloot nauw om de fijne, fraai geronde heupen tot aan de enkels.
-Bovenaan was het voorste stuk van het gewaad ter hoogte van de
-schouders met fraaie gespen aan het achtergedeelte bevestigd. Daarover
-viel van de schouders eene soort van oppergewaad in schoone plooien af
-tot aan het midden van het lichaam. Het kleed zonder mouwen liet de
-edelgevormde armen ontbloot en verborg niet geheel den omtrek van den
-jonkvrouwelijken, teederen en toch krachtig ontwikkelden boezem. Het
-was de gewone chiton [38] der Grieksche vrouwen, dien de vreemde droeg,
-maar rijk en veelkleurig, zooals men dien zag bij de Ionische en
-Lydische vrouwen der Aziatische kusten. De kleur van het gewaad was
-glanzend geel, de zoomen waren met bont borduursel rijkelijk versierd.
-
-Het donkerrosse glanzende haar golfde in krullen langs den hals; een
-purperen band, die op de plaats, waar hij op het voorhoofd rustte, met
-een metalen ingesneden plaat versierd was, hield de weelderige lokken
-bijeen.
-
-Toen deze bekoorlijke vrouw onder begeleiding van den droomer
-binnentrad en eene zoo groote schare van aanzienlijke mannen zag en
-onder hen zelfs den machtigen Pericles, aarzelde zij een weinig. Doch
-Alcamenes trad haar te gemoet, vatte haar bij de hand en sprak:
-
-„Pericles, de Olympiër, wenscht de schoone en schrandere Milesische te
-zien.”
-
-„Hoe groot en rechtmatig ook de begeerte moge geweest zijn, eene zoo
-gevierde vrouw te zien,” zeide Pericles, „verzwijgt gij toch ten
-onrechte, Alcamenes, dat wij eigenlijk door de verlegenheid, waarin de
-beslechting van den wedstrijd tusschen u en Agoracritus ons plaatste,
-op raad van den waarheidzoeker besloten, de wijsheid van de schoone
-Milesische in te roepen. De vraag namelijk is onder ons gerezen, of het
-geoorloofd is, eene Godin onder de vormen van eene schoone Grieksche
-vrouw voor te stellen. Bij de Atheners, vroom en aan de Goden nauw
-verknocht, als zij zijn, begint het geweten zijne stem te doen hooren,
-of zij soms de stervelingen overmoedig en de Goden op hen afgunstig
-maken, wanneer zij het goddelijke al te menschelijk voorstellen en of
-hunne beeldende kunst in het algemeen den Goden welgevallig of gehaat
-is?”
-
-„De zachtheid en helderheid van den Griekschen hemel,” begon de
-Milesische met eene stem, wier veren klank niet minder betooverend was,
-als de glans van haar oog, „wordt overal geroemd en de lichaamsgestalte
-der Grieken door de barbaren [39] zelven, als het meest op de Goden
-gelijkende erkend. De Goden van Hellas zullen zich niet op den Athener
-vertoornen, wanneer hij hun tempels bouwt, zoo schitterend en verheven
-als de aether zelf, die zich boven hen welft, en wanneer hij beelden
-voor hen opricht, wier schoone gestalte niet verre beneden de gestalte
-blijft van hen, welke aan deze beelden offers brengen. Zooals het land
-is, zoo is de tempel, zooals de mensch, zoo zijne Goden! Trouwens,
-bewijzen dan ook niet de Olympiërs [40] zelf, dat het hun lust en wil
-is, zich af te spiegelen in de ziel der Atheners? Hebben zij hun niet
-boven allen den scheppenden geest verleend, en hebben zij niet den
-Attischen grond de beste klei, het onvergelijkelijkst marmer tot
-bouwkunde en beeldende kunst gegeven?”
-
-„Inderdaad,” viel hier de opgewonden Alcamenes levendig in, „alles
-bezitten wij; alleen nog niet het rechte, onbeperkte veld, waarop wij
-arbeiden kunnen!—Waarachtig, mij en ons allen jeuken reeds de vingers,
-en de beitel in onze handen wordt gloeiend van ongeduld.”
-
-Een goedkeurend gemompel doorliep bij deze plotselinge wending van het
-gesprek de geheele werkplaats van Phidias.
-
-„Troost u, Alcamenes,” zeide de Milesische, den nadruk op ieder woord
-leggende; „Athene is rijk geworden, schatrijk, en wel niet te vergeefs
-is de gouden schat van Delos over de zee tot u overgezwommen.”
-
-De schoone vrouw wierp bij deze woorden een betooverenden blik op
-Pericles. Deze had, terwijl zij sprak, zijne oogen op haar golvende,
-bruine, zachte lokken onafgebroken gevestigd, en zeide nu onhoorbaar
-tot zich zelven: „Bij de Goden, het blonde haar dezer vrouw zelf is een
-schitterende gouden schat van Delos en voor dat gemunte goud zou dit
-ongemunte niet te duur betaald zijn....”
-
-Toen liet hij een geruimen tijd het hoofd peinzend op zijne borst
-zinken, terwijl aller oogen op hem waren gevestigd. Eindelijk begon
-hij:
-
-„Te recht verwacht gij, beoefenaars en vrienden der schoone beeldende
-kunst, dat de schat van Delos niet te vergeefs naar Attica’s strand is
-overgekomen. En, wanneer ik slechts naar de inspraak van mijn hart,
-niet naar de eischen van het algemeen belang had te vragen, waarlijk,
-ik zou dien schat het liefst onmiddellijk naar de werkplaats van
-Phidias doen brengen. Maar hoort, hoe de stand van zaken is voor hem,
-aan wien de zorg voor het algemeen welzijn is toevertrouwd. Toen de
-Pers, met zijne drommen het land overheerschend, tot ons was gekomen en
-het gemeenschappelijk gevaar alle Hellenen vereenigd had, toen hij
-echter verslagen afgetrokken en de groote les, die de strijd ons had
-gegeven, weder vergeten was en de bijzondere belangen overal weder de
-eerste plaats innamen, toen hoopte ik nog dat het mogelijk was, ’t geen
-wij, door den nood des oorlogs gedrongen, hadden begonnen, langs
-vreedzamen weg voort te zetten. Op mijn raad noodigde het Atheensche
-volk allen Hellenen, hunne vertegenwoordigers naar Athene te zenden, om
-over de gemeenschappelijke belangen van Griekenland te onderhandelen.
-Ik wilde bewerken, dat op gemeene kosten alle door de Perzen verbrande
-tempels en heiligdommen weder zouden worden hersteld. Voorts zouden de
-Hellenen, van toen af aan vrij en veilig op alle Grieksche zeeën, op
-alle Grieksche kusten kunnen verkeeren; er zouden borgen worden
-gesteld, dat onder de bescherming van een ongestoorden vrede de
-gemeenschappelijke welvaart aller Hellenen onbelemmerd zou bloeien.
-Twintig mannen kozen wij uit het volk, mannen, die zelven medegekampt
-hadden in de groote slagen tegen de Perzen. En welke antwoorden
-brachten deze boden terug? Van den een ontwijkende, onverholen
-afwijzende van den ander. Boven alles echter zocht Sparta de zaden van
-het wantrouwen tegen Athene en zijn stamgenooten met kwistige hand uit
-te strooien. Zóó werd de poging ijdel, en Athene verkreeg de ervaring,
-dat het niet op de eendracht der Hellenen mocht rekenen, dat de afgunst
-zijner mededingers niet sluimerde. Was mijn welgemeend plan gelukt, dan
-had zich Athene en geheel Hellas zonder voorbehoud aan de kunsten des
-vredes kunnen wijden en zijn edelsten bloei onmiddellijk kunnen
-ontplooien. Nu echter is het onze eerste plicht, naar steeds grootere
-macht, naar steeds grooteren invloed in Griekenland te streven, en
-steeds zooals nu onaantastbaar uitgerust gereed te staan. Deze eerste
-noodzakelijkheid gebiedt ons rekenschap te houden met onze middelen,
-hoe schitterend ze voor het oogenblik ook mogen zijn. Oordeelt nu
-zelven, gij mannen, of wij de verplichtingen, welke de handhaving van
-onzen voorrang in Griekenland ons oplegt, uit het oog verliezen en de
-gouden gaven van het geluk nu reeds aan het schoone en liefelijke mogen
-offeren.”
-
-Zoo sprak Pericles, en daar de mannen zijne rede zwijgend, maar toch,
-naar hij meende op te merken, niet zonder verborgen weerzin,
-aanhoorden, ging hij voort: „overdenkt de zaak, of geeft ze den droomer
-hier, den waarheidsvriend, of, wanneer men vrouwen ook in politieke
-zaken mag hooren, aan deze schoone uit Milete ter overweging.”
-
-„Wanneer ik de woorden van Pericles goed begrepen heb,” begon de
-droomer op zijne omslachtige wijze, daar alle aanwezenden bleven
-zwijgen, „zoo heeft de groote staatsman het als eene vaststaande zaak
-vooropgesteld, dat Athene trachten moet den voorrang onder de Grieksche
-staten te handhaven. Op welke wijze echter deze voorrang verzekerd kan
-worden, dat heeft hij ons ter overweging gegeven. Wel is waar, is hij
-ook de tot nu toe algemeen heerschende meening, dat de voorrang van een
-staat boven den anderen alleen op eene overweldigende krijgsmacht moet
-steunen, zelf toegedaan. Maar verstandig als hij is, onderscheidt hij
-zich van alle vroegere staatslieden daardoor, dat hij ook nog andere
-middelen mogelijk schijnt te achten; want, als hij die niet mogelijk
-achtte, hoe zou hij ons dan aangezocht hebben daarnaar onderzoek te
-doen?”
-
-„Kunt gij ons,” zeide Pericles, „zulke andere middelen aanwijzen, zoo
-spreek!”
-
-„Men moet,” hernam de droomer, „om deze middelen te weten, zulken
-lieden vragen, die bewezen hebben te verstaan, om anderen den voorrang
-af te winnen, en de menschen, zonder gebruik te maken van geweld, het
-schoonst en het best kunnen onderwerpen en beheerschen. Men moest dan
-juist weder de schoone Milesische hier om raad vragen.”
-
-De vreemde wierp glimlachende een blik op den droomer, en deze ging op
-zijn gewonen trant zich tot haar wendende voort:
-
-„Gij hebt gehoord, dat wij overwegen, of een staat boven alles door
-krijgsmacht en schatten zich den voorrang verzekert, of ook nog door
-iets anders in de wereld, bij voorbeeld door beoefening van het schoone
-en goede en geestelijke voortreffelijkheid. Gij behoort nu tot
-diegenen, die er zich op verstaan, anderen den voorrang af te winnen en
-de menschen, als van zelven, het schoonst en het best te beheerschen.
-Wilt gij ons niet zeggen, hoe gij dat ten uitvoer brengt?”
-
-„Wat ons vrouwen betreft,” hernam de Milesische glimlachende, „zoo kan
-ik slechts zeggen, dat het voor een zeker gedeelte op de schoone
-gestalte aankomt, en op de kunst zich sierlijk te kleeden en bekoorlijk
-te dansen of betooverend de cither te bespelen en wat men verder
-verleidelijke kunsten moge noemen.”
-
-„Wat de vrouwen aangaat, zou de vraag dus opgelost zijn?” zeide
-Pericles. „Maar hoe? Zullen ook wij Atheners, de Spartanen en alle
-eilandbewoners en Aziaten het schoonst en best aan ons trachten te
-onderwerpen en beheerschen door schitterend gewaad en schoone gestalte,
-door bekoorlijke dansen en citherspel?”
-
-„Ja, zeker,” hernam de Milesische. Dit stout geuite woord verbaasde de
-mannen. De bekoorlijke vrouw echter ging voort:
-
-„Die staat zal boven allen het meest tot macht en aanzien geraken, waar
-men het bekoorlijkst weet te dansen, het schoonst de cither te
-bespelen, het best te bouwen, te beitelen en te schilderen en waar de
-voortreffelijkste dichters gevonden worden!”
-
-„Gij schertst!” riepen eenige der mannen.
-
-„Volstrekt niet!” hernam de schoone glimlachende.
-
-„Wanneer men het nader beschouwd,” zeide Hippodamus, „dan schijnt de
-schoone Milesische met hare stoute bewering, die ons in het eerste
-oogenblik deed glimlachen, nog zoo geheel geen ongelijk te hebben.
-Inderdaad! Wanneer de schoonheid slechts eenmaal de zegevierende macht
-in de wereld is, waarom zou dan ook een volk niet, door de
-bekoorlijkheid van het schoone, het andere den voorrang afwinnen, roem,
-bewondering, liefde, onberekenbaren invloed verwerven, even goed als
-eene schoone vrouw?”
-
-„Zoo maar niet de onbeperkte beoefening van het schoone,” hernam
-Pericles, „de gemoederen weekelijk en verwijfd maakte!”
-
-„Week en verwijfd?” riep de Milesische; „gij Atheners zijt het maar al
-te weinig. Zijn er niet velen onder u, die uw staat geheel naar de
-sombere en ruwe wijze der Spartanen zouden willen inrichten? Het is
-onbillijk te zeggen, dat het schoone den mensch bederft. Het schoone
-maakt de burgers opgeruimd, tevreden, handelbaar, opofferend, vol gloed
-en bezieling. Wat zou er benijdenswaardiger zijn, dan een gelukkig
-volk, naar welks feesten van heinde en verre de menschen toestroomen?
-Laat de sombere, ruwe Spartanen zich gehaat maken; Athene zal, naar
-balsem riekende, en met bloemen bekranst, als eene bruid, zich de
-harten veroveren!”
-
-„Gij meent dus,” zeide Pericles, „dat nu reeds de tijd is gekomen,
-waarop wij het zwaard uit de hand kunnen leggen, om ons aan het schoone
-en aan alle kunsten des vredes te wijden?”
-
-„Veroorlooft gij mij, het uit te spreken, o Pericles,” vroeg de
-vreemde, „wanneer het naar mijne meening de tijd is, het schoone te
-scheppen?”
-
-„Spreek het uit!” hernam de staatsman.
-
-„De tijd, om het grootsche en schoone te scheppen,” zeide de
-Milesische, „is dan gekomen, naar ik meen, wanneer de mannen aanwezig
-zijn, die geroepen zijn, het te scheppen!—Nu hebt gij uw Phidias en de
-andere meesters: wilt gij met de volvoering uwer gedachten talmen, tot
-zij oud en stram zijn geworden? Gemakkelijk vindt gij het goud, om het
-schoone te betalen, maar niet altijd de mannen om het uit te voeren!”
-
-Luide en algemeene bijvalskreten weerklonken bij deze woorden.
-
-Er zijn blikken, er zijn woorden, die, als de zengende bliksem, eene
-menschenziel doen trillen. De ziel van Pericles was door zulk een blik
-en zulk een woord te gelijk getroffen geworden.
-
-De bliksemende gloed was uit het betooverendst oog, het bliksemend
-woord van de betooverendste lippen gekomen. De macht van het woord was
-Pericles zich bewust; de overweldigende kracht van den blik drong tot
-in zijn binnenste door; hun vlam en gloed grepen hem meer dan hij wist
-in het hart.
-
-Zijn oog begon vurig te schitteren en in zich zelven herhaalde hij de
-woorden der vreemde:
-
-„De tijd om het schoone te scheppen is dan gekomen, wanneer de mannen
-aanwezig zijn, welke in staat zijn het te scheppen.—Ik moet bekennen,”
-ging hij voort, „dit woord is een der treffendste en gelukkigste, die
-er kunnen gezegd worden. Het ia bijna zoo duidelijk, alsof men zeide:
-„de tijd om lief te hebben is dan gekomen, wanneer de schoonheid daar
-is, die in staat is de liefde te ontvlammen.” Een beteren verdediger
-kon datgene, wat ons allen ter harte gaat, niet vinden. Ik geloof, dat
-gij mij en allen, die hier zijn, hebt overtuigd. Inmiddels zou het u
-niet zoo gemakkelijk gevallen zijn, schoone vreemdelinge, wanneer
-datgene, wat gij zegt, niet reeds in de schuilhoeken onzer harten
-gesluimerd had. Doch wilt ge het mij toestaan, dat ik mij nog niet
-geheel en al overwonnen geef? Wilt gij in der minne met mij een
-vergelijk treffen? Ik meen, dat wij moeten trachten ons Athene
-strijdvaardig en machtig te houden, zooals het is; doch gij hebt
-gelijk, dat wij niet langer uit beangste bedenkingen mogen talmen, dat
-te doen, waarvoor de tijd nu is gekomen, omdat, zooals gij ons
-herinnerd heb, er nu mannen zijn, die, als ze heengegaan zijn, nimmer
-zullen terugkeeren!—Dank het aan deze schoone, Phidias, wanneer mijn
-bedenkingen verdwenen zijn, en ik u en den uwen, wien, zooals Alcamenes
-zeide, de beitel in de hand van ongeduld gloeit, beloof, de hinderpalen
-uit den weg te helpen ruimen, opdat gij, evenals een strijdlustig
-leger, uit moogt trekken, om het vernielde weder te herstellen en uwe
-schoone en heerlijke idealen der verwezenlijking nader te brengen.
-
-„Ziet, er is niet weinig gedaan, om ons Athene sterker te maken. De
-havenstad is nieuw gebouwd, de middelmuur bijna voltooid. Reeds lang
-was het mijn voornemen eene ruime worstelschool voor de Atheensche
-jongelingschap op te richten; ook aan de kunsten der Muzen, de toon- en
-dichtkunst, wil ik eene waardige plaats toewijden. Met schitterende
-tempels echter en met heerlijke standbeelden willen wij op passende
-wijze het werk der vernieuwing bekronen, dat beneden in den Piraeus
-begonnen is geworden.”
-
-Blijde bijvalsbetuigingen gingen er bij deze woorden van Pericles op,
-uit de rijen der beeldhouwers en overige aanwezige mannen.
-
-„Vermanend verheffen zich de reusachtige zuilen des tempels,” vervolgde
-Pericles, „die Pisistratus [41] begonnen is voor den Olympischen Zeus
-te bouwen en waaraan sedert den val van den geweldigen man niemand
-weder de handen heeft geslagen. Zou het niet billijk zijn, dezen eerst
-te voltooien?”
-
-„Neen!” riep levendig de volksvriend Ephialtes. „Dat zou zijn den roem
-van den vijand der volksvrijheid vereeuwigen. Laat een tyran [42]
-voltooien, wat een tyran begonnen heeft! Het vrije volk der Atheners
-laat het gedenkteeken van Pisistratus in zijne puinhoopen liggen, tot
-een teeken, dat de zegen der Goden niet rust op het werk van despoten!”
-
-„Gij hebt den volksvriend Ephialtes gehoord,” zeide Pericles, „en
-wanneer gij Ephialtes gehoord hebt, zoo hebt gij het geheele volk der
-Atheners gehoord. Bovenop de Acropolis staat het overoude, eerwaardige
-heiligdom van Erechtheüs [43] en de stedegodin Athene, half vernield en
-slechts gebrekkig na den Perzischen krijg weder voor den dienst der
-Goden hersteld.”
-
-„Daar huizen de uilen;” riep de vrijzinnige Callicrates. „Oud en somber
-zijn daar de tempels, oud en somber de priesters en zelfs de Goden zijn
-door de sombere atmosfeer vermolmd.”
-
-„Dan zullen wij den tempel licht en vroolijk weder opbouwen,” zeide
-Pericles.
-
-„Dan zou Phidias tot ledigheid gedoemd zijn,” hernam Callicrates; „gij
-weet, nooit mag het overoude, heilige van den hemel gevallen houten
-schild van Athene Polias [44] in den tempel van Erechtheüs door een
-ander vervangen worden—nooit mag het in zijne leelijkheid veranderd,
-maar steeds met een of ander voorwerp omhangen worden!”
-
-„Dan laten wij de oude priesters met hunne oude Goden in de oude
-tempels huizen,” hernam Pericles, „en we beraadslagen met Phidias: laat
-hij ons vertellen, wat hij wakende droomt, wanneer hij zijn blik op de
-Acropolis vestigt!”
-
-Phidias stond in gedachten verzonken.
-
-Pericles trad naar hem toe en zeide, terwijl hij de hand op zijn
-schouder legde: „houd op met mijmeren—schud de grootsche gedachten,
-welke gij in uw hoofd koestert, wakker, want haar tijd is gekomen!”
-
-Phidias glimlachte; daarop sprak hij met schitterende oogen:
-
-„Laat Ictinus hier u vertellen, hoe dikwijls ik de oppervlakte van de
-burghoogte en hare rotsterrassen met hem heb afgemeten—hoe wij
-cijferden en rekenden en geheime plannen smeedden, niet wetende,
-wanneer de ure zou komen om ze te verwezenlijken.”
-
-„En welke plannen waren dat?” vroegen de mannen. Phidias deelde mede,
-wat in stilte reeds lang in zijn gemoed tot rijpheid was gekomen. Vol
-geestdrift luisterden zij naar hem.
-
-„En zal niet,” vroeg een der mannen, „een zoodanig werk, evenals reeds
-eens is geschied, verijdeld worden door de afgunst der priesters van
-Erechtheüs op den burg?”
-
-„Wij zullen over die afgunst zegevieren!” riep Ephialtes uit.
-
-„De schat van Delos,” zeide Pericles, „zal nedergelegd worden aan de
-voeten der Godin—in het achterste gedeelte van den tempel zal hij
-geborgen worden: en zoo zal op de schitterende hoogte van de burgrots
-dezelfde tempel de onderpanden van Athene’s macht en grootheid
-vereenigen!”
-
-Met geestdrift juichten de aanwezigen de laatste woorden van Pericles
-toe. Hij echter ging voort, alsof hij zich plotseling bezon, met een
-blik op den lauwertak en de roos in de handen van de schoone vrouw:
-
-„Veel is hier beslist geworden; evenwel niet de wedstrijd tusschen
-Alcamenes en Agoracritus. Aan wien van deze twee Aphrodite’s geeft wel
-de schoone en schrandere vreemdelinge de voorkeur?”
-
-„Is dezen hier ook eene Aphrodite?” vroeg de Milesische, op het beeld
-van Agoracritus het oog vestigende; „Ik heb haar voor eene strengere
-Godin gehouden, voor eene Nemesis [45] bijvoorbeeld.”—
-
-Agoracritus, die den geheelen tijd door met donkeren blik en mokkend
-ter zijde op een steenblok had gezeten, lachte bitter en bijna honend,
-toen hij dit woord hoorde.
-
-„Eene Nemesis?” herhaalde Pericles, „inderdaad, die beteekenis is
-treffend. Is Nemesis niet de strenge Godin der maat, wier
-overschrijding steeds gewroken wordt? Nu, in dit werk van Agoracritus
-schijnt inderdaad de ernstige, gestrenge wet en maat van ’t geheele
-wezen levend belichaamd te zijn. De schoonheid der Godin is bijna
-dreigend, bijna schrik aanjagend. Voor ’t overige, zijn Cypris, de
-Godin van de liefelijke maat, en Nemesis, de wreekster van de
-overschreden maat, niet van den oorsprong af eenigszins verwant?
-Wanneer nu dit het geval is, dat de Atheners eene Aphrodite in de
-omheining der Tuinen willen plaatsen, en slechts Alcamenes eene
-Aphrodite gebeiteld heeft, dan kunnen wij ook alleen deze in de Tuinen
-eene plaats geven. Het werk van Agoracritus echter, ’t welk eene
-heerlijke Nemesis voorstelt, zullen wij met zijne toestemming, naar ik
-meen, in den tempel dezer Godin te Rhamnus opstellen. Wellicht kan de
-kunstenaar haar nog eenige uiterlijke kenteekenen en symbolen
-toevoegen.”
-
-„Dat zal ik!” riep de toornige Agoracritus, met een donkeren blik.
-„Eene Nemesis zal zij worden, mijne Cyprische Godin.”
-
-„Wien derhalve, schoone vreemdelinge,” zeide Pericles, „zult gij nu den
-lauwertak en wien de roos overreiken?”
-
-„Beide aan u!” hervatte de Milesische. „Van deze beiden is geen
-overwinnaar of overwonnene. En op dit oogenblik betaamt het, alle
-kransen in de hand van den man te leggen, aan wien dezen het te danken
-hebben, dat hun de baan geopend is, om naar de edelste lauwers te
-dingen!”
-
-Hiermede reikte zij lauwerkrans en roos aan Pericles over. De
-schitterende oogen van beiden ontmoetten elkander een oogenblik en
-bleven vol beteekenis een korten tijd op elkander gericht.
-
-„Ik zal,” zeide Pericles, „den lauwertak tusschen de beide jongelingen
-verdeelen, de welriekende, liefelijke roos echter behoud ik voor mij
-zelven.”
-
-Hij brak den lauriertak in twee stukken en verdeelde dien onder de
-beide jongelingen. Toen zeide hij, rondom zich ziende: „Ik geloof, dat
-ik nu niemand hier meer ontevreden laat. Alleen de droomer daar schijnt
-mij toe nog met zekere ongerustheid en ernstige gelaatstrekken voor
-zich heen te kijken. Hebt gij nu nog bezwaren, waarheidsvriend?”
-
-„Ik vroeg straks,” hernam de aangesprokene, „uit uw naam, de schoone
-Milesische, of alleen door goud en krijgsmacht, of soms ook door de
-beoefening van het schoone, van het goede en voortreffelijke, een staat
-een anderen voorrang zou kunnen afwinnen. Wat het schoone betreft,
-heeft ons de Milesische bewezen, dat dit tot gezegd doel voortreffelijk
-geschikt is. Ik zou nu echter ook gaarne willen weten, of dit ook het
-geval is met datgene, wat ik nog niet noemde, met het goede en de
-innerlijke voortreffelijkheid.”
-
-„Naar mijn oordeel,” sprak de Milesische, „is het goede één met het
-schoone; wanneer dat echter niet het geval en integendeel daarmede in
-strijd is, dan zou ik het voor genoemd doel niet geschikt houden.”
-
-„Wilt gij ons ook de bewijzen daarvoor leveren?” vroeg de droomer.
-
-„Bewijzen?” hernam de Milesische glimlachend; „ik weet niet of daarvoor
-bewijzen bestaan. Wanneer mij die invallen, zal ik ze u zeggen.”
-
-„Juist!” viel Pericles in; „wij willen deze zaak tot eene volgende
-gelegenheid uitstellen.”
-
-De zonderling haalde de schouders op en ging heen.
-
-„Deze wonderlijke man is, naar het mij voorkomt, nog niet geheel
-tevreden gesteld,” merkte Pericles op.
-
-„Neen,” hernam Alcamenes; „ik ken hem: hij geeft zich den schijn dat
-hij hoogst bescheiden is, maar het hindert hem zeer, wanneer men hem de
-leiding van het gesprek ontneemt, en wanneer de quaestie niet haarfijn
-tot dat doel geleidt, ’t welk hij heimelijk beoogd heeft. Doch zijne
-ontevredenheid is spoedig voorbij; hij is een goedaardige ziel, licht
-tot verzoening geneigd.”
-
-„Hoe heet hij toch, die zonderlinge waarheidsvriend?” vroeg Pericles.
-
-„Socrates [46], de zoon van Sophroniscus!” hernam Alcamenes.
-
-„En de schoone vreemdelinge, van wie wij heden zooveel geleerd hebben;
-hoe heet zij?” vervolgde Pericles.
-
-„Aspasia!” zeide Alcamenes.
-
-„Aspasia?” riep Pericles. „Die naam is zacht en zoet; hij smelt weg op
-de lippen als een kus.”
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-TELESIPPE.
-
-
-Pericles had sedert de bijeenkomst ten huize van Phidias wakend en
-peinzend de nachten doorgebracht. De schat van Delos hield hem steeds
-bezig, waarmede een nieuwe tijd voor de macht en de heerlijkheid der
-Atheners gekomen was; de gesprekken, die in het huis van Phidias
-gevoerd waren, weerklonken nog steeds in zijne ziel en wanneer hij, om
-aan die reeks van woelende gedachten te ontkomen, de oogen sloot, dan
-verscheen hem halfwakend in een vluchtigen droom, het bekoorlijke beeld
-der Milesische, en de vochtige, aphroditische glans harer betooverende
-oogen drong door tot in het diepst zijner ziel.
-
-Allerlei plannen, sedert langen tijd opgevat, kookten in Pericles’
-gemoed. Vluchtige gedachten namen allengs een bepaalden vorm aan, en
-besluiten kwamen er uit voort, evenals de rozen, des nachts rijpende
-knoppen schieten.
-
-Op een morgen zat hij peinzend in zijn vertrek, toen zijn vriend
-Anaxagoras hem kwam bezoeken. Van zijn vroegste jeugd af, met den
-wijzen Clazomeniër [47] door vriendschap verbonden, was Pericles nog
-steeds menigen morgen bezig, om de nieuwe onderzoekingen, welke
-Anaxagoras’ heldere, vurige geest ingesteld had, te overwegen. Nieuwe
-meeningen waren het, welke die stoute denkers—en Anaxagoras nam onder
-hen eene eerste plaats in—verheven boven de kinderlijke beschouwingen
-der vaderen, uit de diepte van hun nadenkenden geest, begonnen te
-verbreiden.
-
-Heden echter bemerkte de schrandere man aanstonds reeds bij het
-binnentreden, dat gedachten van een geheel anderen aard zijn vriend
-bezig hielden; hij vond den anders zoo kalmen en waardigen staatsman
-opgewonden, terwijl zijn oog van dat matte vuur gloeide, ’t welk een in
-gedachten doorwaakten nacht te kennen geeft.
-
-„Is het volk heden tot eene vergadering van gewichtigen aard op den
-heuvel de Pnyx [48] samen geroepen?” vroeg de grijsaard, den Olympiër
-in ’t gelaat ziende; „ik herinner mij dat ik u slechts bij zulke
-gelegenheden zoo peinzend heb aangetroffen.”
-
-„Inderdaad verzamelt het volk zich heden,” hernam Pericles, „en het
-zijn gewichtige zaken, die ik van plan ben daar te behandelen. Ik vrees
-of ik het zal kunnen doorzetten....”
-
-„Gij zijt strateeg” [49] hernam Anaxagoras, „gij zijt bestuurder der
-openbare inkomsten, gij regelt de openbare feesten, gij zijt—de Goden
-mogen het weten, hoe al de ambten en waardigheden, welke de Atheners u
-met gewone en buitengewone volmacht opnieuw hebben opgedragen, mogen
-heeten; om ’t even: gij zijt wat het gewichtigste is en de hoofdzaak in
-een vrijen staat—gij zijt de grootste redenaar, die men den „Olympiër”
-noemt, omdat met den donder uwer woorden eene soort van heerschersmacht
-is verbonden, evenals met den donder van Zeus. En gij zijt beangst?”
-
-„Ja, dat ben ik!” hernam Pericles, „en ik verzeker u, dat ik nooit den
-steen op de Pnyx bestijg, zonder in stilte de Goden aan te roepen, dat
-geen onbedacht woord mijn mond ontglippe, en dat ik nooit een oogenblik
-vergete, dat het Atheners zijn tot wie ik spreek. Gij weet hoe
-ongeduldig het volk onlangs reeds is geworden, toen ik het telkens
-weder aanspoorde nieuwe sommen voor het bouwen van den middelsten
-langen muur en ter vernieuwing van den Piraeus toe te staan. En nu
-heeft mij Phidias bepraat, mij nieuwe groote plannen voor den geest
-gespiegeld. Zijne brandende begeerte en die der zijnen moet niet langer
-weerstaan worden; ons Athene moet met de lang overdachte werken van
-deze mannen versierd en ten overstaan van geheel Griekenland
-verheerlijkt worden. Gij weet, ik behoor tot diegenen, welke het nieuwe
-met behoedzaamheid aangrijpen, het gegrepene echter vasthouden en met
-vurigen moed ten uitvoer brengen. En zoo heb ik ook, vóór ik deze zaak
-begon, rijpelijk haar overdacht; nu echter ben ik in stilte wellicht
-vuriger daarvoor bezield dan Phidias zelf en de zijnen.”
-
-„Is het volk der Atheners dan niet met geestdrift bezield en
-kunstlievend?” zeide Anaxagoras. „En is niet de rijke schat van Delos
-overgekomen?”
-
-„Ik vrees het wantrouwen,” hernam Pericles, „’t welk geheime en
-openbare tegenstanders uitzaaien. De oligarchische partij is niet
-geheel overweldigd. Ook weet gij, dat er vrienden der Laconiërs zijn en
-dezulken, die het licht en het reine en het schoone haten. Hebt gij het
-zelf niet ondervonden, sedert gij in de zuilengaanderijen der Agora
-zijt opgetreden, om ons Atheners de boodschap der reine, vrije en uit
-den geest geborene waarheid te verkondigen. Intusschen zal ik heden
-eene troef uitspelen, die voorloopig de menigte ten volle op mijne hand
-zal brengen. Er zijn arme burgers, die van de hand op den tand leven en
-die morgen honger moeten lijden, wanneer zij heden hun arbeid staken
-en, om hun burgerplicht niet te verzuimen, naar de volksvergadering
-gaan. Waarom zouden zij niet door een paar obolen [50] uit de staatskas
-schadeloos gesteld worden? Ook heb ik te doen met die arme drommels,
-die zoo gaarne de openbare schouwspelen zouden willen bijwonen, maar
-het entreé-geld niet kunnen betalen. Zij zullen er van staatswege heen
-mogen gaan, om ongemerkt door de werken hunner dichters zich te doen
-vormen en veredelen, terwijl zij meenen alleen hun genoegen na te
-jagen. En die goede zielen, welke bij duizenden uit het volk door het
-lot worden gekozen om aan de vele gerechtshoven als assessoren te
-worden toegevoegd, zij moeten voortaan niet meer zonder
-schadeloosstelling den geheelen dag verliezen, om de tallooze processen
-hunner medeburgers in het zweet huns aanschijns te beslechten.
-
-„Athene is rijk, nieuwe goudbronnen ontspringen om ons en storten zich
-van de landen der bondgenooten in onze schatkist uit. Een groot saldo
-is in kas. Ik heb mijzelven afgevraagd: moet dat als reserve voor de
-toekomst bewaard worden of moet het den tegenwoordigen tijd ten goede
-komen? Na wikken en wegen is het mij helder geworden, dat het heden
-daarop het grootste recht heeft. Het volk moet de vruchten zijner
-zegepralen en roem plukken, het moet vrij en gelukkig zijn; een schoon,
-benijdenswaardig bestaan, zooals den mensch past, moet in ons door de
-Goden geliefd Athene in het leven geroepen worden.”
-
-„Ik heb den edelen Pericles dikwijls in zulk eene gloeiende geestdrift
-gezien,” merkte Anaxagoras op, „maar uwe bezieling van heden schijnt
-mij sterker te zijn, dan iedere geestdrift te voren.”
-
-„Ik dank den Goden,” hernam Pericles, „dat zij mij, bij beradenheid in
-het overleg, de snelste vurigheid van besluit en den taaien moed van
-uitvoering hebben gegeven. Zijt gij soms ontevreden op mij? Schijn ik u
-toe mijne plannen te ver te drijven of te weinig rekening te houden met
-het altijd overijlde en soms ondankbare volk?”
-
-„Laat mij het openlijk bekennen,” hernam de grijsaard, „ik bemoei mij
-niet met staatkunde. Ik ben geen Athener, wellicht niet eens een
-Helleen, maar een wereldburger, een wijsgeer. Mijn vaderland is het
-onmetelijk heelal.”
-
-„Maar gij zijt wijs,” zeide Pericles, „en kunt de daden der
-staatslieden beoordeelen, of het ten goede dan ten kwade zal
-uitloopen.”
-
-„Daarvoor zal ik mij in acht nemen!” riep Anaxagoras. „Niet alleen de
-dichters, maar ook de staatslieden volgen onwetend een goddelijken
-wenk, zijn door een daemon [51] bezeten, die hen bezielt, en hen schier
-onbewust tot datgene drijft, wat voor het oogenblik waarlijk
-noodzakelijk en nuttig is. Het gewone menschenverstand zal te ras
-oordeelen en dwalen, wanneer het den arbeid geldt van door eene Godheid
-bezielde mannen. Ik heb mij in de verborgen geheimen der natuur
-verdiept en overal daarin een besturende Geest gevonden; de geest
-echter is onfeilbaarder en machtiger in het voortbrengen en werken dan
-in het oordeelen...”
-
-Zoo onderhielden zich de beide mannen vertrouwelijk in het vertrek van
-Pericles. Op dit oogenblik echter trad een slaaf binnen, door de
-echtgenoote van Pericles, Telesippe, gezonden.
-
-Het was eene zonderlinge boodschap, waarmede deze dienaar van de
-meesteres des huizes kwam. De opzichter van Pericles was dezen morgen
-van het landgoed gekomen, en had een jongen ram meegebracht, die op
-genoemd landgoed met één hoorn in plaats van met twee was ter wereld
-gekomen. Dit dier nu had de opzichter, niet zonder aarzeling en angst,
-aan zijne meesteres getoond. Telesippe, eene vrome vrouw, had aanstonds
-naar den ziener Lampon gezonden, om het wonderteeken te verklaren. Nu
-noodigde zij haar echtgenoot uit, te komen, ten einde het zonderlinge
-dier te zien en met haar de uitspraak van den waarzegger te vernemen.
-
-Pericles hoorde het verhaal van den slaaf aan, en zeide toen goedig tot
-zijn vriend:
-
-„Laat ons de vrouw ter wille zijn en gaan, om den eenhoornigen ram te
-beschouwen.”
-
-Anaxagoras stond op en volgde Pericles bereidwillig.
-
-Zij begaven zich naar het peristylium [52] van het huis.
-
-Het huis van Pericles was eenvoudig. Het was niet grooter, niet rijker
-versierd, dan dat van een anderen Atheenschen burger van matig fortuin.
-
-Het was eenvoudig, evenals de levenswijze van den eigenaar. In eene
-republiek moet de invloedrijkste man eenvoudig leven, wanneer hij zich
-tegen het wantrouwen zijner medeburgers wil vrijwaren. Maar ook zonder
-berekening en bedoeling zal een man, die zich rusteloos aan het welzijn
-van den staat wijdt, zijne eigene huishouding steeds een weinig
-verwaarloozen. Eenvoudig en onopgesmukt was ook het peristylium in
-Pericles’ huis. Maar er ontbrak niet die prettige bekoorlijkheid, die
-met dat eigenaardige en liefelijkste deel van het huis, met dezen door
-zuilen omgevene opene plaats, op de wijze van eene zaal gebouwd, overal
-gepaard gaat. Men bevond zich toch hier in het binnenste der woning en
-tevens onder den vrijen hemel. Men was daar afgesloten van alle
-gedruisch der buitenwereld, en toch in onmiddellijke aanraking met
-frissche lucht van den hemel, die van boven er in waaide, met de zon,
-maan en sterren, die onbelemmerd hare gouden stralen uit de hoogte op
-de marmeren zuilen wierpen. De zwaluwen vlogen vertrouwelijk tjilpend
-uit en in, en bouwden hare nesten aan de kapiteelen en lijsten. Niet
-aanlokkelijk naar buiten als de tempels, maar naar binnen keerde het
-woonhuis, als ’t ware afwerende, zijn zuilenpraal, om ruimte te
-verschaffen aan den vrijen, en toch vertrouwelijken, bekoorlijken
-familiekring. Hier zat men, hier wachtte men ook wel bezoekers af. Hier
-nuttigde men soms ook den maaltijd. Hier bracht men ook de huisoffers
-ter eere der Goden; hier stond de eigenlijke haard van het huis, het
-altaar van den haard-beschermenden Zeus [53].
-
-Achter den zuilengang, die alle vier zijden van het peristylium omgaf,
-strekten zich de woonvertrekken van Pericles’ gezin uit. De deuren der
-kamers kwamen daar op uit. Smaakvolle versierselen bedekten de posten
-en kroonlijsten der deuren; de openingen waren gedeeltelijk slechts met
-bonte tapijten schilderachtig behangen. Naar achteren grensde het
-vrouwenvertrek aan het peristylium, en daarachter lag de kleine, goed
-omheinde tuin. Betrad men van de straat het huis, dan voerde een gang,
-die door het voorhuis liep, recht naar het peristylium. Aan de zijde
-van den ingang, zoowel aan den linker als aan den rechter kant van de
-vierkante opene ruimte, liepen de zuilengangen; aan de zijde, die
-tegenover den ingang lag, werd door een paar pilaren een middelvertrek
-afgescheiden, dat binnenwaarts inspringend, eene naar het peristylium
-opene, van de drie overige zijden echter door wanden ingeslotene
-voorzaal, vormde.
-
-In deze voorzaal stond Telesippe, de echtgenoote van Pericles, door
-eenige slaven en slavinnen omringd, en naast haar de opzichter, die van
-het landgoed gekomen was, met den eenhoornigen jongen ram op de armen.
-
-Telesippe was eene slanke vrouw met strenge, niet leelijke, doch ietwat
-ruwe trekken. Zij was statig en eenigszins zwaarlijvig, maar haar
-uiterlijk was niet meer bloeiend. De wangen hingen slap, slap de
-boezem, slap, achteloos en zonder zwier hing ook het gewaad langs hare
-ledematen af. Het haar was nog niet opgemaakt en naar achteren in een
-grooten bos opgebonden. Zij was bleek, want zij had zich dezen morgen
-niet geblanket. Deze vrouw, de echtgenoote van den grooten Pericles,
-was vroeger met den rijken Hipponicus gehuwd geweest. Deze scheidde van
-haar en zij had Pericles tot nieuwen echtgenoot gekregen. Toch zag zij
-er nog jeugdig uit; de blos op de wangen deed hare koele, strenge oogen
-minder ongunstig uitkomen.
-
-Toen Telesippe, in de naar het peristylium opene zaal staande, haren
-echtgenoot niet alleen, maar in gezelschap van Anaxagoras zag naderen,
-maakte zij aanstalten om zich voor den vreemdeling, naar de zeden dier
-dagen, in het vrouwenvertrek terug te trekken.
-
-Pericles wenkte haar te blijven. Zij bleef dan ook, maar zonder het
-grijze hoofd van den oude verder met een blik te verwaardigen. Zij had,
-en, naar zij meende, met reden, weinig met dezen grijzen vriend en
-raadsman van haar echtgenoot op.
-
-Met een soort van angst keek zij naar den ram. „Ik heb den ziener
-Lampon ontboden,” zeide zij, „ik ben voor een slecht voorteeken
-beducht.”
-
-Op dit oogenblik opende de portier de buitendeur en liet den ziener
-binnen, die aanstonds door den langen gang naderde.
-
-De ziener Lampon was priester van een kleinen tempel aan Dionysus [54]
-gewijd, welke niet veel opbracht. Hij legde zich daarom op de mantiek
-[55] toe en niet zonder geluk. Hij had bij de vromen een goeden naam.
-Hij droeg, om uiterlijk zijn beroep te doen kennen, het priesterlint om
-het voorhoofd, en daarover den Apollonischen lauwerkrans [56] op het
-hoofd. Overigens zocht hij, naar de gewoonte van mannen van zijn slag,
-door een achteloos gewaad, ongekamden baard, wild fladderend haar en
-een schuwen, zwervenden blik te kennen te geven, dat zijne ziel, aan de
-aarde ontrukt, met goddelijke zaken vervuld was.
-
-„Dit wonderdier,” zeide Telesippe tot Lampon, „is op ons landgoed
-geboren en dezen morgen in de stad gebracht. Gij zijt een der kundigste
-waarzeggers, verklaar ons dit teeken, of wij het als een gunstig dan
-als een noodlottig moeten beschouwen.”
-
-Lampon liet den ram op het altaar van Zeus Ephestios leggen.
-
-Eene kool glom toevallig nog op het altaar. Lampon trok een haar uit
-het voorhoofd van den ram en wierp het op de glimmende kool.
-
-„Het teeken is gunstig,” zeide hij; „want het haar is verbrand zonder
-hevig knetteren.”
-
-Toen vestigde hij den blik op Pericles en vervulde vervolgens zijne
-wichelkunst ten opzichte van den ram. Pericles stond toevallig rechts
-van den ram. „Het teeken is gunstig voor Pericles!” zeide de ziener met
-een gewichtig gebaar, en stak overeenkomstig een gebruik der mantiek,
-een laurierblad in den mond en kauwde het, om door het genot van het
-kruid, den God der zieners gewijd, zich in een toestand van heilige
-bezieling te brengen en het rechte zienerswoord door geestvervoering te
-vinden.
-
-De oogappels van den wichelaar begonnen zich onder krampachtige
-trekkingen te verdraaien. Plotseling boog de ram zijn kop ter zijde,
-zoodat de hoorn op ’t midden van zijn voorhoofd in eene rechte lijn
-naar Pericles wees en hij liet een eigenaardig geluid daarna hooren.
-
-„Heil u, Alcmaeönide,” riep Lampon; „heil u, zoon van Xantippus,
-overwinnaar der Perzen bij Mycale [57], edele spruit uit het geslacht
-der Buzygen, de heilige Palladium-bewakers [58]! Heil u, overwinnaars
-van Thracië [59], van Phocis [60], van Euboea! Vroeger bezat de ram
-Athene twee horens: den aanvoerder der oligarchen Thucydides, en
-Pericles, den leider der volkspartij. Voortaan echter zal de ram Athene
-slechts een enkelen hoorn op het voorhoofd hebben; de partij der
-oligarchen is voor altijd vernietigd en Pericles alleen bestuurt met
-wijsheid en fierheid de lotgevallen der Atheners!”
-
-Anaxagoras glimlachte. Pericles nam zijn vriend ter zijde en sprak
-zacht tot hem: „De man is sluw; hij rekent er op, onder de waarzeggers
-te worden opgenomen, die mij van staatswege op mijn volgenden veldtocht
-zullen vergezellen.”
-
-„Maar wat moet er met den ram geschieden?” vroeg Telesippe.
-
-„Deze ram,” hervatte Lampon, „moet zoo vet mogelijk gemest en daarna
-aan Dionysus geofferd worden. Want voor dezen God zijn de bokken een
-geschikt offer, wegens de schade, die zij aan de wijnstokken
-toebrengen; eigenlijk de geitebokken—maar een bok is een bok, en bij
-gebrek aan een geitebok is ook een „schapebok,” als deze, den God niet
-ongevallig.”
-
-Zoo luidde de verklaring van den ziener. Hij nam drie obolen in
-ontvangst als zienersloon, boog het hoofd, waarlangs de lokken
-achteloos golfden en vertrok.
-
-„Waarde Telesippe,” zeide Anaxagoras, „hoe duur betaalt men toch
-tegenwoordig de wijsheid! Drie obolen geeft men voor het orakel
-aangaande een bok, die met een enkelen hoorn geboren is, om ons datgene
-te zeggen, wat zonder belooning reeds de uilen van Athene in hunne
-holen krassen!”
-
-Telesippe wierp den spreker een van toorn gloeienden blik toe, die deze
-met de opgeruimde kalmte van den wijze opnam.
-
-Telesippe wilde den toornigen blik door een scherpe opmerking doen
-volgen. Daar vernam men een geklop aan de buitendeur. De portier opende
-de deur en eene vrouw trad binnen, vergezeld door eene slavin, die aan
-de deur bleef staan. Het gelaat dezer vrouw had de roode kleur, maar
-ook de rimpels van een ouden appel, die door het lange liggen
-ineengeschrompeld is. Eenige dunne, korte, donkere haren overschaduwden
-de bovenlip.
-
-„Elpinice, de zuster van Cimon!” [61] fluisterde Pericles Anaxagoras in
-het oor. „Laten wij naar de Agora gaan; want tegen deze beide vrouwen
-te zamen kunnen wij het hier in huis niet uithouden.”
-
-Zoo sprekende trok Pericles zijn vriend ter zijde in de zuilengaanderij
-en ging met hem, na een vluchtigen groet aan Elpinice, haastig over den
-drempel van het huis de straat op.
-
-Elpinice, de zuster van Cimon, was een zonderlinge vrouw. Zij was de
-dochter van den gevierden held Miltiades, de zuster van den niet minder
-beroemden veldheer Cimon, en de vriendin van een der voortreffelijkste
-schilders dier dagen Polygnotus. Zij was eenmaal schoon en bekoorlijk
-geweest, zelfs schoon genoeg, om den smaakvollen schilder te verrukken.
-Maar zij moest Aphrodite vertoornd hebben, want door eene boosaardige
-luim der Godin was in hare ziel geen teeder gevoel aanwezig, behalve de
-liefde voor haar broeder. In haar bijna mannelijke borst was geen
-verlangen naar het echtelijk geluk; zij wenschte slechts haar geheele
-leven lang in de nabijheid van haar broeder te mogen verkeeren. Het
-gebeurde echter, dat Cimon door den dood zijns vader Miltiades in een
-uiterst moeilijken toestand geraakte. Miltiades was door de ondankbare
-Atheners aangeklaagd en tot eene geldboete van vijftig talenten
-veroordeeld, en daar hij weldra stierf, zonder die som betaald te
-hebben, ging de schuld van vijftig talenten, overeenkomstig de harde
-bepaling der wet, op zijn zoon Cimon over. Zoolang deze de vijftig
-talenten niet betaalde, was hij burgerlijk eerloos. Uit liefde voor
-haar broeder had Elpinice ongehuwd willen blijven en uit liefde voor
-haar broeder huwde ze nu. Om haar hand te verkrijgen, delgde een zeker
-Callias de schuld van Cimon. Deze Callias stierf na eenigen tijd en
-Elpinice zocht zonder dralen het huis van haar broeder weder op.
-
-Na de belegering en onderwerping van het eiland Thasos [62] bracht
-Cimon den schilder Polygnotus, een geboren Thasiër, met zich naar
-Athene. Cimon had de bekwaamheid van den jongeling opgemerkt, had hem
-lief gekregen en wenschte aan zijne kunst een uitgebreider en waardiger
-veld te openen. Hij bewerkte, dat aan Polygnotus door de Atheners
-opgedragen werd om den tempel van Theseus [63] met schilderijen te
-versieren; ook schilderde hij op Agora in de groote galerij, die juist
-naar deze pracht van kleuren de „bonte” of de „beschilderde” [64]
-genoemd werd, tooneelen uit de verovering van Troje [65]. Daar het huis
-van zijn vriend en beschermer altijd voor hem open stond, ontbrandde de
-jongeling in vurige liefde voor Elpinice, en toen de uitspraak der
-Grieksche helden over de gewelddadige behandeling, door Aiax Cassandra
-[66] aangedaan, in de galerij geschilderd werd, had Laodice, de
-schoonste van Priamus’ dochters, onder de Trojaansche gevangenen, de
-trekken van Cimon’s zuster. Zij weigerde den kunstenaar hart en hand;
-doch zij schonk hem hare vriendschap. Sedert waren ettelijke jaren
-vervlogen, maar de vriendschapsband dezer beiden duurde nog steeds
-voort, nadat Cimon gestorven en Elpinice, evenals Polygnotus, oud was
-geworden.
-
-Ja, Elpinice was oud geworden, en wel zonder het te weten. Slechts een
-korten tijd van haar leven en tegen haar zin gehuwd, had zij haar
-geheele verdere leven aan de onvruchtbare dweeperij van eene
-zusterlijke liefde gewijd; zij had, hoewel weduwe, toch in haar geheele
-wezen dat zonderlinge gekregen, ’t welk ongehuwde oude dames kenmerkt.
-Aan oude vrijsters nu is dit eigen, dat haar de opgroeiende spruiten,
-als mijlpalen van den voortsnellenden tijd, en als aanwijzers van den
-weg, dien zij reeds afgelegd hebben, ontbreken, zoodat de ouderdom haar
-onverwachts nadert. Zij gevoelen zich inwendig nog eeuwig jong. Deze
-vereeniging van inwendige jeugd en uitwendigen ouderdom drukt haar voor
-de wereld eerst zacht, allengs echter steeds sterker den stempel van
-het belachelijke op het wezen.
-
-Zoo was ook Elpinice oud en belachelijk geworden, zonder het zelve te
-bemerken. De hooge prijs, waarmede Callias hare hand betaalde, de
-hulde, welke de schilder haar bracht, en al het andere van dezen aard
-had haar ijdel gemaakt op hare schoonheid. Zij bleef nog ijdel, toen
-datgene, waarop zij ijdel was, reeds lang verdwenen was. Zij waande,
-dat zij nog altijd was, zooals Polygnotus haar geschilderd had, als de
-schoonste van Priamus’ dochteren. Want zij was ongehuwd; zij had geen
-echtgenoot, die haar zeide; „gij zijt oud!”—De zachte, rustige,
-eerwaardige Polygnotus wilde en kon haar dit ook niet zeggen. Hij was
-een oude vrijer gebleven en bracht de ietwat stijve, doch welgemeende
-hulde van een oud jonggezel aan de eenige uitverkorene van zijn nog
-onveranderd hart.
-
-Haar broeder Cimon was eenigen tijd vóór zijn dood door de Atheners
-verbannen geworden. Zijne aanhangers deden hun best verlof tot zijn
-terugkeer bij het volk te bewerken. Zij vreesden echter den invloed van
-Pericles, wiens ster aan het opgaan was en voor wien de verwijdering
-van zijn ouden tegenstander stellig slechts voordeelig kon zijn.
-
-Toen kwam in Elpinice’s overspannen en avontuurlijken geest, die steeds
-stoute plannen had gekoesterd, het voornemen op, om ook ditmaal
-beslissend voor het heil van haar broeder op te treden. Zij blankette
-zich en zalfde zich met kostelijken balsem, doste zich in prachtgewaad
-en ging naar Pericles. Zij wist, dat de groote staatsman niet
-ongevoelig was voor vrouwelijke bekoorlijkheid. Zij wilde zich aan hem
-vertoonen in eene door kunst verhoogde betooverende gestalte, die
-Callias eens had ontvlamd, Polygnotus had verrukt. Zij ging naar
-Pericles, om hem te overreden, dat hij den Olympischen donder zijner
-welsprekendheid in de volksvergadering niet zou doen weerklinken,
-wanneer het voorstel om Cimon terug te roepen gedaan werd.
-
-Toen Pericles de zonderlinge, grillig opgesmukte, naar balsem riekende
-vrouw vóór zich zag staan, met eene zegevierende uitdrukking op het
-gelaat, bemerkte hij, dat het ditmaal op de gevoeligheid van zijn hart
-gemunt was. Hij wist dat hij den naam had voor zulk een indruk vatbaar
-te zijn en hij ergerde zich er over. Het griefde hem, dat zulk een naam
-bleef, niettegenstaande zijn ernstig, waardig leven. En nu kwam daar
-die verouderde Elpinice en waagde het hem met de koude overblijfselen
-hare schoonheid in hare netten te willen verstrikken!
-
-Pericles was zachtzinnig van nature. Maar dat eene grillig opgedirkte
-vrouw met een knevel op de lip, het voor eene zoo gemakkelijke zaak
-rekende, hem, den vriend van het schoone te betooveren, dat maakte,
-naar Cronion’s [67] raadsbesluit, dezen zachten man voor een oogenblik
-tot een wreedaard.
-
-Hij zag de smeekelinge een tijd lang zwijgend aan, sloeg haren dos
-nauwlettend gade, vervolgens haar gelaat en zeide eindelijk zeer kalm
-tot haar:
-
-„Elpinice, gij zijt oud geworden!”
-
-Hij sprak deze woorden op den zachtsten toon. En toch waren zij
-boosaardig. Zij zijn de eenige boosheid, die de overlevering ons van
-Pericles, den Olympiër, meldt.
-
-Eene onmerkbare huivering doorliep hem zelven, toen hij dat noodlottige
-woord had gesproken. Hij had een voorgevoel, dat het een van die
-woorden was, wier gevolgen Clio’s [68] stift moest opteekenen. Het
-woord: „Elpinice, gij zijt oud geworden!” kon het begin zijn van eene
-lotwisseling voor Pericles, voor Athene, ja voor geheel Griekenland...
-burgeroorlog, een inval der Perzen, bloed, jammer, tranen, onheil van
-elken aard; de ondergang van het Helleensche volk kon uit dit woord
-voortspruiten. Want, wat vermag niet eene vrouw, tot wie men gezegd
-heeft: gij zijt oud?
-
-En de goedaardigste aller Grieken had dit bitterste aller woorden
-gesproken!
-
-Elpinice kromp ineen, wierp een gramstorigen blik op Pericles en ging
-weg.
-
-Maar wat baatte het den goeden naam van Pericles, dat hij de kokette
-Elpinice zoo onhoffelijk behandeld had? Werd niet alles bedorven door
-zijne eigene ontsteltenis over het vinnige woord, dat hem ontvallen
-was, doch waarover hij berouw gevoelde en dat hij op de Pnyx zocht goed
-te maken? Want toen het volk verzameld was en het voorstel tot
-terugroeping van Cimon aan de orde kwam, en iedereen naar Pericles zag,
-verwachtende, dat hij er zich heftig tegen zou verzetten, zag hij
-integendeel verstrooid rond en zweeg, alsof hem de zaak niet ter harte
-ging, zoodat Cimon’s aanhangers gewonnen spel hadden. Wèl lachten de
-Atheners en fluisterde de een den ander in het oor, sluw met het oog
-knippende: „Zie toch eens die oude Elpinice! Met opgestreken zeil is
-zij naar Pericles gegaan, en de vrouwengek heeft goed
-toegehapt—toegehapt in den rotten appel!”
-
-„Arme Pericles!”
-
-Na den dood van Cimon vertoornde zij zich op de wereld, omdat deze ook
-zonder Cimon haren gewonen gang ging. Nu haatte zij Pericles en den
-nieuwen tijd nog meer.
-
-Haar taal was steeds gekruid met uitdrukkingen als: „mijn broeder Cimon
-placht te zeggen” of „mijn broeder Cimon placht dit of dat te doen,” of
-„mijn broeder Cimon zou in dit geval zus en zoo gehandeld hebben.”
-
-Was reeds Cimon een vriend der Laconiërs geweest, een man, die zijne
-sympathieën voor Sparta zoo weinig verborg, dat hij een zijner zonen
-den naam „Lacedaemonius” [69] gaf, en die in zijn geheele wezen meer
-van een Spartaanschen houwdegen, dan van een beschaafd opgevoed en
-levendig Athener in zich had, zoo kon het niemand verwonderen, dat
-zijne onvrouwelijke zuster de liefde voor de Laconiërs tot in het
-belachelijke overdreef. Zij was de partij toegedaan, die van elke vrije
-en opgeruimde levensopvatting der Atheners afkeerig was, en bevorderde
-die door den ijver, waarmede zij het huiselijke leven van hare
-tegenstanders bespiedde. Zij was juist het vertrouwelijkst met die
-vrouwen, wier mannen zij haatte; vandaar hare vriendschap voor
-Telesippe, Pericles’ gade.
-
-Maar toch was dit wandelend gedenkteeken van den goeden ouden tijd,
-deze oude vrijster en vriendin van den mokkenden Polygnotus, niet in
-alle opzichten onaangenaam en terugstootend. Zij was te gelijk
-boosaardig en goedig, grillig en eerlijk, deftig en kluchtig,
-belachelijk en eerwaardig.
-
-Dit nu was het karakter der vrouw, voor wie Pericles en zijn vriend,
-den wijsgeer Anaxagoras, zoo haastig op de vlucht waren gegaan, toen
-zij hare vriendin Telesippe een bezoek kwam brengen.
-
-Telesippe hielp de magere vrouw zich ontdoen van het himation [70]
-waarmede Elpinice, als eene kuische Atheensche jonkvrouw, wanneer zij
-over straat ging, niet slechts het bovenlijf, maar ook haar hoofd, tot
-op mond en oogen, placht te bedekken. Vervolgens plaatste Telesippe
-eene stoel voor haar en verzocht haar te gaan zitten. Elpinice was zeer
-netjes en met een zekeren voorvaderlijken eenvoud gekleed. Met niet
-minder zorg was ook het haar opgemaakt. De haartooi strookte volkomen
-met haar wezen. De haarvlecht was aan het achterhoofd door een
-omgeslagen en bevallig dichtgeknoopten doek, den zoogenaamden „saccus”
-[71] omsloten, terwijl het voorhoofd met de Stephane [72] versierd was,
-dat is, de reeds genoemde metalen plaat, die bijna als een diadeem het
-voorhoofd omgaf. Groote, ronde ouderwetsche oorbellen bengelden aan de
-beide kanten van het gezicht der eerwaardige Elpinice.
-
-„Telesippe,” riep de bezoekster uit, „gij zijt vandaag bleeker dan
-gewoonlijk. Hoe komt dat?”
-
-„Dat kan wel een gevolg zijn van den schrik,” hernam Telesippe; „wij
-hebben toch van daag een wonder in huis gehad.”
-
-„Wat zegt gij?” riep Elpinice. „Is olie of wijn bij het plengen
-gestort? Of hebben de balken zonder bekende oorzaak gekraakt? Of is er
-een zwarte hond [73] in huis geloopen?”
-
-„Een ram,” hernam Telesippe, „met één hoorn, en dat wel midden op het
-voorhoofd, is op ons landgoed geboren en heden morgen bracht de
-opzichter hem in de stad.”
-
-„Een ram met één hoorn?” riep Elpinice uit. „Bij Artemis [74]! het
-verwondert mij niet, dat teekenen en wonderen geschieden. Op den
-Brilessus [75] moet den laatsten nacht een groote meteoorsteen uit de
-lucht zijn gevallen. Sommigen willen ook eene staartster in den vorm
-van een brandenden balk gezien hebben. Verscheidene godenbeelden moeten
-onlangs begonnen zijn te zweeten en te bloeden. Nog kort geleden moet
-zelfs een raaf zich op het vergulden Pallas-beeld te Delphi [76] hebben
-neêrgezet, die de vruchten van den ijzeren palm waarop hij stond, met
-zijn snavel heeft losgewerkt. Maar wat het mooiste is van
-alles—verbeeld u: de priesteres der Eumeniden [77] te Orchomenus [78]
-moet een langen, zwarten baard gekregen hebben!—Gij hebt toch een
-waarzegger laten roepen?”
-
-„Ja, Lampon,” hervatte Telesippe.
-
-„Lampon is goed!” hernam Elpinice met een goedkeurenden hoofdknik. „Hij
-is de beste van allen. Ieder kan een dier slachten en uit de ingewanden
-voorspellen, maar men moet Lampon zien en hooren, wanneer hij een ei
-boven het vuur houdt en uit de barsten zijne waarzeggingen put, of
-wanneer hij uit graankorrels, die hij op den grond legt, geheele
-woorden en letters opmaakt, dan er hoenders bijzet en er op let, wat
-zij oppikken en wat niet. Ook uit de hand, uit helder water uit wat men
-wil, kan hij voorspellen als niemand anders. Lampon is een knap man, op
-wien men zich kan verlaten. Wat Lampon zegt, daaraan kunt ge gelooven,
-alsof het de priesteres [79] op den drievoet te Delphi gezegd had.—Maar
-gij vertelt mij niet, hoe hij u het wonderteeken heeft uitgelegd!”
-
-„Hij heeft dien éénen hoorn als een teeken verklaard van de
-heerschappij van Pericles over Athene,” zeide Telesippe. Elpinice trok
-den neus op. Zij zei niets meer tot lof van Lampon.
-
-„Mijn broeder Cimon,” zeide ze, „gaf, zoo goed als iemand, acht op de
-goddelijke teekenen, en liet eens twaalf dagen achtereen een ram
-slachten, totdat de ingewanden gunstig waren. Toen eerst greep hij den
-vijand aan. Maar hij placht steeds tot den wichelaar, die hem van
-staatswege vergezelde, te zeggen: „Wichelaar doe wat uw ambt u
-voorschrijft, maar vlei mij niet! Vervalsch den wenk der Goden niet, om
-mij te behagen!” De tegenwoordige staatslieden daarentegen zijn daar
-niet mede gediend. De zieners weten wel, wie de waarheid wèl en wie ze
-niet willen hooren. En al mogen de lieden, die zich laten vleien, zich
-in een gunstigen afloop verheugen,—de ware zegen der Godin is toch
-nooit het deel van hen, die de Goden niet eerbiedigen.”
-
-„Meent gij,” hervatte Telesippe, „dat Pericles Lampon bijzonder
-dankbaar was voor zijne voorspelling? Hij glimlachte slechts. Zijn
-vriend, die oude, door de Goden verlaten Anaxagoras, veroorloofde zich
-zelfs spottende aanmerkingen.”
-
-„Sedert den dood van mijn broeder Cimon,” riep Elpinice uit, „hebben we
-de Sophisten [80] in het land gekregen, die Godenverachters!”
-
-„En deze lieden,” zeide Telesippe, „ondermijnen niet alleen de
-godsvrucht en de oude zeden in den staat, zij verstoren ook het
-huiselijk geluk en de huiselijke welvaart. Ik ben de vrouw geweest van
-den rijken Hipponicus en vóór hem had ik zelfs den Archon Basileus [81]
-kunnen huwen, wiens gemalin toch eigenlijk de hoogste waardigheid in
-den staat bekleedt, omdat zij, naar een oud gebruik, aan de heilige
-priesterbedieningen van haar man deel neemt. Maar ik liet mij eerst
-door den rijken Hipponicus winnen, en vervolgens door het waardig en
-tevens zacht, innemend karakter van Pericles. En wat moet ik nu
-beleven, ik die aan iets beters gewoon ben geraakt! In welk een
-huishouden ben ik uit dat van Hipponicus gekomen! En hoe zijn de zaken
-steeds erger geworden! Pericles veronachtzaamt zich zelven en zijn
-huis. Wanneer ik tot hem ga, om over de gewichtigste huiselijke
-aangelegenheden te beraadslagen, dan heeft hij daarvoor geen tijd. Ik
-waag het nauwelijks meer ’s morgens in zijne kamer te komen. Hij wijst
-mij inderdaad de deur! „Lieve Telesippe,” zegt hij dan, „kwel mij ’s
-morgens toch niet met zulke dingen, of kom ten minste niet, dan nadat
-ge een bad gebruikt hebt en gekleed zijt, want ge beleedigt te gelijk
-mijne ooren en mijne oogen.”—Ik ben de vrouw geweest van den rijken
-Hipponicus en hij overlaadde mij met pracht en weelde; maar nooit heeft
-hij zulke taal tegen mij gevoerd. Hier integendeel, waar mij, in plaats
-van pracht en overvloed, enkel schrielheid en bekrompenheid omringt,
-hier zou ik mijn gestrengen echtgenoot en meester slechts mogen
-naderen, als ik een bad genomen heb en gezalfd en bekransd ben! Hoezeer
-heb ik mij verzet, toen hij op den inval kwam, zijne bezitting
-eenvoudig te verpachten en al ’t geld aan zijn vertrouwden slaaf
-Euangelus over te geven. Die is nu rentmeester en opzichter in huis, en
-ik, zijne huisvrouw, ben veroordeeld het geld uit de handen van een
-slaaf te ontvangen. Weet ge, van wien Pericles die mooie manier van
-huishouden heeft geleerd, en wie hem daarin met zijn voorbeeld heeft
-versterkt? Niemand anders dan zijn beste vriend Anaxagoras. Alvorens
-die ellendige dwarskijker en leeglooper zijne geboorteplaats Clazomenae
-verliet, om naar Athene te verhuizen, verweten hem zijne vrienden dat
-hij zijne gronden, welke hij van zijne vaderen geërfd had, niet
-bebouwde, waarop hij ten antwoord gaf: „Doet het zelven, als gij daar
-genoegen in hebt!” Daarna vertrok hij en liet al zijn hebben en houden
-aan de Clazomeniërs, zeggende: „jaagt de geiten van de gemeente in
-mijne akkers en weilanden.”—van dat allooi zijn de vrienden en
-raadslieden van Pericles!”
-
-Telesippe’s klaagliederen werden afgebroken door een slaaf, die hare
-bevelen in een huishoudelijke aangelegenheid kwam vernemen. Andere
-slaven en slavinnen kwamen van de markt terug, na levensmiddelen voor
-den huiselijken maaltijd te hebben ingekocht. Telesippe rook of proefde
-het een of ander stuk, vroeg Elpinice’s oordeel over de frischheid van
-een schelvisch en deelde aan den kok hare bevelen mede. Voorts gaf zij
-aan sommige slavinnen vlas, linnen en andere stoffen om te weven of te
-naaien, ’t geen haar dagelijksche arbeid was.
-
-Toen keerde zij naar hare vriendin terug, om het afgebrokene gesprek
-voort te zetten.
-
-„Ik heb u het ergste nog niet medegedeeld,” vervolgde zij. „Vroeger was
-het hier een eenvoudig, maar rustig huishouden. Dat is veranderd, sinds
-Pericles zijn bloedverwant, den jongen Alcibiades [82], den zoon van
-Clinias, die zijn vader verloren had, uit onbedachtzame goedhartigheid
-in zijn huis opgenomen en hem met zijne eigene kinderen heeft opgevoed.
-Ik zeg uit goedhartigheid; maar daarin betoonde hij zich alleen
-goedhartig jegens zijn bloedverwant, onverantwoordelijk jegens mij en
-zijn eigen vleesch en bloed. Gij weet hoe flink mijne beide jongens
-Xanthippus en Paralus steeds geweest zijn en hoe goed zij door mij in
-behoorlijke tucht zijn gehouden. Den geheelen dag zaten zij rustig in
-een hoek en de paedagoog [83] viel bij hen in slaap zoo weinig moeite
-veroorzaakten zij hem. Pericles noemde hen steeds „suffers” en bekeef
-hen om hunne weinige opgewektheid en levendigheid. Inderdaad echter
-zijn het welopgevoede jongens, zooals ieder vader zich slechts kon
-wenschen. Zij hadden geleerd op een wenk te gehoorzamen. Zij deden
-niets, dan wat hun bevolen was. Zij zaten of liepen, wanneer men het
-wilde hebben. Als men zei: „Paralus, bijt niet altijd op je nagels!” of
-„Xanthippus, peuter niet met je vingers in den neus!” dan beet Paralus
-niet meer op zijn nagels en Xanthippus nam zijne vingers van den neus.
-En als ze soms wat lastig werden, dan behoefde men maar te zeggen: „de
-Mormo [84] komt” of daar is de „Empusa” [85] of de „Acco” [86] of „de
-wolf”, of „het paard bijt”, dan werden zij bleek als een doek en gedwee
-als lammeren. En nu? Gij kent de jongens niet meer, sinds die bengel
-van een Alcibiades in huis is gekomen. Met hem is leven en lawaai en
-allerlei onordelijkheid in de kinderkamer gekomen. Hij begon al
-dadelijk, met de ratelaars en drijftollen, waarin Xanthippus en Paralus
-bijzonder plezier hadden, in een hoek te stoppen en om houten paarden
-en wagens te roepen. Pericles gaf hem den zin en nu rent hij daarmede
-onder een verschrikkelijk geschreeuw en geraas door het Peristylium
-rond, alsof hij in de renbaan te Olympia [87] was. Weldra had hij
-genoeg van de houten paarden en hij spande Paralus en Xanthippus, ja
-eindelijk zelfs den paedagoog voor zijn „Olympische zegekar”, zooals
-hij het noemde. Voor afwisseling ving hij zwaluwen in het Peristylium,
-kortte hare vleugels of liet ze aan een lang touw vliegen.
-
-„In het begin zagen de beide knapen de woestheid van hun nieuwen
-kameraad met eene soort van angstige verbazing aan. Langzamerhand
-echter werden zij er aan gewoon, sloten zich bij hem aan, als hij weer
-’t een of ander kattekwaad uitvoerde, en zagen met alle aandacht toe.
-Later hielpen zij hem daarbij en eindelijk begonnen zij zelfs, al wat
-de wildzang deed, dapper na te apen. Maar hun ingeboren betere aard
-openbaarde zich toch altijd, doordat zij nooit zelven kwâjongensstreken
-bedachten. Zij deden alleen getrouw alles wat Alcibiades hen beval.
-Toen ik nu van de Mormo, de Empusa, de Acco, den wolf of het bijtende
-paard begon te spreken, lachte Alcibiades. Toen Xanthippus en Paralus
-Alcibiades zagen lachen, zonder dat dit invloed had op de Mormo, de
-Empusa, den wolf of het paard, lachten zij eveneens. Zoo verloor ik
-mijne macht over de jongens en luisteren zij niet meer naar mij. De
-paedagoog is een oud man, een slaaf in den dienst van ons huis
-vergrijst, die uit een olijfboom viel en zijn been brak en dien
-Pericles derhalve weder uit goedhartigheid in huis nam, om toezicht
-over de knapen te houden, omdat hij voor vermoeiender arbeid niet meer
-deugde. Nu is zelfs het vuur op den haard voor de jongens niet zeker;
-zij vernielen en breken alles, wat vernield of gebroken kan worden, zij
-klouteren op, waar zij maar kunnen, en vallen er af, dat het mij
-verwondert dat het altijd zoo goed afloopt. De slavinnen in huis worden
-geplaagd en geknepen, de slaven uitgelachen en afgeranseld. Kom ik dan
-eens ernstig tusschenbeide en dreig hen met mijne sandaal [88] dan
-kruipen Xanthippus en Paralus in een wip onder de tafels en bedden, en
-Alcibiades kloutert, als een eekhorentje, tegen de zuilen van het
-peristylium op tot aan de kroonlijst. En Pericles? Wanneer ik hem mijn
-nood klaag, dan lacht hij en neemt den belhamer Alcibiades in
-bescherming tegen de „suffers.”....
-
-Op dit oogenblik werd Telesippe door den kleinen Paralus gestoord, die
-schreiend binnen kwam stuiven.
-
-De beide andere knapen volgden hem op den voet.
-
-„Wij speelden den razenden Aiax,” zei Alcibiades, „den razenden Aiax,
-die zoovele runderen versloeg, toen hij waanzinnig werd, daar hij hen
-voor Achaeërs hield en die stamvader van ons huis is, zooals mijn vader
-Clinias mij verteld heeft. Ik stelde Aiax voor, Paralus en Xanthippus
-de runderen. Ik heb hen echter niet hard geslagen.”
-
-„Ellendige jongen!” riep Telesippe toornig opvliegende uit, drukte
-Paralus en Xanthippus aan haar hart en liefkoosde hen, om ze te
-troosten.
-
-Inmiddels vestigde Elpinice onafgewend de oogen op den kleinen
-Alcibiades.
-
-„’t Is toch een prachtig mooie jongen!” zeide ze. „Die donkere, vurige
-oogen—dat sneeuwwitte voorhoofd—die prachtige golvende lokken”—
-
-„Een onhandelbare bengel is hij!” riep Telesippe, geprikkeld door de
-bewondering, die hare vriendin voor den knaap scheen opgevat te hebben.
-Toen riep zij den paedagoog. Hinkend kwam de oude man aanstrompelen.
-„Waarom hebt ge niet verhinderd, dat Alcibiades de beide knapen
-afranselde?” snauwde zij hem toe.
-
-„Hij deed zelf in ons spel meê,” viel Alcibiades in; „hij stond reeds
-klaar als het Trojaansche paard, waarmede ik later Ilium binnen wilde
-trekken.”
-
-Telesippe keek den paedagoog verbaasd aan.
-
-„Gebiedster Telesippe,” hernam deze, „het is niet de eerste maal, dat
-ik gedwongen ben geweest aan de luimen van dezen dollen jongen mijn rug
-te leenen.—Gisteren heeft hij mij in de hand gebeten, als een jonge
-hond”—
-
-„Bah, zeg liever als een jonge leeuw!” riep de kleine Alcibiades
-beleedigd uit.
-
-„O Zeus en Apollo,” bracht Elpinice uit met levendige gebaren. Daarna
-den jongen tot zich trekkende, ging zij vleiend voort: „Gij zijt zeker
-een moedige knaap en zoo ge onder den grooten Cimon, mijn broeder,
-geleefd had, zoudt ge zonder twijfel geholpen hebben om de Perzen te
-verslaan. In dien tijd echter, mijn jongen, waren de knapen heel anders
-dan tegenwoordig. Zij waren niet brutaal en neuswijs en aanmatigend. En
-zij gebruikten geen zalven en warme baden. Aan tafel zaten zij netjes,
-zonder de beenen te kruizen en zonder een blaadje groente zelf te
-nemen. In de worstelschool strekten zij, wanneer zij op het zand zaten,
-de beenen zoo uit, dat de eerbaarheid er niet door beleedigd werd, en
-stonden zij op, dan wischten zij aanstonds de sporen van hunne jeugdige
-ledematen in het zand uit. ’s Morgens zag men hen dun en licht gekleed,
-ook wanneer het stormde en regende, naar den muziekmeester gaan en zij
-leerde daar oude, degelijke stukken, zooals „Pallas, de
-Stedebedwingster” of een gezang van Simonides [89], niet zulke
-weekelijke liederen, als thans in de mode zijn, met draaien en krullen,
-waarvoor men zulk een ondeugenden bengel met de roede moest geven.
-Bedenk, zoon van Clinias, weldra zult gij ook met uwe makkers naar de
-school gezonden worden, gij zult de spraakkunst leeren en gymnastiek en
-de lier bespelen en op de fluit blazen.”
-
-„Neen!” riep de kleine Alcibiades, „op de fluit blazen wil ik niet—dat
-staat leelijk—de wangen worden er zoo door opgezet—zóó.” En daarbij
-blies hij zijne wangen op, zooveel hij kon.
-
-„O, hoe ijdel!” riep Elpinice, en wilde den knaap kussen.
-
-Doch oude vrijsters zijn bij kinderen niet erg bemind. Alcibiades blies
-Elpinice, om zich aan hare omhelzing te onttrekken, brutaal al de lucht
-uit zijn bolle wangen in het gezicht en sprong spottend lachend weg.
-
-Elpinice was boos. Zij sprong op van haar stoel, om zich
-oogenblikkelijk te verwijderen. Zij nam haar himation weder op, sloeg
-den eenen tip van den langen mantel over den linker schouder naar voren
-en hield hem met den linker arm tegen het lichaam aan. Daarop trok zij
-het gewaad over den rug naar de rechterzijde, zoodat het niet alleen
-dit doel van het lichaam, maar ook het hoofd, met uitzondering van het
-gezicht, bedekte. Ten laatste schoof zij het onder de kin weder over
-den linker schouder terug, zoodat een slip over haar rug afhing.
-
-„Gij ziet,” zeide Telesippe, terwijl zij hare vriendin nog weerhield,
-„gij ziet, welk een lot ik hier duld. Zoo slijt ik mijn leven, met dien
-ellendigen jongen aan den hals, met een echtgenoot, die er zich niet om
-bekommert, vreugdeloos, geplaagd, geminacht, ik, die eens de vrouw had
-kunnen zijn van Archon Basileus—ik, die deel had kunnen nemen aan de
-heiligste verrichtingen van den Atheenschen godsdienst!”
-
-„Mijn broeder Cimon was gewoon te zeggen,” hernam Elpinice: „Nieuwe
-tijden, booze tijden!—De wereld gaat haar gang en zij bevordert het
-eerzuchtig pogen der mannen maar ook wij vrouwen zijn er nog. Denk er
-aan, Telesippe, en laat u, wat ik zeg, voor heden genoeg zijn: wanneer
-wij vrouwen ons aaneengesloten houden en ons vastklemmen aan de
-raderen, dan zal men de wereld niet zoo spoedig geheel uit het oude
-spoor lichten!”
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-DE MARSKRAMER VAN HALIMUS.
-
-
-Toen de staatsman Pericles en zijn vriend, de wijze Anaxagoras, het
-huis van Pericles hadden verlaten, daalden zij de straat, die van den
-grooten schouwburg van Dionysus naar den voet der zuidelijke helling
-van de Acropolis voerde, af, en toen noordwaarts de straat in, die
-tusschen de westelijke helling van de Acropolis en den heuvel van den
-Areopagus [90] tot aan de Agora doorliep.
-
-Nu hadden zij hun doel bereikt. Zij stonden op de Agora. Dit middelpunt
-van het Atheensche leven en verkeer ligt in den Ceramicus [91]. Het
-ligt als geborgen onder de hoede der gezamenlijke heuvelen van Athene:
-naar het zuiden heeft het de steile rots van den Areopagus, aan de
-westzijde den Nymphen-heuvel, waaraan in zuidelijke richting de
-beroemde hoogte van de Pnyx zich aansluit, naar het noorden ligt eene
-middelmatige hoogte, die den tempel van Theseus draagt en in het
-noordwesten ruischen de boschjes van het doorluchte Coloneüs [92].
-
-Zoo zien al de door sagen beroemde en geheiligde hoogten van Athene op
-de Agora neder.
-
-Op het midden daarvan verheft zich het altaar der twaalf groote
-Olympische Goden. Hier prijken voorts de koperen standbeelden der tien
-door sagen verheerlijkte stamheroën van het Attische volk en land. In
-de nabijheid van deze standbeelden der stamhelden is aan ieder der
-negen archonten, de eerwaardigste overheid van Athene, zijne openbare
-werkzaamheid in de Agora toegedeeld. Hier staat ook het meerendeel der
-gerechtshoven; hier de raadszaal van den raad der Vijfhonderden: het
-„bouleuterion” en het ronde, met een koepel bedekte gebouw van den
-Tholus [93].
-
-Dichter opeen gepakt dan gewoonlijk stormt heden de volkshoop naar deze
-verzamelplaatsen; men ziet de Prytanen zich met spoed naar den Tholus
-begeven, die mannen, welke behooren tot de afdeeling van den Raad,
-welke juist in functie is. Ook vele andere overheidspersonen ziet men
-over de marktplaats gaan. Men merkt hen nauwelijks op. Nu echter komt
-Pericles, de strateeg. Op hem zijn aanstonds aller oogen gevestigd. Hij
-neemt afscheid van zijn geleider Anaxagoras en begeeft zich in den
-Tholus bij de Prytanen. Hij heeft met deze mannen, die de onderwerpen,
-welke in de volksvergadering zullen behandeld worden, vooraf bespreken
-en zelven de leiding hebben, nog iets voor den dag van heden te
-overleggen.
-
-Ook statige tempels verheffen zich op de schitterende, ruime Agora der
-Atheners en fraaie zuilengaanderijen door de kunst versierd, strekken
-zich daar uit.
-
-Verkwikkend voor het oog is, te midden van dezen ruimen kring van
-tinnen en zuilengaanderijen, die in de stralen der zon schitteren, het
-groen der platanen, welke, van Cimon afkomstig, steeds in dankbare
-herinnering zijn, daar zij de zwoele zomerhitte op de Agora temperen en
-weldadig het druk gewoel beschaduwen.
-
-Onder gevlochten huiven, die tegen regen en zon bedekken, ligt in
-tallooze winkels de bonte, welriekende en veelvuldige rijkdom der
-Atheensche markt uitgestald.
-
-Uien en latuwe, komijn en sterkers, thym en honig, rundvleesch en
-visch, gevogelte en wild—verdienen zij onze vluchtige beschouwing,
-omdat ze zich op de markt van het oude Athene aan ons oog vertoonen?
-Waarom niet? Wat onder Attica’s hemel is gerijpt, is edeler dan andere
-streken voortbrengen, en de Grieksche zon heeft het met fijnere sappen
-gekruid.
-
-Ook de naburen brengen hun beste producten te Athene ter markt. Deze
-zachte, sappige groenten heeft Megara [94] gezonden. Deze ganzen, die
-heerlijke watersnippen en strandloopers komen uit het vette Boeötische
-land.
-
-Het grootste gewoel heerscht er op de markt, ginds om de schubbige
-bewoners der zee. Van den goedkoopsten zoutevisch, die er bestaat, die
-toch met olie besmeerd, in gekruide bladeren gewikkeld en in heete asch
-gebraden, heerlijk smaakt, tot op de meest geprezen en duurste
-lekkernijen van deze soort, de Boeötische aal, is hier alles
-uitgestald, wat er in de honderd golven der diep inspringende Grieksche
-kusten heerlijks wemelt. Deze sardijnen daar uit de naburige baai van
-Phaleron zijn zoo malsch, dat ze, om zoo te zeggen, het vuur maar
-behoeven te zien om gebraden te zijn.
-
-Wie geen lust heeft, de bestanddeelen van zijn maaltijd naar huis te
-dragen, kan op de plaats zelve zijne begeerte bevredigen. Naar den geur
-te oordeelen, is zelfs het sappige ezelsgebraad daar niet te versmaden;
-de verkooper ten minste roemt het lendestuk als eene lekkernij. Zijn
-buurman wel is waar spreidt niet luid klinkende stem al zijne
-welsprekendheid ten toon, om te bewijzen dat zijn geitevleesch de
-voorkeur verdient en dat dit het voedzaamste van alle vleeschsoorten
-is, een ware „athletenkost.”
-
-Wilt gij u aan de vleesch- en bloedlucht onttrekken—evenwel de
-Olympiërs zelven hebben een welgevallen daarin en versmaden geenszins
-de offers—en begeert ge aan fijnere en edeler geuren u te vergasten,
-begeef u dan ginds naar dien kant, waar de schalksche blikken van een
-meisje, dat kransen vlecht, of een blonde knaap u wenken. De Athener
-houdt ongeloofelijk veel van kransen. Zij vergezellen hem van de wieg
-tot aan het graf. Met kransen tooit zich te Athene niet alleen de roem,
-de liefde, de dood, de vreugde en iedere soort van feestelijkheid, niet
-slechts de drinker omwindt zijn voorhoofd, ja zijn geheele lichaam met
-kransen bij het symposion [95], ook de magistraat zet zich den krans op
-’t hoofd, wanneer hij zijne betrekking waarneemt, en eveneens de
-redenaar, wanneer hij zich gereed maakt, op de Pnyx tot het vergaderde
-volk te spreken. Uit myrthe vlecht Athene zijne kransen en uit rozen;
-den klimop en zelfs het loof der zilverpopulieren versmaadt het niet;
-hyacinthen woelt het gaarne door het groen der myrthen; maar bij
-voorkeur schijnt het toch het teedere viooltje lief te hebben, want
-zijne dichters spreken van „het met violen omkranste Athene.” Nu echter
-bevinden we ons op de pottebakkersmarkt, den trots van den Atheenschen
-kunstwerker. Naar de potten toch wordt sedert overoude tijden deze
-geheele stadswijk geheeten en op de koopvaardijschepen gaan van daar de
-voortbrengselen van de Attische kleiaarde, door de Goden zoo rijk
-gezegend, naar alle wereldstreken. De Athener vormt deze klei van zijn
-geboortegrond, evenals zijn Attisch marmer, met den fijnen
-kunstenaarszin, dien de Goden, naar hun wijs bestek, hem bij zijne
-voortreffelijke klei en marmer verleende.
-
-Zie toch van de kleine, platte phiale [96] zonder hengsels en voeten,
-tot aan den reusachtigen pithos [97], die honderd amphoren wijns
-bevat, en toch slechts pottebakkerswerk is, heeft alles eene zekere
-netheid en sierlijkheid. Deze amphoren, met wijde buiken, met dubbele
-hengsels, deze hydriën [98], deze reukfleschjes, met nauwen hals,
-waaruit de vloeistof slechts droppelsgewijze en met klokkend geluid
-vloeit, deze ontzaggelijke mengvaten, deze schepvaten, deze bekers, van
-allerlei vorm, zij zijn alle schoon.
-
-Geen enkel stuk is er onder, dat leelijk is, omdat het alleen voor het
-gebruik moest dienen, Ook het vaatwerk voor dagelijksch gebruik, ja
-zelfs het vat, waarin de Griek zijn wijn, zijn honig, zijn olie voor de
-spijzen, zijn olie, om zich te zalven, bewaart, is schoon. Het mist
-noch de bevallige evenredigheid en bekoorlijkheid, noch de
-goedberekende omtrekken.
-
-Wanneer men hier wandelt, gelooft men niet, dat men op eene markt en te
-midden van waren wandelt; want het schoone behoort niet alleen hem, die
-het betaalt, het doet ieder, die voorbijgaat, aangenaam aan, en wanneer
-de omgeving van den mensch den hartverheffenden stempel der schoonheid
-draagt, daar hebben allen aan alles deel en daar is in den besten zin
-het ideaal van goederengemeenschap verwezenlijkt.
-
-Wij zouden ook nog de zalfmarkt kunnen doorwandelen, en de
-kleerenmarkt, waar, met de inheemsche dracht modes van het buitenland,
-als mantels uit Megara, Thessalische hoeden, schoenen uit Amyclea [99],
-en Sicyon [100] liefhebbers en koopers vinden. Het liefst wel zouden we
-de boekenrollen beschouwen, die daar meest in cylindervormige kasten
-ten toon staan. Gaarne zouden we de breede bladen van beschreven
-papyros ontvouwen, die, om staven gewikkeld welke aan beide uiteinden
-met elpenbeenen of metalen knoppen versierd zijn, door ronde of gele
-perkamentbanden worden samengehouden. Maar het geschreeuw der roepers,
-het gedruisch van de markt is te groot, dan dat we ons zouden kunnen
-verdiepen in de boekenwijsheid der Atheners.
-
-Een kolenbrander uit Acharnae [101] en een marskramer uit Halimus
-prijzen om het hardst al rond loopende hunne waren aan. Bij hen sluit
-zich een derde aan, die de Atheners opwekt, zijne voortreffelijke
-lampenkousen te koopen. Weldra echter klinkt het van alle kanten:
-„koopt olie!” „koopt azijn!” en daartusschen maken stadsomroepers
-bekend, dat deze en gene waren gelost zijn, of kondigen den prijs aan,
-die er is uitgeloofd voor de ontdekking van een diefstal of het
-terugbrengen van een weggeloopen slaaf. Wat men echter in het
-marktgewoel mist, zijn de vrouwen. Geen Athener zendt zijne vrouw of
-dochter naar de markt. Hij stuurt zijn slaaf of hij gaat zelf in eigen
-persoon om inkoopen te doen voor het familiemaal.
-
-Maar woelt daar niet, bij den tempel van Aphrodite Pandemus [102] een
-tal van eigenaardig opgeschikte vrouwen? Zij behooren niet tot
-koopsters op de markt, maar tot de verkoopsters. Zij zijn verkoopsters
-en koopwaren tegelijk. Daaronder zijn fluitspeelsters en danseressen,
-die zich laten huren voor de symposiën der rijken, om vroolijke gasten
-te bekooren. Op de Agora staan ook wisseltafels, even goed als in den
-Piraeus, en de Athener deponeert zijn baar geld bij deze wisselaars en
-bankiers, om het naar behoefte in kleine sommen weder terug te nemen.
-
-De Athener heeft tallooze redenen om dagelijks minstens eenmaal de
-Agora te bezoeken, en wanneer hem ook eene oorzaak mocht ontbreken, dan
-gaat hij er toch heen. Hij is door en door een gezellig wezen.
-Aanhoudende omgang met zijns gelijken is hem eene behoefte. Overal
-heerscht deze gezelligheid en spraakzaamheid: in de winkels, in de
-gaanderijen, in de baden, in de barbierswinkels, zelfs in de
-werkplaatsen der arbeidslieden, alleen niet in kroegen: deze kent de
-Athener ternauwernood, of laat ze over aan de heffe des volks.
-
-Wat beteekent die groote, gewapende troep lieden, die daar juist in het
-midden der bijna onafzienbare Agora zich geposteerd heeft? Dat zijn de
-duizend Scythische boogschutters, die als huurlingen de markt der
-Atheners, naar oud gebruik, bewaken, eene soort van stads- en
-politiewacht, in dienst van den Raad van Vijfhonderd. Deze zonen uit
-het verre Scythenland vermaken de Atheners door hun barbaarsch
-koeterwaalsch, zooals ze het Grieksch radbraken en door—den onlesbaren
-dorst hunner kelen.
-
-Zij hebben stompe neuzen, en gezichten zonder uitdrukking, die
-ongunstig afsteken bij de prachtig gesneden gezichten en de trekken,
-vol uitdrukking, der inboorlingen. Die buitenlanders zijn plomp en
-onbehouwen; deze inboorlingen daarentegen zijn fijn gebouwd en alles is
-vuur en spier in hen.
-
-De bewegingen van genen schijnen hier traag en lomp, zelfs leelijk, als
-zij zich haasten; in de bewegingen van dezen is iets bevalligs, iets
-edels. Zelfs die kolenbrander uit Acharnae houdt zich recht en die
-marskramer uit Halimus, die zijn armoedig, linnen gewaad met moeite
-voor de volksvergadering van heden met wat krijt eenigen nieuwen glans
-heeft gegeven, ziet, terwijl hij zijne waren rondvent, met eene soort
-van trots om zich heen. Hij slaat, terwijl hij over de markt loopt,
-zijne armen heen en weer; doch zijn bovenlijf blijft in waardige rust.
-In de oogen van al deze mannen staat de spreekwoordelijk geworden
-„Attische blik” te lezen. Wat deze blik beduidt? Het is moeilijk te
-zeggen. De „Attische blik” is, als het geheele wezen der Atheners, een
-spiegel van zeer verscheidene, beminnelijke en onbeminnelijke
-eigenschappen. Ieder oogenblik is deze Attische blik gereed in Attisch
-gekruid, bijtend, schertsend woord over te gaan. De Athener schijnt
-ernstig, maar uit zijn ernst springt onverwachts een sarkastisch
-gezegde, als de vonk uit den vuursteen. Hij heeft een aangeboren
-geestigheid en weet die te gebruiken.
-
-Midden door de drukte der Agora beweegt zich sedert eenigen tijd een
-man, wiens gewaad en statig uitzicht zekere welgesteldheid verraden,
-terwijl hij echter met de oogen van een onbekende rondom zich ziet.
-Hier en daar heeft hij zich naar een winkel begeven, heeft naar den
-prijs van deze en gene waren gevraagd, steeds echter scheen hij
-bezwaren te hebben, zooals dat met een vreemdeling pleegt te gebeuren.
-
-Juist gaat de marskramer van Halimus hem langzaam voorbij.
-
-„Ik kan niet wijs worden,” zegt de vreemdeling tot den bandkramer,
-misschien aangemoedigd door den blik van nieuwsgierigheid of
-deelneming, welke deze op hem sloeg, „ik kan niet wijs worden uit de
-bedoelingen van deze handelaars. Ik geloof dat men mij wil afzetten...”
-
-„Zijt gij dan een vreemdeling?” vroeg de bandkramer.
-
-„Ja zeker,” hernam deze. „Ik ben met mijne familie uit Sicyon gekomen
-en dat wel vóór pas weinige dagen. Ik denk mij hier te vestigen. Ik wil
-in ’t vervolg liever een vreemde te Athene zijn, dan burger te Sicyon,
-waar ik het van mijne vijanden hard te verduren gehad heb.”
-
-Toen de bandkramer van Halimus hoorde, dat deze man geen Atheensch
-burger, maar een vreemdeling was—hij had hem voor een raadsheer
-aangezien—hief hij ’t hoofd nog meer op en zeide met eene soort van
-welwillendheid:
-
-„Vriend, wanneer u de waarde van onze munten en de prijzen onzer waren
-onbekend zijn, moet ge trachten die te leeren kennen en wel, als ’t
-mogelijk is, van een eerlijk man.—Zie hier,” ging hij voort, terwijl
-hij een zeer klein, dun zilverstukje te voorschijn haalde en op de
-vlakke hand lei, „zie hier, dat is Attisch zilver, zooals wij het
-daarboven uit Laurion [103] delven. In de geheele wereld vindt ge zulk
-fijn en zuiver zilver niet als dit. Dit muntstukje evenwel is ons
-kleinste zilvergeld, een halve obool, daarvoor kunt ge u een gemeene
-kaas of een leverworstje of een redelijk stuk vleesch koopen, zooals ge
-slechts met goeden eetlust kunt op-eten. Geeft ge een heelen obool, dan
-krijgt ge een vleeschmaaltijd, die kostelijk is toebereid. Voor vier
-obolen kunt ge een lekkeren zeevisch mee naar huis nemen. Hebt ge zes
-obolen bij elkaar, dat is zooveel als eene drachme, dan kunt ge
-daarvoor een grooter zilverstuk met het hoofd van Athene op de eene en
-den lauwrieren omkransten Attischen uil op de andere zijde inwisselen.
-Voor zoo’n drachme krijgt ge nu een schotel goed toebereide zeeëgels;
-voor twee zulke drachmen een heel schepel gerstemeel, voor drie een
-schepel weit of eene Copaïsche aal en voor tien zulke drachmen kunt ge
-u een chiton koopen, als hij niet van al te fijne stof moet zijn. Hebt
-ge honderd drachmen bijeen, dan is dat eene mine, en voor anderhalve
-mine kunt ge u een slaaf koopen; voor drie minen een paard of een zeer
-klein huisje, wilt ge een grooter en beter hebben, dan moet ge stellig
-zestig minen besteden en dat maakt een talent uit.—Ziet ge, op deze
-wijze kunt ge u allerlei lekkernijen en prachtige zaken te Athene voor
-weinig geld verschaffen. Wanneer u echter ook dit weinige ontbreekt,
-dan moet ge maar doen, als wij arme lieden: gij moet u eenvoudig voeden
-met onze inlandsche gerstekoeken en kunt daarbij op het hartige,
-inlandsche knoflook kauwen.”
-
-Op dit oogenblik werd de spreker gestoord door den toon van eene
-geweldige stem, die over de markt klonk. Het was de stem van den
-heraut, die nu mondeling de schriftelijke oproeping aan de Atheners,
-welke voor het bouleuterion aangeplakt was, herhaalde, om zich op de
-Pnyx te verzamelen, er bijvoegende dat over een uur de vergadering zou
-geopend worden.
-
-Tegelijk werd er op de hoogte van de Pnyx eene groote vlag geheschen,
-welke als teeken der ophanden zijnde volksvergadering boven de stad
-wapperde, heinde en verre zichtbaar.
-
-Overal drong het volk om den heraut en er ontstond eene soort van
-gisting onder de menigte.
-
-Reeds van den vroegen morgen af waren de Atheners op de been en overal,
-waar zich menschen plachten te verzamelen, hoorde men een levendig
-gesprek, dat niet zelden zeer hoog liep. De stem van den heraut
-wakkerde het vuur van het politieke gesprek tot een nieuwen en
-helderder gloed aan.
-
-„Achttienhonderd talenten moet de schat bedragen, die met het
-staatsschip van Delos is overgebracht!” riep er een uit het midden van
-eene groep burgers.
-
-„Drieduizend talenten zijn het!” riep een tweede.
-
-„Zesduizend!” viel levendig een derde in. „Zesduizend talenten zeg ik
-u, zijn van Delos overgekomen—zesduizend talenten, baar geld.”
-
-„Hoezee!” riep een vierde en sprong op van blijdschap. „Waar geld is,
-zegt het spreekwoord, daar blaast de wind lustig in de zeilen!”
-
-„Wat de nieuwe gebouwen betreft,” sprak een vijfde uit de groep met een
-bedenkelijk gezicht, „vooral het nieuwe heiligdom van Pallas op den
-burg, daar heb ik vrede mee; maar wat het rechterloon betreft en vooral
-de gelden voor den schouwburg—”
-
-„Wat? Gunt gij die dan het volk niet?” klonk eene stem uit de groep der
-arme burgers den spreker tegen.
-
-„Ja wel!” hernam gene. „Ik denk alleen, dat het voorstel niet door zal
-gaan. De oligarchen zullen het wel verhinderen. Tooneelgelden voor het
-volk? Dat zullen de vele Laconer vrienden niet toestaan. Neen stellig
-niet!”
-
-„Ik geloof integendeel,” meende een ander, „dat de schouwburggelden
-gemakkelijk zullen doorgedreven worden, want de menigte volks is immers
-op Pnyx tegenover de oligarchen in de meerderheid. Maar wat betreft de
-bouwwerken en vooral den nieuwen tempel van Pallas Athene...”
-
-„Hoe?” vielen verscheidenen den spreker in de rede, „wilt ge dat we
-niet bouwen zullen?”
-
-„Dat niet,” hernam gene. „Ik meen slechts...”
-
-„Kom, wacht toch!” viel hem iemand in de rede, „laten we eerst Pericles
-hooren!”
-
-„Ja, bravo, laten we eerst Pericles hooren!” klonk het in den kring.
-Alleen de worsthandelaar Pamphilus trok den neus op en zeide:
-
-„Pericles en eeuwig Pericles! Moeten we dan altijd naar hem hooren?”
-
-„Waarom niet?” gaf men hem ten antwoord, „Pericles is
-verstandig—Pericles meent het goed met ons—Pericles is de man, aan wien
-de Atheners het vet op de soep te danken hebben—Pericles is hier de
-eenige in Athene, van wien zijne medeburgers niets kwaads weten te
-zeggen.”
-
-„Wat?” riep de dwarsdrijver; „niets kwaads? zeggen dat niet alle
-ouderen van jaren dat hij in zijne trekken eene zekere gelijkenis heeft
-met Pisistratus, den tyran?”
-
-„Dat is waar,” hernam Phamphilus. „Ook heeft hij, wat niet allen bekend
-is, een zoogenaamden uienkop.”
-
-„Wat? Een uienkop?” riepen de toehoorders.
-
-„Wel zeker, een uienkop!” hervatte de ander. „Weet toch,” vervolgde hij
-geheimzinnig, „dat de schoone, statige Pericles op zijn kruin een
-knobbeltje heeft, zoodat zijn hoofd eenigermate spits toeloopt, niet
-ongelijk aan een ui.”
-
-„Malligheid!” riepen de anderen. „Heeft een uwer dezen uienkop van
-Pericles ooit gezien?”
-
-„Niemand!” vervolgde de andere levendig. „Niemand heeft hem gezien! Dat
-is zeker. Maar hoe zou men ook den uienkop van Pericles kunnen zien? In
-het veld draagt Pericles zijn strategenhelm en ook in vredestijd bedekt
-hij, zooveel mogelijk, het hoofd daarmede. En waar het niet voegt, nu
-daar behelpt hij zich op eene andere wijze. Op het redenaarsgestoelte
-b.v. draagt hij den gebruikelijken myrthenkrans om het hoofd; en
-gewoonlijk heeft hij op straat den breedgeranden Thessalischen hoed op.
-En zoo is het volkomen waar, dat niemand nauwkeurig het hoofd van
-Pericles heeft gezien; maar juist omdat niemand het gezien heeft, ligt
-het vermoeden voor de hand, dat zijn hoofd een uienkop is; want wanneer
-het niet zoo ware, welke reden zou Pericles dan hebben, het zoo
-zorgvuldig te verbergen?”—„Ja zeker, natuurlijk,” zeiden vele
-toehoorders, met goedkeurend gebaar; „het lijdt geen twijfel, dat
-Pericles’ hoofd een uienkop is.”
-
-„Wanneer dat zoo is,” merkte lachend een van de oligarchische partij
-op, die zich in de groep bevond, met een spottenden, zijdelingschen
-blik op eenige armoedig gekleede mannen, die ook naar het gesprek
-luisterden: „wanneer de volksvriend Pericles een uienkop heeft, dan mag
-hij dien wel goed bewaren, tegen de liefde van zijne beste vrienden en
-aanhangers, de uien- en knoflookkauwers.” Sommigen lachten om de
-geestigheid van den oligarch. Maar onder de mannen, die de spottende,
-zijdelingsche blik getroffen had, bevond zich ook de marskramer uit
-Halimus. Het scheen dat er een bliksemstraal uit zijn donker oog
-schoot, hij balde de vuist en was op het punt den oligarch een scherp
-woord naar het hoofd te slingeren.
-
-Op dit oogenblik naderde hem een man, die ’t geen hij op de markt
-gekocht had, in de plooien van zijn gewaad droeg.
-
-„Hei daar, Phidippides!” riep een van hen hem toe, „hebt ge weer een
-half uur staan pingelen, oude schacheraar?”
-
-„Ja zeker!” hernam Phidippides: „voor deze beide nietige vischjes vroeg
-het wijf twee obolen!”
-
-„En ge kreegt ze ten laatste—?”
-
-„Voor één,” hernam Phidippides met een grijnslach, doch voegde er
-aanstonds bij: „ongetwijfeld deugt het goed niet, anders had het wijf
-het mij niet zoo goedkoop gelaten. Men wordt altijd bedot.”
-
-De toehoorders lachten. „Phidippides,” vervolgde de man van zoo straks,
-„gij zijt een kerel en weet van huishouden. Wat zegt gij van de
-verkwisting van Pericles, die nu hebben wil, dat wij den bondsschat,
-die hierheen gekomen is, voor allerlei loon- en tooneelgelden en voor
-een groot, prachtig heiligdom van Pallas op de Acropolis zullen
-besteden? Hebt gij daar niets tegen in te brengen, Phidippides?”
-
-„Pallas Athene beware mij daarvoor!” riep deze uit. „Moge de zegen van
-alle Goden komen over het hoofd van onzen grooten en wijzen Pericles!
-Ik heb daar niets, niemendal tegen in te brengen, integendeel, ik zeg:
-wij moeten bouwen: het prachtige heiligdom van Athene op den burg
-moeten wij hebben, ook wanneer het al de bondsgelden te zamen zou
-verslinden.”
-
-„Wat? Gij zijt spaarzaam in uw eigen huis, gij ziet op een kruimel, en
-met de staatsgelden zijt gij zoo mild?” vroegen eenigen.
-
-„Ja zie,” hernam Phidippides, „in huis, daar loont het de moeite niet
-vrijgevig te zijn of op een weelderigen voet zich in te richten.
-Wanneer toch zijn we thuis? Wanneer veroorlooven de bezigheden het den
-Atheenschen burger thuis te zijn? Nu eens moet hij naar de markt, dan
-weer naar de volksvergadering, straks naar de vergadering zijner wijk
-of broederschap, dan weer eens naar het eene of andere gerechtshof of
-eene club, of naar den Piraeus of naar zijn land om naar de schapen te
-gaan zien—wanneer dan, vraag ik, is de Atheensche burger thuis? De
-Atheensche burger behoort aan den staat en de staat behoort aan hem;
-daarom is het altijd mijne leus: zuinig aan den huiselijken haard, maar
-royaal en mild voor den staat, voor het algemeen! Wanneer ik mijn eigen
-huis verfraai, dan heb ik maar een korten tijd er plezier van en
-misschien brengt mijn zoon en erfgenaam het er weer door. Maar wat ik
-daarboven op de Acropolis help bouwen, dat blijft en dat laat ik na aan
-mijne verste nazaten!”
-
-„Phidippides heeft gelijk!” zeiden de mannen, terwijl ze elkander met
-een goedkeurenden knik aanzagen.
-
-Maar de man van de oligarchische partij, die straks die aardigheid, ten
-koste van het volk veroorloofd had, verhief nu zijne stem opnieuw.
-
-„Alles met mate,” zeide hij. „Men moet met de hand en niet met den zak
-zaaien. Als we geen maat houden, dan gaat de staat achteruit en het
-trotsche gebouw der Atheensche macht en grootheid komt smadelijk ten
-val!”
-
-„Moge het u op den neus vallen!” riep de nog altijd verstoorde
-marskramer van Halimus, terwijl hij den oligarch met de vuist dreigde.
-
-De omstanders lachten. Phidippides begon nu weer: „Ziet toch eens de
-rijkste mannen van Athene. Zij weten wel, waarmede zij den grootsten
-roem kunnen behalen: niet door prachtige huizen voor zich te bouwen,
-maar door schepen voor den staat uit te rusten, door koren uit de
-openbare schouwspelen op hunne eigen kosten op te voeren en andere
-dergelijke dingen te doen, waartoe de wet hen wel verplicht, maar
-waarin zij onder elkander een roemrijken wedijver aan den dag leggen,
-door meer te doen, dan wat van hen gevorderd wordt. Is er iets,
-waarvoor zij hun rijkdommen liever besteden, dan hiervoor, hoewel zij
-er slechts den glans van den staat door opluisteren, terwijl zij zich
-zelven bijna tot armoede brengen?”
-
-„Inderdaad,” viel de oligarch in, „zoo handelen de rijken. Ongelukkig
-echter komt het thans bij die diensten meer op uiterlijken praal aan,
-dan op het degelijke en waarlijk belangrijke. De Triërarchen gaan
-dikwijls aan boord, zonder zich voor hunne manschappen van iets anders
-dan van meel, uien en kaas te hebben voorzien. Zij echter, die een koor
-voor een treurspel op hunne kosten inrichten en opvoeren, kweeken deze
-choreuten [104] tot ontwikkeling en behoud hunner stem een geruimen
-tijd op met allerlei zoetigheden en lekkernijen, en moeten het
-bovendien nog verdragen, wanneer hun koor in een wedstrijd overwonnen
-wordt, dat ze uitgelachen en beschimpt worden. Deze gewoonten zullen
-ons verwijfd maken. We moesten toch een weinig meer acht geven op het
-voorbeeld der mannelijke, krijgshaftige Spartanen.”
-
-„Hij is een vriend der Laconiërs!” riepen sommigen uit den kring op
-spottenden toon.
-
-„Ja, zeker een vriend der Laconiërs!” zeide de oligarch. „Ik herhaal
-het, wij moeten het voorbeeld der Spartanen navolgen, anders zal onze
-heerlijkheid niet lang duren, vooral als wij voortgaan met de teugels
-van den staat hoe langer zoo meer in de handen van onbemiddelde,
-hongerige, omkoopbare lieden uit het volk te laten glijden.”
-
-De marskramer van Halimus, die uit de verte toehoorde, balde bij deze
-woorden van den oligarch op nieuw de vuist. Met moeite bracht hem een
-zijner kameraden tot bedaren.
-
-„Ik heb verleden nacht een wonderlijken droom gehad,” ving thans een
-uit den kring der mannen aan, „en ik zou wel willen weten, wat die
-beteekende. Ik zag eerst een groote duisternis rondom mij uitgebreid.
-Toen zag ik een man komen—hij had de trekken van Pericles—en eene
-fakkel ontsteken, die steeds grooter werd, totdat zij ten laatste als
-eene gloeiende zon van den hemel glansde. Toen schitterde alles rondom
-in een helder daglicht. Maar die reusachtige fakkel begon juist door
-hare heete stralen weer dampen uit de aarde tot zich te trekken—deze
-werden al dichter en somberder en pakten zich samen tot wolken, en ten
-laatste verdween de fakkel geheel en al achter deze en werd het weer
-even donker als te voren. Het was eene zeldzame afwisseling van licht
-en duisternis. Zou deze droom ook een onheil beteekenen?”
-
-„Niet alle droomen zijn door de Goden gezonden,” hernam een der
-toehoorders.
-
-„Gij dwaalt,” zei de oligarch. „Droomen hebben steeds eene beteekenis.
-Ik zelf ben eens gered door een waarschuwenden droom, toen ik mij op
-een schip wilde begeven, dat later met man en muis in de golven
-verdween. De Goden hebben niet gewild, dat ik op zulk eene wijze zou
-omkomen.”
-
-„Misschien wilden zij, dat gij gehangen werd!” schreeuwde de kramer van
-Halimus, die zijn lang ingehouden toorn niet meer kon bedwingen.
-
-De oligarch wierp een donkeren blik op den man, die zóó gesproken had.
-Het scheen, dat hij den vermetelen spotter het duur betaald wilde
-zetten.
-
-Maar toen hij in den kring rondzag, las hij op de gezichten, dat men
-het met den spotter eens was, en daar deze zoo strijdlustig op hem
-toetrad, alsof hij hem met zijne krachtige vuisten te lijf wilde,
-achtte hij het wijzer in het gedrang van het volk te verdwijnen. Het
-volk zette zich in beweging om den weg naar den heuvel der Pnyx in te
-slaan, want het uur van de volksvergadering was gekomen.
-
-Ook de marskramer van Halimus sloot zich daarbij aan. Nog steeds
-gloeiend van toorn tegen den oligarch. De Sicyoniër liep in zijne
-nabijheid. „Hebt ge gehoord,” sprak hij, zich tot hem wendende, „wat
-zoo’n schurk van een oligarch zich nog in Athene veroorlooft? Het
-gemeene volk te verachten! Een van ons te verachten, omdat men arm
-is—alsof wij daarom minder Atheensche burgers waren! ’t Is waar, ik ben
-slechts een marskramer en mijne vrouw heeft zich in den grootsten nood
-een paar maal als min moeten verhuren. Maar de wet verbiedt
-uitdrukkelijk, dat men een Atheensch burger, wanneer hij uit armoede
-een eerlijk beroep uitoefent, dit voor de voeten werpt. En bij Pallas,
-ik ben een Atheensch burger, zoo goed als iemand anders, al woon ik ook
-niet in de Tripodenstraat, maar in een nederig voorstadje aan de bocht
-van Phaleron. Nu, ik denk maar, het is beter, met de mars op den rug
-zijn kost te zoeken, dan zooals zij leven, die liever verhongeren
-willen dan werken, maar het toch niet beneden hunne waardigheid achten,
-als tafelschuimers de borden van andere menschen af te likken of rond
-te gaan en te loeren, of soms ergens iemand zich willens of wetens aan
-eene van de tallooze wetten van Athene vergrijpt, om hem te kunnen
-aanklagen en van de geldboete, waartoe hij veroordeeld wordt, zijne
-bepaalde portie af te strijken. Houden zij het voor eene eer als
-parasiet [105] of sycophant [106] te leven, wel bekome het hun. Ik
-echter acht mij veel beter dan hen, en wie met mij den spot wil
-drijven, hij kome op: daar sta ik en vrees niemand, ik, de marskramer
-van Halimus. Ik vervul mijn burgerplicht zoo goed als iemand: ik doe
-wat brood en uien in mijn ransel en sta dan welgemoed den ganschen dag
-op de Pnyx ten dienste van mijn vaderland. Ik dank den Goden, dat ik
-Athener geboren ben; en wanneer ik zoo op den vroegen morgen van
-Halimus naar de stad wandel en de Acropolis in den glans der morgenzon
-mij zie toelachen en de reusachtige Athene Promachos mij schijnt te
-wenken en te zeggen: „Ook gij zijt een mijner zonen!” dan gaat mijn
-hart open en in stilte breng ik mijn dank aan Theseus, dat hij ons,
-kinderen van het Attische land, allen, onverschillig of wij in de stad
-of in de landelijke wijken wonen, in den tijd onzer voorvaderen, tot
-één staat heeft vereenigd. Want dit moet gij overige Grieken toch
-toegeven, dat evenals steden van dorpen verschillen, zoo ook ons Athene
-zich van alle overige Grieksche steden onderscheidt. Wij Atheners zijn
-nu eenmaal autochthonen [107] en hebben onbetwist het zuiverste, meest
-onvermengde Hellenenbloed in de aderen. Gij begrijpt echter tevens, dat
-het niet weinig beteekent, een staat als deze, als burger mede te
-helpen regeeren en besturen. Het heeft mij in de laatste dagen heel wat
-hoofdbrekens gekost om te overleggen, in hoeverre men de voorstellen
-van den strateeg Pericles moet ondersteunen. Pericles is verstandig,
-zeer verstandig en ik ben zeer ingenomen met het overbrengen van de
-bondskas van Delos naar Athene: eveneens met het besteden der gelden
-ten bate van het volk en met den nieuwen tempel van Athene op den burg.
-Maar wij burgers kunnen van den anderen kant maar niet zoo grif alles
-toegeven, alsof het zoo zijn moest—wij moeten altijd laten merken, dat
-wij de baas zijn en dat wij te beslissen hebben, wij het volk, en dat
-wij eene volksregeering hier in Athene hebben....”
-
-Zoo sprak de marskramer van Halimus, in het bewustzijn dat hij een
-Atheensch burger was, tot zijn nieuwen makker uit Sicyon. Toen ging hij
-naar den winkel van zijn vriend, den barbier Sporgilus, liet zich door
-hem kin en wang glad scheren, om er onder zijne medeburgers in de
-volksvergadering netjes uit te zien; tevens gaf hij Sporgilus zijne
-mars, om die te bewaren, tot hij van de volksvergadering zou zijn
-teruggekomen.
-
-Inmiddels was door eene troep Scythische boogschutters, aangevoerd door
-een der zoogenaamde Lexiarchen, om de Agora een touw gespannen, zoo,
-dat alleen die straat vrij bleef, welke naar den heuvel der Pnyx
-leidde—een oud gebruik, waarvan de strekking was, om de Atheners, die
-gaarne op de markt pratende den tijd vergaten, aan den weg te
-herinneren, dien zij moesten inslaan. En daar het touw met menie
-bestreken was, om hen, die er over heen sprongen rood te verven, zoo
-liep de achterblijver groote kans zich aan gelach der spottende menigte
-bloot te stellen.
-
-De marskramer sloeg met de menigte zijner medeburgers den weg naar de
-Pnyx in. De kameraad bleef aan zijne zijde, begeerig nog een en ander
-van hem te zullen hooren. Tot aan de afsluiting van de plaats der
-volksvergadering mocht hij hem slechts vergezellen.
-
-De heuvel der Pnyx is de middelste van de drie, die aan de westzijde
-van de stad zich uitstrekken. In het noordwesten scheidt hem eene kloof
-van van den zoogenoemden Nymphen-heuvel, ten zuiden eene nog diepere
-kloof, waardoor een in de rotsen gehouwen rijweg loopt, van den
-Museum-heuvel, die het hoogst zich verheft in de groep van steile
-hoogten. Ten noorden en zuiden loopt de heuvel vrij glooiend naar de
-vlakte af, op de oostelijke helling echter, in de richting van de
-Acropolis, omgeeft een steil muurterras, in een halven cirkel, den
-grond, verbreedt de oppervlakte van den heuvel en maakt zijne
-oneffenheden glad. Trappen in de rotsen uitgehouwen, en door kunst
-gebaande wegen voeren tot deze deels door de natuur, deels door
-menschenhanden gemaakte hoogvlakte heen, die in overoude tijden het in
-rotsen uitgehouwen altaar van den oppersten God droeg.
-
-De bandkramer van Halimus en zijn vriend uit Sicyon hadden de hoogte
-bereikt. De slagboomen waren geopend, doch aan den ingang stonden de
-Lexiarchen, ten getale van zes, ambtenaren met de lijsten der
-Atheensche burgers in de handen, om te zorgen dat geen onbevoegde in de
-vergadering van burgers binnensloop. Dertig helpers stonden hun ter
-zijde.
-
-Het volk stroomde het wijde, omheinde perk binnen, waarover alleen de
-blauwe hemel zich welfde. De marskramer hield echter den vreemdeling,
-die voor de omheining moest blijven, nog een oogenblik gezelschap. Met
-nieuwsgierige blikken keek de Sicyoniër over de heining heen naar de
-ruimte, die zich met de dichte massa’s van het aandringende volk vulde.
-Hij zag den achtergrond van den heuvel door een rotswand afgesloten,
-waaruit een hooge steen zich verhief, in den vorm van een dobbelsteen.
-Deze vierkante steen was het spreekgestoelte, van waar de redenaars tot
-het volk spraken. Van beide zijden voerde een smalle trap daarheen. In
-oude tijden was deze plaats een heiligdom, deze dobbelsteen het altaar
-van den oppersten Zeus geweest. Tegenover het spreekgestoelte strekten
-zich achter elkaar een aantal steenen banken uit, waarop een deel der
-vergaderden plaats konden nemen.
-
-Nadat de vreemdeling deze dingen had beschouwd, keerde hij zich om en
-liet zijn blik van de hoogte van den ruimen heuvel over de stad wijden.
-Hij zag vóór zich de geheele stad der Atheners, in een kring om den
-heiligen berg der Acropolis gelegen, die op geringen afstand juist
-tegenover de Pnyx zich verhief. De aderen der op elkaar gestapelde
-rotsbrokken fonkelden in de stralen der zon. Ter linkerzijde van den
-berg der Acropolis verhief zich, wel veel onaanzienlijker maar als een
-reusachtig gehouwen rotsblok opdoemend, de Aresheuvel, de gewijde
-plaats van den Areopagus, met het oude, huiveringwekkende heiligdom der
-Eumeniden [108].
-
-Steeds sterker werd het gedrang des volks ter plaatse, waar de
-Lexiarchen stonden, bij den ingang. Levendig vertoonde zich ook hier,
-evenals op de Agora, de aard der Atheners. Ieder oogenblik weerklonken
-de kreten van den Lexiarch: „Vooruit, Eubulides! praat niet zoo lang
-bij den slagboom!” „Bedaard, Charondas! blijf niet staan in het
-gedrang. Maak plaats voor de volgenden!”
-
-De marskramer van Halimus drong ter zijde, om zonder dat de strenge
-ambtenaars het bemerkten, zijn nieuwsgierigen vriend uit Sicyon in het
-gedrang der toestroomenden enkele personen te wijzen, die hem tot de
-eene of andere aanmerking aanleiding gaven.
-
-„Ziet ge,” zeide hij, „daar ginds de beide mannen, met hun lange
-ongekamde baarden en hunne sombere gezichten, met die korte en grove
-mantels en een dikken stok in de hand? Hunne ooren staan plat tegen het
-hoofd gedrukt, alsof ze iederen dag elkander met hunne ijzeren vuisten
-om het hoofd sloegen. Zij zien er uit als athleten, die minstens
-eenmaal reeds in Olympia hebben gezegevierd. Dat zijn die menschen,
-welke wij Laconisten plegen te noemen, weet ge, die met Sparta dweepen
-en hier gaarne alles zoo zouden willen zien, als het daar is...”
-
-Weder stootte de kramer zijn kameraad aan: „die daar is
-Phidias—Phidias, de beeldhouwer, die de groote Athene Promachos op den
-burg heeft gemaakt—de schaar, die hem omstuwt, zijn zijne jongeren,
-zijne leerlingen en helpers—die stemmen allen voor Pericles.”
-
-Nu naderden de prytanen. De marskramer wees ze zijn makker. Maar weldra
-stootte hij hem harder aan: „Zie daar, dat is Pericles! De strateeg
-Pericles!”
-
-„En die hem vergezellen?” vroeg de Sicyoniër.
-
-„Dat zijn ook strategen,” hernam de marskramer.
-
-„Hoe heeten zij?” vroeg hij.
-
-„Dat mogen de Goden weten!” antwoordde de kramer. „Ik geloof, dat er
-tien strategen te Athene zijn, maar wij kennen alleen Pericles.”
-
-„En de eerwaarde mannen, die daar met zoo deftige stap naderen?”
-vervolgde de Sicyoniër.
-
-„Dat zijn de negen Archonten!” zeide de marskramer.
-
-„Zijn deze niet,” hernam de Sicyoniër, „van alle overheidspersonen bij
-u het meest in aanzien?”
-
-„Ja wel in aanzien,” hernam de marskramer, „maar toch wij stellen de
-strategen hooger.”
-
-„Hoe zoo?” vroeg hij.
-
-„Omdat wij daartoe onze beste koppen kiezen,” antwoordde de kramer met
-een beteekenend gezicht. „Bij de Archonten zien wij op ouderdom,
-onbesmetten naam en een eerwaardig uiterlijk. Groote eer geniet zulk
-een Archont, zeer groote eer, dat valt niet te ontkennen; zijn persoon
-wordt bijna voor heilig geacht. Daarom echter ziet het er erg voor hem
-uit, als zijn ambtsjaar om is en wij niet heel te vreden met hem
-geweest zijn. Wij veroordeelen hem—raad eens waartoe? Om een
-levensgroot standbeeld uit zuiver goud den God te Delphi te wijden.”
-
-„Een levensgroot standbeeld uit zuiver goud?” riep de Sicyoniër
-verbaasd uit, „dat kan immers niemand betalen.”
-
-„Juist daarom!” hernam de marskramer. „Een schuldenaar van den staat,
-die niet betalen kan, wordt volgens onze wet burgerlijk met eerloosheid
-gestraft. Zulk een Archont blijft derhalve zijn geheele leven lang
-eerloos. En te recht. Heeft hij vroeger groote eer genoten, zoo moet
-hij nu ook groote schande daarvoor dragen.”
-
-„Wie is toch die lamme, kreupele, met lompen bedekte man, met den
-bedelzak op den schouder, die daar met allerlei dolle gebaren bij den
-ingang de volksvergadering tracht binnen te dringen?”
-
-„Dien kwaadaardig grijnzenden bedelaar, meent ge?” sprak de bandkramer.
-„Dat overal bekende menschenkind is als slaaf in een proces van zijn
-heer gefolterd geworden en van dien tijd af kreupel gebleven; hij heeft
-er ook zijn verstand half bij verloren en begaat nu, als bedelaar
-rondzwervende, de dwaasheid, zich overal in te dringen, waar Atheensche
-burgers verzameld zijn, op de markt, op de Pnyx en waar niet al. Steeds
-wordt hij hier door de Lexiarchen geweerd; dan antwoordt hij hen met
-smaadredenen en scheldt op het geheele Atheensche volk, waarvoor hij
-dikwijls slaag heeft gekregen of zelfs met steenen is geworpen, wanneer
-de jonge beeldhouwer Socrates hem niet in bescherming neemt, die zich
-gaarne over den „dollen Meno”—zoo noemt men hem—ontfermt en dien gij
-ook nu weder in zijne nabijheid ziet.”
-
-Thans werd de vlag ingehaald, die van de hoogte der Pnyx den Atheners
-de ophanden zijnde volksvergadering had aangekondigd. Dat inhalen was
-een teeken, dat de vergadering geopend was. Nu haastte zich ook de
-kramer van Halimus de omheining binnen te gaan, terwijl hij met een
-mengeling van trots en medelijden van den Sicyoniër afscheid nam, die
-voor den slagboom moest achterblijven. Als het getjilp van een vol
-vogelnest klonken de verschillende stemmen der Atheners, die zich de
-groote ruimte binnen drongen.
-
-Thans gebood de heraut stilte; zijn krachtige stem klonk heinde en ver
-over de heuvels. En het werd stil.
-
-De Sicyoniër was blijven staan, waar hij straks het gesprek met den
-kramer uit Halimus had gevoerd, en nam, zoo goed dit uit de verte
-mogelijk was, waar, hetgeen daarbinnen die wijd uitgestrekte ruimte,
-door eene dicht opeengedrongen menschenmassa gevuld, geschiedde. Zijne
-standplaats was iets hooger, zoodat hij over de hoofden der menigte kon
-heenzien.
-
-Hij zag, hoe thans, nadat de stilte was hersteld, een varken, als
-reinigingsoffer geslacht, onder begeleiding van een priester werd
-rondgedragen, en dat met het bloed daarvan de grond en de banken werden
-besprenkeld. Vervolgens zag hij, hoe een helder vuur werd ontstoken en
-dat het eigenlijke brandoffer werd gebracht. En opnieuw vernam hij de
-stem van den heraut, die de Goden plechtig aanriep. Hij zag, hoe uit
-het midden der Prytanen er een opstond, hoe de Atheners naar het
-voorlezen van een geschrift luisterden, dat ongetwijfeld de aan het
-volk gedane voorstellen van den strateeg Pericles en de toelichtingen
-van den Raad bevatte, hoe toen wederom de heraut zich verhief, om te
-vragen, wie over dit voorstel het woord verlangde; hij zag, hoe nu de
-redenaars het spreekgestoelte beklommen en hoe zij, naar oud gebruik,
-zich den myrthenkrans op het hoofd zetten, als zij tot het volk
-spraken; hij zag hoe het volk zijne goed- of afkeuring te kennen gaf,
-nu eens met ingehouden adem luisterde, dan onrustig werd, eerst zacht,
-als een korenveld; dat door een lichten wind gebogen wordt, dan weder
-onstuimig opbruisend, daverend en trillend, als een bergwoud, dat door
-den storm wordt gezweept, zoodat de heraut op den wenk van den eersten
-der Prytanen stilte moest gebieden; hij zag hoe soms de strijd der
-meeningen in de volksmassa tot een handenstrijd dreigde te ontaarden,
-hoe hier een man uit het volk dreigend de vuist tegen een oligarch
-balde, daar een vriend der Laconiërs den knoestigen stok onder luide
-verwenschingen tegen de volksmannen ophief; hij zag nu de groote
-volksmassa, als een eenig man, jubelend hare goedkeuring betuigen,
-terwijl de oligarchen morden of verstoord zwegen; dan zag hij weder
-dezen, door gelaatstrekken, gebaren en uitroepen hunne tevredenheid aan
-den dag leggen, genen daarentegen in kreten luide hunne afkeuring lucht
-geven.
-
-Zoo gingen onder eene stormachtige beweging van meeningen en
-gemoedsstemmingen eenige uren voorbij.
-
-Thans zag de Sicyoniër den strateeg Pericles, die reeds vroeger enkele
-woorden tot het volk had gesproken, opnieuw het redenaarsgestoelte
-beklimmen. Wederom heerschte er eene volkomene stilte onder de schare
-der Atheners.
-
-Rustig en waardig verhief zich de gestalte van den man, dien zij den
-Olympiër noemden, te midden van het volk. Hij maakte geene levendige
-gebaren; zijne hand hield hij rustig in zijn opperkleed. Maar zijne
-stem klonk op doordringenden, overweldigenden toon over de hoofden heen
-der luisterende schare. ’t Geluid dier stem drong door tot den
-Sicyoniër, die zonder zelfs de woorden te verstaan, als door eene
-betoovering bevangen naar de klanken luisterde, die zoet en liefelijk
-waren als het suizen van den westenwind en toch krachtig, als de
-rollende donder in de lucht.
-
-Plotseling zag de Sicyoniër Pericles de rechterhand uit zijn
-oppergewaad te voorschijn halen en ze recht vóór zich uitstrekken,
-heenwijzende naar de naburige, zich tegenover hem verheffende hoogte
-van de Acropolis.
-
-Bij deze beweging van Pericles wendden al de duizenden Atheners hunne
-hoofden en blikken in de richting der uitgestrekte hand van den
-redenaar, naar de heilige hoogte van de Acropolis, die schitterde in de
-stralen der zon. De Sicyoniër deed eveneens. Het was alsof die heilige
-hoogte steeds schitterender straalde, alsof zij door een nieuwen,
-geheimzinnigen glans was omgeven. De geheimzinnige glans echter, die
-van de Acropolis afstraalde, scheen zich in de oogen der onafgewend
-starende Atheners af te spiegelen. Het was als zagen zij daar bij den
-klank van Pericles’ stem voor de oogen van hun geest iets opstijgen,
-wat voor hunne zinnelijke oogen nog niet zichtbaar was. Het scheen
-alsof de berg zich met een tooverkrans sierde, die vele
-heerscherskronen zou overleven en vele menschengeslachten voorbij zou
-zien gaan en in heerlijken luister rustig zou blijven schitteren tot
-aan het einde der dagen.
-
-De luisterende Sicyoniër hoorde de donderende woorden van den Olympiër
-wegsterven; hij zag hoe de redenaar den krans van het hoofd nam, hoe
-hij van het spreekgestoelte afsteeg onder de jubelende kreten der
-Atheners, hoe de voorzittende Prytaan het volk tot stemmen uitnoodigde,
-hoe dit door het opsteken der handen die uitnoodiging beantwoordde, hoe
-de uitslag bekend werd gemaakt en hoe ten laatste op een wenk van den
-Prytaan door den heraut het einde der vergadering werd aangekondigd.
-
-Het volk stroomde terug door de geopende slagboomen. In eene opgewekte
-stemming daalde het de helling van de Pnyx af. Met belangstelling ijlde
-de Sicyoniër zijn vriend Halimus te gemoet en riep hem reeds uit de
-verte toe:
-
-„Hoe is het afgeloopen, kameraad?”
-
-„Wij hebben alles toegestaan!” riep de man uit Halimus met fonkelende
-oogen.
-
-„Wij hebben eerst de oligarchen en Laconer-vrienden overstemd,” ging
-hij voort, „en de krijgssoldij, het rechterloon en de tooneelgelden
-toegestaan. Stel u de blijdschap van het arme volk voor, toen wij, ten
-spijt der oligarchen, voor ons zelven al deze schoone zaken hebben
-weten te verkrijgen! En wat het nieuwe, prachtige heiligdom van Pallas
-op den burg betreft, benevens het achterhuis voor den staatsschat en
-met het groote beeld van Pallas en de drie dubbele prachtige
-gaanderijen, door welke de feestelijke optocht der Panathenaeën
-voortaan de Acropolis zal betreden, waarvan het plan reeds door Phidias
-ontworpen is, zoo is er niet één Atheensch burger onder allen, die daar
-thans in de vergadering zijn geweest, die niet de helft zijner
-bezitting zou willen geven, wanneer nu reeds de prachtige tempel
-voltooid op de hoogte stond, zooals Pericles dien ons geschilderd en,
-ik zou haast zeggen, met den vinger getoond heeft. Slechts eenigen van
-die mannen met lange baarden en dikke Laconische knuppels—gij kent ze
-wel—maakten zwarigheden: er was al zoo veel gebouwd; met de nieuwe
-worstelschool en het Odeon [109] was men ook al reeds begonnen; men kon
-met den grooten marmeren tempel op den burg nog best wat wachten; het
-bouwen zou ontzettende sommen verslinden. Toen echter trad Pericles op.
-
-„Wanneer gij Atheners,” sprak hij, „dit heerlijk werk naar het plan van
-Phidias en Ictinus niet volvoeren wilt op staatskosten, dan hebben
-reeds Hippias en Hipponicus en Dionysodorus en Pyrilampes en vele
-andere der rijkste mannen uit Athene de gelofte gedaan, den bouw op
-eigen kosten te volbrengen en dan zullen deze mannen, niet het
-Atheensche volk, den roem daarvoor inoogsten tot in de verste tijden!”
-Dit was genoeg. Gij kunt u voorstellen, hoe wij ons haastten onder
-luide kreten de handen op te steken en toe te staan, wat Pericles en
-Phidias wilden. En verbeeld u, terwijl wij juist met den grootsten
-ijver onze bijvalsbetuigingen doen hooren, treedt Phidias op, door
-Pericles geroepen, om ons de kosten van den bouw en het beeldwerk
-uiteen te zetten, en zegt: „Uit ivoor en goud zal mijne Pallas Athene
-zoo en zooveel kosten; uit marmer of brons echter slechts
-zooveel.”—Toen klonk het van alle kanten; „uit goud en ivoor! Geen
-karigheid, Phidias; ga dadelijk aan den arbeid!”
-
-Zoo vertelde de Athener uit het volk onder levendige gebaren aan zijn
-nieuwen vriend uit Sicyon.
-
-Geheel Athene was in eene soort van opgewondenheid, die de van de Pnyx
-komenden overal verspreidden.
-
-Fier als een koning, droomende van tooneelgelden, openbare spelen,
-prachtige tempels, schatkamers, gouden en ivoren beelden en zich over
-dit alles verheugende, als stond het reeds voltooid daar en als ware
-het eene versiering van zijn eigen huis, ging de marskramer van Halimus
-door de Zuiderpoort naar zijne woning. Hij vertelde aan allen, die hij
-ontmoette, wat op de Pnyx was behandeld, en begroette, toen hij in zijn
-vlek gekomen was, zelfs zijne bruine vrouw, die hem op den drempel van
-zijn huis met haar kind op den arm te gemoet trad, plechtig met de
-woorden: „Wij hebben alles toegestaan!”
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-DE PANSGROT.
-
-
-Hoog en breed, in ongestoorde helderheid, welfde zich de hemel des
-vredes over de stad der Atheners. Hun roem wies zichtbaar en hun macht
-scheen geen mededinger meer te durven trotseeren. Gedreven door een
-onwederstaanbaren aandrang en met eene haast, als vreesden zij het
-rechte tijdstip te verzuimen, gingen de Atheners de plannen van
-Pericles en Phidias ten uitvoer leggen. Uit alle oorden van Griekenland
-stroomden geschikte en eerzuchtige jonge kunstenaars Pericles toe. Er
-waren vele beeldhouwers noodig om voor de gebouwen van de Acropolis het
-fijne werk te maken. Voor de gevels van den tempel van Pallas moest een
-niet gering aantal groote godenbeelden vervaardigd worden, voor de
-metopen [110] en den fries lange rijen van zinnebeeldige voorstellingen
-gebeiteld worden. Bovendien wedijverden de rijke Atheners bij de
-beeldhouwers wijgeschenken te bestellen, die zij, gelijktijdig met de
-opening van den grooten, nieuwen tempel, op de Acropolis wenschten te
-plaatsen. En de kunstenaars zelven wedijverden met elkander tegen
-datzelfde tijdstip en met het zelfde doel, het schoonste en beste werk
-te leveren. Tallooze werk- en timmerlieden waren met den bouw der
-groote worstelschool en het Odeon bezig; een nog grooter aantal bij de
-werken op de Acropolis. In de mijnen van den Pentelicon ontwaakte thans
-een dubbel krachtig leven. Onafgebroken trokken van daar de met
-muildieren en ossen bespannen vrachtwagens naar de stad. De helling van
-den rotsachtigen berg der Acropolis weerklonk onophoudelijk van de
-kreten der drijvers, want het kostte groote moeite de geweldige
-marmerblokken op de hoogte van den berg te brengen. En evenals naar het
-marmer op den Pentelikon, groeven de Atheners nu vlijtiger dan ooit
-naar het edel metaal in den Laurion en naar de voortreffelijke
-kleiaarde in hun eigen bodem. En wat zij niet hadden, dat brachten hun
-kooplieden aan over de zee, zooals het cypressen- en ebbenhout en
-allerlei metalen en verfstoffen, en uit het verre Oosten het ivoor. De
-steenen en boomen moesten bewerkt worden, de metalen gesmolten; het
-ivoor door de handen van menschen gaan, die het voor de kunst wisten
-gereed en vaardig te maken; de goud- en zilverstikkers hadden handen
-vol werks, om allerlei tempelsieradiën en wijgeschenken te
-vervaardigen; de touwslagers moesten den bouw -en timmerlieden en
-wagenrijders buitengewoon sterke touwen leveren, de wegmakers moesten
-wegen voor de talrijke transporten banen; er was werk overal en alles
-werd in den bruisenden maalstroom van bedrijvigheid medegesleept. Voor
-den zwaarsten handenarbeid bij de gebouwen werden zelfs buitenlandsche
-helpers gehuurd. Bruikbaar boven anderen scheen de stille, ernstige,
-taaie, geduldige Aegyptenaar. Evenals bij de pyramiden in zijn eigen
-land, stapelde hij onvermoeid in den vreemde marmerblok op marmerblok
-met de volharding van een lastdier. Geheel Athene was op dat tijdstip
-ééne groote kunstenaarswerkplaats.
-
-Als de eigenlijke haard echter, waaruit de offervlammen van dit den
-Goden welgevallig streven het krachtigste opstegen, stond de doorluchte
-hoogte van de Acropolis daar, als een oud heiligdom en een sterke burg
-der Atheners te gelijker tijd, om wier voet de woningen in den omtrek
-zich samengegroept en tot eene stad vereenigd hadden. Tot een „burg”
-maakten deze hoogte alleen hare natuurlijke rotsen en de geweldige
-muren, die haar ten noorden en zuiden beschutten.
-
-Nog is het geen verheffende aanblik, wat zich aan het oog vertoont, en
-ons op dit oogenblik de hoogte te zien geeft. Wild en woest doet zich
-de breede hoogvlakte aan ons voor. Overoud puin ligt er verspreid,
-overblijfselen van vernielde werken, waaruit het nog bruikbare is
-uitgezocht. Naar de zuidelijke helling is de grond gedeeltelijk
-uitgegraven en uit de diepte ziet men reeds een hecht steenen
-fondament, grootendeels op oude overblijfsels rustend, tot aan de
-oppervlakte van den grond en daarboven verrijzen. De overige vlakte is
-bijna geheel met marmerblokken bedekt, welke pas gehouwen werden.
-Aardhoopen, puin en zand zijn in menigte aanwezig, werkplaatsen van
-allerlei aard vertoonen zich op den achtergrond. Overal wordt het
-kloppen van hamers gehoord en het knarsen der touwen en het doffe
-dreunen van steenen en balken en het roepen der opzichters, die het
-heir van arbeiders leiden en aansporen.
-
-Maar midden in die woelige en rustelooze drukte van hetgeen tot stand
-gebracht werd op de Acropolis, staat nog een hecht eerwaardig
-gedenkteeken van den ouden tijd, evenals een grauwe, half vervallen
-toren aan het strand der zee, waartegen de bruisende golven aanrollen,
-als om hem met hare branding te ondermijnen en met zich voort te
-stuwen. Dit gedenkteeken was de zetel van den oudsten eeredienst der
-Atheners; het geheimzinnige, sombere heiligdom van den „slangvoetigen”
-Erechtheüs, den Attischen Stamheros,—tevens de vereering van den zeegod
-Poseidon [111], van de dochter van Cecrops, Pandrosus, en van Athene
-Polias in zijne gewelven omvattende,—half verwoest in den Perzischen
-oorlog en verloopig slechts in der haast hersteld.
-
-Zonderling klonken de sagen van Erechtheüs uit de overoude tijden van
-het Attische land en volk: hoe in eene hechte kist Pallas Athene aan de
-dochters van koning Cecrops, die heerschte op de Acropolis, het pas
-geboren „slangvoetige” kind van onzekere afkomst had overgegeven, met
-het ernstige verbod om de kist te openen; hoe echter Cecrop’s
-dochters—zij heetten Pandrosus, Aglaurus en Herse—door nieuwsgierigheid
-gedreven, de kist openden en het knaapje vonden, door eene vreeselijke
-slang omkronkeld, hoe daarop de jonkvrouwen, waanzinnig geworden van
-ontzetting over dien aanblik, zich van den hoogen rotswand van de
-Acropolis nederstortten. De jonge Erechtheüs echter groeide op onder de
-hoede van koning Cecrops en werd de machtige beschermer der Atheners.
-Deze tempel nu bevat zijn graf en de gewijde groeve van den halfgod
-wordt nog steeds als eene bescherming en steun van het land beschouwd.
-
-De ziel echter van den ouden stamheld leeft volgens het geloof der
-Atheners voort in eene slang die altijd in het heiligdom wordt
-verpleegd. Dit dier wordt als de geheimzinnige beschermster des tempels
-geacht en iedere maand brengt men hem honigkoeken ten offer.
-
-Eene heilige bron ontspringt op het gebied des tempels; haar water is
-zout, alsof het eene onderaardsche gemeenschap heeft met de zee en bij
-het waaien van den zuidenwind, zeggen de Atheners, bemerkt men daarin
-het zachte bruischen der zeegolven. En geen wonder; want, naar de
-bewering der Atheners, deed de zeegod Poseidon, met een slag van zijn
-geweldigen drietand, uit de rots der Acropolis deze bron ontspringen,
-toen hij met Pallas Athene streed om het bezit van het Attische land.
-Nog zijn in den rotsachtigen grond de sporen van den drietand des Gods
-aanwezig en ieder kan ze met eigen oogen aanschouwen. Pallas Athene
-echter liet tegenover de bron een olijfboom opgroeien, den olijfboom,
-waarvan alle andere olijfboomen in Attica, die trots en grootste zegen
-van het Attische land, afstammen. Door dien olijfboom echter behaalde
-de wijze Pallas Athene in den wedstrijd der zegeningen, de overwinning
-op den machtigen drietandzwaaier. Ook dezen overouden heiligen
-olijfboom houdt nog het tempelgebied omsloten. De Pers had hem
-verbrand, den volgenden morgen evenwel was hij door de gunst der Goden
-weder herrezen en stond daar in volle schoonheid. Het heiligste
-monument echter in het gebied van het Erechtheüm is het overoude beeld
-van Athene Polias van olijvenhout, niet door een menschenhand gesneden,
-maar uit den hemel gevallen. Erechtheüs zelf had het opgericht en
-onveranderd—zoo leert het priestergeslacht dat in het heiligdom van
-Erechtheüs den dienst verricht—moet het op die plaats bewaard blijven,
-tot in de verste tijden. Eene eeuwige lamp brandt voor dat beeld in de
-donkere ruimte des tempels. Ook merkwaardige wijgeschenken zijn daar te
-vinden: een houten Hermesbeeld [112], voortdurend, sedert den tijd van
-Cecrops, met levende, groene, myrthentakken, zonder wortels, omkranst,
-een eigenaardig gevormde zetel, dien de kunstenaar Daedalus [113] in
-overoude tijden had gemaakt; alsmede zegeteekenen uit de Perzische
-oorlogen: buitgemaakte wapenrustingen en zwaarden van overwonnen
-Perzische aanvoerders.
-
-Vóór den tempel echter onder den open hemel staat een altaar van Zeus.
-
-Geen levend wezen mag daarop geofferd; zelfs geen wijn er op geplengd
-worden; alleen offerkoeken worden hier den Oppergod gebracht.
-
-Aldus is het gelegen met het in de zangen van Homerus reeds vermelde
-„huis van Erechtheüs,” hetwelk verscheiden tempelzalen voor de
-vereering der bovengemelde godheden bevat en aan de noordelijke helling
-van den berg op den oneffenen bodem zich verheft. Vlak daartegenover
-zal men het nieuwe prachtige heiligdom van Pallas Athene oprichten.
-
-Eene heilige plechtigheid wordt juist vóór den ingang van den tempel
-verricht.
-
-Van tijd tot tijd wordt het oude houten beeld van Athene Polias
-gereinigd en op nieuw bekleed; die reiniging pleegt op een plechtige
-wijze te geschieden. Het is een godsdienstig feest als een ander, en
-dit feest vond nu juist plaats. Men heeft het beeld zijne sieradiën en
-gewaad afgenomen en er een doek over heen gespreid terwijl daartoe
-aangewezene personen bezig zijn het gewaad te wasschen. En opdat
-niemand ongeroepen dezen tempel zou binnentreden is er een koord voor
-gespannen, zoolang de heilige plechtigheid duurt.
-
-De reiniging is nu volbracht, de Godin wordt weder gekleed, het
-haar—want haar hoofd is met golvende lokken voorzien—wordt zorgvuldig
-gekamd en opgemaakt, haar lichaam op nieuw getooid met kransen,
-diademen, halskettingen en oorbellen.
-
-De personen, die aan den heiligen dienst deel hebben genomen,
-verwijderen zich. Weldra ziet men nog maar twee mannen op de trappen
-vóór den ingang van den tempel staan en zich samen onderhouden. De een
-van hen is de priester van den Erechtheüs-tempel, Diopithes. Zijn
-gelaat is somber en hij werpt toornige blikken van den drempel des
-tempels naar de schare van arbeiders, wier geraas en drukte hem als
-eene snoode verstoring van de heilige plechtigheid voorkomt.
-
-Het geslacht der Eteobutaden, waaruit sedert overoude tijden de
-priester van Erechtheüs en de hem ter zijde staande priesteres van
-Athene Polias stamden, was het oudste en geruimen tijd het
-aanzienlijkste priestergeslacht in geheel Attica. Maar in latere tijden
-hadden de verwante Eumolpiden, het priestergeslacht van Demeter [114]
-te Eleusis [115], met wier eeredienst de groote mysteriën verbonden
-waren, als Hiërophanten of opperpriesters van deze geheimzinnige
-feesten van Eleusis tot een nog hoogeren rang in de Attische hiërarchie
-[116] zich weten te verheffen. Niet zonder geheimen wrok verdroegen de
-Eteobutaden deze vernedering. Maar deze wrok alleen was het niet, die
-het gemoed van Diopithes, den tegenwoordigen priester in het heiligdom
-van Erechtheüs op den burg, verduisterde.
-
-Opnieuw een ontevreden blik op den arbeid van het Parthenon slaande,
-begon hij tot den man, die met het onderworpen gelaat van een
-vertrouwde en helper naast hem stond en die niemand anders was dan
-Lampon, de ziener, die vroeger ten huize van Pericles was geroepen om
-het wonderteeken van den eenhoornigen ram te verklaren.
-
-„De vrede,” zei hij, „is van deze gewijde hoogte geweken, sedert op
-haar de woelige schare van Phidias en Callicrates huishoudt, en het zou
-mij niet verwonderen, wanneer de Goden zelve weldra van het gedruisch
-van die dwaze en goddelooze menschen zich terugtrekken. Want dwaas en
-goddeloos is het, wat zij doen, en nimmer kan het den Goden behagen. In
-plaats van vooreerst het overoude heiligdom van Erechtheüs in
-heerlijken glans te herstellen, dat slechts voorloopig door den nood
-der tijden, toen de Pers zijne godschennende hand daaraan had geslagen,
-is hersteld geworden, beginnen thans die Pericles en Phidias een geheel
-nieuwen, onnutten prachttempel vlak tegenover dat oude, eerwaarde
-heiligdom te bouwen. Liet ik mijn blik tot nu toe ongehinderd van deze
-plaats tot in het verst verschiet weiden, zoo ligt nu weldra deze
-prachttempel als een wal voor mijne oogen. O, ik weet wat zij willen,
-die heimelijke godloochenaars. Zij willen dezen ouden eerwaardigen
-tempel en zijne Goden verdringen, den ouden, gestrengen eeredienst
-willen zij verdelgen en met hem de echte vroomheid; zij willen op de
-plaats der oude tempels en der oude godenbeelden zulke oprichten, die
-door hun ijdelen pronk en glans alleen het oog verblinden, maar geen
-gevoel voor ware godsvrucht in het hart opwekken. Wat zal het worden,
-dit „huis der jonkvrouw”, die Parthenon? Een tempel zonder priesters,
-zonder eeredienst, een praalgebouw, een doel- en middelpunt alleen voor
-de schitterende feesten der Panathenaeën, en daarnevens—doch neen, niet
-daarnevens maar in zijn eigen zalen, o schande! eene schatkamer, eene
-bewaarplaats voor het goud der Atheners, dat zij op eerlijke of
-oneerlijke wijze aan zich hebben gebracht! Slechts als beschermster van
-dit goud plaatsen zij in hun tempel de Godin! En welke Godin? wat
-beteekent dat pronkbeeld uit goud en ivoor? Een maaksel zal het zijn
-van menschenhanden. Het oude houten beeld, hetwelk deze onaanzienlijke
-tempel bevat, is door geen roemzucht eens stervelings
-vervaardigd—goddelijk is zijn oorsprong en door goddelijke genade is
-het den Atheners ten deel gevallen!”
-
-Zoo sprak Diopithes.
-
-„Het is een booze tijd,” zeide Lampon met goedkeurenden knik. „Het
-eenvoudige, het oude, het eerwaardige, het heilige is op verre na niet
-meer geacht en weldra zal het menschelijke in laatdunkenden trots zich
-boven het goddelijke willen verheffen.”
-
-Zachter en met een geheimzinnig gelaat ving nu Diopithes weder aan:
-
-„Die Pericles en die Phidias, die de Atheners tot den nieuwen bouw
-hebben overreed, weten toch één ding niet, wat wij Erechtheüs-priesters
-weten, en dat wij, die hier boven op den burgt wonen, boven alle andere
-menschen kunnen weten: dat juist die plek daar ginds, waar zij den
-prachtigen gevel en den hoofdingang van hun nieuwen tempel willen
-oprichten, tot die plaatsen behoort, die men de „onderaardsche” noemt,
-tot die plaatsen, waar nooit een vogel uit de lucht neerstrijkt, of
-hij, die het doet, valt dood neder, als door een giftigen adem
-getroffen. Laat ze maar bouwen, de Atheners, op die ongeluksplaats; zij
-zullen geen zegen, zij zullen slechts vloek daarmede op zich laden! Het
-is het erfdeel der Atheners, onberaden te handelen. Weinigen weten, van
-waar dat komt. Wij Eteobutaden weten het. Poseidon, overwonnen in den
-kampstrijd met Pallas Athene, verstoord om zijne nederlaag, doemde de
-Atheners voor alle tijden tot onverstandigen raad!”
-
-„Onverstandig zijn zij,” hernam Lampon, „en onverstandig zijn hunne
-leidslieden, omdat zij naar de leer luisteren van hen, die zich
-wereldwijzen en waarheidsvrienden noemen. Naar Pericles hooren de
-Atheners; Pericles zelf luistert naar Anaxagoras, den Clazomeniër, die
-de natuur bespiedt en die, omdat hij alles tot natuurlijke oorzaken wil
-terug brengen, daarom het bestaan der Goden ontkent. Onlangs nog werd
-ik in het huis van Pericles geroepen, om een wonderteeken te verklaren,
-dat zich daar had vertoond. Er was namelijk op Pericles’ landgoed een
-ram met één hoorn midden op het voorhoofd geboren. Ik deed wat men
-verlangde, naar de regelen mijner kunst, en Pericles kon over mijne
-prophetie tevreden zijn. Maar ik werd met ondank beloond, want Pericles
-zweeg geheel stil en Anaxagoras, die juist bij hem was, glimlachte,
-alsof mijn werk ijdel en mijne uitspraak dwaas was!”
-
-„Ik ken hem,” hervatte Diopithes en een donker vuur bliksemde in zijne
-oogen, „ik ken hem wel, den Clazomeniër; ik had onlangs op den weg naar
-den Piraeus een gesprek met hem over Goden en goddelijke zaken en ik
-zag dat zijne wijsheid eene verderfelijke is. Zulke mannen mogen in
-onzen staat niet geduld worden. Of is het zoover met ons gekomen, dat
-de wetten te Athene niet meer van kracht zijn tegen godloochenaars?
-Neen, nog doortrilt den meesten Atheners een kille huivering bij dezen
-naam!”
-
-Zoo sprak Diopithes. Terwijl hij nu naar den rechterkant een scherpen
-blik sloeg, wees hij naar eenige mannen, welke in een levendig gesprek
-gewikkeld, den eenigen weg, die naar den heuvel der Acropolis voerde,
-over de westelijke helling opgingen.
-
-„Mij dunkt,” zeide Diopithes, „ik zie daar den onverstandigen raadsman
-van het Atheensche volk, den vriend en beschermer van Anaxagoras juist
-aankomen. Aan zijne zijde gaat, wanneer mijn oog mij niet bedriegt, een
-van die nieuwerwetsche tooneeldichters, die den eerwaarden Aeschylus
-[117] meenen overtroffen te hebben. Maar wie is echter die derde, die
-fijne, slanke jongelingsgestalte, die aan de andere zijde van Pericles
-gaat?”
-
-„Dat is zeker,” antwoordde Lampon, „die jonge citherspeler uit Milete,
-dien Pericles, naar ik hoor, lief heeft en die thans overal met hem
-gezien wordt.”
-
-„Een jong citherspeler uit Milete?” vroeg Diopithes, de goedgebouwde
-gestalte van den Milesischen jongeling nauwlettend beschouwende, „ik
-heb tot dusverre slechts geweten, dat Pericles een kenner en
-bewonderaar is van de bekoorlijkheden der schoone kunne, nu zie ik dat
-hij het schoone overal weet te waardeeren; want deze jongeling, bij de
-Goden, is waardig, niet slechts Pericles, den zoogenaamden Olympiër,
-maar den beheerscher zelven van den Olympus, den oppersten Zeus, als
-schenker te dienen. Het verwondert mij echter, dat deze zoogenaamde
-Olympiër, de zoo geroemde Pericles, vermetel genoeg is om zich openlijk
-voor de oogen der Atheners met zijn lieveling te vertoonen.”
-
-Terwijl de Erechtheüs-priester zoo den jongeling, die met Pericles was,
-te gelijk met afgunstige en wellustige blikken beschouwde, waren de
-drie mannen genaderd.
-
-Bekoorlijk schoon en teeder was de jeugdige gestalte, welke Lampon aan
-Diopithes als een citherspeler uit Milete had doen kennen. De
-treurspeldichter, die zich eveneens in gezelschap van Pericles bevond,
-wierp soms een vurigen blik op den bekoorlijken jongeling, en richtte
-bij voorkeur het woord tot den Milesiër. De dichter zelf was schoon en
-van een statig voorkomen. Zijn helder voorhoofd scheen als door een
-vroolijken, hemelschen glans omstraald.
-
-Thans trad uit de schare der bouwlieden Callicrates den aangekomenen te
-gemoet, de wakkere meester, wien de uitvoering was opgedragen van
-datgene wat Phidias en Ictinus in de eenzaamheid hadden overpeinsd en
-ontworpen. Men kon het den man wel aanzien, dat het zijn werk was
-onophoudelijk heen en weer te loopen in de hitte der zon tusschen de
-steenblokken en de zwoegende en slavende arbeiders op de hoogte van de
-Acropolis. Zijn gelaat was verbrand en zijne kleur stak nauwelijks af
-bij den donkeren baard, die het omgaf. Het niet minder donker,
-doordringend en bliksemend oog scheen geheel vervuld van den gloed der
-zon. Zijne geheele gespierde gestalte scheen als geblakerd. Zijn gewaad
-onderscheidde zich zeer weinig van de kleeding der werklieden.
-Achteloos hing de lap, waarvan de kleur niet meer te onderkennen was,
-dien hij zijn chiton noemde, om zijne gebruinde ledematen. En evenals
-hij nu onder de schare der werklieden arbeidde, zoo had hij reeds menig
-jaar bij den langen muur daar beneden, die zijn werk was en die hij
-onlangs tot vreugde van Pericles had voltooid, zijne beste krachten aan
-het nut zijner medeburgers gewijd.
-
-Pericles deed Callicrates verscheidene vragen, aangaande de vorderingen
-der werken. Met voldoening wees Callicrates hem op de nu gelegde
-grondvesten, die samengevoegd waren uit reusachtige, vierkantige
-steenen.
-
-„Gij ziet,” zeide hij, „dat het fundament gereed is, benevens de drie
-groote marmeren trappen, die het omgeven. Zie eens hoe het zich bijna
-over den geheelen zuidelijken kant van den heuvel uitstrekt! Reeds zijn
-ook de tusschenruimten der zuilen afgestoken en eveneens de omtrekken
-der binnenmuren; zoo ook die van het vertrek voor het beeld der Godin,
-en van het achterhuis voor den schat, ook aan de voetstukken der zuilen
-wordt gewerkt en aan het taflement; natuurlijk wordt alles nog maar in
-het ruwe bearbeid; want het fijnere werk volgt eerst, wanneer het
-geheel in algemeene trekken samengevoegd daarstaat, en gij moogt
-voorloopig geen oordeel vellen, naar hetgeen er thans verrezen is. Gij
-zult wat geduld moeten oefenen; want Ictinus is een talmer en Phidias
-eveneens...”
-
-„Ik kan mij best voorstellen,” hernam Pericles, „dat de nauwgezette
-Ictinus nooit over zich zelven te vreden is.”
-
-„En Phidias evenzoo,” herhaalde Callicrates, bijna verdrietig. „Dagen
-lang zitten zij samen te fluisteren, met hun beschreven tafels en
-bladen vóór zich, en rekenen en passen, peinzende over de juiste
-tusschenruimten, de dikte en helling der kroonlijsten en kapiteelen;
-dan weer gaan ze naar den Theseus-tempel en meten daar de omtrekken van
-zuilen en taflement en voelen zich dan ook niet te vreden als zij de
-balken wat te zwaar of de tusschenruimten der zuilen iets te groot
-bevinden en wenschen dat het hier beter zal worden. En dan rekenen en
-meten zij weer en zijn het onderling niet eens en nemen proeven om te
-zien, hoeveel sterker de hoekzuilen moeten zijn dan de andere, en
-hoeveel dichter de hoekzuilen bij de naastbij zijnde moeten staan, dan
-de afstand der andere onderling, hoe de schacht zich naar boven en
-onder moet verdunnen, hoeveel hier van den Dorischen, daar van den
-Ionischen stijl [118] moet ontleend worden, en hoeveel strepen de
-uitwijking van dien balk of van die kroonlijst of van dat kapiteel of
-fries sterker of zwakker mag gemaakt worden, opdat er eene tot nu toe
-onbereikte harmonie in het geheele werk moge verkregen worden.”
-
-„Wie zou een Ictinus niet om zijn fijn ontwikkelden kenners- en
-kunstenaarsblik benijden!” riep Pericles.
-
-„Hij heeft het oog van een valk,” hernam Callicrates. „Gij kunt u niet
-voorstellen, hoe verwonderlijk sterk het waarnemingsvermogen van dien
-man is. Hij heeft den duimstok altijd in de hand, maar hij gebruikt hem
-zelden, want zien is hem even zeker als meten en uitrekenen. Het
-aangeboren vermogen om met zijn oog te meten, is zoo verbazend, dat hij
-kleine verschillen opmerkt, waarvan de leek nauwelijks een flauw begrip
-heeft. Hij ziet, om zoo te zeggen, met een oog dat tast en voelt, en
-hij tast en voelt met een vinger, die ziet. En met Phidias is het
-evenzoo. Deze pleegt te zeggen en gij hebt het zeker wel uit zijn mond
-gehoord: „geef mij een leeuwenklauw en ik zal u daarnaar den heelen
-leeuw vormen!”—Zoo scherp en geoefend is het oog van Phidias en zijn
-kunstgevoel voor alles, wat men vorm, wezen en harmonie noemt.”
-
-„Waarom zou het oog der Hellenen ook niet even fijn gevoelig kunnen
-worden, als hun oor?” zeide de dichter. „Wij dichters en
-toonkunstenaars” en hij wierp bij deze woorden een blik op den jongen
-citherspeler—„wij voelen de kleinste fijnheden en afwisselingen in den
-rhythmus [119] en hooren tusschentonen daarin, die voor het oor van den
-leek niet merkbaar zijn.”
-
-„Het is zeer loffelijk van Ictinus en Phidias,” vervolgde Callicrates
-glimlachend, „dat zij alles zoo haarfijn bedenken en met lijnen en
-teekens op het papier brengen. Maar begrijp wel, dat al dat fijn
-gedachte, wat deze mannen overpeinzen en ontwerpen op het papier, ook
-uitgevoerd moet worden—uitgevoerd in massieve, wederstrevende stof. Zie
-hier het ontwerp, waarin Ictinus de maat en berekeningen heeft
-opgegeven, zooals hij het verlangt te hebben—die moet ik nu in harden
-steen ten uitvoer leggen op eene reusachtige schaal, en toch zoo
-nauwkeurig, in al de fijnheden van het ontwerp, alsof ik het met een
-fijn mesje uit ebbenhout moet snijden.”
-
-„Het is gemakkelijk te begrijpen,” zeide de dichter, „dat het moeite
-moet kosten die fijne evenredigheden en rechte lijnen in het
-reuzenschrift der marmerblokken, bij de verschillende vormen, overal in
-acht te nemen.”
-
-„Rechte lijnen zegt ge!” riep Callicrates met een bijna spottenden
-glimlach uit. „Rechte lijnen? Dat gaven de Goden! Met rechte lijnen kan
-een stumper ook wel klaar komen. Maar zulke komen er niet voor in de
-ontwerpen van Ictinus en Phidias. Weet ge, wat Ictinus zegt? „Om recht
-te schijnen mag de lijn in groote afmetingen het nooit in de
-werkelijkheid zijn.”—Zie maar eens hier naar die fundamenten en de
-trappen, die naar de oppervlakte voeren. Gij zult wel denken, dat deze
-oppervlakte werkelijk zoo recht loopt, als ze zich aan uw oog voordoet?
-Gij vergist u: de lijn van deze oppervlakte verheft zich naar het
-midden in eene zachte, voor het oog nauw merkbare en toch voor het
-gezicht berekende kromming. En diezelfde zachte, onmerkbare kromming
-zult ge later ook bij het groote werk, schoon in geringere mate, terug
-vinden; ja, overal in deze gansche architectuur van den tempel wil
-Ictinus ze zien aangebracht; en evenals van de kroonlijst tot aan de
-fundamenten er werkelijk niets waterpas te vinden zal zijn, zoo wil hij
-evenmin iets volkomen loodrechts dulden, maar de naar boven krom
-oploopende lijnen moeten even zacht weder naar beneden afloopen. Zonder
-deze zachte krommingen, op de wetten der optiek en lichtbreking
-gebaseerd, zegt Ictinus, zou het geheel zonder zwier schijnen en zou
-het, in plaats van vrij en fier naar boven te stijgen, er uitzien alsof
-het in den grond weg wilde zinken. Gij moogt nu, wat ge wilt, gelooven
-van deze en dergelijke kunstgeheimen der beide meesters, maar bedenk
-eens, hoe ik, om maar van één ding te spreken, het moet aanleggen, om
-in weerwil van die zachte krommingen naar boven en onmerkbare
-afdalingen naar beneden, de blokken, de steenmassa’s, de zuilbrokken,
-naar die fijne berekeningen, toch haarfijn en vast en stevig in elkaar
-te voegen?”
-
-„Gij zult het tot stand kunnen brengen, wakkere Callicrates,” viel
-Pericles levendig in: „ik ken u. Laten wij voor het overige Ictinus en
-Phidias maar laten meten en berekenen; het is toch in den grond der
-zaak een innerlijke, door de Goden ingeschapen aandrang, welken die
-mannen volgen. Hun is het door de Goden in de ziel gelegd, langs welken
-weg en door welke middelen zij ons in uiterlijken tooi datgene zuiver
-kunnen doen genieten wat zij reeds in hun geest hebben aanschouwd.”
-
-„Zoo lang hier een steen op den ander blijft,” zeide de dichter
-goedkeurend, „zal wel datgene, wat door Goden bezielde mannen, als deze
-beiden, eerst in hunne ziel hebben aanschouwd, en dan in getallen en
-berekeningen hebben uitgedrukt, hart en ziel der toeschouwers met
-overweldigende kracht aangrijpen.”
-
-„Doch niet toeschouwers, als die luistervink daarboven,” viel
-Callicrates lachend in, nadat hij een poos met scherpen blik den
-Erechtheüs-priester en zijn vertrouwde had aangezien, die beiden
-loerend en luisterend nog steeds aan den ingang van het Erechtheüm
-stonden.
-
-„Met blikken van verbeten woede,” vervolgde Callicrates, „ziet die
-Erechtheüs-priester steeds naar onzen arbeid, maar ik durf gerust zijn
-blik beantwoorden. Wij plagen elkander en tusschen mijne lieden en
-zijne tempeldienaars bestaat eene openlijke veete.”
-
-„Het kan ons ook niet verwonderen,” zeide Pericles, „dat de
-Erechtheüs-priester vertoornd is. Wij bouwen toch, in plaats van zijn
-oud heiligdom te herstellen, vlak voor zijne oogen een nieuwen tempel
-op. Want wie toch zou het wagen de schennende hand aan de eerwaardige
-geheimen van dit sombere heiligdom te slaan?”
-
-„Ja, waarlijk,” hernam Callicrates, „het is veel beter de uilen daar te
-laten nestelen. Die zitten dag en nacht onder het oude tempeldak. Die
-mannen daarginds willen niets weten van de nieuwe godenbeelden van
-Phidias. Zij willen geen nieuwe Goden; zij wasschen en kammen de oude
-en behangen ze uitwendig met nieuw gewaad, en gelooven, dat ze zoo
-eeuwig kunnen duren. Deze lieden zouden Pallas Athene het liefst nog
-met een uilenkop afgebeeld zien.”
-
-„Daar naderen Phidias en Ictinus,” zeide de dichter, naar den anderen
-kant heenziende, „wij zullen nu hen zelven hooren.”
-
-„Gij zult niet veel hooren,” hernam Callicrates. „Phidias is stil,
-zooals ge weet, en Ictinus wordt boos op ieder, die hem wil noodzaken
-over zijn vak te spreken. Beide mannen zijn slechts onder elkander, met
-niemand anders, spraakzaam.”
-
-Intusschen waren Phidias en Ictinus nader gekomen. Ictinus was een
-onaanzienlijk gebogen mannetje. Zijne trekken waren niet scherp, zijne
-gelaatskleur vaal, zijne oogen mat, alsof hij veel had gewaakt en
-gepeinsd. In zijn gang echter had hij iets haastigs, iets onrustigs,
-dat aan prikkelbaarheid en opvliegendheid deed denken.
-
-Phidias beantwoordde den handdruk van Pericles en dien van den dichter
-die bij hem was. Op den schoonen citherspeler met zijne jeugdige en
-teedere vormen sloeg hij een zonderlingen blik. Hij scheen hem te
-kennen en toch niet te willen kennen. Ictinus had het voorkomen van
-iemand, die weinig er mede op had menschen te ontmoeten, en hij scheen
-voornemens zijn weg zonder Phidias te willen vervolgen.
-
-Maar de dichter wilde onderzoeken, of het waar was, wat Callicrates had
-gezegd, en wendde zich tot het haastige mannetje met de vraag: „Meester
-Ictinus, wilt ge niet als een deskundige de vraag beslissen, die
-Pericles en mij en den jongen citherspeler straks een geruimen tijd
-heeft bezig gehouden? Wij spraken over de redenen, die u, bouwmeesters,
-konden bewegen, den architraaf niet onmiddellijk op de zuilenschacht te
-doen rusten, maar een ietwat breed gelid, ’t zij in den vorm van het
-Dorische kapiteel of van den Ionischen stijl, daartusschen te schuiven.
-Sommigen beweren, dat dit geschiedt, om het te doen voorkomen alsof de
-last van het taflement de zuilen uiteen houdt—en den top als ’t ware
-naar beneden drukt—”
-
-Ictinus lachte bij zich zelven. „Zuilen dus van leem, van deeg of
-boter?” antwoordde hij op sarkastischen toon. „Mooie zuilen
-voorzeker—zuilen van leem, die zich plat laten drukken—ha, ha, ha—mooie
-zuilen.”
-
-„Gij lacht dus om deze verklaring?” riep de dichter: „zeg dan zelf,
-waarom doet gij het?”
-
-„Omdat het tegendeel leelijk en afschuwelijk en onverdragelijk zou
-zijn!”
-
-Deze woorden bromde Ictinus haastig, sloeg op den vrager een vluchtigen
-blik uit zijne grijze oogen en ijlde weg.
-
-De mannen lachten.
-
-„Ik zie,” vervolgde Pericles zich tot Phidias wendend, „dat de werken
-goed vorderen. Dat verheugt mij. Wij moeten snel en ijverig
-voortwerken. Wij moeten gebruik maken van de gunstige omstandigheden,
-die wellicht nimmer terug zullen keeren. Een groote oorlog zou alles
-stuiten en weldra zouden ons de middelen ontbreken om het ondernomene
-te voltooien.”
-
-„Wij zijn daarom aan de ontwerpen en kleimodellen der ontzachelijke
-gevelgroepen en van de friezen en metopen-velden in de werkplaatsen
-ijverig bezig,” hernam Phidias.
-
-„Denkt ge er niet aan,” vroeg Pericles, „Polygnotus te ontbieden, opdat
-ook hier, evenals daar beneden in den Theseus-tempel beitel en penseel
-in de uitvoering van de metopen-velden het werk konden verdeelen? Doch,
-ik herinner het mij, gij koestert geene hooge gedachten van de
-zusterkunst, het schilderen, die, ik moet het bekennen, nog een weinig
-onbeholpen in het niet verzinkt, bij de reusachtige vorderingen van den
-beitel.”
-
-„Ik heb zelf als jongeling het penseel ter hand genomen,” hernam
-Phidias; „maar het voldeed mij niet. Vol en rond en zuiver wilde ik
-datgene wat ik in mijn geest zag, voorstellen, en dat kon ik alleen met
-den beitel.”
-
-„Welaan,” zeide Pericles, „dan moge aan het nieuwe heiligdom van Pallas
-alleen de rijpste kunst hare krachten wijden, opdat het een
-gedenkteeken worde van het beste, wat wij vermogen. Wij zullen
-Polygnotus bij eene andere gelegenheid zoeken schadeloos te stellen.
-Wij willen later ook eens overleggen of er niet iets te doen is voor
-het oude heiligdom van dien toornigen priester en ook voor gindsch
-onvoltooid tempeltje, dat zich zoo fier op de rotsen verheft ter eere
-van de ongevleugelde zegegodin. Mocht toch, als ik eens van het
-wereldtooneel aftreed, geen Atheensch burger iets meer te wenschen
-overblijven! Dat er nog zoovelen zijn, die ontevreden zijn, is mij eene
-pijnlijke gedachte. Gij glimlacht? Waarlijk, misschien wil de ernstige,
-gestrenge Phidias alleen zich zelven voldoen.”
-
-„Dat is juist het moeilijkste,” hernam Phidias.
-
-„Vreest ge niet de tegenstanders?” vervolgde Pericles. „Geef acht, wij
-hebben overvloed van dezulken. Ook gij wordt benijd, en wat gij werkt,
-is niet allen welgevallig.”
-
-„Pallas Athene verbiedt mij te vreezen!” [120] hernam Phidias met de
-woorden van Homerus, en wees met de hand naar het ijzeren reusachtige
-beeld zijner Athene Promachos, dat te midden van deze mengeling van het
-oude en het nieuwe op de Acropolis zoo verheven, rustig in den reinen
-aether zich verhief.
-
-Toen verwijderde Phidias zich om Ictinus weder op te zoeken.
-
-Pericles, de treurspeldichter en de jongeling uit Milete zetten hunne
-wandeling over de hoogte van de Acropolis voort.
-
-De treurspeldichter verdiepte zich in een aangenaam gesprek met den
-jongen citherspeler. Hij zelf toch was ook een voortreffelijk
-beoefenaar van het snarenspel. Zoo fijn en scherpzinnig wist de
-jongeling zich uit te drukken, dat gene ten laatste verwonderd zeide:
-
-„Ik wist wel dat de Milesiërs zeer beminnelijk waren, maar ik wist nog
-niet, dat zij zoo wijs tevens zijn.”
-
-„En ik,” hervatte de jongeling, „heb de treurspeldichters der Atheners
-altijd voor zeer wijs gehouden, maar ik dacht niet, dat ze ook zoo
-beminnelijk konden zijn. Ik beoordeelde namelijk onberaden uit de
-dichtwerken zelven de dichters. Hoe komt het, dat uwe tragische
-dichtkunst tot nu toe zoo weinig rekenschap hield met de zachtere
-aandoeningen van het menschelijk hart? Grootsch is daar alles,
-verheven, niet zelden huiveringwekkend, maar aan den zachtsten en toch
-tevens den machtigsten hartstocht, de liefde, gunt men de plaats niet,
-die haar toekomt. Anacreon [121] toch en Sappho [122] weten, de een op
-vroolijken, de andere op weemoedigen toon zooveel van haar te zingen;
-waarom versmaadde het tot dusverre slechts de treurspeldichter, alleen
-het grootsche en bovenmenschelijke nastrevend, tonen van die teedere,
-echt menschelijke aandoening aan te slaan?”
-
-„Jonge vriend,” zeide de dichter glimlachend, „geen waardiger
-verdediger had de teedere, met pijlen gewapende God [123] kunnen
-vinden. Weinige dagen geleden is bij mij de gedachte aan een treurspel
-opgekomen, waarin degeen, wiens verdediger gij heden zijt, wel eene
-plaats zal worden ingeruimd. Ik weet niet, of die vluchtige gedachte
-tot ernst zou zijn geworden; maar het treft heel goed, dat ik er door u
-aan herinnerd word. Ik ben voornemens dat treurspel nu werkelijk te
-schrijven, daar uwe woorden en nog meer uwe heerlijke oogen mij ten
-gunste der zaak, die gij voorstaat, hebben ontvlamd en bezield.”
-
-„Voortreffelijk,” hernam de jongeling; „ik zal den geurigsten krans
-voor den dag uwer zegepraal voor u vlechten”—
-
-„Een krans van roode rozen,” riep de dichter, „daar ik toch in mijn
-gedicht den alles overwinnenden Eros denk te verheerlijken.”
-
-„Voorzeker,” hernam de jongeling, „en ziedaar, de dankbare, gevleugelde
-God schijnt te willen, dat ik de rozen voor dien krans aanstonds pluk.”
-De teedere slanke jongelingsgestalte ijlde tegelijkertijd op een
-vooruitstekende rots, waar in de spleten een wellicht eeuwen-oude
-heester stond, die geheel met bloeiende rozen bedekt was.
-
-„Wees voorzichtig, jonge vriend,” zeide de dichter, „gij weet niet op
-welk eene noodlottige plaats gij staat. Van den top dier rots heeft een
-koning der Atheners [124] zich in de zee neergestort, omdat zijn
-beroemde zoon, van de bestrijding van den Minotaurus [125]
-terugkeerende, verzuimd had, toen hij Athene naderde, als een teeken
-zijner overwinning het witte zeil te hijschen. Buitendien de voet kan
-op deze gewijde hoogte geene plaats betreden, waar niet vonken uit het
-verleden uit den grond opspatten en overoude sagen den wandelaar
-omruischen.”
-
-„En toch,” hernam Pericles, „terwijl de voet in het stof van het
-verleden ronddoolt, zwerven de oogen van deze hoogte vrij in het
-verschiet en baden zich in de volle schoonheid en frischheid van het
-heden. Zijt gij moedig en behendig, Milesische vriend, volg ons dan
-over de rots naar de hooge bergvlakte, waar de machtige schutsmuur der
-Acropolis op uitloopt.”
-
-Lachend snelde de jongeling vooruit en weldra stonden de drie mannen op
-de verheven sterkte.
-
-„Hoor nu eens,” zeide Pericles, „wat u dit schoone, bochtige Attische
-strand zegt, deze schitterende golven, deze eilanden die hunne
-bergtoppen uit het schoonste zeegroen in het schoonste hemelsblauw
-verheffen! Ginds doemt uit de golven van den Saronischen zeeboezem
-Aegina [126] op, met zijne talrijke bergkruinen. In die kloven
-verborgen zich de wilde „Miermenschen” van den voortijd. Thans echter
-verheft zich op den hoogsten top van het eiland in de eenzaamheid van
-een schaduwrijk woud, de tempel van den panhelleenschen [127] Zeus,
-welke ons volk tot een zijner schoonste feesten verzamelt. Daar rechts,
-korter nabij in dezelfde baai ligt het heerlijke Salamis, de wieg der
-helden. Behoeft wel de late nazaat voor de schim van den onsterfelijken
-held te blozen, die van daar tegen Ilium [128] optrok? Werd niet juist
-daar in die schoone zeeëngte, die ons thans zoo vreedzaam begroet, door
-ons de beroemdste aller zeeslagen gestreden? En meer zuidelijk, waar de
-Cithaeron, de Pentelicon en de Parnesus zich als een bolwerk voor
-Attica verheffen, den westelijk zich uitstrekkenden Hymettus de hand
-reikende, daar verhalen overoude sagen van leeuwen, die in de
-woudkloven huisden. Maar onze vaderen hebben de leeuwen geworgd, hunne
-harten bij het vuur gebraden en opgegeten, om leeuwenmoed en
-leeuwenkracht hunne nazaten te doen erven. En zoo was het zeker die
-geërfde leeuwenmoed, waardoor, vlak achter die hoogten, op het slagveld
-van Marathon, de schitterendste aller overwinningen behaald zijn
-geworden. De leeuwen en wolven van die kloven zijn geveld, de barbaren
-uit die sterkten van het Attische strand voor altijd verdreven; rustig
-delven wij op de plaats van de oude leeuwenjacht het heerlijke
-Pentelisch marmer en verzamelen den honig van de beroemde Hymettus
-bijen. Daar achter de Acrocorinthus [129] verheft zich het geweldige
-Cyllene-gebergte in zilveren glans, en wanneer de laatste nevelsluier
-in het Westen zal zijn verdreven, dan rijzen de tinnen op van Corinthe
-[130] uit de blauwe fonkelende zeeëngte. Maar vergeten we den ernstigen
-groet niet, die over Salamus en Aegina heen ons de naburige
-Peloponnesus toezendt. Ziet ge die bochtige kusten met de steile
-hoogten van Argolis en daarachter Arcadië’s bergen? Zoo dikwijls ik
-over de gedenkteekenen en herinneringen van den Atheenschen roem naar
-gindsche bergen van de Peloponnesus het oog sla, dan wordt het mij zoo
-zonderling te moede en het is mij alsof ik de hand op het zwaard moet
-leggen—het is, alsof zich achter die bergen het sombere Lacedaemon
-verhief en dreigend daarover heen blikte.”
-
-„Dat toch de blik van staatslieden en veldheeren altijd in het
-verschiet zweeft,” viel de dichter in. „Is het niet beter, in plaats
-van het oog te slaan op gindsche bergen van de Peloponnesus, volop te
-genieten, wat wij hier voor onze oogen hebben? Jongeling, laat u niet
-verleiden naar de Peloponnesus en hare dreigende bergtoppen. Verlustig
-u in het vroolijke beeld van het door water en zon begunstigde land
-daar beneden u, waar in grooten getale de vriendelijke hoeven u
-toelachen, de bezitting van den nooit vermoeiden Athener, die zoo
-mogelijk, dag op dag uit de stad naar zijne vruchtboomen en zaadvelden
-zich begeeft en onderzoekt hoe de slaven zijne runderen oppassen en
-zijne lammeren en geiten. En hoe bekoorlijk kronkelen zich de wegen
-tusschen de hoeven, weiden, olijfbosschen, tusschen de altaren der
-Goden en steenen monumenten naar alle zijden heen. Hier naar den
-Piraeus, en ginds naar Rhamnus en Marathon. Het schoonst en heerlijkst
-echter loopt westelijk de weg naar Eleusis, de heilige stad der
-mysteriën, tusschen tallooze wit schitterende heiligdommen en zilveren
-populieren en olijf- en vijgeboomen door. En hoe heerlijk ligt de stad
-zelve daar uitgestrekt tusschen den Ilissus en den Cephissus, de
-kristalheldere maar kortlevende stroompjes; op de bergen nabij de stad
-ontspringen zij en bereiken nog niet eens de naburige zee, maar zijn
-tevreden om als stofregen en dauw de bloemtuinen der Atheners te
-bevochtigen, of borrelend in duizende bronnen hun jong leven te
-verspillen. Aan den Ilissus liggen lachende tuinen, door menschen
-aangelegd; maar een natuurlijke tuin en een liefelijke schaduwrijke
-oase in het zonnige land van Attica zijn de dalen, waar onder het
-heldere groen der olijven de schoone beekjes van den Cephissus
-klateren. Dit oord prijs ik met trots, want daar is mijne
-geboorteplaats, de heuvel van Colonos [131]. Uw krijgszuchtige vriend
-Pericles zou u kunnen vertellen, dat in deze streek de schoonste rossen
-geteeld worden en dat het de wilde, prachtige veulens van Colonos
-waren, waarvoor in overoude tijden de zeegod den breidel heeft
-uitgevonden. Maar ik zeg u, dat in dit dal van den Cephissus nooit ruwe
-winden blazen, dat daar de wijnstok en de vijg bloeien, dat daar,
-bevochtigd door den reinsten dauw de narcissen tieren en de viooltjes
-en de gulden crocus en de wijnkleurige klimop...”
-
-De trekken des dichters gloeiden van geestdrift, toen hij in de heldere
-oogen van den jongeling blikkende, de bekoorlijkheid van zijn
-geboorteland prees. Eindelijk vatte hij zijn hand en zeide: „Kom toch
-zelf eens in mijne schoone landstreek, of nog liever, ga terstond met
-mij en breng den dag door in mijne landelijke woning aan den
-Cephissus-oever; ik zal u mijne cithers en lyren laten zien en we
-zullen, als gij er lust in hebt, op de wijze van Arcadische herders,
-een kleinen wedstrijd houden in zang en snarenspel.”
-
-De citherspeler glimlachte. Pericles zeide na eene pause: „Ik zelf zal
-weldra den jongen Aspasius als gids naar uwe landelijke woning
-geleiden; gij hebt ook voor uw wedstrijd in gezang en snarenspel wel
-een kamprechter noodig”—
-
-„Dus heet de jongeling Aspasius?” riep de dichter uit; „die naam
-herinnerd mij aan een schoone Milesische, van wie ik in den laatsten
-tijd veel heb hooren spreken”—
-
-De citherspeler bloosde.
-
-Die blos trof den dichter. Hij hield nog steeds de tot afscheid
-gereikte hand van den jongen Milesiër in de zijne. En zie, op dit
-oogenblik werd een gevoel in hem levend, dat hij ongetwijfeld vroeger
-reeds ondervonden had, maar zonder zich daarvan bewust te zijn.
-
-Hij voelde namelijk op eens duidelijk, dat de hand van den jongen
-Milesiër zeer fijn, zeer warm en zeer zacht was. Een oogenblik later
-was hij overtuigd, dat de hand te fijn, te warm en te zacht was, om aan
-een mannelijken arm, al was die ook nog zoo jong en teer, toe te
-behooren. De eene helft van het schoone geheim las hij in de purperen
-kleur op de wangen van den citherspeler, de andere helft had hij, om
-zoo te zeggen, in zijne hand....
-
-De dichter vergiste zich niet. De hand, die hij in de zijne hield, was
-niet die van een jongeling. Het was de hand van de schoone Aspasia.
-
-Pericles en de Milesische hadden elkander in den loop der maand, na die
-eerste ontmoeting ten huize van Phidias, het eerst bij Hipponicus, den
-goedhartigen gastronoom, die met Pericles bevriend was, wedergezien.
-Zij ontmoetten elkander dikwijls en ten laatste zouden zij het liefst
-niet meer van elkaar gescheiden zijn. Aspasia kleedde zich in
-mansgewaad en vergezelde haar vriend soms onder de vermomming van den
-„citherspeler van Milete.” Zoo was zij ook heden met hem naar de
-Acropolis gegaan. Onder weg had zich de treurspeldichter bij hen
-aangesloten. En zijne ontvankelijke en gevoelige ziel was zonderling
-getroffen geworden. Door eene betoovering was de dichter in dit
-gezelschap aangegrepen, die hem zelven onverklaarbaar was. Nu zag hij
-dit raadsel opgelost. In verwarring liet hij de fijne, zachte hand
-glippen. Weldra echter greep hij ze weder en zeide met een veel
-beteekenenden glimlach tot zijn vriend Pericles: „ik bemerk dat Apollo,
-de God der zieners en dichters, mij nog steeds gunstig is. Hij heeft
-mij den verren weg naar Delphi bespaard en zelfs mijne nachtelijke
-sluimering heeft hij niet afgewacht, om mij met openbaringen in den
-droom te verschijnen; maar plotseling heeft hij mij de gave verleend,
-onbedriegelijk uit de hand des menschen te voorspellen, en vooral
-daaruit het geslacht op te maken, ook dan wanneer men het nog zoozeer
-wil verbergen”—
-
-„Gij zijt van oudsher een lieveling der Goden,” zeide Pericles, „en
-voor u hebben de Olympiërs geene geheimen”—
-
-„Daar doen ze wèl aan,” hernam de dichter. „Ik reken onder hen ook den
-Olympiër Pericles”—
-
-„Wat uwe chiromantiek [132] u ook over het geslacht van den Milesischen
-citherspeler moge verraden hebben,” zeide Pericles, „zeker is het, dat
-hij recht heeft in mansgewaad te gaan en een mannennaam aan te nemen.
-De aard der vrouwen is doorgaans ontvankelijk en lijdelijk. Deze
-daarentegen is van eene steeds werkzame en vruchtbare natuur, en gij
-kunt hem niet naderen, zonder dat hij invloed op u oefent en een
-zaadkorrel in uw ziel achterlaat.”
-
-„Ik kan u verklaren,” zeide de dichter, „ook in mij heeft hij zooeven
-eene dichterlijke vonk, door een paar los daarheen geworpen woorden tot
-eene heldere vlam aangeblazen. Het is zonderling, welk eene kracht
-wijze gedachten, door een schoone mond geuit, op ons hebben!—Hoe
-verleidelijk is het, zich aan zoo’n gewenschte macht nog langer over te
-geven! Maar de zon neigt achter de hoogten van de Acrocorinthus ten
-ondergang. In dat boschje slaat een nachtegaal, die, naar ik geloof,
-uit het vlek Colonos over is gevlogen, om mij te vermanen naar huis
-terug te keeren. Van den hoogsten top der Acropolis tot gindsche hoeve,
-die gij daar op de helling van den kleinen heuvel, door de wateren van
-den Cephissus omspoeld, uit het groen der olijven ziet uitsteken, is
-een tamelijk lange weg af te leggen. Ik neem derhalve afscheid van u en
-niettegenstaande de veranderingen, die inmiddels hebben plaats
-gegrepen, en welke bekoorlijker zijn, dan alle die de mythen ons
-verhalen, herhaal ik mijne woorden: Kom over naar de streek van
-Colonos; vlucht daarheen, wanneer u de nabijheid der menschen te
-drukkend wordt, en breng daar een dag door in de eenzaamheid.”
-
-„We zullen uwe woorden niet vergeten!” zeide Pericles. „Doch laat uwe
-Muze u volgen in uwe eenzaamheid. In den wedstrijd van alle kunsten
-moet ook de tragische naar den hoogsten trap streven. Gij hebt ze van
-de stroeve strengheid van uw voorganger [133] tot zachtheid en reiner
-menschelijkheid gebracht. Laat uwe nieuwe tragedie den schepper der
-„Electra” waardig zijn, opdat wij het weldra als de liefelijkste en
-rijpste vrucht van Sophocles’ Muze moge prijzen en genieten.”
-
-„Mocht slechts,” hernam de dichter, „de geest van dezen citherspeler,
-van wien ik nog geen citherklank heb gehoord en die mij toch reeds
-betooverd heeft, mij omzweven. Het schijnt, dat hij de harten der
-staatsmannen en dichters zich heeft uitgekozen. om zijne melodieën
-daarop te spelen...”
-
-Zoo sprak de man met het heldere voorhoofd en de klare, bezielde,
-vriendelijke oogen; hij drukte zijn vriend de hand, boog voor de
-verkleede Milesische en verwijderde zich langzaam, evenwel niet zonder
-nog eens om te zien; hij daalde de Acropolis af.
-
-„Verontrust u niet, omdat hij in ons geheim ingewijd is,” zeide
-Pericles tot Aspasia.
-
-„Ik wilde juist hetzelfde aan u zeggen”, hernam Aspasia glimlachende.
-
-„Hebt gij dan zoo spoedig die edele, dichterlijke ziel doorgrond?”
-vroeg Pericles.
-
-„Zij is zoo klaar en spiegelhelder tot op den bodem, als de wateren van
-den Cephissus,” antwoordde Aspasia. „Maar laat ons nu ook de helling
-afdalen, want ik gevoel mij door den zwoelen zomeravond vermoeid en
-mijne lippen smachten naar een verfrisschenden dronk”—
-
-„Welaan dan,” zei Pericles, „we gaan slechts eenige schreden rechtsaf
-buiten dien muur, en we hebben de Pansgrot met hare beroemde wateren
-vlak voor ons, die onmiddellijk uwe lippen de gewenschte lafenis zal
-bieden.”
-
-Pericles en Aspasia daalden een aantal trappen, die in de rotsen
-gehouwen waren, af. Toen bereikten zij de grot en de bron die daarvóór
-uit den grond ontsprong. Het was de bron Clepsydra, wier wateren soms
-in den grond verdwenen en dan weer plotseling opborrelden.
-
-Aspasia schepte water met hare holle hand en dronk.
-
-Toen schepte zij andermaal en bood de handvol helder, verfrisschend
-water met dartele vriendelijkheid Pericles aan. Deze dronk het water
-glimlachend uit hare holle hand.
-
-„Geen koning der Perzen,” zeide hij, „heeft ooit uit eene zoo kostbare
-schaal gedronken! Ze is echter zoo klein, dat ik haast vreezen moet,
-haar met den dronk in te slikken.”
-
-Aspasia lachte en wilde de scherts beantwoorden, doch op hetzelfde
-oogenblik verschrok ze, want ze bemerkte plotseling een gelaat, dat uit
-den achtergrond der schemerdonkere grot met een soort van goedaardigen,
-boerschen glimlach op haar neerzag. Naderbij tredende, bevond zij, dat
-het een vrij ruw bewerkt beeld van den God Pan [134] was, aan wien de
-grot was gewijd.
-
-„Vrees niets,” zeide Pericles, „de herdersgod is goedaardig van
-karakter.”
-
-„Soms ook van een boozen aard,” hernam Aspasia; „de verhalen der
-herders omtrent hem loopen uiteen.”
-
-„Voor ons Atheners ten minste,” hervatte Pericles, „heeft hij zich
-bovenmate goed betoond. Den hardlooper Phidippides, die naar Sparta
-ijlde, om de Spartanen ten spoedigste tot hulp tegen de Perzen op te
-roepen [135], verscheen de God in het gebergte op de grenzen tusschen
-Argolis [136] en Arcadië[136], waar hij inheemsch is; het beviel hem,
-dat de kerel uit vaderlandsliefde zoo ademloos over de Argolische
-bergen liep en hij kreeg een goeden dunk van de Atheners, over wie hij
-zich vroeger niet erg had bekommerd. Hij kwam zelf om ons te helpen
-naar Marathon en wij overwonnen, zooals bekend is, en de dankbare
-Atheners verzuimden niet, hem na de overwinning dit kleine heiligdom in
-de grot op de Acropolis op te richten.”
-
-„Pan mag zoo goed zijn als hij wil,” zeide Aspasia, „deze grot is
-echter te bekoorlijk voor den boeren- en herdersgod.”
-
-„Gij hebt gelijk,” hernam Pericles, „en nog meer dan gij zelve denkt:
-wanneer het namelijk waar is, wat de oude sage bericht, dat juist deze
-grot de plaats is geweest van de belangrijkste bruiloft, die er ooit in
-de Grieksche wereld gevierd is geworden—dat hier in de vertrouwelijke
-schemering der grot, de God des lichts Apollo, in liefde ontstoken voor
-de rozenvingerige dochter van Erechtheüs Creüsa, zich met haar verbond
-en dat de vrucht hunner liefde Ion de vader werd van onzen Ioninischen
-stam!”
-
-„Hoe?” riep Aspasia geroerd uit, half schertsend, half ernstig, „is dit
-hier de bakermat van den edelsten stam der Grieken, die ginds bloeit in
-de landouwen van Attica en op de kusten van mijn geboorteland? En de
-Atheensche jonkvrouwen tooien de wanden dezer grot niet dag aan dag met
-kransen van rozen en leliën? En in plaats van den schitterenden God
-Apollo staat hier grijnzend met zijn breed gezicht de plompe Arcadiër,
-een vreemdeling uit die vijandige, sombere bergen van de Poloponnesus?”
-
-„Waarom,” antwoordde haar Pericles glimlachende, „waarom vaart gij zoo
-heftig uit tegen den God der berg- en woudstilte? Ik ken er geen, onder
-wiens bescherming een verliefd paar vertrouwelijker kan keuvelen, dan
-onder dien van den God van den idyllischen vrede en der vreugde”—
-
-„Nu,” riep Aspasia, „voor één ding althans, voor de schaduwrijke
-koelte, die hij hier in de grot mij schenkt, ben ik hem dankbaar.”
-
-Met deze woorden nam zij den Thessalischen hoed van het hoofd en zette
-dien op het hoofd van den herdersgod. De goudgele, heerlijke lokken
-golfden van hare schouders af.
-
-„Och, mocht ik toch weldra,” vervolgde zij glimlachend, „het geheele
-gewaad van den citherspeler aan den eerlijken Pan wijden, evenals dit
-hoofddeksel! Waarlijk, het wordt mij lastig. Hoe lang moet ik nog onder
-dezen dwang gebukt gaan? O gij Atheners, wanneer zult gij het der vrouw
-vergunnen vrouw te zijn! Ge moet toestemmen, Pericles, gij Atheners
-zijt niet de waardigste zonen van Ion, die in deze grot geboren werd.
-Gij hebt te veel van het Dorische karakter in u opgenomen. Gij moet het
-hoofd buigen voor de nazaten der landverhuizers van uw eigen stam, die
-op de kusten van Azië zich reiner, vrijer en vuriger hebben
-ontwikkeld”—
-
-„En doen wij dat niet?” zeide Pericles met een veel beteekenenden
-glimlach zich tot Aspasia buigend, die op een breed, uitstekend, met
-mos begroeid rotsblok zich had neergezet. „Doen wij dat niet?”
-herhaalde hij en drukte haar geurig gelokt hoofd tegen zijne borst.
-
-„Pan is luimig,” riep Aspasia. „Hij beloofde mij verkwikking in zijne
-grot, maar hij schijnt met zijn adem heimelijk de zwoele avondlucht nog
-drukkender te maken”—
-
-„In der daad,” zeide Pericles, „bijna bedwelmd omgeeft ons de lucht,
-zwanger van den geur van de thym en wilde rozen.”
-
-Terwijl Pericles en Aspasia zoo praatten, was het blauw des hemels in
-een gloeiend rood veranderd. De lange Hymettus-keten was geheel gedoopt
-in den rozenkleurigen gloed. Langzaam was de zon achter Arcadië’s
-bergen ter kimme gedaald. Over de bergtoppen van den Brilessus
-flikkerde van tijd tot tijd uit het zwangere zwerk door de zwoele lucht
-een matte bliksemstraal.
-
-„Aspasia,” riep Pericles, „de boodschap, die gij als Grieksche uit het
-vroolijke Ionië den Grieken overbrengt, zij weerkaatst, als het
-weerlicht in die zwangere wolk, zwoel en rijk aan zegen, in mijne ziel
-en in alle geesten van Attica! Zij zal werkelijkheid worden, deze
-boodschap: in den engsten kring tusschen u en mij, in den ruimsten van
-geheel het Atheensche volk! Wij gevoelen allen eene nieuwe kracht, een
-nieuw vuur in ons en wij zien dat het Helleensche volk streeft naar
-zijne hoogste ontwikkeling!”
-
-Zoo sprak Pericles en drukte een gloeienden kus op de lippen van
-Aspasia. Het was dezelfde gloed, het was dezelfde kracht, het was de
-kiem van dezelfde levensvolheid en levensschoonheid, welke de vuist van
-den strijder bij Marathon, den beitel van Phidias, de stift van
-Sophocles, den redenaarsdonder van Pericles op de Pnyx en zijn
-brandenden kus op de lippen der schoonste Grieksche vrouw bezielde....
-
-Wanneer een vertrouwelijk paar als dit, waarin het menschelijke wezen
-tot den reinsten, weelderigsten en edelsten bloei is ontwikkeld, in een
-kus elkander beroeren, dan is dit de hoogste zaligheid van het leven en
-eene huivering van vreugde doortrilt heimelijk het hart der wereld van
-de eene pool tot de andere; ook die kus is te vergelijken met dien
-bliksem van den zwoelen zomeravond boven de toppen van den Brilessus.
-
-Zielen ontmoeten elkander als van vonken zwangere wolken.
-
-Maar de wolken ontlasten zich—de menschelijke ziel voedt den gloed.
-Dronken was de ziel van Pericles, toen hij met Aspasia de helling van
-den berg bij het schitterend licht der fonkelende avondster afdaalde.
-Hij drukte de schoone zacht aan zijne borst, en zeide, met het oog op
-het door de maan beschenen reusachtige beeld der Godin van Phidias:
-
-„O Pallas Athene, leg den metalen helm af, en vergun den nachtegalen
-der Cephissus-valleien daarin te nestelen!”
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-DE PAUWEN VAN PYRILAMPES.
-
-
-Ten tijde dat de hier verhaalde zaken voorvielen bevonden zich onder de
-rijke en aanzienlijke burgers van Athene twee mannen, die voor het
-eerst trachtten, niet slechts, zooals het gewoonte was, door de
-schitterende diensten aan den staat, maar ook door eene tot hiertoe
-ongewone huiselijke pracht en weelde elkander te overtreffen.
-
-De een dezer mannen heette Hipponicus, in wiens gastvrije woning
-Aspasia zich ophield, een man van adellijk geslacht. De andere was
-Pyrilampes, een parvenu, een rijk geworden wisselaar uit den Piraeus.
-
-Hipponicus leidde den oorsprong van zijn geslacht af van niemand minder
-dan van Triptolemus [137], den lieveling van Demeter, den stichter der
-Eleusinische mysteriën, den uitvinder van den ploeg, den beschermer van
-den akkerbouw en van iedere beschaving. Zonder twijfel had het geslacht
-van Hipponicus aan zijne afkomst te danken, dat het ambt van Daduchus
-[138] priester bij de mysteriën van Eulesis, er erfelijk in was.
-
-Ook Hipponicus bekleedde deze waardigheid. Maar de man naar de wereld
-bekommerde zich daar niet veel om. Slechts eenmaal in den loop van het
-jaar, ten tijde der groote mysteriën, was hij verplicht zich voor
-korten tijd naar Eleusis te begeven.
-
-Eene zonderlinge eigenaardigheid juist van dit geslacht was daarin
-gelegen, dat de stamhouders steeds beurtelings Callias en Hipponicus
-heetten. Ieder Callias noemde zijn eerstgeborene Hipponicus en ieder
-Hipponicus den zijne Callias [139].
-
-De lotgevallen van al deze verschillende Calliassen en Hipponicussen
-waren veelal zeer merkwaardig; bijzonder de wijze, waarop zij aan hunne
-rijkdommen kwamen.
-
-Aan Hipponicus, dien ten tijde van Solon [140] leefde, en een
-persoonlijk vriend van dezen wetgever was, werd verweten, dat hij den
-grond tot de welvaart van zijn geslacht, gelegd had, door misbruik te
-maken van eene vertrouwelijke mededeeling van dien beroemden man. Ten
-tijde van Pisistratus had een Hipponicus alleen den moed de goederen
-van den verdreven tyran op te koopen. Terwijl in de Perzische oorlogen
-velen verarmden, werd de familie der Calliassen en Hipponicussen steeds
-rijker. Aan een Hipponicus namelijk had zekere Eretriër [141],
-Diomnestus genaamd, zijne schatten in bewaring gegeven, welke hij bij
-den eersten inval der Aziaten op een vijandelijk veldheer buit had
-gemaakt. Bij den tweeden inval voerden de Perzen, zooals bekend is,
-alle Eretriërs en onder hen ook Diomnestus, gevankelijk weg, en zijne
-schatten bleven in het bezit van Hipponicus. Dan weder was het een
-Callias, dien een Pers bij Marathon, om zijn leven te redden, in ’t
-geheim naar een plaats voerde, waar zijne landgenooten veel goud hadden
-begraven. Callias nam de voorzorg, den Pers, nadat hij hem de plaats
-gewezen had, te dooden, om zoo zeker te zijn, dat hij niets van het
-geheim aan een ander zou verraden, voordat Callias den tijd had
-gevonden, den schat geheel weg te nemen en in veilige bewaring te
-brengen.
-
-Zoo luidden de overleveringen, die getuigenis afleggen voor het in dat
-geslacht erfelijke talent, zich rijkdommen te verwerven. Zooals van
-zelf spreekt, geraakten de nakomelingen tot het grootste aanzien in den
-staat.
-
-Menige Callias en Hipponicus diende zijnen medeburgers als gezant naar
-den Perzischen koning of anders in gezantschappen over vrede; voor
-sommigen hunner richtte men van staatswege eene eerezuil op.
-
-Onze Hipponicus nu, de gastheer van Aspasia, deed zijne vaderen eer
-aan. Hij was goedhartig van karakter en bij het volk zeer bemind.
-Somwijlen offerde hij aan de Godin Pallas Athene eene volledige
-Hecatombe [142], onthaalde bij feestelijke gelegenheden het volk naar
-stammen en geslachten, en bij de groote Dionysia richtte hij voor
-allen, die komen wilden, in Ceramicus een drinkgelag aan in de open
-lucht en gaf hun met klimop omkransde zetels er bij, waarop de gasten
-plaats konden nemen. Toen hij eens naar Corinthe reisde om een vriend
-te bezoeken en onderweg vernam, dat de man op het punt stond om door
-zijne schuldeischers gegijzeld te worden, zond hij een bode met het
-noodige geld vooruit, om den schuldeischer tevreden te stellen, omdat
-het hem onaangenaam zou geweest zijn, bij zijne aankomst, zijn vriend
-in eene slechte luim aan te treffen. Zijn huis te Athene onderscheidde
-zich, zooals gezegd is, zeer van die toenmalige huizen der andere
-Atheners.
-
-Alleen de rijk geworden geldwisselaar Pyrilampes beproefde het hem te
-evenaren. Deze had een huis in den Piraeus, dat hij zoo inrichtte, als
-dat van Hipponicus. Hij zocht overigens zoo veel mogelijk Hipponicus in
-alles na te doen. Wanneer Hipponicus zich een klein hondje van
-Melitaeïsche [143] ras, dat beroemd was om zijne bevalligheid,
-aangeschaft had, dan kocht Pyrilampes een nog kleiner van datzelfde
-ras. Vermeerderde daarentegen Hipponicus het getal zijner honden met
-een nieuwen Laconischen, Molossischen [144] of Cretensischen hond, die
-om zijn grootte door de menschen bewonderd werd, dan rustte Pyrilampes
-niet, vóór hij een nog grooteren kon machtig worden. Hipponicus had een
-reus tot portier, en daar nu Pyrilampes geen nog grooter man voor zich
-kon vinden, plaatste hij aan de poort van zijn huis een aardigen dwerg,
-’t geen veel opzien baarde. Hipponicus’ oudste zoontje, die, zooals
-vanzelf sprak, Callias heette, betoonde weinig lust om de vier en
-twintig letters van het alphabet te leeren; toen liet Hipponicus de
-kameraadjes van den kleinen Callias, zijne huisslaven en andere
-personen uit de omgeving van den jongen, ieder met den naam van een der
-letters aanduiden. Pyrilampes had eveneens een zoontje, Demus geheeten,
-en daar deze liever met jonge honden speelde, zoo schafte hij zich
-vierentwintig hondjes aan en deed ieder een plaatje om den hals, waarop
-de naam van eene letter van het alphabet geschreven was. Hipponicus was
-beroemd om zijne paardenfokkerij; daar Pyrilampes hem hierin niet kon
-overtreffen, zocht hij de paarden van Hipponicus door een aantal
-zeldzame en merkwaardige apen te overschaduwen. Hipponicus hield altijd
-veel hanen en kwartels, om ze met elkaar te laten vechten, een
-schouwspel, waarin de Atheners bijzonder veel vermaak schepten. Meer
-bepaald echter had hij zich in den laatsten tijd op het kweeken van
-Siciliaansche duiven toegelegd, die te Athene zeer in den smaak vielen
-en weldra nergens zoo schoon en voortreffelijk te vinden waren als bij
-Hipponicus. Deze zegepraal van zijn mededinger hield Pyrilampes den
-slaap uit de oogen. Hij peinsde zoo lang dat hij de duiven van
-Hipponicus overtrof. Daar kreeg hij uit Samos [145] een paar van die
-prachtige vogels, met hun schoonen, honderdoogigen staart, die aan Hera
-[146] waren gewijd, en destijds te Athene alleen bij name bekend waren.
-Pyrilampes liet de gevederde vreemdelingen broeien, paste ze zorgvuldig
-op en weldra stapte een groot aantal dier verbazend schoone dieren
-pronkend over zijn groot voorhof, ja zelfs op het plat van zijn dak tot
-verwondering en genoegen der voorbijgangers.
-
-Met deze Samische vogels sloeg Pyrilampes Hipponicus en zijne duiven
-uit het veld. In grooten getale stroomden de nieuwsgierige Atheners
-toe, om de pauwen van Pyrilampes te bekijken. Men sprak een tijdlang
-bijna over niets, dan over de pauwen van Pyrilampes.
-
-De gelukkige mededinger van Hipponicus rustte niet, voordat Pericles
-hem beloofd had zijne pauwen te komen zien. Pericles ging naar hem toe,
-vergezeld van Aspasia, die zich ook nu weder als Milesische
-citherspeler had verkleed.
-
-Wie in die dagen te Athene zijne schoone vriendin een bijzonder
-aangenaam geschenk wilde vereeren, kocht een van Pyrilampes’ jonge
-pauwen en schonk haar die.
-
-Aspasia sprak met zoo onverholen ingenomenheid over de prachtige vogels
-en Pericles meende zoo duidelijk in hare oogen te lezen, welk een
-sieraad zij zulk een vogel in het peristilium harer woning achtte, dat
-hij niet nalaten kon Pyrilampes ter zijde te nemen en hem heimelijk
-last te geven een der jonge pauwen bij de Milesische Aspasia, die in
-een der zijvleugels van het huis van Hipponicus woonde, te doen
-bezorgen. Voor zijne vriendin echter hield hij de zaak geheim, om haar
-door het geschenk te verrassen.
-
-Op den morgen, die op dit bezoek van Pericles en de verkleede
-Milesische volgde, trad Hipponicus onverwachts het vertrek zijner
-schoone gast binnen. Hipponicus was een vrij gezet man. Zijn gezicht
-was rood en eenigszins opgezwollen. Zijne oogen glinsterden goedaardig
-en om zijn tamelijk dikke lippen zweefde steeds een glimlach. Met dezen
-glimlach op de lippen, die echter ditmaal, voor zooverre zulks bij
-Hipponicus mogelijk was, iets spottends had, zeide hij tot Aspasia:
-
-„Schoone vriendin, ik hoor dat het u zeer goed bevalt in de stad der
-Atheners”—
-
-„Daarvan komt u de verdienste toe,” hernam Aspasia.
-
-„Niet geheel en al,” antwoordde Hipponicus. „Gij hebt in den beginne
-reeds een aangenaam verkeer gehad met Phidias en zijne kunstenaars en
-later ook met mijn vriend, den grooten Pericles. Ik hoor, dat gij hem
-somstijds uit zedigheid onder de vermomming van een citherspeler
-vergezelt. En wanneer ik goed ingelicht ben, bevallen u de
-Siciliaansche duiven van Hipponicus niet bijzonder meer, maar gaat gij
-liever met Pericles naar den Piraeus, om de pauwen van Pyrilampes te
-bewonderen”—
-
-„Die pauwen zijn prachtig,” zeide Aspasia onbeschroomd, „en gij moet ze
-zelf eens gaan zien.”
-
-„Ik ben nog onlangs voorbij het huis van Pyrilampes gekomen,” hernam
-Hipponicus, „en ik heb die dieren hooren schreeuwen. Daar had ik genoeg
-aan. Nu, ieder zijn smaak; ieder moet zijn genoegen daar zoeken, waar
-hij het vindt. Een genot, dat men t’huis heeft, verveelt gauw. En, naar
-ik bemerk, wordt het meer gewaardeerd als men iemand aangenaam
-onderhoudt, dan dat men hem gastvrijheid verleent.”—
-
-Hipponicus zag bij deze woorden Aspasia scherp aan en hoopte, dat zij
-iets zeggen zou.
-
-Daar zij echter zweeg, vervolgde hij: „Gij weet, Aspasia, dat ik u te
-Megara uit onaangename verwikkelingen heb gered; ik heb u hierheen naar
-Athene gevoerd; ik heb u gastvrij ontvangen. Ik heb veel voor u gedaan.
-En nu zeg mij, welken dank oogst ik daarvoor in? Verstaat ge mij,
-Aspasia? Welken dank oogst ik daarvoor in?”
-
-„Wie op zulk eene wijze om dank vraagt,” hernam Aspasia, „die wil
-betaling, geen dank. Ook gij verlangt betaald te worden, zooals ik zie,
-voor wat ge mij bewezen hebt. Uwe weldaden hebben, naar het schijnt,
-een bepaalden prijs. Maar gij hebt verzuimd, Hipponicus, dezen prijs
-uwer weldaden vooraf te bedingen, en nu maakt gij u driftig, als een
-vischwijf op de markt, omdat deze prijs den kooper te hoog is!”
-
-„Verdraai de zaken niet, Aspasia,” hernam Hipponicus rood wordende,
-„gij weet het, ik was de kooper en uwe gunst was het, die ik, voor
-alles, wat ge begeert wilde koopen”—
-
-„Zoo ben ik de koopwaar?” riep Aspasia uit; „het zij zoo, ik ben
-koopwaar, als ge wilt en heb een bepaalden prijs”—
-
-„En deze prijs—?” vroeg Hipponicus.
-
-„Zult gij met al uwe schatten nooit kunnen betalen!” wierp Aspasia hem
-snel tegen.
-
-Hipponicus draaide zich onrustig op zijn stoel.
-
-„Geen praatjes! zeide hij toen en zijne trekken namen weder een
-goedhartige uitdrukking aan. „Gij zijt niet meer te krijgen! Dat is
-alles.—Een ander heeft u gekocht. Voor welken prijs—dat is zijne zaak.
-Daar het de groote Pericles is, ben ik noch op hem noch op u boos. Ik
-houd van Pericles en gun hem alles goeds; hij heeft mij eens een
-grooten dienst bewezen, dien ik nooit in mijn leven vergeten zal. Hij
-heeft mij van eene lastige vrouw, de toen nog schoone, maar twistzieke
-Telesippe afgeholpen. Mogen de Goden hem er voor beloonen!”
-
-Met dit gezegde, dat hij steeds uitte, wanneer men over Pericles kwam
-te spreken, stond Hipponicus op en ging heen.
-
-Nadat hij zich verwijderd had, was Aspasia’s eerste gedachte, dat het
-haar nu niet langer paste de gastvrijheid van Hipponicus te blijven
-genieten.
-
-Zij riep hare slavin, liet een paar muildieren met hare bezittingen
-beladen, om die naar een Milesische vriendin te brengen, eene
-eerwaardige dame, die sedert jaren te Athene woonde. Met Aspasia’s
-moeder was deze van kindsbeen af bevriend geweest en koesterde zelve
-eene bijna moederlijke liefde voor hare schoone, jeugdige landgenoote.
-
-Nadat Aspasia Hipponicus haar dank had doen betuigen voor de bewezen
-gastvrijheid en haar besluit, zijn huis te verlaten, had laten
-mededeelen, verkleedde zij zich naar hare gewoonte als citherspeler en
-ging op weg, begeleid door een slaaf, ten einde Pericles in zijn woning
-op te zoeken.
-
-Tot op dezen dag had zij dien stap nog niet gewaagd, zelfs niet in hare
-verkleeding. Maar heden brandde zij van ongeduld om onverwijld
-gelegenheid te zoeken haar vriend te spreken en met hem te overleggen,
-wat zij nu na hare verwijdering uit het huis van Hipponicus verder zou
-aanvangen.
-
-Kort nadat Aspasia vertrokken was, werd Hipponicus door een bediende
-gemeld, dat er een slaaf van Pyrilampes geweest was, die een jongen
-pauw had gebracht voor de Milesische, die in het bijgebouw woonde.
-
-Hipponicus haatte niets zoo zeer in de wereld als de pauwen van
-Pyrilampes, en had hij de eerste opwelling van zijn hart gevolgd, dan
-zou hij den vogel onmiddellijk den hals hebben doen omdraaien, echter
-stelde hij zich tevreden met gefronste wenkbrauwen te zeggen:
-
-„De Milesische is weg en ik weet niet waarheen zij gegaan is. Breng den
-pauw naar het huis van Pericles. Deze heeft hem zonder twijfel
-gekocht.”—
-
-Inmiddels was Aspasia op haar weg naar Pericles op de Agora gekomen.
-
-Terwijl zij met een zekeren haast zich door het gedrang der onbekende
-menschen spoedde, ontmoette haar plotseling Alcamenes.
-
-De beeldhouwer bleef voor haar staan, zag haar met zijne heldere oogen
-aan en zeide toen met een spottend lachje: „Waarheen gaat ge, schoone
-citherspeler? Zeker naar Pericles?—Mogen uwe nieuwe vrienden met hunne
-aanspraak op u en uwe gunst gelukkiger zijn dan de oude!”
-
-„Wien gaf ik ooit eenig recht op mij?” vroeg Aspasia.
-
-„Onder anderen ook aan mij,” hernam Alcamenes.
-
-„Aan u?” zeide Aspasia. „Ik gaf u wat ge noodig hadt, wat den
-beeldhouwer onmisbaar was. Niets meer en niets minder.”
-
-„Eene vrouw moet niets of alles geven,” hernam Alcamenes.
-
-„Vergeet dan, dat ik u ooit iets heb gegeven,” riep Aspasia en verdween
-in het gedrang.
-
-Snel waren deze weinige woorden gewisseld. Alcamenes lachte bitter en
-sarcastisch. Aspasia vervolgde haar weg met spoed.
-
-In het huis van Pericles was Telesippe dien morgen met een vrome
-plechtigheid bezig.
-
-Zij hoopte schadeloosstelling voor de nalatigheid, die Pericles, naar
-zij meende, in het beheer zijner huishouding aan den dag legde, van de
-gunst van Zeus Ktesios [147] den beschermer van de huiselijke have, die
-door alle vrome Atheners door huiselijken eeredienst pleegde vereerd te
-worden. Niemand was beter vertrouwd met de heilige oudvaderlijke
-gebruiken dan Telesippe. Zij omwond haar voorhoofd en haar rechter
-schouder met wollen draden, nam toen een nog ongebruikten aarden pot,
-van deksel voorzien, omwoelde het hengsel met witte wol, deed in den
-pot een mengsel van allerlei vruchten, met helder water en olie en
-plaatste dit offer ter eere van den God in de voorraadkamer.
-
-Juist was zij gereed met haar vroom werk, toen zij bemerkte dat de
-portier een slaaf binnen liet, die een grooten vreemden vogel met
-langen, prachtigen staart, de pooten samengebonden, op zijn armen
-droeg.
-
-De slaaf zeide, dat deze vogel voor Pericles was, legde hem neder en
-ging zijns weegs.
-
-Telesippe verwonderde zich en wist niet recht wat de zaak beteekende.
-
-Zou Pericles dien vogel op de markt gekocht hebben en moest die voor
-den maaltijd geplukt en gebraden worden?
-
-Maar Pericles placht zich anders zeer weinig met huiselijke
-aangelegenheden te bemoeien.
-
-Zij besloot de terugkomst van haar echtgenoot af te wachten. Voorloopig
-liet ze den vogel in den kleinen hoenderhof voor het huis brengen.
-
-Juist trad eene vrouwengestalte, door eene slavin begeleid, de
-buitendeur binnen, en toen Telesippe haar te gemoet ging, stak uit het
-himation het welbekende hoofd van hare vriendin Elpinice.
-
-De trekken van Elpinice vertoonden ditmaal een buitengewonen ernst. Zij
-was opgewonden, hare bewegingen haastig en gejaagd, hare oogen rolden
-heen en weder en hare lippen trilden als van ongeduld om iets te
-zeggen, om zich van een gewichtig geheim te ontlasten.
-
-„Telesippe,” zeide zij, „verwijder alle getuigen of begeef u met mij in
-een uwer binnenvertrekken.”
-
-De gade van Pericles was het niet vreemd hare vriendin in zulk een
-opgewonden toestand bij zich te zien binnenstuiven. Zij had toch veel
-verkeering en vormde, om zoo te zeggen, het middelpunt van de
-vrouwenpraatjes in de stad. Ze wist veel en hare nieuwtjes brachten
-groote opschudding in menig vrouwenvertrek. Toen zij beiden in een
-binnenvertrek alleen waren, zonder gestoord te kunnen worden, begon de
-zuster van Cimon op een plechtigen toon:
-
-„Telesippe, wat denkt ge van de trouw van uw echtgenoot?”
-
-Telesippe wist op ’t oogenblik niet wat zij zeggen zou.
-
-„Wat denkt ge van de genegenheid van uw man voor ons geslacht in het
-algemeen?” vervolgde Elpinice.
-
-„Ach,” antwoordde zij: „zijn hoofd is zoo overvol van staatszaken...”
-
-„Dat hij aan vrouwen in het geheel niet meer denkt, meent ge?” viel de
-zuster van Cimon in en vertrok haar mond tot een medelijdend,
-spottenden glimlach. „Natuurlijk!” ging zij vorschend voort, „gij moet
-het vóór allen weten, als zijne echte gade en wettige bedgenoote.”
-
-„Ja zeker,” hernam de vrouw van Pericles argeloos.
-
-Elpinice greep hare hand, glimlachte nog eens medelijdend en zeide
-toen:
-
-„Telesippe, is het gedrag en karakter van uw man u dan onbekend? Denk
-toch eens even na. Herinner u de schoone Chrysilla—de geliefde van den
-treurspeldichter Ion, aan wie uw man, zooals iedereen weet, een
-geruimen tijd het hof heeft gemaakt.”
-
-„Maar dat is nu al lang geleden,” antwoordde Telesippe.
-
-„Wel mogelijk, maar is in den laatsten tijd nooit een vermoeden bij u
-opgekomen? Heeft niets in het gedrag van uw man u bijzonder getroffen?
-Niets uwe ziel met booze voorgevoelens vervuld?”
-
-Zij bezon zich een oogenblik en schudde ontkennend het hoofd.
-
-„Arme vriendin!” riep Elpinice uit. „Zoo treft u de slag dan
-onvoorbereid en verneemt ge alles op eens.”
-
-„Spreek,” zeide de vrouw van Pericles.
-
-„Is de naam van Aspasia nog niet tot uwe ooren doorgedrongen?” vroeg
-Elpinice.
-
-„Die naam is mij niet bekend,” antwoordde zij.
-
-„Nu, hoor dan,” zeide de zuster van Cimon. „Aspasia is de naam van eene
-jonge Milesische vrouw, die, de Goden mogen weten na welke zwerftochten
-en avonturen, te Megara aangeland en van daar door uw voormaligen
-echtgenoot Hipponicus naar Athene is gebracht. Ik denk, dat het u niet
-ten eenenmale onbekend is van welk soort en van welke waarde zij zijn,
-die Milesische vrouwen, de Ionische over ’t algemeen, die vrouwen van
-de overzeesche kusten? Het zijn Bacchanten [148], die zich over
-Griekenland verspreiden en met brandende fakkels de harten der mannen
-in vuur en vlam zetten. Aspasia is van al deze Bacchanten de
-gevaarlijkste, de doortraptste, de sluwste, de vermetelste! ... In de
-strikken van deze vrouw is uw man gevallen!”
-
-„Wat zegt ge?” riep de vrouw van Pericles getroffen uit. „Waar ontmoet
-hij die vreemde vrouw dan?”
-
-„In het huis van Hipponicus,” hernam Elpinice. „Want zij woont in het
-huis van Hipponicus. Daar hebben die hetaeren hare samenkomsten. Daar
-worden orgiën [149] gevierd, orgiën, Telesippe—het is verschrikkelijk
-wat er gefluisterd wordt van de orgiën in het huis van Hipponicus! En
-uw echtgenoot te midden daarvan!—Maar dat is nog niet het ergste. Let
-wel, hij verkwist zijn bezittingen met die Milesische boeleerster! Hij
-vereert haar slaven, huisraad, tapijten, duiven, sprekende spreeuwen en
-alles wat ge maar denken kunt! Sedert gisteren is dat alles in de
-geheele stad bekend! Tot heden geschiedde alles zoo geheim mogelijk. Nu
-verbreidt het zich in de stad als een loopend vuurtje, want gisteren
-heeft Pericles de kroon op zijn schandelijk werk gezet. Gisteren heeft
-hij bij Pyrilampes een vreemden vogel, een pauw, gekocht voor de
-Milesische Aspasia! De geheele wereld spreekt heden van dien pauw. En
-van morgen is de vogel door een slaaf van Pyrilampes naar het huis van
-Hipponicus gebracht. Ik zelf heb onder weg menschen gesproken, die den
-slaaf den pauw op de armen hadden zien dragen. Maar denk eens!
-Diezelfde lieden vertelden mij, dat Hipponicus den pauw niet heeft
-aangenomen, omdat de Milesische niet meer bij hem woont! Vat ge, hoe
-dat samenhangt? Zij is van Hipponicus weggegaan naar een ander huis. En
-wie heeft dat andere huis voor haar gekocht of gehuurd? Uw man
-Pericles!—Wat staart ge me zoo peinzend aan?”
-
-„Ik denk na,” zeide Telesippe, „over dien vreemden vogel, waarvan ge
-mij vertelt. Weinige oogenblikken, voordat gij kwaamt, is een vreemde
-vogel door een slaaf hier aan huis gebracht, met de boodschap, dat
-Pericles hem gekocht had.”
-
-„Waar is de vogel?” riep Elpinice. Telesippe bracht hare vriendin naar
-den hoenderhof, waar de jonge pauw jammerlijk op den grond lag te
-spartelen; want men had hem de pooten nog niet losgemaakt.
-
-„Dat is de pauw!” zeide Elpinice; „juist zoo heb ik de pauwen van
-Pyrilampes hooren beschrijven. De zaak is zonneklaar. De pauw is ten
-huize van Hipponicus niet aangenomen geworden; de slaaf wilde of konde
-de Milesische zelve niet verder zoeken en bracht den vogel gemakshalve
-naar den kooper. Dat is eene beschikking der Goden, Telesippe. Breng
-toch Hera een offer, de beschermgodin en wreekster van den
-huwelijksband!”
-
-„Rampzalige vogel!” riep Telesippe en wierp een toornigen blik op het
-dier, „ge zult niet te vergeefs in mijne handen gevallen zijn!”
-
-„Slacht hem!” riep de zuster van Cimon, „slacht hem en braad hem op het
-vuur en bereid uw trouweloozen echtgenoot daarmede een Thyestes-maal
-[150]!”
-
-„Dat zal ik,” hernam Telesippe, „en Pericles kan er mij geen verwijt
-van maken. Om een vogel als deze vrij rond te laten loopen, daar is
-onze hoenderhof veel te klein voor. Wanneer hij hem dus gekocht heeft,
-zoo mag ik vooronderstellen dat hij geplukt en gebraden en opgegeten
-moet worden. Pericles moet daar het zwijgen toe doen. Hij kan tegen
-deze verontschuldiging niets inbrengen. Hij moet zwijgen en in stilte
-bersten van spijt, wanneer ik hem den gebraden vogel voorzet. En eerst
-als hij de vervloekte spijs mokkend genuttigd heeft, zal ik mijn mond
-open doen, om hem zijne openbare schande geducht voor de voeten te
-werpen.”
-
-„Daar doet ge wel aan,” zeide Elpinice en wreef zich lachend de handen.
-„Ziet ge nu wel,” ging zij voort, „van welken aard de staatsbezigheden
-zijn, die uw gemaal van zijne rechtmatige, wettige bedgenoote
-vervreemden?”
-
-„Zijne vrienden zijn het, die hem in het verderf hebben gestort,” zeide
-Telesippe. „Zijn hart is toch licht ontvlambaar en open voor iederen
-indruk. De omgang met godloochenaars heeft hem goddeloos gemaakt. Ja,
-hij is goddeloos geworden, den huiselijken eeredienst verricht hij met
-een lauw gemoed en doet of duldt vele van deze dingen om mijnentwil.
-Gij herinnert u, hoe hij kort geleden aan de koorts ziek lag. Gij riedt
-mij een amulet om zijn hals te hangen, een ring met ingesneden magische
-teekens of een stuk perkament met wonderkrachtige spreuken beschreven,
-in leer genaaid. Ik zorgde voor zulk een amulet en hing het den zieke
-om den hals. Hij lag in een lichten sluimer en lette er niet op. Weldra
-echter kwam een zijner vrienden hem een bezoek brengen. Toen deze het
-amulet op de borst van Pericles zag, nam hij het weg en wierp het ter
-zijde. Pericles ontwaakte uit zijn sluimer; toen zeide zijn vriend tot
-hem, zooals mij een slaaf verhaalde, die juist in het vertrek was: „De
-vrouwen hebben u een amulet om den hals gehangen; ik ben een verlicht
-man en heb het ding weggenomen!”—„Het is goed,” hernam Pericles, „maar
-ik zou u voor een nog verlichter man gehouden hebben, wanneer gij het
-hadt laten hangen.”
-
-„Dat was zeker een van die nieuwerwetsche beeldhouwers,” zeide
-Elpinice. „Ik heb nooit veel van Pericles gehouden—hoe had ik ook met
-den tegenstander van mijn voortreffelijken en onvergelijkelijken
-broeder op kunnen hebben? Maar hij is mij bijna gehaat geworden, sedert
-hij geheel en al een speel- en werktuig in de handen van Phidias,
-Ictinus, Callicrates en al die menschen geworden is, die nu met hun
-eerzuchtig streven zoo veel alarm maken en die iedere ware verdienste
-op den achtergrond dringen. Weet ge wel, dat, terwijl al deze mannen
-met beitel en troffel zich op de Acropolis zoo druk maken, de edele
-Polygnotus, de voortreffelijke meester, dien mijn broeder Cimon zoo
-hoog schatte, ledig moet loopen?”
-
-Elpinice gaf nog eenigen tijd lucht aan hare klachten, doch stond ten
-laatste op, om te gaan. Telesippe deed haar uitgeleide tot aan het
-Peristylium. Daar onderhielden de beide vrouwen, naar de gewoonte dier
-kunne, die bij het afscheid nemen moeilijk het laatste woord kan
-vinden, zich nog een geruimen tijd bij de deur over het groote nieuws
-van den dag.
-
-Plotseling ging de voordeur open en een jongeling trad het huis binnen.
-
-De jonkman was van eene in ’t oog loopende schoonheid.
-
-De beide vrouwen hadden zich bij het gezicht van een vreemden man,
-volgens de strenge Attische zeden, moeten verwijderen. Maar zij waren
-als aan den grond genageld.
-
-En was het dan wel een man, was het niet een baardelooze jongeling,
-dien zij zagen?
-
-Ook had deze, vóór Telesippe goed kon nadenken, zich even bescheiden
-als innemend tot haar gewend met de vraag, of Pericles thuis was en het
-hem gelegen kwam het bezoek van een vreemdeling te ontvangen.
-
-„Mijn man is uit,” antwoordde Telesippe.
-
-„Heb ik het genoegen zijne echtgenoote, de vrouw des huizes, te mogen
-zien?” zeide de jongeling. „Ik ben,” vervolgde hij, de harde namen met
-opzet nog scherper uitsprekende, „Pasicompsus, de zoon van Execestides
-uit—,” hij durfde niet zeggen, uit Milete, want een enkele oogopslag op
-de beide vrouwen, in wier handen hij gevallen was, deed hem gevoelen,
-dat hij met het noemen van het lichtzinnige Milete hier geen bijzonder
-gunstigen indruk zou maken. Den minsten argwaan wekte hij zeker,
-wanneer hij voorgaf uit het strenge, zedige Sparta te komen.
-
-„Ik ben,” zeide hij derhalve, „Pasicompsus, de zoon van Execestides uit
-Sparta. Mijn grootvader Astramphychus was met den vader van Pericles
-door banden van gastvriendschap verbonden.
-
-Toen Elpinice, de vriendin der Spartanen, hoorde dat de jongeling uit
-Sparta kwam, was zij in de wolken.
-
-„Welkom, vreemdeling,” zeide ze, „wanneer gij uit het land, der goede,
-oude zeden komt. Wie is toch uwe moeder geweest, dat gij, een telg van
-het ruwe Sparta, zoo schoon gelokt en van eene zoo ranke en slanke
-gestalte zijt?”
-
-„Ik sloeg uit den aard,” hernam de jongeling. „Men heeft mij ginds te
-Sparta steeds voor eene vrouw gehouden. En toch heb ik nooit voor
-iemand gebeefd, die met mij wilde vechten. Ik heb menigeen voor mij in
-het stof doen bijten. Maar dat hielp niet. Zij hielden mij toch steeds
-voor eene vrouw. Daar kreeg ik genoeg van, en, om de spotters te
-ontwijken, besloot ik in den vreemde te gaan en niet eerder naar het
-ruwe Sparta terug te keeren, voordat ik een baard en een knevel zou
-gekregen hebben. Vooreerst denk ik mij hier te Athene aan de schoone
-kunsten, die hier bloeien, te wijden.”
-
-„Ik zal u bij den voortreffelijken meester Polygnotus aanbevelen,”
-zeide Elpinice. „Ik hoop toch, dat gij een schilder zijt en niet een
-van die steenhouwers, welke hier te lande zoo talrijk en overmoedig
-zijn.”
-
-„Zeker heb ik nooit geleerd steenen te houwen,” hernam de jongeling;
-„maar van het kleurenmengen geloof ik iets te verstaan, zoo goed als
-iemand van ons geslacht; hoewel ik die kunst niet behoef uit te
-oefenen, om mijn kost te winnen, want ik leef, den Goden zij dank, van
-mijne eigen middelen—”
-
-„En hoe bevalt u Athene?” ging Elpinice voort, „en hoe bevallen u zijne
-bewoners?”
-
-„Zij zouden mij best bevallen,” zeide de jongeling, „wanneer zij allen
-zoo eerwaardig en beminnelijk waren, als die, welke de goden mij zoo
-spoedig na mijne aankomst in dit huis deden ontmoeten.”
-
-„Jongeling!” riep Elpinice verrukt uit, „gij doet uw land eer aan! Ach,
-dat onze Atheensche jeugd ook zoo wellevend en bescheiden was! O,
-gelukkig Sparta! Gelukkige Spartaansche moeders en vrouwen en maagden!”
-
-„Is het waar,” vroeg nu Telesippe, „dat de Spartaansche vrouwen de
-schoonste van geheel Hellas zijn? Dat heb ik dikwijls hooren
-verzekeren.”
-
-De jonge man scheen door deze vraag onaangenaam gestemd te worden.
-Zijne neusvleugels bewogen zich licht, en zijne lippen trilden een
-weinig, toen hij minachtend zeide:
-
-„Wanneer forsche gestalte hetzelfde is als vrouwelijke schoonheid, dan
-zijn de Spartaansche vrouwen de schoonste.—Maar wanneer fijnheid en
-adel van vormen beslist,” voegde hij er na eene kleine pauze bij,
-terwijl hij met een innemend lachje zijn blik over de gestalte en het
-gelaat van Elpinice liet weiden, „dan is het billijk den prijs der
-schoonheid aan de Atheensche vrouwen toe te kennen.”
-
-„Jongeling uit Sparta,” zeide Elpinice, „gij spreekt als de meester
-Polygnotus sprak, toen hij met mijn broeder Cimon van Thasos hierheen
-kwam; en mij verzocht of hij voor de schoonste dochter van Priamus op
-de schilderij, waarmede hij de bonte galerij wilde versieren, mijne
-trekken mocht bezigen. Ik zat vijftien dagen voor hem in de bonte
-galerij, en hij schilderde mij trek voor trek.”
-
-„Zijt gij Elpinice, de zuster van Cimon?” riep de jonge man uit met
-levendige gebaren van verbazing. „Wees gegroet! Van u en uw broeder
-Cimon, den vriend der Laconiërs, vertelde mij telkens mijn grootvader
-Astramphychus te Sparta, toen ik nog als een knaap op zijne knie
-speelde. En juist, zooals hij u schilderde, staat gij nu voor mij! En
-thans herinner ik mij de schoonste van Priamus’ dochteren op de
-schilderij van Polygnotus. Gisteren heb ik ze gezien, toen ik door de
-bonte galerij ging, en ik weet niet of ik meer de schilderij van
-Polygnotus moet geluk wenschen, dat zij zoo op u gelijkt, dan u, dat
-gij zoo gelijkt op de afbeelding van Priamus’ dochter!”
-
-De zuster van Cimon stond daar, met opgerichten hoofde, in al hare
-waardigheid. Doch een traan welde op in haar oog en zij moest hem
-wegpinken. Haar hart was ontroerd. Zooals deze jonge Spartaan tot haar
-sprak, had in geen dertig jaren een jongeling uit haar eigen vaderland
-tot haar gesproken. Zij had geheel Sparta, zij had alle Spartanen
-willen omhelzen en zij mocht niet eens dezen eenen, die voor haar
-stond, naar den drang haars harten, in de armen sluiten! Maar zij
-beloonde hem met een teederen blik.
-
-„Amycle,” zeide de echtgenoote van Pericles, tot eene vrouw, die om
-eenige huiselijke bezigheid in het peristylium kwam, „hier kunt ge een
-landsman begroeten: deze jonge man komt uit Sparta.”
-
-Daarop wendde zij zich tot den jongeling met deze woorden: „Deze vrouw
-was de min van den kleinen Alcibiades, dien mijn echtgenoot als
-bloedverwant en vaderloozen zoon van Clinias, in huis heeft genomen. De
-gezonde en krachtige Laconische vrouwen zijn als voedsters overal
-gezocht. Wij hebben Amycle lief gekregen en thans dient zij bij ons als
-huishoudster.”
-
-De jonge man beantwoordde den korten groet, waarmede de ruwe,
-roodwangige vrouw in den breeden tongval van haar land hem begroette,
-met een spottend lachje, terwijl de min van haar kant met blikken van
-twijfel en argwaan de fijne weekelijke, ja, bijna weelderige vormen van
-haar zoogenaamden landsman beschouwde.
-
-„Zulke forsche, krachtige gestalten,” zeide Telesippe, de huishoudster,
-die zich verwijderde, nastarende, „worden uwe Laconische vrouwen.”
-
-„Hadden zij niet den vollen boezem,” zeide de jongeling, „dan zou men
-ze voor zakkendragers houden. Nu kunt ge, in zooverre het geoorloofd is
-van de minnen op de jonge meisjes te besluiten, de Spartaansche meisjes
-u voorstellen, die loopen, worstelen, springen, zich in het werpen met
-den discus [151] en de speer oefenen en met de jongelingen zich in den
-wedloop meten. Zij zijn forsch en stout en dragen haar rokje kort, ter
-nauwernood tot aan de knie en dan nog met een split.”
-
-Zonder door de vrouwen bemerkt te worden, was Alcibiades het
-Peristylium binnen geslopen, had den vreemden, schoonen jongeling
-nauwkeurig aangekeken en zijne laatste woorden opgevangen.
-
-„Maar hoe worden de Spartaansche jongens opvoed?” vroeg hij; terwijl
-hij plotseling achter eene zuil te voorschijn kwam en met zijne
-prachtige donkere oogen den vreemdeling strak aankeek.
-
-Deze was verrast door de plotselinge verschijning van den schoonen
-knaap.
-
-„Dat is nu de kleine Alcibiades, de zoon van Clinias,” zeide Telesippe.
-
-„Alcibiades,” vervolgde zij, zich tot den knaap wendende, „doe uw
-opvoeder geen schande aan door onbescheiden te zijn. Het is een
-Spartaansch jongeling die daar voor u staat.”
-
-De vreemde boog zich neer naar den knaap, om hem een kus op het
-voorhoofd te geven.
-
-„Zonder schoenen,” zeide hij daarop tot hem, „loopen de jongens in
-Sparta, zij slapen op stroo of riet, mogen nooit volop eten, worden
-jaarlijks voor het altaar van Artimis [152] tot op het bloed toe
-gegeeseld, om gehard te worden tegen pijn, krijgen onderricht in alle
-soort van gymnastiek, in het gebruik der wapenen, in krijgsdansen en in
-de kunst van te stelen, zonder betrapt te worden; van den anderen kant
-behoeven zij de letters niet te leeren en het is hun uitdrukkelijk
-verboden, zich meer dan eens of twee maal in ’t jaar te baden en te
-zalven.”
-
-„Bah,” riep de kleine Alcibiades.
-
-„Overigens,” vervolgde de vreemdeling, „zijn zij in klassen verdeeld en
-de jongeren hebben ouderen tot vrienden, van wie zij allerlei goeds
-zoeken te leeren, wier goedkeuring zij trachten te verwerven en die zij
-met hart en ziel zijn toegedaan.”
-
-„Als ik een Spartaansche jongen was en zulk een vriend moest kiezen,”
-sprak de knaap met fonkelende oogen, „dan zou ik u kiezen.”
-
-De jongeling lachte en boog zich andermaal naar den knaap, om hem een
-zoen te geven.
-
-Op dat oogenblik vertoonde zich in de trekken van Elpinice, die tot
-dusverre kalm, dicht nevens den jongen man had gestaan, plotseling eene
-geweldige ontroering. ’t Was alsof eene huivering hare leden
-doortrilde. Haastig trok zij Telesippe ter zijde en fluisterde haar
-zacht in het oor:
-
-„Telesippe, deze jonge man—”
-
-„Welnu?” vroeg zij even zacht.
-
-„O Zeus en Apollo!” zuchtte de zuster van Cimon met gesmoorde stem.
-
-„Wat is er dan toch?” vroeg Telesippe in spanning.
-
-Wederom boog zich Elpinice naar het oor harer vriendin.
-
-„Telesippe,” fluisterde zij, „ik zag straks—”
-
-„Wat zaagt gij?” vroeg Pericles’ vrouw beangst.
-
-„Toen de vreemdeling zich naar den knaap vooroverboog en de boord van
-den chiton aan zijn borst een weinig openging, toen zag ik”—en weder
-stokte hare stem van ontroering in de keel.
-
-„Wat hebt ge gezien?” vroeg nogmaals Telesippe.
-
-„Eene vrouw!” bracht Elpinice er met moeite uit.
-
-„Eene vrouw?”
-
-„Ja, eene vrouw!—Het is de Milesische. Zend den jongen weg en laat het
-overige aan mij over.”
-
-Telesippe beval den knaap naar zijne makkers terug te keeren. Hij wilde
-echter niet; hij wilde liever bij zijn „vriend” blijven. Telesippe
-moest Amycle roepen om den weerbarstigen jongen weg te brengen.
-
-Toen dit geschied was, wierp Elpinice haar vriendin een veel
-beteekenenden blik toe, richtte zich fier en streng op, trad op den
-vreemdeling toe en keek hem een tijdlang met doordringend oog aan.
-
-De vreemdeling trachtte in het begin den blik van Cimon’s zuster uit te
-houden.
-
-Maar die blik was haar te doordringend, evenals die van den
-gerechtsdienaar welke met doorborenden blik den betrapten misdadiger
-aanstaart. Onwillekeurig poogde zij, harer schuld zich bewust, zich aan
-dien vreeselijken oogopslag te onttrekken.—Thans eerst nu Elpinice haar
-met hare oogen had overwonnen, verbrak zij het noodlottig zwijgen en
-zeide op snijdenden toon:
-
-„Spartaansche jongeling, eet gij gaarne gebraden pauwen? Pericles zal
-er heden een op zijne tafel hebben. Zoudt gij zijn gast niet willen
-zijn?”
-
-„Ja,” sprak nu Telesippe en op haar gelaat stond, zoo mogelijk, nog
-meer verachting en hoon te lezen dan op dat van Elpinice; „Ja, het is
-een pauw van Pyrilampes! Een pauw, dien Pericles gisteren gekocht
-heeft. Hij wilde hem aan eene Ionische boeleerster ten geschenke geven,
-doch nu vindt hij het beter hem gebraden te eten”.
-
-„Knaap,” riep Elpinice van den anderen kant, „is het waar dat uwe
-landgenooten aan den Eurotas beweren dat gij eene vrouw zijt? Bedenk,
-dat ook te Athene menschen zijn, die beweren, dat gij geen man zijt,
-maar—eene hetaere van Milete!”
-
-„Ellendige!” riep nu weder Telesippe, ziedende van toorn, en zich zelve
-niet meer meester, „is het u niet genoeg, dat gij de mannen buitenshuis
-in uwe netten lokt? Moet ge zelfs tot in het heiligdom van den
-huiselijken haard binnendringen? Hebt ge geen ontzag voor de
-godenbeelden van dit huis, die met gramstorige blikken neerzien op
-haar, die den heiligen, huiselijken haard verstoort en ontwijdt?—Ga
-gezalfd en opgesierd voor de deur van uw eigen huis staan en trek de
-voorbijgangers bij hun gewaad naar binnen!—Hoe? Waagt ge het nog mij
-aan te zien? Gaat ge nog niet weg?”
-
-„Roep Amycle hier,” zeide Cimon’s zuster tot hare opstuivende vriendin,
-„om met hare echte Laconische vuisten dezen onechten landgenoot, deze
-wellustige Milesische hetaere de deur uit te werpen.”
-
-„Vooraf,” riep Telesippe, die, nadat haar kalm karakter eens opgewekt
-was, al heftiger en heftiger werd, „vooraf zal ik met deze vingers haar
-de oogen uit het gezicht krabben—en haar dat geleende, valsche gewaad
-van het lichaam scheuren.”
-
-Op deze wijze tierden en raasden de beide vrouwen, deze links en gene
-rechts van de verkleede en ontmaskerde Milesische en hare woede ging
-alle perken te buiten.
-
-Deze echter liet den eersten en heftigsten vloed van smaadwoorden
-uitvloeden, totdat de razende vrouwen, verbluft over de rustige kalmte
-van de zwaar beleedigde, een oogenblik verstomden.
-
-Toen echter nam zij het woord en sprak:
-
-„Hebt gij nu uwe scherpste, uwe in gift gedoopte pijlen afgeschoten? Ik
-heb dien dichten hagel van schimpschoten rustig over mij heen laten
-gaan, want ik had mij nu eenmaal in het gevaar begeven, ik waagde mij
-in de nabijheid van die toornige huisgoden en ik heb, ofschoon ge mij
-ondanks mijn gewaad hebt herkend, toch zooveel mannelijks in mij, om
-mij in ’t onvermijdelijke te schikken. Maar ook gij, meesteres van dit
-huis, Telesippe en gij, eerwaardige Elpinice, zult het begrijpen en
-dulden, dat ik op zooveel smaadwoorden, zij ’t ook op een toon, die
-niets gemeen heeft met den uwen, iets zal antwoorden.—Wat is het dan
-Telesippe, wettige gade van den grooten Pericles, waarom gij mij zoo
-harde woorden toevoegt en met smaad en schimp overlaadt? Zeg, wat heb
-ik u ontroofd? Uwe huisgoden? Uwe kinderen? Uw onbesproken naam? Den
-roep uwer deugden? Uw geld? Uwe kostbaarheden? Uwe zalf en
-blanketdoozen? Niets van dat alles. Slechts eene kleinigheid kan ik
-schijnen u ontnomen te hebben: dat wat u het onbeduidendst van alles
-was, wat gij zelve hebt prijs gegeven, wat gij eigenlijk nooit
-waarachtig hebt bezeten, waar gij nooit ernstig u op toegelegd hebt om
-het te verwerven en te behouden: de liefde van uw man! En wanneer het
-nu eens werkelijk zoo was, wanneer uw echtgenoot mij lief had en niet
-u, zou dat dan mijne schuld zijn? Neen! Het zou de uwe zijn. Ben ik
-naar Athene gekomen om de Atheners te dwingen hunne vrouwen lief te
-hebben? Beter past het en gemakkelijker valt het mij, de Atheensche
-vrouwen te leeren, hoe zij het moeten aanleggen, om door hare mannen
-bemind te worden. Gij Atheensche vrouwen, kinderbarende slavinnen,
-verstaat niet de kunst het hart eens mans te onderwerpen en gij wordt
-boos op ons, Ionische vrouwen, omdat wij ze wel verstaan. Is het dan
-een misdaad haar te kennen? Neen, het is een misdaad ze niet te
-verstaan. Wat beteekent het bemind te worden? Het beteekent behagen.
-Wilt ge bemind worden, weet te behagen. Daar baat geen echtband, geen
-dure eed, geen beroep op goddelijke en menschelijke rechten, daar geldt
-alleen deze wet: weet te behagen!—En wanneer behaagt de vrouw? Boven
-alles als zij het wil. En waarmede moet zij trachten te behagen? Met
-alles wat behagelijk is. Niet lang wordt de man geboeid, wanneer zij
-alleen de zinnen streelt, niet lang wanneer zij slechts de
-verbeeldingskracht betoovert, of den geest bekoort of het gemoed
-roert—dat alles moet zij weten te vereenigen, in één woord, zij moet
-beminnelijk zijn.—Maar om de zegepraal der beminnelijkheid volledig te
-maken en te zekerder hartstocht op te wekken, moet zij haar eigen
-liefde met meer zorg trachten te verbergen dan te openbaren. Verkoelend
-werkt te groote gloed der vrouw op den vurigen man, afstootend op den
-onverschilligen. Ze begint met den man ijdel te maken en eindigt met
-hem te vervelen. De verveling des mans echter is het zekere graf van
-het huwelijksgeluk en van de vrouwelijke heerschappij. Minnekoozen of
-knorren, schertsen of vloeken mag de man, om ’t even, alleen geeuwen,
-geeuwen mag hij nooit.—Gij, o Telesippe, deedt te weinig en te veel: te
-weinig, want ge boodt uw man alleen uw lichaam en uwe trouw; te veel,
-want gij boodt hem, wat ge te geven hadt, als zijn eten op een bord! De
-vrouw moet echter geen eten op een bord zijn, noch een meubel in huis,
-noch eene slavin, zelfs niet de „echtgenoote,” zooals men het noemt,
-want Hymen [153] is de verraderlijke vijand van Eros. Dagelijks op
-nieuw moet zij hare gunst doen verwerven en de zeldzame kunst verstaan,
-des avonds als bruid zijn leger te beklimmen en ’s morgens als maagd
-weder op te staan! Dat zijn de regels van die kunst: volg die op, als
-ge wilt en kunt. Zoo niet, doe dan afstand van datgene, wat door deze
-kunst wordt verkregen, en gun zonder jaloezie aan anderen hare vruchten
-in te oogsten!”
-
-Zoo sprak Aspasia.
-
-Trotsch echter zag de vrouw van Pericles op haar neer en vertrok haar
-mond in een verachtelijken plooi.
-
-„Behoud de wijsheid uwer boeleerkunst voor u zelve,” zeide zij, „gij
-zult ze noodig hebben. Gij behoeft mij niet te leeren, hoe men de
-liefde en hoogachting van een man moet zoeken te winnen, mij, die de
-Archon Basileus tot vrouw wilde hebben. Wat meent gij toch met uwe
-kunsten te zullen bereiken, gij de vreemdelinge, de boeleerster? Gij
-kunt mijn echtgenoot door uwe aanloksels verleiden, maar zijn huis,
-zijn haard blijft gij vreemd. En zelfs, wanneer hij mij verstiet, kunt
-ge toch zijne wettige gade nooit worden, gij kunt hem geen wettigen
-erfgenaam baren, want gij zijt eene vreemdelinge, gij zijt geen
-Atheensche burgeres! Of mijn man naar mij, door vurige liefde gedreven
-smacht of niet, om ’t even, ik heersch hier aan zijn huiselijken haard;
-ik ben de meesteres des huizes. Ik zeg u: „ga!” en gij moet
-gehoorzamen.”
-
-„Ik gehoorzaam en ga,” hernam Aspasia—„Wij hebben eerlijk gedeeld,”
-voegde zij er scherp bij. „U zijn huis en haard, mij zijn hart!—Laat
-ieder het hare behouden!—Vaarwel, Telesippe.”
-
-Met deze woorden verwijderde zich Aspasia.
-
-Telesippe en Elpinice waren weder alleen. Elpinice billijkte de
-fierheid harer vriendin en prees het antwoord, dat zij de vreemdelinge
-had gegeven.
-
-Na een lang gesprek ging ook Elpinice heen, terwijl de vrouw van
-Pericles aan hare huiselijke bezigheden ging.
-
-De kleine Alcibiades sprak den heelen dag veel over zijn „Spartaanschen
-vriend”, tot ergernis van de eerlijke Amycle, die het hoofd schudde en
-zeide:
-
-„Die knaap heeft nooit door den Eurotas gezwommen.”
-
-Telesippe verbood beiden een woord van dien vreemdeling te reppen in
-tegenwoordigheid van Pericles.
-
-De dag ging voorbij, het etensuur was gekomen.
-
-Pericles was in huis teruggekeerd en zette zich met de zijnen aan
-tafel.
-
-Hij at van de spijzen, die opgedragen werden, beantwoordde de vragen
-van den kleinen Alcibiades en der beide andere jongens en sprak soms
-ook een woord tot Telesippe, die echter in een half somber, half
-hoonend stilzwijgen verzonken bleef.
-
-Pericles zag de menschen om zich heen gaarne opgeruimd.
-
-Het strakke, norsche gelaat zijner vrouw maakte hem ongerust.
-
-Nu werd een nieuw gerecht opgedragen. Het was de gebraden pauw.
-
-„Wat is dat?” vroeg hij.
-
-„Dat is de pauw,” antwoordde Telesippe, „die hedenmorgen op uw last
-hier is gebracht.”
-
-Pericles zweeg stil. Na eenige oogenblikken, waarin hij zich den
-samenloop der omstandigheden zocht helder te maken, vroeg hij op een
-toon, die voor den heldhaftigen man vrij benauwd klonk:
-
-„Wie zeide u, dat ik den vogel gebraden wilde hebben?”
-
-„Wat anders?” hernam Telesippe. „Om een zoo groot dier te houden en
-vrij te laten rondloopen, is onze hoenderhof veel te klein. Ik dacht
-dus, dat gij den pauw op de markt gekocht hadt, om hem vandaag op tafel
-te hebben. En waarom niet? Hij is smakelijk en lekker gebraden. Proef
-maar eens!”
-
-Daarop leide ze een mooi, bruin gebraden stuk op het bord van haar
-echtgenoot.
-
-Pericles, dien men den Olympiër noemde, Pericles, de met zege gekroonde
-veldheer, de machtige redenaar, de bestuurder van Athene’s lot, die met
-waardige standvastigheid de opgeruide schare der Atheners, evenals de
-legerbenden der aanrukkende vijanden op het slagveld onder de oogen
-durfde zien—hij sloeg de oogen neer voor het stukje pauw, dat zijn
-wettige echtgenoote op zijn bord legde.
-
-Maar weldra wist hij zichzelven te beheerschen. Hij stond op met de
-verontschuldiging, dat hij verzadigd was en zich in zijne vertrekken
-wilde begeven.
-
-Op dit oogenblik vroeg de kleine Alcibiades:
-
-„Hebben de zwanen in den Eurotas ook zulke prachtige veeren als deze
-pauw?”
-
-En zonder het antwoord af te wachten, vervolgde hij:
-
-„Amycle is eene oude zottin, wanneer zij beweert, dat mijn Spartaansche
-vriend nooit door den Eurotas heeft gezwommen.”
-
-Toen Pericles van een Spartaanschen vriend hoorde spreken, zag hij
-eerst den knaap en vervolgens Telesippe met een vragenden blik aan.
-
-„Van welken Spartaanschen vriend spreekt ge?” vroeg hij eindelijk.
-
-Noch de knaap, noch Telesippe gaf hem antwoord.
-
-Pericles verliet de eetzaal. Telesippe volgde hem.
-
-Op den drempel der binnenvertrekken zeide zij zacht, doch op scherpen
-toon tot haar man:
-
-„Verbied uwe Milesische boeleerster u hier in uw huis op te zoeken,
-opdat zij ook niet de knapen moge verleiden. Geef haar uw hart, aan die
-boeleerster, o Pericles, als gij wilt; maar uw huis, uw haard zal zij
-niet ontwijden. Volg haar, waarheen gij wilt; hier echter in dit huis,
-aan dezen haard, handhaaf ik mijn recht. Hier ben ik meesteres, ik
-alleen.”
-
-Diep werd Pericles getroffen door den toon dezer woorden. Het was niet
-de stem van een gekrenkt vrouwenhart, het was de beleedigde koele trots
-van de meesteres van het huis, de wettige gade.
-
-Koel beantwoordde hij den koelen blik van den spreekster en zeide kalm:
-
-„Het zij zooals gij zegt, Telesippe!”
-
-Denzelfden dag nog kwam er een vreemde slaaf tot Pericles met eene
-schriftelijke boodschap.
-
-Pericles opende het briefje en las de volgende regels van Aspasia’s
-hand:
-
-„Ik heb het huis van Hipponicus verlaten. Veel heb ik u te vertellen.
-Bezoek mij, als ge kunt, in het huis van de Milesische Agariste.”
-
-Pericles antwoordde als volgt:
-
-„Kom morgen op het buitengoed van den dichter Sophocles aan den
-Cephissus-oever. Daar zult gij mij vinden. Kom verkleed of laat u in uw
-gewone gewaad in een draagstoel daarheen brengen.”
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-IN HET CEPHISSUS-DAL.
-
-
-Wanneer men in zuidelijke richting de oude stad Athene verliet en een
-weinig links zich wendende den buiten-Ceramicus doorliep en onder de
-tuinen en de lanen met platanen beplant van de Academie [154] zijn weg
-vervolgde, dan nog een eind weegs zuidelijk langs een zonnig pad
-aflegde, bereikte men het bekoorlijke, liefelijk omschaduwde
-Cephissus-dal.
-
-Zoodra men dit dal binnentrad, vertoonde zich aan den linker kant een
-ruischend, weelderig groen olijvenbosch. Het strekte zich als een
-groene wal langs den weg uit. Forsch wond daartusschen de kuischboom
-zijne takken, welks blauwe bloesem aangenaam tegen het zachte groen der
-smalle bladeren afstak. Klimopranken hingen van de takken neer; ook
-taxusboomen groeiden langs de helling en bedekten haar zoo, dat men
-niets dan een groen tapijt zag.
-
-Aan den anderen kant van den weg, ter rechterzijde klaterden de
-kristalheldere beekjes van den Cephissus, uit het dal over schitterend
-witte kiezelsteentjes den wandelaar te gemoet vlietend, hier en daar in
-de rozen- en laurierboschjes zich verschuilend.
-
-Aan gene zijde van den Cephissus zag men op geen grooten afstand den
-niet minder liefelijk omgroeiden, door sagen en zangen beroemden heuvel
-Colonos.
-
-Ging men, als men het dal betreden had, een kort eind tusschen het
-olijvenbosch en het stroomend water, dan zag men aan genen oever van
-den Cephissus op grasrijken, zacht glooienden bodem eene bekoorlijke
-landhoeve in de stralen der zon schitteren, door enkele overoude, hoog
-gekruinde cypressen, platanen en pijnboomen omgeven en een tuin, die
-bijna tot aan den Cephissus reikte. Maar niet alleen aan deze zijde
-strekte zich die tuin tot aan den oever van den Cephissus uit, deze
-toch zijn loop uit het diepst van het dal naar den ingang vervolgende,
-maakte eene kromming ter rechter zijde en besproeide dan ook de velden,
-waarin de vrucht- en bloemtuinen, rondom het landgoed, aan dien kant
-uitliepen. Daar verhief zich de bodem aan den tuin iets meer glooiend,
-en de beek vlood zacht kabbelend tusschen heestergewassen door, waarin
-de stralen der zon flikkerden en de nachtegalen kweelden.
-
-In het midden van de groote ruimte tusschen dezen glooienden
-Cephissus-oever en het woonhuis stond een tuinhuisje, door rozen
-omgeven. Aan de uiteinden van den tuin verschaften laurier, myrthen- en
-rozenboschjes, met hun dicht gebladerte, eene schaduwrijke plaats. Ook
-de donkerroode bloesem van den granaatboom ontbrak niet. Dubbele rijen
-van olijven-, vijgen- en andere vruchtboomen, van het eene priëel naar
-het andere voerende, omzoomden dezen tuin.
-
-Waar de grond naar den Colonos-heuvel zacht glooide, daar hingen de
-donkere druiventrossen, in de warme stralen der zon. De landelijke
-woning zelve was door wijnranken omslingerd, ja zelfs om de boomen
-wonden zij zich in weelderige volheid en kracht. Met hen wedijverde
-woekerend het klimop, welks groote, zwarte trossen van muren en
-boomstammen neerhingen en welks weelderig gebladerte zich
-voortslingerend, zelfs het bedauwde weiland omzoomde.
-
-Tusschen de bloeiende perken waren kleine bloembedden aangelegd. Weinig
-was er overgebleven van de schoon getroste narcissen, van den geurigen
-crocus, de leliën, irissen en viooltjes wegens het ver gevorderde
-jaargetijde, en de liefde der Atheners tot het vlechten van kransen,
-maar talloos bloeide alom de rozen, door viooltjes omzoomd, in purperen
-bedden langs den grond zich uitstrekkende, of op hooge heesters
-prijkend, nooit door ruwe winden geteisterd en iederen morgen
-verfrischt door den reinsten hemeldauw.
-
-Gemakkelijk schijnt het van de voorwerpen, die hier te zien waren, de
-namen en het uiterlijk in woorden weder te geven; onmogelijk echter is
-het den blijmoedigen en gelukkigen vrede te schilderen, die over dit
-weelderig groene dal, door wouden omzoomd, door de wateren van den
-Cephissus besproeid, door nachtegalen bezocht, verspreid lag. Men was
-zoo nabij de woelige stad en toch gevoelde men zich ver van de drukke
-wereld. Het was, alsof de landelijke God Pan uit die schaduwrijke
-boschjes te voorschijn moest treden of eene Najade [155] uit de wateren
-van den Cephissus onder het schitterend loof zou opstijgen. Verder in
-de geheimzinnige diepten van het woud stoeiden zeker Satyrs met
-bokspooten en kon men het gelach van schoone, bevallige Hamadryaden
-[156] hooren, die rustten op het groene loof. Soms ging er eene
-ritseling door de kruinen der boomen, die in het zuiverste blauw van
-den Griekschen hemel trilden, als eene aangename koelte, die daar
-ruiste voor den tred van den God der vreugde, Dionysus.
-
-Maar ook de zang van de gezellen van Apollo, de vriendelijke Muzen, was
-niet vreemd aan dit heerlijk oord. Hier woonde toch de lieveling der
-Muzen, de groote dichter Sophocles. Dit was zijne geboorteplaats, die
-hij op de hoogte van de Acropolis geprezen had en aan Pericles en
-Aspasia uit de verte had getoond. Hier was hij geboren en hier leefde
-hij. Onder de witte zerken, met klimop begroeid, die hier en daar uit
-het groen van den tuin en der boschjes uitstaken, sliepen zijne vaderen
-den eeuwigen slaap.
-
-Juist zat hij in een rozenpriëel, terwijl de aangename morgenlucht hem
-verkwikte, en had het wastafeltje op zijne knieën liggen, op welker
-oppervlakte hij van tijd tot tijd met eene scherpe stift eenige verzen
-griffelde; zeer dikwijls echter wischte hij het geschrevene met het
-stompe eind der stift weder uit, wanneer de eerste ingeving zijner Muze
-hem niet ten volle bevredigde.
-
-Terwijl hij een blik wierp op den weg in het dal, zag hij een statig
-man met lichten en vluggen tred door het dal aankomen.
-
-„Wie is die vroege wandelaar,” dacht hij bij zich zelf, „die daar
-schier gevleugeld als Hermes, de bode der Goden, nadert?”
-
-Weldra was de wandelaar naderbij gekomen en de dichter herkende den
-liefsten zijner vrienden. Verheugd ging hij hem te gemoet tot aan den
-ingang van den tuin.
-
-Pericles schudde hem de hand. „Ik voldoe aan uwe uitnoodiging,” zeide
-hij, „ik ben heden uw gast en heb het woelig en drukke stadsleven en
-alle staatsaangelegenheden ontvloden. Ook de citherspeler uit
-Milete—gij herinnert u dien ongetwijfeld—zal den dag met ons komen
-doorbrengen, als gij het goedvindt. Ik heb veel met hem te bespreken en
-weet geene plaats, waar ik het zoo ongestoord zou kunnen doen.”
-
-„Zal de schoone citherspeler uit Milete ook komen?” riep Sophocles
-verheugd uit. „Dacht ik het niet dat u iets heerlijks bezielde, toen ik
-u zoo vurig en opgewekt zag naderen. Daar was niet veel te zien van de
-rustige waardigheid van den redenaar op de Pnyx; ik herkende u
-ternauwernood, zoo schuddet ge het hoofd en de schouders heen en weder
-en deed mij denken aan dat edele krijgsros, waarvan Homerus zegt, dat
-het den halster in zijn stal heeft losgerukt en met fieren kop en
-vliegende manen naar buiten naar de weide rent...” [157]
-
-„Stil,” zeide Pericles en lei zijne hand op den mond zijns vriends.
-„Het waren de geurige luchten van het Cephissus-dal, die zoo bezielend
-in de morgenkoelte op mij werkten.”
-
-„Waarom ook niet het verlangen, om de schoone Milesische te zien?”
-zeide Sophocles, „is zij niet de bekoorlijkste aller vrouwen?”
-
-„Zij is teeder als eene Lydische, waardig als eene Atheensche, sterk
-als eene Laconische,” hernam Pericles.
-
-„Gij behoeft Ion zijne blonde, lelieblanke Chrysilla niet meer te
-benijden,” merkte Sophocles op met een schalkschen lach.
-
-„Spreek niet van Chrysilla,” zeide Pericles. „Aspasia is
-onvergelijkelijk. Moeilijk is het te zeggen of zij meer van een Muze
-dan van eene Charis heeft.”
-
-„Wellicht is zij voor u eene Parce [158],” zeide Sophocles, „zij kan u
-goeds en kwaads in uwe levensdraden spinnen.”
-
-„Waarom ook niet Lamia [159] en Empusa?” riep Pericles uit. „En al ware
-het zoo—wij hebben bloed genoeg in de aderen en een zwaard aan onze
-zijde, om het evenals held Odysseus, tegenover ieder Circe [160] te
-rechter tijd uit de schede te kunnen trekken.”—
-
-„Ik kom tot u als een moede, opgejaagde vervolgde,” ging Pericles
-voort, terwijl hij zich het zweet van het verhitte voorhoofd wischte,
-„ik heb mij aan de tallooze zorgen en bemoeiingen mijner veelvuldige
-ambten en waardigheden onttrokken, om een dag aan de schoone Muze en
-haar liefste pleegkind, de liefde, te wijden.”—
-
-„Daar doet gij wèl aan,” hernam Sophocles, „wanneer gij de rust zoekt,
-om te beminnen. Op den heeten zomerdag moet men òf niet beminnen òf
-niets anders doen dan beminnen.”
-
-„Ik geloof, dat gij zelf met deze uitspraak in strijd handelt,” merkte
-Pericles op; „die wastafeltjes daar in uwe hand bewijzen, dat gij
-ijverig vers aan vers rijgt. Dat verhindert u echter niet, naar men
-vertelt, uwe schoone Ephesische vriendin Philaenion in die stille
-myrthen- en rozengaarden te herbergen.”—
-
-„Is poëzie arbeid?” vroeg Sophocles; „dat wist ik niet. Wanneer het
-heete voorhoofd den dichter maakt, dan is wel de poëzie een welluidend
-uitademen van al het schoone licht en al het goddelijk vuur, dat men
-met zijn aardsche zinnen uit den hemelschen aether inzuigt. Licht gaat
-over in geluid. En zoo zou ik ook de liefde op een zomerdag niet gaarne
-willen missen, want daar is zij het vurigst en het zoetst en het
-goddelijkst. De eene gloed stroomt in den anderen; door het vuur van
-Apollo ontgloeid, zoekt gij verfrissching in den zaligen adem der
-liefde en keert gij met eene bevredigde, harmonisch gestemde ziel tot
-de Muze terug. Ten laatste verwisselen Eros en de Muze van rollen; de
-Muze wakkert den liefdegloed aan en de oogen of boezem van de geliefde
-overstelpen u met dichterlijke gedachten.”
-
-„Zoo moede is men, geloof ik, nooit,” hernam Pericles, „dat de liefde
-geen verkwikking zou zijn. Wij allen, die door den drang om te werken
-en te scheppen gedreven worden, weten dat.”
-
-Zoo onderhielden zich de vurige mannen, beiden in den rijpen bloei
-hunner jaren.
-
-Thans hield eene draagbaar voor het huis van Sophocles stil.
-
-Daaruit steeg Aspasia. Zij was in vrouwengewaad.
-
-Sophocles begroette haar en geleidde haar naar Pericles, in de
-lommerrijke, geurige boschjes.
-
-Voor onbescheiden blikken beveiligd, sloeg zij den sluier op, liet het
-himation, dat over haar hoofd geslagen was, van hoofd en schouders
-glijden en stond daar in een bonten chiton, met sierlijke randen, het
-krullend, rosbruine haar in golvende lijnen langs de slapen en op het
-hoofd, als eenig sieraad een breeden, purperen haarband die van de
-kruin naar achteren rondom haar prachtige lokken gewoeld was. In de
-hand droeg zij een kleinen, bevalligen zonnescherm en in den gordel,
-die haar gewaad midden om haar lichaam omsloot, stak een niet minder
-bekoorlijke, bladvormige, bont beschilderde waaier.
-
-Sophocles zag Aspasia voor het eerst in vrouwengewaad. Een kreet van
-verwondering ontvoer hem. De Milesische was in de idylle van het
-Cephissus-dal schier als een verblindend wonder neergedaald. Hare
-verschijning stak af bij deze landelijke stilte. Een bedwelmende droom
-bracht zij met zich van schoonheid en jeugd, die alle heerlijke geuren
-van haag en bloemen verre overtrof.
-
-Sophocles voerde de schoone met haar vriend door dichte en lommerrijke
-lanen en zeide:
-
-„Moogt gij behagen vinden, Aspasia, in hetgeen de natuur voor dit oord
-heeft gedaan. Weinig reden zult gij hebben om de kunst der Atheners in
-het aanleggen van tuinen te bewonderen. Ik weet zeer goed, dat gij
-Aziatische Grieken dat veel beter verstaat: bekoorlijke lusttuinen aan
-te leggen, met doolhoven, hermitages en grotten, kunt gij
-voortreffelijk. Gij hebt immers daar de uitgestrekte, grootsch
-aangelegde paradijzen van den Pers tot voorbeeld. Wij Atheners,
-gelooven, dat de schoone natuur, evenals eene schoone vrouw, ook zonder
-opschik schoon is.”
-
-„Laat Aspasia slechts een korten tijd in deze oorden wandelen,” zeide
-Pericles, „en gij zult weldra met de onopgeschikte natuur niet meer
-tevreden zijn. Zij zal u weldra met uw tuin betooveren en veranderen.
-Dat is zoo hare manier. Waar zij gaat, daar ontspruiten bloemen onder
-hare voeten. Ongemerkt weet zij iemand te ontvonken en wanneer zij zich
-een paar woorden over uw tuin laat ontvallen, zult gij geen rust meer
-hebben, voor gij hem tot iets gemaakt hebt, dat zich kan meten met den
-lusthof der Hesperiden [161] of met den tuin van Phoebus aan de
-uiterste einden der zee, of met den Cyrenaeïschen hof van Zeus en
-Aphrodite, of den tuin van Midas met haar honderdbladige rozen of ten
-minste met den lusthof van een Homerischen Alcinoös, den vorst der
-Phaeken op het eiland Scheria.”
-
-„Wel weet ik,” hernam Sophocles, „dat dit vrouwelijk wezen onrust zaait
-in de gemoederen der menschen. Heb medelijden, o schoone toovenares, en
-laat mij en mijn tuin onveranderd! Ik was tot nu toe hier zoo tevreden
-en gelukkig. Wanneer Phoebus aan het hemelgewelf schitterde dan
-verheugde ik mij, dat mijne olijven, vijgen en granaatappels door zijne
-stralen werden gestoofd; regende Zeus, dan dankte ik hem, dat mijne
-weilanden groen werden. Ik was tevreden, met hetgeen mijn hof mij
-opleverde; bloemen in de lente, schaduw in den zomer, rijpe vruchten in
-den herfst, verfrisschende koelte en stilte, door de Muzen zoo geliefd,
-in den winter. Boven alles echter, Aspasia, bezweer en verander toch
-niet door een tooverformulier datgene wat mij door de gewoonte het
-liefst is geworden, en wat voor minnaar en dichter beiden het meest
-gewenscht is: de vertrouwelijke gezelligheid dezer laurierboschjes,
-dezer myrthen- en rozenpriëelen.”
-
-„Zou werkelijk,” vroeg Aspasia, „die eenzaamheid, in de laurierboschjes
-voor den dichter zoo begeerlijk zijn? Moet hij niet veel liever, om tot
-volle rijpheid te geraken, de stille schaduw verlaten en in het heldere
-licht der wereld en des levens treden?”
-
-„Men gelooft zoo lang,” hernam Sophocles, „dat het de zon is en niets
-anders dan de zon, die de wijndruiven doet rijpen, totdat men ontdekt,
-dat juist de grootste, de weelderigste, de donkerste druiven verborgen
-hangen onder de schaduw der dichtste bladeren. En al mocht gij in
-twijfel trekken, dat deze eenzaamheid den dichter nuttig is, zeer zeker
-zult gij erkennen, dat zij den minnaar welkom is. Hier kunt gij, zoo ge
-wilt, u dagen lang verlustigen, alleen gestoord door het getjilp der
-vogels of het murmelen der beken. Geen slaaf betreedt ooit ongeroepen
-dezen tuin. Wilt ge echter het vertrouwelijkste en door de Muzen en
-Chariten het meest gezegende plekje leeren kennen, zoo komt met mij
-mede.”
-
-Pericles en Aspasia volgden den dichter. Hij voerde hen naar beneden,
-tot waar, zooals reeds vermeld is, de Cephissus een bocht maakt en den
-hof ook van den anderen kant omstroomde. De bodem glooide hier naar de
-beek af, die in eene ietwat diepere bedding vloeide. Evenwel liep de
-oever niet steil naar beneden; integendeel tusschen de beek en de
-oploopende vlakte was eene bekoorlijke ruimte gelaten, die juist breed
-genoeg was, dat twee menschen, vertrouwelijk naast elkander, onder het
-groene loof, waar de stralen der zon heerlijk door speelden, konden
-wandelen.
-
-De dichter voerde zijne gasten langs dit bekoorlijke pad. Daar ruischte
-het geklater en gemurmel van de beek, daar kweelden en sloegen de
-vogels het liefelijkst, daar speelden als dartele geesten schaduw en
-licht op de golfjes en tusschen de takken. Hier en daar lag een
-weelderig grasperk, waar men zich op kon uitstrekken en de
-verfrisschende koeltjes van de schaduw rustig en droomend genieten.
-Hier trof men ook eene rotsgrot aan, van buiten schier omringd door
-bloemen en twijgen, van binnen met zitplaatsen en kussens versierd die
-tot binnentreden op de heetste uren van den dag noodden.
-
-Aspasia was bij het zien van deze bekoorlijke rustplaats verrukt en
-voldeed gaarne aan het verzoek van haar vriend zich hier neder te
-zetten. Pericles en de dichter zelf volgden haar voorbeeld. Men zag op
-de heldere wateren der beek neder, die hier in een natuurlijke kom
-uitliep. Bonte, schitterende libellen zweefden en dansten in de stralen
-der zon over de bloemen aan den oever en een paar prachtige
-onschadelijke wateradders beschreef, zich onbespied wanende, in den
-kristalhelderen vloed zacht zich wendend, zijne vlugge, bevallige
-kringen. Weldra echter schoten zij, toen hunne beschouwers door een
-zacht geritsel zich deden hooren, onder de dichte planten, die
-weelderig woekerend van den oever in het water afhingen.
-
-„Een lief bruidspaartje,” zeide Sophocles; „ik beluister ze hier
-dikwijls. Zij zijn onafscheidelijk.”
-
-„Moeilijk is het,” begon Pericles na eene korte pauze, waarin allen
-zich aan de zaligheid der natuur hadden overgegeven—„moeilijk is het,
-uit deze vreedzame wereld zich in den geest wederom te verplaatsen bij
-die menschen en beslommeringen, die men zooeven ontvloden is. En toch
-zou het doel aan dezen tocht, Aspasia, slechts half bereikt zijn,
-wanneer wij niet over die menschen en zaken, die wij hier ontvlucht
-zijn, spraken. Integendeel, wij moeten in de eerste plaats ons daarmede
-bezighouden; want niet slechts gij hebt mij aangaande de gebeurtenissen
-der laatste dagen veel te vertellen, maar ook ik zelf heb u veel
-raadselachtigs op te helderen. Hier zweven over het water bekoorlijke
-libellen, en aalgladde, vlugge slangetjes trekken in den vloed hunne
-bekoorlijke kringen, maar niet daarover hebben we ons te onderhouden,
-maar van dieren van eene geheel andere soort heb ik u te spreken, van
-rampzalige vogels, die mij en u gisteren noodlottig zijn geworden: van
-de vervloekte pauwen van Pyrilampes. Door de ontrouw van Hipponicus
-werd een dier vogels, die tot een geschenk voor u bestemd was, in mijn
-huis gebracht en viel in de handen van mijne gebiedster Telesippe.”
-
-„En wat was het lot van den vreemdeling?” vroeg Aspasia.
-
-„O vraag mij niet naar mijn lot en het zijne op dien dag,” riep
-Pericles lachende uit. „Stel u den man voor, wien men, zooals de sage
-meldt, zijne kinderen lekker toebereidt, als een maal voorzette; thans
-eerst kan ik mij de verwondering en ontzetting van mijn gemoed
-voorstellen, nu mij het wel is waar niet zoo afschuwelijke, maar toch
-haast even treffende wedervoer, den prachtigen vogel, die, naar ik
-geloofde, zijn prachtigen vederdos voor de verrukte Aspasia ontplooide,
-dien zij als een nieuwen Argus [162] beschouwde, haar door haar
-geliefde toegezonden, om als in zijne plaats met honderd liefdesoogen
-de wacht te houden—dat ik dien vogel dood, geplukt, tot eene
-vormelooze, gebraden massa op mijn bord heb gezien!”
-
-Vroolijk lachte Sophocles bij dit verhaal.
-
-„Gij hebt zwaar gezondigd,” zeide hij, „dat gij dezen vogel, aan Hera,
-de Godin van den echt, gewijd, in den dienst van hare vijandin, de
-gouden Aphrodite hebt gebruikt.”—
-
-„Veel erger dan over u en uw pauw, o Pericles,” zeide Aspasia, „is de
-toorn der Godin op denzelfden dag over mijn hoofd losgebroken. Weet,
-dat ik op denzelfden morgen verkleed u in uw huis opzocht, dat ik ook,
-evenals die pauw, in de handen van Telesippe ben gevallen en dat ik,
-zoo al niet geslacht, toch nauwelijks eene minder onaangename en wreede
-behandeling heb ondergaan. Bij de Goden, Telesippe wenschte slechts,
-dat ik evenals de pauw honderd oogen had gehad, om mij ze allen te
-kunnen uitkrabben! In gezelschap van uwe razende echtgenoote was eene
-bedaagde, belachelijke vrouw, Elpinice geheeten. Deze dame ontbrandde
-in warme liefde voor den jongen citherspeler en verviel in een
-onbeschrijfelijken toorn, toen zij ontdekte, dat het eene vrouw was. Ik
-werd door deze beide Harpyen [163] uitgescholden, met smaadwoorden
-overstelpt, uit het huis gejaagd. „Ik sta als meesteres aan den haard
-van dit huis,” riep Telesippe uit. „Gij echter zijt eene vreemdelinge,
-eene boeleerster, ik beveel u van hier te gaan.” Zij voegde er bij dat
-zij van uw hart afstand wilde doen, maar dat zij nooit uw haard zou
-prijsgeven. Volgaarne gunde ik haar uw haard, Pericles; maar denkt gij
-de vrouw, die aan uw haard gebiedt, het recht toe te kennen, de vrouw,
-die uw hart bezit, met smaadwoorden en woeste bedreigingen lastig te
-vallen?”
-
-„Wat kan ik daaraan doen?” hernam Pericles. „De rechten der Atheensche
-vrouwen zijn gering. Diegene echter, welke zij hebben, moeten wij
-eerbiedigen. Zij reiken niet verder dan den drempel van het huis...”
-
-„Het schijnt derhalve,” hernam Aspasia, „dat gij Atheensche mannen geen
-heeren in huis zijt, maar alleen daarbuiten... Hoe zonderling! Gij
-maakt de vrouw tot uwe slavin en dan verklaart gij u zelven weder tot
-slaven van die slavinnen.”
-
-„Dat is het huwelijk!” zeide Pericles de schouders ophalend.
-
-„Wanneer dit het huwelijk is,” hervatte Aspasia, „dan ware het wellicht
-beter, dat er volstrekt geen huwelijken in de wereld bestonden.”—
-
-„Den zaligen band der harten sluit de liefde,” zeide Pericles;
-„echtgenoote echter en meesteres des huizes wordt de vrouw door de
-wet.”—
-
-„Door de wet?” vroeg Aspasia; „ik dacht altijd, dat het eigenlijk
-alleen het moederschap was, waardoor de geliefde vrouw gade werd en dat
-de echt, om zoo te zeggen, eerst met het kind begon.”—
-
-„Niet volgens de Atheensche burgerlijke wet,” wierp Pericles haar
-tegen.
-
-„Verander dan uwe burgerlijke wet,” riep Aspasia uit, „want zij deugt
-niets.”
-
-„Vrome lieveling der Goden, Sophocles,” sprak Pericles zich tot zijn
-vriend wendende, „help mij toch deze vertoornde schoone tot rede
-brengen, opdat zij niet met hare kleine blanke hand het geheele
-staatsgebouw der Atheners omver moge werpen.”
-
-„Hoe zou ik kunnen gelooven,” zei de dichter, „dat onze verstandige
-Aspasia het beste en heerlijkste deel van den mensch, de rede, zou
-kunnen verliezen?—Zij weet het zoo goed en zou het ons, als wij het
-ooit vergaten, weder kunnen leeren, dat een leven zonder genot geen
-leven is, dat men echter, om het genot des levens in de hoogste mate te
-kunnen genieten, zich boven alles moet wachten, om de sombere Ate, de
-Godin der verblinding en der hartstochtelijke onberadenheid, tegen zich
-op te zetten; dat we ons nooit tot iets ten strijde, moeten aangorden,
-voordat we nauwkeurig onze krachten hebben gewogen, dat vroolijk genot
-onmogelijk is zonder zelfbeheersching, dat wij de menschen moeten
-liefhebben, want zij zijn de gezellen van ons genoegen, en de Goden
-eeren, want het zijn geen ijdele namen, maar zij wijzen ons de perken
-onzer kracht aan en staan machtig en gebiedend tusschen onzen eigen wil
-en het noodlot tusschen de vrijheid en de eeuwige noodzakelijkheid, dat
-wij...”—
-
-„Genoeg,” viel hier Aspasia lachende in de rede, „ik vrees anders, dat
-wij uit den helderen Aether van het reine denken, waarin ons uwe
-verstandige en schoone woorden hebben verplaatst, den weg niet zullen
-kunnen terugvinden, naar de onbeduidende, maar tastbare zaken, waarvan
-we in ons gesprek zijn uitgegaan. Wanneer het mij vrijstaat, het
-algemeene op het bijzondere toe te passen, dan komt het mij voor,
-Sophocles, dat gij hebt willen zeggen, dat de uitheemsche vrouwen en de
-uitheemsche vogels te Athene goed moeten vinden, geplukt en mishandeld
-te worden en dat ze zich, uit vromen eerbied, niet tegen de wetten van
-het land mogen verzetten, die haar geen rechten toekennen.”
-
-„Onze vriend hier,” voegde Pericles bij hetgeen Aspasia gesproken had,
-„valt het natuurlijk gemakkelijk, voor het menschelijk doen en laten,
-vooral met betrekking tot echtgenooten, wijze regels op te stellen en
-even gemakkelijk die op te volgen. Zijn leven vliedt zonder strijd
-daarheen, want hij is ongehuwd en geene Telesippe treed zijne Aspasia
-dreigend met een brandhout te gemoet...”
-
-„Zoo gaat het altijd met de bemiddelaars,” hernam Sophocles lachend,
-„en met allen, die zelfs wanneer het hun verzocht wordt, zich in de
-aangelegenheden van minnenden te mengen. Ik word nu bespot en bijna met
-verwijtingen overladen, omdat ik, de rede predikende zelf zoo
-onredelijk was, aan verliefden raad te willen geven. Daarvoor wil ik nu
-mij zelven straffen, daar ik u aanstonds aan uw eigen wijsheid
-overlaat. Voor een korten tijd neem ik van u afscheid, opdat gij uwe
-zaken alleen in het reine kunt brengen. Ik ga zorgen, dat gij niet den
-geheelen dag zonder lafenis van spijs en drank moogt doorbrengen. En
-wanneer ik soms, terwijl gij uwe zaken bespreekt, wat lang in gindsche
-laurierboschjes vertoef, weet dat mij daar geene Aspasia wacht, maar
-dat ik in die schaduwschemering, met mijne wastafeltjes op de knie en
-de stift in de hand, de klaagtonen van de edele dochter van Oedipus
-[164] beluister...”
-
-„Gij hebt dus dat dichterlijke plan, waarvan gij op de Acropolis
-spraakt, niet laten varen?” vroeg Aspasia.
-
-„De helft van het werk is reeds gereed,” hernam Sophocles, „en een
-slaaf zit dag aan dag met een zwart riet om het voltooide en afgewerkte
-van de wastafeltjes op de papyrus over te brengen.”
-
-„Zult gij ons daarvan geene voorproef geven?” vroeg Pericles.
-
-„Uw tijd is te kostbaar,” antwoordde de dichter en verwijderde zich.
-
-Toen dus Pericles en Aspasia alleen waren kwamen zij op hun onderhoud
-terug, dat zij in tegenwoordigheid van hun trouwen vriend reeds
-aangeroerd hadden.
-
-Maar het ging zooals bij gesprekken van minnenden gewoonlijk het geval
-is, zij dwaalden telkens van hun onderwerp af. Zij trachtten niet naar
-een gestrengen gedachtenloop, daar tal van andere denkbeelden hunne
-ziel vervulden, die den draad der redeneering afbraken. Zij luisterden
-bovendien naar het gezang van een vogel in de takken, ademden de
-geurige lucht der weiden in met volle teugen, plukten hier en daar een
-bekoorlijke druif van een zwaar beladen wijnwinde of een rozenroode,
-sappige vrucht van den boom.
-
-Aspasia beet in een appel en gaf hem toen aan Pericles. Deze bedankte
-haar met een gelukkig lachje, want het was hem niet onbekend, wat een
-aangebeten appel in de taal der liefde beteekende. Ook bleef de
-aangeboden gelegenheid liefdesorakelen te raadplegen niet ongebruikt.
-Aspasia vlocht onder het gesprek een krans, reikte hem toen aan
-Pericles over en lachte, toen daar bladeren afvielen; want dit was voor
-de ingewijden een teeken van den heftigen liefdegloed van hem, die den
-krans droeg. Pericles daarentegen plukte die bloemen wier kelken de
-eigenschap hadden met een kleine knal te barsten, zoo men ze tusschen
-de vingers plat drukte en hij achtte het zijner niet onwaardig uit de
-kracht van dien knal de innigheid van de liefde der beminde af te
-leiden.
-
-Maar hoezeer ook de liefdegloed van Pericles den krans, dien hij in de
-hand droeg, deed verwelken en ontbladerde en de vurige genegenheid in
-het hart van Aspasia het knallende bloemenorakel eer mocht aandoen,
-beiden trachtten toch telkens op een ernstig gesprek terug te komen.
-Vele vragen werden ter sprake gebracht, maar natuurlijk weinige ten
-volle beantwoord. Men overwoog, hoe Aspasia met behulp van Pericles
-haar nieuw huishouden het best zou inrichten, vervolgens hoe zij hun
-omgang het ongestoordst zouden voortzetten en, daar verliefden over
-niets liever keuvelen, dan over de geschiedenis hunner eerste
-ontmoeting, kwamen ook Pericles en Aspasia op de hunne in het huis van
-Phidias terug en Pericles verhaalde wat de gevolgen van die eerste
-kennismaking waren geweest, hoe sedert dien dag zoo menig grootsch plan
-was ontworpen, hoe hij sinds zich tegen de verwijten zijner vrienden
-had moeten verdedigen, hoe ten laatste allen zich voldaan hadden
-verwijderd, behalven de zoon van Sophroniscus, de waarheidszoeker, die
-nog steeds de vraag beantwoord wilde zien of de beoefening van het
-schoone die van het zedelijke overbodig maakte. Die vraag had men toen
-laten rusten en was sedert in vergetelheid geraakt, nu Aspasia echter
-aan haar lievelingsdenkbeeld herinnerd werd, beweerde zij weder zeer
-beslist, dat de aankweeking van het schoone in de wereld evenveel recht
-van bestaan had, als de beoefening van het zedelijke en dat een pauw
-evenveel waard was, als een eend hoewel deze beter geschikt was om
-gemest te worden. Toen Pericles niet aanstonds wist of hij haar dit
-mocht toegeven, werd het minnende paar juist ter goeder ure door de
-komst van Sophocles in zijn gesprek gestoord.
-
-Hij kwam hen tot een eenvoudig ontbijt uitnoodigen. Hij geleidde hen
-naar het tuinhuisje, dat midden in den hof gelegen was. Zij vonden dat
-van binnen netjes versierd, bijkans weelderig ingericht voor weldadige
-ontspanning, en in eene sierlijke spijszaal herschapen. Aanligbedden
-voor twee personen stonden gereed, waarop men, het bovenlijf op de
-linkerhand gesteund, gewoon was het maal te gebruiken. Voor die
-aanligbedden stonden de tafels, met spijzen beladen en wel voor ieder
-aanligbed een afzonderlijke.
-
-Pericles en Aspasia namen op uitnoodiging van Sophocles plaats en
-strekten de handen uit naar de aangeboden ververschingen. Op tafel was
-aanwezig: gevogelte, koeken, Siciliaansche kaas, vijgen, amandelen,
-noten, druiven en bovendien kostelijke, vurige wijn van de eilanden
-[165].
-
-„Ik hoop, vrome Sophocles,” sprak Aspasia schertsend, „dat gij ons geen
-gebraden nachtegalen voorzet, hoewel men in eene stad, waar men zich
-niet ontziet pauwen op te zetten, evengoed nachtegalen zou kunnen
-braden.”
-
-„Smaal toch niet om ééne goddelooze op het geheele Atheensche volk,”
-smeekte Sophocles.
-
-„Eene vrouw,” riep Aspasia uit, op nieuw ziedend van toorn, „die in
-staat was een pauw te slachten, hem zijn schoonen vederdos uit te
-plukken en hem in eene pan te doen, verdiende met roeden uit Hellas
-gegeeseld te worden. Zoo ooit over iemand, moet over haar de toorn der
-Grieksche Goden losbarsten, want zij heeft zich vergrepen aan het
-heiligste wat er bestaat, aan het schoone!”
-
-„Als wij onze schoone en verstandige Aspasia mogen gelooven,” zeide
-Pericles tot Sophocles, „dan is schoonheid de hoogste wet des levens en
-daar zij ziel en lichaam doordringt, van alle deugden de eerste en de
-laatste.”
-
-„Die gedachte lacht mij zeer toe,” hervatte de dichter, „ofschoon ik
-niet weet, hoe Anaxagoras en die bekende steenhouwer van Phidias en de
-overige wijzen er over zouden oordeelen. Maar ook van hen zal niemand
-de geweldige macht der schoonheid en van datgene, dat zij in het hart
-der menschen verwekt, van de liefde durven bestrijden. Ik heb juist van
-morgen, geheel naar uw verlangen, Aspasia, om de onoverwinnelijke macht
-der liefde te toonen, in mijn drama een tooneel ingelascht, waarin ik
-de Haemon, de zoon van koning Creon [166] vrijwillig in den Hades [167]
-doe nederdalen, om zijne geliefde bruid Antigone daarheen te volgen...”
-
-„Dat is overdreven, Sophocles,” sprak Aspasia tot den dichter, die
-eenigermate verwonderd was, daar hij toch meende in haar geest te
-hebben gehandeld. „Van zulk eene treurige zijde moet de stift der
-dichters de liefde niet teekenen. De liefde is opgewekt en vroolijk en
-moet liever zich zelve prijs geven dan hare vroolijkheid. Zij moet eene
-menschelijke ziel niet naar den Hades voeren. Zij moet de menschen
-alleen met het leven niet met den dood verzoenen. Sombere, dweepzieke
-hartstocht moet onder de Grieken niet met den naam van liefde
-bestempeld worden. Dat is ziekelijkheid, dat is slavernij...”
-
-„Gij hebt gelijk, Aspasia,” antwoordde Sophocles. „De leer, die gij
-daar verkondigt, is opwekkend en duidelijk; gij en Pericles en ik
-zullen voorzeker alleen de schoone, vrije, opgewekte liefde huldigen en
-wij willen, als het uwe goedkeuring wegdraagt, nog heden den Goden een
-offer brengen, opdat zij nooit in onzen boezem het vriendelijk
-liefdevuur tot een doodelijken en verderfelijken gloed mogen aanblazen.
-Maar in de dicht- en beeldende kunst drijft de geest de dichters en
-beeldhouwers, om datgene wat zij uit willen drukken op eene scherpe en
-overdreven wijze te doen. Ik wilde aantoonen, dat Eros een machtige God
-is; maar ik wensch van harte, dat hij zijne geheele macht nooit weder
-op eene dergelijke wijze de Grieken zal doen ondervinden. Mocht hij
-slechts boven alles de harten der schoonen zacht en goedgunstig
-stemmen, want wat anders dan de schoonheid is de schuld van al den
-jammer en ellende der liefde op de wereld? Inderdaad, de schoonheid is
-eene noodlottige, dikwerf beslissende macht in het leven der
-stervelingen. Zij zit, wanneer ik het zoo mag uitdrukken, mede
-besturend in den raad der hoogste machten.”
-
-„Schoonheid zit medebesturend in den raad der hoogste machten!”
-herhaalde Aspasia. „Deze uitspraak verdiende, mijns inziens, aan de
-spreuken van Hellas’ wijzen toegevoegd te worden.”
-
-„Wanneer die uitspraak u zoo bevalt,” hernam de dichter, „dan zal ik
-die luide voor geheel Hellas herhalen en haar in een reizang op Eros in
-mijn treurspel invlechten. Wanneer zou ik dien reizang op Eros onder
-gunstiger voorteekenen kunnen voltooien, dan zoolang uw voet nog in
-dezen lusthof wandelt? Gij moogt van hier niet gaan, vóór ik den hymne
-opgeschreven en aan uw oordeel onderworpen heb.”
-
-„Geen schooner gastgeschenk kunt gij ons geven,” hernam Pericles.
-
-„Vergeeft mij thans,” ving Sophocles weder aan, „dat ik u niets
-aanbied, waarmede men anders een onthaal pleegt te kruiden. Ik vertoon
-u noch eene danseres noch eene fluitspeelster; want heden, dunkt mij,
-hebben mijne gasten aan zich zelven genoeg; en bovendien, wie zou zich
-op de cither durven meten met den schoonen „citherspeler uit Milete” en
-met zulk een kunstenaar een wedstrijd durven aangaan?”
-
-„In de eerste plaats—gij zelf,” riep Pericles; „gij zijt ons zelfs de
-wedstrijd schuldig, want gij hebt ons toch op de Acropolis iets
-dergelijks beloofd. Haal slechts uw snareninstrument, Sophocles, en
-breng er ook een voor Aspasia mede; en begint dan op de wijze van
-Siciliaansche herders in zang en spel te wedijveren, terwijl ik als
-onpartijdig scheidsrechter uitspraak zal doen—want dat gij mij tot
-kamprechter aanstelt, spreekt wel van zelf, daar gij buiten mij geen
-toehoorders meer hebt.”—
-
-„Het genoegen Aspasia’s gezang en snarenspel te hooren,” hernam
-Sophocles, „zal voor eene nederlaag niet te duur gekocht zijn.”
-
-Hij verwijderde zich en keerde weldra met twee schoon versierde cithers
-terug en verzocht Aspasia daar eene van te kiezen.
-
-Met kennersoog tokkelde de schoone de snaren en liefelijke tonen
-ontlokte zij aanstonds aan het bezielde instrument als vonken aan den
-vuursteen.
-
-En thans begonnen de dichter en de schoone Milesische, ontgloeid door
-den zoeten, vurigen wijn, bij den klank der snaren liederen van
-Anacreon en Sappho te zingen en gevleugelde disticha [168] en daaronder
-ook iets nieuws van eigen vinding.
-
-Een der kleine liederen van Sophocles luidde als volgt:
-
-
- „Wat heet leven en lust, zonder Cypria’s lachenden aanblik?
- Dan toch wilde ik sterven, zoodra ’t zoete liefdegenot
- Nimmer mij het hart meer verheugt met gloed en teedere omarming:
- Bloesems der jeugd, o, hoe snel maait u de zeis van den tijd!”
-
-
-Bezield antwoordde Aspasia:
-
-
- „Kort ja, is hij, de tijd, voor de sterv’lingen, maar toch noodigt
- ons
- Bacchus, bekoort ons de dans en de bloeiende krans van de liefde!
- Dit, slechts dit, heet leven; slechts lust is leven.—Vliedt dan
- Gij zorgen! Geniet van het heden, want een sluier onthult ons het
- morgen!”
-
-
-Met een stralenden blik op Aspasia zong nu de dichter:
-
-
- „Zoet is, zoet ja, bij Pan, den Arcadische, wat gij bij uw luite
- Zingt, o Aspasia! zoet klinkt uw liefelijk gezang!
- Kon ik ontvlieden? Omlegert mij niet de macht der Eroten
- In der Sirenen gestalt’, die mijne ziel houdt geboeid?”
-
-
-Met een betooverenden glimlach op de rozenroode lippen zong nu Aspasia:
-
-
- „Schertsend vermeide zich laatst met Neäera haar vriend. Om de
- heupen
- Wond haar Cypris een band, bont en met bloemen doorweefd.
- Goud was het opschrift, dat luidde: bemin mij voor eeuwig,
- Maar geef niet toe aan uw smart, als mij een ander bezit!”
-
-
-„Hoe lang draalt gij nog, Pericles, den krans der overwinning aan
-Aspasia toe te kennen,” zeide de dichter.
-
-„Geef hem den dichter, Pericles,” hernam Aspasia; „maar stelt hem
-vooraf nog ééne voorwaarde; hij moet ons nog een distichon op de
-schoone Philaenion zingen.”
-
-„Hoort gij, wat Aspasia verlangt?” zeide Pericles tot den dichter; „gij
-moet Philaenion bezingen, de schoone Ephesische, die thans, naar men
-verhaalt, de deelgenoote is uwer zaligste uren en welke wij, vreemde
-gasten, misschien van daag, tot uwe heimelijke smart uit dit bekoorlijk
-oord hebben verjaagd.”
-
-„De voorwaarde is niet zonder heimelijke boosheid en wreedheid,” hernam
-Sophocles glimlachend, „maar ik wil ze niet onvervuld laten.”
-
-En hij zong:
-
-
- „Klein ja is en donker Philaenion, echter niet slanker
- Is de klimop en niet molliger ’t bloempje des velds.
- Meer dan Cypria’s gordel bekoort haar lieflijk gesnap mij;
- Al wat zij schenkt, dat schenkt zij met vriendelijken glimlach.
- Waarlijk, Philaenion min ik, de heerlijke, tot de godlijke Cypris
- Mij een andere schenkt, die nog bekoorlijker is!”
-
-
-„Gij zijt tevreden, Aspasia?” vroeg Pericles, en toen deze toestemmend
-knikte, wendde hij zich tot Sophocles en reikte hem den kampprijs met
-de woorden:
-
-„Ontvang den krans, vriendelijke zanger”.
-
-„Dat zou ik niet zijn,” hernam Sophocles, „zoo ik niet sloot met een
-loflied op de schoonste:
-
-
- „Cypria’s schoonheid hebt ge, de lippen van Pitho, der Horen
- Lentebloesem daarbij en Calliope’s stem,
- Themis’ wrekende maat, Pallas’ wijsheid en Charis’
- Vriendelijken lach met den ernst der strenge Muze vereend.” [169]
-
-
-„Dat noem ik ons verlegen maken,” zeide Aspasia, „en ons een plicht der
-dankbaarheid opleggen, die wij nooit vergelden kunnen.”
-
-Zoo eindigde de wedstrijd. De dichter en Milesische spraken toen nog
-veel over de toonkunst en Aspasia legde daarbij eene zoo groote kennis
-aan den dag van Dorische, Phrygische, Lydische, Hypodorische [170] en
-Hypophrygische melodieën, van fijne schakeeringen daartusschen en van
-de voortreffelijkheid van de eene boven de andere, dat Pericles in
-verbazing ten laatste uitriep:
-
-„Zeg mij toch, Aspasia, hoe heet de man, die zich beroemen mag u in uwe
-prille jeugd in die moeilijke kunst te hebben onderwezen en ingewijd?”
-
-„Dat zult ge vernemen,” hernam Aspasia, „wanneer ik u eens de
-geschiedenis mijner eerste jeugd vertel.”
-
-„Waarom hebt ge dat nog nooit gedaan?” vroeg Pericles. „Hoe lang zult
-gij het nog uitstellen? Doe het nog heden. De gelegenheid is gunstig en
-Sophocles is zulk een vertrouwd vriend en zoo gesloten, dat gij u niet
-behoeft te ontzien, hem mededeelgenoot van uw verhaal te maken.”
-
-„Neen,” zeide Sophocles, „hoe bekoorlijk ik mij ook de geschiedenis van
-Aspasia’s jeugd voorstel, moet ik toch vreezen, dat wanneer gij het
-genoegen ze te hooren met een ander moest deelen, ze niet half zoo lang
-zal uitvallen, als wanneer gij alleen ze verneemt. Bovendien herinner
-ik mij de belofte, dat ik u niet eerder zou laten heengaan, vóór ik
-Aspasia door een reizang op Eros ten volle weder zal verzoend hebben en
-zoo moet ik wel andermaal de eenzaamheid opzoeken en aan de uwe, die
-gij wel niet minder wenscht, overlaten. Terwijl ik op denzelfden dag,
-waarop ik voor mijn treurspel een loflied op Eros dicht, een minnend
-paar als gij, in mijne afzondering heb ontvangen, geloof ik mij zoo
-verdienstelijk jegens den God te hebben gemaakt, dat het mij niet
-verwonderen zou, wanneer mij het schoonste lied, als dank daarvoor, van
-hem ten deel viel.”
-
-Met deze woorden verwijderde zich de dichter.
-
-Schertsend riep Aspasia hem achterna, dat hij niet moest terugkeeren
-zonder de bekoorlijke, schoon gelokte Philaenion.
-
-Pericles en Aspasia waren nu weder in de stille, kalme geurige lanen
-alleen aan zich zelven overgelaten.
-
-Nog opgewekt door het levendige gesprek onder het genot van den wijn en
-het snarenspel en toch in eene soort van zachte ontspanning, brachten
-zij, nu eens wandelend, dan weer rustend, den eersten tijd in dien
-zoeten, droomerigen toestand door, welke vooral in een bosch of in
-geurige, schaduwrijke tuinen in de uren van den middag zich van den
-geest meester maakt, wanneer Pan slaapt en zijne geesten, onbedwongen,
-in de eenzame dreven hun dartel spel drijven.—
-
-De vette olijf glinsterde in de middagzon. Geen leeuwerik, met weligen
-kuif, huppelde meer rond, de hagedissen lagen sluimerend in de weiden.
-Slechts de boomkrekel liet hier en daar zijn zacht en melodisch gepiep
-op de takken hooren.
-
-In zulke oogenblikken, bij eene bekoorlijke natuur is men zoo verhit,
-zoo opgewekt van den zonneschijn en de heerlijke geuren, geniet men
-zoo, dat, wanneer men zich ter ruste vleit op lommerrijke weiden onder
-ritselende boomen, de levensgeesten niet weten of het eene zoete
-afmatting is, wat hen doortrilt, dan wel eene overbodige inspanning
-hunner veerkracht.
-
-De beiden gelieven vertoefden ten laatste bij dat oord, waar de klimop
-zich slingerde, waar de golven van den Cephissus onder de zonnige
-twijgen klaterden en waar in de zwoele middagstilte het onschadelijk
-paar wateradders in de kristallen gloed zijne kringen placht te
-beschrijven, terwijl gonzende libellen over de watervlakte zweefden.
-
-Uit dien half droomerigen toestand eener verrukkelijke siesta
-ontwakend, herhaalde Pericles zijn verzoek aan Aspasia, om hun
-vertrouwelijk te zamen zijn op dezen dag door het lang beloofde verhaal
-der lotgevallen van hare jeugd de kroon op te zetten.
-
-Doch het is een zonderling iets, wanneer de lippen der vertelster fijn
-en zacht en heerlijk zijn als Attische honig. Pericles bekende, dat hij
-niet wist of hij begeeriger was naar de kussen zijner vriendin dan naar
-haar verhaal.
-
-Eindelijk kwam zij aan het woord:
-
-„Gij weet,” zeide zij glimlachend, „ik ben niet oud genoeg om u op een
-lang, avontuurlijk en bont verhaal te kunnen vergasten. Maar gij hebt
-het recht, naar mijne afkomst te mogen vragen en te vernemen, van
-welken aard mijn lot geweest is, vóór het met het uwe was verbonden.
-Philammon heette de man, naar wien gij zooeven hebt gevraagd, aan wien
-ik mijne kennis in de toonkunst en andere kunsten en in één woord alles
-te danken heb, wat een mensch den anderen te danken kan hebben, en ’t
-geen eigenlijk, naar ik meen niet zoo heel veel is; want het meest
-beslist toch bij den mensch, vooral bij de vrouw, de grond, waarop hij
-is geboren, de lucht, die hij inademt en de gedaante der dingen, die
-hij van zijne jeugd af om zich heeft gezien, boven alles echter de
-ingeboren aanleg en het lot en het gesternte, waaronder hij het
-levenslicht heeft aanschouwd.
-
-„Die goede Philammon! Ik geloof niet, dat ik ooit weder met een man in
-zoo’n gelukkigen vrede zal leven als met hem; want hij koesterde geene
-verwachtingen meer van mijne kunne en ik nog geene van de zijne. Hij
-telde tachtig jaar en ik tien. ’t Is waar, hij scheen wel een vierde
-jonger dan hij werkelijk was en ik een vierde ouder dan mijne jaren.
-
-„Na den dood van mijn vader Axiochus en van mijne moeder te Milete werd
-ik door hem als een vriend des huizes in zijn familiekring opgenomen.
-Hij was de geleerdste, verstandigste, spraakzaamste en tevens
-vroolijkste grijsaard in het levenslustige Milete, de beminnelijkste
-grijsaard misschien, die de aarde sinds Anacreon had gedragen. Ik weet
-niet, of er ergens een schooner liefdeband bestaat, dan dit van een
-jeugdig grijsaard en een vroegrijp meisje. De scherpste tegenstellingen
-des levens zoeken en vinden elkaar in die vereeniging.
-
-„Ik was schier hartstochtelijk verliefd op Philammon’s sneeuwwitten,
-lang afgolvenden baard, op zijne heldere oogen, waaruit mij al het
-licht der wetenschap scheen tegen te schitteren, op zijne lyren en
-cithers, op zijne boekrollen, op de bronzen en marmeren beelden van
-zijn huis en op het heerlijke bloemtapeet van zijn tuin. Wat hem
-betreft, hij scheen niet minder behagen in mij te scheppen; van het
-oogenblik af, waarop ik zijn huis betrad, speelde een glimlach om zijne
-lippen, zooals ik er nooit meer een heb gezien bij een gelukkig
-sterveling en dien ten laatste zelfs de dood niet geheel kon doen
-verdwijnen. Vijf jaren lang leefde ik in den geur der rozen, waarmede
-deze goddelijke grijsaard zijne bekers bekranste, dronk de wijsheid in
-uit zijne heldere oogen en zijne lippen, die overvloeiden van
-welsprekendheid, speelde op zijn lyren en cithers, ontrolde met
-gloeiende wangen zijne boekrollen, beschouwde zijne bronzen en marmeren
-beelden en verzorgde de bloemen van zijn tuin. De wereld der poëzie,
-der tonen en der lente, was voor hem zelven op nieuw ontwaakt en
-bezield, toen hij ze nog eens met het kind genoot. Hij zeide, dat hij
-tachtig jaar oud geworden was en nu eerst vele zijner boekrollen
-verstond, nu ik, het kind, ze hem had voorgelezen.
-
-„Toen hij gestorven was, noemden de Milesiërs mij het schoonste meisje
-van het Ionische strand en ik zag voor de eerste maal in den spiegel.
-Het leven der rijke stad, waar vroegtijdig de Grieksche geest in de
-Aziatische zon tot weelderige volheid zich ontwikkelde, begon mij met
-verleidelijke bekoorlijkheid aan te grijpen.
-
-„En toch was ik niet gelukkig.
-
-„Bij Philammon’s boekrollen en marmeren beelden was ik vroolijk
-geweest; in den bedwelmenden roes der vreugde, door hulde en wierook
-omgeven, werd ik ernstig, nadenkend, luimig, aanmatigend.
-
-„Ik miste iets.
-
-„De mannen van Milete schenen mij dwaas toe. Zij dongen om mijne gunst,
-ik verachtte hen.
-
-„Ik stond na den dood van Philammon als eene wees, jong, arm, onervaren
-in de wijde wereld.
-
-„Toen zag mij een Perzisch satraap [171] en aanstonds vatte hij het
-plan op het zoo geroemde Ionische meisje naar Persepolis [172] te
-voeren, naar den grooten koning [173]. Mijne dwaze meisjesziel werd
-ontvlamd. Ik dacht aan Rhodopis [174], die den koning van Aegypte, aan
-mijne landgenoote Thargelia, die den koning der Thessaliërs tot
-echtgenooten hadden gekregen. De koning der Perzen echter, de
-machtigste der aarde, zweefde voor mijn geest als het ideaal van alle
-mannelijke schoonheid, al het verhevene, beminnelijke en
-geestkrachtige. Als kind bij Philammon was ik verstandig geweest voor
-mijne jaren thans als rijpende jonkvrouw werd ik gekkelijk. Te
-Persepolis aangekomen, werd ik rijkelijk opgesierd en toen naar den
-koningsburg gevoerd, die in verblindende pracht prijkte. Te midden van
-deze heerlijkheid zat de koning der Perzen, niet minder schitterend
-uitgedost, maar met het uiterlijk van een gewoon mensch. Hij lonkte mij
-met zijn doffe, despotische oogen toe. Eindelijk begon hij slaperig de
-hand naar mij uit te strekken, als naar eene koopwaar, die hij betasten
-wilde. Dat prikkelde mij; tranen van spijt ontsprongen aan mijne oogen.
-Dat beviel den Pers echter en een lach plooide zijne matte trekken. Hij
-spaarde mij zelfs sedert dat oogenblik en zeide dat de fierheid der
-Grieksche vrouwen hem beter beviel, dan de slaafsche karakterloosheid
-der andere vrouwen. Na weinige weken was het hart van den despoot voor
-mij in liefde ontbrand. Mij echter overviel een angst; ik verzonk in
-zwaarmoedigheid. Vreemd, eentonig, koud scheen het leven om mij heen.
-De menschen waren niet vatbaar voor eenigen hartstocht. In zich zelven
-gekeerd leven zij voort in pronkvertrekken van bedwelmende aromen
-doortrokken. Zonderling en beangstigend scheen mij die pracht van het
-Oosten toe en snel was de betoovering geweken, waarmede zij in den
-beginne mijne verbeeldingskracht had verstrikt. Een koude huivering
-overviel mij, als ik de tempels en afgodsbeelden in den vreemde
-beschouwde; een heimwee greep mij aan naar de Goden van Hellas.
-
-„Ik ontvluchtte na korten tijd. Vrij ademde ik weder, toen ik het
-Ionische strand weder betrad, toen ik de Grieksche zee, voorbode van
-eene nieuwe en betere toekomst, tegen de kust zag aanklotsen. Onder
-begeleiding van eene enkele trouwe slavin zocht ik in de haven van
-Milete een schip, dat mij naar Griekenland zou voeren. Ik vond een
-koopvaarder uit Megara, die bereid was mij naar die stad te brengen.
-Van daar kon ik spoedig het naburige, fiere, bloeiende Athene bereiken,
-waarnaar mijne ziel zoo vurig had verlangd. Te Megara met mijne slavin
-aangekomen, stond ik voorloopig alleen en hulpeloos. De bedaagde
-scheepskapitein, die mij van Milete had medegenomen, noodig mij in
-zijne woning en beloofde mij eerstdaags naar Athene te doen voeren. Ik
-nam zijne uitnoodiging aan. Hij echter vertraagde van dag tot dag de
-voorbereidselen tot mijn vertrek, totdat ik ten laatste bemerkte, dat
-hij voornemens was mij in zijn huis te houden. Weldra zag ik ook zijn
-opgeschoten zoon in hartstocht voor mij ontbrand en in huis, als eene
-gevangene bewaakt, werd ik door beider liefdesbetuigingen vervolgd.
-Voor hen, meenden die dwazen, zou ik ongerept den Perzischen koning
-zijn ontvloden en voor hen mij hebben gespaard. Toen ik nu koel bleef
-en alles deed, om de boeien, die men mij wreed had aangeslagen, te
-verbreken, barstte beider gramschap in hevige woede over mij los. De
-vrouw van den scheepskapitein had echter van den beginne afaan de
-jeugdige vreemdelinge met argwanenden blik beschouwd en toen zij nu,
-terwijl deze beide mannen op mij vertoornd waren en om mijnentwil
-geweldig met elkaar twisten, door eene razende ijverzucht werd
-aangegrepen, zag ik mij als door Furiën omringd en geweldig bedreigd
-door de hartstochten dezer razende menschen. De vrouw kwam op de
-gedachte de Megarensers tegen mij als eene vreemde toovenares en
-verstoorster van den huiselijken vrede op te hitsen en daar de beide
-mannen door mijne koelheid en de onmogelijkheid mij langer in huis te
-houden vreeselijk verbitterd waren, ondersteunden zij uit wraakzucht de
-pogingen der vrouw. Hun streven was niet zonder gevolg. Ik was toch in
-Megara, onder menschen van den Dorischen stam, onder menschen, die,
-losgerukt van hunne stamgenooten in de Peloponnesus, zoo dicht bij het
-machtige, dreigende Athene, daarom te sterker zich hunne Dorische
-afkomst bewust waren, en des te slaafscher de Spartaansche zeden
-meenden te moeten handhaven. Streng en mannelijk in hun doen willen zij
-schijnen, maar zij zijn dubbel teugelloos, wanneer de hartstocht zich
-van hen meester maakt; want hun gemoed is ruw, hun geest gemeen. Hun
-heftig gevoel is vreemd aan elke zachte aandoening, die over de
-gemoederen van andere menschen door den adem der bekoorlijkheid en
-vriendelijkheid is uitgespreid.
-
-„Op mijn dringend verlangen deed men het eindelijk voorkomen, dat men
-mij rustig zou laten vertrekken. Een muildier stond gereed voor mijn
-goed, een draagstoel voor mij en mijne slavin. Toen ik echter uit het
-huis van den Megarenser trad, vond ik het tegen mij opgehitste volk op
-straat verzameld en werd ik met spottende en hoonende woorden begroet.
-
-„Voor het volk van Megara was het voldoende te hooren, dat ik eene
-Milesische was, om mij te haten en in blinde woede te vervolgen. Ik
-weet niet, wat mij met zulk een moed, met zulk een fierheid bezielde,
-toen ik dit Dorische gepeupel, grijnzend, schreeuwend, dreigend rondom
-mij gedrongen zag. Met opgerichten hoofde ging ik door de menigte,
-achter mij mijne sidderende slavin. De voorsten, die een weinig voor
-mij teruggeweken waren, werden door hen, die achter hen stonden,
-opnieuw tegen mij aangedrongen; ik zag mij in een maalstroom van
-verwarring vastgeklemd, gestomt en toen ik ziedend van toorn een woord
-tot de menigte sprak, grepen eenigen onder smadelijke bedreiging mij
-bij de armen en het gewaad.
-
-„Op dat oogenblik kwam een reiswagen met paarden bespannen den weg
-langs. In den wagen zat, naar het scheen, een aanzienlijk en rijk man,
-door slaven gevolgd.
-
-„Toen deze man mij zag, te midden van dat dreigend gevaar, daar de
-vermetelsten reeds de hand aan mij sloegen, liet hij den wagen
-stilhouden en gaf den zijnen last, mij en mijne slavin in den ruimen
-reiswagen te helpen en, toen dit geschied was, bracht het vurige span
-mij in weinige oogenblikken voor altijd uit het vervloekte Megara en
-onttrok mij aan de smadelijke bejegening, die mij dreigde.”
-
-„Nu begrijp ik, Aspasia,” viel Pericles in, „waarom gij geheel in
-strijd met uw kalm karakter, zoo vijandig en hartstochtelijk opvliegt
-wanneer er sprake is van de Doriërs en het Dorische karakter.”
-
-„Ik ontken het niet,” hernam Aspasia, „ik heb sedert dien dag te Megara
-aan alle Doriërs onverzoenlijken haat en wraak gezworen.”
-
-„En de man, die u redde,” zeide Pericles, „was zeker niemand anders dan
-Hipponicus?”
-
-„Dezelfde,” antwoordde Aspasia.
-
-„Gij hebt,” vervolgde Pericles, „een weelderigsten bloei van Ionische
-karakter te Milete en de plompe overdrijving van het Dorische te Megara
-leeren kennen. Thans op den bodem van Athene gekomen, zult gij, hoop
-ik, u in dat schoone en gelukkige midden gevoelen, dat het gevolg is
-van de verzoening en de harmonie der uitersten.”
-
-„Het was mij aanstonds een goed teeken,” antwoordde Aspasia, „dat het
-toeval mij, zoodra ik den Atheenschen bodem had betreden, naar die
-plaats voerde, waar de levendigste vonken van den nieuwen Atheenschen
-geest rondspatten—naar de werkplaats van Phidias.”—
-
-„En daar,” viel Pericles in, „vondt gij de mannen, die gij aan het hof
-van den Perzischen koning miste, de gevoelige ontvankelijke mannen,
-waarop gij invloed kondt oefenen—daar vondt gij den krachtigen, vurigen
-Alcamenes...”
-
-„En den peinzenden, niet vurigen, niet innemenden zoon van
-Sophroniscus,” hernam Aspasia; „en ik trachtte aan beiden datgene te
-geven, ’t welk zij mij naar hun eigenaardig karakter schenen noodig te
-hebben. Den beeldhouwer toonde ik, dat hij niet alleen van den meester
-Phidias kan leeren en het gelukte mij de valsche bescheidenheid van den
-waarheidszoeker, die de geheele wereld met zijne vorschende vragen
-vervolgt, voor een deel althans in een ware te veranderen. Maar nog
-ontbrak mij de man, wien ik niet alleen dit of dat, wien ik alles, wien
-ik mijn geheele persoonlijkheid niet zou aarzelen toe te vertrouwen.
-Eindelijk vond ik hem. Sedert dien tijd ben ik der smidse, waar de
-echte vonken van den nieuwen Helleenschen geest opspatten, nog nader
-gekomen, dan in de werkplaats van Phidias.”
-
-„En waar was dat?” vroeg Pericles.
-
-„Aan het hart van den gemaal der pauwenslachtende Telesippe!” hernam
-Aspasia glimlachend en vlijde haar schoon gelokt hoofd met smeltenden
-blik aan de borst van den geliefden man.
-
-Hij boog zich over haar en drukte haar een kus op de lippen. Daarna
-sprak hij:
-
-„Menige van die levensvonken van den Helleenschen geest zou wellicht
-nog sluimeren in deze borst, Aspasia, wanneer gij uw schoon hoofd daar
-nooit tegen had gedrukt!”—
-
-Zoo verliep de dag voor het gelukkige paar in den tuin van Sophocles.
-
-De avond begon te vallen, de boschjes geurden sterker, de nachtegalen
-hieven hun lied aan in de twijgen en als wilden zij met hen wedijveren,
-lieten de krekels in het gras hunne schelle tonen hooren. Glimwormen
-glinsterden uit het donker der boschjes en Hesperus [175] spreidde zijn
-glans uit aan den hemel.
-
-Thans verscheen de dichter weder, om zijne gasten tot den maaltijd uit
-te noodigen. Hij voerde hen wederom naar dat gezellige, liefelijk
-versierde tuinhuis.
-
-„Gij hebt mij,” zeide Sophocles, zich tot Aspasia wendende, „toen ik
-van u heen ging, een bevel nagezonden. En wie zou het durven wagen u
-niet te gehoorzamen in alles wat gij zoudt kunnen wenschen?”
-
-Daarbij wees hij naar den achtergrond van het vertrek, waaruit
-Philaenion lachend te voorschijn trad.
-
-Pericles en Aspasia waren aangenaam verrast. Philaenion was klein, maar
-van een betooverende, evenredige gestalte; daarbij was zij krachtig van
-leden en toch vol bekoorlijkheid in hare bewegingen. Zij had de
-zwartste oogen en boven het ietwat lage voorhoofd viel het donkerste
-haar in krullende lokken.
-
-Aspasia dankte den dichter in vriendelijke woorden voor zijne
-bereidwilligheid en kuste Philaenion op het voorhoofd. Vroolijk
-schaarde men zich om den disch. Vele heerlijke gaven werden er
-aangeboden en wederom stroomde de vurige Chiërwijn [176] onder
-opgeruimden, geestigen kout en gelach.
-
-Toen las Sophocles zijn gasten den beloofden lofzang op Eros voor, den
-onsterfelijken reizang op den „Alverwinnaar in den strijd.”
-
-In verrukking hieven Aspasia en de dichter aanstonds bij het getokkel
-der snaren het schoone lied aan. De melodie stroomde als van zelf van
-hunne lippen. Zij vonden ze gelijkelijk uit.—
-
-Philaenion in dezelfde geestverrukking viel in, en zoowel door het lied
-als door den gloeienden wijn bezield, begeleidde zij weldra den zang
-met de bekoorlijkste, innemendste dansen.
-
-Wie zou het geluk dezer gelukkige menschen vermogen te schilderen?
-
-Zij waren gelukzalig, als de Olympische Goden.
-
-Toen Pericles met Aspasia laat in den avond den lusthof doorwandelde,
-om naar huis terug te keeren, geurden de rozen bedwelmend; de
-scharlakenroode, geheimzinnig vlammende anjelierbloesem schitterde in
-de duisternis.
-
-En nooit kweelden de nachtegalen in het Cephissus-dal bekoorlijker dan
-in dien nacht.
-
-„Weet gij, wat zij zingen,” zeide Pericles tot Aspasia, die met een
-blijden glimlach aan zijne zijde wandelde. „Zij zingen allen den
-reizang van Sophocles op Eros; zij zingen allen:
-
-
- „God der liefde, nooit bedwongen,
- Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,
- Waar uw pijl is ingedrongen,
- Voor uw almagt buigen doet;
- Die uw zetel hebt gekozen
- Op het liefelijk gelaat
- Van de teedre maagd, wier bloozen
- Wat haar harte wenscht verraadt!” [177]
-
-
-Zij zingen allen:
-
-
- „Alle wezens kunt gij dwingen,
- Land en zee is uw gebied;
- ’t Broos geslacht der stervelingen,
- De eeuwige Goôn zelfs vreest gij niet.
- Ach, met onbegrensd vermogen
- Heerscht de teedre, zwakke maagd,
- Als de gloed der schitterende oogen
- Zoete drift in ’t harte jaagt,
- Onverwinbaar neemt de min
- Spelend aller zielen in.”— —
-
-
-
-
-
-
-
-VII
-
-DE DISCUS-WORP.
-
-
-Sedert het prachtige gebouw, dat door Pericles voor muzikale
-uitvoeringen was bestemd, met een wedstrijd van toonkunstenaars
-ingewijd en geopend was, stroomden de Atheners onophoudelijk naar den
-zuidelijken voet van de Acropolis, om het eigenaardige gebouw, met zijn
-kegelvormig dak, uit de masten van buitgemaakte Perzische schepen
-vervaardigd, te bewonderen.
-
-Maar weldra volgde op de voltooiing van het Odeon die van het Lyceüm
-[178] en evenals vroeger naar het eerste, zoo vloeide de schare der
-Atheners ook oostwaarts naar den Ilissus, om de nieuwe prachtige
-worstelschool, die haar wedergade niet had, te bezichtigen.
-
-Ofschoon nog nieuw, zijn de wanden en zuilen toch reeds hier en daar
-met vleiende opschriften bekrast, die den lof van den een of anderen
-knaap verkondigen. Want niet de scheppende beeldhouwers alleen, voor
-wie de welgemaakte gestalte der jongelingen, die bij de vele
-lichaamsoefeningen zich hier onbedekt vertoonde, eene onmisbare school
-is voor het natuurlijke en schoone in hunne scheppingen, ook de
-kunstliefhebbers komen hier, om aan het gezicht van zuiver ontwikkelde
-jeugdige kracht hun hart op te halen. Met hun vurigen kennersblik
-wedijvert het oog van liefhebbende en eerzuchtige vader, die met fieren
-trots de oefeningen en wedstrijden hunner zonen volgen en hunne
-krachtsinspanning en ijver met levendige gebaren, met luide kreten
-aansporen. Overigens zijn er nog dweepende liefhebbers der gymnastische
-kunsten, voor wie zoo’n schouwspel eene verkwikking is en die, met
-hunne stramme ledematen, als verjongd door het vuur, de bewegingen en
-oefeningen der jeugd in hun geest de vertoonde toeren medemaken. Ja
-zelfs tot op zulk eene hoogte stijgt bij deze hartstochtelijke
-liefhebbers hun ingeschapen lust, dat zij zich niet tevreden stellen
-met als ledige toeschouwers dagen lang in het Lyceüm en de Palaestren
-[179] zich op te houden, maar onmiddellijk, wanneer de geest hen
-drijft, zich onder de jongelingen begeven, om aan hunne oefeningen deel
-te nemen of een hunner tijdgenooten tot een kleinen worstelstrijd in
-het gymnasium uit te dagen. „Hei daar Charisius,” luidt het, „willen
-wij het eens tegen elkaar opnemen, zooals we zoo dikwijls in onzen
-gelukkigen ephebentijd [180] plachten te doen? Wat jonge Herculessen
-waren wij toch in vergelijking met de hedendaagsche jongens!” Zoo
-klinkt het, en de beide mannen herinneren zich de dagen hunner
-bloeiende jeugd en vatten elkaar aan en worstelen naar de nog niet
-verleerde regels der kunst ten aanschouwe van een menigte, die hen
-aanmoedigt.
-
-Maar niet alleen voor lichamelijke oefeningen dient deze plaats: het is
-eene reusachtige gezelschapszaal. Ja zelfs zoozeer is dit het geval,
-dat alle eigenlijke worstelperken op de zuidzijde van het Peristylium
-achter de dubbele zuilenrij zich bevinden, terwijl de drie overige
-gangen, alsook de lanen, die aan de worstelschool grenzen, uitsluitend
-aan het gezellig verkeer der Atheners gewijd zijn. Hier ontmoeten
-elkaar de beroemde mannen, hunne vereerders, vrienden en leerlingen.
-Men kan zich hier immers ongestoorder met elkander onderhouden, dan in
-die zuilengangen op de woelige Agora. Wat de nakomelingschap met
-geestdrift op bestoven boekrollen zal lezen, dat vloeit hier in levende
-taal van de lippen der denkers. Bij den meester en zijne nog niet
-talrijke leerlingen, die hier vol aandacht aan zijne zijde wandelen,
-kan zich een ieder, wie ook, uit de menigte aansluiten. Slechts weinige
-dagen pas heeft de zaal van het Lyceüm hare deuren geopend en reeds
-kunt gij den stouten vleugelslag van den Helleenschen geest daarin
-hooren ruischen. In dien grijsaard daar, met zijne heldere oogen,
-herkent gij den vriend van Pericles, den edelen Anaxagoras.
-
-Van hem heeft reeds menig Athener geleerd de wetten der natuur op te
-sporen en met terzijdestelling van het bijgeloof aan de Olympische
-Goden de eeuwige wetten van het natuurlijk ontstaan der dingen na te
-vorschen. Maar velen zijn er nog, die in hem een godloochenaar en
-Magiër [181] meenen te zien.
-
-„Is dit niet de wijze van Clazomenae?” vroeg een Athener, zich wendend
-tot een der leerlingen en toehoorders uit de schare, die den wijsgeer
-omstuwt, „is hij niet dezelfde, van wien men vertelt, dat hij eens bij
-de spelen te Olympia in een dikken mantel plaats nam, terwijl de zon
-helder aan den hemel scheen en tot hen die hem uitlachten, zeide dat
-vóór er nog één uur verloopen was, een onweder zou losbarsten, ’t geen
-dan ook werkelijk tot verbazing van anderen geschiedde. Waaruit putte
-toch dien man kennis van de toekomst zoo hij niet meer dan iemand
-anders wetenschap heeft van de bovennatuurlijke dingen en de mantiek
-verstaat?”
-
-„Vraag het hem zelf!” antwoordde de leerling.
-
-De Athener volgde den raad en herhaalt zijne vraag aan Anaxagoras.
-„Zijt gij,” zoo spreekt hij, „de man, die te Olympia in een dikken
-mantel gehuld, plaats naamt en een onweder voorspeldet bij helderen
-hemel en zonneschijn?”
-
-„Wel zeker,” antwoordde Anaxagoras lachend. „En ook gij zoudt hetzelfde
-hebben kunnen doen, zonder magische of mantieke kunst, wanneer u,
-evenals mij, een Arcadisch herder inlichtingen had gegeven over de huif
-van den Erymanthus.”
-
-„Wat wilt gij zeggen met die huif van den Erymanthus?” vroeg de
-Athener.
-
-„De Erymanthus,” hernam Anaxagoras „staat daar als een hooge berg op de
-grenzen van Arcadië, Achaje en Elis [182]. Ziet men nu van Olympia uit
-eene zekere kruin van dien berg bij groote hitte en Noordoostenwind met
-een dichten wolkensluier bedekt, dan ontlast zich binnen een uur een
-onweder, dat frissche koelte brengt en geweldige regenbuien uitgiet
-over de Pisatische [183] velden.”
-
-En toen daarop door de omstanders het gesprek gebracht werd op het
-ontstaan en de oorzaken van het onweder, verzekerde Anaxagoras lachend
-dat de bliksem ontstond, door eene zekere wrijving der wolken tegen
-elkander. Hij gaat tot andere natuurverschijnselen over en draagt
-geheel nieuwe, ongewone stellingen voor. Zoo beweert hij bij voorbeeld,
-dat de zon eene gloeiende massa is en grooter oppervlakte heeft dan de
-Peloponnesus. De maan, meent hij, is bewoond en bevat heuvels en dalen.
-
-Terwijl de wijze op zulke wijze sprekende met zijne toehoorders
-rondwandelt en elders levendige groepen zich om den staatkundige en
-nieuwtjesventer vormen, zit in een ledigen hoek van de verst gelegene,
-zuidelijke galerij van het Lyceüm op een gladde, marmeren bank een
-paar, dat in zijne afzondering zich druk over gewichtige zaken schijnt
-te onderhouden.
-
-Het is een jongeling van buitengewone schoonheid en een jonge man,
-wiens gelaatstrekken een scherp contrast opleveren met die van zijn
-makker.
-
-Er was onder de enkele voorbijgangers nauwelijks één, die niet bleef
-staan of in het voorbijgaan ten minste niet even omkeek, om de in het
-oog loopende schoonheid van den jongeling nauwkeurig gade te slaan.
-
-Eenigen zelfs kwamen weder terug of bleven in de nabijheid en hielden
-den jongen man in het oog, het oogenblik afwachtende, dat hij bij de
-gymnastische oefeningen—want met dit doel was hij toch zeker
-gekomen—zijne geheele welgemaakte gestalte aan hunne blikken zou
-toonen.
-
-Maar zij die dit verwachtten, bedrogen zich deerlijk. Want de
-betooverde jongeling was de schoone vriendin van Pericles, die besloten
-had heden nogmaals van de verkleeding gebruik te maken, om een der
-lievelingsscheppingen van haar vriend, het nu voltooide Lyceüm te
-bezichtigen. Zij had voor ditmaal haar ouden vriend Socrates tot
-leidsman genomen. Openlijk durfde zij zich toch niet in dit gewaad met
-Pericles vertoonen, daar het geheim van den citherspeler reeds door al
-te velen ontdekt was. Socrates had volgaarne datgene op zich genomen,
-wat Pericles zelf zijn vriendin moest weigeren.
-
-Reeds vroeg in den morgen had hij haar daar aangetroffen, om haar de
-worstelschool geheel te laten zien, voordat de oefeningen der knapen en
-jongelingen een aanvang hadden genomen. Hij volbracht met lust en ijver
-zijn plicht, terwijl hij Aspasia in het gymnasium rondleidde en door de
-ontzettend groote tuinen, met zuilengaanderijen omsloten, waarachter
-zich de ruime zalen uitstrekten; ook vergat hij de baden niet, noch de
-jonge lanen, die naast het gymnasium eene welkome verkwikking aan de
-wandelaars aanboden, welke uitliepen op de groene weilanden van den
-Ilissus-oever.
-
-Den „waarheidszoeker,” den „wijsheidsvriend,” den peinzer uit Phidias’
-werkplaats tot begeleider te hebben, zonder een offer te worden van
-zijne onophoudelijke vragen was onmogelijk. Zoo had hij dan ook
-vooreerst op zijne manier gesproken, hoe verstandig Pericles het Odeon
-met het Lyceüm had aangevuld, daar het wellicht Pericles’ meening was,
-dat de geesten- en lichaamsoefeningen steeds nauw verbonden moeten
-blijven en dat zij vereenigd de harmonische volkomenheid van lichaam en
-ziel konden tot standbrengen en dat de Grieken niet alleen in ijzer en
-steen het schoone wilden zien en genieten, maar in hun eigen wezen,
-geestelijk en lichamelijk, door eene sterke aandrift zich gedreven
-gevoelden, dat te verwezenlijken.
-
-En nadat hij reeds zijn plicht had vervuld, wist hij Aspasia nog steeds
-te boeien, door haar al dieper en dieper in een gesprek te wikkelen.
-Hij zette zich met haar neder op een sierlijk marmeren bank in eene der
-minst bezochte gaanderijen en weldra was hij op zijn
-lievelingsonderwerp terug gekomen, dat hij nooit naliet op het tapijt
-te brengen, zoo dikwijls hij zich met de schoone Milesische mocht
-onderhouden. Ongelukkigerwijze vielen ook thans, ondanks al zijne
-inspanning, om van haar de lang gewenschte verklaring over het begrip
-en het wezen der liefde te verkrijgen, Aspasia’s antwoorden zoo uit,
-dat Socrates steeds meende te moeten tegenwerpen:
-
-„Wat gij daar beschrijft, Aspasia, dat is toch geen liefde voor
-anderen—dat is immers alles slechts liefde voor zich zelve.”
-
-Hij wilde namelijk weten, wat het toch eigenlijk beteekende, als men
-bij voorbeeld zeide: Pericles bemint Aspasia of Aspasia bemint
-Pericles.
-
-Maar welke schoone wendingen de Milesische ook aan de zaak mocht geven,
-Socrates draaide en wrong zich nog veel behendiger en haalde uit
-Aspasia’s woorden, zij mocht zeggen wat zij wilde, altijd weder de
-verklaring, dat wie een ander scheen te beminnen, in den grond toch
-alleen zich zelven en zijn eigen ik beminde en op het oog had. Hem
-zweefde, zij het ook nog niet helder, de gedachte eener liefde voor den
-geest, die werkelijk liefde tot den naaste, geen eigenliefde was. En
-handelende op zijne eigenaardige wijze, hield hij zich alsof hij in de
-verklaringen van Aspasia niet het geringste spoor van eene zoodanige
-liefde kon vinden. Hij ontdekte daarin steeds egoïsme—een egoïsme onder
-twee.
-
-De waarheidszoeker en de schoone hadden reeds geruimen tijd over dit
-onderwerp gesproken, toen zij den wijzen Anaxagoras met eenige
-volgelingen langzaam de gaanderij zagen op wandelen.
-
-„De Goden zenden ons ongetwijfeld dezen man,” zeide Socrates, „om ons
-uit de verlegenheid te redden.”
-
-„Meent gij niet,” hernam Aspasia lachende, „dat de jeugd zich moest
-schamen, wanneer zij over de liefde bij den ouderdom inlichtingen
-vraagt?”
-
-Anaxagoras was, terwijl hij langzaam de gaanderij opwandelde en soms
-een oogenblik stil bleef staan, juist bezig zijnen toehoorders uiteen
-te zetten, dat het begin van alle dingen kleine, onderling geheel
-gelijke, deeltjes waren; want evenals het goud uit goudstof bestond,
-zoo bestond het heelal uit de kleinst mogelijke stofdeeltjes, die door
-de overal heerschende rede den eersten stoot tot vorm en harmonie
-erlangden. Deze rede die hij den „nous” [184], dat is den geest noemde,
-was niet alleen in den bewusten mensch aanwezig, maar ook in de
-schijnbaar donkerste diepte der natuur doorgedrongen en alles was vol
-zielen.
-
-Toen de wijsgeer met zijne volgelingen vlak bij de plaats gekomen was,
-waar Socrates zich met Aspasia onderhield, wendde hij zich van zelf,
-zonder een groet van den jongen man af te wachten, met een
-vriendelijken blik tot hem; want hij was zeer met hem ingenomen.
-Socrates stond op en zeide:
-
-„Hoezeer benijd ik deze uwe vrienden, Anaxagoras, die u den ganschen
-dag vergezellen, en ieder oogenblik hun dorst naar kennis aan uwe bron
-kunnen laven. Wij anderen die u slechts zelden ontmoeten, dragen de
-twijfelingen dagen lang in ons om, zonder die weggenomen te zien en
-kwellen ons en onze weetgierige vrienden met vragen, die geene uitkomst
-opleveren. Ik plaag hier nu den zoon van Axiochus reeds een uur lang en
-wil van hem weten wat liefde is; want hij heeft kennis van zulke zaken.
-Maar hij houdt, naar het schijnt, met opzet zijne wijsheid voor zich
-zelven en geeft mij met ondeugende plagerij slechts zulke antwoorden,
-waardoor ik nog minder van de zaak begrijp, dan straks. Heb gij
-medelijden met mij, Anaxagoras, en zeg mij: wat is liefde?”
-
-„In den beginne,” hernam de wijsgeer, die de vraag uit een verkeerd
-oogpunt opvatte en het onderwerp van bovennatuurlijke zijde beschouwde,
-„in den beginne waren de grondstoffen en zaden der dingen in blinde
-wanorde dooreen gemengd. Toen was alles chaos [185], nacht en „erebos”
-[186]. Noch hemel, noch aarde, noch licht was er tot de duistere nacht,
-door den wind bevrucht, het moederei voortbracht, waaruit de liefde ter
-wereld kwam of de gevleugelde Eros, zooals de dichters zeggen, door
-wiens alles beheerschende macht de inwendige strijd en tweedracht der
-dingen werd te niet gedaan en het een met het ander in liefde
-samensmolt, tot water, en aarde, en hemel, en menschen, en Goden, in
-afzonderlijke gestalten en vormen uit den schoot der alles bevruchtende
-natuur, als kinderen der liefde, te voorschijn traden...”
-
-„Dan zou Eros het eerst geboren wezen zijn,” zeide Socrates, den
-wijsgeer, die naar het gebied der geestelijke wereld was afgedwaald,
-voor een oogenblik volgend, „maar ik heb door u, Anaxagoras, ook den
-Nous als eerste en hoogste wezen hooren noemen. Zouden Nous en Eros, de
-overal heerschende rede en de alles voortbrengende liefde dan hetzelfde
-zijn?”
-
-„Wel mogelijk,” hernam Anaxagoras, „dat zij in den innigsten grond een
-zijn, en dat zij naar hetzelfde doel jagen—de een met bewustzijn, de
-andere blind...”
-
-„Dan zou het in eens verklaard zijn,” riep Socrates uit, „wat het
-zeggen wil, als men van de blindheid der liefde, van de geblinddoekte
-oogen van Eros spreekt. Wanneer ik u goed begrepen heb, Anaxagoras, dan
-is Eros niets anders dan de geblinddoekte Nous—”
-
-„Gij kunt dat zoo opnemen, als u dat bevalt,” hernam Anaxagoras
-lachende.
-
-„Maar zie nu eens Anaxagoras,” vervolgde Socrates, „hoe gij mij en
-dezen jongeling, den zoon van den Milesiër Axiochus, van ons eigenlijk
-onderwerp hebt afgebracht, terwijl gij ons in de hoogste sferen uwer
-wijsheid hebt opgevoerd. Want deze jongeling en ik, wij hadden bij ons
-gesprek eene andere soort van liefde op het oog, dan die, waarop gij
-ons in uw betoog over den strijd der dingen en erebos en het moederei
-zooeven gewezen hebt. Wij vroegen namelijk—en ook dit is onze aandacht
-wel waard—wat toch de eigenlijke natuur, het wezen en het doel van die
-gewaarwording is, krachtens welke de eene mensch den anderen, maar
-vooral deze man die vrouw of deze vrouw dien man beweert lief te
-hebben?”
-
-„Een verlangen van deze soort,” hernam Anaxagoras „waardoor de man tot
-eene vrouw, en niet tot de vrouw in het algemeen, maar tot eene
-bepaalde vrouw en wederom niet tot den man in het algemeen, maar tot
-een bepaalden man in hartstochtelijken en onbedwongen liefde zich
-getrokken gevoelt, is een soort van krankheid der ziel en als zoodanig
-zeer beklagenswaardig. Want eene ziekelijke begeerte en eene
-hartstochtelijke neiging van dien aard stort niet alleen dengene, wiens
-verlangen door het voorwerp zijner liefde onbevredigd blijft, in de
-meest beklagenswaardige en jammerlijkste ellende, maar zij brengt, ook
-wanneer zij hoop heeft bevredigd te worden of werkelijk ten deele
-bevredigd wordt, hem in eene afhankelijkheid van de geliefde vrouw die
-hij reeds aanstonds als zijner onwaardig en als smadelijk moet
-erkennen, maar ook daarom moet de wijze haar geheel en al vermijden,
-omdat hij, ten einde de kalmte en innerlijke tevredenheid zijner ziel
-te bewaren nooit aan iets met hartstochtelijke liefde zich mag
-vasthechten. Want alles, waaraan wij ons in die mate door de gewoonte
-doen boeien kan ons weder ontrukt worden en zijn verlies berokkent ons
-dan ondragelijke smarten. Zulk eene ziekelijke, hartstochtelijke liefde
-verstoort de kalmte van het gemoed, vervult het met bestendige angst en
-ijverzucht, doet den koensten versagen, maakt den sterksten zwak, den
-besten onverschillig voor eer en schande, en den spaarzaamsten tot een
-verkwister. Zij verbittert de menschen en maakt hen tot elkanders
-heftigste vijanden en brengt jammer en ellende over gansche volkeren en
-steden, zooals dan ook om der wille van ééne vrouw Illium verwoest is
-en de Grieken tien jaren lang alle moeiten, gevaren en rampen hebben
-doorstaan en het bloed hunner uitnemendsten hadden te betreuren.”
-
-Anaxagoras had nauwelijks opgehouden met spreken, toen Pericles met een
-vriend al sprekende de gaanderij kwam opwandelen. Hij zag Anaxagoras
-met Socrates redeneeren. Hij herkende ook Aspasia in hare verkleeding
-aan de zijde van Socrates en wierp haar verwonderd een vragenden blik
-toe, dien zij met een ongedwongen lachje beantwoordde.
-
-Pericles bleef staan en daar hij de laatste woorden van Anaxagoras had
-opgevangen, vroeg hij, na wederzijdsche begroeting, over welk onderwerp
-zij zooeven met gespannen aandacht naar Anaxagoras hadden geluisterd.
-
-„Laat dit, Pericles,” zeide Socrates met schalkschen lach, „deze jonge
-man hier, de zoon van den Milesiër Axiochus, u uiteen zetten; hij toch
-is de schuld, dat Anaxagoras gedwongen is zich op deze plaats op te
-houden en het een en ander over een der moeilijkste vraagpunten van het
-menschelijk weten, naar het mij voorkomt, in het midden te brengen.”
-
-„Het betoog van den wijzen Clazomeniër,” zeide Aspasia, „was een
-uitvloeisel van de vraag van Socrates, wat men te denken heeft van de
-liefde.”
-
-„En wat heeft de wijze Clazomeniër betreffende dit punt geantwoord?”
-vroeg Pericles.
-
-„Hij zeide,” hernam Aspasia, „wanneer ik ten minste zijn gedachtengang
-en niet alleen zijne woorden goed heb begrepen, dat de liefde, hoe
-vurig zij ook wezen moge, steeds toch eene zaak van het vroolijke
-levensgenot moet blijven en nooit in ziekelijke, sombere dweeperij mag
-ontaarden, en evenmin in tyrannie of hartverterende ijverzucht...”
-
-„Hij zeide,” viel Socrates met een veelbeteekenend lachje in, „dat
-wanneer iemand den jongeling, die hem dierbaar is, of de schoone, die
-hij bemint, aan de zijde van een anderen, schoonen of leelijken man
-mocht zien zitten, hij het daarom volstrekt niet voor noodig moet
-houden de Olympische [187] wenkbrauwen te fronsen of eene Grieksche
-vloot in Aulis [188] te verzamelen, om in woesten wraakdorst volkeren
-te verdelgen en steden te verwoesten...”
-
-Pericles glimlachte. Hij vond de Silenus-gestalte [189] van den
-waarheidszoeker bijna koddig naast de overweldigende bekoorlijkheid van
-de verkleede Aspasia, die aan zijne zijde zat. Het had hem voorzeker in
-het eerst bevreemd Aspasia hier te vinden en zijne Olympische
-wenkbrauwen hadden zich werkelijk een weinig gefronst; maar nu schaamde
-hij zich bijna over deze eerste opwelling. Hij twijfelde niet aan de
-bedoeling zijner schoone vriendin, zich, zooals het aan hare kunne
-voegde, vóór den aanvang der lichaamsoefeningen, uit de worstelschool
-te verwijderen. Hij hield het echter voor raadzaam haar door eene
-zijdelingsche vermaning er aan te herinneren, dat die tijd naderde en
-dat zij er aan denken moest zich gereed te maken tot vertrekken. Hij
-liet zich ontvallen, dat de oefeningen weldra zouden beginnen. Hij
-voegde er bij, dat het voor heden voor hem eene noodzakelijkheid was,
-hier aanwezig te zijn, daar zijne beide zonen Xantippus en Paralus,
-benevens zijn pleegzoon Alcibiades, nadat zij eerst de gymnastische
-voorbereiding in de palaestra hadden doorloopen, voor het eerst aan de
-openbare oefeningen in de worstelschool zouden deelnemen. De kleine
-Alcibiades was niet langer te houden geweest: hij wilde niets meer van
-de kinderachtige palaestra hooren en brandde van begeerte zich op het
-open veld van eer, in het Lyceüm, met zijne tijdgenooten te meten.
-
-Anaxagoras en zijne volgelingen vernamen dit bericht met levendige
-belangstelling en sloten zich bij Pericles aan, om getuigen te zijn van
-den wedstrijd van den kleinen Alcibiades van wien de Atheners, hoe jong
-hij ook was, reeds begonnen te spreken.
-
-Aspasia stond eveneens met Socrates op, om de overigen te volgen en
-verzocht stil den waarheidszoeker haar uit het Lyceüm te willen
-wegbrengen.
-
-Maar de peinzende jonge steenhouwer uit Phidias’ werkplaats wandelde,
-nadat hij met de verkleede schoone het gedrang voorbij was, als
-droomende naast haar en zonder het te willen of te weten, voerde hij
-haar in plaats van uit de worstelschool, naar de verst afgelegen en
-juist geheel ledige gaanderij, verre van de plaats, waar de jongelingen
-en knapen wedijverden.
-
-Zijn binnenste was geheel vervuld met de belangrijke woorden, die
-Anaxagoras over den hartstocht der liefde had gesproken. De taal van
-den wijze was tot in het diepst zijner ziel doorgedrongen.
-
-Aspasia vroeg hem ten laatste naar de oorzaak van zijn peinzend
-zwijgen.
-
-In den beginne antwoordde hij niet, toen echter, als uit een droom
-ontwakende, begon hij, nadat hij zijne gezellin had uitgenoodigd zich
-naast hem op eene marmeren bank in de zedige zuilengang neder te
-zetten, als volgt:
-
-„Weet gij, Aspasia, wanneer voor ’t eerst in mijn leven mijn daemon
-zijne stem in mij heeft doen hooren?”
-
-„Wat noemt gij uw daemon?” vroeg Aspasia.
-
-„Mijn daemon,” hernam hij, „is een tusschenwezen, half van eene
-goddelijke, half van een menschelijke natuur. Het is geen droombeeld,
-geene hersenschim; want ik hoor soms heel duidelijk, zoo duidelijk als
-men iets hooren kan, zijne stem in mijn binnenste. Maar hij verwaardigt
-zich, helaas, niet, mij de diepten der wijsheid heimelijk te openbaren.
-Wat kennis betreft, schijnt het toch niets krachtiger of wijzer te zijn
-dan ik zelf. Het is hem voldoende, mij in enkele gevallen, kort en
-zonder eenige reden, met zijne inwendig hoorbare stem te zeggen wat ik
-doen of wat ik laten moet. Voor de eerste maal in mijn leven vernam ik
-die stem, toen ik u, Aspasia, voor het eerst ontmoette.”
-
-Aspasia gevoelde zich wonderlijk bewogen, toen zij den jongen denker
-zoo ernstig over zijn daemon hoorde spreken, alsof deze eene werkelijke
-persoon en de natuurlijkste zaak van de wereld was.
-
-„En wat gebood u uw daemon in dat oogenblik?” vroeg zij lachende.
-
-„Toen ik u zag en de gedachte zich aanstonds van mij meester maakte, u
-naar het wezen der liefde te vragen toen klonk het zacht, maar
-duidelijk in mijne ziel; „doe dat niet!” Maar ik dacht: wat wil toch
-die vreemdeling? Wat gaan hem mijne zaken aan?—Ik luisterde niet naar
-hem en vroeg u, vroeg u telkens naar het wezen der liefde. Maar nu ben
-ik besloten hem in het vervolg te zullen gehoorzamen in alles, wat hij
-mij gebieden of verbieden mag; want de overtuiging is in mij levend
-geworden, dat hij de zaken goed inziet en mijn vriend is en mijn
-volkomen vertrouwen verdient.”
-
-„Gij zijt een dweeper, mijn vriend,” zeide Aspasia, „hoewel gij
-voorgeeft naar het heldere begrip der zaken te streven. Uw karakter is
-te veel in zich zelven gekeerd, o zoon van Sophroniscus. Zie rondom u
-en merk het reine, rustige, gezonde leven op, dat met opwekkende
-schoonheid u overal omgeeft. Offer aan de Chariten Socrates, offer aan
-de Chariten en vergeet niet, dat gij een Griek zijt.”
-
-„Een Griek?” hernam Socrates lachende. „Ben ik niet te leelijk om een
-Griek te zijn? Mijn stompe neus reeds maakt eene scherpe tegenstelling
-met de schoonheid der Grieken. Ik maak van den nood eene deugd en zoek
-een levensideaal, dat bestaanbaar is met leelijkheid.”—
-
-Aspasia zag na deze woorden Socrates aan, met eene mengeling van
-verbaasdheid en medelijden.
-
-Die arme zoon van Sophroniscus! Hij wandelde onder de opgeruimde en
-tevreden stervelingen als de eenige ontevredene. Men begon hem reeds
-onder de wijzen te rekenen. Maar niemand had hem ooit zich zelven aldus
-hooren betitelen. Hij vroeg maar altijd. Hij wandelde onder zijne
-medemenschen als een levend, schier onaangenaam vraagteeken. Was hij de
-belichaamde behoefte aan eene nieuwe openbaring, aan eene nieuwe
-gedachte, aan een nieuwen tijd? ...
-
-Daar de werkelijkheid, zelfs in hare volste openbaring zijne vragen
-niet geheel en al beantwoordde, klom hij op tot het gebied van de reine
-gedachte. Hij jaagde „heldere begrippen” na. Maar niets grenst nader
-aan het streven naar zulke diepzinnige gedachten dan zijn schijnbaar
-contrast, de dweeperij. En daarom sprak hij van zijn „daemon”.
-
-Het was hem daarmede ernst. Het oog van den Griek was gewoon helder en
-open naar buiten te zien. Socrates richtte het zijne naar binnen. Hij
-dacht na, hij ontdekte het inwendige en schrikte daarvoor zoozeer, dat
-het hem als eene daemonische macht toescheen. Die noemde hij zijn
-daemon.
-
-Veel werd over zijn „ironie” gesproken. Ach, de ironie, waarmede hij de
-onwetendheid van anderen in zijne gesprekken aantoonde, zij was slechts
-een zwakke nagalm van die ironie, welker scherpte hij zich zelven,
-tegen zijn vergeefs naar kennis dorstend worstelen in eigen boezem
-richtte.—
-
-Het was een pijnlijke ernst, wanneer hij aangaande zich zelven de
-verklaring gaf: „dit weet ik, dat ik niets weet.”—
-
-En toch gistte het in hem en was zijne ziel vol van gedachten over de
-toekomst.
-
-Hij zocht, zooals hij zooeven aan Aspasia had gezegd, een levensideaal,
-dat niet als het Grieksche, met leelijkheid bestaanbaar was.——
-
-Hij zocht, hij had een voorgevoel van een ernstiger, een verhevener
-ideaal tegenover dat van het „alverwinnende schoone”, ’t welk over
-zijne tijdgenooten eene schitterende aureool verspreidde...
-
-Zoodanig was het wezen van dezen, nog jeugdigen denker. En toch—hij was
-een Griek. Leelijk van uiterlijk, peinzend in zijn binnenste, was hij
-toch ook aangeblazen door de liefelijkheid en bevalligheid van den
-Griekschen geest. Een somber dweeper was hij niet en kon hij nooit
-worden. De adem van Aspasia was ook over zijn hoofd heen gegaan; nooit
-kon hij door sombere machten geheel beheerscht worden. Hoe langer zoo
-meer moest zijn karakter tot blijde opgeruimdheid gestemd worden en ook
-tot de blijmoedigheid van den wijze, die met gelatenheid den giftbeker
-drinkt, als zijne ure is gekomen...
-
-Nu echter bruischte de jeugd nog in hem en eene heimelijke, hem zelven
-schier onbewuste jeugdige hartstocht. Nog was hij niet de man, noch de
-grijsaard, van wien de boeken der Ouden gewagen—nog was hij de
-steenhouwer uit Phidias’ werkplaats...
-
-Hij beminde in stilte de schoone en wijze Aspasia.
-
-Hij beminde haar en wist dat hij een stompen neus had en het gezicht
-van een Sileen en dat zij hem nooit kon beminnen.
-
-Hij wist het, maar hij was nog jong en kende zelf slechts ten halve de
-macht van het vuur, dat heimelijk in zijn boezem smeulde.
-
-„Ik weet het, Aspasia,” zeide hij, „ik schijn u toe, als eene rups op
-den bloesem van het Helleensche leven rond te kruipen, daaraan
-heimelijk te knagen en hem met het sceptisch venijn der gedachte te
-bezoedelen en gij zoudt lust hebben mij daarvan weg te knippen met de
-toppen uwer roozenroode vingers. Maar zie, Aspasia, ik zou toch liever
-schoon dan wijs zijn. Zeg mij, hoe ik het aanleggen moet, om schoon te
-zijn?”
-
-„Wees altijd blijde en opgeruimd,” hernam Aspasia, „en tracht aan de
-Chariten te offeren.”
-
-„Bestraal mij met den glans uwer oogen!” riep de anders zoo kalme
-waarheidszoeker uit, door de ontroering van zijn hart overweldigd. „Dan
-zal ik steeds,” voegde hij er bij, „blijde en opgeruimd zijn.”
-
-Hij sprak deze woorden in hartstochtelijke opgewondenheid en boog het
-hoofd nader tot Aspasia’s gelaat, alsof hij den schitterenden straal
-uit haar oog wilde opvangen.
-
-Daarbij kwam het Silenus-gezicht van den wijsheidsvriend zoo dicht bij
-het bekoorlijke gelaat der Milesische dat zijne dikke lippen den
-bevalligen, rozenrooden mond der schoone bijna beroerden.
-
-„Offer aan de Chariten!” riep Aspasia, sprong op en snelde weg...
-
-Op dat zelfde oogenblik kwam een naakte knaap bijna buiten adem, den
-zuilengang instuiven, snelde, toen hij Socrates zag, op hem toe en
-verborg in zijn mantel zijne naakte leden.
-
-De waarheidszoeker wist niet of hij zijne blikken op de voortvluchtige
-Aspasia, dan wel op den knaap zou vestigen, die bij hem eene
-schuilplaats zocht.
-
-Hij zag er uit als een man, wien een duif uit de hand vliegt en die op
-hetzelfde oogenblik eene zwaluw aan zijn boezem ziet verschuilen...
-
-De jongen in den mantel gewikkeld, vleide zich vertrouwelijk tegen hem
-aan en smeekte dringend, terwijl hij beefde van angst, dat hij hem zou
-verbergen en beschermen.
-
-„Wiens zoon zijt gij en wat is de oorzaak van uwe angstige vlucht?”
-vroeg Socrates den knaap.
-
-„Ik ben de zoon van Clinias, de pleegzoon van Pericles en heet
-Alcibiades,” antwoordde hij.
-
-Op de volgende wijze had het zich toegedragen, dat het zoontje van
-Clinias gedwongen was zijne naakte leden sidderend in den mantel van
-Socrates te verbergen.
-
-Toen deze zich opnieuw met Aspasia in het gesprek verdiepte, waren de
-oefeningen der jongelingen en knapen in de daarvoor bepaalde ruimten
-van het Lyceüm begonnen.
-
-Pericles en zijn gevolg stonden met vele anderen rondom de
-worstelplaats der knapen.
-
-Het was een schoon gezicht, vol bekoorlijkheid, deze flinke, knappe,
-teedere en toch reeds door de oefeningen der palaestra krachtige,
-bloeiende gestalten, na zich ontdaan te hebben van de chlamys [190], in
-het zand der worstelschool te zien wedijveren.
-
-Onder alle muntte de jonge Alcibiades uit: hoewel een van de jongsten,
-was hij toch reeds stevig op de beenen en had iets fiers, iets
-overmoedigs in zijn gezicht. Maar dit fiere en overmoedige werd
-getemperd door zijne bekoorlijke schoonheid. De beeldhouwers drongen
-naar hem toe, om die nog onontwikkelde, maar zich reeds vertoonende
-spieren, die bloeiende, welgemaakte gestalte, die kleinere, doch
-harmonische vormen te bewonderen.
-
-Naast den jongen Alcibiades bevonden zich onder de knapen ook zijne
-beide kameraden, de zonen van Pericles, Xantippus en Paralus; voorts de
-kleine Callias, de zoon van den rijken Hipponicus, met wien Alcibiades
-reeds vriendschap had gesloten; en ook het zoontje van den rijken
-Pyrilampes, Demus, was daar tegenwoordig.
-
-De knapen, vurig en levendig, konden het begin der oefening nauwelijks
-afwachten.
-
-Met den wedloop begon nu onder leiding der paedotriben [191] de
-kampstrijd.
-
-De paedotriben onderwezen hun kweekelingen, hoe zij in den loop hun
-adem en hunne krachten moesten sparen, hoe zij de bovenste en onderste
-ledematen gelijkmatig moesten bewegen, hoe zij met opgelichten haast
-zwevenden voet met groote passen voort moesten snellen, om met het
-kleinst aantal schreden de grootste ruimte af te leggen; ook leerden
-zij de knapen zekere regelmatige bewegingen der armen, die, naar hunne
-meening, met de passen in overeenstemming, de snelheid der bewegingen
-bevorderden.
-
-Maar zie, de kleine Alcibiades wilde van deze leer niets weten: hij
-meende, dat de beweging der armen waartoe men hem noodzaken wilde,
-leelijk waren en geraakte met de paedotriben daaromtrent in hevigen
-strijd.
-
-Een der opzichters, die de oefeningen leidde, mengde zich bemiddelend
-in het geschil, streek den knaap over de wangen en prees zijne begeerte
-om de bevallige schoonheid in beweging en houding steeds in acht te
-nemen, maar wees hem, om de doelmatigheid dier bewegingen aan te
-toonen, op het voorbeeld der Mauretanische [192] struisvogels, die door
-het slaan met hunne kleine vleugels, die zij als zeilen gebruiken, hun
-vluggen loop versnelden.
-
-De naakte knapen liepen onder vroolijk geschreeuw, dat des te luider
-werd, naarmate zij meer den eindpaal naderden, naar hun wit. Meermalen
-werd de wedloop herhaald—steeds was de jonge Alcibiades het eerst bij
-den eindpaal.
-
-Hierna kwamen de oefeningen in het springen aan de beurt: het springen
-in de hoogte, in de breedte en in de diepte.
-
-De paedotriben gaven de jongens gewichten in de hand en leerden hen die
-zoo te gebruiken, dat zij verre van de vlugheid in het springen te
-belemmeren, integendeel de vaart des lichaams bevorderden. Ook deze
-gewichten mishaagden den eigenzinnigen Alcibiades en het scheelde
-weinig of hij had ze een van hen, die over het gedrag der knapen
-moesten waken en hem zijne weerbarstigheid in vrij scherpe woorden
-verweet, naar het hoofd geworpen. Toorn en schaamte maakte zich van
-Pericles meester, toen hij onder zoovele vrienden en toeschouwers
-getuigen moest zijn van de ongezeggelijkheid van den jongen. Maar zijn
-toorn verdween en hij lachte weder minzaam, toen onder de bijvalskreten
-der toeschouwers de zoon van Clinias ook in den sprong al zijne makkers
-overtrof.
-
-Thans werden de knapen door de alipten [193] met olie ingesmeerd voor
-den worstelkamp. Dat liet de kleine Alcibiades zich nog doen, maar toen
-men hem het lichaam met stof wilde bestrooien, om de glibberigheid der
-gladde leden te verminderen, verzette hij zich met kracht tegen die
-bezoedeling. Maar hier schikte men zich niet, als in de palaestra, naar
-de grillen van den knaap: hier gold de strenge wet van het gymnasium,
-het zoontje van Clinias moest zich daarnaar voegen.
-
-Twee aan twee traden de knapen tot het worstelen vooruit. Met een
-zachte buiging der knie den rechtervoet een weinig naar voren te
-brengen, den arm tot den aanval zoowel als tot verdediging uit te
-strekken, hals en hoofd niet voorover te buigen, het onderlijf in te
-trekken, de borst vooruit te steken en de welven, des tegenstanders
-beweging vooraf te bespieden, bij den aanval en bij de verdediging
-steeds naar de regelen der kunst te werk te gaan, dit alles onderwezen
-de paedotriben aan de knapen.
-
-Hoe men verder zijn tegenstander meer door vlugheid dan door kracht op
-den grond moest werpen, den gevallene met handen en voeten zoo
-omslingeren, dat hij bewegingloos op den grond moest blijven liggen en
-alle pogingen opgeven weder op te staan, dat werd benevens andere
-kunstgrepen den jeugdigen worstelaar telkens ingeprent. Maar ook op de
-schoonheid en bevalligheid in bewegingen stelden de leeraars en
-opzichters der oefeningen grooten prijs. Niet op krachtsontwikkeling en
-vlugheid alleen doelden de regels, die zij gaven, maar ook op het ten
-toon stellen der goedgebouwde gestalte, waardoor de Atheners zich van
-de Barbaren en zelfs van menigen Griek onderscheidden.
-
-De jonge Alcibiades worstelde met den oudsten onder de knapen en wierp
-hem door een kunstgreep, dien hij niet aan de paedotriben te danken
-had, maar in het beslissende oogenblik zelf had uitgedacht, in het
-zand.
-
-Nu werd den knapen het schaafijzer ter hand gesteld, om zich het stof
-van de ledematen af te schrapen, en nadat dit geschied was, kreeg ieder
-van hen een discus en eene kleine stang in plaats van eene speer, beide
-voor de oefeningen in het werpen. De discus van de knapen was niet, als
-anders, van metaal, maar van eene soort van hard hout gesneden. De
-discusworp was lang niet gemakkelijk, wanneer hij naar de regels der
-kunst werd uitgevoerd. Bij den worp den rechten stand des lichaams aan
-te nemen, voorts de werpschijf, die met zand stroef was gemaakt, om een
-beter houvast te verschaffen, de beste ligging in de hand te geven, dan
-de hand in eene draaiende beweging te brengen, om als ’t ware de
-kracht, die men aanwenden moest, evenredig te maken met het gewicht,
-den discus recht en de spieren van den arm gespannen te houden,
-eindelijk de schijf in een halven cirkelboog te slingeren en dan uit de
-laagte zoover mogelijk te werpen—dat alles werd Alcibiades, evenals den
-anderen knapen, ingeprent; deze echter sloeg al die regels in den wind
-en toen de knapen, de een na den anderen, naar voren traden om den
-discus te slingeren en de afstand, die ieder bereikte, op den grond
-door een teeken kenbaar gemaakt werd, wierp de telg van Clinias, toen
-hij aan de beurt kwam, zijn discus, zooals hem goed dacht. Toen vloog
-zijne schijf verre die der anderen voorbij.
-
-Toen trad een nog sterkere knaap voor, die in het werpen met den discus
-eene bijzondere handigheid had. Deze beproefde nu zijn geluk en
-zorgvuldig, met inachtneming van alle regels der paedotriben, wierp hij
-den discus en overtrof wel is waar den worp van Alcibiades niet, maar
-bleef ook niet daarachter. Zijne schijf en die van Alcibiades lagen
-evenver van die der anderen.
-
-Alcibiades verbleekte. Voor de eerste maal zou hij zijne overwinning
-met een ander moeten deelen. Sprakeloos en van gramschap ziedend, wierp
-hij toornige blikken op zijn mededinger. Deze echter durfde beweren,
-dat zijne schijf, nauwkeurig beschouwd, nog iets verder lag dan die van
-Alcibiades.
-
-Door deze bewering werd de jonge Alcibiades door eene onbegrijpelijke
-woede aangegrepen, hief de rechterhand op en slingerde met alle macht
-den discus, die hij in de hand had, naar het hoofd zijns tegenstanders.
-Maar al te goed trof de worp; bezwijmd en bloedend zonk de knaap ter
-aarde.
-
-Eene groote verwarring ontstond er. De bijna doodelijk gewonde moest
-weggedragen worden. Bij dit gezicht verbleekte en sidderde Alcibiades
-een oogenblik; toen echter de verwanten en vrienden van zijn gewonden
-tegenstander met verwijtingen en bedreigingen op hem aandrongen,
-herkreeg hij aanstonds zijne bedaardheid en fierheid.
-
-Thans echter zag hij Pericles, hevig vertoornd, met den eerwaardigen
-gymnasiarch [194] naderen en daar hij begreep, dat men hem wilde
-aangrijpen, wegvoeren, wellicht op eene smadelijke wijze kastijden,
-keerde hij zich eensklaps om, brak door den kring der omstanders heen,
-waar die het minst dicht was en ontvluchtte met die snelheid, waardoor
-hij straks bij den wedloop de zegepraal had verworven.
-
-Men trachtte hem te achterhalen, maar weldra was hij uit de oogen
-zijner achtervolgers verdwenen.
-
-In het afgelegenste deel van het Lyceüm had hij Socrates getroffen en
-was, zooals reeds verhaald is, op hem toegesneld en had hulp smeekend
-zich in zijn mantel verscholen.
-
-„Dus zijt gij de zoon van Clinias?” zeide Socrates op zachten en kalmen
-toon, nadat de knaap hem op zijne vragen de aanleiding zijner vlucht
-had verteld. „Vraagt gij in uw doen en laten niet naar lof of
-berisping? Bekommert gij u niet om het verlangen en den wil van de
-voortreffelijke en aanzienlijke mannen, van wie gij afstamt of aan wie
-gij door geboorte verwant zijt?”
-
-„Ik wil niet altijd doen, wat de anderen willen,” zeide de knaap fier.
-„Ik wil doen, wat mij goeddunkt en wat ik zelf wil en mij voorneem.”—
-
-„Gij hebt groot gelijk,” hernam Socrates, steeds kalm, „de mensch moet
-kunnen doen, wat hij zelf wil en zich voorgenomen heeft. Maar wat hebt
-gij toch gewild en wat hadt gij u voorgenomen, toen gij dezen morgen
-met de andere jongens in het Lyceüm kwaamt?”
-
-„De eerste te zijn in alles!” riep de kleine Alcibiades levendig uit.
-„De eerste te zijn, mij te onderscheiden en de grootste eer onder allen
-weg te dragen! Dat had ik mij voorgenomen.”
-
-„Dan hebt ge dus niet gedaan, wat ge eigenlijk wildet en u voorgenomen
-had. Gij wildet u onderscheiden, gij wildet met roem overladen het
-Lyceüm verlaten en inderdaad zijt gij met smaad en schande bedekt
-weggejaagd en hebt misschien nog bovendien, als gij aan de uwen wordt
-teruggegeven, eene geduchte kastijding te wachten. Waarom zijt ge toch
-niet rechtstreeks op uw doelwit afgegaan en hebt uw tijd met bijzaken,
-die u van dat doel afvoerden, verloren? Gij zijt niet hierheen gekomen,
-om uw makker een gat in het hoofd te werpen, maar, zooals gij zegt, om
-roem en eer te behalen. Uw fout was, dat gij een oogenblik geheel en al
-vergeten hebt, wat gij hier eigenlijk wildet en u met bijzaken hebt
-afgegeven, die ten gevolge hadden, dat gij in plaats van met roem
-overdekt met smaad en schande uit het gymnasium moest vluchten.”
-
-Voor de eerste maal werd het Alcibiades duidelijk, dat de wet eener
-doelmatige orde niet als iets willekeurigs noch als eene bedreiging van
-buiten hem voorkwam, maar als eene macht in hem zelven, die met zijn
-eigen wezen innig verbonden was.
-
-Bovendien lag er in de woorden van Socrates en in den toon, waarop zij
-gesproken werden iets, wat den knaap vertrouwen inboezemde. Hij zag den
-man ernstig en zwijgend in het gelaat, hij zag hem in die vriendelijke,
-bruine oogen en zijn vertrouwen ging in dat zelfde oogenblik bijna
-onbewust in eene genegenheid over, zooals hij tot nu toe nog voor geen
-mensch gevoeld had.
-
-Intusschen naderden de menschen, die Alcibiades zochten, met Pericles
-en den gymnasiarch.
-
-Opnieuw begon de knaap te sidderen.
-
-„Vrees niets,” zeide Socrates, „ik zal met de hulp der Goden trachten u
-met al deze grimmige vijanden en vervolgers te verzoenen.
-
-De aankomenden herkenden Socrates en aan zijn boezem, in zijn himation
-gewikkeld, den knaap, dien zij zochten. Het was als zag men Achilles
-[195], in tegenwoordigheid van zijn leermeester en opvoeder, den
-goedigen Centaur.
-
-Toen Pericles en de gymnasiarch met de overige genaderd waren en recht
-op Socrates toetraden, zeide deze:
-
-„Ik weet wien gij zoekt, gij mannen; maar hij, dien gij zoekt is mijn
-smeekeling, zooals gij ziet en ik zal hem niet uitleveren, maar volgens
-mijn plicht, naar mijne beste krachten verdedigen. Hij is, gelijk hij
-mij zegt, in het Lyceüm gekomen om zich te onderscheiden, wat hem
-daarom niet ten volle gelukt is omdat hij onbedachtzaam zich met
-bijzaken inliet, daar hij namelijk den discus een zijner makkers naar
-het hoofd wierp wat hem schande aanbracht, in plaats van de eer, die
-hij eigenlijk gezocht had. Wat de wonde van dien knaap betreft,
-bedenkt, gij mannen, dat een dergelijk ongeluk of vergrijp, zooals gij
-het noemen wilt, ook door Goden en heroën is gepleegd; want, zooals gij
-weet, heeft Apollo zelf zijn lieveling Hyacinthus [196] en de held
-Perseus zijn grootvader Acrisius [197] met een discus-worp gedood. Het
-is waarschijnlijk, dat deze donkergelokte knaap, met zijne vurige
-oogen, ook in andere opzichten aan Goden en heroën gelijk kan worden.
-
-De toorn van Pericles bedaarde bij het gezicht van den wedergevonden
-knaap, op wiens gelaat ieder spoor van trots was verdwenen. Hij richtte
-tot zijn beschermer eenige vriendelijke woorden, die tevens den knaap,
-welke nog steeds eene tuchtiging vreesde, konden geruststellen en beval
-daarop den paedagoog den jongen aan te kleeden en uit het Lyceüm naar
-huis te brengen.
-
-Socrates voegde zich bij Pericles en den gymnasiarch, en de mannen
-spraken nog eene poos over de zeldzame mengeling van heerlijke en
-gevaarlijke eigenschappen, die in het karakter van het zoontje van
-Clinias zich vertoonden.
-
-Deze echter verliet aan de hand van den paedagoog de plaats niet
-eerder, voor hij met een warmen blik uit zijn donkere, fonkelende oogen
-van zijn beschermer en pleitbezorger had afscheid genomen.
-
-Op deze wijze werd de zeldzame band des harten gelegd tusschen
-Socrates, dien zij den leelijke noemden, en den schoonste van alle
-Hellenen-zonen, den jongen Alcibiades, op dien dag, toen den
-„waarheids-zoeker” eene duif uit de hand vloog en op hetzelfde
-oogenblik eene jonge zwaluw aan zijne borst een schuilplaats kwam
-zoeken...
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-HET OFFER AAN DE CHARITEN.
-
-
-Geen scheppende en werkende geest gaat zoo geheel en al in zijn werk
-op, als die des beeldhouwers. Geen anderen weg betrad Phidias, dan die
-tusschen de Acropolis en zijne werkplaats liep. Hij zag zelfs in zijne
-nachtelijke droomen niets anders dan zijne godenbeelden, zijne groepen,
-zijne friezen en niet zelden vond hij, omdat zijn rustelooze geest en
-in den slaap evenals overdag werkzaam was, niet zonder verwondering bij
-zijn ontwaken zijne plannen verder gevorderd en gerijpt. Verscheidene
-zijner beelden waren oorspronkelijk droomgezichten geweest en hij kon
-beweren, dat hem Goden in den droom verschenen waren, evenals aan de
-helden van Homerus. De geheele wereld had slechts waarde voor hem, in
-zoover zij betrekking had op zijne kunstenaarsziel. Hij deed afstand
-van de genietingen des levens; hij was eenzaam en ongehuwd.
-
-Zijne ziel was vervuld met allerlei ontwerpen en zijn helder oog was de
-klare spiegel van zijn geest.
-
-Het was een bont gewemel van menschen en dingen in de zalen en pleinen
-van de werkplaatsen van Phidias. Steeds waren er ontwerpen te bedenken,
-te onderzoeken, te verwerpen, steeds opnieuw modellen in klei te vormen
-en de verhoudingen te berekenen. Naar de kleimodellen werd ook menig
-kunstwerk eerst door de steenhouwers uit het ruwe blok gehouwen en
-later aan de fijnere hand des kunstenaars ter volledige afwerking
-toevertrouwd. Een puinhoop kon Phidias’ werkplaats genoemd worden, maar
-een puinhoop der wording, niet der vernietiging. Het was de chaos, doch
-niet de chaos van den ondergang, maar de chaos waaruit de schepping
-geboren werd. Brokken lagen overal verspreid maar niet als deelen van
-een geheel, dat bestaan had, maar als deelen, die op weg waren, om een
-geheel te worden.
-
-En over dien bajert zweefde de geest van Phidias. Deze geest bestuurde
-alles. Hij hield den vurigen Alcamenes en den strengen Agoracritus in
-bedwang en dreef hen tot eendrachtig samenwerken.
-
-Deze beide waren zijne machtigste armen; de eerste verleende hem
-bovendien zijne hulp door zijne welbespraaktheid. Wat Phidias eens had
-gezegd, in korte, wellicht raadselachtige woorden zich had laten
-ontvallen, dat herhaalde en verduidelijkte Alcamenes, prentte het in
-zijn geheugen en deelde het later weder mede.
-
-Juist liet hij zijn oog gaan over die jongeren en kunstenaars, wier
-arbeid bijzonder aan zijne zorgen was toevertrouwd. Overal berispte
-hij, vermaande hij, spoorde hij aan met de vurigheid, die hem eigen
-was, terwijl hij de bestanddeelen der gevelgroepen, friezen en
-metopenbeelden nauwkeurig beschouwde.
-
-„Wat doet gij daar, Dracyllus? Te zwak gewelfd om op een afstand
-uitwerking te doen is die borst; het veld van het onderlijf te weinig
-geleed, de kuiten te onduidelijk geteekend. De hoofdspieren te weinig,
-de mindere spieren te veel op den voorgrond geplaatst!—Charicles, gij
-spant hier de huid te strak, daar te slap over de spieren. Hier is zij
-niet los genoeg, bijna niet te verschuiven. Het moet schijnen, alsof
-men zelfs bij bronzen of marmeren beelden het vel tusschen zijne twee
-vingers kan nemen en een weinig naar boven kan trekken!—Uw God, Lycius,
-is schier niet te herkennen uit de plooien van zijn gewaad. Behoort gij
-soms ook tot die beeldhouwers, wier Heracles [198] alleen aan de knots
-kenbaar is?—Ook uw bronnimf, Crinagoras, schijnt aan haar kruik gekend
-te moeten worden, in plaats dat gij het zachte, als ’t ware vloeibare
-harer leden over het diepst van haar wezen hadt uitgespreid.”
-
-Thans kwam hij bij eene groep van Parthenon-fries: jongelingen, die
-steigerende rossen optoomden.
-
-„Bij welke merrie, Lycius, hebt gij dien dikken kop, die stompe ooren
-gezien? Ook het geheel is te stijf, te houterig, te ouderwetsch! Zijt
-gij bij de Aegineten ter schole gegaan? Zulk ouderwetsch prulwerk zou
-zelfs Argeladas [199] niet goedgekeurd hebben!”—Zoo ging Alcamenes te
-werk, berispte nog dit en dat in het bijzonder en scheen in zijn vuur
-geneigd, om het beeld van den leerling stuk te slaan, hetgeen hem
-dikwijls overkwam, wanneer de toorn zich van hem meester maakte.
-
-Agoracritus naderde en nam, naar zijne gewoonte, den armen leerling
-tegen den driftigen Alcamenes in bescherming. Dezen steeg het bloed
-naar het hoofd en gaf hem een scherp antwoord.
-
-Op dit oogenblik echter naderde Phidias en onder zijne geleide een paar
-menschen, die in ’t geheel geen vreemdelingen waren in deze werkplaats.
-
-Hoe hadden Pericles en Aspasia zich het genot kunnen ontzeggen nu en
-dan een blik te gaan werpen op de rustige vorderingen van die grootsche
-ontwerpen?
-
-Zij waren gekomen en hadden den meester midden onder de schare zijner
-leerlingen gevonden, tusschen zijne kleimodellen, nog onvoltooide
-werken en half gehouwen marmerblokken; zij vonden hem minder
-spraakzaam, strenger, ingetrokkener, meer in zich zelven verdiept dan
-ooit te voren.
-
-Toen Alcamenes de Milesische zag, deed hij zijn best onverschillig en
-opgeruimd te schijnen, en de nog niet geheel verkropte spijt te
-verbergen, die hij bij de vluchtige ontmoeting op de Agora had laten
-doorschemeren. De sombere Agoracritus echter deed volstrekt geen moeite
-om den wrok te verhelen, dien hij nog steeds tegen Aspasia koesterde.
-Hij ging op zij en sprak geen enkel woord tot de beide aanzienlijke
-bezoekers.
-
-Daar dezen bij hun binnentreden in de zaal nog iets van den
-woordenstrijd tusschen Alcamenes en Agoracritus hadden opgevangen, viel
-het gesprek terstond op dat zelfde onderwerp en de levendige Aspasia
-sprak het onverholen uit, dat zij het volkomen met Alcamenes eens was,
-als hij de laatste sporen der overlevering van het ouderwetsche uit de
-kunst wilde weggenomen zien. Bij de beschouwing der ontwerpen en
-kleimodellen voor de kolossale gevelgroepen, voor de friezen en
-metopenbeelden, vond zij menig pronkstuk nog te hard en streng en zelfs
-de hoogste bloeitijd der kunsten scheen haar toe te langzaam te komen.
-
-Onverholen sprak zij haar meening uit.
-
-„De schoone Aspasia,” zei Phidias met een ernstigen lach, „zou willen,
-dat alles wat wij maken, zoo sierlijk, weelderig en bekoorlijk is, als
-zij zelve. Maar vergeet niet, Aspasia, dat wij beeldhouwers verplicht
-zijn in onze scheppingen niet het bloot menschelijke, niet het
-alledaagsch schoone en bekoorlijke, maar het bovenmenschelijke, het
-goddelijke voor te stellen en te belichamen.”
-
-„Phidias heeft misschien gelijk,” zei Pericles, „wanneer hij zich
-datgene, wat Aspasia streng, stijf, ouderwetsch noemt, niet geheel wil
-laten ontnemen. Wie weet of het ideaal van het schoone in de beeldende
-kunst niet op de smalle grens ligt, die de kuische, jonkvrouwelijke
-schoonheid van de weelderige, vol ontwikkelde scheidt. De hoogste en
-laatste trap der ontwikkeling is toch ook de eerste der daling;
-datgene, wat het gemoed met de reinste, edelste betoovering genoegelijk
-aandoet en verkwikt, moet dus een weinig aan deze zijde van dien
-hoogsten trap, niet daarop liggen.”
-
-„Ook al dat ik u, Phidias,” zei Aspasia, „nog zoo zeer tot het
-sierlijke, bekoorlijke en weelderige wilde aansporen en dat gij van uw
-kant de uwen tot dat zelfde doelwit opwektet, geloof ik toch, dat de
-juiste grens nog in langen tijd niet zou overschreden worden. Want
-zoover schijnen mij uwe leerlingen nog van het al te sierlijke en al te
-weeke verwijderd, dat zelfs, wanneer zij met alle krachten er zich op
-toelegden, zij het bezwaarlijk zouden bereiken. Ik zeg niet, dat gij
-langzaam zijt, maar de weg is lang.”
-
-„Wanneer ik de beelden van Phidias beschouw,” zei Pericles, het gesprek
-eene andere wending gevende, daar hij vreesde dat Phidias zich
-beleedigd mocht achten door Aspasia’s woorden, „of de zangen van
-Homerus hoor, dan vind ik, dat zij verheven zijn in hun bekoorlijkheid
-en bekoorlijk in hun verhevenheid. Zij zijn verheven, zooals ieder
-weet, en zij zijn bekoorlijk, zooals niemand loochent, en schoon noemen
-wij ze misschien juist hierom, omdat ze beide zaken in zich bevatten.”
-
-„Daar kan ik mij mede vereenigen,” zeide de steenhouwer Socrates, van
-zijn werk opziende, daar hij tot dusverre vlijtig aan een marmerblok,
-dat hem aangewezen was, had zitten beitelen. „Lang heb ik bij mij
-zelven nagedacht, wat toch de schoonheid is; nu zijn mij Pericles’
-woorden als eene lichtstraal in mijne ziel gevallen.—Als het verhevene
-met het bekoorlijke verbonden, als eene liefelijke verhevenheid en eene
-verhevene liefelijkheid zou men alzoo het schoone kunnen beschrijven.
-En wanneer Aspasia en Pericles weder eens over de juiste grenzen der
-ontwikkeling in de kunsten spreken, zoo behoeven zij slechts te zeggen,
-dat het schoone om schoon te blijven, nooit alleen bekoorlijk en nooit
-alleen verheven, maar steeds beide te gelijk moet zijn. Gaven mij toch
-de Goden bij elken beitelslag, dien ik hier in Phidias’ werkplaats zal
-slaan, deze les gedachtig te zijn, in ’t bijzonder als ik de hand leg
-aan het wijgeschenk, dat ik voornemens ben aan de Godin van Phidias op
-den dag, dat haar feestgebouw op Acropolis zal ingewijd worden, op te
-dragen.”
-
-„Hoe?” riep Aspasia uit, „de nadenkende steenhouwer zal nu ook als vrij
-scheppend beeldhouwer zijne krachten beproeven?”
-
-„Ja zeker,” hernam Socrates. „Wel is waar hebben Phidias en Alcamenes
-mij niets van het beeldwerk voor het nieuwe Parthenon opgedragen, om
-het zelfstandig uit te voeren, en toen ik verzocht mij zulken
-verhevener arbeid toe te vertrouwen, ben ik door Alcamenes met dien
-spottenden lach afgewezen, dien hij zoo meesterlijk verstaat. Bij Zeus,
-ik heb zoo goed als iemand van Phidias geleerd, den volkomen eironden
-vorm van het gelaat te teekenen, het hoofd klein, maar fijn en schoon
-geëvenredigd te vormen, voorhoofd en neus op bijna gelijke lijn te
-plaatsen, de wenkbrauwen in scherpe trekken te doen uitkomen, het oog
-rond en diep uit te hollen, de neusvleugels zacht af te doen loopen, de
-kin mollig te ronden, haar en baard golvend voor te stellen. Niet
-altijd wil ik ruwe marmerblokken houwen en gedachten van anderen, als
-een machinaal werkman helpen belichamen. Ik wil een wijgeschenk
-scheppen en trachten met kunstvaardige hand een zelfopgevat, helder,
-rein begrip in den steen door de beeldende kunst voor te stellen.”
-
-„Welk zelfopgevat, rein begrip is het dan, dat gij, zooals ge zegt, in
-het marmer wilt belichamen?” vroeg Aspasia.
-
-„Daar zult gij wel van hooren,” hernam Socrates, „het betaamt immers
-niet over den arbeid van een leerling te spreken, alvorens gij van het
-werk des meesters, van de Goddelijke Pallas Athene, zooveel gezien
-hebt, als heden daarvan te zien is.”
-
-Pericles en Aspasia verlangden zeer datgene van Phidias’ werk te zien,
-wat gereed was. Phidias echter zeide:
-
-„Gij zult thans slechts brokstukken daarvan zien, want zooeven werd het
-kleimodel stuk gezaagd, zooals dat vereischt wordt voor kunstwerk in
-goud en ivoor.”
-
-Pericles en Aspasia echter zouden voorloopig voldaan zijn, als zij dit
-mochten zien en op hun verlangen geleidde Phidias hen met Socrates en
-Alcamenes naar eene der ruime zalen. Daar wees hij hun een houten
-voorwerp, waaromheen de gedaante der Godin uit goud en ivoor, evenals
-vleesch en vel, moest worden aangebracht. Naast de arbeiders, die bezig
-waren het kleimodel van het grootsche werk in stukken te zagen, zag men
-anderen, die olifantstanden, van uitnemende schoonheid en grootte,
-zooals Indië die voortbrengt, in dunne platen te zagen, waarvan elk
-weder zorgvuldig bewerkt moest worden om een der deelen van het model
-uit te maken.
-
-Pericles en Aspasia beschouwden met aandacht de geweldige brokstukken
-van den doorgezaagden Colossus.
-
-Ook deze brokstukken gaven aanleiding tot nadenken en gelukkigerwijze
-was juist het hoofd der Godin nog geheel en ongedeerd. Dit konden zij
-dus naar hartelust beschouwen en zich laten medeslepen door de hooge
-gedachtenvlucht des meesters, die zich in de heerlijke, diepzinnige
-trekken dezer nieuwe „Pallas Athene des vredes” openbaarde...
-
-Wat in dat beeld zich afspiegelde, was de geestelijke kracht, het was
-het licht van het heldere verstand, dat opstijgt uit de diepten.
-
-„Zoo schoon en diepzinnig, als het gelaat der Godin ons daar
-tegenstraalt,” zei Pericles, „schijnt zij ons waarlijk als eene die
-niet uit eene vrouw is geboren, maar voortgekomen is uit het hoofd van
-haar vader Zeus.”
-
-„In het hoofd echter,” viel Socrates in, die naar het rechte begrip der
-dingen steeds zocht en onmiddellijk van die opmerking partij trok, „in
-het hoofd zetelen, zooals bekend is, de gedachten. Wat is dus Pallas,
-die uit het hoofd haars vaders voortgekomen is, anders dan de bezielde
-en belichaamde gedachte van Zeus? O, gij gelukkige, door de Goden rijk
-gezegende Phidias, die geroepen zijt het hoogste, dat er bestaat, de
-gedachte voor te stellen!—Ik arme stumpert, ik zoek naar haar mijn
-leven lang, de reine gedachte en zou haar gaarne door mijn peinzen uit
-het hoofd van Zeus in het mijne overbrengen, evenals eene spattende
-vonk, maar ik kan haar maar nooit vatten. En Phidias hier neemt slechts
-een beetje leem, een beetje klei en kneedt ze, en onder zijne handen
-ontstaat uit het leem een beeld, dat mij de oogen verblindt, wanneer ik
-het aanschouw en mij dwingt uit te roepen: „Dat is de gedachte—de
-gedachte van Zeus!”—Dat echter Phidias gelijk heeft, wanneer hij de
-gedachte, zooals hij die daar belichaamd heeft, Pallas Athene noemt, de
-schitterende schutsgodin van alle Grieken, vindt duidelijk zijne
-verklaring in de meeningen der wijzen over de gedachte en der dichters
-over Pallas Athene. Afgezien van de bekende geboorte uit het hoofd van
-Zeus, verzekeren de dichters aangaande Pallas Athene, dat zij
-maagdelijk, voorts ook dat zij van eene mannelijke en vrouwelijke
-natuur tevens is, geheel in tegenstelling met de Godin der liefde, die
-niets met de gedachte gemeen heeft, maar geheel opgaat in de schoone
-gewaarwordingen en in de onbewust voortbrengende werken der liefde. Wie
-echter zal loochenen, dat ook de gedachte maagdelijk en mannelijk en
-vrouwelijk te gelijk is? De gedachte is koel, als het licht der
-sterren, en blijft zelfgenoegzaam in hare reine, heldere sfeer; slechts
-haar tegenhanger, het gevoel, is enkel gloed en brengt voort en gaat op
-in de werken der liefde. En het ontzetting verspreidende Gorgonenhoofd,
-’t welk de dichters en de beeldhouwers op het schild der Godin Pallas
-Athene plaatsen, wat is het toch anders, dan de afschuw van den
-overwonnen nacht, welke de zegevierende gedachte als tropee in haar
-schild voert? Zoo is het dan aan geen twijfel onderhevig, dat Phidias
-de gedachte heeft willen voorstellen, opdat wij echter ook steeds mogen
-zeggen als het ons beter voorkomt, dat het hoofd daar vóór ons het
-hoofd is van de Godin Pallas Athene...”
-
-De ernstige Phidias glimlachte bij deze woorden; Alcamenes echter viel
-den spreker in de rede en klopte hem met goedkeurenden blik op de
-schouders en prees zijne woorden. Aspasia zei:
-
-„Wanneer Phidias, zooals gij beweert, Socrates, de macht der ijle
-gedachten heeft willen belichamen, heeft hij wellicht, terwijl hij ze
-schiep, niet eens aan die gedachte gedacht”—
-
-„Dat wedervaart andere vaders ook wel eens,” hernam Socrates.
-
-„U overkomt dat zeker nooit!” riep Alcamenes met schalkschen lach den
-denker aanziende.
-
-„Neen,” hernam Socrates, „maar waarom maakt gij u ten mijnen koste
-vroolijk? Denken is beter dan niet te denken. Mogen de Goden al hun
-lievelingen het beste in den droom beschikken, wij moeten steeds
-trachten ons met wakkere zinnen te behelpen. Gij hebt u ongetwijfeld er
-over verwonderd, Aspasia, dat ik u zoo dikwijls naar het wezen der
-liefde heb gevraagd. En toch kon ik niet anders. Evenals Phidias het
-zegevierend licht der gedachte in het beeld van Pallas Athene heeft
-belichaamd, zoo zou ik in een beeld van Eros de liefde willen
-teruggeven. Gij zult toch zeker niet beweren dat Eros een verachtelijke
-God is; vele wijzen noemen hem zelfs den oudsten en eersten van alle,
-en wanneer de liefde, naar het schijnt, boven alles een streven, een
-zoeken, een verlangen is, dan mag ik toch wel zeggen, dat die God
-eigenlijk de mijne is. Om echter nauwkeuriger met hem bekend te worden,
-ben ik, gelijk gij weet, dikwijls vragend en onderzoekend bij de
-menschen rondgegaan.”—
-
-„Dat is waar,” viel Alcamenes lachend in, „gij zijt meer op de Agora en
-op de zuilengaanderijen en andere openbare plaatsen te zien geweest,
-dan hier in Phidias’ werkplaats. Deze man schijnt waarlijk door eene
-bijzondere onrust gedreven te worden. Eerst hakt hij een halven dag als
-een dolleman op zijne marmerblokken, dan laat hij eensklaps zijne
-gereedschappen vallen en staart peinzend een uur lang voor zich uit.
-Dan springt hij op en loopt weg en komt in een halven dag niet terug.
-Gij wilt een Eros beitelen? Nu, zeg dan toch wanneer? Weet gij wel,
-mijn waarde, dat onze meester Phidias u den traagsten zijner leerlingen
-noemt?”
-
-„Ik weet het,” hernam Socrates, „maar ik herinner mij ook, dat gij ook
-niet zelden den beitel wegwerpt en wegijlt, met of zonder voorwendsel,
-en, evenals ik, de liefde naloopt, naar men zegt, zonder toch eigenlijk
-veel naar haar begrip en karakter te vragen.”—
-
-„Gij hebt gelijk,” hernam Alcamenes lachend, „ik vraag in ’t geheel
-niet naar haar begrip. Maar wie zegt u, dat ik altijd de liefde naloop,
-als ik mij uit de werkplaats verwijder?”
-
-„Niet altijd gaat gij zelf weg,” zei Socrates, „soms zendt gij slechts
-een handlanger of zelfs den dollen Meno, als hij hier juist
-rondslentert, met briefjes aan de schoone Corinthische Theodota.”—
-
-Wederom lachte Alcamenes en Socrates vervolgde:
-
-„Mijn vriend Anaxagoras heeft den hartstocht der liefde eene ziekte
-genoemd: ik weet echter niet of zij eene gewone ziekte is en met
-artsenijen moet behandeld worden, of eene goddelijke, zooals de
-geestvervoering der dichters of de verrukking der Delphische
-priesteres. Dat de God der liefde vleugels moet hebben en eene
-knapengestalte, weet ik: hoe ik hem overigens moet voorstellen, ernstig
-of vroolijk, met de oogen naar boven of naar beneden gericht,—waarlijk,
-ik zou gaarne willen weten, Aspasia, hoe gij het zoudt aanleggen de
-liefde voor te stellen, als gij een der onzen waart in deze werkplaats
-van Phidias.”
-
-„Ik zou het niet gaarne beproeven haar voor te stellen,” zei Aspasia.
-„De liefde is een gevoel, en een gevoel heeft geene gestalte. Waarom
-wilt gij voorstellen, wat geene gedaante heeft? Stel in de plaats van
-de liefde, datgene wat de liefde opwekt, het beminnenswaardige, het
-schoone. Want dit heeft eene gestalte en is vleeschelijk zichtbaar en
-tastbaar en met alle zintuigen waarneembaar. En gij behoeft niet eerst
-lang te peinzen en rond te gaan bij de menschen, om er naar te vragen,
-maar slechts eenvoudig na te maken wat uw oog het schoonst en
-bekoorlijkst aandoet.”
-
-Socrates dacht eenige oogenblikken zwijgend na en sprak toen:
-
-„Niets is juister, dan wat gij zegt, Aspasia. Ik zal Eros laten varen
-en trachten de Chariten te beitelen. Want dezen zijn het toch ook nu
-weder, waarop gij al zoo dikwerf mijne aandacht vestigt, als op de
-eigenlijke Godinnen der schoonheid en bekoorlijkheid. Aphrodite is wel
-is waar schoon, maar zij is niet alleen de Godin der schoonheid, ook en
-veel meer de Godin der liefde: in haar wezen is de schoonheid reeds met
-de liefde gemengd; bij de Chariten echter is zij nog rein en vrij op
-zich zelve en, om mij zoo uit te drukken, zelfgenoegzaam in hare
-goddelijkheid. Ik zal dus de Chariten beeldhouwen en als wijgeschenk
-aan de Godin van Phidias op de burg plaatsen. Maar evenals vroeger de
-liefde, moet ik nu op alle mogelijke wijze de schoonheid onderzoeken.
-Waar vind ik nu het schoonste en bekoorlijkste te gelijk, om het
-„eenvoudig na te maken,” zooals Aspasia straks zeide?”
-
-„Wanneer gij het bekoorlijkste, dat men slechts zien kan, zoekt,” zei
-Alcamenes glimlachend, „dan kan ik u een goeden raad geven. Tracht de
-schoone Corinthische, van wie gij zooeven spraakt, te zien dansen.”
-
-„De Corinthische Theodota?” vroeg Socrates. „Ik heb de bevalligheid
-harer dansen meermalen hooren roemen. Maar wie zou ons het genoegen de
-Corinthische danseres te zien en te bewonderen, beter kunnen
-verschaffen, dan gij zelf, Alcamenes, haar welsprekendste lofredenaar
-en vriend?”
-
-„Waarom niet?” hernam Alcamenes opgeruimd. „Wie de hoogste
-bekoorlijkheid, die de gestalte eener vrouw in dansen, vol uitdrukking,
-kan ten toon spreiden, wil genieten, die moet naar Theodota gaan zien
-en ik zal een ieder, die het wenscht, zonder afgunst den toegang tot
-dit genot openstellen.”
-
-Deze woorden van Alcamenes waren niet zonder geheime boosaardigheid
-tegen Aspasia. Met opzet roemde hij in tegenwoordigheid van Pericles’
-vrienden en Pericles zelven de bevalligheid en bekoorlijkheid van eene
-andere vrouw.
-
-De schoone danseres en hetaere Theodota was door toedoen van Alcamenes
-van Corinthe naar Athene overgekomen.
-
-De aanleiding daartoe was zeer eigenaardig geweest.
-
-Toen namelijk Alcamenes gemerkt had, dat hij van het bezit van Aspasia,
-waarvan hij zich vroeger zeker geloofde, moest afzien, was hij door
-eene heimelijke spijt en ergernis tegen de preutsche Aspasia
-aangegrepen. Maar hij was te jong, te opgeruimd, te luchthartig, dan
-dat om dit verlies het heimwee knagen zou aan zijn gemoed; zijn streven
-was slechts hierop gericht een werkelijk geluk, een werkelijk
-liefdegenot voor datgene, wat hij zich te vergeefs had voorgespiegeld,
-in de plaats te stellen.
-
-Een zeer rijk Corinthiër had hem een klein beeldwerk in marmer
-opgedragen. Alcamenes had zich van die opdracht gekweten en het
-voltooide werk naar Corinthe gezonden. De Corinthiër was verrukt over
-de bekoorlijkheid en zeldzame bewerking van dit stuk en schreef
-Alcamenes dat hij voor dit meesterwerk elke belooning, die hij maar
-wilde, kon ontvangen; wat ooit de wensch zijns harten geweest was, zou
-hem gegeven worden.
-
-Daarop schreef de jonge beeldhouwer met zijn gewonen overmoed aan den
-Corinthiër het volgende terug:
-
-„Het is bekend, dat gij in uw rijk en weelderig Corinthe sedert lange
-tijden de schoonste „vriendinnen” hebt, die in geheel Hellas te vinden
-zijn. Daar gij mij voor mijne marmeren groep elken wensch wilt
-bevredigen, verzoek ik u mij die schoone, welke tegenwoordig te
-Corinthe den grootsten roep heeft, op uw kosten voor eene maand naar
-Athene te zenden en haar mede te deelen, dat zij voor die maand mij
-uitsluitend als model moet dienen voor mijne beeldwerken.”
-
-De rijke Corinthiër lachte, toen hij deze regels las en weinige dagen
-later bevond zich de schoonste hetaere van Corinthe, de danseres
-Theodota, te Athene bij Alcamenes.
-
-Alcamenes was er zeer mede in zijn schik en heugde zich een maand lang
-in het bezit van de geroemde schoone, op kosten van den rijken
-Corinthiër.
-
-Toen de maand verstreken was en de verplichtingen der schoone Theodota
-ophielden, gevoelde zij weinig lust naar Corinthe terug te keeren, zij
-had Athene lief gekregen en besloot daar te blijven.
-
-Alcamenes bleef voor haar eene bestendige vriendschap koesteren en
-roemde haar bij allen, die het hooren wilde, als de schoonste vrouw van
-Hellas.
-
-Hij verzuimde nooit er bij te voegen, dat zij bekoorlijker was, dan de
-alom geprezene Milesische Aspasia, die meer door sluwheid dan door
-schoonheid Pericles in hare netten had gevangen.
-
-Toen nu Alcamenes in tegenwoordigheid van Aspasia die woorden tot lof
-van Theodota tot Socrates sprak, begreep zij aanstonds de bedoeling van
-den gekrenkten jongen man. Zij bemerkte, dat hij heimelijk hare
-ergernis wilde opwekken door eene andere schoone te prijzen, vooral in
-de tegenwoordigheid van haar zelve en Pericles. Met de snelheid en
-gevatheid van den vrouwelijken geest had zij oogenblikkelijk hare
-gedachten geregeld en haar besluit genomen.
-
-Onder de overwegingen, die snel als de bliksem door haar geest gegaan
-waren, was ook deze geweest, welken indruk wel de door Alcamenes
-gesproken woorden op het ontvankelijk gemoed van Pericles hadden
-gemaakt. Zij overdacht, dat Pericles op de gedachte kon komen, de
-schoone Corinthische te gaan zien en aan deze begeerte zou voldoen
-zonder het gezelschap zijner vriendin. Dat Pericles in hare afwezigheid
-Theodota zou ontmoeten, kwam haar niet wenschelijk voor; minder beducht
-was zij, als zij zelve bij die ontmoeting tegenwoordig ware. Zij wist
-wat zij tegenover alle andere vrouwen in de weegschaal kon leggen. Wat
-Alcamenes betrof, meende zij zijne booze handelwijze niet beter te
-kunnen straffen, dan door hem te toonen, hoe weinig zij om dergelijke
-plagerijen gaf.
-
-Bij deze afdoende gronden voor haar besluit kwam nog een laatste; zij
-zelve verlangde vurig de door Alcamenes zoo hoog geprezene Corinthische
-schoone te zien.
-
-Zoo was het tot geene geringe verbazing van Alcamenes, dat zij zelve
-zijn aanbod om ieder, die het verlangde tot haar te voeren, aannam.
-
-Opgeruimd en onbeschroomd sprak zij:
-
-„Als gij, Alcamenes, in staat zijt, ons den weg te openen tot het
-schoonste en bekoorlijkste, wat gij kent, tot de danseres Theodota, dan
-ware het dwaasheid van Pericles, Socrates, mij zelve en iedereen, die u
-hoort, u niet aanstonds aan uw woord te houden, en u niet uit te
-noodigen zonder dralen eene zoo aanlokkende belofte te vervullen.”
-
-„Ik onderstel,” hernam Alcamenes gevat, „dat gij, schoone Aspasia,
-zoowel uit uw eigen naam, als ook uit dien van Pericles en Socrates,
-hebt gesproken.”
-
-Pericles bedacht zich een oogenblik, doch verklaarde toen, dat hij
-geene bezwaren had tegen het verlangen der schoone Aspasia. „Wij gaan,”
-zeide hij, „dezen weg alleen in gezelschap van Socrates en om
-zijnentwil: een wijze te volgen, kon toch nooit iemand tot schande
-strekken.”
-
-„Onze vurige Alcamenes,” zei Socrates, „is een vriend van rassche en
-koene besluiten. Zie, hoe hij zich reeds verheugd de handen wrijft en
-naar zijn Thessalischen hoed grijpt. Ik wed, dat hij ons nu geen rust
-meer laat, maar zich vast voorgenomen heeft, oogenblikkelijk langs den
-kortsten weg uit Phidias’ werkplaats naar de woning der schoone
-Theodota te voeren.”
-
-„Juist zoo,” antwoordde Alcamenes levendig. „Onze meester Phidias is
-onder ons laatste gesprek reeds weggeslopen. Ik raad u hem niet door uw
-afscheid te storen in zijne berekeningen en overpeinzingen. Hier in de
-nabijheid is een uitgang, de deur is open, de straat vrij, de woning
-van Theodota niet ver—laat ons gaan!”
-
-Het huis van Theodota was weldra bereikt.
-
-Men behoefde niet te vreezen, dat men de schoone ongelegen kwam.
-Alcamenes ging even binnen, om het gezelschap aan te kondigen. Hij
-keerde aanstonds terug en verzocht zijnen vrienden hem te volgen.
-
-Hij voerde hen in de binnenvertrekken van Theodota. Deze waren met
-overdadige weelderigheid ingericht. Overal bevonden zich zachte
-aanligbedden met purperen kussens, de grond was met mollige tapijten
-bedekt; welriekende geuren stegen uit sierlijke schalen omhoog. Een bed
-met purperen behang werd door de bevallige liefdegoden gedragen.
-Sieraden en gewaad lagen in schilderachtige wanorde rondom verspreid.
-Zachte sandalen, haarbanden, kostbare gordels, blanketdoozen,
-zalfdoozen, ringvormige spiegels van blank gepolijst metaal met rijk
-versierde handvatsels, bekoorlijk schoone zonneschermen en
-veelkleurige, bladvormige waaiers, Cypria’s geheele tuighuis; te midden
-daarvan kleine kunstwerken uit brons of marmer, deels geschenken van
-Alcamenes, aarden werktuigen met goud en ivoor ingelegd, verwelkte en
-frissche kransen van allerlei soort: dat alles maakte in zijne bonte
-mengeling bij den eersten aanblik een overweldigenden indruk op de
-binnenkomenden, een indruk, die door de welriekende geuren van het
-vertrek werd versterkt, terwijl van een der mollige bedden de schoon
-versierde hetaere zelve opstond, om haar gasten welkom te heeten.
-
-Theodota was schoon. Het haar was ravenzwart, het oog donker en vurig.
-De trekken waren fijn. Zij was sterk geblanket, de wenkbrauwen kunstig
-afgerond, de lippen rooskleuriger, dan zij in werkelijkheid waren. Zij
-droeg een gewaad met bloemen geborduurd en met rijken tooi beladen.
-Haar gewaad werd om het midden van haar lijf te zamen gehouden door een
-vergulden gordel met rijk versierden gesp en van allerlei smaakvolle en
-kunstige kostbaarheden voorzien. Haar hals, haar boezem, hare armen, ja
-zelfs hare voeten boven de enkels waren versierd met tooiselen,
-flonkerend van granaat of barnsteen. Ook het kleine, welgevormde oor
-prijkte met bellen van eene bekoorlijke schoonheid. Om het hoofd had
-zij een met paarlen bezaaiden metalen band.
-
-„Ik heb,” zei Alcamenes tot zijne bezoekers, „Theodota reeds verteld,
-waarom gij hierheen gekomen zijt en wat gij van haar verlangt.”
-
-„Alcamenes is wel dwaas,” zei Theodota glimlachend, „dat hij zoo opeens
-zulke aanzienlijke onverwachte gasten bij mij binnenleidt en mij geen
-tijd gunt om ze waardig te ontvangen.”
-
-„Gij hebt geen tijd daarvoor noodig,” zei Alcamenes, „gij zijt immers
-steeds dezelfde, en niet uwe woning geldt ons bezoek, maar u en uwe
-bekoorlijkheid en uwe kunst.—Een wijs en ernstig man ziet gij hier voor
-u,” vervolgde hij op Socrates wijzende, „en hij brandt van verlangen u
-te zien en uw dans te bewonderen. En meer nog aan dezen wijzen man,
-Theodota, hebt gij het te danken, dan aan mijne vurige woorden, dat
-heden zelfs de groote Pericles en de gevierde, kunstlievende Aspasia
-uit Milete over uw drempel gekomen zijn, om zich met eigen oogen van
-uwe beroemde kunst te overtuigen.”
-
-„Wat?” riep Theodota uit, „voor een wijze, voor een groot en vermaard
-staatsman en voor eene uitverkorene mijner kunne, die, naar het schijnt
-alle andere vrouwen van dezen tijd in schoonheid overtreft, moet ik het
-wagen mij te vertoonen en het weinige, wat ik vermag aan het oordeel
-van zulke rechters onderwerpen?”
-
-„Maak u niet ongerust, Theodota,” zei Pericles, „Alcamenes heeft u
-geprezen en Alcamenes weet het schoone op te sporen.”
-
-„Inderdaad,” voegde Socrates er schalks lachend aan toe, met een
-zijdelingschen blik op Aspasia, „hem ontmoet het schoonste altijd het
-eerst.”—
-
-„Dan moge hij het verantwoorden,” zei Theodota. „Preutsch te zijn voor
-wien dan ook ter wereld en te weigeren mijne kunst ten toon te
-spreiden, mag mij niet in de gedachte komen. Gij wilt mij zien dansen,
-gelijk honderden voor u wenschten, en ik wil dat verlangen bevredigen.
-Beschouwt u als mijne meesters. Wat wilt gij dat ik dansen en u daarin
-zal voorstellen? Welke Godin? welke heldin? welke mythe of
-geschiedenis?” Zij wendde zich met deze vraag vooral tot Pericles. Deze
-echter antwoordde:
-
-„Vraag dat aan dezen wijze, want deze is opzettelijk hier gekomen met
-bepaalde bedoelingen, zoodat het hem zeker zeer gewenscht zal zijn de
-voorstelling van uw dans te mogen kiezen. Zeg het dus openhartig,
-Socrates, wat gij wenscht dat Theodota zal dansen.”
-
-„Wanneer gij en Theodota zelve,” hernam Socrates na eenige oogenblikken
-nagedacht te hebben, „de keuze aan mij overlaat, dan weet ik niets
-beter dan Theodota te verzoeken den strijd der drie Godinnen [200] om
-den prijs der schoonheid op den Ida te dansen.”
-
-„Wat een heerlijk genot als gij beurtelings als Aphrodite, Hera, en
-Pallas Athene verschijnt en ons toont, hoe ieder van haar met dezelfde
-en toch naar ieders karakter fijn veranderde middelen den herder op den
-Ida zocht te betooveren en den prijs der schoonheid uit zijne hand
-trachtte machtig te worden. Alcamenes heeft mij beloofd dat ik hier zou
-ervaren, wat bekoorlijkheid is, en daarom willen wij Theodota
-noodzaken, zoo bevallig en bekoorlijk mogelijk te zijn en op zooveel
-verschillende wijzen, als maar denkbaar is.”—
-
-Nadat Theodota zich uit het vertrek had verwijderd, om aan haar gewaad
-en uiterlijk die verandering aan te brengen, die overeenkwam met den
-dans, dien zij zou voorstellen, zeide Socrates:
-
-„Wij zullen ons doel bereiken: want Theodota is niet als de meeste
-schoonen, die slechts terughoudend en droppelsgewijs afmeten, wat zij
-ons geven willen; maar zij zal ons, wat zij aan te bieden heeft,
-ruimschoots schenken en alles op eens als uit den hoorn van Amalthea
-[201] over ons uitstorten. Dan is de zaak afgedaan en kunnen wij naar
-huis terugkeeren. Ik zie wel, dat Theodota lief en zacht is, maar niet
-verstandig. Hoe zou Aspasia dansen, als zij wilde! Maar wie van ons,
-behalve de Olympiër Pericles, heeft haar ooit zien dansen?”—
-
-Nu kwam Theodota terug, korter gekleed en in een gewaad dat haar in de
-meest ongedwongen bewegingen niet belemmeren kon. Met haar trad een
-knaap binnen met eene lier en eene fluitspeelster. Deze begon te spelen
-en de knaap begeleidde haar met zijn snareninstrument. Onder die
-klanken echter begonnen zacht de bewegingen van Theodota zich te mengen
-en het was onmogelijk te zeggen, op welk oogenblik zij begonnen was te
-dansen.
-
-Zij danste, wat haar opgedragen was: eerst de strijd van Aphrodite om
-den appel, den eereprijs in de handen van Paris, dan die van Hera en
-vervolgens die van Pallas. Het was dezelfde dans, driemaal herhaald, en
-toch steeds geheel verscheiden, overeenkomstig het wezen en karakter
-der Godinnen. Zij scheen driemaal geheel veranderd. Bewonderenswaardig
-was het te zien, welk eene afwisseling zij met hare levendige
-bewegingen, sprekende oogen en doelmatige gebaren in dien strijd wist
-te brengen. Nu eens scheen het verzoek een zacht smeeken, een zoet
-vleien, een bekoorlijk dringen, eene verleidelijke bekoring, eene
-belofte van den innigsten dank, dan weder een fier, der zege bewust
-bevel, een meer gebiedend verlangen, dan ook een vleiend aandringen
-soms eene listige poging om met verleidelijk geweld den kampprijs aan
-de hand des rechters te ontwringen. Daarbij kon zij iedere
-bekoorlijkheid van haar schoone gestalte in houding, beweging en
-gebaren doen uitkomen. En daar ieder fijn uitgedachte, elke sprekende
-trek driemaal voorkwam, steeds overeenkomstig het wezen der Godin, wist
-men niet, wat meer te bewonderen, de rijkdom harer vinding en de
-afwisseling van het geheel of de bekoorlijkheid en volkomenheid in elk
-gebaar en iederen trek.
-
-Nog moet vermeld worden dat Theodota onder het dansen hare vurige oogen
-vol van die afwisselende doch steeds smeekende uitdrukking schier
-onafgebroken op Pericles gevestigd hield. Hem maakte zij tot het
-doelwit harer mimiek, in hem scheen zij Paris te zien en uit zijne
-handen scheen zij den kampprijs te willen ontvangen.
-
-Toen Theodota haar dans geëindigd had, zwaaide Pericles haar hoogen lof
-toe over de bevalligheid en volkomenheid der kunst, waarmede zij zich
-van hare taak gekweten had.
-
-„De taak, die gij de schoone Theodota hebt opgedragen,” zei Alcamenes,
-„was niet zoo heel moeilijk: zij zou andere en veel zwaardere rollen
-tot uwe grootere verbazing vervuld hebben. Zij is in staat niet alleen
-de teederheid der duif en de woestheid van den leeuw, maar als het
-noodig is, ook het zachte klateren eener beek of het opflikkeren van
-het vuur of het suizend trillen van een boom na te bootsen.”
-
-„Ik twijfel er niet aan,” zei Pericles, „dat zij ook in staat is, als
-die danser, dien ik onlangs gezien heb, zelfs de letters van het
-alphabet, de eene na de andere, door het gebarenspel harer wonderlijke
-lenige en teedere ledematen uit te drukken.”
-
-„En wat hebt gij ons van Theodota te zeggen,” vroeg Alcamenes, Socrates
-op den schouder kloppende, die gedurende den dans geen blik van de
-danseres had afgewend, en nu daar stond, naar het scheen, in diepe
-gedachten verzonken.
-
-„Ik zal leeren dansen!” hernam hij ernstig. „Ik kende tot heden slechts
-eene wijsheid van het hoofd en de gedachte; nu weet ik, dat er ook eene
-wijsheid der handen en voeten is.”
-
-De omstanders lachten en meenden dat de peinzer met zijne gewone ironie
-sprak. Doch Socrates ging voort:
-
-„De rhytmus is maat en maat is zedelijkheid. Zulk eene schoone rhytmus
-van het lichaam als ons Theodota getoond heeft, moet noodzakelijk ’s
-menschen geheele wezen met hart en liefde voor de schoone maat
-vervullen. Men moet, als men dit eens gezien heeft, noodzakelijk al wat
-plomp, ruw, gemeen en onbehouwen is verachten. Ik benijd u Theodota den
-schoonen rhytmus dien gij in uw lichaam en uwe ziel bezit.”
-
-„Ik verheug mij zeer,” hernam Theodota glimlachend, „als ik dien
-schoonen rhytmus werkelijk bezit en er anderen genot mede verschaffen
-kan; want het is mijne bezigheid en mijne kunst te behagen en genot te
-verschaffen. Deze kunst echter schijnt mij bij den dag in Griekenland
-moeilijker te worden. Voor uw door de kunst verwend oog, is de schoone
-natuur in de vrouw niet langer voldoende. Gij verlangt, o mannen, dat
-wij ons tooien met iedere bekoorlijkheid der kunst, zoo wij u willen
-aantrekken of aan ons boeien.—Intusschen,” voegde Theodota er met een
-bekoorlijk lachje bij, „hoe zwaar gij ons vrouwen de kunst ook maken
-moogt om te bekoren, ik zal niet ophouden dit beroep als het schoonste,
-en met uw verlof, ook als het mijne te beschouwen.”
-
-„Klaarblijkelijk,” zei Socrates, „behoort gij niet tot die vrouwen, die
-slechts aan een enkelen man zoeken te behagen en die men gewoon is
-verliefden of minnenden te noemen.”
-
-„Neen, bij de Goden!” viel Alcamenes in; „tot deze behoort zij niet.
-Zij is de schrik van alle dweepzieke jongelingen, die over liefde bij
-haar komen zeuren. Gisteren nog beklaagden de jonge Damoetas zich bij
-mij, dat gij hem de deur gewezen hadt, Theodota, omdat hij u te
-zwaarmoedig geworden was.”
-
-„Ja, waarlijk,” hervatte Theodota. „Ik spot met de boeien niet alleen
-met die van Hymen, maar ook van Eros. Ik ben geen priesteres der
-liefde, maar een dochter der vreugde!”
-
-„Ik bewonder u, Theodota,” zei Socrates. „Want gij schijnt mij niet
-alleen het schoonste, maar ook het menschlievendste aller beroepen
-gekozen te hebben. Welk een zelfverloochening oefent gij uit, Theodota,
-welk een zelfopoffering. Gij versmaadt het de lafenis te zijn in den
-beker van een enkelen man, geëerd eene plaats in te nemen aan den
-huiselijken haard, gij verkiest het als een dun wolkje in de lucht te
-stijgen en heen te trekken over alle landen en u in een bloemenregen
-van vreugde over de hoofden der menschen uit te storten. Gij doet
-afstand van den huiselijken vrede, van de eer der gade, van het geluk
-der moeder en den troost des ouderdoms, alleen om de vermeerderde
-behoefte naar schoonheid en genot in den boezem der mannen van Hellas
-te bevredigen. En niet alleen Hymen’s keten veracht gij—gij tart zelfs
-met dartelen overmoed, ja schier met Prometheïsche [202] fierheid, de
-toorn van Eros, den wraakgierigsten aller Goden. En het is u niet
-onbekend, hoe kort de bloei der schoonheid en der jeugd duurt. Toch
-staat gij daar, vol verloochening en zelfopoffering, als een bloeiende
-boom in de maand Maart en zegt: „Plukt ze maar allen en schudt ze af de
-bloesems mijner kortstondige lente en vlechte er wie wil een ruiker van
-voor weinige dagen. Ik wil geen vruchtboom zijn, ik wil alleen bloesems
-voortbrengen!”—Welk een opoffering, Theodota, welk een
-zelfverloochening! Mogen de Goden en menschen u daarvoor zegenen en de
-Chariten eenmaal uw lichaam onder rozen begraven!”
-
-Zoo sprak Socrates.
-
-Theodota bedankte hem met een bekoorlijken glimlach. Zij was maar al te
-goed vertrouwd met de eigenaardigheden der verschillende menschen, dan
-dat de taal van den zonderlingen man haar had kunnen bevreemden.
-
-„Gij schat mijne verdiensten te hoog,” zeide zij.
-
-„Ik heb nog lang niet alles gezegd,” hernam Socrates.
-
-„Dat moge u een rede zijn, eens weder te komen,” antwoordde Theodota.
-
-Zoo hielden zij beiden nog een poosje het gesprek gaande. Daar de
-anderen thans er zich in mengden, werd het onderhoud levendiger en
-Theodota vond gelegenheid om menigen vurigen blik op Pericles te slaan,
-menig veel beteekenend woord tot hem te richten.
-
-Pericles beantwoordde dit op vriendelijke wijze, die hem tegenover
-vrouwen eigen was.
-
-Aspasia nam de verhouding van beiden nauwkeurig waar maar zonder de
-hartstochtelijke verblinding van andere vrouwen. Zij zelve predikte de
-boodschap der vrije, vroolijke liefde en kantte zich openlijk tegen de
-slavernij aan, niet alleen in den echt, maar ook in de liefde.
-Bovendien wist zij, dat eene vrouw, die ijverzucht verried, verloren
-was. Ook bleef zij zich van den afstand bewust, die Theodota van haar
-scheidde.
-
-Theodota vervulde, zorgeloos daarheen levende, hare nimfenbestemming.
-Aspasia zou nooit in zulk een beroep bevrediging kunnen vinden.
-Oneindig ver was zij verwijderd van die zelfopoffering, die de
-zonderlinge Socrates in zoo wonderlijke taal bij Theodota had geprezen.
-
-Zij offerden den bloesem harer lente niet aan het ruwe zingenot der
-menigte op, zij had een heerlijker doel gezocht en gevonden; zij werd
-bemind en beminde—ofschoon dan ook met die levenslustige, vrije
-opwekkende liefde, die zij predikte. En wat de middelen betrof, te
-betooveren, te boeien: Theodota schonk wat zij had zorgeloos weg en had
-weldra niets meer te geven. Aspasia’s rijk, diep, gemoed was
-onuitputtelijk.
-
-Toch achtte Aspasia het niet overbodig er op bedacht te zijn, hoe zij
-hare medeminnares de gelegenheid om zelfs eene vluchtige en
-voorbijgaande verovering te maken, zou kunnen ontnemen. Snel was in
-hare ziel een plan gerijpt en het bezoek bij de schoone Corinthische
-bleef niet zonder gevolg.
-
-Toen Pericles, Aspasia, Alcamenes en Socrates het huis van Theodota
-hadden verlaten, vroeg de beeldhouwer zijn vriend:
-
-„Welaan, beste Socrates, wat hebt ge voor uwe groep der Chariten bij
-den drievoudigen dans der bekoorlijke Theodota geleerd?”
-
-„Veel, wonderbaar veel,” antwoordde de aangesprokene. „Ik weet nu, wat
-de trits der Chariten beteekent, wat ieder voor zich zelve en wat allen
-te zamen uitdrukken. Maar het moet thans nog mijn geheim blijven; want
-het is tijd den beitel ter hand te nemen en het marmer te laten
-spreken. Gij zult ervaren, wat ik heden bij Theodota heb geleerd,
-wanneer de groep mijner Chariten voltooid op de Acropolis staat.
-Ontvang voorloopig mijn dank, dat gij mij vriendschappelijk op den weg
-hebt geleid, dien ik bewandeld heb om der wille van die schoone en
-wijze vrouw, die mij gelast heeft aan de Chariten te offeren.”
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-ANTIGONE [203]
-
-
-Wanneer men in de lentemaand Elaphebolion [204] van het vierde jaar der
-vierentachtigste Olympiade het huis van den rijken Hipponicus te Athene
-voorbijging, zou men fluitspel en mannenstemmen, die zich oefenden voor
-een reizang, kunnen hooren, daar het geluid uit het binnenste van het
-huis voorkomende, tot op de straat doordrong.
-
-Hetzelfde kon men vernemen, als men het huis van den rijken Pyrilampes
-en dat van den rijken Midas en dat van den rijken Aristocles en de
-huizen van andere rijke Atheners voorbijging. Het scheen bijna, alsof
-de beitelslagen wederom overstemd zouden worden door de tonen van
-fluiten en het snarenspel en de stemmen van kunstvaardige zangers, die
-de liederen der dichters zongen. Want het feest ter eere van Dionysus,
-de Dionysiën, was wedergekeerd en daarmede de tijd aangebroken, dat de
-Atheners, met achterstelling van alle belangen, zich bezig hielden met
-de dramatische voorstellingen in het theater van Dionysus.
-
-De stukken waren, overeenkomstig het gebruik, door de dichters bij den
-tweeden Archont ingediend. Deze had naar het oordeel van deskundigen
-die stukken uitgekozen, welke het best geschikt waren voor de
-opvoering; de tooneelspelers, welke daarin zouden optreden, werden op
-staatskosten aangewezen en die rijke Atheensche burgers, die voor
-ditmaal de „choregie” moesten betalen, kleeden, bekostigen en laten
-oefenen, waren aangewezen om hun plicht te vervullen. De rijke
-Hipponicus had een koor te stellen voor de Antigone van Sophocles, de
-rijke Pyrilampes voor eene tragedie van Euripides [205], de rijke Midas
-voor een treurspel van Ion, de rijke Aristocles voor eene komedie van
-Cratinus [206] en wederom anderen voor andere stukken. Naar de
-gewoonte, die langzamerhand te Athene heerschende was geworden, was er
-een schier hartstochtelijke wedijver onder de choregen [207] ontstaan
-en zij zochten met al de eerzucht, die den Athener eigen was, elkander
-in nette, smaakvolle en prachtige uitrusting der hun opgedragen koren
-te overtreffen. Den overwinnaar toch wachtte een krans, nauwelijks
-minder benijdenswaard dan de kransen van Olympia en Pytho [208].
-
-Geluid van stemmen en de klank der fluiten klonken wederom krachtig uit
-het huis van Hipponicus, toen een rijzige gestalte met vluggen tred de
-straat afkwam. Het scheen een vreemdeling te zijn; want hem volgde een
-muildierdrijver, wiens dier met een reiszak beladen was. Het liet zijne
-blikken in de straat weiden, als iemand die naar een bepaald huis
-zoekt.
-
-Plotseling weerklonken de stemmen en muziek uit het huis van Hipponicus
-in zijn oor. Hij luisterde een oogenblik, lachte toen tevreden en zei
-tot den slaaf:
-
-„Wij behoeven het niemand te vragen. Dit en geen ander is het huis van
-Hipponicus.”
-
-Met vluggen tred naderde hij het huis en wilde juist aan de deur
-kloppen.
-
-Op dit oogenblik echter kwam een man van den tegenovergestelden kant de
-straat op en ontmoette den vreemdeling juist voor het huis van
-Hipponicus.
-
-Op het gezicht van dezen man toonde de vreemdeling zich aangenaam
-verrast en terwijl gene met een vriendelijke glimlach op hem toetrad,
-boog hij het hoofd een weinig achterover, lei de linkerhand op de
-borst, hief de rechterhand op en galmde op hoogdravenden toon, alsof
-hij reeds den cothurnus [209] aanhad, met volle stem de woorden:
-
-
- „Zoo mijn geest niet dwaalt,
- En ’t voorgevoel mij niet bedriegt,
- En heldere blik mij niet ontbreekt,”—
-
-
-dan geven de Goden een gunstig teeken, daar zij mij juist voor den
-drempel van Hipponicus mijn edelen vriend doen ontmoeten, den
-treurspeldichter Sophocles.”
-
-Daarmede reikte hij den dichter de hand, die haar greep en hartelijk
-schudde.
-
-„Welkom, voortreffelijke Polus!” riep hij. „Wees welkom te Athene! Hebt
-gij weder rondom in de steden van Hellas de menschen verrukt met het
-geluid uwer stem op den hoogen cothurnus en nieuwen roem geoogst en
-klinkende munt bovendien?”
-
-„Zoo is het,” hernam Polus. „Men heeft mij hier en daar eer bewezen,
-waar men mij juist noodig had voor de feesten in Hellas’ steden. Maar
-steeds toch weerklonk het in mijn hart:
-
-
- „Daar wild’ ik heen.
- Waar dicht begroeid ’t gebergt’
- Tot aan de baren reikt, waar
- Sunions vlakke grond gelegen is.
- Om Pallas’ heilge stad
- Met blijden mond te groeten.”—
-
-
-En toen mij nu te Halicarnassus [210] de boodschap gewerd van uw
-Archont, die mij voor de Lenaeën [211] naar Athene riep en mij elk loon
-beloofde, wat ik mocht verlangen en toen ik bovendien vernam, dat naar
-uw wensch de eerste rol in uw nieuw treurspel mij was toegedacht,
-snelde ik als op de vleugelen der liefde over de eilandzee; want
-nergens toch rijg ik den cothurnus liever aan de voeten dan te Athene
-en geen dichter wijd ik mijne kunst liever dan aan mijn besten vriend
-en grooten meester Sophocles.”
-
-Nogmaals drukte de dichter den tooneelspeler hartelijk de hand.
-
-„Gij zijt ook mij steeds de meest gewenschte hulp,” hernam de dichter.
-
-„Daar binnen in het huis van Hipponicus,” vervolgde hij, „vindt gij de
-choreuten en de koormeester en misschien ook reeds uwe beide
-medetooneelspelers, Demetrius en Callipides. Hipponicus noodigde u op
-dit uur in zijn huis, opdat wij allen te zamen zouden zijn, om de
-rollen te verdeelen en alles in gereedheid te brengen, wat dienstig kan
-zijn om aan ons treurspel de overwinning te verzekeren. Laat ons dus
-binnengaan, Hipponicus wacht u met ongeduld.”
-
-De beide mannen klopten aan de deur en werden binnengelaten. Hipponicus
-verwelkomde Polus met groote blijdschap en noodigde hem tevens uit, den
-tijd, dien hij te Athene moest doorbrengen, zijn gast te willen zijn.
-
-„Wilt gij,” hernam Polus, „bij alle uwe moeiten en zorgen die gij thans
-hebt, u ook nog dezen last op uwe schouders laden?”
-
-„Dezen nieuwen last,” zei Hipponicus, „gesteld dat het een last ware,
-zou ik de moeite niet waard achten. Doch gij hebt geen ongelijk, als
-gij zegt, dat ik tal van moeiten en zorgen te dragen heb, sinds de
-Archont mij de choregie der „Antigone” heeft opgelegd. Eerst moesten de
-noodige zangers en fluitspelers aangeworven worden en nu heb ik ze
-allen in huis en die menschen moeten betaald en gevoed worden, en hoe
-gevoed! met melk en honig en allerlei zoetigheden, opdat hun kelen niet
-ruw zullen worden. Nachtegalen in eene kooi zou men niet met meer zorg
-kunnen voeden en verplegen, dan ik het deze knapen doe. Dan moesten nog
-de prachtige kostumen besteld worden en de sieradiën voor de choreuten
-en gij weet wat tegenwoordig de Atheners op dat punt verlangen. Als zij
-geen gouden kransen te zien krijgen en niet iedere pracht rijkelijk is
-aangewend, dan valt er aan geen overwinning te denken. Ik geloof niet
-dat ik er ditmaal onder de vijfduizend drachmen afkom. Maar ik zou
-zelfs het dubbele besteden, als het noodig was, om den pauwenfokker
-Pyrilampes de loef af te steken, die met een treurspel van den
-vrouwenhater [212] Euripides de overwinning zoekt te bereiken.
-Sophocles weet het reeds, maar gij nog niet, waarde Polus, wat die
-kerel al gedaan heeft, om mij de zege te ontrukken. Eerst zocht hij den
-Archont om te koopen, vervolgens trachtte hij mij de beste choreuten
-afhandig te maken. Eindelijk heeft hij zelfs den koormeester heimelijk
-geld geboden, om de koren slecht te laten instudeeren. En dat alles was
-hem nog niet genoeg. Toen mijne sieradiën en prachtige kostumen in orde
-waren en in den winkel gereed lagen, zoo heerlijk mooi, dat ze niet te
-overtreffen waren, ging die kerel er heen en wilde den kleermaker
-dwingen ze hem te verkoopen. Toen deze dat aanbod van de hand wees,
-liet hij hem door zijne slaven afranselen en dreigde hem op eenen nacht
-het huis met alles, wat daarin was, boven zijn hoofd in brand te
-steken. Zoo handelt die ellendige Pyrilampes!”
-
-
- „Getroost, getroost, mijn waarde!”
-
-
-declameerde Polus met hoog pathos.
-
-
- „Nog leeft hij in den hemel,
- „Jupijn, die alles ziet en ’t al beheerscht.
- Vertrouw hem toe uw bittre smart,
- En haat noch vergeet in uw toorn,
- Hen die u leed berokkenen!”
-
-
-„Overigens,” vervolgde Polus, iets minder hoogdravend, „ken ik dien man
-en zijne streken, Hipponicus, zeer goed. Gij dacht mij daaromtrent
-beter in te lichten; maar ik kan u staaltjes mededeelen, hoe hij alle
-middelen in het werk heeft gesteld om mij aan het treurspel van
-Sophocles te onttroggelen. Uit zijn eigen zak beloofde hij eene groote
-som aan den openbaren eereprijs toe te zullen voegen, als ik in de
-tragedie van Euripides wilde optreden. Ik echter—ik stond als
-Philoctetes [213] toen de sluwe Odysseus hem en zijn overwinnenden boog
-naar Ilium wilde voeren:
-
-
- „Nimmer en nimmer, wees daarvan verzekerd,
- Nooit, zelfs niet als de verzengende bliksem
- Mij met zijn gloed mocht verteren!”—
-
-
-„Ik dank den Goden, Polus,” zei Hipponicus, „dat een man als gij, zoo
-getrouw u aan ons aansluit; want een koor mag nog zoo voortreffelijk
-zijn, als de tooneelspelers, die de staat aanwijst, niet deugen,
-fluiten en sissen de Atheners.”
-
-„En ik dank den Goden,” hernam Polus, „dat gij het zijt, Hipponicus,
-die het koor van Sophocles uitrust; want ook al dat de tooneelspelers
-voortreffelijk zijn, maar het koor niet bovenmate prachtig is, dan
-maken de Atheners met handen en voeten een oorverdoovend geraas, om hun
-ongenoegen te kennen te geven.”
-
-Thans traden twee nieuwe gasten in het huis. Het waren de
-tooneelspelers Demetrius en Callipides. Zij werden door Hipponicus
-vriendelijk ontvangen en begroetten Polus, met wien zij zoo menigmaal
-in de treurspelen van Sophocles het tooneel hadden betreden.
-
-„Ik zie nu,” zei Hipponicus, „dat alles wat tot de overwinning van de
-„Antigone”, moet samenwerken, in mijn huis vereenigd is.”
-
-„Het instudeeren der koren,” zei Sophocles tot de tooneelspelers, „is
-al lang begonnen; wij wachten u met ongeduld. Nu gij er zijt, willen we
-niet dralen, maar onmiddellijk overgaan tot de verdeeling der rollen.
-Vooreerst dan Antigone zelve: zij valt aan den speler der eerste rol
-ten deel. En hierbij wees hij op Polus, den „Protagonist” [214]. Deze,
-evenals zijne makkers, nam dat zwijgend aan, als iets dat van zelf
-sprak.
-
-Maar Sophocles viel zichzelven in de reden en vroeg aan Polus:
-
-„Hebt ge wel van de schoone Milesische Aspasia hooren spreken?”
-
-Toen deze bevestigend antwoordde, vervolgde Sophocles: „Als wij naar
-deze Milesische wilden luisteren, dan moest ik den Archont verzoeken,
-mij eene vrouw voor de rol van Antigone toe te staan. Ik had met haar
-een heftigen strijd, waarin zij ons gebruik om in vrouwenrollen mannen
-te laten optreden, zeer gispte en beweerde, dat men de vrouwen moest
-toestaan het tooneel te betreden. Te vergeefs beriep ik mij op de
-maskers, die het gelaat bedekken en op den geweldigen omvang van den
-schouwburg.”
-
-Polus lachte schamper. „Hoe?” riep hij daarop verontwaardigd uit, „toen
-ik als Electra [215] optrad en aanhief:
-
-
- O heilig licht,
- O aether, die de aard omgeeft!”—
-
-
-heeft toen iemand in mijne houding, in mijne stem, die uit het goede
-masker voortkwam, de vrouw gemist?”
-
-„Niemand, niemand,” riepen allen uit één mond.
-
-„En toen ik de urn met de gewaande asch haars broeders [216]
-hartstochtelijk aan mijne borst drukte,” vervolgde Polus diep ontroerd:
-
-
- „Dierbaarst overschot, mij blijvend,
- Van den liefsten aller menschen.”—
-
-
-„Alle toeschouwers waren geroerd, bewogen, in tranen badend,” zei
-Sophocles. „Nooit werd er op het tooneel eene stem gehoord,” vervolgde
-Sophocles, „die roerender was, nooit eene, die vrouwelijker klonk, dan
-de uwe!”
-
-„Ik hoop, dat gij daarmede niet zult beweren,” hernam Polus, „dat mijne
-stem over het algemeen een vrouwelijken toon heeft? Gij herinnert u,
-denk ik, mijn Aiax [217] nog wel:
-
-
- „Ha, wee mij dat ik hen liet glippen,
- Die snoodaards, die verwenschte schurken,
- En in hun plaats, door waanzin aangegrepen
- Onschuldige schapen en gehoornde stieren
- Deed sneven door het flikkerend staal,
- Hun donker bloed vergietend.”—
-
-
-De stem van Polus scheen bij de voordracht van deze regels geheel
-veranderd. „Dat is de diepste, geweldigste heldenstem!” riepen de
-toehoorders in verrukking uit.
-
-„Hoe? en mijn Philoctetes?” vervolgde Polus; „mijn kreet van diepste
-smart, toen het oude slangengif in mijne aderen brandde en mij schier
-verteerde,—mijn „Ach! Ach! Wee mij! het komt—het komt.”—
-
-En wederom riepen allen: „Wat een stem vol lijden! Wat een natuurlijke
-toon van den vertoornden, gefolterden, gepijnigden lijder!”
-
-„En dan,” ging Polus voort, „toen ik aan het slot der tragedie aanhief:
-
-
- „Welaan, het uur van scheiden is gekomen.
- Weest mij gegroet gij lachende dreven,
- Gij bronnen en gij, zoetlavende drank.”
-
-
-„Dat was een heerlijk oogenblik,” zei Hipponicus goedkeurend, „maar het
-schoonste, wat ik van u gezien en gehoord heb, was toch toen gij als
-Aiax op het tooneel stond en die overschoone alleenspraak hieldt.”
-
-„Gij bedoelt,” viel Polus hem in de rede, „toen ik in eene eenzame grot
-vóór den zelfmoord het zwaard met de punt naar boven in den grond stak
-[218]:
-
-
- „Het moordend zwaard staat in den grond geplant,
- Om ’t snelst mijn boezem te doorboren.”—
-
-
-„Juist,” riep Hipponicus uit, „en toen gij eerst Zeus aanriept en dan
-de maagdelijke Erinnyen en vervolgens Helios.” [219]—
-
-„O Helios,” viel Polus in,
-
-
- „O Helios, als gij mijn vaderland bestraalt,
- Houd dan uw goudgetooiden teugel in,
- En breng de mare van mijn droeven dood.”—
-
-
-„En toen gij,” ging Hipponicus in geestdrift voort, „ten laatste uw
-geboortegrond nog herdacht en den vaderlijken huiselijken haard
-aanriept en Salamis en de stad des roems, Athene, en uw stamverwant
-Atheensche volk—toen gloeiden de harten van twintig duizend Atheners
-van verrukking. Een fier gevoel van vaderlandschen trots doortintelde
-allen en ieder gevoelde dat de afscheidsgroet van den stervenden held
-ook hem gold. Tot nu toe waren zij geroerd geweest en in stilte
-geschokt—thans barstten zij uit in een storm van toejuichingen, die u
-gold en Sophocles en den Salaminischen held!”
-
-„Te recht, Hipponicus,” zeide thans Sophocles, „prijst gij Polus, maar
-vergeet niet ook de verdiensten van Demetrius en Callipides te
-erkennen. Ook zij zijn gevierd en geëerd in de steden van Griekenland;
-ook zij hebben veel bijgedragen tot de zegepraal van verscheidene
-mijner treurspelen.”—„U, Demetrius,” vervolgde hij, „draag ik voor
-ditmaal den waardigen koning Creon op; aan den jongen Callipides Ismene
-[220]. Er zijn nog een paar bijpersonen, die wel is waar slechts even
-op het tooneel verschijnen, maar die ik daarom toch niet gaarne aan den
-eersten den besten stumpert zou willen toevertrouwen.”
-
-„Voor den dag er maar mede!” riepen de tooneelspelers. „Ieder onzer is
-bereid zoovele personen, als men slechts verkiest, op zich te nemen,
-als zij maar niet te gelijk op het tooneel moeten verschijnen. Onder
-het masker kan men elke rol vervullen.”
-
-„Daar hebt ge vooreerst Haemon, de minnaar van Antigone,” zeide
-Sophocles, „hij treedt eerst op, als Antigone reeds ter dood is
-geleid.”
-
-„Geef mij maar den minnaar Haemon,” riep Polus.
-
-„Callipides,” vervolgde Sophocles, „moet de rol van den blinden ziener
-Tiresias op zich nemen. Dan is er nog een wachter en een bode. Deze
-beiden hebben lange verhalen te doen. Verhalen nu moeten op het tooneel
-altijd zoo voortreffelijk mogelijk voorgedragen worden. Niets is
-vervelender, dan wanneer zij door iemand, die nauwelijks kan spreken,
-uitgestameld worden. Ik heb daarom besloten deze beide kleine rollen
-zelf te spelen. Ik ben toch bij mijne vorige stukken menigmaal op
-dergelijke wijs opgetreden.”
-
-De tooneelspelers klapten in de handen van blijdschap, daar zij vereerd
-waren, dat de dichter zelf met hen wilde medewerken. Ook Hipponicus was
-er recht blijde om.
-
-„Eindelijk is daar nog Eurydice, de gemalin van Creon,” zeide
-Sophocles. „Zij verschijnt slechts met weinige woorden aan het slot der
-tragedie ten tooneele.”
-
-„Geef mij maar de Eurydice,” riep Polus.
-
-„Die is reeds vergeven,” hernam Sophocles. „Iemand die nog nooit het
-tooneel heeft betreden, doch niet genoemd wil worden, wenscht de
-Eurydice te spelen.”
-
-De nieuwsgierigheid van Hipponicus en de tooneelspelers werd door de
-geheimzinnige gebaren van den dichter niet weinig geprikkeld. Doch hij
-weigerde nadere inlichting te geven.
-
-Hij stelde toen aan tooneelspelers afschriften van het stuk ter hand,
-gaf hun nog eenige wenken over de opvatting en uitvoering der rollen en
-regelde de kostumen, waarin zij zouden optreden.
-
-Daarop stelde Hipponicus hun de vijftien choreuten voor, benevens den
-koormeester en verzocht hen de oefeningen van het koor bij te wonen.
-
-Onder de muziek der fluiten begon men met plechtige liederen en den
-plechtigen danspas, ter eere van den God [221] omdat de beteekenisvolle
-dans om zijn altaar het begin was geweest van het drama. Nu schreden
-zij rechts, dan links, nu stonden zij stil, dan weder vereenigden zij
-zich, nu eens sneller dan weder langzamer zich bewegend, onder het
-voordragen van de talrijke en heerlijke hymnen der „Antigone”. Gloeiend
-van geestdrift gaf de didaskalos [222] de maat aan met de handen en
-voeten, menigmaal zelfs, als de geestdrift hem overmeesterde, met het
-geheele lichaam. De dichter trad herhaaldelijk tusschenbeide. Hij had
-ook zijn best gedaan de zangwijzen der reizangen uit te denken en de
-dansbewegingen van het koor passend te maken. Soms liet hij den
-fluitspeler weggaan, greep het snareninstrument en begeleidde het koor,
-om beter het gezang en de plechtige bewegingen te kunnen regelen.
-
-Evenals Sophocles bezig was in het huis van Hipponicus, zoo deed
-Euripides in dat van Pyrilampes, Ion in dat van Midas, Cratinus in dat
-van Aristocles en andere dichters in de huizen der andere choregen, als
-veldheeren, die hunne troepen onderrichten en aansporen, allen begeerig
-om den Dionysischen zegeprijs te behalen.
-
-De huizen der choregen waren als zoovele brandpunten, waaruit zich eene
-gespannen verwachting en eene levendige belangstelling over de stad
-verspreidde; in de overwinning toch van den choreeg waren ook zijne
-verwante familiën betrokken en hare namen werden eveneens genoemd. De
-spanning, waarin bij dergelijke gelegenheden gewoonlijk het Atheensche
-volk verkeerde, had ditmaal een buitengemeen hoogen trap bereikt, daar
-Hipponicus en Pyrilampes ongehoorde pogingen in ’t werk stelden, om
-zich de zege te verzekeren, daarbij voegde zich de veete, die er
-tusschen de beide mededingers bestond en die iederen dag in
-handtastelijkheden dreigde over te gaan en eene onbeperkte stof aanbood
-voor de praatzieke tongen der Atheners. De staatsaangelegenheden, de
-zaken in den Piraeus, alles werd ter zijde gesteld; en al ware er juist
-eene Atheensche vloot tegen den vijand in zee geloopen, men zou in die
-dagen minder over haar hebben gesproken, dan over Hipponicus en
-Pyrilampes.
-
-Zie, daar ontmoeten elkander op de Agora twee mannen, die op
-vertrouwelijken toon van geheel andere zaken spreken, dan over de
-vijandschap van Hipponicus en Pyrilampes. Het zijn Pericles en
-Anaxagoras.
-
-„Gij zijt in gepeinzen verdiept,” zei de wijze tot zijn vriend;
-„koestert gij nieuwe gedachten en plannen voor den staat of vervult
-eene schoone vrouw uw hoofd?”
-
-„Wellicht beide,” hernam Pericles. „Hoe schoon zou het zijn, als men
-een van die twee, de vrouwen, kon ontberen, om zich onverdeeld aan de
-staatsbelangen of de wijsheid of eene andere, groote ernstige zaak te
-kunnen wijden!”
-
-„Men kan de vrouwen ontberen—men kan alles ontberen,” zeide Anaxagoras
-met nadruk en verdiepte zich in een betoog hoeveel beter het was, daar
-men toch eigenlijk nooit iets waarachtig en bestendig bezitten kan, van
-te voren van alles afstand te doen.
-
-Pericles luisterde geduldig naar den wijze, maar zijn gelaat drukte
-duidelijk uit, dat hij niet van gedachte veranderd noch overtuigd was
-geworden.
-
-„Wanneer gij nu eenmaal,” zoo besloot Anaxagoras zijn betoog, „de vrouw
-niet missen kunt, dan is, wel beschouwd, de uwe, ik bedoel Telesippe,
-toch even goed als iedere andere. Zij baart u kinderen. Wilt gij meer
-van haar?”
-
-„Gij kent haar toch,” hernam Pericles. „Gij weet, hoe bijgeloovig zij
-is en bekrompen van verstand en de vriendin van niet ééne Muze.
-Misschien was dit nog te verdragen, indien zij zooveel zachtheid van
-gemoed bezat als men haar bewijst. Maar deze vrouw is altijd
-weerbarstig en vol vooroordeelen en aan mijne beste bedoelingen weet
-zij altijd eene hatelijke uitlegging te geven. Wanneer ik vroeger
-meermalen haar een keurig onderkleed ten geschenke gaf of iets
-bekoorlijks, wat in huis of in de slaapkamer haar bevalliger maakte,
-dan nam zij dit zeer kwalijk en vroeg:
-
-„Ben ik u dan niet meer mooi genoeg, dat gij zulke dingen voor mij
-noodig oordeelt? Wanneer ik u niet beval, zooals ik ben, dan wil ik u
-ook niet opgesierd bevallen.” Kan men dwazer en onvrouwelijker spreken?
-Tooit niet zelfs de jongste, schoonste vrouw zich gaarne voor haren
-geliefde en is het niet eene natuurlijke begeerte van den minnaar of
-den echtgenoot, de beminde vrouw zoo bekoorlijk mogelijk te versieren?
-In alle zaken, over het algemeen, die de liefde gelden, heeft ze altijd
-die eigenzinnigheid gehad, die de schoonste vrouw onverdragelijk maakt.
-Gij weet voorts, dat het mij eigen is zindelijkheid en reinheid tot in
-het hartstochtelijke te drijven. Hoeveel harde woorden zijn er niet
-tusschen ons gevallen over het varkenskot en het hoenderhok, dat zich
-naar oud gebruik, vlak bij den huiselijken haard bevindt, dat mij een
-gruwel is, doch haar zoo na aan ’t hart ligt. Het gevoel van viesheid
-kent zij niet. Biedt zij mij niet de lippen tot een kus, bezoedeld met
-het vuil of het kwijl, dat zij juist van het gezicht harer kinderen
-heeft afgekust? Want in het vuil, ja zelfs in den uitslag harer
-kinderen, als zij soms ziek zijn, zonder noodzakelijkheid met hare
-vingers en lippen te wroeten, schijnt haar een natuurlijke en
-noodzakelijke uiting te zijn der moederlijke liefde. Maar moet eene
-moeder niet tegelijk gade zijn? Moet eene weldenkende en gevoelige
-vrouw niet beide liefdeplichten weten te vereenigen en met
-nauwgezetheid vervullen? En wat beteekent de moederlijke teederheid, de
-aangeboren drift, die zij met elke wijfjesaap gemeen heeft, wanneer zij
-alleen in de duistere neiging der natuur geworteld is, als zij niet
-gepaard gaat met het goede inzicht, wat werkelijk voor de kinderen
-nuttig is of niet? Hebt gij zelf niet dikwijls gevraagd: wat baat
-natuurdrift zonder kennis en zonder de zedelijke wijding, die haar van
-het dierlijke tot het menschelijke verheft!”—
-
-„Wat dit laatste punt aangaat hebt gij goed en verstandig gesproken,”
-merkte Anaxagoras op. „Maar wat gij zeidet over die rokjes met schoone
-franjes en schitterend van kleur en wat niet al, die Telesippe niet
-wilde aannemen, dit is, verstandig beschouwd, dwaasheid en
-verderfelijke weelderigheid. Zulke pronkerij is uit den booze. Een
-vrouw is eene vrouw, zeg ik u. In naam der wijsheid laat af van alle
-dweeperij voor de schoone Milesische Aspasia!”
-
-„Is het mijne schuld,” vroeg Pericles glimlachend, „dat de schoonheid
-op aarde door de Goden sterker is gemaakt dan de wijsheid?”——
-
-Op den dag van dit gesprek was er iets geschied, dat, zoo Pericles
-toevallig met eigen oogen had gezien, hem verdrietig en bezorgd zou
-hebben gemaakt, wellicht zelfs zijn geloof aan de voortreffelijkheid
-der Milesische zou hebben geschokt en den vurigen gloed zijner
-bezieling voor haar, als vuur door water, in een plotselingen rook en
-walm zou hebben uitgedoofd.
-
-Van Aspasia waren naar den dichter Sophocles en van dezen naar de
-Milesische herhaaldelijk geheime boden gegaan. Ja, eens had men den
-dichter zelven in het schemerend avonduur heimelijk het huis van de
-schoone vriendin van Pericles zien binnengaan.
-
-Thans gebeurde het, dat Aspasia naar hare woning terugkeerende, door
-een man werd vergezeld, dien loerende buren in de schemering voor
-Pericles hielden.
-
-Doch het was Sophocles. Voor de deur harer woning stonden beiden een
-oogenblik stil. Overwegen zij soms of de begeleider den drempel zou
-overschrijden of terug zou keeren? Eindelijk vroeg de dichter met zijne
-zachte welluidende stem aan de schoone Milesische:
-
-„Wat is heiliger de vriendschap of de liefde?—
-
-„Heiliger is toch wel in ieder bijzonder geval, zij die de oudste
-is,”—zei Aspasia glimlachende en de raadselachtige vraag op even
-raadselachtige wijze beantwoordende.—
-
-Nadat deze woorden onder hen gewisseld waren, nam Sophocles afscheid en
-keerde terug, terwijl Aspasia hare woning binnentrad.
-
-Op den morgen na deze kleine gebeurtenis begaf zich de ziener Lampon
-naar het huis van de hem toegenegen zuster van Cimon. Hij kwam van de
-Acropolis waar hij wederom geruimen tijd met Diopithes had gefluisterd.
-
-Nauwelijks was de priesterdienst, om welke Elpinice den ziener had
-ontboden, ten einde gebracht of deze leidde met een geheimzinnig en
-veelbeteekenend gezicht het gesprek op Pericles en Aspasia.
-
-Het manwijf en de ziener waren dikwijls gewoon de hun ter oore gekomen
-praatjes en nieuwtjes elkander mede te deelen.
-
-„De Goden schijnen den trotschen Pericles te willen straffen,” begon
-Lampon.
-
-„Wat is er dan geschied?” vroeg Elpinice in gespannen verwachting.
-
-„Voorloopig dit,” hernam de andere, „dat in het schemerlicht van den
-avond heimelijk ook een ander naar de schoone vriendin van den Olympiër
-sluipt.”—
-
-„Waarom niet?” zei Elpinice. „Zij is immers eene hetaere. Maar wie is
-die andere?”
-
-„Pericles’ beste vriend, „de lieveling der Goden” zooals hij zich
-gaarne hoort noemen, de vriendelijk lachende treurspeldichter uit het
-vlek Colonos.”
-
-„Een vrouwengek,” riep Elpinice uit; „een vrouwengek en een oude
-liefhebber, evenals Pericles zelf.—Maar dat is oud nieuws, wat gij mij
-daar vertelt, vriend Lampon. Het is geruimen tijd geleden, dat men dien
-dichter voor de eerste maal in het gezelschap van Pericles en Aspasia
-heeft gezien. Het is overbekend, dat hij niet minder dan zijn vriend
-voor die boeleerster in liefde ontvlamd is. Het vermoeden lag dus voor
-de hand, dat hij naar haar toe zou sluipen. Maar wie heeft hem gezien?
-Wie zal het op zijn woord getuigen?”
-
-„Ik zelf,” hernam Lampon. „Ik zelf heb hen gezien en hoorde zelfs in
-het voorbijgaan een klein gesprek voor de huisdeur. En een tweeden
-getuige, zoo noodig, bezorgt ons Diopithes.”
-
-„Dat is goed,” hernam Elpinice met innig genoegen.
-
-„Deze tijding, aan Pericles overgebracht, brengt zijne liefde voor de
-Milesische den genadeslag toe. Deze liefde is het schandelijkst en
-goddelooste, wat men hier in Athene vindt, en de Ionische hetaere is de
-groote verleidster. Zij moet verwijderd, verdreven, ten gronde gericht
-worden. Maar wie neemt het op zich Pericles die tijding te brengen?”—
-
-„’t Beste zou Theodota dat kunnen,” meent Diopithes. „Deze vrouw heeft
-sedert eenigen tijd, en niet met ongunstig gevolg, hare strikken voor
-den minnaar van Aspasia gespannen. En als zij het nu is, die hem het
-bewijs van Aspasia’s ontrouw levert, kan zij deze daardoor het zekerst
-verdringen en hare plaats innemen.”
-
-„Arme Telesippe!” riep Cimon’s zuster uit. „Het beste ware zeker, als
-gij in ’t geheel geene medeminnares hadt; doch voor ’t oogenblik is
-reeds veel, is reeds alles gewonnen, wanneer maar die Milesische uit de
-deur wordt gezet.”
-
-„Zoo is het,” hernam Lampon. „Uit het hart van een man als die
-Pericles, kan eene schoone en sluwe vrouw alleen door eene andere
-schoone en sluwe vrouw verdreven worden. Theodota is veel minder
-gevaarlijk dan Aspasia. Integendeel deze veile Corinthische is als was
-in onze handen. Zij moet Pericles onder de belofte hem uitvoerige en
-belangrijke mededeelingen aangaande de trouwelooze Aspasia te doen in
-haar huis lokken. Dan volgt het overige van zelf.”
-
-„Wij zijn zeker, dat onze pogingen slagen zullen,” hernam Elpinice.
-„Pericles heeft reeds een begeerig oog op haar geslagen. Ik weet het.
-Hij is reeds eens in haar huis geweest, zij het ook in gezelschap der
-Milesische, die overmoedig genoeg was, hem daarheen te voeren.”—
-
-„Op aansporing van Alcamenes,” zeide Lampon.
-
-„Deze heeft ons in de hand gewerkt. Ook hij behoort tot degenen, die de
-Milesische haten en het met genoegen zullen zien, dat zij beschaamd,
-vernederd en door Pericles verstooten wordt. Hij wil zich wreken op de
-vrouw, die hem om Pericles heeft verraden. Lang vóór ons heeft hij het
-voornemen opgevat, door Theodota de Milesische uit de gunst van den
-gevierden man te verdringen. Hem ontbraken slechts de geschikte wapenen
-tegen Aspasia. Wij willen hem die verschaffen. Wie echter zal nu
-Alcamenes inlichten dat hij zich met de Corinthische moet verstaan, om
-het plan te volvoeren?”—
-
-Elpinice dacht een oogenblik na, daarop sprak zij:
-
-„Laat mij daarvoor zorgen. Ik ken de bijpaden die wij moeten inslaan om
-de boodschap juist, zooals wij verlangen, ter oore van de Corinthische
-te brengen.”—
-
-Van dit oogenblik af had Aspasia zich niet alleen tegen Telesippe, maar
-ook tegen Theodota tot een ernstigen kamp uit te rusten.
-
-Elpinice wendde zich tot Polygnotus; deze was met Agoracritus,
-Aspasia’s bittersten vijand, bevriend. Agoracritus bracht de boodschap
-van Lampon en Elpinice aan zijn makker in de werkplaats van Phidias
-over en deze heethoofd vond de gelegenheid om zich op de trotsche
-schoone te wreken te verleidelijk; hij had spoedig met zijne wakkere
-vriendin een plan beraamd, om hun opzet te volvoeren.
-
-In deze wolken flikkerde dus de bliksemstraal, die geslingerd zou
-worden om den liefdeband te verbreken tusschen den voortreffelijksten
-man en de schoonste vrouw in Griekenland, de bliksem, die in de eerste
-plaats heimelijk gesmeed was in de smidse, van den mokkenden, ouden God
-Erechtheüs op den burg.——
-
-De viering der Dionysiën was dartel en luidruchtig begonnen. De laatste
-dagen van het feest waren aan den wedstrijd der tragische Muze gewijd.
-
-Lichte regenwolken dreven, terwijl de dolle comedie van Cratinus onder
-de uitgelaten vreugde der toeschouwers werd opgevoerd, van den Hymettus
-af over het Dionysus-theater en de opperpriester van Dionysus, die daar
-voor het geheele volk op zijn heerlijken, met marmeren beelden
-versierden zetel in de orchestra [223] zat, voelde een regendroppel op
-zijn neus vallen, juist op het oogenblik dat de overmoedige Cratinus
-tegen den persoon van den zelfden priester Agasthenes, onder het
-luidruchtig gelach van alle Atheners, een gevleugelden pijl van zijn
-Attisch vernuft afschoot.
-
-„Het begint te druppelen,” zei de opperpriester tot zijn buurman
-Pericles: „mij dunkt, wij moesten het schouwspel staken.”
-
-„De wolk drijft over,” hernam deze lachend.
-
-Doch zie, daar snort een nieuwe pijl. En deze pijl trof zijn buurman
-zelven. Alle Atheners lachten en keken naar Pericles, en Pericles
-lachte mede.
-
-Maar een derde pijl snorde; hij trof de nieuwe Hera en den nieuwen
-Olympischen Zeus, de Milesische Omphale [224] en den Atheenschen
-Heracles...
-
-Wederom zagen alle Atheners naar Pericles. Maar Pericles lachte niet
-meer. Eene wolk trok langs het voorhoofd van den Olympiër. De snorrende
-pijl had Aspasia getroffen...
-
-Andere schouwspelen volgden en zoo ging voor de Atheners het grootste
-gedeelte van den eersten dag voorbij. Verscheidene verwijderden zich,
-om straks terug te keeren, velen hielden het tot het einde toe vol. De
-gegoeden lieten zich door hunne slaven wijn, ooft en koeken tot
-verkwikking brengen.
-
-Den volgenden dag begon alles opnieuw. Wederom zaten dertigduizend
-Atheners op de steenen zitplaatsen van den Dionysus-schouwburg, de
-omkranste overheidspersonen op afzonderlijke, schoon versierde,
-marmeren zetels in de voorste rijen, de rijken op purperen kussens, die
-zij zelven hadden medegebracht, door hunne slaven bediend, de armen met
-eenige vijgen of uien in hun ransel, waarmede zij het den geheelen dag
-moesten doen. Doch zoowel deze laatsten als de eersten gevoelden zich
-als Atheners geroepen, om het schoonste te zien en spraken met groote
-geleerdheid over Sophocles en Ion en Euripides en keken eens met
-turenden blik naar de wolken des hemels, of niet eene daarvan de
-feestvreugde van den dag zou verminderen of verstoren.
-
-Wederom hadden de eerste duizenden van het aanstormende volk zich in de
-ruimte van het kolossale amphitheater als Pygmaeen verloren. Thans was
-de geheele schouwburg van de bovenste rijen tot de onderste toe gevuld;
-het scheen wel een reusachtige, kokende en bruisende menschenkrater.
-Bijna bedwelmend en huiveringwekkend was het van de bovenste rijen neer
-te zien op deze golvende zee van menschenhoofden.
-
-In die onstuimige dwarreling deed hoe langs zoo meer een dreigend
-tumult zich hooren. Heden toch zou de fel ontbrande strijd tusschen
-Hipponicus en Pyrilampes tot een beslissing komen. De partijen der
-beide choregen schenen handgemeen te zullen worden. Als een hunner zich
-te midden der toeschouwers vertoonde, klonken er kreten van vrienden en
-tegenstanders, bijvalsbetuigingen en hoonend gesis.
-
-Onophoudelijk waren de agonotheten [225] en mastigophoren [226] in de
-weer; telkens vlogen zij de trappen, die dwars door de zitplaatsen
-liepen, op, om hier een twist te beslechten, daar een oproermaker tot
-rust te brengen.
-
-De rustigste onder die woelige menigte was Socrates, de mijmeraar uit
-Phidias’ werkplaats. Hij was ook gekomen, niet zoozeer om de
-schouwspelen, als wel om de toeschouwers te zien en over hunne
-handelingen na te denken.
-
-„Daar zitten dertigduizend Atheners in gespannen aandacht,” zeide hij
-in zich zelven; „allen vol begeerte om eene verdichte geschiedenis te
-hooren, om door valsche tranen en voorgewende smart zich te laten
-roeren. Zij zijn als de kinderen, die met open mond naar sprookjes
-luisteren, alleen met dit onderscheid, dat deze niet weten, dat zij
-verzonnen zijn, genen echter het wel degelijk weten. Van waar komt toch
-wel die zeldzame lust bij de menschen naar het nagebootste, het
-verdichte?”——
-
-De schoone Theodota zat onder de toeschouwers. Zij was op het
-sierlijkst uitgedost. Haar oog was bijna onafgewend op den
-strategenzetel gevestigd, waarop Pericles zat. Pericles kon zich niet
-onthouden, van tijd tot tijd den vurigen blik uit hare donkere oogen te
-beantwoorden.
-
-Eindelijk klonk boven het gonzen der menigte de helder klinkende stem
-van den heraut uit, die stilte gebood. Nu werd een dankoffer gebracht
-bij het altaar van Dionysus. Daarop deed opnieuw de stem van den heraut
-zich hooren:
-
-„Het koor van Ion trede op!”
-
-Het treurspel van Ion werd door de Atheners aangehoord, toegejuicht,
-geschat op zijn juiste waarde door hun aangeboren fijn gevoel. Een
-tragedie van Philocles volgde. De uitspraak van den protagonist voldeed
-niet aan het fijne Attische oor. Een onweerstorm van gelach, gemor,
-snijdend gesis brak over hem uit. Het ontbrak niet aan spottende tongen
-en trappelende voeten. Een blijspel kwam thans aan de beurt. Nu was de
-spotter meester van het terrein, zelfs verheven boven alle Olympische
-Goden. De meest onbedwongen scherts gaf zich lucht in de kunstige
-rhythmen.
-
-Toen trad het koor van Euripides op.
-
-Het werk van dezen dichter bewoog de gemoederen. De vrouwen waren
-geroerd door datgene, wat tot het hart sprak, de mannen meegesleept
-door de schitterende gedachten, waarmede het geheele dichtstuk als het
-ware doorwerkt en doorweven was, als gouden draden in een purperen
-weefsel. Met kreten van verrassing en bewondering werd de schitterende
-pracht van het koor begroet. Zoo iets had men schier nog nooit gezien.
-Donderende toejuiching volgde, toen het stuk afgespeeld was. Pyrilampes
-en zijne vrienden waren uitermate verheugd en waanden zich reeds zeker
-van de overwinning.
-
-In den korten tijd, die er tusschen de voorstelling van dit treurspel
-en den aanvang van het volgende verstreek naderde eensklaps een slaaf
-den zetel van Pericles en reikte hem een toegevouwen blad papier.
-
-Pericles opende het en las deze woorden:
-
-„Sophocles sluipt in de avondschemering het huis van Aspasia binnen.”
-
-Pericles was getroffen. Wie had die regels geschreven?—Zij kwamen van
-Theodota. Toen Pericles naar den brenger van dit korte en zonderlinge
-bericht omzag, was deze reeds verdwenen.—
-
-Uit zijn ernstig denken wekte den strateeg de helderklinkende stem van
-den heraut, die zich wederom deed hooren:
-
-„Het koor van Sophocles trede op!”
-
-En nu werd een treurspel der liefde voor het oog en het oor der Grieken
-opgevoerd, een treurspel der liefde onder die drie gestalten, waarin
-zij achtereenvolgens het menschenhart op zijn levensweg aandoet: de
-zusterliefde, de liefde der bruid, de moederliefde. Ter wille van haar
-geliefde broeder sterft Antigone, ter wille van de geliefde bruid
-sterft Haemon en ter wille van den geliefden zoon sterft Eurydice.—
-
-Een lang, donker treurgewaad omhult der hooge gestalte van Oedipus’
-dochter. De maskers toonen ernstige, edele jonkvrouwelijke gezichten,
-zacht en roerend klinken hare stemmen.—Antigone zweert haar broeder te
-zullen begraven, dien koning Creon den honden en roofvogels tot eene
-prooi heeft voorgeworpen; den ingeschapen, goddelijken plicht wil zij
-vervullen, trots alle menschelijke inzettingen.
-
-Het koor van edele, Thebaansche grijsaards treedt voor, zijne eerste
-reien ontplooien in purperen gewaad, vol Dionysischen luister, de
-hoofden met goud getooid; daar klinkt de heerlijke, machtig
-aangrijpende met zijne afwisselende rhythmen wegsleepende hymnus:
-
-
- „Straal der zonne, wees gegroet.”
-
-
-Koning Creon betreedt het tooneel in goud gestikt, purperen gewaad, het
-voorhoofd met den diadeem versierd, steunende op een schepter, waarop
-een adelaar zijne wieken ontplooit. Boven de gewone maat van den man
-verheft hem de cothurnus, gebiedende waardigheid verleent hem het
-masker, geweldig staat hij daar, zelfs voor het oog van den verst
-verwijderden toeschouwer in de kolossale ruimte. Het recht van den
-gebiedenden heerscher wil hij doen gelden tegenover de edele
-jonkvrouw—zij echter kent slechts één hoogsten plicht, haar in het hart
-gegrift: de liefde—en den koning, die de wreedheid tegen den broeder
-met den rechtmatigen haat der burgers van Thebe tegen hem verdedigt,
-geeft zij slechts dit eene onsterfelijke antwoord:
-
-
- „Mij schiep natuur tot liefde, niet tot haat.”
-
-
-En zij gaat heen om te doen, wat zij gezworen heeft en het recht der
-levenden voor het recht der dooden ten offer te brengen. In een
-ernstigen, verheven rei bezingt het koor de grootheid van den mensch en
-zijne hemeltergende vermetelheid—en betreurt het erfelijke leed der
-Labdaciden [227]; Haemon, Creon’s eigen zoon, komt en smeekt zijn vader
-om het leven van Antigone, zijn teergeliefde bruid—doch de vorst houdt
-streng vast aan zijn voornemen en als Ismene vraagt:
-
-
- „Zult gij de bruid dan dooden van uw zoon?”
-
-
-klinkt het harde antwoord:
-
-
- „Ook andere velden nog beloven vrucht.”
-
-
-Vertwijfelend ijlt de bruidegom weg, met een onheilspellend gelaat—en
-nu weêrklinkt in het koor der edele Thebaansche grijsaards dat lied, ’t
-welk gedicht werd op dien zonnigen dag, toen Pericles en Aspasia in den
-lusthof van den dichter in het Cephissus-dal verwijlden:
-
-
- „God der liefde, nooit bedwongen,
- Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,
- Waar uw pijl is ingedrongen,
- Voor uw almacht buigen doet!”
-
-
-Nu echter begint in afwisselenden zang van het koor, de roerende klacht
-van Oedipus’ dochter, die gedoemd is, om levend neer te dalen in de
-groeve—aandoenlijk, hartverscheurend klinkt de treurzang en bij dit
-glanspunt der tragedie is ieder oog van de ademloos luisterende
-Atheners vochtig van innerlijke aandoening. De jonkvrouw naöogend op
-haar doodsweg, vermeldt de rei des grijsaards:
-
-
- „Zoo werd ook Danaë aan ’t licht der zon
- Ontrukt, in ’t koperen gewelf gesloten,
- Waar als in ’t graf geen oog haar vinden kon.—
-
-
-Tiresias komt, de onfeilbare, grijze ziener treedt op en spreekt eene
-ernstige vermaning, om den onverzoenlijken te verbidden en eindelijk
-buigen de onsterfelijken zijn onwrikbaren trots—hij laat, door een
-vreeselijk voorgevoel aangegrepen, zijne vermetelheid varen—reeds roept
-het koor in een vroolijken jubelzang den God der vreugde, Dionysus,
-aan:
-
-
- „Lievling der Thebaansche maagd
- Zoon van Zeus, wiens donderslagen
- Raatlend door het luchtruim jagen;
- Kom, terwijl we in blijden zin
- ’t Feestlied door uw stad doen schallen,
- Zegenbrengend Theben in!”
-
-
-Indrukwekkend klinkt die jubelzang na het sombere grafgezang—doch
-plotseling versterven die juichtonen en maken opnieuw plaats voor het
-grafgezang; want Antigone heeft zich zelve in de groeve van het leven
-beroofd en haar lijk omklemmend is Haemon, door zijn eigen staal
-geveld, met haar afgedaald in den nacht van den Hades.
-
-En nu verschijnt Eurydice, de gemalin van den weeklagenden Creon. Zij
-verneemt de tijding van den dood van haar geliefden zoon. Uit den mond
-van den bode hoort zij dat beiden vereenigd in den dood zijn gegaan in
-de sombere groeve. Op de tijding van het uiteinde haars zoons breekt
-haar moederhart.
-
-Geweldig greep dat doodsbericht uit den mond van den bode de gemoederen
-aan. Doch nog aangrijpender klonken de weinige woorden uit den mond der
-koningin, die zich als offer wil geven aan den dood.
-
-Ademloos luisterden de Atheners naar het wegsterven der laatste woorden
-van dit grootsch en verheven treurspel: met eene strophe ter
-aanprijzing der wijsheid eindigde het treurspel als met een verheven
-slotaccoord.
-
-Groot en diep was de indruk, dien de tragedie van Sophocles, drie
-liefdebanden en drie doodsoffers in elkander strengelend, op de
-gemoederen der aandachtige Grieken teweegbracht. Zóó schoon was de
-strenge, sombere ernst der tragische kunst nog nooit verzacht,—zóó
-menschelijk was het verhevene, zóó verheven was het menschelijke door
-niemand ooit uitgesproken.
-
-Maar ook nooit was in eenige tragedie zulk een overvloed van heerlijke
-gezangen, zoo rijk en beteekenisvol over de toehoorders uitgestort; zoo
-harmonisch volkomen tot in het kleinste had het Attisch tooneel nog
-geene schepping gezien, zoo’n kunstvaardig en schitterend koor was nog
-nooit voor de verzamelde Atheners opgetreden.
-
-Toen het koor van Hipponicus zich verwijderd had en de dramatische
-wedstrijd geëindigd was, verhief het geheele volk met luide kreten
-onstuimig zich ten gunste van Hipponicus, zoodat de kamprechters zonder
-beraadslaging onverwijld den dichter der Antigone en zijn choreeg, ten
-aanhoore der vergaderde menigte, die vol spanning de uitspraak
-verbeidde, als overwinnaars in den tragischen wedstrijd uitriepen.
-Sophocles en Hipponicus verschenen overeenkomstig het gebruik op het
-tooneel, om voor de oogen van het volk uit de hand der kamprechters den
-zegekrans te ontvangen.
-
-Onmogelijk is het de vreugde en den trots van Hipponicus te schilderen,
-onmogelijk ook de verwoede verbittering van Pyrilampes en de zijnen.
-
-Toen Pericles den schouwburg verliet, ontstuwd door de ontzaglijke
-menigte, zag hij te midden van het gedrang eensklaps Theodota aan zijne
-zijde. Haar schoon gelaat was met de teederste blikken, met den
-verrukkelijksten glimlach om den mond verleidelijk naar hem toegekeerd.
-Zonder bemerkt te worden drukte zij hem een blad papier in de hand.
-
-Er stonden eenige regels op geschreven, Pericles las ze.
-
-De inhoud was als volgt:
-
-„Verlangt gij bericht omtrent Sophocles en Aspasia, kom dan tot
-Theodota. Een slaaf wacht u onder de zuilen van den Tholus en zal langs
-een geheimen weg u door een achterdeur in mijn huis geleiden.”
-
-Voordat Pericles er over kon denken, of hij deze uitnoodiging zou
-aannemen, geraakte hij, verder wandelende, onder de schare van
-Sophocles’ vrienden, die den dichter hartelijk geluk wenschten.
-
-Toen Sophocles hem zag, onttrok hij zich aan de gelukwenschingen zijner
-vrienden en snelde hem te gemoet.
-
-Pericles, hoewel ontstemd en peinzend, wenschte den overwinnaar
-eveneens van harte geluk.
-
-„Ik dank u,” zeide Sophocles, „doch spreek niet als vriend tot mij,
-maar als kunstrechter.”
-
-Met moeite datgene, wat in dit oogenblik hem meer dan alles vervulde,
-van zich zettende, sprak Pericles:
-
-„Weet gij, wat mij in uw treurspel reden tot nadenken heeft gegeven?
-Het heeft mij, gelijk vele andere toeschouwers, bijna bevreemd naast de
-banden des bloeds, dien den Griek sedert overoude tijden steeds heilig
-zijn geweest, nu ook de banden der teedere min met gelijk recht, met
-gelijke macht, met gelijken doodsernst in het treurspel geteekend te
-zien. Levendig houdt deze nieuwheid mijn geest bezig, en nog weet ik
-niet te zeggen, of gij daarin ten volle recht hebt.”
-
-Van dit onderwerp afstappende, vervolgde Pericles:
-
-„Waart gij het niet zelf, die onder het masker van den bode dat
-aangrijpend verhaal van den dood van Haemon zoo plechtig schoon hebt
-voorgedragen? Ik meende uwe stem te herkennen. Doch wie sprak de
-woorden van Eurydice? Welke tooneelspeler stak achter het masker van
-deze koningin? Ik weet niet, welke verwonderlijke, het gemoed heimelijk
-aangrijpende betoovering de toeschouwers beving, toen gij beiden, gij
-als bode en die koningin tegen elkander overstondt. Welke man, tenzij
-Polus, zou dien wonderlijken klank der stem zoo heerlijk kunnen
-weergeven?”
-
-„Ook Polus niet,” hernam Sophocles glimlachend. „Gij hebt straks van
-nieuwigheden in mijn stuk gesproken; weet dan, dat bij deze
-voorstelling ook eene nieuwigheid is gewaagd, waarvan tot heden geen
-menschenziel afweet, behalve ik zelf en de eerlijke Hipponicus. Voor de
-eerste maal, sedert Thespis [228] zijn kar in beweging bracht, heeft
-heden op ons tooneel achter het masker eene werkelijke vrouw gestoken.
-Wees gij nu de derde in het geheim en laat het tusschen ons drieën voor
-alle volgende tijden bewaard blijven.”
-
-„En wie was die vrouw,” vroeg Pericles, „die het gewaagd heeft, zij ’t
-ook onbekend, het tooneel te betreden? en het oude gebruik en de goede
-oude zeden te trotseeren?”
-
-„Gij zult ze zien,” antwoordde Sophocles en verdween voor een
-oogenblik; weldra keerde hij terug met eene vrouw, die zoo dicht
-omsluierd was, dat ze onmogelijk was te herkennen.
-
-Sophocles voerde haar en Pericles iets meer ter zijde opdat zij
-volkomen veilig zouden zijn voor de nieuwsgierige blikken der menigte.
-Daarop sprak hij:
-
-„Is het nog noodig Pericles, dat zij zich ontsluiere, om de vrouw te
-herkennen, die niet alleen de schoonste, maar ook de moedigste is van
-haar geslacht?”
-
-Pericles was getroffen.
-
-„Ja, zij moet zich ontsluieren,” sprak hij op een koelen en ernstigen
-toon. Met vaste hand trok de vrouw den sluier van het gelaat en
-Pericles stond tegenover Aspasia.
-
-Hij kon geen woord uiten. De inhoud van dat briefje van Theodota scheen
-dus waar te zijn geweest. Aspasia had, zooals nu duidelijk werd, zonder
-zijne voorkennis heimelijk met den dichter samengewerkt, om het stoute
-plan ten uitvoer te brengen. Hij kende de trouwe vriendschap van den
-edelen Sophocles, doch Aspasia had een nieuw bewijs gegeven, dat haar
-geest in dartele vrijheid met alle boeien spotte.
-
-Alles wat daar in het gemoed van Pericles omging, las Aspasia duidelijk
-op zijn voorhoofd, in zijne zamengetrokken wenkbrauwen, in den donkeren
-blik zijner oogen.
-
-En dit welsprekende zwijgen met haar gewone levendigheid
-beantwoordende, sprak zij:
-
-„Frons uwe wenkbrauwen niet, Pericles, en boven alles vertoorn u niet
-op uw vriend Sophocles. Door mij gedwongen, heeft hij die vermetelheid
-begaan.”
-
-„Wees ook niet toornig op Aspasia,” viel de dichter haar in de rede,
-„want weet, dat zij mij heeft doen inzien, dat de vriendschap heiliger
-is dan de liefde, wanneer zij ouder is dan de liefde.”
-
-„Strijd tegen het overgeleverde is mijne roeping!” vervolgde Aspasia,
-„en waarom zoudt gij dan op mij verstoord zijn, als ik niet minder
-belang stel in de schoone poëzie van Sophocles, dan in de marmeren
-beelden van Phidias’ werkplaats? Om de schoonheid en de vrijheid te
-vinden, ben ik naar Hellas gekomen. Had ik slavernij gezocht, dan was
-ik aan het Perzische hof gebleven en had een kwijnend leven
-voortgesleept onder den matten liefdeblik van den grooten koning. Wat u
-op dit oogenblik bezielt, Pericles, is een waan, een vooroordeel, eene
-ergerlijke bekrompenheid, een vrije Helleen onwaardig. Verdrijf ze uit
-uw gemoed, o Pericles!”
-
-Thans naderde hen Hipponicus, die Pericles en Aspasia uitnoodigde deel
-te nemen aan het feestmaal, dat hij op een der volgende dagen wenschte
-te houden, om op waardige wijze de overwinning van Sophocles en de
-zijnen te vieren.
-
-De avond begon reeds te vallen, toen Pericles afscheid nam van
-Hipponicus, Sophocles en Aspasia. Peinzend wandelde hij voort.
-
-Hij dacht aan Aspasia. Hij overwoog in zijn hart, wat zij zooeven had
-gesproken. Hij moest haar volkomen gelijk geven. Geen kluister mocht de
-liefde zijn, geen slavenjuk voor Aspasia.
-
-Maar ook voor hem zelve niet.
-
-„Gij kunt Theodota bezoeken,” sprak hij schier onhoorbaar; „het is
-misschien niet goed een langen tijd onafgebroken zich aan één vrouw
-over te geven.”
-
-De eischen van de fiere en vrije Aspasia schenen hem thans in volkomen
-overeenstemming te zijn met de ernstige woorden van Anaxagoras.
-
-Nu kwam hem ook weder het briefje van de Corinthische te binnen en hij
-dacht aan den slaaf, die hem onder de zuilen van den Tholus wachtte.
-Het bericht, dat hem Theodota had gegeven, was hem nu door Sophocles
-veel nauwkeuriger medegedeeld, dan Theodota het zou kunnen doen. Maar
-zou zij misschien nog niet iets anders te zeggen hebben?
-
-Hij naderde de zuilen van den Tholus. De slaaf trad op hem toe en
-voerde hem door eenzame steegjes tot aan een tuinhaag, waar hij een
-klein poortje wilde opendoen. Pericles stond aan den drempel van
-Theodota’s woning. Hij kon binnentreden. Niemand zag hem. De
-nachtegalen kweelden in de boschjes van den tuin.
-
-Plotseling echter stond Pericles stil. Hij bedacht zich en bevond, dat
-hem op dit oogenblik de lust om Theodota te spreken geheel en al
-ontbrak. Hij verbaasde zich over zich zelven. Hij zeide tot den slaaf,
-dat hij zijn bezoek tot een volgenden keer wenschte uit te stellen.
-Deze keek hem verbaasd aan. Hij echter verwijderde zich met langzame
-schreden en vervolgde zijn weg.—
-
-De maan was opgegaan en verspreidde haar zacht licht over de aarde. In
-haar stralen schitterde de zee en een zilveren glans tintte de kruinen
-van Attica’s bergen. De lucht was zoel en verkwikkend. Daar klonken op
-eens in de verte de tonen, door de avondlucht gedragen, van den
-heerlijken reizang uit de Antigone:
-
-
- „God der liefde, nooit bedwongen,
- Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,
- Waar uw pijl is ingedrongen,
- Voor uw almacht buigen doet!”
-
-
-Pericles in ’t oor.
-
-Jongelieden, uit den schouwburg terugkeerende, zongen stukken uit die
-beroemde rei, die hen had verrukt en vroolijk gestemd in de zachte
-avondkoelte.
-
-Eene andere onrust voegde zich bij de inwendige ontroering van Pericles
-en bij zijne gedachten aan Aspasia. Hij benijdde bijna Sophocles en
-Hipponicus de lauweren, die zij zich dezen dag om de slapen hadden
-gewonden. Het was hem te moede, alsof hij het zwaard om de lendenen
-gorden en een leger of vloot wilde verzamelen en voortstormen om
-schitterende zegepralen te bevechten. De lange vrede begon hem roemloos
-toe te schijnen. Een drukkend gevoel bekroop hem, waarvan hij echter al
-peinzend voortwandelend bevrijd werd, toen hij de blinkende tinnen van
-de Acropolis vóór zich zag opdoemen en de nagalm van den schoonen
-Antigone-dag weder ruischte in zijne ziel.
-
-Hij was juist op de plaats gekomen van den hellenden weg, waar van den
-eenen kant de geweldige, reusachtige graniet- en marmermassa van den
-Dionysus-schouwburg zich verhieven in de diepte, aan den anderen de
-rotsen van den burgtberg, beschenen door het licht der maan, majestueus
-tegen de lucht afstaken. In de ontzachelijke ruimte van den schouwburg
-heerschte de stilte van het graf, waar den geheelen dag door een zoo
-bont en opgewekt leven zich had bewogen, waar de hoogste uiting der
-Grieksche dichtkunst zich zoo plechtig hadden geopenbaard.
-
-Pericles zag neder in die diepte van den schouwburg en dan weder
-richtte hij zijn oog naar de heldere hoogte van de Acropolis, waar de
-tempel van Phidias begon te verrijzen. Zijn eigen persoon en lot
-verdwenen naar den achtergrond, het wolkje op zijn voorhoofd dreef
-voorbij, zijne borst verwijdde zich en uit deze diepte en van die
-hoogte voelde hij zich door een geest van profetie bezield, die hem den
-roem zijner vaderstad voorspelde en een adem van onsterfelijk leven
-scheen er te zweven over zijn hoofd.
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-DE KONINGIN VAN HET FEEST.
-
-
-Toen Pericles, na de overwinning van Hipponicus en het daarop gevolgd
-gesprek van Aspasia, eenige dagen door allerlei gevoelens, die de
-vrijheidsliefde der Milesische in hem opgewekt had, bestormd werd, werd
-telkens de gedachte bij hem levendig: „Ik zal aan de vriendelijke
-uitnoodiging van Theodota gehoor geven. Waarom zou die Milesische vrouw
-mij in kluisters slaan, die zij zelve niet kent?”—Doch als het beeld
-van Aspasia weder oprees voor zijn geest, als hij dacht aan de vrije
-fiere ziel van die vrouw, aan de mogelijkheid haar te zullen verliezen,
-dan week zijne begeerte naar Theodota naar den achtergrond. Naast den
-vurigen gloed, waarmede Pericles Aspasia beminde, kon die nieuwe
-opwelling geen stand houden. Vooruit gezien, ja vooruit berekend was
-deze uitwerking door Aspasia.—Maar Pericles ging voort met zich zelven
-te bestrijden en aan nieuwe opwekking tot dien strijd zou het hem niet
-ontbreken.
-
-Hipponicus, die alles opofferde, om van den luister zijns rijkdoms en
-de pracht zijner feesten te doen spreken, had niet gerust, voordat
-Pericles en Aspasia er in toegestemd hadden ook op het zegemaal te
-zullen komen.
-
-Toen de bepaalde dag gekomen was, zag men in het huis van Hipponicus de
-uitgelezenste hoofden, de schitterendste vertegenwoordigers van den
-Atheenschen roem vereenigd.
-
-Pericles, Aspasia en de overige genoodigden waren nauwelijks
-binnengetreden, of Hipponicus liet hen de pracht van zijn huis zien.
-Hij leidde hen rond en toonde hun zijne vertrekken, zijne tuinen, zijne
-baden, zijne worstelplaats—een gymnasium in het klein—zijne
-vischvijvers, zijne schoone paarden, zijne honden, zijne zeldzame
-vogels, zijne hanen en kwartels, die hij voor zijn genoegen hield, om
-ze met elkaar te laten vechten. Hij wees hun het grafteeken, dat hij
-voor een zijner gestorven honden van het Melitaeïsche ras had
-opgericht. Hij zeide, dat zijn huis eene herberg was, steeds vol
-gasten, dat hij dagelijks een dozijn parasiten aan zijne tafel
-spijzigde. „Die knapen,” zei hij, „zijn zoo vet gemest, dat het mij
-spijt, dat ik ze u vandaag niet kan laten zien. Want heden heb ik mij
-voorgenomen, alleen de uitstekendste mannen van Athene aan mijne tafel
-te vereenigen.”
-
-Een zijner gasten vroeg hem naar zijne gemalin, eene vraag, die niet
-zeer bescheiden was. Hij antwoordde, dat zij wèl was, maar dat hij haar
-in de vrouwenvertrekken niet storen wilde. Iedereen toch wist, dat hij
-die vrouw alleen daarvoor gebruikte, om haar uit pronkzucht met
-allerlei edelgesteenten en paarlen te behangen en haar naar de nieuwste
-mode in een sierlijken wagen, met Sicyonische paarden bespannen, door
-de straten te laten rijden. Voor ’t overige hield de oude
-liefhebber—ook naar de nieuwste mode—er eene buitenlandsche vriendin op
-na, en men zeide dat tegenwoordig de beroemde Theodota het voorwerp
-zijner hulde was.
-
-Ook over zijne kinderen sprak hij tot zijn gasten, over zijn zoontje
-Callias, die hij juist, naar hij zeide, naar Delphi had gezonden, om
-zijn hoofdhaar te laten afknippen en dat volgens een oud gebruik aan
-Apollo te wijden; voorts over zijn dochtertje Hipparete, wier
-schoonheid en innemend karakter hij niet genoeg kon prijzen en van wie
-hij zeer veel scheen te houden. „Dit kind,” zei hij, „groeit op tot de
-schoonste en edelste aller Atheensche jonkvrouwen en het zal moeilijk
-zijn eens een bruidegom, harer waardig, te vinden. Wat schoonheid
-betreft, ken ik geen knaap in Athene, van wien men voorspellen kan, dat
-hij als jongeling opgegroeid naast deze jonkvrouw zal kunnen gesteld
-worden, behalve uw Pleegzoon, Pericles, den kleinen Alcibiades. Ik heb
-hem een paar maal in de worstelschool gezien en deze knaap mag gerust
-beweren, bijna onder de jongens te zijn, wat Hipparete is onder de
-meisjes. Wat hun leeftijd aangaat, geloof ik, dat zij niet veel zullen
-verschillen. Nu, wie weet, wat de Goden beschikken, als deze beide
-knoppen eens opengebroken zijn! Wat dunkt u, Pericles? Doch, er is nog
-tijd genoeg, om daarover te spreken.”
-
-Na deze en dergelijke gesprekken geleidde Hipponicus zijne gasten in de
-groote, prachtig versierde eetzaal. Hier stonden in een wijden kring de
-aanligbedden, waarop men gewoon was aan tafel aan te liggen. Het
-behoeft nauwelijks vermeld te worden, dat de daarover gespreide
-tapijten rijk en keurig bewerkt waren, dat de ronde kussens, waarop men
-den arm kon doen rusten, met bonte kleuren afgezet waren, dat de
-zilveren en gouden vazen, met edelgesteenten bezet, op de schenktafels
-meer nog door bevalligheid van vorm, dan door hare kostbaarheid de
-aandacht trokken, dat uit even sierlijke schalen de heerlijkste geuren
-opstegen die de geheele zaal met een bedwelmende, aangename lucht
-vervulden; dat de wanden beschilderd waren met beelden, vol levenslust
-en bekoorlijkheid. Daar waren groepen en tooneelen te zien, waarin
-tallooze liefdegoden waren voorgesteld, allen bevallig door duiven en
-musschen gedragen. Nog merkwaardiger was de vloer. Bij den eersten
-aanblik scheen zij bezaaid met den afval van een rijken disch: van
-vruchtenschillen in de meest afwisselende kleuren, beentjes,
-broodkruimels, afgesneden hanenkammen, bontkleurige vederen, kortom van
-overblijfsels van allerlei soort. Maar wanneer men de vloer nader
-beschouwde, zag men dat alle deze voorwerpen kunstig waren nagemaakt
-door ingelegde bonte steenen in het fijnste mozaïek. Groote, schoone
-beschilderde vaten waren tot verdere versiering op geschikte punten van
-de ruime zaal geplaatst. Tegenover den ingang van het vertrek stond een
-met bloemen bekranst altaar, waarop eene vlam brandde, die de
-welriekendste geuren verspreidde.
-
-Hipponicus noodigde de gasten naar vrije keus zich op de aanligbedden
-neder te vlijen. Eerst echter ging men zitten; slaven naderden met
-schoon gevormde, zilveren bekkens en kannen, om vóór het begin van het
-maal den gasten de schoenriemen los te maken, hun de zilveren bekkens
-onder de ontbloote voeten te houden en daarover den inhoud der zilveren
-kannen uit te gieten. Deze bevatten echter in plaats van water geurigen
-wijn, die sterk was gekruid door vermenging van welriekende olie en
-essencen. Eveneens werden de handen besprenkeld en vervolgens met fijne
-doeken afgedroogd.
-
-De gasten van Hipponicus hadden, volgens de uitnoodiging van den
-gastheer, zich twee aan twee op de aanligbedden nedergezet, naar het
-toeval meêbracht of de vriendschap van een paar mannen, die gaarne
-naast elkander wilden blijven. De waarheidszoeker Socrates had plaats
-genomen naast den wijzen Anaxagoras; de beeldhouwer Phidias naast zijn
-vriend, den bouwmeester Ictinus; de dichter Sophocles naast den
-tooneelspeler Polus; de sophist Protagoras [229] naast den geneesheer
-Hippocrates [230].
-
-De sophist Protagoras vertoefde juist te Athene en had zijn intrek
-genomen bij zijn gastvriend Hipponicus. Zijne aankomst te Athene had
-groot opzien verwekt; want de roem van dezen man wies in Griekenland
-van dag tot dag. Hij was een geboren Abderiet [231] derhalve een
-Thraciër en toch eigenlijk een Ioniër, want Abdera was eene kolonie der
-Ioniërs. In zijn vroegere jaren was hij pakdrager geweest, naar men
-zeide, totdat een wijs man zijne kundigheden ontdekte en ze tot
-ontwikkeling deed komen. Veel had hij rondgezworven, hij had zelfs uit
-de wijsheidsbron van het oosten geput en nu rees hij op aan den hemel
-van Hellas als een schitterend meteoor. Hij had verstand van alle
-mogelijke zaken: van de gymnastiek, de muziek, de redekunst, de
-dichtkunst, de kennis van hemel en aarde, de mathematische vakken, de
-ethiek, de politiek en overal waar hij kwam vond hij een buitengewonen
-toeloop van weetgierigen. Rijke jongelingen gaven de grootste sommen,
-om van zijn onderricht te genieten. Hij was eene prachtige
-verschijning, die het oog bekoorde, hij had de houding van een koning,
-ging prachtig gekleed, en wegsleepend was de kracht zijner
-welsprekendheid.
-
-Deze Protagoras nu zette zich naast den jongen, doch zeer ervaren en
-scherpzinnigen arts Hippocrates neder, een neef van Pericles.
-
-Door eene zonderlinge bestiering van het lot had de afgetrokken
-Polygnotus, die zich hier niet recht te huis gevoelde, den overmoedigen
-blijspeldichter Cratinus, ook als drinker befaamd, tot nabuur gekregen.
-Maar welk een hemelsbreed verschil er tusschen deze mannen bestond, één
-punt van aanraking en overeenstemming hadden zij toch gemeen. Zij waren
-de eenigen, die niet door vriendschapsbanden tot dit gezelschap
-behoorden en alleen aan de eerzuchtige begeerte van Hipponicus, om
-uitnemende mannen op elk gebied bij zich te zien, hunne uitnoodiging te
-danken hadden. Cratinus was een spotter, wiens geestigheid, den bliksem
-gelijk, het liefst de hoogst uitstekende punten trof. Hij had immers in
-zijne laatste comedie zelfs Pericles en zijne schoone vriendin niet
-gespaard. Polygnotus echter, de vriend van Elpinice, voedde een
-heimelijken wrok tegen Phidias. En zoo keken dan ook Cratinus en
-Polygnotus elkander hoofdschuddend aan, toen zij Aspasia, op
-uitnoodiging van den gastheer, tusschen dezen en Pericles plaats zagen
-nemen op een afzonderlijk aanligbed, waarop zij, naar de gewoonte der
-vrouwen, rechtop zat, terwijl de mannen, met den linker arm op het
-kussen steunende, op hunne linkerzijde aanlagen. Cratinus en Polygnotus
-vroegen elkaar fluisterend, hoe het kwam, dat men hier eene
-vreemdelinge, eene hetaere, zulk eene eer bewees. De overige gasten
-dachten er anders over. Zij waren vrienden van Pericles, zij vormden de
-schitterende schare zijner getrouwen, zij kenden de uitnemendheid en de
-macht van Aspasia en verwonderden zich reeds niet meer over iets, als
-het de Milesische gold. Wat Protagoras betrof, deze zag Aspasia wel is
-waar heden voor het eerst, maar haar uiterlijk had hem van het eerste
-oogenblik af zoo geheel en al betooverd, dat iedere gedachte eerder bij
-hem zou opkomen, dan zich aan hare tegenwoordigheid te ergeren.
-
-Op een wenk van Hipponicus werd nu voor elk aanligbed eene kleine tafel
-geplaatst; de spijzen werden deels opgedragen, deels rondgediend, en
-het maal begon.
-
-Evenals het gezelschap van beroemde gasten in het huis van Hipponicus
-eenig was, zoo had deze zijn best gedaan, dat aan zijne tafel niets zou
-ontbreken, wat de Atheensche markt eere kon aandoen.
-
-„Wanneer ik,” sprak Hipponicus, terwijl zijne gasten zich aan de
-heerlijke spijzen te goed deden, „mij heden het genoegen zie bereid,
-zulk eene schare van uitgelezen mannen aan mijne tafel te vereenigen,
-dan gevoelde ik mij verplicht, hen zoo kostelijk mogelijk te onthalen.
-Maar gij weet, hoe ver wij Atheners het ook in de andere kunsten mogen
-gebracht hebben, in de kunst van goed te eten staan wij nog zeer ten
-achteren. En toch, meen ik, is de kunst van goed te eten volstrekt geen
-zaak, die mag verwaarloosd worden. Ik voor mij heb er altijd eene eer
-ingesteld voor een lekkerbek door te gaan en ik zou mij gelukkig
-prijzen, als ik iets kon bijdragen, om de Attische keuken tot een
-hoogere trap van volkomenheid te brengen. Ik zie een spottenden
-glimlach de lippen van sommigen plooien, alsof zij wilden zeggen, dat
-ons Athene iets dergelijks niet noodig heeft, dat het wel geroepen is
-in andere kunsten aan de spits der volken te staan, doch niet in deze
-kunst. Veroorlooft mij te zeggen, dat dit eene dwaling is. Want, als
-gij u op ons uitnemend marmer, op onze voortreffelijke kleiaarde en
-dergelijke dingen beroept, zal ik u gemakkelijk aantonen, dat gij ook
-zout en olie en azijn en aromatische kruiden, die toch altijd de
-krachtigste hulpmiddelen blijven in de handen van een kunstenaar in de
-kookkunst, onder geen hemelstreek beter vindt dan bij ons. Om van het
-Attische zout niet te spreken, dat in tweeërlei zin beroemd is, weet
-ieder dat niets te vergelijken is met de vrucht van den Attischen
-olijf, dat de kruiden van de Hymettus de geurigste zijn en dat juist
-daarom de honig van dien Hymettus de kostelijkste is, die ergens is te
-vinden.
-
-„Ik betreur het, dat ik om een waarlijk uitmuntenden kok te hebben, er
-een uit Sicilië heb moeten ontbieden.
-
-„Deze echter, Anacharsis genaamd, is nu werkelijk een meester van
-onovertroffen bekwaamheid en ik mocht hem wel den Phidias of Sophocles
-der kookkunst noemen.
-
-„Niemand verstaat het zoo goed door voorgerechten den eetlust te
-prikkelen. De sausen, waarin hij ons de worstjes, de wildezwijnenlever,
-de kleine vogels en dergelijke heeft opgedischt, zullen zelfs den
-fijnsten kenner bevredigen. Wat zijn meesterschap betreft in het
-uithalen van tonijnen [232], alen, muraenen [233] en speenvarkentjes en
-ze op de scherpzinnigste wijze tot streeling van het verhemelte met
-lijsters, eieren en oesters op te vullen, daarvan kunt gij u heden zelf
-genoeg overtuigen. Zijne hazen en reeën, zijne patrijzen en fasanten
-zult gij even heerlijk vinden als zijne koeken met melk en honig
-toebereid en met allerlei vruchten gevuld.
-
-„Gij hebt juist, ik herhaal het, de gelegenheid de kunst van dezen
-voortreffelijken man te waardeeren; maar gij allen—en ik mocht er wel
-bijvoegen, alle Atheners over het algemeen—gij zijt in uw gemoed steeds
-te zeer met andere zaken bezig, om met waren kennerssmaak dit te
-proeven en de waarde van deze kunst onbevooroordeeld te erkennen.
-Eigenlijk zijn slechts de parasiten van professie werkelijke, degelijke
-lekkerbekken en dankbare dischgenooten. Gelukkig groeit het aantal van
-die kunstlievende mannen, die er hun vak van maken, om op andermans
-kosten heerlijk te smullen, met den dag aan. Ik heb u reeds gezegd, dat
-ik dagelijks een dozijn van die lekkerbekken aan mijne tafel vereenig
-en ik kan ze niet missen; want het begint mij te vervelen al dat
-heerlijke geheel alleen te genieten. Gij moest eens zien, met welk een
-ernst die knapen hun vak opvatten, hoe zij smakken met de tong, hoe zij
-de wenkbrauwen optrekken, als mijn kok hen met een nieuwe uitvinding of
-met eene fijne, slechts voor den kenner merkbare verandering, in de
-spijzen verrast. Zóó zijt gij nu waarlijk niet; integendeel terwijl gij
-de grootste kunststukken van mijn voortreffelijken Anacharsis door uwe
-keel laat glijden, denkt de een dit, de ander aan wat anders, Pericles
-aan zijne staatszaken en aan eene nieuwe volksplanting, die hij wil
-overbrengen, Sophocles aan een nieuw treurspel, Phidias aan de friezen
-van het Parthenon, Polygnotus overdenkt, hoe men de wanden dezer
-eetzaal nog sierlijker had kunnen beschilderen en Socrates ontleedt in
-zich zelven een begrip, in plaats van den patrijs, dien hij op zijn
-bord heeft.”
-
-Aldus gaf Hipponicus zijn gemoed lucht en zijne gasten lachten vroolijk
-om de aanmerkingen van den goedhartigen gastronoom.
-
-Nu echter stond Hipponicus op en bracht het gebruikelijke plengoffer
-met eene waardigheid, die hij als daidouchos te Eleusis niet plechtiger
-kon ten toon spreiden.
-
-„Aan den goeden Geest gewijd!” [234] sprak hij en goot eenige droppels
-ongemengden wijn uit de schaal op den grond, dronk toen zelf, liet den
-beker opnieuw vullen en bij de gasten, rechts beginnende, rondgaan.
-Gedurende dit plengoffer heerschte er eene plechtige stilte, slechts
-twee fluiten begeleidden dit met ernstige, gedempte tonen.
-
-Daarop werden de kleine tafels weggenomen en de vloer gereinigd [235].
-
-Toen vervolgens de drinkbeker gebracht, het groote mengvat geplaatst en
-het nagerecht opgedragen was, met allerlei versnaperingen die den
-drinklust konden opwekken, alsmede hoofdtooisels en geurige kransen van
-rozen, viooltjes en myrthen binnengebracht waren, waarmede de gasten
-hunne hoofden omwonden, werd de Paëan [236] ter eere van Dionysus
-aangeheven en op het met bloemen bekranste altaar een offer van
-vermengde wijn in de vlam gegoten, ter eere van alle Olympische Goden.
-
-„Gij weet, waarde gasten en vrienden,” sprak weder Hipponicus, „wat het
-oude, schoone gebruik van ons verlangt. Wilt gij liever den symposiarch
-[237] kiezen of wel hem door het lot benoemen?”
-
-Phidias, Ictinus, Anaxagoras en eenige anderen verklaarden zich er
-tegen, dat men hem door het lot aanwees, want dan moesten zij vreezen,
-naar zij zeiden, zelf benoemd te kunnen worden en zij gevoelden weinig
-roeping den post van ceremoniemeester op zich te nemen.
-
-„Als het noodig is,” zeide Protagoras, „een symposiarch te kiezen, dan
-weet ik niemand, wien we dit eerambt liever moesten aanbieden, dan aan
-den aanzienlijksten van zoovele aanzienlijke mannen, aan den grooten
-Pericles.”
-
-Deze bedankte met een glimlach voor die eer en zeide: „Kiest Socrates.
-Die verstaat het, verstandige gesprekken te leiden; zou hij dan ook
-geen symposion kunnen besturen?”
-
-Socrates echter antwoordde: „Ik weet niet of ik verstandige gesprekken
-kan leiden of niet; dit echter weet ik wel, dat ook wanneer dit
-werkelijk zoo was, het een onvergeefelijke aanmatiging van mij zou
-wezen, ’t zij bij een gesprek, ’t zij bij een symposion, de moeilijke
-taak der leiding op mij te nemen, in tegenwoordigheid van mijne
-leermeesteres Aspasia, wier heerlijke wijsheid allen hier aanwezigen
-genoeg bekend is. Ik geef toe, dat de gewoonte medebrengt, een
-symposiarch te kiezen en dat Aspasia eene vrouw is; maar ik weet niet,
-wat de kunne met de taak van een symposiarch te maken heeft? Hipponicus
-verlangt, dat dit symposion eenig in zijn soort zij; welaan, laten wij
-hem daarin behulpzaam zijn en kiezen we in plaats van een symposiarch
-eene symposiarche.”
-
-Op het eerste oogenblik schenen de gasten door deze woorden verbluft,
-doch weldra klonken van alle kanten levendige bijvalskreten.
-
-„Zonderling, maar misschien verstandig is het,” zei Aspasia, „iemand
-tot hoofd der tafel te kiezen, die zelf het drinken niet verstaat.”
-
-„Met welken wijn,” ging zij voort, „zijn tot nu toe onze bekers
-gevuld?”
-
-„Het is wijn van Thasos,” hernam Hipponicus, „Thasische wijn van de
-beste soort, zooals hij geplengd wordt in het Prytaneüm [238] te
-Thasos. Den kostelijken geur heeft de wijn uit zich zelven, maar den
-zoeten smaak van het met honig gemengde weitemeel, dat men, naar een
-voortreffelijk gebruik, in vaten heeft gedaan.”
-
-„Honigzoete, geurig gekruide wijn van Thasos!” riep Aspasia, „gij zijt
-waardig op het welzijn gedronken te worden der beide mannen, wier
-overwinning met dit maal gevierd wordt! Mijne vrienden, ledigt uwe
-bekers op het welzijn van den gekransten choreeg en op dat van den
-gelauwerden dichter der Antigone!”
-
-Met geestdrift begroetten allen dezen dronk en ledigden hunne bekers,
-die op bevel der koningin van het feest opnieuw werden gevuld.
-
-„Thrax” [239], riep Hipponicus, tot een der bedienende slaven, „breng
-de wijnkaart hier, die voor het symposion van heden bestemd is en geef
-ze aan de symposiarche.—Op dezelfde lijst, Aspasia, vindt ge de spelen
-en vermakelijkheden, waarover wij heden in dit huis beschikken kunnen.
-Moge het u behagen tot ons genoegen telkens datgene uit te kiezen wat u
-juist het schoonst en geschiktst voorkomt en het door een woord of een
-wenk als met een tooverstaf voor ons te bezweren.”
-
-„Wilt gij mij eene cither laten geven?” vroeg Aspasia. „Ik zal mij als
-symposiarche niets meer aanmatigen, dan den grondtoon voor de stemming
-en de harmonie aangeven.”
-
-Oogenblikkelijk liet Hipponicus een slaaf eene met edelgesteenten en
-ivoor rijk versierde cither binnen brengen. De schoone Milesische nam
-ze aan en begon bij de tonen de volgende verzen te zingen:
-
-
- „Lachend, met bloemen getooid, welriekend van Syrischen nardus,
- Met Dionysischen dauw, schitterend, rooskleurig besproeid,
- Laat ons met klinkende stem onder ’t getokkel der snaren verkonden,
- Dat hij het schoonst is op aard, hij het hoogste: de lust!”
-
-
-Daarop liet zij de luit aan Socrates geven.
-
-Deze echter zeide:
-
-„Daar het ook tot de taak van den symposiarch behoort, raadsels ten
-genoege der gasten op te geven, heb ik aanstonds vermoed, dat Aspasia
-onze scherpzinnigheid met zulke dingen op de proef zou stellen. Wat zij
-daar juist, om den grondtoon voor ons symposion aan te geven, zooals
-zij zegt, van den lust des levens onder begeleiding der snaren heeft
-gezongen, wat is dat, wel beschouwd, anders dan een verleidelijk
-raadsel, dat zij ons voorlegt? Deze schoone Milesische schijnt mij
-inderdaad eene Sphinx [240] toe, met een afgrond naast zich, waarin zij
-ons allen zal storten, als wij hare raadsels niet kunnen oplossen. Hoe
-benijd ik thans den voortreffelijken Hipponicus! Want deze schijnt toch
-zeker wel het best van ons allen den lust en het vroolijke genot des
-levens te kennen en zoo wellicht alleen in staat dat raadsel van
-Aspasia in de rechte beteekenis te verklaren en op te lossen. Want wat
-iemand het best in de praktijk kent, dat zal hij wel het best kunnen
-onderwijzen.”
-
-Levendig en vroolijk hunne goedkeuring aan die woorden te kennen
-gevende, riepen allen:
-
-„Zoo is het! Hipponicus is de man, om ons over het genot en over den
-lust des levens te onderrichten.”
-
-„Wanneer dan de vervelende bespiegeling van alle dingen bij dit
-symposion niet geheel vermeden kan worden,” begon Hipponicus met een
-schalkschen lach, „dan dank ik den Goden, dat het gesprek juist op dit
-en geen ander onderwerp gekomen is. Want dit is werkelijk, zooals
-Socrates zeide, eene zaak, waarover ik een woordje mag meespreken. Gij
-herinnert u nog wel, hoe ik straks mijn best heb gedaan, u aan het
-verstand te brengen, dat men bezwaarlijk het ergens ter wereld in de
-kunst van goed te eten en te drinken verder zou kunnen brengen, dan
-hier te Athene, als men maar wil. In het algemeen kan men de stelling
-uitspreken, dat op dezen bodem en onder dezen Helleenschen hemel de
-menschen geboren zijn, om gelukkig te zijn. Ik zal u echter ook
-bewijzen, dat het bij ons in Griekenland gemakkelijk is het
-aangenaamste leven met de wijsheid, de deugd of vroomheid of
-godenverheerlijking of wat gij ook noemen wilt, te verbinden. Want de
-Helleensche Goden verlangen al het mogelijke, alleen niet onthouding of
-verloochening van de vreugde en het genot des levens. Zelfs van mij
-verlangen zij dat niet, hoewel ik van een priesterlijk geslacht ben en
-jaarlijks éénmaal bij de viering der Eleusinische mysteriën het ambt
-van diadouchos moet waarnemen. Het overige deel van het jaar leef ik te
-Athene voor het vaderland en mijn genoegen, zonder dat het de Goden en
-niemand ter wereld zou invallen, mij daarvan een verwijt te maken. Als
-de arme stumpert Diopithes daarboven op den burg mij vijandig is en
-kwaad van mij spreekt, is het niet, omdat ik van eene keurige tafel en
-schoone vrouwen houd en er goed van leef, ’t geen hij ook wel gaarne
-zou doen, als hem de middelen er niet toe ontbraken, maar alleen omdat
-het Eleusische priestergeslacht het zijne, de Eumolpiden, de
-Eteobutaden, in luister en aanzien overschaduwd heeft.
-
-„Als Diopithes als een suffer leeft, dan doet hij dat uit vrijen wil;
-de Goden der Hellenen bekommeren zich daar niet om en, hoewel ik er
-eene betere tafel op nahoud, beroem ik mij toch even vroom en den Goden
-even welgevallig te zijn als hij. Durft iemand beweren, dat ik geen
-vroom man ben en de Goden niet eer, zoo goed als iemand te Athene? Zeus
-Herkeios [241] heeft zijn altaar aan mijn huiselijken haard; in de nis
-achter de deur staat Hermes Strophaios, de goddelijke bewaker van den
-deurdrempel; vóór de deur staat het gewone Hecate-huisje [242], en de
-kegelvormige zuil van Apollo Agyieus [243] den God der straten en
-daarnaast de laurier, den God gewijd, tot eene beschutting tegen
-tooverij en vallende ziekte, bij de deur zelve blijft van het eene
-Pyanepsiën-feest [244] tot het andere de olijftak, symbool der
-overwinning, hangen, dien men met witte wol omwonden in den
-Apollo-tempel bij dat feest wijden laat; het ontbreekt ook niet aan
-opschriften boven de deur, die het huis onder de hoede der Goden
-stellen, noch aan den gebruikelijken Medusa-kop aan den anderen kant,
-die al het booze van den ingang afweert. Ik verzuim noch de betamelijke
-godenoffers, noch de reinigingen en verzoeningen, noch de gebeden, noch
-de gaven, noch de rijkelijke bijdragen, om den luister der godenfeesten
-te verhoogen en het heeft mij kort geleden weder vijfduizend drachmen
-gekost, om het koor voor Sophocles’ Antigone zoo prachtig mogelijk uit
-te rusten. Wie durft dus opstaan en zeggen, dat ik geen vroom man ben
-en de Goden niet, naar oudvaderlijk gebruik, eer? Wij Grieken zijn een
-vroom volk en ik ben een Griek. Daarom vereer ik de Goden, zooals
-betamelijk is, maar ik vrees ze niet, ook al geniet ik het goede der
-aarde. Want in den Tartarus [245] zijn er velen, die om verschillende
-overtredingen de zwaarste straffen lijden, maar ik herinner mij niet,
-dat er onder hen één is, die daar lijdt, omdat hij een gastronoom en
-man van de wereld geweest is. Is er één onder? Neen, geen enkele!
-Daarom nog eens: ik ben een vroom man en behoef de Goden niet te
-vreezen. Ik vrees niets ter wereld, behalve de dieven en inbrekers, die
-mij mijne schatten, mijne paarlen en edelgesteenten, mijne Perzische
-gouden dariken [246] zouden kunnen ontrooven.”
-
-Alle dischgenooten begonnen vroolijk te lachen bij deze laatste woorden
-van Hipponicus en klapten in de handen; hij echter vervolgde:
-
-„Daar bouwen ze wijselijk een schathuis voor de staatsgelden boven op
-den burg, onder de bescherming der schutsgodin dezer stad. Maar hoe zal
-een vaderlandlievend man, als een onzer, zijn zuur verdiend geld in
-veiligheid brengen? Ik ontken het niet, dat sedert ik zesduizend slaven
-in mijne zilvermijnen laat werken en mijne bezittingen dagelijks
-toenemen, ik mij wat ongerust maak.”—
-
-„Troost u, Hipponicus,” riep Pericles, „ik zal bij het volk mijn best
-doen, dat het u toegestaan wordt, een schathuis voor u zelven op de
-Acropolis te bouwen. Gij hebt dit, zoo al niet door iets anders, dan
-toch zeker door uwe prachtige rede verdiend, die gij straks gehouden
-hebt.”
-
-Wederom klapten alle dischgenooten in de handen en prezen Hipponicus en
-zijne rede.
-
-Alleen de dartele en onvermoeide drinkebroer Cratinus zeide tot den
-gastronoom:
-
-„Wanneer gij, edele Hipponicus, werkelijk de Goden niet vreest, maar
-alleen de dieven en niets anders ter wereld, dan de dieven, wat denkt
-gij dan van de waterzucht en de andere gevolgen van een vroom en tevens
-goed leven? En van het pootje, dat, zooals ik helaas bij ondervinding
-weet, aan te rijke besproeiing met Dionysischen dauw pleegt verbonden
-te zijn? Hebt gij ook hiervoor geen vrees? Of vertrouwt gij op dit punt
-geheel en al uw vriend Hippocrates, den voortreffelijken arts dien gij
-wijselijk aan uwe tafel pleegt te noodigen?”
-
-„Gij hebt het geraden,” hernam Hipponicus, „in deze dingen verlaat ik
-mij geheel op Hippocrates, met wien ik, evenals met de Goden gaarne op
-een goeden voet sta. Hem laat ik het ook over te beslissen of het
-pootje en waterzucht en dergelijke zaken werkelijk komen, van wat men
-noemt „het vette der aarde genieten.”
-
-„Niet geheel en al,” hernam Hippocrates glimlachend. „Het is wel is
-waar niet te ontkennen, dat de inspanning en vermoeienis, die met een
-goed leven gepaard gaan, waterzucht en dergelijke dingen veroorzaken
-kunnen. Wat het genot op zich zelf echter betreft—en om het zuivere
-begrip daarvan is het toch in ons onderhoud te doen—moet dit als een
-zeer geschikt hulpmiddel ter bevordering der gezondheid beschouwd
-worden. Het genot is namelijk eene eigenaardige lichaams- en
-zielsstemming, hetwelk de wangen kleurt, de oogen verheldert, de
-ademhaling gemakkelijker maakt, het bloed krachtig door de aderen
-drijft, het trage veerkracht geeft, het vloeibare stolt, alle
-levensgeesten opwekt, alle krachten vermeerdert en het geheele wezen
-van den mensch in een staat van schoone, heilzame harmonie brengt.
-Zelfs voor den kranke is de vreugde eene zoo heilzame artsenij, dat ik
-niet weet of onder alle kruiden, pleisters en dranken, die wij
-geneeskundigen bij zieken aanwenden een krachtiger middel is te
-vinden.”
-
-Lachend gaven alle gasten hun instemming te kennen met deze woorden, en
-alle dischgenooten deden eene gelofte, dat zij zich nooit aan een
-anderen arts dan Hippocrates zouden toevertrouwen.
-
-„Wijze geneesheer!” riep de halfdronken Cratinus, „gij hebt mij ten
-volle gerust gesteld. Nu is het mij helder: hoe had ik, dien zij een
-vriend der flesch noemen, voornamelijk sedert ik eene comedie
-geschreven heb, waarin gevulde flesschen, mijne vriendinnen, het koor
-vormen, hoe had ik, zeg ik, de met genot van het drinken verbonden
-kwalen tot op dezen huidigen dag zoo gelukkig kunnen trotseeren, zoo
-niet de genezende kracht van het drinken op zich zelve mij op de been
-had gehouden?—Ware ik ceremoniemeester, in plaats van die schoone
-vreemdelinge, die zich vermoedelijk beter op de werken van de gulden
-Aphrodite verstaat, dan op die van Bacchus, dan zou ik oogenblikkelijk
-een dubbelen dronk instellen op den wijsten aller geneesheeren, den
-grooten Hippocrates!”
-
-„Thrax,” riep Aspasia den naast haar staanden slaaf toe, „geef Cratinus
-een beker, dubbel zoo groot als de onzen. En laat ons nu een dronk
-wijden ter eere van Hippocrates!”
-
-Toen nu allen ter eere van Hippocrates gedronken hadden en ook Cratinus
-zijn dubbelen beker geledigd had, nam Polus het woord:
-
-„Ik weet niet, hoe onder ons van daag over levensgenot kan gesproken
-worden, zonder vóór alles aan de woorden te denken, welke gij in het
-treurspel, welks overwinning wij vieren, uit den mond van den bode
-vernomen hebt:
-
-
- „Des menschen leven past het nooit te roemen,
- Nooit over ’t onheil dat hem trof te klagen.
- Want die het meest door rampen werd bezocht,
- Dien beurt het lot vaak uit zijn lijden op,
- En werpt hem die ’t gelukkigst scheen in ’t stof.
- Geen ziener die des stervelings einde kent.
- Doch alles is voorbij. Want als de vreugd
- Den mensch ontviel, leeft hij geen leven meer,
- Als een bezielde doode doolt hij rond.
- Al is zijn huis met schatten opgevuld,
- Al praalt hij in een vorstelijk gewaad.
- Zoo hem ’t genot ontbreekt, acht ik dit alles
- Niet hooger dan de schaduw van den rook!”
-
-
-„Ik prijs de vreugde,” zei daarop Sophocles, „niet alleen omdat zij het
-leven aangenaam, maar ook, omdat zij het schoon maakt. In de diepte des
-levens heerscht veel sombers en verschrikkelijks en dikwijls is de
-vraag gerezen, of het niet beter was niet te leven dan wel. Daar wij nu
-echter leven, moeten we den afgrond des levens en zijne
-verschrikkingen, zoo goed mogelijk, trachten te bedekken met de bloemen
-der schoonheid en harer tweelingzuster, de vreugde. Nauw is de grens,
-die om het menschelijk leven is getrokken; maar binnen deze grens
-mensch te zijn is geoorloofd en tevens de reine menschheid in dien
-kleinen tijdkring schoon en edel te ontwikkelen. Mensch te zijn wil
-zeggen edel te zijn en zacht, en voor dat edele en beminnelijke zachte
-is de grens de liefelijke maat, waardoor hij zijn aanzijn goddelijk
-besteden kan. Even schoon als opgeruimd, even edel als zacht genoemd te
-worden, zij der Hellenen trots!”
-
-„Ik dank u voor deze uitspraak,” zei Pericles.
-
-„Men heeft mij in den oorlog soms te zacht en toegefelijk genoemd, doch
-ik geloofde juist als een Helleen te handelen. Als er weer gestreden
-moet worden, te land of ter zee, zal ik van het volk der Atheners den
-dichter der „Antigone” tot medestrateeg verzoeken.”—
-
-„Sophocles als strateeg?” riepen sommigen van het gezelschap.
-
-„Waarom niet?” zei Sophocles lachende. „Mijn vader toch was een
-wapensmid. Dit is een voorteeken, dat ik voor strateeg geboren ben.”
-
-„Veel geluk er mede!” riep Hipponicus. „Maar meent ge, Pericles, dat er
-spoedig weder krijgsvolk ingescheept zal worden en eene vloot zee zal
-bouwen?”
-
-„Het is best mogelijk,” hernam Pericles.
-
-„Het is mij wèl,” hernam Hipponicus, „maar ik hoop Pericles, dat gij u
-op geen ander admiraalschip lauweren zult verwerven, dan op datgene,
-wat ik als triërarch zal uitrusten.”
-
-„Dat zal ik,” antwoordde Pericles. „Doch laten we niet de krijgshaftige
-stemming den boventoon laten voeren bij een zoo vreedzaam feest.
-Onvriendelijk zou het zijn, zoo wij niet vóór wij tot andere dingen
-overgaan, den wijzen Anaxagoras vroegen, of hij hetgeen hier over het
-genot is gezegd, verwerpt of goed keurt.”
-
-„Wanneer gij mijne meening verlangt te hooren,” zei Anaxagoras, „wil ik
-u die niet onthouden. Wat gij daar te berde hebt gebracht, bewijst dat
-het uw streven is van buiten af het schoone en goede en aangename tot u
-te brengen, zooveel maar mogelijk is. Maar ik beweer dat de ware, de
-rechte vreugde diegene is, welke niet van buiten komt, maar die welke
-men als zijn innigst werkelijk leven in zich zelven bezit. Geluk is
-niet hetzelfde als vreugde; en zoo weinig bestaat het geluk in de
-dingen buiten ons, dat het veel meer, ja het best zonder deze bestaat.
-Vrijwillig zich aan den algemeenen Wereldgeest te onderwerpen, den
-eigen wil te dooden, dat is wijsheid en deugd en de waarborg tevens der
-rechte vreugde, de vaste burgt der apathie, waarin de mensch zonder
-begeerten, zonder hartstocht, zich zelven genoegzaam, zich zelfs
-tegenover de machten van het noodlot overwinnelijk toont.”
-
-De woorden van Anaxagoras maakten een eigenaardigen indruk. Pericles
-hoorde ze met die belangstellende aandacht, welke hij steeds aan de
-uitspraken van zijn ouden vriend schonk. Over Aspasia’s voorhoofd
-echter vloog een licht wolkje. Haar oog ontmoette dat van Protagoras.
-Het was alsof de schoone vrouw en de sophist in elkanders oogen lazen,
-wat er in hunne ziel omging. En toen nu de schitterende redenaar in den
-zwijgenden kring rondzag, gereed om den wijsgeer te antwoorden, schenen
-de stralen uit Aspasia’s oogen zijne gedachten te bezielen, zijne
-woorden kracht en gloed te geven.
-
-„Streng en hard,” begon hij, „klinken de woorden van den wijze uit
-Clazomenae te dezer plaatse, waar zooeven nog onder den klank van
-vroolijke skoliën [247] het feestelijk genot om het met bloemen
-bekranste altaar van Dionysus heerschte! Maar ook hij—merkt dit wel
-op—ook hij, de strenge, harde wijze heeft van het genot als van ’s
-menschen hoogste doel gesproken. Slechts over de wegen, die daarheen
-voeren, denkt hij verschillend. En in der daad het genot heeft vele
-namen en vele vormen en vele zijn de paden, die heenvoeren naar zijne
-zonnige hoogte. Menigeen vindt zijne hoogste vreugde in de bedwelming
-der zinnen, anderen, door een hoogeren adel der ziel tot het schoone
-gedreven, verheffen zich tot de reiner sferen van het genot, en er is
-eene derde soort van die goddelijke menschen, die boven lucht en wolken
-in het eeuwige klare zonder begeerten wonen. Weet gij aan welke van die
-drie wijzen, om het genot na te jagen, ik de voorkeur geef? Aan geene,
-maar aan die, welke het verstaat, naar tijd en plaats, iedere dezer
-verschillende wegen te bewandelen. Wanneer de bekers tintelen en
-schoone oogen schitteren, laat ons dan de vroolijke wijsheid van
-Hipponicus volgen; wanneer voor onze oogen de wonderen van het schoone
-heerlijk zich vertoonen en het menschelijke zijn edelsten bloei
-ontvouwt, dan deelen wij de geestelijke vreugde van Sophocles, wanneer
-de hemel bewolkt is, wanneer onafwendbaar smart en onheil ons
-bedreigen, dan is het tijd kalm tot de schoon bekranste vreugde te
-zeggen: Vaarwel! en zich te omgorden met de goddelijke kalmte en
-rustige waardigheid van den wijzen Anaxagoras. Te kunnen ontberen is
-roemrijk—maar wij willen die kunst slechts daar uitoefenen, waar wij
-haar noodig hebben. Als het tijd is zich te verheugen, willen wij ons
-verheugen, als het tijd is te ontberen willen wij ontberen. Wie
-verstandig weet te genieten, hem zal ook de wijsheid der
-zelfverloochening niet ontbreken. Hij zal de vreugde tot zijne slavin
-maken, niet zich zelven tot een slaaf der vreugde. Hij zal de
-omstandigheden aan zich, niet zich aan de omstandigheden onderwerpen.
-En wanneer datgene, wat door de wijsheid onzer vreugde als perk wordt
-gesteld, niets anders is dan de natuurlijke, rechte maat van het genot
-en het genot door overmaat verdwijnende, geen genot meer is, maar het
-tegendeel daarvan, zoodat het zijne grens en zijne maat niet buiten of
-naast zich, maar in zich heeft, waarom zouden wij dan nog van deugd
-spreken en onthouding, als van een zaak, die vreemd, ja zelfs vijandig
-aan het geluk zou zijn? Ontbering, onthouding, deugd zonder genot kan
-in de gedachte van den Helleen opkomen, nooit echter doordringen tot de
-diepte van zijn gemoed. Zelfs te werken in het zweet des aanschijns,
-handenarbeid te verrichtten om het dagelijksch brood, acht hij zijns
-onwaardig. Daarom werkt de slaaf, werkt de barbaar voor den Helleen.
-Het minder edele deel der menschheid moet zich voor het edeler deel
-opofferen, opdat het ideaal van waarachtig bestaan, den mensch waardig,
-verwezenlijkt worde. Ware ik wetgever, een nieuwe Lycurgus of Solon
-[248] en werden de tafelen der wet onbeschreven in mijne hand gelegd,
-ik zou ze aangrijpen en met gouden stift bovenaan deze woorden zetten:
-
-Gij stervelingen, weest schoon,—weest vrij—weest gelukkig!”
-
-Zoo sprak Protagoras, met onafgewenden blik op Aspasia gericht en
-verheugd over den glans van ingenomenheid, die onmiskenbaar uit haar
-gelaat hem tegenstraalde. Bijna elk van den kring hechtte zijne
-goedkeuring aan zijne woorden en Pericles zeide, dat hij Protagoras zou
-opdragen de eerstvolgende kolonie, die uit Athene zou gezonden worden,
-aan te voeren. Want hij scheen hem toe een staat in den Helleenschen
-geest te kunnen regelen.
-
-„Gelukkige Protagoras,” begon nu Socrates, „gelukkige Protagoras, wien
-het vergund is het goud van Aspasia’s zwijgen in de klinkende munt van
-welsprekende taal om te zetten. Wanneer ik uwe woorden even goed
-begrepen heb, als gij de taal van Aspasia’s oogen, dan schijnt gij mij
-de wijsheid in zooverre als een middel ter bevordering van geluk te
-beschouwen, als men haar om zoo te zeggen, gereed houden en uit den zak
-kan halen, wanneer men juist niets beters bij de hand heeft—”
-
-„Wat is wijsheid?” riep Protagoras. „Vraag het duizend menschen en wat
-de een wijsheid noemt, heet bij den ander dwaasheid. Vraag hun echter
-wat vreugde is en droefheid, allen zullen het daaromtrent eens zijn.”
-
-„Gelooft gij dat werkelijk?” hernam Socrates. „Men kan er de proef van
-nemen...”
-
-„Vergun mij, Protagoras,” viel Aspasia in, „dat ik mij verstout
-Socrates te antwoorden; niet met woorden, want hoe zou ik mij vermeten,
-wanneer er woorden van wijsheid moeten gesproken worden, in Protagoras’
-plaats te treden? Ik wil den eeuwigen twijfelaar en vrager met die
-middelen bestrijden, die mij als symposiarche, tot onderzoek zijner
-laatste tegenwerping ten dienste staan.”
-
-„Vooraf,” vervolgde zij, „bevochtig uwe lippen, die wellicht door het
-vuur van het gesprek droog geworden zijn, met frisschen dauw.”
-
-Op haar bevel werd nieuwe wijn in den krater [249] gemengd en den
-gasten in andere, grootere bekers geschonken.
-
-„Dit is wijn van Lesbos,” zei Hipponicus, „de bloem van den wijnstok.
-Hij is minder geurig dan de Thasische, doch zijn smaak is nog
-aangenamer.”
-
-„Hij is zacht en vurig te gelijk, als de ziel van zijne landgenoote
-Sappho,” riep Protagoras, even met zijne lippen het vocht in de beker
-proevende.
-
-De beker werden geledigd op Aspasia’s bevel ter eere van de zachte en
-hartstochtelijke Lesbische zangster en op nieuw gevuld, terwijl de
-oogen der gasten al meer en meer begonnen te schitteren.
-
-„Laten wij nu,” begon Aspasia weder, „hen laten binnenkomen, die gereed
-staan, om ons op iets van datgene te vergasten, waaronder de menschen
-naar Protagoras’ meening het allen eens zijn, naar Socrates’ zienswijze
-echter niet.”
-
-Fluitspeelsters, danseressen en kunstenmaaksters kwamen de zaal binnen,
-allen jong, bekoorlijk, allen bekranst en met welriekende wateren
-besprenkeld en getooid in verleidelijk gewaad.
-
-Het fluitspel begon in weeke, zoete tonen en daarbij werden door de
-danseressen mimische dansen uitgevoerd. Wat Socrates bij Theodota had
-bewonderd dat had hij nu in veelvoudige mate in eene groep van
-bloeiende gestalten voor oogen. Nadat deze danseressen door hare kunst
-aller oogen hadden verrukt, oefende hetgeen thans de kunstenmaaksters
-volvoerden, eene betooverende en bedwelmende werking uit. Als dezen bij
-den klank der fluiten en de maat der muziek een aantal ballen in de
-hoogte wierpen en weder opvingen of den zoogenaamden kogelloop op een
-pottebakkersrad uitvoerden, lag in de bliksemsnelle bewegingen der
-jeugdige, slanke, lenige meisjesgestalten eene betooverende, ja
-bedwelmende bekoorlijkheid. Toen zij echter den verbazingwekkenden
-zwaardendans begonnen, toen zij tusschen de klingen, die met de punt
-naar boven in den grond gestoken waren, dansend heen en weder sprongen
-en over de blinkende zwaardspitsen naar voren en achteren oversloegen,
-toen gevoelden de opgewekte toeschouwers zich door een genot, met
-huivering gemengd, aangegrepen. Toen eene van die slanke, bekoorlijke
-meisjes in een licht, nauwsluitend gewaad, dat den vollen en reinen
-vorm des lichaams deed uitkomen, met de handen op den grond steunende
-in eene bevallige kromming naar achteren de voeten over den rug en het
-hoofd heenstrekte, om daarmede uit het vóór haar staande mengvat een
-beker te vullen, dien zij met de teenen van den linkervoet bij het
-hengsel had gegrepen, terwijl zij met de teenen van den anderen voet
-het oor van het schepvat vasthield, of in diezelfde houding een pijl
-van den boog deed snorren—toen was het niet alleen de verbazende
-vaardigheid, die zij ten toon had gespreid, maar tevens het tot de
-hoogste vrijheid en bijna bovenmenschelijke vlugheid ontwikkelde
-schouwspel harer bloeiende ledematen, die de zinnen van Hipponicus’
-gasten in eene soort van zwijmel bracht.
-
-Toen de dansen en spelen geëindigd waren en de danseressen,
-kunstenmaaksters en fluitspeelsters onder de levendigste toejuichingen
-der dischgenooten zich weder hadden verwijderd, zei Aspasia:
-
-„Het schijnt dat alles wat wij gezien hebben ons genoegen heeft gedaan
-en dat wij het volkomen eens zijn in deze soort van genot, terwijl wij
-toch vroeger, toen het de leer der wijsheid gold, het maar niet eens
-konden worden. De proef, waarop het aankwam, zooals gij zeidet,
-Socrates, is derhalve genomen—”
-
-„Gij weet zeer wel, Aspasia,” antwoordde Socrates, „dat niemand ter
-wereld zich liever laat onderrichten dan ik. Vergun mij nog één ding
-aan Protagoras te vragen. Wanneer er, zooals gij leert, verscheidene
-soorten van genot zijn en wij datgene, wat het genot verschaft, een
-goed noemen, dan zijn er nog wel andere goederen en onder deze een
-hoogste goed. Om echter juist dit uit andere goederen uit te vinden en
-ook het hoogste genot uit andere genietingen—want het genot is toch,
-zooals wij gezegd hebben, niet zelf het goede, maar wordt eerst door
-het bezit van het goede teweeg gebracht—zou daartoe een weinig verstond
-of oordeel of wijsheid noodig zijn of hoe men het ook noemen wil?”
-
-Glimlachend zei Aspasia:
-
-„Gij ziet, Protagoras, dat deze man u in de engte drijft: doch het is
-mijn plicht te zorgen, dat de strijd niet al te heftig wordt. Reeds
-sedert een half uur heb ik een kleinen aanslag in den zin tegen den
-strijdlustigen Socrates. Het komt mij niet goed voor, dat Socrates op
-hetzelfde aanligbed met Anaxagoras aanligt en zoo steeds door den adem
-des meesters met nieuwen strijdlust aangeblazen wordt. Over het
-algemeen schijnt het mij toe, dat Hipponicus’ gasten zich grootendeels
-op een wijze geplaatst hebben, die gevaarlijk is voor het algemeen en
-gunstig voor heimelijke samenzweringen. Verscheidene malen heb ik
-opgemerkt, dat Phidias en Ictinus zacht samen fluisteren. Ook Cratinus
-zag ik vaker dan noodig was tot het oor van zijn buurman, Polygnotus,
-overbuigen. Krachtens mijne volmacht als symposiarche zal ik eene
-geheele verandering in de plaatsen brengen.”
-
-„Goed,” riepen de vroolijke dischgenooten. „Wij willen u gaarne
-gehoorzamen. Spreek, hoe denkt ge ons nu te plaatsen?”
-
-„Welaan,” zeide Aspasia. „Den gastronoom Hipponicus bevele Socrates op
-te staan en zette zich naast den wijzen Anaxagoras; de spraakzame Polus
-neme plaats naast den stillen Ictinus, de overmoedige Cratinus zal den
-zachten, vromen Sophocles tot buurman hebben. Phidias eindelijk moet
-met Polygnotus één aanligbed deelen. Hoe echter plaats ik Socrates?
-Onmogelijk kan ik hem in de nabijheid van Anaxagoras laten; integendeel
-ik moet deze beide kampioenen zoo ver mogelijk van elkander zetten. Wat
-blijft er anders over, dan dat ik u Protagoras, verzoek mijne plaats in
-te nemen, terwijl ik zelf ter beslechting van den strijd mij naast
-Socrates zal zetten.”
-
-Met deze woorden stond Aspasia op en plaatste zich onder op het
-aanligbed, waarop Socrates aanlag.
-
-Bereidwillig hadden inmiddels de dischgenooten de schikking van de
-symposiarche opgevolgd; alleen benijdden zij in stilte en luide
-Socrates zijne gezellin.
-
-Op dezen zelven oefende de onmiddellijke nabijheid der schoone eene
-eigenaardige werking uit. Had straks de adem van Anaxagoras, zooals
-Aspasia zich uitdrukte, zijn strijdlust aangeblazen, de adem van de
-bekoorlijke vrouw stemde hem tot vrede en verzoening.
-
-„Wat is dat?” riep Aspasia, zich tot Socrates overbuigend en zijn krans
-beschouwend, „aan uw krans zijn reeds vele bladeren ontvallen. Dat
-geldt als een voorteeken van geheime minnesmart. Is het soms uw jongste
-vriend, de moedwillige Alcibiades, die u droefheid veroorzaakt? Doch,
-ik ben gekomen om u te woord te staan. Welke bezwaren waren het,
-Socrates, die gij nog uit den weg zoudt willen geruimd zien?”—
-
-Socrates, betooverd door den vurigen blik van Aspasia, bedwelmd door
-den adem van haar mond, opgewekt door het ruischen van haar gewaad bij
-ieder harer bewegingen, antwoordde:
-
-„Aspasia, ik had bezwaren—en zij stonden in mijn hoofd goed
-gerangschikt, als in slagorde. Maar men heeft juist, toen ik ze in de
-beste orde wilde doen oprukken, een schoonbekranste dam opgeworpen,
-zoodat het schijnt dat zij daarover willende springen, de beenen zouden
-breken. Wat ik bedenkelijk vind, Aspasia? Zal ik het u zeggen? Ik vind
-op dit oogenblik alleen dit bedenkelijk, dat gij naast mij zit.”
-
-Met een ietwat spottend lachenden blik zag Anaxagoras, die intusschen
-den beker flink had toegesproken, zwijgend naar den spreker, die zoo
-smadelijk de wapens strekte.
-
-„Gij ziet, Anaxagoras,” zei Socrates, „ik ben in den strijd voor eene
-goede zaak gevallen en gij, grijsaard, voor wien ik eigenlijk het
-zwaard had getrokken, moet thans mij, den jongen man, uit den strijd
-dragen. Wreek mij, als gij kunt, Anaxagoras!”
-
-„Waarom niet?” hernam Anaxagoras, nadat hij een dronk uit zijn beker
-genomen had, „ik gevoel mij in het geheel niet zoo zwak, als de oude
-Priamus, om voor de jeugdige wijsheid van dezen Achilles sidderend te
-verstommen. Ik wil nog een woordje met u praten, Protagoras.”
-
-„Halt!” riep Aspasia, „wanneer het uwe bedoeling is ernstige woorden te
-spreken, vergun mij dan vooraf, dat ik mijn plicht als presidente der
-tafel vervulle en met een dronk van den vurigsten en kostelijksten
-aller wijnen, die tot nu toe geschonken werden, met het heerlijk
-druivensap van Chios, uwe tongen moge ontboeien.”
-
-Na deze woorden liet Aspasia den gezochtsten van alle Grieksche wijnen
-rondschenken.
-
-De bekers werden geledigd en nu was er niemand meer in het gezelschap,
-die niet hoog zweefde boven de sferen van het nuchtere verstand en zich
-niet overgegeven had aan de geweldige macht van den bezielden Dionysus.
-
-Anaxagoras ledigde zijn beker en begon eenigszins verward te spreken
-over genot en deugd, over kennis en den Wereldgeest.
-
-Om zijn geest nog meer op te wekken en te verhelderen bood Aspasia hem
-zelfs nog een beker van den krachtigen Chiër-wijn aan.
-
-Hij dronk dien uit en de taal van den wijze werd nog verwarder; hij
-begon te stotteren en met het hoofd geducht heen en weer te schudden.
-
-Ten laatste zonk het hoofd geheel op de borst. Nog eenige oogenblikken
-en de grijsaard lag in een rustigen sluimer.
-
-Een vroolijk gelach klonk er door de rijen der dischgenooten.
-
-„Wat hebt gij gedaan, Aspasia?” riepen zij: „de laatste voorvechter der
-strenge wijsheid hebt gij ontwapend en in slaap gewiegd!”
-
-„Bij het vroolijk symposion,” hernam Aspasia, „betaamt het der strenge
-wijsheid in te slapen. Maar niet zonder de Chariten is deze edele man
-ingesluimerd. Ziet, hoe schoon het gezicht is van den rustig ademenden
-grijsaard! Ik stel u voor, dat wij allen de kransen van onze hoofden
-nemen en ze op het hoofd en de schouders van den slapenden nederleggen
-en op deze wijze de zoo schoon en vreedzaam ingesluimerde wijsheid
-begraven.”
-
-De gasten deden wat Aspasia voorsloeg en in weinig oogenblikken was het
-hoofd van den wijze onder bloemen begraven.
-
-Socrates ging voort met drinken zonder dronken te worden, om ongestraft
-de zonderlingste dingen, Aspasia, die naast hem zat, in ’t oor te
-kunnen fluisteren.
-
-De ernstige Phidias zei tot den knaap, die zijn beker vulde, dat hij
-hem tot model voor eene zijner ephebenbeelden op den fries van het
-Parthenon wilde gebruiken. Cratinus stiet heimelijke verwenschingen uit
-en zei tot zijn buurman Sophocles:
-
-„Die toovenares, die Circe, die Omphale zal aan mij denken! zij laat
-mij zelfs dien krachtigen Chiër uit den grooten beker drinken! Zoolang
-ik nuchteren was, merkte ik er niets van; nu echter is het mij
-duidelijk, waarop zij het gemunt heeft.”—Polygnotus verzekerde zijn
-buurman, dat hij, met uitzondering van de jeugdige Elpinice, nog nooit
-eene zoo schoon gevormde vrouw als Aspasia gezien had. „Pericles,” zei
-de purperroode Hipponicus met eene stem, die trilde van aandoening,
-„Pericles, gij weet dat ik u steeds in eere heb gehouden, dat ik u den
-innigsten dank verschuldigd ben, omdat gij vóór eenige jaren mij van de
-toen nog schoone, maar kijfzieke Telesippe hebt afgeholpen. Doe mij nog
-het genoegen mij toe te staan een schathuis op den burg te bouwen—want
-ik heb zesduizend slaven in het werk in de zilvermijnen en mijn
-vermogen neemt bij den dag toe en men is voor dieven niet veilig. En
-als uw pleegzoon Alcibiades grooter is... mijn dochtertje Hipparete...
-de schoonste aller Helleensche jonkvrouwen...
-
-„Het zij zoo,” zei Pericles met een vriendelijken glimlach.
-
-Hij was de eenige van het geheele gezelschap op wien Bacchus zijne
-macht niet had kunnen uitoefenen; niet omdat hij minder gedronken had,
-maar omdat zijn gestel even sterk was, als zijne ziel zacht. Hij sprak
-met Protagoras over de politiek, over veranderingen in de
-volksheerschappij te Athene, over het uitzenden van de kolonie, over de
-mogelijkheid dat een veldtocht op handen was. Protagoras echter was
-verstrooid, daar hij telkens vurige blikken sloeg op de schoone
-Milesische. Eindelijk verraste de stille Ictinus de dischgenooten door
-het aanheffen van een paeän op Dionysus, die toen door allen in koor
-gezongen werd.
-
-Zoo heerschte er op het symposion ten huize van Hipponicus eene
-feestelijke stemming, die aangewakkerd werd door Bacchus’ heerlijke
-gaven, door zinnenstreelende bekoorlijkheden, door de betoovering, die
-er uitging van de schoone Milesische, eene stemming die gekruid werd
-door de bloem van den Helleenschen geest.
-
-Toen stond de welsprekende Protagoras op en stelde den volgenden toost
-in:
-
-„De symposiarche Aspasia heeft mij, zooals gij weet, hare plaats
-afgestaan. Ik maak van mijn recht gebruik, om voor een oogenblik mij
-hare waardigheid aan te matigen en u uit te noodigen dezen laatsten
-dronk aan Aspasia zelve te wijden. Hoog heeft zij als koningin der
-tafel de banier der schoone vreugde opgeheven, zegevierende heeft zij
-het rijk van den blijden levenslust tegen den ernst en de strengheid
-der wijsheid verdedigd, op gunstige oogenblikken heeft zij nu eens door
-Dionysus’ gaven, dan eens met de hulp van Eros en de Chariten, dan
-weder met de betoovering der zinnen den strijd tegen den vijand
-gevoerd, zij heeft met zoete bedwelming de vragen van den
-waarheidszoeker in slaap gesust en het grijze hoofd van den grijsaard,
-dien het jeugdig vuur had verlaten, onder bloemen begraven, zij heeft
-ons allen de hooge zee der Dionysische vreugde doen doorklieven. Zonder
-gevaar echter is de zachte dronkenschap voor de edele Hellenen en niet
-verderfelijk dringt zij tot in de diepten der hoofden, maar als dauw
-slaat haar zilveren nevel neder op de bladeren der kransen, waarmede
-wij verkoelend ons voorhoofd omschaduwe! Derhalve, mijne vrienden,
-ledigt met mij dezen laatsten beker ter eere van de schoone en wijze
-koningin onzer tafel, de goddelijke Aspasia!”
-
-Zoo sprak Protagoras en de uitgelezen mannen beantwoordden dezen dronk
-met vuur. De groote mannen, die bij het maal van Hipponicus vereenigd
-waren als omkranste feestgenooten, vormden om Pericles en Aspasia eene
-groep die op het veld van den roem als de schitterendste sterren van
-Oud-Hellas fonkelden!—
-
-En toen de laatste bekers geledigd waren, namen de mannen met een
-warmen handdruk van elkander afscheid en verlieten het huis van
-Hipponicus, toen de morgen reeds grauwde.
-
-„Kunt ook gij instemmen met de lofspraak van Protagoras op de
-symposiarche?” vroeg Aspasia aan Pericles toen zij zich met hem alleen
-bevond.
-
-„Ik bewonder u thans nog meer,” zei Pericles; „maar vreest gij niet,
-dat ik wat minder liefheb?”
-
-„Waarom?” vroeg Aspasia.
-
-„Omdat gij altijd een woord hebt voor iedereen,” hernam hij; „wat hebt
-gij dan over voor Pericles?”
-
-„Mij zelve,” antwoordde Aspasia.
-
-Hij kuste haar op het voorhoofd en zij sloot hem in hare armen, in de
-volheid van haar geluk.
-
-„Ik weet niet,” zei Pericles, toen hij van haar afscheid nam, „ik zou
-van u gescheiden mij weder in het druk gewoel der daden willen storten
-of ongestoorder dan nu een heerlijke maand van liefde met u in
-idyllische rust doorleven.”
-
-„Wellicht,” hernam Aspasia, „verleenen u de Onsterfelijken het een of
-het ander of beide te gelijk ter goeder ure.”
-
-De Milesische sloot dien morgen hare moede, schoone oogen in het
-bewustzijn, dat zij haar doel weder eene schrede nader gekomen was. Zij
-dacht aan het oogenblik, toen zij vernederd het huis van Pericles moest
-verlaten; zij dacht aan de fiere Telesippe, die zich onaantastbaar
-waande en onschendbaar in hare heerschappij aan den huiselijken
-haard—zij zeide in zich zelve, dat hare geheime en openlijke plannen
-der verwezenlijking naderden en dat zij in hare zending zou
-triompheeren, dat zij op de puinhoopen van het overgeleverde en het
-veroordeel de banier der vrijheid, der schoonheid en der vreugde voor
-eeuwig zou planten.
-
-
-
-
-
-
-
-XI.
-
-SAMOS.
-
-
-„Dat had ik niet gedacht,” riep de oude Callipides te midden van eene
-der talrijke groepen Atheners, die, op de groote markt van den Piraeüs
-bij elkander staande, druk in gesprek waren, „dat had ik niet gedacht,
-toen ik onlangs voorbij de Athene Promachos op den burg ging. Ik zag de
-speer der Godin vol boomkrekels, die lustig piepten. Dat beteekent
-vrede, zei ik bij mij zelven. Doch ’t is waar, den volgenden dag is
-kort vóór den aanvang der volksvergadering eene wezel over de Pnyx
-geloopen—”
-
-„Gij wilt toch geen onheil krassen, oude uil?” riepen de anderen.
-
-„Samos is nu eenmaal het machtigste der met ons verbonden eilanden,”
-hernam de oude. „Het kan andere bondgenooten tot afval verleiden, het
-kan een opstand tegen ons verwekken, Sparta kan zich er in mengen, een
-algemeene Grieksche oorlog kan ontbranden. Er ligt, zooals men zegt,
-veel tonder opgehoopt. Wat raakt het ons of de Samiërs dan wel de
-Milesiërs Priëne [250] bezitten?”
-
-„Het aanzien van Athene moet opgehouden worden!” viel een jong man
-heftig hem in de rede, terwijl hij de hand uitstrekte en het hoofd
-oprichtte. „Samos en Milete zijn verplicht als leden van het bond hunne
-geschillen ter beslissing aan Athene, het hoofd van het bond over te
-laten. Samos weigert dit. En daarom is Pericles in woede tegen de
-Samiërs ontstoken.”
-
-„En in zijne woede heeft hij in de volksvergadering den zachten
-Sophocles tot medestrateeg verzocht,” zei een der mannen lachend.
-
-„Om „de Antigone!” riepen anderen. „Daar heeft hij goed aan gedaan.
-Leve Sophocles!”
-
-„Gij weet er geen van allen iets van,” sprak de barbier Sporgilus, dien
-de nieuwsgierigheid en de onstuimigheid van den volkshoop naar de haven
-had gedreven. „Gij weet allen niets van deze zaak af; gij weet niet hoe
-dat geschil met Samos ontstaan is en wie dat aangewakkerd heeft.”
-
-„Leve Sporgilus!” riepen sommigen. „Hoort naar Sporgilus! Hij is een
-van hen, die ’s morgens precies weten wat Zeus ’s nachts met Hera
-verhandeld heeft.”
-
-„Moge ik een bult als eene vuist op mijn neus krijgen,” riep Sporgilus,
-„als het niet de zuivere waarheid is, wat ik u ga vertellen! Aspasia,
-de Milesische, heeft Pericles bepraat. Ik weet het precies—luistert
-slechts naar mij. Den dag, nadat het Milesische gezantschap aangekomen
-was, stond ik juist op de markt, toen de gezanten voorbijgingen en om
-zich keken, als menschen, die iets wilden vragen. En werkelijk, daar
-kwam een van hen op mij toe en zei: „Zeg eens, Atheensche vriend, kunt
-gij mij de woning van de jonge Milesische Aspasia wijzen?” De mannen
-dachten zeker, dat ik hen niet kende maar ik kende ze wel
-degelijk—terstond aan hunne nette manieren en kostbare kleeding zou ik
-ze herkend hebben, al had ik ze nooit gezien. Ik bewees hun zooveel
-mogelijk beleefdheid en beschreef hun haarfijn het huis van de
-Milesische en den weg daarheen, waarop zij mij zeer vriendelijk en
-beleefd hun dank betuigden en onverwijld den weg insloegen, dien ik hun
-gewezen had. De avond begon reeds te vallen. Zij slopen de woning van
-de Milesische binnen. Bemerkt gij het nu? De gezanten zeg ik u hebben
-met de Milesische heimelijk onderhandeld; zij heeft daarna Pericles
-bepraat en hem in hevigen toorn doen ontsteken tegen de Samiërs.”
-
-„Daar hebt ge het!” riep een der omstanders. „Sporgilus weet dus
-werkelijk, wat Hera met Zeus gesproken heeft.—Doch—daar komt Pericles
-met zijn vriend Sophocles aan—hij drilt hem zeker voor zijn nieuw
-ambt.”
-
-In der daad zag men de beide mannen ter zijde op een tamelijk stille
-plaats tusschen de zuilen wandelen. Zij waren in een vertrouwelijk
-gesprek verdiept.
-
-„Waarachtig,” sprak Sophocles, „gij verrast de Atheners; men geloofde,
-dat Pericles in dit oogenblik eerder tot alles zou overgaan, dan
-hiertoe. Want hij scheen thans ten volle opgegaan te zijn in de werken
-des vredes, in de bevordering van de binnenlandsche welvaart en—in de
-liefde voor de schoone Aspasia...”
-
-„Mijn waarde vriend,” zei Pericles glimlachend, „is het dan te
-verwonderen, dat den strateeg de lauweren van zijne vrienden, die met
-truffel, beitel en stift arbeiden, geen rust laten? Reeds lang, ik
-beken het eerlijk, gevoelde ik mij in mijn binnenste onrustig en
-gejaagd. Ik gevoelde mij werkeloos onder die onverpoosd arbeidende
-mannen en soms schaamde ik mij bijna over die liefelijke rozebanden,
-die mij omstrengelden.”
-
-„Hoe?” hernam Sophocles, „dat gij inderdaad de onvermoeidste arbeider
-zijt onder de ijverigen, dat alles wat gedaan en geschapen wordt,
-slechts door u mogelijk wordt gemaakt, bevorderd en tot een goed einde
-gebracht, rekent gij dat dan voor niets?”
-
-„Het voldoet niet aan de eischen, die een van ons beiden zich zelven
-mag stellen,” hernam Pericles. „Ik wil niet alleen een medearbeider
-zijn, ik wil zelf iets volbrengen en ik kan als strateeg alleen naar
-het zwaard grijpen. Waarom zou ik alleen door het schoone vuur der
-eerzucht, dat rondom mij ontbrand is, niet aangegrepen worden?”
-
-„En gij wilt ditmaal volstrekt uw krijgsroem met mij deelen?” vroeg de
-dichter na eene kleine pauze.
-
-„Liever dan—de gunst van een bekoorlijke vrouw!” antwoordde Pericles en
-sloeg een scherpen blik op zijn vriend.
-
-Deze ontroerde. „Nu begint er,” zoo sprak hij, „een licht voor mij op
-te gaan,—en het is een zonderling licht—waarom juist ik tot strateeg
-moest verkozen worden—”
-
-„Alles wat in de wereld geschiedt, beste vriend,” hernam Pericles
-glimlachend, „heeft niet ééne maar honderd oorzaken. Wie kan zeggen,
-welke de gewichtigste is?”—
-
-„Wilt ge niet liever mij achterlaten en de schoone met u naar Samos
-nemen?” vroeg de dichter.
-
-Pericles antwoordde slechts met een glimlach. Daarop zei hij: „Troost
-u; het is maar een klein reisje, dat we voor ons genoegen ondernemen,
-een zeetochtje van slechts weinige weken; want aan eene ernstige
-tegenweer van de Samiërs tegen het machtige Athene valt wel niet te
-denken. Samos [251] is eene prachtige stad, die u wel bevallen zal;
-Melissus, de bevelhebber van het Samische smaldeel, dat wij tegenover
-ons zullen hebben, is een waardig wijsgeer van de Eleatische [252]
-school, met wien gij ongetwijfeld met genoegen kennis zult maken en als
-wij Chios voorbij zeilen, willen wij uw vriend Ion een bezoek brengen,
-den treurspeldichter, die daar in eene aangename, bekoorlijke rust
-woont.”
-
-„Wilt gij Ion gaan bezoeken?” riep Sophocles uit. „Herinner u, dat hij
-niet erg op u gesteld is, sedert gij zijn medeminnaar bij de schoone
-Chrysilla zijt geweest.”
-
-„Mijne verhouding tegenover iemand,” hernam Pericles, „wordt nooit
-aangewezen door de meening, die men omtrent mij koestert, maar daardoor
-hoe ik over hen denk. Ion is een flink man. Hij zal u met zijn besten
-inlandschen Chiër verwelkomen, hoewel gij zijn mededinger in den
-tragischen wedstrijd geweest zijt.”
-
-„En gij, ik herhaal het,” zei Sophocles, „zijn mededinger bij de
-schoone Chrysilla, die thans, naar ik verneem, op Chios hem gezelschap
-houdt.”
-
-„Laat Chrysilla rusten,” hernam Pericles.
-
-De dichter schikte zich blijmoedig in zijn lot. Pericles begon hem over
-datgene, wat zijn nieuw ambt vereischte, te onderrichten.
-
-Als men in die dagen een beschreven blad in Sophocles’ handen zag, was
-het geen schets van een treurspel, geen reizang, geen loflied op Eros
-of Dionysus, maar de lijst van de manschap, die ter zee moest dienen,
-welke hij moest oproepen, van de rijke burgers, die hij aansporen moest
-als triërarchen hunne schepen te leveren en ze uit te rusten.
-
-Uit de bekoorlijke eenzaamheid van zijn groen Cephissus-dal zag hij
-zich door Pericles medegesleept naar tuighuizen der krijgshavens Zea en
-Munichia, in het rumoer van den Piraeüs, waar de vreeselijke zeedraken
-der Atheensche vloot uit hunne ramen weder in zee getrokken werden, in
-het leven en gedruis der arsenalen, waar het onophoudelijk dreunde van
-gehamer en geklop, rumoer en geraas. In den beginne deed het den
-smaakvollen dichter schier pijnlijk aan, steeds te verkeeren te midden
-van het geschreeuw der roeiers en matrozen, die toen nog weinig werk
-hadden en kibbelden om fluitspeelsters en elkander soms gaten in het
-hoofd sloegen. Zijn gehoorvlies werd verscheurd door het schelle
-fluitje van den bootsman, door het aangeven van de roeimaat, door
-schetterende fanfaren: want met die triëren, wier uitrusting gereed
-was, ondernamen hare triërarchen dagelijks kleine tochten in de golf om
-te onderzoeken, welk schip het beste en snelste zeilde.
-
-Maar toen de dag der afvaart was aangebroken en men de schepen met hun
-drie rijen roeibanken, met hun hoog uitstekende, als zwanenhalzen
-gekromden voor- en achtersteven, prachtig geschilderd, met de van goud
-schitterende Pallasbeelden en andere versierselen, de dreigend
-toeloopende balken der kiel, vrij en koen in goed geordende rijen over
-de flauwe oppervlakte zag zweven en op het teeken eener trompet eene
-plechtige stilte volgde, gedurende welke de heraut met luider stemme
-van het verdek van het admiraalschip een gebed uitsprak, dat allen van
-de overige schepen naspraken en waaraan zelfs het volk op het strand
-deel nam en de rook der offers van het verdek der schepen in de blauwe
-morgenlucht opsteeg en het geheele leger uit gouden en zilveren bekers
-dankoffers plengde en den paeän aanhief en eindelijk de vloot zich in
-beweging zette, de wind de zeilen deed zwellen, de zee onder den slag
-van tallooze riemen opbruischte en de lange rij der vaartuigen,
-vergezeld door de zegewenschen van de achtergeblevenen, uit de haven de
-open zee koos—toen was de dichter Sophocles van ganscher harte strateeg
-geworden en met geen fierder zin kon zijn held Aiax uit Salamis tegen
-Troje zijn opgetrokken, dan hij thans zelf uit het vlek Colonos koers
-zette naar Samos.—
-
-Na verloop van eenige weken liep een snelzeiler met berichten van
-Pericles voor den raad en de volksvergadering den Piraeüs binnen. De
-bevelhebber van het schip, dat deze tijdingen overbracht, bezorgde
-heimelijk niet als triërarch, maar als persoonlijk vriend van den
-strateeg Pericles, een geschrift, dat niet voor het publiek bestemd
-was. Het was een schrijven van Pericles aan zijne vriendin Aspasia.
-
-De brief luidde als volgt:
-
-„Ik weet niet, vanwaar het kwam, dat mijne borst schier nooit fierder
-klopte, dan op het oogenblik, dat ik wederom de hooge zee onder mij
-voelde. Toen ik op het verdek van het schip stond en de winden de
-Aegaeïsche zee mijn voorhoofd verkoelden, toen was het alsof met hen
-een adem van vrijheid mij tegenwoei en alsof ik mijzelven had
-wedergevonden. Wedergevonden? Een dwaas woord! Had ik mij dan verloren?
-Ik was het mij niet bewust—misschien u, Aspasia? Een oogenblik scheen
-het mij werkelijk toe, alsof ik in den laatsten tijd te weekelijk en te
-lijdelijk mij op het rozenleger der liefde had neergevlijd. Ik was
-bijna verstoord op u. Doch toen ik nadacht, zag ik in, dat ik u groot
-onrecht deed en dat juist integendeel datgene, wat van u uitgaat, nooit
-eene verslappende, maar steeds bewust of onbewust eene opwekkende,
-aandrijvende kracht, mij geheel beheerschte en mij heendreef uit het
-rustige Athene naar het woelige oorlogsveld.
-
-„Derhalve schaam ik mij niet langer over mijne liefde voor u noch over
-het verlangen, dat ik nu reeds koester om u weder te zien, hoewel die
-zoete begeerte mij bijna een leelijken trek had gespeeld.
-
-„Ik vond de Samiërs slecht uitgerust en slechts ten deele voorbereid.
-Ik schaamde mij haast over de gemakkelijke overwinning. Er scheen
-weldra niets meer te doen overig; ik maakte derhalve aanstalten om naar
-Athene terug te keeren, in de hoop dat bij de eenvoudigheid der
-middelen, waardoor dit gevolg bereikt was, de snelheid waarmede de
-overwinning bevochten werd, mij tot roem zou strekken. Zou tot die
-bespoedigde terugkeer ook niet het verlangen om datgene, wat ik te
-Athene achtergelaten had, zoodra mogelijk weder te zien, eenig aandeel
-hebben? Ik ben er mij zelven niet van bewust maar toch durf ik de
-mogelijkheid niet ontkennen. In alle gevalle bleek de haast, waarmede
-ik wilde terugkeeren, niet zoo voordeelig, als die, waarmede ik
-uitgetrokken was. Ik leerde, dat men in den oorlog met spoed
-uittrekken, maar behoedzaam terug moet keeren.
-
-„Doch waartoe zou ik u tijdingen mededeelen, die zeker te Athene op
-aller lippen zijn? Onze vloot brandt van verlangen den vroeger
-verzuimden zeestrijd in te halen: zelfs de zachte Sophocles gloeit op
-dit oogenblik van het vuur van Ares [253]. Ik heb hem naar Chios en
-Lesbos gezonden om de schepen der bondgenooten te halen; andere
-versterkingen zijn in aantocht.
-
-„Zend mij berichten van u en de vrienden te Athene door dienzelfden mij
-bevrienden triërarch, die u dezen brief bezorgd heeft en houd u
-overtuigd, dat ik naar uwe berichten niet minder vurig verlang, dan gij
-naar de mijne. Zeg aan Phidias, dat hij zich niet door het rumoer des
-oorlogs in zijne rustige werken des vredes late storen. De schoonste
-vreugde zal het voor zijn vriend bij zijn terugkeer zijn wanneer dezen
-de hooge tempelzuilen van den burgt bijna voltooid tegenblinken.”
-
-Dit was dan de inhoud van Pericles’ brief aan Aspasia. De Milesische
-beantwoordde dien in dier voege:
-
-„Het verheugt mij, dat gij zoo snel van de gedachte zijt teruggekomen,
-dat het karakter van den fieren Pericles in den laatsten tijd door
-Aspasia verwijfd zou zijn geworden. Moet ik integendeel mij niet
-verwijten, dat ik door de voorspraak ten behoeve mijner landgenooten u
-voor een deel heb heengedreven naar wat gij het woelige veld des
-oorlogs noemt? Eene zoo kortstondige scheiding schijnt mij niet
-onvoordeelig toe; want het scheen dat gij den langen vrede reeds moede
-waart geworden, ja zelfs het genot en de liefde voor Aspasia. Schaam u
-echter niet over het verlangen om mij en uwe vrienden weder te zien. De
-begeerte om wat ons lief is geworden terug te zien is dan immers het
-sterkste, wanneer men het juist verlaten of verloren heeft. Ik vrees,
-dat gij de scheiding hoe langer zoo gemakkelijker zult verdragen, hoe
-langer ze duurt en ten laatste, evenals Agamemnon vóór Troje, in steeds
-toenemende gemoedsrust voor Samos zult blijven liggen.
-
-„Mijn verlangen naar u daarentegen kan niet verflauwen door den tijd,
-daar het gevoed wordt door werkeloosheid en eenzaamheid. Gij hebt mij
-hier bijna zoo verlaten achtergelaten, alsof ik uw gemalin was; gij
-hebt den blijmoedigen Sophocles met u medegenomen en den welsprekenden
-Protagoras met eene kolonie naar het verre buitenland gezonden. Alleen
-Socrates is nog over en deze zoekt nog van tijd tot tijd mijn
-gezelschap. Maar of het uit wantrouwen tegen mij geschiedt of tegen
-zich zelven—hij waagt zich niet zonder een ander in mijne nabijheid en
-overschrijdt mijn drempel steeds in gezelschap van een vriend, die
-bijna zoo zonderling is als hij zelf. ’t Is de treurspeldichter
-Euripides, de jongere mededinger van Sophocles. Hij en Socrates zijn
-onafscheidelijke vrienden en men zegt zelfs, dat deze hem helpt bij
-zijne treurspelen, omdat zij zoo rijk zijn aan wijze spreuken. Maar dit
-is dwaasheid. Zij beiden zijn zoo gelijk van karakter, dat ik niet
-weet, wat de een van den ander zou kunnen ontleenen. Beiden vloeien zij
-over van wijsheid. Wat Socrates is onder de denkers, dat is Euripides
-onder de dichters: een peinzer en een zonderling. Bovendien is hij een
-boekenworm; hij heeft zich een groote boekerij aangeschaft en leeft
-daarin geheel voor de Muzen. Voor het overige ziet hij er uit als alle
-dichters; een oudachtig gezicht op een eeuwig jeugdig bewegelijk
-lichaam. Hij is afgetrokken, norsch en ruw in zijne manieren en gaat
-alleen met Socrates en de sophisten om. Intusschen heeft Socrates zoo’n
-invloed op hem uitgeoefend, dat hij begeerig werd mij te zien.
-
-„Deze man hier,” zei Socrates, terwijl hij mij voorstelde, „is de
-voortreffelijke treurspeldichter Euripides, dien gij, naar ik hoop,
-dubbel bewonderen zult, als gij hoort, dat zijn vader Mnesarchus een
-herbergier en zijne moeder Clito eene groentevrouw is geweest. Ook moet
-gij weten, dat hij juist op den dag van den grooten zeeslag bij Salamis
-op dit eiland het eerste levenslicht heeft aanschouwd.”
-
-„Een roemrijk voorteeken,” zei ik.
-
-„Dat is mogelijk,” sprak Euripides zelf, „maar wat de Goden
-oorspronkelijk met mij bedoelden, is nog niet ten volle duidelijk.”
-
-„Toen vertelde hij mij uitvoerig—want nadat hij eens aan het praten
-raakte, werd hij tegen verwachting tamelijk spraakzaam—hoe zijn vader
-in een droomgezicht voorspeld was, dat zijn pas geboren zoontje eens
-als overwinnaar in roemrijke wedstrijden de zege zou behalen. Zijn
-vader had, als echt Helleen, gemeend, dat dit op de overwinningen te
-Olympia en Nemea doelde en had hem met de meeste zorgvuldigheid in de
-gymnastische kunsten laten onderrichten; ook had hij werkelijk reeds
-als knaap den palm bij de Panathenaeën weggedragen; maar hij had
-langzamerhand meer smaak gekregen in boekrollen dan in vuistriemen en
-werpschijven en was ten laatste in plaats van een gelauwerden athleet
-een mededinger in den tragischen wedstrijd geworden.
-
-„Hoe komt het toch,” vroeg ik hem, „dat gij in elk uwer treurspelen u
-zoo scherp en vinnig uitlaat tegen de vrouwen en dat men u algemeen
-voor een vrouwenhater houdt?”
-
-„Ik ben getrouwd,” luidde het korte antwoord.
-
-„Is dit een reden,” zei ik, „om alle vrouwen te haten, ook haar, met
-wie gij niet door dergelijke banden verbonden zijt?”
-
-„Socrates heeft mij tot u gebracht,” hernam hij, „om mij van mijn
-vrouwenhaat te genezen. Voorloopig acht ik ééne vrouw, de vrouw, die
-mij ter wereld bracht: de voormalige groentevrouw Clito—ik zeg
-voormalige, want thans heb ik haar overgehaald den groentenhandel aan
-kant te doen en een klein landgoed, dat mijn eigendom is, te besturen.”
-
-„Ik gaf mijn verlangen te kennen met deze vrouw kennis te maken.
-
-„Als het u niet verveelt,” gaf hij ten antwoord, „de geschiedenis, hoe
-ik op Salamis gedurende den grooten slag in eene grot aan het strand
-geboren ben, te hooren vertellen—want dit verhaal spaart zij niemand,
-die haar komt bezoeken—is het gemakkelijk uw verlangen te bevredigen.”
-
-„Een paar dagen later zocht ik, vergezeld van eene slavin, het
-afgelegen, bescheiden landhuis op, waarin moeder Clito heerscht en
-welks stilte alleen door de welluidende trimeters [254] van haar
-dichterlijken zoon wordt gestoord, als hij, om geheel zijn eigen
-meester te zijn, zich in die landelijke eenzaamheid terugtrekt. Ik trof
-de goede vrouw aan te midden van haar kippen, eenden en biggetjes en
-zei haar, dat ik zeer gaarne de geschiedenis, hoe haar beroemde zoon op
-Salamis gedurende den grooten veldslag geboren was, wilde hooren.
-
-„Innig verheugd en met kennelijken trots zeide het moedertje:
-
-„Dat is eene geschiedenis, waarde vrouw, die zelfs de groote
-Themistocles [255] mij gaarne hoorde vertellen.”
-
-„Toen noodigde zij mij uit op eene zodenbank midden in den tuin plaats
-te nemen, nadat zij eerst de kippen en duiven, die daar zaten,
-weggejaagd had.
-
-„O kind,” zei zij toen, „dat was een schrikkelijke dag, toen de scharen
-der Perzen op ons heilig Athene losstormden en alles te vuur en te
-zwaard vernielden en de menschen bij de altaren doodden en in pek
-gedoopte vuurpijlen van den Areopagus naar de Acropolis slingerden, tot
-alle tempels daar in lichter laaie stonden en een dichte rook van
-zwarte wolken over de zee zich verspreidde. Maar terwijl de stad
-verbrandde en alle mannen zwoeren, dat zij met de wapenen in de hand
-onder de rookende puinhoopen wilden sterven en de vrouwen daartusschen
-weeklaagden en de stad van gejammer weerklonk, omdat Athene, het
-heilige Athene, verdelgd werd van den aardbodem, toen stond
-Themistocles op, Themistocles, de zeeheld en strekte de hand uit naar
-de zee en de vloot en riep: „Daar is Athene!” en dreef alles, wat
-weerbaar was, naar de schepen. En naast hem stond de langgebaarde
-priester van den Erechtheüs-tempel op den burg, die verkondigde, dat er
-een hoogst belangrijk wonder was geschied: de heilige burgslang was van
-zelf uit den brandenden tempel verdwenen, een teeken, dat de
-schutsgodin der stad, Pallas Athene, zelve en alle Goden van daar waren
-gevloden en dat het vaderland van den Athener nergens anders was dan op
-zee, op de schepen der vloot van Themistocles.
-
-„Terwijl nu de mannen allen te scheep gingen, was het een jammerlijk
-gezicht hoe zich de vrouwen, de kinderen en grijsaards door elkander in
-de booten wierpen, die aan de kust gereed lagen en ook lager aan de
-straten van Salamis, waarvan er vele omsloegen, omdat zij de menigte
-vluchtelingen niet konden dragen.
-
-„Zelfs de honden wilden niet achterblijven in de verlaten stad: zij
-stortten zich in zee en zwommen langs de schepen hunner meesters,
-zoolang zij konden. Ge moet echter weten, kind, dat ik toen hoogst
-zwanger was en in dien toestand bereikte ik gelukkig met eene gansche
-schare het strand van Salamis en daar sloegen wij in eene rotsgrot op
-de kust, met eenige vrouwen en kinderen, ons nachtleger op. De nacht
-was bovenmate onrustig; want in die nachtelijke ure verzamelden zich om
-Salamis alle Grieksche zeilschepen en onophoudelijk weerklonk van schip
-tot schip den geheelen nacht door het geroep der zeelieden, zoodat
-zelfs de onbezorgden onmogelijk een oog konden luiken. Het was juist
-toevallig de tijd van het Jacchus-feest, waarop het beeld van den God
-in het begin van den nacht bij fakkellicht in een grooten, plechtigen
-optocht van Aegina naar Eleusis over zee wordt gevoerd, en Themistocles
-had niet gewild, dat men deze plechtigheid om de benauwde tijden zou
-nalaten en juist toen de Grieken hunne schepen in orde schaarden, kwam
-het feestelijk getooide vaartuig met de heilige beelden de Aeäciden
-[256] van Aegina en bij den hellen schijn der fakkels schitterde de
-geheele burg, zoodat alle Grieken op de schepen nog meer werden
-aangevuurd, omdat zij zagen dat de Goden van hun vaderland nog
-heerschten. En toen de heldere morgen aanbrak en ik mij met de andere
-vrouwen naar het strand voortsleepte, zag men reeds de vereenigde
-schepen der Hellenen strijdvaardig staan, beschenen door den glans der
-fakkels en de geheele Euripus [257] wemelde en de groote vloot der
-Perzen kwam langzaam in een onafzienbare rij van den Phaleron
-aanzeilen.
-
-„Ik echter kon het daar niet meer uithouden; ik moest naar de grot
-terugkeeren. De barensweeën en de kommer overweldigden mij. En daar lag
-ik nu op een bed van zeegras, verlaten door een ieder, want de vrouwen,
-die haar nachtleger met mij gedeeld hadden, liepen allen weg; alle
-vrouwen en kinderen toch op Salamis wisten dat hare echtgenooten en
-vaders op de schepen waren en zij stonden daar allen dicht opeen op het
-hooge strand en keken naar de vaartuigen en wrongen de handen en
-smeekten tot de Goden. Daar hoorde ik opeens een trompetgeschal en een
-paeän hoorde ik zingen door vele duizende stemmen—uit de verte klonk
-het in gedempte tonen tot mijne legerstede door.
-
-„Toen was het, alsof een vreeselijke orkaan in een dicht olijfwoud zich
-stortte en alsof duizende toppen kraakten—het was echter het gekraak
-der schepen die tegen elkander stietten en daar tusschen klonk steeds
-dof uit de verte het krijgsgeschreeuw der onzen en der barbaren. Hoe
-lang dit duurde weet ik niet en het gevecht kan ik u niet vertellen,
-kind, want ik zag niets; ik wentelde mij den geheelen dag door op mijn
-bed heen en weder, hulpeloos als ik daar lag en smachtte naar lafenis
-en verzonk ten laatste in eene sluimering, die wel mijne laatste had
-kunnen wezen.
-
-„Toen hoorde ik plotseling in mijne sluimering een luid gejubel van
-vrouwen en ik kreeg mijn bewustzijn weder en het kwam mij te binnen dat
-ik op Salamis lag. Maar menige jammerklacht mengde zich onder de
-jubelkreten; want niet alleen tallooze wrakken spoelden aan het strand
-van Salamis, maar ook lijken, onder welke menige vrouw haar zoon of man
-herkende. Ook velen der in het gevecht gewonden en velen van de
-bemanning van die schepen welke verbrijzeld waren en die dichter bij
-het strand van Salamis waren dan bij het Atheensche strand, redden zich
-op de eilanden en brachten de heugelijke tijding: de Pers is verslagen
-en vlucht in zijne hartader getroffen over de zee en ontvliedt de
-rookende puinhoopen van Athene en nog heden mogen wij terugkeeren in de
-bevrijde stad.—Verbeeld u eens kind, hoe het mij te moede werd, toen
-onverwacht, alsof de Goden het zoo bestierd hadden, mijn man
-Mnesarchus, die zich onder de gelanden bevond, de grot kwam
-binnenstormen, met den jubelkreet: „Athene is weer vrij! Athene is weer
-het onze!”—Zoo wou hij voortgaan met juichen en jubelen, toen—maar
-verbeeld u hoe hij mij verbaasd aankeek en naast mij het naakte,
-pasgeboren, schreiende knaapje. Hij kon geen woord uitbrengen, hij nam
-het kereltje in zijne armen en sprong er mede in de rondte in zijne
-uitgelaten vreugde over de zegepraal en zijn vaderschap, liep toen met
-het kind naar de zee en wiesch het af en liep weer weg en bracht mij
-water en andere verkwikkingen, zoodat ik eindelijk hoewel langzaam, wat
-bijkwam van de doodelijke afmatting waarin ik verzonken was.
-
-„Den volgenden dag werd er op het eiland een groot zegefeest gevierd.
-Omkranste jongelingen dansten om de tropaeën, terwijl de Pers aftrok en
-met het rampzalig overschot zijner onmetelijke schare heenvluchtte naar
-het verre Oosten. Toen ging Mnesarchus met het pasgeboren knaapje op
-zijne armen midden door het feestelijk gewoel en toonde het aan alle
-Grieken en vertelde hoe het ter wereld was gekomen in de ure van den
-strijd. En toen Themistocles zelf naderde en de toedracht der zaak
-vernam zei hij:
-
-„Eere den Griekschen moeders, die ons nieuwe burgers baren nog
-gedurende den strijd, ter vergoeding voor diegenen, welke voor het
-vaderland gevallen zijn!”
-
-„Zoo sprak hij en hij beval aan Mnesarchus honderd drachmen uit te
-betalen. Toen heerschte er algemeene vroolijkheid en Mnesarchus noemde
-den knaap Euripides, ter herinnering dat hij geboren werd op den dag
-der overwinning in den Euripus, in de zeeëngte van Salamis.”
-
-„Zoo vertelde mij het eerlijke moedertje Clito, precies, zooals ik het
-hier voor u neergeschreven heb.”—
-
-Weinige dagen, nadat de brief van Aspasia aan Pericles verzonden was,
-kwamen krijgsberichten uit Samos en tegelijk een nieuw schrijven voor
-Aspasia. De inhoud daarvan luidde aldus:
-
-„Gij zijt onvergelijkelijk, Aspasia, en altijd dezelfde. Was het toeval
-of geschiede het met eene geheime bedoeling, dat gij mij in uw brief
-dat bekoorlijk verhaaltje van het moedertje van Salamis deedt? Toen uwe
-brieven mij met de verlangde versterking uit Athene gewerden, stond ik
-reeds met mijne vloot tegenover de Samische. Ik las het verhaal van uw
-moedertje en vol van Salaminische geestdrift gaf ik het teeken tot den
-aanval.
-
-„Wij overwonnen. Maar ik zal mij wel wachten u eene schildering van
-dien slag te geven. Hoe zou ik het wagen tegenover dat beeld, waarmede
-gij mij zoo levendig de herinnering aan het heldenfeit van Salamis voor
-den geest hebt getooverd, met mijne onbeteekenende overwinning te
-pralen, waardoor de Samische vloot wel onschadelijk is gemaakt, doch
-het verzet der stad zelve nog niet is gefnuikt. Wij omsluiten haar te
-land en ter zee. Dit Samos is eene sterke stad en prachtig gelegen:
-maar zijn grootste, van oudsher beroemde tempel is, zooals gij weet,
-aan Hera, de Godin van den echt, gewijd en in dit heiligdom worden
-gansche troepen van die vogels gemest, die der Godin heilig, maar ons
-beiden gehaat zijn.
-
-„Ook Sophocles heeft uw brief gelezen, vooral het verhaal van uw
-moedertje heeft hem groot genoegen gedaan.
-
-„Daar hij zelf zich onder de bekranste jongelingen en knapen bevond,
-die bij het zegefeest, waarvan het moedertje spreekt, om de tropaeën
-dansten en Aeschylus onder de strijders, hebben deze drie
-treurspeldichters een belangrijk aandeel genomen aan de eer van
-Salamis—het geringste echter uw Euripides, die alleen de verdienste
-heeft toen geboren te zijn geworden.
-
-„Ik heb overigens ook nog bij Sophocles inlichtingen ingewonnen naar
-het karakter van Euripides en hem gevraagd naar zijne meening over
-diens vrouwenhaat. Sophocles antwoordde mij, dat Euripides de vrouwen
-slechts haatte, omdat hij ze liefhad. Want als hij ze niet liefhad en
-ze missen kon, dan zou hij zich niet om haar bekommeren en niet van
-haar spreken en het zou hem onverschillig zijn of zij goed zijn of
-slecht. Tot zooverre Sophocles: ik houd het er dus voor, dat de roem om
-Euripides van zijn vrouwenhaat te genezen, u niet veel moeite zal
-kosten.”
-
-Deze brief van Pericles beantwoordde Aspasia in dier voege:
-
-„Gij hebt met uwe overwinning vóór Samos den Atheners reden gegeven tot
-groote blijdschap, waarmede ik in stilte van ganscher harte instemde;
-alleen hebt ge mijne vreugde aanmerkelijk verminderd door uwe
-bescheidenheid, waardoor gij mij eene schildering van uw zeegevecht
-hebt onthouden. Ik vind het over het algemeen zeer goed, dat gij uwe
-brieven aan mij niet met staats- en krijgszaken vult en u liever tot
-datgene bepaalt, wat uw eigen persoon betreft; maar men zegt, dat juist
-deze slag u in al uw glans en heerlijkheid heeft getoond, dat gij zelf
-het schip van den vlootvoogd der vijanden in den grond hebt geboord.
-Niet om de zaken is het mij te doen, maar om u, om het heldere beeld
-van uw wezen, zoodat ik u als met eigen oogen zie.
-
-„De bouw van het Parthenon vordert met eene haast ongeloofelijke
-snelheid. Waarlijk, uit eene welgevulde kas is het, zooals Callicrates
-pleegt te zeggen, goed bouwen.
-
-„Vóór eenige dagen heeft er op de Acropolis een ongeluk plaats gehad,
-dat veel opzien verwekte. Een werkman viel van een steiger en werd
-doodelijk gewond: en daar dit juist geschiedde op de plaats, die
-Diopithes als eene „onderaardsche,” als een ongelukspunt verklaard had,
-heeft de gemoederen en de tongen der bijgeloovigen te Athene geducht in
-beweging gebracht.
-
-„Zegepralend wijst de onverzoenlijke Erechtheüs-priester op zijne
-vervulde voorspelling en verkondigt nog meer rampen in de toekomst;
-hetgeen de Goden mogen verhoeden!
-
-„Hij ziet van den drempel van zijn oud heiligdom nog steeds donker en
-toornig op den wakkeren Callicrates neer en wenscht hem een zonnesteek
-toe. Doch de heetste pijlen van Apollo stuiten op het voorhoofd van den
-onvermoeide af. Pallas Athene dekt hem met haar schild. Hij tergt zijn
-tegenstander, waar hij kan, en wanneer zijne wangunstige blikken hem al
-te lastig worden, weet hij het zoo in te richten, dat zijne lieden eene
-stofwolk in de nabijheid van het Erechtheüm doen opdwarrelen, die den
-priester noodzaakt, zich de oogen wrijvende, naar het binnenste van
-zijn tempel de wijk te nemen.
-
-„Nu is zelfs een muildier in den twist dezer beide mannen betrokken
-geworden. Onder de muildieren namelijk, die nu reeds eenige jaren bezig
-zijn dag aan dag de helling van de Acropolis op en neder te draven,
-steenen en andere vrachten op de hoogte te sleepen, bevond er zich een,
-dat deels door den ouderdom, deels door eene wonde, die hij bij het
-vervullen van zijn arbeid gekregen had, ongeschikt voor den arbeid
-geworden was. Zijn drijver wilde hem sparen en in den stal rustig laten
-staan. Het wakkere dier echter was daar mede niet te vreden en liet
-zich zelfs niet door slagen afhouden datgene te doen, wat het sedert
-zoo langen tijd gewoon was, en draafde met zijne makkers, zij het ook
-onbelast, de Acropolis op en af. En dit doet het nu getrouw dag aan dag
-en iedereen kent den „muilezel van Callicrates,” zooals men hem noemt,
-daar Callicrates het onbruikbaar gewordene, maar altijd toch wakkere
-dier onder zijne bescherming neemt. Daar deze muilezel echter op de
-Acropolis zonder werk losloopt en rondstappende soms het gebied van het
-Erechtheüm te nabij komt en zelfs eenige malen de heilige kruiden, die
-daar geplant zijn, met zijn onheiligen snuit heeft besnuffeld, haat
-Diopithes dezen trouwsten aller arbeiders van het Parthenon bijna nog
-meer dan Callicrates zelven en het is niet te voorzien, welke
-verwikkelingen uit deze zaak nog zullen voortspruiten.
-
-„Vaarwel, mijn held, en denk niet altijd alleen aan het verhaal van het
-moedertje, aan Salamis en Themistocles, maar ook eens aan uwe Aspasia.
-Noch Hera, noch alle pauwen van Samos zouden mij verhinderen tot u te
-snellen, als gij het wilt.”—
-
-Niet lang daarna ontving Aspasia van Pericles de volgende regelen:
-
-„Gij zijt verstoord op mij, omdat ik u de beschrijving van het
-zeegevecht niet gegeven heb; gij verlangt dus mij vóór Samos te zien
-heerschen en handelen en het bevel voeren? Op zich zelf is een zeeslag
-misschien van alle schouwspelen het meest waard gezien te worden en ik
-beken u volmondig, dat ik, zoo dikwijls ik mij als strateeg ter zee met
-den vijand moet meten, hoezeer ook mijn plicht als aanvoerder mij
-geheel vervulde, toch steeds een blik van bewondering over had voor het
-schoone en geweldige gezicht, dat een strijd tusschen die met zeilen
-voorziene kolossen opleverde. De goede Clito heeft u alleen de
-bijomstandigheden van den slag van Salamis, niet het gevecht zelf
-verhaald, en daarom wil ik trachten u de geschiedenis van den strijd
-der schepen vóór Samos in korte trekken te schilderen, onder die
-voorwaarde evenwel, dat dit verhaal van krijgszaken het eenige zal
-zijn, ’t welk gij aangaande dezen veldtocht van mij zult ontvangen.
-
-„Bij het eiland Tragia ontmoette ik de van Milete komende Samische
-vloot. Een aanval verwachtende, nam zij onmiddellijk eene vaste
-stelling in een kring aan, om mij te verhinderen datgene te doen, wat
-steeds in een zeeslag mijn hoofddoel is, namelijk de vijandelijke
-schepen door eene snelle en onverwachte wending in de flank aan te
-tasten. Ik zond eenige kloeke zeilers vooruit, om deze kringvormige
-positie in verwarring te brengen en door schijnaanvallen en eene
-geveinsde vlucht hier en daar een vijandelijk vaartuig van zijn plaats
-te lokken. Ook stak er een tamelijk felle wind op, wat eveneens
-medewerkte om door den zwaren golfslag den gesloten kring der Samische
-vloot te verbreken.
-
-„Onze vloot stond van het begin af met vooruitspringende vleugels
-tegenover de vijandelijke linie en gereed om ieder schip, dat zich
-buiten den kring durfde wagen, in de flank aan te vallen.
-
-„Intusschen gelukte het den Samischen vlootvoogd, terwijl zijne
-voorhoede reeds in een vrij heeten strijd gewikkeld was, uit het
-daarachter staande gedeelte van den wankelenden en half verbroken kring
-eene gesloten slagrij te vormen, waarmede hij plotseling, terwijl de
-schepen der voorhoede, op zijn bevel, zich terugtrokken, in dichte
-rijen naderde.
-
-„Een oogenblik bracht de aanval dezer gesloten phalanx [258] onze
-voorste gelederen in verwarring. De dikbuikige schepen der Samiërs met
-hunne trompvormig gebogen voorstevens en tallooze krachtig bewogen
-riemen zagen er als monsters uit, die op duizend pooten naar ons
-toekropen. Alleen was dit kruipen eer een vliegen, als de snelheid van
-den wind. Maar na weinige oogenblikken, toen ook ik de verstrooide
-schepen ijlings in orde had gesteld, stond onze phalanx evenzeer
-gesloten, als een ijzeren muur, tegenover de Samische.
-
-„Nu ontbrandde de eigenlijke strijd in woeste verbittering. Onder luid
-geschreeuw op elkander losgaande, drongen de voorste rijen der onzen en
-die der Samiërs onstuimig op elkander in, zoodat ieder Attisch vaartuig
-naar twee kanten zijn aanval richtte, ieder vijandelijk schip zich naar
-twee kanten verdedigde. Geleken de Samische schepen op dreigend
-vooruitstekende zwijnensnuiten, de onzen waren met zeeslangen te
-vergelijken, die tusschen die snuiten door vlug en met doodelijke beten
-rechts en links hare kronkelingen wisten te slingeren. In de dicht
-opeen gepakte rijen begonnen nu van schip tot schip de geweldige
-krijgswerktuigen te werken: de catapulten en schorpioenen [259]
-slingerden hun geschut en de vreeselijke dolfijnen [260] lange balken
-met zware, ijzeren punten, die, nederstortend op het vijandelijke
-vaartuig, met goed berekende juistheid nederdaalden en de mast
-verpletterden of het verdek verbrijzelden en als met ijzeren klauwen
-het schip vasthielden en tot een buit van den aanvaller maakten. En
-terwijl de aandacht van het vijandelijk vaartuig door een hagel van
-pijlen, waarmede zijn verdek overstormd werd, werd beziggehouden,
-voeren stoute, lichte booten om het zeegevaarte heen, wier bemanning
-met bijlen zijne riemen vernielde.
-
-„En toen ten laatste de schepen kiel aan kiel gesloten waren en de hoog
-uitstekende boorden der onzen en der vijanden elkander raakten, vormden
-de vereenigde verdekken weldra een slagveld, waarop de zwaargewapenden
-met lans en zwaard, man tegen man, tegenover elkander stonden. De
-vermetelsten aarzelden niet aan boord der naaste vijandelijke
-vaartuigen te springen. Sommigen der onzen gelukte het hier en daar de
-vijandelijke bemanning neder te houwen, den triërarch gevangen te
-nemen, zich van het roer meester te maken en de weerlooze roeiers te
-dwingen het buitgemaakte vaartuig uit de Samische linie naar de
-Atheensche over te brengen.
-
-„Hoe roemrijk bij dergelijke waagstukken de heldhaftige zin zich ook
-openbaarde, ik keurde dien al te onstuimigen moed af, daar ik er steeds
-op bedacht ben, in den zeestrijd het bloed mijner dapperen zooveel
-mogelijk te sparen en meer de schepen dan de menschen tegen elkaar te
-doen strijden. Waarom zouden dezen elkander vermoorden, waar gene door
-stoute, snelle bewegingen in staat zijn den kamp te beslissen?
-
-„Ik voer tusschen de schepen der vloot door en riep den triërarchen
-toe, dat zij liever met de scheepsnebben en de ijzeren, puntige balken,
-dan met zwaard en lans moesten strijden en hun schip niet als een
-burgt, maar als wapen zouden beschouwen. Zij begrepen mij en daar de
-Samiërs talrijke onbruikbaar gemaakte schepen uit den slag brachten,
-doch met het overschot dichter opeen drongen, werd het ons te
-gemakkelijker, om de schepen te enteren en in de flank aan te tasten.
-
-„Thans werd het ons hoofddoel, om de vijandelijke schepen in den grond
-te boren. Het was nu inderdaad een strijd der schepen zelve geworden.
-Benevens het geweld der in volle vaart aangebrachte scheepsnebben,
-benevens de kracht der ijzeren, puntige balken aan de kiel, bewezen de
-door mijzelve uitgevonden „ijzeren handen” [261] voortreffelijke
-diensten, daar zij menig Samisch vaartuig aangrepen en vast omkneld
-hielden in hare vreeselijke omarming. Onder het dof gekreun der tegen
-elkander botsende balken mengde zich het snerpend gekraak van
-splinterende riemen, wanneer in snelle, goed berekende vaart een
-vaartuig vlak langs het vijandelijke schoot en het uitstekend roeituig
-als dorre takken deed breken.
-
-„De Samiërs deinsden terug, zij geraakten in wanorde doch zij weken nog
-niet. Vertoornd over dien trots, verdrietig over den langen strijd,
-wilde ik juist het bevel geven eenige transportschepen met werk en rijs
-geladen, in brand te steken en in de vijandelijke rijen te zenden, om
-het overschot der weerbarstige Samische vloot te verbranden, toen
-plotseling een geweldig stuk steen naar den mast van mijn schip werd
-geslingerd. De mast werd niet getroffen, de stuurman echter wel, die
-oogenblikkelijk met verbrijzelden schedel van zijn stuurstoel afviel.
-Bij het nedervallen had de steenklomp tevens het roer zelf, met alles
-wat in de nabijheid zich bevond, verpletterd. De steen was van het
-admiraalschip der Samiërs geslingerd, waaruit ik opmaakte, dat de
-Samische vlootvoogd mij zelven tot een persoonlijken kamp uitdaagde.
-Doch met mijn ontredderd schip was weerstand onmogelijk. Snel en zonder
-dat de vijand het kon bemerken klom ik van den achtersteven van het
-schip langs een ladder in een boot en spoedde mij naar een ander
-vaartuig, de „Pharthenos” [262], en terwijl het Samische admiraalschip
-mijn ontredderd schip bemachtigde om het, met mij zelven als
-krijgsgevangene, naar de Samiërs meenden, buit te maken en mede te
-voeren, boorde ik met de „Pharthenos” in de flank van den Samiër,
-zoodat hij, lek geworden, water schepte en op zij vallend onder den
-waterspiegel verdween. De Samische vlootvoogd zelf was een der
-weinigen, die onder een pijlregen der onzen, die hun krachtigen
-zegekreet reeds deden weerschallen, ter nauwernood al zwemmend zich
-redden. Nu eerst weken de Samiërs en de zege was ons.
-
-Nog op den avond van denzelfden dag kwam de Samische opperbevelhebber,
-Melissus, onder veilig geleide op mijn schip, om met mij over de
-vredesvoorwaarden te onderhandelen; hij stelde echter zulke eischen,
-dat men mij voor overwonnen zou hebben moeten houden, als ik ze
-aangenomen had. Hij erkende wel dat de vloot der Samiërs verslagen was,
-maar gaf de verzekering, dat de stad echter in staat en voornemens was
-een lang beleg uit te houden. Bovendien was Phoenische hulp in aantocht
-en eene geldelijke ondersteuning was den Persischen satraap te Sardes
-aangeboden. Melissus lei bij dit geheele onderhoud eene wilskracht en
-hardnekkigheid aan den dag, zooals alleen een wijsgeer in staat is te
-ontwikkelen. Hij is van eene hooge gestalte, reeds op vrij gevorderden
-leeftijd en zijn voorhoofd draagt zoozeer den stempel van den
-diepzinnigen denker, dat het mij schier ongeloofelijk voorkwam, in hem
-den man te zien, die nog zooeven eene vloot tegen mij aangevoerd had en
-dien ik met de vlugheid eens jongelings door de met wrakken bezaaide
-golven had zien zwemmen. Weldra zag ik in hem alleen den in geheel
-Griekenland met roem overdekten wijze uit de school van Parmenides. Ik
-weet zelf niet hoe het kwam, dat ons gesprek langzamerhand en
-onmerkbaar in wijsgeerige overdenkingen overging. Waarheid is, dat hij
-mij ten laatste met groote levendigheid uiteen zette, dat, wanneer iets
-is, het eeuwig is; dat het eeuwige echter in ruimte onbegrensd was en
-het waarachtig eeuwige, één en oneindig, alles in zich omvatte; want
-als er twee of meer oneindigheden waren, moesten zij elkander begrenzen
-en waren derhalve niet meer oneindig en het Al moest iets in zich zelf
-gelijksoortigs zijn; want ware er iets waarachtig ongelijksoortigs, dan
-bestond niet meer het ééne, maar het vele; het vele echter kon niet
-bestaan, want dat het bestond was slechts schijn en gold alleen voor de
-zinnelijke waarneming, niet voor de denkende bespiegeling van den
-geest.—
-
-„Toen toevallig eenige andere strategen en triërarchen binnenkwamen,
-die met groote nieuwsgierigheid en belangstelling den uitslag onzer
-vredesonderhandelingen verbeidden en nu hoorden dat de Samische
-vlootvoogd en ik ons over de onbegrensdheid van het Al en over de
-oneindigheid van het ongeschapen Zijn onderhielden, bleven zij geheel
-verbluft en met open mond staan, en wij zelven moesten lachen, als wij
-nagingen hoe wij zooeven nog met scheepsnebben en doodelijk geschut
-tegen elkander hadden gewoed, doch thans in een dergelijk onderwerp
-verdiept waren. Want daar ik dergelijke vertoogen, als Melissus hield,
-te Athene dikwijls uit den mond van Zeno had gehoord en deze Eleatische
-stellingen en strijdvragen mij steeds de grootste belangstelling hadden
-ingeboezemd, behoefde ik Melissus het antwoord niet schuldig te blijven
-en ons gesprek had inderdaad bijna het karakter van een wijsgeerigen
-strijd aangenomen.
-
-„Hoe veel beter zou het zijn,” zei ik tot Melissus, toen wij afscheid
-namen en ik hem de hand schudde, „als wij Hellenen allen, zooverre onze
-taal op de kusten en eilanden wordt gesproken, daar wij toch door één
-geestelijk streven verbonden zijn, ook door één zelfde staatkundig
-belang in den loop der tijden konden vereenigd worden!”
-
-„Een bliksemstraal schoot bij deze woorden uit het grauwe donkere oog
-van den Samiër.
-
-„Ongetwijfeld,” zeide hij met een bitteren, spottenden glimlach, „hoopt
-gij, dat het Athene zal zijn, dat allen Hellenen in zijn gebied lokt en
-hen goedschiks of kwaadschiks tot ééne staat vereenigt?”
-
-„Ik begreep het gevoel van den vaderlandslievenden man, die met zooveel
-warmte voor de onafhankelijkheid van zijn eiland streed en ik
-waardeerde het.
-
-„Het is nu eenmaal het lot van alle welgemeende bedoelingen en
-gedachten, dat zij schipbreuk lijden op de klip van kleinere belangen,
-die toch eigenlijk zich moesten oplossen in de grootere. Het wordt met
-ondank beloond, als men de gedachte van een groot geheel in zijn hart
-opvat en daarvoor wil werken. Spoor ik de Hellenen aan tot eenheid, dan
-zien zij daarin alleen Atheensche veroveringszucht of zelfs eerzuchtige
-bedoelingen van mijzelven. Zoo gevoelt men zich met zijn besten wil en
-bedoelingen telkens gedwarsboomd door eene jammerlijke bekrompenheid.
-Daardoor heb ik soms oogenblikken, dat alle kracht en lust tot den
-arbeid mij ontzinken en ik troost zoek in de reine sfeer der gedachte,
-waar de geest in onbeperkte vlucht zich kan verheffen in de ongemeten
-ruimten van het geestelijke en ongeziene. Als ik in stilte des nachts
-op het verdek treed van mijn vaartuig, boven mij de met sterren
-bezaaide hemel zich welft—als de masten onbewegelijk zich verheffen en
-daar boven de oneindigheid het uitspansel zich uitbreidt—als geen
-geluid wordt gehoord, dan het zachte, welluidende kabbelen der golven,
-licht bewogen door den adem van den wind, tegen de kiel van het
-schip—dan rijst het beeld van Melissus op voor mijn geest en ik geloof
-niet langer aan, maar gevoel de waarheid van zijne oneindige, eeuwige
-eenheid van het Zijn.
-
-„Meer dan gij gelooven kunt, denk ik aan u, aan de vrienden te Athene
-en aan datgene, wat daar onder hunne handen der voltooiing nadert.
-Thans, nu hier, naar het schijnt, het moeilijkste volbracht is en eene
-wellicht lange, vervelende belegering mij bijna tot werkeloosheid
-veroordeelt, durf ik u mijn heimwee naar Athene wel bekennen, zonder
-mij daarvoor te schamen.
-
-„Het ongeluk, dat de werkman bij den bouw van het Parthenon heeft
-getroffen, waaraan Diopithes op zoo kwaadwillige wijze eene rampzalige
-uitlegging heeft gegeven, is mij zeer ter harte gegaan. Ik heb
-Hippocrates doen verzoeken den gewonde, als hij nog leeft, te
-behandelen, en wanneer het ons gelukt hem te redden en Diopithes te
-beschamen, doe ik de gelofte uit dankbaarheid voor Pallas Hygieia [263]
-een altaar op de Acropolis op te richten.
-
-„Wat voorts het wakkere muildier van Callicrates aangaat, ik ben van
-meening, dat het beschouwd moet worden om zijne trouw en vlijt den
-staat der Atheners belangrijke diensten bewezen te hebben en om te
-voorkomen, dat de afgunst van Diopithes hem onheil zal berokkenen, heb
-ik hem de vrijheid bezorgd te snuffelen en te grazen, waar het hem
-lust, en alles wat hij aan het goed van een ander beschadigt of zich
-daarvan toeëigent, zal den eigenaars van staatswege vergoed worden.”
-
-Nog vóór Aspasia gelegenheid gevonden had dezen laatsten brief van
-Pericles te beantwoorden, ontving zij opnieuw eenige letteren van hem,
-die de bevestiging inhielden van het ongeluk, dat het Atheensche leger
-vóór Samos had getroffen, terwijl Pericles de Phoenische hulpvloot te
-gemoet was getrokken.
-
-Slechts met enkele woorden meldde Pericles deze zaak in zijn brief aan
-Aspasia. Daarna vervolgde hij aldus:
-
-„Kondt gij het voor mogelijk houden, dat onder ons Hellenen datgene nog
-steeds gebeuren kan, wat ik gezien heb, toen ik mij naar het leger
-begaf, dat de stad van de landzijde had ingesloten en door de uitvallen
-der Samiërs niet weinig geleden had? Luide jammerklachten klonken mij
-in het oor, toen ik het kamp binnentrad. Ik vond den priester van het
-leger juist bezig aan Zeus, den Redder [264] een offer te brengen. In
-den kring, die zich rondom het altaar en den priester gevormd had, zag
-ik vijftig gevangen genomen Samiërs met gebonden handen staan. Ik vroeg
-wat er met deze menschen, die als offerdieren om het altaar stonden,
-moest geschieden. Toen vernam ik dat de ziener, die van staatswege aan
-het leger was toegevoegd, verklaard had, dat het de wil van Zeus den
-Redder was, dat hem ter eere de vijftig Samische krijgsgevangenen
-plechtig zouden worden geofferd. En men was juist op het punt den wil
-van Zeus te volbrengen. Ik trad op den priester en ziener toe en
-verklaarde ten aanhoore van het geheele leger, dat het een leugen was,
-dat de Goden der Hellenen ooit menschenoffers wilden en stelde mij
-daarmede tevreden door op de voorhoofden der vijftig Samiërs het teeken
-van een zwijnensnuit, zooals de voorsteven der Samische schepen voeren,
-af te drukken, ter vergelding van den smaad, dien zij kort te voren aan
-onze gevangenen hadden aangedaan, door in hun lichaam een uil [265] in
-te branden.
-
-„Nu belegeren wij opnieuw de stad en bestormen haar van de landzijde
-met stormrammen en werpgeschut.
-
-„De brieven, die ik van Telesippe ontvang, zijn vol klachten over den
-jongen Alcibiades”—
-
-Aspasia beantwoordde de letteren van Pericles op de volgende wijze:
-
-„Vele en gewichtige zaken, dierbare Pericles, hebben uwe beide laatste
-brieven mij medegedeeld. Vele dingen, waarbij ik van vreugde zou kunnen
-juichen, ook andere zaken die een bange vrees, zij het ook slechts eene
-voorbijgaande, voor u in mijne ziel opwekten. Maar waarom zou ik over
-de wisseling der fortuin al te zeer klagen, daar juist in deze
-wisseling de onveranderlijkheid van uw eigen, trouw beeld mij te
-duidelijker wordt afgespiegeld? Gij hebt mij, zooals ik wenschte,
-zonder het te weten, u zelven afgeschilderd. Hoe arm zijn woorden en
-hoeveel vuriger zou een kus, op uw voorhoofd gedrukt, u zeggen wat ik
-gevoel! De tijd vliegt mij om, als ik aan u denk en de liederen van
-Sappho bij de klank der snaren zing.
-
-„Phidias en de zijnen zijn onvermoeid. Verdiept in hunne berekeningen
-en als door eene daemonische macht voortgezweept, luisteren zij slechts
-met een half oor naar de gebeurtenissen, die buiten hun werkkring,
-elders in de wereld plaats grijpen. Vergeef het hen: want ook zij
-arbeiden toch voor u en den roem van uw naam tot in de verste toekomst.
-
-„Over den jongen Alcibiades verneem ik telkens een en ander; want hij
-begint de aandacht van de Atheners tot zich te trekken. Er zijn er
-velen, die in de worstelschool of waar hij zich ook vertoont, zich om
-hem verdringen. Maar hij sluit zich alleen aan bij Socrates, wellicht
-omdat deze hem niet vleit. Toen hij onlangs door zijn paedagoog
-begeleid over straat ging, met een kwartel, zijn lievelingsvogel, in
-den mantel verborgen, drong er weder veel volk om hem heen. Terwijl hij
-nu genoodzaakt was hieraan zijn aandacht te wijden, ontvloog hem den
-kwartel. De jongeling werd daarover zoo driftig, dat half Athene op de
-been kwam, om den kwartel van Alcibiades weder op te vangen. Zóó zijn
-de Atheners! Intusschen, wanneer zij den jongen Alcibiades bederven,
-komt dit grootendeels ook daar van daan, dat hij de pleegzoon is van
-Pericles, den grooten Pericles, die na de zege bij Tragia meer dan ooit
-de held van den dag is.
-
-„Alleen Diopithes blijft heimelijk tegen u mokken, benevens de zuster
-van Cimon en uwe vrouw Telesippe. Op hunne zijde zijn de oude pruiken
-met hun ouderwetsche kleeding en de haarvlecht over de kruin
-samengebonden, de ijdele oude strijders bij Marathon [266] en
-afgeleefde grijsaards en zotte Spartanen-vrienden, die lang haar
-dragen, het lichaam oefenen, honger lijden, zich nooit wasschen en met
-hun lompen knuppel op de steenen der straat ratelen; voorts
-verscheidene suffers, die meenen de wijsheid in pacht te hebben, en
-sterrekijkers, die barrevoets en met gescheurde mantels loopen, doch de
-wenkbrauwen bedenkelijk fronsen, den neus in den haveloozen, langen
-baard steken en er een deftigen onderkin op nahouden. Al deze lieden
-denken in uwe afwezigheid aan het spreekwoord: „als de wijnstok niet
-bewaakt wordt, is het goed druiven plukken.” [267]
-
-„Theodota zweert nog steeds, naar ik hoor, dat de zwaardvisch Pericles
-eens zeker in haar net zal spartelen. Geheime draden schijnen steeds
-tusschen deze vrouw en onze vijanden gesponnen te worden. Elpinice
-loopt zich de beenen onder haar lijf stuk, om hare vrienden en
-vriendinnen tegen mij op te zetten. Door hare en uwe vrouw word ik
-openlijk vervolgd; zij zien, dat ik weerloos en onbeschermd ben en
-houden mij voor eene lichte en zekere prooi.
-
-„Euripides schijnt het er op gezet te hebben te loochenstraffen, wat uw
-vriend Sophocles van hem gezegd heeft. Ik zie hem nog altijd somber,
-knorrig, ontevreden. Toch maakte hij mij in tegenwoordigheid van
-Socrates tot vertrouwde van zijn treurig levenslot. Hij gaf mij eene
-schildering van het karakter zijner gemalin, eene schildering, die ik u
-niet behoef te herhalen, daar de dierbare echtgenoote van den
-treurspeldichter het trouwe afbeeldsel is van uwe beminde Telesippe.
-Doch hoor nu eens, wat de dichter besloten heeft, om zich van dit
-ondragelijk gezelschap te ontslaan. Hij denkt zijne vrouw weg te zenden
-en eene betere, die meer aan de behoefte van zijn hart beantwoordt,
-voor haar in de plaats te nemen.—Dierbare held, wat zegt gij van zulk
-een mannelijk besluit van den dichter?”—
-
-Na eenigen tijd schreef Pericles aan Aspasia:
-
-„Ik weet niet of ik den lof van edelmoedigheid verdien, dien gij mij
-toezwaait. Ik ben ten hoogste verbitterd op die koppige Samiërs en ik
-zal hen, als de tijd daarvoor gekomen is, geducht voor hunne
-hardnekkigheid doen boeten.
-
-„In de dagen van werkeloosheid en ongeduld is de edele, opgeruimde
-Sophocles mij een dubbel gewenschte vriend, terwijl hij zich overigens
-als medestrateeg voortreffelijk houdt. Steeds is hij bereid mij ten
-dienste te staan, het liefst bij vreedzame zendingen. Als bemiddelaar
-en onderhandelaar werkt hij met zoo’n wonderlijke macht, dat men hem
-voor een toovenaar zou houden; het verwondert mij trouwens niet want
-zijn karakter is zoo innemend, dat hij zonder uitzondering bij allen
-geliefd is. Hij staat mij getrouw ter zijde in mijne pogingen, om de
-verwildering der gemoederen tegen te gaan, die bij een langdurigen
-oorlog zoo licht zich van het krijgsvolk meester maakt. Nu eens moeten
-de wetten der menschelijkheid gehandhaafd, dan weder een ergerlijk
-vooroordeel uitgeroeid worden. Gij weet zelve, hoeveel in dit opzicht
-nog bij ons Atheensch volk te doen valt.
-
-„Wanneer een onweder losbreekt en de bliksem midden in ons kamp slaat,
-of de stuurman van mijn schip bij eene invallende zonsverduistering
-zijne zinnen verliest, dan moet ik alles, wat ik aangaande de oorzaak
-van dergelijke natuurverschijnselen van Anaxagoras geleerd heb, mij
-voor den geest halen, om de verschrikte en verslagen mannen tot bedaren
-te brengen.
-
-„Doch, ik vertel u hoe ik mijn best doe de vooroordeelen van anderen
-uit te roeien en ik vergeet, dat gij mij soms beschuldigt zelf er nog
-mede behebt te zijn. Gij vraagt den echtgenoot van Telesippe, wat hij
-zegt van het manhafte besluit van Euripides?—Ik zal u dat mondeling
-mededeelen, als ik weer in Athene ben teruggekeerd.”
-
-Zóó schreef Pericles.
-
-Negen maanden lang bood de trotsche eilandstad hardnekkigen weerstand
-en menig bericht werd er van Samos naar Athene, van Pericles naar
-Aspasia gezonden.
-
-Ten laatste meldde de Atheensche veldheer aan zijne Milesische
-vriendin:
-
-„Samos is stormenderhand genomen, de trots van Melissus gebroken, de
-vrede gesloten. De Samiërs leveren hunne schepen uit en slechten de
-muren.
-
-„Toch is het mij niet mogelijk aanstonds naar Athene terug te keeren.
-Ik moet eerst nog naar het naburige Milete, waar velerlei zaken te
-regelen zijn.
-
-„Slechts kort is dit uitstel en wij zullen binnen weinige weken
-elkander wederzien.
-
-„Op de vloot heerscht groote vreugde en de triërarchen verblijden zich
-over de overwinning, voor een deel in gezelschap hunner vriendinnen,
-van welke reeds eenigen gedurende de langdurige belegering van Athene
-naar Samos zijn overgekomen. Deze schoonen hebben de gelofte afgelegd,
-na de verovering van Samos in de stad van den beroemden Hera-tempel nu
-op hare kosten een tempel te bouwen voor de Godin der Liefde. Het
-schijnt, dat zij vast besloten zijn die gelofte te houden. Vóór weinige
-dagen is ook Theodota hier gekomen, volgens den wensch van haar vriend
-Hipponicus, die even goed patriot als gastronoom is en zich op het
-schip, waarvan hem de triërarchie was aangewezen, niet door een ander
-liet vervangen, maar zelf den zeetocht heeft medegemaakt.
-
-„Vaarwel! Te Milete, uw vaderstad, zal ik voortdurend aan u denken!”
-
-Toen Aspasia den brief van Pericles had gelezen, dacht zij eene poos
-na.
-
-Daarop nam zij een stout besluit.
-
-Den volgenden dag zag men haar reisvaardig met eene slavin zich naar
-den Piraeus begeven en een vaartuig beklimmen, dat op het punt was uit
-de haven van Athene koers te zetten naar de Ionische kust.
-
-
-
-
-
-
-
-XII.
-
-UREN VAN ZALIGHEID.
-
-
-Van Samos had Pericles met twee zijner galeien den kortsten tocht naar
-Milete gemaakt.
-
-De triërarch van het tweede schip was niemand anders dan Hipponicus.
-Deze had Pericles verzocht hem naar Milete te mogen vergezellen. Onder
-zijn geleide bevond zich de schoone hetaere Theodota.
-
-Zóó geraakte de verleidelijke danseres weder in de omgeving van
-Pericles en kon voor hem weder hare bekoorlijkheden ten toon spreiden.
-
-De Milesiërs ontvingen den Atheenschen strateeg met gejuich. Met
-schitterende feesten vierden zij zijne aankomst en met een gouden
-lauwerkrans vereerden zij den overwinnaar van Samos.
-
-Pericles voelde zich als door zwoelen adem aangewaaid toen hij
-Klein-Azië’s kusten betrad. Dit was toch het land der Artemis beelden
-met hun duizend borsten, met de reuzentempels, die de Helleensche
-schoone vormen met de kolossale, reusachtige afmetingen van het Oosten
-vereenigden, het land der Aphrodite-priesteressen, die zich aan het
-zingenot wijdden, het land der weekelijke, vrouwelijke melodieën, het
-land van de moeder der Goden, wier feestrijen op den Tmolus door
-orgiastische [268] woestheid en mystieke razernij van het Oosten zich
-kenmerkte, het land ook van haar pleegzoon, den vreugdegod Dionysus,
-die reeds door zijn karakter en uiterlijk, teeder en vrouwelijk van
-gestalte en toch vol moed en vuur, met weelderige lokken en rijken
-haardos door eene lydische mitra [269] getooid, in veelkleurig, wijd
-gewaad, als Klein-Azië’s echte zoon zich betoonde.
-
-En zoo ergens op de Ionische kusten van Azië, dan waaide deze zwoele
-adem, die den Athener Pericles trof in de straten van het rijke,
-prachtige, met rozen bezaaide Milete. Hier hoorde men over de Perzen en
-de satrapen te Sardes spreken als te Athene over de Megarensers en
-Corinthiërs. Men zag Perzen en ook andere Oosterlingen in de straten
-wandelen. Rijk en bont als het gevederte der Oostersche vogels en toch
-smaakvol was de kleeding der mannen van Milete en van de bekoorlijke,
-weelderige vrouwen. Kleederdrachten troffen hier de Atheners, die aan
-de Perzen, andere die aan de Egyptenaars waren ontleend; hij zag ze van
-de kleur van het viooltje en den hyacinth, hij zag ze zelfs in
-vuurroode kleedij. Hij zag de Milesiërs omhangen met de weefsels van
-Perzië, stralend van de edelgesteenten van Indië, druipende van
-Syrische zalven.
-
-Pericles en Hipponicus genoten gedurende hun oponthoud te Milete de
-gastvriendschap van den rijksten en aanzienlijksten burger,
-Artemidorus. Deze bracht hen naar zijn prachtig landgoed in de
-nabijheid der stad. Niet verre van dit landelijk verblijf lag een
-myrthenbosch, waarvan de sage meldde, dat in zijn lommerrijk geboomte,
-bevolkt door het gewiekte koor van zangers, somwijlen de Godin
-Aphrodite in hare heerlijke gestalte zich vertoonde.
-
-In de vertrekken van Artemidorus heerschte de pracht van het Oosten.
-Met bonte Perzische behangen prijkten de wanden: het huisraad
-schitterde van goud, het blonk van ivoor, het ademde een geur van
-sandelhout. Eene menigte schoone slavinnen zweefde door het huis. Er
-bevonden zich onder haar, die van de stranden der Kaspische zee
-geboortig, schitterend blank waren als de marmeren beelden, anderen
-bruin als de bronzen beelden in het huis van Artemidorus en nog meer
-anderen schitterend zwart, als de met goud ingelegde ebbenhouten tafels
-in zijne vertrekken. Met beelden en schilderijen was Artemidorus’ huis
-rijkelijk versierd. Niets ontbrak er, wat het gemoed van den
-Aziatischen Griek in Aspasia’s vaderstad kon bevredigen.
-
-„Gij andere Grieken noemt ons Ionië een brandpunt van weelderigheid,”
-zei Artemidorus tot zijne gasten, toen hij hen aan eene kostelijke
-tafel onthaalde, „en, naar ik hoor, moeten in der daad onze Milesische
-schoonen voor de deugd van Atheensche mannen gevaarlijker zijn, dan de
-hoffelijke Milesiër voor de Atheensche vrouwen.”
-
-Pericles glimlachte.
-
-„Vergeet niet,” vervolgde Artemidorus, „dat ons Ionië niet alleen een
-brandpunt der weelderigheid is, maar ook de bakermat der dichtkunst, ja
-zelfs der wijsheid, daar wij u Hellenen, behalve schoone vrouwen,
-Thales [270], Herodotus [271] en, zoo wij ons niet te veel aanmatigen,
-ook den grooten Homerus [272] hebben geschonken.”
-
-„Wie twijfelt er aan,” hernam Pericles, „dat de krachtige bloesem van
-den Helleenschen geest nooit en nergens afvalt, zelfs niet in de
-weelderigheid van het rozenleger der vreugde?”
-
-„Zeg liever, dat hij zich nergens schitterender ontwikkelt, dan juist
-daar!” riep Artemidorus. „Er is geen vooruitgang onder de menschen en
-volkeren zonder datgene wat onverdraagzame dwepers weelderig noemen.”
-
-Den avond van den tweeden dag voerde Artemidorus zijne gasten naar het
-myrthenbosch, nabij zijn prachtig landhuis gelegen, dat hij zelf op de
-wijze van een lusthof had doen aanleggen. De schoone Theodota was als
-geliefde en metgezellin van Hipponicus door den beleefden Artemidorus
-mede genoodigd. Zij wilde trachten door den vurigen gloed harer donkere
-oogen den vriend van Aspasia in liefde te doen ontbranden.
-
-Onder geleide van hun gastheer doorwandelden Pericles, Hipponicus en
-Theodota de bekoorlijke dreven van den bloeienden myrthenhof. Daar het
-groote bosch zich over eene zachte glooiing uitstrekte, had men op
-verscheiden punten, waar de grond niet met boomen beplant was, een
-heerlijk gezicht op de stad, op de blauwe zee en de eilanden, die als
-een bolwerk vóór de vier havens van Milete lagen. Op zulke plaatsen
-liet de rijke Artemidorus door de slaven, die hem op den voet volgden,
-Oostersche tapijten spreiden of eene met purper behangen tent opslaan,
-om daar uit te rusten, verfrisschingen te gebruiken of naar de weeke
-toonen van Lydische fluiten te luisteren, die op last van Artemidorus
-met de nachtegalen in het woud wedijverden, om het oor te bekoren.
-
-De slaven en slavinnen bevolkten het bosch als Silenen, die hier en
-daar den wandelaars uit wijnzakken de volle bekers toereikten, of als
-Hebe’s [273] en nimfen uit bevallige horens hun bloemen en heerlijke
-vruchten aanboden. Drie der schoonste nimfen voerden op een open
-grasperk een bekoorlijken reidans uit, waarbij de Aziatische, bij de
-Cybele-feesten [274] gebruikelijke tamboerijn op luidruchtige wijze
-geslagen werd, zoodat eene zekere betoovering en bedwelming zich van de
-zinnen meester maakten.
-
-Een klein meer in het midden van het bosch was met allerlei gedaanten
-uit de Helleensche fabelleer bevolkt. Zeemeerminnen met vischstaarten
-zag men er, die zich met waterbloemen bekransten, en Sirenen [275] op
-rotsen uitgestrekt, die in een wedstrijd met de Tritons [276] hare
-zoete, verleidelijke zangen deden hooren. Ook de waarzeggende, van
-gedaante wisselende grijsaard Proteus [277] ontbrak daar niet, die
-allen wie het verlangden, voorspellingen deed. Ook Pericles naderde hem
-en wenschte een orakel van hem te vernemen.
-
-„Ik zal, als het noodig is, niet verzuimen u vast te houden,” zei hij
-lachend, „zooals het gebruik is bij hen die u ondervragen, opdat gij
-niet in steeds nieuwe gedaantewisselingen den vrager moogt ontkomen.”
-
-Bereidwillig stond de grijsaard Pericles te woord en deelde hem de
-volgende orakelspreuk mede:
-
-
- „Daar waar de nachtegaal nestelt, de rozen het heerlijkste geuren
- Knellen goedgunstige Goôn in ijzeren banden uw geluk!
- Houd het, o held, slechts vast met sterke vuist, als gij thans mij
- doet!
- Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk.”
-
-
-Pericles begreep niet, wat de grijze zeegod bedoelde. Toen hij na dit
-onderhoud met hem naar zijne vrienden omzag, waren zij verdwenen. Hij
-liep dus eenigen tijd alleen. De vogels, die van tak tot tak, van boom
-tot boom huppelden en daarbij hun liefelijk gekweel aanhieven, lokten
-hem al dieper en dieper in het woud. Maar ook eksters, spreeuwen en
-papegaaien zaten hier en daar in ’t geboomte, die Pericles toeriepen en
-bespotten met de woorden: „Wees welkom!” en „verheug u” en „kom toch,
-kom toch!” Snaterend huppelden zij weldra naast den wandelaar voort.
-Thans echter meende Pericles, dat hij in plaats van enkele vogels een
-geheel koor van nachtegalen op eenigen afstand vernam. Tegelijk drong
-een sterke rozengeur, als door zachte koeltjes uit de verte gedragen,
-tot hem door: het moest van eene groote, bloeiende rozengaarde komen.
-En, wat het opmerkelijkste was, onder die rozengeur scheen zich het
-aroma van Indische reukwateren te mengen. Half onwillekeurig vervolgde
-Pericles zijn weg in de richting, van waar de rozengeur en de heldere
-tonen der nachtegalen kwamen. Hij deed het zonder bedoeling en hij
-dacht niet meer aan de voorspelling van den grijzen zeegod. Hier en
-daar zag hij in de schemering van het woud uit de verte iets
-schitterends door de takken blinken. De vogels, die den wandelaar van
-tak tot tak huppelend en zingend als ’t ware hadden vergezeld,
-verstomden nu en schenen met schalksche blikken op hem neer te zien. En
-in plaats van hun gezang deed zich hier en daar in de toppen der boomen
-een sterker wiekgeklap en een zacht lachen hooren, als van zwevende
-liefdegoodjes, die zich ten koste van den wandelaar vroolijk maakten.
-
-Nu zag Pericles de weelderige rozengaarde zelve, wier geuren hem straks
-reeds bedwelmend waren toegewaaid. Tusschen de takken door zag hij nu
-duidelijker die schitterende gedaante blinken, als met purper, goud en
-verblindend wit gewaad omhangen. Hij naderde en het gelukte hem, juist
-van den kant, vanwaar hij kwam, zijn oog dieper in het loof te doen
-doordringen. Te midden nu van deze weelderige rozenpracht, zag hij het
-bekoorlijkste tooneel, dat men zich voorstellen kan.
-
-Omgeven door een schaar lieve knapen, in purperen kleeding, met gouden
-vleugels aan de schouders en gouden pijlen in zilveren kokers aan hunne
-zijde, stond eene vrouwelijke gestalte in sneeuwwit gewaad, met een
-gouden gordel om het midden en met rozenkransen omwoeld. Het gelaat der
-schoone kon Pericles onmogelijk duidelijk zien; want juist toen hij
-naderde waren de liefdegoodjes met overmoedigen ijver bezig het hoofd,
-de borst en het geheele lichaam der vrouw al dichter en dichter met
-rozenkransen te omwinden, dat het daaronder schier geheel verdween.
-Pericles dacht aan de legende, die zijn Milesische gastvriend hem had
-medegedeeld, dat in deze gaarde de Godin Aphrodite somwijlen zich in
-hare heerlijke gestalte vertoonde, en het kwam hem niet ongerijmd voor,
-dat die onder rozen schier bedolven schoone eene Godin was.
-
-Nadat de gevleugelde knapen de slanke vrouwengestalte geheel met
-rozenbanden omstrengeld hadden, trokken zij haar aan die zelfde banden
-op een leger van bloemen neder en bevestigden lachende de einden der
-kransen aan de stammen en struiken. Daarna bestrooiden zij de geboeide,
-terwijl zij vroolijk om haar heen dansten, steeds met rozen, die zij
-van zwaar beladen takken der dichte struiken afplukten.
-
-Bij het gezicht van den vreemdeling sprongen de kleine Eroten allen
-lachend weg en lieten de geketende achter. Pericles trad de priëel
-binnen. Nu klonk uit het bloemengraf de bede van de gevangene tot den
-vreemdeling, om haar te bevrijden.
-
-Pericles verbrak eene der rozenketenen, schoof de rozen ter zijde, die
-het hoofd en het aangezicht van de vrouw bedekten, en de stralende
-oogen van Aspasia schitterden hem tegen...
-
-Het gevoel, dat zich in het eerste oogenblik van Pericles meester
-maakte, was dat van ongekende vreugde. In het volgende oogenblik echter
-werd het gemengd met verbazing, die zulk eene verrassing bij hem moest
-opwekken. En reeds zweefde eene ernstige vraag op zijn lippen naar de
-omstandigheden, waardoor hem deze onverwachte vreugde was bereid.
-
-Doch nu stond Aspasia op, schudde de rozenketenen van zich af en zeide
-met hare zacht betooverende, zilveren stem:
-
-„Weet dan, dierbare Pericles, dat ook ik, evenals Socrates, mijn daemon
-heb, die in beslissende oogenblikken mij toefluistert, niet alleen wat
-ik nalaten, maar ook wat ik doen moet. Deze daemon nu heeft, toen uw
-laatste schrijven van Samos mij meldde, dat de vrede gesloten, dat
-Theodota te Samos aangekomen was en gij van plan waart naar Milete te
-vertrekken, zich oogenblikkelijk in mij doen hooren en mij gelast
-onmiddellijk een schip te beklimmen en u te Samos of zoo gij daar niet
-meer waart te Milete op te zoeken. Wellicht wilde de daemon mij het
-schoonste, dubbele geluk doen smaken, Milete niet zonder u en u alleen
-te Milete weder te zien. Ik kwam te Milete, ik begaf mij naar uw
-gastvriend Artemidorus en hoorde van de verrassingen, die de schoone
-Theodota uit eigen beweging en op aansporen van anderen, u in deze
-gaarde, aan Aphrodite geheiligd, wilde bereiden. Ik hoorde van de
-maatregelen, die reeds met behulp van den grootmoedigen Artemidorus
-genomen waren, maar ik vond het beter in overleg met dien zelfden
-Artemidorus, de verrassende rol, welke Theodota wilde spelen, op dit
-tooneel zelve te vervullen. Artemidorus dus hebt gij het te danken, dat
-de liefdegoden niet Theodota, maar mij op deze plaats u geketend hebben
-overgeleverd.”
-
-„Voor mij,” hernam Pericles, „hebt gij de legende van de verschijning
-der Godin der liefde in dit woud bewaarheid; voor mij zijt gij de Godin
-der liefde, de Godin van het geluk, en boven alles, veroorloof mij dit
-er bij te voegen, de Godin der verrassingen.”
-
-„Is er wel een geluk denkbaar zonder verrassingen?” vroeg Aspasia.
-
-Een vertrouwelijk gesprek vereenigde de beide minnenden nog een
-geruimen tijd op die bekoorlijke plek. Zij hadden, zooals alle
-gelieven, na eene lange scheiding, elkander duizenden dingen te zeggen.
-
-Maar toen kussen de woorden dreigden te vervangen en de schemering
-inviel, sprongen plotseling weder de liefdegoden uit de struiken te
-voorschijn en wilden Pericles, met nieuwe kransen die zij gevlochten
-hadden, eveneens omstrengelen en ketenen.
-
-„Pas op voor die kleinen!” zei Aspasia. „Het is tijd om heen te gaan en
-voor heden afscheid te nemen. Uw weg is ver; de mijne korter; want mij
-is door Artemidorus dat kleine, bekoorlijke tuinhuis ingeruimd, dat,
-weinige schreden van hier gelegen, alleen door het dichte myrthenbosch
-halverwege voor onze blikken verborgen is. Daarheen wil ik mij begeven.
-Keer gij echter, dierbare Pericles terug naar Artemidorus, naar uw
-vriend Hipponicus en naar de schoone Theodota, de verleidelijke
-Corinthische met hare vurige oogen!”
-
-Op deze woorden van Aspasia barstten de liefdegoden in een luid,
-vroolijk gelach uit, terwijl zij hunne ketenen nog vaster om Pericles
-wonden en deze stemde in met hunne vroolijkheid, en ten laatste ook
-Aspasia zelve. De liefdegoden echter vormden met Pericles en Aspasia
-eene bekoorlijke groep, die door rozen omwonden en door kleine Geniën
-[278] voortgetrokken, tusschen de myrthen- en rozenboschjes verdween.
-De stilte des nachts heerschte in het eenzame woud; alleen nog sloegen
-de nachtegalen en geurden de rozen.
-
-En Pericles vond een zoeter geluk bij Aspasia, dan hij ooit gesmaakt
-had bij de Corinthische met hare vurige oogen.
-
-Want niet het oogenblik, waarin een vurig minnend paar voor de eerste
-maal zich in onbeschrijfelijke zaligheid verliest, is het zoetste van
-het leven; dat echter is het, waarin de minnenden na lange scheiding,
-na lange ontbering elkander wedervinden. De weelde der eerste omhelzing
-is gelijk aan de vlam van het groene hout, dat niet zonder onaangenamen
-rook en heftig knetteren brandt; voor de minnenden echter, die elkander
-wedergevonden hebben, flikkert de vreugdevlam hoog en helder
-ongehinderd opwaarts.
-
-Toen op den morgen na dien nacht Pericles en Aspasia hand in hand uit
-het tuinhuis van Artemidorus in de van dauw parelende gaarde traden,
-geleken zij zelven twee heerlijke gestalten, door den fonkelenden
-morgendauw besprenkeld. En evenmin als de zoete tonen in de kelen der
-vogels verstomd of de bedwelmende geuren der zwellende rozekelken
-verdwenen waren, zoo min was de liefde in beider minnende harten
-verkoeld.
-
-Zij klommen eene der kleine hoogten, van waar men een vrij gezicht had
-op de stad, de zee en het strand, op den kronkelenden Meander, die met
-palmen, laurieren en kuischlamstruiken omzoomd, als een zilveren koord
-zich slingerde door de velden, op den blauwen Latmus in het verschiet
-en het meer Biblis, waarover bontgevederde watervogels hunne wieken
-uitspreidden. Pericles echter liet zijne blikken weiden over de tinnen
-der stad, liet ze een oogenblik rusten op de trotsche Atheensche
-triremen in de haven en sloeg toen het oog ver over de zee, waar Samos
-lag, in nevelen gehuld, de plaats, waar hij een jaar zijns levens met
-mannelijken moed aan zijn vaderland had ten offer gebracht. Toen weder
-zijn blik op de schoon gebouwde stad vestigende, prees hij hare
-vroolijke, prachtige ligging en den opgewekten, levenslustigen geest
-harer bewoners.
-
-„Nog is Milete prachtig en zijne bewoners levenslustig,” hernam
-Aspasia. „Maar de vaderlandslievende burgers denken terug aan den tijd,
-toen Milete de beheerscher was dezer zee, toen het niet alleen rijk en
-weelderig, maar ook machtig en onafhankelijk was, toen het zijne
-koloniën uitzond tot op de verste kusten van den Pontus [279]. Deze
-tijd is voorbij: Milete is niet meer onafhankelijk en moet zich buigen
-voor het machtige, bloeiende Athene.”
-
-„Gij zegt dit bijna met bitterheid,” zei Pericles glimlachend, „maar
-bedenk toch, dat Milete, zoo het niet Atheensch was, Perzisch zou zijn
-geworden. Niet de stamverwante Helleen heeft uwe macht gebroken, maar
-de Pers, toen hij deze kusten met zijne drommen heeft overdekt. En
-hadden niet Atheners daar ginds bij Marathon en Salamis gestreden, een
-Perzisch satraap heerschte nu te Milete, evenals te Sardes. Wees niet
-verstoord op de Atheensche vloot, die beschermend haren arm boven deze
-kusten houdt uitgestrekt.”
-
-„Dan moest ik dus,” antwoordde Aspasia, „in plaats van verbitterd te
-zijn op den Athener, dankbaar zijn voorhoofd kussen?”
-
-Tegelijk gaf zij Pericles een kus op het voorhoofd; deze hernam:
-
-„Uw gevleugelde liefdegoden hebben gisteren dit Milete op den
-aanvoerder der machtige Atheensche vloot gewroken.”
-
-„Laat het u geen berouw veroorzaken,” zeide Aspasia, „aan dit Milesisch
-strand eene week van uw werkzaam leven gewijd te hebben. Eer de plaats,
-die niet alleen als het vaderland der weelderigste rozen en der fijnste
-wol in de wereld, maar ook als dat van de schoonste sprookjes beroemd
-is. Of zou er voor teedere harten iets liefelijkers kunnen bedacht
-worden, dan onze Milesische fabel van Eros en Psyche [280]?”
-
-„Gij hebt gelijk,” hernam Pericles; „maar,” vervolgde hij schalks
-lachende, „zoover ik weet, is ook de fabel van de „Weduwe van Ephese”
-onder deze hemelstreek gedicht, als het ten minste eene fabel heeten
-mag.”
-
-„Waarvan de strekking volgens de gewone opvatting is,” viel hem Aspasia
-in de rede, „dat de vrouwen meineedig, weifelmoedig en trouweloos zijn.
-Maar het is eene slechte fabel, die niet meer dan ééne beteekenis
-heeft, niet meer dan ééne waarheid in zich bevat. Vergun mij dat ik de
-weduwe van Ephese onder mijne bescherming neem. Zij werd haar dooden
-echtgenoot ontrouw. De liefde echter hangt zoozeer met het leven samen,
-dat eene liefde en trouw tot over het graf, een leven, dat zich aan een
-lijk laat koppelen, een onding is. De bloedelooze schimmen in den Hades
-mogen zich niet met het bloed van de levenden voeden.”
-
-Zoo spraken zij beiden vertrouwelijk en opgeruimd. Toen kwam
-Artemidorus en verweet Aspasia schertsend, dat zij hem zijn gast had
-ontnomen; nadat hij beiden tot een ontbijt had genoodigd, voerde hij
-hen op een sierlijken, met witte paarden bespannen wagen naar den
-overouden, beroemden tempel van Apollo en naar het heiligdom van de
-Cybrische Godin aan het vlakke strand der zee, door ruischend riet
-omzoomd en door gele halcyonen [281] bevolkt. Zij voeren langs de
-schoone zeekust en op den terugtocht bestegen zij eene boot, om zich
-over de zachte, donkerblauwe golven te laten roeien naar een boschrijk
-eiland, dat de slaven van Artemidorus aanstonds weder in een klein
-paradijs omschiepen, door bonte, mollige tapijten uit te spreiden en
-kostelijke gaven van elke soort aan te bieden.
-
-Zoo vervloog de dag even snel als de nacht voorbij was gegaan en
-wederom hoorden zij beiden elkander geheel toe in de eenzaamheid van
-den lusthof, die alleen door het gekweel der nachtegalen werd
-verstoord.
-
-Artemidorus had Aspasia nu geheel aan zijn gast afgestaan en het was
-niet alleen de begeerte om Pericles eer te bewijzen, maar ook de
-overdadige grootmoedigheid, die hem eigen was, die hem zijne schoone
-landgenoote alle mogelijke hulp deden bieden, die zij noodig had, om
-haar vriend de idyllische eenzaamheid van den myrthenhof met de
-afwisselende betoovering van eene onuitputtelijk vindingrijke liefde te
-kruiden.
-
-En Aspasia maakte niet minder gebruik van deze hulpmiddelen, dan van
-diegene, welke de natuur zelve nog kwistiger dan de rijke Artemidorus
-in haar bekoorlijk, betooverend karakter en uiterlijk had nedergelegd.
-
-Het hoogste, edelste genot van den geest en der zinnen vierde in deze
-beide door de Goden beminde zielen zijn zeldzaam, zalig feest. Vele en
-groote dingen had Pericles geschapen en volbracht, tot veel schoons en
-onvergankelijks had Aspasia hem bezield, terwijl zij de brandende vonk
-van haar geest, de schoonheid, naar alle zijden deed spatten. Maar het
-schoonste en goddelijkste volbrachten beiden, terwijl zij elkander
-liefhadden en gelukkig waren: zoo gelukkig, als niet de gewone menschen
-konden worden, maar alleen zij, die het beeld der godheid in zich
-omdroegen. Over datgene, wat zij bezielden, schiepen, volbrachten,
-mochten de stervelingen zich verheugen; op hun reine liefde zagen de
-zalige Olympiërs zelven met voldoening neder. Het ideaal van het
-menschelijk geluk in de schoone vreugde des levens en der liefde te
-verwezenlijken, scheen in die Halcyonische [282] dagen van Milete
-beiden zelven als het beste deel hunner bestemming...
-
-Inderdaad genoten Pericles en Aspasia voor de eerste maal ten volle het
-geluk hunner liefde in deze eenzame plaats. Maar de schoonste
-wijkplaats van ongestoorde eenzaamheid, schooner en ongestoorder dan de
-bloemengaarde en het tuinhuis konden opleveren, had de tooverhand van
-Aspasia geschapen. Het open, platte dak van het huis, door de toppen
-van hooge pijnboomen en cypressen omruischt, was door haar in eene
-kleine lustgaarde herschapen. Door bloeiend heestergewas en bloemen,
-die op hooge stengels wiegelden en den rand aan alle kanten omzoomden,
-en door purperkleurig linnen, waardoor men het geheele terras als een
-tent kon bedekken, was deze wijkplaats aan de oogen der buitenwereld
-onttrokken. In dit bloemenpriëel, van de wereld afgesloten, alleen voor
-de beide gelieven toegankelijk brachten zij zalige uren door. Hier
-genoten zij de veilige eenzaamheid van een gesloten vertrek, zonder de
-benauwde lucht daarmede verbonden. Zij hadden den vrijen aether boven
-zich en gevoelden den weldadigen adem van de zachte, geurige en
-verfrisschende koeltjes uit het woud. De eenzaamheid der myrthen, de
-eenzaamheid van het huis voldeden hun niet; evenals teedere duiven,
-vlogen zij naar het dak, naar dat zalige, zonnige plekje, en alleen wat
-met vleugels voorzien was, kon hen daarheen volgen; de duiven, de
-pauwen, de tjilpende vogels. Hier rustten zij te midden der bloemen,
-hier liet Aspasia haar vriend de zangen der dichters hooren, die in
-haar mond eene wonderlijke bekoorlijkheid kregen, hier snoerde zij hem
-bij den klank der snaren in het zilveren net harer tonen, met de
-betoovering harer smeltende stem, die het gemoed van den hoorder tot
-zaligheid stemden, hier vertelde zij hem liefelijke Milesische
-sprookjes, hier keuvelden zij nu eens onverstandig als kinderen, dan
-weder diepzinnig als oude wijsgeeren. Hier konden zij de purperen
-doeken om zich en over zich heen trekken en als Goden, in een Olympisch
-rooskleurig licht gehuld, in verheerlijkte gestalte onder eene
-vriendelijke schemering ademen. Of zij konden den helderen glans der
-zon naar binnen laten stroomen en de minnaar kon het gelaat en de
-gestalte der geliefde, door het verblindend witte licht bestraald, en
-door de terugkaatsing der groene heesters tooverachtig beschenen, in
-verhoogde bekoorlijkheid als een aetherisch wezen bewonderen.
-
-Aspasia kleedde zich naar Milesisch gebruik, nu eens in het purper, dan
-weer in het zeeblauw, soms in vuurkleurig, niet zelden in saffraangeel
-gewaad. Zij hield er van haar vriend in telkens afwisselende gedaante
-te verschijnen. Zij ontleende gewaad, houding, gestalte, uitdrukking,
-gang nu eens aan deze dan weder aan gene Godin of Heroïne [283], en op
-verlangen van Pericles voerde zij voor hem mimische dansen uit, die met
-deze afwisselende gedaanten overeenkwamen en die in kunstvaardigheid en
-bekoorlijkheid alles overtroffen, wat de schoone Theodota ooit ten toon
-had gespreid.
-
-Bij die verwisselingen van zijn onvergelijkelijke vriendin kon Pericles
-niet nalaten zich de verzen van den grijzen zeegod te herinneren, die
-deze hem had toegesproken, toen hij zonder het te weten den weg insloeg
-om Aspasia te vinden. Die verzen, welke hem het schoonste geluk
-beloofden en hem aanrieden:
-
-
- „Houd het, o held, slechts vast, met sterke vuist, als gij thans
- mij doet!
- „Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk!”
-
-
-„Ik zal u moeten vasthouden, gelijk den voorspellenden, van gedaante
-verwisselenden Proteus, opdat gij mij niet in uwe metamorphosen
-ontsnapt,” zei Pericles schertsend tot Aspasia.
-
-„Hoe wilt gij het aanleggen om mij vast te houden?” vroeg de
-Milesische.
-
-„Dat wenschte ik gaarne van u zelve te hooren,” hernam Pericles.
-
-„Toch niet naar Atheensch gebruik in eene kooi, met stevige tralies?”
-vroeg Aspasia.
-
-„Wat voor kooi bedoelt gij?” zei Pericles.
-
-„Die kooi,” antwoordde Aspasia, „die gij mannen het vrouwenvertrek in
-uw huis pleegt te noemen.”
-
-„In die kooien,” zei Pericles na een korte pauze, „zijn wellicht alleen
-Telesippe’s, doch geen Aspasia’s opgesloten te houden.”
-
-De Milesische antwoordde met een glimlach.
-
-Het was haar genoeg, dat woord daar los heen te hebben geworpen, om in
-de ziel van Pericles overdacht te worden.
-
-Het gebeurde eens, dat Pericles met Artemidorus, in Aspasia’s
-afwezigheid, over haar sprak.
-
-„De sagen en legenden van alle tijden,” zei Artemidorus, „berichten van
-tal van helden, die voor langer of korter tijd in de macht van schoone
-vrouwen zijn geraakt. Odysseus, die naar zijn huiselijken haard
-smachtte, hield de schoone nimf Calypso jaren lang in hare grot terug.
-Den vromen Aeneas wist de minnende Dido [284] te veroveren, zelfs den
-sterksten der sterken ketende de schrandere Omphale [285] een tijdlang
-aan haar spinrokken. Maar geene van al die vrouwen vermocht het, de
-geketende mannen voor altijd te boeien: hare betoovering week, de
-banden werden geslaakt, de ontevreden held trok het roestige zwaard of
-haalde de vergeten knots uit den schuilhoek te voorschijn, kalefaterde
-op een goeden dag zijn half verrot vaartuig weder en trok na een
-vluchtigen afscheidsgroet aan de schoone op nieuwe avonturen uit. Zoo
-zou ook Aspasia’s betoovering wel verdwijnen, als gij in deze
-vreugdevolle wijkplaats voortdurend met haar moest verkeeren.”
-
-„Voorzeker,” zeide Pericles, „als Aspasia Theodota was, als zij niets
-bezat dan de bekoorlijkheid van haar lichaam. Doch er zijn middelen,
-waardoor de minnaar voor altijd geboeid kan worden. Ik spreek van
-diegene welke gewone vrouwen aanwenden, in de meening dat zij door
-geveinsde preutschheid of door grillen en plagerijen en bezwaren,
-waarmede zij den geliefde kwellen, haar bezit zullen doen op prijs
-stellen. Er zijn bevoorrechte vrouwelijke naturen, wien het vergund is
-in weerwil van onbeperkte overgave, waardoor het geluk der vrouwen
-doorgaans schipbreuk lijdt, juist door deze den geliefde met steeds
-vaster boeien te kluisteren. Moest ik dat onnoembare, waardoor haar dit
-gelukt, een naam geven, dan zou ik het slechts charis kunnen noemen:
-die wonderlijke vereeniging, van bekoorlijkheid en bevalligheid,
-vleiend zonder opdringen, het gemoed vervroolijkend als de lach der
-Olympische Goden. Deze charis, geloof ik, is de betoovering, die
-Aphrodite in haar gouden gordel bewaart. Duizend droeve wolken
-verdonkeren den hemel der geliefden: alleen de charis weet ze te
-verdrijven: alleen in de stralen der schitterende, opgeruimde
-blijmoedigheid der ziel verdwijnt al het droefgeestige. Alleen door
-haar adem wordt al het ruwe en harde verzacht. Haar wordt alles vergund
-en alles vergeven, omdat zij geene wonde slaat of ze heelt die
-oogenblikkelijk. Aspasia bezit deze blijmoedigheid van ziel, dezen
-charis, deze gordel van Aphrodite en daarmede alleen verijdelt zij
-spelende alle pogingen van Theodota. Want ik ken de vrouwen en weet,
-hoe zeldzaam, hoe eenig in de wereld datgene is, wat Aspasia bezit.”
-
-„Ik versta u volkomen,” zei Artemidorus; „wat gij zegt, heb ik dikwijls
-ondervonden. De proefsteen van de vrouwen en van haar toovermacht is
-niet het genot, dat zij verschaft, maar de kunst, hoe zij de
-tusschenruimten tusschen de oogenblikken van zalig genot weten aan te
-vullen.”
-
-„Aspasia verstaat het,” hernam Pericles, „ieder oogenblik eene
-schitterende vonk te laten opspatten, iets als een vuurpijl of ook als
-een schoone zeepbel, waarnaar men snel grijpen moet en dat het volgende
-oogenblik ons weer ontneemt. En dit alles doet Aspasia zonder
-inspanning, zonder dwang en gemaaktheid; zij doet het, omdat het haar
-van nature eigen is. En juist daarom, werkt zij onwederstaanbaar. De
-zalige uren der armen van geest zijn eene bekoring der zinnen, met
-doodelijke verveling verbonden; alleen uit de ziel welt datgene op, wat
-aan het zoetste duurzame waarde schenkt.”
-
-De dag naderde, waarop Pericles met zijne beide schepen weder naar
-Samos moest terugkeeren, om vandaar nog een kort uitstapje naar Chinos
-te maken. De vriendelijke tegemoetkoming der Milesiërs had het Pericles
-gemakkelijk gemaakt, om het plan, waarom hij te Milete gekomen was, te
-volvoeren; en zoo was het hem mogelijk geweest slechts het geringste
-deel van den tijd, dien hij zich te Milete ophield, aan politieke
-onderhandelingen te besteden, terwijl hij het grootste deel aan zijn
-innerlijk geluk had kunnen wijden.
-
-De gastvrije Artemidorus gaf den Atheenschen veldheer vóór zijn vertrek
-een feestmaal, waaraan ook Aspasia deelnam.
-
-Aan dit feestmaal zei Pericles tot zijn gastheer Artemidorus:
-
-„Geen wonder, dat de geheime betoovering van deze hemelstreek ook mij
-heeft bekoord en ik zeven dagen lang schier onbewust mij aan eene
-gelukkige werkeloosheid heb overgegeven. Men bemerkt het, dat gij,
-Grieken van deze kust, nabij de vurige Phoeniciërs woont, die het eerst
-de Godin der liefde vereerden, en nabij dat Cyprische eiland, dat die
-weelderige Godin op haar zegetocht uit de Sidonische golf naar Hellas
-de eerste rustplaats heeft aangeboden. En evenals uit het Zuiden de
-feestelijke bezieling der Cyprische Godin, zoo dringt van het Noorden,
-van de hoogten van den Tmolus, het feestelijk geruisch van Dionysus en
-van zijne voedster Rhea tot u door. Zoo zijt gij als het ware omringd
-en omruischt van de golven der feestvreugde dier Goden van het genot.
-Evenals uit overvolle uiers de melk, zoo wordt hier de dauw der
-weelderigheid uit den hoorn des overvloeds van die Goden en uit de
-duizend zwellende borsten van Artemis over u uitgestort. U, Milesiërs,
-zullen de vreeslijke, dweepzieke Orgiën op den Tmolus wel niet alleen
-van hooren zeggen, bekend zijn. Het zou mij verwonderen, zoo niet de
-een of ander uwer door nieuwsgierigheid gedreven, ten tijde der feesten
-zich in die geheimzinnige plaatsen van het naburige Lydië had gewaagd
-en, zij het dan ook misschien op een afstand, de razernij der
-Corybanten had gadegeslagen.”
-
-Bij deze woorden van Pericles toog er een wolk over het gelaat van
-Artemidorus en eene lichte zucht ontsnapte aan zijne borst, zoodat
-Pericles hem verwonderd en schier getroffen aanzag.
-
-„Mij zelven,” sprak Artemidorus, „heeft het noodlot eens daarheen
-gevoerd en ik zou u gaarne datgene, wat ik gezien en beleefd heb,
-verhalen, als er niet zoovele smartelijke herinneringen aan verbonden
-waren.”
-
-Deze woorden vermeerderden de belangstelling van Pericles en toen
-Artemidorus dit bemerkte, vervolgde hij:
-
-„Ik zie het wel, ik moet ook tegen mijn wil spreken en mijne
-onaangename gewaarwording rechtvaardigen door u eene mededeeling te
-doen, die de uitdrukking van uw gelaat, Pericles, van mij schijnt te
-verlangen. Welnu, luister:
-
-„Het is nog slechts weinige jaren geleden, dat ik den bekoorlijksten
-jongeling van Milete, mijn zoon mocht noemen. Hij was met alle gaven
-des geestes en des lichaams toegerust, doch tevens met eene onbeperkte
-verbeeldingskracht, die geen teugel kende, met een vurig, ja dweepziek
-gemoed. Het heeft nooit te Milete ontbroken aan jongelingen, die door
-de verhalen der razende orgiën op den Tmolus tot misdadige
-nieuwsgierigheid geprikkeld werden, en menigeen is aan de bewaking
-zijner zorgvuldige ouders ontsnapt, om zich bij die wilde rijen aan te
-sluiten; ja zelfs er waren tijden, waarin dat verlangen als eene soort
-pestziekte woedde. Ik overwoog, hoe ik eene dergelijke
-zinsverbijstering van mijn al te hartstochtelijken Chrysanthes zou
-afweren. Zooals ik gevreesd had, werd hij ook weldra door die ziekte
-aangegrepen. De tijd der Lydische feesten naderde. Chrysanthes was in
-het oogvallend stil en ingetrokken; zijne wangen verbleekten en hij zag
-er uit, alsof hij door een heimelijk, koortsachtig ongeduld werd
-verteerd. Reeds was ik besloten hem als gevangene in huis te behandelen
-en oppassers bij hem te plaatsen, die ieder zijner schreden zouden
-bewaken. Toch deed de toestand, waarin ik hem zag, mij vreezen, dat hij
-zou ontsnappen en daarbij voegde zich de gedachte, dat de jongeling,
-ten gevolge van zijn geheel onbevredigd verlangen, in eene gevaarlijke
-zwaarmoedigheid of in eene doodelijke ziekte zou vervallen en dat het
-heilzamer zou zijn, wanneer ik de begeerte, naar het scheen, zijner
-steeds toenemende nieuwsgierigheid ten deele bevredigde, althans op
-eene wijze, die geen gevaar voor hem na zich sleepte. Ik deelde hem
-mede, dat ik mij met hem naar den Tmolus wilde begeven en met hem de
-mystieke gebruiken der Corybanten wenschte gade te slaan. In mijn
-gezelschap onder mijne onmiddellijke hoede, moest toch de jongeling
-voor elk gevaar beveiligd zijn.
-
-„Eene reis van verscheidene dagen bracht ons tot ons doel. Wij
-bestegen, begeleid door een slaaf, die levensmiddelen voor één dag
-droeg, den boschrijken, nog eenzamen Tmolus en wachtten het oogenblik
-af, waarop de wilde troep der Corybanten uit Sardes de berghelling zou
-bestijgen.
-
-„Het orgiastische lentefeest was reeds den vorigen dag daarmede
-begonnen, dat men den grooten pijnboom van den Tmolus had geveld en
-omwonden met kransen van de tallooze lenteviooltjes, die in de kloven
-van den Tmolus groeiden; den boom, zóó bekranst, sleepte men onder
-uitbundig gejubel naar den tempel van Cybele, om hem aan de alles
-voortbrengende moeder der Goden als lenteoffer te wijden.
-
-„Nog bleef het grootste en luidruchtigste deel van het feest over. Een
-dof geraas drong tot onze ooren door nog voor wij in de avondschemering
-de naderende schaar der Corybanten konden zien. Wij verborgen ons bij
-hare nadering in het dichte struikgewas, om ongemerkt getuigen te zijn
-van haar dolle waanzin.
-
-„De zwerm naderde, het geraas werd oorverdoovend. Ieder dezer
-Corybanten, van welke verscheidene geheel naakt, andere slechts met het
-ruige vel van een wild dier om de lendenen bekleed waren, droeg een
-tamboerijn, waarop hij met alle geweld sloeg en een doffen toon deed
-hooren, of een rammelend bekken; sommigen bliezen op eene fluit of
-hoorn, anderen hadden zwaarden en schilden in de handen, die zij tegen
-elkander sloegen. Doch boven al dat gekletter van metaal en
-muziekinstrumenten klonk het geschreeuw, of liever het gebrul uit, dat
-een jubelzang ter eere van den verlorenen en nu wedergevonden jongeling
-Attis, den lieveling en bode van de alles voortbrengende moeder Rhea,
-moest voorstellen. Van den verloren en wedergevonden Attis zongen zij,
-maar het was de uit haar doodslaap ontwaakte, wild opbruisende
-teelkracht der natuur, die deze menschen niet alleen vierden, maar ook
-in zich zelven tot waanzinnige bedwelming lieten opbruisen. De schaar
-werd aangevoerd door Cybele-priesters, die helder brandende pijnfakkels
-in de eene hand, in de andere scherpgeslepen kromme messen droegen, die
-zij met de uitdrukking van dweepzucht, verwoed zwaaiden. De gang dezer
-menschen mocht geen loopen heeten, veeleer een woest springen en dansen
-onder allerlei verwringingen, onder begeleiding van een oorverdoovend
-geraas van zwaarden en muziekinstrumenten.
-
-„De gezichten van allen waren hoog rood; sommigen zelfs met
-donkerblauwe vlekken geteekend; de oogen schenen uit hunne kassen te
-zullen springen en velen stond het schuim op den mond. Daarbij schudden
-zij woest de lange, golvende lokken, die voor het meerendeel uit
-vreemde haren kunstig samengevoegd, om de slapen fladderden en die hen
-een half mannelijk half vrouwelijk uiterlijk gaven. De wilde of tamme
-dieren, die op weg in hunne handen waren gevallen, sleepten zij met
-zich mede. Aan de spits van den zwerm werd een panther gevoerd. Eenigen
-zagen wij met slangen, die zij opgeraapt hadden, in de handen en
-speelden daarmede onbevreesd alsof het kransen of linten waren.
-
-„Terwijl de tierende schaar langs ons heenstormde, zag ik den jongen
-Chrysanthes naast mij door eene toenemende ontroering aangegrepen. Hij
-zweeg, maar zijn gelaat gloeide, zijn oog staarde wezenloos op de dolle
-feestvierende schaar en hij begon eenige bewegingen, die hij bij de
-razenden opmerkte, onbewust na te doen.
-
-„Niet verre van de plaats, waar wij in het geboomte verborgen waren,
-strekte zich eene groote vlakte uit, door reusachtige pijnboomen
-ingesloten en met allerlei kruiden begroeid. Hier hield de troep stil,
-doch niet om te rusten maar om nog doller te woeden. De meegesleepte
-dieren werden in het midden geplaatst, ook de priesters sloten zich
-daarbij aan en rondom hen schaarden zich de Corybanten.
-
-„Op een bezielend woord van den priester, stortten zij zich op den
-panther en de overige dieren, scheurden ze in stukken, eerst met de
-handen, vervolgens met de tanden, slurpten hun warm bloed en staken de
-overblijfsels van het bloedende vleesch aan hunne Thyrsusstaven [286],
-als op spiesen. Toen begonnen zij, onder nog sterker geraas der pauken
-en cymbalen [287] en koperen werktuigen, in de rondte te dansen, de
-groote, alles voortbrengende moeder prijzende en de alles bezielende
-teelkracht, de onuitputtelijke kracht van genot en liefde, wier beeld
-voor hunne oogen werd ten toon gesteld.
-
-„De wilde dieren vloden voor het woest getier in de verwijderdste
-schuilhoeken; een leeuw stoof verschrikt in dolle vaart vlak langs mij
-en Chrysanthes door het geboomte. En waarlijk, de fanatieke kreten, het
-rookende offerbloed, het zwaaien der brandende fakkels en bovenal het
-geraas der tamboerijnen, moesten mensch en dier verschrikken of in de
-wildste onstuimigheid brengen. Ik zelf verloor schier mijne bezinning.
-Toen deed Chrysanthes plotseling een poging om zich van mij los te
-rukken. Ontzet zag ik hem aan en bemerkte, dat hij in zijn geheele
-uiterlijk reeds aan die razenden gelijk was. Ik hield hem vast, maar
-reuzenkracht in zijne jeugdige leden ontwikkelend, maakte hij zich los
-en voortstormend sprong hij van een rotswand, zoo hoog en steil, dat
-alleen door een wonder zijne leden niet verbrijzeld werden, midden
-onder die razenden, en evenals de schuimende vloed een droppel, zoo
-verzwolg hem de dolle schaar.
-
-„Van schrik en ontzetting radeloos stond ik daarbij bijna zinneloos.
-
-„De woeste dans ging voort voor mijn benevelden blik. Sommigen stortten
-als dood neder, stonden weder op en begonnen opnieuw.
-
-„Wederom klonken kreten der zinneloozen, vergezeld van teekenen en
-wonderlijke gebaren, door het rumoer heen. En toen de razernij ten top
-was gestegen, traden eenigen uit den troep te voorschijn en trachtten
-hunne woorden te doen verstaan, waarvan echter slechts weinig
-verstaanbaars tot mijn oor doordrong.
-
-„Het duizelde mij voor de oogen, ik zag niets dan een woesten troep
-zich door elkander bewegen, waarin de dolsten zich met flikkerende
-klingen wondden, verminkten—ik dacht aan Chrysanthes—het werd nacht
-voor mijne oogen, ik zonk buiten kennis op den grond.
-
-„Toen ik mijn bewustzijn herkreeg, was de maan in al haar glans
-opgegaan, de Corybanten waren verder getrokken, het geluid van het
-tympanon [288] klonk uit de diepte van het woudgebergte, als de donder,
-die in de verte ratelt.
-
-„Ik begaf mij naar het naburige Sardes, den zetel van de priesterschap
-Cybele, omdat ik daar het eerst iets aangaande het lot van mijn
-Chrysanthes hoopte te vernemen, of ik soms den geliefden verloren zoon
-mocht kunnen terugvinden.
-
-„En ik vond hem terug; het werd mij gebracht op eene baar, uit de
-pijnboomtakken van den Tmolus gevlochten, gewond, verminkt, bloedend.
-
-„De jongeling in den bloei zijner jaren en schoonheid lag daar voor
-mijne oogen, gelijk die met viooltjes omkranste pijnboom, geveld op den
-Tmolus door het mes der Corybanten, als een dankoffer aan de alles
-voortbrengende Godin...”
-
-Zoo luidde het verhaal van Artemidorus.
-
-De vroolijkheid van het feestmaal was verdwenen.
-
-Toen het afgeloopen was en Pericles zich met Aspasia alleen bevond,
-zeide hij:
-
-„Milete is schoon en het verhaal van Artemidorus zal mij de herinnering
-aan de zaligste dagen mijns levens, die de Goden mij ooit schonken,
-niet geheel en al treurig maken. Doch ik gevoel dat het tijd is den
-voet van dit gloeiend strand weder op het snelle schip te zetten, en
-mijne schier beklemde borst zal eerst weder ten volle vrij adem halen
-in de zachte, vaderlandsche Attische lucht!”
-
-
-
-
-
-
-
-XIII.
-
-DIOPITHES EN HIPPARETE.
-
-
-Aspasia bevond zich verkleed in mannengewaad op het schip, dat den
-Atheenschen strateeg naar zijne vloot vóór Samos terugvoerde. Toen de
-triëre uit de haven roeide, in de open zee, schitterend in de stralen
-der zon, wierp de Milesische aan de zijde van haar vriend nog een blik
-naar het bloeiende Ionische strand. Troepen van kraanvogels en
-langhalzige zwanen vlogen over de beemden en lieten zich klapwiekend
-neder op den ruischenden oever. Aspasia’s blikken echter hingen aan de
-verdwijnende tinnen van hare vaderstad. Haar gemoed was doordrongen van
-het vaste gevoel, dat zij hier op de plaats, waar zij het levenslicht
-had aanschouwd, den schoonsten triomf haars levens had gevierd en de
-betooverende keten der liefde vaster dan ooit, ja onverbreekbaar om den
-gevierdsten Helleenschen man van zijn tijd had geslagen. Ook Pericles
-staarde met helder schitterend oog terug naar het wijkend strand van
-Ionië: hij dacht aan de zoet doorleefde dagen en hoe zijne
-onvergelijkelijke vriendin als een vrouwelijke Antaeüs [289] uit de
-aanraking van haar geboortegrond, als ’t ware verdubbelde kracht tot
-overwinnende, onwederstaanbare bekoorlijkheid had verkregen.
-
-„Bijna zou ik kunnen klagen,” zei hij, „dat de uren van zaligheid, in
-Milete gesleten, voorbij zijn; maar hoe zou mij de gedachte niet
-bevredigen, dat ik u zelve, als den schoonsten buit, weder met mij
-voer?”
-
-„Overal,” hernam Aspasia, „zal ons het geluk en de liefde volgen;
-slechts ééne zaak laten wij achter, om ze misschien nimmer weder te
-vinden: de gelukkige eenzaamheid, die wij hier hebben genoten en de
-schoone vrijheid van alle knellende banden.”—
-
-Pericles boog het hoofd en zag peinzend vóór zich uit.
-
-„In Athene teruggekeerd,” vervolgde Aspasia, „zijt gij weder de
-staatsbestuurder, op wiens doen en laten aller oogen gericht zijn; zijt
-gij weder burger van Athene, door de strenge wet der overlevering
-gebonden, zijt gij weder Telesippe’s gemaal—en ik—ik ben weder de
-vreemde, de van vaderland beroofde, de van recht verstokene, ik ben
-weder, zooals uwe echtgenoote en hare vriendin zich uitdrukken, de
-hetaere van Milete.”—
-
-Pericles hief langzaam het hoofd op en zag zijne vriendin scherp in het
-gelaat. „Hebt gij iets anders verlangd Aspasia,” sprak hij, „hebt gij
-niet altijd den echt als eene slavernij bespot en het vrouwenvertrek
-van den Athener als eene gevangenis?”
-
-„Ik herinner mij niet, Pericles,” hernam Aspasia, „dat gij mij
-werkelijk ooit gevraagd hebt, aan welken staat ik de voorkeur gaf, aan
-dien van hetaere of van Atheensche echtgenoote.”
-
-„En wanneer ik het deed,” zei Pericles, „wanneer ik u de keuze
-voorstelde, welk antwoord zoudt gij mij geven?”
-
-„Ik zou u zeggen,” hernam Aspasia, „dat ik noch het een noch het andere
-zou kiezen; dat ik vrijwillig noch hetaere zou willen zijn, noch de
-echtgenoote van een Athener.”
-
-Pericles was getroffen.
-
-„De echtgenoote van een Athener?” herhaalde hij toen; „gij schijnt dus
-niet elke echtverbintenis, maar alleen de Atheensche te versmaden; zeg
-mij toch, waar ter wereld het ideaal eener echtverbintenis te vinden
-is, die uwe goedkeuring wegdraagt?”
-
-„Ik weet het niet,” hernam Aspasia; „ik denk dat die wel nergens te
-vinden zal zijn; maar ik draag dat ideaal in mijn binnenste.”
-
-„En wat zou er noodig zijn, om datgene wat gij in uw binnenste draagt
-te verwezenlijken?” vroeg Pericles.
-
-„Wanneer er eene echtverbintenis zijn moet,” hernam Aspasia, „dan moet
-zij gegrondvest zijn op de wet der vrijheid en op de wet der liefde.”
-
-„En wat zou ik moeten doen,” vroeg Pericles, „om dit ideaal met u te
-verwezenlijken?”
-
-„Gij zoudt mij alle rechten der gade moeten toestaan,” antwoordde
-Aspasia, „zonder mij één van de rechten te ontnemen, die gij tot nu toe
-aan de geliefde hebt gegund.”
-
-„Gij wilt dus,” zei Pericles, „dat ik Telesippe verstooten en u in hare
-plaats als meesteres mijn huis zal binnenleiden? Dat is mij
-begrijpelijk; maar wat gij overigens verlangt is mij niet duidelijk.
-Wat bedoelt gij met de rechten, die ik u niet ontnemen mag?”
-
-„Boven alles het recht om tusschen mij en u geene andere wet te
-erkennen, dan die der liefde,” antwoordde Aspasia. „Dan geniet ik
-dezelfde rechten als gij, evenals eene geliefde, dan ben ik niet de
-slavin, zooals de echtgenoote. Gij zijt de heer des huizes, niet de
-mijne; gij zijt tevreden met het offer van mijn hart, zonder mijn geest
-in boeien te slaan en mij tot de werkeloosheid eener dompige
-eenzaamheid in het vrouwenvertrek te doemen.”
-
-„Gij wilt mij derhalve u hart toewijden,” hernam Pericles; „de gaven en
-kracht van uw geest echter zullen, evenals thans, het goed van allen
-zijn. Gij wilt u niet ontzeggen in aanraking te blijven met alles, wat
-uwe verbeeldingskracht prikkelen, uw geest bezighouden en verrijken
-kan?”
-
-„Ja, dat is mijne meening,” riep Aspasia.
-
-„En wanneer wij de proef eens wilden nemen met zulk eene verbintenis,”
-zei Pericles, „weet gij of zoo’n proef mogelijk is, niet alleen uit het
-oogpunt van ’t gevestigd gebruik, maar ook uit het oogpunt der liefde
-zelve?”
-
-„Als ze u onmogelijk voorkomt, wie dwingt ons dan die te nemen?” hernam
-Aspasia glimlachend, terwijl zij haar vriend een teederen kus op het
-voorhoofd drukte, en aanstonds begon zij over andere dingen te
-spreken.—
-
-De weg naar Samos was spoedig afgelegd. Nadat Pericles hier eenige
-beschikkingen betreffende de vloot gemaakt had, beklom hij opnieuw eene
-triëre, om naar Chios te zeilen.
-
-„Hoe?” vroeg Aspasia schertsend, „koestert gij zoo groot verlangen uwe
-vroegere, schoone beminde terug te zien, die, zoo ik meen, bij den
-dichter Ion op Chios leeft?”
-
-Pericles beschouwde het als eene aardigheid en glimlachte.
-
-Ditmaal was Sophocles in het geleide van Pericles. De dichter was niet
-weinig verrast de Milesische in hare vroegere verkleeding op het schip
-van Pericles terug te zien.
-
-Zij was nu weder de bekoorlijke jongeling, wiens geheim slechts aan
-weinige ingewijden bekend was.
-
-Op Chios, het vaderland der edelste druiven die onder Griekschen hemel
-rijpten, welks bewoners de rijkste lieden van geheel Hellas geheeten
-werden, leefde de treurspeldichter Ion, een geboren Chiër, die met
-zijne treurspelen te Athene reeds menigen lauwerkrans had weggedragen.
-Wel is waar werd er gemompeld, dat hij de Atheensche burgerij door
-eenige vaten Chiërwijn, die hij ter gelegenheid van de opvoering van
-zijn eerste stuk het volk aanbood, voor zich en zijne tragedie gunstig
-gestemd had. Hij was zooals reeds deze mildheid bewees een der rijkste
-mannen van Chios en oefende daarom een grooten, staatkundigen invloed
-op zijn vaderland uit.
-
-Met Pericles stond Ion op geen goeden voet, sinds beide mannen
-mededingers naar de bekoorlijke Chrysilla geweest waren, en de dichter
-was nog steeds op Pericles verstoord, ofschoon de schoone ten laatste
-de zijne was geworden en den rijken, in weelde levenden man naar zijn
-geboorteland was gevolgd. Pericles betreurde dien wrok in het gemoed
-van zijn eenigen medeminnaar; want hij moest voor Athene van Chios
-eenige belangrijke voordeelen trachten te verwerven en hij vreesde, dat
-de invloedrijke Ion uit persoonlijke vijandschap hem daarin in den weg
-zou staan.
-
-Sophocles nam op zich Ion met Pericles te verzoenen, en daar niemand
-tot middelaar zoo van nature geschikt was als de beminnelijke dichter
-der „Antigone,” die alle menschen voor zich innam, gelukte hem ook die
-poging bij zijn kunstbroeder Ion zoo uitnemend, dat deze Pericles
-benevens Sophocles tot zich noodde en het zich tot eene eer rekende de
-beide Atheensche strategen gastvrij te onthalen.
-
-Slechts van den eenen morgen tot den anderen kon Pericles op Chios
-vertoeven, en nadat het grootste deel van den dag aan politieke
-onderhandelingen was gewijd, maakte Pericles, door Sophocles vergezeld,
-zich gereed om aan de uitnoodiging van Ion gevolg te geven.
-
-Maar niet zonder een derde begaven zij zich naar het huis van hun
-Chiïschen gastheer.
-
-Aspasia had er, niet zonder geheime bedoeling, op gestaan haar vriend
-ditmaal als slaaf verkleed te volgen en daar, werwaarts hij zich begaf,
-naar de gewoonte der slaven, die hunne heeren vergezelden, altijd in
-zijne nabijheid te blijven.
-
-De geheime bedoeling echter der Milesische was geene andere, dan de
-vernieuwde ontmoeting van Pericles en de schoone Chrysilla onschadelijk
-te maken en de aandacht haars vriends van Chrysilla en die der schoone
-van Pericles af te leiden. Pericles willigde het verzoek van Aspasia
-gaarne in en meende dat de reden daarvan alleen gelegen was in eene
-vergeeflijke nieuwsgierigheid zijner vriendin, om die Chrysilla eens te
-leeren kennen.
-
-Ion bewoonde een landgoed op de bekoorlijkste plek van het eerst
-steile, daarna zacht glooiende strand, rondom omringd door latten, die
-beladen waren met de rijpende gaven van Bacchus, beschenen door de
-koesterende zon.
-
-Hij voerde zijne gasten op een terras, dat op eene der liefelijkste
-vooruitspringende rotsen lag, door de zee omspoeld. Daarover slingerden
-zich de schoone wijnranken waaraan de Chiïsche druiven verleidelijk in
-dichte trossen hingen en tusschen welke aan het oog een verrukkelijk
-gezicht op de glinsterende zee en de bloeiende omliggende eilanden
-gegund werd.
-
-Naar dit liefelijke oord geleidde Ion zijne vrienden en nadat hunne
-oogen zich aan het bekoorlijk gezicht vergast hadden, verzocht hij hen
-zich neder te vlijen op mollige aanligbedden en verkwikte hen met
-kostelijke gaven. Het edelste Bacchusnat werd rondgediend in zilveren
-bekers.
-
-Chrysilla was ook tegenwoordig. Zij bloeide nog als eene roos, maar de
-bloei harer ledematen had zich in den loop van den tijd op Chios tot
-zulk eene weelderigheid ontwikkeld, dat de fijne kunstsmaak van den
-Athener de maat der schoonheid daarin miste. Zij geleek op eene
-trotsche, volle roos. Maar de roos is wel de weelderigste en geurigste,
-niet de schoonste der bloemen.
-
-Ion, die in den grond een goedhartig man was en een groot minnaar van
-het genot, ontving Pericles zonder zijn vroegeren wrok en met
-ongeveinsde hartelijkheid.
-
-Hij hief den beker in de hoogte, gevuld met den vurigsten, schuimenden
-wijn zijner gaarde en stelde een dronk in op het welzijn van Pericles
-en zijn vriend, den beroemden, edelen Sophocles.
-
-Maar toen Ion in zijn opgewondenheid verder ging en de beide mannen
-prees om hunne krijgsdaden, die zij als strategen vóór Samos hadden
-verricht, wees Sophocles voor zijn deel dien lof af en zeide, dat die
-onverdeeld aan zijn vriend Pericles toekwam.
-
-„En toch,” vervolgde Sophocles tot Ion en eenige voorname bewoners van
-Chios, die door dezen uitgenoodigd waren, „zoudt gij onbillijk zijn,
-als gij in Pericles boven alles den staatsman en veldheer wildet
-bewonderen. Van den roem zijner ondernemingen en scheppingen gaat de
-roep door geheel Hellas, maar deze maakt slechts melding van die
-eigenschappen van den grooten man, die gerucht verwekken en in verren
-kring schitteren. Ik weet daarentegen van zijne edele, onopgemerkte
-deugden meer dan ooit te spreken, sedert ik zijn strijdmakker geweest
-ben vóór Samos. Van de overwinningen, die hij daar bevochten heeft,
-weet gij; doch gij weet niet dat, toen ieder der vijftig rijke Samiërs,
-die hij als gijzelaars naar Lemnos zond, hem heimelijk een talent voor
-zijne loslating liet bieden, hij deze aanbiedingen, zoowel als de
-sommen, waarmede de Perzische satraap hem zocht om te koopen, van de
-hand wees. Anderen vertellen u, hoevele vijandelijke schepen hij in den
-grond heeft geboord, hoevele vijanden hij gedood heeft—ik zal u echter
-zeggen hoevelen hij uit medelijden gespaard heeft, hoe spaarzaam hij
-was met het bloed der zijnen en hoe ik hem een paar maal schertsend tot
-de soldaten heb hooren zeggen, dat, als het van hem afhing, zij eeuwig
-zouden leven. Hij vond „ijzeren handen” voor zijne schepen uit, opdat
-de handen van vleesch en bloed des te meer zouden gespaard worden. Gij
-weet dat hij een held is in de ure van den strijd; maar ik zeg u, dat
-hij een wijze is in de ure der rust en dat hij, als hij maar een
-oogenblik in het leger den tijd heeft, zijn soldaten wind en weer,
-zons- en maansverduisteringen en alle verschijnselen aan den hemel
-verklaarde, waarom velen hem voor een toovenaar hielden. Van zijne
-geleerdheid en wijsgeerigen zin hebben zij zoo’n hoogen dunk, dat velen
-thans voor zeker beweren, dat hij den Samischen vlootvoogd Melissus,
-een beroemd wijsgeer, meer door zijne groote krijgskunst, dan wel door
-zijne doodende sluitredenen op de vlucht heeft geslagen. Er was geen
-zachter en geen strenger, geen meer gevreesd en meer geliefd man in het
-leger dan hij, geen die meer zweeg, wanneer het spreken overbodig was
-en geen, die spraakzamer was, als het noodig was het zwijgen te
-verbreken. Dit wilde ik u van Pericles zeggen, opdat gij den edelen en
-voortreffelijken man als zoodanig moogt roemen, niet altijd alleen als
-strateeg en zeeheld; want in dit opzicht verdient hij wel is waar lof,
-maar niet onvoorwaardelijk, in zoover hij nadat hij zich vóór Samos zoo
-dapper had gekweten, te Milete naar ik hoor, zich minder moedig heeft
-betoond, ja zelfs zijne vloot en veldheersambt bijna vergeten had en
-eenige dagen langer dan noodig was in de baai daar voor anker heeft
-gelegen, wat ik als eene strategische fout beschouw.”
-
-Ion en de andere toehoorders lachten over deze slotwoorden van
-Sophocles; Pericles echter bedacht zich niet lang om de rede van zijn
-vriend te beantwoorden. Hij sprak het volgende:
-
-„Mijn ambtgenoot en vriend Sophocles hier wil u overreden, naar ik
-hoor, mij liever onder de wijzen dan onder de groote strategen te
-tellen. Gaarne zou ik, om hem niet met gelijke munt te betalen,
-omgekeerd van hem beweren, dat hij eerder tot de groote strategen dan
-tot de wijzen behoort, doch het ligt te zeer voor de hand om het te
-kunnen ontkennen, dat hij met mij in hetzelfde geval verkeert: van de
-krijgskunst namelijk en van datgene wat tot het zeewezen behoort
-verstaat hij, om zoo te zeggen, al heel weinig. Hij zal zijn leven lang
-veel gemakkelijker de namen van alle Nereïden [290] der zee onthouden,
-dan de benamingen van de bestanddeelen van eene goedgebouwde Atheensche
-triëre. Maar hij heeft ons gedurende dezen zeetocht als strateeg een
-prachtigen paeän op Asclepius [291] gedicht, die op de geheele vloot
-gezongen wordt en die, zooals onze stuurlieden en roeiknechten
-verzekeren, ons bij stormen op zee reeds de voortreffelijkste diensten
-heeft bewezen. En evenals zijn paeän de opgestuwde golven bedaart en de
-Goden der zeevaart goedgunstig stemt, zoo is zijn geheele wezen met
-zachte olie te vergelijken, die al het ruwe glad maakt, al het woest
-verbolgene bedaart. De matrozen op zijn schip doen wat zij behooren te
-doen, ook wanneer hij een verkeerd teeken geeft en zij houden hem wel
-is waar voor een in het zeewezen onervaren, maar toch als een door de
-Goden geliefd man. Wanneer uit mijn mond woorden van wijsheid komen,
-naar de menschen meenen, dan gelooven zij tevens, dat ik ze aan den
-Clazomeniër Anaxagoras ontleend heb; wanneer echter Sophocles den mond
-opent, zijn allen overtuigd, dat de Goden zelven hem die woorden in den
-droom hebben ingegeven. Zulk een man, mijne vrienden van Chios, is mijn
-medestrateeg Sophocles. Ik meen hem geprezen te hebben en ik zou den
-Goden danken, zoo de lof, dien hij mij toegezwaaid heeft, even wel
-verdiend is, als die, welken ik hem in deze woorden toebreng.”
-
-Zoo roemden, door de vurige gave van Bacchus opgewekt en ongeveinsde
-hartelijkheid onder het masker van goedhartige scherts verbergend,
-elkander de beide Atheensche scheepsbevelhebbers in den kring van
-vroolijke, krachtige mannen, onder de druiventrossen van het schoone
-terras van Ion.
-
-„Ik zou haast blozen,” zei Ion, „als men mannen vóór zich ziet als
-Pericles en Sophocles, die met ernstige bezigheden vervuld en
-onophoudelijk voor het algemeene nut werkzaam zijn terwijl men zelf in
-de afzondering alleen voor het genot en de Muzen leeft. Maar ik geloof,
-dat naast een roemrijk en schoon werken ook eene loffelijke en schoone
-ledigheid is. Deze heb ik verkozen.”
-
-„Zeker,” zeide Sophocles, „is eene ledigheid schoon te noemen, die
-schoone vruchten draagt. De Atheners hebben uwe treurspelen nog niet
-vergeten.”—
-
-„Noch uw Chiër-wijn!” voegde Pericles er bij.
-
-„Ik weet zeer goed,” hernam Ion, goedhartig glimlachend, „dat gij
-Atheners beweert, dat ik door mijn wijn uwe gunst voor mijn treurspel
-wilde koopen, maar gij moogt zeggen wat gij wilt, alleen niet, dat de
-wijn slecht geweest is. Want, als gij mijn Chiër niet roemt, dan
-beleedigt gij mij meer, dan wanneer gij mijne treurspelen berispt.”
-
-„Ziet me die treurspeldichters toch eens,” zei Pericles, „hoe opgeruimd
-en vroolijk zij van geest zijn, terwijl zij er van houden in hunne
-treurspelen zich met de somberste en verschrikkelijkste dingen bezig te
-houden: altijd spreken zij van den toorn der Goden, overouden vloek,
-overerfelijke schuld, vreeselijke beschikkingen van het noodlot en
-dergelijke akeligheden meer...”
-
-„Juist omdat wij opgeruimd van geest zijn,” hernam Sophocles,
-„verkeeren wij moedig met het sombere, wij worstelen daarmede en zouden
-het gaarne overweldigen. Moedig worstelen wij met die oude, blinde
-machten van het noodlot, om de menschelijke dingen, zoo goed wij
-kunnen, uit de betoovering eener duistere noodlottige macht te
-bevrijden. In de heldere sterrennachten, die ik aan boord van mijne
-triëre vóór Samos doorbracht, heb ik mij in den geest dikwerf
-opgehouden met dien lijdenden, Thebaanschen grijsaard en hem gevolgd op
-zijn lijdensweg, hoe hij het eerst door vertwijfelend berouw of
-onvrijwillige schuld gedreven, zich van het licht der oogen heeft
-beroofd en rondzwerft in den vreemde, langzamerhand echter tot een
-reiner klaarheid en vrijheid gekomen, schuld en berouw ten laatste van
-zich werpt, vóór het einde zijns levens het grijze hoofd met de
-fierheid van den onschuldige omhoog heft en van een misdadiger de
-rechter wordt over hen, die niet onvrijwillig en onbewust zooals hij,
-niet door eene onverbiddelijke beschikking van het noodlot, maar uit
-eigen beweging door de verloochening van alle edele, menschelijke
-gevoelens misdreven hebben.”
-
-„Mijn beste vriend,” sprak Ion, „uit hetgeen gij daar over Oedipus zegt
-spreekt weder de oude, welbekende liefde voor uw geboortevlek, want
-daar was het toch, dat de grijze lijder tot zijne rust inging.”—
-
-„Gaarne beken ik u,” hernam Sophocles, „en ik zie er een gunstig teeken
-in voor mijne tragische dichtkunst, dat juist in dat vlek, waar ik
-geboren werd, die overoude, tragische verwikkelingen zich hebben
-opgelost.”
-
-„Eer vrij uwe geboorteplaats,” zei Pericles, „maar dit zult gij mij
-toch moeten toegeven, dat niet alleen uw vlek, maar geheel Athene de
-bodem is, waarop overoude verwikkelingen tot eene oplossing komen, oude
-schuld verzoend wordt, vroegere duisternis bezwijkt op de plaats der
-heldere Godin Pallas Athene! Op den gezegenden bodem van Athene heeft
-niet alleen die zwaar beproefde grijsaard, maar ook de jonge Orestes,
-voortgejaagd door de Furiën, delging van den vloek gevonden, ja, gij
-allen kent den afgrond in de nabijheid van den onvoltooiden tempel van
-den Olympischen Zeus en wij willen gaarne gelooven, wat de sage meldt,
-dat in dezen afgrond de wateren van den Deucalionischen [292] vloed
-zich hebben neergestort.”—
-
-Onder deze en dergelijke gesprekken was de zon langzamerhand ter kimme
-gedaald; de zee was over eene groote uitgestrektheid met een purperen
-gloed getint, die zijn laatsten, gouden glans over het met wijnloof
-omkranste terras verspreidde. De gasten van Ion ademden met welbehagen
-de zachte, verfrisschende avondkoeltjes in die over de zee tot hen
-overwaaiden. Ion liet de bekers opnieuw vullen en het vocht in de
-zilveren schalen fonkelde, alsof ook daarin de purperen gloed der
-ondergaande zon zich afspiegelde.
-
-Pericles liet zijn beker door geene andere hand, dan door die van zijn
-slaaf vullen. Deze nam het ambt van schenker met eene bevalligheid
-waar, die aan het oog van Ion, van de schoone Chrysilla en de overige
-aanwezigen evenmin ontging, als de schoonheid der trekken van den
-jongeling. Hij scheen het zich tot taak gesteld te hebben, het ambt van
-schenker ook bij Sophocles te vervullen, wat de dichter glimlachend en
-met kennelijke vreugde liet welgevallen.
-
-„Uw schenker heeft maar ééne fout, Pericles,” zei hij.
-
-„En welke is die?” vroeg Pericles.
-
-„Dat hij bij het aanreiken van den beker zoo haastig is,” hernam de
-dichter; „men zou liever zien, dat hij daarbij een weinig draalde, om
-zich in de oogen te laten zien, die, naar mij dunkt, eene nadere
-beschouwing overwaard zijn.”
-
-De jongeling bloosde, toen hij na deze woorden van Sophocles aller
-blikken op zich gericht zag. Deze lachte om de verlegenheid van den
-knaap en riep met de woorden eens ouderen dichters:
-
-
- „Hoe schoon op purperwangen glanst des Eros’ licht!”
-
-
-„Wat zegt gij van deze verzen van Phrynichus [293]? Hoe bevallen u die
-purperwangen?”
-
-„Mij bevallen zij niet,” hernam de jongeling, die spoedig zijne
-tegenwoordigheid van geest hernomen had. „Het komt mij voor, dat de
-dichters in hunne verzen zaken prijzen, die zij in de werkelijkheid
-volstrekt niet schoon zouden vinden. Ik geloof, dat eene wang met echt
-purper geverfd, leelijk zou zijn.”—
-
-„Hoe?” riep Sophocles, „dan zoudt gij toch ook de rozenvingeren van Eos
-[294] bij Homerus niet schoon kunnen vinden?”
-
-„Volstrekt niet,” hernam de jonge slaaf. „Als mijne vingers rood als
-rozen waren, zou Pericles, mijn meester, gelooven, dat ik mij met het
-sap der purperslak bezoedeld had en mij bevelen mijne handen te gaan
-wasschen.”
-
-„Och, dat alle hekelende kunstrechters slaven waren als gij!” riep
-Sophocles. Maar lachend plaagde Pericles hem, omdat hij als dichter nu
-eindelijk zijn beoordeelaar had gevonden.
-
-Verscheidene aardigheden werden er gewisseld; ook vurige blikken, door
-den gloed van Dionysus bezield, werden hier en daar geworpen en te
-midden daarvan deden de onzichtbaar rondzwevende minnegoodjes een
-klein, onschuldig, dartel spel van onderlinge ijverzucht ontbranden.
-Pericles vond, dat zijn vriend Sophocles het geheim van den schoonen
-slaaf te weinig eerbiedigde, en van dezen wederom meende hij, zijn ambt
-van schenker met grooteren ijver dan noodig was vervulde. Aspasia van
-haren kant dacht opgemerkt te hebben, dat Chrysilla’s blikken die van
-Pericles telkens ontmoetten en dat deze de zijne somwijlen een tijdlang
-op de weelderige, bloeiende vormen van Ion’s vriendin deed rusten.
-Weldra echter veranderde de zaak. Chrysilla had werkelijk in den
-beginne met hare oogen Pericles gezocht, om uit ijdele, vrouwelijke
-nieuwsgierigheid uit te vorschen, of de macht harer bekoorlijkheden nog
-iets vermocht op den man, die haar eens zijne hulde had bewezen.
-
-Evenwel kon ook de schoone slaaf, die aller oogen tot zich trok, door
-haar niet onopgemerkt blijven en dezen van zijn kant scheen het er op
-gezet te hebben zijne vurigste blikken juist aan Chrysilla te wijden.
-Zoo gelukte het hem ten laatste de oogen van Ion’s vriendin bijna
-geheel van Pericles af te leiden en op zich te vestigen. In dit streven
-werd hij door Sophocles krachtig geholpen.
-
-Ion had in den beginne die wisseling van woorden en blikken tusschen
-Pericles en Chrysilla niet zonder eenig ongenoegen waargenomen en zag
-ten laatste met even weinig behagen de oplettendheid, die zijne
-vriendin aan den vreemden jongeling wijdde, doch tevens gaf hij aan
-zijne vriendin eenige reden tot bezorgdheid, doordat hij den indruk
-liet bemerken, dien de opgewekte geest en de schoonheid van dezen
-jongeling bijna geheimzinnig op hem maakten.
-
-Nieuwe bekers werden gebracht. Toen Sophocles wederom den zijne uit de
-hand van den schoonen schenker aannam, beschouwde hij den rand des
-bekers met een scherp oog en zei, tot den slaaf zich wendend:
-
-„Voor de eerste maal moet ik mij beklagen, dat gij niet oplettend
-genoeg uw ambt vervult. Aan den rand van dezen beker zie ik een klein
-pluisje, dat gij verzuimd hebt weg te nemen.”
-
-Glimlachend wilde de jongeling met zijne fijne vingertoppen over de
-plaats van den rand des bekers strijken, om het pluisje te verwijderen.
-Doch Sophocles liet dit niet toe, zeggende:
-
-„Zulke dingen moeten niet met de vingers aangeraakt, maar liever met
-den adem van uw mond zacht weggeblazen worden.” Na deze woorden
-gesproken te hebben, reikte hij den jongeling den beker, die zich
-glimlachend bukte, om het pluisje, zooals de dichter wenschte er af te
-blazen. Deze echter hield den beker zoo, dat het hoofd van den
-jongeling zoo dicht mogelijk bij het zijne moest komen. Derhalve
-raakten de gouden lokken van den jongeling bijna onmiddellijk den
-boezem des dichters. Hij ademde het bedwelmende aroma in, dat daaruit
-opsteeg en ondervond de zachte aanraking op zijne wangen van het
-gebogen en weder opgeheven hoofd; hij zette daarop zijne lippen juist
-op de plaats van den beker, die door den adem van den rozenmond
-aangeroerd was.
-
-Met spiedend oog had Pericles het voorgevallene opgemerkt. „Mijn waarde
-Sophocles,” zei hij, „ik wist niet dat gij zoo’n haarklover waart, om
-zooveel drukte van zoo’n onbeduidend pluisje te maken.”
-
-„Beken liever,” hernam Sophocles, tevreden glimlachend, „dat gij nu
-inziet vroeger gedwaald te hebben, toen gij mij in gezelschap van deze
-allen stoutweg voor een zeer slecht strateeg en krijgskundige hebt
-uitgemaakt. Intusschen stel u gerust; ik heb de voldoening waarom het
-mij te doen was, en ik beloof u dat ik het bij dit kleine bewijs mijner
-groote talenten laten zal.”
-
-Zoo sprekende reikte Sophocles zijn vriend de hand en deze drukte ze
-hartelijk lachend. De schaduwen werden al langer en langer, maar nog
-laat in de schemering des avonds lieten de klank der bekers en een
-vroolijk, luidruchtig gesprek op het door de zee bespoelde terras van
-Ion zich hooren. In de zee was de purperglans allengs verdwenen, maar
-nog steeds fonkelde het in de steeds opnieuw gevulde, schuimende bekers
-op Chios.
-
-Het was zonderling, maar eindelijk was de schoone vroolijke, geestige
-schenker van Pericles het middelpunt van het geheele gesprek geworden.
-Ieder wilde ten laatste alleen door hem zich den beker laten vullen.
-Ieder wilde een blik uit zijne vroolijke, bezielde oogen opvangen,
-ieder een geestig woord uit zijn mond vernemen. Toen Chrysilla eens den
-wensch naar een bijzonder mooien druiventros uitte, die van de latten
-afhing, haastte zich de vlugge en gedienstige schenker dien te plukken
-en de dame aan te bieden. Chrysilla bloosde, bloosde voor den slaaf—en
-niemand verwonderde zich daarover. Ion keurde het niet goed, maar vond
-het toch zeer verklaarbaar. En zoo draaide zich ten laatste alles om de
-verkleede Milesische. Ofschoon zij uit eene aardigheid verkozen had te
-dienen, heerschte zij toch...
-
-Eindelijk vroeg Ion, dien zijn eigen kostelijken wijn niet kariger dan
-zijne gasten had aangesproken, aan Pericles, of hij hem dien slaaf
-verkoopen wilde.
-
-„Neen!” antwoordde Pericles, „ik ben van plan hem zijne vrijheid te
-geven en nog heden wil ik dat doen—op dit oogenblik! Hij zal voor het
-laatst deze kleederen gedragen hebben. Hier ten aanschouwe van u allen
-verklaar ik hem vrij!”—
-
-Alle aanwezigen gaven luide hunne goedkeuring over dit besluit te
-kennen. De bekers werden op de gezondheid van den schenker geledigd en
-zijne vrijlating met het bloed der edelste druif bezegeld.
-
-Eén echter van het vroolijke gezelschap, Pericles zelf, was op het
-einde ernstig en nadenkend geworden.
-
-„Gij hebt,” zei Aspasia lachend tot hem, toen zij van Ion weggingen,
-„mijne vrijlating met eene plechtigheid uitgesproken, die zelfs hen
-trof, die niet wisten, dat het maar een grap was.”
-
-„Het was geen grap,” hernam Pericles, „ik wil dat gij nooit meer
-mannenkleeding zult dragen, dat gij nooit meer u zelve vernedert.”
-
-„Ik ben verlangend te vernemen,” hernam Aspasia, „hoe gij het de
-vreemdeling en de zoogenaamde hetaere uit Milete besparen zult, zich te
-vernederen.”
-
-„Dat zult gij vernemen,” zei Pericles.
-
-Den volgenden morgen keerde de Atheensche veldheer naar Samos terug en
-onverwijld gaf hij aan de vloot order den volgenden morgen zeilree te
-zijn, om eindelijk den terugkeer naar Athene aan te nemen.
-
-Met uitbundige blijdschap werd dit bevel begroet en fier met wimpels
-getooid, zeilde, onder het aanheffen van een donderenden zegezang, bij
-het krieken van den volgenden dag, het zegevierend Atheensch eskader
-uit de haven van Samos naar de hooge zee, westwaarts koers zettende, om
-na eene afwezigheid van elf maanden het vaderland terug te zien.
-
-„Ik denk,” zei Aspasia tot haar vriend op het oogenblik van hun
-vertrek, „dat gij het afgrijzen, ’t welk het verhaal van Artemidorus op
-den laatsten avond te Milete bij u opwekte, wel reeds op Chios zult
-overwonnen hebben en dat gij daartoe niet eerst, naar ge meendet, de
-Attische lucht noodig hebt.”
-
-„En toch,” hernam Pericles in vurige opgewondenheid, „is mijne ziel
-geheel vervuld van een heimwee naar het vaderlandsche strand en steeds
-klinken al luider en luider in mij eenige verzen, die ik uit den mond
-van Sophocles gehoord heb:
-
-
- „Ion’s zoon Melicertes, en gij lieflijke Leucathea,
- Vorstin der fonkelende zee, immer tot hulpe bereid,
- Nereus’ dochters, en gij, Poseidon, ruischende baren,
- Gij ook, Thracische wind, zachtste beheerscher der zee,
- Neemt in genade mij op en voert mij over het zilte
- Zeenat zonder gevaar, naar het geliefde Atheen!”
-
-
-De vaart ging den eersten dag bij gunstigen wind en onder een
-onbewolkten hemel langs de eilanden van den blauwen Archipel. Voor de
-beide gelieven was deze vaart door de eilandenzee een zalig genot. Wat
-zagen zij gaarne, terwijl het ranke vaartuig de baren ruischend
-doorkliefde van het boord van het schip in de donkerblauwe golven, die
-in den naasten kring van het schip groen als weilanden en verderop als
-in schitterend blauw gedoopt schenen en door de tallooze, verblindende
-zilveren stralen der zon werd beschenen. Meeuwen fladderden om den mast
-met hare lange, wit gerande vlerken, en in geheele drommen volgden
-dolfijnen het witte schuimend spoor, dat de kielen, den vloed
-doorklievend, achter zich lieten. In dartel spel, met de gespleten
-staarten om zich slaande, vermeiden zij zich in de zilte baren,
-scheerden over den zeespiegel, om dan weder hunne zwarte, schitterende
-lichamen in de golven te begraven.
-
-Bij het vallen van den nacht liet Pericles de vloot voor Tenos ankeren.
-Het eentonige gezang der roeiers verstomde en daarmee het ruischen der
-zee, door de kielen doorkliefd; in den reinen, helderen aether
-fonkelden de sterren en het maanlicht sloeg in het Oosten zijn gouden
-brug over de zee.
-
-Pericles stond peinzend op het verdek van zijn vaartuig, terwijl alles
-rondom hem in diepen sluimer verzonken lag.
-
-Daar schoof zich eene warme, zachte hand in de zijne.
-
-„Waarom staart gij zoo in gedachten op de zee?” vroeg Aspasia:
-„Koestert gij zoo’n vurig verlangen naar de ambrosische [295] dochters
-van Nereus, die met haar rozevoeten de kristallen diepten doorkruisen?”
-
-De zilveren klank harer stem wekte den droomer uit zijn gepeinzen.
-
-Pericles antwoordde met een kus en zij begonnen te minnekoozen, waarbij
-zij allengs, bij het heldere maanlicht, als in zoete droomen gewiegd,
-de geheele zee rondom zich vol leven zagen. Uit de diepten doemden de
-dochters van Nereus op, rijdend op zeemonsters, en Tritons, die
-schetterende trompetters ter zee, bliezen op hunne mosselschelpen; te
-midden van hen verrees de zeenimf Galathea: zij hief haar purperen
-gewaad uit den vloed en liet het, door zachte koeltjes zwellende, als
-een zeil boven zich heen golven.
-
-Bij het grauwen van den morgen vernamen Pericles en Aspasia plotseling
-den klank van snaren in de verte. Het klonk hun als de lier van Orpheus
-[296], die toch, naar de oude overlevering, toen de zanger den dood had
-gevonden, door de Maenaden [297] in de zee geworpen en door den vloed
-verder gestuwd was over de Aegaeïsche zee en welker tonen de
-zeevaarders somwijlen bij diepe windstilte over den waterspiegel
-vernamen. De klank derhalve van de onbeheerd ronddobberende lier van
-Orpheus scheen tot het oor van Pericles en Aspasia door te dringen, tot
-zij bemerkten, dat de tonen uit de triëre van Sophocles kwamen, die hen
-naderde, toen de vloot in de schemering van den morgen zich weder in
-beweging zette. De vrienden begroetten elkander en Sophocles nam de
-uitnoodiging van Pericles aan om hem een bezoek op zijn schip te
-brengen. Daar praatten zij over Athene, over het wederzien hunner
-vrienden, over het feest der Panathenaeën dat onmiddellijk na hunne
-terugkomst zou gevierd worden, en steeds hooger spande Aspasia de
-verwachting, waarmede Pericles en Sophocles de verrassingen verbeidden,
-die Phidias en de zijnen door hun rusteloozen arbeid in dat lange
-tijdsverloop aan hunne terugkeerende vrienden hadden bereid.
-
-Toen nu de dag ten volle was aangebroken en de eerste stralen de zee
-verlichtten, doemde ter linker zijde het heilige Delos op, de „Ster der
-zee”, het eiland van Apollo, schitterend in de morgenzon, als ’t ware
-gekust door de stralen van den God, aan wien het geheiligd was. Niet
-zonder innerlijke ontroering staarde Pericles op de overoude
-eerwaardige parel in den Archipel. Hij dacht aan den dag, toen, als een
-geschenk van den God, de rijke, gouden schat van dit eiland Athene
-binnenstroomde. Maar ook het scheepsvolk liet het goddelijk eiland niet
-zonder vereering aan zijne oogen voorbijgaan. Van de hooge boorden der
-geheele Atheensche vloot klonk een donderende paeän ter eere van
-Apollo, den beschermgod van den Ionischen stam, welk lied machtig rolde
-over den zeespiegel, beschenen door de vriendelijke stralen der
-morgenzon.
-
-Maar gezang en gejubel verdoofden van nu af niet meer op de schepen;
-eene vroolijke stemming heerschte overal; want nog heden zou men het
-vaderlandsche strand bereiken en hoe meer men de vurig gewenschte
-kusten naderde, des te gevleugelder schenen de triëren, gedreven door
-de zwellende zeilen en den dubbel krachtigen riemslag der roeiers, het
-zilte sop te doorklieven.
-
-De uren vlogen voorbij: reeds was men Tenos en Andros voorbij
-gestevend. In een zachten, zilveren glans verhieven zich ten noorden
-van Ceos de hoogten van Euboeä. Ter linkerzijde doemden grootsch en
-breed getakt, door dien zelfden zilverglans omstraald, de met pijnen
-begroeide bergen van Aegina op. Een zachte rijp scheen alles te
-bedekken, gelijk het fluweelen waas de donkere pruimen.
-
-Tusschen de beide eilanden echter, verre vooruitspringend op den
-achtergrond door een krans van eerwaardige hoogten omgord, rees uit de
-diepten der zee Attica’s gewijde kust.
-
-Tallooze oogen zochten haar—met blijde kreten werd zij begroet. Maar de
-afstand ter zee is bedriegelijk. Reeds was de zon ver naar het westen
-gedaald, vóór het uitspringend gebergte van Sunion was bereikt, steil
-zich verheffend, verblindend wit, door de baren omruischt, met den
-marmeren tempel van Pallas, die met zijne prachtige zuilen eene
-lichtende stip is voor den zeevaarder.
-
-In een wijden kring zeilde de Atheensche vloot om deze gevaarlijke,
-zuidelijke kaap van Attica, koers zettende naar de prachtige Saronische
-golf, ter rechter zijde het vaderlandsche strand en de glinsterende
-tinnen van Athene, links de bergen van de Peloponnesus, waarachter de
-zon onderging. Toen was alles, van verre en op een afstand, door een
-gouden rozensluier bedekt. De bergtoppen en de aether daarboven, de zee
-en de schepen zelve, zij alle waren gehuld in het tooverlicht der
-laatste uren van den dag. Alles was purper en schitterde als goud.
-Alleen in het zuidwesten hadden zwarte wolken zich samengepakt.
-Plotseling schoten de bliksemstralen daaruit te voorschijn en de bergen
-van Argos stonden in eene zee van vuur. Rustig en grootsch verhieven
-zich daar tegenover ter rechterzijde de hoogten, die Athene omgeven: de
-lange bergketen van den Hymettus, de pyramidaal oploopende Pentelicon,
-de stout verrijzende rotsklomp van den Lycabettus.
-
-Thans echter verscheen de heilige, aan ieder Atheensch oog dierbare
-hoogte van de Acropolis, omgeven door de wijd uitgestrekte stad. Aller
-blikken wendden zich daarheen. Maar veranderd vonden zij de heilige
-hoogte; de marmerwitte tinnen, vreemd aan de zoo langen tijd afwezigen,
-schitterden door den lichten nevel heen in de laatste stralen der
-ondergaande zon.
-
-Niet naar het van verre wenkende hoofd en de flikkerende lansspits der
-reusachtige Athene Promachos richtte, als anders ditmaal de Atheensche
-schepeling van het boord van zijn schip het oog naar Sunion’s hoogte,
-maar aller oogen wendden zich naar die nieuwe, sneeuwwitte tinnen, die
-door de schemering heenblonken van den top der Acropolis.—
-
-En uit één mond klonk de kreet van boord tot boord: „Het Parthenon! Het
-Parthenon!”——
-
-Ter zelfder ure, dat de blikken der terugkeerende overwinnaars naar de
-hoogte van de Acropolis waren gericht, greep juist daar, in het
-eerwaardige Erechtheüm nabij de stoute tinnen van het nieuwe Parthenon,
-eene geheimzinnige en bijna wondervolle gebeurtenis plaats.
-
-Het grootste en heerlijkste, om de vier jaren gevierde feest der
-Atheners, de Panathenaeën, naderde. Op dit feest werd aan de
-schutsgodin van Athene, de eeuwenlang vereerde Athene Polias, naar
-oudvaderlijk gebruik een schoon geweven kleed, de zoogenaamde peplos
-[298] ten geschenke gebracht. Deze peplos werd op de Acropolis zelve,
-in het heiligdom van Athene Polias, hetwelk gemeenschap had met het
-oude Erechtheüm, geweven. Vier meisjes van jeugdigen, bijna nog
-kinderlijken leeftijd werden uit de aanzienlijkste familiën van Athene
-gekozen, om die heilige peplos te helpen weven en bovendien nog eenige
-maanden lang in het gebied van den tempel te verblijven, ten einde
-onderscheidene andere heilige gebruiken te verrichten, die met den
-ouden, deels geheimzinnigen eeredienst in het Erechtheüm op den burg
-samenhingen. Twee dezer meisjes wierden gekozen om op een bepaalden
-nacht niet lang vóór de feestviering der Panathenaeën, van de Acropolis
-zich langs een geheimen onderaardschen weg iets onbekends, iets
-geheimzinnigs, dat niemand zien mocht en dat, naar het heette, zelfs de
-priesters niet kenden, naar eene grot in het heiligdom, nabij den
-Illisus gelegen, te dragen en vandaar iets even geheimzinnigs,
-onbekends naar het heiligdom van Athene Polias op den burg terug te
-brengen.
-
-Onder de jonge meisjes, die ditmaal tot het ambt van Arrhephoren—want
-zoo werden zij genaamd—verkozen waren, bevond zich het dochtertje van
-Hipponicus, Hipparete, van wier bevalligheid en zedigheid Hipponicus
-gesproken had toen hij bij gelegenheid van het feestmaal ter eere
-zijner choregie aan Pericles had voorgesteld, dit lieve kind voorloopig
-reeds aan den schoonen Alcibiades te verloven. Inderdaad was Hipparete
-het toonbeeld van een echt Attischen, hoewel niet volkomen ontloken
-knop, die ondanks haar kinderlijkheid reeds iets verstandigs en
-waardigs ten toon spreidde.
-
-Met hare overige vriendinnen, die tot een gelijken dienst aan de Godin
-geroepen waren, vertoefde Hipparete nu op de Acropolis in het
-tempelgebied der Godin. De meisjes werden hier verpleegd als tot den
-tempel behoorende. Er was ook eene bijzondere ruimte, waar zij zich
-door het balspel vermaken konden. De priesteres van Athene Polias had
-het opzicht over haar. Daar echter het heiligdom der Godin met dat van
-Erechtheüs vereenigd was, leefden de meisjes ook onder het oog van
-Diopithes, den Erechtheüs-priester; zelfs was de priesteres van Athene
-Polias nevens hem slechts een onbeduidende schaduw in het gebied van
-het Erechtheüm.
-
-Hij gaf de meisjes talrijke aanwijzingen en vermaningen, het liefste en
-het meeste onderhield hij zich met het dochtertje van Hipponicus. Haar
-boven allen scheen hij zijne gunst te bewijzen, haar roemde hij steeds
-boven hare vriendinnetjes. Niet zelden sprak hij met haar in langdurige
-gesprekken over zaken, die haar vader, zijne huiselijke aangelegenheden
-en het verkeer met zijne gasten betroffen. Hipparete antwoordde hem met
-de onbevangenheid van een kind. Toen hij haar eens schertsend vroeg, of
-haar vader nog geen echtgenoot voor haar had gekozen, noemde zij zeer
-ernstig den pleegzoon van Pericles, den jongen Alcibiades, en zeide,
-dat haar vader haar aan dezen wilde verloven.
-
-„Aan den pleegzoon van Pericles?” riep Diopithes en zijne vriendelijke
-trekken namen plotseling eene afkeurende, schampere uitdrukking aan.
-
-De vijandelijke gezindheid jegens Pericles en allen, die hij als
-vrienden, raadgevers en dienaars van dezen man beschouwde, was sedert
-dat gesprek met den ziener Lampon onophoudelijk versterkt geworden.
-Door de priesteres van Athene Polias, die een werktuig in zijne hand
-was, stond hij in betrekking met de zuster van Cimon en met de
-echtgenoote van Pericles, en vernam door haar steeds, wat er in de
-omgeving van zijn tegenstander voorviel.
-
-De avond, waarop het geheimzinnige gebruik zou verricht worden, was
-aangebroken. De beide uitverkoren meisjes Hipparete, en Lysiske werden
-uitgedost in kostbare, witte, met goud gestikte kleederen, die hare
-vaders voor dit doeleinde moesten bekostigen en die, wanneer zij
-gebruikt waren, het eigendom van het heiligdom bleven.
-
-Zoo rijk versierd werden de beide meisjes in het binnenste van het
-heiligdom van Athene Polias geleid en ontvingen daar van de priesteres
-in tegenwoordigheid van den Erechtheüs-priester, benevens diegenen, die
-gekomen waren om de heilige plechtigheid als toeschouwer mede te
-vieren, onder verscheidene ceremoniën de beide bedekte kruiken, om ze
-van hier langs den geheimzinnigen weg naar de grot in het heiligdom te
-dragen. Met de linkerhand hielden zij de aarden kruiken tegen de borst,
-in de rechter droegen zij eene aangestoken fakkel. Vóór zij zich op weg
-begaven, gaf de Erechtheüs-priester haar nauwkeurige aanwijzingen over
-hetgeen zij te doen hadden, vermaande haar iedere misdadige
-nieuwsgierigheid naar den inhoud der kruiken uit haar gemoed te
-verbannen en zich over niets, wat haar op weg of in de grot mocht
-ontmoeten, te beangstigen of in haren heiligen dienst te doen storen.
-Hij zei haar, dat zij onder de bescherming van den God Erechtheüs zich
-bevonden, den pleegzoon van de Godin van den dauw Herse, naar wier
-heiligdom zij zich begaven, en vermaande haar niet te versagen, ook al
-mocht de God zelf, zij het ook in slangengedaante, als reeds eenmaal in
-vroegere tijden aan de Arrhephoren, zich op haar weg vertoonen. Alleen
-dan, wanneer zij het heilige geheim schonden of haar heiligen plicht
-niet stipt verrichtten, hadden zij den toorn van den God te duchten. In
-elk ander geval echter hadden zij slechts gunst en heil van hem te
-wachten.
-
-De beide meisjes begaven zich op weg. In groote spanning en kinderlijk
-geloof had Hipparete naar de woorden van den priester geluisterd en was
-vol blijde hoop en vertrouwen. Minder goedsmoeds ging de jongere
-Lysiske naast haar. Zoo daalden zij beiden den onderaardschen weg af,
-waarin vele trappen gehouwen waren. Angstig zag Lysiske om zich heen,
-Hipparete sprak haar moed in.
-
-Eindelijk vroeg Lysiske wat er toch wel in die heilige kruiken
-verborgen mocht zijn.
-
-„Wat wij terug zullen brengen,” antwoordde Hipparete, „kan ik mij
-voorstellen. Wat kan de dauwgodin Herse anders geven dan dauw? Wellicht
-dus met dauw besproeide twijgen of bloemen.”
-
-„Maar wat wij daarheen brengen?” vroeg Lysiske weder.
-
-„Ik weet het niet,” hernam Hipparete. „Als wij iets vochtigs naar boven
-dragen, dan brengen wij vermoedelijk iets droogs of vurigs naar
-beneden; want evenals het daar beneden in de diepte vochtig is, zoo dor
-en droog is het op den bergtop.”
-
-„Neen,” zei de kleine Lysiske angstig, „wij dragen zeker een grooten
-uil naar beneden, zooals die daar boven in het metselwerk van het
-Erechtheüm krassen en brengen eene schrikkelijke slang terug, omdat de
-slangen zich gaarne in vochtige laagten ophouden.”
-
-„Wees niet bang voor slangen,” zei Hipparete, „gij weet toch, dat in
-hare gedaante zich de God Erechtheüs verbergt en dat deze ons beschut
-en ons zegent op dezen tocht.”
-
-De beide meisjes waren de talrijke trappen afgedaald, hadden het doel
-van haar tocht bereikt en traden nu door eene in de rotsen gehouwen
-poort het heiligdom binnen. De grot was verlicht door een lamp, die,
-vóór een steenen beeld der dauwgodin geplaatst, met eene roode vlam
-brandde.
-
-Onder de ceremoniën, die men haar geleerd had, legden de beide meisjes
-hare kruiken vóór de Godin neder en waren op ’t punt de gereedstaande,
-eveneens dicht omhulde kruiken, op te nemen en weg te dragen.
-
-Juist sloegen de meisjes haar blikken naar den achtergrond der grot;
-daar zagen zij bij het schemerlicht eene reusachtige slang ineengerold
-liggen, met den kop half opgeheven.
-
-Lysiske schrikte, verbleekte, sidderde en wilde vluchten, Hipparete
-hield haar terug en gaf haar de kruik in de hand, waarmede deze beangst
-en zonder om te zien, haastig wegliep. Toen nam Hipparete de andere
-kruik en maakte zich gereed de grot te verlaten. Nu echter kwam uit den
-achtergrond der grot een sterke tocht, waardoor de fakkel van Hipparete
-en tevens de lamp werden uitgebluscht, zoodat het meisje in het
-pikdonker stond. Nu zou de vrees ook haar om het hart zijn geslagen,
-zoo niet op hetzelfde oogenblik uit den achtergrond eene vriendelijke
-stem haar in de ooren had geklonken, die haar vermaande onverschrokken
-te blijven, zooals zij tot nu toe geweest was.
-
-„Voor uw edelen moed en uwe vrome trouw,” klonk de stem, „verleent de
-God u, o kind, een geschenk, dat den zegen der Goden en het hoogste
-geluk u voor uw geheele leven waarborgt.”
-
-Op dit oogenblik begon de vlam van de lamp van zelf weder te ontbranden
-en de God rustte niet meer schrikaanjagend daar, maar in heroëngestalte
-op de plaats, waar straks de slang haar kop had opgeheven. Hij
-verlangde, dat het meisje hem naderde. Hipparete deed het onversaagd.
-Hij trok haar tot zich en drukte een kus op haar voorhoofd, dat die
-schitterende reinheid had welke men bij half ontloken bladeren
-waarneemt, wanneer zij juist na een warmen lenteregen uit de bruine
-knoppen zijn gebroken.
-
-„Hebt gij wel nooit hooren spreken,” vroeg hij, „van de goddelijke
-genade, die aan sterfelijke jonkvrouwen is ten deel gevallen? Hebt gij
-nooit gehoord van Alcmene en Semele, van Danaë?”
-
-De lippen van den spreker trilden een weinig, toen hij die woorden
-sprak: ook zijn hand beefde, toen hij daarmede het rijkgelokte hoofd
-van het meisje streelde.
-
-„Hebt gij,” ging hij voort, „wel niet hooren spreken van die
-uitverkoren jonkvrouwen, tot wie Zeus nederdaalde en die niet
-verschrikten, als de God zich in zoete min tot haar nederboog?”
-
-Zoo sprekende sloeg hij zijn arm om het meisje, dat hevig verschrikte;
-maar zij herkreeg haar moed en luisterde weder geloovig, en in het
-reine kristal van haar oog spiegelde zich niets af dan de verwachting
-eener kinderlijke ziel, die de wonderlijke en zegenrijke geschenken te
-gemoet zag, waarmede de God beloofd had haar te zullen beloonen.
-
-Plotseling zei het meisje, in den donkeren hoek van de spelonk ziende:
-
-„De slang is toch nog altijd daar—alleen kleiner is zij thans, veel
-kleiner van gestalte...”
-
-Hipparete sprak deze woorden zeer bedaard en zonder de minste
-aandoening van angst. Men had haar ingeprent, dat zij voor slangen op
-haar weg niet bang moest zijn en zij vreesde ze ook niet. Zij wist dat
-daaronder de zegen aanbrengende God Erechtheüs zich verborg. Zij had
-die veel grootere slang niet gevreesd, waarom zou zij die kleinere
-vreezen?
-
-De God echter aan hare zijde ontstelde. De valsche Erechtheüs begon te
-sidderen voor den toorn van den waarachtigen God. Strak staart hij naar
-dien hoek en ziet, dat daar in der daad eene slang zich kronkelt. Het
-vrome kind was overtuigd, dat haar geen leed wedervaren kon, dat zij
-onder de hoede stond van den God Erechtheüs; de God zelf echter
-sidderde onder zijn godenmasker, sidderde voor den kruipenden
-aardworm...
-
-Op dat oogenblik weerklinkt van buiten het gejubel van eene
-volksschare, die langs de grot trok; het was eene menigte, die van den
-Illisus naar de Piraeüs stormde met den jubelenden kreet: „De vloot van
-Samos loopt de haven binnen! Pericles is daar! Lang leve Pericles, de
-Olympiër”.
-
-Met een somberen blik in de oogen en eene onheilspellende plooi om
-zijne lippen verheft zich de eerst door zijn angst, thans door zijn
-wrok ontmaskerde Erechtheüs-priester.
-
-Hij richt zich op en maakt zich gereed, om het kind spoedig uit de grot
-weg te voeren. Rustig neemt Hipparete, ook nu nog aan haar plicht
-denkend, de heilige kruik van den grond op. De priester neemt haar bij
-de hand en trekt haar door den donkeren gang voort. Daar, waar de
-geheime weg in het binnenste gedeelte van het Erechtheüm uitloopt
-verlaat hij haar, na streng bevolen te hebben, dat zij over alles wat
-zij in de grot gezien had, een diep stilzwijgen moest bewaren; dan
-alleen zou de zegen van den God haar niet onthouden worden.
-
-Hipparete ging den verlichten tempel binnen en legde de heilige kruik
-neder voor de voeten der Godin. Toen dacht zij zwijgend na over de
-verschijning van den God.
-
-En Diopithes?
-
-Hij zal heengaan en Erechtheüs trachten te verzoenen en vuriger dan
-ooit de vrees voor de oude Goden prediken.—
-
-Terwijl dit des avonds op de stille hoogte van de Acropolis voorviel,
-was de terugkeerende vloot den Piraeüs binnengeloopen. In dichte
-drommen was het Atheensche volk naar buiten gesneld, om de aankomenden
-te zien en te begroeten.
-
-Het was donker geworden, doch de kaden der haven schitterden van
-fakkels en te grootscher slechts was het schouwspel, toen bij den
-schijn der fakkels de honderd fiere triëren der zegevierende vloot op
-de golven kwamen aandrijven.
-
-Bijna romantisch schitterden bij den hellen schijn der hoog gezwaaide
-fakkels de hooge masten, de witte zeilen, de vergulde Pallasbeelden en
-de grillige vormen der scheepsnebben, met de veroverde schilden
-getooid, met de sieradiën van vernielde vijandelijke schepen en andere
-tropaeën rijkelijk omhangen.
-
-Luide, blijde jubelkreten klonken van de steenen kaden den krijgers in
-’t oor.
-
-De ontscheping volgde. Toen ook de strategen aan land stapten, drong
-alles om Pericles heen. Hem gold de luidste jubelkreet der menigte en
-velen waren er, die bloemen op zijn pad strooiden en hem met kransen
-overlaadden.
-
-Om zich aan deze eerebetuigingen te onttrekken, nam Pericles de
-uitnoodiging van Hipponicus aan, die hem eene plaats aanbood in zijn,
-met edele Thessalische paarden bespannen wagen, die op den rijken
-gastronoom in den Piraeüs wachtte.
-
-Aspasia had zich van Pericles moeten scheiden. Een draagstoel wachtte
-haar, die zij met dicht gesluierd gelaat besteeg en waarin zij naar de
-stad gevoerd werd.
-
-Intusschen was de maan opgegaan en haar glans verspreidde zich over de
-zee, de kusten en de stad.
-
-Pericles had, in den wagen van Hipponicus zwijgend en in gepeinzen
-verzonken, de stad bereikt. Toen zag hij bij eene plotselinge kromming
-van den weg, den blik omhoog slaande, vlak vóór zich de toppen van den
-Acropolis.
-
-Hij was getroffen. Eene lichte huivering voer hem door de leden.
-Onmiddellijk vóór zijne oogen bevond zich hetgeen hij straks uit de
-schemerende verte had gezien. Verblindend wit bij het schijnsel der
-maan, scherp tegen den nachtelijken hemel uitkomend, grootsch in de
-pracht van marmeren gevels en zuilen, stond het pas voltooide werk van
-Ictinus en Phidias op de schitterende hoogte van de Acropolis.
-
-En de betoovering, die nog heden de ziel aangrijpt van hem, die voor de
-eerste maal op de puinhoopen van het Parthenon te Athene staat,
-doortrilde in dat oogenblik de ziel van Pericles.
-
-
-
-
-
-
-
-XIV.
-
-DE PANATHENAEËN.
-
-
-Wanneer het vaderland een groot man eert, de geheele wereld hem viert,
-wanneer op al zijne paden vereering, liefde, hulde hem te gemoet komen,
-dan is er dikwijls toch ééne plaats, waar zijne grootheid ineenkrimpt,
-waar hij zich klein gevoelt, waar hem koude of zelfs afgunstige oogen
-ontmoeten.
-
-En deze plaats is zijn eigen haard, zijn huis, de schoot zijner
-familie, het uitgangspunt van zijn arbeid.
-
-Ook Pericles gevoelde zich zonderling en onaangenaam aangedaan, toen
-hij, wien het jubelgeschreeuw van het Atheensche volk nog in de ooren
-klonk, na een afwezigheid van een jaar weder den drempel zijner woning
-betrad. Evenals den zegevierend terugkeerenden Agamemnon, ontving ook
-hem eene heimelijk mokkende gade.
-
-De tijding, dat Aspasia in het gezelschap van Pericles te Milete
-geweest was, dat zij op de terugvaart zich aan zijne zijde had
-bevonden, was tot Elpinice’s ooren doorgedrongen en uit den mond harer
-vriendin had Telesippe het vernomen.
-
-De vrouw van Pericles dacht er niet aan zich op den terugkeerenden
-echtgenoot te wreken, zooals Clytaemnestra [299] op den terugkeerenden
-Agamemnon, noch door een vergiftigd Nessus-kleed [300] hem in het
-verderf te storten, zooals Dejanira den ontrouwen Heracles had gedaan.
-Zij dacht kleingeestig, kleingeestig was haar wrok, kleingeestig haar
-haat en kleingeestig ook haar wraak.
-
-Dat Pericles vóór Samos overwonnen, dat hij het schip van den
-vijandelijken veldheer in den grond had geboord, wat baatte het hem
-tegenover de Erinnys, die aan zijn haard haar zetel had opgeslagen?
-Terwijl de agora van zijn roem weergalmde, moest hij in zijn eigen huis
-de kleingeestige, kijvende taal, den smadelijken afgunstigen blik van
-Telesippe verdragen.
-
-En Elpinice? Zij sprak tot Pericles, toen zij hem voor het eerst na
-zijn terugkeer ontmoette:
-
-„Schaam u, Pericles! Mijn broeder Cimon heeft over de Perzen, over
-barbaren gezegevierd, gij echter hebt Hellenen-bloed vergoten en laat u
-verheerlijken als de onderdrukker van uw eigen stamgenooten.”—
-
-Zonder heftig op te stuiven, zwijgend, zooals het zijne gewoonte was in
-den omgang, doch niet zonder ernstige overweging en fiere plannen, liet
-Pericles den tweestrijd, die met de verschijning van Aspasia zijn hart
-had bestormd, der beslissing te gemoet snellen. Hij had in den beginne
-gemeend, dat het gemakkelijk zou zijn de rechten der geliefde
-gescheiden te houden van de rechten der gade. En had Telesippe zelve
-dit niet geloofd? Had zij niet met verachting op de Milesische hetaere
-neergezien, die wel is waar het hart van haar echtgenoot had veroverd
-maar die toch haar heerschappij aan den huiselijken haard moest laten,
-haar, de wettige gade? Had zij niet de vreemde van den drempel des
-huizes verdreven en had deze niet voor haar moeten wijken?
-
-Maar de zaken waren veranderd. Pericles zelf was niet meer, die hij
-geweest was. De gedachte aan eene echtverbintenis van een anderen aard
-was niet te vergeefs als een gloeiende vonk in zijne ziel geworpen.
-
-De dagen, waarop het grootste van alle Atheensche feesten gevierd zoude
-worden, waren teruggekeerd.
-
-De bevolking der landelijke vlekken stroomde naar de stad; want het
-feest was, wat zijn naam uitdrukte en wat het zijn moest naar de
-gedachte van zijn stichter Theseus, een steeds vernieuwd
-verbroederingsfeest van het gansche Attische volk. Maar ook van heinde
-en verre, uit de verbonden steden en eilanden, uit de koloniën, ja uit
-geheel Griekenland kwamen de gasten.
-
-Nog nooit echter had Athene eene zoo groote menigte van burgers en
-vreemdelingen binnen zijne muren verzameld gezien. Want ditmaal voegde
-zich bij de aantrekkelijkheid, die het vieren der Panathenaeën steeds
-had geoefend, de begeerte om het schoone Parthenon dat voor de eerste
-maal geopend werd, het van goud en ivoor stralende standbeeld van de
-Pallas Athene van Phidias onthuld te zien.
-
-Gedurende verscheidene dagen hadden de gewone wedstrijden plaats vóór
-den aanvang van den grooten feestelijken optocht. In de vallei aan den
-Ilissus streden de jonge helden uit de Atheensche worstelschool om den
-prijs. Eerst worstelden de uitnemendste knapen, dan de dapperste
-jongelingen, vervolgens de krachtigste mannen in alle soorten van den
-Helleenschen worstelstrijd. In den wedkamp der knapen overwon ook
-ditmaal de pleegzoon van Pericles en de lieveling van alle Atheners,
-Alcibiades, echter tot ergernis van Telesippe, die den knaap haatte,
-omdat hij hare beide minder begaafde, weinig belovende zonen, Paralus
-en Xantippus, geheel en al in de schaduw stelde.
-
-Hoe bruischt het bloed in de aderen van den jeugdigen overwinnaar,
-terwijl hij alle overige wedstrijden mede aanzag, waaraan hij echter
-tot zijn leedwezen slechts als toeschouwer, niet als mededinger om den
-prijs, mocht deelnemen! Met welk een afgunst zag hij, in geleide van
-Pericles buiten de stad gekomen op de vlakte, die westwaarts van den
-Piraeüs gelegen was, het opdwarrelende stof vochtig worden door den
-dampenden adem der rennende rossen! Hoe bewonderde hij den kampioen in
-de hippische [301] kunst, staande op den met vurige rossen bespannen
-wagen, op elke kar naast den menner de met helm en schild gewapende
-strijder, die, terwijl het span in toomelooze vaart door de renbaan
-stoof, er af sprong en in krachtigen loop een eind met de kar om ’t
-hardst liep, om dan met even zekeren sprong weder op den wagen te recht
-te komen!
-
-En hoe voelde de knaap zich door den beroemden wapendans der
-jongelingen medegesleept! Hoe fonkelde zijn oog bij dit krijgshafte
-spiegelgevecht toen de jongelingen op de maat der muziek allerlei
-krijgsbewegingen maakten, alle soorten van aanval, van verdediging, van
-ontwijken beproefden, in den danspas en onder begeleiding van den
-rhythmus der tonen, waarbij in de maat met de zwaarden tegen de
-opgeheven schilden geslagen werd, zoodat de heldere klank van het
-metaal vereenigd met de tonen der muziek, soms ook met het gezang van
-krijgsliederen, eene soort van strijdlustige stemming en vervoering ook
-bij den toeschouwer opwekten! Toen nu zelfs de jonge Alcibiades, door
-deze vervoering aangegrepen, de bewegingen der zwaarddansers begon na
-te doen en van begeerte scheen te branden, zich in hunne rijen te
-mengen, moest Pericles aan het verhaal van Artemidorus denken en aan
-het tooneel toen de Milesiër zijn zoon Chrysanthes op den Tmolus
-plotseling zag aangegrepen van den waanzin der Corybanten. En waarlijk,
-dit gewoel van den wapendans zou aan de rijen der Corybanten hebben
-kunnen herinneren, zoo daar niet alles wild en huiveringwekkend, hier
-niet alles in plechtige en edele maat zich aan het oog vertoond had.
-
-Maar ook de nacht had zijn feest: den grooten fakkelwedloop, waarmede
-de Atheners hunne Goden des lichts: Hephaestus [302], Prometheus en
-Pallas Athene plachten te vereeren. Alleen de schoonste en kloekste
-jongelingen van Athene werden tot den wedloop toegelaten. Het kwam er
-op aan de fakkels brandende aan den eindpaal te brengen: wiens toorts
-onder den loop uitging, moest uit de rij treden. Wie langzaam liep, om
-de vlam aan te houden, werd door de levendige spottende kreten van het
-volk tot spoed gedreven.
-
-De Atheensche stammen kozen uit hun midden de schoonste grijsaards, de
-statigste mannen, om den grooten feestelijken optocht op te luisteren
-en zij waren in hunne keuze zeer streng. Uitgelezen ook waren de
-jongelingen en jonkvrouwen, die aan den optocht deelnamen; alleen kon
-bij de bloeiende jeugd de keuze minder streng zijn, dan bij de ouderen
-en grijsaards, om aan het oog slechts welgemaakte, schoone en edele
-vormen te toonen.
-
-Onder de wedstrijden behooren ook de kunsten der Muzen.
-
-Pericles was het geweest, die, elke soort van voortreffelijkheid met
-gelijke warmte aankweekende en bevorderende, ook het spel van snaren en
-fluiten en danskoren in den kring der wedkampen bij de Panathenaeën had
-opgenomen. Want onder de ambten en waardigheden, die hij bekleedde,
-behoorde ook dat van leider der openbare spelen en feesten te Athene.
-
-Toen nu de dag van het eigenlijke feest aanbrak, waarop de zoogenaamde
-peplos naar oud gebruik aan de schutsgodin Athene in het Erechtheüm
-gebracht en de overwinnaars in de Panathenaeïsche wedstrijden in het
-nieuwe Parthenon gekroond zouden worden, werd de feeststoet in de wijk
-der Ceramicus in orde geschaard.
-
-De geheele wijk wemelde van drommen, die zich naar de
-vereenigingsplaats begaven. Dit vereenigingspunt leverde echter een
-even levendig, bont en schitterend tooneel van verwarring op. Hier
-stond het ten offer bestemde, schoon gehoornde rund in zijne volle
-kracht, daar ontlaadde zich de vurige, sterke, stalen aard der fiere
-rossen, als ’t ware electrisch, in een vonkenspattenden hoefslag.
-Nevens de ongeduldig steigerende rossen stonden jongelingen, die hen
-met krachtige hand aan de schitterende teugels hielden of bezig waren
-hen op te toomen of ook in kunstige wendingen hunne snelheid te
-beproeven. En zoo verkwikte zich thans het oog aan levendige groepen,
-aan beelden van kracht en welgemaaktheid.
-
-Het bonte kluwen ontwarde zich. De feeststoet begon zich in orde te
-scharen. Nadat dit geschied was, zette hij zich onder de muziek van
-trompetten, fluiten en snareninstrumenten in beweging. Vooraf ging de
-hecatombe der offerdieren, honderd uitgelezen, schitterende runderen,
-bestemd om op de Acropolis ter eere van de Godin geslacht te worden en
-vervolgens tot feestmaal te dienen: prachtige dieren, met vleezigen,
-sterken nek, laag afhangende kwabben, de horens als de beide armen
-eener lyra schoon gekromd, met bloemkransen getooid en aan de spits
-voor een deel verguld. Zij werden geleid door krachtige jongelingen,
-die met sterke hand de ongeduldige, weerbarstige dieren bedwongen.
-Rammen volgden op de runderen, niet minder schoon en sterk, met schoone
-horens en vachten. Achter deze dieren, benevens hunne drijvers,
-offerdienaars en offerpriesters, gingen zij die verschillende andere
-offergaven droegen: offerkoeken op platte schalen, vloeibare stoffen,
-deels in zakken, deels in groote, schoon gevormde kruiken gedragen.
-
-Nu volgde een schitterende stoet van Atheensche vrouwen en jonkvrouwen,
-in rijk feestgewaad, die gouden en zilveren werken droegen, prachtige
-pronkvaten, welke het geheele jaar door op eene daarvoor bepaalde
-plaats bewaard en bij zulke feestelijke gelegenheden ten toon werden
-gedragen. Sierlijke korfjes, gevuld met bloemen, vruchten, reukwerk,
-droeg een deel der bevallig met goud versierde meisjes op de hoofden.
-Uit Athene’s bloeiendste dochteren gekozen, teeder en statig,
-bekoorlijk en waardig te gelijk, verrukten deze korfdraagsters ieder
-oog door de zedige bekoorlijkheid harer uiterlijke houding en
-bewegingen. Het waren knoppen, kuisch besloten, maar fonkelend van den
-dauw der jeugdige frischheid. Het jaar door verborgen, evenals die
-gouden pronkvaten, en aan het oog der wereld ontrukt in het binnenste
-der vrouwenvertrekken, waren zij thans als ’t ware te voorschijn
-gebracht om te schitteren in het licht van den feestdag. Het heerlijke
-feest onthulde, wat anders voor de blikken verborgen was; het onthulde,
-ontketende alles, wat schoon en schitterend was. Heden schoot de God
-der liefde zijne schichten, heden ontmoetten elkander de blikken van
-bekoorlijke jonkvrouwen en jongelingen, begeerig naar liefde. Jeugdige
-ongedwongenheid werd getemperd door de aangeboren bekoorlijkheid, die
-hare stralen vrij en vroolijk rondom zich verspreidde.
-
-Achter deze schitterende offergaven werden de nog heerlijker
-wijgeschenken gedragen, wier getal nooit grooter geweest was dan thans:
-prachtig vaatwerk, fonkelende gouden en zilveren schilden, drievoeten
-van den bekoorlijksten vorm, rijkelijk versierd, ook beeldwerken van de
-hand der beste meesters. Dat alles, openlijk gedragen, schitterde
-oogverblindend in de stralen der zon.
-
-Aan den stoet van jonkvrouwen sloten zich de liefelijke, teedere, nog
-kinderlijke meisjesgestalten der Arrhephoren aan, in den feestdos, dien
-zij bij hare heilige verrichtingen op de Acropolis gedragen hadden en
-onder haar de lieve, kinderlijk vrome, moedige Hipparete.
-
-Nu volgden de dragers en geleiders van die geschenken en offers, die
-aan de Godin van de Atheensche koloniën of van de met Athene verbonden
-steden en eilanden gebracht werden.
-
-Nu echter kwam eerst van alle wijgeschenken het belangrijkste, het
-glanspunt van den geheelen feeststoet, het groote, rijke, prachtige
-weefsel, de peplos. Niet door menschenhanden werd het gedragen: als een
-zeil was het over een soort van prachtschip gespannen, dat in den
-feesttrein zich op raderen voortbewoog. Dit gevaarte, een werk van
-buitengewone schoonheid en grootte, moest het niet in de rijen, die de
-Atheensche grootheid en macht te kennen gaven, aan de heerschappij ter
-zee der Atheners herinneren en aan den zeegod tegelijk, wiens
-eeredienst sinds overoude tijden in verband stond met dien van
-Erechtheüs en Pallas op den burg? En dat de peplos in plaats van het
-prachtschip hoofdzaak was geworden in den optocht der Panathenaeën,
-herinnerde het niet aan de overwinning van de Godin des lichts Pallas
-Athene in den kamp met den donkeren drietandzwaaier [303]. Het aandeel
-door de Godin des lichts aan den strijd der Goden tegen de Giganten
-[304] genomen, was voorgesteld in schitterend goudstiksel, kunstig op
-den purperen of saffraan-gelen grond van het weefsel aangebracht. Boven
-den mast van het prachtschip uitgespannen, zag men eene afbeelding van
-dien kamp der lichtgoden tegen de ruwe natuurmachten in goud weefsel
-voorgesteld, die hoog in de lucht zich verheffend, het volk heinde en
-verre duidelijk tegenschitterde in den glans der zon.
-
-Achter het prachtschip met de peplos liepen de overwinnaars in de
-Panathenaeïsche wedstrijden, met fieren tred: de citherspelers en
-fluitblazers met hun muziekinstrumenten, de overwinnaar in den
-fakkelloop, met de brandende fakkel in de hand, waarmede naar oud
-gebruik het vuur voor de groote feestoffers der Godin op de Acropolis
-werd aangestoken, de overwinnaars in den wedren der rossen en wagens,
-met hun prachtige vierspannen, op elk de menner en zijn makker met helm
-en schild: voorts, met olijftakken in de handen, die stoet van schoone,
-eerbiedwekkende grijsaards, die in den wedstrijd van mannelijke
-welgemaaktheid de overwinning hadden weggedragen. Als op edele
-voorbeelden staarde de Atheensche jongelingschap op deze mannen, met
-hun zilveren lokken, die eene eerwaardige schoonheid en frischheid van
-lichaam en ziel tot op den laten ouderdom hadden bewaard. Op hen volgde
-de trein der epheben, Athene’s mannelijke jeugd, slanke gestalten,
-donker gelokt, met vurigen blik, op de edele rossen als goed geoefende
-ruiters zittende. Door de strategen en taxiarchen [305] aangevoerd,
-marcheerde achter de epheben de strijdbare manschap van Athene: de
-zwaargewapenden en de ruiterij der Edelen [306] in schitterende
-wapenrusting op de schoonste en vurigste rossen—want te paard verscheen
-de rijke en voorname Athener in feestelijken optocht als in het
-veld—vervolgens in eene eindelooze reeks de burgerij, met de overheden
-aan het hoofd; het volk naar gemeenten [307] ingedeeld, mannen en
-vrouwen in feestgewaad, met myrthentakken in de hand, achter de burgers
-de vreemdelingen, die het burgerrecht hadden verkregen, hunne vrouwen
-met eikentwijgen in de hand, als smeekelingen van Zeus Xonios, den God
-der gastvrijheid. Andere vrouwen en dochters dier vreemdelingen liepen
-achter de Atheensche burgeressen, wier bescherming zij genoten en
-droegen zonneschermen in de hand, om haar, als de trein in de brandende
-zon stilhield, boven het hoofd te houden of stoelen zonder leuning,
-klein en sierlijk van vorm, waarop hare beschermvrouwen zich dan konden
-neer laten.
-
-Deze stoet bewoog zich van den buiten-Ceramicus door de schoonste
-straten der stad, tot op de Agora, die met eikenloof bestrooid,
-overigens ook feestelijk was versierd: het werk der slaven voor dien
-dag. Hier hield de trein derhalve voor het eerst halt en het eskadron
-der voorname Atheners in zijne schitterende wapenrusting voerde op de
-ruime plaats bewegingen en manoeuvres uit, die bijna het prachtigste
-deel van de geheele feestviering uitmaakten.
-
-Terwijl de stoet op de Agora verwijlde, had een deel der geleiders van
-de offerdieren met eenige der dieren zich daarvan afgescheiden, om
-vooraf de beide gebruikelijke offers, het ééne op den Areopagus, het
-andere bij het altaar van Athene Hugieia te brengen.
-
-Nadat deze vóóroffers gebracht waren, zette zich de feesttrein met de
-hecatombe en het prachtschip weder in beweging. Hij nam zijn weg ook
-verder door de voornaamste straten en trok langs de beroemdste
-heiligdommen, waar men een poos stilhield, om den God te vereeren door
-offers of door het aanheffen van een paeän.
-
-Toen men de plaats bereikt had, waar de weg naar den heuvel van de
-Acropolis voerde, werd van de paarden en wagens achtergelaten, wat
-langs den breeden maar steilen weg den stoet niet volgen kon, of wat op
-de hoogvlakte van den burgt geen genoegzame ruimte zou gevonden hebben.
-Doch het ontbrak niet aan koene ruiters noch aan wagenmenners, die met
-hunne moedige paarden toch in den trein bleven, terwijl zij zich
-zooveel mogelijk op het midden van den breeden weg hielden, omdat daar
-door geribd pleister het gevaar van uitglijden, zoowel voor paarden als
-voor raderen, verminderd was.
-
-Op de Acropolis gekomen, maakte de stoet halt tusschen het Erechtheüm
-en het pas voltooide heiligdom van Pallas Athene. De peplos werd in het
-Erechtheüm gebracht en het groote offer der hecatombe begon onder het
-aanheffen van een paeän voor een in de open lucht staand altaar aan de
-oostzijde van het Parthenon.
-
-Maar geen blik der menigte drong tot in de schemerende zaal van het
-Erechtheüm door, waar het overoude, houten beeld van Athene, op een met
-bloemen bekransten troon staande, zijne gewone schatting, de peplos,
-ontving. Onopgemerkt bleef ook het heilige offer: ieder oog richtte
-zich op de pracht van den schitterenden tempel, welks poorten zich
-heden voor het eerst voor de blikken van het Atheensche volk ontsloten.
-
-De eerste indruk, dien het nieuwe feestgebouw maakte, was
-onbeschrijfelijk. Alles was schitterend marmer, van de blokken der
-grondvesten tot aan de sierlijk gemetselde hoogste tinnen. En wat geen
-marmer was, stralend in zijne jonkvrouwelijke reinheid, was goud of
-heldere kleurenpracht.
-
-Van het westen naar het oosten, in een langwerpig, van zuilen voorzien
-vierkant, verhief zich fier en vrij de heerlijke tempel, door het
-zonlicht omstraald, op zijne hoogte. Edel, regelmatig in zijne
-afmetingen scheen hij toch van zijne geweldige fundamenten met
-wondervolle bekoorlijkheid schier reusachtig naar boven te streven. De
-grondvesten zelven met de opwaarts voerende marmertrappen verhieven
-zich boven het hoofd van den toeschouwer. De tempel zelf echter met
-zijn woud van marmeren zuilen, met het versierde beeldwerk zijner
-rondomloopende friezen, met de kolossale marmergroepen, vol leven, die
-de breede gevels als ’t ware met eene schare van heerlijke gestalten
-bevolkten, stralend van goud en de schitterendste kleuren, hier en daar
-den glans van het witte Pentelische marmer doende verbleeken, scheen
-van de verlichte hoogvlakte als ’t ware tot de maagdelijke Godin zich
-te verheffen in haar rijk des lichts, den daar geheiligden aether.
-
-Niets echter boeide in deze eerste oogenblikken der beschouwing het oog
-des Atheners zoo zeer als de groote in kolossale marmergroepen
-voorgestelde tooneelen, die de breede velden der beide gevels vulden.
-Dit gezicht was overweldigend. Want de heerlijke gestalten, zooals zij
-rustend, staande, loopende, niet slechts in verheven beeldwerk, maar
-als standbeelden losgemaakt van den achtergrond, zich in fijn
-aangegeven betrekking tot elkander vertoonden, zij schenen uit hunne
-lijsten te voorschijn te willen treden en af te dalen onder het volk
-der door de Goden geliefde Atheners. Hunne houding en beweging hadden
-de juiste maat, maar toch waren zij vol gezond, heerlijk, bloeiend
-leven in zinrijke vorm afgebeeld.
-
-De Athener zag op den oostelijken gevel het oogenblik voorgesteld na de
-geboorte der Godin uit het hoofd van Zeus: in het midden den God, de
-Godin en den Titan Prometheus, die het hoofd Gods heeft gekloofd, om de
-Godin des lichts te doen geboren worden: van daar naar beide kanten
-heenspoedend met de blijde boodschap Nike [308] en Iris [309], haar
-tegemoet snellend, Godinnen en heroën, die met vreugde de tijding
-vernemen; links in den gevel Helios met zijne vurige paarden
-opstijgend; rechts de Godin van den nacht met haar span nederdalend in
-de stroomen van Oceanus. Den strijd van Poseidon echter met Pallas
-Athene om het bezit en het beschermheerschap van het Attische land,
-bevatte de westelijke gevel: in het midden de beide strijdende
-godheden: de onstuimige Poseidon, die zooeven met den drietand de
-heilige bron uit de rots heeft geslagen, tegen hem over Pallas Athene
-en de op haar bevel ontstane olijfboom; naast haar het hoog steigerende
-span voor den zegetocht; godheden en heroën van het Attische land zich
-bij de Godin aansluitend, bij Poseidon het gevolg zijner zeegoden. Van
-deze gestalten, allen meer dan levensgroot uit het marmer gebeiteld,
-dwaalde het oog naar de kleinere beeldwerken van den fries boven de
-zuilen, waar in de lange rijen der metopenvelden, kampstrijden der
-Grieken met woeste Centauren waren voorgesteld; vandaar door de zuilen,
-die rondom den tempel liepen tot aan het beeldwerk van den inwendigen
-fries, die den buitensten marmeren wand van den tempel omgaf. En door
-het gezicht daarvan begon het oog van den Athener nog vuriger te
-stralen, want hier aanschouwde de levendige feeststoet zijn eigen
-beeld, uit marmer gehouwen: tooneelen uit den optocht der Panathenaeën
-en wat daaraan vooraf was gegaan: afbeeldsels van schoone, zedige
-jonkvrouwen, van krachtige jongelingen op steigerende rossen, fier
-stuivende spannen en voorstellingen van hippische agonen [310] het
-overreiken der peplos en, te midden van al dat menschelijk schoone,
-Olympische Goden, uit hunne onzichtbare en ongenaakbare gewesten
-nedergedaald als getuigen van het heerlijke feest. Zoo eenvoudig, zoo
-onopgesmukt en edel scheen hier bij alle schoonheid iedere gestalte,
-dat zij uit het marmer tot het Atheensche volk voor alle volgende
-tijden scheen te zeggen: „Houd de schoone maat en laat uw leven steeds
-in zulk een edelen eenvoud, in zulk eene schoonheid en reinheid
-bloeien, als het hier zich aan u vertoont in de marmeren beelden uit de
-werkplaats van den diepzinnigen Phidias!”
-
-Ten aanschouwe van het ongeduldige volk betraden thans, nadat het offer
-der hecatombe was verricht, in plechtigen stoet de eerste
-overheidspersonen van Athene de trappen van den tempel. Zij schaarden
-zich daar aan weerszijden van de poort. In hun midden stond Pericles en
-de Archon Basileus.
-
-Thans openden zich de breede, sierlijke metalen deuren des tempels. Het
-inwendige deed zich met zijne schitterende zuilen aan de oogen voor en
-Phidias’ nieuw, schoon beeld van Pallas Athene vertoonde zich in al
-zijn luister prijkend voor de eerste maal in de heilige schemering aan
-het volk der Atheners.
-
-Thans hieven de feestgenooten een lofzang aan ter eere van de Godin.
-Toen die klanken weggestorven waren, trad Pericles te voorschijn en
-sprak van de trappen des tempels aldus tot de verzamelde menigte:
-
-„In overoude tijden had Pallas Athene de volheid aller aardsche
-zegeningen over de wieg van het Atheensche volk uitgestort en als de
-geefster van de voedzame olijf, als de schenkster der voornaamste
-goederen, als zij, die de welvaart van het Attische land had
-gegrondvest en bevorderd, werd zij vereerd in dat eerwaardige, doch
-ruwe houten beeld van het Erechtheüm. Toen echter was de tijd gekomen,
-waarop Athene zich het zwaard aangordde, aan de spits van Hellas de
-Barbaren bekampte en, in de zegepralen gestaald, tot den bloei zijner
-macht zich verhief. Als herinnering van dien tijd stond op den burg het
-over land en zee, heinde en ver zichtbare reusachtige beeld der Athene
-Promachos. Nu echter was de tijd aangebroken, waarop het innigste en
-diepste wezen van de Godin en daarmede het schoonste deel harer
-zegeningen over het Attische land en volk werd uitgebreid. Nu wilde zij
-zich ten volle openbaren als de Godin van den lichtenden aether, in
-welks glans de nacht verdwijnt, als de nadenkende, schrandere, om wier
-voorhoofd de vrije gedachte in schoone klaarheid zweeft, als de steun
-van alle kunsten en wetenschappen en alle zegen, die voortspruit uit
-den geest. Als zoodanig had Phidias haar thans voorgesteld, een Pallas
-Athene des vredes. En over deze nieuwe gestalte der Godin had men het
-nieuwe, harer waardige tempelgebouw gesticht, geen priesterlijk huis
-voor offergaven, maar een Panathenaeïsch feesthuis der Godin, waarin
-zij het waarachtig licht en de waarachtige macht van haar wezen,
-losgemaakt van alle priesterbekrompenheid, vermocht te openbaren.
-Zinrijk omgaf dit tempelhuis de Godin, uitdrukkend de openbaring van
-haar wezen zelf en tevens die van het volk, dat zij beschermt. En zoo
-wilde men dan ook in het vervolg nog de peplos aanbieden aan het
-overoud eerwaardige, houten beeld van de schutsgodin der stad, de oude,
-heilige zeden der vaderen eerende: doch doel en middelpunt van het
-feest der Panathenaeën moest voortaan het Parthenon zijn. Hier zouden
-van nu af de overwinnaars in de agonen hunne prijzen uit de hand der
-kamprechters, zittende aan de voeten der Godin, ontvangen, en tot de
-beeldwerken van het schitterend feesthuis zou het volk zich wenden, om
-die uitstraling van het innerlijk wezen der Godin in zich op te nemen,
-zijn gemoed te vervullen met het grootsche en heerlijke, dat hier van
-de wanden en gevels en friezen in marmeren taal sprak. In deze beelden
-zou de Athener de geschiedenis lezen van zich zelven, lezen het in
-steen gehouwen heldenlied der zege des lichts en des geestes over al
-het duistere en ruwe. Zich zijner kracht bewust, moest de geest in den
-Helleen ontbranden van edele begeerte om altijd het gedenkteeken
-waardig te blijven, dat hij hier voor alle volgende tijden zich zelven
-had opgericht.”
-
-Door deze woorden van Pericles geraakte het volk in vervoering en door
-duizende stemmen werd opnieuw de paeän aangeheven ter eere der
-jonkvrouwelijke Godin; onder dit gezang en onder de muziek van fluiten
-en snareninstrumenten, die den feeststoet begeleiden, betrad, op den
-wenk van den Archon Basileus en door hem geleid, voor het eerst de
-stoet der jonkvrouwen de trappen en ging door de geopende poorten van
-het Parthenon. Door maagdelijken voet zou het nieuwe heiligdom der
-maagdelijke Godin het eerst betreden worden. Op de jonkvrouwen volgden
-de jongelingen en terwijl genen zich in het binnenste van den tempel
-ter rechter, dezen ter linker zijde van het beeld der Godin schaarden,
-onder het voortdurend gezang van de paeän, betraden zij, die
-wijgeschenken in den feesttrein droegen, het feesthuis en legden de
-geschenken aan de voeten der Godin neder. Andere wijgaven, bijzonder
-blinkende, gouden en zilveren schilden, werden opgehangen aan de zuilen
-des tempels. Nu werden de overwinnaars in de Panathenaeïsche
-wedstrijden over den drempel geleid benevens de kamprechters en zij,
-die in Athene de hoogste waardigheden bekleedden.
-
-Luider klonk de muziek van fluiten en cither, bezielender schalde de
-paeän door de marmeren portalen, toen het prachtige beeld der Godin
-onmiddellijk zich voor de oogen der in de tempelzaal aanwezigen en
-steeds toestroomende Atheners vertoonde. Daarop waren alle blikken
-gericht.
-
-Oogverblindend als de tempel, schitterde ook de kolossale
-godengestalte: van ivoor waren de onbedekte deelen gevormd, van goud al
-het overige; diepzinnig voor zich heen staarde het ernstige, schoone
-hoofd, bedekt door den zwaren helm, waaronder weelderige lokken
-neergolfden. De trekken van het gelaat hadden eene peinzende
-uitdrukking, maar het diepzinnige scheen zich in eene vriendelijke
-opgeruimdheid op te lossen. Ter linkerzijde van de Godin rustte het
-schild vreedzaam staande, niet meer krijgshaftig opgeheven. De lans was
-niet langer strijdvaardig in hare hand geklemd. Niet als kampioen
-verscheen zij meer doch wel als overwinnares. Op hare uitgestrekte
-rechterhand droeg zij eene gevleugelde zegegodin, evenals men eene duif
-of valk draagt. De gevleugelde zegegodin bood haar een van goud
-stralenden krans aan. Onder de bescherming van het schild kronkelde
-zich de heilige burgtslang, zinnebeeld van de eerstgeboren, door de
-Goden bewaakte kracht van het Attische land en volk. Over de borst der
-Godin hing het Aegispantser [311] met het versteenend Gorgonenhoofd.
-Onder het breedgewelfde, hoog verheven sieraad van haar helm was eene
-Sphinx zittende afgebeeld, ter rechter en linker zijde daarvan
-griffioenen, zinnebeelden van diepzinnigheid, scherpzinnigheid en
-waakzaamheid. Nog ander verschillend beeldwerk trachtte het wezen van
-de Godin duidelijk uit te drukken: op de buitenzijde van het schild de
-strijd tegen de wilde Amazonen [312], op den binnenkant de trotsche
-Giganten, op den rand der sandalen de ruwe Centauren; en zoo overal
-strijd tegen de woeste, donkere machten.
-
-Waardig welfde zich het prachtig huis over het heerlijke beeld der
-Godin. In eene dubbele rij liepen de schitterende zuilen, met
-bloemkransen feestelijk omwonden, door de tempelzalen, ze in drie
-schepen verdeelend. Bij de zijschepen echter vormde eene tweede
-zuilengaanderij boven de eerste eene bovenverdieping, een open omgang.
-Eene groote, vierkante opening was er in het midden van het platte dak,
-dat op die bovenste zuilenrij rustte, zoodat het licht in den tempel
-viel, die niet van vensters voorzien was, en het beeld der Godin
-bescheen. Aangrijpend was deze van boven binnenstroomende heldere
-aether in de eerbiedwekkende en goddelijke stilte des tempels: het
-gemoed werd door den blik naar die licht verspreidende opening en den
-blauwen hemel, die zich daarboven welfde, verlicht van den
-overweldigenden indruk van het prachtige en grootsche pronkstuk. De
-valken en de adelaars, het vurig span van Helios en de donderwolken van
-Zeus trokken daarover heen en bij het afwisselend spel van licht en
-schaduw, nu eens door een gouden glans, dan eens door een wit
-zilverlicht omstraald, dan weer in eene halve schemering gehuld, scheen
-het gelaat der Godin als met veranderde trekken ernstiger of zachter
-van hare hoogte neer te zien. In de edele majesteit van den tempel was
-niets, wat het oog van de Godin kon afleiden; alles voerde tot haar
-terug, zelfs de rij der schoon gevormde, schitterende wijgeschenken
-tusschen de zuilen. Niets was daar aanwezig van die verstrooide en
-verstrooiende pracht, waarmede andere tijden en andere volken de huizen
-hunner Goden trachtten te versieren. Eenzaam stond in den geheimzinnig
-stillen marmeren tempel, zich badend in licht en glans, het
-reusachtige, verheven schoone beeld der Godin.
-
-Nadat alzoo het nieuwe feesthuis van Athene door het Atheensche volk
-onder bezielende liederen, begeleid door fluiten- en snarenspel, der
-Godin was opgedragen en gewijd, en de rijke wijgeschenken aan hare
-voeten waren neergelegd, begon de verdeeling der prijzen aan de
-overwinnaars in de Panathenaeïsche kampspelen. De overwinnaars werden
-door de prijsrechters opgeroepen, en daar ’t eerst aan de zegevierende
-knapen, dan aan de jongelingen, eindelijk aan de mannen de prijzen
-uitgereikt werden, was ’t de veertienjarige zoon van Clinias,
-Alcibiades, die als overwinnaar onder de knapen, het eerst in het pas
-geopend Panathenaeïsch feesthuis opgeroepen werd en den prijs ontving
-uit de handen der rechters. Den fier en vroolijk rondzienden knaap viel
-eene prachtig gevormde amphora [313] ten deel, waarop in schitterende
-kleuren was voorgesteld, hoe de jonge Heracles de beide slangen
-verworgde. De schoone vaas was echter gevuld met olie van de heilige
-olijven van Pallas Athene in den tuin der Academie. Dergelijke
-eergeschenken ontvingen de overwinnaars in de overige agonen; hun
-echter, die in de musische [314] wedstrijden de zege hadden behaald,
-werden gouden kransen toegekend.
-
-Toen alzoo de verdeeling der prijzen had plaats gehad, geschiedde nog
-onder de oogen van het volk het overbrengen van den Atheenschen schat
-naar het achtergedeelte van het Parthenon. Dit gedeelte hetwelk mede
-omgeven door de zuilen van het Parthenon, zich in westelijke richting
-aan de tempelzaal aansloot, was eene rondom versterkte ruimte, zonder
-vensters, en kon slechts door eene lamp verlicht worden; in haar
-geheimzinnig schemerlicht zouden de gemunte en ongemunte schat van
-Athene benevens kleinoodiën van allerlei aard, kostbare sieraden en
-pronkstukken, ook hoogst gewichtige oorkonden van den staat voortaan
-bewaard blijven onder het toezicht van den schatmeester van het
-Atheensche volk.
-
-Onder de scharen van het volk, dat over de hoogte der Acropolis zich
-her- en derwaarts bewoog en den thans onthulden luister van het
-Parthenon bewonderde, bevonden zich ook velen, die uit den vreemde
-waren gekomen.
-
-Onder hen ook een Spartaan.
-
-Toen deze de nieuwe tempelzaal wilde betreden, werd hij door een
-Atheensch jongeling, die hem reeds eenigen tijd met wantrouwende
-blikken had vervolgd, bij den schouder gegrepen, terwijl hij hem
-toeduwde:
-
-„Weg van dezen drempel! Doriërs is het verboden hier binnen te treden!”
-
-Inderdaad ontzegde eene oude orakelspreuk aan mannen van den Dorischen
-stam de heiligdommen op den burg te Athene te betreden. En althans
-tegenover verklaarde vijanden van Athene herinnerde men zich soms deze
-orakelspreuk. Toen nu eene groote menigte volks zich om den Spartaan
-drong en de Atheensche jongeling de schampere woorden herhaalde, trok
-alles partij tegen den vreemdeling en werd hij gedwongen den burg te
-verlaten.
-
-Zoo flikkerde, zij het ook slechts in eene enkele bliksemflits, voor
-een oogenblik, zelfs bij het feest des vredes, de vijandschap, die de
-beide groote Hellenenstammen sedert overoude tijden verdeelde,
-onheilspellend in het zwerk...
-
-Doch er was ook een Athener op de Acropolis, die op het feestgedruisch,
-dat bij het nieuwe Parthenon heerschte, met blikken van wrok en afgunst
-neerzag. Deze Athener was Diopithes, de priester van Erechtheüs.
-
-Wel is waar was naar oud en onveranderlijk gebruik de peplos naar het
-Erechtheüm gebracht en aan het houten beeld van Athene Polias
-opgedragen; maar dit was vluchtig en zonder feestelijk gerucht
-geschied; naar den nieuw gebouwden tempel, het priesterlooze feesthuis
-van Pallas Athene had het verzamelde volk der Atheners zich heengewend.
-Niet het uit den hemel neergedaalde Palladium der stad Athene, niet de
-Godin van zijn heiligdom, maar het ijdele pronkbeeld van Phidias hadden
-de Atheners hunne hulde bewezen. Voor de voeten van deze nieuwe Pallas
-Athene, niet in zijn tempel, waren de kostbare wijgeschenken
-nedergelegd. De Goden van het Erechtheüm waren vertoornd en hun
-priester met hen...
-
-Evenals op dien dag, toen Pericles en de verkleedde Aspasia in
-gezelschap van Sophocles op de hoogte van de Acropolis hadden
-gewandeld, om de grondslagen te zien leggen van den luister, die thans
-zich vertoonde, stond ook nu Diopithes in gesprek met zijn vertrouwde
-aan de poort van het Erechtheüm. En zie, evenals toen, terwijl hij met
-Lampon mokkend en spijtig over de bedorvenheid der tijden sprak, zag
-hij ook thans plotseling den gehaten man met dezelfde Aspasia over de
-hoogte van de Acropolis wandelen, vergezeld van Phidias, Ictinus,
-Callicrates, Sophocles, Socrates en anderen van die uitnemende
-Atheensche mannen, die met Phidias de Homerische zinspreuk in hunne
-banier hadden geschreven:
-
-
- „Pallas Athene gedoogt geen vrees in mij!”
-
-
-Toen namelijk het uur voor het groote feestmaal was gekomen, waarbij
-het vleesch van de honderd runderen der hecatombe en de overblijfsels
-der vóóroffers aan het volk gemeenschappelijk werd aangeboden,
-bevochtigd door de rijkelijke gaven van Bacchus, wandelde die
-uitgelezen schaar op de thans stille Acropolis rond, om ongestoord het
-voltooide werk in oogenschouw te nemen.
-
-Het gelaat van Phidias was heden niet ernstig en gerimpeld, als anders;
-een opgeruimde glans straalde over zijn hooggewelfd voorhoofd.
-
-Ten hoogste verheugd sprak Pericles, hoe hij, na het begin en het
-allengs vorderen van al deze werken te hebben nagegaan, thans, na eene
-afwezigheid uit Athene van een jaar, verrast was door een voltooid
-werk, welks luister hij niet had kunnen vermoeden. En wederom roemde
-hij, hoe zooveel heerlijks in zoo’n kort verloop van jaren voltooid en
-als ’t ware voortgekomen was uit één enkel hoofd.
-
-Doch Phidias zeide, dat niet door het hoofd alleen, maar door de
-duizende kunstvaardige handen, die dat hoofd ten dienste hadden
-gestaan, het wonder was geschied. Zij hadden ook eigenlijk niet één
-hoofd, maar één geest gediend, die in de schoonste harmonie allen
-bezielde.
-
-Terwijl de mannen alzoo in blijde, opgewekte stemming de sierlijkheid
-der nieuwe scheppingen als met een vreugde-dronken oog genoten en hunne
-gewaarwordingen in woorden lucht gaven, zag men Aspasia wel in
-gespannen aandacht, met fonkelenden blik en gloeiende wangen, doch
-zwijgend de werken van Phidias, Ictinus en de overige kunstenaars
-beschouwen.
-
-Haar zwijgen bevreemde zelfs Phidias, den grootsten zwijger onder de
-mannen, en hij sprak eindelijk met den hem eigen ernstigen glimlach,
-zich tot Aspasia wendend:
-
-„Als mijn geheugen mij niet bedriegt, wordt sedert lang de schoone
-Milesische te Athene door velen als de hoogste rechter beschouwd in
-alle zaken, de kunst betreffende. Ook heeft zij, voor zoover ik mij
-herinner, nooit geschroomd haar oordeel uit te spreken. Hoe komt het,
-dat zij, eene vrouw, ons mannen heden door haar stilzwijgen beschaamt?”
-
-Aller blikken waren vol spanning op Aspasia gevestigd en ieder hechtte
-voor zichzelven de grootste belangstelling aan de vraag van Phidias.
-
-„Terecht,” sprak Aspasia, „herinnert gij er aan, o Phidias, dat ik eene
-vrouw ben! Uit dien hoofde ben ik niet zoo spoedig gevat als gij,
-mannen, en is in mijn gedachtengang minder strenge orde en
-geleidelijkheid. Bewegelijk is het gemoed der vrouw en gij moogt wel
-toezien, dat gij niet te veel waagt, als gij mij, eene vrouw, de eenige
-van mijn geslacht, naar het schijnt, het recht toekent om vrij te
-denken en vrij te spreken. Hier staat de nieuwe, heerlijke tempel,
-groot als een berg en schoon als een bloem, en welk eene volheid van
-het volkomene is daarmede tevens voor onzen blik ten toon gespreid en
-onthuld! Dat alles is zoo bevallig in zijne waardigheid, zoo diepzinnig
-in zijne natuurlijkheid, zoo menschelijk in zijne goddelijkheid, dat
-ieder mannelijk gemoed daardoor in een toestand van hoogste
-tevredenheid en volkomen voldaanheid moet gebracht worden. De aard der
-vrouwen echter is, evenals die der kinderen, dat, als zij met de ééne
-hand het gewenschte voorwerp aannemen, zij de andere reeds naar iets
-anders uitstrekken en het oog wellicht reeds op een derde voorwerp
-richten. Ware ik een man, ik zou mij in dit oogenblik tevreden stellen,
-in geestvervoering Phidias als den eersten, als den grootsten van alle
-Hellenen te prijzen. Als vrouw echter heb ik nog een onvervulden
-wensch, ja zelfs eene aanklacht tegen u uit te spreken. Vreest gij niet
-den toorn der gouden Aphrodite, o Phidias? Gij schijnt mij toe steeds
-slechts het hooge, het reine, het goddelijke te zoeken, om het in
-menschelijke gestalte te belichamen; en ware het goddelijke niet
-toevallig altijd tevens schoon, gij zoudt, geloof ik, u om het schoone
-niet bekommeren. Want nooit zoekt gij het; en wat de zinnen bekoort,
-het hart ontvlamt, vindt geen weerklank in uwe ziel. De bekoorlijkheid
-van het vrouwelijke om haar zelve voor te stellen, zooals de dichters
-het doen in hunne geestdrift, als zij van Aphrodite zingen, versmaadt
-gij. In een heiligen ernst is steeds uw gemoed verzonken, en uwe ziel
-zweeft, den adelaar gelijk, alleen boven de toppen der bergen. O Eros,
-hebt gij geen pijl voor dezen? Waarom, o Cyprische Godin, slaat gij
-dezen niet in uwe gouden ketenen, opdat hij zijn beitel aan uwe
-bekoorlijkheid wijde, opdat ook door hem eindelijk uw innigste wezen
-zoo openbaar worde, als door hem het diepste wezen zijner Godin Pallas
-Athene openbaar is geworden in dit goddelijk beeld?”
-
-„Inderdaad,” zei Phidias, „heb ik tot nu toe tegen Eros’ peilen en
-Aphrodite’s boeien beschutting gevonden onder het schild van Pallas
-Athene, en haar heb ik het wel te danken, dat mijne kunst niet
-weekelijk en verwijfd is geworden. Beschuldig overigens de Lemniërs, o
-Aspasia, wanneer ik ook nu, nadat ik juist het beeld der
-jonkvrouwelijke Godin voor het Parthenon voltooid heb, mijne kunst niet
-aan de gouden Aphrodite kan wijden. Want het is geen Aphrodite, wat de
-Lemniërs van mij verlangen, maar een metalen beeld van die zelfde
-Pallas Athene vragen zij mij reeds langen tijd dringend voor hen te
-vervaardigen.”
-
-„Wat gij daar zegt,” hernam Aspasia na eene korte pauze, waarin zij
-over het gezegde van Phidias had nagedacht, „vervult mij met grooter
-verwachting dan gij zelf denkt! Ik vernam heden hoe Pericles tot het
-volk sprak, er op wijzende hoe men van het onaanzienlijke, vormelooze
-houten beeld opgeklommen was tot de geweldige Athene Promachos en van
-deze tot de jonkvrouw van het Parthenon. Wie zou nu niet gelooven, dat
-ook de Pallas der Lemniërs weder uit zal munten boven de jonkvrouw van
-het Parthenon? Wie zou er aan twijfelen, o Phidias, dat, hoe meer gij
-schept, des te warmer en te schitterender onder uwen tooverstaf de
-„vuurbron” des levens en der schoonheid uit het marmer of het metaal
-zal te voorschijn komen? Nadat gij de in de eerste gelederen strijdende
-manvrouw en de diepzinnige jonkvrouw gebeiteld hebt, wat blijft u nu
-overig dan de vrouw?”
-
-„Of ik voorwaarts ga,” hernam Phidias, „dan wel van den rechten weg
-afwijk, als ik naar de inblazingen eener schoone vrouw luister, weet ik
-niet. Doch wat gij verlangt, schijnt op mijn weg te liggen.”
-
-„Gij aan wien geen Hellenenvrouw hare bekoorlijkheid zou ontzeggen,”
-vervolgde Aspasia, „moet de vrouw voorstellen en hare bekoorlijkheid,
-en verkondigen als het hoogste en laatste aan het Grieksche volk:
-„alleen in het kleed der schoonheid zal de wijsheid alle harten
-veroveren!”
-
-Zoo onderhield zich Aspasia met Phidias. Pericles echter begon nu met
-Ictinus en Phidias het plan van de grootsche voorzalen te bespreken,
-die aan het werk van den burgt aan de zuidzijde de kroon zouden
-opzetten en die, naar de meening dezer mannen, niet minder verheven en
-prachtig zouden worden, dan het Parthenon zelf. Steeds van nieuws af
-aan keerde men vol aandacht en genot naar het voltooide terug, naar de
-beeldwerken, naar de heerlijke wijgeschenken. De werken van den een of
-anderen leerling van Phidias, op de gevels of friezen prijkend, werden
-beoordeeld: hier werd Alcamenes geprezen, daar Agoracritus, en zoo
-ieder der tallooze beeldhouwers, die met vurigen ijver aan dit
-meesterstuk hunne krachten hadden gewijd.
-
-Nu echter voerde Phidias Pericles en allen, die om hem waren, naar het
-werk van den peinzenden zoon van Sophroniscus, naar de groep der
-Chariten, die de waarheidzoeker als wijgeschenk voor de Acropolis had
-vervaardigd.
-
-Zij zagen de drie jonkvrouwen in marmer gebeiteld, elkander
-omstrengelend, gelijkend op elkander en toch wederom van een
-verschillend karakter. Bekoorlijk was de eene gebeiteld, edel en
-gestreng de andere, peinzend de derde.
-
-Toen de beschouwers zich over deze verscheidenheid verwonderden, zeide
-de beeldhouwer met eene uitdrukking van lichte droefheid op het gelaat:
-
-„Ik meende, dat gij u over deze verscheidenheid niet zoudt verbazen,
-integendeel dat gij ze ten volle natuurlijk zoudt vinden. Waarom zou
-men een drietal van Chariten aannemen, zoo zij alle drie geheel gelijk
-waren en hetzelfde uitdrukten? Ik deed mijn best, om den diepen zin van
-deze trits na te sporen en ik twijfelde niet of drie verschillende
-eigenschappen moesten zich in het wezen der Charis vereenigen. Maar het
-gelukte mij niet te weten te komen, welke de drie verschillende
-bestanddeelen der Charis waren, totdat Alcamenes ons bij de schoone
-Theodota bracht. De schellen vielen mij als ’t ware van de oogen, toen
-de Corinthische achtereenvolgens in haren dans Aphrodite, Hera en
-Pallas voorstelde. Wat is het karakter van Aphrodite anders dan het
-lichamelijk schoone? Wat het karakter van Hera anders dan het schoone
-naar de ziel, of het goede, het zedelijke? En wat heeft het karakter
-van Pallas anders dan het geestelijk schoone of het ware? En zoo ervoer
-ik toen, dat lichaam en ziel en geest te samen moesten werken om het
-volkomen wezen der Charis uit te drukken...
-
-„Dat was het, wat ik toen van Theodota leerde en verzweeg, toen gij
-daarnaar vroegt; want ik voelde mij gedreven, niet in woorden, maar in
-een beeld, evenals Phidias, den indruk van mijn geest levendig voor te
-stellen. Maar het is mij niet gelukt. Want ware het mij gelukt, dan zou
-deze verklaring niet noodig zijn geweest. Ik heb mij van het marmer
-bediend en toch moest ik tot woorden mijne toevlucht nemen. Gij echter,
-o Aspasia, behoeft geen woorden, om mij uw oordeel kenbaar te maken;
-want ik lees het in uw blik!”
-
-„En wat leest gij dan?” vroeg Aspasia.
-
-„Gij zegt mij: keer terug, o droomer, van de beelden en levendige
-vormen tot de gedachten, begrippen en woorden!—Ik wil het doen! Ik wil
-van dezen dag af den beitel uit de hand leggen of liever hem zelven, in
-plaats van een werk mijner hand, aan de wijze Godin aanbieden als
-wijgeschenk. En dit beeld mijner gebrekkige kunst wil ik in stukken
-slaan, tevreden, als de gedachte leeft, die het geschapen heeft en als
-het, in plaats van in dood marmer belichaamd wordt in den geest, het
-gemoed en het leven der Atheners!”
-
-„Wijd gij gerust, o Socrates,” zeide Pericles, „uw beitel aan de Godin
-als wijgeschenk, om voortaan alleen te volvoeren, wat uwe ware roeping
-is en wat niemand zoo goed verstaat als gij. Maar dit wijgeschenk moet
-niet verbrijzeld worden; zij het ook minder met kunstenaarshand dan
-door den geest van den wijze gevormd, toch stelt deze groep de
-schoonste bestemming van den Helleenschen geest voor oogen: lichaam,
-gemoed en geest vereenigd in de hoogste harmonie tot den schoonsten
-bloei der Charis! Edeler kan ons aller trouw streven niet uitgesproken,
-waardiger niet aangespoord worden tot nieuwe werkzaamheid en
-scheppingskracht!
-
-„Hier voor dit beeld is het de plaats elkander de hand te reiken tot
-vernieuwing van het bond, dat ons allen vereenigt. Hier ook is het,
-naar mij dunkt, de plaats, hier voor het beeld der Chariten, onze edele
-Aspasia te danken voor datgene, wat zij in vereeniging met ons heeft
-volbracht, niet zoozeer door hare woorden aansporende, als wel door den
-gloed, die er van haar wezen uitstraalde, ons onmiddellijk
-ontvonkend.—Want haar wezen, gij weet het allen, dringt als een
-lichtstraal tot in de gemoederen door en doet altijd iets nieuws en
-schoons ontbranden. Vorm uwe Pallas, o Phidias, naar haar beeld! Want
-zij zegt het u niet alleen, zij heeft het aan u en aan ons allen met
-der daad bewezen, dat de wijsheid onoverwinnelijk is in het kleed der
-schoonheid!—
-
-„Vluchtig is anders het spoor van het schoone,” ging Pericles voort:
-„het komt en gaat als de straal van het gesternte, als de bevruchtende
-regenwolk. Maar de onvergelijkelijke bekoorlijkheid, die er van
-Aspasia’s wezen uitstraalt, zal ons als een kostbare schat steeds
-bijblijven. Niet meer eene vreemdelinge ziet gij voor u, op wie men
-ongestraft zijne hatelijke pijlen kan afschieten of die men mag
-beschimpen met onteerende namen. Zij is van dezen dag af mijne wettige
-gemalin. In vrede is de echtverbintenis, die mij met Telesippe
-vereenigde, verbroken. In hare plaats heerscht voortaan Aspasia als
-meesteres aan mijn huiselijken haard. Ik weet, dat de Athener met
-onvriendelijk oog den medeburger beschouwt, die eene buitenlandsche
-vrouw als wettige gade zijn huis binnenvoert. Ik weet, dat onze wet den
-spruiten uit zulk een echt zelfs het Atheensche burgerrecht weigert.
-Toch heb ik Aspasia tot vrouw genomen. Doch het is eene verbintenis van
-geheel anderen aard, die ik met haar sluit; een nieuwe vorm van den
-echt zweeft ons beiden voor den geest, zooals hij tot nu toe—ik weet
-niet of de schuld aan de mannen of aan de vrouwen ligt—nog nooit
-verwezenlijkt is. Groote verandering heeft onze staat in den laatsten
-tijd ondergaan: wanneer nu het algemeene leven zich vernieuwt, waarom
-zou dan ook niet het burgerlijke, het huiselijke naar eene
-wedergeboorte streven? Voor mij en deze vrouw zal de huidige dag, die
-het Atheensche volk op zijn glanspunt heeft getoond, te gelijkertijd
-een keerpunt zijn en een hoogtij van ons persoonlijk lot. Athene en
-geheel Hellas streeft onder een nieuw gesternte nieuwe doeleinden te
-gemoet; wij beiden doen hetzelfde in den engen kring van het huiselijke
-leven. Hier, evenals daar, is de drijvende geest, gemoed en gedachte
-dezelfde. En hier als daar zal, naar ik meen, het gelijke zich op
-gelijke wijze openbaren!”
-
-Voordat een der vrienden de aandoening, die door deze woorden van
-Pericles bij allen te weeg gebracht was, in woorden lucht kon geven,
-greep Aspasia de hand van haar nieuwen gemaal en sprak:
-
-„Het is zooals gij zegt, o Pericles; ik heb mij de kracht des woords
-noch de diepte der wijsheid aangematigd. Als ik in vereeniging met u
-iets heb tot stand gebracht, dan was de werking, die van mij uitging,
-die der vrouwelijkheid alleen, wie het voor de eerste maal vergund was
-zonder de boeien der geslachts zich vrij en ongedwongen te uiten. Ben
-ik een apostel, dan ben ik die der vrouwelijkheid. Wellicht moet uit de
-vrouwelijkheid de wereld, die tot nu toe in de boeien der ruwe
-mannelijkheid was, herboren worden, om ieder overblijfsel van
-barbaarschheid van den vroegeren tijd weg te nemen. En als eene vrouw
-van den Ionischen stam ben ik ondanks mij zelve, de voorvechtster van
-het Ionische karakter tegenover den ernstigen, strengen geest van den
-Dorischen stam, die de schoonste bloesems van het Helleensche leven
-verstikken zou, als hij de overwinning behaalde. Wee den schoonen Goden
-van Hellas, als hij ooit in de wereld de overhand krijgt!—Ben ik
-inderdaad geroepen en machtig voor eene zaak te werken en te strijden
-en heb ik mij, zooals gij zegt, altijd beijverd bij de meesters der
-beeldende kunst, om het schoone en het vrouwelijke te bevorderen, dan
-zou ik voortaan, ook in andere richtingen des levens mij bewegend, een
-openlijken krijg willen verklaren aan ieder vooroordeel, aan elke
-onzinnige overlevering, aan iedere bekrompen of ongezonde
-levensbeschouwing, aan iedere den mensch onwaardige denkwijze. Ik zal,
-naar bondgenooten zoekend, mij tot de leden van mijne kunne wenden. Zij
-zullen naar mij hooren, want ik ben de gade van Pericles den Olympiër!”
-
-Zoo sprak Aspasia. De vrienden luisterden naar hare woorden vol
-aandacht en namen hartelijk deel in haar geluk.
-
-Ook de Erechtheüs-priester vernam die woorden in het schemerlicht,
-achter de zuilen verborgen. Zijne lippen trilden en plooiden zich tot
-een hoonenden lach. Een vurige blik van den innigsten haat bliksemde in
-zijn oog en viel op de Milesische.
-
-In bezielde taal begonnen nu de vrienden hunne blijdschap te betuigen
-en prezen de voornemens van het edele paar.
-
-Alleen Socrates zweeg nog, zooals hij dikwijls uit bescheidenheid deed,
-wanneer hij zich in een kring van uitgelezen mannen bevond.
-
-Toen vroeg Pericles aan den mijmerende met vriendelijken glimlach:
-
-„Wat denkt onze wijsheidsvriend van het bond, dat hier ten aanschouwe
-zijner Chariten is gesloten?”
-
-„Mij is slechts dit ééne helder,” antwoordde de zoon van Sophroniscus,
-„dat ons Athene de gezegendste zal zijn onder alle steden der bewoonde
-wereld. Al het andere is mij onbekend en in duisternis gehuld. Maar wij
-willen in alles het beste hopen van de gunst van den albesturenden
-vader Zeus en zijne onvolprezen dochter Pallas Athene.”
-
-
-
-
-
-
-
-XV.
-
-UILEN OP DE ACROPOLIS.
-
-
-Als het waar mocht zijn, zooals de sage bij den verheven dichter der
-Euminiden [315] meldt, dat de diefstal van het vuur uit den hemel en de
-gave daarvan aan de menschen door Prometheus op de Acropolis heeft
-plaats gehad, dan is het niet te verwonderen, dat bij het noemen van
-den naam Acropolis te Athene velen slechts eene hoogte voor den geest
-zweeft, geheel in verblindend licht gehuld, gekroond door de marmeren
-tinnen van het Parthenon.
-
-Doch er waren ook uilen op de Acropolis....
-
-Er waren uilen te Athene—er waren er zoovele dat de uitdrukking „uilen
-naar Athene zenden” [316] de beteekenis kon krijgen van een overbodigen
-arbeid.
-
-En deze vogels waren zelfs aan Pallas Athene geheiligd. Zij behoorden
-bij haar, als de vogels van den gedachtenvoortbrengende, geheimzinnigen
-nacht. Want de nacht zelf is donker, maar hij is zwanger van licht en
-beter dan de drukke dag doet hij de gedachte ontkiemen en rijpen in het
-wakkere hoofd der menschen. Niet zelden echter tracht de nacht iets
-zelfstandigs te zijn en meer dan het licht, dat uit hem geboren wordt,
-en stelt zich dan vijandelijk tegenover het licht.
-
-Zoo komt het, dat ook de vogels van den nacht, de uilen, vijanden van
-het licht geworden zijn.
-
-Er waren er dan, zooals gezegd is, vele op de Acropolis en zij
-nestelden het liefst in de ruimte tusschen de kroonlijst en het schuine
-dak van het oude, eerwaardige Erechtheüm, gezamenlijk met hagedissen,
-muizen en slangen.
-
-Zij zijn daarom de lievelingsvogels van den Erechtheüs-priester
-Diopithes, die ginds juist, onmiddellijk vóór de trappen van het
-Parthenon, in een levendig gesprek met een man gewikkeld is en zich
-tevens eenigszins zonderling beweegt.
-
-Hij loopt namelijk vóór de oogen van den anderen man met eene zekere
-opgewondenheid de trappen van het Parthenon op en af. Voor den ingang
-des tempels zijn, om het binnentreden gemakkelijker te maken, in de
-breede, hooge trappen kleinere gehouwen. Deze kleinere trappen klimt
-Diopithes op en telt ze onderwijl en spreekt het getal met hoorbare
-stem uit.
-
-En nadat hij zóó gaande en luid tellend aan den anderen man het getal
-der trappen heeft aangeduid, zegt hij tot hem het volgende:
-
-„Gij weet welke wet voor het aantal trappen van een tempelstoep door
-den vromen en welberaden geest der Hellenen sedert eeuwen is
-vastgesteld geworden. Oneven is naar den ouden regel het getal dezer
-trappen, opdat, als een gunstig voorteeken, de eerste en de laatste
-trede door de rechter voet zou kunnen worden betreden.”
-
-„Ja, zoo is het inderdaad,” hernam de man, tot wien Diopithes sprak.
-
-„Welnu,” ging Diopithes voort, „gij ziet, dat de mannen die dit
-Parthenon gebouwd hebben, schijnen te meenen, dat zij geen goede
-voorteekens meer noodig hebben. Het getal dezer kleinere trappen is
-even. Zij mogen nu werkelijk, hetzij in fieren trots of door de Goden
-met verblinding geslagen, tegen den heiligen regel gezondigd hebben:
-wat zij daar opgericht hebben doet zich reeds bij den eersten aanblik
-voor als een goddeloos, den Goden ongevallig werk. En ik zeg u: het is
-in zijn geheele ontwerp eene geringschatting, eene beleediging, eene
-beschimping der Goden. Zie toch eens: sedert de Panathenaeën voorbij
-zijn, sedert de overwinnaars in de wedstrijden hunne prijzen
-weggedragen hebben, sinds het volk zich zat gegaapt heeft aan het
-verkwiste goud en ivoor van Phidias’ standbeeld, is de feesttempel,
-zooals zij dien noemen, weder gesloten, het beeld der Godin bedekt;
-opdat het voor het volgende feest niet door het stof verontreinigd
-mocht zijn, en, in plaats van priesters en hunne dienaren, ziet men dag
-aan dag alleen de schatmeesters in- en uitgaan, die in het achterste
-deel van het gebouw hunne bezigheden verrichtend, de gelden, die
-inkomen en uitgegeven worden, natellen. En zoo klinkt, o hoon en
-misdaad! in ’t oor der Godin, in plaats van den klank van vrome
-woorden, alleen het gerammel van goud- en zilverstukken!”
-
-Op deze ontboezeming van Diopithes begon de man, met wien de priester
-zich onderhield en die door zijn uiterlijk bleek een vreemdeling te
-zijn, onverschillig naar de hoeveelheid, de waarde en het bedrag der
-gemunte en ongemunte schatten te vragen, die in dit huis onder de hoede
-van Pallas Athene opgehoopt lagen, en Diopithes gaf bereidwillig alle
-inlichtingen, die hij kon geven.
-
-„Een mooie spaarpenning of liever een mooie buit is het,” merkte de
-vreemdeling op, „dien gij Atheners daar opgestapeld hebt. Maar mij
-dunkt gij zult dien voorraad wel spoedig uitgeput hebben, ook in
-vredestijd.”
-
-„Nog in langen tijd niet,” hernam Diopithes.
-
-„Ik zie echter,” vervolgde de vreemdeling, „dat, nu deze kostbare
-tempelbouw juist voleindigd is, men reeds met eene gelijke haast en
-gelijken ijver hier boven een nieuw werk begonnen is, een prachtpoort
-voor de Acropolis, voorzalen in den verhevensten stijl, niet minder
-grootsch dan het Parthenon zelf—”
-
-„En niet minder onzinnig, niet minder overtollig,” viel Diopithes hem
-in de rede. „Dat is toch juist,” vervolgde hij, „de snoodheid van die
-overmoedigen, die Athene’s lot tegenwoordig besturen. Zij laten het
-heiligdom van Erechtheüs vervallen, dat zelfs de Pers slechts ten halve
-waagde te vernielen, en richten daarentegen pronkzalen op, volgepropt
-met de ijdele beelden van de uit heel Hellas saamgevloeide bent van
-Phidias.”
-
-„Maar is Pericles dan almachtig?” riep de vreemde. „Hoe komt het, dat
-niet één van alle beroemde veldheeren en staatsmannen der Atheners,
-zoover ik weet, het lot der verbanning is ontkomen, en Pericles
-daarentegen eene zoo lange reeks van jaren zonder tegenkanting in zijne
-oppermacht zich staande houdt?”
-
-„Hij is de eerste staatsman,” zei Diopithes, „wien de Atheners den tijd
-laten hen zelven te gronde te richten.”
-
-„Dat verhoeden de Goden!” hernam de vreemdeling. „Ik ben een eenvoudig
-man uit Euboeä en wensch den Atheners alles goeds toe.”
-
-„Waarom veinst gij?” zeide Diopithes, terwijl hij den vreemdeling strak
-in het gelaat keek. „Gij zijt de man uit Sparta, dien zij bij het feest
-der Panathenaeën van den drempel van het Parthenon verdreven hebben. Ik
-heb alles gezien en herkende u aanstonds weder, toen gij, over de
-hoogte van de Acropolis wandelende, u met eenige vragen tot mij wendet.
-Ja, gij zijt een Lacedaemoniër en als gij zegt, dat gij den Atheners
-alles goeds toewenscht, spreekt gij onwaarheid. Maar vrees daarom niets
-van mij! Er zijn Atheners, die mij gehater zijn dan het geheele
-Spartaansche volk. En het is ongetwijfeld wel bekend, dat hier te
-Athene de tegenstanders van al die nieuwigheden, de vrienden der oude
-tucht, Laconisten genoemd worden. En niet ten onrechte.”
-
-Schier onwillekeurig reikte de man uit Sparta den Erechtheüs-priester
-de hand.
-
-„Geloof niet,” ging deze voort, „dat het aantal dergenen, die op
-Pericles verbitterd zijn, in zijn nieuw Athene gering is. Kom mede! Ik
-zal u eene plaats wijzen, waar niet minder dan om het Erechtheüm,
-onverzoende wraakgeesten zweven.”
-
-Na het uiten dezer woorden voerde Diopithes den Spartaan naar den rand
-van den westelijken heuvel van de Acropolis en wees hem met de hand
-naar een steilen, somberen, woesten rotsheuvel, die tegenover den
-burgt, alleen door eene kloof daarvan gescheiden was, doch lager dan
-deze zich verhief.
-
-„Ziet gij dien steilen heuvel, welks rotsblokken als door Titanen
-handen op elkander gestapeld zijn?” vroeg Diopithes. „Ziet gij de in de
-rots gehouwen trappen, die naar eene vierkante ruimte voeren? Van deze
-plaats echter leidt een andere trap, ook in de rots gehouwen, naar eene
-diepe, donkere kloof, waaruit een zwart water ontspringt. In die kloof
-staat het heiligdom der sombere wraakgodinnen, der Erinnyen met
-slangenlokken en die vierkante ruimte op de hoogte van den berg is de
-verzamelplaats van het overoude, eerwaardige, door de Goden zelven
-ingesteld gericht, dat wij den Areopagus plegen te noemen. Den grijzen
-rechters van dit gericht is de hoede van dit heiligdom der Erinnyen
-toevertrouwd: in hunne handen zijne overoude inzettingen en
-heiligdommen gegeven, die in een geheimzinnig duister gehuld zijn en
-waaraan het heil van den staat is vastgeknoopt. Zij alleen weten, wat
-de stervende lijder Oedipus in het oor van koning Theseus gefluisterd
-heeft, toen hij op den heuvel van Colonus in het woud der Eumeniden het
-doel van zijn langen zwerftocht had gevonden. Tusschen bloedige offers
-worden de strijdenden geplaatst, over wier zaak deze rechters
-beslissen, en een eed leggen zij af met afschuwelijke verwenschingen
-tegen zich zelven en tegen de hunne, als zij anders dan naar de
-strengste rechtvaardigheid mochten uitspraak doen. Zwijgend leggen zij,
-nadat zij de zaak hebben aangehoord, hun vonnis in twee urnen, in de
-urn der barmhartigheid of in de urn des doods. Opzettelijken moord te
-vonnissen was van den beginne af hun ambt. Maar ook zedeloosheid,
-nieuwigheden in den staat en in den dienst der Goden te straffen,
-behoorde oorspronkelijk tot hunne taak; in den intiemsten kring van het
-familieleven door te dringen was hun veroorloofd, om de meest verborgen
-misdaad aan het licht te brengen. Zij straften den vadermoorder, zij
-straften den brandstichter, zij straften den man, die een onschuldig
-dier zonder noodzaak had gedood, zij straften den knaap, die
-meedoogeloos een jongen vogel de oogen had uitgestoken. Protest aan te
-teekenen tegen besluiten van het geheele volk, was hun vergund. Is het
-te verwonderen, wanneer deze plaats der oude tijden, deze op de rots
-van den Ares-heuvel gegrondveste burg der vrome tucht, den machthebbers
-van het nieuwe Athene al lang een doorn in het oog is geweest? Pericles
-was het, die het eerst deze heilige macht durfde trotseeren, die hare
-voorrechten beperkte, haar aanzien verminderde, haar den onaangenamen
-invloed op de staatsaangelegenheden besnoeide. Te vergeefs! Evenals
-over dezen zelfden Ares-heuvel de brandende pijlen der Perzen tegen den
-burg en tegen den ouden tempel der Acropolis vlogen, zoo vliegen
-heimelijk thans van daar de gramstorige blikken der Areopagiten,
-zwanger van onheil, naar den nieuwen tempel van Pericles!”—
-
-„Maar de groote massa der Atheners houdt toch van Pericles,” zei de
-Spartaan—„zij houden hem voor een oprechten vriend der
-volksheerschappij.”
-
-„Ik houd Pericles voor niet onnoozel genoeg,” hernam Diopithes, „om een
-oprecht vriend der volksheerschappij te zijn. Een man, uitnemend in
-geestesbeschaving, is nooit een eerlijk vriend der volksheerschappij.
-Want hoe zou het hem voldoen, de macht, die hij de onverstandige
-menigte ontwrongen heeft, vrijwillig weder met haar te deelen, en zich
-in zijne beste plannen, in zijne schoonste ondernemingen door bekrompen
-hoofden te laten storen en dwarsboomen? Pericles vleit, als alle
-volksmannen, de massa, om zich van haar tot volvoering zijner
-eerzuchtige plannen te bedienen. Wellicht blijft hem uit den gouden
-schat in het achtergebouw van het Parthenon ten laatste zooveel over,
-dat hij zich daaruit eene kroon kan doen vervaardigen, die hij zich op
-een feest der Panathenaeën, ten aanschouwe van het verzamelde volk en
-aan de voeten der Godin van Phidias, op het hoofd zet. Bereidt er u op
-voor, gij Lacedaemoniërs, om den Hellenen koning en zijne koningin
-Aspasia, door het geven van eene kluit Spartaanschen grond en eene
-kruik water uit den Eurotas, te helpen huldigen!”
-
-Bij deze laatste woorden zag de priester om. „Laat ons heengaan,” zei
-hij tot den Spartaan, „ik zie menschen naderen, die hier boven den
-grond voor de nieuwe voorzalen afbakenen. Men zou mij een samenspanning
-met Lacedaemon ten laste leggen als men ons te zamen zag spreken.”
-
-Zoo sprak de Erechtheüs-priester en verdween weldra met de man uit
-Sparta achter de zuilen van het Erechtheüm, waar beiden nog een
-tijdlang zich vertrouwelijk onderhielden.
-
-Weinige dagen na het feest der Panathenaeën had Telesippe, door
-minnelijke schikking van Pericles gescheiden, het huis van haar gemaal
-verlaten en Aspasia was in hare plaats als wettige gemalin daar binnen
-geleid.
-
-Niet verootmoedigd verliet Telesippe het huis van haar echtgenoot, maar
-met fier opgeheven hoofde; want zij ging een lot te gemoet, waarvoor
-zij zich toch geboren waande, welks vervulling echter zij niet meer had
-durven hopen.
-
-Altijd was het begin harer klachten geweest: „Ik had de gade van den
-Archon Basileus kunnen wezen!”
-
-Toen het besluit om van Telesippe te scheiden in Pericles gerijpt was,
-kon hij niet nalaten er op te peinzen, hoe hij het smartelijke van den
-indruk zou kunnen verzachten, die deze beslissing noodwendig op zijne
-gade moest maken. Hij herinnerde zich hoe dikwijls zij van den Archon
-Basileus had gesproken. Hij, die thans het ambt van Archon Basileus
-bekleedde, was een vriend van Pericles, een man van tamelijk
-gevorderden leeftijd, doch ongehuwd. Pericles begaf zich tot hem en
-vroeg hem, of hij niet genegen zou zijn te huwen. De Archon Basileus
-was een stil, eenvoudig mensch en zeide, dat hij niet ongenegen was in
-het huwelijk te treden, als er zich maar een geschikte bruid voor hem
-opdeed.
-
-„Ik ken eene vrouw,” zei Pericles, „die geknipt is voor een man als
-gij; het is mijne eigene vrouw. Voor mij zelven heeft ze te weinig van
-die opgeruimdheid, waardoor een staatsman bij zijne tallooze
-beslommeringen afleiding en opwekking kan erlangen, en te veel van die
-strengheid, van die deftige waardigheid, die een ernstig man, met het
-priesterlijk gewaad omhangen, als gij, ongetwijfeld moet aantrekken. Ik
-sta op het punt, om van Telesippe te scheiden, doch ik zou mij zeer
-gelukkig achten, als ik wist, dat zij uit mijn huis in dat van een
-beter man overgaat, en dat zij daar, waar zij heengaat, datgene zou
-vinden, wat zij in mijn huis miste.”
-
-De Archon Basileus nam deze woorden zoo ernstig op, als zij gemeend
-waren. Over het bezwaar, dat een Archon Basileus doorgaans alleen met
-eene jonkvrouw huwde, deed Pericles hem heenstappen, door hem te
-beloven, dat hij al zijn invloed bij de Atheners zou aanwenden, om de
-schending van dit oud gebruik onopgemerkt te laten. Daarop gaf de
-Archon ten laatste de verklaring, dat hij bereid was Telesippe uit het
-huis van haren tegenwoordigen echtgenoot in het zijne als wettige gade
-binnen te leiden.
-
-Pericles deelde zijne gade te gelijkertijd zijn besluit mede van haar
-te scheiden en het voornemen van den Archon Basileus met haar te willen
-huwen.
-
-Telesippe vernam de beslissing koud en ongevoelig: zij uitte geen enkel
-woord, doch trok zich terug in haar vrouwenvertrek. Toen zij daar
-echter de beide knapen zag, die zij nu verlaten moest, trok zij hen tot
-zich en schreide bittere tranen op hun hoofd. Zij dacht er aan, hoe zij
-Hipponicus kinderen had gebaard, hoe hij haar had verstoten en hoe zij
-de vrucht van haar schoot voor altijd had moeten verlaten: hoe zij
-voorts Pericles kinderen had geschonken en ook dezen verlaten en van
-hen moest scheiden en aan een nieuwen echtgenoot zich verbinden. Zij
-scheen zich zelve toe van alle recht beroofd, hulpeloos van huis tot
-huis verjaagd....
-
-Maar de echtgenoot van den Archon Basileus! Het doelwit harer eerzucht!
-Het eens verloren en nu toch bereikte geluk haars levens! Ja,
-waarlijk—alleen der verstootene gade was daarmede voldoening gegeven,
-niet der moeder. Door den dwazen trots der vrouw heen voelde zij altijd
-door de angstige slagen van het onverzoende moederhart.
-
-En toen nu het oogenblik was gekomen, waarop Telesippe het huis van
-haar echtgenoot zou verlaten en op het voorhoofd harer zonen den
-laatsten kus drukte, om voor altijd van hen te scheiden, werd ook
-Pericles plotseling door een zonderling gevoel overweldigd: het scheen
-hem toe, dat men toch geen heiligen band, die eens twee menschenharten
-had vereenigd, ooit kon verbreken zonder iets van het hartebloed
-daarmede vergoten werd.
-
-Telesippe had hem kinderen gebaard, kinderen, die zijne trekken, zijne
-gelijkenis op ’t gelaat droegen. Hoe zou niet voor altijd eerwaardig en
-heilig voor den man zijn de vrouw, die hem kinderen had geschonken, die
-zijne trekken droegen? Op het voorhoofd der kinderen was de stempel
-gedrukt der ontwijde moedereer. Deze erfenis liet zij bij haar scheiden
-hare kinderen en haar echtgenoot achter. Pericles was zich daarvan
-helder bewust, toen Telesippe zijn huis verliet.
-
-Straks reeds had hij met een koelen, ernstigen handdruk van haar
-afscheid genomen; thans greep hij nog eenmaal de hand zijner vrouw, de
-moeder zijner kinderen, en een traan bevochtigde die. En toen Telesippe
-reeds lang zich verwijderd had, stond Pericles nog geruimen tijd in
-gepeins verzonken, met eene vraag zich bezig houdend, die geene
-menschelijke wijsheid ooit zal oplossen....
-
-Zonderling en raadselachtig zijn de plichten der menschen en hunne
-rechten met elkander in strijd....
-
-Voor Pericles en zijn huwelijksleven was de teerling geworpen.
-
-Het keerpunt in zijn huiselijk leven had een tweeledig aanzien, zooals
-bijna alle menschelijke zaken. Op het ernstig afscheid van Telesippe
-volgde de blijde intocht van Aspasia. Hare intrede verdreef gemakkelijk
-de donkere schaduw op het diepzinnig voorhoofd van Pericles. Zij
-verspreidde licht en glans tot in den diepsten hoek des huizes. Aspasia
-kwam begeleid door alle lachende lentegeesten. Eene geurige, frissche
-lucht verjoeg de tot nu toe dompige atmosfeer van het huis.
-
-De oude, eerwaardige huisgoden waren met Telesippe heengetogen, Aspasia
-bracht nieuwe mede. Zij plaatste in het peristylium den vreugderijken
-Dionysus en de lachende Aphrodite en den gelokten, schitterenden
-beschermgod van den Ionischen stam, den met pijl en lyra gewapenden
-aanvoerder der Muzenreien, Apollo. Ook ontbraken van nu af niet de
-Chariten aan het altaar van dit huis, waar het passend offer haar zoo
-lang was geweigerd.
-
-De geest van vernieuwing, die Aspasia’s schreden overal volgde,
-begeleidde haar ook in het huis van Pericles. Binnen korten tijd was
-dit huis op vroolijke en weelderige wijze ingericht. Niets leelijks,
-niets onedels duldde Aspasia rondom zich. Wijken moest, wat geen genade
-vond in haar oog, wat niet overeenstemde met haar schoonheidsgevoel.
-Schoonheid werd verklaard als de hoogste wet, ook aan den huiselijken
-haard. Kunstenaarshanden moesten de muren der vertrekken met
-bekoorlijke beelden versieren. Uit kunstenaarshanden moest voortaan
-niet alleen voortkomen, wat het leven siert en schoonheid geeft, maar
-ook wat slechts moest dienen voor dagelijksche behoeften.
-
-Eenvoudig was tot heden het huishouden van Pericles; nu mishaagde hem
-dezen eenvoud zelven. Niets is aangenamer voor den minnende, dan het
-verblijf der geliefde zoo bekoorlijk mogelijk in te richten. Geen man
-versiert voor zich zelven het huis, voor eene geliefde vrouw echter
-wordt zelfs de vrek een verkwister. Met blijdschap hielp Pericles zijne
-beminde Aspasia de woning van zijn nieuw geluk in een tempel der
-schoonheid herscheppen.
-
-Den fijn ontwikkelden zin voor hetgeen het oog bekoorde, voor het
-smaakvolle en harmonische, die den vrouwen eigen is en dien zij in hare
-sieradiën, in hare kleeding aan den dag leggen, bezat Aspasia in zoo
-ongemeene mate, dat Pericles zich als in de macht eener toovenares
-bevond en zijne geliefde smeekte, dat zij toch ook niet hem zelven, als
-alles rondom haar, zou veranderen. Maar hij was reeds veranderd. Zonder
-verwijfd geworden te zijn, ontwikkelde hij nu in zich een zin, die tot
-heden in den rusteloos werkzamen man geheel gesluimerd had. De
-geliefde, of liever de liefde zelve, leerde hem de diepe en niet te
-verachten poëzie kennen en waardeeren, van hetgeen hij tot nu toe niet
-had opgemerkt. Wat waren hem vroeger paarlen en edelgesteenten geweest?
-Thans kon hij een juweel, dat in een gouden band aan den leliewitten
-arm der geliefde fonkelde, een zeer langen tijd beschouwen en zich in
-zijn bont flikkerend licht, als in eene zonderlinge openbaring,
-verdiepen. Wat waren hem vroeger geurige zalven, wat was hem al het
-reukwerk der wereld geweest? Thans was zijn zin ontwaakt voor iederen
-fijnen, geurigen adem, die in de nabijheid der geliefde hem omgaf en
-iedere kleurmengeling bracht eene aangename gewaarwording in zijne
-ziel. Wat waren hem tot heden kleuren geweest? Eene vluchtige bekoring
-op zijn hoogst, waarvan hij zich nauwelijks bewust was. En thans? Wat
-een leven, welk eene betoovering kreeg voor zijn oog het gloeiend rood,
-het vlammend geel, het verrukkelijk blauw, het liefelijke, zachte
-groen, als het om het lichaam der geliefde golfde of wanneer hare
-schoone, blanke leden daardoor te meer uitkwamen.
-
-De band der liefde en eene onbeperkte toewijding moge twee harten nog
-zoo lang en gelukkig vereenigd hebben, de band die Hymen om hen slaat,
-bereidt hen toch een nieuw, tot nu toe onbekend geluk. De echt heeft,
-evenals de liefde, zijne eigenaardige zaligheid. Dagelijks opnieuw zich
-te verliezen en dagelijks opnieuw zich terug te vinden mogen aan de
-zalige oogenblikken der liefde haar aantrekkelijkheid geven; maar ook
-het bewustzijn zijn hoogste geluk altijd in zijne nabijheid te hebben,
-is benijdenswaard.
-
-Wie op het huwelijk laag neerziet kent de liefde niet.—
-
-Iedere dag had thans voor Pericles zijn eigenaardigen lust, zijn
-eigenaardigen glans, zijne eigenaardige bekoorlijkheid. Altijd was
-Aspasia voor Pericles alles en toch iederen tijd iets anders: des
-morgens zijne rozenvingerige Eos, des avonds zijne Selene [317], zoete
-sluimering op zijne oogleden droppelend, des daags zijne Hebe, die hem
-den beker des levens aanbood. Zij was de Hera van den „Olympiër,” maar
-zij behoefde nooit den toovergordel eerst van de gouden Aphrodite te
-ontleenen. Nog meer: in menig oogenblik scheen zij hem eerwaardig toe
-als zijne moeder en op andere tijden beminde hij haar met de liefde,
-waarmede men een kind liefheeft.
-
-Wanneer reeds doode sieraden, edelgesteenten, paarlen, geurige balsems,
-schitterende kleuren door de liefde eene nieuwe betoovering verkrijgen,
-in den minnende een nieuw, tot nu toe onbekend gevoel opwekken, welk
-verhoogd leven, welke nieuwe betoovering moet dan de poëzie, moet de
-muziek minnenden harten instorten? Welk een volheid en weelde van
-bekoorlijkheid en genot moest de betooverende Aspasia niet uit deze
-bronnen weten te scheppen en te putten!
-
-Zong Aspasia Pericles een lied voor bij de luit of las zij hem gelijk
-zij als kind aan Philammon had gedaan, uit boekrollen voor, zoo wist
-hij niet, wat hem meer verrukte: wanneer zij met gloeiende wangen
-geheel opging in het vuur harer kunst of van den dichter, dien zij las,
-of wanneer zij in moedwillige dartelheid haar lied of voordracht met
-kinderlijk gekeuvel, overbodige liefdesvragen, met vriendelijk gevlei
-telkens afwisselde...
-
-De Atheners hadden in den regel geen eigenlijk tehuis. Zij leefden
-buitenshuis. Pericles echter bezat thans een tehuis.
-
-Dat de knapen Xanthippus en Paralus de zoons van Pericles, niet van
-Aspasia waren, kwam dit niet juist het echtgeluk van Pericles ten
-goede? Hij behoefde Aspasia’s liefde niet met hen te deelen.
-
-Wanneer aan beiden nog iets ontbrak, was het wellicht alleen het
-geheele, volle bewustzijn van hun geluk. Want eigenlijk begrijpen niet
-de gelukkigen zelven, maar alleen zij, die het missen, geheel en ten
-volle het geluk der gelukkigen. Met goede bedoeling mengen de Goden
-gaarne een droppel alsem in iederen vreugdebeker: want slechts het
-verstoorde of bedreigde geluk komt tot klaar bewustzijn.
-
-Het huwelijk van Pericles en Aspasia gaf den Atheners onuitputtelijke
-stof tot gesprekken. Men behandelde het op de Agora, men vertelde in
-alle gaanderijen, in alle worstelplaatsen, in alle werkplaatsen der
-handwerkslieden en in alle barbierswinkels van gansch Athene, dat
-Pericles zijne gade kuste, zoo dikwijls hij van huis ging en wederom
-als hij terug kwam. Een man verliefd op zijne vrouw! Men sprak van de
-witte Sicyonische paarden en het schitterende rijtuig, waarmede de
-nieuwe vrouw van Pericles soms door Athene’s straten reed. Men sprak
-van de omkeering, die in het eens zoo eenvoudige huis van Pericles had
-plaats gegrepen. Men sprak van de nieuwe, prachtige muurschilderingen,
-waarmede het versierd was, in het bijzonder van eene, die de plundering
-van den Olympus door de Eroten voorstelde. Getooid met den buit trokken
-zij jubelend voort: deze met den bliksem van den Cronide [318], gene
-met den boog van Apollo, een derde met den helm en het schild van Ares,
-weer een andere met Heracles’ knots, met den thyrsus van Bacchus, met
-de fakkels van Arthemis, met de gevleugelde sandalen van Hermes.
-
-Men zeide nu zelfs, dat Aspasia de redevoeringen opstelde, die Pericles
-voor het volk hield. Pericles, de Olympiër, de sedert zoo langen tijd
-gevierde redenaar, liet zich dit glimlachend welgevallen en erkende,
-dat hij zijne gelukkigste gedachten aan Aspasia te danken had. Aspasia
-bezat eene betooverende, zoetvleiende, krachtige taal, zooals men soms
-bij vrouwen aantreft, waaraan zich een liefelijke, zilveren klank van
-stem paarde; en zoo maakte zij op de mannen den indruk, als ware zij
-met groote gave van welsprekendheid bedeeld en eene vrouw, van wie men
-veel leeren kon.
-
-Echter werd er ook onder het volk gemompeld, dat Aspasia Pericles zocht
-te verleiden naar de koninklijke waardigheid te streven. Men zeide, dat
-zij niet achter hare landgenoote Thargelia wilde staan, wie het ook
-gelukt was de gade van een koning te worden.
-
-Steeds nog stond de eerwaardige Elpinice aan de spits dier
-nieuwigheidsventers. Zij was de levende en wandelende kroniek van
-Pericles’ huis te noemen. Van haar afkomstig was het verhaal van den
-kus, welke Pericles bij het uitgaan en terugkeeren aan zijne vrouw gaf.
-Zij wist het, welke gezindheid Aspasia jegens de kinderen van Pericles
-koesterde en jegens den jongen Alcibiades.
-
-Zij wist te vertellen, dat Aspasia niet van Paralus en Xanthippus
-hield, dat zij zich weinig aan hen liet gelegen liggen, hen overliet
-aan de zorg van den paedagoog, doch zich als eene moeder den jongen
-Alcibiades aantrok, hem vertroetelde, dat onder hare handen de zoon van
-Clinias verwijfd en nog wat ergers zou worden.
-
-Was het te verwonderen, dat Aspasia voor den heerlijk begaafden
-pleegzoon van Pericles partij trok tegen zijne zoons, die wel is waar
-des vaders trekken op het gelaat droegen, doch in karakter de
-evenbeelden hunner moeder Telesippe waren?
-
-Behalve Alcibiades, Paralus en Xanthippus groeide nog in het huis van
-Pericles een andere knaap op, die wel niet tot de huisgenooten van
-Pericles behoorde, maar toch ook niet onder de slaven gerekend kon
-worden. Pericles had hem uit den Samischen oorlog mede naar Athene
-gebracht. Men wist niets meer van zijne afkomst, dan dat hij de zoon
-van een Thracische of Scythischen of een ander Noordsch koning was, dat
-hij door eene vijandelijke hand als kind aan zijne ouders ontroofd was
-en vervolgens als slaaf was verkocht. Pericles vond hem op Samos. Zijne
-deelneming werd opgewekt door het droevige lot en het ongemeen
-uiterlijk van den knaap; hij kocht hem en voerde hem met zich naar
-Athene. Hier liet hij hem opvoeden met zijne eigen kinderen. Zijn naam
-was Manes. Hemelsbreed verschilden zijne trekken van de fijnheid en
-adel der Helleensche vormen, hij herinnerde veeleer een weinig aan de
-Scythische huursoldaten op de Agora. Maar hij had uitnemend schoon,
-bruin, glanzend haar, heldere oogen en eene zeer blanke huid. Hij was
-stil in zich zelven gekeerd en verried in vele zaken een eigenaardig
-karakter.
-
-Alcibiades zocht den nieuwen makker voor zich te winnen en hem in te
-nemen door zijne beminnelijke uitgelatenheid. Het gelukte hem niet.
-Manes was liefst alleen, legde geene schitterende gaven des geestes aan
-den dag, verdiepte zich echter met ijver in alle vakken van wetenschap,
-die hem tegelijk met de jongens van Pericles onderwezen werden.
-Pericles zelf begon van hem te houden, Aspasia echter vond hem
-zonderling en de jonge Alcibiades maakte hem tot het doelwit van zijne
-spotternijen en overmoedige scherts.
-
-Het deed aan het geluk van Pericles geen afbreuk, dat zijn huis thans
-meer dan vroeger voor zijne vrienden open stond, en dat Aspasia met
-opzet, tegen ’t gebruik der Atheensche vrouwen, in het gezelschap van
-haar echtgenoot deel nam aan de gesprekken der mannen. Voor het geluk
-van minnenden is het toch een nieuwe prikkel, wanneer zij voor eenige
-oogenblikken zich in eene grootere omgeving als ’t ware verliezen, om
-later dubbel gelukkig elkander weder te vinden.
-
-Van de oudere vrienden van Pericles trad Anaxagoras thans meer op den
-achtergrond; hij werd verdrongen door den schitterenden Protagoras, die
-zich in Aspasia’s gunst mocht verheugen en wiens frissche,
-onbevooroordeelde, gezonde, vrijzinnige levensbeschouwing hem tot een
-natuurlijken bondgenoot van de Milesische maakte. Opmerkelijk was het,
-dat de dichter der „Antigone” zelden het huis van Pericles bezocht:
-hetzij, omdat hij met den hem eigen fijne takt de ijverzucht, die zijn
-vriend tegen hem had opgevat, niet opnieuw wilde wekken, hetzij, omdat
-hij meende eene bij hem zelven ontwakenden, onedelen hartstocht te
-moeten onderdrukken; misschien ook omdat eene andere bekoorlijke vrouw
-zijn hart had veroverd en hem aan zijne oude vrienden ontroofde. Niet
-onmogelijk is het, dat al deze redenen te zamen zijne bezoeken minder
-talrijk maakten....
-
-Was het dus eene zeldzaamheid, dat de vroolijke Sophocles zich daar
-vertoonde, des te meer zocht de sombere Euripides, zijn mededinger op
-het gebied van het treurspel, het gezelschap van Aspasia. Met hem kwam
-Socrates, wiens vriendschap en trouw onveranderd waren gebleven. De
-belangen van zijn beroep voerden Phidias soms naar het huis van
-Pericles, en Aspasia genoot den triomf te zien, dat hij haar gezelschap
-niet vermeed. Tegen hem wist zij eene lieftalligheid aan den dag te
-leggen, die op zijn eigenaardig karakter berekend was. Altijd weder
-kwam zij in hare gesprekken met hem op zijne Lemnische Godin terug. Zij
-wond zich dan op, ja geraakte zelfs in vuur. Naar hare meening stond
-Phidias thans op een kruisweg, en zij hoopte invloed te oefenen, op de
-richting die hij zou kiezen. Zij wilde alles er op zetten, om zijne
-stijfhoofdigheid in de opvatting zijner kunst te breken.
-
-Herhaaldelijk wierp zij hem voor de voeten, dat hij de bekoring der
-vrouwelijke schoonheid niet genoeg tot haar recht liet komen.
-
-Phidias versmaadde inderdaad de zoogenaamde modellen. Hij droeg in zich
-zelven de volmaakte afbeeldingen van alle schoone vormen. Zoo bleef
-zijn kunstenaarsoog het liefst naar binnen gericht en hoe ouder hij
-werd des te meer vertrouwde hij op zijn eigen talent. Hij was te fier,
-om de werkelijkheid eenvoudig na te volgen en in steen of metaal over
-te brengen. Dit echter was het juist, wat Aspasia van hem verlangde.
-
-Toen zij even weder een levendig gesprek van dezen aard met Phidias had
-gevoerd en deze zich verwijderd had, zeide Pericles glimlachend:
-
-„Gij schijnt zeer verstoord te zijn op Phidias, omdat hij niet meer bij
-de schoone natuur ter schole wil gaan?”
-
-„Zoo is het,” zeide Aspasia; „in zijne ziel worden alleen de idealen
-eener, om zoo te zeggen, onbewuste en ernstige schoonheid gevonden. Het
-is tijd, dat hij de ten volle ontwikkelde, bewuste bekoorlijkheid en
-lieftalligheid niet versmaadt aan de natuur te ontleenen.”
-
-„Naar welke vrouw echter,” hernam Pericles, „zoudt gij hem verwijzen,
-om deze volle en betooverende bekoorlijkheid, als uit de zuiverste bron
-te putten? Daar Phidias de Homerische Helena niet uit den Hades kan
-oproepen en de schoonste van alle thans levende Helleensche vrouwen,
-naar het eenstemmig oordeel van alle menschen, gij zelve zijt, zoo zou
-ik wel gaarne willen weten, wat gij Phidias zoudt antwoorden, als hij u
-vraagt, naar welke vrouw gij hem verwijst?”
-
-„Ik zou hem naar eene vrouw verwijzen,” hernam Aspasia, „die geheel
-haar eigen meester is.”
-
-„Maar als hij er op stond zich tot eene vrouw te wenden, die niet haar
-eigen meester is?” vroeg Pericles.
-
-„Dan zou hij zich natuurlijk,” hervatte Aspasia, „tot dengene moeten
-wenden, wien zij behoort: tot haar heer als zij eene slavin is, of tot
-haar echtgenoot, als zij de vrouw is van een Atheensch man.”
-
-„En gelooft gij,” zeide Pericles, „dat een Atheensch man ooit zou
-kunnen besluiten, de vrouw, die hem toebehoort geheel en al aan de
-blikken van een ander prijs te geven?”
-
-„Waarom doet gij mij eene vraag,” zeide Aspasia, „die gij beter in
-staat zijt te beantwoorden dan ik zelve?”
-
-„Welaan dan,” antwoordde Pericles, „ik zal ze beantwoorden. De
-Atheensche man zal de vrouw, die hem toebehoort, nooit ongesluierd aan
-de blikken van een ander prijs geven. De eerbaarheid der vrouw mag geen
-ijdele klank zijn, en wanneer de jonkvrouw van een zedig karakter is,
-moet de vrouw, die een man toebehoort, dubbel zedig zijn uit liefde
-omdat zij door het prijs geven harer eerbaarheid niet zich zelve alleen
-onteert.”
-
-„Uwe meening is achtenswaardig,” zeide Aspasia, „en ongetwijfeld juist.
-De grond echter, dien gij er voor aanvoert, schijnt mij niet volkomen
-afdoend te zijn. Het komt toch niet zelden voor, dat gij, mannen, uwe
-vrouwen aan de oogen en handen der geneesheeren toevertrouwt, zij het
-dan ook in eigen tegenwoordigheid. Derhalve komt het mij voor, dat de
-eerbaarheid niet de voornaamste reden is en dat niet elke ontsluiering
-op zich zelve onzedig is.”
-
-Zoo ver waren Pericles en Aspasia in hun gesprek gevorderd, toen zij
-plotseling door het bezoek van twee mannen werden gestoord, wier
-gelijktijdig binnentreden in hun huis hen zeer verraste.
-
-De beide mannen waren Protagoras en Socrates.
-
-„Wel, hoe komt het,” vroeg Aspasia glimlachend na de eerste begroeting,
-„dat twee uitgelezen mannen, van wie ik sedert het feestmaal bij
-Hipponicus altijd gevreesd had dat zij vijandig tegen elkander over
-zouden staan, heden zoo vreedzaam te zamen tegelijker tijd dit huis
-betreden?”
-
-„Ik zal u vertellen hoe het komt,” antwoordde Socrates, „als gij het
-volstrekt wilt weten. Wij beiden, Protagoras en ik, ontmoetten elkander
-van verschillende kanten komend, voor de deur van dit huis. Ik voor mij
-stond reeds een poos voor den drempel en aarzelde binnen te treden,
-omdat mij juist op het oogenblik, waarop ik binnen wilde gaan, eene
-gedachte inviel, die ik maar niet uit mijn hoofd kon zetten. Terwijl ik
-daar zoo stond, met de oogen naar den grond geslagen, kwam Protagoras
-van den anderen kant. Hij zag mij aanvankelijk evenmin als ik hem, daar
-hij, terwijl ik in gepeinze verdiept naar den grond keek, met
-opgerichten hoofde zijn oog in de wolken en in den onmetelijken aether
-liet ronddwalen. Zoo liepen we elkander tegen het lijf; ik herkende
-Protagoras en hij mij, en daar wij beiden bemerkten, dat ieder onzer
-van plan was hier binnen te gaan, wilden wij ieder terugkeeren en den
-andere het veld ruimen. Maar toen wij wederkeerig verklaarden, dat we
-elkander de baan vrij wilden laten en geen van beiden elkanders aanbod
-wilden aannemen, kwamen wij eindelijk tot den inval, op goed geluk te
-zamen het huis binnen te treden.”
-
-Pericles en Aspasia glimlachten en zeiden, dat zij in deze ontmoeting
-een goed voorteeken zagen, des te meer omdat zij juist in een soort van
-wijsgeerig gesprek verdiept waren. Zij waren, zeiden zij, met een vraag
-bezig tot welker oplossing twee mannen, die wel is waar verschillende
-meeningen waren toegedaan, maar toch onbetwist wijzen waren, zeker wel
-het hunne konden bijdragen.
-
-Toen nu Protagoras en Socrates vroegen, welke de bedoelde vraag was,
-maakte Pericles geen bezwaar om de beide mannen de zaak uiteen te
-zetten.
-
-„Wij wierpen de vraag op,” zei hij, „of een man bereid zou kunnen zijn
-de ongesluierde schoonheid der vrouw, die hij liefheeft, aan het oog
-eens beeldhouwers tot model prijs te geven. Ik ontkende dit. Aspasia
-echter wees mij er op, dat wij, mannen, onze vrouwen toch wel aan de
-oogen en handen der geneesheeren prijs geven, zij het dan ook in onze
-eigen tegenwoordigheid; dat wij derhalve soms geneigd zijn andere
-gronden hooger te achten, dan die der zedigheid. Dat u nu juist het
-toeval hierheen voert is eene bestiering der Goden, die u als wijze
-mannen tot beslissing dezer zaak geroepen hebben.”
-
-„Ongetwijfeld,” zei Protagoras, „zijn er gronden, die hooger staan dan
-de zedigheid, en beweegredenen, die de schijnbare kwetsing der
-zedigheid kunnen verontschuldigen. Een dier beweegredenen heeft Aspasia
-reeds aangevoerd. Ik voeg er bij: wat zou er van de beeldhouwkunst
-worden wanneer het schoonste zich uit preutschheid aan het oog des
-beeldhouwers onttrok? De schoonheid heeft plichten niet alleen
-tegenover zich zelve. Wat de natuur haar met kwistige hand heeft
-geschonken, dat moet zij der kunst ten goede laten komen. Het schoone
-toch behoort in een zekeren zin steeds aan het algemeen en dit laat
-zich zijn recht daarop niet ontnemen. Bovendien is de schoonheid,
-volgens hare natuur, iets vluchtigs, iets dat op zich zelf alleen voor
-het tegenwoordig geslacht aanwezig is en dat niet anders tot de
-nakomelingschap gebracht en daarvoor vereeuwigd kan worden, dan doordat
-de dichters het in hunne zangen verheerlijken, zooals Homerus de gade
-van Menelaüs, of dat een beeldhouwer de levende bekoorlijkheid des
-lichaams in marmer of metaal aan de komende geslachten, zoo ver
-mogelijk, overlevert.”
-
-„Naar uwe meening,” hernam Pericles, „moet dus eene schoone vrouw als
-gemeen goed beschouwd worden, die niemand geheel voor zich alleen mag
-bezitten?”
-
-„Alleen hare schoonheid—niet zij zelve,” antwoordde Protagoras.
-„Evenals het bij alles, wat in de wereld geschiedt, op de aard en
-wijze, waarop dit plaats vindt, aankomt op de omstandigheden, waaronder
-het gebeurt, zoo kan ook, mijns inziens, het ten toon stellen van de
-vrouwelijke bekoorlijkheid ter bevordering van een grootsch doel, de
-kunst, op een aard en wijze en onder omstandigheden plaats grijpen, die
-het bedenkelijke der zaak ten volle wegnemen.”
-
-„En welke zouden die omstandigheden zijn?” vroeg Pericles.
-
-„Dit is eene zaak,” hernam Protagoras, „die eenigszins moeilijk is uit
-te maken. Zooals Aspasia naar aanleiding van uw vroeger gesprek, dat
-gij ons medegedeeld hebt, reeds herinnerd heeft, plegen wij immers eene
-vrouw, die zonder getuigen de vertrouwelijke nabijheid van den
-hulpbiedenden geneesheer zoekt, voor schaamteloos en onzedig te houden,
-doch wij vinden in die soort van vertrouwelijkheid niets bedenkelijks,
-als zij plaats grijpt onder de oogen van den man. Daarom mag men eens
-en voor goed vaststellen, dat er omstandigheden zijn, waarin de man
-zijne vrouw zonder schande of onteering aan een vreemd oog kan prijs
-geven...”
-
-„Natuurlijk,” zeide Pericles, „zou ik die prijsgeving eener vrouw,
-wanneer het door omstandigheden of door een grootsch doel geboden was,
-alleen onder die voorwaarde kunnen billijken. Ik hoop dat gij ook nog
-de voorwaarde er bij voegt, dat de vrouw den beeldhouwer alleen zal
-geven, wat aan haar voor den beeldhouwer belangrijk is, en dat de
-eerbaarheid zich alleen zal terugtrekken tot één punt, maar dit punt,
-om zoo te zeggen, tot op den laatsten droppel bloeds zal verdedigen.
-Intusschen, herinnert gij u niet de geschiedenis van dien Oosterschen
-koning, die door de bekoorlijkheid zijner vrouw betooverd, op den inval
-kwam haar geheel naakt aan zijn gunsteling te toonen [319]? Als ik mij
-goed herinner, verloor deze koning troon en vrouw en leven door den
-gunsteling, die ontvlamd door die bekoorlijkheid, niet rustte, tot hij
-bezat wat hem zoozeer had verrukt.”—
-
-„Met andere oogen,” sprak Protagoras, „met andere gezindheid, met
-andere gedachten beschouwt een beeldhouwer de naakte schoone gestalte,
-als de verwijfde gunsteling eens Oosterschen konings. Gene merkt, als
-hij heerlijk ontwikkelde ledematen beschouwt, zóóveel op, dat juist
-zijn kunstenaarsoog bezig houdt en eene groote bron van kennis welt
-daaruit voor hem op, dat er weinig plaats meer overblijft in zijn
-gemoed voor wulpsche gedachten. En die welke soms nog mochten opkomen,
-heeft hij leeren te beheerschen. De gewoonte ook heeft voor de grovere
-bekoorlijkheid der onthulling hem ongevoelig gemaakt. En wat nu den
-ouden, eerwaardigen Phidias betreft—is dat een man? Neen, veeleer eene
-door de Godheid gekuste, doch geslachtlooze beeldhouwersziel, die
-alleen een lichaam, eene hand heeft, om den beitel te kunnen voeren—dat
-is iemand, voor wien alles in de wereld alleen vorm is, nooit stof.”—
-
-„Protagoras’ meening kennen wij nu,” sprak Pericles. „Laat ons hooren
-wat Socrates aangaande deze zaak in het midden te brengen heeft. Wat
-denkt gij, Socrates? Is het eene vrouw veroorloofd tot bereiking van
-een grootsch kunstenaarsdoel, hare eerbaarheid ter zijde te stellen?”
-
-„Dit schijnt mij,” hernam Socrates, „hiervan af te hangen of in de
-wereld het schoone een hoogeren rang inneemt dan het goede. En dit is
-juist, als ik mij wel herinner, de vraag, die wij al zoo lang trachten
-op te lossen en wier oplossing ook bij het feestmaal van Hipponicus
-weder werd afgebroken.”—
-
-„Bij alle Olympische Goden,” viel hem Aspasia glimlachend in de rede,
-„gij zult mij zeer verplichten, beste Socrates, als gij er heden van
-afziet deze vraag uitvoeriger te behandelen en als gij mij voorloopig
-vergeeft, dat ik niet inzie, waarom de zedelijkheid de voorkeur zou
-hebben boven de schoonheid. Wanneer het eene wet is, dat alles in de
-wereld goed en zedelijk moet zijn, dan is het ook eene wet, dat alles
-in de wereld naar schoonheid streeft en in haar den bloei van zijn
-wezen, het doel zijner ontwikkeling vindt. Bijgevolg kan toch de eene
-zoowel als de andere lezer beide wetten alleen eene subjectieve, van
-den mensch zelf afhankelijke wet zijn. Daarbij, meen ik, kunnen wij het
-voor heden laten berusten.”
-
-„Natuurlijk!” riep Protagoras: „evenals ieder mensch waarheid noemt,
-alleen datgene wat hem persoonlijk waar voorkomt, zoo is ook goed en
-schoon voor ieder, alleen datgene wat hem alzoo toeschijnt. Eene op
-zichzelf vaststaande zedelijkheid bestaat er evenmin, als eene absolute
-waarheid.”
-
-De goedige trekken van Socrates namen eene ietwat spotachtige
-uitdrukking aan en hij zeide:
-
-„Gij beweert altijd, Protagoras, dat er geene absolute waarheid is en
-gij zijt toch zelf de man, die over alles, wat men ook vragen mag, de
-meest afdoende en onomstootelijke beslissing kunt geven!”
-
-„Zijne meening openlijk uit te spreken,” hernam Protagoras, „is beter
-dan in valsche bescheidenheid voor te geven, niets te weten en toch
-altijd en eeuwig alles beter te willen weten, dan anderen.”—
-
-„Ik tracht naar het weten,” zeide Socrates, „dat ik niet bezit. Gij
-echter loochent de mogelijkheid daarvan. Moeten wij den menschelijken
-arbeid der gedachte reeds als ijdel opgeven, nadat wij dien pas eerst
-hebben begonnen?”
-
-„Altijd nog beter,” antwoordde Protagoras, „dan de frischheid en
-harmonie van het Helleensche leven door eene sombere en ontevreden
-beschouwing te willen vervangen.”
-
-„Ik begrijp nu,” hernam Socrates, „dat er menschen zijn die, omdat zij
-de kunst van het denken geringschatten, de kunst van het spreken des te
-sterker beoefenen. Want daar de gedachten, die zij uitspreken, naar
-hunne eigen verklaring geen onbetwistbare waarde hebben, zoo kunnen het
-alleen schitterende woorden zijn, waardoor zij op het gemoed hunner
-toehoorders werken.”
-
-„Er zijn ook menschen,” sprak Protagoras, „die de kunst van spreken
-geringschatten, omdat zij gelooven, dat men achter hun geveinsden
-eenvoud diepzinnigheid, achter hun stamelen de wijsheid van een orakel
-en achter hunne bescheiden vragen het afdalen van een verheven geest
-zal zoeken.”—
-
-„Het komt mij beter voor,” zei Socrates, „de menschen door vragen, die
-hun gemakszucht storen, tot denken te dwingen, dan hen door snel
-gevatte, altijd gereede antwoorden, die den vrager hoogst aangenaam
-zijn, tot gedachteloosheid te brengen.”—
-
-„Beter is gedachteloosheid,” hernam Protagoras, „dan den bodem der
-werkelijkheid te verlaten, op wolken en nevelbeelden te rijden en zich
-in het oneindige te verliezen. Intusschen is zulk een zich verdiepen in
-de wereld van den onbegrensden gedachtennevel dikwijls verklaarbaar. Er
-zijn er toch, die gedwongen worden, jacht te maken op begrippen, omdat
-hun de goddelijke gave van stoffelijke kunstgewrochten te scheppen
-ontzegd werd.”—
-
-„Ook zijn er sommigen,” antwoordde Socrates, „die met beelden pronken,
-omdat hun de gave zich reine en klare begrippen te vormen, niet gegeven
-is.”
-
-„Die ellendige droomers,” zeide Protagoras, „zij juist zijn het, die de
-deugd gehaat maken, omdat zij met hunne woorden er altijd op
-terugkomen.”—
-
-„Bewonderenswaardiger zijn voorzeker zij,” hervatte Socrates, „die de
-deugd geheel en al ter zijde laten liggen, om nooit uit de atmosfeer
-eener schoone liederlijkheid te geraken.”—
-
-„Zoo lang de liederlijkheid schoon en beminnelijk is,” hernam
-Protagoras, „is het beter dan de noodzakelijke onthouding van hen, die
-op het gebied der schoonheid en van het genot het onkruid van den
-angstvalligen twijfel zaaien, omdat zij zelven niet tot schoonheid en
-genot geroepen zijn.”—
-
-„Zulk een ben ik,” hervatte Socrates kalm. „Gij echter, Protagoras,
-schijnt mij een van diegenen te zijn, die de vrije gedachte tot datgene
-willen maken, wat zij zelven zijn, tot dienstknechten der zinnen!”
-
-„Ik betreur het,” viel hier Pericles de twistenden in de rede, „dat gij
-met deze woordenwisseling de zaak, die hier behandeld werd, niet tot
-beslissing hebt gebracht, maar u, naar mij voorkomt, in een
-onvruchtbaren, heeten woordenstrijd hebt begeven.”
-
-Socrates zeide:
-
-„Ik weet, dat ik hier slechts de overwonnene kan zijn!”
-
-Na het uiten dezer woorden verwijderde hij zich kalm, zonder een spoor
-van opgewondenheid in zijne trekken.
-
-Spoedig daarop ging ook Protagoras heen, echter niet zonder alvorens
-zijn opgewekt gemoed door eenige bittere woorden lucht te hebben
-gegeven.
-
-„Deze beide wijze mannen,” zeide Pericles tot Aspasia, „schijnen mij
-volkomen tegen elkander opgewassen te zijn. Zij gingen elkander te
-lijf, als kunstmatig geoefende kampvechters, en het is moeilijk te
-zeggen, wie van beiden op de eer der overwinning aanspraak mag maken.”
-
-Aspasia glimlachte slechts en ook toen Pericles haar reeds alleen
-gelaten had, zweefde nog die glimlach om hare lippen. Zij wist zeer
-wel, wat den strijd der beide mannen tot zulk een felheid had gedreven
-en wat daar zelfs van den kant van den zachten Socrates zooveel
-snijdends en bitters onder gemengd had. Zij las evengoed in het hart
-van den droomer, als in dat van den schitterenden sophist, die geen
-woord sprak, waarvan hij niet wist, dat het aan het oor der schoone
-Milesische welgevallig zou zijn.
-
-Tegen Socrates ontstond, sedert zijn woordenstrijd met Protagoras, in
-Aspasia een toenemend gevoel van afkeer en bijna zonder zich er van
-bewust te zijn, ontkiemde in hare ziel het plan om met vrouwelijke
-arglistigheid de wijsheid van den man, die op „de vrije gedachte”
-altijd hamerde en „de slavin der zinnen” verachtte, zoo mogelijk aan
-hem zelven te schande te maken.
-
-
-
-
-
-
-
-XVI.
-
-DE VROUWEN OP HET THESMOPHORIËNFEEST [320].
-
-
-„Dat is de schoonheid zelve!” riepen de Atheners, toen Phidias zijn
-nieuw metalen beeld van Pallas, dat de Lemniërs hem opgedragen hadden,
-voltooid had, en het voor de eerste maal voor de blikken der Atheners
-onthulde. Een roep van verbazing en verrassing klonk door geheel
-Athene.
-
-Wat wilde Phidias nu? Zooals hij de Godin in zijn jongste werk had
-voorgesteld, had geen Griek haar gedacht.
-
-Zij was zonder helm en zonder schild. Vrij golfden de krullende lokken
-om haar fier, maar niet minder liefelijk opgericht gelaat. Wonderschoon
-was de omtrek van dit gezicht; onvergelijkelijk teeder waren de wangen
-gevormd. Men meende haar te zien blozen. De beide geheel naakte armen
-waren, evenals de handen, modellen van den fijnsten en edelsten vorm.
-De opgeheven arm liet een deel der rechterzijde onbedekt zien, slechts
-licht plooide zich het gewaad om de heupen en hier als overal liet het
-de omtrekken der gestalte in volmaakte zuiverheid uitkomen.
-
-Zoo eenstemmig de Atheners in den lof der schoonheid van deze nieuwste
-schepping van Phidias waren, even eenstemmig waren zij in hunne
-bewering, dat voor deze Pallas, Aspasia den kunstenaar tot model moest
-gediend hebben.
-
-Niet geheel dwaalden zij met deze bewering.
-
-Inderdaad, als reeds Theodota het verstond haar lichaam als eene
-kunstenaarsstof te behandelen, de gedaante van verscheidene Godinnen
-daarin op verrassende, indrukwekkende wijze voor te stellen voor deze
-verrichtingen in den dienst der kunst geheel Athene tot getuige had,
-zoo wist Aspasia dezelfde kunst in nog edeler en verhoogde mate ten
-toon te spreiden. Maar de eenige getuigen van de ontplooiing dier gaven
-waren Pericles en Phidias geweest.
-
-De ernstige Phidias ging zelfs zoo ver om voor een oogenblik toe te
-geven, dat de natuur menigmaal het ideaal nabij kon komen.
-
-In de Pallas van Aspasia echter had Phidias reeds niet meer de bloote
-natuur voor oogen. Wat hij daar zag was een schepping der nabootsende
-kunst, eene vreeselijke gestalte, uit den geest wedergeboren. Aspasia
-drukte op de natuurlijke stof harer schoonheid met
-kunstenaarsbewustzijn evengoed een bepaalden stempel, als Phidias naar
-eene bepaalde, inwendige beschouwing en bedoeling het marmer beitelde.
-
-Terwijl Phidias de bekoorlijke lieftalligheid van de schoone en wijze
-Aspasia in duurzaam metaal vereeuwigde, luisterde hij inderdaad naar de
-vermaning van Pericles om de wijsheid voor te stellen in het
-betooverende, alverwinnende gewaad der schoonheid.
-
-Reeds Alcamenes had iets nieuws en wonderschoons bereikt, toen hem
-vergund was, uit de levende bron van Aspasia’s schoonheid te putten.
-Phidias loste dezelfde vraag op, doch hij loste ze op als aller groote
-meester, als de verhevene, de onvergelijkelijke.
-
-Wat Phidias in zijne laatste Pallas gaf, was Aspasia, maar verheven tot
-eene zoo reine en bovenmenschelijke hoogte, dat zij te gelijk als een
-ideaal zich voordeed, als een belichaamde droom der edelste
-beeldhouwersziel.
-
-Toen Socrates dit nieuwe beeldwerk zag, sprak hij op zijne zinrijke
-wijze:
-
-„Uit dit beeld zou de schoone Aspasia evenveel van den meester Phidias
-kunnen leeren, als de meester Phidias geleerd heeft van de schoone
-Aspasia.”
-
-Zonderling was het, dat de loftuitingen, waarmede de Atheners de
-Lemnische Pallas van Phidias overlaadden, hem ontstemden en knorrig
-maakten. Hij hoorde er niet gaarne van spreken. Hij had dit werk
-wellicht daarom minder lief omdat hij het niet geheel uit zich zelf
-geschapen had. Hij had, naar het scheen, met eene soort van half
-onbewusten onwil zich van zijne taak, die hem van buiten af opgedragen
-was, gekweten, en met wier volbrenging hij alleen zich van eene onrust
-zocht te bevrijden, die als door eene vreemde betoovering, in hem
-opgewekt was geworden.
-
-Nu scheen hij des te dieper in zich zelven te willen terugkeeren.
-Stiller en ernstiger dan ooit wandelde hij rond en verloor zich in de
-beschouwing van een verheven beeld, dat in de verborgen diepte zijner
-ziel hem tegenstraalde. Hij was weder geheel en al zich zelf geworden.
-Hij vermeed Aspasia, hij verkeerde nauwelijks meer met Pericles en op
-een goeden dag verliet hij stil en heimelijk Athene, om naar Elis te
-gaan, ten einde daar de grootsche gedachten zijner groote ziel te
-verwezenlijken.
-
-De onverzadelijkste en onvermoeidste bewonderaar der Lemnische Pallas
-bleef Socrates. Hij scheen zijne liefde voor de Milesische op de Godin
-van Phidias over te willen brengen. De natuurlijke Aspasia kwam hem
-niet meer volkomen voor, van het oogenblik af, waarop hij haar hooger
-ideaal in steen belichaamd zag. En toch kon men toen van hem zeggen,
-dat hij zijn tijd tusschen die Pallas en haar levend model verdeelde.
-Dagelijks zag men hem zijne schreden naar de woning van Pericles
-richten, zelfs op gevaar af daar den welsprekenden Protagoras te
-ontmoeten.
-
-Hoe kwam het toch? Wanneer Socrates peinzend en, naar hij meende,
-zonder doel, door Athene’s straten wandelde, vond hij zich ten laatste
-onverwachts voor het huis van Pericles. Evenals in een labyrinth van
-straten, scheen hij een labyrinth van gevoelens te doorkruisen, waar
-hij geen uitgang vond en dat hem steeds weder op dezelfde plaats
-terugbracht.
-
-Zonder plan derhalve geschiedde het, als Socrates zijne schreden naar
-die woning richtte. Doch wat deed hij daar, als hij er zijns ondanks
-gekomen was? Verloor hij zich in huldebetoon? Gaf hij teekenen van een
-inwendig liefdevuur, dat hem verteerde? Had hij, evenals Protagoras,
-zich er aan gewend zijne wijsheid uit vreemde oogen te putten? Niets
-van dat alles. Hij streed met Aspasia. Hij gaf haar fijne zetten. Eens
-zelfs sprak hij in hare tegenwoordigheid uit—eene uitspraak, die sedert
-dikwijls herhaald en door de overlevering gewoonlijk aan Pericles is
-toegeschreven, die haar toch slechts aan Socrates had ontleend—: die
-vrouw is de beste, over wie men het minst spreekt. Hij zei haar bittere
-woorden en zelfs wanneer hij haar scheen te vleien, tintelde hij van
-die fijne ironie, die een kenmerk van zijn spreektrant uitmaakte.
-
-En Aspasia? Zij scheen des te zachter, vredelievender, beminnelijker en
-innemender, naarmate Socrates zijne vrijmoedige luim meer den vrijen
-teugel gaf. En omgekeerd: hoe zachter en verleidelijker Aspasia was,
-des te ontevredener en stuurscher werd de wijze Socrates.
-
-Wat wilden zij van elkander, deze beide zonderlingen? Streden zij samen
-den overouden, hardnekkigen tweestrijd der wijsheid en der schoonheid?
-Die zonderlinge strijd werd vooral gevoerd sinds de woordenwisseling,
-welke Socrates met Protagoras in tegenwoordigheid van Pericles en
-Aspasia gehouden had.
-
-Aspasia deed het voorkomen dat zij geloofde dat Socrates ter wille van
-zijn lieveling Alcibiades het huis van Pericles bezocht. Zij ging in
-hare ondeugenden luim zoo ver, dat zij verzen tot hem richtte, waarin
-zij hem als aan een minnaar raad gaf. Socrates nam dat alles
-glimlachend op, zonder de minste gemelijkheid, of eene poging om zijne
-moedwillige vriendin te loochenstraffen. Hij toonde ook nooit, dat de
-schoone knaap, die nog steeds met eene bijna teedere liefde hem
-aanhing, hem te veel was. Tegenover den knaap was hij open, opgeruimd,
-vriendelijk, vertrouwelijk, zonder een spoor van die grilligheid en
-ironie, waarmede hij goedvond de vriendelijkste bejegening van de
-schoonste aller Helleensche vrouwen te beantwoorden.
-
-Talrijke gesprekken voerde Aspasia nog altijd met den vrouwenhater
-Euripides, die als treurspeldichter thans tot grootere beroemdheid
-geraakte. Zijne ernstige, bespiegelende Muze vond weerklank en hij werd
-weldra de lievelingsdichter van een tijdvak, dat zich van de
-onmiddellijke en naïeve beschouwing der zaken meer en meer tot eene
-ideale en verhevene opvatting gedreven gevoelde. Hij had rijke ervaring
-opgedaan en zoo vloeide zijn mond altijd over van hetgeen hij in zijn
-geest had doorleefd. Daarbij had hij een scherp, fier karakter, dat hem
-open en vrijmoedig deed uitspreken, wat hij dacht. Hij gaf niemand iets
-toe, zelfs niet aan het Atheensche volk, ’t geen ieder meende te moeten
-vleien. Toen men eens een zijner verzen uitfloot, welks inhoud het
-Atheensche volk niet beviel, trad hij op het tooneel om zich te
-verdedigen, en toen men hem toeriep, dat men dit vers niet wilde
-dulden, antwoordde hij, dat de dichter de onderwijzer van het volk was
-en niet het volk de onderwijzer van den dichter.
-
-Hij vleide ook Aspasia niet, en niemand zou het gewaagd hebben op den
-toon, dien hij aansloeg, met haar over de vrouwen te spreken.
-
-Hij had zijne eerste vrouw verstooten en eene andere genomen: een feit,
-dat Aspasia, zooals vermeld wordt, in een brief aan Pericles met sluw
-overleg als een voorbeeld van mannelijken moed geprezen had.
-
-Op een goeden dag kwam Aspasia met Euripides toevallig over deze zaak
-te spreken, in tegenwoordigheid van haar echtgenoot en Socrates. Nadat
-zij hem opnieuw over zijn moedig besluit had geprezen, vroeg zij hem
-naar zijne nieuwe gade.
-
-„Zij is het tegendeel van de eerste,” antwoordde Euripides wrevelig,
-„maar daarom niet beter: zij heeft alleen de tegenovergestelde
-gebreken. De eerste was een domme, maar eerlijke ziel, die mij met eene
-huisbakken soort van liefde lastig viel; deze is een behaagzieke, die
-door lichtzinnigheid en grilligheid mij tot vertwijfeling brengt. Ik
-ben van den regen in den drop gekomen. Ik ben een ongelukskind en al
-het bittere geven mij de Goden achtereenvolgens te smaken.”
-
-„Ik hoorde van uwe vrouw zeggen,” hernam Aspasia, „dat zij schoon en
-beminnelijk is.”—
-
-„Ja wel, voor iedereen,” zei Euripides, „behalve voor mij. Zij zou het
-natuurlijk ook voor mij zijn, als ik besluiten kon hare slechte
-eigenschappen als even zoovele deugden te beschouwen.”—
-
-„Welke zijn dan die slechte eigenschappen, die gij haar toekent?” vroeg
-Aspasia.
-
-„Zij verwaarloost het huishouden,” antwoordde Euripides: „het garen aan
-den weefstoel vernielen de hoenders. Zij danst en houdt feestmalen bij
-hare vriendinnen; zij heeft de onfatsoenlijkheid aan de huisdeur te
-staan en op straat te gluren.”
-
-„Is dat alles?” vroeg Aspasia.
-
-„Neen!” antwoordde de dichter. „Zij is wispelturig, zij is luimig, zij
-is ontrouw, zij is leugenachtig, zij is vol veinzerij, zij is valsch,
-zij is boosaardig, zij is nukkig, zij is onbillijk, zij is wreed, zij
-is wraakgierig, zij is nijdig, zij is eigenzinnig, zij is bijgeloovig,
-zij is dwaas, zij is sluw, zij is babbelziek, zij is jaloersch, zij is
-ijdel, zij is behaagziek, zij is gewetenloos, zij is ongevoelig, zij is
-zielloos...”
-
-„Houd op!” viel hem Aspasia in de rede. „Het zou u zwaar vallen, dit
-alles afzonderlijk te bewijzen.”
-
-„Dit alles en nog meer!” hernam Euripides.
-
-„Wellicht betoont ge uwe vrouw te weinig liefde,” bracht Aspasia in ’t
-midden, „en maakt gij haar daardoor van u afkeerig!”
-
-„Ja, waarlijk!” riep Euripides met een hoonenden lach; „als men de
-vrouwen hoort, ontbreekt het den mannen altijd aan liefde. „Gij hebt
-geen hart, mijn vriend!” zei de adder tot den geitebok. Juist het
-tegendeel is waar! Ik zeg u, mijn ongeluk komt daar vandaan, dat ik
-mijne vrouw niet zoo behandel, als de meeste Atheners hunne vrouwen
-behandelen; dat ik mij te veel door haar laat beheerschen, dat ik mij
-door haar laat kwellen. Want mak als lammeren zijn de vrouwen, zoolang
-men ze kort houdt; doch aanstonds worden ze overmoedig, als men haar
-aanleiding geeft tot de meening, dat zij onmisbaar zijn. Ja, er is maar
-één enkel middel, om zich van eene vrouw, van haar hart, van hare
-liefde, van hare hoogachting, van hare toewijding te verzekeren: dit
-middel bestaat hierin, dat men haar verwaarloost. Wee den man, die
-zijne vrouw laat merken, dat hij haar niet missen kan! Zij zal hem den
-voet op den nek zetten. Eene vrouw lief te hebben is den boozen daemon
-in haar op te wekken. Wie echter zijne vrouw met eene vriendelijke
-koelheid te gemoet treedt en overigens zijn eigen weg gaat, wie haar
-bewijst, dat hij haar missen kan, die wordt gevleid en geliefkoosd, die
-wordt de wang gestreeld, die wordt de hand op den schouder gelegd met
-de vraag: „Wat zal mijn lief mannetje van avond eten?” die wordt
-vereerd als „de steun en heer des huizes en der familie,” hem wordt
-roerend dank betuigd voor iedere kruimel van genade, die hij laat
-vallen. Toonde echter dezelfde man zich teeder en verliefd, dan zou hij
-haar binnen acht dagen vervelend toeschijnen, in een maand was hij
-veracht en in een jaar dood gekweld.”
-
-Glimlachend hoorden Pericles en Aspasia deze op gramstorigen toon
-uitgebrachte ontboezeming aan. Euripides echter vervolgde met gelijken
-wrevelen ernst en nadruk:
-
-„De Parce van de man is de vrouw. Zij is het, die zijne levensdraden
-spint—zwarte of gouden.”
-
-Pericles schrikte schier bij deze laatste woorden. Aspasia glimlachte.
-
-„Ik kan niet gelooven,” zeide Pericles, „dat de man in ’t algemeen zoo
-afhankelijk is van de vrouw.”
-
-„Hij zal het worden, als hij het nog niet is,” hernam Euripides. „Ik
-voorspel de toekomst. De macht der vrouw is schrikbarend aan het
-toenemen. Verstaat gij de dichters en beeldhouwers niet, die sedert
-overoude tijden het fabelachtige beeld der Sphinx hebben voorgesteld,
-eene raadselachtige vrouw, met zachten boezem doch scherpe klauwen? De
-Sphinx is de vrouw. Het verleidelijke schoone gelaat, den verleidelijk
-zachten boezem houdt zij ons voor, het overige echter van het lichaam
-is een dier met tijgerpooten en moorddadige klauwen.”
-
-„Zult gij het vrouwelijk geslacht niet overmoedig maken,” zei Aspasia,
-„als gij haar karakter door zulke vergelijkingen den stempel van het
-grootsche verleent?”
-
-„Grootsche misdaden,” hernam Euripides, „van een man kunnen bewondering
-wekken; eene vrouw met groote ondeugden boezemt altijd afschuw in. Want
-de misdaden van den man kunnen soms uit eene overmaat van op zichzelf
-roemrijke eigenschappen voortspruiten; de ondeugden eener vrouw echter
-komen altijd voort uit eene kleingeestige, tot eene overmaat gedreven
-zwakheid.”
-
-„En toch zien wij de vrouwen met deze kleingeestige zwakheden
-triomfeeren!” zeide Aspasia.
-
-„Niet voor altijd!” voerde Euripides haar te gemoet. „De dag der wrake
-komt, die, met de vlammen van een gezonden en rechtmatigen hartstocht,
-de woeste flikkering van eene ziekelijke en zwakke neiging zal
-uitblusschen. Slechts zoolang wij mannen ons zwak toonen, zijn de
-vrouwen sterk. De vrouw is eene Sphinx; ja zeker! Doch men behoeft haar
-slechts de klauwen af te snijden, om haar onschadelijk te maken. Met
-onafgesneden klauwen is zij eene tijgerin; met afgesneden klauwen niets
-meer dan eene kat. Onze vaderen hebben goed gedaan, dat zij de vrouwen
-kort hielden. Wij mannen van dezen tijd zijn te weekelijk—ik zelf
-behoor tot dat getal—wij laten de vrouwen de klauwen groeien. Dat is
-niet goed...”
-
-Het voorhoofd van Aspasia rimpelde zich een weinig, toen de vergramde
-dichter deze woorden met krachtige stem uitstiet. Socrates bemerkte het
-en zeide:
-
-„Vergeet niet, mijn waarde, dat gij tot Aspasia spreekt.”
-
-„Tot Aspasia,” hernam Euripides, snel gevat, „maar niet van Aspasia. Ik
-spreek over de vrouwen. Aspasia is eene vrouw, maar de vrouwen zijn
-geen Aspasia’s...”
-
-Socrates liet het, zooals gemeld is, in zijne gesprekken met Pericles’
-gade niet aan scherpe woorden ontbreken. Maar nooit was hij in den toon
-van Euripides vervallen. Wij gevoelen ons echter verplicht te zeggen,
-dat Euripides in zijne gesprekken met Aspasia het geheele vrouwelijke
-geslacht hoonde en onrecht aandeed, doch steeds Aspasia zelve met
-bereidwillige hoffelijkheid daarvan uitzonderde; terwijl Socrates
-omgekeerd zijne pijlen steeds alleen tegen de persoon van Aspasia
-afschoot, het geheele geslacht echter gaarne verdedigde.
-
-En zoo nam hij dan ook nu het schoone geslacht in bescherming tegenover
-den vrouwenhater Euripides, terwijl hij zeide:
-
-„Het komt mij een zonderling, maar onomstootelijk feit voor, dat ieder
-man, als hij van de vrouw in het algemeen spreekt, toch altijd slechts
-zijne eigene op het oog heeft. Men moest alzoo, dunkt mij, alleen aan
-zulke mannen toestaan om over de vrouwen in het algemeen te spreken,
-die niet getrouwd zijn. Ik beroem mij een van die laatstgenoemden te
-zijn; en hoe verre mijn vriend Euripides in andere wijsheid mij achter
-zich moge laten, heb ik, omdat hij getrouwd is, het voordeel van
-grootere onpartijdigheid op hem vooruit. Daar voorts Pericles ook
-gehuwd en Aspasia zelve eene vrouw is, ben ik hier de eenige, die
-geroepen schijnt de partij op te nemen voor het door Euripides zoo fel
-gehoond geslacht. Mij ontbreekt het wel is waar aan welsprekendheid en
-ik zou Protagoras gaarne hier wenschen: deze zou niet in gebreke
-blijven ons de vrouw te prijzen als de schenkster der zoetste vreugde,
-als de bereidster van het schoonst geluk, als de beschermster van den
-goddelijken schat der schoonheid en van het genot op aarde, als de
-troosteres van den man, als de artsenij zijner kwalen. „Welk een
-pronkstuk,” zou hij uitroepen, „is eene schoone vrouw! Met ieder atoom
-harer persoonlijkheid verrukt zij. Geluk en zaligheid stralen uit van
-haar wezen...” Zoo zou Protagoras spreken. Euripides daarentegen
-beweert: de vrouwen zijn Sphinxen, zij hebben een bekoorlijk gelaat en
-een zachten boezem, doch scherpe klauwen. Zou het niet geoorloofd zijn
-omgekeerd te zeggen: de vrouwen hebben wel is waar scherpe klauwen,
-maar een bekoorlijk gelaat? Waarom zou men den grootsten nadruk niet
-liever op het goede der vrouwen, dan op het kwade leggen?—„Men moet
-haar de klauwen afsnijden,” zegt Euripides. Maar zou haar dit, behalve
-de mogelijkheid om te schaden, ook hare vijandelijke gezindheid
-ontnemen? Zou het niet veel practischer zijn, rechtstreeks op de
-verbetering harer gezindheden te werken? De klauwen worden dan van zelf
-onschadelijk. Hoevele deugden kan eene vrouw niet ontwikkelen! Hoevele
-zegeningen weet zij niet om zich te verspreiden! Niet alleen door
-hetgeen, wat zij uitvoert of zegt of doet, maar reeds door hetgeen, wat
-zij is. De natuurlijke kampioenen van het schoone zijn de vrouwen: doch
-daar zij elke zaak, waarvoor zij strijden, doen triomfeeren—hoe
-heerlijk zou het zijn, als wij haar ook tot kampioenen van het goede en
-het ware konden winnen? Zoolang het licht van eene hoogere opvatting
-het hoofd der vrouwen niet verheldert, volgen zij natuurlijk alleen de
-aandrift van haren physischen aanleg, en deze aandriften zijn altijd
-ruw en baatzuchtig. Wellicht zullen de mannen in de toekomst er naar
-streven, om de vrouwen, door eigene overweging in plaats van slavinnen
-van onbestemde natuurdriften te zijn, tot priesteressen van het schoone
-en het goede te maken!”
-
-„Ja, dat ontbrak er nog maar aan, dat de slangen vleugels kregen!” riep
-Euripides met een spottenden lach. „Niet te verwonderen is het
-overigens,” ging hij voort, „dat deze hoop op verbetering der vrouwen
-uitgesproken wordt door een man, die in ’t algemeen alle menschelijk
-geluk van het verstand en van heldere begrippen verwacht. Ik zeg u
-echter, dat de waarde en de adel der vrouw niet in de ontwikkeling van
-haar verstand, maar in de ontwikkeling van haar hart, van haar gevoel
-berust!”
-
-„Dat kan wel zijn,” hernam Socrates, „maar nu doet zich de vraag op, of
-het hart en zijne gewaarwording ooit door zichzelf kan gevormd worden,
-dan wel of daartoe niet de invloed van een tot op zekere hoogte
-ontwikkeld verstand gevorderd wordt?”—
-
-Pericles drukte zijne ingenomenheid met Socrates’ woorden uit. Aspasia
-zweeg en toonde terstond minder belangstelling; want hoezeer ook enkele
-punten, die Socrates had aangeroerd, met hare eigene meening
-overeenstemden, kwam het haar toch voor, als had de droomer onder het
-masker zijner bescheidenheid zich durven vermeten, haar een lesje te
-geven. Voor eene bevrijding van den geest, voor eene veredeling van
-haar geslacht te werken, was immers sinds lang haar streven geweest.
-
-Had zij niet openlijk zich zelve en haren vrienden op de Acropolis de
-gelofte gedaan, dit doel met alle krachten te bevorderen, nadat zij de
-gade van Pericles geworden was?
-
-Zij had woord gehouden. Het leven en de positie der vrouwen geheel en
-al te herscheppen was sinds dien tijd haar moedig pogen.
-
-Om dit doel echter te bereiken, had zij moeten trachten invloed te
-krijgen op de vrouwen van Athene, de rol van zuurdeeg moeten vervullen
-bij deze trage massa, degenen, die haar dwarsboomden, verzoenen, ze tot
-aanhangsters, leerlingen, vriendinnen moeten maken.
-
-Pericles had hare bedoelingen gesteund: want hij beminde haar. Hij
-verschafte haar gaarne elk soort van genoegen. Hij leidde haar, wanneer
-deze uitdrukking veroorloofd is, in de Atheensche kringen binnen. De
-Atheensche vrouwen waren van het gezelschap der mannen uitgesloten;
-maar zij hielden een vrij druk verkeer onder elkander. Schijnbaar
-argeloos mengde Aspasia zich in dit verkeer.
-
-Onder de schoone en waarlijk verstandige vrouwen, wien het gegeven is,
-de mannen in hare netten te lokken, worden er aangetroffen, wien het
-bovendien verleend is, trots den nijd, den haat, de ijverzucht, die zij
-opwekken, toch ook personen van haar eigen geslacht aan te trekken en
-voor zich in te nemen. Zooals van zelf spreekt, bereikten zij dit niet
-door overmatige vriendelijkheid en lieftalligheid of door praatjes en
-opgedrongen beleefdheden, maar door den eenvoud, waarmede zij den
-gevaarlijken glans harer voorrechten vrijwillig schijnen te temperen,
-en door de nauwkeurigste kennis der eigenaardigheden en grillen van
-haar, die zij voor zich willen winnen. Aspasia zocht vertrouwen in te
-boezemen; ongelijk aan de onverstandigen van hare sekse, wist zij, dat
-eene schoone vrouw in de meeste gevallen het zekerst door een
-verstandig, rustig, kalm, waardig gedrag zoowel mannen als vrouwen
-inneemt. Zij richtte haar streven in de eerste plaats daarop, dat men
-gedwongen werd haar te achten; beminnelijk te schijnen zou dan vanzelf
-het geval zijn.
-
-Eerst nadat Aspasia door zulk eene houding, die bij haar volstrekt niet
-gemaakt maar eene zaak van haar vrouwelijke natuur was, den bodem voor
-hare ondernemingen had voorbereid, was zij met hare bedoelingen en
-plannen meer openlijk voor den dag gekomen.
-
-Na eenigen tijd waren de Atheensche vrouwen tegenover de gade van
-Pericles in een tal van partijen verdeeld.
-
-Er waren onverzoenlijken, die haar haatten en die met alle middelen van
-vrouwelijke vijandelijkheid zich openlijk en in het geheim tegen haar
-verzetten. Er waren er, die Aspasia eene soort van persoonlijke
-genegenheid niet weigerden, maar van meening waren, dat hare plannen te
-vermetel en onbepaald waren; er waren anderen, die wel is waar de
-persoon van Aspasia met afgunstige oogen beschouwden, doch door een
-innerlijken drang gedreven werden, om haar voetspoor te volgen en in
-vele opzichten te doen als zij. Doch er waren er ook, die zich geheel
-en al door Aspasia hadden laten overtuigen en winnen, doch die niet
-alleen den moed bezaten zich openlijk met hare leidsvrouw te verbinden
-tot een strijd voor de vertrapte rechten der vrouw.
-
-Tot de onverzoenlijkste en nog steeds gevaarlijkste vijandinnen van
-Aspasia behoorden, zooals licht te begrijpen is, de verstooten gemalin
-van Pericles en de zuster van Cimon.
-
-Deze laatste was gewoon als ’t ware boek te houden van het leven en de
-handelingen van Aspasia; zij vorschte uit en verbreidde wat Aspasia tot
-andere vrouwen sprak en niet zelden geschiedde het, dat deze woorden
-verdraaid van mond tot mond gingen, om de gemoederen der Atheners tegen
-de gade van Pericles op te hitsen.
-
-Zoo geschiedde het op zekeren dag, dat Aspasia met eene pas gehuwde
-vrouw zich in tegenwoordigheid van haar echtgenoot onderhield. Het
-jeugdige paar verlangde van haar te vernemen, waarop het zekere geluk
-der liefde en van den echt berustte.
-
-Aspasia voelde den lust in zich opkomen, om eens den Socratischen
-redeneertrant te beproeven.
-
-„Wanneer uwe buurvrouw,” zeide zij tot de jonge vrouw, „een schooner
-kleed heeft dan gij, welk zoudt gij verkiezen: het uwe of het hare?”
-
-„Het hare,” antwoordde de jonge vrouw.
-
-„En wanneer uwe buurvrouw schooner kleinoodiën bezit dan gij,”
-vervolgde Aspasia, „aan welke zoudt gij de voorkeur geven?”
-
-„Aan de hare natuurlijk,” hernam de jonge vrouw.
-
-„En wanneer zij een beteren man heeft dan gij, aan welken zoudt gij de
-voorkeur geven, den uwen of dien van haar?”
-
-De jonge vrouw bloosde over deze onverwachte, verbijsterende vraag.
-Aspasia echter zei glimlachend:
-
-„In den natuurlijken loop der dingen zal de vrouw den beteren man, de
-man de betere vrouw voortrekken. Mij schijnt dus de zekerste waarborg
-voor het geluk in de liefde en den echt, dat de man trachte in ’t oog
-zijner vrouw de beste aller mannen, de vrouw wederkeerig in ’t oog van
-haar man de beste aller vrouwen te zijn. Velen vorderen van anderen de
-liefde als een plicht, wat zeer onbillijk is. Men moet ze trachten te
-verdienen en er naar streven ze voortdurend levendig te houden.”
-
-Wat Aspasia met deze woorden het jonge paar te denken gaf, was zeker
-niet zonder gezonden zin. Doch hoe werden zij niet verwrongen in den
-mond van Elpinice en consorten? Het onderhoud van Aspasia met het jonge
-echtpaar maakte eenige dagen lang bij de Atheners de ronde. Maar men
-vertelde niet, dat Aspasia als eenigen waarborg voor onwankelbaar
-echtgeluk verklaard had, dat de man zijne vrouw voor de beminnelijkste
-aller vrouwen, de vrouw haar man voor den besten aller mannen moest
-houden; neen, men zeide, dat Aspasia de jonge Hipparchia in
-tegenwoordigheid van haar gemaal had opgezet, aan een vreemden man
-boven haar eigen echtgenoot de voorkeur te geven, als geene haar beter
-beviel.
-
-Aspasia besloot de Socratische methoden in hare gesprekken in het
-vervolg te laten varen en nog zorgvuldiger dan vroeger er op te letten,
-met welk soort van personen zij zich onderhield. De vijandinnen van
-Aspasia gingen echter zoover, dat zij opzettelijk met haar gesprekken
-aanknoopten, om haar onder den schijn van genegenheid uitspraken te
-ontlokken, die haar in de achting der Atheners zouden kunnen doen
-dalen. Aspasia doorzag zulk een plan gemakkelijk en wist de aanslagen
-dezer vijandinnen soms op eene wijze te verijdelen, die haar, behalve
-de voldoening haar doel bereikt te hebben, nog eene soort van
-vermakelijk genot verschafte.
-
-Zoo drong zich op een goeden dag een zekere Clitagora met geveinsde
-bewondering aan haar op. Aspasia echter wist, dat Clitagora tot de
-clique van Telesippe en de zuster van Cimon behoorde.
-
-Zij stelde Aspasia de vraag voor, door welke kunsten eene vrouw haar
-echtgenoot het best aan zich zou kunnen boeien?
-
-„De krachtigste van alle kunsten, waardoor eene sluwe vrouw den
-argeloozen echtgenoot aan zich en aan den huiselijken haard boeien
-kan,” hernam Aspasia met gewichtig gelaat, „is de kookkunst. Mij is
-eene vrouw bekend, die als eene Godin door haar man wordt vereerd,
-alleen om de lekkernijen, die zij hem dagelijks voorzet. Haar
-meesterstuk is de zachte en lichte sesamee [321], die zij uit
-sesamusmeel met honig en olie in de pan gereed maakt. Zij neemt gepelde
-gerst, stampt ze fijn in een vijzel, schudt het meel in een pot, giet
-er olie bij, roert deze brij, terwijl zij langzaam kookt, bestendig om,
-besproeit ze van tijd tot tijd met bouillon van hoenders of geiten- en
-lamsvleesch, ziet toe dat zij niet overkookt en wanneer ze gaar is,
-laat zij ze opdragen. Ook hare hazenpasteien van bastaardnachtegaals en
-andere kleine vogels zijn voortreffelijk. Welk man zou zich aan de
-verleiding van zulke dingen kunnen onttrekken? Er zijn ook mannen, die
-met de zoogenaamde Cappadocische [322] koeken dweepen. Men kneedt ze
-het best met honig, snijdt het deeg in dunne platen, die, als ze de pan
-maar ruiken, oprollen. Deze rolletjes worden dan in wijn gedoopt en
-moeten geheel heet op tafel komen.”
-
-Op die wijze ging Aspasia voort de regels van eene lekkere keuken
-uiteen te zetten tot verbazing van een deel harer toehoorderessen en
-tot ergernis van een ander deel, dat in deze uitweidingen niets vond,
-wat dienen kon, om Aspasia in de openbare meening te schaden en den
-roep van hare lichtzinnigheid of hare gevaarlijke beginselen te
-bewijzen.
-
-De onaangename tegenstand, die de pogingen van Aspasia in de
-vrouwenwereld van Athene voor een deel ondervonden deed haar des te
-liever de gelegenheid aangrijpen, die zich voordeed, om een paar
-verweesde dochtertjes van haar oudere, te Milete gestorven zuster bij
-zich aan huis te nemen. In deze teedere, doch gunstig begaafde en
-ontwikkelde meisjes, Drosis en Prasina geheeten, van welk de eene
-vijftien jaar en de ander slechts een jaar telde, geloofde Aspasia
-geschikte voorwerpen te vinden voor de verwezenlijking harer gedachten
-over de vorming van de Helleensche vrouw tot geestelijke en
-persoonlijke vrijheid. Men mocht gelooven, dat zij eens de school,
-waaruit zij kwamen, eer zouden aandoen en de zaak van Aspasia, die
-tegelijk de zaak van het geheele vrouwelijke geslacht was, tot
-overwinning zou helpen voeren.
-
-Intusschen, Aspasia was ongeduldig; zij was zeer geneigd om ver
-reikende plannen op te vatten, die natuurlijk eerst langzaam konden
-rijpen, doch zij wenschte die door koene, snelwerkende maatregelen te
-bereiken.
-
-Zulk een doortastenden maatregel nu beproefde zij om de teugels der
-heerschappij over haar geslacht te Athene zoo mogelijk in eens in hare
-macht te brengen.
-
-Onder de talrijke godsdienstige feesten der Atheners was er ook een,
-dat uitsluitend door vrouwen gevierd werd en dat op strenge straffe
-geen man bij mocht wonen. Dit was het Thesmophoriën-feest; ter eere van
-Demeter, die niet alleen als de Godin van den akkerbouw, maar ook als
-die van den echt werd vereerd, wegens de verwantschap, die de begrippen
-van zaaien en voortbrengen, oogst en geboorte samen verbindt.
-
-De heilige gebruiken van dit feest werden niet aan bepaalde
-priesteressen opgelegd, maar aan vrouwen, die telkens uit de
-verschillende stammen werden gekozen. Een zekeren tijd van te voren
-moesten de vrouwen door onthouding zich tot de deelneming aan dit feest
-voorbereiden. Zij sliepen op kruiden, welke men de kracht toeschreef
-het bloed te verkoelen en de onthouding gemakkelijker te maken. Tot
-deze behoorden de kuischlamstruik en een zekere soort van netels. De
-viering zelve bestond in feestelijke omgangen, in vergaderingen in den
-Thesmophoriën-tempel, benevens in overgeleverde gebruiken, waaronder
-ernst en scherts en plagerijen elkander afwisselden.
-
-Vier dagen lang duurde het feest. Op den eersten dag ging men naar het
-kustplaatsje Halimus en vierde in een zich daar bevindende tempel van
-Demeter zekere mysteriën. Op den tweeden dag keerde men naar Athene
-terug; op den derden waren de vrouwen van het krieken van den dag tot
-aan den avond in den Thesmophoriën-tempel vergaderd. Demeter en
-Persephone en andere Godheden werden aangeroepen en haar ter eere
-dansen uitgevoerd. In de pauzen zaten de vrouwen op kuischlam en andere
-kruiden, zooeven vermeld, en onderhielden zich met gesprekken en
-plagerijen, die bij deze gelegenheid gebruikelijk waren. Zij nuttigden
-gedurende haar verblijf in den tempel geen spijs, maar stelden zich
-voor deze onthouding schadeloos door het heerlijke offermaal, waarmede
-den volgenden dag de geheele plechtigheid besloten werd.
-
-Men denke zich de vrouwen van Athene, doorgaans opgesloten in de enge
-omgeving van haren huiselijken kring, onder de oogen harer mannen, en
-nu vier dagen lang met strenge uitsluiting der mannen aan zich zelven
-overgelaten, tot eene geweldige schaar vereenigd, feestelijke omgangen
-houdend, vervolgens in een tempel verzameld, met dansen en heilige
-gebruiken bezig, op heilige kruiden zittend en babbelend naar
-hartelust—men denke zich deze snaterende vrouwenvergadering en men zal
-licht inzien, dat zij wel geschikt was niet alleen de vrouwelijke
-tongen, maar met de tong tevens den vrouwelijken geest los te maken en
-hem tegen de oudvaderlijke beperkingen in beweging te brengen.
-
-Dit Thesmophoriën-feest nu was teruggekeerd.
-
-Wederom zaten de vrouwen van Athene in de pauzen tusschen de dansen en
-de feestzangen te babbelen op kuischlam in den Thesmophoriën-tempel.
-Wederom snaterden de stemmen luid en zacht door elkander. Waarover werd
-al niet in de verschillende groepen der vrouwen, die op den grond
-zaten, gesproken! Dezen onderhielden zich over de slechte gewoonten
-harer mannen, genen over de ondeugden harer slavinnen of klaagden er
-over, dat de kinderen van den tegenwoordigen tijd veel lastiger en
-uitgelatener waren dan in vroegere tijden: sommigen kibbelden over de
-beste manier om sesamus-koeken klaar te maken; anderen vertelden
-elkander van toovermiddelen, om in het kraambed te gebruiken, of
-deelden jongere lotgenooten raadgevingen mede over het bereiden van
-liefdedranken; er waren er zelfs, die elkander heimelijk in het oor
-fluisterden, hoe men zwangerschap huichelen en ter wille van den
-echtgenoot een ander kind kon onderschuiven. Sommigen verhaalden
-elkander spookgeschiedenissen of verhalen van Thessalische heksen of
-sprookjes of de nieuwste familiegeheimen van deze of gene vriendin. Nog
-anderen spraken over Aspasia en dit gesprek werd allengs het
-levendigste, dat in den tempel gevoerd werd.
-
-„Aspasia heeft gelijk,” zeide eene jonge, wakkere vrouw, wier frisch
-uiterlijk gunstig tegen de verwelkte en geblankette gezichten der
-meesten rondom haar uitkwam.
-
-„Aspasia heeft gelijk, wij moeten de mannen dwingen ons zoo te
-behandelen, als Pericles Aspasia doet.”
-
-„Dat willen wij!” riepen eenige aanhangsters der Milesische. „Wij
-moeten hen dwingen het huiselijk en het echtelijk leven met ons zoo in
-te richten als Pericles met Aspasia doet.”
-
-„Ik heb met mijn man reeds een begin gemaakt,” riep eene levendige,
-kleine vrouw, Chariclea geheeten. „Mijn Diagoras heeft er zich reeds
-aan gewend, mij telkens als hij thuis komt en uitgaat, een zoen te
-geven, evenals met Pericles en Aspasia het geval is.”
-
-„Ontvangt gij ook bezoeken van wijsgeeren en dient gij beeldhouwers ook
-tot model?” vroeg op spottenden toon eene van die vrouwen, wier wangen
-het meest verlept en geblanket waren.
-
-„Waarom zouden Aspasia en Chariclea het niet doen, als hare mannen het
-toestaan?” riep eene andere der vrouwen. „Ook wij zullen het doen en
-onze mannen dwingen het goed te vinden.”
-
-„Niet ieder man is tot hoorndrager geboren!” zei de eerste spreekster
-met een boosaardigen lach.
-
-„Wilt gij beweren,” riep Chariclea toornig, terwijl zij zich voor die
-vrouw plaatste, met hare handen in de zijde, „wilt gij beweren, dat ik
-mijn man tot een hoorndrager maak?”
-
-„Nog zal ik het van u niet zeggen,” hernam gene, „maar uwe
-leermeesteres Aspasia zal u dit wellicht nog leeren!”
-
-Toen deze bittere woorden waren gevallen, trad eene gesluierde vrouw
-van eene slanke en edele gestalte plotseling uit den kring van haar,
-die getuigen van dit gesprek waren geweest, te voorschijn, sloeg stijf
-vóór de vinnige spreekster den sluier terug en wierp een vlammenden
-blik op haar.
-
-„Aspasia!” riepen sommigen en snel verbreidde zich deze naam verder en
-er ontstond eene opschudding, die tot in de verste kringen zich
-voortplantte. De geheele Thesmophoriën-tempel geraakte in oproer. „Wat
-is er te doen?” riepen de verst verwijderden. „Is er soms een man
-binnengeslopen?”
-
-„Aspasia!” klonk het antwoord. „Aspasia is hier!”
-
-Op dit bericht drongen alle vrouwen zich om haar heen en weldra bevond
-zich de Milesische in het middelpunt van de geheele vergadering.
-
-Zij was gekomen, omgeven van de schaar harer geestverwanten, te midden
-van welke zij, bovendien gesluierd om niet herkend te worden, voor de
-oogen der groote menigte tot op dit oogenblik verborgen was gebleven.
-
-Door deze geestverwanten werd zij ook nu als door eene lijfwacht
-omgeven, toen zij met opgerichte gestalte een toornigen blik op de
-vermetele vestigde.
-
-Terwijl Aspasia zoo voor hare vijandin stond, drong eene van hare
-partij zich voor haar en duwde de andere de volgende hoonende woorden
-toe:
-
-„Gij hebt gelijk! Niet ieder man is voor hoorndrager geboren. Gij moest
-dat weten! Ik ken u precies! Gij zijt Critylla, die door uw eersten man
-Xanthias verstooten zijt, omdat hij ontdekte, dat gij in het nachtelijk
-uur een rendezvous met uw boel voor de deur hadt, bij den laurierboom
-die het altaar van den stratenbeschermenden Apollo overschaduwt!”—
-
-Het gelaat van Critylla werd met een donker rood overtogen en zij
-maakte aanstalten, om hare vijandin aan te vliegen. Maar zij werd door
-den aanhang van Aspasia teruggedrongen; daarop sprak deze het volgende:
-
-„Deze vrouw heeft mijn echtgenoot gehoond—gehoond alleen daarom, omdat
-hij de eerste is van alle Atheners, die de waarde der vrouw in zijne
-gade eert en haar niet tot slavin vernedert. Wanneer mannen als
-Pericles alleen ter wille van de liefde en de achting die zij hunne
-vrouwen bewijzen, spot en hoon moeten verdragen, niet alleen uit den
-mond der mannen, maar zelfs van den kant van het vrouwelijk geslacht,
-hoe kunt gij dan hopen, dat uwe echtgenooten zullen besluiten het
-voorbeeld van den edelsten der mannen te volgen?”
-
-„Zoo is het inderdaad!” zeiden de vrouwen uit den kring, terwijl zij
-elkander aanzagen. „Critylla heeft zich vergrepen, door Pericles en
-Diagoras te beschimpen. Gaven de Goden, dat alle mannen waren als
-deze!”
-
-„De mannen zijn, zooals gij ze verdient!” vervolgde Aspasia. „Beproeft
-het maar eens, den onweerstaanbaren invloed, die aan het vrouwelijke
-geslacht verleend is, te gebruiken! Gij hebt tot heden verwaarloosd die
-macht in u te ontwikkelen, ja, het schijnt mij, dat gij die niet eens
-hebt gekend. Uwe slavernij is eene vrijwillige. Gij praalt met den
-titel van meesteressen des huizes en gij wordt korter gehouden dan
-slavinnen—want slavinnen mogen toch vrij zich op de straat of op de
-markt vertoonen. Gij zijt gevangen! Is dat niet zoo?”
-
-„Zoo is het inderdaad!” riep eene der vrouwen in den kring. „Mijn man
-heeft eens, toen hij voor een paar dagen op reis was, mij in het
-vrouwenvertrek opgesloten en de deuren daarvan met zijn cachet
-verzegeld.”
-
-„De mijne,” riep eene andere, „heeft een grooten Molosser-hond gekocht,
-die aan de deur wacht moet houden, alleen opdat geen minnaar in zijne
-afwezigheid binnen moge sluipen.”
-
-„Niet eens het huishouden is u zonder voorbehoud toevertrouwd,” ging
-Aspasia voort.
-
-„Volkomen waar!” viel weder eene der vrouwen levendig in; „mijn man
-draagt den sleutel der provisiekamer altijd bij zich.”
-
-„Loopen zij niet zelven op de markt, om vleesch en groenten in te
-koopen?” riep eene tweede.
-
-„Ja, zelfs wanneer het oorlogstijd is,” riep eene derde, „en de mannen
-gewapend loopen, kan men den een of ander van hen geharnast en met het
-Gorgo-schild aan den arm op de markt om eieren en groenten zien
-pingelen, of hij brengt te paard pekelvleesch in zijn metalen helm naar
-huis.”—
-
-„En daar zij u niet eens aan den huiselijken haard het gezag hebben
-gelaten,” sprak Aspasia, het woord weder opvattende, „is het niet te
-verwonderen, dat zij u nog veel minder veroorloven in openbare
-aangelegenheden een woord mede te spreken. Komen zij van de Pnyx waar
-over vrede en oorlog gehandeld is, durft gij het dan in uw hoofd
-krijgen te vragen, wat daar beslist is?”
-
-„Waarachtig niet!” riepen de vrouwen. „Wat raakt het u!” heet het dan.
-„Blijf bij uw spinnewiel en zwijg!”
-
-„En als gij niet zwijgt?”
-
-„Dan is het nog erger!”
-
-„Mijn man,” zeide eene der vrouwen, „zeurt tot vervelens toe mij die
-oude, flauwe spreuk voor: het schoonste sieraad der vrouw is
-stilzwijgen!”
-
-„Die kennen we ook, die spreuk! Zij is in den mond van alle mannen!”
-klonk het in den kring.
-
-„Waartoe hebben wij dan eene tong?” vroeg eene van haar en zij voegde
-er bij: „Soms alleen tot kussen, likken en trekkebekken?”
-
-De vrouwen lachten onbeschaamd over die woorden; want zij waren onder
-elkaar.
-
-Aspasia echter ging voort:
-
-„Zij willen dat gij onontwikkeld en dom zult zijn; want dan alleen
-kunnen zij u overheerschen. Van het oogenblik af, waarop gij verstandig
-en wijs, waarop gij u van de macht bewust wordt, die aan het vrouwelijk
-geslacht boven het mannelijke gegeven is, van dat oogenblik is het uit
-met hunne tyrannie. Gij meent reeds alles gedaan te hebben, als gij uw
-huis rein houdt, als gij uwe kinderen wascht en zoogt, als gij er op
-let, dat de wol aan uw kleed niet door de mot verteerd en het garen aan
-den weefstoel niet door de hoenders vernield wordt, en wanneer iemand
-uwer nog iets wil doen om haar man te behagen, dan meent zij met een
-crocusgeel kleed en puntschoenen, een doorzichtig oppergewaad en met
-zalfdoosjes en eenige cinnaber [323] dit doel te zullen bereiken. Maar
-alleen in de handen van haar, die ook een weinig geest bezitten, is
-lichamelijke schoonheid en versiering een voor de mannen gevaarlijk
-wapen. Waardoor echter kunt gij datgene, wat ik een weinig geest
-noemde, verwerven, dan door een vrijer verkeer in de wereld, waarvan de
-mannen als met een ijzeren muur u afsluiten? Het moet u in het vervolg
-veroorloofd zijn de duffe gemoederen met den instroomenden adem der
-vrijheid te reinigen en te verfrisschen, de buitenwereld op u te laten
-werken en, evenals gij de indrukken der wereld en der gebeurtenissen in
-u opneemt, moet gij wederkeerig in de wereld en het leven invloed
-uitoefenen met de alles veredelende vrijheid van den ontwikkelden,
-vrouwelijken geest. De vrouwelijke geest moet met den mannelijken in de
-wereld zich tot eene vereende kracht verbinden. Dan zal niet alleen het
-huwelijk en het geheele huiselijke leven hervormd worden, dan zullen de
-kunsten tot haar schoonsten bloei geraken, dan zal de oorlog en al het
-ruwe onder de menschen een einde nemen. Laat ons een verbond sluiten,
-eene vreedzame samenzwering maken en elkander de gelofte afleggen, dat
-wij met alles wat in ons is, voor het recht van ons geslacht willen
-strijden, om die macht vrij te ontwikkelen, welke tot onze roeping
-behoort.”
-
-Eene levendige toejuiching begroette deze woorden van Aspasia van den
-kant van een groot deel der vergadering; toen echter volgde zulk een
-luid en verward geluid van stemmen, dat men niets duidelijks meer
-onderscheiden kon, daar de vrouwen onder elkander het onderwerp met
-heftigheid begonnen te behandelen en allen eensklaps tegelijk spraken.
-’t Was alsof een trekkende troep luid snaterende en krijschende vogels
-zich in den Thesmophoriën-tempel had neergelaten.
-
-Eindelijk echter zag men eene spichtige, schoon nog levendige en
-krachtige gestalte, door den dicht opeen gedrongen hoop met de armen
-zich baan maken en zich naar het midden van den kring, waar Aspasia
-stond, heendringen. De witte doek, die haar hoofd omhulde, verborg ook
-het grootste deel van haar gezicht, zoodat men haar niet aanstonds kon
-herkennen. Toen zij echter in ’t midden van den kring bleef staan en
-haar oog met eene boosaardige uitdrukking op Aspasia vestigde, herkende
-men de scherpe, schier manlijke trekken der fiere zuster van Cimon.
-
-Elpinice was gevreesd in geheel Athene, gevreesd door al hare
-geslachtgenooten. Zij heerschte door de macht harer tong, door hare
-bijna manlijke wilskracht, door den wijden kring harer relatiën. Daarom
-ontstond er onmiddellijk een angstig stilzwijgen, toen de zuster van
-Cimon met de volgende woorden Aspasia te lijf ging:
-
-„Met welk recht verstout zich hier de vreemdeling het woord te nemen in
-den kring van geboren Atheensche vrouwen?”
-
-Deze vraag van Elpinice maakte plotseling een diepen indruk, en vele
-der vrouwen, goedkeurend met het hoofd knikkend, verwonderden zich dat
-deze gedachte niet terstond bij haar opgekomen was.
-
-Elpinice echter vervolgde:
-
-„Hoe durft de Milesische het wagen ons de les te willen lezen? Wil zij
-zich soms met ons op ééne lijn stellen? Is zij met ons opgegroeid?
-Heeft zij onze zeden, onze gebruiken gevolgd, onze heiligdommen van
-kindsbeen af met ons vereerd? Wij zijn Atheensche vrouwen; wij hebben
-op ons achtste jaar het heilige gewaad der Arrhephoren gedragen, wij
-hebben tien jaar lang het offermeel in den tempel van Artemis gemalen,
-wij zijn bij het Braurons feest [324] als bloeiende jonkvrouwen aan die
-zelfde Godin gewijd, wij hebben als korfdraagsters den feeststoet der
-Panathenaeën gevolgd. En deze hier? Uit den vreemde is zij gekomen,
-door geen Goden begeleid, zonder zegen van Goden, eene gelukzoekster,
-misdadig en geslepen, en nu wil zij zich in onzen kring dringen, omdat
-zij een Atheensch man zoo heeft weten te begoochelen, dat hij haar
-tegen wet en zeden in zijn huis heeft opgenomen?”
-
-Rustig, maar niet zonder een spottenden glimlach, antwoordde Aspasia:
-
-„Gij hebt gelijk! Ik ben niet opgegroeid in de muffe eenzaamheid van
-een Atheensch vrouwenvertrek; ik heb niet uw Braurons feesten in
-saffraankleurig rokje medegevierd, ik heb niet bij uwe Panathenaeën
-eene feestkorf over het hoofd en een snoer van verdroogde vijgen om den
-hals gedragen, ik heb niet medegehuild op de daken bij uwe
-Adonis-feesten [325]. Ik heb hier niet als Atheensche burgeres tot
-Atheensche burgeressen, ik heb als vrouw tot vrouwen gesproken!”
-
-„Mannenverleidster! Goddelooze slang!” riep Elpinice nog heftiger
-vertoornd uit, „waagt gij het onze tempel te betreden, onze
-heiligdommen met uwe tegenwoordigheid te ontwijden?”
-
-Deze woorden werden met onstuimigheid uitgestooten. De korte haartjes
-op Elpinice’s bovenlip rezen te berge. De vriendinnen van Elpinice, die
-zich om haar vereenigd hadden, namen tegenover de Milesische eene
-dreigende houding aan.
-
-Maar ook Aspasia’s geestverwanten schaarden zich nauwer om haar
-leidsvrouw, bereid om haar te verdedigen. En niet gering was het getal
-dergenen in den Thesmophoriën-tempel, die nog de partij van Pericles’
-gade kozen.
-
-Wederom gonsde een verward, levendig rumoer van stemmen en menig heftig
-woord dreigde een hartstochtelijken strijd der partijen aan te
-wakkeren.
-
-Toen wist de onverschrokken zuster van Cimon zich nogmaals gehoor te
-verschaffen, om de krachtigste harer troeven uit te spelen.
-
-„Denkt aan Telesippe!” riep zij met luider stemme; „herinnert u, hoe
-deze vreemde gelukzoekster, deze Milesische hetaere eene Atheensche,
-wettige vrouw van haar haard, van de vrucht van haren schoot, van haar
-echtgenoot heeft verdrongen! Wie uwer gelooft zich veilig tegen de
-boeleerkunsten van deze vrouw, als het haar in den zin komt ook de
-mannen van andere vrouwen te verleiden? Vóór gij luistert naar het
-gesis van deze slang, herinnert u, dat zij gif in haar mond verbergt!—
-
-„Ziet haar ginds,” viel Elpinice zich zelve in de rede, de oogen naar
-een hoek van den tempel wendend, „ziet ginds Telesippe! Ziet haar in
-rouw en droefheid verzonken—ziet haar bleek gelaat—ziet hoe haar de
-tranen langs de kaken rollen alleen bij de herinnering aan hare
-kinderen!”—
-
-De hoofden van alle vrouwen keerden zich om en volgden Elpinice’s
-blikken, en zij zagen naar de verstooten vrouw van Pericles, die op
-eenigen afstand stond en bleek van gramschap en spijt naar Aspasia
-blikte.
-
-Elpinice echter ging voort:
-
-„Weet gij, wat zij van ons Atheensche vrouwen denkt? Behoef ik het u te
-zeggen? Heeft zij zelve het u niet gezegd? Zij houdt ons voor dwaas,
-voor onwetend, voor onervaren, de liefde van een man onwaardig, en
-genadig wil zij zich vernederen om ons te leeren, zich in haren trots
-zeker bewust, dat wij toch nooit kunnen worden als zij zelve de
-schoone, de wijze, en onvergelijkelijke, de alles betooverende
-Milesische, met wie zelfs de schoonsten van u zich nimmer kunnen
-meten!”
-
-Deze taal van Elpinice had eene ongeloofelijke uitwerking op de geheele
-vergadering der vrouwen. Veranderd was plotseling de stemming, zelfs in
-de harten dergenen, die tot nu toe Aspasia genegen waren geweest.
-
-Elpinice nam opnieuw het woord:
-
-„Weet gij, wat hare vrienden, de trouwe aanhangers van Pericles, van
-haar zeggen, en wat reeds alle mannen van Athene onder elkander
-herhalen? Aspasia is de beminnelijkste vrouw van Athene—ja, de eenige
-beminnelijke vrouw van Athene—naar Milete moet men gaan, zeggen zij,
-als men schoone en betooverende vrouwen vinden wil!”
-
-Bij deze woorden brak de woede der vrouwen en hare met boosaardige
-sluwheid aangewakkerde gramschap in lichte vlammen uit. Men begon met
-woest getier, met opgeheven armen op Aspasia los te gaan. Deze echter
-stond rustig en richtte hare fiere, ongebogen gestalte nog hooger op;
-zij sprak, bleek van toorn, doch met een blik van onbeschrijfelijke
-minachting:
-
-„Bedaart wat, gij knollen-, peterselie- en komkommerwijven! Bedaart
-wat, gij appel-, kaas- en boterwijven!—Waarom schreeuwt en tiert gij
-zoo, waarom dringt gij op mij aan? Denkt gij mij ook nog te krabben en
-te bijten?”
-
-De weinige trouw en moedig gebleven volgelingen van Aspasia wierpen
-zich tusschen beiden, er ontstond een wild rumoer en bijna eene
-vechtpartij onder de vrouwen. Eenigen van Elpinice’s partij maakten
-aanstalten, om Aspasia de oogen met de nagels uit te krabben; anderen
-trokken de scherpe gespen van hare kleederen en gingen daarmede
-dreigend op de vijandin los. Deze echter verliet onder de bescherming
-dergenen, die zich nog dapper om haar schaarden, haastig den
-Thesmophoriën-tempel.
-
-Zóó eindigde de poging van Aspasia om de vrouwen van Athene door den
-geest te bevrijden.
-
-
-
-
-
-
-
-XVII.
-
-HET MEISJE UIT ARCADIË [326].
-
-
-Eenige jaren waren zoo voorbijgegaan. Aspasia had moedig gestreden,
-maar zij mocht zich niet beroemen gezegepraald te hebben. Het
-onstuimige tooneel in den Thesmophoriën-tempel was in de stad bekend
-geworden en Aspasia had de vernedering te verduren, die onder alle
-omstandigheden met eene nederlaag gepaard gaat. Het ontbrak overigens
-ook niet aan dezulken, die haar aanhingen: het grootste deel echter van
-haar geslacht was door nijd, verblinding en de boosaardige
-uitstrooisels harer vijandinnen op haar gebeten.
-
-Eene zwaarmoedige stemming maakte zich soms van Pericles meester. Hij
-dacht aan het onbewolkt geluk, dat hij met de Milesische in de korte,
-maar zalige, eenzaamheid aan het Ionische strand had gesmaakt. Soms
-maakte zich een gevoel van hem meester, als moest hij nogmaals de
-zorgen van den dag afschudden en wegvluchten uit het woelige Athene,
-waar zijn beste oogenblikken door den hatelijken laster der menschen,
-die als het gegons der bijen zijn hoofd omzweefden, verbitterd werden.
-
-Toen de tijding te Athene kwam dat Phidias in Elis zijn gouden en
-ivoren standbeeld van den Olympischen Zeus had voltooid, het grootste
-en verhevendste zijner werken, hoe bekoorde toen Pericles het denkbeeld
-om met Aspasia een kort uitstapje te maken naar het Dorische land! Maar
-Aspasia scheen de tocht al te moeilijk door het bergland van Argos en
-Arcadië, en slechts als een aangename scherts beschouwde zij de
-gedachte aan zulk eene reis, toen zij voor het eerst tusschen hen beide
-ter sprake gebracht werd.
-
-In het Atheensche volk was langzamerhand die afkeer tegen de gade van
-Pericles binnengeslopen, waarmede schoone en invloedrijke vrouwen, wier
-lot met dat van een hooggeplaatst man verbonden is, bijna altijd te
-kampen hebben. Men ging voort haar geheimen invloed op de politieke
-plannen en ondernemingen van Pericles toe te schrijven en te beweren
-dat zij Pericles opzette zich tot tyran van geheel Hellas op te werpen.
-De uitgelatene blijspeldichters, aan wier spits Cratinus, de vriend van
-Polygnotus, stond, die nog sedert het feestmaal van Hipponicus op de
-Milesische gebeten was, spitsten hunne pijlen tegen haar al scherper en
-scherper. De Attische Muze geleek op de bij: zij droop van honig, doch
-zij verborg ook een scherpen angel.
-
-Pericles werd toornig en trachtte den overmoed der comedie te beperken.
-
-Deze poging werd ten aanschouwe der heele wereld aan den invloed van
-Aspasia toegeschreven.
-
-„Houden zij mij voor een ouden leeuw,” zeide Cratinus, „wien de tanden
-zijn uitgevallen en die alleen nog kwijlen kan?”
-
-En in zijne volgende comedie slingerde hij onbeschaamd voor de oogen
-der gezamelijke Atheners een gemeen scheldwoord naar Aspasia’s hoofd.
-
-Het schimpwoord van Cratinus was gruwzaam beleedigend, bijna
-vernietigend. De afgunst der geheime en openlijke vijanden van Aspasia
-kon schier geen erger bedenken. De spotzieke menigte ving het begeerig
-op en herhaalde het. De grond van Athene begon te gloeien onder de
-voeten der Milesische...
-
-Van dien dag af was de reis naar Elis tusschen Pericles en Aspasia eene
-uitgemaakte zaak. Minder bezwaarlijk vond de diep gekrenkte thans, het
-Pelops-schiereiland [327] te betreden, dan op den brandenden bodem van
-Athene te vertoeven.
-
-Te Athene was de Milesische te zeer door belangstellenden en
-nieuwsgierigen omgeven, die als ’t ware in de stralen van haren geest
-en van hare schoonheid zich koesterden. In de ernstige, stille beemden
-van Argos, op de idyllische hoogten van Arcadië, zelfs in het gewoel
-van Olympia zou zij, naar Pericles’ meening, wederom geheel en al
-uitsluitend voor zijn en haar geluk leven.
-
-Snel werden de voorbereidingsmaatregelen voor de reis genomen, en
-weldra kon de zuster van Cimon, die van alle dingen het eerst op de
-hoogte was, aan het babbelziek Athene vertellen, dat Pericles op ’t
-punt stond naar Olympia te vertrekken en dat de verwijfde held zijne
-beminde Aspasia—die overigens wél deed zich aan de schande, waarmede
-zij te Athene overladen werd, te onttrekken—niet missen wilde. Er waren
-velen die zich vroolijk maakten over dat onafscheidelijk paar. Velen
-echter waren er ook, die het in stilte benijdden....
-
-Een licht voertuig bracht de beide getrouwen tot aan den Isthmus [328].
-Slaven en muildieren waren tot aan Corinthe vooruit gezonden, om
-vandaar in de reis over de moeilijke wegen van de Peloponnesus
-behulpzaam te zijn.
-
-Hoe vrij ademden beiden, toen zij het anders zoo geliefde Athene achter
-zich hadden!—Zij wisten niet, dat zij, uit Athene, als ’t ware
-vluchtend, het hun beschoren lot niet vertraagden, maar integendeel
-bespoedigden...
-
-Van de prachtige land- en zeegezichten, die in onafgebroken afwisseling
-zich aan hun oog voordeden, tot aan de monumenten aan de kanten van den
-weg, de Hermes-zuilen en het Hecate-huisje aan de kruiswegen was alles
-voor het thans weder gelukkige paar opwekkend, alles belangrijk.
-
-Zij vonden den breeden weg van Eleusis vol reizigers. Men zag vrome,
-menschlievende lieden voor de beelden en kapellen der reisgoden
-vruchten en andere spijzen nederleggen, opdat arme en hongerige
-zwervers zich daaraan konden verkwikken. Hier en daar stonden
-ooftboomen aan den kant van den weg geplant, wier vruchten eveneens
-gemeen goed voor alle dorstigen waren. Ook aan herbergen ontbrak het
-niet.
-
-„Een reislievend volk zijn wij Hellenen,” zeide Pericles tot Aspasia.
-„Alom aangeknoopte banden van gastvrijheid en vroolijke feesten lokken
-van plaats tot plaats. Ook voor den reiziger is, zooals gij ziet, goed
-gezorgd.”
-
-Aan de berghellingen ter zijde van den weg ontsprong menige vroolijke
-bron uit de rotsen. In den reuzenstam des populiers, die de bron
-overschaduwde, had menig rustend wandelaar, om zijn dankbaar gemoed uit
-te storten, eene spreuk of een vers gesneden, soms ook een wijgeschenk
-aan de takken opgehangen.
-
-Bloeiende, met tempels en zuilen prijkende steden en vlekken deden zich
-aan de blikken der beide reizigers op. Eerst Eleusis, de heilige stad
-der mysteriën, waar, op Pericles’ bemoeiing, juist een nieuw, fraai
-gebouw voor het vieren der mysteriën verrees. Vervolgens Megara, de
-stad der Doriërs, welks aanblik in Aspasia’s geest onaangename
-herinneringen terugriep. Haar vriendelijk gelaat verduisterde; zij
-zweeg, doch het onvergeten leed en de onverzoende smaad persten haar
-een traan van weemoed en smart af. Pericles begreep haar en zeide:
-
-„Troost u! Uwe vijanden zijn ook de mijne. Megara zal boeten, voor wat
-het misdeed!”
-
-Aangekomen in het van menschen wemelende Corinthe, begaf Pericles zich
-naar het huis van zijn gastvriend Amynias, die hem en zijne gemalin met
-de hoogste eerbewijzen ontving.
-
-Al te verleidelijk blonk den aangekomenen de hoogte van de wijd en zijd
-uitziende Acrocorinthes, de Acropolis der stad Corinthe, tegen, de door
-bloemen en kruiden dicht bewassen rotsberg, steil afhellend naar de
-stad, een wachtpost van het Helleensche land. Van zijne kruin
-schitterde de oude, beroemde tempel van de Godin der liefde. Want
-evenals het van geest tintelende Athene zich onder de bescherming van
-de schrandere Pallas Athene had gesteld, zoo had de rijke,
-genotlievende handelsstad tot schutsvrouw de vreugdeverspreidende
-Aphrodite gekozen. Evenals Pallas Athene daar, was hier Aphrodite de
-beheerscheres van den burg en gewapend stond zij in haar heiligdom. Van
-de hoogste rotskruin schitterden hare tempeltinnen verre over de zee,
-tevens als een baken voor de zeelieden. Duizend Hierodulen, dienaressen
-der Godin, bekoorlijke en goedgunstige dochters der vreugde, woonden in
-het tempelgebied op de berghoogte, die door aangelegde terrassen,
-zuilengaanderijen, tuinen, priëelen, baden en gastverblijven op eene
-zoo ver uitziende vlakte, tot een dubbel vriendelijk Eden omgeschapen
-was.
-
-Van deze hoogte nu, in het middelpunt van de Helleensche landen en
-zeeën zich verheffend, overzagen Pericles en Aspasia al die grillig
-gevormde, in eigenaardige kleurschakeering prijkende bergtoppen; zij
-zagen in het noorden de besneeuwde kruin van den Parnassus en verder
-oostwaarts den Helicon, zij begroetten Attica’s bergketens en met niet
-geringe blijdschap zagen zij zelfs de liefelijke, bekende rotshoogte
-van de Atheensche Acropolis door den reinen aether uit de verte
-opdoemen. Zuidwaarts weidde hun blik over de hoogten van Noord-Arcadië.
-Zij zagen tusschen de tallooze bergen en dalen de blinkende zeeboezems
-en kusten, ook groenende of rotsgrauwe zeeëilanden, alles door de
-bekoorlijkheid van een onvergelijkelijk licht overgoten.
-
-In dit liefelijk gezicht werden Pericles en Aspasia eenigszins gestoord
-door den zwerm van Hierodulen, die in de nabijheid van het tempelgebied
-in de zuilengangen en priëelen omzwierven.
-
-„Gij hebt te Athene,” zei de Corinthische gastheer, die het paar
-vergezelde, terwijl hij een blik op deze schoonen sloeg, tot Pericles,
-„gij hebt zulk een soort van eeredienst nog niet en gij zult wellicht
-in deze priesteressen, die zich ten gunste van den tempelschat
-prijsgeven, geen heilige personen zien. Bij ons staat zulk
-priesterschap sedert langen tijd in hoog en eerwaardig aanzien. Deze
-gulle, vroolijke meisjes, die den dienst van Aphrodite vervullend, zich
-in haar gemoed tot de moeder der liefde zoeken te verheffen, zijn bij
-offers en andere godsdienstige plechtigheden tegenwoordig, nemen aan de
-feestelijke optochten der burgers deel en zingen daarbij een paeän ter
-eere van Aphrodite. Men wendt zich tot haar om voorspraak bij de Godin,
-de beschermvrouw onzer stad. Gij glimlacht? Nu, gij Atheners moogt
-meenen dat gij aan Pallas Athene meer te danken hebt. Bij u is de staat
-vermogend en invloedrijk, bij ons zijn het de enkele burgers. Ieder is
-een Croesus een koning op zich zelven en verheugt zich in de door
-handel en scheepvaart verworven goederen des levens. Wij streven niet
-naar macht en invloed in Griekenland, wij verspillen onze schatten niet
-aan den bouw van vestingwerken of vloten en dergelijke zaken, doch wij
-leven prettig en gelooven dat per slot van rekening toch alleen de
-individu leeft en het geheel maar een bloot begrip is. Het moge zijn,
-zooals het wil, en gij Atheners moogt nog zoo minachtend op ons
-nederzien, gij hebt toch den weg ingeslagen, die u nader tot ons
-brengt. Gij bemint en beoefent het schoone, waarmede toch altijd de
-liefde voor de aangenaamheden des levens gepaard gaat.”
-
-Deze woorden van den Corinthiër maakten een diepen indruk op Pericles,
-zonder dat hij er veel acht op scheen te slaan. Hij staarde naar de
-bergen van de Peloponnesus en sprak na eenigen tijd met een lichten
-glimlach, zich tot Aspasia richtend:
-
-„Het is opmerkelijk, dat ons juist hier, als ’t ware aan den drempel
-van den ernstige, strenge Peloponnesus, nog het beeld van de hoogste
-weelderigheid van het Helleensche leven tegenstraalt. Wie zou kunnen
-gelooven, wanneer men van het vroolijke, kunstlievende, gedachtenrijke
-Athene komt, of als hier in het genotlievende Corinthe door
-verleidelijke Hierodulen omgeven, op de hoogte van den Aphrodite tempel
-staat, dat op zoo’n geringen afstand aan gene zijde van den Isthmus en
-die somber zich verheffende bergen, op Arcadië’s hooglanden, een
-onbedorven herdersvolk in oudvaderlijken eenvoud leeft? Dat tegenover
-die plaatsen van een schoonen genotvollen lediggang, daar boven aan
-genen kant der bergen de ruwe Spartaan en de sombere, mokkende
-Messeniër, ruigharigen leeuwen of wolven gelijk, in afschuwelijke
-kloven of donkere wouden op leven en dood elkander bekampen? Welk een
-worstelplaats van wilde heldhaftige kracht is van overoude tijden die
-strook lands aan gene zijde der opdoemende bergen! Uit burgten, gebouwd
-uit op elkander gestapelde rotsblokken, trokken de Argivische vorsten
-tegen Ilium op. Op de paden van de Peloponnesus betraden Heracles en
-Perseus hun heldenbaan, doodden leeuwen en bestreden het slangengebroed
-in de kloven en de verderfaanbrengende vogels in de lucht. En worstelt
-niet nog ten huidigen dage op de velden van Pelop’s schiereilanden, op
-den Isthmus te Nemea, te Olympia, mannelijke kracht en moed om den
-prijs? Stroomen niet derwaarts de mannen van geheel Hellas, tuk op den
-lauwertak van lichaamskracht? Somber, dreigend en ruw schijnt deze
-Peloponnesus, en de wateren van den Styx [329] besproeien niet te
-vergeefs zijn woest bergland. Maar wij willen hare verschrikkingen
-trotseeren, wij willen ons in het hol van den leeuw wagen. En als wij
-weekelijk en verwijfd worden, willen wij met nieuwen kracht ons sterken
-in die ruwere lucht.”
-
-„Sedert wanneer,” zei Aspasia glimlachend, „is Pericles een
-bewonderaar, ja zelfs een benijder van de ruwe en eenvoudige mannen van
-gene zijde van den Isthmus geworden? Troost u maar, dierbare vriend!
-Laat hen daar worstelen en strijden, zooveel zij willen. Over hunne
-sombere berghoogten schittert niet als over Athene’s Acropolis het
-zegevierende licht van Pallas Athene!”—
-
-Onder een sterk geleide braken de reizigers den volgenden morgen van
-Corinthe op, om met blijden moed hun tocht door het Dorische land over
-de Argolische bergen te beginnen. Aspasia weigerde doorgaans van den
-draagstoel gebruik te maken, dien Pericles uit liefderijke zorg voor
-haar had laten gereed maken en die door slaven of muildieren over de
-moeilijke plaatsen van het gebergte kon gedragen worden. Zij gaf er de
-voorkeur aan, om op een muildier naast haar echtgenoot te rijden. En
-zoo trokken zij dan, onder vertrouwelijken kout, door de suizende
-bergwouden, den loop der beken te gemoet, die zich in de kloven
-nederstortten, bereikten over steile hellingen en boschrijke toppen de
-vrije bergvlakten, soms ook door bergpassen en dalen, waar oleander- en
-lentiscusstruiken en wilde pereboomen over het donkere pad hun
-schaduwrijke twijgen in elkander strengelden.
-
-Op zulke sombere wegen sloeg nochtans de moedige Aspasia soms een
-angstig bespiedenden blik in het struikgewas, om te zien of niet de
-donkere gestalte van een roover daaruit te voorschijn zou springen. Dan
-glimlachte Pericles en zeide, met een blik op het goedgewapende met de
-wegen vertrouwde gevolg van inlanders, die hij tot begeleiding door het
-gebergte had medegenomen:
-
-„Vrees niets, Aspasia! Reeds sedert lang zijn de wilde reuzen op deze
-paden uitgeroeid, en geveld is reeds lang de pijnboombuiger Sinis
-[330], de snoode wreedaard. Alleen voor de slangen van deze hoogten en
-dalen moeten wij op onze hoede zijn: want gij herinnert u wel, wat hier
-zeer nabij op Nemea’s grondgebied geschiedde, toen de voedster het
-knaapje in het gras legde, om voor de langstrekkende „Zeven tegen
-Thebe” [331], op hun verzoek, een dronk verkwikkend water te halen.”
-
-Na eene vermoeiende dagreis bevonden zich de reizigers aan het begin
-van de Inachus-vlakte en zagen tusschen twee grauwe, spitse bergen den
-in de sagen beroemden heerscherszetel van Agamemnon, den overouden
-wachter dezer bergpassen, den burg van Mycenae, loerend op zijn
-rotskruin liggen—„in den hoek van Argos”, naar de woorden van het
-Homerisch lied. Ter rechter zijde verhief zich de kale kegelvormige
-berg met den ouden burg Larisa, de Acropolis der stad Argos, welke aan
-den voet van den berg over eene ruime uitgestrektheid in de vlakte
-gelegen, nog steeds bloeiend en niet minder sterk bevolkt was dan de
-stad der Atheners. Over de uitgebreide strandvlakte van het
-„paardenvoedende Argos” [332] schitterde de blauwe zeeboezem van
-Nauplia. Bergketens, in de tinten van de ondergaande zon gedoopt,
-hieven hier hunne veelgetakte kruinen ten hemel en liepen ginds met
-groote krommingen tot aan de zee. Ook aan gene zijde van de blinkende
-golf doemden de nevelachtige omtrekken van geweldige bergkruinen op.
-
-Eene zonderlinge gewaarwording maakte zich van de reizigers meester.
-Hunne blikken hingen aan het grauwe rotsgevaarte van Mycenae, de sporen
-van den koningsburg der Pelopiden zoekend en al de andere
-onvernietigbare overblijfsels van Cyclopische schathuizen, graven,
-muren en gewelven van den voortijd.
-
-Toen zij Mycenae zelve hadden bereikt, was de duisternis ingevallen.
-Zij stonden op de rotshoogte, waar het grauwe muurwerk, uit
-reusachtige, loodrecht gehouwen rotsblokken opgestapeld, door mos en
-klimop overdekt, in de schemering schier dreigend en beangstigend zich
-verhief. Nochtans versmaadden zij het, naar beneden te gaan tot de
-woonplaatsen der weinige Myceners, die in de reeds lang vervallen en
-schier uitgestorven heerscherstad der Atriden [333] nog woonden.
-Pericles en Aspasia besloten den lauwen zomernacht in de nabijheid van
-deze eerwaardige overblijfsels van het verleden onder eene tent door te
-brengen. Thans ging de maan op en baadde het muurwerk en de hoogte
-zelve, met alle bergkruinen van Argos rondom en de vlakte daartusschen
-tot aan de verre golf, in haar zilveren licht. Hoewel vermoeid, konden
-Pericles met Aspasia de bekoring van dit tooverachtig, heldere
-maanlicht niet weerstaan. Zij putten nieuwe kracht uit de zonderlinge
-opgewektheid hunner gemoederen. Voor weinige dagen nog omgaf hen het
-woelige Athene en thans stonden zij op Mycenae’s puinhoopen, door de
-huiveringwekkende stilte van den sterrenhelderen nacht omgeven, in de
-sombere eenzaamheid der Argolische bergen. De geest van Homerus kwam
-over hen. In het ruischen van den wind, in het suizen der bergtoppen
-vernamen zij iets, wat hun als een zwakke nagalm klonk van zijn
-onsterfelijk heldenlied. Het licht der volle maan, dat rondom op Argos’
-bergtoppen scheen, herinnerde hen aan de wachtvuren, die eens hier van
-den eenen bergtop tot den anderen flikkerden, om de mare van de zege
-der Hellenen over zee en gebergte herwaarts te brengen tot aan den burg
-van Agamemnon, waar de woeste Clytemnaestra, aan de zijde van haar
-minnaar Aegisthus, den terugkeer van den zegevierenden
-Hellenen-aanvoerder met in ’t geheim geslepen moordstaal verbeidde. En
-binnen deze verlaten puinhoopen, die daar vóór hen lagen, in de
-doodstille, nachtelijke eenzaamheid, werd dit moordstaal getrokken.
-Achter deze muren verstierf dof het doodsgerochel van den huiswaarts
-gekeerden heerscher der volkeren...
-
-Pericles en Aspasia liepen langs den geweldigen muur, die den kant van
-den steilen burgtheuvel met talrijke hoeken en bochten omgaf. Zij
-bereikten de overoude, beroemde leeuwenpoort, den eerwaardigen ingang
-van den Atriden-burg, waarboven het oudste beeldwerk van het werelddeel
-prijkte. Door deze poort betraden zij de burgtruimte en stonden voor de
-binnenmuren, waarachter eens de Atriden tegen elken aanval veilig
-leefden; doch alleen de grondvesten wezen hun de plaats der eigenlijke
-vorstenvertrekken. Zij zetten hunne wandeling voort en bereikten
-verder, niet meer op de hoogte van den berg, maar op zijne helling, het
-eerwaardige, ongeschonden, ronde gebouw, dat een schatkamer en de
-grafkelder tevens der Pelopiden was.
-
-Toen Pericles en Aspasia dit gebouw naderden, verschikte hen de
-gestalte van een reusachtig man, die vóór de poort lag en die bij de
-nadering der vreemdelingen zich halverwege oprichtte. De man herinnerde
-hen aan de reuzengestalten van Hemorus, die tegen elkander rotsblokken
-slingerden, wier gewicht de latere stervelingen niet meer van den grond
-konden opheffen. Pericles sprak hem toe en bemerkte na eene korte
-woordenwisseling, dat hij met een in de bergen van Argos ronddolenden
-bedelaar te doen had. Zijne leden waren karig met lompen bedekt, zijn
-donkergebruind gelaat was als verweerd door wind en regenjachten. Zóó
-wellicht zal de zwaar beproefde zwerver Odysseus er uitgezien hebben,
-op het oogenblik, dat hij als schipbreukeling het vasteland bereikte,
-nadat hij dagen lang zwemmend met de zee had geworsteld en het scherpe,
-zilte nat zijn leden had geteisterd.
-
-De grijze, zonderlinge, reusachtige bedelaar beweerde, dat hij den
-schat van Atreus bewaakte en zonder zijne toestemming niemand de poort
-van het gebouw mocht naderen. Van ongehoorde, gouden schatten begon hij
-te bazelen, die in geheime hoeken van deze rotskamers nog altijd
-verborgen lagen en die den vinder tot den rijksten aller stervelingen,
-tot aanvoerder en koning in Hellas, tot erfgenaam en opvolger van den
-Hellenen vorst Agamemnon zouden maken.
-
-Glimlachend zei Pericles tot Aspasia: „Wel was Mycenae in overoude
-tijden beroemd als de stad, die het rijkst was aan goud, van alle
-Helleensche steden; maar ik denk, dat het goud van Mycenae reeds lang
-naar Athene is gevloeid en wij behoeven het niet meer te zoeken. Toch
-trekt mij deze zonderlinge rotsgroeve der Atriden onweerstaanbaar aan.
-
-„Voer ons heden nog in het gebouw, dat gij bewaakt,” vervolgde
-Pericles, tot den reus zich wendend. „Wij zijn Atheners en naar de
-bergen van Argos gekomen, om aan het stof der goddelijke Atriden onze
-hulde te bewijzen.”
-
-Toen beval hij eenigen slaven fakkels aan te steken. De bedelaar, op
-wien de persoonlijkheid van Pericles eene zekere macht scheen uit te
-oefenen, toonde zich zwijgend bereid, als gids te dienen. Met forsche
-hand schoof hij, zijne reuzenkracht aanwendend, een groot rotsblok ter
-zijde, dat voor den ingang lag en dien geheel en al versperde. Maar
-zelfs toen was het nog niet gemakkelijk over steen en gruis heen door
-de half geopende poort den weg naar het binnenste gedeelte van het diep
-in de aarde zich uitstrekkende gewelf te volgen.
-
-Langs een uit geweldige blokken gevormden weg bereikten Pericles en
-Aspasia het hooge, sombere ronde gewelf, welk wanden niet op de gewone
-wijze opgetrokken waren; in steeds nauweren kring vonden zij de
-steenlagen op elkander gestapeld en van boven door een kegelvormig
-gewelf afgesloten. Zij vonden de sporen van oude metaalbekleeding aan
-de wanden: eene geliefde wandversiering, waarvan Homerus gewag maakt.
-Hoe zal voorheen in de vorstenvertrekken de gepolijste, blanke koperen
-wand in den weerschijn der flikkerende fakkels geschitterd hebben! Maar
-gewelddadig waren hier reeds de koperen platen afgerukt, onbekleed
-grijnsden de grauwe steenmassa’s der machtige op elkander gestapelde
-kringen den beschouwer tegen.
-
-Uit het ronde gebouw traden Pericles en Aspasia door eene nauwere poort
-in eene vierkante ruimte, die geheel in de levende rots uitgehouwen
-was.
-
-Peinzend stonden zij beiden daar. Slechts schemerachtig verhelderde het
-sobere licht der brandende fakkels de donkere steengewelven.
-
-„Eene stoute gedachte zou het zijn,” sprak Pericles ten laatste, „in
-deze huiveringwekkende steengroeve ons nachtverblijf te houden!”
-
-Aspasia huiverde een weinig, doch in het volgend oogenblik glimlachte
-zij weder en kon de betoovering niet van zich weren, die de
-huiveringwekkende en toch verleidelijke gedachte op haar uitoefende, om
-een nacht door te brengen in de duizendjarige Pelopiden-groeve, om te
-rusten boven het stof van Atreus en Agamemnon.
-
-Menig bezwaar werd nog geopperd, eindelijk echter besloot men de stoute
-gedachte ten uitvoer te leggen. Tapijten werden op den steenen vloer
-van de kleinere rotskamer door slaven nedergelegd en daarop een leger
-gespreid. In het gewelf strekte de reusachtige bedelaar zich uit om te
-slapen, de slaven legerden zich bij den buitensten ingang.
-
-Nu vonden Pericles en Aspasia zich alleen in het huiveringwekkend,
-geheel in de rotsen gehouwen vertrek. Het onzekere schijnsel der in den
-grond gestoken fakkels speelde spookachtig op de grauwe, vensterlooze
-rotswanden. Om hen heen heerschte de stilte des doods. Het was
-werkelijk de rust des grafs, die hen omgaf.
-
-„In dezen nacht,” zei Pericles, „en in deze omgeving dringt zich de
-gedachte aan vergankelijkheid en vernietiging schier in lichamelijke
-gestalte met Titanisch geweld aan mij op. Hoe zwak en wisselvallig
-schijnt al het levende, en hoe hecht en sterk trotseert de tand des
-tijds datgene wat wij het doode plegen te noemen! Atreus en Agamemnon
-zijn sinds lang niet meer en wij zuigen misschien de onzichtbare atomen
-van hun stof in met onzen adem. Deze doode muren echter, welke die
-menschen opgebouwd hebben, omringen ons nog heden en zullen wellicht
-ook hen nog omsluiten, die de atomen van ons stof over duizend jaren
-zullen inademen!”—
-
-„Ik ben het niet geheel met u eens, Pericles,” hernam Aspasia, „om het
-onvernietigbaar bestaan van het doode te verheffen boven het vluchtige
-leven van den mensch. Het neerstortende rotsblok begraaft de bloemen,
-maar de bloemen keeren terug met iedere lente en slingeren hare
-stengels om den steen en ten laatste verteert na duizende jaren de
-steen, terwijl de bloemen er echter altijd nog zijn. Zoo ligt het leven
-ook begraven onder puinhoopen van steden, maar tusschen de puinhoopen
-kruipt het zachtkens te voorschijn en omstrengelt den steen, die toch
-eens verbrokkelen zal: ’s levens krachtig groen wast zelfs door de rots
-en doet ze springen, en zoo is ten laatste toch alleen het schijnbaar
-vluchtige en vergankelijke waarachtig eeuwig.”
-
-„Gij hebt gelijk,” zeide Pericles, „het leven zou weldra vermoeiend en
-vervelend worden, als daaraan de onveranderlijkheid van het doode
-beschoren was. Onvergankelijk is reeds één met het doode, alleen
-afwisseling is leven.”
-
-„Herleeft niet,” sprak Aspasia, „de heldenzin van Agamemnon in duizend
-helden? En de liefde van Paris en Helena, wordt zij niet in tallooze
-verliefde paren opnieuw gevoeld?”
-
-„Ongetwijfeld, het leven komt en gaat,” hernam Pericles, „en in eeuwige
-verandering keert het weder. Zijn wij echter zeker, dat het bij dit
-komen en gaan ten laatste niet iets van zijne oorspronkelijke kracht
-verliest? Zou het groote in de wereld niet eenigszins op de
-steenkringen gelijken in het gewelf dezer groeve, die van boven wel is
-waar aan elkander sluiten, maar steeds enger worden?—De heldengeest van
-Agamemnon schijnt teruggekeerd te zijn: wij hebben de Perzen verslagen,
-maar toch komt het mij voor, dat wij tegenover de helden van Homerus
-een weinig ingekrompen zijn.”
-
-„Vele dingen,” hervatte Aspasia, „mogen zwakker worden als ze herhaald
-worden; maar ontkent gij, dat veel nog krachtiger en heerlijker zich
-vernieuwt? De kunst, die met deze bouwvallen onderging, is teruggekeerd
-en heeft de met beelden prijkende, marmeren tinnen van het Parthenon
-gebeiteld!”
-
-„Wanneer echter,” zei Pericles, „ook die met beelden prijkende tinnen
-eens in stof zullen zijn verkeerd—wanneer het heerlijke vierspan van
-Pallas wellicht van den gevel van het Parthenon naar beneden stortend,
-met donderend geraas op de rotshelling wordt verbrijzeld, zijt gij dan
-zeker, dat de kunst nog eens en steeds heerlijker zal wederkeeren? Of
-zal er een tijd komen, welks roem alleen nog teert op het vertoon van
-onsterfelijke bouwvallen?”
-
-„Dit zij eene zorg voor de latere geslachten!” antwoordde Aspasia.
-
-„Gij hebt ook van de liefde van dat schoonste paar uit den voortijd
-gesproken,” vervolgde Pericles, „en hoe die in tallooze paren zich
-hernieuwt?”
-
-„Twijfelt gij daaraan?” zei Aspasia.
-
-„Neen!” riep Pericles, „en ik geloof, dat de liefde en juist alleen de
-liefde, steeds bestaat met dezelfde kracht, met dezelfde
-levensfrischheid, met dezelfde bron van zaligheid!”
-
-„De liefde en het genot!” viel Aspasia hem met een betooverenden
-glimlach in de rede.
-
-„Ja, zeker!” sprak Pericles. „Wel is waar, moet ik met een gevoel van
-schaamte op deze plaats wandelen en wellicht ben ik niet waardig zelfs
-één enkelen nacht boven het stof van Homerische helden te rusten. Maar
-schoon ik ook met smartelijke benijding afstand moet doen van den
-heldenroem van Achilles, deel ik toch het geluk van Paris: het bezit
-van de schoonste Helleensche vrouw!”—
-
-De gelaatstrekken van Pericles waren niet in volkomen overeenstemming
-met de woorden zelve. Zijn gelaat scheen twijfel uit te drukken of het
-den man wel betaamde afstand te doen van den roem van Achilles, en zich
-te vreden te stellen met het geluk van Paris.—
-
-Doch met de betoovering van de schoonste Helleensche vrouw wist Aspasia
-de gedachten in slaap te wiegen, die in de manlijke ziel van Pericles
-oprezen. Haar oog verspreidde een magischen glans in de sombere
-rotsgroeve, van hare wangen scheen een rozenrood schijnsel door het
-geheele vertrek te lichten. De fakkel, die zooeven flauw had
-geflikkerd, evenals wellicht die, welke eens bij de begrafenis van den
-vermoorden Agamemnon haar licht had verspreid, scheen eensklaps
-vroolijk op te vlammen als eene bruiloftsfakkel. Door den glans der
-schoonheid, die in de donkere diepte schoot, scheen zelfs de groeve nu
-in een bruidsvertrek herschapen en de eeuwige frischheid des levens en
-der liefde verkreeg de overhand boven de huivering des doods en der
-vergankelijkheid, boven het duizendjarig stof der Atriden.—
-
-Toen Pericles en Aspasia de plaats hunner nachtelijke rust verlieten en
-uit de sombere groeve naar buiten traden, straalde hun de morgen, met
-zijn verkwikkenden dauw op alle velden en heuvels, vroolijk tegen. Maar
-’t was ook in ’t schitterend licht van den dag niet minder eenzaam en
-doodstil dan onder de bouwvallen van den Atriden-burg. Alleen een gier
-zweefde onbeperkt met wijd uitgespreide vleugels boven Mycenae, hoog in
-de blauwe lucht.
-
-Terwijl daarop de reizigers van den medegebrachten voorraad en den
-wijn, dien een slaaf in een geitelederen zak droeg, een en ander voor
-een ontbijt nuttigden, vroeg Pericles aan Aspasia, of zij niet gedroomd
-had gedurende haar slaap in de Atriden-groeve.
-
-„Inderdaad,” hernam Aspasia, „heeft mij in den ochtendstond een droom
-midden onder het gewoel der helden voor Ilium verplaatst. Ik heb
-Achilles in levenden lijve gezien en hij zweeft mij nog steeds voor
-oogen. Zijne gestalte was die van een onbeteugelden, schoonen
-jongeling, schier daemonisch was zijn uiterlijk, hoog en slank, het
-volkomen eironde gelaat door donkere lokken omgolfd, de oogen koolzwart
-en bijna rond, wat zijn gelaat bij al den adel der trekken iets
-Gorgonen-achtigs, iets huiveringwekkends gaf; de mond buitengewoon
-klein, de lippen echter krachtig ontwikkeld—overal de trekken van
-jeugdige schoonheid met de uitdrukking van woeste, bijna
-bovenmenschelijke heldenkracht vereenigd. Zóó zag ik hem bij de schepen
-staan, het hoofd in een lichtgloed gehuld, door zijn oorlogskreet
-alleen reeds ontzetting aanjagend binnen de muren van Ilium.”
-
-„Ook mij,” zeide Pericles, „heeft een droom ter zelfder tijd naar de
-Homerische wereld gevoerd, maar zonderling, niet onder de helden;
-integendeel: ik zag Penelope; en wat nog vreemder is, ik zag haar niet
-zooals Homerus haar schildert, als Odysseus’ trouwe en geduldig
-wachtende gade, maar als jeugdige bruid in het licht eener sage, die
-mij nog zinrijker voorkomt, dan alles wat Homerus van haar gezongen
-heeft. Ge kent zeker de overlevering omtrent de omstandigheden van
-Odysseus’ vrijen: hoe de Spartaansche koning Icarius zijne dochter
-Penelope aan Odysseus had beloofd, in de hoop hem daardoor te bewegen
-zich in Lacedaemon neder te zetten. Toen dit hem echter niet gelukte
-trachtte hij de teedergeliefde dochter van haar minnaar afkeerig te
-maken, en toen Odysseus de bruid naar Ithaca wegvoerde, volgde haar
-vader hen met tranen en gebeden, zoodat Odysseus haar ernstig afvroeg
-of zij hem vrijwillig volgen of liever met haar vader naar Sparta wilde
-terugkeeren. Toen Penelope niets antwoordde, maar zedig den sluier voor
-het gelaat trok, liet Icarius haar ongehinderd gaan en richtte op de
-plaats, waar dit voorgevallen was, een beeld op gewijd aan de
-maagdelijke schaamte. Wat een liefelijk beeld is deze zwijgende
-blozende Penelope; in maagdelijke schaamte het hoofd omhullende! En
-juist in deze jonkvrouwelijke gestalte heb ik haar dezen nacht in den
-droom gezien.”
-
-Zoo vertelden Pericles en Aspasia elkander de droomen, die hun
-verschenen waren boven het stof der Atriden, en zij overwogen half
-schertsend, half ernstig of er soms een voorteeken, een verborgen zin
-in deze droomgezichten verscholen mocht zijn.
-
-Nog één blik wierpen zij van de puinhoopen van Mycenae op de
-Inachus-vlakte en het oude Archos. Daarna maakten zij zich gereed om
-hun weg te vervolgen en hun zwerftocht uit de Argolische bergen naar de
-Arcadische aan te vangen.
-
-Pericles en Aspasia schepten er vermaak in, groote afstanden te voet af
-te leggen en, als voor hun genoegen wandelend, op de paden van het
-groene woudgebergte vertrouwelijke gesprekken te voeren.
-
-Aspasia was tot dusverre gewoon alleen op kussens en tapijten te
-rusten: nu ondervond zij, dat het mogelijk was ook op groene zoden, op
-mos, kruiden en pijnboomnaalden zich ter ruste te vlijen. Wanneer zij
-zich soms op eene liefelijke plek nederlieten, bracht een slaaf op
-bevel van Pericles een der boekrollen, die de zangen van Homerus
-bevatten, en Aspasia las haar echtgenoot op zijn verzoek plaatsen
-daaruit voor met hare welluidende, heldere stem. Niet zonder deze
-zangen hadden zij de overblijfsels van het oude Atriden-rijk willen
-bezoeken, en inderdaad, sinds zij deze puinhoopen hadden gezien,
-begrepen zij den dichter eerst ten volle.
-
-Van tijd tot tijd rees er wel een kleine woordenstrijd wanneer Pericles
-al te opgewonden den lof van den aartsvaderlijken heldentijd prees,
-terwijl Aspasia het ideaal van het menschelijk leven liever in den
-tegenwoordigen tijd of zelfs in de toekomst zocht.
-
-„Bij Homerus,” zei Pericles eens, „geloof ik eene merkwaardige leer te
-vinden; dat namelijk de mensch eens dier geweest en langzamerhand
-mensch geworden is. Men ziet bij hem, namelijk in de Odyssee, hoe die
-menschwording allengs heeft plaats gegrepen. Hij legt overal het
-zwaartepunt op de zegepraal van de menschelijkheid over het ruwe en
-dierlijke. Overal treft gij dezen strijd der menschheid aan met de nog
-niet volkomen verwonnen overblijfsels der dierlijkheid. Hij toont ons
-in de wilde Laestrygonen en Cyclopen, wat wij eens geweest zijn. Hij
-schildert dan vol diepen zin deze wilde halfmenschen tegenover het
-menschelijk edel gevoel, stelt de menscheneters tegenover de gastvrije
-Phaeäken, en om het menschelijke voor den terugkeer tot het dierlijke
-te bewaren, knoopt hij het zoo innig mogelijk aan het goddelijk vast.
-Pallas Athene, de Godin van menschelijk verstand en beleid, van de door
-menschelijkheid geadelde geestkracht, is de trouwe geleidsvrouw en
-hulpe zijner helden. Menschelijkheid is het wat hij predikt,
-menschelijkheid in tegenoverstelling van dierlijkheid. Bij hem is de
-reine menschelijkheid uitgedrukt in reine poëzie. In den reinen,
-helderen aether zweven bij hem alle voorwerpen. Welsprekender heeft de
-verheven eenvoud uit geen mond gesproken dan uit den zijnen.”
-
-Hier stuitte Aspasia Pericles in zijn lofrede.
-
-„Met uw verlof,” zeide zij, „er is u een woord ontvallen, dat ik niet
-onopgemerkt mag laten voorbijgaan en dat gij zelf wellicht gaarne zult
-willen terugnemen. Homerus, is toch eenvoudig noch ongekunsteld, ten
-minste niet in dien zin, als bij voorbeeld de beeldhouwers vóór Phidias
-waren. Met Homerus sprong, om een oud beeld te gebruiken, de poëzie in
-volkomen rijpheid uit het hoofd van Zeus. Zijne taal is breed, rijk,
-vol. Zijne schilderingen zijn soms even prachtig als levendig, en er
-zijn plaatsen in de Ilias en Odyssee, die geen later dichter in
-rhetorische pracht en uitdrukking zal overtreffen. En zijne
-welsprekendheid! Zijn de woorden, waarmede de toornende Achilles [334]
-bewogen moet worden om terug te keeren tot den strijd, en het antwoord,
-dat hij geeft, geen meesterstukken? En dit toch niet door hun
-verhevenheid alleen; maar ook, door de schikking en de treffende kracht
-der bewijsvoering, blijven zij modellen der hoogste welsprekendheid.”
-
-„Wat gij daar te berde brengt, is waar,” hernam Pericles.
-
-„Maar toch bezit Homerus in een zekeren zin weder datgene, wat ik
-verheven eenvoud noem. Wellicht bestaat het geheim der hoogste kunst
-daarin, dat zij, door den prachtigen stijl heen, toch dien hoogen
-eenvoud laat doorschemeren, met de rijpheid van het tegenwoordige de
-natuurlijke frischheid van den voortijd vereenigt.”
-
-Na hun tocht eenige dagen te hebben voortgezet, bevonden de reizigers
-zich te midden van de ruwe bergachtige streken van het herdersland
-Arcadië. Zij togen onder een geleide van inheemsche herders, die hun
-niet alleen als gidsen dienden maar ook, met knotsen en sterke lansen
-gewapend, te gelijk als beschermers en verdedigers. Zij zagen in de
-eenzame bergen boven zich de adelaars in de wolken zweven, zij zagen
-andere vogels met scherpe klauwen en kromme snavels op steile rotsen
-onder luid gekras elkander bestrijden, zij zagen zwermen kraanvogels,
-spreeuwen en kraaien voor den havik vluchten, die van de toppen der
-bergen op hen nederschoot. Hier en daar dreunden bijlslagen uit de
-diepte van het woud en het gekraak van eeuwenoude stammen onder de
-handen der houthakkers. Van verscheurende dieren, die meestal alleen
-des nachts hunne holen verlaten, ontmoetten zij niet één op hun pad.
-Alleen vonden zij den bodem van Arcadië’s wouden met schildpadden
-bedekt, die moeilijk tusschen de kruiden en steen voortwaggelden of in
-de zon zich koesterden.
-
-Zoo zwierven Pericles en Aspasia door de stille dreven, en terwijl zij
-het vreemde en nieuwe met kalmte als iets toevalligs en voorbijgaands
-meenden te moeten opnemen, oefende toch alles op hen een beslissenden,
-onmerkbaren invloed uit en voegde het zich als eene vooraf bepaalden
-schakel in hun bestaan; zonder het te bemerken of te vermoeden gingen
-zij groote veranderingen en gebeurtenissen in hun leven en lot te
-gemoet.—
-
-Over bergvlakten, die tot aan de wolken reikten, voorttrekkend, hadden
-de reizigers dikwijls zeldzame gezichten op de geheele uitgestrektheid
-van Hellas. Aan den versten gezichtseinder zagen zij soms de kruinen
-van met sneeuw bedekte bergen glinsteren. Op zekeren dag waren zij vóór
-het krieken van den morgen opgebroken en trokken over het nog in nacht
-gehulde gebergte.
-
-„Gij rilt van den koelen morgenwind?” vroeg Pericles aan Aspasia, die
-huiverde.
-
-„Ik ril voor die donkere, ledige eenzaamheid der bergen,” antwoordde
-zij. „Mij is het te moede, alsof wij niet meer op Helleenschen bodem
-wandelen en alsof wij door alle Goden van Hellas verlaten zijn.”
-
-Op dit oogenblik vestigde het oog van Pericles zich op een gouden
-wolkje, dat aan den rand van den horizon in het verre noorden zichtbaar
-werd. Hij wees ook Aspasia daarop. Het gouden wolkje nam grootere
-afmetingen aan, maar bleef onveranderd op zijne plaats en stak
-zonderling af bij de overige, grauwe tint van den nachtelijken hemel.
-Langzamerhand verkreeg de oppervlakte van het wolkje eene merkwaardige
-duidelijkheid en bepaalder omtrekken, die in het geheel niet meer als
-die van eene wolk schenen. Het zag er uit als eene gouden landouwe in
-de verte, waarop zalige Goden zich vermeiden. En inderdaad, toen de
-morgen grauwde en de lijnen van bergketens in de verte zichtbaar
-werden, verbreidde die glans zich sterker en de wandelaars bemerkten,
-dat het niet eene onbewegelijke lichte wolk geweest was, wat zij gezien
-hadden, maar de besneeuwde kruin van een verren berg in het noorden,
-beschenen door de stralen van de nog niet zichtbare zon.
-
-„Het is, geloof ik, de top van den Thracischen Olympus, den Godenberg!”
-zeide Pericles opgewekt tot Aspasia. „Ziet ge, dat de Goden van Hellas
-ons nog niet verlaten hebben? Verre weg van den zetel, waar zij in
-eeuwige zaligheid tronen, zenden zij door eene spleet van het
-hooggebergte ons een groet in deze onverkwikkelijke eenzaamheid.”
-
-„Zij willen ons zeggen,” hernam Aspasia glimlachend: „vergeet ons en al
-het schoone niet geheel in het sombere land der Doriërs!”
-
-Weldra echter geraakten de reizigers van de kale bergvlakten in het
-boom- en bronrijke westen van het Arcadische land. Hier storten zich
-talrijke beekjes, bekoorlijk om te zien, nu eens ruischend, dan weder
-zacht murmelend van de boschachtige hellingen naar beneden. Op de
-weilanden stond, zelfs in den zomergloed, het weelderig uitspruitend
-groen altijd frisch en onverdord. Hemelhoog verhieven de olmen, de
-beuken, platanen en eiken hun groenende takken en statige stammen
-omhoog. Van het geloei der kudden runderen weerklonken de dalen. Overal
-bemerkten de reizigers, dat zij in het gebied van den forsch gebouwden
-God [335] zich bevonden, om wiens schouders het vel van den los hing,
-ter wiens eere op alle hoogten in den omtrek het purperen offerbloed
-schuimde uit de harige borst van den ram.
-
-Overal vond men zijn eenvoudig beeld opgericht, uit het hout van den
-olmboom gesneden, overal trof men sporen van hem aan. Hier was een
-borstelig evervel te zien, hem ter eere aan een plataan gehangen, daar
-het forsch getakt gewei van een hert, uit dankbaarheid voor hem aan een
-beuk gespijkerd. Aan de bronnen echter zag men nimfenbeelden, door de
-herders opgericht, daarnaast wijgeschenken opgehangen.
-
-Pericles en Aspasia wandelden door hooge eikenwouden, die de op- en
-ondergaande hemellichten met eene zee van gouden glans overtogen, en
-waar de zon door de kruin van een boom als een karbonkel glinsterde,
-lange stralen werpend, die men wanen zou met de handen te kunnen
-grijpen. Dat alles was hun zoo nieuw, zoo verrassend. Zij hadden op
-dergelijke zaken nooit hunne aandacht gevestigd.
-
-Op zekeren dag vernamen de pelgrims, terwijl zij een woud, waardoor hun
-weg vele uren leidde, doortogen, een ongewoon en sterk ruischen in de
-takken.
-
-„Ik herinner mij,” merkte Pericles op, „van een Arcadisch eikenbosch
-gehoord te hebben, dat Pelagos [336] genoemd wordt, wegens het sterke
-ruischen zijner tallooze kruinen, evenals de zee. Het is wellicht dit
-woud waar wij thans doortrekken.”
-
-De inheemsche gidsen echter, de begeleiders der zwervelingen,
-verklaarden dat dit ruischen in het diepe woud geen gewoon verschijnsel
-was en wezen te gelijk naar den hemel boven hen, die straks nog geheel
-helder was geweest en thans zoo dof was als beslagen staal. De
-Arcadiërs voorspelden een naderenden storm. De reizigers verhaastten
-hunne schreden, om nog voor het losbreken daarvan de plaats te
-bereiken, waar zij voornemens waren te overnachten. Weldra echter ging
-het ruischen van het woud over in een wild huilen en de toppen begonnen
-te kraken. Enkele kleine, doch gitzwarte en van regen zwangere wolken
-joegen, door den wind gezweept, door het donkergrijze zwerk. De straks
-nog gouden zon stond vaalgeel boven de kruinen der bergen, die nog
-schitterden in haar bleek schijnsel. Van de toppen der boomen schoten
-rukwinden op den grond en zweepten loof, stof en kleine takken dwarlend
-voor zich op. Nu begonnen enkele droppels te vallen en weinige
-oogenblikken later stortte een regenvloed, in den beginne met
-hagelsteenen vermengd, kletterend neder. IJlings vluchtten de reizigers
-onder het breede beschuttend dak van een reusachtigen eik. Plotseling
-deed een vreeselijke donderslag het gebergte dreunen. En van toen af
-volgde bliksemstraal op bliksemstraal; de van onweer zwangere wolken
-schenen van verschillende hemelstreken tegen elkander te botsen. De
-rosse bliksemstralen kruisten elkander boven de hoofden der verschrikte
-zwervelingen en de donderslagen werden door de honderden dalen en
-bergen weerkaatst. Daarbij plaste de regen onophoudelijk in stroomen
-neder, de storm loeide, de roofvogels krijschten en uit de verte
-weerklonk het gehuil van den wolf.
-
-Met angstige blikken aanschouwden de reizigers uit hunne schuilplaats
-onder het bladerdak van den eik het vreeselijk onweer, dat rondom hen
-van alle kanten woedde.
-
-Daar sloeg plotseling voor hunne oogen uit een zwarte wolk, die boven
-den kam van eene puntige rots hing, de bliksem in een der hoogste
-boomen van het woud. In huiveringwekkende pracht baadde de reuzenstam
-zich in een zee van vuur en was in één oogwenk tijds van de kruin tot
-den voet in vlammen gehuld: een vonkenregen spatte neder uit de
-knetterende takken. Een zwavellucht doortrok den aether. Van den
-brandenden eik echter kronkelden de vlammen zich naar andere boomtoppen
-en bedreigde weldra de schuilplaats der reizigers. De Arcadische mannen
-beloofden de zwervelingen naar de naaste hoeve te voeren, waar zij
-zouden overnachten. Voorwaarts langs ongebaande wegen spoedden zij
-zich, hunne gidsen volgend.
-
-Na eenigen tijd had de geweldige regen uitgewoed; maar men hoorde het
-doffe gebruis van gezwollen beken, die van de hoogten zich
-nederstortten in de dalen en kloven, puin en zand, gebroken takken en
-rotsblokken zelfs, door de woudstroomen weggespoeld, in den afgrond met
-zich sleepend.
-
-Intusschen was de avond gevallen en terwijl de reizigers door het woud
-in allerijl hun weg vervolgden, bedaarde het onweder. Weldra werden de
-wolken door de winden uiteen gedreven en de maan ging rustig op over
-het woud en de hoogten, die nog zooeven hadden gedaverd van den wilden
-strijd der elementen.
-
-Nu bereikten de vluchtelingen eene groote opene plek in het bosch, eene
-met kruiden bewassen vlakte, die over eene zachte helling zich naar
-beneden uitstrekte. Een groot verrassend panorama deed zich hier in de
-stilte van den nacht aan hunne blikken op. Heinde en ver verhieven zich
-de toppen der bergen en puntige kruinen in het zilveren schijnsel der
-maan, die nu eens geheel helder aan den reinen hemel stond, dan weder
-beneveld door voorbij drijvende wolkjes haar licht verspreidde. Het oog
-had veel te aanschouwen en de vermoeiden wandelden als in een wakenden
-droom voort. Daartusschen bruisten de woudstroomen met machtig geweld.
-Midden in die open plek lagen eenzaam de hoeve en hof van een herder.
-Toen de reizigers zich gereed maakten daarop toe te treden, trad hun
-plotseling een man in den weg, die gewapend en met dierenhuiden bedekt
-was en die klaarblijkelijk het erf tegen de nachtelijke aanvallen van
-wilde dieren bewaakte. Een paar geweldige honden liepen blaffend aan
-zijne zijde.
-
-Spoedig brachten de inheemsche gidsen hem op de hoogte van de zaak. Zij
-verlangden gastvrijheid voor de Atheensche reizigers. De wachter voerde
-de vreemdelingen, nadat hij de blaffende honden met steenen tot rust
-had gebracht, achter den met hagedoorn omschutten muur, die de hoeve
-omgaf en eene ruime plaats vormde, waar in het midden een wachtvuur
-brandde. De eigenaar der hoeve, een eenvoudig herder, naderde en heette
-de gasten welkom, zonder naar hun afkomst of naam of naar het doel
-hunner reis te vragen. Hij liet een hamel slachten, om dien voor het
-onthaal zijner gasten bij het vuur te braden.
-
-Nadat hij de reizigers alzoo had verkwikt, wees hij de slaven hun
-nachtleger in de schuren aan; aan Pericles en Aspasia echter stond hij
-de kamer van zichzelven en van zijne vrouw af en liet voor hen een
-helder leger spreiden, terwijl hij rijshout en dorre kruiden op den
-grond strooide en dit met zachtwollige schapenvachten bedekte. Tot dek
-gaf hij hun eenige geitenvellen en bovendien zijn mantel.
-
-De afwisselende wederwaardigheden, de kleine avonturen, ja zelfs de
-ongemakken eener reis vermeerderen het genot van reizenden, in plaats
-van dit te verminderen. De onophoudelijke afwisseling van beelden en
-gebeurtenissen verschaft ten laatste een onuitsprekelijk genoegen en
-uit de vrije lucht des hemels stroomt den vermoeiden niet alleen nieuwe
-kracht en verfrissching toe, maar ook eene blijmoedige stemming.
-
-Pericles had zich nooit opgewekter gevoeld dan hier in de hut van den
-herder bij het gezicht van dat armoedig leger. De zilveren klank van
-Aspasia’s lach mengde zich zelfs eigenaardig bij het idyllisch geloei
-der runderen uit de dampende stallen....
-
-„Hoe veel zonderlings bescheren ons de Goden, aan wie wij ons op onzen
-zwerftocht hebben toevertrouwd!” zeide Pericles. „Vóór weinige dagen
-hadden wij tot slaapvertrek eene eeuwen-oude koningsgroeve, die ons
-midden in de Ilias verplaatste, en heden schijnt het, dat wij de
-avonturen der Odyssee zullen beleven. Die geest van Homerus omzweeft
-ons, sinds wij den Isthmus hebben overschreden; ik denk, dat wij door
-ons zwerven geheel zullen veranderen en als wij teruggekeerd zijn
-kwalijk meer passen bij de verfijnde, schier verwijfde Atheners!”
-
-Toen Pericles en Aspasia, vroegtijdig gewekt door het geblaf der honden
-en het krachtig geloei der runderen, van hun leger verrezen en in den
-ruimen hof naar buiten traden, zagen zij de boersche herdersknechten
-zich naar de stallen begeven. Een groote, ruigharige hond speelde met
-eene schildpad, die hij in het nog natte gras had gevonden. Hij greep
-haar onder luid geblaf en allerlei sprongen nu eens met den poot, dan
-eens met den bek en trok haar om en om, tot zij dood op den rug lag.
-Een andere hond vocht of liever speelde met een bok. De bok stiet hem
-met de horens, de hond echter hapte naar den baard van den bok en
-trachtte hem te bijten. Aan de bron zat een naakt kind en wierp met
-steentjes naar de schitterende zonneschijf, die zich in de oppervlakte
-van het water spiegelde.
-
-Nu kwam uit de stallen de kudde runderen met zwaren tred aanwaggelen:
-vooraan, fier in het bewustzijn zijner kracht, de springstier; de
-kalveren sprongen blatend om hunne moeder. Twee knechts volgden met
-kromme herdersstaven in de hand, van twee geduchte honden vergezeld.
-Vervolgens kwamen de blatende geiten, door jongens geleid. Den vooraan
-loopenden geitebok vatte de herder bij zijn harigen kin en streelde
-hem. „Deze trouwe bok,” zei hij tot Pericles en Aspasia, „kondigt in
-donkere nachten den wolf of den los, die het erf besluipt, aan, zelfs
-wanneer de honden slapen en verzuimen het roofdier te bespringen.”
-
-De blatende kudde lammeren echter vereenigde zich om een donkerbruin
-meisje, wier hoofd door een breedgeranden hoed overschaduwd werd en die
-een herdersstaf in de hand hield. Het meisje had iets over zich, wat in
-het eerste oogenblik de aandacht trok en een indruk te weeg bracht,
-waarvan men zich niet onmiddellijk rekenschap kon geven. Zag men echter
-nauwkeurig toe, monsterde men hare gestalte en het schamel gewaad, dat
-haar bedekte, dan bemerkte men, dat het een herdersmeisje was, zich ter
-nauwernood van andere onderscheidende, en men zag niets bijzonders aan
-haar, dan blonde haarvlechten en oogen van eene vreemde soort. Deze
-oogen namelijk waren merkwaardig diep en mijmerend, en schenen zelfs in
-deze, haar welbekende en alledaagsche omgeving met eene soort van
-kinderlijke verbazing rond te staren.
-
-De lammeren verdrongen zich blatend om haar en sprongen tegen haar op.
-Een der jongste, glinsterend wit, likte liefkozend de uitgestrekte hand
-van het meisje.
-
-Toen de geheele kudde lammeren de poort van den hof, door het meisje
-geleid, uitgetrokken was, naderde de gastvrije herder Pericles en
-Aspasia en zij vernamen van hem, dat de jonge herderin zijne dochter
-was, zijn eenig kind, en dat zij Cora [337] heette. Hij zette hun nu
-verscheidene versnaperingen uit zijn landelijken voorraad tot een
-ontbijt voor, waarin zijne vrouw Glycaena hem de behulpzame hand bood.
-
-Pericles vroeg den herder of hij wilde toestaan met de zijnen een dag
-lang bij hem rust te houden, omdat zij na de inspanning van den
-laatsten tocht zeer vermoeid waren.
-
-Met blijdschap willigde de herder dit verzoek in, liep naar zijne vrouw
-en zeide met geheimzinnig gebaar:
-
-„Glycaena, ik geloof bepaald, dat die beide vreemdelingen die in onze
-hoeve gekomen zijn, geen stervelingen zijn. Wat hun uiterlijk en
-schoonheid van gestalte betreft, schijnen zij mij verkleede Goden toe,
-zooals die toch menigmaal bij arme herders hun intrek hebben genomen.
-Ook roeren zij bijna de spijzen niet aan, die men hun voorzet.”
-
-„En de slaven,” vroeg Glycaena, „houdt gij die ook voor Goden?”
-
-„Neen,” zei de herder, „die eten en drinken als gewone menschen. Maar
-die beiden—nu om het even! Onthaal ze maar, zoo goed gij kunt.”
-
-Daarop keerde de herder tot zijne gasten terug, leidde hen overal rond,
-toonde hun zijne stallen en zijne graanzolders, benevens zijne
-gladgeboende melkemmers, de tot den rand toe met melk gevulde vaten en
-de korven, met kaas gevuld. Hij voerde hen ook naar de in hun kotten
-achtergebleven zeugen en biggen met hun glinsterend witte tanden, prees
-hun malsch vleesch en voederde ze voor hunne oogen met steeneikels en
-roode kornoeljes. Nauwelijks gaf Aspasia te kennen, dat zij vermoeid
-was en wel eens wilde rusten of de herder was aanstonds met een
-gespikkeld gemzenvel gereed, om het voor haar uit te spreiden en lachte
-daarbij met eene sluwe uitdrukking op zijn gelaat, alsof hij wilde doen
-merken, dat hij wel wist, welke behandeling verkleede Godinnen van de
-stervelingen vereischten.
-
-Huiden en koppen van gedoode roofdieren waren aan de omheining van den
-hof, alsmede aan de boomen, die hem omgaven, in grooten getale
-opgehangen, en nadat Pericles en Aspasia ook deze beschouwd hadden,
-ademden zij, in de vrije natuur wandelend en aan zichzelven
-overgelaten, ruimer de geurige lucht der kruiden op de berghelling in.
-In het frissche groen, als door de geweldige regen schoongewassen,
-glinsterde de berg in de stralen der morgenzon. De bedauwde grashalmen
-schitterden op hunne naar de zon gekeerde zijde als blank geslepen
-klingen. Een zwerm kraaien vloog in volle vaart over de dreven, streek
-op een eenzaam staanden boom neder, vloog na weinige oogenblikken even
-haastig weder op en verloor zich in den blauwen aether. Over de
-verwijderde bergtoppen zag men herders met hunne kudden trekken. De
-valleien daartusschen waren geheel met een witten nevel en damp gevuld,
-die als de zee golfde, en waarin de van de hoogte wijdende kudden
-schenen ondergedompeld te worden en te verdwijnen. Lammeren en runderen
-zag men in alle dalen grazen en vlugge geiten klauterden tegen de
-rotshellingen op. Hier en daar klonk de toon der syrinx [338], alsmede
-gezang, het tijdverdrijf der herders op het veld. Van zekeren kant
-vernamen de beide wandelaars tonen, die hun bijzonder liefelijk in de
-ooren klonken. Zij sloegen den weg in, vanwaar het geluid kwam en
-vonden eene groep herders, die luisterend zich om den voortreffelijken
-fluitspeler hadden geschaard. Weldra echter trad uit het midden der
-luisterende schaar een herder, die zich met hem in een wedstrijd wilde
-meten. Toen Pericles en Aspasia naderden, viel beiden fluitblazers de
-schalmei uit den mond, ja bijna uit de handen, en alle herders rondom
-stonden getroffen door de vreemde verschijning. Toen Pericles echter
-hen vriendelijk verzocht hun wedstrijd voort te zetten en hun zeide,
-dat zijne gemalin en hij Atheners waren, die, op hunne reis naar Elis,
-door een geweldig onweder overvallen, hier eene schuilplaats hadden
-gezocht, begonnen de beide kunstvaardige herders met nog grooter ijver
-dan straks hun wedstrijd opnieuw en verzochten den Athener en zijne
-gemalin het rechtersambt te vervullen.
-
-Pericles en Aspasia waren opgetogen over de verrukkelijke tonen der
-herdersfluiten. Zij verbaasden zich dat onder zulke ruwe, onbeschaafde
-menschen, als deze bergbewonende Arcadiërs, eene, zij het ook
-gebrekkige kunst tot zulk eene hoogte en volkomenheid kon geraken.
-
-Aspasia vroeg de herders, of zij ook niet in nimische dansen met
-elkander konden wedijveren. Toen wezen zij op den jongste onder hen,
-een slanken knaap, die op Pericles’ verzoek te voorschijn trad en half
-koddig, half bekoorlijk een landelijken dans ten beste gaf, waarin hij
-verschillende werkzaamheden van het landleven in nimische dansen wist
-voor te stellen.
-
-„Zoudt gij ook niet eens een dans met uw tweeën kunnen uitvoeren?”
-vroeg Aspasia den knaap.
-
-„Als Cora maar wilde—” sprak hij op bijna treurigen toon en met
-zwaarmoedige oogen voor zich uit ziende.
-
-„Cora?” riepen de andere herders lachend. „Malle jongen! wat spreekt ge
-van Cora? Cora wil niets van u weten!”
-
-De knaap zuchtte en sloop weg.
-
-Verder wandelend bereikten Pericles en Aspasia eene lammerweide, die
-aan het oog onttrokken door boomen aan alle kanten omgeven was. Hier
-vonden zij Cora te midden van hare lammeren zittend. Eenige der jonge
-witwollige schaapjes vergaten het malsche gras en lieten, liever om
-Cora liggend, hunne koppen op hare knieën rusten. Cora zelve echter zat
-met gebogen hoofd geheel en al verdiept in de beschouwing van eene
-schildpad, die op haar schoot lag en die het meisje met hare schoone,
-heldere en schrandere oogen aankeek.
-
-„Waar hebt gij dit dier gevonden?” vroeg Pericles, die met Aspasia
-genaderd was. Het meisje was zoo geheel in gedachten en mijmering
-verzonken, dat ze de beide vreemdelingen eerst bemerkte, toen zij voor
-haar stonden. Nu keek zij op, mat beide met een blik uit hare groote,
-ronde, kinderlijke oogen en zeide:
-
-„Uit het bosch hier nabij komen deze dieren van zelf tot mij kruipen.
-Vooral deze hier komt altijd terug en is zoo weinig schuw, dat zij haar
-hals en kop, in plaats van ze in te trekken, altijd zoo ver mogelijk
-uitsteekt en mij onophoudelijk met hare heldere oogen aankijkt. De oude
-Baubo zegt, dat Pan soms zelf in de gedaante van eene schildpad zich
-verbergt. Ik geloof,” ging het meisje zacht voort, „dat ook deze iets
-geheimzinnigs in zich verbergt; want sinds zij altijd tot mij uit het
-bosch komt en den dag bij mij en de lammeren doorbrengt, vermeerdert en
-gedijd de geheele kudde op een wonderlijke wijze.”
-
-Toen zij eenmaal aan het praten was, liet het Arcadisch meisje zich
-gaarne door Aspasia’s vragen verleiden voort te gaan met haar
-zonderling en kinderlijk gesnap. Liefelijk was het te hooren, hoe het
-herdersmeisje met hare ernstige oogen van den woud- en herdersgod Pan
-vertelde, hoe zijn fluitspel uit de verte in de eenzame bergen
-weerklonk, hoe hij zich nu eens genadig, dan weer luimig toonde. Zij
-verhaalde ook van de Satyrs, met hunne bokspooten, die de wouden
-doorzwierven, niet alleen de Nimfen, maar ook de herdersmeisjes plagend
-vervolgden, en van éénen, die ook haar had nagezet, tot zij hem met een
-brandend hout verjoeg, dat zij uit een wachtvuur in het bosch had
-genomen; voorts van de Nimfen, die zich evenals de Satyrs in de wouden
-ophouden en die soms den mensch bij het maanlicht ontmoeten; wat echter
-een ongeluk is, want wie eene Nimf in het woud ziet, wordt met waanzin
-geslagen en is voor altijd verloren.
-
-De ziel van het meisje was geheel vervuld van de wonderlijken sagen en
-sprookjes van haar Arcadisch geboorteland. Zij sprak van diepe poelen
-en huiveringwekkende bergkloven, van door de Goden gevloekte meren in
-het woud, in welker wateren geen visch kon leven, van holen, waarin
-booze geesten hunne schuilhoeken hadden, van merkwaardige heiligdommen
-van Pan op eenzame, sombere berghoogten. En hoe huiveringwekkender de
-verhalen van het meisje waren, des te wijder zette zij hare kinderlijk
-beangstigde oogen open.
-
-„Op den Stymphalos,” zeide ze, „daar hangen onder het tempeldak de
-doode Stymphalische vogels, zooals de held Heracles [339] ze had
-geveld. Mijn vader zelf heeft ze gezien. Achter in den tempel staan
-marmeren beelden van jonkvrouwen met vogelpooten. Die doode
-Stymphalische vogels zijn zoo groot als kraanvogels en zij vlogen op de
-menschen aan, toen zij nog leefden en verbrijzelden hun de hoofden met
-hunne snavels en aten hen dan op. Hunne snavels waren zoo sterk, dat
-zij zelfs koper daarmede konden doorbijten.”
-
-Van de door de Goden vervloekte meren in het woud, waarin geen visch
-kon leven en waarin zelfs de vogels, die er toevallig over heen vlogen,
-dood neervielen, kwam zij op het verschrikkelijke water van den Styx,
-dat in de somberste bergkloof van Arcadië hoog van de woeste rotsen
-neerdruipt; en van de akelige wateren op de wilde dieren der bergwouden
-en de jachten, die de Arcadische mannen daarop maakten. Toen echter
-verloor haar oog de kinderlijk angstige uitdrukking en eene moedige
-ziel straalde uit haar blik. Zij verhaalde, hoe de herders, wanneer een
-roofdier in de nabijheid der hoeve zich ophield, menigen stormachtigen
-nacht onder den blooten hemel moesten doorbrengen, hoe men op grooten
-afstand schitterende vuren in de hoeven onderhield, hoe men het luide
-gebrul van het hongerige roofdier in de stilte des nachts van verre uit
-het woud kon hooren en hoe dan alles zich opmaakt om zijn spoor te
-vervolgen, of hoe men het in eene hinderlaag opwacht, en, wanneer het
-zijn sprong over den ringmuur van het erf wagen wil, men plotseling uit
-den schuilhoek op het dier losgaat met het werpen van speren en steenen
-en brandende houten, totdat het bezwijkt, overweldigd door de schaar
-zijner bespringers.
-
-Pericles en Aspasia waren verrast over de uitdrukking van moed en
-belangstelling, die bij deze verhalen uit de blikken en gebaren van het
-herdersmeisje sprak, in wier gemoed zooeven nog, buiten het bijgeloof
-en de verhalen en sprookjes van haar geboortegrond, voor niets anders
-ruimte scheen overgelaten.
-
-„Het komt mij voor,” zeide Aspasia, „dat gij aan zulke gevechten niet
-ongaarne deel zoudt willen nemen.”
-
-„O, dol graag!” riep het meisje. „Ik heb behalve dien boozen,
-overmoedigen Satyr ook reeds tweemaal een wolf, die mijn kudde wilde
-bespringen, met een brandend hout verjaagd.”
-
-„Het meisje herinnert mij,” zeide Pericles tot Aspasia, „zooals zij in
-dit oogenblik voor ons staat, aan die beroemde dochter van het
-Arcadische land, Atalante [340] die, door haar vader als kind te
-vondeling gelegd, omdat hij geene dochters, alleen zonen wilde hebben,
-door eene berin gezoogd en door jagers opgevoed werd en vervolgens in
-de Arcadische wouden met speer en boog gewapend rondzwierf, een schrik
-der wilde dieren, een stoute, maagdelijke jageres, die van geen
-zachtere aandoening iets weten wilde.”
-
-„Zijt gij altijd zoo alleen bij uwe lammeren?” vroeg Aspasia. „Is er
-niets, waar ge van houdt en wat ge altijd om u zoudt willen hebben?”
-
-„Wel zeker!” riep Cora en zag de vraagster weder met die kinderlijk
-verbaasde uitdrukking harer oogen in het gelaat. „Ik houd veel van deze
-schildpad, met hare schrandere oogen, die mij altijd aankijkt en die
-misschien plotseling eens van gedaante verandert en met mij begint te
-spreken, want ik droom soms ’s nachts van haar en dan spreekt zij
-altijd. Ik houd ook veel van de lammeren; en ook die welbekende,
-ritselende boomen rondom mij heb ik lief en uren lang hoor ik naar hun
-geritsel. Ik houd ook van den zonneschijn; doch de op de bladeren
-kletterende regen is mij insgelijks lief, als mede de donder, die zoo
-statig door het gebergte rolt. Ook van de vogels houd ik, zoowel de
-grootere, de adelaars en de kraanvogels, die hoog boven mijn hoofd
-vliegen, als van de kleinere die op de takken zingen. Het meest echter
-heb ik de verre bergen lief, vooral des avonds, als de ondergaande zon
-hen met eene rooskleurige tint overdekt, of in den nacht, als hunne
-toppen, terwijl alles stil, doodstil is, zoo rustig daar staan door het
-witte maanlicht omschenen.”
-
-Pericles en Aspasia glimlachten. „Het schijnt, dat wij ons op nieuw
-hebben vergist,” zeide Pericles, „daar wij een herdersmeisje, dat van
-zoovele dingen houdt, onvatbaar hielden voor alle zachtere
-aandoeningen.”
-
-Aspasia trok Pericles ter zijde en sprak:
-
-„Wat voor oogen zou dit eenvoudig, Arcadische herdersmeisje opzetten,
-dat met de schildpad op den schoot zit en meent, dat het dier zich in
-een God zal herscheppen, wanneer men haar plotseling in Athene
-verplaatste! Hoe koddig zou zij zich aanstellen, als ik haar bij die
-beide, mij toevertrouwde meisjes bracht, die ik tot mij heb genomen en
-die men reeds in Athene mijne school begint te noemen!”
-
-„Zij zou als een raaf onder de duiven zijn!” hernam Pericles.
-
-Altijd weer opnieuw voelden zich beiden aangetrokken door het gekeuvel
-van het meisje, waarin een zonderlinge phantasie en eene even
-eigenaardige soort van gevoel zich openbaarden. Weldra echter begon
-Aspasia met de Arcadische van rol te verwisselen, daar zij van
-toehoorderes zelve ging vertellen. Zij begon het herdersmeisje van
-Athene te verhalen, tot Pericles haar verzocht een einde aan ’t gesprek
-te maken, daar hij gaarne had, dat zij met hem den ingeslagen weg
-vervolgde. Weldra verdwenen de wandelaars in het bosch. Het was middag
-geworden, de zon had de vochtigheid van den morgen opgetrokken en het
-struikgewas verwarmd en al zijne heerlijke geuren doen ontwikkelen. Op
-de open weiden in het woud en in de houtspleten stonden hoog
-opgeschoten, bloeiende heesters, welker geuren vereenigd met de aroma’s
-van de boomhars de berglucht verkwikkend, ja bijna bedwelmd maakten.
-Van cicaden [341] wemelde het hout onder de brandende zon.
-
-Toen de wandelaars in de eenzaamheid van het woud uitrustten, kropen
-ook naar hen de schildpadden toe, waarvan Cora zooveel hield; ook boven
-hunne hoofden vlogen de groote vogels en zongen de kleine in de takken;
-het ritselen der toppen, waarnaar Cora uren luisterde, ruischte over
-hen en Cora’s geliefde zonneschijn speelden om hen heen.
-
-„Het diep geruisch dezer Arcadische wouden,” zei Pericles, „dat als van
-een oneindigen afstand schijnt te komen en zich in een oneindigen
-afstand weder verliest, vervult mij met eene zonderlinge huivering.
-Iets dergelijks heb ik nooit in mijn leven ondervonden. Ik heb nooit
-naar de stemmen van een woud geluisterd; onverschillig ben ik
-verschijnselen voorbij gegaan, die mij nu plotseling iets schijnen te
-willen zeggen. Zie ginds eens dien fijnen, in de zon schitterenden
-draad, die van den top van den haverhalm tot aan de bloem van dat
-blauwe klokje gespannen is: hebt gij wel eens het wonderfijne, zilveren
-weefsel der spin met aandacht beschouwd? Dit Arcadische meisje leert
-ons, dat men ook dingen beschouwen kan en liefkrijgen, die men
-gewoonlijk ter nauwernood opmerkt en die men onbewust geniet, zonder
-dat men er dankbaar voor is, evenals men ademhaalt.”
-
-„Uw gemoed, dierbare Pericles,” hernam Aspasia, „is naar ’t schijnt,
-zeer ontvankelijk voor nieuwe indrukken. Thans heeft een Arcadisch
-herderskind u eene geheel nieuwe en ongewone liefde ingeboezemd, eene
-liefde voor boomen en drijvende wolken en hoog vliegende vogels, en de
-geur der Arcadische bergkruiden, schijnt u wellicht reeds welriekender,
-dan die van alle rozenpriëelen van Milete!”
-
-„Gij zult toch toe moeten geven,” hervatte Pericles, „dat deze geurige
-woudlucht het hart verkwikt en dat daarentegen de bedwelmende geur der
-rozen de geestkracht van den mensch ten laatste verslapt. Inderdaad, ik
-voel mij hier door den adem van een vernieuwd leven bezield. Toen wij
-eens op de Acropolis in de Pangrot stonden en gij over den herdersgod
-den neus ophaaldet, vermoedden wij niet, dat deze God ons later eens
-zoo vriendelijk te gast nooden, zoo heerlijk onthalen zou. Vreedzaam
-geluk omgeeft ons hier, en wanneer ik mij in den geest uit deze
-voorwereldlijke stilte in het woelig Athene terug verplaats, dan
-schijnt mij het onstuimig jagen en drijven dier menschen schier ijdel,
-tegenover de goddelijke rust dezer herders op hunne eenzame bergen.”
-
-„Ik deel maar ten halve uwe ingenomenheid met de genietingen, die de
-gastvrijheid van den herdersgod ons hier bereidt,” zeide Aspasia. „Deze
-menschen zijn plomp en eenvoudig, de verre sneeuwkruinen doen mij
-huiveren en het gebergte in de nabijheid beangstigt mij, als zou het
-mij onder zijne toppen bedelven. Het ernstig, eentonig ruischen van die
-hooge, rijzige dennen doet mij onaangenaam aan, en schijnt mij juist
-geschikt om in het menschelijk gemoed een somber, naargeestig en
-dweepend gevoel aan te kweeken. Ik voor mij bemin zonnige dreven,
-bloeiende velden, stranden met een ruim gezicht op zee. Ik verkies die
-oorden, waar de van vernuft tintelende geest zich in schoone rijpheid
-ontwikkelt. Gij zoudt, dunkt mij, gaarne bij deze herders willen
-achterblijven; ik daarentegen zou ze allen wel van hier willen
-wegvoeren, om ze tot menschen te vormen. Welaan, doe, zooals Apollo
-deed, wien het insgelijks eens behaagde zich onder de herders te
-begeven en kudden te weiden [342]. Blijf hier! Gij kunt dan als eene
-cicade leven: wijs, zonder leed en bloed. En lust het u soms nog nuttig
-werkzaam te zijn, dan kunt ge krekelvallen vlechten of lijmstokken
-behendig tusschen de boomtakken steken, om vogels te vangen, of met
-steenen door den slinger geworpen, de spreeuwen en kraanvogels van de
-zaadvelden verjagen. Of gij kunt de lammeren van Cora hoeden, die mij
-naar Athene zal vergezellen.”
-
-Pericles glimlachte. „Denkt gij dus inderdaad,” zeide hij, „Cora met u
-te nemen?”
-
-„Wel zeker, denk ik dat te doen!” hernam Aspasia, „en ik hoop, dat gij
-uwe toestemming daartoe niet weigeren zult.”
-
-Pericles was verrast. „Mijne toestemming,” zei hij, „zal u niet
-geweigerd worden, maar welke bedoeling hebt gij daarmede?”
-
-„’t Is louter eene aardigheid,” antwoordde Aspasia. „Dit Arcadische
-meisje zal mij gewis vermaken. Ze doet mij lachen, als ik in hare
-groote, ronde, angstig rondkijkende oogen zie.”
-
-’t Was, zooals Aspasia zeide: zij wilde zich met dat meisje vermaken,
-zij wilde er genoegen in scheppen te zien, hoe zonderling het
-bijgeloovig, onervaren herderskind zich gedragen zou, wanneer men het
-plotseling in het oververfijnde Athene verplaatste.
-
-De ziekte van een zijner slaven noodzaakte Pericles nog een tweeden dag
-de gast van den herder te blijven.
-
-Ook dezen dag bracht het Atheensche paar meest in het gezelschap van
-het bruine herdersmeisje door. Weder snapte Cora, vertelde
-herdersgeschiedenissen, ja zij zong zelfs eenige zonderlinge,
-kinderlijke liederen, die zij zelve gemaakt had, zooals het volgende:
-
-
- Het beekje komt van ’t rotsgebergt’
- En stort zich in het woud;
- Er grazen reeën in het dal,
- Het lachend ze aanschouwt.
-
- ’t Besprenkelt bloem en blad met dauw
- En lescht der dieren dorst,
- En komt de barre winter aan,
- Wordt het met ijs omkorst.
-
-
-Zij vertelde ook van den verliefden Daphnis [343], die van
-zwaarmoedigheid en verlangen wegkwijnde en dien daarna alle dieren
-betreurden. Dit droevig verhaal beviel echter aan Aspasia niet: zij
-luisterde er naar met een spottenden glimlach om de rozelippen en
-teekenen van afkeuring...
-
-Toen zij voortwandelende aan eene bron kwamen, door sappige kruiden
-omgeven, waaruit een kristalhelder beekje gevormd werd, en Aspasia zich
-daarin wilde spiegelen trok Cora haar angstig terug en waarschuwde
-haar, zeggende, dat iemand, die zich in eene bron spiegelt, somwijlen
-plotseling een ander beeld dan het zijne daarin ziet, namelijk dat van
-eene Nimf, die hem uitlacht, en dan was hij verloren.
-
-Toen de zon in het zenith stond en de toon eener syrinx in de broeiende
-middagstilte vernomen werd, zei Cora: „Pan zal weder boos worden; hij
-wil niet, dat men hem op den middag, als hij rust, door syrinxen of
-andere geluiden uit zijne sluimering zal wekken.”—De muziek echter kwam
-van den herdersknaap, die den vorigen dag, op Pericles’ en Aspasia’s
-verzoek, een landelijken dans had uitgevoerd. Wel wist de knaap, dat
-Pan van den klank der syrinx in het middaguur niet hield; maar hij
-bespeelde altijd de syrinx, als hij bemerkte, dat Cora in de nabijheid
-was, omdat hij meende haar daarmede genoegen te doen. Cora echter
-berispte den armen jongen. En toch had zij een week gemoed. Zij redde
-voor Pericles’ en Aspasia’s oogen een cicade die zich in het web eener
-spin verward had.
-
-Ernstig en aandachtig luisterde het meisje weder, toen Aspasia haar
-opnieuw van Athene begon te vertellen.
-
-Met opzet schilderde Aspasia in de gesprekken, die zij met Cora nog in
-den loop van den dag hield, het leven in de stad der Atheners in
-verleidelijke kleuren. Zij verstoorde den vrede dezer idyllische
-natuur, zij verwekte een wanklank in de harmonische wereld van dit
-kinderlijk hart. Eindelijk vroeg zij Cora of zij met haar naar Athene
-wilde gaan. Het herdersmeisje zweeg, maar scheen in diepe gedachten
-verzonken.
-
-Aspasia wendde zich tot de ouders van Cora en verklaarde hun, dat zij
-Cora gaarne met zich mede naar Athene wilde nemen, en hunne dochter
-daar een gelukkig lot zou verbeiden.
-
-„Dat mogen de Goden geven!” zei de eerlijke herder. „Dat mogen de Goden
-geven!” herhaalde de herderin. Maar zij zeiden niet ja.—En zoo dikwijls
-Aspasia de vraag om hunne toestemming herhaalde, zeiden beiden altijd
-dit ééne:
-
-„Dat mogen de Goden geven!”
-
-Men zag, dat het aan het vaderlijk en moederlijk hart zwaar viel, hun
-eenig kind, zij het ook voor het gelukkigst lot, van zich te laten
-gaan.
-
-Aan den avond van dienzelfden dag werd Cora plotseling gemist, nadat
-zij toch met hare lammerenkudde reeds naar huis was teruggekeerd en
-langen tijd werd zij te vergeefs gezocht. Eindelijk zagen Pericles en
-Aspasia, niet verre van den ingang van het hof staande, het meisje de
-helling afkomen. Maar zij kwam in zeer zonderlinge houding. Zij had
-namelijk de handen stijf tegen de ooren gedrukt. Op eenigen afstand van
-Pericles en Aspasia stonden, buiten de hoeve, de slaven van Pericles in
-eene groep bijeen. Toen het meisje deze groep genaderd was, nam zij
-plotseling de handen van de ooren weg en scheen naar de woorden der
-slaven, die onder elkander praatten, te luisteren. Bijna op hetzelfde
-oogenblik scheen zij te ontstellen, drukte de hand tegen de borst en
-bleef een oogenblik als in den grond geworteld staan. Pericles en
-Aspasia gingen naar haar toe en vroegen naar de oorzaak van hare
-ontsteltenis.
-
-„Ik heb Pan gevraagd,” antwoordde zij, „of de Goden wilden, dat ik met
-u naar Athene zou gaan.”
-
-„Hoe dan?” vroegen beiden.
-
-„Ginds onder in het dal,” zeide het meisje, „ligt eene grot, aan Pan
-geheiligd. Daar staat het beeld van den God, uit eikenhout gesneden, in
-de spelonk. Derwaarts begeven zich alle herders, als zij iets
-geheimzinnigs te vragen hebben. Men fluistert den God de vraag stil in
-het oor, houdt vervolgens zijne eigene ooren met de handen dicht,
-totdat men onder menschen komt, die juist met elkander spreken. Dan
-trekt men de handen plotseling weg en het eerste woord, dat men
-verneemt, is de orakelspreuk van Pan, het antwoord van den God op de
-vraag, die men hem in het oor heeft gefluisterd.”
-
-„En welk woord hebt gij het eerst onder die slaven gehoord?” vroeg
-Aspasia.
-
-„Het woord Athene!” hernam Cora en beefde daarbij van aandoening.
-
-„Pan wil derhalve, dat ik naar Athene ga,” vervolgde zij zuchtend.
-
-„Hij staat u toe uwe lievelings-schildpad mede te nemen,” zei Aspasia
-glimlachend.
-
-De ouders van Cora kwamen nader.
-
-„Pan wil, dat ik naar Athene zal gaan,” zei het meisje op treurigen,
-maar beslisten toon. En zij deed nog eens het verhaal, hoe zij in de
-grot van Pan zijn orakel had geraadpleegd.
-
-De herder en zijn vrouw luisterden naar hare mededeeling, zagen
-elkander ontroerd aan en herhaalden toen, op niet minder treurigen toon
-dan het meisje, de woorden:
-
-„Pan wil, dat Cora met de vreemdelingen naar Athene zal gaan!”—
-
-Toen gingen zij naar hun weenend kind, drukten het in hunne armen en
-kusten het.
-
-„Cora zal beloond worden voor hare gehoorzaamheid aan den God,” zei
-Aspasia. „Zij zal dikwijls boden zenden, die u berichten en geschenken
-van haar zullen brengen en als gij oud zijt geworden, zal zij u bij
-zich noodigen, om het overige uwer dagen rustig bij haar te slijten.”
-
-„Gisteren reeds wedervoer ons een voorteeken in ons huis,” zei de
-herder ernstig, „doordien eene slang die het nest eener zwaluw onder de
-kroonlijst wilde besluipen, door het rookgat midden op den haard naar
-beneden is gevallen.”
-
-Aspasia sprak nog eenigen tijd met het herderspaar, om het te
-bemoedigen en te troosten, en zwijgend, schoon met gebroken hart,
-voegde het zich in den wil van den God.
-
-Treurig weerklonk in de verte de syrinx van den verliefden
-herdersknaap, terwijl hij in de schaduwen der stille paden van het
-landelijk erf ronddoolde.
-
-Nu gingen allen te zamen in de hoeve, om daar den nacht door te
-brengen, die voor Pericles en Aspasia de laatste was in de Arcadische
-bergen. Want met het krieken van den morgen waren zij voornemens op te
-breken en hunne reis naar Elis voort te zetten, waar grootere dingen
-hen verbeidden dan hier in het stille herdersland.
-
-
-
-
-
-
-
-XVIII.
-
-DE NIEUWE GOD EN ZIJN BLIKSEMSCHICHT.
-
-
-Niet om de Olympische wedloopers naar den eindpaal te zien vliegen,
-niet om de worstelaars en vuistvechters in het zand te zien bijten,
-niet om de duizendvoudige bijvalskreten van het volk der Hellenen te
-hooren, waarmede zij de overwinnaars in den wedloop, in het worstel- en
-vuistgevecht, in het springen, in het werpen met speer en schijf, in
-den wapenloop begroetten, waren Pericles en Aspasia naar Elis gekomen.
-Hunne harten verlangden vurig naar hun vriend Phidias, toen zij in den
-glans van een heerlijken morgen de gevierde, door de wateren van den
-heiligen Alpheüs doorsneden dalvlakte van Olympia bereikten. Alle
-wegen, die van de Arcadische bergen of uit het zuiden van de
-Peloponnesus over Messenië of van het noorden over Achaëe naar het
-Elische strand voerden, boven alles echter de zoogenaamde heilige
-feestweg, die langs den Alpheüs liep, wemelden van wandelaars; ook over
-de golven der westelijke zee in de nabijheid zagen zij de bekranste
-schepen van Italië’s en Sicilië’s kusten naderen.
-
-Weldra bevonden zij zich in het gewoel van de karavanen der
-feestgezantschappen, die zich naar het Pisatische strijdperk begaven;
-geen enkele Helleensche staat van eenig belang had verzuimd zulk een
-gezantschap te zenden. Waar zulk eene karavaan op den weg kwam, drong
-zich de stroom der overige pelgrims te voet en met rijtuig opeen en
-allen staarden verbaasd den stoet aan en hen, die in prachtgewaad,
-bekranst op den bekransten wagen zaten en den wagen zelven die niet
-zelden met schilderwerk versierd, verguld en met tapijten behangen was,
-ook de heerlijke offerdieren, het kostbare offergereedschap, het
-talrijke geleide.
-
-Niet verre van de standplaats der tenten en winkels, ongeveer tegenover
-den ingang van het woud, bevond zich eene groote
-beeldhouwerswerkplaats. Ze was sedert jaren die van den vermaarden
-Phidias; hier voltooide hij gemeenschappelijk met Alcamenes en andere
-zijner leerlingen in de eenzaamheid der Elische vallei, wier rust
-alleen om de vier jaar door het Olympische feestgewoel werd verstoord,
-het grootste en diepzinnigste zijner beelden. De drukte van het
-vroolijke Athene ontvloden, vrij van alle invloeden, die de vlucht
-zijner gedachten met bloemenketenen naar de aarde zouden willen
-trekken, schiep hij hier in de eenzaamheid, door de berglucht verkwikt,
-onder het geklater van den heiligen stroom, zijn Olympischen Zeus.
-
-Uit de werkplaats van Phidias ziet men twee mannen komen en den oever
-van den Alpheüs stroomopwaarts bewandelen.
-
-In een van deze mannen herkennen wij den vurigen Alcamenes. Zijn makker
-is de beroemde Polycletus van Argos, door zijn marmeren en metalen
-beelden met den Athener wedijverend, maar, met den kalmen en rustigen
-geest van den Peloponnesiër, het menschelijke als zoodanig rein
-trachtende op te vatten, en boven alles het mannelijke, ’t welk hij het
-liefst in standbeelden van athleten uitdrukte. Zijne school was
-Olympia: hier oefende en volmaakte hij zijn oog en geest aan de levende
-omtrekken van een harmonischen, krachtigen lichaamsbouw.
-
-Het verschil van richting in hunne kunst verwijderde, zij ’t ook schier
-onbewust, Phidias en zijn Argivischen mededinger. Terwijl de Athener
-geloofde, dat de eenvoudige kunst van den Argiver te hoog werd
-aangeslagen, vond deze zich heimelijk gegriefd, dat men hem, den
-Peloponnesischen kunstenaar, voorbij was gegaan en den Athener met
-zijne leerlingen geroepen had, om het grootste en verhevendste
-kunstwerk op Peloponnesischen bodem te voltooien. Dit was een dier
-Atheensche triomfen, welke Aspasia Pericles had voorspeld, toen zij hem
-zocht te bewijzen, dat een staat door de beoefening van het schoone
-zijne mededingers kon overvleugelen...
-
-Zoo was Polycletus gedurende zijn oponthoud te Olympia verstoken van
-den omgang met Phidias en zijne jongeren, met uitzondering van
-Alcamenes, wiens openhartig, vroolijk en levendig karakter zich gaarne
-over kleinigheden heen zette en die dan ook zooeven, bij eene
-toevallige ontmoeting, een onbevangen gesprek met zijn Argivischen
-kunstbroeder had aangeknoopt.
-
-Polycletus, een ernstig, verstandig man, die met Phidias en zijne
-school zonder eenige hartstochtelijke bitterheid naar den eerepalm
-dong, vroeg naar Agoracritus, daar hij zich verwonderde waarom deze
-zijn meester niet gevolgd was, om evenals op de Acropolis te Athene,
-ook hier aan zijne zijde het roemvol werk te helpen voltooien.
-
-„Te recht verwondert gij u,” zei Alcamenes, „dat juist de geliefdste
-leerling van den meester hier ontbreekt, terwijl ik—die sedert de
-overwinning, welke ik met mijne Aphrodite op hem behaald heb, mij
-nauwelijks meer op de persoonlijke genegenheid van den meester mag
-beroemen—deze toch herwaarts gevolgd heb en voortga aan zijne zijde te
-arbeiden. Nu, als men samen leven en werken zal, komt het er niet
-zoozeer op aan of men elkander meer of minder liefheeft, als wel daarop
-of men een gemakkelijk karakter bezit. Ik voor mij zou den omgang met
-Agoracritus, hoewel hij geweldig op mij gebeten is, best kunnen
-uithouden; doch hij kan dit niet; en alleen om mijn gehaat gezicht niet
-meer te zien, is hij sedert de voltooiing van het Parthenon heengegaan.
-Hij heeft intusschen op zich genomen, een Zeus, die Coronea [344] hem
-heeft opgedragen, te vervaardigen. Maar evenals hij des tijds, toen hij
-zich voorgenomen had eene Aphrodite te beitelen, eene Nemesis schiep,
-zoo hield men zijn Zeus, toen deze daar voltooid stond, voor een God
-der onderwereld. Zoo verdiept hij zich altijd in het sombere, en daar
-mijne kunst steeds eene tegenovergestelde richting heeft gevolgd, zijn
-wij allengs zulke tegenvoeters geworden, dat wij volstrekt niet meer in
-staat zijn aan de uitvoering van hetzelfde ontwerp met elkander te
-arbeiden.”
-
-„Uw levendige geest, Alcamenes,” hernam Polycletus, „doet u zulke
-groote vorderingen in de kunst maken, dat uwe makkers u niet
-gemakkelijk kunnen volgen.”
-
-„Ik kan mij hier vrijer bewegen, dan bij de werken op de Acropolis te
-Athene,” zei Alcamenes. „Daar moest in alles, naar een vast plan van
-den meester, eene volstrekte eenheid heerschen; hier liet hij mij en
-Paeönius, naar vrije verkiezing, de uiterlijke versiering des tempels
-over; hij zelf echter bleef geheel en al verdiept in gepeinzen over
-zijn Olympischen beheerscher der Goden.”
-
-Toen Alcamenes deze woorden gesproken had, bleven zijne oogen
-plotseling gevestigd op een verwijderd punt in ’t gedrang van hen, die
-zich langs den oever van den Alpheüs bewogen. ’t Scheen, dat hij daar
-iemand had herkend en zijn geheele wezen begon eene ongewone aandoening
-te verraden. Hij keerde zich tot Polycletus en zeide:
-
-„Ziet gij ginds dien statigen en eerwaardigen man, die aan de zijde van
-eene dichtgesluierde vrouw van bekoorlijke gestalte zich in ’t gewoel
-een weg zoekt te banen? Het is Pericles uit Athene, vergezeld van zijne
-gade, de schoone Milesische Aspasia.”
-
-„Ja waarlijk,” antwoordde Polycletus. „Ik herken Pericles; ik heb hem
-vóór jaren in Athene gezien. Maar die schoone vrouw is mij geheel
-vreemd.”
-
-„Eene even gevaarlijke en sluwe, als schoone vrouw,” hervatte
-Alcamenes. „Men kan haar niet beminnen zonder haar te haten, en niet
-haten, zonder haar te beminnen.”
-
-Toen Pericles en Aspasia Alcamenes zagen, en bij hem Polycletus, en het
-Atheensche paar genaderd was en de beide beeldhouwers elkander
-hartelijk hadden begroet, vroeg Pericles aanstonds naar Phidias.
-
-„Wij zijn,” zeide hij, „gisteren avond laat te Olympia aangekomen, niet
-om de spelen bij te wonen, die voor mij de bekoorlijkheid der nieuwheid
-al lang verloren hebben en die mijne gade, als vrouw, niet mag zien,
-maar alleen om Phidias en zijn God, van wien men thans reeds met den
-grootsten lof gewaagt. Nu zijn wij juist voornemens den meester op te
-gaan zoeken en gij, Alcamenes, zult ons ongetwijfeld gaarne
-begeleiden.”
-
-„Hij bevindt zich in het heilige woud,” hernam Alcamenes, „in den pas
-voltooiden tempel van Zeus. Hij heeft zich daar met zijne medearbeiders
-opgesloten en wil niemand bij zich toelaten, deels om niet in zijn werk
-gestoord te worden, deels om zijn gewrocht niet eerder aan de oogen der
-menschen bloot te stellen, vóór het op de bestemde plaats en in al
-zijne heerlijkheid voor hen staat. Eerst na den afloop der spelen zal
-de tempel geopend worden. Hoe onverbiddelijk de afgetrokken en schier
-menschenschuwe man allen ook van zich weert, zoo wil ik toch beproeven,
-in den afgezonderden tempel tot hem door te dringen en hem gasten aan
-te kondigen, die hij ongetwijfeld met groote vreugde zal ontvangen.”
-
-„Neen, Alcamenes, doe dat niet,” zei Pericles, „ook door ons moet
-Phidias niet in zijn arbeid gestoord worden en ook van ons zal hij
-begeeren, dat wij zijn werk niet dan in den vollen luister zullen zien.
-Wij zullen een weinig geduld oefenen. Doch de feestelijke opening van
-den tempel denk ik niet met Aspasia af te wachten. Niet in ’t gedrang
-van tallooze Hellenen zouden wij dat gezicht voor het eerst willen
-genieten. Ik hoop ten minste, dat Phidias ons één dag van te voren in
-de zalen van den nog eenzamen tempel zal toelaten en ons vergunnen zijn
-volkomen afgewerkt godenbeeld in stilte te beschouwen.”
-
-„Gij zult, Pericles,” hernam Alcamenes, „zeker hierdoor een vurigen
-wensch van den meester zelven vervullen. Wilt gij derhalve Phidias voor
-het oogenblik in zijn tempel ongestoord laten, stel u dan te vreden met
-mij en den wakkeren Polycletus, die op den bodem van Olympia beter te
-huis is dan nauwelijks eenig Helleen, en wiens metalen of marmeren
-beeld ginds tusschen het loof der platanen en olijfboomen van het
-heilige woud u toeblinken.”
-
-Onder vriendelijke dankbetuiging namen Pericles en Aspasia het geleide
-der beide groote kunstenaars aan.
-
-Zij wandelden samen door het onafzienbare gewoel op de groote, vrije
-ruimte, die zich uitstrekte tusschen den schaduwrijken oever van den
-Alpheüs en het heilige woud Altis, waar de nieuwe feesttempel van den
-Olympischen Zeus zich verhief, te midden van eene menigte metalen en
-marmeren beelden.
-
-Zij gingen langs de huizen, bestemd voor de tallooze personen, die tot
-den dienst van den tempel behoorden, langs de herbergen, die op verre
-na niet voldoende waren voor de vreemdelingen, langs de ruimten waar de
-strijdwagens bewaard werden, langs de stallen, waarin de edele rossen
-en muildieren hinnikten. Het grootste deel van het saamgestroomde volk
-zagen zij in de open lucht onder tenten gelegerd.
-
-Na weinige schreden trof hun blik de prachtige tent van het
-feestgezantschap uit Sicyon, iets verder die van Corinthe, vervolgens
-die van Argos, Samos, Rhodos en andere. Om deze tenten heerschte een
-groote drukte, vooral van hen die landgenooten waren van de
-verschillende gezanten. Dan klonk het: deze hier is de prachtige tent
-van den rijken Periander uit Chios, die van den vermogenden Euphorides
-uit Orchomenus [345], gene van den rijken Pauson van Eretria. De
-bewoners der tenten stonden aan den ingang, druk en met levendige
-gebaren zich onderhoudend; zij groetten hunne vrienden en noodigden hen
-uit, onder de schaduw van hun purperen tent te komen uitrusten.
-Vreemde, door de zon gebruinde jongelingen naderden hen en trachtten
-met de helft van gebroken ringen, wier andere helft in de handen van
-den toegesprokene zich bevond, zich als zonen en verwanten van oude
-gastvrienden te doen erkennen. Winkels van allerlei aard sloten zich
-bij de bonte tentenrij aan.
-
-De volksmenigte woelde dooreen. Men hoorde de verschillende Helleensche
-tongvallen door elkander. Men verstond elkaar niet altijd. Naast de
-vrij harde taal van den Peloponnesiër, de breede van den Thebaan, de
-platte van den Megarenser, klonken de weeke Ionische en Aeölische
-tonen. In het gewoel der Hellenen waren boven allen, de levendige,
-vroolijke Atheners herkenbaar, benevens de ernstige, sombere Spartanen.
-Dikwijls wierpen zij elkander een blik van diepen haat en afgunst toe.
-
-Ook de reusachtige gestalten der athleten, kon men daar zien
-rondwandelen. Men wees hen met den vinger aan en noemden hunne namen en
-hunne overwinningen.
-
-Vóór de tent van het feestgezantschap uit Cios zagen Pericles en
-Aspasia een weenenden knaap, dien een hoogbejaarde grijsaard, zijn
-grootvader wellicht, te vergeefs zocht te troosten. Pericles vroeg naar
-de oorzaak dezer tranen en vernam, dat de jongen, onder beschuldiging
-van verwijfdheid, van den wedstrijd der knapen was uitgesloten, omdat
-hij met lang haar [346] en een purperen kleed te Olympia gekomen was.
-Met half spottende, half berispende woorden laakte Aspasia, zonder zich
-te ontzien voor hen, die het hooren konden, de harde, oudvaderlijke
-gestrengheid der Elische kamprechters; daarop streek zij den knaap
-vertroostend over de donkere lokken en zei: „Schrei niet, beste jongen!
-Pericles van Athene zal voor u een goed woord doen bij de
-Hellanodiken.” [347]
-
-Al meer en meer vulde zich de ruimte. Hier en daar verdrong zich de
-opeengepakte massa. Pericles en Aspasia ontmoetten al voortwandelend
-groepen, die zich verzamelden om beeldhouwers, welke hunne werken hier
-openlijk ten toon stelden, of om rhapsoden [348], of om een man, die,
-op een spreekgestoelte staande, aan het luisterend Helleensche volk de
-door hem opgestelde geschiedenis van Grieksche staten en eilanden
-voorlas, of om een voortreffelijk toonkunstenaar, of om mannen, die in
-trotsche houding en purperen gewaad door de hen aangapende menigte
-gingen, Sophisten die den roem van hun naam te Olympia nog verhoogen
-wilden en bereid waren voor de hen omstuwende menigte eene schitterende
-rede te houden over welk onderwerp men maar wilde, of om een
-onaanzienlijk mannetje, op wiens kalen schedel onder de brandende
-zonnestralen van Elis het zweet als morgendauw flikkerde en die een
-sterrekundige fabel, een werk van scherpzinnige en ingewikkelde
-berekeningen, ter algemeene bezichtiging stelde.
-
-Een hoogbejaarde Spartaan, met sneeuwwitte lokken, zag met donkere en
-onvergenoegde blikken naar al die eerzuchtige bedrijvigheid.
-
-„Ik prijs den tijd gelukkig,” zeide hij tot een vriend aan zijne zijde,
-„toen Olympia niets meer was dan de kampplaats voor ’t aan den dag
-leggen van Helleensche manlijke kracht, terwijl zij nu veeleer tot eene
-vertooning van vrouwelijke en verwijfde kunsten misbruikt wordt. Toen
-ik nog een knaap was, was hier niets te koop dan onmisbare
-levensmiddelen, alsmede benoodigdheden voor het feest zelf, als
-sieraden, hoofdbanden, kransen. Thans pralen de winkels van ijdelen
-opschik; wij hebben ten tijde van het feest hier eene groote kermis van
-Hellas, waar de winkeliers van alle steden en eilanden hunne
-verleidelijkste waren te pronk willen stellen. Het krioelt hier steeds
-meer van raphsoden, toonkunstenaars, beeldhouwers, wijsheidsvrienden en
-ander volk van dat slag. Na korten tijd zal het grootsche doel van het
-overheilige Olympische feest onder de tentoonstellingen en vertooningen
-van onmanlijken wedijver waarmede de Atheners en andere Hellenen van
-het vlakke land, der eilanden en Ionische kusten elkander de loef
-zoeken af te steken, verdwenen zijn. Eerzuchtige dwazen! Ieder wil met
-iets pronken, ieder opgemerkt worden. Ginds, ziet ge, snijden eenige
-Megarensers hunne namen in de schors der populieren aan den Alpheüs om
-toch ook iets voor hunne onsterfelijkheid te doen!”
-
-„Eenigen zie ik daar ook bezig,” hernam zijn makker, „met schoone,
-bonte kiezelsteentjes uit het zand van den heiligen stroom te zoeken.
-Ik moet daar ook eenige van verzamelen, om ze voor mijne jongens mee te
-brengen...”
-
-Na het uiten dezer woorden verdween de vriend van den Spartaan onder de
-populieren langs den Alpheüsoever. Hoofdschuddend zag deze hem na.
-
-Op dit oogenblik weerklonk weder de schelle, alles overheerschende stem
-van den heraut, die van tijd tot tijd door de tentenstad en het gewemel
-van menschen heenstappende de oogen en ooren van alle Hellenen voor een
-oogenblik op zijn persoon vestigde. Hij was de algemeene mond der
-Hellenen. Hij berichtte de meest verschillende zaken. „De Panormitanen
-[349] en de Leontiërs [350] deelen plechtig allen Hellenen mede, dat
-zij met elkander vrede hebben gesloten, na hunne geschillen door een
-minnelijke schikking bijgelegd te hebben.” En wederom: „De Magnesiërs
-[351] geven aan de Hellenen kennis, dat zij met de Larissaeërs [352] en
-Demetriërs [353] een eeuwigdurend verdrag van onderlinge verdediging
-hebben aangegaan.”
-
-Nu echter verkondde zijne krachtige stem: „De Lechaeërs[353] betuigen
-ten aanschouwe van het geheele Helleensche volk den Phliasiërs[353] hun
-dank voor de hen betoonde hulp in den strijd met de Kenchraeërs[353].”—
-
-„Dat was wel de moeite waard!” riep een Kenchraeër met een spottenden
-glimlach. „Denken de Lechaeërs inderdaad, dat wij voor hen en de
-Phliasiër bang waren? Bij Heracles! Zij zullen op het volgende
-Olympische feest geheel andere mededeelingen door den heraut hooren
-doen!”
-
-„Niets dan snoeverij!” hernam hoonend een Lechaeër, die niet verre van
-hen verwijderd stond. „Bluf maar! Wij hebben nog pijlen genoeg om er de
-geheele stad der Kenchraeërs onder te bedelven!”
-
-„En wij nog lansen genoeg,” hernam de Kenchraeër, „om de nieren van
-alle Lechaeërs aan te spietsen!”
-
-„Pak u weg!” schreeuwde de van toorn gloeiende Lechaeër, „anders zult
-gij morgen uw gezicht in den spiegel niet meer herkennen!”—Tevens hief
-hij dreigend de vuist op.
-
-Een Athener greep zijn arm vast. „Wat moet dat?—Laat den Kenchraeër met
-rust, of gij hebt met mij te doen!”—
-
-„Ei, kijk hem eens!” sprak een Samiër onder de toeschouwers, die zich
-om de twistenden heen gedrongen hadden; „de Atheners willen zich zelfs
-in de gunst der Kenchraeërs dringen, en men weet, waar het met al hunne
-vriendelijkheden op uitloopt!”—
-
-„Ja wel, dat weten we!” riepen eenige Argivers en Spartanen. „Sedert
-eenigen tijd,” sprak een der Argivers, „geven de Atheners zich wonder
-veel moeite, om in goede verstandhouding te staan met de bewoners van
-den Isthmus en de passen van de Peloponnesus!”
-
-„Hebben zij dan daarvoor den tijd?” riep een der Spartaners met een
-grijnslach. „Is dan de groote Pericles, de Olympiër, al gereed met
-zijne groote, prachtige tempels en propylaeën en Pallasbeelden van goud
-en ivoor? En behaagt het de Hera van den Atheenschen Olympiër haar rijk
-ook aan gene zijde van de pijnboomwouden, van den Isthmus uit te
-breiden?”
-
-„Hare vrienden en voorvechters heeft zij immers reeds vooruit
-gezonden!” riep de Argiver, met den vinger over zijn schouder naar de
-werkplaats van Phidias wijzend.
-
-De Atheners, die aanwezig waren, wilden zich die spotternij niet laten
-welgevallen. Wilder en heftiger dreigde de woordenstrijd te ontbranden.
-
-Daar klonk plotseling eene geweldige en welluidende mannenstem, zoo
-wonderlijk doordringend, dat oogenblikkelijk allen daarnaar luisterden.
-
-„Aan welken Helleen behoort de tong,” riep de machtige redenaar, „die
-daar durft spotten met de nieuwe tempels en godsbeelden der Atheners?
-Wat er roemrijks te Athene geschapen is dat is gewrocht ter eere van
-den gemeenschappelijk en Helleenschen naam! En bedenkt, dat sedert
-eeuwen altijd vrede is gehouden door onze vaderen, van welken stam zij
-ook waren, op deze plaats, waar de heilige wateren van den Alpheüs de
-maat klateren voor de Olympische feestreien van het gansche Helleensche
-volk. Tot een vreedzamen wedstrijd zijn wij steeds herwaarts gekomen;
-hier was het heilige grond, hier de godsvrede. In het tempelgebied van
-den gemeenschappelijken God Zeus vereenigt ons het feest der
-Panhellenen [354]. Houd vrede, Hellenen, op de Pisatische landauwen!
-Hier moeten geen wapenen getrokken worden, hier mag geen
-metaalgekletter gehoord worden, dan de klank der halve ringen, die
-tegen elkander gehouden worden; hieraan kunnen Helleensche gastvrienden
-van alle oorden elkander herkennen!”—
-
-De kreet „Pericles” weerklonk na deze woorden door de menigte:
-„Pericles van Athene! Pericles, de Olympiër!” Vaders hieven hunne
-jongens op, om hun Pericles te toonen. Slechts door weinigen was hij te
-voren herkend geworden. Thans, nu hij gesproken had, nadat zijne
-donderende welsprekendheid had weergalmd, herkende hem het gansche
-Helleensche volk. En nog vond, wat hij gesproken had, weerklank in de
-harten der bewegelijke, licht ontvlambare Hellenen. Kreten van
-toejuiching weerschalden tot over den Alpheüs en de wateren van den
-stroom schenen bruisend in te stemmen in den algemeenen bijval.
-
-Pericles onttrok zich aan de menigte door zich met Aspasia en zijne
-vrienden naar het heilige woud Altis te begeven, waar hij zich verloor
-tusschen de tempels en heiligdommen van allerlei soort, de
-standbeelden, drievoeten en gedenkzuilen, waar het gebladerte der
-olijfboomen, platanen en palmen ritselde. Van de gevelspits van den
-nieuwen Zeus-tempel schitterden hun eene vergulden Zegegodin tegen,
-tusschen twee eveneens vergulde vaten, in oogverblindenden glans. Zij
-beschouwden op den achtergevel de beelden van Alcamenes. Hij had daar
-den strijd der Lapithen [355] en Centauren voorgesteld en daarin zijne
-voorliefde voor bewegelijkheid en veelvuldige afwisseling van houding
-en gebaren, meer dan op de Acropolis, den vrijen teugel gelaten.
-
-Begeleid door Polycletus en Alcamenes beschouwden Pericles en Aspasia
-daarop de overige tallooze wonderen van het heilige woud.
-
-Ten laatste bestegen zij eene vrije trap, die uit Altis noordwaarts
-naar een groot, breed terras leidde. Dit terras breidde zich langs den
-zuidelijken voet van den Cronos-heuvel tot aan het stadion [356] uit.
-Op die vlakte verhief zich eene lange rij van zoogenaamde schatkamers
-van verschillende steden, waarin deze hunne naar Olympia gezonden
-wijgeschenken bewaarden.
-
-Van de schatkamers van den Cronos-heuvel opwaarts gaande, bezichtigden
-Pericles en Aspasia de heiligdommen, die dezen heuvel versierden. Van
-den top daarvan hadden zij het schoonste gezicht op Olympia. Zij zagen
-onder zich het heilige woud Altis met zijne tempels en standbeelden in
-zijne volle uitgestrektheid; zij zagen aan gene zijde van Altis den
-majestueuzen stroom, den Alpheüs, door de vlakte heenschieten; zij
-zagen ter rechter zijde de rivier Cladeüs, die op de Pisatische bergen
-ontspringend, zijne wateren met die van den Alpheüs vermengt; zij zagen
-ter linker zijde het stadion en den hippodromos [357], de plaatsen voor
-de Olympische wedstrijden, die het heilige woud begrensden. Rechts van
-den Cronos-heuvel, nabij den noordelijken uitgang van Altis, zagen zij
-gebouwen, die het middelpunt van het bestuur van Olympia uitmaakten en
-waar zoowel de kamprechters als de athleten zelven, vóór het standbeeld
-van den met den dubbelen bliksem gewapenden Zeus Horkios [358], de
-wetten van den strijd bezwoeren. Verder was van alle kanten niets te
-zien dan de krans van hooge bergen, in wier hoede het heilige
-feestterrein van Olympia lag.
-
-Het oog der mannen weidde met welgevallen over deze tafereelen. Aspasia
-echter begon over de geweldige hitte te klagen en over de vele muggen,
-die haar kwelden.
-
-„Hoe komt het toch,” zeide zij, „dat de Hellenen voor hunne athleten
-wedstrijden het warmste van den zomer en deze muffe, drassige vallei
-van den Alpheüs hebben gekozen?”
-
-„De stichter Heracles heeft aan de muggen niet gedacht,” zei Alcamenes
-lachend.
-
-„En wij mannen tot heden ook nog niet,” voegde Pericles er bij. „Maar
-nu ik er eenmaal opmerkzaam op gemaakt ben, moet ik u gelijk geven,
-Aspasia. Die tallooze bloedzuigers zijn geweldig lastig.”
-
-Door Altis terugkeerend, vertoefden Pericles en Aspasia alleen nog bij
-de standbeelden van Polycletus.
-
-Steeds levendiger werd inmiddels in den loop van den dag het gewoel en
-de drukte tusschen Altis en den Alpheüs. Talrijker offers werden des
-avonds op de met bloemen bekranste altaren der Goden gebracht. Men zag
-de athleten de ingewanden der offerdieren beschouwen, hopende daaruit
-een gunstig voorteeken voor den strijd te zullen vinden. De grootste
-schare van toeschouwers stroomde naar het plechtige brandoffer op het
-overoude beroemde aschaltaar van Zeus.
-
-De verrichtingen van deze heilige plechtigheden duurden tot diep in den
-nacht, onder de tonen der muziek en bij het schijnsel der maan, die
-bijna vol was. Alles had plaats op eene hoogst ernstige wijze, in eene
-schoone orde en eene eerbiedwekkende stilte. Te middernacht eerst
-werden de fakkels in het heilige woud uitgebluscht en de laatste
-vlammen op de altaren verdoofden allengs. Nu echter stormde reeds een
-niet onaanzienlijk deel van het volk naar de renbaan, om daar, na eene
-goede plaats bemachtigd te hebben, het krieken van den dageraad en het
-begin der spelen af te wachten.
-
-Den volgenden morgen bestegen Pericles en Aspasia wederom den
-Cronos-heuvel.
-
-Het oog van Pericles was gevestigd op het stadion, dat uit de verte
-zichtbaar was, met die belangstelling, die zulk een schouwspel elken
-Griek steeds inboezemde. Hij had zich alleen ter liefde van Aspasia het
-genot ontzegd zich van nabij onder de toeschouwers in het stadion zelf
-te begeven. Niet met hetzelfde welgevallen richtte de Milesische het
-oog naar de kampplaats, waar de lichaamskracht, door geweldigen, ja
-schier moordlustigen ijver verhoogd, te midden van stof en brandende
-hitte ten toon werd gespreid.
-
-„Waarom laat gij uw oog bijna verachtend over die belangstellende
-menigte dwalen?” vroeg Pericles.
-
-„Heeft het niet den schijn,” zei Aspasia, „dat het Helleensche volk,
-zoo groot geworden in vele dingen, die waarachtig schoon en heerlijk
-zijn, den grootsten zijner eerepalmen voor de athleten te Olympia
-bewaarde? Moet dan waarlijk de kracht der armen en de snelheid der
-voeten als de hoogste aller voorrechten gelden op Helleenschen bodem?”
-
-„Ik begrijp u,” hernam Pericles, „gij zijt de voorvechtster der
-vrouwelijkheid en van al wat het leven verfijnt, veredelt en schooner
-maakt. Hier echter viert de ruwe, manlijke kracht haar triomfen.”
-
-„Een echt, verkwikkelijk schouwspel voor Doriërs,” zei Aspasia, „is
-zulk een worstel- en vuistgevecht, waarbij de mannen tegen elkander
-woeden, tot het bloed hun uit mond en neus stroomt. Gij hebt gelijk, ik
-haat die spelen; want waar het manlijke haar doel voorbij streeft, daar
-schijnt het mij niet ver van de barbaarschheid te zijn. Ik vrees, dat
-de ruwe bekoorlijkheid van dit schouwspel het gemoed der menschen hoe
-langer zoo meer verderft en hen opnieuw tot hunne vroegere verwildering
-en ruwheid terug zal voeren.”
-
-„Gij overdrijft!” hernam Pericles glimlachend.
-
-De lijnrecht tegen elkander overstaande zienswijze van Pericles en
-Aspasia over dit onderwerp zou nog vóór het einde van dezen dag door
-een klein tooneel, dat zij bijwoonden, versterkt worden.
-
-Toen namelijk Pericles en Aspasia aan den avond van denzelfden dag,
-vergezeld door Polycletus en Alcamenes, in den omtrek van het stadion
-wandelden en Aspasia de haar onbekende plaatsen beschouwde, gebeurde ’t
-dat, terwijl zij juist op eene steenen bank zich nederzetten om te
-rusten, een troep athleten, die aan den strijd dien dag deel hadden
-genomen, een andere troep ontmoette, waarop de geheele schaar, die zich
-deels op den grond neervlijde, in een levendig gesprek gewikkeld werd.
-De gevechten van den eersten dag werden met woorden nog eens gestreden
-en iedere overwinning aan eene scherpe critiek onderworpen. Zij, die
-overwonnen waren, zetten uiteen door welk toeval hunne tegenstanders
-hen onder gekregen hadden en hoe de overwinning maar aan een haar had
-gehangen, of zij beschuldigden hunne kampioenen openlijk dat zij tegen
-de regels van het gevecht gezondigd hadden. Doch het baatte hun
-doorgaans weinig en zij moesten soms nog den spot hunner kameraden
-verduren.
-
-„Om het even, beste Theagenes,” klonk het, „gij moet de builen maar
-dragen, die Nicostratus u geslagen heeft. Gij ziet er erbarmelijk uit,
-met uwe olielappen om uw gewond hoofd en gij riekt als een
-lantaarnpaal.”
-
-„Spot maar!” hernam de aangesprokene, een nog jeugdig worstelaar en
-vuistvechter, die deerlijk toegetakeld was en daarom zijn hoofd met een
-in olie gedoopten doek had omwonden.
-
-„Spot maar!” zei hij; „ik heb nu eens geprobeerd, wat vleesch en been
-kunnen verdragen. Slagen heb ik op mijn hoofd gekregen, die, geloof ik,
-een rotsblok zouden verbrijzeld hebben. Maar meent gij, dat ik buiten
-eene kleine gloeiing, eenigen last aan mijn hoofd merk? Op zijn hoogst
-zijn een paar onschadelijke builen wat opgeloopen. Maar de rug begint
-mij nu wat zeer te doen—’t kan wel van den geweldigen val komen,
-waarmede ik in den worstelstrijd op den grond te recht kwam.”
-
-„Men ziet, dat gij een nieuweling zijt!” zeiden de anderen, „daar gij
-nog niet weet, dat het hoofd het minst gevoelige deel van den mensch
-is, de rug echter het teerste!”
-
-„Uw rug zal in drie dagen wel weer beter zijn,” zei een van hen; „maar
-zie mij eens aan: vanwaar zal ik mijne tanden terugkrijgen? Had ik ze
-uitgespogen, toen een vuistslag van Meleager mij trof, dan had ik mijn
-verlies daarmede te kennen gegeven; daarom heb ik ze liever naar binnen
-geslikt. Het is onpleizierig zijne tanden in plaats van in den mond in
-de maag met zich te dragen.”
-
-„Gij zult ze verteren!” zeide Boeötiër Cnemon. „Een athletenmaag moet
-ook tanden kunnen verduwen.”
-
-„Daarvan zal ik bezwaarlijk zooveel vleesch van op mijn lijf krijgen
-als gij hebt!” voegde Theagenes hem toe.—Cnemon was inderdaad een
-oudachtige, stoere kerel, die het merg van vele runderen, kalveren en
-lammeren in zich had opgenomen. Zijne ooren waren gekwetst door
-vuistslagen: van staal scheen zijn vleesch op zijn breede, gewelfde
-borst en rug: hij geleek op een metalen standbeeld. De spieren lagen op
-zijne armen rond en vast als steenen in de bedding eener rivier, die de
-stroom door haar golven langen tijd voortgestuwd en rond gesleept had.
-
-„Meent gij,” riep hij, „dat ik voor een uwer onderdoe, omdat ik een
-weinig zwaarlijvig ben en niet zoo snel ter been als gij? Nu, een
-hardlooper ben ik niet maar ik ben een kerel, dien men evenmin
-omverwerpt als eene koperen zuil. Schoon de aarde zelve ook mocht
-beven—blijf ik nog staan!”
-
-Daarop lei Cnemon eene werpschijf op den grond, ging er op staan en
-vervolgde:
-
-„Welaan! is er één onder u, die mij er afwerpt?”
-
-Te vergeefs beproefden de athleten, de een voor, de ander na, hunne
-kracht aan den kolos. Nu liet Cnemon de werpschijf met olie begieten,
-zoodat zij zeer glibberig was. Maar ook nu nog handhaafde hij zijne
-stelling.
-
-Toen strekte hij zijne rechterhand uit, eveneens de vingers en hield ze
-vast tegen elkander gesloten. „Nu, beproef het eens,” riep hij, „om de
-pink van de overige vingers los te trekken!”—
-
-Zij beproefden het, maar de pink scheen als met staal aan de andere
-vingers gesmeed te zijn.
-
-„Dat beteekent nog niets!” riep snoevend de Argiver Sthenelus. „Ik
-houd, als het moet, een vierspan in volle vaart tegen, door met de hand
-in de spaken te grijpen!”
-
-„En ik,” zei de Eleër Thermius, „ik heb te Pylus eens een hengst bij de
-hoef gegrepen en toen hij zich losrukte hield ik de hoef in de hand.”
-
-„Dat zijn sterke toeren,” zei de Thessaliër Euagoras, „maar doet het
-mij eens na, wat ik te Larissa gedaan heb: ik heb den beroemden
-hardlooper Cresilas in vollen ren de sandalen van de voeten gehaald!”
-
-„Hoe?” riep de Spartaan Anactor, „de Thessalische hardlooper zal
-tegenover mannen van de vuist zich durven beroemen? Wat helpen u uwe
-snelle beenen, als ik u in het stof doe bijten?”
-
-„Mijne vuisten zijn niet slechter dan mijne beenen!” riep de
-Thessaliër, „en als ik u maar even aanraak, dan kunt gij uwe botten
-hier uit het zand bijeen rapen!”
-
-„Zwijg!” schreeuwde de Spartaan, „anders sla ik u de oogen uit, evenals
-de kok den inktvisch!”
-
-„Ik maal u tot gruis,” duwde hem de Thessaliër toe, „zoodat de mieren u
-bij kruimels kunnen wegdragen!”
-
-„Gij vecht met woorden,” riep de Boeötiër Cnemon daar tusschen in. „Dat
-is geen gebruik bij ons athleten. Laten wij het liever met daden
-bewijzen.”
-
-„Dat willen wij doen!” riepen beiden.
-
-„Uitstekend!” zei de dikke Thebaan: „maar wat wilt gij eigenlijk? Wilt
-gij om het hardst loopen of wilt gij elkaar met de vuisten te lijf? Dat
-zijn volstrekt geen te verachten toeren. Evenwel, weet gij wat het
-meesterstuk is van den athleet en waarin zich alle athleten, hetzij
-hardloopers of vuistvechters of wat ook, op een gelijk terrein
-bevinden?”
-
-„Wat dan?” vroegen de Spartaan en de Thessaliër te gelijk.
-
-„De beste proef van den athleet,” zei de Thebaan, terwijl hij zich over
-zijn buik streek, „blijft de kracht der verduwing. Denkt eens aan
-Heracles: hij verworgde de leeuwen bij dozijnen in het gebergte, doch
-hij was ook de man, die een stier in één maal opat. Dat noem ik
-mannenwerk! Laat, ik wil niet zeggen een rund—want wat zou Heracles
-beteekenen, als hij niet de eenige in zijne soort bleef?—maar toch een
-grooten, vetten hamel braden, deelt dien in twee gelijke helften en eet
-hem in éénmaal op! „Wiens maag het eerst den dienst weigert, die moet
-zich overwonnen geven; want hij is de zwakste van u beiden.”
-
-„Bravo!” klonk het in de ronde. „Anactor en Euagoras zullen de groote
-athletenproef voor onze oogen nemen! Wij laten onmiddellijk een hamel
-halen en hem aan het spit braden.”
-
-Anactor en Euagoras namen de voorwaarden aan. En aanstonds verwijderden
-zich eenigen, om den zwaarsten hamel, die te vinden was, uit te zoeken.
-
-Zoover was het tooneel ten aanhoore van Pericles en zijne vrienden
-gekomen, toen Aspasia van hare zitplaats opstond en zeide: „Laat ons
-gaan, Pericles! ik heb niet langer de kracht deze Olympische
-wedstrijden aan te zien!”—
-
-Lachend verlieten nu ook de overige mannen hunne zitplaatsen en sloegen
-met Aspasia den weg naar huis in.
-
-„Het gevoel van Aspasia tegenover deze athleten,” sprak Alcamenes,
-„schijnt mij niet meer en niet minder te zijn, dan het gevoel van eene
-vrouw, die gezond is van lichaam en ziel en die door eene natuurlijke
-en billijke aandrift geleid wordt. Waartoe dienen eigenlijk die
-krachtige mannen? Zijn zij in den krijg geduchter dan anderen? Maaien
-zij rijen van vijanden neder als de Homerische helden? Neen! De
-ervaring leert het tegendeel. Zijn zij de rechte mannen, om zich
-omtrent de verbetering van het menschenras verdienstelijk te maken?
-Wederom, neen! Ook dat wordt door de ervaring tegengesproken. Zij
-deugen tot niets, dan tot hetgeen zij in het stadion onder de luide
-bijvalskreten der toeschouwers uitrichten.”
-
-„Inderdaad,” hernam Pericles, „niet uit de personen der athleten zelven
-blijkt het nut der kunst, die zij uitoefenen. Maar groot en
-onwaardeerbaar is de winst, die uit de tentoonspreiding van goed
-ontwikkelde kracht en uit de daarvoor ruim bewezen eer voortvloeit, in
-zoo verre, dat daardoor het Helleensche volk ten levendigste er aan
-herinnerd wordt, dat men de gave des lichaams niet minder dan die des
-geestes kan ontwikkelen en der volkomenheid nader brengen. Grooter is
-het gevaar, dat de mensch zijne lichamelijke dan zijne geestelijke
-gaven veronachtzamen zal; want tot geestelijke ontwikkeling en
-werkzaamheid gevoelt hij zich aanhoudend door een innerlijken drang en
-door de noodzakelijkheid gedreven. De ontwikkeling echter van zijn
-lichaam pleegt hij aan de natuur over te laten, zoo hij niet buitenaf
-daartoe wordt aangespoord.”
-
-Onderwijl hadden de wandelaars juist het heilige woud bereikt en
-stonden opnieuw tegenover eenige standbeelden van overwinnaars,
-gebeiteld door de hand van Polycletus.
-
-Met den blik op de beelden gevestigd, sprak Aspasia het volgende:
-
-„Als ik de werken van Polycletus hier beschouw, dan schijnt het mij,
-dat de kunstenaar in dit geschil aan mijne zijde staat. Want noch de
-bovenmatige kracht noch de buitengemeene ontwikkeling der ledematen
-heeft de kunstenaar zich verwaardigd af te beelden; integendeel beelden
-en typen van de gewone maat, de harmonische, vol en rein ontwikkelde
-gestalte stelt hij ons voor oogen. Steeds komt het mij voor, dat de
-voortreffelijke Polycletus allen lof verdient, omdat hij niet als
-Phidias de sterfelijke natuur schier veracht, maar haar de eer geeft,
-die haar toekomt en dat hij, gelijk Phidias het goddelijke het
-verhevenst voorstelt, het zuiver menschelijke op de getrouwste wijze
-heeft nagebootst.”
-
-Een minder aangenamen indruk dan Aspasia dacht, maakte deze uitspraak
-op Polycletus.
-
-„De kunstenaar,” sprak hij, „is afhankelijk van de wenschen en
-behoeften dergenen, die van zijne kunst willen genieten. Dat in Hellas
-alleen aan Phidias de gave verleend is de Goden waardig af te beelden,
-schijnen althans ook de Eleërs te meenen, daar zij hem naar Olympia
-ontboden hebben. Niet alzoo echter de Argivers, die het met mij, den
-inboorling, willen beproeven en mij opgedragen hebben het gouden en
-ivoren beeld van Hera in haren grooten tempel te Argos te
-vervaardigen.”
-
-Zoo sprak Polycletus en het gelukte Aspasia niet, de zichtbare
-ontstemdheid van den meester weg te nemen. Hij verwijderde zich niet
-lang daarna onder het een of ander voorwendsel.
-
-„Gij hebt, Aspasia,” zei Alcamenes lachend, „nu ook Polycletus een
-spoorslag gegeven, om zijn best te doen, dat de Hera van Argos den Zeus
-van Olympia waardig zij.”
-
-„Een voortreffelijk werk moge hij in wedijver met Phidias tot stand
-brengen,” zei Aspasia, „doch evenals Phidias, nadat hij met zijne
-Lemnische Pallas tot de aarde was neergedaald, spoedig weder opsteeg
-naar den Olympus en sedert dien tijd boete doet aan de voeten van den
-Olympischen Zeus, zoo geloof ik, dat Polycletus van den Olympus snel
-weder naar de aarde en tot zijn eigen gebied zal terugkeeren. Het valt
-niet te ontkennen, dat de prozaïsche Peloponnesiër in zijne beelden de
-verhevenheid en diepte van het zieleleven weinig uitdrukt, maar laten
-ook de Atheensche kunstenaars in dat opzicht nog niet veel te hopen en
-te wenschen over? Mag ik het u bekennen, dat ik somwijlen in den droom
-godengestalten zie, die tot dusverre geen Phidias, geen Alcamenes, geen
-Polycletus met den beitel heeft kunnen scheppen? Verleden nacht
-verscheen mij Apollo, mij de liefste van alle Goden, de God des lichts
-en der toonen. Hij verscheen mij in de wondervolle, slanke gestalte
-eens jongelings, vermetel en toch liefelijk, fier in het bewustzijn
-zijner zege en toch bevallig. Doodelijk getroffen kromden zich, alleen
-voor zijn aanblik en voor den boog in zijne uitgestrekte hand, de
-draken der duisternis. „Wie beitelt mij den God, zooals ik hem gezien
-heb? Zelfs gij niet, Alcamenes! En toch zijt gij de vurigste onder de
-beeldhouwers en met altijd jeugdige, ontvankelijke ziel geeft gij u
-over aan het leven en zijne bekoorlijkheid. Daarom ontsluit ook het
-leven voor u zijn geheim en zijn machtigste adem trilt in uwe
-scheppingen en verwekt de rustige kalmte der reine vormen.”
-
-De oogen van Alcamenes gloeiden van geestdrift bij deze woorden.
-
-„Sedert langen tijd,” sprak hij, „zijn de Arcadiërs voornemens voor uw
-lievelingsgod een grooten tempel te bouwen, en zij wendden zich tot
-Phidias, om den fries met beeldwerken te versieren. Deze verwees hen
-naar mij. Maar de Arcadische mannen wikken en wegen lang en zij zullen
-nog menig jaar wachten, totdat misschien de God met zijne doodelijke
-pijlen hen hunner gelofte indachtig maakt. Als zij dan echter hun plan
-volvoeren en zich tot mij wenden, dan zullen de beeldwerken van den
-fries voor alle volgende tijden getuigenis afleggen van mijn
-kunstgevoel, waaraan ik, op uwe aansporing, Aspasia! den vrijen teugel
-liet.”
-
-„Wees geheel u zelf,” hernam Aspasia, „luister niet naar het woord der
-koele en strenge mannen, en gij zult iets scheppen, dat zelfs zij, die
-uwe manier afkeuren, in verbazing en bewondering zal brengen.”
-
-Van dit oogenblik af verdoofde de laatste vonk van wrok tegen Aspasia
-in het hart van Alcamenes.
-
-Hij zocht telkens opnieuw haar gezelschap, sprak met haar over zijne
-plannen en ontwerpen, werd door hare woorden ontvonkt en onderricht, en
-zij weigerde hem haar raad niet, dien hij ijverig zocht.
-
-Den volgenden dag was Pericles door een toeval verplicht zonder Aspasia
-een uitstapje te maken en haar in ’t gezelschap van Alcamenes,
-Polycletus en eenige andere vrienden, die hij te Olympia had gevonden,
-achter te laten. Na een vrij lang gesprek verwijderden zich al de
-mannen, behalve Alcamenes, die het onderhoud met zijne gewone
-levendigheid voortzette.
-
-Steeds opgewondener werden de woorden van Alcamenes, steeds vuriger
-zijne blikken.
-
-Maar niet alleen toonde zich Alcamenes hartstochtelijk tegenover de
-gade van Pericles, toen hij zich met haar alleen bevond, maar hij sloeg
-ook ongemerkt, en naar ’t scheen, onwillekeurig een toon aan, die
-eenigszins aan de vroegere vertrouwelijkheid herinnerde. Gaf hem
-daartoe de welwillendheid recht, waarmede eens de door kunstzin
-bezielde Milesische in een vriendschappelijk verkeer hem bejegend had,
-hem den begaafdsten van Phidias’ jongeren?
-
-Aspasia nam dien toon van vertrouwelijkheid op, met een gevoel van
-gekrenkten trots.
-
-De hartstochtelijke Alcamenes begon vergelijkingen te maken tusschen de
-vormen van haar vroegeren, jeugdigen bloei en die van thans, sprak
-daarbij van die vormen, zooals men over dingen spreekt, waarmede men
-bijzonder vertrouwd is.
-
-Ook dit beleedigde de hooghartige Aspasia.
-
-Alcamenes greep hare hand, beschouwde ze met kennersoog, prees de
-bekoorlijkheid daarvan en zeide, dat deze hem eene onuitputtelijke bron
-was voor zijn kennis op het gebied der kunst.
-
-Aspasia trok hare hand terug en merkte aan, dat Theodota niet minder
-onuitputtelijk was in dit opzicht, door hare bekoorlijkheden.
-
-„Gij zijt boos op mij, omdat ik Theodota geprezen heb!” riep Alcamenes.
-
-„Heb ik u dat ooit laten voelen?” hernam Aspasia koel; „hebt gij mij
-vijandig tegen u bevonden, toen wij elkander hier weder ontmoetten? Heb
-ik opgehouden verwachtingen, die u tot eer verstrekken, omtrent u te
-koesteren en u als den bekwaamsten tot het streven naar het ideale aan
-te sporen? Ik wist, dat gij mij haattet, maar mij zijn de kunst van
-Alcamenes en Alcamenes zelf van elkander gescheiden. Ik heb noch de
-liefde noch den haat van Alcamenes beantwoord.”
-
-„Koel en verstandig,” zeide Alcamenes, „mogen uwe woorden klinken, maar
-zij zijn door heimelijke verbittering scherp en vlijmend. Gij zijt nog
-gebeten op mij, ter oorzake van Theodota! Vergeef mij, wat ik tegen u
-heb misdreven! Wat gij mijn haat noemt, het was de wraak der liefde!”
-
-„Lang vóór uw haat mij openlijk bleek,” hernam Aspasia, „zeide ik u
-reeds, wat ik u zooeven herinnerde: dat de deelneming van eens menschen
-geest voor iets, geheel afgescheiden is van ’t geen zijn hart gevoelt.”
-
-„Ook bij de vrouw?” vroeg Alcamenes met een ondeugenden glimlach. „Ik
-herhaal u: gij zijt nog verstoord op mij ter wille van Theodota! En een
-werk der wraak was ’t wellicht ook, dat gij in mij de oude vlam weder
-hebt aangeblazen!—Nog eens, vergeef mij! Veroordeel in dit oogenblik
-het vuur niet, dat gij zelve overigens in ’t karakter van Alcamenes
-hebt geprezen!”
-
-Bij deze woorden omvatte de onstuimige jongeling, in steeds heftiger
-hartstocht ontgloeid, de vrouw van Pericles.
-
-De fiere schoone trof den aanrander met een blik, die hem weder tot
-bezinning bracht.
-
-Op dat oogenblik trad Pericles binnen.
-
-Hij las, wat er voorgevallen was, op ’t gelaat van Alcamenes.
-
-Deze nam in verwarring afscheid en ijlde weg, met opnieuw veranderde
-gezindheid, beschaamd en vervuld van wrok tegen Aspasia.
-
-Pericles was bleek.
-
-„Behoeft het nog opheldering?” zei Aspasia; „gij hebt alles in de
-trekken van Alcamenes gelezen.”—
-
-„Het schijnt,” hernam Pericles, „dat Alcamenes u behandeld heeft,
-zooals men eene vrouw doet, die men...”
-
-„Spreek het niet uit, bid ik u!” zei Aspasia.
-
-„Ik weet,” vervolgde Pericles, „welke grenzen gij trekt, naar de
-opvatting van Protagoras, tusschen uwe bekoorlijkheden en uw persoon.
-Ik ken die leer, volgens welke de sluier eener vrouw zich mag inkrimpen
-tot een vijgeblad. Gij ziet, Alcamenes heeft een andere meening dan gij
-over de onschendbaarheid van het vijgeblad. Hij dwaalt, zegt gij; maar
-men moet zijne handelwijze naar zijne opvatting der zaak, en niet naar
-de uwe beoordeelen. Gij kent het niet onedel maar hartstochtelijk
-karakter van den man. Hij zal van nu af dubbel op u gebeten zijn; hij
-zal het aantal uwer openbare tegenstanders vermeerderen.”
-
-„Hij vindt, naar ’t schijnt, bij die vijandschap een onverwachten
-bondgenoot!” zei Aspasia.
-
-Nog een paar bittere woorden werden er gewisseld. Pericles verliet het
-vertrek van Aspasia.
-
-Van spijt bevend stampte Aspasia op den grond.
-
-„Die verwenschte bodem van de Peloponnesus,” sprak zij, „brengt mij
-onheil aan.”
-
-Weldra echter vatte zij nieuwen moed. ’t Is een licht wolkje, dacht
-zij, dat zonder schade langs den helderen hemel der liefde trekt.
-Vroolijker flikkert de gloed bij eene nieuwe verwarming, dan vóór de
-verkoeling.
-
-Aspasia bedroog zich niet.—Maar blijft na die vroolijk opflikkerende
-vlammen geen onaangename asch in de borst achter? En vergeet de liefde
-alles wat zij vergeeft?—
-
-Pericles en Aspasia waren te Olympia de gastvrienden van Phidias. Hij
-had hun eenige vertrekken in eene der groote ruimten zijner werkplaats
-ter bewoning afgestaan. Hij zelf echter bleef onzichtbaar.
-Onophoudelijk was hij in den tempel met de voltooiing en oprichting van
-zijn reusachtig gouden en ivoren beeld bezig. Hij weigerde iederen
-omgang, maar hij had Alcamenes laten zeggen, dat Pericles en Aspasia de
-eersten van het geheele Helleensche volk zouden zijn, voor wie hij het
-grootste werk zijner handen zou onthullen.
-
-De met spanning verwachte ure was genaderd.
-
-Op een gloeienden zomerdag was een van onweer zwangere avond gevolgd.
-Donkere wolken vlogen door het zwerk en hadden zich eindelijk boven de
-hemelhooge kruinen der bergen samengepakt. Toen er volkomen duisternis
-heerschte kwam een slaaf van Phidias aan Pericles berichten, dat hem
-opgedragen was hem en Aspasia naar het binnenste van den Zeus-tempel te
-geleiden. In hun gezelschap bevond zich, op verzoek van Aspasia, het
-meisje uit Arcadië. Zij volgden den slaaf en wandelden door het heilige
-woud van Altis, dat onder den nachtelijken hemel in diepe schaduwen
-zich uitstrekte. Eenzaam was het rondom en slechts een zacht geritsel
-trilde door de toppen der boomen.
-
-Nu bereikten zij den tempel. De slaaf ontsloot de poort en voerde hen
-het gebouw binnen. Daar leidde hij hunne schreden naar eene eenigszins
-hoogere plaats in den achtergrond, waar zij zich konden nederzetten.
-Vervolgens verwijderde hij zich, sloot opnieuw de poort achter zich en
-liet hen met hun drieën in het donker. Eene flauwe lichtschemering viel
-neder uit den nachtelijken, bewolkten hemel door de opening van het
-tempeldak. Maar zij drong niet door tot de uiterste hoeken.
-
-Zonder een woord te spreken, bijna angstig wachtten Pericles, Aspasia
-en het herdersmeisje. Eensklaps scheurde vóór hunne oogen de sluier der
-duisternis en zij verschrikten, verblind door eene plotselinge,
-schitterende verschijning. Het voorhangsel, dat den achtergrond van het
-tempelvertrek van het voorportaal had gescheiden, was weggetrokken en
-zij zagen in het heldere licht vóór zich den gouden en ivoren kolos van
-den Olympischen God. Op een schitterenden, rijkversierden troon was hij
-zittend voorgesteld en toch reikend tot aan het dak des tempels met dat
-verheven hoofd, dat, in goddelijke rust, enkel door een beweging zijner
-lokken, naar ’t woord des zangers, de hoogte van den Olympus doet
-daveren [359].
-
-Om de ivoren ledematen van den koning der Goden golfde de gouden
-mantel, die den linker schouder benevens den arm en het onderste deel
-des lichaams omhulde. In bont émail fonkelde het goud van den mantel;
-met een tooi van kleine figuren en bloeiende leliën was zijne
-oppervlakte bezaaid. Van groen geëmailleerd goud was op de lokken van
-den Olympiër een olijfkrans gedrukt. In de linkerhand hield hij den uit
-verschillende edele metalen kunstig bewerkten schitterenden schepter.
-Op de uitgestrekte rechterhand droeg hij eene zegegodin van dezelfde
-stof, als waaruit de gestalte des Gods zelven was gevormd. Op vier
-zuilvormige pooten, waartusschen nog kleine kolommen stonden, verhief
-zich de sierlijke troon, prijkend in bonte afwisseling, in een glans
-van goud en marmer, ebbenhout en elpenbeen. Donkerblauw was de vlakke
-voorzijde van den troon geverfd; een donkere achtergrond deed den glans
-van het goud en het ivoor te beter uitkomen.
-
-Vol diepen zin omgaf van alle kanten rijk beeldwerk de gestalte van den
-God en den troon. Op de punt van den schepter zat een adelaar, gouden
-leeuwenbeelden versierden de bank, waarop de voeten van den beheerscher
-der Goden rustten, Sphinxen droegen de leuningen van den troonzetel,
-zinnebeelden van de onnaspeurlijke raadsbesluiten van Cronion [360]. Op
-de zijvlakken van den troonzetel schitterden, door de hand van Panaenus
-geschilderd, in hellen kleurengloed de daden van Heracles, den
-beroemden zoon van Zeus. Andere heldendaden prijkten er nevens: alsmede
-de afbeeldingen van verschillende wedstrijden te Olympia.
-
-Op de breede vlakte van het voetstuk echter, waarop de troon zich
-verhief, steeg de heerlijkste dochter van Zeus, de gouden Aphrodite,
-uit het schuim der zee.
-
-Goddelijk genadig was het aangezicht van den Olympiër en toch vol
-onbeschrijfelijk verheven ernst. De milde goedheid was met strenge
-kracht en diepe wijsheid vereenigd. Machtig echter en overweldigend was
-de uitdrukking der hoogste majesteit.
-
-Aspasia verborg schier ontsteld het hoofd aan de borst van Pericles.
-Een schier onaangename indruk maakte op haar deze schitterende,
-overweldigende gestalte. Hier was niets vrouwelijks meer onder het
-goddelijke gemengd, zooals in de gestalte van den jonkvrouwelijke
-Pallas Athene. Hier was de manlijk ernstige, de strenge macht van den
-beheerscher der Goden tot de hoogste uitdrukking gebracht.
-
-Aspasia voelde bij dit gezicht eene diepe smart, die haar boezem
-doorvlijmde...
-
-Ook het Arcadisch meisje was in het eerste oogenblik hevig ontsteld:
-spoedig daarop echter kwam zij tot zich zelve en staarde naar den God
-met het vertrouwen van een kind.
-
-Het onweder was zacht en langzamerhand nader gekomen. Men zag door de
-opening van den tempel de bliksemflitsen door den hemel schieten en men
-hoorde uit de verte den rollenden donder.
-
-Aspasia wilde Pericles met zich medetrekken. Maar hij bleef in stomme
-verbazing, als in den grond geworteld, verzonken. Ook hij was gewoon
-van de beeldende kunst een liefelijken indruk te ontvangen. Hier echter
-zag hij het verhevene tegenover zich in nooit geëvenaarde gestalte. Het
-was, als lag er eene nieuwe openbaring in dit godsbeeld.
-
-Daarbuiten rolde al nader en nader de donder.
-
-Plotseling sloeg een bliksemstraal door de opening van het tempeldak.
-
-Pericles en Aspasia verloren voor een oogenblik hunne bezinning.
-
-Toen de helle gloed hunne oogen niet meer verblindde, zagen zij eene
-marmeren plaat in de ruimte van den tempel, waarop de twaalf Olympische
-Goden en reliëf waren afgebeeld, door den bliksem zwart gemaakt en
-gebarsten...
-
-Het gelaat van Zeus had in den rossen gloed des bliksems een oogenblik
-eene vreeselijke, Titanische uitdrukking gehad. ’t Was, alsof zijne
-hand den bliksem had geslingerd, die zijne Olympische medegoden had
-verbrijzeld...
-
-Maar nu schitterde het gelaat des Gods weder in rustige majesteit,
-zoodat bij zijn aanblik de schrik dier bliksemflits was verzacht en
-verdwenen. Zoo groot scheen de God dat de bliksemstralen hem slechts
-als een onbeduidende, matte vonkenregen omgaven.
-
-„Deze God van Phidias,” sprak Pericles, in diep gepeins verzonken, „is
-te groot voor de tempels der Hellenen. Hij streeft met zijn hoofd
-opwaarts naar het onbereikbare, naar het oneindige...”
-
-Slechts noode volgde Pericles eindelijk Aspasia op haar dringend
-verzoek.
-
-Zij zochten Phidias op.
-
-Deze echter had ongezien beiden nauwlettend gadegeslagen, terwijl zij
-voor het beeld des Gods in stomme verbazing stonden.
-
-Nu verliet hij den tempel, om zich aan hunne loftuitingen te
-onttrekken.
-
-Hij bleef voor hen verborgen.
-
-Toen Pericles en Aspasia in diepe gepeinzen verzonken in hunne woning
-waren teruggekeerd, schudde Aspasia den indruk van den ernstigen,
-verheven indruk van hare ziel af, evenals een vogel de parelende
-regendruppels van zijn lichte vederen afschudt.
-
-Niet alzoo Pericles.
-
-Doch Aspasia rustte niet, alvorens zij den Olympischen ernst van zijn
-voorhoofd had verdreven.
-
-Eindelijk trad ook bij hem het verbijsterend gevoel der verhevenheid
-van den onder bliksem en donder gezienen God op den achtergrond, en de
-bewondering van den onvergelijkelijken meester verkreeg in zijne
-ontroerde ziel de overhand.
-
-Nog met gesloten oogen, zag dien nacht in de sluimering het meisje van
-Arcadië zich omgolfd door lichtstroomen, wonderbaar vermengd met den
-gloed van goud, den glans van elpenbeen en het geflonker van den rossen
-bliksem.
-
-Pericles ontwaakte een paar maal verschrikt uit zijn slaap. Hij had
-gedroomd, dat de zittende God van Phidias zich in zijne geheele grootte
-had opgericht en met zijn hoofd het dak des tempels tot puin had
-gestooten.
-
-Aspasia had een anderen, even zonderlingen droom.
-
-Zij zag den adelaar van Zeus, zooals hij van de punt des schepters
-neervloog naar het voetstuk en daar met zijn snavel de duiven der
-gouden, vroolijk lachende, zalige Aphrodite de oogen uitpikte...
-
-
-
-
-
-
-
-XIX.
-
-HET KIND DES LICHTS EN DE PRIESTERS DER DUISTERNIS.
-
-
-Een zonderling contrast vormden gene Ionische uren van zaligheid en
-deze Peloponnesische tochten van Pericles en Aspasia! Ginds, aan
-Milete’s vroolijk strand, trok de zegevierende vrouwelijkheid met haar
-zachten arm een tooverkring om den Atheenschen held; hier te midden van
-statige bergkruinen openbaarde zich de mannelijke Dorische geest in
-velerlei zaken, die geschikt waren het gemoed ernstig te stemmen in
-Pericles’ ziel. Hier stortte de natuur zelve eene soort van ernstige
-huivering in zijn gemoed; hier spraken tot hem eeuwenoude overblijfsels
-van een heldhaftig verleden, tegenover welke de latere stervelingen
-zich alleen als een zwak en verbasterd geslacht moesten gevoelen. Hier
-werd op plaatsen wier sagen aan de oude heldenwereld onmiddellijk zich
-aansloten, een eeredienst en een wedstrijd der mannelijkheid gehouden,
-in staat, zooals Aspasia te recht gevoelde, om in de ziel van den Griek
-gezindheden te wekken, aan te kweeken en te onderhouden, die de
-overwinning der schoonheid en vrouwelijkheid op elk gebied des levens
-eerder verhinderen dan bevorderen konden. In de bergachtige oorden der
-herders had Pericles een eenvoudig, als men wil, een idyllisch leven
-gezien, dat nog ongerept was door den adem der beschaving en dat
-beschouwingen, gevoelens, verwachtingen koesterde, die wellicht den
-ondergang van den echt Helleenschen geest afwachtten, om met een
-grauwen, eentonigen nevel de vroolijke, Helleensche wereld te omhullen.
-Hier had zelfs de kunst van den Athener, in den tempel van den
-Olympischen Koning der Goden, haar hoogste en laatste schepping
-gewrocht en den triomf van het ernstig verhevene over het bevallig
-schoone, voor het oog van den Griek, zoo ’t scheen, voor eeuwig
-bezegeld.
-
-Bijna lijnrecht stond Aspasia tegenover deze aandoeningen en gevoelens,
-die Pericles koesterde. Want hunne karakters waren niet geheel gelijk,
-en hunne betrekking tot de buitenwereld was geheel verschillend.
-Aspasia was de naar alle kanten werkende, gevende, bezielende;
-Pericles, zonder afbreuk te doen aan zijne mannelijke kracht, was de
-echte Helleen, die elken indruk rondom zich opving en opnam in zijne
-edele ziel. Hij was, gelijk het Helleensche volk, met zijn ontvankelijk
-gemoed tusschen de uitersten geplaatst; en evenals het Helleensche volk
-en de Helleensche geest, doorleefde hij onder de afwisseling van deze
-invloeden en uitersten, eene ontwikkeling, eene inwendige geschiedenis,
-wier doel en einde nog niet te overzien waren; terwijl Aspasia
-onwrikbaar en onveranderlijk vast stond op den hechten grond van haar
-karakter als de betooverende voorvechtster van Helleensche levenslust
-en de alverwinnende kracht van het schoone.
-
-Was het niet te vreezen, dat door deze zachte tegenstelling, tot heden
-onder de rozengaarde der liefde en van het geluk verborgen, de schoone
-harmonie van het leven der liefde, dat het edele, schoone paar ten
-toppunt van geluk voerde, eenmaal zou kunnen worden verstoord?
-
-Wèl hing dat gevaar boven hunne hoofden, maar de rozen der liefde
-schenen voor dit paar onverwelkelijk te zijn en een onvergankelijken
-toovergeur te verspreiden.
-
-Nog altijd immers bleef Pericles de ontvankelijke en ontvangende,
-Aspasia de zegevierend werkende, de gevende.
-
-In hunne gesprekken hadden zij wel is waar dikwijls verschil en niet
-zelden geloofde Pericles de geliefde vrouw tot zijne meening
-overgehaald en in zijne stemming gebracht te hebben, doch ten laatste
-bemerkte hij gewoonlijk, dat zij het was, die hem van gevoelen en
-stemming veranderd had, dat het onmogelijk was de machtige betoovering,
-die in de hand dezer onvergelijkelijke vrouw gelegd was, geheel en al
-van zich af te weren. Steeds liet hij zich door de schoone terugvoeren
-tot het standpunt van eene meer vrije en opgeruimde levensbeschouwing.
-Steeds opnieuw werd de schoone harmonie der beide zielen weder
-hersteld, steeds opnieuw verwezenlijkten zij het ideaal van het
-Helleensche leven op zijn glanspunt, en boden een schouwspel aan,
-waarop de Olympiërs met trots en blijdschap nederzagen.
-
-Aspasia verstond het voortreffelijk, om de nevelen weg te vagen van ’t
-voorhoofd van haar echtgenoot. Of zij voor altijd in staat zou zijn de
-nieuw ontspruitende kiemen van zijn inwendig leven te verstikken, den
-gang zijner innerlijke ontwikkeling tegen te gaan, dit was natuurlijk
-voor ’t oogenblik onmogelijk uit te maken.
-
-Zeker is ’t echter, dat Aspasia de gave had om de scherts van
-Anacreon’s liederen betooverend in den ernst te mengen, waarmede de
-hymnen van Pindarus Pericles hadden bezield, en te zorgen, dat tusschen
-hen beiden de echte Grieksche zin nog steeds zijn recht handhaafde.—
-
-In het kleine voorval met Alcamenes had het verleden eene vluchtige
-schaduw op het huwelijksgeluk van Pericles geworpen. Aspasia ademde
-ruimer, toen zij met haar gemaal, terugkeerende van Olympia naar
-Athene, den bodem van Peloponnesus achter den rug had. Zij vermoedde
-niet, welk verdriet haar op Attica’s bodem zelf, onmiddellijk vóór het
-bereiken van hun doel wachtte.
-
-Terwijl Phidias te Olympia zijn Zeus voor geheel Hellas schiep, gelijk
-hij vroeger te Athene de Pallas Athene alleen voor de Atheners had
-gebeiteld, was zijn vroegere makker en vriend Ictinus in de Attische
-mysteriënstad Eleusis werkzaam geweest, werwaarts hij ontboden was, om
-een nieuwen tempel voor Demeter te bouwen, ter viering der groote
-mysteriën.
-
-Daar de dagen voor de viering der mysteriën niet ver meer af waren,
-bevond zich Hipponicus, die bij deze plechtigheid de in zijn geslacht
-erfelijke waardigheid van daduchus bekleedde, juist te Eleusis, waar
-hij een landgoed bewoonde, zooals ook andere rijke Atheners in de
-omstreken van het schoon gelegen Eleusis bezaten. Want de stad lag niet
-ver van het strand nabij de vaart van Salamis en vlak tegenover dit
-eiland. Tegen de heuvels aan lagen de woningen der burgers en de groote
-tempelgebouwen met hun uitgestrekt en heilig gebied, waarin zij
-stonden.
-
-Pericles nam bij Hipponicus zijn intrek gedurende den tijd, dat hij te
-Eleusis zou vertoeven.
-
-De eerste dag was gewijd aan de bezichtiging van den nieuwen, grooten,
-door Ictinus voltooiden tempel, die, voor de viering der mysteriën
-ingericht, vele onderaardsche vertrekken en labyrinthische gangen van
-ontzettende grootte bevatte; plaatsen bij uitnemendheid geschikt voor
-die geheimzinnige plechtigheden, die het alleen den ingewijden
-veroorloofd was te aanschouwen.
-
-De Eleusinische mysteriën waren nu een onderwerp, waartegen Aspasia
-zich terstond op de meest beslissende wijze met al de scherpte van haar
-geest en vernuft verklaarde. Haar scheen alles, wat zich aan het licht
-onttrok, wat de duisternis zocht, wat zich hulde in den sluier van het
-geheimzinnige, gepaard te gaan met bijgeloof en dweeperij, en zoo zag
-zij ook in deze mysteriën een gevaar voor den vrijen, naar het licht
-strevenden geest der Hellenen.
-
-Toen zij de vereering en het heilig ontzag der Atheners voor deze
-mysteriën laakte, zei Pericles: „Misschien is dit ontzag der Hellenen
-de zich heimelijk openbarende vereering van den menschelijken geest in
-’t algemeen voor de geheimen, die nog onopgelost in de diepte van zijne
-eigen ziel sluimeren. Wie weet, hoe vele openbaringen de menschelijke
-geest nog te voorschijn brengt uit deze heilige diepte!”
-
-„Ik wil niets hooren van openbaringen in de toekomst!” hernam Aspasia.
-„De openbaring van het tegenwoordige is de openbaring van het schoone
-menschelijke, en alles wat zou kunnen volgen, zou slechts iets minders
-zijn. Klemmen wij ons met hart en ziel en alle vezelen van ons wezen
-vast aan het schoone, vroolijke heden!”—
-
-Pericles wees Aspasia op den daduchus Hipponicus, en vroeg haar of dan
-deze man, wiens lichaamsgestalte al ronder en ronder werd en wiens blos
-zich al schitterender en schitterender voordeed, soms een spoor van
-dweepzucht vertoonde? En toch was hij niet alleen een ingewijde, maar
-zelfs bekleedde hij eene priesterwaardigheid te Eleus en behoorde tot
-hen, die de inwijding der mysten [361] voltrokken.
-
-Aspasia antwoordde, dat zij, welke anderen in het rijk van bijgeloof en
-dweepzucht binnenvoeren, niet zelden van een geheel andere meening
-waren, dan die zij anderen trachten op te dringen. „Somwijlen echter,”
-zeide zij, „gelijken ook de dragers en verkondigers van heilige
-geheimzinnigheden op de muildieren, die hier en daar volgens een oud
-gebruik tot drager van heilig tempelgereedschap of godenbeelden
-gebezigd worden en op wie niets van den goddelijken zegen nederdaalt,
-dien zij voor anderen op hun rug dragen en uitdeelen. De „onschuldige
-Hipponicus,” voegde Aspasia er bij, „schijnt mij tot deze laatste soort
-te behooren.”
-
-Hipponicus was trotsch op zijne waardigheid van daduchus, omdat daaraan
-inderdaad eene eer onder het Helleensche volk verbonden was. Doch wat
-overigens er mede gepaard ging en wat ze van hem eischte, daartoe
-gevoelde hij zich waarlijk niet door eene innerlijke aandrift
-gedrongen, noch door een persoonlijke neiging geroepen; de
-omstandigheid alleen, dat hij tot het geslacht behoorde, waaruit de
-daduchen van Eleusis plachten gekozen te worden en dat die keuze hem te
-beurt gevallen was, had hem met de priesterlijke waardigheid bekleed.
-
-Hij verdedigde tegenover Pericles’ gade de mysteriën, doch als eene
-zaak, die hij wel is waar vertegenwoordigde, maar zonder er zich veel
-aan gelegen te laten liggen.
-
-Afkeerig van wijsgeerige beschouwingen, stelde hij zich tevreden met
-Aspasia op een schilderij te wijzen, die den wand zijner eetzaal
-versierde. Deze schilderij was van de hand van Polygnotes en stelde het
-bezoek voor, dat de zwerver Odysseus in het rijk der schaduwen bracht.
-De Hades was afgeschilderd met al zijne verschrikkingen, en onder de
-bleeke schimmen bewoog zich onvervaard de nog levende vorst van Ithaca.
-[362]
-
-Toen Pericles met Aspasia de schilderij beschouwde, bemerkte hij als
-ingewijde aanstonds, dat sommige bijzonderheden toespelingen bevatten
-op de Eleusinische mysteriën. Hipponicus bevestigde dit en sprak tot
-Aspasia.
-
-„Zoo veel is mij wel geoorloofd te zeggen, dat de weg naar het heilige
-licht van Eleusis door den Hades voert en door de verschrikkingen des
-„erebos”. Wat echter de profanen betreft en hen, die hardnekkig
-versmaden zich te laten inwijden, hun lot in de onderwereld is voor de
-deskundigen op deze schilderij zeer aanschouwelijk voorgesteld.”
-
-Zoo sprak Hipponicus en ried Aspasia ernstig aan zich te laten
-inwijden; hij herinnerde haar tevens, dat, naar de algemeene
-overtuiging der Hellenen, zij die in de mysteriën van Demeter te
-Eleusis ingewijd zijn, na hun dood in zalige gewesten zullen wandelen:
-terwijl daarentegen den niet ingewijden beschoren is ten eeuwigen tijde
-in akelige duisternis en eenzaamheid te smachten.
-
-„Ik heb dit dikwijls hooren beweren,” zei Aspasia, „en ’t klonk mij
-steeds in de ooren, alsof iemand op eene slecht gestemde cither
-onharmonische tonen aanslaat of over eene glasplaat met een puntig
-ijzer heen en weder krast. Het is verbazend, waaraan zelfs Helleensche
-ooren zich kunnen gewennen. Ik weet, dat er menschen zijn, die, als zij
-’t einde van hun leven voelen naderen, zich nog spoedig doen inwijden,
-en velen haasten zich zelfs hunne kinderen reeds in prille jeugd dit
-heil deelachtig te doen worden.”
-
-„Ik ben zelf,” zei Pericles, „zooals bijna alle Atheners een ingewijde
-en gaarne zou ik bereid zijn, ook deze geheimzinnigheden evenals alle
-andere u mede te deelen.”—
-
-„Ik begrijp,” hernam Aspasia, „dat voor de dwazen het bijgeloof, voor
-de verstandigen de nieuwsgierigheid een voldoende reden is, om zich te
-laten inwijden. Op het recht van nieuwsgierigheid echter heb ik als
-vrouw dubbele aanspraak. Wat moet ik doen, Hipponicus, om de wijding
-deelachtig te worden?”
-
-„De zaak is eenvoudig,” zei Hipponicus. „Gij meldt u in het volgende
-jaar bij de viering der kleine Eleusinische mysteriën te Athene aan,
-gij ontvangt daar op de voorspraak van een reeds ingewijde, de kleinere
-wijding en begeeft u een half jaar later met den Eleusinischen
-feeststoet van Athene herwaarts naar Eleusis, om hier de groote wijding
-deelachtig te worden en de eigenlijke geheime plechtigheden te
-aanschouwen.”
-
-„Hoe?” riep Aspasia, „moet ik zoolang mijne nieuwsgierigheid bedwingen?
-Moet ik de kleine Eleusiniën afwachten en dan nog een half jaar zien
-verloopen, voor de geheimen mij geopenbaard zullen worden? Zijt gij
-niet daduchus, Hipponicus, en kunt gij als zoodanig voor mij de gunst
-niet verkrijgen, dat ik de kleinere wijding nu hier tegelijk met de
-grootere ontvang?”
-
-„Onmogelijk!” hernam Hipponicus.
-
-„Wat verhindert u daarin?” vroeg Aspasia.
-
-„De tijd tusschen de beide wijdingen is vastgesteld door het heilige
-gebruik,” antwoordde de daduchus.
-
-„Gij kunt mij over dat heilige gebruik heen helpen!” bracht Aspasia in
-het midden.
-
-„De hiërophantes [363] is een van die strenge en ernstige mannen,
-zooals Diopithes te Athene,” hernam Hipponicus. „Zou ik mij den toorn
-van dien opperpriester op den hals willen halen?”
-
-Aspasia bleef bij haar verzoek volharden, maar de daduchus herhaalde
-zijn: „Onmogelijk.” Hij was een vijand van verwikkelingen en
-moeilijkheden. Hij gevoelde niet den minsten lust de gansche
-Eleusinische priesterkaste tegen zich in ’t harnas te jagen. Hij hield
-van vrede en behagelijke rust.
-
-Den volgenden dag kwam de Eleusinische optocht van Athene naar Eleusis.
-Pericles en Aspasia bevonden zich met Hipponicus onder hen, die als
-toeschouwers de schare ontmoetten, toen deze bij vele duizenden den
-heiligen weg langs trok. Terwijl de blikken van Aspasia zweefden over
-de in den optocht gedragen heilige voorwerpen en over de schaar der
-mysten zelve, allen met mirt en klimop omkranst, korenaren en
-akkergereedschappen dragend, ter eere van Demeter, die de graanvruchten
-doet gedijen, ontmoetten haar eensklaps—want de aankomst van den
-Eleusinischen stoet greep in het schemerend avonduur plaats—in de bonte
-menigte van gezichten, de matte oogen en de slap hangende wangen van
-Telesippe.
-
-Telesippe’s gemaal, die door den invloed van Pericles telkens opnieuw
-tot Archon Basileus was gekozen, wien ook de leiding van de
-Eleusinische mysteriën was opgedragen, liep te midden der Atheensche
-priesters en overheidspersonen; Telesippe stapte als Basilissa [364] en
-deelgenoote zijner godsdienstige waardigheden en verrichtingen, met
-fier opgericht hoofd aan zijne zijde.
-
-Vol waardigheid schreed de vrouw van den Archon Basileus voort in al
-den omvang harer welgedane gestalte, en toen haar blik, trotsch ter
-rechter en linker zijde dwalend, op haar vroegeren gemaal en de
-Milesische naast hem viel, toen richtte zij het hoofd nog hooger op en
-een trek van innige verachting vertoonde zich om hare dikke lippen. Zoo
-plechtig was haar uiterlijk, als stond zij nu wederom op het
-Lenaeën-feest als „de mystische gade van den God” in den tempel van
-Dionysus, aan het hoofd harer onderdanige priesteressen, geheimzinnige
-gebruiken volvoerend, die geen mannenoog mocht aanschouwen en
-waaromtrent zij de deelgenooten allerplechtigst de gelofte van
-stilzwijgendheid afnam.
-
-Toen Aspasia de vrouw zag, zoo fier in het bewustzijn harer
-priesterlijke waardigheid, en een pijl van de diepste minachting uit
-hare afgunstige oogen afschietend, ontwaakte de oude haat weder en de
-bittere spotlust in het gemoed van de Ionische.—
-
-„Zie eens,” zeide ze lachend tot Pericles, „zie eens, hoe zij daar
-praalt, met dat glimmend vet op hare ledematen, de waardige Telesippe!
-Nadat zij de echte vrouw van twee sterfelijke mannen is geweest, is zij
-nu zelfs de mystische gemalin van den God Dionysus geworden! ’t Zou mij
-echter zeer verwonderen, als de jeugdige God haar niet spoedig ook aan
-een ander overdeed en wel aan Silenus zijn dikbuikigen makker: want
-voor dezen schijnt zij geheel als geschapen!”
-
-Eenige woorden van deze bittere spotternij drongen door tot Telesippe’s
-oor. Nog beter echter werden zij gehoord door Elpinice en den ziener
-Lampon, die achter Telesippe in den optocht gingen, en die, evenals
-zij, op Pericles alsmede op de Milesische in ’t voorbijgaan scherpe en
-loerende blikken gevestigd hadden. Blikken van met moeite onderdrukte
-verbittering werden op de vermetele geworpen, en eene stilzwijgende
-gelofte om de lang gezworen wraak te bespoedigen, rees tegelijkertijd
-in de drie gekrenkte gemoederen op.
-
-In den nacht stroomden langs het strand van den Eleusinischen zeeboezem
-de feestreien, aangevoerd door den God Iacchus met brandende toorts.
-Hier flonkerde het nachtelijk schijnsel over de met bloemen bezaaide
-dreven, en rondom den God slingerde zich de bezielde schare, den bodem
-stampend in den dans, de golvende lokken schuddend, doorstrengeld met
-den mirtekrans, en de zwellende, rijpende druif in dien krans. In
-tallooze bochten kronkelde zich de rei met de hoog gezwaaide fakkels.
-Een myst gaf telkens de fakkel aan den anderen. De mystische
-fakkelglans werd als heilig beschouwd en de daaraf spattende vonken als
-een louteringsmiddel van de zielen dergenen, die zij troffen.
-
-Met het aanbreken van den avond, die aan de voorafgaande feestviering
-een einde maakte en vóór de geheimenissen in den wijtempel plaats
-grepen, moesten de mysten zich door tal van reinigingen, geloften,
-gebeden en ander heilige gebruiken voor de wijding voorbereiden.
-
-Onophoudelijk had Aspasia inmiddels bij Hipponicus den wensch
-hernieuwd, om door zijne bemiddeling in de mysteriën te worden
-ingewijd.
-
-Hipponicus herinnerde haar, dat de viering der mysteriën onder het
-toezicht stond van den Archon Basileus, den echtgenoot van Telesippe,
-en dat, evenals de Archon Basileus het oppertoezicht over de
-Eleusinische priesters had, zoo zijne gemalin over de priesteressen van
-Eleusis als Basilessa gesteld was, tijdens de viering der mysteriën.
-
-Dit alles scheen de eigenzinnigheid van Aspasia nog meer te prikkelen:
-en toch zou ’t haar bezwaarlijk gelukt zijn den tegenstand van
-Hipponicus te verwinnen, ware ’t hem thans niet tegenover de gade van
-Pericles gegaan, als Alcamenes te Olympia. Niet te vergeefs koesterde
-hij in zijn huis den gloed, die zijn hart reeds eenmaal had verzengd.
-Aspasia, gedachtig aan het voorval met Alcamenes, zou anders wel op
-hare hoede geweest zijn, om dit vuur opnieuw aan te blazen en een
-gevaar te vermijden, dat haar om Pericles’ wil noodlottig had kunnen
-zijn, maar zij had zich nu eenmaal in ’t hoofd gezet, datgene, wat zij
-wilde bestrijden, nauwkeurig te onderzoeken, ten einde het met te
-grooter kracht te kunnen aantasten. Zij zag met voldoening den
-minnegloed van Hipponicus, dien zij overigens verachtte, opnieuw
-opvlammen; het was haar immers een waarborg, dat hij ten laatste haar
-vurig verlangen zou inwilligen.
-
-En zoo geschiedde het ook. De daduchus gaf eindelijk toe, om de
-kleinere wijding, die Aspasia reeds vóór een half jaar moest ontvangen
-hebben, haar thans toe te dienen. Hij wist den zoogenaamden mystagoog
-[365] voor zich te winnen, wiens plicht het vooral was bij de kleinere
-Eleusiniën te Athene de „duisterlingen” voor te bereiden en in den
-„tempel” binnen te leiden. De daduchus liet Aspasia, nadat de
-reinigings-ceremoniën afgeloopen waren, op de vacht van een aan Zeus
-geofferd lam staan, vervolgens onderrichtte haar de mystagoog in zekere
-gebruiken en formulieren, die zij in den tempel noodig had, om te
-bewijzen, dat zij ingewijd was, opdat haar de toegang met de mysten tot
-het binnenste van ’t heiligdom niet geweigerd zou worden. Eindelijk
-liet hij haar zweren, dat zij omtrent alles, wat zij in het huis der
-groote wijding zien en hooren zou, een onverbreekbaar stilzwijgen voor
-eeuwig zou in acht nemen.
-
-Niet te gelijk werden, toen de dagen der wijding gekomen waren, alle
-mysten binnen geleid, maar de eene afdeeling volgde op de andere.
-
-Onder de schare van mysten, die het eerst werd toegelaten, bevonden
-zich Pericles en Aspasia.
-
-Een glimlach zweefde om de lippen van Aspasia toen zij met deze schaar,
-geleid door de mystagoog, het binnenste van ’t heiligdom betrad en den
-Hiërophantes, benevens de overige offerpriesters en helpers, in
-schitterend en veelbeteekenend gewaad gedost zag, met diademen op de
-vrij langs de schouders neergolvende lokken, statige grijsaards,
-eerbiedwaardig van uiterlijk, die daarenboven geheimzinnige symbolen
-ten toon droegen; te midden van hen de daduchus met eene fakkel in de
-hand.
-
-En nog bekoorlijker lachte de schoone Milesische, toen nu de „heilige
-heraut” zijne stem verhief voor de verzamelde mysten, met den eisch,
-dat ieder, die niet de wijdingen had ontvangen, zich zou verwijderen,
-alsmede ieder, wiens hand niet rein van schuld en niet waardig
-voorbereid was, om het heilige licht van Eleusis te aanschouwen; hen
-ten laatste nogmaals den plechtigen eed afnemende, een eeuwig zwijgen
-te bewaren over datgene, wat zij zouden hooren en zien. Hierop werd
-ieder afzonderlijk eene vraag in het oor gefluisterd, die alleen de
-myst kon begrijpen en die hij even zacht weder in het oor van den
-vrager beantwoordde, terwijl door een onzichtbaar koor de plechtige
-hymnus op de Godinnen van Eleusis aangeheven werd.
-
-En nog steeds zweefde die fijne glimlach om de geestige lippen van
-Aspasia, toen de mysten in het binnenste van den tempel waren
-binnengeleid en zekere heilige voorwerpen hun daar ’t eerst getoond
-werden, overblijfselen uit eeuwenoude tijden, zinnebeelden der
-zegeningen en mysteriën van den Eleusinischen eeredienst, hun tevens
-aangeboden om aan te raken en te kussen en met gewijd woord uit den
-mond van den Hiërophantes uitgelegd.
-
-En met denzelfden glimlach volgde Aspasia de mimische voorstellingen
-der heilige sagen, aanschouwelijk en aangrijpend om te zien in de
-geheimzinnige schemering van den tempel, begeleid door de liefelijke
-tonen van fluit- en snarenspel.
-
-Nu echter werd de schare van mysten langs trappen naar onderaardsche
-gewelven en gangen gevoerd. Weldra zagen zij zich door eene volslagen
-duisternis omringd. De zwerftochten begonnen: een lang, moeitevol,
-doelloos ronddolen in het nachtelijk donker. Alleen de stem van den
-Hiërophantes weerklonk ernstig en waardig en strekte door zinrijke
-spreuken en waarschuwingen tot gids in dien donkeren, labyrinthischen
-zwerftocht.
-
-Plotseling hoorde men een dof gedreun, alsof de grondvesten der aarde
-trilden: het scheen gehuil, gesteen, geluid van ruischend water en
-geratel van den rollenden donder dooreen gemengd.—De straks nog rustige
-schare der mysten greep een angstige verbazing aan, zij begon te
-sidderen en te beven, het klamme angstzweet parelde zich op het
-voorhoofd.
-
-Steeds grooter echter werden de verschrikkingen; want bij het schijnsel
-van als bliksem, schitterende vlammen, die afwisselend uit den grond
-sloegen en wier roode, blauwe, witte of vale kleur schier verblindend
-was, zag men gruwzame spookgestalten, monsters der onderwereld door een
-vluchtigen glans verlicht. Gorgonen met ontzettende koppen, sluipende
-Echidnen [366], vreeselijke Chimaeren [367], die de gestalten van een
-leeuw, eene geit en eene slang in zich vereenigden, tandenknarsende
-Harpyen met gapende muilen, bleeke, bloeddorstige Emphusen met
-hondenkoppen, blaffende Scylla’s [368] en het huiveringwekkende beeld
-van Hecate. Doch steeds ontzettender werden de verschrikkingen.
-Eindelijk verscheen in een vaal licht Thanatos, de God des doods,
-zittend op doodsbeenderen, in donker, nachtelijk gewaad, het voorhoofd
-omkranst met affodil [369], met eene omlaag gehouden fakkel in de hand,
-naast hem een vale klepper, waarmede hij in vliegende vaart onmetelijke
-afstanden aflegt.
-
-Rondom hem waren zijne getrouwen gelegerd; Eurynomus de daemon der
-vernietiging, een der geesten van den Hades, wiens taak het was het
-vleesch der lijken tot op de beenderen af te knagen. Hij zat op zijn
-aas, gelijk een raaf of gier, en sloeg zijne tanden begeerig in het
-weeke vleesch.
-
-Verder op waren om den valen Thanatos te zien de Pest en de bleeke,
-uitgeteerde Honger, de furie van den oorlog Enyo, benevens de kranke,
-hartdoorknagende, Razernij der liefde en Ate, de Verbijstering, de
-noodlottige daemon der dwaasheid, der verblinding en der schuld.
-
-Aspasia lachte nog altijd, maar haar lach was niet langer bekoorlijker
-en haar gelaat marmerwit...
-
-Terwijl nu echter op een wenk van den Hiërophantes de daduchus zijne
-fakkel aan eene der uit den grond uitslaande vlammen ontstak, en steeds
-huiveringwekkender de melodieën der fluiten en van het onzichtbare koor
-klonken, geraakte de schaar der mysten in een somber, met mephilitische
-[370] dampen gevuld hol. Uit de verte vernam men een dof bruisen als
-van stroomend water en daartusschen het luid geblaf van een
-driekoppigen hond [371].
-
-Toen nu de mysten den langen, donkeren hollen weg afgelegd hadden,
-zagen zij als in een droom eene groote eentoonige, sombere landouw voor
-zich, zoo ’t scheen van slaap verwekkende vochten doortrokken en
-omgeven door somber vlietende stroomen.
-
-Door den staf van den heiligen heraut bezworen, verstomde het geblaf
-van den driekoppigen helhond en de mysten-schaar zag zich omringd door
-de schaduwen des doods, in. het rijk van Persephone [372] waar in het
-vale licht wilgen en zilverpopulieren stonden, bleek en onbewegelijk
-met treurig neerhangende twijgen.
-
-Daarop volgde de Asphodelus-weide, geheel overdekt met de treurige
-doodsbloem, wier bleeke knoppen als droomend op hooge stengels
-wiegelden.
-
-Over deze weiden zweefden de schimmen, de zielen der gestorvenen, heen
-en weder; zij geleken droombeelden of rook; zij waren niet tastbaar,
-zonder menschelijk geluid, alleen met een zacht, eentonig gegons de
-uitgestrekte ruimte des erebus vervullend. Zij waren zich slechts half
-bewust, als verzonken in gepeins en sluimerig, alleen tot volle
-bewustzijn te brengen door een gereikten dronk versch, rookend
-offerbloed.
-
-Nachtvogels fladderden in de lucht, ook zij waren somber en
-spookachtig. Als schimmen met doorschijnende lichamen, gleden ook de
-visschen traag en zonder geluid voort in de wateren der onderwereld.
-Deze stroomen echter, die het erebus omgaven, waren: de Acheron, de
-stroom des eeuwigen lijdens, de tranenstroom Cocytus [373], de
-vuurstroom Pyriphlegeton [374] en de Styx, met zijne gitzwarte wateren.
-
-Door ’t schemerdonker der zwevende, ijle schimmenwereld gingen de
-mysten als in een droom, geleid door den heiligen heraut verder, totdat
-plotseling eene koperen reusachtige poort met het geweld des donders
-vóór hen opensprong.
-
-Over een koperen drempel betraden zij den Tartarus, de verblijfplaats
-van die zielen, welken het niet vergund was, in een half wakenden, half
-sluimerenden toestand, zonder leed of vreugde, over de Asphodelus-weide
-te zweven; maar zij, die door de wrekende Erinnyen nedergestort waren
-in den dieperen jammervollen afgrond van den Hades.
-
-Eeuwig op het rondwentelend rad gebonden te zijn [375]—door eeuwig
-dreigende, hangende rotsblokken omringd te worden—naar eeuwig
-terugwijkende met vruchten beladen takken met eeuwig onverzadigde
-begeerte de handen uit te strekken [376]—met eeuwig vergeefsche
-krachtinspanning den steeds weder terugrollenden steen bergopwaarts te
-wentelen [377]—de altijd weder wegloopende wateren van vertwijfelende
-inspanning in een bodemloos vat te scheppen [378]—de steeds
-aangroeiende ingewanden aan den beet van een gier [379] en de ledematen
-aan de kronkelingen van de slangen der Erinnyen prijs te geven—een
-speelbal te zijn voor eeuwig in de handen der Stygische
-schrikgestalten: zoodanig was het lot van hen, die de schare der mysten
-op den jammervollen bodem huiveringwekkend aanschouwde.
-
-Talrijk waren zij, de beelden dier folteringen in de onderwereld; het
-talrijkste echter de beelden van een eeuwig vergeefsch, smartelijk
-worstelen en streven.—
-
-Zóó werden de ingewijden door die verschrikkelijke diepten, door het
-lijden des levens en de huivering des doods rondgevoerd en hunne ziel
-was met angst en siddering vervuld.
-
-Plechtig klonk de stem van den Hiërophantes door al deze verschijningen
-en verschrikkingen heen, verklarend en vermanend.
-
-Al vreeselijker en ontzettender werd de onderaardsche duisternis, al
-luider het geween en gesteun der boetelingen.
-
-De stroomen der onderwereld begonnen te bruisen, het geheele
-schimmenrijk scheen in ééne hartverscheurende zucht los te barsten;
-maar ook de schare van hen, die uit de bovenwereld neergedaald waren,
-scheen daarin te deelen en de stemmen aller schepselen zich te
-vereenigen in een oneindig, door de diepste ellende afgeperst: ach!—
-
-Toen scheen op eens een wonderbaar licht uit den schoot der diepste
-duisternis:
-
-Vriendelijke streken doemden op, overdekt met gouden bloemen:
-liefelijke stemmen weerklonken, zalige reien zweefden daarheen over de
-heerlijke velden.
-
-Hier glansde Persephone’s paleis in helder licht. Aan den drempel van
-het paleis stond, met de lyra in de hand, Orpheus, de overoude, heilige
-mysteriën-zanger, en zijn welluidende mond verkondde geheimzinnige
-zaken.
-
-Achter hem lonkte het knaapje Demophoön uit de knetterende vlammen,
-waarmede zijne goddelijke voedster Demeter hem tot schrik zijner
-sterfelijke moeder omgeven had, ongedeerd glimlachend den mysten toe.—
-
-Over de gouden poorten des tempels echter zweefde in vollen glans,
-verlicht door de helderste stralen, het symbool der gevleugelde Psyche,
-niet meer als eene schim in den Hades rondwarend, maar over
-Asphodelusweiden en Tartarus en Elysium [380] zich verheffend naar den
-haar verwanten, goddelijken aether.—
-
-Nu werden de mysten door de poort gevoerd om in waarheid ziende te
-worden. Hier werd voor hen het nog onuitgesproken gedeelte der
-geheimenissen onthuld. Hier verscheen hun, nochtans aan ieder naar de
-eigen kracht zijner oogen, in luisterrijken glans: het volle, heilige
-licht van Eleusis.—
-
-Op den dag, die op de inwijding van Aspasia in de Eleusinische
-geheimenissen, aan de zijde van haar gemaal Pericles met een groot deel
-der mysten, volgde, bevond de Milesische zich in een verwarde,
-eigenaardig veranderde stemming. Haar geheele wezen was door ontroering
-aangegrepen, haar zenuwgestel geschokt, zij was schier koortsachtig. In
-een levendig gesprek met Pericles over hetgeen zij met hem gezien en
-gehoord had, zocht zij de gestoorde harmonie van haar gemoed weder te
-verkrijgen. Want evenals er nachtvogels zijn en ander nachtgebroedsel,
-wier oog de duisternis liefheeft en den helderen straal van licht niet
-kan verdragen, zoo zijn er van den anderen kant ook kinderen des
-lichts, die zich alleen in den gouden glans van het hun bekende en
-verwante element wel bevinden en niet in de donkere afgronden van den
-nacht kunnen staren. Tot dezen behoorde Aspasia. Een blik in de
-duisternis echter, een staren in den zwarten nacht, kwam haar die tocht
-voor, en wat zich het heilige licht van Eleusis noemde, scheen haar
-geen licht, integendeel eene andere soort van duisternis; want het was
-somber en voerde door somberheden heen. Zij echter kon zich het licht
-alleen vroolijk denken. Voor haar gold als licht alleen datgene, wat
-schitterde en tot opgewektheid stemde te gelijk. Het vale, kille,
-spookachtige schemerdonker, waarna het oogverblindend schelle licht,
-dat de Hiërophantes van Eleusis in de diepten des levens deed vallen,
-scheen haar een snood contrast met het ware, rooskleurige licht.
-Goochelspel en ijdele bangmakerij noemde zij de aan tooverij grenzende
-phantastische kunsten der Eleusinische priesters.
-
-Zoo gevoelde zij zich dus aangedaan en geschokt, door eene pijnlijke
-onrust aangegrepen en meer dan ooit tot tegenspraak geprikkeld.
-
-’t Was intusschen in het van vreemdelingen, voornamelijk van Atheners,
-wemelende Eleusis geen geheim gebleven, dat Aspasia aan de zijde van
-haar gemaal zich in de mysteriën had laten inwijden. Maar ook van de
-bijkomende omstandigheden dezer wijding waren zij, die met het scherpe
-oog der afgunst het doen en laten der Milesische naspeurden, al heel
-spoedig onderricht. De ergsten hare vijandinnen, nog onlangs op nieuw
-beleedigd en tot wraak aangezet, vertoefden te Eleusis, en Lampon liet
-zich niet onbetuigd, de brave, vol-ijverige Lampon, die het vertrouwen
-en de vriendschap van Telesippe in nog hoogere mate had weten te
-winnen, sedert zij de gade van een opperpriester was geworden, en die
-zich voortreffelijk leende tot een werktuig van de wraakzuchtige vrouw
-en haar intrigeerende vriendin. Den argeloozen mystagoog had Lampon
-weldra het geheim van het vermetel waagstuk ontlokt, waardoor Aspasia
-tegen alle heilige regelen in de mysteriën was binnengeleid. Door hem
-werden de vijandinnen op de hoogte dier zaak gebracht.
-
-Weldra werd de Archon Basileus, de handhaver der heilige wetten, van
-deze misdaad verwittigd en een onweder pakte zich samen boven het hoofd
-van Aspasia en haar medeplichtige, Hipponicus, die haar tegen de
-heilige gebruiken, tot hare wijding de behulpzame hand had geleend.
-
-Nog wist Aspasia niets van het dreigend gevaar, en eer zij daarvan in
-kennis werd gesteld, wedervoer haar ten huize van den daduchus een
-onaangenaam geval van gansch anderen aard.
-
-Aspasia zat met Pericles en hun gastheer Hipponicus aan het ontbijt.
-Het heilig gebruik verordende in den tijd der viering van de mysteriën
-eene zekere onthouding; des te meer vermaak schepte Aspasia er in, den
-ouden drinkenbroer Hipponicus door vroolijke drinkliederen en scoliën
-op te wekken, ten einde hem meer aan den bezielenden God Iacchus dan
-aan de strenge Persephone te doen denken. Hij sprak den beker vlijtig
-aan en al vuriger en vuriger begonnen zijne oogen te schitteren,
-terwijl de bekoorlijke vrouw tegen den somberen ernst der mysteriën te
-velde trok en tegen al wat somber was in ’t algemeen, ook tegen het
-sombere begrip van plicht, waartegen zij het vroolijk recht des levens
-en der vreugde plaatste.
-
-Pericles verwijderde zich om een ambtgenoot, die zich te Eleusis
-bevond, op te zoeken en Aspasia begaf zich naar haar vertrek.
-
-Plotseling stond de dronken Hipponicus voor haar en begon haar
-verwijtingen toe te voegen.
-
-„Vrouw!” riep hij uit met dubbelslaande tong, „uw naam is ondank! Heb
-ik u niet te Megara uit moeilijke verwikkelingen gered? En wat was mijn
-loon daarvoor? En heb ik mij nu niet weder onverschrokken voor u in
-gevaar gestort, door u, tegen alle heilige gebruiken, in de groote
-mysteriën binnen te smokkelen? En zal ik ook daarvoor geen dank
-inoogsten, zelfs niet den geringsten? Eilieve, daar gij toch zoo
-vrijzinnig zijt, waarom zijt gij dan tegenover mij zoo preutsch? Vreest
-gij misschien uw man? Die is afwezig. Of het sombere begrip van plicht?
-Daar hebt gij zooeven nog den spot mee gedreven. Ben ik u soms niet
-jong of mooi genoeg? Neem dan dezen ring met dien kostbaren steen! Hij
-heeft twee talenten aan baar zilver gekost!—Weet gij dan, dat Pericles
-altijd van u houden zal? Zal hij u misschien niet eens evenals
-Telesippe verstooten? Alles in de wereld wentelt en draait bont
-dooreen! Verlaat u toch op niets! Tast toe! Neem den ring, mooi wijfje!
-Neem den ring met den steen, die twee talenten gekost heeft! Weet gij
-dan, lieve, hoe lang gij nog bekoorlijk zult zijn? Nog zijt gij het
-ontegenzeggelijk, maar de tijd komt, waarop gij oud en leelijk zult
-zijn!—Neem den ring, schatje, en geef er mij een kus voor!”
-
-Aspasia stiet, gloeiend van toorn, den dronken man naar de deur. Toen
-werd Hipponicus woedend en stotterend schreeuwde hij:
-
-„Wie zijt gij toch eigenlijk? Zeg, wie zijt gij dan toch? Een licht
-dametje uit Milete; bij Demeter! Een dametje uit Milete? Sedert wanneer
-wilt gij eene Spartaansche vrouw zijn, eene eerzame, deftige
-matrone?—O, gij preutsche, die toch eens den jongen Alcamenes zonder
-eenige preutschheid tot model hebt gediend!”—
-
-Aspasia beefde en verbleekte van toorn om den dronken, schaamteloozen
-beleediger. Nogmaals duwde zij den waggelende achteruit, wierp snel
-haar oppergewaad om en ijlde uit het vertrek en uit het huis, haar
-echtgenoot Pericles te gemoet.
-
-Zij had nauwelijks het huis verlaten of de geslepen vriend van
-Diopithes, de ziener Lampon, trad het binnen.
-
-Hij was door Diopithes gezonden, die den vorigen dag te Eleusis was
-aangekomen.
-
-Toen zij, met doodelijken haat tegen Pericles en Aspasia bezield, het
-eerst de tijding van Aspasia’s onwettige inwijding vernamen, hadden zij
-onmiddellijk besloten, zoowel Aspasia zelve als den daduchus bij het
-heilige gerecht aan te klagen, en de meesten waren verheugd, dat zij
-thans, behalve de gehate vrouw, ook den zeer benijden Hipponicus in het
-verderf zouden kunnen storten.
-
-Maar Diopithes zelf, het eigenlijke hoofd dezer vijandelijke partij,
-was van eene andere meening. Hij verzon een plan, dat zijn sluwheid eer
-aandeed. Gaarne had hij Hipponicus de aanklacht en een veroordeelend
-vonnis gegund, maar hij berekende, dat de niet aangeklaagde en niet
-veroordeelde Hipponicus hunne partij nuttiger kon zijn, dan zoo hij
-aangeklaagd en veroordeeld was.
-
-„Als wij hem onmiddellijk aanklagen,” sprak hij, „zal de machtige
-Pericles hem met zijn geheelen invloed ter zijde staan, en hij zal, zoo
-al niet er ongestraft afkomen, dan toch veel lichter straf krijgen, dan
-wij wel wenschen. Wellicht zal hem eene geldboete opgelegd worden,
-hetgeen den rijksten man van Athene niet veel schaden zal. Hij zal die
-betalen en dezelfde blijven, die hij is. Anders evenwel wordt de zaak,
-als wij hem niet onverwijld tot verantwoording van zijn gedrag
-noodzaken, maar de aanklacht voorloopig als eene altijddurende
-bedreiging boven zijn hoofd doen zweven. Wij zullen hem doen weten, dat
-wij zijn geheim kennen en dat het in onze macht is hem in het verderf
-te storten, zoodra wij willen. Dit zal hem bereidwillig en gedwee in
-alles maken. Hij zal als een man, die een behagelijke rust boven alles
-liefheeft en wien geen prijs te hoog is, om eene verlegenheid of
-verwikkeling te ontkomen, alleen uit angst voor ons, een werktuig,
-zonder eigen wil, zijn. Zijn invloed te Athene en de macht van zijn
-rijkdom is groot: beter is het dit water op ons rad, dan op dat van
-onze tegenstanders te leiden.”—Zoo sprak de snoode, sluwe
-Erechtheüs-priester tot zijne makkers en zond Lampon naar de woning van
-Hipponicus.
-
-De ziener trof den daduchus in een zonderlingen toestand aan. Hij vond
-hem dronken en tevens in den hevigsten toorn ontstoken, tengevolge van
-hetgeen zooeven tusschen hem en Pericles’ gade had plaats gehad.
-
-Desniettemin begon Lampon een gesprek met Hipponicus en zei hem
-ronduit, dat het bekend was geworden, hoe hij de gade van Pericles op
-eene wijze, die tegen de heilige regelen streed, in de mysteriën had
-binnengeleid.
-
-Bij deze woorden verschrikte de dronken Hipponicus zoozeer, dat hij
-bijna nuchter werd. Doch met verdubbelde heftigheid barstte zijn toorn
-tegen de Milesische los. Hij begon haar jammerend te verwenschen, als
-eene verleidster, die hem in het verderf wilde brengen.
-
-„Grijp haar!” riep hij, „radbraak haar, vil haar, doe met haar, wat gij
-wilt, zij verdient het!”—
-
-Met innig welgevallen vernam Lampon de uitdrukkingen van gramschap
-tegen Aspasia uit den mond van Hipponicus, en nadat hij eerst nog op
-eene sluwe wijze den toorn en de angst van den man tot het uiterste had
-doen stijgen, kwam hij met de verklaring voor den dag, dat zij, die van
-plan waren hem in staat van beschuldiging te stellen, bereid waren zich
-in het geheim met hem te verstaan. Hij vroeg hem of hij de uitnoodiging
-aannam, welke die mannen hem deden, om met hen over de zaak in
-onderhandeling te treden. Hipponicus haalde weder ruimer adem en
-beloofde reeds vooruit alles wat men van hem mocht verlangen.
-Onmiddellijk werd nu tusschen hem en Lampon plaats en uur voor het
-onderhoud vastgesteld.
-
-Terwijl dit gesprek tusschen Lampon en Hipponicus voorviel, ijlde
-Aspasia door de straten van Eleusis. Weldra echter moest zij haar
-snellen gang vertragen door de groote drukte en gewoel. ’t Kon niet
-anders of zij werd opgemerkt en herkend. Zij zag zich weldra het
-voorwerp der algemeene aandacht, ’t geen haar natuurlijk in
-verlegenheid en verwarring bracht.
-
-De in Eleusis verzamelde menigte was door de vijanden en vijandinnen
-van Aspasia op alle mogelijke wijze tegen Pericles’ gade opgeruid. De
-geruchten over hare onwettige wijding maakten de ronde onder het volk.
-Er waren bovendien menschen, die zich verstoutten luide te zeggen, dat
-Aspasia voorheen eene hetaere te Milete en te Megara was geweest, dat
-zij uit de laatste plaats met schimp en schande was weggejaagd en dat
-reeds om deze misdaad alleen hare inwijding eene goddelooze zaak was.
-Overdrijving en sprookjes van de zotste soort liepen, naar gewoonte,
-over haar van mond tot mond, en zaaiden minachting, ja zelfs
-verbittering in de gemoederen.
-
-Van dergelijke gezindheden was de menigte vervuld, door welke de gade
-van Pericles in angstige haast zich een doortocht trachtte te
-verschaffen.
-
-’t Ontbrak niet aan brutale lieden, die nieuwsgierig hare schreden
-volgden, ja zelfs, achter haar loopende zich beleedigende woorden
-lieten ontvallen, die haar oor bereiken en haar krenken moesten.
-
-„Wat is er voor nieuws in Athene?”—
-
-„Niets dan dat de vrouw daar speer en schild draagt, en dat de mannen
-verwijfd zijn.”—
-
-„Ja, ’t valt niet te ontkennen, dat Athene door eene vrouw bestuurd
-wordt.”—
-
-„Door Pallas Athene bedoelt ge?”—
-
-„Neen, door eene Milesische hetaere. Pericles zal, zoo men zegt, weldra
-haar beeld op de Acropolis laten plaatsen.”—
-
-„Die arme Pericles! De vrouwen heeft hij nooit kunnen weerstaan. Hij is
-immers ook Elpinice’s minnaar geweest en men weet dat deze hem nog met
-hare verwelkte bekoorlijkheden betooverd heeft.”—
-
-„Is die Milesische dezelfde, met wie hij voor jaren eenmaal in
-Klein-Azië heeft rondgezworven?”—
-
-„Ja wel, dezelfde; ’t heette, dat hij met haar een bedevaart deed naar
-den onderrok van de heldenbedwingende Omphale [381], welke rok, zooals
-men weet, in den tempel van Artemis te Ephese is opgehangen.”—
-
-„Maar hoe kwam ’t hem toch in de gedachte om diezelfde vrouw thans met
-zich naar de ruwe Peloponnesus te voeren, waar zij zich toch onmogelijk
-recht tehuis kan vinden? Het poesje, zegt een spreekwoord, ligt graag
-zacht.”
-
-„Inderdaad, men zegt, dat haar de muggen in Elis zeer lastig geweest
-zijn, en ik wed, dat de paardevliegen van Eleusis haar nog minder
-zullen aanstaan.”—
-
-„Waarachtig het gegons van deze schijnt haar zeer slecht te bevallen.”—
-
-„Ach, die teedere hoentjes uit Paphia’s [382] nest, die van hunne jeugd
-af op purperen dons hebben geslapen, die Ionische vrouwen met hare
-smeltende oogen en mollige armen, zonder beenderen in het lichaam,
-geheel molligheid en liefelijkheid—wat zouden zij in het krijgshafte
-Olympia of in het ernstige Eleusis te zoeken hebben?”—
-
-Zoo klonken de scherpe woorden en smaadredenen, met opzet gesproken, in
-het steeds toenemend gewoel achter Aspasia.
-
-Toen dit een geruimen tijd zoo geduurd had, stond Aspasia plotseling
-stil en nam een snel besluit; zij sloeg den sluier, die haar gelaat
-bedekte, op, zoodat haar gezicht geheel zichtbaar was en wierp een
-kalmen en waardigen blik uit hare fonkelende oogen op de schare rondom
-haar.
-
-Toen opende zij den mond en sprak op de volgende wijze tot het haar
-omringend en haar aangapend volk:
-
-„Vóór jaren stond ik eens als eene hulpelooze vrouw in Megara’s
-straten, omringd door de menigte, onschuldig gehoond, onschuldig
-vervolgd met blikken en woorden. Met oogen, gloeiend van haat werd ik
-beschouwd; want het was een vijandig Dorisch volk, dat zich om mij
-drong. Met onbillijke woorden werd ik gesmaad, met snoode handen
-aangegrepen, want het was een ruw, woest Dorisch gepeupel, dat op mij
-aanviel. Heden omgeeft mij de menigte in Eleusis’ straten. Maar ik houd
-rustig en kalm mijn hoofd omhoog: want ’t zijn, meen ik, grootendeels
-Atheners, die mij omringen. Geen Dorisch volk is het, maar een Ionisch,
-welks scherpste pijl, zoo ik meen, de vermetele blik is, en het
-ondoordachte woord dat steeds vaardig aan de vlijmende tong ontglipt.
-Maar waarom dringt gij zoo om mij heen? Waarom gaapt gij mij zoo aan?
-Ik heb mij onwettig in die geheimenissen van Eleusis ingedrongen, meent
-gij? Weest toch niet al te kleingeestig, gij verlichte Atheners, en
-volgt niet al te bereidwillig de wenken en woorden van hen, die het
-licht haten en de duisternis liefhebben, en die u de duisternis voor
-licht verkoopen! Mannen van Athene! vereert niet al te zeer het sombere
-tweetal Godinnen [383] van Eleusis, en blijft gedachtig aan uwe
-schutsgodin Pallas Athene, de Godin des lichts, de ware en waardige
-beschermvrouw van het Attische land en volk wier beeld stralenden,
-vroolijken glans alle nachtgebroedsel verjagend, hoog schittert op uw
-burg!”—
-
-Toen de vrouw van Pericles deze woorden gesproken had en het fonkelend
-oog onbevreesd over de haar omstuwende menigte liet weiden, zagen de
-mannen elkander aan, zeggende:
-
-„Zij is, bij de Goden een schoone vrouw, die Aspasia van Milete, en ter
-wille daarvan moet men haar veel vergeven!” [384]—
-
-Zoo spraken zij en weken een weinig uiteen, zoodat zij rustig haar weg
-kon vervolgen.—
-
-Maar de vrienden van Diopithes, die zich onder de menigte bevonden,
-waren nu nog feller op de Milesische gebeten en begaven zich naar den
-Erechtheüs-priester, om hem te berichten, dat Aspasia met onbeschaamd
-voorhoofd voor het verzamelde volk met minachting over de heilige
-plechtigheden en de eerwaardige Godinnen van Eleusis gesproken had.
-
-Het uur voor het onderhoud bij Diopithes, waartoe men ook Hipponicus
-genoodigd had, was gekomen.
-
-Verscheidene mannen met een somber uiterlijk, verklaarde tegenstanders
-van Pericles, waren bij den priester verzameld.
-
-De angstvallige daduchus was zeer inschikkelijk en gedwee in alle
-zaken. Steunende op zijne verklaringen en op de toornige uitdrukkingen
-tegen Aspasia, waarvan Lampon getuige was geweest, rekende Diopithes
-hem voortaan onder ’t getal zijner bondgenooten en helpers.
-
-Om zijnentwil, heette het, zou men in eene volgens de Atheensche wetten
-hoogst gevaarlijke zaak de aanklacht tegen Aspasia zoolang verschuiven,
-als hij zich die genadige behandeling waardig toonde. Om de vrouw van
-Pericles in het verderf te storten, meenden de samenzweerders, waren de
-vermetele, oneerbiedige uitdrukkingen voldoende, die zij voor het
-geheele volk over de Eleusinische Godinnen had durven uitspreken. Ieder
-oogenblik kon men wegens deze zaak alleen eene aanklacht van
-goddeloosheid en godsdienstverachting tegen haar indienen.
-
-Er waren mannen van de oligarchen-partij tegenwoordig, die zeiden, dat
-men verder moest gaan; dat men zich niet tevreden moest stellen de
-Milesische aan te vallen, die toch altijd slechts eene vrouw was, maar
-dat men zich eindelijk ook aan Pericles zelven eens moest wagen. Zij
-wezen op de verderfelijke veranderingen, die er door hem in den staat
-hadden plaats gegrepen, op de onbeperkte volksheerschappij die door
-zijne toegeeflijkheid zich had ontwikkeld en die door niets in toom
-gehouden werd dan door den persoonlijken invloed van den bij het volk
-geliefden strateeg. De belangen der Atheners waren alzoo aan de
-willekeur en het goedvinden van één enkele prijs gegeven. Anderen
-meenden, dat mannen als Anaxagoras, Socrates en de Sophisten de
-eigenlijke oorzaak waren van den rampzaligen toestand van den staat.
-Deze hadden de Atheners geleerd vrij te denken en oneerbiedig te
-spreken over de Goden en goddelijke zaken; deze vóór anderen moest men
-trachten uit te roeien. Bovendien waren er tegenstanders en benijders
-van Phidias en zijne school onder de aanhangers van Diopithes, die ook
-de vervolging tot hen wilden zien uitgestrekt.
-
-De oogen van Diopithes fonkelden bij de opnoeming van al deze mannen.
-Hem waren zij allen gelijkelijk gehaat.
-
-„Wij zullen ze allen weten te vatten,” zei hij, „allen van de rij af of
-te gelijk. Doch laat ons sluw de goede gelegenheid bespieden en de voor
-ons gunstige stemming der Atheners afwachten. Inmiddels echter moeten
-wij heimelijk naar een vast plan te werk gaan, om ’t verderf dier
-schuldigen voor te bereiden.”
-
-Zoo sprak de Erechtheüs-priester. Veel werd er vervolgens nog gewikt en
-gewogen, veel afgesproken door de bij Diopithes vergaderde mannen.
-
-Aspasia was dien dag niet in het huis van Hipponicus teruggekeerd;
-alleen Pericles begaf zich op den morgen van den volgenden dag, toen
-hij op ’t punt stond met zijne gade Eleusis te verlaten, nogmaals naar
-den daduchus.
-
-Hij riep hem ter verantwoording over de onbeschaamde beleediging, die
-hij Aspasia had aangedaan. Hipponicus verontschuldigde zich met zijne
-dronkenschap en opgewondenheid, waarvan Aspasia voor een deel althans
-zelve de schuld was, daar zij hem door Anacreontische liedjes en
-gesprekken bij het vroolijke maal tot Dionysische dartelheid geprikkeld
-had. Vervolgens beklaagde hij zich bitter over de verlegenheid en het
-gevaar, waarin hij door zijne medeplichtigheid aan de onwettige
-inwijding van Aspasia in de mysteriën geraakt was.
-
-Pericles had medelijden met deze verlegenheid en beloofde hem zijne
-bescherming. Doch Hipponicus was niet tot gerustheid te brengen.
-
-Toen Pericles desniettemin schouderophalend afscheid nam, volgde de
-daduchus hem tot aan de deur, keek telkens angstig rond en fluisterde
-zijn ouden vriend in ’t oor:
-
-„Wees op uw hoede, Pericles! Bij Diopithes werden gisteren in de
-schemering booze plannen gesmeed. Ook ik was daarbij;—gedwongen—; want
-het gold mijn hoofd.—Neem u in acht voor Diopithes en maak hem
-onschadelijk, zoo gij kunt. Men wil Aspasia en Anaxagoras en Phidias en
-u zelven in ’t verderf storten. Mij hebben zij in hunne macht, die
-ellendelingen—ik moest maar altijd met het hoofd ja knikken, op alles
-wat zij daar voorstelden—maar de honden en de raven mogen hen
-verscheuren, den Erechtheüs-priester en zijne geheelen aanhang!”
-
-
-
-
-
-
-
-XX.
-
-DE SCHOOL VAN ASPASIA.
-
-
-Sedert den dag, waarop de jonge Alcibiades door een discus zijn kleinen
-makker in het Lyceüm had gewond, was eene reeks van jaren verloopen.
-
-De knaap was tot een bloeienden jongeling opgegroeid; want hij had zijn
-achttiende levensjaar bereikt. Hij was naar Atheensch gebruik met de
-andere jongelingen, die in ’t zelfde jaar mondig werden, in de
-volksvergadering voorgesteld, met speer en lans gewapend naar het
-heiligdom van Agraulus aan den voet der Acropolis gevoerd, hij had daar
-den plechtigen eed afgelegd, waarmede de nieuwe Atheensche burger zich
-aan het vaderland wijdde: hij had gezworen zijn wapenen nooit oneer aan
-te zullen doen en zijn medestrijder in den slag niet te verlaten, te
-strijden voor de heiligdommen, en, ’t geen allen het dierbaarst is, den
-Staat, eens onverminderd, ja zoo mogelijk vergroot in macht en eer, aan
-de nakomelingen achter te laten, de wetten door het volk gegeven te
-gehoorzamen en niet te dulden, dat een ander ze schond of trachtte af
-te schaffen.
-
-Maar het vaderland, waaraan de jonge Alcibiades met dezen eed trouw
-zwoer, stelde voor het oogenblik slechts matige eischen aan zijn ijver
-en inspanning. De peribolen-dienst, dien de juist mondig verklaarde
-Atheensche jongelingen vervullen moesten, bestond in kleine tochten
-voor de inwendige veiligheid van het Attische land, en deze konden
-eerder als een genoegen dan als een last beschouwd worden.
-
-De staat liet den jongen zoon van Clinias voldoende tijd om de
-genietingen der gulden jeugd te smaken. Met hem was de jonge Callias
-opgegroeid, die zijn vader Hipponicus een schrielhans noemde, de jonge
-Demus, de om zijn schoonheid beroemde zoon van Pyrilampes, die
-insgelijks van meening was, dat zijn vader Pyrilampes van zijne
-rijkdommen geen goed gebruik wist te maken. Xanthippus en Paralus
-werden soms door de luim van Alcibiades, die hun den roem van brave
-knapen te zijn niet gunde, als helpers bij een ondeugenden guitenstreek
-meegesleept, doch zij moesten zich steeds met een ondergeschikte rol
-vergenoegen. Want ten eerste ontbrak het den spruiten van Telesippe aan
-geest en vernuft, en ten andere waren hunne zakken niet zoo gevuld, als
-die der beide zonen van de rijkste mannen van Athene, noch als die van
-Alcibiades zelven, wien na zijn mondigheid ook het vrije bezit van zijn
-vaderlijk erfgoed ten deel was gevallen.
-
-Eene eigenaardige liefde had Alcibiades voor den jongen Manes opgevat,
-den knaap van vreemden afkomst, die Pericles uit den Samischen krijg
-had medegebracht en wien hij te zamen met zijne zonen en met dien van
-Clinias in zijn huis had laten opvoeden. Maar alle pogingen van
-Alcibiades om dezen droomerigen, stillen, eenigszins zwaarmoedigen
-jongeling in zijn vroolijken kring te lokken, mislukten ten eenenmale.
-
-Deze jongeling begon overigens in dien tijd, door eene zonderlinge
-soort van ziekte aangetast, het voorwerp van eene huiveringwekkende
-opmerkzaamheid te worden. In hem ontwikkelde zich die raadselachtige
-neiging, die bekend staat onder den naam van onbewust slaapwandelen of
-maanziekte. In het holst van den nacht, wanneer alles in sluimering lag
-verzonken, stond hij op van zijn leger en doorwandelde met gesloten
-oogen het door de maan verlichte Peristylium, vervolgens beklom hij het
-plat van het dak en liep daar eenigen tijd heen en weder, altijd met
-gesloten oogen, en keerde ten laatste naar zijne legerstede terug, even
-onbewust als hij ze verlaten had. De mare van den slaapwandelenden
-knaap in het huis van Pericles verbreidde zich in geheel Athene en men
-begon van dit oogenblik af hem met een zekeren afschuw te aanschouwen,
-als iemand, die onder den invloed van daemonische machten stond.
-
-Had reeds Alcibiades als knaap de algemeene aandacht der Atheners
-getrokken, ’t was natuurlijk, dat hij nog meer van zich deed spreken,
-toen zijne kin behaard werd door „het zachte dons der mannelijkheid”.
-Zijne dolle streken waren het praatje van den dag, en daar hij
-vroegtijdig geleerd had, hoeveel bekoorlijks de naam van een aardigen
-deugniet aanbrengt, legde hij zich volstrekt geen dwang op, ja zelfs,
-wanneer hij een dollen streek had uitgevoerd, waarover de Atheners het
-hoofd schudden, deed hij dien in het vergeetboek geraken door een nog
-dolleren te doen. Hij wist immers, dat zelfs zij, die hem laakten, hem
-heimelijk bewonderden. Menigmaal scheen het, alsof hij eens wilde
-beproeven, of hij toch niet iets kon doen, wat de Atheners ernstig
-tegen hem zou kunnen verbitteren. Te vergeefs! Zijne handelingen
-mochten moedwillig en dartel zijn, als zij wilden, hij zelf bleef
-altijd geliefd.
-
-’t Was nog altijd de lievelingswensch van Hipponicus, dat de schoonste
-jonkvrouw van Griekenland, zijne dochter Hipparete, de gade mocht
-worden van den schoonsten Helleenschen jongeling. Hij betoonde zich
-daarom zoo vriendelijk en voorkomend mogelijk voor den jongen
-Alcibiades, noodigde hem herhaaldelijk aan tafel en behandelde hem
-bijna met de teederheid van een vader.
-
-Alcibiades maakte zich over hem vroolijk, evenals over ieder ter
-wereld, en plaagde hem met overmoedige scherts. Eens zond hem
-Hipponicus kostelijk toebereide visschen op een gouden schotel.
-Alcibiades hield den schotel en bedankte Hipponicus met de volgende
-woorden: „’t Is al te vriendelijk van u, dat ge mij behalve den gouden
-schotel ook nog zulke heerlijke visch daarbij hebt
-gezonden.”—Hipponicus lachte dat zijn buik schudde, en roemde bij de
-heele wereld de geestigheid van zijn aanstaanden schoonzoon.—
-
-De bevallige jonkvrouw Hipparete zelve, die door haar vader reeds
-geleerd had den jongen Alcibiades als haar toekomstigen echtgenoot te
-beschouwen, was heimelijk voor den prachtigen jongeling in minnegloed
-ontstoken. Zij had hem eenige malen bij openbare feesten gezien. Hij
-echter spotte met het ingetogen meisje. Hij hield zich voor het
-oogenblik liever aan de schoone en geestige hetaeren, wier aantal in de
-stad der Atheners gedurig toenam.
-
-Inzonderheid was het Theodota, die den jongen man inwijdde in de
-mysteriën van het vroolijkste levensgenot. Een tiental jaren was
-ongeveer verstreken, sedert Alcamenes deze schoone van den rijken
-Corinthiër als loon voor zijne voortreffelijke marmergroep had
-bedongen. Thans was Theodota te Athene wellicht niet meer de
-bloeiendste, zeker echter nog de beroemdste onder hare vriendinnen.
-
-Zij was voor Alcibiades het middelpunt van een kring van de
-weelderigste verkwisting, en het dartelste onbeteugeldste levensgenot.
-Maar zij was alleen het middelpunt, terwijl de kring zelf zijne grenzen
-hoe langer hoe wijder uitbreidde.
-
-Diophites wreef zich vergenoegd de handen, zeggende: „Theodota richt
-gewis den veelbelovenden pleegzoon van Pericles ten gronde!”—
-
-Maar werkelijke gezondheid, werkelijke kracht en werkelijke schoonheid
-zijn, naar het schijnt soms onverwoestelijk. De teugellooze Alcibiades
-bloeide als eene roos in den morgendauw. Hij had dien blos op de
-wangen, dien de zedepredikers, volgens hun meening, aan den deugdzamen
-moeten toekennen, terwijl juist de deugdzamen niet zelden met die vale
-gelaatskleur en doffe oogen rondloopen, die de zedeprediker gewoonlijk
-als beeld gebruikt, wanneer hij met krachtige trekken den wellusteling
-wil schilderen.
-
-Theodota vervulde hare taak bij den levenslustigen jongeling in den
-beginne met blijde opgewektheid, doch langzamerhand begonnen in haar
-hart aandoeningen van een dieperen hartstocht levendig te worden. De
-ongelukkige! Zoo zeker als het ’t meest benijdenswaardig geluk scheen,
-door Alcibiades bemind te worden, even zeker was het grootste ongeluk
-hem te beminnen!—
-
-De mondigverklaring van den jongen Alcibiades had weinige dagen na den
-terugkeer van Pericles en zijne gade van hunne Elische reis plaats
-gehad. Ofschoon nu de jonge man, in ’t bezit van zijn vaderlijk
-erfdeel, ophield een huisgenoot van Pericles te zijn, voerden toch de
-gewoonte en genegenheid benevens de betoovering, die Aspasia noodwendig
-op hem moest uitoefenen, hem dikwerf genoeg terug naar den drempel van
-het huis, waarin hij opgevoed was.
-
-Kan het bevreemden, dat de vermetele lieveling der Chariten durfde
-wagen, ook der nog altijd zegevierend schoone gade van Pericles eene
-soort van hulde te bieden, die hij in de school van Theodota geleerd
-had? Maar de schoone Milesische was nog steeds te jong, om den
-onontwikkelden mannelijken bloei verleidelijk, te verstandig om ze in
-’t geheel begeerlijk te vinden, en veel te fier, om zich, zelfs de
-buitengewone schoonheid van den jongeling in aanmerking genomen, voor
-de zegekar van den baardeloozen vrouwenheld te laten spannen. Zij wist,
-dat geen vrouw, zelfs zij niet, dezen vluchtigen losbol inderdaad zou
-kunnen kortwieken, boeien en beheerschen. Grootscher dan het
-twijfelachtig genoegen ’t getal zijner veroveringen te vermeerderen en
-bekoorlijker tevens, was haar de gedachte, haar geslacht aan hem te
-wreken en hem voor eene loszinnigheid te straffen, die hij haar zelve
-niet mocht doen ondervinden. ’t Kwam haar daardoor niet in de gedachte,
-tegenover den jongeling dien moederlijk teederen, door ’t verschil in
-jaren gerechtvaardigden toon aan te nemen, waar onder dikwijls oudere
-vrouwen hare liefde verbergen, of de rol eener vertrouwde bij hem te
-zoeken. Zij beantwoordde de beleefdheden van den jongeling eenvoudig
-door er volstrekt geen acht op te slaan en hem wel is waar niet met
-moederlijke teederheid, maar toch met moederlijke ernst te behandelen.
-Dit verbaasde den verwenden, zich zijner zegepralen bewusten
-veroveraar. Hij gevoelde eene heimelijke spijt, doch de hoogachting die
-hij der Milesische toedroeg, werd er niet door verminderd, integendeel
-zij nam er door toe, zonder dat hij er zich ten volle van bewust was.
-Zoo gevoelde hij zich telkens weder tot Aspasia getrokken en drong haar
-de rol van vertrouwelinge op, die zij volstrekt niet van plan geweest
-was te zoeken.
-
-Op zekeren dag verbreidde zich door Athene het bericht van een nieuwen
-streek van Alcibiades, die meer dan alle vorige geschikt was, om de
-aandacht te trekken en aller tongen in rep en roer te brengen. Er werd
-namelijk verteld, dat Alcibiades op een uitstapje, dat hij met de
-besten zijner vrienden naar Megara had gemaakt, zich daar
-onaangenaamheden op den hals gehaald, ten laatste zelfs een meisje
-geroofd en mede gevoerd had, hetwelk hij nu bij zich te Athene
-verborgen hield. Niet gering, zei men verder, was de verbittering der
-Megarensers, die toch reeds van ouds op de Atheners gebeten waren.
-
-Velen spraken reeds over openlijke vijandelijkheden, die ten gevolge
-van dezen streek der Atheensche jongelingen tusschen Athene en de
-naburige Dorische stad zouden uitbreken.
-
-Alcibiades loochende, wanneer hem er naar gevraagd werd, de zaak
-volstrekt niet, en vertelde ten laatste de geheele geschiedenis
-uitvoerig, ja met blijkbaar welbehagen, aan zijne moederlijke vriendin
-Aspasia.
-
-„Wij waren”—zoo sprak hij—„den vervelenden peribolendienst in de
-landelijke vlekken moede geworden, hoewel wij er ook soms eene kleine
-afwisseling in brachten, door, in plaats van op stroopers en roovers te
-loeren, liever jacht te maken op een Thracisch meisje in de boschjes
-van den Phelleus of op eene jeugdige schoone uit Acharnae.
-
-„Zoo besloot ik dan in gezelschap van mijne vrienden Callias en Demus
-nogmaals een klein zeetochtje voor eenige dagen te ondernemen. Wij
-hadden ons reeds vóór geruimen tijd een fraai versierd, groot
-pleizierjacht op gezamelijke kosten laten bouwen, waarmede wij ook soms
-ter vischvangst gingen. Dit jacht bestegen wij en namen drie Ionische
-meisjes mede, die, behalve in schoonheid, ook in de muziek- en
-zangkunst uitmuntten; voorts een paar jachthonden, benevens jachtnetten
-en werpsprieten; want wij waren voornemens langs die kust te roeien en
-hier en daar aan land te gaan, om te jagen. Wij voeren door de zeeëngte
-van Salamis. De „Bacchante”—zoo heette onze bark—danste lustig op de
-golven.
-
-„De bont beschilderde voorsteven, die in een vergulden panther uitliep,
-waarop eene Bacchante reed, fonkelde in de stralen der zon. Den mast
-hadden wij, als een Thyrsus-staf met klimop en bloemen omwonden. De
-bodem van het vaartuig was met tapijten en mollige kussens bedekt. Wij
-praatten en schertsten en zongen; eene der drie schoonen blies op de
-fluit, de tweede bespeelde de cither en de derde sloeg het symbaal,
-zoodat de zee van gezang en muziek en opgeruimde vroolijkheid
-weerklonk, en wij de nieuwsgierige dolfijnen met de riemen op den kop
-moesten slaan, om hen te verdrijven en te beletten, dat zij ons jacht
-omver wierpen of vernielden.
-
-„Langs het strand varende, kwamen wij voorbij vele landhuizen. Vóór een
-van deze hielden wij een oogenblik stil, om de schoone, die het
-bewoonde, een serenade te brengen. Wij zongen en musiceerden vroolijk.
-De schoone was verheugd, toen zij het gezang uit de zee vernam en de
-sierlijk getooide jonge vrienden zag. Glimlachend stond zij op het
-terras van het huis; wij wierpen haar kransen en kushanden toe. Nu ging
-het weder verder zeewaarts. Brandend stak ons de zon, doch wij wisten
-ons te helpen. Wij spanden de oppergewaden onzer vriendinnen en onze
-eigene boven onze hoofden, om de zon af te weren. ’t Was een schoon
-gezicht, zooals het vaartuig met die wimpels en zeilen getooid, de met
-purper getinte baren doorkliefde. ’t Scheen als zou men straks het
-heldere, verleidende lachen eener Sirene vernemen. Wij waren juist in
-de Halcyonische dagen, gedurende welke de windstilte heerscht en de
-ijsvogel broeidt. Wij hadden de zeeëngte van Salamis achter ons en het
-Megarische strand rechts voor oogen. Hier begonnen de kusten eenzaam en
-eentonig te worden; van tijd tot tijd drongen de tonen eener
-herdersfluit tot ons van de glooiende bergen en men zag kudden van
-runderen, lammeren en geiten grazen. Wij legden hier en daar aan en
-vermaakten ons op allerlei wijzen. Wij vingen visschen met angels, die
-wij van de rotsen aan lange koorden in de zee wierpen, en vingen eenige
-wilde ganzen, eenden en trapganzen met strikken.
-
-„Toen wij juist weder ons schip hadden bestegen, om de reis in de
-richting van Megara voort te zetten, ontmoette ons een pleizierjacht,
-dat in sierlijkheid en weelderigen tooi voor het onze volstrekt niet
-onderdeed. In dit prachtige vaartuig zat een bedaagd man, met een
-bekoorlijk schoon meisje aan zijne zijde. Het gezicht van dit meisje
-deed mij in fellen minnegloed ontsteken. Doch al te vluchtig was de
-ontmoeting. Snel gleden de beide vaartuigen langs elkander; de
-Megarische bark zeilde onmiddellijk om eene vooruitstekende rots en
-verdween uit onze oogen.
-
-„Wij gingen weder aan land op eene plaats, die ons bijzonder aanlokte.
-Daar was eenig kreupelhout, ’t geen onze honden aanstonds
-doorsnuffelden. Na weinige minuten joegen zij een haas op; wij grepen
-naar onze jachtnetten en sprieten en in de hoop, het dier machtig te
-worden, achtervolgden wij het en lieten onze vriendinnen in de
-nabijheid van het vaartuig achter. De haas werd door de honden uit het
-bosch in de velden en weilanden gedreven. Terwijl zij onder luid geblaf
-voortsnelden, brachten zij de herders en hunne kudde in rep en roer. De
-honden stoven zelfs midden door een kudde geiten, zoodat deze
-verschrikt uit elkander vlogen en sommigen tot aan de zee afdwaalden.
-Vertoornd over de verstrooiing zijner kudde, greep de herder een
-scherpen steen, die juist voor zijne voeten lag, wierp hem naar een der
-honden en trof hem doodelijk aan den kop. Het was de trouwe Phylax, die
-alle eigenschappen bezat van een voortreffelijken jachthond.
-
-„Toen wij het voorgevallene uit de verte zagen, lieten wij den haas
-loopen en ijlden gloeiend van toorn, op den geitenhoeder los. Deze
-echter had inmiddels andere herders ter hulp geroepen en wij zagen,
-toen wij aankwamen, een dreigende menigte tegenover ons. Evenwel
-maakten wij aanstalten, om met onze jachtsprieten op hen los te gaan.
-Op dit oogenblik kwam een slaaf in allerijl uit het nabijgelegen
-landhuis aanloopen, om in naam van zijn heer te vragen, wat dit rumoer
-beteekende. Toen wij van den slaaf vernamen, dat de geitenhoeder in
-dienst was bij den heer van dat landgoed, verlangden wij met dezen te
-spreken, om voldoening voor het doodelijk gewonde dier te erlangen. Wij
-volgden den slaaf en toen wij het landgoed naderden, ’t welk een statig
-aanzien had en zich als het eigendom van een vermogend man voordeed,
-verbaasde het ons niet weinig, in den naast het huis gelegen tuin juist
-dienzelfden grijsaard en dat bekoorlijke kind te zien rondwandelen, die
-wij kort geleden op de zee hadden ontmoet. Wij verhaalden den man het
-gebeurde en zeiden, dat wij van plan waren ons op den herder te wreken.
-De oude man, als Megarenser een verklaarde vijand van de Atheners,
-antwoordde in onheusche bewoordingen. De herders, die in groote menigte
-ons op den voet gevolgd waren, beschuldigden ons met hevig misbaar
-hunne velden verwoest en hunne kudden verstrooid te hebben. Met behulp
-der huisslaven, die door wenken en teekenen van hun meester aangespoord
-waren geworden, onder smaadredenen en scheldwoorden op ons indringend,
-waren wij genoodzaakt voor de overmacht te zwichten en zonder eenige
-voldoening de plaats te verlaten.
-
-„Hoe zeer ook door de omstandigheden opgewonden, had ik toch niet
-verzuimd eenige blikken op de jeugdige schoone te werpen, die zich nog
-steeds in den tuin bevond en met een gevoel van nieuwsgierigheid en
-schrik den twist had aanschouwd. Met mijne makkers teruggekeerd, deelde
-ik hun onmiddellijk mijn besluit mede, om mij op den nietswaardigen
-Megarenser te wreken. Het schoone kind hield ik voor een gekochte
-lievelingsslavin. Mijn plan was: mij met mijne vrienden een tijdlang in
-de nabijheid verborgen te houden en het oogenblik te bespieden, waarop
-het landhuis onbewaakt was en het meisje zich alleen in den tuin zou
-bevinden, dan haar ijlings te overvallen en haar te ontvoeren.
-
-„Eerder dan wij gehoopt hadden, vond ik de gewenschte gelegenheid.
-Voordat de tweede dag nog verloopen was, hadden wij het meisje ontdekt,
-aangegrepen, door een doek voor den mond het schreeuwen belet en in
-vliegenden haast op het onder eene rots verborgen schip gebracht.
-
-„Onder beschutting der ingevallen schemering ontvluchtten wij, met den
-liefelijken buit aan boord, en forsche roeislagen brachten ons snel van
-de Megarische kusten.”
-
-„En het meisje?” vroeg Aspasia.
-
-„Schikte zich in haar lot,” hernam Alcibiades, „hoewel zij niet, zooals
-wij gedacht hadden, eene gekochte lievelingsslavin was, maar eene vrij
-geborene, de nicht van dien verwenschten Megarenser. Simaetha [385] is
-haar naam en ik noem haar de bekoorlijkste der Helleensche—neen, niet
-der Helleensche vrouwen, maar toch zeker de bekoorlijkste der
-Helleensche jonkvrouwen!”
-
-Megara! Dit woord had een eigenaardigen klank voor Aspasia’s oor. Met
-onmiskenbare teekenen van belangstelling had zij het verhaal van den
-koenen jongeling aangehoord.
-
-Zij vroeg met bijzondere nieuwsgierigheid naar de eigenschappen van het
-meisje. Alcibiades schilderde haar schier in ideale trekken.
-
-Aspasia verlangde Simaetha te zien. De schaker was aanstonds bereid
-haar wensch in te willigen. Hij bracht Simaetha tot haar. Het meisje
-was beeldschoon, zoodat Aspasia zelve er verbaasd van stond. Maar het
-geheel geleek op een ongeslepen diamant. Immers zij was te Megara
-opgevoed. Het was tijd voor haar geworden, dat zij werd geschaakt zoo
-niet deze parel in de verborgenheid zonder glans of heerlijkheid zou te
-loor gaan.
-
-De rijke Megarenser had haar als een jong meisje in zijn huis
-opgenomen. Zij had het bij hem beter gehad dan eene slavin, maar niet
-zoo goed als eene dochter.
-
-Hij scheen, met het oog op haar veel belovende schoonheid, haar willens
-of onwillens, alleen tot een voorwerp om zijne lusten te bevredigen, te
-willen opvoeden. In geen enkel opzicht geleek de oude Megarenser op den
-edelen grijsaard van Milete, den bekenden Philammon, dien Aspasia in
-het verhaal van de geschiedenis harer jeugd aan Pericles met zulk eene
-warmte had geprezen. Simaetha haatte hem en verklaarde, dat zij zich
-liever wilde dooden, dan ooit weder in het huis van haar opvoeder terug
-te keeren.
-
-Aspasia’s scherpe blik merkte de kiemen van vrouwelijke
-voortreffelijkheid van den hoogsten rang op in het karakter van het
-jonge meisje, dat nog nauwelijks haar zestiende levensjaar was
-ingetreden. Uit hare oogen schitterde evenveel geest, als schoonheid
-uit hare trekken. Aspasia brandde van begeerte om deze heerlijke kiemen
-te ontwikkelen. Spoedig was haar besluit genomen. Zij zeide tot
-Alcibiades:
-
-„Het meisje is uw eigendom: niet zoozeer door den roof, dien gij op
-haar gepleegd hebt, als wel door haar eigen bepaald uitgedrukten wil,
-om niet meer in het huis van den Megarenser terug te keeren. Maar gij
-zijt haar nog niet waardig. Voor knapen van uw soort zijn edele,
-bloeiende meisjes, ja zelfs het onnoozele dochtertje van Hipponicus,
-veel te goed. Vrouwen van Theodota’s slag zijn voor u en uws gelijken
-bestemd: aan dezen moogt gij, om zoo te zeggen, de horens van uw
-overmoed afslijpen. Overigens zoudt gij u over het bezit van Simaetha,
-zooals zij nu is, maar half verheugen. Weldra zoudt gij haar moede
-worden; want onontwikkeld liggen in haar nog de kiemen van die
-eigenschappen, welke noodig zijn om niet de oververzadiging ten laatste
-de heerschappij te doen verkrijgen over de liefde. Vertrouw mij het
-kind eenigen tijd toe. Geef mij den schat, die gij buit gemaakt hebt,
-ter bewaring; beleg om zoo te zeggen, uwe bezitting op renten: gij zult
-ze, als de tijd om is, vertiendubbeld aan waarde uit mijne handen terug
-ontvangen.”
-
-Alcibiades was te jong en te lichtzinnig, dan dat het hem zwaar had
-kunnen vallen het verhavende meisje voor eenigen tijd zijn huis te doen
-verlaten en Aspasia toe te vertrouwen.
-
-„Ik ben bereid,” zeide hij, „mijn kostbaren schat bij u op renten te
-zetten. Ik weet vooruit, dat die renten mij rijkelijk schadeloos zullen
-stellen voor de korte ontbering, die toch immers niet eens eene
-volledige zal zijn, daar gij mij ongetwijfeld zult toestaan het schoone
-kind in uw huis te komen bezoeken.”
-
-„Waarom niet?” hernam Aspasia; „gij moogt gedurig getuige zijn van hare
-vorderingen.”
-
-Simaetha werd bij Aspasia gebracht. Pericles had in den beginne zijne
-toestemming geweigerd; doch zijn gemoed was zoo wonderlijk zacht en
-teeder, dat hij ten laatste op het herhaald aandringen van Aspasia haar
-verzoek inwilligde, evenwel onder voorwaarde, dat het meisje slechts
-zóó lang in zijn huis zou vertoeven, totdat over hare al of niet
-uitlevering zou zijn beslist. Waren de Megarensers niet zoo gehaat
-geweest te Athene, dan zou men de toegevendheid van Pericles, die, uit
-liefde voor Aspasia, aan het meisje eene wijkplaats in zijn huis
-verschafte, zonder twijfel scherper beoordeeld hebben, dan thans
-geschiedde.
-
-Men was reeds sedert geruimen tijd te Athene begonnen te spreken van
-eene school van Aspasia, en meer dan ooit was er van nu af reden voor
-dien naam.
-
-Er waren thans inderdaad niet minder dan vier meisjes in den eersten
-bloei der jeugd, die in het huis van Aspasia onder de onmiddellijke
-hoede der Milesische leefden. Bij hare Milesische nichtjes, die reeds
-langeren tijd bij haar vertoefden, en de Arcadische Cora, die zij van
-hare Elische reis had medegebracht, had zich thans het meisje uit
-Megara gevoegd.
-
-Ten volle beantwoordde de naam van school aan de innerlijke bedoeling
-van Aspasia. Hare persoonlijke bemoeiingen, om de vrouwen te Athene te
-veredelen, te bevrijden, in één woord eene hervorming te dien opzichte
-tot stand te brengen, waren met een zeer twijfelachtigen uitslag
-bekroond. De krachtige drang harer ziel gunde haar echter geen rust.
-Zij was tot de overtuiging gekomen, dat het eene vergeefsche poging was
-de gerijpte en reeds gevormde vrouw te willen hervormen. In den
-ontluikenden leeftijd, meende zij, moest de kiem daartoe gelegd worden.
-
-Geen hetaeren wilde zij opvoeden, maar voorvechtsters en
-medearbeidsters, die door geest en schoonheid op gelijke wijze als zij
-zelve in staat zouden zijn invloed te oefenen. In de school, die zij
-stichtte, moest hare overlevering levendig gehouden en van daar uit
-verder verbreid worden. Door eene samenwerking van vereende krachten in
-haar geest moesten eindelijk de vooroordeelen vallen, en de volkomen
-zegepraal van geest, schoonheid en vrouwelijkheid behaald worden.
-
-De gedachte aan de vooroordeelen, die in een ander opzicht uit deze
-hare school zouden kunnen voortvloeien, hoewel niet bij haar op den
-voorgrond staande, was evenwel niet geheel vreemd bij de fiere,
-schrandere Milesische. Hare leerlingen konden, evenals hare meesteres,
-machtige en uitstekende mannen tot echtgenooten verkrijgen, de
-heerschappij van Pericles helpen verzekeren en bevestigen, en door haar
-invloed den tegenstand zijner vijanden bestrijden.
-
-Maar vond de gade van Pericles er geen bezwaar in, een aantal jeugdige,
-bekoorlijke meisjes onder de oogen van haar echtgenoot om zich te
-verzamelen? Deze fiere, koene, naar machtige doeleinden strevende ziel
-was verre verheven boven laffe overwegingen en kleingeestige gevoelens;
-zij joeg niet, als een gewone vrouw, enkel persoonlijke voordeelen na,
-maar voor eene grootsche gedachte leefde en werkte zij. En zij wist dat
-Aphrodite’s gordel nog altijd in hare macht was; dat hij in hare hand
-nog niets van zijne bekoorlijkheid had verloren. Zij wist, dat zij nog
-lang de meesteres onder hare leerlingen zou blijven en dat dezen eerst
-worden moesten, wat zij reeds was. En wat inzonderheid Pericles betrof,
-zij had de overtuiging, dat niets ter wereld de tooverketen kon
-verbreken of verzwakken, waarmede zij zijn hart had gekluisterd en die
-door de gewoonte al hechter en hechter was geworden.
-
-Eene gril der natuur had Aspasia de moederweelde ontzegd [386]. Zij
-verdroeg het zonder klagen. Was ’t haar niet vergund vrouwelijke telgen
-van haar schoot tot haar evenbeeld op te leiden, het lot had haar in
-die veel belovende bloeiende meisjes eene vergoeding gegeven, waaraan
-zij naar hartelust de tooverkracht harer vormende meesterhand kon
-beproeven.
-
-Muzen en de Chariten schenen van den Olympus neder te dalen en zich als
-’t ware in Aspasia’s school als leermeesteressen aan te bieden. Daar
-werd de verheven leer verkondigd, hoe de natuur tot edele kunst
-gelouterd moest worden en de kunst weder tot natuur. Daar werd de
-eenheid van al het schoone begrepen en verwezenlijkt: daar werd de
-muziek, een dans der zielen en de dans eene muziek der lichamen—daar
-werd de schoonheid poëzie en de poëzie betooverende schoonheid.
-
-Aspasia’s streven was ’t in hare leerlingen door de schoonheid en om de
-schoonheid den geest op te wekken en dien opgewekten geest te veredelen
-en vrij te maken.
-
-Als middel om den geest wakker te schudden diende haar echter niet
-alleen elke soort van kunst; ook de rijke hulpbronnen van wijsheid,
-kennis en wetenschap werden als vruchtbaar zaad op de vleugels der
-Eroten in de school van Aspasia binnengedragen. Uitgesloten alleen was
-het ernstige, het strenge, het sombere. Vroolijkheid bleef gepredikt
-als de hoogste wet der schoonheid en des levens.
-
-Wat Aspasia haren leerlingen boven alles leerde, was dit, hoe dwaas het
-was, allen invloed van hare bekoorlijkheden te verwachten. Zij toonde
-haar aan, dat deze nog lang niet op zich zelven alleen het beminnelijke
-uitmaakten. Zij zeide haar, dat schoonheid eene deugd is, die, als elke
-andere, geleerd, geoefend en aangekweekt moest worden. Zij maakte haar
-duidelijk, dat de geest de echte kruiderij is, die aan de schoonheid
-gepaard, haar frisch deed blijven. „Eene onnoozele schoonheid,” sprak
-zij, „veroudert spoedig en weldra verwelkt ook de bekoorlijkheid, die
-door de laagheid als een verpestende walm wordt omgeven. Niets
-vernietigt zoo snel den bloei, als een stompzinnig voortleven in
-geestdoodende alledaagschheid. Schoon te zijn, zeide zij, is geen
-toestand, maar een handelen, een werken. Schoonheid is de hoogste macht
-en haar invloed berust op de samensmelting der edelste vermogens—op
-eene bekoorlijke en harmonische ontwikkeling van lichaam en ziel. Zij
-is geen dood pronkstuk, geen onbewegelijk licht: integendeel, evenals
-het zonnerad, een levend stralenspel, een spattende vonkenregen.
-
-„Men kan zich de schoonheid niet onmiddellijk geven,” placht zij ook te
-zeggen, „maar men kan overal het leelijke uitroeien, temperen,
-verzachten. Niet te dikwerf kunt gij in den spiegel zien: niet om op te
-merken hoe schoon gij zijt, maar om uwe leelijkheid te bespieden.
-Alleen dan zult gij ervaren dat niemand altijd schoon en niemand altijd
-leelijk is—dat de bloei van iedere schoonheid wel honderdmaal in den
-loop van den dag in gedaante en kleur verandert, dat zij, aan zich
-zelve overgelaten, geen stand kan houden, maar wankelt; dat eene
-schoonheid, die zich harer macht bewust, de hand in den schoot kan
-leggen, een droom is van zottinnen, en dat schoon te zijn eene
-moeilijke kunst is zelfs voor de schoonsten. Laat onder geene
-vermomming het leelijke ingang bij u vinden! Want talloos zijn zijne
-gestalten, talloos zijne vormen! Het leelijke is een daemon, met wien
-wij iederen dag worstelen moeten, als hij ons niet besluipen en
-overweldigen zal. Het meest echter keert hij uit de hinderlaag der ziel
-zijne doodelijke wapenen tegen den bloei des lichaams.”
-
-Maar niet met vermanende woorden alleen, ook metterdaad ondersteunde
-Aspasia hare leerlingen in den strijd tegen dien sluwen, dreigenden
-daemon. Zij vorschte de kiemen en sporen van elke leelijkheid na,
-evenals de overheid den dief. Gelijk een schoolmeester een stok of
-roede, zoo had zij een kleinen, zilveren spiegel in de hand en hield
-dien de schuldige voor, wanneer slechts eene sprank van leelijkheid,
-naar lichaam of ziel, zich vertoonde. Zoo leerde zij die jeugdige
-meisjes zelfbeheersching, onderdrukking van iedere opkomende luim en
-hartstocht, rust, vroolijkheid, gelijkmatigheid van lichaam en ziel.
-
-Van de beide nichten van Aspasia legde de eene, Drosis, een
-schitterenden aanleg voor den mimischen dans aan den dag. Prasina
-daarentegen muntte voornamelijk uit door vaardigheid in zang en
-snarenspel. Doch Aspasia gedoogde niet, dat eene van beiden zich
-uitsluitend op de ontwikkeling van eene dergelijke eenzijdige kunst
-toelegde. Zij verlangde van ieder, dat zij niet door de beoefening van
-ééne bepaalde kunst, maar door eene harmonisch ontwikkelde
-persoonlijkheid zou trachten te behagen. „Eenzijdige beoefening der
-kunst,” zeide zij, „geeft altijd aanleiding tot mindere ontwikkeling
-van het karakter zelf en zijne harmonische vorming.”
-
-Drosis was van nature betooverend door hare bevalligheid. Hare gestalte
-was slank en sierlijk, zoo aetherisch licht en zwevend, dat zij, door
-de velden wandelend, even als eene nimf, geen grashalm noch bloem
-scheen te kunnen knakken. Hare ledematen hadden die rankheid, die
-jeugdige fijnheid en bevallige teederheid, welke de zinnen nog veel
-meer bekoort dan plompe weelderigheid.
-
-Prasina was haar gelijk in schoonheid, maar zij bezat boven haar eene
-heldere zilveren stem, waarmede zij, de liederen van Sappho bij de luit
-zingend, ieders oor verrukte. Is er in ’t algemeen wel iets
-liefelijkers dan de heerlijke tonen van de stem van een zestienjarig
-meisje? Prasina’s stem overtrof in liefelijkheid, smeltende zachtheid
-en warmte de stemmen der nachtegalen in de Cephissus-dalen.
-
-Maar de bekoorlijke Drosis, de vurige Prasina, zij werden weldra door
-den heerlijk zich ontwikkelenden bloei van Simaetha overschaduwd. In
-Simaetha’s gestalte, in hare trekken was de edelste, Helleensche
-betooverende schoonheid van vormen in de zuiverste lijnen uitgedrukt.
-Trekken van deze verwonderlijke zuiverheid hadden zelfs de meesters der
-beeldhouwkunst zich nauwelijks kunnen voorstellen. Zij bezat die
-onbeschrijfelijke helderheid die glinsterende en toch ietwat mijmerende
-vochtigheid van ’t oog, die soms bij meisjes in den teederen bloei der
-jaren een wegsleependen invloed kan oefenen. Maar evenals in uiterlijk
-schoon, kwam ook in geest en gemoed Simaetha hare meesteres Aspasia het
-meest nabij. Innig verwant scheen zij haar door hare geheele
-ontwikkeling in gevoel en denken. Niet minder dan de Milesische
-beloofde zij eene verpersoonlijking van den echten levenslust en den
-schoonheidszin van den Helleenschen geest te worden. Met gloeiende
-geestdrift begreep zij terstond de gedachten van Aspasia. Zij overtrof
-in helderheid van verstand hare medeleerlingen verre. Zij beminde de
-kunsten, en voor de beeldhouwkunst scheen zij het onvergelijkelijk
-scherpe kennersoog van Aspasia te bezitten. Ook daarin kwam zij met
-hare meesteres overeen, dat zij op geen enkele afzonderlijke
-kunstvaardigheid bijzonderen nadruk legde, maar allen gaven tot eene
-schoone harmonie ontwikkelde. Zoo was zij dan de parel van de school
-der Milesische, die haar bijna met de teederheid eener moeder liefhad
-en hare schoonste verwachtingen op haar stelde.
-
-En Cora, het meisje uit Arcadië? ’t Was moeilijk te zeggen of men haar
-tot de school van Aspasia mocht rekenen. Toen Aspasia haar uit haar
-Arcadisch geboorteland had weggevoerd, prikkelde haar juist de ruwheid
-der stof, om er hare vormende en ontbolsterende kunst aan te beproeven.
-Maar de ruwheid der stof scheen weldra grooter nog dan het meesterschap
-van Aspasia’s vormende kunst. Cora was doorgaans een voorwerp van spot
-bij hare speelgenootjes en men verlaagde haar bijna tot eene
-dienstmaagd. Maar toch had het meisje uit Arcadië ook iets in haar
-wezen, dat haar nooit geheel tot eene slavin liet vernederen. Niet
-bekoorlijk was zij, niet van edelen lichaamsbouw, niet opgewekt van
-geest, maar ernstig en peinzend, en het eigenaardige in haar wezen, dat
-zij mede naar Athene gebracht had, bleef onveranderd. Zij verraste,
-door stralen en vonken van geest en gemoed, die altijd iets
-oorspronkelijke en ongewoons hadden, en steeds eene bijzondere soort
-van belangstelling voor haar opwekten. Zij scheen als een wezen uit
-eene vreemde, tot heden nog onbekende wereld.
-
-Aspasia vond het raadzaam hare kweekelingen, tegen de Atheensche zeden
-en ondanks haar jeugdigen leeftijd in den vrijen, ontwikkelden omgang
-met de wereld en de menschen te brengen. Thans evenals vroeger
-bezochten haar huis mannen van uitnemenden geest, door wier gesprekken
-de zielen der meisjes vroegtijdig boven de platte alledaagschheid
-verheven en in hoogere sferen opgevoerd werden. Maar ook bezoeken van
-vrouwen waren niet uitgesloten. Wie van die uitstekende mannen eene
-schoone vriendin in dezen kring wilde binnenleiden, dien werd het
-volgaarne toegestaan. Onder hen, die van die vrijheid gebruik maakten,
-bevond zich die jonge beeldhouwer en architect Callimachus, die een
-verwend beeldschoon, jong meisje, Philandra genaamd, van Corinthe naar
-Athene had gebracht. Hij hield hartelijk veel van het meisje en scheen
-besloten haar tot zijne echtgenoote te nemen. Doch Philandra, van
-nederige en arme afkomst en nog in hare prille jeugd, miste eene
-beschaving en ontwikkeling, die haren vriend waardig was. Hoe kon haar
-die beter ten deel vallen, dan door het verkeer met de omgeving van
-Aspasia? Deze achtte het natuurlijk niet beneden zich den kring harer
-school ook buiten hare woning uit te breiden.
-
-Philandra was eene schoonheid van weelderige, maar toch edele vormen.
-Zij verried een heftig, ja hartstochtelijk karakter en scheen door haar
-statig voorkomen ouder dan zij werkelijk was.
-
-Zoo was dan, om zoo te zeggen, een vrouwelijke Olympia in Aspasia’s
-woning neergedaald. De jonge Alcibiades placht de meisjes naar de
-Godinnen te noemen, met wie zij de meeste gelijkenis hadden.
-Kunstenaars werden in dezen Olympus tot het scheppen van schoone
-beelden ontvonkt, dichters tot zoetklinkende liederen bezield. Doch
-overmoed en al wat onedel was bleef verbannen uit dezen schoonen kring,
-Aspasia’s blik wist zelfs den koenen, hartstochtelijken Alcibiades in
-toom te houden en steeds hield de priesteres der schoonheid ook de
-teugels van de edele juiste maat in de hand. Altijd bleef Aspasia
-gedachtig, wat zij aan de eer van ’t huis haars gemaals verschuldigd
-was. En zij wist te voorkomen, dat de school, die zij om zich verzameld
-had, haar echtgenoot ooit de de minste aanleiding gaf tot verwijdering,
-die allicht tot eene noodlottige scheiding zou kunnen voeren.
-
-Op zekeren dag noodigde de jonge Alcibiades Aspasia en hare meisjes tot
-een pleiziertochtje met zijn jacht uit. Aspasia nam de uitnoodiging van
-den jongen man aan, onder nadrukkelijke voorwaarde, dat hij niemand van
-zijne overmoedige makkers zou mede nemen.
-
-Op een zomermorgen, terwijl de frissche dauw zich parelde op blad en
-halm, besteeg Aspasia met Drosis, Prasina, Simaetha en Cora het schip
-van Alcibiades. Bij haar sloten zich nog Callimachus en Philandra aan,
-en in gezelschap van Philandra eene vriendin van haar, Pasicompsa
-geheeten, die, evenals Philandra zelve, bij Aspasia was ingeleid en
-door deze waardig geacht eene plaats onder hare leerlingen te nemen.
-Behalve de genoemden en eenige slaven, om te roeien, bevond zich
-niemand op het schip.
-
-Men voer het strand langs en geraakte weldra in de schoone bocht van
-Salamis. Links zag men de groene in den morgendauw schitterende
-eilanden, rechts het Attische strand met zijne aegaleïsche [387]
-heuvels.
-
-Niets vermag de ziel vriendelijker en harmonischer te stemmen dan een
-spelevaart over eene zonnige, blauwe zeegolf. En geen heerlijker azuur
-wordt er gevonden, dan dat van Salamis’ zeeboezem. Zoo smaakte dan ook
-het gezelschap van Alcibiades, zich wiegelend op de baren der zee onder
-dien heerlijken hemel, een onbeschrijfelijk, een zalig genot. Boven
-hunne hoofden het blauw van den aether, onder zich het hemelsblauw der
-zee, dreven zij als het ware tusschen twee hemelen, zich wiegelend in
-eene zalige azuur. Of dat van den aether dan wel dat van de zee
-bekoorlijker was, wisten zij niet en zij vroegen er ook niet naar; zij
-zagen alleen, dat somwijlen de vogels voor een oogenblik uit den
-blauwen aether in de zee neerdoken, als om hare bekoorlijkheid te
-onderzoeken, terwijl de visschen daarentegen uit de blauwe zee
-somwijlen oprezen en voor een oogenblik met de koppen lustig in den
-blauwen aether voortzwommen, als om eene vluchtige, heerlijke teug
-daaruit in te zwelgen.
-
-Het gezelschap op het schip van Alcibiades geleek op de vroolijke
-visschen en vogels, die zich in de bekoorlijkheid van zee en aether
-verlustigden en verkwikten. Zij zogen in volle teugen al dat heerlijke
-in en dachten daarbij zoo weinig om de buitenwereld en zich zelven, als
-die vogels en visschen. De jeugdige, bevallige kweekelingen van Aspasia
-zagen van het scheepsboord omlaag naar de schoone zee, doch alleen om
-hare lieve gezichtjes daarin te spiegelen. Alleen Cora zag, als zij in
-den vloed nederkeek, niet haar gezicht, maar de zee zelve. In haar
-gemoed alleen werd de betoovering der zee met levendigheid gevoeld.
-
-De andere meisjes spiegelden zich in de zee, de zee echter spiegelde
-zich in Cora.
-
-De indruk steeg in haar gemoed schier tot vrees. Want zij begon ten
-laatste met eene soort van angst in hare trekken naar de diepte der zee
-te luisteren. En toen men haar glimlachend vroeg, of zij soms de
-stemmen van verleidelijke Sirenen uit de diepte hoorde, bevestigde zij
-dit, waarover haar speelgenooten in een helderen lach uitbarstten, die
-verre over de zee klonk.
-
-Wellicht gelokt door de muziek dezer stemmen, werd het jacht door een
-dolfijn gevolgd, die geheel over den waterspiegel daarheen gleed. Een
-vogeltje, dat zich te ver van ’t land in de zee had gewaagd, zette zich
-een oogenblik, als om te rusten, op zijn rug, zonder dat hij het
-bemerkte.
-
-Juist toen de zilveren lach over Cora op het vaartuig van Alcibiades
-weerklonk, stevende een groote koopvaarder het jacht voorbij. Daar de
-koopvaarder zeer dicht langs het jacht voer, konden zijne bemanning en
-het gezelschap van Alcibiades elkander zeer goed opnemen. De mannen op
-de koopvaarder hadden een ruw, woest uiterlijk en wierpen donkere
-blikken van onder hunne borstelige wenkbrauwen op het jacht van
-Alcibiades, bijna dreigend als haviken op eene vlucht duiven. Daar
-echter de koopvaarder veel sneller roeide, liet hij weldra de bark
-achter zich en het vroolijke gezelschap sloeg geen acht meer op hem.
-Callimachus meende er een Megarisch schip in herkend te hebben.
-
-In eene kleine bocht werd geankerd en men besloot aan land te gaan, om
-zich daar eenigen tijd op het vriendelijk uitnoodigend strand te
-vermeien. ’t Was juist de plaats, waar men den in de rots uitgehouwen
-zetel van den Perzischen koning Xerxes toont, op eene helling der
-aegaleïsche bergen, den zetel, dien de groote koning, toen hij zijne
-vloot hier tot den beslissenden slag geschaard had, op het glooiende
-strand besteeg en vanwaar hij, eerst met fier vertrouwen op de
-overwinning, en vervolgens met steeds toenemende ontzetting de
-vreeselijke vernieling zijner macht bij Salamis had aanschouwd.
-Callimachus en Alcibiades geleidden Aspasia en de meisjes op den in de
-rots gehouwen zetel, en Alcibiades verlangde van Aspasia, dat zij als
-de waardigste daarop plaats zou nemen. Aspasia gaf aan de uitnoodiging
-gehoor. Callimachus zette zich aan hare zijde. De meisjes met
-Alcibiades vlijden zich in eene bekoorlijke groep om haar heen.
-
-Boschjes van zeegras en mirtestruiken, vol donkere en lichte bessen,
-schoten op tusschen de klippen.
-
-Er lag een wondervolle vrede over het zonnige land en de fonkelende zee
-uitgebreid. Dubbel bekoorlijk scheen van deze hooge plaats het
-tegenover hen opdoemend Salamis. Tusschen het eiland en het vaste land
-blauwde de zee, door geen windje gerimpeld. Zilverheldere, glinsterende
-strepen doorsneden hier en daar het diepe azuur, als schitterende
-bruggen. Geen geluid werd er vernomen in de gansche verte dan het
-ruischen van de in gelijkmatigen rhythmus aan- en terugklotsende golven
-bij het strand en van tijd tot tijd het gekrijsch eener meeuw, die
-zweefde over de klippen.
-
-„Bij alle zeenimfen!” zei Alcibiades: „het is hier zoo vreedzaam, als
-aan het Siciliaansche strand. Men zou meenen, dat hier ergens in de
-nabijheid de verliefde Cycloop Polyphemus moest zitten, starend op de
-zee, waar het beeld van Galateä [388], zich spiegelt in den vloed,
-terwijl zij met lichten voet daarover zweeft. De hond van den plompen
-herder loopt blaffend langs het strand haar te gemoet, doch de nimf
-overstelpt lachend den liefdebode met eene aanrollende schuimende golf
-zoodat hij druipstaartend terugloopt.”
-
-Inderdaad, hier heerschte eene zalige stilte, waarvan men niet gelooven
-kon, dat zij ooit verstoord was noch ooit verstoord kon worden.
-
-Aspasia wierp van haar in de rots gehouwen zetel een blik naar de
-bergen van de Peloponnesus.
-
-„Als ’t mogelijk is,” sprak zij, „al het onaangename en sombere, dat ik
-ginds aan gene zijde der bergen gezien en doorleefd heb, uit mijne ziel
-weg te vagen, dan moet het in deze ure zijn. Te glansrijk is de zee aan
-dit strand en den aether daarboven, dan dat hier ooit als ginds het
-sombere de overwinning zou kunnen behalen. Ik daag u moedig uit tot den
-strijd, ruwe sombere Peloponnesus!”
-
-„En ik met u!” riep Alcibiades en stak de vuist uit tegen de Argolische
-bergen.
-
-„En ook wij allen!” riepen de meisjes lachend.
-
-Op dit oogenblik viel Aspasia’s blik, rechts afdwalend, op het
-Megarisch vaartuig. Het scheen thans klein op den grooten afstand. Het
-scheen stil te liggen. Aspasia’s fiere, schier minachtende blik wendde
-zich er weldra van af. In hare oogen bliksemde thans iets van dien
-overmoed, die het hart des Perzischen konings vervulde, toen hij van
-dezen zetel op zijne vloot nederzag.
-
-Een slaaf bracht op bevel van Alcibiades een zak met kostbare lafenis
-en weldra schuimden de bekers en een vroolijk rondgezang klonk over de
-golven. Bekoorlijk schalde het lied der vreugde over de schoone eenzame
-golven, en van verre werd het weerkaatst door den kalmen zeeboezem.
-
-Door den geest van Dionysus gedreven, verstrooiden de meisjes zich
-deels op het schelprijke strand, deels op de hellingen, waar, tusschen
-de rotsen, geurige kruiden opschoten. Zij geleken op fladderende
-vlinders, geplaagd, vervolgd door Alcibiades.
-
-Nu eens liepen zij onder luide kreten naar elkander, om een dood
-zeedier te bewonderen, een polyp of een dolfijn, die vroeger, het zilte
-nat doorklievend, de kleinere zeedieren schrik had aangejaagd of de
-dochters van Neres op zijn rug gedragen, doch thans door eene
-schuimende golf op het rotsachtige strand was geworpen. Dan weder
-gingen zij zitten en Alcibiades verhaalde de aandachtig luisterende
-meisjes zonderlinge jachtavonturen: bijvoorbeeld, hoe hij onlangs eens
-aan ’t strand een grooten polyp en een haas te gelijk had buit gemaakt,
-toen hij met de hengelroede een polyp uit het water op het land
-slingerde en deze juist op een haas neerviel, die in ’t gras sluimerend
-verscholen lag en onmiddellijk door de honderd armen van den polyp
-omkneld werd.
-
-Inmiddels onderhielden zich Aspasia en Callimachus.
-
-De verhouding van Callimachus tot de schoone gade van Pericles was van
-een zonderlingen aard. Hartelijke vriendschap verbond hem met
-Alcamenes, en door dezen ingelicht van alles, wat er tusschen een
-mededinger van Agoracrites en de schoone Milesische was voorgevallen,
-had hij uit Corinthe, vanwaar hij kwam, een vooroordeel, ja bijna een
-heimelijken wrok tegen Aspasia medegebracht. Na het heftige tooneel,
-dat tusschen Alcamenes en Aspasia te Olympia had plaats gegrepen en
-waarvan Callimachus eveneens kennis had gekregen, had hij met zijn
-vriend eene soort van wraakverbond tegen de Milesische gesloten. Te
-Athene gekomen, kwam hij weldra met haar in aanraking, en, door hare
-betoovering aangetrokken, vergat hij ten halve, maar ook slechts ten
-halve, die wraakgedachten.
-
-Aspasia zelve bracht het gesprek op Alcamenes en roemde de vlucht
-zijner levendige phantasie.
-
-„Gij doet er wel aan,” zeide zij, „dat gij de vriendschap met dien man
-aanhoudt en mij dunkt, dat eene zekere verwantschap van zielen u tot
-elkander heeft gevoerd. Want, evenals hem, schijnt ook u eene levendige
-zucht te bezielen, om de kunst op eene nieuwe baan te leiden.”
-
-Aspasia zinspeelde met deze woorden op het feit, dat Callimachus de
-beitel niet meer voldeed, dat hij meer met de boor arbeidde en de
-détails zijner gewrochten met eene zoo schitterende kunstvaardigheid
-afwerkte, als men het vóór hem nog nooit gezien had.
-
-„Wanneer men mij toegeeft,” hernam Callimachus, „dat ik door een
-vlijtig gebruik der boor de beeldhouwkunst eene schrede vooruit hebt
-gebracht, dan zou ik nuttige diensten aan hare zusterkunst, de
-bouwkunst, kunnen bewijzen. Reeds lang ben ik met eene zaak bezig, die
-oppervlakkig, zeer licht en gemakkelijk is, inderdaad echter—gij zult
-er om lachen, als gij het hoort—mij maar volstrekt niet gelukken wil.
-Bij den vooruitgang der kunst geloof ik dat onze zuilen eene rijkere
-versiering noodig hebben. De Ionische krul is het uiterste, waartoe wij
-het gebracht hebben. Daarmede stellen wij ons sedert eeuwen tevreden.
-Ligt het niet voor de hand om met een stouten greep zich daarboven te
-verheffen en iets voortreffelijkers te scheppen?”
-
-„In het oosten,” antwoordde Aspasia, „zag ik bladeren en bloemen met
-keurigen smaak tot versiering der kapiteelen aangebracht. Wij zijn
-schuchter, zooals gij terecht opmerkt. Waarom durft gij niet uitvoeren,
-wat gij in ’t belang der kunst noodig acht?”
-
-„Zoudt gij wel gelooven,” hernam Callimachus, „dat ik nu reeds sinds
-jaren mijn hersens met die zaak kwel? Honderde vormen heb ik
-uitgedacht, doch niet een enkele heeft mij tot heden volkomen voldaan.”
-
-„Waarom wilt gij een nieuwen vorm uitdenken en verzinnen en geheel en
-al uit u zelven scheppen?” vroeg Aspasia. „De natuur is eene
-voortreffelijke leermeesteres; haar moet de bouwmeester zoowel als de
-beeldhouwer haar geheim afzien. Houd uwe oogen open en gij zult vinden,
-wat gij zoekt. Gij behoeft het dan slechts goed op te vatten en met
-schranderen geest volkomen weder te geven.”
-
-Op dit oogenblik werd het gesprek van Aspasia en Callimachus gestoord
-door de meisjes, die kwamen aanloopen en vertelden, dat zij op eene
-verborgen, liefelijke plek van het strand een klein grafteeken hadden
-ontdekt. Zij wilden het Aspasia toonen.
-
-Aspasia en Callimachus gaven aan de uitnoodiging gehoor en lieten zich
-door de meisjes naar eene plaats voeren, waar het kleine grafteeken
-zich bevond. Het lag op ’t rotsachtig strand verborgen en was door
-overhangende klippen bijna bedekt. Het bestond uit een eenvoudigen,
-smallen steen, waarin een kort opschrift gebeiteld was. Boven de zerk
-stond een sierlijke korf, gevuld met verwelkte bloemen en kransen.
-Aspasia trachtte het opschrift te lezen en ontcijferde half een
-meisjesnaam, ’t geen haar echter moeilijk viel; want eene
-breedgebladerde acanthus [389] had met zijn prachtig loof niet alleen
-den gedenksteen zelven reeds bijna overdekt, maar slingerde zich zelfs
-om den korf. Zijn frisch, levend groen maakte eene treffende
-tegenstelling met de treurige verwelkte bloemen in den korf.
-
-Aspasia en de meisjes drukten hare verwondering uit op deze plaats een
-grafteeken te vinden. Callimachus echter zeide: „Mij was de
-aanwezigheid van een klein monument te dezer plaatse niet onbekend.”
-
-Toen de meisjes hierop nieuwsgierig naar de herkomst daarvan vroegen,
-hernam Callimachus:
-
-„Hij, die dit grafteeken met den korf hier oprichtte, was mijn vriend
-en ik ben een der weinigen, wien hij de geschiedenis van dat monument
-heeft meegedeeld.
-
-„De vriend, van wien ik spreek,” vervolgde hij, „was een voortreffelijk
-Atheensch jongeling en oefende met grooten roem de kunst uit om
-aardewerk en grafurnen te beschilderen en verdiende hiermede tevens
-zijn levensonderhoud. Terwijl hij te Corinthe vertoeft, valt zijn oog
-op het bekoorlijkste bloemenmeisje van die stad en hij ontbrandt voor
-haar in vurige liefde. Maar ook een jonge Spartaan, die zich juist met
-eenige vrienden te Corinthe ophield, wordt verliefd op het meisje en
-wil haar bezitten. Door geweld en bedreigingen weet hij haar schrik aan
-te jagen en staat op ’t punt haar van Corinthe weg te voeren. De
-Athener in hartstochtelijken toorn ontstoken, daagt zijn mededinger tot
-een tweegevecht uit en doodt hem. Vervolgens, om den wraak der vrienden
-van den verslagene te ontvluchten, neemt hij het meisje, dat hem
-gewillig volgde, daar het zijn liefde beantwoordde, met zich mede,
-bestijgt in allerijl een vaartuig en vlucht met haar naar zijn
-vaderstad Athene.
-
-„Vroolijk vaart het geliefde paar langs het strand; het hart des
-jongelings vol zalig genot en het meisje stralend in den bloei harer
-jeugd en schoonheid, eener bruid gelijk. Zij bezit behalve hare
-bekoorlijkheid niets dan het bloemkorfje, met frissche bloemen gevuld,
-zooals zij op de markt te Corinthe juist in hare handen droeg, toen de
-minnaar haar weg voerde. De paarlen der zee bespatten ’t vaartuig en
-bevochtigen de rozen in het mandje. Maar toen de jongeling in de
-overmaat zijner vreugde een kus op de lippen van ’t meisje drukt,
-ontglijdt haar de bloemkorf en valt over boord in zee; het meisje bukt
-zich haastig om dien weder te grijpen, doch zich te ver over boord
-uitstrekkende, verliest zij het evenwicht, de boot kantelt en zij stort
-in ’t water. Met een wanhoopskreet werpt zich de jongeling in zee,
-omvat, na langen tijd met de golven geworsteld te hebben, het midden
-van ’t meisje en zwemt met den dierbaren last naar het nabij gelegen
-strand. Met moeite klautert hij tegen eene klip op, het lichaam der
-geliefde met krachtige hand aan zijn borst gekneld. Nu vlijt hij haar
-neer op een vlakke plaats aan het strand. Hare oogen zijn gesloten,
-haar gelaat is bleek, te vergeefs, roept hij haar duizend liefdewoorden
-toe. Hij heeft slechts een lijk gered.
-
-„Den geheelen dag staart hij roerloos op de geliefde; vervolgens maakt
-hij zich gereed haar te begraven. Op de plaats, waar hij haar aan land
-heeft gebracht, delft hij eene groeve. Wat treft daar plotseling zijn
-oog tusschen de rotsen? De bloemkorf van het meisje is op de baren
-drijvend naar het strand gespoeld en rust nu daar, door de klippen
-teruggehouden. Hij daalt de rots af en droevig te moede heft hij
-zuchtend het sierlijke, met frissche bloemen gevulde mandje op en
-plaatst het, bevochtigd door zijne tranen, op het graf van ’t meisje.
-Hij gaat naar Athene en keert weldra terug naar de verscholen, door de
-zee omspoelde groeve, met dezen eenvoudigen gedenksteen. Hij legt dien
-op het graf en plaatst daarop weder het mandje met verwelkende bloemen.
-De verborgenheid der plaats beveiligt het voor heiligschennende handen
-en ook de acanthus heeft, zooals gij ziet, de rol van beschermer op
-zich genomen, daar hij den steen en den korf met de ranken van zijn
-heerlijk loof schier bedekt.”—
-
-Aandachtig hadden de meisjes naar het verhaal van Callimachus
-geluisterd en luide beklaagden zij het treurige lot van ’t jeugdige
-paar.
-
-Aspasia sprak na eene korte pauze:
-
-„Hoezeer uw verhaal, Callimachus, ook het gemoed tot medelijden stemt,
-kan ik toch den machtigen indruk niet weren, dien deze eenvoudige
-steen, deze grafzerk, waarvoor de natuur veel meer dan de kunst heeft
-gedaan, op mij en zeker op allen, die hem zien, zal maken. Hoe sierlijk
-slingert het welig loof van den acanthus zich om den bevalligen, met
-verwelkte bloemen gevulden korf boven de wit marmeren zerk! Is dit niet
-eene dier meesterlijke groepen, welke der natuur als in eene spelende
-luim gelukt en die wel geen kunstenaar ooit zoo bekoorlijk kan
-verzinnen?”
-
-Callimachus antwoordde niet; maar eene gedachte vloog als een
-bliksemstraal door zijne ziel.
-
-Hij staarde een tijd lang op den met loof omslingerden korf; toen sprak
-hij, zich tot de Milesische wendende:
-
-„Inderdaad, Aspasia—deze liefelijk omkranste korf is eene van die
-groepen, waarvoor, zooals gij straks zeidet, de kunstenaar het oog
-geopend moet houden, omdat hij daarvan leeren kan.”
-
-„En omdat hij wellicht daarin vinden kan,” viel Aspasia hem glimlachend
-in de rede, „wat hij met vergeefsche inspanning lang heeft gezocht.”—
-
-In geestdrift begon nu Callimachus aanstonds uit te weiden over hetgeen
-zijne ziel vervulde.
-
-Terwijl hij aan de Milesische de in hem opgewekte gedachte van eene
-nieuwe zuilenversiering breeder ontvouwde, eene versiering, die
-werkelijk bestemd was in het rijk van ’t schoone eene blijvende plaats
-te verwinnen en wier roem met den naam van Callimachus voor altijd
-verbonden blijft [390], verstrooiden zich de meisjes om bloemen te
-plukken, waarmede zij het graf van de jeugdige Corinthische wilden
-tooien.
-
-Weldra dartelden zij weder vroolijk langs het strand aan zeenimfen
-gelijk, onder wie Alcibiades de rol van den plagenden en ondeugenden
-Triton vervulde.
-
-Langzamerhand echter begon de stroefheid en schuchterheid van Cora, die
-op eene eenzame plek van het strand was achtergebleven, op den
-vermetelen jongeling eene grootere bekoorlijkheid uit te oefenen, dan
-de vroolijke uitgelatenheid harer vriendinnen.
-
-Dat hij tegen haar zin een gesprek met haar aanknoopte, schertsend zich
-een tijd lang niet haar onderhield, merkte de betooverende Simaetha
-zonder de minste opwelling van ijverzucht op; want ook daarin was zij
-het evenbeeld harer meesteres, dat zij voor zulk een hartstocht slechts
-weinig ruimte had gelaten in hare fiere ziel. Ook zij scheen slechts
-voor die liefde vatbaar, welke niet gevaarlijk is voor de opgeruimdheid
-en kalme gemoedsrust. En bovendien, welk eene onbeduidende medeminnares
-was het herderskind, vergeleken bij die schitterendste parel van
-Aspasia’s school!
-
-Aan de wereld ontrukt vermaakten zij zich daar in vriendelijke
-afgescheidenheid, wier rust, naar ’t scheen, door niets ter wereld kon
-gestoord worden.—
-
-En toch waren op de onbezorgd zich vermeiende meisjes uit de verte
-vijandige, loerende oogen gericht.
-
-Toen het vroeger vermelde Megarische vaartuig het plezierjacht van
-Alcibiades voorbij was gevaren, hadden de mannen, die zich daarop
-bevonden, een bespiedenden blik op het schip van den Athener geworpen.
-
-Zoodra zij een eind weegs verwijderd waren, zei een van hen vertoornd
-en haastig tot zijne makkers:
-
-„Hebt gij dien Atheenschen jongeling wel gezien, die daar met jonge
-hetaeren op de zee dobbert? Dat is die onbeschaamde, nietswaardige
-meisjesroover Alcibiades! Ik herken hem! Meermalen heb ik hem te Athene
-gezien. En onder de jonge meisjes bevond zich Simaetha—de geschaakte
-Simaetha!”
-
-„Hoe!” riepen de Megarische mannen in heftigen toorn ontstoken, „hoe?
-is dat die vermetele, die het meisje uit het landhuis van Psaumias
-voerde en zich nog steeds ongestraft in het bezit van den buit
-verheugt?”
-
-„Inderdaad,” hernam de andere, „verheugt hij zich nog ongestraft over
-zijn roof; want hij heeft eene machtige bescherming. Te vergeefs waren,
-zooals gij weet, alle bemoeiingen van Psaumias en zijne medeburgers, om
-de uitlevering van het meisje van de overmoedige Atheners te
-verkrijgen. Meenen die Atheensche honden niet van ouds dat zij met den
-Megarischen staat den spot mogen drijven? De tijd zal hun eenmaal
-leeren, dat zij ten onrechte de Dorische stad op hunne grenzen
-verachten. Voor het oogenblik echter, mijne vrienden, moeten wij ons,
-wat Simaetha betreft, de voldoening verschaffen, waartoe de gelegenheid
-zich thans aanbiedt.
-
-„Op dat plezierjacht bevinden zich, behalve dien baardeloozen
-meisjesroover, een ander ongewapend man en de weinige roeislaven,
-alleen vrouwen. Wij echter zijn mans genoeg, om het geheele schip, als
-wij het aanvallen, te veroveren: in ieder geval om Simaetha terug te
-nemen en haar met ons naar Megara te voeren.”
-
-Dit voorstel beviel aan de Megarische mannen. Terwijl zij dus
-raadpleegden, hoe zij het schip zouden aantasten, was het gezelschap
-van Alcibiades in de kleine baai geland. De Megarensers bemerkten dit
-uit de verte.
-
-„Des te beter!” zei hun aanvoerder. „Wij zullen hier ons schip aan ’t
-strand verbergen en onzen buit op het land vervolgen. Het meerendeel
-onzer zal het vaartuig verlaten, om ieder afzonderlijk naar land te
-sluipen en dan ons twee aan twee op het klippenrijke strand, waar zij
-verstrooid ronddolen, in hinderlaag leggen. ’t Zal ons gemakkelijk
-vallen op het juiste oogenblik te voorschijn te springen en van het
-meisje, waar het ons vooral om te doen is, ons meester te maken, zonder
-dat de beide Atheensche jongelingen en hunne roeislaven het verhinderen
-kunnen, ja misschien zonder dat zij het bemerken. Want als wij van een
-oogenblik gebruik maken, dat Simaetha van hare vriendinnen gescheiden
-en de aandacht der mannen op iets anders gericht is, gelukt het ons
-wellicht Simaetha geheel ongemerkt op te lichten en wij zijn dan veilig
-voor elke vervolging. Zij weten dan niet, waar het meisje gebleven is,
-vóór wij onzen roof in veiligheid gebracht hebben. Moesten wij echter
-geweld gebruiken, dan ware het te vreezen, dat die jongelingen
-misschien van een voorbijvarend Atheensch vaartuig versterking kregen
-en men ons nog vóór wij het schip bereikt hebben, op zee zelve den buit
-weder afhandig maakte. Daarom laat ons voorzichtig zijn en uit onze
-hinderlaag op eene gunstige gelegenheid loeren!”
-
-Zóó sprak de bevelhebber van het Megarisch vaartuig en de mannen deden
-zooals hij bevolen had. Zij verborgen zich afzonderlijk of twee aan
-twee aan het strand en op de hellingen, en zagen uit hun schuilhoek met
-scherpen blik naar de argeloos ronddartelende meisjes.
-
-Lang wilde het gunstige oogenblik voor de Megarensers niet komen.
-Eindelijk brak het aan. Simaetha toch, benevens Drosis en Prasina,
-naderden bloemen plukkende en zich geen kwaad bewust, eene klip,
-waarachter eenigen der Megarensers zich verscholen hadden. Alcibiades
-was op grooten afstand met Cora bezig en Callimachus onderhield zich
-nog steeds met Aspasia bij het grafteeken van het Corinthische meisje.
-
-De Megarensers sprongen eensklaps te voorschijn en trachtten Simaetha
-te vangen.
-
-Zoodra deze de mannen, met hun woest uiterlijk, op zich zag afkomen,
-vluchtte zij onder angstgeschrei weg, gevolgd door Drosis en Prasina,
-die eveneens de lucht met kreten om hulp vervulden.
-
-Simaetha echter snelde hare speelgenootjes verre vooruit in hare
-haastige vlucht. Reeds had zij bijna de plaats bereikt, waar Alcibiades
-stond. Deze, zoowel als Callimachus, en de roeiers, die zich bij het
-schip bevonden, hoorden de angstkreten der meisjes en snelden ijlings
-ter hulp. Alcibiades droeg altijd een dolk bij zich; onmiddellijk trok
-hij dien en stormde op de roovers los, gevolgd door de slaven, die zich
-met de roeispanen hadden gewapend.
-
-Doch de Megarensers wilden niet zonder buit het veld ruimen. Zij
-zetten, daar Simaetha hun ontsnapt was, hare vriendinnen Drosis en
-Prasina na en grepen haar, daar zij in hare angst, aan schuwe duiven
-gelijk, niet zoo spoedig hadden kunnen ontvluchten.
-
-Dewijl de Megarensers in ieder oponthoud gevaar zagen en om de straks
-gemelde redenen een openlijken strijd liever vermeden, sleurden zij
-Drosis en Prasina met zich voort naar het strand, wierpen zich met haar
-in het schip en voeren in aller ijl naar de baai van Megara, voordat
-Alcibiades en zijne helpers het jacht hadden kunnen beklimmen om hen te
-vervolgen.
-
-Toch wilde hij, gloeiend van toorn, zich onversaagd in zijn vaartuig
-werpen, om de roovers na te zetten. Doch toen hij zich hiertoe
-bereidde, hieven de meisjes een luid geschreeuw aan en jammerden, dat
-zij op het strand verlaten en misschien aan nog loerende vijanden
-werden prijs gegeven. Haar echter met zich in het schip te nemen, en
-zoo de vijanden te vervolgen, scheen Alcibiades niet minder ongeraden
-wegens den angst der meisjes, die dan zouden meenen, dat zij wellicht
-den vijand als buit in den mond werden gevoerd. Callimachus, de roeiers
-en bovenal Aspasia gaven hem in overweging de vervolging op te geven,
-daar die onmogelijk was en er middelen en wegen genoeg te vinden waren,
-om den overmoed der Megarensers te tuchtigen.
-
-Aspasia was bij ’t zien dier stoute daad der Megarensers verbleekt;
-maar spoedig verving een blos van gramschap hare ontsteltenis. Zij was
-nu ’t eerst weder tot zich zelven gekomen en rustig en kalm geworden;
-bijna lachend verzocht zij Alcibiades onverwijld den terugtocht aan te
-nemen. Zonder dralen bestegen allen weder het vaartuig en zetten
-haastig koers naar Athene.
-
-„Wraak den Megarensers!” riep Alcibiades en slingerde, recht opstaande
-in het schip, terwijl hij van wal stiet, een beker tegen de scherpe
-klippen.
-
-„Evenals deze beker op de klip, zal Megara’s machtelooze trots en de
-trots van al zijne stamgenooten smadelijk verbroken worden op de harde
-rotsen van de Atheensche Acropolis!”—
-
-
-
-
-
-
-
-XXI.
-
-DE MUILEZEL VAN CALLICRATES.
-
-
-Het viel Pericles niet moeilijk aan Aspasia’s wensch gehoor te geven en
-de beide haar ontroofde meisjes van de Megarensers terug te eischen.
-Want toen ter tijde was om velerlei redenen het wachtwoord te Athene:
-Megara moet getuchtigd worden.
-
-De Megarensers echter antwoordden, dat zij Drosis en Prasina, die
-voorloopig als gijzelaars aan de bewaking van een aanzienlijk burger
-waren toe vertrouwd, onmiddellijk zouden uitleveren, zoodra Simaetha,
-die door de Atheensche jongelingen geschaakt was, werd teruggegeven.
-Tegen dit laatste echter kantte zich Simaetha met alle kracht aan,
-waarbij zij eene trouwe hulp in Aspasia vond. Het meisje uit Megara was
-de lieveling van Aspasia geworden.
-
-De Megarensers waren te Athene even gehaat, als de Atheners te Megara.
-Pericles had meer dan één reden om een volksbesluit door te drijven,
-dat den Megarensers het bezoeken der Atheensche havens en van de markt
-te Athene verbood, zoolang zij niet alleen die meisjes hadden
-uitgeleverd, maar ook in eenige andere aangelegenheden de verlangde
-voldoening zouden hebben gegeven.
-
-Gevoelig trof deze uitsluiting van de Atheensche markt de Megarensers,
-en niet lang, meende men, zouden zij in hunne weigering volharden.
-
-Daar het echter te vreezen stond, dat de Megarensers zich heimelijk tot
-de Spartanen zouden wenden om hunne krachtige bemiddeling in te roepen,
-en daar bovendien door tamelijk ernstige geschillen met Corinthe en
-door den afval der Attische kolonie Potidaeä [391] eene zekere onrust
-zich van de Atheners had meester gemaakt, grepen de vijanden van
-Pericles en Aspasia de gelegenheid aan, het volk tegen hen op te ruien.
-Door den overmoed der vreemde vrouw, zeiden zij, en door de onbeperkte
-losbandigheid harer vrienden werd nu zelfs de openlijke vrede van
-Hellas bedreigd, en ter wille van twee geschaakte hetaeren had Pericles
-het volksbesluit tegen de Megarensers, als eene brandende fakkel, onder
-de Hellenen geworpen.
-
-Groote en geliefde staatsmannen plegen instellingen ten gunste des
-volks niet altijd te bestrijden, omdat zij weten, dat het volk toch ten
-laatste in een soort van blind vertrouwen hunne leiding zal volgen, en
-dat het gevaarlijke dier instellingen door de macht van hun
-persoonlijken invloed, ten minste zoolang als zij zelven aan het roer
-staan, vernietigd wordt. Maar de bezorgden vragen, wat geschieden zal,
-als zulke mannen soms door den dood werden weggeroepen en niet meer de
-teugels van den staat in hunne vaste hand klemden. Van den anderen kant
-zien de volksvrienden, die voor de handhaving der volksheerschappij
-bezorgd zijn, juist in die gedweeë overeenstemming van den algemeenen
-wil met den wil en de inzichten van één enkel uitstekend man, het
-grootste gevaar voor de vrijheid. Zoo kwam het, dat de alvermogende
-Pericles toch in ’t geheim de voorstanders der onbeperkte
-volksheerschappij evenzeer als de partij der oligarchen tegen zich had.
-
-De leerlooier Cleon, de schapenkoopman Lysicles en de worsthandelaar
-Pamphilus waren van meening, dat de wijsheid van één enkele in den
-staat gevaarlijker was dan de dwaasheid der menigte, en zij vernieuwden
-tegenover hunne medeburgers, zoo dikwijls zij konden, de waarschuwingen
-tegen den „nieuwen Pisistratus.”
-
-Lieden van den slag van dien leerlooier Cleon, dien schapenkoopman
-Lysicles en dien worsthandelaar Pamphilus waagden het reeds somwijlen
-in de volksvergadering met onstuimig getier de waardigheid van Pericles
-aan te randen.
-
-Niet onverschillig beschouwde Pericles de moeilijkheden, die menige
-daad van Aspasia en de brooddronkenheid van Alcibiades hem op den hals
-haalden. Aspasia echter was door haar geheele karakter onaantastbaar.
-De storm kan wel een eik ontwortelen, maar geen bloem knakken. Den
-jongen Alcibiades echter verweet Pericles in ernstige bewoordingen
-zijne teugelloosheid, die, voor een deel althans, de bewuste
-onaangename verwikkelingen met Megara veroorzaakt had. Hij vermaande
-hem de voetstappen zijner voorvaderen te drukken, zich verdienstelijk
-te maken jegens het vaderland en naar roemrijke daden te streven.
-
-„Dat wil ik!” hernam de jonge Alcibiades half ernstig half schertsend.
-„Wie echter dan gij, o Pericles, is de schuld, dat ik geen gelegenheid
-vind, om mij door roemrijke daden te onderscheiden? Hoe lang nog moeten
-wij werkeloos in dezen vervelenden vrede suffen? Geef mij eene vloot,
-dan zal ik u Carthago en Sicilië veroveren! Maar zelfs de weinige,
-armzalige triëren weigert gij mij, die ik noodig had, om de lieftallige
-meisjes Drosis en Prasina uit de gevangenschap in het ellendige Megara
-te bevrijden. Mij blijft niets overig, wanneer ik mij jegens het
-vaderland verdienstelijk wil maken, dan eens naar Sparta te gaan en de
-vrouw van den Spartaanschen koning te verleiden, ten einde het Dorische
-bloed te vervalschen met het Ionische, ten gunste der Atheners! O
-zeker, Pericles, het ontbreekt mij niet aan begeerte naar dappere
-daden.”
-
-„Onstuimige begeerte naar roemvolle daden, zonder waardigheid en
-ernstig overleg,” sprak Pericles, „zal nimmer nut stichten, maar
-slechts verderfelijke gevolgen na zich sleepen. Uwe voortreffelijke
-eigenschappen, waarde Alcibiades, zijn geen blijde hoop, maar een
-gevaar voor het vaderland, zoolang zij met ondeugden als de uwe gepaard
-gaan.”
-
-„Is ’t dan eene ondeugd,” riep Alcibiades, „het genoegen na te jagen?
-en is niet de jeugd de beste tijd om te genieten?”
-
-„Gij vergist u!” antwoordde Pericles ernstig; „de jeugd is niet de tijd
-van het genot zelf, zij is de tijd om zich met lichaam en ziel op
-waarachtig genot voor te bereiden. Zij is de tijd om de vatbaarheid
-voor genot te ontwikkelen, niet ze te verstompen. Gij meent te
-genieten, jonge zoon van Clinias! Maar uw genot van alle vreugdebekers
-is niet veel meer, dan jongensachtige overmoed, gedachteloos spel!”—
-
-„Slechts één leven geven ons de Goden om te genieten!” zeide
-Alcibiades.
-
-„Juist daarom!” hernam Pericles, „moeten wij er op bedacht zijn, het
-niet te verspillen, maar het te behouden!”
-
-Zoo onderhield zich Pericles ernstig vermanend met den jongeling.
-
-Deze echter ging van Pericles naar zijne vriendin Theodota en herhaalde
-glimlachend de woorden van Pericles, terwijl hij er bijvoegde:
-
-„Nu zie ik, dat mijn oude vriend, mijn geliefde Socrates, inderdaad
-wijzer is dan Pericles en dan al die andere wijze mannen te Athene.
-Want deze Socrates alleen heeft het reeds lang volkomen begrepen, dat
-bij den zoon van Clinias dergelijke vermaningen dwaas en vergeefsch
-zijn!”—
-
-Een geruime tijd was verstreken, sinds Pericles en Aspasia van hunne
-Elische reis naar Athene teruggekeerd waren en de Erechtheüs-priester
-Diopithes met de vijanden van het edele paar eene samenzwering had
-gesmeed.
-
-Doch niet ongebruikt was deze tijd van Diopithes voorbijgegaan. Reeds
-te voren waren de wapenen voor den eersten aanval geslepen. Diopithes
-had van Pericles’ afwezigheid uit Athene gebruik gemaakt, om in de
-volksvergadering een wetsvoorstel in te dienen tegen hen, die den
-godsdienst van het Attische land verloochenden, en tegen de wijsgeeren,
-wier leer in tegenspraak was met het van de vaderen geërfde geloof. Met
-de plechtigheid van een Godsgezant was de Erechtheüs-priester voor de
-menigte opgetreden, en zoo hartstochtelijk bezield was zijne rede
-geweest, zoo doorspekt met bedreigingen en onheilspellende
-orakelspreuken, dat het hem inderdaad gelukte de beslissende
-meerderheid van stemmen op de Pnyx voor zijne wet te winnen.
-
-Sedert dien dag hing het zwaard van Damocles boven het hoofd van den
-grijzen Anaxagoras. Op hem was het eerst de pijl van Diopithes gericht;
-doch zijne bedoelingen gingen nog verder. In het geheim wierf hij
-bondgenooten en helpers en sloot zich bij alle vijanden van Pericles
-aan.
-
-De bitterheid in zijne ziel vond iederen dag nieuw voedsel. Want voor
-zijne oogen bewoog zich nog altijd die gehate Callicrates onder de
-werkende en woelende arbeidersschare op de hoogte van de Acropolis, het
-prachtig werk der Propylaeën onder de leiding van den voortreffelijken
-Mnesicles met gelijken ijver bevorderend, als vroeger den feesttempel
-van Pallas. Een gruwel was Callicrates den priester, een gruwel waren
-hem zijne helpers, die over dag aan het gehate werk arbeidden en des
-nachts bij gansche groepen op steenen of hoopen zand zich ter ruste
-vlijden; een gruwel was hem ook dat dier, die oude muilezel, welken,
-zooals reeds verhaald is, de gedwongen rust zijns ouderdoms niet
-behaagde, maar uit oude gewoonte op de Acropolis rondliep, en wien de
-gunst ten deel was gevallen, dat de schade, die hij door zijn grazen en
-snuffelen aan vreemd eigendom mocht veroorzaken, van staatswege zou
-worden vergoed.
-
-Kleine oorzaken, zegt het spreekwoord, sleepen dikwijls groote gevolgen
-na zich.
-
-Overmoedig geworden door de openlijke gunst, die het volk der Atheners
-hem bewees, ging de muilezel van Callicrates voort op de Acropolis rond
-te loopen, zonder eenigen schroom omtrent zijn gedrag, waardoor hij
-reeds lang de verbittering van Diopithes tot het uiterste had gedreven.
-Zonder eenigen eerbied vergreep hij zich aan de heiligdommen van het
-Erechtheüm. Hij scheen niets zoo smakelijk te vinden, als de kruiden,
-die op het tempelgebied groeiden. Hij had geen ontzag voor de giftige
-blikken, die Diopithes op hem wierp, ja hij gaf nauwelijks om de
-nijdige stompen en slagen, waarmede de tempeldienaars hem trachtten te
-verdrijven. Hij besnuffelde voor en na de offerkoeken, die door vrome
-lieden op het altaar van Zeus voor het Erechtheüm werden neergelegd.
-Beklaagde Diopithes zich over dat vergrijp bij Callicrates, dan haalde
-deze de schouders op en beriep zich op de wettelijke voorrechten van
-het dier en op de bereidwilligheid der openbare schatmeesters, om de
-aangerichte schade te vergoeden. Daar de priester met al zijne klachten
-niet verder kwam, had hij reeds sinds lang het onbeschaamde beest
-vreeselijke wraak gezworen.
-
-Het dier echter liep blindelings in zijn verderf en deed de maat zijner
-ongerechtigheid overloopen, door op zekeren dag de toevallig open en
-onbewaakte deur van het heiligdom van Erechtheüs en Athene Polias
-binnen te sluipen; de ontstelde tempeldienaars vonden hem met zijn
-onheiligen snuit aan een frisschen krans snuffelend, waarmede men het
-overoude, houten beeld van de Godin op den morgen van dien dag getooid
-had.
-
-Den volgenden morgen lokte Diopithes den muilezel van Callicrates
-heimelijk tot zich en wierp hem een koek voor.
-
-Des avonds van dien zelfden dag vond men het dier dood liggen op de
-trappen van het Parthenon.
-
-Een der werklieden van Callicrates had uit de verte gezien, dat de
-Erechtheüs-priester het muildier spijs had voorgeworpen, en nu waren
-allen overtuigd, dat het beest als een offer van Diopithes’ wraak was
-gevallen.
-
-Eenigen zwoeren hem daarvoor te zullen straffen, verzamelden zich voor
-het Erechtheüm en overlaadden den priester met luide smaadreden. Ware
-niet Mnesicles te rechter tijd verschenen, dan zou Diopithes het er
-slecht afgebracht hebben onder de handen der werklieden van
-Callicrates.
-
-Thans was de beker van toorn vol in den boezem van den
-Erechtheüs-priester. Hij kon zich niet langer bedwingen om zijne
-gramschap lucht te geven en de hand te leggen aan het groote, lang
-beraamde plan der wraak.
-
-’t Was een stormachtige nacht, een nacht, waarin de hemel bewolkt was
-en donkere wolken voorbij de maan joegen. Toen kwamen in de eenzame
-Eumenidengrot op den Areopagus drie mannen tot een heimelijk onderhoud
-te zamen.
-
-Diopithes was een dier mannen en hij was het ook, die de beide anderen
-tot een gesprek daarheen had genoodigd. Want zijne omgang met de
-eedgenooten op de Acropolis liep te zeer in ’t oog van den waakzamen
-Callicrates.
-
-De tweede der mannen, welke in de Eumenidengrot kwam, was de oligarch
-Thucydides, die door Pericles was ten val gebracht. Hij en Diopithes
-traden het eerst de grot binnen. Nu kwam ook de derde der mannen, half
-vermomd, niet ongelijk aan een dief in den nacht, met schier onhoorbare
-schreden aansluipen.
-
-Met eene zekere nieuwsgierigheid vestigde de oligarch zijne blikken op
-hem. Diopithes toch had hem zijn naam niet genoemd. Maar toen nu de
-nieuwaangekomene tegenover de beide andere mannen in de eenzame grot
-stond en zijn gelaat door het licht der maan, dat juist door de wolken
-brak, zichtbaar werd, deinsde de oligarch met teekenen van afkeer een
-eind terug. Om zijne lippen speelde een grijnslach van ontevredenheid
-en minachting.
-
-Hij had de grove trekken van den leerlooier Cleon herkend, den hem en
-de geheele oligarchische partij doodelijk gehaten volksredenaar, wiens
-ruwe onstuimigheid en bulderende taal op de Pnyx de volksheerschappij,
-door Heracles in ’t leven geroepen, maar ook door zijn wijs beleid
-beteugeld, onmatig trachtte uit te breiden.
-
-Met verbazing en wrevel wendde de oligarch zich tot Diopithes.
-
-„Met welk een man,” zeide hij, „brengt gij mij nu te zamen?”
-
-Doch ook Cleon beet verwonderd en met een spottenden lach den
-Erechtheüs-priester toe.
-
-„Een prachtigen bondgenoot biedt gij, Diopithes, den volksman Cleon
-aan!”
-
-„Ik heb u niet hier genoodigd,” sprak de Erechtheüs-priester, „om den
-twist der oligarchie en der democratie te beslechten. Ik heb u geroepen
-tot een gemeenschappelijken strijd tegen een gemeenschappelijken
-vijand.”
-
-„Zal ik dan vijanden bestrijden,” zei de oligarch, „ten bate van een
-man, die nog erger is dan zij?”
-
-„Zal ik dan tegenstanders verwinnen,” hernam Cleon, „met behulp van
-dengene onder hen, die mij meer gehaat is dan zij allen?”
-
-Op deze wijze gaven de beide mannen hunne gewaarwordingen te kennen op
-’t eerste oogenblik der ontmoeting.
-
-Maar nadat zij op zachter toon een uur lang zich onderhouden hadden,
-waarbij grootendeels de sluwe Erechtheüs-priester het woord had
-gevoerd, zou ’t spiedend oog, als het in dien stillen nacht op den
-Ares-heuvel die zelfde mannen de grot had zien uittreden, opgemerkt
-hebben, dat zij, ofschoon vluchtig en zonder hartelijkheid, elkander
-toch de hand gaven.
-
-Diopithes bemoeide zich schijnbaar niet met staatszaken. Hij stond met
-den woesten volksmenner Cleon op even goeden voet als met den oligarch
-Thucydides. Hij streed, naar hij beweerde, alleen voor de eer der Goden
-des lands en hunne heiligdommen. Om hem in dezen strijd te ondersteunen
-zag noch de volksleider noch de oligarch eenig bezwaar, wanneer zij
-daarvoor, naar zij beiden geloofden, een niet te verachten bondgenoot
-tot het bereiken hunner eigen plannen wonnen. Inderdaad echter waren
-beiden slechts werktuigen in de hand van den veel sluweren priester,
-wiens eenig doel was, zijne persoonlijke vijanden, vooreerst
-Anaxagoras, Phidias en Aspasia, in het verderf te storten.
-
-Om dit te bereiken moest hij gevaarlijke aanklachten tegen hen
-indienen. Tot dit doel had hij eene wet, uitsluitend tegen hen gericht,
-persoonlijk doorgedreven. Opdat zij echter veroordeeld zouden worden,
-moest hij het volk op zijne hand hebben. Hij moest invloed zoeken te
-winnen op de stemmen der menigte. Daarvoor had hij helpers en
-bondgenooten noodig.
-
-Vandaar, dat hij overal vriendschapsbetrekkingen aanknoopte, vandaar
-zijn heimelijke omgang met personen van de meest verschillende soort.
-Zijn eerste, als ’t ware voorbereidende aanval, zou Anaxagoras gelden;
-voorts zou een hoofdaanslag, die ook Pericles moest treffen, tegen
-Aspasia gericht worden. Ten laatste zou het zwaarste, het schijnbaar
-onmogelijke beproefd, en alle krachten vereenigd worden om Pericles te
-doen vallen, Pericles, den bij het meerendeel van het Atheensche volk
-zoo geliefden man.
-
-Hij spoorde allen op, die te Athene tegen Aspasia vijandig werden
-gevonden en schaarde ze in ’t geheim om zich heen. Hij leidde en
-bestuurde ’t geheel als een goed geordend leger en gebruikte ieder
-afzonderlijk als een strijder of bode in een bepaalden kring.
-
-Hij stond door de hem verwante priesteres van Athene Polias in
-betrekking tot de vrouwenwereld, tot Telesippe en de zuster van Cimon.
-Hij knoopte betrekkingen aan met den somberen Agoracritus. Hij maakte
-zich tot een bondgenoot van Cratinus, een Hermippus en andere
-blijspeldichters, die dubbel op Aspasia gebeten waren, sedert Pericles,
-door hare klachten gedreven, eindelijk besloten had de teugelloosheid
-der comedie te beperken. Zijne relaties strekten zich zelfs uit tot den
-dollen Meno, den gewezen slaaf, den in de geheele stad bekenden en bij
-de heffe des volks geliefden zonderling, die gewillig zijne hulp tot
-alle kuiperijen bood en gaarne op zich nam, om door boosaardige en
-sarcastische gezegden, ruwe scherts en lompe uitvallen het volk in de
-straten op te hitsen tegen de wijsgeeren en tegen de gade van Pericles.
-
-Nauwelijks was een maand verstreken sedert de samenkomst dier drie
-mannen op den Ares-heuvel, of de grootste helft van ’t Atheensche volk
-was met eene vijandige gezindheid bezield tegen Aspasia en tegen de
-beide vrienden van Pericles.
-
-Wat Anaxagoras betrof, men was het hierover eens, dat hij een
-godloochenaar was.
-
-Er was schier niemand, die zich niet de eene of andere oneerbiedige
-uitdrukking herinnerde, die hij op de Agora, in het Lyceüm of op eene
-andere openbare plaats uit den mond van den wijsgeer had vernomen.
-Waarop men vroeger ternauwernood had gelet, ja zelfs wat men deels met
-ingenomenheid had gehoord, vond de wispelturigheid des volks nu
-eensklaps gevaarlijk, nadat de stemming geheel was veranderd en, door
-den met Diopithes heimelijk verbonden Cleon, de haat tegen de
-wijsgeeren onder de heffe des volks was verbreid.
-
-Op een laten avond, toen de straten van Athene reeds ledig waren
-geworden, liep een man met haastigen en zachten tred, met blijkbaren
-angst dat hij bemerkt zou worden rond zich ziende, onder de bescherming
-der duisternis, daar de hemel met zwarte wolken bedekt was, uit de
-Tripodenstraat in de richting van den Illissus.
-
-Hij was niet vergezeld van een slaaf met eene fakkel zooals gewoonlijk
-een nachtelijke wandelaar bij zich had. Toen de man den Illissus
-bereikt had, ging hij dien over en vervolgde zijn weg tot aan de
-Itonische poort, waar slechts weinige en onaanzienlijke huizen stonden.
-
-Aan een dier onaanzienlijke woningen klopte hij. De deur werd geopend
-en hij sprak fluisterend eenige woorden tot den slaaf, die hem binnen
-gelaten had.
-
-Daarop voerde deze hem in het slaapvertrek van een grijsaard. De kamer
-zag er armoedig uit en op een armzalig leger rustte de grijsaard.
-
-Die grijsaard was Anaxagoras en die late, nachtelijke bezoeker was
-Pericles.
-
-Eenigszins verwonderd zag de oude man zijn vriend aan, dien hij sedert
-geruimen tijd niet gezien had en door wien hij zich schier vergeten
-waande.
-
-„Niet met eene blijde boodschap,” zeide Pericles, „kom ik u in uw
-nachtelijke rust storen; maar dat ik het ben, die u de boodschap breng,
-moge u een troostrijk voorteeken zijn. En niet als bode alleen, maar
-ook als raadsman en helper ben ik tot u gekomen.”
-
-„Schoon ’t ook slechte tijdingen mochten zijn,” hernam de grijsaard,
-„die Pericles tot zijn ouden vriend Anaxagoras voeren, zouden ze er mij
-te minder onaangenaam door treffen. Spreek eenvoudig en zonder
-terughouding, wat u op het hart ligt.”—
-
-„De eerzuchtige Cleon, naar ik weet, door den Erechtheüs-priester
-heimelijk opgestookt, heeft heden eene aanklacht tegen u wegens
-godloochening bij den Archon Basileus ingediend.”—
-
-„Op godloochening,” hervatte Anaxagoras rustig, „staat, als ik mij goed
-herinner, de doodstraf, volgens de wet van Diopithes. Eene zachte straf
-voor een oud man!”
-
-„Wanneer een grijs, eerwaardig hoofd bedreigd wordt,” zeide Pericles,
-„wekt het grooter medelijden op, dan een jeugdig. Inmiddels, voor de
-veiligheid van uw hoofd zou ik met het mijne instaan. Ik zelf zou voor
-uwe rechters optreden als uw pleitbezorger en voor uw hoofd, als het
-noodig mocht zijn, het mijne aanbieden. Wat ik echter niet in staat ben
-te verhinderen, is, dat men u in den kerker zal brengen, tot uwe zaak
-beslist is—en lang kan die snoode, meedoogelooze gevangenschap duren.”
-
-„Laat men mij gevangen zetten,” hernam Anaxagoras. „Wat baat het mij de
-voeten vrij te hebben, als mijn woord het niet meer is?”
-
-„Dat zal voorbijgaan!” antwoordde Pericles. „Ook aan uw woord zal de
-vrijheid weder gegeven worden, en eene prooi der knabbelende muizen zal
-de wet worden, die de sluwe Erechtheüs-priester bij het opgewonden volk
-heeft doorgedreven, toen ik verre van Athene was en mijn woord niet ter
-beslissing in de schaal kon werpen. Buk voor het oogenblik echter voor
-den drang der omstandigheden. Sta op en bind de zolen onder uwe voeten.
-Verlaat onverwijld en heimelijk voor een tijdlang Athene. Alle
-voorbereidselen voor uwe vlucht zijn genomen. Beneden in de eenzame
-baai van Phaleron ligt een vaartuig gereed om u te voeren waarheen gij
-wilt. Met mijn vriend Cephalus heb ik alles voor u bezorgd en in orde
-gemaakt, en hij zelf zal u vergezellen op uwe vlucht, totdat gij eene
-gewenschte wijkplaats hebt bereikt. Zwaar valt het mij in den nacht tot
-de legerstede van een zwakken grijsaard te komen en tot hem te zeggen:
-„Maak u op en ga!” Doch ik moet het doen. In de diepe duisternis van
-dezen nacht nog breng ik u zelf naar de baai van Phaleron, waar
-Cephalus u wacht.”
-
-„Ik heb geen gegronde reden om te gaan,” zeide Anaxagoras, „maar nog
-minder om te blijven; want ik ben oud en alle wegen der wereld voeren
-naar de laatste rust van den Hades. En wanneer de man in Phaleron met
-het vaartuig mij wacht, waarom zou ik hem dan te vergeefs laten
-wachten? Breng mij naar de Mysische kust, naar Lampsacus. Daar wonen
-mij bevriende mannen. Daar mogen zij mij begraven en het woord waarheid
-op mijn graf beitelen. De kleinzonen der Atheners mogen het lezen, als
-zij Lampsacus bezoeken, en zien, dat men aan het strand van den
-Hellespont, niet verre van het gebied der Barbaren, der waarheid en een
-stervenden grijsaard, die haar predikte, een plaatsje heeft gegund.
-Roep mijn ouden slaaf, Pericles, om mij de sandalen aan de voeten te
-binden, en de weinige boekrollen tot een bundeltje samen te voegen en
-mij naar de zee en verder, als hij wil, te vergezellen.”
-
-De grijsaard stond met behulp van Pericles op van zijne legerstede,
-liet zich door zijn slaaf de sandalen onder de voeten binden, wierp de
-chiton om en in eenige oogenblikken was hij gereed voor de reis.
-
-Toen gingen de beide mannen, met de slaaf achter zich, onder
-bescherming van den donkeren nacht, door de Itonische poort en langs
-den langen muur over den eenzamen weg naar de baai van Phaleron.
-
-Spoedig hadden zij de baai bereikt en vonden Cephalus op eene door
-rotsen omsloten plaats, waar de zee zacht als in een droom tegen het
-strand murmelde. Alleen met een handdruk begroetten de mannen elkander.
-
-Anaxagoras stond op ’t punt van Pericles afscheid te nemen en het
-vaartuig te bestijgen. En terwijl zij elkander de hand reikten zag
-Pericles met een blik van diepe deernis op den grijsaard neder, die in
-het eenzame uur van den nacht uitgedreven werd naar den vreemde over de
-onstuimige baren.
-
-„Waarom beklaagt gij mij?” zeide de grijsaard. „Mij treft in de wereld
-niets onvoorbereid. Ik heb in mijn langen levensloop, ’t een na ’t
-ander, alles in mij gedood, wat vatbaar was voor lijden. Als vurig
-jongeling leed ik veel, ik zag hoe verlokkend het leven was, maar
-tevens hoe vluchtig en ijdel. Toen wierp ik langzamerhand alles van mij
-en ik dompelde mij al dieper en dieper in de kalme wateren der
-bespiegeling. Zóó ben ik oud geworden en mijn lichaam zwak, maar de
-hechte zuil van den onverstoorbaren vrede staat onwankelbaar in mijne
-ziel. Op de onzekere zee meent gij Atheners mij uit te drijven en
-zelven op het veilige vaste land achter te blijven. Inderdaad echter
-ben ik het, die van het kalme strand u rond zie dobberen op de woeste
-en opgestuwde baren des levens! U, mijn vriend, is een ander lot dan
-mij ten deel gevallen. Gij hebt het schoone, het geluk, het genot, den
-roem nagejaagd. Gij hebt u verbonden aan eene schoone vrouw, die uwe
-zinnen heeft bevangen, eene vrouw, schoon genoeg om u zalig te maken.
-Zalig prijs ik u daarom, maar zal ik u ook gelukkig noemen? Zalig is de
-genietende, maar gelukkig alleen hij, die niets verliezen kan en dien
-het leven niet kan teleurstellen, omdat hij er niets van begeert.”
-
-„Den stervelingen is het door ’t lot beschoren,” hernam Pericles,
-„verschillende wegen te betreden. Ik heb veel nagejaagd, veel bereikt,
-maar eerst het laatste oogenblik sluit de rekening af en alleen de dood
-maakt de balans op van het leven. Ik heb mij gehecht aan eene schoone
-vrouw, zooals gij zegt. Een nieuw bond heb ik met haar gesloten, dat
-voert tot een schoon, vrij en edel genot des levens. Wij vereenigden
-ons om iets nieuws te beproeven, maar hoe de proef zal uitvallen is nog
-voor mij verborgen. Menige stoornis heeft zich reeds doen gevoelen,
-somwijlen valt er een bittere droppel in de vreugdekelk en eene zekere
-onrust bekruipt niet zelden mijn gemoed. Heb ik misschien te veel op de
-schoonheid, het leven en het geluk vertrouwd met hunne schitterende
-beloften? Hoe het ook zijn moge, de teerling des levens is geworpen en
-mijn lot zal ik mannelijk dragen!”—
-
-Zóó stortten Pericles en Anaxagoras in den stillen nacht, onder ’t
-klotsen der zee, bij ’t afscheid nemen, het diepste en innigste van hun
-gemoed voor elkander uit.
-
-Toen herdachten zij hunne vierentwintigjarige hartelijke vriendschap en
-omarmden en kusten elkander.
-
-Anaxagoras zag nog eenmaal naar de in schaduw gehulde stad en sprak:
-
-„Vaarwel, gij stad van Pallas Athene! vaarwel, Attische grond, die mij
-zoo lang gastvrijheid hebt verleend! Gij hebt mijne zaadkorrels eene
-plaats gegund. Uit hetgeen sterfelijke handen zaaien, ontkiemt het
-goede zoowel als het kwade; doch alleen het goede blijft onsterfelijk.
-Kalm en met mijn besten zegen neem ik van u afscheid en bestijg het
-ranke vaartuig; ik vertrouw mij als grijsaard aan diezelfde golven
-weder, die mij als jong en krachtig man naar uw strand hebben
-gevoerd!”—
-
-Na deze woorden gesproken te hebben, beklom de wijze van Clazomenae het
-vaartuig.
-
-Nog eenmaal wuifde hij Pericles met de hand toe, toen klonken
-riemslagen—zacht ruischten de golven—en het schip gleed stil en snel
-over den grauwen waterspiegel naar de opene, in nevelen gehulde zee.
-
-Eenige zeevogels in de spleten der rotsen werden opgeschrikt uit hun
-slaap, klepten even met hunne vlerken en sluimerden weder in.
-
-Pericles stond op het eenzame strand en staarde het snel wegvarende
-schip langen tijd na.
-
-Toen ging hij in diepe gepeinzen verzonken terug naar de stad en eene
-huivering voer hem door de leden bij de koelte van den aanbrekenden
-morgen.
-
-Op de Agora gekomen, zag hij dat er reeds, trots den vroegen morgen,
-eene groote menigte volks zich om de zoogenaamde koninklijke
-zuilengalerij verdrong.
-
-De menigte staarde met verbazing op een geschrift, dat eene afkondiging
-van den Archon inhield. ’t Was het afschrift eener akte van
-beschuldiging.
-
-Zij luidde als volgt:
-
-„Aanklacht, onderteekend en ingediend, onder eede bekrachtigd door
-Hermippus, de zoon van Lysides, tegen Aspasia, de dochter van Axiochus
-uit Milete: Aspasia is schuldig aan de misdaad de Goden des lands niet
-te erkennen, oneerbiedig gesproken te hebben over de heilige gebruiken
-der Atheners, zich aan te sluiten bij de meeningen en stellingen der
-godloochenende wijsgeeren. Voorts is zij schuldig aan de misdaad door
-gevaarlijke leeringen de jeugd te verleiden en te bederven en zoowel
-jonge meisjes, die zij in haar huis houdt als vrijgeboren vrouwen, die
-zij bij zich ontvangt, tot ontucht en prijsgeving van zich zelven aan
-te zetten. Eisch: de dood.”
-
-Luid klonken deze woorden over de markt, toen Pericles juist
-voorbijging, zonder opgemerkt te worden door het volk, dat naar de
-koninklijke zuilengalerij gekeerd was. Hij verbleekte——
-
-„Sapperloot!” riep iemand uit de menigte. „Dat valt in Pericles’
-huwelijksgeluk als de bliksemstraal in een duivennest!”
-
-„En Hermippus de aanklager!” riep een tweede. „Hermippus, de
-blijspeldichter!”
-
-„Dat was te verwachten,” hernam een derde. „Ik heb het immers zelf uit
-den mond van Hermippus gehoord, nadat Pericles, door Aspasia
-opgestookt, de comedie gekortwiekt had: „Heel goed!” zei hij, „als men
-ons op het tooneel den mond snoert, zullen wij hem op de Agora
-openen.”—
-
-Zelden waren door eene aanklacht de gemoederen der Atheners in zulk
-eene mate opgewekt geworden, zelden de strijd der partijen zoo fel
-ontbrand, als door de aanklacht tegen Pericles’ gade, en met niet
-minder ongeduld zag men den dag te gemoet, waarop de klacht voor de
-Heliasten [392] openlijk zou behandeld worden.
-
-Op dienzelfden tijd kwam Phidias van Olympia naar Athene terug, en
-Diopithes was niet weinig verbitterd, toen hij den gehaten man telkens
-op de Acropolis heen en weder zag gaan, zich met Mnesicles en
-Callicrates onderhouden en door zijn raad de werken der Propylaeën
-krachtig bevorderen.
-
-Op zekeren dag merkte Diopithes, achter de zuilen van het Erechtheüm
-staande, Phidias op, in gezelschap van zijn geliefdsten leerling
-Agoracritus. De beide mannen wandelden in druk gesprek een tijdlang
-tusschen het Parthenon en het Erechtheüm op en neder, vervolgens kwamen
-zij aan een blok marmer, niet ver van Diopithes, dien zij niet
-opmerkten, gelegen, en zetten zich daarop neder om rustig hun gesprek
-te vervolgen. Het viel den Erechtheüs-priester niet moeilijk hun
-geheele gesprek af te luisteren.
-
-„Zonderlinge wegen,” zeide Agoracritus, „begint de beeldhouwkunst der
-Atheners in te slaan; vreemde dingen vind ik, na menigen zwerftocht
-Athene weder bezoekend, ten toon gesteld in de werkplaatsen van mijn
-jongere kunstbroeders. Waar is de oude verhevenheid en waardigheid
-gebleven? Hebt gij den slaaf, die de ingewanden der offerdieren
-roostert, gezien, door Styppax bewerkt? Wij besteedden onze beste
-krachten aan de beelden der Goden en Heroën; en nu wordt met al de
-zorgvuldigheid der kunst een ellendige slaaf afgebeeld, die, ingewanden
-roosterend, met bolle wangen het vuur aanblaast. De jonge Strongylion
-beproeft zijne kunst aan het ruwe werk om het Trojaansche paard in
-metaal te gieten. Van Demetrius zag ik een oud man met een dikken buik
-en een kalen schedel, opgezwollen aderen en een baard, waarvan enkele
-vlokken als door den wind bewogen uit de massa fladderen.”
-
-„De beeldhouwers zouden zoo iets niet maken,” hernam Phidias, „als het
-den Atheners niet beviel. Wie zou kunnen loochenen, dat helaas!
-verbastering in het hart en de aderen van het Atheensche volk
-binnensluipt. Evenals in de beeldhouwkunst het leelijke zich naast het
-schoone begint te plaatsen, zoo wordt immers ook op de Pnyx, naast de
-donderende, Olympische welsprekendheid van den edelen Pericles, het
-woest getier van een Cleon vernomen. En vroeger hadden wij één
-Hipponicus en één Pyrilampes, thans hebben wij er honderden.”
-
-„Weelderigheid en genotzucht krijgen de overhand,” zeide Agoracritus.
-„En wie heeft haar het eerst openlijk gepredikt, de boodschap van
-weelderigheid en genotzucht? Sedert de vriendin van Pericles eens mijn,
-en ik durf schier zeggen, ook uw werk den prijs ontzeide ten gunste van
-den overmoedigen Alcamenes, sedert dien dag is de gramschap tegen de
-machtige vrouw niet uit mijne ziel verdwenen. Toen zij boosaardig mijne
-Aphrodite tot eene Nemesis verklaarde, vloog de gedachte door mijn
-hoofd: Ja, zij zal u eene Nemesis worden, mijne Aphrodite. Gij zult
-haar ondervinden, de macht der wrekende Godin! En inderdaad met
-langzamen, maar zekeren tred nadert zij, de wraak!”—
-
-„Billijk en rechtvaardig zullen de Goden richten!” hernam Phidias
-ernstig. „En als zij de overmoedige dartelheid der Milesische
-breidelen, zullen zij ook de geheime listen van dien Diopithes
-straffen, tot wiens bondgenoot uwe wraakgierigheid u gemaakt heeft. Wat
-wij ook in Pericles’ gade mogen berispen of wraken, vergeet niet, dat
-zonder haar moedig en betooverend woord de tinnen van ons Parthenon
-hier niet voltooid zouden prijken en dat wij geen feller tegenstander
-bij dit werk gehad hebben, dan den sluwen Erechtheüs-priester!”
-
-„Gij werpt u alzoo op tot vriend en beschermer van de Milesische?”
-vroeg Agoracritus.
-
-„Dat niet!” hernam Phidias. „Ik houd evenmin van Aspasia als van den
-Erechtheüs-priester, en ik ruim het veld voor beiden, daar ik spoedig
-weder denk terug te keeren naar het mij lief geworden Olympia. Ik heb
-ondervonden, dat de Eleërs dankbaarder zijn dan de Atheners. Ik heb,
-dunkt mij, thans genoeg voor Athene gedaan. Het overige mijner dagen
-wil ik aan het groote Hellas wijden. Ik laat Athene over aan zijne
-Aspasia’s, zijne volksleiders, zijne brassers en aan zijne sluwe,
-nietswaardige, wraakgierige Erechtheüs-priesters!”
-
-„Gij had gelijk,” zei Agoracritus, „dat gij Athene den rug hebt
-toegekeerd; de Atheners zouden misschien zelfs uwe kunst hebben ontwijd
-en bedorven; naar hun laatsten smaak hadt gij wellicht Priapussen
-moeten beitelen, in plaats van Olympische Goden.”
-
-„Of de wanstaltige gedaante van dien bedelaar, die op deze reine hoogte
-zich koestert, als een uit de onderaardsche poelen ontsnapte molik!”
-sprak Phidias en wees op den welbekenden, kreupelen Meno, die juist
-tusschen de zuilen in de zon lag.
-
-De bedelaar had de woorden van Phidias gehoord; hij grijnsde, balde de
-vuist en wierp hem eene verwensching naar het hoofd.
-
-Phidias stond met Agoracritus op, en eene schrede verder in de richting
-van het Erechtheüm gaande, zag hij Diopithes achter de zuilen staan.
-
-„Kijk eens, hoe waakzaam de uilen van het Erechtheüm zijn!” zeide
-Phidias.
-
-Een donkere blik van diepen haat wierp de beschaamde luistervink op den
-beeldhouwer.
-
-„Scherpe snavels en scherpe klauwen hebben ze, de uilen van het
-Erechtheüm!” riep hij. „Pas op, dat zij u niet onverwachts de oogen
-uitkrabben!”
-
-Zoo sprak Diopithes. De beeldhouwer echter herhaalde ook thans weder
-het woord van Homerus:
-
-
- „Pallas Athene gedoogt geen vrees in mij!”
-
-
-„Welaan!” mompelde Diopithes voor zich heen, toen de beide mannen zich
-reeds verwijderd hadden. „Bouw maar op de bescherming van uwe Pallas,
-ik bouw op de macht der mijnen! Lang genoeg voorbereid is hij, de
-beslissende kamp tusschen uw gouden en ivoren maaksel en het echte,
-oude Godsbeeld daar binnen in de heilige plaats van het Erechtheüm!”
-
-Hij wilde zich juist verwijderen, toen de dolle Meno met zijne kruk,
-nog altijd in zich zelven Phidias met smaadwoorden verwenschend, tegen
-eene der gladde, schitterende zuilen sloeg, zoodat een splinter er
-afvloog.
-
-Diopithes dit ziende naderde Meno; de blikken van den woesten bedelaar
-en van den Erechtheüs-priester ontmoetten elkander.
-
-Zij kenden elkander.
-
-Meno was eens, zooals reeds verhaald is, met de overige slaven van zijn
-heer, die aangeklaagd was, gefolterd geworden. Niet anders dan met de
-pijnbank werden Helleensche voor het gerecht ondervraagd. Zóó derhalve
-had Meno getuigenis afgelegd en op grond daarvan was de Athener
-vrijgesproken. Doch de slaaf Meno had van dit pijnlijk verhoor eene
-verminking der ledematen overgehouden. Hij was kreupel geworden. Uit
-medelijden had zijn heer hem in vrijheid gesteld en hem, bij zijn dood,
-eene aanzienlijke som vermaakt. De half krankzinnige Meno echter wierp
-het ontvangen geld in het Barathon [393] en verkoos als bedelaar
-werkeloos onder de Atheners rond te dolen. Hij leefde deels van de
-spijzen, die men op de graven der dooden legde. Wanneer het ’s winters
-vroor, warmde hij zijne jichtige leden bij de vuren der smidsen of aan
-de ovens der openbare baden. Een lievelingsoord van hem was een
-afschuwelijke plek in Milete, waar men de lichamen der ter dood
-gebrachten en de stroppen en kleederen der zelfmoordenaars wierp. Hij
-verzamelde de stroppen zorgvuldig en telde ze dagelijks. Een hond, die
-schurftig geworden was en daarom door zijn meester weggejaagd, was naar
-hem toegeloopen en sedert onafscheidelijk van hem. Meno was van een
-kwaadaardig, sluw karakter en zijn hoogste genoegen scheen hij er in te
-stellen, zoo hij twist en tweedracht kon zaaien of eenig kwaad onder
-het volk te weeg brengen. Hij scheen door een heimelijk gevoel van
-wraak bezield en in alles scheen zijn toeleg om de slavernij op de
-vrije onderdrukkers te wreken. Opzettelijk deed de verminkte bedelaar
-zich krankzinniger voor dan hij inderdaad was, om ongestraft den
-Atheners de hardste waarheden naar het hoofd te kunnen slingeren en in
-’t algemeen alles te mogen doen, wat men een mensch met gezonde zinnen
-niet zou toestaan. Hij was steeds op de Agora of elders op openbare
-plaatsen te zien; ook op de Acropolis was hij tehuis geraakt, waar hij
-onder de schare van werklieden rondliep. Want overal vond hij zich op
-zijne plaats waar drukte van menschen was en waar hij zijne duivelsche
-rol kon spelen.
-
-Bovenal echter was ’t hem op de Acropolis bevallen, van het oogenblik
-af, dat hij bemerkte hoe de Erechtheüs-priester Diopithes en de
-bouwmeester Callicrates elkander met verbittering bestreden. Hij scheen
-zich tot taak te hebben gesteld de tempeldienaars van den
-Erechtheüs-priester en de werklieden van Callicrates tegen elkander in
-’t harnas te jagen. Hij liet zich ook gewillig als tusschenpersoon of
-als spion gebruiken. Hij diende beide partijen, en beiden haatte hij
-evenzeer, zooals hij allen haatte, die vrijgeborenen en Atheners waren.
-
-Diopithes zelf sprak somwijlen met hem en erkende weldra de
-bruikbaarheid van dit werktuig. De man was immers altijd onder het
-volk, hij bespiedde en beluisterde alles. Niemand meende iets voor den
-onnoozele te behoeven te verbergen, en de scherpheid zijner tong maakte
-hem even zeer gezocht als gevreesd bij het Atheensche volk.
-
-Meno en Diopithes kenden derhalve elkander en zij verstonden elkander
-zeer goed. Lang onderdrukte wrok en wraakzucht maakten den lammen
-bedelaar en den priester tot bondgenooten.
-
-„Gij zijt boos op Phidias?” begon Diopithes.
-
-„Moge de helhond met zijn honderd koppen hem vernielen!—Trotsche kerel!
-Joeg mij altijd de deur uit, als hij merkte, dat ik mij warmde aan het
-vuur der smeltovens in zijne werkplaats—mijne wanstaltigheid beviel hem
-niet.—Gij zijt een gedrocht, Meno, zei hij, een monster—hij wilde
-alleen Olympische Goden en Godinnen om zich heen zien—ha, ha, ha.—Dat
-de bliksem hem treffe, hem en alle Atheners te zamen!”—
-
-„Gij waard dus nog al dikwijls in zijne werkplaats?”—
-
-„Hij zag mij niet altijd—ik hem wel—Meno weet in hoekjes en gaatjes te
-kruipen—zag hem zijn ijdel, blinkend handwerk verrichten—zag hem
-roekeloos omgaan, hem en de zijnen, met het witte marmer en het metaal
-en het ivoor en het blinkend goud.”—
-
-„Zaagt gij hem roekeloos omgaan met het goud?”—
-
-Bij dit woord begonnen de oogen van den Erechtheüs-priester zeldzaam te
-flikkeren en een grijnslach plooide zijne lippen.
-
-„Zaagt gij hem met het goud spelen, Meno?” herhaalde hij, terwijl een
-onheilspellend vuur uit zijne loensche oogen straalde; „met het
-blinkend goud, dat de stad der Atheners hem in zijne werkplaats
-verschaft heeft, om daaruit en uit ivoor de Godenbeelden op de
-Acropolis te maken?”—
-
-„Ja zeker, zeker—met het blinkend goud der Atheners—ik zag hem
-grabbelen in gansche schatten van goud en ivoor—dat blonk en glom.”
-
-„Zou al dat blinkende goud wel in den smeltkroes gekomen zijn, Meno?
-Zou niet misschien toevallig iets aan de vingers zijn blijven kleven
-van hen, die daarmede omgingen?”—
-
-Bij deze laaghartige vraag zag de bedelaar den priester grijnzend aan.
-Een daemonische glans lag op zijn gelaat.
-
-„Ha, ha, ha,” lachte hij—„Meno weet te loeren, te bespieden—zag hem
-werken, ook als hij meende niet opgemerkt te worden—zag hem heimelijk
-kasten openen, waar het verborgen goud fonkelde,—ha, ha, ha,—het gele
-goud—het goud der Atheners—oogen zette hij dan op als een griffioen,
-die een schat bewaakt,—tastte er in als met klauwen—zóó.—Het schuim
-kwam hem op den mond, toen hij mij ontdekte—joeg mij de deur uit—wilde
-niet, dat ik mij warmde—Wacht maar, ellendeling—zie mij maar aan met uw
-bliksemend oog, oude, grauwe griffioen.”—
-
-En wederom hief de bedelaar dreigend de kruk op tegen het Parthenon,
-als wilde hij het uit wraak tegen den meester in puin slaan.
-
-Na eene kleine pauze naderde de priester hem nog dichter en fluisterde
-hem in ’t oor:
-
-„Hoor eens, Meno, wat gij daar gezegd hebt, zoudt gij dat ook op de
-Agora durven zeggen ten aanhoore van alle Atheners?”
-
-„Ten aanhoore van alle Atheners—ten aanhoore van alle twintigduizend
-lompe honden van Atheners dat de pest ze hale!”—
-
-Sinds dit onderhoud verspreidde zich door geheel Athene het praatje van
-harde, trotsche, beleedigende woorden, die Phidias zou gesproken hebben
-tegen zijne kunstbroeders en tegen het geheele Atheensche volk. Er werd
-verteld, dat hij op de volksheerschappij gesmaald, dat hij zijn
-vaderland veracht en de Eleërs geprezen had, dat hij gezworen had
-Athene den rug toe te keeren en voortaan alleen aan andere Hellenen
-zijne diensten te zullen wijden. Tevens werd er gemompeld van goud, hem
-van staatswege geleverd, en dat niet geheel en al in de smeltkroezen
-zijner werkplaats gekomen was...
-
-Als onkruid schoten deze praatjes op onder het volk tot eene giftige
-plant van verbittering en vijandschap tegen den edelen, rustig
-werkenden meester van het Parthenon.
-
-De dag was gekomen, waarop de zaak van Aspasia voor de Heliasten, onder
-voorzitterschap van den Archon Basileus, in een der gerechtshoven van
-de Agora zou behandeld worden.
-
-Van den vroegen morgen af drong het volk om het gerechtshof.
-
-Rustig en kalm was op dien dag onder alle Atheners alleen Aspasia
-zelve. Zij stond op een bovenvertrek van haar huis en zag door eene
-soort van venster op straat naar de menigte, die naar de Agora trok.
-
-Zij was een weinig bleek, doch niet van angst; want om hare lippen
-zweefde een verachtelijke glimlach.
-
-Pericles trad tot haar.
-
-Hij was bleeker dan Aspasia en een diepen ernst lag op zijne trekken.
-Stilzwijgend sloeg hij een blik naar den somberen hemel boven zich. De
-lucht was betrokken. Zwermen van kraanvogels vlogen van den
-Noordelijken Strymon [394] naar Attica en hun gekras scheen een
-voorbode van regen te zijn.
-
-Nu trad een lange trein van meest bedaagde mannen over de straat. Het
-was de afdeeling der Heliasten, aan wie de zaak van Aspasia ter
-beslissing was opgedragen. Het waren de rechters, voor wie de gade van
-Pericles zich moest verantwoorden en door wie haar vonnis zou worden
-uitgesproken.
-
-„Kijk, daar zijn die oude jongens!” zei Aspasia glimlachend, op de
-Heliasten wijzend. „De helft van hen draagt afgesleten mantels, heeft
-een hongerig voorkomen en steunt in het loopen op dien langen, mij
-onverdragelijken Atheenschen stok, dien Phidias zelfs in het fries op
-de Acropolis aan ’t oog der schoonheidkenners heeft vertoond. Er zijn
-er onder, die knoflook kauwen en de smerige obolen, die zij als
-rechtersloon voor dezen dag zooeven ontvangen hebben, tusschen de
-lippen houden.”—
-
-„’t Zijn mannen uit het volk,” zei Pericles en haalde de schouders op.
-„’t Zijn mannen uit het Atheensche volk, ’t geen u eens zoo goed
-beviel, dat gij ter liefde daarvoor, naar gij mij verhaald hebt, het
-Perzische hof en uw schoon Milete hebt verlaten, en door sterke
-begeerte gedreven over de zee herwaarts zijt gekomen, om het op te
-zoeken en er onder te leven.”—
-
-Aspasia sprak niet één enkel woord.
-
-„Dit knoflook kauwend, lange stokken dragend, obolen in den mond nemend
-Atheensche volk,” vervolgde Pericles, „is juist hetzelfde, welks
-schoone gestalte en ongedwongen houding uwe bewondering wekte, welks
-vaderlandsliefde u trof, welks kunstliefde u niet alleen in de
-scheppende beeldhouwers en dichters onvergelijkelijk voorkwam, maar
-insgelijks in zijne geestdrift, in zijn fijnen smaak om te zien, te
-hooren en te genieten.”
-
-„Nu echter weet ik,” hernam Aspasia, „dat het veelgeprezen, fijne
-Attische volk nog sporen van ruwheid, ik mag wel zeggen, van
-barbaarschheid, in zich bevat.”
-
-„Er is niets volmaakts onder de zon!” sprak Pericles, „een groot licht
-gaat altijd met groote schaduw gepaard. Ik herinner mij onlangs in de
-werkplaats van een onzer beeldhouwers een zonderling beeld gezien te
-hebben: ’t was eene gestalte met vleugels aan de schouders en
-bokspooten. Dit wangedrocht schijnt mij het Atheensche volk. Het heeft
-aanleg voor de hoogste vlucht, maar het loopt nog op bokspooten.
-Overigens moet gij bedenken, dat het Atheensche volk zijne groote
-deugden zelf alleen bezit, terwijl het zijne zwakheden met anderen
-deelt. En evenals de schoonste vrouw toch altijd vrouw blijft, zoo is
-het voortreffelijkste volk nog altijd een volk, aangedaan met de
-zwakheden en hartstochten van hetgeen men juist het volk, de massa, den
-grooten hoop pleegt te noemen.”
-
-„Meer dan andere,” riep Aspasia opstuivend, „is het Atheensche volk
-ondankbaar, wispelturig, naar iederen wind draaiend, lichtzinnig.”
-
-„Maar het is beminnelijk!” zei Pericles op een toon van fijne ironie,
-„genotlievend en vroolijk en een vurig vriend en vereerder van het
-schoone.—Wat wilt gij nog meer, Aspasia?—Hebt gij zelve niet dikwijls
-genoeg den armen suffer Socrates uitgelachen en bespot, omdat hij van
-het Atheensche volk nog andere deugden scheen te verlangen, dan die,
-welke ik u zooeven opnoemde?”
-
-Aspasia wendde trotsch het hoofd af, alsof zij beleedigd was.
-
-„’t Is tijd,” zei Pericles na eene pauze, „om te gaan en ons naar ’t
-gerechtshof op de Agora te begeven, waar de rechters u wachten.—Zijt
-gij in het geheel niet bevreesd, Aspasia? Uwe trekken verraden niet de
-minste bekommering. Wilt gij mij alleen de bange zorgen overlaten?”
-
-„Ik vrees,” hernam Aspasia, „veel meer de nare lucht van het knoflook
-in die vertrekken, dan het vonnis, dat uit den mond dier mannen mij
-treffen kan. Nog voel ik mij door denzelfden moed bezield, die mij
-vervulde onder het gepeupel van Megara en in het volksgedrang in de
-straten van Eleusis.”
-
-Terwijl dit gesprek tusschen hen beiden werd gevoerd, waren de
-Heliasten in het gerechtshof op de Agora aangekomen; ook de Archon
-Basileus was met eenige ondergeschikte ambtenaren, openbare schrijvers,
-verschenen, benevens de opgeroepen getuigen van den aanklager en de
-aangeklaagden.
-
-Vóór het gerechtshof echter woelde de schare des volks levendig
-dooreen. Bont door elkander gonsden daar de stemmen; meeningen,
-wenschen, voorspellingen werden gewisseld. Men kon tegenstanders en
-aanhangers der beklaagden, ook onpartijdigen, hooren.
-
-„Weet gij waarom zij Anaxagoras en Aspasia aangeklaagd hebben?” riep er
-een. „Omdat zij Pericles gevoelig willen treffen, maar zich aan hem
-zelven niet durven wagen. Want er is geen sterveling in Athene, die
-Pericles zelven openlijk zou durven aantasten.”
-
-„Maar zou men het daarom niet kunnen?” schreeuwde een verschrompeld
-mannetje, met gluipende oogen, nader bij komend. „Zou men het niet
-kunnen? Zou men van Pericles, na een bestuur van zoovele jaren, geen
-betere en nauwkeuriger rekening en verantwoording kunnen verlangen, dan
-hij tot nu toe gedaan heeft? Komen in zijne rekeningen geen posten voor
-met de eenvoudige verklaring: doelmatig aangewend? Wat moet dat
-beteekenen, bid ik u, doelmatig aangewend? Zeg? Kan men het volk
-onbeschaamder zand in de oogen strooien? Hoort toch eens: doelmatig
-aangewend!”
-
-Zoo riep de man en vervolgde zijn weg door de menigte en vroeg overal,
-wat het toch beteekenen moest „doelmatig aangewend.”
-
-„Dat zijn sommen,” merkte iemand op met een geheimzinnig gezicht, „die
-Pericles aanwendt, om invloedrijke mannen in de Peloponnesus den mond
-te stoppen opdat zij geen booze plannen zouden smeden tegen Athene.”
-
-„Opdat zij hem niet zouden dwarsboomen in de herstelling der tyrannie
-[395] te Athene!” viel het levendige mannetje met de loensche oogen
-schamper lachend in. „Want wanneer gij u verbeeldt, dat de geleerde
-Pericles, zoo dikwijls hij met zijne vrienden fluistert, alleen de
-lengte van vlooienpooten en de breedte van muggenbeten met hen
-berekent, dan dwaalt gij! Hij bazelt reeds lang over de eenheid van
-geheel Hellas—hij zou, om het kortweg bij zijn naam te noemen, vol
-gaarne tyran van het geheele Helleensche land worden. Zijne vrouw, de
-Milesische, heeft hem dit in ’t hoofd gezet, en dit denkbeeld vindt hoe
-langer zoo meer ingang bij hem en zal hem tot razernij brengen. Naar
-niets minder dan naar eene koningskroon verlangt deze hetaere—zij zou
-zoo gaarne koningin heeten—koningin van geheel Hellas—de lauweren harer
-landgenoote drijven haar den slaap uit de oogen.”
-
-Zoo zaaide de vijand der tyrannie, met zijne scherpe tong, twist en
-tweedracht.
-
-In het gerechtshof echter op de Agora zaten reeds de rechters op hunne
-houten banken, afwachtende de dingen, die komen zouden. De Archon
-Basileus bekleedde het voorzitterschap, terwijl schrijvers en dienaren
-hem omringden.
-
-De gerechtsplaats was afgezet; eene getraliede deur verschafte alleen
-toegang aan hen, die de Archon Basileus opriep.
-
-Aan de buitenzijde der omheining verdrong zich het volk, om aan te
-hooren, wat gesproken zou worden.
-
-Tegenover de banken der rechters was voor de beklaagden, zoowel als
-voor den aanklager, eene eenigszins verheven stellage opgericht,
-waardoor zij in de verte gezien en op een afstand gehoord konden
-worden.
-
-Op eene dier hoogere plaatsen zat Hermippus, een man van een
-onaangenaam somber uiterlijk, wiens doorborend oog onrustig
-ronddwaalde.
-
-Op de andere plaats zat Aspasia, naast haar Pericles. Want als vrouw,
-maar vooral als vreemdelinge, moest zij zich voor het gerecht door een
-man, een burger des vaderlands, laten vertegenwoordigen.
-
-Het was een schouwspel, dat het hart van velen bewoog en roerde, de
-schoonste en meest gevierde vrouw van haar tijd, de vrouw van den
-grooten Pericles, op de bank der beschuldigden te zien.
-
-Dat Pericles naast haar zat, haar mede-aangeklaagde als het ware,
-verhoogde nog het ernstige en treffende van het tooneel.
-
-Met een zekeren trots zetten de rechters en een deel des volks de borst
-op, daar zij zagen, dat ook de machtigsten zich voor hun rechterstoel
-moesten stellen en zich onderwerpen aan de almachtige wetten van den
-staat.
-
-Boosaardige blikken wierp Hermippus op de schoone vrouw, over wier
-gelaat eene zachte bleekheid lag, die de uitdrukking van ongebogen
-fierheid, welke uit hare trekken straalde, nauwelijks vermocht te
-temperen.
-
-Thans opende de Archon Basileus de vergadering. Hij nam den aanklager
-den eed af, dat hij alleen ter liefde der waarheid en der
-rechtvaardigheid de aanklacht had ingediend. De rechters zelven hadden
-reeds bij de aanvaarding van hun ambt den eed van rechtvaardigheid en
-stipte nauwgezetheid afgelegd.
-
-Nu liet de Archon door een der staatsschrijvers eerst de aanklacht,
-daarna het tegen de akte van beschuldiging ingediende tegenschrift
-voorlezen.
-
-Vervolgens verzocht hij den klager zijne aanklacht mondeling en
-uitvoerig toe te lichten.
-
-Hermippus stond op. Zijne rede vloeide over van sarkasme. Men zou
-meenen eene comedie aan te hooren. Hij besprak met scherpe, snijdende
-woorden de feiten, waarop, naar zijne meening, de aanklacht tegen
-Aspasia berustte: hoe zij te Eleusis ten aanhoore van het geheele volk
-oneerbiedig gesproken had over de Eleusinische Godinnen en over de
-heilige gebruiken des lands; hoe zij omgang had gehouden met de
-Sophisten, met Anaxagoras en Socrates, boven alles echter met dien
-welsprekendsten godloochenaar Protagoras, die zich een geruimen tijd te
-Athene had opgehouden, doch thans weder zijne dwaalleer predikend en de
-jeugd bedervend, in andere Helleensche steden rondzwierf: hoe zij
-verder haar geheele streven daarop gericht had, om de Atheensche
-vrouwen tot verzet tegen de instellingen des lands op te ruien, hoe zij
-eens bij gelegenheid van het Thesmophoriën-feest voor alle Atheensche
-vrouwen was opgetreden, om met haar eene samenzwering te maken tot
-vernietiging van die eerwaardige wetten, waardoor de echt en het
-familieleven der Atheners geheiligd waren; hoe zij verder vrijgeboren
-Atheensche vrouwen in haar huis had gelokt, om haar tot een ontuchtig
-leven en de lichtzinnige levensopvatting der hetaeren te verleiden; hoe
-zij eindelijk zelfs zoover was gegaan, dat zij een aantal meisjes in
-huis had opgenomen, klaarblijkelijk met geen ander doel, dan om ze tot
-onzedelijkheid op te kweeken en ze met aanzienlijke Atheensche mannen
-te verbinden.
-
-Als getuige voerde Hermippus velen dergenen aan, die te Eleusis de
-openlijk uitgesproken woorden van Aspasia mede hadden aangehoord; van
-sommigen echter liet hij de schriftelijke verklaringen door den
-openbaren schrijver voorgelezen. De aansporing der vrouwen tot eene
-samenzwering tegen de wetten van den staat liet hij door de vrouwen
-getuigen, die aan dat Thesmophoriën-feest hadden deelgenomen. De poging
-om vrijgeboren vrouwen tot ontucht te verleiden liet hij door de
-voorgelezen verklaring van Xenophon’s gade bevestigen, wie dit
-getuigenis was afgeperst door Telesippe en de zuster van Cimon. Wat de
-jonge meisjes in Aspasia’s huis betrof, beriep hij zich op de algemeene
-bekendheid dezer zaak onder de Atheners, en hij verzuimde niet op den
-voorgrond te plaatsen, hoe juist wegens de meisjes de Atheensche staat
-in den laatsten tijd in gevaarlijke verwikkelingen geraakt was met
-Megara en met de bondgenooten van deze vijandig gezinde, naburige
-Dorische stad.
-
-Zijne slotsom was, dat Aspasia in drie opzichten gezondigd had: tegen
-het oude geloof en den godsdienst des lands, tegen den staat en de
-eerwaardigheid zijner wetten, tegen de goede tucht en de zedelijkheid.
-Hij liet door den schrijver een aantal wetten voorlezen en toonde aan,
-dat naar Atheensch recht, al die handelingen strafwaardig waren en dat
-op de meeste de dood gesteld was; dat Aspasia’s hoofd en leven
-derhalve, daar zij van die misdaden voldingend overtuigd was geworden,
-aan de wet vervallen was. Hij bezwoer bij gevolg de rechters in
-hartstochtelijke opgewondenheid en met verheffing van stem, toch het
-heiligste wat een staat bezat, ter harte te nemen, den overmoed der
-vreemdelinge, die het omverwerpen van de oudvaderlijke inzettingen
-beoogde, te tuchtigen en den tot dusverre door de Goden geliefden en
-door de Goden gezegenden staat der Atheners niet te laten te gronde
-gaan in de school van teugelloosheid, van wetsverachting en van
-godloochening.
-
-De vurige redevoering van Hermippus maakte een diepen indruk op de
-rechters, die meest op gevorderden leeftijd en uit de laagste klasse
-des volks afkomstig waren. Ook uit de menigte, die buiten de afsluiting
-in ademlooze stilte de rede van Hermippus had gevolgd, verhief zich een
-gemompel:
-
-„Hermippus heeft fraai gesproken—zijne bewijzen waren scherp en
-afdoende—hij heeft de wetten op zijne hand—het hoofd der Milesische
-moet vallen.”
-
-Nadat Hermippus geëindigd had en weder op zijne plaats was gaan zitten,
-verhief zich Pericles.
-
-Oogenblikkelijk heerschte weder de diepste stilte en ieder oor
-luisterde in gespannen aandacht naar den eersten klank uit den mond van
-Aspasia’s gemaal.
-
-Pericles’ geheele wezen scheen veranderd. Zijn uiterlijk was niet,
-zooals hij voor het volk op de Pnyx verscheen, wanneer hij het
-redenaarsgestoelte besteeg en in waardige rust, zeker van den uitslag,
-zijne meeningen uitsprak. Voor de eerste maal scheen de kalmte
-gedwongen, die hij uiterlijk ook nu ten toon spreidde, en eene lichte
-trilling klonk in zijne stem, toen hij begon te spreken.
-
-Hij ontkende de schuld van Aspasia. Het eene punt van beschuldiging na
-het andere behandelende, trachtte hij aan te toonen, dat het alleen aan
-de hatelijke overdrijving gelukt was Aspasia’s gedrag den schijn eener
-misdaad te geven, waarop de doodstraf stond. En waar hij niet loochenen
-kon, dat de letter der Atheensche wet tegen Aspasia sprak, beriep hij
-zich op hare daden en edele bedoelingen, en zocht te bewijzen, dat een
-edel streven nooit misdadig kan zijn.
-
-Doch er was ditmaal iets weifelends in de redevoering van den gevierden
-spreker, die den bijnaam van den Olympiër voerde. Men kon duidelijk
-bemerken, dat zijne woorden slechts een geringen indruk op zijne
-hoorders teweegbrachten. Was zijne inwendige ontroering te groot,
-zoodat zij zijne scherpzinnigheid verstompte?—
-
-Ten laatste echter deed Pericles, zooals Hermippus gedaan had. Hij liet
-op zijne bewijsvoering eene aanspraak aan de rechters volgen, die uit
-het hart voortkwam en tot het hart sprak.
-
-Hij zeide:
-
-„Deze vrouw hier is mijne gade. En wanneer zij schuldig is aan de
-misdaden, dan ben ik ook schuldig. Hermippus klaagt ons aan, omdat wij
-de waardigheid der Goden hebben gehoond, het gezag van den staat
-gekrenkt, de tucht en de goede zeden hebben geschonden. Mannen van
-Athene! als ik mij mag beroemen op iets van hetgeen gij op mijne
-aansporing hebt gedaan, dan heb ik het aanzien der Goden van ons land
-niet verkleind, maar veeleer hen verheerlijkt, als iemand vóór mij,
-door prachtige tempels en schitterende beelden op de Acropolis en te
-Eleusis. Ik heb den staat niet gekrenkt, integendeel voor hem gestreden
-in bloedige slagen; ik heb de macht der oligarchen gebroken en aan het
-volk de vrijheid gegeven. Ik heb de tucht en de goede zeden niet
-verslapt, maar ze versterkt en veredeld, terwijl ik de beoefening en
-bevordering van het goede en het schoone onder u heb zoeken te
-verbreiden, en daardoor het gemeene en ruwe tegen te gaan. En in die
-pogingen, mannen van Athene, heeft mij deze vrouw, Aspasia van Milete,
-niet belemmerd, maar ondersteund en aangespoord. Datgene, wat het volk
-en de stad der Atheners misschien voor alle volgende tijden zal
-verheerlijken, is voor een niet gering deel, hare verdienste. Niet met
-het verval van dezen staat, maar met zijn edelsten bloei, macht en
-heerlijkheid zal de herinnering van haar naam voor altijd verbonden
-zijn.—Dit zijn feiten, gij mannen van Athene, en wij beiden gelooven
-ons verdienstelijk gemaakt te hebben omtrent het volk en de stad der
-Atheners. Gindsche Hermippus echter komt en roept u toe: „Scheurt de
-uitverkorene, de geliefde wettige vrouw van Pericles van zijn hart en
-sleept haar voor zijne oogen ter dood!”
-
-Bij deze woorden parelde een traan in het oog van Pericles.
-
-Een traan in het oog van den rustigen, waardigen Pericles! Een traan in
-het oog van den Olympiër! Die traan had een, naar de gewone wetten der
-natuur onverklaarbare uitwerking. Hij werkte verbijsterend als een
-wonder, als een meteoor, als een door de Goden gezonden teeken uit den
-hemel.
-
-Zij, die met eigen oogen hadden gezien, hoe de traan een oogenblik
-blonk in het manlijk oog van Pericles, doch spoedig werd weggepinkt,
-zagen elkander met veelbeteekenende blikken aan.
-
-Zij fluisterden elkander toe:
-
-Pericles heeft geweend!
-
-Uit de gerechtszaal verspreidden zich over de Agora de woorden:
-
-Pericles heeft geweend!
-
-Van de Agora liep het in korten tijd door de geheele stad Athene:
-
-Pericles heeft geweend!
-
-Tegelijkertijd kwam te Athene het bericht van een zeeslag bij Sybota,
-waarin Atheensche schepen den Corcyraeërs [396] tegen de Corinthiërs
-met schitterenden uitslag ter hulp waren gekomen. Maar men luisterde
-slechts ten halve naar het bericht—men sprak over niets, dan over den
-traan van Pericles.
-
-Aan de rede van Hermippus voor de Heliasten was eene grens gesteld door
-den zandlooper, aan de rede van Pericles maakte de opwellende traan een
-einde.
-
-Een dienaar naderde op den wenk van den Archon en verdeelde de
-stemsteentjes onder de rechters. Aan ieder reikte hij ten aanschouwe
-van allen een witten en een zwarten steen, een die vrijsprak en een die
-veroordeelde.
-
-Toen verlieten de Heliasten hunne zetels, traden een voor een naar eene
-koperen vaas en wierpen een stemsteentje daarin, het witte of het
-zwarte. Den steen, dien zij over hadden, wierpen zij in een anderen,
-houten bak.
-
-De eerste stemming der Heliasten gold het schuldig of onschuldig; de
-tweede gold, in geval van schuldigverklaring, de straf, die tegen den
-aangeklaagde geëischt werd.
-
-Nu waren de steenen van alle Heliasten in de stembus. Zorgvuldig werden
-de witte en de zwarte onmiddellijk geteld onder de oogen van den
-Archon.
-
-Met onbeschrijfelijke spanning waren aller oogen op de uit de urn
-rollende witte en de zwarte steenen gevestigd. En zie! De heldere
-loten, die ten leven beslisten, namen in groote getale toe en
-zegevierend overtroffen zij de donkere loten des doods.—
-
-De vrouw van Pericles was vrijgesproken. In de weegschaal van Themis
-was de traan van den held met beslissende zwaarte gevallen.
-
-Uit den mond van den Archon klonk het gewijsde en als op vleugelen
-gedragen verspreidde die mare zich over de gansche Agora.
-
-Aspasia stond op. Een lichte blos kleurde haar gelaat. Haar blik
-zweefde een oogenblik met helderen glans over de eerwaardige hoofden
-der Heliasten. Toen reikte zij stilzwijgend hare hand aan Pericles.
-Deze voerde haar weg. Een sluier bedekte haar gelaat, terwijl zij door
-de menigte gingen.
-
-Op de Agora begroetten en vergezelden Pericles de door duizenden monden
-aangeheven vreugdekreten der Atheners.
-
-In alle straten, die Pericles op zijn terugweg met zijne gesluierde
-gade doorging, verdrong zich het volk en de verschillendste uitroepen
-werden gehoord of gefluisterd, al naar mate ieders gezindheid, bij het
-zien van Aspasia. Een uitroep echter had den boventoon, die telkens en
-overal werd herhaald:
-
-„Wat een schoone vrouw is nog altijd Aspasia!”
-
-Deze uitroep verkreeg ten laatste de overhand over alle andere, en
-alleen de waanzinnige Meno riep de schoone Milesische, toen zij hem
-voorbij ging, een scheldwoord na.
-
-Plotseling stond Socrates, uit de menigte te voorschijn tredend, naast
-Pericles en Aspasia.
-
-„Ik wensch u geluk, Aspasia!” sprak hij, terwijl hij zich bij hen
-aansloot. „Welke uren van kwelling en angst waren die laatste voor uwe
-vrienden!”
-
-„Waar waart gij,” vroeg Aspasia, „toen de uitslag werd bekend gemaakt?”
-
-„Altijd midden onder het volk,” hernam Socrates.
-
-„En wat hoordet gij onder het volk in al dien tijd?” vroeg Aspasia
-weder.
-
-„Vele en verschillende zaken,” antwoordde Socrates: „ten laatste echter
-bleven er alleen twee gezegden over, die van mond tot mond gingen.”
-
-„En welke waren die?”
-
-„Pericles heeft geweend!” en: „Wat eene schoone vrouw is nog altijd
-Aspasia!”
-
-„Zonderlinge samenloop van zaken!” vervolgde Socrates op zijne
-wonderlijke wijze sprekende. „De schoonste vrouw is Aspasia, en de
-gelukkige echtgenoot der schoonste vrouw heeft geweend!—Draag zorg,
-Aspasia, dat dit de laatste traan van Pericles moge blijven! want
-alleen de eerste traan van den man is verheven, de tweede is
-belachelijk. Alleen de eerste grijpt aan en schokt—de tweede is zonder
-eenige uitwerking. Pericles mag nooit meer weenen! Hoort gij dat,
-Aspasia? Pericles mag nooit meer weenen!”
-
-„Ben ik het dan soms, die tranen aan Pericles’ oog tracht af te
-persen?” vroeg Aspasia, innerlijk beleedigd.
-
-„Ik beweer alleen, dat Pericles nooit meer weenen mag,” hernam Socrates
-en verdween onder de menigte.
-
-Aspasia was verstoord. Hoe? Het vijandig gezinde volk der Atheners had
-haar heden vrijgesproken en uit de schare der verzoende vijanden trad
-een vriend te voorschijn, om haar scherpe, onheilspellende woorden toe
-te voegen!—
-
-„Gij kent den zonderling!” zei Pericles. „Oefen geduld met hem! Gij
-weet, hij meent het goed met ons.”—
-
-Aspasia echter bleef toornig. En de gedachte, reeds lang in hare borst
-gekoesterd, den zonderling te straffen voor de altijd vaardige, altijd
-onbeschroomde vrijmoedigheid zijner tong, ontwaakte opnieuw in de fiere
-vrouw, terwijl zij in het bewustzijn harer zegepraal aan de zijde van
-haar echtgenoot daarheen ging.—
-
-Twee mannen volgden op eenigen afstand het paar met loerende blikken;
-een hoonende grijnslach speelde om hunne lippen, terwijl zij met
-elkander fluisterden.
-
-Het waren Diopithes en de oligarch Thucydides.
-
-„Het wijf is ons ontsnapt!” zei de oligarch met somberen blik.
-
-„Des te erger voor haar!” hernam de priester. „Gij kent het volk. Ware
-zij veroordeeld geworden, men zou haar beklagen om Pericles’ wille en
-medelijden hebben met Pericles; doch nu zij er vrij is afgekomen, zal
-men spoedig zeggen, dat de rechters toch te zacht hebben geoordeeld, en
-dat de macht van Pericles te gevaarlijker wordt wanneer men uit liefde
-voor hem de schuldigen vrijspreekt!”
-
-„Verheug u voor heden in uwe zegepraal!” hernam Diopithes, uit de verte
-de vuist achter Aspasia’s gemaal ballend: „De pijlen, die gij van het
-hoofd uwer vrouw hebt afgewend, zullen des te gewisser uw eigen hoofd
-treffen!”
-
-
-
-
-
-
-
-XXII.
-
-STRIJD EN ZEGEPRAAL.
-
-
-Pericles wandelde met zijn vriend Sophocles in het vroege morgenuur op
-de Agora, toen Euripides, met somberen blik in gezelschap van den
-waarheidszoeker hen ontmoette. Een weinig verwonderd over de vele
-bagage, die eenige slaven achter hem droegen, bleven beiden een
-oogenblik staan en vroegen hem, waarom hij zoo reisvaardig was en
-werwaarts hij voornemens was te trekken.
-
-„Ik scheep mij in naar Salamis,” hernam Euripides. „Op dat stille
-eiland hoop ik eindelijk de afzondering en den vrede te vinden, waaraan
-ik zoo groote behoefte heb. In de grot aan het strand, waarin ik het
-levenslicht aanschouwde, wil ik voortaan mijn lievelingszetel opslaan
-en zonder gestoord te worden mij aan mijne gedachten en overpeinzingen
-overgeven.”
-
-„Biedt dan uw landhuis u geen stilte en afzondering genoeg?” vroeg
-Pericles.
-
-„Spreek mij niet van het landhuis!” antwoordde de dichter gemelijk.
-„Dat is mij vreeselijk gehaat geworden door het toenemend aantal
-kikvorschen, die des avonds in den nabijzijnden vijver kwaken, doch nog
-meer door den zwerm van krekels, die door hun eindeloos gepiep mij dag
-en nacht in mijn denken en dichten storen. De oude beuzelaar Anacreon
-heeft ze bezongen, die „helklinkende cicaden,” ik echter verwensch ze!
-Mijn hoofd doet mij zeer en ik ben bijna gek geworden van het schrille
-rumoer dier kwelgeesten, dier piepende booze daemonen. Te vergeefs
-heeft mijn vriend Socrates mij een paar dagen lang geholpen ze in hunne
-holen te vervolgen en uit te roeien... Lacht ge er om, plaagzieke
-Sophocles? Ge zoudt gewis in staat zijn ons op staanden voet eene
-gloeiende lofrede op de krekels en kikvorschen te houden!”
-
-„Waarom niet?” hernam Sophocles glimlachend. „De geheele natuur is
-immers rijk aan tonen en zingt. De golven zingen, de winden zingen, de
-pijnboom zingt, de steen zingt, als de voet des wandelaars hem beroert.
-En zoo gaarne hoort het geluid zich zelf, dat het, als een andere
-Narcissus [397], zijn eigen beeld terugkaatst in den spiegel van Echo.
-Daarom, mijn beste Euripides, laat ons ook de krekels en
-kikvorschen....”
-
-„Daar hebben wij het!” viel Euripides den spreker met heftigheid in de
-rede. „O, die „vereerders van het schoone”, die „dweepers met het
-schoone,” die „aanbidders van het schoone”, en hoe zij zich ook willen
-noemen! Alles, zelfs het afzichtelijkste weten zij met het vernis van
-schoone woorden te bedekken, nooit durven zij den ernst des levens
-onpartijdig in het aangezicht zien! Ik zeg u, de cicaden blijven een
-onverdragelijk gespuis, wat daarover ook de oude Anacreon en na hem de
-vrome Sophocles met hun dichterlijk gevoel gezegd hebben. Overigens
-zijn het, zooals gij weet, niet alleen die krekels en kikvorschen, die
-mijn verblijf op het Attische vasteland verbitteren. Het bevalt mij
-niet langer te Athene. Ik heb er geen pleizier in, ter wille van eene
-weggelopen vrouw de spotternijen der straatjongens te verdragen, hoe
-Attisch gekruid zij ook wezen mogen. Ik heb geen lust mijn leven zoo
-door te brengen, terwijl allerlei dreigende verschijnselen zich
-bovendien in de toekomst vertoonen. Waarom zijn wij toch verlichter
-geworden, als de zeden hoe langer zoo slechter worden?—Vaartwel! Ik ga
-voorloopig naar Salamis.”
-
-„Moet ons geluk dan van de plaats afhankelijk zijn?” vroeg Sophocles.
-„Men behoort te volharden op zijne standplaats. ’t Moet, naar mijne
-meening, de trots zijn van den Helleen, die al het bittere en sombere
-des levens, in zich zelven onveranderd te blijven, zijn opgeruimdheid
-en schoonheidsgevoel te behouden, als iemand, die het hoogste en beste
-van ’t menschelijk leven in de schoone harmonie van zijn eigen wezen
-vereenigt en door niets gestoord wordt in het edelste levensgenot.”
-
-„En wanneer de ouderdom tot u komt met knikkende knieën,” wierp
-Euripides hem tegen, „en de bronnen des genots opdrogen?”
-
-„Dan zal ik van het genot, welks bronnen opdrogen, afstand doen,”
-hernam Sophocles, „maar alleen, om op den vroolijken levenslust des
-mans, die toch altijd met eene zekere onrust gepaard gaat, de veel
-schoonere, waarachtig goddelijke rust en opgeruimdheid, den
-Halcyonischen vrede des grijsaards te doen volgen.”
-
-„Gij spreekt als een zoon van den goeden ouden tijd,” zei Euripides,
-„en gij denkt niet, dat wij langzamerhand te verstandig zijn geworden,
-om in idyllisch-onverstoorbare opgeruimdheid voort te leven.”
-
-„Wat mij betreft,” begon thans Socrates met een ernstig gelaat, „ik
-vind het door Sophocles uitstekend gezegd, dat wij eene schoone
-harmonie van ons eigen wezen moeten bewaren. Alleen zou ik wel gaarne
-willen hooren, ja waag ik het onzen vriend Sophocles uitdrukkelijk te
-vragen, of hij van „schoone harmonie” sprekend, het zedelijke op het
-oog heeft, of wel zich de harmonie in dien zin schoon denkt, zooals men
-bij voorbeeld vrouwen of werken der beeldende kunst schoon en bevallig
-en voor het oog streelend noemt? Of hij, om het anders uit te drukken,
-den klemtoon legt op het goede, dan wel op hetgeen gewoonlijk schoon
-genoemd wordt? En daarmede zouden wij dan weder bij die oude, zoo
-dikwerf tusschen ons opgeworpen en nooit opgeloste vraag terecht komen,
-of het schoone boven het goede, dan wel het goede boven het schoone den
-voorrang verdient?”—
-
-Met gespannen belangstelling zag de waarheidszoeker na deze woorden den
-dichter in ’t gelaat en wachtte zijn antwoord af.
-
-Op hetzelfde oogenblik echter ontstond er een rumoer en eene beweging
-onder het volk, dat inmiddels zich op de Agora verzameld had. Het
-teeken tot het begin der volksvergadering op den Pnyx was gegeven en
-alles toog derwaarts.
-
-Glimlachend zei Pericles, die eveneens zich gereed maakte die zelfde
-richting te volgen:
-
-„Ook heden, waarde zoon van Sophroniscus, zullen wij uwe
-lievelingsvraag niet kunnen beantwoorden. Want het volk der Atheners
-wordt juist op de Pnyx bijeen geroepen en daar moeten wij dringender
-zaken beslissen.”...
-
-Socrates stond daar, zwijgend en verslagen, als iemand, dien opnieuw
-juist ten ontijde de mond, om zoo te zeggen, gesnoerd was.—
-
-„Myrmecides,” zei een Atheensch burger tot zijn buurman, op het punt om
-de Agora te verlaten en met de overige onstuimige volksmassa de hoogte
-van den Pnyx te bestijgen, „wat wij heden ook besluiten mogen, ik heb
-een voorgevoel van iets kwaads voor Hellas. Er wordt gesproken van
-orakels—onheilspellende orakels, ook orakels van Bacis worden er
-medegedeeld, die thans op eens verstaanbaar worden. Doch wat het
-bedenkelijkste is: gij weet dat Delos, het heilige Delos, het eiland
-van den Ionischen God Apollo, nooit door eene aardbeving is geteisterd
-geworden.”—
-
-„Nooit,” antwoordde Myrmecides; „iedere knaap weet van kindsbeen af,
-dat het heilige Delos als met koperen ketenen aan den bodem der zee is
-vastgeklonken en niet als de andere eilanden van den Archipelagos door
-onderaardsche beroeringen kan geschokt worden.”
-
-„Zoo geloofde men tot gisteren,” vervolgde Cynogenes; „doch gisteren is
-het bericht gekomen, dat eene aardbeving, die een zeer korten tijd
-duurde, op het eiland heeft plaats gehad en dat een dof onderaardsch
-gedreun zich heeft doen hooren.”
-
-„Delos geschokt?” riep Myrmecides: „dan is er niets meer dat vaststaat
-in Hellas!”
-
-Andere mannen voegden zich bij Myrmecides en Cynogenes en mengden zich
-in hun gesprek. Doch zij werden weldra gestoord en gedwongen zich om te
-keeren door een luid rumoer, dat achter hen op de Agora zich verhief.
-
-„Een Megarische hond!” klonk het, „een Megarische hond!—doodt hem,
-steenigt hem!”
-
-Eene groote, schreeuwende menigte had zich ijlings om een man
-verzameld, die door eenige Atheners gegrepen en onder allerlei
-uitdrukkingen van toorn vastgehouden werd.
-
-Het was niet de eerste maal, dat een Megarenser in onaangename
-verwikkelingen te Athene geraakt was. Reeds voordat de Atheensche markt
-en de havens van Athene aan de naburige Dorische stad ontzegd waren,
-was menig burger, die soms een vet gemest varken of iets anders op de
-markt te Athene bracht, daar schandelijk voor den gek gehouden,
-uitgescholden of mishandeld geworden.
-
-Tot woede echter was de verbittering bij de Atheners tegen de
-Megarensers gestegen, sedert dezen in barbaarsche ruwheid het gewaagd
-hadden den van Athene naar Megara gezonden heraut dood te slaan. Sinds
-dien dag had het Atheensche volk gezworen elken Megarenser, die zich te
-Athene vertoonde, oogenblikkelijk te steenigen.
-
-De arme man smeekte om zijn leven en zwoer bij alle Goden, dat hij geen
-Megarenser was, dat hij uit Eleusis kwam.
-
-„Gelooft het niet!” riep de man, die hem het eerst had vastgegrepen en
-hem nog steeds als met ijzeren vuist omklemd hield. „Gelooft het niet!
-Ik ken hem! Een Megarische hond is hij—een Megarische hond!”
-
-Op dit oogenblik kwamen eenige Archonten voorbij, die, nadat zij de
-zaak hadden vernomen, het vermoorden van den man verhinderden, door
-eenige Scythische boogschutters er bij te roepen en den man gevankelijk
-weg te doen voeren.
-
-Boven op de Pnyx, niet verre van de plaats der volksvergadering,
-fluisterden drie mannen zacht maar druk met elkander. Het waren de
-leerlooier Cleon, de schapenkoopman Lysicles en de worsthandelaar
-Pamphilus. Zij schenen het onderling niet eens te zijn...
-
-Thans betraden de gezanten der Lacedaemoniërs den weg van de Pnyx, om
-zich naar de volksvergadering der Atheners te begeven. Zij waren
-gekomen om voldoening te eischen voor het hun verwante en met hen
-verbonden Megara. Met vijandelijke blikken zagen deze Spartaansche
-mannen en het grootste deel der Atheners rondom elkander aan.
-
-Doch een oligarch fluisterde den andere zacht in het oor:
-
-„Zullen wij vrede of oorlog wenschen?”
-
-„Het ware wellicht nuttig,” hernam de andere, „wanneer de
-Peloponnesiërs kwamen en hier een weinig opruiming hielden...”
-
-Opgewondener dan het Atheensche volk de Pnyx bestegen had, daalde het
-na eenige uren weder daar af. Op de Agora vormden zich verscheidene
-groepen.
-
-„Ik vind, dat Pericles nooit zoo voortreffelijk heeft gesproken!” riep
-Myrmecides. „O, die slimme vos met de leeuwenhuid! Hoe gematigd deed
-hij zich voor, hoe rustig, hoe vol schijnbare toegefelijkheid! Hoe
-scheen hij bereid tot elke mogelijke tegemoetkoming! Alleen stelde hij
-eischen, die men nooit zou toestaan! Welk een meesterlijke zet was het,
-toen hij zeide, dat Athene bereid was zijnen bondgenooten de volle
-vrijheid terug te geven, zoo slechts de Spartanen vooraf den hunnen
-hetzelfde deden!”
-
-„Ik voorspel teerlucht, riemgeplas, triërarchen-geschreeuw,
-Pallas-beeldenvergulderij in den Piraeüs”—zei de baardschrapper
-Sporgilus met een bedenkelijk gezicht.
-
-„Waarom niet, lafaard?” riepen de anderen. „Hebt gij geen lust in een
-vroolijk zeetochtje?”
-
-„Neen,” antwoordde Sporgilus, „de zee is toch altijd iets zilts en
-bitters!”
-
-„Laat u met knoflook voeren!” klonk het rondom hem, „met knoflook,
-lamzalige vent, zooals de hanen, om vuriger en moediger te worden!”
-
-Thans werd de stem van Cleon, de stem van den beruchten leerlooier
-Cleon, in eene andere dichte groep hoorbaar. „Ik wil oorlog, maar
-zonder Pericles!” schreeuwde hij. „De krijg mag Pericles niet nog
-grooter maken. Hoe zullen wij rekenschap van hem kunnen vorderen, als
-hij aan de spits van een leger of van eene vloot staat. Derhalve weg
-met Pericles! Den eisch der Spartanen, dat hij als Alcmaeönide uit
-Athene verbannen zou worden, dezen eisch alleen had men moeten
-inwilligen! Men verbanne Pericles! Pericles moet verbannen worden!”
-
-Zóó schreeuwde Cleon met heftige, lompe gebaren, terwijl hij met zijn
-geheele lichaam in beweging was en geen enkel oogenblik op dezelfde
-plaats bleef.
-
-„Oorlog, maar zonder Pericles!” herhaalde hij onophoudelijk.
-
-Van dezelfde meening was Pamphilus, die echter met niet minder luid
-getier er bijvoegde, dat men Pericles niet moest verbannen, maar ter
-verantwoording roepen wegens zijn staatsbeheer en in den kerker werpen.
-
-Thans naderde de oude Cratinus met Hermippus en een derden makker, een
-jongeling, die in nog hoogeren graad den „Attischen blik” had dan zij
-beiden, en van wien het gerucht liep, dat hij eerstdaags ook met een
-blijspel zou optreden.
-
-„Zijt gij voor den oorlog of voor den vrede, oude Satyr?” riep een uit
-de menigte den ouden brasser toe.
-
-„Ik,” hernam deze, „ik ben voor gebraden hazen, wijn in de kan, zilver
-in de kast, vijgen in de voorraadkamer, bekranste bokken,
-lammergeblaat, Dionysus-feesten, verschen most, omgeworpen flesschen,
-mooie, hooggeschorte dansmeisjes.”
-
-„Dan zijt gij dus ook voor den vrede?”
-
-„Ja zeker, en er tegen, dat men den Megarensers de Atheensche markt
-ontzegt. Weest toch wijzer, gij met viooltjes omkranste Atheners! Houdt
-toch op, elke oude vrouw, die op de Atheensche markt komt, met argwaan
-aan te zien en te meenen, dat het een man en een verkleede Megarenser
-is! Sinds gij de Megarensers van de markt uitgesloten hebt, kan men
-geen goed gemest varken meer krijgen, zooals het de oude
-Marathon-strijders verdienen. Spoedig zal het zoover komen, dat wij
-gebraden krekels zullen eten. Overigens, wat zeurt en kijft gij toch
-over vrede en oorlog? Zijn de Spartanen met een ander bescheid uit de
-volksvergadering gegaan, dan met hetgeen Pericles heeft voorgesteld?
-Laat toch Pericles aan het roer van den staat, en de anderen, de
-volksmannen, de leerlooiers en schapenkoopers en worstmakers, die u den
-baard schrapen en de vliegen van het hoofd wegjagen en de vlokken van
-den mantel plukken...”
-
-Die bijtende woorden brachten Cleon’s bloed in gisting. „In één
-opzicht,” schreeuwde hij, „heeft Pericles gelijk gehad, toen hij het
-bijtend, onbeteugeld gespuis der comedie-schrijvers trachtte te
-muilbanden—die keffers, die ieder naar de kuiten bijten.”
-
-„Ei, hoor eens dien Cleon!” riep Cratinus. „Cleon, de verschrikkelijke!
-Ik had stellig niet gewaagd hierheen te komen, als ik geweten had, dat
-de man met de gretige tanden en de vreeselijk rollende oogen er was. De
-leerlucht, die reeds op grooten afstand merkbaar is, had mij moeten
-waarschuwen.”
-
-Cleon stikte schier van gramschap. Myrmecides hield hem tegen, terwijl
-Cratinus voortging:
-
-„Gij noemt ons onbeteugeld, omdat wij den geesel zwaaien over de
-hoofden, onbekommerd wien hij treft? Treft hij niet altijd den rechten
-man, dan treft hij toch al licht de rechte zaak. Vraagt Zeus in den
-hemel wel, als hij bliksemt, waar hij treft indien de lucht maar
-gezuiverd wordt.”
-
-„Oude gifspuwer!” riep Cleon. „Zijt gij niet de man van wien men zegt,
-dat hij zijne geestdrift uit het vat tapt?”—
-
-„En gij,” hernam Cratinus, „zijt gij niet de man, die opgezwollen zijt
-van gif, van wien men zegt, dat u onlangs eene slang heeft gebeten, die
-onmiddellijk—crepeerde? Maar dat doet er niets toe. Wij nemen den
-strijd aan met den stank van zeehondenleer, met de verwoede blikken uit
-rollende oogen, met honderd roodharige Cerberus-koppen. En wanneer wij
-eerst met den vrouwenheld Pericles klaar zijn, dan denken wij met die
-halve gekken, de worstmakers, de schapenkoopers, de leerlooiers en alle
-„met viooltjes bekranste Atheners” wel half slapend klaar te komen.”
-
-Op deze woorden van Cratinus klonk plotseling achter eene zuil een
-luid, hoonend gelach. Men keek om en zag den dollen Meno achter de zuil
-neergehurkt zitten.
-
-„Daar hebt gij Meno!” riep de jongste der drie blijspeldichters. „De
-kerel ziet er zoo berooid en gemeen uit, dat Euripides hem eerstdaags
-ongetwijfeld tot den held van een roerend stuk zal maken!”
-
-De Atheners lachten, Meno knarste op de tanden en riep: „Lompe honden!
-Met viooltjes bekranste honden!”
-
-Men wilde hem afranselen; doch hij hitste zijn hond tegen de aanvallers
-aan.
-
-Thans nam men steenen op, om ze hem naar het hoofd te werpen. In dit
-oogenblik echter kwam Socrates er bij, die zich over den man erbarmde
-en hem met zich uit het gedrang voerde.
-
-De menigte verstrooide zich daarop. Pamphilus, heftig vertoornd
-weggaande, kreeg Pericles in ’t oog, trad op hem toe en vervolgde hem
-den ganschen dag, zoo dikwijls hij hem zag, met smaadwoorden.
-
-Wederom liep hij achter hem en zeide: „Gij zijt een tyran, evenals
-Pisistratus! Slechts in schijn handhaaft gij de volksregeering.
-Inderdaad echter zijt gij het alleen, die de teugels van Athene in
-handen hebt.”
-
-Pericles zweeg.
-
-„Gij wilt de Atheners in een oorlog wikkelen,” vervolgde Pamphilus,
-„ten einde het roer in handen te houden en geen rekenschap af te
-leggen!”
-
-Pericles antwoordde niets.
-
-„Gij laat de verdiensten van andere mannen, die niet minder dan gij
-voor redenaars en volksleiders geboren zijn, geen recht wedervaren!”
-schreeuwde Pamphilus.
-
-Pericles bleef zwijgen.
-
-„Gij hebt uwe heerscherskunst geleerd in den omgang met Sophisten en
-boeleersters!—Gij hebt de kracht van het Atheensche volk door
-toenemende weelderigheid en verwijfdheid ontzenuwd!”—
-
-Toen Pamphilus deze woorden uitgilde, was Pericles bij zijn huis
-gekomen. Er heerschte reeds volkomen duisternis op de straten. Pericles
-had volgens Atheensch gebruik een slaaf met een brandende fakkel achter
-zich.
-
-De slaaf klopte aan de deur. De portier opende. Pamphilus stond er nog
-altijd.
-
-„Breng dezen man met uwe fakkel terug door de straten; want het is zeer
-donker geworden!” zei Pericles tot den slaaf en ging rustig zijne
-woning binnen.—
-
-Nog altijd bezocht Socrates, nu eens in gezelschap van zijn
-boezemvriend Euripides, dan weder alleen, gedurig Pericles’ woning. Nog
-altijd bezocht hij Aspasia, nog altijd hield hij er veel van zich met
-haar te onderhouden, alleen klonken zijne woorden steeds duisterder,
-raadselachtiger, steeds meer als orakels.
-
-Weinige dagen na die belangrijke vergadering op de Pnyx betrad Socrates
-wederom het huis van Aspasia. Weldra was hij in een levendig gesprek
-met haar gewikkeld. Aspasia sprak met blijdschap over den ophanden
-zijnden strijd met de Doriërs, doch met weerzin en afkeuring over de
-partijschappen op de Agora, over de vijandelijke plannen van den
-Erechtheüs-priester, over de kuiperijen der Laconisten, over de ruwheid
-der demagogen. „Ter wille van die barbaarschgezinde mannen,” zeide zij,
-„zullen wij wellicht spoedig den tanenden bloei van Hellas
-aanschouwen.”
-
-„Den tanenden bloei van Hellas!” riep Socrates. „Hoe is dat mogelijk?
-Gij vergist u zeker! Hoe lang toch is het geleden, dat gij zeidet, dat
-Hellas zijn heerlijksten bloei naderde? Sinds dien dag, toen wij in
-feestvreugde op de Acropolis voor het voltooide Parthenon stonden en ik
-reeds het oogenblik van dien hoogsten bloei gekomen achtte, gij echter
-beweerdet, dat onze kunst wel is waar bijna goddelijk was geworden,
-maar dat er nog veel aan ontbrak, om ook ons leven geheel en al in elk
-opzicht tot het schoone op te voeren—sinds dien dag zag ik met
-gespannen verwachting naar het beloofde oogenblik van den heerlijksten
-bloei uit en wacht daarop met ongeduld. En daar ik van bloemen in het
-Oosten gehoord heb, die slechts in één enkelen nacht, heimelijk door de
-oogen van Zeus bestraald, haar wonderkelk ten volle ontplooien, dacht
-ik, dat de bloeitijd der stervelingen misschien ook van dien aard was,
-en deze gedachte liet mij, om zoo te zeggen, ook des nachts geen rust;
-ik vreesde steeds, dat ik slapend het schoonste oogenblik zou kunnen
-verzuimen. Bijzonder echter heb ik dat gansch nieuw en merkwaardig
-liefde- en huwelijksverbond, ’t welk Pericles en gij vóór mijn beeld
-der Chariten op den burg gesloten hebt, steeds in gedachte gehouden;
-want als dit gelukte scheen mij juist de schoonste bloei van het
-Helleensche leven verzekerd. En daar gij ons, die om u stonden, toen
-uitdrukkelijk tot getuigen riept, heb ik mijn plicht als zoodanig
-voortdurend trouw bij u vervuld; want ik heb het ernstig opgenomen en
-ik achtte mij geroepen, niet alleen voor een oogenblik, maar voor
-altijd, een nauwlettend getuige te zijn van dat wondervolle verbond.
-Evenals men in een tuin een bijzonder zeldzaam en vruchtbeloovend
-boompje dag aan dag bezoekt, immer vreezende, dat men het eens door
-eene ruwe hand geschonden, door de vorst bevroren of door de zon
-verschroeid zal vinden, en zich telkens opnieuw over zijne ongestoorde
-frischheid verheugt, zoo kom ik tot u, niet meer om te hooren als
-vroeger, maar om te zien, wat de liefde is—en hoe zij zich ontwikkelt,
-van welke beginselen zij uitgaat en tot welke doeleinden zij voert. ’t
-Is zeker eene gewichtige zaak, als de Ioniërs en de Doriërs zich
-eindelijk tot een beslissenden strijd uitrusten; maar schier nog
-gewichtiger is mij de geschiedenis van uw liefdeverbond en de
-beslissende strijd, dien gij buiten en in u voert. Want de volkeren
-zijn onsterfelijk of hebben althans een lang bestaan; hunne lotgevallen
-kunnen altijd weder veranderen en zich vernieuwen; ’t lot van den
-mensch echter is in een engen kring besloten; zooals het valt, zoo
-blijft het meestal; want tot verandering en vernieuwing gunt de Parce
-geen tijd. Ik volg met belangstelling de in- en uitwendige,
-voortschrijdende geschiedenis uwer zoo zonderlinge, op de vrijheid
-gegrondveste liefde. En hoe zacht die ontwikkeling ook voortgaat, mijne
-zinnen zijn niet te stomp om ze op te merken.”
-
-„Dus zijt gij,” zei Aspasia, „van een minnaar een toeschouwer en
-getuige van eene vreemde liefde geworden?”—
-
-„Sinds dien dag in het Lyceüm, waarop gij van mij wegliept en mij
-toeriept, dat ik aan de Chariten moest offeren,” hernam Socrates,
-„sinds dien dag heb ik aan de Chariten geofferd: doch te vergeefs, naar
-het schijnt. Niet fijner zijn mijne lippen, niet innemender mijne
-trekken geworden. En sinds dien tijd heb ik begrepen, dat het zelden of
-nooit aan één en denzelfden sterveling beschoren is de schoonheid met
-den geest te vatten en tegelijk met de zinnen te genieten.”
-
-Aspasia twijfelde of de gloed, dien toenmaals in de ziel van den
-jeugdigen denker voor een oogenblik geblaakt had, thans wel ten
-eenenmale was uitgedoofd.
-
-De gelegenheid scheen zich thans aan te bieden voor het sinds lang
-gekoesterde plan, om eene kleine wraak te nemen op den wijsgeer en hem
-opnieuw te deemoedigen en te beschamen.
-
-Met sluwe geveinsdheid sprak zij dus:
-
-„Dat oogenblik in het Lyceüm, waaraan gij na langen tijd nu weder
-herinnert, is ook uit mijne gedachte niet verdwenen, en, ik wil het
-eerlijk bekennen, ik betreurde menigmaal in stilte, dat ik zonder
-redenen en in eene verkeerde meening u heb beleedigd, toen ik mij van u
-verwijderde met de vermaning, dat gij aan de Chariten moest offeren;
-gij hebt die woorden opgevat, alsof ik had willen zeggen, dat gij, om
-bemind te worden, eerst de eigenschappen moest zoeken te verwerven, die
-beminnelijk maken. Ik had moeten bedenken, dat gij een wijsgeer zijt,
-wien ’t niet in den zin kon komen, ernstig naar mijne liefde te
-streven. Sinds dien tijd was ’t mij altijd, Socrates, alsof ik u eene
-voldoening schuldig was.”
-
-„Gij aan mij?” zei Socrates met een pijnlijken glimlach. „Neen, gij
-hebt geene verontschuldiging noodig; ik zelf meende integendeel er eene
-bij u noodig te hebben, sinds dat oogenblik.”
-
-„Ik was toen zoo heel dwaas!” hernam Aspasia. „Zonder eenigen schroom
-zou ik thans mijn hoofd tegen uwe borst leggen, want thans ken ik u.”—
-
-Aspasia zat met Socrates in een vertrek, dat zeer gezellig en weelderig
-ingericht was en vervuld van welriekende, bedwelmende geuren, die van
-Aspasia zelve schenen uit te stroomen; want zij was, evenals de Goden
-en Godinnen van den Olympus, steeds met eene hemelsche lucht omgeven.
-Zij straalde van onverwelkbare, bloeiende schoonheid en een
-betooverende glans van opgeruimdheid lag op haar gelaat. Zij scheen in
-de voortreffelijkste luim te zijn—wanneer er van iets zoo onbelangrijks
-als luim bij Aspasia sprake mocht zijn.
-
-Eene duif vloog in de kamer rond. Het was de gevleugelde lieveling van
-Aspasia, een fraai diertje, met glanzend witte vederen en een
-bevalligen, lichtgrijzen ring om den hals.
-
-Telkens vloog de duif op den schouder van Aspasia en pikte de gewone
-lekkernijen tusschen de lippen der schoone weg. Nu en dan vloog zij ook
-op het hoofd van Socrates en ging daar zoolang zitten, dat Aspasia
-herhaalde malen zich verplicht achtte zelve den gast van den lastigen
-vogel te bevrijden, waarbij zij natuurlijk zijn hoofd moest aanraken.
-
-Toen zij nu met moeite de duif van Socrates’ schedel had weggejaagd,
-fladderde deze weder rond en liet zich elders neder, na vooraf haar
-„kir, kir” te hebben doen hooren.
-
-„Als het niet algemeen aangenomen was, dat het gekir der duiven zacht
-en liefelijk klinkt,” zeide Socrates, „zou ik het met mijn slechten
-smaak voor leelijk houden. Ik zou het een sterk onderdrukt gehinnik
-noemen.”
-
-„Hoe?” riep Aspasia, „gij smaadt den vogel van Aphrodite? Pas op, dat
-niet de vogel of de Godin zelve zich op u wreke!”
-
-„Dat hebben zij reeds te voren gedaan!” hernam Socrates.
-
-„Onnaspeurlijk is de raad der Goden,” zeide Aspasia; „nu eens zijn zij
-ongunstig en onthouden ons hunne gaven, dan weder zijn zij genadig en
-schenken tienvoudig, wat zij vroeger weigerden. De luimigste echter van
-alle Godinnen is Aphrodite. Zij verlangt volstrekt, dat iemand, die
-eene gunst van haar begeert, het rechte oogenblik en de rechte luim
-afwacht en gedurig aanhoude. Dwaas is hij, die slechts eenmaal zijn
-geluk bij haar beproeft. Weet gij dat niet, Socrates? En doen de
-schoonen niet wellicht evenzoo als de Godinnen?”
-
-„Ik weet het niet,” hernam Socrates; „want ik heb het nooit beproefd.”
-
-„Daar hadt gij ongelijk in!” zei Aspasia. „Het is dus uwe schuld, dat
-gij niet weet of Aphrodite en de vrouwen u gunstig zijn of niet.”
-
-Op die zonderlinge en tergende wijze onderhield zich Aspasia met den
-wijze. Daarbij liefkoosde zij de duif en kuste haar. Socrates
-herinnerde zich niet, haar ooit zoo opgewekt tot uitgelatenheid toe
-gezien te hebben. Hoe dartelder en aanvalliger zij werd, des te
-stiller, afgetrokkener en ernstiger werd hij zelf.
-
-Wederom vloog de duif onder een gekir, dat thans veel van een
-schaterlach had, op den schedel van Socrates. Ditmaal echter raakte zij
-met de kleine nagels harer pootjes zoo vast in zijn hoofdhaar verward,
-dat zij niet meer los kon komen. Aspasia haastte zich haar ter hulp te
-komen en hare nagels uit zijne haren te bevrijden. De onmiddellijke
-nabijheid van een welriekend, warm, bekoorlijk vrouwenlichaam
-doortintelde hem van verrukking—de boezem der schoone vrouw golfde vlak
-voor zijn gezicht, vlak voor zijne lippen—slechts de minste beweging en
-zijne lippen moesten den liefelijk hijgenden boezem aanraken. Geen
-zeegolf ruischt zoo verleidelijk, met zulk een groot gevaar om er
-reddeloos in onder te gaan, als de borst eener vrouw.
-
-Socrates’ lippen waren even dicht bij deze liefelijke golf, als zij bij
-den rozenmond der schoone waren geweest toen de peinzende
-waarheidszoeker in vertrouwelijk gesprek met haar in de eenzame zaal
-van het Lyceüm gezeten had.
-
-Slechts de kleinste beweging—en de opnieuw ontvlamde Socrates zou zich
-eene nieuwe beschaming, krenkender dan de vroegere in het Lyceüm,
-berokkend en door een nieuwe overijling van hart en zinnen den triomf
-der listige schoone, zijne heimelijke vijandin, voltooid hebben.—
-
-Wat ging er in de ziel van Socrates op dat oogenblik om?
-
-Rustig en kalm stond hij op en zeide:
-
-„Laat de duif, Aspasia! Ik geloof niet te duur van den wraakgierigen
-vogel bevrijd te zijn, als ik een lok mijner haren in zijn klauw
-achterlaat.
-
-„Ik begrijp het best,” hernam Aspasia op een veranderden, eenigszins
-spotachtigen toon, „ik begrijp het best, dat gij de kaalheid niet
-vreest. De kaalheid gaat immers met de wijsheid gepaard en gij zijt een
-volslagen wijze geworden! Zoo volmaakt wijs, dat gij verdient kaal
-geplukt te worden tot op uw laatste haar toe door de klauwen van den
-aan Aphrodite gewijden vogel.”
-
-„Kaalheid moge den wijze passen,” sprak Socrates, „weet echter, dat ik
-van alles zelfs van den roem der wijsheid afstand gedaan heb, en dat ik
-voor het oogenblik er alleen aan denk, om mijn burgerplicht te
-vervullen. Reeds morgen ga ik met andere burgers, die het lot heeft
-aangewezen, naar het leger vóór Potidaeä. Alcibiades gaat insgelijks
-mede.”
-
-„Van hem schijnt ge dus nog geen afstand gedaan te hebben?” vroeg
-Aspasia, „nadat gij, zooals gij zegt, al het andere hebt opgegeven?”—
-
-„Wij volgen te zamen de roepstem des vaderlands!” hernam Socrates.
-„Vindt gij dit soms niet goed? Geldt het niet de Doriërs te
-bestrijden?”
-
-„Zijt gij voornemens de Doriërs te bestrijden?” riep Aspasia. „Gij zijt
-zelf een Doriër geworden!”
-
-„Neen,” antwoordde Socrates, „ik meen een echte zoon van den peinzende
-Pallas Athene te zijn.”
-
-„Inderdaad,” hernam Aspasia glimlachend, „gij hebt u, van Eros en de
-Chariten, geheel tot de koele, schier manlijke Athene gewend. Waar is
-die gloed gebleven, die uwe ziel in vlam zette, toen gij in het Lyceüm
-voor de laatste maal mij naar het wezen der liefde vroegt?”
-
-„Mijn liefdegloed, Aspasia,” antwoordde Socrates, „is hetzelfde
-wedervaren, als uwer schoonheid, sedert Phidias uw beeld heeft
-verheerlijkt in de Lemnische Aphrodite. Evenals namelijk uwe
-bekoorlijkheid in dat beeld het aardsche en tijdelijke overtreft, zoo
-is ook mijne liefde veredeld en verheerlijkt, ik zou haast zeggen,
-versteend geworden. Van eene gloeiende kool is zij eene ster
-geworden”...
-
-Op dit oogenblik fladderde de duif op Aspasia’s schouder. Welke daemon,
-welke ondeugende Eros stak in dien vogel.
-
-Zij raakte thans met de klauwen verward op de plaats, waar eene gesp de
-beide smalle einden van den chiton samenhield.
-
-Onstuimig trok de vogel met de pooten, om ze los te krijgen, tot de
-gesp opensprong en de slippen van het gewaad afgleden, ’t welk de
-schitterende witte schouders omhulde.
-
-„Offer deze vogel aan de Chariten!” sprak Socrates, wierp zijn mantel
-over de ontbloote schouders der schoone vrouw en ging heen.
-
-De trotsche Milesische verbleekte—zij greep onthutst met bevende hand
-naar een zilveren spiegel en ontdekte voor de eerste maal met schrik
-eene schaduw van veroudering, die over hare trekken toog.
-
-Was de schoonheid dan niet langer alvermogend? Was er iets, dat haar
-durfde trotseeren?
-
-Eene zachte huivering voer haar door de leden.
-
-
-
-De jonge Alcibiades was zeer in zijn schik, toen eindelijk de wensch,
-dien hij tegen Pericles had geuit, om op het oorlogsveld lauweren te
-mogen plukken, vervuld werd. Hem, zoowel als Socrates, had het lot eene
-plaats aangewezen onder de Atheensche burgers, welke gezonden zouden
-worden ter belegering van de van Athene afgevallen bondstad Potidaeä.
-
-Alcibiades had tot hier toe zijne dolle levenswijze voortgezet en liet
-het bij voortduring niet aan stof ontbreken, die aan de praatzucht der
-Atheners voedsel kon verschaffen.
-
-Hij had het zoogenaamde gezelschap der Ithyphallers opgericht, waarin
-de overmoedigste en uitgelatenste jongelieden bijeen kwamen, om zich te
-zamen aan de meest teugellooze hartstochten over te geven, zooals men
-van een club verwachten kon, die zich naar den onreinen daemon
-Ityphallas noemde. Reeds het tooneel der inwijding was moedwillig en
-dartel in den hoogsten graad. Alleen zij werden in den kring opgenomen,
-die op de gunst van dien daemon in bijzondere mate meenden te kunnen
-bogen.
-
-Om den spot te drijven met het gebruik, dat te Athene een drinkgelag
-vóór het middageten verbood, legde Alcibiades met zijne vrienden
-slemppartijen in den morgenstond aan. In zijne overmoed liet hij zich
-door een voortreffelijk schilder, op den schoot eener jonge hetaere
-gezeten, afschilderen en heel Athene vloeide samen om het portret te
-zien. Hij had een hond, waarvan hij zeer veel hield, wien hij den naam
-van „Daemon” gaf; het was heel kluchtig om te hooren, als hij, evenals
-Socrates, van „zijn Daemon” sprak.
-
-Scheen het alzoo, dat de moedwil die den zoon van Clinias bezielde,
-zelfs Socrates trof, dit belette toch niet, dat hij dienzelfden man
-voor de gansche wereld zijn besten en liefsten vriend noemde. Hij droeg
-inderdaad den denker en waarheidszoeker nog altijd eene bijna
-raadselachtige soort van liefde toe, hoewel dit, naar ’t scheen, niet
-den minsten invloed op zijn doen en laten oefende.
-
-Toen Alcibiades naar Potidaeä trok, geschiedde ook dit niet zonder
-toerustingen, die stof tot spreken gaven. Hij liet zich wapenen van
-eene bijzondere soort maken. Hij had een schild van goud en ivoor. Op
-het schild voerde hij als wapen een Eros, gewapend met de
-bliksemschicht van Zeus.
-
-Eros met de bliksemschicht! Eene schitterende gedachte, een
-Helleenschen kop waardig. ’t Was immers de tijd, waarin, naar ’t
-scheen, de bliksemschicht van Zeus zou overgaan in de handen van den
-gevleugelden knaap...
-
-Eenigen van Alcibiades’ vrienden trokken eveneens te velde. Zij zochten
-hun voorbeeld na te volgen door kostbare en bijzondere soorten van
-uitrustingen. De jonge Callias, de zoon van Hipponicus, trok te velde,
-naar men zei in een pantser, uit eene leeuwenhuid gemaakt.
-
-Er was eene vrouw te Athene, die met diepe droefheid vervuld was, toen
-Alcibiades op ’t punt stond de stad te verlaten; eene vrouw, die langen
-tijd nóch de smart had gekend, nóch de liefde; die niet alleen de
-banden van Hymen veracht, maar ook met de boeien van Eros had gespot,
-eene vrouw, die van zich zelve gezegd had: ik ben geen priesteres der
-liefde, alleen die van het genot.
-
-Die vrouw was Theodota. Zij was het, zooals reeds vermeld is, die de
-jonge Alcibiades als zijne leermeesteres beschouwde, toen hij zich in
-den maalstroom van ’t genot en der jeugdige brooddronkenheid stortte.
-Zijne ijdelheid bracht mede, dat hij boven alles de schoonste en
-beroemdste hetaere van Athene de zijne wilde noemen, deze Theodota,
-welke destijds niet meer op het glanspunt van haar bloei, maar toch nog
-op het toppunt van haar roem stond. Ook Theodota was trotsch op het
-bezit van Alcibiades en niet minder vermeerderde juist deze verovering
-ook weder den roep van haar naam.
-
-Een geruimen tijd verkeerde de jonge Alcibiades met geen vrouw liever,
-dan met de zwartoogige Corinthische, en voerde zijne vrienden zoo
-dikwijls mogelijk bij vroolijke en uitgelaten partijen in Theodota’s
-huis. Hare vroolijkheid niet minder dan hare bekoorlijkheid waren de
-kruiderijen in den schuimenden vreugdebeker van Alcibiades en zijne
-makkers.
-
-Doch Theodota bleef niet altijd zoo vroolijk, als zij in ’t begin van
-haar omgang met Alcibiades geweest was. Te schoon was de jongeling, dan
-dat een vrouwenhart, al had het ook nooit bemind en de liefde voor
-altijd afgezworen, toch niet ten laatste het genot van zijn verkeering
-met hare vrijheid zou moeten betalen.
-
-Weinig had het haar in den beginne gehinderd, als haar jonge vriend ook
-andere vrouwen en hetaeren behalve haar toelonkte. Zij zelve had, als
-hij met Callias en Demus bij haar drinkgelagen hield, jeugdige en
-bekoorlijke vriendinnen in haar huis genoodigd.
-
-Weldra echter meende de jonge aanvoerder der Ithyphallers niet zonder
-misnoegen te bemerken, dat het geheele wezen der Corinthische meer en
-meer veranderde. Zij scheen afgetrokken, ernstig; zij zuchtte telkens,
-hare hartelijke opgeruimdheid scheen als ontaard in eene soort van
-onrust, van onstuimigheid; krampachtig sloot zij soms haar lieveling in
-de armen, als wilde zij hem voor altijd vasthouden; menige traan mengde
-zich in haren kus en als Alcibiades thans eene andere vrouw in hare
-tegenwoordigheid vriendelijk toelachte of liefkoosde, verbleekte zij en
-hare lippen bewogen zich zenuwachtig van ijverzucht.
-
-Deze verandering in het wezen van Theodota viel niet in den smaak van
-den dartelen jongeling, die zich overal den vreugdebeker ten boorde toe
-vol schonk, dien ledigde en weder verder ging.
-
-Gedaan was het voor hem thans met Theodota’s bekoorlijkheid, gedaan met
-hare betoovering. Somber en naargeestig scheen zij thans den jongeling.
-
-In oogenblikken, waarin zij zich aan ijverzuchtige opwellingen overgaf,
-wekte zij zijn toorn op; doch hij vergaf haar dit veel eerder, dan die
-overmaat van dweepende, in tranen uitbarstende teederheid, waarmede zij
-hem lastig viel.
-
-Zij zwoer hem te beminnen, hem alleen toe te behooren. Het was hem
-onverschillig. Het volle bezit eener enkele vrouw, de hoogste behoefte
-voor het hart van den rijperen man, is den jeugdigen losbol zonder
-eenige waarde, ja zelfs lastig.
-
-Alcibiades zeide tot Theodota:
-
-„Sedert gij begonnen zijt met uwe liefdeklachten onder een stroom van
-tranen te kwellen, begint gij mij onuitstaanbaar te worden. Gij weet
-niet, hoe leelijk eene vrouw is, die in plaats van door den glans der
-vroolijkheid en bevalligheid te betooveren, haar gezicht laat misvormen
-door de trekken der ijverzucht, hare eigene wangen, of ook zelfs die
-van den geliefde, met een heeten tranenvloed besproeit en als een Furie
-niets dan heftige klachten uit. Gij verschaft mij niet langer genoegen,
-Theodota! Gij verveelt mij! Niet met sombere klachten en
-hartstochtelijke uitbarstingen kunt gij mij boeien; daarmede voedt en
-verergert gij alleen hetgeen u mishaagt! Zal ik zijn, die ik geweest
-ben, dan moet ook gij weder zijn, die gij geweest zijt!”
-
-Zij trachtte vroolijk te schijnen. Doch het mislukte haar doorgaans.
-Wanneer Alcibiades haar dan verstoord verliet kwam zij tot berouw,
-overstelpte hem met boden en brieven, snelde tot hem, smeekte hem, liet
-zich door den overmoedigen jongeling mishandelen...
-
-Op zekeren dag kwam Socrates ten huize van den jongen vriend en zag de
-vrouw in tranen badend voor den drempel van den onverbiddelijken
-jongeling liggen.
-
-Zij zag hem aan en herkende den man, die eens op hare blijmoedige
-„zelfopoffering” eene zoo zonderlinge lofrede had gehouden. Zij was tot
-deze zelfopoffering niet meer in staat. Zij wilde, wat zij toen zonder
-hinder ontbeerde: beminnen en bemind worden. Jammerend klaagde zij
-Socrates haar leed. Hij sprak haar woorden van troost toe en voerde
-haar weg.
-
-Daarop wilde hij naar Alcibiades terugkeeren, om een goed woord bij
-dezen voor de arme vrouw te doen. Doch hij was zoo in gedachten
-verzonken, dat hij, bij de deur van Alcibiades gekomen, niet
-binnentrad, maar peinzend bleef staan: zoodat Alcibiades, toen hij
-uitging zijn vriend aan den drempel vond.
-
-„Waarover staat gij te peinzen?” vroeg hij.
-
-„Ik meende juist weder het wezen der liefde op ’t spoor te zijn,”
-antwoordde Socrates. „Ik dacht voor een oogenblik gevonden te hebben,
-dat het wezen der liefde daarin bestond, dat men noch tranen vergiet
-noch afperst—dat men noch mishandelt noch zich laat mishandelen—dat men
-noch vertrapt noch zich laat vertrappen—maar in een enkel oogenblik is
-mij dit weder twijfelachtig geworden...”
-
-Toen Alcibiades naar het leger voor Potidaeä vertrok, dankte hij de
-Goden, aan de liefde eener vrouw ontkomen te zijn, die om zijne
-afwezigheid jammerde en zich de haren uit het hoofd rukte.
-
-Na eenigen tijd schreef Alcibiades uit het kamp voor Potidaeä het
-volgende aan Aspasia:
-
-„Gij wenscht van mij te vernemen, hoe onze Socrates het in zijn nieuw
-beroep maakt. Welnu, hij is in het leger voor Potidaeä precies
-dezelfde, als hij voor jaren in de werkplaats van Phidias is geweest.
-Nu eens is hij met den grootsten ijver bij de zaak, dan weder laat hij
-het hoofd hangen en is in ledige gepeinzen verzonken. In heldere
-sterrennachten, als alles rondom in de tenten sluimert, gaat Socrates
-rond en waakt alleen en peinst—en vraagt en zoekt—natuurlijk te
-vergeefs. Hij wil telkens afstand doen van meer te weten, maar
-onwillekeurig wordt hij steeds tot nieuw peinzen en zoeken en vragen
-gedrongen.
-
-„Gij hebt mij eens voor geruimen tijd, toen ik nog een jongen was en
-gij voor een enkelen dag een Spartaansch jongeling voorsteldet, van de
-vriendschapsbanden der jonge Spartanen gesproken, vriendschapsbanden,
-die de jongeren aan de ouderen verbinden en hen tot onafscheidelijke
-wapenmakkers maken. Een dergelijke onscheidbare vriendschap is er thans
-tusschen Socrates en mij ontstaan. En waarlijk, de goede man heeft
-steeds overvloedige gelegenheid om te toonen, dat hij mijn vriend is.
-Ik heb telkens onaangenaamheden met menschen in de omliggende tenten,
-die niet velen kunnen, dat ik in de mijne ’s nachts met goede vrienden
-drink en zing omdat wij hen, zooals zij zeggen, in hun slaap storen.
-Ja, die oude paaien komen er zelfs bij dag tegen op, dat wij vroolijk
-zijn en trekken den neus op, als wij na het ontbijt nog een eindje in
-den dag brassen en pret maken. Zij dienen bij de strategen en
-taxiarchen klachten tegen ons in, en geven voor, dat wij in onze
-dronkenschap tegen hunne slaven en hen zelven allerlei baldadigheden
-plegen. Zoo is er dus altijd en eeuwig gehaspel en soms ook eene kleine
-kloppartij. In zulke gevallen mogen zelfs de strateeg en de taxiarch
-ons niet ontzien, en alleen de voorspraak van Socrates redt den een of
-ander uit het gevaar naar alle regelen van het gymnasium op het zand
-uitgestrekt of ook bont en blauw geslagen te worden.
-
-„Bovendien bevalt mij Socrates, omdat hij dat aanmatigend vertoon niet
-heeft, dat mij de andere sophisten, wijsgeeren en zedeprekers
-onuitstaanbaar maakt. Hij bezit eene soort van zielenadel en nederige
-voortreffelijkheid, waarvan geen mensch in gansch Hellas verder
-verwijderd is dan ik. Maar men bewondert het meest, wat men zelf niet
-heeft en juist de contrasten, naar het schijnt, trekken de menschen tot
-elkander. ’t Is alsof uit zijn overigens aanzienlijk uiterlijk soms
-stralen schieten, als de bliksem eener Godheid, en dit is met de jaren
-steeds krachtiger in hem geworden. Ik heb dikwijls opgemerkt, dat
-iemand, die door dezen bliksem werd getroffen, als geheel verlicht en
-verwarmd scheen: hij bloosde, zijn bloed bruiste, precies alsof hij
-tegenover eene betooverende vrouw stond.
-
-„Onlangs had ik eens met den jongen Callias afgesproken een klein
-nachtelijk avontuur te bestaan. Ons speelde het Homerisch gezang [398]
-van den nachtelijken tocht van Diomedes en Odysseus door het hoofd en
-van den roof der schoone paarden van Rhesus. Nabij de muren van
-Potidaeä wilden wij een bende vijanden overvallen, neervellen en hunne
-wapenen als buit terugbrengen. Wij verlieten dus in stilte tegen
-middernacht het leger en in de nabijheid der stad gekomen, stieten wij
-inderdaad op een hoopje gewapenden, dat de ronde deed. Wij gingen op
-deze knapen los, doodden een paar van hen, terwijl de overigen de
-vlucht namen; dezen echter sloegen alarm, totdat anderen der hunnen
-toesnelden en zoo versterkt maakten zij nog eenmaal rechts-omkeert en
-vielen ons met groote overmacht aan. Wij hielden dapper stand; maar ik
-weet niet, wat er van ons geworden zou zijn, zoo niet eensklaps een man
-als uit den grond was verrezen, zich in het treffen had gemengd en zoo
-dapper en met zulk eene krachtige vuist op de Potidaeërs had
-ingehouwen, dat dezen, nadat eenigen hunner dappersten neergesabeld
-waren, het nogmaals geraden achtten het gevecht te staken en naar de
-muren te vluchten. Die helper was nu niemand anders dan Socrates, wien
-de schoone nacht naar buiten had gelokt, wel is waar niet om op
-avonturen, maar op gedachten jacht te maken; hij dan, buiten het kamp
-ronddolend, had het wapengekletter gehoord en was te rechter tijd ons
-ter hulp gesneld. Bij die gelegenheid heb ik weder gezien, wat die man
-zou kunnen doen, als hij met hart en ziel soldaat en niet daarbij nog
-wijsgeer was. Hij sloeg op de Potidaeërs niet minder geweldig in, dan
-hij vroeger op de marmerblokken in Phidias’ werkplaats hamerde. En
-evenals de steenen, toen hij nog steenhouwer was, het ontgelden
-moesten, wanneer het probleem, dat hem juist bezighield, hem groote
-moeilijkheden veroorzaakte, zoo moesten in dien helderen nacht de
-hoofden der Potidaeërs er voor boeten, dat Socrates juist weder te
-vergeefs getracht had het wereldraadsel op te lossen. Hij kan midden in
-het gevecht naar het gezang van een vogel in de lucht luisteren, of,
-wanneer hij op wacht staat, zijne aandacht, in plaats van op de
-bewegingen der Potidaeërs, op die der sterren aan den hemel vestigen.
-Nog steeds namelijk is hij gewoon het meest alledaagsche opmerkzaam
-gade te slaan en als men hem er naar vraagt, antwoordt hij, dat de
-dingen hem spookachtig voorkomen, omdat hij ze niet begrijpt en omdat
-zij hem haar eigenlijk wezen niet willen openbaren.
-
-„Tegenwoordig zint hij op een plan, hoe men den oorlog onnoodig zou
-kunnen maken, en als hij zelf niet bezig is op de vijanden in te
-houwen, zet hij ons uiteen, hoe afschuwelijk die onderlinge
-menschenslachting is en hoe men eens over menschen, die elkander in den
-krijg vermoorden, niet anders zal spreken, dan men thans over
-menscheneters spreekt en dat er een tijd zal komen, dat men zelfs niet
-zal kunnen begrijpen, hoe het menschelijk geslacht zoo woest en ruw is
-geweest. Hij zegt, dat er een bond onder de wolken moest worden
-opgericht en een opperscheidsgericht ingesteld, waardoor de geschillen
-zouden kunnen beslecht worden. En hij is van oordeel, dat iets
-dergelijks reeds te bereiken ware, als slechts één of een paar staten
-openlijk wilden verklaren, dat zij van stonde aan in iederen oorlog de
-partij van den aangevallene zouden opnemen of van hem, wien onrecht
-wordt aangedaan. Droomerijen, een zonderling waardig! Men mag de zucht
-naar heldendaden, die in den mensch leeft, de vleugels niet knotten;
-bovendien, de wereld zou zonder haat en strijd en oorlog even vervelend
-zijn, als eene wereld zonder liefde.
-
-„Wat mij betreft, het krijgsmansleven schijnt mij best te bekomen. Ik
-ben, geloof ik, reeds veel deugdzamer geworden. Ik matig mij thans in
-alle dingen zóó, dat ik reeds sinds geruimen tijd met mijn vriend
-Axiochus één gemeenschappelijk liefje heb.
-
-„Doch dat zijn dingen, die u vervelen moeten. Vaarwel, Aspasia, en
-schrijf mij nu eens op uwe beurt, hoe toch de stad der Atheners het
-zonder Alcibiades maakt.”—
-
-Een staat van kleinen omvang kan nooit een groot landleger,
-gemakkelijker echter eene groote vloot bezitten. Dit was de toestand
-van Athene, toen koning Archidamus van Sparta met zestigduizend
-Peloponnesiërs in Attica was gevallen. Ook de meesten der bondgenooten
-konden Athene alleen ter zee hulp verleenen.
-
-Terwijl de vloot uitgerust werd, vluchtte het volk door Archidamus
-overstroomde dorpen en vlekken naar de stad. Wat in de stad geen
-onderkomen kon vinden, legerde zich onder den blooten hemel tusschen de
-lange muren, en richtte zich daar in, zoo goed en kwaad het ging. De
-geheele ruimte tusschen de stad en den Piraeüs wemelde van deze gasten
-en er ontstond hier langzamerhand eene tentenstad; want die menschen
-woonden onder tenten, die onder beschutting der muren waren opgeslagen.
-Men zag echter de minder gegoeden hun verblijf houden in reusachtige
-tonnen, zooals die te Athene in gebruik waren. Van de muren der stad
-uit kon men de wachtvuren der Peloponnesiërs zien, die in de velden en
-op de wijnbergen hun kamp hadden opgeslagen. Doch, dank den ijver van
-Pericles, waarmede deze sedert lang de stad van versterkingen had
-voorzien, zag deze zich voldoende tegen elken aanval gevrijwaard.
-Getrouw aan zijn oorspronkelijk plan, waarvan hij zich in zijne kalme
-rust ook niet door het levendigst ongeduld der Atheners liet afbrengen,
-zond Pericles alleen de ruiterij buiten de poorten der stad, om deze en
-hare onmiddellijke omgeving te bewaken.
-
-Toen Archidamus van de hoogten van Attica eene trotsche vloot van
-honderd schepen den Piraeüs zag uitloopen en naar de Peloponnesus koers
-zetten, geschiedde wat Pericles vooruit had gedacht en overwogen. De
-Peloponnesiërs, de onaantastbaar sterke stad tegenover zich ziende en
-tevens zich bewust, dat de onverdedigde, niet versterkte steden van hun
-vaderland aan de machtige vloot en de uitgelezen manschap der vijanden
-prijsgegeven waren, braken op, verlieten Attica en trokken terug over
-den Isthmus.
-
-Pericles had er van moeten afzien, om persoonlijk de uitloopende vloot
-aan te voeren. Want hij scheen onontbeerlijk te Athene, zoolang de
-Peloponnesiërs zich nog op Attischen bodem bevonden.
-
-Toen zij vertrokken waren, was Pericles’ eerste onderneming om met een
-klein, maar voortreffelijk uitgerust leger naar Megara op te rukken.
-Het verbitterde volk der Atheners vorderde gebiedend een geweldige
-afrekening met de gehate stad.
-
-Pericles’ afwezigheid van Athene was daarentegen menigeen wederom
-hooggewenscht.
-
-De uilen op de Acropolis ontwaakten in hunne schuilhoeken uit hun
-sluimer en sloegen de vleugels uit.
-
-Diopithes bediende zich van Meno tegen Phidias, begeerig het lang
-beraamde plan, om den grooten man in het verderf te storten, ten
-uitvoer te brengen.
-
-Een ongunstig bekend sycophant, Stephaniscus geheeten, trad op
-aandrijven van Diopithes als eigenlijke aanklager van Phidias op. Deze
-ellendeling was met eene hetaere gehuwd, die, zooals men zei, in zijn
-huis hare nering voortzette, terwijl hij zelf als sycophant den kost
-zocht te winnen. Hij beweerde in zijne brutale aanklacht, dat Phidias
-van het goud, ’t welk hem tot voltooiing van het standbeeld van Athene
-Parthenos ter hand was gesteld, een deel verduisterd en zich zelve
-toegeëigend had. Voorts verweet hij hem, dat hij eene, met den eerbied
-jegens de Goden en hunne heiligdommen onbestaanbare ijdelheid aan den
-dag had gelegd, door in den Amazonen-strijd op het schild der Godin
-zijn eigen beeld en dat van Pericles te beitelen. Als getuige voor het
-verduisteren van het goud voerde hij Meno aan. Deze had vroeger een
-geruimen tijd ook herhaaldelijk in de werkplaatsen van Phidias zich
-opgehouden en er voor zulke giften, als men een bedelaar geeft,
-ondergeschikte diensten bewezen. Gedurende dien tijd nu, beweerde hij,
-had hij eens uit een donkeren hoek bespied, hoe Phidias, wanende niet
-opgemerkt te worden, van het goud, dat hem ter vervaardiging der
-Parthenos op den burg toevertrouwd was, een deel afgenomen en
-weggeborgen had, klaarblijkelijk met het doel om het zich toe te
-eigenen.
-
-Het zaad des lasters, sedert langen tijd door de handlangers van
-Diopithes, ook tegen Phidias uitgestrooid, was welig opgeschoten. En
-zoo vond de aanklager Stephaniscus bij het Atheensche volk een goed
-voorbereiden akker.
-
-De eerwaardige beeldhouwer, die zich juist weder te Athene bevond, werd
-op die aanklacht van Stephaniscus in den kerker geworpen.
-
-De schepper van het schoonste gedenkteeken, dat, naar Pericles zeide,
-het Atheensche volk zich voor alle volgende tijden had opgericht, werd
-op eene schandelijke beschuldiging in de gevangenis gezet.
-
-Evenals Diopithes zich de afwezigheid van Pericles ten nutte maakte,
-waren ook de lage, eerzuchtige opruiers des volks druk bezig, gedurende
-de afwezigheid van den man, die hen allen in toom hield, hun invloed
-onder het volk uit te breiden.
-
-Door het binnentrekken der landlieden in de stad gedurende den inval
-der Peloponnesiërs, was de massa van het mindere volk in Athene zeer
-vermeerderd. Deze menigte had zich bovendien aan zekere lediggang
-gewend en velen waren, ook na den terugtocht van Archidamus, in de stad
-achtergebleven, omdat hunne hoeven door de vijanden verwoest waren.
-Langzamerhand vormde zich datgene, wat men gepeupel noemt, terwijl het
-getal der onbemiddelde burgers toenam. Maar juist die hongerlijders
-stroomden het drukst naar de volksvergadering; want daar kregen zij
-immers hunne twee obolen in contant geld. Derhalve waren de
-volksvergaderingen op de Pnyx talrijker bezocht en luidruchtiger dan
-ooit. Cleon, Lysicles en Pamphilus durfden zich meer openlijk
-uitspreken en het Atheensche volk werd allengs er aan gewoon lieden van
-dit slag het redenaarsgestoelte te zien beklimmen.
-
-Van deze drie mannen was Pamphilus het krachtigst van meening, dat men
-beproeven moest Pericles ten val te brengen. Eens stond hij op de
-Agora, omstuwd door een groot aantal Atheensche burgers, en zette hun
-uiteen, op welke gronden men Pericles kon aanklagen. Hij schold hem een
-lafaard, die het Attische land door den vijand had laten verwoesten en
-die den burgers tyranniek de wijze voorschreef, waarop zij zich moesten
-verdedigen; gedurende den geheelen tijd, dat de Peloponnesiërs op
-Attischen bodem gestaan hadden, had Pericles geen volksvergadering op
-de Pnyx bijeen geroepen, alleen om geheel naar persoonlijke willekeur
-te kunnen heerschen.
-
-Er bevonden zich velen onder de menigte, die van Pamphilus’ meening
-waren; in het bijzonder drong zich een zekere Crespilus op den
-voorgrond, die den worstenmaker in woest getier tegen Pericles trachtte
-te overtreffen en die de noodzakelijkheid aantoonde, den strateeg bij
-het volk onmiddellijk in staat van beschuldiging te stellen.
-
-Daar kwam plotseling de barbier Sporgilus aanloopen. „Goed nieuws!”
-riep hij uit de verte. „Een handvol geld voor den brenger van goede
-tijding!—Pericles is op de terugtocht van Megara! Hij is reeds met zijn
-leger in Eleusis! De Megarensers heeft hij naar behooren getuchtigd, en
-nog heden zal hij in Athene zijn!”
-
-Pamphilus werd bleek van gramschap.
-
-„Een handvol geld verlangt gij?” hernam hij met onderdrukte stem; „de
-tong moest men u uitsnijden voor uw nieuws, hondsvot!”
-
-Ook op de overige samenzweerders maakte het bericht een zeer
-ontmoedigenden indruk, en hoewel Pamphilus ook nu nog de menigte zocht
-op te ruien, sloop toch de een voor, de ander na weg en men oordeelde
-dat het moeilijk was tegen den zegevierend terugkeerenden Pericles iets
-uit te richten en dat men de zaak tot eene betere gelegenheid moest
-uitstellen.
-
-Toen nu ook Crespilus schouderophalend wilde afdruipen, greep de
-vertoornde Pamphilus hem bij zijn kleed en schreeuwde: „Lafaard!
-Ellendige overlooper! Schaamt gij u niet enkel bij het woord: „Pericles
-is in aantocht!” schandelijk de vlucht te nemen?—Zie naar mij! Ik ben
-volstrekt niet bang Pericles in eigen persoon onder de oogen te komen!
-Ik heb moed! Ik ben geboren op den dag van de zege bij Marathon!”
-
-„Ik niet!” hernam Crespilus. „Ik was een der kinderen die in den
-schouwburg te Athene door de van schrik ontstelde moeders te vroeg ter
-wereld gebracht werden, toen men de Eumeniden van Aeschylus opvoerde!”—
-
-Met deze verontschuldiging rukte Crespilus zijn kleed los uit de handen
-van Pamphilus en ijlde weg.
-
-„Weg zijn zij,” riep de demagoog tandenknarsend, „weg zijn zij, die
-vervloekte kerels—uit elkander gestoven, als had men een emmer vuil
-water over hunne hoofden uitgestort!”
-
-Daar kwam de dolle Meno tot hem en vroeg hem naar de oorzaak zijner
-verbittering.
-
-Hij klaagde hem zijn nood.
-
-„Gek!” zei Meno met een grijnslach. „Wilt gij een muur omver werpen en
-duwt gij er te vergeefs met den schouder tegen? Leg u er onder en ga
-slapen: te zijner tijd valt hij van zelf over uw hoofd ineen!”
-
-
-
-
-
-
-
-XXIII.
-
-HET DIONYSUS-FEEST.
-
-
-Met dubbelen luister, met dubbele levendigheid werden, na het herademen
-uit den treurigen oorlogsnood, de winterfeesten gevierd. Ten volle
-echter is de vroolijke lust ontketend, sedert de lucht zachter begon te
-waaien en de tijd van het grootste der Bacchus-feesten, de tijd van de
-groote, in de stad gevierde, Dionysiën aanbrak. In de wouden vertoont
-zich de wouw, vroolijk snateren aan het strand de halcyonen en aan de
-kroonlijsten tjilpen de zwaluwen. Op de hoogten van den Hymettus, den
-Pentelicon, den Lycabettus ontluikt in iederen struik de lente.
-Viooltjes en anemonen, primulae veris en crocussen openen hunne knoppen
-en de op de weiden vergeten staf des herders is des morgens met bloemen
-getooid.
-
-De zeelieden in de haven winden de ankers, maken het takelwerk los,
-richten de masten op en zetten de zeilen naar de wind. Nieuw leven
-ontwaakt op de baren van den Saronische golf. De afgezanten der
-verbonden steden en eilanden komen en brengen hunnen cijns juist ten
-tijde van het feest naar Athene. In alle herbergen, in alle huizen der
-Atheensche burgers wemelt het van gasten, die van heinde en verre zijn
-gekomen. Met kransen getooid, in feestgewaad gedost, dolen thans van
-den vroegen morgen af zwermen van stedelingen en vreemden door de
-straten. Niet alleen zijn alle in het openbaar staande altaren en
-Hermesbeelden met kransen omhangen, maar ook geweldige mengvaten zijn
-er nevens geplaatst, met de gaven van Bacchus gevuld, door de rijken
-ten offer gebracht en het volk tot vrij gebruik aangeboden. Wederom
-biedt Hipponicus aan inboorlingen en vreemden in den Ceramicus een
-gastvrij onthaal, door iedereen, die komen wil, tot zich te noodigen en
-hen in de open lucht op met klimop bekranste kussens te ontvangen.
-
-Vergeten is de krijgsnood, de twist der partijen houdt een
-wapenstilstand, de aanslagen van Diopithes rusten voor een oogenblik in
-hun anders rusteloozen gang. Alleen genot en vrede heerschen. Wel is
-waar overal klinkt luider de scherts en het vroolijk gelach—en dubbel
-scherp is thans de geestigheid, dubbel roerig de tong des
-Atheners;—maar wee hem, die in dezen tijd geweld pleegt aan een
-Atheensch burger! Niet eens de verzachtende omstandigheid van
-dronkenschap beschermt hem: zijn hoofd en leven is verbeurd.
-
-Hoe komt het, dat men nu op eens zoovele bekoorlijke vrouwen in
-Athene’s straten ziet? Wie zijn die vroolijk lachende, rijk uitgedoste,
-verleidelijke schoonen? Het zijn hiërodulen uit den tempel van
-Aphrodite te Corinthe en andere priesteressen van het genot, die het
-getal der inheemsche hetaeren vermeerderend, uit de verschillende
-steden van Griekenland zijn samengekomen tot het vroolijkste en
-uitgelatenste feest der Atheners.
-
-He! wat een mengelmoes van vreemd, ronddolend volk heeft de vroolijke,
-dartele Dionysische feesttijd herwaarts gelokt! Ziet die behendige
-goochelaars en wondermannen met hunne door de zon donker gekleurde
-gezichten! Ziet, hoe zij voor aller oogen zwaarden inslikken of een
-vuurregen uit den mond spuwen! Ziet daar die Thessalische meisjes, die
-haar zwaardendans uitvoeren te midden van een haar verbaasd aangapenden
-troep! Er ontbreekt geen enkele vertooning, zelfs de rondtrekkende,
-overoude poppenkast niet, noch de bont versierde, op kameelen dansende
-aapjes.
-
-Ook neringdoend volk is van heinde en verre gekomen en slaat zijne
-winkels op, midden in het gewoel der Agora, in den Piraeüs en langs den
-Ilissus.
-
-Troepen landlieden mengen zich onder de stedelingen en deelen met hen
-de feestvreugde, verzamelen zich om hunne lievelingen, de Thebaansche
-fluitspelers, die anders blazend de landelijke streken plegen te
-doortrekken, of brengen het lievelingsspel van hun landelijk
-Dionysus-feest in de stad over: het springen op geöliede zakken,
-waarbij ieder zich met de bloote voeten op den gladden bal tracht
-staande te houden, onder uitbundig gelach der toeschouwers, ondanks al
-zijn gespartel, steeds naar beneden glijdt.
-
-Uitgelatener heerscht de vreugde in de straten, zoodra de duisternis is
-ingevallen. Dan zwerven talrijke scharen rond: zij hebben bellen en
-dragen fakkels en zijn met bloemen bekranst; daaronder zijn vrouwen,
-die mannenkleeren aan hebben, en mannen in vrouwengewaad—met de handen
-wordt geklapt onder het geraas der bellen, waarmede als met cymbalen de
-maat geslagen wordt bij het gezang.
-
-Velen loopen gemaskerd. Sommigen hebben enkel hunne gezichten met
-wijnmoer bestreken of met menie of zich een masker gemaakt van
-boombladeren of boomschors. Anderen echter dragen fraai geschilderde
-maskers, deels van een deftig, deels van een belachelijk voorkomen:
-hier zwerft de gehoornde Actaeön rond, daar de honderdoogige Argus,
-ginds de gedeeltelijk in een paard veranderde Euïppe; Giganten,
-Titanen, Centauren stampen op den grond; Methe [399] bedwelmt, Pitho
-[400] vleit, Apate [401] lokt, Hybris [402] is dolzinnig en zelfs
-schrikgestalten mengen zich somwijlen onder de reien.
-
-Het talrijkste echter, ja overheerschend, zwerven in de straten de
-Satyrs met bokspooten en de Silenen met kale hoofden, die oude maar nog
-altijd vroolijke Satyrs. Zij hebben de hoofden bekranst met het altijd
-groene klimop. Ook Bacchanten dolen rond; zij dragen als Thyrsus
-dikwijls alleen een wingerdtak met klimop omwoeld.
-
-Uitgelaten dartelheid, ja dronkenschap wordt als een plicht jegens den
-God in deze dagen en nachten beschouwd.
-
-En de God, hij rechtvaardigt in dien tijd zijn bijnaam van den
-„Bevrijder”. Zelfs de gevangenen worden voor de dagen van het feest uit
-hunne kerkers ontslagen: op de graven der dooden wordt wijn geplengd.
-Men wil de schimmen bevredigen, die immers niet zonder afgunst de
-vreugde der levenden ontberen. Ja, zelfs de bijgeloovigen willen weten,
-dat de zielen der afgestorvenen zich soms in dezen tijd in de reien der
-feestvierenden mengen en dat onder menig Satyrmasker een ontvleeschde
-doodskop verborgen is.
-
-De eerwaardige Telesippe kauwt in die dagen ijverig de bladeren van den
-hagedoorn en laat haar deur met teer bestrijken; want alleen op die
-wijze is het onheil af te wenden, dat ten tijde der groote Dionysiën
-den levenden van den kant der afgunstige schimmen bedreigt.
-
-Schier huiveringwekkend is het inderdaad te zien, hoe des nachts nu
-hier dan daar in de donkere straten het schijnsel der fakkels zich
-vertoont en een phantastische optocht voorbij trekt onder luidruchtig
-rumoer.
-
-Thans beweegt zich een geweldige stoet door de straten die van het
-Lenaeüm [403] naar den schouwburg voeren. Men draagt het beeld van
-Dionysus uit zijn tempel in het Lenaeüm naar den schouwburg en stelt
-het daar te midden der feestelijke vergadering. Het beeld van den God,
-dat er gedragen wordt, is een pas voltooid werk, een gewrocht van de
-hand des vurigen Alcamenes. Evenals Phidias op den burg naast het oude,
-houten beeld van Athene zijn nieuw, schitterend pronkstuk heeft
-geplaatst, zou wordt ook thans in het Lenaeüm, naast het oude,
-eerwaardige, eenvoudige Dionysus-beeld, het nieuwe, heerlijke werk van
-Alcamenes opgericht. En dit juist draagt men thans naar den
-Dionysus-schouwburg. Scharen Bacchanten omringen het. Wat is dat voor
-een dolle troep, die een zinnebeeld dat vruchtbaarheid voorstelt, voor
-den God uitdraagt en liederen aanheft ter eere van Priapus? Het is
-Alcibiades met zijn Ityphallergezelschap.
-
-Op de kruiswegen en op de pleinen hield de stoet stil, om drankoffers
-te plengen of offerdieren te slachten.
-
-De platte daken der huizen zijn vol toeschouwers, van welke velen
-fakkels en lampen in de handen houden. Ook de vrouwen ontbreken hierbij
-niet. Weldra voegt de moedwil en scherts van de menschen op de
-dakterrassen zich bij de brooddronkenheid van de dolle menigte op de
-straten.
-
-De jonge Alcibiades schijnt ten toppunt van dolzinnige uitgelatenheid
-te zijn; hij overtreft zichzelven in overmoedige streken aan het hoofd
-van zijn gezelschap.
-
-„Bedenkt,” roept hij zijn Ithyphallers toe, „dat wij, die anders ook
-reeds razen en tieren, op het Dionysus-feest verplicht zijn, dubbel te
-razen en te tieren, als wij niet in dolzinnigheid en overmoed
-geëvenaard en overtroffen willen worden door de nuchterste oude paaien
-van de stad der Atheners!”
-
-Onder zulke aansporingen stormde Alcibiades met zijne makkers, alle
-Atheners kennende en door allen bekend, door de drommen des volks heen.
-
-Toen de nacht was ingevallen, liet hij fakkels voor zich uit dragen en
-voerde de zijnen onder luid getier, voorafgegaan door muziek, naar de
-huizen van mooie meisjes en knapen, om hun serenades te brengen. Die
-muzikanten zelven waren meest fluit- en citherspeelsters, als Maenaden
-verkleed, en daar ook zij, die met eene serenade waren vereerd, zich
-bij den stoet aansloten, begon deze hoe langer zoo meer op een troep
-Bacchanten te gelijken, die zich om den God Dionysus hadden geschaard.
-
-Ten laatste pakt de moedwillige, dronken Alcibiades eene jeugdige
-hetaere, Bacchis geheeten, die hij op zijn tocht ontmoette, aan, en
-dwingt haar zich bij den stoet aan te sluiten. Hij noemt haar zijne
-Ariadne [404] en zich zelven haar Dionysus.
-
-Voor de woning van Theodota gekomen, brengt hij ook haar eene
-luidruchtige serenade en treedt met zijn gevolg haar huis binnen.
-
-Theodota had reeds sinds geruimen tijd den jongen Alcibiades niet meer
-bij zich gezien. Steeds heftiger was haar minnesmart geworden. Nu zag
-zij den geliefden jongeling weder; maar hoe onaangenaam, hoe pijnlijk
-was voor haar hart zijn binnentreden! Dronken kwam hij aan het hoofd
-van een dollen troep. Dat zou zij vergeven hebben, maar hij voerde eene
-jonge, bloeiende hetaere met zich mede, die hij zijne vriendin
-onmiddellijk als zijne Ariadne voorstelde en wier bekoorlijkheid hij in
-overdreven taal begon te roemen.
-
-Nu werd in de vertrekken van Theodota een drinkgelag aangelegd, dewijl
-zij er zich niet openlijk tegen durfde verzetten, hoewel haar hart
-schier van stille smart bezweek. Alcibiades wilde, dat zij vroolijk en
-uitgelaten zou zijn. Hij begon in zijne dronkenschap van streken te
-verhalen, die hij dezen avond reeds uitgevoerd had; hij beroemde zich
-een eerbaar, jong meisje midden in het feestgewoel van het Lenaeüm
-gekust te hebben, en prees de zeden en gebruiken, die ten minste op het
-Dionysus-feest de Atheensche vrouwen in haar handelingen vrij maakten.
-Hij sprak van Hipparete, de bekoorlijke dochter van Hipponicus, van
-haar heimelijken minnegloed voor hem, van haar blos, zoodra zij hem
-zag. Daarbij maakte hij zich vroolijk over haar onnoozel, ingetogen en
-jonkvrouwelijk voorkomen. Hij vertelde ook van Cora, het van Arcadië
-naar Athene overgebracht herderskind, het belachelijkste en schuwste
-schepsel, ’t welk er te vinden was en dat toch om elken prijs de zijne
-moest worden. Liever wilde hij van de schitterende Simaetha, van die
-heerlijke, nieuwe parel van schoonheid, dan van het Arcadische,
-hoofdige kind afstand doen.
-
-Na deze uitweidingen begon de jongeling, door den wijn bedwelmd, hevig
-tegen Theodota uit te varen, om hare stilzwijgendheid en haar treurig
-voorkomen.
-
-„Theodota,” riep hij, „gij zijt leelijk geworden! Al dat huilen en
-pruilen misvormt uw gezicht. Ontvangt men zoo een oud vriend, zooals
-ik? Waarover beklaagt gij u? Over mijn moedwil? Zijt gij het zelve niet
-geweest, die mij deze moedwil hebt geleerd? Herinnert gij u niet meer
-die vroolijke dagen en nachten, waarin ik onderricht van u ontving in
-alle soorten van dien schoonen moedwil? En thans? Wat moet dat
-verdrietig en gramstorig gezicht beteekenen? Waarom moet ik nu anders
-zijn, dan in den tijd, toen wij elkander het best bevielen en de
-vroolijkste uren samen doorleefden? Wees verstandig, Theodota! Denk aan
-die verliefde dwazen, wier sombere, teedere dweeperij u eens lastig
-viel en verveelde, zoo dat gij hen meedoogenloos lachend wegjoegt! En
-nu wilt gij zelve eene dweepster worden? Kan men zoo onverstandig zijne
-beste grondstellingen, zijne beminnelijkste eigenschappen verloochenen?
-Wees weder vroolijk en uitgelaten, Theodota! Geef ons een uwer
-prachtige dansen ten beste! Dans, ik wil het en wij allen willen het!
-Laat u nogmaals eens in uw vollen glans bewonderen!”
-
-Zoo sprak Alcibiades. Doch Theodota kon hare tranen niet weerhouden.
-Zij antwoordde met hartstochtelijke verwijten, noemde hem overmoedig,
-trouweloos, misdadig, meedoogenloos.
-
-„Waarvan beschuldigt gij mij,” hernam Alcibiades, „terwijl gij zelve
-ouder geworden zijt en de vroolijkheid der jeugd voor u verloren is
-gegaan? Beschuldig liever den tijd, die ons allen verandert. Ook ik
-moet het voor lief nemen, als ik eenmaal van een jongen Satyr een oude,
-kaalhoofdige Sileen ben geworden. Doch ook als een kaalhoofdige Sileen
-zal ik nog altijd vroolijk zijn. Gij echter zijt op mij verstoord en
-vaart tegen mij uit en tegen het noodlot, omdat gij niet meer een
-bekoorlijk, bloeiend meisje zijt, gelijk Hipparete of Simaetha of deze
-Bacchis hier. Welnu, wilt gij volstrekt weder eene schoone jonkvrouw
-worden, reis dan naar Argos. Daar bevindt zich, zoo men zegt, een
-heiligdom met eene bron, waarin gij u slechts hebt te baden, om weder
-als jonkvrouw daaruit te voorschijn te komen. Ook Hera pleegt, zooals
-de dichters verhalen, van tijd tot tijd dit bad te bezoeken, om zich
-bij den vader der Goden weder aangenaam te maken. Wanneer zelfs de oude
-vader der Goden zulks nog weet op prijs te stellen, zou ik het dan niet
-doen, ik, de levenslustige jongeling, de Ithyphaller-vorst?”
-
-Op deze wijze sprak Alcibiades in overmoedige scherts, terwijl Theodota
-slechts in nog heviger bewoordingen en met een vloed van tranen
-antwoordde; ja zelfs in de overmaat harer woede vergreep zij zich aan
-de jonge Bacchis, zoodat zij eene Maenade geleek.
-
-„Zie eens naar mijn wakkeren vriend Callias,” zei Alcibiades, „die
-heeft tot stelregel geen vrouw meer dan ééns te naderen. En ik—ben ik
-niet telkens weder tot uw drempel teruggekeerd? Ha, bij den zaligen
-Eros, ben ik niet dikwijls genoeg des avonds gekomen met een of meer
-vrienden, met de gouden appelen van Dionysus op de borst, het haar
-omwonden met den populierkrans van Heracles, getooid met purperkleurige
-banden? Maar dat zal nu niet meer gebeuren. Ik denk nooit weder terug
-te keeren, noch alleen noch met anderen! Gaan wij, mijne vrienden! Ik
-verveel mij hier! Vaarwel, Theodota!”
-
-Verschrikt door deze bedreiging hield Theodota den vertoornden
-jongeling terug en beloofde, hare tranen drogend, aan zijne wensch te
-zullen voldoen.
-
-„Welaan!” riep Alcibiades, „dans dan, zooals ik u straks reeds
-verzocht. Doe uw geprezen kunst nog eenmaal eer aan!”—
-
-„Wat zal ik dansen?” vroeg Theodota.
-
-„Gij geleekt zooeven,” hernam Alcibiades, „door den prikkel der
-hartstocht gedreven, veel op Io [405] die door eene door Hera gezonden
-paardenvlieg vervolgd, vertwijfelend over alle landen der wereld
-voortgejaagd werd. Toon ons, als gij wilt, door de kunst veredeld, wat
-ge ons vroeger liet zien in de ruwe, onbevallige werkelijkheid!”
-
-Zwijgend maakte Theodota zich gereed de Io te dansen.
-
-Zij danste onder de muziek der fluiten de geschiedenis van Inachus’
-dochter, hoe zij door Zeus bemind, toen door Hera vervolgd en gebonden
-en op haar bevel door den honderdoogigen Argus bewaakt werd, hoe zij
-door den gewelddadigen dood van haar wachter op last van de
-onverzoenlijke Hera door de vinnig stekende paardenvlieg vervolgd en
-over alle landen werd voortgedreven.
-
-In den beginne had Theodota met moeilijke zelfoverwinning aan het
-geuite verlangen voldaan. Langzamerhand echter scheen zij, al meer en
-meer opgewekt, hare ziel geheel en al uit te storten in ’t geen zij
-voorstelde. Haar mimische dans kreeg een volkomenheid en eene
-uitdrukking, waardoor alle toeschouwers werden medegesleept.
-
-Toen zij echter tot de jammerlijke omdoling van Io overging en de
-ontzetting uitdrukte voor Hera’s toorn en voor het door de Goden
-gezonden, stekende dier, terwijl hare gebaren het karakter van eene
-wilde, hartstochtelijke onstuimigheid aannamen, toen in den angst der
-vluchtende het leed en het verloren liefdegeluk zich schenen te mengen,
-toen kregen de trekken en het geheele uiterlijk van Theodota allengs
-een schier huiveringwekkend voorkomen. Zij speelde met ontzettende
-natuurlijkheid de razende, de vervolgde, de wanhopige.
-
-Maar zij speelde ze weldra niet meer. Hare oogen puilden uit en rolden
-verschrikkelijk in hunne kassen, haar boezem golfde, de geopende lippen
-bedekten zich met een licht schuim.
-
-Zoo wild en onstuimig werden hare bewegingen, dat Alcibiades en zijne
-vrienden verschrikt op haar toeijlden, om haar vast te houden en aan de
-onbeteugelde dolheid paal en perk te stellen.
-
-Thans begon Io-Theodota rustig te worden. Zij zag in den kring rond met
-matte oogen, glimlachte onnoozel en sprak de omstanders met zonderlinge
-namen aan. Alcibiades zelven hield zij voor Zeus, den als Sileen
-verkleeden Callias voor haar vader Inachus, doch in den jongen Demus
-meende zij den honderdoogigen Argus te zien, en plotseling het oog
-strak op Bacchis vestigend stoof zij wederom op in dollen hartstocht;
-verwenschingen uitend tegen de haatdragende Hera, wilde zij zich op het
-meisje storten.—
-
-Theodota was krankzinnig geworden.—
-
-Zij zonk nu uitgeput ineen en stiet verwarde klachten uit in
-onsamenhangende, onzinnige taal.
-
-Alcibiades en zijne makkers werden door eene lichte huivering
-aangegrepen. Maar zij waren dronken van den wijn. Zij lieten de vrouw
-aan hare slavinnen over en zwierden uit Theodota’s woning de straat op,
-waar de luidruchtige, bedwelmende Bacchantische feestvreugde hen in
-haar maalstroom voortsleurde.
-
-Den volgenden dag had een nieuwe omgang met het beeld van Dionysus
-plaats. En ditmaal was het ’t overoude, uit Eleutherae naar Athene
-gebrachte beeld van den God, dat uit het Lenaeüm naar een kleinen
-tempel buiten de stad, in de nabijheid van de Academie, gedragen werd,
-waar het in vroeger tijden was opgericht geweest. Eenmaal ’s jaars, bij
-de groote Dionysiën, werd het beeld voor korten tijd in een
-feestelijken optocht naar de oude plaats gebracht.
-
-Dit geschiedde juist nu weder.
-
-Talrijk en bovenmate prachtig, als ooit te voren, zeer verschillend van
-de eenvoudige wijze der voorvaderen, was ditmaal het feestelijk geleide
-van het beeld des Gods. In alle straten, waardoor het gedragen werd en
-op alle dakterrassen, vanwaar men er op neder kon zien, wemelde het van
-toeschouwers, die zelven in hun tooi van vioolkransen een feestelijk
-gezicht opleverden.
-
-Vooraan in den stoet liepen scharen Satyrs en Silenen in roode
-kleederen, hunne lichamen met klimopranken omwonden.
-
-Vervolgens werd een bekranst altaar rondgedragen, omgeven van knapen in
-purperen gewaad, die wierook, mirre en saffraan op gouden schalen
-droegen.
-
-Dan volgden allerhande vertooningen. Vooreerst een grijsaard achter een
-masker met twee gezichten, die den Tijd voorstelde, daarna de jeugdige,
-bloeiende Horen, die de vruchten droegen overeenkomstig haar
-jaargetijde; voorts eene prachtig uitgedoschte vrouw, versierd met de
-symbolen van het Dionysisch feest, eindelijk een schoon jongeling, die
-den vroolijken Dithyrambus [406], voorstelde.
-
-Verder kwam een schaar van dertig citherspelers die gouden kransen op
-het hoofd droegen en op gouden lieren speelden.
-
-Nu echter volgde een prachtwagen op vier raderen, waarop het beeld van
-Dionysus gevoerd werd. De God was gekleed in een saffraankleurig
-gewaad, waarover een met goud geborduurde mantel geworpen was. Hij
-hield in de rechterhand een gouden beker omhoog, met fonkelenden wijn
-gevuld. Naast hem stond een reusachtig, gouden mengvat. Boven hem was
-een zonnescherm gespannen, waarvan weelderige klimop- en wingerdranken
-nederhingen. De wagen zelf was geheel met kransen omwonden en rondom
-versierd met tragische en comische maskers, genen ernstig en waardig,
-dezen met grappige, grijnzende gezichten op het volk nederziende.
-
-Het onmiddellijke gevolg van den God vormden mannelijke en vrouwelijke
-Bacchanten met loshangende haren, de hoofden met wijngaardrank, klimop
-of struikwinde [407] bekranst.
-
-Op dezen wagen volgde een andere, waarop zich een vergulde wijnpers
-bevond. De wijnpers was geheel met kunstmatige druiven gevuld en dertig
-Satyrs stonden in den wagen en persten schijnbaar de druiven onder het
-aanheffen van een lustig wijnlied, door fluitspel begeleid, terwijl den
-geheelen weg over geurig vocht in een zak van pantervel droop. Om den
-zak echter zweefden Satyrs en Silenen, die drinkend en tierend den
-wijnstroom in bekers opvingen.
-
-Daarop kwam nog een derde wagen. Op dezen was eene grot voorgesteld,
-gehouwen uit heldere schitterende steen, met klimop omslingerd, waarin
-fonteinen van alle Helleensche wijnen sprongen. Bekranste nimfen zaten
-lachend bij deze fonteinen, duiven omfladderden de grot, vlogen uit en
-in en trekkebekten in de groenende twijgen van het klimop. Satyrs en
-Silenen zochten de duiven te vangen, die aan den boezem der nimfen zich
-trachten te redden.
-
-Vervolgens kwamen er reien van zingende knapen, gevolgd door den
-optocht der voorname Atheners op prachtige rossen gezeten, verder
-jongelingen, die gouden en zilveren vaatwerk droegen, aan den dienst
-van Dionysus gewijd.
-
-Luidruchtige scharen sloten zich daarbij aan, en andere vermomde
-personen, die in uitgelaten brooddronkenheid de pracht van den
-feeststoet potsierlijk nabootsten.
-
-Op de Agora werd halt gehouden bij het altaar der twaalf Olympische
-Goden en hier zongen reien van mannen en knapen den Dithyrambus,
-waarbij het koor tegelijk zich in rhytmischen danspas om het altaar
-bewoog.
-
-Deze tonen waren nauwelijks verdoofd en de Dionysische stoet verder
-getrokken, toen een tooneel van de vreemdste en wonderlijkste soort de
-aandacht tot zich trok.
-
-In dien tijd namelijk waren rondtrekkende bedelpriesters van Cybele,
-die men Metragyrten placht te noemen, voorts Sabazius-dienaars,
-apostels van Sabazius [408], een God, oorspronkelijk met Dionysus
-overeenkomende, maar wiens vereering allengs mystiek was geworden,
-alsmede dwepers, die meenden de mystische wijsheid van Orpheus wederom
-te kunnen invoeren, te Athene opgetreden en begonnen hunne leer te
-verkondigen.
-
-De Sabazius-priesters, vereerden en predikten een Heiland der wereld,
-door wien de menschheid van alle kwalen verlost en de sterveling het
-hoogste heil deelachtig zou worden: die Heiland was Sabazius. Zij en de
-Metragyrten trokken rond in de straten met het beeld van den God of ook
-met dat van de moeder der Goden, onder de klanken van het cymbaal en
-den Aziatischen tamboerijn voerden zij dansen uit, waarbij zij zich als
-razende Corybanten gedroegen. Geeseling zelfs en zelfverminking
-pleegden en bevolen zij aan, gelijk de priesters van Cybele op den
-Tmolus. Het geheele land zwierven zij bedelend door, een ezel droeg
-hunne heiligdommen, allerlei geheime middelen verkochten zij en voor
-geld boden zij zich aan, om den toorn der Goden te bezweren, ja zelfs
-gestorvenen van bedreven misdrijven te reinigen en uit de kwellingen
-van den Tartarus te verlossen. Zij waren de verkoopers van en
-onderhandelaars in de hulp der Goden voor de stervelingen.
-
-De geest van den Helleen was niet geheel en al afkeerig van zulke
-dweperij, en hier en daar begon zij in de gemoederen van enkelen wortel
-te schieten.
-
-Niemand zag met grootere verbittering zulke pogingen aan, om een
-somberen en mystieken eeredienst uit het Oosten naar het levenslustige
-Hellas over te planten, dan Aspasia, en met alle middelen, die haar ten
-dienste stonden, streed zij daartegen. De dartele, jonge Alcibiades,
-wien sombere dweepzucht niet minder onbegrijpelijk en een gruwel was,
-stond haar als moedig kampioen tegen die mannen der duisternis en
-kwakzalvers ter zijde.
-
-Gedurende het Dionysus-feest achtten ook de rondtrekkende Metragyrten
-en Sabazius-dienaars de gunstige gelegenheid gekomen, om aanhangers te
-werven voor hun God en Heiland Sabazius en voor zijn fanatieken en
-gruwzamen dienst. Zij trokken rond, met populierloof en venkel
-omkranst, en hielden slangen in de hand, die zij over hun hoofd
-zwaaiden, en dansten, door eene groote menigte volks omstuwd, onder het
-Corybantisch rumoer en cymbalen en tympanen, hun razenden dans, de
-zoogenaamde Sicinnis [409]. Daarbij geeselden en verwondden zij zich
-tot bloedens toe.
-
-Een Metragyrt had eene groote menigte volks om zich heen verzameld en
-predikte met heftige gebaren en luid geschreeuw den verlossenden God
-Sabazius. Hij sprak van geheime wijding, en van de hoogste en den God
-welgevalligste handeling van den ganschen Sabazius-dienst, de
-zelfverminking.
-
-Terwijl de menigte aandachtig luisterde en voor een deel de gemoederen
-bewogen waren door de taal van den Metragyrt, kwam eensklaps de schaar
-der tierende, dronken Ithyphallers daarlangs. Zij hoorden den vreemden
-dweper van den Sabazius-dienst en de zelfverminking spreken.
-
-„Hoe?” riep de uitgelaten aanvoerder der Ithyphallers, „van
-zelfverminking waagt ons iemand te spreken, te midden van de weelde der
-Bacchische feestvreugde? Neen! Zulke taal mag op Helleenschen bodem
-niet gehoord worden, zoolang er nog Ithyphallers zijn!”
-
-Nauwelijks had hij dit gezegd, of de schaar der dronken overmoedige
-jongelingen viel op den Metragyrt aan, sleurde hem voort en, gedachtig
-aan de wraak reeds lang aan zijns gelijken gezworen, slingerde men hem
-in den naburigen afgrond, het Barathron.—
-
-Onder de Bacchanten, die den feeststoet volgden, bevonden zich ook de
-leerlingen van Aspasia.
-
-Hoe zouden zij, die tot vrijheid werden opgevoed, de vrijheid niet
-volop genieten in de dagen, waarop zelfs voor hen, die anders niet vrij
-waren, alle boeien werden verbroken en alle slagboomen vielen?
-
-Ook het Arcadische herderskind, hoewel het zich er met tegenzin in
-schikte, had men als eene Bacchante gemaskerd en zij werd mede
-voortgetrokken door de onbeteugelde reien.
-
-De jonge Alcibiades scheen er groot belang in te stellen, dat aan de
-Bacchanten, die uit Aspasia’s huis kwamen, ook Cora niet ontbrak.
-
-Cora stond wel is waar in schoonheid verre achter bij hare
-speelgenooten. Doch zij was preutsch en haar zonderlinge ernst
-prikkelde den moedwil van den jongeling en voerde hem ten laatste tot
-vermetelheid.
-
-Ter wille van Cora volgde hij met zijne makkers, door Satyrmaskers
-onkenbaar, Aspasia’s meisjes. Het waagstuk, dat hij voornemens was te
-volvoeren, was niets anders, dan de preutsche Arcadische van hare
-speelgenooten af te lokken, of, wanneer hem dit niet gelukte, haar met
-geweld uit haar midden voort te slepen en naar zijn huis te ontvoeren.
-
-Schertsend mengden zich de Satyrs onder de Bacchanten; Alcibiades drong
-zich in de nabijheid van Cora, doch vond haar weerbarstiger dan ooit.
-
-Plotseling vielen, op eene eenzame plaats, die voor de onderneming
-gunstig was, op een wenk van Alcibiades, zijne makkers en hij zelf het
-meisje aan, om het onder de bescherming der reeds aanbrekende
-schemering met geweld weg te voeren.
-
-Doch in het hart der Arcadische ontwaakte dezelfde moed, waarmede zij
-vóór tijden reeds eenmaal een Satyr, die haar aanviel, op de vlucht had
-gedreven. En evenals zij toen een brandend stuk hout uit het vuur in
-het woud had gegrepen, om den vermetele daarmede te verjagen, zoo greep
-zij thans eene harer vriendinnen de fakkel uit de hand en stiet ze den
-vermomden aanrander Alcibiades in ’t gezicht, zoodat zijn satyrmasker
-in brand geraakte en hij in verwarring terugweek. Dit oogenblik maakte
-Cora zich ten nutte, om met de snelheid eener vluchtende hinde weg te
-ijlen en weldra was zij spoorloos uit de oogen harer vervolgers
-verdwenen.
-
-Rusteloos vloog zij met kloppend hart door de straten totdat zij het
-huis van Aspasia bereikt had.
-
-Even als Cora heden onder de Bacchanten, was de jonge Manes, de
-pleegzoon van Pericles, onder de Satyrs opgenomen.
-
-Ook hem had men het masker opgedrongen, ook hij was Xanthippus en
-Paralus tegen zijn zin in het dolle spel gevolgd. Onaangenaam, ja
-beangstigend scheen hem het gewoel, dat hem omgaf. De feestvreugde nam
-een losbandig teugelloos karakter aan. De dolle Meno gedroeg zich op de
-Agora even schaamteloos als zijn hond. Ten laatste werd Manes geheel
-weerloos het mikpunt der spotters. Onbeholpen en schuchter in al zijn
-doen, kon hij de plagerijen en de scherts waarmede hij van alle kanten
-bestormd werd, niet beantwoorden.
-
-„Past op!” schreeuwden eenigen in den kring. „Die naargeestige Satyr
-daar is niet te vertrouwen! Reeds menigmaal zijn bij het Dionysus-feest
-afgunstige schimmen uit de onderwereld onder de levenden geslopen;
-mogelijk is hij Thanatos zelf of de pest!—Scheurt hem het masker af!
-Wie weet welk een grijnzenden kop wij dan zullen zien!”
-
-Het brein van den jongeling werd beneveld, zijn hoofd bonsde, met zijne
-krachtige armen baande hij zich een weg door het gewoel en ijlde naar
-huis terug.
-
-Daar aangekomen sloop hij ongemerkt naar het dakterras, dat op dit
-oogenblik geheel verlaten was. Daar ging hij op eene kleine steenen
-bank zitten, nam het Satyr-masker van zijn gelaat, lei het naast zich
-neder en verzonk in diepe gepeinzen.
-
-Eene diepe zwaarmoedigheid was over zijne trekken verbreid. Hij scheen
-eene heimelijke smart in zijne ziel te dragen. Toen hij zich aan het
-luidruchtig gewoel van het Dionysus-feest onttrok, lag de reden daarvan
-wellicht niet alleen in zijn afkeer van dergelijke uitgelatenheid, maar
-vooral in eene beklemdheid, die ten gevolge van een diepen en machtigen
-indruk, zich van zijne ziel meester maakte.
-
-Reeds lang had Manes op deze wijze, peinzend en treurig met de oogen
-naar den grond geslagen, daar gezeten, met het masker nevens zich.
-Eensklaps stond Aspasia voor hem.
-
-Verschrikt keek hij op. Zwijgend staarde de vrouw des huizes hem
-eenigen tijd in het droefgeestig en sombere gezicht. Toen sprak zij hem
-aldus minzaam aan:
-
-„Hoe komt het, Manes, dat gij de genoegens van uwen leeftijd zoolang
-versmaadt? Voelt gij niets in uw bloed van ’t geen anderen drijft, om
-van den schoonen, vluchtigen, nooit terugkeerenden tijd der jeugd te
-genieten?”
-
-Manes keek getroffen naar den grond en antwoordde niets.
-
-„Hebt gij soms een verdriet of iets wat u hindert?” vervolgde Aspasia.
-„Zijt gij ontevreden in dit huis en zoudt gij liever onder andere
-menschen willen leven? Zijt gij misschien heimelijk op Pericles
-verstoord, omdat hij u van Samos medegenomen heeft, en u als zijn eigen
-zoon in zijn huis heeft doen opvoeden?”
-
-Bij deze woorden van Aspasia stond de jongeling onwillekeurig van zijn
-zitplaats op en met levendige, afwijzende gebaren verwierp hij een
-dergelijke veronderstelling, terwijl een traan in zijn oog opwelde.
-
-Aspasia liet echter niet af naar de reden zijner droefgeestigheid te
-onderzoeken.
-
-Manes antwoordde nu eens met eene lichte zucht, die aan zijn borst
-ontglipte, dan weder met een blos. Zijne hand beefde een weinig. Hij
-waagde zelden op te zien; als hij het echter deed, hadden zijne oogen
-eene diep gevoelige, schier roerende uitdrukking.
-
-De jongeling was zoo houterig en stroef in zijn geheele wezen, en toch
-had hij thans iets teeders, men zou haast zeggen, iets meisjesachtigs
-over zich.
-
-Ieder oogenblik werd Aspasia meer versterkt in haar vermoeden, dat een
-geheim leed aan het hart van den jongeling knaagde.
-
-Liefde kon het niet zijn; want wie zou die stille gloed kunnen gelden!
-Dan toch alleen eene der jeugdige huisgenooten? Maar deze had Manes
-immers altijd schuw en verlegen ontweken? Had men niet alle moeiten
-aangewend, om den jongen man in den vroolijken kring te trekken en
-waren deze pogingen niet altijd mislukt?—
-
-Eene gedachte vloog Aspasia door het hoofd. Eene gedachte, die in ’t
-eerste oogenblik haar schier kluchtig voorkwam, en haar bijna deed
-lachen.—
-
-Maar als de jongeling zijn zielroerend oog tot haar opsloeg, werd die
-gedachte minder belachelijk en Aspasia gevoelde zich, ’t geen anders
-niet in haar karakter lag, door eene opwelling van innig medelijden
-aangegrepen.
-
-Zij werd niet moede de onmannelijke zwaarmoedigheid van den stillen
-jongeling in zachte bewoordingen af te keuren en hem tot de
-vroolijkheid, die aan zijne jeugd voegde, op te wekken.
-
-Terwijl Aspasia zich alzoo met Manes bezig hield, zat Cora eenzaam en
-verlaten in het peristylium van het huis. Zij had, teruggekeerd uit de
-woeste bedwelming der feestvreugde, zich daar neergezet, haar
-Bacchanten-masker afgedaan en naast zich nedergelegd. Zoo zat zij daar
-in diepe gepeinzen verzonken, toen Pericles, toevallig juist naar huis
-teruggekeerd, het peristylium doorging.
-
-Hij was getroffen door ’t gezicht van het meisje, dat daar zoo eenzaam
-en peinzend zat, met het Bacchanten-masker nevens zich.
-
-Hij trad op Cora toe en vroeg haar waarom zij zoo spoedig was
-teruggekomen en zich van hare speelgenooten had afgescheiden, met wie
-zij was uitgegaan.
-
-Cora zweeg. Zij had een krans op haar schoot, denzelfden, dien zij als
-Bacchante gedragen had. Hare hand speelde schier onbewust met de
-bloemen van dien krans, en de grond om haar heen was bedekt met de
-afgeplukte bladeren der bloemen.
-
-Het meisje leverde een zonderling gezicht op, zooals zij op dat
-oogenblik daar zat. Hare houding, het spel met den krans, de ernst van
-het bleeke gelaat, vormde met het gewaad en de zinnebeelden der
-Bacchante, die zij aan of om zich had, een zoo scherp contrast, dat het
-bijna den lachlust opwekte.
-
-Pericles zag haar in het gelaat en sprak haar aan:
-
-„Ik herinner mij niet ooit eene Bacchante met zoo’n droevig gelaat
-gezien te hebben. Mij dunkt, Cora, gij zoudt den Thyrsus veel liever
-weder met den herderstaf verwisselen!—Is ’t niet zoo?—Gij voelt u niet
-gelukkig in dit huis? Gij hebt een heimwee naar uwe vaderlandsche
-bergwouden, naar uwe lammeren en schildpadden.”
-
-Cora sloeg hare oogen even naar Pericles op, die oogen, gelijk die
-eener hinde, en zag hem aan met eene uitdrukking, die nog treuriger was
-dan te voren, doch tevens met een trouwhartigen, schier kinderlijken
-blik, waarin eene toestemming, uit het diepst harer ziel voorkomende,
-scheen te liggen.
-
-„Wilt gij, dat wij u naar huis laten gaan?” vroeg Pericles op een
-hartelijken, vertrouwen inboezemenden toon. „Spreek vrijuit, mijn kind,
-en ik zal alles doen, om u zoodra mogelijk naar uw geboorteland en naar
-uw waarachtig geluk terug te voeren. Wilt gij dit huis verlaten, Cora?
-Spreek!”
-
-Eene zonderlinge uitwerking maakten deze woorden op het Arcadische
-meisje. In ’t eerste oogenblik blonk er een glans van vreugde over haar
-gelaat. Plotseling echter keek zij, als door eene nieuwe gedachte
-getroffen, weder ernstig naar den grond; zij werd bleek, haar boezem
-begon te hijgen, een traan parelde aan hare wimpers.
-
-„Zeg vrijuit,” hernam Pericles, „wat gij wenscht en wat uwe
-opgeruimdheid in dit huis verhindert. Er is zeker iets, dat gij
-mist!”—Pericles sprak deze woorden op een beslisten toon en zag, op een
-antwoord wachtend, het meisje strak in het aangezicht.
-
-„Verlangt gij uit dit huis weg te gaan?” herhaalde hij.
-
-Cora schudde treurig het hoofd, zonder een woord te spreken.
-
-„Uwe droefgeestigheid schijnt dus zonder reden te zijn,” vervolgde
-Pericles, „eene zwaarmoedigheid, die zich als eene soort van ziekte van
-uw gemoed meester maakt. Bestrijd haar, mijn kind! Geef u niet aan hare
-macht over, maar verzet u er tegen! Zie, ook mij zou de daemon der
-ontevredenheid somwijlen willen overweldigen, maar ik worstel met hem.
-Het leven moet vroolijk zijn en genot voor ons: want ware dat niet het
-geval, dan moesten wij immers de dooden benijden. Willen toch niet alle
-menschen opgeruimd en gelukkig zijn en zich blijde met elkander in hun
-bestaan verheugen?
-
-„Waarom zoekt gij de eenzaamheid? Wilt gij ook niet vroolijk en
-gelukkig zijn?”
-
-Wederom sloeg Cora trouwhartig de oogen tot Pericles op en zeide op
-aarzelenden toon:
-
-„Ik ben gelukkig, als ik alleen ben!”
-
-„Zonderling kind!” riep Pericles.
-
-Hij zag Cora zwijgend en peinzend aan. Zij was niet mooi. Hare
-maagdelijke schoonheid was zonder alle betoovering der zinnen.
-
-En toch lag in die maagdelijkheid, in die kinderlijkheid, in die
-zonderlinge gevoeligheid iets, wat eene eigenaardige sympathie in edele
-karakters kon wekken.
-
-Pericles had het ideaal van alle vrouwelijke bekoorlijkheden en
-voortreffelijkheid in Aspasia verwezenlijkt gevonden. Thans trad
-plotseling voor hem de vrouwelijkheid op in eene nieuwe, onbekende
-gedaante. Wat hij hier in Cora voor zijne oogen zag, was verschillend
-van alles, wat hij tot heden gezien, wat hij bewonderd, wat hij bemind
-had.
-
-Niet betooverend, niet verleidelijk scheen hem deze nieuwe soort van
-vrouwelijkheid, maar eene aandoening greep hem aan, even nieuw en
-vreemd, als hetgeen die in hem te voorschijn had geroepen. Hij legde
-zijne hand op het hoofd van het meisje en beval haar krank gemoed aan
-de machtige hoede der goden.
-
-Daarop sprak hij: „Willen we samen Aspasia opzoeken? En toen hij van
-een slaaf hoorde, dat Aspasia zich op het dakplat begeven had, nam hij
-het meisje vriendelijk bij de hand om ze naar hare meesteres te voeren.
-
-Zonderlinge samenloop! Op ’t zelfde oogenblik, dat Pericles in ’t
-peristylium van het huis zijne hand met ernstige aandoening op het
-hoofd van ’t bedroefde herderskind legde, op ’t zelfde oogenblik rustte
-de hand van Aspasia, die haar gesprek met Manes op het dakterras
-geëindigd had, op het hoofd van den droefgeestigen Noordschen
-jongeling.
-
-En ’t was alsof hare hand, met schier moederlijke teederheid zijne
-bruine lokken aanraakte, alsof haar oog met warmte op de trekken van
-den jeugdigen zonderling rustte! Toch zetelde opgeruimde blijmoedigheid
-op haar open, fier voorhoofd en met een kalmen glimlach begroette zij
-Pericles, toen hij met het meisje aan de hand tot haar trad.
-
-„Ik breng u de zwaarmoedige Cora,” zei Pericles tot Aspasia; „ik geloof
-dat zij niet minder dan Manes behoefte heeft aan vriendelijke
-toespraak!”
-
-Terwijl Pericles naderde had hij den blik van warme toegenegenheid
-opgemerkt, waarmede het oog van Aspasia op den jongeling rustte.
-
-Zij volgde zijn nauw merkbaren wenk en hij voerde haar naar een
-afgelegen plek van het dakterras, waar eene rustplaats onder bloeiende
-ranken was aangebracht.
-
-Hier vertelde Aspasia haar gesprek met Manes aan Pericles, deze haar
-het zijne met het Arcadische meisje.
-
-Ten laatste zeide Pericles kalm en ernstig:
-
-„Gij hebt gloeiende blikken, ja zelfs liefdevolle gebaren gebezigd, om
-het sombere gemoed van den jongeling op te beuren!”
-
-„En dat brengt u op de gedachte dat ik liefde voor hem zou gevoelen?”
-vroeg Aspasia. „Neen,” vervolgde zij, toen Pericles zweeg, „ik bemin
-hem niet, want hij is schier leelijk. Zijne plompe wangbeenderen
-beleedigen mijn oog. Maar eene vluchtige aandoening overweldigde mij,
-ik weet zelve niet hoe haar te noemen. Wellicht was het medelijden.”
-
-„Weet gij zoo precies, wat liefde niet is en wat wel?” vroeg Pericles.
-
-„Wat liefde is?” riep Aspasia glimlachend. „Begint gij thans ook mij
-met die dwaze vraag te kwellen?—Liefde is eene zaak, die men niet kan
-afweren, als zij komt, en niet kan tegenhouden als zij gaat.”
-
-„En weet gij er anders niets van te zeggen?” vroeg Pericles.
-
-„Niets, dan wat ik reeds zoo dikwijls gezegd heb,” hernam Aspasia:
-„liefde is een gevoel, dat in tyrannie kan ontaarden, wanneer zij het
-geliefde voorwerp tot een werktuig wil maken, zonder zelfstandigen zin.
-Die onwaardige begeerte moest zij weten te onderdrukken. Zij moest een
-in vrijheid gesloten, in vrijheid gehandhaafd vreugdeverbond des harten
-zijn!”
-
-„Zoo dikwijls gij mij dit herhaaldet,” sprak Pericles, „altijd is het
-mij onwederlegbaar voorgekomen. Mijn kalme, nadenkende geest is daarvan
-nog evenzeer overtuigd, als toen wij zelven zulk een vreugdeverbond des
-harten in vrijheid sloten. Liefde moet die zelfzuchtige begeerte
-opgeven om het beminde voorwerp te bezitten; maar de vraag bestaat nog
-altijd bij mij: kan de liefde dit doen? Is zij in staat die begeerte te
-verwinnen?”
-
-„Zij kan het,” hernam Aspasia: „want zij moet het kunnen!”
-
-„Niet tegen te houden is de liefde, als zij gaat, zeidet gij straks,”
-vervolgde Pericles, na eenige oogenblikken te hebben nagedacht. „Wat
-zal er van ons worden, Aspasia, als haar schoon vuur ook in onze borst
-verdooft?”
-
-„Dan zullen wij zeggen,” hernam Aspasia: „wij hebben met elkander de
-hoogste aardsche zaligheid genoten! Wij hebben niet te vergeefs
-geleefd! Wij hebben op het toppunt van ons bestaan, in de hoogste
-kracht des levens en der liefde, den vreugdekelk geledigd.”
-
-„Geledigd—geledigd”—herhaalde Pericles, schier onhoorbaar in zich
-zelven sprekend. „Gij doet mij daar een woord hooren, dat mij doet
-huiveren”——
-
-„’t Is het lot der bekers geledigd te worden,” zei Aspasia, „en het lot
-der bloemen te verwelken en het lot van al wat leeft schijnbaar te
-verdwijnen, inderdaad echter in eene eeuwigdurende wisseling zich te
-vernieuwen. De plicht van den sterveling echter is ’t, die verandering
-en wisseling om hem en in hem met de blijmoedige kalmte der echte
-wijsheid te aanschouwen. Dwaas zou het zijn zich aan de hielen van het
-voortijlende vast te klemmen. De tijd komt, dat men getroost den beker,
-waarin eens de zaligmakende drank heeft geschuimd, in den afgrond zal
-werpen. Alles streeft naar het toppunt, om dan weder neder te dalen
-langs de ladder der levens tot vernietiging. Alles volgt den loop der
-natuur”—
-
-Nadat Pericles en Aspasia dit gesprek hadden gehouden, maakten zij zich
-gereed zich in huis te begeven; en op de plaats gekomen, waar zij Manes
-en Cora achter gelaten hadden, zagen zij hen beiden in een druk
-onderhoud gewikkeld.
-
-Het platte dak was door Aspasia in eene soort van tuinterras
-herschapen. Daar bevonden zich priëelen ter beschutting tegen de zon en
-hooge, bloeiende heesters, in bakken, met aarde gevuld.
-
-Zulk een heester verborg Pericles en Aspasia, toen zij naderden, voor
-de blikken van den jongeling en van het meisje, die bovendien te zeer
-in hun gesprek verdiept waren, dan dat zij hunne nadering zouden
-bemerkt hebben.
-
-Pericles en Aspasia stonden onwillekeurig een oogenblik stil, hoogst
-verwonderd over dit gezicht. Zij hadden nooit te voren bemerkt, dat
-Manes en Cora zich zoo vertrouwelijk onderhielden, dat de een het
-gezelschap van den ander gezocht had.
-
-’t Was op zich zelf een zonderling tooneel, dat het oog wel tot zich
-mocht trekken, een treurige Satyr en eene zwaarmoedige Bacchante in een
-gesprek met elkander.
-
-Cora vertelde den jongeling van haar Arcadisch geboorteland, van de
-schoone bergwouden, van de schildpadden, van den God Pan, van de
-Stymphalische vogels, van de jacht op wilde dieren.
-
-Manes luisterde met gespannen aandacht. „Gij zijt wel zeer gelukkig,
-Cora,” zei hij daarop, „dat gij dit alles zoo helder voor uw geest hebt
-en het u telkens kunt herinneren. Ik herinner mij, als ik waak,
-volstrekt niets van mijn vaderland en van mijne prille jeugd. Alleen in
-droomen en mijmeringen word ik somwijlen verplaatst in sterk ruischende
-wouden of ik zie ruwe mannen in harige vachten gekleed, op snelle
-paarden gezeten en daarheen rennend over de vlakte. Ik ben dan den
-geheelen dag door treurig, als ik zulke droomen gehad heb en ik ben
-ziek van eene soort heimwee, ofschoon ik geen vaderland heb en ik niet
-weet, waarheen ik mijne schreden het eerst zou richten, als ik het
-wilde opzoeken. Alleen dit weet ik, dat ik noordelijk en steeds
-noordelijk moet gaan, en dikwijls droom ik ook, dat ik naar het Noorden
-trek, altijd meer naar het Noorden in eene onafzienbare ruimte. Gij
-zijt zeker dubbel bedroefd, Cora, dat gij niet naar uw vaderland kunt
-terugkeeren, omdat gij het kent en het altijd gemakkelijk weder zoudt
-weten te vinden. Zeg het mij, Cora, als gij terug wilt keeren naar uw
-geboortegrond; ik zal er u heen voeren en ik blijf er ook; want ik ben
-immers jong en sterk. Waarom zou ik niet met de Arcadische mannen samen
-leven en met hen jagen op de wilde dieren?”
-
-„Neen, Manes,” zeide het meisje, „naar Arcadië moet gij niet gaan,
-omdat u immers het heimwee naar het Noorden heentrekt. Neen ik zou
-volstrekt niet willen, dat gij naar Arcadië toogt, omdat u daar
-ongetwijfeld altijd een onweerstaanbaar verlangen naar uw vaderland zal
-bekruipen. Gij moet koers zetten naar den Hellespont en dan steeds meer
-naar het Noorden, zoo zult gij zeker uw vaderland vinden en wellicht
-zelfs een koninkrijk.”—
-
-„Ik zou wel gaarne naar het Noorden willen trekken,” zei Manes, „maar
-’t zou mij bedroeven, als ik er aan dacht, dat gij hier zijt en te
-vergeefs naar uw Arcadië verlangdet.”
-
-Cora keek peinzend naar den grond en zeide na eene kleine pauze:
-
-„Ik weet niet hoe het komt, Manes, dat ik even gaarne naar het Noorden
-zou willen trekken, als naar Arcadië, zoo wij slechts samen gingen. En
-’t is mij, als zou overal, waarheen we ons begaven, Arcadië zijn.”—
-
-Bij deze woorden van het meisje bloosde Manes en zijne hand beefde
-weder, als altijd, wanneer hij door een groote innerlijke aandoening
-bewogen werd; hij kon eerst geen woord zeggen; na eene korte pauze
-begon hij weder:
-
-„Maar gij wilt zeker veel liever naar Arcadië gaan, Cora, naar de uwen!
-Ik wil u gaarne vergezellen en herder worden, en ’t is mij, alsof ik
-overal, waarheen ik u voer, mijn vaderland terugvind, ja zelfs een
-koninkrijk.”—
-
-Hier stokte zijne stem en hij bloosde weder. Van de straten steeg het
-geraas en getier van den voorbijtrekkenden Bacchanten-stoet naar boven.
-Fakkels schitterden, het genot en gejubel waren ontketend tot volle
-vrijheid—hier boven echter stonden de jongeling en het meisje met
-kranke harten, bleek en sprakeloos en schuchter tegenover elkander, en
-geen van beide waagde het de hand van den andere te vatten en zelfs de
-oogen sloegen zij voor elkander verlegen neer—de Satyr en de
-Bacchante!—
-
-„Zij beminnen elkander!” zei Pericles tot Aspasia. „Zij beminnen
-elkander, die twee: maar met eene zonderlinge soort van liefde, naar ’t
-schijnt. Het is alsof zij elkander geheel en alleen met de ziel
-beminnen.—Zij spreken niet dan van offers, die zij elkander zouden
-willen brengen.”
-
-„Inderdaad,” hernam Aspasia, „met eene soort van liefde beminnen die
-beiden elkander, zooals alleen Manes en Cora die konden gevoelen. Zij
-hebben door de liefde alle vroolijkheid verloren, zij zijn bleek en
-ziek, zij zijn treurig, en hoewel zij weten, dat zij elkaar beminnen,
-hebben zij toch geen genot van hunne wederkeerige liefde: want zij
-durven elkaar niet eens de hand te geven, laat staan een kus.”
-
-„Het is eene schuchtere liefde,” zei Pericles, „eene kuische, eene
-smartelijke, eene onbaatzuchtige, eene zelfverloochenende, eene
-opofferende liefde. Wellicht vergoedt deze soort van liefde door
-bestendigheid en schoone harmonie, wat haar ontbreekt aan zalig en
-bedwelmend goddelijk genot. Wellicht geldt van haar minder, wat gij
-vroeger van de liefde hebt beweerd, dat zij aan den blinden loop der
-natuur onderworpen is.”
-
-„Eene krankheid is deze treurige liefde!” riep Aspasia geprikkeld. „Wee
-den dag, waarop zij is uitgevonden! Niet uit de zee, door het
-morgenrood beschenen, maar uit de Arcadische wateren der Styx verrees
-deze nieuwe, met witte rozen bekranste, bleeke Aphrodite! Deze soort
-van smartelijke, hartstochtelijke liefde is voor de menschen even erg,
-als oorlog en pest en hongersnood. Te Eleusis heb ik deze soort van
-liefde onder het gevolg van den valen Thanatos gezien, en deze gedachte
-was de eenige, die mij beviel, ginds in de Eleusinische, gewijde
-groeven!”
-
-Thans kwamen Pericles en Aspasia uit hun schuilhoek te voorschijn en
-Aspasia voerde het Arcadische meisje met zich naar huis.
-
-Op den avond van dienzelfden dag werd in de woning van Pericles een
-klein feest gehouden, zooals in den tijd der Dionysiën alle Atheensche
-burgers gewoon waren in hunne huizen aan te leggen. Eenige gasten waren
-er, onder wie Callimachus met Philandra en Pasicompsa.
-
-Men was ditmaal niet in de gewone eetzaal des huizes, maar in het
-koeler en ruimer peristylium bijeen gekomen, waar de lucht van den
-zoelen lentenacht van boven verkwikkend binnenwoei.
-
-Pericles had zich naar gewoonte vroeg teruggetrokken.
-
-Plotseling kwam de jonge Alcibiades met eenige zijner vrienden. Hij
-stormde in uitgelaten feestvreugde de deur van het huis binnen en nam,
-met zijne makkers doordringend, onmiddellijk plaats onder de reeds
-vergaderde gasten.
-
-Bij zijne komst vluchtte Cora angstig naar het binnenste deel van ’t
-huis.
-
-Toen Alcibiades dit bemerkte, wilde hij zich bij de bekoorlijke
-Simaetha schadeloos stellen. Deze echter wees hem fier van zich. Zij
-verachtte hem, sedert hij zich zoo diep had verlaagd, om het Arcadische
-herdersmeisje in zijne dolle opgewondenheid met geweld te vervolgen.
-Ook de overige meisjes behandelden hem om dezelfde reden uit de hoogte.
-Langen tijd deed hij zijn best om haar toorn te doen bedaren, maar te
-vergeefs.
-
-„Hoe?” riep hij ten laatste, „Cora loopt voor mij weg, preutsch als
-eene hinde, door de jagers vervolgd—Simaetha keert mij den rug toe—de
-geheele school van Aspasia ziet ernstig en fronst de wenkbrauwen, als
-de oude Anaxagoras—welaan! als gij allen mij afwijst, zal ik mijne
-toevlucht nemen tot de lieve Hipparete, het eerzame, zedige,
-bekoorlijke, bloeiende dochtertje van Hipponicus!”
-
-„Doe dat gerust!” zei Simaetha.
-
-„Dat zal ik!” riep Alcibiades. „Gij zult mij niet te vergeefs afgewezen
-hebben, Simaetha! Alcibiades laat niet met zich spotten! Ik ga morgen
-zoo vroeg mogelijk naar Hipponicus en vraag hem zijn dochtertje. Ik
-trouw, word deugdzaam, doe afstand van alle dolle genoegens en verdrijf
-mij den tijd met Sicilië te veroveren en de Atheners naar mijne pijpen
-te doen dansen!”
-
-„Hipponicus zal u zijne dochter niet geven!” riep de jonge Callias;
-„hij houdt u voor een veel te grooten deugniet!”
-
-Lachend herhaalden de overige gasten: „Hipponicus zal u zijne dochter
-niet geven, gij zijt een veel te groote deugniet!”
-
-„Hipponicus zal mij zijne dochter geven,” riep Alcibiades met nadruk,
-„al had ik hem van te voren ook eene oorveeg gegeven. Wilt gij eene
-weddenschap met mij aangaan? Ik neem aan, Hipponicus een klap om de
-ooren te geven en hem dan zijne dochter te vragen. En hij zal ze mij
-geven.”
-
-„Gij zijt een pocher!” riepen zijne vrienden.
-
-„Laten wij wedden!” hernam Alcibiades: „duizend drachmen, als gij
-wilt!”
-
-„Top!” riepen Callias en Demus.
-
-Alcibiades bood zijn vrienden de hand en zij sloegen toe. De
-weddenschap van duizend drachmen was aangegaan.
-
-„Waarom zou ik mij niet bekeeren en deugdzaam worden,” zei Alcibiades,
-„daar rondom mij zoovele treurige teekenen en wonderen geschieden? Niet
-genoeg, dat Cora mij ontvlucht, Simaetha zich van mij afkeert, Theodota
-waanzinnig is geworden, moest ik ook nog beleven, dat ik mijn oudsten
-en besten vriend verloor? Hij heeft zijne trouw jegens mij verbroken en
-eene vrouw genomen.”
-
-„Van wien spreekt gij?” vroegen eenigen.
-
-„Van wien anders, dan van Socrates?” hernam Alcibiades.
-
-„Hoe? Is Socrates getrouwd?” vroeg Aspasia.
-
-„Zoo is het!” hernam Alcibiades, „in alle stilte heeft hij onlangs eene
-vrouw genomen. Geef hem maar op—gij ziet hem nooit weer!”
-
-„Hoe is dat gebeurd?” vroeg Aspasia verder, „ik heb er nog niets van
-gehoord.”
-
-„’t Zal ongeveer twee weken geleden zijn,” zei Alcibiades, „dat ik in
-eene der stillere straten daarboven aan den Ilissus met een vriend,
-dien ik toevallig ontmoette, stond te praten. Plotseling gaat de met
-bloemen versierde deur van een huis open en eene stoet van fluitspelers
-en zangers, met fakkels in de handen en bekranst, treedt naar buiten.
-Hen volgt eene gesluierde bruid, tusschen den bruidegom en den
-nymphagoog [410]. Deze drie bestijgen een met muildieren bespannen
-wagen, die voor het huis staat, en nemen er plaats in. Onderwijl komt
-de moeder der bruid, met de fakkel, die zij aan den haard van het huis
-der bruid heeft aangestoken; bij haar sluit het overige, in ’t wit
-gekleede gezelschap zich aan, met bloemen bekranst en fakkels dragende;
-de wagen zet zich in beweging en voorwaarts gaat het de straat af tot
-aan het huis van den bruidegom, onder de toonen der fluiten, het
-aanheffen van liederen, onder vroolijk jubelen en dansen. Die bruidegom
-nu was niemand anders dan Socrates, de vriend van Aspasia, de
-nymphagoog was de vrouwenhater Euripides.”
-
-„En de bruid?” vroegen velen.
-
-„Het eenvoudig kind van een eenvoudig man,” hernam Alcibiades, „dat
-echter onmiddellijk de teugels van het huishouden als met ijzeren hand
-heeft aangegrepen, en de kunst verstaat, met het weinige huis te
-houden, dat Socrates nog van zijn vaderlijk erfdeel bezit. Socrates
-getrouwd! De arme waarheidzoeker! De waarheid heeft hij gezocht—eene
-vrouw heeft hij gevonden! Ik herhaal het, er geschieden teekenen en
-wonderen! De oude wereld wil, naar ’t schijnt, zich uit het oude spoor
-losrukken. Socrates getrouwd—de vroolijke Theodota waanzinnig; voegt
-men hier nog bij, dat op Aegina en Eleusis, naar men zegt, eenige
-gevallen van pest zijn voorgekomen, die reeds lang op het Aegyptische
-strand spookt, en dat men heden op de Agora een verdacht Satyr-masker
-meent gezien te hebben, waarachter zich Thanatos of de Pest of een
-ander afzichtelijk wezen verbergt—neemt men dit alles samen, dan zult
-ge mij moeten toegeven, dat het in de stad der Atheners vervelend
-dreigt te worden. En wanneer ik daarbij nog de dochter van Hipponicus
-huw, dan krijgt de Helleensche hemel eene sombere tint. Maar heden
-willen wij nog vroolijk zijn—bij Eros met de bliksemschicht! Niet
-langer getreurd en gepruild, meisjes! Laat ons een lustigen, dollen
-strijd beginnen tegen de droevige machten, die ons bedreigen! Laat ons
-met een verachtelijken glimlach alle teekenen en wonderen beschouwen!
-En wanneer dartele lust en genot ook uit geheel Hellas verdwenen waren,
-dan moeten zij nog in dezen kring te vinden zijn. Heb ik geen gelijk,
-Aspasia?”
-
-„Gij hebt gelijk!” antwoordde Aspasia; „in den strijd tegen al het
-sombere zijn wij bondgenooten.”
-
-Zoo sprak zij en liet nieuwe bekers brengen en in het mengvat schuimde
-weder het kostelijk nat; geledigd en nog eens geledigd werden de
-fonkelende bokalen. Vroolijke scherts, gelach en dartel gezang schalden
-door het peristylium en Alcibiades tintelde van den geest van Dionysus.
-
-Zoo was het middernacht geworden. Plotseling gaat in den achtergrond
-eene deur open, die naar het peristylium voert. Uit de deur komt
-langzaam als een spook, met gesloten oogen, Manes te voorschijn—Manes,
-de slaapwandelaar!—Hij had geen deel genomen aan het feest, maar zijne
-stille legerstede opgezocht. Thans echter had de geheimzinnige ziekte
-den slapende uit zijne rust opgedreven.
-
-Bij het gezicht van hem, die met gesloten oogen het peristylium
-doorwandelde, verstomde de luidruchtige vroolijkheid en allen staarden,
-door eene lichte huivering aangegrepen, sprakeloos naar den
-spookachtigen wandelaar.
-
-Nadat hij het peristylium had doorgeloopen, ging hij naar de trap, die
-tot het platte dak des huizes voerde. Met vasten tred beklom hij de
-trap en verdween weldra uit de oogen der gasten. Het meerendeel der
-feestgenooten besloot, nadat de eerste schrik voorbij was, hem te
-volgen.
-
-„Zoo straft Dionysus degenen,” riep Alcibiades, „die zich tegen zijn
-blijden, vreugdevollen dienst verzetten. Wij willen den verachter van
-den God bekeeren! Komt! Wij willen hem wekken en hem dan met geweld
-deel doen nemen aan ons feest!”—
-
-Daarop stonden de meeste gasten op en sloegen den weg in naar het
-dakterras.
-
-Toen zij daar gekomen waren, deed zich een gezicht aan hunne blikken
-voor, dat opnieuw angst en huivering in hunne borst wekte.
-
-Manes wandelde op een eenigszins hoog, hellend uitstek van het dak,
-langs den uitersten kant, op eene plaats, waar alleen een maanzieke met
-gesloten oogen gaan kon, ieder wakende echter onvermijdelijk duizelend
-in de diepte zou neerstorten.
-
-Inmiddels waren ook de overige huisgenooten op het bericht, dat Manes
-in slaap wandelde, toegesneld.
-
-Ook Pericles verscheen.
-
-Hij huiverde, toen hij den jongeling zag en zeide: „Als hij op dit
-oogenblik ontwaakt, stort hij reddeloos in de diepte. Hem echter te
-naderen en te redden van die plaats is onmogelijk!”
-
-Juist toen Pericles deze woorden sprak, naderde ook Cora.
-
-Ontsteld, doodsbleek, de groote, ronde oogen wijd geopend, het gelaat
-door de loshangende lokken omgolfd, staarde Cora naar den
-slaapwandelaar. Bij ’t hooren der woorden van Pericles voer haar eene
-huivering door de leden; vervolgens echter ijlde zij als op vleugelen
-naar de plaats, waar Manes wandelde, boog zich over het hooge afdak,
-deed met vasten voet, zonder te duizelen, eenige schreden naar beneden
-op de gevaarlijke, hellende baan, greep de hand van den jongeling en
-trok hem van den uitersten rand terug, tot waar zij den veiligen bodem
-onder zich voelde.
-
-Eerst toen Manes gered was, maakte eene duizeling zich van haar meester
-en bezwijmd zonk zij ineen.
-
-Thans was het Manes, die ontwakend en de oogen opslaande, angstig het
-meisje omvatte en het voortdroeg in zijne armen, tot zij weder tot
-bewustzijn kwam en half verschrokken, half verlegen met een blos op de
-kaken henen vlood.
-
-De feestgenooten hadden dit tooneel met verbaasde oogen gadegeslagen.
-Thans schaarden zij zich om Manes en voerden hem onder vroolijke,
-opwekkende woorden naar beneden naar het peristylium.
-
-Alleen Pericles bleef een oogenblik met Aspasia achter.
-
-„Hoe betreur ik het,” zei Pericles tot Aspasia, „dat Socrates geen
-getuige geweest is van dit tooneel!”
-
-„Waarom betreurt gij dat?” vroeg Aspasia.
-
-„Hij zou nu toch wel eindelijk,” hernam Pericles, „gevonden hebben, wat
-ware liefde is.”—
-
-Aspasia zweeg een oogenblik en zag Pericles strak in het gelaat. Toen
-zeide zij: „en gij?”
-
-Pericles antwoordde:
-
-„Mij brengt dit paar eenigszins tot schaamte en in verlegenheid. ’t Is
-alsof het zeggen wil: Treedt gij beiden af van het tooneel en ruimt uwe
-plaats aan ons in!”
-
-Nog eens staarde Aspasia Pericles in het ernstig en peinzend gelaat.
-Toen sprak zij:
-
-„Gij zijt geen Griek meer!”
-
-Weinig in getal waren de woorden, die hier gewisseld werden, maar zij
-waren veelbeteekenend. Zij vielen zwaar in de schaal van het noodlot.
-
-Door die woorden ontstond er als ’t ware eene heimelijke scheuring
-tusschen twee edele zielen, eens zoo schoon en innig verbonden.
-
-Een lang voorbereide stroom van nieuwe, sombere machten, van twijfel en
-inwendigen tweestrijd, was in de ziel van Pericles getogen.
-
-Met dit kort gesprek stortte langzaam en zonder gerucht het grootsche,
-schoone en heerlijke gebouw ineen.—
-
-Met de woorden: „Gij zijt geen Griek meer!” had Aspasia, na een
-laatsten, half toornigen, half medelijdenden blik, haar gelaat van
-Pericles afgewend.
-
-Beiden gingen zwijgend naar beneden: Pericles naar zijn vertrek,
-Aspasia terug naar hare gasten.
-
-Inmiddels hadden de feestgenooten te vergeefs hun best gedaan, om den
-jongen Manes te doen deelnemen aan hun festijn en hem tot den dienst
-van den vreugdegod te bekeeren. Hij had zich losgescheurd en was
-teruggekeerd tot de binnenste vertrekken van het huis.
-
-Thans begon men een tijdlang over Cora te spreken; men bewonderde haar
-moed of liever de merkwaardige kracht eener aandoening, eener
-gemoedstemming, van eene hartstocht, onder wier invloed zij gehandeld
-had en waardoor zij als blindelings en onbewust medegesleept was;
-hetgeen voor allen bijna den stempel van een onoplosbaar raadsel had.
-
-En thans begon ook Alcibiades zijn leedwezen te betuigen, dat Socrates
-dit tooneel niet had bijgewoond.
-
-„Wat een heerlijk maal,” zei hij, „zou dit voor het oog van den peinzer
-en waarheidzoeker geweest zijn; hij, die zich reeds over de meest
-alledaagsche dingen in ernstige beschouwingen verdiept, zou ook thans
-niet rusten zonder de beteekenis van dit merkwaardige feit tot in de
-fijnste bijzonderheden nagespeurd te hebben. Is hij zelf niet eene
-soort van slaapwandelaar, iemand die door de maanziekte der
-wijsbegeerte is aangetast, die de oogen sluit om beter te kunnen denken
-en daarbij verdoold raakt op duizelingwekkende hoogte? Het eenige
-onderscheid is, dat hem geen Cora ter hulp snelt, om hem met zachte
-hand van de afgronden der gedachte weg te trekken. Nu, ik zal tot hem
-gaan en hem de geheele geschiedenis vertellen, ofschoon ’t niet zonder
-gevaar is, Socrates in zijn eigen huis te bezoeken. Want zijne jonge
-vrouw Xanthippe is bang, dat ik haar man zal verleiden, en ziet mij
-bovendien met geen gunstig oog aan. Toen ik de pas gehuwden met eenige
-vrienden bezocht, brachten wij haar reeds in groote verlegenheid, en
-het vrouwtje begon er over te schreien en te klagen, dat zij zulke
-voorname lieden, als wij waren, niet in staat was behoorlijk te
-onthalen. „Laat dat zijn zooals het wil,” zei Socrates, „als ’t goede
-menschen zijn, die ons bezoeken, dan zullen zij tevreden zijn; als het
-slechte menschen zijn, dan hebben wij ons niets om hen te
-bekommeren!”—Dit zijn echter redeneeringen, waarmede hij Xanthippe nog
-meer in ’t harnas jaagt. Ik bemerkte aanstonds, dat zij in huis de baas
-was. Nu maakte ik mij er een genoegen van, zoo vrij mogelijk met haar
-man te spreken en hem met vriendschapsbetuigingen te overladen. Sinds
-dien tijd is zij boos op mij en toen ik onlangs haar man een lekkeren
-koek zond, ging zij in haar toorn zoover, dat zij hem uit de mand op
-den grond wierp en met de voeten trapte. En Socrates? Die durfde alleen
-zeggen: „Wat hebt gij daar nu aan? Als gij den lekkeren koek niet had
-vertrapt, dan zoudt gij hem hebben kunnen opeten!”—Het schijnt, dat de
-meeste mannen te Athene hunne vrouwen niet meer weten te regeeren!—Bij
-mijn daemon,” vervolgde Alcibiades, nadat hij zijn beker geledigd had,
-„ik zeg het nog eens, de wereld raakt uit het oude spoor! Delos door
-eene aardbeving geteisterd, Theodota waanzinnig, de wijzen door hunne
-vrouwen geregeerd, ik zelf op het punt om de dochter van Hipponicus te
-trouwen, Sabazius-dienaars in de straten, maanzieken op de daken, de
-Peloponnesus onder de wapenen, te Lemnos en op het naburige Aegina de
-pest—”
-
-„Vergeet de zonsverduistering niet,” viel hem Demus in de rede; „tevens
-moet nog vermeld worden, dat er, naar men zegt, een spook rondwaart in
-het huis van Hipponicus.”—
-
-„Is dat waar?” vroegen allen aan Callias, den zoon van Hipponicus.
-
-„Ja, het is inderdaad zoo!” hernam deze, en vertelde, dat werkelijk een
-spook zich in zijns vaders huis vertoonde; dat Hipponicus peinzend en
-bleek en mager was geworden, dat hem de lekkerste spijzen niet meer
-smaakten en dat hij ’s nachts door de nachtmerrie gekweld werd—
-
-„Daar hebt gij het al!” riep Alcibiades—„dus ook nog
-zonsverduisteringen, en spoken in de huizen van oude, lustige
-lekkerbekken. De drommel moge de wereld halen, als zij zoo somber
-begint te worden. Nog eens, mijne vrienden: op ten strijde, tegen de
-treurigheid der tijden, die zich dreigend aanmeldt!”
-
-„Is het wel noodig daartoe opgewekt te worden?” riep de jonge Callias.
-„Bij Heracles! hebben wij dan niet gedurende dezen geheelen feesttijd
-ons best gedaan, als nooit te voren? Hebben wij den Metragyrt niet in
-het Barathron geworpen? Hebben wij ons niet prachtig gedragen, zooals
-men van de lustige Ithyphallers kon verwachten? En hadden wij niet de
-geheele Atheensche jeugd achter ons? Waren de Dionysiën te Athene ooit
-darteler en uitgelatener dan die thans zijn gevierd? Hebt gij het volk
-ooit zoo opgewekt en dol gezien? Heeft de wijn ooit in rijker stroomen
-gevloden? Is er ooit een grooter aantal jonge meisjes in het gedrang
-verleid geworden? Wemelde het ooit meer te Athene van bereidvaardige en
-gedienstige priesteressen van het genot? En waren zij ooit meer
-gezocht? Wat spreekt gij van sombere tijden, Alcibiades? Het is een
-vroolijke tijd, zeg ik. De wereld gaat vooruit in dartelheid en
-vreugde; niet achteruit, zooals gij meent. En welke donkere, dreigende
-wolken zich ook ooit aan den hemel mogen vertoonen, hij zal weder
-helder worden! En zoo behoort het ook! Lang leve het genot!”
-
-„Lang leve het genot!” galmde het van alle kanten en de bekers klonken,
-tegen elkaar.
-
-„Callias, beste jongen, laat ik u omarmen!” riep Alcibiades en kuste
-zijn vriend. „Zoo hoor ik u en u allen gaarne spreken! Lang leve het
-genot! En opdat het eeuwig leve en groeie en bloeie onder het volk der
-Atheners, moeten de Ithyphallers eendrachtig samenwerken met de school,
-die Aspasia heeft gesticht. Op de Ithyphallers en op de school van
-Aspasia is de vaste burg gegrondvest van vroolijkheid, van alle
-bekoorlijke dartelheid en van allen levenslustig en moedwil! Daarom
-niet gepruild, Simaetha! Niet zoo preutsch, Prasina! Geen leelijk
-gezicht tegen Alcibiades getrokken, Drosis! Kom, lach eens weder,
-Simaetha! Gij zijt nooit zoo bekoorlijk geweest als thans. Bij Zeus!
-Voor één gullen, hartelijken lach van uw mond wil ik duizend drachmen,
-waarom ik gewed heb, verliezen en het dochtertje van Hipponicus nog een
-poos laten wachten!”
-
-Nu wendden zich allen tot Simaetha, om haar te overreden zich met
-Alcibiades te verzoenen.
-
-Aspasia zelve mengde zich in de zaak. „Mok niet langer tegen
-Alcibiades!” sprak zij. „Wanneer hij beweert, dat de school van Aspasia
-op een goeden voet moet staan met het gezelschap der Ithyphallers, dan
-kan hij gelijk hebben; doch alleen in zooverre, dat de uitgelatenheid
-der Ithyphallers betoomd en bedwongen moet worden door lieve
-vrouwenhanden. Wij moeten onzen bijstand den Ithyphallers niet
-onthouden, maar hun den teugel der rechte en schoone maat aandoen,
-opdat het heerlijke rijk der vreugde niet in ruwheid en woestheid
-onderga.”
-
-„Wij onderwerpen ons aan u!” riep Alcibiades. „Wij willen Simaetha tot
-koningin met onbeperkte macht verkiezen in het rijk der vreugde.”—
-
-„Dat willen wij!” klonk het in ’t rond. „Waarom zouden de Ithyphallers
-zich niet beteugelen laten door zulke lieve handjes?”
-
-In uitgelaten vroolijkheid werd de glimlachende, van bekoorlijkheid
-stralende Simaetha tot koningin van het feest uitgeroepen en tot
-onbeperkt heerschende vorstin van het rijk der vreugde.
-
-Men richtte voor haar een heerlijken, met bloemen rijk getooiden troon
-op, men hulde haar in purpergewaad, een gouden diadeem werd op de
-lokken gedrukt, haar lichaam met kransen van rozen en viooltjes
-omslingerd.
-
-Zij praalde in de volle betoovering van jeugd en schoonheid—eene echte
-koningin. Zelfs Aspasia’s oog rustte met bewondering op haar.
-
-„Aspasia beheerscht het tegenwoordige,” riep Alcibiades, „u, Simaetha,
-behoort de toekomst!”—
-
-De bekers werden gevuld met den bedwelmenden drank en ter eere van de
-schitterende koningin der vreugde geledigd.
-
-„Door deze koningin beheerscht,” riepen de jongelingen, „zal het rijk
-der vreugde zich uitbreiden over den geheelen aardbol!”—
-
-„Callias en Demus, neemt uwe duizend drachmen!” riep Alcibiades. „Ik
-geef de weddenschap verloren. Ik ga morgen nog niet naar Hipponicus. De
-vorst der Ityphallers sluit een nieuw verbond met de koningin der
-schoonheid en der vreugde! Den Gode zij dank! Zij lacht weder en hare
-tandjes blinken daarbij, als eene marmeren zuilenrij van het
-Parthenon!”
-
-Daarop naderde de bekranste, door wijn en vurige liefde bedwelmde,
-vermetele jongeling het koninklijk uitgedoste, prachtige meisje, sloeg
-onder het gejubel zijner vrienden den arm om haar heen en wilde het
-gesloten verbond met een kus bezegelen.
-
-Op dit oogenblik bemerkten allen, die hunne blikken op Simaetha
-gevestigd hielden, eensklaps, dat een geweldige kleur zich over haar
-gezicht verspreidde.
-
-Zij strekte de hand uit en weerde Alcibiades af, klagende over een
-plotselinge, geweldige hoofdpijn.
-
-Tegelijk schenen hare lippen, droog van inwendige hitte, naar lafenis
-te snakken.
-
-Men reikte haar een met wijn gevulden beker; zij wees dien echter terug
-en verlangde naar frisch koel water.—Zij sloeg beker op beker van het
-ijskoude vocht naar binnen, maar ’t was of slechts droppels op gloeiend
-ijzer vielen.
-
-Nu bemerkte men ook dat hare oogen met bloed beloopen waren.
-
-De tong van ’t meisje werd zwaar—schor, heesch klonk hare stem—zij
-begon over brandende zwelling der keel, van den mond, der tong te
-klagen.
-
-Tegelijk overviel haar eene vreeselijke benauwdheid—krampachtige
-bewegingen vertoonden zich in de gewrichten der handen, het geheele
-lichaam beefde, het kille zweet droop van hare leden.
-
-Men wilde haar naar haar vertrek, naar haar bed brengen: maar, als door
-een woesten angst gedreven, wenschte zij zich in eene bron, in een
-diep, koel water te storten,—zij wilde wegijlen, aan eene razende
-gelijk—slechts met geweld kon zij teruggehouden worden.
-
-Men had Pericles geroepen.
-
-Hij kwam. Hij zag den toestand van het meisje en verbleekte.
-
-„Verwijdert u!” sprak hij tot de feestgenooten.
-
-Hunne hoofden waren nog half beneveld van de Bacchische bedwelming.
-
-„Waarom ontstelt ge zoo over den toestand van ’t meisje?” riepen zij.
-„Kent ge haar ziekte, zeg het dan!”
-
-„Verwijdert u!” herhaalde Pericles.
-
-„Wat is het, wat is het?” riep Alcibiades.
-
-„De pest!” zeide Pericles op gesmoorden en zachten toon.
-
-Hoe zacht het woord ook gesproken was, het viel als een donderslag in
-de vergadering.
-
-Allen verstomden, verbleekten, stoven uit elkander.
-
-De meisjes begonnen te jammeren—Aspasia zelve werd doodsbleek, en
-verzorgde bevend en sidderend de door den dood aangetaste lieveling.
-
-Het meisje werd weggevoerd. De feestgenooten begonnen zich verslagen in
-stilte te verwijderen.
-
-Alleen Alcibiades herwon spoedig zijne bedaardheid, hij, de dronkenste
-van allen.
-
-„Zoo zullen wij ons overwonnen geven aan de duistere machten?” riep hij
-en greep naar den beker. „Zou onze strijd te vergeefs zijn geweest?—Wat
-stuift gij uit elkander, mijne vrienden? Lafaards, die gij zijt! Als
-gij allen versaagt en u schandelijk overwonnen geeft, ik geef mij niet
-over! Ik trotseer ook de pest en alle verschrikkingen van den Hades!”
-
-Op dezen toon sprak hij voort, tot hij ten laatste bemerkte, dat hij
-geheel alleen stond in het verlaten peristylium, te midden van
-verstrooide kransen en half geledigde of omgeworpen bekers.
-
-Hij keek om zich heen met glazige oogen. „Hei daar, waar zijt gij,
-lustige Ithyphallers?”
-
-„Alleen!” ging hij voort—„geheel alleen!—zij hebben mij allen
-verlaten—allen!—Het rijk der vreugde is verlaten en eenzaam—de sombere
-machten zegevieren”— —
-
-„Het zij zoo!” riep hij ten laatste, den beker van zich werpende.
-„Vaarwel, schoone lust der jeugd! Ik ga naar Hipponicus!”
-
-
-
-
-
-
-
-XXIV.
-
-DE SATYR EN DE BACCHANTE.
-
-
-In dien merkwaardigen nacht, waarin Simaetha tot koningin der vreugde
-bij het vroolijke maal in Pericles’ woning werd gekroond en de gloed
-van de fakkels der Bacchanten in alle straten van Athene schitterde, in
-dien zelfden nacht zat bovenop de eenzame, stille Acropolis, op den
-donkeren gevel van het Parthenon, een ongeluksvogel, een somber
-starende uil, die herhaaldelijk zijn nachtelijk, huiveringwekkend,
-onheilspellend gekras deed hooren.
-
-Van de straten der stad steeg het vreugdegejuich naar boven en onder
-die klanken mengden zich zonderling de nachtelijke klaagtonen van den
-uil op den gevel van het Parthenon.
-
-Verre in den omtrek weerklonken, zij in de donkere ruimte van de tinnen
-der Acropolis af, als eene doodstijding.
-
-En waarlijk zoo was het.
-
-Want juist op het oogenblik, dat de jonge Alcibiades en zijne makkers
-ten toppunt van jeugdige uitgelatenheid hunne bekers ophieven bij het
-festijn in het huis van Pericles en een dronk wijdden aan de
-bekoorlijke koningin der vreugde—in dit zelfde oogenblik stierf Phidias
-in den kerker—in dit zelfde oogenblik blies de onsterfelijke meester
-van het Parthenon, sinds geruimen tijd door eene slepende ziekte
-aangetast, eenzaam den laatsten adem uit.
-
-In die ure echter, waarin de verhevenste Hellenenziel, het middelpunt
-van de luisterrijkste Atheensche scheppingskunst, in den donkeren
-kerkernacht haar stoffelijk hulsel verliet en Aspasia Pericles de
-woorden toevoegde: „Gij zijt geen Griek meer!”—in die ure was het, als
-werd niet alleen het heerlijke verbond van Pericles en Aspasia
-verscheurd, maar ook een vlijmend zwaard scheen te gaan door het hart
-der Helleensche wereld:—’t was alsof hare ster verduisterde, en nevens
-het zegevierend gekras van den uil op het Parthenon klonk een
-boosaardig geschater van grijnzende daemonen in de lucht boven de
-hoogte der Acropolis.
-
-De Erechtheüs-priester ontwaakt bij het uilengekras, op zijn nachtelijk
-leger. Hem klonk het geroep van den uil als de blijde mare in ’t oor:
-„Op, uw tijd is gekomen!”
-
-En de daemonen fluisterden elkander toe: „Nu eindelijk is ons de macht
-gegeven los te breken!—Op, laten wij ons neder op Athene, neder op
-Hellas!”
-
-Aan ’t hoofd van dezen zwerm ongeluks-daemonen vlogen de Tweedracht en
-de Pest.
-
-De laatste breidde hare vale vleugelen uit en vloog alle anderen
-voorbij; zij streek neder op de in nacht gehulde, van het getier der
-Bacchanten weergalmende stad der Atheners.
-
-Zij zocht naar de plaats, waar feestvreugde het vroolijkst tierde—zij
-vond deze plaats en stortte zich als een gier neder op de bekoorlijke,
-jonge koningin der vreugde in Pericles’ woning.
-
-Het schoonste en bloeiendste Helleensche meisje, aan wie, zooals
-Alcibiades meende, de toekomst behoorde, was het eerste slachtoffer van
-een daemon.
-
-Er zijn tijden, waarin met het inwendig bederf, met de omkeeringen der
-zedelijke wereldorde, met de verzwakking en ontaarding, tevens groote
-physische rampen gepaard gaan, waardoor de harmonie en de orde der
-zedelijke en stoffelijke wereld te gelijk schijnen vernietigd te
-worden.
-
-Zulk een tijd brak thans voor Athene aan, zulk een tijd brak thans aan
-voor geheel Hellas.
-
-Aan het inwendige verterend verderf van den staat, zooals het langzaam
-en allengs voorbereid was door toenemende weelde en genotzucht, door
-het hand over hand toenemen van de losbandige demagogie [411], het
-meest echter door den natuurlijken loop der menschelijke zaken, die met
-ijzeren noodwendigheid van bloei tot verval en ontaarding voert—aan dit
-inwendig verderf paarde zich het uitbreken van bloedige veeten onder de
-stammen van Hellas, waaruit ten laatste niemand als overwinnaar te
-voorschijn trad, maar waardoor integendeel de welvaart en de vrijheid
-van allen gemeenschappelijk te gronde gingen; en hierbij voegden zich
-de gruwelen der pest, die moorddadige ziekte.
-
-De Helleensche „kalokagathia” [412] moest verbroken worden—niet meer
-moest het zijn: „eene gezonde ziel in een gezond lichaam,” waarop zich
-het Helleensche leven had mogen beroemen.—
-
-Snel had zich de mare van het eerste pestgeval ten huize van Pericles
-in de geheele stad der Atheners verspreid, en eensklaps maakte de
-uitgelaten Bacchantische feestvreugde plaats voor den bleeken angst,
-voor verlammende bezorgdheid.
-
-Andere doodelijke pijlen van den engel des verderfs werden afgeschoten
-en binnen weinige dagen woedde reeds de pest in al hare verschrikkingen
-[413].
-
-Evenals bij Simaetha geschied was, placht de ziekte met groote
-verhitting van het hoofd uit te breken, tegelijk met ontsteking in de
-keel. Bloedige etter werd uit de keel, uit de mondholte, zelfs uit de
-tong afgescheiden. Voorts werd de borst aangetast en onder hevige
-hoestbuien werd weinig en dun speeksel met moeite opgegeven. Geweldige
-suizingen in de ooren volgden, krampen in de hand, eene beving over het
-geheele lichaam, een gevoel van angst en onrust, tot waanzin stijgend,
-een verterende dorst, inwendige brand, zoo fel, dat zij menigeen naar
-de regenputten dreef. Soms ook, op de ingewanden slaande, veroorzaakte
-de ziekte een hevig braken. Die huid was rood, somwijlen donkerblauw,
-met zweren en blaren bedekt. Evenwel ontbraken, naar ’t schijnt, hier,
-evenals bij de overige pestziekten, waarvan de Oudheid gewaagt, die
-builen, welke als ’t voornaamste kenteeken bekend zijn van de
-zoogenaamde Oostersche pest, dien in latere tijden zoo gevreesden
-geesel der volken.
-
-Tot aan den achtsten dag woedde doorgaans de ziekte; dan volgde de dood
-bij holle oogen, spitsen neus, terwijl het lichaam op het gevoel koud
-en ruw was. Niet ongedeerd kwamen zelfs de herstelden er af. Want
-menigmaal sloeg de ziekte op de uiterste deelen des lichaams: voeten,
-handen en andere ledematen verstierven, verlamd of aangegrepen door het
-brandend vergif. Ook het gezicht ging niet zelden verloren. Het
-geheugen en ’t verstand leden er onder; menige herstelde bleef
-krankzinnig en er waren er, die zich zelfs hunne namen noch die hunner
-vrienden herinnerden.
-
-Zonder uitwerking bleven alle geneesmiddelen. Op raad van Hippocrates
-werden er groote vuren gebrand, daar men meende opgemerkt te hebben,
-dat smeden, die aanhoudend in de nabijheid van vuur arbeidden,
-zeldzamer door de ziekte werden aangegrepen.
-
-Maar het geweld van de ziekte nam steeds toe.
-
-Daar de wetenschap machteloos bleek, zocht men hulp bij het bijgeloof.
-Nooit werden de tallooze gebruiken van zoenoffers, reinigingen,
-bezweringen, die den Hellenen ten dienste stonden, met meer ijver
-betracht.
-
-In de eerste weken weergalmde de stad van de jammerklachten der
-stervenden; zij was vol van lijkstatiën, die de door de pest
-weggeraapte ter begrafenis brachten naar de graven of brandstapels.
-
-Maar toen de sterfte toenam en de besmetting, die van de kranken en de
-lijken uitging, angst en ontzetting verbreidde, zelfs velen eenzaam en
-verlaten in de ontvolkte huizen, ja op de straten stierven, toen werd
-op de heilige gebruiken geen acht meer geslagen. Niet meer werd den
-doode zijn obolus voor den veerman in de onderwereld [414] in den mond
-gestoken, niet meer werd hem de koek, om den helhond te bedwingen, in
-de hand gedrukt, niet meer werd hij zorgvuldig gebaad en met
-welriekende oliën gezalfd, niet meer werd hij, fraai gekleed en
-bekranst met klimop, op een leger in het peristylium van het huis
-tentoongesteld, niet meer gingen luid weeklagenden de lijkstatie
-vooruit, niet meer werd hij vereerd door een lange rij van rouw
-dragers, door doodmalen en doodenoffers, door het anders gewone
-rouwgewaad, dat door de overblijvenden werd aangenomen: haastig en
-zonder misbaar, ja bijna zonder eenig geleide droeg men ze uit, de
-tallooze lijken en stopte ze onder den grond of lei ze op brandstapels.
-Ten laatste echter gebeurde het, dat men zelfs dezen plicht van eer,
-den dooden verschuldigd, die den Helleen altijd als een der heiligsten
-had gegolden, verwaarloosde. In uitgestorven woningen bleven de laatste
-lijken liggen, aan het verderf ten prooi. Men vond zelfs dooden in
-ledige tempels, waarheen de stervenden zich wellicht hadden gesleept,
-om de hulp der Goden in te roepen; men vond er ook velen bij de
-bronnen, werwaarts zij, door inwendigen gloed verteerd, gekropen waren
-om de droge lippen te laven: en als het akeligste en afschuwelijkste,
-vond men zelfs lijken in het water der regenputten, waarin de lijders
-door inwendige hitte verteerd, zich geworpen hadden. Weldra werd het
-verkwikkende bronnat slechts met vrees en huivering beschouwd—het kon
-toch verontreinigd zijn door afschuwelijke verrotting.—
-
-In de straten lagen de lijken opgehoopt van dezulken, die òf zich
-zelven daarheen gesleept hadden òf ontzield uit de huizen waren
-gedragen en in overijlde haast daar neergelegd, òf zelfs van de daken
-afgeworpen waren, ten einde er, in den wanhopenden angst, ten
-spoedigste van bevrijd te zijn.
-
-Als men dan deze lijken bijeen zamelde, bracht de afschuw van den
-Helleen voor de aanraking van doode lichamen, gepaard met den angst
-voor besmetting, de gemoederen in zoodanige verbijstering, dat
-stervenden onder dooden, bewusteloozen onder rottende lijken vermengd
-werden.
-
-Waar door aanverwanten een brandstapel ter verbranding van een
-afgestorvene was opgericht, daar drongen anderen met hunne dooden er
-bij en wilden ook deze in dezelfde vlammen werpen, totdat het vuur door
-de menigte lijken verdoofde en een woeste strijd ontstond om de
-smeulende brandstapels.
-
-Men meende op te merken, dat de roofvogels en wilde dieren, hoe gretig
-ook op aas, de onbegraven, aan de pest gestorven dooden, niet
-aanraakten. Deden zij het echter, dan werden zij zelven weldra eene
-prooi der ziekte en vielen dood ter neder. Dit gebeurde ook dikwijls
-met de honden.
-
-De vrees voor besmetting vervreemdde de menschen van elkander. De Agora
-werd ledig, de worstelscholen bleven onbezocht, het volk durfde zich
-niet meer op de Pnyx verzamelen. De deuren der huizen waren òf vast
-gesloten omdat men elke aanraking afweerde, òf stonden geheel open,
-omdat het huis ledig was en uitgestorven. De vrees verscheurde zelfs de
-banden des bloeds. Ook zagen velen zich aan de willekeur der slaven
-prijs gegeven, daar dezen zich thans voor vroegere onderdrukking
-wreekten door ongehoorzaamheid, trots, het weigeren van hulp, diefstal
-en onbeschaamde plundering.
-
-Bittere smart wisselde in de gemoederen af met stompzinnige
-onderwerping. Niet weinigen echter dreef het verlangen om zich te
-bedwelmen tot woeste uitgelatenheid en tot onbeteugelden lust van
-genot. Men zocht moed of vergetelheid in verbijstering.
-
-De dolle Meno echter verachtte onverschrokken het gevaar en lachte er
-om. Hij was overal te vinden, waar de pest in hare afschuwelijkste
-vormen heerschte. Het liefst scheen hij onder lijken te vertoeven. Men
-zag hem menigwerf op een hoop doode lichamen zitten, alsof hij zich
-verheugde over het onheil, en hij spotte met het laffe volk, dat de
-lijken en hem zelven den verpeste, ontvlood. En daar men opmerkte, dat
-juist hij, die in dronken overmoed het gevaar tartte, verschoond bleef,
-vermeerderde het getal van hen, die hetzelfde deden. Weldra waren de
-straten en pleinen aan dronken onverlaten prijs gegeven, die als ’t
-ware der Koningin Pest een feestdronk wijdden en lachend hare
-verschrikkingen trotseerden. Juist dezen waren het ook, die voor geld
-zich lieten overhalen, om de dooden uit de huizen weg te dragen of in
-de straten te zoeken en ze ter begraving of ter verbranding
-wegbrachten. Zij oefenden hun handwerk uit met de ruwe driestheid van
-menschen, die het niets achten hun leven op het spel te zetten. Zij
-eischten en namen wat hun lustte, plunderden en roofden, en pleegden in
-de huizen, waarin hun bedrijf hen voerde, allerlei gewelddadigheden.
-Ontzag voor de wet bestond er niet meer; want de werkzaamheden der
-gerechtshoven waren reeds geruimen tijd gestaakt en de misdadiger
-dacht, dat de pest òf hen, die hem zouden kunnen aanklagen, zou
-wegrapen, òf hem zelven van de noodzakelijkheid zich te verantwoorden
-ontheffen.
-
-Maar niet alleen mannen uit de armere en laagste klassen veroorloofden
-zich de ruwe uitspattingen, ook gegoeden deden hetzelfde: vooral was
-het de jeugd, die op zulke wijze zich tegen den indruk der haar
-omringende ellende zocht te wapenen. Velen zagen zich plotseling rijk
-geworden, doordat de nalatenschap hunner ouders, hunner broeders en
-zusters of verwanten eensklaps hun deel werd. Daar zij echter moesten
-vreezen weldra een dergelijk lot te zullen ondergaan, als zij van wie
-zij geërfd hadden, zochten zij hunne erfenis zooveel mogelijk in genot
-en in bedwelmende, woeste uitspattingen te verteren. Bij ’t zien van
-deze plotseling rijk gewordenen kwam ook bij anderen de verwachting op,
-zich in een dergelijk lot te zullen verblijden: uit die verwachting
-wederom ontkiemden de hoop en een misdadig verlangen.
-
-Zoo werden ook in dit opzicht de zedelijke banden al zwakker en
-zwakker, en de overlevenden verheugden zich over de voordeelen, die uit
-den jammer der algemeene sterfte voor hen voortvloeiden.
-
-Schoon ook de pest met hare vreeselijke gevolgen bij velen de
-genotzucht tot eene ziekelijke hoogte opdreef, gold echter ook hier de
-algemeene regel, dat de uitersten elkander raken of het eene uiterste
-tot het andere overslaat. Bij die teugellooze genotzucht, breidde ook
-het sombere bijgeloof hoe langer zoo meer zijne heerschappij uit.
-Weldra hoopten zij, die nog zooeven in woeste dronkenschap en
-uitgelatenheid heul hadden gezocht, eene nieuwe kracht en een nieuwen
-troost te vinden in bijgeloovige vereering der Goden.
-
-Mannen als Diopithes traden op, die de ramp, waardoor Athene bezocht
-werd, als eene straf voorstelden voor de vroegere verachting der Goden,
-en de woede des volks keerde zich tot hen, die door Diopithes en zijns
-gelijken als de hoofdoorzaken van den toorn der Goden aangewezen
-werden.
-
-Nu herinnerde men zich ook dien geheimzinnigen Sabazius-dienst en er
-werd gesproken van den Metragyrt, die in het gapende Barathron door de
-overmoedige, dronken Ithyphallers was geworpen. Er werden thans velen
-gevonden, die meenden, dat men wellicht ten onrechte dien Heiland
-Sabazius had versmaad, dien Verlosser van alle kwalen, en dat de
-misdaad, aan den onschuldigen Metragyrt begaan, de eigenlijke oorzaak
-was van den toorn der Goden en vooral van de wraak des beleedigden
-Sabazius. Hem te verzoenen, meenden zij, was nu de eerste plicht en het
-eenige geneesmiddel tegen de menschenverdelgende pest. Zekere te Athene
-wonende vrouw, eene vreemdelinge, Ninos geheeten, die zich op alle
-toovenarijen en geheimzinnige zaken verstond, wierp zich tot priesteres
-van Sabazius op, dien zij den volke zou prediken. Zich te laten wijden
-tot den dienst van dezen God gold weldra als heiliging en redding. Met
-zonderlinge gebruiken werd die plechtigheid des bijgeloofs voltrokken:
-’t vel eener ree werd den profaan omgehangen, een gewijde drank hem
-aangeboden; met klei en leem werd hij ingewreven en eene slang werd om
-zijn borst gewonden. Hij zat daarbij op den grond en met den uitroep:
-„De ramp ontkwam ik, het betere bekwam ik” stond hij op, nadat de
-wijding volbracht was. Een nachtelijk Bacchanaal verbond de sombere
-plechtigheden met de Orgiën der zinnen. Zoo vond uitspatting en
-bijgeloof zich in den Sabazius-dienst vereenigd. Men zag talrijke
-omgangen ter eere van Cybele en Sabazius. Velen waren er, die het
-voorbeeld der Metragyrten volgden en de Sicinnis dansten, terwijl zij
-zich daarbij geeselden en verwondden. Maar ook de aanhangers van den
-Phrygischen God [415] beroemden zich de pest te kunnen stuiten. Zij
-plaatsten den kranke op een stoel en dansten daaromheen onder woest
-getier. Zich in deze reien te mengen, gold voor de gezonden als een
-behoedmiddel tegen de ziekte.
-
-Zoo ver was het gekomen met het volk der Atheners!
-
-Wat Aspasia gevreesd had en meende te kunnen verhinderen, geschiedde:
-vreemde en sombere gebruiken drongen door in de heldere en schoone
-Grieksche wereld, om, zij ’t ook niet terstond tot eene volledige
-zegepraal te geraken, toch datgene voor te bereiden en te verkondigen,
-waarin het Helleensche leven als eene heldere ster achter donkere
-wolken zou ondergaan.
-
-Terwijl te Athene de vreeselijke pest domme vertwijfeling en
-verbijsterenden waan uitbroedde en voor een vreemd bijgeloof den weg
-baande, dat niet meer onschuldig was als het inheemsche en overoude,
-maar integendeel aan den wortel van ’t gezonde leven knaagde,
-bedreigden verschrikkingen van een anderen aard het Attische land.
-
-De oorlog was opnieuw ontbrand. Andermaal viel het Peloponnesische
-leger in de landouwen van Attica en drong hare bevolking naar de stad:
-andermaal was eene sterke vloot, ditmaal door Pericles zelven
-aangevoerd, uitgeloopen, en wederom dwongen de overwinningen, die zij
-op de kusten van de Peloponnesus behaalde, den Spartaanschen koning tot
-overhaasten terugtocht. Doch Potidaeä bood nog steeds weerstand,
-Corinthe moest belegerd worden en nu eens hier dan weder daar sloeg in
-de koloniën en verbonden steden de vlam des oproers in lichte laaie
-uit.
-
-Om Aspasia en zijne beide zoons, Paralus en Xanthippus, aan het
-dreigend gevaar te onttrekken, had Pericles hun voor den tijd zijner
-afwezigheid zijn landgoed tot verblijf aangewezen. Derwaarts begaf zich
-Aspasia met haar gansche gezin. Doch het onheil volgde ook hier, en uit
-de kweekschool van schoonheid en vernuft werden, na Simaetha, ook
-Drosis en Prasina weggemaaid. Zij waren door den zegevierenden Pericles
-uit de gevangenis te Megara bevrijd, slechts om te Athene in den bloei
-harer jeugd aan den vreeselijken doodsengel ter prooi te vallen.
-
-Wie het kon, ontvluchtte, evenals Aspasia, de verpeste stad en begaf
-zich naar de landelijke vlekken of de nabijgelegen eilanden, waar het
-gevaar geringer scheen.
-
-Uiteengescheurd was de vriendenkring van Aspasia. Euripides had reeds
-voor eenigen tijd Athene verlaten. Hij was een menschenhater geworden
-en leefde op Salamis in stille afzondering; ’t liefst bracht hij zijn
-tijd door in die grot aan het strand, waarin hij onder ’t gekletter der
-wapenen en het gekraak der schepen het levenslicht had aanschouwd. Hier
-zat hij eenzaam en alleen, en verdiepte zich in gepeinzen, met het oog
-op de zee gevestigd, en niets verlangde hij van Athene te hooren, dan
-wat de baren hem toefluisterden, die van daar aanrollend, voor zijne
-voeten in schuim spatten.
-
-Sophocles leefde nog als te voren in zijne landelijke lustgaarde aan
-den Cephissus-oever en het hoofd van den lieveling der goden bleef daar
-gespaard voor den geesel, dien het Noodlot over de Atheners zwaaide.
-Opgeruimde, levenslustige wijsheid was zijne trouwe gezellin gebleven
-en had hem geleerd het lot van Pericles te ontwijken, aan niets zijn
-hart te zeer te hechten en den ernst des levens geene te groote macht
-over zijn gemoed te verleenen.
-
-Ook het hoofd van Socrates bleef ongedeerd door den geesel, hoewel hij
-het broeinest der vreeselijke ziekte niet verliet, onverschrokken
-Athene’s straten doorwandelde, de menschen opzocht in hunne ellende, en
-overal, waar hij kon, hulp en troost gaf.
-
-De jonge Alcibiades had intusschen de dochter van Hipponicus, de
-bloeiende Hipparete, als gade zijn huis binnengevoerd.
-
-Ook hij trotseerde met zijn ouden overmoed de verschrikkingen der pest,
-hoewel hij zag dat de toorn der Goden de Ityphallers niet spaarde en de
-pest een zijner liefste vrienden, den jongen Demus, den zoon van
-Pyrilampes, van zijne zijde wegraapte. Toen Pericles met de galeien
-uitzeilde, bevond Alcibiades zich onder zijn gevolg. Daarom konden de
-Sabazius-dienaars hun eeredienst verrichten, zonder vrees van de woeste
-Ithyphallers en het gapende Barathron.
-
-De pest nam een weinig af, zooveel ten minste, dat de burger ook weder
-aan den staat begon te denken en de stad der Atheners van ’t geen haar
-onmiddellijk had bedreigd, den blik weder kon richten naar hetgeen haar
-op grooten afstand boven ’t hoofd hing. Opnieuw was de krijgstrompet
-gestoken, doch de gemoederen waren versaagd: de strijdbare manschap was
-door de pest gedund en ook op de vloot en vóór Potidaeä zwaaide de
-doodsengel zijn geesel. Zegevierend streed ook thans Pericles met zijne
-vloot op de Peloponnesische kust. Doch wat baatte het, dewijl allengs
-geheel Hellas in partijschappen verdeeld, in den maalstroom werd
-medegesleept, zoodat de krijg hier verflauwd, ginds weder met nieuwen
-gloed ontbrandde? Wat nut hadden de zegepralen van Pericles, daar niet
-alleen de twee groote tegenstanders, maar ook hunne bondgenooten,
-slaags raakten, terwijl deze zelven echter òf altijd weifelden òf van
-partij veranderde? Het opperbevel van één enkele was niet meer
-mogelijk; wat hier werd veroverd, ging op een verder gelegen punt weder
-verloren; nergens bood de vijand een beslissenden slag aan; in tallooze
-kleine gevechten werd de groote Helleensche krijg verbrokkeld.
-
-Op de mare, dat het moedelooze Atheensche volk onderhandelingen met
-Sparta aan wilde knoopen, keerde Pericles haastig naar Athene terug.
-Hij hoopte de Atheners met nieuwen moed te bezielen, eene schandelijke
-vertwijfeling te verhinderen. Maar de Atheners, gedwee en verlamd
-geworden door de zware bezoeking, waren gunstiger dan ooit gestemd voor
-de geheime plannen der demagogen en van Diopithes.
-
-De Erechtheüs-priester was door de pest aangetast geweest, doch weder
-genezen. Sedert dien tijd was zijn woeste, fanatieke ijver nog grooter
-geworden. Eene besturing der Goden zag hij in zijne redding uit het
-doodsgevaar.
-
-’t Gebeurde op zekeren dag, dat een hoopje burgers op de Agora om een
-man verzameld was en naar zijne woorden luisterde. Want langzamerhand
-waagden de Atheners het weder elkander te naderen, terwijl nog kort te
-voren de een den ander als de pest zelve had geschuwd.
-
-De man, die te midden van het hoopje toehoorders stond, was een van die
-moedige en vrijzinnige mannen, wier tong thans bij wijlen weder scheen
-losgemaakt. Hij verstoutte zich niet alleen onverholen tegen de
-demagogen te ijveren en ten krachtigste Pericles te verdedigen, maar
-ook het bijgeloof te veroordeelen, dat zich van het Atheensche volk had
-meester gemaakt. Daar zich onder de toehoorders vele aanhangers van
-Diopithes en Cleon bevonden, ontstond er weldra een hevige
-woordenstrijd en de onversaagde kampioen werd ten laatste door de op
-hem losstormende tegenstanders aangegrepen en mishandeld.
-
-Op dit oogenblik kwam de Erechtheüs-priester daarlangs, vergezeld door
-eene menigte zijner aanhangers en vrienden.
-
-Toen hij hoorde dat die man Pericles verdedigd en het vertrouwen der
-Atheners op de Goden een kleinmoedig bijgeloof had genoemd, namen de
-trekken van den priester de uitdrukking van onheilspellende toorn aan.
-
-Hij hield een tijdlang zijne oogen strak ten hemel gewend, alsof hij
-zich in den geest onmiddellijk met de Hemelingen onderhield, en begon
-toen tot het volk te spreken.
-
-„Weet dan, gij Atheners,” sprak hij, „dat de Goden mij dezen nacht een
-droom toezonden en mij te rechter tijd op deze plaats hebben doen
-komen. Te Athene is schuld op schuld gestapeld gedurende eene lange
-reeks van jaren: Sophisten en godloochenaars hebben u verdwaasd,
-hetaeren hebben u beheerscht, tempels en godenbeelden zijn er
-opgericht, niet ter eere der Goden, maar tot ijdele pronk en tot
-verderf van het eenvoudige en vrome geloof der vaderen. Tot straf voor
-uwe verbastering, godloochening en weelderigheid treft u nu datgene wat
-gij lijdt. Niet voor de eerste maal ontlast zich de toorn der Goden
-over de Hellenen. En gij weet op welke wijze de toorn der Goden in
-overoude tijden pleegde afgewend te worden. Gij weet, dat de Goden
-somwijlen alleen door het hoogste aller offers, door een menschenoffer,
-konden worden verzoend. Grijpt dezen godslasteraar: zijn leven is
-bovendien reeds door zijne misdadige godloochening volgens de wet
-verbeurd verklaard. Hij is een misdadiger, reddeloos een kind des
-doods. Maar in plaats van door de hand van den scherprechter zijne
-straf te ondergaan, moet hij, volgens het overoude, half vergeten
-gebruik, den Goden als zoenoffer gebracht worden, moet hij onder de
-toonen der muziek door de straten geleid en verbrand worden en zijne
-asch naar alle windstreken verstrooid!”
-
-Terwijl de priester sprak, had zich steeds meer volk verzameld.
-Daaronder ook Pamphilus. Toen hij hoorde, dat men den vriend en
-verdediger van Pericles te lijf wilde gaan, was hij onmiddellijk bereid
-te helpen.
-
-„Ginds aan den oever van den Illissus,” sprak hij, „branden dag en
-nacht de brandstapels, waarop de door de pest weggemaaiden verteerd
-worden. Op een van die lustig flikkerende vuren zal ook nog wel een
-plaatsje zijn voor hem!”
-
-Daarbij greep hij zelf het eerst den schuldige aan en eene menigte der
-meest woesten onder zijne makkers voegde zich bij hem om den
-ongelukkige voort te sleepen.
-
-Thans kwam Pericles op de Agora, voornemens om zich naar het
-buleuterium [416] te begeven. Hij zag de opschudding en vroeg naar de
-oorzaak daarvan.
-
-Luid klonk het uit de woeste en opgewonden menigte dat de Goden een
-zoenoffer verlangden en dat men juist van plan was dit in den persoon
-van den misdadiger en godloochenaar Mechillus te gaan brengen.
-
-Pericles drong zich midden tusschen het volk, terwijl hij met woorden
-en gebaren zijne afkeuring te kennen gaf. Diopithes trad hem te gemoet.
-
-En nu stonden de beide mannen, de hoofdaanvoerders van den grooten
-strijd, die sedert jaren te Athene gestreden werd en der beslissing
-steeds meer en meer naderde, voor de eerste maal persoonlijk als in een
-tweegevecht tegenover elkander.
-
-„Terug, Alcmaeönide!” riep de Erechtheüs-priester. „Wilt gij ook nu
-weder den Goden onttrekken wat hun toekomt en wat zij gebiedend
-verlangen? Wilt gij het volk der Atheners beletten het schuldige
-zoenoffer te zoeken en eindelijk redding te verkrijgen uit den nood
-waarin niemand anders dan gij zelf hen hebt gestort? Ziet gij niet,
-waarheen uwe verblinding dit vroeger door de Goden rijk gezegende volk
-heeft gevoerd? Uw werk is het, dat het zich van de oude, vrome zeden
-heeft afgekeerd, dat het naar rijkdom, genot en ijdelen glans heeft
-gestreefd, dat het het valsche licht is gevolgd en geluisterd heeft
-naar de woorden der godloochenaars!”
-
-„En gij, Diopithes?” antwoordde Pericles op ernstigen, bedaarden toon,
-„waarheen denkt gij het volk der Atheners te voeren? Tot dweepzieken
-moord van burgers—tot hernieuwing van ruwe en onmenschelijke
-wreedheden, waarvan de Helleensche geest, vooruitgaande op de baan der
-ontwikkeling en humaniteit, reeds sinds eeuwen zich met afgrijzen heeft
-afgewend!”
-
-„Dank den Goden, Pericles!” riep Diopithes, „dat zij dezen man in onze
-hand hebben gegeven—dank den Goden, dat zij zich voor het oogenblik met
-het bloed van dezen man tevreden stellen! Want als zij den waren
-schuldigen van ons eischten, den schuldigste uit het geheele volk der
-Atheners, weet gij wien wij dan moesten vatten en aan de vlammen
-prijsgeven? Evenals eens de ziener Tiresias den overmoedigen,
-hoovaardigen Oedipus, zoo moesten wij u toeroepen: Alcmaeönide, gij
-zijt de schuldige, gij zijt de oorzaak van den toorn der Goden! Een
-oude vloek rust op uw geslacht! Door u, door uwe handlangers en
-vrienden is Athene goddeloos geworden, door u is de rampzalige krijg
-over ons losgebarsten en de ergste geesel in de handen der Goden, de
-pest, behoorde, tot volledige verzoening door geen ander dan door uw
-bloed afgewend te worden!”—
-
-„Als het zoo is, als gij zegt,” hernam Pericles rustig, „laat dan dien
-man los en offer dengene, die u de schuldigste schijnt!”
-
-Tegelijkertijd bevrijdde Pericles den ter dood gewijde uit de hand van
-Pamphilus. Met een grijnslach van innig welgevallen liet deze zijne
-eerste prooi los en sloeg onmiddellijk, verheugd om den ruil, de hand
-aan den hem gehaten, thans zich zelven ten offer biedenden strateeg.
-
-„Wat aarzelt gij?” zei Pericles tot de verbaasde Atheners, die
-stilzwegen en zich niet verroerden. „Denkt gij, dat ik mij alleen heb
-aangeboden in de verwachting door u ontzien te worden? Gelooft mij,
-Atheners, dat het mij vrij onverschillig is, of gij mij spaart dan of
-gij mij ter dood brengt! Tot het schoonste geluk, den schitterendsten
-glans, het volle licht der waarheid en der vrijheid meende ik Athene
-nader gebracht te hebben, en nu zie ik, dat een door de godheid
-beschikte omkeer—of is ’t een vloek, die met den natuurlijken loop der
-wereld gepaard gaat?—ons wederom overweldigt en terugvoert naar nacht
-en dwaling; dat niet alleen uitwendige rampen over Hellas losbreken,
-maar ook in onzen eigen boezem allengs donkere machten over de heldere
-en ware zegevieren! Ik dank den Goden, als ik den luister en bloei van
-mijn vaderland niet overleef!—doodt mij!”
-
-Sprakeloos en roerloos stonden nog altijd de Atheners. Pamphilus werd
-ongeduldig.
-
-Thans trad een man uit de menigte te voorschijn en zeide, terwijl hij
-zich bereidde om weg te gaan: „Als gij Pericles wilt dooden, doe het
-dan zonder mij. Ik wil daar niets van zien. Mij heeft hij eens in
-Thracië, toen ik zwaar gewond was, met eigen handen gered, terwijl alle
-anderen voor de overmacht der vijanden vluchten en mij in de hand des
-vijands wilde achterlaten.”
-
-„Ook ik ga!” riep een tweede. „Ik kreeg van hem in den Samischen oorlog
-genade, toen de andere strategen, op mij gebeten, mij om een gering
-vergrijp ter dood wilden veroordeelen.”
-
-„Ook ik wil met de zaak niets te doen hebben,” zei een derde; „ook mij
-heeft Pericles door zijne voorspraak geholpen, toen ik bij alle
-overheden te Athene geen recht kon krijgen.”
-
-„Ook mij! ook mij!” klonk het uit de menigte, en steeds grooter werd
-het getal der mannen, die zich van den troep afscheidden.
-
-„Door de opzettelijke schuld van Pericles heeft geen Athener ooit rouw
-gedragen!” klonk het [417].
-
-Pamphilus hield zijn offer, dat hem dreigde te ontgaan, krampachtig
-vast.
-
-„Laat Pericles los, Pamphilus!” riepen eenigen. Daarop schreeuwden nog
-meerderen hetzelfde en eindelijk ging er maar één kreet uit de gansche
-menigte op:
-
-„Laat Pericles los, Pamphilus!”—
-
-Aan dezen man konden de Atheners zelfs in hunne slechtste oogenblikken
-zich niet vergrijpen.
-
-„Nog eens hebt gij gezegevierd!” riep Diopithes honend den bevrijden
-Pericles toe. „Maar wellicht is dit de laatste uwer triomfen. Op uw
-hoofd werp ik de schuld, als de Goden onverzoend blijven en hun geesel
-voortwoedt over ons!”—
-
-Korten tijd na deze gebeurtenis werden de beide zonen van Pericles,
-Paralus en Xanthippus, door de pest aangetast en vielen als offer der
-vreeselijke ziekte.
-
-Met innig welgevallen wees de Erechtheüs-priester op den thans
-duidelijk zich openbarenden vloek der Goden, die nu eindelijk het
-geslacht der Alcmaeöniden geheel wilden verdelgen.
-
-Het geweld der pest nam weder toe. Aan de verstoring van het zoenoffer,
-en aan Pericles, die daarvan de schuld was, herinnerden thans
-onophoudelijk Diopithes en zijne aanhangers. Die schuld en de toorn der
-Goden schenen ontegenzeggelijk, na de ramp dien de Hemelingen over den
-man hadden gebracht.
-
-Meer dan ooit waren de gemoederen der Atheners gedrukt en verslagen.
-
-Het veld was vrij gelaten aan de tegenstanders van Pericles.
-
-In eene soort van stompe onverschilligheid liet Pericles, na zooveel
-rampen ook nog door den plotselingen dood van zijne zonen, door den
-ondergang van zijn geslacht, diep ter neer geslagen, de dingen haar
-loop. Het oogenblik voor zijne vijanden, om den lang beraamden,
-beslissenden slag te slaan, was gekomen.
-
-In eene weinig bezochte volksvergadering werd door lage boosheid
-voorgesteld hem van zijn ambt als strateeg en zijne andere waardigheden
-te ontzetten, en de domme verbijstering der meerderheid nam het
-voorstel aan.
-
-Zou Pericles, de Olympiër, na tientallen van jaren roemrijk den staat
-te hebben bestuurd, weder een eenvoudig, Atheensch burger worden? Zou
-Diopithes ten laatste toch gezegevierd hebben?
-
-Welaan dan, gij mannen, zoo riep men thans, die het groote woord onder
-het volk voert, Cleon, Lysicles, Pamphilus, welbespraakte redenaars en
-raadgevers op de Pnyx—stelt u aan de spits der vloten en legers! grijpt
-de teugels, die men aan de handen van den heerschzuchtigen Pericles
-heeft ontwrongen!
-
-Op de Agora beijvert zich inderdaad weder de onvermoeide Pamphilus, een
-grooten hoop volks om zich heen verzamelende, ten einde zijn vriend
-Cleon tot aanvoerder te doen verkiezen, zijn moed, zijne gezindheden,
-zijne bekwaamheden op te vijzelen.
-
-Na een lang en levendig gesprek treedt eensklaps uit de vergaderden een
-armoedig man op, van een zonderling, half verwilderd uitzicht en begint
-tot het volk met vuur te spreken.
-
-„Medeburgers!” roept hij, „wij hebben Pericles afgezet, wij, het
-Atheensche volk. En dit was goed, in zooverre Pericles daaruit heeft
-kunnen zien, dat wij hier te Athene nog de volksheerschappij bezitten.
-In zooverre, zeg ik, was het goed. Overigens echter blijft het toch
-eene ongehoord domme zaak zich een been af te zagen op het oogenblik,
-dat men te Olympia een wedren wil gaan houden—en nadat wij van kwaad
-tot erger zijn vervallen en de os, om zoo te zeggen voor een appel en
-een ei te krijgen is, en worsthandelaars ons willen wijsmaken, dat zij
-vogelmelk te koop hebben...”
-
-„De duivel hale u, ellendeling!” viel hem een man uit de heffe des
-volks verwoed in de rede. „Wilt gij eens zwijgen!”
-
-„Ik wil niet zwijgen!” hernam de opgewondene. „Ik ben een Atheensch
-burger zoo goed als iemand, en ik vrees geen mensch. Ik ben een man uit
-Halimus: marskramer was ik en ik heb betere dagen gekend; maar nadat
-mijne vrouw en kinderen aan de pest zijn gestorven en ik zelf ter
-nauwernood te midden der lijken van het ziekbed ben opgestaan, heb ik
-alles laten liggen, zooals het lag, en heb mij hier in de stad als
-lijkuitdrager verhuurd, dat wil zeggen, ik help de pestlijken uit de
-huizen naar de brandstapels sleepen.”
-
-Na deze woorden van den man weken allen met zekere huivering terug en
-hielden zich, door angst gedreven, op een afstand van hem.
-
-De voormalige marskramer uit Halimus stoorde zich echter daaraan
-volstrekt niet, maar vervolgde:
-
-„Ik beroem er mij op, dat ik, zooals gij mij hier ziet, een man ben van
-ervaring in staatkundige zaken. Ik behoorde vóór vijftien jaar op de
-Pnyx tot hen, die vóór den bouw van het Parthenon stemden en die de
-rechtersoldij en de schouwburggelden toestonden. Ik heb altijd mijn
-burgerplicht vervuld en het belang van den staat op ’t oog gehad, en ik
-zeg u, dat de Peloponnesiërs geen runderen en schapen zijn, die zich
-door den leerlooier Cleon goedschiks hun huid zullen doen touwen. En
-toen de beide zonen van Pericles aan de pest gestorven waren, had men
-eigenlijk den ongelukkigen man, den kinderloos geworden vader, moeten
-beklagen, en hem daarom niet minder achten, noch hem beschouwen als een
-door den toorn der Goden getroffene en hem als zoodanig vervolgen.”
-
-„Genoeg van Pericles,” viel de verwoede Pamphilus den marskramer in de
-rede. „Wij willen niets meer hooren van Pericles. Hij deugt tot niets
-meer. Hij sukkelt, naar men zegt. En wat hebben wij aan een ziekelijk
-man?”
-
-„Pas op, Pamphilus!” riep de andere; „het geneesmiddel van den zieken
-leeuw is, zooals het spreekwoord zegt, dat hij een baviaan opeet!”
-
-„Wilt gij mij beschimpen?” schreeuwde de worstmaker, zijn been
-oplichtende, om zijn tegenstander een trap in de lendenen te geven.
-
-„Kom maar op!” riep de man uit Halimus, „ik zal u zoo looien, dat uw
-huid er uit ziet als purper! Ik zal u de longen uit het lijf scheuren
-en uw ingewanden dooreen klutsen!”
-
-Pamphilus week huiverig terug voor de aanraking van den drager van
-pestlijken.
-
-„Terug!” riep hij, „terug! Waag het niet uwe verpeste hand aan het
-lichaam van een Atheensch burger te slaan! Terug, ellendeling!
-Ellendigste, allerellendigste der menschen!”—
-
-„Waarom?” riep de drager van pestlijken, grijnzend. „Gij zult het
-misschien toch moeten toelaten, dat ik u aanraak! Van zulke knapen als
-gij zijt hoop ik er nog ettelijke dozijnen op mijn wagen te krijgen!
-Overigens echter herhaal ik: het was goed, dat wij Pericles afzetten,
-opdat hij zou zien, dat wij hem kunnen afzetten, als wij willen. Nu hij
-dit echter gezien heeft, is het beste dat wij heengaan en hem weder
-aanstellen en hem de vloot weer toevertrouwen; want wij kunnen hem niet
-missen, zeg ik u—wij hebben geen tweede, hem gelijk, en niet ieder, die
-eene knots [418] draagt, is daarom een held.”—
-
-Wat de half verwilderde man uit Halimus op zijne zonderlinge, maar
-eerlijke manier te berde bracht, was eene moeilijk te bestrijden
-logica.
-
-Inderdaad, wie te Athene weder den oorlog wilde, die moest Pericles ook
-willen. Potidaeä was eindelijk gevallen:—opnieuw, zij het ook met
-zwakken vleugelslag, ontvouwde zich de hoop. Snel veranderde dan ook
-weder de stemming onder het bewegelijke volk der Atheners.
-
-Op den volgenden dag stroomden de Atheners naar de Pnyx en herstelden
-Pericles in al zijne ambten en waardigheden.
-
-Zij meenden, dat het nog de oude Pericles was, aan wien zij zich
-andermaal toevertrouwden. Zij vergisten zich.
-
-Sophocles was de eerste, die zijn vriend de tijding van het nieuwe
-besluit des volks bracht.
-
-„De Atheners hebben u alles teruggegeven!” zei de dichter hem
-gelukwenschende.
-
-„Alles,” hernam Pericles met een bitteren lach, „behalve het vertrouwen
-op hen, het vertrouwen op het geluk van Athene en het vertrouwen op mij
-zelven!—
-
-„Diopithes triomfeert toch!” vervolgde hij. „Schijnbaar heeft hij nu
-ook het onderspit gedolven, maar in waarheid zijn wij te Athene de
-overwonnenen. De hoogste zijner bedoelingen wel is waar heeft Diopithes
-niet bereikt, maar wat hij en de zijnen sedert lang voorbereid en
-gedaan hebben, dat is niet verloren gegaan bij het volk der Atheners!”—
-
-„Verban die sombere gevoelens uit uw hart!” vermaande Sophocles.
-„Athene en Hellas staan nog op hun glanspunt: nog menig heerlijk
-gewrocht zullen zij voortbrengen, nog menigen zegekrans behalen. Ons
-betaamt het niet te klagen, ons, wien het vergund werd, den edelsten
-bloei ontwikkeld te zien.”
-
-„Maar ook den worm, die aan dien edelsten bloei knaagt!” hernam
-Pericles. „Nog is hij er niet, de tijd, die zich aankondigt, maar eene
-donkere toekomst werpt hare schaduw ver voor zich uit. Naar het toppunt
-van opgewekte vroolijkheid, schoonheid en kennis streefden wij. Van
-onze droomen heeft zich de droom der schoonheid verwezenlijkt—de andere
-echter zijn in nacht en verwarring opgegaan. Kort zijn, naar het
-schijnt, de levenslenten der volkeren en hunne bloesems welken, vóór
-zij zich nog ten volle hebben ontwikkeld!”
-
-Zoo sprak op dien dag Pericles tot den edelste zijner vrienden.—
-
-Nog eenmaal verhief zich de geweldige, verderfelijke ziekte.
-
-Er kwam bij de verandering der maan een donkere nacht, een nacht,
-waarin de storm vreeselijk huilde. Koud blies de wind over het Attische
-land van de kloven en hoogten van den Pindus. Dof sloegen in den
-Piraeüs de golven tegen de steenen dammen. De schepen in de haven
-werden heen en weder geslingerd, de masten kraakten, het want gierde.
-In de ontvolkte straten van Athene loeiden de winden als spoken, zij
-speelden met de open deuren der verlaten huizen en huilden door de
-eenzame peristylia. Men wist soms niet of ’t huilen en bulderen van den
-wind was, dan wel het klagen en zuchten van jammerende moeders, dat men
-vernam. Over de tinnen, gevels en marmeren beelden van het Parthenon
-vlogen zwarte wolken. De als wijgeschenken opgehangen schilden sloegen
-klapperend tegen de architraaf, waaraan zij hingen. Nachtvogels
-krasten. Het reuzenbeeld der met lans en helm gewapende Athene
-Promachos trilde op zijn granieten voetstuk.
-
-In dezen donkeren, stormachtigen nacht, waarin ieder zich binnenshuis
-hield en de straten als schoongeveegd waren, dwaalde een man rond, door
-eene zonderlinge onrust gedreven. Die man was Socrates. Zijne oude
-gewoonte om des nachts rond te dolen, ten einde jacht te maken op
-gedachten, was hem meer en meer eigen geworden: evenwel werd hij zelf
-meer door gedachten gedreven, dan hij haar najaagde. Zoo zwierf hij ook
-dien nacht rond, blindelings, als naar een onzeker doel voortgestuwd.
-
-Hij naderde den verlaten oever van den Illissus, waar uitgebrande
-brandstapels lagen en waar de dolle Meno zat bij hoopen asch en
-glimmende kolen. De dolle kerel grijnsde, blies de kolen aan en warmde
-zich daaraan; nu en dan nam hij een slok uit eene flesch edelen Chiër,
-die hij uit een door de pest ontvolkt huis weggenomen had, welks
-voorraad den roovers een gemakkelijke buit geworden was.
-
-Hier en daar stiet de voet van den voortijlenden Socrates in het donker
-op slechts half verbrande, zwart verkoolde ledematen.
-
-En verder vervolgde hij, zonder doel, zijn weg. Eensklaps werd hij
-getroffen door den geur van viooltjes. Hij treedt nader en komt bij
-eene bron, die, naar de gewoonte der Atheners, met viooltjes is
-omplant. Socrates buigt zich neder, om zijn heet voorhoofd te verkoelen
-en zijne droge lippen zoeken het lavende vocht. Maar ook hier grijnst
-de dood hem tegen en spoedig wordt de zonderlinge geur der viooltjes
-hem verklaarbaar. De bron was verontreinigd door een lijk, een dier
-ongelukkigen, dien de vertwijfelende begeerte naar verkoeling nog in de
-ure van den doodstrijd naar de bron had gedreven.
-
-Huiverend week Socrates terug. Toen echter zich herstellend plukte hij
-een der viooltjes, beschouwde het lang en peinzend en zeide: „o gij
-Attische viooltjes, wie zal in de toekomst u nog roemen en de met
-viooltjes omkranste Atheners, als uwe gevierde geur zoo vreeselijk
-vermengd is met de walmen des doods?”—
-
-Hij ijlde terug, dieper de straten in, waar de deuren in den wind
-klapperden en de moeders als in wedstrijd met de winden huilden en
-klaagden. Hij staarde naar de Acropolis en zag het zwarte, in lage
-wolken verscheurde zwerk, dat als krijschende nachtvogels, aan
-ongeluksgeesten gelijk, het reusachtige beeld van Athene Promachos
-zweefde...
-
-Alsof de ongeluksgeesten, die hij daar meende te zien, op hem
-nederdaalden en hem dreigden en vervolgden, doolde Socrates rond.
-Eensklaps stond hij vóór het huis van Pericles.
-
-Hij bleef staan. Hoe dikwijls was hij over dezen drempel getreden! Hoe
-lang was ’t geleden, sinds dit voor ’t laatst geschied was!
-
-Hij naderde schier onbewust en onwillekeurig de deur. Hij bemerkte, dat
-zij niet gesloten was, als ware het vergeten of verzuimd, en zonder
-bewaker.
-
-Hij trad naar binnen; eenzaam en verlaten was het voorportaal. Geen
-geluid drong van binnen tot hem door. Huiveringwekkend was de stilte,
-die hem omgaf.
-
-Thans zag hij uit het peristylium het schijnsel van eenige somber
-flikkerende lichten.
-
-Eene rilling voer hem door de leden; hij wist niet waarom. Maar
-tegelijk drong eene onbekende macht hem voorwaarts.
-
-Daar zag hij midden in het peristylium eene legerstede, met purperen
-kussens opgemaakt. Op de purperen kussens lag een doode, het lichaam
-gehuld in een schitterend wit gewaad—het voorhoofd omkranst met
-groenende klimopranken.
-
-Nevens de sponde zat eene vrouw, met gebogen hoofd, bleek en sprakeloos
-als een steenen beeld.
-
-Socrates bleef op den achtergrond. Hij bleef als vastgenageld staan,
-zonder een woord te spreken. Zijne oogen staarden strak en als van een
-krankzinnige op het lijk en op de vrouw, die bij het lijk zat.
-
-Die marmerwitte, onbewegelijke vrouw was Aspasia. De met klimop
-omkranste doode op de purperen sponde was Pericles, de Olympiër.
-
-Ontzield lag daar de Alcmaeönide, de aanvoerder van die onsterfelijke
-schaar verheven geesten, die Griekenland voor eeuwig hebben
-verheerlijkt—de held van een gouden bloeitijd der menschheid, die nog
-altijd naar hem wordt genoemd, dien hij over Hellas gebracht heeft en
-met welks verval hij zelf ook het leven verliet.
-
-Grooter en statiger nog scheen thans het lichaam van den held, door de
-pijlen van den doodsengel gevallen. Maar zachtheid lag er, evenals bij
-zijn leven, ook thans uitgebreid over zijn mannelijk gelaat. Zelfs de
-pest had die edele trekken niet misvormd. ’t Was, alsof de dood den
-Olympiër niet verslagen en vernietigd had, maar integendeel den door
-zielsleed gebrokene weder in zijne volle grootheid opgericht. Verjongd
-straalde nu weder in de trekken des dooden die opgeruimde kalmte, welke
-den levende eindelijk ontzonken was, verdwenen was de tweestrijd, dien
-ten laatste het gemoed van Aspasia’s gemaal was binnengeslopen...
-
-Waarover peinsde de bleeke Aspasia aan de doodsponde van Pericles?
-
-Aan haar geest ging eene schitterende reeks van schoone, grootsche,
-heerlijke herinneringen voorbij.
-
-Zij dacht aan het oogenblik in de werkplaats van Phidias, waar het
-vurig oog van dien man voor ’t eerst het hare had ontmoet, waar, na
-manlijken, ernstigen strijd voor de grootheid en macht van Athene, de
-schoonheid hem in banden sloeg.
-
-Zijn beeld zweefde voor hare oogen, nu eens hoe hij op het
-redenaarsgestoelte der Pnyx stond en het volk aan zijne lippen hing—dan
-weer hoe hij vol fierheid en geestdrift met haar wandelde over de
-hoogten van de Acropolis, zich verheugend over het heerlijke en
-grootsche, dat daar onder zijne oogen verrees;—nu eens hoe hij, door
-begeerte naar krachtige daden aangegrepen, voor Samos zich nieuwe
-lauweren bevocht—dan weder hoe hij in zalige liefde, het schoonste
-menschenlot vervullend, op de bloeiende hoogte des levens den
-bedwelmenden kelk der vreugde met haar ledigde—of hoe hij op de
-Acropolis in het gezicht van nieuw voleindigde, onsterfelijke
-gewrochten een verbond met haar sloot, zijne ziel vervuld van grootsche
-plannen en verwachtingen.
-
-In zijne edele grootheid zweefde hij voor haar geest, in zijne
-overweldigende macht over de menschen, in zijne gevoeligheid en warmte
-van hart, in zijne waardige, mannelijke kracht—zacht, verstandig en
-moedig te gelijk—het toonbeeld van den echten Helleen, te zeer vervuld
-van geest en gemoed om op te gaan in ruwen heldenzin, en van den
-anderen kant te ijverig, te degelijk om enkel genoegen te vinden in
-weekelijk genot, in de bekoring van schoonheid en liefde.
-
-Maar ook zweefde zijn beeld voor hare oogen, hoe hij aan hare zijde
-wandelde in de dreven der Peloponnesus, hoe meer en meer de ernst met
-zachte schaduwen over zijn voorhoofd gleed, hoe hij vervuld van het
-leven en streven van den voortschrijdenden tijd, aangespoord door een
-voorgevoel eener nieuwe, ernstige, treurige toekomst, zwijgend zijn
-diepst gevoel verborg, totdat hij ophield een Helleen te zijn in den
-geest en den zin der schoone vrouw, met wie hij het schitterend
-vreugdebond der liefde had gesloten, en totdat hij, na den loop der
-ontwikkeling van het Hellenisme in zijn eigene ziel doorleefd te
-hebben, door onheilspellende, sombere voorgevoelens aangegrepen, met de
-macht en grootheid van zijn vaderland zelf bezweek.
-
-Evenals Aspasia’s oog strak op het gelaat van den ontzielden Pericles
-was gericht, zoo staarde het oog van Socrates onbewegelijk op het
-bleeke gezicht der vrouw.
-
-In haar scheen hem Hellas verpersoonlijkt, dat treurend zat aan de
-lijkbaar van den edelste zijner zonen...
-
-Hoe bleek en ernstig zien die trekken van de schoone vrouw, dit eens
-zoo levenslustige Hellas!
-
-Thans sloeg Aspasia haar oog op en haar blik ontmoette dien van
-Socrates. Het was een lange, lange blik, dien Aspasia en Socrates
-wisselden.
-
-Het was een lange, diep ernstigen blik en geen woord zou de
-gewaarwordingen kunnen uitdrukken, die in dezen langen blik opgesloten
-lagen.
-
-Geen enkel woord, alleen deze ééne blik werd tusschen hen beiden
-gewisseld.
-
-Toen verdween Socrates. Als eene spookachtige schim was hij voor de
-vrouw opgerezen—zonder geluid verdween hij.—Eenzaam zat weder bij de
-doodsponde van den grooten Helleen, roerloos en marmerbleek, Aspasia.—
-
-Socrates zette zijne nachtelijke wandeling voort. Zonder bepaald plan
-of doel ijlde hij door de straten, een geruimen tijd met diep bewogen
-gemoed.
-
-Het geweld van den gierenden en huilenden rukwind had opgehouden.
-Stiller en nog eenzamer dan te voren was het geworden om den
-nachtelijken zwerver. Het was reeds lang over middernacht. De morgen
-kondigde zich van verre aan met eene bijna nog onmerkbare grauwen
-streep in het Oosten. Maar nog was het nacht, donkere nacht, in de
-straten van Athene. Door de gescheurde wolken des hemels fonkelden
-slechts enkele verflauwende sterren.
-
-Plotseling stond voor Socrates een man, reisvaardig, naar het scheen,
-vergezeld door een slaaf. Hij vestigde den blik strak op Socrates.
-
-Socrates keek op, toen gene hem den weg versperde, en hij herkende
-Agoracritus.
-
-„Waarheen gaat gij in den donkeren nacht?” vroeg de voormalige makker
-in Phidias’ werkplaats aan den denker.
-
-„Mij riepen dringende zaken naar Athene,” vervolgde Agoracritus, toen
-Socrates met het antwoord draalde; „maar ik haast mij weder weg te
-komen uit de verpeste stad. Ik ga naar Rhamnus, om eindelijk te doen,
-wat men sinds zoovele jaren van mij verlangt: mijne daar geplaatste
-Godin met die uiterlijke kenteekenen te versieren, die haar
-ongetwijfeld van eene Aphrodite tot eene Nemesis zullen maken. Ik heb
-lang geaarzeld—maar thans drijft mij ook de lust dien menschen te
-believen. Zij moeten niet langer twijfelen, de mannen in het land van
-Attica, dat werkelijk de Nemesis in plaats van de lachende Aphrodite
-midden onder hen staat. Ben ik haar toch geen dank verschuldigd, deze
-met langzame, maar zekere schreden naderende Godin? Heeft zij mij niet
-gewroken op de vrouw, die ik haat? De Godin der vergelding heeft hare
-tenten opgeslagen in het huis van Pericles en Aspasia. En nu vernam ik
-nog ten laatste, dat de pest voor weinige dagen Pericles aangegrepen en
-op het ziekbed heeft geworpen.”
-
-Socrates sloeg zijn oogen op, zag Agoracritus in ’t gelaat en zeide
-zacht:
-
-„Hij is dood.”
-
-Agoracritus zweeg getroffen.
-
-Beiden gingen een eind weegs sprakeloos naast elkander.
-
-„Dood?” vroeg toen Agoracritus.
-
-„Ik zag hem zelf!” hernam Socrates op doffen toon.
-
-Wederom zwegen beiden een tijd lang.
-
-Eindelijk begon Agoracritus:
-
-„Gij hebt Pericles ontzield gezien; mij is het ten deel gevallen
-Phidias voor mijne oogen in den kerker te zien sterven. Ik was bij hem
-in zijn laatste ure. Toen ik hoorde, dat hij erg ziek was, ijlde ik
-naar hem. De menschen zeiden mij, dat hij alle geneesmiddelen en iedere
-soort van hulp van de hand wees. Pericles had Hippocrates tot hem
-gezonden: hij echter begon met den geneesheer over de verhoudingen der
-vormen en lijnen van het menschelijk lichaam te spreken. Want ook thans
-op zijn ziekbed hield hem datgene bezig, wat hem vroeger alleen bezield
-had.
-
-„Toen ik kwam, vertelden mij diegenen, welke in den kerker om hem heen
-waren, dat hij herhaaldelijk in koortsachtige droomen sprak en zelden
-iemand meer herkende. Ik ging tot hem en vond hem stervende. Hij
-herkende mij in den beginne nog even, allengs echter werden zijne
-gedachten in de hitte der koorts verward. Hij sprak immer door van
-groote tempels en beeldwerken, van gouden en ivoren standbeelden en
-marmeren friezen—hij gaf zijnen leerlingen aanwijzingen, geheel en al
-alsof hij nog in zijne werkplaats was, spoorde hen tot den arbeid aan
-en berispte de tragen, duidde ook nauwkeurig aan hoe zij dit of dat
-moesten voltooien en was ontevreden, dat zij het niet geheel naar zijn
-wil deden. Menigmaal riep hij uitdrukkelijk mij of Alcamenes. Ten
-laatste echter scheen hij geheel alleen te zijn met zijne heerlijke
-beelden en zijn Goden en Godinnen, zijne Pallas Athene, zijne
-Olympische Zeus zweefden voor zijn geest. ’t Was, alsof de Goden van
-den Olympus allen tot hem nederdaalden en rondom zijn leger stonden,
-voor hem alleen zichtbaar, terwijl hij stierf; want hij schouwde met
-een verhelderd gelaat om zich heen, groette hen en sprak hen bij hunne
-namen aan. Ten laatste echter scheen het, dat Pallas Athene geheel
-alleen bij hem was achtergebleven en hem wenkte; want hij zei de
-eensklaps: „Waarheen wilt gij mij voeren? Ik kom!” Daarop richtte hij
-zich een weinig op, alsof hij wilde opstaan, om met haar, die hem
-wenkte, te vertrekken; hij zonk echter achterover en blies den laatsten
-adem uit.
-
-„Hij stierf midden in zijn droomgezicht. Hij stierf schoon, als ooit
-eenig Helleen, daar het schoonste licht van Hellas nog eenmaal hem
-omstraalde en de Goden hem als ’t ware van de aarde naar den Olympus
-voerden, op het oogenblik, dat de nacht des onheils over Athene
-losbrak, zoodat hij van al dat leed niets meer bemerkte, maar met
-onbenevelden geest heenging.
-
-„In den beginne had het mij innig smartelijk getroffen te zien, hoe
-deze man in den kerker op zijne eenzame legerstede lag te sterven; want
-nadat hij de Athene Promachos op den burg, de Athene Parthenos en het
-Parthenon zelf, benevens dien Olympischen Zeus te Olympia had
-geschapen; en zooveel groots en heerlijks, wat niemand heeft
-overtroffen en niemand ooit zal overtreffen, ’t geen Griekenland de
-meeste luister heeft aangebracht, was zijn loon van de menschen, dat
-hij smadelijk en eenzaam stierf in den donkeren kerker.
-
-„Toen ik hem had zien sterven, voelde ik eene aandoening in de ziel,
-die niet zonder troost was, en ik ging stil heen, nadat ik den meester
-de oogen toegedrukt en zijn voorhoofd gekust had: ik beklaagde slechts
-Hellas te meer en ons allen, die achterbleven, nadat de grootsten en
-besten heen zijn gegaan!”
-
-Na dit verhaal van Agoracritus gingen de beide mannen nog een poos
-peinzend naast elkander. Toen scheidden zij.
-
-Agoracritus ging noordelijk naar Rhamnus; ook Socrates zette, door
-innerlijke aandoening gedreven, zijn weg verder voort, doch toen hij
-nauwelijks een paar schreden gegaan was stiet hij op een ontstoken
-brandstapel. Daarop waren vele pestlijken geworpen. Onder deze lijken
-zag Socrates ook den dollen Meno liggen.
-
-De dragers der pestlijken hadden hem, bedwelmd en verdoofd in een
-vasten slaap, te midden van lijken gevonden en den schijndoode op den
-brandstapel geworpen, waar de vlam reeds om hem likte. Een hond liep
-huilend om den brandenden hoop.
-
-Thans greep de vlam den dollen Meno aan. Op dit oogenblik sprong ook de
-hond op den stapel en verbrandde met zijn meester.
-
-Een zonderling gevoel kwam in Socrates op. „Nu zijt gij vrij, Meno!”
-sprak hij.
-
-„Nu zijt gij vrij!” herhaalde hij nog verscheiden malen, terwijl hij
-met een gloeiend voorhoofd zijn weg vervolgde. „Zal er wellicht eens
-een tijd komen, waarop alle slaven vrij zullen worden?” dacht hij al
-voortgaande—„of alle vrijen slaven!” voegde hij er peinzend in zich
-zelven bij—
-
-Hij doorliep nu reeds ver afgelegen straten, niet meer in den omtrek
-van de stad zelve, maar in hare omstreken, waar landgoederen en tuinen
-der Atheners met de open dreven afwisselden.
-
-Een zwaluw vloog op en verkondigde den dag, met vluggen wiekslag door
-de lucht scherende.
-
-Socrates, door zijn daemon geleid, naderde een huis, waarin zekere
-beweging en drukte heerschten. Vele menschen liepen af en aan.
-
-’t Was de woning van Ariston, een aanzienlijk Athener. Socrates bleef
-staan en vernam van hen, die daar uit- en ingingen, dat Ariston in
-dezen nacht een zoontje was geboren. Na, zoovele beelden des doods eene
-geboorte, een ontwakend leven...
-
-Wederom rees een raadselachtige drang in de borst van Socrates op. Hij
-betrad het huis van den hem bevrienden man.
-
-Het kind lag in het peristylium, in de armen der voedster. Een
-hoogbejaarde grijsaard, die een ziener of priester scheen te zijn,
-hield zijn sneeuwwit hoofd er over gebogen en beschouwde het
-aandachtig. Ook Socrates sloeg zijn oog op het kind, dat een breed
-voorhoofd had, een denkersvoorhoofd, en welks gelaat reeds omschenen
-werd door een zachten, verheven, meer dan kinderlijken ernst.
-
-Plotseling kwam eene bij aangevlogen—eene bij van den naburigen
-Hymettus—eene der geprezen Attische bijen—zij komt aanvliegen, gonst om
-’t hoofd van het kind en raakt een oogenblik zijne lippen aan, even
-slechts en zonder kwaad te doen, ze als het ware kussend. Toen vliegt
-zij weder weg.
-
-Bij dit gezicht spreekt de grijze ziener:
-
-„Een goddelijk teeken is de kus van deze Hymettusbij. Van de lippen van
-dit kind zal eens de taal vloeien, zoeter dan honig!” [419]
-
-Het zien van dit kind maakt een diepen indruk op Socrates. Hij kan het
-voorgeval in zijne ziel niet verklaren. Maar de toekomst zal het eens
-ontsluieren.
-
-De knaap die daar voor de oogen van den rustelooze waarheidzoeker ligt,
-zal, tot jongeling gerijpt, eene nieuwe zending vervullen.
-
-Zijne lippen zullen druipen van Attischen honig. Maar met de zoetste
-welsprekendheid zal hij de bitterste leer verkondigen:
-
-Hij zal leeren, dat het lichaam een kerker is der ziel en dat de ziel,
-zich van hare boeien bevrijdend, opwaarts moet stijgen naar het
-bovenaardsche. Hij zal leeren, dat Eros de menschenwereld verachten en
-naar hooger moet streven, naar het heldere rijk der eeuwige, in
-onveranderlijke schoonheid schitterende gedachten—
-
-En deze leer zal een weergalm vinden aan naburige en verre stranden;
-zij zal het wachtwoord worden van een nieuwen tijd en op de lippen van
-een Galilaeër de wereld veroveren—
-
-Met haar echter zal ook in een anderen zin het woord der
-Sabazius-dienaars en Metragyrten triomfeeren, het sombere woord der
-zelfkastijding en zelfverloochening—
-
-Socrates ging peinzend uit de woning van Ariston. Hij had nu eene
-hoogte bereikt, vanwaar hij het Attische land en de zee kon zien,
-beschenen door de vriendelijke stralen der morgenzon.
-
-Op de zee, in de richting van Sunion, zag hij een vaartuig het zilte
-nat doorklieven. Hij staarde, in gedachten verzonken, werktuigelijk
-naar dit vaartuig.
-
-Het droeg den „Satyr” en de „Bacchante”—het droeg Manes en Cora naar
-het Noorden; het voerde hen een nieuw vaderland te gemoet.
-
-Zij togen daarheen, zalig in het bewustzijn hunner ernstige liefde.
-
-Van de baai uit zagen zij terug en beschouwden, scheidend voor altoos,
-voor het laatst de stad der Atheners.
-
-Een licht, wit wolkje steeg, niet verre van de Acropolis, uit de stad
-omhoog in de reine, heldere morgenlucht. Het kwam van den brandstapel,
-die het zielloos overschot van Pericles in heiligen gloed verteerde.
-
-Dit wolkje steeg omhoog en zweefde om de tinnen van de Acropolis.
-
-Manes en Cora volgden het met hunne oogen, toen het om de witte
-marmeren kruin van den heiligen Pallas-burg zweefde.
-
-Maar het wolkje verdween, en rein en schitterend doemden in het heldere
-licht de tinnen en gevels van het Parthenon en der onlangs voltooide
-Propylaeën op uit de verte.
-
-Hoog verhief zich, boven de ellende en verdeeldheid van de stad der
-Atheners en der sterfelijke menschenkinderen, de onsterfelijke kruin
-van den berg.
-
-Uit de puinhoopen van het vergankelijke verrees in het land der
-Hellenen iets onvergankelijks, zegevierend in eeuwigen glans.
-
-En het scheen te zeggen:
-
-„Verheven ben ik boven het wisselend lot der menschen en hunne nietige
-ellende. Ik schitter door alle eeuwen heen. Ik besta ten allen tijde.
-Ik ben als het betooverend licht over de bergen van Hellas, en als de
-eeuwige glans der wateren in zijne golven!”
-
-Naar het Goede en naar het Schoone streven de volkeren.
-
-Menschelijk en edel is het Goede—goddelijk en onsterfelijk echter het
-Schoone.
-
-
- EINDE.
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN VAN DEN SCHRIJVER.
-
-
-DEEL I, PAGINA 24.
-
-Men spreke uit: Ictinus, zoo ook Hipponicus, Cratinus, daarentegen
-Prómachos, Pápyrus, Pháleron, Agorácritus.
-
-
-DEEL I, PAGINA 149.
-
-De klemtoon worde op de volgende namen aldus gelegd: Pasicòmpsus,
-Execéstides, Astrámpsychus, Mnesárchus, waardoor het eigenaardige van
-die harde, ruw klinkende woorden, in het oog valt. De lezer bederve dat
-niet door eene verkeerde uitspraak.
-
-
-DEEL I, PAGINA 320.
-
-De bijzonderheden van deze schildering aan den zeeslag bij Tragia zijn
-geheel verdicht, alleen overeenkomstig met de behoefte van den roman,
-om het karakter van Pericles in zijne kracht en heldenmoed uit te doen
-komen.
-
-
-DEEL II, PAGINA 349 EN 350.
-
-Het in het vorige jaar verschenen dichterlijk album „Egeria” (Eger
-1875), alsmede de epische dichtbundel „Orient und Occident” van K. B.
-v. Hansgirg bevatten een gedicht „Phidias” getiteld, waarin, evenals
-hier, Pallas Athene den stervenden beeldhouwer verschijnt. Hansgirg
-geeft zelf in het laatste boek, pag. 79, het jaar 1874 op, als het
-jaar, waarin dit gedicht werd opgesteld. Mijn verhaal daarentegen van
-Phidias’ dood werd reeds in 1873 geschreven en daar deze geheele roman
-in de eerste maanden van 1874 in het bureel van de Weener „Neuen freien
-Presse” aanwezig was, kan ik mij ook nog op het getuigenis van hen, die
-het werk daar in handen gehad hebben, beroepen, dat, hoeveel ook sedert
-in het handschrift van „Aspasia” veranderd is geworden, toch juist dit
-tooneel reeds toen woordelijk zoo geschreven was, als het thans in druk
-verschijnt, zoodat derhalve aan plagiaat niet kan gedacht worden.
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Zie Noot 3 op pag. 24.
-
-[2] Een Grieksch woord, dat eigenlijk verzameling en en verzamelplaats
-beteekent, van daar de markt.
-
-[3] Faunus eig. een oude mythische koning van Latium, later als landgod
-geëerd, werd dikwijls met den Griekschen herdersgod Pan verwisseld,
-evenals zijne kinderen de Fauni met de Satyrs, die tot het gevolg van
-Pan behooren.
-
-[4] De voornaamste der drie havens van Athene, waartoe Pericles in 482
-v. C. reeds de grondslagen gelegd had. De twee oudere havens waren Zen
-en Munichia.
-
-[5] Een zeeboezem, vroeger als haven gebruikt.
-
-[6] Athene stond onder de bijzondere bescherming van de Godin Pallas
-Athene, dochter van Zeus, v.d. ook Athene Polias (beschermster der
-stad) geheeten.
-
-[7] Pericles behoorde van vaders kant tot het geslacht der Buzygen, van
-de zijde zijner moeder (Argariste) totdat der Alcmaeöniden.
-
-[8] De burg van Athenen.
-
-[9] Een hoed met breeden rand, vooral een reishoed, zooals doorgaans de
-jonge mannen (Epheben), droegen.
-
-[10] De Godin der jacht, dochter van Zeus en Leto (Latona),
-overeenkomende met de Romeinsche Diana.
-
-[11] Eig. eene zuil, voor de zuilengaanderij te Athene, gebruikt tot
-opteekening en bekendmaking van wetten; beroemd is de poikile (de
-bonte) met muurschilderijen van Polygnotus.
-
-[12] Eig. een proefstuk, ook in de havens te Athene en Rhodus de
-plaats, waar de kooplieden hunne waar ten toon stelden.
-
-[13] Pontus (Euxinus) is de Zwarte zee.
-
-[14] Namen van slaven in de Grieksche comedies veel voorkomende.
-Phormio komt voor als de naam van een berucht tafelschuimer.
-
-[15] Hiermede wordt doorgaans het Attische talent bedoeld, dat 60 minen
-bevatte, plus minus ƒ 2640, later (in de 4e en 3e eeuw) slechts ƒ 2497.
-Het Euboeiscbe talent was ongeveer ƒ 3675, het Aeginetische en
-Babylonische ƒ 4400, later slechts ƒ 3937.
-
-[16] Een licht, snelvarend oorlogsschip, met drie rijen roeibanken
-boven elkander.
-
-[17] De plaats, waar de volksvergaderingen te Athene gehouden werden,
-bij den heuvel Lycabettus, tegenover de Acropolis en de Areopagus.
-
-[18] Bevelhebber over eene triëre of galei; ook degeen te Athene, die
-alleen of met andere burgers eene triëre voor den staatsdienst moest
-uitrusten, over welke hij òf in persoon òf door een plaatsbekleeder het
-bevel had.
-
-[19] Griekenland. Eigenlijk heette Hellas alleen Midden-Griekenland,
-doch dikwijls wordt dezen naam aan het geheel gegeven. Men vergelijke
-ons Holland; naam der provincie en tevens vaak als die van ons geheele
-land gebezigd.
-
-[20] Promachos beteekent in de voorste rijen strijdend, ook als subst.
-Kampvechtster.
-
-[21] De drie dochters van den zeegod Phorcys en de slang Echidna werden
-Gorgonen genoemd, vooral Medusa, die, met slangen omgord en met adders
-gelokt, allen die haar aanzagen in steen veranderde. Zij werd door
-Perseus overweldigd.
-
-[22] Zie noot 2 op pag. 19.
-
-[23] De Panathenaeën waren, zooals de naam aanduidt, een algemeen
-volksfeest, verdeeld in de groote en kleine Panathenaeën; de groote
-werden om de vier jaren, in het derde jaar van iedere Olympiade, de
-kleine jaarlijks gevierd.
-
-[24] De beroemde slag van Marathon, een vlek in Attica, werd door 9000
-Atheners en 1000 Plataeërs, onder aanvoering van Miltiades tegen eene
-tienmaal sterkere macht der Perzen onder Datis en Artaphernes in 490 v.
-C. glorierijk gestreden.
-
-[25] Aphrodite (Venus) was, naar de mythe, nabij het eiland Cyprus uit
-de zee opgestegen; haar naam wordt dan ook verklaard door „de uit het
-schuim der zee opgestegene.” Vandaar haar bijnaam Cypris en Cypria. Op
-Cyprus werd zij hoog vereerd; een prachtige tempel, haar gewijd, bevond
-zich daar.
-
-[26] Een belangrijk eiland in de Aegaeïsche zee, behoorende tot de
-groep der Cycladen, bekend om zijn schitterend wit marmer. Tot de
-Cycladen behoort ook Delos, beroemd als geboorteplaats van Apollo en
-Artemis, kinderen van Zeus en Leto.
-
-[27] Ictinus, Callicrates en Mnesicles waren de beroemdste bouwmeesters
-dier dagen. De beide eersten wijdden hunne krachten vooral aan het
-Pharthenon, aan Athene gewijd, de laatste aan de Propylaeën, het
-voorhof van den burg te Athene.
-
-[28] De Godinnen, die aan het leven liefelijkheid en bevalligheid
-bijzetten: Aglaia, Euphrosyne en Thalia. De Romeinen noemden ze
-Gratiae, Gratiën (eig. bevalligheden, wat ook het Grieksche woord
-uitdrukt).
-
-[29] Een beroemd gebergte op de kust van Azië in Phrygië, Mysië en
-Troas ten zuiden van den Hellespont (tegenw. zee der Dardanellen)
-gelegen. Aan den voet daarvan lag het beroemde Ilium (Troje). Een
-gebergte van dienzelfden naam bevond zich op Creta.
-
-[30] Pygmalion, een „koning” van Cyprus, vatte voor het ivoren beeld
-van een jonkvrouw, ’t welk hij zelf vervaardigd had, zulk eene
-hartstocht op, dat hij Aphrodite smeekte, het te bezielen. Toen dit
-geschied was, nam hij haar tot echtgenoot, bij wie hij Paphos verwekte.
-Vgl. het drama van Rousseau, aan deze mythe ontleend en Brockhaus,
-Conversationslexicon, in voce.
-
-[31] Peristylium of Peristylum is eene met zuilen omgeven plaats,
-evenwel geene zuilengaanderij om een tempel; dit heet in de antieke
-bouwkunst: Pteroma.
-
-[32] De God der liefde, overeenkomende met de Romeinsche Cupido.
-
-[33] De Muzen waren de godinnen van het gezang, de dichtkunst en de
-muziek. Vroeger was haar aantal slechts drie: Mneme, Aoide en Melete
-dochters van Zeus en Mnemosyme. Later worden er negen vermeld, te
-weten: Calliope, Clio, Euterpe, Thalia, Melpomene, Terpsichore, Erato,
-Polyhymnia en Urania, welke ieder eene bijzondere kunst beoefenden en
-elk hare attributen had. De Grieksche namen zelven verklaren, welke
-kunst aan iedere Muze was toegewezen. Haar dienst kwam uit het
-Thracisch landschap Piërië naar Griekenland over. V.d. de Piëriden = de
-Muzen. Vgl. verder Brockhaus, in voce.
-
-[34] Hesiodus was een Grieksch ditactisch dichter in Ascra in Boeötië
-geboren in de 9e eeuw v. C. Behalve eenige gedichten als „Werken en
-Dagen” schreef hij ook eene Theogenie, behelzende de mythen en sagen
-omtrent de Goden. Homerus werd beschouwd als de beroemdste dichter van
-Griekenland, de schepper van de Ilias en Odyssee, doch tegenwoordig
-meent men dat hij werkelijk niet heeft bestaan en zijne gedichten eene
-samenvoeging zijn der werken van tal van dichters.
-
-[35] Pindarus was de beroemdste der Grieksche lyrische dichters,
-ongeveer in 521 te Cynocephalae geboren, gestorven circa 433 v. C. Hij
-schreef hymnen van allerlei soort, zegeliederen, e. a., vooral ter eere
-der overwinnaars in de groote nationale spelen. Door kunstkenners als
-Horatius wordt zijne poëzie hoog gewaardeerd.
-
-[36] Anaxagoras was een der beroemdste Ionische wijsgeeren, omstreeks
-500 v. C. te Clazomenae geboren. Hij had grondige studie van de
-natuurwetenschappen gemaakt. Tot zijn beroemdste leerlingen behooren
-Pericles, de geschiedschrijver Thucydidus, de natuurkundige Archelaüs
-en de treurspeldichter Euripides. Anaxagoras was van oordeel, dat de
-stof zelve onbewegelijk was, maar door een eeuwig verstandig wezen, in
-beweging gebracht en dat door scheiding van het ongelijke en
-vereeniging van het gelijke de wereld ontstaan was. Hij werd van
-ketterij beschuldigd, verliet Athene en stierf te Lampsacus in 428 v.
-C.
-
-[37] Onder byssus verstaat men eene soort boomwol, die in de vroegste
-tijden uit Aegypte en later uit Indië werd aangevoerd. Daaruit
-vervaardigde kleederen noemt men sindones; andere namen voor byssus
-zijn gossypium en chylon.
-
-[38] De chiton is eigenlijk een wollen onderkleed, door mannen en
-vrouwen gedragen, waarover men een wijden mantel, chlaena of pharos
-genaamd, wierp, overeenkomende met de Romeinsche tunica. Verder duidt
-het algemeen een kleed, of gewaad aan. Zie Guhl und Koner, Das Leben
-der Griechen und Römer S. 179.
-
-[39] Alle niet-Grieken werden door hen barbaren geheeten; zóó deden
-later ook de Romeinen wat hen zelven betrof.
-
-[40] Onder Olympiërs verstaat men de Goden, die, naar de mythe, hun
-zetel hadden opgeslagen op de toppen van den Olympus, een berg in
-Thessalië.
-
-[41] Pisistratus maakte zich met geweld van den heerschappij over
-Athene meester in 560 v. C. Hij stierf in 527 v. C. Zijne zonen
-Hippias, Hipparchus en Thessalus, gemeenlijk de Pisistratiden geheeten,
-werden van de tyrannie (alleenheerschappij) beroofd en verdreven. (510
-v. C.) Hipparchus werd door Harmodius en Aristogiton vermoord.
-
-[42] Men wachte zich het woord tyran in onze beteekenis op te vatten.
-Het wordt hier gebezigd in den Griekschen zin en geeft enkel een
-alleenheerscher, die zich in een vrijen staat gewelddadig van de
-heerschappij heeft meester gemaakt, te kennen.
-
-[43] Erechtheüs (ook Erichthonius) was een Attische heros, wiens mythe
-nauw in verband staat met den oorsprong van Athene en de beschaving van
-Attica. Ook komt hij in onmiddellijke betrekking voor met den
-eeredienst. Van hem of Theseus leidt men het ontstaan der Panathenaeën
-af.
-
-[44] Een Grieksch woord, beteekenende: (de stad beschermende). Dat
-schild heette Palladium. In een latere noot wordt dit nader toegelicht.
-
-[45] Nemesis is de Godin van het zedelijk rechtsgevoel, ook van de
-wraak. Zij heet ook wel Adrastea en Rhamnusia, welken laatsten naam zij
-ontleent aan het vlek Rhamnus in Attica, waar zij een tempel en een
-standbeeld had, ’t welk men beweert dat Agoracritus uit het op de
-Perzen veroverd marmer gebeiteld had.
-
-[46] Socrates, een der beroemdste Grieksche wijsgeeren, was te Athene
-ongeveer 470 v. C. geboren. Zijn moeder heette Phaenarete. Zijn hoogste
-streven was zelfkennis. Bekend is zijne methode, om de menschen te
-ondervragen. Van ketterij beschuldigd, moest hij den giftbeker drinken,
-ongeveer 400 v. C.
-
-[47] Vergelijk noot 2 pag. 33.
-
-[48] Zie noot 1 pag. 16.
-
-[49] Eigenlijk beteekent strateeg veldheer; te Athene waren zij
-aanvoerders van het voetvolk en vormden tevens een rechterlijk college.
-
-[50] Een obool is eene munt, het zesde deel van eene drachme
-bedragende, ongev. ƒ 0.075. De obool had weder 6 chalkoi; 100 drachmen
-maken eene minae uit, 10 zilveren minae een gouden, 60 minae een
-talent. Eene minae is dus ongev. ƒ 44. Vergelijk noot 2 pag. 14.
-
-[51] Het Grieksche „daemon” beteekent in de eerste plaats: eene
-Godheid, ook eene wrekende; vervolgens een wezen tusschen Goden en
-menschen in. In het Nieuwe Testament ook de duivel, de booze geest.
-Vergelijk daemonisch, eig. door een daemon of Godheid bezeten, en
-enthousiast of door eene Godheid bezield (Theos, God).
-
-[52] Zie noot 1 pag. 29.
-
-[53] De Grieken kenden den Goden vele hoedanigheden toe; de een
-beschermde dit, de andere dat. Zeus was de beschermer der smeekelingen,
-die bij den haard, bij het altaar zittende, niet gekrenkt mochten
-worden. Als beschermer van den huiselijken haard noemen zij hem Zeus
-Ephestios.
-
-[54] Dionysus was de God van de vruchtbaarheid, inzonderheid van die
-des wijnstoks, ter wiens eere de landelijke Dionysiën in Attica werden
-gevierd. Hij stemt grootendeels overeen met den Romeinschen Bacchus,
-ook Iacchus en Liber geheeten.
-
-[55] De kunst van het voorspellen; het Grieksche woord wijst op eene
-geestvervoering.
-
-[56] De laurier was aan Phoebus Apollo gewijd. De Grieken schreven aan
-zekere planten een reinigende kracht toe, als aan den myrth, den
-rozemarijn, maar vooral aan den Apollonischen lauriertak. Vgl. Guhl und
-Koner, p. 381, in het reeds aangehaalde werk.
-
-[57] Xantippes had de Perzen in 479 v. C. bij Mycale eene geweldige
-nederlaag toegebracht. Mycale is een gebergte in Ionië (waar ook eene
-stad van dien naam lag;) tegenover Samos, zich uitstrekkende van den
-Maeander bij Magnesia tot aan de kust.
-
-[58] Onder Palladium verstaat men het door Pallas (Athene = Minerva)
-van den hemel naar Troje geworpen schild van welks behoud Troje’s lot
-afhing. Later beweerden verscheidene steden, als Athene, Argos, en Rome
-het te bezitten. Te Rome meende men dat het in den tempel van Vesta
-heilig werd bewaard, zoodat zelfs de opperpriester (Pontifex Maximus)
-het niet mocht zien. Er waren ook nog andere houten Palladia.
-
-[59] Een landschap tusschen Macedonië, den Donau, den Bosporus (straat
-van Constantinopel), de Propontis, den Hellespont en de Aegaeïsche zee
-gelegen.
-
-[60] Een landschap van Midden-Griekenland (Hellas).
-
-[61] Cimon, een der beroemdste Grieksche veldheeren, was de zoon van
-Miltiades en Hegesipyle. Zijn vader, Paros niet kunnende vermeesteren,
-werd tot eene zware geldboete veroordeeld, die hij niet kon betalen.
-Die schuld ging op Cimon over, die tevens met „atimie”, d.i. verlies
-aller burgerrechten gestraft werd. Callias, een rijk Athener, huwde
-echter Elpinice, de halfzuster van Cimon, met wie deze, volgens de
-zeden dier dagen, reeds getrouwd was, en betaalde de boete. Vervolgens
-nam hij een roemrijk aandeel in de Perzische oorlogen, veroverde
-verscheidene eilanden, als Scyros en Thasos (463 v. C.), voerde
-oorlogen tegen Sparta, doch werd eindelijk door het Ostracisme of
-schervengerecht verbannen. Na eene vijfjarige ballingschap werd hij
-door Pericles in 451 teruggeroepen, sloot met de Spartanen een
-vijfjarigen wapenstilstand, voerde een Atheensche vloot tegen de Perzen
-naar Cyprus, doch vond bij de belegering der stad Citium den dood.
-Plutarchus, een Grieksch geschiedschrijver, en de Romein Cornelius
-Nepos hebben zijn leven beschreven.
-
-[62] Thasos, een aanzienlijk eiland in het Noorden van de Aegaeïsche
-zee, tegenwoordig Tháschos, aan Turkije behoorende, met ongeveer 10,000
-bewoners.
-
-[63] Theseus, de zoon van Aegeus, was een beroemde, nationale
-Atheensche held, die tal van monsters en schelmen doodde, als den
-Minotaurus op Creta, Sciron, Procrustes e. a. Aegeus meenende dat zijn
-zoon op Creta omgekomen was, stortte zich in de zee, naar hem de
-Aegaeïsche zee genaamd. Hij aanvaardde de heerschappij over Attica en
-verrichtte tal van beroemde feiten. Hij nam deel aan den
-Argonautentocht e. a. Bij zijne vrouw, de Amazone Antiope, verwekte hij
-Hyppolytus, die later door zijne stiefmoeder Phaedra den dood vond. Dit
-gaf Racine stof tot zijn meesterstuk „Phédre”.—Theseus vond bij Scyros
-door koning Lycomedes den dood. Te Athene werd hij als held (heros)
-vereerd en verkreeg door Cimon een tempel (Theseion). Op dezen tempel,
-door Polygnotus versierd, doelt Hamerling ongetwijfeld.
-
-[64] Deze galerij heet in ’t Grieksch de „poikile”.
-
-[65] De belegering en val van Troje behoort tot het mythologisch
-tijdvak; men stelt de verovering dier stad, waarvan Priamus koning was,
-ongev. 1184 v. C.
-
-[66] Cassandra, ook Alexandrea genaamd, was de dochter van Priamus en
-Hecuba, en had van Apollo de gave der profetie ontvangen; evenwel met
-den vloek, dat niemand haar zou gelooven. Zoo voorspelde zij te
-vergeefs den ondergang van hare vaderstad Troje. Toen nu na den val van
-Troje zij en andere jonge maagden naar den tempel van Athene vluchtten
-sleurde Aiax, de Locriër, Cassandra van het altaar weg en onteerde
-haar, terwijl zij later Agamemnon ten deel viel, die haar naar Mycene
-voerde. Agamemnon zou zij de tweelingen Teledamus en Pelops gebaard
-hebben.
-
-[67] Cronion beteekent Cronos’ zoon, d.i. Zeus (Jupiter). Cronos is
-geïdentificeerd met den Romeinschen Saturnus, zoon van Uranus en Gaea,
-die volgens de mythe, zijne eigene kinderen verslond, omdat hem
-voorspeld was, dat zij hem van den troon zouden stooten. Alleen Zeus
-ontkwam dit lot en stortte zijn vader in den Tartarus (de onderwereld).
-
-[68] Aan Clio, de „verkondigende”, de Muze der geschiedenis, werden
-schrijftafeltje en stift, als attributen toegekend. Zie voorts noot 1
-pag. 30.
-
-[69] Sparta werd ook „Lacedaemon” geheeten; „Lacedaemonius” beteekent
-dus de „Lacedaemoniër” of de „Spartaan”.
-
-[70] Een kleed, vooral een mantel, die omgeslagen werd en in vele
-plooien neerviel. Men wikkelde zich er echter geheel in. Het himation
-werd door mannen en vrouwen beide gedragen.
-
-[71] Vergelijk ons woord „zak”. Eig. eene grove stof van gevlochten
-haar, ook een mantel.
-
-[72] Eigenlijk eene bekransing, krans; vandaar ook een hoofdsieraad der
-vrouwen.
-
-[73] De hond stond bij de Grieken weinig in eere; hij was het toonbeeld
-van onbeschaamdheid. Het woord kuoon, dat hond beteekent, wordt ook
-gebezigd voor den ongelukkigsten worp in het dobbelspel.
-
-[74] Artemis (Diana) was de Godin der jacht.
-
-[75] De Brilessus of Brilettus was een bergketen ten N. O. van Athene,
-ongev. 1110 meter hoog, beroemd om zijn marmergroeven. Meer bekend is
-het onder den naam (Pentelicon), thans Menteli.
-
-[76] Beroemde stad in Phocis, (een landschap van Midden-Griekenland),
-beroemd door den Apollo-tempel, het orakel en de bekende Pythische
-spelen.
-
-[77] De Godinnen van het geweten, de wroeging, die den misdadiger
-vervolgen. Zij worden ook Erinyen genaamd.
-
-[78] Eene stad in Boeötië (Midden Griekenland), eene der tien steden
-van het Boeötisch verbond.
-
-[79] De zoogenaamde Pythia, die te Delphi orakels gaf.
-
-[80] Dit woord wordt in tweeërlei zin gebruikt. In den kwaden zin
-beteekent het iemand, die de verderfelijkste leer verkondigt, zooals
-Hippias. In den goeden zin van het woord waren het zedepredikers, die
-slechts het geluk van hun volk bedoelden, zooals Protagoras, Gorgias en
-Socrates.
-
-[81] Na den dood van Koning Codrus (1068 v. C.) werden er Argonten
-(bestuurders) te Athene gekozen, eerst levenslang, daarna voor 10
-jaren. Later waren er drie; de eerste heette Archon (ook Eponymus
-geheeten, omdat men naar hem het jaar noemde), de tweede Archon
-Basileus (koning) voor godsdienstige zaken, de derde Archon
-Polemarchus, wien de leiding in krijgszaken was opgedragen.
-
-[82] Alcibiades, later beroemd staatsman en veldheer, verloor zijn
-vader in den slag bij Coronea (477 v. C.) Zijne moeder heette
-Dinomache. Hij was in 451 v. C. te Athene geboren. Hij huwde met
-Hipparete, de dochter van Hipponicus. Na vele lotgevallen en beroemde
-daden viel hij in een ongenade en werd in 404 v. C. door Pharnabazus
-vermoord. Hij was een der talentvolste Atheners, een leerling van
-Socrates.
-
-[83] Opvoeder; de opvoeding was doorgaans aan de slaven toevertrouwd.
-
-[84] Een vrouwelijke geest of spook, om de kinderen schrik aan te
-jagen.
-
-[85] Het Grieksche woord beteekent spook.
-
-[86] Eigenlijk de naam van eene ijdele vrouw, voor synoniem met „mormo”
-een spook.
-
-[87] Te Olympia in Elis werden de zeer beroemde Olympische spelen om de
-vier jaren gevierd. Zelfs werd daarnaar eene tijdrekening ingesteld.
-Een tijdvak van vier jaren noemde men eene Olympiade.
-
-[88] De sandaal (sandalon) was vooral een vrouwenschoeisel. Zij bestond
-uit eene houten of rundleeren zool, die door riemen aan den voet
-bevestigd werd. Men vertaalt het wel, hoewel niet geheel juist, door
-pantoffel.
-
-[89] In Griekenland zijn twee dichters van dien naam. De oudste is
-Simonides van Amorgos of Samos, naar anderen willen, p. m. 600 v. C.
-Hij schreef Iambische gedichten. De tweede, Simonides van Ceos, is
-beroemder. Hij werd ongev. 557 v. C. geboren. Hij was een dichter van
-elegieën. Zijne epigrammen zijn zeer bekend, b.v. op de overwinnaars
-bij Marathon en op de bij de Thermopylae gevallen Spartanen. Simonides
-stond in hoog aanzien te Sparta en Athene. Op uitnoodiging van Hiëro
-begaf hij zich in 447 naar Syracuse, waar hij in 466 stierf. Toen
-bevonden zich daar ook Pindarus en Bacchylides.
-
-[90] Eig. de „Aresheuvel” de plaats, waar het hoogste gerechtshof van
-Athene zitting had.
-
-[91] Een kwartier van Athene, ook de straat, die naar de Acropolis
-voerde. „Kerameikos”, zooals het Grieksch luidt, beteekent eigenlijk
-pottebakkersmarkt.
-
-[92] Een vlek in Attica, beroemd door de prachtige tragedie van
-Sophocles: Oedipus Coloneüs.
-
-[93] Tholus beteekent een rond gebouw, ook dat gebouw, waarin te Athene
-de Prytanen (d. z. vijftig raadsleden van den raad der Vijfhonderd, die
-afwisselend voorzaten) spijzigden.
-
-[94] Megara was de hoofdstad van het landschap Megaris in
-Midden-Griekenland, eene goed bevolkte, sterke stad, niet verre van de
-zee, door twee lange muren aan zijne zeehaven Nisaëa verbonden.
-
-[95] Maaltijd, drinkgelag.
-
-[96] Eene schaal, vooral eene drinkschaal.
-
-[97] Een groote kruik of aarden vat, waarin de wijn bewaard werd, wijd
-van opening, waaruit de wijn geschept werd.
-
-[98] Een wateremmer of kruik.
-
-[99] Eene stad in Laconië (Peloponnesus), aan den oever van den
-Eurotas, twintig stadiën zuidoostelijk van Sparta gelegen.
-
-[100] Sicyon (ook Secyon geheeten) eene zeer oude stad op de noordkust
-van de Peloponnesus.
-
-[101] Een wijk, vooral door kolenbranders bewoond. Aristophanes, de
-bekende Grieksche blijspeldichter, schreef eene comedie tot titel
-hebbende „de Acharners”.
-
-[102] Men onderscheidt de Aphrodite Pandemus, d.i. de zinnelijke
-liefde, en de Aphrodite Urania d.i. de hemelsche, de geestelijke
-liefde.
-
-[103] Laurion, een zuidelijke tak van den Hymettus, Z. O. van Athene,
-tot het voorgebergte Sunion zich uitstrekkend, was beroemd om zijne
-zilvermijnen, welker opbrengst onder de burgers placht verdeeld te
-worden, totdat ze, op voorstel van Themistocles, tot het bouwen van
-oorlogsschepen werden gebezigd.
-
-[104] Choreuten zijn de koordansers. Choros was een der twee deelen van
-het oudste theater; het beteekent de dansplaats. ’t Werd ook orchestra
-geheeten.
-
-[105] Eigenlijk beteekent het „medespijzend”, iemand die met den
-priester mede eet van het offermeel, v.d. een tafelschuimer.
-
-[106] Eigenlijk hij, die zelfs om het stelen van eene vijg iemand
-aanklaagt, die het geringste zelf aanbrengt, v.d. een valsche
-aanklager, eene verachtelijke klasse van menschen, doch in Athene zeer
-talrijk in den tijd, waarin dit verhaal voorvalt.
-
-[107] Onder Autochthonen verstaat men de oorspronkelijke bewoners van
-een land die niet van elders overgekomen zijn, de inboorlingen.
-
-[108] Eumeniden beteekent eigenlijk de welwillenden, de genadigden; zij
-komen overeen met de Erinyen (Furiën), de zusters der Godinnen van het
-noodlot, de dienaressen van de gerechtigheid en de wreeksters van
-iedere misdaad.
-
-[109] Odeon (Odeion) is eigenlijk eene plaats om te zingen; te Athene
-een openbaar gebouw, tot muzikale uitvoeringen bestemd, dat tevens
-echter voor volksvergaderingen en gerechtshof werd gebezigd.
-
-[110] Metopon beteekent eigenlijk het voorhoofd, v.d. het front.
-
-[111] Poseidon is met den Romeinschen Neptunes geïdentificeerd. Zijn
-attribuut was de geweldige drietand.
-
-[112] Hermes, overeenkomende met den Romeinschen Mercurius, de zoon van
-Zeus en Maia, was de beschermgod van den handel, ook van de dieven en
-reizigers. Ook is hij de bode der Goden.
-
-[113] Daedalus is een der beroemdste kunstenaars der oudheid. Hij
-maakte o.a. voor zijn zoon Icarus en zich zelven, toen zij te Creta
-gevangen gehouden werden, vleugels met was bevestigd. Icarus, die de
-zon te dicht naderde, viel in zee, daar de was smolt. Die zee is naar
-hem de „Icarussche” genoemd. Daedalus was ook de bouwmeester van het
-vermaarde Labyrinth op Creta.
-
-[114] Demeter, de Romeinsche Ceres, was o.a. de Godin van het graan.
-
-[115] Eleusis, eene stad in Attica, lag aan de baai van dien naam,
-tegenover het eiland Salamis.
-
-[116] Priesterheerschappij.
-
-[117] Aeschylus was de eigenlijke stichter van het Grieksche treurspel.
-Hij werd in 525 (volgens sommigen in 521) geboren, zijn vader heette
-Euphorion, uit een oud-Attische familie gesproten, behoorende tot de
-gemeente Eleusis. Op vijfentwintigjarigen leeftijd trad hij als
-tooneeldichter op. In 484 behaalde hij den eersten prijs. In 490
-onderscheidde hij zich dapper in den slag bij Marathon, waar hij
-talrijke wonden ontving. Voorts nam hij deel aan de roemrijke slagen
-bij Artemisium, Salamis en Plataea (480 en 479). In 475 werd hij door
-Hiëro, tyran van Syracuse, aan het hof genoodigd. Na in vele
-dichterlijke wedstrijden, naar Athene teruggekeerd, te hebben
-overwonnen, werd hij aangeklaagd; hoewel vrijgesproken verliet hij de
-stad en begaf zich naar Gela op Sicilië; waar hij op 69-jarigen
-ouderdom stierf. Een grafteeken en standbeeld werd door de Atheners
-voor hem opgericht. Van zijne talrijke tragediën op 93 of 70 begroot,
-hebben we er zeven over. Haar titel luidt: „de geketende Prometheus”,
-„de zeven tegen Thebe”, „de Perzen”, de „Oresteia”, eene trilogie
-bestaande uit den „Agamemnon”, de „Choëphorae of offerplengsters”, en
-„de Eumeniden”, ten laatste de „Hiketiden of smeekelingen”.
-
-[118] Het is hier niet de plaats het nauwkeurig onderscheid uiteen te
-zetten tusschen den Dorischen, en den Ionischen stijl. Uitvoerig kan de
-lezer dat vinden in Guhl en Koner, pag. 10, 11 en volgende. In het
-algemeen slechts merken we op, dat die bouworden op dezelfde wijze
-verschillen, als de volken, Doriërs en Ioniërs, waaraan ze ontleend
-zijn. In den Dorischen stijl heeft zich het ernstige karakter van de
-Doriërs afgespiegeld; lichter en slanker, bevalliger en sierlijker is
-de Ionische bouworde.
-
-[119] Rhythmus is eigenlijk iedere beweging, afgeleid van een
-werkwoord, dat „stroomen”, „in beweging zijn” beteekent; v.d. de maat,
-versmaat. Men herinnert zich dat de verzen der Ouden zich niet door het
-rijm, maar door de maat van het proza onderscheiden.
-
-[120] Dit zijn de woorden, welke Diomedes tot zijn wagenmenner
-Sthenelus spreekt, toen deze hem aanried te vluchten voor Aeneas en
-Pandarus. Iliad. Boek V, vs. 256.
-
-[121] Anacreon was een der grootste en tevens liefelijkste lyrische
-dichters van Griekenland. Al wat zacht en welluidend was vond in hem
-zijn tolk. De liefde en den wijn bezong hij bij voorkeur. Van de 68
-gedichten, die op zijn naam overgeleverd zijn, erkent de critiek er
-zeer weinige voor echt. Hij was te Teos in Ionië geboren, werd te
-Abdera opgevoed, circa 530 v. C. Polycrates, tyran van Samos, noodigde
-hem aan zijn hof. In 521, na den dood van zijn beschermheer, keerde hij
-terug naar Athene, waar hij door Hipparchus met ingenomenheid werd
-ontvangen. Na den val van dezen begaf hij zich weder naar Teos. Tijdens
-den opstand van Ionië tegen Darius vluchtte hij naar Abdera, waar hij
-op 85-jarigen ouderdom stierf. Simonides maakte op hem een grafschrift.
-Naar de sage luidt, is hij aan het doorslikken van een druivepit
-gestorven.
-
-[122] Sappho, dochter van Scamandronymus en Cleïs, geboren te Eresus op
-Lesbos in 612 v. C. was de beroemdste dichteres der Oudheid. Te
-Mitylene verzamelde zij eene schare jongeren om zich heen. Voor een
-dezer, den schoonen Phaon zou zij eene zoo hevige liefde hebben
-opgevat, dat ze zich van de Leucadische rotsen in zee stortte, omdat
-die liefde onbeantwoord werd. Men wil, dat ze een dochter Cleïs naliet.
-Zij koesterde groote vriendschap voor den dichter Alcaeus. De grondtoon
-harer poëzie is hartstocht en liefde. Naar haar is de Sapphische
-strophe genoemd.
-
-[123] Eros, de God der liefde, de Romeinsche Cupido.
-
-[124] Hier wordt Aegeus bedoeld; vergelijk noot 2 pag. 60.
-
-[125] De Minotaurus was, naar de sage, half stier half mensch, welken
-Minos in het labyrinth te Creta met knapen en meisjes voedde, die
-Athene als cijns moest opbrengen. Theseus doodde hem met behulp van
-Ariadne.
-
-[126] Aegina, een eiland ongeveer anderhalve vierk. mijl groot, met
-gelijknamige hoofdstad, ligt in den Saronischen zeeboezem (golf van
-Aegina). Beroemd is de Aeginetische kunst en gymnastische geoefendheid.
-
-[127] Panhellenisch beteekent alle Grieken omvattend.
-
-[128] Troje, op de kust van Klein-Azië gelegen.
-
-[129] Acrocorinthus is de acropolis van Corinthe, de hoogste top en
-sterke vesting.
-
-[130] Corinthe was de aanzienlijkste handelplaats van Griekenland, op
-den Isthmus (zeeëngte) gelegen met voortreffelijke havens. Cicero noemt
-het, in zijne redevoering de imperio Cn. Pompeii c. V: „totius Graeciae
-lumen”, het licht van geheel Griekenland.
-
-[131] Men bemerkt hieruit dat de spreker Sophocles is, de groote
-Atheensche treurspeldichter.
-
-Sophocles, de zoon van Sophillus, een wapensmid, is geboren in 495 v.
-C. te Colonos in Attica. In 480 zong hij in het koor ter eere van de
-overwinning bij Salamis. Lampros was zijn leermeester in de muziek.
-Achttien malen behaalde hij de zege in een tragischen wedstrijd, waarin
-hij dikwijls zelfs Aeschylus overtrof. Na de opvoering zijner Antigone
-werd hij tot strateeg gekozen (441). Tegelijk met Pericles voerde hij
-het bevel in den eersten oorlog tegen Samos. Vier jaar later zou hij
-Hellanotamias geweest zijn, waardoor hij het bestuur verkreeg over de
-bondskas. Bij de hetaere Theoris zou hij een zoon Aristo verwekt
-hebben, die weder een zoon, Sophocles geheeten, naliet, die eveneens
-drama’s schreef. Uit een wettigen echt had Sophocles een zoon Iophen,
-die weinig talent en een slecht karakter bezat, zoodat hij zelfs zijn
-hoogbejaarden vader van krankzinnigheid aanklaagde, om het beheer over
-diens goederen te verkrijgen. Men wil dat de grijze dichter zijn
-schoone zang uit den Oedipus Coloneüs ter eere van Colonos zou hebben
-voorgedragen, teneinde zijne onverzwakte geestkracht te bewijzen. Hij
-werd daarop onmiddellijk vrijgesproken; Sophocles stierf in 406, bijna
-90 jaar oud. Men wil dat hij aan het doorslikken van eene druivepit zou
-gestorven zijn. Hij was van een beminnelijk en vroolijk karakter. Den
-blijspeldichters strekte hij dikwijls tot mikpunt hunner spotternijen.
-
-Van zijne talrijke treurspelen, door de Alexandrijnen op 130 begroot,
-hebben we er zeven over. Voorts schreef hij vele lierzangen, elegieën
-en andere stukken. Bij Sophocles komt het liefelijke en zachte meer op
-den voorgrond dan bij Aeschylus die geweldiger en gespierder is.
-
-De zeven treurspelen, ons bewaard, zijn: „de Antigone”, een der
-schoonste stukken van den dichter, ten onzent o.a. door A. J. ten Brink
-en Opzoomer vertaald. De „Oedipus koning”, door Vondel en Bilderdijk
-vertolkt. De „Oedipus te Colonos (Coloneüs)”, door Bilderdijk
-overgezet, „de Electra”, in 1638 door Vondel vertaald, „de Ajax” en de
-„Trachiniae”, welk laatste door Vondel is overgezet. Overigens bestaan
-van al deze tragedies vertalingen in het Duitsch, Fransch en Engelsch.
-Sophocles wordt door bevoegde kunstrechters voor den grootsten der
-oudere en nieuwere treurspeldichters gehouden.
-
-[132] Dit Grieksche woord beteekent: waarzegging uit de handen.
-
-[133] „Aeschylus”; zie noot 1 pag. 111.
-
-[134] Pan is de God der herders en kudden uit Arcadië afkomstig,
-bevriend met de nymfen, met wie hij reidansen uitvoert. Hij wordt
-afgebeeld met bokspooten, baard en horens op het hoofd (Panische
-schrik). Dikwijls komt hij voor in verbinding met Dionysus (Bacchus).
-
-[135] Dit feit greep plaats vóór den slag bij Marathon. De Spartanen
-echter mochten om godsdienstige bezwaren niet vóór de volle maan
-strijden. De Atheners vochten toen bijna alleen. Zie noot 1 pag. 24. De
-Spartanen kwamen later op het slagveld en prezen den moed der Atheners.
-Het feit waarvan boven melding gemaakt wordt, wordt uitvoerig verhaald
-door Herodotus, Boek VI. § 105.
-
-[136] Beide landstreken in de Peloponnesus.
-
-[137] Triptolemus wordt voor den zoon gehouden van koning Celeüs van
-Eleusis en Metanira of van Oceanus en Gaea. Door Demeter werd hem een
-met draken bespannen wagen geschonken, waarmede hij de aarde zou
-rondrijden om de graankorrels uit te strooien. Later werd hij koning
-van Eleusis en voerde daar den eeredienst der Godin in. De kunst stelt
-hem voor als een krachtig man, op een met draken bespannen wagen en
-korenaren en scepter in de hand.
-
-[138] Daduchus, een Grieksch woord (daidouchos), beteekent: die de
-fakkel vasthoudt en voordraagt, v.d. de priesters in de Eleusinische
-spelen.
-
-[139] Waarom Hamerling hierin eene bijzonderheid ziet, is mij niet
-duidelijk, daar doorgaans bij de Grieken een zoon naar zijn grootvader
-genoemd werd. Zie b.v. noot 1 pag. 125.
-
-[140] Solon, de groote Atheensche wetgever, een zoon van Execestides
-uit het oude geslacht der Crodiden, werd ongev. 639 v. C. geboren. In
-594 werd hij eerste Archont en gaf zijne beroemde wetgeving. Daarbij
-verdeelde hij de burgers in klassen naar hun vermogen. Daarna werden
-ook de politieke rechten en plichten geregeld. Solon stierf hoog
-bejaard in 559. We bezitten eene levensbeschrijving van hem door
-Plutarchus.
-
-[141] Eretria, de hoofdstad van het eiland Euboea waarschijnlijk eene
-kolonie der Atheners, bloeide eertijds door handel en nijverheid. Om
-den afval van de Perzen werd het door Datis en Artaphernes verwoest en
-de bewoners als slaven naar Susa gevoerd. Later werd de stad herbouwd,
-die in 198 v. C. weder door de Romeinen is vernietigd. Eretria heet
-thans Palaeo-Castro. Vgl. noot 2 pag. 60.
-
-[142] Hecatombe beteekent eigenlijk een offer van honderd (hekaton)
-runderen. Dikwijls wordt het alleen voor een zeer groot offer gebezigd.
-
-[143] Melitaeïsch beteekent van Melite, een eilandje in de
-Middellandsche zee bij Dalmatië; niet te verwarren met Melite wat ook
-de Grieksche benaming is van Malta, door de Ouden Ogygia genoemd. Doch
-het Latijnsche adjectivum van dit Melite luidt: Melitensis of
-Melitesius, dus: Melitensisch of Melitesisch.
-
-[144] Epirus, een bergachtig landschap van Noord-Griekenland bestond
-vooral uit drie stammen; de Chaoniërs, die in het Noord-oostelijk deel
-woonden; de Thesprotriërs in het zuiden en de Molossiërs in het
-Noord-oosten.
-
-[145] Samos, een eiland nabij de Westkust van Klein-Azië, niet ver van
-het voorgebergte Mycale, thans Samo, door de Turken echter Susam Adassi
-geheeten. Op Samos bevond zich een tempel van Hera (Heraion).
-
-[146] Hera is vereenzelvigd met de Romeinsche Juno, de echtgenoote van
-Zeus (Jupiter). Vergelijk over het boven medegedeelde de bekende fabel
-van Phaedrus, getiteld: Juno en de pauw (Boek III, 18). Hera was ook de
-Godin van den echt.
-
-[147] Het Grieksche woord Ktesios beteekent: tot het bezit behoorende;
-Zeus Ktesios is dus Zeus, die het eigendom beschermt.
-
-[148] Eigenlijk dienaressen van Bacchus, die zijne nachtelijke feesten
-vieren. Van daar elke opgewonden, slechte vrouw.
-
-[149] Buitengewoon groote feesten, waar het lustig toeging.
-
-[150] Thyestes, de zoon van Pelops en Hippodamia, doodde met zijn
-broeder Atreus hun stiefbroeder Chrysippus en beide vluchtten naar
-Eurystheus. Thyestes verwekte hier bij de echtgenoote van zijn broeder,
-Aerope, twee zonen, waarom hij door Atreus werd verdreven. Uit wraak
-ontvoerde hem Thyestes een zijner zonen, voedde dien op en kweekte in
-hem een onverzoenlijken haat tegen zijn vader. Later zond hij den zoon
-van Atreus om dezen te vermoorden. De aanslag mislukte en Atreus liet
-zijn eigen zoon ter dood brengen. Later vernam hij de toedracht der
-zaak en ontstak in groote woede. In schijn richtte hij voor zijn
-broeder een verzoeningsmaaltijd aan. Daar zette hij Thyestes diens
-eigen zonen voor en toonde hem later hunne hoofden. Thyestes ontvlood
-die rampzalige plaats; later verwekte hij bij Pelopia Aegistheus, die
-Atreus doodde en zijn vader op den troon van Mycenae plaatste.
-
-Een Thyestes-maal beteekent dus: een allernoodlottigs en afschuwelijk
-maal.
-
-[151] De Discus is eene steenen of metalen (later ook houten) ronde
-schijf, van het midden, waaraan gewoonlijk een leeren handvatsel
-bevestigd is, dunner afloopend, dien de Grieken en later de Romeinen
-bij hunne gymnastieke oefeningen gebruikten. De wedstrijd in het
-loopen, springen, worstelen, het vuistgevecht en het werpen met den
-discus en speer vormde het zoogenaamde „Pentathlon” (d.i. vijfderlei
-wedstrijd).
-
-[152] De Romeinsche Diana, dochter van Zeus en Leto (Latona), zuster
-van Apollo, de Godin der jacht.
-
-[153] De God des huwelijks.
-
-[154] De Academie was een gymnasium bij Athene, naar den heros Academus
-genoemd, waar Plato zijne lessen gaf. Vandaar, dat men ook onder
-Academie de school van Plato verstaat.
-
-[155] Eene bronnimf.
-
-[156] Hamadryaden zijn boomnimfen, in onderscheiding van Dryaden, dat
-in ’t algemeen woudnimfen, vooral der eiken (Drus, eik) zijn. Sommigen
-nemen tusschen beide nimfen geen onderscheid aan.
-
-[157] Iliad. VI, vs. 506 en vv., waar men deze heerlijke vergelijking
-in haar geheel kan lezen.
-
-[158] De Parcen (Moiren) waren de Godinnen van het noodlot. Gewoonlijk
-worden er drie genoemd: „Clotho”, die de levensdraden spint, „Lachesis”
-die den menschen hun lot toedeelt en „Atropos”, de onafwendbare, de
-noodzakelijkheid om te sterven.
-
-[159] Lamia, de dochter van Belos en Libya werd om hare schoonheid door
-Zeus bemind; uit wraak hierover roofde Hera hare kinderen. Lamia, van
-verdriet waanzinnig geworden ontvoerde en doodde de kinderen van andere
-moeders. Vandaar wordt zij als een schrikkelijk spook beschouwd. Later
-verstond men onder Lamia eene schoone vrouw, die de jonge mannen
-bekoorde en verleidde.
-
-[160] Circe was eene machtige toovenares, de dochter van Helios en
-Perseïs, op het eiland Aea, die Odysseus’ tochtgenooten in zwijnen
-veranderde.
-
-[161] De Hesperiden, gewoonlijk vier in getal, Aegle, Erythea, Histia
-en Arethusa, bewaakten met den honderdkoppigen draak Lado de gouden
-appelen van Hera op het Atlas-gebergte, in de uiterste streken der
-aarde.
-
-[162] Argus, bijgenaamd Panoptes, de alziende, was de zon van Agenor of
-Inachus, die vele monsters doodde. Hij was met honderd oogen voorzien.
-Later werd hij door Hermes gedood. Met zijne oogen tooide Hera den
-pauwenstaart.
-
-[163] Eene soort van roofvogels, met vrouwenaangezichten en groote
-klauwen. Bij Hesiodes heeten zij „Aello” en „Ocypete”.
-
-[164] Antigone, de dochter van Oedipus, koning van Thebe, en Iocaste.
-
-[165] Vooral de wijnen van Chios, Lesbos en Cyprus waren beroemd.
-
-[166] Creon was koning over Thebe, opvolger van Oedipus.
-
-[167] Hades is eigenlijk de God van de onderwereld, Pluto; vandaar ook
-de onderwereld zelve.
-
-[168] Distichos beteekent eigenlijk van „twee rijen” of „regels” v.d.
-distichon een vers, waarvan de eerste regel zesvoetig is (een
-hexameter) en de tweede vijfvoetig (een pentameter). De grondtoon dezer
-verzen is de dactylus, d.i. eene lange lettergreep, gevolgd door twee
-korte.
-
-[169] Tot recht verstand dezer verzen diene: het Grieksche woord
-Peithoo beteekent: overtuigende welsprekendheid, de gave der
-overreding, van daar ook: de Godin der welsprekendheid, en overreding.
-De Horen zijn de dienaressen van Aphrodite, de Godinnen van den bloei
-en de rijpheid; de eerste heet dan Thallo, (lente) de tweede Carpo
-(herfst). Zij komen dikwijls voor in verbinding met de Chariten
-(Gratiën). Over Calliope, eene der Muzen, zie noot 1 pag. 30. Wat
-Themis aangaat, vergelijk noot 1 pag. 46.
-
-[170] Het Grieksche voorzetsel hupo (onder), geeft in dergelijke
-samenstellingen dikwijls eene nabootsing in den trant van —. Zoo ook in
-Hypodorisch en Hypophrygisch: iets Dorisch, Phrygisch, wat naar dien
-stijl of melodie zweemt.
-
-[171] Landvoogd.
-
-[172] Persepolis, Pârsa („de stad der Perzen”) was eens de hoofdstad
-van Perzië en de begraafplaats der koningen, niet ver van den Araxes.
-Door Darius I werd het ongeveer in 515 v. C. tot residentie verheven.
-
-[173] Met den naam van groote koning werd in de oudheid de Perzische
-koning bestempeld, zoodat zelfs het Grieksche woord koning, basileus,
-zonder lidwoord, altijd de koning der Perzen aanduidde.
-
-[174] Men leze daaromtrent den roman van Georg Ebers, „eene Aegyptische
-koningsdochter”, ten onzent door Dr. H. C. Rogge en C. H. Pleyte
-vertaald.
-
-[175] De avondster.
-
-[176] Van Chios, een der schoonste en vruchtbaarste eilanden van de
-Aegaeïsche zee, thans Chios of Stankio, door de Turken Saki geheeten.
-Het eiland was vooral beroemd om zijn heerlijken wijn en vijgen.
-
-[177] Men leze dezen schoonen reizang in haar geheel bij Sophocles, in
-de Antigone, vs. 772, v.v. Ik bezig Opzoomer’s vertaling.
-
-[178] Lyceüm (Lukeion) is oorspronkelijk eene plaats nabij Athene aan
-Apollo, Lykeios d.i. den wolvendooder gewijd. Later werd het gymnasium
-aldaar beroemd, doordat Aristoteles en na hem de Peripatetische
-wijsgeeren er hunne lessen gaven. Vandaar dat in nieuweren tijd
-gymnasiën en hoogere scholen dikwijls Lyceën worden genoemd.
-
-[179] Palaestra beteekent: worstelschool, oefenperk.
-
-[180] Ephebos wordt hij genoemd, die den leeftijd van achttien jaren
-heeft bereikt: ephebentijd is dus de tijd, wanneer men nog een jong en
-krachtig man is.
-
-[181] Magiërs heetten bij de Meden en Perzen de leden eener
-priesterkaste, veel overeenkomende met de Leviten in Israël. Zij
-bezaten kennis der godzaken, naar men meende; vandaar dat het woord wel
-eens synoniem gebruikt wordt met toovenaar, zooals te dezer plaatse.
-
-[182] Alle drie landschappen in de Peloponnesus.
-
-[183] Pisates is eene landstreek ten zuiden van Elis, en daarvan
-onafhankelijk, met de stad Pisa aan de rivier de Alpheus.
-
-[184] Het Grieksche woord „nous” beteekent: verstand, overleg, geest;
-bij Anaxagoras voor: de wereldgeest, die de stof ordent. Wat de
-uitspraak van „nous” betreft, herinnere zich de lezer, dat het
-Grieksche „ou”, evenals in het Fransch wordt uitgesproken.
-
-[185] Het Grieksche „chaos” beteekent vooreerst de ledige, onmetelijke
-ruimte; voorts bij de wijsgeeren de verwarde massa, waaruit het heelal
-geschapen is „de bajert”.
-
-[186] Duisternis.
-
-[187] Zinspeling op Iliad. I. vs. 528 v.v., waar gezegd wordt, dat bij
-het fronsen der wenkbrauwen van Zeus de Olympus daverde in zijne
-gevesten.
-
-[188] Aulis is eene kleine stad in Boeötië, tegenover het eiland Euboea
-gelegen, waar de Grieksche vloot bijeen kwam, om het leger naar Troje
-te voeren.
-
-[189] Silenus, nu eens de zoon van Hermes, dan weder van Pan genaamd,
-is een der satyrs, volgelingen van Dionysus; hij wordt als een
-afschuwelijk leelijk wezen voorgesteld, met een stompen neus,
-geitenooren, een dikken buik en kaal hoofd. Vandaar zegt men wel eene
-Silenus-gestalte van een leelijk mensch.
-
-[190] De chlamys was een wijde, ruime mantel, die de Epheben droegen.
-Zij werd over den linker schouder geworpen, terwijl men de einden met
-een gesp bevestigde. Gewichten trokken het gewaad naar beneden. Zij was
-de eigenlijke reis- en krijgsmantel, vooral die der ruiters.
-
-[191] Onderwijzers der knapen in het worstelen.
-
-[192] Mauritanië was een landschap in het noorden van Afrika gelegen,
-ongeveer waar thans Marocco ligt; ’t was verdeeld in Tingitana en
-Caesariensis.
-
-[193] Het Grieksche woord „aleiptes” beteekent „zalver”, vandaar de
-slaaf die den badende met olie insmeert, ook de onderwijzer in het
-worstelen, de leeraar, benevens hij, die de knapen voor den worstelkamp
-met olie zalft, om de ledematen lenig te maken.
-
-[194] De opzichter over de gymnastische oefeningen en het worstelperk.
-
-[195] Achilles, de zoon van Peleus en de zeegodin Thetis, is de
-beroemde held, die in de Ilias eene hoofdrol speelt. Een kort maar
-roemrijk leven had hij zich gekozen. Na tal van roemrijke wapenfeiten,
-o.a. het verslaan van den Trojaanschen held Hector, wordt hij door
-Apollo, in de gestalte van Paris, door eene pijl in de hiel getroffen,
-zijn eenige kwetsbare plaats. Benevens Phoenix had Achilles tot
-leermeester in den wapenhandel en artsenijkunde den Centaur Chiron. Op
-dezen laatsten wordt hier door den schrijver gezinspeeld.
-
-[196] Hyacinthus, zoon van den Spartaanschen koning Amyclas en Diomede
-was een buitengemeen schoon jongeling en werd door Apollo en Zephyrus
-bemind. Zephyrus, om zich op zijn mededinger te wreken, deed den
-discus, terwijl Apollo Hyacinthus in het werpen daarmede onderwees, het
-hoofd van Hyacinthus doodelijk treffen. Uit het bloed van den jongeling
-deed Apollo de hyacinth, d.i. misschien de zwaardlelie (althans niet
-onze hyacinth) ontspruiten. Door den Romeinschen dichter Ovidius is
-deze legende dichterlijk behandeld (Metamorph. X, 155 v.v.).
-
-[197] Acrisius, koning van Argos, verwekte bij Eurydice eene dochter
-Danaë, die, volgens het orakel, een zoon zou baren; welke zijn
-grootvader zou dooden. Niettegenstaande alle voorzorgen van Acrisius
-bracht Zeus bij Danaë, Perseus voort. Bij de lijkspelen ter eere van
-den koning van Larissa in Thessalië, die Acrisius mede vierde, werd
-deze door Perseus onwillens, door een discus getroffen en gedood.
-
-[198] Heracles, door de Romeinen Hercules genoemd, was een der
-beroemdste helden, van wie de legenden gewagen. Later werd hij heros
-d.i. halfgod. Zijne twaalf groote werken zijn bekend.
-
-[199] Ageladas—want dit is de gewone schrijfwijze—was een beroemd
-beeldhouwer te Argos. Hij was de leermeester van Phidias, Myron van
-Eleutharae en Polycletus van Sicyon. Zijn eerste onderricht echter in
-de beeldhouwkunst genoot Phidias van Hegias te Athene.
-
-[200] De lezer herinnere zich dat op de bruiloft van Peleus en de
-zeegodin Thetis alle Godheden genoodigd waren, behalve Eris, de Godin
-van den haat. Om zich te wreken wierp Eris in de bruiloftszaal een
-gouden appel met het opschrift „voor de schoonste”; Aphrodite, Hera en
-Athene maakten ieder aanspraak op dien prijs. Paris, de zoon van
-Priamus, werd tot scheidsrechter benoemd, en deze, verlokt door
-Aphrodite’s belofte hem de schoonste vrouw ter wereld als belooning te
-geven, kende haar den prijs toe. Deze vrouw was Helena, de gade van
-koning Menelaüs.
-
-[201] De hoorn van Amalthea beteekent zooveel als de hoorn des
-overvloeds. De reden hiervan is deze: Amalthea is de naam eener geit,
-die Zeus op Creta, toen hij door zijne moeder voor Cronos (Saturnus)
-verborgen werd zoogde. Tot loon daarvoor werd zij onder de sterren
-opgenomen. Zeus ontnam de geit één hoorn en gaf dien aan de dochters
-van Melisseus, die Rhea hadden bijgestaan, en vulde dien met alle
-mogelijke zegeningen en goede gaven.
-
-Eene andere lezing is, dat Amalthea eene nimf is, die met de melk eener
-geit Zeus voedde.
-
-[202] Prometheus, de weldoener der menschheid, ontstal den Goden het
-vuur en opende daardoor in menschen eene bron van eindeloos geluk. Tot
-straf deed Zeus hem door Bia (de kracht) en Kratos (het geweld) aan
-eene rots in den Caucasus nagelen, waar een arend telkens zijne lever,
-die steeds weder aangroeide, kwam verslinden. Toch boog Prometheus zijn
-trots niet, toch bleef hij in opstand tegen de machtige Goden. V.d.
-beteekent Prometheïsch: onbuigzaam, onwrikbaar.
-
-[203] Tot recht verstand van dit hoofdstuk is het niet overbodig,
-kortelijk den inhoud van Sophocles’ Antigone mede te deelen. Polynices,
-de broeder van Antigone, is, als vijand zijner vaderstad, voor de muren
-van Troje gesneuveld. Creon, koning van Thebe, heeft een verbod
-uitgevaardigd op straffe des doods, dat het lijk van Polynices
-onbegraven ten prooi der honden zal blijven. Antigone waagt het lijk
-haars broeders te begraven. Voor Creon gebracht, bekent zij hare daad
-en zegt meer eerbied aan de Goden dan aan de menschen verschuldigd te
-zijn. Antigone wordt opgesloten in eene onderaardsche grot, waar zij
-zich van het leven berooft. Haemon, Creon’s jongste zoon, de verloofde
-van Antigone, stoot zich het zwaard door de borst. Op het hooren van
-die tijding berooft Eurydice, Creon’s echtgenoote, zich van het leven,
-haar echtgenoot vervloekende. Het geheele stuk wordt afgewisseld door
-prachtige reizangen.
-
-[204] Elaphebolion is de maand, die loopt van half Maart tot half
-April. In die maand werden de Elapheboliën gevierd, d.i. de feesten ter
-eere van de hertenjacht. Elaphebolos beteekent: hertendoodend.
-
-[205] Euripides is de derde der beroemde Grieksche treurspeldichters.
-Evenwel hij is de minste onder hen. Zijn vader heette Maesarchus en
-zijne moeder Clito, eene groentevrouw; hij zou juist op den dag der
-overwinning bij Salamis (480) geboren zijn. De dialoog in zijne stukken
-is dikwijls zeer wijsgeerig.—Vooral door Aristophanes wordt hij zeer
-bespot. Hij stierf nog vóór Sophocles in 406 v. C. Van zijne stukken
-zijn ons de namen van 75 bekend, doch slechts 18 hebben wij er over,
-waaronder een satyr-drama en een stuk Rhesus, dat misschien niet van
-hem is. Hij zou door honden zijn verscheurd. Archelaüs heeft te
-Arethusa een monument voor hem opgericht; eveneens deden de Atheners in
-hunne stad.
-
-[206] Cratinus leefde van 520–424 en was de stichter der komedie. Zijne
-Pytine, de flesch, waarin hij tegen Aristophanes vooral te velde trekt,
-is het meest bekend. Hij is beroemd om zijne vinnigheid en sarcasme.
-
-[207] Choregos is eigenlijk de aanvoerder van een koor, ook hij die de
-kosten voor de opvoering van een koor (choregie) draagt.
-
-[208] Pytho is een draak, die het Delphisch orakel bewaakte; hij werd
-door Apollo geveld. Volgens de sage, stelde Apollo daarna te Delphi de
-Pythische feesten in. Met de Olympische, Isthmische en Nemeïsche spelen
-waren zij de beroemdste nationale spelen in Griekenland.
-
-[209] De cothurnus is eigenlijk eene hooge jachtlaars, ook op het
-tooneel in het treurspel gebruikt, om grooter te schijnen.
-
-[210] Halicarnassus was een der beroemdste steden van Klein-Azië in
-Ionië.
-
-[211] De Lenaeën is een feest ter eere van Dionysus (Bacchus) gevierd;
-de naam is afgeleid van het Grieksche lenos, dat wijnpers beteekent.
-
-[212] In de tragedies van Euripides is eene afkeer van de vrouwen
-duidelijk merkbaar. Men zegt, dat de treurige ervaring bij zijne beide
-vrouwen Melito en Choerile opgedaan den dichter tot die sombere
-beschouwing hebben geleid. Vandaar kreeg hij den bijnaam „de
-vrouwenhater.”
-
-[213] Philoctetes, zoon van Poeas en Demonassa trok op tegen Ilium.
-Wegens eene verpestende wonde aan de voet, ten gevolge van een
-slangenbeet, werd hij door de Grieken op het eiland Lemnos
-achtergelaten. Hij bezat echter den boog en pijlen van Hercules zonder
-welke, zoo had Helenus geprofeteerd, Troje niet kon genomen worden. Na
-negen jaren op het eiland te hebben doorgebracht, kwamen Odysseus en
-Diomedus of Neoptolemus (volgens Sophocles) om hem naar Ilium te
-voeren. Na veel tegenstand gelukte het hun, en door bemiddeling van
-Philoctetes werd Ilium genomen.
-
-Sophocles behandelt deze geschiedenis, voor een deel althans, in zijn
-„Philoctetes.”
-
-[214] Protagonistes was de persoon die de hoofdrol, denteragonistes
-hij, die de tweede rol vervult, terwijl tritagonistes genoemd wordt
-degene, die in de derde rol optreedt.
-
-[215] Electra, de dochter van Agamemnon en Clytemnaestra, naar wie een
-treurspel van Sophocles geheeten is.
-
-[216] Orestes, die eerst dood gewaand, later door Electra herkend
-wordt. Te samen dooden zij hun moeder Clytemnaestra, de moordenares
-huns vaders. Ook van Euripides bestaat een treurspel „Electra”
-geheeten.
-
-[217] Zie Inleiding pag V. Aiax, woedend om die nederlaag richt eene
-vreeselijke slachting aan onder de runderen, meenende dat het Grieken
-waren. Daarop stortte hij zich in zijn zwaard.
-
-[218] Soph. Aiax vs. 794 en v.v.
-
-[219] De zon. De volgende verzen vindt men in Sophocles Aiax vs. 823 en
-v.v.
-
-[220] Ismene is de zuster van Antigone, die te vreesachtig is om deze
-te helpen in haar vromen plicht. Toch wordt zij door Creon ter dood
-veroordeeld, doch ontvangt, tegen haar zin, genade.
-
-[221] Dionysus (Bacchus).
-
-[222] Didaskalos beteekent eigenlijk leermeester, ook hij, die een
-tooneelstuk laat instudeeren, de koormeester.
-
-Het komt ook wel voor in de beteekenis van: de dichter van het
-tooneelstuk.
-
-[223] Eigenlijk: de dansplaats; voorts de plaats in den Atheenschen
-schouwburg tusschen het tooneel en de amphitheatersgewijze oploopende
-zitplaatsen.
-
-[224] Omphale, de dochter van den Lydischen koning Iardanes en gemalin
-van Tmolus, verbond zich na den dood van dezen met Heracles of Hercules
-en baarde hem een zoon. Eene latere sage is er, dat Heracles door haar
-verwijfd is geworden en vrouwelijke handwerken leerde, terwijl Omphale
-de wapenen des oorlogs hanteerde. Ongetwijfeld doelt Hamerling hier op
-deze laatste legende, ze toepassende op Pericles en Aspasia.
-
-[225] Agonothetes is een insteller van den wedstrijd, ook een opzichter
-en rechter daarvan.
-
-[226] Mastigophoros is eigenlijk een zweep of geeseldrager; vandaar een
-lager bediende, die met zweep of geesel de orde handhaaft.
-
-[227] Oedipus, de zoon van Laïus, was gesproten uit het geslacht der
-Labdaciden, dat aan Labdacus, den vader van Laïus, zijn naam ontleende.
-
-[228] Thespis te Icaria, een Attisch vlek, geboren, wordt de eigenlijke
-stichter der tragedie genoemd. Hij had de gewoonte ingevoerd, dat de
-reiaanvoerder bij afwisseling het een of ander verhaal uit het goden-
-of helden-epos voordroeg. Onwaarschijnlijk echter is het verhaal, dat
-Thespis op een wagen een tooneel had ingericht; vanwaar de uitdrukking,
-die de schrijver hier gebruikt echter afkomstig is. Horatius bezigt het
-eerst de uitdrukking: „kar van Thespis.”
-
-Van Thespis is niet één stuk meer overgebleven.
-
-[229] Behalve hetgeen de schrijver aangaande Protagoras mededeelt, is
-het nog vermeldenswaard, dat Protagoras voor een leerling gehouden
-wordt van Democritus, wiens atomenleer hij echter niet toegedaan was.
-Protagoras, van atheïsme (asebia) beschuldigd, moest Athene verlaten en
-zijne geschriften werden openlijk verbrand. Zijne hoofdstelling is: de
-mensch is de maat van alles.
-
-Men wil dat hij op zeventigjarigen ouderdom verdronken is.
-
-[230] Hippocrates was de beroemdste arts der Oudheid, omstreeks 460 v.
-C. op het eiland Cos geboren, zoon van Heraclides en Phaenarete. Door
-zijn vader, arts en priester in het geslacht der Asclepiaden,
-onderricht, verliet Hippocrates zijn vaderland, hield zich geruimen
-tijd op Thasos en in Tessalië op en, naar men beweert, zou hij in 377
-te Larissa gestorven zijn, waar een grafteeken voor hem werd opgericht.
-De talrijke geschriften, die onder zijn naam tot ons gekomen zijn, zijn
-niet alle echt. Veel moet op rekening gesteld worden van zijne zonen
-Thessalus en Draco, zijn schoonzoon Polybus en latere geneesheeren uit
-den tijd der Ptolomaeën. Hippocrates was tevens een uitstekend
-wiskundige.
-
-[231] Abdera, aan de monding van den Nestus, omstreeks 656 v. C.
-gegrondvest, was befaamd om de stompzinnigheid zijner inwoners.
-Hippocrates zocht de oorzaak daarvan in hunne verwijfdheid. V.d. dat
-„Abderiet” een scheldnaam is, één of beide deze eigenschappen
-uitdrukkende.
-
-[232] Eene soort van zeevisch, eigenlijk thunnos geheeten.
-
-[233] Muraena is een schoon gevlekte zeeaal, door de Ouden zeer hoog
-gewaardeerd.
-
-[234] Men plengde bij het einde van den hoofdmaaltijd òf aan den goeden
-Geest (Daemon) òf aan de Gezondheid (Hugieia).
-
-[235] Men herinnere zich, dat de Grieken vrij ongemanierd beentjes,
-schillen enz. op den grond wierpen. Anders is deze uitdrukking moeilijk
-te verstaan.
-
-[236] Paëan is eigenlijk een plechtig, veelstemmig lied ter eere van
-Apollo, om hem te smeeken eene ziekte af te wenden; v.d. komt het woord
-voor als een bijnaam van den God: redder. Voorts beteekent het in het
-algemeen: een zegezang, een loflied.
-
-[237] Symposiarchos of koning van het symposion beteekent ongeveer
-president van de tafel; we meenden dat woord het best door
-ceremoniemeester over te zetten, daar zijne functiën vrij wel met die
-van den titularis in onze dagen overeenkomen. Wij hebben de vrijheid
-genomen van dit symposiarchos, naar het Grieksch, een vrouwelijke
-symposiarche te vormen, omdat dit van vele andere ons nog het best
-voldeed. Voorts houde men in het oog, dat symposion, hoewel eigenlijk
-een drinkgelag, de eigenlijke maaltijd werd, waar de gasten door
-muziek, dans en allerlei voorstellingen onderhouden werden.
-
-[238] Prutaneion (Prytaneüm) is het openbare gebouw in de vrije
-Grieksche steden, waarvan steeds het vuur werd onderhouden ter eere van
-Hestia, de Godin van den huiselijken haard; te Athene mochten daarin de
-prytanen (zie noot 1 pag. 76), de buitenlandsche gezanten en ook
-verdienstelijke burgers spijzigen. Vandaar dat Socrates, gevraagd
-zijnde welke straf hij zich waardig keurde, antwoordde: „In het
-prytaneüm op staatskosten te worden onderhouden.”
-
-[239] Thrax beteekent eigenlijk Thraciër; de slaaf werd zoo naar zijn
-vaderland genoemd.
-
-[240] De Sphinx, een monster met het lichaam van een leeuw en een
-vrouwelijk hoofd, verscheen in de nabijheid van Thebe en stortte ieder
-in den afgrond, die het raadsel niet kon oplossen: „Welk is het wezen,
-dat ’s morgens op vier, ’s middags op twee en ’s avonds op drie voeten
-gaat.” Oedipus loste het raadsel op, daar hij meende dat de mensch
-bedoeld werd in zijne verschillende levensperioden.
-
-[241] Herkeios beteekent: tot den hof, het huis behoorend; Zeus had,
-als beschermer van het huis, in den voorhof zijn altaar; v.d. had hij
-den bijnaam Herkeios, beschermgod des huizes.
-
-[242] Hecate is de Godin van het maanlicht, soms ook van de
-onderwereld, van verschijningen, spoken en betoovering; vooral op
-kruiswegen werd zij vereerd. Zoo werd zij ook in de huizen aangeroepen,
-om tooverij en dergelijke zaken af te weren.
-
-[243] Agyieus beteekent beschermer der straten (aguia); Apollo als
-beschermgod daarvan had een zuilvormig altaar voor de huisdeur, waarop
-reukoffers gebrand werden.
-
-[244] De Pyanepsiën was een feest te Athene ter eere van Apollo, waarop
-men een gerecht van peulvruchten of boonen bereidde: de maand waarin
-dat feest gevierd werd, heette Pyanepsion, dat is van half October tot
-half November.
-
-[245] Tartarus komt bij de oude dichters vooreerst als persoon voor
-verbonden met Gaea, de vader van Typhoeüs. Voorts beteekent het: een
-donkere afgrond en doorgaans, zooals hier, „de onderwereld”, „het
-schimmenrijk”.
-
-[246] Een daricus („Dara”, in ’t Perzisch, = vorst) bedroeg twintig
-zilveren drachmen, ongeveer f9,—.
-
-[247] Skoliën (eigenl. schuin, niet volgens de rij) is een lied, dat op
-symposia bij beurten door de gasten gezongen werd: een tafellied.
-
-[248] Lycurgus was Sparta’s beroemdste wetgever. Hij leefde ongeveer in
-888 v. C. Na vele reizen gedaan en talrijke onderzoekingen in het werk
-gesteld te hebben, keerde Lycurgus naar Sparta terug en gaf zijne
-wetten in de „Rhetra” vervat.
-
-[249] Krater is een „mengvat”; de Grieken dronken doorgaans met water
-vermengden wijn; de verhouding van het water tot den wijn was
-gewoonlijk als 3 : 1, soms als 2 : 1, zelden als 3 : 2. Het drinken van
-onvermengden wijn achtte men een barbaar en drinker waardig.
-
-[250] Priëne is eene stad in Ionië, bekend als de geboorteplaats van
-Bias, een der zeven wijzen van Griekenland.
-
-[251] Samos was de voornaamste stad van het eiland van dien naam.
-
-[252] Onder de Eleatische school verstaat men die wijsgeerige school,
-welke gesticht is door Xenophanes uit Colophon, die zich te Elea, eene
-stad in Beneden-Italië, vestigde. Parmenides, Zeno en de hier genoemde
-Melissus waren hare beroemdste vertegenwoordigers. Hunne hoofdstelling
-was, dat het wezen des heelals één, ondeelbaar en onveranderlijk is;
-dat dit alleen bestaat, terwijl de talrijke natuurverschijnselen
-slechts voor de gedachte aanwezig zijn.
-
-[253] Ares is de oorlogsgod, de zoon van Zeus en Hera, de Romeinsche
-Mars.
-
-[254] Trimetros beteekent uit drie maten bestaande, namelijk uit zes
-voeten (= drie dipodieën) in den jambischen (iambus, eene korte syllabe
-door eene lange gevolgd), trochaëschen (trochaeüs, eene lange syllabe
-door eene korte gevolgd) en anapaestischen rhythmus (anapaestus, twee
-korte syllaben door eene lange gevolgd); in de andere verssoorten
-bestaat hij uit drie voeten.
-
-Daar de trimetros bij de treurspeldichters zeer geliefd is, staat
-„trimeters” hier gelijk met „verzen”.
-
-[255] Themistocles was een der grootste veldheeren en staatslieden van
-Athene. Hij was de zoon van Neocles en werd in 514 v. C. te Athene
-geboren. Hij was de groote tegenstander van den onkreukbaren Aristides,
-wien hij door het schervengerecht uit Athene verdreef. Hij was de
-schepper der Atheensche zeemacht; deed de stad, die door de Perzen
-verwoest was, herbouwen en versterken; verbond de stad met de haven
-door lange muren, tot ook eindelijk hij door hetzelfde schervengerecht
-werd verdreven (472) en zelfs van hoogverraad werd beschuldigd. Zijne
-laatste levensjaren sleet hij bij den koning der Perzen, Artaxerxes,
-die hem rijkelijk beloonde en eerde. Hij stierf in 461 v. C.
-
-[256] Aeäciden zijn nakomelingen van Aeasus, den zoon van Zeus en
-Aegina naar welke laatste het eiland (Oenone) geheeten werd, die op
-Aegina als halfgod werd vereerd. Tot de beroemdste Aeäciden behoort
-Achilles, de zoon van Peleus en Thetis.
-
-[257] Euripos beteekent in het algemeen: zeeëngte, kanaal, in het
-bijzonder echter de zeeëngte tusschen Euboeä en het vasteland.
-
-[258] Slagorde.
-
-[259] Catapulten en schorpioenen (scorpio) waren belegeringswerktuigen,
-waarmede men steenen, pijlen enz. slingerde. De eerste schoten in
-horizontale, de laatste in boogvormige richting.
-
-[260] Dolphinus, in het Grieksch Delphis geheeten, was een
-krijgswerktuig van de gedaante van een dolfijn, dat van ijzer of lood
-gemaakt, door eene machine opgetrokken en vervolgens op een vijandelijk
-schip geslingerd werd.
-
-[261] Deze uitdrukking is woordelijk uit het Grieksch vertaald en komt
-overeen met ons „enterhaken”.
-
-[262] Het Grieksche pharthenos beteekent maagd.
-
-[263] De Godin der gezondheid (Hygieia).
-
-[264] Als zoodanig heeft Zeus den bijnaam: Soter.
-
-[265] De uil was aan de Godin Pallas Athene gewijd.
-
-[266] De naam Marathon-strijder (Marathonomachos) was zeer in zwang als
-vereerende titel voor den dappere en onversaagde.
-
-[267] Een Grieksch spreekwoord, ongeveer overeenkomende met ons: „als
-de kat uit is, vieren de muizen feest,” moedig zijn als er geen gevaar
-is, of iets dergelijks.
-
-[268] Orgiastisch beteekent: bezield, bezeten, daar de Orgiën of
-feesten ter eere van Dionysus zich door luidruchtigheid en
-uitgelatenheid kenmerkten. Vergelijk noot 1 pag. 145.
-
-[269] Mitra is in het algemeen een band, een hoofdband, die door de
-Grieksche vrouwen gedragen werd; voorts een tulband, die door de
-verwijfde Aziaten gedragen werd.
-
-[270] Thales een der zeven Wijzen van Griekenland, leefde ongeveer 640
-v. C. Hij zou het eerst eene zonsverduistering voorspeld hebben. Hij
-verkondigde de leer, dat de stof eeuwig bezield en altijd in beweging
-is.
-
-[271] Herodotus „de vader der geschiedenis”, was te Halicarnassus in
-Carië omstreeks 484 v. C. geboren. Hij maakte talrijke reizen. Zijne
-ervaringen teekende hij op in negen boeken, die ieder naar eene der
-Muzen zijn genoemd. Hij munt uit door eenvoud en liefelijkheid van
-stijl. Herodotus stierf omstreeks 408 v. C., wellicht te Thurië, in
-Beneden Italië.
-
-[272] Vergelijk noot 1 pag. 32. Zeven plaatsen betwisten elkander de
-eer Homerus te hebben voortgebracht. Te weten: Smyrna, Rhodos,
-Colophon, Salamis, Chios, Argos, Athene.
-
-[273] Hebe, de dochter van Zeus en Hera, de Godin der jeugd, dikwijls
-als gemalin van Heracles voorkomende, was de schenkster der goden op
-den Olympus.
-
-[274] Cybele, ook Cybebe geheeten, was eene Phrygische Godin, de
-personificatie van het weelderige leven der natuur. Zij wordt ook
-geheeten: „de groote moeder der Goden” en dikwijls met Rhea
-geïdentificeerd. Hare begeleiders waren de dolle Corybanten, haar
-lieveling de jongeling Attis.
-
-[275] De Sirenen waren zeemonsters, die door verleidelijke liederen de
-voorbijvarenden tot zich lokten en hen dan doodden. Zij worden wel
-voorgesteld als vrouwen met vogelklauwen en vleugels.
-
-[276] Triton is de zoon van Poseidon en Amphitrite; vandaar in het
-algemeen een zeegod. Zijn attribuut is de mosselschelp, waarop hij
-blaast.
-
-[277] Proteus was een zeegod, die de robben Poseidon weidde. Als zijn
-verblijfplaats wordt het eiland Pharos, ook wel Karpathos, gemeld. Hij
-had de gave zich in allerlei gedaanten te kunnen veranderen.
-
-[278] Beschermgoden, geleigeesten, (genius.)
-
-[279] De Pontus bijgenaamd Euxinus, de gastvrije, is de Zwarte zee,
-vroeger om hare talrijke stormen Pentus Axinus, de onherbergzame,
-geheeten.
-
-[280] Psyche beteekent „ziel”. De fabel, juister de allegorie, waarop
-hier door den schrijver gedoeld wordt, komt voor bij Apuleins, een
-wijsgeerig schrijver die te Madaura in Numidië geboren was en lang te
-Rome verkeerde (in de tweede eeuw na C.). De inhoud daarvan was de
-volgende: Psyche eene koningsdochter was de schoonste van drie zusters,
-zoodat zij zelfs voor Aphrodite werd gehouden. Deze, hierover
-vertoornd, gelastte Eros een sterveling op haar te doen verlieven. Doch
-deze werd zelf op haar verliefd. De vader raadpleegde Apollo
-daaromtrent. Deze gaf de godspraak, dat men Psyche alleen op een berg
-moest achterlaten, want dat zij de gade van een monster moest worden.
-Dit geschiedde. Daar ontmoette zij telkens Eros in een paleis, dat voor
-haar was verrezen. Nieuwsgierig haren beminde meer van nabij te zien,
-naderde Psyche hem, ondanks zijn vroegere waarschuwing. Bij ongeluk
-liet zij een droppel heete olie op zijn schouder vallen. Eros, die
-sliep, ontwaakte en ontvlood haar. Troosteloos doolde Psyche overal
-rond, totdat zij eindelijk bij Aphrodite kwam, die haar als slavin hard
-behandelde. Nochtans steunde Eros haar in haren arbeid, zooals op haar
-tocht naar Persephone, in het schimmenrijk, waar zij levenloos door den
-benauwden damp ter neder stortte. Eros riep haar door aanraking zijner
-pijl in het leven terug. Eindelijk werd Aphrodite verzoend. Psyche
-ontving van Zeus de onsterfelijkheid en werd voor altijd met den
-geliefde vereenigd. Zij baarde hem eene dochter Hedone, (Voluptas,
-Cupido), het Genot. In deze allegorie wordt de onschuld, de val, de
-boete geschilderd en de redding der ziel door de kracht der liefde.
-
-[281] Halcyonen of Alcyonen zijn ijsvogels.
-
-[282] Halcyonische dagen zijn eigenlijk de zeven dagen vóór en na den
-kortsten dag, gedurende welke de ijsvogel zijn nest bouwt, daar de zee
-dan vrij van stormen is. Daaruit is de Grieksche spreekwijze ontstaan,
-beteekenende: kalme, diepe rust.
-
-[283] Heroïne beteekent eigenlijk heldin, het vrouwelijke van heros;
-voorts iedere voortreffelijke der stervelingen, eene halfgodin.
-
-[284] Dido of Elissa nam Aeneas, die op zijn tocht van Troje naar
-Italië door een vreeselijken storm geteisterd was, gastvrij op in het
-door haar gestichte Cartago.
-
-[285] Zie noot 2 pag. 259.
-
-[286] Thyrsus is de staf der Bacchanten, die met klimop en
-wijngaardloof omwonden was en uitliep in eene pijnboomnaald.
-
-[287] Metalen bekkens.
-
-[288] Eene pauk, eene tamboerijn, vooral bij de feesten ter eere van
-Cybele in gebruik.
-
-[289] Antaeüs was een reus, die zoodra hij zijne moeder, de aarde,
-aanraakte, nieuwe kracht kreeg. Hercules doodde hem door hem boven den
-grond te houden en zoo dood te drukken.
-
-[290] De Nereïden zijn dochters van Nereus, een zeegod en Doris; zij
-waren vijftig in getal.
-
-[291] Asclepius (Aesculapius), de zoon van Apollo en de nimf Coronis,
-de vader der beroemde geneesheeren Podalirius en Machaon, werd als de
-God der genees- en heelkunde vereerd.
-
-[292] In de Grieksche mythen wordt van een geweldigen zondvloed gewag
-gemaakt, waaraan alleen de vrome Deucalion en Pyrrha ontkwamen; hun
-zoon Hellen werd de stamvader der Grieken (Hellenen).
-
-[293] Phrynichus van Athene was een leerling van Thespis, een der
-eerste Grieksche treurspeldichters. In 511 v. C. behaalde hij voor het
-eerst den prijs in een tragischen wedstrijd; nog eenmaal in 476. Op
-hoogen ouderdom overleed hij wellicht aan het hof van Hiëro te
-Syracuse. Hij voerde vrouwenmaskers in en koorliederen, die nog al
-schoon schijnen geweest te zijn. Zijne stukken zijn alle verloren
-gegaan; de Ouden noemen vooral zijn „Phoenische vrouwen” en de
-„Verovering van Milete,” dat in 493 werd opgevoerd. Deze voorstelling
-schijnt zoo roerend geweest te zijn, dat het volk in tranen uitbarstte
-(zie Herod. VI. 21); daarom werd Phrynichus tot een zware geldboete
-veroordeeld, misschien ook omdat hij den Atheners scherp verweten had,
-dat zij hunne dochterstad niet hadden bijgestaan. Deze Phrynichus worde
-niet verward met een gelijknamigen blijspeldichter, die tijdens
-Aristophanes leefde.
-
-[294] „De dageraad,” steeds door Homerus de „rozenvingerige” geheeten.
-
-[295] Goddelijke, onsterfelijke.
-
-[296] Orpheus, een beroemd Thracisch zanger, had zijn zetel op de
-Rhodope, in het Haemus-gebergte. Zelfs de steenen roerde hij door zijn
-betooverend lied. Zijne gemalin heette Eurydice; beiden zijn door de
-zangen van oudere en nieuwere dichters vermaard.
-
-[297] Maenas beteekent: razend, dol; de Maenaden, de razenden, de
-Bacchanten.
-
-[298] Op deze peplos waren de beroemdste heldenfeiten uit mythe en
-historie voorgesteld.
-
-[299] Clytaemnestra, de echtgenoote van Agamemnon, hevig op hem
-verbitterd om den gewelddadigen dood van hunne dochter Iphigenia,
-vermoordde den zegevierenden held, toen hij in zijne vaderstad Mycenae
-was teruggekeerd. Dit onderwerp wordt in Aeschylus’ „Agamemnon”
-behandeld.
-
-[300] Dejanira, de dochter van den Aetolischen koning Oeneus, gade van
-Heracles, had het bloed van den veerman Nessus opgevangen, toen deze
-terwijl hij haar de rivier Euënus overzette en zich ongepaste vrijheden
-met haar veroorloofde, door Heracles met een der in het gif der hydra
-gedoopte pijlen was doorschoten.—Nessus gaf haar stervend den raad dit
-bloed te bewaren, daar het een onfeilbaar middel was om zich altijd de
-liefde van haar man te verzekeren. Toen de held later in liefde
-ontbrandde voor de schoone Iole, zendt Dejanira hem een prachtig gewaad
-dat zij met het bloed van den stervenden veerman had bestreken. Toen
-het kleed warm is geworden kleeft het aan zijn lichaam en brandt hem
-tot in het merg; de held richt met uiterste krachtsinspanning een
-brandstapel op, legt zich er op, Philoctetes en zijn vader steken dien
-aan en de held verbrandt onder de hevigste smarten; als heros werd hij
-onder de onsterfelijke Goden opgenomen.
-
-[301] Hippische kunst is de rijkunst. (Hippos = paard).
-
-[302] Hephaestus, zoon van Zeus en Hera, de God des vuurs, komt overeen
-met den Romeinschen Vulcanus. De feesten te zijner eere op Lemnos, te
-Athene en elders gevierd, heeten: hephaisteia.
-
-[303] Bijnaam van Poseidon; omdat hij met zijn drietand de aarde schudt
-heet hij Enosigaios en Seisichthoon, de aardschudder.
-
-[304] De Giganten (reuzen), een reusachtig, wild geslacht werd door de
-Goden, vooral met de hulp van Heracles, na vreeselijken strijd,
-verdelgd. Hyginus geeft hun getal als vierentwintig op. Bij Hesiodus
-komen zij voor als zonen van Gaea (de Aarde) en Ouranos (den hemel.)
-
-[305] Taxiarchos is in de eerste plaats: de aanvoerder van eene
-legerafdeeling voetvolk (taxis), de overste, ten tweede bijzonder te
-Athene de aanvoerder van die afdeeling voetvolk, die iedere phyle in
-het veld moest brengen.
-
-[306] De zoogenaamde Eupatriden, door Theseus, naar men zegt als eerste
-stand ingevoerd, men kan ze vergelijken met de Romeinsche Patriciërs.
-
-[307] Athene was na Clisthenus in tien phylen verdeeld; deze phylen
-waren wederom in demen, districten, gesplitst.
-
-[308] De Godin der overwinning.
-
-[309] Iris, de dochter van Thaumas en Electra, is, naast Hermes, de
-bodin der Godin, vooral van Hera; bij de oudere Grieken ook die van
-Zeus. Zij wordt ook geïdentificeerd met den regenboog, dien de Grieken
-dan ook Iris noemden.
-
-[310] Wedstrijden: dus kampstrijden met paarden en wagens.
-
-[311] Aegis (Aigis) is eigenlijk een geitenvel; ook het door Hephaestus
-vervaardigde schild van Zeus.
-
-[312] De Amazonen waren krijgshaftige vrouwen, die geen mannen onder
-zich duldden. Er worden drie Amazonen-volken vermeld; het eerste woonde
-aan de kusten van de Zwarte zee, den Caucasus en de rivier Thermodon.
-Haar koningin Hippolyte werd door Heracles gedood. Nog worden eene
-koningin Penthesilea vermeld, die Priamus hulp bracht tegen de Grieken
-en Thalestris, tijdens Alexander den Groote. Ten tweede de Scytische en
-ten derde de Afrikaansche Amazonen, met hare koningin Myrina.
-
-[313] Eene vaas of kruik, met nauwen hals en twee ooren, meestal van
-aardewerk vervaardigd, soms van glas, naar beneden spits toeloopend;
-doorgaans werd zij voor wijn gebruikt, doch ook voor honig, olie enz.
-
-[314] Onder „musische” kunst verstonden de Grieken niet uitsluitend de
-toonkunst maar alles wat fijne, kunstige of wetenschappelijke vorming
-betreft.
-
-[315] Aeschylus, zie Deel I noot 1 pag. 111 en noot 2 pag. 94.
-
-[316] Het Grieksche spreekwoord „Uilen naar Athene zenden”, komt vrij
-wel met onze uitdrukking overeen: „Water in de zee dragen”.
-
-[317] De maan.
-
-[318] Cronides beteekent Cronus’ zoon d.i. Zeus (Jupiter), ook wel
-Cronion geheeten. Zie Deel I, noot 1 pag. 63.
-
-[319] Bedoeld worden hier de Lydische koning Candaulus, de zoon van
-Myrsus en de hoveling Gyges, de zoon van Dascyles. In kleuren en geuren
-kan men dat verhaal lezen bij Herodotus 1, 8–13; het geheugen van
-Pericles schijnt op dit punt vrij slecht te zijn geweest, daar de
-gunsteling geenszins uit liefde voor de vrouw den koning doodde.
-Integendeel: de vrouw van Candaulus liet Gyges roepen en zeide: „Ik
-geef u de keus òf door Candaulus te dooden mij en het rijk te bezitten,
-òf zelf te sterven, opdat gij later niet weder dingen moogt zien, die
-onvoegzaam zijn.” Gyges kiest het eerste, door den uitersten nood
-gedwongen en verkrijgt alzoo de echtgenoote van Candaulus en de
-heerschappij.
-
-[320] De Thesmophoriën is een feest, uitsluitend door vrouwen gevierd,
-ter eere van Demeter (Ceres), als stichtster van het maatschappelijk en
-burgerlijk leven. Het woord Thesmophoros beteekent: wetten en
-instellingen gevend; met den naam de beide Thesmophoren worden dan ook
-Demeter en hare dochter Persephone (Proserpina) aangeduid.
-
-[321] De sesamus is een Oostersch peulgewas, uit welks vrucht olie
-geperst wordt; het zaad wordt als rijst gebruikt. Het gerecht daarvan
-op de boven beschreven wijze bereid, heet in het Grieksch sesamee of
-sesamis.
-
-[322] Cappadocië is een landschap in het Oosten van Klein-Azië,
-tusschen de rivieren de Halys en de Euphraat gelegen.
-
-[323] Eene roode verfstof: drakenbloed, vermiljoen, in het Grieksch
-cinnabaris of cinnabari geheeten.
-
-[324] Van Ephesischen oorsprong of uit de Chersonesus Taurica is de
-vereering van Artemis (Diana) te Brauron in Attica, werwaarts Iphigenia
-de zuster van Orestes haar beeld zou gebracht hebben. Als zoodanig heet
-Artemis Brauronia of Tauropolos; dit laatste verklaart men „op een
-stier rijdend” (taurus = stier) of de woeste.
-
-[325] Adonis, een schoon jongeling, naar de Grieksche sage, door een
-everzwijn gedood, was door Aphrodite (Venus) vurig bemind. Op haar
-verzoek stond Zeus toe, dat Adonis een derde deel van het jaar bij haar
-mocht verwijlen, het tweede deel bij Persephone in de onderwereld en
-over het derde zou hij vrije beschikking hebben. Ter zijner eere werden
-in Juli of in het laatste van de lente de Adonis-feesten vooral door
-vrouwen gevierd; het feest was tweeledig: eerst een treurfeest, waarin
-zijn dood beweend, dan een vreugdefeest, waarbij zijn terugkeer tot
-Aphrodite gevierd werd. In het Oosten werd het meer zinnebeeldig
-opgevat.
-
-[326] Arcadië is een landschap in het midden van de Peloponnesus
-(Moréa) gelegen.
-
-[327] De Peloponnesus.
-
-[328] De landengte tusschen Hellas en de Peloponnesus, ook die van
-Corinthe geheeten. In het algemeen iedere landengte.
-
-[329] De Styx is eene ijskoude, vergiftigde bron in Arcadië, ook eene
-rivier in de onderwereld.
-
-[330] Sinis, volgens anderen Sinnis, bond de reizigers, die hij in
-zijne macht kreeg, aan samengebogen boomen en liet hen zoo van een
-scheuren. Hij werd door Theseus gedood.
-
-[331] De „Zeven Vorsten”, die op verzoek van Polynices, den zoon van
-Oedipus tegen Thebe optrokken om hem, die door zijn broeder Eteocles
-verdreven was, weder op den troon te plaatsen waren: Adrastus,
-Amphiaraüs, Hippomedon, Capaneus, Parthenopaeüs en Tydeus; Polynices
-wordt als zevende genoemd. Aeschylus heeft die stof dichterlijk
-behandeld.
-
-[332] Bij Homerus alzoo genoemd.
-
-[333] De Atriden d.i. zonen van Atreus, waren Agamemnon, koning van
-Mycenae en Menelaüs van Sparta.
-
-[334] In het eerste boek der Ilias wordt de toorn van Achilles
-beschreven; Agamemnon heeft hem zijne schoone slavin Briseïs ontvoerd,
-omdat hij zijne eigene, Chryseïs, op last van Apollo, bij monde van den
-priester Calchas overgebracht, aan haar vader Chryses heeft moeten
-teruggeven. Daarom is Achilles vertoornd en kan noch door gebeden noch
-door geloften er toe gebracht worden, om weder aan den strijd, waaraan
-hij zich onttrokken heeft, deel te nemen. Alleen de dood van zijn
-boezemvriend Patroclus, door Hector geveld, ontvlamt hem weder tot den
-strijd.
-
-[335] „Pan”.
-
-[336] Het Grieksche pelagos beteekent: „zee”.
-
-[337] Cora (in het Grieksch Kora) beteekent: meisje.
-
-[338] De syrinx is eigenlijk iedere pijp, de pijpfluit, die uit
-verscheidene naast elkander vereenigde en trapsgewijze afnemende
-pijpen, ongelijk van dikte en lengte, bestaat: de herders- of
-Pans-fluit.
-
-[339] Het dooden der Stymphalische vogels was een der twaalf werken,
-Heracles (Hercules) door zijn broeder Eurystheus opgelegd. Door Hera
-met waanzin geslagen had Heracles zijne drie kinderen, bij Megara,
-dochter van den Thebaanschen koning Creon verwekt, gedood, en moest, op
-last van den Delphischen God, als boete volbrengen wat Eurystheus hem
-zou opleggen. Het meer, waarom die vogels met koperen vleugels, bek en
-klauwen, zwierven heette Stymphalis; Stymphalos is de naam van een berg
-in Arcadië. De vogels zelve worden Stymphaliden genoemd.
-
-[340] Atalante was de dochter van Iasus en Clymene en werd op den berg
-Parthenius te vondeling gelegd. Zij nam deel aan den Argonautentocht en
-de jacht op het Calydonische zwijn. Later werd zij aan hare ouders
-teruggegeven.
-
-[341] Krekels. In het Latijn heet een krekel cicada, wellicht ware het
-meer consequent geweest, zoo de schrijver tettix, het Grieksche woord
-daarvoor, gebezigd had.
-
-[342] Apollo weidde de runderen van Admetus, koning van Pherae in
-Thessalië.
-
-[343] Volgens de mythe een zoon van Hermes en eene Nimf.
-
-[344] Eene stad in Boeötië in Midden-Griekenland (Hellas), ten westen
-van het meer Copaïs.
-
-[345] Een plaatsje in Arcadië; in Boeötië lag ook een Orchomenus, N. W.
-van het meer Copaïs.
-
-[346] Lang haar te hebben gold bij de Grieken voor een sieraad, zelfs
-als een bewijs van welvaren en werd voor een teeken van trotschheid en
-overmoed gehouden. Vandaar, dat het Grieksche werkwoord, dat „lang haar
-hebben” (komân) beteekent, gelijkluidend is met onze uitdrukking:
-trotsch, pedant zijn.
-
-[347] Hellanodiken beteekent eigenlijk Hellenen-rechters; vandaar de
-kamprechters bij de Olympische spelen.
-
-[348] Rhapsode beteekent eigenlijk hij, die zangen samenvoegt; vooral
-worden onder rhapsoden zij verstaan, die de liederen van Homerus,
-Hesiodes en andere (vooral Epische) dichters tot een geheel vereenigden
-en van plaats tot plaats trokken, om die voor te dragen. Vandaar worden
-de verschillende boeken der Ilias en Odyssee rhapsodiën genaamd.
-
-[349] Panormus was eene belangrijke stad op Sicilië, het tegenwoordige
-Palermo.
-
-[350] Leontini eveneens eene stad op Sicilië, van Atheenschen oorsprong
-(370 v. C.)
-
-[351] Er waren drie steden van dien naam: Magnesia, een oud-Grieksche
-stad in Klein-Azië aan den voet van den Sipylus, Magnesia, aan den
-Maeander, ongeveer twaalf mijlen zuidelijker, en Magnesia, hoofdstad
-van een gelijknamig kustland van Thessalië aan de Pagasaeïsche baai
-(Golf van Volo). Dit laatste Magnesia zal hier wel bedoeld worden.
-
-[352] Larissa was de hoofdstad van Pelasgiotis, een landschap in
-Thessalië; het wordt ook als de hoofdstad van geheel Thessalië
-beschouwd.
-
-[353] Bewoners der steden Demetria, Lechaeum, Phlius en Cenchrae, in de
-Peloponnesus.
-
-[354] Alle Grieken.
-
-[355] De Lapithen was een woeste volksstam in Thessalië, nabij den
-Peneüs. Als stamvader van hen gold Lapithes, de zoon van Apollo en
-Stilbe, gelijk Centaurus voor dien der Centauren. Na aanhoudenden
-strijd met de Centauren dolven ten laatste de Lapithen het onderspit.
-
-[356] Stadion is eigenlijk eene lengte van 600 Grieksche voeten,
-ongeveer 188 Nederlandsche el; veertig stadiën komt dus ongeveer met
-een geographische mijl overeen. Voorts beteekent het de lengte van de
-renbaan te Olympia en in het algemeen: de renbaan.
-
-[357] Hippodromos is de plaats, waar de paarden om het hardst liepen,
-de renbaan: zie deel II, noot 1 pag. 8.
-
-[358] Horkios beteekent: tot den eed behoorend; een bijnaam van Zeus
-als handhaver en beschermer van den eed.
-
-[359] Zie Deel I, noot 1 pag. 204.
-
-[360] Zie Deel I, noot 1 pag. 63.
-
-[361] Mystes is het Grieksche woord voor hem, die ingewijd is in de
-mysteriën. Het woord „musterion” zelf beteekent geheim. De hier
-verkondigde leer schijnt van een godsdienstig-staatkundigen aard
-geweest te zijn. Degenen, die den hoogsten graad in die mysteriën
-hadden verworven, heetten epopten, opzieners.
-
-[362] Ithaca tegenwoordig „Teaki”, eiland in de Ionische zee.
-
-[363] Hiërophantes is hij die de heilige offerplechtigheden onderwijst
-en bijzonder hij die in de Eleusinische mysteriën de profanen in de
-geheimenissen inwijdt; de opperpriester. Vergelijk Herodotus VII, 153.
-
-[364] Basilissa is het vrouwelijk van basileus, dus koningin, vooral
-echter in de beteekenis van: de echtgenoote van den Archon Basileus.
-
-[365] Mystagogos beteekent in het Grieksch eigenlijk hij, die de
-oningewijden binnenleidt; wij zouden zeggen: „de voorbereider”.
-Vergelijk Cic. Verr. 4. 59.
-
-[366] Echidna beteekent: adder; ook de slang Echidna, de moeder der
-Gorgonen; zie de volgende noot.
-
-[367] Chimaera beteekent: geit; voorts een fabelachtig monster van
-voren leeuw, in het midden geit, van achteren draak, voortgebracht,
-naar Hesiodus, door Typhaön en Echidna; het wordt ook voorgesteld met
-de drie koppen der genoemde dieren. De Chimaera werd door Bellerophon
-gedood.
-
-[368] Hier wordt natuurlijk niet de gevaarlijke klip Scylla bedoeld in
-de straat van Messina, maar een persoonlijk wezen. Scylla, eene dochter
-van Phorcys, die door Circe in een monster werd veranderd, welks
-onderlijf uit bassende honden bestond.
-
-[369] De affodil of slaaplelie werd door de Ouden asphodelus, soms
-asphodilus geheeten. Het is een soort van lelieachtig gewas met
-knolvormigen wortel, die door de Ouden genuttigd werd. De smaak is
-bitter en scherp; de wortel saprijk.
-
-[370] Stinkende, verpestende.
-
-[371] De Cerberus, die volgens eene andere mythe honderd koppen had;
-hij bewaakte den Hades; hij werd door Heracles bedwongen. Hij was
-voortgebracht door Typhon en Echidna.
-
-[372] Persephone (Proserpina), de dochter van Demeter, werd door Hades
-(Pluto) geschaakt. De helft van het jaar bracht zij bij Hades, haar
-echtgenoot, door, de andere helft op den Olympus. Zij wordt beschouwd
-als de koningin van het schimmenrijk. Zij wordt ook Kora geheeten.
-
-[373] De naam Cocytus, in het Grieksch Kokutos geheeten, wordt afgeleid
-van een werkwoord, Kôkuô, dat jammeren, klagen, huilen beteekent.
-
-[374] Dit woord bestaat uit het Grieksche pur, vuur en phlegô,
-brandende vuurstroom.
-
-[375] Het zal niet overbodig zijn de personen, die Hamerling hier
-telkens bedoelt, aan te wijzen, omdat zonder die te kennen deze passage
-onbegrijpelijk is. Hier doelt Hamerling op Ixion, koning der Lapithen,
-die omdat hij Hera had willen onteeren in de onderwereld op een eeuwig
-ronddraaiend rad werd gebonden.
-
-[376] Tantalus, koning in Phyrgië, vader van Pelops en Niobe, stond in
-hoogen gunst bij de Goden; doch hij verklapte de geheimen, die hij aan
-hunne tafel vernam en werd tot straf door Zeus in de Tartarus geworpen,
-waar stroomend water en heerlijke vruchtboomen hem omringden, doch
-telkens wanneer hij, door dorst en honger gekweld, de handen er naar
-uitstrekte, weken zij buiten zijn bereik.
-
-[377] Hier heeft de schrijver Sisyphus op het oog, deze was de zoon van
-Aeölus, een doortrapte schelm, die van het Geranea-gebergte rotsblokken
-op de reizigers neerwierp en zich met den buit verrijkte. Zelfs verried
-hij de geheimen der Goden. Ook voor die misdaden werd hij tot gemelde
-straf in de onderwereld veroordeeld.
-
-[378] De Danaïden, dochters van Danaüs, die gedwongen met de zonen van
-Aegyptus huwden. Negen en veertig van de vijftig dochters vermoorden in
-den huwelijksnacht hare mannen, op aansporing van haar vader. Alleen
-Hypermnestra spaarde haar gemaal Lynkeus. Daarom werden zij tot
-bovengenoemde eeuwige straf veroordeeld.
-
-[379] Tityus, zoon van Zeus en Elara, dochter van Orchomenus of van
-Gaea had Leto (Latona) willen onteeren; vandaar zijne straf.
-
-[380] De woonplaats der gelukzaligen in het schimmenrijk: de Elyseesche
-velden.
-
-[381] Zie Deel I noot 2 pag. 259.
-
-[382] Paphia, de Paphische d.i. Aphrodite, die te Paphos, eene stad op
-Cyprus, bijzonder werd vereerd.
-
-[383] Demeter en hare dochter Persephone. Zie noot 1 pag. 171.
-
-[384] Dit zijn nagenoeg dezelfde woorden, die de oudsten des volks, op
-Ilium’s muren gezeten, tot elkander spraken, toen zij de schoone Helena
-zagen. Zij komen voor in de Ilias, Boek III, vers 156–159, en luiden,
-volgens Vosmaer’s vertolking, aldus:
-
- „Niemand verbaas ’t voorwaar, dat ter wille van zulk eene vrouwe
- Grieken en Troiers ’t leed zich troosten van alle die rampspoen.
- Machtig in schoonheid schijnt als dat der godinnen ’t aanschijn.”
-
-[385] In het Grieksch: Simaitha.
-
-[386] Niet historisch; Aspasia heeft Pericles een zoon, eveneens
-Pericles geheeten, geschonken.
-
-[387] Het Grieksche „aigialos” beteekent: „strand”; van dit woord is
-bovengenoemd adjectief gevormd.
-
-[388] Polyphemus, de zoon van Poseidon en de nimf Thoösa, koesterde,
-volgens eene Siciliaansche legende, een onbeantwoorde liefde voor
-Galateä, de dochter van Neurens en Doris, daar deze de voorkeur gaf aan
-Acis den zoon van Faunus en Symaethis. Uit ijverzucht verpletterde
-Polyphemus hem waarop Acis door Galateä in een vloed of bron werd
-veranderd. (Fzons Acilius).
-
-De schrijfwijze Galatheä verdient afkeuring, omdat het Grieksch luidt:
-Galateia.
-
-[389] Acanthus bij ons „berenklauw” geheeten is eene plant, die deels
-als bijenkruid, deels om zijn fraaie, kronkelende bladstengels als rand
-om de tuinbedden geplant en op zuilen, vaatwerk en in borduursel
-nagebootst werd.
-
-[390] Er bestaat werkelijk een verhaal, dat Callimachus door het zien
-eener bloemenmand, als hierboven is beschreven, op de gedachte kwam het
-zoogenaamd Corinthische kapiteel te ontwerpen. Dit kapiteel bestond uit
-acht van buiten aangebrachte en acht binnen in geplaatste
-acanthusbladeren en bloemstengels, onder eene afgeronde dekplaat. Later
-werd deze zuil tot geheele kolonnaden gebruikt.
-
-[391] Potidaeä, eene kolonie der Corinthiërs, lag op het schiereiland
-Chalcidice; in 432 v. C. viel zij van Athene af, doch werd na eene
-nederlaag, haar door de Atheners, onder Callias, den zoon van
-Calliades, toegebracht, te land en ter zee ingesloten. Na een tweejarig
-beleg gaf het zich op vrij gunstige voorwaarden over.
-
-[392] De Heliasten waren de rechters in de Heliaeä, d.i. de hoogste
-rechtbank te Athene, uit gezworenen samengesteld.
-
-[393] Barathon beteekent afgrond, vooral de afgrond te Athene, achter
-de Acropolis gelegen, waarin de ter dood veroordeelden geworpen werden.
-
-[394] Eene rivier in Thracië, thans Karasoe of Stroema geheeten.
-
-[395] Alleenheerschappij.
-
-[396] Bewoners van Corcyra (Kerkura); het noordelijkste der Ionische
-eilanden, ten westen van Epirus, omstreeks 700 v. C. door Corinthiërs
-bevolkt; thans Korfu geheeten.
-
-[397] Narcissus was, volgens eene vooral te Thespiae in Boeötië
-inheemsche legende, een schoon jongeling, de zoon van den riviergod
-Cephissus en de nimf Liriope, door allen bemind. Vooral de nimf Echo
-werd smoorlijk op hem verliefd; uit heimwee naar hem verkwijnde zij,
-zoodat alleen de stem van haar overbleef. Uit straf daarvoor werd
-Narcissus door hartstochtelijke liefde voor zijn eigen beeld verteerd,
-dat hij in eene bron aanschouwde. Eene andere overlevering is dat hij
-zich zelven doodde. Op die plaats ontsproot de Narcissus, de
-doodsbloem, het symbool der vergankelijkheid en des doods, den
-Ondergoden gewijd.
-
-[398] Iliad. Boek X. vs. 470–515.
-
-[399] De dronkenschap, roes.
-
-[400] Zie Deel I noot 1 pag. 182.
-
-[401] De verleiding, begoocheling.
-
-[402] De overmoed, uitgelatenheid.
-
-[403] Lenaeüm (Leenaion) is de plaats te Athene, waar het Bacchusfeest,
-de Lenaeä, in de maand Lenaeön of Gamelion, d.i. de laatste helft van
-Januari en de eerste van Februari, gevierd werd.
-
-[404] Hamerling maakt hier gebruik van eene minder algemeen bekende
-mythe, dan die, volgens welke Theseus, met behulp van Ariadne, de
-dochter van Minos, den Minotauris in het labyrinth op Creta doodde en
-met haar huwde en vluchtte. Op het eiland Naxos werd Ariadne door de
-pijlen van Artemis gedood. De tweede legende, waarop hier gedoeld wordt
-is deze, dat Theseus na de volbrachte heldendaad Ariadne trouweloos op
-Naxos achterliet, waar zij door Dionysus, die uit Indië zegevierend
-terugkeerde, werd gevonden en gehuwd. Na haar dood nam Dionysus haar op
-onder de Onsterfelijken en plaatste de kroon, die hij haar bij het
-huwelijk geschonken had, onder de sterren. Ariadne wordt dikwijls door
-de beeldende kunst voorgesteld aan de zijde van Dionysus, omstuwd door
-Bacchanten en rijdende op een panther.
-
-[405] Io werd door Hera in eene koe veranderd. Deze mythe is
-dichterlijk behandeld door Ovidius. Metamorph. I. vs. 568–748.
-
-[406] Dithyrambus is een bijnaam van Dionysus. Vandaar een lied te
-zijner eer (ook wel van andere Goden).
-
-[407] De schrijver zal bedoelen de „Smilax aspera”, eene
-Zuid-Europeesche klimplant, die in Italië en Griekenland, 30–50 voet
-hoog, om de platanen zich slingert (vgl. Salsaparille). De bloemen zijn
-welriekend en waren in de oudheid zeer gezocht, met klimop
-dooreengewoeld, voor kransen, vooral bij de Bacchus-feesten.
-
-[408] Sabazius komt als een bijnaam van Dionysus voor. Hij luidt ook
-wel Sebasius, terwijl nog verscheidene andere schrijfwijzen worden
-gevonden.
-
-[409] Sicinnis (Sikinnis) is eene Satyr-dans, naar den uitvinder
-Sicinnus naar de nimf Sicinnis alzoo genoemd.
-
-[410] Nymphagoog (numphagoogos) is hij, die de bruid uit het ouderlijk
-huis naar den bruidegom voert.
-
-[411] De volksregeering.
-
-[412] Onder „kalokagathia” verstonden de Grieken die harmonische
-vereeniging van al wat schoon, goed en edel is; ons „rechtschapenheid”
-drukt het nog niet voldoende uit.
-
-[413] De volgende beschrijving van de pest is ontleend aan de
-overschoone schildering daarvan door Thucydides, die zelf door de pest
-is aangetast geweest, Bell. Pelop. Boek II. 47–56.
-
-[414] Charon, die de zielen der afgestorvenen over de rivieren in de
-onderwereld zette. Hij is, naar de mythe, de zoon van Erebus en Nux.
-Zij, die het veergeld niet konden betalen, moesten als schimmen aan de
-oevers van den Acheron verwijlen.
-
-[415] Attis, (ook Atis, Atys en Attys geschreven) een zoon van Calaüs
-koning van Phrygië; hij was, naar de mythe, een priester van Cybele.
-Gestorven zijnde opgewekt, komt hij als de trouwe begeleider van Cybele
-voor. Te zijner eere werden jaarlijks te Pessinus in Phrygië in de
-lente feesten gevierd. Wellicht doelt de mythe op het sterven der
-natuur in den winter en haar ontwaken in de lente.
-
-[416] Het raadhuis (bouleuterion).
-
-[417] Plutarchus, leven van Pericles, cap. 38, aan welk geschrift veel
-van het hier vermelde ontleend is.
-
-[418] Spreekwijze ontleend aan Heracles. Vergelijk Deel I pag. 220 en
-de noot.
-
-[419] Hier wordt Plato, Socrates’ groote leerling bedoeld.
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ASPASIA ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/64986-0.zip b/old/64986-0.zip
deleted file mode 100644
index ea99151..0000000
--- a/old/64986-0.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/64986-h.zip b/old/64986-h.zip
deleted file mode 100644
index 2deceaf..0000000
--- a/old/64986-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/64986-h/64986-h.htm b/old/64986-h/64986-h.htm
deleted file mode 100644
index 0592c67..0000000
--- a/old/64986-h/64986-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,25631 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html
-PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2021-04-03T19:18:05Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8">
-<title>Aspasia</title>
-<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
-<meta name="author" content="Robert Hamerling (1830&#x2013;1889)">
-<link rel="coverpage" href="images/front.jpg">
-<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
-<meta name="DC.Creator" content="Robert Hamerling (1830&#x2013;1889)">
-<meta name="DC.Title" content="Aspasia">
-<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
-<meta name="DC.Format" content="text/html">
-<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
-<meta name="DC:Subject" content="#####">
-<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */
-html {
-line-height: 1.3;
-}
-body {
-margin: 0;
-}
-main {
-display: block;
-}
-h1 {
-font-size: 2em;
-margin: 0.67em 0;
-}
-hr {
-height: 0;
-overflow: visible;
-}
-pre {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-a {
-background-color: transparent;
-}
-abbr[title] {
-border-bottom: none;
-text-decoration: underline;
-text-decoration: underline dotted;
-}
-b, strong {
-font-weight: bolder;
-}
-code, kbd, samp {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-small {
-font-size: 80%;
-}
-sub, sup {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-}
-sub {
-bottom: -0.25em;
-}
-sup {
-top: -0.5em;
-}
-img {
-border-style: none;
-}
-body {
-font-family: serif;
-font-size: 100%;
-text-align: left;
-margin-top: 2.4em;
-}
-div.front, div.body {
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-div.back {
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div0 {
-margin-top: 7.2em;
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-.div1 {
-margin-top: 5.6em;
-margin-bottom: 5.6em;
-}
-.div2 {
-margin-top: 4.8em;
-margin-bottom: 4.8em;
-}
-.div3 {
-margin-top: 3.6em;
-margin-bottom: 3.6em;
-}
-.div4 {
-margin-top: 2.4em;
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div5, .div6, .div7 {
-margin-top: 1.44em;
-margin-bottom: 1.44em;
-}
-.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
-.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
-margin-bottom: 0;
-}
-blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
-.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
-margin-top: 0;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin: 1.6em auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
-font-size: 0.9em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-td.tocDivNum {
-vertical-align: top;
-}
-td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-margin-top: 3.6em;
-}
-span.abbr, abbr {
-white-space: nowrap;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.num, span.trans, span.trans {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.asc {
-font-variant: small-caps;
-text-transform: lowercase;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-border: none;
-border-bottom: 1px solid black;
-width: 45%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-}
-hr.dotted {
-border-bottom: 2px dotted black;
-}
-hr.dashed {
-border-bottom: 2px dashed black;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.42em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.84em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0 0.05em 0 0;
-padding: 0;
-line-height: 0.8;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-.advertisement, .advertisements {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
-color: #660000;
-}
-.fnreturn {
-color: #AAAAAA;
-font-size: 80%;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-a {
-text-decoration: none;
-}
-a:hover {
-text-decoration: underline;
-background-color: #e9f5ff;
-}
-a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-top: -0.5em;
-text-decoration: none;
-margin-left: 0.1em;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
-float: left;
-min-width: 1.0em;
-margin-left: -0.1em;
-padding-top: 0.9em;
-padding-right: 0.4em;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-white-space: nowrap;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.index p {
-text-indent: -1em;
-margin-left: 1em;
-}
-.indexToc {
-text-align: center;
-}
-.transcriberNote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.missingTarget {
-text-decoration: line-through;
-color: red;
-}
-.correctionTable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-span.musictime {
-vertical-align: middle;
-display: inline-block;
-text-align: center;
-}
-span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
-padding: 1px 0.5px;
-font-size: xx-small;
-font-weight: bold;
-line-height: 0.7em;
-}
-span.musictime span.bottom {
-display: block;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.splitListTable {
-margin-left: 0;
-}
-.numberedItem {
-text-indent: -3em;
-margin-left: 3em;
-}
-.numberedItem .itemNumber {
-float: left;
-position: relative;
-left: -3.5em;
-width: 3em;
-display: inline-block;
-text-align: right;
-}
-.itemGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.itemGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.itemGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0 7em 0;
-padding: 5em 10% 6em 10%;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 1.7;
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0 0 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-.lgouter {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-display: table;
-}
-.lg {
-text-align: left;
-padding: .5em 0 .5em 0;
-}
-.lg h4, .lgouter h4 {
-font-weight: normal;
-}
-.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum {
-color: #777;
-font-size: 90%;
-left: 16%;
-margin: 0;
-position: absolute;
-text-align: center;
-text-indent: 0;
-top: auto;
-width: 1.75em;
-}
-p.line, .par.line {
-margin: 0 0 0 0;
-}
-span.hemistich {
-visibility: hidden;
-}
-.verseNum {
-font-weight: bold;
-}
-.speaker {
-font-weight: bold;
-margin-bottom: 0.4em;
-}
-.sp .line {
-margin: 0 10%;
-text-align: left;
-}
-.castlist, .castitem {
-list-style-type: none;
-}
-.castGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.castGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.castGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-.pageNum {
-display: inline;
-font-size: 70%;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-}
-.right-marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-right: 3%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-text-align: right;
-width: 11%
-}
-.cut-in-left-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: left;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
-}
-.cut-in-right-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: right;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: right;
-padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-text-indent: 0;
-}
-.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .qurlink, .seclink {
-background-repeat: no-repeat;
-background-position: right center;
-}
-.pglink {
-background-image: url(images/book.png);
-padding-right: 18px;
-}
-.catlink {
-background-image: url(images/card.png);
-padding-right: 17px;
-}
-.exlink, .wplink, .biblink, .qurlink, .seclink {
-background-image: url(images/external.png);
-padding-right: 13px;
-}
-.pglink:hover {
-background-color: #DCFFDC;
-}
-.catlink:hover {
-background-color: #FFFFDC;
-}
-.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover {
-background-color: #FFDCDC;
-}
-body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
-text-align: left;
-}
-.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tablecaption {
-text-align: center;
-}
-.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
-.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
-.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
-.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
-.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.cover-imagewidth {
-width:458px;
-}
-.xd30e95 {
-text-align:center;
-}
-.xd30e97 {
-text-align:center; font-size:large;
-}
-.titlepage-imagewidth {
-width:413px;
-}
-.plate1width {
-width:466px;
-}
-.xd30e2518 {
-text-indent:2em;
-}
-.xd30e2733 {
-text-indent:4em;
-}
-.plate2width {
-width:492px;
-}
-.xd30e3449 {
-text-indent:6em;
-}
-.plate3width {
-width:482px;
-}
-.plate4width {
-width:459px;
-}
-.plate5width {
-width:463px;
-}
-.plate6width {
-width:468px;
-}
-.spineswidth {
-width:198px;
-}
-.backwidth {
-width:454px;
-}
-@media handheld {
-}
-/* CSS rules copied from @style attributes in TEI file */
-/* ]]> */ </style>
-</head>
-<body>
-
-<div style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of Aspasia, by Robert Hamerling</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
-at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
-are not located in the United States, you will have to check the laws of the
-country where you are located before using this eBook.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: Aspasia</div>
-
-<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Robert Hamerling</div>
-
-<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Translator: W.F.P. Enklaar</div>
-
-<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Illustrator: A. Poussin</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Release Date: April 03, 2021 [eBook #64986]</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Language: Dutch</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Character set encoding: UTF-8</div>
-
-<div style='display:block; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg</div>
-
-<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ASPASIA ***</div>
-<div class="front">
-<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="458" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first xd30e95">ROBERT HAMERLING
-</p>
-<p class="xd30e97">ASPASIA
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="mainTitle">DE<br>
-COHEN-EDITIE<br>
-VAN DE
-<br>
-<span class="sc">Beste Binnen- en Buitenlandsche Boeken</span></div>
-</div>
-<div class="docImprint"><span class="sc">Uitgave van<br>
-Gebroeders</span> E. &amp; M. COHEN, AMSTERDAM<br>
-<span class="docDate">1917</span></div>
-</div>
-<p></p>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="413" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="mainTitle">ASPASIA</div>
-</div>
-<div class="byline">DOOR<br>
-<span class="docAuthor">ROBERT HAMERLING</span><br>
-VOLLEDIGE VERTALING DOOR<br>
-<span class="docAuthor">W. F. P. ENKLAAR</span><br>
-VIERDE GEAUTORISEERDE UITGAVE<br>
-MET ILLUSTRATIE&#x2019;S VAN
-<br>
-<span class="docAuthor">A. POUSSIN</span></div>
-<div class="docImprint"><span class="sc">Uitgave van<br>
-Gebroeders</span> E. &amp; M. COHEN, AMSTERDAM<br>
-<span class="sc">Heerengracht 326</span></div>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span></p>
-<div id="voorrede" class="div1 preface"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">VOORREDE.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Wanneer deze roman, naar eene vele malen aangehaalde les van onzen tijd, een volk&#x2014;het
-oud-helleensche&#x2014;&#x201e;bij zijn arbeid opzoekt&#x201d; en de cosmopolitische arbeid van het Helleensche
-volk zich uitstrekt tot den werkkring van kunstenaars, dichters en denkers, zal het
-dan niet schijnen, dat aan deze soort van arbeid en aan de schildering daarvan iets
-diepzinnigs en wijsgeerigs aankleeft?
-</p>
-<p>Zal de frissche bekoorlijkheid van den indruk niet achterstaan bij die beelden, welke
-aan de bron van een naïef, oorspronkelijk, werkelijk ontluikend leven zijn ontleend,
-waaruit de poëzie nog heeft geput? En moet zulk eene poging, evenals op de bekoorlijkheid
-van dat naïeve en natuurlijke, ook niet schipbreuk lijden op de bekoorlijkheid van
-het geestige in onzen hedendaagschen zin, van het realistische pikante op de verscheidenheid
-der tegenwoordige poëzie? Mocht Helleensch leven anders dan met Helleenschen eenvoud
-voorgesteld worden? Mocht de schrijver naar iets anders trachten dan naar een adem
-van den Helleenschen geest, van Helleensche bevalligheid en liefelijkheid? Rijzen
-er bovendien geene bedenkelijke bezwaren, om een leven, dat reeds is ondergegaan te
-schilderen? Détail-schildering van het hedendaagsche leven wordt als een aantrekkelijk
-realisme geprezen; die der Oudheid echter zal op velen den indruk van huiveringwekkende
-geleerdheid maken. Inderdaad, wie <span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span>dit werk slechts vluchtig doorbladert, en opmerkt dat de afzonderlijke hoofdstukken
-verschillende zijden van het Helleensche leven openen, hij zal spoedig met zijn oordeel
-gereed zijn, hij zal gelooven alleen een schetsboek vóór zich te hebben, in het gunstigste
-geval een &#x201e;historischen&#x201d; roman, wat, naar de beschouwing des meesten, zooveel zegt
-als <span class="ex">geen</span> roman.
-</p>
-<p>En toch&#x2014;wanneer deze roman als kunstwerk van de levensbeschrijving, de geschiedenis,
-het bloote verhaal zich door innerlijke en uiterlijke samenstelling onderscheidt,
-wanneer hij niet alleen de uitdrukking van een in zich besloten leven en lot is, maar
-ook van een kamp in natuurlijke ontwikkeling en oplossing, dan is het volgende verhaal
-een roman te noemen. Want niet alleen blinkt daarin in bepaalde gestalte de schoone,
-geestelijk opgevatte zinnelijkheid door, en hare opkomst, bloei en verval; de strijd
-tusschen het aesthetisch en zedelijk levens-ideaal wordt ontwikkeld en beslist in
-het lot van één enkel persoon en van één volk. Steeds heeft deze vergelijking van
-het lot van enkele personen en volken, van het <span class="corr" id="xd30e172" title="Bron: idividueele">individueele</span> en het algemeene leven mij voor den geest gestaan, als het echte geheim der Epische
-dichting, als haar hoogste beginsel, als haar eigenlijk gebied. Evenwel niet alzoo,
-dat het détail van het verhaalde individueele leven en van het algemeene juist naast
-elkander loopen: alsof het eene slechts eene episode ware van het andere, maar dat
-beide aan één en hetzelfde détail zijn vastgeknoopt en zooveel mogelijk, als een organisch
-geheel, levendig in elkander geweven en gevlochten zijn.
-</p>
-<p>Met mate slechts mocht, om den reinen, bevalligen indruk van het beeld niet te bederven,
-de strijd worden aangegeven: slechts zacht mocht hij voortgaan en zoo schijnt de handeling
-wellicht door een dunnen draad verbonden te zijn. Maar de schilderingen en gesprekken,
-die als eene uitweiding voorkomen, dat alles zonder uitzondering komt ten laatste
-tot zijn recht, vol licht, het vertoont zich in <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>zijne noodzakelijkheid, in betrekking tot het geheel, tot de gedachte.
-</p>
-<p>Maar niet tot eene gedachte in den afgetrokken zin des woords. Laat de meening zich
-niet van u meester maken, welwillende lezer, dat het verloop van deze geschiedenis
-om eene bepaalde strekking veranderd of verdraaid is geworden. Ik geef het reilen
-en zeilen, het worstelen en streven der menschen weder en de woorden waarmede zij
-het verdedigen. Ik heb geene strekking op het oog dan die van het leven, geene zedeleer
-dan die der noodzakelijkheid, geene logica dan die der feiten, welke uit schering
-en inslag bestaat, zoo gelijkmatig en bestendig, als het heen en weder bewogen worden
-van de pijnboomtoppen door den wind. De wijzen beweren wel te recht, dat de idee nooit
-volkomen opgaat in de werkelijkheid. De dichter, die eene bepaalde bedoeling beoogt,
-volgt haar tot op eene zekere hoogte van hare ontwikkeling, houdt ze daar op een punt,
-hetwelk zij toch eigenlijk slechts vluchtig raakt, met geweld vast, laat haar in alle
-bonte kleuren schitteren tot vreugde der stervelingen, en maakt de zeepbel tot eene
-vaste ster. De reine, onbevooroordeelde poëzie echter begeleidt de idee op den weg
-harer ontwikkeling het liefst tot dat punt, waar zij, om weder tot hare reinheid terug
-te keeren, aan den Phoenix gelijk, zich zelven aan de vlammen overgeeft.
-</p>
-<p class="signed">R. H.
-</p>
-<p class="dateline">Gräz, November 1875.
-<span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="body">
-<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="super">ASPASIA</h2>
-<h2 class="label">I.</h2>
-<h2 class="main">DE SCHAT VAN DELOS<a class="noteRef" id="xd30e193src" href="#xd30e193">1</a>.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Op een zonnigen dag in het zwoele jaargetijde richtte een slanke, jeugdige vrouwengestalte,
-vergezeld door eene slavin, in de stad der Atheners haren snellen tred over de Agora<a class="noteRef" id="xd30e201src" href="#xd30e201">2</a>. De verschijning dezer vrouw had de wonderlijke uitwerking, dat elk wie haar ook
-op den weg ontmoette en had aangekeken, achter haar stil stond en als vastgenageld
-haar een geruimen tijd naöogde. De oorzaak daarvan lag niet zoozeer in de omstandigheid,
-dat het schier eene zeldzaamheid was, wanneer men eene vrije Atheensche vrouw uit
-den hoogeren stand openlijk op de straten zag wandelen, als wel vooral hierin, dat
-deze vrouwengestalte van eene buitengewone en overweldigende schoonheid was.
-</p>
-<p>Op de gezichten van hen, die bij de ontmoeting haar aanstaarden, of achter haar, als
-aan den grond genageld haar naöogden, spiegelde de verbazing zich op alle mogelijke
-wijzen van uitdrukking af.
-</p>
-<p>Eenigen lachten met welgevallen, de oogen van grijsaards, wier baard reeds grauwde,
-fonkelden, anderen sloegen op de vrouw blikken, als die van <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>een Faun<a class="noteRef" id="xd30e209src" href="#xd30e209">3</a>, wederom anderen drukten een soort van eerbied uit, alsof zij eene Godin zagen. Eenigen
-vestigden op haar een ernstigen, bevredigden kennersblik, anderen keken als dwazen,
-met den mond van verwondering half geopend. Evenwel waren er ook niet weinigen, die
-een spottenden grijnslach vertoonden en een kwaadaardigen, sarkastischen blik op haar
-vestigden, alsof schoonheid zonde ware.&#x2014;Mannen, die twee aan twee of in groepen stonden,
-braken hun gesprek af. Gezichten, waarop de verveling te lezen stond, schenen op eens
-als bezield; het voorhoofd, met rimpels doorploegd, werd effen. Er kwam beweging in
-de gemoederen.
-</p>
-<p>De verschijning der vrouw was als een zonnestraal, die in een priëel van rozen valt
-en waarin de muggen in bacchantische dwarling hare dansen uitvoeren.
-</p>
-<p>Onder degenen, wier aandacht de indrukwekkende vrouwengestalte tot zich trok, waren
-ook twee mannen, die zwijgend naast elkander voortgingen. Rustig, ernstig, vol waardigheid
-en edel waren beiden van uiterlijk; de een, om wiens hoofd donkere lokken golfden,
-was jonger, statig, doch niet zonder een spoor van weekelijkheid in zijn trekken;
-nog hooger, bijna eerbied afdwingend, stak naast hem de gestalte uit van den ouderen
-man, en het groote voorhoofd welfde zich over zijn diepzinnige oogen. Het was, als
-zag men den vurigen Achilles voortschrijden, naast Agamemnon, den gebieder der volken.
-</p>
-<p>De jongste sloeg een blik van verrassing op de betooverende vrouw; de oudste daarentegen
-bleef rustig: het was, alsof hij de schoone niet voor de eerste maal had gezien en
-hij scheen zóó onverschillig, zóó diep in andere gedachten verzonken, dat zijn metgezel
-eene vraag onderdrukte, die hem reeds op de lippen zweefde.
-<span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span></p>
-<p>Een slaaf liep achter de beide mannen. Zij volgden den langen, stoffigen weg, die
-naar den Piraeus<a class="noteRef" id="xd30e222src" href="#xd30e222">4</a> voerde.
-</p>
-<p>Vorschend liet in het voortgaan de jongste soms zijn blikken weiden over den hel schitterenden
-spiegel van den Saronischen zeeboezem. Zijn oog was scherp, als het oog van een adelaar.
-Hij ontwaarde een schip, dat nog niet zichtbaar was voor den blik van een ander mensch.
-Hij zag het opdoemen aan het uiteinde van den horizont der zee. De nadering van het
-vaartuig was onmerkbaar bij den grooten afstand. De man, met den adelaarsblik, had
-het voorkomen van iemand, die zich weet te beheerschen; maar wanneer hij zoo heentuurde
-naar het vaartuig in de verte, scheen het toch soms voor een oogenblik, alsof hij
-met den adem van zijn eigene borst het talmende zeil wilde doen zwellen en het schip
-in snelle vaart doen naderen.
-</p>
-<p>Wanneer men den blik rechts van den weg wendde, welken de beide mannen betraden, dan
-stiet men op eenigen afstand op een in de zon blinkenden muur, die schier onafzienbaar
-van de stad afliep tot aan het klippige strand der zee. Richtte men zijn oog naar
-den linkerkant, dan zag men een muur van dezelfde soort, als die, welke zoo even voor
-den blik van den beschouwer zich scheen op te doen. De bouwlieden stapelden rechthoekig
-gehouwen stukken op elkander en waar de massa gereed was, daar klonk wijd en zijt
-het dreunen van de hamers, die de aaneen hechtende ijzeren krammen in het arduin dreven.
-</p>
-<p>Ook deze muur strekte zich naar beneden uit tot aan de zee, breidde zich daar met
-een groote kromming uit en, zoowel boven de stad als daar beneden met den anderen
-muur verbonden, omvatte hij de haven met hare gebouwen, als met een beschuttenden
-arm.
-</p>
-<p>Op dit muurwerk rustte het oog van den jongste <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>der beide mannen vorschend en met eene soort van bevrediging, wanneer het voor een
-oogenblik zich afwendde van het door het zeil bewogen schip in de verte. En lachende
-sprak hij ten laatste, terwijl hij langs de eindelooze lijn van aaneengehecht arduin
-schouwde, zich tot zijn makker wendend:
-</p>
-<p>&#x201e;Wanneer ieder woord, dat ik met aandrang ter wille van dit werk tot de Atheners sprak,
-tot een steen daarvoor was geworden, waarlijk, dan zou het reeds lang gereed voor
-onze oogen staan. Maar ook nu zien wij het eindelijk der voltooiing nabij.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En was deze middelste muur inderdaad onmisbaar?&#x201d; vroeg de oudste, terwijl hij op
-het werk een onverschilligen, vluchtigen blik wierp.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat was hij,&#x201d; hernam de ander. &#x201e;Veel te ver wijkt de oudere, linker muur af naar
-Phaleron<a class="noteRef" id="xd30e237src" href="#xd30e237">5</a>. Eene groote uitgestrektheid van het strand der haven bleef open. Nu eerst is de
-taak ten volle afgewerkt. Verjongd uit de asch van den brand des Perzischen krijgs
-verrezen, heeft de stad Pallas Athene<a class="noteRef" id="xd30e240src" href="#xd30e240">6</a>, schitterend en machtig, gevoed door de cijnsen der Grieksche kunsten en eilanden,
-dezen arduinen gordel om haar leden geslagen, en is van nu af sterk genoeg, om de
-afgunst van Grieken, zoowel als den aanval van alle barbaren in het Oosten te trotseeren.&#x201d;
-</p>
-<p>De man, die zoo tot zijn makker sprak, was Xanthippus&#x2019; zoon, de <span class="corr" id="xd30e245" title="Bron: Alcmaeonide">Alcmaeönide</span><a class="noteRef" id="xd30e247src" href="#xd30e247">7</a> Pericles, dien men den Olympiër noemde. Zijn metgezel echter was een beroemd beeldhouwer
-in metaal en marmer, Phidias geheeten. Het werk zijner handen was het reusachtige
-standbeeld der &#x201e;in de voorste rijen strijdende Athene,&#x201d; dat van den top der Acropolis<a class="noteRef" id="xd30e253src" href="#xd30e253">8</a> wijd schitterde in het Attische land en in <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>de verte der zee, waar de naderende schippers de van goud fonkelende lansspitsen der
-Godin met blijdschap begroetten, als eerste kenteeken van het rechtsgebied van het
-&#x201e;met violen omkranste Athenen.&#x201d;
-</p>
-<p>Bijna van denzelfden vorm schenen de zich ver uitstrekkende rijen van arduin, maar
-zij hadden, door het licht van den Griekschen hemel beschenen, niets sombers. Eene
-levendige drukte heerschte daartusschen van alle kanten. Luid klonken de uitroepen,
-waarmede de drijvers de muildieren aanspoorden en in lange rijen gingen de rijk bevrachte
-dieren langs den weg van de haven naar de stad en van de stad naar de haven.
-</p>
-<p>Hier en daar reikte een olijfboschje tot vlak bij den weg, in welks groene toppen
-van tijd tot tijd een verfrisschend koeltje, van de golf overwaaiend, ritselde.
-</p>
-<p>Dan nam de beeldhouwer den breed geranden petasus<a class="noteRef" id="xd30e265src" href="#xd30e265">9</a> van het hoofd en liet het koeltje spelen om zijn hoog, kaal voorhoofd. De Olympiër
-echter stapte steeds moediger door, hield steeds vaster den blik op de galei gericht,
-die uit den boezem der baai nu toch langzamerhand de haven naderde.
-</p>
-<p>Nu zijn zij beiden niet verre van de zee gekomen. De haven is bereikt. Ook hier weidt
-het oog van den man, dien men den Olympiër noemt, bevredigd rond. Zijn werk is het
-grootendeels, wat zich daar aan &#x2019;t oog voordoet, iets nieuws voor het volk der Grieken
-van dien tijd: breede, statige, recht loopende straten. Hier prijkt de groote, met
-zuilenrijen omgevene marktplaats, die naar den naam van haar bouwmeester Hipodamus,
-van Milete, genoemd werd. Trapsgewijze verheffen zich ter linkerzijde, over het woud
-van zuilen van het Theater heen, aan de helling van den versterkten heuvel Munichia,
-de rijen der huizen en op <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>den top van den heuvel prijkt schitterend het marmeren heiligdom van Artemis<a class="noteRef" id="xd30e272src" href="#xd30e272">10</a>. Daaronder echter in de vlakte strekken zich tot aan de zee onafzienbaar ver de zuilenrijen
-uit; hier de prachtige Stoa<a class="noteRef" id="xd30e275src" href="#xd30e275">11</a> van Pericles, daar de ontzettende magazijnen, waar ontscheepte vrachten ten verkoop
-of tot verdere verzending zich bevonden, ginds de reusachtige bazar van de haven,
-de handelsbeurs, het &#x201e;Deigma&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e278src" href="#xd30e278">12</a> waar schippers en handelaars hunne waren ten toon stelden, waar zij hun accoord troffen.
-</p>
-<p>Tusschen deze zuilen, op deze steenterrassen staat de kloeke Griek, als op den bodem
-zijner kracht, verheugd omdat met het toenemen van het algemeen welvaren, ook zijn
-eigen welzijn toeneemt. Hier ontvangt hij uit de handen van den bevrienden zeegod
-den vollen hoorn aller gaven van het buitenland en ziet de laatste golfkringen van
-den Pontus<a class="noteRef" id="xd30e284src" href="#xd30e284">13</a>, van den Nijl en van de Indische zee aan zijn strand in schuim vaneenspatten.
-</p>
-<p>Hier woelt het Grieksche volk van Pericles dooreen; schoone donkerbruine gestalten
-steken af tegen den achtergrond der witte marmeren zuilen. De hoofden der meesten
-zijn ontbloot, de sandalen ter nauwernood aan de voeten, het sobere, lichte gewaad,
-half doek half mantel, achteloos om de schouders geworpen,&#x2014;maar toch in plastische
-schoonheid als bruine beelden van metaal, staan zij tusschen de zuilen. Doch levendig
-zijn hunne gebaarden en in het bonte mengelmoes van stemmen doen zij de klanken van
-het welluidend Grieksche taaleigen vernemen, vol energie in spraak en gebaarden en
-waardig tevens, als personen in het treurspel.
-<span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span></p>
-<p>Sinds de Athener na gelukkig gevoerde oorlogen de zee beheerschte, heeft hij geleerd
-zich te begeven naar de havenstad den Piraeus en zich te verrijken. Hij gaat naar
-den Piraeus en zoekt reeders voor overzeesche vaarten en ondernemingen op. Hij gaat
-naar de kassiers, de wisselaars, deponeert bij hen gelden of neemt ze in ontvangst
-en wanneer hij noch gelden te ontvangen noch te deponeeren heeft, zoo neemt hij eenige
-op. Want handel en vertier bloeien en de Athener kent de gelegenheden. Hij weet, wanneer
-het tijd is graan uit den Pontus te halen, of hout uit Thracië, of de papyrusplant
-uit Egypte, of tapijten uit Milete, of fijn schoeisel uit Sicyon, of druiven uit Rhodus.
-Hij weet ook waar zijn olijfolie, zijn honig, zijne vijgen, zijn metalen werken, zijn
-aardewerk gezocht en het duurst betaald worden. En de makelaar, de wisselaar geeft
-het geld zonder lang bedenken.
-</p>
-<p>De rentestandaard is hoog en voor rijke percenten kan men iets wagen. Zoo menige vrij
-gelatene, menige Pasio<a class="noteRef" id="xd30e293src" href="#xd30e293">14</a>, menige Simo, menige Phormio zit thans tevreden achter zijn wisseltafel in den Piraeus,
-en gedraagt zich als een overheidspersoon, want men sluit bij hem contracten. Hij
-geeft twee talenten<a class="noteRef" id="n14.2src" href="#n14.2">15</a>, zonder van gelaat te veranderen, en ontvangt even onverschillig twee talenten, wanneer
-men die bij hem neêrlegt. Hij schrijft de som en den naam van hem, die ze gedeponeerd
-heeft, in zijn boek en de zaak is afgedaan. Men vertrouwt op de eerlijkheid van Pasio
-en Pasio is eerlijk, zoolang ten minste als niet het voordeel eener oneerlijkheid
-opweegt tegen den in gevaar gebrachten naam zijner eerlijkheid.
-</p>
-<p>Thans zien de beide mannen de zee, zacht gerimpeld en smaragdgroen klotsend tegen
-de steenen terrassen. Open ligt voor hunne oogen de <span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>diepe ronde bocht van de zeehaven den Piraeus. Als wachters der zeepoorten bewaken
-twee geweldige torens ter rechter en ter linkerzijde den ingang. In tijden van gevaar
-kan eene ijzeren, reusachtige ketting ter versperring van den eenen toren naar den
-anderen gespannen worden. In tallooze menigte liggen in de bocht de ronde, dikbuikige
-handelsschepen voor anker; het strand ter linkerzijde echter is geheel bedekt met
-de hooge triëren<a class="noteRef" id="xd30e303src" href="#xd30e303">16</a> der Atheensche vloot, naar de gewoonte der Grieken, op het vaste land getrokken,
-ieder in hare bijzondere omheining, als monsters in hunne holen rustend, geweldige
-zeedraken, met phantastische snebben en met vinnen voorziene, in de hoogte zich verheffende
-staarten; en op de andere zijde van het Piraeische schiereiland bevinden zich nog
-veel meer van deze prachtige zeegedrochten, (in de krijgshavens Zea en Munichia) en
-daarachter strekken zich de zeearsenalen uit, waar het &#x201e;want&#x201d; der onttakelde schepen
-bewaard wordt, en verderop breiden zich de werven uit, waar onophoudelijk nieuw scheepsmateriaal
-gelost en onverpoosd nieuwe kielen gebouwd worden.
-</p>
-<p>Nu loopt het vaartuig, hetwelk de Olympiër op den weg naar den Piraeus zoo scherp
-in het oog had gehouden, de haven binnen. Het is het Atheensche staatsschip &#x201e;Amphitrite.&#x201d;
-</p>
-<p>Hoopen volks stormen naar de landingsplaats; in alle gaanderijen, op alle steenterrassen
-weerklinkt een gemompel van stemmen.
-</p>
-<p>&#x201e;Daar is de Amphitrite&#x2014;de Amphitrite met den schat van Delos!&#x2014;de Amphitrite met de
-bondskas!&#x2014;zoo heeft hij het doorgedreven, de slimme Pericles!&#x2014;Wat zullen de bondgenooten
-daarvan zeggen?&#x2014;Wat zij willen! Wij staan aan hun hoofd, wij beschermen hen, wij zenden
-onze triëren naar hunne kusten, wij voeren hunne oorlogen, daarvoor betalen zij de
-bondsgelden&#x2014;wat wij overhouden, is ons eigendom.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span></p>
-<p>De tonen van fluiten klinken van het vaartuig, terwijl het nadert. Op de Amphitrite
-werd, evenals op alle staatsschepen der Atheners, de riemslag naar den klank der fluiten
-bestuurd. Ook gezang klinkt van de roeibanken en daartusschen het geklater van de
-door tallooze riemen geslagen zee. Als goud schittert van de spits der scheepsnebbe
-het beeld van de zeegodin, naar welke het schip is genaamd. Schoon beschilderd blinkt
-de rand van het hooge boord in den zonneschijn. Het gezang en de muziek van fluiten
-werd overstemd door de heldere, vroolijke kreten der Atheners, welke de door het weêr
-gebruinde zeelieden op het schip krachtig beantwoordden.
-</p>
-<p>De klank der fluiten verstomt, de riemen bewegen zich niet meer, het schip ligt stil,
-er begint een gekraak van touwen, een gerammel van kettingen, een heen- en wederloopen
-aan boord; het anker wordt uitgeworpen, de zeilen worden gereefd, een trap wordt van
-den oever naar het schip gelegd. Eenige Atheensche overheidspersonen staan voor aan
-het uiterste van het strand. Hen nadert Pericles de Olympiër, en spreekt eenige woorden.
-De klank zijner stem heeft iets eigenaardigs, iets wondervols. Die hem nog niet herkend
-hebben, herkennen hem nu. Niet alle Atheners zagen nauwkeurig zijne gelaatstrekken
-in de volksvergadering op de Pnyx<a class="noteRef" id="n16.1src" href="#n16.1">17</a>. Maar allen hoorden, allen kennen zijne stem. Eenigen van de overheidspersonen begeven
-zich nu over de trappen aan boord van het schip.
-</p>
-<p>Na eenigen tijd worden uit de diepte van het ruim een paar met ijzer beslagene, goed
-bewaarde vaten geheschen en aan land gebracht, waar een span muildieren voor den zwaren
-last gereed staat. De Triërarch<a class="noteRef" id="xd30e319src" href="#xd30e319">18</a> komt aan land en spreekt met Pericles.
-<span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span></p>
-<p>Het is een gouden schat, welke de &#x201e;Amphitrite&#x201d; onder de oogen van het vol deelneming
-gespannen Atheensche volk op de blauwe zeegolven aandroeg. Het is de schat van het
-Atheensche Bond. Hij komt uit Delos, de &#x201e;Ster der Zee&#x201d;, naar het machtige Athene,
-welke, op aansporing van Pericles, niet meer als Bondschat zal beheerd worden, maar
-in ontvangst genomen als cijnsen der steden en eilanden.
-</p>
-<p>Om gouden schatten zweeft iets huiveringwekkends, een schemerlicht, een adem van onzekerheid
-die bewuste verwachtingen ontvlamt, een onbewuste angst doet binnen sluipen. Het bare
-goud wordt gemunt, maar ook de munt wordt in de hand van den eigenaar weder omgemunt.
-Zij verandert onder iederen vinger, die haar aanraakt. Den eenen wordt zij ten zegen,
-den anderen ten vloek. En zóó ook deze schat van Delos, waarop de oogen van de schare
-der Atheners vol verwachtingen zijn gevestigd&#x2014;wie weet, of er meer zegen dan vloek
-uit zal voortkomen, of er meer genot dan berouw voor gekocht zal worden, of er meer
-blijvends dan vergankelijks daarmede tot stand zal worden gebracht? Wie kent de winden,
-die uit deze <span class="corr" id="xd30e327" title="Bron: Aeolusharp">Aeölusharp</span> zullen waaien?
-</p>
-<p>&#x201e;Met dit goud zou men Athene tot den onbedwingbaren burg van Hellas<a class="noteRef" id="xd30e332src" href="#xd30e332">19</a> kunnen maken!&#x201d; dachten eenige der magistraten, die Pericles omgaven.
-</p>
-<p>&#x201e;Met dit goud zou men de zeemacht van Athene kunnen versterken, Sicilië en Aegypte
-veroveren, de Perzen beoorlogen, Sparta onderdrukken!&#x201d; dacht de Triërarch.
-</p>
-<p>&#x201e;Met dit goud kon men ons de gelden voor feesten en schouwspelen betalen!&#x201d; dacht het
-volk, dat de steenterrassen van de haven vulde.
-</p>
-<p>&#x201e;Van dit goud kon men de heerlijkste tempels bouwen, de schitterendste standbeelden
-oprichten,&#x201d; <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>dacht de peinzende beeldhouwer aan de zijde van Pericles.
-</p>
-<p>En Pericles, de Olympiër zelf?&#x2014;In zijn hoofd, en in het zijne alleen, waren alle deze
-gedachten vereenigd.&#x2026;
-</p>
-<p>Het muildierspan, dat bestemd was, om de gouden vracht van de haven naar de stad te
-brengen, zette zich in beweging. De schare der Atheners verdrong zich daarachter en
-nadat het gedrang had opgehouden, namen ook Pericles en Phidias den terugweg aan.
-Daar het grootste deel van het volk den schat nastroomde, zoo was daarachter de weg
-van den Piraeus tamelijk ledig en enkele figuren konden gemakkelijk in het oog vallen.
-</p>
-<p>Op de marmeren zerk van een der grafteekenen, welke aan den kant van den weg zich
-bevonden, zaten twee mannen in een levendig gesprek verdiept. Het gelaat van den eenen
-vertoonde de opgeruimde waardigheid van den wijze; somber waren de trekken van den
-anderen en uit zijne vurige oogen sprak eene dweepzieke eigenzinnigheid. De eerste
-groette Pericles, die hem voorbij ging, met een vertrouwelijken lach, de andere, met
-het sombere gelaat, wierp hem een scherpen blik uit vijandige oogen toe.
-</p>
-<p>Weder waren de beide mannen een eind verder gekomen, toen zij een jongen man, in nadenken
-verzonken, zagen staan. Hij scheen de wereld om zich heen vergeten of onder de voeten
-verloren te hebben, en er over na te denken, waar hij een nieuwe konde vinden. Hij
-had eigenaardige, juist geene liefelijke trekken en staarde met onafgewenden blik
-naar den grond.
-</p>
-<p>&#x201e;Een van mijne steenhouwers!&#x201d; zeide de ernstige Phidias tot zijn metgezel, terwijl
-hij in het voorbijgaan den peinzende op den schouder klopte, als om hem wakker te
-schudden; &#x201e;een brave, maar wonderlijke knaap. Hij werkt een dag lang ijverig in mijne
-werkplaats, en den volgenden is hij verdwenen. Zoo peinzend daar te staan is zijne
-gewoonte.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span></p>
-<p>Niet verre van den peinzende zat een lamme, kreupele man aan den weg ineengedoken,
-een bedelaar met een wonderlijk grijnzend gezicht. De goedhartige Pericles wierp hem
-een goudstuk toe. De kreupele bedelaar echter verwrong zijn grijnzend gelaat nog meer
-en scheen iets als een scheldwoord tusschen de tanden te mompelen.
-</p>
-<p>Toen de twee mannen ongeveer de helft van den weg afgelegd hadden, en uit een olijfboschje,
-hetwelk den weg een eind als omzoomde, te voorschijn traden, rees de Acropolis van
-de stad voor hen op en men zag het reusachtige metalen beeld van &#x201e;Athene Promachos&#x201d;<a class="noteRef" id="n19.1src" href="#n19.1">20</a>, in den glans der avondzon schitteren. Men zag haar gehelmd hoofd, men zag de opgestoken
-lans en het groote schild, waarop haar linker hand rustte. Ook fonkelde van de helling
-van den berg, oogverblindend, een gouden Gorgonenhoofd<a class="noteRef" id="n19.2src" href="#n19.2">21</a>, dat een bemiddeld Athener daar als wijgeschenk had geplaatst.
-</p>
-<p>Van dit oogenblik af aan greep eene zeldzame verandering plaats in het wezen van den
-beeldhouwer. Hij scheen nu geheel met zijn metgezel van rol verwisseld te hebben.
-Evenals toch deze op den weg van de stad naar de haven met opgewekten zin en vurigen
-blik naar een doel in de verte gestaard had, zijn metgezel echter ernstig, zwijgend,
-bijna onverschillig naast hem was voortgeschreden, zoo had nu omgekeerd op den terugweg
-de beeldhouwer met haastigen tred en vurigen blik onafgewend zich naar de Acropolis
-gericht, terwijl zijn metgezel bedaard en schier vermoeid naast hem voortstapte. Het
-was de aanblik zijner Godin, na hetgeen hij in den Piraeus gezien had, die hem eigenaardig
-opwekte. Daar was hem de praal van het nuttige voor oogen gekomen: het gewemel van
-de haven, het geschreeuw van kijvende makelaars, de geweldige, maar in hare groote
-eentoonige zuilengaanderijen, <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>welke op tempels zonder Goden geleken, eindelijk de door den nevelachtigen adem van
-het &#x201e;onzekere&#x201d; omhulden gouden schat: dat alles had zijne kunstenaarsziel bijna verduisterd.
-Hij moest het zijn gang laten gaan, maar het verstoorde zijne reeks van onverwezenlijkte,
-ideale, schitterende scheppingen, waarmede zijn ziel vervuld was. Thans, nu de Acropolis
-voor hem opdoemde, scheen hij veranderd en liet zóó peinzend, zóó vol nadenken en
-als &#x2019;t ware metend zijn onafgewenden blik over de blinkende hoogte van de Acropolis
-zweven, dat Pericles hem reeds naar de oorzaak zijner overpeinzingen wilde vragen.
-</p>
-<p>&#x201e;Vader!&#x201d; zei op dit oogenblik een knaapje tot een ouderen man, onder wiens geleide
-het onmiddellijk vóór Pericles en Phidias op den weg liep met de donkere oogen onafgewend
-naar de Acropolis ziende: &#x201e;Hebben de Atheners geheel alleen de stedebeschermende Godin
-Pallas op hun burg, of woont zij ook bij andere menschen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ook de Rhodiërs,&#x201d; antwoordde de man het knaapje, &#x201e;wilden haar bij zich op hun burg
-hebben, maar hun gelukte het echter niet.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Is Pallas Athene op hen vertoornd?&#x201d; vroeg het knaapje verder.
-</p>
-<p>&#x201e;De Atheners op het vaste land en in de zee de Rhodiërs dongen naar de bescherming
-van de Godin. Genen zoowel als dezen maakten een offerfeest gereed op hun burg, om
-de gunst van Pallas te winnen. Maar de Rhodiërs waren achteloos; zij beklommen hun
-burg, doch toen zij het offer wilden brengen, hadden zij geen vuur. Zoo brachten zij
-geen betamelijk, maar een koud offer, terwijl bij de schrandere Atheners vuur en vetdamp
-vroolijk flikkerde en opsteeg over de rotsen van de Acropolis. Daarom gaf Pallas Athene
-den Atheners de voorkeur. Maar de Rhodiërs hielden aan bij Zeus en om hen schadeloos
-te stellen, goot hij van den hemel een gouden regen naar beneden, die hunne straten
-en huizen vulde. Deswege verheugden zich de Rhodiërs en troostten zich daarmede, <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>en plaatsten op hun burg den God des rijkdoms, Plutus.&#x201d;
-</p>
-<p>Deze vertelling, welke de man het knaapje deed, trof het oor der beide mannen, die
-achter hen liepen. Phidias glimlachte even en wendde zich na een oogenblik stilzwijgens
-tot zijn metgezel met deze woorden:
-</p>
-<p>&#x201e;Pericles, het komt mij voor, dat de tijden veranderd zijn en dat wij weldra zullen
-doen als de Rhodiërs. Denkt gij er ook niet aan, Plutus op den burg te plaatsen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Vrees niets!&#x201d; hernam Pericles lachend. &#x201e;Zoo lang de zee het Attische strand bespoelt,
-zal het metalen beeld uwer Godin heerschend uitsteken op de Acropolis der Atheners!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar onder de puinhoopen der tempels,&#x201d; hernam Phidias. &#x201e;Half woest ligt nog steeds
-de rots van den burg, zooals hem de brandende hand der Perzen heeft gelaten. Laat
-toch de zuilbrokken en puinhoopen wegruimen en bouw daarmede uwe havendammen en lange
-muren verder: want wat de Pers in de stad vernielde, dat bouwt gij toch slechts in
-den Piraeus weder op!&#x201d;
-</p>
-<p>Op dit oogenblik keerde zich de man, die het knaapje geleidde, om, daar hij het geluid
-der sprekenden achter zich vernam, en hij herkende Pericles; deze beantwoordde vriendelijk
-zijn groet, want hij kende hem sedert langen tijd en was zijn gastvriend geweest,
-toen gene nog in Syracuse leefde.
-</p>
-<p>&#x201e;Uw gesprek en dat van uw zoontje Lysias, mijn beste Cephalus,&#x201d; zeide hij tot den
-man, &#x201e;heeft onzen Phidias hier zooeven aanleiding gegeven mij heftig aan te vallen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe zoo?&#x201d; vroeg Cephalus.
-</p>
-<p>&#x201e;Wij komen uit den Piraeus,&#x201d; vervolgde de Olympiër, &#x201e;en reeds daar was onze vriend,
-de lieveling van Pallas Athene, bijna in eene slechte luim. Hij zou wel altijd onder
-godengestalten willen verkeeren. Hij haat de lange muren, de breede zuilengaanderijen,
-de balen koopwaren, de pakken, de vaten, de geiteleeren zakken; het geschreeuw der
-<span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>makelaars in den Piraeus heeft zijn gehoorvlies verscheurd. Hij zal, wanneer hij door
-de poort de kromme, onaanzienlijke straten der oude Atheensche stad weder binnengetreden
-is, met een verlicht hart zich het stof van den weg naar de haven van zijne voeten
-afschudden.
-</p>
-<p>&#x201e;Maar zeg toch,&#x201d; ging Pericles, tot den beeldhouwer zich keerend, voort, &#x201e;wat staart
-gij zoo vol gedachten en onafgewend naar de hoogte der Acropolis? Is het het gezicht
-van uwe Godin, dat u bezielt&#x2014;van uwe gehelmde, lansslingerende Promachos?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Weet,&#x201d; hernam Phidias, &#x201e;de gehelmde, lansslingerende Promachos is sedert geruimen
-tijd in mijne ziel verdrongen door eene Pallas Athene des vredes; door eene Pallas,
-die niet meer kampt met kletterend metaal, maar rustig en toch zegevierend met haar
-blinkend Gorgonenschild<a class="noteRef" id="xd30e384src" href="#xd30e384">22</a> de geboorten van den nacht versteent. Wanneer ik nu mijn blik op de hoogte van de
-Acropolis richt, zoo weet, dat ik daar dit beeld, in mijn geest gerijpt, plaats en
-dat ik een heerlijk, schitterend feestelijk huis daarover welf; dat ik den gevel en
-den fries van dat huis met honderdvoudig beeldwerk tooi en dat ik zelfs van verre
-schitterende, prachtige portalen bouw, van den kant, waar de feestelijke optocht der
-Panathenaeën<a class="noteRef" id="xd30e390src" href="#xd30e390">23</a> henen trekt. Maar vrees niet, dat ik goud en elpenbeen voor die Pallas Athene des
-Vredes, en marmer voor dat heiligdom van u zal afsmeeken&#x2014;neen&#x2014;ik bouw en versier zoo
-maar in gedachten&#x2014;maak u niet ongerust!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zóó zijn zij allen, de kunstenaars en de dichters,&#x201d; zei Pericles, bijna gekrenkt
-door den spottenden toon van zijn vriend. &#x201e;Gij weet niet, dat het schoone slechts
-de bloesem is van het nuttige. Gij vergeet, dat het volkswelzijn op vaste grondslagen
-<span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>moet gebaseerd zijn en dat de volle bloei der kunst zich slechts in rijke, machtige
-staten ontplooit. Onze Phidias is op mij verstoord, omdat ik een paar jaren lang aan
-koornbeurzen in den Piraeus en aan den langen middelmuur gebouwd heb, in plaats van
-den tempel van de Acropolis weder op te richten, en omdat ik het niet geheel alleen
-aan de heerschende lans zijner metalen Godin op den burg overlaat, om ons tegen iederen
-vijand, die te land en ter zee ons kan bedreigen, te beschermen.&#x201d;
-</p>
-<p>Phidias hief het hoofd beleedigd op, en wierp een donkeren blik op Pericles. Deze
-echter beantwoordde den blik van den beleedigden met een verzoenenden glimlach en
-ging voort, terwijl hij de hand van zijn vriend greep: &#x201e;Kent gij mij zóó weinig, dat
-gij mij in ernst voor een vijand en bespotter der goddelijke beeldende kunst moogt
-houden? Ben ik niet de vriend en bezielde aanmoediger van al het schoone?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik weet het,&#x201d; zeide Phidias, nu op zijn beurt sarkastisch lachende. &#x201e;Ik weet het,
-gij zijt de vriend van het schoone. Een blik in de oogen der schoone Chrysilla.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Niet dat alleen,&#x201d; viel Pericles snel in en vervolgde op ernstigen toon:
-</p>
-<p>&#x201e;Gelooft mij, mijne vrienden, wanneer de staatszorgen mij drukken, en nevens die van
-den staat mijne eigene, wanneer menige tegenwerking mij hindert, menige tegenspraak
-mij verbittert, wanneer ik ontstemd uit de vergadering der Atheners terugkeer, bijna
-verstoord door de straten wandel, zoo is dikwijls eene kleine zuilengalerij, die door
-schoone evenredigheden mijn oog bekoort, of een beeld aan den weg, met fijnen geest
-ontworpen, in staat mij af te leiden en mij in betere stemming te brengen, en ik herinner
-mij niet, dat ik ooit eene smart heb ondervonden, die niet door het voorlezen van
-een gezang uit Homerus ten minste gelenigd is geworden.&#x201d;
-</p>
-<p>De vrienden waren thans door de poort de stad <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>binnen getreden. Hier schenen de straten nauwer, de woonhuizen minder statig dan in
-den Piraeus. Maar het was het echte Athene. Het was heilige grond.
-</p>
-<p>Toen Phidias reeds in de nabijheid van zijn huis was gekomen, zeide hij tot Pericles
-en Cephalus: &#x201e;Wanneer gij tijd en lust hebt, bij mij nog even binnen te komen, dan
-zult gij een belangrijken wedstrijd in mijne werkplaats door uwe uitspraak kunnen
-beslissen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij prikkelt onze nieuwsgierigheid,&#x201d; hernam Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij herinnert u toch,&#x201d; vervolgde Phidias, &#x201e;het marmerblok, &#x2019;t welk het Perzische
-leger over zee met zich mede voerde, om, na onze onderwerping, een Perzisch zegeteeken,
-uit Perzisch marmer gehouwen, in Hellas op te richten, en dat, toen de barbaren verslagen
-waren, op het slagveld van Marathon<a class="noteRef" id="n24.1src" href="#n24.1">24</a> in onze handen viel. Na menige omzwerving kwam het kostbare blok in mijne werkplaats
-terecht, en, zooals u bekend is, Pericles, wenschten de Atheners, dat daaruit een
-beeld van de Cyprische Godin<a class="noteRef" id="xd30e414src" href="#xd30e414">25</a> gebeiteld werd, om de Tuinen daarmede te versieren. Geen mijner leerlingen hield
-ik er beter voor geschikt, dat Agoracritus van Paros<a class="noteRef" id="n24.3src" href="#n24.3">26</a>, om door de voltooiing van zulk een beeld zich roem te verwerven, en zoo vertrouwde
-ik hem, op zijn verlangen, het marmerblok toe, waaruit hij nu een voortreffelijk werk
-vervaardigd heeft. Maar, een ander van mijne beste leerlingen, de eergierige Alcamenes,
-benijdde Agoracritus het blok en den roem van zijn arbeid en waagde het, in wedijver
-met den Pariër, mijn lieveling, zooals hij hem noemt, een marmeren beeld <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>van dezelfde Godin te ontwerpen. Nu is het beeld van beide jongelingen voltooid en
-een groot aantal kunstlievende mannen is heden in mijn huis bijeen gekomen. Wanneer
-gij u bij hen wildet voegen, welk een spoorslag zou dat voor die beiden zijn! Komt
-en ziet, hoe verschillend het ideaal van het goddelijk wezen zich in de ziel van beide
-jonge mannen heeft afgespiegeld!&#x201d;
-</p>
-<p>Niet lang bedachten zich Pericles en Cephalus. Zij knikten toestemmend en traden met
-gespannen verwachting het huis van Phidias binnen.
-</p>
-<p>Zij vonden hier reeds vele kunstkenners bijeen. Daar waren onder anderen de Milesiër
-Hippodamus, Antiphon, de redenaar, Ephialtes, de bij het volk geliefde aanhanger en
-medehelper van Pericles, de bouwmeester van den langen middelmuur en Ictinus<a class="noteRef" id="xd30e428src" href="#xd30e428">27</a>, een bouwmeester van groote geleerdheid en juisten kunstsmaak, de intieme vriend
-van Phidias.
-</p>
-<p>Toen deze mannen en de nieuw aangekomenen elkander hadden begroet, bracht de meester
-hen in een der ruimste vertrekken van zijn huis.
-</p>
-<p>Daar verhieven zich op een voetstuk naast elkander twee hooguitstekende, omhulde marmerblokken.
-Een bont doek was, om het witte, schitterende marmer, tegen stof en bezoedelingen
-te bewaren, daar over heen geworpen. Een slaaf trok nu, op een wenk van Phidias, het
-doek weg. Toen deden zich de beide schitterende beelden in hun machtig edel gevormde
-lijnen aan de blikken der beschouwers op, die daar vóór bijeen stonden.
-</p>
-<p>De mannen staarden langen tijd en zonder een woord te spreken de beide beelden aan.
-Op hunne trekken stond een eigenaardige, overweldigende indruk te lezen. Het was klaarblijkelijk
-dat de merkwaardige verscheidenheid der beelden hen getroffen had.
-</p>
-<p>Het eene vertoonde eene vrouwelijke gestalte <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>van verhevene schoonheid en bovenmenschelijken adeldom. Zij was omkleed en haar gewaad
-golfde in breede, schoon vallende plooien tot op de enkels af. Slechts een der beide
-borsten was onbedekt gelaten. De uitdrukking was strak en streng: niets vrouwelijks
-was er in de trekken, niets weelderigs in de ledematen, niets bevalligs in de houding.
-En toch was het schoon. Het was een strenge, eene rijpe en toch jonkvrouwelijke schoonheid.
-Het was Aphrodite zonder den geur van Crocus- en Hyacynth-bloesems, waarmede de later
-geboren Chariten<a class="noteRef" id="xd30e441src" href="#xd30e441">28</a> en boschnymfen van den Ida<a class="noteRef" id="xd30e444src" href="#xd30e444">29</a> de Goden omkransten. Zij verspreidde nog geen welriekende geuren en geen glimlach
-plooide nog hare lippen.
-</p>
-<p>Zoo lang de omstanders alleen dit beschouwden, misten zij niets. Een door alle Gratiën
-en liefdegoden omgeven Cypris was tot nu toe nog niet in den geest der Grieken gerijpt.
-</p>
-<p>Zooals zij daar stond, de uit het schuim geborene, door de hand van Agoracritus gebeiteld,
-was haar ideaal dat der vaderen.
-</p>
-<p>Zoodra de beschouwer intusschen van dit beeld een tijd lang den blik gevestigd had
-op dat van Alcamenes, werd hij door eene soort van onrust aangegrepen; en wanneer
-hij dan tot het eerste beeld wilde terugkeeren, was het hem alsof het minder begrijpelijk
-was dan straks, en alsof hij den maatstaf voor de juiste waardeering daarvoor verloren
-had. Het was geheel iets nieuws, wat zich aan de blikken dier mannen voordeed. Nog
-konden zij niet zeggen, of hun dat nieuwe beviel. Nog wisten zij niet, of het recht
-had hun te behagen. Dit slechts stond vast, dat hun het vorige daarnaast thans minder
-voldeed.
-</p>
-<p>Hoe vaker echter de blik van het beeld van Alcamenes naar dat van Agoracritus, en
-van dit naar <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>het andere dwaalde, des te langer bleef hij op dat van Alcamenes rusten.&#x2014;Wat daarin
-met zulk eene heimelijke betoovering werkte, was de macht eener bekoorlijkheid, eener
-bezieling, van eene frischheid en eenvoud, zooals de beitel der Grieksche meesters
-tot nog toe nog niet bereikt, waarnaar hij niet eens had gestreefd.
-</p>
-<p>Van allen bleef niemand, niemand met zoo vurige oogen aan de vormen, welke Alcamenes
-hier ten toon had gesteld, hangen, als <span class="corr" id="xd30e457" title="Bron: Percicles">Pericles</span>.
-</p>
-<p>&#x201e;Dit werk,&#x201d; sprak hij na eenigen tijd, &#x201e;herinnert mij bijna het standbeeld van Pygmalion<a class="noteRef" id="xd30e462src" href="#xd30e462">30</a>; het schijnt bezield te zijn en juist op het punt, om van het strakke marmer in een
-levend wezen, met warm bloed in de aderen, te verkeeren.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja waarlijk,&#x201d; riep Cephalus, &#x201e;het werk van Agoracritus tintelt van den geest van
-zijn meester Phidias, ja overtreft het in ernst. In het beeld van Alcamenes echter
-schijnt mij eene vonk te gloren uit eene vreemde smidse, die het met een zeldzaam,
-eigenaardig leven doorgloeit.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Welke nieuwe geest is in u gevaren, wakkere Alcamenes,&#x201d; riep Pericles uit, &#x201e;daar
-toch tot hen uwe wijze van die van Agoracritus nauwelijks kon onderscheiden worden?
-Hebt ge soms de Godin in een droom gezien? Weet ge, dat ge mij in eene verrukking
-hebt gebracht, zooals nog nooit een beeld heeft vermocht?&#x201d;
-</p>
-<p>Alcamenes glimlachte. Doch Phidias vestigde nu, als door eene plotselinge gedachte
-bezield, een scherpen blik op het werk van Alcamenes en scheen de omtrekken, de vormen
-van enkele leden onder den invloed dier gedachte te bestudeeren.
-</p>
-<p>&#x201e;Geen droombeeld,&#x201d; sprak hij eindelijk, &#x201e;schijnt mij toe in dit marmer belichaamd
-te zijn, maar veel bekoorlijks uit de zinnelijke werkelijkheid opgenomen, om het beeld
-der Godin daarmede te <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>tooien. Hoe langer ik de slankheid van dit geheele beeld, het teedere en toch weelderige
-van dezen boezem en van deze heupen, de eigenaardige fijnheid van dezen spits toeloopenden
-vinger en bekoorlijk gebogen handgewrichten beschouw, des te sterker gevoel ik eene
-vrouw in mijne herinnering teruggeroepen, die wij een paar malen in dit huis hebben
-gezien.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Het is, zoo al niet het gelaat, dan toch de gestalte van de Milesische!&#x201d; riep een
-ander der leerlingen van Phidias, naderbij tredende; en alle leerlingen naderden de
-een na den ander eerst het beeld en riepen toen elkander aanziende uit één mond: &#x201e;ongetwijfeld;
-het is de Milesische.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wie is die Milesische?&#x201d; vroeg Pericles haastig en in spanning.
-</p>
-<p>&#x201e;Wie zij is?&#x201d; zeide Phidias glimlachend: &#x201e;gij hebt haar reeds eens gezien&#x2014;heden&#x2014;weinige
-uren geleden&#x2014;een oogenblik slechts heeft de glans harer schoonheid u getroffen.&#x2014;Overigens
-vraag het Alcamenes.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wie zij is?&#x201d; herhaalde nu de vurige Alcamenes. &#x201e;Een zonnestraal is zij, een dauwdroppel,
-eene schoone vrouw, een roos, een verkwikkende Zephyr. Wie zal een zonnestraal naar
-zijn naam en afkomst vragen? Misschien weet Hipponicus wat anders van haar te zeggen.
-Hij heeft haar als gast in zijn huis gehuisvest.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Eens kwam zij met Hipponicus hier in deze werkplaats,&#x201d; zeide Phidias.
-</p>
-<p>&#x201e;Met welke bedoeling?&#x201d; vroeg Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Om dingen te zeggen,&#x201d; hernam Phidias, &#x201e;zooals ik nog nooit uit den mond eener vrouw
-vernomen heb.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Derhalve is zij de gast van Hipponicus?&#x201d; vroeg Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;In een klein huis, dat hem toebehoort,&#x201d; zeide Phidias, &#x201e;&#x2019;t welk tusschen zijn woonhuis
-en dit is gelegen. Sedert echter de Milesische in dat huis vertoeft, is er een zonderlinge
-geest in dezen geheelen zwerm gevaren.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Hoe dat?&#x201d; vorschte Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Sinds dien tijd,&#x201d; hernam Phidias, &#x201e;is de suffer, dien ge op de straat aan de haven
-eenzaam hebt zien staan, peinzend voor zich starend, nog veel droomeriger geworden,
-en wat Alcamenes betreft, hij behoort tot diegenen, die ik het meest boven op het
-platte dak van het huis aantrof, vanwaar men in het peristylium<a class="noteRef" id="n29.1src" href="#n29.1">31</a> van het aangrenzende huis neerziet, en werwaarts zij van hun werk heensluipen, nu
-eens onder voorwendsel een ontsnapte vogel of aap op te vangen, dan weder om in de
-avondlucht zittende zich te verfrisschen, omdat hun, naar zij zeggen, het bloed zoo
-geweldig naar het hoofd steeg&#x2014;inderdaad echter, om het snarenspel der Milesische te
-kunnen hooren.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En dezer toovenares dus,&#x201d; zei Pericles, &#x201e;heeft onzen Alcamenes hare bekoorlijkheden
-afgezien, die ons hier zelfs in het marmer verrukken?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe het zich toedroeg, kan ik niet zeggen!&#x201d; hernam Phidias. &#x201e;Misschien heeft de suffer
-voor koppelaar gespeeld; want hij schijnt op een vertrouwelijken voet met haar te
-staan. Deze zonderlinge knaap toch heeft zich voorgenomen een Eros<a class="noteRef" id="xd30e496src" href="#xd30e496">32</a> te beitelen en houdt het voor dit doel noodig vooraf goed bekend te zijn met het
-wezen van dezen God en zich er volkomen vertrouwd mede te maken. Want zoo is nu eenmaal
-zijne manier: hij tracht nooit naar de dingen zelven, maar steeds naar hun begrip,
-naar waarheid en wijsheid, zooals hij zegt; daarom noemen wij hem ook altijd den vriend
-der wijsheid en zoeker naar waarheid. Thans streeft hij naar het zuivere begrip van
-liefde en wil zich daarin door zijne schoone Milesische vriendin doen onderwijzen.
-</p>
-<p>&#x201e;Deze laat, naar het schijnt, den zonderling begaan en ik heb haar eens een uur lang,
-in dezen tuin op een steenklomp zittende, met hem zien spreken. Heeft nu werkelijk
-niet alleen hij, maar ook <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>Alcamenes, van het geheime onderricht van de Milesische genoten, zoo moge hij ook
-voortaan op dezen weg zijn heil zoeken. Moge hij voortgaan meer van schoone vrouwen
-te leeren, dan van de meesters zijner kunst.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat hier voor uw blik zich vertoont,&#x201d; riep Alcamenes opstuivend op deze spottende
-taal van Phidias, &#x201e;is het werk mijner handen; de berisping, die het ondervindt, neem
-ik op mij, en den lof, dien men het toezwaait, behoef ik met niemand te deelen!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ei wat,&#x201d; riep Agoracritus met donkeren blik; &#x201e;met de Milesische hebt gij dien te
-deelen! Heimelijk sloop zij naar u toe!&#x201d;
-</p>
-<p>Een donkere blos kleurde Alcamenes&#x2019; wangen.
-</p>
-<p>&#x201e;En gij?&#x201d; riep hij, &#x201e;wie sloop naar u toe? Meent ge, dat wij het niet weten? Phidias
-zelf was het, de meester, die &#x2019;s nachts heimelijk in uw werkplaats kwam, om de laatste
-hand aan het werk van zijn lieveling te leggen.&#x201d;
-</p>
-<p>Nu kleurde eene donkerroode kleur Phidias&#x2019; gelaat, hij wierp een gramstorigen blik
-op den vermetelen leerling en wilde iets antwoorden.
-</p>
-<p>Maar Pericles trad tusschen beiden en sprak verzoenend:
-</p>
-<p>&#x201e;Geen twist, voortreffelijke mannen! Het zij, zooals gij zegt; naar Alcamenes is de
-Milesische, naar Agoracritus is Phidias geslopen. Laat ieder leeren waar en op welke
-wijze hij kan en laat niemand zijn naaste het schoone benijden, dat hem door de gunst
-der Muzen<a class="noteRef" id="n30.1src" href="#n30.1">33</a> of der Chariten of door welke andere Godheden ook ten deel is gevallen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik heb het nooit versmaad iets van Phidias te leeren,&#x201d; zeide Alcamenes, die het eerst
-van hun drieën zijne kalmte herkregen had; &#x201e;maar ook <span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>van de levende werkelijkheid de schoonheid af te zien, is het werk van een verstandigen
-kunstenaar; en, laat mij het eerlijk bekennen, mij komt eene Milesische of in &#x2019;t algemeen
-eene dochter van de levenslustige Ionische kusten beter in staat voor, aan het vorschend
-oog van den kunstenaar de geheimen der schoone kunst te ontdekken, dan de vrouwen
-en jonkvrouwen van ons Attische land. Het is niet hetzelfde hoe de kunstenaar de vrouw
-ziet; of ze in bloode schaamte den worm gelijk is, die schijnt in zich zelven weg
-te kruipen, dan of ze de bloeiende schoonheid harer vrouwelijkheid in vrije bekoorlijkheid
-ontplooit. Onze Atheensche vrouwen brengen haar leven in strenge afzondering, in hare
-vrouwenvertrekken bewaakt, door. Wil men den vrijen blik eener vrouw genieten, die
-het verstaat, zonder blooheid en zonder onbeschaamdheid door hare geheele bekoorlijkheid
-te verrukken, dan moet men tot deze Ionische, deze Lydische vrouwen gaan, die van
-gindsche kusten komende en tegelijkertijd een adem van de schoone ongedwongenheid
-van hare inheemsche dartele feesten met zich brengende, de vroolijke wet der schoonheid
-en der zinnelijke vreugde verkondigen.&#x201d;
-</p>
-<p>Velen der aanwezigen waren het met Alcamenes eens, en prezen hem gelukkig, dat hij
-de gunst had verworven van een vrouw, als de Milesische.
-</p>
-<p>&#x201e;De gunst?&#x201d; vroeg Alcamenes. &#x201e;Ik weet niet wat gij bedoelt; de gunst dezer vrouw heeft
-hare grenzen.&#x2026; Vraagt het maar eens aan dien droomer, den waarheidzoeker, haar vriend.&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo sprak Alcamenes en wees op den jongen beeldhouwer, die straks op de straat naar
-den Piraeus zoo peinzend had gestaan en, inmiddels teruggekeerd, het vertrek was binnengetreden.
-Alle aanwezigen keken op deze woorden van Alcamenes naar den droomer en glimlachten;
-want zij vonden in zijn uiterlijk niets, wat hun voorkwam, den omgang en de vriendschap
-der Milesische waardig te zijn. Hij had een stompen neus en zijn geheele <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>uiterlijk was niet dat van een welgevormden Griek. Wel is waar, de glimlach om zijn
-mond was, trots de dikke lippen, fijn, en wanneer zijne oogen niet nadenkend, star
-op één punt gericht waren, keken zij vroolijk en boezemden zij vertrouwen in.
-</p>
-<p>&#x201e;Wij raken van ons onderwerp af,&#x201d; merkte Phidias nu op. &#x201e;Alcamenes en Agoracritus
-wachten nog steeds ons oordeel af. Voorloopig schijnt het, dat we het hierover eens
-zijn dat Agoracritus eene Godin, Alcamenes eene schoone vrouw gebeiteld heeft.
-</p>
-<p>&#x201e;Nu,&#x201d; sprak Pericles, &#x201e;ik geloof waarlijk, dat onze Alcamenes niet alleen, maar ook
-onze Agoracritus, de onsterfelijken zullen vertoornen, omdat zij toch beiden van onzen
-meester Phidias geleerd hebben, wanneer zij een goddelijk wezen willen scheppen, de
-menschelijke gedaante tot in hare fijnste aderen, na te gaan. In den grond zijt gij
-beeldhouwers toch allen aan elkander hierin gelijk, dat gij voorgeeft Goden te vormen,
-in wie wij inderdaad iets goddelijks meenen te zien en aan te staren: wanneer we echter
-nauwlettender toezien, dan bevinden wij, dat dit goddelijke slechts de reinste schoonheid
-en volkomenheid van het menschelijke is, en dat ook de aetherische Godengestalte slechts
-eene samenvoeging is van menschelijke polsen, spieren, zenuwen en vaatbundels. Hoort
-nu ook eens de meening van dien tweeden leerling, uw droomer daar over, de Milesische!
-Ook hij is gerechtigd, zijne meening daaromtrent te zeggen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat meent ge,&#x201d; riep Alcamenes den droomer toe, &#x201e;is de natuur van den mensch goddelijk?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat Homerus en Hesiodus<a class="noteRef" id="n32.1src" href="#n32.1">34</a> betreft, en de andere dichters,&#x201d; zeide de droomer, &#x201e;zoo herinner ik mij, dat zij
-de zee en de aarde en alle mogelijke <span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span>dingen goddelijk noemen; het zou mij daarom verwonderen, wanneer de menschelijke natuur
-ook niet met hare zenuwen, spieren en aderen goddelijk was. Pindarus<a class="noteRef" id="xd30e541src" href="#xd30e541">35</a> schijnt mij zelfs nog verder te gaan, wanneer hij zingt: &#x201e;Eén is van den beginne
-af het geslacht der Goden en der stervelingen!&#x201d; En ik herinner mij dat ik eens den
-wijsgeer Anaxagoras<a class="noteRef" id="n33.2src" href="#n33.2">36</a> kort en bondig heb hooren zeggen, dat al wat is, levend is en wat leeft goddelijk
-is. Wilt gij echter naar deze Ouden niet hooren, zoo vraagt het aan de schoone Milesische.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik geloof,&#x201d; hernam Pericles, &#x201e;dat wij allen niet ongezind zouden zijn dezen raad
-te volgen, wanneer wij slechts wisten hoe wij gedaan konden krijgen, om de Milesische
-tot beslechting dezer zaak hier te doen komen. Kan soms Phidias ons dezen dienst bewijzen,
-of wil Alcamenes ons het geheim openbaren, hoe men deze schoone raadpleegt, of zullen
-wij tot den droomer ons wenden?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, tot den droomer!&#x201d; riep Alcamenes levendig. &#x201e;Ik wed, dat deze, als hij wil, ons
-de Milesische nog heden uit het huis van Hipponicus, als eene slang uit hare schuilplaats
-door tooverzangen en bezweringen, hierheen zal lokken!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wanneer Alcamenes zelf ons naar hem verwijst,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;zoo is hij wel de
-rechte man en niemand anders, die ons in deze zaak kan helpen. Maar wat kunnen we
-den man beloven, opdat hij medelijden met ons moge hebben en heenga, om de Milesische
-tot ons te lokken?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Het zal zoo heel veel moeite niet kosten,&#x201d; hernam de droomer, &#x201e;iemand te bewegen
-hier binnen <span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span>te treden, die reeds als &#x2019;t ware wachtende, achter de deur staat.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Is de Milesische derhalve in onze nabijheid?&#x201d; vroeg Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Toen ik straks,&#x201d; vervolgde de droomer, &#x201e;van mijne wandeling naar den Piraeus terugkeerde,
-en, door de achterdeur dit huis binnen willende treden, vlak langs de heining van
-den tuin van Hipponicus kwam, zag ik de Milesische tusschen de bloembedden en de bloeiende
-struiken staan, terwijl zij een tak van een laurierboom afplukte. Ik vroeg haar welken
-held of wijze of kunstenaar zij met dezen tak dacht te versieren? Zij zeide, dat hij
-bestemd was voor dengene der beide voortreffelijkste leerlingen van Phidias, die heden,
-naar de uitspraak van kunstrechters, als overwinnaar uit den wedstrijd zou te voorschijn
-treden. &#x201e;Gij wilt derhalve het geluk van den overwinnaar oneindig vergrooten?&#x201d; zei
-ik, &#x201e;zoek toch den overwonnene ook eenigszins te troosten!&#x201d;&#x2014;&#x201e;Goed,&#x201d; hervatte de Milesische,
-&#x201e;men moet ook medelijden hebben met den overwonnene; ik zal voor hem eene roos plukken.&#x201d;&#x2014;&#x201e;Eene
-roos,&#x201d; hernam ik, &#x201e;is dat niet wat te veel? Zijt gij zeker, dat dan de overwinnaar
-den overwonnene niet benijdt?&#x201d;&#x2014;&#x201e;Zoo moge de overwinnaar kiezen,&#x201d; riep zij; &#x201e;daar,
-neem den lauriertak en de roos en reik ze hem over.&#x201d;&#x2014;&#x201e;Zoudt gij ze hem niet liever
-zelve overhandigen?&#x201d; vroeg ik. &#x201e;Meent ge dat waarlijk,&#x201d; hernam zij. &#x201e;Voorzeker,&#x201d; zei
-ik. &#x201e;Nu welaan dan,&#x201d; hervatte zij; &#x201e;zend den overwinnaar en den overwonnene hier naar
-mij toe aan de tuindeur, zoodra de kunstrechters het vonnis uitgesproken en zich verwijderd
-hebben.&#x201d;&#x2014;&#x201e;Weet derhalve,&#x201d; zoo besloot de droomer zijn verhaal, &#x201e;dat de Milesische
-met den lauwertak en de roos achter de tuinheining van Hipponicus staat.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Goed,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;ga en haal ze hier heen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe kan ik dat?&#x201d; hernam de andere. &#x201e;Hoe zal ik haar overhalen, dat zij hier kome
-in tegenwoordigheid van zulk een aantal mannen?&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Mij om &#x2019;t even, hoe gij het beproeft,&#x201d; zeide Phidias; &#x201e;dat behoort tot uw geheime
-koppelaarskunsten; die behoeft gij ons niet te verklappen. Ga ze maar halen, omdat
-Pericles het zoozeer verlangt.&#x201d;
-</p>
-<p>De droomer gehoorzaamde. Hij ging en keerde na eenige oogenblikken met eene vrouw
-terug, in wier gestalte de edelste fijnheid met bekoorlijke weelderigheid van vormen
-op eene wonderlijke wijze vereenigd waren. Pericles herkende aanstonds in haar de
-schoone, die hij vluchtig had gezien, toen hij met Phidias zich van de markt naar
-de haven wilde begeven. Zij was slank; toch waren de ledematen van de bekoorlijkste
-volheid en weelderigheid. Haar gang was fier en tegelijk bekoorlijk. Haar gekruld,
-zacht haar had een donkerrossen glans, haar gelaat was van eene onvergelijkelijke
-schoonheid. Het betooverendste echter aan haar was een vochtige glans, een zachte
-onweêrstaanbare gloed in de heerlijke oogen, aan welks betoovering niemand, die slechts
-even haar aanzag, wederstand kon bieden. Haar gewaad uit geel, zacht byssus<a class="noteRef" id="xd30e564src" href="#xd30e564">37</a>, sloot nauw om de fijne, fraai geronde heupen tot aan de enkels. Bovenaan was het
-voorste stuk van het gewaad ter hoogte van de schouders met fraaie gespen aan het
-achtergedeelte bevestigd. Daarover viel van de schouders eene soort van oppergewaad
-in schoone plooien af tot aan het midden van het lichaam. Het kleed zonder mouwen
-liet de edelgevormde armen ontbloot en verborg niet geheel den omtrek van den jonkvrouwelijken,
-teederen en toch krachtig ontwikkelden boezem. Het was de gewone chiton<a class="noteRef" id="xd30e567src" href="#xd30e567">38</a> der Grieksche vrouwen, dien de vreemde droeg, maar rijk en veelkleurig, zooals men
-dien zag bij de Ionische en Lydische vrouwen der Aziatische <span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span>kusten. De kleur van het gewaad was glanzend geel, de zoomen waren met bont borduursel
-rijkelijk versierd.
-</p>
-<p>Het donkerrosse glanzende haar golfde in krullen langs den hals; een purperen band,
-die op de plaats, waar hij op het voorhoofd rustte, met een metalen ingesneden plaat
-versierd was, hield de weelderige lokken bijeen.
-</p>
-<p>Toen deze bekoorlijke vrouw onder begeleiding van den droomer binnentrad en eene zoo
-groote schare van aanzienlijke mannen zag en onder hen zelfs den machtigen Pericles,
-aarzelde zij een weinig. Doch Alcamenes trad haar te gemoet, vatte haar bij de hand
-en sprak:
-</p>
-<p>&#x201e;Pericles, de Olympiër, wenscht de schoone en schrandere Milesische te zien.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe groot en rechtmatig ook de begeerte moge geweest zijn, eene zoo gevierde vrouw
-te zien,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;verzwijgt gij toch ten onrechte, Alcamenes, dat wij eigenlijk
-door de verlegenheid, waarin de beslechting van den wedstrijd tusschen u en Agoracritus
-ons plaatste, op raad van den waarheidzoeker besloten, de wijsheid van de schoone
-Milesische in te roepen. De vraag namelijk is onder ons gerezen, of het geoorloofd
-is, eene Godin onder de vormen van eene schoone Grieksche vrouw voor te stellen. Bij
-de Atheners, vroom en aan de Goden nauw verknocht, als zij zijn, begint het geweten
-zijne stem te doen hooren, of zij soms de stervelingen overmoedig en de Goden op hen
-afgunstig maken, wanneer zij het goddelijke al te menschelijk voorstellen en of hunne
-beeldende kunst in het algemeen den Goden welgevallig of gehaat is?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;De zachtheid en helderheid van den Griekschen hemel,&#x201d; begon de Milesische met eene
-stem, wier veren klank niet minder betooverend was, als de glans van haar oog, &#x201e;wordt
-overal geroemd en de lichaamsgestalte der Grieken door de barbaren<a class="noteRef" id="xd30e581src" href="#xd30e581">39</a> <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>zelven, als het meest op de Goden gelijkende erkend. De Goden van Hellas zullen zich
-niet op den Athener vertoornen, wanneer hij hun tempels bouwt, zoo schitterend en
-verheven als de aether zelf, die zich boven hen welft, en wanneer hij beelden voor
-hen opricht, wier schoone gestalte niet verre beneden de gestalte blijft van hen,
-welke aan deze beelden offers brengen. Zooals het land is, zoo is de tempel, zooals
-de mensch, zoo zijne Goden! Trouwens, bewijzen dan ook niet de Olympiërs<a class="noteRef" id="xd30e586src" href="#xd30e586">40</a> zelf, dat het hun lust en wil is, zich af te spiegelen in de ziel der Atheners? Hebben
-zij hun niet boven allen den scheppenden geest verleend, en hebben zij niet den Attischen
-grond de beste klei, het onvergelijkelijkst marmer tot bouwkunde en beeldende kunst
-gegeven?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Inderdaad,&#x201d; viel hier de opgewonden Alcamenes levendig in, &#x201e;alles bezitten wij; alleen
-nog niet het rechte, onbeperkte veld, waarop wij arbeiden kunnen!&#x2014;Waarachtig, mij
-en ons allen jeuken reeds de vingers, en de beitel in onze handen wordt gloeiend van
-ongeduld.&#x201d;
-</p>
-<p>Een goedkeurend gemompel doorliep bij deze plotselinge wending van het gesprek de
-geheele werkplaats van Phidias.
-</p>
-<p>&#x201e;Troost u, Alcamenes,&#x201d; zeide de Milesische, den nadruk op ieder woord leggende; &#x201e;Athene
-is rijk geworden, schatrijk, en wel niet te vergeefs is de gouden schat van Delos
-over de zee tot u overgezwommen.&#x201d;
-</p>
-<p>De schoone vrouw wierp bij deze woorden een betooverenden blik op Pericles. Deze had,
-terwijl zij sprak, zijne oogen op haar golvende, bruine, zachte lokken onafgebroken
-gevestigd, en zeide nu onhoorbaar tot zich zelven: &#x201e;Bij de Goden, het blonde haar
-dezer vrouw zelf is een schitterende gouden schat van Delos en voor dat gemunte <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>goud zou dit ongemunte niet te duur betaald zijn.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>Toen liet hij een geruimen tijd het hoofd peinzend op zijne borst zinken, terwijl
-aller oogen op hem waren gevestigd. Eindelijk begon hij:
-</p>
-<p>&#x201e;Te recht verwacht gij, beoefenaars en vrienden der schoone beeldende kunst, dat de
-schat van Delos niet te vergeefs naar Attica&#x2019;s strand is overgekomen. En, wanneer
-ik slechts naar de inspraak van mijn hart, niet naar de eischen van het algemeen belang
-had te vragen, waarlijk, ik zou dien schat het liefst onmiddellijk naar de werkplaats
-van Phidias doen brengen. Maar hoort, hoe de stand van zaken is voor hem, aan wien
-de zorg voor het algemeen welzijn is toevertrouwd. Toen de Pers, met zijne drommen
-het land overheerschend, tot ons was gekomen en het gemeenschappelijk gevaar alle
-Hellenen vereenigd had, toen hij echter verslagen afgetrokken en de groote les, die
-de strijd ons had gegeven, weder vergeten was en de bijzondere belangen overal weder
-de eerste plaats innamen, toen hoopte ik nog dat het mogelijk was, &#x2019;t geen wij, door
-den nood des oorlogs gedrongen, hadden begonnen, langs vreedzamen weg voort te zetten.
-Op mijn raad noodigde het Atheensche volk allen Hellenen, hunne vertegenwoordigers
-naar Athene te zenden, om over de gemeenschappelijke belangen van Griekenland te onderhandelen.
-Ik wilde bewerken, dat op gemeene kosten alle door de Perzen verbrande tempels en
-heiligdommen weder zouden worden hersteld. Voorts zouden de Hellenen, van toen af
-aan vrij en veilig op alle Grieksche zeeën, op alle Grieksche kusten kunnen verkeeren;
-er zouden borgen worden gesteld, dat onder de bescherming van een ongestoorden vrede
-de gemeenschappelijke welvaart aller Hellenen onbelemmerd zou bloeien. Twintig mannen
-kozen wij uit het volk, mannen, die zelven medegekampt hadden in de groote slagen
-tegen de Perzen. En welke antwoorden brachten deze boden terug? Van den een ontwijkende,
-<span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span>onverholen afwijzende van den ander. Boven alles echter zocht Sparta de zaden van
-het wantrouwen tegen Athene en zijn stamgenooten met kwistige hand uit te strooien.
-Zóó werd de poging ijdel, en Athene verkreeg de ervaring, dat het niet op de eendracht
-der Hellenen mocht rekenen, dat de afgunst zijner mededingers niet sluimerde. Was
-mijn welgemeend plan gelukt, dan had zich Athene en geheel Hellas zonder voorbehoud
-aan de kunsten des vredes kunnen wijden en zijn edelsten bloei onmiddellijk kunnen
-ontplooien. Nu echter is het onze eerste plicht, naar steeds grootere macht, naar
-steeds grooteren invloed in Griekenland te streven, en steeds zooals nu onaantastbaar
-uitgerust gereed te staan. Deze eerste noodzakelijkheid gebiedt ons rekenschap te
-houden met onze middelen, hoe schitterend ze voor het oogenblik ook mogen zijn. Oordeelt
-nu zelven, gij mannen, of wij de verplichtingen, welke de handhaving van onzen voorrang
-in Griekenland ons oplegt, uit het oog verliezen en de gouden gaven van het geluk
-nu reeds aan het schoone en liefelijke mogen offeren.&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo sprak Pericles, en daar de mannen zijne rede zwijgend, maar toch, naar hij meende
-op te merken, niet zonder verborgen weerzin, aanhoorden, ging hij voort: &#x201e;overdenkt
-de zaak, of geeft ze den droomer hier, den waarheidsvriend, of, wanneer men vrouwen
-ook in politieke zaken mag hooren, aan deze schoone uit Milete ter overweging.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wanneer ik de woorden van Pericles goed begrepen heb,&#x201d; begon de droomer op zijne
-omslachtige wijze, daar alle aanwezenden bleven zwijgen, &#x201e;zoo heeft de groote staatsman
-het als eene vaststaande zaak vooropgesteld, dat Athene trachten moet den voorrang
-onder de Grieksche staten te handhaven. Op welke wijze echter deze voorrang verzekerd
-kan worden, dat heeft hij ons ter overweging gegeven. Wel is waar, is hij ook de tot
-nu toe algemeen heerschende meening, dat de <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>voorrang van een staat boven den anderen alleen op eene overweldigende krijgsmacht
-moet steunen, zelf toegedaan. Maar verstandig als hij is, onderscheidt hij zich van
-alle vroegere staatslieden daardoor, dat hij ook nog andere middelen mogelijk schijnt
-te achten; want, als hij die niet mogelijk achtte, hoe zou hij ons dan aangezocht
-hebben daarnaar onderzoek te doen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Kunt gij ons,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;zulke andere middelen aanwijzen, zoo spreek!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Men moet,&#x201d; hernam de droomer, &#x201e;om deze middelen te weten, zulken lieden vragen, die
-bewezen hebben te verstaan, om anderen den voorrang af te winnen, en de menschen,
-zonder gebruik te maken van geweld, het schoonst en het best kunnen onderwerpen en
-beheerschen. Men moest dan juist weder de schoone Milesische hier om raad vragen.&#x201d;
-</p>
-<p>De vreemde wierp glimlachende een blik op den droomer, en deze ging op zijn gewonen
-trant zich tot haar wendende voort:
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt gehoord, dat wij overwegen, of een staat boven alles door krijgsmacht en
-schatten zich den voorrang verzekert, of ook nog door iets <span class="corr" id="xd30e612" title="Bron: an-anders">anders</span> in de wereld, bij voorbeeld door beoefening van het schoone en goede en geestelijke
-voortreffelijkheid. Gij behoort nu tot diegenen, die er zich op verstaan, anderen
-den voorrang af te winnen en de menschen, als van zelven, het schoonst en het best
-te beheerschen. Wilt gij ons niet zeggen, hoe gij dat ten uitvoer brengt?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat ons vrouwen betreft,&#x201d; hernam de Milesische glimlachende, &#x201e;zoo kan ik slechts
-zeggen, dat het voor een zeker gedeelte op de schoone gestalte aankomt, en op de kunst
-zich sierlijk te kleeden en bekoorlijk te dansen of betooverend de cither te bespelen
-en wat men verder verleidelijke kunsten moge noemen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat de vrouwen aangaat, zou de vraag dus opgelost zijn?&#x201d; zeide Pericles. &#x201e;Maar hoe?
-Zullen ook wij Atheners, de Spartanen en alle eilandbewoners <span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>en Aziaten het schoonst en best aan ons trachten te onderwerpen en beheerschen door
-schitterend gewaad en schoone gestalte, door bekoorlijke dansen en citherspel?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, zeker,&#x201d; hernam de Milesische. Dit stout geuite woord verbaasde de mannen. De
-bekoorlijke vrouw echter ging voort:
-</p>
-<p>&#x201e;Die staat zal boven allen het meest tot macht en aanzien geraken, waar men het bekoorlijkst
-weet te dansen, het schoonst de cither te bespelen, het best te bouwen, te beitelen
-en te schilderen en waar de voortreffelijkste dichters gevonden worden!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij schertst!&#x201d; riepen eenige der mannen.
-</p>
-<p>&#x201e;Volstrekt niet!&#x201d; hernam de schoone glimlachende.
-</p>
-<p>&#x201e;Wanneer men het nader beschouwd,&#x201d; zeide Hippodamus, &#x201e;dan schijnt de schoone Milesische
-met hare stoute bewering, die ons in het eerste oogenblik deed glimlachen, nog zoo
-geheel geen ongelijk te hebben. Inderdaad! Wanneer de schoonheid slechts eenmaal de
-zegevierende macht in de wereld is, waarom zou dan ook een volk niet, door de bekoorlijkheid
-van het schoone, het andere den voorrang afwinnen, roem, bewondering, liefde, onberekenbaren
-invloed verwerven, even goed als eene schoone vrouw?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo maar niet de onbeperkte beoefening van het schoone,&#x201d; hernam Pericles, &#x201e;de gemoederen
-weekelijk en verwijfd maakte!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Week en verwijfd?&#x201d; riep de Milesische; &#x201e;gij Atheners zijt het maar al te weinig.
-Zijn er niet velen onder u, die uw staat geheel naar de sombere en ruwe wijze der
-Spartanen zouden willen inrichten? Het is onbillijk te zeggen, dat het schoone den
-mensch bederft. Het schoone maakt de burgers opgeruimd, tevreden, handelbaar, opofferend,
-vol gloed en bezieling. Wat zou er benijdenswaardiger zijn, dan een gelukkig volk,
-naar welks feesten van heinde en verre de menschen toestroomen? Laat de sombere, ruwe
-Spartanen <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>zich gehaat maken; Athene zal, naar balsem riekende, en met bloemen bekranst, als
-eene bruid, zich de harten veroveren!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij meent dus,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;dat nu reeds de tijd is gekomen, waarop wij het
-zwaard uit de hand kunnen leggen, om ons aan het schoone en aan alle kunsten des vredes
-te wijden?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Veroorlooft gij mij, het uit te spreken, o Pericles,&#x201d; vroeg de vreemde, &#x201e;wanneer
-het naar mijne meening de tijd is, het schoone te scheppen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Spreek het uit!&#x201d; hernam de staatsman.
-</p>
-<p>&#x201e;De tijd, om het grootsche en schoone te scheppen,&#x201d; zeide de Milesische, &#x201e;is dan gekomen,
-naar ik meen, wanneer de mannen aanwezig zijn, die geroepen zijn, het te scheppen!&#x2014;Nu
-hebt gij uw Phidias en de andere meesters: wilt gij met de volvoering uwer gedachten
-talmen, tot zij oud en stram zijn geworden? Gemakkelijk vindt gij het goud, om het
-schoone te betalen, maar niet altijd de mannen om het uit te voeren!&#x201d;
-</p>
-<p>Luide en algemeene bijvalskreten weerklonken bij deze woorden.
-</p>
-<p>Er zijn blikken, er zijn woorden, die, als de zengende bliksem, eene menschenziel
-doen trillen. De ziel van Pericles was door zulk een blik en zulk een woord te gelijk
-getroffen geworden.
-</p>
-<p>De bliksemende gloed was uit het betooverendst oog, het bliksemend woord van de betooverendste
-lippen gekomen. De macht van het woord was Pericles zich bewust; de overweldigende
-kracht van den blik drong tot in zijn binnenste door; hun vlam en gloed grepen hem
-meer dan hij wist in het hart.
-</p>
-<p>Zijn oog begon vurig te schitteren en in zich zelven herhaalde hij de woorden der
-vreemde:
-</p>
-<p>&#x201e;De tijd om het schoone te scheppen is dan gekomen, wanneer de mannen aanwezig zijn,
-welke in staat zijn het te scheppen.&#x2014;Ik moet bekennen,&#x201d; ging hij voort, &#x201e;dit woord
-is een der treffendste en gelukkigste, die er kunnen gezegd worden. Het ia bijna zoo
-duidelijk, alsof men zeide: <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>&#x201e;de tijd om lief te hebben is dan gekomen, wanneer de schoonheid daar is, die in staat
-is de liefde te ontvlammen.&#x201d; Een beteren verdediger kon datgene, wat ons allen ter
-harte gaat, niet vinden. Ik geloof, dat gij mij en allen, die hier zijn, hebt overtuigd.
-Inmiddels zou het u niet zoo gemakkelijk gevallen zijn, schoone vreemdelinge, wanneer
-datgene, wat gij zegt, niet reeds in de schuilhoeken onzer harten gesluimerd had.
-Doch wilt ge het mij toestaan, dat ik mij nog niet geheel en al overwonnen geef? Wilt
-gij in der minne met mij een vergelijk treffen? Ik meen, dat wij moeten trachten ons
-Athene strijdvaardig en machtig te houden, zooals het is; doch gij hebt gelijk, dat
-wij niet langer uit beangste bedenkingen mogen talmen, dat te doen, waarvoor de tijd
-nu is gekomen, omdat, zooals gij ons herinnerd heb, er nu mannen zijn, die, als ze
-heengegaan zijn, nimmer zullen terugkeeren!&#x2014;Dank het aan deze schoone, Phidias, wanneer
-mijn bedenkingen verdwenen zijn, en ik u en den uwen, wien, zooals Alcamenes zeide,
-de beitel in de hand van ongeduld gloeit, beloof, de hinderpalen uit den weg te helpen
-ruimen, opdat gij, evenals een strijdlustig leger, uit moogt trekken, om het vernielde
-weder te herstellen en uwe schoone en heerlijke idealen der verwezenlijking nader
-te brengen.
-</p>
-<p>&#x201e;Ziet, er is niet weinig gedaan, om ons Athene sterker te maken. De havenstad is nieuw
-gebouwd, de middelmuur bijna voltooid. Reeds lang was het mijn voornemen eene ruime
-worstelschool voor de Atheensche jongelingschap op te richten; ook aan de kunsten
-der Muzen, de toon- en dichtkunst, wil ik eene waardige plaats toewijden. Met schitterende
-tempels echter en met heerlijke standbeelden willen wij op passende wijze het werk
-der vernieuwing bekronen, dat beneden in den Piraeus begonnen is geworden.&#x201d;
-</p>
-<p>Blijde bijvalsbetuigingen gingen er bij deze woorden van Pericles op, uit de rijen
-der beeldhouwers en overige aanwezige mannen.
-<span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Vermanend verheffen zich de reusachtige zuilen des tempels,&#x201d; vervolgde Pericles,
-&#x201e;die Pisistratus<a class="noteRef" id="xd30e650src" href="#xd30e650">41</a> begonnen is voor den Olympischen Zeus te bouwen en waaraan sedert den val van den
-geweldigen man niemand weder de handen heeft geslagen. Zou het niet billijk zijn,
-dezen eerst te voltooien?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Neen!&#x201d; riep levendig de volksvriend Ephialtes. &#x201e;Dat zou zijn den roem van den vijand
-der volksvrijheid vereeuwigen. Laat een tyran<a class="noteRef" id="xd30e655src" href="#xd30e655">42</a> voltooien, wat een tyran begonnen heeft! Het vrije volk der Atheners laat het gedenkteeken
-van Pisistratus in zijne puinhoopen liggen, tot een teeken, dat de zegen der Goden
-niet rust op het werk van despoten!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt den volksvriend Ephialtes gehoord,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;en wanneer gij Ephialtes
-gehoord hebt, zoo hebt gij het geheele volk der Atheners gehoord. Bovenop de Acropolis
-staat het overoude, eerwaardige heiligdom van <span class="corr" title="Bron: Erechtheus">Erechtheüs</span><a class="noteRef" id="xd30e665src" href="#xd30e665">43</a> en de stedegodin Athene, half vernield en slechts gebrekkig na den Perzischen krijg
-weder voor den dienst der Goden hersteld.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Daar huizen de uilen;&#x201d; riep de vrijzinnige Callicrates. &#x201e;Oud en somber zijn daar
-de tempels, oud en somber de priesters en zelfs de Goden zijn door de sombere atmosfeer
-vermolmd.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dan zullen wij den tempel licht en vroolijk weder opbouwen,&#x201d; zeide Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Dan zou Phidias tot ledigheid gedoemd zijn,&#x201d; hernam Callicrates; &#x201e;gij weet, nooit
-mag het overoude, heilige van den hemel gevallen houten schild van Athene Polias<a class="noteRef" id="xd30e678src" href="#xd30e678">44</a> in den tempel van <span class="corr" title="Bron: Erechtheus">Erechtheüs</span> <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>door een ander vervangen worden&#x2014;nooit mag het in zijne leelijkheid veranderd, maar
-steeds met een of ander voorwerp omhangen worden!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dan laten wij de oude priesters met hunne oude Goden in de oude tempels huizen,&#x201d;
-hernam Pericles, &#x201e;en we beraadslagen met Phidias: laat hij ons vertellen, wat hij
-wakende droomt, wanneer hij zijn blik op de Acropolis vestigt!&#x201d;
-</p>
-<p>Phidias stond in gedachten verzonken.
-</p>
-<p>Pericles trad naar hem toe en zeide, terwijl hij de hand op zijn schouder legde: &#x201e;houd
-op met mijmeren&#x2014;schud de grootsche gedachten, welke gij in uw hoofd koestert, wakker,
-want haar tijd is gekomen!&#x201d;
-</p>
-<p>Phidias glimlachte; daarop sprak hij met schitterende oogen:
-</p>
-<p>&#x201e;Laat Ictinus hier u vertellen, hoe dikwijls ik de oppervlakte van de burghoogte en
-hare rotsterrassen met hem heb afgemeten&#x2014;hoe wij cijferden en rekenden en geheime
-plannen smeedden, niet wetende, wanneer de ure zou komen om ze te verwezenlijken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En welke plannen waren dat?&#x201d; vroegen de mannen. Phidias deelde mede, wat in stilte
-reeds lang in zijn gemoed tot rijpheid was gekomen. Vol geestdrift luisterden zij
-naar hem.
-</p>
-<p>&#x201e;En zal niet,&#x201d; vroeg een der mannen, &#x201e;een zoodanig werk, evenals reeds eens is geschied,
-verijdeld worden door de afgunst der priesters van <span class="corr" title="Bron: Erechtheus">Erechtheüs</span> op den burg?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wij zullen over die afgunst zegevieren!&#x201d; riep Ephialtes uit.
-</p>
-<p>&#x201e;De schat van Delos,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;zal nedergelegd worden aan de voeten der Godin&#x2014;in
-het achterste gedeelte van den tempel zal hij geborgen worden: en zoo zal op de schitterende
-hoogte van de burgrots dezelfde tempel de onderpanden van Athene&#x2019;s macht en grootheid
-vereenigen!&#x201d;
-</p>
-<p>Met geestdrift juichten de aanwezigen de laatste woorden van Pericles toe. Hij echter
-ging voort, <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>alsof hij zich plotseling bezon, met een blik op den lauwertak en de roos in de handen
-van de schoone vrouw:
-</p>
-<p>&#x201e;Veel is hier beslist geworden; evenwel niet de wedstrijd tusschen Alcamenes en Agoracritus.
-Aan wien van deze twee Aphrodite&#x2019;s geeft wel de schoone en schrandere vreemdelinge
-de voorkeur?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Is dezen hier ook eene Aphrodite?&#x201d; vroeg de Milesische, op het beeld van Agoracritus
-het oog vestigende; &#x201e;Ik heb haar voor eene strengere Godin gehouden, voor eene Nemesis<a class="noteRef" id="n46.1src" href="#n46.1">45</a> bijvoorbeeld.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Agoracritus, die den geheelen tijd door met donkeren blik en mokkend ter zijde op
-een steenblok had gezeten, lachte bitter en bijna honend, toen hij dit woord hoorde.
-</p>
-<p>&#x201e;Eene Nemesis?&#x201d; herhaalde Pericles, &#x201e;inderdaad, die beteekenis is treffend. Is Nemesis
-niet de strenge Godin der maat, wier overschrijding steeds gewroken wordt? Nu, in
-dit werk van Agoracritus schijnt inderdaad de ernstige, gestrenge wet en maat van
-&#x2019;t geheele wezen levend belichaamd te zijn. De schoonheid der Godin is bijna dreigend,
-bijna schrik aanjagend. Voor &#x2019;t overige, zijn Cypris, de Godin van de liefelijke maat,
-en Nemesis, de wreekster van de overschreden maat, niet van den oorsprong af eenigszins
-verwant? Wanneer nu dit het geval is, dat de Atheners eene Aphrodite in de omheining
-der Tuinen willen plaatsen, en slechts Alcamenes eene Aphrodite gebeiteld heeft, dan
-kunnen wij ook alleen deze in de Tuinen eene plaats geven. Het werk van Agoracritus
-echter, &#x2019;t welk eene heerlijke Nemesis voorstelt, zullen wij met zijne toestemming,
-naar ik meen, in den tempel dezer Godin te Rhamnus opstellen. Wellicht kan de kunstenaar
-haar nog eenige uiterlijke kenteekenen en symbolen toevoegen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat zal ik!&#x201d; riep de toornige Agoracritus, met <span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span>een donkeren blik. &#x201e;Eene Nemesis zal zij worden, mijne Cyprische Godin.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wien derhalve, schoone vreemdelinge,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;zult gij nu den lauwertak
-en wien de roos overreiken?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Beide aan u!&#x201d; hervatte de Milesische. &#x201e;Van deze beiden is geen overwinnaar of overwonnene.
-En op dit oogenblik betaamt het, alle kransen in de hand van den man te leggen, aan
-wien dezen het te danken hebben, dat hun de baan geopend is, om naar de edelste lauwers
-te dingen!&#x201d;
-</p>
-<p>Hiermede reikte zij lauwerkrans en roos aan Pericles over. De schitterende oogen van
-beiden ontmoetten elkander een oogenblik en bleven vol beteekenis een korten tijd
-op elkander gericht.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik zal,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;den lauwertak tusschen de beide jongelingen verdeelen,
-de welriekende, liefelijke roos echter behoud ik voor mij zelven.&#x201d;
-</p>
-<p>Hij brak den lauriertak in twee stukken en verdeelde dien onder de beide jongelingen.
-Toen zeide hij, rondom zich ziende: &#x201e;Ik geloof, dat ik nu niemand hier meer ontevreden
-laat. Alleen de droomer daar schijnt mij toe nog met zekere ongerustheid en ernstige
-gelaatstrekken voor zich heen te kijken. Hebt gij nu nog bezwaren, waarheidsvriend?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik vroeg straks,&#x201d; hernam de aangesprokene, &#x201e;uit uw naam, de schoone Milesische, of
-alleen door goud en krijgsmacht, of soms ook door de beoefening van het schoone, van
-het goede en voortreffelijke, een staat een anderen voorrang zou kunnen afwinnen.
-Wat het schoone betreft, heeft ons de Milesische bewezen, dat dit tot gezegd doel
-voortreffelijk geschikt is. Ik zou nu echter ook gaarne willen weten, of dit ook het
-geval is met datgene, wat ik nog niet noemde, met het goede en de innerlijke voortreffelijkheid.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Naar mijn oordeel,&#x201d; sprak de Milesische, &#x201e;is het goede één met het schoone; wanneer
-dat echter niet het geval en integendeel daarmede in strijd <span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span>is, dan zou ik het voor genoemd doel niet geschikt houden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wilt gij ons ook de bewijzen daarvoor leveren?&#x201d; vroeg de droomer.
-</p>
-<p>&#x201e;Bewijzen?&#x201d; hernam de Milesische glimlachend; &#x201e;ik weet niet of daarvoor bewijzen bestaan.
-Wanneer mij die invallen, zal ik ze u zeggen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Juist!&#x201d; viel Pericles in; &#x201e;wij willen deze zaak tot eene volgende gelegenheid uitstellen.&#x201d;
-</p>
-<p>De zonderling haalde de schouders op en ging heen.
-</p>
-<p>&#x201e;Deze wonderlijke man is, naar het mij voorkomt, nog niet geheel tevreden gesteld,&#x201d;
-merkte Pericles op.
-</p>
-<p>&#x201e;Neen,&#x201d; hernam Alcamenes; &#x201e;ik ken hem: hij geeft zich den schijn dat hij hoogst bescheiden
-is, maar het hindert hem zeer, wanneer men hem de leiding van het gesprek ontneemt,
-en wanneer de quaestie niet haarfijn tot dat doel geleidt, &#x2019;t welk hij heimelijk <span class="corr" id="xd30e734" title="Bron: beöogd">beoogd</span> heeft. Doch zijne ontevredenheid is spoedig voorbij; hij is een goedaardige ziel,
-licht tot verzoening geneigd.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe heet hij toch, die zonderlinge waarheidsvriend?&#x201d; vroeg Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Socrates<a class="noteRef" id="xd30e740src" href="#xd30e740">46</a>, de zoon van Sophroniscus!&#x201d; hernam Alcamenes.
-</p>
-<p>&#x201e;En de schoone vreemdelinge, van wie wij heden zooveel geleerd hebben; hoe heet zij?&#x201d;
-vervolgde Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Aspasia!&#x201d; zeide Alcamenes.
-</p>
-<p>&#x201e;Aspasia?&#x201d; riep Pericles. &#x201e;Die naam is zacht en zoet; hij smelt weg op de lippen als
-een kus.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e193">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e193src">1</a></span> Zie <a href="#n24.3">Noot 3 op pag. 24</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e193src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e201">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e201src">2</a></span> Een Grieksch woord, dat eigenlijk verzameling en en verzamelplaats beteekent, van
-daar de markt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e201src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e209">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e209src">3</a></span> Faunus eig. een oude <span class="corr" id="xd30e211" title="Bron: mytische">mythische</span> koning van Latium, later als landgod geëerd, werd dikwijls met den Griekschen herdersgod
-Pan verwisseld, evenals zijne kinderen de Fauni met de Satyrs, die tot het gevolg
-van Pan behooren.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e209src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e222">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e222src">4</a></span> De voornaamste der drie havens van Athene, waartoe Pericles in 482 v. C. reeds de
-grondslagen gelegd had. De twee oudere havens waren Zen en Munichia.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e222src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e237">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e237src">5</a></span> Een zeeboezem, vroeger als haven gebruikt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e237src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e240">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e240src">6</a></span> Athene stond onder de bijzondere bescherming van de Godin Pallas Athene, dochter van
-Zeus, v.d. ook Athene Polias (beschermster der stad) geheeten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e240src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e247">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e247src">7</a></span> Pericles behoorde van vaders kant tot het geslacht der Buzygen, van de zijde zijner
-moeder (Argariste) totdat der <span class="corr" id="xd30e249" title="Bron: Alcmaeoniden">Alcmaeöniden</span>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e247src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e253">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e253src">8</a></span> De <span class="corr" id="xd30e255" title="Bron: brug">burg</span> van Athenen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e253src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e265">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e265src">9</a></span> Een hoed met breeden rand, vooral een reishoed, zooals doorgaans de jonge mannen (Epheben),
-droegen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e265src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e272">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e272src">10</a></span> De Godin der jacht, dochter van Zeus en Leto (Latona), overeenkomende met de Romeinsche
-Diana.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e272src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e275">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e275src">11</a></span> Eig. eene zuil, voor de zuilengaanderij te Athene, gebruikt tot opteekening en bekendmaking
-van wetten; beroemd is de poikile (de bonte) met muurschilderijen van Polygnotus.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e275src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e278">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e278src">12</a></span> Eig. een proefstuk, ook in de havens te Athene en Rhodus de plaats, waar de kooplieden
-hunne waar ten toon stelden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e278src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e284">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e284src">13</a></span> Pontus (Euxinus) is de Zwarte zee.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e284src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e293">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e293src">14</a></span> Namen van slaven in de Grieksche comedies veel voorkomende. Phormio komt voor als
-de naam van een berucht tafelschuimer.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e293src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="n14.2">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n14.2src">15</a></span> Hiermede wordt doorgaans het Attische talent bedoeld, dat 60 minen bevatte, plus minus
-&#x192;&nbsp;2640, later (in de 4e en 3e eeuw) slechts &#x192;&nbsp;2497. Het Euboeiscbe talent was ongeveer
-&#x192;&nbsp;3675, het Aeginetische en Babylonische &#x192;&nbsp;4400, later slechts &#x192;&nbsp;3937.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n14.2src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e303">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e303src">16</a></span> Een licht, snelvarend oorlogsschip, met drie rijen roeibanken boven elkander.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e303src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="n16.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n16.1src">17</a></span> De plaats, waar de volksvergaderingen te Athene gehouden werden, bij den heuvel Lycabettus,
-tegenover de Acropolis en de Areopagus.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n16.1src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e319">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e319src">18</a></span> Bevelhebber over eene triëre of galei; ook degeen te Athene, die alleen of met andere
-burgers eene triëre voor den staatsdienst moest uitrusten, over welke hij òf in persoon
-òf door een plaatsbekleeder het bevel had.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e319src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e332">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e332src">19</a></span> Griekenland. Eigenlijk heette Hellas alleen Midden-Griekenland, doch dikwijls wordt
-dezen naam aan het geheel gegeven. Men vergelijke ons Holland; naam der provincie
-en tevens vaak als die van ons geheele land gebezigd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e332src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="n19.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n19.1src">20</a></span> Promachos beteekent in de voorste rijen strijdend, ook als subst. Kampvechtster.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n19.1src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="n19.2">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n19.2src">21</a></span> De drie dochters van den zeegod Phorcys en de slang Echidna werden Gorgonen genoemd,
-vooral Medusa, die, met slangen omgord en met adders gelokt, allen die haar aanzagen
-in steen veranderde. Zij werd door Perseus overweldigd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n19.2src" title="Ga terug naar noot 21 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e384">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e384src">22</a></span> Zie <a href="#n19.2">noot 2 op pag. 19</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e384src" title="Ga terug naar noot 22 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e390">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e390src">23</a></span> De Panathenaeën waren, zooals de naam aanduidt, een algemeen volksfeest, verdeeld
-in de groote en kleine Panathenaeën; de groote werden om de vier jaren, in het derde
-jaar van iedere Olympiade, de kleine jaarlijks gevierd<span class="corr" id="xd30e392" title="Niet in bron">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e390src" title="Ga terug naar noot 23 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="n24.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n24.1src">24</a></span> De beroemde slag van Marathon, een vlek in Attica, werd door 9000 Atheners en 1000
-Plataeërs, onder aanvoering van Miltiades tegen eene tienmaal sterkere macht der Perzen
-onder Datis en Artaphernes in 490 v. C. glorierijk gestreden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n24.1src" title="Ga terug naar noot 24 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e414">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e414src">25</a></span> Aphrodite (Venus) was, naar de mythe, nabij het eiland Cyprus uit de zee opgestegen;
-haar naam wordt dan ook verklaard door &#x201e;de uit het schuim der zee opgestegene.&#x201d; Vandaar
-haar bijnaam Cypris en Cypria. Op Cyprus werd zij hoog vereerd; een prachtige tempel,
-haar gewijd, bevond zich daar.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e414src" title="Ga terug naar noot 25 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="n24.3">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n24.3src">26</a></span> Een belangrijk eiland in de <span class="corr" id="xd30e419" title="Bron: Aegaësche">Aegaeïsche</span> zee, behoorende tot de groep der Cycladen, bekend om zijn schitterend wit marmer.
-Tot de Cycladen behoort ook Delos, beroemd als geboorteplaats van Apollo en Artemis,
-kinderen van Zeus en Leto.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n24.3src" title="Ga terug naar noot 26 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e428">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e428src">27</a></span> Ictinus, Callicrates en Mnesicles waren de beroemdste bouwmeesters dier dagen. De
-beide eersten wijdden hunne krachten vooral aan het Pharthenon, aan Athene gewijd,
-de laatste aan de <span class="corr" id="xd30e430" title="Bron: Propylaëen">Propylaeën</span>, het voorhof van den burg te Athene.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e428src" title="Ga terug naar noot 27 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e441">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e441src">28</a></span> De Godinnen, die aan het leven liefelijkheid en bevalligheid bijzetten: Aglaia, Euphrosyne
-en Thalia. De Romeinen noemden ze Gratiae, Gratiën (eig. bevalligheden, wat ook het
-Grieksche woord uitdrukt).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e441src" title="Ga terug naar noot 28 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e444">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e444src">29</a></span> Een beroemd gebergte op de kust van Azië in Phrygië, Mysië en Troas ten zuiden van
-den Hellespont (tegenw. zee der Dardanellen) gelegen. Aan den voet daarvan lag het
-beroemde Ilium (Troje). Een gebergte van dienzelfden naam bevond zich op Creta.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e444src" title="Ga terug naar noot 29 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e462">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e462src">30</a></span> Pygmalion, een &#x201e;koning&#x201d; van Cyprus, vatte voor het ivoren beeld van een jonkvrouw,
-&#x2019;t welk hij zelf vervaardigd had, zulk eene hartstocht op, dat hij Aphrodite smeekte,
-het te bezielen. Toen dit geschied was, nam hij haar tot echtgenoot, bij wie hij Paphos
-verwekte. Vgl. het drama van Rousseau, aan deze mythe ontleend en Brockhaus, <span class="corr" id="xd30e464" title="Bron: Conversationslexion">Conversationslexicon</span>, in voce.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e462src" title="Ga terug naar noot 30 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="n29.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n29.1src">31</a></span> Peristylium of Peristylum is eene met zuilen omgeven plaats, evenwel geene zuilengaanderij
-om een tempel; dit heet in de antieke bouwkunst: Pteroma.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n29.1src" title="Ga terug naar noot 31 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e496">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e496src">32</a></span> De God der liefde, overeenkomende met de Romeinsche Cupido.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e496src" title="Ga terug naar noot 32 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="n30.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n30.1src">33</a></span> De Muzen waren de godinnen van het gezang, de dichtkunst en de muziek. Vroeger was
-haar aantal slechts drie: Mneme, Aoide en Melete dochters van Zeus en Mnemosyme. Later
-worden er negen vermeld, te weten: Calliope, Clio, Euterpe, Thalia, Melpomene, Terpsichore,
-Erato, Polyhymnia en Urania, welke ieder eene bijzondere kunst beoefenden en elk hare
-attributen had. De Grieksche namen zelven verklaren, welke kunst aan iedere Muze was
-toegewezen. Haar dienst kwam uit het Thracisch landschap Piërië naar Griekenland over.
-V.d. de Piëriden = de Muzen. Vgl. verder Brockhaus, in voce.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n30.1src" title="Ga terug naar noot 33 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="n32.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n32.1src">34</a></span> <span class="corr" id="xd30e532" title="Bron: Hesidus">Hesiodus</span> was een Grieksch ditactisch dichter in Ascra in <span class="corr" id="xd30e535" title="Bron: Boëotië">Boeötië</span> geboren in de 9e eeuw v. C. Behalve eenige gedichten als &#x201e;Werken en Dagen&#x201d; schreef
-hij ook eene Theogenie, behelzende de mythen en sagen omtrent de Goden. Homerus werd
-beschouwd als de beroemdste dichter van Griekenland, de schepper van de Ilias en Odyssee,
-doch tegenwoordig meent men dat hij werkelijk niet heeft bestaan en zijne gedichten
-eene samenvoeging zijn der werken van tal van dichters.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n32.1src" title="Ga terug naar noot 34 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e541">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e541src">35</a></span> Pindarus was de beroemdste der Grieksche lyrische dichters, ongeveer in 521 te Cynocephalae
-geboren, gestorven circa 433 v. C. Hij schreef hymnen van allerlei soort, zegeliederen,
-e. a., vooral ter eere der overwinnaars in de groote nationale spelen. Door kunstkenners
-als Horatius wordt zijne poëzie hoog gewaardeerd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e541src" title="Ga terug naar noot 35 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="n33.2">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n33.2src">36</a></span> Anaxagoras was een der beroemdste Ionische wijsgeeren, omstreeks 500 v. C. te Clazomenae
-geboren. Hij had grondige studie van de natuurwetenschappen gemaakt. Tot zijn beroemdste
-leerlingen behooren Pericles, de geschiedschrijver Thucydidus, de natuurkundige Archelaüs
-en de treurspeldichter Euripides. Anaxagoras was van oordeel, dat de stof zelve onbewegelijk
-was, maar door een eeuwig verstandig wezen, in beweging gebracht en dat door scheiding
-van het ongelijke en vereeniging van het gelijke de wereld ontstaan was. Hij werd
-van ketterij beschuldigd, verliet Athene en stierf te Lampsacus in 428 v. C.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n33.2src" title="Ga terug naar noot 36 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e564">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e564src">37</a></span> Onder byssus verstaat men eene soort boomwol, die in de vroegste tijden uit Aegypte
-en later uit Indië werd aangevoerd. Daaruit vervaardigde kleederen noemt men sindones;
-andere namen voor byssus zijn gossypium en chylon.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e564src" title="Ga terug naar noot 37 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e567">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e567src">38</a></span> De chiton is eigenlijk een wollen onderkleed, door mannen en vrouwen gedragen, waarover
-men een wijden mantel, chlaena of pharos genaamd, wierp, overeenkomende met de Romeinsche
-tunica. Verder duidt het algemeen een kleed, of gewaad aan. Zie <span lang="de">Guhl und Koner, Das Leben der Griechen und Römer S. 179</span>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e567src" title="Ga terug naar noot 38 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e581">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e581src">39</a></span> Alle niet-Grieken werden door hen barbaren geheeten; zóó deden later ook de Romeinen
-wat hen zelven betrof.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e581src" title="Ga terug naar noot 39 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e586">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e586src">40</a></span> Onder Olympiërs verstaat men de Goden, die, naar de mythe, hun zetel hadden opgeslagen
-op de toppen van den Olympus, een berg in Thessalië.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e586src" title="Ga terug naar noot 40 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e650">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e650src">41</a></span> Pisistratus maakte zich met geweld van den heerschappij over Athene meester in 560
-v. C. Hij stierf in 527 v. C. Zijne zonen Hippias, Hipparchus en Thessalus, gemeenlijk
-de Pisistratiden geheeten, werden van de tyrannie (alleenheerschappij) beroofd en
-verdreven. (510 v. C.) Hipparchus werd door Harmodius en Aristogiton vermoord.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e650src" title="Ga terug naar noot 41 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e655">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e655src">42</a></span> Men wachte zich het woord tyran in onze beteekenis op te vatten. Het wordt hier gebezigd
-in den Griekschen zin en geeft enkel een alleenheerscher, die zich in een vrijen staat
-<span class="corr" id="xd30e657" title="Bron: geweldadig">gewelddadig</span> van de heerschappij heeft meester gemaakt, te kennen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e655src" title="Ga terug naar noot 42 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e665">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e665src">43</a></span> <span class="corr" title="Bron: Erechtheus">Erechtheüs</span> (ook Erichthonius) was een Attische heros, wiens mythe nauw in verband staat met
-den oorsprong van Athene en de beschaving van Attica. Ook komt hij in onmiddellijke
-betrekking voor met den eeredienst. Van hem of Theseus leidt men het ontstaan der
-<span class="corr" id="xd30e669" title="Bron: Panathenaëen">Panathenaeën</span> af.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e665src" title="Ga terug naar noot 43 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e678">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e678src">44</a></span> Een Grieksch woord, beteekenende: (de stad beschermende). Dat schild heette Palladium.
-In een latere noot wordt dit nader toegelicht.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e678src" title="Ga terug naar noot 44 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="n46.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n46.1src">45</a></span> Nemesis is de Godin van het zedelijk rechtsgevoel, ook van de wraak. Zij heet ook
-wel Adrastea en Rhamnusia, welken laatsten naam zij ontleent aan het vlek Rhamnus
-in Attica, waar zij een tempel en een standbeeld had, &#x2019;t welk men beweert dat Agoracritus
-uit het op de Perzen veroverd marmer gebeiteld had.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n46.1src" title="Ga terug naar noot 45 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e740">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e740src">46</a></span> Socrates, een der beroemdste Grieksche wijsgeeren, was te Athene ongeveer 470 v. C.
-geboren. Zijn moeder heette Phaenarete. Zijn hoogste streven was zelfkennis. Bekend
-is zijne methode, om de menschen te ondervragen. Van ketterij beschuldigd, moest hij
-den giftbeker drinken, ongeveer 400 v. C.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e740src" title="Ga terug naar noot 46 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">II.</h2>
-<h2 class="main">TELESIPPE.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Pericles had sedert de bijeenkomst ten huize van Phidias wakend en peinzend de nachten
-doorgebracht. De schat van Delos hield hem steeds bezig, waarmede een nieuwe tijd
-voor de macht en de heerlijkheid der Atheners gekomen was; de gesprekken, die in het
-huis van Phidias gevoerd waren, weerklonken nog steeds in zijne ziel en wanneer hij,
-om aan die reeks van woelende gedachten te ontkomen, de oogen sloot, dan verscheen
-hem halfwakend in een vluchtigen droom, het bekoorlijke beeld der Milesische, en de
-vochtige, aphroditische glans harer betooverende oogen drong door tot in het diepst
-zijner ziel.
-</p>
-<p>Allerlei plannen, sedert langen tijd opgevat, kookten in Pericles&#x2019; gemoed. Vluchtige
-gedachten namen allengs een bepaalden vorm aan, en besluiten kwamen er uit voort,
-evenals de rozen, des nachts rijpende knoppen schieten.
-</p>
-<p>Op een morgen zat hij peinzend in zijn vertrek, toen zijn vriend Anaxagoras hem kwam
-bezoeken. Van zijn vroegste jeugd af, met den wijzen Clazomeniër<a class="noteRef" id="xd30e757src" href="#xd30e757">1</a> door vriendschap verbonden, was Pericles nog steeds menigen morgen bezig, om de nieuwe
-onderzoekingen, welke Anaxagoras&#x2019; heldere, vurige geest ingesteld had, te overwegen.
-Nieuwe meeningen waren het, welke die stoute denkers&#x2014;en Anaxagoras nam onder hen eene
-eerste plaats in&#x2014;verheven boven de kinderlijke beschouwingen der vaderen, uit de diepte
-van hun nadenkenden geest, begonnen te verbreiden.
-</p>
-<p>Heden echter bemerkte de schrandere man aanstonds reeds bij het binnentreden, dat
-gedachten van een geheel anderen aard zijn vriend bezig <span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span>hielden; hij vond den anders zoo kalmen en waardigen staatsman opgewonden, terwijl
-zijn oog van dat matte vuur gloeide, &#x2019;t welk een in gedachten doorwaakten nacht te
-kennen geeft.
-</p>
-<p>&#x201e;Is het volk heden tot eene vergadering van gewichtigen aard op den heuvel de Pnyx<a class="noteRef" id="xd30e769src" href="#xd30e769">2</a> samen geroepen?&#x201d; vroeg de grijsaard, den Olympiër in &#x2019;t gelaat ziende; &#x201e;ik herinner
-mij dat ik u slechts bij zulke gelegenheden zoo peinzend heb aangetroffen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Inderdaad verzamelt het volk zich heden,&#x201d; hernam Pericles, &#x201e;en het zijn gewichtige
-zaken, die ik van plan ben daar te behandelen. Ik vrees of ik het zal kunnen doorzetten.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij zijt strateeg&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e778src" href="#xd30e778">3</a> hernam Anaxagoras, &#x201e;gij zijt bestuurder der openbare inkomsten, gij regelt de openbare
-feesten, gij zijt&#x2014;de Goden mogen het weten, hoe al de ambten en waardigheden, welke
-de Atheners u met gewone en buitengewone volmacht opnieuw hebben opgedragen, mogen
-heeten; om &#x2019;t even: gij zijt wat het gewichtigste is en de hoofdzaak in een vrijen
-staat&#x2014;gij zijt de grootste redenaar, die men den &#x201e;Olympiër<span class="corr" id="xd30e781" title="Niet in bron">&#x201d;</span> noemt, omdat met den donder uwer woorden eene soort van heerschersmacht is verbonden,
-evenals met den donder van Zeus. En gij zijt beangst?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, dat ben ik!&#x201d; hernam Pericles, &#x201e;en ik verzeker u, dat ik nooit den steen op de
-Pnyx bestijg, zonder in stilte de Goden aan te roepen, dat geen onbedacht woord mijn
-mond ontglippe, en dat ik nooit een oogenblik vergete, dat het Atheners zijn tot wie
-ik spreek. Gij weet hoe ongeduldig het volk onlangs reeds is geworden, toen ik het
-telkens weder aanspoorde nieuwe sommen voor het bouwen van den middelsten langen muur
-en ter vernieuwing van den Piraeus toe te staan. En nu heeft mij Phidias bepraat,
-mij nieuwe groote plannen voor den geest gespiegeld. Zijne brandende <span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span>begeerte en die der zijnen moet niet langer weerstaan worden; ons Athene moet met
-de lang overdachte werken van deze mannen versierd en ten overstaan van geheel Griekenland
-verheerlijkt worden. Gij weet, ik behoor tot diegenen, welke het nieuwe met behoedzaamheid
-aangrijpen, het gegrepene echter vasthouden en met vurigen moed ten uitvoer brengen.
-En zoo heb ik ook, vóór ik deze zaak begon, rijpelijk haar overdacht; nu echter ben
-ik in stilte wellicht vuriger daarvoor bezield dan Phidias zelf en de zijnen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Is het volk der Atheners dan niet met geestdrift bezield en kunstlievend?&#x201d; zeide
-Anaxagoras. &#x201e;En is niet de rijke schat van Delos overgekomen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik vrees het wantrouwen,&#x201d; hernam Pericles, &#x201e;&#x2019;t welk geheime en openbare tegenstanders
-uitzaaien. De oligarchische partij is niet geheel overweldigd. Ook weet gij, dat er
-vrienden der Laconiërs zijn en dezulken, die het licht en het reine en het schoone
-haten. Hebt gij het zelf niet ondervonden, sedert gij in de zuilengaanderijen der
-Agora zijt opgetreden, om ons Atheners de boodschap der reine, vrije en uit den geest
-geborene waarheid te verkondigen. Intusschen zal ik heden eene troef uitspelen, die
-voorloopig de menigte ten volle op mijne hand zal brengen. Er zijn arme burgers, die
-van de hand op den tand leven en die morgen honger moeten lijden, wanneer zij heden
-hun arbeid staken en, om hun burgerplicht niet te verzuimen, naar de volksvergadering
-gaan. Waarom zouden zij niet door een paar obolen<a class="noteRef" id="xd30e791src" href="#xd30e791">4</a> uit de staatskas schadeloos gesteld worden? Ook heb ik te doen met die arme drommels,
-die zoo gaarne de openbare schouwspelen zouden willen bijwonen, maar het entreé-geld
-niet kunnen betalen. Zij zullen er van <span class="corr" id="xd30e797" title="Bron: staaswege">staatswege</span> heen mogen gaan, om ongemerkt door de werken hunner dichters zich te <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>doen vormen en veredelen, terwijl zij meenen alleen hun genoegen na te jagen. En die
-goede zielen, welke bij duizenden uit het volk door het lot worden gekozen om aan
-de vele gerechtshoven als assessoren te worden toegevoegd, zij moeten voortaan niet
-meer zonder schadeloosstelling den geheelen dag verliezen, om de tallooze processen
-hunner medeburgers in het zweet huns aanschijns te beslechten.
-</p>
-<p>&#x201e;Athene is rijk, nieuwe goudbronnen ontspringen om ons en storten zich van de landen
-der bondgenooten in onze schatkist uit. Een groot saldo is in kas. Ik heb mijzelven
-afgevraagd: moet dat als reserve voor de toekomst bewaard worden of moet het den tegenwoordigen
-tijd ten goede komen? Na wikken en wegen is het mij helder geworden, dat het heden
-daarop het grootste recht heeft. Het volk moet de vruchten zijner zegepralen en roem
-plukken, het moet vrij en gelukkig zijn; een schoon, benijdenswaardig bestaan, zooals
-den mensch past, moet in ons door de Goden geliefd Athene in het leven geroepen worden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik heb den edelen Pericles dikwijls in zulk eene gloeiende geestdrift gezien,&#x201d; merkte
-Anaxagoras op, &#x201e;maar uwe bezieling van heden schijnt mij sterker te zijn, dan iedere
-geestdrift te voren.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik dank den Goden,&#x201d; hernam Pericles, &#x201e;dat zij mij, bij beradenheid in het overleg,
-de snelste vurigheid van besluit en den taaien moed van uitvoering hebben gegeven.
-Zijt gij soms ontevreden op mij? Schijn ik u toe mijne plannen te ver te drijven of
-te weinig rekening te houden met het altijd overijlde en soms ondankbare volk?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Laat mij het openlijk bekennen,&#x201d; hernam de grijsaard, &#x201e;ik bemoei mij niet met staatkunde.
-Ik ben geen Athener, wellicht niet eens een Helleen, maar een wereldburger, een wijsgeer.
-Mijn vaderland is het onmetelijk heelal.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar gij zijt wijs,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;en kunt de daden der staatslieden beoordeelen,
-of het ten goede dan ten kwade zal uitloopen.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Daarvoor zal ik mij in acht nemen!&#x201d; riep Anaxagoras. &#x201e;Niet alleen de dichters, maar
-ook de staatslieden volgen onwetend een goddelijken wenk, zijn door een daemon<a class="noteRef" id="xd30e811src" href="#xd30e811">5</a> bezeten, die hen bezielt, en hen schier onbewust tot datgene drijft, wat voor het
-oogenblik waarlijk noodzakelijk en nuttig is. Het gewone menschenverstand zal te ras
-oordeelen en dwalen, wanneer het den arbeid geldt van door eene Godheid bezielde mannen.
-Ik heb mij in de verborgen geheimen der natuur verdiept en overal daarin een besturende
-Geest gevonden; de geest echter is onfeilbaarder en machtiger in het voortbrengen
-en werken dan in het oordeelen&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo onderhielden zich de beide mannen vertrouwelijk in het vertrek van Pericles. Op
-dit oogenblik echter trad een slaaf binnen, door de echtgenoote van Pericles, Telesippe,
-gezonden.
-</p>
-<p>Het was eene zonderlinge boodschap, waarmede deze dienaar van de meesteres des huizes
-kwam. De opzichter van Pericles was dezen morgen van het landgoed gekomen, en had
-een jongen ram meegebracht, die op genoemd landgoed met één hoorn in plaats van met
-twee was ter wereld gekomen. Dit dier nu had de opzichter, niet zonder aarzeling en
-angst, aan zijne meesteres getoond. Telesippe, eene vrome vrouw, had aanstonds naar
-den ziener Lampon gezonden, om het wonderteeken te verklaren. Nu noodigde zij haar
-echtgenoot uit, te komen, ten einde het zonderlinge dier te zien en met haar de uitspraak
-van den waarzegger te vernemen.
-</p>
-<p>Pericles <span class="corr" id="xd30e818" title="Bron: hoorden">hoorde</span> het verhaal van den slaaf aan, en zeide toen goedig tot zijn vriend:
-</p>
-<p>&#x201e;Laat ons de vrouw ter wille zijn en gaan, om den eenhoornigen ram te beschouwen.&#x201d;
-</p>
-<p>Anaxagoras stond op en volgde Pericles bereidwillig.
-<span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span></p>
-<p>Zij begaven zich naar het peristylium<a class="noteRef" id="xd30e828src" href="#xd30e828">6</a> van het huis.
-</p>
-<p>Het huis van Pericles was eenvoudig. Het was niet grooter, niet rijker versierd, dan
-dat van een anderen Atheenschen burger van matig fortuin.
-</p>
-<p>Het was eenvoudig, evenals de levenswijze van den eigenaar. In eene republiek moet
-de invloedrijkste man eenvoudig leven, wanneer hij zich tegen het wantrouwen zijner
-medeburgers wil vrijwaren. Maar ook zonder berekening en bedoeling zal een man, die
-zich rusteloos aan het welzijn van den staat wijdt, zijne eigene huishouding steeds
-een weinig verwaarloozen. Eenvoudig en onopgesmukt was ook het peristylium in Pericles&#x2019;
-huis. Maar er ontbrak niet die prettige bekoorlijkheid, die met dat eigenaardige en
-liefelijkste deel van het huis, met dezen door zuilen omgevene opene plaats, op de
-wijze van eene zaal gebouwd, overal gepaard gaat. Men bevond zich toch hier in het
-binnenste der woning en tevens onder den vrijen hemel. Men was daar afgesloten van
-alle gedruisch der buitenwereld, en toch in onmiddellijke aanraking met frissche lucht
-van den hemel, die van boven er in waaide, met de zon, maan en sterren, die onbelemmerd
-hare gouden stralen uit de hoogte op de marmeren zuilen wierpen. De zwaluwen vlogen
-vertrouwelijk tjilpend uit en in, en bouwden hare nesten aan de kapiteelen en lijsten.
-Niet aanlokkelijk naar buiten als de tempels, maar naar binnen keerde het woonhuis,
-als &#x2019;t ware afwerende, zijn zuilenpraal, om ruimte te verschaffen aan den vrijen,
-en toch vertrouwelijken, bekoorlijken familiekring. Hier zat men, hier wachtte men
-ook wel bezoekers af. Hier nuttigde men soms ook den maaltijd. Hier bracht men ook
-de huisoffers ter eere der Goden; hier stond de eigenlijke haard van het huis, het
-altaar van den haard-beschermenden Zeus<a class="noteRef" id="xd30e837src" href="#xd30e837">7</a>.
-<span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span></p>
-<p>Achter den zuilengang, die alle vier zijden van het peristylium omgaf, strekten zich
-de woonvertrekken van Pericles&#x2019; gezin uit. De deuren der kamers kwamen daar op uit.
-Smaakvolle versierselen bedekten de posten en kroonlijsten der deuren; de openingen
-waren gedeeltelijk slechts met bonte tapijten schilderachtig behangen. Naar achteren
-grensde het vrouwenvertrek aan het peristylium, en daarachter lag de kleine, goed
-omheinde tuin. Betrad men van de straat het huis, dan voerde een gang, die door het
-voorhuis liep, recht naar het peristylium<span class="corr" id="xd30e843" title="Bron: ,">.</span> Aan de zijde van den ingang, zoowel aan den linker als aan den rechter kant van de
-vierkante opene ruimte, liepen de zuilengangen; aan de zijde, die tegenover den ingang
-lag, werd door een paar pilaren een middelvertrek afgescheiden, dat binnenwaarts inspringend,
-eene naar het peristylium opene, van de drie overige zijden echter door wanden ingeslotene
-voorzaal, vormde.
-</p>
-<p>In deze voorzaal stond Telesippe, de echtgenoote van Pericles, door eenige slaven
-en slavinnen omringd, en naast haar de opzichter, die van het landgoed gekomen was,
-met den eenhoornigen jongen ram op de armen.
-</p>
-<p>Telesippe was eene slanke vrouw met strenge, niet leelijke, doch ietwat ruwe trekken.
-Zij was statig en eenigszins zwaarlijvig, maar haar uiterlijk was niet meer bloeiend.
-De wangen hingen slap, slap de boezem, slap, achteloos en zonder zwier hing ook het
-gewaad langs hare ledematen af. Het haar was nog niet opgemaakt en naar achteren in
-een grooten bos opgebonden. Zij was bleek, want zij had zich dezen morgen niet geblanket.
-Deze vrouw, de echtgenoote van den grooten Pericles, was vroeger met den rijken Hipponicus
-gehuwd geweest. Deze <span class="corr" id="xd30e849" title="Bron: scheide">scheidde</span> van haar en zij had Pericles tot nieuwen echtgenoot gekregen. Toch zag zij er nog
-jeugdig uit; de blos op de wangen deed hare koele, strenge oogen minder ongunstig
-uitkomen.
-</p>
-<p>Toen Telesippe, in de naar het peristylium opene <span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span>zaal staande, haren echtgenoot niet alleen, maar in gezelschap van Anaxagoras zag
-naderen, maakte zij aanstalten om zich voor den vreemdeling, naar de zeden dier dagen,
-in het vrouwenvertrek terug te trekken.
-</p>
-<p>Pericles wenkte haar te blijven. Zij bleef dan ook, maar zonder het grijze hoofd van
-den oude verder met een blik te verwaardigen. Zij had, en, naar zij meende, met reden,
-weinig met dezen grijzen vriend en raadsman van haar echtgenoot op.
-</p>
-<p>Met een soort van angst keek zij naar den ram. &#x201e;Ik heb den ziener Lampon ontboden,&#x201d;
-zeide zij, &#x201e;ik ben voor een slecht voorteeken beducht.&#x201d;
-</p>
-<p>Op dit oogenblik opende de portier de buitendeur en liet den ziener binnen, die aanstonds
-door den langen gang naderde.
-</p>
-<p>De ziener Lampon was priester van een kleinen tempel aan Dionysus<a class="noteRef" id="xd30e862src" href="#xd30e862">8</a> gewijd, welke niet veel opbracht. Hij legde zich daarom op de mantiek<a class="noteRef" id="xd30e865src" href="#xd30e865">9</a> toe en niet zonder geluk. Hij had bij de vromen een goeden naam. Hij droeg, om uiterlijk
-zijn beroep te doen kennen, het priesterlint om het voorhoofd, en daarover den Apollonischen
-lauwerkrans<a class="noteRef" id="xd30e868src" href="#xd30e868">10</a> op het hoofd. Overigens zocht hij, naar de gewoonte van mannen van zijn slag, door
-een achteloos gewaad, ongekamden baard, wild fladderend haar en een schuwen, zwervenden
-blik te kennen te geven, dat zijne ziel, aan de aarde ontrukt, met goddelijke zaken
-vervuld was.
-</p>
-<p>&#x201e;Dit wonderdier,&#x201d; zeide Telesippe tot Lampon, &#x201e;is op ons landgoed geboren en dezen
-morgen in de stad gebracht. Gij zijt een der kundigste waarzeggers, verklaar ons dit
-teeken, of wij het als een gunstig dan als een noodlottig moeten beschouwen.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span></p>
-<p>Lampon liet den ram op het altaar van Zeus Ephestios leggen.
-</p>
-<p>Eene kool glom toevallig nog op het altaar. Lampon trok een haar uit het voorhoofd
-van den ram en wierp het op de glimmende kool.
-</p>
-<p>&#x201e;Het teeken is gunstig,&#x201d; zeide hij; &#x201e;want het haar is verbrand zonder hevig knetteren.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen vestigde hij den blik op Pericles en vervulde vervolgens zijne wichelkunst ten
-opzichte van den ram. Pericles stond toevallig rechts van den ram. &#x201e;Het teeken is
-gunstig voor Pericles!&#x201d; zeide de ziener met een gewichtig gebaar, en stak overeenkomstig
-een gebruik der mantiek, een laurierblad in den mond en kauwde het, om door het genot
-van het kruid, den God der zieners gewijd, zich in een toestand van heilige bezieling
-te brengen en het rechte zienerswoord door geestvervoering te vinden.
-</p>
-<p>De oogappels van den wichelaar begonnen zich onder krampachtige trekkingen te verdraaien.
-Plotseling boog de ram zijn kop ter zijde, zoodat de hoorn op &#x2019;t midden van zijn voorhoofd
-in eene rechte lijn naar Pericles wees en hij liet een eigenaardig geluid daarna hooren.
-</p>
-<p>&#x201e;Heil u, <span class="corr" id="xd30e881" title="Bron: Alcmaconide">Alcmaeönide</span>,&#x201d; riep Lampon; &#x201e;heil u, zoon van Xantippus, overwinnaar der Perzen bij Mycale<a class="noteRef" id="xd30e884src" href="#xd30e884">11</a>, edele spruit uit het geslacht der Buzygen, de heilige Palladium-bewakers<a class="noteRef" id="xd30e887src" href="#xd30e887">12</a>! Heil u, overwinnaars van Thracië<a class="noteRef" id="xd30e890src" href="#xd30e890">13</a>, van Phocis<a class="noteRef" id="xd30e896src" href="#xd30e896">14</a>, van Euboea! Vroeger bezat de ram Athene twee horens: den aanvoerder der oligarchen
-Thucydides, en Pericles, den leider der volkspartij. Voortaan echter <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>zal de ram Athene slechts een enkelen hoorn op het voorhoofd hebben; de partij der
-oligarchen is voor altijd vernietigd en Pericles alleen bestuurt met wijsheid en fierheid
-de lotgevallen der Atheners!&#x201d;
-</p>
-<p>Anaxagoras glimlachte. Pericles nam zijn vriend ter zijde en sprak zacht tot hem:
-&#x201e;De man is sluw; hij rekent er op, onder de waarzeggers te worden opgenomen, die mij
-van staatswege op mijn volgenden veldtocht zullen vergezellen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar wat moet er met den ram geschieden?&#x201d; vroeg Telesippe.
-</p>
-<p>&#x201e;Deze ram,&#x201d; hervatte Lampon, &#x201e;moet zoo vet mogelijk gemest en daarna aan Dionysus
-geofferd worden. Want voor dezen God zijn de bokken een geschikt offer, wegens de
-schade, die zij aan de wijnstokken toebrengen; eigenlijk de geitebokken&#x2014;maar een bok
-is een bok, en bij gebrek aan een geitebok is ook een &#x201e;schapebok,&#x201d; als deze, den God
-niet ongevallig.&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo luidde de verklaring van den ziener. Hij nam drie obolen in ontvangst als zienersloon,
-boog het hoofd, waarlangs de lokken achteloos golfden en vertrok.
-</p>
-<p>&#x201e;Waarde Telesippe,&#x201d; zeide Anaxagoras, &#x201e;hoe duur betaalt men toch tegenwoordig de wijsheid!
-Drie obolen geeft men voor het orakel aangaande een bok, die met een enkelen hoorn
-geboren is, om ons datgene te zeggen, wat zonder belooning reeds de uilen van Athene
-in hunne holen krassen!&#x201d;
-</p>
-<p>Telesippe wierp den spreker een van toorn gloeienden blik toe, die deze met de opgeruimde
-kalmte van den wijze opnam.
-</p>
-<p>Telesippe wilde den toornigen blik door een scherpe opmerking doen volgen. Daar vernam
-men een geklop aan de buitendeur. De portier opende de deur en eene vrouw trad binnen,
-vergezeld door eene slavin, die aan de deur bleef staan. Het gelaat dezer vrouw had
-de roode kleur, maar ook de rimpels van een ouden appel, die door het lange liggen
-ineengeschrompeld is. Eenige <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>dunne, korte, donkere haren overschaduwden de bovenlip.
-</p>
-<p>&#x201e;Elpinice, de zuster van Cimon!&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e915src" href="#xd30e915">15</a> fluisterde Pericles Anaxagoras in het oor. &#x201e;Laten wij naar de Agora gaan; want tegen
-deze beide vrouwen te zamen kunnen wij het hier in huis niet uithouden.&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo sprekende trok Pericles zijn vriend ter zijde in de zuilengaanderij en ging met
-hem, na een vluchtigen groet aan Elpinice, haastig over den drempel van het huis de
-straat op.
-</p>
-<p>Elpinice, de zuster van Cimon, was een zonderlinge vrouw. Zij was de dochter van den
-gevierden held Miltiades, de zuster van den niet minder beroemden veldheer Cimon,
-en de vriendin van een der voortreffelijkste schilders dier dagen Polygnotus. Zij
-was eenmaal schoon en bekoorlijk geweest, zelfs schoon genoeg, om den smaakvollen
-schilder te verrukken. Maar zij moest Aphrodite vertoornd hebben, want door eene boosaardige
-luim der Godin was in hare ziel geen teeder gevoel aanwezig, behalve de liefde voor
-haar broeder. In haar bijna mannelijke borst was geen verlangen naar het echtelijk
-geluk; zij wenschte slechts haar geheele leven lang in de nabijheid van haar broeder
-te mogen verkeeren. Het gebeurde echter, dat Cimon door den dood zijns vader Miltiades
-in een uiterst moeilijken toestand geraakte. Miltiades was door de ondankbare Atheners
-aangeklaagd en tot eene geldboete van vijftig talenten veroordeeld, en daar hij weldra
-stierf, zonder die som betaald te hebben, ging de schuld van vijftig talenten, overeenkomstig
-de harde bepaling der wet, op zijn zoon <span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>Cimon over. Zoolang deze de vijftig talenten niet betaalde, was hij burgerlijk eerloos.
-Uit liefde voor haar broeder had Elpinice ongehuwd willen blijven en uit liefde voor
-haar broeder huwde ze nu. Om haar hand te verkrijgen, delgde een zeker Callias de
-schuld van Cimon. Deze Callias stierf na eenigen tijd en Elpinice zocht zonder dralen
-het huis van haar broeder weder op.
-</p>
-<p>Na de belegering en onderwerping van het eiland Thasos<a class="noteRef" id="xd30e925src" href="#xd30e925">16</a> bracht Cimon den schilder Polygnotus, een geboren Thasiër, met zich naar Athene.
-Cimon had de bekwaamheid van den jongeling opgemerkt, had hem lief gekregen en wenschte
-aan zijne kunst een uitgebreider en waardiger veld te openen. Hij bewerkte, dat aan
-Polygnotus door de Atheners opgedragen werd om den tempel van Theseus<a class="noteRef" id="n60.2src" href="#n60.2">17</a> met schilderijen te versieren; ook schilderde hij op Agora in de groote galerij,
-die juist naar deze pracht van kleuren de &#x201e;bonte&#x201d; of de &#x201e;beschilderde&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e934src" href="#xd30e934">18</a> genoemd werd, tooneelen uit de verovering van Troje<a class="noteRef" id="xd30e937src" href="#xd30e937">19</a>. Daar het huis van zijn vriend en beschermer altijd voor hem open stond, ontbrandde
-de jongeling in vurige liefde voor Elpinice, en toen de uitspraak der Grieksche helden
-over de <span class="corr" id="xd30e940" title="Bron: geweldadige">gewelddadige</span> behandeling, door Aiax Cassandra<a class="noteRef" id="xd30e944src" href="#xd30e944">20</a> aangedaan, in de galerij geschilderd werd, had Laodice, de schoonste van Priamus&#x2019;
-dochters, <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>onder de Trojaansche gevangenen, de trekken van Cimon&#x2019;s zuster. Zij weigerde den kunstenaar
-hart en hand; doch zij schonk hem hare vriendschap. Sedert waren ettelijke jaren vervlogen,
-maar de vriendschapsband dezer beiden duurde nog steeds voort, nadat Cimon gestorven
-en Elpinice, evenals Polygnotus, oud was geworden.
-</p>
-<p>Ja, Elpinice was oud geworden, en wel zonder het te weten. Slechts een korten tijd
-van haar leven en tegen haar zin gehuwd, had zij haar geheele verdere leven aan de
-onvruchtbare dweeperij van eene zusterlijke liefde gewijd; zij had, hoewel weduwe,
-toch in haar geheele wezen dat zonderlinge gekregen, &#x2019;t welk ongehuwde oude dames
-kenmerkt. Aan oude vrijsters nu is dit eigen, dat haar de opgroeiende spruiten, als
-mijlpalen van den voortsnellenden tijd, en als aanwijzers van den weg, dien zij reeds
-afgelegd hebben, ontbreken, zoodat de ouderdom haar onverwachts nadert. Zij gevoelen
-zich inwendig nog eeuwig jong. Deze vereeniging van inwendige jeugd en uitwendigen
-ouderdom drukt haar voor de wereld eerst zacht, allengs echter steeds sterker den
-stempel van het belachelijke op het wezen.
-</p>
-<p>Zoo was ook Elpinice oud en belachelijk geworden, zonder het zelve te bemerken. De
-hooge prijs, waarmede Callias hare hand betaalde, de hulde, welke de schilder haar
-bracht, en al het andere van dezen aard had haar ijdel gemaakt op hare schoonheid.
-Zij bleef nog ijdel, toen datgene, waarop zij ijdel was, reeds lang verdwenen was.
-Zij waande, dat zij nog altijd was, zooals Polygnotus haar geschilderd had, als de
-schoonste van Priamus&#x2019; dochteren. Want zij was ongehuwd; zij had geen echtgenoot,
-die haar zeide; &#x201e;gij zijt oud!&#x201d;&#x2014;De zachte, rustige, eerwaardige Polygnotus wilde en
-kon haar dit ook niet zeggen. Hij was een oude vrijer gebleven en bracht de ietwat
-stijve, doch welgemeende hulde van een oud jonggezel aan de eenige uitverkorene van
-zijn nog onveranderd hart.
-<span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span></p>
-<p>Haar broeder Cimon was eenigen tijd vóór zijn dood door de Atheners verbannen geworden.
-Zijne aanhangers deden hun best verlof tot zijn terugkeer bij het volk te bewerken.
-Zij vreesden echter den invloed van Pericles, wiens ster aan het opgaan was en voor
-wien de verwijdering van zijn ouden tegenstander stellig slechts voordeelig kon zijn.
-</p>
-<p>Toen kwam in Elpinice&#x2019;s overspannen en avontuurlijken geest, die steeds stoute plannen
-had gekoesterd, het voornemen op, om ook ditmaal beslissend voor het heil van haar
-broeder op te treden. Zij blankette zich en zalfde zich met kostelijken balsem, doste
-zich in prachtgewaad en ging naar Pericles. Zij wist, dat de groote staatsman niet
-ongevoelig was voor vrouwelijke bekoorlijkheid. Zij wilde zich aan hem vertoonen in
-eene door kunst verhoogde betooverende gestalte, die Callias eens had ontvlamd, Polygnotus
-had verrukt. Zij ging naar Pericles, om hem te overreden, dat hij den Olympischen
-donder zijner welsprekendheid in de volksvergadering niet zou doen weerklinken, wanneer
-het voorstel om Cimon terug te roepen gedaan werd.
-</p>
-<p>Toen Pericles de zonderlinge, grillig opgesmukte, naar balsem riekende vrouw vóór
-zich zag staan, met eene zegevierende uitdrukking op het gelaat, bemerkte hij, dat
-het ditmaal op de gevoeligheid van zijn hart gemunt was. Hij wist dat hij den naam
-had voor zulk een indruk vatbaar te zijn en hij ergerde zich er over. Het griefde
-hem, dat zulk een naam bleef, niettegenstaande zijn ernstig, waardig leven. En nu
-kwam daar die verouderde Elpinice en waagde het hem met de koude overblijfselen hare
-schoonheid in hare netten te willen verstrikken!
-</p>
-<p>Pericles was zachtzinnig van nature. Maar dat eene grillig opgedirkte vrouw met een
-knevel op de lip, het voor eene zoo gemakkelijke zaak rekende, hem, den vriend van
-het schoone te betooveren, <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>dat maakte, naar Cronion&#x2019;s<a class="noteRef" id="n63.1src" href="#n63.1">21</a> raadsbesluit, dezen zachten man voor een oogenblik tot een wreedaard.
-</p>
-<p>Hij zag de smeekelinge een tijd lang zwijgend aan, sloeg haren dos nauwlettend gade,
-vervolgens haar gelaat en zeide eindelijk zeer kalm tot haar:
-</p>
-<p>&#x201e;Elpinice, gij zijt oud geworden!&#x201d;
-</p>
-<p>Hij sprak deze woorden op den zachtsten toon. En toch waren zij boosaardig. Zij zijn
-de eenige boosheid, die de overlevering ons van Pericles, den Olympiër, meldt.
-</p>
-<p>Eene onmerkbare huivering doorliep hem zelven, toen hij dat noodlottige woord had
-gesproken. Hij had een voorgevoel, dat het een van die woorden was, wier gevolgen
-Clio&#x2019;s<a class="noteRef" id="xd30e969src" href="#xd30e969">22</a> stift moest opteekenen. Het woord: &#x201e;Elpinice, gij zijt oud geworden!&#x201d; kon het begin
-zijn van eene lotwisseling voor Pericles, voor Athene, ja voor geheel Griekenland&#x200a;&#x2026;
-burgeroorlog, een inval der Perzen, bloed, jammer, tranen, onheil van elken aard;
-de ondergang van het Helleensche volk kon uit dit woord <span class="corr" id="xd30e975" title="Bron: voortspuiten">voortspruiten</span>. Want, wat vermag niet eene vrouw, tot wie men gezegd heeft: gij zijt oud?
-</p>
-<p>En de goedaardigste aller Grieken had dit bitterste aller woorden gesproken!
-</p>
-<p>Elpinice kromp ineen, wierp een gramstorigen blik op Pericles en ging weg.
-</p>
-<p>Maar wat baatte het den goeden naam van Pericles, dat hij de kokette Elpinice zoo
-onhoffelijk behandeld had? Werd niet alles bedorven door zijne eigene ontsteltenis
-over het vinnige woord, dat hem ontvallen was, doch waarover hij berouw gevoelde en
-dat hij op de Pnyx zocht goed te maken? Want toen het volk verzameld was en het voorstel
-tot terugroeping van Cimon aan de <span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>orde kwam, en iedereen naar Pericles zag, verwachtende, dat hij er zich heftig tegen
-zou verzetten, zag hij integendeel verstrooid rond en zweeg, alsof hem de zaak niet
-ter harte ging, zoodat Cimon&#x2019;s aanhangers gewonnen spel hadden. Wèl lachten de Atheners
-en fluisterde de een den ander in het oor, sluw met het oog knippende: &#x201e;Zie toch eens
-die oude Elpinice! Met opgestreken zeil is zij naar Pericles gegaan, en de vrouwengek
-heeft goed toegehapt&#x2014;toegehapt in den rotten appel!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Arme Pericles!&#x201d;
-</p>
-<p>Na den dood van Cimon vertoornde zij zich op de wereld, omdat deze ook zonder Cimon
-haren gewonen gang ging. Nu haatte zij Pericles en den nieuwen tijd nog meer.
-</p>
-<p>Haar taal was steeds gekruid met uitdrukkingen als: &#x201e;mijn broeder Cimon placht te
-zeggen&#x201d; of &#x201e;mijn broeder Cimon placht dit of dat te doen,&#x201d; of &#x201e;mijn broeder Cimon
-zou in dit geval zus en zoo gehandeld hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>Was reeds Cimon een vriend der Laconiërs geweest, een man, die zijne sympathieën voor
-Sparta zoo weinig verborg, dat hij een zijner zonen den naam &#x201e;Lacedaemonius&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e990src" href="#xd30e990">23</a> gaf, en die in zijn geheele wezen meer van een Spartaanschen houwdegen, dan van een
-beschaafd opgevoed en levendig Athener in zich had, zoo kon het niemand verwonderen,
-dat zijne onvrouwelijke zuster de liefde voor de Laconiërs tot in het belachelijke
-overdreef. Zij was de partij toegedaan, die van elke vrije en opgeruimde levensopvatting
-der Atheners afkeerig was, en bevorderde die door den ijver, waarmede zij het huiselijke
-leven van hare tegenstanders bespiedde. Zij was juist het vertrouwelijkst met die
-vrouwen, wier mannen zij haatte; vandaar hare vriendschap voor Telesippe, Pericles&#x2019;
-gade.
-<span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span></p>
-<p>Maar toch was dit wandelend gedenkteeken van den goeden ouden tijd, deze oude vrijster
-en vriendin van den mokkenden Polygnotus, niet in alle opzichten onaangenaam en terugstootend.
-Zij was te gelijk boosaardig en goedig, grillig en eerlijk, deftig en kluchtig, belachelijk
-en eerwaardig.
-</p>
-<p>Dit nu was het karakter der vrouw, voor wie Pericles en zijn vriend, den wijsgeer
-Anaxagoras, zoo haastig op de vlucht waren gegaan, toen zij hare vriendin Telesippe
-een bezoek kwam brengen.
-</p>
-<p>Telesippe hielp de magere vrouw zich ontdoen van het himation<a class="noteRef" id="xd30e998src" href="#xd30e998">24</a> waarmede Elpinice, als eene kuische Atheensche jonkvrouw, wanneer zij over straat
-ging, niet slechts het bovenlijf, maar ook haar hoofd, tot op mond en oogen, placht
-te bedekken. Vervolgens plaatste Telesippe eene stoel voor haar en verzocht haar te
-gaan zitten. Elpinice was zeer netjes en met een zekeren voorvaderlijken eenvoud gekleed.
-Met niet minder zorg was ook het haar opgemaakt. De haartooi strookte volkomen met
-haar wezen. De haarvlecht was aan het achterhoofd door een omgeslagen en bevallig
-dichtgeknoopten doek, den zoogenaamden &#x201e;saccus&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e1001src" href="#xd30e1001">25</a> omsloten, terwijl het voorhoofd met de Stephane<a class="noteRef" id="xd30e1004src" href="#xd30e1004">26</a> versierd was, dat is, de reeds genoemde metalen plaat, die bijna als een diadeem
-het voorhoofd omgaf. Groote, ronde ouderwetsche oorbellen bengelden aan de beide kanten
-van het gezicht der eerwaardige Elpinice.
-</p>
-<p>&#x201e;Telesippe,&#x201d; riep de bezoekster uit, &#x201e;gij zijt vandaag bleeker dan gewoonlijk. Hoe
-komt dat?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat kan wel een gevolg zijn van den schrik,&#x201d; hernam Telesippe; &#x201e;wij hebben toch van
-daag een wonder in huis gehad.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat zegt gij?&#x201d; riep Elpinice. &#x201e;Is olie of wijn bij het plengen gestort? Of hebben
-de balken zonder <span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>bekende oorzaak gekraakt? Of is er een zwarte hond<a class="noteRef" id="xd30e1013src" href="#xd30e1013">27</a> in huis geloopen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Een ram,&#x201d; hernam Telesippe, &#x201e;met één hoorn, en dat wel midden op het voorhoofd, is
-op ons landgoed geboren en heden morgen bracht de opzichter hem in de stad.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Een ram met één hoorn?&#x201d; riep Elpinice uit. &#x201e;Bij Artemis<a class="noteRef" id="xd30e1019src" href="#xd30e1019">28</a>! het verwondert mij niet, dat teekenen en wonderen geschieden. Op den Brilessus<a class="noteRef" id="xd30e1022src" href="#xd30e1022">29</a> moet den laatsten nacht een groote meteoorsteen uit de lucht zijn gevallen. Sommigen
-willen ook eene staartster in den vorm van een brandenden balk gezien hebben. Verscheidene
-godenbeelden moeten onlangs begonnen zijn te zweeten en te bloeden. Nog kort geleden
-moet zelfs een raaf zich op het vergulden Pallas-beeld te Delphi<a class="noteRef" id="xd30e1025src" href="#xd30e1025">30</a> hebben neêrgezet, die de vruchten van den ijzeren palm waarop hij stond, met zijn
-snavel heeft losgewerkt. Maar wat het mooiste is van alles&#x2014;verbeeld u: de priesteres
-der Eumeniden<a class="noteRef" id="xd30e1028src" href="#xd30e1028">31</a> te Orchomenus<a class="noteRef" id="xd30e1031src" href="#xd30e1031">32</a> moet een langen, zwarten baard gekregen hebben!&#x2014;Gij hebt toch een waarzegger laten
-roepen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, Lampon,&#x201d; hervatte Telesippe.
-</p>
-<p>&#x201e;Lampon is goed!&#x201d; hernam Elpinice met een goedkeurenden hoofdknik. &#x201e;Hij is de beste
-van allen. Ieder kan een dier slachten en uit de ingewanden voorspellen, maar men
-moet Lampon zien en hooren, wanneer hij een ei boven het vuur houdt en uit de barsten
-zijne waarzeggingen put, of wanneer hij uit graankorrels, die hij op den grond legt,
-geheele woorden en letters opmaakt, <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>dan er hoenders bijzet en er op let, wat zij oppikken en wat niet. Ook uit de hand,
-uit helder water uit wat men wil, kan hij voorspellen als niemand anders. Lampon is
-een knap man, op wien men zich kan verlaten. Wat Lampon zegt, daaraan kunt ge gelooven,
-alsof het de priesteres<a class="noteRef" id="xd30e1040src" href="#xd30e1040">33</a> op den drievoet te Delphi gezegd had.&#x2014;Maar gij vertelt mij niet, hoe hij u het wonderteeken
-heeft uitgelegd!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hij heeft dien éénen hoorn als een teeken verklaard van de heerschappij van Pericles
-over Athene,&#x201d; zeide Telesippe. Elpinice trok den neus op. Zij zei niets meer tot lof
-van Lampon.
-</p>
-<p>&#x201e;Mijn broeder Cimon,&#x201d; zeide ze, &#x201e;gaf, zoo goed als iemand, acht op de goddelijke teekenen,
-en liet eens twaalf dagen achtereen een ram slachten, totdat de ingewanden gunstig
-waren. Toen eerst greep hij den vijand aan. Maar hij placht steeds tot den wichelaar,
-die hem van staatswege vergezelde, te zeggen: &#x201e;Wichelaar doe wat uw ambt u voorschrijft,
-maar vlei mij niet! Vervalsch den wenk der Goden niet, om mij te behagen!&#x201d; De tegenwoordige
-staatslieden daarentegen zijn daar niet mede gediend. De zieners weten wel, wie de
-waarheid wèl en wie ze niet willen hooren. En al mogen de lieden, die zich laten vleien,
-zich in een gunstigen afloop verheugen,&#x2014;de ware zegen der Godin is toch nooit het
-deel van hen, die de Goden niet eerbiedigen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Meent gij,&#x201d; hervatte Telesippe, &#x201e;dat Pericles Lampon bijzonder dankbaar was voor
-zijne voorspelling? Hij glimlachte slechts. Zijn vriend, die oude, door de Goden verlaten
-Anaxagoras, veroorloofde zich zelfs spottende aanmerkingen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Sedert den dood van mijn broeder Cimon,&#x201d; riep Elpinice uit, &#x201e;hebben we de Sophisten<a class="noteRef" id="xd30e1048src" href="#xd30e1048">34</a> in het land gekregen, die Godenverachters!&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;En deze lieden,&#x201d; zeide Telesippe, &#x201e;ondermijnen niet alleen de godsvrucht en de oude
-zeden in den staat, zij verstoren ook het huiselijk geluk en de huiselijke welvaart.
-Ik ben de vrouw geweest van den rijken Hipponicus en vóór hem had ik zelfs den Archon
-Basileus<a class="noteRef" id="xd30e1054src" href="#xd30e1054">35</a> kunnen huwen, wiens gemalin toch eigenlijk de hoogste waardigheid in den staat bekleedt,
-omdat zij, naar een oud gebruik, aan de heilige priesterbedieningen van haar man deel
-neemt. Maar ik liet mij eerst door den rijken Hipponicus winnen, en vervolgens door
-het waardig en tevens zacht, innemend karakter van Pericles. En wat moet ik nu beleven,
-ik die aan iets beters gewoon ben geraakt! In welk een huishouden ben ik uit dat van
-Hipponicus gekomen! En hoe zijn de zaken steeds erger geworden! Pericles veronachtzaamt
-zich zelven en zijn huis. Wanneer ik tot hem ga, om over de gewichtigste huiselijke
-aangelegenheden te beraadslagen, dan heeft hij daarvoor geen tijd. Ik waag het nauwelijks
-meer &#x2019;s morgens in zijne kamer te komen. Hij wijst mij inderdaad de deur! &#x201e;Lieve Telesippe,&#x201d;
-zegt hij dan, &#x201e;kwel mij &#x2019;s morgens toch niet met zulke dingen, of kom ten minste niet,
-dan nadat ge een bad gebruikt hebt en gekleed zijt, want ge beleedigt te gelijk mijne
-ooren en mijne oogen.&#x201d;&#x2014;Ik ben de vrouw geweest van den rijken Hipponicus en hij overlaadde
-mij met pracht en weelde; maar nooit heeft hij zulke taal tegen mij gevoerd. Hier
-integendeel, waar mij, in plaats van pracht en overvloed, enkel schrielheid en bekrompenheid
-omringt, hier zou ik mijn gestrengen echtgenoot en meester slechts mogen naderen,
-als ik een bad genomen heb en gezalfd en bekransd ben! Hoezeer heb ik mij verzet,
-toen hij op den inval kwam, zijne bezitting eenvoudig te verpachten en al &#x2019;t geld
-aan zijn vertrouwden slaaf Euangelus over te geven. <span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span>Die is nu rentmeester en opzichter in huis, en ik, zijne huisvrouw, ben veroordeeld
-het geld uit de handen van een slaaf te ontvangen. Weet ge, van wien Pericles die
-mooie manier van huishouden heeft geleerd, en wie hem daarin met zijn voorbeeld heeft
-versterkt? Niemand anders dan zijn beste vriend Anaxagoras. Alvorens die ellendige
-dwarskijker en leeglooper zijne geboorteplaats Clazomenae verliet, om naar Athene
-te verhuizen, verweten hem zijne vrienden dat hij zijne gronden, welke hij van zijne
-vaderen geërfd had, niet bebouwde, waarop hij ten antwoord gaf: &#x201e;Doet het zelven,
-als gij daar genoegen in hebt!&#x201d; Daarna vertrok hij en liet al zijn hebben en houden
-aan de Clazomeniërs, zeggende: &#x201e;jaagt de geiten van de gemeente in mijne akkers en
-weilanden.&#x201d;&#x2014;van dat allooi zijn de vrienden en raadslieden van Pericles!&#x201d;
-</p>
-<p>Telesippe&#x2019;s klaagliederen werden afgebroken door een slaaf, die hare bevelen in een
-huishoudelijke aangelegenheid kwam vernemen. Andere slaven en slavinnen kwamen van
-de markt terug, na levensmiddelen voor den huiselijken maaltijd te hebben ingekocht.
-Telesippe rook of proefde het een of ander stuk, vroeg Elpinice&#x2019;s oordeel over de
-frischheid van een schelvisch en deelde aan den kok hare bevelen mede. Voorts gaf
-zij aan sommige slavinnen vlas, linnen en andere stoffen om te weven of te naaien,
-&#x2019;t geen haar dagelijksche arbeid was.
-</p>
-<p>Toen keerde zij naar hare vriendin terug, om het afgebrokene gesprek voort te zetten.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik heb u het ergste nog niet medegedeeld,&#x201d; vervolgde zij. &#x201e;Vroeger was het hier een
-eenvoudig, maar rustig huishouden. Dat is veranderd, sinds Pericles zijn bloedverwant,
-den jongen Alcibiades<a class="noteRef" id="xd30e1063src" href="#xd30e1063">36</a>, den zoon van Clinias, die zijn vader <span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span>verloren had, uit onbedachtzame goedhartigheid in zijn huis opgenomen en hem met zijne
-eigene kinderen heeft opgevoed. Ik zeg uit goedhartigheid; maar daarin betoonde hij
-zich alleen goedhartig jegens zijn bloedverwant, onverantwoordelijk jegens mij en
-zijn eigen vleesch en bloed. Gij weet hoe flink mijne beide jongens Xanthippus en
-Paralus steeds geweest zijn en hoe goed zij door mij in behoorlijke tucht zijn gehouden.
-Den geheelen dag zaten zij rustig in een hoek en de paedagoog<a class="noteRef" id="xd30e1068src" href="#xd30e1068">37</a> viel bij hen in slaap zoo weinig moeite veroorzaakten zij hem. Pericles noemde hen
-steeds &#x201e;suffers&#x201d; en bekeef hen om hunne weinige opgewektheid en levendigheid. Inderdaad
-echter zijn het welopgevoede jongens, zooals ieder vader zich slechts kon wenschen.
-Zij hadden geleerd op een wenk te gehoorzamen. Zij deden niets, dan wat hun bevolen
-was. Zij zaten of liepen, wanneer men het wilde hebben. Als men zei: <span class="corr" title="Niet in bron">&#x201e;</span>Paralus, bijt niet altijd op je nagels!&#x201d; of &#x201e;Xanthippus, peuter niet met je vingers
-in den neus!&#x201d; dan beet Paralus niet meer op zijn nagels en Xanthippus nam zijne vingers
-van den neus. En als ze soms wat lastig werden, dan behoefde men maar te zeggen: &#x201e;de
-Mormo<a class="noteRef" id="xd30e1073src" href="#xd30e1073">38</a> komt&#x201d; of daar is de &#x201e;Empusa&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e1077src" href="#xd30e1077">39</a> of de &#x201e;Acco&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e1080src" href="#xd30e1080">40</a> of &#x201e;de wolf&#x201d;, of &#x201e;het paard bijt&#x201d;, dan werden zij bleek als een doek en gedwee als
-lammeren. En nu? Gij kent de jongens niet meer, sinds die bengel van een Alcibiades
-in huis is gekomen. Met hem is leven en lawaai en allerlei onordelijkheid in de kinderkamer
-gekomen. Hij begon al dadelijk, met de ratelaars en drijftollen, waarin Xanthippus
-en Paralus bijzonder plezier hadden, in een hoek te stoppen en om houten paarden en
-wagens te roepen. Pericles gaf hem den zin en nu rent hij daarmede onder een verschrikkelijk
-geschreeuw en geraas door het Peristylium rond, <span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>alsof hij in de renbaan te Olympia<a class="noteRef" id="xd30e1085src" href="#xd30e1085">41</a> was. Weldra had hij genoeg van de houten paarden en hij spande Paralus en Xanthippus,
-ja eindelijk zelfs den paedagoog voor zijn &#x201e;Olympische zegekar&#x201d;, zooals hij het noemde.
-Voor afwisseling ving hij zwaluwen in het Peristylium, kortte hare vleugels of liet
-ze aan een lang touw vliegen.
-</p>
-<p>&#x201e;In het begin zagen de beide knapen de woestheid van hun nieuwen kameraad met eene
-soort van angstige verbazing aan. Langzamerhand echter werden zij er aan gewoon, sloten
-zich bij hem aan, als hij weer &#x2019;t een of ander kattekwaad uitvoerde, en zagen met
-alle aandacht toe. Later hielpen zij hem daarbij en eindelijk begonnen zij zelfs,
-al wat de wildzang deed, dapper na te apen. Maar hun ingeboren betere aard openbaarde
-zich toch altijd, doordat zij nooit zelven kwâjongensstreken bedachten. Zij deden
-alleen getrouw alles wat Alcibiades hen beval. Toen ik nu van de Mormo, de Empusa,
-de Acco, den wolf of het bijtende paard begon te spreken, lachte Alcibiades. Toen
-Xanthippus en Paralus Alcibiades zagen lachen, zonder dat dit invloed had op de Mormo,
-de Empusa, den wolf of het paard, lachten zij eveneens. Zoo verloor ik mijne macht
-over de jongens en luisteren zij niet meer naar mij. De paedagoog is een oud man,
-een slaaf in den dienst van ons huis vergrijst, die uit een olijfboom viel en zijn
-been brak en dien Pericles derhalve weder uit goedhartigheid in huis nam, om toezicht
-over de knapen te houden, omdat hij voor vermoeiender arbeid niet meer deugde. Nu
-is zelfs het vuur op den haard voor de jongens niet zeker; zij vernielen en breken
-alles, wat vernield of gebroken kan worden, zij klouteren op, waar zij maar kunnen,
-en vallen er af, dat het mij verwondert dat het altijd zoo goed afloopt. De slavinnen
-in huis worden geplaagd en geknepen, de slaven uitgelachen <span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span>en afgeranseld. Kom ik dan eens ernstig tusschenbeide en dreig hen met mijne sandaal<a class="noteRef" id="xd30e1092src" href="#xd30e1092">42</a> dan kruipen Xanthippus en Paralus in een wip onder de tafels en bedden, en Alcibiades
-kloutert, als een eekhorentje, tegen de zuilen van het peristylium op tot aan de kroonlijst.
-En Pericles? Wanneer ik hem mijn nood klaag, dan lacht hij en neemt den belhamer Alcibiades
-in bescherming tegen de &#x201e;suffers.&#x201d;.&#x2026;
-</p>
-<p>Op dit oogenblik werd Telesippe door den kleinen Paralus gestoord, die schreiend binnen
-kwam stuiven.
-</p>
-<p>De beide andere knapen volgden hem op den voet.
-</p>
-<p>&#x201e;Wij speelden den razenden Aiax,&#x201d; zei Alcibiades, &#x201e;den razenden Aiax, die zoovele
-runderen versloeg, toen hij waanzinnig werd, daar hij hen voor Achaeërs hield en die
-stamvader van ons huis is, zooals mijn vader Clinias mij verteld heeft. Ik stelde
-Aiax voor, Paralus en Xanthippus de runderen. Ik heb hen echter niet hard geslagen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ellendige jongen!&#x201d; riep Telesippe toornig opvliegende uit, drukte Paralus en Xanthippus
-aan haar hart en liefkoosde hen, om ze te troosten.
-</p>
-<p>Inmiddels vestigde Elpinice onafgewend de oogen op den kleinen Alcibiades.
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Is toch een prachtig mooie jongen!&#x201d; zeide ze. &#x201e;Die donkere, vurige oogen&#x2014;dat sneeuwwitte
-voorhoofd&#x2014;die prachtige golvende lokken&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Een onhandelbare bengel is hij!&#x201d; riep Telesippe, geprikkeld door de bewondering,
-die hare vriendin voor den knaap scheen opgevat te hebben. Toen riep zij den paedagoog.
-Hinkend kwam de oude man aanstrompelen. &#x201e;Waarom hebt ge niet verhinderd, dat Alcibiades
-de beide knapen afranselde?&#x201d; snauwde zij hem toe.
-</p>
-<p>&#x201e;Hij deed zelf in ons spel meê,&#x201d; viel Alcibiades <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>in; &#x201e;hij stond reeds klaar als het Trojaansche paard, waarmede ik later Ilium binnen
-wilde trekken.&#x201d;
-</p>
-<p>Telesippe keek den paedagoog verbaasd aan.
-</p>
-<p>&#x201e;Gebiedster Telesippe,&#x201d; hernam deze, &#x201e;het is niet de eerste maal, dat ik gedwongen
-ben geweest aan de luimen van dezen dollen jongen mijn rug te leenen.&#x2014;Gisteren heeft
-hij mij in de hand gebeten, als een jonge hond&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Bah, zeg liever als een jonge leeuw!&#x201d; riep de kleine Alcibiades beleedigd uit.
-</p>
-<p>&#x201e;O Zeus en Apollo,&#x201d; bracht Elpinice uit met levendige gebaren. Daarna den jongen tot
-zich trekkende, ging zij vleiend voort: &#x201e;Gij zijt zeker een moedige knaap en zoo ge
-onder den grooten Cimon, mijn broeder, geleefd had, zoudt ge zonder twijfel geholpen
-hebben om de Perzen te verslaan. In dien tijd echter, mijn jongen, waren de knapen
-heel anders dan tegenwoordig. Zij waren niet brutaal en neuswijs en aanmatigend. En
-zij gebruikten geen zalven en warme baden. Aan tafel zaten zij netjes, zonder de beenen
-te kruizen en zonder een blaadje groente zelf te nemen. In de worstelschool strekten
-zij, wanneer zij op het zand zaten, de beenen zoo uit, dat de eerbaarheid er niet
-door beleedigd werd, en stonden zij op, dan wischten zij aanstonds de sporen van hunne
-jeugdige ledematen in het zand uit. &#x2019;s Morgens zag men hen dun en licht gekleed, ook
-wanneer het stormde en regende, naar den muziekmeester gaan en zij leerde daar oude,
-degelijke stukken, zooals &#x201e;Pallas, de Stedebedwingster&#x201d; of een gezang van Simonides<a class="noteRef" id="xd30e1113src" href="#xd30e1113">43</a>, niet zulke weekelijke liederen, als thans in de mode zijn, met draaien en krullen,
-waarvoor men zulk een ondeugenden bengel met de roede moest geven. Bedenk, zoon van
-Clinias, weldra <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>zult gij ook met uwe makkers naar de school gezonden worden, gij zult de spraakkunst
-leeren en gymnastiek en de lier bespelen en op de fluit blazen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Neen!&#x201d; riep de kleine Alcibiades, &#x201e;op de fluit blazen wil ik niet&#x2014;dat staat leelijk&#x2014;de
-wangen worden er zoo door opgezet&#x2014;zóó.&#x201d; En daarbij blies hij zijne wangen op, zooveel
-hij kon.
-</p>
-<p>&#x201e;O, hoe ijdel!&#x201d; riep Elpinice, en wilde den knaap kussen.
-</p>
-<p>Doch oude vrijsters zijn bij kinderen niet erg bemind. Alcibiades blies Elpinice,
-om zich aan hare omhelzing te onttrekken, brutaal al de lucht uit zijn bolle wangen
-in het gezicht en sprong spottend lachend weg.
-</p>
-<p>Elpinice was boos. Zij sprong op van haar stoel, om zich oogenblikkelijk te verwijderen.
-Zij nam haar himation weder op, sloeg den eenen tip van den langen mantel over den
-linker schouder naar voren en hield hem met den linker arm tegen het lichaam aan.
-Daarop trok zij het gewaad over den rug naar de rechterzijde, zoodat het niet alleen
-dit doel van het lichaam, maar ook het hoofd, met uitzondering van het gezicht, bedekte.
-Ten laatste schoof zij het onder de kin weder over den linker schouder terug, zoodat
-een slip over haar rug afhing.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij ziet,&#x201d; zeide Telesippe, terwijl zij hare vriendin nog weerhield, &#x201e;gij ziet, welk
-een lot ik hier duld. Zoo slijt ik mijn leven, met dien ellendigen jongen aan den
-hals, met een echtgenoot, die er zich niet om bekommert, vreugdeloos, geplaagd, geminacht,
-ik, die eens de vrouw had kunnen zijn van Archon Basileus&#x2014;ik, die deel had kunnen
-nemen aan de heiligste verrichtingen van den Atheenschen godsdienst!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Mijn broeder Cimon was gewoon te zeggen,&#x201d; hernam Elpinice: &#x201e;Nieuwe tijden, booze
-tijden!&#x2014;De wereld gaat haar gang en zij bevordert het eerzuchtig pogen der mannen
-maar ook wij vrouwen zijn er nog. Denk er aan, Telesippe, en laat <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>u, wat ik zeg, voor heden genoeg zijn: wanneer wij vrouwen ons aaneengesloten houden
-en ons vastklemmen aan de raderen, dan zal men de wereld niet zoo spoedig geheel uit
-het oude spoor lichten!&#x201d;
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e757">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e757src">1</a></span> Vergelijk <a href="#n33.2">noot 2 pag. 33</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e757src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e769">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e769src">2</a></span> Zie <a href="#n16.1">noot 1 pag. 16</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e769src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e778">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e778src">3</a></span> Eigenlijk beteekent strateeg veldheer; te Athene waren zij aanvoerders van het voetvolk
-en vormden tevens een rechterlijk college.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e778src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e791">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e791src">4</a></span> Een obool is eene munt, het zesde deel van eene drachme bedragende, ongev. &#x192;&nbsp;0.075.
-De obool had weder 6 chalkoi; 100 drachmen maken eene minae uit, 10 zilveren minae
-een gouden, 60 minae een talent. Eene minae is dus ongev. &#x192;&nbsp;44. Vergelijk <a href="#n14.2">noot 2 pag. 14</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e791src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e811">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e811src">5</a></span> Het Grieksche &#x201e;daemon&#x201d; beteekent in de eerste plaats: eene Godheid, ook eene wrekende;
-vervolgens een wezen tusschen Goden en menschen in. In het Nieuwe Testament ook de
-duivel, de booze geest. Vergelijk daemonisch, eig. door een daemon of Godheid bezeten,
-en enthousiast of door eene Godheid bezield (Theos, God).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e811src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e828">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e828src">6</a></span> Zie <a href="#n29.1">noot 1 pag. 29</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e828src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e837">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e837src">7</a></span> De Grieken kenden den Goden vele hoedanigheden toe; de een beschermde dit, de andere
-dat. Zeus was de beschermer der smeekelingen, die bij den haard, bij het altaar zittende,
-niet gekrenkt mochten worden. Als beschermer van den huiselijken haard noemen zij
-hem Zeus Ephestios.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e837src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e862">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e862src">8</a></span> Dionysus was de God van de vruchtbaarheid, inzonderheid van die des wijnstoks, ter
-wiens eere de landelijke Dionysiën in Attica werden gevierd. Hij stemt grootendeels
-overeen met den Romeinschen Bacchus, ook Iacchus en Liber geheeten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e862src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e865">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e865src">9</a></span> De kunst van het voorspellen; het Grieksche woord wijst op eene geestvervoering.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e865src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e868">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e868src">10</a></span> De laurier was aan Phoebus Apollo gewijd. De Grieken schreven aan zekere planten een
-reinigende kracht toe, als aan den myrth, den rozemarijn, maar vooral aan den Apollonischen
-lauriertak. Vgl. Guhl und Koner, p. 381, in het reeds aangehaalde werk.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e868src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e884">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e884src">11</a></span> Xantippes had de Perzen in 479 v. C. bij Mycale eene geweldige nederlaag toegebracht.
-Mycale is een gebergte in Ionië (waar ook eene stad van dien naam lag;) tegenover
-Samos, zich uitstrekkende van den Maeander bij Magnesia tot aan de kust.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e884src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e887">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e887src">12</a></span> Onder Palladium verstaat men het door Pallas (Athene = Minerva) van den hemel naar
-Troje geworpen schild van welks behoud Troje&#x2019;s lot afhing. Later beweerden verscheidene
-steden, als Athene, Argos, en Rome het te bezitten. Te Rome meende men dat het in
-den tempel van Vesta heilig werd bewaard, zoodat zelfs de opperpriester (Pontifex
-Maximus) het niet mocht zien. Er waren ook nog andere houten Palladia.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e887src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e890">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e890src">13</a></span> Een landschap tusschen Macedonië, den Donau, den Bosporus (straat van Constantinopel),
-de Propontis, den Hellespont en de <span class="corr" id="xd30e892" title="Bron: Aegaeische">Aegaeïsche</span> zee gelegen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e890src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e896">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e896src">14</a></span> Een landschap van Midden-Griekenland (Hellas).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e896src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e915">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e915src">15</a></span> Cimon, een der beroemdste Grieksche veldheeren, was de zoon van Miltiades en Hegesipyle.
-Zijn vader, Paros niet kunnende vermeesteren, werd tot eene zware geldboete veroordeeld,
-die hij niet kon betalen. Die schuld ging op Cimon over, die tevens met &#x201e;atimie&#x201d;,
-d.i. verlies aller burgerrechten gestraft werd. Callias, een rijk Athener, huwde echter
-Elpinice, de halfzuster van Cimon, met wie deze, volgens de zeden dier dagen, reeds
-getrouwd was, en betaalde de boete. Vervolgens nam hij een roemrijk aandeel in de
-Perzische oorlogen, veroverde verscheidene eilanden, als Scyros en Thasos (463 v.
-C.), voerde oorlogen tegen Sparta, doch werd eindelijk door het Ostracisme of schervengerecht
-verbannen. Na eene vijfjarige ballingschap werd hij door Pericles in 451 teruggeroepen,
-sloot met de Spartanen een vijfjarigen wapenstilstand, voerde een Atheensche vloot
-tegen de Perzen naar Cyprus, doch vond bij de belegering der stad Citium den dood.
-Plutarchus, een Grieksch geschiedschrijver, en de Romein Cornelius Nepos hebben zijn
-leven beschreven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e915src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e925">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e925src">16</a></span> Thasos, een aanzienlijk eiland in het Noorden van de Aegaeïsche zee, tegenwoordig
-Tháschos, aan Turkije behoorende, met ongeveer 10,000 bewoners.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e925src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="n60.2">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n60.2src">17</a></span> Theseus, de zoon van Aegeus, was een beroemde, nationale Atheensche held, die tal
-van monsters en schelmen doodde, als den Minotaurus op Creta, Sciron, Procrustes e.
-a. Aegeus meenende dat zijn zoon op Creta omgekomen was, stortte zich in de zee, naar
-hem de <span class="corr" id="xd30e930" title="Bron: Aegaïsche">Aegaeïsche</span> zee genaamd. Hij aanvaardde de heerschappij over Attica en verrichtte tal van beroemde
-feiten. Hij nam deel aan den Argonautentocht e. a. Bij zijne vrouw, de Amazone Antiope,
-verwekte hij Hyppolytus, die later door zijne stiefmoeder Phaedra den dood vond. Dit
-gaf Racine stof tot zijn meesterstuk &#x201e;Phédre&#x201d;.&#x2014;Theseus vond bij Scyros door koning
-Lycomedes den dood. Te Athene werd hij als held (heros) vereerd en verkreeg door Cimon
-een tempel (Theseion). Op dezen tempel, door Polygnotus versierd, doelt Hamerling
-ongetwijfeld.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n60.2src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e934">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e934src">18</a></span> Deze galerij heet in &#x2019;t Grieksch de &#x201e;poikile&#x201d;.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e934src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e937">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e937src">19</a></span> De belegering en val van Troje behoort tot het mythologisch tijdvak; men stelt de
-verovering dier stad, waarvan Priamus koning was, ongev. 1184 v. C.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e937src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e944">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e944src">20</a></span> Cassandra, ook Alexandrea genaamd, was de dochter van Priamus en Hecuba, en had van
-Apollo de gave der profetie ontvangen; evenwel met den vloek, dat niemand haar zou
-gelooven. Zoo voorspelde zij te vergeefs den ondergang van hare vaderstad Troje. Toen
-nu na den val van Troje zij en andere jonge maagden naar den tempel van Athene vluchtten
-sleurde Aiax, de Locriër, Cassandra van het altaar weg en onteerde haar, terwijl zij
-later Agamemnon ten deel viel, die haar naar Mycene voerde. Agamemnon zou zij de tweelingen
-Teledamus en Pelops gebaard hebben.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e944src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="n63.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n63.1src">21</a></span> Cronion beteekent Cronos&#x2019; zoon, d.i. Zeus (Jupiter). Cronos is geïdentificeerd met
-den Romeinschen Saturnus, zoon van Uranus en Gaea, die volgens de mythe, zijne eigene
-kinderen verslond, omdat hem voorspeld was, dat zij hem van den troon zouden stooten.
-Alleen Zeus ontkwam dit lot en stortte zijn vader in den Tartarus (de onderwereld).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n63.1src" title="Ga terug naar noot 21 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e969">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e969src">22</a></span> Aan Clio, de &#x201e;verkondigende&#x201d;, de Muze der geschiedenis, werden schrijftafeltje en
-stift, als attributen toegekend. Zie voorts <a href="#n30.1">noot 1 pag. 30</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e969src" title="Ga terug naar noot 22 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e990">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e990src">23</a></span> Sparta werd ook &#x201e;Lacedaemon&#x201d; geheeten; &#x201e;Lacedaemonius&#x201d; beteekent dus de &#x201e;Lacedaemoniër&#x201d;
-of de &#x201e;Spartaan&#x201d;.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e990src" title="Ga terug naar noot 23 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e998">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e998src">24</a></span> Een kleed, vooral een mantel, die omgeslagen werd en in vele plooien neerviel. Men
-wikkelde zich er echter geheel in. Het himation werd door mannen en vrouwen beide
-gedragen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e998src" title="Ga terug naar noot 24 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1001">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1001src">25</a></span> Vergelijk ons woord &#x201e;zak&#x201d;. Eig. eene grove stof van gevlochten haar, ook een mantel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1001src" title="Ga terug naar noot 25 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1004">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1004src">26</a></span> Eigenlijk eene bekransing, krans; vandaar ook een hoofdsieraad der vrouwen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1004src" title="Ga terug naar noot 26 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1013">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1013src">27</a></span> De hond stond bij de Grieken weinig in eere; hij was het toonbeeld van onbeschaamdheid.
-Het woord kuoon, dat hond beteekent, wordt ook gebezigd voor den ongelukkigsten worp
-in het dobbelspel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1013src" title="Ga terug naar noot 27 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1019">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1019src">28</a></span> Artemis (Diana) was de Godin der jacht.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1019src" title="Ga terug naar noot 28 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1022">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1022src">29</a></span> De Brilessus of Brilettus was een bergketen ten N.&nbsp;O. van Athene, ongev. 1110 meter
-hoog, beroemd om zijn marmergroeven. Meer bekend is het onder den naam (Pentelicon),
-thans Menteli.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1022src" title="Ga terug naar noot 29 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1025">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1025src">30</a></span> Beroemde stad in Phocis, (een landschap van Midden-Griekenland), beroemd door den
-Apollo-tempel, het orakel en de bekende Pythische spelen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1025src" title="Ga terug naar noot 30 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1028">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1028src">31</a></span> De Godinnen van het geweten, de wroeging, die den misdadiger vervolgen. Zij worden
-ook Erinyen genaamd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1028src" title="Ga terug naar noot 31 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1031">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1031src">32</a></span> Eene stad in Boeötië (Midden Griekenland), eene der tien steden van het Boeötisch
-verbond.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1031src" title="Ga terug naar noot 32 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1040">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1040src">33</a></span> De zoogenaamde Pythia, die te Delphi orakels gaf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1040src" title="Ga terug naar noot 33 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1048">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1048src">34</a></span> Dit woord wordt in tweeërlei zin gebruikt. In den kwaden zin beteekent het iemand,
-die de verderfelijkste leer verkondigt, zooals Hippias. In den goeden zin van het
-woord waren het zedepredikers, die slechts het geluk van hun volk bedoelden, zooals
-Protagoras, Gorgias en Socrates.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1048src" title="Ga terug naar noot 34 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1054">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1054src">35</a></span> Na den dood van Koning Codrus (1068 v. C.) werden er Argonten (bestuurders) te Athene
-gekozen, eerst levenslang, daarna voor 10 jaren. Later waren er drie; de eerste heette
-Archon (ook Eponymus geheeten, omdat men naar hem het jaar noemde), de tweede Archon
-Basileus (koning) voor godsdienstige zaken, de derde Archon Polemarchus, wien de leiding
-in krijgszaken was opgedragen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1054src" title="Ga terug naar noot 35 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1063">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1063src">36</a></span> Alcibiades, later beroemd staatsman en veldheer, verloor zijn vader in den slag bij
-Coronea (477 v. C.) Zijne moeder heette Dinomache. Hij was in 451 v. C. te Athene
-geboren. Hij huwde met Hipparete, de dochter van Hipponicus. Na vele lotgevallen en
-beroemde daden viel hij in een ongenade en werd in 404 v. C. door Pharnabazus vermoord.
-Hij was een der talentvolste Atheners, een leerling van Socrates.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1063src" title="Ga terug naar noot 36 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1068">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1068src">37</a></span> Opvoeder; de opvoeding was doorgaans aan de slaven toevertrouwd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1068src" title="Ga terug naar noot 37 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1073">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1073src">38</a></span> Een vrouwelijke geest of spook, om de kinderen schrik aan te jagen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1073src" title="Ga terug naar noot 38 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1077">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1077src">39</a></span> Het Grieksche woord beteekent spook.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1077src" title="Ga terug naar noot 39 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1080">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1080src">40</a></span> Eigenlijk de naam van eene ijdele vrouw, voor synoniem met &#x201e;mormo&#x201d; een spook.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1080src" title="Ga terug naar noot 40 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1085">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1085src">41</a></span> Te Olympia in Elis werden de zeer beroemde Olympische spelen om de vier jaren gevierd.
-Zelfs werd daarnaar eene tijdrekening ingesteld. Een tijdvak van vier jaren noemde
-men eene Olympiade.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1085src" title="Ga terug naar noot 41 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1092">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1092src">42</a></span> De sandaal (sandalon) was vooral een vrouwenschoeisel. Zij bestond uit eene houten
-of rundleeren zool, die door riemen aan den voet bevestigd werd. Men vertaalt het
-wel, hoewel niet geheel juist, door pantoffel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1092src" title="Ga terug naar noot 42 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1113">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1113src">43</a></span> In Griekenland zijn twee dichters van dien naam. De oudste is Simonides van Amorgos
-of Samos, naar anderen willen, p. m. 600 v. C. Hij schreef Iambische gedichten. De
-tweede, Simonides van Ceos, is beroemder. Hij werd ongev. 557 v. C. geboren. Hij was
-een dichter van elegieën. Zijne epigrammen zijn zeer bekend, <abbr title="bijvoorbeeld">b.v.</abbr> op de overwinnaars bij Marathon en op de bij de Thermopylae gevallen Spartanen. Simonides
-stond in hoog aanzien te Sparta en Athene. Op uitnoodiging van <span class="corr" id="xd30e1118" title="Bron: Hiero">Hiëro</span> begaf hij zich in 447 naar Syracuse, waar hij in 466 stierf. Toen bevonden zich daar
-ook Pindarus en Bacchylides.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1113src" title="Ga terug naar noot 43 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">III.</h2>
-<h2 class="main">DE MARSKRAMER VAN HALIMUS.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Toen de staatsman Pericles en zijn vriend, de wijze Anaxagoras, het huis van Pericles
-hadden verlaten, daalden zij de straat, die van den grooten schouwburg van Dionysus
-naar den voet der zuidelijke helling van de Acropolis voerde, af, en toen noordwaarts
-de straat in, die tusschen de westelijke helling van de Acropolis en den heuvel van
-den Areopagus<a class="noteRef" id="xd30e1139src" href="#xd30e1139">1</a> tot aan de Agora doorliep.
-</p>
-<p>Nu hadden zij hun doel bereikt. Zij stonden op de Agora. Dit middelpunt van het Atheensche
-leven en verkeer ligt in den Ceramicus<a class="noteRef" id="xd30e1144src" href="#xd30e1144">2</a>. Het ligt als geborgen onder de hoede der gezamenlijke heuvelen van Athene: naar
-het zuiden heeft het de steile rots van den Areopagus, aan de westzijde den Nymphen-heuvel,
-waaraan in zuidelijke richting de beroemde hoogte van de Pnyx zich aansluit, naar
-het noorden ligt eene middelmatige hoogte, die den tempel van Theseus draagt en in
-het noordwesten ruischen de boschjes van het doorluchte <span class="corr" id="xd30e1147" title="Bron: Coloneus">Coloneüs</span><a class="noteRef" id="xd30e1149src" href="#xd30e1149">3</a>.
-</p>
-<p>Zoo zien al de door sagen beroemde en geheiligde hoogten van Athene op de Agora neder.
-</p>
-<p>Op het midden daarvan verheft zich het altaar der twaalf groote Olympische Goden.
-Hier prijken voorts de koperen standbeelden der tien door sagen <span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span>verheerlijkte stamheroën van het Attische volk en land. In de nabijheid van deze standbeelden
-der stamhelden is aan ieder der negen archonten, de eerwaardigste overheid van Athene,
-zijne openbare werkzaamheid in de Agora toegedeeld. Hier staat ook het meerendeel
-der gerechtshoven; hier de raadszaal van den raad der Vijfhonderden: het &#x201e;bouleuterion&#x201d;
-en het ronde, met een koepel bedekte gebouw van den Tholus<a class="noteRef" id="n76.1src" href="#n76.1">4</a>.
-</p>
-<p>Dichter opeen gepakt dan gewoonlijk stormt heden de volkshoop naar deze verzamelplaatsen;
-men ziet de Prytanen zich met spoed naar den Tholus begeven, die mannen, welke behooren
-tot de afdeeling van den Raad, welke juist in functie is. Ook vele andere overheidspersonen
-ziet men over de marktplaats gaan. Men merkt hen nauwelijks op. Nu echter komt Pericles,
-de strateeg. Op hem zijn aanstonds aller oogen gevestigd. Hij neemt afscheid van zijn
-geleider Anaxagoras en begeeft zich in den Tholus bij de Prytanen. Hij heeft met deze
-mannen, die de onderwerpen, welke in de volksvergadering zullen behandeld worden,
-vooraf bespreken en zelven de leiding hebben, nog iets voor den dag van heden te overleggen.
-</p>
-<p>Ook statige tempels verheffen zich op de schitterende, ruime Agora der Atheners en
-fraaie zuilengaanderijen door de kunst versierd, strekken zich daar uit.
-</p>
-<p>Verkwikkend voor het oog is, te midden van dezen ruimen kring van tinnen en zuilengaanderijen,
-die in de stralen der zon schitteren, het groen der platanen, welke, van Cimon afkomstig,
-steeds in dankbare herinnering zijn, daar zij de zwoele zomerhitte op de Agora temperen
-en weldadig het druk gewoel beschaduwen.
-</p>
-<p>Onder gevlochten huiven, die tegen regen en zon bedekken, ligt in tallooze winkels
-de bonte, welriekende <span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span>en veelvuldige rijkdom der Atheensche markt uitgestald.
-</p>
-<p>Uien en latuwe, komijn en sterkers, thym en honig, rundvleesch en visch, gevogelte
-en wild&#x2014;verdienen zij onze vluchtige beschouwing, omdat ze zich op de markt van het
-oude Athene aan ons oog vertoonen? Waarom niet? Wat onder Attica&#x2019;s hemel is gerijpt,
-is edeler dan andere streken voortbrengen, en de Grieksche zon heeft het met fijnere
-sappen gekruid.
-</p>
-<p>Ook de naburen brengen hun beste producten te Athene ter markt. Deze zachte, sappige
-groenten heeft Megara<a class="noteRef" id="xd30e1174src" href="#xd30e1174">5</a> gezonden. Deze ganzen, die heerlijke watersnippen en strandloopers komen uit het
-vette Boeötische land.
-</p>
-<p>Het grootste gewoel heerscht er op de markt, ginds om de schubbige bewoners der zee.
-Van den goedkoopsten zoutevisch, die er bestaat, die toch met olie besmeerd, in gekruide
-bladeren gewikkeld en in heete asch gebraden, heerlijk smaakt, tot op de meest geprezen
-en duurste lekkernijen van deze soort, de Boeötische aal, is hier alles uitgestald,
-wat er in de honderd golven der diep inspringende Grieksche kusten heerlijks wemelt.
-Deze sardijnen daar uit de naburige baai van Phaleron zijn zoo malsch, dat ze, om
-zoo te zeggen, het vuur maar behoeven te zien om gebraden te zijn.
-</p>
-<p>Wie geen lust heeft, de bestanddeelen van zijn maaltijd naar huis te dragen, kan op
-de plaats zelve zijne begeerte bevredigen. Naar den geur te oordeelen, is zelfs het
-sappige ezelsgebraad daar niet te versmaden; de verkooper ten minste roemt het lendestuk
-als eene lekkernij. Zijn buurman wel is waar spreidt niet luid klinkende stem al zijne
-welsprekendheid ten toon, om te bewijzen dat zijn geitevleesch de voorkeur verdient
-en dat dit het voedzaamste van alle vleeschsoorten is, een ware &#x201e;athletenkost.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span></p>
-<p>Wilt gij u aan de vleesch- en bloedlucht onttrekken&#x2014;evenwel de Olympiërs zelven hebben
-een welgevallen daarin en versmaden geenszins de offers&#x2014;en begeert ge aan fijnere
-en edeler geuren u te vergasten, begeef u dan ginds naar dien kant, waar de schalksche
-blikken van een meisje, dat kransen vlecht, of een blonde knaap u wenken. De Athener
-houdt ongeloofelijk veel van kransen. Zij vergezellen hem van de wieg tot aan het
-graf. Met kransen tooit zich te Athene niet alleen de roem, de liefde, de dood, de
-vreugde en iedere soort van feestelijkheid, niet slechts de drinker omwindt zijn voorhoofd,
-ja zijn geheele lichaam met kransen bij het symposion<a class="noteRef" id="xd30e1183src" href="#xd30e1183">6</a>, ook de magistraat zet zich den krans op &#x2019;t hoofd, wanneer hij zijne betrekking waarneemt,
-en eveneens de redenaar, wanneer hij zich gereed maakt, op de Pnyx tot het vergaderde
-volk te spreken. Uit myrthe vlecht Athene zijne kransen en uit rozen; den klimop en
-zelfs het loof der zilverpopulieren versmaadt het niet; hyacinthen woelt het gaarne
-door het groen der myrthen; maar bij voorkeur schijnt het toch het teedere viooltje
-lief te hebben, want zijne dichters spreken van &#x201e;het met violen omkranste Athene.&#x201d;
-Nu echter bevinden we ons op de <span class="corr" id="xd30e1186" title="Bron: pottenbakkersmarkt">pottebakkersmarkt</span>, den trots van den Atheenschen kunstwerker. Naar de potten toch wordt sedert overoude
-tijden deze geheele stadswijk geheeten en op de koopvaardijschepen gaan van daar de
-voortbrengselen van de Attische kleiaarde, door de Goden zoo rijk gezegend, naar alle
-wereldstreken. De Athener vormt deze klei van zijn geboortegrond, evenals zijn Attisch
-marmer, met den fijnen kunstenaarszin, dien de Goden, naar hun wijs bestek, hem bij
-zijne voortreffelijke klei en marmer verleende.
-</p>
-<p>Zie toch van de kleine, platte phiale<a class="noteRef" id="xd30e1191src" href="#xd30e1191">7</a> zonder hengsels en voeten, tot aan den reusachtigen pithos<a class="noteRef" id="xd30e1194src" href="#xd30e1194">8</a>, <span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>die honderd amphoren wijns bevat, en toch slechts pottebakkerswerk is, heeft alles
-eene zekere netheid en sierlijkheid. Deze amphoren, met wijde buiken, met dubbele
-hengsels, deze hydriën<a class="noteRef" id="xd30e1199src" href="#xd30e1199">9</a>, deze reukfleschjes, met nauwen hals, waaruit de vloeistof slechts droppelsgewijze
-en met klokkend geluid vloeit, deze ontzaggelijke mengvaten, deze schepvaten, deze
-bekers, van allerlei vorm, zij zijn alle schoon.
-</p>
-<p>Geen enkel stuk is er onder, dat leelijk is, omdat het alleen voor het gebruik moest
-dienen, Ook het vaatwerk voor dagelijksch gebruik, ja zelfs het vat, waarin de Griek
-zijn wijn, zijn honig, zijn olie voor de spijzen, zijn olie, om zich te zalven, bewaart,
-is schoon. Het mist noch de bevallige evenredigheid en bekoorlijkheid, noch de goedberekende
-omtrekken.
-</p>
-<p>Wanneer men hier wandelt, gelooft men niet, dat men op eene markt en te midden van
-waren wandelt; want het schoone behoort niet alleen hem, die het betaalt, het doet
-ieder, die voorbijgaat, aangenaam aan, en wanneer de omgeving van den mensch den hartverheffenden
-stempel der schoonheid draagt, daar hebben allen aan alles deel en daar is in den
-besten zin het ideaal van goederengemeenschap verwezenlijkt.
-</p>
-<p>Wij zouden ook nog de zalfmarkt kunnen doorwandelen, en de kleerenmarkt, waar, met
-de inheemsche dracht modes van het buitenland, als mantels uit Megara, Thessalische
-hoeden, schoenen uit Amyclea<a class="noteRef" id="xd30e1206src" href="#xd30e1206">10</a>, en Sicyon<a class="noteRef" id="xd30e1209src" href="#xd30e1209">11</a> liefhebbers en koopers vinden. Het liefst wel zouden we de boekenrollen beschouwen,
-die daar meest in cylindervormige kasten ten toon staan. Gaarne zouden we de breede
-bladen van beschreven papyros ontvouwen, <span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span>die, om staven gewikkeld welke aan beide uiteinden met elpenbeenen of metalen knoppen
-versierd zijn, door ronde of gele perkamentbanden worden samengehouden. Maar het geschreeuw
-der roepers, het gedruisch van de markt is te groot, dan dat we ons zouden kunnen
-verdiepen in de boekenwijsheid der Atheners.
-</p>
-<p>Een kolenbrander uit Acharnae<a class="noteRef" id="xd30e1216src" href="#xd30e1216">12</a> en een marskramer uit Halimus prijzen om het hardst al rond loopende hunne waren
-aan. Bij hen sluit zich een derde aan, die de Atheners opwekt, zijne voortreffelijke
-lampenkousen te koopen. Weldra echter klinkt het van alle kanten: &#x201e;koopt olie!&#x201d; &#x201e;koopt
-azijn!&#x201d; en daartusschen maken stadsomroepers bekend, dat deze en gene waren gelost
-zijn, of kondigen den prijs aan, die er is uitgeloofd voor de ontdekking van een diefstal
-of het terugbrengen van een weggeloopen slaaf. Wat men echter in het marktgewoel mist,
-zijn de vrouwen. Geen Athener zendt zijne vrouw of dochter naar de markt. Hij stuurt
-zijn slaaf of hij gaat zelf in eigen persoon om inkoopen te doen voor het familiemaal.
-</p>
-<p>Maar woelt daar niet, bij den tempel van Aphrodite Pandemus<a class="noteRef" id="xd30e1221src" href="#xd30e1221">13</a> een tal van eigenaardig opgeschikte vrouwen? Zij behooren niet tot koopsters op de
-markt, maar tot de verkoopsters. Zij zijn verkoopsters en koopwaren tegelijk. Daaronder
-zijn fluitspeelsters en danseressen, die zich laten huren voor de symposiën der rijken,
-om vroolijke gasten te bekooren. Op de Agora staan ook wisseltafels, even goed als
-in den Piraeus, en de Athener deponeert zijn baar geld bij deze wisselaars en bankiers,
-om het naar behoefte in kleine sommen weder terug te nemen.
-</p>
-<p>De Athener heeft tallooze redenen om dagelijks minstens eenmaal de Agora te bezoeken,
-en wanneer hem ook eene oorzaak mocht ontbreken, dan <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>gaat hij er toch heen. Hij is door en door een gezellig wezen. Aanhoudende omgang
-met zijns gelijken is hem eene behoefte. Overal heerscht deze gezelligheid en spraakzaamheid:
-in de winkels, in de gaanderijen, in de baden, in de barbierswinkels, zelfs in de
-werkplaatsen der arbeidslieden, alleen niet in kroegen: deze kent de Athener ternauwernood,
-of laat ze over aan de heffe des volks.
-</p>
-<p>Wat beteekent die groote, gewapende troep lieden, die daar juist in het midden der
-bijna onafzienbare Agora zich geposteerd heeft? Dat zijn de duizend Scythische boogschutters,
-die als huurlingen de markt der Atheners, naar oud gebruik, bewaken, eene soort van
-stads- en politiewacht, in dienst van den Raad van Vijfhonderd. Deze zonen uit het
-verre Scythenland vermaken de Atheners door hun barbaarsch koeterwaalsch, zooals ze
-het Grieksch radbraken en door&#x2014;den onlesbaren dorst hunner kelen.
-</p>
-<p>Zij hebben stompe neuzen, en gezichten zonder uitdrukking, die ongunstig afsteken
-bij de prachtig gesneden gezichten en de trekken, vol uitdrukking, der inboorlingen.
-Die buitenlanders zijn plomp en onbehouwen; deze inboorlingen daarentegen zijn fijn
-gebouwd en alles is vuur en spier in hen.
-</p>
-<p>De bewegingen van genen schijnen hier traag en lomp, zelfs leelijk, als zij zich haasten;
-in de bewegingen van dezen is iets bevalligs, iets edels. Zelfs die kolenbrander uit
-Acharnae houdt zich recht en die marskramer uit Halimus, die zijn armoedig, linnen
-gewaad met moeite voor de volksvergadering van heden met wat krijt eenigen nieuwen
-glans heeft gegeven, ziet, terwijl hij zijne waren rondvent, met eene soort van trots
-om zich heen. Hij slaat, terwijl hij over de markt loopt, zijne armen heen en weer;
-doch zijn bovenlijf blijft in waardige rust. In de oogen van al deze mannen staat
-de spreekwoordelijk geworden &#x201e;Attische blik&#x201d; te lezen. Wat deze blik beduidt? Het
-is moeilijk te zeggen. De &#x201e;Attische blik&#x201d; is, als het geheele wezen der Atheners,
-een spiegel van zeer <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>verscheidene, beminnelijke en onbeminnelijke eigenschappen. Ieder oogenblik is deze
-Attische blik gereed in Attisch gekruid, bijtend, schertsend woord over te gaan. De
-Athener schijnt ernstig, maar uit zijn ernst springt onverwachts een sarkastisch gezegde,
-als de vonk uit den vuursteen. Hij heeft een aangeboren geestigheid en weet die te
-gebruiken.
-</p>
-<p>Midden door de drukte der Agora beweegt zich sedert eenigen tijd een man, wiens gewaad
-en statig uitzicht zekere welgesteldheid verraden, terwijl hij echter met de oogen
-van een onbekende rondom zich ziet. Hier en daar heeft hij zich naar een winkel begeven,
-heeft naar den prijs van deze en gene waren gevraagd, steeds echter scheen hij bezwaren
-te hebben, zooals dat met een vreemdeling pleegt te gebeuren.
-</p>
-<p>Juist gaat de marskramer van Halimus hem langzaam voorbij.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik kan niet wijs worden,&#x201d; zegt de vreemdeling tot den bandkramer, misschien aangemoedigd
-door den blik van nieuwsgierigheid of deelneming, welke deze op hem sloeg, &#x201e;ik kan
-niet wijs worden uit de bedoelingen van deze handelaars. Ik geloof dat men mij wil
-afzetten&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zijt gij dan een vreemdeling?&#x201d; vroeg de bandkramer.
-</p>
-<p>&#x201e;Ja zeker,&#x201d; hernam deze. &#x201e;Ik ben met mijne familie uit Sicyon gekomen en dat wel vóór
-pas weinige dagen. Ik denk mij hier te vestigen. Ik wil in &#x2019;t vervolg liever een vreemde
-te Athene zijn, dan burger te Sicyon, waar ik het van mijne vijanden hard te verduren
-gehad heb.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen de bandkramer van Halimus hoorde, dat deze man geen Atheensch burger, maar een
-vreemdeling was&#x2014;hij had hem voor een raadsheer aangezien&#x2014;hief hij &#x2019;t hoofd nog meer
-op en zeide met eene soort van welwillendheid:
-</p>
-<p>&#x201e;Vriend, wanneer u de waarde van onze munten en de prijzen onzer waren onbekend zijn,
-moet ge trachten die te leeren kennen en wel, als &#x2019;t <span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span>mogelijk is, van een eerlijk man.&#x2014;Zie hier,&#x201d; ging hij voort, terwijl hij een zeer
-klein, dun zilverstukje te voorschijn haalde en op de vlakke hand lei, &#x201e;zie hier,
-dat is Attisch zilver, zooals wij het daarboven uit Laurion<a class="noteRef" id="xd30e1245src" href="#xd30e1245">14</a> delven. In de geheele wereld vindt ge zulk fijn en zuiver zilver niet als dit. Dit
-muntstukje evenwel is ons kleinste zilvergeld, een halve obool, daarvoor kunt ge u
-een gemeene kaas of een leverworstje of een redelijk stuk vleesch koopen, zooals ge
-slechts met goeden eetlust kunt op-eten. Geeft ge een heelen obool, dan krijgt ge
-een vleeschmaaltijd, die kostelijk is toebereid. Voor vier obolen kunt ge een lekkeren
-zeevisch mee naar huis nemen. Hebt ge zes obolen bij elkaar, dat is zooveel als eene
-drachme, dan kunt ge daarvoor een grooter zilverstuk met het hoofd van Athene op de
-eene en den lauwrieren omkransten Attischen uil op de andere zijde inwisselen. Voor
-zoo&#x2019;n drachme krijgt ge nu een schotel goed toebereide zeeëgels; voor twee zulke drachmen
-een heel schepel gerstemeel, voor drie een schepel weit of eene Copaïsche aal en voor
-tien zulke drachmen kunt ge u een chiton koopen, als hij niet van al te fijne stof
-moet zijn. Hebt ge honderd drachmen bijeen, dan is dat eene mine, en voor anderhalve
-mine kunt ge u een slaaf koopen; voor drie minen een paard of een zeer klein huisje,
-wilt ge een grooter en beter hebben, dan moet ge stellig zestig minen besteden en
-dat maakt een talent uit.&#x2014;Ziet ge, op deze wijze kunt ge u allerlei lekkernijen en
-prachtige zaken te Athene voor weinig geld verschaffen. Wanneer u echter ook dit weinige
-ontbreekt, dan moet ge maar doen, als wij arme lieden: gij moet u eenvoudig voeden
-met onze inlandsche gerstekoeken en kunt daarbij op het hartige, inlandsche knoflook
-kauwen.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span></p>
-<p>Op dit oogenblik werd de spreker gestoord door den toon van eene geweldige stem, die
-over de markt klonk. Het was de stem van den heraut, die nu mondeling de schriftelijke
-oproeping aan de Atheners, welke voor het bouleuterion aangeplakt was, herhaalde,
-om zich op de Pnyx te verzamelen, er bijvoegende dat over een uur de vergadering zou
-geopend worden.
-</p>
-<p>Tegelijk werd er op de hoogte van de Pnyx eene groote vlag geheschen, welke als teeken
-der ophanden zijnde volksvergadering boven de stad wapperde, heinde en verre zichtbaar.
-</p>
-<p>Overal drong het volk om den heraut en er ontstond eene soort van gisting onder de
-menigte.
-</p>
-<p>Reeds van den vroegen morgen af waren de Atheners op de been en overal, waar zich
-menschen plachten te verzamelen, hoorde men een levendig gesprek, dat niet zelden
-zeer hoog liep. De stem van den heraut wakkerde het vuur van het politieke gesprek
-tot een nieuwen en helderder gloed aan.
-</p>
-<p>&#x201e;Achttienhonderd talenten moet de schat bedragen, die met het staatsschip van Delos
-is overgebracht!&#x201d; riep er een uit het midden van eene groep burgers.
-</p>
-<p>&#x201e;Drieduizend talenten zijn het!&#x201d; riep een tweede.
-</p>
-<p>&#x201e;Zesduizend!&#x201d; viel levendig een derde in. &#x201e;Zesduizend talenten zeg ik u, zijn van
-Delos overgekomen&#x2014;zesduizend talenten, baar geld.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoezee!&#x201d; riep een vierde en sprong op van blijdschap. &#x201e;Waar geld is, zegt het spreekwoord,
-daar blaast de wind lustig in de zeilen!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat de nieuwe gebouwen betreft,&#x201d; sprak een vijfde uit de groep met een bedenkelijk
-gezicht, &#x201e;vooral het nieuwe heiligdom van Pallas op den burg, daar heb ik vrede mee;
-maar wat het rechterloon betreft en vooral de gelden voor den schouwburg&#x2014;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat? Gunt gij die dan het volk niet?&#x201d; klonk eene stem uit de groep der arme burgers
-den spreker tegen.
-<span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Ja wel!&#x201d; hernam gene. &#x201e;Ik denk alleen, dat het voorstel niet door zal gaan. De oligarchen
-zullen het wel verhinderen. Tooneelgelden voor het volk? Dat zullen de vele Laconer
-vrienden niet toestaan. Neen stellig niet!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik geloof integendeel,&#x201d; meende een ander, &#x201e;dat de schouwburggelden gemakkelijk zullen
-doorgedreven worden, want de menigte volks is immers op Pnyx tegenover de oligarchen
-in de meerderheid. Maar wat betreft de bouwwerken en vooral den nieuwen tempel van
-Pallas Athene&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe?&#x201d; vielen verscheidenen den spreker in de rede, <span class="corr" title="Niet in bron">&#x201e;</span>wilt ge dat we niet bouwen zullen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat niet,&#x201d; hernam gene. &#x201e;Ik meen slechts&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Kom, wacht toch!&#x201d; viel hem iemand in de rede, &#x201e;laten we eerst Pericles hooren!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, bravo, laten we eerst Pericles hooren!&#x201d; klonk het in den kring. Alleen de worsthandelaar
-Pamphilus trok den neus op en zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Pericles en eeuwig Pericles! Moeten we dan altijd naar hem hooren?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom niet?&#x201d; gaf men hem ten antwoord, &#x201e;Pericles is verstandig&#x2014;Pericles meent het
-goed met ons&#x2014;Pericles is de man, aan wien de Atheners het vet op de soep te danken
-hebben&#x2014;Pericles is hier de eenige in Athene, van wien zijne medeburgers niets kwaads
-weten te zeggen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat?&#x201d; riep de dwarsdrijver; &#x201e;niets kwaads? zeggen dat niet alle ouderen van jaren
-dat hij in zijne trekken eene zekere gelijkenis heeft met Pisistratus, den tyran?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is waar,&#x201d; hernam Phamphilus. &#x201e;Ook heeft hij, wat niet allen bekend is, een zoogenaamden
-uienkop.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat? Een uienkop?&#x201d; riepen de toehoorders.
-</p>
-<p>&#x201e;Wel zeker, een uienkop!&#x201d; hervatte de ander. &#x201e;Weet toch,&#x201d; vervolgde hij geheimzinnig,
-&#x201e;dat de schoone, statige Pericles op zijn kruin een knobbeltje heeft, zoodat zijn
-hoofd eenigermate spits toeloopt, niet ongelijk aan een ui.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Malligheid!&#x201d; riepen de anderen. &#x201e;Heeft een uwer <span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>dezen uienkop van Pericles ooit gezien?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Niemand!&#x201d; vervolgde de andere levendig. &#x201e;Niemand heeft hem gezien! Dat is zeker.
-Maar hoe zou men ook den uienkop van Pericles kunnen zien? In het veld draagt Pericles
-zijn strategenhelm en ook in vredestijd bedekt hij, zooveel mogelijk, het hoofd daarmede.
-En waar het niet voegt, nu daar behelpt hij zich op eene andere wijze. Op het redenaarsgestoelte
-b.v. draagt hij den gebruikelijken myrthenkrans om het hoofd; en gewoonlijk heeft
-hij op straat den breedgeranden Thessalischen hoed op. En zoo is het volkomen waar,
-dat niemand nauwkeurig het hoofd van Pericles heeft gezien; maar juist omdat niemand
-het gezien heeft, ligt het vermoeden voor de hand, dat zijn hoofd een uienkop is;
-want wanneer het niet zoo ware, welke reden zou Pericles dan hebben, het zoo zorgvuldig
-te verbergen?&#x201d;&#x2014;&#x201e;Ja zeker, natuurlijk,&#x201d; zeiden vele toehoorders, met goedkeurend gebaar;
-&#x201e;het lijdt geen twijfel, dat Pericles&#x2019; hoofd een uienkop is.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wanneer dat zoo is,&#x201d; merkte lachend een van de oligarchische partij op, die zich
-in de groep bevond, met een spottenden, zijdelingschen blik op eenige armoedig gekleede
-mannen, die ook naar het gesprek luisterden: &#x201e;wanneer de volksvriend Pericles een
-uienkop heeft, dan mag hij dien wel goed bewaren, tegen de liefde van zijne beste
-vrienden en aanhangers, de uien- en knoflookkauwers.&#x201d; Sommigen lachten om de geestigheid
-van den oligarch. Maar onder de mannen, die de spottende, zijdelingsche blik getroffen
-had, bevond zich ook de marskramer uit Halimus. Het scheen dat er een bliksemstraal
-uit zijn donker oog schoot, hij balde de vuist en was op het punt den oligarch een
-scherp woord naar het hoofd te slingeren.
-</p>
-<p>Op dit oogenblik naderde hem een man, die &#x2019;t geen hij op de markt gekocht had, in
-de plooien van zijn gewaad droeg.
-</p>
-<p>&#x201e;Hei daar, Phidippides!&#x201d; riep een van hen hem <span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span>toe, &#x201e;hebt ge weer een half uur staan pingelen, oude schacheraar?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja zeker!&#x201d; hernam Phidippides: &#x201e;voor deze beide nietige vischjes vroeg het wijf twee
-obolen!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En ge kreegt ze ten laatste&#x2014;?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Voor één,&#x201d; hernam Phidippides met een grijnslach, doch voegde er aanstonds bij: &#x201e;ongetwijfeld
-deugt het goed niet, anders had het wijf het mij niet zoo goedkoop gelaten. Men wordt
-altijd bedot.&#x201d;
-</p>
-<p>De toehoorders lachten. &#x201e;Phidippides,&#x201d; vervolgde de man van zoo straks, &#x201e;gij zijt
-een kerel en weet van huishouden. Wat zegt gij van de verkwisting van Pericles, die
-nu hebben wil, dat wij den bondsschat, die hierheen gekomen is, voor allerlei loon-
-en tooneelgelden en voor een groot, prachtig heiligdom van Pallas op de Acropolis
-zullen besteden? Hebt gij daar niets tegen in te brengen, Phidippides?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Pallas Athene beware mij daarvoor!&#x201d; riep deze uit. &#x201e;Moge de zegen van alle Goden
-komen over het hoofd van onzen grooten en wijzen Pericles! Ik heb daar niets, niemendal
-tegen in te brengen, integendeel, ik zeg: wij moeten bouwen: het prachtige heiligdom
-van Athene op den burg moeten wij hebben, ook wanneer het al de bondsgelden te zamen
-zou verslinden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat? Gij zijt spaarzaam in uw eigen huis, gij ziet op een kruimel, en met de staatsgelden
-zijt gij zoo mild?&#x201d; vroegen eenigen.
-</p>
-<p>&#x201e;Ja zie,&#x201d; hernam Phidippides, &#x201e;in huis, daar loont het de moeite niet vrijgevig te
-zijn of op een weelderigen voet zich in te richten. Wanneer toch zijn we thuis? Wanneer
-veroorlooven de bezigheden het den Atheenschen burger thuis te zijn? Nu eens moet
-hij naar de markt, dan weer naar de volksvergadering, straks naar de vergadering zijner
-wijk of broederschap, dan weer eens naar het eene of andere gerechtshof of eene club,
-of naar den Piraeus of naar zijn land om naar de schapen te gaan zien&#x2014;wanneer dan,
-vraag ik, is <span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>de Atheensche burger thuis? De Atheensche burger behoort aan den staat en de staat
-behoort aan hem; daarom is het altijd mijne leus: zuinig aan den huiselijken haard,
-maar royaal en mild voor den staat, voor het algemeen! Wanneer ik mijn eigen huis
-verfraai, dan heb ik maar een korten tijd er plezier van en misschien brengt mijn
-zoon en erfgenaam het er weer door. Maar wat ik daarboven op de Acropolis help bouwen,
-dat blijft en dat laat ik na aan mijne verste nazaten!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Phidippides heeft gelijk!&#x201d; <span class="corr" id="xd30e1303" title="Bron: zeide">zeiden</span> de mannen, terwijl ze elkander met een goedkeurenden knik aanzagen.
-</p>
-<p>Maar de man van de oligarchische partij, die straks die aardigheid, ten koste van
-het volk veroorloofd had, verhief nu zijne stem opnieuw.
-</p>
-<p>&#x201e;Alles met mate,&#x201d; zeide hij. &#x201e;Men moet met de hand en niet met den zak zaaien. Als
-we geen maat houden, dan gaat de staat achteruit en het trotsche gebouw der Atheensche
-macht en grootheid komt smadelijk ten val!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Moge het u op den neus vallen!&#x201d; riep de nog altijd verstoorde marskramer van Halimus,
-terwijl hij den oligarch met de vuist dreigde.
-</p>
-<p>De omstanders lachten. Phidippides begon nu weer: &#x201e;Ziet toch eens de rijkste mannen
-van Athene. Zij weten wel, waarmede zij den grootsten roem kunnen behalen: niet door
-prachtige huizen voor zich te bouwen, maar door schepen voor den staat uit te rusten,
-door koren uit de openbare schouwspelen op hunne eigen kosten op te voeren en andere
-dergelijke dingen te doen, waartoe de wet hen wel verplicht, maar waarin zij onder
-elkander een roemrijken wedijver aan den dag leggen, door meer te doen, dan wat van
-hen gevorderd wordt. Is er iets, waarvoor zij hun rijkdommen liever besteden, dan
-hiervoor, hoewel zij er slechts den glans van den staat door opluisteren, terwijl
-zij zich zelven bijna tot armoede brengen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Inderdaad,&#x201d; viel de oligarch in, &#x201e;zoo handelen de rijken. Ongelukkig echter komt
-het thans bij <span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span>die diensten meer op uiterlijken praal aan, dan op het degelijke en waarlijk belangrijke.
-De Triërarchen gaan dikwijls aan boord, zonder zich voor hunne manschappen van iets
-anders dan van meel, uien en kaas te hebben voorzien. Zij echter, die een koor voor
-een treurspel op hunne kosten inrichten en opvoeren, kweeken deze choreuten<a class="noteRef" id="xd30e1314src" href="#xd30e1314">15</a> tot ontwikkeling en behoud hunner stem een geruimen tijd op met allerlei zoetigheden
-en lekkernijen, en moeten het bovendien nog verdragen, wanneer hun koor in een wedstrijd
-overwonnen wordt, dat ze uitgelachen en beschimpt worden. Deze gewoonten zullen ons
-verwijfd maken. We moesten toch een weinig meer acht geven op het voorbeeld der mannelijke,
-krijgshaftige Spartanen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hij is een vriend der Laconiërs!&#x201d; riepen sommigen uit den kring op spottenden toon.
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, zeker een vriend der Laconiërs!&#x201d; zeide de oligarch. &#x201e;Ik herhaal het, wij moeten
-het voorbeeld der Spartanen navolgen, anders zal onze heerlijkheid niet lang duren,
-vooral als wij voortgaan met de teugels van den staat hoe langer zoo meer in de handen
-van onbemiddelde, hongerige, omkoopbare lieden uit het volk te laten glijden.&#x201d;
-</p>
-<p>De marskramer van Halimus, die uit de verte toehoorde, balde bij deze woorden van
-den oligarch op nieuw de vuist. Met moeite bracht hem een zijner kameraden tot bedaren.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik heb verleden nacht een wonderlijken droom gehad,&#x201d; ving thans een uit den kring
-der mannen aan, &#x201e;en ik zou wel willen weten, wat die beteekende. Ik zag eerst een
-groote duisternis rondom mij uitgebreid. Toen zag ik een man komen&#x2014;hij had de trekken
-van Pericles&#x2014;en eene fakkel ontsteken, die steeds grooter werd, totdat zij ten laatste
-als eene gloeiende zon van den hemel glansde. Toen schitterde alles rondom in een
-helder daglicht. Maar die reusachtige fakkel begon juist door <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>hare heete stralen weer dampen uit de aarde tot zich te trekken&#x2014;deze werden al dichter
-en somberder en pakten zich samen tot wolken, en ten laatste verdween de fakkel geheel
-en al achter deze en werd het weer even donker als te voren. Het was eene zeldzame
-afwisseling van licht en duisternis. Zou deze droom ook een onheil beteekenen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Niet alle droomen zijn door de Goden gezonden,&#x201d; hernam een der toehoorders.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij dwaalt,&#x201d; zei de oligarch. &#x201e;Droomen hebben steeds eene beteekenis. Ik zelf ben
-eens gered door een waarschuwenden droom, toen ik mij op een schip wilde begeven,
-dat later met man en muis in de golven verdween. De Goden hebben niet gewild, dat
-ik op zulk eene wijze zou omkomen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Misschien wilden zij, dat gij gehangen werd!&#x201d; schreeuwde de kramer van Halimus, die
-zijn lang ingehouden toorn niet meer kon bedwingen.
-</p>
-<p>De oligarch wierp een donkeren blik op den man, die zóó gesproken had. Het scheen,
-dat hij den vermetelen spotter het duur betaald wilde zetten.
-</p>
-<p>Maar toen hij in den kring rondzag, las hij op de gezichten, dat men het met den spotter
-eens was, en daar deze zoo strijdlustig op hem toetrad, alsof hij hem met zijne krachtige
-vuisten te lijf wilde, achtte hij het wijzer in het gedrang van het volk te verdwijnen.
-Het volk zette zich in beweging om den weg naar den heuvel der Pnyx in te slaan, want
-het uur van de volksvergadering was gekomen.
-</p>
-<p>Ook de marskramer van Halimus sloot zich daarbij aan. Nog steeds gloeiend van toorn
-tegen den oligarch. De <span class="corr" id="xd30e1332" title="Bron: Sicyonier">Sicyoniër</span> liep in zijne nabijheid. &#x201e;Hebt ge gehoord,&#x201d; sprak hij, zich tot hem wendende, &#x201e;wat
-zoo&#x2019;n schurk van een oligarch zich nog in Athene veroorlooft? Het gemeene volk te
-verachten! Een van ons te verachten, omdat men arm is&#x2014;alsof wij daarom minder Atheensche
-burgers waren! &#x2019;t Is waar, ik ben slechts <span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span>een marskramer en mijne vrouw heeft zich in den grootsten nood een paar maal als min
-moeten verhuren. Maar de wet verbiedt uitdrukkelijk, dat men een Atheensch burger,
-wanneer hij uit armoede een eerlijk beroep uitoefent, dit voor de voeten werpt. En
-bij Pallas, ik ben een Atheensch burger, zoo goed als iemand anders, al woon ik ook
-niet in de Tripodenstraat, maar in een nederig voorstadje aan de bocht van Phaleron.
-Nu, ik denk maar, het is beter, met de mars op den rug zijn kost te zoeken, dan zooals
-zij leven, die liever verhongeren willen dan werken, maar het toch niet beneden hunne
-waardigheid achten, als tafelschuimers de borden van andere menschen af te likken
-of rond te gaan en te loeren, of soms ergens iemand zich willens of wetens aan eene
-van de tallooze wetten van Athene vergrijpt, om hem te kunnen aanklagen en van de
-geldboete, waartoe hij veroordeeld wordt, zijne bepaalde portie af te strijken. Houden
-zij het voor eene eer als <span class="corr" id="xd30e1337" title="Bron: parisiet">parasiet</span><a class="noteRef" id="xd30e1339src" href="#xd30e1339">16</a> of sycophant<a class="noteRef" id="xd30e1344src" href="#xd30e1344">17</a> te leven, wel bekome het hun. Ik echter acht mij veel beter dan hen, en wie met mij
-den spot wil drijven, hij kome op: daar sta ik en vrees niemand, ik, de marskramer
-van Halimus. Ik vervul mijn burgerplicht zoo goed als iemand: ik doe wat brood en
-uien in mijn ransel en sta dan welgemoed den ganschen dag op de Pnyx ten dienste van
-mijn vaderland. Ik dank den Goden, dat ik Athener geboren ben; en wanneer ik zoo op
-den vroegen morgen van Halimus naar de stad wandel en de Acropolis in den glans der
-morgenzon mij zie toelachen en de reusachtige Athene Promachos mij schijnt te wenken
-en te zeggen: &#x201e;Ook gij zijt een mijner zonen!&#x201d; dan gaat mijn hart open en in stilte
-breng ik mijn dank aan Theseus, dat hij ons, kinderen van het Attische land, allen,
-onverschillig of wij in <span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span>de stad of in de landelijke wijken wonen, in den tijd onzer voorvaderen, tot één staat
-heeft vereenigd. Want dit moet gij overige Grieken toch toegeven, dat evenals steden
-van dorpen verschillen, zoo ook ons Athene zich van alle overige Grieksche steden
-onderscheidt. Wij Atheners zijn nu eenmaal autochthonen<a class="noteRef" id="xd30e1350src" href="#xd30e1350">18</a> en hebben onbetwist het zuiverste, meest onvermengde Hellenenbloed in de aderen.
-Gij begrijpt echter tevens, dat het niet weinig beteekent, een staat als deze, als
-burger mede te helpen regeeren en besturen. Het heeft mij in de laatste dagen heel
-wat hoofdbrekens gekost om te overleggen, in hoeverre men de voorstellen van den strateeg
-Pericles moet ondersteunen. Pericles is verstandig, zeer verstandig en ik ben zeer
-ingenomen met het overbrengen van de bondskas van Delos naar Athene: eveneens met
-het besteden der gelden ten bate van het volk en met den nieuwen tempel van Athene
-op den burg. Maar wij burgers kunnen van den anderen kant maar niet zoo grif alles
-toegeven, alsof het zoo zijn moest&#x2014;wij moeten altijd laten merken, dat wij de baas
-zijn en dat wij te beslissen hebben, wij het volk, en dat wij eene volksregeering
-hier in Athene hebben.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo sprak de marskramer van Halimus, in het bewustzijn dat hij een Atheensch burger
-was, tot zijn nieuwen makker uit Sicyon. Toen ging hij naar den winkel van zijn vriend,
-den barbier Sporgilus, liet zich door hem kin en wang glad scheren, om er onder zijne
-medeburgers in de volksvergadering netjes uit te zien; tevens gaf hij Sporgilus zijne
-mars, om die te bewaren, tot hij van de volksvergadering zou zijn teruggekomen.
-</p>
-<p>Inmiddels was door eene troep Scythische boogschutters, aangevoerd door een der zoogenaamde
-Lexiarchen, om de Agora een touw gespannen, zoo, dat alleen die straat vrij bleef,
-welke naar den <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>heuvel der Pnyx leidde&#x2014;een oud gebruik, waarvan de strekking was, om de Atheners,
-die gaarne op de markt pratende den tijd vergaten, aan den weg te herinneren, dien
-zij moesten inslaan. En daar het touw met menie bestreken was, om hen, die er over
-heen sprongen rood te verven, zoo liep de achterblijver groote kans zich aan gelach
-der spottende menigte bloot te stellen.
-</p>
-<p>De marskramer sloeg met de menigte zijner medeburgers den weg naar de Pnyx in. De
-kameraad bleef aan zijne zijde, begeerig nog een en ander van hem te zullen hooren.
-Tot aan de afsluiting van de plaats der volksvergadering mocht hij hem slechts vergezellen.
-</p>
-<p>De heuvel der Pnyx is de middelste van de drie, die aan de westzijde van de stad zich
-uitstrekken. In het noordwesten scheidt hem eene kloof van van den zoogenoemden Nymphen-heuvel,
-ten zuiden eene nog diepere kloof, waardoor een in de rotsen gehouwen rijweg loopt,
-van den Museum-heuvel, die het hoogst zich verheft in de groep van steile hoogten.
-Ten noorden en zuiden loopt de heuvel vrij glooiend naar de vlakte af, op de oostelijke
-helling echter, in de richting van de Acropolis, omgeeft een steil muurterras, in
-een halven cirkel, den grond, verbreedt de oppervlakte van den heuvel en maakt zijne
-oneffenheden glad. Trappen in de rotsen uitgehouwen, en door kunst gebaande wegen
-voeren tot deze deels door de natuur, deels door menschenhanden gemaakte hoogvlakte
-heen, die in overoude tijden het in rotsen uitgehouwen altaar van den oppersten God
-droeg.
-</p>
-<p>De bandkramer van Halimus en zijn vriend uit Sicyon hadden de hoogte bereikt. De slagboomen
-waren geopend, doch aan den ingang stonden de Lexiarchen, ten getale van zes, ambtenaren
-met de lijsten der Atheensche burgers in de handen, om te zorgen dat geen onbevoegde
-in de vergadering van burgers binnensloop. Dertig helpers stonden hun ter zijde.
-</p>
-<p>Het volk stroomde het wijde, omheinde perk <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>binnen, waarover alleen de blauwe hemel zich welfde. De marskramer hield echter den
-vreemdeling, die voor de omheining moest blijven, nog een oogenblik gezelschap. Met
-nieuwsgierige blikken keek de Sicyoniër over de heining heen naar de ruimte, die zich
-met de dichte massa&#x2019;s van het aandringende volk vulde. Hij zag den achtergrond van
-den heuvel door een rotswand afgesloten, waaruit een hooge steen zich verhief, in
-den vorm van een dobbelsteen. Deze vierkante steen was het spreekgestoelte, van waar
-de redenaars tot het volk spraken. Van beide zijden voerde een smalle trap daarheen.
-In oude tijden was deze plaats een heiligdom, deze dobbelsteen het altaar van den
-oppersten Zeus geweest. Tegenover het spreekgestoelte strekten zich achter elkaar
-een aantal steenen banken uit, waarop een deel der vergaderden plaats konden nemen.
-</p>
-<p>Nadat de vreemdeling deze dingen had beschouwd, keerde hij zich om en liet zijn blik
-van de hoogte van den ruimen heuvel over de stad wijden. Hij zag vóór zich de geheele
-stad der Atheners, in een kring om den heiligen berg der Acropolis gelegen, die op
-geringen afstand juist tegenover de Pnyx zich verhief. De aderen der op elkaar gestapelde
-rotsbrokken fonkelden in de stralen der zon. Ter linkerzijde van den berg der Acropolis
-verhief zich, wel veel onaanzienlijker maar als een reusachtig gehouwen rotsblok opdoemend,
-de Aresheuvel, de gewijde plaats van den Areopagus, met het oude, huiveringwekkende
-heiligdom der Eumeniden<a class="noteRef" id="xd30e1368src" href="#xd30e1368">19</a>.
-</p>
-<p>Steeds sterker werd het gedrang des volks ter plaatse, waar de Lexiarchen stonden,
-bij den ingang. Levendig vertoonde zich ook hier, evenals op de Agora, de aard der
-Atheners. Ieder oogenblik weerklonken de kreten van den Lexiarch: &#x201e;Vooruit, Eubulides!
-praat niet zoo lang bij den slagboom!&#x201d; <span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span>&#x201e;Bedaard, Charondas! blijf niet staan in het gedrang. Maak plaats voor de volgenden!&#x201d;
-</p>
-<p>De marskramer van Halimus drong ter zijde, om zonder dat de strenge ambtenaars het
-bemerkten, zijn nieuwsgierigen vriend uit Sicyon in het gedrang der toestroomenden
-enkele personen te wijzen, die hem tot de eene of andere aanmerking aanleiding gaven.
-</p>
-<p>&#x201e;Ziet ge,&#x201d; zeide hij, &#x201e;daar ginds de beide mannen, met hun lange ongekamde baarden
-en hunne sombere gezichten, met die korte en grove mantels en een dikken stok in de
-hand? Hunne ooren staan plat tegen het hoofd gedrukt, alsof ze iederen dag elkander
-met hunne ijzeren vuisten om het hoofd sloegen. Zij zien er uit als athleten, die
-minstens eenmaal reeds in Olympia hebben gezegevierd. Dat zijn die menschen, welke
-wij Laconisten plegen te noemen, weet ge, die met Sparta dweepen en hier gaarne alles
-zoo zouden willen zien, als het daar is&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>Weder stootte de kramer zijn kameraad aan: &#x201e;die daar is Phidias&#x2014;Phidias, de beeldhouwer,
-die de groote Athene Promachos op den burg heeft gemaakt&#x2014;de schaar, die hem omstuwt,
-zijn zijne jongeren, zijne leerlingen en helpers&#x2014;die stemmen allen voor Pericles.&#x201d;
-</p>
-<p>Nu naderden de prytanen. De marskramer wees ze zijn makker. Maar weldra stootte hij
-hem harder aan: &#x201e;Zie daar, dat is Pericles! De strateeg Pericles!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En die hem vergezellen?&#x201d; vroeg de Sicyoniër.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat zijn ook strategen,&#x201d; hernam de marskramer.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe heeten zij?&#x201d; vroeg hij.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat mogen de Goden weten!&#x201d; antwoordde de kramer. &#x201e;Ik geloof, dat er tien strategen
-te Athene zijn, maar wij kennen alleen Pericles.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En de eerwaarde mannen, die daar met zoo deftige stap naderen?&#x201d; vervolgde de Sicyoniër.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat zijn de negen Archonten!&#x201d; zeide de marskramer.
-<span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Zijn deze niet,&#x201d; hernam de Sicyoniër, &#x201e;van alle overheidspersonen bij u het meest
-in aanzien?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja wel in aanzien,&#x201d; hernam de marskramer, &#x201e;maar toch wij stellen de strategen hooger.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe zoo?&#x201d; vroeg hij.
-</p>
-<p>&#x201e;Omdat wij daartoe onze beste koppen kiezen,&#x201d; antwoordde de kramer met een beteekenend
-gezicht. &#x201e;Bij de Archonten zien wij op ouderdom, onbesmetten naam en een eerwaardig
-uiterlijk. Groote eer geniet zulk een Archont, zeer groote eer, dat valt niet te ontkennen;
-zijn persoon wordt bijna voor heilig geacht. Daarom echter ziet het er erg voor hem
-uit, als zijn ambtsjaar om is en wij niet heel te vreden met hem geweest zijn. Wij
-veroordeelen hem&#x2014;raad eens waartoe? Om een levensgroot standbeeld uit zuiver goud
-den God te Delphi te wijden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Een levensgroot standbeeld uit zuiver goud?&#x201d; riep de Sicyoniër verbaasd uit, &#x201e;dat
-kan immers niemand betalen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Juist daarom!&#x201d; hernam de marskramer. &#x201e;Een schuldenaar van den staat, die niet betalen
-kan, wordt volgens onze wet burgerlijk met eerloosheid gestraft. Zulk een Archont
-blijft derhalve zijn geheele leven lang eerloos. En te recht. Heeft hij vroeger groote
-eer genoten, zoo moet hij nu ook groote schande daarvoor dragen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wie is toch die lamme, kreupele, met lompen bedekte man, met den bedelzak op den
-schouder, die daar met allerlei dolle gebaren bij den ingang de volksvergadering tracht
-binnen te dringen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dien kwaadaardig grijnzenden bedelaar, meent ge?&#x201d; sprak de bandkramer. &#x201e;Dat overal
-bekende menschenkind is als slaaf in een proces van zijn heer gefolterd geworden en
-van dien tijd af kreupel gebleven; hij heeft er ook zijn verstand half bij verloren
-en begaat nu, als bedelaar rondzwervende, de dwaasheid, zich overal in te dringen,
-waar Atheensche burgers verzameld zijn, op de markt, op de Pnyx en waar niet al. Steeds
-wordt hij <span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span>hier door de Lexiarchen geweerd; dan antwoordt hij hen met smaadredenen en scheldt
-op het geheele Atheensche volk, waarvoor hij dikwijls slaag heeft gekregen of zelfs
-met steenen is geworpen, wanneer de jonge beeldhouwer Socrates hem niet in bescherming
-neemt, die zich gaarne over den &#x201e;dollen Meno&#x201d;&#x2014;zoo noemt men hem&#x2014;ontfermt en dien gij
-ook nu weder in zijne nabijheid ziet.&#x201d;
-</p>
-<p>Thans werd de vlag ingehaald, die van de hoogte der Pnyx den Atheners de ophanden
-zijnde volksvergadering had aangekondigd. Dat inhalen was een teeken, dat de vergadering
-geopend was. Nu haastte zich ook de kramer van Halimus de omheining binnen te gaan,
-terwijl hij met een mengeling van trots en medelijden van den Sicyoniër afscheid nam,
-die voor den slagboom moest achterblijven. Als het getjilp van een vol vogelnest klonken
-de verschillende stemmen der Atheners, die zich de groote ruimte binnen drongen.
-</p>
-<p>Thans gebood de heraut stilte; zijn krachtige stem klonk heinde en ver over de heuvels.
-En het werd stil.
-</p>
-<p>De Sicyoniër was blijven staan, waar hij straks het gesprek met den kramer uit Halimus
-had gevoerd, en nam, zoo goed dit uit de verte mogelijk was, waar, hetgeen daarbinnen
-die wijd uitgestrekte ruimte, door eene dicht opeengedrongen menschenmassa gevuld,
-geschiedde. Zijne standplaats was iets hooger, zoodat hij over de hoofden der menigte
-kon heenzien.
-</p>
-<p>Hij zag, hoe thans, nadat de stilte was hersteld, een varken, als reinigingsoffer
-geslacht, onder begeleiding van een priester werd rondgedragen, en dat met het bloed
-daarvan de grond en de banken werden besprenkeld. Vervolgens zag hij, hoe een helder
-vuur werd ontstoken en dat het eigenlijke brandoffer werd gebracht. En opnieuw vernam
-hij de stem van den heraut, die de Goden plechtig aanriep. Hij zag, hoe uit het midden
-der Prytanen er een opstond, hoe de Atheners naar het <span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>voorlezen van een geschrift luisterden, dat ongetwijfeld de aan het volk gedane voorstellen
-van den strateeg Pericles en de toelichtingen van den Raad bevatte, hoe toen wederom
-de heraut zich verhief, om te vragen, wie over dit voorstel het woord verlangde; hij
-zag, hoe nu de redenaars het spreekgestoelte beklommen en hoe zij, naar oud gebruik,
-zich den myrthenkrans op het hoofd zetten, als zij tot het volk spraken; hij zag hoe
-het volk zijne goed- of afkeuring te kennen gaf, nu eens met ingehouden adem luisterde,
-dan onrustig werd, eerst zacht, als een korenveld; dat door een lichten wind gebogen
-wordt, dan weder onstuimig opbruisend, daverend en trillend, als een bergwoud, dat
-door den storm wordt gezweept, zoodat de heraut op den wenk van den eersten der Prytanen
-stilte moest gebieden; hij zag hoe soms de strijd der meeningen in de volksmassa tot
-een handenstrijd dreigde te ontaarden, hoe hier een man uit het volk dreigend de vuist
-tegen een oligarch balde, daar een vriend der Laconiërs den knoestigen stok onder
-luide verwenschingen tegen de volksmannen ophief; hij zag nu de groote volksmassa,
-als een eenig man, jubelend hare goedkeuring betuigen, terwijl de oligarchen morden
-of verstoord zwegen; dan zag hij weder dezen, door gelaatstrekken, gebaren en uitroepen
-hunne tevredenheid aan den dag leggen, genen daarentegen in kreten luide hunne afkeuring
-lucht geven.
-</p>
-<p>Zoo gingen onder eene stormachtige beweging van meeningen en gemoedsstemmingen eenige
-uren voorbij.
-</p>
-<p>Thans zag de Sicyoniër den strateeg Pericles, die reeds vroeger enkele woorden tot
-het volk had gesproken, opnieuw het redenaarsgestoelte beklimmen. Wederom heerschte
-er eene volkomene stilte onder de schare der Atheners.
-</p>
-<p>Rustig en waardig verhief zich de gestalte van den man, dien zij den Olympiër noemden,
-te midden van het volk. Hij maakte geene levendige gebaren; zijne hand hield hij rustig
-in zijn opperkleed. <span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span>Maar zijne stem klonk op doordringenden, overweldigenden toon over de hoofden heen
-der luisterende schare. &#x2019;t Geluid dier stem drong door tot den Sicyoniër, die zonder
-zelfs de woorden te verstaan, als door eene betoovering bevangen naar de klanken luisterde,
-die zoet en liefelijk waren als het suizen van den westenwind en toch krachtig, als
-de rollende donder in de lucht.
-</p>
-<p>Plotseling zag de Sicyoniër Pericles de rechterhand uit zijn oppergewaad te voorschijn
-halen en ze recht vóór zich uitstrekken, heenwijzende naar de naburige, zich tegenover
-hem verheffende hoogte van de Acropolis.
-</p>
-<p>Bij deze beweging van Pericles wendden al de duizenden Atheners hunne hoofden en blikken
-in de richting der uitgestrekte hand van den redenaar, naar de heilige hoogte van
-de Acropolis, die schitterde in de stralen der zon. De Sicyoniër deed eveneens. Het
-was alsof die heilige hoogte steeds schitterender straalde, alsof zij door een nieuwen,
-geheimzinnigen glans was omgeven. De geheimzinnige glans echter, die van de Acropolis
-afstraalde, scheen zich in de oogen der onafgewend starende Atheners af te spiegelen.
-Het was als zagen zij daar bij den klank van Pericles&#x2019; stem voor de oogen van hun
-geest iets opstijgen, wat voor hunne zinnelijke oogen nog niet zichtbaar was. Het
-scheen alsof de berg zich met een tooverkrans sierde, die vele heerscherskronen zou
-overleven en vele menschengeslachten voorbij zou zien gaan en in heerlijken luister
-rustig zou blijven schitteren tot aan het einde der dagen.
-</p>
-<p>De luisterende Sicyoniër hoorde de donderende woorden van den Olympiër wegsterven;
-hij zag hoe de redenaar den krans van het hoofd nam, hoe hij van het spreekgestoelte
-afsteeg onder de jubelende kreten der Atheners, hoe de voorzittende Prytaan het volk
-tot stemmen uitnoodigde, hoe dit door het opsteken der handen die uitnoodiging beantwoordde,
-hoe de uitslag bekend werd gemaakt en hoe ten laatste op een wenk van den Prytaan
-<span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span>door den heraut het einde der vergadering werd aangekondigd.
-</p>
-<p>Het volk stroomde terug door de geopende slagboomen. In eene opgewekte stemming daalde
-het de helling van de Pnyx af. Met belangstelling ijlde de Sicyoniër zijn vriend Halimus
-te gemoet en riep hem reeds uit de verte toe:
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe is het afgeloopen, kameraad?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wij hebben alles toegestaan!&#x201d; riep de man uit Halimus met fonkelende oogen.
-</p>
-<p>&#x201e;Wij hebben eerst de oligarchen en Laconer-vrienden overstemd,&#x201d; ging hij voort, &#x201e;en
-de krijgssoldij, het rechterloon en de tooneelgelden toegestaan. Stel u de blijdschap
-van het arme volk voor, toen wij, ten spijt der oligarchen, voor ons zelven al deze
-schoone zaken hebben weten te verkrijgen! En wat het nieuwe, prachtige heiligdom van
-Pallas op den burg betreft, benevens het achterhuis voor den staatsschat en met het
-groote beeld van Pallas en de drie dubbele prachtige gaanderijen, door welke de feestelijke
-optocht der Panathenaeën voortaan de Acropolis zal betreden, waarvan het plan reeds
-door Phidias ontworpen is, zoo is er niet één Atheensch burger onder allen, die daar
-thans in de vergadering zijn geweest, die niet de helft zijner bezitting zou willen
-geven, wanneer nu reeds de prachtige tempel voltooid op de hoogte stond, zooals Pericles
-dien ons geschilderd en, ik zou haast zeggen, met den vinger getoond heeft. Slechts
-eenigen van die mannen met lange baarden en dikke Laconische knuppels&#x2014;gij kent ze
-wel&#x2014;maakten zwarigheden: er was al zoo veel gebouwd; met de nieuwe worstelschool en
-het Odeon<a class="noteRef" id="xd30e1425src" href="#xd30e1425">20</a> was men ook al reeds begonnen; men kon met den grooten marmeren tempel op den burg
-nog best wat wachten; het bouwen zou ontzettende sommen verslinden. Toen echter trad
-Pericles op.
-<span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Wanneer gij Atheners,&#x201d; sprak hij, &#x201e;dit heerlijk werk naar het plan van Phidias en
-Ictinus niet volvoeren wilt op staatskosten, dan hebben reeds Hippias en Hipponicus
-en Dionysodorus en Pyrilampes en vele andere der rijkste mannen uit Athene de gelofte
-gedaan, den bouw op eigen kosten te volbrengen en dan zullen deze mannen, niet het
-Atheensche volk, den roem daarvoor inoogsten tot in de verste tijden!&#x201d; Dit was genoeg.
-Gij kunt u voorstellen, hoe wij ons haastten onder luide kreten de handen op te steken
-en toe te staan, wat Pericles en Phidias wilden. En verbeeld u, terwijl wij juist
-met den grootsten ijver onze bijvalsbetuigingen doen hooren, treedt Phidias op, door
-Pericles geroepen, om ons de kosten van den bouw en het beeldwerk uiteen te zetten,
-en zegt: &#x201e;Uit ivoor en goud zal mijne Pallas Athene zoo en zooveel kosten; uit marmer
-of brons echter slechts zooveel.&#x201d;&#x2014;Toen klonk het van alle kanten; &#x201e;uit goud en ivoor!
-Geen karigheid, Phidias; ga dadelijk aan den arbeid!&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo vertelde de Athener uit het volk onder levendige gebaren aan zijn nieuwen vriend
-uit Sicyon.
-</p>
-<p>Geheel Athene was in eene soort van opgewondenheid, die de van de Pnyx komenden overal
-verspreidden.
-</p>
-<p>Fier als een koning, droomende van tooneelgelden, openbare spelen, prachtige tempels,
-schatkamers, gouden en ivoren beelden en zich over dit alles verheugende, als stond
-het reeds voltooid daar en als ware het eene versiering van zijn eigen huis, ging
-de marskramer van Halimus door de Zuiderpoort naar zijne woning. Hij vertelde aan
-allen, die hij ontmoette, wat op de Pnyx was behandeld, en begroette, toen hij in
-zijn vlek gekomen was, zelfs zijne bruine vrouw, die hem op den drempel van zijn huis
-met haar kind op den arm te gemoet trad, plechtig met de woorden: &#x201e;Wij hebben alles
-toegestaan!&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e1139">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1139src">1</a></span> Eig. de &#x201e;Aresheuvel&#x201d; de plaats, waar het hoogste gerechtshof van Athene zitting had.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1139src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1144">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1144src">2</a></span> Een kwartier van Athene, ook de straat, die naar de Acropolis voerde. &#x201e;Kerameikos&#x201d;,
-zooals het Grieksch luidt, beteekent eigenlijk pottebakkersmarkt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1144src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1149">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1149src">3</a></span> Een vlek in Attica, beroemd door de prachtige tragedie van Sophocles: Oedipus <span class="corr" id="xd30e1151" title="Bron: Coloneus">Coloneüs</span>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1149src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="n76.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n76.1src">4</a></span> Tholus beteekent een rond gebouw, ook dat gebouw, waarin te Athene de Prytanen (d.
-z. vijftig raadsleden van den raad der Vijfhonderd, die afwisselend voorzaten) spijzigden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n76.1src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1174">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1174src">5</a></span> Megara was de hoofdstad van het landschap Megaris in Midden-Griekenland, eene goed
-bevolkte, sterke stad, niet verre van de zee, door twee lange muren aan zijne zeehaven
-Nisaëa verbonden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1174src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1183">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1183src">6</a></span> Maaltijd, drinkgelag.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1183src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1191">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1191src">7</a></span> Eene schaal, vooral eene drinkschaal.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1191src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1194">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1194src">8</a></span> Een groote kruik of aarden vat, waarin de wijn bewaard werd, wijd van opening, waaruit
-de wijn geschept werd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1194src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1199">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1199src">9</a></span> Een wateremmer of kruik.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1199src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1206">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1206src">10</a></span> Eene stad in Laconië (Peloponnesus), aan den oever van den Eurotas, twintig stadiën
-zuidoostelijk van Sparta gelegen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1206src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1209">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1209src">11</a></span> Sicyon (ook Secyon geheeten) eene zeer oude stad op de noordkust van de Peloponnesus.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1209src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1216">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1216src">12</a></span> Een wijk, vooral door kolenbranders bewoond. Aristophanes, de bekende Grieksche blijspeldichter,
-schreef eene comedie tot titel hebbende &#x201e;de Acharners&#x201d;.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1216src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1221">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1221src">13</a></span> Men onderscheidt de Aphrodite Pandemus, d.i. de zinnelijke liefde, en de Aphrodite
-Urania d.i. de hemelsche, de geestelijke liefde.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1221src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1245">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1245src">14</a></span> Laurion, een zuidelijke tak van den Hymettus, Z.&nbsp;O. van Athene, tot het voorgebergte
-Sunion zich uitstrekkend, was beroemd om zijne zilvermijnen, welker opbrengst onder
-de burgers placht verdeeld te worden, totdat ze, op voorstel van Themistocles, tot
-het bouwen van oorlogsschepen werden gebezigd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1245src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1314">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1314src">15</a></span> Choreuten zijn de koordansers. Choros was een der twee deelen van het oudste theater;
-het beteekent de dansplaats. &#x2019;t Werd ook orchestra geheeten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1314src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1339">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1339src">16</a></span> Eigenlijk beteekent het &#x201e;medespijzend&#x201d;, iemand die met den priester mede eet van het
-offermeel, <abbr title="XX">v.d.</abbr> een tafelschuimer.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1339src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1344">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1344src">17</a></span> Eigenlijk hij, die zelfs om het stelen van eene vijg iemand aanklaagt, die het geringste
-zelf aanbrengt, v.d. een valsche aanklager, eene verachtelijke klasse van menschen,
-doch in Athene zeer talrijk in den tijd, waarin dit verhaal voorvalt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1344src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1350">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1350src">18</a></span> Onder Autochthonen verstaat men de oorspronkelijke bewoners van een land die niet
-van elders overgekomen zijn, de inboorlingen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1350src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1368">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1368src">19</a></span> Eumeniden beteekent eigenlijk de welwillenden, de genadigden; zij komen overeen met
-de Erinyen (Furiën), de zusters der Godinnen van het noodlot, de dienaressen van de
-gerechtigheid en de wreeksters van iedere misdaad.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1368src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1425">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1425src">20</a></span> Odeon (Odeion) is eigenlijk eene plaats om te zingen; te Athene een openbaar gebouw,
-tot muzikale uitvoeringen bestemd, dat tevens echter voor volksvergaderingen en gerechtshof
-werd gebezigd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1425src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">IV.</h2>
-<h2 class="main">DE PANSGROT.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Hoog en breed, in ongestoorde helderheid, welfde zich de hemel des vredes over de
-stad der Atheners. Hun roem wies zichtbaar en hun macht scheen geen mededinger meer
-te durven trotseeren. Gedreven door een onwederstaanbaren aandrang en met eene haast,
-als vreesden zij het rechte tijdstip te verzuimen, gingen de Atheners de plannen van
-Pericles en Phidias ten uitvoer leggen. Uit alle oorden van Griekenland stroomden
-geschikte en eerzuchtige jonge kunstenaars Pericles toe. Er waren vele beeldhouwers
-noodig om voor de gebouwen van de Acropolis het fijne werk te maken. Voor de gevels
-van den tempel van Pallas moest een niet gering aantal groote godenbeelden vervaardigd
-worden, voor de metopen<a class="noteRef" id="xd30e1441src" href="#xd30e1441">1</a> en den fries lange rijen van zinnebeeldige voorstellingen gebeiteld worden. Bovendien
-wedijverden de rijke Atheners bij de beeldhouwers wijgeschenken te bestellen, die
-zij, gelijktijdig met de opening van den grooten, nieuwen tempel, op de Acropolis
-wenschten te plaatsen. En de kunstenaars zelven wedijverden met elkander tegen datzelfde
-tijdstip en met het zelfde doel, het schoonste en beste werk te leveren. Tallooze
-werk- en timmerlieden waren met den bouw der groote worstelschool en het Odeon bezig;
-een nog grooter aantal bij de werken op de Acropolis. In de mijnen van den Pentelicon
-ontwaakte thans een dubbel krachtig leven. Onafgebroken trokken van daar de met muildieren
-en ossen bespannen vrachtwagens naar de stad. De helling van den rotsachtigen berg
-der Acropolis weerklonk onophoudelijk van de kreten <span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span>der drijvers, want het kostte groote moeite de geweldige marmerblokken op de hoogte
-van den berg te brengen. En evenals naar het marmer op den Pentelikon, groeven de
-Atheners nu vlijtiger dan ooit naar het edel metaal in den Laurion en naar de voortreffelijke
-kleiaarde in hun eigen bodem. En wat zij niet hadden, dat brachten hun kooplieden
-aan over de zee, zooals het cypressen- en ebbenhout en allerlei metalen en verfstoffen,
-en uit het verre Oosten het ivoor. De steenen en boomen moesten bewerkt worden, de
-metalen gesmolten; het ivoor door de handen van menschen gaan, die het voor de kunst
-wisten gereed en vaardig te maken; de goud- en zilverstikkers hadden handen vol werks,
-om allerlei tempelsieradiën en wijgeschenken te vervaardigen; de touwslagers moesten
-den bouw -en timmerlieden en wagenrijders buitengewoon sterke touwen leveren, de wegmakers
-moesten wegen voor de talrijke transporten banen; er was werk overal en alles werd
-in den bruisenden maalstroom van bedrijvigheid medegesleept. Voor den zwaarsten handenarbeid
-bij de gebouwen werden zelfs buitenlandsche helpers gehuurd. Bruikbaar boven anderen
-scheen de stille, ernstige, taaie, geduldige Aegyptenaar. Evenals bij de pyramiden
-in zijn eigen land, stapelde hij onvermoeid in den vreemde marmerblok op marmerblok
-met de volharding van een lastdier. Geheel Athene was op dat tijdstip ééne groote
-kunstenaarswerkplaats.
-</p>
-<p>Als de eigenlijke haard echter, waaruit de offervlammen van dit den Goden welgevallig
-streven het krachtigste opstegen, stond de doorluchte hoogte van de Acropolis daar,
-als een oud heiligdom en een sterke burg der Atheners te gelijker tijd, om wier voet
-de woningen in den omtrek zich samengegroept en tot eene stad vereenigd hadden. Tot
-een &#x201e;burg&#x201d; maakten deze hoogte alleen hare natuurlijke rotsen en de geweldige muren,
-die haar ten noorden en zuiden beschutten.
-</p>
-<p>Nog is het geen verheffende aanblik, wat zich aan het oog vertoont, en ons op dit
-oogenblik <span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span>de hoogte te zien geeft. Wild en woest doet zich de breede hoogvlakte aan ons voor.
-Overoud puin ligt er verspreid, overblijfselen van vernielde werken, waaruit het nog
-bruikbare is uitgezocht. Naar de zuidelijke helling is de grond gedeeltelijk uitgegraven
-en uit de diepte ziet men reeds een hecht steenen fondament, grootendeels op oude
-overblijfsels rustend, tot aan de oppervlakte van den grond en daarboven verrijzen.
-De overige vlakte is bijna geheel met marmerblokken bedekt, welke pas gehouwen werden.
-Aardhoopen, puin en zand zijn in menigte aanwezig, werkplaatsen van allerlei aard
-vertoonen zich op den achtergrond. Overal wordt het kloppen van hamers gehoord en
-het knarsen der touwen en het doffe dreunen van steenen en balken en het roepen der
-opzichters, die het heir van arbeiders leiden en aansporen.
-</p>
-<p>Maar midden in die woelige en rustelooze drukte van hetgeen tot stand gebracht werd
-op de Acropolis, staat nog een hecht eerwaardig gedenkteeken van den ouden tijd, evenals
-een grauwe, half vervallen toren aan het strand der zee, waartegen de bruisende golven
-aanrollen, als om hem met hare branding te ondermijnen en met zich voort te stuwen.
-Dit gedenkteeken was de zetel van den oudsten eeredienst der Atheners; het geheimzinnige,
-sombere heiligdom van den &#x201e;slangvoetigen&#x201d; <span class="corr" title="Bron: Erechtheus">Erechtheüs</span>, den Attischen Stamheros,&#x2014;tevens de vereering van den zeegod Poseidon<a class="noteRef" id="xd30e1456src" href="#xd30e1456">2</a>, van de dochter van Cecrops, Pandrosus, en van Athene Polias in zijne gewelven omvattende,&#x2014;half
-verwoest in den Perzischen oorlog en verloopig slechts in der haast hersteld.
-</p>
-<p>Zonderling klonken de sagen van <span class="corr" title="Bron: Erechtheus">Erechtheüs</span> uit de overoude tijden van het Attische land en volk: hoe in eene hechte kist Pallas
-Athene aan de dochters van koning Cecrops, die heerschte op de Acropolis, het pas
-geboren &#x201e;slangvoetige&#x201d; kind <span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span>van onzekere <span class="corr" id="xd30e1466" title="Bron: ofkomst">afkomst</span> had overgegeven, met het ernstige verbod om de kist te openen; hoe echter Cecrop&#x2019;s
-dochters&#x2014;zij heetten Pandrosus, Aglaurus en Herse&#x2014;door nieuwsgierigheid gedreven,
-de kist openden en het knaapje vonden, door eene vreeselijke slang omkronkeld, hoe
-daarop de jonkvrouwen, waanzinnig geworden van ontzetting over dien aanblik, zich
-van den hoogen rotswand van de Acropolis nederstortten. De jonge <span class="corr" title="Bron: Erechtheus">Erechtheüs</span> echter groeide op onder de hoede van koning Cecrops en werd de machtige beschermer
-der Atheners. Deze tempel nu bevat zijn graf en de gewijde groeve van den halfgod
-wordt nog steeds als eene bescherming en steun van het land beschouwd.
-</p>
-<p>De ziel echter van den ouden stamheld leeft volgens het geloof der Atheners voort
-in eene slang die altijd in het heiligdom wordt verpleegd. Dit dier wordt als de geheimzinnige
-beschermster des tempels geacht en iedere maand brengt men hem honigkoeken ten offer.
-</p>
-<p>Eene heilige bron ontspringt op het gebied des tempels; haar water is zout, alsof
-het eene onderaardsche gemeenschap heeft met de zee en bij het waaien van den zuidenwind,
-zeggen de Atheners, bemerkt men daarin het zachte bruischen der zeegolven. En geen
-wonder; want, naar de bewering der Atheners, deed de zeegod Poseidon, met een slag
-van zijn geweldigen drietand, uit de rots der Acropolis deze bron ontspringen, toen
-hij met Pallas Athene streed om het bezit van het Attische land. Nog zijn in den rotsachtigen
-grond de sporen van den drietand des Gods aanwezig en ieder kan ze met eigen oogen
-aanschouwen. Pallas Athene echter liet tegenover de bron een olijfboom opgroeien,
-den olijfboom, waarvan alle andere olijfboomen in Attica, die trots en grootste zegen
-van het Attische land, afstammen. Door dien olijfboom echter behaalde de wijze Pallas
-Athene in den wedstrijd der zegeningen, de overwinning op den machtigen drietandzwaaier.
-Ook <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>dezen overouden heiligen olijfboom houdt nog het tempelgebied omsloten. De Pers had
-hem verbrand, den volgenden morgen evenwel was hij door de gunst der Goden weder herrezen
-en stond daar in volle schoonheid. Het heiligste monument echter in het gebied van
-het <span class="corr" id="xd30e1477" title="Bron: Erechtheum">Erechtheüm</span> is het overoude beeld van Athene Polias van olijvenhout, niet door een menschenhand
-gesneden, maar uit den hemel gevallen. <span class="corr" title="Bron: Erechtheus">Erechtheüs</span> zelf had het opgericht en onveranderd&#x2014;zoo leert het priestergeslacht dat in het heiligdom
-van <span class="corr" title="Bron: Erechtheus">Erechtheüs</span> den dienst verricht&#x2014;moet het op die plaats bewaard blijven, tot in de verste tijden.
-Eene eeuwige lamp brandt voor dat beeld in de donkere ruimte des tempels. Ook merkwaardige
-wijgeschenken zijn daar te vinden: een houten Hermesbeeld<a class="noteRef" id="xd30e1486src" href="#xd30e1486">3</a>, voortdurend, sedert den tijd van <span class="corr" id="xd30e1494" title="Bron: Cecrosp">Cecrops</span>, met levende, groene, myrthentakken, zonder wortels, omkranst, een eigenaardig gevormde
-zetel, dien de kunstenaar Daedalus<a class="noteRef" id="xd30e1497src" href="#xd30e1497">4</a> in overoude tijden had gemaakt; alsmede zegeteekenen uit de Perzische oorlogen: buitgemaakte
-wapenrustingen en zwaarden van overwonnen Perzische aanvoerders.
-</p>
-<p>Vóór den tempel echter onder den open hemel staat een altaar van Zeus.
-</p>
-<p>Geen levend wezen mag daarop geofferd; zelfs geen wijn er op geplengd worden; alleen
-offerkoeken worden hier den Oppergod gebracht.
-</p>
-<p>Aldus is het gelegen met het in de zangen van Homerus reeds vermelde &#x201e;huis van <span class="corr" title="Bron: Erechtheus">Erechtheüs</span>,&#x201d; hetwelk verscheiden tempelzalen voor de vereering der bovengemelde godheden bevat
-en aan de noordelijke helling van den berg op den oneffenen bodem zich verheft. Vlak
-daartegenover zal men <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>het nieuwe prachtige heiligdom van Pallas Athene oprichten.
-</p>
-<p>Eene heilige plechtigheid wordt juist vóór den ingang van den tempel verricht.
-</p>
-<p>Van tijd tot tijd wordt het oude houten beeld van Athene Polias gereinigd en op nieuw
-bekleed; die reiniging pleegt op een plechtige wijze te geschieden. Het is een godsdienstig
-feest als een ander, en dit feest vond nu juist plaats. Men heeft het beeld zijne
-sieradiën en gewaad afgenomen en er een doek over heen gespreid terwijl daartoe aangewezene
-personen bezig zijn het gewaad te wasschen. En opdat niemand ongeroepen dezen tempel
-zou binnentreden is er een koord voor gespannen, zoolang de heilige plechtigheid duurt.
-</p>
-<p>De reiniging is nu volbracht, de Godin wordt weder gekleed, het haar&#x2014;want haar hoofd
-is met golvende lokken voorzien&#x2014;wordt zorgvuldig gekamd en opgemaakt, haar lichaam
-op nieuw getooid met kransen, diademen, halskettingen en oorbellen.
-</p>
-<p>De personen, die aan den heiligen dienst deel hebben genomen, verwijderen zich. Weldra
-ziet men nog maar twee mannen op de trappen vóór den ingang van den tempel staan en
-zich samen onderhouden. De een van hen is de priester van den <span class="corr" id="xd30e1518" title="Bron: Erechtheus-tempel">Erechtheüs-tempel</span>, Diopithes. Zijn gelaat is somber en hij werpt toornige blikken van den drempel des
-tempels naar de schare van arbeiders, wier geraas en drukte hem als eene snoode verstoring
-van de heilige plechtigheid voorkomt.
-</p>
-<p>Het geslacht der Eteobutaden, waaruit sedert overoude tijden de priester van <span class="corr" title="Bron: Erechtheus">Erechtheüs</span> en de hem ter zijde staande priesteres van Athene Polias stamden, was het oudste
-en geruimen tijd het aanzienlijkste priestergeslacht in geheel Attica. Maar in latere
-tijden hadden de verwante Eumolpiden, het priestergeslacht van Demeter<a class="noteRef" id="xd30e1526src" href="#xd30e1526">5</a> te Eleusis<a class="noteRef" id="xd30e1529src" href="#xd30e1529">6</a>, <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>met wier eeredienst de groote mysteriën verbonden waren, als Hiërophanten of opperpriesters
-van deze geheimzinnige feesten van Eleusis tot een nog hoogeren rang in de Attische
-hiërarchie<a class="noteRef" id="xd30e1534src" href="#xd30e1534">7</a> zich weten te verheffen. Niet zonder geheimen wrok verdroegen de Eteobutaden deze
-vernedering. Maar deze wrok alleen was het niet, die het gemoed van Diopithes, den
-tegenwoordigen priester in het heiligdom van <span class="corr" title="Bron: Erechtheus">Erechtheüs</span> op den burg, verduisterde.
-</p>
-<p>Opnieuw een ontevreden blik op den arbeid van het Parthenon slaande, begon hij tot
-den man, die met het onderworpen gelaat van een vertrouwde en helper naast hem stond
-en die niemand anders was dan Lampon, de ziener, die vroeger ten huize van Pericles
-was geroepen om het wonderteeken van den eenhoornigen ram te verklaren.
-</p>
-<p>&#x201e;De vrede,&#x201d; zei hij, &#x201e;is van deze gewijde hoogte geweken, sedert op haar de woelige
-schare van Phidias en Callicrates huishoudt, en het zou mij niet verwonderen, wanneer
-de Goden zelve weldra van het gedruisch van die dwaze en goddelooze menschen zich
-terugtrekken. Want dwaas en goddeloos is het, wat zij doen, en nimmer kan het den
-Goden behagen. In plaats van vooreerst het overoude heiligdom van <span class="corr" title="Bron: Erechtheus">Erechtheüs</span> in heerlijken glans te herstellen, dat slechts voorloopig door den nood der tijden,
-toen de Pers zijne godschennende hand daaraan had geslagen, is hersteld geworden,
-beginnen thans die Pericles en Phidias een geheel nieuwen, onnutten prachttempel vlak
-tegenover dat oude, eerwaarde heiligdom te bouwen. Liet ik mijn blik tot nu toe ongehinderd
-van deze plaats tot in het verst verschiet weiden, zoo ligt nu weldra deze prachttempel
-als een wal voor mijne oogen. O, ik weet wat zij willen, die heimelijke godloochenaars.
-Zij willen dezen ouden eerwaardigen tempel en zijne Goden verdringen, den ouden, gestrengen
-eeredienst willen zij verdelgen en met <span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>hem de echte vroomheid; zij willen op de plaats der oude tempels en der oude godenbeelden
-zulke oprichten, die door hun ijdelen pronk en glans alleen het oog verblinden, maar
-geen gevoel voor ware godsvrucht in het hart opwekken. Wat zal het worden, dit &#x201e;huis
-der jonkvrouw&#x201d;, die Parthenon? Een tempel zonder priesters, zonder eeredienst, een
-praalgebouw, een doel- en middelpunt alleen voor de schitterende feesten der Panathenaeën,
-en daarnevens&#x2014;doch neen, niet daarnevens maar in zijn eigen zalen, o schande! eene
-schatkamer, eene bewaarplaats voor het goud der Atheners, dat zij op eerlijke of oneerlijke
-wijze aan zich hebben gebracht! Slechts als beschermster van dit goud plaatsen zij
-in hun tempel de Godin! En welke Godin? wat beteekent dat pronkbeeld uit goud en ivoor?
-Een maaksel zal het zijn van menschenhanden. Het oude houten beeld, hetwelk deze onaanzienlijke
-tempel bevat, is door geen roemzucht eens stervelings vervaardigd&#x2014;goddelijk is zijn
-oorsprong en door goddelijke genade is het den Atheners ten deel gevallen!&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo sprak Diopithes.
-</p>
-<p>&#x201e;Het is een booze tijd,&#x201d; zeide Lampon met goedkeurenden knik. &#x201e;Het eenvoudige, het
-oude, het eerwaardige, het heilige is op verre na niet meer geacht en weldra zal het
-menschelijke in laatdunkenden trots zich boven het goddelijke willen verheffen.&#x201d;
-</p>
-<p>Zachter en met een geheimzinnig gelaat ving nu Diopithes weder aan:
-</p>
-<p>&#x201e;Die Pericles en die Phidias, die de Atheners tot den nieuwen bouw hebben overreed,
-weten toch één ding niet, wat wij <span class="corr" id="xd30e1555" title="Bron: Erechtheus-priesters">Erechtheüs-priesters</span> weten, en dat wij, die hier boven op den burgt wonen, boven alle andere menschen
-kunnen weten: dat juist die plek daar ginds, waar zij den prachtigen gevel en den
-hoofdingang van hun nieuwen tempel willen oprichten, tot die plaatsen behoort, die
-men de &#x201e;onderaardsche&#x201d; noemt, tot die plaatsen, waar nooit een vogel uit de lucht
-neerstrijkt, of hij, die het <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>doet, valt dood neder, als door een giftigen adem getroffen. Laat ze maar bouwen,
-de Atheners, op die ongeluksplaats; zij zullen geen zegen, zij zullen slechts vloek
-daarmede op zich laden! Het is het erfdeel der Atheners, onberaden te handelen. Weinigen
-weten, van waar dat komt. Wij Eteobutaden weten het. Poseidon, overwonnen in den kampstrijd
-met Pallas Athene, verstoord om zijne nederlaag, doemde de Atheners voor alle tijden
-tot onverstandigen raad!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Onverstandig zijn zij,&#x201d; hernam Lampon, &#x201e;en onverstandig zijn hunne leidslieden, omdat
-zij naar de leer luisteren van hen, die zich wereldwijzen en waarheidsvrienden noemen.
-Naar Pericles hooren de Atheners; Pericles zelf luistert naar Anaxagoras, den Clazomeniër,
-die de natuur bespiedt en die, omdat hij alles tot natuurlijke oorzaken wil terug
-brengen, daarom het bestaan der Goden ontkent. Onlangs nog werd ik in het huis van
-Pericles geroepen, om een wonderteeken te verklaren, dat zich daar had vertoond. Er
-was namelijk op Pericles&#x2019; landgoed een ram met één hoorn midden op het voorhoofd geboren.
-Ik deed wat men verlangde, naar de regelen mijner kunst, en Pericles kon over mijne
-prophetie tevreden zijn. Maar ik werd met ondank beloond, want Pericles zweeg geheel
-stil en Anaxagoras, die juist bij hem was, glimlachte, alsof mijn werk ijdel en mijne
-uitspraak dwaas was!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik ken hem,&#x201d; hervatte Diopithes en een donker vuur bliksemde in zijne oogen, &#x201e;ik
-ken hem wel, den Clazomeniër; ik had onlangs op den weg naar den Piraeus een gesprek
-met hem over Goden en goddelijke zaken en ik zag dat zijne wijsheid eene verderfelijke
-is. Zulke mannen mogen in onzen staat niet geduld worden. Of is het zoover met ons
-gekomen, dat de wetten te Athene niet meer van kracht zijn tegen godloochenaars? Neen,
-nog doortrilt den meesten Atheners een kille huivering bij dezen naam!&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo sprak Diopithes. Terwijl hij nu naar den <span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>rechterkant een scherpen blik sloeg, wees hij naar eenige mannen, welke in een levendig
-gesprek gewikkeld, den eenigen weg, die naar den heuvel der Acropolis voerde, over
-de westelijke helling opgingen.
-</p>
-<p>&#x201e;Mij dunkt,&#x201d; zeide Diopithes, &#x201e;ik zie daar den onverstandigen raadsman van het Atheensche
-volk, den vriend en beschermer van Anaxagoras juist aankomen. Aan zijne zijde gaat,
-wanneer mijn oog mij niet bedriegt, een van die nieuwerwetsche tooneeldichters, die
-den eerwaarden Aeschylus<a class="noteRef" id="n111.1src" href="#n111.1">8</a> meenen overtroffen te hebben. Maar wie is echter die derde, die fijne, slanke jongelingsgestalte,
-die aan de andere zijde van Pericles gaat?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is zeker,&#x201d; antwoordde Lampon, &#x201e;die jonge citherspeler uit Milete, dien Pericles,
-naar ik hoor, lief heeft en die thans overal met hem gezien wordt.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Een jong citherspeler uit Milete?&#x201d; vroeg Diopithes, de goedgebouwde gestalte van
-den Milesischen jongeling nauwlettend beschouwende, &#x201e;ik heb tot dusverre slechts geweten,
-dat Pericles een kenner en bewonderaar is van de bekoorlijkheden der schoone kunne,
-nu zie ik dat hij het schoone overal weet te waardeeren; want deze jongeling, bij
-de Goden, is waardig, niet slechts Pericles, den zoogenaamden Olympiër, maar den beheerscher
-zelven van den Olympus, den oppersten Zeus, als schenker te dienen. Het verwondert
-mij echter, dat deze zoogenaamde Olympiër, de zoo geroemde Pericles, vermetel genoeg
-is om zich openlijk <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>voor de oogen der Atheners met zijn lieveling te vertoonen.&#x201d;
-</p>
-<p>Terwijl de <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> zoo den jongeling, die met Pericles was, te gelijk met afgunstige en wellustige blikken
-beschouwde, waren de drie mannen genaderd.
-</p>
-<p>Bekoorlijk schoon en teeder was de jeugdige gestalte, welke Lampon aan Diopithes als
-een citherspeler uit Milete had doen kennen. De treurspeldichter, die zich eveneens
-in gezelschap van Pericles bevond, wierp soms een vurigen blik op den bekoorlijken
-jongeling, en richtte bij voorkeur het woord tot den Milesiër. De dichter zelf was
-schoon en van een statig voorkomen. Zijn helder voorhoofd scheen als door een vroolijken,
-hemelschen glans omstraald.
-</p>
-<p>Thans trad uit de schare der bouwlieden Callicrates den aangekomenen te gemoet, de
-wakkere meester, wien de uitvoering was opgedragen van datgene wat Phidias en Ictinus
-in de eenzaamheid hadden overpeinsd en ontworpen. Men kon het den man wel aanzien,
-dat het zijn werk was onophoudelijk heen en weer te loopen in de hitte der zon tusschen
-de steenblokken en de zwoegende en slavende arbeiders op de hoogte van de Acropolis.
-Zijn gelaat was verbrand en zijne kleur stak nauwelijks af bij den donkeren baard,
-die het omgaf. Het niet minder donker, doordringend en bliksemend oog scheen geheel
-vervuld van den gloed der zon. Zijne geheele gespierde gestalte scheen als geblakerd.
-Zijn gewaad onderscheidde zich zeer weinig van de kleeding der werklieden. Achteloos
-hing de lap, waarvan de kleur niet meer te onderkennen was, dien hij zijn chiton noemde,
-om zijne gebruinde ledematen. En evenals hij nu onder de schare der werklieden arbeidde,
-zoo had hij reeds menig jaar bij den langen muur daar beneden, die zijn werk was en
-die hij onlangs tot vreugde van Pericles had voltooid, zijne beste krachten aan het
-nut zijner medeburgers gewijd.
-<span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span></p>
-<p>Pericles deed Callicrates verscheidene vragen, aangaande de vorderingen der werken.
-Met voldoening wees Callicrates hem op de nu gelegde grondvesten, die samengevoegd
-waren uit reusachtige, vierkantige steenen.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij ziet,&#x201d; zeide hij, &#x201e;dat het fundament gereed is, benevens de drie groote marmeren
-trappen, die het omgeven. Zie eens hoe het zich bijna over den geheelen zuidelijken
-kant van den heuvel uitstrekt! Reeds zijn ook de tusschenruimten der zuilen afgestoken
-en eveneens de omtrekken der binnenmuren; zoo ook die van het vertrek voor het beeld
-der Godin, en van het achterhuis voor den schat, ook aan de voetstukken der zuilen
-wordt gewerkt en aan het taflement; natuurlijk wordt alles nog maar in het ruwe bearbeid;
-want het fijnere werk volgt eerst, wanneer het geheel in algemeene trekken samengevoegd
-daarstaat, en gij moogt voorloopig geen oordeel vellen, naar hetgeen er thans verrezen
-is. Gij zult wat geduld moeten oefenen; want Ictinus is een talmer en Phidias eveneens&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik kan mij best voorstellen,&#x201d; hernam Pericles, &#x201e;dat de nauwgezette Ictinus nooit
-over zich zelven te vreden is.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En Phidias evenzoo,&#x201d; herhaalde Callicrates, bijna verdrietig. &#x201e;Dagen lang zitten
-zij samen te fluisteren, met hun beschreven tafels en bladen vóór zich, en rekenen
-en passen, peinzende over de juiste tusschenruimten, de dikte en helling der kroonlijsten
-en kapiteelen; dan weer gaan ze naar den Theseus-tempel en meten daar de omtrekken
-van zuilen en taflement en voelen zich dan ook niet te vreden als zij de balken wat
-te zwaar of de tusschenruimten der zuilen iets te groot bevinden en wenschen dat het
-hier beter zal worden. En dan rekenen en meten zij weer en zijn het onderling niet
-eens en nemen proeven om te zien, hoeveel sterker de hoekzuilen moeten zijn dan de
-andere, en hoeveel dichter de hoekzuilen bij de naastbij zijnde moeten staan, dan
-de afstand <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>der andere onderling, hoe de schacht zich naar boven en onder moet verdunnen, hoeveel
-hier van den Dorischen, daar van den Ionischen stijl<a class="noteRef" id="xd30e1599src" href="#xd30e1599">9</a> moet ontleend worden, en hoeveel strepen de uitwijking van dien balk of van die kroonlijst
-of van dat kapiteel of fries sterker of zwakker mag gemaakt worden, opdat er eene
-tot nu toe onbereikte harmonie in het geheele werk moge verkregen worden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wie zou een Ictinus niet om zijn fijn ontwikkelden kenners- en kunstenaarsblik benijden!&#x201d;
-riep Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Hij heeft het oog van een valk,&#x201d; hernam Callicrates. &#x201e;Gij kunt u niet voorstellen,
-hoe verwonderlijk sterk het waarnemingsvermogen van dien man is. Hij heeft den duimstok
-altijd in de hand, maar hij gebruikt hem zelden, want zien is hem even zeker als meten
-en uitrekenen. Het aangeboren vermogen om met zijn oog te meten, is zoo verbazend,
-dat hij kleine verschillen opmerkt, waarvan de leek nauwelijks een flauw begrip heeft.
-Hij ziet, om zoo te zeggen, met een oog dat tast en voelt, en hij tast en voelt met
-een vinger, die ziet. En met Phidias is het evenzoo. Deze pleegt te zeggen en gij
-hebt het zeker wel uit zijn mond gehoord: &#x201e;geef mij een leeuwenklauw en ik zal u daarnaar
-den heelen leeuw vormen!&#x201d;&#x2014;Zoo scherp en geoefend is het oog van Phidias en zijn kunstgevoel
-voor alles, wat men vorm, wezen en harmonie noemt.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom zou het oog der Hellenen ook niet even fijn gevoelig kunnen worden, als hun
-oor?&#x201d; zeide de dichter. &#x201e;Wij dichters en toonkunstenaars&#x201d; en hij wierp bij deze woorden
-een blik op den jongen citherspeler&#x2014;&#x201e;wij voelen de kleinste fijnheden <span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span>en afwisselingen in den rhythmus<a class="noteRef" id="xd30e1608src" href="#xd30e1608">10</a> en hooren tusschentonen daarin, die voor het oor van den leek niet merkbaar zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Het is zeer loffelijk van Ictinus en Phidias,&#x201d; vervolgde Callicrates glimlachend,
-&#x201e;dat zij alles zoo haarfijn bedenken en met lijnen en teekens op het papier brengen.
-Maar begrijp wel, dat al dat fijn gedachte, wat deze mannen overpeinzen en ontwerpen
-op het papier, ook uitgevoerd moet worden&#x2014;uitgevoerd in massieve, wederstrevende stof.
-Zie hier het ontwerp, waarin Ictinus de maat en berekeningen heeft opgegeven, zooals
-hij het verlangt te hebben&#x2014;die moet ik nu in harden steen ten uitvoer leggen op eene
-reusachtige schaal, en toch zoo nauwkeurig, in al de fijnheden van het ontwerp, alsof
-ik het met een fijn mesje uit ebbenhout moet snijden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Het is gemakkelijk te begrijpen,&#x201d; zeide de dichter, &#x201e;dat het moeite moet kosten die
-fijne evenredigheden en rechte lijnen in het reuzenschrift der marmerblokken, bij
-de verschillende vormen, overal in acht te nemen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Rechte lijnen zegt ge!&#x201d; riep Callicrates met een bijna spottenden glimlach uit. &#x201e;Rechte
-lijnen? Dat gaven de Goden! Met rechte lijnen kan een stumper ook wel klaar komen.
-Maar zulke komen er niet voor in de ontwerpen van Ictinus en Phidias. Weet ge, wat
-Ictinus zegt? &#x201e;Om recht te schijnen mag de lijn in groote afmetingen het nooit in
-de werkelijkheid zijn.&#x201d;&#x2014;Zie maar eens hier naar die fundamenten en de trappen, die
-naar de oppervlakte voeren. Gij zult wel denken, dat deze oppervlakte werkelijk zoo
-recht loopt, als ze zich aan uw oog voordoet? Gij vergist u: de lijn van deze oppervlakte
-verheft zich naar het midden in eene zachte, voor het oog nauw merkbare en toch voor
-het gezicht berekende kromming. En <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>diezelfde zachte, onmerkbare kromming zult ge later ook bij het groote werk, schoon
-in geringere mate, terug vinden; ja, overal in deze gansche architectuur van den tempel
-wil Ictinus ze zien aangebracht; en evenals van de kroonlijst tot aan de fundamenten
-er werkelijk niets waterpas te vinden zal zijn, zoo wil hij evenmin iets volkomen
-loodrechts dulden, maar de naar boven krom oploopende lijnen moeten even zacht weder
-naar beneden afloopen. Zonder deze zachte krommingen, op de wetten der optiek en lichtbreking
-gebaseerd, zegt Ictinus, zou het geheel zonder zwier schijnen en zou het, in plaats
-van vrij en fier naar boven te stijgen, er uitzien alsof het in den grond weg wilde
-zinken. Gij moogt nu, wat ge wilt, gelooven van deze en dergelijke kunstgeheimen der
-beide meesters, maar bedenk eens, hoe ik, om maar van één ding te spreken, het moet
-aanleggen, om in weerwil van die zachte krommingen naar boven en onmerkbare afdalingen
-naar beneden, de blokken, de steenmassa&#x2019;s, de zuilbrokken, naar die fijne berekeningen,
-toch haarfijn en vast en stevig in elkaar te voegen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij zult het tot stand kunnen brengen, wakkere Callicrates,&#x201d; viel Pericles levendig
-in: &#x201e;ik ken u. Laten wij voor het overige Ictinus en Phidias maar laten meten en berekenen;
-het is toch in den grond der zaak een innerlijke, door de Goden ingeschapen aandrang,
-welken die mannen volgen. Hun is het door de Goden in de ziel gelegd, langs welken
-weg en door welke middelen zij ons in uiterlijken tooi datgene zuiver kunnen doen
-genieten wat zij reeds in hun geest hebben aanschouwd.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo lang hier een steen op den ander blijft,&#x201d; zeide de dichter goedkeurend, &#x201e;zal
-wel datgene, wat door Goden bezielde mannen, als deze beiden, eerst in hunne ziel
-hebben aanschouwd, en dan in getallen en berekeningen hebben uitgedrukt, hart en ziel
-der toeschouwers met overweldigende kracht aangrijpen.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Doch niet toeschouwers, als die luistervink daarboven,&#x201d; viel Callicrates lachend
-in, nadat hij een poos met scherpen blik den <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> en zijn vertrouwde had aangezien, die beiden loerend en luisterend nog steeds aan
-den ingang van het <span class="corr" id="xd30e1627" title="Bron: Erechtheum">Erechtheüm</span> stonden.
-</p>
-<p>&#x201e;Met blikken van verbeten woede,&#x201d; vervolgde Callicrates, &#x201e;ziet die <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> steeds naar onzen arbeid, maar ik durf gerust zijn blik beantwoorden. Wij plagen
-elkander en tusschen mijne lieden en zijne tempeldienaars bestaat eene openlijke veete.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Het kan ons ook niet verwonderen,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;dat de <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> vertoornd is. Wij bouwen toch, in plaats van zijn oud heiligdom te herstellen, vlak
-voor zijne oogen een nieuwen tempel op. Want wie toch zou het wagen de schennende
-hand aan de eerwaardige geheimen van dit sombere heiligdom te slaan?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, waarlijk,&#x201d; hernam Callicrates, &#x201e;het is veel beter de uilen daar te laten nestelen.
-Die zitten dag en nacht onder het oude tempeldak. Die mannen daarginds willen niets
-weten van de nieuwe godenbeelden van Phidias. Zij willen geen nieuwe Goden; zij wasschen
-en kammen de oude en behangen ze uitwendig met nieuw gewaad, en gelooven, dat ze zoo
-eeuwig kunnen duren. Deze lieden zouden Pallas Athene het liefst nog met een uilenkop
-afgebeeld zien.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Daar naderen Phidias en Ictinus,&#x201d; zeide de dichter, naar den anderen kant heenziende,
-&#x201e;wij zullen nu hen zelven hooren.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij zult niet veel hooren,&#x201d; hernam Callicrates. &#x201e;Phidias is stil, zooals ge weet,
-en Ictinus wordt boos op ieder, die hem wil noodzaken over zijn vak te spreken. Beide
-mannen zijn slechts onder elkander, met niemand anders, spraakzaam.&#x201d;
-</p>
-<p>Intusschen waren Phidias en Ictinus nader gekomen. Ictinus was een onaanzienlijk gebogen
-mannetje. Zijne trekken waren niet scherp, zijne gelaatskleur <span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span>vaal, zijne oogen mat, alsof hij veel had gewaakt en gepeinsd. In zijn gang echter
-had hij iets haastigs, iets onrustigs, dat aan prikkelbaarheid en opvliegendheid deed
-denken.
-</p>
-<p>Phidias beantwoordde den handdruk van Pericles en dien van den dichter die bij hem
-was. Op den schoonen citherspeler met zijne jeugdige en teedere vormen sloeg hij een
-zonderlingen blik. Hij scheen hem te kennen en toch niet te willen kennen. Ictinus
-had het voorkomen van iemand, die weinig er mede op had menschen te ontmoeten, en
-hij scheen voornemens zijn weg zonder Phidias te willen vervolgen.
-</p>
-<p>Maar de dichter wilde onderzoeken, of het waar was, wat Callicrates had gezegd, en
-wendde zich tot het haastige mannetje met de vraag: &#x201e;Meester Ictinus, wilt ge niet
-als een deskundige de vraag beslissen, die Pericles en mij en den jongen citherspeler
-straks een geruimen tijd heeft bezig gehouden? Wij spraken over de redenen, die u,
-bouwmeesters, konden bewegen, den architraaf niet onmiddellijk op de zuilenschacht
-te doen rusten, maar een ietwat breed gelid, &#x2019;t zij in den vorm van het Dorische kapiteel
-of van den Ionischen stijl, daartusschen te schuiven. Sommigen beweren, dat dit geschiedt,
-om het te doen voorkomen alsof de last van het taflement de zuilen uiteen houdt&#x2014;en
-den top als &#x2019;t ware naar beneden drukt&#x2014;&#x201d;
-</p>
-<p>Ictinus lachte bij zich zelven. &#x201e;Zuilen dus van leem, van deeg of boter?&#x201d; antwoordde
-hij op sarkastischen toon. &#x201e;Mooie zuilen voorzeker&#x2014;zuilen van leem, die zich plat
-laten drukken&#x2014;ha, ha, ha&#x2014;mooie zuilen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij lacht dus om deze verklaring?&#x201d; riep de dichter: &#x201e;zeg dan zelf, waarom doet gij
-het?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Omdat het tegendeel leelijk en afschuwelijk en onverdragelijk zou zijn!&#x201d;
-</p>
-<p>Deze woorden bromde Ictinus haastig, sloeg op den vrager een vluchtigen blik uit zijne
-grijze oogen en ijlde weg.
-<span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span></p>
-<p>De mannen lachten.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik zie,&#x201d; vervolgde Pericles zich tot Phidias wendend, &#x201e;dat de werken goed vorderen.
-Dat verheugt mij. Wij moeten snel en ijverig voortwerken. Wij moeten gebruik maken
-van de gunstige omstandigheden, die wellicht nimmer terug zullen keeren. Een groote
-oorlog zou alles stuiten en weldra zouden ons de middelen ontbreken om het ondernomene
-te voltooien.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wij zijn daarom aan de ontwerpen en kleimodellen der ontzachelijke gevelgroepen en
-van de friezen en metopen-velden in de werkplaatsen ijverig bezig,&#x201d; hernam Phidias.
-</p>
-<p>&#x201e;Denkt ge er niet aan,&#x201d; vroeg Pericles, &#x201e;Polygnotus te ontbieden, opdat ook hier,
-evenals daar beneden in den Theseus-tempel beitel en penseel in de uitvoering van
-de metopen-velden het werk konden verdeelen? Doch, ik herinner het mij, gij koestert
-geene hooge gedachten van de zusterkunst, het schilderen, die, ik moet het bekennen,
-nog een weinig onbeholpen in het niet verzinkt, bij de reusachtige vorderingen van
-den beitel.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik heb zelf als jongeling het penseel ter hand genomen,&#x201d; hernam Phidias; &#x201e;maar het
-voldeed mij niet. Vol en rond en zuiver wilde ik datgene wat ik in mijn geest zag,
-voorstellen, en dat kon ik alleen met den beitel.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Welaan,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;dan moge aan het nieuwe heiligdom van Pallas alleen de
-rijpste kunst hare krachten wijden, opdat het een gedenkteeken worde van het beste,
-wat wij vermogen. Wij zullen Polygnotus bij eene andere gelegenheid zoeken schadeloos
-te stellen. Wij willen later ook eens overleggen of er niet iets te doen is voor het
-oude heiligdom van dien toornigen priester en ook voor gindsch onvoltooid tempeltje,
-dat zich zoo fier op de rotsen verheft ter eere van de ongevleugelde zegegodin. Mocht
-toch, als ik eens van het wereldtooneel aftreed, geen Atheensch burger iets meer te
-wenschen overblijven! Dat er nog zoovelen zijn, die ontevreden zijn, is mij eene pijnlijke
-gedachte. <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>Gij glimlacht? Waarlijk, misschien wil de ernstige, gestrenge Phidias alleen zich
-zelven voldoen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is juist het <span class="corr" id="xd30e1667" title="Bron: moeielijkste">moeilijkste</span>,&#x201d; hernam Phidias.
-</p>
-<p>&#x201e;Vreest ge niet de tegenstanders?&#x201d; vervolgde Pericles. &#x201e;Geef acht, wij hebben overvloed
-van dezulken. Ook gij wordt benijd, en wat gij werkt, is niet allen welgevallig.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Pallas Athene verbiedt mij te vreezen!&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e1673src" href="#xd30e1673">11</a> hernam Phidias met de woorden van Homerus, en wees met de hand naar het ijzeren reusachtige
-beeld zijner Athene Promachos, dat te midden van deze mengeling van het oude en het
-nieuwe op de Acropolis zoo verheven, rustig in den reinen aether zich verhief.
-</p>
-<p>Toen verwijderde <span class="corr" id="xd30e1679" title="Bron: Pericles">Phidias</span> zich om Ictinus weder op te zoeken.
-</p>
-<p>Pericles, de treurspeldichter en de jongeling uit Milete zetten hunne wandeling over
-de hoogte van de Acropolis voort.
-</p>
-<p>De treurspeldichter verdiepte zich in een aangenaam gesprek met den jongen citherspeler.
-Hij zelf toch was ook een voortreffelijk beoefenaar van het snarenspel. Zoo fijn en
-scherpzinnig wist de jongeling zich uit te drukken, dat gene ten laatste verwonderd
-zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Ik wist wel dat de Milesiërs zeer beminnelijk waren, maar ik wist nog niet, dat zij
-zoo wijs tevens zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En ik,&#x201d; hervatte de jongeling, &#x201e;heb de treurspeldichters der Atheners altijd voor
-zeer wijs gehouden, maar ik dacht niet, dat ze ook zoo beminnelijk konden zijn. Ik
-beoordeelde namelijk onberaden uit de dichtwerken zelven de dichters. Hoe komt het,
-dat uwe tragische dichtkunst tot nu toe zoo weinig rekenschap hield met de zachtere
-aandoeningen van het menschelijk hart? Grootsch is daar alles, verheven, niet zelden
-huiveringwekkend, maar aan den zachtsten en toch tevens den <span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span>machtigsten hartstocht, de liefde, gunt men de plaats niet, die haar toekomt. Anacreon<a class="noteRef" id="xd30e1689src" href="#xd30e1689">12</a> toch en Sappho<a class="noteRef" id="xd30e1692src" href="#xd30e1692">13</a> weten, de een op vroolijken, de andere op weemoedigen toon zooveel van haar te zingen;
-waarom versmaadde het tot dusverre slechts de treurspeldichter, alleen het grootsche
-en bovenmenschelijke nastrevend, tonen van die teedere, echt menschelijke aandoening
-aan te slaan?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Jonge vriend,&#x201d; zeide de dichter glimlachend, &#x201e;geen waardiger verdediger had de teedere,
-met pijlen gewapende God<a class="noteRef" id="xd30e1697src" href="#xd30e1697">14</a> kunnen vinden. Weinige dagen geleden is bij mij de gedachte aan een treurspel opgekomen,
-waarin degeen, wiens verdediger gij heden zijt, wel eene plaats zal worden ingeruimd.
-Ik weet niet, of die vluchtige gedachte tot ernst zou zijn geworden; maar het treft
-heel goed, dat ik er door u aan herinnerd word. Ik ben voornemens dat treurspel nu
-werkelijk te schrijven, daar uwe woorden en nog meer uwe heerlijke oogen mij ten gunste
-der zaak, die gij voorstaat, hebben ontvlamd en bezield.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Voortreffelijk,&#x201d; hernam de jongeling; &#x201e;ik zal den geurigsten krans voor den dag uwer
-zegepraal voor u vlechten&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Een krans van roode rozen,&#x201d; riep de dichter, <span class="corr" title="Niet in bron">&#x201e;</span>daar ik toch in mijn gedicht den alles overwinnenden Eros denk te verheerlijken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Voorzeker,&#x201d; hernam de jongeling, &#x201e;en ziedaar, de dankbare, gevleugelde God schijnt
-te willen, <span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span>dat ik de rozen voor dien krans aanstonds pluk.&#x201d; De teedere slanke jongelingsgestalte
-ijlde tegelijkertijd op een vooruitstekende rots, waar in de spleten een wellicht
-eeuwen-oude heester stond, die geheel met bloeiende rozen bedekt was.
-</p>
-<p>&#x201e;Wees voorzichtig, jonge vriend,&#x201d; zeide de dichter, &#x201e;gij weet niet op welk eene noodlottige
-plaats gij staat. Van den top dier rots heeft een koning der Atheners<a class="noteRef" id="xd30e1711src" href="#xd30e1711">15</a> zich in de zee neergestort, omdat zijn beroemde zoon, van de bestrijding van den
-Minotaurus<a class="noteRef" id="xd30e1717src" href="#xd30e1717">16</a> terugkeerende, verzuimd had, toen hij Athene naderde, als een teeken zijner overwinning
-het witte zeil te hijschen. Buitendien de voet kan op deze gewijde hoogte geene plaats
-betreden, waar niet vonken uit het verleden uit den grond opspatten en overoude sagen
-den wandelaar omruischen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En toch,&#x201d; hernam Pericles, &#x201e;terwijl de voet in het stof van het verleden ronddoolt,
-zwerven de oogen van deze hoogte vrij in het verschiet en baden zich in de volle schoonheid
-en frischheid van het heden. Zijt gij moedig en behendig, Milesische vriend, volg
-ons dan over de rots naar de hooge bergvlakte, waar de machtige schutsmuur der Acropolis
-op uitloopt.&#x201d;
-</p>
-<p>Lachend snelde de jongeling vooruit en weldra stonden de drie mannen op de verheven
-sterkte.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoor nu eens,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;wat u dit schoone, bochtige Attische strand zegt,
-deze schitterende golven, deze eilanden die hunne bergtoppen uit het schoonste zeegroen
-in het schoonste hemelsblauw verheffen! Ginds doemt uit de golven van den Saronischen
-zeeboezem Aegina<a class="noteRef" id="xd30e1725src" href="#xd30e1725">17</a> op, met zijne talrijke bergkruinen. In die kloven verborgen zich de wilde &#x201e;Miermenschen&#x201d;
-van den voortijd. <span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>Thans echter verheft zich op den hoogsten top van het eiland in de eenzaamheid van
-een schaduwrijk woud, de tempel van den panhelleenschen<a class="noteRef" id="xd30e1730src" href="#xd30e1730">18</a> Zeus, welke ons volk tot een zijner schoonste feesten verzamelt. Daar rechts, korter
-nabij in dezelfde baai ligt het heerlijke Salamis, de wieg der helden. Behoeft wel
-de late nazaat voor de schim van den onsterfelijken held te blozen, die van daar tegen
-Ilium<a class="noteRef" id="xd30e1733src" href="#xd30e1733">19</a> optrok? Werd niet juist daar in die schoone zeeëngte, die ons thans zoo vreedzaam
-begroet, door ons de beroemdste aller zeeslagen gestreden? En meer zuidelijk, waar
-de Cithaeron, de Pentelicon en de Parnesus zich als een bolwerk voor Attica verheffen,
-den westelijk zich uitstrekkenden Hymettus de hand reikende, daar verhalen overoude
-sagen van leeuwen, die in de woudkloven huisden. Maar onze vaderen hebben de leeuwen
-geworgd, hunne harten bij het vuur gebraden en opgegeten, om leeuwenmoed en leeuwenkracht
-hunne nazaten te doen erven. En zoo was het zeker die geërfde leeuwenmoed, waardoor,
-vlak achter die hoogten, op het slagveld van Marathon, de schitterendste aller overwinningen
-behaald zijn geworden. De leeuwen en wolven van die kloven zijn geveld, de barbaren
-uit die sterkten van het Attische strand voor altijd verdreven; rustig delven wij
-op de plaats van de oude leeuwenjacht het heerlijke Pentelisch marmer en verzamelen
-den honig van de beroemde Hymettus bijen. Daar achter de Acrocorinthus<a class="noteRef" id="xd30e1736src" href="#xd30e1736">20</a> verheft zich het geweldige Cyllene-gebergte in zilveren glans, en wanneer de laatste
-nevelsluier in het Westen zal zijn verdreven, dan rijzen de tinnen op van Corinthe<a class="noteRef" id="xd30e1740src" href="#xd30e1740">21</a> uit de blauwe fonkelende zeeëngte. Maar vergeten we den ernstigen groet <span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span>niet, die over Salamus en Aegina heen ons de naburige Peloponnesus toezendt. Ziet
-ge die bochtige kusten met de steile hoogten van Argolis en daarachter <span class="corr" id="xd30e1745" title="Bron: Arcadie&#x2019;s">Arcadië&#x2019;s</span> bergen? Zoo dikwijls ik over de gedenkteekenen en herinneringen van den Atheenschen
-roem naar gindsche bergen van de Peloponnesus het oog sla, dan wordt het mij zoo zonderling
-te moede en het is mij alsof ik de hand op het zwaard moet leggen&#x2014;het is, alsof zich
-achter die bergen het sombere Lacedaemon verhief en dreigend daarover heen blikte.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat toch de blik van staatslieden en veldheeren altijd in het verschiet zweeft,&#x201d;
-viel de dichter in. &#x201e;Is het niet beter, in plaats van het oog te slaan op gindsche
-bergen van de Peloponnesus, volop te genieten, wat wij hier voor onze oogen hebben?
-Jongeling, laat u niet verleiden naar de Peloponnesus en hare dreigende bergtoppen.
-Verlustig u in het vroolijke beeld van het door water en zon begunstigde land daar
-beneden u, waar in grooten getale de vriendelijke hoeven u toelachen, de bezitting
-van den nooit vermoeiden Athener, die zoo mogelijk, dag op dag uit de stad naar zijne
-vruchtboomen en zaadvelden zich begeeft en onderzoekt hoe de slaven zijne runderen
-oppassen en zijne lammeren en geiten. En hoe bekoorlijk kronkelen zich de wegen tusschen
-de hoeven, weiden, olijfbosschen, tusschen de altaren der Goden en steenen monumenten
-naar alle zijden heen. Hier naar den Piraeus, en ginds naar Rhamnus en Marathon. Het
-schoonst en heerlijkst echter loopt westelijk de weg naar Eleusis, de heilige stad
-der mysteriën, tusschen tallooze wit schitterende heiligdommen en zilveren populieren
-en olijf- en vijgeboomen door. En hoe heerlijk ligt de stad zelve daar uitgestrekt
-tusschen den Ilissus en den Cephissus, de kristalheldere maar kortlevende stroompjes;
-op de bergen nabij de stad ontspringen zij en bereiken nog niet eens de naburige zee,
-maar zijn tevreden om als stofregen en dauw de bloemtuinen der Atheners te bevochtigen,
-of borrelend in duizende bronnen <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>hun jong leven te verspillen. Aan den Ilissus liggen lachende tuinen, door menschen
-aangelegd; maar een natuurlijke tuin en een liefelijke schaduwrijke oase in het zonnige
-land van Attica zijn de dalen, waar onder het heldere groen der olijven de schoone
-beekjes van den Cephissus klateren. Dit oord prijs ik met trots, want daar is mijne
-geboorteplaats, de heuvel van Colonos<a class="noteRef" id="n125.1src" href="#n125.1">22</a>. Uw krijgszuchtige vriend Pericles zou u kunnen vertellen, dat in deze streek de
-schoonste rossen geteeld worden en dat het de wilde, prachtige veulens van Colonos
-waren, waarvoor in overoude tijden de zeegod den breidel heeft uitgevonden. Maar ik
-zeg u, dat in dit dal van den Cephissus nooit ruwe winden blazen, dat daar de wijnstok
-en de vijg bloeien, dat daar, bevochtigd door den reinsten dauw de narcissen tieren
-en de viooltjes en de gulden crocus en de wijnkleurige klimop&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>De trekken des dichters gloeiden van geestdrift, toen hij in de heldere oogen van
-den jongeling blikkende, de bekoorlijkheid van zijn geboorteland prees. Eindelijk
-vatte hij zijn hand en zeide: &#x201e;Kom <span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span>toch zelf eens in mijne schoone landstreek, of nog liever, ga terstond met mij en
-breng den dag door in mijne landelijke woning aan den Cephissus-oever; ik zal u mijne
-cithers en lyren laten zien en we zullen, als gij er lust in hebt, op de wijze van
-Arcadische herders, een kleinen wedstrijd houden in zang en snarenspel.&#x201d;
-</p>
-<p>De citherspeler glimlachte. Pericles zeide na eene pause: &#x201e;Ik zelf zal weldra den
-jongen Aspasius als gids naar uwe landelijke woning geleiden; gij hebt ook voor uw
-wedstrijd in gezang en snarenspel wel een kamprechter noodig&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Dus heet de jongeling Aspasius?&#x201d; riep de dichter uit; &#x201e;die naam herinnerd mij aan
-een schoone Milesische, van wie ik in den laatsten tijd veel heb hooren spreken&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>De citherspeler bloosde.
-</p>
-<p>Die blos trof den dichter. Hij hield nog steeds de tot afscheid gereikte hand van
-den jongen Milesiër in de zijne. En zie, op dit oogenblik werd een gevoel in hem levend,
-dat hij ongetwijfeld vroeger reeds ondervonden had, maar zonder zich daarvan bewust
-te zijn.
-</p>
-<p>Hij voelde namelijk op eens duidelijk, dat de hand van den jongen Milesiër zeer fijn,
-zeer warm en zeer zacht was. Een oogenblik later was hij overtuigd, dat de hand te
-fijn, te warm en te zacht was, om aan een mannelijken arm, al was die ook nog zoo
-jong en teer, toe te behooren. De eene helft van het schoone geheim las hij in de
-purperen kleur op de wangen van den citherspeler, de andere helft had hij, om zoo
-te zeggen, in zijne hand.&#x2026;
-</p>
-<p>De dichter vergiste zich niet. De hand, die hij in de zijne hield, was niet die van
-een jongeling. Het was de hand van de schoone Aspasia.
-</p>
-<p>Pericles en de Milesische hadden elkander in den loop der maand, na die eerste ontmoeting
-ten huize van Phidias, het eerst bij Hipponicus, den goedhartigen gastronoom, die
-met Pericles bevriend was, wedergezien. Zij ontmoetten elkander dikwijls <span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span>en ten laatste zouden zij het liefst niet meer van elkaar gescheiden zijn. Aspasia
-kleedde zich in mansgewaad en vergezelde haar vriend soms onder de vermomming van
-den &#x201e;citherspeler van Milete.&#x201d; Zoo was zij ook heden met hem naar de Acropolis gegaan.
-Onder weg had zich de treurspeldichter bij hen aangesloten. En zijne ontvankelijke
-en gevoelige ziel was zonderling getroffen geworden. Door eene betoovering was de
-dichter in dit gezelschap aangegrepen, die hem zelven onverklaarbaar was. Nu zag hij
-dit raadsel opgelost. In verwarring liet hij de fijne, zachte hand glippen. Weldra
-echter greep hij ze weder en zeide met een veel beteekenenden glimlach tot zijn vriend
-Pericles: &#x201e;ik bemerk dat Apollo, de God der zieners en dichters, mij nog steeds gunstig
-is. Hij heeft mij den verren weg naar Delphi bespaard en zelfs mijne nachtelijke sluimering
-heeft hij niet afgewacht, om mij met openbaringen in den droom te verschijnen; maar
-plotseling heeft hij mij de gave verleend, onbedriegelijk uit de hand des menschen
-te voorspellen, en vooral daaruit het geslacht op te maken, ook dan wanneer men het
-nog zoozeer wil verbergen&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij zijt van oudsher een lieveling der Goden,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;en voor u hebben
-de Olympiërs geene geheimen&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Daar doen ze wèl aan,&#x201d; hernam de dichter. &#x201e;Ik reken onder hen ook den Olympiër Pericles&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat uwe chiromantiek<a class="noteRef" id="xd30e1781src" href="#xd30e1781">23</a> u ook over het geslacht van den Milesischen citherspeler moge verraden hebben,&#x201d; zeide
-Pericles, &#x201e;zeker is het, dat hij recht heeft in mansgewaad te gaan en een mannennaam
-aan te nemen. De aard der vrouwen is doorgaans ontvankelijk en lijdelijk. Deze daarentegen
-is van eene steeds werkzame en vruchtbare natuur, en gij kunt hem niet naderen, zonder
-dat hij invloed op u oefent en een zaadkorrel in uw ziel achterlaat.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Ik kan u verklaren,&#x201d; zeide de dichter, &#x201e;ook in mij heeft hij zooeven eene dichterlijke
-vonk, door een paar los daarheen geworpen woorden tot eene heldere vlam aangeblazen.
-Het is zonderling, welk eene kracht wijze gedachten, door een schoone mond geuit,
-op ons hebben!&#x2014;Hoe verleidelijk is het, zich aan zoo&#x2019;n gewenschte macht nog langer
-over te geven! Maar de zon neigt achter de hoogten van de Acrocorinthus ten ondergang.
-In dat boschje slaat een nachtegaal, die, naar ik geloof, uit het vlek Colonos over
-is gevlogen, om mij te vermanen naar huis terug te keeren. Van den hoogsten top der
-Acropolis tot gindsche hoeve, die gij daar op de helling van den kleinen heuvel, door
-de wateren van den Cephissus omspoeld, uit het groen der olijven ziet uitsteken, is
-een tamelijk lange weg af te leggen. Ik neem derhalve afscheid van u en niettegenstaande
-de veranderingen, die inmiddels hebben plaats gegrepen, en welke bekoorlijker zijn,
-dan alle die de mythen ons verhalen, herhaal ik mijne woorden: Kom over naar de streek
-van Colonos; vlucht daarheen, wanneer u de nabijheid der menschen te drukkend wordt,
-en breng daar een dag door in de eenzaamheid.&#x201d;
-</p>
-<div class="figure plate1width"><img src="images/plate1.png" alt="&#x201e;Pan is luimig.&#x201d;" width="466" height="679"><p class="figureHead">&#x201e;Pan is luimig.&#x201d;</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>&#x201e;We zullen uwe woorden niet vergeten!&#x201d; zeide Pericles. &#x201e;Doch laat uwe Muze u volgen
-in uwe eenzaamheid. In den wedstrijd van alle kunsten moet ook de tragische naar den
-hoogsten trap streven. Gij hebt ze van de stroeve strengheid van uw voorganger<a class="noteRef" id="xd30e1792src" href="#xd30e1792">24</a> tot zachtheid en reiner menschelijkheid gebracht. Laat uwe nieuwe tragedie den schepper
-der &#x201e;Electra&#x201d; waardig zijn, opdat wij het weldra als de liefelijkste en rijpste vrucht
-van Sophocles&#x2019; Muze moge prijzen en genieten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Mocht slechts,&#x201d; hernam de dichter, &#x201e;de geest van dezen citherspeler, van wien ik
-nog geen citherklank heb gehoord en die mij toch reeds betooverd heeft, mij omzweven.
-Het schijnt, dat hij de harten der staatsmannen en dichters zich heeft uitgekozen.
-<span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span>om zijne melodieën daarop te spelen&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo sprak de man met het heldere voorhoofd en de klare, bezielde, vriendelijke oogen;
-hij drukte zijn vriend de hand, boog voor de verkleede Milesische en verwijderde zich
-langzaam, evenwel niet zonder nog eens om te zien; hij daalde de Acropolis af.
-</p>
-<p>&#x201e;Verontrust u niet, omdat hij in ons geheim ingewijd is,&#x201d; zeide Pericles tot Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik wilde juist hetzelfde aan u zeggen&#x201d;, hernam Aspasia glimlachende.
-</p>
-<p>&#x201e;Hebt gij dan zoo spoedig die edele, dichterlijke ziel doorgrond?&#x201d; vroeg Pericles.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">&#x201e;</span>Zij is zoo klaar en spiegelhelder tot op den bodem, als de wateren van den Cephissus,&#x201d;
-antwoordde Aspasia. &#x201e;Maar laat ons nu ook de helling afdalen, want ik gevoel mij door
-den zwoelen zomeravond vermoeid en mijne lippen smachten naar een verfrisschenden
-dronk&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Welaan dan,&#x201d; zei Pericles, &#x201e;we gaan slechts eenige schreden rechtsaf buiten dien
-muur, en we hebben de Pansgrot met hare beroemde wateren vlak voor ons, die onmiddellijk
-uwe lippen de gewenschte lafenis zal bieden.&#x201d;
-</p>
-<p>Pericles en Aspasia daalden een aantal trappen, die in de rotsen gehouwen waren, af.
-Toen bereikten zij de grot en de bron die daarvóór uit den grond ontsprong. Het was
-de bron Clepsydra, wier wateren soms in den grond verdwenen en dan weer plotseling
-opborrelden.
-</p>
-<p>Aspasia schepte water met hare holle hand en dronk.
-</p>
-<p>Toen schepte zij andermaal en bood de handvol helder, verfrisschend water met dartele
-vriendelijkheid Pericles aan. Deze dronk het water glimlachend uit hare holle hand.
-</p>
-<p>&#x201e;Geen koning der Perzen,&#x201d; zeide hij, &#x201e;heeft ooit uit eene zoo kostbare schaal gedronken!
-Ze is echter zoo klein, dat ik haast vreezen moet, haar met den dronk in te slikken.&#x201d;
-</p>
-<p>Aspasia lachte en wilde de scherts beantwoorden, <span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span>doch op hetzelfde oogenblik verschrok ze, want ze bemerkte plotseling een gelaat,
-dat uit den achtergrond der schemerdonkere grot met een soort van goedaardigen, boerschen
-glimlach op haar neerzag. Naderbij tredende, bevond zij, dat het een vrij ruw bewerkt
-beeld van den God Pan<a class="noteRef" id="xd30e1819src" href="#xd30e1819">25</a> was, aan wien de grot was gewijd.
-</p>
-<p>&#x201e;Vrees niets,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;de herdersgod is goedaardig van karakter.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Soms ook van een boozen aard,&#x201d; hernam Aspasia; &#x201e;de verhalen der herders omtrent hem
-loopen uiteen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Voor ons Atheners ten minste,&#x201d; hervatte Pericles, &#x201e;heeft hij zich bovenmate goed
-betoond. Den hardlooper Phidippides, die naar Sparta ijlde, om de Spartanen ten spoedigste
-tot hulp tegen de Perzen op te roepen<a class="noteRef" id="xd30e1826src" href="#xd30e1826">26</a>, verscheen de God in het gebergte op de grenzen tusschen Argolis<a class="noteRef" id="n130.3src" href="#n130.3">27</a> en Arcadië<a class="pseudoNoteRef" id="xd30e1835src" href="#n130.3">27</a>, waar hij inheemsch is; het beviel hem, dat de kerel uit vaderlandsliefde zoo ademloos
-over de Argolische bergen liep en hij kreeg een goeden dunk van de Atheners, over
-wie hij zich vroeger niet erg had bekommerd. Hij kwam zelf om ons te helpen naar Marathon
-en wij overwonnen, zooals bekend is, en de dankbare Atheners verzuimden niet, hem
-na de overwinning dit kleine heiligdom in de grot op de Acropolis op te richten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Pan mag zoo goed zijn als hij wil,&#x201d; zeide Aspasia, &#x201e;deze grot is echter te bekoorlijk
-voor den boeren- en herdersgod.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt gelijk,&#x201d; hernam Pericles, &#x201e;en nog meer dan gij zelve denkt: wanneer het
-namelijk waar is, wat de oude sage bericht, dat juist deze grot de plaats is geweest
-van de belangrijkste bruiloft, die <span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span>er ooit in de Grieksche wereld gevierd is geworden&#x2014;dat hier in de vertrouwelijke schemering
-der grot, de God des lichts Apollo, in liefde ontstoken voor de rozenvingerige dochter
-van <span class="corr" title="Bron: Erechtheus">Erechtheüs</span> Creüsa, zich met haar verbond en dat de vrucht hunner liefde Ion de vader werd van
-onzen Ioninischen stam!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe?&#x201d; riep Aspasia geroerd uit, half schertsend, half ernstig, &#x201e;is dit hier de bakermat
-van den edelsten stam der Grieken, die ginds bloeit in de landouwen van Attica en
-op de kusten van mijn geboorteland? En de Atheensche jonkvrouwen tooien de wanden
-dezer grot niet dag aan dag met kransen van rozen en leliën? En in plaats van den
-schitterenden God Apollo staat hier grijnzend met zijn breed gezicht de plompe Arcadiër,
-een vreemdeling uit die vijandige, sombere bergen van de Poloponnesus?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom,&#x201d; antwoordde haar Pericles glimlachende, <span class="corr" title="Niet in bron">&#x201e;</span>waarom vaart gij zoo heftig uit tegen den God der berg- en woudstilte? Ik ken er geen,
-onder wiens bescherming een verliefd paar vertrouwelijker kan keuvelen, dan onder
-dien van den God van den idyllischen vrede en der vreugde&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu,&#x201d; riep Aspasia, &#x201e;voor één ding althans, voor de schaduwrijke koelte, die hij hier
-in de grot mij schenkt, ben ik hem dankbaar.&#x201d;
-</p>
-<p>Met deze woorden nam zij den Thessalischen hoed van het hoofd en zette dien op het
-hoofd van den herdersgod. De goudgele, heerlijke lokken golfden van hare schouders
-af.
-</p>
-<p>&#x201e;Och, mocht ik toch weldra,&#x201d; vervolgde zij glimlachend, &#x201e;het geheele gewaad van den
-citherspeler aan den eerlijken Pan wijden, evenals dit hoofddeksel! Waarlijk, het
-wordt mij lastig. Hoe lang moet ik nog onder dezen dwang gebukt gaan? O gij Atheners,
-wanneer zult gij het der vrouw vergunnen vrouw te zijn! Ge moet toestemmen, Pericles,
-gij Atheners zijt niet de waardigste zonen van Ion, die in deze grot geboren werd.
-Gij hebt te veel van het Dorische karakter in u opgenomen. <span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span>Gij moet het hoofd buigen voor de nazaten der landverhuizers van uw eigen stam, die
-op de kusten van Azië zich reiner, vrijer en vuriger hebben ontwikkeld&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;En doen wij dat niet?&#x201d; zeide Pericles met een veel beteekenenden glimlach zich tot
-Aspasia buigend, die op een breed, uitstekend, met mos begroeid rotsblok zich had
-neergezet. &#x201e;Doen wij dat niet?&#x201d; herhaalde hij en drukte haar geurig gelokt hoofd tegen
-zijne borst.
-</p>
-<p>&#x201e;Pan is luimig,&#x201d; riep Aspasia. &#x201e;Hij beloofde mij verkwikking in zijne grot, maar hij
-schijnt met zijn adem heimelijk de zwoele avondlucht nog drukkender te maken&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;In der daad,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;bijna bedwelmd omgeeft ons de lucht, zwanger van den
-geur van de thym en wilde rozen.&#x201d;
-</p>
-<p>Terwijl Pericles en Aspasia zoo praatten, was het blauw des hemels in een gloeiend
-rood veranderd. De lange Hymettus-keten was geheel gedoopt in den rozenkleurigen gloed.
-Langzaam was de zon achter Arcadië&#x2019;s bergen ter kimme gedaald. Over de bergtoppen
-van den Brilessus flikkerde van tijd tot tijd uit het zwangere zwerk door de zwoele
-lucht een matte bliksemstraal.
-</p>
-<p>&#x201e;Aspasia,&#x201d; riep Pericles, &#x201e;de boodschap, die gij als Grieksche uit het vroolijke Ionië
-den Grieken overbrengt, zij weerkaatst, als het weerlicht in die zwangere wolk, zwoel
-en rijk aan zegen, in mijne ziel en in alle geesten van Attica! Zij zal werkelijkheid
-worden, deze boodschap: in den engsten kring tusschen u en mij, in den ruimsten van
-geheel het Atheensche volk! Wij gevoelen allen eene nieuwe kracht, een nieuw vuur
-in ons en wij zien dat het Helleensche volk streeft naar zijne hoogste ontwikkeling!&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo sprak Pericles en drukte een gloeienden kus op de lippen van Aspasia. Het was
-dezelfde gloed, het was dezelfde kracht, het was de kiem van dezelfde levensvolheid
-en levensschoonheid, welke de vuist van den strijder bij Marathon, den beitel <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>van Phidias, de stift van Sophocles, den redenaarsdonder van Pericles op de Pnyx en
-zijn brandenden kus op de lippen der schoonste Grieksche vrouw bezielde.&#x2026;
-</p>
-<p>Wanneer een vertrouwelijk paar als dit, waarin het menschelijke wezen tot den reinsten,
-weelderigsten en edelsten bloei is ontwikkeld, in een kus elkander beroeren, dan is
-dit de hoogste zaligheid van het leven en eene huivering van vreugde doortrilt heimelijk
-het hart der wereld van de eene pool tot de andere; ook die kus is te vergelijken
-met dien bliksem van den zwoelen zomeravond boven de toppen van den <span class="corr" id="xd30e1869" title="Bron: Brillessus">Brilessus</span>.
-</p>
-<p>Zielen ontmoeten elkander als van vonken zwangere wolken.
-</p>
-<p>Maar de wolken ontlasten zich&#x2014;de menschelijke ziel voedt den gloed. Dronken was de
-ziel van Pericles, toen hij met Aspasia de helling van den berg bij het schitterend
-licht der fonkelende avondster afdaalde. Hij drukte de schoone zacht aan zijne borst,
-en zeide, met het oog op het door de maan beschenen reusachtige beeld der Godin van
-Phidias:
-</p>
-<p>&#x201e;O Pallas Athene, leg den metalen helm af, en vergun den nachtegalen der Cephissus-valleien
-daarin te nestelen!&#x201d;
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e1441">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1441src">1</a></span> Metopon beteekent eigenlijk het voorhoofd, v.d. het front.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1441src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1456">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1456src">2</a></span> Poseidon is met den Romeinschen Neptunes geïdentificeerd. Zijn attribuut was de geweldige
-drietand.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1456src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1486">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1486src">3</a></span> Hermes, <span id="xd30e1488"></span>overeenkomende met den Romeinschen Mercurius,<span id="xd30e1490"></span> de zoon van Zeus en Maia, was de beschermgod van den handel, ook van de dieven en
-reizigers. Ook is hij de bode der Goden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1486src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1497">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1497src">4</a></span> Daedalus is een der beroemdste kunstenaars der oudheid. Hij maakte <abbr title="onder andere">o.a.</abbr> voor zijn zoon Icarus en zich zelven, toen zij te Creta gevangen gehouden werden,
-vleugels met was bevestigd. Icarus, die de zon te dicht naderde, viel in zee, daar
-de was smolt. Die zee is naar hem de &#x201e;Icarussche&#x201d; genoemd. Daedalus was ook de bouwmeester
-van het vermaarde Labyrinth op Creta.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1497src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1526">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1526src">5</a></span> Demeter, de Romeinsche Ceres, was o.a. de Godin van het graan.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1526src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1529">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1529src">6</a></span> Eleusis, eene stad in Attica, lag aan de baai van dien naam, tegenover het eiland
-Salamis.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1529src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1534">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1534src">7</a></span> Priesterheerschappij.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1534src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="n111.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n111.1src">8</a></span> Aeschylus was de eigenlijke stichter van het Grieksche treurspel. Hij werd in 525
-(volgens sommigen in 521) geboren, zijn vader heette Euphorion, uit een oud-Attische
-familie gesproten, behoorende tot de gemeente Eleusis. Op vijfentwintigjarigen leeftijd
-trad hij als tooneeldichter op. In 484 behaalde hij den eersten prijs. In 490 onderscheidde
-hij zich dapper in den slag bij Marathon, waar hij talrijke wonden ontving. Voorts
-nam hij deel aan de roemrijke slagen bij Artemisium, Salamis en <span class="corr" id="xd30e1570" title="Bron: Plataeae">Plataea</span> (480 en 479). In 475 werd hij door Hiëro, tyran van Syracuse, aan het hof genoodigd.
-Na in vele dichterlijke wedstrijden, naar Athene teruggekeerd, te hebben overwonnen,
-werd hij aangeklaagd; hoewel vrijgesproken verliet hij de stad en begaf zich naar
-Gela op Sicilië; waar hij op 69-jarigen ouderdom stierf. Een grafteeken en standbeeld
-werd door de Atheners voor hem opgericht. Van zijne talrijke tragediën op 93 of 70
-begroot, hebben we er zeven over. Haar titel luidt: &#x201e;de geketende <span class="corr" id="xd30e1573" title="Bron: Promethus">Prometheus</span>&#x201d;, &#x201e;de zeven tegen Thebe&#x201d;, &#x201e;de Perzen&#x201d;, de &#x201e;Oresteia&#x201d;, eene trilogie bestaande uit
-den &#x201e;Agamemnon&#x201d;, de &#x201e;Choëphorae of offerplengsters&#x201d;, en &#x201e;de Eumeniden&#x201d;, ten laatste
-de &#x201e;Hiketiden of smeekelingen&#x201d;.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n111.1src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1599">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1599src">9</a></span> Het is hier niet de plaats het nauwkeurig onderscheid uiteen te zetten tusschen den
-Dorischen, en den Ionischen stijl. Uitvoerig kan de lezer dat vinden in Guhl en Koner,
-pag. 10, 11 en volgende. In het algemeen slechts merken we op, dat die bouworden op
-dezelfde wijze verschillen, als de volken, Doriërs en Ioniërs, waaraan ze ontleend
-zijn. In den Dorischen stijl heeft zich het ernstige karakter van de Doriërs afgespiegeld;
-lichter en slanker, bevalliger en sierlijker is de Ionische bouworde.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1599src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1608">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1608src">10</a></span> Rhythmus is eigenlijk iedere beweging, afgeleid van een werkwoord, dat &#x201e;stroomen&#x201d;,
-&#x201e;in beweging zijn&#x201d; beteekent; v.d. de maat, versmaat. Men herinnert zich dat de verzen
-der Ouden zich niet door het rijm, maar door de maat van het proza onderscheiden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1608src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1673">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1673src">11</a></span> Dit zijn de woorden, welke Diomedes tot zijn wagenmenner Sthenelus spreekt, toen deze
-hem aanried te vluchten voor Aeneas en Pandarus. Iliad. Boek V, vs. 256.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1673src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1689">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1689src">12</a></span> Anacreon was een der grootste en tevens liefelijkste lyrische dichters van Griekenland.
-Al wat zacht en welluidend was vond in hem zijn tolk. De liefde en den wijn bezong
-hij bij voorkeur. Van de 68 gedichten, die op zijn naam overgeleverd zijn, erkent
-de critiek er zeer weinige voor echt. Hij was te Teos in Ionië geboren, werd te Abdera
-opgevoed, circa 530 v. C. Polycrates, tyran van Samos, noodigde hem aan zijn hof.
-In 521, na den dood van zijn beschermheer, keerde hij terug naar Athene, waar hij
-door Hipparchus met ingenomenheid werd ontvangen. Na den val van dezen begaf hij zich
-weder naar Teos. Tijdens den opstand van Ionië tegen Darius vluchtte hij naar Abdera,
-waar hij op 85-jarigen ouderdom stierf. Simonides maakte op hem een grafschrift. Naar
-de sage luidt, is hij aan het doorslikken van een druivepit gestorven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1689src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1692">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1692src">13</a></span> Sappho, dochter van Scamandronymus en Cleïs, geboren te Eresus op Lesbos in 612 v.
-C. was de beroemdste dichteres der Oudheid. Te Mitylene verzamelde zij eene schare
-jongeren om zich heen. Voor een dezer, den schoonen Phaon zou zij eene zoo hevige
-liefde hebben opgevat, dat ze zich van de Leucadische rotsen in zee stortte, omdat
-die liefde onbeantwoord werd. Men wil, dat ze een dochter Cleïs naliet. Zij koesterde
-groote vriendschap voor den dichter Alcaeus. De grondtoon harer poëzie is hartstocht
-en liefde. Naar haar is de Sapphische strophe genoemd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1692src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1697">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1697src">14</a></span> Eros, de God der liefde, de Romeinsche Cupido.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1697src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1711">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1711src">15</a></span> Hier wordt Aegeus bedoeld; vergelijk <a href="#n60.2">noot 2 pag. 60</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1711src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1717">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1717src">16</a></span> De Minotaurus was, naar de sage, half stier half mensch, welken Minos in het labyrinth
-te Creta met knapen en meisjes voedde, die Athene als cijns moest opbrengen. Theseus
-doodde hem met behulp van Ariadne.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1717src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1725">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1725src">17</a></span> Aegina, een eiland ongeveer anderhalve vierk. mijl groot, met gelijknamige hoofdstad,
-ligt in den Saronischen zeeboezem (golf van Aegina). Beroemd is de Aeginetische kunst
-en gymnastische geoefendheid.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1725src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1730">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1730src">18</a></span> Panhellenisch beteekent alle Grieken omvattend.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1730src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1733">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1733src">19</a></span> Troje, op de kust van Klein-Azië gelegen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1733src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1736">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1736src">20</a></span> Acrocorinthus is de acropolis van Corinthe, de hoogste top en sterke vesting.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1736src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1740">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1740src">21</a></span> Corinthe was de aanzienlijkste handelplaats van Griekenland, op den Isthmus (zeeëngte)
-gelegen met voortreffelijke havens. Cicero noemt het, in zijne redevoering de imperio
-Cn. Pompeii c. V: &#x201e;totius Graeciae lumen&#x201d;, het licht van geheel Griekenland.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1740src" title="Ga terug naar noot 21 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="n125.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n125.1src">22</a></span> Men bemerkt hieruit dat de spreker Sophocles is, de groote Atheensche treurspeldichter.
-</p>
-<p class="footnote cont">Sophocles, de zoon van Sophillus, een wapensmid, is geboren in 495 v. C. te <span class="corr" id="xd30e1756" title="Bron: Colones">Colonos</span> in Attica. In 480 zong hij in het koor ter eere van de overwinning bij Salamis. Lampros
-was zijn leermeester in de muziek. Achttien malen behaalde hij de zege in een tragischen
-wedstrijd, waarin hij dikwijls zelfs Aeschylus overtrof. Na de opvoering zijner Antigone
-werd hij tot strateeg gekozen (441). Tegelijk met Pericles voerde hij het bevel in
-den eersten oorlog tegen Samos. Vier jaar later zou hij Hellanotamias geweest zijn,
-waardoor hij het bestuur verkreeg over de bondskas. Bij de hetaere Theoris zou hij
-een zoon Aristo verwekt hebben, die weder een zoon, Sophocles geheeten, naliet, die
-eveneens drama&#x2019;s schreef. Uit een wettigen echt had Sophocles een zoon Iophen, die
-weinig talent en een slecht karakter bezat, zoodat hij zelfs zijn hoogbejaarden vader
-van krankzinnigheid aanklaagde, om het beheer over diens goederen te verkrijgen. Men
-wil dat de grijze dichter zijn schoone zang uit den Oedipus Coloneüs ter eere van
-Colonos zou hebben voorgedragen, teneinde zijne onverzwakte geestkracht te bewijzen.
-Hij werd daarop onmiddellijk vrijgesproken; Sophocles stierf in 406, bijna 90 jaar
-oud. Men wil dat hij aan het doorslikken van eene druivepit zou gestorven zijn. Hij
-was van een beminnelijk en vroolijk karakter. Den blijspeldichters strekte hij dikwijls
-tot mikpunt hunner spotternijen.
-</p>
-<p class="footnote cont">Van zijne talrijke treurspelen, door de Alexandrijnen op 130 begroot, hebben we er
-zeven over. Voorts schreef hij vele lierzangen, elegieën en andere stukken. Bij Sophocles
-komt het liefelijke en zachte meer op den voorgrond dan bij Aeschylus die geweldiger
-en gespierder is.
-</p>
-<p class="footnote cont">De zeven treurspelen, ons bewaard, zijn: &#x201e;de Antigone&#x201d;, een der schoonste stukken
-van den dichter, ten onzent o.a. door A.&nbsp;J. ten Brink en Opzoomer vertaald. De &#x201e;Oedipus
-koning&#x201d;, door Vondel en Bilderdijk vertolkt. De &#x201e;Oedipus te Colonos (Coloneüs)&#x201d;, door
-Bilderdijk overgezet, &#x201e;de Electra&#x201d;, in 1638 door Vondel vertaald, &#x201e;de Ajax&#x201d; en de
-&#x201e;Trachiniae&#x201d;, welk laatste door Vondel is overgezet. Overigens bestaan van al deze
-tragedies vertalingen in het Duitsch, Fransch en Engelsch. Sophocles wordt door bevoegde
-kunstrechters voor den grootsten der oudere en nieuwere treurspeldichters gehouden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n125.1src" title="Ga terug naar noot 22 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1781">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1781src">23</a></span> Dit Grieksche woord beteekent: waarzegging uit de handen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1781src" title="Ga terug naar noot 23 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1792">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1792src">24</a></span> &#x201e;Aeschylus&#x201d;; zie <a href="#n111.1">noot 1 pag. 111</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1792src" title="Ga terug naar noot 24 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1819">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1819src">25</a></span> Pan is de God der herders en kudden uit Arcadië afkomstig, bevriend met de nymfen,
-met wie hij reidansen uitvoert. Hij wordt afgebeeld met bokspooten, baard en horens
-op het hoofd (Panische schrik). Dikwijls komt hij voor in verbinding met Dionysus
-(Bacchus).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1819src" title="Ga terug naar noot 25 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1826">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1826src">26</a></span> Dit feit greep plaats vóór den slag bij Marathon. De Spartanen echter mochten om godsdienstige
-bezwaren niet vóór de volle maan strijden. De Atheners vochten toen bijna alleen.
-Zie <a href="#n24.1">noot 1 pag. 24</a>. De Spartanen kwamen later op het slagveld en prezen den moed der Atheners. Het feit
-waarvan boven melding gemaakt wordt, wordt uitvoerig verhaald door Herodotus, Boek
-VI. § 105.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1826src" title="Ga terug naar noot 26 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="n130.3">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n130.3src">27</a></span> Beide landstreken in de Peloponnesus.&nbsp;<span class="fnarrow">&#x2191;&nbsp;</span><a class="fnreturn" href="#n130.3src" title="Ga terug naar noot 27(a) in tekst.">a</a> <a class="fnreturn" href="#xd30e1835src" title="Ga terug naar noot 27(b) in tekst.">b</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">V.</h2>
-<h2 class="main">DE PAUWEN VAN PYRILAMPES.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Ten tijde dat de hier verhaalde zaken voorvielen bevonden zich onder de rijke en aanzienlijke
-burgers van Athene twee mannen, die voor het eerst trachtten, niet slechts, zooals
-het gewoonte was, door de schitterende diensten aan den staat, maar ook door eene
-tot hiertoe ongewone huiselijke pracht en weelde elkander te overtreffen.
-<span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span></p>
-<p>De een dezer mannen heette Hipponicus, in wiens gastvrije woning Aspasia zich ophield,
-een man van <span class="corr" id="xd30e1884" title="Bron: adelijk">adellijk</span> geslacht. De andere was Pyrilampes, een parvenu, een rijk geworden wisselaar uit
-den Piraeus.
-</p>
-<p>Hipponicus leidde den oorsprong van zijn geslacht af van niemand minder dan van Triptolemus<a class="noteRef" id="xd30e1889src" href="#xd30e1889">1</a>, den lieveling van Demeter, den stichter der Eleusinische mysteriën, den uitvinder
-van den ploeg, den beschermer van den akkerbouw en van iedere beschaving. Zonder twijfel
-had het geslacht van Hipponicus aan zijne afkomst te danken, dat het ambt van Daduchus<a class="noteRef" id="xd30e1895src" href="#xd30e1895">2</a> priester bij de mysteriën van Eulesis, er erfelijk in was.
-</p>
-<p>Ook Hipponicus bekleedde deze waardigheid. Maar de man naar de wereld bekommerde zich
-daar niet veel om. Slechts eenmaal in den loop van het jaar, ten tijde der groote
-mysteriën, was hij verplicht zich voor korten tijd naar Eleusis te begeven.
-</p>
-<p>Eene zonderlinge eigenaardigheid juist van dit geslacht was daarin gelegen, dat de
-stamhouders steeds beurtelings Callias en Hipponicus heetten. Ieder Callias noemde
-zijn eerstgeborene Hipponicus en ieder Hipponicus den zijne Callias<a class="noteRef" id="xd30e1901src" href="#xd30e1901">3</a>.
-</p>
-<p>De lotgevallen van al deze verschillende <span class="corr" id="xd30e1909" title="Bron: Callassen">Calliassen</span> en Hipponicussen waren veelal zeer merkwaardig; bijzonder de wijze, waarop zij aan
-hunne rijkdommen kwamen.
-</p>
-<p>Aan Hipponicus, dien ten tijde van Solon<a class="noteRef" id="xd30e1914src" href="#xd30e1914">4</a> leefde, <span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span>en een persoonlijk vriend van dezen wetgever was, werd verweten, dat hij den grond
-tot de welvaart van zijn geslacht, gelegd had, door misbruik te maken van eene vertrouwelijke
-mededeeling van dien beroemden man. Ten tijde van Pisistratus had een Hipponicus alleen
-den moed de goederen van den verdreven tyran op te koopen. Terwijl in de Perzische
-oorlogen velen verarmden, werd de familie der Calliassen en Hipponicussen steeds rijker.
-Aan een Hipponicus namelijk had zekere Eretriër<a class="noteRef" id="xd30e1919src" href="#xd30e1919">5</a>, Diomnestus genaamd, zijne schatten in bewaring gegeven, welke hij bij den eersten
-inval der Aziaten op een vijandelijk veldheer buit had gemaakt. Bij den tweeden inval
-voerden de Perzen, zooals bekend is, alle Eretriërs en onder hen ook Diomnestus, gevankelijk
-weg, en zijne schatten bleven in het bezit van Hipponicus. Dan weder was het een Callias,
-dien een Pers bij Marathon, om zijn leven te redden, in &#x2019;t geheim naar een plaats
-voerde, waar zijne landgenooten veel goud hadden begraven. Callias nam de voorzorg,
-den Pers, nadat hij hem de plaats gewezen had, te dooden, om zoo zeker te zijn, dat
-hij niets van het geheim aan een ander zou verraden, voordat Callias den tijd had
-gevonden, den schat geheel weg te nemen en in veilige bewaring te brengen.
-</p>
-<p>Zoo luidden de overleveringen, die getuigenis afleggen voor het in dat geslacht erfelijke
-talent, zich rijkdommen te verwerven. Zooals van zelf spreekt, geraakten de nakomelingen
-tot het grootste aanzien in den staat.
-</p>
-<p>Menige Callias en Hipponicus diende zijnen medeburgers als gezant naar den Perzischen
-koning of anders in gezantschappen over vrede; voor sommigen hunner richtte men van
-staatswege eene eerezuil op.
-<span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span></p>
-<p>Onze Hipponicus nu, de gastheer van Aspasia, deed zijne vaderen eer aan. Hij was goedhartig
-van karakter en bij het volk zeer bemind. Somwijlen offerde hij aan de Godin Pallas
-Athene eene volledige Hecatombe<a class="noteRef" id="xd30e1932src" href="#xd30e1932">6</a>, onthaalde bij feestelijke gelegenheden het volk naar stammen en geslachten, en bij
-de groote Dionysia richtte hij voor allen, die komen wilden, in Ceramicus een drinkgelag
-aan in de open lucht en gaf hun met klimop omkransde zetels er bij, waarop de gasten
-plaats konden nemen. Toen hij eens naar Corinthe reisde om een vriend te bezoeken
-en onderweg vernam, dat de man op het punt stond om door zijne schuldeischers gegijzeld
-te worden, zond hij een bode met het noodige geld vooruit, om den schuldeischer tevreden
-te stellen, omdat het hem onaangenaam zou geweest zijn, bij zijne aankomst, zijn vriend
-in eene slechte luim aan te treffen. Zijn huis te Athene onderscheidde zich, zooals
-gezegd is, zeer van die toenmalige huizen der andere Atheners.
-</p>
-<p>Alleen de rijk geworden geldwisselaar Pyrilampes beproefde het hem te evenaren. Deze
-had een huis in den Piraeus, dat hij zoo inrichtte, als dat van Hipponicus. Hij zocht
-overigens zoo veel mogelijk Hipponicus in alles na te doen. Wanneer Hipponicus zich
-een klein hondje van Melitaeïsche<a class="noteRef" id="xd30e1937src" href="#xd30e1937">7</a> ras, dat beroemd was om zijne bevalligheid, aangeschaft had, dan kocht Pyrilampes
-een nog kleiner van datzelfde ras. Vermeerderde daarentegen Hipponicus het getal zijner
-honden met een nieuwen Laconischen, Molossischen<a class="noteRef" id="xd30e1940src" href="#xd30e1940">8</a> of Cretensischen hond, die om zijn grootte door de menschen bewonderd werd, dan rustte
-Pyrilampes niet, vóór hij een nog grooteren kon machtig worden. Hipponicus <span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span>had een reus tot portier, en daar nu Pyrilampes geen nog grooter man voor zich kon
-vinden, plaatste hij aan de poort van zijn huis een aardigen dwerg, &#x2019;t geen veel opzien
-baarde. Hipponicus&#x2019; oudste zoontje, die, zooals vanzelf sprak, Callias heette, betoonde
-weinig lust om de vier en twintig letters van het alphabet te leeren; toen liet Hipponicus
-de kameraadjes van den kleinen Callias, zijne huisslaven en andere personen uit de
-omgeving van den jongen, ieder met den naam van een der letters aanduiden. Pyrilampes
-had eveneens een zoontje, Demus geheeten, en daar deze liever met jonge honden speelde,
-zoo schafte hij zich vierentwintig hondjes aan en deed ieder een plaatje om den hals,
-waarop de naam van eene letter van het alphabet geschreven was. Hipponicus was beroemd
-om zijne paardenfokkerij; daar Pyrilampes hem hierin niet kon overtreffen, zocht hij
-de paarden van Hipponicus door een aantal zeldzame en merkwaardige apen te overschaduwen.
-Hipponicus hield altijd veel hanen en kwartels, om ze met elkaar te laten vechten,
-een schouwspel, waarin de Atheners bijzonder veel vermaak schepten. Meer bepaald echter
-had hij zich in den laatsten tijd op het kweeken van Siciliaansche duiven toegelegd,
-die te Athene zeer in den smaak vielen en weldra nergens zoo schoon en voortreffelijk
-te vinden waren als bij Hipponicus. Deze zegepraal van zijn mededinger hield Pyrilampes
-den slaap uit de oogen. Hij peinsde zoo lang dat hij de duiven van Hipponicus overtrof.
-Daar kreeg hij uit Samos<a class="noteRef" id="xd30e1945src" href="#xd30e1945">9</a> een paar van die prachtige vogels, met hun schoonen, honderdoogigen staart, die aan
-Hera<a class="noteRef" id="xd30e1948src" href="#xd30e1948">10</a> waren gewijd, en destijds te Athene alleen bij name bekend waren. Pyrilampes liet
-de gevederde vreemdelingen broeien, paste ze zorgvuldig <span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span>op en weldra stapte een groot aantal dier verbazend schoone dieren pronkend over zijn
-groot voorhof, ja zelfs op het plat van zijn dak tot verwondering en genoegen der
-voorbijgangers.
-</p>
-<p>Met deze Samische vogels sloeg Pyrilampes Hipponicus en zijne duiven uit het veld.
-In grooten getale stroomden de nieuwsgierige Atheners toe, om de pauwen van Pyrilampes
-te bekijken. Men sprak een tijdlang bijna over niets, dan over de pauwen van Pyrilampes.
-</p>
-<p>De gelukkige mededinger van Hipponicus rustte niet, voordat Pericles hem beloofd had
-zijne pauwen te komen zien. Pericles ging naar hem toe, vergezeld van Aspasia, die
-zich ook nu weder als Milesische citherspeler had verkleed.
-</p>
-<p>Wie in die dagen te Athene zijne schoone vriendin een bijzonder aangenaam geschenk
-wilde vereeren, kocht een van Pyrilampes&#x2019; jonge pauwen en schonk haar die.
-</p>
-<p>Aspasia sprak met zoo onverholen ingenomenheid over de prachtige vogels en Pericles
-meende zoo duidelijk in hare oogen te lezen, welk een sieraad zij zulk een vogel in
-het peristilium harer woning achtte, dat hij niet nalaten kon Pyrilampes ter zijde
-te nemen en hem heimelijk last te geven een der jonge pauwen bij de Milesische Aspasia,
-die in een der zijvleugels van het huis van Hipponicus woonde, te doen bezorgen. Voor
-zijne vriendin echter hield hij de zaak geheim, om haar door het geschenk te verrassen.
-</p>
-<p>Op den morgen, die op dit bezoek van Pericles en de verkleede Milesische volgde, trad
-Hipponicus onverwachts het vertrek zijner schoone gast binnen. Hipponicus was een
-vrij gezet man. Zijn gezicht was rood en eenigszins opgezwollen. Zijne oogen glinsterden
-goedaardig en om zijn tamelijk dikke lippen zweefde steeds een glimlach. Met dezen
-glimlach op de lippen, die echter ditmaal, voor zooverre zulks bij Hipponicus mogelijk
-was, iets spottends had, zeide hij tot Aspasia:
-</p>
-<p>&#x201e;Schoone vriendin, ik hoor dat het u zeer goed <span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span>bevalt in de stad der Atheners&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Daarvan komt u de verdienste toe,&#x201d; hernam Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;Niet geheel en al,&#x201d; antwoordde Hipponicus. &#x201e;Gij hebt in den <span class="corr" id="xd30e1966" title="Bron: begnine">beginne</span> reeds een aangenaam verkeer gehad met Phidias en zijne kunstenaars en later ook met
-mijn vriend, den grooten Pericles. Ik hoor, dat gij hem somstijds uit zedigheid onder
-de vermomming van een citherspeler vergezelt. En wanneer ik goed ingelicht ben, bevallen
-u de Siciliaansche duiven van Hipponicus niet bijzonder meer, maar gaat gij liever
-met Pericles naar den Piraeus, om de pauwen van Pyrilampes te bewonderen&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Die pauwen zijn prachtig,&#x201d; zeide Aspasia onbeschroomd, &#x201e;en gij moet ze zelf eens
-gaan zien.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik ben nog onlangs voorbij het huis van Pyrilampes gekomen,&#x201d; hernam Hipponicus, &#x201e;en
-ik heb die dieren hooren schreeuwen. Daar had ik genoeg aan. Nu, ieder zijn smaak;
-ieder moet zijn genoegen daar zoeken, waar hij het vindt. Een genot, dat men t&#x2019;huis
-heeft, verveelt gauw. En, naar ik bemerk, wordt het meer gewaardeerd als men iemand
-aangenaam onderhoudt, dan dat men hem gastvrijheid verleent.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Hipponicus zag bij deze woorden Aspasia scherp aan en hoopte, dat zij iets zeggen
-zou.
-</p>
-<p>Daar zij echter zweeg, vervolgde hij: &#x201e;Gij weet, Aspasia, dat ik u te Megara uit onaangename
-verwikkelingen heb gered; ik heb u hierheen naar Athene gevoerd; ik heb u gastvrij
-ontvangen. Ik heb veel voor u gedaan. En nu zeg mij, welken dank oogst ik daarvoor
-in? Verstaat ge mij, <span class="corr" id="xd30e1975" title="Bron: Apasia">Aspasia</span>? Welken dank oogst ik daarvoor in?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wie op zulk eene wijze om dank vraagt,&#x201d; hernam Aspasia, &#x201e;die wil betaling, geen dank.
-Ook gij <span class="corr" id="xd30e1980" title="Bron: verlangd">verlangt</span> betaald te worden, zooals ik zie, voor wat ge mij bewezen hebt. Uwe weldaden hebben,
-naar het schijnt, een bepaalden prijs. Maar gij hebt verzuimd, Hipponicus, dezen prijs
-uwer weldaden vooraf te bedingen, en nu maakt gij u driftig, als een vischwijf op
-de markt, omdat deze prijs den kooper <span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span>te hoog is!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Verdraai de zaken niet, Aspasia,&#x201d; hernam Hipponicus rood wordende, &#x201e;gij weet het,
-ik was de kooper en uwe gunst was het, die ik, voor alles, wat ge begeert wilde koopen&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo ben ik de koopwaar?&#x201d; riep Aspasia uit; &#x201e;het zij zoo, ik ben koopwaar, als ge
-wilt en heb een bepaalden prijs&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;En deze prijs&#x2014;?&#x201d; vroeg Hipponicus.
-</p>
-<p>&#x201e;Zult gij met al uwe schatten nooit kunnen betalen!&#x201d; wierp Aspasia hem snel tegen.
-</p>
-<p>Hipponicus draaide zich onrustig op zijn stoel.
-</p>
-<p>&#x201e;Geen praatjes! zeide hij toen en zijne trekken namen weder een goedhartige uitdrukking
-aan. &#x201e;Gij zijt niet meer te krijgen! Dat is alles.&#x2014;Een ander heeft u gekocht. Voor
-welken prijs&#x2014;dat is zijne zaak. Daar het de groote Pericles is, ben ik noch op hem
-noch op u boos. Ik houd van Pericles en gun hem alles goeds; hij heeft mij eens een
-grooten dienst bewezen, dien ik nooit in mijn leven vergeten zal. Hij heeft mij van
-eene lastige vrouw, de toen nog schoone, maar twistzieke Telesippe afgeholpen. Mogen
-de Goden hem er voor beloonen!&#x201d;
-</p>
-<p>Met dit gezegde, dat hij steeds uitte, wanneer men over Pericles kwam te spreken,
-stond Hipponicus op en ging heen.
-</p>
-<p>Nadat hij zich verwijderd had, was Aspasia&#x2019;s eerste gedachte, dat het haar nu niet
-langer paste de gastvrijheid van Hipponicus te blijven genieten.
-</p>
-<p>Zij riep hare slavin, liet een paar muildieren met hare bezittingen beladen, om die
-naar een Milesische vriendin te brengen, eene eerwaardige dame, die sedert jaren te
-Athene woonde. Met Aspasia&#x2019;s moeder was deze van kindsbeen af bevriend geweest en
-koesterde zelve eene bijna moederlijke liefde voor hare schoone, jeugdige landgenoote.
-</p>
-<p>Nadat Aspasia Hipponicus haar dank had doen betuigen voor de bewezen gastvrijheid
-en haar besluit, zijn huis te verlaten, had laten mededeelen, <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>verkleedde zij zich naar hare gewoonte als citherspeler en ging op weg, begeleid door
-een slaaf, ten einde Pericles in zijn woning op te zoeken.
-</p>
-<p>Tot op dezen dag had zij dien stap nog niet gewaagd, zelfs niet in hare verkleeding.
-Maar heden brandde zij van ongeduld om onverwijld gelegenheid te zoeken haar vriend
-te spreken en met hem te overleggen, wat zij nu na hare verwijdering uit het huis
-van Hipponicus verder zou aanvangen.
-</p>
-<p>Kort nadat Aspasia vertrokken was, werd Hipponicus door een bediende gemeld, dat er
-een slaaf van Pyrilampes geweest was, die een jongen pauw had gebracht voor de Milesische,
-die in het bijgebouw woonde.
-</p>
-<p>Hipponicus haatte niets zoo zeer in de wereld als de pauwen van Pyrilampes, en had
-hij de eerste opwelling van zijn hart gevolgd, dan zou hij den vogel onmiddellijk
-den hals hebben doen omdraaien, echter stelde hij zich tevreden met gefronste wenkbrauwen
-te zeggen:
-</p>
-<p>&#x201e;De Milesische is weg en ik weet niet waarheen zij gegaan is. Breng den pauw naar
-het huis van Pericles. Deze heeft hem zonder twijfel gekocht.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Inmiddels was Aspasia op haar weg naar Pericles op de Agora gekomen.
-</p>
-<p>Terwijl zij met een zekeren haast zich door het gedrang der onbekende menschen spoedde,
-ontmoette haar plotseling Alcamenes.
-</p>
-<p>De beeldhouwer bleef voor haar staan, zag haar met zijne heldere oogen aan en zeide
-toen met een spottend lachje: &#x201e;Waarheen gaat ge, schoone citherspeler? Zeker naar
-Pericles?&#x2014;Mogen uwe nieuwe vrienden met hunne aanspraak op u en uwe gunst gelukkiger
-zijn dan de oude!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wien gaf ik ooit eenig recht op mij?&#x201d; vroeg Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;Onder anderen ook aan mij,&#x201d; hernam Alcamenes.
-</p>
-<p>&#x201e;Aan u?&#x201d; zeide Aspasia. &#x201e;Ik gaf u wat ge noodig hadt, wat den beeldhouwer onmisbaar
-was. Niets meer en niets minder.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Eene vrouw moet niets of alles geven,&#x201d; hernam Alcamenes.
-</p>
-<p>&#x201e;Vergeet dan, dat ik u ooit iets heb gegeven,&#x201d; riep Aspasia en verdween in het gedrang.
-</p>
-<p>Snel waren deze weinige woorden gewisseld. Alcamenes lachte bitter en sarcastisch.
-Aspasia vervolgde haar weg met spoed.
-</p>
-<p>In het huis van Pericles was Telesippe dien morgen met een vrome plechtigheid bezig.
-</p>
-<p>Zij hoopte schadeloosstelling voor de nalatigheid, die Pericles, naar zij meende,
-in het beheer zijner huishouding aan den dag legde, van de gunst van Zeus Ktesios<a class="noteRef" id="xd30e2018src" href="#xd30e2018">11</a> den beschermer van de huiselijke have, die door alle vrome Atheners door huiselijken
-eeredienst pleegde vereerd te worden. Niemand was beter vertrouwd met de heilige oudvaderlijke
-gebruiken dan Telesippe. Zij omwond haar voorhoofd en haar rechter schouder met wollen
-draden, nam toen een nog ongebruikten aarden pot, van deksel voorzien, omwoelde het
-hengsel met witte wol, deed in den pot een mengsel van allerlei vruchten, met helder
-water en olie en plaatste dit offer ter eere van den God in de voorraadkamer.
-</p>
-<p>Juist was zij gereed met haar vroom werk, toen zij bemerkte dat de portier een slaaf
-binnen liet, die een grooten vreemden vogel met langen, prachtigen staart, de pooten
-samengebonden, op zijn armen droeg.
-</p>
-<p>De slaaf zeide, dat deze vogel voor Pericles was, legde hem neder en ging zijns weegs.
-</p>
-<p>Telesippe verwonderde zich en wist niet recht wat de zaak beteekende.
-</p>
-<p>Zou Pericles dien vogel op de markt gekocht hebben en moest die voor den maaltijd
-geplukt en gebraden worden?
-</p>
-<p>Maar Pericles placht zich anders zeer weinig met huiselijke aangelegenheden te bemoeien.
-<span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span></p>
-<p>Zij besloot de terugkomst van haar echtgenoot af te wachten. Voorloopig liet ze den
-vogel in den kleinen hoenderhof voor het huis brengen.
-</p>
-<p>Juist trad eene vrouwengestalte, door eene slavin begeleid, de buitendeur binnen,
-en toen Telesippe haar te gemoet ging, stak uit het himation het welbekende hoofd
-van hare vriendin Elpinice.
-</p>
-<p>De trekken van Elpinice vertoonden ditmaal een buitengewonen ernst. Zij was opgewonden,
-hare bewegingen haastig en gejaagd, hare oogen rolden heen en weder en hare lippen
-trilden als van ongeduld om iets te zeggen, om zich van een gewichtig geheim te ontlasten.
-</p>
-<p>&#x201e;Telesippe,&#x201d; zeide zij, &#x201e;verwijder alle getuigen of begeef u met mij in een uwer binnenvertrekken.&#x201d;
-</p>
-<p>De gade van Pericles was het niet vreemd hare vriendin in zulk een opgewonden toestand
-bij zich te zien binnenstuiven. Zij had toch veel verkeering en vormde, om zoo te
-zeggen, het middelpunt van de vrouwenpraatjes in de stad. Ze wist veel en hare nieuwtjes
-brachten groote opschudding in menig vrouwenvertrek. Toen zij beiden in een binnenvertrek
-alleen waren, zonder gestoord te kunnen worden, begon de zuster van Cimon op een plechtigen
-toon:
-</p>
-<p>&#x201e;Telesippe, wat denkt ge van de trouw van uw echtgenoot?&#x201d;
-</p>
-<p>Telesippe wist op &#x2019;t oogenblik niet wat zij zeggen zou.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat denkt ge van de genegenheid van uw man voor ons geslacht in het algemeen?&#x201d; vervolgde
-Elpinice.
-</p>
-<p>&#x201e;Ach,&#x201d; antwoordde zij: &#x201e;zijn hoofd is zoo overvol van staatszaken&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat hij aan vrouwen in het geheel niet meer denkt, meent ge?&#x201d; viel de zuster van
-Cimon in en vertrok haar mond tot een medelijdend, spottenden glimlach. &#x201e;Natuurlijk!&#x201d;
-ging zij vorschend voort, &#x201e;gij moet het vóór allen weten, als zijne echte gade en
-wettige bedgenoote.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Ja zeker,&#x201d; hernam de vrouw van Pericles argeloos.
-</p>
-<p>Elpinice greep hare hand, glimlachte nog eens medelijdend en zeide toen:
-</p>
-<p>&#x201e;Telesippe, is het gedrag en karakter van uw man u dan onbekend? Denk toch eens even
-na. Herinner u de schoone Chrysilla&#x2014;de geliefde van den treurspeldichter Ion, aan
-wie uw man, zooals iedereen weet, een geruimen tijd het hof heeft gemaakt.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar dat is nu al lang geleden,&#x201d; antwoordde Telesippe.
-</p>
-<p>&#x201e;Wel mogelijk, maar is in den laatsten tijd nooit een vermoeden bij u opgekomen? Heeft
-niets in het gedrag van uw man u bijzonder getroffen? Niets uwe ziel met booze voorgevoelens
-vervuld?&#x201d;
-</p>
-<p>Zij bezon zich een oogenblik en schudde ontkennend het hoofd.
-</p>
-<p>&#x201e;Arme vriendin!&#x201d; riep Elpinice uit. &#x201e;Zoo treft u de slag dan onvoorbereid en verneemt
-ge alles op eens.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Spreek,&#x201d; zeide de vrouw van Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Is de naam van Aspasia nog niet tot uwe ooren doorgedrongen?&#x201d; vroeg Elpinice.
-</p>
-<p>&#x201e;Die naam is mij niet bekend,&#x201d; antwoordde zij.
-</p>
-<p>&#x201e;Nu, hoor dan,&#x201d; zeide de zuster van Cimon. &#x201e;Aspasia is de naam van eene jonge Milesische
-vrouw, die, de Goden mogen weten na welke zwerftochten en avonturen, te Megara aangeland
-en van daar door uw voormaligen echtgenoot Hipponicus naar Athene is gebracht. Ik
-denk, dat het u niet ten eenenmale onbekend is van welk soort en van welke waarde
-zij zijn, die Milesische vrouwen, de Ionische over &#x2019;t algemeen, die vrouwen van de
-overzeesche kusten? Het zijn Bacchanten<a class="noteRef" id="xd30e2054src" href="#xd30e2054">12</a>, die zich over Griekenland verspreiden en met brandende fakkels de harten der mannen
-in vuur en vlam zetten. Aspasia is van al deze Bacchanten de gevaarlijkste, de doortraptste,
-de sluwste, de vermetelste! <span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span>&#x2026; In de strikken van deze vrouw is uw man gevallen!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat zegt ge?&#x201d; riep de vrouw van Pericles getroffen uit. &#x201e;Waar ontmoet hij die vreemde
-vrouw dan?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;In het huis van Hipponicus,&#x201d; hernam Elpinice. &#x201e;Want zij woont in het huis van Hipponicus.
-Daar hebben die hetaeren hare samenkomsten. Daar worden orgiën<a class="noteRef" id="n145.1src" href="#n145.1">13</a> gevierd, orgiën, Telesippe&#x2014;het is verschrikkelijk wat er gefluisterd wordt van de
-orgiën in het huis van Hipponicus! En uw echtgenoot te midden daarvan!&#x2014;Maar dat is
-nog niet het ergste. Let wel, hij verkwist zijn bezittingen met die Milesische boeleerster!
-Hij vereert haar slaven, huisraad, tapijten, duiven, sprekende spreeuwen en alles
-wat ge maar denken kunt! Sedert gisteren is dat alles in de geheele stad bekend! Tot
-heden geschiedde alles zoo geheim mogelijk. Nu verbreidt het zich in de stad als een
-loopend vuurtje, want gisteren heeft Pericles de kroon op zijn schandelijk werk gezet.
-Gisteren heeft hij bij Pyrilampes een vreemden vogel, een pauw, gekocht voor de Milesische
-Aspasia! De geheele wereld spreekt heden van dien pauw. En van morgen is de vogel
-door een slaaf van Pyrilampes naar het huis van <span class="corr" id="xd30e2066" title="Bron: Pericles">Hipponicus</span> gebracht. Ik zelf heb onder weg menschen gesproken, die den slaaf den pauw op de
-armen hadden zien dragen. Maar denk eens! Diezelfde lieden vertelden mij, dat Hipponicus
-den pauw niet heeft aangenomen, omdat de Milesische niet meer bij hem woont! Vat ge,
-hoe dat samenhangt? Zij is van Hipponicus weggegaan naar een ander huis. En wie heeft
-dat andere huis voor haar gekocht of gehuurd? Uw man Pericles!&#x2014;Wat staart ge me zoo
-peinzend aan?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik denk na,&#x201d; zeide Telesippe, &#x201e;over dien vreemden vogel, waarvan ge mij vertelt.
-Weinige oogenblikken, voordat gij kwaamt, is een vreemde vogel <span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span>door een slaaf hier aan huis gebracht, met de boodschap, dat Pericles hem gekocht
-had.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Waar is de vogel?&#x201d; riep Elpinice. Telesippe bracht hare vriendin naar den hoenderhof,
-waar de jonge pauw jammerlijk op den grond lag te spartelen; want men had hem de pooten
-nog niet losgemaakt.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is de pauw!&#x201d; zeide Elpinice; &#x201e;juist zoo heb ik de pauwen van Pyrilampes hooren
-beschrijven. De zaak is zonneklaar. De pauw is ten huize van Hipponicus niet aangenomen
-geworden; de slaaf wilde of konde de Milesische zelve niet verder zoeken en bracht
-den vogel gemakshalve naar den kooper. Dat is eene beschikking der Goden, Telesippe.
-Breng toch Hera een offer, de beschermgodin en wreekster van den huwelijksband!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Rampzalige vogel!&#x201d; riep Telesippe en wierp een toornigen blik op het dier, &#x201e;ge zult
-niet te vergeefs in mijne handen gevallen zijn!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Slacht hem!&#x201d; riep de zuster van Cimon, &#x201e;slacht hem en braad hem op het vuur en bereid
-uw trouweloozen echtgenoot daarmede een Thyestes-maal<a class="noteRef" id="xd30e2078src" href="#xd30e2078">14</a>!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat zal ik,&#x201d; hernam Telesippe, &#x201e;en Pericles kan er mij geen verwijt van maken. Om
-een vogel als deze vrij rond te laten loopen, daar is onze hoenderhof veel te klein
-voor. Wanneer hij hem dus gekocht heeft, zoo mag ik vooronderstellen dat hij geplukt
-en gebraden en opgegeten moet worden. Pericles moet daar het zwijgen toe doen. Hij
-kan tegen deze verontschuldiging niets inbrengen. Hij moet zwijgen en in stilte bersten
-van spijt, wanneer <span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span>ik hem den gebraden vogel voorzet. En eerst als hij de vervloekte spijs mokkend genuttigd
-heeft, zal ik mijn mond open doen, om hem zijne openbare schande geducht voor de voeten
-te werpen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Daar doet ge wel aan,&#x201d; zeide Elpinice en wreef zich lachend de handen. &#x201e;Ziet ge nu
-wel,&#x201d; ging zij voort, &#x201e;van welken aard de staatsbezigheden zijn, die uw gemaal van
-zijne rechtmatige, wettige bedgenoote vervreemden?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zijne vrienden zijn het, die hem in het verderf hebben gestort,&#x201d; zeide Telesippe.
-&#x201e;Zijn hart is toch licht ontvlambaar en open voor iederen indruk. De omgang met godloochenaars
-heeft hem goddeloos gemaakt. Ja, hij is goddeloos geworden, den huiselijken eeredienst
-verricht hij met een lauw gemoed en doet of duldt vele van deze dingen om mijnentwil.
-Gij herinnert u, hoe hij kort geleden aan de koorts ziek lag. Gij riedt mij een amulet
-om zijn hals te hangen, een ring met ingesneden magische teekens of een stuk perkament
-met wonderkrachtige spreuken beschreven, in leer genaaid. Ik zorgde voor zulk een
-amulet en hing het den zieke om den hals. Hij lag in een lichten sluimer en lette
-er niet op. Weldra echter kwam een zijner vrienden hem een bezoek brengen. Toen deze
-het amulet op de borst van Pericles zag, nam hij het weg en wierp het ter zijde. Pericles
-ontwaakte uit zijn sluimer; toen zeide zijn vriend tot hem, zooals mij een slaaf verhaalde,
-die juist in het vertrek was: &#x201e;De vrouwen hebben u een amulet om den hals gehangen;
-ik ben een verlicht man en heb het ding weggenomen!&#x201d;&#x2014;&#x201e;Het is goed,&#x201d; hernam Pericles,
-&#x201e;maar ik zou u voor een nog verlichter man gehouden hebben, wanneer gij het hadt laten
-hangen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat was zeker een van die nieuwerwetsche beeldhouwers,&#x201d; zeide Elpinice. &#x201e;Ik heb nooit
-veel van Pericles gehouden&#x2014;hoe had ik ook met den tegenstander van mijn voortreffelijken
-en onvergelijkelijken broeder op kunnen hebben? Maar hij is mij bijna gehaat geworden,
-sedert hij geheel <span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span>en al een speel- en werktuig in de handen van Phidias, Ictinus, Callicrates en al
-die menschen geworden is, die nu met hun eerzuchtig streven zoo veel alarm maken en
-die iedere ware verdienste op den achtergrond dringen. Weet ge wel, dat, terwijl al
-deze mannen met beitel en troffel zich op de Acropolis zoo druk maken, de edele Polygnotus,
-de voortreffelijke meester, dien mijn broeder Cimon zoo hoog schatte, ledig moet loopen?&#x201d;
-</p>
-<p>Elpinice gaf nog eenigen tijd lucht aan hare klachten, doch stond ten laatste op,
-om te gaan. Telesippe deed haar uitgeleide tot aan het Peristylium. Daar onderhielden
-de beide vrouwen, naar de gewoonte dier kunne, die bij het afscheid nemen moeilijk
-het laatste woord kan vinden, zich nog een geruimen tijd bij de deur over het groote
-nieuws van den dag.
-</p>
-<p>Plotseling ging de voordeur open en een jongeling trad het huis binnen.
-</p>
-<p>De jonkman was van eene in &#x2019;t oog loopende schoonheid.
-</p>
-<p>De beide vrouwen hadden zich bij het gezicht van een vreemden man, volgens de strenge
-Attische zeden, moeten verwijderen. Maar zij waren als aan den grond genageld.
-</p>
-<p>En was het dan wel een man, was het niet een baardelooze jongeling, dien zij zagen?
-</p>
-<p>Ook had deze, vóór Telesippe goed kon nadenken, zich even bescheiden als innemend
-tot haar gewend met de vraag, of Pericles thuis was en het hem gelegen kwam het bezoek
-van een vreemdeling te ontvangen.
-</p>
-<p>&#x201e;Mijn man is uit,&#x201d; antwoordde Telesippe.
-</p>
-<p>&#x201e;Heb ik het genoegen zijne echtgenoote, de vrouw des huizes, te mogen zien?&#x201d; zeide
-de jongeling. &#x201e;Ik ben,&#x201d; vervolgde hij, de harde namen met opzet nog scherper uitsprekende,
-&#x201e;Pasicompsus, de zoon van Execestides uit&#x2014;,&#x201d; hij durfde niet zeggen, uit Milete, want
-een enkele oogopslag op de beide vrouwen, in wier handen hij gevallen was, deed hem
-gevoelen, dat hij met het noemen <span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span>van het lichtzinnige Milete hier geen bijzonder gunstigen indruk zou maken. Den minsten
-argwaan wekte hij zeker, wanneer hij voorgaf uit het strenge, zedige Sparta te komen.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik ben,&#x201d; zeide hij derhalve, &#x201e;Pasicompsus, de zoon van Execestides uit Sparta. Mijn
-grootvader Astramphychus was met den vader van Pericles door banden van gastvriendschap
-verbonden.
-</p>
-<p>Toen Elpinice, de vriendin der Spartanen, hoorde dat de jongeling uit Sparta kwam,
-was zij in de wolken.
-</p>
-<p>&#x201e;Welkom, vreemdeling,&#x201d; zeide ze, <span class="corr" title="Niet in bron">&#x201e;</span>wanneer gij uit het land, der goede, oude zeden komt. Wie is toch uwe moeder geweest,
-dat gij, een telg van het ruwe Sparta, zoo schoon gelokt en van eene zoo ranke en
-slanke gestalte zijt?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik sloeg uit den aard,&#x201d; hernam de jongeling. &#x201e;Men heeft mij ginds te Sparta steeds
-voor eene vrouw gehouden. En toch heb ik nooit voor iemand gebeefd, die met mij wilde
-vechten. Ik heb menigeen voor mij in het stof doen bijten. Maar dat hielp niet. Zij
-hielden mij toch steeds voor eene vrouw. Daar kreeg ik genoeg van, en, om de spotters
-te ontwijken, besloot ik in den vreemde te gaan en niet eerder naar het ruwe Sparta
-terug te keeren, voordat ik een baard en een knevel zou gekregen hebben. Vooreerst
-denk ik mij hier te Athene aan de schoone kunsten, die hier bloeien, te wijden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik zal u bij den voortreffelijken meester Polygnotus aanbevelen,&#x201d; zeide Elpinice.
-&#x201e;Ik hoop toch, dat gij een schilder zijt en niet een van die steenhouwers, welke hier
-te lande zoo talrijk en overmoedig zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zeker heb ik nooit geleerd steenen te houwen,&#x201d; hernam de jongeling; &#x201e;maar van het
-kleurenmengen geloof ik iets te verstaan, zoo goed als iemand van ons geslacht; hoewel
-ik die kunst niet behoef uit te oefenen, om mijn kost te winnen, want ik leef, den
-Goden zij dank, van mijne eigen middelen&#x2014;&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;En hoe bevalt u Athene?&#x201d; ging Elpinice voort, &#x201e;en hoe bevallen u zijne bewoners?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zij zouden mij best bevallen,&#x201d; zeide de jongeling, &#x201e;wanneer zij allen zoo eerwaardig
-en beminnelijk waren, als die, welke de goden mij zoo spoedig na mijne aankomst in
-dit huis deden ontmoeten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Jongeling!&#x201d; riep Elpinice verrukt uit, &#x201e;gij doet uw land eer aan! Ach, dat onze Atheensche
-jeugd ook zoo wellevend en bescheiden was! O, gelukkig Sparta! Gelukkige Spartaansche
-moeders en vrouwen en maagden!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Is het waar,&#x201d; vroeg nu Telesippe, &#x201e;dat de Spartaansche vrouwen de schoonste van geheel
-Hellas zijn? Dat heb ik dikwijls hooren verzekeren.&#x201d;
-</p>
-<p>De jonge man scheen door deze vraag onaangenaam gestemd te worden. Zijne neusvleugels
-bewogen zich licht, en zijne lippen trilden een weinig, toen hij minachtend zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Wanneer forsche gestalte hetzelfde is als vrouwelijke schoonheid, dan zijn de Spartaansche
-vrouwen de schoonste.&#x2014;Maar wanneer fijnheid en adel van vormen beslist,&#x201d; voegde hij
-er na eene kleine pauze bij, terwijl hij met een innemend lachje zijn blik over de
-gestalte en het gelaat van Elpinice liet weiden, &#x201e;dan is het billijk den prijs der
-schoonheid aan de Atheensche vrouwen toe te kennen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Jongeling uit Sparta,&#x201d; zeide Elpinice, &#x201e;gij spreekt als de meester Polygnotus sprak,
-toen hij met mijn broeder Cimon van Thasos hierheen kwam; en mij verzocht of hij voor
-de schoonste dochter van Priamus op de schilderij, waarmede hij de bonte galerij wilde
-versieren, mijne trekken mocht bezigen. Ik zat vijftien dagen voor hem in de bonte
-galerij, en hij schilderde mij trek voor trek.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zijt gij Elpinice, de zuster van Cimon?&#x201d; riep de jonge man uit met levendige gebaren
-van verbazing. &#x201e;Wees gegroet! Van u en uw broeder Cimon, den vriend der Laconiërs,
-vertelde mij telkens mijn grootvader Astramphychus te Sparta, toen ik nog als een
-knaap op zijne knie speelde. En juist, zooals hij u schilderde, staat gij nu voor
-<span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span>mij! En thans herinner ik mij de schoonste van Priamus&#x2019; dochteren op de schilderij
-van Polygnotus. Gisteren heb ik ze gezien, toen ik door de bonte galerij ging, en
-ik weet niet of ik meer de schilderij van Polygnotus moet geluk wenschen, dat zij
-zoo op u gelijkt, dan u, dat gij zoo gelijkt op de afbeelding van Priamus&#x2019; dochter!&#x201d;
-</p>
-<p>De zuster van Cimon stond daar, met opgerichten hoofde, in al hare waardigheid. Doch
-een traan welde op in haar oog en zij moest hem wegpinken. Haar hart was ontroerd.
-Zooals deze jonge Spartaan tot haar sprak, had in geen dertig jaren een jongeling
-uit haar eigen vaderland tot haar gesproken. Zij had geheel Sparta, zij had alle Spartanen
-willen omhelzen en zij mocht niet eens dezen eenen, die voor haar stond, naar den
-drang haars harten, in de armen sluiten! Maar zij beloonde hem met een teederen blik.
-</p>
-<p>&#x201e;Amycle,&#x201d; zeide de echtgenoote van Pericles, tot eene vrouw, die om eenige huiselijke
-bezigheid in het peristylium kwam, &#x201e;hier kunt ge een landsman begroeten: deze jonge
-man komt uit Sparta.&#x201d;
-</p>
-<p>Daarop wendde zij zich tot den jongeling met deze woorden: &#x201e;Deze vrouw was de min
-van den kleinen Alcibiades, dien mijn echtgenoot als bloedverwant en vaderloozen zoon
-van Clinias, in huis heeft genomen. De gezonde en krachtige Laconische vrouwen zijn
-als voedsters overal gezocht. Wij hebben Amycle lief gekregen en thans dient zij bij
-ons als huishoudster.&#x201d;
-</p>
-<p>De jonge man beantwoordde den korten groet, waarmede de ruwe, roodwangige vrouw in
-den breeden tongval van haar land hem begroette, met een spottend lachje, terwijl
-de min van haar kant met blikken van twijfel en argwaan de fijne weekelijke, ja, bijna
-weelderige vormen van haar zoogenaamden landsman beschouwde.
-</p>
-<p>&#x201e;Zulke forsche, krachtige gestalten,&#x201d; zeide Telesippe, de huishoudster, die zich verwijderde,
-nastarende, &#x201e;worden uwe Laconische vrouwen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hadden zij niet den vollen boezem,&#x201d; zeide de <span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span>jongeling, &#x201e;dan zou men ze voor zakkendragers houden. Nu kunt ge, in zooverre het
-geoorloofd is van de minnen op de jonge meisjes te besluiten, de Spartaansche meisjes
-u voorstellen, die loopen, worstelen, springen, zich in het werpen met den discus<a class="noteRef" id="xd30e2137src" href="#xd30e2137">15</a> en de speer oefenen en met de jongelingen zich in den wedloop meten. Zij zijn forsch
-en stout en dragen haar rokje kort, ter nauwernood tot aan de knie en dan nog met
-een split.&#x201d;
-</p>
-<p>Zonder door de vrouwen bemerkt te worden, was Alcibiades het Peristylium binnen geslopen,
-had den vreemden, schoonen jongeling nauwkeurig aangekeken en zijne laatste woorden
-opgevangen.
-</p>
-<p>&#x201e;Maar hoe worden de Spartaansche jongens opvoed?&#x201d; vroeg hij; terwijl hij plotseling
-achter eene zuil te voorschijn kwam en met zijne prachtige donkere oogen den vreemdeling
-strak aankeek.
-</p>
-<p>Deze was verrast door de plotselinge verschijning van den schoonen knaap.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is nu de kleine Alcibiades, de zoon van Clinias,&#x201d; zeide Telesippe.
-</p>
-<p>&#x201e;Alcibiades,&#x201d; vervolgde zij, zich tot den knaap wendende, &#x201e;doe uw opvoeder geen schande
-aan door onbescheiden te zijn. Het is een Spartaansch jongeling die daar voor u staat.&#x201d;
-</p>
-<p>De vreemde boog zich neer naar den knaap, om hem een kus op het voorhoofd te geven.
-</p>
-<p>&#x201e;Zonder schoenen,&#x201d; zeide hij daarop tot hem, &#x201e;loopen de jongens in Sparta, zij slapen
-op stroo of riet, mogen nooit volop eten, worden jaarlijks voor het altaar van Artimis<a class="noteRef" id="xd30e2152src" href="#xd30e2152">16</a> tot op het bloed toe gegeeseld, om gehard te worden tegen pijn, krijgen onderricht
-in alle soort van gymnastiek, in het gebruik der wapenen, in krijgsdansen en in de
-kunst van te stelen, zonder betrapt te worden; van den <span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span>anderen kant behoeven zij de letters niet te leeren en het is hun uitdrukkelijk verboden,
-zich meer dan eens of twee maal in &#x2019;t jaar te baden en te zalven.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Bah,&#x201d; riep de kleine Alcibiades.
-</p>
-<p>&#x201e;Overigens,&#x201d; vervolgde de vreemdeling, &#x201e;zijn zij in klassen verdeeld en de jongeren
-hebben ouderen tot vrienden, van wie zij allerlei goeds zoeken te leeren, wier goedkeuring
-zij trachten te verwerven en die zij met hart en ziel zijn toegedaan.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Als ik een Spartaansche jongen was en zulk een vriend moest kiezen,&#x201d; sprak de knaap
-met fonkelende oogen, &#x201e;dan zou ik u kiezen.&#x201d;
-</p>
-<p>De jongeling lachte en boog zich andermaal naar den knaap, om hem een zoen te geven.
-</p>
-<p>Op dat oogenblik vertoonde zich in de trekken van Elpinice, die tot dusverre kalm,
-dicht nevens den jongen man had gestaan, plotseling eene geweldige ontroering. &#x2019;t
-Was alsof eene huivering hare leden doortrilde. Haastig trok zij Telesippe ter zijde
-en fluisterde haar zacht in het oor:
-</p>
-<p>&#x201e;Telesippe, deze jonge man&#x2014;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Welnu?&#x201d; vroeg zij even zacht.
-</p>
-<p>&#x201e;O Zeus en Apollo!&#x201d; zuchtte de zuster van Cimon met gesmoorde stem.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat is er dan toch?&#x201d; vroeg Telesippe in spanning.
-</p>
-<p>Wederom boog zich <span class="corr" id="xd30e2169" title="Bron: Telesippe">Elpinice</span> naar het oor harer vriendin.
-</p>
-<p>&#x201e;Telesippe,&#x201d; fluisterde zij, &#x201e;ik zag straks&#x2014;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat zaagt gij?&#x201d; vroeg Pericles&#x2019; vrouw beangst.
-</p>
-<p>&#x201e;Toen de vreemdeling zich naar den knaap vooroverboog en de boord van den chiton aan
-zijn borst een weinig openging, toen zag ik&#x201d;&#x2014;en weder stokte hare stem van ontroering
-in de keel.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat hebt ge gezien?&#x201d; vroeg nogmaals Telesippe.
-</p>
-<p>&#x201e;Eene vrouw!&#x201d; bracht Elpinice er met moeite uit.
-</p>
-<p>&#x201e;Eene vrouw?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, eene vrouw!&#x2014;Het is de Milesische. Zend <span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span>den jongen weg en laat het overige aan mij over.&#x201d;
-</p>
-<p>Telesippe beval den knaap naar zijne makkers terug te keeren. Hij wilde echter niet;
-hij wilde liever bij zijn &#x201e;vriend&#x201d; blijven. Telesippe moest Amycle roepen om den weerbarstigen
-jongen weg te brengen.
-</p>
-<p>Toen dit geschied was, wierp Elpinice haar vriendin een veel beteekenenden blik toe,
-richtte zich fier en streng op, trad op den vreemdeling toe en keek hem een tijdlang
-met doordringend oog aan.
-</p>
-<p>De vreemdeling trachtte in het begin den blik van Cimon&#x2019;s zuster uit te houden.
-</p>
-<p>Maar die blik was haar te doordringend, evenals die van den gerechtsdienaar welke
-met doorborenden blik den betrapten misdadiger aanstaart. Onwillekeurig poogde zij,
-harer schuld zich bewust, zich aan dien vreeselijken oogopslag te onttrekken.&#x2014;Thans
-eerst nu Elpinice haar met hare oogen had overwonnen, verbrak zij het noodlottig zwijgen
-en zeide op snijdenden toon:
-</p>
-<p>&#x201e;Spartaansche jongeling, eet gij gaarne gebraden pauwen? Pericles zal er heden een
-op zijne tafel hebben. Zoudt gij zijn gast niet willen zijn?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja,&#x201d; sprak nu Telesippe en op haar gelaat stond, zoo mogelijk, nog meer verachting
-en hoon te lezen dan op dat van Elpinice; &#x201e;Ja, het is een pauw van Pyrilampes! Een
-pauw, dien Pericles gisteren gekocht heeft. Hij wilde hem aan eene Ionische boeleerster
-ten geschenke geven, doch nu vindt hij het beter hem gebraden te eten&#x201d;.
-</p>
-<p>&#x201e;Knaap,&#x201d; riep Elpinice van den anderen kant, &#x201e;is het waar dat uwe landgenooten aan
-den Eurotas beweren dat gij eene vrouw zijt? Bedenk, dat ook te Athene menschen zijn,
-die beweren, dat gij geen man zijt, maar&#x2014;eene hetaere van Milete!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ellendige!&#x201d; riep nu weder Telesippe, ziedende van toorn, en zich zelve niet meer
-meester, &#x201e;is het u niet genoeg, dat gij de mannen buitenshuis in uwe netten lokt?
-Moet ge zelfs tot in het heiligdom van den huiselijken haard binnendringen? Hebt ge
-geen ontzag voor de godenbeelden van dit huis, <span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span>die met gramstorige blikken neerzien op haar, die den heiligen, huiselijken haard
-verstoort en ontwijdt?&#x2014;Ga gezalfd en opgesierd voor de deur van uw eigen huis staan
-en trek de voorbijgangers bij hun gewaad naar binnen!&#x2014;Hoe? Waagt ge het nog mij aan
-te zien? Gaat ge nog niet weg?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Roep Amycle hier,&#x201d; zeide Cimon&#x2019;s zuster tot hare opstuivende vriendin, &#x201e;om met hare
-echte Laconische vuisten dezen onechten landgenoot, deze wellustige Milesische hetaere
-de deur uit te werpen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Vooraf,&#x201d; riep Telesippe, die, nadat haar kalm karakter eens opgewekt was, al heftiger
-en heftiger werd, &#x201e;vooraf zal ik met deze vingers haar de oogen uit het gezicht krabben&#x2014;en
-haar dat geleende, valsche gewaad van het lichaam scheuren.&#x201d;
-</p>
-<p>Op deze wijze tierden en raasden de beide vrouwen, deze links en gene rechts van de
-verkleede en ontmaskerde Milesische en hare woede ging alle perken te buiten.
-</p>
-<p>Deze echter liet den eersten en heftigsten vloed van smaadwoorden uitvloeden, totdat
-de razende vrouwen, verbluft over de rustige kalmte van de zwaar beleedigde, een oogenblik
-verstomden.
-</p>
-<p>Toen echter nam zij het woord en sprak:
-</p>
-<p>&#x201e;Hebt gij nu uwe scherpste, uwe in gift gedoopte pijlen afgeschoten? Ik heb dien dichten
-hagel van schimpschoten rustig over mij heen laten gaan, want ik had mij nu eenmaal
-in het gevaar begeven, ik waagde mij in de nabijheid van die toornige huisgoden en
-ik heb, ofschoon ge mij ondanks mijn gewaad hebt herkend, toch zooveel mannelijks
-in mij, om mij in &#x2019;t onvermijdelijke te schikken. Maar ook gij, meesteres van dit
-huis, Telesippe en gij, eerwaardige Elpinice, zult het begrijpen en dulden, dat ik
-op zooveel smaadwoorden, zij &#x2019;t ook op een toon, die niets gemeen heeft met den uwen,
-iets zal antwoorden.&#x2014;Wat is het dan Telesippe, wettige gade van den grooten Pericles,
-waarom gij mij zoo harde woorden toevoegt en met smaad en schimp overlaadt? Zeg, wat
-heb ik u <span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span>ontroofd? Uwe huisgoden? Uwe kinderen? Uw onbesproken naam? Den roep uwer deugden?
-Uw geld? Uwe kostbaarheden? Uwe zalf en blanketdoozen? Niets van dat alles. Slechts
-eene kleinigheid kan ik schijnen u ontnomen te hebben: dat wat u het onbeduidendst
-van alles was, wat gij zelve hebt prijs gegeven, wat gij eigenlijk nooit waarachtig
-hebt bezeten, waar gij nooit ernstig u op toegelegd hebt om het te verwerven en te
-behouden: de liefde van uw man! En wanneer het nu eens werkelijk zoo was, wanneer
-uw echtgenoot mij lief had en niet u, zou dat dan mijne schuld zijn? Neen! Het zou
-de uwe zijn. Ben ik naar Athene gekomen om de Atheners te dwingen hunne vrouwen lief
-te hebben? Beter past het en gemakkelijker valt het mij, de Atheensche vrouwen te
-leeren, hoe zij het moeten aanleggen, om door hare mannen bemind te worden. Gij Atheensche
-vrouwen, kinderbarende slavinnen, verstaat niet de kunst het hart eens mans te onderwerpen
-en gij wordt boos op ons, Ionische vrouwen, omdat wij ze wel verstaan. Is het dan
-een misdaad haar te kennen? Neen, het is een misdaad ze niet te verstaan. Wat beteekent
-het bemind te worden? Het beteekent behagen. Wilt ge bemind worden, weet te behagen.
-Daar baat geen echtband, geen dure eed, geen beroep op goddelijke en menschelijke
-rechten, daar geldt alleen deze wet: weet te behagen!&#x2014;En wanneer behaagt de vrouw?
-Boven alles als zij het wil. En waarmede moet zij trachten te behagen? Met alles wat
-behagelijk is. Niet lang wordt de man geboeid, wanneer zij alleen de zinnen streelt,
-niet lang wanneer zij slechts de verbeeldingskracht betoovert, of den geest bekoort
-of het gemoed roert&#x2014;dat alles moet zij weten te vereenigen, in één woord, zij moet
-beminnelijk zijn.&#x2014;Maar om de zegepraal der beminnelijkheid volledig te maken en te
-zekerder hartstocht op te wekken, moet zij haar eigen liefde met meer zorg trachten
-te verbergen dan te openbaren. Verkoelend werkt te groote gloed der vrouw op den <span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span>vurigen man, afstootend op den onverschilligen. Ze begint met den man ijdel te maken
-en eindigt met hem te vervelen. De verveling des mans echter is het zekere graf van
-het huwelijksgeluk en van de vrouwelijke heerschappij. Minnekoozen of knorren, schertsen
-of vloeken mag de man, om &#x2019;t even, alleen geeuwen, geeuwen mag hij nooit.&#x2014;Gij, o Telesippe,
-deedt te weinig en te veel: te weinig, want ge boodt uw man alleen uw lichaam en uwe
-trouw; te veel, want gij boodt hem, wat ge te geven hadt, als zijn eten op een bord!
-De vrouw moet echter geen eten op een bord zijn, noch een meubel in huis, noch eene
-slavin, zelfs niet de &#x201e;echtgenoote,&#x201d; zooals men het noemt, want Hymen<a class="noteRef" id="xd30e2205src" href="#xd30e2205">17</a> is de verraderlijke vijand van Eros. Dagelijks op nieuw moet zij hare gunst doen
-verwerven en de zeldzame kunst verstaan, des avonds als bruid zijn leger te beklimmen
-en &#x2019;s morgens als maagd weder op te staan! Dat zijn de regels van die kunst: volg
-die op, als ge wilt en kunt. Zoo niet, doe dan afstand van datgene, wat door deze
-kunst wordt verkregen, en gun zonder jaloezie aan anderen hare vruchten in te oogsten!&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo sprak Aspasia.
-</p>
-<p>Trotsch echter zag de vrouw van Pericles op haar neer en vertrok haar mond in een
-verachtelijken plooi.
-</p>
-<p>&#x201e;Behoud de wijsheid uwer boeleerkunst voor u zelve,&#x201d; zeide zij, &#x201e;gij zult ze noodig
-hebben. Gij behoeft mij niet te leeren, hoe men de liefde en hoogachting van een man
-moet zoeken te winnen, mij, die de Archon Basileus tot vrouw wilde hebben. Wat meent
-gij toch met uwe kunsten te zullen bereiken, gij de vreemdelinge, de boeleerster?
-Gij kunt mijn echtgenoot door uwe aanloksels verleiden, maar zijn huis, zijn haard
-blijft gij vreemd. En zelfs, wanneer hij mij verstiet, kunt ge toch zijne wettige
-gade nooit worden, gij kunt hem geen wettigen erfgenaam baren, want gij zijt <span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span>eene vreemdelinge, gij zijt geen Atheensche burgeres! Of mijn man naar mij, door vurige
-liefde gedreven smacht of niet, om &#x2019;t even, ik heersch hier aan zijn huiselijken haard;
-ik ben de meesteres des huizes. Ik zeg u: &#x201e;ga!&#x201d; en gij moet gehoorzamen.<span class="corr" id="xd30e2215" title="Niet in bron">&#x201d;</span>
-</p>
-<p>&#x201e;Ik gehoorzaam en ga,&#x201d; hernam Aspasia&#x2014;&#x201e;Wij hebben eerlijk gedeeld,&#x201d; voegde zij er
-scherp bij. &#x201e;U zijn huis en haard, mij zijn hart!&#x2014;Laat ieder het hare behouden!&#x2014;Vaarwel,
-Telesippe.&#x201d;
-</p>
-<p>Met deze woorden verwijderde zich Aspasia.
-</p>
-<p>Telesippe en Elpinice waren weder alleen. Elpinice billijkte de fierheid harer vriendin
-en prees het antwoord, dat zij de vreemdelinge had gegeven.
-</p>
-<p>Na een lang gesprek ging ook Elpinice heen, terwijl de vrouw van Pericles aan hare
-huiselijke bezigheden ging.
-</p>
-<p>De kleine Alcibiades sprak den heelen dag veel over zijn &#x201e;Spartaanschen vriend&#x201d;, tot
-ergernis van de eerlijke Amycle, die het hoofd schudde en zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Die knaap heeft nooit door den Eurotas gezwommen.&#x201d;
-</p>
-<p>Telesippe verbood beiden een woord van dien vreemdeling te reppen in tegenwoordigheid
-van Pericles.
-</p>
-<p>De dag ging voorbij, het etensuur was gekomen.
-</p>
-<p>Pericles was in huis teruggekeerd en zette zich met de zijnen aan tafel.
-</p>
-<p>Hij at van de spijzen, die opgedragen werden, beantwoordde de vragen van den kleinen
-Alcibiades en der beide andere jongens en sprak soms ook een woord tot Telesippe,
-die echter in een half somber, half hoonend stilzwijgen verzonken bleef.
-</p>
-<p>Pericles zag de menschen om zich heen gaarne opgeruimd.
-</p>
-<p>Het strakke, norsche gelaat zijner vrouw maakte hem ongerust.
-</p>
-<p>Nu werd een nieuw gerecht opgedragen. Het was de gebraden pauw.
-<span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Wat is dat?&#x201d; vroeg hij.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is de pauw,&#x201d; antwoordde Telesippe, &#x201e;die hedenmorgen op uw last hier is gebracht.&#x201d;
-</p>
-<p>Pericles zweeg stil. Na eenige oogenblikken, waarin hij zich den samenloop der omstandigheden
-zocht helder te maken, vroeg hij op een toon, die voor den heldhaftigen man vrij benauwd
-klonk:
-</p>
-<p>&#x201e;Wie zeide u, dat ik den vogel gebraden wilde hebben?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat anders?&#x201d; hernam Telesippe. &#x201e;Om een zoo groot dier te houden en vrij te laten
-rondloopen, is onze hoenderhof veel te klein. Ik dacht dus, dat gij den pauw op de
-markt gekocht hadt, om hem vandaag op tafel te hebben. En waarom niet? Hij is smakelijk
-en lekker gebraden. Proef maar eens!&#x201d;
-</p>
-<p>Daarop leide ze een mooi, bruin gebraden stuk op het bord van haar echtgenoot.
-</p>
-<p>Pericles, dien men den Olympiër noemde, Pericles, de met zege gekroonde veldheer,
-de machtige redenaar, de bestuurder van Athene&#x2019;s lot, die met waardige standvastigheid
-de opgeruide schare der Atheners, evenals de legerbenden der aanrukkende vijanden
-op het slagveld onder de oogen durfde zien&#x2014;hij sloeg de oogen neer voor het stukje
-pauw, dat zijn wettige echtgenoote op zijn bord legde.
-</p>
-<p>Maar weldra wist hij zichzelven te beheerschen. Hij stond op met de verontschuldiging,
-dat hij verzadigd was en zich in zijne vertrekken wilde begeven.
-</p>
-<p>Op dit oogenblik vroeg de kleine Alcibiades:
-</p>
-<p>&#x201e;Hebben de zwanen in den Eurotas ook zulke prachtige veeren als deze pauw?&#x201d;
-</p>
-<p>En zonder het antwoord af te wachten, vervolgde hij:
-</p>
-<p>&#x201e;Amycle is eene oude zottin, wanneer zij beweert, dat mijn Spartaansche vriend nooit
-door den Eurotas heeft gezwommen.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen Pericles van een Spartaanschen vriend hoorde spreken, zag hij eerst den knaap
-en vervolgens <span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span>Telesippe met een vragenden blik aan.
-</p>
-<p>&#x201e;Van welken Spartaanschen vriend spreekt ge?&#x201d; vroeg hij eindelijk.
-</p>
-<p>Noch de knaap, noch Telesippe gaf hem antwoord.
-</p>
-<p>Pericles verliet de eetzaal. Telesippe volgde hem.
-</p>
-<p>Op den drempel der binnenvertrekken zeide zij zacht, doch op scherpen toon tot haar
-man:
-</p>
-<p>&#x201e;Verbied uwe Milesische boeleerster u hier in uw huis op te zoeken, opdat zij ook
-niet de knapen moge verleiden. Geef haar uw hart, aan die boeleerster, o Pericles,
-als gij wilt; maar uw huis, uw haard zal zij niet ontwijden. Volg haar, waarheen gij
-wilt; hier echter in dit huis, aan dezen haard, handhaaf ik mijn recht. Hier ben ik
-meesteres, ik alleen.&#x201d;
-</p>
-<p>Diep werd Pericles getroffen door den toon dezer woorden. Het was niet de stem van
-een gekrenkt vrouwenhart, het was de beleedigde koele trots van de meesteres van het
-huis, de wettige gade.
-</p>
-<p>Koel beantwoordde hij den koelen blik van den spreekster en zeide kalm:
-</p>
-<p>&#x201e;Het zij zooals gij zegt, Telesippe!&#x201d;
-</p>
-<p>Denzelfden dag nog kwam er een vreemde slaaf tot Pericles met eene schriftelijke boodschap.
-</p>
-<p>Pericles opende het briefje en las de volgende regels van Aspasia&#x2019;s hand:
-</p>
-<p>&#x201e;Ik heb het huis van Hipponicus verlaten. Veel heb ik u te vertellen. Bezoek mij,
-als ge kunt, in het huis van de Milesische Agariste.&#x201d;
-</p>
-<p>Pericles antwoordde als volgt:
-</p>
-<p>&#x201e;Kom morgen op het buitengoed van den dichter Sophocles aan den Cephissus-oever. Daar
-zult gij mij vinden. Kom verkleed of laat u in uw gewone gewaad in een draagstoel
-daarheen brengen.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e1889">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1889src">1</a></span> Triptolemus wordt voor den zoon gehouden van koning Celeüs van Eleusis en Metanira
-of van Oceanus en <span class="corr" id="xd30e1891" title="Bron: Gaëa">Gaea</span>. Door Demeter werd hem een met draken bespannen wagen geschonken, waarmede hij de
-aarde zou rondrijden om de graankorrels uit te strooien. Later werd hij koning van
-Eleusis en voerde daar den eeredienst der Godin in. De kunst stelt hem voor als een
-krachtig man, op een met draken bespannen wagen en korenaren en scepter in de hand.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1889src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1895">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1895src">2</a></span> Daduchus, een Grieksch woord (daidouchos), beteekent: die de fakkel vasthoudt en voordraagt,
-v.d. de priesters in de Eleusinische spelen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1895src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1901">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1901src">3</a></span> Waarom Hamerling hierin eene bijzonderheid ziet, is mij niet duidelijk, daar doorgaans
-bij de Grieken een zoon naar zijn grootvader genoemd werd. Zie b.v. <a href="#n125.1">noot 1 pag. 125</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1901src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1914">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1914src">4</a></span> Solon, de groote Atheensche wetgever, een zoon van Execestides uit het oude geslacht
-der Crodiden, werd ongev. 639 v. C. geboren. In 594 werd hij eerste Archont en gaf
-zijne beroemde wetgeving. Daarbij verdeelde hij de burgers in klassen naar hun vermogen.
-Daarna werden ook de politieke rechten en plichten geregeld. Solon stierf hoog bejaard
-in 559. We bezitten eene levensbeschrijving van hem door Plutarchus.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1914src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1919">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1919src">5</a></span> Eretria, de hoofdstad van het eiland Euboea waarschijnlijk eene kolonie der Atheners,
-bloeide eertijds door handel en nijverheid. Om den afval van de Perzen werd het door
-Datis en Artaphernes verwoest en de bewoners als slaven naar Susa gevoerd. Later werd
-de stad herbouwd, die in 198 v. C. weder door de Romeinen is vernietigd. Eretria heet
-thans Palaeo-Castro. Vgl. <a href="#n60.2">noot 2 pag. 60</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1919src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1932">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1932src">6</a></span> Hecatombe beteekent eigenlijk een offer van honderd (hekaton) runderen. Dikwijls wordt
-het alleen voor een zeer groot offer gebezigd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1932src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1937">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1937src">7</a></span> Melitaeïsch beteekent van Melite, een eilandje in de Middellandsche zee bij Dalmatië;
-niet te verwarren met Melite wat ook de Grieksche benaming is van Malta, door de Ouden
-Ogygia genoemd. Doch het Latijnsche adjectivum van dit Melite luidt: Melitensis of
-Melitesius, dus: Melitensisch of Melitesisch.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1937src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1940">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1940src">8</a></span> Epirus, een bergachtig landschap van Noord-Griekenland bestond vooral uit drie stammen;
-de Chaoniërs, die in het Noord-oostelijk deel woonden; de Thesprotriërs in het zuiden
-en de Molossiërs in het Noord-oosten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1940src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1945">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1945src">9</a></span> Samos, een eiland nabij de Westkust van Klein-Azië, niet ver van het voorgebergte
-Mycale, thans Samo, door de Turken echter Susam Adassi geheeten. Op Samos bevond zich
-een tempel van Hera (Heraion).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1945src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1948">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1948src">10</a></span> Hera is vereenzelvigd met de Romeinsche Juno, de echtgenoote van Zeus (Jupiter). Vergelijk
-over het boven medegedeelde de bekende fabel van Phaedrus, getiteld: Juno en de pauw
-(Boek III, 18). Hera was ook de Godin van den echt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1948src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2018">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2018src">11</a></span> Het Grieksche woord Ktesios beteekent: tot het bezit behoorende; Zeus Ktesios is dus
-Zeus, die het eigendom beschermt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2018src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2054">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2054src">12</a></span> Eigenlijk dienaressen van Bacchus, die zijne nachtelijke feesten vieren. Van daar
-elke opgewonden, slechte vrouw.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2054src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="n145.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n145.1src">13</a></span> Buitengewoon groote feesten, waar het lustig toeging.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n145.1src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2078">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2078src">14</a></span> Thyestes, de zoon van Pelops en Hippodamia, doodde met zijn broeder Atreus hun stiefbroeder
-Chrysippus en beide vluchtten naar Eurystheus. Thyestes verwekte hier bij de echtgenoote
-van zijn broeder, Aerope, twee zonen, waarom hij door Atreus werd verdreven. Uit wraak
-ontvoerde hem Thyestes een zijner zonen, voedde dien op en kweekte in hem een onverzoenlijken
-haat tegen zijn vader. Later zond hij den zoon van Atreus om dezen te vermoorden.
-De aanslag mislukte en Atreus liet zijn eigen zoon ter dood brengen. Later vernam
-hij de toedracht der zaak en ontstak in groote woede. In schijn richtte hij voor zijn
-broeder een verzoeningsmaaltijd aan. Daar zette hij Thyestes diens eigen zonen voor
-en toonde hem later hunne hoofden. Thyestes ontvlood die rampzalige plaats; later
-verwekte hij bij Pelopia Aegistheus, die Atreus doodde en zijn vader op den troon
-van Mycenae plaatste.
-</p>
-<p class="footnote cont">Een Thyestes-maal beteekent dus: een allernoodlottigs en afschuwelijk maal.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2078src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2137">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2137src">15</a></span> De Discus is eene steenen of metalen (later ook houten) ronde schijf, van het midden,
-waaraan gewoonlijk een leeren handvatsel bevestigd is, dunner afloopend, dien de Grieken
-en later de Romeinen bij hunne gymnastieke oefeningen gebruikten. De wedstrijd in
-het loopen, springen, worstelen, het vuistgevecht en het werpen met den discus en
-speer vormde het zoogenaamde &#x201e;Pentathlon&#x201d; (<abbr title="dat is">d.i.</abbr> vijfderlei wedstrijd).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2137src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2152">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2152src">16</a></span> De Romeinsche Diana, dochter van Zeus en Leto (Latona), zuster van Apollo, de Godin
-der jacht.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2152src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2205">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2205src">17</a></span> De God des huwelijks.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2205src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VI.</h2>
-<h2 class="main">IN HET CEPHISSUS-DAL.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Wanneer men in zuidelijke richting de oude stad Athene verliet en een weinig links
-zich wendende den buiten-Ceramicus doorliep en onder de tuinen en de lanen met platanen
-beplant van de Academie<a class="noteRef" id="xd30e2272src" href="#xd30e2272">1</a> zijn weg vervolgde, dan nog een eind weegs zuidelijk langs een zonnig pad aflegde,
-bereikte men het bekoorlijke, liefelijk omschaduwde Cephissus-dal.
-</p>
-<p>Zoodra men dit dal binnentrad, vertoonde zich aan den linker kant een ruischend, weelderig
-groen olijvenbosch. Het strekte zich als een groene wal langs den weg uit. Forsch
-wond daartusschen de kuischboom zijne takken, welks blauwe bloesem aangenaam tegen
-het zachte groen der smalle bladeren afstak. Klimopranken hingen van de takken neer;
-ook taxusboomen groeiden langs de helling en bedekten haar zoo, dat men niets dan
-een groen tapijt zag.
-</p>
-<p>Aan den anderen kant van den weg, ter rechterzijde klaterden de kristalheldere beekjes
-van den Cephissus, uit het dal over schitterend witte kiezelsteentjes den wandelaar
-te gemoet vlietend, hier en daar in de rozen<span class="corr" id="xd30e2278" title="Niet in bron">-</span> en <span class="corr" id="xd30e2280" title="Bron: laurier-boschjes">laurierboschjes</span> zich verschuilend.
-</p>
-<p>Aan gene zijde van den Cephissus zag men op geen grooten afstand den niet minder liefelijk
-omgroeiden, door sagen en zangen beroemden heuvel Colonos.
-</p>
-<p>Ging men, als men het dal betreden had, een kort eind tusschen het olijvenbosch en
-het stroomend water, dan zag men aan genen oever van den Cephissus op grasrijken,
-zacht glooienden bodem <span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span>eene bekoorlijke landhoeve in de stralen der zon schitteren, door enkele overoude,
-hoog gekruinde cypressen, platanen en pijnboomen omgeven en een tuin, die bijna tot
-aan den Cephissus reikte. Maar niet alleen aan deze zijde strekte zich die tuin tot
-aan den oever van den Cephissus uit, deze toch zijn loop uit het diepst van het dal
-naar den ingang vervolgende, maakte eene kromming ter rechter zijde en besproeide
-dan ook de velden, waarin de vrucht- en bloemtuinen, rondom het landgoed, aan dien
-kant uitliepen. Daar verhief zich de bodem aan den tuin iets meer glooiend, en de
-beek vlood zacht kabbelend tusschen heestergewassen door, waarin de stralen der zon
-flikkerden en de nachtegalen kweelden.
-</p>
-<p>In het midden van de groote ruimte tusschen dezen glooienden Cephissus-oever en het
-woonhuis stond een tuinhuisje, door rozen omgeven. Aan de uiteinden van den tuin verschaften
-laurier, myrthen- en rozenboschjes, met hun dicht gebladerte, eene schaduwrijke plaats.
-Ook de donkerroode bloesem van den granaatboom ontbrak niet. Dubbele rijen van olijven-,
-vijgen- en andere vruchtboomen, van het eene priëel naar het andere voerende, omzoomden
-dezen tuin.
-</p>
-<p>Waar de grond naar den Colonos-heuvel zacht glooide, daar hingen de donkere druiventrossen,
-in de warme stralen der zon. De landelijke woning zelve was door wijnranken omslingerd,
-ja zelfs om de boomen wonden zij zich in weelderige volheid en kracht. Met hen wedijverde
-woekerend het klimop, welks groote, zwarte trossen van muren en boomstammen neerhingen
-en welks weelderig gebladerte zich voortslingerend, zelfs het bedauwde weiland omzoomde.
-</p>
-<p>Tusschen de bloeiende perken waren kleine bloembedden aangelegd. Weinig was er overgebleven
-van de schoon getroste narcissen, van den geurigen crocus, de leliën, irissen en viooltjes
-wegens het ver gevorderde jaargetijde, en de liefde der Atheners tot het vlechten
-van kransen, maar talloos <span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span>bloeide alom de rozen, door viooltjes omzoomd, in purperen bedden langs den grond
-zich uitstrekkende, of op hooge heesters prijkend, nooit door ruwe winden geteisterd
-en iederen morgen verfrischt door den reinsten hemeldauw.
-</p>
-<p>Gemakkelijk schijnt het van de voorwerpen, die hier te zien waren, de namen en het
-uiterlijk in woorden weder te geven; onmogelijk echter is het den blijmoedigen en
-gelukkigen vrede te schilderen, die over dit weelderig groene dal, door wouden omzoomd,
-door de wateren van den Cephissus besproeid, door nachtegalen bezocht, verspreid lag.
-Men was zoo nabij de woelige stad en toch gevoelde men zich ver van de drukke wereld.
-Het was, alsof de landelijke God Pan uit die schaduwrijke boschjes te voorschijn moest
-treden of eene Najade<a class="noteRef" id="xd30e2296src" href="#xd30e2296">2</a> uit de wateren van den Cephissus onder het schitterend loof zou opstijgen. Verder
-in de geheimzinnige diepten van het woud stoeiden zeker Satyrs met bokspooten en kon
-men het gelach van schoone, bevallige Hamadryaden<a class="noteRef" id="xd30e2299src" href="#xd30e2299">3</a> hooren, die rustten op het groene loof. Soms ging er eene ritseling door de kruinen
-der boomen, die in het zuiverste blauw van den Griekschen hemel trilden, als eene
-aangename koelte, die daar ruiste voor den tred van den God der vreugde, Dionysus.
-</p>
-<p>Maar ook de zang van de gezellen van Apollo, de vriendelijke Muzen, was niet vreemd
-aan dit heerlijk oord. Hier woonde toch de lieveling der Muzen, de groote dichter
-Sophocles. Dit was zijne geboorteplaats, die hij op de hoogte van de Acropolis geprezen
-had en aan Pericles en Aspasia uit de verte had getoond. Hier was hij geboren en hier
-leefde hij. Onder de witte zerken, met klimop begroeid, die hier en daar uit het groen
-van den tuin en der boschjes uitstaken, sliepen zijne vaderen den eeuwigen slaap.
-<span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span></p>
-<p>Juist zat hij in een rozenpriëel, terwijl de aangename morgenlucht hem verkwikte,
-en had het wastafeltje op zijne knieën liggen, op welker oppervlakte hij van tijd
-tot tijd met eene scherpe stift eenige verzen griffelde; zeer dikwijls echter wischte
-hij het geschrevene met het stompe eind der stift weder uit, wanneer de eerste ingeving
-zijner Muze hem niet ten volle bevredigde.
-</p>
-<p>Terwijl hij een blik wierp op den weg in het dal, zag hij een statig man met lichten
-en vluggen tred door het dal aankomen.
-</p>
-<p>&#x201e;Wie is die vroege wandelaar,&#x201d; dacht hij bij zich zelf, &#x201e;die daar schier gevleugeld
-als Hermes, de bode der Goden, nadert?&#x201d;
-</p>
-<p>Weldra was de wandelaar naderbij gekomen en de dichter herkende den liefsten zijner
-vrienden. Verheugd ging hij hem te gemoet tot aan den ingang van den tuin.
-</p>
-<p>Pericles schudde hem de hand. &#x201e;Ik voldoe aan uwe uitnoodiging,&#x201d; zeide hij, &#x201e;ik ben
-heden uw gast en heb het woelig en drukke stadsleven en alle staatsaangelegenheden
-ontvloden. Ook de citherspeler uit Milete&#x2014;gij herinnert u dien ongetwijfeld&#x2014;zal den
-dag met ons komen doorbrengen, als gij het goedvindt. Ik heb veel met hem te bespreken
-en weet geene plaats, waar ik het zoo ongestoord zou kunnen doen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zal de schoone citherspeler uit Milete ook komen?&#x201d; riep Sophocles verheugd uit. &#x201e;Dacht
-ik het niet dat u iets heerlijks bezielde, toen ik u zoo vurig en opgewekt zag naderen.
-Daar was niet veel te zien van de rustige waardigheid van den redenaar op de Pnyx;
-ik herkende u ternauwernood, zoo schuddet ge het hoofd en de schouders heen en weder
-en deed mij denken aan dat edele krijgsros, waarvan Homerus zegt, dat het den halster
-in zijn stal heeft losgerukt en met fieren kop en vliegende manen naar buiten naar
-de weide rent<span class="corr" id="xd30e2313" title="Bron: ..">&#x2026;</span>&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e2316src" href="#xd30e2316">4</a>
-<span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Stil,&#x201d; zeide Pericles en lei zijne hand op den mond zijns vriends. &#x201e;Het waren de
-geurige luchten van het Cephissus-dal, die zoo bezielend in de morgenkoelte op mij
-werkten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom ook niet het verlangen, om de schoone Milesische te zien?&#x201d; zeide Sophocles,
-&#x201e;is zij niet de bekoorlijkste aller vrouwen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zij is teeder als eene Lydische, waardig als eene Atheensche, sterk als eene Laconische,&#x201d;
-hernam Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij behoeft Ion zijne blonde, lelieblanke Chrysilla niet meer te benijden,&#x201d; merkte
-Sophocles op met een schalkschen lach.
-</p>
-<p>&#x201e;Spreek niet van Chrysilla,&#x201d; zeide Pericles. &#x201e;Aspasia is onvergelijkelijk. Moeilijk
-is het te zeggen of zij meer van een Muze dan van eene Charis heeft.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wellicht is zij voor u eene Parce<a class="noteRef" id="xd30e2328src" href="#xd30e2328">5</a>,&#x201d; zeide Sophocles, &#x201e;zij kan u goeds en kwaads in uwe levensdraden spinnen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom ook niet <span class="corr" id="xd30e2333" title="Bron: Lamina">Lamia</span><a class="noteRef" id="xd30e2335src" href="#xd30e2335">6</a> en Empusa?&#x201d; riep Pericles uit. &#x201e;En al ware het zoo&#x2014;wij hebben bloed genoeg in de
-aderen en een zwaard aan onze zijde, om het evenals held Odysseus, tegenover ieder
-Circe<a class="noteRef" id="xd30e2338src" href="#xd30e2338">7</a> te rechter tijd uit de schede te kunnen trekken.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik kom tot u als een moede, opgejaagde vervolgde,&#x201d; ging Pericles voort, terwijl hij
-zich het zweet van het verhitte voorhoofd wischte, &#x201e;ik heb mij aan de tallooze zorgen
-en bemoeiingen mijner veelvuldige ambten en waardigheden onttrokken, om een dag aan
-de schoone Muze en haar liefste pleegkind, de liefde, te wijden.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Daar doet gij wèl aan,&#x201d; hernam Sophocles, &#x201e;wanneer gij de rust zoekt, om te beminnen.
-Op den <span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span>heeten zomerdag moet men òf niet beminnen òf niets anders doen dan beminnen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik geloof, dat gij zelf met deze uitspraak in strijd handelt,&#x201d; merkte Pericles op;
-&#x201e;die wastafeltjes daar in uwe hand bewijzen, dat gij ijverig vers aan vers rijgt.
-Dat verhindert u echter niet, naar men vertelt, uwe schoone Ephesische vriendin Philaenion
-in die stille myrthen- en rozengaarden te herbergen.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Is poëzie arbeid?&#x201d; vroeg Sophocles; &#x201e;dat wist ik niet. Wanneer het heete voorhoofd
-den dichter maakt, dan is wel de poëzie een welluidend uitademen van al het schoone
-licht en al het goddelijk vuur, dat men met zijn aardsche zinnen uit den hemelschen
-aether inzuigt. Licht gaat over in geluid. En zoo zou ik ook de liefde op een zomerdag
-niet gaarne willen missen, want daar is zij het vurigst en het zoetst en het goddelijkst.
-De eene gloed stroomt in den anderen; door het vuur van Apollo ontgloeid, zoekt gij
-verfrissching in den zaligen adem der liefde en keert gij met eene bevredigde, harmonisch
-gestemde ziel tot de Muze terug. Ten laatste verwisselen Eros en de Muze van rollen;
-de Muze wakkert den liefdegloed aan en de oogen of boezem van de geliefde overstelpen
-u met dichterlijke gedachten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo moede is men, geloof ik, nooit,&#x201d; hernam Pericles, &#x201e;dat de liefde geen verkwikking
-zou zijn. Wij allen, die door den drang om te werken en te scheppen gedreven worden,
-weten dat.&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo onderhielden zich de vurige mannen, beiden in den rijpen bloei hunner jaren.
-</p>
-<p>Thans hield eene draagbaar voor het huis van Sophocles stil.
-</p>
-<p>Daaruit steeg Aspasia. Zij was in vrouwengewaad.
-</p>
-<p>Sophocles begroette haar en geleidde haar naar Pericles, in de lommerrijke, geurige
-boschjes.
-</p>
-<p>Voor onbescheiden blikken beveiligd, sloeg zij den sluier op, liet het himation, dat
-over haar hoofd geslagen was, van hoofd en schouders glijden en stond daar in een
-bonten chiton, met sierlijke <span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span>randen, het krullend, rosbruine haar in golvende lijnen langs de slapen en op het
-hoofd, als eenig sieraad een breeden, purperen haarband die van de kruin naar achteren
-rondom haar prachtige lokken gewoeld was. In de hand droeg zij een kleinen, bevalligen
-zonnescherm en in den gordel, die haar gewaad midden om haar lichaam omsloot, stak
-een niet minder bekoorlijke, bladvormige, bont beschilderde waaier.
-</p>
-<p>Sophocles zag Aspasia voor het eerst in vrouwengewaad. Een kreet van verwondering
-ontvoer hem. De Milesische was in de idylle van het Cephissus-dal schier als een verblindend
-wonder neergedaald. Hare verschijning stak af bij deze landelijke stilte. Een bedwelmende
-droom bracht zij met zich van schoonheid en jeugd, die alle heerlijke geuren van haag
-en bloemen verre overtrof.
-</p>
-<p>Sophocles voerde de schoone met haar vriend door dichte en lommerrijke lanen en zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Moogt gij behagen vinden, Aspasia, in hetgeen de natuur voor dit oord heeft gedaan.
-Weinig reden zult gij hebben om de kunst der Atheners in het aanleggen van tuinen
-te bewonderen. Ik weet zeer goed, dat gij Aziatische Grieken dat veel beter verstaat:
-bekoorlijke lusttuinen aan te leggen, met doolhoven, hermitages en grotten, kunt gij
-voortreffelijk. Gij hebt immers daar de uitgestrekte, grootsch aangelegde paradijzen
-van den Pers tot voorbeeld. Wij Atheners, gelooven, dat de schoone natuur, evenals
-eene schoone vrouw, ook zonder opschik schoon is.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Laat Aspasia slechts een korten tijd in deze oorden wandelen,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;en
-gij zult weldra met de onopgeschikte natuur niet meer tevreden zijn. Zij zal u weldra
-met uw tuin betooveren en veranderen. Dat is zoo hare manier. Waar zij gaat, daar
-ontspruiten bloemen onder hare voeten. Ongemerkt weet zij iemand te ontvonken en wanneer
-zij zich een paar woorden over uw tuin laat ontvallen, zult gij geen rust meer hebben,
-voor gij hem tot iets gemaakt hebt, dat zich kan meten <span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>met den lusthof der Hesperiden<a class="noteRef" id="xd30e2365src" href="#xd30e2365">8</a> of met den tuin van Phoebus aan de uiterste einden der zee, of met den Cyrenaeïschen
-hof van Zeus en Aphrodite, of den tuin van Midas met haar honderdbladige rozen of
-ten minste met den lusthof van een Homerischen Alcinoös, den vorst der Phaeken op
-het eiland Scheria.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wel weet ik,&#x201d; hernam Sophocles, &#x201e;dat dit vrouwelijk wezen onrust zaait in de gemoederen
-der menschen. Heb medelijden, o schoone toovenares, en laat mij en mijn tuin onveranderd!
-Ik was tot nu toe hier zoo tevreden en gelukkig. Wanneer Phoebus aan het hemelgewelf
-schitterde dan verheugde ik mij, dat mijne olijven, vijgen en granaatappels door zijne
-stralen werden gestoofd; regende Zeus, dan dankte ik hem, dat mijne weilanden groen
-werden. Ik was tevreden, met hetgeen mijn hof mij opleverde; bloemen in de lente,
-schaduw in den zomer, rijpe vruchten in den herfst, verfrisschende koelte en stilte,
-door de Muzen zoo geliefd, in den winter. Boven alles echter, Aspasia, bezweer en
-verander toch niet door een tooverformulier datgene wat mij door de gewoonte het liefst
-is geworden, en wat voor minnaar en dichter beiden het meest gewenscht is: de vertrouwelijke
-gezelligheid dezer laurierboschjes, dezer myrthen- en rozenpriëelen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zou werkelijk,&#x201d; vroeg Aspasia, &#x201e;die eenzaamheid, in de laurierboschjes voor den dichter
-zoo begeerlijk zijn? Moet hij niet veel liever, om tot volle rijpheid te geraken,
-de stille schaduw verlaten en in het heldere licht der wereld en des levens treden?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Men gelooft zoo lang,&#x201d; hernam Sophocles, &#x201e;dat het de zon is en niets anders dan de
-zon, die de wijndruiven doet rijpen, <span class="corr" id="xd30e2372" title="Bron: todat">totdat</span> men ontdekt, dat juist de grootste, de weelderigste, de donkerste druiven verborgen
-hangen onder de schaduw der dichtste <span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span>bladeren. En al mocht gij in twijfel trekken, dat deze eenzaamheid den dichter nuttig
-is, zeer zeker zult gij erkennen, dat zij den minnaar welkom is. Hier kunt gij, zoo
-ge wilt, u dagen lang verlustigen, alleen gestoord door het getjilp der vogels of
-het murmelen der beken. Geen slaaf betreedt ooit ongeroepen dezen tuin. Wilt ge echter
-het vertrouwelijkste en door de Muzen en Chariten het meest gezegende plekje leeren
-kennen, zoo komt met mij mede.&#x201d;
-</p>
-<p>Pericles en Aspasia volgden den dichter. Hij voerde hen naar beneden, tot waar, zooals
-reeds vermeld is, de Cephissus een bocht maakt en den hof ook van den anderen kant
-omstroomde. De bodem glooide hier naar de beek af, die in eene ietwat diepere bedding
-vloeide. Evenwel liep de <span class="corr" id="xd30e2379" title="Bron: over">oever</span> niet steil naar beneden; integendeel tusschen de beek en de oploopende vlakte was
-eene bekoorlijke ruimte gelaten, die juist breed genoeg was, dat twee menschen, vertrouwelijk
-naast elkander, onder het groene loof, waar de stralen der zon heerlijk door speelden,
-konden wandelen.
-</p>
-<p>De dichter voerde zijne gasten langs dit bekoorlijke pad. Daar ruischte het geklater
-en gemurmel van de beek, daar kweelden en sloegen de vogels het liefelijkst<span class="corr" id="xd30e2384" title="Niet in bron">,</span> daar speelden als dartele geesten schaduw en licht op de golfjes en tusschen de takken.
-Hier en daar lag een weelderig grasperk, waar men zich op kon uitstrekken en de verfrisschende
-koeltjes van de schaduw rustig en droomend genieten. Hier trof men ook eene rotsgrot
-aan, van buiten schier omringd door bloemen en twijgen, van binnen met zitplaatsen
-en kussens versierd die tot binnentreden op de heetste uren van den dag noodden.
-</p>
-<p>Aspasia was bij het zien van deze bekoorlijke rustplaats verrukt en voldeed gaarne
-aan het verzoek van haar vriend zich hier neder te zetten. Pericles en de dichter
-zelf volgden haar voorbeeld. Men zag op de heldere wateren der beek neder, die hier
-in een natuurlijke kom uitliep. Bonte, <span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span>schitterende libellen zweefden en dansten in de stralen der zon over de bloemen aan
-den oever en een paar prachtige onschadelijke wateradders beschreef, zich onbespied
-wanende, in den kristalhelderen vloed zacht zich wendend, zijne vlugge, bevallige
-kringen. Weldra echter schoten zij, toen hunne beschouwers door een zacht geritsel
-zich deden hooren, onder de dichte planten, die weelderig woekerend van den oever
-in het water afhingen.
-</p>
-<p>&#x201e;Een lief bruidspaartje,&#x201d; zeide Sophocles; &#x201e;ik beluister ze hier dikwijls. Zij zijn
-onafscheidelijk.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Moeilijk is het,&#x201d; begon Pericles na eene korte pauze, waarin allen zich aan de zaligheid
-der natuur hadden overgegeven&#x2014;&#x201e;moeilijk is het, uit deze vreedzame wereld zich in
-den geest wederom te verplaatsen bij die menschen en beslommeringen, die men zooeven
-ontvloden is. En toch zou het doel aan dezen tocht, Aspasia, slechts half bereikt
-zijn, wanneer wij niet over die menschen en zaken, die wij hier ontvlucht zijn, spraken.
-Integendeel, wij moeten in de eerste plaats ons daarmede bezighouden; want niet slechts
-gij hebt mij aangaande de gebeurtenissen der laatste dagen veel te vertellen, maar
-ook ik zelf heb u veel raadselachtigs op te helderen. Hier zweven over het water bekoorlijke
-libellen, en aalgladde, vlugge slangetjes trekken in den vloed hunne bekoorlijke kringen,
-maar niet daarover hebben we ons te onderhouden, maar van dieren van eene geheel andere
-soort heb ik u te spreken, van rampzalige vogels, die mij en u gisteren noodlottig
-zijn geworden: van de vervloekte pauwen van Pyrilampes. Door de ontrouw van Hipponicus
-werd een dier vogels, die tot een geschenk voor u bestemd was, in mijn huis gebracht
-en viel in de handen van mijne gebiedster Telesippe.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En wat was het lot van den vreemdeling?&#x201d; vroeg Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;O vraag mij niet naar mijn lot en het zijne op dien dag,&#x201d; riep Pericles lachende
-uit. &#x201e;Stel u den man voor, wien men, zooals de sage meldt, <span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span>zijne kinderen lekker toebereidt, als een maal voorzette; thans eerst kan ik mij de
-verwondering en ontzetting van mijn gemoed voorstellen, nu mij het wel is waar niet
-zoo afschuwelijke, maar toch haast even treffende wedervoer, den prachtigen vogel,
-die, naar ik geloofde, zijn prachtigen vederdos voor de verrukte Aspasia ontplooide,
-dien zij als een nieuwen Argus<a class="noteRef" id="xd30e2398src" href="#xd30e2398">9</a> beschouwde, haar door haar geliefde toegezonden, om als in zijne plaats met honderd
-liefdesoogen de wacht te houden&#x2014;dat ik dien vogel dood, geplukt, tot eene vormelooze,
-gebraden massa op mijn bord heb gezien!&#x201d;
-</p>
-<p>Vroolijk lachte Sophocles bij dit verhaal.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt zwaar gezondigd,&#x201d; zeide hij, &#x201e;dat gij dezen vogel, aan Hera, de Godin van
-den echt, gewijd, in den dienst van hare vijandin, de gouden Aphrodite hebt gebruikt<span class="corr" id="xd30e2404" title="Niet in bron">.</span>&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Veel erger dan over u en uw pauw, o Pericles,&#x201d; zeide Aspasia, &#x201e;is de toorn der Godin
-op denzelfden dag over mijn hoofd losgebroken. Weet, dat ik op denzelfden morgen verkleed
-u in uw huis opzocht, dat ik ook, evenals die pauw, in de handen van Telesippe ben
-gevallen en dat ik, zoo al niet geslacht, toch nauwelijks eene minder onaangename
-en wreede behandeling heb ondergaan. Bij de Goden, Telesippe wenschte slechts, dat
-ik evenals de pauw honderd oogen had gehad, om mij ze allen te kunnen uitkrabben!
-In gezelschap van uwe razende echtgenoote was eene bedaagde, belachelijke vrouw, Elpinice
-geheeten. Deze dame ontbrandde in warme liefde voor den jongen citherspeler en verviel
-in een onbeschrijfelijken toorn, toen zij ontdekte, dat het eene vrouw was. Ik werd
-door deze beide Harpyen<a class="noteRef" id="xd30e2408src" href="#xd30e2408">10</a> uitgescholden, met smaadwoorden overstelpt, uit het huis gejaagd. &#x201e;Ik sta als meesteres
-aan den haard van dit huis,&#x201d; riep Telesippe uit. &#x201e;Gij echter zijt eene vreemdelinge,
-eene boeleerster, <span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span>ik beveel u van hier te gaan.&#x201d; Zij voegde er bij dat zij van uw hart afstand wilde
-doen, maar dat zij nooit uw haard zou prijsgeven. Volgaarne gunde ik haar uw haard,
-Pericles; maar denkt gij de vrouw, die aan uw haard gebiedt, het recht toe te kennen,
-de vrouw, die uw hart bezit, met smaadwoorden en woeste bedreigingen lastig te vallen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat kan ik daaraan doen?&#x201d; hernam Pericles. &#x201e;De rechten der Atheensche vrouwen zijn
-gering. Diegene echter, welke zij hebben, moeten wij eerbiedigen. Zij reiken niet
-verder dan den drempel van het huis&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Het schijnt derhalve,&#x201d; hernam Aspasia, &#x201e;dat gij Atheensche mannen geen heeren in
-huis zijt, maar alleen daarbuiten&#x200a;&#x2026; Hoe zonderling! Gij maakt de vrouw tot uwe slavin
-en dan verklaart gij u zelven weder tot slaven van die slavinnen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is het huwelijk!&#x201d; zeide Pericles de schouders ophalend.
-</p>
-<p>&#x201e;Wanneer dit het huwelijk is,&#x201d; hervatte Aspasia, &#x201e;dan ware het wellicht beter, dat
-er volstrekt geen huwelijken in de wereld bestonden.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Den zaligen band der harten sluit de liefde,&#x201d; zeide Pericles; &#x201e;echtgenoote echter
-en meesteres des huizes wordt de vrouw door de wet.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Door de wet?&#x201d; vroeg Aspasia; &#x201e;ik dacht altijd, dat het eigenlijk alleen het moederschap
-was, waardoor de geliefde vrouw gade werd en dat de echt, om zoo te zeggen, eerst
-met het kind begon.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Niet volgens de Atheensche burgerlijke wet,&#x201d; wierp Pericles haar tegen.
-</p>
-<p>&#x201e;Verander dan uwe burgerlijke wet,&#x201d; riep Aspasia uit, &#x201e;want zij deugt niets.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Vrome lieveling der Goden, Sophocles,&#x201d; sprak Pericles zich tot zijn vriend wendende,
-&#x201e;help mij toch deze vertoornde schoone tot rede brengen, opdat zij niet met hare kleine
-blanke hand het geheele staatsgebouw der Atheners omver moge werpen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe zou ik kunnen gelooven,&#x201d; zei de dichter, &#x201e;dat onze verstandige Aspasia het beste
-en heerlijkste <span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span>deel van den mensch, de rede, zou kunnen verliezen?&#x2014;Zij weet het zoo goed en zou het
-ons, als wij het ooit vergaten, weder kunnen leeren, dat een leven zonder genot geen
-leven is, dat men echter, om het genot des levens in de hoogste mate te kunnen genieten,
-zich boven alles moet wachten, om de sombere Ate, de Godin der verblinding en der
-hartstochtelijke onberadenheid, tegen zich op te zetten; dat we ons nooit tot iets
-ten strijde, moeten <span class="corr" id="xd30e2427" title="Bron: aargorden">aangorden</span>, voordat we nauwkeurig onze krachten hebben gewogen, dat vroolijk genot onmogelijk
-is zonder zelfbeheersching, dat wij de menschen moeten liefhebben, want zij zijn de
-gezellen van ons genoegen, en de Goden eeren, want het zijn geen ijdele namen, maar
-zij wijzen ons de perken onzer kracht aan en staan machtig en gebiedend tusschen onzen
-eigen wil en het noodlot tusschen de vrijheid en de eeuwige noodzakelijkheid, dat
-wij&#x200a;&#x2026;&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Genoeg,&#x201d; viel hier Aspasia lachende in de rede, &#x201e;ik vrees anders, dat wij uit den
-helderen Aether van het reine denken, waarin ons uwe verstandige en schoone woorden
-hebben verplaatst, den weg niet zullen kunnen terugvinden, naar de onbeduidende, maar
-tastbare zaken, waarvan we in ons gesprek zijn uitgegaan. Wanneer het mij vrijstaat,
-het algemeene op het bijzondere toe te passen, dan komt het mij voor, Sophocles, dat
-gij hebt willen zeggen, dat de uitheemsche vrouwen en de uitheemsche vogels te Athene
-goed moeten vinden, geplukt en mishandeld te worden en dat ze zich, uit vromen eerbied,
-niet tegen de wetten van het land mogen verzetten, die haar geen rechten toekennen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Onze vriend hier,&#x201d; voegde Pericles bij hetgeen Aspasia gesproken had, &#x201e;valt het natuurlijk
-gemakkelijk, voor het menschelijk doen en laten, vooral met betrekking tot echtgenooten,
-wijze regels op te stellen en even gemakkelijk die op te volgen. Zijn leven vliedt
-zonder strijd daarheen, want hij is ongehuwd en geene Telesippe treed zijne <span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span>Aspasia dreigend met een brandhout te gemoet&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo gaat het altijd met de bemiddelaars,&#x201d; hernam Sophocles lachend, &#x201e;en met allen,
-die zelfs wanneer het hun verzocht wordt, zich in de aangelegenheden van minnenden
-te mengen. Ik <span class="corr" id="xd30e2437" title="Bron: wordt">word</span> nu bespot en bijna met verwijtingen overladen, omdat ik, de rede predikende zelf
-zoo onredelijk was, aan verliefden raad te willen geven. Daarvoor wil ik nu mij zelven
-straffen, daar ik u aanstonds aan uw eigen wijsheid overlaat. Voor een korten tijd
-neem ik van u afscheid, opdat gij uwe zaken alleen in het reine kunt brengen. Ik ga
-zorgen, dat gij niet den geheelen dag zonder lafenis van spijs en drank moogt doorbrengen.
-En wanneer ik soms, terwijl gij uwe zaken bespreekt, wat lang in gindsche laurierboschjes
-vertoef, weet dat mij daar geene Aspasia wacht, maar dat ik in die schaduwschemering,
-met mijne wastafeltjes op de knie en de stift in de hand, de klaagtonen van de edele
-dochter van Oedipus<a class="noteRef" id="xd30e2440src" href="#xd30e2440">11</a> beluister&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt dus dat dichterlijke plan, waarvan gij op de Acropolis spraakt, niet laten
-varen?&#x201d; vroeg Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;De helft van het werk is reeds gereed,&#x201d; hernam Sophocles, &#x201e;en een slaaf zit dag aan
-dag met een zwart riet om het voltooide en afgewerkte van de wastafeltjes op de papyrus
-over te brengen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zult gij ons daarvan geene voorproef geven?&#x201d; vroeg Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Uw tijd is te kostbaar,&#x201d; antwoordde de dichter en verwijderde zich.
-</p>
-<p>Toen dus Pericles en Aspasia alleen waren kwamen zij op hun onderhoud terug, dat zij
-in tegenwoordigheid van hun trouwen vriend reeds aangeroerd hadden.
-</p>
-<p>Maar het ging zooals bij gesprekken van minnenden gewoonlijk het geval is, zij dwaalden
-telkens van hun onderwerp af. Zij trachtten niet naar een gestrengen gedachtenloop,
-daar tal van andere denkbeelden <span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span>hunne ziel vervulden, die den draad der redeneering afbraken. Zij luisterden bovendien
-naar het gezang van een vogel in de takken, ademden de geurige lucht der weiden in
-met volle teugen, <span class="corr" id="xd30e2453" title="Bron: plukte">plukten</span> hier en daar een bekoorlijke druif van een zwaar beladen wijnwinde of een rozenroode,
-sappige vrucht van den boom.
-</p>
-<p>Aspasia beet in een appel en gaf hem toen aan Pericles. Deze bedankte haar met een
-gelukkig lachje, want het was hem niet onbekend, wat een aangebeten appel in de taal
-der liefde beteekende. Ook bleef de aangeboden gelegenheid liefdesorakelen te raadplegen
-niet ongebruikt. Aspasia vlocht onder het gesprek een krans, reikte hem toen aan Pericles
-over en lachte, toen daar bladeren afvielen; want dit was voor de ingewijden een teeken
-van den heftigen liefdegloed van hem, die den krans droeg. Pericles daarentegen plukte
-die bloemen wier kelken de eigenschap hadden met een kleine knal te barsten, zoo men
-ze tusschen de vingers plat drukte en hij achtte het zijner niet onwaardig uit de
-kracht van dien knal de innigheid van de liefde der beminde af te leiden.
-</p>
-<p>Maar hoezeer ook de liefdegloed van Pericles den krans, dien hij in de hand droeg,
-deed verwelken en ontbladerde en de vurige genegenheid in het hart van Aspasia het
-knallende bloemenorakel eer mocht aandoen, beiden <span class="corr" id="xd30e2459" title="Bron: trachten">trachtten</span> toch telkens op een ernstig gesprek terug te komen. Vele vragen werden ter sprake
-gebracht, maar natuurlijk weinige ten volle beantwoord. Men overwoog, hoe Aspasia
-met behulp van Pericles haar nieuw huishouden het best zou inrichten, vervolgens hoe
-zij hun omgang het ongestoordst zouden voortzetten en, daar verliefden over niets
-liever keuvelen, dan over de geschiedenis hunner eerste ontmoeting, kwamen ook Pericles
-en Aspasia op de hunne in het huis van Phidias terug en Pericles verhaalde wat de
-gevolgen van die eerste kennismaking waren geweest, hoe sedert dien dag zoo menig
-grootsch plan was ontworpen, hoe hij sinds zich tegen <span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span>de verwijten zijner vrienden had moeten verdedigen, hoe ten laatste allen zich voldaan
-hadden verwijderd, behalven de zoon van Sophroniscus, de waarheidszoeker, die nog
-steeds de vraag beantwoord wilde zien of de beoefening van het schoone die van het
-zedelijke overbodig maakte. Die vraag had men toen laten rusten en was sedert in vergetelheid
-geraakt, nu Aspasia echter aan haar lievelingsdenkbeeld herinnerd werd, beweerde zij
-weder zeer beslist, dat de aankweeking van het schoone in de wereld evenveel recht
-van bestaan had, als de beoefening van het zedelijke en dat een pauw evenveel waard
-was, als een eend hoewel deze beter geschikt was om gemest te worden. Toen Pericles
-niet aanstonds wist <span class="corr" id="xd30e2464" title="Bron: af">of</span> hij haar dit mocht toegeven, werd het minnende paar juist ter goeder ure door de
-komst van Sophocles in zijn gesprek gestoord.
-</p>
-<p>Hij kwam hen tot een eenvoudig ontbijt uitnoodigen. Hij geleidde hen naar het tuinhuisje,
-dat midden in den hof gelegen was. Zij vonden dat van binnen netjes versierd, bijkans
-weelderig ingericht voor weldadige ontspanning, en in eene sierlijke spijszaal herschapen.
-Aanligbedden voor twee personen stonden gereed, waarop men, het bovenlijf op de linkerhand
-gesteund, gewoon was het maal te gebruiken. Voor die aanligbedden stonden de tafels,
-met spijzen beladen en wel voor ieder aanligbed een afzonderlijke.
-</p>
-<p>Pericles en Aspasia namen op uitnoodiging van Sophocles plaats en strekten de handen
-uit naar de aangeboden ververschingen. Op tafel was aanwezig: gevogelte, koeken, Siciliaansche
-kaas, vijgen, amandelen, noten, druiven en bovendien kostelijke, vurige wijn van de
-eilanden<a class="noteRef" id="xd30e2470src" href="#xd30e2470">12</a>.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik hoop, vrome Sophocles,&#x201d; sprak Aspasia schertsend, &#x201e;dat gij ons geen gebraden nachtegalen
-voorzet, hoewel men in eene stad, waar men zich <span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span>niet ontziet pauwen op te zetten, evengoed nachtegalen zou kunnen braden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Smaal toch niet om ééne goddelooze op het geheele Atheensche volk,&#x201d; smeekte Sophocles.
-</p>
-<p>&#x201e;Eene vrouw,&#x201d; riep Aspasia uit, op nieuw ziedend van toorn, &#x201e;die in staat was een
-pauw te slachten, hem zijn schoonen vederdos uit te plukken en hem in eene pan te
-doen, verdiende met roeden uit Hellas gegeeseld te worden. Zoo ooit over iemand, moet
-over haar de toorn der Grieksche Goden losbarsten, want zij heeft zich vergrepen aan
-het heiligste wat er bestaat, aan het schoone!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Als wij onze schoone en verstandige Aspasia mogen gelooven,&#x201d; zeide Pericles tot Sophocles,
-&#x201e;dan is schoonheid de hoogste wet des levens en daar zij ziel en lichaam doordringt,
-van alle deugden de eerste en de laatste.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Die gedachte lacht mij zeer toe,&#x201d; hervatte de dichter, &#x201e;ofschoon ik niet weet, hoe
-Anaxagoras en die bekende steenhouwer van Phidias en de overige wijzen er over zouden
-oordeelen. Maar ook van hen zal niemand de geweldige macht der schoonheid en van datgene,
-dat zij in het hart der menschen verwekt, van de liefde durven bestrijden. Ik heb
-juist van morgen, geheel naar uw verlangen, Aspasia, om de onoverwinnelijke macht
-der liefde te toonen, in mijn drama een tooneel ingelascht, waarin ik de Haemon, de
-zoon van koning Creon<a class="noteRef" id="xd30e2483src" href="#xd30e2483">13</a> vrijwillig in den Hades<a class="noteRef" id="xd30e2486src" href="#xd30e2486">14</a> doe nederdalen, om zijne geliefde bruid Antigone daarheen te volgen&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is overdreven, Sophocles,&#x201d; sprak Aspasia tot den dichter, die eenigermate verwonderd
-was, daar hij toch meende in haar geest te hebben gehandeld. &#x201e;Van zulk eene treurige
-zijde moet de stift der dichters de liefde niet teekenen. De liefde is opgewekt en
-vroolijk en moet liever zich zelve prijs geven dan hare vroolijkheid. Zij moet eene
-menschelijke <span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span>ziel niet naar den Hades voeren. Zij moet de menschen alleen met het leven niet met
-den dood verzoenen. Sombere, dweepzieke hartstocht moet onder de Grieken niet met
-den naam van liefde bestempeld worden. Dat is ziekelijkheid, dat is slavernij&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt gelijk, Aspasia,&#x201d; antwoordde Sophocles. &#x201e;De leer, die gij daar verkondigt,
-is opwekkend en duidelijk; gij en Pericles en ik zullen voorzeker alleen de schoone,
-vrije, opgewekte liefde huldigen en wij willen, als het uwe goedkeuring wegdraagt,
-nog heden den Goden een offer brengen, opdat zij nooit in onzen boezem het vriendelijk
-liefdevuur tot een doodelijken en verderfelijken gloed mogen aanblazen. Maar in de
-dicht- en beeldende kunst drijft de geest de dichters en beeldhouwers, om datgene
-wat zij uit willen drukken op eene scherpe en overdreven wijze te doen. Ik wilde aantoonen,
-dat Eros een machtige God is; maar ik wensch van harte, dat hij zijne geheele macht
-nooit weder op eene dergelijke wijze de Grieken zal doen ondervinden. Mocht hij slechts
-boven alles de harten der schoonen zacht en goedgunstig stemmen, want wat anders dan
-de schoonheid is de schuld van al den jammer en ellende der liefde op de wereld? Inderdaad,
-de schoonheid is eene noodlottige, dikwerf beslissende macht in het leven der stervelingen.
-Zij zit, wanneer ik het zoo mag uitdrukken, mede besturend in den raad der hoogste
-machten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Schoonheid zit medebesturend in den raad der hoogste machten!&#x201d; herhaalde Aspasia.
-&#x201e;Deze uitspraak verdiende, mijns inziens, aan de spreuken van Hellas&#x2019; wijzen toegevoegd
-te worden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wanneer die uitspraak u zoo bevalt,&#x201d; hernam de dichter, &#x201e;dan zal ik die luide voor
-geheel Hellas herhalen en haar in een reizang op Eros in mijn treurspel invlechten.
-Wanneer zou ik dien reizang op Eros onder gunstiger voorteekenen kunnen voltooien,
-dan zoolang uw voet nog in dezen lusthof wandelt? Gij moogt van hier <span class="corr" id="xd30e2497" title="Bron: niet niet">niet</span> gaan, <span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span>vóór ik den hymne opgeschreven en aan uw oordeel onderworpen heb.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Geen schooner gastgeschenk kunt gij ons geven,&#x201d; hernam Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Vergeeft mij thans,&#x201d; ving Sophocles weder aan, &#x201e;dat ik u niets aanbied, waarmede
-men anders een onthaal pleegt te kruiden. Ik vertoon u noch eene danseres noch eene
-fluitspeelster; want heden, dunkt mij, hebben mijne gasten aan zich zelven genoeg;
-en bovendien, wie zou zich op de cither durven meten met den schoonen &#x201e;citherspeler
-uit Milete&#x201d; en met zulk een kunstenaar een wedstrijd durven aangaan?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;In de eerste plaats&#x2014;gij zelf,&#x201d; riep Pericles; &#x201e;gij zijt ons zelfs de wedstrijd schuldig,
-want gij hebt ons toch op de Acropolis iets dergelijks beloofd. Haal slechts uw snareninstrument,
-Sophocles, en breng er ook een voor Aspasia mede; en begint dan op de wijze van Siciliaansche
-herders in zang en spel te wedijveren, terwijl ik als onpartijdig scheidsrechter uitspraak
-zal doen&#x2014;want dat gij mij tot kamprechter aanstelt, spreekt wel van zelf, daar gij
-buiten mij geen toehoorders meer hebt.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Het genoegen Aspasia&#x2019;s gezang en snarenspel te hooren,&#x201d; hernam Sophocles, &#x201e;zal voor
-eene nederlaag niet te duur gekocht zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>Hij verwijderde zich en keerde weldra met twee schoon versierde cithers terug en verzocht
-Aspasia daar eene van te kiezen.
-</p>
-<p>Met kennersoog tokkelde de schoone de snaren en liefelijke tonen ontlokte zij aanstonds
-aan het bezielde instrument als vonken aan den vuursteen.
-</p>
-<p>En thans begonnen de dichter en de schoone Milesische, ontgloeid door den zoeten,
-vurigen wijn, bij den klank der snaren liederen van Anacreon en Sappho te zingen en
-gevleugelde disticha<a class="noteRef" id="xd30e2511src" href="#xd30e2511">15</a> en daaronder ook iets nieuws van eigen vinding.
-<span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span></p>
-<p>Een der kleine liederen van Sophocles luidde als volgt:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Wat heet leven en lust, zonder Cypria&#x2019;s lachenden aanblik?
-</p>
-<p class="line xd30e2518">Dan toch wilde ik sterven, zoodra &#x2019;t zoete liefdegenot
-</p>
-<p class="line">Nimmer mij het hart meer verheugt met gloed en teedere omarming:
-</p>
-<p class="line xd30e2518">Bloesems der jeugd, o, hoe snel maait u de zeis van den tijd!&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">Bezield antwoordde Aspasia:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Kort ja, is hij, de tijd, voor de sterv&#x2019;lingen, maar toch noodigt ons
-</p>
-<p class="line xd30e2518">Bacchus, bekoort ons de dans en de bloeiende krans van de liefde!
-</p>
-<p class="line">Dit, slechts dit, heet leven; slechts lust is leven.&#x2014;Vliedt dan
-</p>
-<p class="line xd30e2518">Gij zorgen! Geniet van het heden, want een sluier onthult ons het morgen!&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">Met een stralenden blik op Aspasia zong nu de dichter:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Zoet is, zoet ja, bij Pan, den Arcadische, wat gij bij uw luite
-</p>
-<p class="line xd30e2518">Zingt, o Aspasia! zoet klinkt uw liefelijk gezang!
-</p>
-<p class="line">Kon ik ontvlieden? Omlegert mij niet de macht der Eroten
-</p>
-<p class="line xd30e2518">In der Sirenen gestalt&#x2019;, die mijne ziel houdt geboeid?&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">Met een betooverenden glimlach op de rozenroode lippen zong nu Aspasia:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Schertsend vermeide zich laatst met Neäera haar vriend. Om de heupen
-</p>
-<p class="line xd30e2518">Wond haar Cypris een band, bont en met bloemen doorweefd.
-</p>
-<p class="line">Goud was het opschrift, dat luidde: bemin mij voor eeuwig,
-</p>
-<p class="line xd30e2518">Maar geef niet toe aan uw smart, als mij een ander bezit!&#x201d;</p>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Hoe lang draalt gij nog, Pericles, den krans der overwinning aan Aspasia toe te kennen,&#x201d;
-zeide de dichter.
-</p>
-<p>&#x201e;Geef hem den dichter, Pericles,&#x201d; hernam Aspasia; &#x201e;maar stelt hem vooraf nog ééne
-voorwaarde; hij moet ons nog een distichon op de schoone Philaenion zingen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoort gij, wat Aspasia verlangt?&#x201d; zeide Pericles tot den dichter; &#x201e;gij moet Philaenion
-bezingen, de schoone Ephesische, die thans, naar men verhaalt, de deelgenoote is uwer
-zaligste uren en welke wij, vreemde gasten, misschien van daag, tot uwe heimelijke
-smart uit dit bekoorlijk oord hebben verjaagd.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;De voorwaarde is niet zonder heimelijke boosheid en wreedheid,&#x201d; hernam Sophocles
-glimlachend, &#x201e;maar ik wil ze niet onvervuld laten.&#x201d;
-</p>
-<p>En hij zong:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Klein ja is en donker Philaenion, echter niet slanker
-</p>
-<p class="line xd30e2518">Is de klimop en niet molliger &#x2019;t bloempje des velds.
-</p>
-<p class="line">Meer dan Cypria&#x2019;s gordel bekoort haar lieflijk gesnap mij;
-</p>
-<p class="line xd30e2518">Al wat zij schenkt, dat schenkt zij met vriendelijken glimlach.
-</p>
-<p class="line">Waarlijk, Philaenion min ik, de heerlijke, tot de godlijke Cypris
-</p>
-<p class="line xd30e2518">Mij een andere schenkt, die nog bekoorlijker is!&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">&#x201e;Gij zijt tevreden, Aspasia?&#x201d; vroeg Pericles, en toen deze toestemmend knikte, wendde
-hij zich tot Sophocles en reikte hem den kampprijs met de woorden:
-</p>
-<p>&#x201e;Ontvang den krans, vriendelijke zanger&#x201d;.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat zou ik niet zijn,&#x201d; hernam Sophocles, &#x201e;zoo ik niet sloot met een loflied op de
-schoonste:
-<span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span></p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Cypria&#x2019;s schoonheid hebt ge, de lippen van Pitho, der Horen
-</p>
-<p class="line xd30e2518">Lentebloesem daarbij en Calliope&#x2019;s stem,
-</p>
-<p class="line">Themis&#x2019; wrekende maat, Pallas&#x2019; wijsheid en Charis&#x2019;
-</p>
-<p class="line xd30e2518">Vriendelijken lach met den ernst der strenge Muze vereend.&#x201d;<a class="noteRef" id="n182.1src" href="#n182.1">16</a></p>
-</div>
-<p class="first">&#x201e;Dat noem ik ons verlegen maken,&#x201d; zeide Aspasia, &#x201e;en ons een plicht der dankbaarheid
-opleggen, die wij nooit vergelden kunnen.&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo eindigde de wedstrijd. De dichter en Milesische spraken toen nog veel over de
-toonkunst en Aspasia legde daarbij eene zoo groote kennis aan den dag van Dorische,
-Phrygische, Lydische, Hypodorische<a class="noteRef" id="xd30e2588src" href="#xd30e2588">17</a> en Hypophrygische melodieën, van fijne schakeeringen daartusschen en van de voortreffelijkheid
-van de eene boven de andere, dat Pericles in verbazing ten laatste uitriep:
-</p>
-<p>&#x201e;Zeg mij toch, Aspasia, hoe heet de man, die zich beroemen mag u in uwe prille jeugd
-in die moeilijke kunst te hebben onderwezen en ingewijd?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat zult ge vernemen,&#x201d; hernam Aspasia, &#x201e;wanneer ik u eens de geschiedenis mijner
-eerste jeugd vertel.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom hebt ge dat nog nooit gedaan?&#x201d; vroeg Pericles. &#x201e;Hoe lang zult gij het nog
-uitstellen? Doe het nog heden. De gelegenheid is gunstig en Sophocles is zulk een
-vertrouwd vriend en zoo gesloten, dat gij u niet behoeft te ontzien, hem mededeelgenoot
-van uw verhaal te maken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Neen,&#x201d; zeide Sophocles, &#x201e;hoe bekoorlijk ik mij ook de geschiedenis van Aspasia&#x2019;s
-jeugd voorstel, moet ik toch vreezen, dat wanneer gij het genoegen ze te hooren met
-een ander moest deelen, <span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span>ze niet half zoo lang zal uitvallen, als wanneer gij alleen ze verneemt. Bovendien
-herinner ik mij de belofte, dat ik u niet eerder zou laten heengaan, vóór ik Aspasia
-door een reizang op Eros ten volle weder zal verzoend hebben en zoo moet ik wel andermaal
-de eenzaamheid opzoeken en aan de uwe, die gij wel niet minder wenscht, overlaten.
-Terwijl ik op denzelfden dag, waarop ik voor mijn treurspel een loflied op Eros dicht,
-een minnend paar als gij, in mijne afzondering heb ontvangen, geloof ik mij zoo verdienstelijk
-jegens den God te hebben gemaakt, dat het mij niet verwonderen zou, wanneer mij het
-schoonste lied, als dank daarvoor, van hem ten deel viel.&#x201d;
-</p>
-<p>Met deze woorden verwijderde zich de dichter.
-</p>
-<p>Schertsend riep Aspasia hem achterna, dat hij niet moest terugkeeren zonder de bekoorlijke,
-schoon gelokte Philaenion.
-</p>
-<p>Pericles en Aspasia waren nu weder in de stille, kalme geurige lanen alleen aan zich
-zelven overgelaten.
-</p>
-<p>Nog opgewekt door het levendige gesprek onder het genot van den wijn en het snarenspel
-en toch in eene soort van zachte ontspanning, brachten zij, nu eens wandelend, dan
-weer rustend, den eersten tijd in dien zoeten, droomerigen toestand door, welke vooral
-in een bosch of in geurige, schaduwrijke tuinen in de uren van den middag zich van
-den geest meester maakt, wanneer Pan slaapt en zijne geesten, onbedwongen, in de eenzame
-dreven hun dartel spel drijven.&#x2014;
-</p>
-<p>De vette olijf glinsterde in de middagzon. Geen leeuwerik, met weligen kuif, huppelde
-meer rond, de hagedissen lagen sluimerend in de weiden. Slechts de boomkrekel liet
-hier en daar zijn zacht en melodisch gepiep op de takken hooren.
-</p>
-<p>In zulke oogenblikken, bij eene bekoorlijke natuur is men zoo verhit, zoo opgewekt
-van den zonneschijn en de heerlijke geuren, geniet men zoo, dat, wanneer men zich
-ter ruste vleit op lommerrijke weiden onder ritselende boomen, de levensgeesten <span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span>niet weten of het eene zoete afmatting is, wat hen doortrilt, dan wel eene overbodige
-inspanning hunner veerkracht.
-</p>
-<p>De beiden gelieven vertoefden ten laatste bij dat oord, waar de klimop zich slingerde,
-waar de golven van den Cephissus onder de zonnige twijgen klaterden en waar in de
-zwoele middagstilte het onschadelijk paar wateradders in de kristallen gloed zijne
-kringen placht te beschrijven, terwijl gonzende libellen over de watervlakte zweefden.
-</p>
-<p>Uit dien half droomerigen toestand eener verrukkelijke siesta ontwakend, herhaalde
-Pericles zijn verzoek aan Aspasia, om hun vertrouwelijk te zamen zijn op dezen dag
-door het lang beloofde verhaal der lotgevallen van hare jeugd de kroon op te zetten.
-</p>
-<p>Doch het is een zonderling iets, wanneer de lippen der vertelster fijn en zacht en
-heerlijk zijn als Attische honig. Pericles bekende, dat hij niet wist of hij begeeriger
-was naar de kussen zijner vriendin dan naar haar verhaal.
-</p>
-<p>Eindelijk kwam zij aan het woord:
-</p>
-<p>&#x201e;Gij weet,&#x201d; zeide zij glimlachend, &#x201e;ik ben niet oud genoeg om u op een lang, avontuurlijk
-en bont verhaal te kunnen vergasten. Maar gij hebt het recht, naar mijne afkomst te
-mogen vragen en te vernemen, van welken aard mijn lot geweest is, vóór het met het
-uwe was verbonden. Philammon heette de man, naar wien gij zooeven hebt gevraagd, aan
-wien ik mijne kennis in de toonkunst en andere kunsten en in één woord alles te danken
-heb, wat een mensch den anderen te danken kan hebben, en &#x2019;t geen eigenlijk, naar ik
-meen niet zoo heel veel is; want het meest beslist toch bij den mensch, vooral bij
-de vrouw, de grond, waarop hij is geboren, de lucht, die hij inademt en de gedaante
-der dingen, die hij van zijne jeugd af om zich heeft gezien, boven alles echter de
-ingeboren aanleg en het lot en het gesternte, waaronder hij het levenslicht heeft
-aanschouwd.
-</p>
-<p>&#x201e;Die goede Philammon! Ik geloof niet, dat ik <span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span>ooit weder met een man in zoo&#x2019;n gelukkigen vrede zal leven als met hem; want hij koesterde
-geene verwachtingen meer van mijne kunne en ik nog geene van de zijne. Hij telde tachtig
-jaar en ik tien. &#x2019;t Is waar, hij scheen wel een vierde jonger dan hij werkelijk was
-en ik een vierde ouder dan mijne jaren.
-</p>
-<p>&#x201e;Na den dood van mijn vader Axiochus en van mijne moeder te Milete werd ik door hem
-als een vriend des huizes in zijn familiekring opgenomen. Hij was de geleerdste, verstandigste,
-spraakzaamste en tevens vroolijkste grijsaard in het levenslustige Milete, de beminnelijkste
-grijsaard misschien, die de aarde sinds Anacreon had gedragen. Ik weet niet, of er
-ergens een schooner liefdeband bestaat, dan dit van een jeugdig grijsaard en een vroegrijp
-meisje. De scherpste tegenstellingen des levens zoeken en vinden elkaar in die vereeniging.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik was schier hartstochtelijk verliefd op Philammon&#x2019;s sneeuwwitten, lang afgolvenden
-baard, op zijne heldere oogen, waaruit mij al het licht der wetenschap scheen tegen
-te schitteren, op zijne lyren en cithers, op zijne boekrollen, op de bronzen en marmeren
-beelden van zijn huis en op het heerlijke bloemtapeet van zijn tuin. Wat hem betreft,
-hij scheen niet minder behagen in mij te scheppen; van het oogenblik af, waarop ik
-zijn huis betrad, speelde een glimlach om zijne lippen, zooals ik er nooit meer een
-heb gezien bij een gelukkig sterveling en dien ten laatste zelfs de dood niet geheel
-kon doen verdwijnen. Vijf jaren lang leefde ik in den geur der rozen, waarmede deze
-goddelijke grijsaard zijne bekers bekranste, dronk de wijsheid in uit zijne heldere
-oogen en zijne lippen, die overvloeiden van welsprekendheid, speelde op zijn lyren
-en cithers, ontrolde met gloeiende wangen zijne boekrollen, beschouwde zijne bronzen
-en marmeren beelden en verzorgde de bloemen van zijn tuin. De wereld der <span class="corr" id="xd30e2620" title="Bron: poezië">poëzie</span>, der tonen en der lente, was voor hem zelven op nieuw ontwaakt en bezield, toen hij
-ze nog eens met <span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span>het kind genoot. Hij zeide, dat hij tachtig jaar oud geworden was en nu eerst vele
-zijner boekrollen verstond, nu ik, het kind, ze hem had voorgelezen.
-</p>
-<p>&#x201e;Toen hij gestorven was, noemden de Milesiërs mij het schoonste meisje van het Ionische
-strand en ik zag voor de eerste maal in den spiegel. Het leven der rijke stad, waar
-vroegtijdig de Grieksche geest in de Aziatische zon tot weelderige volheid zich ontwikkelde,
-begon mij met verleidelijke bekoorlijkheid aan te grijpen.
-</p>
-<p>&#x201e;En toch was ik niet gelukkig.
-</p>
-<p>&#x201e;Bij Philammon&#x2019;s boekrollen en marmeren beelden was ik vroolijk geweest; in den bedwelmenden
-roes der vreugde, door hulde en wierook omgeven, werd ik ernstig, nadenkend, luimig,
-aanmatigend.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik miste iets.
-</p>
-<p>&#x201e;De mannen van Milete schenen mij dwaas toe. Zij dongen om mijne gunst, ik verachtte
-hen.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik stond na den dood van Philammon als eene wees, jong, arm, onervaren in de wijde
-wereld.
-</p>
-<p>&#x201e;Toen zag mij een Perzisch satraap<a class="noteRef" id="xd30e2634src" href="#xd30e2634">18</a> en aanstonds vatte hij het plan op het zoo geroemde Ionische meisje naar Persepolis<a class="noteRef" id="xd30e2637src" href="#xd30e2637">19</a> te voeren, naar den grooten koning<a class="noteRef" id="xd30e2640src" href="#xd30e2640">20</a>. Mijne dwaze meisjesziel werd ontvlamd. Ik dacht aan Rhodopis<a class="noteRef" id="xd30e2643src" href="#xd30e2643">21</a>, die den koning van Aegypte, aan mijne landgenoote Thargelia, die den koning der
-Thessaliërs tot echtgenooten hadden gekregen. De koning der Perzen echter, de machtigste
-der aarde, zweefde voor mijn geest als het ideaal van alle mannelijke schoonheid,
-al het verhevene, beminnelijke en geestkrachtige. Als kind bij Philammon was ik verstandig
-geweest voor mijne jaren thans als rijpende jonkvrouw werd ik gekkelijk. Te Persepolis
-aangekomen, werd ik <span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span>rijkelijk opgesierd en toen naar den koningsburg gevoerd, die in verblindende pracht
-prijkte. Te midden van deze heerlijkheid zat de koning der Perzen, niet minder schitterend
-uitgedost, maar met het uiterlijk van een gewoon mensch. Hij lonkte mij met zijn doffe,
-despotische oogen toe. Eindelijk begon hij slaperig de hand naar mij uit te strekken,
-als naar eene koopwaar, die hij betasten wilde. Dat prikkelde mij; tranen van spijt
-ontsprongen aan mijne oogen. Dat beviel den Pers echter en een lach plooide zijne
-matte trekken. Hij spaarde mij zelfs sedert dat oogenblik en zeide dat de fierheid
-der Grieksche vrouwen hem beter beviel, dan de slaafsche karakterloosheid der andere
-vrouwen. Na weinige weken was het hart van den despoot voor mij in liefde ontbrand.
-Mij echter overviel een angst; ik verzonk in zwaarmoedigheid. Vreemd, eentonig, koud
-scheen het leven om mij heen. De menschen waren niet vatbaar voor eenigen hartstocht.
-In zich zelven gekeerd leven zij voort in pronkvertrekken van bedwelmende aromen doortrokken.
-Zonderling en beangstigend scheen mij die pracht van het Oosten toe en snel was de
-betoovering geweken, waarmede zij in den beginne mijne verbeeldingskracht had verstrikt.
-Een koude huivering overviel mij, als ik de tempels en afgodsbeelden in den vreemde
-beschouwde; een heimwee greep mij aan naar de Goden van Hellas.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik ontvluchtte na korten tijd. Vrij ademde ik weder, toen ik het Ionische strand
-weder betrad, toen ik de Grieksche zee, voorbode van eene nieuwe en betere toekomst,
-tegen de kust zag aanklotsen. Onder begeleiding van eene enkele trouwe slavin zocht
-ik in de haven van Milete een schip, dat mij naar Griekenland zou voeren. Ik vond
-een koopvaarder uit Megara, die bereid was mij naar die stad te brengen. Van daar
-kon ik spoedig het naburige, fiere, bloeiende Athene bereiken, waarnaar mijne ziel
-zoo vurig had verlangd. Te Megara met mijne slavin aangekomen, stond ik voorloopig
-alleen en hulpeloos. De bedaagde <span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span>scheepskapitein, die mij van Milete had medegenomen, noodig mij in zijne woning en
-beloofde mij eerstdaags naar Athene te doen voeren. Ik nam zijne uitnoodiging aan.
-Hij echter vertraagde van dag tot dag de voorbereidselen tot mijn vertrek, totdat
-ik ten laatste bemerkte, dat hij voornemens was mij in zijn huis te houden. Weldra
-zag ik ook zijn opgeschoten zoon in hartstocht voor mij ontbrand en in huis, als eene
-gevangene bewaakt, werd ik door beider liefdesbetuigingen vervolgd. Voor hen, meenden
-die dwazen, zou ik ongerept den Perzischen koning zijn ontvloden en voor hen mij hebben
-gespaard. Toen ik nu koel bleef en alles deed, om de boeien, die men mij wreed had
-aangeslagen, te verbreken, barstte beider gramschap in hevige woede over mij los.
-De vrouw van den scheepskapitein had echter van den beginne afaan de jeugdige vreemdelinge
-met argwanenden blik beschouwd en toen zij nu, terwijl deze beide mannen op mij vertoornd
-waren en om mijnentwil geweldig met elkaar twisten, door eene razende ijverzucht werd
-aangegrepen, zag ik mij als door Furiën omringd en geweldig bedreigd door de hartstochten
-dezer razende menschen. De vrouw kwam op de gedachte de Megarensers tegen mij als
-eene vreemde toovenares en verstoorster van den huiselijken vrede op te hitsen en
-daar de beide mannen door mijne koelheid en de onmogelijkheid mij langer in huis te
-houden vreeselijk verbitterd waren, ondersteunden zij uit wraakzucht de pogingen der
-vrouw. Hun streven was niet zonder gevolg. Ik was toch in Megara, onder menschen van
-den Dorischen stam, onder menschen, die, losgerukt van hunne stamgenooten in de Peloponnesus,
-zoo dicht bij het machtige, dreigende Athene, daarom te sterker zich hunne Dorische
-afkomst bewust waren, en des te slaafscher de Spartaansche zeden meenden te moeten
-handhaven. Streng en mannelijk in hun doen willen zij schijnen, maar zij zijn dubbel
-teugelloos, wanneer de hartstocht zich van hen meester maakt; <span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span>want hun gemoed is ruw, hun geest gemeen. Hun heftig gevoel is vreemd aan elke zachte
-aandoening, die over de gemoederen van andere menschen door den adem der bekoorlijkheid
-en vriendelijkheid is uitgespreid.
-</p>
-<p>&#x201e;Op mijn dringend verlangen deed men het eindelijk voorkomen, dat men mij rustig zou
-laten vertrekken. Een muildier stond gereed voor mijn goed, een draagstoel voor mij
-en mijne slavin. Toen ik echter uit het huis van den Megarenser trad, vond ik het
-tegen mij opgehitste volk op straat verzameld en werd ik met spottende en hoonende
-woorden begroet.
-</p>
-<p>&#x201e;Voor het volk van Megara was het voldoende te hooren, dat ik eene Milesische was,
-om mij te haten en in blinde woede te vervolgen. Ik weet niet, wat mij met zulk een
-moed, met zulk een fierheid bezielde, toen ik dit Dorische gepeupel, grijnzend, schreeuwend,
-dreigend rondom mij gedrongen zag. Met opgerichten hoofde ging ik door de menigte,
-achter mij mijne sidderende slavin. De voorsten, die een weinig voor mij teruggeweken
-waren, werden door hen, die achter hen stonden, opnieuw tegen mij aangedrongen; ik
-zag mij in een maalstroom van verwarring vastgeklemd, gestomt en toen ik ziedend van
-toorn een woord tot de menigte sprak, grepen eenigen onder smadelijke bedreiging mij
-bij de armen en het gewaad.
-</p>
-<p>&#x201e;Op dat oogenblik kwam een reiswagen met paarden bespannen den weg langs. In den wagen
-zat, naar het scheen, een aanzienlijk en rijk man, door slaven gevolgd.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">&#x201e;</span>Toen deze man mij zag, te midden van dat dreigend gevaar, daar de vermetelsten reeds
-de hand aan mij sloegen, liet hij den wagen stilhouden en gaf den zijnen last, mij
-en mijne slavin in den ruimen reiswagen te helpen en, toen dit geschied was, bracht
-het vurige span mij in weinige oogenblikken voor altijd uit het vervloekte Megara
-en onttrok mij aan de smadelijke bejegening, die mij dreigde.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Nu begrijp ik, Aspasia,&#x201d; viel Pericles in, &#x201e;waarom gij geheel in strijd met uw kalm
-karakter, zoo vijandig en hartstochtelijk opvliegt wanneer er sprake is van de Doriërs
-en het Dorische karakter.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik ontken het niet,&#x201d; hernam Aspasia, &#x201e;ik heb sedert dien dag te Megara aan alle Doriërs
-onverzoenlijken haat en wraak gezworen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En de man, die u redde,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;was zeker niemand anders dan Hipponicus?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dezelfde,&#x201d; antwoordde Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt,&#x201d; vervolgde Pericles, &#x201e;een weelderigsten bloei van Ionische karakter te
-Milete en de plompe overdrijving van het Dorische te Megara leeren kennen. Thans op
-den bodem van Athene gekomen, zult gij, hoop ik, u in dat schoone en gelukkige midden
-gevoelen, dat het gevolg is van de verzoening en de harmonie der uitersten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Het was mij aanstonds een goed teeken,&#x201d; antwoordde Aspasia, &#x201e;dat het toeval mij,
-zoodra ik den Atheenschen bodem had betreden, naar die plaats voerde, waar de levendigste
-vonken van den nieuwen Atheenschen geest rondspatten&#x2014;naar de werkplaats van Phidias.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;En daar,&#x201d; viel Pericles in, &#x201e;vondt gij de mannen, die gij aan het hof van den Perzischen
-koning miste, de gevoelige ontvankelijke mannen, waarop gij invloed kondt oefenen&#x2014;daar
-vondt gij den krachtigen, vurigen Alcamenes&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En den peinzenden, niet vurigen, niet innemenden zoon van Sophroniscus,&#x201d; hernam Aspasia;
-&#x201e;en ik trachtte aan beiden datgene te geven, &#x2019;t welk zij mij naar hun eigenaardig
-karakter schenen noodig te hebben. Den beeldhouwer toonde ik, dat hij niet alleen
-van den meester Phidias kan leeren en het gelukte mij de valsche bescheidenheid van
-den waarheidszoeker, die de geheele wereld met zijne vorschende vragen vervolgt, voor
-een deel althans in een ware te veranderen. Maar nog <span class="corr" id="xd30e2674" title="Bron: onbrak">ontbrak</span> mij de man, wien ik niet alleen dit of dat, wien ik alles, wien ik mijn geheele persoonlijkheid
-niet zou <span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>aarzelen toe te vertrouwen. Eindelijk vond ik hem. Sedert dien tijd ben ik der smidse,
-waar de echte vonken van den nieuwen Helleenschen geest opspatten, nog nader gekomen,
-dan in de werkplaats van Phidias.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En waar was dat?&#x201d; vroeg Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Aan het hart van den gemaal der pauwenslachtende Telesippe!&#x201d; hernam Aspasia glimlachend
-en vlijde haar schoon gelokt hoofd met smeltenden blik aan de borst van den geliefden
-man.
-</p>
-<p>Hij boog zich over haar en drukte haar een kus op de lippen. Daarna sprak hij:
-</p>
-<p>&#x201e;Menige van die levensvonken van den Helleenschen geest zou wellicht nog sluimeren
-in deze borst, Aspasia, wanneer gij uw schoon hoofd daar nooit tegen had gedrukt!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Zoo verliep de dag voor het gelukkige paar in den tuin van Sophocles.
-</p>
-<p>De avond begon te vallen, de boschjes geurden sterker, de nachtegalen hieven hun lied
-aan in de twijgen en als wilden zij met hen wedijveren, lieten de krekels in het gras
-hunne schelle tonen hooren. Glimwormen glinsterden uit het donker der boschjes en
-Hesperus<a class="noteRef" id="xd30e2687src" href="#xd30e2687">22</a> spreidde zijn glans uit aan den hemel.
-</p>
-<p>Thans verscheen de dichter weder, om zijne gasten tot den maaltijd uit te noodigen.
-Hij voerde hen wederom naar dat gezellige, liefelijk versierde tuinhuis.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt mij,&#x201d; zeide Sophocles, zich tot Aspasia wendende, &#x201e;toen ik van u heen ging,
-een bevel nagezonden. En wie zou het durven wagen u niet te gehoorzamen in alles wat
-gij zoudt kunnen wenschen?&#x201d;
-</p>
-<p>Daarbij wees hij naar den achtergrond van het vertrek, waaruit Philaenion lachend
-te voorschijn trad.
-</p>
-<p>Pericles en Aspasia waren aangenaam verrast. Philaenion was klein, maar van een betooverende,
-<span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span>evenredige gestalte; daarbij was zij krachtig van leden en toch vol bekoorlijkheid
-in hare bewegingen. Zij had de zwartste oogen en boven het ietwat lage voorhoofd viel
-het donkerste haar in krullende lokken.
-</p>
-<p>Aspasia dankte den dichter in vriendelijke woorden voor zijne bereidwilligheid en
-kuste Philaenion op het voorhoofd. Vroolijk schaarde men zich om den disch. Vele heerlijke
-gaven werden er aangeboden en wederom stroomde de vurige Chiërwijn<a class="noteRef" id="xd30e2699src" href="#xd30e2699">23</a> onder opgeruimden, geestigen kout en gelach.
-</p>
-<p>Toen las Sophocles zijn gasten den beloofden lofzang op Eros voor, den onsterfelijken
-reizang op den &#x201e;Alverwinnaar in den strijd.&#x201d;
-</p>
-<p>In verrukking hieven Aspasia en de dichter aanstonds bij het getokkel der snaren het
-schoone lied aan. De melodie stroomde als van zelf van hunne lippen. Zij vonden ze
-gelijkelijk uit.&#x2014;
-</p>
-<p>Philaenion in dezelfde geestverrukking viel in, en zoowel door het lied als door den
-gloeienden wijn bezield, begeleidde zij weldra den zang met de bekoorlijkste, innemendste
-dansen.
-</p>
-<p>Wie zou het geluk dezer gelukkige menschen vermogen te schilderen?
-</p>
-<p>Zij waren gelukzalig, als de Olympische Goden.
-</p>
-<p>Toen Pericles met Aspasia laat in den avond den lusthof doorwandelde, om naar huis
-terug te keeren, geurden de rozen bedwelmend; de scharlakenroode, geheimzinnig vlammende
-anjelierbloesem schitterde in de duisternis.
-</p>
-<p>En nooit kweelden de nachtegalen in het Cephissus-dal bekoorlijker dan in dien nacht.
-</p>
-<p>&#x201e;Weet gij, wat zij zingen,&#x201d; zeide Pericles tot Aspasia, die met een blijden glimlach
-aan zijne zijde wandelde. &#x201e;Zij zingen allen den reizang van Sophocles op Eros; zij
-zingen allen:
-<span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span></p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;God der liefde, nooit bedwongen,
-</p>
-<p class="line xd30e2518">Eros, die zelfs &#x2019;t ruwst gemoed,
-</p>
-<p class="line">Waar uw pijl is ingedrongen,
-</p>
-<p class="line xd30e2518">Voor uw almagt buigen doet;
-</p>
-<p class="line">Die uw zetel hebt gekozen
-</p>
-<p class="line xd30e2518">Op het liefelijk gelaat
-</p>
-<p class="line">Van de teedre maagd, wier bloozen
-</p>
-<p class="line xd30e2518">Wat haar harte wenscht verraadt!&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e2729src" href="#xd30e2729">24</a></p>
-</div>
-<p class="first">Zij zingen allen:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line xd30e2733">&#x201e;Alle wezens kunt gij dwingen,
-</p>
-<p class="line xd30e2733">Land en zee is uw gebied;
-</p>
-<p class="line xd30e2518">&#x2019;t Broos geslacht der stervelingen,
-</p>
-<p class="line xd30e2733">De eeuwige Goôn zelfs vreest gij niet.
-</p>
-<p class="line">Ach, met onbegrensd vermogen
-</p>
-<p class="line xd30e2518">Heerscht de teedre, zwakke maagd,
-</p>
-<p class="line">Als de gloed der schitterende oogen
-</p>
-<p class="line xd30e2518">Zoete drift in &#x2019;t harte jaagt,
-</p>
-<p class="line">Onverwinbaar neemt de min
-</p>
-<p class="line xd30e2518">Spelend aller zielen in.&#x201d;&#x2014; &#x2014;</p>
-</div>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e2272">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2272src">1</a></span> De Academie was een gymnasium bij Athene, naar den heros Academus genoemd, waar Plato
-zijne lessen gaf. Vandaar, dat men ook onder Academie de school van Plato verstaat.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2272src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2296">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2296src">2</a></span> Eene bronnimf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2296src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2299">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2299src">3</a></span> Hamadryaden zijn boomnimfen, in onderscheiding van Dryaden, dat in &#x2019;t algemeen woudnimfen,
-vooral der eiken (Drus, eik) zijn. Sommigen nemen tusschen beide nimfen geen onderscheid
-aan.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2299src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2316">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2316src">4</a></span> Iliad. VI, vs. 506 en vv., waar men deze heerlijke vergelijking in haar geheel kan
-lezen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2316src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2328">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2328src">5</a></span> De Parcen (Moiren) waren de Godinnen van het noodlot. Gewoonlijk worden er drie genoemd:
-&#x201e;Clotho&#x201d;, die de levensdraden spint, &#x201e;Lachesis&#x201d; die den menschen hun lot toedeelt
-en &#x201e;Atropos&#x201d;, de onafwendbare, de noodzakelijkheid om te sterven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2328src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2335">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2335src">6</a></span> Lamia, de dochter van Belos en Libya werd om hare schoonheid door Zeus bemind; uit
-wraak hierover roofde Hera hare kinderen. Lamia, van verdriet waanzinnig geworden
-ontvoerde en doodde de kinderen van andere moeders. Vandaar wordt zij als een schrikkelijk
-spook beschouwd. Later verstond men onder Lamia eene schoone vrouw, die de jonge mannen
-bekoorde en verleidde.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2335src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2338">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2338src">7</a></span> Circe was eene machtige toovenares, de dochter van Helios en Perseïs, op het eiland
-Aea, die Odysseus&#x2019; tochtgenooten in zwijnen veranderde.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2338src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2365">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2365src">8</a></span> De Hesperiden, gewoonlijk vier in getal, Aegle, Erythea, Histia en Arethusa, bewaakten
-met den honderdkoppigen draak Lado de gouden appelen van Hera op het Atlas-gebergte,
-in de uiterste streken der aarde.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2365src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2398">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2398src">9</a></span> Argus, bijgenaamd Panoptes, de alziende, was de zon van Agenor of Inachus, die vele
-monsters doodde. Hij was met honderd oogen voorzien. Later werd hij door Hermes gedood.
-Met zijne oogen tooide Hera den pauwenstaart.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2398src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2408">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2408src">10</a></span> Eene soort van roofvogels, met vrouwenaangezichten en groote klauwen. Bij Hesiodes
-heeten zij &#x201e;Aello&#x201d; en &#x201e;Ocypete&#x201d;.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2408src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2440">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2440src">11</a></span> Antigone, de dochter van Oedipus, koning van Thebe, en Iocaste.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2440src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2470">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2470src">12</a></span> Vooral de wijnen van Chios, Lesbos en Cyprus waren beroemd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2470src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2483">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2483src">13</a></span> Creon was koning over Thebe, opvolger van Oedipus.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2483src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2486">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2486src">14</a></span> Hades is eigenlijk de God van de onderwereld, Pluto; vandaar ook de onderwereld zelve.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2486src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2511">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2511src">15</a></span> Distichos beteekent eigenlijk van &#x201e;twee rijen&#x201d; of &#x201e;regels&#x201d; v.d. distichon een vers,
-waarvan de eerste regel zesvoetig is (een hexameter) en de tweede vijfvoetig (een
-pentameter). De grondtoon dezer verzen is de dactylus, d.i. eene lange lettergreep,
-gevolgd door twee korte.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2511src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="n182.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n182.1src">16</a></span> Tot recht verstand dezer verzen diene: het Grieksche woord Peithoo beteekent: overtuigende
-welsprekendheid, de gave der overreding, van daar ook: de Godin der welsprekendheid,
-en overreding. De Horen zijn de dienaressen van Aphrodite, de Godinnen van den bloei
-en de rijpheid; de eerste heet dan Thallo, (lente) de tweede Carpo (herfst). Zij komen
-dikwijls voor in verbinding met de Chariten (Gratiën). Over Calliope, eene der Muzen,
-zie <a href="#n30.1">noot 1 pag. 30</a>. Wat Themis aangaat, vergelijk <a href="#n46.1">noot 1 pag. 46</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n182.1src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2588">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2588src">17</a></span> Het Grieksche voorzetsel hupo (onder), geeft in dergelijke samenstellingen dikwijls
-eene nabootsing in den trant van &#x2014;. Zoo ook in Hypodorisch en Hypophrygisch: iets
-Dorisch, Phrygisch, wat naar dien stijl of melodie zweemt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2588src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2634">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2634src">18</a></span> Landvoogd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2634src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2637">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2637src">19</a></span> Persepolis, Pârsa (&#x201e;de stad der Perzen&#x201d;) was eens de hoofdstad van Perzië en de begraafplaats
-der koningen, niet ver van den Araxes. Door Darius I werd het ongeveer in 515 v. C.
-tot residentie verheven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2637src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2640">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2640src">20</a></span> Met den naam van groote koning werd in de oudheid de Perzische koning bestempeld,
-zoodat zelfs het Grieksche woord koning, basileus, zonder lidwoord, altijd de koning
-der Perzen aanduidde.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2640src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2643">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2643src">21</a></span> Men leze daaromtrent den roman van Georg Ebers, &#x201e;<a class="pglink xd30e49" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/28120">eene Aegyptische koningsdochter</a>&#x201d;, ten onzent door Dr. H.&nbsp;C. Rogge en C.&nbsp;H. Pleyte vertaald.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2643src" title="Ga terug naar noot 21 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2687">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2687src">22</a></span> De avondster.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2687src" title="Ga terug naar noot 22 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2699">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2699src">23</a></span> Van Chios, een der schoonste en vruchtbaarste eilanden van de <span class="corr" id="xd30e2701" title="Bron: Aegaeische">Aegaeïsche</span> zee, thans Chios of Stankio, door de Turken Saki geheeten. Het eiland was vooral
-beroemd om zijn heerlijken wijn en vijgen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2699src" title="Ga terug naar noot 23 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2729">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2729src">24</a></span> Men leze dezen schoonen reizang in haar geheel bij Sophocles, in de Antigone, vs.
-772, v.v. Ik bezig Opzoomer&#x2019;s vertaling.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2729src" title="Ga terug naar noot 24 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VII</h2>
-<h2 class="main">DE DISCUS-WORP.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Sedert het prachtige gebouw, dat door Pericles voor muzikale uitvoeringen was bestemd,
-met een wedstrijd van toonkunstenaars ingewijd en geopend was, stroomden de Atheners
-onophoudelijk naar den zuidelijken voet van de Acropolis, om het eigenaardige gebouw,
-met zijn kegelvormig dak, uit de masten van buitgemaakte Perzische schepen vervaardigd,
-te bewonderen.
-</p>
-<p>Maar weldra volgde op de voltooiing van het <span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span>Odeon die van het Lyceüm<a class="noteRef" id="xd30e2759src" href="#xd30e2759">1</a> en evenals vroeger naar het eerste, zoo vloeide de schare der Atheners ook oostwaarts
-naar den Ilissus, om de nieuwe prachtige worstelschool, die haar wedergade niet had,
-te bezichtigen.
-</p>
-<p>Ofschoon nog nieuw, zijn de wanden en zuilen toch reeds hier en daar met vleiende
-opschriften bekrast, die den lof van den een of anderen knaap verkondigen. Want niet
-de scheppende beeldhouwers alleen, voor wie de welgemaakte gestalte der jongelingen,
-die bij de vele lichaamsoefeningen zich hier onbedekt vertoonde, eene onmisbare school
-is voor het natuurlijke en schoone in hunne scheppingen, ook de kunstliefhebbers komen
-hier, om aan het gezicht van zuiver ontwikkelde jeugdige kracht hun hart op te halen.
-Met hun vurigen kennersblik wedijvert het oog van liefhebbende en eerzuchtige vader,
-die met fieren trots de oefeningen en wedstrijden hunner zonen volgen en hunne krachtsinspanning
-en ijver met levendige gebaren, met luide kreten aansporen. Overigens zijn er nog
-dweepende liefhebbers der gymnastische kunsten, voor wie zoo&#x2019;n schouwspel eene verkwikking
-is en die, met hunne stramme ledematen, als verjongd door het vuur, de bewegingen
-en oefeningen der jeugd in hun geest de vertoonde toeren medemaken. Ja zelfs tot op
-zulk eene hoogte stijgt bij deze hartstochtelijke liefhebbers hun ingeschapen lust,
-dat zij zich niet tevreden stellen met als ledige toeschouwers dagen lang in het Lyceüm
-en de Palaestren<a class="noteRef" id="xd30e2764src" href="#xd30e2764">2</a> zich op te houden, maar onmiddellijk, wanneer de geest hen drijft, zich onder de
-jongelingen begeven, om aan hunne oefeningen deel te nemen of een hunner tijdgenooten
-tot een kleinen worstelstrijd in het gymnasium uit te dagen. &#x201e;Hei daar Charisius,&#x201d;
-luidt het, &#x201e;willen <span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span>wij het eens tegen elkaar opnemen, zooals we zoo dikwijls in onzen gelukkigen ephebentijd<a class="noteRef" id="xd30e2769src" href="#xd30e2769">3</a> plachten te doen? Wat jonge Herculessen waren wij toch in vergelijking met de hedendaagsche
-jongens!&#x201d; Zoo klinkt het, en de beide mannen herinneren zich de dagen hunner bloeiende
-jeugd en vatten elkaar aan en worstelen naar de nog niet verleerde regels der kunst
-ten aanschouwe van een menigte, die hen aanmoedigt.
-</p>
-<p>Maar niet alleen voor lichamelijke oefeningen dient deze plaats: het is eene reusachtige
-gezelschapszaal. Ja zelfs zoozeer is dit het geval, dat alle eigenlijke worstelperken
-op de zuidzijde van het Peristylium achter de dubbele <span class="corr" id="xd30e2774" title="Bron: zuilenrei">zuilenrij</span> zich bevinden, terwijl de drie overige gangen, alsook de lanen, die aan de worstelschool
-grenzen, uitsluitend aan het gezellig verkeer der Atheners gewijd zijn. Hier ontmoeten
-elkaar de beroemde mannen, hunne vereerders, vrienden en leerlingen. Men kan zich
-hier immers ongestoorder met elkander onderhouden, dan in die zuilengangen op de woelige
-Agora. Wat de nakomelingschap met geestdrift op bestoven boekrollen zal lezen, dat
-vloeit hier in levende taal van de lippen der denkers. Bij den meester en zijne nog
-niet talrijke leerlingen, die hier vol aandacht aan zijne zijde wandelen, kan zich
-een ieder, wie ook, uit de menigte aansluiten. Slechts weinige dagen pas heeft de
-zaal van het Lyceüm hare deuren geopend en reeds kunt gij den stouten vleugelslag
-van den Helleenschen geest daarin hooren ruischen. In dien grijsaard daar, met zijne
-heldere oogen, herkent gij den vriend van Pericles, den edelen Anaxagoras.
-</p>
-<p>Van hem heeft reeds menig Athener geleerd de wetten der natuur op te sporen en met
-terzijdestelling van het bijgeloof aan de Olympische Goden de eeuwige wetten van het
-natuurlijk ontstaan der dingen na te vorschen. Maar velen zijn er nog, <span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span>die in hem een godloochenaar en Magiër<a class="noteRef" id="xd30e2781src" href="#xd30e2781">4</a> meenen te zien.
-</p>
-<p>&#x201e;Is dit niet de wijze van Clazomenae?&#x201d; vroeg een Athener, zich wendend tot een der
-leerlingen en toehoorders uit de schare, die den wijsgeer omstuwt, &#x201e;is hij niet dezelfde,
-van wien men vertelt, dat hij eens bij de spelen te Olympia in een dikken mantel plaats
-nam, terwijl de zon helder aan den hemel scheen en tot hen die hem uitlachten, zeide
-dat vóór er nog één uur verloopen was, een onweder zou losbarsten, &#x2019;t geen dan ook
-werkelijk tot verbazing van anderen geschiedde. Waaruit putte toch dien man kennis
-van de toekomst zoo hij niet meer dan iemand anders wetenschap heeft van de bovennatuurlijke
-dingen en de mantiek verstaat?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Vraag het hem zelf!&#x201d; antwoordde de leerling.
-</p>
-<p>De Athener volgde den raad en herhaalt zijne vraag aan Anaxagoras. &#x201e;Zijt gij,&#x201d; zoo
-spreekt hij, &#x201e;de man, die te Olympia in een dikken mantel gehuld, plaats naamt en
-een onweder voorspeldet bij helderen hemel en zonneschijn?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wel zeker,&#x201d; antwoordde Anaxagoras lachend. &#x201e;En ook gij zoudt hetzelfde hebben kunnen
-doen, zonder magische of mantieke kunst, wanneer u, evenals mij, een Arcadisch herder
-inlichtingen had gegeven over de huif van den Erymanthus.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat wilt gij zeggen met die huif van den Erymanthus?&#x201d; vroeg de Athener.
-</p>
-<p>&#x201e;De Erymanthus,&#x201d; hernam Anaxagoras &#x201e;staat daar als een hooge berg op de grenzen van
-Arcadië, Achaje en Elis<a class="noteRef" id="xd30e2792src" href="#xd30e2792">5</a>. Ziet men nu van Olympia uit eene zekere kruin van dien berg bij groote hitte en
-Noordoostenwind met een dichten wolkensluier bedekt, dan ontlast zich binnen een uur
-een onweder, dat frissche koelte brengt en geweldige regenbuien <span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span>uitgiet over de Pisatische<a class="noteRef" id="xd30e2797src" href="#xd30e2797">6</a> velden.&#x201d;
-</p>
-<p>En toen daarop door de omstanders het gesprek gebracht werd op het ontstaan en de
-oorzaken van het onweder, verzekerde Anaxagoras lachend dat de bliksem ontstond, door
-eene zekere wrijving der wolken tegen elkander. Hij gaat tot andere natuurverschijnselen
-over en draagt geheel nieuwe, ongewone stellingen voor. Zoo beweert <span class="corr" id="xd30e2802" title="Bron: bij">hij</span> bij voorbeeld, dat de zon eene gloeiende massa is en grooter oppervlakte heeft dan
-de Peloponnesus. De maan, meent hij, is bewoond en bevat heuvels en dalen.
-</p>
-<p>Terwijl de wijze op zulke wijze sprekende met zijne toehoorders rondwandelt en elders
-levendige groepen zich om den staatkundige en nieuwtjesventer vormen, zit in een ledigen
-hoek van de verst gelegene, zuidelijke galerij van het Lyceüm op een gladde, marmeren
-bank een paar, dat in zijne afzondering zich druk over gewichtige zaken schijnt te
-onderhouden.
-</p>
-<p>Het is een jongeling van buitengewone schoonheid en een jonge man, wiens gelaatstrekken
-een scherp contrast opleveren met die van zijn makker.
-</p>
-<p>Er was onder de enkele voorbijgangers nauwelijks één, die niet bleef staan of in het
-voorbijgaan ten minste niet even omkeek, om de in het oog loopende schoonheid van
-den jongeling nauwkeurig gade te slaan.
-</p>
-<p>Eenigen zelfs kwamen weder terug of bleven in de nabijheid en hielden den jongen man
-in het oog, het oogenblik afwachtende, dat hij bij de gymnastische oefeningen&#x2014;want
-met dit doel was hij toch zeker gekomen&#x2014;zijne geheele welgemaakte gestalte aan hunne
-blikken zou toonen.
-</p>
-<p>Maar zij die dit verwachtten, bedrogen zich deerlijk. Want de betooverde jongeling
-was de schoone vriendin van Pericles, die besloten had heden nogmaals van de verkleeding
-gebruik te maken, om <span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span>een der lievelingsscheppingen van haar vriend, het nu voltooide Lyceüm te bezichtigen.
-Zij had voor ditmaal haar ouden vriend Socrates tot leidsman genomen. Openlijk durfde
-zij zich toch niet in dit gewaad met Pericles vertoonen, daar het geheim van den citherspeler
-reeds door al te velen ontdekt was. Socrates had volgaarne datgene op zich genomen,
-wat Pericles zelf zijn vriendin moest weigeren.
-</p>
-<p>Reeds vroeg in den morgen had hij haar daar aangetroffen, om haar de worstelschool
-geheel te laten zien, voordat de oefeningen der knapen en jongelingen een aanvang
-hadden genomen. Hij volbracht met lust en ijver zijn plicht, terwijl hij Aspasia in
-het gymnasium rondleidde en door de ontzettend groote tuinen, met zuilengaanderijen
-omsloten, waarachter zich de ruime zalen uitstrekten; ook vergat hij de baden niet,
-noch de jonge lanen, die naast het gymnasium eene welkome verkwikking aan de wandelaars
-aanboden, welke uitliepen op de groene weilanden van den Ilissus-oever.
-</p>
-<p>Den &#x201e;waarheidszoeker,&#x201d; den &#x201e;wijsheidsvriend,&#x201d; den peinzer uit Phidias&#x2019; werkplaats
-tot begeleider te hebben, zonder een offer te worden van zijne onophoudelijke vragen
-was onmogelijk. Zoo had hij dan ook vooreerst op zijne manier gesproken, hoe verstandig
-Pericles het Odeon met het Lyceüm had aangevuld, daar het wellicht Pericles&#x2019; meening
-was, dat de geesten- en lichaamsoefeningen steeds nauw verbonden moeten blijven en
-dat zij vereenigd de harmonische volkomenheid van lichaam en ziel konden tot standbrengen
-en dat de Grieken niet alleen in ijzer en steen het schoone wilden zien en genieten,
-maar in hun eigen wezen, geestelijk en lichamelijk, door eene sterke aandrift zich
-gedreven gevoelden, dat te verwezenlijken.
-</p>
-<p>En nadat hij reeds zijn plicht had vervuld, wist hij Aspasia nog steeds te boeien,
-door haar al dieper en dieper in een gesprek te wikkelen. Hij zette zich met haar
-neder op een sierlijk marmeren bank in eene der minst bezochte gaanderijen en <span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span>weldra was hij op zijn lievelingsonderwerp terug gekomen, dat hij nooit naliet op
-het tapijt te brengen, zoo dikwijls hij zich met de schoone Milesische mocht onderhouden.
-Ongelukkigerwijze vielen ook thans, ondanks al zijne inspanning, om van haar de lang
-gewenschte verklaring over het begrip en het wezen der liefde te verkrijgen, Aspasia&#x2019;s
-antwoorden zoo uit, dat Socrates steeds meende te moeten tegenwerpen:
-</p>
-<p>&#x201e;Wat gij daar beschrijft, Aspasia, dat is toch geen liefde voor anderen&#x2014;dat is immers
-alles slechts liefde voor zich zelve.&#x201d;
-</p>
-<p>Hij wilde namelijk weten, wat het toch eigenlijk beteekende, als men bij voorbeeld
-zeide: Pericles bemint Aspasia of Aspasia bemint Pericles.
-</p>
-<p>Maar welke schoone wendingen de Milesische ook aan de zaak mocht geven, Socrates draaide
-en wrong zich nog veel behendiger en haalde uit Aspasia&#x2019;s woorden, zij mocht zeggen
-wat zij wilde, altijd weder de verklaring, dat wie een ander scheen te beminnen, in
-den grond toch alleen zich zelven en zijn eigen ik beminde en op het oog had. Hem
-zweefde, zij het ook nog niet helder, de gedachte eener liefde voor den geest, die
-werkelijk liefde tot den naaste, geen eigenliefde was. En handelende op zijne eigenaardige
-wijze, hield hij zich alsof hij in de verklaringen van Aspasia niet het geringste
-spoor van eene zoodanige liefde kon vinden. Hij ontdekte daarin steeds egoïsme&#x2014;een
-egoïsme onder twee.
-</p>
-<p>De waarheidszoeker en de schoone hadden reeds geruimen tijd over dit onderwerp gesproken,
-toen zij den wijzen Anaxagoras met eenige volgelingen langzaam de gaanderij zagen
-op wandelen.
-</p>
-<p>&#x201e;De Goden zenden ons ongetwijfeld dezen man,&#x201d; zeide Socrates, &#x201e;om ons uit de verlegenheid
-te redden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Meent gij niet,&#x201d; hernam Aspasia lachende, &#x201e;dat de jeugd zich moest schamen, wanneer
-zij over de liefde bij den ouderdom inlichtingen vraagt?&#x201d;
-</p>
-<p>Anaxagoras was, terwijl hij langzaam de gaanderij <span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span>opwandelde en soms een oogenblik stil bleef staan, juist bezig zijnen toehoorders
-uiteen te zetten, dat het begin van alle dingen kleine, onderling geheel gelijke,
-deeltjes waren; want evenals het goud uit goudstof bestond, zoo bestond het heelal
-uit de kleinst mogelijke stofdeeltjes, die door de overal heerschende rede den eersten
-stoot tot vorm en harmonie erlangden. Deze rede die hij den &#x201e;nous&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e2830src" href="#xd30e2830">7</a>, dat is den geest noemde, was niet alleen in den bewusten mensch aanwezig, maar ook
-in de schijnbaar donkerste diepte der natuur doorgedrongen en alles was vol zielen.
-</p>
-<p>Toen de wijsgeer met zijne volgelingen vlak bij de plaats gekomen was, waar Socrates
-zich met Aspasia onderhield, wendde hij zich van zelf, zonder een groet van den jongen
-man af te wachten, met een vriendelijken blik tot hem; want hij was zeer met hem ingenomen.
-Socrates stond op en zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Hoezeer benijd ik deze uwe vrienden, Anaxagoras, die u den ganschen dag vergezellen,
-en ieder oogenblik hun dorst naar kennis aan uwe bron kunnen laven. Wij anderen die
-u slechts zelden ontmoeten, dragen de twijfelingen dagen lang in ons om, zonder die
-weggenomen te zien en kwellen ons en onze weetgierige vrienden met vragen, die geene
-uitkomst opleveren. Ik plaag hier nu den zoon van Axiochus reeds een uur lang en wil
-van hem weten wat liefde is; want hij heeft kennis van zulke zaken. Maar hij houdt,
-naar het schijnt, met opzet zijne wijsheid voor zich zelven en geeft mij met ondeugende
-plagerij slechts zulke antwoorden, waardoor ik nog minder van de zaak begrijp, dan
-straks. Heb gij medelijden met mij, Anaxagoras, en zeg mij: wat is liefde?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;In den beginne,&#x201d; hernam de wijsgeer, die de vraag uit een verkeerd oogpunt opvatte
-en het onderwerp van bovennatuurlijke zijde beschouwde, <span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span>&#x201e;in den beginne waren de grondstoffen en zaden der dingen in blinde wanorde dooreen
-gemengd. Toen was alles chaos<a class="noteRef" id="xd30e2839src" href="#xd30e2839">8</a>, nacht en &#x201e;erebos&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e2842src" href="#xd30e2842">9</a>. Noch hemel, noch aarde, noch licht was er tot de duistere nacht, door den wind bevrucht,
-het moederei voortbracht, waaruit de liefde ter wereld kwam of de gevleugelde Eros,
-zooals de dichters zeggen, door wiens alles beheerschende macht de inwendige strijd
-en tweedracht der dingen werd te niet gedaan en het een met het ander in liefde samensmolt,
-tot water, en aarde, en hemel, en menschen, en Goden, in afzonderlijke gestalten en
-vormen uit den schoot der alles bevruchtende natuur, als kinderen der liefde, te voorschijn
-traden&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dan zou Eros het eerst geboren wezen zijn,&#x201d; zeide Socrates, den wijsgeer, die naar
-het gebied der geestelijke wereld was afgedwaald, voor een oogenblik volgend, &#x201e;maar
-ik heb door u, Anaxagoras, ook den Nous als eerste en hoogste wezen hooren noemen.
-Zouden Nous en Eros, de overal heerschende rede en de alles voortbrengende liefde
-dan hetzelfde zijn?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wel mogelijk,&#x201d; hernam Anaxagoras, &#x201e;dat zij in den innigsten grond een zijn, en dat
-zij naar hetzelfde doel jagen&#x2014;de een met bewustzijn, de andere blind&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dan zou het in eens verklaard zijn,&#x201d; riep Socrates uit, &#x201e;wat het zeggen wil, als
-men van de blindheid der liefde, van de geblinddoekte oogen van Eros spreekt. Wanneer
-ik u goed begrepen heb, Anaxagoras, dan is Eros niets anders dan de geblinddoekte
-Nous&#x2014;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij kunt dat zoo opnemen, als u dat bevalt,&#x201d; hernam Anaxagoras lachende.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">&#x201e;</span>Maar zie nu eens Anaxagoras,&#x201d; vervolgde Socrates, &#x201e;hoe gij mij en dezen jongeling,
-den zoon van den Milesiër Axiochus, van ons eigenlijk onderwerp hebt afgebracht, terwijl
-gij ons in de <span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span>hoogste sferen uwer wijsheid hebt opgevoerd. Want deze jongeling en ik, wij hadden
-bij ons gesprek eene andere soort van liefde op het oog, dan die, waarop gij ons in
-uw betoog over den strijd der dingen en erebos en het moederei zooeven gewezen hebt.
-Wij vroegen namelijk&#x2014;en ook dit is onze aandacht wel waard&#x2014;wat toch de eigenlijke
-natuur, het wezen en het doel van die gewaarwording is, krachtens welke de eene mensch
-den anderen, maar vooral deze man die vrouw of deze vrouw dien man beweert lief te
-hebben?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Een verlangen van deze soort,&#x201d; hernam Anaxagoras &#x201e;waardoor de man tot eene vrouw,
-en niet tot de vrouw in het algemeen, maar tot eene bepaalde vrouw en wederom niet
-tot den man in het algemeen, maar tot een bepaalden man in hartstochtelijken en onbedwongen
-liefde zich getrokken gevoelt, is een soort van krankheid der ziel en als zoodanig
-zeer beklagenswaardig. Want eene ziekelijke begeerte en eene hartstochtelijke neiging
-van dien aard stort niet alleen dengene, wiens verlangen door het voorwerp zijner
-liefde onbevredigd blijft, in de meest beklagenswaardige en jammerlijkste ellende,
-maar zij brengt, ook wanneer zij hoop heeft bevredigd te worden of werkelijk ten deele
-bevredigd wordt, hem in eene afhankelijkheid van de geliefde vrouw die hij reeds aanstonds
-als zijner onwaardig en als smadelijk moet erkennen, maar ook daarom moet de wijze
-haar geheel en al vermijden, omdat hij, ten einde de kalmte en innerlijke tevredenheid
-zijner ziel te bewaren nooit aan iets met hartstochtelijke liefde zich mag vasthechten.
-Want alles, waaraan wij ons in die mate door de gewoonte doen boeien kan ons weder
-ontrukt worden en zijn verlies berokkent ons dan ondragelijke smarten. Zulk eene ziekelijke,
-hartstochtelijke liefde verstoort de kalmte van het gemoed, vervult het met bestendige
-angst en ijverzucht, doet den koensten versagen, maakt den sterksten zwak, den besten
-onverschillig voor eer en schande, en den spaarzaamsten tot een verkwister. <span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span>Zij verbittert de menschen en maakt hen tot elkanders heftigste vijanden en brengt
-jammer en ellende over gansche volkeren en steden, zooals dan ook om der wille van
-ééne vrouw Illium verwoest is en de Grieken tien jaren lang alle moeiten, gevaren
-en rampen hebben doorstaan en het bloed hunner uitnemendsten hadden te betreuren.&#x201d;
-</p>
-<p>Anaxagoras had nauwelijks opgehouden met spreken, toen Pericles met een vriend al
-sprekende de gaanderij kwam opwandelen. Hij zag Anaxagoras met Socrates redeneeren.
-Hij herkende ook Aspasia in hare verkleeding aan de zijde van Socrates en wierp haar
-verwonderd een vragenden blik toe, dien zij met een ongedwongen lachje beantwoordde.
-</p>
-<p>Pericles bleef staan en daar hij de laatste woorden van Anaxagoras had opgevangen,
-vroeg hij, na wederzijdsche begroeting, over welk onderwerp zij zooeven met gespannen
-aandacht naar Anaxagoras hadden geluisterd.
-</p>
-<p>&#x201e;Laat dit, Pericles,&#x201d; zeide Socrates met schalkschen lach, &#x201e;deze jonge man hier, de
-zoon van den Milesiër Axiochus, u uiteen zetten; hij toch is de schuld, dat Anaxagoras
-gedwongen is zich op deze plaats op te houden en het een en ander over een der <span class="corr" id="xd30e2863" title="Bron: moeielijkste">moeilijkste</span> vraagpunten van het menschelijk weten, naar het mij voorkomt, in het midden te brengen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Het betoog van den wijzen Clazomeniër,&#x201d; zeide Aspasia, &#x201e;was een uitvloeisel van de
-vraag van Socrates, wat men te denken heeft van de liefde.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En wat heeft de wijze Clazomeniër betreffende dit punt geantwoord?&#x201d; vroeg Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Hij zeide,&#x201d; hernam Aspasia, &#x201e;wanneer ik ten minste zijn gedachtengang en niet alleen
-zijne woorden goed heb begrepen, dat de liefde, hoe vurig zij ook wezen moge, steeds
-toch eene zaak van het vroolijke levensgenot moet blijven en nooit in ziekelijke,
-sombere dweeperij mag ontaarden, en evenmin in tyrannie of hartverterende ijverzucht&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Hij zeide,&#x201d; viel Socrates met een veelbeteekenend lachje in, &#x201e;dat wanneer iemand
-den jongeling, die hem dierbaar is, of de schoone, die hij bemint, aan de zijde van
-een anderen, schoonen of leelijken man mocht zien zitten, hij het daarom volstrekt
-niet voor noodig moet houden de Olympische<a class="noteRef" id="n204.1src" href="#n204.1">10</a> wenkbrauwen te fronsen of eene Grieksche vloot in Aulis<a class="noteRef" id="xd30e2880src" href="#xd30e2880">11</a> te verzamelen, om in woesten wraakdorst volkeren te verdelgen en steden te verwoesten&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>Pericles glimlachte. Hij vond de Silenus-gestalte<a class="noteRef" id="xd30e2891src" href="#xd30e2891">12</a> van den waarheidszoeker bijna koddig naast de overweldigende bekoorlijkheid van de
-verkleede Aspasia, die aan zijne zijde zat. Het had hem voorzeker in het eerst bevreemd
-Aspasia hier te vinden en zijne Olympische wenkbrauwen hadden zich werkelijk een weinig
-gefronst; maar nu schaamde hij zich bijna over deze eerste opwelling. Hij twijfelde
-niet aan de bedoeling zijner schoone vriendin, zich, zooals het aan hare kunne voegde,
-vóór den aanvang der lichaamsoefeningen, uit de worstelschool te verwijderen. Hij
-hield het echter voor raadzaam haar door eene zijdelingsche vermaning er aan te herinneren,
-dat die tijd naderde en dat zij er aan denken moest zich gereed te maken tot vertrekken.
-Hij liet zich ontvallen, dat de oefeningen weldra zouden beginnen. Hij voegde er bij,
-dat het voor heden voor hem eene noodzakelijkheid was, hier aanwezig te zijn, daar
-zijne beide zonen Xantippus en Paralus, benevens zijn pleegzoon Alcibiades, nadat
-zij eerst de gymnastische voorbereiding in de palaestra hadden doorloopen, voor het
-eerst aan de openbare oefeningen in de worstelschool zouden deelnemen. De kleine Alcibiades
-was niet langer te houden geweest: hij wilde niets meer van de kinderachtige palaestra
-hooren en <span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span>brandde van begeerte zich op het open veld van eer, in het Lyceüm, met zijne tijdgenooten
-te meten.
-</p>
-<p>Anaxagoras en zijne volgelingen vernamen dit bericht met levendige belangstelling
-en sloten zich bij Pericles aan, om getuigen te zijn van den wedstrijd van den kleinen
-Alcibiades van wien de Atheners, hoe jong hij ook was, reeds begonnen te spreken.
-</p>
-<p>Aspasia stond eveneens met Socrates op, om de overigen te volgen en verzocht stil
-den waarheidszoeker haar uit het Lyceüm te willen wegbrengen.
-</p>
-<p>Maar de peinzende jonge steenhouwer uit Phidias&#x2019; werkplaats wandelde, nadat hij met
-de verkleede schoone het gedrang voorbij was, als droomende naast haar en zonder het
-te willen of te weten, voerde hij haar in plaats van uit de worstelschool, naar de
-verst afgelegen en juist geheel ledige gaanderij, verre van de plaats, waar de jongelingen
-en knapen wedijverden.
-</p>
-<p>Zijn binnenste was geheel vervuld met de belangrijke woorden, die Anaxagoras over
-den hartstocht der liefde had gesproken. De taal van den wijze was tot in het diepst
-zijner ziel doorgedrongen.
-</p>
-<p>Aspasia vroeg hem ten laatste naar de oorzaak van zijn peinzend zwijgen.
-</p>
-<p>In den beginne antwoordde hij niet, toen echter, als uit een droom ontwakende, begon
-hij, nadat hij zijne gezellin had uitgenoodigd zich naast hem op eene marmeren bank
-in de zedige zuilengang neder te zetten, als volgt:
-</p>
-<p>&#x201e;Weet gij, Aspasia, wanneer voor &#x2019;t eerst in mijn leven mijn daemon zijne stem in
-mij heeft doen hooren?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat noemt gij uw daemon?&#x201d; vroeg Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;Mijn daemon,&#x201d; hernam hij, &#x201e;is een tusschenwezen, half van eene goddelijke, half van
-een menschelijke natuur. Het is geen droombeeld, geene hersenschim; want ik hoor soms
-heel duidelijk, zoo duidelijk als men iets hooren kan, zijne stem in <span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span>mijn binnenste. Maar hij verwaardigt zich, helaas, niet, mij de diepten der wijsheid
-heimelijk te openbaren. Wat kennis betreft, schijnt het toch niets krachtiger of wijzer
-te zijn dan ik zelf. Het is hem voldoende, mij in enkele gevallen, kort en zonder
-eenige reden, met zijne inwendig hoorbare stem te zeggen wat ik doen of wat ik laten
-moet. Voor de eerste maal in mijn leven vernam ik die stem, toen ik u, Aspasia, voor
-het eerst ontmoette.&#x201d;
-</p>
-<p>Aspasia gevoelde zich wonderlijk bewogen, toen zij den jongen denker zoo ernstig over
-zijn daemon hoorde spreken, alsof deze eene werkelijke persoon en de natuurlijkste
-zaak van de wereld was.
-</p>
-<p>&#x201e;En wat gebood u uw daemon in dat oogenblik?&#x201d; vroeg zij lachende.
-</p>
-<p>&#x201e;Toen ik u zag en de gedachte zich aanstonds van mij meester maakte, u naar het wezen
-der liefde te vragen toen klonk het zacht, maar duidelijk in mijne ziel; &#x201e;doe dat
-niet!&#x201d; Maar ik dacht: wat wil toch die vreemdeling? Wat gaan hem mijne zaken aan?&#x2014;Ik
-luisterde niet naar hem en vroeg u, vroeg u telkens naar het wezen der liefde. Maar
-nu ben ik besloten hem in het vervolg te zullen gehoorzamen in alles, wat hij mij
-gebieden of verbieden mag; want de overtuiging is in mij levend geworden, dat hij
-de zaken goed inziet en mijn vriend is en mijn volkomen vertrouwen verdient.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij zijt een dweeper, mijn vriend,&#x201d; zeide Aspasia, &#x201e;hoewel gij voorgeeft naar het
-heldere begrip der zaken te streven. Uw karakter is te veel in zich zelven gekeerd,
-o zoon van <span class="corr" id="xd30e2914" title="Bron: Sophoniscus">Sophroniscus</span>. Zie rondom u en merk het reine, rustige, gezonde leven op, dat met opwekkende schoonheid
-u overal omgeeft. Offer aan de Chariten Socrates, offer aan de Chariten en vergeet
-niet, dat gij een Griek zijt.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Een Griek?&#x201d; hernam Socrates lachende. &#x201e;Ben ik niet te leelijk om een Griek te zijn?
-Mijn stompe neus reeds maakt eene scherpe tegenstelling met <span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span>de schoonheid der Grieken. Ik maak van den nood eene deugd en zoek een levensideaal,
-dat bestaanbaar is met leelijkheid.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Aspasia zag na deze woorden Socrates aan, met eene mengeling van verbaasdheid en medelijden.
-</p>
-<p>Die arme zoon van <span class="corr" id="xd30e2924" title="Bron: Sophoniscus">Sophroniscus</span>! Hij wandelde onder de opgeruimde en tevreden stervelingen als de eenige ontevredene.
-Men begon hem reeds onder de wijzen te rekenen. Maar niemand had hem ooit zich zelven
-aldus hooren betitelen. Hij vroeg maar altijd. Hij wandelde onder zijne medemenschen
-als een levend, schier onaangenaam vraagteeken. Was hij de belichaamde behoefte aan
-eene nieuwe openbaring, aan eene nieuwe gedachte, aan een nieuwen tijd? &#x2026;
-</p>
-<p>Daar de werkelijkheid, zelfs in hare volste openbaring zijne vragen niet geheel en
-al beantwoordde, klom hij op tot het gebied van de reine gedachte. Hij jaagde &#x201e;heldere
-begrippen&#x201d; na. Maar niets grenst nader aan het streven naar zulke diepzinnige gedachten
-dan zijn schijnbaar contrast, de dweeperij. En daarom sprak hij van zijn &#x201e;daemon&#x201d;.
-</p>
-<p>Het was hem daarmede ernst. Het oog van den Griek was gewoon helder en open naar buiten
-te zien. Socrates richtte het zijne naar binnen. Hij dacht na, hij ontdekte het inwendige
-en schrikte daarvoor zoozeer, dat het hem als eene daemonische macht toescheen. Die
-noemde hij zijn daemon.
-</p>
-<p>Veel werd over zijn &#x201e;ironie&#x201d; gesproken. Ach, de ironie, waarmede hij de onwetendheid
-van anderen in zijne gesprekken aantoonde, zij was slechts een zwakke nagalm van die
-ironie, welker scherpte hij zich zelven, tegen zijn vergeefs naar kennis dorstend
-worstelen in eigen boezem richtte.&#x2014;
-</p>
-<p>Het was een pijnlijke ernst, wanneer hij aangaande zich zelven de verklaring gaf:
-&#x201e;dit weet ik, dat ik niets weet.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>En toch gistte het in hem en was zijne ziel vol van gedachten over de toekomst.
-</p>
-<p>Hij zocht, zooals hij zooeven aan Aspasia had <span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span>gezegd, een levensideaal, dat niet als het Grieksche, met leelijkheid bestaanbaar
-was.&#x2014;&#x2014;
-</p>
-<p>Hij zocht, hij had een voorgevoel van een ernstiger, een verhevener ideaal tegenover
-dat van het &#x201e;alverwinnende schoone&#x201d;, &#x2019;t welk over zijne tijdgenooten eene schitterende
-aureool verspreidde&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Zoodanig was het wezen van dezen, nog jeugdigen denker. En toch&#x2014;hij was een Griek.
-Leelijk van uiterlijk, peinzend in zijn binnenste, was hij toch ook aangeblazen door
-de liefelijkheid en bevalligheid van den Griekschen geest. Een somber dweeper was
-hij niet en kon hij nooit worden. De adem van Aspasia was ook over zijn hoofd heen
-gegaan; nooit kon hij door sombere machten geheel beheerscht worden. Hoe langer zoo
-meer moest zijn karakter tot blijde opgeruimdheid gestemd worden en ook tot de blijmoedigheid
-van den wijze, die met gelatenheid den giftbeker drinkt, als zijne ure is gekomen&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Nu echter bruischte de jeugd nog in hem en eene heimelijke, hem zelven schier onbewuste
-jeugdige hartstocht. Nog was hij niet de man, noch de grijsaard, van wien de boeken
-der Ouden gewagen&#x2014;nog was hij de steenhouwer uit Phidias&#x2019; werkplaats&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Hij beminde in stilte de schoone en wijze Aspasia.
-</p>
-<p>Hij beminde haar en wist dat hij een stompen neus had en het gezicht van een Sileen
-en dat zij hem nooit kon beminnen.
-</p>
-<p>Hij wist het, maar hij was nog jong en kende zelf slechts ten halve de macht van het
-vuur, dat heimelijk in zijn boezem smeulde.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik weet het, Aspasia,&#x201d; zeide hij, &#x201e;ik schijn u toe, als eene rups op den bloesem
-van het Helleensche leven rond te kruipen, daaraan heimelijk te knagen en hem met
-het sceptisch venijn der gedachte te bezoedelen en gij zoudt lust hebben mij daarvan
-weg te knippen met de toppen uwer roozenroode vingers. Maar zie, Aspasia, ik zou toch
-liever schoon dan wijs zijn. Zeg mij, hoe ik het aanleggen moet, om schoon te zijn?&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Wees altijd blijde en opgeruimd,&#x201d; hernam Aspasia, &#x201e;en tracht aan de Chariten te offeren.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Bestraal mij met den glans uwer oogen!&#x201d; riep de anders zoo kalme waarheidszoeker
-uit, door de ontroering van zijn hart overweldigd. &#x201e;Dan zal ik steeds,&#x201d; voegde hij
-er bij, &#x201e;blijde en opgeruimd zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>Hij sprak deze woorden in hartstochtelijke opgewondenheid en boog het hoofd nader
-tot Aspasia&#x2019;s gelaat, alsof hij den schitterenden straal uit haar oog wilde opvangen.
-</p>
-<p>Daarbij kwam het Silenus-gezicht van den wijsheidsvriend zoo dicht bij het bekoorlijke
-gelaat der Milesische dat zijne dikke lippen den bevalligen, rozenrooden mond der
-schoone bijna beroerden.
-</p>
-<p>&#x201e;Offer aan de Chariten!&#x201d; riep Aspasia, sprong op en snelde weg&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Op dat zelfde oogenblik kwam een naakte knaap bijna buiten adem, den zuilengang instuiven,
-snelde, toen hij Socrates zag, op hem toe en verborg in zijn mantel zijne naakte leden.
-</p>
-<p>De waarheidszoeker wist niet of hij zijne blikken op de voortvluchtige Aspasia, dan
-wel op den knaap zou vestigen, die bij hem eene schuilplaats zocht.
-</p>
-<p>Hij zag er uit als een man, wien een duif uit de hand vliegt en die op hetzelfde oogenblik
-eene zwaluw aan zijn boezem ziet verschuilen&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>De jongen in den mantel gewikkeld, vleide zich vertrouwelijk tegen hem aan en smeekte
-dringend, terwijl hij beefde van angst, dat hij hem zou verbergen en beschermen.
-</p>
-<p>&#x201e;Wiens zoon zijt gij en wat is de oorzaak van uwe angstige vlucht?&#x201d; vroeg Socrates
-den knaap.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik ben de zoon van Clinias, de pleegzoon van Pericles en heet Alcibiades,&#x201d; antwoordde
-hij.
-</p>
-<p>Op de volgende wijze had het zich toegedragen, dat het zoontje van Clinias gedwongen
-was zijne naakte leden sidderend in den mantel van Socrates te verbergen.
-</p>
-<p>Toen deze zich opnieuw met Aspasia in het <span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span>gesprek verdiepte, waren de oefeningen der jongelingen en knapen in de daarvoor bepaalde
-ruimten van het Lyceüm begonnen.
-</p>
-<p>Pericles en zijn gevolg stonden met vele anderen rondom de worstelplaats der knapen.
-</p>
-<p>Het was een schoon gezicht, vol bekoorlijkheid, deze flinke, knappe, teedere en toch
-reeds door de oefeningen der palaestra krachtige, bloeiende gestalten, na zich ontdaan
-te hebben van de chlamys<a class="noteRef" id="xd30e2967src" href="#xd30e2967">13</a>, in het zand der worstelschool te zien wedijveren.
-</p>
-<p>Onder alle muntte de jonge Alcibiades uit: hoewel een van de jongsten, was hij toch
-reeds stevig op de beenen en had iets fiers, iets overmoedigs in zijn gezicht. Maar
-dit fiere en overmoedige werd getemperd door zijne bekoorlijke schoonheid. De beeldhouwers
-drongen naar hem toe, om die nog onontwikkelde, maar zich reeds vertoonende spieren,
-die bloeiende, welgemaakte gestalte, die kleinere, doch harmonische vormen te bewonderen.
-</p>
-<p>Naast den jongen Alcibiades bevonden zich onder de knapen ook zijne beide kameraden,
-de zonen van Pericles, Xantippus en Paralus; voorts de kleine Callias, de zoon van
-den rijken Hipponicus, met wien Alcibiades reeds vriendschap had gesloten; en ook
-het zoontje van den rijken Pyrilampes, Demus, was daar tegenwoordig.
-</p>
-<p>De knapen, vurig en levendig, konden het begin der oefening nauwelijks afwachten.
-</p>
-<p>Met den wedloop begon nu onder leiding der paedotriben<a class="noteRef" id="xd30e2975src" href="#xd30e2975">14</a> de kampstrijd.
-</p>
-<p>De paedotriben onderwezen hun kweekelingen, hoe zij in den loop hun adem en hunne
-krachten moesten sparen, hoe zij de bovenste en onderste ledematen gelijkmatig moesten
-bewegen, hoe zij met opgelichten haast zwevenden voet met groote passen voort moesten
-snellen, om met het kleinst aantal schreden de grootste ruimte af te leggen; <span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span>ook leerden zij de knapen zekere regelmatige bewegingen der armen, die, naar hunne
-meening, met de passen in overeenstemming, de snelheid der bewegingen bevorderden.
-</p>
-<p>Maar zie, de kleine Alcibiades wilde van deze leer niets weten: hij meende, dat de
-beweging der armen waartoe men hem noodzaken wilde, leelijk waren en geraakte met
-de paedotriben daaromtrent in hevigen strijd.
-</p>
-<p>Een der opzichters, die de oefeningen leidde, mengde zich bemiddelend in het geschil,
-streek den knaap over de wangen en prees zijne begeerte om de bevallige schoonheid
-in beweging en houding steeds in acht te nemen, maar wees hem, om de doelmatigheid
-dier bewegingen aan te toonen, op het voorbeeld der Mauretanische<a class="noteRef" id="xd30e2985src" href="#xd30e2985">15</a> struisvogels, die door het slaan met hunne kleine vleugels, die zij als zeilen gebruiken,
-hun vluggen loop versnelden.
-</p>
-<p>De naakte knapen liepen onder vroolijk geschreeuw, dat des te luider werd, naarmate
-zij meer den eindpaal naderden, naar hun wit. Meermalen werd de wedloop herhaald&#x2014;steeds
-was de jonge Alcibiades het eerst bij den eindpaal.
-</p>
-<p>Hierna kwamen de oefeningen in het springen aan de beurt: het springen in de hoogte,
-in de breedte en in de diepte.
-</p>
-<p>De paedotriben gaven de jongens gewichten in de hand en leerden hen die zoo te gebruiken,
-dat zij verre van de vlugheid in het springen te belemmeren, integendeel de vaart
-des lichaams bevorderden. Ook deze gewichten mishaagden den eigenzinnigen Alcibiades
-en het scheelde weinig of hij had ze een van hen, die over het gedrag der knapen moesten
-waken en hem zijne weerbarstigheid in vrij scherpe woorden verweet, naar het hoofd
-geworpen. Toorn en schaamte maakte zich van Pericles meester, toen hij onder zoovele
-vrienden <span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span>en toeschouwers getuigen moest zijn van de ongezeggelijkheid van den jongen. Maar
-zijn toorn verdween en hij lachte weder minzaam, toen onder de bijvalskreten der toeschouwers
-de zoon van Clinias ook in den sprong al zijne makkers overtrof.
-</p>
-<p>Thans werden de knapen door de alipten<a class="noteRef" id="xd30e3000src" href="#xd30e3000">16</a> met olie ingesmeerd voor den worstelkamp. Dat liet de kleine Alcibiades zich nog
-doen, maar toen men hem het lichaam met stof wilde bestrooien, om de glibberigheid
-der gladde leden te verminderen, verzette hij zich met kracht tegen die bezoedeling.
-Maar hier schikte men zich niet, als in de palaestra, naar de grillen van den knaap:
-hier gold de strenge wet van het gymnasium, het zoontje van Clinias moest zich daarnaar
-voegen.
-</p>
-<p>Twee aan twee traden de knapen tot het worstelen vooruit. Met een zachte buiging der
-knie den rechtervoet een weinig naar voren te brengen, den arm tot den aanval zoowel
-als tot verdediging uit te strekken, hals en hoofd niet voorover te buigen, het onderlijf
-in te trekken, de borst vooruit te steken en de welven, des tegenstanders beweging
-vooraf te bespieden, bij den aanval en bij de verdediging steeds naar de regelen der
-kunst te werk te gaan, dit alles onderwezen de paedotriben aan de knapen.
-</p>
-<p>Hoe men verder zijn tegenstander meer door vlugheid dan door kracht op den grond moest
-werpen, den gevallene met handen en voeten zoo omslingeren, dat hij bewegingloos op
-den grond moest blijven liggen en alle pogingen opgeven weder op te staan, dat werd
-benevens andere kunstgrepen den jeugdigen worstelaar telkens ingeprent. Maar ook op
-de schoonheid en bevalligheid in bewegingen stelden de leeraars en opzichters der
-oefeningen grooten prijs. Niet op krachtsontwikkeling en vlugheid alleen doelden de
-regels, <span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span>die zij gaven, maar ook op het ten toon stellen der goedgebouwde gestalte, waardoor
-de Atheners zich van de Barbaren en zelfs van menigen Griek onderscheidden.
-</p>
-<p>De jonge Alcibiades worstelde met den oudsten onder de knapen en wierp hem door een
-kunstgreep, dien hij niet aan de paedotriben te danken had, maar in het beslissende
-oogenblik zelf had uitgedacht, in het zand.
-</p>
-<p>Nu werd den knapen het schaafijzer ter hand gesteld, om zich het stof van de ledematen
-af te schrapen, en nadat dit geschied was, kreeg ieder van hen een discus en eene
-kleine stang in plaats van eene speer, beide voor de oefeningen in het werpen. De
-discus van de knapen was niet, als anders, van metaal, maar van eene soort van hard
-hout gesneden. De discusworp was lang niet gemakkelijk, wanneer hij naar de regels
-der kunst werd uitgevoerd. Bij den worp den rechten stand des lichaams aan te nemen,
-voorts de werpschijf, die met zand stroef was gemaakt, om een beter houvast te verschaffen,
-de beste ligging in de hand te geven, dan de hand in eene draaiende beweging te brengen,
-om als &#x2019;t ware de kracht, die men aanwenden moest, evenredig te maken met het gewicht,
-den discus recht en de spieren van den arm gespannen te houden, eindelijk de schijf
-in een halven cirkelboog te slingeren en dan uit de laagte zoover mogelijk te werpen&#x2014;dat
-alles werd Alcibiades, evenals den anderen knapen, ingeprent; deze echter sloeg al
-die regels in den wind en toen de knapen, de een na den anderen, naar voren traden
-om den discus te slingeren en de afstand, die ieder bereikte, op den grond door een
-teeken kenbaar gemaakt werd, wierp de telg van Clinias, toen hij aan de beurt kwam,
-zijn discus, zooals hem goed dacht. Toen vloog zijne schijf verre die der anderen
-voorbij.
-</p>
-<p>Toen trad een nog sterkere knaap voor, die in het werpen met den discus eene bijzondere
-handigheid had. Deze beproefde nu zijn geluk en <span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span>zorgvuldig, met inachtneming van alle regels der paedotriben, wierp hij den discus
-en overtrof wel is waar den worp van Alcibiades niet, maar bleef ook niet daarachter.
-Zijne schijf en die van Alcibiades lagen evenver van die der anderen.
-</p>
-<p>Alcibiades verbleekte. Voor de eerste maal zou hij zijne overwinning met een ander
-moeten deelen. Sprakeloos en van gramschap ziedend, wierp hij toornige blikken op
-zijn mededinger. Deze echter durfde beweren, dat zijne schijf, nauwkeurig beschouwd,
-nog iets verder lag dan die van Alcibiades.
-</p>
-<p>Door deze bewering werd de jonge Alcibiades door eene onbegrijpelijke woede aangegrepen,
-hief de rechterhand op en slingerde met alle macht den discus, die hij in de hand
-had, naar het hoofd zijns tegenstanders. Maar al te goed trof de worp; bezwijmd en
-bloedend zonk de knaap ter aarde.
-</p>
-<p>Eene groote verwarring ontstond er. De bijna doodelijk gewonde moest weggedragen worden.
-Bij dit gezicht verbleekte en sidderde Alcibiades een oogenblik; toen echter de verwanten
-en vrienden van zijn gewonden tegenstander met verwijtingen en bedreigingen op hem
-aandrongen, herkreeg hij aanstonds zijne bedaardheid en fierheid.
-</p>
-<p>Thans echter zag hij Pericles, hevig vertoornd, met den eerwaardigen gymnasiarch<a class="noteRef" id="xd30e3019src" href="#xd30e3019">17</a> naderen en daar hij begreep, dat men hem wilde aangrijpen, wegvoeren, wellicht op
-eene smadelijke wijze kastijden, keerde hij zich eensklaps om, brak door den kring
-der omstanders heen, waar die het minst dicht was en ontvluchtte met die snelheid,
-waardoor hij straks bij den wedloop de zegepraal had verworven.
-</p>
-<p>Men trachtte hem te achterhalen, maar weldra was hij uit de oogen zijner achtervolgers
-verdwenen.
-</p>
-<p>In het afgelegenste deel van het Lyceüm had hij Socrates getroffen en was, zooals
-reeds verhaald <span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span>is, op hem toegesneld en had hulp smeekend zich in zijn mantel verscholen.
-</p>
-<p>&#x201e;Dus zijt gij de zoon van Clinias?&#x201d; zeide Socrates op zachten en kalmen toon, nadat
-de knaap hem op zijne vragen de aanleiding zijner vlucht had verteld. &#x201e;Vraagt gij
-in uw doen en laten niet naar lof of berisping? Bekommert gij u niet om het verlangen
-en den wil van de voortreffelijke en aanzienlijke mannen, van wie gij afstamt of aan
-wie gij door geboorte verwant zijt?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik wil niet altijd doen, wat de anderen willen,&#x201d; zeide de knaap fier. &#x201e;Ik wil doen,
-wat mij goeddunkt en wat ik zelf wil en mij voorneem.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt groot gelijk,&#x201d; hernam Socrates, steeds kalm, &#x201e;de mensch moet kunnen doen,
-wat hij zelf wil en zich voorgenomen heeft. Maar wat hebt gij toch gewild en wat hadt
-gij u voorgenomen, toen gij dezen morgen met de andere jongens in het Lyceüm kwaamt?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;De eerste te zijn in alles!&#x201d; riep de kleine Alcibiades levendig uit. &#x201e;De eerste te
-zijn, mij te onderscheiden en de grootste eer onder allen weg te dragen! Dat had ik
-mij voorgenomen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dan hebt ge dus niet gedaan, wat ge eigenlijk wildet en u voorgenomen had. <span id="xd30e3034"></span>Gij wildet u onderscheiden, gij wildet met roem overladen het Lyceüm verlaten en inderdaad
-zijt gij met smaad en schande bedekt weggejaagd en hebt misschien nog bovendien, als
-gij aan de uwen wordt teruggegeven, eene geduchte kastijding te wachten. Waarom zijt
-ge toch niet rechtstreeks op uw doelwit afgegaan en hebt uw tijd met bijzaken, die
-u van dat doel afvoerden, verloren? Gij zijt niet hierheen gekomen, om uw makker een
-gat in het hoofd te werpen, maar, zooals gij zegt, om roem en eer te behalen. Uw fout
-was, dat gij een oogenblik geheel en al vergeten hebt, wat gij hier eigenlijk wildet
-en u met bijzaken hebt afgegeven, die ten gevolge hadden, dat gij in plaats van met
-roem overdekt met smaad en schande uit het gymnasium moest vluchten.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span></p>
-<p>Voor de eerste maal werd het Alcibiades duidelijk, dat de wet eener doelmatige orde
-niet als iets willekeurigs noch als eene bedreiging van buiten hem voorkwam, maar
-als eene macht in hem zelven, die met zijn eigen wezen innig verbonden was.
-</p>
-<p>Bovendien lag er in de woorden van Socrates en in den toon, waarop zij gesproken werden
-iets, wat den knaap vertrouwen inboezemde. Hij zag den man ernstig en zwijgend in
-het gelaat, hij zag hem in die vriendelijke, bruine oogen en zijn vertrouwen ging
-in dat zelfde oogenblik bijna onbewust in eene genegenheid over, zooals hij tot nu
-toe nog voor geen mensch gevoeld had.
-</p>
-<p>Intusschen naderden de menschen, die Alcibiades zochten, met Pericles en den gymnasiarch.
-</p>
-<p>Opnieuw begon de knaap te sidderen.
-</p>
-<p>&#x201e;Vrees niets,&#x201d; zeide Socrates, &#x201e;ik zal met de hulp der Goden trachten u met al deze
-grimmige vijanden en vervolgers te verzoenen.
-</p>
-<p>De aankomenden herkenden Socrates en aan zijn boezem, in zijn himation gewikkeld,
-den knaap, dien zij zochten. Het was als zag men Achilles<a class="noteRef" id="xd30e3045src" href="#xd30e3045">18</a>, in tegenwoordigheid van zijn leermeester en opvoeder, den goedigen Centaur.
-</p>
-<p>Toen Pericles en de gymnasiarch met de overige genaderd waren en recht op Socrates
-toetraden, zeide deze:
-</p>
-<p>&#x201e;Ik weet wien gij zoekt, gij mannen; maar hij, dien gij zoekt is mijn smeekeling,
-zooals gij ziet en ik zal hem niet uitleveren, maar volgens mijn plicht, naar mijne
-beste krachten verdedigen. Hij is, gelijk hij mij zegt, in het Lyceüm gekomen om zich
-te onderscheiden, wat hem daarom niet ten volle gelukt is omdat hij onbedachtzaam
-zich met bijzaken inliet, daar hij namelijk den discus een zijner makkers <span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span>naar het hoofd wierp wat hem schande aanbracht, in plaats van de eer, die hij eigenlijk
-gezocht had. Wat de wonde van dien knaap betreft, bedenkt, gij mannen, dat een dergelijk
-ongeluk of vergrijp, zooals gij het noemen wilt, ook door Goden en heroën is gepleegd;
-want, zooals gij weet, heeft Apollo zelf zijn lieveling Hyacinthus<a class="noteRef" id="xd30e3053src" href="#xd30e3053">19</a> en de held Perseus zijn grootvader Acrisius<a class="noteRef" id="xd30e3056src" href="#xd30e3056">20</a> met een discus-worp gedood. Het is waarschijnlijk, dat deze donkergelokte knaap,
-met zijne vurige oogen, ook in andere opzichten aan Goden en heroën gelijk kan worden.
-</p>
-<p>De toorn van Pericles bedaarde bij het gezicht van den wedergevonden knaap, op wiens
-gelaat ieder spoor van trots was verdwenen. Hij richtte tot zijn beschermer eenige
-vriendelijke woorden, die tevens den knaap, welke nog steeds eene tuchtiging vreesde,
-konden geruststellen en beval daarop den paedagoog den jongen aan te kleeden en uit
-het Lyceüm naar huis te brengen.
-</p>
-<p>Socrates voegde zich bij Pericles en den gymnasiarch, en de mannen spraken nog eene
-poos over de zeldzame mengeling van heerlijke en gevaarlijke eigenschappen, die in
-het karakter van het zoontje van Clinias zich vertoonden.
-</p>
-<p>Deze echter verliet aan de hand van den paedagoog de plaats niet eerder, voor hij
-met een warmen blik uit zijn donkere, fonkelende oogen van zijn beschermer en pleitbezorger
-had afscheid genomen.
-</p>
-<p>Op deze wijze werd de zeldzame band des harten gelegd tusschen Socrates, dien zij
-den leelijke noemden, en den schoonste van alle Hellenen-zonen, <span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span>den jongen Alcibiades, op dien dag, toen den &#x201e;waarheids-zoeker&#x201d; eene duif uit de hand
-vloog en op hetzelfde oogenblik eene jonge zwaluw aan zijne borst een schuilplaats
-kwam zoeken&#x200a;&#x2026;
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e2759">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2759src">1</a></span> Lyceüm (Lukeion) is oorspronkelijk eene plaats nabij Athene aan Apollo, Lykeios d.i.
-den wolvendooder gewijd. Later werd het gymnasium aldaar beroemd, doordat Aristoteles
-en na hem de Peripatetische wijsgeeren er hunne lessen gaven. Vandaar dat in nieuweren
-tijd gymnasiën en hoogere scholen dikwijls Lyceën worden genoemd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2759src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2764">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2764src">2</a></span> Palaestra beteekent: worstelschool, oefenperk.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2764src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2769">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2769src">3</a></span> Ephebos wordt hij genoemd, die den leeftijd van achttien jaren heeft bereikt: ephebentijd
-is dus de tijd, wanneer men nog een jong en krachtig man is.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2769src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2781">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2781src">4</a></span> Magiërs heetten bij de Meden en Perzen de leden eener priesterkaste, veel overeenkomende
-met de Leviten in Israël. Zij bezaten kennis der godzaken, naar men meende; vandaar
-dat het woord wel eens synoniem gebruikt wordt met toovenaar, zooals te dezer plaatse.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2781src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2792">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2792src">5</a></span> Alle drie landschappen in de Peloponnesus.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2792src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2797">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2797src">6</a></span> Pisates is eene landstreek ten zuiden van Elis, en daarvan onafhankelijk, met de stad
-Pisa aan de rivier de Alpheus.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2797src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2830">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2830src">7</a></span> Het Grieksche woord &#x201e;nous&#x201d; beteekent: verstand, overleg, geest; bij Anaxagoras voor:
-de wereldgeest, die de stof ordent. Wat de uitspraak van &#x201e;nous&#x201d; betreft, herinnere
-zich de lezer, dat het Grieksche &#x201e;ou&#x201d;, evenals in het Fransch wordt uitgesproken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2830src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2839">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2839src">8</a></span> Het Grieksche &#x201e;chaos&#x201d; beteekent vooreerst de ledige, onmetelijke ruimte; voorts bij
-de wijsgeeren de verwarde massa, waaruit het heelal geschapen is &#x201e;de bajert&#x201d;.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2839src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2842">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2842src">9</a></span> Duisternis.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2842src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="n204.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n204.1src">10</a></span> Zinspeling op Iliad. I. vs. 528 <abbr title="en volgend">v.v.</abbr>, waar gezegd wordt, dat bij het fronsen der wenkbrauwen van Zeus de Olympus daverde
-in zijne gevesten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n204.1src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2880">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2880src">11</a></span> Aulis is eene kleine stad in <span class="corr" id="xd30e2882" title="Bron: Boeötie">Boeötië</span>, tegenover het eiland Euboea gelegen, waar de Grieksche vloot bijeen kwam, om het
-leger naar <span class="corr" id="xd30e2885" title="Bron: Troie">Troje</span> te voeren.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2880src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2891">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2891src">12</a></span> Silenus, nu eens de zoon van Hermes, dan weder van Pan genaamd, is een der satyrs,
-volgelingen van Dionysus; hij wordt als een afschuwelijk leelijk wezen voorgesteld,
-met een stompen neus, geitenooren, een dikken buik en kaal hoofd. Vandaar zegt men
-wel eene Silenus-gestalte van een leelijk mensch.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2891src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2967">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2967src">13</a></span> De chlamys was een wijde, ruime mantel, die de Epheben droegen. Zij werd over den
-linker schouder geworpen, terwijl men de einden met een gesp bevestigde. Gewichten
-trokken het gewaad naar beneden. Zij was de eigenlijke reis- en krijgsmantel, vooral
-die der ruiters.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2967src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2975">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2975src">14</a></span> Onderwijzers der knapen in het worstelen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2975src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2985">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2985src">15</a></span> Mauritanië was een landschap in het noorden van <span class="corr" id="xd30e2987" title="Bron: Africa">Afrika</span> gelegen, ongeveer waar thans Marocco ligt; &#x2019;t was verdeeld in Tingitana en Caesariensis.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2985src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3000">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3000src">16</a></span> Het Grieksche woord &#x201e;aleiptes&#x201d; beteekent &#x201e;zalver&#x201d;, vandaar de slaaf die den badende
-met olie insmeert, ook de onderwijzer in het worstelen, de leeraar, benevens hij,
-die de knapen voor den worstelkamp met olie zalft, om de ledematen lenig te maken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3000src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3019">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3019src">17</a></span> De opzichter over de gymnastische oefeningen en het worstelperk.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3019src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3045">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3045src">18</a></span> Achilles, de zoon van Peleus en de zeegodin Thetis, is de beroemde held, die in de
-Ilias eene hoofdrol speelt. Een kort maar roemrijk leven had hij zich gekozen. Na
-tal van roemrijke wapenfeiten, o.a. het verslaan van den Trojaanschen held Hector,
-wordt hij door Apollo, in de gestalte van Paris, door eene pijl in de hiel getroffen,
-zijn eenige kwetsbare plaats. Benevens Phoenix had Achilles tot leermeester in den
-wapenhandel en artsenijkunde den Centaur Chiron. Op dezen laatsten wordt hier door
-den schrijver gezinspeeld.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3045src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3053">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3053src">19</a></span> Hyacinthus, zoon van den Spartaanschen koning Amyclas en Diomede was een buitengemeen
-schoon jongeling en werd door Apollo en Zephyrus bemind. Zephyrus, om zich op zijn
-mededinger te wreken, deed den discus, terwijl Apollo Hyacinthus in het werpen daarmede
-onderwees, het hoofd van Hyacinthus doodelijk treffen. Uit het bloed van den jongeling
-deed Apollo de hyacinth, d.i. misschien de zwaardlelie (althans niet onze hyacinth)
-ontspruiten. Door den Romeinschen dichter Ovidius is deze legende dichterlijk behandeld
-(Metamorph. X, 155 v.v.).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3053src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3056">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3056src">20</a></span> Acrisius, koning van Argos, verwekte bij Eurydice eene dochter Danaë, die, volgens
-het orakel, een zoon zou baren; welke zijn grootvader zou dooden. Niettegenstaande
-alle voorzorgen van Acrisius bracht Zeus bij Danaë, Perseus voort. Bij de lijkspelen
-ter eere van den koning van Larissa in Thessalië, die Acrisius mede vierde, werd deze
-door Perseus onwillens, door een discus getroffen en gedood.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3056src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VIII.</h2>
-<h2 class="main">HET OFFER AAN DE CHARITEN.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Geen scheppende en werkende geest gaat zoo geheel en al in zijn werk op, als die des
-beeldhouwers. Geen anderen weg betrad Phidias, dan die tusschen de Acropolis en zijne
-werkplaats liep. Hij zag zelfs in zijne nachtelijke droomen niets anders dan zijne
-godenbeelden, zijne groepen, zijne friezen en niet zelden vond hij, omdat zijn rustelooze
-geest en in den slaap evenals overdag werkzaam was, niet zonder verwondering bij zijn
-ontwaken zijne plannen verder gevorderd en gerijpt. Verscheidene zijner beelden waren
-oorspronkelijk droomgezichten geweest en hij kon beweren, dat hem Goden in den droom
-verschenen waren, evenals aan de helden van Homerus. De geheele wereld had slechts
-waarde voor hem, in zoover zij betrekking had op zijne kunstenaarsziel. Hij deed afstand
-van de genietingen des levens; hij was eenzaam en ongehuwd.
-</p>
-<p>Zijne ziel was vervuld met allerlei ontwerpen en zijn helder oog was de klare spiegel
-van zijn geest.
-</p>
-<p>Het was een bont gewemel van menschen en dingen in de zalen en pleinen van de werkplaatsen
-van Phidias. Steeds waren er ontwerpen te bedenken, te onderzoeken, te verwerpen,
-steeds opnieuw modellen in klei te vormen en de verhoudingen te berekenen. Naar de
-kleimodellen werd ook menig kunstwerk eerst door de steenhouwers uit het ruwe blok
-gehouwen en later aan de fijnere hand des kunstenaars ter volledige afwerking toevertrouwd.
-<span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span>Een puinhoop kon Phidias&#x2019; werkplaats genoemd worden, maar een puinhoop der wording,
-niet der vernietiging. Het was de chaos, doch niet de chaos van den ondergang, maar
-de chaos waaruit de schepping geboren werd. Brokken lagen overal verspreid maar niet
-als deelen van een geheel, dat bestaan had, maar als deelen, die op weg waren, om
-een geheel te worden.
-</p>
-<p>En over dien bajert zweefde de geest van Phidias. Deze geest bestuurde alles. Hij
-hield den vurigen Alcamenes en den strengen Agoracritus in bedwang en dreef hen tot
-eendrachtig samenwerken.
-</p>
-<p>Deze beide waren zijne machtigste armen; de eerste verleende hem bovendien zijne hulp
-door zijne welbespraaktheid. Wat Phidias eens had gezegd, in korte, wellicht raadselachtige
-woorden zich had laten ontvallen, dat herhaalde en verduidelijkte Alcamenes, prentte
-het in zijn geheugen en deelde het later weder mede.
-</p>
-<p>Juist liet hij zijn oog gaan over die jongeren en kunstenaars, wier arbeid bijzonder
-aan zijne zorgen was toevertrouwd. Overal berispte hij, vermaande hij, spoorde hij
-aan met de vurigheid, die hem eigen was, terwijl hij de bestanddeelen der gevelgroepen,
-friezen en metopenbeelden nauwkeurig beschouwde.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat doet gij daar, Dracyllus? Te zwak gewelfd om op een afstand uitwerking te doen
-is die borst; het veld van het onderlijf te weinig geleed, de kuiten te onduidelijk
-geteekend. De hoofdspieren te weinig, de mindere spieren te veel op den voorgrond
-geplaatst!&#x2014;Charicles, gij spant hier de huid te strak, daar te slap over de spieren.
-Hier is zij niet los genoeg, bijna niet te verschuiven. Het moet schijnen, alsof men
-zelfs bij bronzen of marmeren beelden het vel tusschen zijne twee vingers kan nemen
-en een weinig naar boven kan trekken!&#x2014;Uw God, Lycius, is schier niet te herkennen
-uit de plooien van zijn gewaad. Behoort gij soms ook tot die beeldhouwers, <span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span>wier Heracles<a class="noteRef" id="xd30e3083src" href="#xd30e3083">1</a> alleen aan de knots kenbaar is?&#x2014;Ook uw bronnimf, Crinagoras, schijnt aan haar kruik
-gekend te moeten worden, in plaats dat gij het zachte, als &#x2019;t ware vloeibare harer
-leden over het diepst van haar wezen hadt uitgespreid.&#x201d;
-</p>
-<p>Thans kwam hij bij eene groep van Parthenon-fries: jongelingen, die steigerende rossen
-optoomden.
-</p>
-<p>&#x201e;Bij welke merrie, Lycius, hebt gij dien dikken kop, die stompe ooren gezien? Ook
-het geheel is te stijf, te houterig, te ouderwetsch! Zijt gij bij de Aegineten ter
-schole gegaan? Zulk ouderwetsch prulwerk zou zelfs Argeladas<a class="noteRef" id="xd30e3089src" href="#xd30e3089">2</a> niet goedgekeurd hebben!&#x201d;&#x2014;Zoo ging Alcamenes te werk, berispte nog dit en dat in
-het bijzonder en scheen in zijn vuur geneigd, om het beeld van den leerling stuk te
-slaan, hetgeen hem dikwijls overkwam, wanneer de toorn zich van hem meester maakte.
-</p>
-<p>Agoracritus naderde en nam, naar zijne gewoonte, den armen leerling tegen den driftigen
-Alcamenes in bescherming. Dezen steeg het bloed naar het hoofd en gaf hem een scherp
-antwoord.
-</p>
-<p>Op dit oogenblik echter naderde Phidias en onder zijne geleide een paar menschen,
-die in &#x2019;t geheel geen vreemdelingen waren in deze werkplaats.
-</p>
-<p>Hoe hadden Pericles en Aspasia zich het genot kunnen ontzeggen nu en dan een blik
-te gaan werpen op de rustige vorderingen van die grootsche ontwerpen?
-</p>
-<p>Zij waren gekomen en hadden den meester midden onder de schare zijner leerlingen gevonden,
-tusschen zijne kleimodellen, nog onvoltooide werken en half gehouwen marmerblokken;
-zij vonden hem minder spraakzaam, strenger, ingetrokkener, meer in zich zelven verdiept
-dan ooit te voren.
-<span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span></p>
-<p>Toen Alcamenes de Milesische zag, deed hij zijn best onverschillig en opgeruimd te
-schijnen, en de nog niet geheel verkropte spijt te verbergen, die hij bij de vluchtige
-ontmoeting op de Agora had laten doorschemeren. De sombere Agoracritus echter deed
-volstrekt geen moeite om den wrok te verhelen, dien hij nog steeds tegen Aspasia koesterde.
-Hij ging op zij en sprak geen enkel woord tot de beide aanzienlijke bezoekers.
-</p>
-<p>Daar dezen bij hun binnentreden in de zaal nog iets van den woordenstrijd tusschen
-Alcamenes en Agoracritus hadden opgevangen, viel het gesprek terstond op dat zelfde
-onderwerp en de levendige Aspasia sprak het onverholen uit, dat zij het volkomen met
-Alcamenes eens was, als hij de laatste sporen der overlevering van het ouderwetsche
-uit de kunst wilde weggenomen zien. Bij de beschouwing der ontwerpen en kleimodellen
-voor de kolossale gevelgroepen, voor de friezen en metopenbeelden, vond zij menig
-pronkstuk nog te hard en streng en zelfs de hoogste bloeitijd der kunsten scheen haar
-toe te langzaam te komen.
-</p>
-<p>Onverholen sprak zij haar meening uit.
-</p>
-<p>&#x201e;De schoone Aspasia,&#x201d; zei Phidias met een ernstigen lach, &#x201e;zou willen, dat alles wat
-wij maken, zoo sierlijk, weelderig en bekoorlijk is, als zij zelve. Maar vergeet niet,
-Aspasia, dat wij beeldhouwers verplicht zijn in onze scheppingen niet het bloot menschelijke,
-niet het alledaagsch schoone en bekoorlijke, maar het bovenmenschelijke, het goddelijke
-voor te stellen en te belichamen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Phidias heeft misschien gelijk,&#x201d; zei Pericles, &#x201e;wanneer hij zich datgene, wat Aspasia
-streng, stijf, ouderwetsch noemt, niet geheel wil laten ontnemen. Wie weet of het
-ideaal van het schoone in de beeldende kunst niet op de smalle grens ligt, die de
-kuische, jonkvrouwelijke schoonheid van de weelderige, vol ontwikkelde scheidt. De
-hoogste en laatste trap der ontwikkeling is toch ook de eerste der daling; datgene,
-wat het gemoed met de reinste, edelste betoovering genoegelijk aandoet en verkwikt,
-<span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span>moet dus een weinig aan deze zijde van dien hoogsten trap, niet daarop liggen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ook al dat ik u, Phidias,&#x201d; zei Aspasia, &#x201e;nog zoo zeer tot het sierlijke, bekoorlijke
-en weelderige wilde aansporen en dat gij van uw kant de uwen tot dat zelfde doelwit
-opwektet, geloof ik toch, dat de juiste grens nog in langen tijd niet zou overschreden
-worden. Want zoover schijnen mij uwe leerlingen nog van het al te sierlijke en al
-te weeke verwijderd, dat zelfs, wanneer zij met alle krachten er zich op toelegden,
-zij het bezwaarlijk zouden bereiken. Ik zeg niet, dat gij langzaam zijt, maar de weg
-is lang.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wanneer ik de beelden van Phidias beschouw,&#x201d; zei Pericles, het gesprek eene andere
-wending gevende, daar hij vreesde dat Phidias zich beleedigd mocht achten door Aspasia&#x2019;s
-woorden, &#x201e;of de zangen van Homerus hoor, dan vind ik, dat zij verheven zijn in hun
-bekoorlijkheid en bekoorlijk in hun verhevenheid. Zij zijn verheven, zooals ieder
-weet, en zij zijn bekoorlijk, zooals niemand loochent, en schoon noemen wij ze misschien
-juist hierom, omdat ze beide zaken in zich bevatten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Daar kan ik mij mede vereenigen,&#x201d; zeide de steenhouwer Socrates, van zijn werk opziende,
-daar hij tot dusverre vlijtig aan een marmerblok, dat hem aangewezen was, had zitten
-beitelen. &#x201e;Lang heb ik bij mij zelven nagedacht, wat toch de schoonheid is; nu zijn
-mij Pericles&#x2019; woorden als eene lichtstraal in mijne ziel gevallen.&#x2014;Als het verhevene
-met het bekoorlijke verbonden, als eene liefelijke verhevenheid en eene verhevene
-liefelijkheid zou men alzoo het schoone kunnen beschrijven. En wanneer Aspasia en
-Pericles weder eens over de juiste grenzen der ontwikkeling in de kunsten spreken,
-zoo behoeven zij slechts te zeggen, dat het schoone om schoon te blijven, nooit alleen
-bekoorlijk en nooit alleen verheven, maar steeds beide te gelijk moet zijn. Gaven
-mij toch de Goden bij elken beitelslag, dien ik hier in Phidias&#x2019; werkplaats zal slaan,
-deze les gedachtig te zijn, <span class="pageNum" id="pb223">[<a href="#pb223">223</a>]</span>in &#x2019;t bijzonder als ik de hand leg aan het wijgeschenk, dat ik voornemens ben aan
-de Godin van Phidias op den dag, dat haar feestgebouw op Acropolis zal ingewijd worden,
-op te dragen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe?&#x201d; riep Aspasia uit, &#x201e;de nadenkende steenhouwer zal nu ook als vrij scheppend
-beeldhouwer zijne krachten beproeven?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja zeker,&#x201d; hernam Socrates. &#x201e;Wel is waar hebben Phidias en Alcamenes mij niets van
-het beeldwerk voor het nieuwe Parthenon opgedragen, om het zelfstandig uit te voeren,
-en toen ik verzocht mij zulken verhevener arbeid toe te vertrouwen, ben ik door Alcamenes
-met dien spottenden lach afgewezen, dien hij zoo meesterlijk verstaat. Bij Zeus, ik
-heb zoo goed als iemand van Phidias geleerd, den volkomen eironden vorm van het gelaat
-te teekenen, het hoofd klein, maar fijn en schoon geëvenredigd te vormen, voorhoofd
-en neus op bijna gelijke lijn te plaatsen, de wenkbrauwen in scherpe trekken te doen
-uitkomen, het oog rond en diep uit te hollen, de neusvleugels zacht af te doen loopen,
-de kin mollig te ronden, haar en baard golvend voor te stellen. Niet altijd wil ik
-ruwe marmerblokken houwen en gedachten van anderen, als een machinaal werkman helpen
-belichamen. Ik wil een wijgeschenk scheppen en trachten met kunstvaardige hand een
-zelfopgevat, helder, rein begrip in den steen door de beeldende kunst voor te stellen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Welk zelfopgevat, rein begrip is het dan, dat gij, zooals ge zegt, in het marmer
-wilt belichamen?&#x201d; vroeg Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;Daar zult gij wel van hooren,&#x201d; hernam Socrates, &#x201e;het betaamt immers niet over den
-arbeid van een leerling te spreken, alvorens gij van het werk des meesters, van de
-Goddelijke Pallas Athene, zooveel gezien hebt, als heden daarvan te zien is.&#x201d;
-</p>
-<p>Pericles en Aspasia verlangden zeer datgene van Phidias&#x2019; werk te zien, wat gereed
-was. Phidias echter zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Gij zult thans slechts brokstukken daarvan zien, <span class="pageNum" id="pb224">[<a href="#pb224">224</a>]</span>want zooeven werd het kleimodel stuk gezaagd, zooals dat vereischt wordt voor kunstwerk
-in goud en ivoor.&#x201d;
-</p>
-<div class="figure plate2width"><img src="images/plate2.png" alt="Zij danste wat haar opgedragen was." width="492" height="677"><p class="figureHead">Zij danste wat haar opgedragen was.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Pericles en Aspasia echter zouden voorloopig voldaan zijn, als zij dit mochten zien
-en op hun verlangen geleidde Phidias hen met Socrates en Alcamenes naar eene der ruime
-zalen. Daar wees hij hun een houten voorwerp, waaromheen de gedaante der Godin uit
-goud en ivoor, evenals vleesch en vel, moest worden aangebracht. Naast de arbeiders,
-die bezig waren het kleimodel van het grootsche werk in stukken te zagen, zag men
-anderen, die olifantstanden, van uitnemende schoonheid en grootte, zooals Indië die
-voortbrengt, in dunne platen te zagen, waarvan elk weder zorgvuldig bewerkt moest
-worden om een der deelen van het model uit te maken.
-</p>
-<p>Pericles en Aspasia beschouwden met aandacht de geweldige brokstukken van den doorgezaagden
-Colossus.
-</p>
-<p>Ook deze brokstukken gaven aanleiding tot nadenken en gelukkigerwijze was juist het
-hoofd der Godin nog geheel en ongedeerd. Dit konden zij dus naar hartelust beschouwen
-en zich laten medeslepen door de hooge gedachtenvlucht des meesters, die zich in de
-heerlijke, diepzinnige trekken dezer nieuwe &#x201e;Pallas Athene des vredes&#x201d; openbaarde&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Wat in dat beeld zich afspiegelde, was de geestelijke kracht, het was het licht van
-het heldere verstand, dat opstijgt uit de diepten.
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo schoon en diepzinnig, als het gelaat der Godin ons daar tegenstraalt,&#x201d; zei Pericles,
-&#x201e;schijnt zij ons waarlijk als eene die niet uit eene vrouw is geboren, maar voortgekomen
-is uit het hoofd van haar vader Zeus.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;In het hoofd echter,&#x201d; viel Socrates in, die naar het rechte begrip der dingen steeds
-zocht en onmiddellijk van die opmerking partij trok, &#x201e;in het hoofd zetelen, zooals
-bekend is, de gedachten. Wat is dus Pallas, die uit het hoofd haars vaders voortgekomen
-<span class="pageNum" id="pb225">[<a href="#pb225">225</a>]</span>is, anders dan de bezielde en belichaamde gedachte van Zeus? O, gij gelukkige, door
-de Goden rijk gezegende Phidias, die geroepen zijt het hoogste, dat er bestaat, de
-gedachte voor te stellen!&#x2014;Ik arme stumpert, ik zoek naar haar mijn leven lang, de
-reine gedachte en zou haar gaarne door mijn peinzen uit het hoofd van Zeus in het
-mijne overbrengen, evenals eene spattende vonk, maar ik kan haar maar nooit vatten.
-En Phidias hier neemt slechts een beetje leem, een beetje klei en kneedt ze, en onder
-zijne handen ontstaat uit het leem een beeld, dat mij de oogen verblindt, wanneer
-ik het aanschouw en mij dwingt uit te roepen: &#x201e;Dat is de gedachte&#x2014;de gedachte van
-Zeus!&#x201d;&#x2014;Dat echter Phidias gelijk heeft, wanneer hij de gedachte, zooals hij die daar
-belichaamd heeft, Pallas Athene noemt, de schitterende schutsgodin van alle Grieken,
-vindt duidelijk zijne verklaring in de meeningen der wijzen over de gedachte en der
-dichters over Pallas Athene. Afgezien van de bekende geboorte uit het hoofd van Zeus,
-verzekeren de dichters aangaande Pallas Athene, dat zij maagdelijk, voorts ook dat
-zij van eene mannelijke en vrouwelijke natuur tevens is, geheel in tegenstelling met
-de Godin der liefde, die niets met de gedachte gemeen heeft, maar geheel opgaat in
-de schoone gewaarwordingen en in de onbewust voortbrengende werken der liefde. Wie
-echter zal loochenen, dat ook de gedachte maagdelijk en mannelijk en vrouwelijk te
-gelijk is? De gedachte is koel, als het licht der sterren, en blijft zelfgenoegzaam
-in hare reine, heldere sfeer; slechts haar tegenhanger, het gevoel, is enkel gloed
-en brengt voort en gaat op in de werken der liefde. En het ontzetting verspreidende
-Gorgonenhoofd, &#x2019;t welk de dichters en de beeldhouwers op het schild der Godin Pallas
-Athene plaatsen, wat is het toch anders, dan de afschuw van den overwonnen nacht,
-welke de zegevierende gedachte als tropee in haar schild voert? Zoo is het dan aan
-geen twijfel <span class="pageNum" id="pb226">[<a href="#pb226">226</a>]</span>onderhevig, dat Phidias de gedachte heeft willen voorstellen, opdat wij echter ook
-steeds mogen zeggen als het ons beter voorkomt, dat het hoofd daar vóór ons het hoofd
-is van de Godin Pallas Athene&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>De ernstige Phidias glimlachte bij deze woorden; Alcamenes echter viel den spreker
-in de rede en klopte hem met goedkeurenden blik op de schouders en prees zijne woorden.
-Aspasia zei:
-</p>
-<p>&#x201e;Wanneer Phidias, zooals gij beweert, Socrates, de macht der ijle gedachten heeft
-willen belichamen, heeft hij wellicht, terwijl hij ze schiep, niet eens aan die gedachte
-gedacht&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat wedervaart andere vaders ook wel eens,&#x201d; hernam Socrates.
-</p>
-<p>&#x201e;U overkomt dat zeker nooit!&#x201d; riep Alcamenes met schalkschen lach den denker aanziende.
-</p>
-<p>&#x201e;Neen,&#x201d; hernam Socrates, &#x201e;maar waarom maakt gij u ten mijnen koste vroolijk? Denken
-is beter dan niet te denken. Mogen de Goden al hun lievelingen het beste in den droom
-beschikken, wij moeten steeds trachten ons met wakkere zinnen te behelpen. Gij hebt
-u ongetwijfeld er over verwonderd, Aspasia, dat ik u zoo dikwijls naar het wezen der
-liefde heb gevraagd. En toch kon ik niet anders. Evenals Phidias het zegevierend licht
-der gedachte in het beeld van Pallas Athene heeft belichaamd, zoo zou ik in een beeld
-van Eros de liefde willen teruggeven. Gij zult toch zeker niet beweren dat Eros een
-verachtelijke God is; vele wijzen noemen hem zelfs den oudsten en eersten van alle,
-en wanneer de liefde, naar het schijnt, boven alles een streven, een zoeken, een verlangen
-is, dan mag ik toch wel zeggen, dat die God eigenlijk de mijne is. Om echter nauwkeuriger
-met hem bekend te worden, ben ik, gelijk gij weet, dikwijls vragend en onderzoekend
-bij de menschen rondgegaan.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is waar,&#x201d; viel Alcamenes lachend in, &#x201e;gij zijt meer op de Agora en op de zuilengaanderijen
-en andere openbare plaatsen te zien geweest, dan <span class="pageNum" id="pb227">[<a href="#pb227">227</a>]</span>hier in Phidias&#x2019; werkplaats. Deze man schijnt waarlijk door eene bijzondere onrust
-gedreven te worden. Eerst hakt hij een halven dag als een dolleman op zijne marmerblokken,
-dan laat hij eensklaps zijne gereedschappen vallen en staart peinzend een uur lang
-voor zich uit. Dan springt hij op en loopt weg en komt in een halven dag niet terug.
-Gij wilt een Eros beitelen? Nu, zeg dan toch wanneer? Weet gij wel, mijn waarde, dat
-onze meester Phidias u den traagsten zijner leerlingen noemt?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik weet het,&#x201d; hernam Socrates, &#x201e;maar ik herinner mij ook, dat gij ook niet zelden
-den beitel wegwerpt en wegijlt, met of zonder voorwendsel, en, evenals ik, de liefde
-naloopt, naar men zegt, zonder toch eigenlijk veel naar haar begrip en karakter te
-vragen.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt gelijk,&#x201d; hernam Alcamenes lachend, &#x201e;ik vraag in &#x2019;t geheel niet naar haar
-begrip. Maar wie zegt u, dat ik altijd de liefde naloop, als ik mij uit de werkplaats
-verwijder?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Niet altijd gaat gij zelf weg,&#x201d; zei Socrates, &#x201e;soms zendt gij slechts een handlanger
-of zelfs den dollen Meno, als hij hier juist rondslentert, met briefjes aan de schoone
-Corinthische Theodota.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Wederom lachte Alcamenes en Socrates vervolgde:
-</p>
-<p>&#x201e;Mijn vriend Anaxagoras heeft den hartstocht der liefde eene ziekte genoemd: ik weet
-echter niet of zij eene gewone ziekte is en met artsenijen moet behandeld worden,
-of eene goddelijke, zooals de geestvervoering der dichters of de verrukking der <span class="corr" id="xd30e3154" title="Bron: Delphise">Delphische</span> priesteres. Dat de God der liefde vleugels moet hebben en eene knapengestalte, weet
-ik: hoe ik hem overigens moet voorstellen, ernstig of vroolijk, met de oogen naar
-boven of naar beneden gericht,&#x2014;waarlijk, ik zou gaarne willen weten, Aspasia, hoe
-gij het zoudt aanleggen de liefde voor te stellen, als gij een der onzen waart in
-deze werkplaats van Phidias.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik zou het niet gaarne beproeven haar voor te stellen,&#x201d; zei Aspasia. &#x201e;De liefde is
-een gevoel, <span class="pageNum" id="pb228">[<a href="#pb228">228</a>]</span>en een gevoel heeft geene gestalte. Waarom wilt gij voorstellen, wat geene gedaante
-heeft? Stel in de plaats van de liefde, datgene wat de liefde opwekt, het beminnenswaardige,
-het schoone. Want dit heeft eene gestalte en is vleeschelijk zichtbaar en tastbaar
-en met alle zintuigen waarneembaar. En gij behoeft niet eerst lang te peinzen en rond
-te gaan bij de menschen, om er naar te vragen, maar slechts eenvoudig na te maken
-wat uw oog het schoonst en bekoorlijkst aandoet.&#x201d;
-</p>
-<p>Socrates dacht eenige oogenblikken zwijgend na en sprak toen:
-</p>
-<p>&#x201e;Niets is juister, dan wat gij zegt, Aspasia. Ik zal Eros laten varen en trachten
-de Chariten te beitelen. Want dezen zijn het toch ook nu weder, waarop gij al zoo
-dikwerf mijne aandacht vestigt, als op de eigenlijke Godinnen der schoonheid en bekoorlijkheid.
-<span class="corr" id="xd30e3164" title="Bron: Aprodite">Aphrodite</span> is wel is waar schoon, maar zij is niet alleen de Godin der schoonheid, ook en veel
-meer de Godin der liefde: in haar wezen is de schoonheid reeds met de liefde gemengd;
-bij de Chariten echter is zij nog rein en vrij op zich zelve en, om mij zoo uit te
-drukken, zelfgenoegzaam in hare goddelijkheid. Ik zal dus de Chariten beeldhouwen
-en als wijgeschenk aan de Godin van Phidias op de burg plaatsen. Maar evenals vroeger
-de liefde, moet ik nu op alle mogelijke wijze de schoonheid onderzoeken. Waar vind
-ik nu het schoonste en bekoorlijkste te gelijk, om het &#x201e;eenvoudig na te maken,&#x201d; zooals
-Aspasia straks zeide?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wanneer gij het bekoorlijkste, dat men slechts zien kan, zoekt,&#x201d; zei Alcamenes glimlachend,
-&#x201e;dan kan ik u een goeden raad geven. Tracht de schoone Corinthische, van wie gij zooeven
-spraakt, te zien dansen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;De Corinthische Theodota?&#x201d; vroeg Socrates. &#x201e;Ik heb de bevalligheid harer dansen meermalen
-hooren roemen. Maar wie zou ons het genoegen de Corinthische danseres te zien en te
-bewonderen, beter kunnen verschaffen, dan gij zelf, Alcamenes, <span class="pageNum" id="pb229">[<a href="#pb229">229</a>]</span>haar welsprekendste lofredenaar en vriend?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom niet?&#x201d; hernam Alcamenes opgeruimd. &#x201e;Wie de hoogste bekoorlijkheid, die de
-gestalte eener vrouw in dansen, vol uitdrukking, kan ten toon spreiden, wil genieten,
-die moet naar Theodota gaan zien en ik zal een ieder, die het wenscht, zonder afgunst
-den toegang tot dit genot openstellen.&#x201d;
-</p>
-<p>Deze woorden van Alcamenes waren niet zonder geheime boosaardigheid tegen Aspasia.
-Met opzet roemde hij in tegenwoordigheid van Pericles&#x2019; vrienden en Pericles zelven
-de bevalligheid en bekoorlijkheid van eene andere vrouw.
-</p>
-<p>De schoone danseres en hetaere Theodota was door toedoen van Alcamenes van Corinthe
-naar Athene overgekomen.
-</p>
-<p>De aanleiding daartoe was zeer eigenaardig geweest.
-</p>
-<p>Toen namelijk Alcamenes gemerkt had, dat hij van het bezit van Aspasia, waarvan hij
-zich vroeger zeker geloofde, moest afzien, was hij door eene heimelijke spijt en ergernis
-tegen de preutsche Aspasia aangegrepen. Maar hij was te jong, te opgeruimd, te luchthartig,
-dan dat om dit verlies het heimwee knagen zou aan zijn gemoed; zijn streven was slechts
-hierop gericht een werkelijk geluk, een werkelijk liefdegenot voor datgene, wat hij
-zich te vergeefs had voorgespiegeld, in de plaats te stellen.
-</p>
-<p>Een zeer rijk Corinthiër had hem een klein beeldwerk in marmer opgedragen. Alcamenes
-had zich van die opdracht gekweten en het voltooide werk naar Corinthe gezonden. De
-Corinthiër was verrukt over de bekoorlijkheid en zeldzame bewerking van dit stuk en
-schreef Alcamenes dat hij voor dit meesterwerk elke belooning, die hij maar wilde,
-kon ontvangen; wat ooit de wensch zijns harten geweest was, zou hem gegeven worden.
-</p>
-<p>Daarop schreef de jonge beeldhouwer met zijn gewonen overmoed aan den Corinthiër het
-volgende terug:
-<span class="pageNum" id="pb230">[<a href="#pb230">230</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Het is bekend, dat gij in uw rijk en weelderig Corinthe sedert lange tijden de schoonste
-&#x201e;vriendinnen&#x201d; hebt, die in geheel Hellas te vinden zijn. Daar gij mij voor mijne marmeren
-groep elken wensch wilt bevredigen, verzoek ik u mij die schoone, welke tegenwoordig
-te Corinthe den grootsten roep heeft, op uw kosten voor eene maand naar Athene te
-zenden en haar mede te deelen, dat zij voor die maand mij uitsluitend als model moet
-dienen voor mijne beeldwerken.&#x201d;
-</p>
-<p>De rijke Corinthiër lachte, toen hij deze regels las en weinige dagen later bevond
-zich de schoonste hetaere van Corinthe, de danseres Theodota, te Athene bij Alcamenes.
-</p>
-<p>Alcamenes was er zeer mede in zijn schik en heugde zich een maand lang in het bezit
-van de geroemde schoone, op kosten van den rijken Corinthiër.
-</p>
-<p>Toen de maand verstreken was en de verplichtingen der schoone Theodota ophielden,
-gevoelde zij weinig lust naar Corinthe terug te keeren, zij had Athene lief gekregen
-en besloot daar te blijven.
-</p>
-<p>Alcamenes bleef voor haar eene bestendige vriendschap koesteren en roemde haar bij
-allen, die het hooren wilde, als de schoonste vrouw van Hellas.
-</p>
-<p>Hij verzuimde nooit er bij te voegen, dat zij bekoorlijker was, dan de alom geprezene
-Milesische Aspasia, die meer door sluwheid dan door schoonheid Pericles in hare netten
-had gevangen.
-</p>
-<p>Toen nu Alcamenes in tegenwoordigheid van Aspasia die woorden tot lof van Theodota
-tot Socrates sprak, begreep zij aanstonds de bedoeling van den gekrenkten jongen man.
-Zij bemerkte, dat hij heimelijk hare ergernis wilde opwekken door eene andere schoone
-te prijzen, vooral in de tegenwoordigheid van haar zelve en Pericles. Met de snelheid
-en gevatheid van den vrouwelijken geest had zij oogenblikkelijk hare gedachten geregeld
-en haar besluit genomen.
-</p>
-<p>Onder de overwegingen, die snel als de bliksem door haar geest gegaan waren, was ook
-deze geweest, <span class="pageNum" id="pb231">[<a href="#pb231">231</a>]</span>welken indruk wel de door Alcamenes gesproken woorden op het ontvankelijk gemoed van
-Pericles hadden gemaakt. Zij overdacht, dat Pericles op de gedachte kon komen, de
-schoone Corinthische te gaan zien en aan deze begeerte zou voldoen zonder het gezelschap
-zijner vriendin. Dat Pericles in hare afwezigheid Theodota zou ontmoeten, kwam haar
-niet wenschelijk voor; minder beducht was zij, als zij zelve bij die ontmoeting tegenwoordig
-ware. Zij wist wat zij tegenover alle andere vrouwen in de weegschaal kon leggen.
-Wat Alcamenes betrof, meende zij zijne booze handelwijze niet beter te kunnen straffen,
-dan door hem te toonen, hoe weinig zij om dergelijke plagerijen gaf.
-</p>
-<p>Bij deze afdoende gronden voor haar besluit kwam nog een laatste; zij zelve verlangde
-vurig de door Alcamenes zoo hoog geprezene Corinthische schoone te zien.
-</p>
-<p>Zoo was het tot geene geringe verbazing van Alcamenes, dat zij zelve zijn aanbod om
-ieder, die het verlangde tot haar te voeren, aannam.
-</p>
-<p>Opgeruimd en onbeschroomd sprak zij:
-</p>
-<p>&#x201e;Als gij, Alcamenes, in staat zijt, ons den weg te openen tot het schoonste en bekoorlijkste,
-wat gij kent, tot de danseres Theodota, dan ware het dwaasheid van Pericles, Socrates,
-mij zelve en iedereen, die u hoort, u niet aanstonds aan uw woord te houden, en u
-niet uit te noodigen zonder dralen eene zoo aanlokkende belofte te vervullen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik onderstel,&#x201d; hernam Alcamenes gevat, &#x201e;dat gij, schoone Aspasia, zoowel uit uw eigen
-naam, als ook uit dien van Pericles en Socrates, hebt gesproken.&#x201d;
-</p>
-<p>Pericles bedacht zich een oogenblik, doch verklaarde toen, dat hij geene bezwaren
-had tegen het verlangen der schoone Aspasia. &#x201e;Wij gaan,&#x201d; zeide hij, &#x201e;dezen weg alleen
-in gezelschap van Socrates en om zijnentwil: een wijze te volgen, kon toch nooit iemand
-tot schande strekken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Onze vurige Alcamenes,&#x201d; zei Socrates, &#x201e;is een vriend van rassche en koene besluiten.
-Zie, hoe hij zich reeds verheugd de handen wrijft en naar zijn <span class="pageNum" id="pb232">[<a href="#pb232">232</a>]</span>Thessalischen hoed grijpt. Ik wed, dat hij ons nu geen rust meer laat, maar zich vast
-voorgenomen heeft, oogenblikkelijk langs den kortsten weg uit Phidias&#x2019; werkplaats
-naar de woning der schoone Theodota te voeren.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Juist zoo,&#x201d; antwoordde Alcamenes levendig. &#x201e;Onze meester Phidias is onder ons laatste
-gesprek reeds weggeslopen. Ik raad u hem niet door uw afscheid te storen in zijne
-berekeningen en overpeinzingen. Hier in de nabijheid is een uitgang, de deur is open,
-de straat vrij, de woning van Theodota niet ver&#x2014;laat ons gaan!&#x201d;
-</p>
-<p>Het huis van Theodota was weldra bereikt.
-</p>
-<p>Men behoefde niet te vreezen, dat men de schoone ongelegen kwam. Alcamenes ging even
-binnen, om het gezelschap aan te kondigen. Hij keerde aanstonds terug en verzocht
-zijnen vrienden hem te volgen.
-</p>
-<p>Hij voerde hen in de binnenvertrekken van <span class="corr" id="xd30e3209" title="Bron: Teodota">Theodota</span>. Deze waren met overdadige weelderigheid ingericht. Overal bevonden zich zachte aanligbedden
-met purperen kussens, de grond was met mollige tapijten bedekt; welriekende geuren
-stegen uit sierlijke schalen omhoog. Een bed met purperen behang werd door de bevallige
-liefdegoden gedragen. Sieraden en gewaad lagen in schilderachtige wanorde rondom verspreid.
-Zachte sandalen, haarbanden, kostbare gordels, blanketdoozen, zalfdoozen, ringvormige
-spiegels van blank gepolijst metaal met rijk versierde handvatsels, bekoorlijk schoone
-zonneschermen en veelkleurige, bladvormige waaiers, Cypria&#x2019;s geheele tuighuis; te
-midden daarvan kleine kunstwerken uit brons of marmer, deels geschenken van Alcamenes,
-aarden werktuigen met goud en ivoor ingelegd, verwelkte en frissche kransen van allerlei
-soort: dat alles maakte in zijne bonte mengeling bij den eersten aanblik een overweldigenden
-indruk op de binnenkomenden, een indruk, die door de welriekende geuren van het vertrek
-werd versterkt, terwijl van een der mollige bedden de schoon versierde hetaere zelve
-opstond, om <span class="pageNum" id="pb233">[<a href="#pb233">233</a>]</span>haar gasten welkom te heeten.
-</p>
-<p>Theodota was schoon. Het haar was ravenzwart, het oog donker en vurig. De trekken
-waren fijn. Zij was sterk geblanket, de wenkbrauwen kunstig afgerond, de lippen rooskleuriger,
-dan zij in werkelijkheid waren. Zij droeg een gewaad met bloemen geborduurd en met
-rijken tooi beladen. Haar gewaad werd om het midden van haar lijf te zamen gehouden
-door een vergulden gordel met rijk versierden gesp en van allerlei smaakvolle en kunstige
-kostbaarheden voorzien. Haar hals, haar boezem, hare armen, ja zelfs hare voeten boven
-de enkels waren versierd met tooiselen, flonkerend van granaat of barnsteen. Ook het
-kleine, welgevormde oor prijkte met bellen van eene bekoorlijke schoonheid. Om het
-hoofd had zij een met paarlen bezaaiden metalen band.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik heb,&#x201d; zei Alcamenes tot zijne bezoekers, &#x201e;Theodota reeds verteld, waarom gij hierheen
-gekomen zijt en wat gij van haar verlangt.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Alcamenes is wel dwaas,&#x201d; zei Theodota glimlachend, <span class="corr" title="Niet in bron">&#x201e;</span>dat hij zoo opeens zulke aanzienlijke onverwachte gasten bij mij binnenleidt en mij
-geen tijd gunt om ze waardig te ontvangen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt geen tijd daarvoor noodig,&#x201d; zei Alcamenes, &#x201e;gij zijt immers steeds dezelfde,
-en niet uwe woning geldt ons bezoek, maar u en uwe bekoorlijkheid en uwe kunst.&#x2014;Een
-wijs en ernstig man ziet gij hier voor u,&#x201d; vervolgde hij op Socrates wijzende, &#x201e;en
-hij brandt van verlangen u te zien en uw dans te bewonderen. En meer nog aan dezen
-wijzen man, Theodota, hebt gij het te danken, dan aan mijne vurige woorden, dat heden
-zelfs de groote Pericles en de gevierde, kunstlievende Aspasia uit Milete over uw
-drempel gekomen zijn, om zich met eigen oogen van uwe beroemde kunst te overtuigen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat?&#x201d; riep Theodota uit, &#x201e;voor een wijze, voor een groot en vermaard staatsman en
-voor eene uitverkorene mijner kunne, die, naar het schijnt alle andere vrouwen van
-dezen tijd in schoonheid <span class="pageNum" id="pb234">[<a href="#pb234">234</a>]</span>overtreft, moet ik het wagen mij te vertoonen en het weinige, wat ik vermag aan het
-oordeel van zulke rechters onderwerpen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maak u niet ongerust, Theodota,&#x201d; zei Pericles, &#x201e;Alcamenes heeft u geprezen en Alcamenes
-weet het schoone op te sporen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Inderdaad,&#x201d; voegde Socrates er schalks lachend aan toe, met een zijdelingschen blik
-op Aspasia, &#x201e;hem ontmoet het schoonste altijd het eerst.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Dan moge hij het verantwoorden,&#x201d; zei Theodota. &#x201e;Preutsch te zijn voor wien dan ook
-ter wereld en te weigeren mijne kunst ten toon te spreiden, mag mij niet in de gedachte
-komen. Gij wilt mij zien dansen, gelijk honderden voor u wenschten, en ik wil dat
-verlangen bevredigen. Beschouwt u als mijne meesters. Wat wilt gij dat ik dansen en
-u daarin zal voorstellen? Welke Godin? welke heldin? welke mythe of geschiedenis?&#x201d;
-Zij wendde zich met deze vraag vooral tot Pericles. Deze echter antwoordde:
-</p>
-<p>&#x201e;Vraag dat aan dezen wijze, want deze is opzettelijk hier gekomen met bepaalde bedoelingen,
-zoodat het hem zeker zeer gewenscht zal zijn de voorstelling van uw dans te mogen
-kiezen. Zeg het dus openhartig, Socrates, wat gij wenscht dat Theodota zal dansen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wanneer gij en Theodota zelve,&#x201d; hernam Socrates na eenige oogenblikken nagedacht
-te hebben, &#x201e;de keuze aan mij overlaat, dan weet ik niets beter dan Theodota te verzoeken
-den strijd der drie Godinnen<a class="noteRef" id="xd30e3232src" href="#xd30e3232">3</a> om den prijs der schoonheid op den Ida te dansen.&#x201d;
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">&#x201e;</span>Wat een heerlijk genot als gij beurtelings als Aphrodite, Hera, en Pallas Athene verschijnt
-en ons toont, hoe ieder van haar met dezelfde en toch naar ieders karakter fijn veranderde
-middelen <span class="pageNum" id="pb235">[<a href="#pb235">235</a>]</span>den herder op den Ida zocht te betooveren en den prijs der schoonheid uit zijne hand
-trachtte machtig te worden. Alcamenes heeft mij beloofd dat ik hier zou ervaren, wat
-bekoorlijkheid is, en daarom willen wij Theodota noodzaken, zoo bevallig en bekoorlijk
-mogelijk te zijn en op zooveel verschillende wijzen, als maar denkbaar is.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Nadat Theodota zich uit het vertrek had verwijderd, om aan haar gewaad en uiterlijk
-die verandering aan te brengen, die overeenkwam met den dans, dien zij zou voorstellen,
-zeide Socrates:
-</p>
-<p>&#x201e;Wij zullen ons doel bereiken: want Theodota is niet als de meeste schoonen, die slechts
-terughoudend en droppelsgewijs afmeten, wat zij ons geven willen; maar zij zal ons,
-wat zij aan te bieden heeft, ruimschoots schenken en alles op eens als uit den hoorn
-van Amalthea<a class="noteRef" id="xd30e3247src" href="#xd30e3247">4</a> over ons uitstorten. Dan is de zaak afgedaan en kunnen wij naar huis terugkeeren.
-Ik zie wel, dat Theodota lief en zacht is, maar niet verstandig. Hoe zou Aspasia dansen,
-als zij wilde! Maar wie van ons, behalve de Olympiër Pericles, heeft haar ooit zien
-dansen?&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Nu kwam Theodota terug, korter gekleed en in een gewaad dat haar in de meest ongedwongen
-bewegingen niet belemmeren kon. Met haar trad een knaap binnen met eene lier en eene
-fluitspeelster. Deze begon te spelen en de knaap begeleidde haar met zijn snareninstrument.
-Onder die klanken echter begonnen zacht de bewegingen van Theodota zich te mengen
-en het was onmogelijk te zeggen, op welk oogenblik zij begonnen was te dansen.
-</p>
-<p>Zij danste, wat haar opgedragen was: eerst de strijd van Aphrodite om den appel, den
-eereprijs in de handen van Paris, dan die van Hera en vervolgens <span class="pageNum" id="pb236">[<a href="#pb236">236</a>]</span>die van Pallas. Het was dezelfde dans, driemaal herhaald, en toch steeds geheel verscheiden,
-overeenkomstig het wezen en karakter der Godinnen. Zij scheen driemaal geheel veranderd.
-Bewonderenswaardig was het te zien, welk eene afwisseling zij met hare levendige bewegingen,
-sprekende oogen en doelmatige gebaren in dien strijd wist te brengen. Nu eens scheen
-het verzoek een zacht smeeken, een zoet vleien, een bekoorlijk dringen, eene verleidelijke
-bekoring, eene belofte van den innigsten dank, dan weder een fier, der zege bewust
-bevel, een meer gebiedend verlangen, dan ook een vleiend aandringen soms eene listige
-poging om met verleidelijk geweld den kampprijs aan de hand des rechters te ontwringen.
-Daarbij kon zij iedere bekoorlijkheid van haar schoone gestalte in houding, beweging
-en gebaren doen uitkomen. En daar ieder fijn uitgedachte, elke sprekende trek driemaal
-voorkwam, steeds overeenkomstig het wezen der Godin, wist men niet, wat meer te bewonderen,
-de rijkdom harer vinding en de afwisseling van het geheel of de bekoorlijkheid en
-volkomenheid in elk gebaar en iederen trek.
-</p>
-<p>Nog moet vermeld worden dat Theodota onder het dansen hare vurige oogen vol van die
-afwisselende doch steeds smeekende uitdrukking schier onafgebroken op Pericles gevestigd
-hield. Hem maakte zij tot het doelwit harer mimiek, in hem scheen zij Paris te zien
-en uit zijne handen scheen zij den kampprijs te willen ontvangen.
-</p>
-<p>Toen Theodota haar dans geëindigd had, zwaaide Pericles haar hoogen lof toe over de
-bevalligheid en volkomenheid der kunst, waarmede zij zich van hare taak gekweten had.
-</p>
-<p>&#x201e;De taak, die gij de schoone Theodota hebt opgedragen,&#x201d; zei Alcamenes, &#x201e;was niet zoo
-heel moeilijk: zij zou andere en veel zwaardere rollen tot uwe grootere verbazing
-vervuld hebben. Zij is in staat niet alleen de teederheid der duif en de woestheid
-van den leeuw, maar als het noodig <span class="pageNum" id="pb237">[<a href="#pb237">237</a>]</span>is, ook het zachte klateren eener beek of het opflikkeren van het vuur of het suizend
-trillen van een boom na te bootsen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik twijfel er niet aan,&#x201d; zei Pericles, &#x201e;dat zij ook in staat is, als die danser,
-dien ik onlangs gezien heb, zelfs de letters van het alphabet, de eene na de andere,
-door het gebarenspel harer wonderlijke lenige en teedere ledematen uit te drukken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En wat hebt gij ons van Theodota te zeggen,&#x201d; vroeg Alcamenes, Socrates op den schouder
-kloppende, die gedurende den dans geen blik van de danseres had afgewend, en nu daar
-stond, naar het scheen, in diepe gedachten verzonken.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik zal leeren dansen!&#x201d; hernam hij ernstig. &#x201e;Ik kende tot heden slechts eene wijsheid
-van het hoofd en de gedachte; nu weet ik, dat er ook eene wijsheid der handen en voeten
-is.&#x201d;
-</p>
-<p>De omstanders lachten en meenden dat de peinzer met zijne gewone <span class="corr" id="xd30e3267" title="Bron: irone">ironie</span> sprak. Doch Socrates ging voort:
-</p>
-<p>&#x201e;De rhytmus is maat en maat is zedelijkheid. Zulk eene schoone rhytmus van het lichaam
-als ons Theodota getoond heeft, moet noodzakelijk &#x2019;s menschen geheele wezen met hart
-en liefde voor de schoone maat vervullen. Men moet, als men dit eens gezien heeft,
-noodzakelijk al wat plomp, ruw, gemeen en onbehouwen is verachten. Ik benijd u Theodota
-den schoonen rhytmus dien gij in uw lichaam en uwe ziel bezit.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik verheug mij zeer,&#x201d; hernam Theodota glimlachend, &#x201e;als ik dien schoonen rhytmus
-werkelijk bezit en er anderen genot mede verschaffen kan; want het is mijne bezigheid
-en mijne kunst te behagen en genot te verschaffen. Deze kunst echter schijnt mij bij
-den dag in Griekenland moeilijker te worden. Voor uw door de kunst verwend oog, is
-de schoone natuur in de vrouw niet langer voldoende. Gij verlangt, o mannen, dat wij
-ons tooien met iedere bekoorlijkheid der kunst, zoo wij u willen aantrekken of aan
-ons boeien.&#x2014;Intusschen,&#x201d; voegde Theodota er met een bekoorlijk lachje bij, <span class="pageNum" id="pb238">[<a href="#pb238">238</a>]</span>&#x201e;hoe zwaar gij ons vrouwen de kunst ook maken moogt om te bekoren, ik zal niet ophouden
-dit beroep als het schoonste, en met uw verlof, ook als het mijne te beschouwen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Klaarblijkelijk,&#x201d; zei Socrates, &#x201e;behoort gij niet tot die vrouwen, die slechts aan
-een enkelen man zoeken te behagen en die men gewoon is verliefden of minnenden te
-noemen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Neen, bij de Goden!&#x201d; viel Alcamenes in; &#x201e;tot deze behoort zij niet. Zij is de schrik
-van alle dweepzieke jongelingen, die over liefde bij haar komen zeuren. Gisteren nog
-beklaagden de jonge Damoetas zich bij mij, dat gij hem de deur gewezen hadt, Theodota,
-omdat hij u te zwaarmoedig geworden was.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, waarlijk,&#x201d; hervatte Theodota. &#x201e;Ik spot met de boeien niet alleen met die van
-Hymen, maar ook van Eros. Ik ben geen priesteres der liefde, maar een dochter der
-vreugde!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik bewonder u, Theodota,&#x201d; zei Socrates. &#x201e;Want gij schijnt mij niet alleen het schoonste,
-maar ook het menschlievendste aller beroepen gekozen te hebben. Welk een zelfverloochening
-oefent gij uit, Theodota, welk een zelfopoffering. Gij versmaadt het de lafenis te
-zijn in den beker van een enkelen man, geëerd eene plaats in te nemen aan den huiselijken
-haard, gij verkiest het als een dun wolkje in de lucht te stijgen en heen te trekken
-over alle landen en u in een bloemenregen van vreugde over de hoofden der menschen
-uit te storten. Gij doet afstand van den huiselijken vrede, van de eer der gade, van
-het geluk der moeder en den troost des ouderdoms, alleen om de vermeerderde behoefte
-naar schoonheid en genot in den boezem der mannen van Hellas te bevredigen. En niet
-alleen Hymen&#x2019;s keten veracht gij&#x2014;gij tart zelfs met dartelen overmoed, ja schier met
-Prometheïsche<a class="noteRef" id="xd30e3281src" href="#xd30e3281">5</a> fierheid, de toorn van Eros, den <span class="pageNum" id="pb239">[<a href="#pb239">239</a>]</span>wraakgierigsten aller Goden. En het is u niet onbekend, hoe kort de bloei der schoonheid
-en der jeugd duurt. Toch staat gij daar, vol verloochening en zelfopoffering, als
-een bloeiende boom in de maand Maart en zegt: &#x201e;Plukt ze maar allen en schudt ze af
-de bloesems mijner kortstondige lente en vlechte er wie wil een ruiker van voor weinige
-dagen. Ik wil geen vruchtboom zijn, ik wil alleen bloesems voortbrengen!&#x201d;&#x2014;Welk een
-opoffering, Theodota, welk een zelfverloochening! Mogen de Goden en menschen u daarvoor
-zegenen en de Chariten eenmaal uw lichaam onder rozen begraven!&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo sprak Socrates.
-</p>
-<p>Theodota bedankte hem met een bekoorlijken glimlach. Zij was maar al te goed vertrouwd
-met de eigenaardigheden der verschillende menschen, dan dat de taal van den zonderlingen
-man haar had kunnen bevreemden.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij schat mijne verdiensten te hoog,&#x201d; zeide zij.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik heb nog lang niet alles gezegd,&#x201d; hernam Socrates.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat moge u een rede zijn, eens weder te komen,&#x201d; antwoordde Theodota.
-</p>
-<p>Zoo hielden zij beiden nog een poosje het gesprek gaande. Daar de anderen thans er
-zich in mengden, werd het onderhoud levendiger en Theodota vond gelegenheid om menigen
-vurigen blik op Pericles te slaan, menig veel beteekenend woord tot hem te richten.
-</p>
-<p>Pericles beantwoordde dit op vriendelijke wijze, die hem tegenover vrouwen eigen was.
-</p>
-<p>Aspasia nam de verhouding van beiden nauwkeurig waar maar zonder de hartstochtelijke
-verblinding van andere vrouwen. Zij zelve predikte de boodschap der vrije, vroolijke
-liefde en kantte zich openlijk tegen de slavernij aan, niet alleen in den echt, maar
-ook in de liefde. Bovendien wist zij, <span class="pageNum" id="pb240">[<a href="#pb240">240</a>]</span>dat eene vrouw, die ijverzucht verried, verloren was. Ook bleef zij zich van den afstand
-bewust, die Theodota van haar scheidde.
-</p>
-<p>Theodota vervulde, zorgeloos daarheen levende, hare nimfenbestemming. Aspasia zou
-nooit in zulk een beroep bevrediging kunnen vinden. Oneindig ver was zij verwijderd
-van die zelfopoffering, die de zonderlinge Socrates in zoo wonderlijke taal bij Theodota
-had geprezen.
-</p>
-<p>Zij offerden den bloesem harer lente niet aan het ruwe zingenot der menigte op, zij
-had een heerlijker doel gezocht en gevonden; zij werd bemind en beminde&#x2014;ofschoon dan
-ook met die levenslustige, vrije opwekkende liefde, die zij predikte. En wat de middelen
-betrof, te betooveren, te boeien: Theodota schonk wat zij had zorgeloos weg en had
-weldra niets meer te geven. Aspasia&#x2019;s rijk, diep, gemoed was onuitputtelijk.
-</p>
-<p>Toch achtte Aspasia het niet overbodig er op bedacht te zijn, hoe zij hare medeminnares
-de gelegenheid om zelfs eene vluchtige en voorbijgaande verovering te maken, zou kunnen
-ontnemen. Snel was in hare ziel een plan gerijpt en het bezoek bij de schoone Corinthische
-bleef niet zonder gevolg.
-</p>
-<p>Toen Pericles, Aspasia, Alcamenes en Socrates het huis van Theodota hadden verlaten,
-vroeg de beeldhouwer zijn vriend:
-</p>
-<p>&#x201e;Welaan, beste Socrates, wat hebt ge voor uwe groep der Chariten bij den drievoudigen
-dans der bekoorlijke Theodota geleerd?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Veel, wonderbaar veel,&#x201d; antwoordde de aangesprokene. &#x201e;Ik weet nu, wat de trits der
-Chariten beteekent, wat ieder voor zich zelve en wat allen te zamen uitdrukken. Maar
-het moet thans nog mijn geheim blijven; want het is tijd den beitel ter hand te nemen
-en het marmer te laten spreken. Gij zult ervaren, wat ik heden bij Theodota heb geleerd,
-wanneer de groep mijner Chariten voltooid op de Acropolis staat. Ontvang voorloopig
-mijn dank, dat gij mij vriendschappelijk op den weg hebt <span class="pageNum" id="pb241">[<a href="#pb241">241</a>]</span>geleid, dien ik bewandeld heb om der wille van die schoone en wijze vrouw, die mij
-gelast heeft aan de Chariten te offeren.&#x201d;
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e3083">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3083src">1</a></span> Heracles, door de Romeinen Hercules genoemd, was een der beroemdste helden, van wie
-de legenden gewagen. Later werd hij heros d.i. halfgod. Zijne twaalf groote werken
-zijn bekend.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3083src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3089">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3089src">2</a></span> Ageladas&#x2014;want dit is de gewone schrijfwijze&#x2014;was een beroemd beeldhouwer te Argos.
-Hij was de leermeester van Phidias, Myron van Eleutharae en Polycletus van Sicyon.
-Zijn eerste onderricht echter in de beeldhouwkunst genoot Phidias van Hegias te Athene.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3089src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3232">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3232src">3</a></span> De lezer herinnere zich dat op de bruiloft van Peleus en de zeegodin Thetis alle Godheden
-genoodigd waren, behalve Eris, de Godin van den haat. Om zich te wreken wierp Eris
-in de bruiloftszaal een gouden appel met het opschrift &#x201e;voor de schoonste&#x201d;; <span class="corr" id="xd30e3234" title="Bron: Aprodite">Aphrodite</span>, Hera en Athene maakten ieder aanspraak op dien prijs. Paris, de zoon van Priamus,
-werd tot scheidsrechter benoemd, en deze, verlokt door Aphrodite&#x2019;s belofte hem de
-schoonste vrouw ter wereld als belooning te geven, kende haar den prijs toe. Deze
-vrouw was Helena, de gade van koning Menelaüs.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3232src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3247">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3247src">4</a></span> De hoorn van Amalthea beteekent zooveel als de hoorn des overvloeds. De reden hiervan
-is deze: Amalthea is de naam eener geit, die Zeus op Creta, toen hij door zijne moeder
-voor Cronos (Saturnus) verborgen werd zoogde. Tot loon daarvoor werd zij onder de
-sterren opgenomen. Zeus ontnam de geit één hoorn en gaf dien aan de dochters van Melisseus,
-die Rhea hadden bijgestaan, en vulde dien met alle mogelijke zegeningen en goede gaven.
-</p>
-<p class="footnote cont">Eene andere lezing is, dat Amalthea eene nimf is, die met de melk eener geit Zeus
-voedde.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3247src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3281">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3281src">5</a></span> Prometheus, de weldoener der menschheid, ontstal den Goden het vuur en opende daardoor
-in menschen eene bron van eindeloos geluk. Tot straf deed Zeus hem door Bia (de kracht)
-en Kratos (het geweld) aan eene rots in den Caucasus <span class="pageNum" id="pb239n">[<a href="#pb239n">239</a>]</span>nagelen, waar een arend telkens zijne lever, die steeds weder aangroeide, kwam verslinden.
-Toch boog Prometheus zijn trots niet, toch bleef hij in opstand tegen de machtige
-Goden. <abbr title="XX">V.d.</abbr> beteekent Prometheïsch: onbuigzaam, onwrikbaar.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3281src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">IX.</h2>
-<h2 class="main">ANTIGONE<a class="noteRef" id="xd30e3316src" href="#xd30e3316">1</a></h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Wanneer men in de lentemaand Elaphebolion<a class="noteRef" id="xd30e3320src" href="#xd30e3320">2</a> van het vierde jaar der vierentachtigste Olympiade het huis van den rijken Hipponicus
-te Athene voorbijging, zou men fluitspel en mannenstemmen, die zich oefenden voor
-een reizang, kunnen hooren, daar het geluid uit het binnenste van het huis voorkomende,
-tot op de straat doordrong.
-</p>
-<p>Hetzelfde kon men vernemen, als men het huis van den rijken Pyrilampes en dat van
-den rijken Midas en dat van den rijken Aristocles en de huizen van andere rijke Atheners
-voorbijging. Het scheen bijna, alsof de beitelslagen wederom overstemd zouden worden
-door de tonen van fluiten en het snarenspel en de stemmen van kunstvaardige zangers,
-die de liederen der dichters zongen. Want het feest ter eere van Dionysus, de Dionysiën,
-was wedergekeerd en daarmede de tijd aangebroken, dat de Atheners, met achterstelling
-van alle belangen, zich bezig hielden met de dramatische voorstellingen in het theater
-van Dionysus.
-<span class="pageNum" id="pb242">[<a href="#pb242">242</a>]</span></p>
-<p>De stukken waren, overeenkomstig het gebruik, door de dichters bij den tweeden Archont
-ingediend. Deze had naar het oordeel van deskundigen die stukken uitgekozen, welke
-het best geschikt waren voor de opvoering; de tooneelspelers, welke daarin zouden
-optreden, werden op staatskosten aangewezen en die rijke Atheensche burgers, die voor
-ditmaal de &#x201e;choregie&#x201d; moesten betalen, kleeden, bekostigen en laten oefenen, waren
-aangewezen om hun plicht te vervullen. De rijke Hipponicus had een koor te stellen
-voor de Antigone van Sophocles, de rijke Pyrilampes voor eene tragedie van Euripides<a class="noteRef" id="xd30e3328src" href="#xd30e3328">3</a>, de rijke Midas voor een treurspel van Ion, de rijke Aristocles voor eene komedie
-van Cratinus<a class="noteRef" id="xd30e3331src" href="#xd30e3331">4</a> en wederom anderen voor andere stukken. Naar de gewoonte, die langzamerhand te Athene
-heerschende was geworden, was er een schier hartstochtelijke wedijver onder de choregen<a class="noteRef" id="xd30e3337src" href="#xd30e3337">5</a> ontstaan en zij zochten met al de eerzucht, die den Athener eigen was, elkander in
-nette, smaakvolle en prachtige uitrusting der hun opgedragen koren te overtreffen.
-Den overwinnaar toch wachtte een krans, nauwelijks minder benijdenswaard dan de kransen
-van Olympia en <span class="corr" id="xd30e3340" title="Bron: Phytho">Pytho</span><a class="noteRef" id="xd30e3342src" href="#xd30e3342">6</a>.
-</p>
-<p>Geluid van stemmen en de klank der fluiten klonken wederom krachtig uit het huis van
-Hipponicus, toen een rijzige gestalte met vluggen tred de straat afkwam. Het scheen
-een vreemdeling te zijn; want hem volgde een muildierdrijver, wiens dier met een reiszak
-beladen was. Het liet zijne blikken <span class="pageNum" id="pb243">[<a href="#pb243">243</a>]</span>in de straat weiden, als iemand die naar een bepaald huis zoekt.
-</p>
-<p>Plotseling weerklonken de stemmen en muziek uit het huis van Hipponicus in zijn oor.
-Hij luisterde een oogenblik, lachte toen tevreden en zei tot den slaaf:
-</p>
-<p>&#x201e;Wij behoeven het niemand te vragen. Dit en geen ander is het huis van Hipponicus.&#x201d;
-</p>
-<p>Met vluggen tred naderde hij het huis en wilde juist aan de deur kloppen.
-</p>
-<p>Op dit oogenblik echter kwam een man van den tegenovergestelden kant de straat op
-en ontmoette den vreemdeling juist voor het huis van Hipponicus.
-</p>
-<p>Op het gezicht van dezen man toonde de vreemdeling zich aangenaam verrast en terwijl
-gene met een vriendelijke glimlach op hem toetrad, boog hij het hoofd een weinig achterover,
-lei de linkerhand op de borst, hief de rechterhand op en galmde op hoogdravenden toon,
-alsof hij reeds den cothurnus<a class="noteRef" id="xd30e3355src" href="#xd30e3355">7</a> aanhad, met volle stem de woorden:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Zoo mijn geest niet dwaalt,
-</p>
-<p class="line">En &#x2019;t voorgevoel mij niet bedriegt,
-</p>
-<p class="line">En heldere blik mij niet ontbreekt,&#x201d;&#x2014;</p>
-</div>
-<p class="first">dan geven de Goden een gunstig teeken, daar zij mij juist voor den drempel van Hipponicus
-mijn edelen vriend doen ontmoeten, den treurspeldichter Sophocles.&#x201d;
-</p>
-<p>Daarmede reikte hij den dichter de hand, die haar greep en hartelijk schudde.
-</p>
-<p>&#x201e;Welkom, voortreffelijke Polus!&#x201d; riep hij. &#x201e;Wees welkom te Athene! Hebt gij weder
-rondom in de steden van Hellas de menschen verrukt met het geluid uwer stem op den
-hoogen cothurnus en nieuwen roem geoogst en klinkende munt bovendien?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo is het,&#x201d; hernam Polus. &#x201e;Men heeft mij hier <span class="pageNum" id="pb244">[<a href="#pb244">244</a>]</span>en daar eer bewezen, waar men mij juist noodig had voor de feesten in Hellas&#x2019; steden.
-Maar steeds toch weerklonk het in mijn hart:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Daar wild&#x2019; ik heen.
-</p>
-<p class="line">Waar dicht begroeid &#x2019;t gebergt&#x2019;
-</p>
-<p class="line">Tot aan de baren reikt, waar
-</p>
-<p class="line">Sunions vlakke grond gelegen is.
-</p>
-<p class="line">Om Pallas&#x2019; heilge stad
-</p>
-<p class="line">Met blijden mond te groeten.&#x201d;&#x2014;</p>
-</div>
-<p class="first">En toen mij nu te Halicarnassus<a class="noteRef" id="xd30e3380src" href="#xd30e3380">8</a> de boodschap gewerd van uw Archont, die mij voor de Lenaeën<a class="noteRef" id="xd30e3383src" href="#xd30e3383">9</a> naar Athene riep en mij elk loon beloofde, wat ik mocht verlangen en toen ik bovendien
-vernam, dat naar uw wensch de eerste rol in uw nieuw treurspel mij was toegedacht,
-snelde ik als op de vleugelen der liefde over de eilandzee; want nergens toch rijg
-ik den cothurnus liever aan de voeten dan te Athene en geen dichter wijd ik mijne
-kunst liever dan aan mijn besten vriend en grooten meester Sophocles.&#x201d;
-</p>
-<p>Nogmaals drukte de dichter den tooneelspeler hartelijk de hand.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij zijt ook mij steeds de meest gewenschte hulp,&#x201d; hernam de dichter.
-</p>
-<p>&#x201e;Daar binnen in het huis van Hipponicus,&#x201d; vervolgde hij, &#x201e;vindt gij de choreuten en
-de koormeester en misschien ook reeds uwe beide medetooneelspelers, Demetrius en Callipides.
-Hipponicus noodigde u op dit uur in zijn huis, opdat wij allen te zamen zouden zijn,
-om de rollen te verdeelen en alles in gereedheid te brengen, wat dienstig kan zijn
-om aan ons treurspel de overwinning te verzekeren. Laat ons dus binnengaan, Hipponicus
-wacht u met ongeduld.&#x201d;
-</p>
-<p>De beide mannen klopten aan de deur en werden binnengelaten. Hipponicus verwelkomde
-Polus <span class="pageNum" id="pb245">[<a href="#pb245">245</a>]</span>met groote blijdschap en noodigde hem tevens uit, den tijd, dien hij te Athene moest
-doorbrengen, zijn gast te willen zijn.
-</p>
-<p>&#x201e;Wilt gij,&#x201d; hernam Polus, &#x201e;bij alle uwe moeiten en zorgen die gij thans hebt, u ook
-nog dezen last op uwe schouders laden?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dezen nieuwen last,&#x201d; zei Hipponicus, &#x201e;gesteld dat het een last ware, zou ik de moeite
-niet waard achten. Doch gij hebt geen ongelijk, als gij zegt, dat ik tal van moeiten
-en zorgen te dragen heb, sinds de Archont mij de choregie der &#x201e;Antigone&#x201d; heeft opgelegd.
-Eerst moesten de noodige zangers en fluitspelers aangeworven worden en nu heb ik ze
-allen in huis en die menschen moeten betaald en gevoed worden, en hoe gevoed! met
-melk en honig en allerlei zoetigheden, opdat hun kelen niet ruw zullen worden. Nachtegalen
-in eene kooi zou men niet met meer zorg kunnen voeden en verplegen, dan ik het deze
-knapen doe. Dan moesten nog de prachtige kostumen besteld worden en de sieradiën voor
-de choreuten en gij weet wat tegenwoordig de Atheners op dat punt verlangen. Als zij
-geen gouden kransen te zien krijgen en niet iedere pracht rijkelijk is aangewend,
-dan valt er aan geen overwinning te denken. Ik geloof niet dat ik er ditmaal onder
-de vijfduizend drachmen afkom. Maar ik zou zelfs het dubbele besteden, als het noodig
-was, om den pauwenfokker Pyrilampes de loef af te steken, die met een treurspel van
-den vrouwenhater<a class="noteRef" id="xd30e3397src" href="#xd30e3397">10</a> Euripides de overwinning zoekt te bereiken. Sophocles weet het reeds, maar gij nog
-niet, waarde Polus, wat die kerel al gedaan heeft, om mij de zege te ontrukken. Eerst
-zocht hij den Archont om te koopen, vervolgens trachtte hij mij de beste choreuten
-afhandig te maken. Eindelijk heeft hij zelfs den koormeester heimelijk geld geboden,
-om de <span class="pageNum" id="pb246">[<a href="#pb246">246</a>]</span>koren slecht te laten instudeeren. En dat alles was hem nog niet genoeg. Toen mijne
-sieradiën en prachtige kostumen in orde waren en in den winkel gereed lagen, zoo heerlijk
-mooi, dat ze niet te overtreffen waren, ging die kerel er heen en wilde den kleermaker
-dwingen ze hem te verkoopen. Toen deze dat aanbod van de hand wees, liet hij hem door
-zijne slaven afranselen en dreigde hem op eenen nacht het huis met alles, wat daarin
-was, boven zijn hoofd in brand te steken. Zoo handelt die ellendige Pyrilampes!&#x201d;
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Getroost, getroost, mijn waarde!&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">declameerde Polus met hoog pathos.
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Nog leeft hij in den hemel,
-</p>
-<p class="line">&#x201e;Jupijn, die alles ziet en &#x2019;t al beheerscht.
-</p>
-<p class="line">Vertrouw hem toe uw bittre smart,
-</p>
-<p class="line">En haat noch vergeet in uw toorn,
-</p>
-<p class="line">Hen die u leed berokkenen!&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">&#x201e;Overigens,&#x201d; vervolgde Polus, iets minder hoogdravend, &#x201e;ken ik dien man en zijne streken,
-Hipponicus, zeer goed. Gij dacht mij daaromtrent beter in te lichten; maar ik kan
-u staaltjes mededeelen, hoe hij alle middelen in het werk heeft gesteld om mij aan
-het treurspel van Sophocles te onttroggelen. Uit zijn eigen zak beloofde hij eene
-groote som aan den openbaren eereprijs toe te zullen voegen, als ik in de tragedie
-van Euripides wilde optreden. Ik echter&#x2014;ik stond als Philoctetes<a class="noteRef" id="xd30e3413src" href="#xd30e3413">11</a> toen de sluwe Odysseus hem en zijn overwinnenden boog naar Ilium wilde voeren:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Nimmer en nimmer, wees daarvan verzekerd,
-</p>
-<p class="line">Nooit, zelfs niet als de verzengende bliksem
-</p>
-<p class="line">Mij met zijn gloed mocht verteren!&#x201d;&#x2014;</p>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb247">[<a href="#pb247">247</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Ik dank den Goden, Polus,&#x201d; zei Hipponicus, <span class="corr" title="Niet in bron">&#x201e;</span>dat een man als gij, zoo getrouw u aan ons aansluit; want een koor mag nog zoo voortreffelijk
-zijn, als de tooneelspelers, die de staat aanwijst, niet deugen, fluiten en sissen
-de Atheners.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En ik dank den Goden,&#x201d; hernam Polus, &#x201e;dat gij het zijt, Hipponicus, die het koor
-van Sophocles uitrust; want ook al dat de tooneelspelers voortreffelijk zijn, maar
-het koor niet bovenmate prachtig is, dan maken de Atheners met handen en voeten een
-oorverdoovend geraas, om hun ongenoegen te kennen te geven.&#x201d;
-</p>
-<p>Thans traden twee nieuwe gasten in het huis. Het waren de tooneelspelers Demetrius
-en Callipides. Zij werden door Hipponicus vriendelijk ontvangen en begroetten Polus,
-met wien zij zoo menigmaal in de treurspelen van Sophocles het tooneel hadden betreden.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik zie nu,&#x201d; zei Hipponicus, &#x201e;dat alles wat tot de overwinning van de &#x201e;Antigone&#x201d;,
-moet samenwerken, in mijn huis vereenigd is.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Het instudeeren der koren,&#x201d; zei Sophocles tot de tooneelspelers, &#x201e;is al lang begonnen;
-wij wachten u met ongeduld. Nu gij er zijt, willen we niet dralen, maar onmiddellijk
-overgaan tot de verdeeling der rollen. Vooreerst dan Antigone zelve: zij valt aan
-den speler der eerste rol ten deel. En hierbij wees hij op Polus, den &#x201e;Protagonist&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e3432src" href="#xd30e3432">12</a>. Deze, evenals zijne makkers, nam dat zwijgend aan, als iets dat van zelf sprak.
-</p>
-<p>Maar Sophocles viel zichzelven in de reden en vroeg aan Polus:
-</p>
-<p>&#x201e;Hebt ge wel van de schoone Milesische Aspasia hooren spreken?&#x201d;
-</p>
-<p>Toen deze bevestigend antwoordde, vervolgde Sophocles: &#x201e;Als wij naar deze Milesische
-wilden luisteren, dan moest ik den Archont verzoeken, mij eene vrouw voor de rol van
-Antigone toe te staan. <span class="pageNum" id="pb248">[<a href="#pb248">248</a>]</span>Ik had met haar een heftigen strijd, waarin zij ons gebruik om in vrouwenrollen mannen
-te laten optreden, zeer gispte en beweerde, dat men de vrouwen moest toestaan het
-tooneel te betreden. Te vergeefs beriep ik mij op de maskers, die het gelaat bedekken
-en op den geweldigen omvang van den schouwburg.&#x201d;
-</p>
-<p>Polus lachte schamper. &#x201e;Hoe?&#x201d; riep hij daarop verontwaardigd uit, <span class="corr" title="Niet in bron">&#x201e;</span>toen ik als Electra<a class="noteRef" id="xd30e3445src" href="#xd30e3445">13</a> optrad en aanhief:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line xd30e3449">O heilig licht,
-</p>
-<p class="line">O aether, die de aard omgeeft!&#x201d;&#x2014;</p>
-</div>
-<p class="first">heeft toen iemand in mijne houding, in mijne stem, die uit het goede masker voortkwam,
-de vrouw gemist?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Niemand, niemand,&#x201d; riepen allen uit één mond.
-</p>
-<p>&#x201e;En toen ik de urn met de gewaande asch haars broeders<a class="noteRef" id="xd30e3457src" href="#xd30e3457">14</a> hartstochtelijk aan mijne borst drukte,&#x201d; vervolgde Polus diep ontroerd:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Dierbaarst overschot, mij blijvend,
-</p>
-<p class="line">Van den liefsten aller menschen.&#x201d;&#x2014;</p>
-</div>
-<p class="first">&#x201e;Alle toeschouwers waren geroerd, bewogen, in tranen badend,&#x201d; zei Sophocles. &#x201e;Nooit
-werd er op het tooneel eene stem gehoord,&#x201d; vervolgde Sophocles, &#x201e;die roerender was,
-nooit eene, die vrouwelijker klonk, dan de uwe!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik hoop, dat gij daarmede niet zult beweren,&#x201d; hernam Polus, &#x201e;dat mijne stem over
-het algemeen een vrouwelijken toon heeft? Gij herinnert u, denk ik, mijn Aiax<a class="noteRef" id="xd30e3467src" href="#xd30e3467">15</a> nog wel:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Ha, wee mij dat ik hen liet glippen,
-</p>
-<p class="line">Die snoodaards, die verwenschte schurken,
-<span class="pageNum" id="pb249">[<a href="#pb249">249</a>]</span></p>
-<p class="line">En in hun plaats, door waanzin aangegrepen
-</p>
-<p class="line">Onschuldige schapen en gehoornde stieren
-</p>
-<p class="line">Deed sneven door het flikkerend staal,
-</p>
-<p class="line">Hun donker bloed vergietend.&#x201d;&#x2014;</p>
-</div>
-<p class="first">De stem van Polus scheen bij de voordracht van deze regels geheel veranderd. &#x201e;Dat
-is de diepste, geweldigste heldenstem!&#x201d; riepen de toehoorders in verrukking uit.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe?<span id="xd30e3482"></span> en mijn Philoctetes?&#x201d; vervolgde Polus; &#x201e;mijn kreet van diepste smart, toen het oude
-slangengif in mijne aderen brandde en mij schier verteerde,&#x2014;mijn &#x201e;Ach! Ach! Wee mij!
-het komt&#x2014;het komt.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>En wederom riepen allen: &#x201e;Wat een stem vol lijden! Wat een natuurlijke toon van den
-vertoornden, gefolterden, gepijnigden lijder!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En dan,&#x201d; ging Polus voort, &#x201e;toen ik aan het slot der tragedie aanhief:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Welaan, het uur van scheiden is gekomen.
-</p>
-<p class="line">Weest mij gegroet gij lachende dreven,
-</p>
-<p class="line">Gij bronnen en gij, zoetlavende drank.&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">&#x201e;Dat was een heerlijk oogenblik,&#x201d; zei Hipponicus goedkeurend, &#x201e;maar het schoonste,
-wat ik van u gezien en gehoord heb, was toch toen gij als Aiax op het tooneel stond
-en die overschoone alleenspraak hieldt.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij bedoelt,&#x201d; viel <span class="corr" id="xd30e3493" title="Bron: Polos">Polus</span> hem in de rede, &#x201e;toen ik in eene eenzame grot vóór den zelfmoord het zwaard met de
-punt naar boven in den grond stak<a class="noteRef" id="xd30e3496src" href="#xd30e3496">16</a>:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Het moordend zwaard staat in den grond geplant,
-</p>
-<p class="line">Om &#x2019;t snelst mijn boezem te doorboren.&#x201d;&#x2014;</p>
-</div>
-<p class="first">&#x201e;Juist,&#x201d; riep Hipponicus uit, <span class="corr" title="Niet in bron">&#x201e;</span>en toen gij eerst Zeus aanriept en dan de maagdelijke Erinnyen en vervolgens Helios.&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e3507src" href="#xd30e3507">17</a>&#x2014;
-<span class="pageNum" id="pb250">[<a href="#pb250">250</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;O Helios,&#x201d; viel Polus in,
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;O Helios, als gij mijn vaderland bestraalt,
-</p>
-<p class="line">Houd dan uw goudgetooiden teugel in,
-</p>
-<p class="line">En breng de mare van mijn droeven dood.&#x201d;&#x2014;</p>
-</div>
-<p class="first">&#x201e;En toen gij,&#x201d; ging Hipponicus in geestdrift voort, &#x201e;ten laatste uw geboortegrond
-nog herdacht en den vaderlijken huiselijken haard aanriept en Salamis en de stad des
-roems, Athene, en uw stamverwant Atheensche volk&#x2014;toen gloeiden de harten van twintig
-duizend Atheners van verrukking. Een fier gevoel van vaderlandschen trots doortintelde
-allen en ieder gevoelde dat de afscheidsgroet van den stervenden held ook hem gold.
-Tot nu toe waren zij geroerd geweest en in stilte geschokt&#x2014;thans barstten zij uit
-in een storm van toejuichingen, die u gold en Sophocles en den Salaminischen held!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Te recht, Hipponicus,&#x201d; zeide thans Sophocles, <span class="corr" title="Niet in bron">&#x201e;</span>prijst gij Polus, maar vergeet niet ook de verdiensten van Demetrius en Callipides
-te erkennen. Ook zij zijn gevierd en geëerd in de steden van Griekenland; ook zij
-hebben veel bijgedragen tot de zegepraal van verscheidene mijner treurspelen.&#x201d;&#x2014;&#x201e;U,
-Demetrius,&#x201d; vervolgde hij, &#x201e;draag ik voor ditmaal den waardigen koning Creon op; aan
-den jongen Callipides Ismene<a class="noteRef" id="xd30e3521src" href="#xd30e3521">18</a>. Er zijn nog een paar bijpersonen, die wel is waar slechts even op het tooneel verschijnen,
-maar die ik daarom toch niet gaarne aan den eersten den besten stumpert zou willen
-toevertrouwen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Voor den dag er maar mede!&#x201d; riepen de tooneelspelers. &#x201e;Ieder onzer is bereid zoovele
-personen, als men slechts verkiest, op zich te nemen, als zij maar niet te gelijk
-op het tooneel moeten verschijnen. Onder het masker kan men elke rol vervullen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Daar hebt ge vooreerst Haemon, de minnaar <span class="pageNum" id="pb251">[<a href="#pb251">251</a>]</span>van Antigone,&#x201d; zeide Sophocles, &#x201e;hij treedt eerst op, als Antigone reeds ter dood
-is geleid.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Geef mij maar den minnaar Haemon,&#x201d; riep Polus.
-</p>
-<p>&#x201e;Callipides,&#x201d; vervolgde Sophocles, &#x201e;moet de rol van den blinden ziener Tiresias op
-zich nemen. Dan is er nog een wachter en een bode. Deze beiden hebben lange verhalen
-te doen. Verhalen nu moeten op het tooneel altijd zoo voortreffelijk mogelijk voorgedragen
-worden. Niets is vervelender, dan wanneer zij door iemand, die nauwelijks kan spreken,
-uitgestameld worden. Ik heb daarom besloten deze beide kleine rollen zelf te spelen.
-Ik ben toch bij mijne vorige stukken menigmaal op dergelijke wijs opgetreden.&#x201d;
-</p>
-<p>De tooneelspelers klapten in de handen van blijdschap, daar zij vereerd waren, dat
-de dichter zelf met hen wilde medewerken. Ook Hipponicus was er recht blijde om.
-</p>
-<p>&#x201e;Eindelijk is daar nog Eurydice, de gemalin van Creon,&#x201d; zeide Sophocles. &#x201e;Zij verschijnt
-slechts met weinige woorden aan het slot der tragedie ten tooneele.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Geef mij maar de Eurydice,&#x201d; riep Polus.
-</p>
-<p>&#x201e;Die is reeds vergeven,&#x201d; hernam Sophocles. &#x201e;Iemand die nog nooit het tooneel heeft
-betreden, doch niet genoemd wil worden, wenscht de Eurydice te spelen.&#x201d;
-</p>
-<p>De nieuwsgierigheid van Hipponicus en de tooneelspelers werd door de geheimzinnige
-gebaren van den dichter niet weinig geprikkeld. Doch hij weigerde nadere inlichting
-te geven.
-</p>
-<p>Hij stelde toen aan tooneelspelers afschriften van het stuk ter hand, gaf hun nog
-eenige wenken over de opvatting en uitvoering der rollen en regelde de kostumen, waarin
-zij zouden optreden.
-</p>
-<p>Daarop stelde Hipponicus hun de vijftien choreuten voor, benevens den koormeester
-en verzocht hen de oefeningen van het koor bij te wonen.
-</p>
-<p>Onder de muziek der fluiten begon men met plechtige liederen en den plechtigen danspas,
-ter <span class="pageNum" id="pb252">[<a href="#pb252">252</a>]</span>eere van den God<a class="noteRef" id="xd30e3543src" href="#xd30e3543">19</a> omdat de beteekenisvolle dans om zijn altaar het begin was geweest van het drama.
-Nu schreden zij rechts, dan links, nu stonden zij stil, dan weder vereenigden zij
-zich, nu eens sneller dan weder langzamer zich bewegend, onder het voordragen van
-de talrijke en heerlijke hymnen der &#x201e;Antigone&#x201d;. Gloeiend van geestdrift gaf de didaskalos<a class="noteRef" id="xd30e3546src" href="#xd30e3546">20</a> de maat aan met de handen en voeten, menigmaal zelfs, als de geestdrift hem overmeesterde,
-met het geheele lichaam. De dichter trad herhaaldelijk tusschenbeide. Hij had ook
-zijn best gedaan de zangwijzen der reizangen uit te denken en de dansbewegingen van
-het koor passend te maken. Soms liet hij den fluitspeler weggaan, greep het snareninstrument
-en begeleidde het koor, om beter het gezang en de plechtige bewegingen te kunnen regelen.
-</p>
-<p>Evenals Sophocles bezig was in het huis van Hipponicus, zoo deed Euripides in dat
-van Pyrilampes, Ion in dat van Midas, Cratinus in dat van Aristocles en andere dichters
-in de huizen der andere choregen, als veldheeren, die hunne troepen onderrichten en
-aansporen, allen begeerig om den Dionysischen zegeprijs te behalen.
-</p>
-<p>De huizen der choregen waren als zoovele brandpunten, waaruit zich eene gespannen
-verwachting en eene levendige belangstelling over de stad verspreidde; in de overwinning
-toch van den choreeg waren ook zijne verwante <span class="corr" id="xd30e3553" title="Bron: familien">familiën</span> betrokken en hare namen werden eveneens genoemd. De spanning, waarin bij dergelijke
-gelegenheden gewoonlijk het Atheensche volk verkeerde, had ditmaal een buitengemeen
-hoogen trap bereikt, daar Hipponicus en Pyrilampes ongehoorde pogingen in &#x2019;t werk
-stelden, om zich de zege te verzekeren, daarbij voegde zich de veete, die er tusschen
-de beide mededingers bestond en die iederen dag <span class="pageNum" id="pb253">[<a href="#pb253">253</a>]</span>in handtastelijkheden dreigde over te gaan en eene onbeperkte stof aanbood voor de
-praatzieke tongen der Atheners. De staatsaangelegenheden, de zaken in den Piraeus,
-alles werd ter zijde gesteld; en al ware er juist eene Atheensche vloot tegen den
-vijand in zee geloopen, men zou in die dagen minder over haar hebben gesproken, dan
-over Hipponicus en Pyrilampes.
-</p>
-<p>Zie, daar ontmoeten elkander op de Agora twee mannen, die op vertrouwelijken toon
-van geheel andere zaken spreken, dan over de vijandschap van Hipponicus en Pyrilampes.
-Het zijn Pericles en Anaxagoras.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij zijt in gepeinzen verdiept,&#x201d; zei de wijze tot zijn vriend; &#x201e;koestert gij nieuwe
-gedachten en plannen voor den staat of vervult eene schoone vrouw uw hoofd?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wellicht beide,&#x201d; hernam Pericles. &#x201e;Hoe schoon zou het zijn, als men een van die twee,
-de vrouwen, kon ontberen, om zich onverdeeld aan de staatsbelangen of de wijsheid
-of eene andere, groote ernstige zaak te kunnen wijden!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Men kan de vrouwen ontberen&#x2014;men kan alles ontberen,&#x201d; zeide Anaxagoras met nadruk
-en verdiepte zich in een betoog hoeveel beter het was, daar men toch eigenlijk nooit
-iets waarachtig en bestendig bezitten kan, van te voren van alles afstand te doen.
-</p>
-<p>Pericles luisterde geduldig naar den wijze, maar zijn gelaat drukte duidelijk uit,
-dat hij niet van gedachte veranderd noch overtuigd was geworden.
-</p>
-<p>&#x201e;Wanneer gij nu eenmaal,&#x201d; zoo besloot Anaxagoras zijn betoog, &#x201e;de vrouw niet missen
-kunt, dan is, wel beschouwd, de uwe, ik bedoel Telesippe, toch even goed als iedere
-andere. Zij baart u kinderen. Wilt gij meer van haar?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij kent haar toch,&#x201d; hernam Pericles. &#x201e;Gij weet, hoe bijgeloovig zij is en bekrompen
-van verstand en de vriendin van niet ééne Muze. Misschien was dit nog te verdragen,
-indien zij zooveel zachtheid van gemoed bezat als men haar bewijst. Maar deze <span class="pageNum" id="pb254">[<a href="#pb254">254</a>]</span>vrouw is altijd weerbarstig en vol vooroordeelen en aan mijne beste bedoelingen weet
-zij altijd eene hatelijke uitlegging te geven. Wanneer ik vroeger meermalen haar een
-keurig onderkleed ten geschenke gaf of iets bekoorlijks, wat in huis of in de slaapkamer
-haar bevalliger maakte, dan nam zij dit zeer kwalijk en vroeg:
-</p>
-<p>&#x201e;Ben ik u dan niet meer mooi genoeg, dat gij zulke dingen voor mij noodig oordeelt?
-Wanneer ik u niet beval, zooals ik ben, dan wil ik u ook niet opgesierd bevallen.&#x201d;
-Kan men dwazer en onvrouwelijker spreken? Tooit niet zelfs de jongste, schoonste vrouw
-zich gaarne voor haren geliefde en is het niet eene natuurlijke begeerte van den minnaar
-of den echtgenoot, de beminde vrouw zoo bekoorlijk mogelijk te versieren? In alle
-zaken, over het algemeen, die de liefde gelden, heeft ze altijd die eigenzinnigheid
-gehad, die de schoonste vrouw onverdragelijk maakt. Gij weet voorts, dat het mij eigen
-is zindelijkheid en reinheid tot in het hartstochtelijke te drijven. Hoeveel harde
-woorden zijn er niet tusschen ons gevallen over het varkenskot en het hoenderhok,
-dat zich naar oud gebruik, vlak bij den huiselijken haard bevindt, dat mij een gruwel
-is, doch haar zoo na aan &#x2019;t hart ligt. Het gevoel van viesheid kent zij niet. Biedt
-zij mij niet de lippen tot een kus, bezoedeld met het vuil of het kwijl, dat zij juist
-van het gezicht harer kinderen heeft afgekust? Want in het vuil, ja zelfs in den uitslag
-harer kinderen, als zij soms ziek zijn, zonder noodzakelijkheid met hare vingers en
-lippen te wroeten, schijnt haar een natuurlijke en noodzakelijke uiting te zijn der
-moederlijke liefde. Maar moet eene moeder niet tegelijk gade zijn? Moet eene weldenkende
-en gevoelige vrouw niet beide liefdeplichten weten te vereenigen en met nauwgezetheid
-vervullen? En wat beteekent de moederlijke teederheid, de aangeboren drift, die zij
-met elke wijfjesaap gemeen heeft, wanneer zij alleen in de duistere neiging der natuur
-geworteld is, als zij niet gepaard gaat met het goede inzicht, wat werkelijk <span class="pageNum" id="pb255">[<a href="#pb255">255</a>]</span>voor de kinderen nuttig is of niet? Hebt gij zelf niet dikwijls gevraagd: wat baat
-natuurdrift zonder kennis en zonder de zedelijke wijding, die haar van het dierlijke
-tot het menschelijke verheft!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat dit laatste punt aangaat hebt gij goed en verstandig gesproken,&#x201d; merkte Anaxagoras
-op. &#x201e;Maar wat gij zeidet over die rokjes met schoone franjes en schitterend van kleur
-en wat niet al, die Telesippe niet wilde aannemen, dit is, verstandig beschouwd, dwaasheid
-en verderfelijke weelderigheid. Zulke pronkerij is uit den booze. Een vrouw is eene
-vrouw, zeg ik u. In naam der wijsheid laat af van alle dweeperij voor de schoone Milesische
-Aspasia!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Is het mijne schuld,&#x201d; vroeg Pericles glimlachend, &#x201e;dat de schoonheid op aarde door
-de Goden sterker is gemaakt dan de wijsheid?&#x201d;&#x2014;&#x2014;
-</p>
-<p>Op den dag van dit gesprek was er iets geschied, dat, zoo Pericles toevallig met eigen
-oogen had gezien, hem verdrietig en bezorgd zou hebben gemaakt, wellicht zelfs zijn
-geloof aan de voortreffelijkheid der Milesische zou hebben geschokt en den vurigen
-gloed zijner bezieling voor haar, als vuur door water, in een plotselingen rook en
-walm zou hebben uitgedoofd.
-</p>
-<p>Van Aspasia waren naar den dichter Sophocles en van dezen naar de Milesische herhaaldelijk
-geheime boden gegaan. Ja, eens had men den dichter zelven in het schemerend avonduur
-heimelijk het huis van de schoone vriendin van Pericles zien binnengaan.
-</p>
-<p>Thans gebeurde het, dat Aspasia naar hare woning terugkeerende, door een man werd
-vergezeld, dien loerende buren in de schemering voor Pericles hielden.
-</p>
-<p>Doch het was Sophocles. Voor de deur harer woning stonden beiden een oogenblik stil.
-<span class="corr" id="xd30e3580" title="Bron: Overwe-wegen">Overwegen</span> zij soms of de begeleider den drempel zou overschrijden of terug zou keeren? Eindelijk
-vroeg de dichter met zijne zachte welluidende stem aan de schoone Milesische:
-<span class="pageNum" id="pb256">[<a href="#pb256">256</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Wat is heiliger de vriendschap of de liefde?&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Heiliger is toch wel in ieder bijzonder geval, zij die de oudste is,&#x201d;&#x2014;zei Aspasia
-glimlachende en de raadselachtige vraag op even raadselachtige wijze beantwoordende.&#x2014;
-</p>
-<p>Nadat deze woorden onder hen gewisseld waren, nam Sophocles afscheid en keerde terug,
-terwijl Aspasia hare woning binnentrad.
-</p>
-<p>Op den morgen na deze kleine gebeurtenis begaf zich de ziener Lampon naar het huis
-van de hem toegenegen zuster van Cimon. Hij kwam van de Acropolis waar hij wederom
-geruimen tijd met Diopithes had gefluisterd.
-</p>
-<p>Nauwelijks was de priesterdienst, om welke Elpinice den ziener had ontboden, ten einde
-gebracht of deze leidde met een geheimzinnig en veelbeteekenend gezicht het gesprek
-op Pericles en Aspasia.
-</p>
-<p>Het manwijf en de ziener waren dikwijls gewoon de hun ter oore gekomen praatjes en
-nieuwtjes elkander mede te deelen.
-</p>
-<p>&#x201e;De Goden schijnen den trotschen Pericles te willen straffen,&#x201d; begon Lampon.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat is er dan geschied?&#x201d; vroeg Elpinice in gespannen verwachting.
-</p>
-<p>&#x201e;Voorloopig dit,&#x201d; hernam de andere, &#x201e;dat in het schemerlicht van den avond heimelijk
-ook een ander naar de schoone vriendin van den Olympiër sluipt.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom niet?&#x201d; zei Elpinice. &#x201e;Zij is immers eene hetaere. Maar wie is die andere?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Pericles&#x2019; beste vriend, &#x201e;de lieveling der Goden&#x201d; zooals hij zich gaarne hoort noemen,
-de vriendelijk lachende treurspeldichter uit het vlek Colonos.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Een vrouwengek,&#x201d; riep Elpinice uit; &#x201e;een vrouwengek en een oude liefhebber, evenals
-Pericles zelf.&#x2014;Maar dat is oud nieuws, wat gij mij daar vertelt, vriend Lampon. Het
-is geruimen tijd geleden, dat men dien dichter voor de eerste maal in het gezelschap
-van Pericles en Aspasia heeft gezien. Het is overbekend, dat hij niet minder dan zijn
-vriend voor die boeleerster in liefde ontvlamd is. Het vermoeden <span class="pageNum" id="pb257">[<a href="#pb257">257</a>]</span>lag dus voor de hand, dat hij naar haar toe zou sluipen. Maar wie heeft hem gezien?
-Wie zal het op zijn woord getuigen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik zelf,&#x201d; hernam Lampon. &#x201e;Ik zelf heb hen gezien en hoorde zelfs in het voorbijgaan
-een klein gesprek voor de huisdeur. En een tweeden getuige, zoo noodig, bezorgt ons
-Diopithes.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is goed,&#x201d; hernam Elpinice met innig genoegen.
-</p>
-<p>&#x201e;Deze tijding, aan Pericles overgebracht, brengt zijne liefde voor de Milesische den
-genadeslag toe. Deze liefde is het schandelijkst en goddelooste, wat men hier in Athene
-vindt, en de Ionische hetaere is de groote verleidster. Zij moet verwijderd, verdreven,
-ten gronde gericht worden. Maar wie neemt het op zich Pericles die tijding te brengen?&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Beste zou Theodota dat kunnen,<span class="corr" id="xd30e3606" title="Niet in bron">&#x201d;</span> meent Diopithes. <span class="corr" title="Niet in bron">&#x201e;</span>Deze vrouw heeft sedert eenigen tijd, en niet met ongunstig gevolg, hare strikken
-voor den minnaar van Aspasia gespannen. En als zij het nu is, die hem het bewijs van
-Aspasia&#x2019;s ontrouw levert, kan zij deze daardoor het zekerst verdringen en hare plaats
-innemen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Arme Telesippe!&#x201d; riep Cimon&#x2019;s zuster uit. &#x201e;Het beste ware zeker, als gij in &#x2019;t geheel
-geene medeminnares hadt; doch voor &#x2019;t oogenblik is reeds veel, is reeds alles gewonnen,
-wanneer maar die Milesische uit de deur wordt gezet.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo is het,&#x201d; hernam Lampon. &#x201e;Uit het hart van een man als die Pericles, kan eene
-schoone en sluwe vrouw alleen door eene andere schoone en sluwe vrouw verdreven worden.
-Theodota is veel minder gevaarlijk dan Aspasia. Integendeel deze veile Corinthische
-is als was in onze handen. Zij moet Pericles onder de belofte hem uitvoerige en belangrijke
-mededeelingen aangaande de trouwelooze Aspasia te doen in haar huis lokken. Dan volgt
-het overige van zelf.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wij zijn zeker, dat onze pogingen slagen zullen,&#x201d; hernam Elpinice. &#x201e;Pericles heeft
-reeds een begeerig oog op haar geslagen. Ik weet het. Hij is reeds <span class="pageNum" id="pb258">[<a href="#pb258">258</a>]</span>eens in haar huis geweest, zij het ook in gezelschap der Milesische, die overmoedig
-genoeg was, hem daarheen te voeren.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Op aansporing van Alcamenes,&#x201d; zeide Lampon.
-</p>
-<p>&#x201e;Deze heeft ons in de hand gewerkt. Ook hij behoort tot degenen, die de Milesische
-haten en het met genoegen zullen zien, dat zij beschaamd, vernederd en door Pericles
-verstooten wordt. Hij wil zich wreken op de vrouw, die hem om Pericles heeft verraden.
-Lang vóór ons heeft hij het voornemen opgevat, door Theodota de Milesische uit de
-gunst van den gevierden man te verdringen. Hem ontbraken slechts de geschikte wapenen
-tegen Aspasia. Wij willen hem die verschaffen. Wie echter zal nu Alcamenes inlichten
-dat hij zich met de Corinthische moet verstaan, om het plan te volvoeren?&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Elpinice dacht een oogenblik na, daarop sprak zij:
-</p>
-<p>&#x201e;Laat mij daarvoor zorgen. Ik ken de bijpaden die wij moeten inslaan om de boodschap
-juist, zooals wij verlangen, ter oore van de Corinthische te brengen.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Van dit oogenblik af had Aspasia zich niet alleen tegen Telesippe, maar ook tegen
-Theodota tot een ernstigen kamp uit te rusten.
-</p>
-<p>Elpinice wendde zich tot Polygnotus; deze was met Agoracritus, Aspasia&#x2019;s bittersten
-vijand, bevriend. Agoracritus bracht de boodschap van Lampon en Elpinice aan zijn
-makker in de werkplaats van Phidias over en deze heethoofd vond de gelegenheid om
-zich op de trotsche schoone te wreken te verleidelijk; hij had spoedig met zijne wakkere
-vriendin een plan beraamd, om hun opzet te volvoeren.
-</p>
-<p>In deze wolken flikkerde dus de bliksemstraal, die geslingerd zou worden om den liefdeband
-te verbreken tusschen den voortreffelijksten man en de schoonste vrouw in Griekenland,
-de bliksem, die in de eerste plaats heimelijk gesmeed was in de smidse, van den mokkenden,
-ouden God <span class="corr" title="Bron: Erechtheus">Erechtheüs</span> op den burg.&#x2014;&#x2014;
-<span class="pageNum" id="pb259">[<a href="#pb259">259</a>]</span></p>
-<p>De viering der Dionysiën was dartel en luidruchtig begonnen. De laatste dagen van
-het feest waren aan den wedstrijd der tragische Muze gewijd.
-</p>
-<p>Lichte regenwolken dreven, terwijl de dolle comedie van <span class="corr" id="xd30e3632" title="Bron: Crotinus">Cratinus</span> onder de uitgelaten vreugde der toeschouwers werd opgevoerd, van den Hymettus af
-over het Dionysus-theater en de opperpriester van Dionysus, die daar voor het geheele
-volk op zijn heerlijken, met marmeren beelden versierden zetel in de orchestra<a class="noteRef" id="xd30e3635src" href="#xd30e3635">21</a> zat, voelde een regendroppel op zijn neus vallen, juist op het oogenblik dat de overmoedige
-Cratinus tegen den persoon van den zelfden priester Agasthenes, onder het luidruchtig
-gelach van alle Atheners, een gevleugelden pijl van zijn Attisch vernuft afschoot.
-</p>
-<p>&#x201e;Het begint te druppelen,&#x201d; zei de opperpriester tot zijn buurman Pericles: &#x201e;mij dunkt,
-wij moesten het schouwspel staken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;De wolk drijft over,&#x201d; hernam deze lachend.
-</p>
-<p>Doch zie, daar snort een nieuwe pijl. En deze pijl trof zijn buurman zelven. Alle
-Atheners lachten en keken naar Pericles, en Pericles lachte mede.
-</p>
-<p>Maar een derde pijl snorde; hij trof de nieuwe Hera en den nieuwen Olympischen Zeus,
-de Milesische Omphale<a class="noteRef" id="n259.2src" href="#n259.2">22</a> en den Atheenschen Heracles&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Wederom zagen alle Atheners naar Pericles. Maar Pericles lachte niet meer. Eene wolk
-trok langs het voorhoofd van den Olympiër. De snorrende pijl had Aspasia getroffen&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Andere schouwspelen volgden en zoo ging voor de Atheners het grootste gedeelte van
-den eersten dag voorbij. Verscheidene verwijderden zich, om straks terug te keeren,
-velen hielden het tot het einde toe vol. De gegoeden lieten zich door <span class="pageNum" id="pb260">[<a href="#pb260">260</a>]</span>hunne slaven wijn, ooft en koeken tot verkwikking brengen.
-</p>
-<p>Den volgenden dag begon alles opnieuw. Wederom zaten dertigduizend Atheners op de
-steenen zitplaatsen van den Dionysus-schouwburg, de omkranste overheidspersonen op
-afzonderlijke, schoon versierde, marmeren zetels in de voorste rijen, de rijken op
-purperen kussens, die zij zelven hadden medegebracht, door hunne slaven bediend, de
-armen met eenige vijgen of uien in hun ransel, waarmede zij het den geheelen dag moesten
-doen. Doch zoowel deze laatsten als de eersten gevoelden zich als Atheners geroepen,
-om het schoonste te zien en spraken met groote geleerdheid over Sophocles en Ion en
-<span class="corr" id="xd30e3654" title="Bron: Euripidis">Euripides</span> en keken eens met turenden blik naar de wolken des hemels, of niet eene daarvan de
-feestvreugde van den dag zou verminderen of verstoren.
-</p>
-<p>Wederom hadden de eerste duizenden van het aanstormende volk zich in de ruimte van
-het kolossale amphitheater als Pygmaeen verloren. Thans was de geheele schouwburg
-van de bovenste rijen tot de onderste toe gevuld; het scheen wel een reusachtige,
-kokende en bruisende menschenkrater. Bijna bedwelmend en huiveringwekkend was het
-van de bovenste rijen neer te zien op deze golvende zee van menschenhoofden.
-</p>
-<p>In die onstuimige dwarreling deed hoe langs zoo meer een dreigend tumult zich hooren.
-Heden toch zou de fel ontbrande strijd tusschen Hipponicus en Pyrilampes tot een beslissing
-komen. De partijen der beide choregen schenen handgemeen te zullen worden. Als een
-hunner zich te midden der toeschouwers vertoonde, klonken er kreten van vrienden en
-tegenstanders, bijvalsbetuigingen en hoonend gesis.
-</p>
-<p>Onophoudelijk waren de agonotheten<a class="noteRef" id="xd30e3661src" href="#xd30e3661">23</a> en mastigophoren<a class="noteRef" id="xd30e3664src" href="#xd30e3664">24</a> in de weer; telkens vlogen zij de trappen, <span class="pageNum" id="pb261">[<a href="#pb261">261</a>]</span>die dwars door de zitplaatsen liepen, op, om hier een twist te beslechten, daar een
-oproermaker tot rust te brengen.
-</p>
-<p>De rustigste onder die woelige menigte was Socrates, de mijmeraar uit Phidias&#x2019; werkplaats.
-Hij was ook gekomen, niet zoozeer om de schouwspelen, als wel om de toeschouwers te
-zien en over hunne handelingen na te denken.
-</p>
-<p>&#x201e;Daar zitten dertigduizend Atheners in gespannen aandacht,&#x201d; zeide hij in zich zelven;
-&#x201e;allen vol begeerte om eene verdichte geschiedenis te hooren, om door valsche tranen
-en voorgewende smart zich te laten roeren. Zij zijn als de kinderen, die met open
-mond naar sprookjes luisteren, alleen met dit onderscheid, dat deze niet weten, dat
-zij verzonnen zijn, genen echter het wel degelijk weten. Van waar komt toch wel die
-zeldzame lust bij de menschen naar het nagebootste, het verdichte?&#x201d;&#x2014;&#x2014;
-</p>
-<p>De schoone Theodota zat onder de toeschouwers. Zij was op het sierlijkst uitgedost.
-Haar oog was bijna onafgewend op den strategenzetel gevestigd, waarop Pericles zat.
-Pericles kon zich niet onthouden, van tijd tot tijd den vurigen blik uit hare donkere
-oogen te beantwoorden.
-</p>
-<p>Eindelijk klonk boven het gonzen der menigte de helder klinkende stem van den heraut
-uit, die stilte gebood. Nu werd een dankoffer gebracht bij het altaar van Dionysus.
-Daarop deed opnieuw de stem van den heraut zich hooren:
-</p>
-<p>&#x201e;Het koor van Ion trede op!&#x201d;
-</p>
-<p>Het treurspel van Ion werd door de Atheners aangehoord, toegejuicht, geschat op zijn
-juiste waarde door hun aangeboren fijn gevoel. Een tragedie van Philocles volgde.
-De uitspraak van den protagonist voldeed niet aan het fijne Attische oor. Een onweerstorm
-van gelach, gemor, snijdend gesis brak over hem uit. Het ontbrak niet aan spottende
-tongen en trappelende voeten. Een blijspel kwam thans aan de beurt. Nu was de spotter
-meester van het terrein, zelfs verheven boven alle Olympische Goden. De meest onbedwongen
-scherts gaf zich <span class="pageNum" id="pb262">[<a href="#pb262">262</a>]</span>lucht in de kunstige rhythmen.
-</p>
-<p>Toen trad het koor van Euripides op.
-</p>
-<p>Het werk van dezen dichter bewoog de gemoederen. De vrouwen waren geroerd door datgene,
-wat tot het hart sprak, de mannen meegesleept door de schitterende gedachten, waarmede
-het geheele dichtstuk als het ware doorwerkt en doorweven was, als gouden draden in
-een purperen weefsel. Met kreten van verrassing en bewondering werd de schitterende
-pracht van het koor begroet. Zoo iets had men schier nog nooit gezien. Donderende
-toejuiching volgde, toen het stuk afgespeeld was. Pyrilampes en zijne vrienden waren
-uitermate verheugd en waanden zich reeds zeker van de overwinning.
-</p>
-<p>In den korten tijd, die er tusschen de voorstelling van dit treurspel en den aanvang
-van het volgende verstreek naderde eensklaps een slaaf den zetel van Pericles en reikte
-hem een <span class="corr" id="xd30e3683" title="Bron: toegevrouwen">toegevouwen</span> blad papier.
-</p>
-<p>Pericles opende het en las deze woorden:
-</p>
-<p>&#x201e;Sophocles sluipt in de avondschemering het huis van Aspasia binnen.&#x201d;
-</p>
-<p>Pericles was getroffen. Wie had die regels geschreven?&#x2014;Zij kwamen van Theodota. Toen
-Pericles naar den brenger van dit korte en zonderlinge bericht omzag, was deze reeds
-verdwenen.&#x2014;
-</p>
-<p>Uit zijn ernstig denken wekte den strateeg de helderklinkende stem van den heraut,
-die zich wederom deed hooren:
-</p>
-<p>&#x201e;Het koor van Sophocles trede op!&#x201d;
-</p>
-<p>En nu werd een treurspel der liefde voor het oog en het oor der Grieken opgevoerd,
-een treurspel der liefde onder die drie gestalten, waarin zij achtereenvolgens het
-menschenhart op zijn levensweg aandoet: de zusterliefde, de liefde der bruid, de moederliefde.
-Ter wille van haar geliefde broeder sterft Antigone, ter wille van de geliefde bruid
-sterft Haemon en ter wille van den geliefden zoon sterft Eurydice.&#x2014;
-</p>
-<p>Een lang, donker treurgewaad omhult der hooge <span class="pageNum" id="pb263">[<a href="#pb263">263</a>]</span>gestalte van Oedipus&#x2019; dochter. De maskers toonen ernstige, edele jonkvrouwelijke gezichten,
-zacht en roerend klinken hare stemmen.&#x2014;Antigone zweert haar broeder te zullen begraven,
-dien koning Creon den honden en roofvogels tot eene prooi heeft voorgeworpen; den
-ingeschapen, goddelijken plicht wil zij vervullen, trots alle menschelijke inzettingen.
-</p>
-<p>Het koor van edele, Thebaansche grijsaards treedt voor, zijne eerste reien ontplooien
-in purperen gewaad, vol Dionysischen luister, de hoofden met goud getooid; daar klinkt
-de heerlijke, machtig aangrijpende met zijne afwisselende rhythmen wegsleepende hymnus:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Straal der zonne, wees gegroet.&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">Koning Creon betreedt het tooneel in goud gestikt, purperen gewaad, het voorhoofd
-met den diadeem versierd, steunende op een schepter, waarop een adelaar zijne wieken
-ontplooit. Boven de gewone maat van den man verheft hem de cothurnus, gebiedende waardigheid
-verleent hem het masker, geweldig staat hij daar, zelfs voor het oog van den verst
-verwijderden toeschouwer in de kolossale ruimte. Het recht van den gebiedenden heerscher
-wil hij doen gelden tegenover de edele jonkvrouw&#x2014;zij echter kent slechts één hoogsten
-plicht, haar in het hart gegrift: de liefde&#x2014;en den koning, die de wreedheid tegen
-den broeder met den rechtmatigen haat der burgers van Thebe tegen hem verdedigt, geeft
-zij slechts dit eene onsterfelijke antwoord:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Mij schiep natuur tot liefde, niet tot haat.&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">En zij gaat heen om te doen, wat zij gezworen heeft en het recht der levenden voor
-het recht der dooden ten offer te brengen. In een ernstigen, verheven rei bezingt
-het koor de grootheid van den mensch en zijne hemeltergende vermetelheid&#x2014;en betreurt
-het erfelijke leed der Labdaciden<a class="noteRef" id="xd30e3705src" href="#xd30e3705">25</a>; <span class="pageNum" id="pb264">[<a href="#pb264">264</a>]</span>Haemon, Creon&#x2019;s eigen zoon, komt en smeekt zijn vader om het leven van Antigone, zijn
-teergeliefde bruid&#x2014;doch de vorst houdt streng vast aan zijn voornemen en als Ismene
-vraagt:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Zult gij de bruid dan dooden van uw zoon?&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">klinkt het harde antwoord:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Ook andere velden nog beloven vrucht.&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">Vertwijfelend ijlt de bruidegom weg, met een onheilspellend gelaat&#x2014;en nu weêrklinkt
-in het koor der edele Thebaansche grijsaards dat lied, &#x2019;t welk gedicht werd op dien
-zonnigen dag, toen Pericles en Aspasia in den lusthof van den dichter in het Cephissus-dal
-verwijlden:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;God der liefde, nooit bedwongen,
-</p>
-<p class="line xd30e2518">Eros, die zelfs &#x2019;t ruwst gemoed,
-</p>
-<p class="line">Waar uw pijl is ingedrongen,
-</p>
-<p class="line xd30e2518">Voor uw almacht buigen doet!&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">Nu echter begint in afwisselenden zang van het koor, de roerende klacht van Oedipus&#x2019;
-dochter, die gedoemd is, om levend neer te dalen in de groeve&#x2014;aandoenlijk, hartverscheurend
-klinkt de treurzang en bij dit glanspunt der tragedie is ieder oog van de ademloos
-luisterende Atheners vochtig van innerlijke aandoening. De jonkvrouw naöogend op haar
-doodsweg, vermeldt de rei des grijsaards:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Zoo werd ook Danaë aan &#x2019;t licht der zon
-</p>
-<p class="line">Ontrukt, in &#x2019;t koperen gewelf gesloten,
-</p>
-<p class="line">Waar als in &#x2019;t graf geen oog haar vinden kon.&#x2014;</p>
-</div>
-<p class="first">Tiresias komt, de onfeilbare, grijze ziener treedt op en spreekt eene ernstige vermaning,
-om den onverzoenlijken te verbidden en eindelijk buigen de onsterfelijken zijn onwrikbaren
-trots&#x2014;hij laat, door een vreeselijk voorgevoel aangegrepen, zijne vermetelheid varen&#x2014;reeds
-roept het koor in een vroolijken jubelzang den God der vreugde, Dionysus, aan:
-<span class="pageNum" id="pb265">[<a href="#pb265">265</a>]</span></p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Lievling der Thebaansche maagd
-</p>
-<p class="line">Zoon van Zeus, wiens donderslagen
-</p>
-<p class="line">Raatlend door het luchtruim jagen;
-</p>
-<p class="line">Kom, terwijl we in blijden zin
-</p>
-<p class="line">&#x2019;t Feestlied door uw stad doen schallen,
-</p>
-<p class="line">Zegenbrengend Theben in!&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">Indrukwekkend klinkt die jubelzang na het sombere grafgezang&#x2014;doch plotseling versterven
-die juichtonen en maken opnieuw plaats voor het grafgezang; want Antigone heeft zich
-zelve in de groeve van het leven beroofd en haar lijk omklemmend is Haemon, door zijn
-eigen staal geveld, met haar afgedaald in den nacht van den Hades.
-</p>
-<p>En nu verschijnt Eurydice, de gemalin van den weeklagenden Creon. Zij verneemt de
-tijding van den dood van haar geliefden zoon. Uit den mond van den bode hoort zij
-dat beiden vereenigd in den dood zijn gegaan in de sombere groeve. Op de tijding van
-het uiteinde haars zoons breekt haar moederhart.
-</p>
-<p>Geweldig greep dat doodsbericht uit den mond van den bode de gemoederen aan. Doch
-nog aangrijpender klonken de weinige woorden uit den mond der koningin, die zich als
-offer wil geven aan den dood.
-</p>
-<p>Ademloos luisterden de Atheners naar het wegsterven der laatste woorden van dit grootsch
-en verheven treurspel: met eene strophe ter aanprijzing der wijsheid eindigde het
-treurspel als met een verheven slotaccoord.
-</p>
-<p>Groot en diep was de indruk, dien de tragedie van Sophocles, drie liefdebanden en
-drie doodsoffers in elkander strengelend, op de gemoederen der aandachtige Grieken
-teweegbracht. Zóó schoon was de strenge, sombere ernst der tragische kunst nog nooit
-verzacht,&#x2014;zóó menschelijk was het <span class="corr" id="xd30e3746" title="Niet in bron">verhevene, zóó </span>verheven was het menschelijke door niemand ooit uitgesproken.
-</p>
-<p>Maar ook nooit was in eenige tragedie zulk een overvloed van heerlijke gezangen, zoo
-rijk en beteekenisvol <span class="pageNum" id="pb266">[<a href="#pb266">266</a>]</span>over de toehoorders uitgestort; zoo harmonisch volkomen tot in het kleinste had het
-Attisch tooneel nog geene schepping gezien, zoo&#x2019;n kunstvaardig en schitterend koor
-was nog nooit voor de verzamelde Atheners opgetreden.
-</p>
-<p>Toen het koor van Hipponicus zich verwijderd had en de dramatische wedstrijd geëindigd
-was, verhief het geheele volk met luide kreten onstuimig zich ten gunste van Hipponicus,
-zoodat de kamprechters zonder beraadslaging onverwijld den dichter der Antigone en
-zijn choreeg, ten aanhoore der vergaderde menigte, die vol spanning de uitspraak verbeidde,
-als overwinnaars in den tragischen wedstrijd uitriepen. Sophocles en Hipponicus verschenen
-overeenkomstig het gebruik op het tooneel, om voor de oogen van het volk uit de hand
-der kamprechters den zegekrans te ontvangen.
-</p>
-<p>Onmogelijk is het de vreugde en den trots van Hipponicus te schilderen, onmogelijk
-ook de verwoede verbittering van Pyrilampes en de zijnen.
-</p>
-<p>Toen Pericles den schouwburg verliet, ontstuwd door de ontzaglijke menigte, zag hij
-te midden van het gedrang eensklaps Theodota aan zijne zijde. Haar schoon gelaat was
-met de teederste blikken, met den verrukkelijksten glimlach om den mond verleidelijk
-naar hem toegekeerd. Zonder bemerkt te worden drukte zij hem een blad papier in de
-hand.
-</p>
-<p>Er stonden eenige regels op geschreven, Pericles las ze.
-</p>
-<p>De inhoud was als volgt:
-</p>
-<p>&#x201e;Verlangt gij bericht omtrent Sophocles en Aspasia, kom dan tot Theodota. Een slaaf
-wacht u onder de zuilen van den Tholus en zal langs een geheimen weg u door een achterdeur
-in mijn huis geleiden.&#x201d;
-</p>
-<p>Voordat Pericles er over kon denken, of hij deze uitnoodiging zou aannemen, geraakte
-hij, verder wandelende, onder de schare van Sophocles&#x2019; vrienden, die den dichter hartelijk
-geluk wenschten.
-<span class="pageNum" id="pb267">[<a href="#pb267">267</a>]</span></p>
-<p>Toen Sophocles hem zag, onttrok hij zich aan de gelukwenschingen zijner vrienden en
-snelde hem te gemoet.
-</p>
-<p>Pericles, hoewel ontstemd en peinzend, wenschte den overwinnaar eveneens van harte
-geluk.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik dank u,&#x201d; zeide Sophocles, &#x201e;doch spreek niet als vriend tot mij, maar als kunstrechter.&#x201d;
-</p>
-<p>Met moeite datgene, wat in dit oogenblik hem meer dan alles vervulde, van zich zettende,
-sprak Pericles:
-</p>
-<p>&#x201e;Weet gij, wat mij in uw treurspel reden tot nadenken heeft gegeven? Het heeft mij,
-gelijk vele andere toeschouwers, bijna bevreemd naast de banden des bloeds, dien den
-Griek sedert overoude tijden steeds heilig zijn geweest, nu ook de banden der teedere
-min met gelijk recht, met gelijke macht, met gelijken doodsernst in het treurspel
-geteekend te zien. Levendig houdt deze nieuwheid mijn geest bezig, en nog weet ik
-niet te zeggen, of gij daarin ten volle recht hebt.&#x201d;
-</p>
-<p>Van dit onderwerp afstappende, vervolgde Pericles:
-</p>
-<p>&#x201e;Waart gij het niet zelf, die onder het masker van den bode dat aangrijpend verhaal
-van den dood van Haemon zoo plechtig schoon hebt voorgedragen? Ik meende uwe stem
-te herkennen. Doch wie sprak de woorden van Eurydice? Welke tooneelspeler stak achter
-het masker van deze koningin? Ik weet niet, welke verwonderlijke, het gemoed heimelijk
-aangrijpende betoovering de toeschouwers beving, toen gij beiden, gij als bode en
-die koningin tegen elkander overstondt. Welke man, tenzij Polus, zou dien wonderlijken
-klank der stem zoo heerlijk kunnen weergeven?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ook Polus niet,&#x201d; hernam Sophocles glimlachend. &#x201e;Gij hebt straks van nieuwigheden
-in mijn stuk gesproken; weet dan, dat bij deze voorstelling ook eene nieuwigheid is
-gewaagd, waarvan tot heden geen menschenziel afweet, behalve ik zelf en de eerlijke
-Hipponicus. Voor de eerste maal, <span class="pageNum" id="pb268">[<a href="#pb268">268</a>]</span>sedert Thespis<a class="noteRef" id="xd30e3774src" href="#xd30e3774">26</a> zijn kar in beweging bracht, heeft heden op ons tooneel achter het masker eene werkelijke
-vrouw gestoken. Wees gij nu de derde in het geheim en laat het tusschen ons drieën
-voor alle volgende tijden bewaard blijven.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En wie was die vrouw,&#x201d; vroeg Pericles, &#x201e;die het gewaagd heeft, zij &#x2019;t ook onbekend,
-het tooneel te betreden? en het oude gebruik en de goede oude zeden te trotseeren?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij zult ze zien,&#x201d; antwoordde Sophocles en verdween voor een oogenblik; weldra keerde
-hij terug met eene vrouw, die zoo dicht omsluierd was, dat ze onmogelijk was te herkennen.
-</p>
-<p>Sophocles voerde haar en Pericles iets meer ter zijde opdat zij volkomen veilig zouden
-zijn voor de nieuwsgierige blikken der menigte. Daarop sprak hij:
-</p>
-<p>&#x201e;Is het nog noodig Pericles, dat zij zich ontsluiere, om de vrouw te herkennen, die
-niet alleen de schoonste, maar ook de moedigste is van haar geslacht?&#x201d;
-</p>
-<p>Pericles was getroffen.
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, zij moet zich ontsluieren,&#x201d; sprak hij op een koelen en ernstigen toon. Met vaste
-hand trok de vrouw den sluier van het gelaat en Pericles stond tegenover Aspasia.
-</p>
-<p>Hij kon geen woord uiten. De inhoud van dat briefje van Theodota scheen dus waar te
-zijn geweest. Aspasia had, zooals nu duidelijk werd, zonder zijne voorkennis heimelijk
-met den dichter samengewerkt, om het stoute plan ten uitvoer te brengen. Hij kende
-de trouwe vriendschap van den edelen Sophocles, doch Aspasia had een nieuw bewijs
-gegeven, dat haar geest in dartele vrijheid met alle boeien spotte.
-</p>
-<p>Alles wat daar in het gemoed van Pericles omging, <span class="pageNum" id="pb269">[<a href="#pb269">269</a>]</span>las Aspasia duidelijk op zijn voorhoofd, in zijne zamengetrokken wenkbrauwen, in den
-donkeren blik zijner oogen.
-</p>
-<p>En dit welsprekende zwijgen met haar gewone levendigheid beantwoordende, sprak zij:
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">&#x201e;</span>Frons uwe wenkbrauwen niet, Pericles, en boven alles vertoorn u niet op uw vriend
-Sophocles. Door mij gedwongen, heeft hij die vermetelheid begaan.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wees ook niet toornig op Aspasia,&#x201d; viel de dichter haar in de rede, &#x201e;want weet, dat
-zij mij heeft doen inzien, dat de vriendschap heiliger is dan de liefde, wanneer zij
-ouder is dan de liefde.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Strijd tegen het overgeleverde is mijne roeping!&#x201d; vervolgde Aspasia, &#x201e;en waarom zoudt
-gij dan op mij verstoord zijn, als ik niet minder belang stel in de schoone poëzie
-van Sophocles, dan in de marmeren beelden van Phidias&#x2019; werkplaats? Om de schoonheid
-en de vrijheid te vinden, ben ik naar Hellas gekomen. Had ik slavernij gezocht, dan
-was ik aan het Perzische hof gebleven en had een kwijnend leven voortgesleept onder
-den matten liefdeblik van den grooten koning. Wat u op dit oogenblik bezielt, Pericles,
-is een waan, een vooroordeel, eene ergerlijke bekrompenheid, een vrije Helleen onwaardig.
-Verdrijf ze uit uw gemoed, o Pericles!&#x201d;
-</p>
-<p>Thans naderde hen Hipponicus, die Pericles en Aspasia uitnoodigde deel te nemen aan
-het feestmaal, dat hij op een der volgende dagen wenschte te houden, om op waardige
-wijze de overwinning van Sophocles en de zijnen te vieren.
-</p>
-<p>De avond begon reeds te vallen, toen Pericles afscheid nam van Hipponicus, Sophocles
-en Aspasia. Peinzend wandelde hij voort.
-</p>
-<p>Hij dacht aan Aspasia. Hij overwoog in zijn hart, wat zij zooeven had gesproken. Hij
-moest haar volkomen gelijk geven. Geen kluister mocht de liefde zijn, geen slavenjuk
-voor Aspasia.
-</p>
-<p>Maar ook voor hem zelve niet.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij kunt Theodota bezoeken,&#x201d; sprak hij schier onhoorbaar; &#x201e;het is misschien niet
-goed een langen <span class="pageNum" id="pb270">[<a href="#pb270">270</a>]</span>tijd onafgebroken zich aan één vrouw over te geven.&#x201d;
-</p>
-<p>De eischen van de fiere en vrije Aspasia schenen hem thans in volkomen overeenstemming
-te zijn met de ernstige woorden van Anaxagoras.
-</p>
-<p>Nu kwam hem ook weder het briefje van de Corinthische te binnen en hij dacht aan den
-slaaf, die hem onder de zuilen van den Tholus wachtte. Het bericht, dat hem Theodota
-had gegeven, was hem nu door Sophocles veel nauwkeuriger medegedeeld, dan Theodota
-het zou kunnen doen. Maar zou zij misschien nog niet iets anders te zeggen hebben?
-</p>
-<p>Hij naderde de zuilen van den Tholus. De slaaf trad op hem toe en voerde hem door
-eenzame steegjes tot aan een tuinhaag, waar hij een klein poortje wilde opendoen.
-Pericles stond aan den drempel van Theodota&#x2019;s woning. Hij kon binnentreden. Niemand
-zag hem. De nachtegalen kweelden in de boschjes van den tuin.
-</p>
-<p>Plotseling echter stond Pericles stil. Hij bedacht zich en bevond, dat hem op dit
-oogenblik de lust om Theodota te spreken geheel en al ontbrak. Hij verbaasde zich
-over zich zelven. Hij zeide tot den slaaf, dat hij zijn bezoek tot een volgenden keer
-wenschte uit te stellen. Deze keek hem verbaasd aan. Hij echter verwijderde zich met
-langzame schreden en vervolgde zijn weg.&#x2014;
-</p>
-<p>De maan was opgegaan en verspreidde haar zacht licht over de aarde. In haar stralen
-schitterde de zee en een zilveren glans tintte de kruinen van Attica&#x2019;s bergen. De
-lucht was zoel en verkwikkend. Daar klonken op eens in de verte de tonen, door de
-avondlucht gedragen, van den heerlijken reizang uit de Antigone:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;God der liefde, nooit bedwongen,
-</p>
-<p class="line xd30e2518">Eros, die zelfs &#x2019;t ruwst gemoed,
-</p>
-<p class="line">Waar uw pijl is ingedrongen,
-</p>
-<p class="line xd30e2518">Voor uw almacht buigen doet!&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">Pericles in &#x2019;t oor.
-<span class="pageNum" id="pb271">[<a href="#pb271">271</a>]</span></p>
-<p>Jongelieden, uit den schouwburg terugkeerende, zongen stukken uit die beroemde rei,
-die hen had verrukt en vroolijk gestemd in de zachte avondkoelte.
-</p>
-<p>Eene andere onrust voegde zich bij de inwendige ontroering van Pericles en bij zijne
-gedachten aan Aspasia. Hij benijdde bijna Sophocles en Hipponicus de lauweren, die
-zij zich dezen dag om de slapen hadden gewonden. Het was hem te moede, alsof hij het
-zwaard om de lendenen gorden en een leger of vloot wilde verzamelen en voortstormen
-om schitterende zegepralen te bevechten. De lange vrede begon hem roemloos toe te
-schijnen. Een drukkend gevoel bekroop hem, waarvan hij echter al peinzend voortwandelend
-bevrijd werd, toen hij de blinkende tinnen van de Acropolis vóór zich zag opdoemen
-en de nagalm van den schoonen Antigone-dag weder ruischte in zijne ziel.
-</p>
-<p>Hij was juist op de plaats gekomen van den hellenden weg, waar van den eenen kant
-de geweldige, reusachtige graniet- en marmermassa van den <span class="corr" id="xd30e3824" title="Bron: Dionysusschouwburg">Dionysus-schouwburg</span> zich verhieven in de diepte, aan den anderen de rotsen van den burgtberg, beschenen
-door het licht der maan, majestueus tegen de lucht afstaken. In de ontzachelijke ruimte
-van den schouwburg heerschte de stilte van het graf, waar den geheelen dag door een
-zoo bont en opgewekt leven zich had bewogen, waar de hoogste uiting der Grieksche
-dichtkunst zich zoo plechtig hadden geopenbaard.
-</p>
-<p>Pericles zag neder in die diepte van den schouwburg en dan weder richtte hij zijn
-oog naar de heldere hoogte van de Acropolis, waar de tempel van Phidias begon te verrijzen.
-Zijn eigen persoon en lot verdwenen naar den achtergrond, het wolkje op zijn voorhoofd
-dreef voorbij, zijne borst verwijdde zich en uit deze diepte en van die hoogte voelde
-hij zich door een geest van profetie bezield, die hem den roem zijner vaderstad voorspelde
-en een adem van onsterfelijk leven scheen er te zweven over zijn hoofd.
-<span class="pageNum" id="pb272">[<a href="#pb272">272</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e3316">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3316src">1</a></span> Tot recht verstand van dit hoofdstuk is het niet overbodig, kortelijk den inhoud van
-Sophocles&#x2019; Antigone mede te deelen. Polynices, de broeder van Antigone, is, als vijand
-zijner vaderstad, voor de muren van Troje gesneuveld. Creon, koning van Thebe, heeft
-een verbod uitgevaardigd op straffe des doods, dat het lijk van Polynices onbegraven
-ten prooi der honden zal blijven. Antigone waagt het lijk haars broeders te begraven.
-Voor Creon gebracht, bekent zij hare daad en zegt meer eerbied aan de Goden dan aan
-de menschen verschuldigd te zijn. Antigone wordt opgesloten in eene onderaardsche
-grot, waar zij zich van het leven berooft. Haemon, Creon&#x2019;s jongste zoon, de verloofde
-van Antigone, stoot zich het zwaard door de borst. Op het hooren van die tijding berooft
-Eurydice, Creon&#x2019;s echtgenoote, zich van het leven, haar echtgenoot vervloekende. Het
-geheele stuk wordt afgewisseld door prachtige reizangen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3316src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3320">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3320src">2</a></span> Elaphebolion is de maand, die loopt van half Maart tot half April. In die maand werden
-de Elapheboliën gevierd, d.i. de feesten ter eere van de hertenjacht. Elaphebolos
-beteekent: hertendoodend.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3320src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3328">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3328src">3</a></span> Euripides is de derde der beroemde Grieksche treurspeldichters. Evenwel hij is de
-minste onder hen. Zijn vader heette Maesarchus en zijne moeder Clito, eene groentevrouw;
-hij zou juist op den dag der overwinning bij Salamis (480) geboren zijn. De dialoog
-in zijne stukken is dikwijls zeer wijsgeerig.&#x2014;Vooral door Aristophanes wordt hij zeer
-bespot. Hij stierf nog vóór Sophocles in 406 v. C. Van zijne stukken zijn ons de namen
-van 75 bekend, doch slechts 18 hebben wij er over, waaronder een satyr-drama en een
-stuk Rhesus, dat misschien niet van hem is. Hij zou door honden zijn verscheurd. Archelaüs
-heeft te Arethusa een monument voor hem opgericht; eveneens deden de Atheners in hunne
-stad.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3328src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3331">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3331src">4</a></span> Cratinus leefde van 520&#x2013;424 en was de stichter der komedie. Zijne Pytine, de flesch,
-waarin hij tegen Aristophanes vooral te velde trekt, is het meest bekend. Hij is beroemd
-om zijne vinnigheid en <span class="corr" id="xd30e3333" title="Bron: carcasme">sarcasme</span>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3331src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3337">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3337src">5</a></span> Choregos is eigenlijk de aanvoerder van een koor, ook hij die de kosten voor de opvoering
-van een koor (choregie) draagt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3337src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3342">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3342src">6</a></span> Pytho is een draak, die het Delphisch orakel bewaakte; hij werd door Apollo geveld.
-Volgens de sage, stelde Apollo daarna te Delphi de Pythische feesten in. Met de Olympische,
-Isthmische en Nemeïsche spelen waren zij de beroemdste nationale spelen in Griekenland.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3342src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3355">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3355src">7</a></span> De cothurnus is eigenlijk eene hooge jachtlaars, ook op het tooneel in het treurspel
-gebruikt, om grooter te schijnen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3355src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3380">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3380src">8</a></span> Halicarnassus was een der beroemdste steden van Klein-Azië in Ionië.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3380src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3383">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3383src">9</a></span> De Lenaeën is een feest ter eere van Dionysus (Bacchus) gevierd; de naam is afgeleid
-van het Grieksche lenos, dat wijnpers beteekent.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3383src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3397">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3397src">10</a></span> In de tragedies van Euripides is eene afkeer van de vrouwen duidelijk merkbaar. Men
-zegt, dat de treurige ervaring bij zijne beide vrouwen Melito en Choerile opgedaan
-den dichter tot die sombere beschouwing hebben geleid. Vandaar kreeg hij den bijnaam
-&#x201e;de vrouwenhater.&#x201d;&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3397src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3413">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3413src">11</a></span> Philoctetes, zoon van Poeas en Demonassa trok op tegen Ilium. Wegens eene verpestende
-wonde aan de voet, ten gevolge van een slangenbeet, werd hij door de Grieken op het
-eiland Lemnos achtergelaten. Hij bezat echter den boog en pijlen van Hercules zonder
-welke, zoo had Helenus geprofeteerd, Troje niet kon genomen worden. Na negen jaren
-op het eiland te hebben doorgebracht, kwamen Odysseus en Diomedus of Neoptolemus (volgens
-Sophocles) om hem naar Ilium te voeren. Na veel tegenstand gelukte het hun, en door
-bemiddeling van Philoctetes werd Ilium genomen.
-</p>
-<p class="footnote cont">Sophocles behandelt deze geschiedenis, voor een deel althans, in zijn &#x201e;Philoctetes.&#x201d;&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3413src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3432">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3432src">12</a></span> Protagonistes was de persoon die de hoofdrol, denteragonistes hij, die de tweede rol
-vervult, terwijl tritagonistes genoemd wordt degene, die in de derde rol optreedt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3432src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3445">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3445src">13</a></span> Electra, de dochter van Agamemnon en Clytemnaestra, naar wie een treurspel van Sophocles
-geheeten is.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3445src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3457">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3457src">14</a></span> Orestes, die eerst dood gewaand, later door Electra herkend wordt. Te samen dooden
-zij hun moeder Clytemnaestra, de moordenares huns vaders. Ook van Euripides bestaat
-een treurspel &#x201e;Electra&#x201d; geheeten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3457src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3467">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3467src">15</a></span> Zie Inleiding pag V. Aiax, woedend om die nederlaag richt eene vreeselijke slachting
-aan onder de runderen, meenende dat het Grieken waren. Daarop stortte hij zich in
-zijn zwaard.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3467src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3496">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3496src">16</a></span> Soph. Aiax vs. 794 en v.v.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3496src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3507">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3507src">17</a></span> De zon. De volgende verzen vindt men in Sophocles Aiax vs. 823 en v.v.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3507src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3521">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3521src">18</a></span> Ismene is de zuster van Antigone, die te vreesachtig is om deze te helpen in haar
-vromen plicht. Toch wordt zij door Creon ter dood veroordeeld, doch ontvangt, tegen
-haar zin, genade.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3521src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3543">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3543src">19</a></span> Dionysus (Bacchus).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3543src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3546">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3546src">20</a></span> Didaskalos beteekent eigenlijk leermeester, ook hij, die een tooneelstuk laat instudeeren,
-de koormeester.
-</p>
-<p class="footnote cont">Het komt ook wel voor in de beteekenis van: de dichter van het tooneelstuk.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3546src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3635">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3635src">21</a></span> Eigenlijk: de dansplaats; voorts de plaats in den Atheenschen schouwburg tusschen
-het tooneel en de amphitheatersgewijze oploopende zitplaatsen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3635src" title="Ga terug naar noot 21 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="n259.2">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n259.2src">22</a></span> Omphale, de dochter van den Lydischen koning Iardanes en gemalin van Tmolus, verbond
-zich na den dood van dezen met Heracles of Hercules en baarde hem een zoon. Eene latere
-sage is er, dat Heracles door haar verwijfd is geworden en vrouwelijke handwerken
-leerde, terwijl Omphale de wapenen des oorlogs hanteerde. Ongetwijfeld doelt Hamerling
-hier op deze laatste legende, ze toepassende op Pericles en Aspasia.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n259.2src" title="Ga terug naar noot 22 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3661">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3661src">23</a></span> Agonothetes is een insteller van den wedstrijd, ook een opzichter en rechter daarvan.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3661src" title="Ga terug naar noot 23 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3664">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3664src">24</a></span> Mastigophoros is eigenlijk een zweep of geeseldrager; vandaar een lager bediende,
-die met zweep of geesel de orde handhaaft.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3664src" title="Ga terug naar noot 24 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3705">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3705src">25</a></span> Oedipus, de zoon van Laïus, was gesproten uit het geslacht der Labdaciden, dat aan
-Labdacus, den vader van Laïus, zijn naam ontleende.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3705src" title="Ga terug naar noot 25 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3774">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3774src">26</a></span> Thespis te Icaria, een Attisch vlek, geboren, wordt de eigenlijke stichter der tragedie
-genoemd. Hij had de gewoonte ingevoerd, dat de reiaanvoerder bij afwisseling het een
-of ander verhaal uit het goden- of helden-epos voordroeg. Onwaarschijnlijk echter
-is het verhaal, dat Thespis op een wagen een tooneel had ingericht; vanwaar de uitdrukking,
-die de schrijver hier gebruikt echter afkomstig is. Horatius bezigt het eerst de uitdrukking:
-&#x201e;kar van Thespis.&#x201d;
-</p>
-<p class="footnote cont">Van Thespis is niet één stuk meer overgebleven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3774src" title="Ga terug naar noot 26 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">X.</h2>
-<h2 class="main">DE KONINGIN VAN HET FEEST.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Toen Pericles, na de overwinning van Hipponicus en het daarop gevolgd gesprek van
-Aspasia, eenige dagen door allerlei gevoelens, die de vrijheidsliefde der Milesische
-in hem opgewekt had, bestormd werd, werd telkens de gedachte bij hem levendig: &#x201e;Ik
-zal aan de vriendelijke uitnoodiging van Theodota gehoor geven. Waarom zou die Milesische
-vrouw mij in kluisters slaan, die zij zelve niet kent?&#x201d;&#x2014;Doch als het beeld van Aspasia
-weder oprees voor zijn geest, als hij dacht aan de vrije fiere ziel van die vrouw,
-aan de mogelijkheid haar te zullen verliezen, dan week zijne begeerte naar Theodota
-naar den achtergrond. Naast den vurigen gloed, waarmede Pericles Aspasia beminde,
-kon die nieuwe opwelling geen stand houden. Vooruit gezien, ja vooruit berekend was
-deze uitwerking door Aspasia.&#x2014;Maar Pericles ging voort met zich zelven te bestrijden
-en aan nieuwe opwekking tot dien strijd zou het hem niet ontbreken.
-</p>
-<p>Hipponicus, die alles opofferde, om van den luister zijns rijkdoms en de pracht zijner
-feesten te doen spreken, had niet gerust, voordat Pericles en Aspasia er in toegestemd
-hadden ook op het zegemaal te zullen komen.
-</p>
-<p>Toen de bepaalde dag gekomen was, zag men in het huis van Hipponicus de uitgelezenste
-hoofden, de schitterendste vertegenwoordigers van den Atheenschen roem vereenigd.
-</p>
-<p>Pericles, Aspasia en de overige genoodigden waren nauwelijks binnengetreden, of Hipponicus
-liet hen de pracht van zijn huis zien. Hij leidde hen rond en toonde hun zijne vertrekken,
-zijne tuinen, zijne baden, zijne worstelplaats&#x2014;een gymnasium in het klein&#x2014;zijne vischvijvers,
-zijne schoone paarden, zijne honden, zijne zeldzame vogels, zijne <span class="pageNum" id="pb273">[<a href="#pb273">273</a>]</span>hanen en kwartels, die hij voor zijn genoegen hield, om ze met elkaar te laten vechten.
-Hij wees hun het grafteeken, dat hij voor een zijner gestorven honden van het Melitaeïsche
-ras had opgericht. Hij zeide, dat zijn huis eene herberg was, steeds vol gasten, dat
-hij dagelijks een dozijn parasiten aan zijne tafel spijzigde. &#x201e;Die knapen,&#x201d; zei hij,
-&#x201e;zijn zoo vet gemest, dat het mij spijt, dat ik ze u vandaag niet kan laten zien.
-Want heden heb ik mij voorgenomen, alleen de uitstekendste mannen van Athene aan mijne
-tafel te vereenigen.&#x201d;
-</p>
-<p>Een zijner gasten vroeg hem naar zijne gemalin, eene vraag, die niet zeer bescheiden
-was. Hij antwoordde, dat zij wèl was, maar dat hij haar in de vrouwenvertrekken niet
-storen wilde. Iedereen toch wist, dat hij die vrouw alleen daarvoor gebruikte, om
-haar uit pronkzucht met allerlei edelgesteenten en paarlen te behangen en haar naar
-de nieuwste mode in een sierlijken wagen, met Sicyonische paarden bespannen, door
-de straten te laten rijden. Voor &#x2019;t overige hield de oude liefhebber&#x2014;ook naar de nieuwste
-mode&#x2014;er eene buitenlandsche vriendin op na, en men zeide dat tegenwoordig de beroemde
-Theodota het voorwerp zijner hulde was.
-</p>
-<p>Ook over zijne kinderen sprak hij tot zijn gasten, over zijn zoontje Callias, die
-hij juist, naar hij zeide, naar Delphi had gezonden, om zijn hoofdhaar te laten afknippen
-en dat volgens een oud gebruik aan Apollo te wijden; voorts over zijn dochtertje Hipparete,
-wier schoonheid en innemend karakter hij niet genoeg kon prijzen en van wie hij zeer
-veel scheen te houden. &#x201e;Dit kind,&#x201d; zei hij, &#x201e;groeit op tot de schoonste en edelste
-aller Atheensche jonkvrouwen en het zal moeilijk zijn eens een bruidegom, harer waardig,
-te vinden. Wat schoonheid betreft, ken ik geen knaap in Athene, van wien men voorspellen
-kan, dat hij als jongeling opgegroeid naast deze jonkvrouw zal kunnen gesteld worden,
-behalve uw Pleegzoon, Pericles, den kleinen Alcibiades. Ik heb hem een paar maal in
-<span class="pageNum" id="pb274">[<a href="#pb274">274</a>]</span>de worstelschool gezien en deze knaap mag gerust beweren, bijna onder de jongens te
-zijn, wat Hipparete is onder de meisjes. Wat hun leeftijd aangaat, geloof ik, dat
-zij niet veel zullen verschillen. Nu, wie weet, wat de Goden beschikken, als deze
-beide knoppen eens opengebroken zijn! Wat dunkt u, Pericles? Doch, er is nog tijd
-genoeg, om daarover te spreken.&#x201d;
-</p>
-<p>Na deze en dergelijke gesprekken geleidde Hipponicus zijne gasten in de groote, prachtig
-versierde eetzaal. Hier stonden in een wijden kring de aanligbedden, waarop men gewoon
-was aan tafel aan te liggen. Het behoeft nauwelijks vermeld te worden, dat de daarover
-gespreide tapijten rijk en keurig bewerkt waren, dat de ronde kussens, waarop men
-den arm kon doen rusten, met bonte kleuren afgezet waren, dat de zilveren en gouden
-vazen, met edelgesteenten bezet, op de schenktafels meer nog door bevalligheid van
-vorm, dan door hare kostbaarheid de aandacht trokken, dat uit even sierlijke schalen
-de heerlijkste geuren opstegen die de geheele zaal met een bedwelmende, aangename
-lucht vervulden; dat de wanden beschilderd waren met beelden, vol levenslust en bekoorlijkheid.
-Daar waren groepen en tooneelen te zien, waarin tallooze liefdegoden waren voorgesteld,
-allen bevallig door duiven en musschen gedragen. Nog merkwaardiger was de vloer. Bij
-den eersten aanblik scheen zij bezaaid met den afval van een rijken disch: van vruchtenschillen
-in de meest afwisselende kleuren, beentjes, broodkruimels, afgesneden hanenkammen,
-bontkleurige vederen, kortom van overblijfsels van allerlei soort. Maar wanneer men
-de vloer nader beschouwde, zag men dat alle deze voorwerpen kunstig waren nagemaakt
-door ingelegde bonte steenen in het fijnste mozaïek. Groote, schoone beschilderde
-vaten waren tot verdere versiering op geschikte punten van de ruime zaal geplaatst.
-Tegenover den ingang van het vertrek stond een met bloemen bekranst altaar, waarop
-<span class="pageNum" id="pb275">[<a href="#pb275">275</a>]</span>eene vlam brandde, die de welriekendste geuren verspreidde.
-</p>
-<p>Hipponicus noodigde de gasten naar vrije keus zich op de aanligbedden neder te vlijen.
-Eerst echter ging men zitten; slaven naderden met schoon gevormde, zilveren bekkens
-en kannen, om vóór het begin van het maal den gasten de schoenriemen los te maken,
-hun de zilveren bekkens onder de ontbloote voeten te houden en daarover den inhoud
-der zilveren kannen uit te gieten. Deze bevatten echter in plaats van water geurigen
-wijn, die sterk was gekruid door vermenging van welriekende olie en essencen. Eveneens
-werden de handen besprenkeld en vervolgens met fijne doeken afgedroogd.
-</p>
-<p>De gasten van Hipponicus hadden, volgens de uitnoodiging van den gastheer, zich twee
-aan twee op de aanligbedden nedergezet, naar het toeval meêbracht of de vriendschap
-van een paar mannen, die gaarne naast elkander wilden blijven. De waarheidszoeker
-Socrates had plaats genomen naast den wijzen Anaxagoras; de beeldhouwer Phidias naast
-zijn vriend, den bouwmeester Ictinus; de dichter Sophocles naast den tooneelspeler
-Polus; de sophist Protagoras<a class="noteRef" id="xd30e3853src" href="#xd30e3853">1</a> naast den geneesheer Hippocrates<a class="noteRef" id="xd30e3861src" href="#xd30e3861">2</a>.
-</p>
-<p>De sophist Protagoras vertoefde juist te Athene en had zijn intrek genomen bij zijn
-gastvriend Hipponicus. Zijne aankomst te Athene had groot opzien verwekt; want de
-roem van dezen man wies in Griekenland van dag tot dag. Hij was <span class="pageNum" id="pb276">[<a href="#pb276">276</a>]</span>een geboren Abderiet<a class="noteRef" id="xd30e3869src" href="#xd30e3869">3</a> derhalve een Thraciër en toch eigenlijk een Ioniër, want Abdera was eene kolonie
-der Ioniërs. In zijn vroegere jaren was hij pakdrager geweest, naar men zeide, totdat
-een wijs man zijne kundigheden ontdekte en ze tot ontwikkeling deed komen. Veel had
-hij rondgezworven, hij had zelfs uit de wijsheidsbron van het oosten geput en nu rees
-hij op aan den hemel van Hellas als een schitterend meteoor. Hij had verstand van
-alle mogelijke zaken: van de gymnastiek, de muziek, de redekunst, de dichtkunst, de
-kennis van hemel en aarde, de mathematische vakken, de ethiek, de politiek en overal
-waar hij kwam vond hij een buitengewonen toeloop van weetgierigen. Rijke jongelingen
-gaven de grootste sommen, om van zijn onderricht te genieten. Hij was eene prachtige
-verschijning, die het oog bekoorde, hij had de houding van een koning, ging prachtig
-gekleed, en wegsleepend was de kracht zijner welsprekendheid.
-</p>
-<p>Deze Protagoras nu zette zich naast den jongen, doch zeer ervaren en scherpzinnigen
-arts Hippocrates neder, een neef van Pericles.
-</p>
-<p>Door eene zonderlinge bestiering van het lot had de afgetrokken Polygnotus, die zich
-hier niet recht te huis gevoelde, den overmoedigen blijspeldichter Cratinus, ook als
-drinker befaamd, tot nabuur gekregen. Maar welk een hemelsbreed verschil er tusschen
-deze mannen bestond, één punt van aanraking en overeenstemming hadden zij toch gemeen.
-Zij waren de eenigen, die niet door vriendschapsbanden tot dit gezelschap behoorden
-en alleen aan de eerzuchtige begeerte van Hipponicus, om uitnemende mannen op elk
-gebied bij zich te zien, hunne uitnoodiging te danken hadden. Cratinus was een spotter,
-wiens geestigheid, den bliksem gelijk, het liefst de hoogst uitstekende <span class="pageNum" id="pb277">[<a href="#pb277">277</a>]</span>punten trof. Hij had immers in zijne laatste comedie zelfs Pericles en zijne schoone
-vriendin niet gespaard. Polygnotus echter, de vriend van Elpinice, voedde een heimelijken
-wrok tegen Phidias. En zoo keken dan ook Cratinus en Polygnotus elkander hoofdschuddend
-aan, toen zij Aspasia, op uitnoodiging van den gastheer, tusschen dezen en Pericles
-plaats zagen nemen op een afzonderlijk aanligbed, waarop zij, naar de gewoonte der
-vrouwen, rechtop zat, terwijl de mannen, met den linker arm op het kussen steunende,
-op hunne linkerzijde aanlagen. Cratinus en Polygnotus vroegen elkaar fluisterend,
-hoe het kwam, dat men hier eene vreemdelinge, eene hetaere, zulk eene eer bewees.
-De overige gasten dachten er anders over. Zij waren vrienden van Pericles, zij vormden
-de schitterende schare zijner getrouwen, zij kenden de uitnemendheid en de macht van
-Aspasia en verwonderden zich reeds niet meer over iets, als het de Milesische gold.
-Wat Protagoras betrof, deze zag Aspasia wel is waar heden voor het eerst, maar haar
-uiterlijk had hem van het eerste oogenblik af zoo geheel en al betooverd, dat iedere
-gedachte eerder bij hem zou opkomen, dan zich aan hare tegenwoordigheid te ergeren.
-</p>
-<p>Op een wenk van Hipponicus werd nu voor elk <span class="corr" id="xd30e3879" title="Bron: aanlidbed">aanligbed</span> eene kleine tafel geplaatst; de spijzen werden deels opgedragen, deels rondgediend,
-en het maal begon.
-</p>
-<p>Evenals het gezelschap van beroemde gasten in het huis van Hipponicus eenig was, zoo
-had deze zijn best gedaan, dat aan zijne tafel niets zou ontbreken, wat de Atheensche
-markt eere kon aandoen.
-</p>
-<p>&#x201e;Wanneer ik,&#x201d; sprak Hipponicus, terwijl zijne gasten zich aan de heerlijke spijzen
-te goed deden, &#x201e;mij heden het genoegen zie bereid, zulk eene schare van uitgelezen
-mannen aan mijne tafel te vereenigen, dan gevoelde ik mij verplicht, hen zoo kostelijk
-mogelijk te onthalen. Maar gij weet, hoe ver wij Atheners het ook in de andere kunsten
-mogen gebracht hebben, in de kunst van goed <span class="pageNum" id="pb278">[<a href="#pb278">278</a>]</span>te eten staan wij nog zeer ten achteren. En toch, meen ik, is de kunst van goed te
-eten volstrekt geen zaak, die mag verwaarloosd worden. Ik voor mij heb er altijd eene
-eer ingesteld voor een lekkerbek door te gaan en ik zou mij gelukkig prijzen, als
-ik iets kon bijdragen, om de Attische keuken tot een hoogere trap van volkomenheid
-te brengen. Ik zie een spottenden glimlach de lippen van sommigen plooien, alsof zij
-wilden zeggen, dat ons Athene iets dergelijks niet noodig heeft, dat het wel geroepen
-is in andere kunsten aan de spits der volken te staan, doch niet in deze kunst. Veroorlooft
-mij te zeggen, dat dit eene dwaling is. Want, als gij u op ons uitnemend marmer, op
-onze voortreffelijke kleiaarde en dergelijke dingen beroept, zal ik u gemakkelijk
-aantonen, dat gij ook zout en olie en azijn en aromatische kruiden, die toch altijd
-de krachtigste hulpmiddelen blijven in de handen van een kunstenaar in de kookkunst,
-onder geen hemelstreek beter vindt dan bij ons. Om van het Attische zout niet te spreken,
-dat in tweeërlei zin beroemd is, weet ieder dat niets te vergelijken is met de vrucht
-van den Attischen olijf, dat de kruiden van de Hymettus de geurigste zijn en dat juist
-daarom de honig van dien Hymettus de kostelijkste is, die ergens is te vinden.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik betreur het, dat ik om een waarlijk uitmuntenden kok te hebben, er een uit Sicilië
-heb moeten ontbieden.
-</p>
-<p>&#x201e;Deze echter, Anacharsis genaamd, is nu werkelijk een meester van onovertroffen bekwaamheid
-en ik mocht hem wel den Phidias of Sophocles der kookkunst noemen.
-</p>
-<p>&#x201e;Niemand verstaat het zoo goed door voorgerechten den eetlust te prikkelen. De sausen,
-waarin hij ons de worstjes, de wildezwijnenlever, de kleine vogels en dergelijke heeft
-opgedischt, zullen zelfs den fijnsten kenner bevredigen. Wat zijn meesterschap betreft
-in het uithalen van tonijnen<a class="noteRef" id="xd30e3891src" href="#xd30e3891">4</a>, alen, <span class="pageNum" id="pb279">[<a href="#pb279">279</a>]</span>muraenen<a class="noteRef" id="xd30e3896src" href="#xd30e3896">5</a> en speenvarkentjes en ze op de scherpzinnigste wijze tot streeling van het verhemelte
-met lijsters, eieren en oesters op te vullen, daarvan kunt gij u heden zelf genoeg
-overtuigen. Zijne hazen en reeën, zijne patrijzen en fasanten zult gij even heerlijk
-vinden als zijne koeken met melk en honig toebereid en met allerlei vruchten gevuld.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt juist, ik herhaal het, de gelegenheid de kunst van dezen voortreffelijken
-man te waardeeren; maar gij allen&#x2014;en ik mocht er wel bijvoegen, alle Atheners over
-het algemeen&#x2014;gij zijt in uw gemoed steeds te zeer met andere zaken bezig, om met waren
-kennerssmaak dit te proeven en de waarde van deze kunst onbevooroordeeld te erkennen.
-Eigenlijk zijn slechts de parasiten van professie werkelijke, degelijke lekkerbekken
-en dankbare dischgenooten. Gelukkig groeit het aantal van die kunstlievende mannen,
-die er hun vak van maken, om op andermans kosten heerlijk te smullen, met den dag
-aan. Ik heb u reeds gezegd, dat ik dagelijks een dozijn van die lekkerbekken aan mijne
-tafel vereenig en ik kan ze niet missen; want het begint mij te vervelen al dat heerlijke
-geheel alleen te genieten. Gij moest eens zien, met welk een ernst die knapen hun
-vak opvatten, hoe zij smakken met de tong, hoe zij de wenkbrauwen optrekken, als mijn
-kok hen met een nieuwe uitvinding of met eene fijne, slechts voor den kenner merkbare
-verandering, in de spijzen verrast. Zóó zijt gij nu waarlijk niet; integendeel terwijl
-gij de grootste kunststukken van mijn voortreffelijken Anacharsis door uwe keel laat
-glijden, denkt de een dit, de ander aan wat anders, Pericles aan zijne staatszaken
-en aan eene nieuwe volksplanting, die hij wil overbrengen, Sophocles aan een nieuw
-treurspel, Phidias aan de friezen van het Parthenon, Polygnotus overdenkt, hoe men
-de wanden dezer eetzaal nog sierlijker had kunnen beschilderen en Socrates ontleedt
-in zich zelven een begrip, in <span class="pageNum" id="pb280">[<a href="#pb280">280</a>]</span>plaats van den patrijs, dien hij op zijn bord heeft.&#x201d;
-</p>
-<p>Aldus gaf Hipponicus zijn gemoed lucht en zijne gasten lachten vroolijk om de aanmerkingen
-van den goedhartigen gastronoom.
-</p>
-<p>Nu echter stond Hipponicus op en bracht het gebruikelijke plengoffer met eene waardigheid,
-die hij als daidouchos te Eleusis niet plechtiger kon ten toon spreiden.
-</p>
-<p>&#x201e;Aan den goeden Geest gewijd!&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e3908src" href="#xd30e3908">6</a> sprak hij en goot eenige droppels ongemengden wijn uit de schaal op den grond, dronk
-toen zelf, liet den beker opnieuw vullen en bij de gasten, rechts beginnende, rondgaan.
-Gedurende dit plengoffer heerschte er eene plechtige stilte, slechts twee fluiten
-begeleidden dit met ernstige, gedempte tonen.
-</p>
-<p>Daarop werden de kleine tafels weggenomen en de vloer gereinigd<a class="noteRef" id="xd30e3913src" href="#xd30e3913">7</a>.
-</p>
-<p>Toen vervolgens de drinkbeker gebracht, het groote mengvat geplaatst en het nagerecht
-opgedragen was, met allerlei versnaperingen die den drinklust konden opwekken, alsmede
-hoofdtooisels en geurige kransen van rozen, viooltjes en myrthen binnengebracht waren,
-waarmede de gasten hunne hoofden omwonden, werd de Paëan<a class="noteRef" id="xd30e3918src" href="#xd30e3918">8</a> ter eere van <span class="corr" id="xd30e3921" title="Bron: Dionycus">Dionysus</span> aangeheven en op het met bloemen bekranste altaar een offer van vermengde wijn in
-de vlam gegoten, ter eere van alle Olympische Goden.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij weet, waarde gasten en vrienden,&#x201d; sprak weder Hipponicus, &#x201e;wat het oude, schoone
-gebruik van ons verlangt. Wilt gij liever den symposiarch<a class="noteRef" id="xd30e3926src" href="#xd30e3926">9</a> kiezen of wel hem door het lot benoemen?&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb281">[<a href="#pb281">281</a>]</span></p>
-<p>Phidias, Ictinus, Anaxagoras en eenige anderen verklaarden zich er tegen, dat men
-hem door het lot aanwees, want dan moesten zij vreezen, naar zij zeiden, zelf benoemd
-te kunnen worden en zij gevoelden weinig roeping den post van ceremoniemeester op
-zich te nemen.
-</p>
-<p>&#x201e;Als het noodig is,&#x201d; zeide Protagoras, &#x201e;een symposiarch te kiezen, dan weet ik niemand,
-wien we dit eerambt liever moesten aanbieden, dan aan den aanzienlijksten van zoovele
-aanzienlijke mannen, aan den grooten Pericles.&#x201d;
-</p>
-<p>Deze bedankte met een glimlach voor die eer en zeide: &#x201e;Kiest Socrates. Die verstaat
-het, verstandige gesprekken te leiden; zou hij dan ook geen symposion kunnen besturen?&#x201d;
-</p>
-<p>Socrates echter antwoordde: &#x201e;Ik weet niet of ik verstandige gesprekken kan leiden
-of niet; dit echter weet ik wel, dat ook wanneer dit werkelijk zoo was, het een onvergeefelijke
-aanmatiging van mij zou wezen, &#x2019;t zij bij een gesprek, &#x2019;t zij bij een symposion, de
-<span class="corr" id="xd30e3935" title="Bron: moeielijke">moeilijke</span> taak der leiding op mij te nemen, in tegenwoordigheid van mijne leermeesteres Aspasia,
-wier heerlijke wijsheid allen hier aanwezigen genoeg bekend is. Ik geef toe, dat de
-gewoonte medebrengt, een symposiarch te kiezen en dat Aspasia eene vrouw is; maar
-ik weet niet, wat de kunne met de taak van een symposiarch te maken heeft? Hipponicus
-verlangt, dat dit symposion eenig in zijn soort zij; welaan, laten wij hem daarin
-behulpzaam zijn en kiezen we in plaats van een symposiarch eene symposiarche.&#x201d;
-</p>
-<p>Op het eerste oogenblik schenen de gasten door deze woorden verbluft, doch weldra
-klonken van alle kanten levendige bijvalskreten.
-</p>
-<p>&#x201e;Zonderling, maar misschien verstandig is het,&#x201d; zei Aspasia, &#x201e;iemand tot hoofd der
-tafel te kiezen, die zelf het drinken niet verstaat.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Met welken wijn,&#x201d; ging zij voort, &#x201e;zijn tot nu toe onze bekers gevuld?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Het is wijn van Thasos,&#x201d; hernam Hipponicus, <span class="corr" title="Niet in bron">&#x201e;</span>Thasische wijn van de beste soort, zooals hij geplengd <span class="pageNum" id="pb282">[<a href="#pb282">282</a>]</span>wordt in het Prytaneüm<a class="noteRef" id="xd30e3948src" href="#xd30e3948">10</a> te Thasos. Den kostelijken geur heeft de wijn uit zich zelven, maar den zoeten smaak
-van het met honig gemengde weitemeel, dat men, naar een voortreffelijk gebruik, in
-vaten heeft gedaan.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Honigzoete, geurig gekruide wijn van Thasos!&#x201d; riep Aspasia, &#x201e;gij zijt waardig op
-het welzijn gedronken te worden der beide mannen, wier overwinning met dit maal gevierd
-wordt! Mijne vrienden, ledigt uwe bekers op het welzijn van den gekransten choreeg
-en op dat van den gelauwerden dichter der Antigone!&#x201d;
-</p>
-<p>Met geestdrift begroetten allen dezen dronk en ledigden hunne bekers, die op bevel
-der koningin van het feest opnieuw werden gevuld.
-</p>
-<p>&#x201e;Thrax&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e3958src" href="#xd30e3958">11</a>, riep Hipponicus, tot een der bedienende slaven, &#x201e;breng de wijnkaart hier, die voor
-het symposion van heden bestemd is en geef ze aan de symposiarche.&#x2014;Op dezelfde lijst,
-Aspasia, vindt ge de spelen en vermakelijkheden, waarover wij heden in dit huis beschikken
-kunnen. Moge het u behagen tot ons genoegen telkens datgene uit te kiezen wat u juist
-het schoonst en geschiktst voorkomt en het door een woord of een wenk als met een
-tooverstaf voor ons te bezweren.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wilt gij mij eene cither laten geven?&#x201d; vroeg Aspasia. &#x201e;Ik zal mij als symposiarche
-niets meer aanmatigen, dan den grondtoon voor de stemming en de harmonie aangeven.&#x201d;
-</p>
-<p>Oogenblikkelijk liet Hipponicus een slaaf eene met edelgesteenten en ivoor rijk versierde
-cither binnen brengen. De schoone Milesische nam ze aan en begon bij de tonen de volgende
-verzen te zingen:
-<span class="pageNum" id="pb283">[<a href="#pb283">283</a>]</span></p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Lachend, met bloemen getooid, welriekend van Syrischen nardus,
-</p>
-<p class="line xd30e2518">Met Dionysischen dauw, schitterend, rooskleurig besproeid,
-</p>
-<p class="line">Laat ons met klinkende stem onder &#x2019;t getokkel der snaren verkonden,
-</p>
-<p class="line xd30e2518">Dat hij het schoonst is op aard, hij het hoogste: de lust!&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">Daarop liet zij de luit aan Socrates geven.
-</p>
-<p>Deze echter zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Daar het ook tot de taak van den symposiarch behoort, raadsels ten genoege der gasten
-op te geven, heb ik aanstonds vermoed, dat Aspasia onze scherpzinnigheid met zulke
-dingen op de proef zou stellen. Wat zij daar juist, om den grondtoon voor ons symposion
-aan te geven, zooals zij zegt, van den lust des levens onder begeleiding der snaren
-heeft gezongen, wat is dat, wel beschouwd, anders dan een verleidelijk raadsel, dat
-zij ons voorlegt? Deze schoone Milesische schijnt mij inderdaad eene Sphinx<a class="noteRef" id="xd30e3976src" href="#xd30e3976">12</a> toe, met een afgrond naast zich, waarin zij ons allen zal storten, als wij hare raadsels
-niet kunnen oplossen. Hoe benijd ik thans den voortreffelijken Hipponicus! Want deze
-schijnt toch zeker wel het best van ons allen den lust en het vroolijke genot des
-levens te kennen en zoo wellicht alleen in staat dat raadsel van Aspasia in de rechte
-beteekenis te verklaren en op te lossen. Want wat iemand het best in de praktijk kent,
-dat zal hij wel het best kunnen onderwijzen.&#x201d;
-</p>
-<p>Levendig en vroolijk hunne goedkeuring aan die woorden te kennen gevende, riepen allen:
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo is het! Hipponicus is de man, om ons over het genot en over den lust des levens
-te onderrichten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wanneer dan de vervelende bespiegeling van <span class="pageNum" id="pb284">[<a href="#pb284">284</a>]</span>alle dingen bij dit symposion niet geheel vermeden kan worden,&#x201d; begon Hipponicus met
-een schalkschen lach, &#x201e;dan dank ik den Goden, dat het gesprek juist op dit en geen
-ander onderwerp gekomen is. Want dit is werkelijk, zooals Socrates zeide, eene zaak,
-waarover ik een woordje mag meespreken. Gij herinnert u nog wel, hoe ik straks mijn
-best heb gedaan, u aan het verstand te brengen, dat men bezwaarlijk het ergens ter
-wereld in de kunst van goed te eten en te drinken verder zou kunnen brengen, dan hier
-te Athene, als men maar wil. In het algemeen kan men de stelling uitspreken, dat op
-dezen bodem en onder dezen Helleenschen hemel de menschen geboren zijn, om gelukkig
-te zijn. Ik zal u echter ook bewijzen, dat het bij ons in Griekenland gemakkelijk
-is het aangenaamste leven met de wijsheid, de deugd of vroomheid of godenverheerlijking
-of wat gij ook noemen wilt, te verbinden. Want de Helleensche Goden verlangen al het
-mogelijke, alleen niet onthouding of verloochening van de vreugde en het genot des
-levens. Zelfs van mij verlangen zij dat niet, hoewel ik van een priesterlijk geslacht
-ben en jaarlijks éénmaal bij de viering der Eleusinische mysteriën het ambt van diadouchos
-moet waarnemen. Het overige deel van het jaar leef ik te Athene voor het vaderland
-en mijn genoegen, zonder dat het de Goden en niemand ter wereld zou invallen, mij
-daarvan een verwijt te maken. Als de arme stumpert Diopithes daarboven op den burg
-mij vijandig is en kwaad van mij spreekt, is het niet, omdat ik van eene keurige tafel
-en schoone vrouwen houd en er goed van leef, &#x2019;t geen hij ook wel gaarne zou doen,
-als hem de middelen er niet toe ontbraken, maar alleen omdat het Eleusische priestergeslacht
-het zijne, de Eumolpiden, de Eteobutaden, in luister en aanzien overschaduwd heeft.
-</p>
-<p>&#x201e;Als Diopithes als een suffer leeft, dan doet hij dat uit vrijen wil; de Goden der
-Hellenen bekommeren zich daar niet om en, hoewel ik er eene betere tafel op nahoud,
-beroem ik mij toch <span class="pageNum" id="pb285">[<a href="#pb285">285</a>]</span>even vroom en den Goden even welgevallig te zijn als hij. Durft iemand beweren, dat
-ik geen vroom man ben en de Goden niet eer, zoo goed als iemand te Athene? Zeus Herkeios<a class="noteRef" id="xd30e3990src" href="#xd30e3990">13</a> heeft zijn altaar aan mijn huiselijken haard; in de nis achter de deur staat Hermes
-Strophaios, de goddelijke bewaker van den deurdrempel; vóór de deur staat het gewone
-Hecate-huisje<a class="noteRef" id="xd30e3993src" href="#xd30e3993">14</a>, en de kegelvormige zuil van Apollo Agyieus<a class="noteRef" id="xd30e3996src" href="#xd30e3996">15</a> den God der straten en daarnaast de laurier, den God gewijd, tot eene beschutting
-tegen tooverij en vallende ziekte, bij de deur zelve blijft van het eene Pyanepsiën-feest<a class="noteRef" id="xd30e3999src" href="#xd30e3999">16</a> tot het andere de olijftak, symbool der overwinning, hangen, dien men met witte wol
-omwonden in den Apollo-tempel bij dat feest wijden laat; het ontbreekt ook niet aan
-opschriften boven de deur, die het huis onder de hoede der Goden stellen, noch aan
-den gebruikelijken Medusa-kop aan den anderen kant, die al het booze van den ingang
-afweert. Ik verzuim noch de betamelijke godenoffers, noch de reinigingen en verzoeningen,
-noch de gebeden, noch de gaven, noch de rijkelijke bijdragen, om den luister der godenfeesten
-te verhoogen en het heeft mij kort geleden weder vijfduizend drachmen gekost, om het
-koor voor Sophocles&#x2019; Antigone zoo prachtig mogelijk uit te rusten. Wie durft dus opstaan
-en zeggen, dat ik geen vroom man ben en de Goden niet, naar oudvaderlijk gebruik,
-eer? Wij Grieken zijn een vroom volk en ik ben een Griek. Daarom vereer ik de Goden,
-zooals betamelijk is, maar ik vrees ze niet, ook al geniet ik het goede der aarde.
-Want in den Tartarus<a class="noteRef" id="xd30e4003src" href="#xd30e4003">17</a> <span class="pageNum" id="pb286">[<a href="#pb286">286</a>]</span>zijn er velen, die om verschillende overtredingen de zwaarste straffen lijden, maar
-ik herinner mij niet, dat er onder hen één is, die daar lijdt, omdat hij een gastronoom
-en man van de wereld geweest is. Is er één onder? Neen, geen enkele! Daarom nog eens:
-ik ben een vroom man en behoef de Goden niet te vreezen. Ik vrees niets ter wereld,
-behalve de dieven en inbrekers, die mij mijne schatten, mijne paarlen en edelgesteenten,
-mijne Perzische gouden dariken<a class="noteRef" id="xd30e4008src" href="#xd30e4008">18</a> zouden kunnen ontrooven.&#x201d;
-</p>
-<p>Alle dischgenooten begonnen vroolijk te lachen bij deze laatste woorden van Hipponicus
-en klapten in de handen; hij echter vervolgde:
-</p>
-<p>&#x201e;Daar bouwen ze wijselijk een schathuis voor de staatsgelden boven op den burg, onder
-de bescherming der schutsgodin dezer stad. Maar hoe zal een vaderlandlievend man,
-als een onzer, zijn zuur verdiend geld in veiligheid brengen? Ik ontken het niet,
-dat sedert ik zesduizend slaven in mijne zilvermijnen laat werken en mijne bezittingen
-dagelijks toenemen, ik mij wat ongerust maak.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Troost u, Hipponicus,&#x201d; riep Pericles, &#x201e;ik zal bij het volk mijn best doen, dat het
-u toegestaan wordt, een schathuis voor u zelven op de Acropolis te bouwen. Gij hebt
-dit, zoo al niet door iets anders, dan toch zeker door uwe prachtige rede verdiend,
-die gij straks gehouden hebt.&#x201d;
-</p>
-<p>Wederom klapten alle dischgenooten in de handen en prezen Hipponicus en zijne rede.
-</p>
-<p>Alleen de dartele en onvermoeide drinkebroer Cratinus zeide tot den gastronoom:
-</p>
-<p>&#x201e;Wanneer gij, edele Hipponicus, werkelijk de Goden niet vreest, maar alleen de dieven
-en niets anders ter wereld, dan de dieven, wat denkt gij dan van de waterzucht en
-de andere gevolgen van een vroom en tevens goed leven? En van het pootje, dat, <span class="pageNum" id="pb287">[<a href="#pb287">287</a>]</span>zooals ik helaas bij ondervinding weet, aan te rijke besproeiing met Dionysischen
-dauw pleegt verbonden te zijn? Hebt gij ook hiervoor geen vrees? Of vertrouwt gij
-op dit punt geheel en al uw vriend Hippocrates, den voortreffelijken arts dien gij
-wijselijk aan uwe tafel pleegt te noodigen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt het geraden,&#x201d; hernam Hipponicus, &#x201e;in deze dingen verlaat ik mij geheel op
-Hippocrates, met wien ik, evenals met de Goden gaarne op een goeden voet sta. Hem
-laat ik het ook over te <span class="corr" id="xd30e4022" title="Bron: be-beslissen">beslissen</span> of het pootje en waterzucht en dergelijke zaken werkelijk komen, van wat men noemt
-&#x201e;het vette der aarde genieten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Niet geheel en al,&#x201d; hernam Hippocrates glimlachend. &#x201e;Het is wel is waar niet te ontkennen,
-dat de inspanning en vermoeienis, die met een goed leven gepaard gaan, waterzucht
-en dergelijke dingen veroorzaken kunnen. Wat het genot op zich zelf echter betreft&#x2014;en
-om het zuivere begrip daarvan is het toch in ons onderhoud te doen&#x2014;moet dit als een
-zeer geschikt hulpmiddel ter bevordering der gezondheid beschouwd worden. Het genot
-is namelijk eene eigenaardige lichaams- en zielsstemming, hetwelk de wangen kleurt,
-de oogen verheldert, de ademhaling gemakkelijker maakt, het bloed krachtig door de
-aderen drijft, het trage veerkracht geeft, het vloeibare stolt, alle levensgeesten
-opwekt, alle krachten vermeerdert en het geheele wezen van den mensch in een staat
-van schoone, heilzame harmonie brengt. Zelfs voor den kranke is de vreugde eene zoo
-heilzame artsenij, dat ik niet weet of onder alle kruiden, pleisters en dranken, die
-wij geneeskundigen bij zieken aanwenden een krachtiger middel is te vinden.&#x201d;
-</p>
-<p>Lachend gaven alle gasten hun instemming te kennen met deze woorden, en alle dischgenooten
-deden eene gelofte, dat zij zich nooit aan een anderen arts dan Hippocrates zouden
-toevertrouwen.
-</p>
-<p>&#x201e;Wijze geneesheer!&#x201d; riep de halfdronken Cratinus, &#x201e;gij hebt mij ten volle gerust gesteld.
-Nu is <span class="pageNum" id="pb288">[<a href="#pb288">288</a>]</span>het mij helder: hoe had ik, dien zij een vriend der flesch noemen, voornamelijk sedert
-ik eene comedie geschreven heb, waarin gevulde flesschen, mijne vriendinnen, het koor
-vormen, hoe had ik, zeg ik, de met genot van het drinken verbonden kwalen tot op dezen
-huidigen dag zoo gelukkig kunnen trotseeren, zoo niet de genezende kracht van het
-drinken op zich zelve mij op de been had gehouden?&#x2014;Ware ik ceremoniemeester, in plaats
-van die schoone vreemdelinge, die zich vermoedelijk beter op de werken van de gulden
-Aphrodite verstaat, dan op die van Bacchus, dan zou ik oogenblikkelijk een dubbelen
-dronk instellen op den wijsten aller geneesheeren, den grooten Hippocrates!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Thrax,&#x201d; riep Aspasia den naast haar staanden slaaf toe, &#x201e;geef Cratinus een beker,
-dubbel zoo groot als de onzen. En laat ons nu een dronk wijden ter eere van Hippocrates!&#x201d;
-</p>
-<p>Toen nu allen ter eere van Hippocrates gedronken hadden en ook Cratinus zijn dubbelen
-beker geledigd had, nam Polus het woord:
-</p>
-<p>&#x201e;Ik weet niet, hoe onder ons van daag over levensgenot kan gesproken worden, zonder
-vóór alles aan de woorden te denken, welke gij in het treurspel, welks overwinning
-wij vieren, uit den mond van den bode vernomen hebt:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Des menschen leven past het nooit te roemen,
-</p>
-<p class="line">Nooit over &#x2019;t onheil dat hem trof te klagen.
-</p>
-<p class="line">Want die het meest door rampen werd bezocht,
-</p>
-<p class="line">Dien beurt het lot vaak uit zijn lijden op,
-</p>
-<p class="line">En werpt hem die &#x2019;t gelukkigst scheen in &#x2019;t stof.
-</p>
-<p class="line">Geen ziener die des stervelings einde kent.
-</p>
-<p class="line">Doch alles is voorbij. Want als de vreugd
-</p>
-<p class="line">Den mensch ontviel, leeft hij geen leven meer,
-</p>
-<p class="line">Als een bezielde doode doolt hij rond.
-</p>
-<p class="line">Al is zijn huis met schatten opgevuld,
-</p>
-<p class="line">Al praalt hij in een vorstelijk gewaad.
-</p>
-<p class="line">Zoo hem &#x2019;t genot ontbreekt, acht ik dit alles
-</p>
-<p class="line">Niet hooger dan de schaduw van den rook!&#x201d;</p>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb289">[<a href="#pb289">289</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Ik prijs de vreugde,&#x201d; zei daarop Sophocles, &#x201e;niet alleen omdat zij het leven aangenaam,
-maar ook, omdat zij het schoon maakt. In de diepte des levens heerscht veel sombers
-en verschrikkelijks en dikwijls is de vraag gerezen, of het niet beter was niet te
-leven dan wel. Daar wij nu echter leven, moeten we den afgrond des levens en zijne
-verschrikkingen, zoo goed mogelijk, trachten te bedekken met de bloemen der schoonheid
-en harer tweelingzuster, de vreugde. Nauw is de grens, die om het menschelijk leven
-is getrokken; maar binnen deze grens mensch te zijn is geoorloofd en tevens de reine
-menschheid in dien kleinen tijdkring schoon en edel te ontwikkelen. Mensch te zijn
-wil zeggen edel te zijn en zacht, en voor dat edele en beminnelijke zachte is de grens
-de liefelijke maat, waardoor hij zijn aanzijn goddelijk besteden kan. Even schoon
-als opgeruimd, even edel als zacht genoemd te worden, zij der Hellenen trots!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik dank u voor deze uitspraak,&#x201d; zei Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Men heeft mij in den oorlog soms te zacht en toegefelijk genoemd, doch ik geloofde
-juist als een Helleen te handelen. Als er weer gestreden moet worden, te land of ter
-zee, zal ik van het volk der Atheners den dichter der &#x201e;Antigone&#x201d; tot medestrateeg
-verzoeken.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Sophocles als strateeg?&#x201d; riepen sommigen van het gezelschap.
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom niet?&#x201d; zei Sophocles lachende. &#x201e;Mijn vader toch was een wapensmid. Dit is
-een voorteeken, dat ik voor strateeg geboren ben.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Veel geluk er mede!&#x201d; riep Hipponicus. &#x201e;Maar meent ge, Pericles, dat er spoedig weder
-krijgsvolk ingescheept zal worden en eene vloot zee zal bouwen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Het is best mogelijk,&#x201d; hernam Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Het is mij wèl,&#x201d; hernam Hipponicus, &#x201e;maar ik hoop Pericles, dat gij u op geen ander
-admiraalschip lauweren zult verwerven, dan op datgene, wat ik als triërarch zal uitrusten.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb290">[<a href="#pb290">290</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Dat zal ik,&#x201d; antwoordde Pericles. &#x201e;Doch laten we niet de krijgshaftige stemming den
-boventoon laten voeren bij een zoo vreedzaam feest. Onvriendelijk zou het zijn, zoo
-wij niet vóór wij tot andere dingen overgaan, den wijzen Anaxagoras vroegen, of hij
-hetgeen hier over het genot is gezegd, verwerpt of goed keurt.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wanneer gij mijne meening verlangt te hooren,&#x201d; zei Anaxagoras, &#x201e;wil ik u die niet
-onthouden. Wat gij daar te berde hebt gebracht, bewijst dat het uw streven is van
-buiten af het schoone en goede en aangename tot u te brengen, zooveel maar mogelijk
-is. Maar ik beweer dat de ware, de rechte vreugde diegene is, welke niet van buiten
-komt, maar die welke men als zijn innigst werkelijk leven in zich zelven bezit. Geluk
-is niet hetzelfde als vreugde; en zoo weinig bestaat het geluk in de dingen buiten
-ons, dat het veel meer, ja het best zonder deze bestaat. Vrijwillig zich aan den algemeenen
-Wereldgeest te onderwerpen, den eigen wil te dooden, dat is wijsheid en deugd en de
-waarborg tevens der rechte vreugde, de vaste burgt der apathie, waarin de mensch zonder
-begeerten, zonder hartstocht, zich zelven genoegzaam, zich zelfs tegenover de machten
-van het noodlot overwinnelijk toont.&#x201d;
-</p>
-<p>De woorden van Anaxagoras maakten een eigenaardigen indruk. Pericles hoorde ze met
-die belangstellende aandacht, welke hij steeds aan de uitspraken van zijn ouden vriend
-schonk. Over Aspasia&#x2019;s voorhoofd echter vloog een licht wolkje. Haar oog ontmoette
-dat van Protagoras. Het was alsof de schoone vrouw en de sophist in elkanders oogen
-lazen, wat er in hunne ziel omging. En toen nu de schitterende redenaar in den zwijgenden
-kring rondzag, gereed om den wijsgeer te antwoorden, schenen de stralen uit Aspasia&#x2019;s
-oogen zijne gedachten te bezielen, zijne woorden kracht en gloed te geven.
-</p>
-<p>&#x201e;Streng en hard,&#x201d; begon hij, &#x201e;klinken de woorden van den wijze uit Clazomenae te dezer
-plaatse, <span class="pageNum" id="pb291">[<a href="#pb291">291</a>]</span>waar zooeven nog onder den klank van vroolijke skoliën<a class="noteRef" id="xd30e4069src" href="#xd30e4069">19</a> het feestelijk genot om het met bloemen bekranste altaar van Dionysus heerschte!
-Maar ook hij&#x2014;merkt dit wel op&#x2014;ook hij, de strenge, harde wijze heeft van het genot
-als van &#x2019;s menschen hoogste doel gesproken. Slechts over de wegen, die daarheen voeren,
-denkt hij verschillend. En in der daad het genot heeft vele namen en vele vormen en
-vele zijn de paden, die heenvoeren naar zijne zonnige hoogte. Menigeen vindt zijne
-hoogste vreugde in de bedwelming der zinnen, anderen, door een hoogeren adel der ziel
-tot het schoone gedreven, verheffen zich tot de reiner sferen van het genot, en er
-is eene derde soort van die goddelijke menschen, die boven lucht en wolken in het
-eeuwige klare zonder begeerten wonen. Weet gij aan welke van die drie wijzen, om het
-genot na te jagen, ik de voorkeur geef? Aan geene, maar aan die, welke het verstaat,
-naar tijd en plaats, iedere dezer verschillende wegen te bewandelen. Wanneer de bekers
-tintelen en schoone oogen schitteren, laat ons dan de vroolijke wijsheid van Hipponicus
-volgen; wanneer voor onze oogen de wonderen van het schoone heerlijk zich vertoonen
-en het menschelijke zijn edelsten bloei ontvouwt, dan deelen wij de geestelijke vreugde
-van Sophocles, wanneer de hemel bewolkt is, wanneer onafwendbaar smart en onheil ons
-bedreigen, dan is het tijd kalm tot de schoon bekranste vreugde te zeggen: Vaarwel!
-en zich te omgorden met de goddelijke kalmte en rustige waardigheid van den wijzen
-Anaxagoras. Te kunnen ontberen is roemrijk&#x2014;maar wij willen die kunst slechts daar
-uitoefenen, waar wij haar noodig hebben. Als het tijd is zich te verheugen, willen
-wij ons verheugen, als het tijd is te ontberen willen wij ontberen. Wie verstandig
-weet te genieten, hem zal ook de wijsheid der zelfverloochening niet ontbreken. <span class="pageNum" id="pb292">[<a href="#pb292">292</a>]</span>Hij zal de vreugde tot zijne slavin maken, niet zich zelven tot een slaaf der vreugde.
-Hij zal de omstandigheden aan zich, niet zich aan de omstandigheden onderwerpen. En
-wanneer datgene, wat door de wijsheid onzer vreugde als perk wordt gesteld, niets
-anders is dan de natuurlijke, rechte maat van het genot en het genot door overmaat
-verdwijnende, geen genot meer is, maar het tegendeel daarvan, zoodat het zijne grens
-en zijne maat niet buiten of naast zich, maar in zich heeft, waarom zouden wij dan
-nog van deugd spreken en onthouding, als van een zaak, die vreemd, ja zelfs vijandig
-aan het geluk zou zijn? Ontbering, onthouding, deugd zonder genot kan in de gedachte
-van den Helleen opkomen, nooit echter doordringen tot de diepte van zijn gemoed. Zelfs
-te werken in het zweet des aanschijns, handenarbeid te verrichtten om het dagelijksch
-brood, acht hij zijns onwaardig. Daarom werkt de slaaf, werkt de barbaar voor den
-Helleen. Het minder edele deel der menschheid moet zich voor het edeler deel opofferen,
-opdat het ideaal van waarachtig bestaan, den mensch waardig, verwezenlijkt worde.
-Ware ik wetgever, een nieuwe Lycurgus of Solon<a class="noteRef" id="xd30e4076src" href="#xd30e4076">20</a> en werden de tafelen der wet onbeschreven in mijne hand gelegd, ik zou ze aangrijpen
-en met gouden stift bovenaan deze woorden zetten:
-</p>
-<p>Gij stervelingen, weest schoon,&#x2014;weest vrij&#x2014;weest gelukkig!&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo sprak Protagoras, met onafgewenden blik op Aspasia gericht en verheugd over den
-glans van ingenomenheid, die onmiskenbaar uit haar gelaat hem tegenstraalde. Bijna
-elk van den kring hechtte zijne goedkeuring aan zijne woorden en Pericles zeide, dat
-hij Protagoras zou opdragen de eerstvolgende kolonie, die uit Athene zou gezonden
-worden, aan te voeren. Want hij scheen hem toe een staat in den Helleenschen geest
-te kunnen regelen.
-<span class="pageNum" id="pb293">[<a href="#pb293">293</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Gelukkige Protagoras,&#x201d; begon nu Socrates, &#x201e;gelukkige Protagoras, wien het vergund
-is het goud van Aspasia&#x2019;s zwijgen in de klinkende munt van welsprekende taal om te
-zetten. Wanneer ik uwe woorden even goed begrepen heb, als gij de taal van Aspasia&#x2019;s
-oogen, dan schijnt gij mij de wijsheid in zooverre als een middel ter bevordering
-van geluk te beschouwen, als men haar om zoo te zeggen, gereed houden en uit den zak
-kan halen, wanneer men juist niets beters bij de hand heeft&#x2014;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat is wijsheid?&#x201d; riep Protagoras. &#x201e;Vraag het duizend menschen en wat de een wijsheid
-noemt, heet bij den ander dwaasheid. Vraag hun echter wat vreugde is en droefheid,
-allen zullen het daaromtrent eens zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gelooft gij dat werkelijk?&#x201d; hernam Socrates. &#x201e;Men kan er de proef van nemen&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Vergun mij, Protagoras,&#x201d; viel Aspasia in, &#x201e;dat ik mij verstout Socrates te antwoorden;
-niet met woorden, want hoe zou ik mij vermeten, wanneer er woorden van wijsheid moeten
-gesproken worden, in Protagoras&#x2019; plaats te treden? Ik wil den eeuwigen twijfelaar
-en vrager met die middelen bestrijden, die mij als symposiarche, tot onderzoek zijner
-laatste tegenwerping ten dienste staan.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Vooraf,&#x201d; vervolgde zij, &#x201e;bevochtig uwe lippen, die wellicht door het vuur van het
-gesprek droog geworden zijn, met frisschen dauw.&#x201d;
-</p>
-<p>Op haar bevel werd nieuwe wijn in den krater<a class="noteRef" id="xd30e4091src" href="#xd30e4091">21</a> gemengd en den gasten in andere, grootere bekers geschonken.
-</p>
-<p>&#x201e;Dit is wijn van Lesbos,&#x201d; zei Hipponicus, &#x201e;de bloem van den wijnstok. Hij is minder
-geurig dan de Thasische, doch zijn smaak is nog aangenamer.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hij is zacht en vurig te gelijk, als de ziel van zijne landgenoote Sappho,&#x201d; riep
-Protagoras, even <span class="pageNum" id="pb294">[<a href="#pb294">294</a>]</span>met zijne lippen het vocht in de beker proevende.
-</p>
-<p>De beker werden geledigd op Aspasia&#x2019;s bevel ter eere van de zachte en hartstochtelijke
-Lesbische zangster en op nieuw gevuld, terwijl de oogen der gasten al meer en meer
-begonnen te schitteren.
-</p>
-<p>&#x201e;Laten wij nu,&#x201d; begon Aspasia weder, &#x201e;hen laten binnenkomen, die gereed staan, om
-ons op iets van datgene te vergasten, waaronder de menschen naar Protagoras&#x2019; meening
-het allen eens zijn, naar Socrates&#x2019; zienswijze echter niet.&#x201d;
-</p>
-<p>Fluitspeelsters, danseressen en kunstenmaaksters kwamen de zaal binnen, allen jong,
-bekoorlijk, allen bekranst en met welriekende wateren besprenkeld en getooid in verleidelijk
-gewaad.
-</p>
-<p>Het fluitspel begon in weeke, zoete tonen en daarbij werden door de danseressen mimische
-dansen uitgevoerd. Wat Socrates bij Theodota had bewonderd dat had hij nu in veelvoudige
-mate in eene groep van bloeiende gestalten voor oogen. Nadat deze danseressen door
-hare kunst aller oogen hadden verrukt, oefende hetgeen thans de kunstenmaaksters volvoerden,
-eene betooverende en bedwelmende werking uit. Als dezen bij den klank der fluiten
-en de maat der muziek een aantal ballen in de hoogte wierpen en weder opvingen of
-den zoogenaamden kogelloop op een pottebakkersrad uitvoerden, lag in de bliksemsnelle
-bewegingen der jeugdige, slanke, lenige meisjesgestalten eene betooverende, ja bedwelmende
-bekoorlijkheid. Toen zij echter den verbazingwekkenden zwaardendans begonnen, toen
-zij tusschen de klingen, die met de punt naar boven in den grond gestoken waren, dansend
-heen en weder sprongen en over de blinkende zwaardspitsen naar voren en achteren oversloegen,
-toen gevoelden de opgewekte toeschouwers zich door een genot, met huivering gemengd,
-aangegrepen. Toen eene van die slanke, bekoorlijke meisjes in een licht, nauwsluitend
-gewaad, dat den vollen en reinen vorm des lichaams deed uitkomen, met de handen op
-den grond steunende in eene bevallige kromming naar achteren de voeten <span class="pageNum" id="pb295">[<a href="#pb295">295</a>]</span>over den rug en het hoofd heenstrekte, om daarmede uit het vóór haar staande mengvat
-een beker te vullen, dien zij met de teenen van den linkervoet bij het hengsel had
-gegrepen, terwijl zij met de teenen van den anderen voet het oor van het schepvat
-vasthield, of in diezelfde houding een pijl van den boog deed snorren&#x2014;toen was het
-niet alleen de verbazende vaardigheid, die zij ten toon had gespreid, maar tevens
-het tot de hoogste vrijheid en bijna bovenmenschelijke vlugheid ontwikkelde schouwspel
-harer bloeiende ledematen, die de zinnen van Hipponicus&#x2019; gasten in eene soort van
-zwijmel bracht.
-</p>
-<p>Toen de dansen en spelen geëindigd waren en de danseressen, kunstenmaaksters en fluitspeelsters
-onder de levendigste toejuichingen der dischgenooten zich weder hadden verwijderd,
-zei Aspasia:
-</p>
-<p>&#x201e;Het schijnt dat alles wat wij gezien hebben ons genoegen heeft gedaan en dat wij
-het volkomen eens zijn in deze soort van genot, terwijl wij toch vroeger, toen het
-de leer der wijsheid gold, het maar niet eens konden worden. De proef, waarop het
-aankwam, zooals gij zeidet, Socrates, is derhalve genomen&#x2014;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij weet zeer wel, Aspasia,&#x201d; antwoordde Socrates, &#x201e;dat niemand ter wereld zich liever
-laat onderrichten dan ik. Vergun mij nog één ding aan Protagoras te vragen. Wanneer
-er, zooals gij leert, verscheidene soorten van genot zijn en wij datgene, wat het
-genot verschaft, een goed noemen, dan zijn er nog wel andere goederen en onder deze
-een hoogste goed. Om echter juist dit uit andere goederen uit te vinden en ook het
-hoogste genot uit andere genietingen&#x2014;want het genot is toch, zooals wij gezegd hebben,
-niet zelf het goede, maar wordt eerst door het bezit van het goede teweeg gebracht&#x2014;zou
-daartoe een weinig verstond of oordeel of wijsheid noodig zijn of hoe men het ook
-noemen wil?&#x201d;
-</p>
-<p>Glimlachend zei Aspasia:
-</p>
-<p>&#x201e;Gij ziet, Protagoras, dat deze man u in de <span class="pageNum" id="pb296">[<a href="#pb296">296</a>]</span>engte drijft: doch het is mijn plicht te zorgen, dat de strijd niet al te heftig wordt.
-Reeds sedert een half uur heb ik een kleinen aanslag in den zin tegen den strijdlustigen
-Socrates. Het komt mij niet goed voor, dat Socrates op hetzelfde aanligbed met Anaxagoras
-aanligt en zoo steeds door den adem des meesters met nieuwen strijdlust aangeblazen
-wordt. Over het algemeen schijnt het mij toe, dat Hipponicus&#x2019; gasten zich grootendeels
-op een wijze geplaatst hebben, die gevaarlijk is voor het algemeen en gunstig voor
-heimelijke samenzweringen. Verscheidene malen heb ik opgemerkt, dat Phidias en Ictinus
-zacht samen fluisteren. Ook Cratinus zag ik vaker dan noodig was tot het oor van zijn
-buurman, Polygnotus, overbuigen. Krachtens mijne volmacht als symposiarche zal ik
-eene geheele verandering in de plaatsen brengen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Goed,&#x201d; riepen de vroolijke dischgenooten. &#x201e;Wij willen u gaarne gehoorzamen. Spreek,
-hoe denkt ge ons nu te plaatsen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Welaan,&#x201d; zeide Aspasia. &#x201e;Den gastronoom Hipponicus bevele Socrates op te staan en
-zette zich naast den wijzen Anaxagoras; de spraakzame Polus neme plaats naast den
-stillen Ictinus, de overmoedige Cratinus zal den zachten, vromen Sophocles tot buurman
-hebben. Phidias eindelijk moet met Polygnotus één aanligbed deelen. Hoe echter plaats
-ik Socrates? Onmogelijk kan ik hem in de nabijheid van Anaxagoras laten; integendeel
-ik moet deze beide kampioenen zoo ver mogelijk van elkander zetten. Wat blijft er
-anders over, dan dat ik u Protagoras, verzoek mijne plaats in te nemen, terwijl ik
-zelf ter beslechting van den strijd mij naast Socrates zal zetten.&#x201d;
-</p>
-<p>Met deze woorden stond Aspasia op en plaatste zich onder op het aanligbed, waarop
-Socrates aanlag.
-</p>
-<p>Bereidwillig hadden inmiddels de dischgenooten de schikking van de symposiarche opgevolgd;
-alleen benijdden zij in stilte en luide Socrates zijne gezellin.
-<span class="pageNum" id="pb297">[<a href="#pb297">297</a>]</span></p>
-<p>Op dezen zelven oefende de onmiddellijke nabijheid der schoone eene eigenaardige werking
-uit. Had straks de adem van Anaxagoras, zooals Aspasia zich uitdrukte, zijn strijdlust
-aangeblazen, de adem van de bekoorlijke vrouw stemde hem tot vrede en verzoening.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat is dat?&#x201d; riep Aspasia, zich tot Socrates overbuigend en zijn krans beschouwend,
-&#x201e;aan uw krans zijn reeds vele bladeren ontvallen. Dat geldt als een voorteeken van
-geheime minnesmart. Is het soms uw jongste vriend, de moedwillige Alcibiades, die
-u droefheid veroorzaakt? Doch, ik ben gekomen om u te woord te staan. Welke bezwaren
-waren het, Socrates, die gij nog uit den weg zoudt willen geruimd zien?&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Socrates, betooverd door den vurigen blik van Aspasia, bedwelmd door den adem van
-haar mond, opgewekt door het ruischen van haar gewaad bij ieder harer bewegingen,
-antwoordde:
-</p>
-<p>&#x201e;Aspasia, ik had bezwaren&#x2014;en zij stonden in mijn hoofd goed gerangschikt, als in slagorde.
-Maar men heeft juist, toen ik ze in de beste orde wilde doen oprukken, een schoonbekranste
-dam opgeworpen, zoodat het schijnt dat zij daarover willende springen, de beenen zouden
-breken. Wat ik bedenkelijk vind, Aspasia? Zal ik het u zeggen? Ik vind op dit oogenblik
-alleen dit bedenkelijk, dat gij naast mij zit.&#x201d;
-</p>
-<p>Met een ietwat spottend lachenden blik zag Anaxagoras, die intusschen den beker flink
-had toegesproken, zwijgend naar den spreker, die zoo smadelijk de wapens strekte.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij ziet, Anaxagoras,&#x201d; zei Socrates, &#x201e;ik ben in den strijd voor eene goede zaak gevallen
-en gij, grijsaard, voor wien ik eigenlijk het zwaard had getrokken, moet thans mij,
-den jongen man, uit den strijd dragen. Wreek mij, als gij kunt, Anaxagoras!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom niet?&#x201d; hernam Anaxagoras, nadat hij een dronk uit zijn beker genomen had,
-&#x201e;ik gevoel mij in het geheel niet zoo zwak, als de oude <span class="pageNum" id="pb298">[<a href="#pb298">298</a>]</span>Priamus, om voor de jeugdige wijsheid van dezen Achilles sidderend te verstommen.
-Ik wil nog een woordje met u praten, Protagoras.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Halt!&#x201d; riep Aspasia, &#x201e;wanneer het uwe bedoeling is ernstige woorden te spreken, vergun
-mij dan vooraf, dat ik mijn plicht als presidente der tafel vervulle en met een dronk
-van den vurigsten en kostelijksten aller wijnen, die tot nu toe geschonken werden,
-met het heerlijk druivensap van Chios, uwe tongen moge ontboeien.&#x201d;
-</p>
-<p>Na deze woorden liet Aspasia den gezochtsten van alle Grieksche wijnen rondschenken.
-</p>
-<p>De bekers werden geledigd en nu was er niemand meer in het gezelschap, die niet hoog
-zweefde boven de sferen van het nuchtere verstand en zich niet overgegeven had aan
-de geweldige macht van den bezielden Dionysus.
-</p>
-<p>Anaxagoras ledigde zijn beker en begon eenigszins verward te spreken over genot en
-deugd, over kennis en den Wereldgeest.
-</p>
-<p>Om zijn geest nog meer op te wekken en te verhelderen bood Aspasia hem zelfs nog een
-beker van den krachtigen Chiër-wijn aan.
-</p>
-<p>Hij dronk dien uit en de taal van den wijze werd nog verwarder; hij begon te stotteren
-en met het hoofd geducht heen en weer te schudden.
-</p>
-<p>Ten laatste zonk het hoofd geheel op de borst. Nog eenige oogenblikken en de grijsaard
-lag in een rustigen sluimer.
-</p>
-<p>Een vroolijk gelach klonk er door de rijen der dischgenooten.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat hebt gij gedaan, Aspasia?&#x201d; riepen zij: &#x201e;de laatste voorvechter der strenge wijsheid
-hebt gij ontwapend en in slaap gewiegd!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Bij het vroolijk symposion,&#x201d; hernam Aspasia, &#x201e;betaamt het der strenge wijsheid in
-te slapen. Maar niet zonder de Chariten is deze edele man ingesluimerd. Ziet, hoe
-schoon het gezicht is van den rustig ademenden grijsaard! Ik stel u voor, dat wij
-allen de kransen van onze hoofden nemen en ze op het hoofd en de schouders van den
-slapenden <span class="pageNum" id="pb299">[<a href="#pb299">299</a>]</span>nederleggen en op deze wijze de zoo schoon en vreedzaam ingesluimerde wijsheid begraven.&#x201d;
-</p>
-<p>De gasten deden wat Aspasia voorsloeg en in weinig oogenblikken was het hoofd van
-den wijze onder bloemen begraven.
-</p>
-<p>Socrates ging voort met drinken zonder dronken te worden, om ongestraft de zonderlingste
-dingen, Aspasia, die naast hem zat, in &#x2019;t oor te kunnen fluisteren.
-</p>
-<p>De ernstige Phidias zei tot den knaap, die zijn beker vulde, dat hij hem tot model
-voor eene zijner ephebenbeelden op den fries van het Parthenon wilde gebruiken. Cratinus
-stiet heimelijke verwenschingen uit en zei tot zijn buurman Sophocles:
-</p>
-<p>&#x201e;Die toovenares, die Circe, die Omphale zal aan mij denken! zij laat mij zelfs dien
-krachtigen Chiër uit den grooten beker drinken! Zoolang ik nuchteren was, merkte ik
-er niets van; nu echter is het mij duidelijk, waarop zij het gemunt heeft.&#x201d;&#x2014;Polygnotus
-verzekerde zijn buurman, dat hij, met uitzondering van de jeugdige Elpinice, nog nooit
-eene zoo schoon gevormde vrouw als Aspasia gezien had. &#x201e;Pericles,&#x201d; zei de purperroode
-Hipponicus met eene stem, die trilde van aandoening, &#x201e;Pericles, gij weet dat ik u
-steeds in eere heb gehouden, dat ik u den innigsten dank verschuldigd ben, omdat gij
-vóór eenige jaren mij van de toen nog schoone, maar kijfzieke Telesippe hebt afgeholpen.
-Doe mij nog het genoegen mij toe te staan een schathuis op den burg te bouwen&#x2014;want
-ik heb zesduizend slaven in het werk in de zilvermijnen en mijn vermogen neemt bij
-den dag toe en men is voor dieven niet veilig. En als uw pleegzoon Alcibiades grooter
-is&#x200a;&#x2026; mijn dochtertje Hipparete&#x200a;&#x2026; de schoonste aller Helleensche jonkvrouwen&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>&#x201e;Het zij zoo,&#x201d; zei Pericles met een vriendelijken glimlach.
-</p>
-<p>Hij was de eenige van het geheele gezelschap op wien <span class="corr" id="xd30e4153" title="Bron: Bachus">Bacchus</span> zijne macht niet had kunnen uitoefenen; niet omdat hij minder gedronken had, maar
-omdat zijn gestel even sterk was, als zijne ziel <span class="pageNum" id="pb300">[<a href="#pb300">300</a>]</span>zacht. Hij sprak met Protagoras over de politiek, over veranderingen in de volksheerschappij
-te Athene, over het uitzenden van de kolonie, over de mogelijkheid dat een veldtocht
-op handen was. Protagoras echter was verstrooid, daar hij telkens vurige blikken sloeg
-op de schoone Milesische. Eindelijk verraste de stille Ictinus de dischgenooten door
-het aanheffen van een paeän op <span class="corr" id="xd30e4158" title="Bron: Dionycus">Dionysus</span>, die toen door allen in koor gezongen werd.
-</p>
-<p>Zoo heerschte er op het symposion ten huize van Hipponicus eene feestelijke stemming,
-die aangewakkerd werd door Bacchus&#x2019; heerlijke gaven, door zinnenstreelende bekoorlijkheden,
-door de betoovering, die er uitging van de schoone Milesische, eene stemming die gekruid
-werd door de bloem van den Helleenschen geest.
-</p>
-<p>Toen stond de welsprekende Protagoras op en stelde den volgenden toost in:
-</p>
-<p>&#x201e;De symposiarche Aspasia heeft mij, zooals gij weet, hare plaats afgestaan. Ik maak
-van mijn recht gebruik, om voor een oogenblik mij hare waardigheid aan te matigen
-en u uit te noodigen dezen laatsten dronk aan Aspasia zelve te wijden. Hoog heeft
-zij als koningin der tafel de banier der schoone vreugde opgeheven, zegevierende heeft
-zij het rijk van den blijden levenslust tegen den ernst en de strengheid der wijsheid
-verdedigd, op gunstige oogenblikken heeft zij nu eens door Dionysus&#x2019; gaven, dan eens
-met de hulp van Eros en de Chariten, dan weder met de betoovering der zinnen den strijd
-tegen den vijand gevoerd, zij heeft met zoete bedwelming de vragen van den waarheidszoeker
-in slaap gesust en het grijze hoofd van den grijsaard, dien het jeugdig vuur had verlaten,
-onder bloemen begraven, zij heeft ons allen de hooge zee der Dionysische vreugde doen
-doorklieven. Zonder gevaar echter is de zachte dronkenschap voor de edele Hellenen
-en niet verderfelijk dringt zij tot in de diepten der hoofden, maar als dauw slaat
-haar zilveren nevel neder op de bladeren der kransen, waarmede wij verkoelend <span class="pageNum" id="pb301">[<a href="#pb301">301</a>]</span>ons voorhoofd omschaduwe! Derhalve, mijne vrienden, ledigt met mij dezen laatsten
-beker ter eere van de schoone en wijze koningin onzer tafel, de goddelijke Aspasia!&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo sprak Protagoras en de uitgelezen mannen beantwoordden dezen dronk met vuur. De
-groote mannen, die bij het maal van Hipponicus vereenigd waren als omkranste feestgenooten,
-vormden om Pericles en Aspasia eene groep die op het veld van den roem als de schitterendste
-sterren van Oud-Hellas fonkelden!&#x2014;
-</p>
-<p>En toen de laatste bekers geledigd waren, namen de mannen met een warmen handdruk
-van elkander afscheid en verlieten het huis van Hipponicus, toen de morgen reeds grauwde.
-</p>
-<p>&#x201e;Kunt ook gij instemmen met de lofspraak van Protagoras op de symposiarche?&#x201d; vroeg
-Aspasia aan Pericles toen zij zich met hem alleen bevond.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik bewonder u thans nog meer,&#x201d; zei Pericles; &#x201e;maar vreest gij niet, dat ik wat minder
-liefheb?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom?&#x201d; vroeg Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;Omdat gij altijd een woord hebt voor iedereen,&#x201d; hernam hij; &#x201e;wat hebt gij dan over
-voor Pericles?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Mij zelve,&#x201d; antwoordde Aspasia.
-</p>
-<p>Hij kuste haar op het voorhoofd en zij sloot hem in hare armen, in de volheid van
-haar geluk.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik weet niet,&#x201d; zei Pericles, toen hij van haar afscheid nam, &#x201e;ik zou van u gescheiden
-mij weder in het druk gewoel der daden willen storten of ongestoorder dan nu een heerlijke
-maand van liefde met u in idyllische rust doorleven.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wellicht,&#x201d; hernam Aspasia, &#x201e;verleenen u de Onsterfelijken het een of het ander of
-beide te gelijk ter goeder ure.&#x201d;
-</p>
-<p>De Milesische sloot dien morgen hare moede, schoone oogen in het bewustzijn, dat zij
-haar doel weder eene schrede nader gekomen was. Zij dacht aan het oogenblik, toen
-zij vernederd het huis van Pericles moest verlaten; zij dacht aan de fiere Telesippe,
-die zich onaantastbaar waande en onschendbaar <span class="pageNum" id="pb302">[<a href="#pb302">302</a>]</span>in hare heerschappij aan den huiselijken haard&#x2014;zij zeide in zich zelve, dat hare geheime
-en openlijke plannen der verwezenlijking naderden en dat zij in hare zending zou triompheeren,
-dat zij op de puinhoopen van het overgeleverde en het veroordeel de banier der vrijheid,
-der schoonheid en der vreugde voor eeuwig zou planten.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e3853">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3853src">1</a></span> Behalve hetgeen de schrijver aangaande Protagoras mededeelt, is het nog vermeldenswaard,
-dat Protagoras voor een leerling gehouden wordt van Democritus, wiens atomenleer hij
-echter niet toegedaan was. Protagoras, van <span class="corr" id="xd30e3856" title="Bron: atheisme">atheïsme</span> (asebia) beschuldigd, moest Athene verlaten en zijne geschriften werden openlijk
-verbrand. Zijne hoofdstelling is: de mensch is de maat van alles.
-</p>
-<p class="footnote cont">Men wil dat hij op zeventigjarigen ouderdom verdronken is.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3853src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3861">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3861src">2</a></span> Hippocrates was de beroemdste arts der Oudheid, omstreeks 460 v. C. op het eiland
-Cos geboren, zoon van Heraclides en Phaenarete. Door zijn vader, arts en priester
-in het geslacht der Asclepiaden, onderricht, verliet Hippocrates zijn vaderland, hield
-zich geruimen tijd op Thasos en in Tessalië op en, naar men beweert, zou hij in 377
-te Larissa gestorven zijn, waar een grafteeken voor hem werd opgericht. De talrijke
-geschriften, die onder zijn naam tot ons gekomen zijn, zijn niet alle echt. Veel moet
-op rekening gesteld worden van zijne zonen Thessalus en Draco, zijn schoonzoon Polybus
-en latere geneesheeren uit den tijd der Ptolomaeën. Hippocrates was tevens een uitstekend
-wiskundige.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3861src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3869">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3869src">3</a></span> Abdera, aan de monding van den Nestus, omstreeks 656 v. C. gegrondvest, was befaamd
-om de stompzinnigheid zijner inwoners. Hippocrates zocht de oorzaak daarvan in hunne
-verwijfdheid. V.d. dat &#x201e;Abderiet&#x201d; een scheldnaam is, één of beide deze eigenschappen
-uitdrukkende.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3869src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3891">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3891src">4</a></span> Eene soort van zeevisch, eigenlijk thunnos geheeten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3891src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3896">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3896src">5</a></span> Muraena is een schoon gevlekte zeeaal, door de Ouden zeer hoog gewaardeerd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3896src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3908">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3908src">6</a></span> Men plengde bij het einde van den hoofdmaaltijd òf aan den goeden Geest (Daemon) òf
-aan de Gezondheid (Hugieia).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3908src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3913">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3913src">7</a></span> Men herinnere zich, dat de Grieken vrij ongemanierd beentjes, schillen enz. op den
-grond wierpen. Anders is deze uitdrukking moeilijk te verstaan.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3913src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3918">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3918src">8</a></span> Paëan is eigenlijk een plechtig, veelstemmig lied ter eere van Apollo, om hem te smeeken
-eene ziekte af te wenden; v.d. komt het woord voor als een bijnaam van den God: redder.
-Voorts beteekent het in het algemeen: een zegezang, een loflied.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3918src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3926">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3926src">9</a></span> Symposiarchos of koning van het symposion beteekent ongeveer president van de tafel;
-we meenden dat woord het best door ceremoniemeester over te zetten, daar zijne functiën
-vrij wel met die van den titularis in onze dagen overeenkomen. Wij hebben de vrijheid
-genomen van dit symposiarchos, naar het Grieksch, een vrouwelijke symposiarche te
-vormen, omdat dit van vele andere ons nog het best voldeed. Voorts houde men in het
-oog, dat symposion, hoewel eigenlijk een drinkgelag, de eigenlijke maaltijd werd,
-waar de gasten door muziek, dans en allerlei voorstellingen onderhouden werden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3926src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3948">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3948src">10</a></span> Prutaneion (Prytaneüm) is het openbare gebouw in de vrije Grieksche steden, waarvan
-steeds het vuur werd onderhouden ter eere van Hestia, de Godin van den huiselijken
-haard; te Athene mochten daarin de prytanen (zie <a href="#n76.1">noot 1 pag. 76</a>), de buitenlandsche gezanten en ook verdienstelijke burgers spijzigen. Vandaar dat
-Socrates, gevraagd zijnde welke straf hij zich waardig keurde, antwoordde: &#x201e;In het
-prytaneüm op staatskosten te worden onderhouden.&#x201d;&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3948src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3958">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3958src">11</a></span> Thrax beteekent eigenlijk Thraciër; de slaaf werd zoo naar zijn vaderland genoemd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3958src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3976">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3976src">12</a></span> De Sphinx, een monster met het lichaam van een leeuw en een vrouwelijk hoofd, verscheen
-in de nabijheid van Thebe en stortte ieder in den afgrond, die het raadsel niet kon
-oplossen: &#x201e;Welk is het wezen, dat &#x2019;s morgens op vier, &#x2019;s middags op twee en &#x2019;s avonds
-op drie voeten gaat.&#x201d; Oedipus loste het raadsel op, daar hij meende dat de mensch
-bedoeld werd in zijne verschillende levensperioden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3976src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3990">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3990src">13</a></span> Herkeios beteekent: tot den hof, het huis behoorend; Zeus had, als beschermer van
-het huis, in den voorhof zijn altaar; v.d. had hij den bijnaam Herkeios, beschermgod
-des huizes.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3990src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3993">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3993src">14</a></span> Hecate is de Godin van het maanlicht, soms ook van de onderwereld, van verschijningen,
-spoken en betoovering; vooral op kruiswegen werd zij vereerd. Zoo werd zij ook in
-de huizen aangeroepen, om tooverij en dergelijke zaken af te weren.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3993src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3996">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3996src">15</a></span> Agyieus beteekent beschermer der straten (aguia); Apollo als beschermgod daarvan had
-een zuilvormig altaar voor de huisdeur, waarop reukoffers gebrand werden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3996src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3999">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3999src">16</a></span> De Pyanepsiën was een feest te Athene ter eere van Apollo, waarop men een gerecht
-van peulvruchten of boonen bereidde: de maand waarin dat feest gevierd werd, heette
-Pyanepsion, dat is van half October tot half November.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3999src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4003">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4003src">17</a></span> Tartarus komt bij de oude dichters vooreerst als persoon voor verbonden met Gaea,
-de vader van Typhoeüs. Voorts beteekent het: een donkere afgrond en doorgaans, zooals
-hier, &#x201e;de onderwereld&#x201d;, &#x201e;het schimmenrijk&#x201d;.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4003src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4008">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4008src">18</a></span> Een daricus (&#x201e;Dara&#x201d;, in &#x2019;t Perzisch, = vorst) bedroeg twintig zilveren drachmen, ongeveer
-f9,&#x2014;.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4008src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4069">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4069src">19</a></span> <span class="corr" id="xd30e4070" title="Bron: Skolien">Skoliën</span> (eigenl. schuin, niet volgens de rij) is een lied, dat op symposia bij beurten door
-de gasten gezongen werd: een tafellied.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4069src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4076">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4076src">20</a></span> Lycurgus was Sparta&#x2019;s beroemdste wetgever. Hij leefde ongeveer in 888 v. C. Na vele
-reizen gedaan en talrijke onderzoekingen in het werk gesteld te hebben, keerde Lycurgus
-naar Sparta terug en gaf zijne wetten in de &#x201e;Rhetra&#x201d; vervat.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4076src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4091">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4091src">21</a></span> Krater is een &#x201e;mengvat&#x201d;; de Grieken dronken doorgaans met water vermengden wijn; de
-verhouding van het water tot den wijn was gewoonlijk als 3 : 1, soms als 2 : 1, zelden
-als 3 : 2. Het drinken van onvermengden wijn achtte men een barbaar en drinker waardig.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4091src" title="Ga terug naar noot 21 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XI.</h2>
-<h2 class="main">SAMOS.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">&#x201e;Dat had ik niet gedacht,&#x201d; riep de oude Callipides te midden van eene der talrijke
-groepen Atheners, die, op de groote markt van den Piraeüs bij elkander staande, druk
-in gesprek waren, &#x201e;dat had ik niet gedacht, toen ik onlangs voorbij de Athene Promachos
-op den burg ging. Ik zag de speer der Godin vol boomkrekels, die lustig piepten. Dat
-beteekent vrede, zei ik bij mij zelven. Doch &#x2019;t is waar, den volgenden dag is kort
-vóór den aanvang der volksvergadering eene wezel over de Pnyx geloopen&#x2014;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij wilt toch geen onheil krassen, oude uil?&#x201d; riepen de anderen.
-</p>
-<p>&#x201e;Samos is nu eenmaal het machtigste der met ons verbonden eilanden,&#x201d; hernam de oude.
-&#x201e;Het kan andere bondgenooten tot afval verleiden, het kan een opstand tegen ons verwekken,
-Sparta kan zich er in mengen, een algemeene Grieksche oorlog kan ontbranden. Er ligt,
-zooals men zegt, veel tonder opgehoopt. Wat raakt het ons of de Samiërs dan wel de
-Milesiërs Priëne<a class="noteRef" id="xd30e4191src" href="#xd30e4191">1</a> bezitten?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Het aanzien van Athene moet opgehouden worden<span class="corr" id="xd30e4196" title="Bron: ?">!</span>&#x201d; viel een jong man heftig hem in de rede, terwijl hij de hand uitstrekte en het hoofd
-oprichtte. &#x201e;Samos en Milete zijn verplicht als leden van het <span class="pageNum" id="pb303">[<a href="#pb303">303</a>]</span>bond hunne geschillen ter beslissing aan Athene, het hoofd van het bond over te laten.
-Samos weigert dit. En daarom is Pericles in woede tegen de Samiërs ontstoken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En in zijne woede heeft hij in de volksvergadering den zachten Sophocles tot medestrateeg
-verzocht,&#x201d; zei een der mannen lachend.
-</p>
-<p>&#x201e;Om &#x201e;de Antigone!&#x201d; riepen anderen. &#x201e;Daar heeft hij goed aan gedaan. Leve Sophocles!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij weet er geen van allen iets van,&#x201d; sprak de barbier Sporgilus, dien de nieuwsgierigheid
-en de onstuimigheid van den volkshoop naar de haven had gedreven. <span class="corr" title="Niet in bron">&#x201e;</span>Gij weet allen niets van deze zaak af; gij weet niet hoe dat geschil met Samos ontstaan
-is en wie dat aangewakkerd heeft.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Leve Sporgilus!&#x201d; riepen sommigen. &#x201e;Hoort naar Sporgilus! Hij is een van hen, die
-&#x2019;s morgens precies weten wat Zeus &#x2019;s nachts met Hera verhandeld heeft.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Moge ik een bult als eene vuist op mijn neus krijgen,&#x201d; riep Sporgilus, &#x201e;als het niet
-de zuivere waarheid is, wat ik u ga vertellen! Aspasia, de Milesische, heeft Pericles
-bepraat. Ik weet het precies&#x2014;luistert slechts naar mij. Den dag, nadat het Milesische
-gezantschap aangekomen was, stond ik juist op de markt, toen de gezanten voorbijgingen
-en om zich keken, als menschen, die iets wilden vragen. En werkelijk, daar kwam een
-van hen op mij toe en zei: &#x201e;Zeg eens, Atheensche vriend, kunt gij mij de woning van
-de jonge Milesische Aspasia wijzen?&#x201d; De mannen dachten zeker, dat ik hen niet kende
-maar ik kende ze wel degelijk&#x2014;terstond aan hunne nette manieren en kostbare kleeding
-zou ik ze herkend hebben, al had ik ze nooit gezien. Ik bewees hun zooveel mogelijk
-beleefdheid en beschreef hun haarfijn het huis van de Milesische en den weg daarheen,
-waarop zij mij zeer vriendelijk en beleefd hun dank betuigden en onverwijld den weg
-insloegen, dien ik hun gewezen had. De avond begon reeds te vallen. Zij slopen de
-woning van de Milesische binnen. <span class="pageNum" id="pb304">[<a href="#pb304">304</a>]</span>Bemerkt gij het nu? De gezanten zeg ik u hebben met de Milesische heimelijk onderhandeld;
-zij heeft daarna Pericles bepraat en hem in hevigen toorn doen ontsteken tegen de
-Samiërs.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Daar hebt ge het!&#x201d; riep een der omstanders. &#x201e;Sporgilus weet dus werkelijk, wat Hera
-met Zeus gesproken heeft.&#x2014;Doch&#x2014;daar komt Pericles met zijn vriend Sophocles aan&#x2014;hij
-drilt hem zeker voor zijn nieuw ambt.&#x201d;
-</p>
-<p>In der daad zag men de beide mannen ter zijde op een tamelijk stille plaats tusschen
-de zuilen wandelen. Zij waren in een vertrouwelijk gesprek verdiept.
-</p>
-<p>&#x201e;Waarachtig,&#x201d; sprak Sophocles, &#x201e;gij verrast de Atheners; men geloofde, dat Pericles
-in dit oogenblik eerder tot alles zou overgaan, dan hiertoe. Want hij scheen thans
-ten volle opgegaan te zijn in de werken des vredes, in de bevordering van de binnenlandsche
-welvaart en&#x2014;in de liefde voor de schoone Aspasia&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Mijn waarde vriend,&#x201d; zei Pericles glimlachend, &#x201e;is het dan te verwonderen, dat den
-strateeg de lauweren van zijne vrienden, die met truffel, beitel en stift arbeiden,
-geen rust laten? Reeds lang, ik beken het eerlijk, gevoelde ik mij in mijn binnenste
-onrustig en gejaagd. Ik gevoelde mij werkeloos onder die onverpoosd arbeidende mannen
-en soms schaamde ik mij bijna over die liefelijke rozebanden, die mij omstrengelden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe?&#x201d; hernam Sophocles, &#x201e;dat gij inderdaad de onvermoeidste arbeider zijt onder de
-ijverigen, dat alles wat gedaan en geschapen wordt, slechts door u mogelijk wordt
-gemaakt, bevorderd en tot een goed einde gebracht, rekent gij dat dan voor niets?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Het voldoet niet aan de eischen, die een van ons beiden zich zelven mag stellen,&#x201d;
-hernam Pericles. &#x201e;Ik wil niet alleen een medearbeider zijn, ik wil zelf iets volbrengen
-en ik kan als strateeg alleen naar het zwaard grijpen. Waarom zou ik alleen door het
-schoone vuur der eerzucht, dat <span class="pageNum" id="pb305">[<a href="#pb305">305</a>]</span>rondom mij ontbrand is, niet aangegrepen worden?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En gij wilt ditmaal volstrekt uw krijgsroem met mij deelen?&#x201d; vroeg de dichter na
-eene kleine pauze.
-</p>
-<p>&#x201e;Liever dan&#x2014;de gunst van een bekoorlijke vrouw!&#x201d; antwoordde Pericles en sloeg een
-scherpen blik op zijn vriend.
-</p>
-<p>Deze ontroerde. &#x201e;Nu begint er,&#x201d; zoo sprak hij, &#x201e;een licht voor mij op te gaan,&#x2014;en
-het is een zonderling licht&#x2014;waarom juist ik tot strateeg moest verkozen worden&#x2014;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Alles wat in de wereld geschiedt, beste vriend,&#x201d; hernam Pericles glimlachend, &#x201e;heeft
-niet ééne maar honderd oorzaken. Wie kan zeggen, welke de gewichtigste is?&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Wilt ge niet liever mij achterlaten en de schoone met u naar Samos nemen?&#x201d; vroeg
-de dichter.
-</p>
-<p>Pericles antwoordde slechts met een glimlach. Daarop zei hij: &#x201e;Troost u; het is maar
-een klein reisje, dat we voor ons genoegen ondernemen, een zeetochtje van slechts
-weinige weken; want aan eene ernstige tegenweer van de Samiërs tegen het machtige
-Athene valt wel niet te denken. Samos<a class="noteRef" id="xd30e4230src" href="#xd30e4230">2</a> is eene prachtige stad, die u wel bevallen zal; Melissus, de bevelhebber van het
-Samische smaldeel, dat wij tegenover ons zullen hebben, is een waardig wijsgeer van
-de Eleatische<a class="noteRef" id="xd30e4233src" href="#xd30e4233">3</a> school, met wien gij ongetwijfeld met genoegen kennis zult maken en als wij Chios
-voorbij zeilen, willen wij uw vriend Ion een bezoek brengen, den treurspeldichter,
-die daar in eene aangename, bekoorlijke rust woont.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wilt gij Ion gaan bezoeken?&#x201d; riep Sophocles uit. &#x201e;Herinner u, dat hij niet erg op
-u gesteld is, sedert gij zijn medeminnaar bij de schoone Chrysilla zijt geweest.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb306">[<a href="#pb306">306</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Mijne verhouding tegenover iemand,&#x201d; hernam Pericles, &#x201e;wordt nooit aangewezen door
-de meening, die men omtrent mij koestert, maar daardoor hoe ik over hen denk. Ion
-is een flink man. Hij zal u met zijn besten inlandschen Chiër verwelkomen, hoewel
-gij zijn mededinger in den tragischen wedstrijd geweest zijt.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En gij, ik herhaal het,&#x201d; zei Sophocles, &#x201e;zijn mededinger bij de schoone <span class="corr" id="xd30e4242" title="Bron: Chysilla">Chrysilla</span>, die thans, naar ik verneem, op Chios hem gezelschap houdt.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Laat Chrysilla rusten,&#x201d; hernam Pericles.
-</p>
-<p>De dichter schikte zich blijmoedig in zijn lot. Pericles begon hem over datgene, wat
-zijn nieuw ambt vereischte, te onderrichten.
-</p>
-<p>Als men in die dagen een beschreven blad in Sophocles&#x2019; handen zag, was het geen schets
-van een treurspel, geen reizang, geen loflied op Eros of Dionysus, maar de lijst van
-de manschap, die ter zee moest dienen, welke hij moest oproepen, van de rijke burgers,
-die hij aansporen moest als <span class="corr" id="xd30e4249" title="Bron: triëarchen">triërarchen</span> hunne schepen te leveren en ze uit te rusten.
-</p>
-<p>Uit de bekoorlijke eenzaamheid van zijn groen <span class="corr" id="xd30e4254" title="Bron: Cephissusdal">Cephissus-dal</span> zag hij zich door Pericles medegesleept naar tuighuizen der krijgshavens Zea en Munichia,
-in het rumoer van den <span class="corr" id="xd30e4257" title="Bron: Piraëus">Piraeüs</span>, waar de vreeselijke zeedraken der Atheensche vloot uit hunne ramen weder in zee
-getrokken werden, in het leven en gedruis der arsenalen, waar het onophoudelijk dreunde
-van gehamer en geklop, rumoer en geraas. In den beginne deed het den smaakvollen dichter
-schier pijnlijk aan, steeds te verkeeren te midden van het geschreeuw der roeiers
-en matrozen, die toen nog weinig werk hadden en kibbelden om fluitspeelsters en elkander
-soms gaten in het hoofd sloegen. Zijn gehoorvlies werd verscheurd door het schelle
-fluitje van den bootsman, door het aangeven van de roeimaat, door schetterende fanfaren:
-want met die triëren, wier uitrusting gereed was, ondernamen hare triërarchen dagelijks
-kleine tochten in de golf om te onderzoeken, <span class="pageNum" id="pb307">[<a href="#pb307">307</a>]</span>welk schip het beste en snelste zeilde.
-</p>
-<p>Maar toen de dag der afvaart was aangebroken en men de schepen met hun drie rijen
-roeibanken, met hun hoog uitstekende, als zwanenhalzen gekromden voor- en achtersteven,
-prachtig geschilderd, met de van goud schitterende Pallasbeelden en andere versierselen,
-de dreigend toeloopende balken der kiel, vrij en koen in goed geordende rijen over
-de flauwe oppervlakte zag zweven en op het teeken eener trompet eene plechtige stilte
-volgde, gedurende welke de heraut met luider stemme van het verdek van het admiraalschip
-een gebed uitsprak, dat allen van de overige schepen naspraken en waaraan zelfs het
-volk op het strand deel nam en de rook der offers van het verdek der schepen in de
-blauwe morgenlucht opsteeg en het geheele leger uit gouden en zilveren bekers dankoffers
-plengde en den paeän aanhief en eindelijk de vloot zich in beweging zette, de wind
-de zeilen deed zwellen, de zee onder den slag van tallooze riemen opbruischte en de
-lange rij der vaartuigen, vergezeld door de zegewenschen van de achtergeblevenen,
-uit de haven de open zee koos&#x2014;toen was de dichter Sophocles van ganscher harte strateeg
-geworden en met geen fierder zin kon zijn held Aiax uit Salamis tegen Troje zijn opgetrokken,
-dan hij thans zelf uit het vlek Colonos koers zette naar Samos.&#x2014;
-</p>
-<p>Na verloop van eenige weken liep een snelzeiler met berichten van Pericles voor den
-raad en de volksvergadering den Piraeüs binnen. De bevelhebber van het schip, dat
-deze tijdingen overbracht, bezorgde heimelijk niet als triërarch, maar als persoonlijk
-vriend van den strateeg Pericles, een geschrift, dat niet voor het publiek bestemd
-was. Het was een schrijven van Pericles aan zijne vriendin Aspasia.
-</p>
-<p>De brief luidde als volgt:
-</p>
-<p>&#x201e;Ik weet niet, vanwaar het kwam, dat mijne borst schier nooit fierder klopte, dan
-op het oogenblik, dat ik wederom de hooge zee onder mij voelde. <span class="pageNum" id="pb308">[<a href="#pb308">308</a>]</span>Toen ik op het verdek van het schip stond en de winden de Aegaeïsche zee mijn voorhoofd
-verkoelden, toen was het alsof met hen een adem van vrijheid mij tegenwoei en alsof
-ik mijzelven had wedergevonden. Wedergevonden? Een dwaas woord! Had ik mij dan verloren?
-Ik was het mij niet bewust&#x2014;misschien u, Aspasia? Een oogenblik scheen het mij werkelijk
-toe, alsof ik in den laatsten tijd te weekelijk en te lijdelijk mij op het rozenleger
-der liefde had neergevlijd. Ik was bijna verstoord op u. Doch toen ik nadacht, zag
-ik in, dat ik u groot onrecht deed en dat juist integendeel datgene, wat van u uitgaat,
-nooit eene verslappende, maar steeds bewust of onbewust eene opwekkende, aandrijvende
-kracht, mij geheel beheerschte en mij heendreef uit het rustige Athene naar het woelige
-oorlogsveld.
-</p>
-<p>&#x201e;Derhalve schaam ik mij niet langer over mijne liefde voor u noch over het verlangen,
-dat ik nu reeds koester om u weder te zien, hoewel die zoete begeerte mij bijna een
-leelijken trek had gespeeld.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik vond de Samiërs slecht uitgerust en slechts ten deele voorbereid. Ik schaamde
-mij haast over de gemakkelijke overwinning. Er scheen weldra niets meer te doen overig;
-ik maakte derhalve aanstalten om naar Athene terug te keeren, in de hoop dat bij de
-eenvoudigheid der middelen, waardoor dit gevolg bereikt was, de snelheid waarmede
-de overwinning bevochten werd, mij tot roem zou strekken. Zou tot die bespoedigde
-terugkeer ook niet het verlangen om datgene, wat ik te Athene achtergelaten had, zoodra
-mogelijk weder te zien, eenig aandeel hebben? Ik ben er mij zelven niet van bewust
-maar toch durf ik de mogelijkheid niet ontkennen. In alle gevalle bleek de haast,
-waarmede ik wilde terugkeeren, niet zoo voordeelig, als die, waarmede ik uitgetrokken
-was. Ik leerde, dat men in den oorlog met spoed uittrekken, maar behoedzaam terug
-moet keeren.
-</p>
-<p>&#x201e;Doch waartoe zou ik u tijdingen mededeelen, <span class="pageNum" id="pb309">[<a href="#pb309">309</a>]</span>die zeker te Athene op aller lippen zijn? Onze vloot brandt van verlangen den vroeger
-verzuimden zeestrijd in te halen: zelfs de zachte Sophocles gloeit op dit oogenblik
-van het vuur van Ares<a class="noteRef" id="xd30e4276src" href="#xd30e4276">4</a>. Ik heb hem naar Chios en Lesbos gezonden om de schepen der bondgenooten te halen;
-andere versterkingen zijn in aantocht.
-</p>
-<p>&#x201e;Zend mij berichten van u en de vrienden te Athene door dienzelfden mij bevrienden
-triërarch, die u dezen brief bezorgd heeft en houd u overtuigd, dat ik naar uwe berichten
-niet minder vurig verlang, dan gij naar de mijne. Zeg aan Phidias, dat hij zich niet
-door het rumoer des oorlogs in zijne rustige werken des vredes late storen. De schoonste
-vreugde zal het voor zijn vriend bij zijn terugkeer zijn wanneer dezen de hooge tempelzuilen
-van den burgt bijna voltooid tegenblinken.&#x201d;
-</p>
-<p>Dit was dan de inhoud van Pericles&#x2019; brief aan Aspasia. De Milesische beantwoordde
-dien in dier voege:
-</p>
-<p>&#x201e;Het verheugt mij, dat gij zoo snel van de gedachte zijt teruggekomen, dat het karakter
-van den fieren Pericles in den laatsten tijd door Aspasia verwijfd zou zijn geworden.
-Moet ik integendeel mij niet verwijten, dat ik door de voorspraak ten behoeve mijner
-landgenooten u voor een deel heb heengedreven naar wat gij het woelige veld des oorlogs
-noemt? Eene zoo kortstondige scheiding schijnt mij niet onvoordeelig toe; want het
-scheen dat gij den langen vrede reeds moede waart geworden, ja zelfs het genot en
-de liefde voor Aspasia. Schaam u echter niet over het verlangen om mij en uwe vrienden
-weder te zien. De begeerte om wat ons lief is geworden terug te zien is dan immers
-het sterkste, wanneer men het juist verlaten of verloren heeft. Ik vrees, dat gij
-de scheiding hoe langer zoo gemakkelijker zult verdragen, hoe langer ze duurt en ten
-laatste, evenals <span class="pageNum" id="pb310">[<a href="#pb310">310</a>]</span>Agamemnon vóór Troje, in steeds toenemende gemoedsrust voor Samos zult blijven liggen.
-</p>
-<p>&#x201e;Mijn verlangen naar u daarentegen kan niet verflauwen door den tijd, daar het gevoed
-wordt door werkeloosheid en eenzaamheid. Gij hebt mij hier bijna zoo verlaten achtergelaten,
-alsof ik uw gemalin was; gij hebt den blijmoedigen Sophocles met u medegenomen en
-den welsprekenden Protagoras met eene kolonie naar het verre buitenland gezonden.
-Alleen Socrates is nog over en deze zoekt nog van tijd tot tijd mijn gezelschap. Maar
-of het uit wantrouwen tegen mij geschiedt of tegen zich zelven&#x2014;hij waagt zich niet
-zonder een ander in mijne nabijheid en overschrijdt mijn drempel steeds in gezelschap
-van een vriend, die bijna zoo zonderling is als hij zelf. &#x2019;t Is de treurspeldichter
-Euripides, de jongere mededinger van Sophocles. Hij en Socrates zijn onafscheidelijke
-vrienden en men zegt zelfs, dat deze hem helpt bij zijne treurspelen, omdat zij zoo
-rijk zijn aan wijze spreuken. Maar dit is dwaasheid. Zij beiden zijn zoo gelijk van
-karakter, dat ik niet weet, wat de een van den ander zou kunnen ontleenen. Beiden
-vloeien zij over van wijsheid. Wat Socrates is onder de denkers, dat is Euripides
-onder de dichters: een peinzer en een zonderling. Bovendien is hij een boekenworm;
-hij heeft zich een groote boekerij aangeschaft en leeft daarin geheel voor de Muzen.
-Voor het overige ziet hij er uit als alle dichters; een oudachtig gezicht op een eeuwig
-jeugdig bewegelijk lichaam. Hij is afgetrokken, norsch en ruw in zijne manieren en
-gaat alleen met Socrates en de sophisten om. Intusschen heeft Socrates zoo&#x2019;n invloed
-op hem uitgeoefend, dat hij begeerig werd mij te zien.
-</p>
-<p>&#x201e;Deze man hier,&#x201d; zei Socrates, terwijl hij mij voorstelde, &#x201e;is de voortreffelijke
-treurspeldichter Euripides, dien gij, naar ik hoop, dubbel bewonderen zult, als gij
-hoort, dat zijn vader Mnesarchus een herbergier en zijne moeder Clito eene groentevrouw
-is geweest. Ook moet gij weten, dat hij <span class="pageNum" id="pb311">[<a href="#pb311">311</a>]</span>juist op den dag van den grooten zeeslag bij Salamis op dit eiland het eerste levenslicht
-heeft aanschouwd.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Een roemrijk voorteeken,&#x201d; zei ik.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is mogelijk,&#x201d; sprak Euripides zelf, &#x201e;maar wat de Goden oorspronkelijk met mij
-bedoelden, is nog niet ten volle duidelijk.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Toen vertelde hij mij uitvoerig&#x2014;want nadat hij eens aan het praten raakte, werd hij
-tegen verwachting tamelijk spraakzaam&#x2014;hoe zijn vader in een droomgezicht voorspeld
-was, dat zijn pas geboren zoontje eens als overwinnaar in roemrijke wedstrijden de
-zege zou behalen. Zijn vader had, als echt Helleen, gemeend, dat dit op de overwinningen
-te Olympia en Nemea doelde en had hem met de meeste zorgvuldigheid in de gymnastische
-kunsten laten onderrichten; ook had hij werkelijk reeds als knaap den palm bij de
-Panathenaeën weggedragen; maar hij had langzamerhand meer smaak gekregen in boekrollen
-dan in vuistriemen en werpschijven en was ten laatste in plaats van een gelauwerden
-athleet een mededinger in den tragischen wedstrijd geworden.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe komt het toch,&#x201d; vroeg ik hem, &#x201e;dat gij in elk uwer treurspelen u zoo scherp en
-vinnig uitlaat tegen de vrouwen en dat men u algemeen voor een vrouwenhater houdt?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik ben getrouwd,&#x201d; luidde het korte antwoord.
-</p>
-<p>&#x201e;Is dit een reden,&#x201d; zei ik, &#x201e;om alle vrouwen te haten, ook haar, met wie gij niet
-door dergelijke banden verbonden zijt?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Socrates heeft mij tot u gebracht,&#x201d; hernam hij, &#x201e;om mij van mijn vrouwenhaat te genezen.
-Voorloopig acht ik ééne vrouw, de vrouw, die mij ter wereld bracht: de voormalige
-groentevrouw Clito&#x2014;ik zeg voormalige, want thans heb ik haar overgehaald den groentenhandel
-aan kant te doen en een klein landgoed, dat mijn eigendom is, te besturen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik gaf mijn verlangen te kennen met deze vrouw kennis te maken.
-<span class="pageNum" id="pb312">[<a href="#pb312">312</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Als het u niet verveelt,&#x201d; gaf hij ten antwoord, &#x201e;de geschiedenis, hoe ik op Salamis
-gedurende den grooten slag in eene grot aan het strand geboren ben, te hooren vertellen&#x2014;want
-dit verhaal spaart zij niemand, die haar komt bezoeken&#x2014;is het gemakkelijk uw verlangen
-te bevredigen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Een paar dagen later zocht ik, vergezeld van eene slavin, het afgelegen, bescheiden
-landhuis op, waarin moeder Clito heerscht en welks stilte alleen door de welluidende
-trimeters<a class="noteRef" id="xd30e4304src" href="#xd30e4304">5</a> van haar dichterlijken zoon wordt gestoord, als hij, om geheel zijn eigen meester
-te zijn, zich in die landelijke eenzaamheid terugtrekt. Ik trof de goede vrouw aan
-te midden van haar kippen, eenden en biggetjes en zei haar, dat ik zeer gaarne de
-geschiedenis, hoe haar beroemde zoon op Salamis gedurende den grooten veldslag geboren
-was, wilde hooren.
-</p>
-<p>&#x201e;Innig verheugd en met kennelijken trots zeide het moedertje:
-</p>
-<p>&#x201e;Dat is eene geschiedenis, waarde vrouw, die zelfs de groote Themistocles<a class="noteRef" id="xd30e4311src" href="#xd30e4311">6</a> mij gaarne hoorde vertellen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Toen noodigde zij mij uit op eene zodenbank midden in den tuin plaats te nemen, nadat
-zij eerst de kippen en duiven, die daar zaten, <span class="corr" id="xd30e4316" title="Bron: weggejaagt">weggejaagd</span> had.
-</p>
-<p>&#x201e;O kind,&#x201d; zei zij toen, &#x201e;dat was een schrikkelijke dag, toen de scharen der Perzen
-op ons heilig Athene losstormden en alles te vuur en te zwaard vernielden en de menschen
-bij de altaren doodden en in pek gedoopte vuurpijlen van den Areopagus <span class="pageNum" id="pb313">[<a href="#pb313">313</a>]</span>naar de Acropolis slingerden, tot alle tempels daar in lichter laaie stonden en een
-dichte rook van zwarte wolken over de zee zich verspreidde. Maar terwijl de stad verbrandde
-en alle mannen zwoeren, dat zij met de wapenen in de hand onder de rookende puinhoopen
-wilden sterven en de vrouwen daartusschen weeklaagden en de stad van gejammer weerklonk,
-omdat Athene, het heilige Athene, verdelgd werd van den aardbodem, toen stond Themistocles
-op, Themistocles, de zeeheld en strekte de hand uit naar de zee en de vloot en riep:
-&#x201e;Daar is Athene!&#x201d; en dreef alles, wat weerbaar was, naar de schepen. En naast hem
-stond de langgebaarde priester van den <span class="corr" id="xd30e4324" title="Bron: Erechtheus-tempel">Erechtheüs-tempel</span> op den burg, die verkondigde, dat er een hoogst belangrijk wonder was geschied: de
-heilige burgslang was van zelf uit den brandenden tempel verdwenen, een teeken, dat
-de schutsgodin der stad, Pallas Athene, zelve en alle Goden van daar waren gevloden
-en dat het vaderland van den Athener nergens anders was dan op zee, op de schepen
-der vloot van Themistocles.
-</p>
-<p>&#x201e;Terwijl nu de mannen allen te scheep gingen, was het een jammerlijk gezicht hoe zich
-de vrouwen, de kinderen en grijsaards door elkander in de booten wierpen, die aan
-de kust gereed lagen en ook lager aan de straten van Salamis, waarvan er vele omsloegen,
-omdat zij de menigte vluchtelingen niet konden dragen.
-</p>
-<p>&#x201e;Zelfs de honden wilden niet achterblijven in de verlaten stad: zij stortten zich
-in zee en zwommen langs de schepen hunner meesters, zoolang zij konden. Ge moet echter
-weten, kind, dat ik toen hoogst zwanger was en in dien toestand bereikte ik gelukkig
-met eene gansche schare het strand van Salamis en daar sloegen wij in eene rotsgrot
-op de kust, met eenige vrouwen en kinderen, ons nachtleger op. De nacht was bovenmate
-onrustig; want in die nachtelijke ure verzamelden zich om Salamis alle Grieksche zeilschepen
-en onophoudelijk weerklonk van schip tot schip den geheelen <span class="pageNum" id="pb314">[<a href="#pb314">314</a>]</span>nacht door het geroep der zeelieden, zoodat zelfs de onbezorgden onmogelijk een oog
-konden luiken. Het was juist toevallig de tijd van het Jacchus-feest, waarop het beeld
-van den God in het begin van den nacht bij fakkellicht in een grooten, plechtigen
-optocht van Aegina naar Eleusis over zee wordt gevoerd, en Themistocles had niet gewild,
-dat men deze plechtigheid om de benauwde tijden zou nalaten en juist toen de Grieken
-hunne schepen in orde schaarden, kwam het feestelijk getooide vaartuig met de heilige
-beelden de Aeäciden<a class="noteRef" id="xd30e4332src" href="#xd30e4332">7</a> van Aegina en bij den hellen schijn der fakkels schitterde de geheele burg, zoodat
-alle Grieken op de schepen nog meer werden aangevuurd, omdat zij zagen dat de Goden
-van hun vaderland nog heerschten. En toen de heldere morgen aanbrak en ik mij met
-de andere vrouwen naar het strand voortsleepte, zag men reeds de vereenigde schepen
-der Hellenen strijdvaardig staan, beschenen door den glans der fakkels en de geheele
-Euripus<a class="noteRef" id="xd30e4335src" href="#xd30e4335">8</a> wemelde en de groote vloot der Perzen kwam langzaam in een onafzienbare rij van den
-Phaleron aanzeilen.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik echter kon het daar niet meer uithouden; ik moest naar de grot terugkeeren. De
-barensweeën en de kommer overweldigden mij. En daar lag ik nu op een bed van zeegras,
-verlaten door een ieder, want de vrouwen, die haar nachtleger met mij gedeeld hadden,
-liepen allen weg; alle vrouwen en kinderen toch op Salamis wisten dat hare echtgenooten
-en vaders op de schepen waren en zij stonden daar allen dicht opeen op het hooge strand
-en keken naar de vaartuigen en wrongen de handen en smeekten tot de Goden. Daar hoorde
-ik opeens een trompetgeschal en een paeän hoorde ik zingen door vele duizende stemmen&#x2014;uit
-de verte klonk het in gedempte tonen tot mijne legerstede door.
-<span class="pageNum" id="pb315">[<a href="#pb315">315</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Toen was het, alsof een vreeselijke orkaan in een dicht olijfwoud zich stortte en
-alsof duizende toppen kraakten&#x2014;het was echter het gekraak der schepen die tegen elkander
-stietten en daar tusschen klonk steeds dof uit de verte het krijgsgeschreeuw der onzen
-en der barbaren. Hoe lang dit duurde weet ik niet en het gevecht kan ik u niet vertellen,
-kind, want ik zag niets; ik wentelde mij den geheelen dag door op mijn bed heen en
-weder, hulpeloos als ik daar lag en smachtte naar lafenis en verzonk ten laatste in
-eene sluimering, die wel mijne laatste had kunnen wezen.
-</p>
-<p>&#x201e;Toen hoorde ik plotseling in mijne sluimering een luid gejubel van vrouwen en ik
-kreeg mijn bewustzijn weder en het kwam mij te binnen dat ik op Salamis lag. Maar
-menige jammerklacht mengde zich onder de jubelkreten; want niet alleen tallooze wrakken
-spoelden aan het strand van Salamis, maar ook lijken, onder welke menige vrouw haar
-zoon of man herkende. Ook velen der in het gevecht gewonden en velen van de bemanning
-van die schepen welke verbrijzeld waren en die dichter bij het strand van Salamis
-waren dan bij het Atheensche strand, redden zich op de eilanden en brachten de heugelijke
-tijding: de Pers is verslagen en vlucht in zijne hartader getroffen over de zee en
-ontvliedt de rookende puinhoopen van Athene en nog heden mogen wij terugkeeren in
-de bevrijde stad.&#x2014;Verbeeld u eens kind, hoe het mij te moede werd, toen onverwacht,
-alsof de Goden het zoo bestierd hadden, mijn man Mnesarchus, die zich onder de gelanden
-bevond, de grot kwam binnenstormen, met den jubelkreet: &#x201e;Athene is weer vrij! Athene
-is weer het onze!&#x201d;&#x2014;Zoo wou hij voortgaan met juichen en jubelen, toen&#x2014;maar verbeeld
-u hoe hij mij verbaasd aankeek en naast mij het naakte, pasgeboren, schreiende knaapje.
-Hij kon geen woord uitbrengen, hij nam het kereltje in zijne armen en sprong er mede
-in de rondte in zijne uitgelaten vreugde over de zegepraal en zijn vaderschap, liep
-toen met het kind naar de zee <span class="pageNum" id="pb316">[<a href="#pb316">316</a>]</span>en wiesch het af en liep weer weg en bracht mij water en andere verkwikkingen, zoodat
-ik eindelijk hoewel langzaam, wat bijkwam van de doodelijke afmatting waarin ik verzonken
-was.
-</p>
-<p>&#x201e;Den volgenden dag werd er op het eiland een groot zegefeest gevierd. Omkranste jongelingen
-dansten om de tropaeën, terwijl de Pers aftrok en met het rampzalig overschot zijner
-onmetelijke schare heenvluchtte naar het verre Oosten. Toen ging Mnesarchus met het
-pasgeboren knaapje op zijne armen midden door het feestelijk gewoel en toonde het
-aan alle Grieken en vertelde hoe het ter wereld was gekomen in de ure van den strijd.
-En toen Themistocles zelf naderde en de toedracht der zaak vernam zei hij:
-</p>
-<p>&#x201e;Eere den Griekschen moeders, die ons nieuwe burgers baren nog gedurende den strijd,
-ter vergoeding voor diegenen, welke voor het vaderland gevallen zijn!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo sprak hij en hij beval aan Mnesarchus honderd drachmen uit te betalen. Toen heerschte
-er algemeene vroolijkheid en Mnesarchus noemde den knaap Euripides, ter herinnering
-dat hij geboren werd op den dag der overwinning in den Euripus, in de zeeëngte van
-Salamis.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo vertelde mij het eerlijke moedertje Clito, precies, zooals ik het hier voor u
-neergeschreven heb.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Weinige dagen, nadat de brief van Aspasia aan Pericles verzonden was, kwamen krijgsberichten
-uit Samos en tegelijk een nieuw schrijven voor Aspasia. De inhoud daarvan luidde aldus:
-</p>
-<p>&#x201e;Gij zijt onvergelijkelijk, Aspasia, en altijd dezelfde. Was het toeval of geschiede
-het met eene geheime bedoeling, dat gij mij in uw brief dat bekoorlijk verhaaltje
-van het moedertje van Salamis deedt? Toen uwe brieven mij met de verlangde versterking
-uit Athene gewerden, stond ik reeds met mijne vloot tegenover de Samische. Ik las
-het verhaal van uw moedertje en vol van Salaminische geestdrift gaf ik het teeken
-tot den aanval.
-<span class="pageNum" id="pb317">[<a href="#pb317">317</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Wij overwonnen. Maar ik zal mij wel wachten u eene schildering van dien slag te geven.
-Hoe zou ik het wagen tegenover dat beeld, waarmede gij mij zoo levendig de herinnering
-aan het heldenfeit van Salamis voor den geest hebt getooverd, met mijne onbeteekenende
-overwinning te pralen, waardoor de Samische vloot wel onschadelijk is gemaakt, doch
-het verzet der stad zelve nog niet is gefnuikt. Wij omsluiten haar te land en ter
-zee. Dit Samos is eene sterke stad en prachtig gelegen: maar zijn grootste, van oudsher
-beroemde tempel is, zooals gij weet, aan Hera, de Godin van den echt, gewijd en in
-dit heiligdom worden gansche troepen van die vogels gemest, die der Godin heilig,
-maar ons beiden gehaat zijn.
-</p>
-<p>&#x201e;Ook Sophocles heeft uw brief gelezen, vooral het verhaal van uw moedertje heeft hem
-groot genoegen gedaan.
-</p>
-<p>&#x201e;Daar hij zelf zich onder de bekranste jongelingen en knapen bevond, die bij het zegefeest,
-waarvan het moedertje spreekt, om de tropaeën dansten en Aeschylus onder de strijders,
-hebben deze drie treurspeldichters een belangrijk aandeel genomen aan de eer van Salamis&#x2014;het
-geringste echter uw Euripides, die alleen de verdienste heeft toen geboren te zijn
-geworden.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik heb overigens ook nog bij Sophocles inlichtingen ingewonnen naar het karakter
-van Euripides en hem gevraagd naar zijne meening over diens vrouwenhaat. Sophocles
-antwoordde mij, dat Euripides de vrouwen slechts haatte, omdat hij ze liefhad. Want
-als hij ze niet liefhad en ze missen kon, dan zou hij zich niet om haar bekommeren
-en niet van haar spreken en het zou hem onverschillig zijn of zij goed zijn of slecht.
-Tot zooverre Sophocles: ik houd het er dus voor, dat de roem om Euripides van zijn
-vrouwenhaat te genezen, u niet veel moeite zal kosten.&#x201d;
-</p>
-<p>Deze brief van Pericles beantwoordde Aspasia in dier voege:
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt met uwe overwinning vóór Samos den <span class="pageNum" id="pb318">[<a href="#pb318">318</a>]</span>Atheners reden gegeven tot groote blijdschap, waarmede ik in stilte van ganscher harte
-instemde; alleen hebt ge mijne vreugde aanmerkelijk verminderd door uwe bescheidenheid,
-waardoor gij mij eene schildering van uw zeegevecht hebt onthouden. Ik vind het over
-het algemeen zeer goed, dat gij uwe brieven aan mij niet met staats- en krijgszaken
-vult en u liever tot datgene bepaalt, wat uw eigen persoon betreft; maar men zegt,
-dat juist deze slag u in al uw glans en heerlijkheid heeft getoond, dat gij zelf het
-schip van den vlootvoogd der vijanden in den grond hebt geboord. Niet om de zaken
-is het mij te doen, maar om u, om het heldere beeld van uw wezen, zoodat ik u als
-met eigen oogen zie.
-</p>
-<p>&#x201e;De bouw van het Parthenon vordert met eene haast ongeloofelijke snelheid. Waarlijk,
-uit eene welgevulde kas is het, zooals Callicrates pleegt te zeggen, goed bouwen.
-</p>
-<p>&#x201e;Vóór eenige dagen heeft er op de Acropolis een ongeluk plaats gehad, dat veel opzien
-verwekte. Een werkman viel van een steiger en werd doodelijk gewond: en daar dit juist
-geschiedde op de plaats, die Diopithes als eene &#x201e;onderaardsche,&#x201d; als een ongelukspunt
-verklaard had, heeft de gemoederen en de tongen der bijgeloovigen te Athene geducht
-in beweging gebracht.
-</p>
-<p>&#x201e;Zegepralend wijst de onverzoenlijke <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> op zijne vervulde voorspelling en verkondigt nog meer rampen in de toekomst; hetgeen
-de Goden mogen verhoeden!
-</p>
-<p>&#x201e;Hij ziet van den drempel van zijn oud heiligdom nog steeds donker en toornig op den
-wakkeren Callicrates neer en wenscht hem een zonnesteek toe. Doch de heetste pijlen
-van Apollo stuiten op het voorhoofd van den onvermoeide af. Pallas Athene dekt hem
-met haar schild. Hij tergt zijn tegenstander, waar hij kan, en wanneer zijne wangunstige
-blikken hem al te lastig worden, weet hij het zoo in te richten, dat zijne lieden
-eene stofwolk in de nabijheid van het Erechtheüm doen <span class="pageNum" id="pb319">[<a href="#pb319">319</a>]</span>opdwarrelen, die den priester noodzaakt, zich de oogen wrijvende, naar het binnenste
-van zijn tempel de wijk te nemen.
-</p>
-<p>&#x201e;Nu is zelfs een muildier in den twist dezer beide mannen betrokken geworden. Onder
-de muildieren namelijk, die nu reeds eenige jaren bezig zijn dag aan dag de helling
-van de Acropolis op en neder te draven, steenen en andere vrachten op de hoogte te
-sleepen, bevond er zich een, dat deels door den ouderdom, deels door eene wonde, die
-hij bij het vervullen van zijn arbeid gekregen had, ongeschikt voor den arbeid geworden
-was. Zijn drijver wilde hem sparen en in den stal rustig laten staan. Het wakkere
-dier echter was daar mede niet te vreden en liet zich zelfs niet door slagen afhouden
-datgene te doen, wat het sedert zoo langen tijd gewoon was, en draafde met zijne makkers,
-zij het ook onbelast, de Acropolis op en af. En dit doet het nu getrouw dag aan dag
-en iedereen kent den &#x201e;muilezel van Callicrates,&#x201d; zooals men hem noemt, daar Callicrates
-het onbruikbaar gewordene, maar altijd toch wakkere dier onder zijne bescherming neemt.
-Daar deze muilezel echter op de Acropolis zonder werk losloopt en rondstappende soms
-het gebied van het Erechtheüm te nabij komt en zelfs eenige malen de heilige kruiden,
-die daar geplant zijn, met zijn onheiligen snuit heeft besnuffeld, haat Diopithes
-dezen trouwsten aller arbeiders van het Parthenon bijna nog meer dan Callicrates zelven
-en het is niet te voorzien, welke verwikkelingen uit deze zaak nog zullen voortspruiten.
-</p>
-<p>&#x201e;Vaarwel, mijn held, en denk niet altijd alleen aan het verhaal van het moedertje,
-aan Salamis en Themistocles, maar ook eens aan uwe Aspasia. Noch Hera, noch alle pauwen
-van Samos zouden mij verhinderen tot u te snellen, als gij het wilt.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Niet lang daarna ontving Aspasia van Pericles de volgende regelen:
-</p>
-<p>&#x201e;Gij zijt verstoord op mij, omdat ik u de beschrijving <span class="pageNum" id="pb320">[<a href="#pb320">320</a>]</span>van het zeegevecht niet gegeven heb; gij verlangt dus mij vóór Samos te zien heerschen
-en handelen en het bevel voeren? Op zich zelf is een zeeslag misschien van alle schouwspelen
-het meest waard gezien te worden en ik beken u volmondig, dat ik, zoo dikwijls ik
-mij als strateeg ter zee met den vijand moet meten, hoezeer ook mijn plicht als aanvoerder
-mij geheel vervulde, toch steeds een blik van bewondering over had voor het schoone
-en geweldige gezicht, dat een strijd tusschen die met zeilen voorziene kolossen opleverde.
-De goede Clito heeft u alleen de bijomstandigheden van den slag van Salamis, niet
-het gevecht zelf verhaald, en daarom wil ik trachten u de geschiedenis van den strijd
-der schepen vóór Samos in korte trekken te schilderen, onder die voorwaarde evenwel,
-dat dit verhaal van krijgszaken het eenige zal zijn, &#x2019;t welk gij aangaande dezen veldtocht
-van mij zult ontvangen.
-</p>
-<p>&#x201e;Bij het eiland Tragia ontmoette ik de van Milete komende Samische vloot. Een aanval
-verwachtende, nam zij onmiddellijk eene vaste stelling in een kring aan, om mij te
-verhinderen datgene te doen, wat steeds in een zeeslag mijn hoofddoel is, namelijk
-de vijandelijke schepen door eene snelle en onverwachte wending in de flank aan te
-tasten. Ik zond eenige kloeke zeilers vooruit, om deze kringvormige positie in verwarring
-te brengen en door schijnaanvallen en eene geveinsde vlucht hier en daar een vijandelijk
-vaartuig van zijn plaats te lokken. Ook stak er een tamelijk felle wind op, wat eveneens
-medewerkte om door den zwaren golfslag den gesloten kring der Samische vloot te verbreken.
-</p>
-<p>&#x201e;Onze vloot stond van het begin af met vooruitspringende vleugels tegenover de vijandelijke
-linie en gereed om ieder schip, dat zich buiten den kring durfde wagen, in de flank
-aan te vallen.
-</p>
-<p>&#x201e;Intusschen gelukte het den Samischen vlootvoogd, terwijl zijne voorhoede reeds in
-een vrij heeten strijd gewikkeld was, uit het daarachter <span class="pageNum" id="pb321">[<a href="#pb321">321</a>]</span>staande gedeelte van den wankelenden en half verbroken kring eene gesloten slagrij
-te vormen, waarmede hij plotseling, terwijl de schepen der voorhoede, op zijn bevel,
-zich terugtrokken, in dichte rijen naderde.
-</p>
-<p>&#x201e;Een oogenblik bracht de aanval dezer gesloten phalanx<a class="noteRef" id="xd30e4391src" href="#xd30e4391">9</a> onze voorste gelederen in verwarring. De dikbuikige schepen der Samiërs met hunne
-trompvormig gebogen voorstevens en tallooze krachtig bewogen riemen zagen er als monsters
-uit, die op duizend pooten naar ons toekropen. Alleen was dit kruipen eer een vliegen,
-als de snelheid van den wind. Maar na weinige oogenblikken, toen ook ik de verstrooide
-schepen ijlings in orde had gesteld, stond onze phalanx evenzeer gesloten, als een
-ijzeren muur, tegenover de Samische.
-</p>
-<p>&#x201e;Nu ontbrandde de eigenlijke strijd in woeste verbittering. Onder luid geschreeuw
-op elkander losgaande, drongen de voorste rijen der onzen en die der Samiërs onstuimig
-op elkander in, zoodat ieder Attisch vaartuig naar twee kanten zijn aanval richtte,
-ieder vijandelijk schip zich naar twee kanten verdedigde. Geleken de Samische schepen
-op dreigend vooruitstekende zwijnensnuiten, de onzen waren met zeeslangen te vergelijken,
-die tusschen die snuiten door vlug en met doodelijke beten rechts en links hare kronkelingen
-wisten te slingeren. In de dicht opeen gepakte rijen begonnen nu van schip tot schip
-de geweldige krijgswerktuigen te werken: de catapulten en schorpioenen<a class="noteRef" id="xd30e4396src" href="#xd30e4396">10</a> slingerden hun geschut en de vreeselijke dolfijnen<a class="noteRef" id="xd30e4399src" href="#xd30e4399">11</a> lange balken met zware, ijzeren punten, die, nederstortend op het vijandelijke vaartuig,
-met goed berekende juistheid nederdaalden en de mast verpletterden of het verdek verbrijzelden
-<span class="pageNum" id="pb322">[<a href="#pb322">322</a>]</span>en als met ijzeren klauwen het schip vasthielden en tot een buit van den aanvaller
-maakten. En terwijl de aandacht van het vijandelijk vaartuig door een hagel van pijlen,
-waarmede zijn verdek overstormd werd, werd beziggehouden, voeren stoute, lichte booten
-om het zeegevaarte heen, wier bemanning met bijlen zijne riemen vernielde.
-</p>
-<p>&#x201e;En toen ten laatste de schepen kiel aan kiel gesloten waren en de hoog uitstekende
-boorden der onzen en der vijanden elkander raakten, vormden de vereenigde verdekken
-weldra een slagveld, waarop de zwaargewapenden met lans en zwaard, man tegen man,
-tegenover elkander stonden. De vermetelsten aarzelden niet aan boord der naaste vijandelijke
-vaartuigen te springen. Sommigen der onzen gelukte het hier en daar de vijandelijke
-bemanning neder te houwen, den triërarch gevangen te nemen, zich van het roer meester
-te maken en de weerlooze roeiers te dwingen het buitgemaakte vaartuig uit de Samische
-linie naar de Atheensche over te brengen.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe roemrijk bij dergelijke waagstukken de heldhaftige zin zich ook openbaarde, ik
-keurde dien al te onstuimigen moed af, daar ik er steeds op bedacht ben, in den zeestrijd
-het bloed mijner dapperen zooveel mogelijk te sparen en meer de schepen dan de menschen
-tegen elkaar te doen strijden. Waarom zouden dezen elkander vermoorden, waar gene
-door stoute, snelle bewegingen in staat zijn den kamp te beslissen?
-</p>
-<p>&#x201e;Ik voer tusschen de schepen der vloot door en riep den triërarchen toe, dat zij liever
-met de scheepsnebben en de ijzeren, puntige balken, dan met zwaard en lans moesten
-strijden en hun schip niet als een burgt, maar als wapen zouden beschouwen. Zij begrepen
-mij en daar de Samiërs talrijke onbruikbaar gemaakte schepen uit den slag brachten,
-doch met het overschot dichter opeen drongen, werd het ons te gemakkelijker, om de
-schepen te enteren en in de flank aan te tasten.
-</p>
-<p>&#x201e;Thans werd het ons hoofddoel, om de vijandelijke <span class="pageNum" id="pb323">[<a href="#pb323">323</a>]</span>schepen in den grond te boren. Het was nu inderdaad een strijd der schepen zelve geworden.
-Benevens het geweld der in volle vaart aangebrachte scheepsnebben, benevens de kracht
-der ijzeren, puntige balken aan de kiel, bewezen de door mijzelve uitgevonden &#x201e;ijzeren
-handen&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e4412src" href="#xd30e4412">12</a> voortreffelijke diensten, daar zij menig Samisch vaartuig aangrepen en vast omkneld
-hielden in hare vreeselijke omarming. Onder het dof gekreun der tegen elkander botsende
-balken mengde zich het snerpend gekraak van splinterende riemen, wanneer in snelle,
-goed berekende vaart een vaartuig vlak langs het vijandelijke schoot en het uitstekend
-roeituig als dorre takken deed breken.
-</p>
-<p>&#x201e;De Samiërs deinsden terug, zij geraakten in wanorde doch zij weken nog niet. Vertoornd
-over dien trots, verdrietig over den langen strijd, wilde ik juist het bevel geven
-eenige transportschepen met werk en rijs geladen, in brand te steken en in de vijandelijke
-rijen te zenden, om het overschot der weerbarstige Samische vloot te <span class="corr" id="xd30e4417" title="Bron: verbrandden">verbranden</span>, toen plotseling een geweldig stuk steen naar den mast van mijn schip werd geslingerd.
-De mast werd niet getroffen, de stuurman echter wel, die oogenblikkelijk met verbrijzelden
-schedel van zijn stuurstoel afviel. Bij het nedervallen had de steenklomp tevens het
-roer zelf, met alles wat in de nabijheid zich bevond, verpletterd. De steen was van
-het admiraalschip der Samiërs geslingerd, waaruit ik opmaakte, dat de Samische vlootvoogd
-mij zelven tot een persoonlijken kamp uitdaagde. Doch met mijn ontredderd schip was
-weerstand onmogelijk. Snel en zonder dat de vijand het kon bemerken klom ik van den
-achtersteven van het schip langs een ladder in een boot en spoedde mij naar een ander
-vaartuig, de &#x201e;Pharthenos&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e4420src" href="#xd30e4420">13</a>, en terwijl het Samische admiraalschip mijn ontredderd schip bemachtigde om het,
-met mij zelven als krijgsgevangene, <span class="pageNum" id="pb324">[<a href="#pb324">324</a>]</span>naar de Samiërs meenden, buit te maken en mede te voeren, boorde ik met de &#x201e;Pharthenos&#x201d;
-in de flank van den Samiër, zoodat hij, lek geworden, water schepte en op zij vallend
-onder den waterspiegel verdween. De Samische vlootvoogd zelf was een der weinigen,
-die onder een pijlregen der onzen, die hun krachtigen zegekreet reeds deden weerschallen,
-ter nauwernood al zwemmend zich redden. Nu eerst weken de Samiërs en de zege was ons.
-</p>
-<p>Nog op den avond van denzelfden dag kwam de Samische opperbevelhebber, Melissus, onder
-veilig geleide op mijn schip, om met mij over de vredesvoorwaarden te onderhandelen;
-hij stelde echter zulke eischen, dat men mij voor overwonnen zou hebben moeten houden,
-als ik ze aangenomen had. Hij erkende wel dat de vloot der Samiërs verslagen was,
-maar gaf de verzekering, dat de stad echter in staat en voornemens was een lang beleg
-uit te houden. Bovendien was Phoenische hulp in aantocht en eene geldelijke ondersteuning
-was den Persischen satraap te Sardes aangeboden. Melissus lei bij dit geheele onderhoud
-eene wilskracht en hardnekkigheid aan den dag, zooals alleen een wijsgeer in staat
-is te ontwikkelen. Hij is van eene hooge gestalte, reeds op vrij gevorderden leeftijd
-en zijn voorhoofd draagt zoozeer den stempel van den diepzinnigen denker, dat het
-mij schier ongeloofelijk voorkwam, in hem den man te zien, die nog zooeven eene vloot
-tegen mij aangevoerd had en dien ik met de vlugheid eens jongelings door de met wrakken
-bezaaide golven had zien zwemmen. Weldra zag ik in hem alleen den in geheel Griekenland
-met roem overdekten wijze uit de school van Parmenides. Ik weet zelf niet hoe het
-kwam, dat ons gesprek langzamerhand en onmerkbaar in wijsgeerige overdenkingen overging.
-Waarheid is, dat hij mij ten laatste met groote levendigheid uiteen zette, dat, wanneer
-iets is, het eeuwig is; dat het eeuwige echter in ruimte onbegrensd was en het waarachtig
-eeuwige, één en <span class="pageNum" id="pb325">[<a href="#pb325">325</a>]</span>oneindig, alles in zich omvatte; want als er twee of meer oneindigheden waren, moesten
-zij elkander begrenzen en waren derhalve niet meer oneindig en het Al moest iets in
-zich zelf gelijksoortigs zijn; want ware er iets waarachtig ongelijksoortigs, dan
-bestond niet meer het ééne, maar het vele; het vele echter kon niet bestaan, want
-dat het bestond was slechts schijn en gold alleen voor de zinnelijke waarneming, niet
-voor de denkende bespiegeling van den geest.&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Toen toevallig eenige andere strategen en triërarchen binnenkwamen, die met groote
-nieuwsgierigheid en belangstelling den uitslag onzer vredesonderhandelingen verbeidden
-en nu hoorden dat de Samische vlootvoogd en ik ons over de onbegrensdheid van het
-Al en over de oneindigheid van het ongeschapen Zijn onderhielden, bleven zij geheel
-verbluft en met open mond staan, en wij zelven moesten lachen, als wij nagingen hoe
-wij zooeven nog met scheepsnebben en doodelijk geschut tegen elkander hadden gewoed,
-doch thans in een dergelijk onderwerp verdiept waren. Want daar ik dergelijke vertoogen,
-als Melissus hield, te Athene dikwijls uit den mond van Zeno had gehoord en deze Eleatische
-stellingen en strijdvragen mij steeds de grootste belangstelling hadden ingeboezemd,
-behoefde ik Melissus het antwoord niet schuldig te blijven en ons gesprek had inderdaad
-bijna het karakter van een wijsgeerigen strijd aangenomen.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe veel beter zou het zijn,&#x201d; zei ik tot Melissus, toen wij afscheid namen en ik
-hem de hand schudde, &#x201e;als wij Hellenen allen, zooverre onze taal op de kusten en eilanden
-wordt gesproken, daar wij toch door één geestelijk streven verbonden zijn, ook door
-één zelfde staatkundig belang in den loop der tijden konden vereenigd worden!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Een bliksemstraal schoot bij deze woorden uit het grauwe donkere oog van den Samiër.
-</p>
-<p>&#x201e;Ongetwijfeld,&#x201d; zeide hij met een bitteren, spottenden glimlach, &#x201e;hoopt gij, dat het
-Athene zal zijn, dat allen Hellenen in zijn gebied lokt en hen <span class="pageNum" id="pb326">[<a href="#pb326">326</a>]</span>goedschiks of kwaadschiks tot ééne staat vereenigt?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik begreep het gevoel van den vaderlandslievenden man, die met zooveel warmte voor
-de onafhankelijkheid van zijn eiland streed en ik waardeerde het.
-</p>
-<p>&#x201e;Het is nu eenmaal het lot van alle welgemeende bedoelingen en gedachten, dat zij
-schipbreuk lijden op de klip van kleinere belangen, die toch eigenlijk zich moesten
-oplossen in de grootere. Het wordt met ondank beloond, als men de gedachte van een
-groot geheel in zijn hart opvat en daarvoor wil werken. Spoor ik de Hellenen aan tot
-eenheid, dan zien zij daarin alleen Atheensche veroveringszucht of zelfs eerzuchtige
-bedoelingen van mijzelven. Zoo gevoelt men zich met zijn besten wil en bedoelingen
-telkens gedwarsboomd door eene jammerlijke bekrompenheid. Daardoor heb ik soms oogenblikken,
-dat alle kracht en lust tot den arbeid mij ontzinken en ik troost zoek in de reine
-sfeer der gedachte, waar de geest in onbeperkte vlucht zich kan verheffen in de ongemeten
-ruimten van het geestelijke en ongeziene. Als ik in stilte des nachts op het verdek
-treed van mijn vaartuig, boven mij de met sterren bezaaide hemel zich welft&#x2014;als de
-masten onbewegelijk zich verheffen en daar boven de oneindigheid het uitspansel zich
-uitbreidt&#x2014;als geen geluid wordt gehoord, dan het zachte, welluidende kabbelen der
-golven, licht bewogen door den adem van den wind, tegen de kiel van het schip&#x2014;dan
-rijst het beeld van Melissus op voor mijn geest en ik geloof niet langer aan, maar
-gevoel de waarheid van zijne oneindige, eeuwige eenheid van het Zijn.
-</p>
-<p>&#x201e;Meer dan gij gelooven kunt, denk ik aan u, aan de vrienden te Athene en aan datgene,
-wat daar onder hunne handen der voltooiing nadert. Thans, nu hier, naar het schijnt,
-het moeilijkste volbracht is en eene wellicht lange, vervelende belegering mij bijna
-tot werkeloosheid veroordeelt, durf ik u mijn heimwee naar Athene wel bekennen, zonder
-mij daarvoor te schamen.
-<span class="pageNum" id="pb327">[<a href="#pb327">327</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Het ongeluk, dat de werkman bij den bouw van het Parthenon heeft getroffen, waaraan
-Diopithes op zoo kwaadwillige wijze eene rampzalige uitlegging heeft gegeven, is mij
-zeer ter harte gegaan. Ik heb Hippocrates doen verzoeken den gewonde, als hij nog
-leeft, te behandelen, en wanneer het ons gelukt hem te redden en Diopithes te beschamen,
-doe ik de gelofte uit dankbaarheid voor Pallas Hygieia<a class="noteRef" id="xd30e4444src" href="#xd30e4444">14</a> een altaar op de Acropolis op te richten.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat voorts het wakkere muildier van Callicrates aangaat, ik ben van meening, dat
-het beschouwd moet worden om zijne trouw en vlijt den staat der Atheners belangrijke
-diensten bewezen te hebben en om te voorkomen, dat de afgunst van Diopithes hem onheil
-zal berokkenen, heb ik hem de vrijheid bezorgd te snuffelen en te grazen, waar het
-hem lust, en alles wat hij aan het goed van een ander beschadigt of zich daarvan <span class="corr" id="xd30e4449" title="Bron: toeëigend">toeëigent</span>, zal den eigenaars van staatswege vergoed worden.&#x201d;
-</p>
-<p>Nog vóór Aspasia gelegenheid gevonden had dezen laatsten brief van Pericles te beantwoorden,
-ontving zij opnieuw eenige letteren van hem, die de bevestiging inhielden van het
-ongeluk, dat het Atheensche leger vóór Samos had getroffen, terwijl Pericles de Phoenische
-hulpvloot te gemoet was getrokken.
-</p>
-<p>Slechts met enkele woorden meldde Pericles deze zaak in zijn brief aan Aspasia. Daarna
-vervolgde hij aldus:
-</p>
-<p>&#x201e;Kondt gij het voor mogelijk houden, dat onder ons Hellenen datgene nog steeds gebeuren
-kan, wat ik gezien heb, toen ik mij naar het leger begaf, dat de stad van de landzijde
-had ingesloten en door de uitvallen der Samiërs niet weinig geleden had? Luide jammerklachten
-klonken mij in het oor, toen ik het kamp binnentrad. Ik vond den priester van het
-leger juist bezig aan Zeus, den Redder<a class="noteRef" id="xd30e4456src" href="#xd30e4456">15</a> een offer te brengen. In den kring, <span class="pageNum" id="pb328">[<a href="#pb328">328</a>]</span>die zich rondom het altaar en den priester gevormd had, zag ik vijftig gevangen genomen
-Samiërs met gebonden handen staan. Ik vroeg wat er met deze menschen, die als offerdieren
-om het altaar stonden, moest geschieden. Toen vernam ik dat de ziener, die van staatswege
-aan het leger was toegevoegd, verklaard had, dat het de wil van Zeus den Redder was,
-dat hem ter eere de vijftig Samische krijgsgevangenen plechtig zouden worden geofferd.
-En men was juist op het punt den wil van Zeus te volbrengen. Ik trad op den priester
-en ziener toe en verklaarde ten aanhoore van het geheele leger, dat het een leugen
-was, dat de Goden der Hellenen ooit menschenoffers wilden en stelde mij daarmede tevreden
-door op de voorhoofden der vijftig Samiërs het teeken van een zwijnensnuit, zooals
-de voorsteven der Samische schepen voeren, af te drukken, ter vergelding van den smaad,
-dien zij kort te voren aan onze gevangenen hadden aangedaan, door in hun lichaam een
-uil<a class="noteRef" id="xd30e4461src" href="#xd30e4461">16</a> in te branden.
-</p>
-<p>&#x201e;Nu belegeren wij opnieuw de stad en bestormen haar van de landzijde met stormrammen
-en werpgeschut.
-</p>
-<p>&#x201e;De brieven, die ik van Telesippe ontvang, zijn vol klachten over den jongen Alcibiades&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Aspasia beantwoordde de letteren van Pericles op de volgende wijze:
-</p>
-<p>&#x201e;Vele en gewichtige zaken, dierbare Pericles, hebben uwe beide laatste brieven mij
-medegedeeld. Vele dingen, waarbij ik van vreugde zou kunnen juichen, ook andere zaken
-die een bange vrees, zij het ook slechts eene voorbijgaande, voor u in mijne ziel
-opwekten. Maar waarom zou ik over de wisseling der fortuin al te zeer klagen, daar
-juist in deze wisseling de onveranderlijkheid van uw eigen, trouw beeld mij te duidelijker
-wordt afgespiegeld? Gij hebt mij, zooals ik wenschte, zonder het te weten, u zelven
-afgeschilderd. Hoe arm zijn <span class="pageNum" id="pb329">[<a href="#pb329">329</a>]</span>woorden en hoeveel vuriger zou een kus, op uw voorhoofd gedrukt, u zeggen wat ik gevoel!
-De tijd vliegt mij om, als ik aan u denk en de liederen van Sappho bij de klank der
-snaren zing.
-</p>
-<p>&#x201e;Phidias en de zijnen zijn onvermoeid. Verdiept in hunne berekeningen en als door
-eene daemonische macht voortgezweept, luisteren zij slechts met een half oor naar
-de gebeurtenissen, die buiten hun werkkring, elders in de wereld plaats grijpen. Vergeef
-het <span class="corr" id="xd30e4473" title="Bron: hun">hen</span>: want ook zij arbeiden toch voor u en den roem van uw naam tot in de verste toekomst.
-</p>
-<p>&#x201e;Over den jongen Alcibiades verneem ik telkens een en ander; want hij begint de aandacht
-van de Atheners tot zich te trekken. Er zijn er velen, die in de worstelschool of
-waar hij zich ook vertoont, zich om hem verdringen. Maar hij sluit zich alleen aan
-bij Socrates, wellicht omdat deze hem niet vleit. Toen hij onlangs door zijn paedagoog
-begeleid over straat ging, met een kwartel, zijn lievelingsvogel, in den mantel verborgen,
-drong er weder veel volk om hem heen. Terwijl hij nu genoodzaakt was hieraan zijn
-aandacht te wijden, ontvloog hem den kwartel. De jongeling werd daarover zoo driftig,
-dat half Athene op de been kwam, om den kwartel van Alcibiades weder op te vangen.
-Zóó zijn de Atheners! Intusschen, wanneer zij den jongen Alcibiades bederven, komt
-dit grootendeels ook daar van daan, dat hij de pleegzoon is van Pericles, den grooten
-Pericles, die na de zege bij Tragia meer dan ooit de held van den dag is.
-</p>
-<p>&#x201e;Alleen Diopithes blijft heimelijk tegen u mokken, benevens de zuster van Cimon en
-uwe vrouw Telesippe. Op hunne zijde zijn de oude pruiken met hun ouderwetsche kleeding
-en de haarvlecht over de kruin samengebonden, de ijdele oude strijders bij Marathon<a class="noteRef" id="xd30e4480src" href="#xd30e4480">17</a> en afgeleefde grijsaards en zotte Spartanen-vrienden, die lang haar dragen, <span class="pageNum" id="pb330">[<a href="#pb330">330</a>]</span>het lichaam oefenen, honger lijden, zich nooit wasschen en met hun lompen knuppel
-op de steenen der straat ratelen; voorts verscheidene suffers, die meenen de wijsheid
-in pacht te hebben, en sterrekijkers, die barrevoets en met gescheurde mantels loopen,
-doch de wenkbrauwen bedenkelijk fronsen, den neus in den haveloozen, langen baard
-steken en er een deftigen onderkin op nahouden. Al deze lieden denken in uwe afwezigheid
-aan het spreekwoord: &#x201e;als de wijnstok niet bewaakt wordt, is het goed druiven plukken.&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e4485src" href="#xd30e4485">18</a>
-</p>
-<p>&#x201e;Theodota zweert nog steeds, naar ik hoor, dat de zwaardvisch Pericles eens zeker
-in haar net zal spartelen. Geheime draden schijnen steeds tusschen deze vrouw en onze
-vijanden gesponnen te worden. Elpinice loopt zich de beenen onder haar lijf stuk,
-om hare vrienden en vriendinnen tegen mij op te zetten. Door hare en uwe vrouw word
-ik openlijk vervolgd; zij zien, dat ik weerloos en onbeschermd ben en houden mij voor
-eene lichte en zekere prooi.
-</p>
-<p>&#x201e;Euripides schijnt het er op gezet te hebben te loochenstraffen, wat uw vriend Sophocles
-van hem gezegd heeft. Ik zie hem nog altijd somber, knorrig, ontevreden. Toch maakte
-hij mij in tegenwoordigheid van Socrates tot vertrouwde van zijn treurig levenslot.
-Hij gaf mij eene schildering van het karakter zijner gemalin, eene schildering, die
-ik u niet behoef te herhalen, daar de dierbare echtgenoote van den <span class="corr" id="xd30e4491" title="Bron: treuspeldichter">treurspeldichter</span> het trouwe afbeeldsel is van uwe beminde Telesippe. Doch hoor nu eens, wat de dichter
-besloten heeft, om zich van dit ondragelijk gezelschap te ontslaan. Hij denkt zijne
-vrouw weg te zenden en eene betere, die meer aan de behoefte van zijn hart beantwoordt,
-voor haar in de plaats te nemen.&#x2014;Dierbare held, wat zegt gij van zulk een mannelijk
-besluit van den dichter?&#x201d;&#x2014;
-<span class="pageNum" id="pb331">[<a href="#pb331">331</a>]</span></p>
-<p>Na eenigen tijd schreef Pericles aan Aspasia:
-</p>
-<p>&#x201e;Ik weet niet of ik den lof van edelmoedigheid verdien, dien gij mij toezwaait. Ik
-ben ten hoogste verbitterd op die koppige Samiërs en ik zal hen, als de tijd daarvoor
-gekomen is, geducht voor hunne hardnekkigheid doen boeten.
-</p>
-<p>&#x201e;In de dagen van werkeloosheid en ongeduld is de edele, opgeruimde Sophocles mij een
-dubbel gewenschte vriend, terwijl hij zich overigens als medestrateeg voortreffelijk
-houdt. Steeds is hij bereid mij ten dienste te staan, het liefst bij vreedzame zendingen.
-Als bemiddelaar en onderhandelaar werkt hij met zoo&#x2019;n wonderlijke macht, dat men hem
-voor een toovenaar zou houden; het verwondert mij trouwens niet want zijn karakter
-is zoo innemend, dat hij zonder uitzondering bij allen geliefd is. Hij staat mij getrouw
-ter zijde in mijne pogingen, om de verwildering der gemoederen tegen te gaan, die
-bij een langdurigen oorlog zoo licht zich van het krijgsvolk meester maakt. Nu eens
-moeten de wetten der menschelijkheid gehandhaafd, dan weder een ergerlijk vooroordeel
-uitgeroeid worden. Gij weet zelve, hoeveel in dit opzicht nog bij ons Atheensch volk
-te doen valt.
-</p>
-<p>&#x201e;Wanneer een onweder losbreekt en de bliksem midden in ons kamp slaat, of de stuurman
-van mijn schip bij eene invallende zonsverduistering zijne zinnen verliest, dan moet
-ik alles, wat ik aangaande de oorzaak van dergelijke natuurverschijnselen van Anaxagoras
-geleerd heb, mij voor den geest halen, om de verschrikte en verslagen mannen tot bedaren
-te brengen.
-</p>
-<p>&#x201e;Doch, ik vertel u hoe ik mijn best doe de vooroordeelen van anderen uit te roeien
-en ik vergeet, dat gij mij soms beschuldigt zelf er nog mede behebt te zijn. Gij vraagt
-den echtgenoot van Telesippe, wat hij zegt van het manhafte besluit van Euripides?&#x2014;Ik
-zal u dat mondeling mededeelen, als ik weer in Athene ben teruggekeerd.&#x201d;
-</p>
-<p>Zóó schreef Pericles.
-</p>
-<p>Negen maanden lang bood de trotsche eilandstad <span class="pageNum" id="pb332">[<a href="#pb332">332</a>]</span>hardnekkigen weerstand en menig bericht werd er van Samos naar Athene, van Pericles
-naar Aspasia gezonden.
-</p>
-<p>Ten laatste meldde de Atheensche veldheer aan zijne Milesische vriendin:
-</p>
-<p>&#x201e;Samos is stormenderhand genomen, de trots van Melissus gebroken, de vrede gesloten.
-De Samiërs leveren hunne schepen uit en slechten de muren.
-</p>
-<p>&#x201e;Toch is het mij niet mogelijk aanstonds naar Athene terug te keeren. Ik moet eerst
-nog naar het naburige Milete, waar velerlei zaken te regelen zijn.
-</p>
-<p>&#x201e;Slechts kort is dit uitstel en wij zullen binnen weinige weken elkander wederzien.
-</p>
-<p>&#x201e;Op de vloot heerscht groote vreugde en de triërarchen verblijden zich over de overwinning,
-voor een deel in gezelschap hunner vriendinnen, van welke reeds eenigen gedurende
-de langdurige belegering van Athene naar Samos zijn overgekomen. Deze schoonen hebben
-de gelofte afgelegd, na de verovering van Samos in de stad van den beroemden Hera-tempel
-nu op hare kosten een tempel te bouwen voor de Godin der Liefde. Het schijnt, dat
-zij vast besloten zijn die gelofte te houden. Vóór weinige dagen is ook Theodota hier
-gekomen, volgens den wensch van haar vriend Hipponicus, die even goed patriot als
-gastronoom is en zich op het schip, waarvan hem de triërarchie was aangewezen, niet
-door een ander liet vervangen, maar zelf den zeetocht heeft medegemaakt.
-</p>
-<p>&#x201e;Vaarwel! Te Milete, uw vaderstad, zal ik voortdurend aan u denken!&#x201d;
-</p>
-<p>Toen Aspasia den brief van Pericles had gelezen, dacht zij eene poos na.
-</p>
-<p>Daarop nam zij een stout besluit.
-</p>
-<p>Den volgenden dag zag men haar reisvaardig met eene slavin zich naar den Piraeus begeven
-en een vaartuig beklimmen, dat op het punt was uit de haven van Athene koers te zetten
-naar de Ionische kust.
-<span class="pageNum" id="pb333">[<a href="#pb333">333</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e4191">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4191src">1</a></span> Priëne is eene stad in Ionië, bekend als de geboorteplaats van Bias, een der zeven
-wijzen van Griekenland.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4191src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4230">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4230src">2</a></span> Samos was de voornaamste stad van het eiland van dien naam.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4230src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4233">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4233src">3</a></span> Onder de Eleatische school verstaat men die wijsgeerige school, welke gesticht is
-door Xenophanes uit Colophon, die zich te Elea, eene stad in Beneden-Italië, vestigde.
-Parmenides, Zeno en de hier genoemde Melissus waren hare beroemdste vertegenwoordigers.
-Hunne hoofdstelling was, dat het wezen des heelals één, ondeelbaar en onveranderlijk
-is; dat dit alleen bestaat, terwijl de talrijke natuurverschijnselen slechts voor
-de gedachte aanwezig zijn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4233src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4276">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4276src">4</a></span> Ares is de oorlogsgod, de zoon van Zeus en Hera, de Romeinsche Mars.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4276src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4304">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4304src">5</a></span> Trimetros beteekent uit drie maten bestaande, namelijk uit zes voeten (= drie dipodieën)
-in den jambischen (iambus, eene korte syllabe door eene lange gevolgd), trochaëschen
-(trochaeüs, eene lange syllabe door eene korte gevolgd) en anapaestischen rhythmus
-(anapaestus, twee korte syllaben door eene lange gevolgd); in de andere verssoorten
-bestaat hij uit drie voeten.
-</p>
-<p class="footnote cont">Daar de trimetros bij de treurspeldichters zeer geliefd is, staat &#x201e;trimeters&#x201d; hier
-gelijk met &#x201e;verzen&#x201d;.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4304src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4311">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4311src">6</a></span> Themistocles was een der grootste veldheeren en staatslieden van Athene. Hij was de
-zoon van Neocles en werd in 514 v. C. te Athene geboren. Hij was de groote tegenstander
-van den onkreukbaren Aristides, wien hij door het schervengerecht uit Athene verdreef.
-Hij was de schepper der Atheensche zeemacht; deed de stad, die door de Perzen verwoest
-was, herbouwen en versterken; verbond de stad met de haven door lange muren, tot ook
-eindelijk hij door hetzelfde schervengerecht werd verdreven (472) en zelfs van hoogverraad
-werd beschuldigd. Zijne laatste levensjaren sleet hij bij den koning der Perzen, Artaxerxes,
-die hem rijkelijk beloonde en eerde. Hij stierf in 461 v. C.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4311src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4332">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4332src">7</a></span> Aeäciden zijn nakomelingen van Aeasus, den zoon van Zeus en Aegina naar welke laatste
-het eiland (Oenone) geheeten werd, die op Aegina als halfgod werd vereerd. Tot de
-beroemdste Aeäciden behoort Achilles, de zoon van Peleus en Thetis.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4332src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4335">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4335src">8</a></span> Euripos beteekent in het algemeen: zeeëngte, kanaal, in het bijzonder echter de zeeëngte
-tusschen Euboeä en het vasteland.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4335src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4391">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4391src">9</a></span> Slagorde.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4391src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4396">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4396src">10</a></span> Catapulten en schorpioenen (scorpio) waren belegeringswerktuigen, waarmede men steenen,
-pijlen enz. slingerde. De eerste schoten in horizontale, de laatste in boogvormige
-richting.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4396src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4399">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4399src">11</a></span> Dolphinus, in het Grieksch Delphis geheeten, was een krijgswerktuig van de gedaante
-van een dolfijn, dat van ijzer of lood gemaakt, door eene machine opgetrokken en vervolgens
-op een vijandelijk schip geslingerd werd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4399src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4412">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4412src">12</a></span> Deze uitdrukking is woordelijk uit het Grieksch vertaald en komt overeen met ons &#x201e;enterhaken&#x201d;.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4412src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4420">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4420src">13</a></span> Het Grieksche pharthenos beteekent maagd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4420src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4444">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4444src">14</a></span> De Godin der gezondheid (Hygieia).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4444src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4456">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4456src">15</a></span> Als zoodanig heeft Zeus den bijnaam: Soter.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4456src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4461">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4461src">16</a></span> De uil was aan de Godin Pallas Athene gewijd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4461src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4480">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4480src">17</a></span> De naam Marathon-strijder (Marathonomachos) was zeer in zwang als vereerende titel
-voor den dappere en onversaagde.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4480src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4485">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4485src">18</a></span> Een Grieksch spreekwoord, ongeveer overeenkomende met ons: &#x201e;als de kat uit is, vieren
-de muizen feest,&#x201d; moedig zijn als er geen gevaar is, of iets dergelijks.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4485src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XII.</h2>
-<h2 class="main">UREN VAN ZALIGHEID.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Van Samos had Pericles met twee zijner galeien den kortsten tocht naar Milete gemaakt.
-</p>
-<p>De triërarch van het tweede schip was niemand anders dan Hipponicus. Deze had Pericles
-verzocht hem naar Milete te mogen vergezellen. Onder zijn geleide bevond zich de schoone
-hetaere Theodota.
-</p>
-<p>Zóó geraakte de verleidelijke danseres weder in de omgeving van Pericles en kon voor
-hem weder hare bekoorlijkheden ten toon spreiden.
-</p>
-<p>De Milesiërs ontvingen den Atheenschen strateeg met gejuich. Met schitterende feesten
-vierden zij zijne aankomst en met een gouden lauwerkrans vereerden zij den overwinnaar
-van Samos.
-</p>
-<p>Pericles voelde zich als door zwoelen adem aangewaaid toen hij Klein-Azië&#x2019;s kusten
-betrad. Dit was toch het land der Artemis beelden met hun duizend borsten, met de
-reuzentempels, die de Helleensche schoone vormen met de kolossale, reusachtige afmetingen
-van het Oosten vereenigden, het land der Aphrodite-priesteressen, die zich aan het
-zingenot wijdden, het land der weekelijke, vrouwelijke melodieën, het land van de
-moeder der Goden, wier feestrijen op den Tmolus door orgiastische<a class="noteRef" id="xd30e4528src" href="#xd30e4528">1</a> woestheid en mystieke razernij van het Oosten zich kenmerkte, het land ook van haar
-pleegzoon, den vreugdegod Dionysus, die reeds door zijn karakter en uiterlijk, teeder
-en vrouwelijk van gestalte en toch vol moed en vuur, met weelderige lokken en rijken
-haardos door eene lydische mitra<a class="noteRef" id="xd30e4534src" href="#xd30e4534">2</a> getooid, in veelkleurig, wijd gewaad, <span class="pageNum" id="pb334">[<a href="#pb334">334</a>]</span>als <span class="corr" id="xd30e4539" title="Bron: Klein Azië&#x2019;s">Klein-Azië&#x2019;s</span> echte zoon zich betoonde.
-</p>
-<p>En zoo ergens op de Ionische kusten van Azië, dan waaide deze zwoele adem, die den
-Athener Pericles trof in de straten van het rijke, prachtige, met rozen bezaaide Milete.
-Hier hoorde men over de Perzen en de satrapen te Sardes spreken als te Athene over
-de Megarensers en <span class="corr" id="xd30e4544" title="Bron: Corinthiers">Corinthiërs</span>. Men zag Perzen en ook andere Oosterlingen in de straten wandelen. Rijk en bont als
-het gevederte der Oostersche vogels en toch smaakvol was de kleeding der mannen van
-Milete en van de bekoorlijke, weelderige vrouwen. Kleederdrachten troffen hier de
-Atheners, die aan de Perzen, andere die aan de Egyptenaars waren ontleend; hij zag
-ze van de kleur van het viooltje en den hyacinth, hij zag ze zelfs in vuurroode kleedij.
-Hij zag de Milesiërs omhangen met de weefsels van Perzië, stralend van de edelgesteenten
-van Indië, druipende van Syrische zalven.
-</p>
-<p>Pericles en Hipponicus genoten gedurende hun oponthoud te Milete de gastvriendschap
-van den rijksten en aanzienlijksten burger, Artemidorus. Deze bracht hen naar zijn
-prachtig landgoed in de nabijheid der stad. Niet verre van dit landelijk verblijf
-lag een myrthenbosch, waarvan de sage meldde, dat in zijn lommerrijk geboomte, bevolkt
-door het gewiekte koor van zangers, somwijlen de Godin Aphrodite in hare heerlijke
-gestalte zich vertoonde.
-</p>
-<p>In de vertrekken van Artemidorus heerschte de pracht van het Oosten. Met bonte Perzische
-behangen prijkten de wanden: het huisraad schitterde van goud, het blonk van ivoor,
-het ademde een geur van sandelhout. Eene menigte schoone slavinnen zweefde door het
-huis. Er bevonden zich onder haar, die van de stranden der Kaspische zee geboortig,
-schitterend blank waren als de marmeren beelden, anderen bruin als de bronzen beelden
-in het huis van Artemidorus en nog meer anderen schitterend zwart, als de met goud
-ingelegde ebbenhouten tafels in zijne vertrekken. Met beelden en schilderijen was
-Artemidorus&#x2019; huis rijkelijk <span class="pageNum" id="pb335">[<a href="#pb335">335</a>]</span>versierd. Niets ontbrak er, wat het gemoed van den Aziatischen Griek in Aspasia&#x2019;s
-vaderstad kon bevredigen.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij andere Grieken noemt ons Ionië een brandpunt van weelderigheid,&#x201d; zei Artemidorus
-tot zijne gasten, toen hij hen aan eene kostelijke tafel onthaalde, &#x201e;en, naar ik hoor,
-moeten in der daad onze Milesische schoonen voor de deugd van Atheensche mannen gevaarlijker
-zijn, dan de hoffelijke Milesiër voor de Atheensche vrouwen.&#x201d;
-</p>
-<p>Pericles glimlachte.
-</p>
-<p>&#x201e;Vergeet niet,&#x201d; vervolgde Artemidorus, &#x201e;dat ons Ionië niet alleen een brandpunt der
-weelderigheid is, maar ook de bakermat der dichtkunst, ja zelfs der wijsheid, daar
-wij u Hellenen, behalve schoone vrouwen, Thales<a class="noteRef" id="xd30e4557src" href="#xd30e4557">3</a>, Herodotus<a class="noteRef" id="xd30e4560src" href="#xd30e4560">4</a> en, zoo wij ons niet te veel aanmatigen, ook den grooten Homerus<a class="noteRef" id="xd30e4563src" href="#xd30e4563">5</a> hebben geschonken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wie twijfelt er aan,&#x201d; hernam Pericles, &#x201e;dat de krachtige bloesem van den Helleenschen
-geest nooit en nergens afvalt, zelfs niet in de weelderigheid van het rozenleger der
-vreugde?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zeg liever, dat hij zich nergens schitterender <span class="corr" id="xd30e4572" title="Bron: ontwikkeld">ontwikkelt</span>, dan juist daar!&#x201d; riep Artemidorus. &#x201e;Er is geen vooruitgang onder de menschen en
-volkeren zonder datgene wat onverdraagzame dwepers weelderig noemen.&#x201d;
-</p>
-<p>Den avond van den tweeden dag voerde Artemidorus zijne gasten naar het myrthenbosch,
-nabij zijn prachtig landhuis gelegen, dat hij zelf op de wijze van een lusthof had
-doen aanleggen. De schoone Theodota was als geliefde en metgezellin van Hipponicus
-door den beleefden Artemidorus mede genoodigd. Zij wilde trachten door den vurigen
-gloed <span class="pageNum" id="pb336">[<a href="#pb336">336</a>]</span>harer donkere oogen den vriend van Aspasia in liefde te doen ontbranden.
-</p>
-<p>Onder geleide van hun gastheer doorwandelden Pericles, Hipponicus en Theodota de bekoorlijke
-dreven van den bloeienden myrthenhof. Daar het groote bosch zich over eene zachte
-glooiing uitstrekte, had men op verscheiden punten, waar de grond niet met boomen
-beplant was, een heerlijk gezicht op de stad, op de blauwe zee en de eilanden, die
-als een bolwerk vóór de vier havens van Milete lagen. Op zulke plaatsen liet de rijke
-Artemidorus door de slaven, die hem op den voet volgden, Oostersche tapijten spreiden
-of eene met purper behangen tent opslaan, om daar uit te rusten, verfrisschingen te
-gebruiken of naar de weeke toonen van Lydische fluiten te luisteren, die op last van
-Artemidorus met de nachtegalen in het woud wedijverden, om het oor te bekoren.
-</p>
-<p>De slaven en slavinnen bevolkten het bosch als Silenen, die hier en daar den wandelaars
-uit wijnzakken de volle bekers toereikten, of als Hebe&#x2019;s<a class="noteRef" id="xd30e4582src" href="#xd30e4582">6</a> en nimfen uit bevallige horens hun bloemen en heerlijke vruchten aanboden. Drie der
-schoonste nimfen voerden op een open grasperk een bekoorlijken reidans uit, waarbij
-de Aziatische, bij de Cybele-feesten<a class="noteRef" id="xd30e4585src" href="#xd30e4585">7</a> gebruikelijke tamboerijn op luidruchtige wijze geslagen werd, zoodat eene zekere
-betoovering en bedwelming zich van de zinnen meester maakten.
-</p>
-<p>Een klein meer in het midden van het bosch was met allerlei gedaanten uit de Helleensche
-fabelleer bevolkt. Zeemeerminnen met vischstaarten zag men er, die zich met waterbloemen
-bekransten, en Sirenen<a class="noteRef" id="xd30e4590src" href="#xd30e4590">8</a> op rotsen uitgestrekt, die in een wedstrijd <span class="pageNum" id="pb337">[<a href="#pb337">337</a>]</span>met de Tritons<a class="noteRef" id="xd30e4595src" href="#xd30e4595">9</a> hare zoete, verleidelijke zangen deden hooren. Ook de waarzeggende, van gedaante
-wisselende grijsaard Proteus<a class="noteRef" id="xd30e4598src" href="#xd30e4598">10</a> ontbrak daar niet, die allen wie het verlangden, voorspellingen deed. Ook Pericles
-naderde hem en wenschte een orakel van hem te vernemen.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik zal, als het noodig is, niet verzuimen u vast te houden,&#x201d; zei hij lachend, &#x201e;zooals
-het gebruik is bij hen die u ondervragen, opdat gij niet in steeds nieuwe gedaantewisselingen
-den vrager moogt ontkomen.&#x201d;
-</p>
-<p>Bereidwillig stond de grijsaard Pericles te woord en deelde hem de volgende orakelspreuk
-mede:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Daar waar de nachtegaal nestelt, de rozen het heerlijkste geuren
-</p>
-<p class="line">Knellen goedgunstige Goôn in ijzeren banden uw geluk!
-</p>
-<p class="line">Houd het, o held, slechts vast met sterke vuist, als gij thans mij doet!
-</p>
-<p class="line">Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk.&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">Pericles begreep niet, wat de grijze zeegod bedoelde. Toen hij na dit onderhoud met
-hem naar zijne vrienden omzag, waren zij verdwenen. Hij liep dus eenigen tijd alleen.
-De vogels, die van tak tot tak, van boom tot boom huppelden en daarbij hun liefelijk
-gekweel aanhieven, lokten hem al dieper en dieper in het woud. Maar ook eksters, spreeuwen
-en <span class="corr" id="xd30e4611" title="Bron: papagaaien">papegaaien</span> zaten hier en daar in &#x2019;t geboomte, die Pericles toeriepen en bespotten met de woorden:
-&#x201e;Wees welkom!&#x201d; en &#x201e;verheug u&#x201d; en &#x201e;kom toch, kom toch!&#x201d; Snaterend huppelden zij weldra
-naast den wandelaar voort. Thans echter meende Pericles, dat hij in plaats van enkele
-vogels een geheel koor van nachtegalen op eenigen afstand <span class="pageNum" id="pb338">[<a href="#pb338">338</a>]</span>vernam. Tegelijk drong een sterke rozengeur, als door zachte koeltjes uit de verte
-gedragen, tot hem door: het moest van eene groote, bloeiende rozengaarde komen. En,
-wat het opmerkelijkste was, onder die rozengeur scheen zich het aroma van Indische
-reukwateren te mengen. Half onwillekeurig vervolgde Pericles zijn weg in de richting,
-van waar de rozengeur en de heldere tonen der nachtegalen kwamen. Hij deed het zonder
-bedoeling en hij dacht niet meer aan de voorspelling van den grijzen zeegod. Hier
-en daar zag hij in de schemering van het woud uit de verte iets schitterends door
-de takken blinken. De vogels, die den wandelaar van tak tot tak huppelend en zingend
-als &#x2019;t ware hadden vergezeld, verstomden nu en schenen met schalksche blikken op hem
-neer te zien. En in plaats van hun gezang deed zich hier en daar in de toppen der
-boomen een sterker wiekgeklap en een zacht lachen hooren, als van zwevende liefdegoodjes,
-die zich ten koste van den wandelaar vroolijk maakten.
-</p>
-<p>Nu zag Pericles de weelderige rozengaarde zelve, wier geuren hem straks reeds bedwelmend
-waren toegewaaid. Tusschen de takken door zag hij nu duidelijker die schitterende
-gedaante blinken, als met purper, goud en verblindend wit gewaad omhangen. Hij naderde
-en het gelukte hem, juist van den kant, vanwaar hij kwam, zijn oog dieper in het loof
-te doen doordringen. Te midden nu van deze weelderige rozenpracht, zag hij het bekoorlijkste
-tooneel, dat men zich voorstellen kan.
-</p>
-<p>Omgeven door een schaar lieve knapen, in purperen kleeding, met gouden vleugels aan
-de schouders en gouden pijlen in zilveren kokers aan hunne zijde, stond eene vrouwelijke
-gestalte in sneeuwwit gewaad, met een gouden gordel om het midden en met rozenkransen
-omwoeld. Het gelaat der schoone kon Pericles onmogelijk duidelijk zien; want juist
-toen hij naderde waren de liefdegoodjes met overmoedigen ijver bezig het hoofd, de
-borst en het geheele lichaam der vrouw al dichter en <span class="pageNum" id="pb339">[<a href="#pb339">339</a>]</span>dichter met <span class="corr" id="xd30e4621" title="Bron: rozekransen">rozenkransen</span> te omwinden, dat het daaronder schier geheel verdween. Pericles dacht aan de legende,
-die zijn Milesische gastvriend hem had medegedeeld, dat in deze gaarde de Godin Aphrodite
-somwijlen zich in hare heerlijke gestalte vertoonde, en het kwam hem niet ongerijmd
-voor, dat die onder rozen schier bedolven schoone eene Godin was.
-</p>
-<p>Nadat de gevleugelde knapen de slanke vrouwengestalte geheel met rozenbanden omstrengeld
-hadden, trokken zij haar aan die zelfde banden op een leger van bloemen neder en bevestigden
-lachende de einden der kransen aan de stammen en struiken. Daarna bestrooiden zij
-de geboeide, terwijl zij vroolijk om haar heen dansten, steeds met rozen, die zij
-van zwaar beladen takken der dichte struiken afplukten.
-</p>
-<p>Bij het gezicht van den vreemdeling sprongen de kleine Eroten allen lachend weg en
-lieten de geketende achter. Pericles trad de priëel binnen. Nu klonk uit het bloemengraf
-de bede van de gevangene tot den vreemdeling, om haar te bevrijden.
-</p>
-<p>Pericles verbrak eene der rozenketenen, schoof de rozen ter zijde, die het hoofd en
-het aangezicht van de vrouw bedekten, en de stralende oogen van Aspasia schitterden
-hem tegen&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Het gevoel, dat zich in het eerste oogenblik van Pericles meester maakte, was dat
-van ongekende vreugde. In het volgende oogenblik echter werd het gemengd met verbazing,
-die zulk eene verrassing bij hem moest opwekken. En reeds zweefde eene ernstige vraag
-op zijn lippen naar de omstandigheden, waardoor hem deze onverwachte vreugde was bereid.
-</p>
-<p>Doch nu stond Aspasia op, schudde de rozenketenen van zich af en zeide met hare zacht
-betooverende, zilveren stem:
-</p>
-<p>&#x201e;Weet dan, dierbare Pericles, dat ook ik, evenals Socrates, mijn daemon heb, die in
-beslissende oogenblikken mij toefluistert, niet alleen wat ik <span class="pageNum" id="pb340">[<a href="#pb340">340</a>]</span>nalaten, maar ook wat ik doen moet. Deze daemon nu heeft, toen uw laatste schrijven
-van Samos mij meldde, dat de vrede gesloten, dat Theodota te Samos aangekomen was
-en gij van plan waart naar Milete te vertrekken, zich oogenblikkelijk in mij doen
-hooren en mij gelast onmiddellijk een schip te beklimmen en u te Samos of zoo gij
-daar niet meer waart te Milete op te zoeken. Wellicht wilde de daemon mij het schoonste,
-dubbele geluk doen smaken, Milete niet zonder u en u alleen te Milete weder te zien.
-Ik kwam te Milete, ik begaf mij naar uw gastvriend Artemidorus en hoorde van de verrassingen,
-die de schoone Theodota uit eigen beweging en op aansporen van anderen, u in deze
-gaarde, aan Aphrodite geheiligd, wilde bereiden. Ik hoorde van de maatregelen, die
-reeds met behulp van den grootmoedigen Artemidorus genomen waren, maar ik vond het
-beter in overleg met dien zelfden Artemidorus, de verrassende rol, welke Theodota
-wilde spelen, op dit tooneel zelve te vervullen. Artemidorus dus hebt gij het te danken,
-dat de liefdegoden niet Theodota, maar mij op deze plaats u geketend hebben overgeleverd.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Voor mij,&#x201d; hernam Pericles, &#x201e;hebt gij de legende van de verschijning der Godin der
-liefde in dit woud bewaarheid; voor mij zijt gij de Godin der liefde, de Godin van
-het geluk, en boven alles, veroorloof mij dit er bij te voegen, de Godin der verrassingen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Is er wel een geluk denkbaar zonder <span class="corr" id="xd30e4636" title="Bron: verassingen">verrassingen</span>?&#x201d; vroeg Aspasia.
-</p>
-<p>Een vertrouwelijk gesprek vereenigde de beide minnenden nog een geruimen tijd op die
-bekoorlijke plek. Zij hadden, zooals alle gelieven, na eene lange scheiding, elkander
-duizenden dingen te zeggen.
-</p>
-<p>Maar toen kussen de woorden dreigden te vervangen en de schemering inviel, sprongen
-plotseling weder de liefdegoden uit de struiken te voorschijn en wilden Pericles,
-met nieuwe kransen <span class="pageNum" id="pb341">[<a href="#pb341">341</a>]</span>die zij gevlochten hadden, eveneens omstrengelen en ketenen.
-</p>
-<p>&#x201e;Pas op voor die kleinen!&#x201d; zei Aspasia. &#x201e;Het is tijd om heen te gaan en voor heden
-afscheid te nemen. Uw weg is ver; de mijne korter; want mij is door Artemidorus dat
-kleine, bekoorlijke tuinhuis ingeruimd, dat, weinige schreden van hier gelegen, alleen
-door het dichte myrthenbosch halverwege voor onze blikken verborgen is. Daarheen wil
-ik mij begeven. Keer gij echter, dierbare Pericles terug naar Artemidorus, naar uw
-vriend Hipponicus en naar de schoone Theodota, de verleidelijke Corinthische met hare
-vurige oogen!&#x201d;
-</p>
-<p>Op deze woorden van Aspasia barstten de liefdegoden in een luid, vroolijk gelach uit,
-terwijl zij hunne ketenen nog vaster om Pericles wonden en deze stemde in met hunne
-vroolijkheid, en ten laatste ook Aspasia zelve. De liefdegoden echter vormden met
-Pericles en Aspasia eene bekoorlijke groep, die door rozen omwonden en door kleine
-Geniën<a class="noteRef" id="xd30e4648src" href="#xd30e4648">11</a> voortgetrokken, tusschen de myrthen- en rozenboschjes verdween. De stilte des nachts
-heerschte in het eenzame woud; alleen nog sloegen de nachtegalen en geurden de rozen.
-</p>
-<p>En Pericles vond een zoeter geluk bij Aspasia, dan hij ooit gesmaakt had bij de Corinthische
-met hare vurige oogen.
-</p>
-<p>Want niet het oogenblik, waarin een vurig minnend paar voor de eerste maal zich in
-onbeschrijfelijke zaligheid verliest, is het zoetste van het leven; dat echter is
-het, waarin de minnenden na lange scheiding, na lange ontbering elkander wedervinden.
-De weelde der eerste omhelzing is gelijk aan de vlam van het groene hout, dat niet
-zonder onaangenamen rook en heftig knetteren brandt; voor de minnenden echter, die
-elkander wedergevonden hebben, flikkert de vreugdevlam hoog en helder ongehinderd
-opwaarts.
-</p>
-<p>Toen op den morgen na dien nacht Pericles en <span class="pageNum" id="pb342">[<a href="#pb342">342</a>]</span>Aspasia hand in hand uit het tuinhuis van Artemidorus in de van dauw parelende gaarde
-traden, geleken zij zelven twee heerlijke gestalten, door den fonkelenden morgendauw
-besprenkeld. En evenmin als de zoete tonen in de kelen der vogels verstomd of de bedwelmende
-geuren der zwellende rozekelken verdwenen waren, zoo min was de liefde in beider minnende
-harten verkoeld.
-</p>
-<p>Zij klommen eene der kleine hoogten, van waar men een vrij gezicht had op de stad,
-de zee en het strand, op den kronkelenden Meander, die met palmen, laurieren en kuischlamstruiken
-omzoomd, als een zilveren koord zich slingerde door de velden, op den blauwen Latmus
-in het verschiet en het meer Biblis, waarover bontgevederde watervogels hunne wieken
-uitspreidden. Pericles echter liet zijne blikken weiden over de tinnen der stad, liet
-ze een oogenblik rusten op de trotsche Atheensche triremen in de haven en sloeg toen
-het oog ver over de zee, waar Samos lag, in nevelen gehuld, de plaats, waar hij een
-jaar zijns levens met mannelijken moed aan zijn vaderland had ten offer gebracht.
-Toen weder zijn blik op de schoon gebouwde stad vestigende, prees hij hare vroolijke,
-prachtige ligging en den opgewekten, levenslustigen geest harer bewoners.
-</p>
-<p>&#x201e;Nog is Milete prachtig en zijne bewoners levenslustig,&#x201d; hernam Aspasia. &#x201e;Maar de
-vaderlandslievende burgers denken terug aan den tijd, toen Milete de beheerscher was
-dezer zee, toen het niet alleen rijk en weelderig, maar ook machtig en onafhankelijk
-was, toen het zijne koloniën uitzond tot op de verste kusten van den Pontus<a class="noteRef" id="xd30e4660src" href="#xd30e4660">12</a>. Deze tijd is voorbij: Milete is niet meer onafhankelijk en moet zich buigen voor
-het machtige, bloeiende Athene.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij zegt dit bijna met bitterheid,&#x201d; zei Pericles glimlachend, &#x201e;maar bedenk toch,
-dat Milete, zoo het niet Atheensch was, Perzisch zou zijn geworden. Niet de stamverwante
-Helleen heeft uwe macht <span class="pageNum" id="pb343">[<a href="#pb343">343</a>]</span>gebroken, maar de Pers, toen hij deze kusten met zijne drommen heeft overdekt. En
-hadden niet Atheners daar ginds bij Marathon en Salamis gestreden, een Perzisch satraap
-heerschte nu te Milete, evenals te Sardes. Wees niet verstoord op de Atheensche vloot,
-die beschermend haren arm boven deze kusten houdt uitgestrekt.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dan moest ik dus,&#x201d; antwoordde Aspasia, &#x201e;in plaats van verbitterd te zijn op den Athener,
-dankbaar zijn voorhoofd kussen?&#x201d;
-</p>
-<p>Tegelijk gaf zij Pericles een kus op het voorhoofd; deze hernam:
-</p>
-<p>&#x201e;Uw gevleugelde liefdegoden hebben gisteren dit Milete op den aanvoerder der machtige
-Atheensche vloot gewroken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Laat het u geen berouw veroorzaken,&#x201d; zeide Aspasia, &#x201e;aan dit Milesisch strand eene
-week van uw werkzaam leven gewijd te hebben. Eer de plaats, die niet alleen als het
-vaderland der weelderigste rozen en der fijnste wol in de wereld, maar ook als dat
-van de schoonste sprookjes beroemd is. Of zou er voor teedere harten iets liefelijkers
-kunnen bedacht worden, dan onze Milesische fabel van Eros en Psyche<a class="noteRef" id="xd30e4673src" href="#xd30e4673">13</a>?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt gelijk,&#x201d; hernam Pericles; &#x201e;maar,&#x201d; vervolgde hij schalks lachende, &#x201e;zoover
-ik weet, is ook de fabel van de &#x201e;Weduwe van Ephese&#x201d; onder <span class="pageNum" id="pb344">[<a href="#pb344">344</a>]</span>deze hemelstreek gedicht, als het ten minste eene fabel heeten mag.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Waarvan de strekking volgens de gewone opvatting is,&#x201d; viel hem Aspasia in de rede,
-&#x201e;dat de vrouwen meineedig, weifelmoedig en trouweloos zijn. Maar het is eene slechte
-fabel, die niet meer dan ééne beteekenis heeft, niet meer dan ééne waarheid in zich
-bevat. Vergun mij dat ik de weduwe van Ephese onder mijne bescherming neem. Zij werd
-haar dooden echtgenoot ontrouw. De liefde echter hangt zoozeer met het leven samen,
-dat eene liefde en trouw tot over het graf, een leven, dat zich aan een lijk laat
-koppelen, een onding is. De bloedelooze schimmen in den Hades mogen zich niet met
-het bloed van de levenden voeden.&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo spraken zij beiden vertrouwelijk en opgeruimd. Toen kwam Artemidorus en verweet
-Aspasia schertsend, dat zij hem zijn gast had ontnomen; nadat hij beiden tot een ontbijt
-had genoodigd, voerde hij hen op een sierlijken, met witte paarden bespannen wagen
-naar den overouden, beroemden tempel van Apollo en naar het heiligdom van de Cybrische
-Godin aan het vlakke strand der zee, door ruischend riet omzoomd en door gele halcyonen<a class="noteRef" id="xd30e4683src" href="#xd30e4683">14</a> bevolkt. Zij voeren langs de schoone zeekust en op den terugtocht bestegen zij eene
-boot, om zich over de zachte, donkerblauwe golven te laten roeien naar een boschrijk
-eiland, dat de slaven van Artemidorus aanstonds weder in een klein paradijs omschiepen,
-door bonte, mollige tapijten uit te spreiden en kostelijke gaven van elke soort aan
-te bieden.
-</p>
-<p>Zoo vervloog de dag even snel als de nacht voorbij was gegaan en wederom hoorden zij
-beiden elkander geheel toe in de eenzaamheid van den lusthof, die alleen door het
-gekweel der nachtegalen werd verstoord.
-</p>
-<p>Artemidorus had Aspasia nu geheel aan zijn gast afgestaan en het was niet alleen de
-begeerte om <span class="pageNum" id="pb345">[<a href="#pb345">345</a>]</span>Pericles eer te bewijzen, maar ook de overdadige grootmoedigheid, die hem eigen was,
-die hem zijne schoone landgenoote alle mogelijke hulp deden bieden, die zij noodig
-had, om haar vriend de idyllische eenzaamheid van den myrthenhof met de afwisselende
-betoovering van eene onuitputtelijk vindingrijke liefde te kruiden.
-</p>
-<p>En Aspasia maakte niet minder gebruik van deze hulpmiddelen, dan van diegene, welke
-de natuur zelve nog kwistiger dan de rijke Artemidorus in haar bekoorlijk, betooverend
-karakter en uiterlijk had nedergelegd.
-</p>
-<p>Het hoogste, edelste genot van den geest en der zinnen vierde in deze beide door de
-Goden beminde zielen zijn zeldzaam, zalig feest. Vele en groote dingen had Pericles
-geschapen en volbracht, tot veel schoons en onvergankelijks had Aspasia hem bezield,
-terwijl zij de brandende vonk van haar geest, de schoonheid, naar alle zijden deed
-spatten. Maar het schoonste en goddelijkste volbrachten beiden, terwijl zij elkander
-liefhadden en gelukkig waren: zoo gelukkig, als niet de gewone menschen konden worden,
-maar alleen zij, die het beeld der godheid in zich omdroegen. Over datgene, wat zij
-<span class="corr" id="xd30e4694" title="Bron: bezielde">bezielden</span>, schiepen, volbrachten, mochten de stervelingen zich verheugen; op hun reine liefde
-zagen de zalige Olympiërs zelven met voldoening neder. Het ideaal van het menschelijk
-geluk in de schoone vreugde des levens en der liefde te verwezenlijken, scheen in
-die Halcyonische<a class="noteRef" id="xd30e4697src" href="#xd30e4697">15</a> dagen van Milete beiden zelven als het beste deel hunner bestemming&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Inderdaad genoten Pericles en Aspasia voor de eerste maal ten volle het geluk hunner
-liefde in deze eenzame plaats. Maar de schoonste wijkplaats van ongestoorde eenzaamheid,
-schooner en ongestoorder dan de bloemengaarde en het tuinhuis konden opleveren, had
-de tooverhand van Aspasia geschapen. Het open, platte dak van het huis, <span class="pageNum" id="pb346">[<a href="#pb346">346</a>]</span>door de toppen van hooge pijnboomen en cypressen omruischt, was door haar in eene
-kleine lustgaarde herschapen. Door bloeiend heestergewas en bloemen, die op hooge
-stengels wiegelden en den rand aan alle kanten omzoomden, en door purperkleurig linnen,
-waardoor men het geheele terras als een tent kon bedekken, was deze wijkplaats aan
-de oogen der buitenwereld onttrokken. In dit bloemenpriëel, van de wereld afgesloten,
-alleen voor de beide gelieven toegankelijk brachten zij zalige uren door. Hier genoten
-zij de veilige eenzaamheid van een gesloten vertrek, zonder de benauwde lucht daarmede
-verbonden. Zij hadden den vrijen aether boven zich en gevoelden den weldadigen adem
-van de zachte, geurige en verfrisschende koeltjes uit het woud. De eenzaamheid der
-myrthen, de eenzaamheid van het huis voldeden hun niet; evenals teedere duiven, vlogen
-zij naar het dak, naar dat zalige, zonnige plekje, en alleen wat met vleugels voorzien
-was, kon hen daarheen volgen; de duiven, de pauwen, de tjilpende vogels. Hier rustten
-zij te midden der bloemen, hier liet Aspasia haar vriend de zangen der dichters hooren,
-die in haar mond eene wonderlijke bekoorlijkheid kregen, hier snoerde zij hem bij
-den klank der snaren in het zilveren net harer tonen, met de betoovering harer smeltende
-stem, die het gemoed van den hoorder tot zaligheid stemden, hier vertelde zij hem
-liefelijke Milesische sprookjes, hier keuvelden zij nu eens onverstandig als kinderen,
-dan weder diepzinnig als oude wijsgeeren. Hier konden zij de purperen doeken om zich
-en over zich heen trekken en als Goden, in een Olympisch rooskleurig licht gehuld,
-in verheerlijkte gestalte onder eene vriendelijke schemering ademen. Of zij konden
-den helderen glans der zon naar binnen laten stroomen en de minnaar kon het gelaat
-en de gestalte der geliefde, door het verblindend witte licht bestraald, en door de
-terugkaatsing der groene heesters tooverachtig beschenen, in verhoogde bekoorlijkheid
-als een aetherisch wezen bewonderen.
-<span class="pageNum" id="pb347">[<a href="#pb347">347</a>]</span></p>
-<p>Aspasia kleedde zich naar Milesisch gebruik, nu eens in het purper, dan weer in het
-zeeblauw, soms in vuurkleurig, niet zelden in saffraangeel gewaad. Zij hield er van
-haar vriend in telkens afwisselende gedaante te verschijnen. Zij ontleende gewaad,
-houding, gestalte, uitdrukking, gang nu eens aan deze dan weder aan gene Godin of
-Heroïne<a class="noteRef" id="xd30e4708src" href="#xd30e4708">16</a>, en op verlangen van Pericles voerde zij voor hem mimische dansen uit, die met deze
-afwisselende gedaanten overeenkwamen en die in kunstvaardigheid en bekoorlijkheid
-alles overtroffen, wat de schoone Theodota ooit ten toon had gespreid.
-</p>
-<p>Bij die verwisselingen van zijn onvergelijkelijke vriendin kon Pericles niet nalaten
-zich de verzen van den grijzen zeegod te herinneren, die deze hem had toegesproken,
-toen hij zonder het te weten den weg insloeg om Aspasia te vinden. Die verzen, welke
-hem het schoonste geluk beloofden en hem aanrieden:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Houd het, o held, slechts vast, met sterke vuist, als gij thans mij doet!
-</p>
-<p class="line">&#x201e;Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk!&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">&#x201e;Ik zal u moeten vasthouden, gelijk den voorspellenden, van gedaante verwisselenden
-Proteus, opdat gij mij niet in uwe metamorphosen ontsnapt,&#x201d; zei Pericles schertsend
-tot Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe wilt gij het aanleggen om mij vast te houden?&#x201d; vroeg de Milesische.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat wenschte ik gaarne van u zelve te hooren,&#x201d; hernam Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Toch niet naar Atheensch gebruik in eene kooi, met stevige tralies?&#x201d; vroeg Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat voor kooi bedoelt gij?&#x201d; zei Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Die kooi,&#x201d; antwoordde Aspasia, &#x201e;die gij mannen het vrouwenvertrek in uw huis pleegt
-te noemen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;In die kooien,&#x201d; zei Pericles na een korte pauze, <span class="pageNum" id="pb348">[<a href="#pb348">348</a>]</span>&#x201e;zijn wellicht alleen Telesippe&#x2019;s, doch geen Aspasia&#x2019;s opgesloten te houden.&#x201d;
-</p>
-<p>De Milesische antwoordde met een glimlach.
-</p>
-<p>Het was haar genoeg, dat woord daar los heen te hebben geworpen, om in de ziel van
-Pericles overdacht te worden.
-</p>
-<p>Het gebeurde eens, dat Pericles met Artemidorus, in Aspasia&#x2019;s afwezigheid, over haar
-sprak.
-</p>
-<p>&#x201e;De sagen en legenden van alle tijden,&#x201d; zei Artemidorus, &#x201e;berichten van tal van helden,
-die voor langer of korter tijd in de macht van schoone vrouwen zijn geraakt. Odysseus,
-die naar zijn huiselijken haard smachtte, hield de schoone nimf Calypso jaren lang
-in hare grot terug. Den vromen Aeneas wist de minnende Dido<a class="noteRef" id="xd30e4731src" href="#xd30e4731">17</a> te veroveren, zelfs den sterksten der sterken ketende de schrandere Omphale<a class="noteRef" id="xd30e4734src" href="#xd30e4734">18</a> een tijdlang aan haar spinrokken. Maar geene van al die vrouwen vermocht het, de
-geketende mannen voor altijd te boeien: hare betoovering week, de banden werden geslaakt,
-de ontevreden held trok het roestige zwaard of haalde de vergeten knots uit den schuilhoek
-te voorschijn, kalefaterde op een goeden dag zijn half verrot vaartuig weder en trok
-na een vluchtigen afscheidsgroet aan de schoone op nieuwe avonturen uit. Zoo zou ook
-Aspasia&#x2019;s betoovering wel verdwijnen, als gij in deze vreugdevolle wijkplaats voortdurend
-met haar moest verkeeren.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Voorzeker,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;als Aspasia Theodota was, als zij niets bezat dan de
-bekoorlijkheid van haar lichaam. Doch er zijn middelen, waardoor de minnaar voor altijd
-geboeid kan worden. Ik spreek van diegene welke gewone vrouwen aanwenden, in de meening
-dat zij door geveinsde preutschheid of door grillen en plagerijen en bezwaren, waarmede
-zij den geliefde kwellen, haar bezit zullen doen op prijs stellen. Er zijn bevoorrechte
-vrouwelijke naturen, wien het vergund is in weerwil <span class="pageNum" id="pb349">[<a href="#pb349">349</a>]</span>van onbeperkte overgave, waardoor het geluk der vrouwen doorgaans schipbreuk lijdt,
-juist door deze den geliefde met steeds vaster boeien te kluisteren. Moest ik dat
-onnoembare, waardoor haar dit gelukt, een naam geven, dan zou ik het slechts charis
-kunnen noemen: die wonderlijke vereeniging, van bekoorlijkheid en bevalligheid, vleiend
-zonder opdringen, het gemoed vervroolijkend als de lach der Olympische Goden. Deze
-charis, geloof ik, is de betoovering, die Aphrodite in haar gouden gordel bewaart.
-Duizend droeve wolken verdonkeren den hemel der geliefden: alleen de charis weet ze
-te verdrijven: alleen in de stralen der schitterende, opgeruimde blijmoedigheid der
-ziel verdwijnt al het droefgeestige. Alleen door haar adem wordt al het ruwe en harde
-verzacht. Haar wordt alles vergund en alles vergeven, omdat zij geene wonde slaat
-of ze heelt die oogenblikkelijk. Aspasia bezit deze blijmoedigheid van ziel, dezen
-charis, deze gordel van Aphrodite en daarmede alleen verijdelt zij spelende alle pogingen
-van Theodota. Want ik ken de vrouwen en weet, hoe zeldzaam, hoe eenig in de wereld
-datgene is, wat Aspasia bezit.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik versta u volkomen,&#x201d; zei Artemidorus; &#x201e;wat gij zegt, heb ik dikwijls ondervonden.
-De proefsteen van de vrouwen en van haar toovermacht is niet het genot, dat zij verschaft,
-maar de kunst, hoe zij de tusschenruimten tusschen de oogenblikken van zalig genot
-weten aan te vullen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Aspasia verstaat het,&#x201d; hernam Pericles, &#x201e;ieder oogenblik eene schitterende vonk te
-laten opspatten, iets als een vuurpijl of ook als een schoone zeepbel, waarnaar men
-snel grijpen moet en dat het volgende oogenblik ons weer ontneemt. En dit alles doet
-Aspasia zonder inspanning, zonder dwang en gemaaktheid; zij doet het, omdat het haar
-van nature eigen is. En juist daarom, werkt zij onwederstaanbaar. De zalige uren der
-armen van geest zijn eene bekoring der zinnen, met doodelijke verveling verbonden;
-alleen uit de ziel welt datgene <span class="pageNum" id="pb350">[<a href="#pb350">350</a>]</span>op, wat aan het zoetste duurzame waarde schenkt.&#x201d;
-</p>
-<p>De dag naderde, waarop Pericles met zijne beide schepen weder naar Samos moest terugkeeren,
-om vandaar nog een kort uitstapje naar Chinos te maken. De vriendelijke tegemoetkoming
-der Milesiërs had het Pericles gemakkelijk gemaakt, om het plan, waarom hij te Milete
-gekomen was, te volvoeren; en zoo was het hem mogelijk geweest slechts het geringste
-deel van den tijd, dien hij zich te Milete ophield, aan politieke onderhandelingen
-te besteden, terwijl hij het grootste deel aan zijn innerlijk geluk had kunnen wijden.
-</p>
-<p>De gastvrije Artemidorus gaf den Atheenschen veldheer vóór zijn vertrek een feestmaal,
-waaraan ook Aspasia deelnam.
-</p>
-<p>Aan dit feestmaal zei Pericles tot zijn gastheer Artemidorus:
-</p>
-<p>&#x201e;Geen wonder, dat de geheime betoovering van deze hemelstreek ook mij heeft bekoord
-en ik zeven dagen lang schier onbewust mij aan eene gelukkige werkeloosheid heb overgegeven.
-Men bemerkt het, dat gij, Grieken van deze kust, nabij de vurige <span class="corr" id="xd30e4754" title="Bron: Phoeniciers">Phoeniciërs</span> woont, die het eerst de Godin der liefde vereerden, en nabij dat Cyprische eiland,
-dat die weelderige Godin op haar zegetocht uit de Sidonische golf naar Hellas de eerste
-rustplaats heeft aangeboden. En evenals uit het Zuiden de feestelijke bezieling der
-Cyprische Godin, zoo dringt van het Noorden, van de hoogten van den Tmolus, het feestelijk
-geruisch van Dionysus en van zijne voedster Rhea tot u door. Zoo zijt gij als het
-ware omringd en omruischt van de golven der feestvreugde dier Goden van het genot.
-Evenals uit overvolle uiers de melk, zoo wordt hier de dauw der weelderigheid uit
-den hoorn des overvloeds van die Goden en uit de duizend zwellende borsten van Artemis
-over u uitgestort. U, Milesiërs, zullen de vreeslijke, dweepzieke Orgiën op den Tmolus
-wel niet alleen van hooren zeggen, bekend zijn. Het zou mij verwonderen, zoo niet
-de een of ander uwer door nieuwsgierigheid gedreven, ten tijde der feesten <span class="pageNum" id="pb351">[<a href="#pb351">351</a>]</span>zich in die geheimzinnige plaatsen van het naburige Lydië had gewaagd en, zij het
-dan ook misschien op een afstand, de razernij der Corybanten had gadegeslagen.&#x201d;
-</p>
-<p>Bij deze woorden van Pericles toog er een wolk over het gelaat van Artemidorus en
-eene lichte zucht ontsnapte aan zijne borst, zoodat Pericles hem verwonderd en schier
-getroffen aanzag.
-</p>
-<p>&#x201e;Mij zelven,&#x201d; sprak Artemidorus, &#x201e;heeft het noodlot eens daarheen gevoerd en ik zou
-u gaarne datgene, wat ik gezien en beleefd heb, verhalen, als er niet zoovele smartelijke
-herinneringen aan verbonden waren.&#x201d;
-</p>
-<p>Deze woorden vermeerderden de belangstelling van Pericles en toen Artemidorus dit
-bemerkte, vervolgde hij:
-</p>
-<p>&#x201e;Ik zie het wel, ik moet ook tegen mijn wil spreken en mijne onaangename gewaarwording
-rechtvaardigen door u eene mededeeling te doen, die de uitdrukking van uw gelaat,
-Pericles, van mij schijnt te verlangen. Welnu, luister:
-</p>
-<p>&#x201e;Het is nog slechts weinige jaren geleden, dat ik den bekoorlijksten jongeling van
-Milete, mijn zoon mocht noemen. Hij was met alle gaven des geestes en des lichaams
-toegerust, doch tevens met eene onbeperkte verbeeldingskracht, die geen teugel kende,
-met een vurig, ja dweepziek gemoed. Het heeft nooit te Milete ontbroken aan jongelingen,
-die door de verhalen der razende orgiën op den Tmolus tot misdadige nieuwsgierigheid
-geprikkeld werden, en menigeen is aan de bewaking zijner zorgvuldige ouders ontsnapt,
-om zich bij die wilde rijen aan te sluiten; ja zelfs er waren tijden, waarin dat verlangen
-als eene soort pestziekte woedde. Ik overwoog, hoe ik eene dergelijke zinsverbijstering
-van mijn al te hartstochtelijken Chrysanthes zou afweren. Zooals ik gevreesd had,
-werd hij ook weldra door die ziekte aangegrepen. De tijd der Lydische feesten naderde.
-Chrysanthes was in het oogvallend stil en ingetrokken; zijne wangen verbleekten en
-hij zag er uit, alsof hij door <span class="pageNum" id="pb352">[<a href="#pb352">352</a>]</span>een heimelijk, koortsachtig ongeduld werd verteerd. Reeds was ik besloten hem als
-gevangene in huis te behandelen en oppassers bij hem te plaatsen, die ieder zijner
-schreden zouden bewaken. Toch deed de toestand, waarin ik hem zag, mij vreezen, dat
-hij zou ontsnappen en daarbij voegde zich de gedachte, dat de jongeling, ten gevolge
-van zijn geheel onbevredigd verlangen, in eene gevaarlijke zwaarmoedigheid of in eene
-doodelijke ziekte zou vervallen en dat het heilzamer zou zijn, wanneer ik de begeerte,
-naar het scheen, zijner steeds toenemende nieuwsgierigheid ten deele bevredigde, althans
-op eene wijze, die geen gevaar voor hem na zich sleepte. Ik deelde hem mede, dat ik
-mij met hem naar den Tmolus wilde begeven en met hem de mystieke gebruiken der Corybanten
-wenschte gade te slaan. In mijn gezelschap onder mijne onmiddellijke hoede, moest
-toch de jongeling voor elk gevaar beveiligd zijn.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure plate3width"><img src="images/plate3.png" alt="&#x201e;Nog is Milete prachtig en zijne bewoners levenslustig.&#x201d;" width="482" height="685"><p class="figureHead">&#x201e;Nog is Milete prachtig en zijne bewoners levenslustig.&#x201d;</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>&#x201e;Eene reis van verscheidene dagen bracht ons tot ons doel. Wij bestegen, begeleid
-door een slaaf, die levensmiddelen voor één dag droeg, den boschrijken, nog eenzamen
-Tmolus en wachtten het oogenblik af, waarop de wilde troep der Corybanten uit Sardes
-de berghelling zou bestijgen.
-</p>
-<p>&#x201e;Het orgiastische lentefeest was reeds den vorigen dag daarmede begonnen, dat men
-den grooten pijnboom van den Tmolus had geveld en omwonden met kransen van de tallooze
-lenteviooltjes, die in de kloven van den Tmolus groeiden; den boom, zóó bekranst,
-sleepte men onder uitbundig gejubel naar den tempel van Cybele, om hem aan de alles
-voortbrengende moeder der Goden als lenteoffer te wijden.
-</p>
-<p>&#x201e;Nog bleef het grootste en luidruchtigste deel van het feest over. Een dof geraas
-drong tot onze ooren door nog voor wij in de avondschemering de naderende schaar der
-Corybanten konden zien. Wij verborgen ons bij hare nadering in het dichte struikgewas,
-om ongemerkt getuigen te zijn van haar dolle waanzin.
-<span class="pageNum" id="pb353">[<a href="#pb353">353</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;De zwerm naderde, het geraas werd oorverdoovend. Ieder dezer Corybanten, van welke
-verscheidene geheel naakt, andere slechts met het ruige vel van een wild dier om de
-lendenen bekleed waren, droeg een tamboerijn, waarop hij met alle geweld sloeg en
-een doffen toon deed hooren, of een rammelend bekken; sommigen bliezen op eene fluit
-of hoorn, anderen hadden zwaarden en schilden in de handen, die zij tegen elkander
-sloegen. Doch boven al dat gekletter van metaal en muziekinstrumenten klonk het geschreeuw,
-of liever het gebrul uit, dat een jubelzang ter eere van den verlorenen en nu wedergevonden
-jongeling Attis, den lieveling en bode van de alles voortbrengende moeder Rhea, moest
-voorstellen. Van den verloren en wedergevonden Attis zongen zij, maar het was de uit
-haar doodslaap ontwaakte, wild opbruisende teelkracht der natuur, die deze menschen
-niet alleen vierden, maar ook in zich zelven tot waanzinnige bedwelming lieten opbruisen.
-De schaar werd aangevoerd door Cybele-priesters, die helder brandende pijnfakkels
-in de eene hand, in de andere scherpgeslepen kromme messen droegen, die zij met de
-uitdrukking van dweepzucht, verwoed zwaaiden. De gang dezer menschen mocht geen loopen
-heeten, veeleer een woest springen en dansen onder allerlei verwringingen, onder begeleiding
-van een oorverdoovend geraas van zwaarden en muziekinstrumenten.
-</p>
-<p>&#x201e;De gezichten van allen waren hoog rood; sommigen zelfs met donkerblauwe vlekken geteekend;
-de oogen schenen uit hunne kassen te zullen springen en velen stond het schuim op
-den mond. Daarbij schudden zij woest de lange, golvende lokken, die voor het meerendeel
-uit vreemde haren kunstig samengevoegd, om de slapen fladderden en die hen een half
-mannelijk half vrouwelijk uiterlijk gaven. De wilde of tamme dieren, die op weg in
-hunne handen waren gevallen, sleepten zij met zich mede. Aan de spits van den zwerm
-werd een panther gevoerd. Eenigen zagen wij met slangen, <span class="pageNum" id="pb354">[<a href="#pb354">354</a>]</span>die zij opgeraapt hadden, in de handen en speelden daarmede onbevreesd alsof het kransen
-of linten waren.
-</p>
-<p>&#x201e;Terwijl de tierende schaar langs ons heenstormde, zag ik den jongen Chrysanthes naast
-mij door eene toenemende ontroering aangegrepen. Hij zweeg, maar zijn gelaat gloeide,
-zijn oog staarde wezenloos op de dolle feestvierende schaar en hij begon eenige bewegingen,
-die hij bij de razenden opmerkte, onbewust na te doen.
-</p>
-<p>&#x201e;Niet verre van de plaats, waar wij in het geboomte verborgen waren, strekte zich
-eene groote vlakte uit, door reusachtige pijnboomen ingesloten en met allerlei kruiden
-begroeid. Hier hield de troep stil, doch niet om te rusten maar om nog doller te woeden.
-De meegesleepte dieren werden in het midden geplaatst, ook de priesters sloten zich
-daarbij aan en rondom hen schaarden zich de Corybanten.
-</p>
-<p>&#x201e;Op een bezielend woord van den priester, stortten zij zich op den panther en de overige
-dieren, scheurden ze in stukken, eerst met de handen, vervolgens met de tanden, slurpten
-hun warm bloed en staken de overblijfsels van het bloedende vleesch aan hunne Thyrsusstaven<a class="noteRef" id="xd30e4787src" href="#xd30e4787">19</a>, als op spiesen. Toen begonnen zij, onder nog sterker geraas der pauken en cymbalen<a class="noteRef" id="xd30e4790src" href="#xd30e4790">20</a> en koperen werktuigen, in de rondte te dansen, de groote, alles voortbrengende moeder
-prijzende en de alles bezielende teelkracht, de onuitputtelijke kracht van genot en
-liefde, wier beeld voor hunne oogen werd ten toon gesteld.
-</p>
-<p>&#x201e;De wilde dieren vloden voor het woest getier in de verwijderdste schuilhoeken; een
-leeuw stoof verschrikt in dolle vaart vlak langs mij en Chrysanthes door het geboomte.
-En waarlijk, de fanatieke kreten, het rookende offerbloed, het zwaaien der brandende
-fakkels en bovenal het geraas der tamboerijnen, moesten mensch en dier verschrikken
-of in de wildste <span class="pageNum" id="pb355">[<a href="#pb355">355</a>]</span>onstuimigheid brengen. Ik zelf verloor schier mijne bezinning. Toen deed Chrysanthes
-plotseling een poging om zich van mij los te rukken. Ontzet zag ik hem aan en bemerkte,
-dat hij in zijn geheele uiterlijk reeds aan die razenden gelijk was. Ik hield hem
-vast, maar reuzenkracht in zijne jeugdige leden ontwikkelend, maakte hij zich los
-en voortstormend sprong hij van een rotswand, zoo hoog en steil, dat alleen door een
-wonder zijne leden niet verbrijzeld werden, midden onder die razenden, en evenals
-de schuimende vloed een droppel, zoo verzwolg hem de dolle schaar.
-</p>
-<p>&#x201e;Van schrik en ontzetting radeloos stond ik daarbij bijna zinneloos.
-</p>
-<p>&#x201e;De woeste dans ging voort voor mijn benevelden blik. Sommigen stortten als dood neder,
-stonden weder op en begonnen opnieuw.
-</p>
-<p>&#x201e;Wederom klonken kreten der zinneloozen, vergezeld van teekenen en wonderlijke gebaren,
-door het rumoer heen. En toen de razernij ten top was gestegen, traden eenigen uit
-den troep te voorschijn en trachtten hunne woorden te doen verstaan, waarvan echter
-slechts weinig verstaanbaars tot mijn oor doordrong.
-</p>
-<p>&#x201e;Het duizelde mij voor de oogen, ik zag niets dan een woesten troep zich door elkander
-bewegen, waarin de dolsten zich met flikkerende klingen wondden, verminkten&#x2014;ik dacht
-aan Chrysanthes&#x2014;het werd nacht voor mijne oogen, ik zonk buiten kennis op den grond.
-</p>
-<p>&#x201e;Toen ik mijn bewustzijn herkreeg, was de maan in al haar glans opgegaan, de Corybanten
-waren verder getrokken, het geluid van het tympanon<a class="noteRef" id="xd30e4803src" href="#xd30e4803">21</a> klonk uit de diepte van het woudgebergte, als de donder, die in de verte ratelt.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik begaf mij naar het naburige Sardes, den zetel van de priesterschap Cybele, omdat
-ik daar het eerst iets aangaande het lot van mijn Chrysanthes hoopte te vernemen,
-of ik soms den geliefden <span class="pageNum" id="pb356">[<a href="#pb356">356</a>]</span>verloren zoon mocht kunnen terugvinden.
-</p>
-<p>&#x201e;En ik vond hem terug; het werd mij gebracht op eene baar, uit de pijnboomtakken van
-den Tmolus gevlochten, gewond, verminkt, bloedend.
-</p>
-<p>&#x201e;De jongeling in den bloei zijner jaren en schoonheid lag daar voor mijne oogen, gelijk
-die met viooltjes omkranste pijnboom, geveld op den Tmolus door het mes der Corybanten,
-als een dankoffer aan de alles voortbrengende Godin&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo luidde het verhaal van Artemidorus.
-</p>
-<p>De vroolijkheid van het feestmaal was verdwenen.
-</p>
-<p>Toen het afgeloopen was en Pericles zich met Aspasia alleen bevond, zeide hij:
-</p>
-<p>&#x201e;Milete is schoon en het verhaal van Artemidorus zal mij de herinnering aan de zaligste
-dagen mijns levens, die de Goden mij ooit schonken, niet geheel en al treurig maken.
-Doch ik gevoel dat het tijd is den voet van dit gloeiend strand weder op het snelle
-schip te zetten, en mijne schier beklemde borst zal eerst weder ten volle vrij adem
-halen in de zachte, vaderlandsche Attische lucht!&#x201d;
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e4528">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4528src">1</a></span> Orgiastisch beteekent: bezield, bezeten, daar de Orgiën of feesten ter eere van Dionysus
-zich door luidruchtigheid en uitgelatenheid kenmerkten. Vergelijk <a href="#n145.1">noot 1 pag. 145</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4528src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4534">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4534src">2</a></span> Mitra is in het algemeen een band, een hoofdband, die door de Grieksche vrouwen gedragen
-werd; voorts een tulband, die door de verwijfde Aziaten gedragen werd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4534src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4557">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4557src">3</a></span> Thales een der zeven Wijzen van Griekenland, leefde ongeveer 640 v. C. Hij zou het
-eerst eene zonsverduistering voorspeld hebben. Hij verkondigde de leer, dat de stof
-eeuwig bezield en altijd in beweging is.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4557src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4560">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4560src">4</a></span> Herodotus &#x201e;de vader der geschiedenis&#x201d;, was te Halicarnassus in Carië omstreeks 484
-v. C. geboren. Hij maakte talrijke reizen. Zijne ervaringen teekende hij op in negen
-boeken, die ieder naar eene der Muzen zijn genoemd. Hij munt uit door eenvoud en liefelijkheid
-van stijl. Herodotus stierf omstreeks 408 v. C., wellicht te Thurië, in Beneden Italië.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4560src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4563">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4563src">5</a></span> Vergelijk <a href="#n32.1">noot 1 pag. 32</a>. Zeven plaatsen betwisten elkander de eer Homerus te hebben voortgebracht. Te weten:
-Smyrna, Rhodos, Colophon, Salamis, Chios, Argos, Athene.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4563src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4582">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4582src">6</a></span> Hebe, de dochter van Zeus en Hera, de Godin der jeugd, dikwijls als gemalin van Heracles
-voorkomende, was de schenkster der goden op den Olympus.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4582src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4585">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4585src">7</a></span> Cybele, ook Cybebe geheeten, was eene Phrygische Godin, de personificatie van het
-weelderige leven der natuur. Zij wordt ook geheeten: &#x201e;de groote moeder der Goden&#x201d;
-en dikwijls met Rhea geïdentificeerd. Hare begeleiders waren de dolle Corybanten,
-haar lieveling de jongeling Attis.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4585src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4590">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4590src">8</a></span> De Sirenen waren zeemonsters, die door verleidelijke liederen de voorbijvarenden tot
-zich lokten en hen dan doodden. Zij worden wel voorgesteld als vrouwen met vogelklauwen
-en vleugels.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4590src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4595">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4595src">9</a></span> Triton is de zoon van Poseidon en Amphitrite; vandaar in het algemeen een zeegod.
-Zijn attribuut is de mosselschelp, waarop hij blaast.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4595src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4598">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4598src">10</a></span> Proteus was een zeegod, die de robben Poseidon weidde. Als zijn verblijfplaats wordt
-het eiland Pharos, ook wel Karpathos, gemeld. Hij had de gave zich in allerlei gedaanten
-te kunnen veranderen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4598src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4648">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4648src">11</a></span> Beschermgoden, geleigeesten, (genius.)&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4648src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4660">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4660src">12</a></span> De Pontus bijgenaamd Euxinus, de gastvrije, is de Zwarte zee, vroeger om hare talrijke
-stormen Pentus Axinus, de onherbergzame, geheeten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4660src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4673">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4673src">13</a></span> Psyche beteekent &#x201e;ziel&#x201d;. De fabel, juister de allegorie, waarop hier door den schrijver
-gedoeld wordt, komt voor bij Apuleins, een wijsgeerig schrijver die te Madaura in
-Numidië geboren was en lang te Rome verkeerde (in de tweede eeuw na C.). De inhoud
-daarvan was de volgende: Psyche eene koningsdochter was de schoonste van drie zusters,
-zoodat zij zelfs voor Aphrodite werd gehouden. Deze, hierover vertoornd, gelastte
-Eros een sterveling op haar te doen verlieven. Doch deze werd zelf op haar verliefd.
-De vader raadpleegde Apollo daaromtrent. Deze gaf de godspraak, dat men Psyche alleen
-op een berg moest achterlaten, want dat zij de gade van een monster moest worden.
-Dit geschiedde. Daar ontmoette zij telkens Eros in een paleis, dat voor haar was verrezen.
-Nieuwsgierig haren beminde meer van nabij te zien, naderde Psyche hem, ondanks zijn
-vroegere waarschuwing. Bij ongeluk liet zij een droppel heete olie op zijn schouder
-vallen. Eros, die sliep, ontwaakte en ontvlood haar. Troosteloos doolde Psyche overal
-rond, totdat zij eindelijk bij Aphrodite kwam, die haar als slavin hard behandelde.
-Nochtans steunde Eros haar in haren arbeid, zooals op haar tocht naar Persephone,
-in het schimmenrijk, waar zij levenloos door den benauwden damp ter neder stortte.
-Eros riep haar door aanraking zijner pijl in het leven terug. Eindelijk werd Aphrodite
-verzoend. Psyche ontving van Zeus de onsterfelijkheid en werd voor altijd met den
-geliefde vereenigd. Zij baarde hem eene dochter Hedone, (Voluptas, Cupido), het Genot.
-In deze allegorie wordt de onschuld, de val, de boete geschilderd en de redding der
-ziel door de kracht der liefde.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4673src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4683">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4683src">14</a></span> Halcyonen of Alcyonen zijn ijsvogels.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4683src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4697">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4697src">15</a></span> Halcyonische dagen zijn eigenlijk de zeven dagen vóór en na den kortsten dag, gedurende
-welke de ijsvogel zijn nest bouwt, daar de zee dan vrij van stormen is. Daaruit is
-de Grieksche spreekwijze ontstaan, beteekenende: kalme, diepe rust.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4697src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4708">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4708src">16</a></span> Heroïne beteekent eigenlijk heldin, het vrouwelijke van heros; voorts iedere voortreffelijke
-der stervelingen, eene halfgodin.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4708src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4731">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4731src">17</a></span> Dido of Elissa nam Aeneas, die op zijn tocht van Troje naar Italië door een vreeselijken
-storm geteisterd was, gastvrij op in het door haar gestichte Cartago.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4731src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4734">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4734src">18</a></span> Zie <a href="#n259.2">noot 2 pag. 259</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4734src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4787">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4787src">19</a></span> Thyrsus is de staf der Bacchanten, die met klimop en wijngaardloof omwonden was en
-uitliep in eene pijnboomnaald.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4787src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4790">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4790src">20</a></span> Metalen bekkens.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4790src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4803">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4803src">21</a></span> Eene pauk, eene tamboerijn, vooral bij de feesten ter eere van Cybele in gebruik.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4803src" title="Ga terug naar noot 21 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XIII.</h2>
-<h2 class="main">DIOPITHES EN HIPPARETE.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Aspasia bevond zich verkleed in mannengewaad op het schip, dat den Atheenschen strateeg
-naar zijne vloot vóór Samos terugvoerde. Toen de triëre uit de haven roeide, in de
-open zee, schitterend in de stralen der zon, wierp de Milesische aan de zijde van
-haar vriend nog een blik naar het bloeiende Ionische strand. Troepen van kraanvogels
-en langhalzige zwanen vlogen over de beemden en lieten zich klapwiekend neder op den
-ruischenden oever. Aspasia&#x2019;s blikken echter hingen aan de verdwijnende tinnen van
-hare vaderstad. Haar gemoed was doordrongen van het vaste gevoel, dat <span class="pageNum" id="pb357">[<a href="#pb357">357</a>]</span>zij hier op de plaats, waar zij het levenslicht had aanschouwd, den schoonsten triomf
-haars levens had gevierd en de betooverende keten der liefde vaster dan ooit, ja onverbreekbaar
-om den gevierdsten Helleenschen man van zijn tijd had geslagen. Ook Pericles staarde
-met helder schitterend oog terug naar het wijkend strand van Ionië: hij dacht aan
-de zoet doorleefde dagen en hoe zijne onvergelijkelijke vriendin als een vrouwelijke
-Antaeüs<a class="noteRef" id="xd30e4825src" href="#xd30e4825">1</a> uit de aanraking van haar geboortegrond, als &#x2019;t ware verdubbelde kracht tot overwinnende,
-onwederstaanbare bekoorlijkheid had verkregen.
-</p>
-<p>&#x201e;Bijna zou ik kunnen klagen,&#x201d; zei hij, &#x201e;dat de uren van zaligheid, in Milete<span id="xd30e4832"></span> gesleten, voorbij zijn; maar hoe zou mij de gedachte niet bevredigen, dat ik u zelve,
-als den schoonsten buit, weder met mij voer?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Overal,&#x201d; hernam Aspasia, &#x201e;zal ons het geluk en de liefde volgen; slechts ééne zaak
-laten wij achter, om ze misschien nimmer weder te vinden: de gelukkige eenzaamheid,
-die wij hier hebben genoten en de schoone vrijheid van alle knellende banden.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Pericles boog het hoofd en zag peinzend vóór zich uit.
-</p>
-<p>&#x201e;In Athene teruggekeerd,&#x201d; vervolgde Aspasia, &#x201e;zijt gij weder de staatsbestuurder,
-op wiens doen en laten aller oogen gericht zijn; zijt gij weder burger van Athene,
-door de strenge wet der overlevering gebonden, zijt gij weder Telesippe&#x2019;s gemaal&#x2014;en
-ik&#x2014;ik ben weder de vreemde, de van vaderland beroofde, de van recht verstokene, ik
-ben weder, zooals uwe echtgenoote en hare vriendin zich uitdrukken, de hetaere van
-Milete.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Pericles hief langzaam het hoofd op en zag zijne vriendin scherp in het gelaat. &#x201e;Hebt
-gij iets anders verlangd Aspasia,&#x201d; sprak hij, &#x201e;hebt gij niet altijd den echt als eene
-slavernij bespot en het vrouwenvertrek <span class="pageNum" id="pb358">[<a href="#pb358">358</a>]</span>van den Athener als eene gevangenis?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik herinner mij niet, Pericles,&#x201d; hernam Aspasia, &#x201e;dat gij mij werkelijk ooit gevraagd
-hebt, aan welken staat ik de voorkeur gaf, aan dien van hetaere of van Atheensche
-echtgenoote.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En wanneer ik het deed,&#x201d; zei Pericles, &#x201e;wanneer ik u de keuze voorstelde, welk antwoord
-zoudt gij mij geven?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik zou u zeggen,&#x201d; hernam Aspasia, &#x201e;dat ik noch het een noch het andere zou kiezen;
-dat ik vrijwillig noch hetaere zou willen zijn, noch de echtgenoote van een Athener.&#x201d;
-</p>
-<p>Pericles was getroffen.
-</p>
-<p>&#x201e;De echtgenoote van een Athener?&#x201d; herhaalde hij toen; &#x201e;gij schijnt dus niet elke echtverbintenis,
-maar alleen de Atheensche te versmaden; zeg mij toch, waar ter wereld het ideaal eener
-echtverbintenis te vinden is, die uwe goedkeuring wegdraagt?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik weet het niet,&#x201d; hernam Aspasia; &#x201e;ik denk dat die wel nergens te vinden zal zijn;
-maar ik draag dat ideaal in mijn binnenste.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En wat zou er noodig zijn, om datgene wat gij in uw binnenste draagt te verwezenlijken?&#x201d;
-vroeg Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Wanneer er eene echtverbintenis zijn moet,&#x201d; hernam Aspasia, &#x201e;dan moet zij gegrondvest
-zijn op de wet der vrijheid en op de wet der liefde.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En wat zou ik moeten doen,&#x201d; vroeg Pericles, &#x201e;om dit ideaal met u te verwezenlijken?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij zoudt mij alle rechten der gade moeten toestaan,&#x201d; antwoordde Aspasia, &#x201e;zonder
-mij één van de rechten te ontnemen, die gij tot nu toe aan de geliefde hebt gegund.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij wilt dus,&#x201d; zei Pericles, &#x201e;dat ik Telesippe verstooten en u in hare plaats als
-meesteres mijn huis zal binnenleiden? Dat is mij begrijpelijk; maar wat gij overigens
-verlangt is mij niet duidelijk. Wat bedoelt gij met de rechten, die ik u niet ontnemen
-mag?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Boven alles het recht om tusschen mij en u <span class="pageNum" id="pb359">[<a href="#pb359">359</a>]</span>geene andere wet te erkennen, dan die der liefde,&#x201d; antwoordde Aspasia. &#x201e;Dan geniet
-ik dezelfde rechten als gij, evenals eene geliefde, dan ben ik niet de slavin, zooals
-de echtgenoote. Gij zijt de heer des huizes, niet de mijne; gij zijt tevreden met
-het offer van mijn hart, zonder mijn geest in boeien te slaan en mij tot de werkeloosheid
-eener dompige eenzaamheid in het vrouwenvertrek te doemen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij wilt mij derhalve u hart toewijden,&#x201d; hernam Pericles; &#x201e;de gaven en kracht van
-uw geest echter zullen, evenals thans, het goed van allen zijn. Gij wilt u niet ontzeggen
-in aanraking te blijven met alles, wat uwe verbeeldingskracht prikkelen, uw geest
-bezighouden en verrijken kan?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, dat is mijne meening,&#x201d; riep Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;En wanneer wij de proef eens wilden nemen met zulk eene verbintenis,&#x201d; zei Pericles,
-&#x201e;weet gij of zoo&#x2019;n proef mogelijk is, niet alleen uit het oogpunt van &#x2019;t gevestigd
-gebruik, maar ook uit het oogpunt der liefde zelve?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Als ze u onmogelijk voorkomt, wie dwingt ons dan die te nemen?&#x201d; hernam Aspasia glimlachend,
-terwijl zij haar vriend een teederen kus op het voorhoofd drukte, en aanstonds begon
-zij over andere dingen te spreken.&#x2014;
-</p>
-<p>De weg naar Samos was spoedig afgelegd. Nadat Pericles hier eenige beschikkingen betreffende
-de vloot gemaakt had, beklom hij opnieuw eene triëre, om naar Chios te zeilen.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe?&#x201d; vroeg Aspasia schertsend, &#x201e;koestert gij zoo groot verlangen uwe vroegere, schoone
-beminde terug te zien, die, zoo ik meen, bij den dichter Ion op Chios leeft?&#x201d;
-</p>
-<p>Pericles beschouwde het als eene aardigheid en glimlachte.
-</p>
-<p>Ditmaal was Sophocles in het geleide van Pericles. De dichter was niet weinig verrast
-de Milesische in hare vroegere verkleeding op het schip van Pericles terug te zien.
-</p>
-<p>Zij was nu weder de bekoorlijke jongeling, wiens <span class="pageNum" id="pb360">[<a href="#pb360">360</a>]</span>geheim slechts aan weinige ingewijden bekend was.
-</p>
-<p>Op Chios, het vaderland der edelste druiven die onder Griekschen hemel rijpten, welks
-bewoners de rijkste lieden van geheel Hellas geheeten werden, leefde de treurspeldichter
-Ion, een geboren Chiër, die met zijne treurspelen te Athene reeds menigen lauwerkrans
-had weggedragen. Wel is waar werd er gemompeld, dat hij de Atheensche burgerij door
-eenige vaten Chiërwijn, die hij ter gelegenheid van de opvoering van zijn eerste stuk
-het volk aanbood, voor zich en zijne tragedie gunstig gestemd had. Hij was zooals
-reeds deze mildheid bewees een der rijkste mannen van Chios en oefende daarom een
-grooten, staatkundigen invloed op zijn vaderland uit.
-</p>
-<p>Met Pericles stond Ion op geen goeden voet, sinds beide mannen mededingers naar de
-bekoorlijke Chrysilla geweest waren, en de dichter was nog steeds op Pericles verstoord,
-ofschoon de schoone ten laatste de zijne was geworden en den rijken, in weelde levenden
-man naar zijn geboorteland was gevolgd. Pericles betreurde dien wrok in het gemoed
-van zijn eenigen medeminnaar; want hij moest voor Athene van Chios eenige belangrijke
-voordeelen trachten te verwerven en hij vreesde, dat de invloedrijke Ion uit persoonlijke
-vijandschap hem daarin in den weg zou staan.
-</p>
-<p>Sophocles nam op zich Ion met Pericles te verzoenen, en daar niemand tot middelaar
-zoo van nature geschikt was als de beminnelijke dichter der &#x201e;Antigone,&#x201d; die alle menschen
-voor zich innam, gelukte hem ook die poging bij zijn kunstbroeder Ion zoo uitnemend,
-dat deze Pericles benevens Sophocles tot zich noodde en het zich tot eene eer rekende
-de beide Atheensche strategen gastvrij te onthalen.
-</p>
-<p>Slechts van den eenen morgen tot den anderen kon Pericles op Chios vertoeven, en nadat
-het grootste deel van den dag aan politieke onderhandelingen was gewijd, maakte Pericles,
-door Sophocles vergezeld, zich gereed om aan de uitnoodiging van Ion gevolg te geven.
-<span class="pageNum" id="pb361">[<a href="#pb361">361</a>]</span></p>
-<p>Maar niet zonder een derde begaven zij zich naar het huis van hun Chiïschen gastheer.
-</p>
-<p>Aspasia had er, niet zonder geheime bedoeling, op gestaan haar vriend ditmaal als
-slaaf verkleed te volgen en daar, werwaarts hij zich begaf, naar de gewoonte der slaven,
-die hunne heeren vergezelden, altijd in zijne nabijheid te blijven.
-</p>
-<p>De geheime bedoeling echter der Milesische was geene andere, dan de vernieuwde ontmoeting
-van Pericles en de schoone Chrysilla onschadelijk te maken en de aandacht haars vriends
-van Chrysilla en die der schoone van Pericles af te leiden. Pericles willigde het
-verzoek van Aspasia gaarne in en meende dat de reden daarvan alleen gelegen was in
-eene vergeeflijke nieuwsgierigheid zijner vriendin, om die Chrysilla eens te leeren
-kennen.
-</p>
-<p>Ion bewoonde een landgoed op de bekoorlijkste plek van het eerst steile, daarna zacht
-glooiende strand, rondom omringd door latten, die beladen waren met de rijpende gaven
-van Bacchus, beschenen door de koesterende zon.
-</p>
-<p>Hij voerde zijne gasten op een terras, dat op eene der liefelijkste vooruitspringende
-rotsen lag, door de zee omspoeld. Daarover slingerden zich de schoone wijnranken waaraan
-de Chiïsche druiven verleidelijk in dichte trossen hingen en tusschen welke aan het
-oog een verrukkelijk gezicht op de glinsterende zee en de bloeiende omliggende eilanden
-gegund werd.
-</p>
-<p>Naar dit liefelijke oord geleidde Ion zijne vrienden en nadat hunne oogen zich aan
-het bekoorlijk gezicht vergast hadden, verzocht hij <span class="corr" id="xd30e4884" title="Bron: hun">hen</span> zich neder te vlijen op mollige aanligbedden en verkwikte hen met kostelijke gaven.
-Het edelste Bacchusnat werd rondgediend in zilveren bekers.
-</p>
-<p>Chrysilla was ook tegenwoordig. Zij bloeide nog als eene roos, maar de bloei harer
-ledematen had zich in den loop van den tijd op Chios tot zulk eene weelderigheid ontwikkeld,
-dat de fijne kunstsmaak van den Athener de maat der schoonheid daarin miste. Zij geleek
-op eene trotsche, volle <span class="pageNum" id="pb362">[<a href="#pb362">362</a>]</span>roos. Maar de roos is wel de weelderigste en geurigste, niet de schoonste der bloemen.
-</p>
-<p>Ion, die in den grond een goedhartig man was en een groot minnaar van het genot, ontving
-Pericles zonder zijn vroegeren wrok en met ongeveinsde hartelijkheid.
-</p>
-<p>Hij hief den beker in de hoogte, gevuld met den vurigsten, schuimenden wijn zijner
-gaarde en stelde een dronk in op het welzijn van Pericles en zijn vriend, den beroemden,
-edelen Sophocles.
-</p>
-<p>Maar toen Ion in zijn opgewondenheid verder ging en de beide mannen prees om hunne
-krijgsdaden, die zij als strategen vóór Samos hadden verricht, wees Sophocles voor
-zijn deel dien lof af en zeide, dat die onverdeeld aan zijn vriend Pericles toekwam.
-</p>
-<p>&#x201e;En toch,&#x201d; vervolgde Sophocles tot Ion en eenige voorname bewoners van Chios, die
-door dezen uitgenoodigd waren, &#x201e;zoudt gij onbillijk zijn, als gij in Pericles boven
-alles den staatsman en veldheer wildet bewonderen. Van den roem zijner ondernemingen
-en scheppingen gaat de roep door geheel Hellas, maar deze maakt slechts melding van
-die eigenschappen van den grooten man, die gerucht verwekken en in verren kring schitteren.
-Ik weet daarentegen van zijne edele, onopgemerkte deugden meer dan ooit te spreken,
-sedert ik zijn strijdmakker geweest ben vóór Samos. Van de overwinningen, die hij
-daar bevochten heeft, weet gij; doch gij weet niet dat, toen ieder der vijftig rijke
-Samiërs, die hij als gijzelaars naar Lemnos zond, hem heimelijk een talent voor zijne
-loslating liet bieden, hij deze aanbiedingen, zoowel als de sommen, waarmede de Perzische
-satraap hem zocht om te koopen, van de hand wees. Anderen vertellen u, hoevele vijandelijke
-schepen hij in den grond heeft geboord, hoevele vijanden hij gedood heeft&#x2014;ik zal u
-echter zeggen hoevelen hij uit medelijden gespaard heeft, hoe spaarzaam hij was met
-het bloed der zijnen en hoe ik hem een paar maal schertsend tot de soldaten heb hooren
-zeggen, dat, <span class="pageNum" id="pb363">[<a href="#pb363">363</a>]</span>als het van hem afhing, zij eeuwig zouden leven. Hij vond &#x201e;ijzeren handen&#x201d; voor zijne
-schepen uit, opdat de handen van vleesch en bloed des te meer zouden gespaard worden.
-Gij weet dat hij een held is in de ure van den strijd; maar ik zeg u, dat hij een
-wijze is in de ure der rust en dat hij, als hij maar een oogenblik in het leger den
-tijd heeft, zijn soldaten wind en weer, zons- en maansverduisteringen en alle verschijnselen
-aan den hemel verklaarde, waarom velen hem voor een toovenaar hielden. Van zijne geleerdheid
-en wijsgeerigen zin hebben zij zoo&#x2019;n hoogen dunk, dat velen thans voor zeker beweren,
-dat hij den Samischen vlootvoogd Melissus, een beroemd wijsgeer, meer door zijne groote
-krijgskunst, dan wel door zijne doodende sluitredenen op de vlucht heeft geslagen.
-Er was geen zachter en geen strenger, geen meer gevreesd en meer geliefd man in het
-leger dan hij, geen die meer zweeg, wanneer het spreken overbodig was en geen, die
-spraakzamer was, als het noodig was het zwijgen te verbreken. Dit wilde ik u van Pericles
-zeggen, opdat gij den edelen en voortreffelijken man als zoodanig moogt roemen, niet
-altijd alleen als strateeg en zeeheld; want in dit opzicht verdient hij wel is waar
-lof, maar niet onvoorwaardelijk, in zoover hij nadat hij zich vóór Samos zoo dapper
-had gekweten, te Milete naar ik hoor, zich minder moedig heeft betoond, ja zelfs zijne
-vloot en veldheersambt bijna vergeten had en eenige dagen langer dan noodig was in
-de baai daar voor anker heeft gelegen, wat ik als eene strategische fout beschouw.&#x201d;
-</p>
-<p>Ion en de andere toehoorders lachten over deze slotwoorden van Sophocles; Pericles
-echter bedacht zich niet lang om de rede van zijn vriend te beantwoorden. Hij sprak
-het volgende:
-</p>
-<p>&#x201e;Mijn ambtgenoot en vriend Sophocles hier wil u overreden, naar ik hoor, mij liever
-onder de wijzen dan onder de groote strategen te tellen. Gaarne zou ik, om hem niet
-met gelijke munt te <span class="pageNum" id="pb364">[<a href="#pb364">364</a>]</span>betalen, omgekeerd van hem beweren, dat hij eerder tot de groote strategen dan tot
-de wijzen behoort, doch het ligt te zeer voor de hand om het te kunnen ontkennen,
-dat hij met mij in hetzelfde geval verkeert: van de krijgskunst namelijk en van datgene
-wat tot het zeewezen behoort verstaat hij, om zoo te zeggen, al heel weinig. Hij zal
-zijn leven lang veel gemakkelijker de namen van alle Nereïden<a class="noteRef" id="xd30e4904src" href="#xd30e4904">2</a> der zee onthouden, dan de benamingen van de bestanddeelen van eene goedgebouwde Atheensche
-triëre. Maar hij heeft ons gedurende dezen zeetocht als strateeg een prachtigen paeän
-op Asclepius<a class="noteRef" id="xd30e4907src" href="#xd30e4907">3</a> gedicht, die op de geheele vloot gezongen wordt en die, zooals onze stuurlieden en
-roeiknechten verzekeren, ons bij stormen op zee reeds de voortreffelijkste diensten
-heeft bewezen. En evenals zijn paeän de opgestuwde golven bedaart en de Goden der
-zeevaart goedgunstig stemt, zoo is zijn geheele wezen met zachte olie te vergelijken,
-die al het ruwe glad maakt, al het woest verbolgene bedaart. De matrozen op zijn schip
-doen wat zij behooren te doen, ook wanneer hij een verkeerd teeken geeft en zij houden
-hem wel is waar voor een in het zeewezen onervaren, maar toch als een door de Goden
-geliefd man. Wanneer uit mijn mond woorden van wijsheid komen, naar de menschen meenen,
-dan gelooven zij tevens, dat ik ze aan den Clazomeniër Anaxagoras ontleend heb; wanneer
-echter Sophocles den mond opent, zijn allen overtuigd, dat de Goden zelven hem die
-woorden in den droom hebben ingegeven. Zulk een man, mijne vrienden van Chios, is
-mijn medestrateeg Sophocles. Ik meen hem geprezen te hebben en ik zou den Goden danken,
-zoo de lof, dien hij mij toegezwaaid heeft, even wel verdiend is, als die, welken
-ik hem in deze woorden toebreng.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb365">[<a href="#pb365">365</a>]</span></p>
-<p>Zoo roemden, door de vurige gave van Bacchus opgewekt en ongeveinsde hartelijkheid
-onder het masker van goedhartige scherts verbergend, elkander de beide Atheensche
-scheepsbevelhebbers in den kring van vroolijke, krachtige mannen, onder de druiventrossen
-van het schoone terras van Ion.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik zou haast blozen,&#x201d; zei Ion, &#x201e;als men mannen vóór zich ziet als Pericles en Sophocles,
-die met ernstige bezigheden vervuld en onophoudelijk voor het algemeene nut werkzaam
-zijn terwijl men zelf in de afzondering alleen voor het genot en de Muzen leeft. Maar
-ik geloof, dat naast een roemrijk en schoon werken ook eene loffelijke en schoone
-ledigheid is. Deze heb ik verkozen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zeker,&#x201d; zeide Sophocles, &#x201e;is eene ledigheid schoon te noemen, die schoone vruchten
-draagt. De Atheners hebben uwe treurspelen nog niet vergeten.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Noch uw Chiër-wijn!&#x201d; voegde Pericles er bij.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik weet zeer goed,&#x201d; hernam Ion, goedhartig glimlachend, &#x201e;dat gij Atheners beweert,
-dat ik door mijn wijn uwe gunst voor mijn treurspel wilde koopen, maar gij moogt zeggen
-wat gij wilt, alleen niet, dat de wijn slecht geweest is. Want, als gij mijn Chiër
-niet roemt, dan beleedigt gij mij meer, dan wanneer gij mijne treurspelen berispt.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ziet me die treurspeldichters toch eens,&#x201d; zei Pericles<span class="corr" id="xd30e4918" title="Niet in bron">,</span> &#x201e;hoe opgeruimd en vroolijk zij van geest zijn, terwijl zij er van houden in hunne
-treurspelen zich met de somberste en verschrikkelijkste dingen bezig te houden: altijd
-spreken zij van den toorn der Goden, overouden vloek, overerfelijke schuld, vreeselijke
-beschikkingen van het noodlot en dergelijke akeligheden meer&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Juist omdat wij opgeruimd van geest zijn,&#x201d; hernam Sophocles, &#x201e;verkeeren wij moedig
-met het sombere, wij worstelen daarmede en zouden het gaarne overweldigen. Moedig
-worstelen wij met die oude, blinde machten van het noodlot, om de menschelijke dingen,
-zoo goed wij kunnen, uit de betoovering eener duistere noodlottige macht te <span class="pageNum" id="pb366">[<a href="#pb366">366</a>]</span>bevrijden. In de heldere sterrennachten, die ik aan boord van mijne triëre vóór Samos
-doorbracht, heb ik mij in den geest dikwerf opgehouden met dien lijdenden, Thebaanschen
-grijsaard en hem gevolgd op zijn lijdensweg, hoe hij het eerst door vertwijfelend
-berouw of onvrijwillige schuld gedreven, zich van het licht der oogen heeft beroofd
-en rondzwerft in den vreemde, langzamerhand echter tot een reiner klaarheid en vrijheid
-gekomen, schuld en berouw ten laatste van zich werpt, vóór het einde zijns levens
-het grijze hoofd met de fierheid van den onschuldige omhoog heft en van een misdadiger
-de rechter wordt over hen, die niet onvrijwillig en onbewust zooals hij, niet door
-eene onverbiddelijke beschikking van het noodlot, maar uit eigen beweging door de
-verloochening van alle edele, menschelijke gevoelens misdreven hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Mijn beste vriend,&#x201d; sprak Ion, &#x201e;uit hetgeen gij daar over Oedipus zegt spreekt weder
-de oude, welbekende liefde voor uw geboortevlek, want daar was het toch, dat de grijze
-lijder tot zijne rust inging.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Gaarne beken ik u,&#x201d; hernam Sophocles, &#x201e;en ik zie er een gunstig teeken in voor mijne
-tragische dichtkunst, dat juist in dat vlek, waar ik geboren werd, die overoude, tragische
-verwikkelingen zich hebben opgelost.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Eer vrij uwe geboorteplaats,&#x201d; zei Pericles, &#x201e;maar dit zult gij mij toch moeten toegeven,
-dat niet alleen uw vlek, maar geheel Athene de bodem is, waarop overoude verwikkelingen
-tot eene oplossing komen, oude schuld verzoend wordt, vroegere duisternis bezwijkt
-op de plaats der heldere Godin Pallas Athene! Op den gezegenden bodem van Athene heeft
-niet alleen die zwaar beproefde grijsaard, maar ook de jonge Orestes, voortgejaagd
-door de Furiën, delging van den vloek gevonden, ja, gij allen kent den afgrond in
-de nabijheid van den onvoltooiden tempel van den Olympischen Zeus en wij willen gaarne
-gelooven, wat de sage <span class="pageNum" id="pb367">[<a href="#pb367">367</a>]</span>meldt, dat in dezen afgrond de wateren van den Deucalionischen<a class="noteRef" id="xd30e4931src" href="#xd30e4931">4</a> vloed zich hebben neergestort.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Onder deze en dergelijke gesprekken was de zon langzamerhand ter kimme gedaald; de
-zee was over eene groote uitgestrektheid met een purperen gloed getint, die zijn laatsten,
-gouden glans over het met wijnloof omkranste terras verspreidde. De gasten van Ion
-ademden met welbehagen de zachte, verfrisschende avondkoeltjes in die over de zee
-tot hen overwaaiden. Ion liet de bekers opnieuw vullen en het vocht in de zilveren
-schalen fonkelde, alsof ook daarin de purperen gloed der ondergaande zon zich afspiegelde.
-</p>
-<p>Pericles liet zijn beker door geene andere hand, dan door die van zijn slaaf vullen.
-Deze nam het ambt van schenker met eene bevalligheid waar, die aan het oog van Ion,
-van de schoone Chrysilla en de overige aanwezigen evenmin ontging, als de schoonheid
-der trekken van den jongeling. Hij scheen het zich tot taak gesteld te hebben, het
-ambt van schenker ook bij Sophocles te vervullen, wat de dichter glimlachend en met
-kennelijke vreugde liet welgevallen.
-</p>
-<p>&#x201e;Uw schenker heeft maar ééne fout, Pericles,&#x201d; zei hij.
-</p>
-<p>&#x201e;En welke is die?&#x201d; vroeg Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat hij bij het aanreiken van den beker zoo haastig is,&#x201d; hernam de dichter; &#x201e;men
-zou liever zien, dat hij daarbij een weinig draalde, om zich in de oogen te laten
-zien, die, naar mij dunkt, eene nadere beschouwing overwaard zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>De jongeling bloosde, toen hij na deze woorden van Sophocles aller blikken op zich
-gericht zag. Deze lachte om de verlegenheid van den knaap en riep met de woorden eens
-ouderen dichters:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Hoe schoon op purperwangen glanst des Eros&#x2019; licht!&#x201d;</p>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb368">[<a href="#pb368">368</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Wat zegt gij van deze verzen van Phrynichus<a class="noteRef" id="xd30e4945src" href="#xd30e4945">5</a>? Hoe bevallen u die purperwangen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Mij bevallen zij niet,&#x201d; hernam de jongeling, die spoedig zijne tegenwoordigheid van
-geest hernomen had. &#x201e;Het komt mij voor, dat de dichters in hunne verzen zaken prijzen,
-die zij in de werkelijkheid volstrekt niet schoon zouden vinden. Ik geloof, dat eene
-wang met echt purper geverfd, leelijk zou zijn.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe?&#x201d; riep Sophocles, &#x201e;dan zoudt gij toch ook de rozenvingeren van Eos<a class="noteRef" id="xd30e4952src" href="#xd30e4952">6</a> bij Homerus niet schoon kunnen vinden?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Volstrekt niet,&#x201d; hernam de jonge slaaf. &#x201e;Als mijne vingers rood als rozen waren,
-zou Pericles, mijn meester, gelooven, dat ik mij met het sap der purperslak bezoedeld
-had en mij bevelen mijne handen te gaan wasschen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Och, dat alle hekelende kunstrechters slaven waren als gij!&#x201d; riep Sophocles. Maar
-lachend plaagde Pericles hem, omdat hij als dichter nu eindelijk zijn beoordeelaar
-had gevonden.
-</p>
-<p>Verscheidene aardigheden werden er gewisseld; ook vurige blikken, door den gloed van
-Dionysus bezield, werden hier en daar geworpen en te midden daarvan deden de onzichtbaar
-rondzwevende minnegoodjes een klein, onschuldig, dartel spel van onderlinge ijverzucht
-ontbranden. Pericles vond, dat zijn vriend Sophocles het geheim van den schoonen slaaf
-te weinig eerbiedigde, en van dezen wederom meende hij, zijn ambt van schenker met
-grooteren ijver dan noodig was vervulde. Aspasia van haren kant dacht opgemerkt te
-hebben, dat <span class="pageNum" id="pb369">[<a href="#pb369">369</a>]</span>Chrysilla&#x2019;s blikken die van Pericles telkens ontmoetten en dat deze de zijne somwijlen
-een tijdlang op de weelderige, bloeiende vormen van Ion&#x2019;s vriendin deed rusten. Weldra
-echter veranderde de zaak. Chrysilla had werkelijk in den beginne met hare oogen Pericles
-gezocht, om uit ijdele, vrouwelijke nieuwsgierigheid uit te vorschen, of de macht
-harer bekoorlijkheden nog iets vermocht op den man, die haar eens zijne hulde had
-bewezen.
-</p>
-<p>Evenwel kon ook de schoone slaaf, die aller oogen tot zich trok, door haar niet onopgemerkt
-blijven en dezen van zijn kant scheen het er op gezet te hebben zijne vurigste blikken
-juist aan Chrysilla te wijden. Zoo gelukte het hem ten laatste de oogen van Ion&#x2019;s
-vriendin bijna geheel van Pericles af te leiden en op zich te vestigen. In dit streven
-werd hij door Sophocles krachtig geholpen.
-</p>
-<p>Ion had in den beginne die wisseling van woorden en blikken tusschen Pericles en Chrysilla
-niet zonder eenig ongenoegen waargenomen en zag ten laatste met even weinig behagen
-de oplettendheid, die zijne vriendin aan den vreemden jongeling wijdde, doch tevens
-gaf hij aan zijne vriendin eenige reden tot bezorgdheid, doordat hij den indruk liet
-bemerken, dien de opgewekte geest en de schoonheid van dezen jongeling bijna geheimzinnig
-op hem maakten.
-</p>
-<p>Nieuwe bekers werden gebracht. Toen Sophocles wederom den zijne uit de hand van den
-schoonen schenker aannam, beschouwde hij den rand des bekers met een scherp oog en
-zei, tot den slaaf zich wendend:
-</p>
-<p>&#x201e;Voor de eerste maal moet ik mij beklagen, dat gij niet oplettend genoeg uw ambt vervult.
-Aan den rand van dezen beker zie ik een klein pluisje, dat gij verzuimd hebt weg te
-nemen.&#x201d;
-</p>
-<p>Glimlachend wilde de jongeling met zijne fijne vingertoppen over de plaats van den
-rand des bekers strijken, om het pluisje te verwijderen. Doch Sophocles liet dit niet
-toe, zeggende:
-<span class="pageNum" id="pb370">[<a href="#pb370">370</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Zulke dingen moeten niet met de vingers aangeraakt, maar liever met den adem van
-uw mond zacht weggeblazen worden.&#x201d; Na deze woorden gesproken te hebben, reikte hij
-den jongeling den beker, die zich glimlachend bukte, om het pluisje, zooals de dichter
-wenschte er af te blazen. Deze echter hield den beker zoo, dat het hoofd van den jongeling
-zoo dicht mogelijk bij het zijne moest komen. Derhalve raakten de gouden lokken van
-den jongeling bijna onmiddellijk den boezem des dichters. Hij ademde het bedwelmende
-aroma in, dat daaruit opsteeg en ondervond de zachte aanraking op zijne wangen van
-het gebogen en weder opgeheven hoofd; hij zette daarop zijne lippen juist op de plaats
-van den beker, die door den adem van den rozenmond aangeroerd was.
-</p>
-<p>Met spiedend oog had Pericles het voorgevallene opgemerkt. &#x201e;Mijn waarde Sophocles,&#x201d;
-zei hij, &#x201e;ik wist niet dat gij zoo&#x2019;n haarklover waart, om zooveel drukte van zoo&#x2019;n
-onbeduidend pluisje te maken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Beken liever,&#x201d; hernam Sophocles, tevreden glimlachend, &#x201e;dat gij nu inziet vroeger
-gedwaald te hebben, toen gij mij in gezelschap van deze allen stoutweg voor een zeer
-slecht strateeg en krijgskundige hebt uitgemaakt. Intusschen stel u gerust; ik heb
-de voldoening waarom het mij te doen was, en ik beloof u dat ik het bij dit kleine
-bewijs mijner groote talenten laten zal.&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo sprekende reikte Sophocles zijn vriend de hand en deze drukte ze hartelijk lachend.
-De schaduwen werden al langer en langer, maar nog laat in de schemering des avonds
-lieten de klank der bekers en een vroolijk, luidruchtig gesprek op het door de zee
-bespoelde terras van Ion zich hooren. In de zee was de purperglans allengs verdwenen,
-maar nog steeds fonkelde het in de steeds opnieuw gevulde, schuimende bekers op Chios.
-</p>
-<p>Het was zonderling, maar eindelijk was de schoone vroolijke, geestige schenker van
-Pericles het middelpunt van het geheele gesprek geworden. Ieder <span class="pageNum" id="pb371">[<a href="#pb371">371</a>]</span>wilde ten laatste alleen door hem zich den beker laten vullen. Ieder wilde een blik
-uit zijne vroolijke, bezielde oogen opvangen, ieder een geestig woord uit zijn mond
-vernemen. Toen Chrysilla eens den wensch naar een bijzonder mooien druiventros uitte,
-die van de latten afhing, haastte zich de vlugge en gedienstige schenker dien te plukken
-en de dame aan te bieden. Chrysilla bloosde, bloosde voor den slaaf&#x2014;en niemand verwonderde
-zich daarover. Ion keurde het niet goed, maar vond het toch zeer verklaarbaar. En
-zoo draaide zich ten laatste alles om de verkleede Milesische. Ofschoon zij uit eene
-aardigheid verkozen had te dienen, heerschte zij toch&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Eindelijk vroeg Ion, dien zijn eigen kostelijken wijn niet kariger dan zijne gasten
-had aangesproken, aan Pericles, of hij hem dien slaaf verkoopen wilde.
-</p>
-<p>&#x201e;Neen!&#x201d; antwoordde Pericles, &#x201e;ik ben van plan hem zijne vrijheid te geven en nog heden
-wil ik dat doen&#x2014;op dit oogenblik! Hij zal voor het laatst deze kleederen gedragen
-hebben. Hier ten aanschouwe van u allen verklaar ik hem vrij!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Alle aanwezigen gaven luide hunne goedkeuring over dit besluit te kennen. De bekers
-werden op de gezondheid van den schenker geledigd en zijne vrijlating met het bloed
-der edelste druif bezegeld.
-</p>
-<p>Eén echter van het vroolijke gezelschap, Pericles zelf, was op het einde ernstig en
-nadenkend geworden.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt,&#x201d; zei Aspasia lachend tot hem, toen zij van Ion weggingen, &#x201e;mijne vrijlating
-met eene plechtigheid uitgesproken, die zelfs hen trof, die niet wisten, dat het maar
-een grap was.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Het was geen grap,&#x201d; hernam Pericles, &#x201e;ik wil dat gij nooit meer mannenkleeding zult
-dragen, dat gij nooit meer u zelve vernedert.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik ben verlangend te vernemen,&#x201d; hernam Aspasia, &#x201e;hoe gij het de vreemdeling en de
-zoogenaamde hetaere uit Milete besparen zult, zich te vernederen.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb372">[<a href="#pb372">372</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Dat zult gij vernemen,&#x201d; zei Pericles.
-</p>
-<p>Den volgenden morgen keerde de Atheensche veldheer naar Samos terug en onverwijld
-gaf hij aan de vloot order den volgenden morgen zeilree te zijn, om eindelijk den
-terugkeer naar Athene aan te nemen.
-</p>
-<p>Met uitbundige blijdschap werd dit bevel begroet en fier met wimpels getooid, zeilde,
-onder het aanheffen van een donderenden zegezang, bij het krieken van den volgenden
-dag, het zegevierend Atheensch eskader uit de haven van Samos naar de hooge zee, westwaarts
-koers zettende, om na eene afwezigheid van elf maanden het vaderland terug te zien.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik denk,&#x201d; zei Aspasia tot haar vriend op het oogenblik van hun vertrek, &#x201e;dat gij
-het afgrijzen, &#x2019;t welk het verhaal van Artemidorus op den laatsten avond te Milete
-bij u opwekte, wel reeds op Chios zult overwonnen hebben en dat gij daartoe niet eerst,
-naar ge meendet, de Attische lucht noodig hebt.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En toch,&#x201d; hernam Pericles in vurige opgewondenheid, &#x201e;is mijne ziel geheel vervuld
-van een heimwee naar het vaderlandsche strand en steeds klinken al luider en luider
-in mij eenige verzen, die ik uit den mond van Sophocles gehoord heb:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Ion&#x2019;s zoon Melicertes, en gij lieflijke Leucathea,
-</p>
-<p class="line">Vorstin der fonkelende zee, immer tot hulpe bereid,
-</p>
-<p class="line">Nereus&#x2019; dochters, en gij, Poseidon, ruischende baren,
-</p>
-<p class="line">Gij ook, Thracische wind, zachtste beheerscher der zee,
-</p>
-<p class="line">Neemt in genade mij op en voert mij over het zilte
-</p>
-<p class="line">Zeenat zonder gevaar, naar het geliefde Atheen!&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">De vaart ging den eersten dag bij gunstigen wind en onder een onbewolkten hemel langs
-de eilanden van den blauwen Archipel. Voor de beide gelieven was deze vaart door de
-eilandenzee een <span class="pageNum" id="pb373">[<a href="#pb373">373</a>]</span>zalig genot. Wat zagen zij gaarne, terwijl het ranke vaartuig de baren ruischend doorkliefde
-van het boord van het schip in de donkerblauwe golven, die in den naasten kring van
-het schip groen als weilanden en verderop als in schitterend blauw gedoopt schenen
-en door de tallooze, verblindende zilveren stralen der zon werd beschenen. Meeuwen
-fladderden om den mast met hare lange, wit gerande vlerken, en in geheele drommen
-volgden dolfijnen het witte schuimend spoor, dat de kielen, den vloed doorklievend,
-achter zich lieten. In dartel spel, met de gespleten staarten om zich slaande, vermeiden
-zij zich in de zilte baren, scheerden over den zeespiegel, om dan weder hunne zwarte,
-schitterende lichamen in de golven te begraven.
-</p>
-<p>Bij het vallen van den nacht liet Pericles de vloot voor Tenos ankeren. Het eentonige
-gezang der roeiers verstomde en daarmee het ruischen der zee, door de kielen doorkliefd;
-in den reinen, helderen aether fonkelden de sterren en het maanlicht sloeg in het
-Oosten zijn gouden brug over de zee.
-</p>
-<p>Pericles stond peinzend op het verdek van zijn vaartuig, terwijl alles rondom hem
-in diepen sluimer verzonken lag.
-</p>
-<p>Daar schoof zich eene warme, zachte hand in de zijne.
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom staart gij zoo in gedachten op de zee?&#x201d; vroeg Aspasia: &#x201e;Koestert gij zoo&#x2019;n
-vurig verlangen naar de ambrosische<a class="noteRef" id="xd30e5008src" href="#xd30e5008">7</a> dochters van Nereus, die met haar rozevoeten de kristallen diepten doorkruisen?&#x201d;
-</p>
-<p>De zilveren klank harer stem wekte den droomer uit zijn gepeinzen.
-</p>
-<p>Pericles antwoordde met een kus en zij begonnen te minnekoozen, waarbij zij allengs,
-bij het heldere maanlicht, als in zoete droomen gewiegd, de geheele zee rondom zich
-vol leven zagen. Uit de diepten doemden de dochters van Nereus op, rijdend <span class="pageNum" id="pb374">[<a href="#pb374">374</a>]</span>op zeemonsters, en Tritons, die schetterende trompetters ter zee, bliezen op hunne
-mosselschelpen; te midden van hen verrees de zeenimf Galathea: zij hief haar purperen
-gewaad uit den vloed en liet het, door zachte koeltjes zwellende, als een zeil boven
-zich heen golven.
-</p>
-<p>Bij het grauwen van den morgen vernamen Pericles en Aspasia plotseling den klank van
-snaren in de verte. Het klonk hun als de lier van Orpheus<a class="noteRef" id="xd30e5021src" href="#xd30e5021">8</a>, die toch, naar de oude overlevering, toen de zanger den dood had gevonden, door
-de Maenaden<a class="noteRef" id="xd30e5024src" href="#xd30e5024">9</a> in de zee geworpen en door den vloed verder gestuwd was over de <span class="corr" id="xd30e5030" title="Bron: Aegaëische">Aegaeïsche</span> zee en welker tonen de zeevaarders somwijlen bij diepe windstilte over den waterspiegel
-vernamen. De klank derhalve van de onbeheerd ronddobberende lier van Orpheus scheen
-tot het oor van Pericles en Aspasia door te dringen, tot zij bemerkten, dat de tonen
-uit de triëre van Sophocles kwamen, die hen naderde, toen de vloot in de schemering
-van den morgen zich weder in beweging zette. De vrienden begroetten elkander en Sophocles
-nam de uitnoodiging van Pericles aan om hem een bezoek op zijn schip te brengen. Daar
-praatten zij over Athene, over het wederzien hunner vrienden, over het feest der Panathenaeën
-dat onmiddellijk na hunne terugkomst zou gevierd worden, en steeds hooger spande Aspasia
-de verwachting, waarmede Pericles en Sophocles de verrassingen verbeidden, die Phidias
-en de zijnen door hun rusteloozen arbeid in dat lange tijdsverloop aan hunne terugkeerende
-vrienden hadden bereid.
-</p>
-<p>Toen nu de dag ten volle was aangebroken en de eerste stralen de zee <span class="corr" id="xd30e5035" title="Bron: verlichten">verlichtten</span>, doemde ter linker zijde het heilige Delos op, de &#x201e;Ster der zee&#x201d;, het eiland van
-Apollo, schitterend in de morgenzon, als &#x2019;t ware gekust door de stralen van den God,
-<span class="pageNum" id="pb375">[<a href="#pb375">375</a>]</span>aan wien het geheiligd was. Niet zonder innerlijke ontroering staarde Pericles op
-de overoude eerwaardige parel in den Archipel. Hij dacht aan den dag, toen, als een
-geschenk van den God, de rijke, gouden schat van dit eiland Athene binnenstroomde.
-Maar ook het scheepsvolk liet het goddelijk eiland niet zonder vereering aan zijne
-oogen voorbijgaan. Van de hooge boorden der geheele Atheensche vloot klonk een donderende
-paeän ter eere van Apollo, den beschermgod van den Ionischen stam, welk lied machtig
-rolde over den zeespiegel, beschenen door de vriendelijke stralen der morgenzon.
-</p>
-<p>Maar gezang en gejubel verdoofden van nu af niet meer op de schepen; eene vroolijke
-stemming heerschte overal; want nog heden zou men het vaderlandsche strand bereiken
-en hoe meer men de vurig gewenschte kusten naderde, des te gevleugelder schenen de
-triëren, gedreven door de zwellende zeilen en den dubbel krachtigen riemslag der roeiers,
-het zilte sop te doorklieven.
-</p>
-<p>De uren vlogen voorbij: reeds was men Tenos en Andros voorbij gestevend. In een zachten,
-zilveren glans verhieven zich ten noorden van Ceos de hoogten van Euboeä. Ter linkerzijde
-doemden grootsch en breed getakt, door dien zelfden zilverglans omstraald, de met
-pijnen begroeide bergen van Aegina op. Een zachte rijp scheen alles te bedekken, gelijk
-het fluweelen waas de donkere pruimen.
-</p>
-<p>Tusschen de beide eilanden echter, verre vooruitspringend op den achtergrond door
-een krans van eerwaardige hoogten omgord, rees uit de diepten der zee Attica&#x2019;s gewijde
-kust.
-</p>
-<p>Tallooze oogen zochten haar&#x2014;met blijde kreten werd zij begroet. Maar de afstand ter
-zee is bedriegelijk. Reeds was de zon ver naar het westen gedaald, vóór het uitspringend
-gebergte van Sunion was bereikt, steil zich verheffend, verblindend wit, door de baren
-omruischt, met den marmeren tempel van Pallas, die met zijne prachtige <span class="pageNum" id="pb376">[<a href="#pb376">376</a>]</span>zuilen eene lichtende stip is voor den zeevaarder.
-</p>
-<p>In een wijden kring zeilde de Atheensche vloot om deze gevaarlijke, zuidelijke kaap
-van Attica, koers zettende naar de prachtige Saronische golf, ter rechter zijde het
-vaderlandsche strand en de glinsterende tinnen van Athene, links de bergen van de
-Peloponnesus, waarachter de zon onderging. Toen was alles, van verre en op een afstand,
-door een gouden rozensluier bedekt. De bergtoppen en de aether daarboven, de zee en
-de schepen zelve, zij alle waren gehuld in het tooverlicht der laatste uren van den
-dag. Alles was purper en schitterde als goud. Alleen in het zuidwesten hadden zwarte
-wolken zich samengepakt. Plotseling schoten de bliksemstralen daaruit te voorschijn
-en de bergen van Argos stonden in eene zee van vuur. Rustig en grootsch verhieven
-zich daar tegenover ter rechterzijde de hoogten, die Athene omgeven: de lange bergketen
-van den Hymettus, de pyramidaal oploopende Pentelicon, de stout verrijzende rotsklomp
-van den Lycabettus.
-</p>
-<p>Thans echter verscheen de heilige, aan ieder Atheensch oog dierbare hoogte van de
-Acropolis, omgeven door de wijd uitgestrekte stad. Aller blikken wendden zich daarheen.
-Maar veranderd vonden zij de heilige hoogte; de marmerwitte tinnen, vreemd aan de
-zoo langen tijd afwezigen, schitterden door den lichten nevel heen in de laatste stralen
-der ondergaande zon.
-</p>
-<p>Niet naar het van verre wenkende hoofd en de flikkerende lansspits der reusachtige
-Athene Promachos richtte, als anders ditmaal de Atheensche schepeling van het boord
-van zijn schip het oog naar Sunion&#x2019;s hoogte, maar aller oogen wendden zich naar die
-nieuwe, sneeuwwitte tinnen, die door de schemering heenblonken van den top der Acropolis.&#x2014;
-</p>
-<p>En uit één mond klonk de kreet van boord tot boord: &#x201e;Het Parthenon! Het Parthenon!&#x201d;&#x2014;&#x2014;
-</p>
-<p>Ter zelfder ure, dat de blikken der terugkeerende overwinnaars naar de hoogte van
-de Acropolis waren <span class="pageNum" id="pb377">[<a href="#pb377">377</a>]</span>gericht, greep juist daar, in het eerwaardige Erechtheüm nabij de stoute tinnen van
-het nieuwe Parthenon, eene geheimzinnige en bijna wondervolle gebeurtenis plaats.
-</p>
-<p>Het grootste en heerlijkste, om de vier jaren gevierde feest der Atheners, de Panathenaeën,
-naderde. Op dit feest werd aan de schutsgodin van Athene, de eeuwenlang vereerde Athene
-Polias, naar oudvaderlijk gebruik een schoon geweven kleed, de zoogenaamde peplos<a class="noteRef" id="xd30e5058src" href="#xd30e5058">10</a> ten geschenke gebracht. Deze peplos werd op de Acropolis zelve, in het heiligdom
-van Athene Polias, hetwelk gemeenschap had met het oude Erechtheüm, geweven. Vier
-meisjes van jeugdigen, bijna nog kinderlijken leeftijd werden uit de aanzienlijkste
-familiën van Athene gekozen, om die heilige peplos te helpen weven en bovendien nog
-eenige maanden lang in het gebied van den tempel te verblijven, ten einde onderscheidene
-andere heilige gebruiken te verrichten, die met den ouden, deels geheimzinnigen eeredienst
-in het Erechtheüm op den burg samenhingen. Twee dezer meisjes wierden gekozen om op
-een bepaalden nacht niet lang vóór de feestviering der Panathenaeën, van de Acropolis
-zich langs een geheimen onderaardschen weg iets onbekends, iets geheimzinnigs, dat
-niemand zien mocht en dat, naar het heette, zelfs de priesters niet kenden, naar eene
-grot in het heiligdom, nabij den Illisus gelegen, te dragen en vandaar iets even geheimzinnigs,
-onbekends naar het heiligdom van Athene Polias op den burg terug te brengen.
-</p>
-<p>Onder de jonge meisjes, die ditmaal tot het ambt van Arrhephoren&#x2014;want zoo werden zij
-genaamd&#x2014;verkozen waren, bevond zich het dochtertje van Hipponicus, Hipparete, van
-wier bevalligheid en zedigheid Hipponicus gesproken had toen hij bij gelegenheid van
-het feestmaal ter eere zijner choregie aan Pericles had voorgesteld, dit lieve kind
-voorloopig reeds aan den schoonen Alcibiades <span class="pageNum" id="pb378">[<a href="#pb378">378</a>]</span>te verloven. Inderdaad was Hipparete het toonbeeld van een echt Attischen, hoewel
-niet volkomen ontloken knop, die ondanks haar kinderlijkheid reeds iets verstandigs
-en waardigs ten toon spreidde.
-</p>
-<p>Met hare overige vriendinnen, die tot een gelijken dienst aan de Godin geroepen waren,
-vertoefde Hipparete nu op de Acropolis in het tempelgebied der Godin. De meisjes werden
-hier verpleegd als tot den tempel behoorende. Er was ook eene bijzondere ruimte, waar
-zij zich door het balspel vermaken konden. De priesteres van Athene Polias had het
-opzicht over haar. Daar echter het heiligdom der Godin met dat van Erechtheüs vereenigd
-was, leefden de meisjes ook onder het oog van Diopithes, den Erechtheüs-priester;
-zelfs was de priesteres van Athene Polias nevens hem slechts een onbeduidende schaduw
-in het gebied van het Erechtheüm.
-</p>
-<p>Hij gaf de meisjes talrijke aanwijzingen en vermaningen, het liefste en het meeste
-onderhield hij zich met het dochtertje van Hipponicus. Haar boven allen scheen hij
-zijne gunst te bewijzen, haar roemde hij steeds boven hare vriendinnetjes. Niet zelden
-sprak hij met haar in langdurige gesprekken over zaken, die haar vader, zijne huiselijke
-aangelegenheden en het verkeer met zijne gasten betroffen. Hipparete antwoordde hem
-met de onbevangenheid van een kind. Toen hij haar eens schertsend vroeg, of haar vader
-nog geen echtgenoot voor haar had gekozen, noemde zij zeer ernstig den pleegzoon van
-Pericles, den jongen Alcibiades, en zeide, dat haar vader haar aan dezen wilde verloven.
-</p>
-<p>&#x201e;Aan den pleegzoon van Pericles?&#x201d; riep Diopithes en zijne vriendelijke trekken namen
-plotseling eene afkeurende, schampere uitdrukking aan.
-</p>
-<p>De vijandelijke gezindheid jegens Pericles en allen, die hij als vrienden, raadgevers
-en dienaars van dezen man beschouwde, was sedert dat gesprek met den ziener Lampon
-onophoudelijk versterkt <span class="pageNum" id="pb379">[<a href="#pb379">379</a>]</span>geworden. Door de priesteres van Athene Polias, die een werktuig in zijne hand was,
-stond hij in betrekking met de zuster van Cimon en met de echtgenoote van Pericles,
-en vernam door haar steeds, wat er in de omgeving van zijn tegenstander voorviel.
-</p>
-<p>De avond, waarop het geheimzinnige gebruik zou verricht worden, was aangebroken. De
-beide uitverkoren meisjes Hipparete, en Lysiske werden uitgedost in kostbare, witte,
-met goud gestikte kleederen, die hare vaders voor dit doeleinde moesten bekostigen
-en die, wanneer zij gebruikt waren, het eigendom van het heiligdom bleven.
-</p>
-<p>Zoo rijk versierd werden de beide meisjes in het binnenste van het heiligdom van Athene
-Polias geleid en ontvingen daar van de priesteres in tegenwoordigheid van den <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span>, benevens diegenen, die gekomen waren om de heilige plechtigheid als toeschouwer
-mede te vieren, onder verscheidene ceremoniën de beide bedekte kruiken, om ze van
-hier langs den geheimzinnigen weg naar de grot in het heiligdom te dragen. Met de
-linkerhand hielden zij de aarden kruiken tegen de borst, in de rechter droegen zij
-eene aangestoken fakkel. Vóór zij zich op weg begaven, gaf de <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> haar nauwkeurige aanwijzingen over hetgeen zij te doen hadden, vermaande haar iedere
-misdadige nieuwsgierigheid naar den inhoud der kruiken uit haar gemoed te verbannen
-en zich over niets, wat haar op weg of in de grot mocht ontmoeten, te beangstigen
-of in haren heiligen dienst te doen storen. Hij zei haar, dat zij onder de bescherming
-van den God Erechtheüs zich bevonden, den pleegzoon van de Godin van den dauw Herse,
-naar wier heiligdom zij zich begaven, en vermaande haar niet te versagen, ook al mocht
-de God zelf, zij het ook in slangengedaante, als reeds eenmaal in vroegere tijden
-aan de Arrhephoren, zich op haar weg vertoonen. Alleen dan, wanneer zij het heilige
-geheim schonden of haar heiligen plicht niet stipt verrichtten, <span class="pageNum" id="pb380">[<a href="#pb380">380</a>]</span>hadden zij den toorn van den God te duchten. <span class="corr" id="xd30e5083" title="Bron: Ik">In</span> elk ander geval echter hadden zij slechts gunst en heil van hem te wachten.
-</p>
-<p>De beide meisjes begaven zich op weg. In groote spanning en kinderlijk geloof had
-Hipparete naar de woorden van den priester geluisterd en was vol blijde hoop en vertrouwen.
-Minder goedsmoeds ging de jongere Lysiske naast haar. Zoo daalden zij beiden den onderaardschen
-weg af, waarin vele trappen gehouwen waren. <span class="corr" id="xd30e5088" title="Bron: Anstig">Angstig</span> zag Lysiske om zich heen, Hipparete sprak haar moed in.
-</p>
-<p>Eindelijk vroeg Lysiske wat er toch wel in die heilige kruiken verborgen mocht zijn.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat wij terug zullen brengen,&#x201d; antwoordde Hipparete, &#x201e;kan ik mij voorstellen. Wat
-kan de dauwgodin Herse anders geven dan dauw? Wellicht dus met dauw besproeide twijgen
-of bloemen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar wat wij daarheen brengen?&#x201d; vroeg Lysiske weder.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik weet het niet,&#x201d; hernam Hipparete. &#x201e;Als wij iets vochtigs naar boven dragen, dan
-brengen wij vermoedelijk iets droogs of vurigs naar beneden; want evenals het daar
-beneden in de diepte vochtig is, zoo dor en droog is het op den bergtop.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Neen,&#x201d; zei de kleine Lysiske angstig, &#x201e;wij dragen zeker een grooten uil naar beneden,
-zooals die daar boven in het metselwerk van het Erechtheüm krassen en brengen eene
-schrikkelijke slang terug, omdat de slangen zich gaarne in vochtige laagten ophouden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wees niet bang voor slangen,&#x201d; zei Hipparete, &#x201e;gij weet toch, dat in hare gedaante
-zich de God Erechtheüs verbergt en dat deze ons beschut en ons zegent op dezen tocht.&#x201d;
-</p>
-<p>De beide meisjes waren de talrijke trappen afgedaald, hadden het doel van haar tocht
-bereikt en traden nu door eene in de rotsen gehouwen poort het heiligdom binnen. De
-grot was verlicht door een lamp, die, vóór een steenen beeld der dauwgodin geplaatst,
-met eene roode vlam brandde.
-</p>
-<p>Onder de ceremoniën, die men haar geleerd had, <span class="pageNum" id="pb381">[<a href="#pb381">381</a>]</span>legden de beide meisjes hare kruiken vóór de Godin neder en waren op &#x2019;t punt de gereedstaande,
-eveneens dicht omhulde kruiken, op te nemen en weg te dragen.
-</p>
-<p>Juist sloegen de meisjes haar blikken naar den achtergrond der grot; daar zagen zij
-bij het schemerlicht eene reusachtige slang ineengerold liggen, met den kop half opgeheven.
-</p>
-<p>Lysiske schrikte, verbleekte, sidderde en wilde vluchten, Hipparete hield haar terug
-en gaf haar de kruik in de hand, waarmede deze beangst en zonder om te zien, haastig
-wegliep. Toen nam Hipparete de andere kruik en maakte zich gereed de grot te verlaten.
-Nu echter kwam uit den achtergrond der grot een sterke tocht, waardoor de fakkel van
-Hipparete en tevens de lamp werden uitgebluscht, zoodat het meisje in het pikdonker
-stond. Nu zou de vrees ook haar om het hart zijn geslagen, zoo niet op hetzelfde oogenblik
-uit den achtergrond eene vriendelijke stem haar in de ooren had geklonken, die haar
-vermaande onverschrokken te blijven, zooals zij tot nu toe geweest was.
-</p>
-<p>&#x201e;Voor uw edelen moed en uwe vrome trouw,&#x201d; klonk de stem, &#x201e;verleent de God u, o kind,
-een geschenk, dat den zegen der Goden en het hoogste geluk u voor uw geheele leven
-waarborgt.&#x201d;
-</p>
-<p>Op dit oogenblik begon de vlam van de lamp van zelf weder te ontbranden en de God
-rustte niet meer schrikaanjagend daar, maar in heroëngestalte op de plaats, waar straks
-de slang haar kop had opgeheven. Hij verlangde, dat het meisje hem naderde. Hipparete
-deed het onversaagd. Hij trok haar tot zich en drukte een kus op haar voorhoofd, dat
-die schitterende reinheid had welke men bij half ontloken bladeren waarneemt, wanneer
-zij juist na een warmen lenteregen uit de bruine knoppen zijn gebroken.
-</p>
-<p>&#x201e;Hebt gij wel nooit hooren spreken,&#x201d; vroeg hij, &#x201e;van de goddelijke genade, die aan
-sterfelijke jonkvrouwen is ten deel gevallen? Hebt gij nooit gehoord <span class="pageNum" id="pb382">[<a href="#pb382">382</a>]</span>van Alcmene en Semele, van Danaë?&#x201d;
-</p>
-<p>De lippen van den spreker trilden een weinig, toen hij die woorden sprak: ook zijn
-hand beefde, toen hij daarmede het rijkgelokte hoofd van het meisje streelde.
-</p>
-<p>&#x201e;Hebt gij,&#x201d; ging hij voort, &#x201e;wel niet hooren spreken van die uitverkoren jonkvrouwen,
-tot wie Zeus nederdaalde en die niet verschrikten, als de God zich in zoete min tot
-haar nederboog?&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo sprekende sloeg hij zijn arm om het meisje, dat hevig verschrikte; maar zij herkreeg
-haar moed en luisterde weder geloovig, en in het reine kristal van haar oog spiegelde
-zich niets af dan de verwachting eener kinderlijke ziel, die de wonderlijke en zegenrijke
-geschenken te gemoet zag, waarmede de God beloofd had haar te zullen beloonen.
-</p>
-<p>Plotseling zei het meisje, in den donkeren hoek van de spelonk ziende:
-</p>
-<p>&#x201e;De slang is toch nog altijd daar&#x2014;alleen kleiner is zij thans, veel kleiner van gestalte&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>Hipparete sprak deze woorden zeer bedaard en zonder de minste aandoening van angst.
-Men had haar ingeprent, dat zij voor slangen op haar weg niet bang moest zijn en zij
-vreesde ze ook niet. Zij wist dat daaronder de zegen aanbrengende God <span class="corr" title="Bron: Erechtheus">Erechtheüs</span> zich verborg. Zij had die veel grootere slang niet gevreesd, waarom zou zij die kleinere
-vreezen?
-</p>
-<p>De God echter aan hare zijde ontstelde. De valsche <span class="corr" title="Bron: Erechtheus">Erechtheüs</span> begon te sidderen voor den toorn van den waarachtigen God. Strak staart hij naar
-dien hoek en ziet, dat daar in der daad eene slang zich kronkelt. Het vrome kind was
-overtuigd, dat haar geen leed wedervaren kon, dat zij onder de hoede stond van den
-God <span class="corr" title="Bron: Erechtheus">Erechtheüs</span>; de God zelf echter sidderde onder zijn godenmasker, sidderde voor den kruipenden
-aardworm&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Op dat oogenblik weerklinkt van buiten het gejubel van eene volksschare, die langs
-de grot trok; het was eene menigte, die van den Illisus naar de Piraeüs stormde met
-den jubelenden kreet: &#x201e;De <span class="pageNum" id="pb383">[<a href="#pb383">383</a>]</span>vloot van Samos loopt de haven binnen! Pericles is daar! Lang leve Pericles, de Olympiër&#x201d;.
-</p>
-<p>Met een somberen blik in de oogen en eene onheilspellende plooi om zijne lippen verheft
-zich de eerst door zijn angst, thans door zijn wrok ontmaskerde Erechtheüs-priester.
-</p>
-<p>Hij richt zich op en maakt zich gereed, om het kind spoedig uit de grot weg te voeren.
-Rustig neemt Hipparete, ook nu nog aan haar plicht denkend, de heilige kruik van den
-grond op. De priester neemt haar bij de hand en trekt haar door den donkeren gang
-voort. Daar, waar de geheime weg in het binnenste gedeelte van het Erechtheüm uitloopt
-verlaat hij haar, na streng bevolen te hebben, dat zij over alles wat zij in de grot
-gezien had, een diep stilzwijgen moest bewaren; dan alleen zou de zegen van den God
-haar niet onthouden worden.
-</p>
-<p>Hipparete ging den verlichten tempel binnen en legde de heilige kruik neder voor de
-voeten der Godin. Toen dacht zij zwijgend na over de verschijning van den God.
-</p>
-<p>En Diopithes?
-</p>
-<p>Hij zal heengaan en Erechtheüs trachten te verzoenen en vuriger dan ooit de vrees
-voor de oude Goden prediken.&#x2014;
-</p>
-<p>Terwijl dit des avonds op de stille hoogte van de Acropolis voorviel, was de terugkeerende
-vloot den Piraeüs binnengeloopen. In dichte drommen was het Atheensche volk naar buiten
-gesneld, om de aankomenden te zien en te begroeten.
-</p>
-<p>Het was donker geworden, doch de kaden der haven schitterden van fakkels en te grootscher
-slechts was het schouwspel, toen bij den schijn der fakkels de honderd fiere triëren
-der zegevierende vloot op de golven kwamen aandrijven.
-</p>
-<p>Bijna romantisch schitterden bij den hellen schijn der hoog gezwaaide fakkels de hooge
-masten, de witte zeilen, de vergulde <span class="corr" id="xd30e5144" title="Bron: Pallas beelden">Pallasbeelden</span> en de grillige vormen der scheepsnebben, met de veroverde schilden getooid, met de
-sieradiën van vernielde <span class="pageNum" id="pb384">[<a href="#pb384">384</a>]</span>vijandelijke schepen en andere tropaeën rijkelijk omhangen.
-</p>
-<p>Luide, blijde jubelkreten klonken van de steenen kaden den krijgers in &#x2019;t oor.
-</p>
-<p>De ontscheping volgde. Toen ook de strategen aan land stapten, drong alles om Pericles
-heen. Hem gold de luidste jubelkreet der menigte en velen waren er, die bloemen op
-zijn pad strooiden en hem met kransen overlaadden.
-</p>
-<p>Om zich aan deze eerebetuigingen te onttrekken, nam Pericles de uitnoodiging van Hipponicus
-aan, die hem eene plaats aanbood in zijn, met edele Thessalische paarden bespannen
-wagen, die op den rijken gastronoom in den Piraeüs wachtte.
-</p>
-<p>Aspasia had zich van Pericles moeten scheiden. Een draagstoel wachtte haar, die zij
-met dicht gesluierd gelaat besteeg en waarin zij naar de stad gevoerd werd.
-</p>
-<p>Intusschen was de maan opgegaan en haar glans verspreidde zich over de zee, de kusten
-en de stad.
-</p>
-<p>Pericles had, in den wagen van Hipponicus zwijgend en in gepeinzen verzonken, de stad
-bereikt. Toen zag hij bij eene plotselinge kromming van den weg, den blik omhoog slaande,
-vlak vóór zich de toppen van den Acropolis.
-</p>
-<p>Hij was getroffen. Eene lichte huivering voer hem door de leden. Onmiddellijk vóór
-zijne oogen bevond zich hetgeen hij straks uit de schemerende verte had gezien. Verblindend
-wit bij het schijnsel der maan, scherp tegen den nachtelijken hemel uitkomend, grootsch
-in de pracht van marmeren gevels en zuilen, stond het pas voltooide werk van Ictinus
-en Phidias op de schitterende hoogte van de Acropolis.
-</p>
-<p>En de betoovering, die nog heden de ziel aangrijpt van hem, die voor de eerste maal
-op de puinhoopen van het Parthenon te Athene <span class="corr" id="xd30e5159" title="Bron: staart">staat</span>, doortrilde in dat oogenblik de ziel van Pericles.
-<span class="pageNum" id="pb2.5">[<a href="#pb2.5">5</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e4825">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4825src">1</a></span> <span class="corr" id="xd30e4826" title="Bron: Antaëus">Antaeüs</span> was een reus, die zoodra hij zijne moeder, de aarde, aanraakte, nieuwe kracht kreeg.
-Hercules doodde hem door hem boven den grond te houden en zoo dood te drukken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4825src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4904">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4904src">2</a></span> De Nereïden zijn dochters van Nereus, een zeegod en Doris; zij waren vijftig in getal.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4904src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4907">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4907src">3</a></span> Asclepius (Aesculapius), de zoon van Apollo en de nimf Coronis, de vader der beroemde
-geneesheeren Podalirius en Machaon, werd als de God der genees- en heelkunde vereerd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4907src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4931">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4931src">4</a></span> In de Grieksche mythen wordt van een geweldigen zondvloed gewag gemaakt, waaraan alleen
-de vrome Deucalion en Pyrrha ontkwamen; hun zoon Hellen werd de stamvader der Grieken
-(Hellenen).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4931src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4945">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4945src">5</a></span> Phrynichus van Athene was een leerling van Thespis, een der eerste Grieksche treurspeldichters.
-In 511 v. C. behaalde hij voor het eerst den prijs in een tragischen wedstrijd; nog
-eenmaal in 476. Op hoogen ouderdom overleed hij wellicht aan het hof van Hiëro te
-Syracuse. Hij voerde vrouwenmaskers in en koorliederen, die nog al schoon schijnen
-geweest te zijn. Zijne stukken zijn alle verloren gegaan; de Ouden noemen vooral zijn
-&#x201e;Phoenische vrouwen&#x201d; en de &#x201e;Verovering van Milete,&#x201d; dat in 493 werd opgevoerd. Deze
-voorstelling schijnt zoo roerend geweest te zijn, dat het volk in tranen uitbarstte
-(zie Herod. VI. 21); daarom werd Phrynichus tot een zware geldboete veroordeeld, misschien
-ook omdat hij den Atheners scherp verweten had, dat zij hunne dochterstad niet hadden
-bijgestaan. Deze Phrynichus worde niet verward met een gelijknamigen blijspeldichter,
-die tijdens Aristophanes leefde.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4945src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4952">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4952src">6</a></span> &#x201e;De dageraad,&#x201d; steeds door Homerus de &#x201e;rozenvingerige&#x201d; geheeten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4952src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5008">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5008src">7</a></span> <span class="corr" id="xd30e5009" title="Bron: Goddellijke">Goddelijke</span>, onsterfelijke.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5008src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5021">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5021src">8</a></span> Orpheus, een beroemd Thracisch zanger, had zijn zetel op de Rhodope, in het Haemus-gebergte.
-Zelfs de steenen roerde hij door zijn betooverend lied. Zijne gemalin heette Eurydice;
-beiden zijn door de zangen van oudere en nieuwere dichters vermaard.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5021src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5024">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5024src">9</a></span> Maenas beteekent: razend, dol; de Maenaden, de razenden, de <span class="corr" id="xd30e5026" title="Bron: Bachanten">Bacchanten</span>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5024src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5058">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5058src">10</a></span> Op deze peplos waren de beroemdste heldenfeiten uit mythe en historie voorgesteld.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5058src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="super">ASPASIA</h2>
-<h2 class="label">XIV.</h2>
-<h2 class="main">DE PANATHENAEËN.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Wanneer het vaderland een groot man eert, de geheele wereld hem viert, wanneer op
-al zijne paden vereering, liefde, hulde hem te gemoet komen, dan is er dikwijls toch
-ééne plaats, waar zijne grootheid ineenkrimpt<span class="corr" id="xd30e5171" title="Niet in bron">,</span> waar hij zich klein gevoelt, waar hem koude of zelfs afgunstige oogen ontmoeten.
-</p>
-<p>En deze plaats is zijn eigen haard, zijn huis, de schoot zijner familie, het uitgangspunt
-van zijn arbeid.
-</p>
-<p>Ook Pericles gevoelde zich zonderling en onaangenaam aangedaan, toen hij, wien het
-jubelgeschreeuw van het Atheensche volk nog in de ooren klonk, na een afwezigheid
-van een jaar weder den drempel zijner woning betrad. Evenals den zegevierend terugkeerenden
-Agamemnon, ontving ook hem eene heimelijk mokkende gade.
-</p>
-<p>De tijding, dat Aspasia in het gezelschap van Pericles te Milete geweest was, dat
-zij op de terugvaart zich aan zijne zijde had bevonden, was tot Elpinice&#x2019;s ooren doorgedrongen
-en uit den mond harer vriendin had Telesippe het vernomen.
-</p>
-<p>De vrouw van Pericles dacht er niet aan zich op den terugkeerenden echtgenoot te wreken,
-zooals <span class="pageNum" id="pb2.6">[<a href="#pb2.6">6</a>]</span>Clytaemnestra<a class="noteRef" id="xd30e5180src" href="#xd30e5180">1</a> op den terugkeerenden Agamemnon, noch door een vergiftigd Nessus-kleed<a class="noteRef" id="xd30e5185src" href="#xd30e5185">2</a> hem in het verderf te storten, zooals Dejanira den ontrouwen Heracles had gedaan.
-Zij dacht kleingeestig, kleingeestig was haar wrok, kleingeestig haar haat en kleingeestig
-ook haar wraak.
-</p>
-<p>Dat Pericles vóór Samos overwonnen, dat hij het schip van den vijandelijken veldheer
-in den grond had geboord, wat baatte het hem tegenover de Erinnys, die aan zijn haard
-haar zetel had opgeslagen? Terwijl de agora van zijn roem weergalmde, moest hij in
-zijn eigen huis de kleingeestige, kijvende taal, den smadelijken afgunstigen blik
-van Telesippe verdragen.
-</p>
-<p>En Elpinice? Zij sprak tot Pericles, toen zij hem voor het eerst na zijn terugkeer
-ontmoette:
-</p>
-<p>&#x201e;Schaam u, Pericles! Mijn broeder Cimon heeft over de Perzen, over barbaren gezegevierd,
-gij echter hebt Hellenen-bloed vergoten en laat u verheerlijken als de onderdrukker
-van uw eigen stamgenooten.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Zonder heftig op te stuiven, zwijgend, zooals het zijne gewoonte was in den omgang,
-doch niet zonder ernstige overweging en fiere plannen, liet Pericles den tweestrijd,
-die met de verschijning van Aspasia zijn hart had bestormd, der beslissing te gemoet
-snellen. Hij had in den beginne gemeend, dat het gemakkelijk zou zijn de rechten der
-geliefde gescheiden te houden van de rechten der gade. En had Telesippe zelve dit
-niet geloofd? Had zij niet met verachting op de Milesische hetaere <span class="pageNum" id="pb2.7">[<a href="#pb2.7">7</a>]</span>neergezien, die wel is waar het hart van haar echtgenoot had veroverd maar die toch
-haar heerschappij aan den huiselijken haard moest laten, haar, de wettige gade? Had
-zij niet de vreemde van den drempel des huizes verdreven en had deze niet voor haar
-moeten wijken?
-</p>
-<p>Maar de zaken waren veranderd. Pericles zelf was niet meer, die hij geweest was. De
-gedachte aan eene echtverbintenis van een anderen aard was niet te vergeefs als een
-gloeiende vonk in zijne ziel geworpen.
-</p>
-<p>De dagen, waarop het grootste van alle Atheensche feesten gevierd zoude worden, waren
-teruggekeerd.
-</p>
-<p>De bevolking der landelijke vlekken stroomde naar de stad; want het feest was, wat
-zijn naam uitdrukte en wat het zijn moest naar de gedachte van zijn stichter Theseus,
-een steeds vernieuwd verbroederingsfeest van het gansche Attische volk. Maar ook van
-heinde en verre, uit de verbonden steden en eilanden, uit de koloniën, ja uit geheel
-Griekenland kwamen de gasten.
-</p>
-<p>Nog nooit echter had Athene eene zoo groote menigte van burgers en vreemdelingen binnen
-zijne muren verzameld gezien. Want ditmaal voegde zich bij de aantrekkelijkheid, die
-het vieren der Panathenaeën steeds had geoefend, de begeerte om het schoone Parthenon
-dat voor de eerste maal geopend werd, het van goud en ivoor stralende standbeeld van
-de Pallas Athene van Phidias onthuld te zien.
-</p>
-<p>Gedurende verscheidene dagen hadden de gewone wedstrijden plaats vóór den aanvang
-van den grooten feestelijken optocht. In de vallei aan den Ilissus streden de jonge
-helden uit de Atheensche worstelschool om den prijs. Eerst worstelden de uitnemendste
-knapen, dan de dapperste jongelingen, vervolgens de krachtigste mannen in alle soorten
-van den Helleenschen worstelstrijd. In den wedkamp der knapen overwon ook ditmaal
-de pleegzoon van Pericles en de lieveling van alle Atheners, Alcibiades, echter tot
-ergernis van Telesippe, <span class="pageNum" id="pb2.8">[<a href="#pb2.8">8</a>]</span>die den knaap haatte, omdat hij hare beide minder begaafde, weinig belovende zonen,
-Paralus en Xantippus, geheel en al in de schaduw stelde.
-</p>
-<p>Hoe bruischt het bloed in de aderen van den jeugdigen overwinnaar, terwijl hij alle
-overige wedstrijden mede aanzag, waaraan hij echter tot zijn leedwezen slechts als
-toeschouwer, niet als mededinger om den prijs, mocht deelnemen! Met welk een afgunst
-zag hij, in geleide van Pericles buiten de stad gekomen op de vlakte, die westwaarts
-van den Piraeüs gelegen was, het opdwarrelende stof vochtig worden door den dampenden
-adem der rennende rossen! Hoe bewonderde hij den kampioen in de hippische<a class="noteRef" id="n2.8.1src" href="#n2.8.1">3</a> kunst, staande op den met vurige rossen bespannen wagen, op elke kar naast den menner
-de met helm en schild gewapende strijder, die, terwijl het span in toomelooze vaart
-door de renbaan stoof, er af sprong en in krachtigen loop een eind met de kar om &#x2019;t
-hardst liep, om dan met even zekeren sprong weder op den wagen te recht te komen!
-</p>
-<p>En hoe voelde de knaap zich door den beroemden wapendans der jongelingen medegesleept!
-Hoe fonkelde zijn oog bij dit krijgshafte spiegelgevecht toen de jongelingen op de
-maat der muziek allerlei krijgsbewegingen maakten, alle soorten van aanval, van verdediging,
-van ontwijken beproefden, in den danspas en onder begeleiding van den rhythmus der
-tonen, waarbij in de maat met de zwaarden tegen de opgeheven schilden geslagen werd,
-zoodat de heldere klank van het metaal vereenigd met de tonen der muziek, soms ook
-met het gezang van krijgsliederen, eene soort van strijdlustige stemming en vervoering
-ook bij den toeschouwer opwekten! Toen nu zelfs de jonge Alcibiades, door deze vervoering
-aangegrepen, de bewegingen der zwaarddansers begon na te doen en van begeerte scheen
-te branden, zich in hunne rijen te mengen, moest Pericles aan het verhaal van Artemidorus
-<span class="pageNum" id="pb2.9">[<a href="#pb2.9">9</a>]</span>denken en aan het tooneel toen de Milesiër zijn zoon Chrysanthes op den Tmolus plotseling
-zag aangegrepen van den waanzin der Corybanten. En waarlijk, dit gewoel van den wapendans
-zou aan de rijen der Corybanten hebben kunnen herinneren, zoo daar niet alles wild
-en huiveringwekkend, hier niet alles in plechtige en edele maat zich aan het oog vertoond
-had.
-</p>
-<p>Maar ook de nacht had zijn feest: den grooten fakkelwedloop, waarmede de Atheners
-hunne Goden des lichts: Hephaestus<a class="noteRef" id="xd30e5218src" href="#xd30e5218">4</a>, Prometheus en Pallas Athene plachten te vereeren. Alleen de schoonste en kloekste
-jongelingen van Athene werden tot den wedloop toegelaten. Het kwam er op aan de fakkels
-brandende aan den eindpaal te brengen: wiens toorts onder den loop uitging, moest
-uit de rij treden. Wie langzaam liep, om de vlam aan te houden, werd door de levendige
-spottende kreten van het volk tot spoed gedreven.
-</p>
-<p>De Atheensche stammen kozen uit hun midden de schoonste grijsaards, de statigste mannen,
-om den grooten feestelijken optocht op te luisteren en zij waren in hunne keuze zeer
-streng. Uitgelezen ook waren de jongelingen en jonkvrouwen, die aan den optocht deelnamen;
-alleen kon bij de bloeiende jeugd de keuze minder streng zijn, dan bij de ouderen
-en grijsaards, om aan het oog slechts welgemaakte, schoone en edele vormen te toonen.
-</p>
-<p>Onder de wedstrijden behooren ook de kunsten der Muzen.
-</p>
-<p>Pericles was het geweest, die, elke soort van voortreffelijkheid met gelijke warmte
-aankweekende en bevorderende, ook het spel van snaren en fluiten en danskoren in den
-kring der wedkampen bij de Panathenaeën had opgenomen. Want onder de ambten en waardigheden,
-die hij bekleedde, behoorde <span class="pageNum" id="pb2.10">[<a href="#pb2.10">10</a>]</span>ook dat van leider der openbare spelen en feesten te Athene.
-</p>
-<p>Toen nu de dag van het eigenlijke feest aanbrak, waarop de zoogenaamde peplos naar
-oud gebruik aan de schutsgodin Athene in het <span class="corr" id="xd30e5230" title="Bron: Erechtheum">Erechtheüm</span> gebracht en de overwinnaars in de Panathenaeïsche wedstrijden in het nieuwe Parthenon
-gekroond zouden worden, werd de feeststoet in de wijk der Ceramicus in orde geschaard.
-</p>
-<p>De geheele wijk wemelde van drommen, die zich naar de vereenigingsplaats begaven.
-Dit vereenigingspunt leverde echter <span class="corr" id="xd30e5235" title="Niet in bron">een </span>even levendig, bont en schitterend tooneel van verwarring op. Hier stond het ten offer
-bestemde, schoon gehoornde rund in zijne volle kracht, daar ontlaadde zich de vurige,
-sterke, stalen aard der fiere rossen, als &#x2019;t ware electrisch, in een vonkenspattenden
-hoefslag. Nevens de ongeduldig steigerende rossen stonden jongelingen, die hen met
-krachtige hand aan de schitterende teugels hielden of bezig waren hen op te toomen
-of ook in kunstige wendingen hunne snelheid te beproeven. En zoo verkwikte zich thans
-het oog aan levendige groepen, aan beelden van kracht en welgemaaktheid.
-</p>
-<p>Het bonte kluwen ontwarde zich. De feeststoet begon zich in orde te scharen. Nadat
-dit geschied was, zette hij zich onder de muziek van trompetten, fluiten en snareninstrumenten
-in beweging. Vooraf ging de hecatombe der offerdieren, honderd uitgelezen, schitterende
-runderen, bestemd om op de Acropolis ter eere van de Godin geslacht te worden en vervolgens
-tot feestmaal te dienen: prachtige dieren, met vleezigen, sterken nek, laag afhangende
-kwabben, de horens als de beide armen eener lyra schoon gekromd, met bloemkransen
-getooid en aan de spits voor een deel verguld. Zij werden geleid door krachtige jongelingen,
-die met sterke hand de ongeduldige, weerbarstige dieren bedwongen. Rammen volgden
-op de runderen, niet minder schoon en sterk, met schoone horens en vachten. Achter
-deze dieren, benevens hunne drijvers, <span class="pageNum" id="pb2.11">[<a href="#pb2.11">11</a>]</span>offerdienaars en offerpriesters, gingen zij die verschillende andere offergaven droegen:
-offerkoeken op platte schalen, vloeibare stoffen, deels in zakken, deels in groote,
-schoon gevormde kruiken gedragen.
-</p>
-<p>Nu volgde een schitterende stoet van Atheensche vrouwen en jonkvrouwen, in rijk feestgewaad,
-die gouden en zilveren werken droegen, prachtige pronkvaten, welke het geheele jaar
-door op eene daarvoor bepaalde plaats bewaard en bij zulke feestelijke gelegenheden
-ten toon werden gedragen. Sierlijke korfjes, gevuld met bloemen, vruchten, reukwerk,
-droeg een deel der bevallig met goud versierde meisjes op de hoofden. Uit Athene&#x2019;s
-bloeiendste dochteren gekozen, teeder en statig, bekoorlijk en waardig te gelijk,
-verrukten deze korfdraagsters ieder oog door de zedige bekoorlijkheid harer uiterlijke
-houding en bewegingen. Het waren knoppen, kuisch besloten, maar fonkelend van den
-dauw der jeugdige frischheid. Het jaar door verborgen, evenals die gouden pronkvaten,
-en aan het oog der wereld ontrukt in het binnenste der vrouwenvertrekken, waren zij
-thans als &#x2019;t ware te voorschijn gebracht om te schitteren in het licht van den feestdag.
-Het heerlijke feest onthulde, wat anders voor de blikken verborgen was; het onthulde,
-ontketende alles, wat schoon en schitterend was. Heden schoot de God der liefde zijne
-schichten, heden ontmoetten elkander de blikken van bekoorlijke jonkvrouwen en jongelingen,
-begeerig naar liefde. Jeugdige ongedwongenheid werd getemperd door de aangeboren bekoorlijkheid,
-die hare stralen vrij en vroolijk rondom zich verspreidde.
-</p>
-<p>Achter deze schitterende offergaven werden de nog heerlijker wijgeschenken gedragen,
-wier getal nooit grooter geweest was dan thans: prachtig vaatwerk, fonkelende gouden
-en zilveren schilden, drievoeten van den bekoorlijksten vorm, rijkelijk versierd,
-ook beeldwerken van de hand der beste meesters. Dat alles, openlijk gedragen, schitterde
-oogverblindend in de stralen der zon.
-<span class="pageNum" id="pb2.12">[<a href="#pb2.12">12</a>]</span></p>
-<p>Aan den stoet van jonkvrouwen sloten zich de liefelijke, teedere, nog kinderlijke
-meisjesgestalten der Arrhephoren aan, in den feestdos, dien zij bij hare heilige verrichtingen
-op de Acropolis gedragen hadden en onder haar de lieve, kinderlijk vrome, moedige
-Hipparete.
-</p>
-<p>Nu volgden de dragers en geleiders van die geschenken en offers, die aan de Godin
-van de Atheensche koloniën of van de met Athene verbonden steden en eilanden gebracht
-werden.
-</p>
-<p>Nu echter kwam eerst van alle wijgeschenken het belangrijkste, het glanspunt van den
-geheelen feeststoet, het groote, rijke, prachtige weefsel, de peplos. Niet door menschenhanden
-werd het gedragen: als een zeil was het over een soort van prachtschip gespannen,
-dat in den feesttrein zich op raderen voortbewoog. Dit gevaarte, een werk van buitengewone
-schoonheid en grootte, moest het niet in de rijen, die de Atheensche grootheid en
-macht te kennen gaven, aan de heerschappij ter zee der Atheners herinneren en aan
-den zeegod tegelijk, wiens eeredienst sinds overoude tijden in verband stond met dien
-van <span class="corr" title="Bron: Erechtheus">Erechtheüs</span> en Pallas op den burg? En dat de peplos in plaats van het prachtschip hoofdzaak was
-geworden in den optocht der Panathenaeën, herinnerde het niet aan de overwinning van
-de Godin des lichts Pallas Athene in den kamp met den donkeren drietandzwaaier<a class="noteRef" id="xd30e5252src" href="#xd30e5252">5</a>. Het aandeel door de Godin des lichts aan den strijd der Goden tegen de Giganten<a class="noteRef" id="xd30e5255src" href="#xd30e5255">6</a> genomen, was voorgesteld in schitterend goudstiksel, kunstig op den purperen of saffraan-gelen
-grond van het weefsel aangebracht. Boven den mast van het prachtschip uitgespannen,
-zag men eene afbeelding van dien kamp der lichtgoden tegen de ruwe natuurmachten in
-goud weefsel voorgesteld, <span class="pageNum" id="pb2.13">[<a href="#pb2.13">13</a>]</span>die hoog in de lucht zich verheffend, het volk heinde en verre duidelijk tegenschitterde
-in den glans der zon.
-</p>
-<p>Achter het prachtschip met de peplos liepen de overwinnaars in de <span class="corr" id="xd30e5265" title="Bron: Panathenaëische">Panathenaeïsche</span> wedstrijden, met fieren tred: de citherspelers en fluitblazers met hun muziekinstrumenten,
-de overwinnaar in den fakkelloop, met de brandende fakkel in de hand, waarmede naar
-oud gebruik het vuur voor de groote feestoffers der Godin op de Acropolis werd aangestoken,
-de overwinnaars in den wedren der rossen en wagens, met hun prachtige vierspannen,
-op elk de menner en zijn makker met helm en schild: voorts, met olijftakken in de
-handen, die stoet van schoone, eerbiedwekkende grijsaards, die in den wedstrijd van
-mannelijke welgemaaktheid de overwinning hadden weggedragen. Als op edele voorbeelden
-staarde de Atheensche jongelingschap op deze mannen, met hun zilveren lokken, die
-eene eerwaardige schoonheid en frischheid van lichaam en ziel tot op den laten ouderdom
-hadden bewaard. Op hen volgde de trein der epheben, Athene&#x2019;s mannelijke jeugd, slanke
-gestalten, donker gelokt, met vurigen blik, op de edele rossen als goed geoefende
-ruiters zittende. Door de strategen en taxiarchen<a class="noteRef" id="xd30e5268src" href="#xd30e5268">7</a> aangevoerd, marcheerde achter de epheben de strijdbare manschap van Athene: de zwaargewapenden
-en de ruiterij der Edelen<a class="noteRef" id="xd30e5271src" href="#xd30e5271">8</a> in schitterende wapenrusting op de schoonste en vurigste rossen&#x2014;want te paard verscheen
-de rijke en voorname Athener in feestelijken optocht als in het veld&#x2014;vervolgens in
-eene eindelooze reeks de burgerij, met de overheden aan het hoofd; het volk naar gemeenten<a class="noteRef" id="xd30e5274src" href="#xd30e5274">9</a> ingedeeld, mannen en vrouwen in feestgewaad, met myrthentakken in de hand, achter
-de burgers de vreemdelingen, <span class="pageNum" id="pb2.14">[<a href="#pb2.14">14</a>]</span>die het burgerrecht hadden verkregen, hunne vrouwen met eikentwijgen in de hand, als
-smeekelingen van Zeus Xonios, den God der gastvrijheid. Andere vrouwen en dochters
-dier vreemdelingen liepen achter de Atheensche burgeressen, wier bescherming zij genoten
-en droegen zonneschermen in de hand, om haar, als de trein in de brandende zon stilhield,
-boven het hoofd te houden of stoelen zonder leuning, klein en sierlijk van vorm, waarop
-hare beschermvrouwen zich dan konden neer laten.
-</p>
-<p>Deze stoet bewoog zich van den buiten-Ceramicus door de schoonste straten der stad,
-tot op de Agora, die met eikenloof bestrooid, overigens ook feestelijk was versierd:
-het werk der slaven voor dien dag. Hier hield de trein derhalve voor het eerst halt
-en het eskadron der voorname Atheners in zijne schitterende wapenrusting voerde op
-de ruime plaats bewegingen en manoeuvres uit, die bijna het prachtigste deel van de
-geheele feestviering uitmaakten.
-</p>
-<p>Terwijl de stoet op de Agora verwijlde, had een deel der geleiders van de offerdieren
-met eenige der dieren zich daarvan afgescheiden, om vooraf de beide gebruikelijke
-offers, het ééne op den Areopagus, het andere bij het altaar van Athene Hugieia te
-brengen.
-</p>
-<p>Nadat deze vóóroffers gebracht waren, zette zich de feesttrein met de hecatombe en
-het prachtschip weder in beweging. Hij nam zijn weg ook verder door de voornaamste
-straten en trok langs de beroemdste heiligdommen, waar men een poos stilhield, om
-den God te vereeren door offers of door het aanheffen van een paeän.
-</p>
-<p>Toen men de plaats bereikt had, waar de weg naar den heuvel van de Acropolis voerde,
-werd van de paarden en wagens achtergelaten, wat langs den breeden maar steilen weg
-den stoet niet volgen kon, of wat op de hoogvlakte van den burgt geen genoegzame ruimte
-zou gevonden hebben. Doch het ontbrak niet aan koene ruiters noch aan wagenmenners,
-die met hunne moedige paarden <span class="pageNum" id="pb2.15">[<a href="#pb2.15">15</a>]</span>toch in den trein bleven, terwijl zij zich zooveel mogelijk op het midden van den
-breeden weg hielden, omdat daar door geribd pleister het gevaar van uitglijden, zoowel
-voor paarden als voor raderen, verminderd was.
-</p>
-<p>Op de Acropolis gekomen, maakte de stoet halt tusschen het Erechtheüm en het pas voltooide
-heiligdom van Pallas Athene. De peplos werd in het Erechtheüm gebracht en het groote
-offer der hecatombe begon onder het aanheffen van een paeän voor een in de open lucht
-staand altaar aan de oostzijde van het Parthenon.
-</p>
-<p>Maar geen blik der menigte drong tot in de schemerende zaal van het Erechtheüm door,
-waar het overoude, houten beeld van Athene, op een met bloemen bekransten troon staande,
-zijne gewone schatting, de peplos, ontving. Onopgemerkt bleef ook het heilige offer:
-ieder oog richtte zich op de pracht van den schitterenden tempel, welks poorten zich
-heden voor het eerst voor de blikken van het Atheensche volk ontsloten.
-</p>
-<p>De eerste indruk, dien het nieuwe feestgebouw maakte, was onbeschrijfelijk. Alles
-was schitterend marmer, van de blokken der grondvesten tot aan de sierlijk gemetselde
-hoogste tinnen. En wat geen marmer was, stralend in zijne jonkvrouwelijke reinheid,
-was goud of heldere kleurenpracht.
-</p>
-<p>Van het westen naar het oosten, in een langwerpig, van zuilen voorzien vierkant, verhief
-zich fier en vrij de heerlijke tempel, door het zonlicht omstraald, op zijne hoogte.
-Edel, regelmatig in zijne afmetingen scheen hij toch van zijne geweldige fundamenten
-met wondervolle bekoorlijkheid schier reusachtig naar boven te streven. De grondvesten
-zelven met de opwaarts voerende marmertrappen verhieven zich boven het hoofd van den
-toeschouwer. De tempel zelf echter met zijn woud van marmeren zuilen, met het versierde
-beeldwerk zijner rondomloopende friezen, met de kolossale marmergroepen, vol leven,
-die de breede gevels als &#x2019;t ware met eene schare van heerlijke gestalten bevolkten,
-<span class="pageNum" id="pb2.16">[<a href="#pb2.16">16</a>]</span>stralend van goud en de schitterendste kleuren, hier en daar den glans van het witte
-Pentelische marmer doende verbleeken, scheen van de verlichte hoogvlakte als &#x2019;t ware
-tot de maagdelijke Godin zich te verheffen in haar rijk des lichts, den daar geheiligden
-aether.
-</p>
-<p>Niets echter boeide in deze eerste oogenblikken der beschouwing het oog des Atheners
-zoo zeer als de groote in kolossale marmergroepen voorgestelde tooneelen, die de breede
-velden der beide gevels vulden. Dit gezicht was overweldigend. Want de heerlijke gestalten,
-zooals zij rustend, staande, loopende, niet slechts in verheven beeldwerk, maar als
-standbeelden losgemaakt van den achtergrond, zich in fijn aangegeven betrekking tot
-elkander vertoonden, zij schenen uit hunne lijsten te voorschijn te willen treden
-en af te dalen onder het volk der door de Goden geliefde Atheners. Hunne houding en
-beweging hadden de juiste maat, maar toch waren zij vol gezond, heerlijk, bloeiend
-leven in zinrijke vorm afgebeeld.
-</p>
-<p>De Athener zag op den oostelijken gevel het oogenblik voorgesteld na de geboorte der
-Godin uit het hoofd van Zeus: in het midden den God, de Godin en den Titan Prometheus,
-die het hoofd Gods heeft gekloofd, om de Godin des lichts te doen geboren worden:
-van daar naar beide kanten heenspoedend met de blijde boodschap Nike<a class="noteRef" id="xd30e5297src" href="#xd30e5297">10</a> en Iris<a class="noteRef" id="xd30e5300src" href="#xd30e5300">11</a>, haar tegemoet snellend, Godinnen en heroën, die met vreugde de tijding vernemen;
-links in den gevel Helios met zijne vurige paarden opstijgend; rechts de Godin van
-den nacht met haar span nederdalend in de stroomen van Oceanus. Den strijd van Poseidon
-echter met Pallas Athene om het bezit en het beschermheerschap van het Attische land,
-bevatte de westelijke gevel: in het midden de beide strijdende godheden: de onstuimige
-<span class="pageNum" id="pb2.17">[<a href="#pb2.17">17</a>]</span>Poseidon, die zooeven met den drietand de heilige bron uit de rots heeft geslagen,
-tegen hem over Pallas Athene en de op haar bevel ontstane olijfboom; naast haar het
-hoog steigerende span voor den zegetocht; godheden en heroën van het Attische land
-zich bij de Godin aansluitend, bij Poseidon het gevolg zijner zeegoden. Van deze gestalten,
-allen meer dan levensgroot uit het marmer gebeiteld, dwaalde het oog naar de kleinere
-beeldwerken van den fries boven de zuilen, waar in de lange rijen der metopenvelden,
-kampstrijden der Grieken met woeste Centauren waren voorgesteld; vandaar door de zuilen,
-die rondom den tempel liepen tot aan het beeldwerk van den inwendigen fries, die den
-buitensten marmeren wand van den tempel omgaf. En door het gezicht daarvan begon het
-oog van den Athener nog vuriger te stralen, want hier aanschouwde de levendige feeststoet
-zijn eigen beeld, uit marmer gehouwen: tooneelen uit den optocht der Panathenaeën
-en wat daaraan vooraf was gegaan: afbeeldsels van schoone, zedige jonkvrouwen, van
-krachtige jongelingen op steigerende rossen, fier stuivende spannen en voorstellingen
-van hippische agonen<a class="noteRef" id="xd30e5305src" href="#xd30e5305">12</a> het overreiken der peplos en, te midden van al dat menschelijk schoone, Olympische
-Goden, uit hunne onzichtbare en ongenaakbare gewesten nedergedaald als getuigen van
-het heerlijke feest. Zoo eenvoudig, zoo onopgesmukt en edel scheen hier bij alle schoonheid
-iedere gestalte, dat zij uit het marmer tot het Atheensche volk voor alle volgende
-tijden scheen te zeggen: &#x201e;Houd de schoone maat en laat uw leven steeds in zulk een
-edelen eenvoud, in zulk eene schoonheid en reinheid bloeien, als het hier zich aan
-u vertoont in de marmeren beelden uit de werkplaats van den diepzinnigen Phidias!&#x201d;
-</p>
-<p>Ten aanschouwe van het ongeduldige volk betraden thans, nadat het offer der hecatombe
-was verricht, in plechtigen stoet de eerste overheidspersonen <span class="pageNum" id="pb2.18">[<a href="#pb2.18">18</a>]</span>van Athene de trappen van den tempel. Zij schaarden zich daar aan weerszijden van
-de poort. In hun midden stond Pericles en de Archon Basileus.
-</p>
-<p>Thans openden zich de breede, sierlijke metalen deuren des tempels. Het inwendige
-deed zich met zijne schitterende zuilen aan de oogen voor en Phidias&#x2019; nieuw, schoon
-beeld van Pallas Athene vertoonde zich in al zijn luister prijkend voor de eerste
-maal in de heilige schemering aan het volk der Atheners.
-</p>
-<p>Thans hieven de feestgenooten een lofzang aan ter eere van de Godin. Toen die klanken
-weggestorven waren, trad Pericles te voorschijn en sprak van de trappen des tempels
-aldus tot de verzamelde menigte:
-</p>
-<p>&#x201e;In overoude tijden had Pallas Athene de volheid aller aardsche zegeningen over de
-wieg van het Atheensche volk uitgestort en als de geefster van de voedzame olijf,
-als de schenkster der voornaamste goederen, als zij, die de welvaart van het Attische
-land had gegrondvest en bevorderd, werd zij vereerd in dat eerwaardige, doch ruwe
-houten beeld van het Erechtheüm. Toen echter was de tijd gekomen, waarop Athene zich
-het zwaard aangordde, aan de spits van Hellas de Barbaren bekampte en, in de zegepralen
-gestaald, tot den bloei zijner macht zich verhief. Als herinnering van dien tijd stond
-op den burg het over land en zee, heinde en ver zichtbare reusachtige beeld der Athene
-Promachos. Nu echter was de tijd aangebroken, waarop het innigste en diepste wezen
-van de Godin en daarmede het schoonste deel harer zegeningen over het Attische land
-en volk werd uitgebreid. Nu wilde zij zich ten volle openbaren als de Godin van den
-lichtenden aether, in welks glans de nacht verdwijnt, als de nadenkende, schrandere,
-om wier voorhoofd de vrije gedachte in schoone klaarheid zweeft, als de steun van
-alle kunsten en wetenschappen en alle zegen, die voortspruit uit den geest. Als zoodanig
-had Phidias haar thans voorgesteld, <span class="pageNum" id="pb2.19">[<a href="#pb2.19">19</a>]</span>een Pallas Athene des vredes. En over deze nieuwe gestalte der Godin had men het nieuwe,
-harer waardige tempelgebouw gesticht, geen priesterlijk huis voor offergaven, maar
-een Panathenaeïsch feesthuis der Godin, waarin zij het waarachtig licht en de waarachtige
-macht van haar wezen, losgemaakt van alle priesterbekrompenheid, vermocht te openbaren.
-Zinrijk omgaf dit tempelhuis de Godin, uitdrukkend de openbaring van haar wezen zelf
-en tevens die van het volk, dat zij beschermt. En zoo wilde men dan ook in het vervolg
-nog de peplos aanbieden aan het overoud eerwaardige, houten beeld van de schutsgodin
-der stad, de oude, heilige zeden der vaderen eerende: doch doel en middelpunt van
-het feest der Panathenaeën moest voortaan het Parthenon zijn. Hier zouden van nu af
-de overwinnaars in de agonen hunne prijzen uit de hand der kamprechters, zittende
-aan de voeten der Godin, ontvangen, en tot de beeldwerken van het schitterend feesthuis
-zou het volk zich wenden, om die uitstraling van het innerlijk wezen der Godin in
-zich op te nemen, zijn gemoed te vervullen met het grootsche en heerlijke, dat hier
-van de wanden en gevels en friezen in marmeren taal sprak. In deze beelden zou de
-Athener de geschiedenis lezen van zich zelven, lezen het in steen gehouwen heldenlied
-der zege des lichts en des geestes over al het duistere en ruwe. Zich zijner kracht
-bewust, moest de geest in den Helleen ontbranden van edele begeerte om altijd het
-gedenkteeken waardig te blijven, dat hij hier voor alle volgende tijden zich zelven
-had opgericht.&#x201d;
-</p>
-<p>Door deze woorden van Pericles geraakte het volk in vervoering en door duizende stemmen
-werd opnieuw de paeän aangeheven ter eere der jonkvrouwelijke Godin; onder dit gezang
-en onder de muziek van fluiten en snareninstrumenten, die den feeststoet begeleiden,
-betrad, op den wenk van den Archon Basileus en door hem geleid, voor het eerst de
-stoet der jonkvrouwen de trappen en ging <span class="pageNum" id="pb2.20">[<a href="#pb2.20">20</a>]</span>door de geopende poorten van het Parthenon. Door maagdelijken voet zou het nieuwe
-heiligdom der maagdelijke Godin het eerst betreden worden. Op de jonkvrouwen volgden
-de jongelingen en terwijl genen zich in het binnenste van den tempel ter rechter,
-dezen ter linker zijde van het beeld der Godin schaarden, onder het voortdurend gezang
-van de paeän, betraden zij, die wijgeschenken in den feesttrein droegen, het feesthuis
-en legden de geschenken aan de voeten der Godin neder. Andere wijgaven, bijzonder
-blinkende, gouden en zilveren schilden, werden opgehangen aan de zuilen des tempels.
-Nu werden de overwinnaars in de Panathenaeïsche wedstrijden over den drempel geleid
-benevens de kamprechters en zij, die in Athene de hoogste waardigheden bekleedden.
-</p>
-<p>Luider klonk de muziek van fluiten en cither, bezielender schalde de paeän door de
-marmeren portalen, toen het prachtige beeld der Godin onmiddellijk zich voor de oogen
-der in de tempelzaal aanwezigen en steeds toestroomende Atheners vertoonde. Daarop
-waren alle blikken gericht.
-</p>
-<p>Oogverblindend als de tempel, schitterde ook de kolossale godengestalte: van ivoor
-waren de onbedekte deelen gevormd, van goud al het overige; diepzinnig voor zich heen
-staarde het ernstige, schoone hoofd, bedekt door den zwaren helm, waaronder weelderige
-lokken neergolfden. De trekken van het gelaat hadden eene peinzende uitdrukking, maar
-het diepzinnige scheen zich in eene vriendelijke opgeruimdheid op te lossen. Ter linkerzijde
-van de Godin rustte het schild vreedzaam staande, niet meer krijgshaftig opgeheven.
-De lans was niet langer strijdvaardig in hare hand geklemd. Niet als kampioen verscheen
-zij meer doch wel als overwinnares. Op hare uitgestrekte rechterhand droeg zij eene
-gevleugelde zegegodin, evenals men eene duif of valk draagt. De gevleugelde zegegodin
-bood haar een van goud stralenden krans aan. Onder de bescherming van het schild kronkelde
-zich de heilige burgtslang, zinnebeeld van de eerstgeboren, <span class="pageNum" id="pb2.21">[<a href="#pb2.21">21</a>]</span>door de Goden bewaakte kracht van het Attische land en volk. Over de borst der Godin
-hing het Aegispantser<a class="noteRef" id="xd30e5328src" href="#xd30e5328">13</a> met het versteenend Gorgonenhoofd. Onder het breedgewelfde, hoog verheven sieraad
-van haar helm was eene Sphinx zittende afgebeeld, ter rechter en linker zijde daarvan
-griffioenen, zinnebeelden van diepzinnigheid, scherpzinnigheid en waakzaamheid. Nog
-ander verschillend beeldwerk trachtte het wezen van de Godin duidelijk uit te drukken:
-op de buitenzijde van het schild de strijd tegen de wilde Amazonen<a class="noteRef" id="xd30e5331src" href="#xd30e5331">14</a>, op den binnenkant de trotsche Giganten, op den rand der sandalen de ruwe Centauren;
-en zoo overal strijd tegen de woeste, donkere machten.
-</p>
-<p>Waardig welfde zich het prachtig huis over het heerlijke beeld der Godin. In eene
-dubbele rij liepen de schitterende zuilen, met bloemkransen feestelijk omwonden, door
-de tempelzalen, ze in drie schepen verdeelend. Bij de zijschepen echter vormde eene
-tweede zuilengaanderij boven de eerste eene bovenverdieping, een open omgang. Eene
-groote, <span class="corr" id="xd30e5336" title="Bron: verkante">vierkante</span> opening was er in het midden van het platte dak, dat op die bovenste zuilenrij rustte,
-zoodat het licht in den tempel viel, die niet van vensters voorzien was, en het beeld
-der Godin bescheen. Aangrijpend was deze van boven binnenstroomende heldere aether
-in de eerbiedwekkende en goddelijke stilte des tempels: het gemoed werd door den blik
-naar die licht verspreidende opening en den blauwen hemel, die zich daarboven welfde,
-verlicht van den overweldigenden indruk van het prachtige en grootsche pronkstuk.
-De valken en de adelaars, het vurig span van Helios en de donderwolken van Zeus trokken
-daarover heen en bij het afwisselend spel van licht en schaduw, <span class="pageNum" id="pb2.22">[<a href="#pb2.22">22</a>]</span>nu eens door een gouden glans, dan eens door een wit zilverlicht omstraald, dan weer
-in eene halve schemering gehuld, scheen het gelaat der Godin als met veranderde trekken
-ernstiger of zachter van hare hoogte neer te zien. In de edele majesteit van den tempel
-was niets, wat het oog van de Godin kon afleiden; alles voerde tot haar terug, zelfs
-de rij der schoon gevormde, schitterende wijgeschenken tusschen de zuilen. Niets was
-daar aanwezig van die verstrooide en verstrooiende pracht, waarmede andere tijden
-en andere volken de huizen hunner Goden trachtten te versieren. Eenzaam stond in den
-geheimzinnig stillen marmeren tempel, zich badend in licht en glans, het reusachtige,
-verheven schoone beeld der Godin.
-</p>
-<p>Nadat alzoo het nieuwe feesthuis van Athene door het Atheensche volk onder bezielende
-liederen, begeleid door fluiten- en snarenspel, der Godin was opgedragen en gewijd,
-en de rijke wijgeschenken aan hare voeten waren neergelegd, begon de verdeeling der
-prijzen aan de overwinnaars in de Panathenaeïsche kampspelen. De overwinnaars werden
-door de prijsrechters opgeroepen, en daar &#x2019;t eerst aan de zegevierende knapen, dan
-aan de jongelingen, eindelijk aan de mannen de prijzen uitgereikt werden, was &#x2019;t de
-veertienjarige zoon van Clinias, Alcibiades, die als overwinnaar onder de knapen,
-het eerst in het pas geopend Panathenaeïsch feesthuis opgeroepen werd en den prijs
-ontving uit de handen der rechters. Den fier en vroolijk rondzienden knaap viel eene
-prachtig gevormde amphora<a class="noteRef" id="xd30e5343src" href="#xd30e5343">15</a> ten deel, waarop in schitterende kleuren was voorgesteld, hoe de jonge Heracles de
-beide slangen verworgde. De schoone vaas was echter gevuld met olie van de heilige
-olijven van Pallas Athene in den tuin der Academie. Dergelijke eergeschenken ontvingen
-de overwinnaars in de <span class="pageNum" id="pb2.23">[<a href="#pb2.23">23</a>]</span>overige agonen; hun echter, die in de musische<a class="noteRef" id="xd30e5348src" href="#xd30e5348">16</a> wedstrijden de zege hadden behaald, werden gouden kransen toegekend.
-</p>
-<p>Toen alzoo de verdeeling der prijzen had plaats gehad, geschiedde nog onder de oogen
-van het volk het overbrengen van den Atheenschen schat naar het achtergedeelte van
-het Parthenon. Dit gedeelte hetwelk mede omgeven door de zuilen van het Parthenon,
-zich in westelijke richting aan de tempelzaal aansloot, was eene rondom versterkte
-ruimte, zonder vensters, en kon slechts door eene lamp verlicht worden; in haar geheimzinnig
-schemerlicht zouden de gemunte en ongemunte schat van Athene benevens kleinoodiën
-van allerlei aard, kostbare sieraden en pronkstukken, ook hoogst gewichtige oorkonden
-van den staat voortaan bewaard blijven onder het toezicht van den schatmeester van
-het Atheensche volk.
-</p>
-<p>Onder de scharen van het volk, dat over de hoogte der Acropolis zich her- en derwaarts
-bewoog en den thans onthulden luister van het Parthenon bewonderde, bevonden zich
-ook velen, die uit den vreemde waren gekomen.
-</p>
-<p>Onder hen ook een Spartaan.
-</p>
-<p>Toen deze de nieuwe tempelzaal wilde betreden, werd hij door een Atheensch jongeling,
-die hem reeds eenigen tijd met wantrouwende blikken had vervolgd, bij den schouder
-gegrepen, terwijl hij hem toeduwde:
-</p>
-<p>&#x201e;Weg van dezen drempel! Doriërs is het verboden hier binnen te treden!&#x201d;
-</p>
-<p>Inderdaad ontzegde eene oude orakelspreuk aan mannen van den Dorischen stam de heiligdommen
-op den burg te Athene te betreden. En althans tegenover verklaarde vijanden van Athene
-herinnerde men zich soms deze orakelspreuk. Toen nu eene groote menigte volks zich
-om den <span class="corr" id="xd30e5359" title="Bron: Sparstaan">Spartaan</span> drong en de Atheensche jongeling de schampere <span class="pageNum" id="pb2.24">[<a href="#pb2.24">24</a>]</span>woorden herhaalde, trok alles partij tegen den vreemdeling en werd hij gedwongen den
-burg te verlaten.
-</p>
-<p>Zoo flikkerde, zij het ook slechts in eene enkele bliksemflits, voor een oogenblik,
-zelfs bij het feest des vredes, de vijandschap, die de beide groote Hellenenstammen
-sedert overoude tijden verdeelde, onheilspellend in het zwerk&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Doch er was ook een Athener op de Acropolis, die op het feestgedruisch, dat bij het
-nieuwe Parthenon heerschte, met blikken van wrok en afgunst neerzag. Deze Athener
-was Diopithes, de priester van <span class="corr" title="Bron: Erechtheus">Erechtheüs</span>.
-</p>
-<p>Wel is waar was naar oud en onveranderlijk gebruik de peplos naar het Erechtheüm gebracht
-en aan het houten beeld van Athene Polias opgedragen; maar dit was vluchtig en zonder
-feestelijk gerucht geschied; naar den nieuw gebouwden tempel, het priesterlooze feesthuis
-van Pallas Athene had het verzamelde volk der Atheners zich heengewend. Niet het uit
-den hemel neergedaalde Palladium der stad Athene, niet de Godin van zijn heiligdom,
-maar het ijdele pronkbeeld van Phidias hadden de Atheners hunne hulde bewezen. Voor
-de voeten van deze nieuwe Pallas Athene, niet in zijn tempel, waren de kostbare wijgeschenken
-nedergelegd. De Goden van het Erechtheüm waren vertoornd en hun priester met hen&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Evenals op dien dag, toen Pericles en de verkleedde Aspasia in gezelschap van Sophocles
-op de hoogte van de Acropolis hadden gewandeld, om de grondslagen te zien leggen van
-den luister, die thans zich vertoonde, stond ook nu Diopithes in gesprek met zijn
-vertrouwde aan de poort van het Erechtheüm. En zie, evenals toen, terwijl hij met
-Lampon mokkend en spijtig over de bedorvenheid der tijden sprak, zag hij ook thans
-plotseling den gehaten man met dezelfde Aspasia over de hoogte van de Acropolis wandelen,
-vergezeld van Phidias, Ictinus, Callicrates, Sophocles, Socrates en anderen van die
-uitnemende Atheensche mannen, <span class="pageNum" id="pb2.25">[<a href="#pb2.25">25</a>]</span>die met Phidias de Homerische zinspreuk in hunne banier hadden geschreven:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Pallas Athene gedoogt geen vrees in mij!&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">Toen namelijk het uur voor het groote feestmaal was gekomen, waarbij het vleesch van
-de honderd runderen der hecatombe en de overblijfsels der vóóroffers aan het volk
-gemeenschappelijk werd aangeboden, bevochtigd door de rijkelijke gaven van Bacchus,
-wandelde die uitgelezen schaar op de thans stille Acropolis rond, om ongestoord het
-voltooide werk in oogenschouw te nemen.
-</p>
-<p>Het gelaat van Phidias was heden niet ernstig en gerimpeld, als anders; een opgeruimde
-glans straalde over zijn hooggewelfd voorhoofd.
-</p>
-<p>Ten hoogste verheugd sprak Pericles, hoe hij, na het begin en het allengs vorderen
-van al deze werken te hebben nagegaan, thans, na eene afwezigheid uit Athene van een
-jaar, verrast was door een voltooid werk, welks luister hij niet had kunnen vermoeden.
-En wederom roemde hij, hoe zooveel heerlijks in zoo&#x2019;n kort verloop van jaren voltooid
-en als &#x2019;t ware voortgekomen was uit één enkel hoofd.
-</p>
-<p>Doch Phidias zeide, dat niet door het hoofd alleen, maar door de duizende kunstvaardige
-handen, die dat hoofd ten dienste hadden gestaan, het wonder was geschied. Zij hadden
-ook eigenlijk niet één hoofd, maar één geest gediend, die in de schoonste harmonie
-allen bezielde.
-</p>
-<p>Terwijl de mannen alzoo in blijde, opgewekte stemming de sierlijkheid der nieuwe scheppingen
-als met een vreugde-dronken oog genoten en hunne gewaarwordingen in woorden lucht
-gaven, zag men Aspasia wel in gespannen aandacht, met fonkelenden blik en gloeiende
-wangen, doch zwijgend de werken van Phidias, Ictinus en de overige kunstenaars beschouwen.
-</p>
-<p>Haar zwijgen bevreemde zelfs Phidias, den grootsten zwijger onder de mannen, en hij
-sprak eindelijk <span class="pageNum" id="pb2.26">[<a href="#pb2.26">26</a>]</span>met den hem eigen ernstigen glimlach, zich tot Aspasia wendend:
-</p>
-<p>&#x201e;Als mijn geheugen mij niet bedriegt, wordt sedert lang de schoone Milesische te Athene
-door velen als de hoogste rechter beschouwd in alle zaken, de kunst betreffende. Ook
-heeft zij, voor zoover ik mij herinner, nooit geschroomd haar oordeel uit te spreken.
-Hoe komt het, dat zij, eene vrouw, ons mannen heden door haar stilzwijgen beschaamt?&#x201d;
-</p>
-<p>Aller blikken waren vol spanning op Aspasia gevestigd en ieder hechtte voor zichzelven
-de grootste belangstelling aan de vraag van Phidias.
-</p>
-<p>&#x201e;Terecht,&#x201d; sprak Aspasia, &#x201e;herinnert gij er aan, o Phidias, dat ik eene vrouw ben!
-Uit dien hoofde ben ik niet zoo spoedig gevat als gij, mannen, en is in mijn gedachtengang
-minder strenge orde en geleidelijkheid. Bewegelijk is het gemoed der vrouw en gij
-moogt wel toezien, dat gij niet te veel waagt, als gij mij, eene vrouw, de eenige
-van mijn geslacht, naar het schijnt, het recht toekent om vrij te denken en vrij te
-spreken. Hier staat de nieuwe, heerlijke tempel, groot als een berg en schoon als
-een bloem, en welk eene volheid van het volkomene is daarmede tevens voor onzen blik
-ten toon gespreid en onthuld! Dat alles is zoo bevallig in zijne waardigheid, zoo
-diepzinnig in zijne natuurlijkheid, zoo menschelijk in zijne goddelijkheid, dat ieder
-mannelijk gemoed daardoor in een toestand van hoogste tevredenheid en volkomen voldaanheid
-moet gebracht worden. De aard der vrouwen echter is, evenals die der kinderen, dat,
-als zij met de ééne hand het gewenschte voorwerp aannemen, zij de andere reeds naar
-iets anders uitstrekken en het oog wellicht reeds op een derde voorwerp richten. Ware
-ik een man, ik zou mij in dit oogenblik tevreden stellen, in geestvervoering Phidias
-als den eersten, als den grootsten van alle Hellenen te prijzen. Als vrouw echter
-heb ik nog een onvervulden wensch, ja zelfs eene aanklacht tegen u uit te spreken.
-Vreest gij niet den toorn <span class="pageNum" id="pb2.27">[<a href="#pb2.27">27</a>]</span>der gouden Aphrodite, o Phidias? Gij schijnt mij toe steeds slechts het hooge, het
-reine, het goddelijke te zoeken, om het in menschelijke gestalte te belichamen; en
-ware het goddelijke niet toevallig altijd tevens schoon, gij zoudt, geloof ik, u om
-het schoone niet bekommeren. Want nooit zoekt gij het; en wat de zinnen bekoort, het
-hart ontvlamt, vindt geen weerklank in uwe ziel. De bekoorlijkheid van het vrouwelijke
-om haar zelve voor te stellen, zooals de dichters het doen in hunne geestdrift, als
-zij van Aphrodite zingen, versmaadt gij. In een heiligen ernst is steeds uw gemoed
-verzonken, en uwe ziel zweeft, den adelaar gelijk, alleen boven de toppen der bergen.
-O Eros, hebt gij geen pijl voor dezen? Waarom, o Cyprische Godin, slaat gij dezen
-niet in uwe gouden ketenen, opdat hij zijn beitel aan uwe bekoorlijkheid wijde, opdat
-ook door hem eindelijk uw innigste wezen zoo openbaar worde, als door hem het diepste
-wezen zijner Godin Pallas Athene openbaar is geworden in dit goddelijk beeld?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Inderdaad,&#x201d; zei Phidias, &#x201e;heb ik tot nu toe tegen Eros&#x2019; peilen en Aphrodite&#x2019;s boeien
-beschutting gevonden onder het schild van Pallas Athene, en haar heb ik het wel te
-danken, dat mijne kunst niet weekelijk en verwijfd is geworden. Beschuldig overigens
-de Lemniërs, o Aspasia, wanneer ik ook nu, nadat ik juist het beeld der jonkvrouwelijke
-Godin voor het Parthenon voltooid heb, mijne kunst niet aan de gouden Aphrodite kan
-wijden. Want het is geen Aphrodite, wat de Lemniërs van mij verlangen, maar een metalen
-beeld van die zelfde Pallas Athene vragen zij mij reeds langen tijd dringend voor
-hen te vervaardigen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat gij daar zegt,&#x201d; hernam Aspasia na eene korte pauze, waarin zij over het gezegde
-van Phidias had nagedacht, &#x201e;vervult mij met grooter verwachting dan gij zelf denkt!
-Ik vernam heden hoe Pericles tot het volk sprak, er op wijzende hoe men van het onaanzienlijke,
-vormelooze houten beeld opgeklommen was tot de geweldige Athene <span class="pageNum" id="pb2.28">[<a href="#pb2.28">28</a>]</span>Promachos en van deze tot de jonkvrouw van het Parthenon. Wie zou nu niet gelooven,
-dat ook de Pallas der Lemniërs weder uit zal munten boven de jonkvrouw van het Parthenon?
-Wie zou er aan twijfelen, o Phidias, dat, hoe meer gij schept, des te warmer en te
-schitterender onder uwen tooverstaf de &#x201e;vuurbron&#x201d; des levens en der schoonheid uit
-het marmer of het metaal zal te voorschijn komen? Nadat gij de in de eerste gelederen
-strijdende manvrouw en de diepzinnige jonkvrouw gebeiteld hebt, wat blijft u nu overig
-dan de vrouw?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Of ik voorwaarts ga,&#x201d; hernam Phidias, &#x201e;dan wel van den rechten weg afwijk, als ik
-naar de inblazingen eener schoone vrouw luister, weet ik niet. Doch wat gij verlangt,
-schijnt op mijn weg te liggen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij aan wien geen Hellenenvrouw hare bekoorlijkheid zou ontzeggen,&#x201d; vervolgde Aspasia,
-&#x201e;moet de vrouw voorstellen en hare bekoorlijkheid, en verkondigen als het hoogste
-en laatste aan het Grieksche volk: &#x201e;alleen in het kleed der schoonheid zal de wijsheid
-alle harten veroveren!&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo onderhield zich Aspasia met Phidias. Pericles echter begon nu met Ictinus en Phidias
-het plan van de grootsche voorzalen te bespreken, die aan het werk van den burgt aan
-de zuidzijde de kroon zouden opzetten en die, naar de meening dezer mannen, niet minder
-verheven en prachtig zouden worden, dan het Parthenon zelf. Steeds van nieuws af aan
-keerde men vol aandacht en genot naar het voltooide terug, naar de beeldwerken, naar
-de heerlijke wijgeschenken. De werken van den een of anderen leerling van Phidias,
-op de gevels of friezen prijkend, werden beoordeeld: hier werd Alcamenes geprezen,
-daar Agoracritus, en zoo ieder der tallooze beeldhouwers, die met vurigen ijver aan
-dit meesterstuk hunne krachten hadden gewijd.
-</p>
-<p>Nu echter voerde Phidias Pericles en allen, die om hem waren, naar het werk van den
-peinzenden <span class="pageNum" id="pb2.29">[<a href="#pb2.29">29</a>]</span>zoon van Sophroniscus, naar de groep der Chariten, die de waarheidzoeker als wijgeschenk
-voor de Acropolis had vervaardigd.
-</p>
-<p>Zij zagen de drie jonkvrouwen in marmer gebeiteld, elkander omstrengelend, gelijkend
-op elkander en toch wederom van een verschillend karakter. Bekoorlijk was de eene
-gebeiteld, edel en gestreng de andere, peinzend de derde.
-</p>
-<p>Toen de beschouwers zich over deze verscheidenheid verwonderden, zeide de beeldhouwer
-met eene uitdrukking van lichte droefheid op het gelaat:
-</p>
-<p>&#x201e;Ik meende, dat gij u over deze verscheidenheid niet zoudt verbazen, integendeel dat
-gij ze ten volle natuurlijk zoudt vinden. Waarom zou men een drietal van Chariten
-aannemen, zoo zij alle drie geheel gelijk waren en hetzelfde uitdrukten? Ik deed mijn
-best, om den diepen zin van deze trits na te sporen en ik twijfelde niet of drie verschillende
-eigenschappen moesten zich in het wezen der Charis vereenigen. Maar het gelukte mij
-niet te weten te komen, welke de drie verschillende bestanddeelen der Charis waren,
-totdat Alcamenes ons bij de schoone Theodota bracht. De schellen vielen mij als &#x2019;t
-ware van de oogen, toen de Corinthische achtereenvolgens in haren dans Aphrodite,
-Hera en Pallas voorstelde. Wat is het karakter van Aphrodite anders dan het lichamelijk
-schoone? Wat het karakter van Hera anders dan het schoone naar de ziel, of het goede,
-het zedelijke? En wat heeft het karakter van Pallas anders dan het geestelijk schoone
-of het ware? En zoo ervoer ik toen, dat lichaam en ziel en geest te samen moesten
-werken om het volkomen wezen der Charis uit te drukken&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat was het, wat ik toen van Theodota leerde en verzweeg, toen gij daarnaar vroegt;
-want ik voelde mij gedreven, niet in woorden, maar in een beeld, evenals Phidias,
-den indruk van mijn geest levendig voor te stellen. Maar het is mij niet gelukt. Want
-ware het mij gelukt, dan zou deze verklaring niet noodig zijn geweest. Ik heb mij
-van het <span class="pageNum" id="pb2.30">[<a href="#pb2.30">30</a>]</span>marmer bediend en toch moest ik tot woorden mijne toevlucht nemen. Gij echter, o Aspasia,
-behoeft geen woorden, om mij uw oordeel kenbaar te maken; want ik lees het in uw blik!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En wat leest gij dan?&#x201d; vroeg Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij zegt mij: keer terug, o droomer, van de beelden en levendige vormen tot de gedachten,
-begrippen en woorden!&#x2014;Ik wil het doen! Ik wil van dezen dag af den beitel uit de hand
-leggen of liever hem zelven, in plaats van een werk mijner hand, aan de wijze Godin
-aanbieden als wijgeschenk. En dit beeld mijner gebrekkige kunst wil ik in stukken
-slaan, tevreden, als de gedachte leeft, die het geschapen heeft en als het, in plaats
-van in dood marmer belichaamd wordt in den geest, het gemoed en het leven der Atheners!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wijd gij gerust, o Socrates,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;uw beitel aan de Godin als wijgeschenk,
-om voortaan alleen te volvoeren, wat uwe ware roeping is en wat niemand zoo goed verstaat
-als gij. Maar dit wijgeschenk moet niet verbrijzeld worden; zij het ook minder met
-kunstenaarshand dan door den geest van den wijze gevormd, toch stelt deze groep de
-schoonste bestemming van den Helleenschen geest voor oogen: lichaam, gemoed en geest
-vereenigd in de hoogste harmonie tot den schoonsten bloei der Charis! Edeler kan ons
-aller trouw streven niet uitgesproken, waardiger niet aangespoord worden tot nieuwe
-werkzaamheid en scheppingskracht!
-</p>
-<p>&#x201e;Hier voor dit beeld is het de plaats elkander de hand te reiken tot vernieuwing van
-het bond, dat ons allen vereenigt. Hier ook is het, naar mij dunkt, de plaats, hier
-voor het beeld der Chariten, onze edele Aspasia te danken voor datgene, wat zij in
-vereeniging met ons heeft volbracht, niet zoozeer door hare woorden aansporende, als
-wel door den gloed, die er van haar wezen uitstraalde, ons onmiddellijk ontvonkend.&#x2014;Want
-haar wezen, gij weet het allen, dringt als een lichtstraal tot in de gemoederen door
-en doet altijd iets nieuws <span class="pageNum" id="pb2.31">[<a href="#pb2.31">31</a>]</span>en schoons ontbranden. Vorm uwe Pallas, o Phidias, naar haar beeld! Want zij zegt
-het u niet alleen, zij heeft het aan u en aan ons allen met der daad bewezen, dat
-de wijsheid onoverwinnelijk is in het kleed der schoonheid!&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Vluchtig is anders het spoor van het schoone,&#x201d; ging Pericles voort: &#x201e;het komt en
-gaat als de straal van het gesternte, als de bevruchtende regenwolk. Maar de onvergelijkelijke
-bekoorlijkheid, die er van Aspasia&#x2019;s wezen uitstraalt, zal ons als een kostbare schat
-steeds bijblijven. Niet meer eene vreemdelinge ziet gij voor u, op wie men ongestraft
-zijne hatelijke pijlen kan afschieten of die men mag beschimpen met onteerende namen.
-Zij is van dezen dag af mijne wettige gemalin. In vrede is de echtverbintenis, die
-mij met Telesippe vereenigde, verbroken. In hare plaats heerscht voortaan Aspasia
-als meesteres aan mijn huiselijken haard. Ik weet, dat de Athener met onvriendelijk
-oog den medeburger beschouwt, die eene buitenlandsche vrouw als wettige gade zijn
-huis binnenvoert. Ik weet, dat onze wet den spruiten uit zulk een echt zelfs het Atheensche
-burgerrecht weigert. Toch heb ik Aspasia tot vrouw genomen. Doch het is eene verbintenis
-van geheel anderen aard, die ik met haar sluit; een nieuwe vorm van den echt zweeft
-ons beiden voor den geest, zooals hij tot nu toe&#x2014;ik weet niet of de schuld aan de
-mannen of aan de vrouwen ligt&#x2014;nog nooit verwezenlijkt is. Groote verandering heeft
-onze staat in den laatsten tijd ondergaan: wanneer nu het algemeene leven zich vernieuwt,
-waarom zou dan ook niet het burgerlijke, het huiselijke naar eene wedergeboorte streven?
-Voor mij en deze vrouw zal de huidige dag, die het Atheensche volk op zijn glanspunt
-heeft getoond, te gelijkertijd een keerpunt zijn en een hoogtij van ons persoonlijk
-lot. Athene en geheel Hellas streeft onder een nieuw gesternte nieuwe doeleinden te
-gemoet; wij beiden doen hetzelfde in den engen kring van het huiselijke leven. Hier,
-evenals daar, <span class="pageNum" id="pb2.32">[<a href="#pb2.32">32</a>]</span>is de drijvende geest, gemoed en gedachte dezelfde. En hier als daar zal, naar ik
-meen, het gelijke zich op gelijke wijze openbaren!&#x201d;
-</p>
-<div class="figure plate4width"><img src="images/plate4.png" alt="&#x201e;Het Parthenon! Het Parthenon!&#x201d;..." width="459" height="683"><p class="figureHead">&#x201e;Het Parthenon! Het Parthenon!&#x201d;&#x2026;</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Voordat een der vrienden de aandoening, die door deze woorden van Pericles bij allen
-te weeg gebracht was, in woorden lucht kon geven, greep Aspasia de hand van haar nieuwen
-gemaal en sprak:
-</p>
-<p>&#x201e;Het is zooals gij zegt, o Pericles; ik heb mij de kracht des woords noch de diepte
-der wijsheid aangematigd. Als ik in vereeniging met u iets heb tot stand gebracht,
-dan was de werking, die van mij uitging, die der vrouwelijkheid alleen, wie het voor
-de eerste maal vergund was zonder de boeien der geslachts zich vrij en ongedwongen
-te uiten. Ben ik een apostel, dan ben ik die der vrouwelijkheid. Wellicht moet uit
-de vrouwelijkheid de wereld, die tot nu toe in de boeien der ruwe mannelijkheid was,
-herboren worden, om ieder overblijfsel van barbaarschheid van den vroegeren tijd weg
-te nemen. En als eene vrouw van den Ionischen stam ben ik ondanks mij zelve, de voorvechtster
-van het Ionische karakter tegenover den ernstigen, strengen geest van den Dorischen
-stam, die de schoonste bloesems van het Helleensche leven verstikken zou, als hij
-de overwinning behaalde. Wee den schoonen Goden van Hellas, als hij ooit in de wereld
-de overhand krijgt!&#x2014;Ben ik inderdaad geroepen en machtig voor eene zaak te werken
-en te strijden en heb ik mij, zooals gij zegt, altijd beijverd bij de meesters der
-beeldende kunst, om het schoone en het vrouwelijke te bevorderen, dan zou ik voortaan,
-ook in andere richtingen des levens mij bewegend, een openlijken krijg willen verklaren
-aan ieder vooroordeel, aan elke onzinnige overlevering, aan iedere bekrompen of ongezonde
-levensbeschouwing, aan iedere den mensch onwaardige denkwijze. Ik zal, naar bondgenooten
-zoekend, mij tot de leden van mijne kunne wenden. Zij zullen naar mij hooren, want
-ik ben de gade van Pericles den Olympiër!&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb2.33">[<a href="#pb2.33">33</a>]</span></p>
-<p>Zoo sprak Aspasia. De vrienden luisterden naar hare woorden vol aandacht en namen
-hartelijk deel in haar geluk.
-</p>
-<p>Ook de <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> vernam die woorden in het schemerlicht, achter de zuilen verborgen. Zijne lippen
-trilden en plooiden zich tot een hoonenden lach. Een vurige blik van den innigsten
-haat bliksemde in zijn oog en viel op de Milesische.
-</p>
-<p>In bezielde taal begonnen nu de vrienden hunne blijdschap te betuigen en prezen de
-voornemens van het edele paar.
-</p>
-<p>Alleen Socrates zweeg nog, zooals hij dikwijls uit bescheidenheid deed, wanneer hij
-zich in een kring van uitgelezen mannen bevond.
-</p>
-<p>Toen vroeg Pericles aan den mijmerende met vriendelijken glimlach:
-</p>
-<p>&#x201e;Wat denkt onze wijsheidsvriend van het bond, dat hier ten aanschouwe zijner Chariten
-is gesloten?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Mij is slechts dit ééne helder,&#x201d; antwoordde de zoon van Sophroniscus, &#x201e;dat ons Athene
-de gezegendste zal zijn onder alle steden der bewoonde wereld. Al het andere is mij
-onbekend en in duisternis gehuld. Maar wij willen in alles het beste hopen van de
-gunst van den albesturenden vader Zeus en zijne onvolprezen dochter Pallas Athene.&#x201d;
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e5180">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5180src">1</a></span> Clytaemnestra, de echtgenoote van Agamemnon, hevig op hem verbitterd om den gewelddadigen
-dood van hunne dochter Iphigenia<span class="corr" id="xd30e5182" title="Niet in bron">,</span> vermoordde den zegevierenden held, toen hij in zijne vaderstad Mycenae was teruggekeerd.
-Dit onderwerp wordt in Aeschylus&#x2019; &#x201e;Agamemnon&#x201d; behandeld.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5180src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5185">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5185src">2</a></span> Dejanira, de dochter van den Aetolischen koning Oeneus, gade van Heracles, had het
-bloed van den veerman <span class="corr" id="xd30e5187" title="Bron: Nersus">Nessus</span> opgevangen, toen deze terwijl hij haar de rivier Euënus overzette en zich ongepaste
-vrijheden met haar veroorloofde, door Heracles met een der in het gif der hydra gedoopte
-pijlen was doorschoten.&#x2014;Nessus gaf haar stervend den raad dit bloed te bewaren, daar
-het een onfeilbaar middel was om zich altijd de liefde van haar man te verzekeren.
-Toen de held later in liefde ontbrandde voor de schoone Iole, zendt Dejanira hem een
-prachtig gewaad dat zij met het bloed van den stervenden veerman had bestreken. Toen
-het kleed warm is geworden kleeft het aan zijn lichaam en brandt hem tot in het merg;
-de held richt met uiterste krachtsinspanning een brandstapel op, legt zich er op,
-Philoctetes en zijn vader steken dien aan en de held verbrandt onder de hevigste smarten;
-als heros werd hij onder de onsterfelijke Goden opgenomen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5185src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="n2.8.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n2.8.1src">3</a></span> Hippische kunst is de rijkunst. (Hippos = paard).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n2.8.1src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5218">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5218src">4</a></span> Hephaestus, zoon van Zeus en Hera, de God des vuurs, komt overeen met den Romeinschen
-Vulcanus. De feesten te zijner eere op Lemnos, te Athene en elders gevierd, heeten:
-hephaisteia.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5218src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5252">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5252src">5</a></span> Bijnaam van Poseidon; omdat hij met zijn drietand de aarde schudt heet hij Enosigaios
-en Seisichthoon, de aardschudder.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5252src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5255">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5255src">6</a></span> De Giganten (reuzen), een reusachtig, wild geslacht werd door de Goden, vooral met
-de hulp van Heracles, na vreeselijken strijd, verdelgd. Hyginus geeft hun getal als
-vierentwintig op. Bij Hesiodus komen zij voor als zonen van <span class="corr" id="xd30e5257" title="Bron: Gaeä">Gaea</span> (de Aarde) en Ouranos (den hemel.)&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5255src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5268">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5268src">7</a></span> Taxiarchos is in de eerste plaats: de aanvoerder van eene legerafdeeling voetvolk
-(taxis), de overste, ten tweede bijzonder te Athene de aanvoerder van die afdeeling
-voetvolk, die iedere phyle in het veld moest brengen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5268src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5271">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5271src">8</a></span> De zoogenaamde Eupatriden, door Theseus, naar men zegt als eerste stand ingevoerd,
-men kan ze vergelijken met de Romeinsche Patriciërs.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5271src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5274">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5274src">9</a></span> Athene was na Clisthenus in tien phylen verdeeld; deze phylen waren wederom in demen,
-districten, gesplitst.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5274src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5297">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5297src">10</a></span> De Godin der overwinning.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5297src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5300">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5300src">11</a></span> Iris, de dochter van Thaumas en Electra, is, naast Hermes, de bodin der Godin, vooral
-van Hera; bij de oudere Grieken ook die van Zeus. Zij wordt ook geïdentificeerd met
-den regenboog, dien de Grieken dan ook Iris noemden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5300src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5305">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5305src">12</a></span> Wedstrijden: dus kampstrijden met paarden en wagens.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5305src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5328">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5328src">13</a></span> Aegis (Aigis) is eigenlijk een geitenvel; ook het door Hephaestus vervaardigde schild
-van Zeus.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5328src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5331">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5331src">14</a></span> De Amazonen waren krijgshaftige vrouwen, die geen mannen onder zich duldden. Er worden
-drie Amazonen-volken vermeld; het eerste woonde aan de kusten van de Zwarte zee, den
-Caucasus en de rivier Thermodon. Haar koningin Hippolyte werd door Heracles gedood.
-Nog worden eene koningin Penthesilea vermeld, die Priamus hulp bracht tegen de Grieken
-en Thalestris, tijdens Alexander den Groote. Ten tweede de Scytische en ten derde
-de Afrikaansche Amazonen, met hare koningin Myrina.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5331src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5343">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5343src">15</a></span> Eene vaas of kruik, met nauwen hals en twee ooren, meestal van aardewerk vervaardigd,
-soms van glas, naar beneden spits toeloopend; doorgaans werd zij voor wijn gebruikt,
-doch ook voor honig, olie enz.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5343src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5348">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5348src">16</a></span> Onder &#x201e;musische&#x201d; kunst verstonden de Grieken niet uitsluitend de toonkunst maar alles
-wat fijne, kunstige of wetenschappelijke vorming betreft.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5348src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XV.</h2>
-<h2 class="main">UILEN OP DE ACROPOLIS.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Als het waar mocht zijn, zooals de sage bij den verheven dichter der Euminiden<a class="noteRef" id="xd30e5449src" href="#xd30e5449">1</a> meldt, dat de diefstal van het vuur uit den hemel en de gave daarvan aan de menschen
-door Prometheus op de Acropolis heeft plaats gehad, dan is het niet te verwonderen,
-<span class="pageNum" id="pb2.34">[<a href="#pb2.34">34</a>]</span>dat bij het noemen van den naam Acropolis te Athene velen slechts eene hoogte voor
-den geest zweeft, geheel in verblindend licht gehuld, gekroond door de marmeren tinnen
-van het Parthenon.
-</p>
-<p>Doch er waren ook uilen op de Acropolis.&#x2026;
-</p>
-<p>Er waren uilen te Athene&#x2014;er waren er zoovele dat de uitdrukking &#x201e;uilen naar Athene
-zenden&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e5463src" href="#xd30e5463">2</a> de beteekenis kon krijgen van een overbodigen arbeid.
-</p>
-<p>En deze vogels waren zelfs aan Pallas Athene geheiligd. Zij behoorden bij haar, als
-de vogels van den gedachtenvoortbrengende, geheimzinnigen nacht. Want de nacht zelf
-is donker, maar hij is zwanger van licht en beter dan de drukke dag doet hij de gedachte
-ontkiemen en rijpen in het wakkere hoofd der menschen. Niet zelden echter tracht de
-nacht iets zelfstandigs te zijn en meer dan het licht, <span class="corr" id="xd30e5468" title="Bron: dan">dat</span> uit hem geboren wordt, en stelt zich dan vijandelijk tegenover het licht.
-</p>
-<p>Zoo komt het, dat ook de vogels van den nacht, de uilen, vijanden van het licht geworden
-zijn.
-</p>
-<p>Er waren er dan, zooals gezegd is, vele op de Acropolis en zij nestelden het liefst
-in de ruimte tusschen de kroonlijst en het schuine dak van het oude, eerwaardige Erechtheüm,
-gezamenlijk met hagedissen, muizen en slangen.
-</p>
-<p>Zij zijn daarom de lievelingsvogels van den <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> Diopithes, die ginds juist, onmiddellijk vóór de trappen van het Parthenon, in een
-levendig gesprek met een man gewikkeld is en zich tevens eenigszins zonderling beweegt.
-</p>
-<p>Hij loopt namelijk vóór de oogen van den anderen man met eene zekere opgewondenheid
-de trappen van het Parthenon op en af. Voor den ingang des tempels zijn, om het binnentreden
-gemakkelijker te maken, in de breede, hooge trappen kleinere gehouwen. Deze kleinere
-trappen klimt <span class="pageNum" id="pb2.35">[<a href="#pb2.35">35</a>]</span>Diopithes op en telt ze onderwijl en spreekt het getal met hoorbare stem uit.
-</p>
-<p>En nadat hij zóó gaande en luid tellend aan den anderen man het getal <span class="corr" id="xd30e5484" title="Niet in bron">der </span>trappen heeft aangeduid, zegt hij tot hem het volgende:
-</p>
-<p>&#x201e;Gij weet welke wet voor het aantal trappen van een tempelstoep door den vromen en
-welberaden geest der Hellenen sedert eeuwen is vastgesteld geworden. Oneven is naar
-den ouden regel het getal dezer trappen, opdat, als een gunstig voorteeken, de eerste
-en de laatste trede door de rechter voet zou kunnen worden betreden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, zoo is het inderdaad,&#x201d; hernam de man, tot wien Diopithes sprak.
-</p>
-<p>&#x201e;Welnu,&#x201d; ging Diopithes voort, &#x201e;gij ziet, dat de mannen die dit Parthenon gebouwd
-hebben, schijnen te meenen, dat zij geen goede voorteekens meer noodig hebben. Het
-getal dezer kleinere trappen is even. Zij mogen nu werkelijk, hetzij in fieren trots
-of door de Goden met verblinding geslagen, tegen den heiligen regel gezondigd hebben:
-wat zij daar opgericht hebben doet zich reeds bij den eersten aanblik voor als een
-goddeloos, den Goden ongevallig werk. En ik zeg u: het is in zijn geheele ontwerp
-eene geringschatting, eene beleediging, eene beschimping der Goden. Zie toch eens:
-sedert de Panathenaeën voorbij zijn, sedert de overwinnaars in de wedstrijden hunne
-prijzen weggedragen hebben, sinds het volk zich zat gegaapt heeft aan het verkwiste
-goud en ivoor van Phidias&#x2019; standbeeld, is de feesttempel, zooals zij dien noemen,
-weder gesloten, het beeld der Godin bedekt; opdat het voor het volgende feest niet
-door het stof verontreinigd mocht zijn, en, in plaats van priesters en hunne dienaren,
-ziet men dag aan dag alleen de schatmeesters in- en uitgaan, die in het achterste
-deel van het gebouw hunne bezigheden verrichtend, de gelden, die inkomen en uitgegeven
-worden, natellen. En zoo klinkt, o hoon en misdaad! in &#x2019;t oor der Godin, in plaats
-van den klank van vrome <span class="pageNum" id="pb2.36">[<a href="#pb2.36">36</a>]</span>woorden, alleen het gerammel van goud- en zilverstukken!&#x201d;
-</p>
-<p>Op deze ontboezeming van Diopithes begon de man, met wien de priester zich onderhield
-en die door zijn uiterlijk bleek een vreemdeling te zijn, onverschillig naar de hoeveelheid,
-de waarde en het bedrag der gemunte en ongemunte schatten te vragen, die in dit huis
-onder de hoede van Pallas Athene opgehoopt lagen, en Diopithes gaf bereidwillig alle
-inlichtingen, die hij kon geven.
-</p>
-<p>&#x201e;Een mooie spaarpenning of liever een mooie buit is het,&#x201d; merkte de vreemdeling op,
-&#x201e;dien gij Atheners daar opgestapeld hebt. Maar mij dunkt gij zult dien voorraad wel
-spoedig uitgeput hebben, ook in vredestijd.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nog in langen tijd niet,&#x201d; hernam Diopithes.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik zie echter,&#x201d; vervolgde de vreemdeling, &#x201e;dat, nu deze kostbare tempelbouw juist
-voleindigd is, men reeds met eene gelijke haast en gelijken ijver hier boven een nieuw
-werk begonnen is, een prachtpoort voor de Acropolis, voorzalen in den verhevensten
-stijl, niet minder grootsch dan het Parthenon zelf&#x2014;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En niet minder onzinnig, niet minder overtollig,&#x201d; viel Diopithes hem in de rede.
-&#x201e;Dat is toch juist,&#x201d; vervolgde hij, &#x201e;de snoodheid van die overmoedigen, die Athene&#x2019;s
-lot tegenwoordig besturen. Zij laten het heiligdom van <span class="corr" title="Bron: Erechtheus">Erechtheüs</span> vervallen, dat zelfs de Pers slechts ten halve waagde te vernielen, en richten daarentegen
-pronkzalen op, volgepropt met de ijdele beelden van de uit heel Hellas saamgevloeide
-bent van Phidias.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar is Pericles dan almachtig?&#x201d; riep de vreemde. &#x201e;Hoe komt het, dat niet één van
-alle beroemde veldheeren en staatsmannen der Atheners, zoover ik weet, het lot der
-verbanning is ontkomen, en Pericles daarentegen eene zoo lange reeks van jaren zonder
-tegenkanting in zijne oppermacht zich staande houdt?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hij is de eerste staatsman,&#x201d; zei Diopithes, &#x201e;wien <span class="pageNum" id="pb2.37">[<a href="#pb2.37">37</a>]</span>de Atheners den tijd laten hen zelven te gronde te richten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat verhoeden de Goden!&#x201d; hernam de vreemdeling. &#x201e;Ik ben een eenvoudig man uit Euboeä
-en wensch den Atheners alles goeds toe.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom veinst gij?&#x201d; zeide Diopithes, terwijl hij den vreemdeling strak in het gelaat
-keek. &#x201e;Gij zijt de man uit Sparta, dien zij bij het feest der Panathenaeën van den
-drempel van het Parthenon verdreven hebben. Ik heb alles gezien en herkende u aanstonds
-weder, toen gij, over de hoogte van de Acropolis wandelende, u met eenige vragen tot
-mij wendet. Ja, gij zijt een <span class="corr" id="xd30e5511" title="Bron: Lacedaemonier">Lacedaemoniër</span> en als gij zegt, dat gij den Atheners alles goeds toewenscht, spreekt gij onwaarheid.
-Maar vrees daarom niets van mij! Er zijn Atheners, die mij gehater zijn dan het geheele
-Spartaansche volk. En het is ongetwijfeld wel bekend, dat hier te Athene de tegenstanders
-van al die nieuwigheden, de vrienden der oude tucht, Laconisten genoemd worden. En
-niet ten onrechte.&#x201d;
-</p>
-<p>Schier onwillekeurig reikte de man uit Sparta den <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> de hand.
-</p>
-<p>&#x201e;Geloof niet,&#x201d; ging deze voort, &#x201e;dat het aantal dergenen, die op Pericles verbitterd
-zijn, in zijn nieuw Athene gering is. Kom mede! Ik zal u eene plaats wijzen, waar
-niet minder dan om het Erechtheüm, onverzoende wraakgeesten zweven.&#x201d;
-</p>
-<p>Na het uiten dezer woorden voerde Diopithes den Spartaan naar den rand van den westelijken
-heuvel van de Acropolis en wees hem met de hand naar een steilen, somberen, woesten
-rotsheuvel, die tegenover den burgt, alleen door eene kloof daarvan gescheiden was,
-doch lager dan deze zich verhief.
-</p>
-<p>&#x201e;Ziet gij dien steilen heuvel, welks rotsblokken als door Titanen handen op elkander
-gestapeld zijn?&#x201d; vroeg Diopithes. &#x201e;Ziet gij de in de rots gehouwen trappen, die naar
-eene vierkante ruimte voeren? Van deze plaats echter leidt een andere trap, ook in
-de rots gehouwen, naar eene diepe, <span class="pageNum" id="pb2.38">[<a href="#pb2.38">38</a>]</span>donkere kloof, waaruit een zwart water ontspringt. In die kloof staat het heiligdom
-der sombere wraakgodinnen, der Erinnyen met slangenlokken en die vierkante ruimte
-op de hoogte van den berg is de verzamelplaats van het overoude, eerwaardige, door
-de Goden zelven ingesteld gericht, dat wij den Areopagus plegen te noemen. Den grijzen
-rechters van dit gericht is de hoede van dit heiligdom der Erinnyen toevertrouwd:
-in hunne handen zijne overoude inzettingen en heiligdommen gegeven, die in een geheimzinnig
-duister gehuld zijn en waaraan het heil van den staat is vastgeknoopt. Zij alleen
-weten, wat de stervende lijder Oedipus in het oor van koning Theseus gefluisterd heeft,
-toen hij op den heuvel van Colonus in het woud der Eumeniden het doel van zijn langen
-zwerftocht had gevonden. Tusschen bloedige offers worden de strijdenden geplaatst,
-over wier zaak deze rechters beslissen, en een eed leggen zij af met afschuwelijke
-verwenschingen tegen zich zelven en tegen de hunne, als zij anders dan naar de strengste
-rechtvaardigheid mochten uitspraak doen. Zwijgend leggen zij, nadat zij de zaak hebben
-aangehoord, hun vonnis in twee urnen, in de urn der barmhartigheid of in de urn des
-doods. Opzettelijken moord te vonnissen was van den beginne af hun ambt. Maar ook
-zedeloosheid, nieuwigheden in den staat en in den dienst der Goden te straffen, behoorde
-oorspronkelijk tot hunne taak; in den intiemsten kring van het familieleven door te
-dringen was hun veroorloofd, om de meest verborgen misdaad aan het licht te brengen.
-Zij straften den vadermoorder, zij straften den brandstichter, zij straften den man,
-die een onschuldig dier zonder noodzaak had gedood, zij straften den knaap, die meedoogeloos
-een jongen vogel de oogen had uitgestoken. Protest aan te teekenen tegen besluiten
-van het geheele volk, was hun vergund. Is het te verwonderen, wanneer deze plaats
-der oude tijden, deze op de rots van den Ares-heuvel gegrondveste burg der vrome tucht,
-den machthebbers <span class="pageNum" id="pb2.39">[<a href="#pb2.39">39</a>]</span>van het nieuwe Athene al lang een doorn in het oog is geweest? Pericles was het, die
-het eerst deze heilige macht durfde trotseeren, die hare voorrechten beperkte, haar
-aanzien verminderde, haar den onaangenamen invloed op de staatsaangelegenheden besnoeide.
-Te vergeefs! Evenals over dezen zelfden Ares-heuvel de brandende pijlen der Perzen
-tegen den burg en tegen den ouden tempel der Acropolis vlogen, zoo vliegen heimelijk
-thans van daar de gramstorige blikken der Areopagiten, zwanger van onheil, naar den
-nieuwen tempel van Pericles!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar de groote massa der Atheners houdt toch van Pericles,&#x201d; zei de Spartaan&#x2014;&#x201e;zij
-houden hem voor een oprechten vriend der volksheerschappij.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik houd Pericles voor niet onnoozel genoeg,&#x201d; hernam Diopithes, &#x201e;om een oprecht vriend
-der volksheerschappij te zijn. Een man, uitnemend in geestesbeschaving, is nooit een
-eerlijk vriend der volksheerschappij. Want hoe zou het hem voldoen, de macht, die
-hij de onverstandige menigte ontwrongen heeft, vrijwillig weder met haar te deelen,
-en zich in zijne beste plannen, in zijne schoonste ondernemingen door bekrompen hoofden
-te laten storen en dwarsboomen? Pericles vleit, als alle volksmannen, de massa, om
-zich van haar tot volvoering zijner eerzuchtige plannen te bedienen. Wellicht blijft
-hem uit den gouden schat in het achtergebouw van het Parthenon ten laatste zooveel
-over, dat hij zich daaruit eene kroon kan doen vervaardigen, die hij zich op een feest
-der Panathenaeën, ten aanschouwe van het verzamelde volk en aan de voeten der Godin
-van Phidias, op het hoofd zet. Bereidt er u op voor, gij Lacedaemoniërs, om den Hellenen
-koning en zijne koningin Aspasia, door het geven van eene kluit Spartaanschen grond
-en eene kruik water uit den Eurotas, te helpen huldigen!&#x201d;
-</p>
-<p>Bij deze laatste woorden zag de priester om. &#x201e;Laat ons heengaan,&#x201d; zei hij tot den
-Spartaan, &#x201e;ik zie menschen naderen, die hier boven den grond <span class="pageNum" id="pb2.40">[<a href="#pb2.40">40</a>]</span>voor de nieuwe voorzalen afbakenen. Men zou mij een samenspanning met <span class="corr" id="xd30e5533" title="Bron: Lacedaëmon">Lacedaemon</span> ten laste leggen als men ons te zamen zag spreken.&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo sprak de <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> en verdween weldra met de man uit Sparta achter de zuilen van het Erechtheüm, waar
-beiden nog een tijdlang zich vertrouwelijk onderhielden.
-</p>
-<p>Weinige dagen na het feest der Panathenaeën had Telesippe, door minnelijke schikking
-van Pericles gescheiden, het huis van haar gemaal verlaten en Aspasia was in hare
-plaats als wettige gemalin daar binnen geleid.
-</p>
-<p>Niet verootmoedigd verliet Telesippe het huis van haar echtgenoot, maar met fier opgeheven
-hoofde; want zij ging een lot te gemoet, waarvoor zij zich toch geboren waande, welks
-vervulling echter zij niet meer had durven hopen.
-</p>
-<p>Altijd was het begin harer klachten geweest: &#x201e;Ik had de gade van den Archon Basileus
-kunnen wezen!&#x201d;
-</p>
-<p>Toen het besluit om van Telesippe te scheiden in Pericles gerijpt was, kon hij niet
-nalaten er op te peinzen, hoe hij het smartelijke van den indruk zou kunnen verzachten,
-die deze beslissing noodwendig op zijne gade moest maken. Hij herinnerde zich hoe
-dikwijls zij van den Archon Basileus had gesproken. Hij, die thans het ambt van Archon
-Basileus bekleedde, was een vriend van Pericles, een man van tamelijk gevorderden
-leeftijd, doch ongehuwd. Pericles begaf zich tot hem en vroeg hem, of hij niet genegen
-zou zijn te huwen. De Archon Basileus was een stil, eenvoudig mensch en zeide, dat
-hij niet ongenegen was in het huwelijk te treden, als er zich maar een geschikte bruid
-voor hem opdeed.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik ken eene vrouw,&#x201d; zei Pericles, &#x201e;die geknipt is voor een man als gij; het is mijne
-eigene vrouw. Voor mij zelven heeft ze te weinig van die opgeruimdheid, waardoor een
-staatsman bij zijne tallooze beslommeringen afleiding en opwekking kan erlangen, en
-te veel van die strengheid, van die deftige <span class="pageNum" id="pb2.41">[<a href="#pb2.41">41</a>]</span>waardigheid, die een ernstig man, met het priesterlijk gewaad omhangen, als gij, ongetwijfeld
-moet aantrekken. Ik sta op het punt, om van Telesippe te scheiden, doch ik zou mij
-zeer gelukkig achten, als ik wist, dat zij uit mijn huis in dat van een beter man
-overgaat, en dat zij daar, waar zij heengaat, datgene zou vinden, wat zij in mijn
-huis miste.&#x201d;
-</p>
-<p>De Archon Basileus nam deze woorden zoo ernstig op, als zij gemeend waren. Over het
-bezwaar, dat een Archon Basileus doorgaans alleen met eene jonkvrouw huwde, deed Pericles
-hem heenstappen, door hem te beloven, dat hij al zijn invloed bij de Atheners zou
-aanwenden, om de schending van dit oud gebruik onopgemerkt te laten. Daarop gaf de
-Archon ten laatste de verklaring, dat hij bereid was Telesippe uit het huis van haren
-tegenwoordigen echtgenoot in het zijne als wettige gade binnen te leiden.
-</p>
-<p>Pericles deelde zijne gade te gelijkertijd zijn besluit mede van haar te scheiden
-en het voornemen van den Archon Basileus met haar te willen huwen.
-</p>
-<p>Telesippe vernam de beslissing koud en ongevoelig: zij uitte geen enkel woord, doch
-trok zich terug in haar vrouwenvertrek. Toen zij daar echter de beide knapen zag,
-die zij nu verlaten moest, trok zij hen tot zich en schreide bittere tranen op hun
-hoofd. Zij dacht er aan, hoe zij Hipponicus kinderen had gebaard, hoe hij haar had
-verstoten en hoe zij de vrucht van haar schoot voor altijd had moeten verlaten: hoe
-zij voorts Pericles kinderen had geschonken en ook dezen verlaten en van hen moest
-scheiden en aan een nieuwen echtgenoot zich verbinden. Zij scheen zich zelve toe van
-alle recht beroofd, hulpeloos van huis tot huis verjaagd.&#x2026;
-</p>
-<p>Maar de echtgenoot van den Archon Basileus! Het doelwit harer eerzucht! Het eens verloren
-en nu toch bereikte geluk haars levens! Ja, waarlijk&#x2014;alleen der verstootene gade was
-daarmede voldoening gegeven, niet der moeder. Door den dwazen <span class="pageNum" id="pb2.42">[<a href="#pb2.42">42</a>]</span>trots der vrouw heen voelde zij altijd door de angstige slagen van het onverzoende
-moederhart.
-</p>
-<p>En toen nu het oogenblik was gekomen, waarop Telesippe het huis van haar echtgenoot
-zou verlaten en op het voorhoofd harer zonen den laatsten kus drukte, om voor altijd
-van hen te scheiden, werd ook Pericles plotseling door een zonderling gevoel overweldigd:
-het scheen hem toe, dat men toch geen heiligen band, die eens twee menschenharten
-had vereenigd, ooit kon verbreken zonder iets van het hartebloed daarmede vergoten
-werd.
-</p>
-<p>Telesippe had hem kinderen gebaard, kinderen, die zijne trekken, zijne gelijkenis
-op &#x2019;t gelaat droegen. Hoe zou niet voor altijd eerwaardig en heilig voor den man zijn
-de vrouw, die hem kinderen had geschonken, die zijne trekken droegen? Op het voorhoofd
-der kinderen was de stempel gedrukt der ontwijde moedereer. Deze erfenis liet zij
-bij haar scheiden hare kinderen en haar echtgenoot achter. Pericles was zich daarvan
-helder bewust, toen Telesippe zijn huis verliet.
-</p>
-<p>Straks reeds had hij met een koelen, ernstigen handdruk van haar afscheid genomen;
-thans greep hij nog eenmaal de hand zijner vrouw, de moeder zijner kinderen, en een
-traan bevochtigde die. En toen Telesippe reeds lang zich verwijderd had, stond Pericles
-nog geruimen tijd in gepeins verzonken, met eene vraag zich bezig houdend, die geene
-menschelijke wijsheid ooit zal oplossen.&#x2026;
-</p>
-<p>Zonderling en raadselachtig zijn de plichten der menschen en hunne rechten met elkander
-in strijd.&#x2026;
-</p>
-<p>Voor Pericles en zijn huwelijksleven was de teerling geworpen.
-</p>
-<p>Het keerpunt in zijn huiselijk leven had een tweeledig aanzien, zooals bijna alle
-menschelijke zaken. Op het ernstig afscheid van Telesippe volgde de blijde intocht
-van Aspasia. Hare intrede verdreef gemakkelijk de donkere schaduw op het diepzinnig
-voorhoofd van Pericles. Zij verspreidde licht en <span class="pageNum" id="pb2.43">[<a href="#pb2.43">43</a>]</span>glans tot in den diepsten hoek des huizes. Aspasia kwam begeleid door alle lachende
-lentegeesten. Eene geurige, frissche lucht verjoeg de tot nu toe dompige atmosfeer
-van het huis.
-</p>
-<p>De oude, eerwaardige huisgoden waren met Telesippe heengetogen, Aspasia bracht nieuwe
-mede. Zij plaatste in het peristylium den vreugderijken Dionysus en de lachende Aphrodite
-en den gelokten, schitterenden beschermgod van den Ionischen stam, den met pijl en
-lyra gewapenden aanvoerder der <span class="corr" id="xd30e5569" title="Bron: Muzenreiën">Muzenreien</span>, Apollo. Ook ontbraken van nu af niet de Chariten aan het altaar van dit huis, waar
-het passend offer haar zoo lang was geweigerd.
-</p>
-<p>De geest van vernieuwing, die Aspasia&#x2019;s schreden overal volgde, begeleidde haar ook
-in het huis van Pericles. Binnen korten tijd was dit huis op vroolijke en weelderige
-wijze ingericht. Niets leelijks, niets onedels duldde Aspasia rondom zich. Wijken
-moest, wat geen genade vond in haar oog, wat niet overeenstemde met haar schoonheidsgevoel.
-Schoonheid werd verklaard als de hoogste wet, ook aan den huiselijken haard. Kunstenaarshanden
-moesten de muren der vertrekken met bekoorlijke beelden versieren. Uit kunstenaarshanden
-moest voortaan niet alleen voortkomen, wat het leven siert en schoonheid geeft, maar
-ook wat slechts moest dienen voor dagelijksche behoeften.
-</p>
-<p>Eenvoudig was tot heden het huishouden van Pericles; nu mishaagde hem dezen eenvoud
-zelven. Niets is aangenamer voor den minnende, dan het verblijf der geliefde zoo bekoorlijk
-mogelijk in te richten. Geen man versiert voor zich zelven het huis, voor eene geliefde
-vrouw echter wordt zelfs de vrek een verkwister. Met blijdschap hielp Pericles zijne
-beminde Aspasia de woning van zijn nieuw geluk in een tempel der schoonheid herscheppen.
-</p>
-<p>Den fijn ontwikkelden zin voor hetgeen het oog bekoorde, voor het smaakvolle en harmonische,
-die den vrouwen eigen is en dien zij in hare sieradiën, <span class="pageNum" id="pb2.44">[<a href="#pb2.44">44</a>]</span>in hare kleeding aan den dag leggen, bezat Aspasia in zoo ongemeene mate, dat Pericles
-zich als in de macht eener toovenares bevond en zijne geliefde smeekte, dat zij toch
-ook niet hem zelven, als alles rondom haar, zou veranderen. Maar hij was reeds veranderd.
-Zonder verwijfd geworden te zijn, ontwikkelde hij nu in zich een zin, die tot heden
-in den rusteloos werkzamen man geheel gesluimerd had. De geliefde, of liever de liefde
-zelve, leerde hem de diepe en niet te verachten poëzie kennen en waardeeren, van hetgeen
-hij tot nu toe niet had opgemerkt. Wat waren hem vroeger paarlen en edelgesteenten
-geweest? Thans kon hij een juweel, dat in een gouden band aan den leliewitten arm
-der geliefde fonkelde, een zeer langen tijd beschouwen en zich in zijn bont flikkerend
-licht, als in eene zonderlinge openbaring, verdiepen. Wat waren hem vroeger geurige
-zalven, wat was hem al het reukwerk der wereld geweest? Thans was zijn zin ontwaakt
-voor iederen fijnen, geurigen adem, die in de nabijheid der geliefde hem omgaf en
-iedere kleurmengeling bracht eene aangename gewaarwording in zijne ziel. Wat waren
-hem tot heden kleuren geweest? Eene vluchtige bekoring op zijn hoogst, waarvan hij
-zich nauwelijks bewust was. En thans? Wat een leven, welk eene betoovering kreeg voor
-zijn oog het gloeiend rood, het vlammend geel, het verrukkelijk blauw, het liefelijke,
-zachte groen, als het om het lichaam der geliefde golfde of wanneer hare schoone,
-blanke leden daardoor te meer uitkwamen.
-</p>
-<p>De band der liefde en eene onbeperkte toewijding moge twee harten nog zoo lang en
-gelukkig vereenigd hebben, de band die Hymen om hen slaat, bereidt hen toch een nieuw,
-tot nu toe onbekend geluk. De echt heeft, evenals de liefde, zijne eigenaardige zaligheid.
-Dagelijks opnieuw zich te verliezen en dagelijks opnieuw zich terug te vinden mogen
-aan de zalige oogenblikken der liefde haar aantrekkelijkheid geven; maar ook het bewustzijn
-zijn hoogste geluk altijd in zijne nabijheid te hebben, <span class="pageNum" id="pb2.45">[<a href="#pb2.45">45</a>]</span>is benijdenswaard.
-</p>
-<p>Wie op het huwelijk laag neerziet kent de liefde niet.&#x2014;
-</p>
-<p>Iedere dag had thans voor Pericles zijn eigenaardigen lust, zijn eigenaardigen glans,
-zijne eigenaardige bekoorlijkheid. Altijd was Aspasia voor Pericles alles en toch
-iederen tijd iets anders: des morgens zijne rozenvingerige Eos, des avonds zijne Selene<a class="noteRef" id="xd30e5585src" href="#xd30e5585">3</a>, zoete sluimering op zijne oogleden droppelend, des daags zijne Hebe, die hem den
-beker des levens aanbood. Zij was de Hera van den &#x201e;Olympiër,&#x201d; maar zij behoefde nooit
-den toovergordel eerst van de gouden Aphrodite te ontleenen. Nog meer: in menig oogenblik
-scheen zij hem eerwaardig toe als zijne moeder en op andere tijden beminde hij haar
-met de liefde, waarmede men een kind liefheeft.
-</p>
-<p>Wanneer reeds doode sieraden, edelgesteenten, paarlen, geurige balsems, schitterende
-kleuren door de liefde eene nieuwe betoovering verkrijgen, in den minnende een nieuw,
-tot nu toe onbekend gevoel opwekken, welk verhoogd leven, welke nieuwe betoovering
-moet dan de poëzie, moet de muziek minnenden harten instorten? Welk een volheid en
-weelde van bekoorlijkheid en genot moest de betooverende Aspasia niet uit deze bronnen
-weten te scheppen en te putten!
-</p>
-<p>Zong Aspasia Pericles een lied voor bij de luit of las zij hem gelijk zij als kind
-aan Philammon had gedaan, uit boekrollen voor, zoo wist hij niet, wat hem meer verrukte:
-wanneer zij met gloeiende wangen geheel opging in het vuur harer kunst of van den
-dichter, dien zij las, of wanneer zij in moedwillige dartelheid haar lied of voordracht
-met kinderlijk gekeuvel, overbodige liefdesvragen, met vriendelijk gevlei telkens
-afwisselde&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>De Atheners hadden in den regel geen eigenlijk tehuis. Zij leefden buitenshuis. Pericles
-echter bezat thans een tehuis.
-<span class="pageNum" id="pb2.46">[<a href="#pb2.46">46</a>]</span></p>
-<p>Dat de knapen Xanthippus en Paralus de zoons van Pericles, niet van Aspasia waren,
-kwam dit niet juist het echtgeluk van Pericles ten goede? Hij behoefde Aspasia&#x2019;s liefde
-niet met hen te deelen.
-</p>
-<p>Wanneer aan beiden nog iets ontbrak, was het wellicht alleen het geheele, volle bewustzijn
-van hun geluk. Want eigenlijk begrijpen niet de gelukkigen zelven, maar alleen zij,
-die het missen, geheel en ten volle het geluk der gelukkigen. Met goede bedoeling
-mengen de Goden gaarne een droppel alsem in iederen vreugdebeker: want slechts het
-verstoorde of bedreigde geluk komt tot klaar bewustzijn.
-</p>
-<p>Het huwelijk van Pericles en Aspasia gaf den Atheners onuitputtelijke stof tot gesprekken.
-Men behandelde het op de Agora, men vertelde in alle gaanderijen, in alle worstelplaatsen,
-in alle werkplaatsen der handwerkslieden en in alle barbierswinkels van gansch Athene,
-dat Pericles zijne gade kuste, zoo dikwijls hij van huis ging en wederom als hij terug
-kwam. Een man verliefd op zijne vrouw! Men sprak van de witte Sicyonische paarden
-en het schitterende rijtuig, waarmede de nieuwe vrouw van Pericles soms door Athene&#x2019;s
-straten reed. Men sprak van de omkeering, die in het eens zoo eenvoudige huis van
-Pericles had plaats gegrepen. Men sprak van de nieuwe, prachtige muurschilderingen,
-waarmede het versierd was, in het bijzonder van eene, die de plundering van den Olympus
-door de Eroten voorstelde. Getooid met den buit trokken zij jubelend voort: deze met
-den bliksem van den Cronide<a class="noteRef" id="xd30e5599src" href="#xd30e5599">4</a>, gene met den boog van Apollo, een derde met den helm en het schild van Ares, weer
-een andere met Heracles&#x2019; knots, met den thyrsus van Bacchus, met de fakkels van Arthemis,
-met de gevleugelde sandalen van Hermes.
-<span class="pageNum" id="pb2.47">[<a href="#pb2.47">47</a>]</span></p>
-<p>Men zeide nu zelfs, dat Aspasia de redevoeringen opstelde, die Pericles voor het volk
-hield. Pericles, de Olympiër, de sedert zoo langen tijd gevierde redenaar, liet zich
-dit glimlachend welgevallen en erkende, dat hij zijne gelukkigste gedachten aan Aspasia
-te danken had. Aspasia bezat eene betooverende, zoetvleiende, krachtige taal, zooals
-men soms bij vrouwen aantreft, waaraan zich een liefelijke, zilveren klank van stem
-paarde; en zoo maakte zij op de mannen den indruk, als ware zij met groote gave van
-welsprekendheid bedeeld en eene vrouw, van wie men veel leeren kon.
-</p>
-<p>Echter werd er ook onder het volk gemompeld, dat Aspasia Pericles zocht te verleiden
-naar de koninklijke waardigheid te streven. Men zeide, dat zij niet achter hare landgenoote
-Thargelia wilde staan, wie het ook gelukt was de gade van een koning te worden.
-</p>
-<p>Steeds nog stond de eerwaardige Elpinice aan de spits dier nieuwigheidsventers. Zij
-was de levende en wandelende kroniek van Pericles&#x2019; huis te noemen. Van haar afkomstig
-was het verhaal van den kus, welke Pericles bij het uitgaan en terugkeeren aan zijne
-vrouw gaf. Zij wist het, welke gezindheid Aspasia jegens de kinderen van Pericles
-koesterde en jegens den jongen Alcibiades.
-</p>
-<p>Zij wist te vertellen, dat Aspasia niet van <span class="corr" id="xd30e5614" title="Bron: Pararalus">Paralus</span> en Xanthippus hield, dat zij zich weinig aan hen liet gelegen liggen, hen overliet
-aan de zorg van den paedagoog, doch zich als eene moeder den jongen Alcibiades aantrok,
-hem vertroetelde, dat onder hare handen de zoon van Clinias verwijfd en nog wat ergers
-zou worden.
-</p>
-<p>Was het te verwonderen, dat Aspasia voor den heerlijk begaafden pleegzoon van Pericles
-partij trok tegen zijne zoons, die wel is waar des vaders trekken op het gelaat droegen,
-doch in karakter de evenbeelden hunner moeder Telesippe waren?
-</p>
-<p>Behalve Alcibiades, Paralus en Xanthippus groeide nog in het huis van Pericles een
-andere knaap op, die wel niet tot de huisgenooten van Pericles <span class="pageNum" id="pb2.48">[<a href="#pb2.48">48</a>]</span>behoorde, maar toch ook niet onder de slaven gerekend kon worden. Pericles had hem
-uit den Samischen oorlog mede naar Athene gebracht. Men wist niets meer van zijne
-afkomst, dan dat hij de zoon van een Thracische of Scythischen of een ander Noordsch
-koning was, dat hij door eene vijandelijke hand als kind aan zijne ouders ontroofd
-was en vervolgens als slaaf was verkocht. Pericles vond hem op Samos. Zijne deelneming
-werd opgewekt door het droevige lot en het ongemeen uiterlijk van den knaap; hij kocht
-hem en voerde hem met zich naar Athene. Hier liet hij hem opvoeden met zijne eigen
-kinderen. Zijn naam was Manes. Hemelsbreed verschilden zijne trekken van de fijnheid
-en adel der Helleensche vormen, hij herinnerde veeleer een weinig aan de Scythische
-huursoldaten op de Agora. Maar hij had uitnemend schoon, bruin, glanzend haar, heldere
-oogen en eene zeer blanke huid. Hij was stil in zich zelven gekeerd en verried in
-vele zaken een eigenaardig karakter.
-</p>
-<p>Alcibiades zocht den nieuwen makker voor zich te winnen en hem in te nemen door zijne
-beminnelijke uitgelatenheid. Het gelukte hem niet. Manes was liefst alleen, legde
-geene schitterende gaven des geestes aan den dag, verdiepte zich echter met ijver
-in alle vakken van wetenschap, die hem tegelijk met de jongens van Pericles onderwezen
-werden. Pericles zelf begon van hem te houden, Aspasia echter vond hem zonderling
-en de jonge Alcibiades maakte hem tot het doelwit van zijne spotternijen en overmoedige
-scherts.
-</p>
-<p>Het deed aan het geluk van Pericles geen afbreuk, dat zijn huis thans meer dan vroeger
-voor zijne vrienden open stond, en dat Aspasia met opzet, tegen &#x2019;t gebruik der Atheensche
-vrouwen, in het gezelschap van haar echtgenoot deel nam aan de gesprekken der mannen.
-Voor het geluk van minnenden is het toch een nieuwe prikkel, wanneer zij voor eenige
-oogenblikken zich in eene grootere omgeving als &#x2019;t ware verliezen, om later <span class="pageNum" id="pb2.49">[<a href="#pb2.49">49</a>]</span>dubbel gelukkig elkander weder te vinden.
-</p>
-<p>Van de oudere vrienden van Pericles trad Anaxagoras thans meer op den achtergrond;
-hij werd verdrongen door den schitterenden Protagoras, die zich in Aspasia&#x2019;s gunst
-mocht verheugen en wiens frissche, onbevooroordeelde, gezonde, vrijzinnige levensbeschouwing
-hem tot een natuurlijken bondgenoot van de Milesische maakte. Opmerkelijk was het,
-dat de dichter der &#x201e;Antigone&#x201d; zelden het huis van Pericles bezocht: hetzij, omdat
-hij met den hem eigen fijne takt de ijverzucht, die zijn vriend tegen hem had opgevat,
-niet opnieuw wilde wekken, hetzij, omdat hij meende eene bij hem zelven ontwakenden,
-onedelen hartstocht te moeten onderdrukken; misschien ook omdat eene andere bekoorlijke
-vrouw zijn hart had veroverd en hem aan zijne oude vrienden ontroofde. Niet onmogelijk
-is het, dat al deze redenen te zamen zijne bezoeken minder talrijk maakten.&#x2026;
-</p>
-<p>Was het dus eene zeldzaamheid, dat de vroolijke Sophocles zich daar vertoonde, des
-te meer zocht de sombere Euripides, zijn mededinger op het gebied van het treurspel,
-het gezelschap van Aspasia. Met hem kwam Socrates, wiens vriendschap en trouw onveranderd
-waren gebleven. De belangen van zijn beroep voerden Phidias soms naar het huis van
-Pericles, en Aspasia genoot den triomf te zien, dat hij haar gezelschap niet vermeed.
-Tegen hem wist zij eene lieftalligheid aan den dag te leggen, die op zijn eigenaardig
-karakter berekend was. Altijd weder kwam zij in hare gesprekken met hem op zijne Lemnische
-Godin terug. Zij wond zich dan op, ja geraakte zelfs in vuur. Naar hare meening stond
-Phidias thans op een kruisweg, en zij hoopte invloed te oefenen, op de richting die
-hij zou kiezen. Zij wilde alles er op zetten, om zijne stijfhoofdigheid in de opvatting
-zijner kunst te breken.
-</p>
-<p>Herhaaldelijk wierp zij hem voor de voeten, dat hij de bekoring der vrouwelijke schoonheid
-niet genoeg tot haar recht liet komen.
-<span class="pageNum" id="pb2.50">[<a href="#pb2.50">50</a>]</span></p>
-<p>Phidias versmaadde inderdaad de zoogenaamde modellen. Hij droeg in zich zelven de
-volmaakte afbeeldingen van alle schoone vormen. Zoo bleef zijn kunstenaarsoog het
-liefst naar binnen gericht en hoe ouder hij werd des te meer vertrouwde hij op zijn
-eigen talent. Hij was te fier, om de werkelijkheid eenvoudig na te volgen en in steen
-of metaal over te brengen. Dit echter was het juist, wat Aspasia van hem verlangde.
-</p>
-<p>Toen zij even weder een levendig gesprek van dezen aard met Phidias had gevoerd en
-deze zich verwijderd had, zeide Pericles glimlachend:
-</p>
-<p>&#x201e;Gij schijnt zeer verstoord te zijn op Phidias, omdat hij niet meer bij de schoone
-natuur ter schole wil gaan?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo is het,&#x201d; zeide Aspasia; &#x201e;in zijne ziel worden alleen de idealen eener, om zoo
-te zeggen, onbewuste en ernstige schoonheid gevonden. Het is tijd, dat hij de ten
-volle ontwikkelde, bewuste bekoorlijkheid en lieftalligheid niet versmaadt aan de
-natuur te ontleenen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Naar welke vrouw echter,&#x201d; hernam Pericles, &#x201e;zoudt gij hem verwijzen, om deze volle
-en betooverende bekoorlijkheid, als uit de zuiverste bron te putten? Daar Phidias
-de Homerische Helena niet uit den Hades kan oproepen en de schoonste van alle thans
-levende Helleensche vrouwen, naar het eenstemmig oordeel van alle menschen, gij zelve
-zijt, zoo zou ik wel gaarne willen weten, wat gij Phidias zoudt antwoorden, als hij
-u vraagt, naar welke vrouw gij hem verwijst?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik zou hem naar eene vrouw verwijzen,&#x201d; hernam Aspasia, &#x201e;die geheel haar eigen meester
-is.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar als hij er op stond zich tot eene vrouw te wenden, die niet haar eigen meester
-is?&#x201d; vroeg Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Dan zou hij zich natuurlijk,&#x201d; hervatte Aspasia, &#x201e;tot dengene moeten wenden, wien
-zij behoort: tot haar heer als zij eene slavin is, of tot haar echtgenoot, als zij
-de vrouw is van een Atheensch man.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb2.51">[<a href="#pb2.51">51</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;En gelooft gij,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;dat een Atheensch man ooit zou kunnen besluiten,
-de vrouw, die hem toebehoort geheel en al aan de blikken van een ander prijs te geven?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom doet gij mij eene vraag,&#x201d; zeide Aspasia, &#x201e;die gij beter in staat zijt te beantwoorden
-dan ik zelve?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Welaan dan,&#x201d; antwoordde Pericles, &#x201e;ik zal ze beantwoorden. De Atheensche man zal
-de vrouw, die hem toebehoort, nooit ongesluierd aan de blikken van een ander prijs
-geven. De eerbaarheid der vrouw mag geen ijdele klank zijn, en wanneer de jonkvrouw
-van een zedig karakter is, moet de vrouw, die een man toebehoort, dubbel zedig zijn
-uit liefde omdat zij door het prijs geven harer eerbaarheid niet zich zelve alleen
-onteert.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Uwe meening is achtenswaardig,&#x201d; zeide Aspasia, &#x201e;en ongetwijfeld juist. De grond echter,
-dien gij er voor aanvoert, schijnt mij niet volkomen afdoend te zijn. Het komt toch
-niet zelden voor, dat gij, mannen, uwe vrouwen aan de oogen en handen der geneesheeren
-toevertrouwt, zij het dan ook in eigen tegenwoordigheid. Derhalve komt het mij voor,
-dat de eerbaarheid niet de voornaamste <span class="corr" id="xd30e5649" title="Bron: rede">reden</span> is en dat niet elke <span class="corr" id="xd30e5652" title="Bron: onsluiering">ontsluiering</span> op zich zelve onzedig is.&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo ver waren Pericles en Aspasia in hun gesprek gevorderd, toen zij plotseling door
-het bezoek van twee mannen werden gestoord, wier gelijktijdig binnentreden in hun
-huis hen zeer verraste.
-</p>
-<p>De beide mannen waren Protagoras en Socrates.
-</p>
-<p>&#x201e;Wel, hoe komt het,&#x201d; vroeg Aspasia glimlachend na de eerste begroeting, &#x201e;dat twee
-uitgelezen mannen, van wie ik sedert het feestmaal bij Hipponicus altijd gevreesd
-had dat zij vijandig tegen elkander over zouden staan, heden zoo vreedzaam te zamen
-tegelijker tijd dit huis betreden?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik zal u vertellen hoe het komt,&#x201d; antwoordde Socrates, &#x201e;als gij het volstrekt wilt
-weten. Wij beiden, Protagoras en ik, ontmoetten elkander van <span class="pageNum" id="pb2.52">[<a href="#pb2.52">52</a>]</span>verschillende kanten komend, voor de deur van dit huis. Ik voor mij stond reeds een
-poos voor den drempel en aarzelde binnen te treden, omdat mij juist op het oogenblik,
-waarop ik binnen wilde gaan, eene gedachte inviel, die ik maar niet uit mijn hoofd
-kon zetten. Terwijl ik daar zoo stond, met de oogen naar den grond geslagen, kwam
-Protagoras van den anderen kant. Hij zag mij aanvankelijk evenmin als ik hem, daar
-hij, terwijl ik in gepeinze verdiept naar den grond keek, met opgerichten hoofde zijn
-oog in de wolken en in den onmetelijken aether liet ronddwalen. Zoo liepen we elkander
-tegen het lijf; ik herkende Protagoras en hij mij, en daar wij beiden bemerkten, dat
-ieder onzer van plan was hier binnen te gaan, wilden wij ieder terugkeeren en den
-andere het veld ruimen. Maar toen wij wederkeerig verklaarden, dat we elkander de
-baan vrij wilden laten en geen van beiden elkanders aanbod wilden aannemen, kwamen
-wij eindelijk tot den inval, op goed geluk te zamen het huis binnen te treden.&#x201d;
-</p>
-<p>Pericles en Aspasia glimlachten en zeiden, dat zij in deze ontmoeting een goed voorteeken
-zagen, des te meer omdat zij juist in een soort van wijsgeerig gesprek verdiept waren.
-Zij waren, zeiden zij, met een vraag bezig tot welker oplossing twee mannen, die wel
-is waar verschillende meeningen waren toegedaan, maar toch onbetwist wijzen waren,
-zeker wel het hunne konden bijdragen.
-</p>
-<p>Toen nu Protagoras en Socrates vroegen, welke de bedoelde vraag was, maakte Pericles
-geen bezwaar om de beide mannen de zaak uiteen te zetten.
-</p>
-<p>&#x201e;Wij wierpen de vraag op,&#x201d; zei hij, &#x201e;of een man bereid zou kunnen zijn de ongesluierde
-schoonheid der vrouw, die hij liefheeft, aan het oog eens beeldhouwers tot model prijs
-te geven. Ik ontkende dit. Aspasia echter wees mij er op, dat wij, mannen, onze vrouwen
-toch wel aan de oogen en handen der geneesheeren prijs geven, zij het <span class="pageNum" id="pb2.53">[<a href="#pb2.53">53</a>]</span>dan ook in onze eigen tegenwoordigheid; dat wij derhalve soms geneigd zijn andere
-gronden hooger te achten, dan die der zedigheid. Dat u nu juist het toeval hierheen
-voert is eene bestiering der Goden, die u als wijze mannen tot beslissing dezer zaak
-geroepen hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ongetwijfeld,&#x201d; zei Protagoras, &#x201e;zijn er gronden, die hooger staan dan de zedigheid,
-en beweegredenen, die de schijnbare kwetsing der zedigheid kunnen verontschuldigen.
-Een dier beweegredenen heeft Aspasia reeds aangevoerd. Ik voeg er bij: wat zou er
-van de beeldhouwkunst worden wanneer het schoonste zich uit preutschheid aan het oog
-des beeldhouwers onttrok? De schoonheid heeft plichten niet alleen tegenover zich
-zelve. Wat de natuur haar met kwistige hand heeft geschonken, dat moet zij der kunst
-ten goede laten komen. Het schoone toch behoort in een zekeren zin steeds aan het
-algemeen en dit laat zich zijn recht daarop niet ontnemen. Bovendien is de schoonheid,
-volgens hare natuur, iets vluchtigs, iets dat op zich zelf alleen voor het tegenwoordig
-geslacht aanwezig is en dat niet anders tot de nakomelingschap gebracht en daarvoor
-vereeuwigd kan worden, dan doordat de dichters het in hunne zangen verheerlijken,
-zooals Homerus de gade van Menelaüs, of dat een beeldhouwer de levende bekoorlijkheid
-des lichaams in marmer of metaal aan de komende geslachten, zoo ver mogelijk, overlevert.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Naar uwe meening,&#x201d; hernam Pericles, &#x201e;moet dus eene schoone vrouw als gemeen goed
-beschouwd worden, die niemand geheel voor zich alleen mag bezitten?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Alleen hare schoonheid&#x2014;niet zij zelve,&#x201d; antwoordde Protagoras. &#x201e;Evenals het bij alles,
-wat in de wereld geschiedt, op de aard en wijze, waarop dit plaats vindt, aankomt
-op de omstandigheden, waaronder het gebeurt, zoo kan ook, mijns inziens, het ten toon
-stellen van de vrouwelijke bekoorlijkheid ter bevordering van een grootsch doel, de
-kunst, op een aard en wijze en onder <span class="pageNum" id="pb2.54">[<a href="#pb2.54">54</a>]</span>omstandigheden plaats grijpen, die het bedenkelijke der zaak ten volle wegnemen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En welke zouden die omstandigheden zijn?&#x201d; vroeg Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Dit is eene zaak,&#x201d; hernam Protagoras, &#x201e;die eenigszins moeilijk is uit te maken. Zooals
-Aspasia naar aanleiding van uw vroeger gesprek, dat gij ons medegedeeld hebt, reeds
-herinnerd heeft, plegen wij immers eene vrouw, die zonder getuigen de vertrouwelijke
-nabijheid van den hulpbiedenden geneesheer zoekt, voor schaamteloos en onzedig te
-houden, doch wij vinden in die soort van vertrouwelijkheid niets bedenkelijks, als
-zij plaats grijpt onder de oogen van den man. Daarom mag men eens en voor goed vaststellen,
-dat er omstandigheden zijn, waarin de man zijne vrouw zonder schande of onteering
-aan een vreemd oog kan prijs geven&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Natuurlijk,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;zou ik die prijsgeving eener vrouw, wanneer het door
-omstandigheden of door een grootsch doel geboden was, alleen onder die voorwaarde
-kunnen billijken. Ik hoop dat gij ook nog de voorwaarde er bij voegt, dat de vrouw
-den beeldhouwer alleen zal geven, wat aan haar voor den beeldhouwer belangrijk is,
-en dat de eerbaarheid zich alleen zal terugtrekken tot één punt, maar dit punt, om
-zoo te zeggen, tot op den laatsten droppel bloeds zal verdedigen. Intusschen, herinnert
-gij u niet de geschiedenis van dien Oosterschen koning, die door de bekoorlijkheid
-zijner vrouw betooverd, op den inval kwam haar geheel naakt aan zijn gunsteling te
-toonen<a class="noteRef" id="xd30e5679src" href="#xd30e5679">5</a>? Als ik mij goed herinner, verloor deze koning troon en vrouw en leven door den gunsteling,
-die ontvlamd door die bekoorlijkheid, niet <span class="pageNum" id="pb2.55">[<a href="#pb2.55">55</a>]</span>rustte, tot <span class="corr" id="xd30e5690" title="Bron: bij">hij</span> bezat wat hem zoozeer had verrukt.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Met andere oogen,&#x201d; sprak Protagoras, &#x201e;met andere gezindheid, met andere gedachten
-beschouwt een beeldhouwer de naakte schoone gestalte, als de verwijfde gunsteling
-eens Oosterschen konings. Gene merkt, als hij heerlijk ontwikkelde ledematen beschouwt,
-zóóveel op, dat juist zijn kunstenaarsoog bezig houdt en eene groote bron van kennis
-welt daaruit voor hem op, dat er weinig plaats meer overblijft in zijn gemoed voor
-wulpsche gedachten. En die welke soms nog mochten opkomen, heeft hij leeren te beheerschen.
-De gewoonte ook heeft voor de grovere bekoorlijkheid der onthulling hem ongevoelig
-gemaakt. En wat nu den ouden, eerwaardigen Phidias betreft&#x2014;is dat een man? Neen, veeleer
-eene door de Godheid gekuste, doch geslachtlooze beeldhouwersziel, die alleen een
-lichaam, eene hand heeft, om den beitel te kunnen voeren&#x2014;dat is iemand, voor wien
-alles in de wereld alleen vorm is, nooit stof.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Protagoras&#x2019; meening kennen wij nu,&#x201d; sprak Pericles. &#x201e;Laat ons hooren wat Socrates
-aangaande deze zaak in het midden te brengen heeft. Wat denkt gij, Socrates? Is het
-eene vrouw veroorloofd tot bereiking van een grootsch kunstenaarsdoel, hare eerbaarheid
-ter zijde te stellen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dit schijnt mij,&#x201d; hernam Socrates, &#x201e;hiervan af te hangen of in de wereld het schoone
-een hoogeren rang inneemt dan het goede. En dit is juist, als ik mij wel herinner,
-de vraag, die wij al zoo lang trachten op te lossen en wier oplossing ook bij het
-feestmaal van Hipponicus weder werd afgebroken.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Bij alle Olympische Goden,&#x201d; viel hem Aspasia glimlachend in de rede, &#x201e;gij zult mij
-zeer verplichten, beste Socrates, als gij er heden van afziet deze vraag uitvoeriger
-te behandelen en als gij mij voorloopig vergeeft, dat ik niet inzie, waarom de zedelijkheid
-de voorkeur zou hebben boven de schoonheid. Wanneer het eene wet is, dat alles <span class="pageNum" id="pb2.56">[<a href="#pb2.56">56</a>]</span>in de wereld goed en zedelijk moet zijn, dan is het ook eene wet, dat alles in de
-wereld naar schoonheid streeft en in haar den bloei van zijn wezen, het doel zijner
-ontwikkeling vindt. Bijgevolg kan toch de eene zoowel als de andere lezer beide wetten
-alleen eene subjectieve, van den mensch zelf afhankelijke wet zijn. Daarbij, meen
-ik, kunnen wij het voor heden laten berusten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Natuurlijk!&#x201d; riep Protagoras: &#x201e;evenals ieder mensch waarheid noemt, alleen datgene
-wat hem persoonlijk waar voorkomt, zoo is ook goed en schoon voor ieder, alleen datgene
-wat hem alzoo toeschijnt. Eene op zichzelf vaststaande zedelijkheid bestaat er evenmin,
-als eene absolute waarheid.&#x201d;
-</p>
-<p>De goedige trekken van Socrates namen eene ietwat spotachtige uitdrukking aan en hij
-zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Gij beweert altijd, Protagoras, dat er geene absolute waarheid is en gij zijt toch
-zelf de man, die over alles, wat men ook vragen mag, de meest afdoende en onomstootelijke
-beslissing kunt geven!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zijne meening openlijk uit te spreken,&#x201d; hernam Protagoras, &#x201e;is beter dan in valsche
-bescheidenheid voor te geven, niets te weten en toch altijd en eeuwig alles beter
-te willen weten, dan anderen.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik tracht naar het weten,&#x201d; zeide Socrates, &#x201e;dat ik niet bezit. Gij echter loochent
-de mogelijkheid daarvan. Moeten wij den menschelijken arbeid der gedachte reeds als
-ijdel opgeven, nadat wij dien pas eerst hebben begonnen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Altijd nog beter,&#x201d; antwoordde Protagoras, &#x201e;dan de frischheid en harmonie van het
-Helleensche leven door eene sombere en ontevreden beschouwing te willen vervangen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik begrijp nu,&#x201d; hernam Socrates, &#x201e;dat er menschen zijn die, omdat zij de kunst van
-het denken geringschatten, de kunst van het spreken des te sterker beoefenen. Want
-daar de gedachten, die zij uitspreken, naar hunne eigen verklaring geen onbetwistbare
-waarde hebben, zoo kunnen <span class="pageNum" id="pb2.57">[<a href="#pb2.57">57</a>]</span>het alleen schitterende woorden zijn, waardoor zij op het gemoed hunner toehoorders
-werken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Er zijn ook menschen,&#x201d; sprak Protagoras, &#x201e;die de kunst van spreken geringschatten,
-omdat zij gelooven, dat men achter hun geveinsden eenvoud diepzinnigheid, achter hun
-stamelen de wijsheid van een orakel en achter hunne bescheiden vragen het afdalen
-van een verheven geest zal zoeken.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Het komt mij beter voor,&#x201d; zei Socrates, &#x201e;de menschen door vragen, die hun gemakszucht
-storen, tot denken te dwingen, dan hen door snel gevatte, altijd gereede antwoorden,
-die den vrager hoogst aangenaam zijn, tot gedachteloosheid te brengen.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Beter is gedachteloosheid,&#x201d; hernam Protagoras, &#x201e;dan den bodem der werkelijkheid te
-verlaten, op wolken en nevelbeelden te rijden en zich in het oneindige te verliezen.
-Intusschen is zulk een zich verdiepen in de wereld van den onbegrensden gedachtennevel
-dikwijls verklaarbaar. Er zijn er toch, die gedwongen worden, jacht te maken op begrippen,
-omdat hun de goddelijke gave van stoffelijke kunstgewrochten te scheppen ontzegd werd.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Ook zijn er sommigen,&#x201d; antwoordde Socrates, &#x201e;die met beelden pronken, omdat hun de
-gave zich reine en klare begrippen te vormen, niet gegeven is.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Die ellendige droomers,&#x201d; zeide Protagoras, &#x201e;zij juist zijn het, die de deugd gehaat
-maken, omdat zij met hunne woorden er altijd op terugkomen.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Bewonderenswaardiger zijn voorzeker zij,&#x201d; hervatte Socrates, &#x201e;die de deugd geheel
-en al ter zijde laten liggen, om nooit uit de atmosfeer eener schoone liederlijkheid
-te geraken.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo lang de liederlijkheid schoon en beminnelijk is,&#x201d; hernam Protagoras, &#x201e;is het
-beter dan de noodzakelijke onthouding van hen, die op het gebied der schoonheid en
-van het genot het onkruid van den angstvalligen twijfel zaaien, omdat zij <span class="pageNum" id="pb2.58">[<a href="#pb2.58">58</a>]</span>zelven niet tot schoonheid en genot geroepen zijn.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Zulk een ben ik,&#x201d; hervatte Socrates kalm. &#x201e;Gij echter, Protagoras, schijnt mij een
-van diegenen te zijn, die de vrije gedachte tot datgene willen maken, wat zij zelven
-zijn, tot dienstknechten der zinnen!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik betreur het,&#x201d; viel hier Pericles de twistenden in de rede, &#x201e;dat gij met deze woordenwisseling
-de zaak, die hier behandeld werd, niet tot beslissing hebt gebracht, maar u, naar
-mij voorkomt, in een onvruchtbaren, heeten woordenstrijd hebt begeven.&#x201d;
-</p>
-<p>Socrates zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Ik weet, dat ik hier slechts de overwonnene kan zijn!&#x201d;
-</p>
-<p>Na het uiten dezer woorden verwijderde hij zich kalm, zonder een spoor van opgewondenheid
-in zijne trekken.
-</p>
-<p>Spoedig daarop ging ook Protagoras heen, echter niet zonder alvorens zijn opgewekt
-gemoed door eenige bittere woorden lucht te hebben gegeven.
-</p>
-<p>&#x201e;Deze beide wijze mannen,&#x201d; zeide Pericles tot Aspasia, &#x201e;schijnen mij volkomen tegen
-elkander opgewassen te zijn. Zij gingen elkander te lijf, als kunstmatig geoefende
-kampvechters, en het is moeilijk te zeggen, wie van beiden op de eer der overwinning
-aanspraak mag maken.&#x201d;
-</p>
-<p>Aspasia glimlachte slechts en ook toen Pericles haar reeds alleen gelaten had, zweefde
-nog die glimlach om hare lippen. Zij wist zeer wel, wat den strijd der beide mannen
-tot zulk een felheid had gedreven en wat daar zelfs van den kant van den zachten Socrates
-zooveel snijdends en bitters onder gemengd had. Zij las evengoed in het hart van den
-droomer, als in dat van den schitterenden sophist, die geen woord sprak, waarvan hij
-niet wist, dat het aan het oor der schoone Milesische welgevallig zou zijn.
-</p>
-<p>Tegen Socrates ontstond, sedert zijn woordenstrijd met Protagoras, in Aspasia een
-toenemend gevoel <span class="pageNum" id="pb2.59">[<a href="#pb2.59">59</a>]</span>van afkeer en bijna zonder zich er van bewust te zijn, ontkiemde in hare ziel het
-plan om met vrouwelijke arglistigheid de wijsheid van den man, die op &#x201e;de vrije gedachte&#x201d;
-altijd hamerde en &#x201e;de slavin der zinnen&#x201d; verachtte, zoo mogelijk aan hem zelven te
-schande te maken.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e5449">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5449src">1</a></span> Aeschylus, zie Deel I <a href="#n111.1">noot 1 pag. 111</a> en <span class="corr" id="xd30e5454" title="Bron: noot 1 pag. 96."><a href="#n2.94.2">noot 2 pag. 94.</a></span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5449src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5463">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5463src">2</a></span> Het Grieksche spreekwoord &#x201e;Uilen naar Athene zenden&#x201d;, komt vrij wel met onze uitdrukking
-overeen: &#x201e;Water in de zee dragen&#x201d;.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5463src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5585">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5585src">3</a></span> De maan<span class="corr" id="xd30e5587" title="Niet in bron">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5585src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5599">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5599src">4</a></span> Cronides beteekent Cronus&#x2019; zoon d.i. Zeus (Jupiter), ook wel Cronion geheeten<span class="corr" id="xd30e5601" title="Bron: ,">.</span> Zie Deel I, <a href="#n63.1">noot 1 pag. 63</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5599src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5679">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5679src">5</a></span> Bedoeld worden hier de Lydische koning <span class="corr" id="xd30e5681" title="Bron: Candaules">Candaulus</span>, de zoon van Myrsus en de hoveling Gyges, de zoon van Dascyles. In kleuren en geuren
-kan men dat verhaal lezen bij Herodotus 1, 8&#x2013;13; het geheugen van Pericles schijnt
-op dit punt vrij slecht te zijn geweest, daar de gunsteling geenszins uit liefde voor
-de vrouw den koning doodde. Integendeel: de vrouw van Candaulus liet Gyges roepen
-en zeide: &#x201e;Ik geef u de keus òf door Candaulus te dooden mij en het rijk te bezitten,
-òf zelf te sterven, opdat gij later niet weder dingen moogt zien, die onvoegzaam zijn.&#x201d;
-Gyges kiest het eerste, door den uitersten nood gedwongen en verkrijgt alzoo de echtgenoote
-van <span class="corr" id="xd30e5684" title="Bron: Candaules">Candaulus</span> en de heerschappij.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5679src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XVI.</h2>
-<h2 class="main">DE VROUWEN OP HET THESMOPHORIËNFEEST<a class="noteRef" id="xd30e5740src" href="#xd30e5740">1</a>.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">&#x201e;Dat is de schoonheid zelve!&#x201d; riepen de Atheners, toen Phidias zijn nieuw metalen
-beeld van Pallas, dat de Lemniërs hem opgedragen hadden, voltooid had, en het voor
-de eerste maal voor de blikken der Atheners onthulde. Een roep van verbazing en verrassing
-klonk door geheel Athene.
-</p>
-<p>Wat wilde Phidias nu? Zooals hij de Godin in zijn jongste werk had voorgesteld, had
-geen Griek haar gedacht.
-</p>
-<p>Zij was zonder helm en zonder schild. Vrij golfden de krullende lokken om haar fier,
-maar niet minder liefelijk opgericht gelaat. Wonderschoon was de omtrek van dit gezicht;
-onvergelijkelijk teeder waren de wangen gevormd. Men meende haar te zien blozen. De
-beide geheel naakte armen waren, evenals de handen, modellen van den fijnsten en edelsten
-vorm. De opgeheven arm liet een deel der rechterzijde onbedekt zien, slechts licht
-plooide zich het gewaad om de heupen en hier als overal liet het de omtrekken der
-gestalte in volmaakte zuiverheid uitkomen.
-<span class="pageNum" id="pb2.60">[<a href="#pb2.60">60</a>]</span></p>
-<p>Zoo eenstemmig de Atheners in den lof der schoonheid van deze nieuwste schepping van
-Phidias waren, even eenstemmig waren zij in hunne bewering, dat voor deze Pallas,
-Aspasia den kunstenaar tot model moest gediend hebben.
-</p>
-<p>Niet geheel dwaalden zij met deze bewering.
-</p>
-<p>Inderdaad, als reeds Theodota het verstond haar lichaam als eene kunstenaarsstof te
-behandelen, de gedaante van verscheidene Godinnen daarin op verrassende, indrukwekkende
-wijze voor te stellen voor deze verrichtingen in den dienst der kunst geheel Athene
-tot getuige had, zoo wist Aspasia dezelfde kunst in nog edeler en verhoogde mate ten
-toon te spreiden. Maar de eenige getuigen van de ontplooiing dier gaven waren Pericles
-en Phidias geweest.
-</p>
-<p>De ernstige Phidias ging zelfs zoo ver om voor een oogenblik toe te geven, dat de
-natuur menigmaal het ideaal nabij kon komen.
-</p>
-<p>In de Pallas van Aspasia echter had Phidias reeds niet meer de bloote natuur voor
-oogen. Wat hij daar zag was een schepping der nabootsende kunst, eene vreeselijke
-gestalte, uit den geest wedergeboren. Aspasia drukte op de natuurlijke stof harer
-schoonheid met kunstenaarsbewustzijn evengoed een bepaalden stempel, als Phidias naar
-eene bepaalde, inwendige beschouwing en bedoeling het marmer beitelde.
-</p>
-<p>Terwijl Phidias de bekoorlijke lieftalligheid van de schoone en wijze Aspasia in duurzaam
-metaal vereeuwigde, luisterde hij inderdaad naar de vermaning van Pericles om de wijsheid
-voor te stellen in het betooverende, alverwinnende gewaad der schoonheid.
-</p>
-<p>Reeds Alcamenes had iets nieuws en wonderschoons bereikt, toen hem vergund was, uit
-de levende bron van Aspasia&#x2019;s schoonheid te putten. Phidias loste dezelfde vraag op,
-doch hij loste ze op als aller groote meester, als de verhevene, de onvergelijkelijke.
-</p>
-<p>Wat Phidias in zijne laatste Pallas gaf, was <span class="pageNum" id="pb2.61">[<a href="#pb2.61">61</a>]</span>Aspasia, maar verheven tot eene zoo reine en bovenmenschelijke hoogte, dat zij te
-gelijk als een ideaal zich voordeed, als een belichaamde droom der edelste beeldhouwersziel.
-</p>
-<p>Toen Socrates dit nieuwe beeldwerk zag, sprak hij op zijne zinrijke wijze:
-</p>
-<p>&#x201e;Uit dit beeld zou de schoone Aspasia evenveel van den meester Phidias kunnen leeren,
-als de meester Phidias geleerd heeft van de schoone Aspasia.&#x201d;
-</p>
-<p>Zonderling was het, dat de loftuitingen, waarmede de Atheners de Lemnische Pallas
-van Phidias overlaadden, hem ontstemden en knorrig maakten. Hij hoorde er niet gaarne
-van spreken. Hij had dit werk wellicht daarom minder lief omdat hij het niet geheel
-uit zich zelf geschapen had. Hij had, naar het scheen, met eene soort van half onbewusten
-onwil zich van zijne taak, die hem van buiten af opgedragen was, gekweten, en met
-wier volbrenging hij alleen zich van eene onrust zocht te bevrijden, die als door
-eene vreemde betoovering, in hem opgewekt was geworden.
-</p>
-<p>Nu scheen hij des te dieper in zich zelven te willen terugkeeren. Stiller en ernstiger
-dan ooit wandelde hij rond en verloor zich in de beschouwing van een verheven beeld,
-dat in de verborgen diepte zijner ziel hem tegenstraalde. Hij was weder geheel en
-al zich zelf geworden. Hij vermeed Aspasia, hij verkeerde nauwelijks meer met Pericles
-en op een goeden dag verliet hij stil en heimelijk Athene, om naar Elis te gaan, ten
-einde daar de grootsche gedachten zijner groote ziel te <span class="corr" id="xd30e5765" title="Bron: ververwezenlijken">verwezenlijken</span>.
-</p>
-<p>De onverzadelijkste en onvermoeidste bewonderaar der Lemnische Pallas bleef Socrates.
-Hij scheen zijne liefde voor de Milesische op de Godin van Phidias over te willen
-brengen. De natuurlijke Aspasia kwam hem niet meer volkomen voor, van het oogenblik
-af, waarop hij haar hooger ideaal in steen belichaamd zag. En toch kon men toen van
-hem zeggen, dat hij zijn tijd tusschen <span class="pageNum" id="pb2.62">[<a href="#pb2.62">62</a>]</span>die Pallas en haar levend model verdeelde. Dagelijks zag men hem zijne schreden naar
-de woning van Pericles richten, zelfs op gevaar af daar den welsprekenden Protagoras
-te ontmoeten.
-</p>
-<p>Hoe kwam het toch? Wanneer Socrates peinzend en, naar hij meende, zonder doel, door
-Athene&#x2019;s straten wandelde, vond hij zich ten laatste onverwachts voor het huis van
-Pericles. Evenals in een <span class="corr" id="xd30e5774" title="Bron: labyrint">labyrinth</span> van straten, scheen hij een <span class="corr" id="xd30e5777" title="Bron: labyrint">labyrinth</span> van gevoelens te doorkruisen, waar hij geen uitgang vond en dat hem steeds weder
-op dezelfde plaats terugbracht.
-</p>
-<p>Zonder plan derhalve geschiedde het, als Socrates zijne schreden naar die woning richtte.
-Doch wat deed hij daar, als hij er zijns ondanks gekomen was? Verloor hij zich in
-huldebetoon? Gaf hij teekenen van een inwendig liefdevuur, dat hem verteerde? Had
-hij, evenals Protagoras, zich er aan gewend zijne wijsheid uit vreemde oogen te putten?
-Niets van dat alles. Hij streed met Aspasia. Hij gaf haar fijne zetten. Eens zelfs
-sprak hij in hare tegenwoordigheid uit&#x2014;eene uitspraak, die sedert dikwijls herhaald
-en door de overlevering gewoonlijk aan Pericles is toegeschreven, die haar toch slechts
-aan Socrates had ontleend&#x2014;: die vrouw is de beste, over wie men het minst spreekt.
-Hij zei haar bittere woorden en zelfs wanneer hij haar scheen te vleien, tintelde
-hij van die fijne ironie, die een kenmerk van zijn spreektrant uitmaakte.
-</p>
-<p>En Aspasia? Zij scheen des te zachter, vredelievender, beminnelijker en innemender,
-naarmate Socrates zijne vrijmoedige luim meer den vrijen teugel gaf. En omgekeerd:
-hoe zachter en verleidelijker Aspasia was, des te ontevredener en stuurscher werd
-de wijze Socrates.
-</p>
-<p>Wat wilden zij van elkander, deze beide zonderlingen? Streden zij samen den overouden,
-hardnekkigen tweestrijd der wijsheid en der schoonheid? Die zonderlinge strijd werd
-vooral gevoerd sinds de woordenwisseling, welke Socrates met <span class="pageNum" id="pb2.63">[<a href="#pb2.63">63</a>]</span>Protagoras in tegenwoordigheid van Pericles en Aspasia gehouden had.
-</p>
-<p>Aspasia deed het voorkomen dat zij geloofde dat Socrates ter wille van zijn lieveling
-Alcibiades het huis van Pericles bezocht. Zij ging in hare ondeugenden luim zoo ver,
-dat zij verzen tot hem richtte, waarin zij hem als aan een minnaar raad gaf. Socrates
-nam dat alles glimlachend op, zonder de minste gemelijkheid, of eene poging om zijne
-moedwillige vriendin te loochenstraffen. Hij toonde ook nooit, dat de schoone knaap,
-die nog steeds met eene bijna teedere liefde hem aanhing, hem te veel was. Tegenover
-den knaap was hij open, opgeruimd, vriendelijk, vertrouwelijk, zonder een spoor van
-die grilligheid en ironie, waarmede hij goedvond de vriendelijkste bejegening van
-de schoonste aller Helleensche vrouwen te beantwoorden.
-</p>
-<p>Talrijke gesprekken voerde Aspasia nog altijd met den vrouwenhater Euripides, die
-als treurspeldichter thans tot grootere beroemdheid geraakte. Zijne ernstige, bespiegelende
-Muze vond weerklank en hij werd weldra de lievelingsdichter van een tijdvak, dat zich
-van de onmiddellijke en naïeve beschouwing der zaken meer en meer tot eene ideale
-en verhevene opvatting gedreven gevoelde. Hij had rijke ervaring opgedaan en zoo vloeide
-zijn mond altijd over van hetgeen hij in zijn geest had doorleefd. Daarbij had hij
-een scherp, fier karakter, dat hem open en vrijmoedig deed uitspreken, wat hij dacht.
-Hij gaf niemand iets toe, zelfs niet aan het Atheensche volk, &#x2019;t geen ieder meende
-te moeten vleien. Toen men eens een zijner verzen uitfloot, welks inhoud het Atheensche
-volk niet beviel, trad hij op het tooneel om zich te verdedigen, en toen men hem toeriep,
-dat men dit vers niet wilde dulden, antwoordde hij, dat de dichter de onderwijzer
-van het volk was en niet het volk de onderwijzer van den dichter.
-</p>
-<p>Hij vleide ook Aspasia niet, en niemand zou het gewaagd hebben op den toon, dien hij
-aansloeg, <span class="pageNum" id="pb2.64">[<a href="#pb2.64">64</a>]</span>met haar over de vrouwen te spreken.
-</p>
-<p>Hij had zijne eerste vrouw verstooten en eene andere genomen: een feit, dat Aspasia,
-zooals vermeld wordt, in een brief aan Pericles met sluw overleg als een voorbeeld
-van mannelijken moed geprezen had.
-</p>
-<p>Op een goeden dag kwam Aspasia met Euripides toevallig over deze zaak te spreken,
-in tegenwoordigheid van haar echtgenoot en Socrates. Nadat zij hem opnieuw over zijn
-moedig besluit had geprezen, vroeg zij hem naar zijne nieuwe gade.
-</p>
-<p>&#x201e;Zij is het tegendeel van de eerste,&#x201d; antwoordde Euripides wrevelig, &#x201e;maar daarom
-niet beter: zij heeft alleen de tegenovergestelde gebreken. De eerste was een domme,
-maar eerlijke ziel, die mij met eene huisbakken soort van liefde lastig viel; deze
-is een behaagzieke, die door lichtzinnigheid en grilligheid mij tot vertwijfeling
-brengt. Ik ben van den regen in den drop gekomen. Ik ben een ongelukskind en al het
-bittere geven mij de Goden achtereenvolgens te smaken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik hoorde van uwe vrouw zeggen,&#x201d; hernam Aspasia, &#x201e;dat zij schoon en beminnelijk is.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja wel, voor iedereen,&#x201d; zei Euripides, &#x201e;behalve voor mij. Zij zou het natuurlijk
-ook voor mij zijn, als ik besluiten kon hare slechte eigenschappen als even zoovele
-deugden te beschouwen.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Welke zijn dan die slechte eigenschappen, die gij haar toekent?&#x201d; vroeg Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;Zij verwaarloost het huishouden,&#x201d; antwoordde Euripides: &#x201e;het garen aan den weefstoel
-vernielen de hoenders. Zij danst en houdt feestmalen bij hare vriendinnen; zij heeft
-de onfatsoenlijkheid aan de huisdeur te staan en op straat te gluren.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Is dat alles?&#x201d; vroeg Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;Neen!&#x201d; antwoordde de dichter. &#x201e;Zij is wispelturig, zij is luimig, zij is ontrouw,
-zij is leugenachtig, zij is vol <span class="corr" id="xd30e5804" title="Bron: veinzerei">veinzerij</span>, zij is valsch, zij is boosaardig, zij is nukkig, zij is onbillijk, zij is wreed,
-zij is wraakgierig, zij is nijdig, zij is eigenzinnig, zij is bijgeloovig, zij is
-dwaas, zij is sluw, zij is <span class="pageNum" id="pb2.65">[<a href="#pb2.65">65</a>]</span>babbelziek, zij is jaloersch, zij is ijdel, zij is behaagziek, zij is gewetenloos,
-zij is ongevoelig, zij is zielloos&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Houd op!&#x201d; viel hem Aspasia in de rede. &#x201e;Het zou u zwaar vallen, dit alles afzonderlijk
-te bewijzen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dit alles en nog meer!&#x201d; hernam Euripides.
-</p>
-<p>&#x201e;Wellicht betoont ge uwe vrouw te weinig liefde,&#x201d; bracht Aspasia in &#x2019;t midden, &#x201e;en
-maakt gij haar daardoor van u afkeerig!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, waarlijk!&#x201d; riep Euripides met een hoonenden lach; &#x201e;als men de vrouwen hoort,
-ontbreekt het den mannen altijd aan liefde. &#x201e;Gij hebt geen hart, mijn vriend!&#x201d; zei
-de adder tot den geitebok. Juist <span class="corr" id="xd30e5814" title="Bron: het het">het</span> tegendeel is waar! Ik zeg u, mijn ongeluk komt daar vandaan, dat ik mijne vrouw niet
-zoo behandel, als de meeste Atheners hunne vrouwen behandelen; dat ik mij te veel
-door haar laat beheerschen, dat ik mij door haar laat kwellen. Want mak als lammeren
-zijn de vrouwen, zoolang men ze kort houdt; doch aanstonds worden ze overmoedig, als
-men haar aanleiding geeft tot de meening, dat zij onmisbaar zijn. Ja, er is maar één
-enkel middel, om zich van eene vrouw, van haar hart, van hare liefde, van hare hoogachting,
-van hare toewijding te verzekeren: dit middel bestaat hierin, dat men haar <span class="corr" id="xd30e5817" title="Bron: verwaarloosd">verwaarloost</span>. Wee den man, die zijne vrouw laat merken, dat hij haar niet missen kan! Zij zal
-hem den voet op den nek zetten. Eene vrouw lief te hebben is den boozen daemon in
-haar op te wekken. Wie echter zijne vrouw met eene vriendelijke koelheid te gemoet
-treedt en overigens zijn eigen weg gaat, wie haar bewijst, dat hij haar missen kan,
-die wordt gevleid en geliefkoosd, die wordt de wang gestreeld, die wordt de hand op
-den schouder gelegd met de vraag: &#x201e;Wat zal mijn lief mannetje van avond eten?&#x201d; die
-wordt vereerd als &#x201e;de steun en heer des huizes en der familie,&#x201d; hem wordt roerend
-dank betuigd voor iedere kruimel van genade, die hij laat vallen. Toonde echter dezelfde
-man zich teeder <span class="pageNum" id="pb2.66">[<a href="#pb2.66">66</a>]</span>en verliefd, dan zou hij haar binnen acht dagen vervelend toeschijnen, in een maand
-was hij veracht en in een jaar dood gekweld.&#x201d;
-</p>
-<p>Glimlachend hoorden Pericles en Aspasia deze op gramstorigen toon uitgebrachte ontboezeming
-aan. Euripides echter vervolgde met gelijken wrevelen ernst en nadruk:
-</p>
-<p>&#x201e;De Parce van de man is de vrouw. Zij is het, die zijne levensdraden spint&#x2014;zwarte
-of gouden.&#x201d;
-</p>
-<p>Pericles schrikte schier bij deze laatste woorden. Aspasia glimlachte.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik kan niet gelooven,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;dat de man in &#x2019;t algemeen zoo afhankelijk
-is van de vrouw.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hij zal het worden, als hij het nog niet is,&#x201d; hernam Euripides. &#x201e;Ik voorspel de toekomst.
-De macht der vrouw is schrikbarend aan het toenemen. Verstaat gij de dichters en beeldhouwers
-niet, die sedert overoude tijden het fabelachtige beeld der Sphinx hebben voorgesteld,
-eene raadselachtige vrouw, met zachten boezem doch scherpe klauwen? De Sphinx is de
-vrouw. Het verleidelijke schoone gelaat, den verleidelijk zachten boezem houdt zij
-ons voor, het overige echter van het lichaam is een dier met tijgerpooten en moorddadige
-klauwen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zult gij het vrouwelijk geslacht niet overmoedig maken,&#x201d; zei Aspasia, &#x201e;als gij haar
-karakter door zulke vergelijkingen den stempel van het grootsche verleent?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Grootsche misdaden,&#x201d; hernam Euripides, &#x201e;van een man kunnen bewondering wekken; eene
-vrouw met groote ondeugden boezemt altijd afschuw in. Want de misdaden van den man
-kunnen soms uit eene overmaat van op zichzelf roemrijke eigenschappen voortspruiten;
-de ondeugden eener vrouw echter komen altijd voort uit eene kleingeestige, tot eene
-overmaat gedreven zwakheid.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En toch zien wij de vrouwen met deze kleingeestige zwakheden triomfeeren!&#x201d; zeide
-Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;Niet voor altijd!&#x201d; voerde Euripides haar te <span class="corr" id="xd30e5833" title="Bron: ge-gemoet">gemoet</span>. <span class="pageNum" id="pb2.67">[<a href="#pb2.67">67</a>]</span>&#x201e;De dag der wrake komt, die, met de vlammen van een gezonden en rechtmatigen hartstocht,
-de woeste flikkering van eene ziekelijke en zwakke neiging zal uitblusschen. Slechts
-zoolang wij mannen ons zwak toonen, zijn de vrouwen sterk. De vrouw is eene Sphinx;
-ja zeker! Doch men behoeft haar slechts de klauwen af te snijden, om haar onschadelijk
-te maken. Met onafgesneden klauwen is zij eene tijgerin; met afgesneden klauwen niets
-meer dan eene kat. Onze vaderen hebben goed gedaan, dat zij de vrouwen kort hielden.
-Wij mannen van dezen tijd zijn te weekelijk&#x2014;ik zelf behoor tot dat getal&#x2014;wij laten
-de vrouwen de klauwen groeien. Dat is niet goed&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>Het voorhoofd van Aspasia rimpelde zich een weinig, toen de vergramde dichter deze
-woorden met krachtige stem uitstiet. Socrates bemerkte het en zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Vergeet niet, mijn waarde, dat gij tot Aspasia spreekt.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;<span class="ex">Tot</span> Aspasia,&#x201d; hernam Euripides, snel gevat, &#x201e;maar niet <span class="ex">van</span> Aspasia. Ik spreek over de vrouwen. Aspasia is eene vrouw, maar de vrouwen zijn geen
-Aspasia&#x2019;s&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>Socrates liet het, zooals gemeld is, in zijne gesprekken met Pericles&#x2019; gade niet aan
-scherpe woorden ontbreken. Maar nooit was hij in den toon van Euripides vervallen.
-Wij gevoelen ons echter verplicht te zeggen, dat Euripides in zijne gesprekken met
-Aspasia het geheele vrouwelijke geslacht hoonde en onrecht aandeed, doch steeds Aspasia
-zelve met bereidwillige hoffelijkheid daarvan uitzonderde; terwijl Socrates omgekeerd
-zijne pijlen steeds alleen tegen de persoon van Aspasia afschoot, het geheele geslacht
-echter gaarne verdedigde.
-</p>
-<p>En zoo nam hij dan ook nu het schoone geslacht in bescherming tegenover den vrouwenhater
-Euripides, terwijl hij zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Het komt mij een zonderling, maar onomstootelijk <span class="pageNum" id="pb2.68">[<a href="#pb2.68">68</a>]</span>feit voor, dat ieder man, als hij van de vrouw in het algemeen spreekt, toch altijd
-slechts zijne eigene op het oog heeft. Men moest alzoo, dunkt mij, alleen aan zulke
-mannen toestaan om over de vrouwen in het algemeen te spreken, die niet getrouwd zijn.
-Ik beroem mij een van die laatstgenoemden te zijn; en hoe verre mijn vriend Euripides
-in andere wijsheid mij achter zich moge laten, heb ik, omdat hij getrouwd is, het
-voordeel van grootere onpartijdigheid op hem vooruit. Daar voorts Pericles ook gehuwd
-en Aspasia zelve eene vrouw is, ben ik hier de eenige, die geroepen schijnt de partij
-op te nemen voor het door Euripides zoo fel gehoond geslacht. Mij ontbreekt het wel
-is waar aan welsprekendheid en ik zou Protagoras gaarne hier wenschen: deze zou niet
-in gebreke blijven ons de vrouw te prijzen als de schenkster der zoetste vreugde,
-als de bereidster van het schoonst geluk, als de beschermster van den goddelijken
-schat der schoonheid en van het genot op aarde, als de troosteres van den man, als
-de artsenij zijner kwalen. &#x201e;Welk een pronkstuk,&#x201d; zou hij uitroepen, &#x201e;is eene schoone
-vrouw! Met ieder atoom harer persoonlijkheid verrukt zij. Geluk en zaligheid stralen
-uit van haar wezen&#x200a;&#x2026;&#x201d; Zoo zou Protagoras spreken. Euripides daarentegen beweert: de
-vrouwen zijn Sphinxen, zij hebben een bekoorlijk gelaat en een zachten boezem, doch
-scherpe klauwen. Zou het niet geoorloofd zijn omgekeerd te zeggen: de vrouwen hebben
-wel is waar scherpe klauwen, maar een bekoorlijk gelaat? Waarom zou men den grootsten
-nadruk niet liever op het goede der vrouwen, dan op het kwade leggen?&#x2014;&#x201e;Men moet haar
-de klauwen afsnijden,&#x201d; zegt Euripides. Maar zou haar dit, behalve de mogelijkheid
-om te schaden, ook hare vijandelijke gezindheid ontnemen? Zou het niet veel practischer
-zijn, rechtstreeks op de verbetering harer gezindheden te werken? De klauwen worden
-dan van zelf onschadelijk. Hoevele deugden kan eene vrouw niet <span class="pageNum" id="pb2.69">[<a href="#pb2.69">69</a>]</span>ontwikkelen! Hoevele zegeningen weet zij niet om zich te verspreiden! Niet alleen
-door hetgeen, wat zij uitvoert of zegt of doet, maar reeds door hetgeen, wat zij is.
-De natuurlijke kampioenen van het schoone zijn de vrouwen: doch daar zij elke zaak,
-waarvoor zij strijden, doen triomfeeren&#x2014;hoe heerlijk zou het zijn, als wij haar ook
-tot kampioenen van het goede en het ware konden winnen? Zoolang het licht van eene
-hoogere opvatting het hoofd der vrouwen niet verheldert, volgen zij natuurlijk alleen
-de aandrift van haren physischen aanleg, en deze aandriften zijn altijd ruw en baatzuchtig.
-Wellicht zullen de mannen in de toekomst er naar streven, om de vrouwen, door eigene
-overweging in plaats van slavinnen van onbestemde natuurdriften te zijn, tot priesteressen
-van het schoone en het goede te maken!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, dat ontbrak er nog maar aan, dat de slangen vleugels kregen!&#x201d; riep Euripides
-met een spottenden lach. &#x201e;Niet te verwonderen is het overigens,&#x201d; ging hij voort, &#x201e;dat
-deze hoop op verbetering der vrouwen uitgesproken wordt door een man, die in &#x2019;t algemeen
-alle menschelijk geluk van het verstand en van heldere begrippen verwacht. Ik zeg
-u echter, dat de waarde en de adel der vrouw niet in de ontwikkeling van haar verstand,
-maar in de ontwikkeling van haar hart, van haar gevoel berust!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat kan wel zijn,&#x201d; hernam Socrates, &#x201e;maar nu doet zich de vraag op, of het hart en
-zijne gewaarwording ooit door zichzelf kan gevormd worden, dan wel of daartoe niet
-de invloed van een tot op zekere hoogte ontwikkeld verstand gevorderd wordt?&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Pericles drukte zijne ingenomenheid met Socrates&#x2019; woorden uit. Aspasia zweeg en toonde
-terstond minder belangstelling; want hoezeer ook enkele punten, die Socrates had aangeroerd,
-met hare eigene meening overeenstemden, kwam het haar toch voor, als had de droomer
-onder het masker zijner bescheidenheid zich durven vermeten, haar <span class="pageNum" id="pb2.70">[<a href="#pb2.70">70</a>]</span>een lesje te geven. Voor eene bevrijding van den geest, voor eene veredeling van haar
-geslacht te werken, was immers sinds lang haar streven geweest.
-</p>
-<p>Had zij niet openlijk zich zelve en haren vrienden op de Acropolis de gelofte gedaan,
-dit doel met alle krachten te bevorderen, nadat zij de gade van Pericles geworden
-was?
-</p>
-<p>Zij had woord gehouden. Het leven en de positie der vrouwen geheel en al te herscheppen
-was sinds dien tijd haar moedig pogen.
-</p>
-<p>Om dit doel echter te bereiken, had zij moeten trachten invloed te krijgen op de vrouwen
-van Athene, de rol van zuurdeeg moeten vervullen bij deze trage massa, degenen, die
-haar dwarsboomden, verzoenen, ze tot aanhangsters, leerlingen, vriendinnen moeten
-maken.
-</p>
-<p>Pericles had hare bedoelingen gesteund: want hij beminde haar. Hij verschafte haar
-gaarne elk soort van genoegen. Hij leidde haar, wanneer deze uitdrukking veroorloofd
-is, in de Atheensche kringen binnen. De Atheensche vrouwen waren van het gezelschap
-der mannen uitgesloten; maar zij hielden een vrij druk verkeer onder elkander. Schijnbaar
-argeloos mengde Aspasia zich in dit verkeer.
-</p>
-<p>Onder de schoone en waarlijk verstandige vrouwen, wien het gegeven is, de mannen in
-hare netten te lokken, worden er aangetroffen, wien het bovendien verleend is, trots
-den nijd, den haat, de ijverzucht, die zij opwekken, toch ook personen van haar eigen
-geslacht aan te trekken en voor zich in te nemen. Zooals van zelf spreekt, bereikten
-zij dit niet door overmatige vriendelijkheid en lieftalligheid of door praatjes en
-opgedrongen beleefdheden, maar door den eenvoud, waarmede zij den gevaarlijken glans
-harer voorrechten vrijwillig schijnen te temperen, en door de nauwkeurigste kennis
-der eigenaardigheden en grillen van haar, die zij voor zich willen winnen. Aspasia
-zocht vertrouwen in te boezemen; ongelijk aan de onverstandigen van hare sekse, wist
-zij, dat eene schoone vrouw in de meeste gevallen het zekerst <span class="pageNum" id="pb2.71">[<a href="#pb2.71">71</a>]</span>door een verstandig, rustig, kalm, waardig gedrag zoowel mannen als vrouwen inneemt.
-Zij richtte haar streven in de eerste plaats daarop, dat men gedwongen werd haar te
-achten; beminnelijk te schijnen zou dan vanzelf het geval zijn.
-</p>
-<p>Eerst nadat Aspasia door zulk eene houding, die bij haar volstrekt niet gemaakt maar
-eene zaak van haar vrouwelijke natuur was, den bodem voor hare ondernemingen had voorbereid,
-was zij met hare bedoelingen en plannen meer openlijk voor den dag gekomen.
-</p>
-<p>Na eenigen tijd waren de Atheensche vrouwen tegenover de gade van Pericles in een
-tal van partijen verdeeld.
-</p>
-<p>Er waren onverzoenlijken, die haar haatten en die met alle middelen van vrouwelijke
-vijandelijkheid zich openlijk en in het geheim tegen haar verzetten. Er waren er,
-die Aspasia eene soort van persoonlijke genegenheid niet weigerden, maar van meening
-waren, dat hare plannen te vermetel en onbepaald waren; er waren anderen, die wel
-is waar de persoon van Aspasia met afgunstige oogen beschouwden, doch door een innerlijken
-drang gedreven werden, om haar voetspoor te volgen en in vele opzichten te doen als
-zij. Doch er waren er ook, die zich geheel en al door Aspasia hadden laten overtuigen
-en winnen, doch die niet alleen den moed bezaten zich openlijk met hare leidsvrouw
-te verbinden tot een strijd voor de vertrapte rechten der vrouw.
-</p>
-<p>Tot de onverzoenlijkste en nog steeds <span class="corr" id="xd30e5876" title="Bron: gevaarlijklijkste">gevaarlijkste</span> vijandinnen van Aspasia behoorden, zooals licht te begrijpen is, de verstooten gemalin
-van Pericles en de zuster van Cimon.
-</p>
-<p>Deze laatste was gewoon als &#x2019;t ware boek te houden van het leven en de handelingen
-van Aspasia; zij vorschte uit en verbreidde wat Aspasia tot andere vrouwen sprak en
-niet zelden geschiedde het, dat deze woorden verdraaid van mond tot mond gingen, om
-de gemoederen der Atheners tegen de gade van Pericles op te hitsen.
-<span class="pageNum" id="pb2.72">[<a href="#pb2.72">72</a>]</span></p>
-<p>Zoo geschiedde het op zekeren dag, dat Aspasia met eene pas gehuwde vrouw zich in
-tegenwoordigheid van haar echtgenoot onderhield. Het jeugdige paar verlangde van haar
-te vernemen, waarop het zekere geluk der liefde en van den echt berustte.
-</p>
-<p>Aspasia voelde den lust in zich opkomen, om eens den Socratischen redeneertrant te
-beproeven.
-</p>
-<p>&#x201e;Wanneer uwe buurvrouw,&#x201d; zeide zij tot de jonge vrouw, &#x201e;een schooner kleed heeft dan
-gij, welk zoudt gij verkiezen: het uwe of het hare?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Het hare,&#x201d; antwoordde de jonge vrouw.
-</p>
-<p>&#x201e;En wanneer uwe buurvrouw schooner kleinoodiën bezit dan gij,&#x201d; vervolgde Aspasia,
-&#x201e;aan welke zoudt gij de voorkeur geven?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Aan de hare natuurlijk,&#x201d; hernam de jonge vrouw.
-</p>
-<p>&#x201e;En wanneer zij een beteren man heeft dan gij, aan welken zoudt gij de voorkeur geven,
-den uwen of dien van haar?&#x201d;
-</p>
-<p>De jonge vrouw bloosde over deze onverwachte, verbijsterende vraag. Aspasia echter
-zei glimlachend:
-</p>
-<p>&#x201e;In den natuurlijken loop der dingen zal de vrouw den beteren man, de man de betere
-vrouw voortrekken. Mij schijnt dus de zekerste waarborg voor het geluk in de liefde
-en den echt, dat de man trachte in &#x2019;t oog zijner vrouw de beste aller mannen, de vrouw
-wederkeerig in &#x2019;t oog van haar man de beste aller vrouwen te zijn. <span class="corr" id="xd30e5893" title="Bron: Vele">Velen</span> vorderen van anderen de liefde als een plicht, wat zeer onbillijk is. Men moet ze
-trachten te verdienen en er naar streven ze voortdurend levendig te houden.&#x201d;
-</p>
-<p>Wat Aspasia met deze woorden het jonge paar te denken gaf, was zeker niet zonder gezonden
-zin. Doch hoe werden zij niet verwrongen in den mond van Elpinice en consorten? Het
-onderhoud van Aspasia met het jonge echtpaar maakte eenige dagen lang bij de Atheners
-de ronde. Maar men vertelde niet, dat Aspasia als eenigen waarborg voor <span class="pageNum" id="pb2.73">[<a href="#pb2.73">73</a>]</span>onwankelbaar echtgeluk verklaard had, dat de man zijne vrouw voor de beminnelijkste
-aller vrouwen, de vrouw haar man voor den besten aller mannen moest houden; neen,
-men zeide, dat Aspasia de jonge Hipparchia in tegenwoordigheid van haar gemaal had
-opgezet, aan een vreemden man boven haar eigen echtgenoot de voorkeur te geven, als
-geene haar beter beviel.
-</p>
-<p>Aspasia besloot de Socratische methoden in hare gesprekken in het vervolg te laten
-varen en nog zorgvuldiger dan vroeger er op te letten, met welk soort van personen
-zij zich onderhield. De vijandinnen van Aspasia gingen echter zoover, dat zij opzettelijk
-met haar gesprekken aanknoopten, om haar onder den schijn van genegenheid uitspraken
-te ontlokken, die haar in de achting der Atheners zouden kunnen doen dalen. Aspasia
-doorzag zulk een plan gemakkelijk en wist de aanslagen dezer vijandinnen soms op eene
-wijze te verijdelen, die haar, behalve de voldoening haar doel bereikt te hebben,
-nog eene soort van vermakelijk genot verschafte.
-</p>
-<p>Zoo drong zich op een goeden dag <span class="corr" id="xd30e5904" title="Niet in bron">een </span>zekere Clitagora met geveinsde bewondering aan haar op. Aspasia echter wist, dat Clitagora
-tot de clique van Telesippe en de zuster van Cimon behoorde.
-</p>
-<p>Zij stelde Aspasia de vraag voor, door welke kunsten eene vrouw haar echtgenoot het
-best aan zich zou kunnen boeien?
-</p>
-<p>&#x201e;De krachtigste van alle kunsten, waardoor eene sluwe vrouw den argeloozen echtgenoot
-aan zich en aan den huiselijken haard boeien kan,&#x201d; hernam Aspasia met gewichtig gelaat,
-&#x201e;is de kookkunst. Mij is eene vrouw bekend, die als eene Godin door haar man wordt
-vereerd, alleen om de lekkernijen, die zij hem dagelijks voorzet. Haar meesterstuk
-is de zachte en lichte sesamee<a class="noteRef" id="xd30e5909src" href="#xd30e5909">2</a>, die zij uit <span class="corr" id="xd30e5912" title="Bron: sesamus meel">sesamusmeel</span> met honig en olie in de pan gereed <span class="pageNum" id="pb2.74">[<a href="#pb2.74">74</a>]</span>maakt. Zij neemt gepelde gerst, stampt ze fijn in een vijzel, schudt het meel in een
-pot, giet er olie bij, roert deze brij, terwijl zij langzaam kookt, bestendig om,
-besproeit ze van tijd tot tijd met bouillon van hoenders of geiten- en lamsvleesch,
-ziet toe dat zij niet overkookt en wanneer ze gaar is, laat zij ze opdragen. Ook hare
-hazenpasteien van bastaardnachtegaals en andere kleine vogels zijn voortreffelijk.
-Welk man zou zich aan de verleiding van zulke dingen kunnen onttrekken? Er zijn ook
-mannen, die met de zoogenaamde Cappadocische<a class="noteRef" id="xd30e5917src" href="#xd30e5917">3</a> koeken dweepen. Men kneedt ze het best met honig, snijdt het deeg in dunne platen,
-die, als ze de pan maar ruiken, oprollen. Deze rolletjes worden dan in wijn gedoopt
-en moeten geheel heet op tafel komen.&#x201d;
-</p>
-<p>Op die wijze ging Aspasia voort de regels van eene lekkere keuken uiteen te zetten
-tot verbazing van een deel harer toehoorderessen en tot ergernis van een ander deel,
-dat in deze uitweidingen niets vond, wat dienen kon, om Aspasia in de openbare meening
-te schaden en den roep van hare lichtzinnigheid of hare gevaarlijke beginselen te
-bewijzen.
-</p>
-<p>De onaangename tegenstand, die de pogingen van Aspasia in de vrouwenwereld van Athene
-voor een deel ondervonden deed haar des te liever de gelegenheid aangrijpen, die zich
-voordeed, om een paar verweesde dochtertjes van haar oudere, te Milete gestorven zuster
-bij zich aan huis te nemen. In deze teedere, doch gunstig begaafde en ontwikkelde
-meisjes, Drosis en Prasina geheeten, van welk de eene vijftien jaar en de ander slechts
-een jaar telde, geloofde Aspasia geschikte voorwerpen te vinden voor de verwezenlijking
-harer gedachten over de vorming van de Helleensche vrouw tot geestelijke en persoonlijke
-vrijheid. Men mocht gelooven, dat zij eens de school, waaruit zij kwamen, eer zouden
-aandoen en de zaak van Aspasia, <span class="pageNum" id="pb2.75">[<a href="#pb2.75">75</a>]</span>die tegelijk de zaak van het geheele vrouwelijke geslacht was, tot overwinning zou
-helpen voeren.
-</p>
-<p>Intusschen, Aspasia was ongeduldig; zij was zeer geneigd om ver reikende plannen op
-te vatten, die natuurlijk eerst langzaam konden rijpen, doch zij wenschte die door
-koene, snelwerkende maatregelen te bereiken.
-</p>
-<p>Zulk een doortastenden maatregel nu beproefde zij om de teugels der heerschappij over
-haar geslacht te Athene zoo mogelijk in eens in hare macht te brengen.
-</p>
-<p>Onder de talrijke godsdienstige feesten der Atheners was er ook een, dat uitsluitend
-door vrouwen gevierd werd en dat op strenge straffe geen man bij mocht wonen. Dit
-was het Thesmophoriën-feest; ter eere van Demeter, die niet alleen als de Godin van
-den akkerbouw, maar ook als die van den echt werd vereerd, wegens de verwantschap,
-die de begrippen van zaaien en voortbrengen, oogst en geboorte samen verbindt.
-</p>
-<p>De heilige gebruiken van dit feest werden niet aan bepaalde priesteressen opgelegd,
-maar aan vrouwen, die telkens uit de verschillende stammen werden gekozen. Een zekeren
-tijd van te voren moesten de vrouwen door onthouding zich tot de deelneming aan dit
-feest voorbereiden. Zij sliepen op kruiden, welke men de kracht toeschreef het bloed
-te verkoelen en de onthouding gemakkelijker te maken. Tot deze behoorden de kuischlamstruik
-en een zekere soort van netels. De viering zelve bestond in feestelijke omgangen,
-in vergaderingen in den Thesmophoriën-tempel, benevens in overgeleverde gebruiken,
-waaronder ernst en scherts en plagerijen elkander afwisselden.
-</p>
-<p>Vier dagen lang duurde het feest. Op den eersten dag ging men naar het kustplaatsje
-Halimus en vierde in een zich daar bevindende tempel van Demeter zekere mysteriën.
-Op den tweeden dag keerde men naar Athene terug; op den derden waren de vrouwen van
-het krieken van den dag tot aan den avond in den Thesmophoriën-tempel <span class="pageNum" id="pb2.76">[<a href="#pb2.76">76</a>]</span>vergaderd. Demeter en Persephone en andere Godheden werden aangeroepen en haar ter
-eere dansen uitgevoerd. In de pauzen zaten de vrouwen op kuischlam en andere kruiden,
-zooeven vermeld, en onderhielden zich met gesprekken en plagerijen, die bij deze gelegenheid
-gebruikelijk waren. Zij nuttigden gedurende haar verblijf in den tempel geen spijs,
-maar stelden zich voor deze onthouding schadeloos door het heerlijke offermaal, waarmede
-den volgenden dag de geheele plechtigheid besloten werd.
-</p>
-<p>Men denke zich de vrouwen van Athene, doorgaans opgesloten in de enge omgeving van
-haren huiselijken kring, onder de oogen harer mannen, en nu vier dagen lang met strenge
-uitsluiting der mannen aan zich zelven overgelaten, tot eene geweldige schaar vereenigd,
-feestelijke omgangen houdend, vervolgens in een tempel verzameld, met dansen en heilige
-gebruiken bezig, op heilige kruiden zittend en babbelend naar hartelust&#x2014;men denke
-zich deze snaterende vrouwenvergadering en men zal licht inzien, dat zij wel geschikt
-was niet alleen de vrouwelijke tongen, maar met de tong tevens den vrouwelijken geest
-los te maken en hem tegen de oudvaderlijke beperkingen in beweging te brengen.
-</p>
-<p>Dit Thesmophoriën-feest nu was teruggekeerd.
-</p>
-<p>Wederom zaten de vrouwen van Athene in de pauzen tusschen de dansen en de feestzangen
-te babbelen op kuischlam in den <span class="corr" id="xd30e5938" title="Bron: Tesmophoriën-tempel">Thesmophoriën-tempel</span>. Wederom snaterden de stemmen luid en zacht door elkander. Waarover werd al niet
-in de verschillende groepen der vrouwen, die op den grond zaten, gesproken! Dezen
-onderhielden zich over de slechte gewoonten harer mannen, genen over de ondeugden
-harer slavinnen of klaagden er over, dat de kinderen van den tegenwoordigen tijd veel
-lastiger en uitgelatener waren dan in vroegere tijden: sommigen kibbelden over de
-beste manier om sesamus-koeken klaar te maken; anderen vertelden elkander van toovermiddelen,
-om in het <span class="pageNum" id="pb2.77">[<a href="#pb2.77">77</a>]</span>kraambed te gebruiken, of deelden jongere lotgenooten raadgevingen mede over het bereiden
-van liefdedranken; er waren er zelfs, die elkander heimelijk in het oor fluisterden,
-hoe men zwangerschap huichelen en ter wille van den echtgenoot een ander kind kon
-onderschuiven. Sommigen verhaalden elkander spookgeschiedenissen of verhalen van Thessalische
-heksen of sprookjes of de nieuwste familiegeheimen van deze of gene vriendin. Nog
-anderen spraken over Aspasia en dit gesprek werd allengs het levendigste, dat in den
-tempel gevoerd werd.
-</p>
-<p>&#x201e;Aspasia heeft gelijk,&#x201d; zeide eene jonge, wakkere vrouw, wier frisch uiterlijk gunstig
-tegen de verwelkte en geblankette gezichten der meesten rondom haar uitkwam.
-</p>
-<p>&#x201e;Aspasia heeft gelijk, wij moeten de mannen dwingen ons zoo te behandelen, als Pericles
-Aspasia doet.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat willen wij!&#x201d; riepen eenige aanhangsters der Milesische. &#x201e;Wij moeten hen dwingen
-het huiselijk en het echtelijk leven met ons zoo in te richten als Pericles met Aspasia
-doet.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik heb met mijn man reeds een begin gemaakt,&#x201d; riep eene levendige, kleine vrouw,
-Chariclea geheeten. &#x201e;Mijn Diagoras heeft er zich reeds aan gewend, mij telkens als
-hij thuis komt en uitgaat, een zoen te geven, evenals met Pericles en Aspasia het
-geval is.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ontvangt gij ook bezoeken van wijsgeeren en dient gij beeldhouwers ook tot model?&#x201d;
-vroeg op spottenden toon eene van die vrouwen, wier wangen het meest verlept en geblanket
-waren.
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom zouden Aspasia en Chariclea het niet doen, als hare mannen het toestaan?&#x201d;
-riep eene andere der vrouwen. &#x201e;Ook wij zullen het doen en onze mannen dwingen het
-goed te vinden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Niet ieder man is tot hoorndrager geboren!&#x201d; zei de eerste spreekster met een boosaardigen
-lach.
-</p>
-<p>&#x201e;Wilt gij beweren,&#x201d; riep Chariclea toornig, terwijl zij zich voor die vrouw plaatste,
-met hare <span class="pageNum" id="pb2.78">[<a href="#pb2.78">78</a>]</span>handen in de zijde, &#x201e;wilt gij beweren, dat ik mijn man tot een hoorndrager maak?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nog zal ik het van u niet zeggen,&#x201d; hernam gene, &#x201e;maar uwe <span class="corr" id="xd30e5956" title="Bron: leesmeesteres">leermeesteres</span> Aspasia zal u dit wellicht nog leeren!&#x201d;
-</p>
-<p>Toen deze bittere woorden waren gevallen, trad eene gesluierde vrouw van eene slanke
-en edele gestalte plotseling uit den kring van haar, die getuigen van dit gesprek
-waren geweest, te voorschijn, sloeg stijf vóór de vinnige spreekster den sluier terug
-en wierp een vlammenden blik op haar.
-</p>
-<p>&#x201e;Aspasia!&#x201d; riepen sommigen en snel verbreidde zich deze naam verder en er ontstond
-eene opschudding, die tot in de verste kringen zich voortplantte. De geheele <span class="corr" id="xd30e5963" title="Bron: Tesmophoriën-tempel">Thesmophoriën-tempel</span> geraakte in oproer. &#x201e;Wat is er te doen?&#x201d; riepen de verst verwijderden. &#x201e;Is er soms
-een man binnengeslopen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Aspasia!&#x201d; klonk het antwoord. &#x201e;Aspasia is hier!&#x201d;
-</p>
-<p>Op dit bericht drongen alle vrouwen zich om haar heen en weldra bevond zich de Milesische
-in het middelpunt van de geheele vergadering.
-</p>
-<p>Zij was gekomen, omgeven van de schaar harer geestverwanten, te midden van welke zij,
-bovendien gesluierd om niet herkend te worden, voor de oogen der groote menigte tot
-op dit oogenblik verborgen was gebleven.
-</p>
-<p>Door deze geestverwanten werd zij ook nu als door eene lijfwacht omgeven, toen zij
-met opgerichte gestalte een toornigen blik op de vermetele vestigde.
-</p>
-<p>Terwijl Aspasia zoo voor hare vijandin stond, drong eene van hare partij zich voor
-haar en duwde de andere de volgende hoonende woorden toe:
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt gelijk! Niet ieder man is voor hoorndrager geboren. Gij moest dat weten!
-Ik ken u precies! Gij zijt <span class="corr" id="xd30e5973" title="Bron: Chritylla">Critylla</span>, die door uw eersten man Xanthias verstooten zijt, omdat hij ontdekte, dat gij in
-het nachtelijk uur een rendezvous met uw boel voor de deur hadt, bij den laurierboom
-die het <span class="pageNum" id="pb2.79">[<a href="#pb2.79">79</a>]</span>altaar van den stratenbeschermenden Apollo overschaduwt!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Het gelaat van Critylla werd met een donker rood overtogen en zij maakte aanstalten,
-om hare vijandin aan te vliegen. Maar zij werd door den aanhang van Aspasia teruggedrongen;
-daarop sprak deze het volgende:
-</p>
-<p>&#x201e;Deze vrouw heeft mijn echtgenoot gehoond&#x2014;gehoond alleen daarom, omdat hij de eerste
-is van alle Atheners, die de waarde der vrouw in zijne gade eert en haar niet tot
-slavin vernedert. Wanneer mannen als Pericles alleen ter wille van de liefde en de
-achting die zij hunne vrouwen bewijzen, spot en hoon moeten verdragen, niet alleen
-uit den mond der mannen, maar zelfs van den kant van het vrouwelijk geslacht, hoe
-kunt gij dan hopen, dat uwe echtgenooten zullen besluiten het voorbeeld van den edelsten
-der mannen te volgen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo is het inderdaad!&#x201d; zeiden de vrouwen uit den kring, terwijl zij elkander aanzagen.
-&#x201e;<span class="corr" id="xd30e5982" title="Bron: Crytilla">Critylla</span> heeft zich vergrepen, door Pericles en Diagoras te beschimpen. Gaven de Goden, dat
-alle mannen waren als deze!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;De mannen zijn, zooals gij ze verdient!&#x201d; vervolgde Aspasia. &#x201e;Beproeft het maar eens,
-den onweerstaanbaren invloed, die aan het vrouwelijke geslacht verleend is, te gebruiken!
-Gij hebt tot heden verwaarloosd die macht in u te ontwikkelen, ja, het schijnt mij,
-dat gij die niet eens hebt gekend. Uwe slavernij is eene vrijwillige. Gij praalt met
-den titel van meesteressen des huizes en gij wordt korter gehouden dan slavinnen&#x2014;want
-slavinnen mogen toch vrij zich op de straat of op de markt vertoonen. Gij zijt gevangen!
-Is dat niet zoo?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo is het inderdaad!&#x201d; riep eene der vrouwen in den kring. &#x201e;Mijn man heeft eens,
-toen hij voor een paar dagen op reis was, mij in het vrouwenvertrek opgesloten en
-de deuren daarvan met zijn <span class="corr" id="xd30e5989" title="Bron: chachet">cachet</span> verzegeld.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;De mijne,&#x201d; riep eene andere, &#x201e;heeft een grooten <span class="pageNum" id="pb2.80">[<a href="#pb2.80">80</a>]</span>Molosser-hond gekocht, die aan de deur wacht moet houden, alleen opdat geen minnaar
-in zijne afwezigheid binnen moge sluipen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Niet eens het huishouden is u zonder voorbehoud toevertrouwd,&#x201d; ging Aspasia voort.
-</p>
-<p>&#x201e;Volkomen waar!&#x201d; viel weder eene der vrouwen levendig in; &#x201e;mijn man draagt den sleutel
-der provisiekamer altijd bij zich.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Loopen zij niet zelven op de markt, om vleesch en groenten in te koopen?&#x201d; riep eene
-tweede.
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, zelfs wanneer het oorlogstijd is,&#x201d; riep eene derde, &#x201e;en de mannen gewapend loopen,
-kan men den een of ander van hen geharnast en met het Gorgo-schild aan den arm op
-de markt om eieren en groenten zien pingelen, of hij brengt te paard pekelvleesch
-in zijn metalen helm naar huis.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;En daar zij u niet eens aan den huiselijken haard het gezag hebben gelaten,&#x201d; sprak
-Aspasia, het woord weder opvattende, &#x201e;is het niet te verwonderen, dat zij u nog veel
-minder veroorloven in openbare aangelegenheden een woord mede te spreken. Komen zij
-van de Pnyx waar over vrede en oorlog gehandeld is, durft gij het dan in uw hoofd
-krijgen te vragen, wat daar beslist is?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Waarachtig niet!&#x201d; riepen de vrouwen. &#x201e;Wat raakt het u!&#x201d; heet het dan. &#x201e;Blijf bij
-uw spinnewiel en zwijg!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En als gij niet zwijgt?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dan is het nog erger!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Mijn man,&#x201d; zeide eene der vrouwen, &#x201e;zeurt tot vervelens toe mij die oude, flauwe
-spreuk voor: het schoonste sieraad der vrouw is stilzwijgen!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Die kennen we ook, die spreuk! Zij is in den mond van alle mannen!&#x201d; klonk het in
-den kring.
-</p>
-<p>&#x201e;Waartoe hebben wij dan eene tong?&#x201d; vroeg eene van haar en zij voegde er bij: &#x201e;Soms
-alleen tot kussen, likken en trekkebekken?&#x201d;
-</p>
-<p>De vrouwen lachten onbeschaamd over die woorden; want zij waren onder elkaar.
-</p>
-<p>Aspasia echter ging voort:
-</p>
-<p>&#x201e;Zij willen dat gij onontwikkeld en dom zult <span class="pageNum" id="pb2.81">[<a href="#pb2.81">81</a>]</span>zijn; want dan alleen kunnen zij u overheerschen. Van het oogenblik af, waarop gij
-verstandig en wijs, waarop gij u van de macht bewust wordt, die aan het vrouwelijk
-geslacht boven het mannelijke gegeven is, van dat oogenblik is het uit met hunne tyrannie.
-Gij meent reeds alles gedaan te hebben, als gij uw huis rein houdt, als gij uwe kinderen
-wascht en zoogt, als gij er op let, dat de wol aan uw kleed niet door de mot verteerd
-en het garen aan den weefstoel niet door de hoenders vernield wordt, en wanneer iemand
-uwer nog iets wil doen om haar man te behagen, dan meent zij met een crocusgeel kleed
-en puntschoenen, een doorzichtig oppergewaad en met zalfdoosjes en eenige cinnaber<a class="noteRef" id="xd30e6014src" href="#xd30e6014">4</a> dit doel te zullen bereiken. Maar alleen in de handen van haar, die ook een weinig
-geest bezitten, is lichamelijke schoonheid en versiering een voor de mannen gevaarlijk
-wapen. Waardoor echter kunt gij datgene, wat ik een weinig geest noemde, verwerven,
-dan door een vrijer verkeer in de wereld, waarvan de mannen als met een ijzeren muur
-u afsluiten? Het moet u in het vervolg veroorloofd zijn de duffe gemoederen met den
-instroomenden adem der vrijheid te reinigen en te verfrisschen, de buitenwereld op
-u te laten werken en, evenals gij de indrukken der wereld en der gebeurtenissen in
-u opneemt, moet gij wederkeerig in de wereld en het leven invloed uitoefenen met de
-alles veredelende vrijheid van den ontwikkelden, vrouwelijken geest. De vrouwelijke
-geest moet met den mannelijken in de wereld zich tot eene vereende kracht verbinden.
-Dan zal niet alleen het huwelijk en het geheele huiselijke leven hervormd worden,
-dan zullen de kunsten tot haar schoonsten bloei geraken, dan zal de oorlog en al het
-ruwe onder de menschen een einde nemen. Laat ons een verbond sluiten, eene vreedzame
-samenzwering maken en elkander de gelofte afleggen, dat wij met alles wat <span class="pageNum" id="pb2.82">[<a href="#pb2.82">82</a>]</span>in ons is, voor het recht van ons geslacht willen strijden, om die macht vrij te ontwikkelen,
-welke tot onze roeping behoort.&#x201d;
-</p>
-<p>Eene levendige toejuiching begroette deze woorden van Aspasia van den kant van een
-groot deel der vergadering; toen echter volgde zulk een luid en verward geluid van
-stemmen, dat men niets duidelijks meer onderscheiden kon, daar de vrouwen onder elkander
-het onderwerp met heftigheid begonnen te behandelen en allen eensklaps tegelijk spraken.
-&#x2019;t Was alsof een trekkende troep luid snaterende en krijschende vogels zich in den
-Thesmophoriën-tempel had neergelaten.
-</p>
-<p>Eindelijk echter zag men eene spichtige, schoon nog levendige en krachtige gestalte,
-door den dicht opeen gedrongen hoop met de armen zich baan maken en zich naar het
-midden van den kring, waar Aspasia stond, heendringen. De witte doek, die haar hoofd
-omhulde, verborg ook het grootste deel van haar gezicht, zoodat men haar niet aanstonds
-kon herkennen. Toen zij echter in &#x2019;t midden van den kring bleef staan en haar oog
-met eene boosaardige uitdrukking op Aspasia vestigde, herkende men de scherpe, schier
-manlijke trekken der fiere zuster van Cimon.
-</p>
-<p>Elpinice was gevreesd in geheel Athene, gevreesd door al hare geslachtgenooten. Zij
-heerschte door de macht harer tong, door hare bijna manlijke wilskracht, door den
-wijden kring harer relatiën. Daarom ontstond er onmiddellijk een angstig stilzwijgen,
-toen de zuster van Cimon met de volgende woorden Aspasia te lijf ging:
-</p>
-<p>&#x201e;Met welk recht verstout zich hier de vreemdeling het woord te nemen in den kring
-van geboren Atheensche vrouwen?&#x201d;
-</p>
-<p>Deze vraag van Elpinice maakte plotseling een diepen indruk, en vele der vrouwen,
-goedkeurend met het hoofd knikkend, verwonderden zich dat deze gedachte niet terstond
-bij haar opgekomen was.
-</p>
-<p>Elpinice echter vervolgde:
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe durft de Milesische het wagen ons de <span class="pageNum" id="pb2.83">[<a href="#pb2.83">83</a>]</span>les te willen lezen? Wil zij zich soms met ons op ééne lijn stellen? Is zij met ons
-opgegroeid? Heeft zij onze zeden, onze gebruiken gevolgd, onze heiligdommen van kindsbeen
-af met ons vereerd? Wij zijn Atheensche vrouwen; wij hebben op ons achtste jaar het
-heilige gewaad der Arrhephoren gedragen, wij hebben tien jaar lang het offermeel in
-den tempel van Artemis gemalen, wij zijn bij het Braurons feest<a class="noteRef" id="xd30e6030src" href="#xd30e6030">5</a> als bloeiende jonkvrouwen aan die zelfde Godin gewijd, wij hebben als korfdraagsters
-den feeststoet der Panathenaeën gevolgd. En deze hier? Uit den vreemde is zij gekomen,
-door geen Goden begeleid, zonder zegen van Goden, eene gelukzoekster, misdadig en
-geslepen, en nu wil zij zich in onzen kring dringen, omdat zij een Atheensch man zoo
-heeft weten te begoochelen, dat hij haar tegen wet en zeden in zijn huis heeft opgenomen?&#x201d;
-</p>
-<p>Rustig, maar niet zonder een spottenden glimlach, antwoordde Aspasia:
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt gelijk! Ik ben niet opgegroeid in de muffe eenzaamheid van een Atheensch
-vrouwenvertrek; ik heb niet uw Braurons feesten in saffraankleurig rokje medegevierd,
-ik heb niet bij uwe Panathenaeën eene feestkorf over het hoofd en een snoer van verdroogde
-vijgen om den hals gedragen, ik heb niet medegehuild op de daken bij uwe Adonis-feesten<a class="noteRef" id="xd30e6036src" href="#xd30e6036">6</a>. Ik heb hier niet als Atheensche burgeres tot Atheensche burgeressen, ik heb als
-vrouw tot vrouwen gesproken!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Mannenverleidster! Goddelooze slang!&#x201d; riep Elpinice nog heftiger vertoornd uit, &#x201e;waagt
-gij het <span class="pageNum" id="pb2.84">[<a href="#pb2.84">84</a>]</span>onze tempel te betreden, onze heiligdommen met uwe tegenwoordigheid te ontwijden?&#x201d;
-</p>
-<p>Deze woorden werden met onstuimigheid uitgestooten. De korte haartjes op Elpinice&#x2019;s
-bovenlip rezen te berge. De vriendinnen van Elpinice, die zich om haar vereenigd hadden,
-namen tegenover de Milesische eene dreigende houding aan.
-</p>
-<p>Maar ook Aspasia&#x2019;s geestverwanten schaarden zich nauwer om haar leidsvrouw, bereid
-om haar te verdedigen. En niet gering was het getal dergenen in den Thesmophoriën-tempel,
-die nog de partij van Pericles&#x2019; gade kozen.
-</p>
-<p>Wederom gonsde een verward, levendig rumoer van stemmen en menig heftig woord dreigde
-een hartstochtelijken strijd der partijen aan te wakkeren.
-</p>
-<p>Toen wist de onverschrokken zuster van Cimon zich nogmaals gehoor te verschaffen,
-om de krachtigste harer troeven uit te spelen.
-</p>
-<p>&#x201e;Denkt aan Telesippe!&#x201d; riep zij met luider stemme; &#x201e;herinnert u, hoe deze vreemde
-gelukzoekster, deze Milesische hetaere eene Atheensche, wettige vrouw van haar haard,
-van de vrucht van haren schoot, van haar echtgenoot heeft verdrongen! Wie uwer gelooft
-zich veilig tegen de boeleerkunsten van deze vrouw, als het haar in den zin komt ook
-de mannen van andere vrouwen te verleiden? Vóór gij luistert naar het gesis van deze
-slang, herinnert u, dat zij gif in haar mond verbergt!&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Ziet haar ginds,&#x201d; viel Elpinice zich zelve in de rede, de oogen naar een hoek van
-den tempel wendend, &#x201e;ziet ginds Telesippe! Ziet haar in rouw en droefheid verzonken&#x2014;ziet
-haar bleek gelaat&#x2014;ziet hoe haar de tranen langs de kaken rollen alleen bij de herinnering
-aan hare kinderen!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>De hoofden van alle vrouwen keerden zich om en volgden Elpinice&#x2019;s blikken, en zij
-zagen naar de verstooten vrouw van Pericles, die op eenigen afstand stond en bleek
-van gramschap en spijt naar Aspasia blikte.
-</p>
-<p>Elpinice echter ging voort:
-<span class="pageNum" id="pb2.85">[<a href="#pb2.85">85</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Weet gij, wat zij van ons Atheensche vrouwen denkt? Behoef ik het u te zeggen? Heeft
-zij zelve het u niet gezegd? Zij houdt ons voor dwaas, voor onwetend, voor onervaren,
-de liefde van een man onwaardig, en genadig wil zij zich vernederen om ons te leeren,
-zich in haren trots zeker bewust, dat wij toch nooit kunnen worden als zij zelve de
-schoone, de wijze, en onvergelijkelijke, de alles betooverende Milesische, met wie
-zelfs de schoonsten van u zich nimmer kunnen meten!&#x201d;
-</p>
-<p>Deze taal van Elpinice had eene ongeloofelijke uitwerking op de geheele vergadering
-der vrouwen. Veranderd was plotseling de stemming, zelfs in de harten dergenen, die
-tot nu toe Aspasia genegen waren geweest.
-</p>
-<p>Elpinice nam opnieuw het woord:
-</p>
-<p>&#x201e;Weet gij, wat hare vrienden, de trouwe aanhangers van Pericles, van haar zeggen,
-en wat reeds alle mannen van Athene onder elkander herhalen? Aspasia is de beminnelijkste
-vrouw van Athene&#x2014;ja, de eenige beminnelijke vrouw van Athene&#x2014;naar Milete moet men
-gaan, zeggen zij, als men schoone en betooverende vrouwen vinden wil!&#x201d;
-</p>
-<p>Bij deze woorden brak de woede der vrouwen en hare met boosaardige sluwheid aangewakkerde
-gramschap in lichte vlammen uit. Men begon met woest getier, met opgeheven armen op
-Aspasia los te gaan. Deze echter stond rustig en richtte hare fiere, ongebogen gestalte
-nog hooger op; zij sprak, bleek van toorn, doch met een blik van onbeschrijfelijke
-minachting:
-</p>
-<p>&#x201e;Bedaart wat, gij knollen-, peterselie- en komkommerwijven! <span class="corr" id="xd30e6061" title="Bron: Bedaard">Bedaart</span> wat, gij appel-, kaas- en boterwijven!&#x2014;Waarom schreeuwt en tiert gij zoo, waarom
-dringt gij op mij aan? Denkt gij mij ook nog te krabben en te bijten?&#x201d;
-</p>
-<p>De weinige trouw en moedig gebleven volgelingen van Aspasia wierpen zich tusschen
-beiden, er ontstond een wild rumoer en bijna eene vechtpartij onder de vrouwen. Eenigen
-van Elpinice&#x2019;s <span class="pageNum" id="pb2.86">[<a href="#pb2.86">86</a>]</span>partij maakten aanstalten, om Aspasia de oogen met de nagels uit te krabben; anderen
-trokken de scherpe gespen van hare kleederen en gingen daarmede dreigend op de vijandin
-los. Deze echter verliet onder de bescherming dergenen, die zich nog dapper om haar
-schaarden, haastig den Thesmophoriën-tempel.
-</p>
-<p>Zóó eindigde de poging van Aspasia om de vrouwen van Athene door den geest te bevrijden.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e5740">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5740src">1</a></span> De Thesmophoriën is een feest, uitsluitend door vrouwen gevierd, ter eere van Demeter
-(Ceres), als stichtster van het maatschappelijk en burgerlijk leven. Het woord Thesmophoros
-beteekent: wetten en instellingen gevend; met den naam de beide Thesmophoren worden
-dan ook Demeter en hare dochter Persephone (Proserpina) aangeduid.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5740src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5909">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5909src">2</a></span> De sesamus is een Oostersch peulgewas, uit welks vrucht olie geperst wordt; het zaad
-wordt als rijst gebruikt. Het gerecht daarvan op de boven beschreven wijze bereid,
-heet in het Grieksch sesamee of sesamis.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5909src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5917">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5917src">3</a></span> Cappadocië is een landschap in het Oosten van Klein-Azië, tusschen de rivieren de
-Halys en de Euphraat gelegen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5917src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6014">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6014src">4</a></span> Eene roode verfstof: drakenbloed, vermiljoen, in het Grieksch cinnabaris of cinnabari
-geheeten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6014src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6030">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6030src">5</a></span> Van Ephesischen oorsprong of uit de Chersonesus Taurica is de vereering van Artemis
-(Diana) te Brauron in Attica, werwaarts Iphigenia de zuster van Orestes haar beeld
-zou gebracht hebben. Als zoodanig heet Artemis Brauronia of Tauropolos; dit laatste
-verklaart men &#x201e;op een stier rijdend&#x201d; (taurus = stier) of de woeste.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6030src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6036">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6036src">6</a></span> Adonis, een schoon jongeling, naar de Grieksche sage, door een everzwijn gedood, was
-door Aphrodite (Venus) vurig bemind. Op haar verzoek stond Zeus toe, dat Adonis een
-derde deel van het jaar bij haar mocht verwijlen, het tweede deel bij Persephone in
-de onderwereld en over het derde zou hij vrije beschikking hebben. Ter zijner eere
-werden in Juli of in het laatste van de lente de Adonis-feesten vooral door vrouwen
-gevierd; het feest was tweeledig: eerst een treurfeest, waarin zijn dood beweend,
-dan een vreugdefeest, waarbij zijn terugkeer tot Aphrodite gevierd werd. In het Oosten
-werd het meer zinnebeeldig opgevat.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6036src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch17" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XVII.</h2>
-<h2 class="main">HET MEISJE UIT ARCADIË<a class="noteRef" id="xd30e6074src" href="#xd30e6074">1</a>.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Eenige jaren waren zoo voorbijgegaan. Aspasia had moedig gestreden, maar zij mocht
-zich niet beroemen gezegepraald te hebben. Het onstuimige tooneel in den Thesmophoriën-tempel
-was in de stad bekend geworden en Aspasia had de vernedering te verduren, die onder
-alle omstandigheden met eene nederlaag gepaard gaat. Het ontbrak overigens ook niet
-aan dezulken, die haar aanhingen: het grootste deel echter van haar geslacht was door
-nijd, verblinding en de boosaardige uitstrooisels harer vijandinnen op haar gebeten.
-</p>
-<p>Eene zwaarmoedige stemming maakte zich soms van Pericles meester. Hij dacht aan het
-onbewolkt geluk, dat hij met de Milesische in de korte, maar zalige, eenzaamheid aan
-het <span class="corr" id="xd30e6080" title="Bron: Iönische">Ionische</span> strand had gesmaakt. Soms maakte zich een gevoel van hem meester, als moest hij nogmaals
-de zorgen van den dag afschudden en wegvluchten uit het woelige Athene, waar zijn
-beste oogenblikken door den hatelijken laster der menschen, die als het <span class="pageNum" id="pb2.87">[<a href="#pb2.87">87</a>]</span>gegons der bijen zijn hoofd omzweefden, verbitterd werden.
-</p>
-<p>Toen de tijding te Athene kwam dat Phidias in Elis zijn gouden en ivoren standbeeld
-van den Olympischen Zeus had voltooid, het grootste en verhevendste zijner werken,
-hoe bekoorde toen Pericles het denkbeeld om met Aspasia een kort uitstapje te maken
-naar het Dorische land! Maar Aspasia scheen de tocht al te <span class="corr" id="xd30e6087" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span> door het bergland van Argos en Arcadië, en slechts als een aangename scherts beschouwde
-zij de gedachte aan zulk eene reis, toen zij voor het eerst tusschen hen beide ter
-sprake gebracht werd.
-</p>
-<p>In het Atheensche volk was langzamerhand die afkeer tegen de gade van Pericles binnengeslopen,
-waarmede schoone en invloedrijke vrouwen, wier lot met dat van een hooggeplaatst man
-verbonden is, bijna altijd te kampen hebben. Men ging voort haar geheimen invloed
-op de politieke plannen en ondernemingen van Pericles toe te schrijven en te beweren
-dat zij Pericles opzette zich tot tyran van geheel Hellas op te werpen. De <span class="corr" id="xd30e6092" title="Bron: uitgegelatene">uitgelatene</span> blijspeldichters, aan wier spits Cratinus, de vriend van Polygnotus, stond, die nog
-sedert het feestmaal van Hipponicus op de Milesische gebeten was, spitsten hunne pijlen
-tegen haar al scherper en scherper. De Attische Muze geleek op de bij: zij droop van
-honig, doch zij verborg ook een scherpen angel.
-</p>
-<p>Pericles werd toornig en trachtte den overmoed der comedie te beperken.
-</p>
-<p>Deze poging werd ten aanschouwe der heele wereld aan den invloed van Aspasia toegeschreven.
-</p>
-<p>&#x201e;Houden zij mij voor een ouden leeuw,&#x201d; zeide Cratinus, &#x201e;wien de tanden zijn uitgevallen
-en die alleen nog kwijlen kan?&#x201d;
-</p>
-<p>En in zijne volgende comedie slingerde hij onbeschaamd voor de oogen der gezamelijke
-Atheners een gemeen scheldwoord naar Aspasia&#x2019;s hoofd.
-</p>
-<p>Het schimpwoord van Cratinus was gruwzaam beleedigend, <span class="pageNum" id="pb2.88">[<a href="#pb2.88">88</a>]</span>bijna vernietigend. De afgunst der geheime en openlijke vijanden van Aspasia kon schier
-geen erger bedenken. De spotzieke menigte ving het begeerig op en herhaalde het. De
-grond van Athene begon te gloeien onder de voeten der Milesische&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Van dien dag af was de reis naar Elis tusschen Pericles en Aspasia eene uitgemaakte
-zaak. Minder bezwaarlijk vond de diep gekrenkte thans, het Pelops-schiereiland<a class="noteRef" id="xd30e6106src" href="#xd30e6106">2</a> te betreden, dan op den brandenden bodem van Athene te vertoeven.
-</p>
-<p>Te Athene was de Milesische te zeer door belangstellenden en nieuwsgierigen omgeven,
-die als &#x2019;t ware in de stralen van haren geest en van hare schoonheid zich koesterden.
-In de ernstige, stille beemden van Argos, op de idyllische hoogten van Arcadië, zelfs
-in het gewoel van Olympia zou zij, naar Pericles&#x2019; meening, wederom geheel en al uitsluitend
-voor zijn en haar geluk leven.
-</p>
-<p>Snel werden de <span class="corr" id="xd30e6112" title="Bron: voorbereidsmaatregelen">voorbereidingsmaatregelen</span> voor de reis genomen, en weldra kon de zuster van Cimon, die van alle dingen het
-eerst op de hoogte was, aan het babbelziek Athene vertellen, dat Pericles op &#x2019;t punt
-stond naar Olympia te vertrekken en dat de verwijfde held zijne beminde Aspasia&#x2014;die
-overigens wél deed zich aan de schande, waarmede zij te Athene overladen werd, te
-onttrekken&#x2014;niet missen wilde. Er waren velen die zich vroolijk maakten over dat onafscheidelijk
-paar. Velen echter waren er ook, die het in stilte benijdden.&#x2026;
-</p>
-<p>Een licht voertuig bracht de beide getrouwen tot aan den Isthmus<a class="noteRef" id="xd30e6117src" href="#xd30e6117">3</a>. Slaven en muildieren waren tot aan Corinthe vooruit gezonden, om vandaar in de reis
-over de <span class="corr" id="xd30e6120" title="Bron: moeielijke">moeilijke</span> wegen van de Peloponnesus behulpzaam te zijn.
-</p>
-<p>Hoe vrij ademden beiden, toen zij het anders zoo geliefde Athene achter zich hadden!&#x2014;Zij
-wisten niet, dat zij, uit Athene, als &#x2019;t ware vluchtend, <span class="pageNum" id="pb2.89">[<a href="#pb2.89">89</a>]</span>het hun beschoren lot niet vertraagden, maar integendeel bespoedigden&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Van de prachtige land- en zeegezichten, die in onafgebroken afwisseling zich aan hun
-oog voordeden, tot aan de monumenten aan de kanten van den weg, de Hermes-zuilen en
-het Hecate-huisje aan de kruiswegen was alles voor het thans weder gelukkige paar
-opwekkend, alles belangrijk.
-</p>
-<p>Zij vonden den breeden weg van Eleusis vol reizigers. Men zag vrome, menschlievende
-lieden voor de beelden en kapellen der reisgoden vruchten en andere spijzen nederleggen,
-opdat arme en hongerige zwervers zich daaraan konden verkwikken. Hier en daar stonden
-ooftboomen aan den kant van den weg geplant, wier vruchten eveneens gemeen goed voor
-alle dorstigen waren. Ook aan herbergen ontbrak het niet.
-</p>
-<p>&#x201e;Een reislievend volk zijn wij Hellenen,&#x201d; zeide Pericles tot Aspasia. &#x201e;Alom aangeknoopte
-banden van gastvrijheid en vroolijke feesten lokken van plaats tot plaats. Ook voor
-den reiziger is, zooals gij ziet, goed gezorgd.&#x201d;
-</p>
-<p>Aan de berghellingen ter zijde van den weg ontsprong menige vroolijke bron uit de
-rotsen. In den reuzenstam des populiers, die de bron overschaduwde, had menig rustend
-wandelaar, om zijn dankbaar gemoed uit te storten, eene spreuk of een vers gesneden<span class="corr" id="xd30e6132" title="Niet in bron">,</span> soms<span id="xd30e6134"></span> ook een wijgeschenk aan de takken opgehangen.
-</p>
-<p>Bloeiende, met tempels en zuilen prijkende steden en vlekken deden zich aan de blikken
-der beide reizigers op. Eerst Eleusis, de heilige stad der mysteriën, waar, op Pericles&#x2019;
-bemoeiing, juist een nieuw, fraai gebouw voor het vieren der mysteriën verrees. Vervolgens
-Megara, de stad der Doriërs, welks aanblik in Aspasia&#x2019;s geest onaangename herinneringen
-terugriep. Haar vriendelijk gelaat verduisterde; zij zweeg, doch het onvergeten leed
-en de onverzoende smaad persten haar een traan van weemoed en smart af. Pericles begreep
-haar en zeide:
-<span class="pageNum" id="pb2.90">[<a href="#pb2.90">90</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Troost u! Uwe vijanden zijn ook de mijne. Megara zal boeten, voor wat het misdeed!&#x201d;
-</p>
-<p>Aangekomen in het van menschen wemelende Corinthe, begaf Pericles zich naar het huis
-van zijn gastvriend Amynias, die hem en zijne gemalin met de hoogste eerbewijzen ontving.
-</p>
-<p>Al te verleidelijk blonk den aangekomenen de hoogte van de wijd en zijd uitziende
-Acrocorinthes, de Acropolis der stad Corinthe, tegen, de door bloemen en kruiden dicht
-bewassen rotsberg, steil afhellend naar de stad, een wachtpost van het Helleensche
-land. Van zijne kruin schitterde de oude, beroemde tempel van de Godin der liefde.
-Want evenals het van geest tintelende Athene zich onder de bescherming van de schrandere
-Pallas Athene had gesteld, zoo had de rijke, genotlievende handelsstad tot schutsvrouw
-de vreugdeverspreidende Aphrodite gekozen. Evenals Pallas Athene daar, was hier Aphrodite
-de beheerscheres van den burg en gewapend stond zij in haar heiligdom. Van de hoogste
-rotskruin schitterden hare tempeltinnen verre over de zee, tevens als een baken voor
-de zeelieden. Duizend Hierodulen, dienaressen der Godin, bekoorlijke en goedgunstige
-dochters der vreugde, woonden in het tempelgebied op de berghoogte, die door aangelegde
-terrassen, zuilengaanderijen, tuinen, priëelen, baden en gastverblijven op eene zoo
-ver uitziende vlakte, tot een dubbel vriendelijk Eden omgeschapen was.
-</p>
-<p>Van deze hoogte nu, in het middelpunt van de Helleensche landen en zeeën zich verheffend,
-overzagen Pericles en Aspasia al die grillig gevormde, in eigenaardige kleurschakeering
-prijkende bergtoppen; zij zagen in het noorden de besneeuwde kruin van den Parnassus
-en verder oostwaarts den Helicon, zij begroetten Attica&#x2019;s bergketens en met niet geringe
-blijdschap zagen zij zelfs de liefelijke, bekende rotshoogte van de Atheensche Acropolis
-door den reinen aether uit de verte opdoemen. Zuidwaarts weidde hun blik over de hoogten
-van Noord-Arcadië. Zij zagen tusschen de tallooze bergen <span class="pageNum" id="pb2.91">[<a href="#pb2.91">91</a>]</span>en dalen de blinkende zeeboezems en kusten, ook groenende of rotsgrauwe zeeëilanden,
-alles door de bekoorlijkheid van een onvergelijkelijk licht overgoten.
-</p>
-<p>In dit liefelijk gezicht werden Pericles en Aspasia eenigszins gestoord door den zwerm
-van Hierodulen, die in de nabijheid van het tempelgebied in de zuilengangen en priëelen
-omzwierven.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt te Athene,&#x201d; zei de Corinthische gastheer, die het paar vergezelde, terwijl
-hij een blik op deze schoonen sloeg, tot Pericles, &#x201e;gij hebt zulk een soort van eeredienst
-nog niet en gij zult wellicht in deze priesteressen, die zich ten gunste van den tempelschat
-prijsgeven, geen heilige personen zien. Bij ons staat zulk priesterschap sedert langen
-tijd in hoog en eerwaardig aanzien. Deze gulle, vroolijke meisjes, die den dienst
-van Aphrodite vervullend, zich in haar gemoed tot de moeder der liefde zoeken te verheffen,
-zijn bij offers en andere godsdienstige plechtigheden tegenwoordig, nemen aan de feestelijke
-optochten der burgers deel en zingen daarbij een paeän ter eere van Aphrodite. Men
-wendt zich tot haar om voorspraak bij de Godin, de beschermvrouw onzer stad. Gij glimlacht?
-Nu, gij Atheners moogt meenen dat gij aan Pallas Athene meer te danken hebt. Bij u
-is de staat vermogend en invloedrijk, bij ons zijn het de enkele burgers. Ieder is
-een Croesus een koning op zich zelven en verheugt zich in de door handel en scheepvaart
-verworven goederen des levens. Wij streven niet naar macht en invloed in Griekenland,
-wij verspillen onze schatten niet aan den bouw van vestingwerken of vloten en dergelijke
-zaken, doch wij leven prettig en gelooven dat per slot van rekening toch alleen de
-individu leeft en het geheel maar een bloot begrip is. Het moge zijn, zooals het wil,
-en gij Atheners moogt nog zoo minachtend op ons nederzien, gij hebt toch den weg ingeslagen,
-die u nader tot ons brengt. Gij bemint en beoefent het schoone, waarmede toch altijd
-de liefde voor de aangenaamheden des levens <span class="pageNum" id="pb2.92">[<a href="#pb2.92">92</a>]</span>gepaard gaat.&#x201d;
-</p>
-<p>Deze woorden van den Corinthiër maakten een diepen indruk op Pericles, zonder dat
-hij er veel acht op scheen te slaan. Hij staarde naar de bergen van de Peloponnesus
-en sprak na eenigen tijd met een lichten glimlach, zich tot Aspasia richtend:
-</p>
-<p>&#x201e;Het is opmerkelijk, dat ons juist hier, als &#x2019;t ware aan den drempel van den ernstige,
-strenge Peloponnesus, nog het beeld van de hoogste weelderigheid van het Helleensche
-leven tegenstraalt. Wie zou kunnen gelooven, wanneer men van het vroolijke, kunstlievende,
-gedachtenrijke Athene komt, of als hier in het genotlievende Corinthe door verleidelijke
-Hierodulen omgeven, op de hoogte van den Aphrodite tempel staat, dat op zoo&#x2019;n geringen
-afstand aan gene zijde van den Isthmus en die somber zich verheffende bergen, op Arcadië&#x2019;s
-hooglanden, een onbedorven herdersvolk in oudvaderlijken eenvoud leeft? <span class="corr" id="xd30e6155" title="Bron: dat">Dat</span> tegenover die plaatsen van een schoonen genotvollen lediggang, daar boven aan genen
-kant der bergen de ruwe Spartaan en de sombere, mokkende Messeniër, ruigharigen leeuwen
-of wolven gelijk, in afschuwelijke kloven of donkere wouden op leven en dood elkander
-bekampen? Welk een worstelplaats van wilde heldhaftige kracht is van overoude tijden
-die strook lands aan gene zijde der opdoemende bergen! Uit burgten, gebouwd uit op
-elkander gestapelde rotsblokken, trokken de Argivische vorsten tegen Ilium op. Op
-de paden van de Peloponnesus betraden Heracles en <span class="corr" id="xd30e6158" title="Bron: Peseus">Perseus</span> hun heldenbaan, doodden leeuwen en bestreden het slangengebroed in de kloven en de
-verderfaanbrengende vogels in de lucht. En worstelt niet nog ten huidigen dage op
-de velden van Pelop&#x2019;s schiereilanden, op den Isthmus te Nemea, te Olympia, mannelijke
-kracht en moed om den prijs? <span class="corr" id="xd30e6161" title="Bron: Sroomen">Stroomen</span> niet derwaarts de mannen van geheel Hellas, tuk op den lauwertak van lichaamskracht?
-Somber, dreigend en ruw schijnt <span class="pageNum" id="pb2.93">[<a href="#pb2.93">93</a>]</span>deze Peloponnesus, en de wateren van den Styx<a class="noteRef" id="xd30e6166src" href="#xd30e6166">4</a> besproeien niet te vergeefs zijn woest bergland. Maar wij willen hare verschrikkingen
-trotseeren, wij willen ons in het hol van den leeuw wagen. En als wij weekelijk en
-verwijfd worden, willen wij met nieuwen kracht ons sterken in die ruwere lucht.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Sedert wanneer,&#x201d; zei Aspasia glimlachend, &#x201e;is Pericles een bewonderaar, ja zelfs
-een benijder van de ruwe en eenvoudige mannen van gene zijde van den Isthmus geworden?
-Troost u maar, dierbare vriend! Laat hen daar worstelen en strijden, zooveel zij willen.
-Over hunne sombere berghoogten schittert niet als over Athene&#x2019;s Acropolis het zegevierende
-licht van Pallas Athene!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Onder een sterk geleide braken de reizigers den volgenden morgen van Corinthe op,
-om met blijden moed hun tocht door het Dorische land over de Argolische bergen te
-beginnen. Aspasia weigerde doorgaans van den draagstoel gebruik te maken, dien Pericles
-uit liefderijke zorg voor haar had laten gereed maken en die door slaven of muildieren
-over de moeilijke plaatsen van het gebergte kon gedragen worden. Zij gaf er de voorkeur
-aan, om op een muildier naast haar echtgenoot te rijden. En zoo trokken zij dan, onder
-vertrouwelijken kout, door de suizende bergwouden, den loop der beken te gemoet, die
-zich in de kloven nederstortten, bereikten over steile hellingen en boschrijke toppen
-de vrije bergvlakten, soms ook door bergpassen en dalen, waar oleander- en lentiscusstruiken
-en wilde pereboomen over het donkere pad hun schaduwrijke twijgen in elkander strengelden.
-</p>
-<p>Op zulke sombere wegen sloeg nochtans de moedige Aspasia soms een angstig bespiedenden
-blik in het struikgewas, om te zien of niet de donkere gestalte van een roover daaruit
-te voorschijn <span class="pageNum" id="pb2.94">[<a href="#pb2.94">94</a>]</span>zou springen. Dan glimlachte Pericles en zeide, met een blik op het goedgewapende
-met de wegen vertrouwde gevolg van inlanders, die hij tot begeleiding door het gebergte
-had medegenomen:
-</p>
-<p>&#x201e;Vrees niets, Aspasia! Reeds sedert lang zijn de wilde reuzen op deze paden uitgeroeid,
-en geveld is reeds lang de pijnboombuiger Sinis<a class="noteRef" id="xd30e6177src" href="#xd30e6177">5</a>, de snoode wreedaard. Alleen voor de slangen van deze hoogten en dalen moeten wij
-op onze hoede zijn: want gij herinnert u wel, wat hier zeer nabij op Nemea&#x2019;s grondgebied
-geschiedde, toen de voedster het knaapje in het gras legde, om voor de langstrekkende
-&#x201e;Zeven tegen Thebe&#x201d;<a class="noteRef" id="n2.94.2src" href="#n2.94.2">6</a>, op hun verzoek, een dronk verkwikkend water te halen.&#x201d;
-</p>
-<p>Na eene vermoeiende dagreis bevonden zich de reizigers aan het begin van de Inachus-vlakte
-en zagen tusschen twee grauwe, spitse bergen den in de sagen beroemden heerscherszetel
-van Agamemnon, den overouden wachter dezer bergpassen, den burg van Mycenae, loerend
-op zijn rotskruin liggen&#x2014;&#x201e;in den hoek van Argos&#x201d;, naar de woorden van het Homerisch
-lied. Ter rechter zijde verhief zich de kale kegelvormige berg met den ouden burg
-Larisa, de Acropolis der stad Argos, welke aan den voet van den berg over eene ruime
-uitgestrektheid in de vlakte gelegen, nog steeds bloeiend en niet minder sterk bevolkt
-was dan de stad der Atheners. Over de uitgebreide strandvlakte van het &#x201e;paardenvoedende
-Argos&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e6189src" href="#xd30e6189">7</a> schitterde de blauwe zeeboezem van Nauplia. Bergketens, in de tinten van de ondergaande
-zon gedoopt, hieven hier hunne veelgetakte kruinen ten hemel en liepen ginds met groote
-krommingen tot aan de zee. Ook aan gene zijde van de blinkende <span class="pageNum" id="pb2.95">[<a href="#pb2.95">95</a>]</span>golf doemden de nevelachtige omtrekken van geweldige bergkruinen op.
-</p>
-<p>Eene zonderlinge gewaarwording maakte zich van de reizigers meester. Hunne blikken
-hingen aan het grauwe rotsgevaarte van Mycenae, de sporen van den koningsburg der
-Pelopiden zoekend en al de andere onvernietigbare overblijfsels van Cyclopische schathuizen,
-graven, muren en gewelven van den voortijd.
-</p>
-<p>Toen zij Mycenae zelve hadden bereikt, was de duisternis ingevallen. Zij stonden op
-de rotshoogte, waar het grauwe muurwerk, uit reusachtige, loodrecht gehouwen rotsblokken
-opgestapeld, door mos en klimop overdekt, in de schemering schier dreigend en beangstigend
-zich verhief. Nochtans versmaadden zij het, naar beneden te gaan tot de woonplaatsen
-der weinige Myceners, die in de reeds lang vervallen en schier uitgestorven heerscherstad
-der Atriden<a class="noteRef" id="xd30e6197src" href="#xd30e6197">8</a> nog woonden. Pericles en Aspasia besloten den lauwen zomernacht in de nabijheid van
-deze eerwaardige overblijfsels van het verleden onder eene tent door te brengen. Thans
-ging de maan op en baadde het muurwerk en de hoogte zelve, met alle bergkruinen van
-Argos rondom en de vlakte daartusschen tot aan de verre golf, in haar zilveren licht.
-Hoewel vermoeid, konden Pericles met Aspasia de bekoring van dit tooverachtig, heldere
-maanlicht niet weerstaan. Zij putten nieuwe kracht uit de zonderlinge opgewektheid
-hunner gemoederen. Voor weinige dagen nog omgaf hen het woelige Athene en thans stonden
-zij op Mycenae&#x2019;s puinhoopen, door de huiveringwekkende stilte van den sterrenhelderen
-nacht omgeven, in de sombere eenzaamheid der Argolische bergen. De geest van Homerus
-kwam over hen. In het ruischen van den wind, in het suizen der bergtoppen vernamen
-zij iets, wat hun als een zwakke nagalm klonk van zijn onsterfelijk heldenlied. Het
-<span class="pageNum" id="pb2.96">[<a href="#pb2.96">96</a>]</span>licht der volle maan, dat rondom op Argos&#x2019; bergtoppen scheen, herinnerde hen aan de
-wachtvuren, die eens hier van den eenen bergtop tot den anderen flikkerden, om de
-mare van de zege der Hellenen over zee en gebergte herwaarts te brengen tot aan den
-burg van Agamemnon, waar de woeste Clytemnaestra, aan de zijde van haar minnaar Aegisthus,
-den terugkeer van den zegevierenden Hellenen-aanvoerder met in &#x2019;t geheim geslepen
-moordstaal verbeidde. En binnen deze verlaten puinhoopen, die daar vóór hen lagen,
-in de doodstille, nachtelijke eenzaamheid, werd dit moordstaal getrokken. Achter deze
-muren verstierf dof het doodsgerochel van den huiswaarts gekeerden heerscher der volkeren&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Pericles en Aspasia liepen langs den geweldigen muur, die den kant van den steilen
-burgtheuvel met talrijke hoeken en bochten omgaf. Zij bereikten de overoude, beroemde
-leeuwenpoort, den eerwaardigen ingang van den Atriden-burg, waarboven het oudste beeldwerk
-van het werelddeel prijkte. Door deze poort betraden zij de burgtruimte en stonden
-voor de binnenmuren, waarachter eens de Atriden tegen elken aanval veilig leefden;
-doch alleen de grondvesten wezen hun de plaats der eigenlijke vorstenvertrekken. Zij
-zetten hunne wandeling voort en bereikten verder, niet meer op de hoogte van den berg,
-maar op zijne helling, het eerwaardige, ongeschonden, ronde gebouw, dat een schatkamer
-en de grafkelder tevens der Pelopiden was.
-</p>
-<p>Toen Pericles en Aspasia dit gebouw naderden, <span class="corr" id="xd30e6205" title="Bron: verschrikten">verschikte</span> hen de gestalte van een reusachtig man, die vóór de poort lag en die bij de nadering
-der vreemdelingen zich halverwege oprichtte. De man herinnerde hen aan de reuzengestalten
-van Hemorus, die tegen elkander rotsblokken slingerden, wier gewicht de latere stervelingen
-niet meer van den grond konden opheffen. Pericles sprak hem toe en bemerkte na eene
-korte woordenwisseling, dat hij met een in de bergen van Argos ronddolenden <span class="pageNum" id="pb2.97">[<a href="#pb2.97">97</a>]</span>bedelaar te doen had. Zijne leden waren karig met lompen bedekt, zijn donkergebruind
-gelaat was als verweerd door wind en regenjachten. Zóó wellicht zal de zwaar beproefde
-zwerver Odysseus er uitgezien hebben, op het oogenblik, dat hij als schipbreukeling
-het vasteland bereikte, nadat hij dagen lang zwemmend met de zee had geworsteld en
-het scherpe, zilte nat zijn leden had geteisterd.
-</p>
-<p>De grijze, zonderlinge, reusachtige bedelaar beweerde, dat hij den schat van Atreus
-bewaakte en zonder zijne toestemming niemand de poort van het gebouw mocht naderen.
-Van ongehoorde, gouden schatten begon hij te bazelen, die in geheime hoeken van deze
-rotskamers nog altijd verborgen lagen en die den vinder tot den rijksten aller stervelingen,
-tot aanvoerder en koning in Hellas, tot erfgenaam en opvolger van den Hellenen vorst
-Agamemnon zouden maken.
-</p>
-<p>Glimlachend zei Pericles tot Aspasia: &#x201e;Wel was Mycenae in overoude tijden beroemd
-als de stad, die het rijkst was aan goud, van alle Helleensche steden; maar ik denk,
-dat het goud van Mycenae reeds lang naar Athene is gevloeid en wij behoeven het niet
-meer te zoeken. Toch trekt mij deze zonderlinge rotsgroeve der Atriden onweerstaanbaar
-aan.
-</p>
-<p>&#x201e;Voer ons heden nog in het gebouw, dat gij bewaakt,&#x201d; vervolgde Pericles, tot den reus
-zich wendend. &#x201e;Wij zijn Atheners en naar de bergen van Argos gekomen, om aan het stof
-der goddelijke Atriden onze hulde te bewijzen.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen beval hij eenigen slaven fakkels aan te steken. De bedelaar, op wien de persoonlijkheid
-van Pericles eene zekere macht scheen uit te oefenen, toonde zich zwijgend bereid,
-als gids te dienen. Met forsche hand schoof hij, zijne reuzenkracht aanwendend, een
-groot rotsblok ter zijde, dat voor den ingang lag en dien geheel en al versperde.
-Maar zelfs toen was het nog niet gemakkelijk over steen en gruis heen door de half
-geopende poort den weg naar het binnenste gedeelte van het <span class="pageNum" id="pb2.98">[<a href="#pb2.98">98</a>]</span>diep in de aarde zich uitstrekkende gewelf te volgen.
-</p>
-<p>Langs een uit geweldige blokken gevormden weg bereikten Pericles en Aspasia het hooge,
-sombere ronde gewelf, welk wanden niet op de gewone wijze opgetrokken waren; in steeds
-nauweren kring vonden zij de steenlagen op elkander gestapeld en van boven door een
-kegelvormig gewelf afgesloten. Zij vonden de sporen van oude metaalbekleeding aan
-de wanden: eene geliefde wandversiering, waarvan Homerus gewag maakt. Hoe zal voorheen
-in de vorstenvertrekken de gepolijste, blanke koperen wand in den weerschijn der flikkerende
-fakkels geschitterd hebben! Maar gewelddadig waren hier reeds de koperen platen afgerukt,
-onbekleed grijnsden de grauwe steenmassa&#x2019;s der machtige op elkander gestapelde kringen
-den beschouwer tegen.
-</p>
-<p>Uit het ronde gebouw traden Pericles en Aspasia door eene nauwere poort in eene vierkante
-ruimte, die geheel in de levende rots uitgehouwen was.
-</p>
-<p>Peinzend stonden zij beiden daar. Slechts schemerachtig verhelderde het sobere licht
-der brandende fakkels de donkere steengewelven.
-</p>
-<p>&#x201e;Eene stoute gedachte zou het zijn,&#x201d; sprak Pericles ten laatste, &#x201e;in deze huiveringwekkende
-steengroeve ons nachtverblijf te houden!&#x201d;
-</p>
-<p>Aspasia huiverde een weinig, doch in het volgend oogenblik glimlachte zij weder en
-kon de betoovering niet van zich weren, die de huiveringwekkende en toch verleidelijke
-gedachte op haar uitoefende, om een nacht door te brengen in de duizendjarige Pelopiden-groeve,
-om te rusten boven het stof van Atreus en Agamemnon.
-</p>
-<p>Menig bezwaar werd nog geopperd, eindelijk echter besloot men de stoute gedachte ten
-uitvoer te leggen. Tapijten werden op den steenen vloer van de kleinere rotskamer
-door slaven nedergelegd en daarop een leger gespreid. In het gewelf strekte de reusachtige
-bedelaar zich uit om te slapen, de slaven legerden zich bij den buitensten ingang.
-</p>
-<p>Nu vonden Pericles en Aspasia zich alleen in <span class="pageNum" id="pb2.99">[<a href="#pb2.99">99</a>]</span>het huiveringwekkend, geheel in de rotsen gehouwen vertrek. Het onzekere schijnsel
-der in den grond gestoken fakkels speelde spookachtig op de grauwe, vensterlooze rotswanden.
-Om hen heen heerschte de stilte des doods. Het was werkelijk de rust des grafs, die
-hen omgaf.
-</p>
-<p>&#x201e;In dezen nacht,&#x201d; zei Pericles, &#x201e;en in deze omgeving dringt zich de gedachte aan vergankelijkheid
-en vernietiging schier in lichamelijke gestalte met Titanisch geweld aan mij op. Hoe
-zwak en wisselvallig schijnt al het levende, en hoe hecht en sterk trotseert de tand
-des tijds datgene wat wij het doode plegen te noemen! Atreus en Agamemnon zijn sinds
-lang niet meer en wij zuigen misschien de <span class="corr" id="xd30e6230" title="Bron: ontzichtbare">onzichtbare</span> atomen van hun stof in met onzen adem. Deze doode muren echter, welke die menschen
-opgebouwd hebben, omringen ons nog heden en zullen wellicht ook hen nog omsluiten,
-die de atomen van ons stof over duizend jaren zullen inademen!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik ben het niet geheel met u eens, Pericles,&#x201d; hernam Aspasia, &#x201e;om het onvernietigbaar
-bestaan van het doode te verheffen boven het vluchtige leven van den mensch. Het neerstortende
-rotsblok begraaft de bloemen, maar de bloemen keeren terug met iedere lente en slingeren
-hare stengels om den steen en ten laatste verteert na duizende jaren de steen, terwijl
-de bloemen er echter altijd nog zijn. Zoo ligt het leven ook begraven onder puinhoopen
-van steden, maar tusschen de puinhoopen kruipt het zachtkens te voorschijn en omstrengelt
-den steen, die toch eens verbrokkelen zal: &#x2019;s levens krachtig groen wast zelfs door
-de rots en doet ze springen, en zoo is ten laatste toch alleen het schijnbaar vluchtige
-en vergankelijke waarachtig eeuwig.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt gelijk,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;het leven zou weldra vermoeiend en vervelend worden,
-als daaraan de onveranderlijkheid van het doode beschoren was. Onvergankelijk is reeds
-één met het doode, alleen afwisseling is leven.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb2.100">[<a href="#pb2.100">100</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Herleeft niet,&#x201d; sprak Aspasia, &#x201e;de heldenzin van Agamemnon in duizend helden? En
-de liefde van Paris en Helena, wordt zij niet in tallooze verliefde paren opnieuw
-gevoeld?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ongetwijfeld, het leven komt en gaat,&#x201d; hernam Pericles, &#x201e;en in eeuwige verandering
-keert het weder. Zijn wij echter zeker, dat het bij dit komen en gaan ten laatste
-niet iets van zijne oorspronkelijke kracht verliest? Zou het groote in de wereld niet
-eenigszins op de steenkringen gelijken in het gewelf dezer groeve, die van boven wel
-is waar aan elkander sluiten, maar steeds enger worden?&#x2014;De heldengeest van Agamemnon
-schijnt teruggekeerd te zijn: wij hebben de Perzen verslagen, maar toch komt het mij
-voor, dat wij tegenover de helden van Homerus een weinig ingekrompen zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Vele dingen,&#x201d; hervatte Aspasia, &#x201e;mogen zwakker worden als ze herhaald worden; maar
-ontkent gij, dat veel nog krachtiger en heerlijker zich vernieuwt? De kunst, die met
-deze bouwvallen onderging, is teruggekeerd en heeft de met beelden prijkende, marmeren
-tinnen van het Parthenon gebeiteld!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wanneer echter,&#x201d; zei Pericles, &#x201e;ook die met beelden prijkende tinnen eens in stof
-zullen zijn verkeerd&#x2014;wanneer het heerlijke vierspan van Pallas wellicht van den gevel
-van het Parthenon naar beneden stortend, met donderend geraas op de rotshelling wordt
-verbrijzeld, zijt gij dan zeker, dat de kunst nog eens en steeds heerlijker zal wederkeeren?
-Of zal er een tijd komen, welks roem alleen nog teert op het vertoon van onsterfelijke
-bouwvallen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dit zij eene zorg voor de latere geslachten!&#x201d; antwoordde Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt ook van de liefde van dat schoonste paar uit den voortijd gesproken,&#x201d; vervolgde
-Pericles, &#x201e;en hoe die in tallooze paren zich hernieuwt?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Twijfelt gij daaraan?&#x201d; zei Aspasia.
-<span class="pageNum" id="pb2.101">[<a href="#pb2.101">101</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Neen!&#x201d; riep Pericles, &#x201e;en ik geloof, dat de liefde en juist alleen de liefde, steeds
-bestaat met dezelfde kracht, met dezelfde levensfrischheid, met dezelfde bron van
-zaligheid!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;De liefde en het genot!&#x201d; viel Aspasia hem met een betooverenden glimlach in de rede.
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, zeker!&#x201d; sprak Pericles. &#x201e;Wel is waar, moet ik met een gevoel van schaamte op
-deze plaats wandelen en wellicht ben ik niet waardig zelfs één enkelen nacht boven
-het stof van Homerische helden te rusten. Maar schoon ik ook met smartelijke benijding
-afstand moet doen van den heldenroem van Achilles, deel ik toch het geluk van Paris:
-het bezit van de schoonste Helleensche vrouw!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>De gelaatstrekken van Pericles waren niet in volkomen overeenstemming met de woorden
-zelve. Zijn gelaat scheen twijfel uit te drukken of het den man wel betaamde afstand
-te doen van den roem van Achilles, en zich te vreden te stellen met het geluk van
-Paris.&#x2014;
-</p>
-<p>Doch met de betoovering van de schoonste Helleensche vrouw wist Aspasia de gedachten
-in slaap te wiegen, die in de manlijke ziel van Pericles oprezen. Haar oog verspreidde
-een magischen glans in de sombere rotsgroeve, van hare wangen scheen een rozenrood
-schijnsel door het geheele vertrek te lichten. De fakkel, die zooeven flauw had geflikkerd,
-evenals wellicht die, welke eens bij de begrafenis van den vermoorden Agamemnon haar
-licht had verspreid, scheen eensklaps vroolijk op te vlammen als eene bruiloftsfakkel.
-Door den glans der schoonheid, die in de donkere diepte schoot, scheen zelfs de groeve
-nu in een bruidsvertrek herschapen en de eeuwige frischheid des levens en der liefde
-verkreeg de overhand boven de huivering des doods en der vergankelijkheid, boven het
-duizendjarig stof der Atriden.&#x2014;
-</p>
-<p>Toen Pericles en Aspasia de plaats hunner nachtelijke rust verlieten en uit de sombere
-groeve naar buiten traden, straalde hun de morgen, met zijn <span class="pageNum" id="pb2.102">[<a href="#pb2.102">102</a>]</span>verkwikkenden dauw op alle velden en heuvels, vroolijk tegen. Maar &#x2019;t was ook in &#x2019;t
-schitterend licht van den dag niet minder eenzaam en doodstil dan onder de bouwvallen
-van den Atriden-burg. Alleen een gier zweefde onbeperkt met wijd uitgespreide vleugels
-boven Mycenae, hoog in de blauwe lucht.
-</p>
-<p>Terwijl daarop de reizigers van den medegebrachten voorraad en den wijn, dien een
-slaaf in een geitelederen zak droeg, een en ander voor een ontbijt nuttigden, vroeg
-Pericles aan Aspasia, of zij niet gedroomd had gedurende haar slaap in de Atriden-groeve.
-</p>
-<p>&#x201e;Inderdaad,&#x201d; hernam Aspasia, &#x201e;heeft mij in den ochtendstond een droom midden onder
-het gewoel der helden voor Ilium verplaatst. Ik heb Achilles in levenden lijve gezien
-en hij zweeft mij nog steeds voor oogen. Zijne gestalte was die van een onbeteugelden,
-schoonen jongeling, schier daemonisch was zijn uiterlijk, hoog en slank, het volkomen
-eironde gelaat door donkere lokken omgolfd, de oogen koolzwart en bijna rond, wat
-zijn gelaat bij al den adel der trekken iets Gorgonen-achtigs, iets huiveringwekkends
-gaf; de mond buitengewoon klein, de lippen echter krachtig ontwikkeld&#x2014;overal de trekken
-van jeugdige schoonheid met de uitdrukking van woeste, bijna bovenmenschelijke heldenkracht
-vereenigd. Zóó zag ik hem bij de schepen staan, het hoofd in een lichtgloed gehuld,
-door zijn oorlogskreet alleen reeds ontzetting aanjagend binnen de muren van Ilium.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ook mij,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;heeft een droom ter zelfder tijd naar de Homerische wereld
-gevoerd, maar zonderling, niet onder de helden; integendeel: ik zag Penelope; en wat
-nog vreemder is, ik zag haar niet zooals Homerus haar schildert, als Odysseus&#x2019; trouwe
-en geduldig wachtende gade, maar als jeugdige bruid in het licht eener sage, die mij
-nog zinrijker voorkomt, dan alles wat Homerus van haar gezongen heeft. Ge kent zeker
-de overlevering omtrent de omstandigheden van Odysseus&#x2019; <span class="pageNum" id="pb2.103">[<a href="#pb2.103">103</a>]</span>vrijen: hoe de Spartaansche koning Icarius zijne dochter Penelope aan Odysseus had
-beloofd, in de hoop hem daardoor te bewegen zich in Lacedaemon neder te zetten. Toen
-dit hem echter niet gelukte trachtte hij de teedergeliefde dochter van haar minnaar
-afkeerig te maken, en toen Odysseus de bruid naar Ithaca wegvoerde, volgde haar vader
-hen met tranen en gebeden, zoodat Odysseus haar ernstig afvroeg of zij hem vrijwillig
-volgen of liever met haar vader naar Sparta wilde terugkeeren. Toen Penelope niets
-antwoordde, maar zedig den sluier voor het gelaat trok, liet Icarius haar ongehinderd
-gaan en richtte op de plaats, waar dit voorgevallen was, een beeld op gewijd aan de
-maagdelijke schaamte. Wat een liefelijk beeld is deze zwijgende blozende Penelope;
-in maagdelijke schaamte het hoofd omhullende! En juist in deze jonkvrouwelijke gestalte
-heb ik haar dezen nacht in den droom gezien.&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo vertelden Pericles en Aspasia elkander de droomen, die hun verschenen waren boven
-het stof der Atriden, en zij overwogen half schertsend, half ernstig of er soms een
-voorteeken, een verborgen zin in deze droomgezichten verscholen mocht zijn.
-</p>
-<p>Nog één blik wierpen zij van de puinhoopen van Mycenae op de Inachus-vlakte en het
-oude Archos. Daarna maakten zij zich gereed om hun weg te vervolgen en hun zwerftocht
-uit de Argolische bergen naar de Arcadische aan te vangen.
-</p>
-<p>Pericles en Aspasia schepten er vermaak in, groote afstanden te voet af te leggen
-en, als voor hun genoegen wandelend, op de paden van het groene woudgebergte vertrouwelijke
-gesprekken te voeren.
-</p>
-<p>Aspasia was tot dusverre gewoon alleen op kussens en tapijten te rusten: nu ondervond
-zij, dat het mogelijk was ook op groene zoden, op mos, kruiden en pijnboomnaalden
-zich ter ruste te vlijen. Wanneer zij zich soms op eene liefelijke plek nederlieten,
-bracht een slaaf op bevel van Pericles een der <span class="pageNum" id="pb2.104">[<a href="#pb2.104">104</a>]</span>boekrollen, die de zangen van Homerus bevatten, en Aspasia las haar echtgenoot op
-zijn verzoek plaatsen daaruit voor met hare welluidende, heldere stem. Niet zonder
-deze zangen hadden zij de overblijfsels van het oude Atriden-rijk willen bezoeken,
-en inderdaad, sinds zij deze puinhoopen hadden gezien, begrepen zij den dichter eerst
-ten volle.
-</p>
-<p>Van tijd tot tijd rees er wel een kleine woordenstrijd wanneer Pericles al te opgewonden
-den lof van den aartsvaderlijken heldentijd prees, terwijl Aspasia het ideaal van
-het menschelijk leven liever in den tegenwoordigen tijd of zelfs in de toekomst zocht.
-</p>
-<p>&#x201e;Bij Homerus,&#x201d; zei Pericles eens, &#x201e;geloof ik eene merkwaardige leer te vinden; dat
-namelijk de mensch eens dier geweest en langzamerhand mensch geworden is. Men ziet
-bij hem, namelijk in de Odyssee, hoe die menschwording allengs heeft plaats gegrepen.
-Hij legt overal het zwaartepunt op de zegepraal van de menschelijkheid over het ruwe
-en dierlijke. Overal treft gij dezen strijd der menschheid aan met de nog niet volkomen
-verwonnen overblijfsels der dierlijkheid. Hij toont ons in de wilde Laestrygonen en
-Cyclopen, wat wij eens geweest zijn. Hij schildert dan vol diepen zin deze wilde halfmenschen
-tegenover het menschelijk edel gevoel, stelt de menscheneters tegenover de gastvrije
-Phaeäken, en om het menschelijke voor den terugkeer tot het dierlijke te bewaren,
-knoopt hij het zoo innig mogelijk aan het goddelijk vast. Pallas Athene, de Godin
-van menschelijk verstand en beleid, van de door menschelijkheid geadelde geestkracht,
-is de trouwe geleidsvrouw en hulpe zijner helden. Menschelijkheid is het wat hij predikt,
-menschelijkheid in tegenoverstelling van dierlijkheid. Bij hem is de reine menschelijkheid
-uitgedrukt in reine poëzie. In den reinen, helderen aether zweven bij hem alle voorwerpen.
-Welsprekender heeft de verheven eenvoud uit geen mond gesproken dan uit den zijnen.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb2.105">[<a href="#pb2.105">105</a>]</span></p>
-<p>Hier stuitte Aspasia Pericles in zijn lofrede.
-</p>
-<p>&#x201e;Met uw verlof,&#x201d; zeide zij, &#x201e;er is u een woord ontvallen, dat ik niet onopgemerkt
-mag laten voorbijgaan en dat gij zelf wellicht gaarne zult willen terugnemen. Homerus,
-is toch eenvoudig noch ongekunsteld, ten minste niet in dien zin, als bij voorbeeld
-de beeldhouwers vóór Phidias waren. Met Homerus sprong, om een oud beeld te gebruiken,
-de poëzie in volkomen rijpheid uit het hoofd van Zeus. Zijne taal is breed, rijk,
-vol. Zijne schilderingen zijn soms even prachtig als levendig, en er zijn plaatsen
-in de Ilias en Odyssee, die geen later dichter in rhetorische pracht en uitdrukking
-zal overtreffen. En zijne welsprekendheid! Zijn de woorden, waarmede de toornende
-<span class="corr" id="xd30e6277" title="Bron: Achillis">Achilles</span><a class="noteRef" id="xd30e6279src" href="#xd30e6279">9</a> bewogen moet worden om terug te keeren tot den strijd, en het antwoord, dat hij geeft,
-geen meesterstukken? En dit toch niet door hun verhevenheid alleen; maar ook, door
-de schikking en de treffende kracht der bewijsvoering, blijven zij modellen der hoogste
-welsprekendheid.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat gij daar te berde brengt, is waar,&#x201d; hernam Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Maar toch bezit Homerus in een zekeren zin weder datgene, wat ik verheven eenvoud
-noem. Wellicht bestaat het geheim der hoogste kunst daarin, dat zij, door den prachtigen
-stijl heen, toch dien hoogen eenvoud laat doorschemeren, met de rijpheid van het tegenwoordige
-de natuurlijke frischheid van den voortijd vereenigt.&#x201d;
-</p>
-<p>Na hun tocht eenige dagen te hebben voortgezet, bevonden de reizigers zich te midden
-van de ruwe bergachtige streken van het herdersland Arcadië. Zij togen onder een geleide
-van inheemsche herders, die hun niet alleen als gidsen dienden maar ook, met knotsen
-en sterke lansen gewapend, te <span class="pageNum" id="pb2.106">[<a href="#pb2.106">106</a>]</span>gelijk als beschermers en verdedigers. Zij zagen in de eenzame bergen boven zich de
-adelaars in de wolken zweven, zij zagen andere vogels met scherpe klauwen en kromme
-snavels op steile rotsen onder luid gekras elkander bestrijden, zij zagen zwermen
-kraanvogels, spreeuwen en kraaien voor den havik vluchten, die van de toppen der bergen
-op hen nederschoot. Hier en daar dreunden bijlslagen uit de diepte van het woud en
-het gekraak van eeuwenoude stammen onder de handen der houthakkers. Van verscheurende
-dieren, die meestal alleen des nachts hunne holen verlaten, ontmoetten zij niet één
-op hun pad. Alleen vonden zij den bodem van Arcadië&#x2019;s wouden met schildpadden bedekt,
-die moeilijk tusschen de kruiden en steen voortwaggelden of in de zon zich koesterden.
-</p>
-<p>Zoo zwierven Pericles en Aspasia door de stille dreven, en terwijl zij het vreemde
-en nieuwe met kalmte als iets toevalligs en voorbijgaands meenden te moeten opnemen,
-oefende toch alles op hen een beslissenden, onmerkbaren invloed uit en voegde het
-zich als eene vooraf bepaalden schakel in hun bestaan; zonder het te bemerken of te
-vermoeden gingen zij groote veranderingen en gebeurtenissen in hun leven en lot te
-gemoet.&#x2014;
-</p>
-<p>Over bergvlakten, die tot aan de wolken reikten, voorttrekkend, hadden de reizigers
-dikwijls zeldzame gezichten op de geheele uitgestrektheid van Hellas. Aan den versten
-gezichtseinder zagen zij soms de kruinen van met sneeuw bedekte bergen glinsteren.
-Op zekeren dag waren zij vóór het krieken van den morgen opgebroken en trokken over
-het nog in nacht gehulde gebergte.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij rilt van den koelen morgenwind?&#x201d; vroeg Pericles aan Aspasia, die huiverde.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik ril voor die donkere, ledige eenzaamheid der bergen,&#x201d; antwoordde zij. &#x201e;Mij is
-het te moede, alsof wij niet meer op Helleenschen bodem wandelen en alsof wij door
-alle Goden van Hellas verlaten zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>Op dit oogenblik vestigde het oog van Pericles <span class="pageNum" id="pb2.107">[<a href="#pb2.107">107</a>]</span>zich op een gouden wolkje, dat aan den rand van den horizon in het verre noorden zichtbaar
-werd. Hij wees ook Aspasia daarop. Het gouden wolkje nam grootere afmetingen aan,
-maar bleef onveranderd op zijne plaats en stak zonderling af bij de overige, grauwe
-tint van den nachtelijken hemel. Langzamerhand verkreeg de oppervlakte van het wolkje
-eene merkwaardige duidelijkheid en bepaalder omtrekken, die in het geheel niet meer
-als die van eene wolk schenen. Het zag er uit als eene gouden landouwe in de verte,
-waarop zalige Goden zich vermeiden. En inderdaad, toen de morgen grauwde en de lijnen
-van bergketens in de verte zichtbaar werden, verbreidde die glans zich sterker en
-de wandelaars bemerkten, dat het niet eene onbewegelijke lichte wolk geweest was,
-wat zij gezien hadden, maar de besneeuwde kruin van een verren berg in het noorden,
-beschenen door de stralen van de nog niet zichtbare zon.
-</p>
-<p>&#x201e;Het is, geloof ik, de top van den Thracischen Olympus, den Godenberg!&#x201d; zeide Pericles
-opgewekt tot Aspasia. &#x201e;Ziet ge, dat de Goden van Hellas ons nog niet verlaten hebben?
-Verre weg van den zetel, waar zij in eeuwige zaligheid tronen, zenden zij door eene
-spleet van het hooggebergte ons een groet in deze onverkwikkelijke eenzaamheid.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zij willen ons zeggen,&#x201d; hernam Aspasia glimlachend: &#x201e;vergeet ons en al het schoone
-niet geheel in het sombere land der Doriërs!&#x201d;
-</p>
-<p>Weldra echter geraakten de reizigers van de kale bergvlakten in het boom- en bronrijke
-westen van het Arcadische land. Hier storten zich talrijke beekjes, bekoorlijk om
-te zien, nu eens ruischend, dan weder zacht murmelend van de boschachtige hellingen
-naar beneden. Op de weilanden stond, zelfs in den zomergloed, het weelderig uitspruitend
-groen altijd frisch en onverdord. Hemelhoog verhieven de olmen, de beuken, platanen
-en eiken hun groenende takken en statige stammen omhoog. Van het geloei der kudden
-runderen <span class="pageNum" id="pb2.108">[<a href="#pb2.108">108</a>]</span>weerklonken de dalen. Overal bemerkten de reizigers, dat zij in het gebied van den
-forsch gebouwden God<a class="noteRef" id="xd30e6306src" href="#xd30e6306">10</a> zich bevonden, om wiens schouders het vel van den los hing, ter wiens eere op alle
-hoogten in den omtrek het purperen offerbloed schuimde uit de harige borst van den
-ram.
-</p>
-<p>Overal vond men zijn eenvoudig beeld opgericht, uit het hout van den olmboom gesneden,
-overal trof men sporen van hem aan. Hier was een borstelig evervel te zien, hem ter
-eere aan een plataan gehangen, daar het forsch getakt gewei van een hert, uit dankbaarheid
-voor hem aan een beuk gespijkerd. Aan de bronnen echter zag men nimfenbeelden, door
-de herders opgericht, daarnaast wijgeschenken opgehangen.
-</p>
-<p>Pericles en Aspasia wandelden door hooge eikenwouden, die de op- en ondergaande hemellichten
-met eene zee van gouden glans overtogen, en waar de zon door de kruin van een boom
-als een karbonkel glinsterde, lange stralen werpend, die men wanen zou met de handen
-te kunnen grijpen. Dat alles was hun zoo nieuw, zoo verrassend. Zij hadden op dergelijke
-zaken nooit hunne aandacht gevestigd.
-</p>
-<p>Op zekeren dag vernamen de pelgrims, terwijl zij een woud, waardoor hun weg vele uren
-leidde, doortogen, een ongewoon en sterk ruischen in de takken.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik herinner mij,&#x201d; merkte Pericles op, &#x201e;van een Arcadisch eikenbosch gehoord te hebben,
-dat Pelagos<a class="noteRef" id="xd30e6315src" href="#xd30e6315">11</a> genoemd wordt, wegens het sterke ruischen zijner tallooze kruinen, evenals de zee.
-Het is wellicht dit woud waar wij thans doortrekken.&#x201d;
-</p>
-<p>De inheemsche gidsen echter, de begeleiders der zwervelingen, verklaarden dat dit
-ruischen in het diepe woud geen gewoon verschijnsel was en wezen te gelijk naar den
-hemel boven hen, die straks nog geheel helder was geweest en thans zoo dof was als
-beslagen staal. De Arcadiërs voorspelden <span class="pageNum" id="pb2.109">[<a href="#pb2.109">109</a>]</span>een naderenden storm. De reizigers verhaastten hunne schreden, om nog voor het losbreken
-daarvan de plaats te bereiken, waar zij voornemens waren te overnachten. Weldra echter
-ging het ruischen van het woud over in een wild huilen en de toppen begonnen te kraken.
-Enkele kleine, doch gitzwarte en van regen zwangere wolken joegen, door den wind gezweept,
-door het donkergrijze zwerk. De straks nog gouden zon stond vaalgeel boven de kruinen
-der bergen, die nog schitterden in haar bleek schijnsel. Van de toppen der boomen
-schoten rukwinden op den grond en zweepten loof, stof en kleine takken dwarlend voor
-zich op. Nu begonnen enkele droppels te vallen en weinige oogenblikken later stortte
-een regenvloed, in den beginne met hagelsteenen vermengd, kletterend neder. IJlings
-vluchtten de reizigers onder het breede beschuttend dak van een reusachtigen eik.
-Plotseling deed een vreeselijke donderslag het gebergte dreunen. En van toen af volgde
-bliksemstraal op bliksemstraal; de van onweer zwangere wolken schenen van verschillende
-hemelstreken tegen elkander te botsen. De rosse bliksemstralen kruisten elkander boven
-de hoofden der verschrikte zwervelingen en de donderslagen werden door de honderden
-dalen en bergen weerkaatst. Daarbij plaste de regen onophoudelijk in stroomen neder,
-de storm loeide, de roofvogels krijschten en uit de verte weerklonk het gehuil van
-den wolf.
-</p>
-<p>Met angstige blikken aanschouwden de reizigers uit hunne schuilplaats onder het bladerdak
-van den eik het vreeselijk onweer, dat rondom hen van alle kanten woedde.
-</p>
-<p>Daar sloeg plotseling voor hunne oogen uit een zwarte wolk, die boven den kam van
-eene puntige rots hing, de bliksem in een der hoogste boomen van het woud. In huiveringwekkende
-pracht baadde de reuzenstam zich in een zee van vuur en was in één oogwenk tijds van
-de kruin tot den voet in vlammen gehuld: een vonkenregen spatte neder <span class="pageNum" id="pb2.110">[<a href="#pb2.110">110</a>]</span>uit de knetterende takken. Een zwavellucht doortrok den aether. Van den brandenden
-eik echter kronkelden de vlammen zich naar andere boomtoppen en bedreigde weldra de
-schuilplaats der reizigers. De Arcadische mannen beloofden de zwervelingen naar de
-naaste hoeve te voeren, waar zij zouden overnachten. Voorwaarts langs ongebaande wegen
-spoedden zij zich, hunne gidsen volgend.
-</p>
-<p>Na eenigen tijd had de geweldige regen uitgewoed; maar men hoorde het doffe gebruis
-van gezwollen beken, die van de hoogten zich nederstortten in de dalen en kloven,
-puin en zand, gebroken takken en rotsblokken zelfs, door de woudstroomen weggespoeld,
-in den afgrond met zich sleepend.
-</p>
-<p>Intusschen was de avond gevallen en terwijl de reizigers door het woud <span class="corr" id="xd30e6330" title="Bron: en">in</span> allerijl hun weg vervolgden, bedaarde het onweder. Weldra werden de wolken door de
-winden uiteen gedreven en de maan ging rustig op over het woud en de hoogten, die
-nog zooeven hadden gedaverd van den wilden strijd der elementen.
-</p>
-<p>Nu bereikten de vluchtelingen eene groote opene plek in het bosch, eene met kruiden
-bewassen vlakte, die over eene zachte helling zich naar beneden uitstrekte. Een groot
-verrassend panorama deed zich hier in de stilte van den nacht aan hunne blikken op.
-Heinde en ver verhieven zich de toppen der bergen en puntige kruinen in het zilveren
-schijnsel der maan, die nu eens geheel helder aan den reinen hemel stond, dan weder
-beneveld door voorbij drijvende wolkjes haar licht verspreidde. Het oog had veel te
-aanschouwen en de vermoeiden wandelden als in een wakenden droom voort. Daartusschen
-bruisten de woudstroomen met machtig geweld. Midden in die open plek lagen eenzaam
-de hoeve en hof van een herder. Toen de reizigers zich gereed maakten daarop toe te
-treden, trad hun plotseling een man in den weg, die gewapend en met dierenhuiden bedekt
-was en die klaarblijkelijk het erf tegen de nachtelijke aanvallen van wilde dieren
-bewaakte. Een paar geweldige <span class="pageNum" id="pb2.111">[<a href="#pb2.111">111</a>]</span>honden liepen blaffend aan zijne zijde.
-</p>
-<p>Spoedig brachten de inheemsche gidsen hem op de hoogte van de zaak. Zij verlangden
-gastvrijheid voor de Atheensche reizigers. De wachter voerde de vreemdelingen, nadat
-hij de blaffende honden met steenen tot rust had gebracht, achter den met hagedoorn
-omschutten muur, die de hoeve omgaf en eene ruime plaats vormde, waar in het midden
-een wachtvuur brandde. De eigenaar der hoeve, een eenvoudig herder, naderde en <span class="corr" id="xd30e6339" title="Bron: heete">heette</span> de gasten welkom, zonder naar hun afkomst of naam of naar het doel hunner reis te
-vragen. Hij liet een hamel slachten, om dien voor het onthaal zijner gasten bij het
-vuur te braden.
-</p>
-<p>Nadat hij de reizigers alzoo had verkwikt, wees hij de slaven hun nachtleger in de
-schuren aan; aan Pericles en Aspasia echter stond hij de kamer van zichzelven en van
-zijne vrouw af en liet voor hen een helder leger spreiden, terwijl hij rijshout en
-dorre kruiden op den grond strooide en dit met zachtwollige schapenvachten bedekte.
-Tot dek gaf hij hun eenige geitenvellen en bovendien zijn mantel.
-</p>
-<p>De afwisselende wederwaardigheden, de kleine avonturen, ja zelfs de ongemakken eener
-reis vermeerderen het genot van reizenden, in plaats van dit te verminderen. De onophoudelijke
-afwisseling van beelden en gebeurtenissen verschaft ten laatste een onuitsprekelijk
-genoegen en uit de vrije lucht des hemels stroomt den vermoeiden niet alleen nieuwe
-kracht en verfrissching toe, maar ook eene blijmoedige stemming.
-</p>
-<p>Pericles had zich nooit opgewekter gevoeld dan hier in de hut van den herder bij het
-gezicht van dat armoedig leger. De zilveren klank van Aspasia&#x2019;s lach mengde zich zelfs
-eigenaardig bij het idyllisch geloei der runderen uit de dampende stallen.&#x2026;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe veel zonderlings bescheren ons de Goden, aan wie wij ons op onzen zwerftocht
-hebben toevertrouwd!&#x201d; zeide Pericles. &#x201e;Vóór weinige dagen <span class="pageNum" id="pb2.112">[<a href="#pb2.112">112</a>]</span>hadden wij tot slaapvertrek eene eeuwen-oude koningsgroeve, die ons midden in de Ilias
-verplaatste, en heden schijnt het, dat wij de avonturen der Odyssee zullen beleven.
-Die geest van Homerus omzweeft ons, sinds wij den Isthmus hebben overschreden; ik
-denk, dat wij door ons zwerven geheel zullen veranderen en als wij teruggekeerd zijn
-kwalijk meer passen bij de verfijnde, schier verwijfde Atheners!&#x201d;
-</p>
-<p>Toen Pericles en Aspasia, vroegtijdig gewekt door het geblaf der honden en het krachtig
-geloei der runderen, van hun leger verrezen en in den ruimen hof naar buiten traden,
-zagen zij de boersche herdersknechten zich naar de stallen begeven. Een groote, ruigharige
-hond speelde met eene schildpad, die hij in het nog natte gras had gevonden. Hij greep
-haar onder luid geblaf en allerlei sprongen nu eens met den poot, dan eens met den
-bek en trok haar om en om, tot zij dood op den rug lag. Een andere hond vocht of liever
-speelde met een bok. De bok stiet hem met de horens, de hond echter hapte naar den
-baard van den bok en trachtte hem te bijten. Aan de bron zat een naakt kind en wierp
-met steentjes naar de schitterende zonneschijf, die zich in de oppervlakte van het
-water spiegelde.
-</p>
-<p>Nu kwam uit de stallen de kudde runderen met zwaren tred aanwaggelen: vooraan, fier
-in het bewustzijn zijner kracht, de springstier; de kalveren sprongen blatend om hunne
-moeder. Twee knechts volgden met kromme herdersstaven in de hand, van twee geduchte
-honden vergezeld. Vervolgens kwamen de blatende geiten, door jongens geleid. Den vooraan
-loopenden <span class="corr" id="xd30e6353" title="Bron: geitenbok">geitebok</span> vatte de herder bij zijn harigen kin en streelde hem. &#x201e;Deze trouwe bok,&#x201d; zei hij
-tot Pericles en Aspasia, &#x201e;kondigt in donkere nachten den wolf of den los, die het
-erf besluipt, aan, zelfs wanneer de honden slapen en verzuimen het roofdier te bespringen.&#x201d;
-</p>
-<p>De blatende kudde lammeren echter vereenigde zich om een donkerbruin meisje, wier
-hoofd door een breedgeranden hoed overschaduwd werd en die <span class="pageNum" id="pb2.113">[<a href="#pb2.113">113</a>]</span>een herdersstaf in de hand hield. Het meisje had iets over zich, wat in het eerste
-oogenblik de aandacht trok en een indruk te weeg bracht, waarvan men zich niet onmiddellijk
-rekenschap kon geven. Zag men echter nauwkeurig toe, monsterde men hare gestalte en
-het schamel gewaad, dat haar bedekte, dan bemerkte men, dat het een herdersmeisje
-was, zich ter nauwernood van andere onderscheidende, en men zag niets bijzonders aan
-haar, dan blonde haarvlechten en oogen van eene vreemde soort. Deze oogen namelijk
-waren merkwaardig diep en mijmerend, en schenen zelfs in deze<span class="corr" id="xd30e6360" title="Niet in bron">,</span> haar welbekende en alledaagsche omgeving met eene soort van kinderlijke verbazing
-rond te staren.
-</p>
-<p>De lammeren verdrongen zich blatend om haar en sprongen tegen haar op. Een der jongste,
-glinsterend wit, likte liefkozend de uitgestrekte hand van het meisje.
-</p>
-<p>Toen de geheele kudde lammeren de poort van den hof, door het meisje geleid, uitgetrokken
-was, naderde de gastvrije herder Pericles en Aspasia en zij vernamen van hem, dat
-de jonge herderin zijne dochter was, zijn eenig kind, en dat zij Cora<a class="noteRef" id="xd30e6365src" href="#xd30e6365">12</a> heette. Hij zette hun nu verscheidene versnaperingen uit zijn landelijken voorraad
-tot een ontbijt voor, waarin zijne vrouw Glycaena hem de behulpzame hand bood.
-</p>
-<p>Pericles vroeg den herder of hij wilde toestaan met de zijnen een dag lang bij hem
-rust te houden, omdat zij na de inspanning van den laatsten tocht zeer vermoeid waren.
-</p>
-<p>Met blijdschap willigde de herder dit verzoek in, liep naar zijne vrouw en zeide met
-geheimzinnig gebaar:
-</p>
-<p>&#x201e;Glycaena, ik geloof bepaald, dat die beide vreemdelingen die in onze hoeve gekomen
-zijn, geen stervelingen zijn. Wat hun uiterlijk en schoonheid van gestalte betreft,
-schijnen zij mij verkleede Goden toe, zooals die toch menigmaal bij arme <span class="pageNum" id="pb2.114">[<a href="#pb2.114">114</a>]</span>herders hun intrek hebben genomen. Ook roeren zij bijna de spijzen niet aan, die men
-hun voorzet.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En de slaven,&#x201d; vroeg Glycaena, &#x201e;houdt gij die ook voor Goden?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Neen,&#x201d; zei de herder, &#x201e;die eten en drinken als gewone menschen. Maar die beiden&#x2014;nu
-om het even! Onthaal ze maar, zoo goed gij kunt.&#x201d;
-</p>
-<p>Daarop keerde de herder tot zijne gasten terug, leidde hen overal rond, toonde hun
-zijne stallen en zijne graanzolders, benevens zijne gladgeboende melkemmers, de tot
-den rand toe met melk gevulde vaten en de korven, met kaas gevuld. Hij voerde hen
-ook naar de in hun kotten achtergebleven zeugen en biggen met hun glinsterend witte
-<span class="corr" id="xd30e6379" title="Bron: tan-tanden">tanden</span>, prees hun malsch vleesch en voederde ze voor hunne oogen met steeneikels en roode
-kornoeljes. Nauwelijks gaf Aspasia te kennen, dat zij vermoeid was en wel eens wilde
-rusten of de herder was aanstonds met een gespikkeld gemzenvel gereed, om het voor
-haar uit te spreiden en lachte daarbij met eene sluwe uitdrukking op zijn gelaat,
-alsof hij wilde doen merken, dat hij wel wist, welke behandeling verkleede Godinnen
-van de stervelingen vereischten.
-</p>
-<p>Huiden en koppen van gedoode roofdieren waren aan de omheining van den hof, alsmede
-aan de boomen, die hem omgaven, in grooten getale opgehangen, en nadat Pericles en
-Aspasia ook deze beschouwd hadden, ademden zij, in de vrije natuur wandelend en aan
-zichzelven overgelaten, ruimer de geurige lucht der kruiden op de berghelling in.
-In het frissche groen, als door de geweldige regen schoongewassen, glinsterde de berg
-in de stralen der morgenzon. De bedauwde grashalmen schitterden op hunne naar de zon
-gekeerde zijde als blank geslepen klingen. Een zwerm kraaien vloog in volle vaart
-over de dreven, streek op een eenzaam staanden boom neder, vloog na weinige oogenblikken
-even haastig weder op en verloor zich in den blauwen aether. Over de verwijderde <span class="pageNum" id="pb2.115">[<a href="#pb2.115">115</a>]</span>bergtoppen zag men herders met hunne kudden trekken. De valleien daartusschen waren
-geheel met een witten nevel en damp gevuld, die als de zee golfde, en waarin de van
-de hoogte wijdende kudden schenen ondergedompeld te worden en te verdwijnen. Lammeren
-en runderen zag men in alle dalen grazen en vlugge geiten klauterden tegen de rotshellingen
-op. Hier en daar klonk de toon der syrinx<a class="noteRef" id="xd30e6386src" href="#xd30e6386">13</a>, alsmede gezang, het tijdverdrijf der herders op het veld. Van zekeren kant vernamen
-de beide wandelaars tonen, die hun bijzonder liefelijk in de ooren klonken. Zij sloegen
-den weg in, vanwaar het geluid kwam en vonden eene groep herders, die luisterend zich
-om den voortreffelijken fluitspeler hadden geschaard. Weldra echter trad uit het midden
-der luisterende schaar een herder, die zich met hem in een wedstrijd wilde meten.
-Toen Pericles en Aspasia naderden, viel beiden fluitblazers de schalmei uit den mond,
-ja bijna uit de handen, en alle herders rondom stonden getroffen door de vreemde verschijning.
-Toen Pericles echter hen vriendelijk verzocht hun wedstrijd voort te zetten en hun
-zeide, dat zijne gemalin en hij Atheners waren, die, op hunne reis naar Elis, door
-een geweldig onweder overvallen, hier eene schuilplaats hadden gezocht, begonnen de
-beide kunstvaardige herders met nog grooter ijver dan straks hun wedstrijd opnieuw
-en verzochten den Athener en zijne gemalin het rechtersambt te vervullen.
-</p>
-<p>Pericles en Aspasia waren opgetogen over de verrukkelijke tonen der herdersfluiten.
-Zij verbaasden zich dat onder zulke ruwe, onbeschaafde menschen, als deze bergbewonende
-Arcadiërs, eene, zij het ook gebrekkige kunst tot zulk eene hoogte en volkomenheid
-kon geraken.
-</p>
-<p>Aspasia vroeg de herders, of zij ook niet in nimische dansen met elkander konden wedijveren.
-Toen wezen zij op den jongste onder hen, een slanken <span class="pageNum" id="pb2.116">[<a href="#pb2.116">116</a>]</span>knaap, die op Pericles&#x2019; verzoek te voorschijn trad en half koddig, half bekoorlijk
-een landelijken dans ten beste gaf, waarin hij verschillende werkzaamheden van het
-landleven in nimische dansen wist voor te stellen.
-</p>
-<p>&#x201e;Zoudt gij ook niet eens een dans met uw tweeën kunnen uitvoeren?&#x201d; vroeg Aspasia den
-knaap.
-</p>
-<p>&#x201e;Als Cora maar wilde&#x2014;&#x201d; sprak hij op bijna treurigen toon en met zwaarmoedige oogen
-voor zich uit ziende.
-</p>
-<p>&#x201e;Cora?&#x201d; riepen de andere herders lachend. &#x201e;Malle jongen! wat spreekt ge van Cora?
-Cora wil niets van u weten!&#x201d;
-</p>
-<p>De knaap zuchtte en sloop weg.
-</p>
-<p>Verder wandelend bereikten Pericles en Aspasia eene lammerweide, die aan het oog onttrokken
-door boomen aan alle kanten omgeven was. Hier vonden zij Cora te midden van hare lammeren
-zittend. Eenige der jonge witwollige schaapjes vergaten het malsche gras en lieten,
-liever om Cora liggend, hunne koppen op hare knieën rusten. Cora zelve echter zat
-met gebogen hoofd geheel en al verdiept in de beschouwing van eene schildpad, die
-op haar schoot lag en die het meisje met hare schoone, heldere en schrandere oogen
-aankeek.
-</p>
-<p>&#x201e;Waar hebt gij dit dier gevonden?&#x201d; vroeg Pericles, die met Aspasia genaderd was. Het
-meisje was zoo geheel in gedachten en mijmering verzonken, dat ze de beide vreemdelingen
-eerst bemerkte, toen zij voor haar stonden. Nu keek zij op, mat beide met een blik
-uit hare groote, ronde, kinderlijke oogen en zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Uit het bosch hier nabij komen deze dieren van zelf tot mij kruipen. Vooral deze
-hier komt altijd terug en is zoo weinig schuw, dat zij haar hals en kop, in plaats
-van ze in te trekken, altijd zoo ver mogelijk uitsteekt en mij onophoudelijk met hare
-heldere oogen aankijkt. De oude Baubo zegt, dat Pan soms zelf in de gedaante van eene
-schildpad zich verbergt. <span id="xd30e6403"></span>Ik geloof,&#x201d; ging het meisje zacht voort, &#x201e;dat ook deze iets geheimzinnigs in <span class="pageNum" id="pb2.117">[<a href="#pb2.117">117</a>]</span>zich verbergt; want sinds zij altijd tot mij uit het bosch komt en den dag bij mij
-en de lammeren doorbrengt, vermeerdert en gedijd de geheele kudde op een wonderlijke
-wijze.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen zij eenmaal aan het praten was, liet het Arcadisch meisje zich gaarne door Aspasia&#x2019;s
-vragen verleiden voort te gaan met haar zonderling en kinderlijk gesnap. Liefelijk
-was het te hooren, hoe het herdersmeisje met hare ernstige oogen van den woud- en
-herdersgod Pan vertelde, hoe zijn fluitspel uit de verte in de eenzame bergen weerklonk,
-hoe hij zich nu eens genadig, dan weer luimig toonde. Zij verhaalde ook van de Satyrs,
-met hunne bokspooten, die de wouden doorzwierven, niet alleen de Nimfen, maar ook
-de herdersmeisjes plagend vervolgden, en van éénen, die ook haar had nagezet, tot
-zij hem met een brandend hout <span class="corr" id="xd30e6409" title="Bron: verojeg">verjoeg</span>, dat zij uit een wachtvuur in het bosch had genomen; voorts van de Nimfen, die zich
-evenals de Satyrs in de wouden ophouden en die soms den mensch bij het maanlicht ontmoeten;
-wat echter een ongeluk is, want wie eene Nimf in het woud ziet, wordt met waanzin
-geslagen en is voor altijd verloren.
-</p>
-<p>De ziel van het meisje was geheel vervuld van de wonderlijken sagen en sprookjes van
-haar Arcadisch geboorteland. Zij sprak van diepe poelen en huiveringwekkende bergkloven,
-van door de Goden gevloekte meren in het woud, in welker wateren geen visch kon leven,
-van holen, waarin booze geesten hunne schuilhoeken hadden, van merkwaardige heiligdommen
-van Pan op eenzame, sombere berghoogten. En hoe huiveringwekkender de verhalen van
-het meisje waren, des te wijder zette zij hare kinderlijk beangstigde oogen open.
-</p>
-<p>&#x201e;Op den Stymphalos,&#x201d; zeide ze, &#x201e;daar hangen onder het tempeldak de doode Stymphalische
-vogels, zooals de held Heracles<a class="noteRef" id="xd30e6415src" href="#xd30e6415">14</a> ze had geveld. <span class="pageNum" id="pb2.118">[<a href="#pb2.118">118</a>]</span>Mijn vader zelf heeft ze gezien. Achter in den tempel staan marmeren beelden van jonkvrouwen
-met vogelpooten. Die doode Stymphalische vogels zijn zoo groot als kraanvogels en
-zij vlogen op de menschen aan, toen zij nog leefden en verbrijzelden hun de hoofden
-met hunne snavels en aten hen dan op. Hunne snavels waren zoo sterk, dat zij zelfs
-koper daarmede konden doorbijten.<span class="corr" id="xd30e6422" title="Niet in bron">&#x201d;</span>
-</p>
-<p>Van de door de Goden vervloekte meren in het woud, waarin geen visch kon leven en
-waarin zelfs de vogels, die er toevallig over heen vlogen, dood neervielen, kwam zij
-op het verschrikkelijke water van den Styx, dat in de somberste bergkloof van Arcadië
-hoog van de woeste rotsen neerdruipt; en van de akelige wateren op de wilde dieren
-der bergwouden en de jachten, die de Arcadische mannen daarop maakten. Toen echter
-verloor haar oog de kinderlijk angstige uitdrukking en eene moedige ziel straalde
-uit haar blik. Zij verhaalde, hoe de herders, wanneer een roofdier in de nabijheid
-der hoeve zich ophield, menigen stormachtigen nacht onder den blooten hemel moesten
-doorbrengen, hoe men op grooten afstand schitterende vuren in de hoeven onderhield,
-hoe men het luide gebrul van het hongerige roofdier in de stilte des nachts van verre
-uit het woud kon hooren en hoe dan alles zich opmaakt om zijn spoor te vervolgen,
-of hoe men het in eene hinderlaag opwacht, en, wanneer het zijn sprong over den ringmuur
-van het erf wagen wil, men plotseling uit den schuilhoek op het dier losgaat met het
-werpen van speren en steenen en brandende houten, totdat het bezwijkt, overweldigd
-door de schaar zijner bespringers.
-</p>
-<p>Pericles en Aspasia waren verrast over de uitdrukking van moed en belangstelling,
-die bij deze verhalen uit de blikken en gebaren van het herdersmeisje <span class="pageNum" id="pb2.119">[<a href="#pb2.119">119</a>]</span>sprak, in wier gemoed zooeven nog, buiten het bijgeloof en de verhalen en sprookjes
-van haar geboortegrond, voor niets anders ruimte scheen overgelaten.
-</p>
-<p>&#x201e;Het komt mij voor,&#x201d; zeide Aspasia, &#x201e;dat gij aan zulke gevechten niet ongaarne deel
-zoudt willen nemen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;O, dol graag!&#x201d; riep het meisje. &#x201e;Ik heb behalve dien boozen, overmoedigen Satyr ook
-reeds tweemaal een wolf, die mijn kudde wilde bespringen, met een brandend hout verjaagd.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Het meisje herinnert mij,&#x201d; zeide Pericles tot Aspasia, &#x201e;zooals zij in dit oogenblik
-voor ons staat, aan die beroemde dochter van het Arcadische land, Atalante<a class="noteRef" id="xd30e6433src" href="#xd30e6433">15</a> die, door haar vader als kind te vondeling gelegd, omdat hij geene dochters, alleen
-zonen wilde hebben, door eene berin gezoogd en door jagers opgevoed werd en vervolgens
-in de Arcadische wouden met speer en boog gewapend rondzwierf, een schrik der wilde
-dieren, een stoute, maagdelijke jageres, die van geen zachtere aandoening iets weten
-wilde.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zijt gij altijd zoo alleen bij uwe lammeren?&#x201d; vroeg Aspasia. &#x201e;Is er niets, waar ge
-van houdt en wat ge altijd om u zoudt willen hebben?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wel zeker!&#x201d; riep Cora en zag de vraagster weder met die kinderlijk verbaasde uitdrukking
-harer oogen in het gelaat. &#x201e;Ik houd veel van deze schildpad, met hare schrandere oogen,
-die mij altijd aankijkt en die misschien plotseling eens van gedaante verandert en
-met mij begint te spreken, want ik droom soms &#x2019;s nachts van haar en dan spreekt zij
-altijd. Ik houd ook veel van de lammeren; en ook die welbekende, ritselende boomen
-rondom mij heb ik lief en uren lang hoor ik naar hun geritsel. Ik houd ook van den
-zonneschijn; doch de op de bladeren kletterende regen is mij insgelijks lief, als
-mede de donder, die zoo statig <span class="pageNum" id="pb2.120">[<a href="#pb2.120">120</a>]</span>door het gebergte rolt. Ook van de vogels houd ik, zoowel de grootere, de adelaars
-en de kraanvogels, die hoog boven mijn hoofd vliegen, als van de kleinere die op de
-takken zingen. Het meest echter heb ik de verre bergen lief, vooral des avonds, als
-de ondergaande zon hen met eene rooskleurige tint overdekt, of in den nacht, als hunne
-toppen, terwijl alles stil, doodstil is, zoo rustig daar staan door het witte maanlicht
-omschenen.&#x201d;
-</p>
-<p>Pericles en Aspasia glimlachten. &#x201e;Het schijnt, dat wij ons op nieuw hebben vergist,&#x201d;
-zeide Pericles, &#x201e;daar wij een herdersmeisje, dat van zoovele dingen houdt, onvatbaar
-hielden voor alle zachtere aandoeningen.&#x201d;
-</p>
-<p>Aspasia trok Pericles ter zijde en sprak:
-</p>
-<p>&#x201e;Wat voor oogen zou dit eenvoudig, Arcadische herdersmeisje opzetten, dat met de schildpad
-op den schoot zit en meent, dat het dier zich in een God zal herscheppen, wanneer
-men haar plotseling in Athene verplaatste! Hoe koddig zou zij zich aanstellen, als
-ik haar bij die beide, mij toevertrouwde meisjes bracht, die ik tot mij heb genomen
-en die men reeds in Athene mijne school begint te noemen!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zij zou als een raaf onder de duiven zijn!&#x201d; hernam Pericles.
-</p>
-<p>Altijd weer opnieuw voelden zich beiden aangetrokken door het gekeuvel van het meisje,
-waarin een zonderlinge phantasie en eene even eigenaardige soort van gevoel zich openbaarden.
-Weldra echter begon Aspasia met de Arcadische van rol te verwisselen, daar zij van
-toehoorderes zelve ging vertellen. Zij begon het herdersmeisje van Athene te verhalen,
-tot Pericles haar verzocht een einde aan &#x2019;t gesprek te maken, daar hij gaarne had,
-dat zij met hem den ingeslagen weg vervolgde. Weldra verdwenen de wandelaars in het
-bosch. Het was middag geworden, de zon had de vochtigheid van den morgen opgetrokken
-en het struikgewas verwarmd en al zijne heerlijke geuren doen ontwikkelen. Op de open
-weiden in het woud <span class="pageNum" id="pb2.121">[<a href="#pb2.121">121</a>]</span>en in de houtspleten stonden hoog opgeschoten, bloeiende heesters, welker geuren vereenigd
-met de aroma&#x2019;s van de boomhars de berglucht verkwikkend, ja bijna bedwelmd maakten.
-Van cicaden<a class="noteRef" id="xd30e6455src" href="#xd30e6455">16</a> wemelde het hout onder de brandende zon.
-</p>
-<p>Toen de wandelaars in de eenzaamheid van het woud uitrustten, kropen ook naar hen
-de schildpadden toe, waarvan Cora zooveel hield; ook boven hunne hoofden vlogen de
-groote vogels en zongen de kleine in de takken; het ritselen der toppen, waarnaar
-Cora uren luisterde, ruischte over hen en Cora&#x2019;s geliefde zonneschijn speelden om
-hen heen.
-</p>
-<p>&#x201e;Het diep geruisch dezer Arcadische wouden,&#x201d; zei Pericles, &#x201e;dat als van een oneindigen
-afstand schijnt te komen en zich in een oneindigen afstand weder verliest, vervult
-mij met eene zonderlinge huivering. Iets dergelijks heb ik nooit in mijn leven ondervonden.
-Ik heb nooit naar de stemmen van een woud geluisterd; onverschillig ben ik verschijnselen
-voorbij gegaan, die mij nu plotseling iets schijnen te willen zeggen. Zie ginds eens
-dien fijnen, in de zon schitterenden draad, die van den top van den haverhalm tot
-aan de bloem van dat blauwe klokje gespannen is: hebt gij wel eens het wonderfijne,
-zilveren weefsel der spin met aandacht beschouwd? Dit Arcadische meisje leert ons,
-dat men ook dingen beschouwen kan en liefkrijgen, die men gewoonlijk ter nauwernood
-opmerkt en die men onbewust geniet, zonder dat men er dankbaar voor is, evenals men
-ademhaalt.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Uw gemoed, dierbare Pericles,&#x201d; hernam Aspasia, &#x201e;is naar &#x2019;t schijnt, zeer ontvankelijk
-voor nieuwe indrukken. Thans heeft een Arcadisch herderskind u eene geheel nieuwe
-en ongewone liefde ingeboezemd, eene liefde voor boomen en drijvende wolken en hoog
-vliegende vogels, en de geur der Arcadische bergkruiden, schijnt u wellicht reeds
-<span class="pageNum" id="pb2.122">[<a href="#pb2.122">122</a>]</span>welriekender, dan die van alle rozenpriëelen van Milete!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij zult toch toe moeten geven,&#x201d; hervatte Pericles, &#x201e;dat deze geurige woudlucht het
-hart verkwikt en dat daarentegen de bedwelmende geur der rozen de geestkracht van
-den mensch ten laatste verslapt. Inderdaad, ik voel mij hier door den adem van een
-vernieuwd leven bezield. Toen wij eens op de Acropolis in de Pangrot stonden en gij
-over den herdersgod den neus ophaaldet, vermoedden wij niet, dat deze God ons later
-eens zoo vriendelijk te gast nooden, zoo heerlijk onthalen zou. Vreedzaam geluk omgeeft
-ons hier, en wanneer ik mij in den geest uit deze voorwereldlijke stilte in het woelig
-Athene terug verplaats, dan schijnt mij het onstuimig jagen en drijven dier menschen
-schier ijdel, tegenover de goddelijke rust dezer herders op hunne eenzame bergen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik deel maar ten halve uwe ingenomenheid met de genietingen, die de gastvrijheid
-van den herdersgod ons hier bereidt,&#x201d; zeide Aspasia. &#x201e;Deze menschen zijn plomp en
-eenvoudig, de verre sneeuwkruinen doen mij huiveren en het gebergte in de nabijheid
-beangstigt mij, als zou het mij onder zijne toppen bedelven. Het ernstig, eentonig
-ruischen van die hooge, rijzige dennen doet mij onaangenaam aan, en schijnt mij juist
-geschikt om in het menschelijk gemoed een somber, naargeestig en dweepend gevoel aan
-te kweeken. Ik voor mij bemin zonnige dreven, bloeiende velden, stranden met een ruim
-gezicht op zee. Ik verkies die oorden, waar de van vernuft tintelende geest zich in
-schoone rijpheid ontwikkelt. Gij zoudt, dunkt mij, gaarne bij deze herders willen
-achterblijven; ik daarentegen zou ze allen wel van hier willen wegvoeren, om ze tot
-menschen te vormen. Welaan, doe, zooals Apollo deed, wien het insgelijks eens behaagde
-zich onder de herders te begeven en kudden te weiden<a class="noteRef" id="xd30e6467src" href="#xd30e6467">17</a>. Blijf hier! Gij kunt dan als <span class="pageNum" id="pb2.123">[<a href="#pb2.123">123</a>]</span>eene cicade leven: wijs, zonder leed en bloed. En lust het u soms nog nuttig werkzaam
-te zijn, dan kunt ge krekelvallen vlechten of lijmstokken behendig tusschen de boomtakken
-steken, om vogels te vangen, of met steenen door den slinger geworpen, de spreeuwen
-en kraanvogels van de zaadvelden verjagen. Of gij kunt de lammeren van Cora hoeden,
-die mij naar Athene zal vergezellen.&#x201d;
-</p>
-<p>Pericles glimlachte. &#x201e;Denkt gij dus inderdaad,&#x201d; zeide hij, &#x201e;Cora met u te nemen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wel zeker, denk ik dat te doen!&#x201d; hernam Aspasia, &#x201e;en ik hoop, dat gij uwe toestemming
-daartoe niet weigeren zult.&#x201d;
-</p>
-<p>Pericles was verrast. &#x201e;Mijne toestemming,&#x201d; zei hij, &#x201e;zal u niet geweigerd worden,
-maar welke bedoeling hebt gij daarmede?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Is louter eene aardigheid,&#x201d; antwoordde Aspasia. &#x201e;Dit Arcadische meisje zal mij
-gewis vermaken. Ze doet mij lachen, als ik in hare groote, ronde, angstig rondkijkende
-oogen zie.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x2019;t Was, zooals Aspasia zeide: zij wilde zich met dat meisje vermaken, zij wilde er
-genoegen in scheppen te zien, hoe zonderling het bijgeloovig, onervaren herderskind
-zich gedragen zou, wanneer men het plotseling in het oververfijnde Athene verplaatste.
-</p>
-<p>De ziekte van een zijner slaven noodzaakte Pericles nog een tweeden dag de gast van
-den herder te blijven.
-</p>
-<p>Ook dezen dag bracht het Atheensche paar meest in het gezelschap van het bruine herdersmeisje
-door. Weder snapte Cora, vertelde <span class="corr" id="xd30e6481" title="Bron: hardersgeschiedenissen">herdersgeschiedenissen</span>, ja zij zong zelfs eenige zonderlinge, kinderlijke liederen, die zij zelve gemaakt
-had, zooals het volgende:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<div class="lg">
-<p class="line">Het beekje komt van &#x2019;t rotsgebergt&#x2019;
-</p>
-<p class="line">En stort zich in het woud;
-</p>
-<p class="line">Er grazen reeën in het dal,
-</p>
-<p class="line">Het lachend ze aanschouwt.
-</p>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb2.124">[<a href="#pb2.124">124</a>]</span></p>
-<div class="lg">
-<p class="line">&#x2019;t Besprenkelt bloem en blad met dauw
-</p>
-<p class="line">En lescht der dieren dorst,
-</p>
-<p class="line">En komt de barre winter aan,
-</p>
-<p class="line">Wordt het met ijs omkorst.</p>
-</div>
-</div>
-<p class="first">Zij vertelde ook van den verliefden Daphnis<a class="noteRef" id="xd30e6498src" href="#xd30e6498">18</a>, die van zwaarmoedigheid en verlangen wegkwijnde en dien daarna alle dieren betreurden.
-Dit droevig verhaal beviel echter aan Aspasia niet: zij luisterde er naar met een
-spottenden glimlach om de rozelippen en teekenen van afkeuring&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Toen zij voortwandelende aan eene bron kwamen, door sappige kruiden omgeven, waaruit
-een kristalhelder beekje gevormd werd, en Aspasia zich daarin wilde spiegelen trok
-Cora haar angstig terug en waarschuwde haar, zeggende, dat iemand, die zich in eene
-bron spiegelt, somwijlen plotseling een ander beeld dan het zijne daarin ziet, namelijk
-dat van eene Nimf, die hem uitlacht, en dan was hij verloren.
-</p>
-<p>Toen de zon in het zenith stond en de toon eener syrinx in de broeiende middagstilte
-vernomen werd, zei Cora: &#x201e;Pan zal weder boos worden; hij wil niet, dat men hem op
-den middag, als hij rust, door syrinxen of andere geluiden uit zijne sluimering zal
-wekken.&#x201d;&#x2014;De muziek echter kwam van den herdersknaap, die den vorigen dag, op Pericles&#x2019;
-en Aspasia&#x2019;s verzoek, een landelijken dans had uitgevoerd. Wel wist de knaap, dat
-Pan van den klank der syrinx in het middaguur niet hield; maar hij bespeelde altijd
-de syrinx, als hij bemerkte, dat Cora in de nabijheid was, omdat hij meende haar daarmede
-genoegen te doen. Cora echter berispte den armen jongen. En toch had zij een week
-gemoed. Zij redde voor Pericles&#x2019; en Aspasia&#x2019;s oogen een cicade die zich in het web
-eener spin verward had.
-</p>
-<p>Ernstig en aandachtig luisterde het meisje weder, toen Aspasia haar opnieuw van Athene
-begon te vertellen.
-<span class="pageNum" id="pb2.125">[<a href="#pb2.125">125</a>]</span></p>
-<p>Met opzet schilderde Aspasia in de gesprekken, die zij met Cora nog in den loop van
-den dag hield, het leven in de stad der Atheners in verleidelijke kleuren. Zij verstoorde
-den vrede dezer idyllische natuur, zij verwekte een wanklank in de harmonische wereld
-van dit kinderlijk hart. Eindelijk vroeg zij Cora of zij met haar naar Athene wilde
-gaan. Het herdersmeisje zweeg, maar scheen in diepe gedachten verzonken.
-</p>
-<p>Aspasia wendde zich tot de ouders van Cora en verklaarde hun, dat zij Cora gaarne
-met zich mede naar Athene wilde nemen, en hunne dochter daar een gelukkig lot zou
-verbeiden.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat mogen de Goden geven!&#x201d; zei de eerlijke herder. &#x201e;Dat mogen de Goden geven!&#x201d; herhaalde
-de herderin. Maar zij zeiden niet ja.&#x2014;En zoo dikwijls Aspasia de vraag om hunne toestemming
-herhaalde, zeiden beiden altijd dit ééne:
-</p>
-<p>&#x201e;Dat mogen de Goden geven!&#x201d;
-</p>
-<p>Men zag, dat het aan het vaderlijk en moederlijk hart zwaar viel, hun eenig kind,
-zij het ook voor het gelukkigst lot, van zich te laten gaan.
-</p>
-<p>Aan den avond van dienzelfden dag werd Cora plotseling gemist, nadat zij toch met
-hare lammerenkudde reeds naar huis was teruggekeerd en langen tijd werd zij te vergeefs
-gezocht. Eindelijk zagen Pericles en Aspasia, niet verre van den ingang van het hof
-staande, het meisje de helling afkomen. Maar zij kwam in zeer zonderlinge houding.
-Zij had namelijk de handen stijf tegen de ooren gedrukt. Op eenigen afstand van Pericles
-en Aspasia stonden, buiten de hoeve, de slaven van Pericles in eene groep bijeen.
-Toen het meisje deze groep genaderd was, nam zij plotseling de handen van de ooren
-weg en scheen naar de woorden der slaven, die onder elkander praatten, te luisteren.
-Bijna op hetzelfde oogenblik scheen zij te ontstellen, drukte de hand tegen de borst
-en bleef een oogenblik als in den grond geworteld staan. Pericles en Aspasia gingen
-naar haar toe en vroegen naar de oorzaak van hare ontsteltenis.
-<span class="pageNum" id="pb2.126">[<a href="#pb2.126">126</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Ik heb Pan gevraagd,&#x201d; antwoordde zij, &#x201e;of de Goden wilden, dat ik met u naar Athene
-zou gaan.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe dan?&#x201d; vroegen beiden.
-</p>
-<p>&#x201e;Ginds onder in het dal,&#x201d; zeide het meisje, &#x201e;ligt eene grot, aan Pan geheiligd. Daar
-staat het beeld van den God, uit eikenhout gesneden, in de spelonk. Derwaarts begeven
-zich alle herders, als zij iets geheimzinnigs te vragen hebben. Men fluistert den
-God de vraag stil in het oor, houdt vervolgens zijne eigene ooren met de handen dicht,
-totdat men onder menschen komt, die juist met elkander spreken. Dan trekt men de handen
-plotseling weg en het eerste woord, dat men verneemt, is de orakelspreuk van Pan,
-het antwoord van den God op de vraag, die men hem in het oor heeft gefluisterd.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En welk woord hebt gij het eerst onder die slaven gehoord?&#x201d; vroeg Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;Het woord Athene!&#x201d; hernam Cora en beefde daarbij van aandoening.
-</p>
-<p>&#x201e;Pan wil derhalve, dat ik naar Athene ga,&#x201d; vervolgde zij zuchtend.
-</p>
-<p>&#x201e;Hij staat u toe uwe lievelings-schildpad mede te nemen,&#x201d; zei Aspasia glimlachend.
-</p>
-<p>De ouders van Cora kwamen nader.
-</p>
-<p>&#x201e;Pan wil, dat ik naar Athene zal gaan,&#x201d; zei het meisje op treurigen, maar beslisten
-toon. En zij deed nog eens het verhaal, hoe zij in de grot van Pan zijn orakel had
-geraadpleegd.
-</p>
-<p>De herder en zijn vrouw luisterden naar hare mededeeling, zagen elkander ontroerd
-aan en herhaalden toen, op niet minder treurigen toon dan het meisje, de woorden:
-</p>
-<p>&#x201e;Pan wil, dat Cora met de vreemdelingen naar Athene zal gaan!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Toen gingen zij naar hun weenend kind, drukten het in hunne armen en kusten het.
-</p>
-<p>&#x201e;Cora zal beloond worden voor hare gehoorzaamheid aan den God,&#x201d; zei Aspasia. &#x201e;Zij
-zal dikwijls boden zenden, die u berichten en geschenken van <span class="pageNum" id="pb2.127">[<a href="#pb2.127">127</a>]</span>haar zullen brengen en als gij oud zijt geworden, zal zij u bij zich noodigen, om
-het overige uwer dagen rustig bij haar te slijten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gisteren reeds wedervoer ons een voorteeken in ons huis,&#x201d; zei de herder ernstig,
-&#x201e;doordien eene slang die het nest eener zwaluw onder de kroonlijst wilde besluipen,
-door het rookgat midden op den haard naar beneden is gevallen.&#x201d;
-</p>
-<p>Aspasia sprak nog eenigen tijd met het herderspaar, om het te bemoedigen en te troosten,
-en zwijgend, schoon met gebroken hart, voegde het zich in den wil van den God.
-</p>
-<p>Treurig weerklonk in de verte de syrinx van den verliefden herdersknaap, terwijl hij
-in de schaduwen der stille paden van het landelijk erf ronddoolde.
-</p>
-<p>Nu gingen allen te zamen in de hoeve, om daar den nacht door te brengen, die voor
-Pericles en Aspasia de laatste was in de Arcadische bergen. Want met het krieken van
-den morgen waren zij voornemens op te breken en hunne reis naar Elis voort te zetten,
-waar grootere dingen hen verbeidden dan hier in het stille herdersland.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e6074">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6074src">1</a></span> Arcadië is een landschap in het midden van de Peloponnesus (Moréa) gelegen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6074src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6106">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6106src">2</a></span> De Peloponnesus.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6106src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6117">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6117src">3</a></span> De landengte tusschen Hellas en de Peloponnesus, ook die van Corinthe geheeten. In
-het algemeen iedere landengte.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6117src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6166">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6166src">4</a></span> De Styx is eene ijskoude, vergiftigde bron in Arcadië, ook eene rivier in de onderwereld.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6166src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6177">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6177src">5</a></span> Sinis, volgens anderen Sinnis, bond de reizigers, die hij in zijne macht kreeg, aan
-samengebogen boomen en liet hen zoo van een scheuren. Hij werd door Theseus gedood.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6177src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="n2.94.2">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n2.94.2src">6</a></span> De &#x201e;Zeven Vorsten&#x201d;, die op verzoek van Polynices, den zoon van Oedipus tegen Thebe
-optrokken om hem, die door zijn broeder Eteocles verdreven was, weder op den troon
-te plaatsen waren: Adrastus, Amphiaraüs, Hippomedon, Capaneus, Parthenopaeüs en Tydeus;
-Polynices wordt als zevende genoemd. <span class="corr" id="xd30e6182" title="Bron: Aeschyles">Aeschylus</span> heeft die stof dichterlijk behandeld.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n2.94.2src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6189">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6189src">7</a></span> Bij Homerus alzoo genoemd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6189src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6197">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6197src">8</a></span> De Atriden d.i. zonen van Atreus, waren Agamemnon, koning van Mycenae en Menelaüs
-van Sparta.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6197src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6279">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6279src">9</a></span> In het eerste boek der Ilias wordt de toorn van Achilles beschreven; Agamemnon heeft
-hem zijne schoone slavin Briseïs ontvoerd, omdat hij zijne eigene, Chryseïs<span class="corr" id="xd30e6281" title="Bron: .">,</span> op last van Apollo, bij monde van den priester Calchas overgebracht, aan haar vader
-Chryses heeft moeten teruggeven. Daarom is Achilles vertoornd en kan noch door gebeden
-noch door geloften er toe gebracht worden, om weder aan den strijd, waaraan hij zich
-onttrokken heeft, deel te nemen. Alleen de dood van zijn boezemvriend Patroclus, door
-Hector geveld, ontvlamt hem weder tot den strijd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6279src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6306">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6306src">10</a></span> &#x201e;Pan&#x201d;.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6306src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6315">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6315src">11</a></span> Het Grieksche pelagos beteekent: &#x201e;zee&#x201d;.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6315src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6365">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6365src">12</a></span> Cora (in het Grieksch Kora) beteekent: meisje.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6365src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6386">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6386src">13</a></span> De syrinx is eigenlijk iedere pijp, de pijpfluit, die uit verscheidene naast elkander
-vereenigde en trapsgewijze afnemende pijpen, ongelijk van dikte en lengte, bestaat:
-de herders- of Pans-fluit.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6386src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6415">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6415src">14</a></span> Het dooden der Stymphalische vogels was een der twaalf werken, Heracles (Hercules)
-door zijn broeder Eurystheus opgelegd. Door Hera met waanzin geslagen had Heracles
-zijne drie kinderen, bij Megara, dochter van den Thebaanschen koning <span class="pageNum" id="pb2.118n">[<a href="#pb2.118n">118</a>]</span>Creon verwekt, gedood, en moest, op last van den Delphischen God, als boete volbrengen
-wat Eurystheus hem zou opleggen. Het meer, waarom die vogels met koperen vleugels,
-bek en klauwen, zwierven heette Stymphalis; Stymphalos is de naam van een berg in
-Arcadië. De vogels zelve worden Stymphaliden genoemd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6415src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6433">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6433src">15</a></span> <span class="corr" id="xd30e6434" title="Bron: Atalanta">Atalante</span> was de dochter van Iasus en Clymene en werd op den berg Parthenius te vondeling gelegd.
-Zij nam deel aan den <span class="corr" id="xd30e6437" title="Bron: Augonautentocht">Argonautentocht</span> en de jacht op het Calydonische zwijn. Later werd zij aan hare ouders teruggegeven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6433src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6455">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6455src">16</a></span> Krekels. In het Latijn heet een krekel cicada, wellicht ware het meer consequent geweest,
-zoo de schrijver tettix, het Grieksche woord daarvoor, gebezigd had.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6455src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6467">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6467src">17</a></span> Apollo weidde de runderen van Admetus, koning van Pherae in Thessalië.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6467src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6498">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6498src">18</a></span> Volgens de mythe een zoon van Hermes en eene Nimf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6498src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch18" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XVIII.</h2>
-<h2 class="main">DE NIEUWE GOD EN ZIJN BLIKSEMSCHICHT.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Niet om de Olympische wedloopers naar den eindpaal te zien vliegen, niet om de worstelaars
-en vuistvechters in het zand te zien bijten, niet om de duizendvoudige bijvalskreten
-van het volk der Hellenen te hooren, waarmede zij de overwinnaars in den wedloop,
-in het worstel- en vuistgevecht, in het springen, in het werpen met speer en schijf,
-in den wapenloop begroetten, waren Pericles en Aspasia naar Elis gekomen. Hunne harten
-verlangden vurig naar hun vriend Phidias, toen zij in den <span class="pageNum" id="pb2.128">[<a href="#pb2.128">128</a>]</span>glans van een heerlijken morgen de gevierde, door de wateren van den heiligen Alpheüs
-doorsneden dalvlakte van Olympia bereikten. Alle wegen, die van de Arcadische bergen
-of uit het zuiden van de Peloponnesus over Messenië of van het noorden over Achaëe
-naar het Elische strand voerden, boven alles echter de zoogenaamde heilige feestweg,
-die langs den Alpheüs liep, wemelden van wandelaars; ook over de golven der westelijke
-zee in de nabijheid zagen zij de bekranste schepen van Italië&#x2019;s en Sicilië&#x2019;s kusten
-naderen.
-</p>
-<p>Weldra bevonden zij zich in het gewoel van de karavanen der feestgezantschappen, die
-zich naar het Pisatische strijdperk begaven; geen enkele Helleensche staat van eenig
-belang had verzuimd zulk een gezantschap te zenden. Waar zulk eene karavaan op den
-weg kwam, drong zich de stroom der overige pelgrims te voet en met rijtuig opeen en
-allen staarden verbaasd den stoet aan en hen, die in prachtgewaad, bekranst op den
-bekransten wagen zaten en den wagen zelven die niet zelden met schilderwerk versierd,
-verguld en met tapijten behangen was, ook de heerlijke offerdieren, het kostbare offergereedschap,
-het talrijke geleide.
-</p>
-<p>Niet verre van de standplaats der tenten en winkels, ongeveer tegenover den ingang
-van het woud, bevond zich eene groote beeldhouwerswerkplaats. Ze was sedert jaren
-die van den vermaarden Phidias; hier voltooide hij gemeenschappelijk met Alcamenes
-en andere zijner leerlingen in de eenzaamheid der Elische vallei, wier rust alleen
-om de vier jaar door het Olympische feestgewoel werd verstoord, het grootste en diepzinnigste
-zijner beelden. De drukte van het vroolijke Athene ontvloden, vrij van alle invloeden,
-die de vlucht zijner gedachten met bloemenketenen naar de aarde zouden willen trekken,
-schiep hij hier in de eenzaamheid, door de berglucht verkwikt, onder het geklater
-van den heiligen stroom, zijn Olympischen Zeus.
-<span class="pageNum" id="pb2.129">[<a href="#pb2.129">129</a>]</span></p>
-<p>Uit de werkplaats van Phidias ziet men twee mannen komen en den oever van den Alpheüs
-stroomopwaarts bewandelen.
-</p>
-<p>In een van deze mannen herkennen wij den vurigen Alcamenes. Zijn makker is de beroemde
-Polycletus van Argos, door zijn marmeren en metalen beelden met den Athener wedijverend,
-maar, met den kalmen en rustigen geest van den Peloponnesiër, het menschelijke als
-zoodanig rein trachtende op te vatten, en boven alles het mannelijke, &#x2019;t welk hij
-het liefst in standbeelden van athleten uitdrukte. Zijne school was Olympia: hier
-oefende en volmaakte hij zijn oog en geest aan de levende omtrekken van een harmonischen,
-krachtigen lichaamsbouw.
-</p>
-<p>Het verschil van richting in hunne kunst verwijderde, zij &#x2019;t ook schier onbewust,
-Phidias en zijn Argivischen mededinger. Terwijl de Athener geloofde, dat de eenvoudige
-kunst van den Argiver te hoog werd aangeslagen, vond deze zich heimelijk gegriefd,
-dat men hem, den Peloponnesischen kunstenaar, voorbij was gegaan en den Athener met
-zijne leerlingen geroepen had, om het grootste en verhevendste kunstwerk op Peloponnesischen
-bodem te voltooien. Dit was een dier Atheensche triomfen, welke Aspasia Pericles had
-voorspeld, toen zij hem zocht te bewijzen, dat een staat door de beoefening van het
-schoone zijne mededingers kon overvleugelen&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Zoo was Polycletus gedurende zijn oponthoud te Olympia verstoken van den omgang met
-Phidias en zijne jongeren, met uitzondering van Alcamenes, wiens openhartig, vroolijk
-en levendig karakter zich gaarne over kleinigheden heen zette en die dan ook zooeven,
-bij eene toevallige ontmoeting, een onbevangen gesprek met zijn Argivischen kunstbroeder
-had aangeknoopt.
-</p>
-<p>Polycletus, een ernstig, verstandig man, die met Phidias en zijne school zonder eenige
-<span class="corr" id="xd30e6555" title="Bron: harstochtelijke">hartstochtelijke</span> bitterheid naar den eerepalm dong, vroeg naar Agoracritus, daar hij zich verwonderde
-waarom <span class="pageNum" id="pb2.130">[<a href="#pb2.130">130</a>]</span>deze zijn meester niet gevolgd was, om evenals op de Acropolis te Athene, ook hier
-aan zijne zijde het roemvol werk te helpen voltooien.
-</p>
-<p>&#x201e;Te recht verwondert gij u,&#x201d; zei Alcamenes, &#x201e;dat juist de geliefdste leerling van
-den meester hier ontbreekt, terwijl ik&#x2014;die sedert de overwinning, welke ik met mijne
-Aphrodite op hem behaald heb, mij nauwelijks meer op de persoonlijke genegenheid van
-den meester mag beroemen&#x2014;deze toch herwaarts gevolgd heb en voortga aan zijne zijde
-te arbeiden. Nu, als men samen leven en werken zal, komt het er niet zoozeer op aan
-of men elkander meer of minder liefheeft, als wel daarop of men een gemakkelijk karakter
-bezit. Ik voor mij zou den omgang met Agoracritus, hoewel hij geweldig op mij gebeten
-is, best kunnen uithouden; doch hij kan dit niet; en alleen om mijn gehaat gezicht
-niet meer te zien, is hij sedert de voltooiing van het Parthenon heengegaan. Hij heeft
-intusschen op zich genomen, een Zeus, die Coronea<a class="noteRef" id="xd30e6562src" href="#xd30e6562">1</a> hem heeft opgedragen, te vervaardigen. Maar evenals hij des tijds, toen hij zich
-voorgenomen had eene Aphrodite te beitelen, eene Nemesis schiep, zoo hield men zijn
-Zeus, toen deze daar voltooid stond, voor een God der onderwereld. Zoo verdiept hij
-zich altijd in het sombere, en daar mijne kunst steeds eene tegenovergestelde richting
-heeft gevolgd, zijn wij allengs zulke tegenvoeters geworden, dat wij volstrekt niet
-meer in staat zijn aan de uitvoering van hetzelfde ontwerp met elkander te arbeiden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Uw levendige geest, Alcamenes,&#x201d; hernam Polycletus, &#x201e;doet u zulke groote vorderingen
-in de kunst maken, dat uwe makkers u niet gemakkelijk kunnen volgen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik kan mij hier vrijer bewegen, dan bij de werken op de Acropolis te Athene,&#x201d; zei
-Alcamenes. &#x201e;Daar moest in alles, naar een vast plan van <span class="pageNum" id="pb2.131">[<a href="#pb2.131">131</a>]</span>den meester, eene volstrekte eenheid heerschen; hier liet hij mij en Paeönius, naar
-vrije verkiezing, de uiterlijke versiering des tempels over; hij zelf echter bleef
-geheel en al verdiept in gepeinzen over zijn Olympischen beheerscher der Goden.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen Alcamenes deze woorden gesproken had, bleven zijne oogen plotseling gevestigd
-op een verwijderd punt in &#x2019;t gedrang van hen, die zich langs den oever van den Alpheüs
-bewogen. &#x2019;t Scheen, dat hij daar iemand had herkend en zijn geheele wezen begon eene
-ongewone aandoening te verraden. Hij keerde zich tot Polycletus en zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Ziet gij ginds dien statigen en eerwaardigen man, die aan de zijde van eene dichtgesluierde
-vrouw van bekoorlijke gestalte zich in &#x2019;t gewoel een weg zoekt te banen? Het is Pericles
-uit Athene, vergezeld van zijne gade, de schoone Milesische Aspasia.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja waarlijk,&#x201d; antwoordde Polycletus. &#x201e;Ik herken Pericles; ik heb hem vóór jaren in
-Athene gezien. Maar die schoone vrouw is mij geheel vreemd.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Eene even gevaarlijke en sluwe, als schoone vrouw,&#x201d; hervatte Alcamenes. &#x201e;Men kan
-haar niet beminnen zonder haar te haten, en niet haten, zonder haar te beminnen.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen Pericles en Aspasia Alcamenes zagen, en bij hem Polycletus, en het Atheensche
-paar genaderd was en de beide beeldhouwers elkander hartelijk hadden begroet, vroeg
-Pericles aanstonds naar Phidias.
-</p>
-<p>&#x201e;Wij zijn,&#x201d; zeide hij, &#x201e;gisteren avond laat te Olympia aangekomen, niet om de spelen
-bij te wonen, die voor mij de bekoorlijkheid der nieuwheid al lang verloren hebben
-en die mijne gade, als vrouw, niet mag zien, maar alleen om Phidias en zijn God, van
-wien men thans reeds met den grootsten lof gewaagt. Nu zijn wij juist voornemens den
-meester op te gaan zoeken en gij, Alcamenes, zult ons ongetwijfeld gaarne begeleiden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hij bevindt zich in het heilige woud,&#x201d; hernam Alcamenes, &#x201e;in den pas voltooiden tempel
-van <span class="pageNum" id="pb2.132">[<a href="#pb2.132">132</a>]</span>Zeus. Hij heeft zich daar met zijne medearbeiders opgesloten en wil niemand bij zich
-toelaten, deels om niet in zijn werk gestoord te worden, deels om zijn gewrocht niet
-eerder aan de oogen der menschen bloot te stellen, vóór het op de bestemde plaats
-en in al zijne heerlijkheid voor hen staat. Eerst na den afloop der spelen zal de
-tempel geopend worden. Hoe onverbiddelijk de afgetrokken en schier menschenschuwe
-man allen ook van zich weert, zoo wil ik toch beproeven, in den afgezonderden tempel
-tot hem door te dringen en hem gasten aan te kondigen, die hij ongetwijfeld met groote
-vreugde zal ontvangen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Neen, Alcamenes, doe dat niet,&#x201d; zei Pericles, &#x201e;ook door ons moet Phidias niet in
-zijn arbeid gestoord worden en ook van ons zal hij begeeren, dat wij zijn werk niet
-dan in den vollen luister zullen zien. Wij zullen een weinig geduld oefenen. Doch
-de feestelijke opening van den tempel denk ik niet met Aspasia af te wachten. Niet
-in &#x2019;t gedrang van tallooze Hellenen zouden wij dat gezicht voor het eerst willen genieten.
-Ik hoop ten minste, dat Phidias ons één dag van te voren in de zalen van den nog eenzamen
-tempel zal toelaten en ons vergunnen zijn volkomen afgewerkt godenbeeld in stilte
-te beschouwen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij zult, Pericles,&#x201d; hernam Alcamenes, &#x201e;zeker hierdoor een vurigen wensch van den
-meester zelven vervullen. Wilt gij derhalve Phidias voor het oogenblik in zijn tempel
-ongestoord laten, stel u dan te vreden met mij en den wakkeren Polycletus, die op
-den bodem van Olympia beter te huis is dan nauwelijks eenig Helleen, en wiens metalen
-of marmeren beeld ginds tusschen het loof der platanen en olijfboomen van het heilige
-woud u toeblinken.&#x201d;
-</p>
-<p>Onder vriendelijke dankbetuiging namen Pericles en Aspasia het geleide der beide groote
-kunstenaars aan.
-</p>
-<p>Zij wandelden samen door het onafzienbare gewoel op de groote, vrije ruimte, die zich
-uitstrekte <span class="pageNum" id="pb2.133">[<a href="#pb2.133">133</a>]</span>tusschen den schaduwrijken oever van den Alpheüs en het heilige woud Altis, waar de
-nieuwe feesttempel van den Olympischen Zeus zich verhief, te midden van eene menigte
-metalen en marmeren beelden.
-</p>
-<p>Zij gingen langs de huizen, bestemd voor de tallooze personen, die tot den dienst
-van den tempel behoorden, langs de herbergen, die op verre na niet voldoende waren
-voor de vreemdelingen, langs de ruimten waar de strijdwagens bewaard werden, langs
-de stallen, waarin de edele rossen en muildieren hinnikten. Het grootste deel van
-het saamgestroomde volk zagen zij in de open lucht onder tenten gelegerd.
-</p>
-<p>Na weinige schreden trof hun blik de prachtige tent van het feestgezantschap uit Sicyon,
-iets verder die van Corinthe, vervolgens die van Argos, Samos, Rhodos en andere. Om
-deze tenten heerschte een groote drukte, vooral van hen die landgenooten waren van
-de verschillende gezanten. Dan klonk het: deze hier is de prachtige tent van den rijken
-Periander uit Chios, die van den vermogenden Euphorides uit Orchomenus<a class="noteRef" id="xd30e6595src" href="#xd30e6595">2</a>, gene van den rijken Pauson van Eretria. De bewoners der tenten stonden aan den ingang,
-druk en met levendige gebaren zich onderhoudend; zij groetten hunne vrienden en noodigden
-hen uit, onder de schaduw van hun purperen tent te komen uitrusten. Vreemde, door
-de zon gebruinde jongelingen naderden hen en trachtten met de helft van gebroken ringen,
-wier andere helft in de handen van den toegesprokene zich bevond, zich als zonen en
-verwanten van oude gastvrienden te doen erkennen. Winkels van allerlei aard sloten
-zich bij de bonte tentenrij aan.
-</p>
-<p>De volksmenigte woelde dooreen. Men hoorde de verschillende Helleensche tongvallen
-door elkander. Men verstond elkaar niet altijd. Naast de vrij <span class="pageNum" id="pb2.134">[<a href="#pb2.134">134</a>]</span>harde taal van den Peloponnesiër, de breede van den Thebaan, de platte van den Megarenser,
-klonken de weeke Ionische en Aeölische tonen. In het gewoel der Hellenen waren boven
-allen, de levendige, vroolijke Atheners herkenbaar, benevens de ernstige, sombere
-Spartanen. Dikwijls wierpen zij elkander een blik van diepen haat en afgunst toe.
-</p>
-<p>Ook de reusachtige gestalten der athleten, kon men daar zien rondwandelen. Men wees
-hen met den vinger aan en noemden hunne namen en hunne overwinningen.
-</p>
-<p>Vóór de tent van het feestgezantschap uit Cios zagen Pericles en Aspasia een weenenden
-knaap, dien een hoogbejaarde grijsaard, zijn grootvader wellicht, te vergeefs zocht
-te troosten. Pericles vroeg naar de oorzaak dezer tranen en vernam, dat de jongen,
-onder beschuldiging van verwijfdheid, van den wedstrijd der knapen was uitgesloten,
-omdat hij met lang haar<a class="noteRef" id="xd30e6608src" href="#xd30e6608">3</a> en een purperen kleed te Olympia gekomen was. Met half spottende, half berispende
-woorden laakte Aspasia, zonder zich te ontzien voor hen, die het hooren konden, de
-harde, oudvaderlijke gestrengheid der Elische kamprechters; daarop streek zij den
-knaap vertroostend over de donkere lokken en zei: &#x201e;Schrei niet, beste jongen! Pericles
-van Athene zal voor u een goed woord doen bij de Hellanodiken.&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e6611src" href="#xd30e6611">4</a>
-</p>
-<p>Al meer en meer vulde zich de ruimte. Hier en daar verdrong zich de opeengepakte massa.
-Pericles en Aspasia ontmoetten al voortwandelend groepen, die zich verzamelden om
-beeldhouwers, welke hunne werken hier openlijk ten toon stelden, of om rhapsoden<a class="noteRef" id="xd30e6616src" href="#xd30e6616">5</a>, of om een man, die, op een spreekgestoelte <span class="pageNum" id="pb2.135">[<a href="#pb2.135">135</a>]</span>staande, aan het luisterend Helleensche volk de door hem opgestelde geschiedenis van
-Grieksche staten en eilanden voorlas, of om een voortreffelijk toonkunstenaar, of
-om mannen, die in trotsche houding en purperen gewaad door de hen aangapende menigte
-gingen, Sophisten die den roem van hun naam te Olympia nog verhoogen wilden en bereid
-waren voor de hen omstuwende menigte eene schitterende rede te houden over welk onderwerp
-men maar wilde, of om een onaanzienlijk mannetje, op wiens kalen schedel onder de
-brandende zonnestralen van Elis het zweet als morgendauw flikkerde en die een sterrekundige
-fabel, een werk van scherpzinnige en ingewikkelde berekeningen, ter algemeene bezichtiging
-stelde.
-</p>
-<p>Een hoogbejaarde Spartaan, met sneeuwwitte lokken, zag met donkere en onvergenoegde
-blikken naar al die eerzuchtige bedrijvigheid.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik prijs den tijd gelukkig,&#x201d; zeide hij tot een vriend aan zijne zijde, &#x201e;toen Olympia
-niets meer was dan de kampplaats voor &#x2019;t aan den dag leggen van Helleensche manlijke
-kracht, terwijl zij nu veeleer tot eene vertooning van vrouwelijke en verwijfde kunsten
-misbruikt wordt. Toen ik nog een knaap was, was hier niets te koop dan onmisbare levensmiddelen,
-alsmede benoodigdheden voor het feest zelf, als sieraden, hoofdbanden, kransen. Thans
-pralen de winkels van ijdelen opschik; wij hebben ten tijde van het feest hier eene
-groote kermis van Hellas, waar de winkeliers van alle steden en eilanden hunne verleidelijkste
-waren te pronk willen stellen. Het krioelt hier steeds meer van raphsoden, toonkunstenaars,
-beeldhouwers, wijsheidsvrienden en ander volk van dat slag. Na korten tijd zal het
-grootsche doel van het overheilige Olympische feest onder de tentoonstellingen en
-vertooningen van onmanlijken wedijver waarmede de Atheners en andere Hellenen van
-het vlakke land, der eilanden en Ionische kusten elkander de loef zoeken af te steken,
-verdwenen zijn. Eerzuchtige dwazen! Ieder wil met iets pronken, ieder <span class="pageNum" id="pb2.136">[<a href="#pb2.136">136</a>]</span>opgemerkt worden. Ginds, ziet ge, snijden eenige Megarensers hunne namen in de schors
-der populieren aan den Alpheüs om toch ook iets voor hunne onsterfelijkheid te doen!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Eenigen zie ik daar ook bezig,&#x201d; hernam zijn makker, &#x201e;met schoone, bonte kiezelsteentjes
-uit het zand van den heiligen stroom te zoeken. Ik moet daar ook eenige van verzamelen,
-om ze voor mijne jongens mee te brengen&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>Na het uiten dezer woorden verdween de vriend van den Spartaan onder de populieren
-langs den Alpheüsoever. Hoofdschuddend zag deze hem na.<span id="xd30e6630"></span>
-</p>
-<p>Op dit oogenblik weerklonk weder de schelle, alles overheerschende stem van den heraut,
-die van tijd tot tijd door de tentenstad en het gewemel van menschen heenstappende
-de oogen en ooren van alle Hellenen voor een oogenblik op zijn persoon vestigde. Hij
-was de algemeene mond der Hellenen. Hij berichtte de meest verschillende zaken. &#x201e;De
-Panormitanen<a class="noteRef" id="xd30e6634src" href="#xd30e6634">6</a> en de Leontiërs<a class="noteRef" id="xd30e6637src" href="#xd30e6637">7</a> deelen plechtig allen Hellenen mede, dat zij met elkander vrede hebben gesloten,
-na hunne geschillen door een minnelijke schikking bijgelegd te hebben.&#x201d; En wederom:
-&#x201e;De Magnesiërs<a class="noteRef" id="xd30e6640src" href="#xd30e6640">8</a> geven aan de Hellenen kennis, dat zij met de Larissaeërs<a class="noteRef" id="xd30e6646src" href="#xd30e6646">9</a> en Demetriërs<a class="noteRef" id="n2.136.5src" href="#n2.136.5">10</a> een eeuwigdurend verdrag van onderlinge verdediging hebben aangegaan.&#x201d;
-</p>
-<p>Nu echter verkondde zijne krachtige stem: &#x201e;De Lechaeërs<a class="pseudoNoteRef" id="xd30e6657src" href="#n2.136.5">10</a> betuigen ten aanschouwe van het <span class="corr" id="xd30e6659" title="Bron: gegeheele">geheele</span> Helleensche volk den Phliasiërs<a class="pseudoNoteRef" id="xd30e6662src" href="#n2.136.5">10</a> hun dank voor de hen betoonde hulp in den strijd met de Kenchraeërs<a class="pseudoNoteRef" id="xd30e6664src" href="#n2.136.5">10</a>.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat was wel de moeite waard!&#x201d; riep een <span class="corr" id="xd30e6668" title="Bron: Kenchreër">Kenchraeër</span> <span class="pageNum" id="pb2.137">[<a href="#pb2.137">137</a>]</span>met een spottenden glimlach. &#x201e;Denken de Lechaeërs inderdaad, dat wij voor hen en de
-Phliasiër bang waren? Bij Heracles! Zij zullen op het volgende Olympische feest geheel
-andere mededeelingen door den heraut hooren doen!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Niets dan snoeverij!&#x201d; hernam hoonend een Lechaeër, die niet verre van hen verwijderd
-stond. &#x201e;Bluf maar! Wij hebben nog pijlen genoeg om er de geheele stad der Kenchraeërs
-onder te bedelven!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En wij nog lansen genoeg,&#x201d; hernam de Kenchraeër, &#x201e;om de nieren van alle Lechaeërs
-aan te spietsen!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Pak u weg!&#x201d; schreeuwde de van toorn gloeiende Lechaeër, &#x201e;anders zult gij morgen uw
-gezicht in den spiegel niet meer herkennen!&#x201d;&#x2014;Tevens hief hij dreigend de vuist op.
-</p>
-<p>Een Athener greep zijn arm vast. &#x201e;Wat moet dat?&#x2014;Laat den Kenchraeër met rust, of gij
-hebt met mij te doen!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Ei, kijk hem eens!&#x201d; sprak een Samiër onder de toeschouwers, die zich om de twistenden
-heen gedrongen hadden; &#x201e;de Atheners willen zich zelfs in de gunst der Kenchraeërs
-dringen, en men weet, waar het met al hunne vriendelijkheden op uitloopt!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja wel, dat weten we!&#x201d; riepen eenige Argivers en Spartanen. &#x201e;Sedert eenigen tijd,&#x201d;
-sprak een der Argivers, &#x201e;geven de Atheners zich wonder veel moeite, om in goede verstandhouding
-te staan met de bewoners van den Isthmus en de passen van de Peloponnesus!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hebben zij dan daarvoor den tijd?&#x201d; riep een der Spartaners met een grijnslach. &#x201e;Is
-dan de groote Pericles, de Olympiër, al gereed met zijne groote, prachtige tempels
-en propylaeën en Pallasbeelden van goud en ivoor? En behaagt het de Hera van den Atheenschen
-Olympiër haar rijk ook aan gene zijde van de pijnboomwouden, van den Isthmus uit te
-breiden?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hare vrienden en voorvechters heeft zij immers <span class="pageNum" id="pb2.138">[<a href="#pb2.138">138</a>]</span>reeds vooruit gezonden!&#x201d; riep de Argiver, met den vinger over zijn schouder naar de
-werkplaats van Phidias wijzend.
-</p>
-<p>De Atheners, die aanwezig waren, wilden zich die spotternij niet laten welgevallen.
-Wilder en heftiger dreigde de woordenstrijd te ontbranden.
-</p>
-<p>Daar klonk plotseling eene geweldige en welluidende mannenstem, zoo wonderlijk doordringend,
-dat oogenblikkelijk allen daarnaar luisterden.
-</p>
-<p>&#x201e;Aan welken Helleen behoort de tong,&#x201d; riep de machtige redenaar, &#x201e;die daar durft spotten
-met de nieuwe tempels en godsbeelden der Atheners? Wat er roemrijks te Athene geschapen
-is dat is gewrocht ter eere van den gemeenschappelijk en Helleenschen naam! En bedenkt,
-dat sedert eeuwen altijd vrede is gehouden door onze vaderen, van welken stam zij
-ook waren, op deze plaats, waar de heilige wateren van den Alpheüs de maat klateren
-voor de Olympische feestreien van het gansche Helleensche volk. Tot een vreedzamen
-wedstrijd zijn wij steeds herwaarts gekomen; hier was het heilige grond, hier de godsvrede.
-In het tempelgebied van den gemeenschappelijken God Zeus vereenigt ons het feest der
-Panhellenen<a class="noteRef" id="xd30e6689src" href="#xd30e6689">11</a>. Houd vrede, Hellenen, op de Pisatische landauwen! Hier moeten geen wapenen getrokken
-worden, hier mag geen metaalgekletter gehoord worden, dan de klank der halve ringen,
-die tegen elkander gehouden worden; hieraan kunnen Helleensche gastvrienden van alle
-oorden elkander herkennen!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p><span id="xd30e6693"></span>De kreet &#x201e;Pericles&#x201d; weerklonk na deze woorden door de menigte: &#x201e;Pericles van Athene!
-Pericles, de Olympiër!&#x201d; Vaders hieven hunne jongens op, om hun Pericles te toonen.
-Slechts door weinigen was hij te voren herkend geworden. Thans, nu hij gesproken had,
-nadat zijne donderende welsprekendheid had weergalmd, herkende hem het gansche Helleensche
-volk. En nog vond, wat hij gesproken had, weerklank in de harten der bewegelijke,
-<span class="pageNum" id="pb2.139">[<a href="#pb2.139">139</a>]</span>licht ontvlambare Hellenen. Kreten van toejuiching weerschalden tot over den Alpheüs
-en de wateren van den stroom schenen bruisend in te stemmen in den algemeenen bijval.
-</p>
-<p>Pericles onttrok zich aan de menigte door zich met Aspasia en zijne vrienden naar
-het heilige woud Altis te begeven, waar hij zich verloor tusschen de tempels en heiligdommen
-van allerlei soort, de standbeelden, drievoeten en gedenkzuilen, waar het gebladerte
-der olijfboomen, platanen en palmen ritselde. Van de gevelspits van den nieuwen Zeus-tempel
-schitterden hun eene vergulden Zegegodin tegen, tusschen twee eveneens vergulde vaten,
-in oogverblindenden glans. Zij beschouwden op den achtergevel de beelden van Alcamenes.
-Hij had daar den strijd der Lapithen<a class="noteRef" id="xd30e6699src" href="#xd30e6699">12</a> en Centauren voorgesteld en daarin zijne voorliefde voor bewegelijkheid en veelvuldige
-afwisseling van houding en gebaren, meer dan op de Acropolis, den vrijen teugel gelaten.
-</p>
-<p>Begeleid door Polycletus en Alcamenes beschouwden Pericles en Aspasia daarop de overige
-tallooze wonderen van het heilige woud.
-</p>
-<p>Ten laatste bestegen zij eene vrije trap, die uit Altis noordwaarts naar een groot,
-breed terras leidde. Dit terras breidde zich langs den zuidelijken voet van den Cronos-heuvel
-tot aan het stadion<a class="noteRef" id="xd30e6705src" href="#xd30e6705">13</a> uit. Op die vlakte verhief zich eene lange rij van zoogenaamde schatkamers van verschillende
-steden, waarin deze hunne naar Olympia gezonden wijgeschenken bewaarden.
-</p>
-<p>Van de schatkamers van den Cronos-heuvel opwaarts gaande, bezichtigden Pericles en
-Aspasia de heiligdommen, die dezen heuvel versierden. Van den top daarvan hadden zij
-het schoonste gezicht op <span class="pageNum" id="pb2.140">[<a href="#pb2.140">140</a>]</span>Olympia. Zij zagen onder zich het heilige woud Altis met zijne tempels en standbeelden
-in zijne volle uitgestrektheid; zij zagen aan gene zijde van Altis den majestueuzen
-stroom, den Alpheüs, door de vlakte heenschieten; zij zagen ter rechter zijde de rivier
-Cladeüs, die op de Pisatische bergen ontspringend, zijne wateren met die van den Alpheüs
-vermengt; zij zagen ter linker zijde het stadion en den hippodromos<a class="noteRef" id="xd30e6712src" href="#xd30e6712">14</a>, de plaatsen voor de Olympische wedstrijden, die het heilige woud begrensden. Rechts
-van den Cronos-heuvel, nabij den noordelijken uitgang van Altis, zagen zij gebouwen,
-die het middelpunt van het bestuur van Olympia uitmaakten en waar zoowel de kamprechters
-als de athleten zelven, vóór het standbeeld van den met den dubbelen bliksem gewapenden
-Zeus Horkios<a class="noteRef" id="xd30e6718src" href="#xd30e6718">15</a>, de wetten van den strijd bezwoeren. Verder was van alle kanten niets te zien dan
-de krans van hooge bergen, in wier hoede het heilige feestterrein van Olympia lag.
-</p>
-<p>Het oog der mannen weidde met welgevallen over deze tafereelen. Aspasia echter begon
-over de geweldige hitte te klagen en over de vele muggen, die haar kwelden.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe komt het toch,&#x201d; zeide zij, &#x201e;dat de Hellenen voor hunne athleten wedstrijden het
-warmste van den zomer en deze muffe, drassige vallei van den Alpheüs hebben gekozen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;De stichter Heracles heeft aan de muggen niet gedacht,&#x201d; zei Alcamenes lachend.
-</p>
-<p>&#x201e;En wij mannen tot heden ook nog niet,&#x201d; voegde Pericles er bij. &#x201e;Maar nu ik er eenmaal
-opmerkzaam op gemaakt ben, moet ik u gelijk geven, Aspasia. Die tallooze bloedzuigers
-zijn geweldig lastig.&#x201d;
-</p>
-<p>Door Altis terugkeerend, vertoefden Pericles en Aspasia alleen nog bij de standbeelden
-van Polycletus.
-<span class="pageNum" id="pb2.141">[<a href="#pb2.141">141</a>]</span></p>
-<p>Steeds levendiger werd inmiddels in den loop van den dag het gewoel en de drukte tusschen
-Altis en den Alpheüs. Talrijker offers werden des avonds op de met bloemen bekranste
-altaren der Goden gebracht. Men zag de athleten de ingewanden der offerdieren beschouwen,
-hopende daaruit een gunstig voorteeken voor den strijd te zullen vinden. De grootste
-schare van toeschouwers stroomde naar het plechtige brandoffer op het overoude beroemde
-aschaltaar van Zeus.
-</p>
-<p>De verrichtingen van deze heilige plechtigheden <span class="corr" id="xd30e6732" title="Bron: duurde">duurden</span> tot diep in den nacht, onder de tonen der muziek en bij het schijnsel der maan, die
-bijna vol was. Alles had plaats op eene hoogst ernstige wijze, in eene schoone orde
-en eene eerbiedwekkende stilte. Te middernacht eerst werden de fakkels in het heilige
-woud uitgebluscht en de laatste vlammen op de altaren verdoofden allengs. Nu echter
-stormde reeds een niet onaanzienlijk deel van het volk naar de renbaan, om daar, na
-eene goede plaats bemachtigd te hebben, het krieken van den dageraad en het begin
-der spelen af te wachten.
-</p>
-<p>Den volgenden morgen bestegen Pericles en Aspasia wederom den Cronos-heuvel.
-</p>
-<p>Het oog van Pericles was gevestigd op het stadion, dat uit de verte zichtbaar was,
-met die belangstelling, die zulk een schouwspel elken Griek steeds inboezemde. Hij
-had zich alleen ter liefde van Aspasia het genot ontzegd zich van nabij onder de toeschouwers
-in het stadion zelf te begeven. Niet met hetzelfde welgevallen richtte de Milesische
-het oog naar de kampplaats, waar de lichaamskracht, door geweldigen, ja schier moordlustigen
-ijver verhoogd, te midden van stof en brandende hitte ten toon werd gespreid.
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom laat gij uw oog bijna verachtend over die belangstellende menigte dwalen?&#x201d;
-vroeg Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Heeft het niet den schijn,&#x201d; zei Aspasia, &#x201e;dat het Helleensche volk, zoo groot geworden
-in vele <span class="pageNum" id="pb2.142">[<a href="#pb2.142">142</a>]</span>dingen, die waarachtig schoon en heerlijk zijn, den grootsten zijner eerepalmen voor
-de athleten te Olympia bewaarde? Moet dan waarlijk de kracht der armen en de snelheid
-der voeten als de hoogste aller voorrechten gelden op Helleenschen bodem?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik begrijp u,&#x201d; hernam Pericles, &#x201e;gij zijt de voorvechtster der vrouwelijkheid en
-van al wat het leven verfijnt, veredelt en schooner maakt. Hier echter viert de ruwe,
-manlijke kracht haar triomfen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Een echt, verkwikkelijk schouwspel voor Doriërs,&#x201d; zei Aspasia, &#x201e;is zulk een worstel-
-en vuistgevecht, waarbij de mannen tegen elkander woeden, tot het bloed hun uit mond
-en neus stroomt. Gij hebt gelijk, ik haat die spelen; want waar het manlijke haar
-doel voorbij streeft, daar schijnt het mij niet ver van de barbaarschheid te zijn.
-Ik vrees, dat de ruwe bekoorlijkheid van dit schouwspel het gemoed der menschen hoe
-langer zoo meer verderft en hen opnieuw tot hunne vroegere verwildering en ruwheid
-terug zal voeren.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij overdrijft!&#x201d; hernam Pericles glimlachend.
-</p>
-<p>De lijnrecht tegen elkander overstaande zienswijze van Pericles en Aspasia over dit
-onderwerp zou nog vóór het einde van dezen dag door een klein tooneel, dat zij bijwoonden,
-versterkt worden.
-</p>
-<p>Toen namelijk Pericles en Aspasia aan den avond van denzelfden dag, vergezeld door
-Polycletus en Alcamenes, in den omtrek van het stadion wandelden en Aspasia de haar
-onbekende plaatsen beschouwde, gebeurde &#x2019;t dat, terwijl zij juist op eene steenen
-bank zich nederzetten om te rusten, een troep athleten, die aan den strijd dien dag
-deel hadden genomen, een andere troep ontmoette, waarop de geheele schaar, die zich
-deels op den grond neervlijde, in een levendig gesprek gewikkeld werd. De gevechten
-van den eersten dag werden met woorden nog eens gestreden en iedere overwinning aan
-eene scherpe critiek onderworpen. Zij, die overwonnen waren, zetten uiteen door welk
-toeval hunne tegenstanders hen onder gekregen <span class="pageNum" id="pb2.143">[<a href="#pb2.143">143</a>]</span>hadden en hoe de overwinning maar aan een haar had gehangen, of zij beschuldigden
-hunne kampioenen openlijk dat zij tegen de regels van het gevecht gezondigd hadden.
-Doch het baatte hun doorgaans weinig en zij moesten soms nog den spot hunner kameraden
-verduren.
-</p>
-<p>&#x201e;Om het even, beste Theagenes,&#x201d; klonk het, &#x201e;gij moet de builen maar dragen, die Nicostratus
-u geslagen heeft. Gij ziet er erbarmelijk uit, met uwe olielappen om uw gewond hoofd
-en gij riekt als een lantaarnpaal.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Spot maar!&#x201d; hernam de aangesprokene, een nog jeugdig worstelaar en vuistvechter,
-die deerlijk toegetakeld was en daarom zijn hoofd met een in olie gedoopten doek had
-omwonden.
-</p>
-<p>&#x201e;Spot maar!&#x201d; zei hij; &#x201e;ik heb nu eens geprobeerd, wat vleesch en been kunnen verdragen.
-Slagen heb ik op mijn hoofd gekregen, die, geloof ik, een rotsblok zouden verbrijzeld
-hebben. Maar meent gij, dat ik buiten eene kleine gloeiing, eenigen last aan mijn
-hoofd merk? Op zijn hoogst zijn een paar onschadelijke builen wat opgeloopen. Maar
-de rug begint mij nu wat zeer te doen&#x2014;&#x2019;t kan wel van den geweldigen val komen, waarmede
-ik in den worstelstrijd op den grond te recht kwam.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Men ziet, dat gij een nieuweling zijt!&#x201d; zeiden de anderen, &#x201e;daar gij nog niet weet,
-dat het hoofd het minst gevoelige deel van den mensch is, de rug echter het teerste!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Uw rug zal in drie dagen wel weer beter zijn,&#x201d; zei een van hen; &#x201e;maar zie mij eens
-aan: vanwaar zal ik mijne tanden terugkrijgen? Had ik ze uitgespogen, toen een vuistslag
-van Meleager mij trof, dan had ik mijn verlies daarmede te kennen gegeven; daarom
-heb ik ze liever naar binnen geslikt. Het is onpleizierig zijne tanden in plaats van
-in den mond in de maag met zich te dragen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij zult ze verteren!&#x201d; zeide Boeötiër Cnemon. &#x201e;Een <span class="corr" id="xd30e6758" title="Bron: athleten maag">athletenmaag</span> moet ook tanden kunnen verduwen.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb2.144">[<a href="#pb2.144">144</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Daarvan zal ik bezwaarlijk zooveel vleesch van op mijn lijf krijgen als gij hebt!&#x201d;
-voegde Theagenes hem toe.&#x2014;Cnemon was inderdaad een oudachtige, stoere kerel, die het
-merg van vele runderen, kalveren en lammeren in zich had opgenomen. Zijne ooren waren
-gekwetst door vuistslagen: van staal scheen zijn vleesch op zijn breede, gewelfde
-borst en rug: hij geleek op een metalen standbeeld. De spieren lagen op zijne armen
-rond en vast als steenen in de bedding eener rivier, die de stroom door haar golven
-langen tijd voortgestuwd en rond gesleept had.
-</p>
-<p>&#x201e;Meent gij,&#x201d; riep hij, &#x201e;dat ik voor een uwer onderdoe, omdat ik een weinig zwaarlijvig
-ben en niet zoo snel ter been als gij? Nu, een hardlooper ben ik niet maar ik ben
-een kerel, dien men evenmin omverwerpt als eene koperen zuil. Schoon de aarde zelve
-ook mocht beven&#x2014;blijf ik nog staan!&#x201d;
-</p>
-<p>Daarop lei Cnemon eene werpschijf op den grond<span class="corr" id="xd30e6767" title="Niet in bron">,</span> ging er op staan en vervolgde:
-</p>
-<p>&#x201e;Welaan! is er één onder u, die mij er afwerpt?&#x201d;
-</p>
-<p>Te vergeefs beproefden de athleten, de een voor, de ander na, hunne kracht aan den
-kolos. Nu liet Cnemon de werpschijf met olie begieten, zoodat zij zeer glibberig was.
-Maar ook nu nog handhaafde hij zijne stelling.
-</p>
-<p>Toen strekte hij zijne rechterhand uit, eveneens de vingers en hield ze vast tegen
-elkander gesloten. &#x201e;Nu, beproef het eens,&#x201d; riep hij, &#x201e;om de pink van de overige vingers
-los te trekken!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Zij beproefden het, maar de pink scheen als met staal aan de andere vingers gesmeed
-te zijn.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat beteekent nog niets!&#x201d; riep snoevend de Argiver Sthenelus. &#x201e;Ik houd, als het moet,
-een vierspan in volle vaart tegen, door met de hand in de spaken te grijpen!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En ik,&#x201d; zei de Eleër Thermius, &#x201e;ik heb te Pylus eens een hengst bij de hoef gegrepen
-en toen hij zich losrukte hield ik de hoef in de hand.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb2.145">[<a href="#pb2.145">145</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Dat zijn sterke toeren,&#x201d; zei de Thessaliër Euagoras, &#x201e;maar doet het mij eens na,
-wat ik te Larissa gedaan heb: ik heb den beroemden hardlooper Cresilas in vollen ren
-de sandalen van de voeten gehaald!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe?&#x201d; riep de Spartaan <span class="corr" id="xd30e6780" title="Bron: Anacter">Anactor</span>, &#x201e;de <span class="corr" id="xd30e6783" title="Bron: Tessalische">Thessalische</span> hardlooper zal tegenover mannen van de vuist zich durven beroemen? Wat helpen u uwe
-snelle beenen, als ik u in het stof doe bijten?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Mijne vuisten zijn niet slechter dan mijne beenen!&#x201d; riep de Thessaliër, &#x201e;en als ik
-u maar even aanraak, dan kunt gij uwe botten hier uit het zand bijeen rapen!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zwijg!&#x201d; schreeuwde de Spartaan, &#x201e;anders sla ik u de oogen uit, evenals de kok den
-inktvisch!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik maal u tot gruis,&#x201d; duwde hem de Thessaliër toe, &#x201e;zoodat de mieren u bij kruimels
-kunnen wegdragen!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij vecht met woorden,&#x201d; riep de <span class="corr" id="xd30e6792" title="Bron: Boeöter">Boeötiër</span> Cnemon daar tusschen in. &#x201e;Dat is geen gebruik bij ons athleten. Laten wij het liever
-met daden bewijzen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat willen wij doen!&#x201d; riepen beiden.
-</p>
-<p>&#x201e;Uitstekend!&#x201d; zei de dikke Thebaan: &#x201e;maar wat wilt gij eigenlijk? Wilt gij om het
-hardst loopen of wilt gij elkaar met de vuisten te lijf? Dat zijn volstrekt geen te
-verachten toeren. Evenwel, weet gij wat het meesterstuk is van den athleet en waarin
-zich alle athleten, hetzij hardloopers of vuistvechters of wat ook, op een gelijk
-terrein bevinden?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat dan?&#x201d; vroegen de Spartaan en de Thessaliër te gelijk.
-</p>
-<p>&#x201e;De beste proef van den athleet,&#x201d; zei de Thebaan, terwijl hij zich over zijn buik
-streek, &#x201e;blijft de kracht der verduwing. Denkt eens aan Heracles: hij verworgde de
-leeuwen bij dozijnen in het gebergte, doch hij was ook de man, die een stier in één
-maal opat. Dat noem ik mannenwerk! Laat, ik wil niet zeggen een rund&#x2014;want wat zou
-Heracles beteekenen, als hij niet de eenige in zijne soort <span class="pageNum" id="pb2.146">[<a href="#pb2.146">146</a>]</span>bleef?&#x2014;maar toch een grooten, vetten hamel braden, deelt dien in twee gelijke helften
-en eet hem in éénmaal op! &#x201e;Wiens maag het eerst <span class="corr" id="xd30e6802" title="Bron: den den">den</span> dienst weigert, die moet zich overwonnen geven; want hij is de zwakste van u beiden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Bravo!&#x201d; klonk het in de ronde. &#x201e;Anactor en Euagoras zullen de groote athletenproef
-voor onze oogen nemen! Wij laten onmiddellijk een hamel halen en hem aan het spit
-braden.&#x201d;
-</p>
-<p>Anactor en Euagoras namen de voorwaarden aan. En aanstonds verwijderden zich eenigen,
-om den zwaarsten hamel, die te vinden was, uit te zoeken.
-</p>
-<p>Zoover was het tooneel ten aanhoore van Pericles en zijne vrienden gekomen, toen Aspasia
-van hare zitplaats opstond en zeide: &#x201e;Laat ons gaan, Pericles! ik heb niet langer
-de kracht deze Olympische wedstrijden aan te zien!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Lachend verlieten nu ook de overige mannen hunne zitplaatsen en sloegen met Aspasia
-den weg naar huis in.
-</p>
-<p>&#x201e;Het gevoel van Aspasia tegenover deze athleten,&#x201d; sprak Alcamenes, &#x201e;schijnt mij niet
-meer en niet minder te zijn, dan het gevoel van eene vrouw, die gezond is van lichaam
-en ziel en die door eene natuurlijke en billijke aandrift geleid wordt. Waartoe dienen
-eigenlijk die krachtige mannen? Zijn zij in den krijg geduchter dan anderen? Maaien
-zij rijen van vijanden neder als de Homerische helden? Neen! De ervaring leert het
-tegendeel. Zijn zij de rechte mannen, om zich omtrent de verbetering van het menschenras
-verdienstelijk te maken? Wederom, neen! Ook dat wordt door de ervaring tegengesproken.
-Zij deugen tot niets, dan tot hetgeen zij in het stadion onder de luide bijvalskreten
-der toeschouwers uitrichten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Inderdaad,&#x201d; hernam Pericles, &#x201e;niet uit de personen der athleten zelven blijkt het
-nut der kunst, die zij uitoefenen. Maar groot en onwaardeerbaar is de winst, die uit
-de tentoonspreiding van goed ontwikkelde kracht en uit de daarvoor ruim bewezen eer
-voortvloeit, in zoo verre, dat daardoor <span class="pageNum" id="pb2.147">[<a href="#pb2.147">147</a>]</span>het Helleensche volk ten levendigste er aan herinnerd wordt, dat men de gave des lichaams
-niet minder dan die des geestes kan ontwikkelen en der volkomenheid nader brengen.
-Grooter is het gevaar, dat de mensch zijne lichamelijke dan zijne geestelijke gaven
-veronachtzamen zal; want tot geestelijke ontwikkeling en werkzaamheid gevoelt hij
-zich aanhoudend door een innerlijken drang en door de noodzakelijkheid gedreven. De
-ontwikkeling echter van zijn lichaam pleegt hij aan de natuur over te laten, zoo hij
-niet buitenaf daartoe wordt aangespoord.&#x201d;
-</p>
-<p>Onderwijl hadden de wandelaars juist het heilige woud bereikt en stonden opnieuw tegenover
-eenige standbeelden van overwinnaars, gebeiteld door de hand van Polycletus.
-</p>
-<p>Met den blik op de beelden gevestigd, sprak Aspasia het volgende:
-</p>
-<p>&#x201e;Als ik de werken van Polycletus hier beschouw, dan schijnt het mij, dat de kunstenaar
-in dit geschil aan mijne zijde staat. Want noch de bovenmatige kracht noch de buitengemeene
-ontwikkeling der ledematen heeft de kunstenaar zich verwaardigd af te beelden; integendeel
-beelden en typen van de gewone maat, de harmonische, vol en rein ontwikkelde gestalte
-stelt hij ons voor oogen. Steeds komt het mij voor, dat de voortreffelijke Polycletus
-allen lof verdient, omdat hij niet als Phidias de sterfelijke natuur schier veracht,
-maar haar de eer geeft, die haar toekomt en dat hij, gelijk Phidias het goddelijke
-het verhevenst voorstelt, het zuiver menschelijke op de getrouwste wijze heeft nagebootst.&#x201d;
-</p>
-<p>Een minder aangenamen indruk dan Aspasia dacht, maakte deze uitspraak op Polycletus.
-</p>
-<p>&#x201e;De kunstenaar,&#x201d; sprak hij, &#x201e;is afhankelijk van de wenschen en behoeften dergenen,
-die van zijne kunst willen genieten. Dat in Hellas alleen aan Phidias de gave verleend
-is de Goden waardig af te beelden, schijnen althans ook de Eleërs te meenen, daar
-zij hem naar Olympia ontboden hebben. Niet alzoo echter de Argivers, die het met mij,
-den <span class="pageNum" id="pb2.148">[<a href="#pb2.148">148</a>]</span>inboorling, willen beproeven en mij opgedragen hebben het gouden en ivoren beeld van
-Hera in haren grooten tempel te Argos te vervaardigen.&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo sprak Polycletus en het gelukte Aspasia niet, de zichtbare ontstemdheid van den
-meester weg te nemen. Hij verwijderde zich niet lang daarna onder het een of ander
-voorwendsel.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt, Aspasia,&#x201d; zei Alcamenes lachend, &#x201e;nu ook Polycletus een spoorslag gegeven,
-om zijn best te doen, dat de Hera van Argos den Zeus van Olympia waardig zij.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Een voortreffelijk werk moge hij in wedijver met Phidias tot stand brengen,&#x201d; zei
-Aspasia, &#x201e;doch evenals Phidias, nadat hij met zijne Lemnische Pallas tot de aarde
-was neergedaald, spoedig weder opsteeg naar den Olympus en sedert dien tijd boete
-doet aan de voeten van den Olympischen Zeus, zoo geloof ik, dat Polycletus van den
-Olympus snel weder naar de aarde en tot zijn eigen gebied zal terugkeeren. Het valt
-niet te ontkennen, dat de prozaïsche Peloponnesiër in zijne beelden de verhevenheid
-en diepte van het zieleleven weinig uitdrukt, maar laten ook de Atheensche kunstenaars
-in dat opzicht nog niet veel te hopen en te wenschen over? Mag ik het u bekennen,
-dat ik somwijlen in den droom godengestalten zie, die tot dusverre geen Phidias, geen
-Alcamenes, geen Polycletus met den beitel heeft kunnen scheppen? Verleden nacht verscheen
-mij Apollo, mij de liefste van alle Goden, de God des lichts en der toonen. Hij verscheen
-mij in de wondervolle, slanke gestalte eens jongelings, vermetel en toch liefelijk,
-fier in het bewustzijn zijner zege en toch bevallig. Doodelijk getroffen kromden zich,
-alleen voor zijn aanblik en voor den boog in zijne uitgestrekte hand, de draken der
-duisternis. &#x201e;Wie beitelt mij den God, zooals ik hem gezien heb? Zelfs gij niet, Alcamenes!
-En toch zijt gij de vurigste onder de beeldhouwers en met altijd jeugdige, ontvankelijke
-ziel geeft gij u over aan het leven en zijne bekoorlijkheid. Daarom <span class="pageNum" id="pb2.149">[<a href="#pb2.149">149</a>]</span>ontsluit ook het leven voor u zijn geheim en zijn machtigste adem trilt in uwe scheppingen
-en verwekt de rustige kalmte der reine vormen.&#x201d;
-</p>
-<p>De oogen van Alcamenes gloeiden van geestdrift bij deze woorden.
-</p>
-<p>&#x201e;Sedert langen tijd,&#x201d; sprak hij, &#x201e;zijn de Arcadiërs voornemens voor uw lievelingsgod
-een grooten tempel te bouwen, en zij wendden zich tot Phidias, om den fries met beeldwerken
-te versieren. Deze verwees hen naar mij. Maar de Arcadische mannen wikken en wegen
-lang en zij zullen nog menig jaar wachten, totdat misschien de God met zijne doodelijke
-pijlen hen hunner gelofte indachtig maakt. Als zij dan echter hun plan volvoeren en
-zich tot mij wenden, dan zullen de beeldwerken van den fries voor alle volgende tijden
-getuigenis afleggen van mijn kunstgevoel, waaraan ik, op uwe aansporing, Aspasia!
-den vrijen teugel liet.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wees geheel u zelf,&#x201d; hernam Aspasia, &#x201e;luister niet naar het woord der koele en strenge
-mannen, en gij zult iets scheppen, dat zelfs zij, die uwe manier afkeuren, in verbazing
-en bewondering zal brengen.&#x201d;
-</p>
-<p>Van dit oogenblik af verdoofde de laatste vonk van wrok tegen Aspasia in het hart
-van Alcamenes.
-</p>
-<p>Hij zocht telkens opnieuw haar gezelschap, sprak met haar over zijne plannen en ontwerpen,
-werd door hare woorden ontvonkt en onderricht, en zij weigerde hem haar raad niet,
-dien hij ijverig zocht.
-</p>
-<p>Den volgenden dag was Pericles door een toeval verplicht zonder Aspasia een uitstapje
-te maken en haar in &#x2019;t gezelschap van Alcamenes, Polycletus en eenige andere vrienden,
-die hij te Olympia had gevonden, achter te laten. Na een vrij lang gesprek verwijderden
-zich al de mannen, behalve Alcamenes, die het onderhoud met zijne gewone levendigheid
-voortzette.
-</p>
-<p>Steeds opgewondener werden de woorden van Alcamenes, steeds vuriger zijne blikken.
-</p>
-<p>Maar niet alleen toonde zich Alcamenes hartstochtelijk <span class="pageNum" id="pb2.150">[<a href="#pb2.150">150</a>]</span>tegenover de gade van Pericles, toen hij zich met haar alleen bevond, maar hij sloeg
-ook ongemerkt, en naar &#x2019;t scheen, onwillekeurig een toon aan, die eenigszins aan de
-vroegere vertrouwelijkheid herinnerde. Gaf hem daartoe de welwillendheid recht, waarmede
-eens de door kunstzin bezielde Milesische in een vriendschappelijk verkeer hem bejegend
-had, hem den begaafdsten van Phidias&#x2019; jongeren?
-</p>
-<p>Aspasia nam dien toon van vertrouwelijkheid op, met een gevoel van gekrenkten trots.
-</p>
-<p>De hartstochtelijke Alcamenes begon vergelijkingen te maken tusschen de vormen van
-haar <span class="corr" id="xd30e6844" title="Bron: vroegegeren">vroegeren</span>, jeugdigen bloei en die van thans, sprak daarbij van die vormen, zooals men over
-dingen spreekt, waarmede men bijzonder vertrouwd is.
-</p>
-<p>Ook dit beleedigde de hooghartige Aspasia.
-</p>
-<p>Alcamenes greep hare hand, beschouwde ze met kennersoog, prees de bekoorlijkheid daarvan
-en zeide, dat deze hem eene onuitputtelijke bron was voor zijn kennis op het gebied
-der kunst.
-</p>
-<p>Aspasia trok hare hand terug en merkte aan, dat Theodota niet minder onuitputtelijk
-was in dit <span class="corr" id="xd30e6851" title="Bron: opopzicht">opzicht</span>, door hare bekoorlijkheden.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij zijt boos op mij, omdat ik Theodota geprezen heb!&#x201d; riep Alcamenes.
-</p>
-<p>&#x201e;Heb ik u dat ooit laten voelen?&#x201d; hernam Aspasia koel; &#x201e;hebt gij mij vijandig tegen
-u bevonden, toen wij elkander hier weder ontmoetten? Heb ik opgehouden verwachtingen,
-die u tot eer verstrekken, omtrent u te koesteren en u als den bekwaamsten tot het
-streven naar het ideale aan te sporen? Ik wist, dat gij mij haattet, maar mij zijn
-de kunst van Alcamenes en Alcamenes zelf van elkander gescheiden. Ik heb noch de liefde
-noch den haat van Alcamenes beantwoord.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Koel en verstandig,&#x201d; zeide Alcamenes, &#x201e;mogen uwe woorden klinken, maar zij zijn door
-heimelijke verbittering scherp en vlijmend. Gij zijt nog gebeten op mij, ter oorzake
-van Theodota! Vergeef mij, wat ik tegen u heb misdreven! Wat gij mijn <span class="pageNum" id="pb2.151">[<a href="#pb2.151">151</a>]</span>haat noemt, het was de wraak der liefde!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Lang vóór uw haat mij openlijk bleek,&#x201d; hernam Aspasia, &#x201e;zeide ik u reeds, wat ik
-u zooeven herinnerde: dat de deelneming van eens menschen geest voor iets, geheel
-afgescheiden is van &#x2019;t geen zijn hart gevoelt.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ook bij de vrouw?&#x201d; vroeg Alcamenes met een ondeugenden glimlach. &#x201e;Ik herhaal u: gij
-zijt nog verstoord op mij ter wille van Theodota! En een werk der wraak was &#x2019;t wellicht
-ook, dat gij in mij de oude vlam weder hebt aangeblazen!&#x2014;Nog eens, vergeef mij! Veroordeel
-in dit oogenblik het vuur niet, dat gij zelve overigens in &#x2019;t karakter van Alcamenes
-hebt geprezen!&#x201d;
-</p>
-<p>Bij deze woorden omvatte de onstuimige jongeling, in steeds heftiger hartstocht ontgloeid,
-de vrouw van Pericles.
-</p>
-<p>De fiere schoone trof den aanrander met een blik, die hem weder tot bezinning bracht.
-</p>
-<p>Op dat oogenblik trad Pericles binnen.
-</p>
-<p>Hij las, wat er voorgevallen was, op &#x2019;t gelaat van Alcamenes.
-</p>
-<p>Deze nam in verwarring afscheid en ijlde weg, met opnieuw veranderde gezindheid, beschaamd
-en vervuld van wrok tegen Aspasia.
-</p>
-<p>Pericles was bleek.
-</p>
-<p>&#x201e;Behoeft het nog opheldering?&#x201d; zei Aspasia; &#x201e;gij hebt alles in de trekken van Alcamenes
-gelezen.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Het schijnt,&#x201d; hernam Pericles, &#x201e;dat Alcamenes u behandeld heeft, zooals men eene
-vrouw doet, die men&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Spreek het niet uit, bid ik u!&#x201d; zei Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik weet,&#x201d; vervolgde Pericles, &#x201e;welke grenzen gij trekt, naar de opvatting van Protagoras,
-tusschen uwe bekoorlijkheden en uw persoon. Ik ken die leer, volgens welke de sluier
-eener vrouw zich mag inkrimpen tot een vijgeblad. Gij ziet, Alcamenes heeft een andere
-meening dan gij over de onschendbaarheid van het vijgeblad. Hij dwaalt, zegt gij;
-maar men moet zijne handelwijze naar zijne opvatting der zaak, en niet naar de uwe
-beoordeelen. Gij <span class="pageNum" id="pb2.152">[<a href="#pb2.152">152</a>]</span>kent het niet onedel maar hartstochtelijk karakter van den man. Hij zal van nu af
-dubbel op u gebeten zijn; hij zal het aantal uwer openbare tegenstanders vermeerderen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hij vindt, naar &#x2019;t schijnt, bij die vijandschap een onverwachten bondgenoot!&#x201d; zei
-Aspasia.
-</p>
-<p>Nog een paar bittere woorden werden er gewisseld. Pericles verliet het vertrek van
-Aspasia.
-</p>
-<p>Van spijt bevend stampte Aspasia op den grond.
-</p>
-<p>&#x201e;Die verwenschte bodem van de Peloponnesus,&#x201d; sprak zij, &#x201e;brengt mij onheil aan.&#x201d;
-</p>
-<p>Weldra echter vatte zij nieuwen moed. &#x2019;t Is een licht wolkje, dacht zij, dat zonder
-schade langs den helderen hemel der liefde trekt. Vroolijker flikkert de gloed bij
-eene nieuwe verwarming, dan vóór de verkoeling.
-</p>
-<p>Aspasia bedroog zich niet.&#x2014;Maar blijft na die vroolijk opflikkerende vlammen geen
-onaangename asch in de borst achter? En vergeet de liefde alles wat zij vergeeft?&#x2014;
-</p>
-<p>Pericles en Aspasia waren te Olympia de gastvrienden van Phidias. Hij had hun eenige
-vertrekken in eene der groote ruimten zijner werkplaats ter bewoning afgestaan. Hij
-zelf echter bleef onzichtbaar. Onophoudelijk was hij in den tempel met de voltooiing
-en oprichting van zijn reusachtig gouden en ivoren beeld bezig. Hij weigerde iederen
-omgang, maar hij had Alcamenes laten zeggen, dat Pericles en Aspasia de eersten van
-het geheele Helleensche volk zouden zijn, voor wie hij het grootste werk zijner handen
-zou onthullen.
-</p>
-<p>De met spanning verwachte ure was genaderd.
-</p>
-<p>Op een gloeienden zomerdag was een van onweer zwangere avond gevolgd. Donkere wolken
-vlogen door het zwerk en hadden zich eindelijk boven de hemelhooge kruinen der bergen
-samengepakt. Toen er volkomen duisternis heerschte kwam een slaaf van Phidias aan
-Pericles berichten, dat hem opgedragen was hem en Aspasia naar het binnenste van den
-Zeus-tempel te geleiden. In hun gezelschap bevond zich, op verzoek van Aspasia, het
-<span class="pageNum" id="pb2.153">[<a href="#pb2.153">153</a>]</span>meisje uit Arcadië. Zij volgden den slaaf en wandelden door het heilige woud van Altis,
-dat onder den nachtelijken hemel in diepe schaduwen zich uitstrekte. Eenzaam was het
-rondom en slechts een zacht geritsel trilde door de toppen der boomen.
-</p>
-<p>Nu bereikten zij den tempel. De slaaf ontsloot de poort en voerde hen het gebouw binnen.
-Daar leidde hij hunne schreden naar eene eenigszins hoogere plaats in den achtergrond,
-waar zij zich konden nederzetten. Vervolgens verwijderde hij zich, sloot opnieuw de
-poort achter zich en liet hen met hun drieën in het donker. Eene flauwe lichtschemering
-viel neder uit den nachtelijken, bewolkten hemel door de opening van het tempeldak.
-Maar zij drong niet door tot de uiterste hoeken.
-</p>
-<p>Zonder een woord te spreken, bijna angstig wachtten Pericles, Aspasia en het herdersmeisje.
-Eensklaps scheurde vóór hunne oogen de sluier der duisternis en zij verschrikten,
-verblind door eene plotselinge, schitterende verschijning. Het voorhangsel, dat den
-achtergrond van het tempelvertrek van het voorportaal had gescheiden, was weggetrokken
-en zij zagen in het heldere licht vóór zich den gouden en ivoren kolos van den Olympischen
-God. Op een schitterenden, rijkversierden troon was hij zittend voorgesteld en toch
-reikend tot aan het dak des tempels met dat verheven hoofd, dat, in goddelijke rust,
-enkel door een beweging zijner lokken, naar &#x2019;t woord des zangers, de hoogte van den
-Olympus doet daveren<a class="noteRef" id="xd30e6893src" href="#xd30e6893">16</a>.
-</p>
-<p>Om de ivoren ledematen van den koning der Goden golfde de gouden mantel, die den linker
-schouder benevens den arm en het onderste deel des lichaams omhulde. In bont émail
-fonkelde het goud van den mantel; met een tooi van kleine figuren en bloeiende leliën
-was zijne oppervlakte bezaaid. Van groen geëmailleerd goud was op de lokken van den
-Olympiër een olijfkrans gedrukt. <span class="pageNum" id="pb2.154">[<a href="#pb2.154">154</a>]</span>In de linkerhand hield hij den uit verschillende edele metalen kunstig bewerkten schitterenden
-schepter. Op de uitgestrekte rechterhand droeg hij eene zegegodin van dezelfde stof,
-als waaruit de gestalte des Gods zelven was gevormd. Op vier zuilvormige pooten, waartusschen
-nog kleine kolommen stonden, verhief zich de sierlijke troon, prijkend in bonte afwisseling,
-in een glans van goud en marmer, ebbenhout en elpenbeen. Donkerblauw was de vlakke
-voorzijde van den troon geverfd; een donkere achtergrond deed den glans van het goud
-en het ivoor te beter uitkomen.
-</p>
-<p>Vol diepen zin omgaf van alle kanten rijk beeldwerk de gestalte van den God en den
-troon. Op de punt van den schepter zat een adelaar, gouden leeuwenbeelden versierden
-de bank, waarop de voeten van den beheerscher der Goden rustten, Sphinxen droegen
-de leuningen van den troonzetel, zinnebeelden van de onnaspeurlijke raadsbesluiten
-van Cronion<a class="noteRef" id="xd30e6905src" href="#xd30e6905">17</a>. Op de zijvlakken van den troonzetel schitterden, door de hand van Panaenus geschilderd,
-in hellen kleurengloed de daden van Heracles, den beroemden zoon van Zeus. Andere
-heldendaden prijkten er nevens: alsmede de afbeeldingen van verschillende wedstrijden
-te Olympia.
-</p>
-<p>Op de breede vlakte van het voetstuk echter, waarop de troon zich verhief, steeg de
-heerlijkste dochter van Zeus, de gouden Aphrodite, uit het schuim der zee.
-</p>
-<p>Goddelijk genadig was het aangezicht van den Olympiër en toch vol onbeschrijfelijk
-verheven ernst. De milde goedheid was met strenge kracht en diepe wijsheid vereenigd.
-Machtig echter en overweldigend was de uitdrukking der hoogste majesteit.
-</p>
-<p>Aspasia verborg schier ontsteld het hoofd aan de borst van Pericles. Een schier onaangename
-indruk maakte op haar deze schitterende, overweldigende gestalte. Hier was niets vrouwelijks
-meer <span class="pageNum" id="pb2.155">[<a href="#pb2.155">155</a>]</span>onder het goddelijke gemengd, zooals in de gestalte van den jonkvrouwelijke Pallas
-Athene. Hier was de manlijk ernstige, de strenge macht van den beheerscher der Goden
-tot de hoogste uitdrukking gebracht.
-</p>
-<p>Aspasia voelde bij dit gezicht eene diepe smart, die haar boezem doorvlijmde&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Ook het Arcadisch meisje was in het eerste oogenblik hevig ontsteld: spoedig daarop
-echter kwam zij tot zich zelve en staarde naar den God met het vertrouwen van een
-kind.
-</p>
-<p>Het onweder was zacht en langzamerhand nader gekomen. Men zag door de opening van
-den tempel de bliksemflitsen door den hemel schieten en men hoorde uit de verte den
-rollenden donder.
-</p>
-<p>Aspasia wilde Pericles met zich medetrekken. Maar hij bleef in stomme verbazing, als
-in den grond geworteld, verzonken. Ook hij was gewoon van de beeldende kunst een liefelijken
-indruk te ontvangen. Hier echter zag hij het verhevene tegenover zich in nooit geëvenaarde
-gestalte. Het was, als lag er eene nieuwe openbaring in dit godsbeeld.
-</p>
-<p>Daarbuiten rolde al nader en nader de donder.
-</p>
-<p>Plotseling sloeg een bliksemstraal door de opening van het tempeldak.
-</p>
-<p>Pericles en Aspasia verloren voor een oogenblik hunne bezinning.
-</p>
-<p>Toen de helle gloed hunne oogen niet meer verblindde, zagen zij eene marmeren plaat
-in de ruimte van den tempel, waarop de twaalf Olympische Goden en <span class="corr" id="xd30e6927" title="Bron: relief">reliëf</span> waren afgebeeld, door den bliksem zwart gemaakt en gebarsten&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Het gelaat van Zeus had in den rossen gloed des bliksems een oogenblik eene vreeselijke,
-Titanische uitdrukking gehad. &#x2019;t Was, alsof zijne hand den bliksem had geslingerd,
-die zijne Olympische medegoden had verbrijzeld&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Maar nu schitterde het gelaat des Gods weder in rustige majesteit, zoodat bij zijn
-aanblik de schrik dier bliksemflits was verzacht en verdwenen. Zoo groot scheen de
-God dat de bliksemstralen hem <span class="pageNum" id="pb2.156">[<a href="#pb2.156">156</a>]</span>slechts als een onbeduidende, matte vonkenregen omgaven.
-</p>
-<p>&#x201e;Deze God van Phidias,&#x201d; sprak Pericles, in diep gepeins verzonken, &#x201e;is te groot voor
-de tempels der Hellenen. Hij streeft met zijn hoofd opwaarts naar het onbereikbare,
-naar het oneindige&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>Slechts noode volgde Pericles eindelijk Aspasia op haar dringend verzoek.
-</p>
-<p>Zij zochten Phidias op.
-</p>
-<p>Deze echter had ongezien beiden nauwlettend gadegeslagen, terwijl zij voor het beeld
-des Gods in stomme verbazing stonden.
-</p>
-<p>Nu verliet hij den tempel, om zich aan hunne loftuitingen te onttrekken.
-</p>
-<p>Hij bleef voor hen verborgen.
-</p>
-<p>Toen Pericles en Aspasia in diepe gepeinzen verzonken in hunne woning waren teruggekeerd,
-schudde Aspasia den indruk van den ernstigen, verheven indruk van hare ziel af, evenals
-een vogel de parelende regendruppels van zijn lichte vederen afschudt.
-</p>
-<p>Niet alzoo Pericles.
-</p>
-<p>Doch Aspasia rustte niet, alvorens zij den Olympischen ernst van zijn voorhoofd had
-verdreven.
-</p>
-<p>Eindelijk trad ook bij hem het verbijsterend gevoel der verhevenheid van den onder
-bliksem en donder gezienen God op den achtergrond, en de bewondering van den onvergelijkelijken
-meester verkreeg in zijne ontroerde ziel de overhand.
-</p>
-<p>Nog met gesloten oogen, zag dien nacht in de sluimering het meisje van Arcadië zich
-omgolfd door lichtstroomen, wonderbaar vermengd met den gloed van goud, den glans
-van elpenbeen en het geflonker van den rossen bliksem.
-</p>
-<p>Pericles ontwaakte een paar maal verschrikt uit zijn slaap. Hij had gedroomd, dat
-de zittende God van Phidias zich in zijne geheele grootte had opgericht en met zijn
-hoofd het dak des tempels tot puin had gestooten.
-</p>
-<p>Aspasia had een anderen, even zonderlingen droom.
-<span class="pageNum" id="pb2.157">[<a href="#pb2.157">157</a>]</span></p>
-<p>Zij zag den adelaar van Zeus, zooals hij van de punt des schepters neervloog naar
-het voetstuk en daar met zijn snavel de duiven der gouden, vroolijk lachende, zalige
-Aphrodite de oogen uitpikte&#x200a;&#x2026;
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e6562">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6562src">1</a></span> Eene stad in <span class="corr" id="xd30e6564" title="Bron: Boeëtië">Boeötië</span> in Midden-Griekenland (Hellas), ten westen van het meer Copaïs.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6562src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6595">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6595src">2</a></span> Een plaatsje in Arcadië; in <span class="corr" id="xd30e6597" title="Bron: Boestië">Boeötië</span> lag ook een Orchomenus, N.&nbsp;W. van het meer Copaïs.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6595src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6608">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6608src">3</a></span> Lang haar te hebben gold bij de Grieken voor een sieraad, zelfs als een bewijs van
-welvaren en werd voor een teeken van trotschheid en overmoed gehouden. Vandaar, dat
-het Grieksche werkwoord, dat &#x201e;lang haar hebben&#x201d; (komân) beteekent, gelijkluidend is
-met onze uitdrukking: trotsch, pedant zijn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6608src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6611">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6611src">4</a></span> Hellanodiken beteekent eigenlijk Hellenen-rechters; vandaar de kamprechters bij de
-Olympische spelen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6611src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6616">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6616src">5</a></span> Rhapsode beteekent eigenlijk hij, die zangen samenvoegt; vooral worden onder rhapsoden
-zij verstaan, die de liederen van Homerus, Hesiodes en andere (vooral Epische) dichters
-tot een geheel vereenigden en van plaats tot plaats trokken, om die voor te dragen.
-Vandaar worden de verschillende boeken der Ilias en Odyssee rhapsodiën genaamd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6616src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6634">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6634src">6</a></span> Panormus was eene belangrijke stad op Sicilië, het tegenwoordige Palermo.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6634src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6637">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6637src">7</a></span> Leontini eveneens eene stad op Sicilië, van Atheenschen oorsprong (370 v. C.)&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6637src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6640">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6640src">8</a></span> Er waren drie steden van dien naam: Magnesia, een oud-Grieksche stad in Klein-Azië
-aan den voet van den Sipylus, Magnesia, aan den <span class="corr" id="xd30e6642" title="Bron: Maeänder">Maeander</span>, ongeveer twaalf mijlen zuidelijker, en Magnesia, hoofdstad van een gelijknamig kustland
-van Thessalië aan de Pagasaeïsche baai (Golf van Volo). Dit laatste Magnesia zal hier
-wel bedoeld worden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6640src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6646">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6646src">9</a></span> Larissa was de hoofdstad van Pelasgiotis, een landschap in Thessalië; het wordt ook
-als de hoofdstad van geheel Thessalië beschouwd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6646src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="n2.136.5">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n2.136.5src">10</a></span> Bewoners der steden Demetria, <span class="corr" id="xd30e6651" title="Bron: Lechaeùm">Lechaeum</span>, Phlius en Cenchrae, in de Peloponnesus.&nbsp;<span class="fnarrow">&#x2191;&nbsp;</span><a class="fnreturn" href="#n2.136.5src" title="Ga terug naar noot 10(a) in tekst.">a</a> <a class="fnreturn" href="#xd30e6657src" title="Ga terug naar noot 10(b) in tekst.">b</a> <a class="fnreturn" href="#xd30e6662src" title="Ga terug naar noot 10(c) in tekst.">c</a> <a class="fnreturn" href="#xd30e6664src" title="Ga terug naar noot 10(d) in tekst.">d</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6689">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6689src">11</a></span> Alle Grieken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6689src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6699">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6699src">12</a></span> De Lapithen was een woeste volksstam in Thessalië, nabij den Peneüs. Als stamvader
-van hen gold Lapithes, de zoon van Apollo en Stilbe, gelijk Centaurus voor dien der
-Centauren. Na aanhoudenden strijd met de Centauren dolven ten laatste de Lapithen
-het onderspit.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6699src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6705">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6705src">13</a></span> Stadion is eigenlijk eene lengte van 600 Grieksche voeten, ongeveer 188 Nederlandsche
-el; veertig stadiën komt dus ongeveer met een geographische mijl overeen. Voorts beteekent
-het de lengte van de renbaan te Olympia en in het algemeen: de renbaan.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6705src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6712">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6712src">14</a></span> Hippodromos is de plaats, waar de paarden om het hardst liepen, de renbaan: zie deel
-II, <a href="#n2.8.1">noot 1 pag. 8</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6712src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6718">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6718src">15</a></span> Horkios beteekent: tot den eed behoorend; een bijnaam van Zeus als handhaver en beschermer
-van den eed.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6718src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6893">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6893src">16</a></span> Zie Deel I, <a href="#n204.1">noot 1 pag. 204</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6893src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6905">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6905src">17</a></span> Zie Deel I, <a href="#n63.1">noot 1 pag. 63</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6905src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch19" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XIX.</h2>
-<h2 class="main">HET KIND DES LICHTS EN DE PRIESTERS DER DUISTERNIS.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Een zonderling contrast vormden gene Ionische uren van zaligheid en deze Peloponnesische
-tochten van Pericles en Aspasia! Ginds, aan Milete&#x2019;s vroolijk strand, trok de zegevierende
-vrouwelijkheid met haar zachten arm een tooverkring om den Atheenschen held; hier
-te midden van statige bergkruinen openbaarde zich de mannelijke Dorische geest in
-velerlei zaken, die geschikt waren het gemoed ernstig te stemmen in Pericles&#x2019; ziel.
-Hier stortte de natuur zelve eene soort van ernstige huivering in zijn gemoed; hier
-spraken tot hem eeuwenoude overblijfsels van een heldhaftig verleden, tegenover welke
-de latere stervelingen zich alleen als een zwak en verbasterd geslacht moesten gevoelen.
-<span class="corr" id="xd30e6958" title="Bron: Hierd">Hier</span> werd op plaatsen wier sagen aan de oude heldenwereld onmiddellijk zich aansloten,
-een eeredienst en een wedstrijd der mannelijkheid gehouden, in staat, zooals Aspasia
-te recht gevoelde, om in de ziel van den Griek gezindheden te wekken, aan te kweeken
-en te onderhouden, die de overwinning der schoonheid en vrouwelijkheid op elk gebied
-des levens eerder verhinderen dan bevorderen konden. In de bergachtige oorden der
-herders had Pericles een eenvoudig, als men wil, een idyllisch leven gezien, dat nog
-ongerept was door den adem der beschaving en dat beschouwingen, gevoelens, verwachtingen
-koesterde, die wellicht den ondergang van den echt Helleenschen geest afwachtten,
-om met een grauwen, <span class="pageNum" id="pb2.158">[<a href="#pb2.158">158</a>]</span>eentonigen nevel de vroolijke, Helleensche wereld te omhullen. Hier had zelfs de kunst
-van den Athener, in den tempel van den Olympischen Koning der Goden, haar hoogste
-en laatste schepping gewrocht en den triomf van het ernstig verhevene over het bevallig
-schoone, voor het oog van den Griek, zoo &#x2019;t scheen, voor eeuwig bezegeld.
-</p>
-<p>Bijna lijnrecht stond Aspasia tegenover deze aandoeningen en gevoelens, die Pericles
-koesterde. Want hunne karakters waren niet geheel gelijk, en hunne betrekking tot
-de buitenwereld was geheel verschillend. Aspasia was de naar alle kanten werkende,
-gevende, bezielende; Pericles, zonder afbreuk te doen aan zijne mannelijke kracht,
-was de echte Helleen, die elken indruk rondom zich opving en opnam in zijne edele
-ziel. Hij was, gelijk het Helleensche volk, met zijn ontvankelijk gemoed tusschen
-de uitersten geplaatst; en evenals het Helleensche volk en de Helleensche geest, doorleefde
-hij onder de afwisseling van deze invloeden en uitersten, eene ontwikkeling, eene
-inwendige geschiedenis, wier doel en einde nog niet te overzien waren; terwijl Aspasia
-onwrikbaar en onveranderlijk vast stond op den hechten grond van haar karakter als
-de betooverende voorvechtster van Helleensche levenslust en de alverwinnende kracht
-van het schoone.
-</p>
-<p>Was het niet te vreezen, dat door deze zachte tegenstelling, tot heden onder de rozengaarde
-der liefde en van het geluk verborgen, de schoone harmonie van het leven der liefde,
-dat het edele, schoone paar ten toppunt van geluk voerde, eenmaal zou kunnen worden
-verstoord?
-</p>
-<p>Wèl hing dat gevaar boven hunne hoofden, maar de rozen der liefde schenen voor dit
-paar onverwelkelijk te zijn en een onvergankelijken toovergeur te verspreiden.
-</p>
-<p>Nog altijd immers bleef Pericles de ontvankelijke en ontvangende, Aspasia de zegevierend
-werkende, de gevende.
-<span class="pageNum" id="pb2.159">[<a href="#pb2.159">159</a>]</span></p>
-<p>In hunne gesprekken hadden zij wel is waar dikwijls verschil en niet zelden geloofde
-Pericles de geliefde vrouw tot zijne meening overgehaald en in zijne stemming gebracht
-te hebben, doch ten laatste bemerkte hij gewoonlijk, dat zij het was, die hem van
-gevoelen en stemming veranderd had, dat het onmogelijk was de machtige betoovering,
-die in de hand dezer onvergelijkelijke vrouw gelegd was, geheel en al van zich af
-te weren. Steeds liet hij zich door de schoone terugvoeren tot het standpunt van eene
-meer vrije en opgeruimde levensbeschouwing. Steeds opnieuw werd de schoone harmonie
-der beide zielen weder hersteld, steeds opnieuw verwezenlijkten zij het ideaal van
-het Helleensche leven op zijn glanspunt, en boden een schouwspel aan, waarop de Olympiërs
-met trots en blijdschap nederzagen.
-</p>
-<p>Aspasia verstond het voortreffelijk, om de nevelen weg te vagen van &#x2019;t voorhoofd van
-haar echtgenoot. Of zij voor altijd in staat zou zijn de nieuw ontspruitende kiemen
-van zijn inwendig leven te verstikken, den gang zijner innerlijke ontwikkeling tegen
-te gaan, dit was natuurlijk voor &#x2019;t oogenblik onmogelijk uit te maken.
-</p>
-<p>Zeker is &#x2019;t echter, dat Aspasia de gave had om de scherts van Anacreon&#x2019;s liederen
-betooverend in den ernst te mengen, waarmede de hymnen van Pindarus Pericles hadden
-bezield, en te zorgen, dat tusschen hen beiden de echte Grieksche zin nog steeds zijn
-recht handhaafde.&#x2014;
-</p>
-<p>In het kleine voorval met Alcamenes had het verleden eene vluchtige schaduw op het
-huwelijksgeluk van Pericles geworpen. Aspasia ademde ruimer, toen zij met haar gemaal,
-terugkeerende van Olympia naar Athene, den bodem van Peloponnesus achter den rug had.
-Zij vermoedde niet, welk verdriet haar op Attica&#x2019;s bodem zelf, onmiddellijk vóór het
-bereiken van hun doel wachtte.
-</p>
-<p>Terwijl Phidias te Olympia zijn Zeus voor geheel Hellas schiep, gelijk hij vroeger
-te Athene de Pallas Athene alleen voor de Atheners had gebeiteld, was <span class="pageNum" id="pb2.160">[<a href="#pb2.160">160</a>]</span>zijn vroegere makker en vriend Ictinus in de Attische <span class="corr" id="xd30e6978" title="Bron: mysteriën stad">mysteriënstad</span> Eleusis werkzaam geweest, werwaarts hij ontboden was, om een nieuwen tempel voor
-Demeter te bouwen, ter viering der groote mysteriën.
-</p>
-<p>Daar de dagen voor de viering der mysteriën niet ver meer af waren, bevond zich Hipponicus,
-die bij deze plechtigheid de in zijn geslacht erfelijke waardigheid van daduchus bekleedde,
-juist te Eleusis, waar hij een landgoed bewoonde, zooals ook andere rijke Atheners
-in de omstreken van het schoon gelegen Eleusis bezaten. Want de stad lag niet ver
-van het strand nabij de vaart van Salamis en vlak tegenover dit eiland. Tegen de heuvels
-aan lagen de woningen der burgers en de groote tempelgebouwen met hun uitgestrekt
-en heilig gebied, waarin zij stonden.
-</p>
-<p>Pericles nam bij Hipponicus zijn intrek gedurende den tijd, dat hij te Eleusis zou
-vertoeven.
-</p>
-<p>De eerste dag was gewijd aan de bezichtiging van den nieuwen, grooten, door Ictinus
-voltooiden tempel, die, voor de viering der mysteriën ingericht, vele onderaardsche
-vertrekken en <span class="corr" id="xd30e6985" title="Bron: labyrintische">labyrinthische</span> gangen van ontzettende grootte bevatte; plaatsen bij uitnemendheid geschikt voor
-die geheimzinnige plechtigheden, die het alleen den ingewijden veroorloofd was te
-aanschouwen.
-</p>
-<p>De Eleusinische mysteriën waren nu een onderwerp, waartegen Aspasia zich terstond
-op de meest beslissende wijze met al de scherpte van haar geest en vernuft verklaarde.
-Haar scheen alles, wat zich aan het licht onttrok, wat de duisternis zocht, wat zich
-hulde in den sluier van het geheimzinnige, gepaard te gaan met bijgeloof en dweeperij,
-en zoo zag zij ook in deze mysteriën een gevaar voor den vrijen, naar het licht strevenden
-geest der Hellenen.
-</p>
-<p>Toen zij de vereering en het heilig ontzag der Atheners voor deze mysteriën laakte,
-zei Pericles: &#x201e;Misschien is dit ontzag der Hellenen de zich heimelijk openbarende
-vereering van den menschelijken <span class="pageNum" id="pb2.161">[<a href="#pb2.161">161</a>]</span>geest in &#x2019;t algemeen voor de geheimen, die nog onopgelost in de diepte van zijne eigen
-ziel sluimeren. Wie weet, hoe vele openbaringen de menschelijke geest nog te voorschijn
-brengt uit deze heilige diepte!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik wil niets hooren van openbaringen in de toekomst!&#x201d; hernam Aspasia. &#x201e;De openbaring
-van het tegenwoordige is de openbaring van het schoone menschelijke, en alles wat
-zou kunnen volgen, zou slechts iets minders zijn. Klemmen wij ons met hart en ziel
-en alle vezelen van ons wezen vast aan het schoone, vroolijke heden!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Pericles wees Aspasia op den daduchus Hipponicus, en vroeg haar of dan deze man, wiens
-lichaamsgestalte al ronder en ronder werd en wiens blos zich al schitterender en schitterender
-voordeed, soms een spoor van dweepzucht vertoonde? En toch was hij niet alleen een
-ingewijde, maar zelfs bekleedde hij eene priesterwaardigheid te Eleus en behoorde
-tot hen, die de inwijding der mysten<a class="noteRef" id="xd30e6996src" href="#xd30e6996">1</a> voltrokken.
-</p>
-<p>Aspasia antwoordde, dat zij, welke anderen in het rijk van bijgeloof en dweepzucht
-binnenvoeren, niet zelden van een geheel andere meening waren, dan die zij anderen
-trachten op te dringen. &#x201e;Somwijlen echter,&#x201d; zeide zij, &#x201e;gelijken ook de dragers en
-verkondigers van heilige geheimzinnigheden op de muildieren, die hier en daar volgens
-een oud gebruik tot drager van heilig tempelgereedschap of godenbeelden gebezigd worden
-en op wie niets van den goddelijken zegen nederdaalt, dien zij voor anderen op hun
-rug dragen en uitdeelen. De &#x201e;onschuldige Hipponicus,&#x201d; voegde Aspasia<span id="xd30e7001"></span> er bij, &#x201e;schijnt mij tot deze laatste soort te behooren.&#x201d;
-</p>
-<p>Hipponicus was trotsch op zijne waardigheid van daduchus, omdat daaraan inderdaad
-eene eer onder het Helleensche volk verbonden was. Doch wat overigens er mede gepaard
-ging en wat ze van <span class="pageNum" id="pb2.162">[<a href="#pb2.162">162</a>]</span>hem eischte, daartoe gevoelde hij zich waarlijk niet door eene innerlijke aandrift
-gedrongen, noch door een persoonlijke neiging geroepen; de omstandigheid alleen, dat
-hij tot het geslacht behoorde, waaruit de daduchen van Eleusis plachten gekozen te
-worden en dat die keuze hem te beurt gevallen was, had hem met de priesterlijke waardigheid
-bekleed.
-</p>
-<p>Hij verdedigde tegenover Pericles&#x2019; gade de mysteriën, doch als eene zaak, die hij
-wel is waar vertegenwoordigde, maar zonder er zich veel aan gelegen te laten liggen.
-</p>
-<p>Afkeerig van wijsgeerige beschouwingen, stelde hij zich tevreden met Aspasia op een
-schilderij te wijzen, die den wand zijner eetzaal versierde. Deze schilderij was van
-de hand van Polygnotes en stelde het bezoek voor, dat de zwerver Odysseus in het rijk
-der schaduwen bracht. De Hades was afgeschilderd met al zijne verschrikkingen, en
-onder de bleeke schimmen bewoog zich onvervaard de nog levende vorst van Ithaca.<a class="noteRef" id="xd30e7011src" href="#xd30e7011">2</a>
-</p>
-<p>Toen Pericles met Aspasia de schilderij beschouwde, bemerkte hij als ingewijde aanstonds,
-dat sommige bijzonderheden toespelingen bevatten op de Eleusinische mysteriën. Hipponicus
-bevestigde dit en sprak tot Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo veel is mij wel geoorloofd te zeggen, dat de weg naar het heilige licht van Eleusis
-door den Hades voert en door de verschrikkingen des &#x201e;erebos&#x201d;. Wat echter de profanen
-betreft en hen, die hardnekkig versmaden zich te laten inwijden, hun lot in de onderwereld
-is voor de deskundigen op deze schilderij zeer aanschouwelijk voorgesteld.&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo sprak Hipponicus en ried Aspasia ernstig aan zich te laten inwijden; hij herinnerde
-haar tevens, dat, naar de algemeene overtuiging der Hellenen, zij die in de mysteriën
-van Demeter te Eleusis ingewijd zijn, na hun dood in zalige gewesten zullen wandelen:
-terwijl daarentegen den niet ingewijden <span class="pageNum" id="pb2.163">[<a href="#pb2.163">163</a>]</span>beschoren is ten eeuwigen tijde in akelige duisternis en eenzaamheid te smachten.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik heb dit dikwijls hooren beweren,&#x201d; zei Aspasia, &#x201e;en &#x2019;t klonk mij steeds in de ooren,
-alsof iemand op eene slecht gestemde cither onharmonische tonen aanslaat of over eene
-glasplaat met een puntig ijzer heen en weder krast. Het is verbazend, waaraan zelfs
-Helleensche ooren zich kunnen gewennen. Ik weet, dat er menschen zijn, die, als zij
-&#x2019;t einde van hun leven voelen naderen, zich nog spoedig doen inwijden, en velen haasten
-zich zelfs hunne kinderen reeds in prille jeugd dit heil deelachtig te doen worden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik ben zelf,&#x201d; zei Pericles, &#x201e;zooals bijna alle Atheners een ingewijde en gaarne zou
-ik bereid zijn, ook deze geheimzinnigheden evenals alle andere u mede te deelen.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik begrijp,&#x201d; hernam Aspasia, &#x201e;dat voor de dwazen het bijgeloof, voor de verstandigen
-de nieuwsgierigheid een voldoende reden is, om zich te laten inwijden. Op het recht
-van nieuwsgierigheid echter heb ik als vrouw dubbele aanspraak. Wat moet ik doen,
-Hipponicus, om de wijding deelachtig te worden?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;De zaak is eenvoudig,&#x201d; zei Hipponicus. &#x201e;Gij meldt u in het volgende jaar bij de viering
-der kleine Eleusinische mysteriën te Athene aan, gij ontvangt daar op de voorspraak
-van een reeds ingewijde, de kleinere wijding en begeeft u een half jaar later met
-den Eleusinischen feeststoet van Athene herwaarts naar Eleusis, om hier de groote
-wijding deelachtig te worden en de eigenlijke geheime plechtigheden te aanschouwen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe?&#x201d; riep Aspasia, &#x201e;moet ik zoolang mijne nieuwsgierigheid bedwingen? Moet ik de
-kleine Eleusiniën afwachten en dan nog een half jaar zien verloopen, voor de geheimen
-mij geopenbaard zullen worden? Zijt gij niet daduchus, Hipponicus, en kunt gij als
-zoodanig voor mij de gunst niet verkrijgen, dat ik de kleinere wijding nu hier tegelijk
-met de grootere ontvang?&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb2.164">[<a href="#pb2.164">164</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Onmogelijk!&#x201d; hernam Hipponicus.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat verhindert u daarin?&#x201d; vroeg Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;De tijd tusschen de beide wijdingen is vastgesteld door het heilige gebruik,&#x201d; antwoordde
-de daduchus.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij kunt mij over dat heilige gebruik heen helpen!&#x201d; bracht Aspasia in het midden.
-</p>
-<p>&#x201e;De hiërophantes<a class="noteRef" id="xd30e7034src" href="#xd30e7034">3</a> is een van die strenge en ernstige mannen, zooals Diopithes te Athene,&#x201d; hernam Hipponicus.
-&#x201e;Zou ik mij den toorn van dien opperpriester op den hals willen halen?&#x201d;
-</p>
-<p>Aspasia bleef bij haar verzoek volharden, maar de daduchus herhaalde zijn: &#x201e;Onmogelijk.&#x201d;
-Hij was een vijand van verwikkelingen en <span class="corr" id="xd30e7039" title="Bron: moeielijkheden">moeilijkheden</span>. Hij gevoelde niet den minsten lust de gansche Eleusinische priesterkaste tegen zich
-in &#x2019;t harnas te jagen. Hij hield van vrede en behagelijke rust.
-</p>
-<p>Den volgenden dag kwam de Eleusinische optocht van Athene naar Eleusis. Pericles en
-Aspasia bevonden zich met Hipponicus onder hen, die als toeschouwers de schare ontmoetten,
-toen deze bij vele duizenden den heiligen weg langs trok. Terwijl de blikken van Aspasia
-zweefden over de in den optocht gedragen heilige voorwerpen en over de schaar der
-mysten zelve, allen met mirt en klimop omkranst, korenaren en akkergereedschappen
-dragend, ter eere van Demeter, die de graanvruchten doet gedijen, ontmoetten haar
-eensklaps&#x2014;want de aankomst van den Eleusinischen stoet greep in het schemerend avonduur
-plaats&#x2014;in de bonte menigte van gezichten, de matte oogen en de slap hangende wangen
-van Telesippe.
-</p>
-<p>Telesippe&#x2019;s gemaal, die door den invloed van Pericles telkens opnieuw tot Archon Basileus
-was gekozen, wien ook de leiding van de Eleusinische mysteriën was opgedragen, liep
-te midden der Atheensche priesters en overheidspersonen; Telesippe <span class="pageNum" id="pb2.165">[<a href="#pb2.165">165</a>]</span>stapte als Basilissa<a class="noteRef" id="xd30e7047src" href="#xd30e7047">4</a> en deelgenoote zijner godsdienstige waardigheden en verrichtingen, met fier opgericht
-hoofd aan zijne zijde.
-</p>
-<p>Vol waardigheid schreed de vrouw van den Archon Basileus voort in al den omvang harer
-welgedane gestalte, en toen haar blik, trotsch ter rechter en linker zijde dwalend,
-op haar vroegeren gemaal en de Milesische naast hem viel, toen richtte zij het hoofd
-nog hooger op en een trek van innige verachting vertoonde zich om hare dikke lippen.
-Zoo plechtig was haar uiterlijk, als stond zij nu wederom op het Lenaeën-feest als
-&#x201e;de mystische gade van den God&#x201d; in den tempel van Dionysus, aan het hoofd harer onderdanige
-priesteressen, geheimzinnige gebruiken volvoerend, die geen mannenoog mocht aanschouwen
-en waaromtrent zij de deelgenooten allerplechtigst de gelofte van stilzwijgendheid
-afnam.
-</p>
-<p>Toen Aspasia de vrouw zag, zoo fier in het bewustzijn harer priesterlijke waardigheid,
-en een pijl van de diepste minachting uit hare afgunstige oogen afschietend, ontwaakte
-de oude haat weder en de bittere spotlust in het gemoed van de Ionische.&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Zie eens,&#x201d; zeide ze lachend tot Pericles, &#x201e;zie eens, hoe zij daar praalt, met dat
-glimmend vet op hare ledematen, de waardige Telesippe! Nadat zij de echte vrouw van
-twee sterfelijke mannen is geweest, is zij nu zelfs de mystische gemalin van den God
-Dionysus geworden! &#x2019;t Zou mij echter zeer verwonderen, als de jeugdige God haar niet
-spoedig ook aan een ander overdeed en wel aan Silenus zijn dikbuikigen makker: want
-voor dezen schijnt zij geheel als geschapen!&#x201d;
-</p>
-<p>Eenige woorden van deze bittere spotternij drongen door tot Telesippe&#x2019;s oor. Nog beter
-echter werden zij gehoord door Elpinice en den ziener Lampon, die achter Telesippe
-in den optocht gingen, en die, evenals zij, op Pericles alsmede op de Milesische <span class="pageNum" id="pb2.166">[<a href="#pb2.166">166</a>]</span>in &#x2019;t voorbijgaan scherpe en loerende blikken gevestigd hadden. Blikken van met moeite
-onderdrukte verbittering werden op de vermetele geworpen, en eene stilzwijgende gelofte
-om de lang gezworen wraak te bespoedigen, rees tegelijkertijd in de drie gekrenkte
-gemoederen op.
-</p>
-<p>In den nacht stroomden langs het strand van den Eleusinischen zeeboezem de <span class="corr" id="xd30e7059" title="Bron: feestreiën">feestreien</span>, aangevoerd door den God Iacchus met brandende toorts. Hier flonkerde het nachtelijk
-schijnsel over de met bloemen bezaaide dreven, en rondom den God slingerde zich de
-bezielde schare, den bodem stampend in den dans, de golvende lokken schuddend, doorstrengeld
-met den mirtekrans, en de zwellende, rijpende druif in dien krans. In tallooze bochten
-kronkelde zich de rei met de hoog gezwaaide fakkels. Een myst gaf telkens de fakkel
-aan den anderen. De mystische fakkelglans werd als heilig beschouwd en de daaraf spattende
-vonken als een louteringsmiddel van de zielen dergenen, die zij troffen.
-</p>
-<p>Met het aanbreken van den avond, die aan de voorafgaande feestviering een einde maakte
-en vóór de geheimenissen in den wijtempel plaats grepen, moesten de mysten zich door
-tal van reinigingen, geloften, gebeden en ander heilige gebruiken voor de wijding
-voorbereiden.
-</p>
-<p>Onophoudelijk had Aspasia inmiddels bij Hipponicus den wensch hernieuwd, om door zijne
-bemiddeling in de mysteriën te worden ingewijd.
-</p>
-<p>Hipponicus herinnerde haar, dat de viering der mysteriën onder het toezicht stond
-van den Archon Basileus, den echtgenoot van Telesippe, en dat, evenals de Archon Basileus
-het oppertoezicht over de Eleusinische priesters had, zoo zijne gemalin over de priesteressen
-van Eleusis als Basilessa gesteld was, tijdens de viering der mysteriën.
-</p>
-<p>Dit alles scheen de eigenzinnigheid van Aspasia nog meer te prikkelen: en toch zou
-&#x2019;t haar bezwaarlijk gelukt zijn den tegenstand van Hipponicus te verwinnen, ware &#x2019;t
-hem thans niet tegenover <span class="pageNum" id="pb2.167">[<a href="#pb2.167">167</a>]</span>de gade van Pericles gegaan, als Alcamenes te Olympia. Niet te vergeefs koesterde
-hij in zijn huis den gloed, die zijn hart reeds eenmaal had verzengd. Aspasia, gedachtig
-aan het voorval met Alcamenes, zou anders wel op hare hoede geweest zijn, om dit vuur
-opnieuw aan te blazen en een gevaar te vermijden, dat haar om Pericles&#x2019; wil noodlottig
-had kunnen zijn, maar zij had zich nu eenmaal in &#x2019;t hoofd gezet, datgene, wat zij
-wilde bestrijden, nauwkeurig te onderzoeken, ten einde <span class="corr" id="xd30e7070" title="Bron: hetmet">het met</span> te grooter kracht te kunnen aantasten. Zij zag met voldoening den minnegloed van
-Hipponicus, dien zij overigens verachtte, opnieuw opvlammen; het was haar immers een
-waarborg, dat hij ten laatste haar vurig verlangen zou inwilligen.
-</p>
-<p>En zoo geschiedde het ook. De daduchus gaf eindelijk toe, om de kleinere wijding,
-die Aspasia reeds vóór een half jaar moest ontvangen hebben, haar thans toe te dienen.
-Hij wist den zoogenaamden mystagoog<a class="noteRef" id="xd30e7075src" href="#xd30e7075">5</a> voor zich te winnen, wiens plicht het vooral was bij de kleinere Eleusiniën te Athene
-de &#x201e;duisterlingen&#x201d; voor te bereiden en in den &#x201e;tempel&#x201d; binnen te leiden. De daduchus
-liet Aspasia, nadat de reinigings-ceremoniën afgeloopen waren, op de vacht van een
-aan Zeus geofferd lam staan, vervolgens onderrichtte haar de mystagoog in zekere gebruiken
-en formulieren, die zij in den tempel noodig had, om te bewijzen, dat zij ingewijd
-was, opdat haar de toegang met de mysten tot het binnenste van &#x2019;t heiligdom niet geweigerd
-zou worden. Eindelijk liet hij haar zweren, dat zij omtrent alles, wat zij in het
-huis der groote wijding zien en hooren zou, een onverbreekbaar stilzwijgen voor eeuwig
-zou in acht nemen.
-</p>
-<p>Niet te gelijk werden, toen de dagen der wijding gekomen waren, alle mysten binnen
-geleid, maar de eene afdeeling volgde op de andere.
-</p>
-<p>Onder de schare van mysten, die het eerst werd toegelaten, bevonden zich Pericles
-en Aspasia.
-<span class="pageNum" id="pb2.168">[<a href="#pb2.168">168</a>]</span></p>
-<p>Een glimlach zweefde om de lippen van Aspasia toen zij met deze schaar, geleid door
-de mystagoog, het binnenste van &#x2019;t heiligdom betrad en den Hiërophantes, benevens
-de overige offerpriesters en helpers, in schitterend en veelbeteekenend gewaad gedost
-zag, met diademen op de vrij langs de schouders neergolvende lokken, statige grijsaards,
-eerbiedwaardig van uiterlijk, die daarenboven geheimzinnige symbolen ten toon droegen;
-te midden van hen de daduchus met eene fakkel in de hand.
-</p>
-<p>En nog bekoorlijker lachte de schoone Milesische, toen nu de &#x201e;heilige heraut&#x201d; zijne
-stem verhief voor de verzamelde mysten, met den eisch, dat ieder, die niet de wijdingen
-had ontvangen, zich zou verwijderen, alsmede ieder, wiens hand niet rein van schuld
-en niet waardig voorbereid was, om het heilige licht van Eleusis te aanschouwen; hen
-ten laatste nogmaals den plechtigen eed afnemende, een eeuwig zwijgen te bewaren over
-datgene, wat zij zouden hooren en zien. Hierop werd ieder afzonderlijk eene vraag
-in het oor gefluisterd, die alleen de myst kon begrijpen en die hij even zacht weder
-in het oor van den vrager beantwoordde, terwijl door een onzichtbaar koor de plechtige
-hymnus op de Godinnen van Eleusis aangeheven werd.
-</p>
-<p>En nog steeds zweefde die fijne glimlach om de geestige lippen van Aspasia, toen de
-mysten in het binnenste van den tempel waren binnengeleid en zekere heilige voorwerpen
-hun daar &#x2019;t eerst getoond werden, overblijfselen uit eeuwenoude tijden, zinnebeelden
-der zegeningen en mysteriën van den Eleusinischen eeredienst, hun tevens aangeboden
-om aan te raken en te kussen en met gewijd woord uit den mond van den Hiërophantes
-uitgelegd.
-</p>
-<p>En met denzelfden glimlach volgde Aspasia de mimische voorstellingen der heilige sagen,
-aanschouwelijk en aangrijpend om te zien in de geheimzinnige schemering van den tempel,
-begeleid door de liefelijke tonen van fluit- en snarenspel.
-</p>
-<p>Nu echter werd de schare van mysten langs <span class="pageNum" id="pb2.169">[<a href="#pb2.169">169</a>]</span>trappen naar onderaardsche gewelven en gangen gevoerd. Weldra zagen zij zich door
-eene volslagen duisternis omringd. De zwerftochten begonnen: een lang, moeitevol,
-doelloos ronddolen in het nachtelijk donker. Alleen de stem van den Hiërophantes weerklonk
-ernstig en waardig en strekte door zinrijke spreuken en waarschuwingen tot gids in
-dien donkeren, labyrinthischen zwerftocht.
-</p>
-<p>Plotseling hoorde men een dof gedreun, alsof de grondvesten der aarde trilden: het
-scheen gehuil, gesteen, geluid van ruischend water en geratel van den rollenden donder
-dooreen gemengd.&#x2014;De straks nog rustige schare der mysten greep een angstige verbazing
-aan, zij begon te sidderen en te beven, het klamme angstzweet parelde zich op het
-voorhoofd.
-</p>
-<p>Steeds grooter echter werden de verschrikkingen; want bij het schijnsel van als bliksem,
-schitterende vlammen, die afwisselend uit den grond sloegen en wier roode, blauwe,
-witte of vale kleur schier verblindend was, zag men gruwzame spookgestalten, monsters
-der onderwereld door een vluchtigen glans verlicht. Gorgonen met ontzettende koppen,
-sluipende Echidnen<a class="noteRef" id="xd30e7094src" href="#xd30e7094">6</a>, vreeselijke Chimaeren<a class="noteRef" id="xd30e7099src" href="#xd30e7099">7</a>, die de gestalten van een leeuw, eene geit en eene slang in zich vereenigden, tandenknarsende
-Harpyen met gapende muilen, bleeke, bloeddorstige Emphusen met hondenkoppen, blaffende
-Scylla&#x2019;s<a class="noteRef" id="xd30e7102src" href="#xd30e7102">8</a> en het huiveringwekkende beeld van Hecate. Doch steeds ontzettender werden de verschrikkingen.
-Eindelijk verscheen in een vaal licht Thanatos, de God des doods, zittend op doodsbeenderen,
-in donker, nachtelijk gewaad, het voorhoofd omkranst met affodil<a class="noteRef" id="xd30e7105src" href="#xd30e7105">9</a>, <span class="pageNum" id="pb2.170">[<a href="#pb2.170">170</a>]</span>met eene omlaag gehouden fakkel in de hand, naast hem een vale klepper, waarmede hij
-in vliegende vaart onmetelijke afstanden aflegt.
-</p>
-<p>Rondom hem waren zijne getrouwen gelegerd; Eurynomus de daemon der vernietiging, een
-der geesten van den Hades, wiens taak het was het vleesch der lijken tot op de beenderen
-af te knagen. Hij zat op zijn aas, gelijk een raaf of gier, en sloeg zijne tanden
-begeerig in het weeke vleesch.
-</p>
-<p>Verder op waren om den valen Thanatos te zien de Pest en de bleeke, uitgeteerde Honger,
-de furie van den oorlog Enyo, benevens de kranke, hartdoorknagende, Razernij der liefde
-en Ate, de Verbijstering, de noodlottige daemon der dwaasheid, der verblinding en
-der schuld.
-</p>
-<p>Aspasia lachte nog altijd, maar haar lach was niet langer bekoorlijker en haar gelaat
-marmerwit&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Terwijl nu echter op een wenk van den Hiërophantes de daduchus zijne fakkel aan eene
-der uit den grond uitslaande vlammen ontstak, en steeds huiveringwekkender de melodieën
-der fluiten en van het onzichtbare koor klonken, geraakte de schaar der mysten in
-een somber, met mephilitische<a class="noteRef" id="xd30e7118src" href="#xd30e7118">10</a> dampen gevuld hol. Uit de verte vernam men een dof bruisen als van stroomend water
-en daartusschen het luid geblaf van een driekoppigen hond<a class="noteRef" id="xd30e7121src" href="#xd30e7121">11</a>.
-</p>
-<p>Toen nu de mysten den langen, donkeren hollen weg afgelegd hadden, zagen zij als in
-een droom eene groote eentoonige, sombere landouw voor zich, zoo &#x2019;t scheen van slaap
-verwekkende vochten doortrokken en omgeven door somber vlietende stroomen.
-</p>
-<p>Door den staf van den heiligen heraut bezworen, verstomde het geblaf van den driekoppigen
-helhond en de mysten-schaar zag zich omringd door <span class="pageNum" id="pb2.171">[<a href="#pb2.171">171</a>]</span>de schaduwen des doods, in. het rijk van Persephone<a class="noteRef" id="n2.171.1src" href="#n2.171.1">12</a> waar in het vale licht wilgen en zilverpopulieren stonden, bleek en onbewegelijk
-met treurig neerhangende twijgen.
-</p>
-<p>Daarop volgde de Asphodelus-weide, geheel overdekt met de treurige doodsbloem, wier
-bleeke knoppen als droomend op hooge stengels wiegelden.
-</p>
-<p>Over deze weiden zweefden de schimmen, de zielen der gestorvenen, heen en weder; zij
-geleken droombeelden of rook; zij waren niet tastbaar, zonder menschelijk geluid,
-alleen met een zacht, eentonig gegons de uitgestrekte ruimte des erebus vervullend.
-Zij waren zich slechts half bewust, als verzonken in gepeins en sluimerig, alleen
-tot volle bewustzijn te brengen door een gereikten dronk versch, rookend offerbloed.
-</p>
-<p>Nachtvogels fladderden in de lucht, ook zij waren somber en spookachtig. Als schimmen
-met doorschijnende lichamen, gleden ook de visschen traag en zonder geluid voort in
-de wateren der onderwereld. Deze stroomen echter, die het erebus omgaven, waren: de
-Acheron, de stroom des eeuwigen lijdens, de tranenstroom Cocytus<a class="noteRef" id="xd30e7137src" href="#xd30e7137">13</a>, de vuurstroom Pyriphlegeton<a class="noteRef" id="xd30e7140src" href="#xd30e7140">14</a> en de Styx, met zijne gitzwarte wateren.
-</p>
-<p>Door &#x2019;t schemerdonker der zwevende, ijle schimmenwereld gingen de mysten als in een
-droom, geleid door den heiligen heraut verder, totdat plotseling eene koperen reusachtige
-poort met het geweld des donders vóór hen opensprong.
-</p>
-<p>Over een koperen drempel betraden zij den Tartarus, de verblijfplaats van die zielen,
-welken het niet vergund was, in een half wakenden, half sluimerenden toestand, zonder
-leed of vreugde, over de Asphodelus-weide te zweven; maar zij, die door de wrekende
-Erinnyen nedergestort waren in den <span class="pageNum" id="pb2.172">[<a href="#pb2.172">172</a>]</span>dieperen jammervollen afgrond van den Hades.
-</p>
-<p>Eeuwig op het rondwentelend rad gebonden te zijn<a class="noteRef" id="xd30e7150src" href="#xd30e7150">15</a>&#x2014;door eeuwig dreigende, hangende rotsblokken omringd te worden&#x2014;naar eeuwig terugwijkende
-met vruchten beladen takken met eeuwig onverzadigde begeerte de handen uit te strekken<a class="noteRef" id="xd30e7153src" href="#xd30e7153">16</a>&#x2014;met eeuwig vergeefsche krachtinspanning den steeds weder terugrollenden steen bergopwaarts
-te wentelen<a class="noteRef" id="xd30e7156src" href="#xd30e7156">17</a>&#x2014;de altijd weder wegloopende wateren van vertwijfelende inspanning in een bodemloos
-vat te scheppen<a class="noteRef" id="xd30e7161src" href="#xd30e7161">18</a>&#x2014;de steeds aangroeiende ingewanden aan den beet van een gier<a class="noteRef" id="xd30e7164src" href="#xd30e7164">19</a> en de ledematen aan de kronkelingen van de slangen der Erinnyen prijs te geven&#x2014;een
-speelbal te zijn voor eeuwig in de handen der Stygische schrikgestalten: zoodanig
-was het lot van hen, die de schare der mysten op den jammervollen bodem huiveringwekkend
-aanschouwde.
-</p>
-<p>Talrijk waren zij, de beelden dier folteringen in de onderwereld; het talrijkste echter
-de beelden van een eeuwig vergeefsch, smartelijk worstelen en streven.&#x2014;
-</p>
-<p>Zóó werden de ingewijden door die verschrikkelijke diepten, door het lijden des levens
-en de huivering des doods rondgevoerd en hunne ziel was met angst en siddering vervuld.
-</p>
-<p>Plechtig klonk de stem van den Hiërophantes door al deze verschijningen en verschrikkingen
-heen, verklarend en vermanend.
-<span class="pageNum" id="pb2.173">[<a href="#pb2.173">173</a>]</span></p>
-<p>Al vreeselijker en ontzettender werd de onderaardsche duisternis, al luider het geween
-en gesteun der boetelingen.
-</p>
-<p>De stroomen der onderwereld begonnen te bruisen, het geheele schimmenrijk scheen in
-ééne hartverscheurende zucht los te barsten; maar ook de schare van hen, die uit de
-bovenwereld neergedaald waren, scheen daarin te deelen en de stemmen aller schepselen
-zich te vereenigen in een oneindig, door de diepste ellende afgeperst: ach!&#x2014;
-</p>
-<p>Toen scheen op eens een wonderbaar licht uit den schoot der diepste duisternis:
-</p>
-<p>Vriendelijke streken doemden op, overdekt met gouden bloemen: liefelijke stemmen weerklonken,
-zalige reien zweefden daarheen over de heerlijke velden.
-</p>
-<p>Hier glansde Persephone&#x2019;s paleis in helder licht. Aan den drempel van het paleis stond,
-met de lyra in de hand, Orpheus, de overoude, heilige mysteriën-zanger, en zijn welluidende
-mond verkondde geheimzinnige zaken.
-</p>
-<p>Achter hem lonkte het knaapje Demophoön uit de knetterende vlammen, waarmede zijne
-goddelijke voedster Demeter hem tot schrik zijner sterfelijke moeder omgeven had,
-ongedeerd glimlachend den mysten toe.&#x2014;
-</p>
-<p>Over de gouden poorten des tempels echter zweefde in vollen glans, verlicht door de
-helderste stralen, het symbool der gevleugelde Psyche, niet meer als eene schim in
-den Hades rondwarend, maar over Asphodelusweiden en Tartarus en Elysium<a class="noteRef" id="xd30e7181src" href="#xd30e7181">20</a> zich verheffend naar den haar verwanten, goddelijken aether.&#x2014;
-</p>
-<p>Nu werden de mysten door de poort gevoerd om in waarheid ziende te worden. Hier werd
-voor hen het nog onuitgesproken gedeelte der geheimenissen onthuld. Hier verscheen
-hun, nochtans aan ieder naar de eigen kracht zijner oogen, in <span class="pageNum" id="pb2.174">[<a href="#pb2.174">174</a>]</span>luisterrijken glans: het volle, heilige licht van Eleusis.&#x2014;
-</p>
-<p>Op den dag, die op de inwijding van Aspasia in de Eleusinische <span class="corr" id="xd30e7190" title="Bron: geheimnissen">geheimenissen</span>, aan de zijde van haar gemaal Pericles met een groot deel der mysten, volgde, bevond
-de Milesische zich in een verwarde, eigenaardig veranderde stemming. Haar geheele
-wezen was door ontroering aangegrepen, haar zenuwgestel geschokt, zij was schier koortsachtig.
-In een levendig gesprek met Pericles over hetgeen zij met hem gezien en gehoord had,
-zocht zij de gestoorde harmonie van haar gemoed weder te verkrijgen. Want evenals
-er nachtvogels zijn en <span class="corr" id="xd30e7193" title="Bron: nader">ander</span> nachtgebroedsel, wier oog de duisternis liefheeft en den helderen straal van licht
-niet kan verdragen, zoo zijn er van den anderen kant ook kinderen des lichts, die
-zich alleen in den gouden glans van het hun bekende en verwante element wel <span class="corr" id="xd30e7196" title="Bron: be-bevinden">bevinden</span> en niet in de donkere afgronden van den nacht kunnen staren. Tot dezen behoorde Aspasia.
-Een blik in de duisternis echter, een staren in den zwarten nacht, kwam haar die tocht
-voor, en wat zich het heilige licht<span id="xd30e7199"></span> van Eleusis noemde, scheen haar geen licht, integendeel eene andere soort van duisternis;
-want het was somber en voerde door somberheden heen. Zij echter kon zich het licht
-alleen vroolijk denken. Voor haar gold als licht alleen datgene, wat schitterde en
-tot opgewektheid stemde te gelijk. Het vale, kille, spookachtige schemerdonker, waarna
-het oogverblindend schelle licht, dat de Hiërophantes van Eleusis in de diepten des
-levens deed vallen, scheen haar een snood contrast met het ware, rooskleurige licht.
-Goochelspel en ijdele bangmakerij noemde zij de aan tooverij grenzende phantastische
-kunsten der Eleusinische priesters.
-</p>
-<p>Zoo gevoelde zij zich dus aangedaan en geschokt, door eene pijnlijke onrust aangegrepen
-en meer dan ooit tot tegenspraak geprikkeld.
-</p>
-<p>&#x2019;t Was intusschen in het van vreemdelingen, voornamelijk van Atheners, wemelende Eleusis
-geen <span class="pageNum" id="pb2.175">[<a href="#pb2.175">175</a>]</span>geheim gebleven, dat Aspasia aan de zijde van haar gemaal zich in de mysteriën had
-laten inwijden. Maar ook van de bijkomende omstandigheden dezer wijding waren zij,
-die met het scherpe oog der afgunst het doen en laten der Milesische naspeurden, al
-heel spoedig onderricht. De ergsten hare vijandinnen, nog onlangs op nieuw beleedigd
-en tot wraak aangezet, vertoefden te Eleusis, en Lampon liet zich niet onbetuigd,
-de brave, vol-ijverige Lampon, die het vertrouwen en de vriendschap van Telesippe
-in nog hoogere mate had weten te winnen, sedert zij de gade van een opperpriester
-was geworden, en die zich voortreffelijk leende tot een werktuig van de wraakzuchtige
-vrouw en haar intrigeerende vriendin. Den argeloozen mystagoog had Lampon weldra het
-geheim van het vermetel waagstuk ontlokt, waardoor Aspasia tegen alle heilige regelen
-in de mysteriën was binnengeleid. Door hem werden de vijandinnen op de hoogte dier
-zaak gebracht.
-</p>
-<p>Weldra werd de Archon Basileus, de handhaver der heilige wetten, van deze misdaad
-verwittigd en een onweder pakte zich samen boven het hoofd van Aspasia en haar medeplichtige,
-Hipponicus, die haar tegen de heilige gebruiken, tot hare wijding de behulpzame hand
-had geleend.
-</p>
-<p>Nog wist Aspasia niets van het dreigend gevaar, en eer zij daarvan in kennis werd
-gesteld, wedervoer haar ten huize van den daduchus een onaangenaam geval van gansch
-anderen aard.
-</p>
-<p>Aspasia zat met Pericles en hun gastheer Hipponicus aan het ontbijt. Het heilig gebruik
-verordende in den tijd der viering van de mysteriën eene zekere onthouding; des te
-meer vermaak schepte Aspasia er in, den ouden drinkenbroer Hipponicus door vroolijke
-drinkliederen en scoliën op te wekken, ten einde hem meer aan den bezielenden God
-Iacchus dan aan de strenge Persephone te doen denken. Hij sprak den beker vlijtig
-aan en al vuriger en vuriger begonnen zijne oogen te schitteren, terwijl de bekoorlijke
-vrouw tegen den somberen <span class="pageNum" id="pb2.176">[<a href="#pb2.176">176</a>]</span>ernst der mysteriën te velde trok en tegen al wat somber was in &#x2019;t algemeen, ook tegen
-het sombere begrip van plicht, waartegen zij het vroolijk recht des levens en der
-vreugde plaatste.
-</p>
-<p>Pericles verwijderde zich om een ambtgenoot, die zich te Eleusis bevond, op te zoeken
-en Aspasia begaf zich naar haar vertrek.
-</p>
-<p>Plotseling stond de dronken Hipponicus voor haar en begon haar verwijtingen toe te
-voegen.
-</p>
-<p>&#x201e;Vrouw!&#x201d; riep hij uit met dubbelslaande tong, &#x201e;uw naam is ondank! Heb ik u niet te
-Megara uit moeilijke verwikkelingen gered? En wat was mijn loon daarvoor? En heb ik
-mij nu niet weder onverschrokken voor u in gevaar gestort, door u, tegen alle heilige
-gebruiken, in de groote mysteriën binnen te smokkelen? En zal ik ook daarvoor geen
-dank inoogsten, zelfs niet den geringsten? Eilieve, daar gij toch zoo vrijzinnig zijt,
-waarom zijt gij dan tegenover mij zoo preutsch? Vreest gij misschien uw man? Die is
-afwezig. Of het sombere begrip van plicht? Daar hebt gij zooeven nog den spot mee
-gedreven. Ben ik u soms niet jong of mooi genoeg? Neem dan dezen ring met dien kostbaren
-steen! Hij heeft twee talenten aan baar zilver gekost!&#x2014;Weet gij dan, dat Pericles
-altijd van u houden zal? Zal hij u misschien niet eens evenals Telesippe verstooten?
-Alles in de wereld wentelt en draait bont dooreen! Verlaat u toch op niets! Tast toe!
-Neem den ring, mooi wijfje! Neem den ring met den steen, die twee talenten gekost
-heeft! Weet gij dan, lieve, hoe lang gij nog bekoorlijk zult zijn? Nog zijt gij het
-ontegenzeggelijk, maar de tijd komt, waarop gij oud en leelijk zult zijn!&#x2014;Neem den
-ring, schatje, en geef er mij een kus voor!&#x201d;
-</p>
-<p>Aspasia stiet, gloeiend van toorn, den dronken man naar de deur. Toen werd Hipponicus
-woedend en stotterend schreeuwde hij:
-</p>
-<p>&#x201e;Wie zijt gij toch eigenlijk? Zeg, wie zijt gij dan toch? Een licht dametje uit Milete;
-bij Demeter! Een dametje uit Milete? Sedert wanneer wilt <span class="pageNum" id="pb2.177">[<a href="#pb2.177">177</a>]</span>gij eene Spartaansche vrouw zijn, eene eerzame, deftige matrone?&#x2014;O, gij preutsche,
-die toch eens den jongen Alcamenes zonder eenige preutschheid tot model hebt gediend!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Aspasia beefde en verbleekte van toorn om den dronken, schaamteloozen beleediger.
-Nogmaals duwde zij den waggelende achteruit, wierp snel haar oppergewaad om en ijlde
-uit het vertrek en uit het huis, haar echtgenoot Pericles te gemoet.
-</p>
-<p>Zij had nauwelijks het huis verlaten of de geslepen vriend van Diopithes, de ziener
-Lampon, trad het binnen.
-</p>
-<p>Hij was door Diopithes gezonden, die den vorigen dag te Eleusis was aangekomen.
-</p>
-<p>Toen zij, met doodelijken haat tegen Pericles en Aspasia bezield, het eerst de tijding
-van Aspasia&#x2019;s onwettige inwijding vernamen, hadden zij onmiddellijk besloten, zoowel
-Aspasia zelve als den daduchus bij het heilige gerecht aan te klagen, en de meesten
-waren verheugd, dat zij thans, behalve de gehate vrouw, ook den zeer benijden Hipponicus
-in het verderf zouden kunnen storten.
-</p>
-<p>Maar Diopithes zelf, het eigenlijke hoofd dezer vijandelijke partij, was van eene
-andere meening. Hij verzon een plan, dat zijn sluwheid eer aandeed. Gaarne had hij
-Hipponicus de aanklacht en een veroordeelend vonnis gegund, maar hij berekende, dat
-de niet aangeklaagde en niet veroordeelde Hipponicus hunne partij nuttiger kon zijn,
-dan zoo hij aangeklaagd en veroordeeld was.
-</p>
-<p>&#x201e;Als wij hem onmiddellijk aanklagen,&#x201d; sprak hij, &#x201e;zal de machtige Pericles hem met
-zijn geheelen invloed ter zijde staan, en hij zal, zoo al niet er ongestraft afkomen,
-dan toch veel lichter straf krijgen, dan wij wel wenschen. Wellicht zal hem eene geldboete
-opgelegd worden, hetgeen den rijksten man van Athene niet veel schaden zal. Hij zal
-die betalen en dezelfde blijven, die hij is. Anders evenwel wordt de zaak, als wij
-hem niet onverwijld tot verantwoording van zijn gedrag noodzaken, maar de aanklacht
-voorloopig als eene altijddurende bedreiging <span class="pageNum" id="pb2.178">[<a href="#pb2.178">178</a>]</span>boven zijn hoofd doen zweven. Wij zullen hem doen weten, dat wij zijn geheim kennen
-en dat het in onze macht is hem in het verderf te storten, zoodra wij willen. Dit
-zal hem bereidwillig en gedwee in alles maken. Hij zal als een man, die een behagelijke
-rust boven alles liefheeft en wien geen prijs te hoog is, om eene verlegenheid of
-verwikkeling te ontkomen, alleen uit angst voor ons, een werktuig, zonder eigen wil,
-zijn. Zijn invloed te Athene en de macht van zijn rijkdom is groot: beter is het dit
-water op ons rad, dan op dat van onze tegenstanders te leiden.&#x201d;&#x2014;Zoo sprak de snoode,
-sluwe <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> tot zijne makkers en zond Lampon naar de woning van Hipponicus.
-</p>
-<p>De ziener trof den daduchus in een zonderlingen toestand aan. Hij vond hem dronken
-en tevens in den hevigsten toorn ontstoken, tengevolge van hetgeen zooeven tusschen
-hem en Pericles&#x2019; gade had plaats gehad.
-</p>
-<p>Desniettemin begon Lampon een gesprek met Hipponicus en zei hem ronduit, dat het bekend
-was geworden, hoe hij de gade van Pericles op eene wijze, die tegen de heilige regelen
-streed, in de mysteriën had binnengeleid.
-</p>
-<p>Bij deze woorden verschrikte de dronken Hipponicus zoozeer, dat hij bijna nuchter
-werd. Doch met verdubbelde heftigheid barstte zijn toorn tegen de Milesische los.
-Hij begon haar jammerend te verwenschen, als eene verleidster, die hem in het verderf
-wilde brengen.
-</p>
-<p>&#x201e;Grijp haar!&#x201d; riep hij, &#x201e;radbraak haar, vil haar, doe met haar, wat gij wilt, zij
-verdient het!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Met innig welgevallen vernam Lampon de uitdrukkingen van gramschap tegen Aspasia uit
-den mond van Hipponicus, en nadat hij eerst nog op eene sluwe wijze den toorn en de
-angst van den man tot het uiterste had doen stijgen, kwam hij met de verklaring voor
-den dag, dat zij, die van plan waren hem <span class="corr" id="xd30e7240" title="Bron: instaat">in staat</span> van beschuldiging te stellen, bereid waren zich in het geheim met hem <span class="pageNum" id="pb2.179">[<a href="#pb2.179">179</a>]</span>te verstaan. Hij vroeg hem of hij de uitnoodiging aannam, welke die mannen hem deden,
-om met hen over de zaak in onderhandeling te treden. Hipponicus haalde weder ruimer
-adem en beloofde reeds vooruit alles wat men van hem mocht verlangen. Onmiddellijk
-werd nu tusschen hem en Lampon plaats en uur voor het onderhoud vastgesteld.
-</p>
-<p>Terwijl dit gesprek tusschen Lampon en Hipponicus voorviel, ijlde Aspasia door de
-straten van Eleusis. Weldra echter moest zij haar snellen gang vertragen door de groote
-drukte en gewoel. &#x2019;t Kon niet anders of zij werd opgemerkt en herkend. Zij zag zich
-weldra het voorwerp der algemeene aandacht, &#x2019;t geen haar natuurlijk in verlegenheid
-en verwarring bracht.
-</p>
-<p>De in Eleusis verzamelde menigte was door de vijanden en vijandinnen van Aspasia op
-alle mogelijke wijze tegen Pericles&#x2019; gade opgeruid. De geruchten over hare onwettige
-wijding maakten de ronde onder het volk. Er waren bovendien menschen, die zich verstoutten
-luide te zeggen, dat Aspasia voorheen eene hetaere te Milete en te Megara was geweest,
-dat zij uit de laatste plaats met schimp en schande was weggejaagd en dat reeds om
-deze misdaad alleen hare inwijding eene goddelooze zaak was. Overdrijving en sprookjes
-van de zotste soort liepen, naar gewoonte, over haar van mond tot mond, en zaaiden
-minachting, ja zelfs verbittering in de gemoederen.
-</p>
-<p>Van dergelijke gezindheden was de menigte vervuld, door welke de gade van Pericles
-in angstige haast zich een doortocht trachtte te verschaffen.
-</p>
-<p>&#x2019;t Ontbrak niet aan brutale lieden, die nieuwsgierig hare schreden volgden, ja zelfs,
-achter haar loopende zich beleedigende woorden lieten ontvallen, die haar oor bereiken
-en haar krenken moesten.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat is er voor nieuws in Athene?&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Niets dan dat de vrouw daar speer en schild draagt, en dat de mannen verwijfd zijn.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, &#x2019;t valt niet te ontkennen, dat Athene door <span class="pageNum" id="pb2.180">[<a href="#pb2.180">180</a>]</span>eene vrouw bestuurd wordt.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Door Pallas Athene bedoelt ge?&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Neen, door eene Milesische hetaere. Pericles zal, zoo men zegt, weldra haar beeld
-op de Acropolis laten plaatsen.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Die arme Pericles! De vrouwen heeft hij nooit kunnen weerstaan. Hij is immers ook
-Elpinice&#x2019;s minnaar geweest en men weet dat deze hem nog met hare verwelkte bekoorlijkheden
-betooverd heeft.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Is die Milesische dezelfde, met wie hij voor jaren eenmaal in Klein-Azië heeft rondgezworven?&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja wel, dezelfde; &#x2019;t heette, dat hij met haar een bedevaart deed naar den onderrok
-van de heldenbedwingende Omphale<a class="noteRef" id="xd30e7262src" href="#xd30e7262">21</a>, welke rok, zooals men weet, in den tempel van Artemis te Ephese is opgehangen.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar hoe kwam &#x2019;t hem toch in de gedachte om diezelfde vrouw thans met zich naar de
-ruwe Peloponnesus te voeren, waar zij zich toch onmogelijk recht tehuis kan vinden?
-Het poesje, zegt een spreekwoord, ligt graag zacht.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Inderdaad, men zegt, dat haar de muggen in Elis zeer lastig geweest zijn, en ik wed,
-dat de paardevliegen van Eleusis haar nog minder zullen aanstaan.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Waarachtig het gegons van deze schijnt haar zeer slecht te bevallen.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Ach, die teedere hoentjes uit Paphia&#x2019;s<a class="noteRef" id="xd30e7273src" href="#xd30e7273">22</a> nest, die van hunne jeugd af op purperen dons hebben geslapen, die Ionische vrouwen
-met hare smeltende oogen en mollige armen, zonder beenderen in het lichaam, geheel
-molligheid en liefelijkheid&#x2014;wat zouden zij in het krijgshafte Olympia of in het ernstige
-Eleusis te zoeken hebben?&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Zoo klonken de scherpe woorden en smaadredenen, <span class="pageNum" id="pb2.181">[<a href="#pb2.181">181</a>]</span>met opzet gesproken, in het steeds toenemend gewoel achter Aspasia.
-</p>
-<p>Toen dit een geruimen tijd zoo geduurd had, stond Aspasia plotseling stil en nam een
-snel besluit; zij sloeg den sluier, die haar gelaat bedekte, op, zoodat haar gezicht
-geheel zichtbaar was en wierp een kalmen en waardigen blik uit hare fonkelende oogen
-op de schare rondom haar.
-</p>
-<p>Toen opende zij den mond en sprak op de volgende wijze tot het haar omringend en haar
-aangapend volk:
-</p>
-<p>&#x201e;Vóór jaren stond ik eens als eene hulpelooze vrouw in Megara&#x2019;s straten, omringd door
-de menigte, onschuldig gehoond, onschuldig vervolgd met blikken en woorden. Met oogen,
-gloeiend van haat werd ik beschouwd; want het was een vijandig Dorisch volk, dat zich
-om mij drong. Met onbillijke woorden werd ik gesmaad, met snoode handen aangegrepen,
-want het was een ruw, woest Dorisch gepeupel, dat op mij aanviel. Heden omgeeft mij
-de menigte in Eleusis&#x2019; straten. Maar ik houd rustig en <span class="corr" id="xd30e7287" title="Bron: halm">kalm</span> mijn hoofd omhoog: want &#x2019;t zijn, meen ik, grootendeels Atheners, die mij omringen.
-Geen Dorisch volk is het, maar een Ionisch, welks scherpste pijl, zoo ik meen, de
-vermetele blik is, en het ondoordachte woord dat steeds vaardig aan de vlijmende tong
-ontglipt. Maar waarom dringt gij zoo om mij heen? Waarom gaapt gij mij zoo aan? Ik
-heb mij onwettig in die geheimenissen van Eleusis ingedrongen, meent gij? Weest toch
-niet al te kleingeestig, gij verlichte Atheners, en volgt niet al te bereidwillig
-de wenken en woorden van hen, die het licht haten en de duisternis liefhebben, en
-die u de duisternis voor licht verkoopen! Mannen van Athene! vereert niet al te zeer
-het sombere tweetal Godinnen<a class="noteRef" id="xd30e7290src" href="#xd30e7290">23</a> van Eleusis, en blijft gedachtig aan uwe schutsgodin Pallas Athene, de Godin des
-lichts, de ware en waardige beschermvrouw van het Attische land en volk <span class="pageNum" id="pb2.182">[<a href="#pb2.182">182</a>]</span>wier beeld stralenden, vroolijken glans alle nachtgebroedsel verjagend, hoog schittert
-op uw burg!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Toen de vrouw van Pericles deze woorden gesproken had en het fonkelend oog onbevreesd
-over de haar omstuwende menigte liet weiden, zagen de mannen elkander aan, zeggende:
-</p>
-<p>&#x201e;Zij is, bij de Goden een schoone vrouw, die Aspasia van Milete, en ter wille daarvan
-moet men haar veel vergeven!&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e7301src" href="#xd30e7301">24</a>&#x2014;
-</p>
-<p>Zoo spraken zij en weken een weinig uiteen, zoodat zij rustig haar weg kon vervolgen.&#x2014;
-</p>
-<p>Maar de vrienden van Diopithes, die zich onder de menigte bevonden, waren nu nog feller
-op de Milesische gebeten en begaven zich naar den <span class="corr" id="xd30e7314" title="Bron: Erechtheuspriester">Erechtheüs-priester</span>, om hem te berichten, dat Aspasia met onbeschaamd voorhoofd voor het verzamelde volk
-met minachting over de heilige plechtigheden en de eerwaardige Godinnen van Eleusis
-gesproken had.
-</p>
-<p>Het uur voor het onderhoud bij Diopithes, waartoe men ook Hipponicus genoodigd had,
-was gekomen.
-</p>
-<p>Verscheidene mannen met een somber uiterlijk, verklaarde tegenstanders van Pericles,
-waren bij den priester verzameld.
-</p>
-<p>De angstvallige daduchus was zeer inschikkelijk en gedwee in alle zaken. Steunende
-op zijne verklaringen en op de toornige uitdrukkingen tegen Aspasia, waarvan Lampon
-getuige was geweest, rekende Diopithes hem voortaan onder &#x2019;t getal zijner bondgenooten
-en helpers.
-</p>
-<p>Om zijnentwil, heette het, zou men in eene volgens de Atheensche wetten hoogst gevaarlijke
-zaak de aanklacht tegen Aspasia zoolang verschuiven, <span class="pageNum" id="pb2.183">[<a href="#pb2.183">183</a>]</span>als hij zich die genadige behandeling waardig toonde. Om de vrouw van Pericles in
-het verderf te storten, meenden de samenzweerders, waren de vermetele, oneerbiedige
-uitdrukkingen voldoende, die zij voor het geheele volk over de Eleusinische Godinnen
-had durven uitspreken. Ieder oogenblik kon men wegens deze zaak alleen eene aanklacht
-van goddeloosheid en godsdienstverachting tegen haar indienen.
-</p>
-<p>Er waren mannen van de oligarchen-partij tegenwoordig, die zeiden, dat men verder
-moest gaan; dat men zich niet tevreden moest stellen de Milesische aan te vallen,
-die toch altijd slechts eene vrouw was, maar dat men zich eindelijk ook aan Pericles
-zelven eens moest wagen. Zij wezen op de verderfelijke veranderingen, die er door
-hem in den staat hadden plaats gegrepen, op de onbeperkte volksheerschappij die door
-zijne toegeeflijkheid zich had ontwikkeld en die door niets in toom gehouden werd
-dan door den persoonlijken invloed van den bij het volk geliefden strateeg. De belangen
-der Atheners waren alzoo aan de willekeur en het goedvinden van één enkele prijs gegeven.
-Anderen meenden, dat mannen als Anaxagoras, Socrates en de Sophisten de eigenlijke
-oorzaak waren van den rampzaligen toestand van den staat. Deze hadden de Atheners
-geleerd vrij te denken en oneerbiedig te spreken over de Goden en goddelijke zaken;
-deze vóór anderen moest men trachten uit te roeien. Bovendien waren er tegenstanders
-en benijders van Phidias en zijne school onder de aanhangers van Diopithes, die ook
-de vervolging tot hen wilden zien uitgestrekt.
-</p>
-<p>De oogen van Diopithes fonkelden bij de opnoeming van al deze mannen. Hem waren zij
-allen gelijkelijk gehaat.
-</p>
-<p>&#x201e;Wij zullen ze allen weten te vatten,&#x201d; zei hij, &#x201e;allen van de rij af of te gelijk.
-Doch laat ons sluw de goede gelegenheid bespieden en de voor ons gunstige stemming
-der Atheners afwachten. Inmiddels echter moeten wij heimelijk naar een vast plan <span class="pageNum" id="pb2.184">[<a href="#pb2.184">184</a>]</span>te werk gaan, om &#x2019;t verderf dier schuldigen voor te bereiden.&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo sprak de <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span>. Veel werd er vervolgens nog gewikt en gewogen, veel afgesproken door de bij Diopithes
-vergaderde mannen.
-</p>
-<p>Aspasia was dien dag niet in het huis van Hipponicus teruggekeerd; alleen Pericles
-begaf zich op den morgen van den volgenden dag, toen hij op &#x2019;t punt stond met zijne
-gade Eleusis te verlaten, nogmaals naar den daduchus.
-</p>
-<p>Hij riep hem ter verantwoording over de onbeschaamde beleediging, die hij Aspasia
-had aangedaan. Hipponicus verontschuldigde zich met zijne dronkenschap en opgewondenheid,
-waarvan Aspasia voor een deel althans zelve de schuld was, daar zij hem door Anacreontische
-liedjes en gesprekken bij het vroolijke maal tot Dionysische dartelheid geprikkeld
-had. Vervolgens beklaagde hij zich bitter over de verlegenheid en het gevaar, waarin
-hij door zijne medeplichtigheid aan de onwettige inwijding van Aspasia in de mysteriën
-geraakt was.
-</p>
-<p>Pericles had medelijden met deze verlegenheid en beloofde hem zijne bescherming. Doch
-Hipponicus was niet tot gerustheid te brengen.
-</p>
-<p>Toen Pericles desniettemin schouderophalend afscheid nam, volgde de daduchus hem tot
-aan de deur, keek telkens angstig rond en fluisterde zijn ouden vriend in &#x2019;t oor:
-</p>
-<p>&#x201e;Wees op uw hoede, Pericles! Bij Diopithes werden gisteren in de schemering booze
-plannen gesmeed. Ook ik was daarbij;&#x2014;gedwongen&#x2014;; want het gold mijn hoofd.&#x2014;Neem u
-in acht voor Diopithes en maak hem onschadelijk, zoo gij kunt. Men wil Aspasia en
-Anaxagoras en Phidias en u zelven in &#x2019;t verderf storten. Mij hebben zij in hunne macht,
-die ellendelingen&#x2014;ik moest maar altijd met het hoofd ja knikken, op alles wat zij
-daar voorstelden&#x2014;maar de honden en de raven mogen hen verscheuren, den <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> en zijne geheelen aanhang!&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb2.185">[<a href="#pb2.185">185</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e6996">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6996src">1</a></span> Mystes is het Grieksche woord voor hem, die ingewijd is in de mysteriën. Het woord
-&#x201e;musterion&#x201d; zelf beteekent geheim. De hier verkondigde leer schijnt van een godsdienstig-staatkundigen
-aard geweest te zijn. Degenen, die den hoogsten graad in die mysteriën hadden verworven,
-heetten epopten, opzieners.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6996src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7011">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7011src">2</a></span> Ithaca tegenwoordig &#x201e;Teaki&#x201d;, eiland in de Ionische zee.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7011src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7034">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7034src">3</a></span> Hiërophantes is hij die de heilige offerplechtigheden onderwijst en bijzonder hij
-die in de Eleusinische mysteriën de profanen in de geheimenissen inwijdt; de opperpriester.
-Vergelijk Herodotus VII, 153.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7034src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7047">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7047src">4</a></span> Basilissa is het vrouwelijk van basileus, dus koningin, vooral echter in de beteekenis
-van: de echtgenoote van den Archon Basileus.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7047src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7075">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7075src">5</a></span> Mystagogos beteekent in het Grieksch eigenlijk hij, die de oningewijden binnenleidt;
-wij zouden zeggen: &#x201e;de voorbereider&#x201d;. Vergelijk Cic. Verr. 4. 59.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7075src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7094">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7094src">6</a></span> Echidna beteekent: adder; ook de slang Echidna, de moeder der Gorgonen; zie de volgende
-noot<span class="corr" id="xd30e7096" title="Bron: ,">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7094src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7099">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7099src">7</a></span> Chimaera beteekent: geit; voorts een fabelachtig monster van voren leeuw, in het midden
-geit, van achteren draak, voortgebracht, naar Hesiodus, door Typhaön en Echidna; het
-wordt ook voorgesteld met de drie koppen der genoemde dieren. De Chimaera werd door
-Bellerophon gedood.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7099src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7102">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7102src">8</a></span> Hier wordt natuurlijk niet de gevaarlijke klip Scylla bedoeld in de straat van Messina,
-maar een persoonlijk wezen. Scylla, eene dochter van Phorcys, die door Circe in een
-monster werd veranderd, welks onderlijf uit bassende honden bestond.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7102src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7105">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7105src">9</a></span> De affodil of <span class="corr" id="xd30e7107" title="Bron: slaaplelei">slaaplelie</span> werd door de Ouden asphodelus, soms asphodilus geheeten. Het is een soort van lelieachtig
-gewas met knolvormigen wortel, die door de Ouden genuttigd werd. De smaak is bitter
-en scherp; de wortel saprijk.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7105src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7118">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7118src">10</a></span> Stinkende, verpestende.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7118src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7121">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7121src">11</a></span> De Cerberus, die volgens eene andere mythe honderd koppen had; hij bewaakte den Hades;
-hij werd door Heracles bedwongen. Hij was voortgebracht door Typhon en Echidna.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7121src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="n2.171.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n2.171.1src">12</a></span> Persephone (Proserpina), de dochter van Demeter, werd door Hades (Pluto) geschaakt.
-De helft van het jaar bracht zij bij Hades, haar echtgenoot, door, de andere helft
-op den Olympus. Zij wordt beschouwd als de koningin van het schimmenrijk. Zij wordt
-ook Kora geheeten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n2.171.1src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7137">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7137src">13</a></span> De naam Cocytus, in het Grieksch Kokutos geheeten, wordt afgeleid van een werkwoord,
-Kôkuô, dat jammeren, klagen, huilen beteekent.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7137src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7140">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7140src">14</a></span> Dit woord bestaat uit het Grieksche pur, vuur en phlegô, brandende vuurstroom.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7140src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7150">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7150src">15</a></span> Het zal niet overbodig zijn de personen, die Hamerling hier telkens bedoelt, aan te
-wijzen, omdat zonder die te kennen deze passage onbegrijpelijk is. Hier doelt Hamerling
-op Ixion, koning der Lapithen, die omdat hij Hera had willen onteeren in de onderwereld
-op een eeuwig ronddraaiend rad werd gebonden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7150src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7153">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7153src">16</a></span> Tantalus, koning in Phyrgië, vader van Pelops en Niobe, stond in hoogen gunst bij
-de Goden; doch hij verklapte de geheimen, die hij aan hunne tafel vernam en werd tot
-straf door Zeus in de Tartarus geworpen, waar stroomend water en heerlijke vruchtboomen
-hem omringden, doch telkens wanneer hij, door dorst en honger gekweld, de handen er
-naar uitstrekte, weken zij buiten zijn bereik.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7153src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7156">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7156src">17</a></span> Hier heeft de schrijver Sisyphus op het oog, deze was de zoon van Aeölus, een doortrapte
-schelm, die van het Geranea-gebergte rotsblokken op de reizigers neerwierp en zich
-met den buit verrijkte. Zelfs verried hij de geheimen der Goden. Ook voor die misdaden
-werd hij tot gemelde straf in de onderwereld veroordeeld<span class="corr" id="xd30e7158" title="Bron: ,">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7156src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7161">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7161src">18</a></span> De Danaïden, dochters van Danaüs, die gedwongen met de zonen van Aegyptus huwden.
-Negen en veertig van de vijftig dochters vermoorden in den huwelijksnacht hare mannen,
-op aansporing van haar vader. Alleen Hypermnestra spaarde haar gemaal Lynkeus. Daarom
-werden zij tot bovengenoemde eeuwige straf veroordeeld.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7161src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7164">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7164src">19</a></span> Tityus, zoon van Zeus en Elara, dochter van Orchomenus of van Gaea had Leto (Latona)
-willen onteeren; vandaar zijne straf.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7164src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7181">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7181src">20</a></span> De woonplaats der gelukzaligen in het schimmenrijk: de Elyseesche velden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7181src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7262">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7262src">21</a></span> Zie Deel I <a href="#n259.2">noot 2 pag. 259</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7262src" title="Ga terug naar noot 21 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7273">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7273src">22</a></span> <span class="corr" id="xd30e7274" title="Bron: Paphin">Paphia</span>, de Paphische d.i. Aphrodite, die te Paphos, eene stad op Cyprus, bijzonder werd
-vereerd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7273src" title="Ga terug naar noot 22 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7290">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7290src">23</a></span> Demeter en hare dochter Persephone. Zie <a href="#n2.171.1">noot 1 pag. 171</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7290src" title="Ga terug naar noot 23 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7301">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7301src">24</a></span> Dit zijn nagenoeg dezelfde woorden, die de oudsten des volks, op Ilium&#x2019;s muren gezeten,
-tot elkander spraken, toen zij de schoone Helena zagen. Zij komen voor in de Ilias,
-Boek III, vers 156&#x2013;159, en luiden, volgens Vosmaer&#x2019;s vertolking, aldus:
-</p>
-<div class="q">
-<div class="nestedtext">
-<div class="nestedbody">
-<div class="lgouter footnote">
-<p class="line">&#x201e;Niemand verbaas &#x2019;t voorwaar, dat ter wille van zulk eene vrouwe
-</p>
-<p class="line">Grieken en Troiers &#x2019;t leed zich troosten van alle die rampspoen.
-</p>
-<p class="line">Machtig in schoonheid schijnt als dat der godinnen &#x2019;t aanschijn.&#x201d;</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div><p></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch20" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XX.</h2>
-<h2 class="main">DE SCHOOL VAN ASPASIA.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Sedert den dag, waarop de jonge Alcibiades door een discus zijn kleinen makker in
-het Lyceüm had gewond, was eene reeks van jaren verloopen.
-</p>
-<p>De knaap was tot een bloeienden jongeling opgegroeid; want hij had zijn achttiende
-levensjaar bereikt. Hij was naar Atheensch gebruik met de andere jongelingen, die
-in &#x2019;t zelfde jaar mondig werden, in de volksvergadering voorgesteld, met speer en
-lans gewapend naar het heiligdom van Agraulus aan den voet der Acropolis gevoerd,
-hij had daar den plechtigen eed afgelegd, waarmede de nieuwe Atheensche burger zich
-aan het vaderland wijdde: hij had gezworen zijn wapenen nooit oneer aan te zullen
-doen en zijn medestrijder in den slag niet te verlaten, te strijden voor de heiligdommen,
-en, &#x2019;t geen allen het dierbaarst is, den Staat, eens onverminderd, ja zoo mogelijk
-vergroot in macht en eer, aan de nakomelingen achter te laten, de <span class="corr" id="xd30e7353" title="Bron: wettein">wetten</span> door het volk gegeven te gehoorzamen en niet te dulden, dat een ander ze schond of
-trachtte af te schaffen.
-</p>
-<p>Maar het vaderland, waaraan de jonge Alcibiades met dezen eed trouw zwoer, stelde
-voor het oogenblik slechts matige eischen aan zijn ijver en inspanning. De peribolen-dienst,
-dien de juist mondig verklaarde Atheensche jongelingen vervullen moesten, bestond
-in kleine tochten voor de inwendige veiligheid van het Attische land, en deze konden
-eerder als een genoegen dan als een last beschouwd worden.
-</p>
-<p>De staat liet den jongen zoon van Clinias voldoende tijd om de genietingen der gulden
-jeugd te smaken. Met hem was de jonge Callias opgegroeid, die zijn vader Hipponicus
-een schrielhans noemde, de jonge Demus, de om zijn schoonheid beroemde <span class="pageNum" id="pb2.186">[<a href="#pb2.186">186</a>]</span>zoon van Pyrilampes, die insgelijks van meening was, dat zijn vader Pyrilampes van
-zijne rijkdommen geen goed gebruik wist te maken. Xanthippus en Paralus werden soms
-door de luim van Alcibiades, die hun den roem van brave knapen te zijn niet gunde,
-als helpers bij een ondeugenden guitenstreek meegesleept, doch zij moesten zich steeds
-met een ondergeschikte rol vergenoegen. Want ten eerste ontbrak het den spruiten van
-Telesippe aan geest en vernuft, en ten andere waren hunne zakken niet zoo gevuld,
-als die der beide zonen van de rijkste mannen van Athene, noch als die van Alcibiades
-zelven, wien na zijn mondigheid ook het vrije bezit van zijn vaderlijk erfgoed ten
-deel was gevallen.
-</p>
-<p>Eene eigenaardige liefde had Alcibiades voor den jongen Manes opgevat, den knaap van
-vreemden afkomst, die Pericles uit den Samischen krijg had medegebracht en wien hij
-te zamen met zijne zonen en met dien van Clinias in zijn huis had laten opvoeden.
-Maar alle pogingen van Alcibiades om dezen droomerigen, stillen, eenigszins zwaarmoedigen
-jongeling in zijn vroolijken kring te lokken, mislukten ten eenenmale.
-</p>
-<p>Deze jongeling begon overigens in dien tijd, door eene zonderlinge soort van ziekte
-aangetast, het voorwerp van eene huiveringwekkende opmerkzaamheid te worden. In hem
-ontwikkelde zich die raadselachtige neiging, die bekend staat onder den naam van onbewust
-slaapwandelen of maanziekte. In het holst van den nacht, wanneer alles in sluimering
-lag verzonken, stond hij op van zijn leger en doorwandelde met gesloten oogen het
-door de maan verlichte Peristylium, vervolgens beklom hij het plat van het dak en
-liep daar eenigen tijd heen en weder, altijd met gesloten oogen, en keerde ten laatste
-naar zijne legerstede terug, even onbewust als hij ze verlaten had. De mare van den
-slaapwandelenden knaap in het huis van Pericles verbreidde zich in geheel Athene en
-men begon van dit oogenblik af hem met een zekeren <span class="pageNum" id="pb2.187">[<a href="#pb2.187">187</a>]</span>afschuw te aanschouwen, als iemand, die onder den invloed van daemonische machten
-stond.
-</p>
-<p>Had reeds Alcibiades als knaap de algemeene aandacht der Atheners getrokken, &#x2019;t was
-natuurlijk, dat hij nog meer van zich deed spreken, toen zijne kin behaard werd door
-&#x201e;het zachte dons der mannelijkheid&#x201d;. Zijne dolle streken waren het praatje van den
-dag, en daar hij vroegtijdig geleerd had, hoeveel bekoorlijks de naam van een aardigen
-deugniet aanbrengt, legde hij zich volstrekt geen dwang op, ja zelfs, wanneer hij
-een dollen streek had uitgevoerd, waarover de Atheners het hoofd schudden, deed hij
-dien in het vergeetboek geraken door een nog dolleren te doen. Hij wist immers, dat
-zelfs zij, die hem laakten, hem heimelijk bewonderden. Menigmaal scheen het, alsof
-hij eens wilde beproeven, of hij toch niet iets kon doen, wat de Atheners ernstig
-tegen hem zou kunnen verbitteren. Te vergeefs! Zijne handelingen mochten moedwillig
-en dartel zijn, als zij wilden, hij zelf bleef altijd geliefd.
-</p>
-<p>&#x2019;t Was nog altijd de lievelingswensch van Hipponicus, dat de schoonste jonkvrouw van
-Griekenland, zijne dochter Hipparete, de gade mocht worden van den schoonsten Helleenschen
-jongeling. Hij betoonde zich daarom zoo vriendelijk en voorkomend mogelijk voor den
-jongen Alcibiades, noodigde hem herhaaldelijk aan tafel en behandelde hem bijna met
-de teederheid van een vader.
-</p>
-<p>Alcibiades maakte zich over hem vroolijk, evenals over ieder ter wereld, en plaagde
-hem met overmoedige scherts. Eens zond hem Hipponicus kostelijk toebereide visschen
-op een gouden schotel. Alcibiades hield den schotel en bedankte Hipponicus met de
-volgende woorden: &#x201e;&#x2019;t Is al te vriendelijk van u, dat ge mij behalve den gouden schotel
-ook nog zulke heerlijke visch daarbij hebt gezonden.&#x201d;&#x2014;Hipponicus <span class="corr" id="xd30e7370" title="Bron: lachtte">lachte</span> dat zijn buik schudde, en roemde bij de heele wereld de geestigheid van zijn aanstaanden
-schoonzoon.&#x2014;
-</p>
-<p>De bevallige jonkvrouw Hipparete zelve, die door <span class="pageNum" id="pb2.188">[<a href="#pb2.188">188</a>]</span>haar vader reeds geleerd had den jongen Alcibiades als haar toekomstigen echtgenoot
-te beschouwen, was heimelijk voor den prachtigen jongeling in minnegloed ontstoken.
-Zij had hem eenige malen bij openbare feesten gezien. Hij echter spotte met het ingetogen
-meisje. Hij hield zich voor het oogenblik liever aan de schoone en geestige hetaeren,
-wier aantal in de stad der Atheners gedurig toenam.
-</p>
-<p>Inzonderheid was het Theodota, die den jongen man inwijdde in de mysteriën van het
-vroolijkste levensgenot. Een tiental jaren was ongeveer verstreken, sedert Alcamenes
-deze schoone van den rijken Corinthiër als loon voor zijne voortreffelijke marmergroep
-had bedongen. Thans was Theodota te Athene wellicht niet meer de bloeiendste, zeker
-echter nog de beroemdste onder hare vriendinnen.
-</p>
-<p>Zij was voor Alcibiades het middelpunt van een kring van de weelderigste verkwisting,
-en het dartelste onbeteugeldste levensgenot. Maar zij was alleen het middelpunt, terwijl
-de kring zelf zijne grenzen hoe langer hoe wijder uitbreidde.
-</p>
-<p>Diophites wreef zich vergenoegd de handen, zeggende: &#x201e;Theodota richt gewis den veelbelovenden
-pleegzoon van Pericles ten gronde!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Maar werkelijke gezondheid, werkelijke kracht en werkelijke schoonheid zijn, naar
-het schijnt soms onverwoestelijk. De teugellooze Alcibiades bloeide als eene roos
-in den morgendauw. Hij had dien blos op de wangen, dien de zedepredikers, volgens
-hun meening, aan den deugdzamen moeten toekennen, terwijl juist de deugdzamen niet
-zelden met die vale gelaatskleur en doffe oogen rondloopen, die de zedeprediker gewoonlijk
-als beeld gebruikt, wanneer hij met krachtige trekken den wellusteling wil schilderen.
-</p>
-<p>Theodota vervulde hare taak bij den levenslustigen jongeling in den beginne met blijde
-opgewektheid, doch langzamerhand begonnen in haar hart aandoeningen van een dieperen
-hartstocht levendig te worden. De ongelukkige! Zoo zeker als het &#x2019;t <span class="pageNum" id="pb2.189">[<a href="#pb2.189">189</a>]</span>meest benijdenswaardig geluk scheen, door Alcibiades bemind te worden, even zeker
-was het grootste ongeluk hem te beminnen!&#x2014;
-</p>
-<p>De mondigverklaring van den jongen Alcibiades had weinige dagen na den terugkeer van
-Pericles en zijne gade van hunne Elische reis plaats gehad. Ofschoon nu de jonge man,
-in &#x2019;t bezit van zijn vaderlijk erfdeel, ophield een huisgenoot van Pericles te zijn,
-voerden toch de gewoonte en genegenheid benevens de betoovering, die Aspasia noodwendig
-op hem moest uitoefenen, hem dikwerf genoeg terug naar den drempel van het huis, waarin
-hij opgevoed was.
-</p>
-<p>Kan het bevreemden, dat de vermetele lieveling der Chariten durfde wagen, ook der
-nog altijd zegevierend schoone gade van Pericles eene soort van hulde te bieden, die
-hij in de school van Theodota geleerd had? Maar de schoone Milesische was nog steeds
-te jong, om den onontwikkelden mannelijken bloei verleidelijk, te verstandig om ze
-in &#x2019;t geheel begeerlijk te vinden, en veel te fier, om zich, zelfs de buitengewone
-schoonheid van den jongeling in aanmerking genomen, voor de zegekar van den baardeloozen
-vrouwenheld te laten spannen. Zij wist, dat geen vrouw, zelfs zij niet, dezen vluchtigen
-losbol inderdaad zou kunnen kortwieken, boeien en beheerschen. Grootscher dan het
-twijfelachtig genoegen &#x2019;t getal zijner veroveringen te vermeerderen en bekoorlijker
-tevens, was haar de gedachte, haar geslacht aan hem te wreken en hem voor eene loszinnigheid
-te straffen, die hij haar zelve niet mocht doen ondervinden. &#x2019;t Kwam haar daardoor
-niet in de gedachte, tegenover den jongeling dien moederlijk teederen, door &#x2019;t verschil
-in jaren gerechtvaardigden toon aan te nemen, waar onder dikwijls oudere vrouwen hare
-liefde verbergen, of de rol eener vertrouwde bij hem te zoeken. Zij beantwoordde de
-beleefdheden van den jongeling eenvoudig door er volstrekt geen acht op te slaan en
-hem wel is waar niet met moederlijke teederheid, maar toch met moederlijke ernst te
-behandelen. <span class="pageNum" id="pb2.190">[<a href="#pb2.190">190</a>]</span>Dit verbaasde den verwenden, zich zijner zegepralen bewusten veroveraar. Hij gevoelde
-eene heimelijke spijt, doch de hoogachting die hij der Milesische toedroeg, werd er
-niet door verminderd, integendeel zij nam er door toe, zonder dat hij er zich ten
-volle van bewust was. Zoo gevoelde hij zich telkens weder tot Aspasia getrokken en
-drong haar de rol van vertrouwelinge op, die zij volstrekt niet van plan geweest was
-te zoeken.
-</p>
-<p>Op zekeren dag verbreidde zich door Athene het bericht van een nieuwen streek van
-Alcibiades, die meer dan alle vorige geschikt was, om de aandacht te trekken en aller
-tongen in rep en roer te brengen. Er werd namelijk verteld, dat Alcibiades op een
-uitstapje, dat hij met de besten zijner vrienden naar Megara had gemaakt, zich daar
-onaangenaamheden op den hals gehaald, ten laatste zelfs een meisje geroofd en mede
-gevoerd had, hetwelk hij nu bij zich te Athene verborgen hield. Niet gering, zei men
-verder, was de verbittering der Megarensers, die toch reeds van ouds op de Atheners
-gebeten waren.
-</p>
-<p>Velen spraken reeds over openlijke vijandelijkheden, die ten gevolge van dezen streek
-der Atheensche jongelingen tusschen Athene en de naburige Dorische stad zouden uitbreken.
-</p>
-<p>Alcibiades loochende, wanneer hem er naar gevraagd werd, de zaak volstrekt niet, en
-vertelde ten laatste de geheele geschiedenis uitvoerig, ja met blijkbaar welbehagen,
-aan zijne moederlijke vriendin Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;Wij waren&#x201d;&#x2014;zoo sprak hij&#x2014;&#x201e;den vervelenden peribolendienst in de landelijke vlekken
-moede geworden, hoewel wij er ook soms eene kleine afwisseling in brachten, door,
-in plaats van op stroopers en roovers te loeren, liever jacht te maken op een Thracisch
-meisje in de boschjes van den Phelleus of op eene jeugdige schoone uit Acharnae.
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo besloot ik dan in gezelschap van mijne vrienden Callias en Demus nogmaals een
-klein zeetochtje <span class="pageNum" id="pb2.191">[<a href="#pb2.191">191</a>]</span>voor eenige dagen te ondernemen. Wij hadden ons reeds vóór geruimen tijd een fraai
-versierd, groot pleizierjacht op gezamelijke kosten laten bouwen, waarmede wij ook
-soms ter vischvangst gingen. Dit jacht bestegen wij en namen drie Ionische meisjes
-mede, die, behalve in schoonheid, ook in de muziek- en zangkunst uitmuntten; voorts
-een paar jachthonden, benevens jachtnetten en werpsprieten; want wij waren voornemens
-langs die kust te roeien en hier en daar aan land te gaan, om te jagen. Wij voeren
-door de zeeëngte van Salamis. De &#x201e;Bacchante&#x201d;&#x2014;zoo heette onze bark&#x2014;<span class="corr" id="xd30e7400" title="Bron: danstte">danste</span> lustig op de golven.
-</p>
-<p>&#x201e;De bont beschilderde voorsteven, die in een vergulden panther uitliep, waarop eene
-Bacchante reed, fonkelde in de stralen der zon. Den mast hadden wij, als een Thyrsus-staf
-met klimop en bloemen omwonden. De bodem van het vaartuig was met tapijten en mollige
-kussens bedekt. Wij praatten en schertsten en zongen; eene der drie schoonen blies
-op de fluit, de tweede bespeelde de cither en de derde sloeg het symbaal, zoodat de
-zee van gezang en muziek en opgeruimde vroolijkheid weerklonk, en wij de nieuwsgierige
-dolfijnen met de riemen op den kop moesten slaan, om hen te verdrijven en te beletten,
-dat zij ons jacht omver wierpen of vernielden.
-</p>
-<p>&#x201e;Langs het strand varende, kwamen wij voorbij vele landhuizen. Vóór een van deze hielden
-wij een oogenblik stil, om de schoone, die het bewoonde, een serenade te brengen.
-Wij zongen en musiceerden vroolijk. De schoone was verheugd, toen zij het gezang uit
-de zee vernam en de sierlijk getooide jonge vrienden zag. Glimlachend stond zij op
-het terras van het huis; wij wierpen haar kransen en kushanden toe. Nu ging het weder
-verder zeewaarts. Brandend stak ons de zon, doch wij wisten ons te helpen. Wij spanden
-de oppergewaden onzer vriendinnen en onze eigene boven onze hoofden, om de zon af
-te weren. &#x2019;t Was een schoon gezicht, zooals het vaartuig met die wimpels en <span class="pageNum" id="pb2.192">[<a href="#pb2.192">192</a>]</span>zeilen getooid, de met purper getinte baren doorkliefde. &#x2019;t Scheen als zou men straks
-het heldere, verleidende lachen eener Sirene vernemen. Wij waren juist in de Halcyonische
-dagen, gedurende welke de windstilte heerscht en de ijsvogel broeidt. Wij hadden de
-zeeëngte van Salamis achter ons en het Megarische strand rechts voor oogen. Hier begonnen
-de kusten eenzaam en eentonig te worden; van tijd tot tijd drongen de tonen eener
-herdersfluit tot ons van de glooiende bergen en men zag kudden van runderen, lammeren
-en geiten grazen. Wij legden hier en daar aan en vermaakten ons op allerlei wijzen.
-Wij vingen visschen met angels, die wij van de rotsen aan lange koorden in de zee
-wierpen, en vingen eenige wilde ganzen, eenden en trapganzen met strikken.
-</p>
-<p>&#x201e;Toen wij juist weder ons schip hadden bestegen, om de reis in de richting van Megara
-voort te zetten, ontmoette ons een pleizierjacht, dat in sierlijkheid en weelderigen
-tooi voor het onze volstrekt niet onderdeed. In dit prachtige vaartuig zat een bedaagd
-man, met een bekoorlijk schoon meisje aan zijne zijde. Het gezicht van dit meisje
-deed mij in fellen minnegloed ontsteken. Doch al te vluchtig was de ontmoeting. Snel
-gleden de beide vaartuigen langs elkander; de Megarische bark zeilde onmiddellijk
-om eene vooruitstekende rots en verdween uit onze oogen.
-</p>
-<p>&#x201e;Wij gingen weder aan land op eene plaats, die ons bijzonder aanlokte. Daar was eenig
-kreupelhout, &#x2019;t geen onze honden aanstonds doorsnuffelden. Na weinige minuten joegen
-zij een haas op; wij grepen naar onze jachtnetten en sprieten en in de hoop, het dier
-machtig te worden, achtervolgden wij het en lieten onze vriendinnen in de nabijheid
-van het vaartuig achter. De haas werd door de honden uit het bosch in de velden en
-weilanden gedreven. Terwijl zij onder luid geblaf <span class="corr" id="xd30e7411" title="Bron: voorsnelden">voortsnelden</span>, brachten zij de herders en hunne kudde in rep en roer. De honden stoven zelfs midden
-door een kudde geiten, zoodat deze verschrikt uit elkander <span class="pageNum" id="pb2.193">[<a href="#pb2.193">193</a>]</span>vlogen en sommigen tot aan de zee afdwaalden. Vertoornd over de verstrooiing zijner
-kudde, greep de herder een scherpen steen, die juist voor zijne voeten lag, wierp
-hem naar een der honden en trof hem doodelijk aan den kop. Het was de trouwe Phylax,
-die alle eigenschappen bezat van een voortreffelijken jachthond.
-</p>
-<p>&#x201e;Toen wij het voorgevallene uit de verte zagen, lieten wij den haas loopen en ijlden
-gloeiend van toorn, op den geitenhoeder los. Deze echter had inmiddels andere herders
-ter hulp geroepen en wij zagen, toen wij aankwamen, een dreigende menigte tegenover
-ons. Evenwel maakten wij aanstalten, om met onze jachtsprieten op hen los te gaan.
-Op dit oogenblik kwam een slaaf in allerijl uit het nabijgelegen landhuis aanloopen,
-om in naam van zijn heer te vragen, wat dit rumoer beteekende. Toen wij van den slaaf
-vernamen, dat de geitenhoeder in dienst was bij den heer van dat landgoed, verlangden
-wij met dezen te spreken, om voldoening voor het doodelijk gewonde dier te erlangen.
-Wij volgden den slaaf en toen wij het landgoed naderden, &#x2019;t welk een statig aanzien
-had en zich als het eigendom van een vermogend man voordeed, verbaasde het ons niet
-weinig, in den naast het huis gelegen tuin juist dienzelfden grijsaard en dat bekoorlijke
-kind te zien rondwandelen, die wij kort geleden op de zee hadden ontmoet. Wij verhaalden
-den man het gebeurde en zeiden, dat wij van plan waren ons op den herder te wreken.
-De oude man, als Megarenser een verklaarde vijand van de Atheners, antwoordde in onheusche
-bewoordingen. De herders, die in groote menigte ons op den voet gevolgd waren, beschuldigden
-ons met hevig misbaar hunne velden verwoest en hunne kudden verstrooid te hebben.
-Met behulp der huisslaven, die door wenken en teekenen van hun meester aangespoord
-waren geworden, onder smaadredenen en scheldwoorden op ons indringend, waren wij genoodzaakt
-voor de overmacht te zwichten en zonder eenige voldoening de plaats te verlaten.
-<span class="pageNum" id="pb2.194">[<a href="#pb2.194">194</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Hoe zeer ook door de omstandigheden opgewonden, had ik toch niet verzuimd eenige
-blikken op de jeugdige schoone te werpen, die zich nog steeds in den tuin bevond en
-met een gevoel van nieuwsgierigheid en schrik den twist had aanschouwd. Met mijne
-makkers teruggekeerd, deelde ik hun onmiddellijk mijn besluit mede, om mij op den
-nietswaardigen Megarenser te wreken. Het schoone kind hield ik voor een gekochte lievelingsslavin.
-Mijn plan was: mij met mijne vrienden een tijdlang in de nabijheid verborgen te houden
-en het oogenblik te bespieden, waarop het landhuis onbewaakt was en het meisje zich
-alleen in den tuin zou bevinden, dan haar ijlings te overvallen en haar te ontvoeren.
-</p>
-<p>&#x201e;Eerder dan wij gehoopt hadden, vond ik de gewenschte gelegenheid. Voordat de tweede
-dag nog verloopen was, hadden wij het meisje ontdekt, aangegrepen, door een doek voor
-den mond het schreeuwen belet en in vliegenden haast op het onder eene rots verborgen
-schip gebracht.
-</p>
-<p>&#x201e;Onder beschutting der ingevallen schemering ontvluchtten wij, met den liefelijken
-buit aan boord, en forsche roeislagen brachten ons snel van de Megarische kusten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En het meisje?&#x201d; vroeg Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;Schikte zich in haar lot,&#x201d; hernam Alcibiades, &#x201e;hoewel zij niet, zooals wij gedacht
-hadden, eene gekochte lievelingsslavin was, maar eene vrij geborene, de nicht van
-dien verwenschten Megarenser. Simaetha<a class="noteRef" id="xd30e7426src" href="#xd30e7426">1</a> is haar naam en ik noem haar de bekoorlijkste der Helleensche&#x2014;neen, niet der Helleensche
-vrouwen, maar toch zeker de <span class="corr" id="xd30e7429" title="Bron: bekoorlijkder">bekoorlijkste der</span> Helleensche jonkvrouwen!&#x201d;
-</p>
-<p>Megara! Dit woord had een eigenaardigen klank voor Aspasia&#x2019;s oor. Met onmiskenbare
-teekenen van belangstelling had zij het verhaal van den koenen jongeling aangehoord.
-</p>
-<p>Zij vroeg met bijzondere nieuwsgierigheid naar <span class="pageNum" id="pb2.195">[<a href="#pb2.195">195</a>]</span>de eigenschappen van het meisje. Alcibiades schilderde haar schier in ideale trekken.
-</p>
-<p>Aspasia verlangde Simaetha te zien. De schaker was aanstonds bereid haar wensch in
-te willigen. Hij bracht Simaetha tot haar. Het meisje was beeldschoon, zoodat Aspasia
-zelve er verbaasd van stond. Maar het geheel geleek op een ongeslepen diamant. Immers
-zij was te Megara opgevoed. Het was tijd voor haar geworden, dat zij werd geschaakt
-zoo niet deze parel in de verborgenheid zonder glans of heerlijkheid zou te loor gaan.
-</p>
-<p>De rijke Megarenser had haar als een jong meisje in zijn huis opgenomen. Zij had het
-bij hem beter gehad dan eene slavin, maar niet zoo goed als eene dochter.
-</p>
-<p>Hij scheen, met het oog op haar veel belovende schoonheid, haar willens of onwillens,
-alleen tot een voorwerp om zijne lusten te bevredigen, te willen opvoeden. In geen
-enkel opzicht geleek de oude Megarenser op den edelen grijsaard van Milete, den bekenden
-<span class="corr" id="xd30e7441" title="Bron: Philammom">Philammon</span>, dien Aspasia in het verhaal van de geschiedenis harer jeugd aan Pericles met zulk
-eene warmte had geprezen. Simaetha haatte hem en verklaarde, dat zij zich liever wilde
-dooden, dan ooit weder in het huis van haar opvoeder terug te keeren.
-</p>
-<p>Aspasia&#x2019;s scherpe blik merkte de kiemen van vrouwelijke voortreffelijkheid van den
-hoogsten rang op in het karakter van het jonge meisje, dat nog nauwelijks haar zestiende
-levensjaar was ingetreden. Uit hare oogen schitterde evenveel geest, als schoonheid
-uit hare trekken. Aspasia brandde van begeerte om deze heerlijke kiemen te ontwikkelen.
-Spoedig was haar besluit genomen. Zij zeide tot Alcibiades:
-</p>
-<p>&#x201e;Het meisje is uw eigendom: niet zoozeer door den roof, dien gij op haar gepleegd
-hebt, als wel door haar eigen bepaald uitgedrukten wil, om niet meer in het huis van
-den Megarenser terug te keeren. Maar gij zijt haar nog niet waardig. Voor knapen van
-uw soort zijn edele, bloeiende meisjes, <span class="pageNum" id="pb2.196">[<a href="#pb2.196">196</a>]</span>ja zelfs het onnoozele dochtertje van Hipponicus, veel te goed. Vrouwen van Theodota&#x2019;s
-slag zijn voor u en uws gelijken bestemd: aan dezen moogt gij, om zoo te zeggen, de
-horens van uw overmoed afslijpen. Overigens zoudt gij u over het bezit van Simaetha,
-zooals zij nu is, maar half verheugen. Weldra zoudt gij haar moede worden; want onontwikkeld
-liggen in haar nog de kiemen van die eigenschappen, welke noodig zijn om niet de oververzadiging
-ten laatste de heerschappij te doen verkrijgen over de liefde. Vertrouw mij het kind
-eenigen tijd toe. Geef mij den schat, die gij buit gemaakt hebt, ter bewaring; beleg
-om zoo te <span class="corr" id="xd30e7449" title="Bron: zeggeen">zeggen</span>, uwe bezitting op renten: gij zult ze, als de tijd om is, vertiendubbeld aan waarde
-uit mijne handen terug ontvangen.&#x201d;
-</p>
-<p>Alcibiades was te jong en te lichtzinnig, dan dat het hem zwaar had kunnen vallen
-het verhavende meisje voor eenigen tijd zijn huis te doen verlaten en Aspasia toe
-te vertrouwen.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik ben bereid,&#x201d; zeide hij, &#x201e;mijn kostbaren schat bij u op renten te zetten. Ik weet
-vooruit, dat die renten mij rijkelijk schadeloos zullen stellen voor de korte ontbering,
-die toch immers niet eens eene volledige zal zijn, daar gij mij ongetwijfeld zult
-toestaan het schoone kind in uw huis te komen bezoeken.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom niet?&#x201d; hernam Aspasia; &#x201e;gij moogt gedurig getuige zijn van hare vorderingen.&#x201d;
-</p>
-<p>Simaetha werd bij Aspasia gebracht. Pericles had in den beginne zijne toestemming
-geweigerd; doch zijn gemoed was zoo wonderlijk zacht en teeder, dat hij ten laatste
-op het herhaald aandringen van Aspasia haar verzoek inwilligde, evenwel onder voorwaarde,
-dat het meisje slechts zóó lang in zijn huis zou vertoeven, totdat over hare al of
-niet uitlevering zou zijn beslist. Waren de Megarensers niet zoo gehaat geweest te
-Athene, dan zou men de toegevendheid van Pericles, die, uit liefde voor Aspasia, aan
-het meisje eene wijkplaats in zijn huis verschafte, zonder twijfel scherper beoordeeld
-<span class="pageNum" id="pb2.197">[<a href="#pb2.197">197</a>]</span>hebben, dan thans geschiedde.
-</p>
-<p>Men was reeds sedert geruimen tijd te Athene begonnen te spreken van eene school van
-Aspasia, en meer dan ooit was er van nu af reden voor dien naam.
-</p>
-<p>Er waren thans inderdaad niet minder dan vier meisjes in den eersten bloei der jeugd,
-die in het huis van Aspasia onder de onmiddellijke hoede der Milesische leefden. Bij
-hare Milesische nichtjes, die reeds langeren tijd bij haar vertoefden, en de Arcadische
-Cora, die zij van hare Elische reis had medegebracht, had zich thans het meisje uit
-Megara gevoegd.
-</p>
-<p>Ten volle beantwoordde de naam van school aan de innerlijke bedoeling van Aspasia.
-Hare persoonlijke bemoeiingen, om de vrouwen te Athene te veredelen, te bevrijden,
-in één woord eene hervorming te dien opzichte tot stand te brengen, waren met een
-zeer twijfelachtigen uitslag bekroond. De krachtige drang harer ziel gunde haar echter
-geen rust. Zij was tot de overtuiging gekomen, dat het eene vergeefsche poging was
-de gerijpte en reeds gevormde vrouw te willen hervormen. In den ontluikenden leeftijd,
-meende zij, moest de kiem daartoe gelegd worden.
-</p>
-<p>Geen hetaeren wilde zij opvoeden, maar voorvechtsters en medearbeidsters, die door
-geest en schoonheid op gelijke wijze als zij zelve in staat zouden zijn invloed te
-oefenen. In de school, die zij stichtte, moest hare overlevering levendig gehouden
-en van daar uit verder verbreid worden. Door eene samenwerking van vereende krachten
-in haar geest moesten eindelijk de vooroordeelen vallen, en de volkomen zegepraal
-van geest, schoonheid en vrouwelijkheid behaald worden.
-</p>
-<p>De gedachte aan de vooroordeelen, die in een ander opzicht uit deze hare school zouden
-kunnen voortvloeien, hoewel niet bij haar op den voorgrond staande, was evenwel niet
-geheel vreemd bij de fiere, schrandere Milesische. Hare leerlingen<span id="xd30e7466"></span> konden, evenals hare meesteres, machtige en <span class="pageNum" id="pb2.198">[<a href="#pb2.198">198</a>]</span>uitstekende mannen tot echtgenooten verkrijgen, de heerschappij van Pericles helpen
-verzekeren en bevestigen, en door haar invloed den tegenstand zijner vijanden bestrijden.
-</p>
-<p>Maar vond de gade van Pericles er geen bezwaar in, een aantal jeugdige, bekoorlijke
-meisjes onder de oogen van haar echtgenoot om zich te verzamelen? Deze fiere, koene,
-naar machtige doeleinden strevende ziel was verre verheven boven laffe overwegingen
-en kleingeestige gevoelens; zij joeg niet, als een gewone vrouw, enkel persoonlijke
-voordeelen na, maar voor eene grootsche gedachte leefde en werkte zij. En zij wist
-dat Aphrodite&#x2019;s gordel nog altijd in hare macht was; dat hij in hare hand nog niets
-van zijne bekoorlijkheid had verloren. Zij wist, dat zij nog lang de meesteres onder
-hare leerlingen zou blijven en dat dezen eerst worden moesten, wat zij reeds was.
-En wat inzonderheid Pericles betrof, zij had de overtuiging, dat niets ter wereld
-de tooverketen kon verbreken of verzwakken, waarmede zij zijn hart had gekluisterd
-en die door de gewoonte al hechter en hechter was geworden.
-</p>
-<p>Eene gril der natuur had Aspasia de moederweelde ontzegd<a class="noteRef" id="xd30e7473src" href="#xd30e7473">2</a>. Zij verdroeg het zonder klagen. Was &#x2019;t haar niet vergund vrouwelijke telgen van
-haar schoot tot haar evenbeeld op te leiden, het lot had haar in die veel belovende
-bloeiende meisjes eene vergoeding gegeven, <span class="corr" id="xd30e7476" title="Bron: warraan">waaraan</span> zij naar hartelust de tooverkracht harer vormende meesterhand kon beproeven.
-</p>
-<p>Muzen en de Chariten schenen van den Olympus neder te dalen en zich als &#x2019;t ware in
-Aspasia&#x2019;s school als leermeesteressen aan te bieden. Daar werd de verheven leer verkondigd,
-hoe de natuur tot edele kunst gelouterd moest worden en de kunst weder tot natuur.
-Daar werd de eenheid van al het schoone begrepen en verwezenlijkt: daar werd de muziek,
-<span class="pageNum" id="pb2.199">[<a href="#pb2.199">199</a>]</span>een dans der zielen en de dans eene muziek der lichamen&#x2014;daar werd de schoonheid poëzie
-en de poëzie betooverende schoonheid.
-</p>
-<p>Aspasia&#x2019;s streven was &#x2019;t in hare leerlingen door de schoonheid en om de schoonheid
-den geest op te wekken en dien opgewekten geest te veredelen en vrij te maken.
-</p>
-<p>Als middel om den geest wakker te schudden diende haar echter niet alleen elke soort
-van kunst; ook de rijke hulpbronnen van wijsheid, kennis en wetenschap werden als
-vruchtbaar zaad op de vleugels der Eroten in de school van Aspasia binnengedragen.
-Uitgesloten alleen was het ernstige, het strenge, het sombere. Vroolijkheid bleef
-gepredikt als de hoogste wet der schoonheid en des levens.
-</p>
-<p>Wat Aspasia haren leerlingen boven alles leerde, was dit, hoe dwaas het was, allen
-invloed van hare bekoorlijkheden te verwachten. Zij toonde haar aan, dat deze nog
-lang niet op zich zelven alleen het beminnelijke uitmaakten. Zij zeide haar, dat schoonheid
-eene deugd is, die, als elke andere, geleerd, geoefend en aangekweekt moest worden.
-Zij maakte haar duidelijk, dat de geest de echte kruiderij is, die aan de schoonheid
-gepaard, haar frisch deed blijven. &#x201e;Eene onnoozele schoonheid,&#x201d; sprak zij, &#x201e;veroudert
-spoedig en weldra verwelkt ook de bekoorlijkheid, die door de laagheid als een verpestende
-walm wordt omgeven. Niets vernietigt zoo snel den bloei, als een stompzinnig voortleven
-in geestdoodende alledaagschheid. Schoon te zijn, zeide zij, is geen toestand, maar
-een handelen, een werken. Schoonheid is de hoogste macht en haar invloed berust op
-de samensmelting der edelste vermogens&#x2014;op eene bekoorlijke en harmonische ontwikkeling
-van lichaam en ziel. Zij is geen dood pronkstuk, geen onbewegelijk licht: integendeel,
-evenals het zonnerad, een levend stralenspel, een spattende vonkenregen.
-</p>
-<p>&#x201e;Men kan zich de schoonheid niet onmiddellijk geven,&#x201d; placht zij ook te zeggen, &#x201e;maar
-men kan overal het leelijke uitroeien, temperen, verzachten. <span class="pageNum" id="pb2.200">[<a href="#pb2.200">200</a>]</span>Niet te dikwerf kunt gij in den spiegel zien: niet om op te merken hoe schoon gij
-zijt, maar om uwe leelijkheid te bespieden. Alleen dan zult gij ervaren dat niemand
-altijd schoon en niemand altijd leelijk is&#x2014;dat de bloei van iedere schoonheid wel
-honderdmaal in den loop van den dag in gedaante en kleur verandert, dat zij, aan zich
-zelve overgelaten, geen stand kan houden, maar wankelt; dat eene schoonheid, die zich
-harer macht bewust, de hand in den schoot kan leggen, een droom is van zottinnen,
-en dat schoon te zijn eene <span class="corr" id="xd30e7491" title="Bron: moeielijke">moeilijke</span> kunst is zelfs voor de schoonsten. Laat onder geene vermomming het leelijke ingang
-bij u vinden! Want talloos zijn zijne gestalten, talloos zijne vormen! Het leelijke
-is een daemon, met wien wij iederen dag worstelen moeten, als hij ons niet besluipen
-en overweldigen zal. Het meest echter keert hij uit de hinderlaag der ziel zijne doodelijke
-wapenen tegen den bloei des lichaams.&#x201d;
-</p>
-<p>Maar niet met vermanende woorden alleen, ook metterdaad ondersteunde Aspasia hare
-leerlingen in den strijd tegen dien sluwen, dreigenden daemon. Zij vorschte de kiemen
-en sporen van elke leelijkheid na, evenals de overheid den dief. Gelijk een schoolmeester
-een stok of roede, zoo had zij een kleinen, zilveren spiegel in de hand en hield dien
-de schuldige voor, wanneer slechts eene sprank van leelijkheid, naar lichaam of ziel,
-zich vertoonde. Zoo leerde zij die jeugdige meisjes zelfbeheersching, onderdrukking
-van iedere opkomende luim en hartstocht, rust, vroolijkheid, gelijkmatigheid van lichaam
-en ziel.
-</p>
-<p>Van de beide nichten van Aspasia legde de eene, Drosis, een schitterenden aanleg voor
-den mimischen dans aan den dag. Prasina daarentegen muntte voornamelijk uit door vaardigheid
-in zang en snarenspel. Doch Aspasia gedoogde niet, dat eene van beiden zich uitsluitend
-op de ontwikkeling van eene dergelijke eenzijdige kunst toelegde. Zij verlangde van
-ieder, dat zij niet door de beoefening van ééne bepaalde kunst, maar door eene harmonisch
-ontwikkelde <span class="pageNum" id="pb2.201">[<a href="#pb2.201">201</a>]</span>persoonlijkheid zou trachten te behagen. &#x201e;Eenzijdige beoefening der kunst,&#x201d; zeide
-zij, &#x201e;geeft altijd aanleiding tot mindere ontwikkeling van het karakter zelf en zijne
-harmonische vorming.&#x201d;
-</p>
-<p>Drosis was van nature betooverend door hare bevalligheid. Hare gestalte was slank
-en sierlijk, zoo aetherisch licht en zwevend, dat zij, door de velden wandelend, even
-als eene nimf, geen grashalm noch bloem scheen te kunnen knakken. Hare ledematen hadden
-die rankheid, die jeugdige fijnheid en bevallige teederheid, welke de zinnen nog veel
-meer bekoort dan plompe weelderigheid.
-</p>
-<p>Prasina was haar gelijk in schoonheid, maar zij bezat boven haar eene heldere zilveren
-stem, waarmede zij, de liederen van <span class="corr" id="xd30e7502" title="Bron: Sapho">Sappho</span> bij de luit zingend, ieders oor verrukte. Is er in &#x2019;t algemeen wel iets liefelijkers
-dan de heerlijke tonen van de stem van een zestienjarig meisje? Prasina&#x2019;s stem overtrof
-in liefelijkheid, smeltende zachtheid en warmte de stemmen der nachtegalen in de Cephissus-dalen.
-</p>
-<p>Maar de bekoorlijke Drosis, de vurige Prasina, zij werden weldra door den heerlijk
-zich ontwikkelenden bloei van Simaetha overschaduwd. In Simaetha&#x2019;s gestalte, in hare
-trekken was de edelste, Helleensche betooverende schoonheid van vormen in de zuiverste
-lijnen uitgedrukt. Trekken van deze verwonderlijke zuiverheid hadden zelfs de meesters
-der beeldhouwkunst zich nauwelijks kunnen voorstellen. Zij bezat die onbeschrijfelijke
-helderheid die glinsterende en toch ietwat mijmerende vochtigheid van &#x2019;t oog, die
-soms bij meisjes in den teederen bloei der jaren een wegsleependen invloed kan oefenen.
-Maar evenals in uiterlijk schoon, kwam ook in geest en gemoed Simaetha hare meesteres
-Aspasia het meest nabij. Innig verwant scheen zij haar door hare geheele ontwikkeling
-in gevoel en denken. Niet minder dan de Milesische beloofde zij eene verpersoonlijking
-van den echten levenslust en den schoonheidszin van den Helleenschen geest te worden.
-Met gloeiende geestdrift begreep zij terstond de gedachten van Aspasia. Zij overtrof
-in <span class="pageNum" id="pb2.202">[<a href="#pb2.202">202</a>]</span>helderheid van verstand hare medeleerlingen verre. Zij beminde de kunsten, en voor
-de beeldhouwkunst scheen zij het onvergelijkelijk scherpe kennersoog van Aspasia te
-bezitten. Ook daarin kwam zij met hare meesteres overeen, dat zij op geen enkele afzonderlijke
-kunstvaardigheid bijzonderen nadruk legde, maar allen gaven tot eene schoone harmonie
-ontwikkelde. Zoo was zij dan de parel van de school der Milesische, die haar bijna
-met de teederheid eener moeder liefhad en hare schoonste verwachtingen op haar stelde.
-</p>
-<p>En Cora, het meisje uit Arcadië? &#x2019;t Was moeilijk te zeggen of men haar tot de school
-van Aspasia mocht rekenen. Toen Aspasia haar uit haar Arcadisch geboorteland had weggevoerd,
-prikkelde haar juist de ruwheid der stof, om er hare vormende en ontbolsterende kunst
-aan te beproeven. Maar de ruwheid der stof scheen weldra grooter nog dan het meesterschap
-van Aspasia&#x2019;s vormende kunst. Cora was doorgaans een voorwerp van spot bij hare speelgenootjes
-en men verlaagde haar bijna tot eene dienstmaagd. Maar toch had het meisje uit Arcadië
-ook iets in haar wezen, dat haar nooit geheel tot eene slavin liet vernederen. Niet
-bekoorlijk was zij, niet van edelen lichaamsbouw, niet opgewekt van geest, maar ernstig
-en peinzend, en het eigenaardige in haar wezen, dat zij mede naar Athene gebracht
-had, bleef onveranderd. Zij <span class="corr" id="xd30e7511" title="Bron: verrastte">verraste</span>, door stralen en vonken van geest en gemoed, die altijd iets oorspronkelijke en ongewoons
-hadden, en steeds eene bijzondere soort van belangstelling voor haar opwekten. Zij
-scheen als een wezen uit eene vreemde, tot heden nog onbekende wereld.
-</p>
-<p>Aspasia vond het raadzaam hare kweekelingen, tegen de Atheensche zeden en ondanks
-haar jeugdigen leeftijd in den vrijen, ontwikkelden omgang met de wereld en de menschen
-te brengen. Thans evenals vroeger bezochten haar huis mannen van uitnemenden geest,
-door wier gesprekken de zielen der meisjes vroegtijdig boven de platte alledaagschheid
-<span class="pageNum" id="pb2.203">[<a href="#pb2.203">203</a>]</span>verheven en in hoogere sferen opgevoerd werden. Maar ook bezoeken van vrouwen waren
-niet uitgesloten. Wie van die uitstekende mannen eene schoone vriendin in dezen kring
-wilde binnenleiden, dien werd het volgaarne toegestaan. Onder hen, die van die vrijheid
-gebruik maakten, bevond zich die jonge beeldhouwer en architect Callimachus, die een
-verwend beeldschoon, jong meisje, Philandra genaamd, van Corinthe naar Athene had
-gebracht. Hij hield hartelijk veel van het meisje en scheen besloten haar tot zijne
-echtgenoote te nemen. Doch Philandra, van nederige en arme afkomst en nog in hare
-prille jeugd, miste eene beschaving en ontwikkeling, die haren vriend waardig was.
-Hoe kon haar die beter ten deel vallen, dan door het verkeer met de omgeving van Aspasia?
-Deze achtte het natuurlijk niet beneden zich den kring harer school ook buiten hare
-woning uit te breiden.
-</p>
-<p>Philandra was eene schoonheid van weelderige, maar toch edele vormen. Zij verried
-een heftig, ja hartstochtelijk karakter en scheen door haar statig voorkomen ouder
-dan zij werkelijk was.
-</p>
-<p>Zoo was dan, om zoo te zeggen, een vrouwelijke Olympia in Aspasia&#x2019;s woning neergedaald.
-De jonge Alcibiades placht de meisjes naar de Godinnen te noemen, met wie zij de meeste
-gelijkenis hadden. Kunstenaars werden in dezen Olympus tot het scheppen van schoone
-beelden ontvonkt, dichters tot zoetklinkende liederen bezield. Doch overmoed en al
-wat onedel was bleef verbannen uit dezen schoonen kring, Aspasia&#x2019;s blik wist zelfs
-den koenen, hartstochtelijken Alcibiades in toom te houden en steeds hield de priesteres
-der schoonheid ook de teugels van de edele juiste maat in de hand. Altijd bleef Aspasia
-gedachtig, wat zij aan de eer van &#x2019;t huis haars gemaals verschuldigd was. En zij wist
-te voorkomen, dat de school, die zij om zich verzameld had, haar echtgenoot ooit de
-de minste aanleiding gaf tot verwijdering, die allicht tot eene noodlottige scheiding
-zou kunnen voeren.
-<span class="pageNum" id="pb2.204">[<a href="#pb2.204">204</a>]</span></p>
-<p>Op zekeren dag noodigde de jonge Alcibiades Aspasia en hare meisjes tot een pleiziertochtje
-met zijn jacht uit. Aspasia nam de uitnoodiging van den jongen man aan, onder nadrukkelijke
-voorwaarde, dat hij niemand van zijne overmoedige makkers zou mede nemen.
-</p>
-<p>Op een zomermorgen, terwijl de frissche dauw zich parelde op blad en halm, besteeg
-Aspasia met Drosis, Prasina, Simaetha en Cora het schip van Alcibiades. Bij haar sloten
-zich nog Callimachus en Philandra aan, en in gezelschap van Philandra eene vriendin
-van haar, Pasicompsa geheeten, die, evenals Philandra zelve, bij Aspasia was ingeleid
-en door deze waardig geacht eene plaats onder hare leerlingen te nemen. Behalve de
-genoemden en eenige slaven, om te roeien, bevond zich niemand op het schip.
-</p>
-<p>Men voer het strand langs en geraakte weldra in de schoone bocht van Salamis. Links
-zag men de groene in den morgendauw schitterende eilanden, rechts het Attische strand
-met zijne aegaleïsche<a class="noteRef" id="xd30e7527src" href="#xd30e7527">3</a> heuvels.
-</p>
-<p>Niets vermag de ziel vriendelijker en harmonischer te stemmen dan een spelevaart over
-eene zonnige, blauwe zeegolf. En geen heerlijker azuur wordt er gevonden, dan dat
-van Salamis&#x2019; zeeboezem. Zoo smaakte dan ook het gezelschap van Alcibiades, zich wiegelend
-op de baren der zee onder dien heerlijken hemel, een onbeschrijfelijk, een zalig genot.
-Boven hunne hoofden het blauw van den aether, onder zich het hemelsblauw der zee,
-dreven zij als het ware tusschen twee hemelen, zich wiegelend in eene zalige azuur.
-Of dat van den aether dan wel dat van de zee bekoorlijker was, wisten zij niet en
-zij vroegen er ook niet naar; zij zagen alleen, dat somwijlen de vogels voor een oogenblik
-uit den blauwen aether in de zee neerdoken, als om hare bekoorlijkheid te onderzoeken,
-terwijl de <span class="pageNum" id="pb2.205">[<a href="#pb2.205">205</a>]</span>visschen daarentegen uit de blauwe zee somwijlen oprezen en voor een oogenblik met
-de koppen lustig in den blauwen aether voortzwommen, als om eene vluchtige, heerlijke
-teug daaruit in te zwelgen.
-</p>
-<p>Het gezelschap op het schip van Alcibiades geleek op de vroolijke visschen en vogels,
-die zich in de bekoorlijkheid van zee en aether verlustigden en verkwikten. Zij zogen
-in volle teugen al dat heerlijke in en dachten daarbij zoo weinig om de buitenwereld
-en zich zelven, als die vogels en visschen. De jeugdige, bevallige kweekelingen van
-Aspasia zagen van het scheepsboord omlaag naar de schoone zee, doch alleen om hare
-lieve gezichtjes daarin te spiegelen. <span class="corr" id="xd30e7539" title="Bron: Aleen">Alleen</span> Cora zag, als zij in den vloed nederkeek, niet haar gezicht, maar de zee zelve. In
-haar gemoed alleen werd de betoovering der zee met levendigheid gevoeld.
-</p>
-<p>De andere meisjes spiegelden zich in de zee, de zee echter spiegelde zich in Cora.
-</p>
-<p>De indruk steeg in haar gemoed schier tot vrees<span class="corr" id="xd30e7545" title="Niet in bron">.</span> Want zij begon ten laatste met eene soort van angst in hare trekken naar de diepte
-der zee te luisteren. En toen men haar glimlachend vroeg, of zij soms de stemmen van
-verleidelijke Sirenen uit de diepte hoorde, bevestigde zij dit, waarover haar speelgenooten
-in een helderen lach uitbarstten, die verre over de zee klonk.
-</p>
-<p>Wellicht gelokt door de muziek dezer stemmen, werd het jacht door een dolfijn gevolgd,
-die geheel over den waterspiegel daarheen gleed. Een vogeltje, dat zich te ver van
-&#x2019;t land in de zee had gewaagd, zette zich een oogenblik, als om te rusten, op zijn
-rug, zonder dat hij het bemerkte.
-</p>
-<p>Juist toen de zilveren lach over Cora op het vaartuig van Alcibiades weerklonk, stevende
-een groote koopvaarder het jacht voorbij. Daar de koopvaarder zeer dicht langs het
-jacht voer, konden zijne bemanning en het gezelschap van Alcibiades elkander zeer
-goed opnemen. De mannen op de koopvaarder hadden een ruw, woest uiterlijk en wierpen
-<span class="pageNum" id="pb2.206">[<a href="#pb2.206">206</a>]</span>donkere blikken van onder hunne borstelige wenkbrauwen op het jacht van Alcibiades,
-bijna dreigend als <span class="corr" id="xd30e7552" title="Bron: havikken">haviken</span> op eene vlucht duiven. Daar echter de koopvaarder veel sneller roeide, liet hij weldra
-de bark achter zich en het vroolijke gezelschap sloeg geen acht meer op hem. Callimachus
-meende er een Megarisch schip in herkend te hebben.
-</p>
-<p>In eene kleine bocht werd geankerd en men besloot aan land te gaan, om zich daar eenigen
-tijd op het vriendelijk uitnoodigend strand te vermeien. &#x2019;t Was juist de plaats, waar
-men den in de rots uitgehouwen zetel van den Perzischen koning Xerxes toont, op eene
-helling der aegaleïsche bergen, den zetel, dien de groote koning, toen hij zijne vloot
-hier tot den beslissenden slag geschaard had, op het glooiende strand besteeg en vanwaar
-hij, eerst met fier vertrouwen op de overwinning, en vervolgens met steeds toenemende
-ontzetting de vreeselijke vernieling zijner macht bij Salamis had aanschouwd. Callimachus
-en Alcibiades geleidden Aspasia en de meisjes op den in de rots gehouwen zetel, en
-Alcibiades verlangde van Aspasia, dat zij als de waardigste daarop plaats zou nemen.
-Aspasia gaf aan de uitnoodiging gehoor. Callimachus zette zich aan hare zijde. De
-meisjes met Alcibiades vlijden zich in eene bekoorlijke groep om haar heen.
-</p>
-<p>Boschjes van zeegras en mirtestruiken, vol donkere en lichte bessen, schoten op tusschen
-de klippen.
-</p>
-<p>Er lag een wondervolle vrede over het zonnige land en de fonkelende zee uitgebreid.
-Dubbel bekoorlijk scheen van deze hooge plaats het tegenover hen opdoemend Salamis.
-Tusschen het eiland en het vaste land blauwde de zee, door geen windje gerimpeld.
-Zilverheldere, glinsterende strepen doorsneden hier en daar het diepe azuur, als schitterende
-bruggen. Geen geluid werd er vernomen in de gansche verte dan het ruischen van de
-in gelijkmatigen <span class="corr" id="xd30e7560" title="Bron: rythmus">rhythmus</span> aan- en terugklotsende golven <span class="pageNum" id="pb2.207">[<a href="#pb2.207">207</a>]</span>bij het strand en van tijd tot tijd het gekrijsch eener meeuw, die zweefde over de
-klippen.
-</p>
-<p>&#x201e;Bij alle zeenimfen!&#x201d; zei Alcibiades: &#x201e;het is hier zoo vreedzaam, als aan het Siciliaansche
-strand. Men zou meenen, dat hier ergens in de nabijheid de verliefde Cycloop <span class="corr" id="xd30e7567" title="Bron: Polypphemus">Polyphemus</span> moest zitten, starend op de zee, waar het beeld van Galateä<a class="noteRef" id="xd30e7570src" href="#xd30e7570">4</a>, zich spiegelt in den vloed, terwijl zij met lichten voet daarover zweeft. De hond
-van den plompen herder loopt blaffend langs het strand haar te gemoet, doch de nimf
-overstelpt lachend den liefdebode met eene aanrollende schuimende golf zoodat hij
-druipstaartend terugloopt.&#x201d;
-</p>
-<p>Inderdaad, hier heerschte eene zalige stilte, waarvan men niet gelooven kon, dat zij
-ooit verstoord was noch ooit verstoord kon worden.
-</p>
-<p>Aspasia wierp van haar in de rots gehouwen zetel een blik naar de bergen van de Peloponnesus.
-</p>
-<p>&#x201e;Als &#x2019;t mogelijk is,&#x201d; sprak zij, &#x201e;al het onaangename en sombere, dat ik ginds aan
-gene zijde der bergen gezien en doorleefd heb, uit mijne ziel weg te vagen, dan moet
-het in deze ure zijn. Te glansrijk is de zee aan dit strand en den aether daarboven,
-dan dat hier ooit als ginds het sombere de overwinning zou kunnen behalen. Ik daag
-u moedig uit tot den strijd, ruwe sombere Peloponnesus!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En ik met u!&#x201d; riep Alcibiades en stak de vuist uit tegen de Argolische bergen.
-</p>
-<p>&#x201e;En ook wij allen!&#x201d; riepen de meisjes lachend.
-</p>
-<p>Op dit oogenblik viel Aspasia&#x2019;s blik, rechts afdwalend, op het Megarisch vaartuig.
-Het scheen thans klein op den grooten afstand. Het scheen stil te liggen. Aspasia&#x2019;s
-fiere, schier minachtende blik wendde zich er weldra van af. In hare oogen bliksemde
-thans iets van dien overmoed, die het hart des Perzischen konings vervulde, toen hij
-van dezen zetel op zijne vloot nederzag.
-<span class="pageNum" id="pb2.208">[<a href="#pb2.208">208</a>]</span></p>
-<p>Een slaaf bracht op bevel van Alcibiades een zak met kostbare lafenis en weldra schuimden
-de bekers en een vroolijk rondgezang klonk over de golven. Bekoorlijk schalde het
-lied der vreugde over de schoone eenzame golven, en van verre werd het weerkaatst
-door den kalmen zeeboezem.
-</p>
-<p>Door den geest van Dionysus gedreven, verstrooiden de meisjes zich deels op het schelprijke
-strand, deels op de hellingen, waar, tusschen de rotsen, geurige kruiden opschoten.
-Zij geleken op fladderende vlinders, geplaagd, vervolgd door Alcibiades.
-</p>
-<p>Nu eens liepen zij onder luide kreten naar elkander, om een dood zeedier te bewonderen,
-een polyp of een dolfijn, die vroeger, het zilte nat doorklievend, de kleinere zeedieren
-schrik had aangejaagd of de dochters van Neres op zijn rug gedragen, doch thans door
-eene schuimende golf op het rotsachtige strand was geworpen. Dan weder gingen zij
-zitten en Alcibiades verhaalde de aandachtig luisterende meisjes zonderlinge jachtavonturen:
-bijvoorbeeld, hoe hij onlangs eens aan &#x2019;t strand een grooten polyp en een haas te
-gelijk had buit gemaakt, toen hij met de hengelroede een polyp uit het water op het
-land slingerde en deze juist op een haas neerviel, die in &#x2019;t gras sluimerend verscholen
-lag en onmiddellijk door de honderd armen van den polyp omkneld werd.
-</p>
-<p>Inmiddels onderhielden zich Aspasia en Callimachus.
-</p>
-<p>De verhouding van Callimachus tot de schoone gade van Pericles was van een zonderlingen
-aard. Hartelijke vriendschap verbond hem met Alcamenes, en door dezen ingelicht van
-alles, wat er tusschen een mededinger van Agoracrites en de schoone Milesische was
-voorgevallen, had hij uit Corinthe, vanwaar hij kwam, een vooroordeel, ja bijna een
-heimelijken wrok tegen Aspasia medegebracht. Na het heftige tooneel, dat tusschen
-Alcamenes en Aspasia te Olympia had plaats gegrepen en waarvan Callimachus eveneens
-kennis had gekregen, had hij met <span class="pageNum" id="pb2.209">[<a href="#pb2.209">209</a>]</span>zijn vriend eene soort van wraakverbond tegen de Milesische gesloten. Te Athene gekomen,
-kwam hij weldra met haar in aanraking, en, door hare betoovering aangetrokken, vergat
-hij ten halve, maar ook slechts ten halve, die wraakgedachten.
-</p>
-<p>Aspasia zelve bracht het gesprek op Alcamenes en roemde de vlucht zijner levendige
-phantasie.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij doet er wel aan,&#x201d; zeide zij, &#x201e;dat gij de vriendschap met dien man aanhoudt en
-mij dunkt, dat eene zekere verwantschap van zielen u tot elkander heeft gevoerd. Want,
-evenals hem, schijnt ook u eene levendige zucht te bezielen, om de kunst op eene nieuwe
-baan te leiden.&#x201d;
-</p>
-<p>Aspasia zinspeelde met deze woorden op het feit, dat Callimachus de beitel niet meer
-voldeed, dat hij meer met de boor arbeidde en de détails zijner gewrochten met eene
-zoo schitterende kunstvaardigheid afwerkte, als men het vóór hem nog nooit gezien
-had.
-</p>
-<p>&#x201e;Wanneer men mij toegeeft,&#x201d; hernam Callimachus, &#x201e;dat ik door een vlijtig gebruik der
-boor de beeldhouwkunst eene schrede vooruit hebt gebracht, dan zou ik nuttige diensten
-aan hare zusterkunst, de bouwkunst, kunnen bewijzen. Reeds lang ben ik met eene zaak
-bezig, die oppervlakkig, zeer licht en gemakkelijk is, inderdaad echter&#x2014;gij zult er
-om lachen, als gij het hoort&#x2014;mij maar volstrekt niet gelukken wil. Bij den vooruitgang
-der kunst geloof ik dat onze zuilen eene rijkere versiering noodig hebben. De Ionische
-krul is het uiterste, waartoe wij het gebracht hebben. Daarmede stellen wij ons sedert
-eeuwen tevreden. Ligt het niet voor de hand om met een stouten greep zich daarboven
-te verheffen en iets voortreffelijkers te scheppen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;In het oosten,&#x201d; antwoordde Aspasia, &#x201e;zag ik bladeren en bloemen met keurigen smaak
-tot versiering der kapiteelen aangebracht. Wij zijn schuchter, zooals gij terecht
-opmerkt. Waarom durft gij niet uitvoeren, wat gij in &#x2019;t belang der kunst noodig acht?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zoudt gij wel gelooven,&#x201d; hernam Callimachus, <span class="pageNum" id="pb2.210">[<a href="#pb2.210">210</a>]</span>&#x201e;dat ik nu reeds sinds jaren mijn hersens met die zaak kwel? Honderde vormen heb ik
-uitgedacht, doch niet een enkele heeft mij tot heden volkomen voldaan.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom wilt gij een nieuwen vorm uitdenken en verzinnen en geheel en al uit u zelven
-scheppen?&#x201d; vroeg Aspasia. &#x201e;De natuur is eene voortreffelijke leermeesteres; haar moet
-de bouwmeester zoowel als de beeldhouwer haar geheim afzien. Houd uwe oogen open en
-gij zult vinden, wat gij zoekt. Gij behoeft het dan slechts goed op te vatten en met
-schranderen geest volkomen weder te geven.&#x201d;
-</p>
-<p>Op dit oogenblik werd het gesprek van Aspasia en Callimachus gestoord door de meisjes,
-die kwamen aanloopen en vertelden, dat zij op eene verborgen, liefelijke plek van
-het strand een klein grafteeken hadden ontdekt. Zij wilden het Aspasia toonen.
-</p>
-<p>Aspasia en Callimachus gaven aan de uitnoodiging gehoor en lieten zich door de meisjes
-naar eene plaats voeren, waar het kleine grafteeken zich bevond. Het lag op &#x2019;t rotsachtig
-strand verborgen en was door overhangende klippen bijna bedekt. Het bestond uit een
-eenvoudigen, smallen steen, waarin een kort opschrift gebeiteld was. Boven de zerk
-stond een sierlijke korf, gevuld met verwelkte bloemen en kransen. Aspasia trachtte
-het opschrift te lezen en ontcijferde half een meisjesnaam, &#x2019;t geen haar echter moeilijk
-viel; want eene breedgebladerde acanthus<a class="noteRef" id="xd30e7604src" href="#xd30e7604">5</a> had met zijn prachtig loof niet alleen den gedenksteen zelven reeds bijna overdekt,
-maar slingerde zich zelfs om den korf. Zijn frisch, levend groen maakte eene treffende
-tegenstelling met de treurige verwelkte bloemen in den korf.
-</p>
-<p>Aspasia en de meisjes drukten hare verwondering uit op deze plaats een grafteeken
-te vinden. Callimachus echter zeide: &#x201e;Mij was de aanwezigheid <span class="pageNum" id="pb2.211">[<a href="#pb2.211">211</a>]</span>van een klein monument te dezer plaatse niet onbekend.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen de meisjes hierop nieuwsgierig naar de herkomst daarvan vroegen, hernam Callimachus:
-</p>
-<p>&#x201e;Hij, die dit grafteeken met den korf hier oprichtte, was mijn vriend en ik ben een
-der weinigen, wien hij de geschiedenis van dat monument heeft meegedeeld.
-</p>
-<p>&#x201e;De vriend, van wien ik spreek,&#x201d; vervolgde hij, &#x201e;was een voortreffelijk Atheensch
-jongeling en oefende met grooten roem de kunst uit om aardewerk en grafurnen te beschilderen
-en verdiende hiermede tevens zijn levensonderhoud. Terwijl hij te Corinthe vertoeft,
-valt zijn oog op het bekoorlijkste bloemenmeisje van die stad en hij ontbrandt voor
-haar in vurige liefde. Maar ook een jonge Spartaan, die zich juist met eenige vrienden
-te Corinthe ophield, wordt verliefd op het meisje en wil haar bezitten. Door geweld
-en bedreigingen weet hij haar schrik aan te jagen en staat op &#x2019;t punt haar van Corinthe
-weg te voeren. De Athener in hartstochtelijken toorn ontstoken, daagt zijn mededinger
-tot een tweegevecht uit en doodt hem. Vervolgens, om den wraak der vrienden van den
-verslagene te ontvluchten, neemt hij het meisje, dat hem gewillig volgde, daar het
-zijn liefde beantwoordde, met zich mede, bestijgt in allerijl een vaartuig en vlucht
-met haar naar zijn vaderstad Athene.
-</p>
-<p>&#x201e;Vroolijk vaart het geliefde paar langs het strand; het hart des jongelings vol zalig
-genot en het meisje stralend in den bloei harer jeugd en schoonheid, eener bruid gelijk.
-Zij bezit behalve hare bekoorlijkheid niets dan het bloemkorfje, met frissche bloemen
-gevuld, zooals zij op de markt te Corinthe juist in hare handen droeg, toen de minnaar
-haar weg voerde. De paarlen der zee bespatten &#x2019;t vaartuig en bevochtigen de rozen
-in het mandje. Maar toen de jongeling in de overmaat zijner vreugde een kus op de
-lippen van &#x2019;t meisje drukt, ontglijdt haar de bloemkorf en valt over boord in zee;
-het <span class="pageNum" id="pb2.212">[<a href="#pb2.212">212</a>]</span>meisje bukt zich haastig om dien weder te grijpen, doch zich te ver over boord uitstrekkende,
-verliest zij het evenwicht, de boot kantelt en zij stort in &#x2019;t water. Met een wanhoopskreet
-werpt zich de jongeling in zee, omvat, na langen tijd met de golven geworsteld te
-hebben, het midden van &#x2019;t meisje en zwemt met den dierbaren last naar het nabij gelegen
-strand. Met moeite klautert hij tegen eene klip op, het lichaam der geliefde met krachtige
-hand aan zijn borst gekneld. Nu vlijt hij haar neer op een vlakke plaats aan het strand.
-Hare oogen zijn gesloten, haar gelaat is bleek, te vergeefs, roept hij haar duizend
-liefdewoorden toe. Hij heeft slechts een lijk gered.
-</p>
-<p>&#x201e;Den geheelen dag staart hij roerloos op de geliefde; vervolgens maakt hij zich gereed
-haar te begraven. Op de plaats, waar hij haar aan land heeft gebracht, delft hij eene
-groeve. Wat treft daar plotseling zijn oog tusschen de rotsen? De bloemkorf van het
-meisje is op de baren drijvend naar het strand gespoeld en rust nu daar, door de klippen
-teruggehouden. Hij daalt de rots af en droevig te moede heft hij zuchtend het sierlijke,
-met frissche bloemen gevulde mandje op en plaatst het, bevochtigd door zijne tranen,
-op het graf van &#x2019;t meisje. Hij gaat naar Athene en keert weldra terug naar de verscholen,
-door de zee omspoelde groeve, met dezen eenvoudigen gedenksteen. Hij legt dien op
-het graf en plaatst daarop weder het mandje met verwelkende bloemen. De verborgenheid
-der plaats beveiligt het voor heiligschennende handen en ook de acanthus heeft, zooals
-gij ziet, de rol van beschermer op zich genomen, daar hij den steen en den korf met
-de ranken van zijn heerlijk loof schier bedekt.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Aandachtig hadden de meisjes naar het verhaal van Callimachus geluisterd en luide
-beklaagden zij het treurige lot van &#x2019;t jeugdige paar.
-</p>
-<p>Aspasia sprak na eene korte pauze:
-</p>
-<p>&#x201e;Hoezeer uw verhaal, Callimachus, ook het gemoed tot medelijden stemt, kan ik toch
-den machtigen <span class="pageNum" id="pb2.213">[<a href="#pb2.213">213</a>]</span>indruk niet weren, dien deze eenvoudige steen, deze grafzerk, waarvoor de natuur veel
-meer dan de kunst heeft gedaan, op mij en zeker op allen, die hem zien, zal maken.
-Hoe sierlijk slingert het welig loof van den acanthus zich om den bevalligen, met
-verwelkte bloemen gevulden korf boven de wit marmeren zerk! Is dit niet eene dier
-meesterlijke groepen, welke der natuur als in eene spelende luim gelukt en die wel
-geen kunstenaar ooit zoo bekoorlijk kan verzinnen?&#x201d;
-</p>
-<p>Callimachus antwoordde niet; maar eene gedachte vloog als een bliksemstraal door zijne
-ziel.
-</p>
-<p>Hij staarde een tijd lang op den met loof omslingerden korf; toen sprak hij, zich
-tot de Milesische wendende:
-</p>
-<p>&#x201e;Inderdaad, Aspasia&#x2014;deze liefelijk omkranste korf is eene van die groepen, waarvoor,
-zooals gij straks zeidet, de kunstenaar het oog geopend moet houden, omdat hij daarvan
-leeren kan.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En omdat hij wellicht daarin vinden kan,&#x201d; viel Aspasia hem glimlachend in de rede,
-&#x201e;wat hij met vergeefsche inspanning lang heeft gezocht.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>In geestdrift begon nu Callimachus aanstonds uit te weiden over hetgeen zijne ziel
-vervulde.
-</p>
-<p>Terwijl hij aan de Milesische de in hem opgewekte gedachte van eene nieuwe zuilenversiering
-breeder ontvouwde, eene versiering, die werkelijk bestemd was in het rijk van &#x2019;t schoone
-eene blijvende plaats te verwinnen en wier roem met den naam van Callimachus voor
-altijd verbonden blijft<a class="noteRef" id="xd30e7634src" href="#xd30e7634">6</a>, verstrooiden zich de meisjes om bloemen te plukken, waarmede zij het graf van de
-jeugdige Corinthische wilden tooien.
-</p>
-<p>Weldra dartelden zij weder vroolijk langs het strand aan zeenimfen gelijk, onder wie
-Alcibiades de rol van den plagenden en ondeugenden Triton vervulde.
-<span class="pageNum" id="pb2.214">[<a href="#pb2.214">214</a>]</span></p>
-<p>Langzamerhand echter begon de stroefheid en schuchterheid van Cora, die op eene eenzame
-plek van het strand was achtergebleven, op den vermetelen jongeling eene grootere
-bekoorlijkheid uit te oefenen, dan de vroolijke uitgelatenheid harer vriendinnen.
-</p>
-<p>Dat hij tegen haar zin een gesprek met haar aanknoopte, schertsend zich een tijd lang
-niet haar onderhield, merkte de betooverende Simaetha zonder de minste opwelling van
-ijverzucht op; want ook daarin was zij het evenbeeld harer meesteres, dat zij voor
-zulk een hartstocht slechts weinig ruimte had gelaten in hare fiere ziel. Ook zij
-scheen slechts voor die liefde vatbaar, welke niet gevaarlijk is voor de opgeruimdheid
-en kalme gemoedsrust. En bovendien, welk eene onbeduidende medeminnares was het herderskind,
-vergeleken bij die schitterendste parel van Aspasia&#x2019;s school!
-</p>
-<p>Aan de wereld ontrukt vermaakten zij zich daar in vriendelijke afgescheidenheid, wier
-rust, naar &#x2019;t scheen, door niets ter wereld kon gestoord worden.&#x2014;
-</p>
-<p>En toch waren op de onbezorgd zich vermeiende meisjes uit de verte vijandige, loerende
-oogen gericht.
-</p>
-<p>Toen het vroeger vermelde Megarische vaartuig het plezierjacht van Alcibiades voorbij
-was gevaren, hadden de mannen, die zich daarop bevonden, een bespiedenden blik op
-het schip van den Athener geworpen.
-</p>
-<p>Zoodra zij een eind weegs verwijderd waren, zei een van hen vertoornd en haastig tot
-zijne makkers:
-</p>
-<p>&#x201e;Hebt gij dien Atheenschen jongeling wel gezien, die daar met jonge hetaeren op de
-zee dobbert? Dat is die onbeschaamde, nietswaardige meisjesroover Alcibiades! Ik herken
-hem! Meermalen heb ik hem te Athene gezien. En onder de jonge meisjes bevond zich
-Simaetha&#x2014;de geschaakte Simaetha!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe!&#x201d; riepen de Megarische mannen in heftigen <span class="pageNum" id="pb2.215">[<a href="#pb2.215">215</a>]</span>toorn ontstoken, &#x201e;hoe? is dat die vermetele, die het meisje uit het landhuis van Psaumias
-voerde en zich nog steeds ongestraft in het bezit van den buit verheugt?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Inderdaad,&#x201d; hernam de andere, &#x201e;verheugt hij zich nog ongestraft over zijn roof; want
-hij heeft eene machtige bescherming. Te vergeefs waren, zooals gij weet, alle bemoeiingen
-van Psaumias en zijne medeburgers, om de uitlevering van het meisje van de overmoedige
-Atheners te verkrijgen. Meenen die Atheensche honden niet van ouds dat zij met den
-Megarischen staat den spot mogen drijven? De tijd zal hun eenmaal leeren, dat zij
-ten onrechte de Dorische stad op hunne grenzen verachten. Voor het oogenblik echter,
-mijne vrienden, moeten wij ons, wat Simaetha betreft, de voldoening verschaffen, waartoe
-de gelegenheid zich thans aanbiedt.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">&#x201e;</span>Op dat plezierjacht bevinden zich, behalve dien baardeloozen meisjesroover, een ander
-ongewapend man en de weinige roeislaven, alleen vrouwen. Wij echter zijn mans genoeg,
-om het geheele schip, als wij het aanvallen, te veroveren: in ieder geval om Simaetha
-terug te nemen en haar met ons naar Megara te voeren.&#x201d;
-</p>
-<p>Dit voorstel beviel aan de Megarische mannen. Terwijl zij dus raadpleegden, hoe zij
-het schip zouden aantasten, was het gezelschap van Alcibiades in de kleine baai geland.
-De Megarensers bemerkten dit uit de verte.
-</p>
-<p>&#x201e;Des te beter!&#x201d; zei hun aanvoerder. &#x201e;Wij zullen hier ons schip aan &#x2019;t strand verbergen
-en onzen buit op het land vervolgen. Het meerendeel onzer zal het vaartuig verlaten,
-om ieder afzonderlijk naar land te sluipen en dan ons twee aan twee op het klippenrijke
-strand, waar zij verstrooid ronddolen, in hinderlaag leggen. &#x2019;t Zal ons gemakkelijk
-vallen op het juiste oogenblik te voorschijn te springen en van het meisje, waar het
-ons vooral om te doen is, ons meester te maken, zonder dat de beide Atheensche jongelingen
-en hunne roeislaven het verhinderen kunnen, ja misschien zonder <span class="pageNum" id="pb2.216">[<a href="#pb2.216">216</a>]</span>dat zij het bemerken. Want als wij van een oogenblik gebruik maken, dat Simaetha van
-hare vriendinnen gescheiden en de aandacht der mannen op iets anders gericht is, gelukt
-het ons wellicht Simaetha geheel ongemerkt op te lichten en wij zijn dan veilig voor
-elke vervolging. Zij weten dan niet, waar het meisje gebleven is, vóór wij onzen roof
-in veiligheid gebracht hebben. Moesten wij echter geweld gebruiken, dan ware het te
-vreezen<span class="corr" id="xd30e7661" title="Bron: ,,">,</span> dat die jongelingen misschien van een voorbijvarend Atheensch vaartuig versterking
-kregen en men ons nog vóór wij het schip bereikt hebben, op zee zelve den buit weder
-afhandig maakte. Daarom laat ons voorzichtig zijn en uit onze hinderlaag op eene gunstige
-gelegenheid loeren!&#x201d;
-</p>
-<p>Zóó sprak de bevelhebber van het Megarisch vaartuig en de mannen deden zooals hij
-bevolen had. Zij verborgen zich afzonderlijk of twee aan twee aan het strand en op
-de hellingen, en zagen uit hun schuilhoek met scherpen blik naar de argeloos ronddartelende
-meisjes.
-</p>
-<p>Lang wilde het gunstige oogenblik voor de Megarensers niet komen. Eindelijk brak het
-aan. Simaetha toch, benevens Drosis en Prasina, naderden bloemen plukkende en zich
-geen kwaad bewust, eene klip, waarachter eenigen der Megarensers zich verscholen hadden.
-Alcibiades was op grooten afstand met Cora bezig en Callimachus onderhield zich nog
-steeds met Aspasia bij het grafteeken van het Corinthische meisje.
-</p>
-<p>De Megarensers sprongen eensklaps te voorschijn en trachtten Simaetha te vangen.
-</p>
-<p>Zoodra deze de mannen, met hun woest uiterlijk, op zich zag afkomen, vluchtte zij
-onder angstgeschrei weg, gevolgd door Drosis en Prasina, die eveneens de lucht met
-kreten om hulp vervulden.
-</p>
-<p>Simaetha echter snelde hare speelgenootjes verre vooruit in hare haastige vlucht.
-Reeds had zij bijna de plaats bereikt, waar Alcibiades stond. Deze, zoowel als Callimachus,
-en de roeiers, die zich bij het schip bevonden, hoorden de angstkreten der <span class="pageNum" id="pb2.217">[<a href="#pb2.217">217</a>]</span>meisjes en snelden ijlings ter hulp. Alcibiades droeg altijd een dolk bij zich; onmiddellijk
-trok hij dien en stormde op de roovers los, gevolgd door de slaven, die zich met de
-roeispanen hadden gewapend.
-</p>
-<p>Doch de Megarensers wilden niet zonder buit het veld ruimen. Zij zetten, daar Simaetha
-hun ontsnapt was, hare vriendinnen Drosis en Prasina na en grepen haar, daar zij in
-hare angst, aan schuwe duiven gelijk, niet zoo spoedig hadden kunnen ontvluchten.
-</p>
-<p>Dewijl de Megarensers in ieder oponthoud gevaar zagen en om de straks gemelde redenen
-een openlijken strijd liever vermeden, sleurden zij Drosis en Prasina met zich voort
-naar het strand, wierpen zich met haar in het schip en voeren in aller ijl naar de
-baai van Megara, voordat Alcibiades en zijne helpers het jacht hadden kunnen beklimmen
-om hen te vervolgen.
-</p>
-<p>Toch wilde hij, gloeiend van toorn, zich onversaagd in zijn vaartuig werpen, om de
-roovers na te zetten. Doch toen hij zich hiertoe bereidde, hieven de meisjes een luid
-geschreeuw aan en jammerden, dat zij op het strand verlaten en misschien aan nog loerende
-vijanden werden prijs gegeven. Haar echter met zich in het schip te nemen, en zoo
-de vijanden te vervolgen, scheen Alcibiades niet minder ongeraden wegens den angst
-der meisjes, die dan zouden meenen, dat zij wellicht den vijand als buit in den mond
-werden gevoerd. Callimachus, de roeiers en bovenal Aspasia gaven hem in overweging
-de vervolging op te geven, daar die onmogelijk was en er middelen en wegen genoeg
-te vinden waren, om den overmoed der Megarensers te tuchtigen.
-</p>
-<p>Aspasia was bij &#x2019;t zien dier stoute daad der Megarensers verbleekt; maar spoedig verving
-een blos van gramschap hare ontsteltenis. Zij was nu &#x2019;t eerst weder tot zich zelven
-gekomen en rustig en kalm geworden; bijna lachend verzocht zij Alcibiades onverwijld
-den terugtocht aan te nemen. <span class="pageNum" id="pb2.218">[<a href="#pb2.218">218</a>]</span>Zonder dralen bestegen allen weder het vaartuig en zetten haastig koers naar Athene.
-</p>
-<p>&#x201e;Wraak den Megarensers!&#x201d; riep Alcibiades en slingerde, recht opstaande in het schip,
-terwijl hij van wal stiet, een beker tegen de scherpe klippen.
-</p>
-<p>&#x201e;Evenals deze beker op de klip, zal Megara&#x2019;s machtelooze trots en de trots van al
-zijne stamgenooten smadelijk verbroken worden op de harde rotsen van de Atheensche
-Acropolis!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e7426">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7426src">1</a></span> In het Grieksch: Simaitha.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7426src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7473">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7473src">2</a></span> Niet historisch; Aspasia heeft Pericles een zoon, eveneens Pericles geheeten, geschonken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7473src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7527">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7527src">3</a></span> Het Grieksche &#x201e;aigialos&#x201d; beteekent: &#x201e;strand&#x201d;; van dit woord is bovengenoemd <span class="corr" id="xd30e7529" title="Bron: adjectif">adjectief</span> gevormd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7527src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7570">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7570src">4</a></span> Polyphemus, de zoon van Poseidon en de nimf Thoösa, koesterde, volgens eene Siciliaansche
-legende, een onbeantwoorde liefde voor Galateä, de dochter van Neurens en Doris, daar
-deze de voorkeur gaf aan Acis den zoon van Faunus en Symaethis. Uit ijverzucht verpletterde
-Polyphemus hem waarop Acis door Galateä in een vloed of bron werd veranderd. (Fzons
-Acilius).
-</p>
-<p class="footnote cont">De schrijfwijze Galatheä verdient afkeuring, omdat het Grieksch luidt: Galateia.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7570src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7604">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7604src">5</a></span> Acanthus bij ons &#x201e;berenklauw&#x201d; geheeten is eene plant, die deels als bijenkruid, deels
-om zijn fraaie, kronkelende bladstengels als rand om de tuinbedden geplant en op zuilen,
-vaatwerk en in borduursel nagebootst werd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7604src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7634">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7634src">6</a></span> Er bestaat werkelijk een verhaal, dat Callimachus door het zien eener bloemenmand,
-als hierboven is beschreven, op de gedachte kwam het zoogenaamd Corinthische kapiteel
-te ontwerpen. Dit kapiteel bestond uit acht van buiten aangebrachte en acht binnen
-in geplaatste acanthusbladeren en bloemstengels, onder eene afgeronde dekplaat. Later
-werd deze zuil tot geheele kolonnaden gebruikt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7634src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch21" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXI.</h2>
-<h2 class="main">DE MUILEZEL VAN CALLICRATES.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het viel Pericles niet moeilijk aan Aspasia&#x2019;s wensch gehoor te geven en de beide haar
-ontroofde meisjes van de Megarensers terug te eischen. Want toen ter tijde was om
-velerlei redenen het wachtwoord te Athene: Megara moet getuchtigd worden.
-</p>
-<p>De Megarensers echter antwoordden, dat zij Drosis en Prasina, die voorloopig als gijzelaars
-aan de bewaking van een aanzienlijk burger waren toe vertrouwd, onmiddellijk zouden
-uitleveren, zoodra Simaetha, die door de Atheensche jongelingen geschaakt was, werd
-teruggegeven. Tegen dit laatste echter kantte zich Simaetha met alle kracht aan, waarbij
-zij eene trouwe hulp in Aspasia vond. Het meisje uit Megara was de lieveling van Aspasia
-geworden.
-</p>
-<p>De Megarensers waren te Athene even gehaat, als de Atheners te Megara. Pericles had
-meer dan één reden om een volksbesluit door te drijven, dat den Megarensers het bezoeken
-der Atheensche havens en van de markt te Athene verbood, zoolang zij niet alleen die
-meisjes hadden uitgeleverd, maar ook in eenige andere aangelegenheden de verlangde
-voldoening zouden hebben gegeven.
-</p>
-<p>Gevoelig trof deze uitsluiting van de Atheensche <span class="pageNum" id="pb2.219">[<a href="#pb2.219">219</a>]</span>markt de Megarensers, en niet lang, meende men, zouden zij in hunne weigering volharden.
-</p>
-<p>Daar het echter te vreezen stond, dat de Megarensers zich heimelijk tot de Spartanen
-zouden wenden om hunne krachtige bemiddeling in te roepen, en daar bovendien door
-tamelijk ernstige geschillen met Corinthe en door den afval der Attische kolonie Potidaeä<a class="noteRef" id="xd30e7695src" href="#xd30e7695">1</a> eene zekere onrust zich van de Atheners had meester gemaakt, grepen de vijanden van
-Pericles en Aspasia de gelegenheid aan, het volk tegen hen op te ruien. Door den overmoed
-der vreemde vrouw, zeiden zij, en door de onbeperkte losbandigheid harer vrienden
-werd nu zelfs de openlijke vrede van Hellas bedreigd, en ter wille van twee geschaakte
-hetaeren had Pericles het volksbesluit tegen de Megarensers, als eene brandende fakkel,
-onder de Hellenen geworpen.
-</p>
-<p>Groote en geliefde staatsmannen plegen instellingen ten gunste des volks niet altijd
-te bestrijden, omdat zij weten, dat het volk toch ten laatste in een soort van blind
-vertrouwen hunne leiding zal volgen, en dat het gevaarlijke dier instellingen door
-de macht van hun persoonlijken invloed, ten minste zoolang als zij zelven aan het
-roer staan, vernietigd wordt. Maar de bezorgden vragen, wat geschieden zal, als zulke
-mannen soms door den dood werden weggeroepen en niet meer de teugels van den staat
-in hunne vaste hand klemden. Van den anderen kant zien de volksvrienden, die voor
-de handhaving der volksheerschappij bezorgd zijn, juist in die gedweeë overeenstemming
-van den algemeenen wil met den wil en de inzichten van één enkel uitstekend man, het
-grootste gevaar voor de vrijheid. Zoo kwam het, dat de alvermogende Pericles toch
-in &#x2019;t geheim de voorstanders der onbeperkte volksheerschappij evenzeer als de partij
-der oligarchen tegen zich had.
-<span class="pageNum" id="pb2.220">[<a href="#pb2.220">220</a>]</span></p>
-<p>De leerlooier Cleon, de schapenkoopman Lysicles en de worsthandelaar Pamphilus waren
-van meening, dat de wijsheid van één enkele in den staat gevaarlijker was dan de dwaasheid
-der menigte, en zij vernieuwden tegenover hunne medeburgers, zoo dikwijls zij konden,
-de waarschuwingen tegen den &#x201e;nieuwen Pisistratus.&#x201d;
-</p>
-<p>Lieden van den slag van dien leerlooier Cleon, dien schapenkoopman Lysicles <span class="corr" id="xd30e7704" title="Bron: een">en</span> dien worsthandelaar Pamphilus waagden het reeds somwijlen in de volksvergadering
-met onstuimig getier de waardigheid van Pericles aan te randen.
-</p>
-<p>Niet onverschillig beschouwde Pericles de <span class="corr" id="xd30e7709" title="Bron: moeielijkheden">moeilijkheden</span>, die menige daad van Aspasia en de brooddronkenheid van Alcibiades hem op den hals
-haalden. Aspasia echter was door haar geheele karakter onaantastbaar. De storm kan
-wel een eik ontwortelen, maar geen bloem knakken. Den jongen Alcibiades echter verweet
-Pericles in ernstige bewoordingen zijne teugelloosheid, die, voor een deel althans,
-de bewuste onaangename verwikkelingen met Megara veroorzaakt had. Hij vermaande hem
-de voetstappen zijner voorvaderen te drukken, zich verdienstelijk te maken jegens
-het vaderland en naar roemrijke daden te streven.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat wil ik!&#x201d; hernam de jonge Alcibiades half ernstig half schertsend. &#x201e;Wie echter
-dan gij, o Pericles, is de schuld, dat ik geen gelegenheid vind, om mij door roemrijke
-daden te onderscheiden? Hoe lang nog moeten wij werkeloos in dezen vervelenden vrede
-suffen? Geef mij eene vloot, dan zal ik u Carthago en Sicilië veroveren! Maar zelfs
-de weinige, armzalige triëren weigert gij mij, die ik noodig had, om de lieftallige
-meisjes Drosis en Prasina uit de gevangenschap in het ellendige Megara te bevrijden.
-Mij blijft niets overig, wanneer ik mij jegens het vaderland verdienstelijk wil maken,
-dan eens naar Sparta te gaan en de vrouw van den Spartaanschen koning te verleiden,
-ten einde het Dorische bloed te vervalschen met het Ionische, ten gunste der Atheners!
-O zeker, Pericles, het ontbreekt <span class="pageNum" id="pb2.221">[<a href="#pb2.221">221</a>]</span>mij niet aan begeerte naar dappere daden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Onstuimige begeerte naar roemvolle daden, zonder waardigheid en ernstig overleg,&#x201d;
-sprak Pericles, &#x201e;zal nimmer nut stichten, maar slechts verderfelijke gevolgen na zich
-sleepen. Uwe voortreffelijke eigenschappen, waarde Alcibiades, zijn geen blijde hoop,
-maar een gevaar voor het vaderland, zoolang zij met ondeugden als de uwe gepaard gaan.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Is &#x2019;t dan eene ondeugd,&#x201d; riep Alcibiades, &#x201e;het genoegen na te jagen? en is niet de
-jeugd de beste tijd om te genieten?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij vergist u!&#x201d; antwoordde Pericles ernstig; &#x201e;de jeugd is niet de tijd van het genot
-zelf, zij is de tijd om zich met lichaam en ziel op waarachtig genot voor te bereiden.
-Zij is de tijd om de vatbaarheid voor genot te ontwikkelen, niet ze te verstompen.
-Gij meent te genieten, jonge zoon van Clinias! Maar uw genot van alle vreugdebekers
-is niet veel meer, dan jongensachtige overmoed, gedachteloos spel!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Slechts één leven geven ons de Goden om te genieten!&#x201d; zeide Alcibiades.
-</p>
-<p>&#x201e;Juist daarom!&#x201d; hernam Pericles, &#x201e;moeten wij er op bedacht zijn, het niet te verspillen,
-maar het te behouden!&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo onderhield zich Pericles ernstig vermanend met den jongeling.
-</p>
-<p>Deze echter ging van Pericles naar zijne <span class="corr" id="xd30e7725" title="Bron: vrienden">vriendin</span> Theodota en herhaalde glimlachend de woorden van Pericles, terwijl hij er bijvoegde:
-</p>
-<p>&#x201e;Nu zie ik, dat mijn oude vriend, mijn geliefde Socrates, inderdaad wijzer is dan
-Pericles en dan al die andere wijze mannen te Athene. Want deze Socrates alleen heeft
-het reeds lang volkomen begrepen, dat bij den zoon van Clinias dergelijke vermaningen
-dwaas en vergeefsch zijn!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Een geruime tijd was verstreken, sinds Pericles en Aspasia van hunne Elische reis
-naar Athene teruggekeerd waren en de <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> Diopithes met de vijanden van het edele paar eene samenzwering had gesmeed.
-</p>
-<p>Doch niet ongebruikt was deze tijd van Diopithes <span class="pageNum" id="pb2.222">[<a href="#pb2.222">222</a>]</span>voorbijgegaan. Reeds te voren waren de wapenen voor den eersten aanval geslepen. Diopithes
-had van Pericles&#x2019; afwezigheid uit Athene gebruik gemaakt, om in de volksvergadering
-een wetsvoorstel in te dienen tegen hen, die den godsdienst van het Attische land
-verloochenden, en tegen de wijsgeeren, wier leer in tegenspraak was met het van de
-vaderen geërfde geloof. Met de plechtigheid van een Godsgezant was de <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> voor de menigte opgetreden, en zoo hartstochtelijk bezield was zijne rede geweest,
-zoo doorspekt met bedreigingen en onheilspellende orakelspreuken, dat het hem inderdaad
-gelukte de beslissende meerderheid van stemmen op de Pnyx voor zijne wet te winnen.
-</p>
-<p>Sedert dien dag hing het zwaard van Damocles boven het hoofd van den grijzen Anaxagoras.
-Op hem was het eerst de pijl van Diopithes gericht; doch zijne bedoelingen gingen
-nog verder. In het geheim wierf hij bondgenooten en helpers en sloot zich bij alle
-vijanden van Pericles aan.
-</p>
-<p>De bitterheid in zijne ziel vond iederen dag nieuw voedsel. Want voor zijne oogen
-bewoog zich nog altijd die gehate Callicrates onder de werkende en woelende arbeidersschare
-op de hoogte van de Acropolis, het prachtig werk der Propylaeën onder de leiding van
-den voortreffelijken Mnesicles met gelijken ijver bevorderend, als vroeger den feesttempel
-van Pallas. Een gruwel was Callicrates den priester, een gruwel waren hem zijne helpers,
-die over dag aan het gehate werk arbeidden en des nachts bij gansche groepen op steenen
-of hoopen zand zich ter ruste vlijden; een gruwel was hem ook dat dier, die oude muilezel,
-welken, zooals reeds verhaald is, de gedwongen rust zijns ouderdoms niet behaagde,
-maar uit oude gewoonte op de Acropolis rondliep, en wien de gunst ten deel was gevallen,
-dat de schade, die hij door zijn grazen en snuffelen aan vreemd eigendom mocht veroorzaken,
-van staatswege zou worden vergoed.
-<span class="pageNum" id="pb2.223">[<a href="#pb2.223">223</a>]</span></p>
-<p>Kleine oorzaken, zegt het spreekwoord, sleepen dikwijls groote gevolgen na zich.
-</p>
-<p>Overmoedig geworden door de openlijke gunst, die het volk der Atheners hem bewees,
-ging de muilezel van Callicrates voort op de Acropolis rond te loopen, zonder eenigen
-schroom omtrent zijn gedrag, waardoor hij reeds lang de verbittering van Diopithes
-tot het uiterste had gedreven. Zonder eenigen eerbied vergreep hij zich aan de heiligdommen
-van het Erechtheüm. Hij scheen niets zoo smakelijk te vinden, als de kruiden, die
-op het tempelgebied groeiden. Hij had geen ontzag voor de giftige blikken, die Diopithes
-op hem wierp, ja hij gaf nauwelijks om de nijdige stompen en slagen, waarmede de tempeldienaars
-hem trachtten te verdrijven. Hij besnuffelde voor en na de offerkoeken, die door vrome
-lieden op het altaar van Zeus voor het Erechtheüm werden neergelegd. Beklaagde Diopithes
-zich over dat vergrijp bij Callicrates, dan haalde deze de schouders op en beriep
-zich op de wettelijke voorrechten van het dier en op de bereidwilligheid der openbare
-schatmeesters, om de aangerichte schade te vergoeden. Daar de priester met al zijne
-klachten niet verder kwam, had hij reeds sinds lang het onbeschaamde beest vreeselijke
-wraak gezworen.
-</p>
-<p>Het dier echter liep blindelings in zijn verderf en deed de maat zijner ongerechtigheid
-overloopen, door op zekeren dag de toevallig open en onbewaakte deur van het heiligdom
-van <span class="corr" title="Bron: Erechtheus">Erechtheüs</span> en Athene Polias binnen te sluipen; de ontstelde tempeldienaars vonden hem met zijn
-onheiligen snuit aan een frisschen krans snuffelend, waarmede men het overoude, houten
-beeld van de Godin op den morgen van dien dag getooid had.
-</p>
-<p>Den volgenden morgen lokte Diopithes den muilezel van Callicrates heimelijk tot zich
-en wierp hem een koek voor.
-</p>
-<p>Des avonds van dien zelfden dag vond men het dier dood liggen op de trappen van het
-Parthenon.
-</p>
-<p>Een der werklieden van Callicrates had uit de verte <span class="pageNum" id="pb2.224">[<a href="#pb2.224">224</a>]</span>gezien, dat de <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> het muildier spijs had voorgeworpen, en nu waren allen overtuigd, dat het beest als
-een offer van Diopithes&#x2019; wraak was gevallen.
-</p>
-<p>Eenigen zwoeren hem daarvoor te zullen straffen, verzamelden zich voor het Erechtheüm
-en overlaadden den priester met luide smaadreden. Ware niet Mnesicles te rechter tijd
-verschenen, dan zou Diopithes het er slecht afgebracht hebben onder de handen der
-werklieden van Callicrates.
-</p>
-<p>Thans was de beker van toorn vol in den boezem van den <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span>. Hij kon zich niet langer bedwingen om zijne gramschap lucht te geven en de hand
-te leggen aan het groote, lang beraamde plan der wraak.
-</p>
-<p>&#x2019;t Was een stormachtige nacht, een nacht, waarin de hemel bewolkt was en donkere wolken
-voorbij de maan joegen. Toen kwamen in de eenzame Eumenidengrot op den Areopagus drie
-mannen tot een heimelijk onderhoud te zamen.
-</p>
-<p>Diopithes was een dier mannen en hij was het ook, die de beide anderen tot een gesprek
-daarheen had genoodigd. Want zijne omgang met de eedgenooten op de Acropolis liep
-te zeer in &#x2019;t oog van den waakzamen Callicrates.
-</p>
-<p>De tweede der mannen, welke in de Eumenidengrot kwam, was de oligarch Thucydides,
-die door Pericles was ten val gebracht. Hij en Diopithes traden het eerst de grot
-binnen. Nu kwam ook de derde der mannen, half vermomd, niet ongelijk aan een dief
-in den nacht, met schier onhoorbare schreden aansluipen.
-</p>
-<p>Met eene zekere nieuwsgierigheid vestigde de oligarch zijne blikken op hem. Diopithes
-toch had hem zijn naam niet genoemd. Maar toen nu de nieuwaangekomene tegenover de
-beide andere mannen in de eenzame grot stond en zijn gelaat door het licht der maan,
-dat juist door de wolken brak, zichtbaar werd, deinsde de oligarch met teekenen van
-afkeer een eind terug. Om zijne lippen speelde een grijnslach van ontevredenheid en
-minachting.
-<span class="pageNum" id="pb2.225">[<a href="#pb2.225">225</a>]</span></p>
-<p>Hij had de grove trekken van den leerlooier Cleon herkend, den hem en de geheele oligarchische
-partij doodelijk gehaten volksredenaar, wiens ruwe onstuimigheid en bulderende taal
-op de Pnyx de volksheerschappij, door <span class="corr" id="xd30e7777" title="Bron: Hericles">Heracles</span> in &#x2019;t leven geroepen, maar ook door zijn wijs beleid beteugeld, onmatig trachtte
-uit te breiden.
-</p>
-<p>Met verbazing en wrevel wendde de oligarch zich tot Diopithes.
-</p>
-<p>&#x201e;Met welk een man,&#x201d; zeide hij, &#x201e;brengt gij mij nu te zamen?&#x201d;
-</p>
-<p>Doch ook Cleon beet verwonderd en met een spottenden lach den <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> toe.
-</p>
-<p>&#x201e;Een prachtigen bondgenoot biedt gij, Diopithes, den volksman Cleon aan!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik heb u niet hier genoodigd,&#x201d; sprak de <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span>, &#x201e;om den twist der oligarchie en der democratie te beslechten. Ik heb u geroepen
-tot een gemeenschappelijken strijd tegen een gemeenschappelijken vijand.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zal ik dan vijanden bestrijden,&#x201d; zei de oligarch, &#x201e;ten bate van een man, die nog
-erger is dan zij?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zal ik dan tegenstanders verwinnen,&#x201d; hernam Cleon, &#x201e;met behulp van dengene onder
-hen, die mij meer gehaat is dan zij allen?&#x201d;
-</p>
-<p>Op deze wijze gaven de beide mannen hunne gewaarwordingen te kennen op &#x2019;t eerste oogenblik
-der ontmoeting.
-</p>
-<p>Maar nadat zij op zachter toon een uur lang zich onderhouden hadden, waarbij grootendeels
-de sluwe <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> het woord had gevoerd, zou &#x2019;t spiedend oog, als het in dien stillen nacht op den
-Ares-heuvel die zelfde mannen de grot had zien uittreden, opgemerkt hebben, dat zij,
-ofschoon vluchtig en zonder hartelijkheid, elkander toch de hand gaven.
-</p>
-<p>Diopithes bemoeide zich schijnbaar niet met staatszaken. Hij stond met den woesten
-volksmenner Cleon op even goeden voet als met den oligarch Thucydides. Hij streed,
-naar hij beweerde, <span class="pageNum" id="pb2.226">[<a href="#pb2.226">226</a>]</span>alleen voor de eer der Goden des lands en hunne heiligdommen. Om hem in dezen strijd
-te ondersteunen zag noch de volksleider noch de oligarch eenig bezwaar, wanneer zij
-daarvoor, naar zij beiden geloofden, een niet te verachten bondgenoot tot het bereiken
-hunner eigen plannen wonnen. Inderdaad echter waren beiden slechts werktuigen in de
-hand van den veel sluweren priester, wiens eenig doel was, zijne persoonlijke vijanden,
-vooreerst Anaxagoras, Phidias en Aspasia, in het verderf te storten.
-</p>
-<p>Om dit te bereiken moest hij gevaarlijke aanklachten tegen hen indienen. Tot dit doel
-had hij eene wet, uitsluitend tegen hen gericht, persoonlijk doorgedreven. Opdat zij
-echter veroordeeld zouden worden, moest hij het volk op zijne hand hebben. Hij moest
-invloed zoeken te winnen op de stemmen der menigte. Daarvoor had hij helpers en bondgenooten
-noodig.
-</p>
-<p>Vandaar, dat hij overal vriendschapsbetrekkingen aanknoopte, vandaar zijn heimelijke
-omgang met personen van de meest verschillende soort. Zijn eerste, als &#x2019;t ware voorbereidende
-aanval, zou Anaxagoras gelden; voorts zou een hoofdaanslag, die ook Pericles moest
-treffen, tegen Aspasia gericht worden. Ten laatste zou het zwaarste, het schijnbaar
-onmogelijke beproefd, en alle krachten vereenigd worden om Pericles te doen vallen,
-Pericles, den bij het meerendeel van het Atheensche volk zoo geliefden man.
-</p>
-<p>Hij spoorde allen op, die te Athene tegen Aspasia vijandig werden gevonden en schaarde
-ze in &#x2019;t geheim om zich heen. Hij leidde en bestuurde &#x2019;t geheel als een goed geordend
-leger en gebruikte ieder afzonderlijk als een strijder of bode in een bepaalden kring.
-</p>
-<p>Hij stond door de hem verwante priesteres van Athene Polias in betrekking tot de vrouwenwereld,
-tot Telesippe en de zuster van Cimon. Hij knoopte betrekkingen aan met den somberen
-Agoracritus. Hij maakte zich tot een bondgenoot van Cratinus, <span class="pageNum" id="pb2.227">[<a href="#pb2.227">227</a>]</span>een Hermippus en andere blijspeldichters, die dubbel op Aspasia gebeten waren, sedert
-Pericles, door hare klachten gedreven, eindelijk besloten had de teugelloosheid der
-comedie te beperken. Zijne relaties strekten zich zelfs uit tot den dollen Meno, den
-gewezen slaaf, den in de geheele stad bekenden en bij de heffe des volks geliefden
-zonderling, die gewillig zijne hulp tot alle kuiperijen bood en gaarne op zich nam,
-om door boosaardige en sarcastische gezegden, ruwe scherts en lompe uitvallen het
-volk in de straten op te hitsen tegen de wijsgeeren en tegen de gade van Pericles.
-</p>
-<p>Nauwelijks was een maand verstreken sedert de samenkomst dier drie mannen op den Ares-heuvel,
-of de grootste helft van &#x2019;t Atheensche volk was met eene vijandige gezindheid bezield
-tegen Aspasia en tegen de beide vrienden van Pericles.
-</p>
-<p>Wat Anaxagoras betrof, men was het hierover eens, dat hij een godloochenaar was.
-</p>
-<p>Er was schier niemand, die zich niet de eene of andere oneerbiedige uitdrukking herinnerde,
-die hij op de Agora, in het Lyceüm of op eene andere openbare plaats uit den mond
-van den wijsgeer had vernomen. Waarop men vroeger ternauwernood had gelet, ja zelfs
-wat men deels met ingenomenheid had gehoord, vond de wispelturigheid des volks nu
-eensklaps gevaarlijk, nadat de stemming geheel was veranderd en, door den met Diopithes
-heimelijk verbonden Cleon, de haat tegen de wijsgeeren onder de heffe des volks was
-verbreid.
-</p>
-<p>Op een laten avond, toen de straten van Athene reeds ledig waren geworden, liep een
-man met haastigen en zachten tred, met blijkbaren angst dat hij bemerkt zou worden
-rond zich ziende, onder de bescherming der duisternis, daar de hemel met zwarte wolken
-bedekt was, uit de Tripodenstraat in de richting van den Illissus.
-</p>
-<p>Hij was niet vergezeld van een slaaf met eene fakkel zooals gewoonlijk een nachtelijke
-wandelaar bij zich had. Toen de man den Illissus bereikt had, ging hij dien over en
-vervolgde zijn <span class="pageNum" id="pb2.228">[<a href="#pb2.228">228</a>]</span>weg tot aan de Itonische poort, waar slechts weinige en onaanzienlijke huizen stonden.
-</p>
-<p>Aan een dier onaanzienlijke woningen klopte hij. De deur werd geopend en hij sprak
-fluisterend eenige woorden tot den slaaf, die hem binnen gelaten had.
-</p>
-<p>Daarop voerde deze hem in het slaapvertrek van een grijsaard. De kamer zag er armoedig
-uit en op een armzalig leger rustte de grijsaard.
-</p>
-<p>Die grijsaard was Anaxagoras en die late, nachtelijke bezoeker was Pericles.
-</p>
-<p>Eenigszins verwonderd zag de oude man zijn vriend aan, dien hij sedert geruimen tijd
-niet gezien had en door wien hij zich schier vergeten waande.
-</p>
-<p>&#x201e;Niet met eene blijde <span class="corr" id="xd30e7828" title="Bron: bootschap">boodschap</span>,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;kom ik u in uw nachtelijke rust storen; maar dat ik het ben, die
-u de boodschap breng, moge u een troostrijk voorteeken zijn. En niet als bode alleen,
-maar ook als raadsman en helper ben ik tot u gekomen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Schoon &#x2019;t ook slechte tijdingen mochten zijn,&#x201d; hernam de grijsaard, &#x201e;die Pericles
-tot zijn ouden vriend Anaxagoras voeren, zouden ze er mij te minder onaangenaam door
-treffen. Spreek eenvoudig en zonder terughouding, wat u op het hart ligt.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;De eerzuchtige Cleon, naar ik weet, door den <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> heimelijk opgestookt, heeft heden eene aanklacht tegen u wegens godloochening bij
-den Archon Basileus ingediend.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Op godloochening,&#x201d; hervatte Anaxagoras rustig, &#x201e;staat, als ik mij goed herinner,
-de doodstraf, volgens de wet van Diopithes. Eene zachte straf voor een oud man!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wanneer een grijs, eerwaardig hoofd bedreigd wordt,&#x201d; zeide Pericles, &#x201e;wekt het grooter
-medelijden op, dan een jeugdig. Inmiddels, voor de veiligheid van uw hoofd zou ik
-met het mijne instaan. Ik zelf zou voor uwe rechters optreden als uw pleitbezorger
-en voor uw hoofd, als het noodig mocht zijn, het mijne aanbieden. Wat ik echter niet
-<span class="pageNum" id="pb2.229">[<a href="#pb2.229">229</a>]</span>in staat ben te verhinderen, is, dat men u in den kerker zal brengen, tot uwe zaak
-beslist is&#x2014;en lang kan die snoode, meedoogelooze gevangenschap duren.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Laat men mij gevangen zetten,&#x201d; hernam Anaxagoras. &#x201e;Wat baat het mij de voeten vrij
-te hebben, als mijn woord het niet meer is?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat zal voorbijgaan!&#x201d; antwoordde Pericles. &#x201e;Ook aan uw woord zal de vrijheid weder
-gegeven worden, en eene prooi der knabbelende muizen zal de wet worden, die de sluwe
-<span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> bij het opgewonden volk heeft doorgedreven, toen ik verre van Athene was en mijn
-woord niet ter beslissing in de schaal kon werpen. Buk voor het oogenblik echter voor
-den drang der omstandigheden. Sta op en bind de zolen onder uwe voeten. Verlaat onverwijld
-en heimelijk voor een tijdlang Athene. Alle voorbereidselen voor uwe vlucht zijn genomen.
-Beneden in de eenzame baai van Phaleron ligt een vaartuig gereed om u te voeren waarheen
-gij wilt. Met mijn vriend Cephalus heb ik alles voor u bezorgd en in orde gemaakt,
-en hij zelf zal u vergezellen op uwe vlucht, totdat gij eene gewenschte wijkplaats
-hebt bereikt. Zwaar valt het mij in den nacht tot de legerstede van een zwakken grijsaard
-te komen en tot hem te zeggen: &#x201e;Maak u op en ga!&#x201d; Doch ik moet het doen. In de diepe
-duisternis van dezen nacht nog breng ik u zelf naar de baai van Phaleron, waar Cephalus
-u wacht.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik heb geen gegronde reden om te gaan,&#x201d; zeide Anaxagoras, &#x201e;maar nog minder om te
-blijven; want ik ben oud en alle wegen der wereld voeren naar de laatste rust van
-den Hades. En wanneer de man in Phaleron met het vaartuig mij wacht, waarom zou ik
-hem dan te vergeefs laten wachten? Breng mij naar de Mysische kust, naar Lampsacus.
-Daar wonen mij bevriende mannen. Daar mogen zij mij begraven en het woord waarheid
-op mijn graf beitelen. De kleinzonen der Atheners mogen het lezen, als zij Lampsacus
-bezoeken, en zien, dat men aan het strand van den Hellespont, niet <span class="pageNum" id="pb2.230">[<a href="#pb2.230">230</a>]</span>verre van het gebied der Barbaren, der waarheid en een stervenden grijsaard, die haar
-predikte, een plaatsje heeft gegund. Roep mijn ouden slaaf, Pericles, om mij de sandalen
-aan de voeten te binden, en de weinige boekrollen tot een bundeltje samen te voegen
-en mij naar de zee en verder, als hij wil, te vergezellen.&#x201d;
-</p>
-<p>De grijsaard stond met behulp van Pericles op van zijne legerstede, liet zich door
-zijn slaaf de sandalen onder de voeten binden, wierp de chiton om en in eenige oogenblikken
-was hij gereed voor de reis.
-</p>
-<p>Toen gingen de beide mannen, met de slaaf achter zich, onder bescherming van den donkeren
-nacht, door de Itonische poort en langs den langen muur over den eenzamen weg naar
-de baai van Phaleron.
-</p>
-<p>Spoedig hadden zij de baai bereikt en vonden Cephalus op eene door rotsen omsloten
-plaats, waar de zee zacht als in een droom tegen het strand murmelde. Alleen met een
-handdruk begroetten de mannen elkander.
-</p>
-<p>Anaxagoras stond op &#x2019;t punt van Pericles afscheid te nemen en het vaartuig te bestijgen.
-En terwijl zij elkander de hand reikten zag Pericles met een blik van diepe deernis
-op den grijsaard neder, die in het eenzame uur van den nacht uitgedreven werd naar
-den vreemde over de onstuimige baren.
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom beklaagt gij mij?&#x201d; zeide de grijsaard. &#x201e;Mij treft in de wereld niets onvoorbereid.
-Ik heb in mijn langen levensloop, &#x2019;t een na &#x2019;t ander, alles in mij gedood, wat vatbaar
-was voor lijden. Als vurig jongeling leed ik veel, ik zag hoe verlokkend het leven
-was, maar tevens hoe vluchtig en ijdel. Toen wierp ik langzamerhand alles van mij
-en ik dompelde mij al dieper en dieper in de kalme wateren der bespiegeling. Zóó ben
-ik oud geworden en mijn lichaam zwak, maar de hechte zuil van den onverstoorbaren
-vrede staat onwankelbaar in mijne ziel. Op de onzekere zee meent gij Atheners mij
-uit te drijven en zelven op het veilige vaste land <span class="pageNum" id="pb2.231">[<a href="#pb2.231">231</a>]</span>achter te blijven. Inderdaad echter ben ik het, die van het kalme strand u rond zie
-dobberen op de woeste en opgestuwde baren des levens! U, mijn vriend, is een ander
-lot dan mij ten deel gevallen. Gij hebt het schoone, het geluk, het genot, den roem
-nagejaagd. Gij hebt u verbonden aan eene schoone vrouw, die uwe zinnen heeft bevangen,
-eene vrouw, schoon genoeg om u zalig te maken. Zalig prijs ik u daarom, maar zal ik
-u ook gelukkig noemen? Zalig is de genietende, maar gelukkig alleen hij, die niets
-verliezen kan en dien het leven niet kan teleurstellen, omdat hij er niets van begeert.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Den stervelingen is het door &#x2019;t lot beschoren,&#x201d; hernam Pericles, &#x201e;verschillende wegen
-te betreden. Ik heb veel nagejaagd, veel bereikt, maar eerst het laatste oogenblik
-sluit de rekening af en alleen de dood maakt de balans op van het leven. Ik heb mij
-gehecht aan eene schoone vrouw, zooals gij zegt. Een nieuw bond heb ik met haar gesloten,
-dat voert tot een schoon, vrij en edel genot des levens. Wij vereenigden ons om iets
-nieuws te beproeven, maar hoe de proef zal uitvallen is nog voor mij verborgen. Menige
-stoornis heeft zich reeds doen gevoelen, somwijlen valt er een bittere droppel in
-de vreugdekelk en eene zekere onrust bekruipt niet zelden mijn gemoed. Heb ik misschien
-te veel op de schoonheid, het leven en het geluk vertrouwd met hunne schitterende
-beloften? Hoe het ook zijn moge, de teerling des levens is geworpen en mijn lot zal
-ik mannelijk dragen!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Zóó stortten Pericles en Anaxagoras in den stillen nacht, onder &#x2019;t klotsen der zee,
-bij &#x2019;t afscheid nemen, het diepste en innigste van hun gemoed voor elkander uit.
-</p>
-<p>Toen herdachten zij hunne vierentwintigjarige hartelijke vriendschap en omarmden en
-kusten elkander.
-</p>
-<p>Anaxagoras zag nog eenmaal naar de in schaduw gehulde stad en sprak:
-<span class="pageNum" id="pb2.232">[<a href="#pb2.232">232</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Vaarwel, gij stad van Pallas Athene! vaarwel, Attische grond, die mij zoo lang gastvrijheid
-hebt verleend! Gij hebt mijne zaadkorrels eene plaats gegund. Uit hetgeen sterfelijke
-handen zaaien, ontkiemt het goede zoowel als het kwade; doch alleen het goede blijft
-onsterfelijk. Kalm en met mijn besten zegen neem ik van u afscheid en bestijg het
-ranke vaartuig; ik vertrouw mij als grijsaard aan diezelfde golven weder, die mij
-als jong en krachtig man naar uw strand hebben gevoerd!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Na deze woorden gesproken te hebben, beklom de wijze van Clazomenae het vaartuig.
-</p>
-<p>Nog eenmaal wuifde hij Pericles met de hand toe, toen klonken riemslagen&#x2014;zacht ruischten
-de golven&#x2014;en het schip gleed stil en snel over den grauwen waterspiegel naar de opene,
-in nevelen gehulde zee.
-</p>
-<p>Eenige zeevogels in de spleten der rotsen werden opgeschrikt uit hun slaap, klepten
-even met hunne vlerken en sluimerden weder in.
-</p>
-<p>Pericles stond op het eenzame strand en staarde het snel wegvarende schip langen tijd
-na.
-</p>
-<p>Toen ging hij in diepe gepeinzen verzonken terug naar de stad en eene huivering voer
-hem door de leden bij de koelte van den aanbrekenden morgen.
-</p>
-<p>Op de Agora gekomen, zag hij dat er reeds, trots den vroegen morgen, eene groote menigte
-volks zich om de zoogenaamde koninklijke zuilengalerij verdrong.
-</p>
-<p>De menigte staarde met verbazing op een geschrift, dat eene afkondiging van den Archon
-inhield. &#x2019;t Was het afschrift eener akte van beschuldiging.
-</p>
-<p>Zij luidde als volgt:
-</p>
-<p>&#x201e;Aanklacht, onderteekend en ingediend, onder eede bekrachtigd door Hermippus, de zoon
-van Lysides, tegen Aspasia, de dochter van Axiochus uit Milete: Aspasia is schuldig
-aan de misdaad de Goden des lands niet te erkennen, oneerbiedig gesproken te hebben
-over de heilige gebruiken der Atheners, zich aan te sluiten bij de meeningen en <span class="pageNum" id="pb2.233">[<a href="#pb2.233">233</a>]</span>stellingen der godloochenende wijsgeeren. Voorts is zij schuldig aan de misdaad door
-gevaarlijke leeringen de jeugd te verleiden en te bederven en zoowel jonge meisjes,
-die zij in haar huis houdt als vrijgeboren vrouwen, die zij bij zich ontvangt, tot
-ontucht en prijsgeving van zich zelven aan te zetten. Eisch: de dood.&#x201d;
-</p>
-<p>Luid klonken deze woorden over de markt, toen Pericles juist voorbijging, zonder opgemerkt
-te worden door het volk, dat naar de koninklijke zuilengalerij gekeerd was. Hij verbleekte&#x2014;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Sapperloot!&#x201d; riep iemand uit de menigte. &#x201e;Dat valt in Pericles&#x2019; huwelijksgeluk als
-de bliksemstraal in een duivennest!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En Hermippus de aanklager!&#x201d; riep een tweede. &#x201e;Hermippus, de blijspeldichter!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat was te verwachten,&#x201d; hernam een derde. &#x201e;Ik heb het immers zelf uit den mond van
-Hermippus gehoord, nadat Pericles, door Aspasia opgestookt, de comedie gekortwiekt
-had: &#x201e;Heel goed!&#x201d; zei hij, &#x201e;als men ons op het tooneel den mond snoert, zullen wij
-hem op de Agora openen.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Zelden waren door eene aanklacht de gemoederen der Atheners in zulk eene mate opgewekt
-geworden, zelden de strijd der partijen zoo fel ontbrand, als door de aanklacht tegen
-Pericles&#x2019; gade, en met niet minder ongeduld zag men den dag te gemoet, waarop de klacht
-voor de Heliasten<a class="noteRef" id="xd30e7888src" href="#xd30e7888">2</a> openlijk zou behandeld worden.
-</p>
-<p>Op dienzelfden tijd kwam Phidias van Olympia naar Athene terug, en Diopithes was niet
-weinig verbitterd, toen hij den gehaten man telkens op de Acropolis heen en weder
-zag gaan, zich met Mnesicles en Callicrates onderhouden en door zijn raad de werken
-der Propylaeën krachtig bevorderen.
-</p>
-<p>Op zekeren dag merkte Diopithes, achter de zuilen van het Erechtheüm staande, Phidias
-op, in gezelschap van zijn geliefdsten leerling Agoracritus. <span class="pageNum" id="pb2.234">[<a href="#pb2.234">234</a>]</span>De beide mannen wandelden in druk gesprek een tijdlang tusschen het Parthenon en het
-Erechtheüm op en neder, vervolgens kwamen zij aan een blok marmer, niet ver van Diopithes,
-dien zij niet opmerkten, gelegen, en zetten zich daarop neder om rustig hun gesprek
-te vervolgen. Het viel den <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> niet moeilijk hun geheele gesprek af te luisteren.
-</p>
-<p>&#x201e;Zonderlinge wegen,&#x201d; zeide Agoracritus, &#x201e;begint de beeldhouwkunst der Atheners in
-te slaan; vreemde dingen vind ik, na menigen zwerftocht Athene weder bezoekend, ten
-toon gesteld in de werkplaatsen van mijn jongere kunstbroeders. Waar is de oude verhevenheid
-en waardigheid gebleven? Hebt gij den slaaf, die de ingewanden der offerdieren roostert,
-gezien, door Styppax bewerkt? Wij besteedden onze beste krachten aan de beelden der
-Goden en Heroën; en nu wordt met al de zorgvuldigheid der kunst een ellendige slaaf
-afgebeeld, die, ingewanden roosterend, met bolle wangen het vuur aanblaast. De jonge
-Strongylion beproeft zijne kunst aan het ruwe werk om het <span class="corr" id="xd30e7901" title="Bron: Troiaansche">Trojaansche</span> paard in metaal te gieten. Van Demetrius zag ik een oud man met een dikken buik en
-een kalen schedel, opgezwollen aderen en een baard, waarvan enkele vlokken als door
-den wind bewogen uit de massa fladderen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;De beeldhouwers zouden zoo iets niet maken,&#x201d; hernam Phidias, &#x201e;als het den Atheners
-niet beviel. Wie zou kunnen loochenen, dat helaas! verbastering in het hart en de
-aderen van het Atheensche volk binnensluipt. Evenals in de beeldhouwkunst het leelijke
-zich naast het schoone begint te plaatsen, zoo wordt immers ook op de Pnyx, naast
-de donderende, Olympische welsprekendheid van den edelen Pericles, het woest getier
-van een Cleon vernomen. En vroeger hadden wij één Hipponicus en één Pyrilampes, thans
-hebben wij er honderden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Weelderigheid en genotzucht krijgen de overhand,&#x201d; zeide Agoracritus. &#x201e;En wie heeft
-haar het eerst openlijk gepredikt, de boodschap van weelderigheid <span class="pageNum" id="pb2.235">[<a href="#pb2.235">235</a>]</span>en genotzucht? Sedert de vriendin van Pericles eens mijn, en ik durf schier zeggen,
-ook uw werk den prijs ontzeide ten gunste van den overmoedigen Alcamenes, sedert dien
-dag is de gramschap tegen de machtige vrouw niet uit mijne ziel verdwenen. Toen zij
-boosaardig mijne Aphrodite tot eene Nemesis verklaarde, vloog de gedachte door mijn
-hoofd: Ja, zij zal u eene Nemesis worden, mijne Aphrodite. Gij zult haar ondervinden,
-de macht der wrekende Godin! En inderdaad met langzamen, maar zekeren tred nadert
-zij, de wraak!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Billijk en rechtvaardig zullen de Goden richten!&#x201d; hernam Phidias ernstig. &#x201e;En als
-zij de overmoedige dartelheid der Milesische breidelen, zullen zij ook de geheime
-listen van dien Diopithes straffen, tot wiens bondgenoot uwe wraakgierigheid u gemaakt
-heeft. Wat wij ook in Pericles&#x2019; gade mogen berispen of wraken, vergeet niet, dat zonder
-haar moedig en betooverend woord de tinnen van ons Parthenon hier niet voltooid zouden
-prijken en dat wij geen feller tegenstander bij dit werk gehad hebben, dan den sluwen
-<span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span>!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij werpt u alzoo op tot vriend en beschermer van de Milesische?&#x201d; vroeg Agoracritus.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat niet!&#x201d; hernam Phidias. &#x201e;Ik houd evenmin van Aspasia als van den <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span>, en ik ruim het veld voor beiden, daar ik spoedig weder denk terug te keeren naar
-het mij lief geworden Olympia. Ik heb ondervonden, dat de Eleërs dankbaarder zijn
-dan de Atheners. Ik heb, dunkt mij, thans genoeg voor Athene gedaan. Het overige mijner
-dagen wil ik aan het groote Hellas wijden. Ik laat Athene over aan zijne Aspasia&#x2019;s,
-zijne volksleiders, zijne brassers en aan zijne sluwe, nietswaardige, wraakgierige
-<span class="corr" id="xd30e7921" title="Bron: Erechtheus-priesters">Erechtheüs-priesters</span>!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij had gelijk,&#x201d; zei Agoracritus, &#x201e;dat gij Athene den rug hebt toegekeerd; de Atheners
-zouden misschien zelfs uwe kunst hebben ontwijd en bedorven; naar hun laatsten smaak
-hadt gij wellicht <span class="pageNum" id="pb2.236">[<a href="#pb2.236">236</a>]</span>Priapussen moeten beitelen, in plaats van Olympische Goden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Of de wanstaltige gedaante van dien bedelaar, die op deze reine hoogte zich koestert,
-als een uit de onderaardsche poelen ontsnapte molik!&#x201d; sprak Phidias en wees op den
-welbekenden, kreupelen Meno, die juist tusschen de zuilen in de zon lag.
-</p>
-<p>De bedelaar had de woorden van Phidias gehoord; hij grijnsde, balde de vuist en wierp
-hem eene verwensching naar het hoofd.
-</p>
-<p>Phidias stond met Agoracritus op, en eene schrede verder in de richting van het Erechtheüm
-gaande, zag hij Diopithes achter de zuilen staan.
-</p>
-<p>&#x201e;Kijk eens, hoe waakzaam de uilen van het Erechtheüm zijn!&#x201d; zeide Phidias.
-</p>
-<p>Een donkere blik van diepen haat wierp de beschaamde luistervink op den beeldhouwer.
-</p>
-<p>&#x201e;Scherpe snavels en scherpe klauwen hebben ze, de uilen van het Erechtheüm!&#x201d; riep
-hij. &#x201e;Pas op, dat zij u niet onverwachts de oogen uitkrabben!&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo sprak Diopithes. De beeldhouwer echter herhaalde ook thans weder het woord van
-Homerus:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Pallas Athene gedoogt geen vrees in mij!&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">&#x201e;Welaan!&#x201d; mompelde Diopithes voor zich heen, toen de beide mannen zich reeds verwijderd
-hadden. &#x201e;Bouw maar op de bescherming van uwe Pallas, ik bouw op de macht der mijnen!
-Lang genoeg voorbereid is hij, de beslissende kamp tusschen uw gouden en ivoren maaksel
-en het echte, oude Godsbeeld daar binnen in de heilige plaats van het Erechtheüm!&#x201d;
-</p>
-<p>Hij wilde zich juist verwijderen, toen de dolle Meno met zijne kruk, nog altijd in
-zich zelven Phidias met smaadwoorden verwenschend, tegen eene der gladde, schitterende
-zuilen sloeg, zoodat een splinter er afvloog.
-</p>
-<p>Diopithes dit ziende naderde Meno; de blikken van den woesten bedelaar en van den
-<span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> ontmoetten elkander.
-</p>
-<p>Zij kenden elkander.
-<span class="pageNum" id="pb2.237">[<a href="#pb2.237">237</a>]</span></p>
-<p>Meno was eens, zooals reeds verhaald is, met de overige slaven van zijn heer, die
-aangeklaagd was, gefolterd geworden. Niet anders dan met de pijnbank werden Helleensche
-voor het gerecht ondervraagd. Zóó derhalve had Meno getuigenis afgelegd en op grond
-daarvan was de Athener vrijgesproken. Doch de slaaf Meno had van dit pijnlijk verhoor
-eene verminking der ledematen overgehouden. Hij was kreupel geworden. Uit medelijden
-had zijn heer hem in vrijheid gesteld en hem, bij zijn dood, eene aanzienlijke som
-vermaakt. De half krankzinnige Meno echter wierp het ontvangen geld in het Barathon<a class="noteRef" id="xd30e7950src" href="#xd30e7950">3</a> en verkoos als bedelaar werkeloos onder de Atheners rond te dolen. Hij leefde deels
-van de spijzen, die men op de graven der dooden legde. Wanneer het &#x2019;s winters vroor,
-warmde hij zijne jichtige leden bij de vuren der smidsen of aan de ovens der openbare
-baden. Een lievelingsoord van hem was een afschuwelijke plek in Milete, waar men de
-lichamen der ter dood gebrachten en de stroppen en kleederen der zelfmoordenaars wierp.
-Hij verzamelde de stroppen zorgvuldig en telde ze dagelijks. Een hond, die schurftig
-geworden was en daarom door zijn meester weggejaagd, was naar hem toegeloopen en sedert
-onafscheidelijk van hem. Meno was van een kwaadaardig, sluw karakter en zijn hoogste
-genoegen scheen hij er in te stellen, zoo hij twist en tweedracht kon zaaien of eenig
-kwaad onder het volk te weeg brengen. Hij scheen door een heimelijk gevoel van wraak
-bezield en in alles scheen zijn toeleg om de slavernij op de vrije onderdrukkers te
-wreken. Opzettelijk deed de verminkte bedelaar zich krankzinniger voor dan hij inderdaad
-was, om ongestraft den Atheners de hardste waarheden naar het hoofd te kunnen slingeren
-en in &#x2019;t algemeen alles te mogen doen, wat men een mensch met gezonde zinnen niet
-zou toestaan. Hij was steeds op de Agora of elders op openbare plaatsen te zien; <span class="pageNum" id="pb2.238">[<a href="#pb2.238">238</a>]</span>ook op de Acropolis was hij tehuis geraakt, waar hij onder de schare van werklieden
-rondliep. Want overal vond hij zich op zijne plaats waar drukte van menschen was en
-waar hij zijne duivelsche rol kon spelen.
-</p>
-<p>Bovenal echter was &#x2019;t hem op de Acropolis bevallen, van het oogenblik af, dat hij
-bemerkte hoe de <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> Diopithes en de bouwmeester Callicrates elkander met verbittering bestreden. Hij
-scheen zich tot taak te hebben gesteld de tempeldienaars van den <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> en de werklieden van Callicrates tegen elkander in &#x2019;t harnas te jagen. Hij liet zich
-ook gewillig als tusschenpersoon of als spion gebruiken. Hij diende beide partijen,
-en beiden haatte hij evenzeer, zooals hij allen haatte, die vrijgeborenen en Atheners
-waren.
-</p>
-<p>Diopithes zelf sprak somwijlen met hem en erkende weldra de bruikbaarheid van dit
-werktuig. De man was immers altijd onder het volk, hij bespiedde en beluisterde alles.
-Niemand meende iets voor den onnoozele te behoeven te verbergen, en de scherpheid
-zijner tong maakte hem even zeer gezocht als gevreesd bij het Atheensche volk.
-</p>
-<p>Meno en Diopithes kenden derhalve elkander en zij verstonden elkander zeer goed. Lang
-onderdrukte wrok en wraakzucht maakten den lammen bedelaar en den priester tot bondgenooten.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij zijt boos op Phidias?&#x201d; begon Diopithes.
-</p>
-<p>&#x201e;Moge de helhond met zijn honderd koppen hem vernielen!&#x2014;Trotsche kerel! Joeg mij altijd
-de deur uit, als hij merkte, dat ik mij warmde aan het vuur der smeltovens in zijne
-werkplaats&#x2014;mijne wanstaltigheid beviel hem niet.&#x2014;Gij zijt een gedrocht, Meno, zei
-hij, een monster&#x2014;hij wilde alleen Olympische Goden en Godinnen om zich heen zien&#x2014;ha,
-ha, ha.&#x2014;Dat de bliksem hem treffe, hem en alle Atheners te zamen!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij waard dus nog al dikwijls in zijne werkplaats?&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Hij zag mij niet altijd&#x2014;ik hem wel&#x2014;Meno weet in hoekjes en gaatjes te kruipen&#x2014;zag
-hem zijn <span class="pageNum" id="pb2.239">[<a href="#pb2.239">239</a>]</span>ijdel, blinkend handwerk verrichten&#x2014;zag hem roekeloos omgaan, hem en de zijnen, met
-het witte marmer en het metaal en het ivoor en het blinkend goud.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Zaagt gij hem roekeloos omgaan met het goud?&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Bij dit woord begonnen de oogen van den <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> zeldzaam te flikkeren en een grijnslach plooide zijne lippen.
-</p>
-<p>&#x201e;Zaagt gij hem met het goud spelen, Meno?&#x201d; herhaalde hij, terwijl een onheilspellend
-vuur uit zijne loensche oogen straalde; &#x201e;met het blinkend goud, dat de stad der Atheners
-hem in zijne werkplaats verschaft heeft, om daaruit en uit ivoor de Godenbeelden op
-de Acropolis te maken?&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja zeker, zeker&#x2014;met het blinkend goud der Atheners&#x2014;ik zag hem grabbelen in gansche
-schatten van goud en ivoor&#x2014;dat blonk en glom.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zou al dat blinkende goud wel in den smeltkroes gekomen zijn, Meno? Zou niet misschien
-toevallig iets aan de vingers zijn blijven kleven van hen, die daarmede omgingen?&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Bij deze laaghartige vraag zag de bedelaar den priester grijnzend aan. Een daemonische
-glans lag op zijn gelaat.
-</p>
-<p>&#x201e;Ha, ha, ha,&#x201d; lachte hij&#x2014;&#x201e;Meno weet te loeren, te bespieden&#x2014;zag hem werken, ook als
-hij meende niet opgemerkt te worden&#x2014;zag hem heimelijk kasten openen, waar het verborgen
-goud fonkelde,&#x2014;ha, ha, ha,&#x2014;het gele goud&#x2014;het goud der Atheners&#x2014;oogen zette hij dan
-op als een griffioen, die een schat bewaakt,&#x2014;tastte er in als met klauwen&#x2014;zóó.&#x2014;Het
-schuim kwam hem op den mond, toen hij mij ontdekte&#x2014;joeg mij de deur uit&#x2014;wilde niet,
-dat ik mij warmde&#x2014;Wacht maar, ellendeling&#x2014;zie mij maar aan met uw bliksemend oog,
-oude, grauwe griffioen.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>En wederom hief de bedelaar dreigend de kruk op tegen het Parthenon, als wilde hij
-het uit wraak tegen den meester in puin slaan.
-</p>
-<p>Na eene kleine pauze naderde de priester hem <span class="pageNum" id="pb2.240">[<a href="#pb2.240">240</a>]</span>nog dichter en fluisterde hem in &#x2019;t oor:
-</p>
-<p>&#x201e;Hoor eens, Meno, wat gij daar gezegd hebt, zoudt gij dat ook op de Agora durven zeggen
-ten aanhoore van alle Atheners?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ten aanhoore van alle Atheners&#x2014;ten aanhoore van alle twintigduizend lompe honden
-van Atheners dat de pest ze hale!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Sinds dit onderhoud verspreidde zich door geheel Athene het praatje van harde, trotsche,
-beleedigende woorden, die Phidias zou gesproken hebben tegen zijne kunstbroeders en
-tegen het geheele Atheensche volk. Er werd verteld, dat hij op de volksheerschappij
-gesmaald, dat hij zijn vaderland veracht en de Eleërs geprezen had, dat hij gezworen
-had Athene den rug toe te keeren en voortaan alleen aan andere Hellenen zijne diensten
-te zullen wijden. Tevens werd er gemompeld van goud, hem van staatswege geleverd,
-en dat niet geheel en al in de smeltkroezen zijner werkplaats gekomen was&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Als onkruid schoten deze praatjes op onder het volk tot eene giftige plant van verbittering
-en vijandschap tegen den edelen, rustig werkenden meester van het Parthenon.
-</p>
-<p>De dag was gekomen, waarop de zaak van Aspasia voor de Heliasten, onder voorzitterschap
-van den Archon Basileus, in een der gerechtshoven van de Agora zou behandeld worden.
-</p>
-<p>Van den vroegen morgen af drong het volk om het gerechtshof.
-</p>
-<p>Rustig en kalm was op dien dag onder alle Atheners alleen Aspasia zelve. Zij stond
-op een bovenvertrek van haar huis en zag door eene soort van venster op straat naar
-de menigte, die naar de Agora trok.
-</p>
-<p>Zij was een weinig bleek, doch niet van angst; want om hare lippen zweefde een verachtelijke
-glimlach.
-</p>
-<p>Pericles trad tot haar.
-</p>
-<p>Hij was bleeker dan Aspasia en een diepen ernst lag op zijne trekken. Stilzwijgend
-sloeg hij een <span class="pageNum" id="pb2.241">[<a href="#pb2.241">241</a>]</span>blik naar den somberen hemel boven zich. De lucht was betrokken. Zwermen van kraanvogels
-vlogen van den Noordelijken Strymon<a class="noteRef" id="xd30e8003src" href="#xd30e8003">4</a> naar Attica en hun gekras scheen een voorbode van regen te zijn.
-</p>
-<p>Nu trad een lange trein van meest bedaagde mannen over de straat. Het was de afdeeling
-der Heliasten, aan wie de zaak van Aspasia ter beslissing was opgedragen. Het waren
-de rechters, voor wie de gade van Pericles zich moest verantwoorden en door wie haar
-vonnis zou worden uitgesproken.
-</p>
-<p>&#x201e;Kijk, daar zijn die oude jongens!&#x201d; zei Aspasia glimlachend, op de Heliasten wijzend.
-&#x201e;De helft van hen draagt afgesleten mantels, heeft een hongerig voorkomen en steunt
-in het loopen op dien langen, mij onverdragelijken Atheenschen stok, dien Phidias
-zelfs in het fries op de Acropolis aan &#x2019;t oog der schoonheidkenners heeft vertoond.
-Er zijn er onder, die knoflook kauwen en de smerige obolen, die zij als rechtersloon
-voor dezen dag zooeven ontvangen hebben, tusschen de lippen houden.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">&#x201e;</span>&#x2019;t Zijn mannen uit het volk,&#x201d; zei Pericles en haalde de schouders op. &#x201e;&#x2019;t Zijn mannen
-uit het Atheensche volk, &#x2019;t geen u eens zoo goed beviel, dat gij ter liefde daarvoor,
-naar gij mij verhaald hebt, het Perzische hof en uw schoon Milete hebt verlaten, en
-door sterke begeerte gedreven over de zee herwaarts zijt gekomen, om het op te zoeken
-en er onder te leven.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Aspasia sprak niet één enkel woord.
-</p>
-<p>&#x201e;Dit knoflook kauwend, lange stokken dragend, obolen in den mond nemend Atheensche
-volk,&#x201d; vervolgde Pericles, &#x201e;is juist hetzelfde, welks schoone gestalte en ongedwongen
-houding uwe bewondering wekte, welks vaderlandsliefde u trof, welks kunstliefde u
-niet alleen in de scheppende beeldhouwers en dichters onvergelijkelijk voorkwam, maar
-insgelijks in zijne geestdrift, in zijn <span class="pageNum" id="pb2.242">[<a href="#pb2.242">242</a>]</span>fijnen smaak om te zien, te hooren en te genieten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Nu echter weet ik,&#x201d; hernam Aspasia, &#x201e;dat het veelgeprezen, fijne Attische volk nog
-sporen van ruwheid, ik mag wel zeggen, van barbaarschheid, in zich bevat.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Er is niets volmaakts onder de zon!&#x201d; sprak Pericles, &#x201e;een groot licht gaat altijd
-met groote schaduw gepaard. Ik herinner mij onlangs in de werkplaats van een onzer
-beeldhouwers een zonderling beeld gezien te hebben: &#x2019;t was eene gestalte met vleugels
-aan de schouders en bokspooten. Dit wangedrocht schijnt mij het Atheensche volk. Het
-heeft aanleg voor de hoogste vlucht, maar het loopt nog op bokspooten. Overigens moet
-gij bedenken, dat het Atheensche volk zijne groote deugden zelf alleen bezit, terwijl
-het zijne zwakheden met anderen deelt. En evenals de schoonste vrouw toch altijd vrouw
-blijft, zoo is het voortreffelijkste volk nog altijd een volk, aangedaan met de zwakheden
-en hartstochten van hetgeen men juist het volk, de massa, den grooten hoop pleegt
-te noemen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Meer dan andere,&#x201d; riep Aspasia opstuivend, &#x201e;is het Atheensche volk ondankbaar, wispelturig,
-naar iederen wind draaiend, lichtzinnig.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar het is beminnelijk!&#x201d; zei Pericles op een toon van fijne ironie, &#x201e;genotlievend
-en vroolijk en een vurig vriend en vereerder van het schoone.&#x2014;Wat wilt gij nog meer,
-Aspasia?&#x2014;Hebt gij zelve niet dikwijls genoeg den armen suffer Socrates uitgelachen
-en bespot, omdat hij van het Atheensche volk nog andere deugden scheen te verlangen,
-dan die, welke ik u zooeven opnoemde?&#x201d;
-</p>
-<p>Aspasia wendde trotsch het hoofd af, alsof zij beleedigd was.
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Is tijd,&#x201d; zei Pericles na eene pauze, &#x201e;om te gaan en ons naar &#x2019;t gerechtshof op
-de Agora te begeven, waar de rechters u wachten.&#x2014;Zijt gij in het geheel niet bevreesd,
-Aspasia? Uwe trekken verraden niet de minste bekommering. Wilt gij mij alleen de bange
-zorgen overlaten?&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb2.243">[<a href="#pb2.243">243</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Ik vrees,&#x201d; hernam Aspasia, &#x201e;veel meer de nare lucht van het knoflook in die vertrekken,
-dan het vonnis, dat uit den mond dier mannen mij treffen kan. Nog voel ik mij door
-denzelfden moed bezield, die mij vervulde onder het gepeupel van Megara en in het
-volksgedrang in de straten van Eleusis.&#x201d;
-</p>
-<p>Terwijl dit gesprek tusschen hen beiden werd gevoerd, waren de Heliasten in het gerechtshof
-op de Agora aangekomen; ook de Archon Basileus was met eenige ondergeschikte ambtenaren,
-openbare schrijvers, verschenen, benevens de opgeroepen getuigen van den aanklager
-en de aangeklaagden.
-</p>
-<p>Vóór het gerechtshof echter woelde de schare des volks levendig dooreen. Bont door
-elkander gonsden daar de stemmen; meeningen, wenschen, voorspellingen werden gewisseld.
-Men kon tegenstanders en aanhangers der beklaagden, ook onpartijdigen, hooren.
-</p>
-<p>&#x201e;Weet gij waarom zij Anaxagoras en Aspasia aangeklaagd hebben?&#x201d; riep er een. &#x201e;Omdat
-zij Pericles gevoelig willen treffen, maar zich aan hem zelven niet durven wagen.
-Want er is geen sterveling in Athene, die Pericles zelven openlijk zou durven aantasten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar zou men het daarom niet kunnen?&#x201d; <span class="corr" id="xd30e8032" title="Bron: schreeude">schreeuwde</span> een verschrompeld mannetje, met gluipende oogen, nader bij komend. &#x201e;Zou men het niet
-kunnen? Zou men van Pericles, na een bestuur van zoovele jaren, geen betere en nauwkeuriger
-rekening en verantwoording kunnen verlangen, dan hij tot nu toe gedaan heeft? Komen
-in zijne rekeningen geen posten voor met de eenvoudige verklaring: doelmatig aangewend?
-Wat moet dat beteekenen, bid ik u, doelmatig aangewend? Zeg? Kan men het volk onbeschaamder
-zand in de oogen strooien? Hoort toch eens: doelmatig aangewend!&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo riep de man en vervolgde zijn weg door de menigte en vroeg overal, wat het toch
-beteekenen moest &#x201e;doelmatig aangewend.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat zijn sommen,&#x201d; merkte iemand op met een <span class="pageNum" id="pb2.244">[<a href="#pb2.244">244</a>]</span>geheimzinnig gezicht, &#x201e;die Pericles aanwendt, om invloedrijke mannen in de Peloponnesus
-den mond te stoppen opdat zij geen booze plannen zouden smeden tegen Athene.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Opdat zij hem niet zouden dwarsboomen in de herstelling der tyrannie<a class="noteRef" id="xd30e8042src" href="#xd30e8042">5</a> te Athene!&#x201d; viel het levendige mannetje met de loensche oogen schamper lachend in.
-&#x201e;Want wanneer gij u verbeeldt, dat de geleerde Pericles, zoo dikwijls hij met zijne
-vrienden fluistert, alleen de lengte van vlooienpooten en de breedte van muggenbeten
-met hen berekent, dan dwaalt gij! Hij bazelt reeds lang over de eenheid van geheel
-Hellas&#x2014;hij zou, om het kortweg bij zijn naam te noemen, vol gaarne tyran van het geheele
-Helleensche land worden. Zijne vrouw, de Milesische, heeft hem dit in &#x2019;t hoofd gezet,
-en dit denkbeeld vindt hoe langer zoo meer ingang bij hem en zal hem tot razernij
-brengen. Naar niets minder dan naar eene koningskroon verlangt deze hetaere&#x2014;zij zou
-zoo gaarne koningin heeten&#x2014;koningin van geheel Hellas&#x2014;de lauweren harer landgenoote
-drijven haar den slaap uit de oogen.&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo zaaide de vijand der tyrannie, met zijne scherpe tong, twist en tweedracht.
-</p>
-<p>In het gerechtshof echter op de Agora zaten reeds de rechters op hunne houten banken,
-afwachtende de dingen, die komen zouden. De Archon Basileus bekleedde het voorzitterschap,
-terwijl schrijvers en dienaren hem omringden.
-</p>
-<p>De gerechtsplaats was afgezet; eene getraliede deur verschafte alleen toegang aan
-hen, die de Archon Basileus opriep.
-</p>
-<p>Aan de buitenzijde der omheining verdrong zich het volk, om aan te hooren, wat gesproken
-zou worden.
-</p>
-<p>Tegenover de banken der rechters was voor de beklaagden, zoowel als voor den aanklager,
-eene eenigszins verheven stellage opgericht, waardoor zij in de verte gezien en op
-een afstand gehoord konden worden.
-<span class="pageNum" id="pb2.245">[<a href="#pb2.245">245</a>]</span></p>
-<p>Op eene dier hoogere plaatsen zat Hermippus, een man van een onaangenaam somber uiterlijk,
-wiens doorborend oog onrustig ronddwaalde.
-</p>
-<p>Op de andere plaats zat Aspasia, naast haar Pericles. Want als vrouw, maar vooral
-als vreemdelinge, moest zij zich voor het gerecht door een man, een burger des vaderlands,
-laten vertegenwoordigen.
-</p>
-<p>Het was een schouwspel, dat het hart van velen bewoog en roerde, de schoonste en meest
-gevierde vrouw van haar tijd, de vrouw van den grooten Pericles, op de bank der beschuldigden
-te zien.
-</p>
-<p>Dat Pericles naast haar zat, haar mede-aangeklaagde als het ware, verhoogde nog het
-ernstige en treffende van het tooneel.
-</p>
-<p>Met een zekeren trots zetten de rechters en een deel des volks de borst op, daar zij
-zagen, dat ook de machtigsten zich voor hun rechterstoel moesten stellen en zich onderwerpen
-aan de almachtige wetten van den staat.
-</p>
-<p>Boosaardige blikken wierp Hermippus op de schoone vrouw, over wier gelaat eene zachte
-bleekheid lag, die de uitdrukking van ongebogen fierheid, welke uit hare trekken straalde,
-nauwelijks vermocht te temperen.
-</p>
-<p>Thans opende de Archon Basileus de vergadering. Hij nam den aanklager den eed af,
-dat hij alleen ter liefde der waarheid en der rechtvaardigheid de aanklacht had ingediend.
-De rechters zelven hadden reeds bij de aanvaarding van hun ambt den eed van rechtvaardigheid
-en stipte nauwgezetheid afgelegd.
-</p>
-<p>Nu liet de Archon door een der staatsschrijvers eerst de aanklacht, daarna het tegen
-de akte van beschuldiging ingediende tegenschrift voorlezen.
-</p>
-<p>Vervolgens verzocht hij den klager zijne aanklacht mondeling en uitvoerig toe te lichten.
-</p>
-<p>Hermippus stond op. Zijne rede vloeide over van sarkasme. Men zou meenen eene comedie
-aan te hooren. Hij besprak met scherpe, snijdende woorden de feiten, waarop, naar
-zijne meening, de aanklacht <span class="pageNum" id="pb2.246">[<a href="#pb2.246">246</a>]</span>tegen Aspasia berustte: hoe zij te Eleusis ten aanhoore van het geheele volk oneerbiedig
-gesproken had over de Eleusinische Godinnen en over de heilige gebruiken des lands;
-hoe zij omgang had gehouden met de Sophisten, met Anaxagoras en Socrates, boven alles
-echter met dien welsprekendsten godloochenaar Protagoras, die zich een geruimen tijd
-te Athene had opgehouden, doch thans weder zijne dwaalleer predikend en de jeugd bedervend,
-in andere Helleensche steden <span class="corr" id="xd30e8066" title="Bron: rond zwierf">rondzwierf</span>: hoe zij verder haar geheele streven daarop gericht had, om de Atheensche vrouwen
-tot verzet tegen de instellingen des lands op te ruien, hoe zij eens bij gelegenheid
-van het Thesmophoriën-feest voor alle Atheensche vrouwen was opgetreden, om met haar
-eene samenzwering te maken tot vernietiging van die eerwaardige wetten, waardoor de
-echt en het familieleven der Atheners geheiligd waren; hoe zij verder vrijgeboren
-Atheensche vrouwen in haar huis had gelokt, om haar tot een ontuchtig leven en de
-lichtzinnige levensopvatting der hetaeren te verleiden; hoe zij eindelijk zelfs zoover
-was gegaan, dat zij een aantal meisjes in huis had opgenomen, klaarblijkelijk met
-geen ander doel, dan om ze tot onzedelijkheid op te kweeken en ze met aanzienlijke
-Atheensche mannen te verbinden.
-</p>
-<p>Als getuige voerde Hermippus velen dergenen aan, die te Eleusis de openlijk uitgesproken
-woorden van Aspasia mede hadden aangehoord; van sommigen echter liet hij de schriftelijke
-verklaringen door den openbaren schrijver voorgelezen. De aansporing der vrouwen tot
-eene samenzwering tegen de wetten van den staat liet hij door de vrouwen getuigen,
-die aan dat Thesmophoriën-feest hadden deelgenomen. De poging om vrijgeboren vrouwen
-tot ontucht te verleiden liet hij door de voorgelezen verklaring van Xenophon&#x2019;s gade
-bevestigen, wie dit getuigenis was afgeperst door Telesippe en de zuster van Cimon.
-Wat de jonge meisjes in Aspasia&#x2019;s huis betrof, beriep hij zich op de algemeene bekendheid
-<span class="pageNum" id="pb2.247">[<a href="#pb2.247">247</a>]</span>dezer zaak onder de Atheners, en hij verzuimde niet op den voorgrond te plaatsen,
-hoe juist wegens de meisjes de Atheensche staat in den laatsten tijd in gevaarlijke
-verwikkelingen geraakt was met Megara en met de bondgenooten van deze vijandig gezinde,
-naburige Dorische stad.
-</p>
-<p>Zijne slotsom was, dat Aspasia in drie opzichten gezondigd had: tegen het oude geloof
-en den godsdienst des lands, tegen den staat en de eerwaardigheid zijner wetten, tegen
-de goede tucht en de zedelijkheid. Hij liet door den schrijver een aantal wetten voorlezen
-en toonde aan, dat naar Atheensch recht, al die handelingen strafwaardig waren en
-dat op de meeste de dood gesteld was; dat Aspasia&#x2019;s hoofd en leven derhalve, daar
-zij van die misdaden voldingend overtuigd was geworden, aan de wet vervallen was.
-Hij bezwoer bij gevolg de rechters in hartstochtelijke opgewondenheid en met verheffing
-van stem, toch het heiligste wat een staat bezat, ter harte te nemen, den overmoed
-der vreemdelinge, die het omverwerpen van de oudvaderlijke inzettingen beoogde, te
-tuchtigen en den tot dusverre door de Goden geliefden en door de Goden gezegenden
-staat der Atheners niet te laten te gronde gaan in de school van teugelloosheid, van
-wetsverachting en van godloochening.
-</p>
-<p>De vurige redevoering van Hermippus maakte een diepen indruk op de rechters, die meest
-op gevorderden leeftijd en uit de laagste klasse des volks afkomstig waren. Ook uit
-de menigte, die buiten de afsluiting in ademlooze stilte de rede van Hermippus had
-gevolgd, verhief zich een gemompel:
-</p>
-<p>&#x201e;Hermippus heeft fraai gesproken&#x2014;zijne bewijzen waren scherp en afdoende&#x2014;hij heeft
-de wetten op zijne hand&#x2014;het hoofd der Milesische moet vallen.&#x201d;
-</p>
-<p>Nadat Hermippus geëindigd had en weder op zijne plaats was gaan zitten, verhief zich
-Pericles.
-</p>
-<p>Oogenblikkelijk heerschte weder de diepste stilte en ieder oor luisterde in gespannen
-aandacht naar <span class="pageNum" id="pb2.248">[<a href="#pb2.248">248</a>]</span>den eersten klank uit den mond van Aspasia&#x2019;s gemaal.
-</p>
-<p>Pericles&#x2019; geheele wezen scheen veranderd. Zijn uiterlijk was niet, zooals hij voor
-het volk op de Pnyx verscheen, wanneer hij het redenaarsgestoelte besteeg en in waardige
-rust, zeker van den uitslag, zijne meeningen uitsprak. Voor de eerste maal scheen
-de kalmte gedwongen, die hij uiterlijk ook nu ten toon spreidde, en eene lichte trilling
-klonk in zijne stem, toen hij begon te spreken.
-</p>
-<p>Hij ontkende de schuld van Aspasia. Het eene punt van beschuldiging na het andere
-behandelende, trachtte hij aan te toonen, dat het alleen aan de hatelijke overdrijving
-gelukt was Aspasia&#x2019;s gedrag den schijn eener misdaad te geven, waarop de doodstraf
-stond. En waar hij niet loochenen kon, dat de letter der Atheensche wet tegen Aspasia
-sprak, beriep hij zich op hare daden en edele bedoelingen, en zocht te bewijzen, dat
-een edel streven nooit misdadig kan zijn.
-</p>
-<p>Doch er was ditmaal iets weifelends in de redevoering van den gevierden spreker, die
-den bijnaam van den Olympiër voerde. Men kon duidelijk bemerken, dat zijne woorden
-slechts een geringen indruk op zijne hoorders teweegbrachten. Was zijne inwendige
-ontroering te groot, zoodat zij zijne scherpzinnigheid verstompte?&#x2014;
-</p>
-<p>Ten laatste echter deed Pericles, zooals Hermippus gedaan had. Hij liet op zijne bewijsvoering
-eene aanspraak aan de rechters volgen, die uit het hart voortkwam en tot het hart
-sprak.
-</p>
-<p>Hij zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Deze vrouw hier is mijne gade. En wanneer zij schuldig is aan de misdaden, dan ben
-ik ook schuldig. Hermippus klaagt ons aan, omdat wij de waardigheid der Goden hebben
-gehoond, het gezag van den staat gekrenkt, de tucht en de goede zeden hebben geschonden.
-Mannen van Athene! als ik mij mag beroemen op iets van hetgeen gij op mijne aansporing
-hebt gedaan, dan heb ik het aanzien der Goden van ons land niet verkleind, <span class="pageNum" id="pb2.249">[<a href="#pb2.249">249</a>]</span>maar veeleer hen verheerlijkt, als iemand vóór mij, door prachtige tempels en schitterende
-beelden op de Acropolis en te Eleusis. Ik heb den staat niet gekrenkt, integendeel
-voor hem gestreden in bloedige slagen; ik heb de macht der oligarchen gebroken en
-aan het volk de vrijheid gegeven. Ik heb de tucht en de goede zeden niet verslapt,
-maar ze versterkt en veredeld, terwijl ik de beoefening en bevordering van het goede
-en het schoone onder u heb zoeken te verbreiden, en daardoor het gemeene en ruwe tegen
-te gaan. En in die pogingen, mannen van Athene, heeft mij deze vrouw, Aspasia van
-Milete, niet belemmerd, maar ondersteund en aangespoord. Datgene, wat het volk en
-de stad der Atheners misschien voor alle volgende tijden zal verheerlijken, is voor
-een niet gering deel, hare verdienste. Niet met het verval van dezen staat, maar met
-zijn edelsten bloei, macht en heerlijkheid zal de herinnering van haar naam voor altijd
-verbonden zijn.&#x2014;Dit zijn feiten, gij mannen van Athene, en wij beiden gelooven ons
-verdienstelijk gemaakt te hebben omtrent het volk en de stad der Atheners. Gindsche
-Hermippus echter komt en roept u toe: &#x201e;Scheurt de uitverkorene, de geliefde wettige
-vrouw van Pericles van zijn hart en sleept haar voor zijne oogen ter dood!&#x201d;
-</p>
-<p>Bij deze woorden parelde een traan in het oog van Pericles.
-</p>
-<p>Een traan in het oog van den rustigen, waardigen Pericles! Een traan in het oog van
-den Olympiër! Die traan had een, naar de gewone wetten der natuur onverklaarbare uitwerking.
-Hij werkte verbijsterend als een wonder, als een meteoor, als een door de Goden gezonden
-teeken uit den hemel.
-</p>
-<p>Zij, die met eigen oogen hadden gezien, hoe de traan een oogenblik blonk in het manlijk
-oog van Pericles, doch spoedig werd weggepinkt, zagen elkander met veelbeteekenende
-blikken aan.
-</p>
-<p>Zij fluisterden elkander toe:
-</p>
-<p>Pericles heeft geweend!
-<span class="pageNum" id="pb2.250">[<a href="#pb2.250">250</a>]</span></p>
-<p>Uit de gerechtszaal verspreidden zich over de Agora de woorden:
-</p>
-<p>Pericles heeft geweend!
-</p>
-<p>Van de Agora liep het in korten tijd door de geheele stad Athene:
-</p>
-<p>Pericles heeft geweend!
-</p>
-<p>Tegelijkertijd kwam te Athene het bericht van een zeeslag bij Sybota, waarin Atheensche
-schepen den Corcyraeërs<a class="noteRef" id="xd30e8105src" href="#xd30e8105">6</a> tegen de Corinthiërs met schitterenden uitslag ter hulp waren gekomen. Maar men luisterde
-slechts ten halve naar het bericht&#x2014;men sprak over niets, dan over den traan van Pericles.
-</p>
-<p>Aan de rede van Hermippus voor de Heliasten was eene grens gesteld door den zandlooper,
-aan de rede van Pericles maakte de opwellende traan een einde.
-</p>
-<p>Een dienaar naderde op den wenk van den Archon en verdeelde de stemsteentjes onder
-de rechters. Aan ieder reikte hij ten aanschouwe van allen een witten en een zwarten
-steen, een die vrijsprak en een die veroordeelde.
-</p>
-<p>Toen verlieten de Heliasten hunne zetels, traden een voor een naar eene koperen vaas
-en wierpen een stemsteentje daarin, het witte of het zwarte. Den steen, dien zij over
-hadden, wierpen zij in een anderen, houten bak.
-</p>
-<p>De eerste stemming der Heliasten gold het schuldig of onschuldig; de tweede gold,
-in geval van schuldigverklaring, de straf, die tegen den aangeklaagde geëischt werd.
-</p>
-<p>Nu waren de steenen van alle Heliasten in de stembus. Zorgvuldig werden de witte en
-de zwarte onmiddellijk geteld onder de oogen van den Archon.
-</p>
-<p>Met onbeschrijfelijke spanning waren aller oogen op de uit de urn rollende witte en
-de zwarte steenen gevestigd. En zie! De heldere loten, die ten <span class="pageNum" id="pb2.251">[<a href="#pb2.251">251</a>]</span>leven beslisten, namen in groote getale toe en zegevierend overtroffen zij de donkere
-loten des doods.&#x2014;
-</p>
-<p>De vrouw van Pericles was vrijgesproken. In de weegschaal van Themis was de traan
-van den held met beslissende zwaarte gevallen.
-</p>
-<p>Uit den mond van den Archon klonk het gewijsde en als op vleugelen gedragen verspreidde
-die mare zich over de gansche Agora.
-</p>
-<p>Aspasia stond op. Een lichte blos kleurde haar gelaat. Haar blik zweefde een oogenblik
-met helderen glans over de eerwaardige hoofden der Heliasten. Toen reikte zij stilzwijgend
-hare hand aan Pericles. Deze voerde haar weg. Een sluier bedekte haar gelaat, terwijl
-zij door de menigte gingen.
-</p>
-<p>Op de Agora begroetten en vergezelden Pericles de door duizenden monden aangeheven
-vreugdekreten der Atheners.
-</p>
-<p>In alle straten, die Pericles op zijn terugweg met zijne gesluierde gade doorging,
-verdrong zich het volk en de verschillendste uitroepen werden gehoord of gefluisterd,
-al naar mate ieders gezindheid, bij het zien van Aspasia. Een uitroep echter had den
-boventoon, die telkens en overal werd herhaald:
-</p>
-<p>&#x201e;Wat een schoone vrouw is nog altijd Aspasia!&#x201d;
-</p>
-<p>Deze uitroep verkreeg ten laatste de overhand over alle andere, en alleen de waanzinnige
-Meno riep de schoone Milesische, toen zij hem voorbij ging, een scheldwoord na.
-</p>
-<p>Plotseling stond Socrates, uit de menigte te voorschijn tredend, naast Pericles en
-Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik wensch u geluk, Aspasia!&#x201d; sprak hij, terwijl hij zich bij hen aansloot. &#x201e;Welke
-uren van kwelling en angst waren die laatste voor uwe vrienden!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Waar waart gij,&#x201d; vroeg Aspasia, &#x201e;toen de uitslag werd bekend gemaakt?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Altijd midden onder het volk,&#x201d; hernam Socrates.
-</p>
-<p>&#x201e;En wat hoordet gij onder het volk in al dien tijd?&#x201d; vroeg Aspasia weder.
-<span class="pageNum" id="pb2.252">[<a href="#pb2.252">252</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Vele en verschillende zaken,&#x201d; antwoordde Socrates: &#x201e;ten laatste echter bleven er
-alleen twee gezegden over, die van mond tot mond gingen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En welke waren die?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Pericles heeft geweend!&#x201d; en: &#x201e;Wat eene schoone vrouw is nog altijd Aspasia!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zonderlinge samenloop van zaken!&#x201d; vervolgde Socrates op zijne wonderlijke wijze sprekende.
-&#x201e;De schoonste vrouw is Aspasia, en de gelukkige echtgenoot der schoonste vrouw heeft
-geweend!&#x2014;Draag zorg, Aspasia, dat dit de laatste traan van Pericles moge blijven!
-want alleen de eerste traan van den man is verheven, de tweede is belachelijk. Alleen
-de eerste grijpt aan en schokt&#x2014;de tweede is zonder eenige uitwerking. Pericles mag
-nooit meer weenen! Hoort gij dat, Aspasia? Pericles mag nooit meer weenen!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ben ik het dan soms, die tranen aan Pericles&#x2019; oog tracht af te persen?&#x201d; vroeg Aspasia,
-innerlijk beleedigd.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik beweer alleen, dat Pericles nooit meer weenen mag,&#x201d; hernam Socrates en verdween
-onder de menigte.
-</p>
-<p>Aspasia was verstoord. Hoe? Het vijandig gezinde volk der Atheners had haar heden
-vrijgesproken en uit de schare der verzoende vijanden trad een vriend te voorschijn,
-om haar scherpe, onheilspellende woorden toe te voegen!&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij kent den zonderling!&#x201d; zei Pericles. &#x201e;Oefen geduld met hem! Gij weet, hij meent
-het goed met ons.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Aspasia echter bleef toornig. En de gedachte, reeds lang in hare borst gekoesterd,
-den zonderling te straffen voor de altijd vaardige, altijd onbeschroomde vrijmoedigheid
-zijner tong, ontwaakte opnieuw in de fiere vrouw, terwijl zij in het bewustzijn harer
-zegepraal aan de zijde van haar echtgenoot daarheen ging.&#x2014;
-</p>
-<p>Twee mannen volgden op eenigen afstand het paar met loerende blikken; een hoonende
-grijnslach speelde om hunne lippen, terwijl zij met elkander <span class="pageNum" id="pb2.253">[<a href="#pb2.253">253</a>]</span>fluisterden.
-</p>
-<p>Het waren <span class="corr" id="xd30e8149" title="Bron: Diophithes">Diopithes</span> en de oligarch Thucydides.
-</p>
-<p>&#x201e;Het wijf is ons ontsnapt!&#x201d; zei de oligarch met somberen blik.
-</p>
-<p>&#x201e;Des te erger voor haar!&#x201d; hernam de priester. &#x201e;Gij kent het volk. Ware zij veroordeeld
-geworden, men zou haar beklagen om Pericles&#x2019; wille en medelijden hebben met Pericles;
-doch nu zij er vrij is afgekomen, zal men spoedig zeggen, dat de rechters toch te
-zacht hebben geoordeeld, en dat de macht van Pericles te gevaarlijker wordt wanneer
-men uit liefde voor hem de schuldigen vrijspreekt!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Verheug u voor heden in uwe zegepraal!&#x201d; hernam Diopithes, uit de verte de vuist achter
-Aspasia&#x2019;s gemaal ballend: &#x201e;De pijlen, die gij van het hoofd uwer vrouw hebt afgewend,
-zullen des te gewisser uw eigen hoofd treffen!&#x201d;
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e7695">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7695src">1</a></span> Potidaeä, eene kolonie der Corinthiërs, lag op het schiereiland Chalcidice; in 432
-v. C. viel zij van Athene af, doch werd na eene nederlaag, haar door de Atheners,
-onder Callias, den zoon van Calliades, toegebracht, te land en ter zee ingesloten.
-Na een tweejarig beleg gaf het zich op vrij gunstige voorwaarden over.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7695src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7888">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7888src">2</a></span> De Heliasten waren de rechters in de Heliaeä, d.i. de hoogste rechtbank te Athene,
-uit gezworenen samengesteld.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7888src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7950">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7950src">3</a></span> Barathon beteekent afgrond, vooral de afgrond te Athene, achter de Acropolis gelegen,
-waarin de ter dood veroordeelden geworpen werden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7950src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e8003">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8003src">4</a></span> Eene rivier in Thracië, thans Karasoe of Stroema geheeten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e8003src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e8042">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8042src">5</a></span> Alleenheerschappij.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e8042src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e8105">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8105src">6</a></span> Bewoners van Corcyra (Kerkura); het noordelijkste der Ionische eilanden, ten westen
-van Epirus, omstreeks 700 v. C. door Corinthiërs bevolkt; thans Korfu geheeten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e8105src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch22" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXII.</h2>
-<h2 class="main">STRIJD EN ZEGEPRAAL.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Pericles wandelde met zijn vriend Sophocles in het vroege morgenuur op de Agora, toen
-Euripides, met somberen blik in gezelschap van den waarheidszoeker hen ontmoette.
-Een weinig verwonderd over de vele bagage, die eenige slaven achter hem droegen, bleven
-beiden een oogenblik staan en vroegen hem, waarom hij zoo reisvaardig was en werwaarts
-hij voornemens was te trekken.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik scheep mij in naar Salamis,&#x201d; hernam Euripides. &#x201e;Op dat stille eiland hoop ik eindelijk
-de afzondering en den vrede te vinden, waaraan ik zoo groote behoefte heb. In de grot
-aan het strand, waarin ik het levenslicht aanschouwde, wil ik voortaan mijn lievelingszetel
-opslaan en zonder gestoord te worden mij aan mijne gedachten en overpeinzingen overgeven.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb2.254">[<a href="#pb2.254">254</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Biedt dan uw landhuis u geen stilte en afzondering genoeg?&#x201d; vroeg Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Spreek mij niet van het landhuis!&#x201d; antwoordde de dichter gemelijk. &#x201e;Dat is mij vreeselijk
-gehaat geworden door het toenemend aantal kikvorschen, die des avonds in den nabijzijnden
-vijver kwaken, doch nog meer door den zwerm van krekels, die door hun eindeloos gepiep
-mij dag en nacht in mijn denken en dichten storen. De oude beuzelaar Anacreon heeft
-ze bezongen, die &#x201e;helklinkende cicaden,&#x201d; ik echter verwensch ze! Mijn hoofd doet mij
-zeer en ik ben bijna gek geworden van het schrille rumoer dier kwelgeesten, dier piepende
-booze daemonen. Te vergeefs heeft mijn vriend Socrates mij een paar dagen lang geholpen
-ze in hunne holen te vervolgen en uit te roeien&#x200a;&#x2026; Lacht ge er om, plaagzieke Sophocles?
-Ge zoudt gewis in staat zijn ons op staanden voet eene gloeiende lofrede op de krekels
-en kikvorschen te houden!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom niet?&#x201d; hernam Sophocles glimlachend. &#x201e;De geheele natuur is immers rijk aan
-tonen en zingt. De golven zingen, de winden zingen, de pijnboom zingt, de steen zingt,
-als de voet des wandelaars hem beroert. En zoo gaarne hoort het geluid zich zelf,
-dat het, als een andere Narcissus<a class="noteRef" id="xd30e8167src" href="#xd30e8167">1</a>, zijn eigen beeld terugkaatst in den spiegel van Echo. Daarom, mijn beste Euripides,
-laat ons ook de krekels en kikvorschen.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Daar hebben wij het!&#x201d; viel Euripides den spreker met heftigheid in de rede. &#x201e;O, die
-&#x201e;vereerders van het schoone&#x201d;, die &#x201e;dweepers met het schoone,&#x201d; die &#x201e;aanbidders van
-het schoone&#x201d;, en hoe zij zich ook willen noemen! Alles, zelfs het afzichtelijkste
-weten zij met het vernis van schoone woorden te bedekken, nooit durven zij den ernst
-des levens onpartijdig <span class="pageNum" id="pb2.255">[<a href="#pb2.255">255</a>]</span>in het aangezicht zien! Ik zeg u, de cicaden blijven een onverdragelijk gespuis, wat
-daarover ook de oude Anacreon en na hem de vrome Sophocles met hun dichterlijk gevoel
-gezegd hebben. Overigens zijn het, zooals gij weet, niet alleen die krekels en kikvorschen,
-die mijn verblijf op het Attische vasteland verbitteren. Het bevalt mij niet langer
-te Athene. Ik heb er geen pleizier in, ter wille van eene weggelopen vrouw de spotternijen
-der straatjongens te verdragen, hoe Attisch gekruid zij ook wezen mogen. Ik heb geen
-lust mijn leven zoo door te brengen, terwijl allerlei dreigende verschijnselen zich
-bovendien in de toekomst vertoonen. Waarom zijn wij toch verlichter geworden, als
-de zeden hoe langer zoo slechter worden?&#x2014;Vaartwel! Ik ga voorloopig naar Salamis.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Moet ons geluk dan van de plaats afhankelijk zijn?&#x201d; vroeg Sophocles. &#x201e;Men behoort
-te volharden op zijne standplaats. &#x2019;t Moet, naar mijne meening, de trots zijn van
-den Helleen, die al het bittere en sombere des levens, in zich zelven onveranderd
-te blijven, zijn opgeruimdheid en schoonheidsgevoel te behouden, als iemand, die het
-hoogste en beste van &#x2019;t menschelijk leven in de schoone harmonie van zijn eigen wezen
-vereenigt en door niets gestoord wordt in het edelste levensgenot.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En wanneer de ouderdom tot u komt met knikkende knieën,&#x201d; wierp Euripides hem tegen,
-&#x201e;en de bronnen des genots opdrogen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dan zal ik van het genot, welks bronnen opdrogen, afstand doen,&#x201d; hernam Sophocles,
-&#x201e;maar alleen, om op den vroolijken levenslust des mans, die toch altijd met eene zekere
-onrust gepaard gaat, de veel schoonere, waarachtig <span class="corr" id="xd30e8181" title="Bron: goddelijk">goddelijke</span> rust en opgeruimdheid, den Halcyonischen vrede des grijsaards te doen volgen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij spreekt als een zoon van den goeden ouden tijd,&#x201d; zei Euripides, &#x201e;en gij <span class="corr" id="xd30e8187" title="Bron: dedenkt">denkt</span> niet, dat wij langzamerhand te verstandig zijn geworden, om in idyllisch-onverstoorbare
-opgeruimdheid voort te <span class="pageNum" id="pb2.256">[<a href="#pb2.256">256</a>]</span>leven.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat mij betreft,&#x201d; begon thans Socrates met een ernstig gelaat, &#x201e;ik vind het door
-Sophocles uitstekend gezegd, dat wij eene schoone harmonie van ons eigen wezen moeten
-bewaren. Alleen zou ik wel gaarne willen hooren, ja waag ik het onzen vriend Sophocles
-uitdrukkelijk te vragen, of hij van &#x201e;schoone harmonie&#x201d; sprekend, het zedelijke op
-het oog heeft, of wel zich de harmonie in dien zin schoon denkt, zooals men bij voorbeeld
-vrouwen of werken der beeldende kunst schoon en bevallig en voor het oog streelend
-noemt? Of hij, om het anders uit te drukken, den klemtoon legt op het goede, dan wel
-op hetgeen gewoonlijk schoon genoemd wordt? En daarmede zouden wij dan weder bij die
-oude, zoo dikwerf tusschen ons opgeworpen en nooit opgeloste vraag terecht komen,
-of het schoone boven het goede, dan wel het goede boven het schoone den voorrang verdient?&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Met gespannen belangstelling zag de waarheidszoeker na deze woorden den dichter in
-&#x2019;t gelaat en wachtte zijn antwoord af.
-</p>
-<p>Op hetzelfde oogenblik echter ontstond er een rumoer en eene beweging onder het volk,
-dat inmiddels zich op de Agora verzameld had. Het teeken tot het begin der volksvergadering
-op den Pnyx was gegeven en alles toog derwaarts.
-</p>
-<div class="figure plate5width"><img src="images/plate5.png" alt="&#x201e;Ik wil oorlog, maar zonder Pericles!&#x201d;" width="463" height="685"><p class="figureHead">&#x201e;Ik wil oorlog, maar zonder Pericles!&#x201d;</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Glimlachend zei Pericles, die eveneens zich gereed maakte die zelfde richting te volgen:
-</p>
-<p>&#x201e;Ook heden, waarde zoon van <span class="corr" id="xd30e8202" title="Bron: Sophronicus">Sophroniscus</span>, zullen wij uwe lievelingsvraag niet kunnen beantwoorden. Want het volk der Atheners
-wordt juist op de Pnyx bijeen geroepen en daar moeten wij dringender zaken beslissen.&#x201d;&#x2026;
-</p>
-<p>Socrates stond daar, zwijgend en verslagen, als iemand, dien opnieuw juist ten ontijde
-de mond, om zoo te zeggen, gesnoerd was.&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Myrmecides,&#x201d; zei een Atheensch burger tot zijn buurman, op het punt om de Agora te
-verlaten en met de overige onstuimige volksmassa de hoogte van den Pnyx te bestijgen,
-&#x201e;wat wij heden ook <span class="pageNum" id="pb2.257">[<a href="#pb2.257">257</a>]</span>besluiten mogen, ik heb een voorgevoel van iets kwaads voor Hellas. Er wordt gesproken
-van orakels&#x2014;onheilspellende orakels, ook orakels van Bacis worden er medegedeeld,
-die thans op eens verstaanbaar worden. Doch wat het bedenkelijkste is: gij weet dat
-Delos, het heilige Delos, het eiland van den Ionischen God Apollo, nooit door eene
-aardbeving is geteisterd geworden.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Nooit,&#x201d; antwoordde Myrmecides; &#x201e;iedere knaap weet van kindsbeen af, dat het heilige
-Delos als met koperen ketenen aan den bodem der zee is vastgeklonken en niet als de
-andere eilanden van den Archipelagos door onderaardsche beroeringen kan geschokt worden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo geloofde men tot gisteren,&#x201d; vervolgde Cynogenes; &#x201e;doch gisteren is het bericht
-gekomen, dat eene aardbeving, die een zeer korten tijd duurde, op het eiland heeft
-plaats gehad en dat een dof onderaardsch gedreun zich heeft doen hooren.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Delos geschokt?&#x201d; riep Myrmecides: &#x201e;dan is er niets meer dat vaststaat in Hellas!&#x201d;
-</p>
-<p>Andere mannen voegden zich bij Myrmecides en Cynogenes en mengden zich in hun gesprek.
-Doch zij werden weldra gestoord en gedwongen zich om te keeren door een luid rumoer,
-dat achter hen op de Agora zich verhief.
-</p>
-<p>&#x201e;Een Megarische hond!&#x201d; klonk het, &#x201e;een Megarische hond!&#x2014;doodt hem, steenigt hem!&#x201d;
-</p>
-<p>Eene groote, schreeuwende menigte had zich ijlings om een man verzameld, die door
-eenige Atheners gegrepen en onder allerlei uitdrukkingen van toorn vastgehouden werd.
-</p>
-<p>Het was niet de eerste maal, dat een Megarenser in onaangename verwikkelingen te Athene
-geraakt was. Reeds voordat de Atheensche markt en de havens van Athene aan de naburige
-Dorische stad ontzegd waren, was menig burger, die soms een vet gemest varken of iets
-anders op de markt te Athene bracht, daar schandelijk voor den gek gehouden, uitgescholden
-of mishandeld geworden.
-</p>
-<p>Tot woede echter was de verbittering bij de <span class="pageNum" id="pb2.258">[<a href="#pb2.258">258</a>]</span>Atheners tegen de Megarensers gestegen, sedert dezen in barbaarsche ruwheid het gewaagd
-hadden den van Athene naar Megara gezonden heraut dood te slaan. Sinds dien dag had
-het Atheensche volk gezworen elken Megarenser, die zich te Athene vertoonde, oogenblikkelijk
-te steenigen.
-</p>
-<p>De arme man smeekte om zijn leven en zwoer bij alle Goden, dat hij geen Megarenser
-was, dat hij uit Eleusis kwam.
-</p>
-<p>&#x201e;Gelooft het niet!&#x201d; riep de man, die hem het eerst had vastgegrepen en hem nog steeds
-als met ijzeren vuist omklemd hield. &#x201e;Gelooft het niet! Ik ken hem! Een Megarische
-hond is hij&#x2014;een Megarische hond!&#x201d;
-</p>
-<p>Op dit oogenblik kwamen eenige Archonten voorbij, die, nadat zij de zaak hadden vernomen,
-het vermoorden van den man verhinderden, door eenige Scythische boogschutters er bij
-te roepen en den man gevankelijk weg te doen voeren.
-</p>
-<p>Boven op de Pnyx, niet verre van de plaats der volksvergadering, fluisterden drie
-mannen zacht maar druk met elkander. Het waren de leerlooier Cleon, de schapenkoopman
-Lysicles en de worsthandelaar Pamphilus. Zij schenen het onderling niet eens te zijn&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Thans betraden de gezanten der Lacedaemoniërs den weg van de Pnyx, om zich naar de
-volksvergadering der Atheners te begeven. Zij waren gekomen om voldoening te eischen
-voor het hun <span class="corr" id="xd30e8228" title="Bron: verwantte">verwante</span> en met hen verbonden Megara. Met vijandelijke blikken zagen deze Spartaansche mannen
-en het grootste deel der Atheners rondom elkander aan.
-</p>
-<p>Doch een oligarch fluisterde den andere zacht in het oor:
-</p>
-<p>&#x201e;Zullen wij vrede of oorlog wenschen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Het ware wellicht nuttig,&#x201d; hernam de andere, &#x201e;wanneer de Peloponnesiërs kwamen en
-hier een weinig opruiming hielden&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>Opgewondener dan het Atheensche volk de Pnyx bestegen had, daalde het na eenige uren
-weder daar af. Op de Agora vormden zich verscheidene <span class="pageNum" id="pb2.259">[<a href="#pb2.259">259</a>]</span>groepen.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik vind, dat Pericles nooit zoo voortreffelijk heeft gesproken!&#x201d; riep Myrmecides.
-&#x201e;O, die slimme vos met de leeuwenhuid! Hoe gematigd deed hij zich voor, hoe rustig,
-hoe vol schijnbare toegefelijkheid! Hoe scheen hij bereid tot elke mogelijke tegemoetkoming!
-Alleen stelde hij eischen, die men nooit zou toestaan! Welk een meesterlijke zet was
-het, toen hij zeide, dat Athene bereid was zijnen bondgenooten de volle vrijheid terug
-te geven, zoo slechts de Spartanen vooraf den hunnen hetzelfde deden!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik voorspel teerlucht, riemgeplas, triërarchen-geschreeuw, Pallas-beeldenvergulderij
-in den Piraeüs&#x201d;&#x2014;zei de baardschrapper Sporgilus met een bedenkelijk gezicht.
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom niet, lafaard?&#x201d; riepen de anderen. &#x201e;Hebt gij geen lust in een vroolijk zeetochtje?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Neen,&#x201d; antwoordde Sporgilus, &#x201e;de zee is toch altijd iets zilts en bitters!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Laat u met knoflook voeren!&#x201d; klonk het rondom hem, &#x201e;met knoflook, lamzalige vent,
-zooals de hanen, om vuriger en moediger te worden!&#x201d;
-</p>
-<p>Thans werd de stem van Cleon, de stem van den beruchten leerlooier Cleon, in eene
-andere dichte groep hoorbaar. &#x201e;Ik wil oorlog, maar zonder Pericles!&#x201d; schreeuwde hij.
-&#x201e;De krijg mag Pericles niet nog grooter maken. Hoe zullen wij rekenschap van hem kunnen
-vorderen, als hij aan de spits van een leger of van eene vloot staat. Derhalve weg
-met Pericles! Den eisch der Spartanen, dat hij als Alcmaeönide uit Athene verbannen
-zou worden, dezen eisch alleen had men moeten inwilligen! Men verbanne Pericles! Pericles
-moet verbannen worden!&#x201d;
-</p>
-<p>Zóó schreeuwde Cleon met heftige, lompe gebaren, terwijl hij met zijn geheele lichaam
-in beweging was en geen enkel oogenblik op dezelfde plaats bleef.
-</p>
-<p>&#x201e;Oorlog, maar zonder Pericles!&#x201d; herhaalde hij onophoudelijk.
-<span class="pageNum" id="pb2.260">[<a href="#pb2.260">260</a>]</span></p>
-<p>Van dezelfde meening was Pamphilus, die echter met niet minder luid getier er bijvoegde,
-dat men Pericles niet moest verbannen, maar ter verantwoording roepen wegens zijn
-staatsbeheer en in den kerker werpen.
-</p>
-<p>Thans naderde de oude Cratinus met Hermippus en een derden makker, een jongeling,
-die in nog hoogeren graad den &#x201e;Attischen blik&#x201d; had dan zij beiden, en van wien het
-gerucht liep, dat hij eerstdaags ook met een blijspel zou optreden.
-</p>
-<p>&#x201e;Zijt gij voor den oorlog of voor den vrede, oude Satyr?&#x201d; riep een uit de menigte
-den ouden brasser toe.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik,&#x201d; hernam deze, &#x201e;ik ben voor gebraden hazen, wijn in de kan, zilver in de kast,
-vijgen in de voorraadkamer, bekranste bokken, lammergeblaat, Dionysus-feesten, verschen
-most, omgeworpen flesschen, mooie, hooggeschorte dansmeisjes.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dan zijt gij dus ook voor den vrede?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ja zeker, en er tegen, dat men den Megarensers de Atheensche markt ontzegt. Weest
-toch wijzer, gij met viooltjes omkranste Atheners! Houdt toch op, elke oude vrouw,
-die op de Atheensche markt komt, met argwaan aan te zien en te meenen, dat het een
-man en een verkleede Megarenser is! Sinds gij de Megarensers van de markt uitgesloten
-hebt, kan men geen goed gemest varken meer krijgen, zooals het de oude Marathon-strijders
-verdienen. Spoedig zal het zoover komen, dat wij gebraden krekels zullen eten. Overigens,
-wat zeurt en kijft gij toch over vrede en oorlog? Zijn de Spartanen met een ander
-bescheid uit de volksvergadering gegaan, dan met hetgeen Pericles heeft voorgesteld?
-Laat toch Pericles aan het roer van den staat, en de anderen, de volksmannen, de leerlooiers
-en schapenkoopers en worstmakers, die u den baard schrapen en de vliegen van het hoofd
-wegjagen en de vlokken van den mantel plukken&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>Die bijtende woorden brachten Cleon&#x2019;s bloed in gisting. &#x201e;In één opzicht,&#x201d; schreeuwde
-hij, &#x201e;heeft Pericles gelijk gehad, toen hij het bijtend, onbeteugeld <span class="pageNum" id="pb2.261">[<a href="#pb2.261">261</a>]</span>gespuis der comedie-schrijvers trachtte te muilbanden&#x2014;die keffers, die ieder naar
-de kuiten bijten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ei, hoor eens dien Cleon!&#x201d; riep Cratinus. &#x201e;Cleon, de verschrikkelijke! Ik had stellig
-niet gewaagd hierheen te komen, als ik geweten had, dat de man met de gretige tanden
-en de vreeselijk rollende oogen er was. De leerlucht, die reeds op grooten afstand
-merkbaar is, had mij moeten waarschuwen.&#x201d;
-</p>
-<p>Cleon stikte schier van gramschap. Myrmecides hield hem tegen, terwijl Cratinus voortging:
-</p>
-<p>&#x201e;Gij noemt ons onbeteugeld, omdat wij den geesel zwaaien over de hoofden, onbekommerd
-wien hij treft? Treft hij niet altijd den rechten man, dan treft hij toch al licht
-de rechte zaak. Vraagt Zeus in den hemel wel, als hij bliksemt, waar hij treft indien
-de lucht maar gezuiverd wordt.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Oude gifspuwer!&#x201d; riep Cleon. &#x201e;Zijt gij niet de man van wien men zegt, dat hij zijne
-geestdrift uit het vat tapt?&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;En gij,&#x201d; hernam Cratinus, &#x201e;zijt gij niet de man, die opgezwollen zijt van gif, van
-wien men zegt, dat u onlangs eene slang heeft gebeten, die onmiddellijk&#x2014;crepeerde?
-Maar dat doet er niets toe. Wij nemen den strijd aan met den stank van zeehondenleer,
-met de verwoede blikken uit rollende oogen, met honderd roodharige Cerberus-koppen.
-En wanneer wij eerst met den vrouwenheld Pericles klaar zijn, dan denken wij met die
-halve gekken, de worstmakers, de schapenkoopers, de leerlooiers en alle &#x201e;met viooltjes
-bekranste Atheners&#x201d; wel half slapend klaar te komen.&#x201d;
-</p>
-<p>Op deze woorden van Cratinus klonk plotseling achter eene zuil een luid, hoonend gelach.
-Men keek om en zag den dollen Meno achter de zuil neergehurkt zitten.
-</p>
-<p>&#x201e;Daar hebt gij Meno!&#x201d; riep de jongste der drie blijspeldichters. &#x201e;De kerel ziet er
-zoo berooid en gemeen uit, dat Euripides hem eerstdaags ongetwijfeld tot den held
-van een roerend stuk zal maken!&#x201d;
-</p>
-<p>De Atheners lachten, Meno knarste op de tanden <span class="pageNum" id="pb2.262">[<a href="#pb2.262">262</a>]</span>en riep: &#x201e;Lompe honden! Met viooltjes bekranste honden!&#x201d;
-</p>
-<p>Men wilde hem afranselen; doch hij hitste zijn hond tegen de aanvallers aan.
-</p>
-<p>Thans nam men steenen op, om ze hem naar het hoofd te werpen. In dit oogenblik echter
-kwam Socrates er bij, die zich over den man erbarmde en hem met zich uit het gedrang
-voerde.
-</p>
-<p>De menigte verstrooide zich daarop. Pamphilus, heftig vertoornd weggaande, kreeg Pericles
-in &#x2019;t oog, trad op hem toe en vervolgde hem den ganschen dag, zoo dikwijls hij hem
-zag, met smaadwoorden.
-</p>
-<p>Wederom liep hij achter hem en zeide: &#x201e;Gij zijt een tyran, evenals Pisistratus! Slechts
-in schijn handhaaft gij de volksregeering. Inderdaad echter zijt gij het alleen, die
-de teugels van Athene in handen hebt.&#x201d;
-</p>
-<p>Pericles zweeg.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij wilt de Atheners in een oorlog wikkelen,&#x201d; vervolgde Pamphilus, &#x201e;ten einde het
-roer in handen te houden en geen rekenschap af te leggen!&#x201d;
-</p>
-<p>Pericles antwoordde niets.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij laat de verdiensten van andere mannen, die niet minder dan gij voor redenaars
-en volksleiders geboren zijn, geen recht wedervaren!&#x201d; schreeuwde Pamphilus.
-</p>
-<p>Pericles bleef zwijgen.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt uwe heerscherskunst geleerd in den omgang met Sophisten en boeleersters!&#x2014;Gij
-hebt de kracht van het Atheensche volk door toenemende weelderigheid en verwijfdheid
-ontzenuwd!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Toen Pamphilus deze woorden uitgilde, was Pericles bij zijn huis gekomen. Er heerschte
-reeds volkomen duisternis op de straten. Pericles had volgens Atheensch gebruik een
-slaaf met een brandende fakkel achter zich.
-</p>
-<p>De slaaf klopte aan de deur. De portier opende. Pamphilus stond er nog altijd.
-</p>
-<p>&#x201e;Breng dezen man met uwe fakkel terug door <span class="pageNum" id="pb2.263">[<a href="#pb2.263">263</a>]</span>de straten; want het is zeer donker geworden!&#x201d; zei Pericles tot den slaaf en ging
-rustig zijne woning binnen.&#x2014;
-</p>
-<p>Nog altijd bezocht Socrates, nu eens in gezelschap van zijn boezemvriend Euripides,
-dan weder alleen, gedurig Pericles&#x2019; woning. Nog altijd bezocht hij Aspasia, nog altijd
-hield hij er veel van zich met haar te onderhouden, alleen klonken zijne woorden steeds
-duisterder, raadselachtiger, steeds meer als orakels.
-</p>
-<p>Weinige dagen na die belangrijke vergadering op de Pnyx betrad Socrates wederom het
-huis van Aspasia. Weldra was hij in een levendig gesprek met haar gewikkeld. Aspasia
-sprak met blijdschap over den ophanden zijnden strijd met de Doriërs, doch met weerzin
-en afkeuring over de partijschappen op de Agora, over de vijandelijke plannen van
-den <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span>, over de kuiperijen der Laconisten, over de ruwheid der demagogen. &#x201e;Ter wille van
-die barbaarschgezinde mannen,&#x201d; zeide zij, &#x201e;zullen wij wellicht spoedig den tanenden
-bloei van Hellas aanschouwen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Den tanenden bloei van Hellas!&#x201d; riep Socrates. &#x201e;Hoe is dat mogelijk? Gij vergist
-u zeker! Hoe lang toch is het geleden, dat gij zeidet, dat Hellas zijn heerlijksten
-bloei naderde? Sinds dien dag, toen wij in feestvreugde op de Acropolis voor het voltooide
-Parthenon stonden en ik reeds het oogenblik van dien hoogsten bloei gekomen achtte,
-gij echter beweerdet, dat onze kunst wel is waar bijna goddelijk was geworden, maar
-dat er nog veel aan ontbrak, om ook ons leven geheel en al in elk opzicht tot het
-schoone op te voeren&#x2014;sinds dien dag zag ik met gespannen verwachting naar het beloofde
-oogenblik van den heerlijksten bloei uit en wacht daarop met ongeduld. En daar ik
-van bloemen in het Oosten gehoord heb, die slechts in één enkelen nacht, heimelijk
-door de oogen van Zeus bestraald, haar wonderkelk ten volle ontplooien, dacht ik,
-dat de bloeitijd der stervelingen misschien ook van dien aard <span class="pageNum" id="pb2.264">[<a href="#pb2.264">264</a>]</span>was, en deze gedachte liet mij, om zoo te zeggen, ook des nachts geen rust; ik vreesde
-steeds, dat ik slapend het schoonste oogenblik zou kunnen verzuimen. Bijzonder echter
-heb ik dat gansch nieuw en merkwaardig liefde- en huwelijksverbond, &#x2019;t welk Pericles
-en gij vóór mijn beeld der Chariten op den burg gesloten hebt, steeds in gedachte
-gehouden; want als dit gelukte scheen mij juist de schoonste bloei van het Helleensche
-leven verzekerd. En daar gij ons, die om u stonden, toen uitdrukkelijk tot getuigen
-riept, heb ik mijn plicht als zoodanig voortdurend trouw bij u vervuld; want ik heb
-het ernstig opgenomen en ik achtte mij geroepen, niet alleen voor een oogenblik, maar
-voor altijd, een nauwlettend getuige te zijn van dat wondervolle verbond. Evenals
-men in een tuin een bijzonder zeldzaam en vruchtbeloovend boompje dag aan dag bezoekt,
-immer vreezende, dat men het eens door eene ruwe hand geschonden, door de vorst bevroren
-of door de zon verschroeid zal vinden, en zich telkens opnieuw over zijne ongestoorde
-frischheid verheugt, zoo kom ik tot u, niet meer om te hooren als vroeger, maar om
-te zien, wat de liefde is&#x2014;en hoe zij zich ontwikkelt, van welke beginselen zij uitgaat
-en tot welke doeleinden zij voert. &#x2019;t Is zeker eene gewichtige zaak, als de Ioniërs
-en de Doriërs zich eindelijk tot een beslissenden strijd uitrusten; maar schier nog
-gewichtiger is mij de geschiedenis van uw liefdeverbond en de beslissende strijd,
-dien gij buiten en in u voert. Want de volkeren zijn onsterfelijk of hebben althans
-een lang bestaan; hunne lotgevallen kunnen altijd weder veranderen en zich vernieuwen;
-&#x2019;t lot van den mensch echter is in een engen kring besloten; zooals het valt, zoo
-blijft het meestal; want tot verandering en vernieuwing gunt de Parce geen tijd. Ik
-volg met belangstelling de in- en uitwendige, voortschrijdende geschiedenis uwer zoo
-zonderlinge, op de vrijheid gegrondveste liefde. En hoe zacht die ontwikkeling ook
-voortgaat, mijne zinnen zijn niet te stomp om ze op te merken.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb2.265">[<a href="#pb2.265">265</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Dus zijt gij,&#x201d; zei Aspasia, &#x201e;van een minnaar een toeschouwer en getuige van eene
-vreemde liefde geworden?&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Sinds dien dag in het Lyceüm, waarop gij van mij wegliept en mij toeriept, dat ik
-aan de Chariten moest offeren,&#x201d; hernam Socrates, &#x201e;sinds dien dag heb ik aan de Chariten
-geofferd: doch te vergeefs, naar het schijnt. Niet fijner zijn mijne lippen, niet
-innemender mijne trekken geworden. En sinds dien tijd heb ik begrepen, dat het zelden
-of nooit aan één en denzelfden sterveling beschoren is de schoonheid met den geest
-te vatten en tegelijk met de zinnen te genieten.&#x201d;
-</p>
-<p>Aspasia twijfelde of de gloed, dien toenmaals in de ziel van den jeugdigen denker
-voor een oogenblik geblaakt had, thans wel ten eenenmale was uitgedoofd.
-</p>
-<p>De gelegenheid scheen zich thans aan te bieden voor het sinds lang gekoesterde plan,
-om eene kleine wraak te nemen op den wijsgeer en hem opnieuw te deemoedigen en te
-beschamen.
-</p>
-<p>Met sluwe geveinsdheid sprak zij dus:
-</p>
-<p>&#x201e;Dat oogenblik in het Lyceüm, waaraan gij na langen tijd nu weder herinnert, is ook
-uit mijne gedachte niet verdwenen, en, ik wil het eerlijk bekennen, ik betreurde menigmaal
-in stilte, dat ik zonder redenen en in eene verkeerde meening u heb beleedigd, toen
-ik mij van u verwijderde met de vermaning, dat gij aan de Chariten moest offeren;
-gij hebt die woorden opgevat, alsof ik had willen zeggen, dat gij, om bemind te worden,
-eerst de eigenschappen moest zoeken te verwerven, die beminnelijk maken. Ik had moeten
-bedenken, dat gij een wijsgeer zijt, wien &#x2019;t niet in den zin kon komen, ernstig naar
-mijne liefde te streven. Sinds dien tijd was &#x2019;t mij altijd, Socrates, alsof ik u eene
-voldoening schuldig was.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij aan mij?&#x201d; zei Socrates met een pijnlijken glimlach. &#x201e;Neen, gij hebt geene verontschuldiging
-noodig; ik zelf meende integendeel er eene bij u noodig te hebben, sinds dat oogenblik.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb2.266">[<a href="#pb2.266">266</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Ik was toen zoo heel dwaas!&#x201d; hernam Aspasia. &#x201e;Zonder eenigen schroom zou ik thans
-mijn hoofd tegen uwe borst leggen, want thans ken ik u.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Aspasia zat met Socrates in een vertrek, dat zeer gezellig en weelderig ingericht
-was en vervuld van welriekende, bedwelmende geuren, die van Aspasia zelve schenen
-uit te stroomen; want zij was, evenals de Goden en Godinnen van den Olympus, steeds
-met eene hemelsche lucht omgeven. Zij straalde van onverwelkbare, bloeiende schoonheid
-en een betooverende glans van opgeruimdheid lag op haar gelaat. Zij scheen in de voortreffelijkste
-luim te zijn&#x2014;wanneer er van iets zoo onbelangrijks als luim bij Aspasia sprake mocht
-zijn.
-</p>
-<p>Eene duif vloog in de kamer rond. Het was de gevleugelde lieveling van Aspasia, een
-fraai diertje, met glanzend witte vederen en een bevalligen, lichtgrijzen ring om
-den hals.
-</p>
-<p>Telkens vloog de duif op den schouder van Aspasia en pikte de gewone lekkernijen tusschen
-de lippen der schoone weg. Nu en dan vloog zij ook op het hoofd van Socrates en ging
-daar zoolang zitten, dat Aspasia herhaalde malen zich verplicht achtte zelve den gast
-van den lastigen vogel te bevrijden, waarbij zij natuurlijk zijn hoofd moest aanraken.
-</p>
-<p>Toen zij nu met moeite de duif van Socrates&#x2019; schedel had weggejaagd, fladderde deze
-weder rond en liet zich elders neder, na vooraf haar &#x201e;kir, kir&#x201d; te hebben doen hooren.
-</p>
-<p>&#x201e;Als het niet algemeen aangenomen was, dat het gekir der duiven zacht en liefelijk
-klinkt,&#x201d; zeide Socrates, &#x201e;zou ik het met mijn slechten smaak voor leelijk houden.
-Ik zou het een sterk onderdrukt gehinnik noemen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe?&#x201d; riep Aspasia, &#x201e;gij smaadt den vogel van Aphrodite? Pas op, dat niet de vogel
-of de Godin zelve zich op u wreke!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dat hebben zij reeds te voren gedaan!&#x201d; hernam Socrates.
-</p>
-<p>&#x201e;Onnaspeurlijk is de raad der Goden,&#x201d; zeide Aspasia; <span class="pageNum" id="pb2.267">[<a href="#pb2.267">267</a>]</span>&#x201e;nu eens zijn zij ongunstig en onthouden ons hunne gaven, dan weder zijn zij genadig
-en schenken tienvoudig, wat zij vroeger weigerden. De luimigste echter van alle Godinnen
-is Aphrodite. Zij verlangt volstrekt, dat iemand, die eene gunst van haar begeert,
-het rechte oogenblik en de rechte luim afwacht en gedurig aanhoude. Dwaas is hij,
-die slechts eenmaal zijn geluk bij haar beproeft. Weet gij dat niet, Socrates? En
-doen de schoonen niet wellicht evenzoo als de Godinnen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik weet het niet,&#x201d; hernam Socrates; &#x201e;want ik heb het nooit beproefd.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Daar hadt gij ongelijk in!&#x201d; zei Aspasia. &#x201e;Het is dus uwe schuld, dat gij niet weet
-of Aphrodite en de vrouwen u gunstig zijn of niet.&#x201d;
-</p>
-<p>Op die zonderlinge en tergende wijze onderhield zich Aspasia met den wijze. Daarbij
-liefkoosde zij de duif en kuste haar. Socrates herinnerde zich niet, haar ooit zoo
-opgewekt tot uitgelatenheid toe gezien te hebben. Hoe dartelder en aanvalliger zij
-werd, des te stiller, afgetrokkener en ernstiger werd hij zelf.
-</p>
-<p>Wederom vloog de duif onder een gekir, dat thans veel van een schaterlach had, op
-den schedel van Socrates. Ditmaal echter raakte zij met de kleine nagels harer pootjes
-zoo vast in zijn hoofdhaar verward, dat zij niet meer los kon komen. Aspasia haastte
-zich haar ter hulp te komen en hare nagels uit zijne haren te bevrijden. De onmiddellijke
-nabijheid van een welriekend, warm, bekoorlijk vrouwenlichaam doortintelde hem van
-verrukking&#x2014;de boezem der schoone vrouw golfde vlak voor zijn gezicht, vlak voor zijne
-lippen&#x2014;slechts de minste beweging en zijne lippen moesten den liefelijk hijgenden
-boezem aanraken. Geen zeegolf ruischt zoo verleidelijk, met zulk een groot gevaar
-om er reddeloos in onder te gaan, als de borst eener vrouw.
-</p>
-<p>Socrates&#x2019; lippen waren even dicht bij deze liefelijke golf, als zij bij den rozenmond
-der schoone waren geweest toen de peinzende waarheidszoeker <span class="pageNum" id="pb2.268">[<a href="#pb2.268">268</a>]</span>in vertrouwelijk gesprek met haar in de eenzame zaal van het Lyceüm gezeten had.
-</p>
-<p>Slechts de kleinste beweging&#x2014;en de opnieuw ontvlamde Socrates zou zich eene nieuwe
-beschaming, krenkender dan de vroegere in het Lyceüm, berokkend en door een nieuwe
-overijling van hart en zinnen den triomf der listige schoone, zijne heimelijke vijandin,
-voltooid hebben.&#x2014;
-</p>
-<p>Wat ging er in de ziel van Socrates op dat oogenblik om?
-</p>
-<p>Rustig en kalm stond hij op en zeide:
-</p>
-<p>&#x201e;Laat de duif, Aspasia! Ik geloof niet te duur van den wraakgierigen vogel bevrijd
-te zijn, als ik een lok mijner haren in zijn klauw achterlaat.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik begrijp het best,&#x201d; hernam Aspasia op een veranderden, eenigszins spotachtigen
-toon, &#x201e;ik begrijp het best, dat gij de kaalheid niet vreest. De kaalheid gaat immers
-met de wijsheid gepaard en gij zijt een volslagen wijze geworden! Zoo volmaakt wijs,
-dat gij verdient kaal geplukt te worden tot op uw laatste haar toe door de klauwen
-van den aan Aphrodite gewijden vogel.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Kaalheid moge den wijze passen,&#x201d; sprak Socrates, &#x201e;weet echter, dat ik van alles zelfs
-van den roem der wijsheid afstand gedaan heb, en dat ik voor het oogenblik er alleen
-aan denk, om mijn burgerplicht te vervullen. Reeds morgen ga ik met andere burgers,
-die het lot heeft aangewezen, naar het leger vóór Potidaeä. Alcibiades gaat insgelijks
-mede.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Van hem schijnt ge dus nog geen afstand gedaan te hebben?&#x201d; vroeg Aspasia, &#x201e;nadat
-gij, zooals gij zegt, al het andere hebt opgegeven?&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Wij volgen te zamen de roepstem des vaderlands!&#x201d; hernam Socrates. &#x201e;Vindt gij dit
-soms niet goed? Geldt het niet de Doriërs te bestrijden?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zijt gij voornemens de Doriërs te bestrijden?&#x201d; riep Aspasia. &#x201e;Gij zijt zelf een Doriër
-geworden!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Neen,&#x201d; antwoordde Socrates, &#x201e;ik meen een echte zoon van den peinzende Pallas Athene
-te zijn.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb2.269">[<a href="#pb2.269">269</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Inderdaad,&#x201d; hernam Aspasia glimlachend, &#x201e;gij hebt u, van Eros en de Chariten, geheel
-tot de koele, schier manlijke Athene gewend. Waar is die gloed gebleven, die uwe ziel
-in vlam zette, toen gij in het Lyceüm voor de laatste maal mij naar het wezen der
-liefde vroegt?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Mijn liefdegloed, Aspasia,&#x201d; antwoordde Socrates, &#x201e;is hetzelfde wedervaren, als uwer
-schoonheid, sedert Phidias uw beeld heeft verheerlijkt in de Lemnische Aphrodite.
-Evenals namelijk uwe bekoorlijkheid in dat beeld het aardsche en tijdelijke overtreft,
-zoo is ook mijne liefde veredeld en verheerlijkt, ik zou haast zeggen, versteend geworden.
-Van eene gloeiende kool is zij eene ster geworden&#x201d;&#x2026;
-</p>
-<p>Op dit oogenblik fladderde de duif op Aspasia&#x2019;s schouder. Welke daemon, welke ondeugende
-Eros stak in dien vogel.
-</p>
-<p>Zij raakte thans met de <span class="corr" id="xd30e8349" title="Bron: snavels">klauwen</span> verward op de plaats, waar eene gesp de beide smalle einden van den chiton samenhield.
-</p>
-<p>Onstuimig trok de vogel met de pooten, om ze los te krijgen, tot de gesp opensprong
-en de slippen van het gewaad afgleden, &#x2019;t welk de schitterende witte schouders omhulde.
-</p>
-<p>&#x201e;Offer deze vogel aan de Chariten!&#x201d; sprak Socrates, wierp zijn mantel over de ontbloote
-schouders der schoone vrouw en ging heen.
-</p>
-<p>De trotsche Milesische verbleekte&#x2014;zij greep onthutst met bevende hand naar een zilveren
-spiegel en ontdekte voor de eerste maal met schrik eene schaduw van veroudering, die
-over hare trekken toog.
-</p>
-<p>Was de schoonheid dan niet langer alvermogend? Was er iets, dat haar durfde trotseeren?
-</p>
-<p>Eene zachte huivering voer haar door de leden.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>De jonge Alcibiades was zeer in zijn schik, toen eindelijk de wensch, dien hij tegen
-Pericles had geuit, om op het oorlogsveld lauweren te mogen <span class="pageNum" id="pb2.270">[<a href="#pb2.270">270</a>]</span>plukken, vervuld werd. Hem, zoowel als Socrates, had het lot eene plaats aangewezen
-onder de Atheensche burgers, welke gezonden zouden worden ter belegering van de van
-Athene afgevallen bondstad Potidaeä.
-</p>
-<p>Alcibiades had tot hier toe zijne dolle levenswijze voortgezet en liet het bij voortduring
-niet aan stof ontbreken, die aan de praatzucht der Atheners voedsel kon verschaffen.
-</p>
-<p>Hij had het zoogenaamde gezelschap der Ithyphallers opgericht, waarin de overmoedigste
-en uitgelatenste jongelieden bijeen kwamen, om zich te zamen aan de meest teugellooze
-hartstochten over te geven, zooals men van een club verwachten kon, die zich naar
-den onreinen daemon Ityphallas noemde. Reeds het tooneel der inwijding was moedwillig
-en dartel in den hoogsten graad. Alleen zij werden in den kring opgenomen, die op
-de gunst van dien daemon in bijzondere mate meenden te kunnen bogen.
-</p>
-<p>Om den spot te drijven met het gebruik, dat te Athene een drinkgelag vóór het middageten
-verbood, legde Alcibiades met zijne vrienden slemppartijen in den morgenstond aan.
-In zijne overmoed liet hij zich door een voortreffelijk schilder, op den schoot eener
-jonge hetaere gezeten, afschilderen en heel Athene vloeide samen om het portret te
-zien. Hij had een hond, waarvan hij zeer veel hield, wien hij den naam van &#x201e;Daemon&#x201d;
-gaf; het was heel kluchtig om te hooren, als hij, evenals Socrates, van &#x201e;zijn Daemon&#x201d;
-sprak.
-</p>
-<p>Scheen het alzoo, dat de moedwil die den zoon van Clinias bezielde, zelfs Socrates
-trof, dit belette toch niet, dat hij dienzelfden man voor de gansche wereld zijn besten
-en liefsten vriend noemde. Hij droeg inderdaad den denker en waarheidszoeker nog altijd
-eene bijna raadselachtige soort van liefde toe, hoewel dit, naar &#x2019;t scheen, niet den
-minsten invloed op zijn doen en laten oefende.
-</p>
-<p>Toen Alcibiades naar Potidaeä trok, geschiedde ook dit niet zonder toerustingen, die
-stof tot spreken <span class="pageNum" id="pb2.271">[<a href="#pb2.271">271</a>]</span>gaven. Hij liet zich wapenen van eene bijzondere soort maken. Hij had een schild van
-goud en ivoor. Op het schild voerde hij als wapen een Eros, gewapend met de bliksemschicht
-van Zeus.
-</p>
-<p>Eros met de bliksemschicht! Eene schitterende gedachte, een Helleenschen kop waardig.
-&#x2019;t Was immers de tijd, waarin, naar &#x2019;t scheen, de bliksemschicht van Zeus zou overgaan
-in de handen van den gevleugelden knaap&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Eenigen van Alcibiades&#x2019; vrienden trokken eveneens te velde. Zij zochten hun voorbeeld
-na te volgen door kostbare en bijzondere soorten van uitrustingen. De jonge Callias,
-de zoon van Hipponicus, trok te velde, naar men zei in een pantser, uit eene leeuwenhuid
-gemaakt.
-</p>
-<p>Er was eene vrouw te Athene, die met diepe droefheid vervuld was, toen Alcibiades
-op &#x2019;t punt stond de stad te verlaten; eene vrouw, die langen tijd nóch de smart had
-gekend, nóch de liefde; die niet alleen de banden van Hymen veracht, maar ook met
-de boeien van Eros had gespot, eene vrouw, die van zich zelve gezegd had: ik ben geen
-priesteres der liefde, alleen die van het genot.
-</p>
-<p>Die vrouw was Theodota. Zij was het, zooals reeds vermeld is, die de jonge Alcibiades
-als zijne leermeesteres beschouwde, toen hij zich in den maalstroom van &#x2019;t genot en
-der jeugdige brooddronkenheid stortte. Zijne ijdelheid bracht mede, dat hij boven
-alles de schoonste en beroemdste hetaere van Athene de zijne wilde noemen, deze Theodota,
-welke destijds niet meer op het glanspunt van haar bloei, maar toch nog op het toppunt
-van haar roem stond. Ook Theodota was trotsch op het bezit van Alcibiades en niet
-minder vermeerderde juist deze verovering ook weder den roep van haar naam.
-</p>
-<p>Een geruimen tijd verkeerde de jonge Alcibiades met geen vrouw liever, dan met de
-zwartoogige Corinthische, en voerde zijne vrienden zoo dikwijls mogelijk bij vroolijke
-en uitgelaten partijen in Theodota&#x2019;s huis. Hare vroolijkheid niet minder dan hare
-<span class="pageNum" id="pb2.272">[<a href="#pb2.272">272</a>]</span>bekoorlijkheid waren de kruiderijen in den schuimenden vreugdebeker van Alcibiades
-en zijne makkers.
-</p>
-<p>Doch Theodota bleef niet altijd zoo vroolijk, als zij in &#x2019;t begin van haar omgang
-met Alcibiades geweest was. Te schoon was de jongeling, dan dat een vrouwenhart, al
-had het ook nooit bemind en de liefde voor altijd afgezworen, toch niet ten laatste
-het genot van zijn verkeering met hare vrijheid zou moeten betalen.
-</p>
-<p>Weinig had het haar in den beginne gehinderd, als haar jonge vriend ook andere vrouwen
-en hetaeren behalve haar toelonkte. Zij zelve had, als hij met Callias en Demus bij
-haar drinkgelagen hield, jeugdige en bekoorlijke vriendinnen in haar huis genoodigd.
-</p>
-<p>Weldra echter meende de jonge aanvoerder der Ithyphallers niet zonder misnoegen te
-bemerken, dat het geheele wezen der Corinthische meer en meer veranderde. Zij scheen
-afgetrokken, ernstig; zij zuchtte telkens, hare hartelijke opgeruimdheid scheen als
-ontaard in eene soort van onrust, van onstuimigheid; krampachtig sloot zij soms haar
-lieveling in de armen, als wilde zij hem voor altijd vasthouden; menige traan mengde
-zich in haren kus en als Alcibiades thans eene andere vrouw in hare tegenwoordigheid
-vriendelijk toelachte of liefkoosde, verbleekte zij en hare lippen bewogen zich zenuwachtig
-van ijverzucht.
-</p>
-<p>Deze verandering in het wezen van Theodota viel niet in den smaak van den dartelen
-jongeling, die zich overal den vreugdebeker ten boorde toe vol schonk, dien ledigde
-en weder verder ging.
-</p>
-<p>Gedaan was het voor hem thans met Theodota&#x2019;s bekoorlijkheid, gedaan met hare betoovering.
-Somber en naargeestig scheen zij thans den jongeling.
-</p>
-<p>In oogenblikken, waarin zij zich aan ijverzuchtige opwellingen overgaf, wekte zij
-zijn toorn op; doch hij vergaf haar dit veel eerder, dan die overmaat van dweepende,
-in tranen uitbarstende teederheid, waarmede zij hem lastig viel.
-<span class="pageNum" id="pb2.273">[<a href="#pb2.273">273</a>]</span></p>
-<p>Zij zwoer hem te beminnen, hem alleen toe te behooren. Het was hem onverschillig.
-Het volle bezit eener enkele vrouw, de hoogste behoefte voor het hart van den rijperen
-man, is den jeugdigen losbol zonder eenige waarde, ja zelfs lastig.
-</p>
-<p>Alcibiades zeide tot Theodota:
-</p>
-<p>&#x201e;Sedert gij begonnen zijt met uwe liefdeklachten onder een stroom van tranen te kwellen,
-begint gij mij onuitstaanbaar te worden. Gij weet niet, hoe leelijk eene vrouw is,
-die in plaats van door den glans der vroolijkheid en bevalligheid te betooveren, haar
-gezicht laat misvormen door de trekken der ijverzucht, hare eigene wangen, of ook
-zelfs die van den geliefde, met een heeten tranenvloed besproeit en als een Furie
-niets dan heftige klachten uit. Gij verschaft mij niet langer genoegen, Theodota!
-Gij verveelt mij! Niet met sombere klachten en hartstochtelijke uitbarstingen kunt
-gij mij boeien; daarmede voedt en verergert gij alleen hetgeen u mishaagt! Zal ik
-zijn, die ik geweest ben, dan moet ook gij weder zijn, die gij geweest zijt!&#x201d;
-</p>
-<p>Zij trachtte vroolijk te schijnen. Doch het mislukte haar doorgaans. Wanneer Alcibiades
-haar dan verstoord verliet kwam zij tot berouw, overstelpte hem met boden en brieven,
-snelde tot hem, smeekte hem, liet zich door den overmoedigen jongeling mishandelen&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Op zekeren dag kwam Socrates ten huize van den jongen vriend en zag de vrouw in tranen
-badend voor den drempel van den onverbiddelijken jongeling liggen.
-</p>
-<p>Zij zag hem aan en herkende den man, die eens op hare blijmoedige &#x201e;zelfopoffering&#x201d;
-eene zoo zonderlinge lofrede had gehouden. Zij was tot deze zelfopoffering niet meer
-in staat. Zij wilde, wat zij toen zonder hinder ontbeerde: beminnen en bemind worden.
-Jammerend klaagde zij Socrates haar leed. Hij sprak haar woorden van troost toe en
-voerde haar weg.
-</p>
-<p>Daarop wilde hij naar Alcibiades terugkeeren, om een goed woord bij dezen voor de
-arme vrouw <span class="pageNum" id="pb2.274">[<a href="#pb2.274">274</a>]</span>te doen. Doch hij was zoo in gedachten verzonken, dat hij, bij de deur van Alcibiades
-gekomen, niet binnentrad, maar peinzend bleef staan: zoodat Alcibiades, toen hij uitging
-zijn vriend aan den drempel vond.
-</p>
-<p>&#x201e;Waarover staat gij te peinzen?&#x201d; vroeg hij.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik meende juist weder het wezen der liefde op &#x2019;t spoor te zijn,&#x201d; antwoordde Socrates.
-&#x201e;Ik dacht voor een oogenblik gevonden te hebben, dat het wezen der liefde daarin bestond,
-dat men noch tranen vergiet noch afperst&#x2014;dat men noch mishandelt noch zich laat mishandelen&#x2014;dat
-men noch vertrapt <span class="corr" id="xd30e8404" title="Bron: nocht">noch</span> zich laat vertrappen&#x2014;maar in een enkel oogenblik is mij dit weder twijfelachtig geworden&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>Toen Alcibiades naar het leger voor Potidaeä vertrok, dankte hij de Goden, aan de
-liefde eener vrouw ontkomen te zijn, die om zijne afwezigheid jammerde en zich de
-haren uit het hoofd rukte.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd30e8409" title="Bron: Nu">Na</span> eenigen tijd schreef Alcibiades uit het kamp voor Potidaeä het volgende aan Aspasia:
-</p>
-<p>&#x201e;Gij wenscht van mij te vernemen, hoe onze Socrates het in zijn nieuw beroep maakt.
-Welnu, hij is in het leger voor Potidaeä precies dezelfde, als hij voor jaren in de
-werkplaats van Phidias is geweest. Nu eens is hij met den grootsten ijver bij de zaak,
-dan weder laat hij het hoofd hangen en is in ledige gepeinzen verzonken. In heldere
-sterrennachten, als alles rondom in de tenten sluimert, gaat Socrates rond en waakt
-alleen en peinst&#x2014;en vraagt en zoekt&#x2014;natuurlijk te vergeefs. Hij wil telkens afstand
-doen van meer te weten, maar onwillekeurig wordt hij steeds tot nieuw peinzen en zoeken
-en vragen gedrongen.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt mij eens voor geruimen tijd, toen ik nog een jongen was en gij voor een
-enkelen dag een Spartaansch jongeling voorsteldet, van de vriendschapsbanden der jonge
-Spartanen gesproken, vriendschapsbanden, die de jongeren aan de ouderen verbinden
-en hen tot onafscheidelijke wapenmakkers <span class="pageNum" id="pb2.275">[<a href="#pb2.275">275</a>]</span>maken. Een dergelijke onscheidbare vriendschap is er thans tusschen Socrates en mij
-ontstaan. En waarlijk, de goede man heeft steeds overvloedige gelegenheid om te toonen,
-dat hij mijn vriend is. Ik heb telkens onaangenaamheden met menschen in de omliggende
-tenten, die niet velen kunnen, dat ik in de mijne &#x2019;s nachts met goede vrienden drink
-en zing omdat wij hen, zooals zij zeggen, in hun slaap storen. Ja, die oude paaien
-komen er zelfs bij dag tegen op, dat wij vroolijk zijn en trekken den neus op, als
-wij na het ontbijt nog een eindje in den dag brassen en pret maken. Zij dienen bij
-de strategen en taxiarchen klachten tegen ons in, en geven voor, dat wij in onze dronkenschap
-tegen hunne slaven en hen zelven allerlei baldadigheden plegen. Zoo is er dus altijd
-en eeuwig gehaspel en soms ook eene kleine kloppartij. In zulke gevallen mogen zelfs
-de strateeg en de taxiarch ons niet ontzien, en alleen de voorspraak van Socrates
-redt den een of ander uit het gevaar naar alle regelen van het gymnasium op het zand
-uitgestrekt of ook bont en blauw geslagen te worden.
-</p>
-<p>&#x201e;Bovendien bevalt mij Socrates, omdat hij dat aanmatigend vertoon niet heeft, dat
-mij de andere sophisten, wijsgeeren en zedeprekers onuitstaanbaar maakt. Hij bezit
-eene soort van zielenadel en nederige voortreffelijkheid, waarvan geen mensch in gansch
-Hellas verder verwijderd is dan ik. Maar men bewondert het meest, wat men zelf niet
-heeft en juist de contrasten, naar het schijnt, trekken de menschen tot elkander.
-&#x2019;t Is alsof uit zijn overigens aanzienlijk uiterlijk soms stralen schieten, als de
-bliksem eener Godheid, en dit is met de jaren steeds krachtiger in hem geworden. Ik
-heb dikwijls opgemerkt, dat iemand, die door dezen bliksem werd getroffen, als geheel
-verlicht en verwarmd scheen: hij bloosde, zijn bloed bruiste, precies alsof hij tegenover
-eene betooverende vrouw stond.
-</p>
-<p>&#x201e;Onlangs had ik eens met den jongen Callias afgesproken een klein nachtelijk avontuur
-te bestaan. <span class="pageNum" id="pb2.276">[<a href="#pb2.276">276</a>]</span>Ons speelde het Homerisch gezang<a class="noteRef" id="xd30e8423src" href="#xd30e8423">2</a> van den nachtelijken tocht van Diomedes en Odysseus door het hoofd en van den roof
-der schoone paarden van Rhesus. Nabij de muren van Potidaeä wilden wij een bende vijanden
-overvallen, neervellen en hunne wapenen als buit terugbrengen. Wij verlieten dus in
-stilte tegen middernacht het leger en in de nabijheid der stad gekomen, stieten wij
-inderdaad op een hoopje gewapenden, dat de ronde deed. Wij gingen op deze knapen los,
-doodden een paar van hen, terwijl de overigen de vlucht namen; dezen echter sloegen
-alarm, totdat anderen der hunnen toesnelden en zoo versterkt maakten zij nog eenmaal
-rechts-omkeert en vielen ons met groote overmacht aan. Wij hielden dapper stand; maar
-ik weet niet, wat er van ons geworden zou zijn, zoo niet eensklaps een man als uit
-den grond was verrezen, zich in het treffen had gemengd en zoo dapper en met zulk
-eene krachtige vuist op de Potidaeërs had ingehouwen, dat dezen, nadat eenigen hunner
-dappersten neergesabeld waren, het nogmaals geraden achtten het gevecht te staken
-en naar de muren te vluchten. Die helper was nu niemand anders dan Socrates, wien
-de schoone nacht naar buiten had gelokt, wel is waar niet om op avonturen, maar op
-gedachten jacht te maken; hij dan, buiten het kamp ronddolend, had het wapengekletter
-gehoord en was te rechter tijd ons ter hulp gesneld. Bij die gelegenheid heb ik weder
-gezien, wat die man zou kunnen doen, als hij met hart en ziel soldaat en niet daarbij
-nog wijsgeer was. Hij sloeg op de Potidaeërs niet minder geweldig in, dan hij vroeger
-op de marmerblokken in Phidias&#x2019; werkplaats hamerde. En evenals de steenen, toen hij
-nog steenhouwer was, het ontgelden moesten, wanneer het probleem, dat hem juist bezighield,
-hem groote moeilijkheden veroorzaakte, zoo moesten in dien helderen nacht de hoofden
-der Potidaeërs er voor boeten, dat Socrates <span class="pageNum" id="pb2.277">[<a href="#pb2.277">277</a>]</span>juist weder te vergeefs getracht had het wereldraadsel op te lossen. Hij kan midden
-in het gevecht naar het gezang van een vogel in de lucht luisteren, of, wanneer hij
-op wacht staat, zijne aandacht, in plaats van op de bewegingen der Potidaeërs, op
-die der sterren aan den hemel vestigen. Nog steeds namelijk is hij gewoon het meest
-alledaagsche opmerkzaam gade te slaan en als men hem er naar vraagt, antwoordt hij,
-dat de dingen hem spookachtig voorkomen, omdat hij ze niet begrijpt en omdat zij hem
-haar eigenlijk wezen niet willen openbaren.
-</p>
-<p>&#x201e;Tegenwoordig zint hij op een plan, hoe men den oorlog onnoodig zou kunnen maken,
-en als hij zelf niet bezig is op de vijanden in te houwen, zet hij ons uiteen, hoe
-afschuwelijk die onderlinge menschenslachting is en hoe men eens over menschen, die
-elkander in den krijg vermoorden, niet anders zal spreken, dan men thans over menscheneters
-spreekt en dat er een tijd zal komen, dat men zelfs niet zal kunnen begrijpen, hoe
-het menschelijk geslacht zoo woest en ruw is geweest. Hij zegt, dat er een bond onder
-de wolken moest worden opgericht en een opperscheidsgericht ingesteld, waardoor de
-geschillen zouden kunnen beslecht worden. En hij is van oordeel, dat iets dergelijks
-reeds te bereiken ware, als slechts één of een paar staten openlijk wilden verklaren,
-dat zij van stonde aan in iederen oorlog de partij van den aangevallene zouden opnemen
-of van hem, wien onrecht wordt aangedaan. Droomerijen, een zonderling waardig! Men
-mag de zucht naar heldendaden, die in den mensch leeft, de vleugels niet knotten;
-bovendien, de wereld zou zonder haat en strijd en oorlog even vervelend zijn, als
-eene wereld zonder liefde.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat mij betreft, het krijgsmansleven schijnt mij best te bekomen. Ik ben, geloof
-ik, reeds veel deugdzamer geworden. Ik matig mij thans in alle dingen zóó, dat ik
-reeds sinds geruimen tijd met <span class="pageNum" id="pb2.278">[<a href="#pb2.278">278</a>]</span>mijn vriend Axiochus één gemeenschappelijk liefje heb.
-</p>
-<p>&#x201e;Doch dat zijn dingen, die u vervelen moeten. Vaarwel, Aspasia, en schrijf mij nu
-eens op uwe beurt, hoe toch de stad der Atheners het zonder Alcibiades maakt.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Een staat van kleinen omvang kan nooit een groot landleger, gemakkelijker echter eene
-groote vloot bezitten. Dit was de toestand van Athene, toen koning Archidamus van
-Sparta met zestigduizend Peloponnesiërs in Attica was gevallen. Ook de meesten der
-bondgenooten konden Athene alleen ter zee hulp verleenen.
-</p>
-<p>Terwijl de vloot uitgerust werd, vluchtte het volk door Archidamus overstroomde dorpen
-en vlekken naar de stad. Wat in de stad geen onderkomen kon vinden, legerde zich onder
-den blooten hemel tusschen de lange muren, en richtte zich daar in, zoo goed en kwaad
-het ging. De geheele ruimte tusschen de stad en den Piraeüs wemelde van deze gasten
-en er ontstond hier langzamerhand eene tentenstad; want die menschen woonden onder
-tenten, die onder beschutting der muren waren opgeslagen. Men zag echter de minder
-gegoeden hun verblijf houden in reusachtige tonnen, zooals die te Athene in gebruik
-waren. Van de muren der stad uit kon men de wachtvuren der Peloponnesiërs zien, die
-in de velden en op de wijnbergen hun kamp hadden opgeslagen. Doch, dank den ijver
-van Pericles, waarmede deze sedert lang de stad van versterkingen had voorzien, zag
-deze zich voldoende tegen elken aanval gevrijwaard. Getrouw aan zijn oorspronkelijk
-plan, waarvan hij zich in zijne kalme rust ook niet door het levendigst ongeduld der
-Atheners liet afbrengen, zond Pericles alleen de ruiterij buiten de poorten der stad,
-om deze en hare onmiddellijke omgeving te bewaken.
-</p>
-<p>Toen Archidamus van de hoogten van Attica eene trotsche vloot van honderd schepen
-den Piraeüs zag uitloopen en naar de Peloponnesus koers zetten, geschiedde wat Pericles
-vooruit had gedacht <span class="pageNum" id="pb2.279">[<a href="#pb2.279">279</a>]</span>en overwogen. De Peloponnesiërs, de onaantastbaar sterke stad tegenover zich ziende
-en tevens zich bewust, dat de onverdedigde, niet versterkte steden van hun vaderland
-aan de machtige vloot en de uitgelezen manschap der vijanden prijsgegeven waren, braken
-op, verlieten Attica en trokken terug over den <span class="corr" id="xd30e8440" title="Bron: Ishtmus">Isthmus</span>.
-</p>
-<p>Pericles had er van moeten afzien, om persoonlijk de uitloopende vloot aan te voeren.
-Want hij scheen onontbeerlijk te Athene, zoolang de Peloponnesiërs zich nog op Attischen
-bodem bevonden.
-</p>
-<p>Toen zij vertrokken waren, was Pericles&#x2019; eerste onderneming om met een klein, maar
-voortreffelijk uitgerust leger naar Megara op te rukken. Het verbitterde volk der
-Atheners vorderde gebiedend een geweldige afrekening met de gehate stad.
-</p>
-<p>Pericles&#x2019; afwezigheid van Athene was daarentegen menigeen wederom hooggewenscht.
-</p>
-<p>De uilen op de Acropolis ontwaakten in hunne schuilhoeken uit hun sluimer en sloegen
-de vleugels uit.
-</p>
-<p>Diopithes bediende zich van Meno tegen Phidias, begeerig het lang beraamde plan, om
-den grooten man in het verderf te storten, ten uitvoer te brengen.
-</p>
-<p>Een ongunstig bekend sycophant, Stephaniscus geheeten, trad op aandrijven van Diopithes
-als eigenlijke aanklager van Phidias op. Deze ellendeling was met eene hetaere gehuwd,
-die, zooals men zei, in zijn huis hare nering voortzette, terwijl hij zelf als sycophant
-den kost zocht te winnen. Hij beweerde in zijne brutale aanklacht, dat Phidias van
-het goud, &#x2019;t welk hem tot voltooiing van het standbeeld van Athene Parthenos ter hand
-was gesteld, een deel verduisterd en zich zelve toegeëigend had. Voorts verweet hij
-hem, dat hij eene, met den eerbied jegens de Goden en hunne heiligdommen onbestaanbare
-ijdelheid aan den dag had gelegd, door in den Amazonen-strijd op het schild der Godin
-zijn eigen beeld en dat van Pericles te beitelen. Als getuige voor het verduisteren
-van het <span class="pageNum" id="pb2.280">[<a href="#pb2.280">280</a>]</span>goud voerde hij Meno aan. Deze had vroeger een geruimen tijd ook herhaaldelijk in
-de werkplaatsen van Phidias zich opgehouden en er voor zulke giften, als men een bedelaar
-geeft, ondergeschikte diensten bewezen. Gedurende dien tijd nu, beweerde hij, had
-hij eens uit een donkeren hoek bespied, hoe Phidias, wanende niet opgemerkt te worden,
-van het goud, dat hem ter vervaardiging der Parthenos op den burg toevertrouwd was,
-een deel afgenomen en weggeborgen had, klaarblijkelijk met het doel om het zich toe
-te eigenen.
-</p>
-<p>Het zaad des lasters, sedert langen tijd door de handlangers van Diopithes, ook tegen
-Phidias uitgestrooid, was welig opgeschoten. En zoo vond de aanklager Stephaniscus
-bij het Atheensche volk een goed voorbereiden akker.
-</p>
-<p>De eerwaardige beeldhouwer, die zich juist weder te Athene bevond, werd op die aanklacht
-van Stephaniscus in den kerker geworpen.
-</p>
-<p>De schepper van het schoonste gedenkteeken, dat, naar Pericles zeide, het Atheensche
-volk zich voor alle volgende tijden had opgericht, werd op eene schandelijke beschuldiging
-in de gevangenis gezet.
-</p>
-<p>Evenals Diopithes zich de afwezigheid van Pericles ten nutte maakte, waren ook de
-lage, eerzuchtige opruiers des volks druk bezig, gedurende de afwezigheid van den
-man, die hen allen in toom hield, hun invloed onder het volk uit te breiden.
-</p>
-<p>Door het binnentrekken der landlieden in de stad gedurende den inval der Peloponnesiërs,
-was de massa van het mindere volk in Athene zeer vermeerderd. Deze menigte had zich
-bovendien aan zekere lediggang gewend en velen waren, ook na den terugtocht van Archidamus,
-in de stad achtergebleven, omdat hunne hoeven door de vijanden verwoest waren. Langzamerhand
-vormde zich datgene, wat men gepeupel noemt, terwijl het getal der onbemiddelde burgers
-toenam. Maar juist die hongerlijders stroomden het drukst naar de volksvergadering;
-<span class="pageNum" id="pb2.281">[<a href="#pb2.281">281</a>]</span>want daar kregen zij immers hunne twee obolen in contant geld. Derhalve waren de volksvergaderingen
-op de Pnyx talrijker bezocht en luidruchtiger dan ooit. Cleon, Lysicles en Pamphilus
-durfden zich meer openlijk uitspreken en het Atheensche volk werd allengs er aan gewoon
-lieden van dit slag het redenaarsgestoelte te zien beklimmen.
-</p>
-<p>Van deze drie mannen was Pamphilus het krachtigst van meening, dat men beproeven moest
-Pericles ten val te brengen. Eens stond hij op de Agora, omstuwd door een groot aantal
-Atheensche burgers, en zette hun uiteen, op welke gronden men Pericles kon aanklagen.
-Hij schold hem een lafaard, die het Attische land door den vijand had laten verwoesten
-en die den burgers tyranniek de wijze voorschreef, waarop zij zich moesten verdedigen;
-gedurende den geheelen tijd, dat de Peloponnesiërs op Attischen bodem gestaan hadden,
-had Pericles geen volksvergadering op de Pnyx bijeen geroepen, alleen om geheel naar
-persoonlijke willekeur te kunnen heerschen.
-</p>
-<p>Er bevonden zich velen onder de menigte, die van Pamphilus&#x2019; meening waren; in het
-bijzonder drong zich een zekere Crespilus op den voorgrond, die den worstenmaker in
-woest getier tegen Pericles trachtte te overtreffen en die de noodzakelijkheid aantoonde,
-den strateeg bij het volk onmiddellijk in staat van beschuldiging te stellen.
-</p>
-<p>Daar kwam plotseling de barbier Sporgilus aanloopen. &#x201e;Goed nieuws!&#x201d; riep hij uit de
-verte. &#x201e;Een handvol geld voor den brenger van goede tijding!&#x2014;Pericles is op de terugtocht
-van Megara! Hij is reeds met zijn leger in Eleusis! De Megarensers heeft hij naar
-behooren getuchtigd, en nog heden zal hij in Athene zijn!&#x201d;
-</p>
-<p>Pamphilus werd bleek van gramschap.
-</p>
-<p>&#x201e;Een handvol geld verlangt gij?&#x201d; hernam hij met onderdrukte stem; &#x201e;de tong moest men
-u uitsnijden voor uw nieuws, hondsvot!&#x201d;
-</p>
-<p>Ook op de overige samenzweerders maakte het <span class="pageNum" id="pb2.282">[<a href="#pb2.282">282</a>]</span>bericht een zeer ontmoedigenden indruk, en hoewel Pamphilus ook nu nog de menigte
-zocht op te ruien, sloop toch de een voor, de ander na weg en men oordeelde dat het
-moeilijk was tegen den zegevierend terugkeerenden Pericles iets uit te richten en
-dat men de zaak tot eene betere gelegenheid moest uitstellen.
-</p>
-<p>Toen nu ook Crespilus schouderophalend wilde afdruipen, greep de vertoornde Pamphilus
-hem bij zijn kleed en schreeuwde: &#x201e;Lafaard! Ellendige overlooper! Schaamt gij u niet
-enkel bij het woord: &#x201e;Pericles is in aantocht!&#x201d; schandelijk de vlucht te nemen?&#x2014;Zie
-naar mij! Ik ben volstrekt niet bang Pericles in eigen persoon onder de oogen te komen!
-Ik heb moed! Ik ben geboren op den dag van de zege bij Marathon!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik niet!&#x201d; hernam Crespilus. &#x201e;Ik was een der kinderen die in den schouwburg te Athene
-door de van schrik ontstelde moeders te vroeg ter wereld gebracht werden, toen men
-de Eumeniden van Aeschylus opvoerde!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Met deze verontschuldiging rukte Crespilus zijn kleed los uit de handen van Pamphilus
-en ijlde weg.
-</p>
-<p>&#x201e;Weg zijn zij,&#x201d; riep de demagoog tandenknarsend, &#x201e;weg zijn zij, die vervloekte kerels&#x2014;uit
-elkander gestoven, als had men een emmer vuil water over hunne hoofden uitgestort!&#x201d;
-</p>
-<p>Daar kwam de dolle Meno tot hem en vroeg hem naar de oorzaak zijner verbittering.
-</p>
-<p>Hij klaagde hem zijn nood.
-</p>
-<p>&#x201e;Gek!&#x201d; zei Meno met een grijnslach. &#x201e;Wilt gij een muur omver werpen en duwt gij er
-te vergeefs met den schouder tegen? Leg u er onder en ga slapen: te zijner tijd valt
-hij van zelf over uw hoofd ineen!&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb2.283">[<a href="#pb2.283">283</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e8167">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8167src">1</a></span> Narcissus was, volgens eene vooral te Thespiae in Boeötië inheemsche legende, een
-schoon jongeling, de zoon van den riviergod Cephissus en de nimf Liriope, door allen
-bemind. Vooral de nimf Echo werd smoorlijk op hem verliefd; uit heimwee naar hem verkwijnde
-zij, zoodat alleen de stem van haar overbleef. Uit straf daarvoor werd Narcissus door
-hartstochtelijke liefde voor zijn eigen beeld verteerd, dat hij in eene bron aanschouwde.
-Eene andere overlevering is dat hij zich zelven doodde. Op die <span class="corr" id="xd30e8169" title="Bron: plaatst">plaats</span> ontsproot de Narcissus, de doodsbloem, het symbool der vergankelijkheid en des doods,
-den Ondergoden gewijd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e8167src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e8423">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8423src">2</a></span> Iliad. Boek X. vs. 470&#x2013;515.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e8423src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch23" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXIII.</h2>
-<h2 class="main">HET DIONYSUS-FEEST.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Met dubbelen luister, met dubbele levendigheid werden, na het herademen uit den treurigen
-oorlogsnood, de winterfeesten gevierd. Ten volle echter is de vroolijke lust ontketend,
-sedert de lucht zachter begon te waaien en de tijd van het grootste der Bacchus-feesten,
-de tijd van de groote, in de stad gevierde, Dionysiën aanbrak. In de wouden vertoont
-zich de wouw, vroolijk snateren aan het strand de halcyonen en aan de kroonlijsten
-tjilpen de zwaluwen. Op de hoogten van den <span class="corr" id="xd30e8488" title="Bron: Hymetlus">Hymettus</span>, den Pentelicon, den Lycabettus ontluikt in iederen struik de lente. Viooltjes en
-anemonen, primulae veris en crocussen openen hunne knoppen en de op de weiden vergeten
-staf des herders is des morgens met bloemen getooid.
-</p>
-<p>De zeelieden in de haven winden de ankers, maken het takelwerk los, richten de masten
-op en zetten de zeilen naar de wind. Nieuw leven ontwaakt op de baren van den Saronische
-golf. De afgezanten der verbonden steden en eilanden komen en brengen hunnen cijns
-juist ten tijde van het feest naar Athene. In alle herbergen, in alle huizen der Atheensche
-burgers wemelt het van gasten, die van heinde en verre zijn gekomen. Met kransen getooid,
-in feestgewaad gedost, dolen thans van den vroegen morgen af zwermen van stedelingen
-en vreemden door de straten. Niet alleen zijn alle in het openbaar staande altaren
-en Hermesbeelden met kransen omhangen, maar ook geweldige mengvaten zijn er nevens
-geplaatst, met de gaven van Bacchus gevuld, door de rijken ten offer gebracht en het
-volk tot vrij gebruik aangeboden. Wederom biedt Hipponicus aan inboorlingen en vreemden
-in den Ceramicus een gastvrij onthaal, door iedereen, die komen wil, tot zich te noodigen
-<span class="pageNum" id="pb2.284">[<a href="#pb2.284">284</a>]</span>en hen in de open lucht op met klimop bekranste kussens te ontvangen.
-</p>
-<p>Vergeten is de krijgsnood, de twist der partijen houdt een wapenstilstand, de aanslagen
-van Diopithes rusten voor een oogenblik in hun anders rusteloozen gang. Alleen genot
-en vrede heerschen. Wel is waar overal klinkt luider de scherts en het vroolijk gelach&#x2014;en
-dubbel scherp is thans de geestigheid, dubbel roerig de tong des Atheners;&#x2014;maar wee
-hem, die in dezen tijd geweld pleegt aan een Atheensch burger! Niet eens de verzachtende
-omstandigheid van dronkenschap beschermt hem: zijn hoofd en leven is verbeurd.
-</p>
-<p>Hoe komt het, dat men nu op eens zoovele bekoorlijke vrouwen in Athene&#x2019;s straten ziet?
-Wie zijn die vroolijk lachende, rijk uitgedoste, verleidelijke schoonen? Het zijn
-hiërodulen uit den tempel van Aphrodite te Corinthe en andere priesteressen van het
-genot, die het getal der inheemsche hetaeren vermeerderend, uit de verschillende steden
-van Griekenland zijn samengekomen tot het vroolijkste en uitgelatenste feest der Atheners.
-</p>
-<p>He! wat een mengelmoes van vreemd, ronddolend volk heeft de vroolijke, dartele Dionysische
-feesttijd herwaarts gelokt! Ziet die behendige goochelaars en wondermannen met hunne
-door de zon donker gekleurde gezichten! Ziet, hoe zij voor aller oogen zwaarden inslikken
-of een vuurregen uit den mond spuwen! Ziet daar die Thessalische meisjes, die haar
-zwaardendans uitvoeren te midden van een haar verbaasd aangapenden troep! Er ontbreekt
-geen enkele vertooning, zelfs de rondtrekkende, overoude poppenkast niet, noch de
-bont versierde, op kameelen dansende aapjes.
-</p>
-<p>Ook neringdoend volk is van heinde en verre gekomen en slaat zijne winkels op, midden
-in het gewoel der Agora, in den Piraeüs en langs den Ilissus.
-</p>
-<p>Troepen landlieden mengen zich onder de stedelingen en deelen met hen de feestvreugde,
-verzamelen zich om hunne lievelingen, de Thebaansche fluitspelers, <span class="pageNum" id="pb2.285">[<a href="#pb2.285">285</a>]</span>die anders blazend de landelijke streken plegen te doortrekken, of brengen het lievelingsspel
-van hun landelijk Dionysus-feest in de stad over: het springen op geöliede zakken,
-waarbij ieder zich met de bloote voeten op den gladden bal tracht staande te houden,
-onder uitbundig gelach der toeschouwers, ondanks al zijn gespartel, steeds naar beneden
-glijdt.
-</p>
-<p>Uitgelatener heerscht de vreugde in de straten, zoodra de duisternis is ingevallen.
-Dan zwerven talrijke scharen rond: zij hebben bellen en dragen fakkels en zijn met
-bloemen bekranst; daaronder zijn vrouwen, die mannenkleeren aan hebben, en mannen
-in vrouwengewaad&#x2014;met de handen wordt geklapt onder het geraas der bellen, waarmede
-als met cymbalen de maat geslagen wordt bij het gezang.
-</p>
-<p>Velen loopen gemaskerd. Sommigen hebben enkel hunne gezichten met wijnmoer bestreken
-of met menie of zich een masker gemaakt van boombladeren of boomschors. Anderen echter
-dragen fraai geschilderde maskers, deels van een deftig, deels van een belachelijk
-voorkomen: hier zwerft de gehoornde Actaeön rond, daar de honderdoogige Argus, ginds
-de gedeeltelijk in een paard veranderde Euïppe; Giganten, Titanen, Centauren stampen
-op den grond; Methe<a class="noteRef" id="xd30e8506src" href="#xd30e8506">1</a> bedwelmt, Pitho<a class="noteRef" id="xd30e8509src" href="#xd30e8509">2</a> vleit, Apate<a class="noteRef" id="xd30e8515src" href="#xd30e8515">3</a> lokt, Hybris<a class="noteRef" id="xd30e8518src" href="#xd30e8518">4</a> is dolzinnig en zelfs schrikgestalten mengen zich somwijlen onder de reien.
-</p>
-<p>Het talrijkste echter, ja overheerschend, zwerven in de straten de Satyrs met bokspooten
-en de Silenen met kale hoofden, die oude maar nog altijd vroolijke Satyrs. Zij hebben
-de hoofden bekranst met het altijd groene klimop. Ook Bacchanten dolen rond; zij dragen
-als Thyrsus dikwijls alleen een wingerdtak met klimop omwoeld.
-</p>
-<p>Uitgelaten dartelheid, ja dronkenschap wordt als <span class="pageNum" id="pb2.286">[<a href="#pb2.286">286</a>]</span>een plicht jegens den God in deze dagen en nachten beschouwd.
-</p>
-<p>En de God, hij rechtvaardigt in dien tijd zijn bijnaam van den &#x201e;Bevrijder&#x201d;. Zelfs
-de gevangenen worden voor de dagen van het feest uit hunne kerkers ontslagen: op de
-graven der dooden wordt wijn geplengd. Men wil de schimmen bevredigen, die immers
-niet zonder afgunst de vreugde der levenden ontberen. Ja, zelfs de bijgeloovigen willen
-weten, dat de zielen der afgestorvenen zich soms in dezen tijd in de reien der feestvierenden
-mengen en dat onder menig Satyrmasker een ontvleeschde doodskop verborgen is.
-</p>
-<p>De eerwaardige Telesippe kauwt in die dagen ijverig de bladeren van den hagedoorn
-en laat haar deur met teer bestrijken; want alleen op die wijze is het onheil af te
-wenden, dat ten tijde der groote Dionysiën den levenden van den kant der afgunstige
-schimmen bedreigt.
-</p>
-<p>Schier huiveringwekkend is het inderdaad te zien, hoe des nachts nu hier dan daar
-in de donkere straten het schijnsel der fakkels zich vertoont en een phantastische
-optocht voorbij trekt onder luidruchtig rumoer.
-</p>
-<p>Thans beweegt zich een geweldige stoet door de straten die van het Lenaeüm<a class="noteRef" id="xd30e8532src" href="#xd30e8532">5</a> naar den schouwburg voeren. Men draagt het beeld van Dionysus uit zijn tempel in
-het Lenaeüm naar den schouwburg en stelt het daar te midden der feestelijke vergadering.
-Het beeld van den God, dat er gedragen wordt, is een pas voltooid werk, een gewrocht
-van de hand des vurigen Alcamenes. Evenals Phidias op den burg naast het oude, houten
-beeld van Athene zijn nieuw, schitterend pronkstuk heeft geplaatst, zou wordt ook
-thans in het Lenaeüm, naast het oude, eerwaardige, eenvoudige Dionysus-beeld, het
-nieuwe, heerlijke werk van Alcamenes opgericht. En dit juist draagt men thans naar
-den Dionysus-schouwburg. <span class="pageNum" id="pb2.287">[<a href="#pb2.287">287</a>]</span>Scharen Bacchanten omringen het. Wat is dat voor een dolle troep, die een zinnebeeld
-dat vruchtbaarheid voorstelt, voor den God uitdraagt en liederen aanheft ter eere
-van Priapus? Het is Alcibiades met zijn Ityphallergezelschap.
-</p>
-<p>Op de kruiswegen en op de pleinen hield de stoet stil, om drankoffers te plengen of
-offerdieren te slachten.
-</p>
-<p>De platte daken der huizen zijn vol toeschouwers, van welke velen fakkels en lampen
-in de handen houden. Ook de vrouwen ontbreken hierbij niet. Weldra voegt de moedwil
-en scherts van de menschen op de dakterrassen zich bij de brooddronkenheid van de
-dolle menigte op de straten.
-</p>
-<p>De jonge Alcibiades schijnt ten toppunt van dolzinnige uitgelatenheid te zijn; hij
-overtreft zichzelven in overmoedige streken aan het hoofd van zijn gezelschap.
-</p>
-<p>&#x201e;Bedenkt,&#x201d; roept hij zijn Ithyphallers toe, &#x201e;dat wij, die anders ook reeds razen en
-tieren, op het <span class="corr" id="xd30e8542" title="Bron: Dionysusfeest">Dionysus-feest</span> verplicht zijn, dubbel te razen en te tieren, als wij niet in dolzinnigheid en overmoed
-geëvenaard en overtroffen willen worden door de nuchterste oude paaien van de stad
-der Atheners!&#x201d;
-</p>
-<p>Onder zulke aansporingen stormde Alcibiades met zijne makkers, alle Atheners kennende
-en door allen bekend, door de drommen des volks heen.
-</p>
-<p>Toen de nacht was ingevallen, liet hij fakkels voor zich uit dragen en voerde de zijnen
-onder luid getier, voorafgegaan door muziek, naar de huizen van mooie meisjes en knapen,
-om hun serenades te brengen. Die muzikanten zelven waren meest fluit- en citherspeelsters,
-als Maenaden verkleed, en daar ook zij, die met eene serenade waren vereerd, zich
-bij den stoet aansloten, begon deze hoe langer zoo meer op een troep Bacchanten te
-gelijken, die zich om den God Dionysus hadden geschaard.
-</p>
-<p>Ten laatste pakt de moedwillige, dronken Alcibiades eene jeugdige hetaere, Bacchis
-geheeten, die hij op zijn tocht ontmoette, aan, en dwingt haar <span class="pageNum" id="pb2.288">[<a href="#pb2.288">288</a>]</span>zich bij den stoet aan te sluiten. Hij noemt haar zijne Ariadne<a class="noteRef" id="xd30e8552src" href="#xd30e8552">6</a> en zich zelven haar Dionysus.
-</p>
-<p>Voor de woning van Theodota gekomen, brengt hij ook haar eene luidruchtige serenade
-en treedt met zijn gevolg haar huis binnen.
-</p>
-<p>Theodota had reeds sinds geruimen tijd den jongen Alcibiades niet meer bij zich gezien.
-Steeds heftiger was haar minnesmart geworden. Nu zag zij den geliefden jongeling weder;
-maar hoe onaangenaam, hoe pijnlijk was voor haar hart zijn binnentreden! Dronken kwam
-hij aan het hoofd van een dollen troep. Dat zou zij vergeven hebben, maar hij voerde
-eene jonge, bloeiende hetaere met zich mede, die hij zijne vriendin onmiddellijk als
-zijne Ariadne voorstelde en wier bekoorlijkheid hij in overdreven taal begon te roemen.
-</p>
-<p>Nu werd in de vertrekken van Theodota een drinkgelag aangelegd, dewijl zij er zich
-niet openlijk tegen durfde verzetten, hoewel haar hart schier van stille smart bezweek.
-Alcibiades wilde, dat zij vroolijk en uitgelaten zou zijn. Hij begon in zijne dronkenschap
-van streken te verhalen, die hij dezen avond reeds uitgevoerd had; hij beroemde zich
-een eerbaar, jong meisje midden in het feestgewoel van het Lenaeüm gekust te hebben,
-en prees de zeden en gebruiken, die ten minste op het Dionysus-feest de Atheensche
-vrouwen in haar handelingen vrij maakten. Hij sprak van Hipparete, de bekoorlijke
-dochter van Hipponicus, van haar heimelijken minnegloed voor hem, van haar blos, zoodra
-zij hem zag. Daarbij maakte hij zich vroolijk over haar onnoozel, ingetogen en jonkvrouwelijk
-voorkomen. Hij vertelde ook van Cora, het van Arcadië naar <span class="pageNum" id="pb2.289">[<a href="#pb2.289">289</a>]</span>Athene overgebracht herderskind, het belachelijkste en schuwste schepsel, &#x2019;t welk
-er te vinden was en dat toch om elken prijs de zijne moest worden. Liever wilde hij
-van de schitterende Simaetha, van die heerlijke, nieuwe parel van schoonheid, dan
-van het Arcadische, hoofdige kind afstand doen.
-</p>
-<p>Na deze uitweidingen begon de jongeling, door den wijn bedwelmd, hevig tegen Theodota
-uit te varen, om hare stilzwijgendheid en haar treurig voorkomen.
-</p>
-<p>&#x201e;Theodota,&#x201d; riep hij, &#x201e;gij zijt leelijk geworden! Al dat huilen en pruilen misvormt
-uw gezicht. Ontvangt men zoo een oud vriend, zooals ik? Waarover beklaagt gij u? Over
-mijn moedwil? Zijt gij het zelve niet geweest, die mij deze moedwil hebt geleerd?
-Herinnert gij u niet meer die vroolijke dagen en nachten, waarin ik onderricht van
-u ontving in alle soorten van dien schoonen moedwil? En thans? Wat moet dat verdrietig
-en gramstorig gezicht beteekenen? Waarom moet ik nu anders zijn, dan in den tijd,
-toen wij elkander het best bevielen en de vroolijkste uren samen doorleefden? Wees
-verstandig, Theodota! Denk aan die verliefde dwazen, wier sombere, teedere dweeperij
-u eens lastig viel en verveelde, zoo dat gij hen meedoogenloos lachend wegjoegt! En
-nu wilt gij zelve eene dweepster worden? Kan men zoo onverstandig zijne beste grondstellingen,
-zijne beminnelijkste eigenschappen verloochenen? Wees weder vroolijk en uitgelaten,
-Theodota! Geef ons een uwer prachtige dansen ten beste! Dans, ik wil het en wij allen
-willen het! Laat u nogmaals eens in uw vollen glans bewonderen!&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo sprak Alcibiades. Doch Theodota kon hare tranen niet weerhouden. Zij antwoordde
-met hartstochtelijke verwijten, noemde hem overmoedig, trouweloos, misdadig, meedoogenloos.
-</p>
-<p>&#x201e;Waarvan beschuldigt gij mij,&#x201d; hernam Alcibiades, &#x201e;terwijl gij zelve ouder <span class="corr" id="xd30e8569" title="Bron: geworedn">geworden</span> zijt en de vroolijkheid der jeugd voor u verloren is gegaan? Beschuldig liever den
-tijd, die ons allen verandert. <span class="pageNum" id="pb2.290">[<a href="#pb2.290">290</a>]</span>Ook ik moet het voor lief nemen, als ik eenmaal van een jongen Satyr een oude, kaalhoofdige
-Sileen ben geworden. Doch ook als een kaalhoofdige Sileen zal ik nog altijd vroolijk
-zijn. Gij echter zijt op mij verstoord en vaart tegen mij uit en tegen het noodlot,
-omdat gij niet meer een bekoorlijk, bloeiend meisje zijt, gelijk Hipparete of Simaetha
-of deze Bacchis hier. Welnu, wilt gij volstrekt weder eene schoone jonkvrouw worden,
-reis dan naar Argos. Daar bevindt zich, zoo men zegt, een heiligdom met eene bron,
-waarin gij u slechts hebt te baden, om weder als jonkvrouw daaruit te voorschijn te
-komen. Ook Hera pleegt, zooals de dichters verhalen, van tijd tot tijd dit bad te
-bezoeken, om zich bij den vader der Goden weder aangenaam te maken. Wanneer zelfs
-de oude vader der Goden zulks nog weet op prijs te stellen, zou ik het dan niet doen,
-ik, de levenslustige jongeling, de Ithyphaller-vorst?&#x201d;
-</p>
-<p>Op deze wijze sprak Alcibiades in overmoedige scherts, terwijl Theodota slechts in
-nog heviger bewoordingen en met een vloed van tranen antwoordde; ja zelfs in de overmaat
-harer woede vergreep zij zich aan de jonge Bacchis, zoodat zij eene Maenade geleek.
-</p>
-<p>&#x201e;Zie eens naar mijn wakkeren vriend Callias,&#x201d; zei Alcibiades, &#x201e;die heeft tot stelregel
-geen vrouw meer dan ééns te naderen. En ik&#x2014;ben ik niet telkens weder tot uw drempel
-teruggekeerd? Ha, bij den zaligen Eros, ben ik niet dikwijls genoeg des avonds gekomen
-met een of meer vrienden, met de gouden appelen van Dionysus op de borst, het haar
-omwonden met den populierkrans van Heracles, getooid met purperkleurige banden? Maar
-dat zal nu niet meer gebeuren. Ik denk nooit weder terug te keeren, noch alleen noch
-met anderen! Gaan wij, mijne vrienden! Ik verveel mij hier! Vaarwel, Theodota!&#x201d;
-</p>
-<p>Verschrikt door deze bedreiging hield Theodota den vertoornden jongeling terug en
-beloofde, hare tranen drogend, aan zijne wensch te zullen voldoen.
-<span class="pageNum" id="pb2.291">[<a href="#pb2.291">291</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Welaan!&#x201d; riep Alcibiades, &#x201e;dans dan, zooals ik u straks reeds verzocht. Doe uw geprezen
-kunst nog eenmaal eer aan!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Wat zal ik dansen?&#x201d; vroeg Theodota.
-</p>
-<p>&#x201e;Gij geleekt zooeven,&#x201d; hernam Alcibiades, &#x201e;door den prikkel der hartstocht gedreven,
-veel op Io<a class="noteRef" id="xd30e8584src" href="#xd30e8584">7</a> die door eene door Hera gezonden paardenvlieg vervolgd, vertwijfelend over alle landen
-der wereld voortgejaagd werd. Toon ons, als gij wilt, door de kunst veredeld, wat
-ge ons vroeger liet zien in de ruwe, onbevallige werkelijkheid!&#x201d;
-</p>
-<p>Zwijgend maakte Theodota zich gereed de Io te dansen.
-</p>
-<p>Zij danste onder de muziek der fluiten de geschiedenis van Inachus&#x2019; dochter, hoe zij
-door Zeus bemind, toen door Hera vervolgd en gebonden en op haar bevel door den honderdoogigen
-Argus bewaakt werd, hoe zij door den gewelddadigen dood van haar wachter op last van
-de onverzoenlijke Hera door de vinnig stekende paardenvlieg vervolgd en over alle
-landen werd voortgedreven.
-</p>
-<p>In den beginne had Theodota met moeilijke zelfoverwinning aan het geuite verlangen
-voldaan. Langzamerhand echter scheen zij, al meer en meer opgewekt, hare ziel geheel
-en al uit te storten in &#x2019;t geen zij voorstelde. Haar mimische dans kreeg een volkomenheid
-en eene uitdrukking, waardoor alle toeschouwers werden medegesleept.
-</p>
-<p>Toen zij echter tot de jammerlijke omdoling van Io overging en de ontzetting uitdrukte
-voor Hera&#x2019;s toorn en voor het door de Goden gezonden, stekende dier, terwijl hare
-gebaren het karakter van eene wilde, hartstochtelijke onstuimigheid aannamen, toen
-in den angst der vluchtende het leed en het verloren liefdegeluk zich schenen te mengen,
-toen kregen de trekken en het geheele uiterlijk van Theodota allengs een schier huiveringwekkend
-voorkomen. Zij speelde met ontzettende <span class="pageNum" id="pb2.292">[<a href="#pb2.292">292</a>]</span>natuurlijkheid de razende, de vervolgde, de wanhopige.
-</p>
-<p>Maar zij speelde ze weldra niet meer. Hare oogen puilden uit en rolden verschrikkelijk
-in hunne kassen, haar boezem golfde, de geopende lippen bedekten zich met een licht
-schuim.
-</p>
-<p>Zoo wild en onstuimig werden hare bewegingen, dat Alcibiades en zijne vrienden verschrikt
-op haar toeijlden, om haar vast te houden en aan de onbeteugelde dolheid paal en perk
-te stellen.
-</p>
-<p>Thans begon Io-Theodota rustig te worden. Zij zag in den kring rond met matte oogen,
-glimlachte onnoozel en sprak de omstanders met zonderlinge namen aan. Alcibiades zelven
-hield zij voor Zeus, den als Sileen verkleeden Callias voor haar vader Inachus, doch
-in den jongen Demus meende zij den honderdoogigen <span class="corr" id="xd30e8598" title="Bron: Archus">Argus</span> te zien, en plotseling het oog strak op Bacchis vestigend stoof zij wederom op in
-dollen hartstocht; verwenschingen uitend tegen de haatdragende Hera, wilde zij zich
-op het meisje storten.&#x2014;
-</p>
-<p>Theodota was krankzinnig geworden.&#x2014;
-</p>
-<p>Zij zonk nu uitgeput ineen en stiet verwarde klachten uit in onsamenhangende, onzinnige
-taal.
-</p>
-<p>Alcibiades en zijne makkers werden door eene lichte huivering aangegrepen. Maar zij
-waren dronken van den wijn. Zij lieten de vrouw aan hare slavinnen over en zwierden
-uit Theodota&#x2019;s woning de straat op, waar de luidruchtige, bedwelmende Bacchantische
-feestvreugde hen in haar maalstroom voortsleurde.
-</p>
-<p>Den volgenden dag had een nieuwe omgang met het beeld van Dionysus plaats. En ditmaal
-was het &#x2019;t overoude, uit Eleutherae naar Athene gebrachte beeld van den God, dat uit
-het Lenaeüm naar een kleinen tempel buiten de stad, in de nabijheid van de Academie,
-gedragen werd, waar het in vroeger tijden was opgericht geweest. Eenmaal &#x2019;s jaars,
-bij de groote Dionysiën, werd het beeld voor korten tijd in een feestelijken optocht
-naar de oude plaats gebracht.
-<span class="pageNum" id="pb2.293">[<a href="#pb2.293">293</a>]</span></p>
-<p>Dit geschiedde juist nu weder.
-</p>
-<p>Talrijk en bovenmate prachtig, als ooit te voren, zeer verschillend van de eenvoudige
-wijze der voorvaderen, was ditmaal het feestelijk geleide van het beeld des Gods.
-In alle straten, waardoor het gedragen werd en op alle dakterrassen, vanwaar men er
-op neder kon zien, wemelde het van toeschouwers, die zelven in hun tooi van vioolkransen
-een feestelijk gezicht opleverden.
-</p>
-<p>Vooraan in den stoet liepen scharen Satyrs en Silenen in roode kleederen, hunne lichamen
-met klimopranken omwonden.
-</p>
-<p>Vervolgens werd een bekranst altaar rondgedragen, omgeven van knapen in purperen gewaad,
-die wierook, mirre en saffraan op gouden schalen droegen.
-</p>
-<p>Dan volgden allerhande vertooningen. Vooreerst een grijsaard achter een masker met
-twee gezichten, die den Tijd voorstelde, daarna de jeugdige, bloeiende Horen, die
-de vruchten droegen overeenkomstig haar jaargetijde; voorts eene prachtig uitgedoschte
-vrouw, versierd met de symbolen van het Dionysisch feest, eindelijk een schoon jongeling,
-die den vroolijken Dithyrambus<a class="noteRef" id="xd30e8614src" href="#xd30e8614">8</a>, voorstelde.
-</p>
-<p>Verder kwam een schaar van dertig citherspelers die gouden kransen op het hoofd droegen
-en op gouden lieren speelden.
-</p>
-<p>Nu echter volgde een prachtwagen op vier raderen, waarop het beeld van Dionysus gevoerd
-werd. De God was gekleed in een saffraankleurig gewaad, waarover een met goud geborduurde
-mantel geworpen was. Hij hield in de rechterhand een gouden beker omhoog, met fonkelenden
-wijn gevuld. Naast hem stond een reusachtig, gouden mengvat. Boven hem was een zonnescherm
-gespannen, waarvan weelderige klimop- en wingerdranken nederhingen. De wagen zelf
-was geheel met kransen omwonden en rondom versierd met tragische en comische <span class="pageNum" id="pb2.294">[<a href="#pb2.294">294</a>]</span>maskers, genen ernstig en waardig, dezen met grappige, grijnzende gezichten op het
-volk nederziende.
-</p>
-<p>Het onmiddellijke gevolg van den God vormden mannelijke en vrouwelijke Bacchanten
-met loshangende haren, de hoofden met wijngaardrank, klimop of struikwinde<a class="noteRef" id="xd30e8625src" href="#xd30e8625">9</a> bekranst.
-</p>
-<p>Op dezen wagen volgde een andere, waarop zich een vergulde wijnpers bevond. De wijnpers
-was geheel met kunstmatige druiven gevuld en dertig Satyrs stonden in den wagen en
-persten schijnbaar de druiven onder het aanheffen van een lustig wijnlied, door fluitspel
-begeleid, terwijl den geheelen weg over geurig vocht in een zak van pantervel droop.
-Om den zak echter zweefden Satyrs en Silenen, die drinkend en tierend den wijnstroom
-in bekers opvingen.
-</p>
-<p>Daarop kwam nog een derde wagen. Op dezen was eene grot voorgesteld, gehouwen uit
-heldere schitterende steen, met klimop omslingerd, waarin fonteinen van alle Helleensche
-wijnen sprongen. Bekranste nimfen zaten lachend bij deze fonteinen, duiven <span class="corr" id="xd30e8631" title="Bron: omfladderen">omfladderden</span> de grot, vlogen uit en in en trekkebekten in de groenende twijgen van het klimop.
-Satyrs en Silenen zochten de duiven te vangen, die aan den boezem der nimfen zich
-trachten te redden.
-</p>
-<p>Vervolgens kwamen er reien van zingende knapen, gevolgd door den optocht der voorname
-Atheners op prachtige rossen gezeten, verder jongelingen, die gouden en zilveren vaatwerk
-droegen, aan den dienst van Dionysus gewijd.
-</p>
-<p>Luidruchtige scharen sloten zich daarbij aan, en andere vermomde personen, die in
-uitgelaten brooddronkenheid de pracht van den feeststoet potsierlijk nabootsten.
-</p>
-<p>Op de Agora werd halt gehouden bij het altaar <span class="pageNum" id="pb2.295">[<a href="#pb2.295">295</a>]</span>der twaalf Olympische Goden en hier zongen reien van mannen en knapen den Dithyrambus,
-waarbij het koor tegelijk zich in rhytmischen danspas om het altaar bewoog.
-</p>
-<p>Deze tonen waren nauwelijks verdoofd en de Dionysische stoet verder getrokken, toen
-een tooneel van de vreemdste en wonderlijkste soort de aandacht tot zich trok.
-</p>
-<p>In dien tijd namelijk waren rondtrekkende bedelpriesters van Cybele, die men Metragyrten
-placht te noemen, voorts Sabazius-dienaars, apostels van Sabazius<a class="noteRef" id="xd30e8643src" href="#xd30e8643">10</a>, een God, oorspronkelijk met Dionysus overeenkomende, maar wiens vereering allengs
-mystiek was geworden, alsmede dwepers, die meenden de mystische wijsheid van Orpheus
-wederom te kunnen invoeren, te Athene opgetreden en begonnen hunne leer te verkondigen.
-</p>
-<p>De Sabazius-priesters, vereerden en predikten een Heiland der wereld, door wien de
-menschheid van alle kwalen verlost en de sterveling het hoogste heil deelachtig zou
-worden: die Heiland was Sabazius. Zij en de Metragyrten trokken rond in de straten
-met het beeld van den God of ook met dat van de moeder der Goden, onder de klanken
-van het cymbaal en den Aziatischen tamboerijn voerden zij dansen uit, waarbij zij
-zich als razende Corybanten gedroegen. Geeseling zelfs en zelfverminking pleegden
-en bevolen zij aan, gelijk de priesters van Cybele op den Tmolus. Het geheele land
-zwierven zij bedelend door, een ezel droeg hunne heiligdommen, allerlei geheime middelen
-verkochten zij en voor geld boden zij zich aan, om den toorn der Goden te bezweren,
-ja zelfs gestorvenen van bedreven misdrijven te reinigen en uit de kwellingen van
-den Tartarus te verlossen. Zij waren de verkoopers van en onderhandelaars in de hulp
-der Goden voor de stervelingen.
-</p>
-<p>De geest van den Helleen was niet geheel en al afkeerig <span class="pageNum" id="pb2.296">[<a href="#pb2.296">296</a>]</span>van zulke dweperij, en hier en daar begon zij in de gemoederen van enkelen wortel
-te schieten.
-</p>
-<p>Niemand zag met grootere verbittering zulke pogingen aan, om een somberen en mystieken
-eeredienst uit het Oosten naar het levenslustige Hellas over te planten, <span class="corr" id="xd30e8653" title="Bron: den">dan</span> Aspasia, en met alle middelen, die haar ten dienste stonden, streed zij daartegen.
-De dartele, jonge Alcibiades, wien sombere dweepzucht niet minder onbegrijpelijk en
-een gruwel was, stond haar als moedig kampioen tegen die mannen der duisternis en
-kwakzalvers ter zijde.
-</p>
-<p>Gedurende het Dionysus-feest achtten ook de rondtrekkende Metragyrten en Sabazius-dienaars
-de gunstige gelegenheid gekomen, om aanhangers te werven voor hun God en Heiland Sabazius
-en voor zijn fanatieken en gruwzamen dienst. Zij trokken rond, met populierloof en
-venkel omkranst, en hielden slangen in de hand, die zij over hun hoofd zwaaiden, en
-dansten, door eene groote menigte volks omstuwd, onder het Corybantisch rumoer en
-cymbalen en tympanen, hun razenden dans, de zoogenaamde Sicinnis<a class="noteRef" id="xd30e8659src" href="#xd30e8659">11</a>. Daarbij geeselden en <span class="corr" id="xd30e8662" title="Bron: ver-verwondden">verwondden</span> zij zich tot bloedens toe.
-</p>
-<p>Een Metragyrt had eene groote menigte volks om zich heen verzameld en predikte met
-heftige gebaren en luid geschreeuw den verlossenden God Sabazius. Hij sprak van geheime
-wijding, en van de hoogste en den God welgevalligste handeling van den ganschen Sabazius-dienst,
-de zelfverminking.
-</p>
-<p>Terwijl de menigte aandachtig luisterde en voor een deel de gemoederen bewogen waren
-door de taal van den Metragyrt, kwam eensklaps de schaar der tierende, dronken Ithyphallers
-daarlangs. Zij hoorden den vreemden dweper van den Sabazius-dienst en de zelfverminking
-spreken.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe?&#x201d; riep de uitgelaten aanvoerder der Ithyphallers, &#x201e;van zelfverminking waagt ons
-iemand te spreken, te midden van de weelde der Bacchische <span class="pageNum" id="pb2.297">[<a href="#pb2.297">297</a>]</span>feestvreugde? Neen! Zulke taal mag op Helleenschen bodem niet gehoord worden, zoolang
-er nog Ithyphallers zijn!&#x201d;
-</p>
-<p>Nauwelijks had hij dit gezegd, of de schaar der dronken overmoedige jongelingen viel
-op den <span class="corr" id="xd30e8673" title="Bron: Metagyrt">Metragyrt</span> aan, sleurde hem voort en, gedachtig aan de wraak reeds lang aan zijns gelijken gezworen,
-slingerde men hem in den naburigen afgrond, het Barathron.&#x2014;
-</p>
-<p>Onder de Bacchanten, die den feeststoet volgden, bevonden zich ook de leerlingen van
-Aspasia.
-</p>
-<p>Hoe zouden zij, die tot vrijheid werden opgevoed, de vrijheid niet volop genieten
-in de dagen, waarop zelfs voor hen, die anders niet vrij waren, alle boeien werden
-verbroken en alle slagboomen vielen?
-</p>
-<p>Ook het Arcadische herderskind, hoewel het zich er met tegenzin in schikte, had men
-als eene Bacchante gemaskerd en zij werd mede voortgetrokken door de onbeteugelde
-reien.
-</p>
-<p>De jonge Alcibiades scheen er groot belang in te stellen, dat aan de Bacchanten, die
-uit Aspasia&#x2019;s huis kwamen, ook Cora niet ontbrak.
-</p>
-<p>Cora stond wel is waar in schoonheid verre achter bij hare speelgenooten. Doch zij
-was preutsch en haar zonderlinge ernst prikkelde den moedwil van den jongeling en
-voerde hem ten laatste tot vermetelheid.
-</p>
-<p>Ter wille van Cora volgde hij met zijne makkers, door Satyrmaskers onkenbaar, Aspasia&#x2019;s
-meisjes. Het waagstuk, dat hij voornemens was te volvoeren, was niets anders, dan
-de preutsche Arcadische van hare speelgenooten af te lokken, of, wanneer hem dit niet
-gelukte, haar met geweld uit haar midden voort te slepen en naar zijn huis te ontvoeren.
-</p>
-<p>Schertsend mengden zich de Satyrs onder de Bacchanten; Alcibiades drong zich in de
-nabijheid van Cora, doch vond haar weerbarstiger dan ooit.
-</p>
-<p>Plotseling vielen, op eene eenzame plaats, die voor de onderneming gunstig was, op
-een wenk van Alcibiades, zijne makkers en hij zelf het meisje <span class="pageNum" id="pb2.298">[<a href="#pb2.298">298</a>]</span>aan, om het onder de bescherming der reeds aanbrekende schemering met geweld weg te
-voeren.
-</p>
-<p>Doch in het hart der Arcadische ontwaakte dezelfde moed, waarmede zij vóór tijden
-reeds eenmaal een Satyr, die haar aanviel, op de vlucht had gedreven. En evenals zij
-toen een brandend stuk hout uit het vuur in het woud had gegrepen, om den vermetele
-daarmede te verjagen, zoo greep zij thans eene harer vriendinnen de fakkel uit de
-hand en stiet ze den vermomden aanrander Alcibiades in &#x2019;t gezicht, zoodat zijn satyrmasker
-in brand geraakte en hij in verwarring terugweek. Dit oogenblik maakte Cora zich ten
-nutte, om met de snelheid eener vluchtende hinde weg te ijlen en weldra was zij spoorloos
-uit de oogen harer vervolgers verdwenen.
-</p>
-<p>Rusteloos vloog zij met kloppend hart door de straten totdat zij het huis van Aspasia
-bereikt had.
-</p>
-<p>Even als Cora heden onder de Bacchanten, was de jonge Manes, de pleegzoon van Pericles,
-onder de Satyrs opgenomen.
-</p>
-<p>Ook hem had men het masker opgedrongen, ook hij was Xanthippus en Paralus tegen zijn
-zin in het dolle spel gevolgd. Onaangenaam, ja beangstigend scheen hem het gewoel,
-dat hem omgaf. De feestvreugde nam een losbandig teugelloos karakter aan. De dolle
-Meno gedroeg zich op de Agora even schaamteloos als zijn hond. Ten laatste werd Manes
-geheel weerloos het mikpunt der spotters. Onbeholpen en schuchter in al zijn doen,
-kon hij de plagerijen en de scherts waarmede hij van alle kanten bestormd werd, niet
-beantwoorden.
-</p>
-<p>&#x201e;Past op!&#x201d; schreeuwden eenigen in den kring. &#x201e;Die naargeestige Satyr daar is niet
-te vertrouwen! Reeds menigmaal zijn bij het Dionysus-feest afgunstige schimmen uit
-de onderwereld onder de levenden geslopen; mogelijk is hij Thanatos zelf of de pest!&#x2014;Scheurt
-hem het masker af! Wie weet welk een <span class="corr" id="xd30e8694" title="Bron: grijzenden">grijnzenden</span> kop wij dan zullen zien!&#x201d;
-</p>
-<p>Het brein van den jongeling werd beneveld, zijn hoofd bonsde, met zijne krachtige
-armen baande hij <span class="pageNum" id="pb2.299">[<a href="#pb2.299">299</a>]</span>zich een weg door het gewoel en ijlde naar huis terug.
-</p>
-<p>Daar aangekomen sloop hij ongemerkt naar het dakterras, dat op dit oogenblik geheel
-verlaten was. Daar ging hij op eene kleine steenen bank zitten, nam het Satyr-masker
-van zijn gelaat, lei het naast zich neder en verzonk in diepe gepeinzen.
-</p>
-<p>Eene diepe zwaarmoedigheid was over zijne trekken verbreid. Hij scheen eene heimelijke
-smart in zijne ziel te dragen. Toen hij zich aan het luidruchtig gewoel van het Dionysus-feest
-onttrok, lag de reden daarvan wellicht niet alleen in zijn afkeer van dergelijke uitgelatenheid,
-maar vooral in eene beklemdheid, die ten gevolge van een diepen en machtigen indruk,
-zich van zijne ziel meester maakte.
-</p>
-<p>Reeds lang had Manes op deze wijze, peinzend en treurig met de oogen naar den grond
-geslagen, daar gezeten, met het masker nevens zich. Eensklaps stond Aspasia voor hem.
-</p>
-<p>Verschrikt keek hij op. Zwijgend staarde de vrouw des huizes hem eenigen tijd in het
-droefgeestig en sombere gezicht. Toen sprak zij hem aldus minzaam aan:
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe komt het, Manes, dat gij de genoegens van uwen leeftijd zoolang versmaadt? Voelt
-gij niets in uw bloed van &#x2019;t geen anderen drijft, om van den schoonen, vluchtigen,
-nooit terugkeerenden tijd der jeugd te genieten?&#x201d;
-</p>
-<p>Manes keek getroffen naar den grond en antwoordde niets.
-</p>
-<p>&#x201e;Hebt gij soms een verdriet of iets wat u hindert?&#x201d; vervolgde Aspasia. &#x201e;Zijt gij ontevreden
-in dit huis en zoudt gij liever onder andere menschen willen leven<span class="corr" id="xd30e8710" title="Bron: .">?</span> Zijt gij misschien heimelijk op Pericles verstoord, omdat hij u van Samos medegenomen
-heeft, en u als zijn eigen zoon in zijn huis heeft doen opvoeden?&#x201d;
-</p>
-<p>Bij deze woorden van Aspasia stond de jongeling onwillekeurig van zijn zitplaats op
-en met levendige, afwijzende gebaren verwierp hij een dergelijke <span class="pageNum" id="pb2.300">[<a href="#pb2.300">300</a>]</span>veronderstelling, terwijl een traan in zijn oog opwelde.
-</p>
-<p>Aspasia liet echter niet af naar de reden zijner droefgeestigheid te onderzoeken.
-</p>
-<p>Manes antwoordde nu eens met eene lichte zucht, die aan zijn borst ontglipte, dan
-weder met een blos. Zijne hand beefde een weinig. Hij waagde zelden op te zien; als
-hij het echter deed, hadden zijne oogen eene diep gevoelige, schier roerende uitdrukking.
-</p>
-<p>De jongeling was zoo houterig en stroef in zijn geheele wezen, en toch had hij thans
-iets teeders, men zou haast zeggen, iets meisjesachtigs over zich.
-</p>
-<p>Ieder oogenblik werd Aspasia meer versterkt in haar vermoeden, dat een geheim leed
-aan het hart van den jongeling knaagde.
-</p>
-<p>Liefde kon het niet zijn; want wie zou die stille gloed kunnen gelden! Dan toch alleen
-eene der jeugdige huisgenooten? Maar deze had Manes immers altijd schuw en verlegen
-ontweken? Had men niet alle moeiten aangewend, om den jongen man in den vroolijken
-kring te trekken en waren deze pogingen niet altijd mislukt?&#x2014;
-</p>
-<p>Eene gedachte vloog Aspasia door het hoofd. Eene gedachte, die in &#x2019;t eerste oogenblik
-haar schier kluchtig voorkwam, en haar bijna deed lachen.&#x2014;
-</p>
-<p>Maar als de jongeling zijn zielroerend oog tot haar opsloeg, werd die gedachte minder
-belachelijk en Aspasia gevoelde zich, &#x2019;t geen anders niet in haar karakter lag, door
-eene opwelling van innig medelijden aangegrepen.
-</p>
-<p>Zij werd niet moede de onmannelijke zwaarmoedigheid van den stillen jongeling in zachte
-bewoordingen af te keuren en hem tot de vroolijkheid, die aan zijne jeugd voegde,
-op te wekken.
-</p>
-<p>Terwijl Aspasia zich alzoo met Manes bezig hield, zat Cora eenzaam en verlaten in
-het peristylium van het huis. Zij had, teruggekeerd uit de woeste bedwelming der feestvreugde,
-zich daar <span class="pageNum" id="pb2.301">[<a href="#pb2.301">301</a>]</span>neergezet, haar Bacchanten-masker afgedaan en naast zich nedergelegd. Zoo zat zij
-daar in diepe gepeinzen verzonken, toen Pericles, toevallig juist naar huis teruggekeerd,
-het peristylium doorging.
-</p>
-<p>Hij was getroffen door &#x2019;t gezicht van het meisje, dat daar zoo eenzaam en peinzend
-zat, met het Bacchanten-masker nevens zich.
-</p>
-<p>Hij trad op Cora toe en vroeg haar waarom zij zoo spoedig was teruggekomen en zich
-van hare speelgenooten had afgescheiden, met wie zij was uitgegaan.
-</p>
-<p>Cora zweeg. Zij had een krans op haar schoot, denzelfden, dien zij als Bacchante gedragen
-had. Hare hand speelde schier onbewust met de bloemen van dien krans, en de grond
-om haar heen was bedekt met de afgeplukte bladeren der bloemen.
-</p>
-<p>Het meisje leverde een zonderling gezicht op, zooals zij op dat oogenblik daar zat.
-Hare houding, het spel met den krans, de ernst van het bleeke gelaat, vormde met het
-gewaad en de zinnebeelden der Bacchante, die zij aan of om zich had, een zoo scherp
-contrast, dat het bijna den lachlust opwekte.
-</p>
-<p>Pericles zag haar in het gelaat en sprak haar aan:
-</p>
-<p>&#x201e;Ik herinner mij niet ooit eene Bacchante met zoo&#x2019;n droevig gelaat gezien te hebben.
-Mij dunkt, Cora, gij zoudt den Thyrsus veel liever weder met den herderstaf verwisselen!&#x2014;Is
-&#x2019;t niet zoo?&#x2014;Gij voelt u niet gelukkig in dit huis? Gij hebt een heimwee naar uwe
-vaderlandsche bergwouden, naar uwe lammeren en schildpadden.&#x201d;
-</p>
-<p>Cora sloeg hare oogen even naar Pericles op, die oogen, gelijk die eener hinde, en
-zag hem aan met eene uitdrukking, die nog treuriger was dan te voren, doch tevens
-met een trouwhartigen, schier kinderlijken blik, waarin eene toestemming, uit het
-diepst harer ziel voorkomende, scheen te liggen.
-</p>
-<p>&#x201e;Wilt gij, dat wij u naar huis laten gaan?&#x201d; vroeg Pericles op een hartelijken, vertrouwen
-inboezemenden toon. &#x201e;Spreek vrijuit, mijn kind, en ik <span class="pageNum" id="pb2.302">[<a href="#pb2.302">302</a>]</span>zal alles doen, om u zoodra mogelijk naar uw geboorteland en naar uw waarachtig geluk
-terug te voeren. Wilt gij dit huis verlaten, Cora? Spreek!&#x201d;
-</p>
-<p>Eene zonderlinge uitwerking maakten deze woorden op het Arcadische meisje. In &#x2019;t eerste
-oogenblik blonk er een glans van vreugde over haar gelaat. Plotseling echter keek
-zij, als door eene nieuwe gedachte getroffen, weder ernstig naar den grond; zij werd
-bleek, haar boezem begon te hijgen, een traan parelde aan hare wimpers.
-</p>
-<p>&#x201e;Zeg vrijuit,&#x201d; hernam Pericles, &#x201e;wat gij wenscht en wat uwe opgeruimdheid in dit huis
-verhindert. Er is zeker iets, dat gij mist!&#x201d;&#x2014;Pericles sprak deze woorden op een beslisten
-toon en zag, op een antwoord wachtend, het meisje strak in het aangezicht.
-</p>
-<p>&#x201e;Verlangt gij uit dit huis weg te gaan?&#x201d; herhaalde hij.
-</p>
-<p>Cora schudde treurig het hoofd, zonder een woord te spreken.
-</p>
-<p>&#x201e;Uwe droefgeestigheid schijnt dus zonder reden te zijn,&#x201d; vervolgde Pericles, &#x201e;eene
-zwaarmoedigheid, die zich als eene soort van ziekte van uw gemoed meester maakt. Bestrijd
-haar, mijn kind! Geef u niet aan hare macht over, maar verzet u er tegen! Zie, ook
-mij zou de daemon der ontevredenheid somwijlen willen overweldigen, maar ik worstel
-met hem. Het leven moet vroolijk zijn en genot voor ons: want ware dat niet het geval,
-dan moesten wij immers de dooden benijden. Willen toch niet alle menschen opgeruimd
-en gelukkig zijn en zich blijde met elkander in hun bestaan verheugen?
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">&#x201e;</span>Waarom zoekt gij de eenzaamheid? Wilt gij ook niet vroolijk en gelukkig zijn?&#x201d;
-</p>
-<p>Wederom sloeg Cora trouwhartig de oogen tot Pericles op en zeide op aarzelenden toon:
-</p>
-<p>&#x201e;Ik ben gelukkig, als ik alleen ben!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zonderling kind!&#x201d; riep Pericles.
-</p>
-<p>Hij zag Cora zwijgend en peinzend aan. Zij was niet mooi. Hare maagdelijke schoonheid
-was zonder alle betoovering der zinnen.
-<span class="pageNum" id="pb2.303">[<a href="#pb2.303">303</a>]</span></p>
-<p>En toch lag in die maagdelijkheid, in die kinderlijkheid, in die zonderlinge gevoeligheid
-iets, wat eene eigenaardige sympathie in edele karakters kon wekken.
-</p>
-<p>Pericles had het ideaal van alle vrouwelijke bekoorlijkheden en voortreffelijkheid
-in Aspasia verwezenlijkt gevonden. Thans trad plotseling voor hem de vrouwelijkheid
-op in eene nieuwe, onbekende gedaante. Wat hij hier in Cora voor zijne oogen zag,
-was verschillend van alles, wat hij tot heden gezien, wat hij bewonderd, wat hij bemind
-had.
-</p>
-<p>Niet betooverend, niet verleidelijk scheen hem deze nieuwe soort van vrouwelijkheid,
-maar eene aandoening greep hem aan, even nieuw en vreemd, als hetgeen die in hem te
-voorschijn had geroepen. Hij legde zijne hand op het hoofd van het meisje en beval
-haar krank gemoed aan de machtige hoede der goden.
-</p>
-<p>Daarop sprak hij: &#x201e;Willen we samen Aspasia opzoeken? En toen hij van een slaaf hoorde,
-dat Aspasia zich op het dakplat begeven had, nam hij het meisje vriendelijk bij de
-hand om ze naar hare meesteres te voeren.
-</p>
-<p>Zonderlinge samenloop! Op &#x2019;t zelfde oogenblik, dat Pericles in &#x2019;t peristylium van
-het huis zijne hand met ernstige aandoening op het hoofd van &#x2019;t bedroefde herderskind
-legde, op &#x2019;t zelfde oogenblik rustte de hand van Aspasia, die haar gesprek met Manes
-op het dakterras <span class="corr" id="xd30e8763" title="Bron: geeindigd">geëindigd</span> had, op het hoofd van den droefgeestigen Noordschen jongeling.
-</p>
-<p>En &#x2019;t was alsof hare hand, met schier moederlijke teederheid zijne bruine lokken aanraakte,
-alsof haar oog met warmte op de trekken van den jeugdigen zonderling rustte! Toch
-zetelde opgeruimde blijmoedigheid op haar open, fier voorhoofd en met een kalmen glimlach
-begroette zij Pericles, toen hij met het meisje aan de hand tot haar trad.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik breng u de zwaarmoedige Cora,&#x201d; zei Pericles tot Aspasia; &#x201e;ik geloof dat zij niet
-minder dan <span class="pageNum" id="pb2.304">[<a href="#pb2.304">304</a>]</span>Manes behoefte heeft aan vriendelijke toespraak!&#x201d;
-</p>
-<p>Terwijl Pericles naderde had hij den blik van warme toegenegenheid opgemerkt, waarmede
-het oog van Aspasia op den jongeling rustte.
-</p>
-<p>Zij volgde zijn nauw merkbaren wenk en hij voerde haar naar een afgelegen plek van
-het dakterras, waar eene rustplaats onder bloeiende ranken was aangebracht.
-</p>
-<p>Hier vertelde Aspasia haar gesprek met Manes aan Pericles, deze haar het zijne met
-het Arcadische meisje.
-</p>
-<p>Ten laatste zeide Pericles kalm en ernstig:
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt gloeiende blikken, ja zelfs liefdevolle gebaren gebezigd, om het sombere
-gemoed van den jongeling op te beuren!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En dat brengt u op de gedachte dat ik liefde voor hem zou gevoelen?&#x201d; vroeg Aspasia.
-&#x201e;Neen,&#x201d; vervolgde zij, toen Pericles zweeg, &#x201e;ik bemin hem niet, want hij is schier
-leelijk. Zijne plompe wangbeenderen beleedigen mijn oog. Maar eene vluchtige aandoening
-overweldigde mij, ik weet zelve niet hoe haar te noemen. Wellicht was het medelijden.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Weet gij zoo precies, wat liefde niet is en wat wel?&#x201d; vroeg Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat liefde is?&#x201d; riep Aspasia glimlachend. &#x201e;Begint gij thans ook mij met die dwaze
-vraag te kwellen?&#x2014;Liefde is eene zaak, die men niet kan afweren, als zij komt, en
-niet kan tegenhouden als zij gaat.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En weet gij er anders niets van te zeggen?&#x201d; vroeg Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Niets, dan wat ik reeds zoo dikwijls gezegd heb,&#x201d; hernam Aspasia: &#x201e;liefde is een
-gevoel, dat in tyrannie kan ontaarden, wanneer zij het geliefde voorwerp tot een werktuig
-wil maken, zonder zelfstandigen zin. Die onwaardige begeerte moest zij weten te onderdrukken.
-Zij moest een in vrijheid gesloten, in vrijheid gehandhaafd vreugdeverbond des harten
-zijn!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo dikwijls gij mij dit herhaaldet,&#x201d; sprak Pericles, &#x201e;altijd is het mij onwederlegbaar
-voorgekomen. <span class="pageNum" id="pb2.305">[<a href="#pb2.305">305</a>]</span>Mijn kalme, nadenkende geest is daarvan nog evenzeer overtuigd, als toen wij zelven
-zulk een vreugdeverbond des harten in vrijheid sloten. Liefde moet die zelfzuchtige
-begeerte opgeven om het beminde voorwerp te bezitten; maar de vraag bestaat nog altijd
-bij mij: kan de liefde dit doen? Is zij in staat die begeerte te verwinnen?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Zij kan het,&#x201d; hernam Aspasia: &#x201e;want zij moet het kunnen!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Niet tegen te houden is de liefde, als zij gaat, zeidet gij straks,&#x201d; vervolgde Pericles,
-na eenige oogenblikken te hebben nagedacht. &#x201e;Wat zal er van ons worden, Aspasia, als
-haar schoon vuur ook in onze borst verdooft?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dan zullen wij zeggen,&#x201d; hernam Aspasia: &#x201e;wij hebben met elkander de hoogste aardsche
-zaligheid genoten! Wij hebben niet te vergeefs geleefd! Wij hebben op het toppunt
-van ons bestaan, in de hoogste kracht des levens en der liefde, den vreugdekelk geledigd.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Geledigd&#x2014;geledigd&#x201d;&#x2014;herhaalde Pericles, schier onhoorbaar in zich zelven sprekend.
-&#x201e;Gij doet mij daar een woord hooren, dat mij doet huiveren&#x201d;&#x2014;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;&#x2019;t Is het lot der bekers geledigd te worden,&#x201d; zei Aspasia, &#x201e;en het lot der bloemen
-te verwelken en het lot van al wat leeft schijnbaar te verdwijnen, inderdaad echter
-in eene eeuwigdurende wisseling zich te vernieuwen. De plicht van den sterveling echter
-is &#x2019;t, die verandering en wisseling om hem en in hem met de blijmoedige kalmte der
-echte wijsheid te aanschouwen. Dwaas zou het zijn zich aan de hielen van het voortijlende
-vast te klemmen. De tijd komt, dat men getroost den beker, waarin eens de zaligmakende
-drank heeft geschuimd, in den afgrond zal werpen. Alles streeft naar het toppunt,
-om dan weder neder te dalen langs de ladder der levens tot vernietiging. Alles volgt
-den loop der natuur&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Nadat Pericles en Aspasia dit gesprek hadden gehouden, maakten zij zich gereed zich
-in huis te <span class="pageNum" id="pb2.306">[<a href="#pb2.306">306</a>]</span>begeven; en op de plaats gekomen, waar zij Manes en Cora achter gelaten hadden, zagen
-zij hen beiden in een druk onderhoud gewikkeld.
-</p>
-<p>Het platte dak was door Aspasia in eene soort van tuinterras herschapen. Daar bevonden
-zich priëelen ter beschutting tegen de zon en hooge, bloeiende heesters, in bakken,
-met aarde gevuld.
-</p>
-<p>Zulk een heester verborg Pericles en Aspasia, toen zij naderden, voor de blikken van
-den jongeling en van het meisje, die bovendien te zeer in hun gesprek verdiept waren,
-dan dat zij hunne nadering zouden bemerkt hebben.
-</p>
-<p>Pericles en Aspasia stonden onwillekeurig een oogenblik stil, hoogst verwonderd over
-dit gezicht. Zij hadden nooit te voren bemerkt, dat Manes en Cora zich zoo vertrouwelijk
-onderhielden, dat de een het gezelschap van den ander gezocht had.
-</p>
-<p>&#x2019;t Was op zich zelf een zonderling tooneel, dat het oog wel tot zich mocht trekken,
-een treurige Satyr en eene zwaarmoedige Bacchante in een gesprek met elkander.
-</p>
-<p>Cora vertelde den jongeling van haar Arcadisch geboorteland, van de schoone bergwouden,
-van de schildpadden, van den God Pan, van de Stymphalische vogels, van de jacht op
-wilde dieren.
-</p>
-<p>Manes luisterde met gespannen aandacht. &#x201e;Gij zijt wel zeer gelukkig, Cora,&#x201d; zei hij
-daarop, &#x201e;dat gij dit alles zoo helder voor uw geest hebt en het u telkens kunt herinneren.
-Ik herinner mij, als ik waak, volstrekt niets van mijn vaderland en van mijne prille
-jeugd. Alleen in droomen en mijmeringen word ik somwijlen verplaatst in sterk ruischende
-wouden of ik zie ruwe mannen in harige vachten gekleed, op snelle paarden gezeten
-en daarheen rennend over de vlakte. Ik ben dan den geheelen dag door treurig, als
-ik zulke droomen gehad heb en ik ben ziek van eene soort heimwee, ofschoon ik geen
-vaderland heb en ik niet weet, waarheen ik mijne schreden het eerst zou richten, als
-ik het wilde opzoeken. Alleen dit weet ik, dat ik noordelijk en steeds noordelijk
-moet gaan, en dikwijls <span class="pageNum" id="pb2.307">[<a href="#pb2.307">307</a>]</span>droom ik ook, dat ik naar het Noorden trek, altijd meer naar het Noorden in eene onafzienbare
-ruimte. Gij zijt zeker dubbel bedroefd, Cora, dat gij niet naar uw vaderland kunt
-terugkeeren, omdat gij het kent en het altijd gemakkelijk weder zoudt weten te vinden.
-Zeg het mij, Cora, als gij terug wilt keeren naar uw geboortegrond; ik zal er u heen
-voeren en ik blijf er ook; want ik ben immers jong en sterk. Waarom zou ik niet met
-de Arcadische mannen samen leven en met hen jagen op de wilde dieren?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Neen, Manes,&#x201d; zeide het meisje, &#x201e;naar Arcadië moet gij niet gaan, omdat u immers
-het heimwee naar het Noorden heentrekt. Neen ik zou volstrekt niet willen, dat gij
-naar Arcadië toogt, omdat u daar ongetwijfeld altijd een onweerstaanbaar verlangen
-naar uw vaderland zal bekruipen. Gij moet koers zetten naar den Hellespont en dan
-steeds meer naar het Noorden, zoo zult gij zeker uw vaderland vinden en wellicht zelfs
-een koninkrijk.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik zou wel gaarne naar het Noorden willen trekken,&#x201d; zei Manes, &#x201e;maar &#x2019;t zou mij bedroeven,
-als ik er aan dacht, dat gij hier zijt en te vergeefs naar uw Arcadië verlangdet.&#x201d;
-</p>
-<p>Cora keek peinzend naar den grond en zeide na eene kleine pauze:
-</p>
-<p>&#x201e;Ik weet niet hoe het komt, Manes, dat ik even gaarne naar het Noorden zou willen
-trekken, als naar Arcadië, zoo wij slechts samen gingen. En &#x2019;t is mij, als zou overal,
-waarheen we ons begaven, Arcadië zijn<span class="corr" id="xd30e8810" title="Niet in bron">.</span>&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Bij deze woorden van het meisje bloosde Manes en zijne hand beefde weder, als altijd,
-wanneer hij door een groote innerlijke aandoening bewogen werd; hij kon eerst geen
-woord zeggen; na eene korte pauze begon hij weder:
-</p>
-<p>&#x201e;Maar gij wilt zeker veel liever naar Arcadië gaan, Cora, naar de uwen! Ik wil u gaarne
-vergezellen en herder worden, en &#x2019;t is mij, alsof ik overal, waarheen ik u voer, mijn
-vaderland <span class="corr" id="xd30e8816" title="Bron: terugvindt">terugvind</span>, ja zelfs een koninkrijk.&#x201d;&#x2014;
-<span class="pageNum" id="pb2.308">[<a href="#pb2.308">308</a>]</span></p>
-<p>Hier stokte zijne stem en hij bloosde weder. Van de straten steeg het geraas en getier
-van den voorbijtrekkenden Bacchanten-stoet naar boven. Fakkels schitterden, het genot
-en gejubel waren ontketend tot volle vrijheid&#x2014;hier boven echter stonden de jongeling
-en het meisje met kranke harten, bleek en sprakeloos en schuchter tegenover elkander,
-en geen van beide waagde het de hand van den andere te vatten en zelfs de oogen sloegen
-zij voor elkander verlegen neer&#x2014;de Satyr en de Bacchante!&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Zij beminnen elkander!&#x201d; zei Pericles tot Aspasia. &#x201e;Zij beminnen elkander, die twee:
-maar met eene zonderlinge soort van liefde, naar &#x2019;t schijnt. Het is alsof zij elkander
-geheel en alleen met de ziel beminnen.&#x2014;Zij spreken niet dan van offers, die zij elkander
-zouden willen brengen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Inderdaad,&#x201d; hernam Aspasia, &#x201e;met eene soort van liefde beminnen die beiden elkander,
-zooals alleen Manes en Cora die konden gevoelen. Zij hebben door de liefde alle vroolijkheid
-verloren, zij zijn bleek en ziek, zij zijn treurig, en hoewel zij weten, dat zij elkaar
-beminnen, hebben zij toch geen genot van hunne wederkeerige liefde: want zij durven
-elkaar niet eens de hand te geven, laat staan een kus.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Het is eene schuchtere liefde,&#x201d; zei Pericles, &#x201e;eene kuische, eene smartelijke, eene
-onbaatzuchtige, eene zelfverloochenende, eene opofferende liefde. Wellicht vergoedt
-deze soort van liefde door bestendigheid en schoone harmonie, wat haar ontbreekt aan
-zalig en bedwelmend goddelijk genot. Wellicht geldt van haar minder, wat gij vroeger
-van de liefde hebt beweerd, dat zij aan den blinden loop der natuur onderworpen is.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Eene krankheid is deze treurige liefde!&#x201d; riep Aspasia geprikkeld. &#x201e;Wee den dag, waarop
-zij is uitgevonden! Niet uit de zee, door het morgenrood beschenen, maar uit de Arcadische
-wateren der Styx verrees deze nieuwe, met witte rozen bekranste, bleeke Aphrodite!
-Deze soort van smartelijke, hartstochtelijke <span class="pageNum" id="pb2.309">[<a href="#pb2.309">309</a>]</span>liefde is voor de menschen even erg, als oorlog en pest en hongersnood. Te Eleusis
-heb ik deze soort van liefde onder het gevolg van den valen Thanatos gezien, en deze
-gedachte was de eenige, die mij beviel, ginds in de Eleusinische, gewijde groeven!&#x201d;
-</p>
-<p>Thans kwamen Pericles en Aspasia uit hun schuilhoek te voorschijn en Aspasia voerde
-het Arcadische meisje met zich naar huis.
-</p>
-<p>Op den avond van dienzelfden dag werd in de woning van Pericles een klein feest gehouden,
-zooals in den tijd der Dionysiën alle Atheensche burgers gewoon waren in hunne huizen
-aan te leggen. Eenige gasten waren er, onder wie Callimachus met Philandra en Pasicompsa.
-</p>
-<p>Men was ditmaal niet in de gewone eetzaal des huizes, maar in het koeler en ruimer
-peristylium bijeen gekomen, waar de lucht van den zoelen lentenacht van boven verkwikkend
-binnenwoei.
-</p>
-<p>Pericles had zich naar gewoonte vroeg teruggetrokken.
-</p>
-<p>Plotseling kwam de jonge Alcibiades met eenige zijner vrienden. Hij stormde in uitgelaten
-feestvreugde de deur van het huis binnen en nam, met zijne makkers doordringend, onmiddellijk
-plaats onder de reeds vergaderde gasten.
-</p>
-<p>Bij zijne komst vluchtte Cora angstig naar het binnenste deel van &#x2019;t huis.
-</p>
-<p>Toen Alcibiades dit bemerkte, wilde hij zich bij de bekoorlijke Simaetha schadeloos
-stellen. Deze echter wees hem fier van zich. Zij verachtte hem, sedert hij zich zoo
-diep had verlaagd, om het Arcadische herdersmeisje in zijne dolle opgewondenheid met
-geweld te vervolgen. Ook de overige meisjes behandelden hem om dezelfde reden uit
-de hoogte. Langen tijd deed hij zijn best om haar toorn te doen bedaren, maar te vergeefs.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe?&#x201d; riep hij ten laatste, &#x201e;Cora loopt voor mij weg, preutsch als eene hinde, door
-de jagers vervolgd&#x2014;Simaetha keert mij den rug toe&#x2014;de geheele school van Aspasia ziet
-ernstig en <span class="pageNum" id="pb2.310">[<a href="#pb2.310">310</a>]</span>fronst de wenkbrauwen, als de oude Anaxagoras&#x2014;welaan! als gij allen mij afwijst, zal
-ik mijne toevlucht nemen tot de lieve Hipparete, het eerzame, zedige, bekoorlijke,
-bloeiende dochtertje van Hipponicus!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Doe dat gerust!&#x201d; zei Simaetha.
-</p>
-<p>&#x201e;Dat zal ik!&#x201d; riep Alcibiades. <span class="corr" title="Niet in bron">&#x201e;</span>Gij zult mij niet te vergeefs afgewezen hebben, Simaetha! Alcibiades laat niet met
-zich spotten! Ik ga morgen zoo vroeg mogelijk naar Hipponicus en vraag hem zijn dochtertje.
-Ik trouw, word deugdzaam, doe afstand van alle dolle genoegens en verdrijf mij den
-tijd met Sicilië te veroveren en de Atheners naar mijne pijpen te doen dansen!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hipponicus zal u zijne dochter niet geven!&#x201d; riep de jonge Callias; &#x201e;hij houdt u voor
-een veel te grooten deugniet!&#x201d;
-</p>
-<p>Lachend herhaalden de overige gasten: &#x201e;Hipponicus zal u zijne dochter niet geven,
-gij zijt een veel te groote deugniet!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hipponicus zal mij zijne dochter geven,&#x201d; riep Alcibiades met nadruk, &#x201e;al had ik hem
-van te voren ook eene oorveeg gegeven. Wilt gij eene weddenschap met mij aangaan?
-Ik neem aan, Hipponicus een klap om de ooren te geven en hem dan zijne dochter te
-vragen. En hij zal ze mij geven.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij zijt een pocher!&#x201d; riepen zijne vrienden.
-</p>
-<p>&#x201e;Laten wij wedden!&#x201d; hernam Alcibiades: &#x201e;duizend drachmen, als gij wilt!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Top!&#x201d; riepen Callias en Demus.
-</p>
-<p>Alcibiades bood zijn vrienden de hand en zij sloegen toe. De weddenschap van duizend
-drachmen was aangegaan.
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom zou ik mij niet bekeeren en deugdzaam worden,&#x201d; zei Alcibiades, &#x201e;daar rondom
-mij zoovele treurige teekenen en wonderen geschieden? Niet genoeg, dat Cora mij ontvlucht,
-Simaetha zich van mij afkeert, Theodota waanzinnig is geworden, moest ik ook nog beleven,
-dat ik mijn oudsten en besten vriend verloor? Hij heeft zijne <span class="pageNum" id="pb2.311">[<a href="#pb2.311">311</a>]</span>trouw jegens mij verbroken en eene vrouw genomen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Van wien spreekt gij?&#x201d; vroegen eenigen.
-</p>
-<p>&#x201e;Van wien anders, dan van Socrates?&#x201d; hernam Alcibiades.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe? Is Socrates getrouwd?&#x201d; vroeg Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo is het!&#x201d; hernam Alcibiades, &#x201e;in alle stilte heeft hij onlangs eene vrouw genomen.
-Geef hem maar op&#x2014;gij ziet hem nooit weer!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe is dat gebeurd?&#x201d; vroeg Aspasia verder, &#x201e;ik heb er nog niets van gehoord.&#x201d;
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">&#x201e;</span>&#x2019;t Zal ongeveer twee weken geleden zijn,&#x201d; zei Alcibiades, &#x201e;dat ik in eene der stillere
-straten daarboven aan den Ilissus met een vriend, dien ik toevallig ontmoette, stond
-te praten. Plotseling gaat de met bloemen versierde deur van een huis open en eene
-stoet van fluitspelers en zangers, met fakkels in de handen en bekranst, treedt naar
-buiten. Hen volgt eene gesluierde bruid, tusschen den bruidegom en den nymphagoog<a class="noteRef" id="xd30e8865src" href="#xd30e8865">12</a>. Deze drie bestijgen een met muildieren bespannen wagen, die voor het huis staat,
-en nemen er plaats in. Onderwijl komt de moeder der bruid, met de fakkel, die zij
-aan den haard van het huis der bruid heeft aangestoken; bij haar sluit het overige,
-in &#x2019;t wit gekleede gezelschap zich aan, met bloemen bekranst en fakkels dragende;
-de wagen zet zich in beweging en voorwaarts gaat het de straat af tot aan het huis
-van den bruidegom, onder de toonen der fluiten, het aanheffen van liederen, onder
-vroolijk jubelen en dansen. Die bruidegom nu was niemand anders dan Socrates, de vriend
-van Aspasia, de nymphagoog was de vrouwenhater Euripides.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En de bruid?&#x201d; vroegen velen.
-</p>
-<p>&#x201e;Het eenvoudig kind van een eenvoudig man,&#x201d; hernam Alcibiades, &#x201e;dat echter onmiddellijk
-de teugels van het huishouden als met ijzeren hand heeft aangegrepen, en de kunst
-verstaat, met het weinige huis te houden, dat Socrates nog van zijn vaderlijk <span class="pageNum" id="pb2.312">[<a href="#pb2.312">312</a>]</span>erfdeel bezit. Socrates getrouwd! De arme waarheidzoeker! De waarheid heeft hij gezocht&#x2014;eene
-vrouw heeft hij gevonden! Ik herhaal het, er geschieden teekenen en wonderen! De oude
-wereld wil, naar &#x2019;t schijnt, zich uit het oude spoor losrukken. Socrates getrouwd&#x2014;de
-vroolijke Theodota waanzinnig; voegt men hier nog bij, dat op Aegina en Eleusis, naar
-men zegt, eenige gevallen van pest zijn voorgekomen, die reeds lang op het Aegyptische
-strand spookt, en dat men heden op de Agora een verdacht Satyr-masker meent gezien
-te hebben, waarachter zich Thanatos of de Pest of een ander afzichtelijk wezen verbergt&#x2014;neemt
-men dit alles samen, dan zult ge mij moeten toegeven, dat het in de stad der Atheners
-vervelend dreigt te worden. En wanneer ik daarbij nog de dochter van Hipponicus huw,
-dan krijgt de Helleensche hemel eene sombere tint. Maar heden willen wij nog vroolijk
-zijn&#x2014;bij Eros met de bliksemschicht! Niet langer getreurd en gepruild, meisjes! Laat
-ons een lustigen, dollen strijd beginnen tegen de droevige machten, die ons bedreigen!
-Laat ons met een verachtelijken glimlach alle teekenen en wonderen beschouwen! En
-wanneer dartele lust en genot ook uit geheel Hellas verdwenen waren, dan moeten zij
-nog in dezen kring te vinden zijn. Heb ik geen gelijk, Aspasia?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt gelijk!&#x201d; antwoordde Aspasia; &#x201e;in den strijd tegen al het sombere zijn wij
-bondgenooten.&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo sprak zij en liet nieuwe bekers brengen en in het mengvat schuimde weder het kostelijk
-nat; geledigd en nog eens geledigd werden de fonkelende bokalen. Vroolijke scherts,
-gelach en dartel gezang schalden door het peristylium en Alcibiades tintelde van den
-geest van Dionysus.
-</p>
-<p>Zoo was het middernacht geworden. Plotseling gaat in den achtergrond eene deur open,
-die naar het peristylium voert. Uit de deur komt langzaam als een spook, met gesloten
-oogen, Manes te voorschijn&#x2014;Manes, de slaapwandelaar!&#x2014;Hij had geen deel genomen aan
-het feest, maar zijne stille legerstede <span class="pageNum" id="pb2.313">[<a href="#pb2.313">313</a>]</span>opgezocht. Thans echter had de geheimzinnige ziekte den slapende uit zijne rust opgedreven.
-</p>
-<p>Bij het gezicht van hem, die met gesloten oogen het peristylium doorwandelde, verstomde
-de luidruchtige vroolijkheid en allen staarden, door eene lichte huivering aangegrepen,
-sprakeloos naar den spookachtigen wandelaar.
-</p>
-<p>Nadat hij het peristylium had doorgeloopen, ging hij naar de trap, die tot het platte
-dak des huizes voerde. Met vasten tred beklom hij de trap en verdween weldra uit de
-oogen der gasten. Het meerendeel der feestgenooten besloot, nadat de eerste schrik
-voorbij was, hem te volgen.
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo straft Dionysus degenen,&#x201d; riep Alcibiades, &#x201e;die zich tegen zijn blijden, vreugdevollen
-dienst verzetten. Wij willen den verachter van den God bekeeren! Komt! Wij willen
-hem wekken en hem dan met geweld deel doen nemen aan ons feest!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Daarop stonden de meeste gasten op en sloegen den weg in naar het dakterras.
-</p>
-<p>Toen zij daar gekomen waren, deed zich een gezicht aan hunne blikken voor, dat opnieuw
-angst en huivering in hunne borst wekte.
-</p>
-<p>Manes wandelde op een eenigszins hoog, hellend uitstek van het dak, langs den uitersten
-kant, op eene plaats, waar alleen een maanzieke met gesloten oogen gaan kon, ieder
-wakende echter onvermijdelijk duizelend in de diepte zou neerstorten.
-</p>
-<p>Inmiddels waren ook de overige huisgenooten op het bericht, dat Manes in slaap wandelde,
-toegesneld.
-</p>
-<p>Ook Pericles verscheen.
-</p>
-<p>Hij huiverde, toen hij den jongeling zag en zeide: &#x201e;Als hij op dit oogenblik ontwaakt,
-stort hij reddeloos in de diepte. Hem echter te naderen en te redden van die plaats
-is onmogelijk!&#x201d;
-</p>
-<p>Juist toen Pericles deze woorden sprak, naderde ook Cora.
-</p>
-<p>Ontsteld, doodsbleek, de groote, ronde oogen wijd geopend, het gelaat door de loshangende
-lokken <span class="pageNum" id="pb2.314">[<a href="#pb2.314">314</a>]</span>omgolfd, staarde Cora naar den slaapwandelaar. Bij &#x2019;t hooren der woorden van Pericles
-voer haar eene huivering door de leden; vervolgens echter ijlde zij als op vleugelen
-naar de plaats, waar Manes wandelde, boog zich over het hooge afdak, deed met vasten
-voet, zonder te duizelen, eenige schreden naar beneden op de gevaarlijke, hellende
-baan, greep de hand van den jongeling en trok hem van den uitersten rand terug, tot
-waar zij den veiligen bodem onder zich voelde.
-</p>
-<p>Eerst toen Manes gered was, maakte eene duizeling zich van haar meester en bezwijmd
-zonk zij ineen.
-</p>
-<p>Thans was het Manes, die ontwakend en de oogen opslaande, angstig het meisje omvatte
-en het voortdroeg in zijne armen, tot zij weder tot bewustzijn kwam en half verschrokken,
-half verlegen met een blos op de kaken henen vlood.
-</p>
-<p>De feestgenooten hadden dit tooneel met verbaasde oogen gadegeslagen. Thans schaarden
-zij zich om Manes en voerden hem onder vroolijke, opwekkende woorden naar beneden
-naar het peristylium.
-</p>
-<p>Alleen Pericles bleef een oogenblik met Aspasia achter.
-</p>
-<p>&#x201e;Hoe betreur ik het,&#x201d; zei Pericles tot Aspasia, &#x201e;dat Socrates geen getuige geweest
-is van dit tooneel!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom betreurt gij dat?&#x201d; vroeg Aspasia.
-</p>
-<p>&#x201e;Hij zou nu toch wel eindelijk,&#x201d; hernam Pericles, &#x201e;gevonden hebben, wat ware liefde
-is<span class="corr" id="xd30e8903" title="Niet in bron">.</span>&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Aspasia zweeg een oogenblik en zag Pericles strak in het gelaat. Toen zeide zij: &#x201e;en
-gij?&#x201d;
-</p>
-<p>Pericles antwoordde:
-</p>
-<p>&#x201e;Mij brengt dit paar eenigszins tot schaamte en in verlegenheid. &#x2019;t Is alsof het zeggen
-wil: Treedt gij beiden af van het tooneel en ruimt uwe plaats aan ons in!&#x201d;
-</p>
-<p>Nog eens staarde Aspasia Pericles in het ernstig en peinzend gelaat. Toen sprak zij:
-</p>
-<p>&#x201e;Gij zijt geen Griek meer!&#x201d;
-</p>
-<p>Weinig in getal waren de woorden, die hier <span class="pageNum" id="pb2.315">[<a href="#pb2.315">315</a>]</span>gewisseld werden, maar zij waren veelbeteekenend. Zij vielen zwaar in de schaal van
-het noodlot.
-</p>
-<p>Door die woorden ontstond er als &#x2019;t ware eene heimelijke scheuring tusschen twee edele
-zielen, eens zoo schoon en innig verbonden.
-</p>
-<p>Een lang voorbereide stroom van nieuwe, sombere machten, van twijfel en inwendigen
-tweestrijd, was in de ziel van Pericles getogen.
-</p>
-<p>Met dit kort gesprek stortte langzaam en zonder gerucht het grootsche, schoone en
-heerlijke gebouw ineen.&#x2014;
-</p>
-<p>Met de woorden: &#x201e;Gij zijt geen Griek meer!&#x201d; had Aspasia, na een laatsten, half toornigen,
-half medelijdenden blik, haar gelaat van Pericles afgewend.
-</p>
-<p>Beiden gingen zwijgend naar beneden: Pericles naar zijn vertrek, Aspasia terug naar
-hare gasten.
-</p>
-<p>Inmiddels hadden de feestgenooten te vergeefs hun best gedaan, om den jongen Manes
-te doen deelnemen aan hun festijn en hem tot den dienst van den vreugdegod te bekeeren.
-Hij had zich losgescheurd en was teruggekeerd tot de binnenste vertrekken van het
-huis.
-</p>
-<p>Thans begon men een tijdlang over Cora te spreken; men bewonderde haar moed of liever
-de merkwaardige kracht eener aandoening, eener gemoedstemming, van eene hartstocht,
-onder wier invloed zij gehandeld had en waardoor zij als blindelings en onbewust medegesleept
-was; hetgeen voor allen bijna den stempel van een onoplosbaar raadsel had.
-</p>
-<p>En thans begon ook Alcibiades zijn leedwezen te betuigen, dat Socrates dit tooneel
-niet had bijgewoond.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat een heerlijk maal,&#x201d; zei hij, &#x201e;zou dit voor het oog van den peinzer en waarheidzoeker
-geweest zijn; hij, die zich reeds over de meest alledaagsche dingen in ernstige beschouwingen
-verdiept, zou ook thans niet rusten zonder de beteekenis van dit merkwaardige feit
-tot in de fijnste bijzonderheden nagespeurd te hebben. Is hij zelf niet eene soort
-van slaapwandelaar, iemand die door de <span class="pageNum" id="pb2.316">[<a href="#pb2.316">316</a>]</span>maanziekte der wijsbegeerte is aangetast, die de oogen sluit om beter te kunnen denken
-en daarbij verdoold raakt op duizelingwekkende hoogte? Het eenige onderscheid is,
-dat hem geen Cora ter hulp snelt, om hem met zachte hand van de afgronden der gedachte
-weg te trekken. Nu, ik zal tot hem gaan en hem de geheele geschiedenis vertellen,
-ofschoon &#x2019;t niet zonder gevaar is, Socrates in zijn eigen huis te bezoeken. Want zijne
-jonge vrouw Xanthippe is bang, dat ik haar man zal verleiden, en ziet mij bovendien
-met geen gunstig oog aan. Toen ik de pas gehuwden met eenige vrienden bezocht, brachten
-wij haar reeds in groote verlegenheid, en het vrouwtje begon er over te schreien en
-te klagen, dat zij zulke voorname lieden, als wij waren, niet in staat was behoorlijk
-te onthalen. &#x201e;Laat dat zijn zooals het wil,&#x201d; zei Socrates, &#x201e;als &#x2019;t goede menschen
-zijn, die ons bezoeken, dan zullen zij tevreden zijn; als het slechte menschen zijn,
-dan hebben wij ons niets om hen te bekommeren!&#x201d;&#x2014;Dit zijn echter redeneeringen, waarmede
-hij Xanthippe nog meer in &#x2019;t harnas jaagt. Ik bemerkte aanstonds, dat zij in huis
-de baas was. Nu maakte ik mij er een genoegen van, zoo vrij mogelijk met haar man
-te spreken en hem met vriendschapsbetuigingen te overladen. Sinds dien tijd is zij
-boos op mij en toen ik onlangs haar man een lekkeren koek zond, ging zij in haar toorn
-zoover, dat zij hem uit de mand op den grond wierp en met de voeten trapte. En Socrates?
-Die durfde alleen zeggen: &#x201e;Wat hebt gij daar nu aan? Als gij den lekkeren koek niet
-had vertrapt, dan zoudt gij hem hebben kunnen opeten!&#x201d;&#x2014;Het schijnt, dat de meeste
-mannen te Athene hunne vrouwen niet meer weten te regeeren!&#x2014;Bij mijn daemon,&#x201d; vervolgde
-Alcibiades, nadat hij zijn beker geledigd had, &#x201e;ik zeg het nog eens, de wereld raakt
-uit het oude spoor! Delos door eene aardbeving geteisterd, Theodota waanzinnig, de
-wijzen door hunne vrouwen geregeerd, ik zelf op het punt om de dochter van Hipponicus
-te trouwen, Sabazius-dienaars <span class="pageNum" id="pb2.317">[<a href="#pb2.317">317</a>]</span>in de straten, maanzieken op de daken, de Peloponnesus onder de wapenen, te Lemnos
-en op het naburige Aegina de pest&#x2014;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Vergeet de zonsverduistering niet,&#x201d; viel hem Demus in de rede; &#x201e;tevens moet nog vermeld
-worden, dat er, naar men zegt, een spook rondwaart in het huis van Hipponicus.&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Is dat waar?&#x201d; vroegen allen aan Callias, den zoon van Hipponicus.
-</p>
-<p>&#x201e;Ja, het is inderdaad zoo!&#x201d; hernam deze, en vertelde, dat werkelijk een spook zich
-in zijns vaders huis vertoonde; dat Hipponicus peinzend en bleek en mager was geworden,
-dat hem de lekkerste spijzen niet meer smaakten en dat hij &#x2019;s nachts door de nachtmerrie
-gekweld werd&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Daar hebt gij het al!&#x201d; riep Alcibiades&#x2014;&#x201e;dus ook nog zonsverduisteringen, en spoken
-in de huizen van oude, lustige lekkerbekken. De drommel moge de wereld halen, als
-zij zoo somber begint te worden. Nog eens, mijne vrienden: op ten strijde, tegen de
-treurigheid der tijden, die zich dreigend aanmeldt!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Is het wel noodig daartoe opgewekt te worden?&#x201d; riep de jonge Callias. &#x201e;Bij Heracles!
-hebben wij dan niet gedurende dezen geheelen feesttijd ons best gedaan, als nooit
-te voren? Hebben wij den Metragyrt niet in het Barathron geworpen? Hebben wij ons
-niet prachtig gedragen, zooals men van de lustige Ithyphallers kon verwachten? En
-hadden wij niet de geheele Atheensche jeugd achter ons? Waren de Dionysiën te Athene
-ooit darteler en uitgelatener dan die thans zijn gevierd? Hebt gij het volk ooit zoo
-opgewekt en dol gezien? Heeft de wijn ooit in rijker stroomen gevloden? Is er ooit
-een grooter aantal jonge meisjes in het gedrang verleid geworden? Wemelde het ooit
-meer te Athene van bereidvaardige en gedienstige priesteressen van het genot? En waren
-zij ooit meer gezocht? Wat spreekt gij van sombere tijden, Alcibiades? Het is een
-vroolijke tijd, zeg ik. De wereld gaat vooruit in dartelheid en vreugde; niet achteruit,
-zooals <span class="pageNum" id="pb2.318">[<a href="#pb2.318">318</a>]</span>gij meent. En welke donkere, dreigende wolken zich ook ooit aan den hemel mogen vertoonen,
-hij zal weder helder worden! En zoo behoort het ook! Lang leve het genot!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Lang leve het genot!&#x201d; galmde het van alle kanten en de bekers klonken, tegen elkaar.
-</p>
-<p>&#x201e;Callias, beste jongen, laat ik u omarmen!&#x201d; riep Alcibiades en kuste zijn vriend.
-&#x201e;Zoo hoor ik u en u allen gaarne spreken! Lang leve het genot! En opdat het eeuwig
-leve en groeie en bloeie onder het volk der Atheners, moeten de Ithyphallers eendrachtig
-samenwerken met de school, die Aspasia heeft gesticht. Op de Ithyphallers en op de
-school van Aspasia is de vaste burg gegrondvest van vroolijkheid, van alle bekoorlijke
-dartelheid en van allen levenslustig en moedwil! Daarom niet gepruild, Simaetha! Niet
-zoo preutsch, Prasina! Geen leelijk gezicht tegen Alcibiades getrokken, Drosis! Kom,
-lach eens weder, Simaetha! Gij zijt nooit zoo bekoorlijk geweest als thans. Bij Zeus!
-Voor één gullen, hartelijken lach van uw mond wil ik duizend drachmen, waarom ik gewed
-heb, verliezen en het dochtertje van Hipponicus nog een poos laten wachten!&#x201d;
-</p>
-<p>Nu wendden zich allen tot Simaetha, om haar te overreden zich met Alcibiades te verzoenen.
-</p>
-<p>Aspasia zelve mengde zich in de zaak. &#x201e;Mok niet langer tegen Alcibiades!&#x201d; sprak zij.
-&#x201e;Wanneer hij beweert, dat de school van Aspasia op een goeden voet moet staan met
-het gezelschap der Ithyphallers, dan kan hij gelijk hebben; doch alleen in zooverre,
-dat de uitgelatenheid der Ithyphallers betoomd en bedwongen moet worden door lieve
-vrouwenhanden. Wij moeten onzen bijstand den Ithyphallers niet onthouden, maar hun
-den teugel der rechte en schoone maat aandoen, opdat het heerlijke rijk der vreugde
-niet in ruwheid en woestheid onderga.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wij onderwerpen ons aan u!&#x201d; riep Alcibiades<span class="corr" id="xd30e8945" title="Bron: ,">.</span> &#x201e;Wij willen Simaetha tot koningin met onbeperkte macht verkiezen in het rijk der
-vreugde.&#x201d;&#x2014;
-<span class="pageNum" id="pb2.319">[<a href="#pb2.319">319</a>]</span></p>
-<p>&#x201e;Dat willen wij!&#x201d; klonk het in &#x2019;t rond. &#x201e;Waarom zouden de Ithyphallers zich niet beteugelen
-laten door zulke lieve handjes?&#x201d;
-</p>
-<p>In uitgelaten vroolijkheid werd de glimlachende, van bekoorlijkheid stralende Simaetha
-tot koningin van het feest uitgeroepen en tot onbeperkt heerschende vorstin van het
-rijk der vreugde.
-</p>
-<p>Men richtte voor haar een heerlijken, met bloemen rijk getooiden troon op, men hulde
-haar in purpergewaad, een gouden diadeem werd op de lokken gedrukt, haar lichaam met
-kransen van rozen en viooltjes omslingerd.
-</p>
-<p>Zij praalde in de volle betoovering van jeugd en schoonheid&#x2014;eene echte koningin. Zelfs
-Aspasia&#x2019;s oog rustte met bewondering op haar.
-</p>
-<p>&#x201e;Aspasia beheerscht het tegenwoordige,&#x201d; riep Alcibiades, &#x201e;u, Simaetha, behoort de
-toekomst!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>De bekers werden gevuld met den bedwelmenden drank en ter eere van de schitterende
-koningin der vreugde geledigd.
-</p>
-<p>&#x201e;Door deze koningin beheerscht,&#x201d; riepen de jongelingen, &#x201e;zal het rijk der vreugde
-zich uitbreiden over den geheelen aardbol!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Callias en Demus, neemt uwe duizend drachmen!&#x201d; riep Alcibiades. &#x201e;Ik geef de weddenschap
-verloren. Ik ga morgen nog niet naar Hipponicus. De vorst der Ityphallers sluit een
-nieuw verbond met de koningin der schoonheid en der vreugde! Den Gode zij dank! Zij
-lacht weder en hare tandjes blinken daarbij, als eene marmeren zuilenrij van het Parthenon!&#x201d;
-</p>
-<p>Daarop naderde de bekranste, door wijn en vurige liefde bedwelmde, vermetele jongeling
-het koninklijk uitgedoste, prachtige meisje, sloeg onder het gejubel zijner vrienden
-den arm om haar heen en wilde het gesloten verbond met een kus bezegelen.
-</p>
-<p>Op dit oogenblik bemerkten allen, die hunne blikken op Simaetha gevestigd hielden,
-eensklaps, dat een geweldige kleur zich over haar gezicht verspreidde.
-<span class="pageNum" id="pb2.320">[<a href="#pb2.320">320</a>]</span></p>
-<p>Zij strekte de hand uit en weerde Alcibiades af, klagende over een plotselinge, geweldige
-hoofdpijn.
-</p>
-<p>Tegelijk schenen hare lippen, droog van inwendige hitte, naar lafenis te snakken.
-</p>
-<p>Men reikte haar een met wijn gevulden beker; zij wees dien echter terug en verlangde
-naar frisch koel water.&#x2014;Zij sloeg beker op beker van het ijskoude vocht naar binnen,
-maar &#x2019;t was of slechts droppels op gloeiend ijzer vielen.
-</p>
-<p>Nu bemerkte men ook dat hare oogen met bloed beloopen waren.
-</p>
-<p>De tong van &#x2019;t meisje werd zwaar&#x2014;schor, heesch klonk hare stem&#x2014;zij begon over brandende
-zwelling der keel, van den mond, der tong te klagen.
-</p>
-<p>Tegelijk overviel haar eene vreeselijke benauwdheid&#x2014;krampachtige bewegingen vertoonden
-zich in de gewrichten der handen, het geheele lichaam beefde, het kille zweet droop
-van hare leden.
-</p>
-<p>Men wilde haar naar haar vertrek, naar haar bed brengen: maar, als door een woesten
-angst gedreven, wenschte zij zich in eene bron, in een diep, koel water te storten,&#x2014;zij
-wilde wegijlen, aan eene razende gelijk&#x2014;slechts met geweld kon zij teruggehouden worden.
-</p>
-<p>Men had Pericles geroepen.
-</p>
-<p>Hij kwam. Hij zag den toestand van het meisje en verbleekte.
-</p>
-<p>&#x201e;Verwijdert u!&#x201d; sprak hij tot de feestgenooten.
-</p>
-<p>Hunne hoofden waren nog half beneveld van de Bacchische bedwelming.
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom ontstelt ge zoo over den toestand van &#x2019;t meisje?&#x201d; riepen zij. &#x201e;Kent ge haar
-ziekte, zeg het dan!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Verwijdert u!&#x201d; herhaalde Pericles.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat is het, wat is het?&#x201d; riep Alcibiades.
-</p>
-<p>&#x201e;De pest!&#x201d; zeide Pericles op gesmoorden en zachten toon.
-</p>
-<p>Hoe zacht het woord ook gesproken was, het viel als een donderslag in de vergadering.
-<span class="pageNum" id="pb2.321">[<a href="#pb2.321">321</a>]</span></p>
-<p>Allen verstomden, verbleekten, stoven uit elkander.
-</p>
-<p>De meisjes begonnen te jammeren&#x2014;Aspasia zelve werd doodsbleek, en verzorgde bevend
-en sidderend de door den dood aangetaste lieveling.
-</p>
-<p>Het meisje werd weggevoerd. De feestgenooten begonnen zich verslagen in stilte te
-verwijderen.
-</p>
-<p>Alleen Alcibiades herwon spoedig zijne bedaardheid, hij, de dronkenste van allen.
-</p>
-<p>&#x201e;Zoo zullen wij ons overwonnen geven aan de duistere machten?&#x201d; riep hij en greep naar
-den beker. &#x201e;Zou onze strijd te vergeefs zijn geweest?&#x2014;Wat stuift gij uit elkander,
-mijne vrienden? Lafaards, die gij zijt! Als gij allen versaagt en u schandelijk overwonnen
-geeft, ik geef mij niet over! Ik trotseer ook de pest en alle verschrikkingen van
-den Hades!&#x201d;
-</p>
-<p>Op dezen toon sprak hij voort, tot hij ten laatste bemerkte, dat hij geheel alleen
-stond in het verlaten peristylium, te midden van verstrooide kransen en half geledigde
-of omgeworpen bekers.
-</p>
-<p>Hij keek om zich heen met glazige oogen. &#x201e;Hei daar, waar zijt gij, lustige Ithyphallers?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Alleen!&#x201d; ging hij voort&#x2014;&#x201e;geheel alleen!&#x2014;zij hebben mij allen verlaten&#x2014;allen!&#x2014;Het
-rijk der vreugde is verlaten en eenzaam&#x2014;de sombere machten zegevieren&#x201d;&#x2014; &#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Het zij zoo!&#x201d; riep hij ten laatste, den beker van zich werpende. &#x201e;Vaarwel, schoone
-lust der jeugd! Ik ga naar Hipponicus!&#x201d;
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e8506">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8506src">1</a></span> De dronkenschap, roes.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e8506src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e8509">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8509src">2</a></span> Zie Deel I <a href="#n182.1">noot 1 pag. 182</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e8509src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e8515">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8515src">3</a></span> De verleiding, begoocheling.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e8515src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e8518">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8518src">4</a></span> De overmoed, uitgelatenheid.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e8518src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e8532">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8532src">5</a></span> Lenaeüm (Leenaion) is de plaats te Athene, waar het Bacchusfeest, de Lenaeä, in de
-maand Lenaeön of Gamelion, d.i. de laatste helft van Januari en de eerste van Februari,
-gevierd werd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e8532src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e8552">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8552src">6</a></span> Hamerling maakt hier gebruik van eene minder algemeen bekende mythe, dan die, volgens
-welke Theseus, met behulp van Ariadne, de dochter van Minos, den Minotauris in het
-labyrinth op Creta doodde en met haar huwde en vluchtte. Op het eiland Naxos werd
-Ariadne door de pijlen van Artemis gedood. De tweede legende, waarop hier gedoeld
-wordt is deze, dat <span class="corr" id="xd30e8554" title="Bron: Thesus">Theseus</span> na de volbrachte heldendaad Ariadne trouweloos op Naxos achterliet, waar zij door
-Dionysus, die uit Indië zegevierend terugkeerde, werd gevonden en gehuwd. Na haar
-dood nam Dionysus haar op onder de Onsterfelijken en plaatste de kroon, die hij haar
-bij het huwelijk geschonken had, onder de sterren. Ariadne wordt dikwijls door de
-beeldende kunst voorgesteld aan de zijde van Dionysus, omstuwd door Bacchanten en
-rijdende op een panther.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e8552src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e8584">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8584src">7</a></span> Io werd door Hera in eene koe veranderd. Deze mythe is dichterlijk behandeld door
-Ovidius. Metamorph. I. vs. 568&#x2013;748.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e8584src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e8614">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8614src">8</a></span> Dithyrambus is een bijnaam van Dionysus. Vandaar een lied te zijner eer (ook wel van
-andere Goden).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e8614src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e8625">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8625src">9</a></span> De schrijver zal bedoelen de &#x201e;Smilax aspera&#x201d;, eene Zuid-Europeesche klimplant, die
-in Italië en Griekenland, 30&#x2013;50 voet hoog, om de platanen zich slingert (vgl. Salsaparille).
-De bloemen zijn welriekend en waren in de oudheid zeer gezocht, met klimop dooreengewoeld,
-voor kransen, vooral bij de Bacchus-feesten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e8625src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e8643">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8643src">10</a></span> Sabazius komt als een bijnaam van Dionysus voor. Hij luidt ook wel Sebasius, terwijl
-nog verscheidene andere schrijfwijzen worden gevonden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e8643src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e8659">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8659src">11</a></span> Sicinnis (Sikinnis) is eene Satyr-dans, naar den uitvinder Sicinnus naar de nimf Sicinnis
-alzoo genoemd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e8659src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e8865">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8865src">12</a></span> Nymphagoog (numphagoogos) is hij, die de bruid uit het ouderlijk huis naar den bruidegom
-voert.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e8865src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch24" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXIV.</h2>
-<h2 class="main">DE SATYR EN DE BACCHANTE.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">In dien merkwaardigen nacht, waarin Simaetha tot koningin der vreugde bij het vroolijke
-maal in Pericles&#x2019; woning werd gekroond en de gloed <span class="pageNum" id="pb2.322">[<a href="#pb2.322">322</a>]</span>van de fakkels der Bacchanten in alle straten van Athene schitterde, in dien zelfden
-nacht zat bovenop de eenzame, stille Acropolis, op den donkeren gevel van het Parthenon,
-een ongeluksvogel, een somber starende uil, die herhaaldelijk zijn nachtelijk, huiveringwekkend,
-onheilspellend gekras deed hooren.
-</p>
-<div class="figure plate6width"><img src="images/plate6.png" alt="Eenzaam zat weder bij de doodsponde van den grooten Helleen, roerloos en marmerbleek, Aspasia." width="468" height="685"><p class="figureHead">Eenzaam zat weder bij de doodsponde van den grooten Helleen, roerloos en marmerbleek,
-Aspasia.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Van de straten der stad steeg het vreugdegejuich naar boven en onder die klanken mengden
-zich zonderling de nachtelijke klaagtonen van den uil op den gevel van het Parthenon.
-</p>
-<p>Verre in den omtrek weerklonken, zij in de donkere ruimte van de tinnen der Acropolis
-af, als eene doodstijding.
-</p>
-<p>En waarlijk zoo was het.
-</p>
-<p>Want juist op het oogenblik, dat de jonge Alcibiades en zijne makkers ten toppunt
-van jeugdige uitgelatenheid hunne bekers ophieven bij het festijn in het huis van
-Pericles en een dronk wijdden aan de bekoorlijke koningin der vreugde&#x2014;in dit zelfde
-oogenblik stierf Phidias in den kerker&#x2014;in dit zelfde oogenblik blies de onsterfelijke
-meester van het Parthenon, sinds geruimen tijd door eene slepende ziekte aangetast,
-eenzaam den laatsten adem uit.
-</p>
-<p>In die ure echter, waarin de verhevenste Hellenenziel, het middelpunt van de luisterrijkste
-Atheensche scheppingskunst, in den donkeren kerkernacht haar stoffelijk hulsel verliet
-en Aspasia Pericles de woorden toevoegde: &#x201e;Gij zijt geen Griek meer!&#x201d;&#x2014;in die ure was
-het, als werd niet alleen het heerlijke verbond van Pericles en Aspasia verscheurd,
-maar ook een vlijmend zwaard scheen te gaan door het hart der Helleensche wereld:&#x2014;&#x2019;t
-was alsof hare ster verduisterde, en nevens het zegevierend gekras van den uil op
-het Parthenon klonk een boosaardig geschater van grijnzende daemonen in de lucht boven
-de hoogte der Acropolis.
-</p>
-<p>De <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> ontwaakt bij het uilengekras, op zijn nachtelijk leger. Hem klonk het geroep van
-den uil als de blijde mare in &#x2019;t oor: &#x201e;Op, uw tijd is gekomen!&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb2.323">[<a href="#pb2.323">323</a>]</span></p>
-<p>En de daemonen fluisterden elkander toe: &#x201e;Nu eindelijk is ons de macht gegeven los
-te breken!&#x2014;Op, laten wij ons neder op Athene, neder op Hellas!&#x201d;
-</p>
-<p>Aan &#x2019;t hoofd van dezen zwerm ongeluks-daemonen vlogen de Tweedracht en de Pest.
-</p>
-<p>De laatste breidde hare vale vleugelen uit en vloog alle anderen voorbij; zij streek
-neder op de in nacht gehulde, van het getier der Bacchanten weergalmende stad der
-Atheners.
-</p>
-<p>Zij zocht naar de plaats, waar feestvreugde het vroolijkst tierde&#x2014;zij vond deze plaats
-en stortte zich als een gier neder op de bekoorlijke, jonge koningin der vreugde in
-Pericles&#x2019; woning.
-</p>
-<p>Het schoonste en bloeiendste Helleensche meisje, aan wie, zooals Alcibiades meende,
-de toekomst behoorde, was het eerste slachtoffer van een daemon.
-</p>
-<p>Er zijn tijden, waarin met het inwendig bederf, met de omkeeringen der zedelijke wereldorde,
-met de verzwakking en ontaarding, tevens groote physische rampen gepaard gaan, waardoor
-de harmonie en de orde der zedelijke en stoffelijke wereld te gelijk schijnen vernietigd
-te worden.
-</p>
-<p>Zulk een tijd brak thans voor Athene aan, zulk een tijd brak thans aan voor geheel
-Hellas.
-</p>
-<p>Aan het inwendige verterend verderf van den staat, zooals het langzaam en allengs
-voorbereid was door toenemende weelde en genotzucht, door het hand over hand toenemen
-van de losbandige demagogie<a class="noteRef" id="xd30e9023src" href="#xd30e9023">1</a>, het meest echter door den natuurlijken loop der menschelijke zaken, die met ijzeren
-noodwendigheid van bloei tot verval en ontaarding voert&#x2014;aan dit inwendig verderf paarde
-zich het uitbreken van bloedige veeten onder de stammen van Hellas, waaruit ten laatste
-niemand als overwinnaar te voorschijn trad, maar waardoor integendeel de welvaart
-en de vrijheid van allen gemeenschappelijk te gronde gingen; en hierbij <span class="pageNum" id="pb2.324">[<a href="#pb2.324">324</a>]</span>voegden zich de gruwelen der pest, die moorddadige ziekte.
-</p>
-<p>De Helleensche &#x201e;kalokagathia&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e9030src" href="#xd30e9030">2</a> moest verbroken worden&#x2014;niet meer moest het zijn: &#x201e;eene gezonde ziel in een gezond
-lichaam,&#x201d; waarop zich het Helleensche leven had mogen beroemen.&#x2014;
-</p>
-<p>Snel had zich de mare van het eerste pestgeval ten huize van Pericles in de geheele
-stad der Atheners verspreid, en eensklaps maakte de uitgelaten Bacchantische feestvreugde
-plaats voor den bleeken angst, voor verlammende bezorgdheid.
-</p>
-<p>Andere doodelijke pijlen van den engel des verderfs werden afgeschoten en binnen weinige
-dagen woedde reeds de pest in al hare verschrikkingen<a class="noteRef" id="xd30e9036src" href="#xd30e9036">3</a>.
-</p>
-<p>Evenals bij Simaetha geschied was, placht de ziekte met groote verhitting van het
-hoofd uit te breken, tegelijk met ontsteking in de keel. Bloedige etter werd uit de
-keel, uit de mondholte, zelfs uit de tong afgescheiden. Voorts werd de borst aangetast
-en onder hevige hoestbuien werd weinig en dun speeksel met moeite opgegeven. Geweldige
-suizingen in de ooren volgden, krampen in de hand, eene beving over het geheele lichaam,
-een gevoel van angst en onrust, tot waanzin stijgend, een verterende dorst, inwendige
-brand, zoo fel, dat zij menigeen naar de regenputten dreef. Soms ook, op de ingewanden
-slaande, veroorzaakte de ziekte een hevig braken. Die huid was rood, somwijlen donkerblauw,
-met zweren en blaren bedekt. Evenwel ontbraken, naar &#x2019;t schijnt, hier, evenals bij
-de overige pestziekten, waarvan de Oudheid gewaagt, die builen, welke als &#x2019;t voornaamste
-kenteeken bekend zijn van de zoogenaamde Oostersche pest, dien in latere tijden zoo
-gevreesden geesel der volken.
-</p>
-<p>Tot aan den achtsten dag woedde doorgaans de ziekte; dan volgde de dood bij holle
-oogen, spitsen <span class="pageNum" id="pb2.325">[<a href="#pb2.325">325</a>]</span>neus, terwijl het lichaam op het gevoel koud en ruw was. Niet ongedeerd kwamen zelfs
-de herstelden er af. Want menigmaal sloeg de ziekte op de uiterste deelen des lichaams:
-voeten, handen en andere ledematen verstierven, verlamd of aangegrepen door het brandend
-vergif. Ook het gezicht ging niet zelden verloren. Het geheugen en &#x2019;t verstand leden
-er onder; menige herstelde bleef krankzinnig en er waren er, die zich zelfs hunne
-namen noch die hunner vrienden herinnerden.
-</p>
-<p>Zonder uitwerking bleven alle geneesmiddelen. Op raad van Hippocrates werden er groote
-vuren gebrand, daar men meende opgemerkt te hebben, dat smeden, die aanhoudend in
-de nabijheid van vuur arbeidden, zeldzamer door de ziekte werden aangegrepen.
-</p>
-<p>Maar het geweld van de ziekte nam steeds toe.
-</p>
-<p>Daar de wetenschap machteloos bleek, zocht men hulp bij het bijgeloof. Nooit werden
-de tallooze gebruiken van zoenoffers, reinigingen, bezweringen, die den Hellenen ten
-dienste stonden, met meer ijver betracht.
-</p>
-<p>In de eerste weken weergalmde de stad van de jammerklachten der stervenden; zij was
-vol van lijkstatiën, die de door de pest weggeraapte ter begrafenis brachten naar
-de graven of brandstapels.
-</p>
-<p>Maar toen de sterfte toenam en de besmetting, die van de kranken en de lijken uitging,
-angst en ontzetting verbreidde, zelfs velen eenzaam en verlaten in de ontvolkte huizen,
-ja op de straten stierven, toen werd op de heilige gebruiken geen acht meer geslagen.
-Niet meer werd den doode zijn obolus voor den veerman in de onderwereld<a class="noteRef" id="xd30e9051src" href="#xd30e9051">4</a> in den mond gestoken, niet meer werd hem de koek, om den helhond te bedwingen, in
-de hand gedrukt, niet meer werd hij zorgvuldig gebaad en met welriekende oliën gezalfd,
-niet meer werd hij, fraai gekleed en bekranst met klimop, op een leger in <span class="pageNum" id="pb2.326">[<a href="#pb2.326">326</a>]</span>het peristylium van het huis tentoongesteld, niet meer gingen luid weeklagenden de
-lijkstatie vooruit, niet meer werd hij vereerd door een lange rij van rouw dragers,
-door doodmalen en doodenoffers, door het anders gewone rouwgewaad, dat door de overblijvenden
-werd aangenomen: haastig en zonder misbaar, ja bijna zonder eenig geleide droeg men
-ze uit, de tallooze lijken en stopte ze onder den grond of lei ze op brandstapels.
-Ten laatste echter gebeurde het, dat men zelfs dezen plicht van eer, den dooden verschuldigd,
-die den Helleen altijd als een der heiligsten had gegolden, verwaarloosde. In uitgestorven
-woningen bleven de laatste lijken liggen, aan het verderf ten prooi. Men vond zelfs
-dooden in ledige tempels, waarheen de stervenden zich wellicht hadden gesleept, om
-de hulp der Goden in te roepen; men vond er ook velen bij de bronnen, werwaarts zij,
-door inwendigen gloed verteerd, gekropen waren om de droge lippen te laven: en als
-het akeligste en afschuwelijkste, vond men zelfs lijken in het water der regenputten,
-waarin de lijders door inwendige hitte verteerd, zich geworpen hadden. Weldra werd
-het verkwikkende bronnat slechts met vrees en huivering beschouwd&#x2014;het kon toch verontreinigd
-zijn door afschuwelijke verrotting.&#x2014;
-</p>
-<p>In de straten lagen de lijken opgehoopt van dezulken, die òf zich zelven daarheen
-gesleept hadden òf ontzield uit de huizen waren gedragen en in overijlde haast daar
-neergelegd, òf zelfs van de daken afgeworpen waren, ten einde er, in den wanhopenden
-angst, ten spoedigste van bevrijd te zijn.
-</p>
-<p>Als men dan deze lijken bijeen zamelde, bracht de afschuw van den Helleen voor de
-aanraking van doode lichamen, gepaard met den angst voor besmetting, de gemoederen
-in zoodanige verbijstering, dat stervenden onder dooden, bewusteloozen onder rottende
-lijken vermengd werden.
-</p>
-<p>Waar door aanverwanten een brandstapel ter verbranding van een afgestorvene was opgericht,
-daar drongen anderen met hunne dooden er bij en wilden ook deze in dezelfde vlammen
-werpen, <span class="pageNum" id="pb2.327">[<a href="#pb2.327">327</a>]</span>totdat het vuur door de menigte lijken verdoofde en een woeste strijd ontstond om
-de smeulende brandstapels.
-</p>
-<p>Men meende op te merken, dat de roofvogels en wilde dieren, hoe gretig ook op aas,
-de onbegraven, aan de pest gestorven dooden, niet aanraakten. Deden zij het echter,
-dan werden zij zelven weldra eene prooi der ziekte en vielen dood ter neder. Dit gebeurde
-ook dikwijls met de honden.
-</p>
-<p>De vrees voor besmetting vervreemdde de menschen van elkander. De Agora werd ledig,
-de worstelscholen bleven onbezocht, het volk durfde zich niet meer op de Pnyx verzamelen.
-De deuren der huizen waren òf vast gesloten omdat men elke aanraking afweerde, òf
-stonden geheel open, omdat het huis ledig was en uitgestorven. De vrees verscheurde
-zelfs de banden des bloeds. Ook zagen velen zich aan de willekeur der slaven prijs
-gegeven, daar dezen zich thans voor vroegere onderdrukking wreekten door ongehoorzaamheid,
-trots, het weigeren van hulp, diefstal en onbeschaamde plundering.
-</p>
-<p>Bittere smart wisselde in de gemoederen af met stompzinnige onderwerping. Niet weinigen
-echter dreef het verlangen om zich te bedwelmen tot woeste uitgelatenheid en tot onbeteugelden
-lust van genot. Men zocht moed of vergetelheid in verbijstering.
-</p>
-<p>De dolle Meno echter verachtte onverschrokken het gevaar en lachte er om. Hij was
-overal te vinden, waar de pest in hare <span class="corr" id="xd30e9068" title="Bron: afschuwlijkste">afschuwelijkste</span> vormen heerschte. Het liefst scheen hij onder lijken te vertoeven. Men zag hem menigwerf
-op een hoop doode lichamen zitten, alsof hij zich verheugde over het onheil, en hij
-spotte met het laffe volk, dat de lijken en hem zelven den verpeste, ontvlood. En
-daar men opmerkte, dat juist hij, die in dronken overmoed het gevaar tartte, verschoond
-bleef, vermeerderde het getal van hen, die hetzelfde deden. Weldra waren de straten
-en pleinen aan dronken onverlaten prijs gegeven, die als &#x2019;t ware der Koningin <span class="pageNum" id="pb2.328">[<a href="#pb2.328">328</a>]</span>Pest een feestdronk wijdden en lachend hare verschrikkingen trotseerden. Juist dezen
-waren het ook, die voor geld zich lieten overhalen, om de dooden uit de huizen weg
-te dragen of in de straten te zoeken en ze ter begraving of ter verbranding wegbrachten.
-Zij oefenden hun handwerk uit met de ruwe driestheid van menschen, die het niets achten
-hun leven op het spel te zetten. Zij eischten en namen wat hun lustte, plunderden
-en roofden, en pleegden in de huizen, waarin hun bedrijf hen voerde, allerlei gewelddadigheden.
-Ontzag voor de wet bestond er niet meer; want de werkzaamheden der gerechtshoven waren
-reeds geruimen tijd gestaakt en de misdadiger dacht, dat de pest òf hen, die hem zouden
-kunnen aanklagen, zou wegrapen, òf hem zelven van de noodzakelijkheid zich te verantwoorden
-ontheffen.
-</p>
-<p>Maar niet alleen mannen uit de armere en laagste klassen veroorloofden zich de ruwe
-uitspattingen, ook gegoeden deden hetzelfde: vooral was het de jeugd, die op zulke
-wijze zich tegen den indruk der haar omringende ellende zocht te wapenen. Velen zagen
-zich plotseling rijk geworden, doordat de nalatenschap hunner ouders, hunner broeders
-en zusters of verwanten eensklaps hun deel werd. Daar zij echter moesten vreezen weldra
-een dergelijk lot te zullen ondergaan, als zij van wie zij geërfd hadden, zochten
-zij hunne erfenis zooveel mogelijk in genot en in bedwelmende, woeste uitspattingen
-te verteren. Bij &#x2019;t zien van deze plotseling rijk gewordenen kwam ook bij anderen
-de verwachting op, zich in een dergelijk lot te zullen verblijden: uit die verwachting
-wederom ontkiemden de hoop en een misdadig verlangen.
-</p>
-<p>Zoo werden ook in dit opzicht de zedelijke banden al zwakker en zwakker, en de overlevenden
-verheugden zich over de voordeelen, die uit den jammer der algemeene sterfte voor
-hen voortvloeiden.
-</p>
-<p>Schoon ook de pest met hare vreeselijke gevolgen bij velen de genotzucht tot eene
-ziekelijke <span class="pageNum" id="pb2.329">[<a href="#pb2.329">329</a>]</span>hoogte opdreef, gold echter ook hier de algemeene regel, dat de uitersten elkander
-raken of het eene uiterste tot het andere overslaat. Bij die teugellooze genotzucht,
-breidde ook het sombere bijgeloof hoe langer zoo meer zijne heerschappij uit. Weldra
-hoopten zij, die nog zooeven in woeste dronkenschap en uitgelatenheid heul hadden
-gezocht, eene nieuwe kracht en een nieuwen troost te vinden in bijgeloovige vereering
-der Goden.
-</p>
-<p>Mannen als Diopithes traden op, die de ramp, waardoor Athene bezocht werd, als eene
-straf voorstelden voor de vroegere verachting der Goden, en de woede des volks keerde
-zich tot hen, die door Diopithes en zijns gelijken als de hoofdoorzaken van den toorn
-der Goden aangewezen werden.
-</p>
-<p>Nu herinnerde men zich ook dien geheimzinnigen Sabazius-dienst en er werd gesproken
-van den Metragyrt, die in het gapende Barathron door de overmoedige, dronken Ithyphallers
-was geworpen. Er werden thans velen gevonden, die meenden, dat men wellicht ten onrechte
-dien Heiland Sabazius had versmaad, dien Verlosser van alle kwalen, en dat de misdaad,
-aan den onschuldigen Metragyrt begaan, de eigenlijke oorzaak was van den toorn der
-Goden en vooral van de wraak des beleedigden Sabazius. Hem te verzoenen, meenden zij,
-was nu de eerste plicht en het eenige geneesmiddel tegen de menschenverdelgende pest.
-Zekere te Athene wonende vrouw, eene vreemdelinge, Ninos geheeten, die zich op alle
-toovenarijen en geheimzinnige zaken verstond, wierp zich tot priesteres van Sabazius
-op, dien zij den volke zou prediken. Zich te laten wijden tot den dienst van dezen
-God gold weldra als heiliging en redding. Met zonderlinge gebruiken werd die plechtigheid
-des bijgeloofs voltrokken: &#x2019;t vel eener ree werd den profaan omgehangen, een gewijde
-drank hem aangeboden; met klei en leem werd hij ingewreven en eene slang werd om zijn
-borst gewonden. Hij zat daarbij op den grond en met den uitroep: &#x201e;De ramp ontkwam
-ik, het betere bekwam ik&#x201d; stond hij op, nadat <span class="pageNum" id="pb2.330">[<a href="#pb2.330">330</a>]</span>de wijding volbracht was. Een nachtelijk Bacchanaal verbond de sombere plechtigheden
-met de Orgiën der zinnen. Zoo vond uitspatting en bijgeloof zich in den Sabazius-dienst
-vereenigd. Men zag talrijke omgangen ter eere van Cybele en Sabazius. Velen waren
-er, die het voorbeeld der Metragyrten volgden en de Sicinnis dansten, terwijl zij
-zich daarbij geeselden en verwondden. Maar ook de aanhangers van den Phrygischen God<a class="noteRef" id="xd30e9084src" href="#xd30e9084">5</a> beroemden zich de pest te kunnen stuiten. Zij plaatsten den kranke op een stoel en
-dansten daaromheen onder woest getier. Zich in deze reien te mengen, gold voor de
-gezonden als een behoedmiddel tegen de ziekte.
-</p>
-<p>Zoo ver was het gekomen met het volk der Atheners!
-</p>
-<p>Wat Aspasia gevreesd had en meende te kunnen verhinderen, geschiedde: vreemde en sombere
-gebruiken drongen door in de heldere en schoone Grieksche wereld, om, zij &#x2019;t ook niet
-terstond tot eene volledige zegepraal te geraken, toch datgene voor te bereiden en
-te verkondigen, waarin het Helleensche leven als eene heldere ster achter donkere
-wolken zou ondergaan.
-</p>
-<p>Terwijl te Athene de vreeselijke pest domme vertwijfeling en verbijsterenden waan
-uitbroedde en voor een vreemd bijgeloof den weg baande, dat niet meer onschuldig was
-als het inheemsche en overoude, maar integendeel aan den wortel van &#x2019;t gezonde leven
-knaagde, bedreigden verschrikkingen van een anderen aard het Attische land.
-</p>
-<p>De oorlog was opnieuw ontbrand. Andermaal viel het Peloponnesische leger in de landouwen
-van Attica en drong hare bevolking naar de stad: andermaal was eene sterke vloot,
-ditmaal door Pericles zelven aangevoerd, uitgeloopen, en wederom dwongen de overwinningen,
-die zij op de kusten van <span class="pageNum" id="pb2.331">[<a href="#pb2.331">331</a>]</span>de Peloponnesus behaalde, den Spartaanschen koning tot overhaasten terugtocht. Doch
-Potidaeä bood nog steeds weerstand, Corinthe moest belegerd worden en nu eens hier
-dan weder daar sloeg in de koloniën en verbonden steden de vlam des oproers in lichte
-laaie uit.
-</p>
-<p>Om Aspasia en zijne beide zoons, Paralus en Xanthippus, aan het dreigend gevaar te
-onttrekken, had Pericles hun voor den tijd zijner afwezigheid zijn landgoed tot verblijf
-aangewezen. Derwaarts begaf zich Aspasia met haar gansche gezin. Doch het onheil volgde
-ook hier, en uit de kweekschool van schoonheid en vernuft werden, na Simaetha, ook
-Drosis en Prasina weggemaaid. Zij waren door den zegevierenden Pericles uit de gevangenis
-te Megara bevrijd, slechts om te Athene in den bloei harer jeugd aan den vreeselijken
-doodsengel ter prooi te vallen.
-</p>
-<p>Wie het kon, ontvluchtte, evenals Aspasia, de verpeste stad en begaf zich naar de
-landelijke vlekken of de nabijgelegen eilanden, waar het gevaar geringer scheen.
-</p>
-<p>Uiteengescheurd was de vriendenkring van Aspasia. Euripides had reeds voor eenigen
-tijd Athene verlaten. Hij was een menschenhater geworden en leefde op Salamis in stille
-afzondering; &#x2019;t liefst bracht hij zijn tijd door in die grot aan het strand, waarin
-hij onder &#x2019;t gekletter der wapenen en het gekraak der schepen het levenslicht had
-aanschouwd. Hier zat hij eenzaam en alleen, en verdiepte zich in gepeinzen, met het
-oog op de zee gevestigd, en niets verlangde hij van Athene te hooren, dan wat de baren
-hem toefluisterden, die van daar aanrollend, voor zijne voeten in schuim spatten.
-</p>
-<p>Sophocles leefde nog als te voren in zijne landelijke lustgaarde aan den Cephissus-oever
-en het hoofd van den lieveling der goden bleef daar gespaard voor den geesel, dien
-het Noodlot over de Atheners zwaaide. Opgeruimde, levenslustige wijsheid was zijne
-trouwe gezellin gebleven en had hem geleerd het lot van Pericles te ontwijken, <span class="pageNum" id="pb2.332">[<a href="#pb2.332">332</a>]</span>aan niets zijn hart te zeer te hechten en den ernst des levens geene te groote macht
-over zijn gemoed te verleenen.
-</p>
-<p>Ook het hoofd van Socrates bleef ongedeerd door den geesel, hoewel hij het broeinest
-der vreeselijke ziekte niet verliet, onverschrokken Athene&#x2019;s straten doorwandelde,
-de menschen opzocht in hunne ellende, en overal, waar hij kon, hulp en troost gaf.
-</p>
-<p>De jonge Alcibiades had intusschen de dochter van Hipponicus, de bloeiende Hipparete,
-als gade zijn huis binnengevoerd.
-</p>
-<p>Ook hij trotseerde met zijn ouden overmoed de verschrikkingen der pest, hoewel hij
-zag dat de toorn der Goden de Ityphallers niet spaarde en de pest een zijner liefste
-vrienden, den jongen Demus, den zoon van Pyrilampes, van zijne zijde wegraapte. Toen
-Pericles met de galeien uitzeilde, bevond Alcibiades zich onder zijn gevolg. Daarom
-konden de Sabazius-dienaars hun eeredienst verrichten, <span class="corr" id="xd30e9106" title="Bron: zondes">zonder</span> vrees van de woeste Ithyphallers en het gapende Barathron.
-</p>
-<p>De pest nam een weinig af, zooveel ten minste, dat de burger ook weder aan den staat
-begon te denken en de stad der Atheners van &#x2019;t geen haar onmiddellijk had bedreigd,
-den blik weder kon richten naar hetgeen haar op grooten afstand boven &#x2019;t hoofd hing.
-Opnieuw was de krijgstrompet gestoken, doch de gemoederen waren versaagd: de strijdbare
-manschap was door de pest gedund en ook op de vloot en vóór Potidaeä zwaaide de doodsengel
-zijn geesel. Zegevierend streed ook thans Pericles met zijne vloot op de Peloponnesische
-kust. Doch wat baatte het, dewijl allengs geheel Hellas in partijschappen verdeeld,
-in den maalstroom werd medegesleept, zoodat de krijg hier verflauwd, ginds weder met
-nieuwen gloed ontbrandde? Wat nut hadden de zegepralen van Pericles, daar niet alleen
-de twee groote tegenstanders, maar ook hunne bondgenooten, slaags raakten, terwijl
-deze zelven echter <span class="corr" id="xd30e9111" title="Bron: of">òf</span> altijd weifelden òf van partij veranderde? <span class="pageNum" id="pb2.333">[<a href="#pb2.333">333</a>]</span>Het opperbevel van één enkele was niet meer mogelijk; wat hier werd veroverd, ging
-op een verder gelegen punt weder verloren; nergens bood de vijand een beslissenden
-slag aan; in tallooze kleine gevechten werd de groote Helleensche krijg verbrokkeld.
-</p>
-<p>Op de mare, dat het moedelooze Atheensche volk onderhandelingen met Sparta aan wilde
-knoopen, keerde Pericles haastig naar Athene terug. Hij hoopte de Atheners met nieuwen
-moed te bezielen, eene schandelijke vertwijfeling te verhinderen. Maar de Atheners,
-gedwee en verlamd geworden door de zware bezoeking, waren gunstiger dan ooit gestemd
-voor de geheime plannen der demagogen en van Diopithes.
-</p>
-<p>De <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> was door de pest aangetast geweest, doch weder genezen. Sedert dien tijd was zijn
-woeste, fanatieke ijver nog grooter geworden. Eene besturing der Goden zag hij in
-zijne redding uit het doodsgevaar.
-</p>
-<p>&#x2019;t Gebeurde op zekeren dag, dat een hoopje burgers op de Agora om een man verzameld
-was en naar zijne woorden luisterde. Want langzamerhand waagden de Atheners het weder
-elkander te naderen, terwijl nog kort te voren de een den ander als de pest zelve
-had geschuwd.
-</p>
-<p>De man, die te midden van het hoopje toehoorders stond, was een van die moedige en
-vrijzinnige mannen, wier tong thans bij wijlen weder scheen losgemaakt. Hij verstoutte
-zich niet alleen onverholen tegen de demagogen te ijveren en ten krachtigste Pericles
-te verdedigen, maar ook het bijgeloof te veroordeelen, dat zich van het Atheensche
-volk had meester gemaakt. Daar zich onder de toehoorders vele aanhangers van Diopithes
-en Cleon bevonden, ontstond er weldra een hevige woordenstrijd en de onversaagde kampioen
-werd ten laatste door de op hem losstormende tegenstanders aangegrepen en mishandeld.
-</p>
-<p>Op dit oogenblik kwam de <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> daarlangs, vergezeld door eene menigte zijner aanhangers <span class="pageNum" id="pb2.334">[<a href="#pb2.334">334</a>]</span>en vrienden.
-</p>
-<p>Toen hij hoorde dat die man Pericles verdedigd en het vertrouwen der Atheners op de
-Goden een kleinmoedig bijgeloof had genoemd, namen de trekken van den priester de
-uitdrukking van onheilspellende toorn aan.
-</p>
-<p>Hij hield een tijdlang zijne oogen strak ten hemel gewend, alsof hij zich in den geest
-onmiddellijk met de Hemelingen onderhield, en begon toen tot het volk te spreken.
-</p>
-<p>&#x201e;Weet dan, gij Atheners,&#x201d; sprak hij, &#x201e;dat de Goden mij dezen nacht een droom toezonden
-en mij te rechter tijd op deze plaats hebben doen komen. Te Athene is schuld op schuld
-gestapeld gedurende eene lange reeks van jaren: Sophisten en godloochenaars hebben
-u verdwaasd, hetaeren hebben u beheerscht, tempels en godenbeelden zijn er opgericht,
-niet ter eere der Goden, maar tot ijdele pronk en tot verderf van het eenvoudige en
-vrome geloof der vaderen. Tot straf voor uwe verbastering, godloochening en weelderigheid
-treft u nu datgene wat gij lijdt. Niet voor de eerste maal ontlast zich de toorn der
-Goden over de Hellenen. En gij weet op welke wijze de toorn der Goden in overoude
-tijden pleegde afgewend te worden. Gij weet, dat de Goden somwijlen alleen door het
-hoogste aller offers, door een menschenoffer, konden worden verzoend. Grijpt dezen
-godslasteraar: zijn leven is bovendien reeds door zijne misdadige godloochening volgens
-de wet verbeurd verklaard. Hij is een misdadiger, reddeloos een kind des doods. Maar
-in plaats van door de hand van den scherprechter zijne straf te ondergaan, moet hij,
-volgens het overoude, half vergeten gebruik, den Goden als zoenoffer gebracht worden,
-moet hij onder de toonen der muziek door de straten geleid en verbrand worden en zijne
-asch naar alle windstreken verstrooid!&#x201d;
-</p>
-<p>Terwijl de priester sprak, had zich steeds meer volk verzameld. Daaronder ook Pamphilus.
-Toen hij hoorde, dat men den vriend en verdediger van <span class="pageNum" id="pb2.335">[<a href="#pb2.335">335</a>]</span>Pericles te lijf wilde gaan, was hij onmiddellijk bereid te helpen.
-</p>
-<p>&#x201e;Ginds aan den oever van den Illissus,&#x201d; sprak hij, &#x201e;branden dag en nacht de brandstapels,
-waarop de door de pest weggemaaiden verteerd worden. Op een van die lustig flikkerende
-vuren zal ook nog wel een plaatsje zijn voor hem!&#x201d;
-</p>
-<p>Daarbij greep hij zelf het eerst den schuldige aan en eene menigte der meest woesten
-onder zijne makkers voegde zich bij hem om den ongelukkige voort te sleepen.
-</p>
-<p>Thans kwam Pericles op de Agora, voornemens om zich naar het buleuterium<a class="noteRef" id="xd30e9143src" href="#xd30e9143">6</a> te begeven. Hij zag de opschudding en vroeg naar de oorzaak daarvan.
-</p>
-<p>Luid klonk het uit de woeste en opgewonden menigte dat de Goden een zoenoffer verlangden
-en dat men juist van plan was dit in den persoon van den misdadiger en godloochenaar
-Mechillus te gaan brengen.
-</p>
-<p>Pericles drong zich midden tusschen het volk, terwijl hij met woorden en gebaren zijne
-afkeuring te kennen gaf. Diopithes trad hem te gemoet.
-</p>
-<p>En nu stonden de beide mannen, de hoofdaanvoerders van den grooten strijd, die sedert
-jaren te Athene gestreden werd en der beslissing steeds meer en meer naderde, voor
-de eerste maal persoonlijk als in een tweegevecht tegenover elkander.
-</p>
-<p>&#x201e;Terug, Alcmaeönide!&#x201d; riep de <span class="corr" id="xd30e9152" title="Bron: Eurechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span>. &#x201e;Wilt gij ook nu weder den Goden onttrekken wat hun toekomt en wat zij gebiedend
-verlangen? Wilt gij het volk der Atheners beletten het schuldige zoenoffer te zoeken
-en eindelijk redding te verkrijgen uit den nood waarin niemand anders dan gij zelf
-hen hebt gestort? Ziet gij niet, waarheen uwe verblinding dit vroeger door de Goden
-rijk gezegende volk heeft gevoerd? Uw werk is het, dat het zich van de oude, vrome
-zeden heeft afgekeerd, dat het naar rijkdom, genot <span class="pageNum" id="pb2.336">[<a href="#pb2.336">336</a>]</span>en ijdelen glans heeft gestreefd, dat het het valsche licht is gevolgd en geluisterd
-heeft naar de woorden der godloochenaars!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;En gij, Diopithes?&#x201d; antwoordde Pericles op ernstigen, bedaarden toon, &#x201e;waarheen denkt
-gij het volk der Atheners te voeren? Tot dweepzieken moord van burgers&#x2014;tot hernieuwing
-van ruwe en onmenschelijke wreedheden, waarvan de Helleensche geest, vooruitgaande
-op de baan der ontwikkeling en humaniteit, reeds sinds eeuwen zich met afgrijzen heeft
-afgewend!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Dank den Goden, Pericles!&#x201d; riep Diopithes, &#x201e;dat zij dezen man in onze hand hebben
-gegeven&#x2014;dank den Goden, dat zij zich voor het oogenblik met het bloed van dezen man
-tevreden stellen! Want als zij den waren schuldigen van ons eischten, den schuldigste
-uit het geheele volk der Atheners, weet gij wien wij dan moesten vatten en aan de
-vlammen prijsgeven? Evenals eens de ziener Tiresias den overmoedigen, hoovaardigen
-Oedipus, zoo moesten wij u toeroepen: Alcmaeönide, gij zijt de schuldige, gij zijt
-de oorzaak van den toorn der Goden! Een oude vloek rust op uw geslacht! Door u, door
-uwe handlangers en vrienden is Athene goddeloos geworden, door u is de rampzalige
-krijg over ons losgebarsten en de ergste geesel in de handen der Goden, de pest, behoorde,
-tot volledige verzoening door geen ander dan door uw bloed afgewend te worden!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Als het zoo is, als gij zegt,&#x201d; hernam Pericles rustig, &#x201e;laat dan dien man los en
-offer dengene, die u de schuldigste schijnt!&#x201d;
-</p>
-<p>Tegelijkertijd bevrijdde Pericles den ter dood gewijde uit de hand van Pamphilus.
-Met een grijnslach van innig welgevallen liet deze zijne eerste prooi los en sloeg
-onmiddellijk, verheugd om den ruil, de hand aan den hem gehaten, thans zich zelven
-ten offer biedenden strateeg.
-</p>
-<p>&#x201e;Wat aarzelt gij?&#x201d; zei Pericles tot de verbaasde Atheners, die stilzwegen en zich
-niet verroerden. &#x201e;Denkt gij, dat ik mij alleen heb aangeboden in <span class="pageNum" id="pb2.337">[<a href="#pb2.337">337</a>]</span>de verwachting door u ontzien te worden? Gelooft mij, Atheners, dat het mij vrij onverschillig
-is, of gij mij spaart dan of gij mij ter dood brengt! Tot het schoonste geluk, den
-schitterendsten glans, het volle licht der waarheid en der vrijheid meende ik Athene
-nader gebracht te hebben, en nu zie ik, dat een door de godheid beschikte omkeer&#x2014;of
-is &#x2019;t een vloek, die met den natuurlijken loop der wereld gepaard gaat?&#x2014;ons wederom
-overweldigt en terugvoert naar nacht en dwaling; dat niet alleen uitwendige rampen
-over Hellas losbreken, maar ook in onzen eigen boezem allengs donkere machten over
-de heldere en ware zegevieren! Ik dank den Goden, als ik den luister en bloei van
-mijn vaderland niet overleef!&#x2014;doodt mij!&#x201d;
-</p>
-<p>Sprakeloos en roerloos stonden nog altijd de Atheners. Pamphilus werd ongeduldig.
-</p>
-<p>Thans trad een man uit de menigte te voorschijn en zeide, terwijl hij zich bereidde
-om weg te gaan: &#x201e;Als gij Pericles wilt dooden, doe het dan zonder mij. Ik wil daar
-niets van zien. Mij heeft hij eens in Thracië, toen ik zwaar gewond was, met eigen
-handen gered, terwijl alle anderen voor de overmacht der vijanden vluchten en mij
-in de hand des vijands wilde achterlaten.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ook ik ga!&#x201d; riep een tweede. &#x201e;Ik kreeg van hem in den Samischen oorlog genade, toen
-de andere strategen, op mij gebeten, mij om een gering vergrijp ter dood wilden veroordeelen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ook ik wil met de zaak niets te doen hebben,&#x201d; zei een derde; &#x201e;ook mij heeft Pericles
-door zijne voorspraak geholpen, toen ik bij alle overheden te Athene geen recht kon
-krijgen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ook mij! ook mij!&#x201d; klonk het uit de menigte, en steeds grooter werd het getal der
-mannen, die zich van den troep afscheidden.
-</p>
-<p>&#x201e;Door de opzettelijke schuld van Pericles heeft geen Athener ooit rouw gedragen!&#x201d;
-klonk het<a class="noteRef" id="xd30e9173src" href="#xd30e9173">7</a>.
-<span class="pageNum" id="pb2.338">[<a href="#pb2.338">338</a>]</span></p>
-<p>Pamphilus hield zijn offer, dat hem dreigde te ontgaan, krampachtig vast.
-</p>
-<p>&#x201e;Laat Pericles los, Pamphilus!&#x201d; riepen eenigen. Daarop schreeuwden nog meerderen hetzelfde
-en eindelijk ging er maar één kreet uit de gansche menigte op:
-</p>
-<p>&#x201e;Laat Pericles los, Pamphilus!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Aan dezen man konden de Atheners zelfs in hunne slechtste oogenblikken zich niet vergrijpen.
-</p>
-<p>&#x201e;Nog eens hebt gij gezegevierd!&#x201d; riep Diopithes honend den bevrijden Pericles toe.
-&#x201e;Maar wellicht is dit de laatste uwer triomfen. Op uw hoofd werp ik de schuld, als
-de Goden onverzoend blijven en hun geesel voortwoedt over ons!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Korten tijd na deze gebeurtenis werden de beide zonen van Pericles, Paralus en Xanthippus,
-door de pest aangetast en vielen als offer der vreeselijke ziekte.
-</p>
-<p>Met innig welgevallen wees de <span class="corr" title="Bron: Erechtheus-priester">Erechtheüs-priester</span> op den thans duidelijk zich openbarenden vloek der Goden, die nu eindelijk het geslacht
-der <span class="corr" id="xd30e9188" title="Bron: Alcmaeönieden">Alcmaeöniden</span> geheel wilden verdelgen.
-</p>
-<p>Het geweld der pest nam weder toe. Aan de verstoring van het zoenoffer, en aan Pericles,
-die daarvan de schuld was, herinnerden thans onophoudelijk Diopithes en zijne aanhangers.
-Die schuld en de toorn der Goden schenen ontegenzeggelijk, na de ramp dien de Hemelingen
-over den man hadden gebracht.
-</p>
-<p>Meer dan ooit waren de gemoederen der Atheners gedrukt en verslagen.
-</p>
-<p>Het veld was vrij gelaten aan de tegenstanders van Pericles.
-</p>
-<p>In eene soort van stompe onverschilligheid liet Pericles, na zooveel rampen ook nog
-door den plotselingen dood van zijne zonen, door den ondergang van zijn geslacht,
-diep ter neer geslagen, de dingen haar loop. Het oogenblik voor zijne vijanden, om
-den lang beraamden, beslissenden slag te slaan, was gekomen.
-</p>
-<p>In eene weinig bezochte volksvergadering werd <span class="pageNum" id="pb2.339">[<a href="#pb2.339">339</a>]</span>door lage boosheid voorgesteld hem van zijn ambt als strateeg en zijne andere waardigheden
-te ontzetten, en de domme verbijstering der meerderheid nam het voorstel aan.
-</p>
-<p>Zou Pericles, de Olympiër, na tientallen van jaren roemrijk den staat te hebben bestuurd,
-weder een eenvoudig, Atheensch burger worden? Zou Diopithes ten laatste toch gezegevierd
-hebben?
-</p>
-<p>Welaan dan, gij mannen, zoo riep men thans, die het groote woord onder het volk voert,
-Cleon, Lysicles, Pamphilus, welbespraakte redenaars en raadgevers op de Pnyx&#x2014;stelt
-u aan de spits der vloten en legers! grijpt de teugels, die men aan de handen van
-den heerschzuchtigen Pericles heeft ontwrongen!
-</p>
-<p>Op de Agora beijvert zich inderdaad weder de onvermoeide Pamphilus, een grooten hoop
-volks om zich heen verzamelende, ten einde zijn vriend Cleon tot aanvoerder te doen
-verkiezen, zijn moed, zijne gezindheden, zijne bekwaamheden op te vijzelen.
-</p>
-<p>Na een lang en levendig gesprek treedt eensklaps uit de vergaderden een armoedig man
-op, van een zonderling, half verwilderd uitzicht en begint tot het volk met vuur te
-spreken.
-</p>
-<p>&#x201e;Medeburgers!&#x201d; roept hij, &#x201e;wij hebben Pericles afgezet, wij, het Atheensche volk.
-En dit was goed, in zooverre Pericles daaruit heeft kunnen zien, dat wij hier te Athene
-nog de volksheerschappij bezitten. In zooverre, zeg ik, was het goed. Overigens echter
-blijft het toch eene ongehoord domme zaak zich een been af te zagen op het oogenblik,
-dat men te Olympia een wedren wil gaan houden&#x2014;en nadat wij van kwaad tot erger zijn
-vervallen en de os, om zoo te zeggen voor een appel en een ei te krijgen is, en worsthandelaars
-ons willen wijsmaken, dat zij vogelmelk te koop hebben&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;De duivel hale u, ellendeling!&#x201d; viel hem een man uit de heffe des volks verwoed in
-de rede. &#x201e;Wilt gij eens zwijgen!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Ik wil niet zwijgen!&#x201d; hernam de opgewondene. <span class="pageNum" id="pb2.340">[<a href="#pb2.340">340</a>]</span>&#x201e;Ik ben een Atheensch burger zoo goed als iemand, en ik vrees geen mensch. Ik ben
-een man uit Halimus: marskramer was ik en ik heb betere dagen gekend; maar nadat mijne
-vrouw en kinderen aan de pest zijn gestorven en ik zelf ter nauwernood te midden der
-lijken van het ziekbed ben opgestaan, heb ik alles laten liggen, zooals het lag, en
-heb mij hier in de stad als lijkuitdrager verhuurd, dat wil zeggen, ik help de pestlijken
-uit de huizen naar de brandstapels sleepen.&#x201d;
-</p>
-<p>Na deze woorden van den man weken allen met zekere huivering terug en hielden zich,
-door angst gedreven, op een afstand van hem.
-</p>
-<p>De voormalige marskramer uit Halimus stoorde zich echter daaraan volstrekt niet, maar
-vervolgde:
-</p>
-<p>&#x201e;Ik beroem er mij op, dat ik, zooals gij mij hier ziet, een man ben van ervaring in
-staatkundige zaken. Ik behoorde vóór vijftien jaar op de Pnyx tot hen, die vóór den
-bouw van het Parthenon stemden en die de rechtersoldij en de schouwburggelden toestonden.
-Ik heb altijd mijn burgerplicht vervuld en het belang van den staat op &#x2019;t oog gehad,
-en ik zeg u, dat de Peloponnesiërs geen runderen en schapen zijn, die zich door den
-leerlooier Cleon goedschiks hun huid zullen doen touwen. En toen de beide zonen van
-Pericles aan de pest gestorven waren, had men eigenlijk den ongelukkigen man, den
-kinderloos geworden vader, moeten beklagen, en hem daarom niet minder achten, noch
-hem beschouwen als een door den toorn der Goden getroffene en hem als zoodanig vervolgen.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Genoeg van Pericles,&#x201d; viel de verwoede Pamphilus den marskramer in de rede. &#x201e;Wij
-willen niets meer hooren van Pericles. Hij deugt tot niets meer. Hij sukkelt, naar
-men zegt. En wat hebben wij aan een ziekelijk man?&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Pas op, Pamphilus!<span class="corr" id="xd30e9217" title="Niet in bron">&#x201d;</span> riep de andere; &#x201e;het geneesmiddel van den zieken leeuw is, zooals het spreekwoord
-zegt, dat hij een baviaan opeet!&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Wilt gij mij beschimpen?&#x201d; schreeuwde de worstmaker, zijn been oplichtende, om zijn
-tegenstander <span class="pageNum" id="pb2.341">[<a href="#pb2.341">341</a>]</span>een trap in de lendenen te geven.
-</p>
-<p>&#x201e;Kom maar op!&#x201d; riep de man uit Halimus, &#x201e;ik zal u zoo looien, dat uw huid er uit ziet
-als purper! Ik zal u de longen uit het lijf scheuren en uw ingewanden dooreen klutsen!&#x201d;
-</p>
-<p>Pamphilus week huiverig terug voor de aanraking van den drager van pestlijken.
-</p>
-<p>&#x201e;Terug!<span class="corr" id="xd30e9227" title="Niet in bron">&#x201d;</span> riep hij, &#x201e;terug! Waag het niet uwe verpeste hand aan het lichaam van een Atheensch
-burger te slaan! Terug, ellendeling! Ellendigste, allerellendigste der menschen!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Waarom?&#x201d; riep de drager van pestlijken, grijnzend. &#x201e;Gij zult het misschien toch moeten
-toelaten, dat ik u aanraak! Van zulke knapen als gij zijt hoop ik er nog ettelijke
-dozijnen op mijn wagen te krijgen! Overigens echter herhaal ik: het was goed, dat
-wij Pericles afzetten, opdat hij zou zien, dat wij hem kunnen afzetten, als wij willen.
-Nu hij dit echter gezien heeft, is het beste dat wij heengaan en hem weder aanstellen
-en hem de vloot weer toevertrouwen; want wij kunnen hem niet missen, zeg ik u&#x2014;wij
-hebben geen tweede, hem gelijk, en niet ieder, die eene knots<a class="noteRef" id="xd30e9231src" href="#xd30e9231">8</a> draagt, is daarom een held<span class="corr" id="xd30e9234" title="Niet in bron">.</span>&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Wat de half verwilderde man uit Halimus op zijne zonderlinge, maar eerlijke manier
-te berde bracht, was eene moeilijk te bestrijden logica.
-</p>
-<p>Inderdaad, wie te Athene weder den oorlog wilde, die moest Pericles ook willen. Potidaeä
-was eindelijk gevallen:&#x2014;opnieuw, zij het ook met zwakken vleugelslag, ontvouwde zich
-de hoop. Snel veranderde dan ook weder de stemming onder het bewegelijke volk der
-Atheners.
-</p>
-<p>Op den volgenden dag stroomden de Atheners naar de Pnyx en herstelden Pericles in
-al zijne ambten en waardigheden.
-</p>
-<p>Zij meenden, dat het nog de oude Pericles was, aan wien zij zich andermaal toevertrouwden.
-Zij vergisten zich.
-<span class="pageNum" id="pb2.342">[<a href="#pb2.342">342</a>]</span></p>
-<p>Sophocles was de eerste, die zijn vriend de tijding van het nieuwe besluit des volks
-bracht.
-</p>
-<p>&#x201e;De Atheners hebben u alles teruggegeven!&#x201d; zei de dichter hem gelukwenschende.
-</p>
-<p>&#x201e;Alles,&#x201d; hernam Pericles met een bitteren lach, &#x201e;behalve het vertrouwen op hen, het
-vertrouwen op het geluk van Athene en het vertrouwen op mij zelven!&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Diopithes triomfeert toch!&#x201d; vervolgde hij. &#x201e;Schijnbaar heeft hij nu ook het onderspit
-gedolven, maar in waarheid zijn wij te Athene de overwonnenen. De hoogste zijner bedoelingen
-wel is waar heeft Diopithes niet bereikt, maar wat hij en de zijnen sedert lang voorbereid
-en gedaan hebben, dat is niet verloren gegaan bij het volk der Atheners!&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>&#x201e;Verban die sombere gevoelens uit uw hart!&#x201d; vermaande Sophocles. &#x201e;Athene en Hellas
-staan nog op hun glanspunt: nog menig heerlijk gewrocht zullen zij voortbrengen, nog
-menigen zegekrans behalen. Ons betaamt het niet te klagen, ons, wien het vergund werd,
-den edelsten bloei ontwikkeld te zien.&#x201d;
-</p>
-<p>&#x201e;Maar ook den worm, die aan dien edelsten bloei knaagt!&#x201d; hernam Pericles. &#x201e;Nog is
-hij er niet, de tijd, die zich aankondigt, maar eene donkere toekomst werpt hare schaduw
-ver voor zich uit. Naar het toppunt van opgewekte vroolijkheid, schoonheid en kennis
-streefden wij. Van onze droomen heeft zich de droom der schoonheid verwezenlijkt&#x2014;de
-andere echter zijn in nacht en verwarring opgegaan. Kort zijn, naar het schijnt, de
-levenslenten der volkeren en hunne bloesems welken, vóór zij zich nog ten volle hebben
-ontwikkeld!&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo sprak op dien dag Pericles tot den edelste zijner vrienden.&#x2014;
-</p>
-<p>Nog eenmaal verhief zich de geweldige, verderfelijke ziekte.
-</p>
-<p>Er kwam bij de verandering der maan een donkere nacht, een nacht, waarin de storm
-vreeselijk huilde. Koud blies de wind over het Attische land van de kloven en hoogten
-van den Pindus. <span class="pageNum" id="pb2.343">[<a href="#pb2.343">343</a>]</span>Dof sloegen in den Piraeüs de golven tegen de steenen dammen. De schepen in de haven
-werden heen en weder geslingerd, de masten kraakten, het want gierde. In de ontvolkte
-straten van Athene loeiden de winden als spoken, zij speelden met de open deuren der
-verlaten huizen en huilden door de eenzame peristylia. Men wist soms niet of &#x2019;t huilen
-en bulderen van den wind was, dan wel het klagen en zuchten van jammerende moeders,
-dat men vernam. Over de tinnen, gevels en marmeren beelden van het Parthenon vlogen
-zwarte wolken. De als wijgeschenken opgehangen schilden sloegen klapperend tegen de
-architraaf, waaraan zij hingen. Nachtvogels krasten. Het reuzenbeeld der met lans
-en helm gewapende Athene Promachos trilde op zijn granieten voetstuk.
-</p>
-<p>In dezen donkeren, stormachtigen nacht, waarin ieder zich binnenshuis hield en de
-straten als schoongeveegd waren, dwaalde een man rond, door eene zonderlinge onrust
-gedreven. Die man was Socrates. Zijne oude gewoonte om des nachts rond te dolen, ten
-einde jacht te maken op gedachten, was hem meer en meer eigen geworden: evenwel werd
-hij zelf meer door gedachten gedreven, dan hij haar najaagde. Zoo zwierf hij ook dien
-nacht rond, blindelings, als naar een onzeker doel voortgestuwd.
-</p>
-<p>Hij naderde den verlaten oever van den Illissus, waar uitgebrande brandstapels lagen
-en waar de dolle Meno zat bij hoopen asch en glimmende kolen. De dolle kerel grijnsde,
-blies de kolen aan en warmde zich daaraan; nu en <span class="corr" id="xd30e9259" title="Bron: den">dan</span> nam hij een slok uit eene flesch edelen Chiër, die hij uit een door de pest <span class="corr" id="xd30e9262" title="Bron: ontvlokt">ontvolkt</span> huis weggenomen had, welks voorraad den roovers een gemakkelijke buit geworden was.
-</p>
-<p>Hier en daar stiet de voet van den voortijlenden Socrates in het donker op slechts
-half verbrande, zwart verkoolde ledematen.
-</p>
-<p>En verder vervolgde hij, zonder doel, zijn weg. Eensklaps werd hij getroffen door
-den geur van viooltjes. Hij treedt nader en komt bij eene bron, <span class="pageNum" id="pb2.344">[<a href="#pb2.344">344</a>]</span>die, naar de gewoonte der Atheners, met viooltjes is omplant. Socrates buigt zich
-neder, om zijn heet voorhoofd te verkoelen en zijne droge lippen zoeken het lavende
-vocht. Maar ook hier grijnst de dood hem tegen en spoedig wordt de zonderlinge geur
-der viooltjes hem verklaarbaar. De bron was verontreinigd door een lijk, een dier
-ongelukkigen, dien de vertwijfelende begeerte naar verkoeling nog in de ure van den
-doodstrijd naar de bron had gedreven.
-</p>
-<p>Huiverend week Socrates terug. Toen echter zich herstellend plukte hij een der viooltjes,
-beschouwde het lang en peinzend en zeide: &#x201e;o gij Attische viooltjes, wie zal in de
-toekomst u nog roemen en de met viooltjes omkranste Atheners, als uwe gevierde geur
-zoo vreeselijk vermengd is met de walmen des doods?&#x201d;&#x2014;
-</p>
-<p>Hij ijlde terug, dieper de straten in, waar de deuren in den wind klapperden en de
-moeders als in wedstrijd met de winden huilden en klaagden. Hij staarde naar de Acropolis
-en zag het zwarte, in lage wolken verscheurde zwerk, dat als krijschende nachtvogels,
-aan ongeluksgeesten gelijk, het reusachtige beeld van Athene Promachos zweefde&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Alsof de ongeluksgeesten, die hij daar meende te zien, op hem nederdaalden en hem
-dreigden en vervolgden, doolde Socrates rond. Eensklaps stond hij vóór het huis van
-Pericles.
-</p>
-<p>Hij bleef staan. Hoe dikwijls was hij over dezen drempel getreden! Hoe lang was &#x2019;t
-geleden, sinds dit voor &#x2019;t laatst geschied was!
-</p>
-<p>Hij naderde schier onbewust en onwillekeurig de deur. Hij bemerkte, dat zij niet gesloten
-was, als ware het vergeten of verzuimd, en zonder bewaker.
-</p>
-<p>Hij trad naar binnen; eenzaam en verlaten was het voorportaal. Geen geluid drong van
-binnen tot hem door. Huiveringwekkend was de stilte, die hem omgaf.
-</p>
-<p>Thans zag hij uit het peristylium het schijnsel van eenige somber flikkerende lichten.
-<span class="pageNum" id="pb2.345">[<a href="#pb2.345">345</a>]</span></p>
-<p>Eene rilling voer hem door de leden; hij wist niet waarom. Maar tegelijk drong eene
-onbekende macht hem voorwaarts.
-</p>
-<p>Daar zag hij midden in het peristylium eene legerstede, met purperen kussens opgemaakt.
-Op de purperen kussens lag een doode, het lichaam gehuld in een schitterend wit gewaad&#x2014;het
-voorhoofd omkranst met groenende klimopranken.
-</p>
-<p>Nevens de sponde zat eene vrouw, met gebogen hoofd, bleek en sprakeloos als een steenen
-beeld.
-</p>
-<p>Socrates bleef op den achtergrond. Hij bleef als vastgenageld staan, zonder een woord
-te spreken. Zijne oogen staarden strak en als van een krankzinnige op het lijk en
-op de vrouw, die bij het lijk zat.
-</p>
-<p>Die marmerwitte, onbewegelijke vrouw was Aspasia. De met klimop omkranste doode op
-de purperen sponde was Pericles, de Olympiër.
-</p>
-<p>Ontzield lag daar de Alcmaeönide, de aanvoerder van die onsterfelijke schaar verheven
-geesten, die Griekenland voor eeuwig hebben verheerlijkt&#x2014;de held van een gouden bloeitijd
-der menschheid, die nog altijd naar hem wordt genoemd, dien hij over Hellas gebracht
-heeft en met welks verval hij zelf ook het leven verliet.
-</p>
-<p>Grooter en statiger nog scheen thans het lichaam van den held, door de pijlen van
-den doodsengel gevallen. Maar zachtheid lag er, evenals bij zijn leven, ook thans
-uitgebreid over zijn mannelijk gelaat. Zelfs de pest had die edele trekken niet misvormd.
-&#x2019;t Was, alsof de dood den Olympiër niet verslagen en vernietigd had, maar integendeel
-den door zielsleed gebrokene weder in zijne volle grootheid opgericht. Verjongd straalde
-nu weder in de trekken des dooden die opgeruimde kalmte, welke den levende eindelijk
-ontzonken was, verdwenen was de tweestrijd, dien ten laatste het gemoed van Aspasia&#x2019;s
-gemaal was binnengeslopen&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Waarover peinsde de bleeke Aspasia aan de doodsponde van Pericles?
-</p>
-<p>Aan haar geest ging eene schitterende reeks van <span class="pageNum" id="pb2.346">[<a href="#pb2.346">346</a>]</span>schoone, grootsche, heerlijke herinneringen voorbij.
-</p>
-<p>Zij dacht aan het oogenblik in de werkplaats van Phidias, waar het vurig oog van dien
-man voor &#x2019;t eerst het hare had ontmoet, waar, na manlijken, ernstigen strijd voor
-de grootheid en macht van Athene, de schoonheid hem in banden sloeg.
-</p>
-<p>Zijn beeld zweefde voor hare oogen, nu eens hoe hij op het redenaarsgestoelte der
-Pnyx stond en het volk aan zijne lippen hing&#x2014;dan weer hoe hij vol fierheid en geestdrift
-met haar wandelde over de hoogten van de Acropolis, zich verheugend over het heerlijke
-en grootsche, dat daar onder zijne oogen verrees;&#x2014;nu eens hoe hij, door begeerte naar
-krachtige daden aangegrepen, voor Samos zich nieuwe lauweren bevocht&#x2014;dan weder hoe
-hij in zalige liefde, het schoonste menschenlot vervullend, op de bloeiende hoogte
-des levens den bedwelmenden kelk der vreugde met haar ledigde&#x2014;of hoe hij op de Acropolis
-in het gezicht van nieuw voleindigde, onsterfelijke gewrochten een verbond met haar
-sloot, zijne ziel vervuld van grootsche plannen en verwachtingen.
-</p>
-<p>In zijne edele grootheid zweefde hij voor haar geest, in zijne overweldigende macht
-over de menschen, in zijne gevoeligheid en warmte van hart, in zijne waardige, mannelijke
-kracht&#x2014;zacht, verstandig en moedig te gelijk&#x2014;het toonbeeld van den echten Helleen,
-te zeer vervuld van geest en gemoed om op te gaan in ruwen heldenzin, en van den anderen
-kant te ijverig, te degelijk om enkel genoegen te vinden in weekelijk genot, in de
-bekoring van schoonheid en liefde.
-</p>
-<p>Maar ook zweefde zijn beeld voor hare oogen, hoe hij aan hare zijde wandelde in de
-dreven der Peloponnesus, hoe meer en meer de ernst met zachte schaduwen over zijn
-voorhoofd gleed, hoe hij vervuld van het leven en streven van den voortschrijdenden
-tijd, aangespoord door een voorgevoel eener nieuwe, ernstige, treurige toekomst, zwijgend
-zijn diepst gevoel verborg, totdat hij ophield een Helleen te zijn in den geest en
-den zin der schoone <span class="pageNum" id="pb2.347">[<a href="#pb2.347">347</a>]</span>vrouw, met wie hij het schitterend vreugdebond der liefde had gesloten, en totdat
-hij, na den loop der ontwikkeling van het Hellenisme in zijn eigene ziel doorleefd
-te hebben, door onheilspellende, sombere voorgevoelens aangegrepen, met de macht en
-grootheid van zijn vaderland zelf bezweek.
-</p>
-<p>Evenals Aspasia&#x2019;s oog strak op het gelaat van den ontzielden Pericles was gericht,
-zoo staarde het oog van Socrates onbewegelijk op het bleeke gezicht der vrouw.
-</p>
-<p>In haar scheen hem Hellas verpersoonlijkt, dat treurend zat aan de lijkbaar van den
-edelste zijner zonen&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Hoe bleek en ernstig zien die trekken van de schoone vrouw, dit eens zoo levenslustige
-Hellas!
-</p>
-<p>Thans sloeg Aspasia haar oog op en haar blik ontmoette dien van Socrates. Het was
-een lange, lange blik, dien Aspasia en Socrates wisselden.
-</p>
-<p>Het was een lange, diep ernstigen blik en geen woord zou de gewaarwordingen kunnen
-uitdrukken, die in dezen langen blik opgesloten lagen.
-</p>
-<p>Geen enkel woord, alleen deze ééne blik werd tusschen hen beiden gewisseld.
-</p>
-<p>Toen verdween Socrates. Als eene spookachtige schim was hij voor de vrouw opgerezen&#x2014;zonder
-geluid verdween hij.&#x2014;Eenzaam zat weder bij de doodsponde van den grooten Helleen,
-roerloos en marmerbleek, Aspasia.&#x2014;
-</p>
-<p>Socrates zette zijne nachtelijke wandeling voort. Zonder bepaald plan of doel ijlde
-hij door de straten, een geruimen tijd met diep bewogen gemoed.
-</p>
-<p>Het geweld van den gierenden en huilenden rukwind had opgehouden. Stiller en nog eenzamer
-dan te voren was het geworden om den nachtelijken zwerver. Het was reeds lang over
-middernacht. De morgen kondigde zich van verre aan met eene bijna nog onmerkbare grauwen
-streep in het Oosten. Maar nog was het nacht, donkere nacht, in de straten van Athene.
-Door de gescheurde wolken des hemels fonkelden slechts enkele verflauwende sterren.
-<span class="pageNum" id="pb2.348">[<a href="#pb2.348">348</a>]</span></p>
-<p>Plotseling stond voor Socrates een man, reisvaardig, naar het scheen, vergezeld door
-een slaaf. Hij vestigde den blik strak op Socrates.
-</p>
-<p>Socrates keek op, toen gene hem den weg versperde, en hij herkende Agoracritus.
-</p>
-<p>&#x201e;Waarheen gaat gij in den donkeren nacht?&#x201d; vroeg de voormalige makker in Phidias&#x2019;
-werkplaats aan den denker.
-</p>
-<p>&#x201e;Mij riepen dringende zaken naar Athene,&#x201d; vervolgde Agoracritus, toen Socrates met
-het antwoord draalde; &#x201e;maar ik haast mij weder weg te komen uit de verpeste stad.
-Ik ga naar Rhamnus, om eindelijk te doen, wat men sinds zoovele jaren van mij verlangt:
-mijne daar geplaatste Godin met die uiterlijke kenteekenen te versieren, die haar
-ongetwijfeld van eene Aphrodite tot eene Nemesis zullen maken. Ik heb lang geaarzeld&#x2014;maar
-thans drijft mij ook de lust dien menschen te believen. Zij moeten niet langer twijfelen,
-de mannen in het land van Attica, dat werkelijk de Nemesis in plaats van de lachende
-Aphrodite midden onder hen staat. Ben ik haar toch geen dank verschuldigd, deze met
-langzame, maar zekere schreden naderende Godin? Heeft zij mij niet gewroken op de
-vrouw, die ik haat? De Godin der vergelding heeft hare tenten opgeslagen in het huis
-van Pericles en Aspasia. En nu vernam ik nog ten laatste, dat de pest voor weinige
-dagen Pericles aangegrepen en op het ziekbed heeft geworpen.&#x201d;
-</p>
-<p>Socrates sloeg zijn oogen op, zag Agoracritus in &#x2019;t gelaat en zeide zacht:
-</p>
-<p>&#x201e;Hij is dood.&#x201d;
-</p>
-<p>Agoracritus zweeg getroffen.
-</p>
-<p>Beiden gingen een eind weegs sprakeloos naast elkander.
-</p>
-<p>&#x201e;Dood?&#x201d; vroeg toen Agoracritus.
-</p>
-<p>&#x201e;Ik zag hem zelf!&#x201d; hernam Socrates op doffen toon.
-</p>
-<p>Wederom zwegen beiden een tijd lang.
-</p>
-<p>Eindelijk begon Agoracritus:
-</p>
-<p>&#x201e;Gij hebt Pericles ontzield gezien; mij is het ten <span class="pageNum" id="pb2.349">[<a href="#pb2.349">349</a>]</span>deel gevallen Phidias voor mijne oogen in den kerker te zien sterven. Ik was bij hem
-in zijn laatste ure. Toen ik hoorde, dat hij erg ziek was, ijlde ik naar hem. De menschen
-zeiden mij, dat hij alle geneesmiddelen en iedere soort van hulp van de hand wees.
-Pericles had Hippocrates tot hem gezonden: hij echter begon met den geneesheer over
-de verhoudingen der vormen en lijnen van het menschelijk lichaam te spreken. Want
-ook thans op zijn ziekbed hield hem datgene bezig, wat hem vroeger alleen bezield
-had.
-</p>
-<p>&#x201e;Toen ik kwam, vertelden mij diegenen, welke in den kerker om hem heen waren, dat
-hij herhaaldelijk in koortsachtige droomen sprak en zelden iemand meer herkende. Ik
-ging tot hem en vond hem stervende. Hij herkende mij in den beginne nog even, allengs
-echter werden zijne gedachten in de hitte der koorts verward. Hij sprak immer door
-van groote tempels en beeldwerken, van gouden en ivoren standbeelden en marmeren friezen&#x2014;hij
-gaf zijnen leerlingen aanwijzingen, geheel en al alsof hij nog in zijne werkplaats
-was, spoorde hen tot den arbeid aan en berispte de tragen, duidde ook nauwkeurig aan
-hoe zij dit of dat moesten voltooien en was ontevreden, dat zij het niet geheel naar
-zijn wil deden. Menigmaal riep hij uitdrukkelijk mij of Alcamenes. Ten laatste echter
-scheen hij geheel alleen te zijn met zijne heerlijke beelden en zijn Goden en Godinnen,
-zijne Pallas Athene, zijne Olympische Zeus zweefden voor zijn geest. &#x2019;t Was, alsof
-de Goden van den Olympus allen tot hem nederdaalden en rondom zijn leger stonden,
-voor hem alleen zichtbaar, terwijl hij stierf; want hij schouwde met een verhelderd
-gelaat om zich heen, groette hen en sprak hen bij hunne namen aan. Ten laatste echter
-scheen het, dat Pallas Athene geheel alleen bij hem was achtergebleven en hem wenkte;
-want hij zei de eensklaps: &#x201e;Waarheen wilt gij mij voeren? Ik kom!&#x201d; Daarop richtte
-hij zich een weinig op, alsof hij wilde opstaan, om met haar, die hem wenkte, te <span class="pageNum" id="pb2.350">[<a href="#pb2.350">350</a>]</span>vertrekken; hij zonk echter achterover en blies den laatsten adem uit.
-</p>
-<p>&#x201e;Hij stierf midden in zijn droomgezicht. Hij stierf schoon, als ooit eenig Helleen,
-daar het schoonste licht van Hellas nog eenmaal hem omstraalde en de Goden hem als
-&#x2019;t ware van de aarde naar den Olympus voerden, op het oogenblik, dat de nacht des
-onheils over Athene losbrak, zoodat hij van al dat leed niets meer bemerkte, maar
-met onbenevelden geest heenging.
-</p>
-<p>&#x201e;In den beginne had het mij innig smartelijk getroffen te zien, hoe deze man in den
-kerker op zijne eenzame legerstede lag te sterven; want nadat hij de Athene Promachos
-op den burg, de Athene Parthenos en het Parthenon zelf, benevens dien Olympischen
-Zeus te Olympia had geschapen; en zooveel groots en heerlijks, wat niemand heeft overtroffen
-en niemand ooit zal overtreffen, &#x2019;t geen Griekenland de meeste luister heeft aangebracht,
-was zijn loon van de menschen, dat hij smadelijk en eenzaam stierf in den donkeren
-kerker.
-</p>
-<p>&#x201e;Toen ik hem had zien sterven, voelde ik eene aandoening in de ziel, die niet zonder
-troost was, en ik ging stil heen, nadat ik den meester de oogen toegedrukt en zijn
-voorhoofd gekust had: ik beklaagde slechts Hellas te meer en ons allen, die achterbleven,
-nadat de grootsten en besten heen zijn gegaan!&#x201d;
-</p>
-<p>Na dit verhaal van Agoracritus gingen de beide mannen nog een poos peinzend naast
-elkander. Toen scheidden zij.
-</p>
-<p>Agoracritus ging noordelijk naar Rhamnus; ook Socrates zette, door innerlijke aandoening
-gedreven, zijn weg verder voort, doch toen hij nauwelijks een paar schreden gegaan
-was stiet hij op een ontstoken brandstapel. Daarop waren vele pestlijken geworpen.
-Onder deze lijken zag Socrates ook den dollen Meno liggen.
-</p>
-<p>De dragers der pestlijken hadden hem, bedwelmd en verdoofd in een vasten slaap, te
-midden van lijken gevonden en den schijndoode op den brandstapel <span class="pageNum" id="pb2.351">[<a href="#pb2.351">351</a>]</span>geworpen, waar de vlam reeds om hem likte. Een hond liep huilend om den brandenden
-hoop.
-</p>
-<p>Thans greep de vlam den dollen Meno aan. Op dit oogenblik sprong ook de hond op den
-stapel en verbrandde met zijn meester.
-</p>
-<p>Een zonderling gevoel kwam in Socrates op. &#x201e;Nu zijt gij vrij, Meno!&#x201d; sprak hij.
-</p>
-<p>&#x201e;Nu zijt gij vrij!&#x201d; herhaalde hij nog verscheiden malen, terwijl hij met een gloeiend
-voorhoofd zijn weg vervolgde. &#x201e;Zal er wellicht eens een tijd komen, waarop alle slaven
-vrij zullen worden?&#x201d; dacht hij al voortgaande&#x2014;&#x201e;of alle vrijen slaven!&#x201d; voegde hij
-er peinzend in zich zelven bij&#x2014;
-</p>
-<p>Hij doorliep nu reeds ver afgelegen straten, niet meer in den omtrek van de stad zelve,
-maar in hare omstreken, waar landgoederen en tuinen der Atheners met de open dreven
-afwisselden.
-</p>
-<p>Een zwaluw vloog op en verkondigde den dag, met vluggen wiekslag door de lucht scherende.
-</p>
-<p>Socrates, door zijn daemon geleid, naderde een huis, waarin zekere beweging en drukte
-heerschten. Vele menschen liepen af en aan.
-</p>
-<p>&#x2019;t Was de woning van Ariston, een aanzienlijk Athener. Socrates bleef staan en vernam
-van hen, die daar uit- en ingingen, dat Ariston in dezen nacht een zoontje was geboren.
-Na, zoovele beelden des doods eene geboorte, een ontwakend leven&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p>Wederom rees een raadselachtige drang in de borst van Socrates op. Hij betrad het
-huis van den hem bevrienden man.
-</p>
-<p>Het kind lag in het peristylium, in de armen der voedster. Een hoogbejaarde grijsaard,
-die een ziener of priester scheen te zijn, hield zijn sneeuwwit hoofd er over gebogen
-en beschouwde het aandachtig. Ook Socrates sloeg zijn oog op het kind, dat een breed
-voorhoofd had, een denkersvoorhoofd, en welks gelaat reeds omschenen werd door een
-zachten, verheven, meer dan kinderlijken ernst.
-</p>
-<p>Plotseling kwam eene bij aangevlogen&#x2014;eene bij van den naburigen Hymettus&#x2014;eene der
-geprezen Attische bijen&#x2014;zij komt aanvliegen, gonst om &#x2019;t <span class="pageNum" id="pb2.352">[<a href="#pb2.352">352</a>]</span>hoofd van het kind en raakt een oogenblik zijne lippen aan, even slechts en zonder
-kwaad te doen, ze als het ware kussend. Toen vliegt zij weder weg.
-</p>
-<p>Bij dit gezicht spreekt de grijze ziener:
-</p>
-<p>&#x201e;Een goddelijk teeken is de kus van deze Hymettusbij. Van de lippen van dit kind zal
-eens de taal vloeien, zoeter dan honig!&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e9359src" href="#xd30e9359">9</a>
-</p>
-<p>Het zien van dit kind maakt een diepen indruk op Socrates. Hij kan het voorgeval in
-zijne ziel niet verklaren. Maar de toekomst zal het eens ontsluieren.
-</p>
-<p>De knaap die daar voor de oogen van den rustelooze waarheidzoeker ligt, zal, tot jongeling
-gerijpt, eene nieuwe zending vervullen.
-</p>
-<p>Zijne lippen zullen druipen van Attischen honig. Maar met de zoetste welsprekendheid
-zal hij de bitterste leer verkondigen:
-</p>
-<p>Hij zal leeren, dat het lichaam een kerker is der ziel en dat de ziel, zich van hare
-boeien bevrijdend, opwaarts moet stijgen naar het bovenaardsche. Hij zal leeren, dat
-Eros de menschenwereld verachten en naar hooger moet streven, naar het heldere rijk
-der eeuwige, in onveranderlijke schoonheid schitterende gedachten&#x2014;
-</p>
-<p>En deze leer zal een weergalm vinden aan naburige en verre stranden; zij zal het wachtwoord
-worden van een nieuwen tijd en op de lippen van een Galilaeër de wereld veroveren&#x2014;
-</p>
-<p>Met haar echter zal ook in een anderen zin het woord der Sabazius-dienaars en Metragyrten
-triomfeeren, het sombere woord der zelfkastijding en zelfverloochening&#x2014;
-</p>
-<p>Socrates ging peinzend uit de woning van Ariston. Hij had nu eene hoogte bereikt,
-vanwaar hij het Attische land en de zee kon zien, beschenen door de vriendelijke stralen
-der morgenzon.
-</p>
-<p>Op de zee, in de richting van Sunion, zag hij een vaartuig het zilte nat doorklieven.
-Hij staarde, in gedachten verzonken, werktuigelijk naar dit vaartuig.
-<span class="pageNum" id="pb2.353">[<a href="#pb2.353">353</a>]</span></p>
-<p>Het droeg den &#x201e;Satyr&#x201d; en de &#x201e;Bacchante&#x201d;&#x2014;het droeg Manes en Cora naar het Noorden;
-het voerde hen een nieuw vaderland te gemoet.
-</p>
-<p>Zij togen daarheen, zalig in het bewustzijn hunner ernstige liefde.
-</p>
-<p>Van de baai uit zagen zij terug en beschouwden, scheidend voor altoos, voor het laatst
-de stad der Atheners.
-</p>
-<p>Een licht, wit wolkje steeg, niet verre van de Acropolis, uit de stad omhoog in de
-reine, heldere morgenlucht. Het kwam van den brandstapel, die het zielloos overschot
-van Pericles in heiligen gloed verteerde.
-</p>
-<p>Dit wolkje steeg omhoog en zweefde om de tinnen van de Acropolis.
-</p>
-<p>Manes en Cora volgden het met hunne oogen, toen het om de witte marmeren kruin van
-den heiligen Pallas-burg zweefde.
-</p>
-<p>Maar het wolkje verdween, en rein en schitterend doemden in het heldere licht de tinnen
-en gevels van het Parthenon en der onlangs voltooide Propylaeën op uit de verte.
-</p>
-<p>Hoog verhief zich, boven de ellende en verdeeldheid van de stad der Atheners en der
-sterfelijke menschenkinderen, de onsterfelijke kruin van den berg.
-</p>
-<p>Uit de puinhoopen van het vergankelijke verrees in het land der Hellenen iets onvergankelijks,
-zegevierend in eeuwigen glans.
-</p>
-<p>En het scheen te zeggen:
-</p>
-<p>&#x201e;Verheven ben ik boven het wisselend lot der menschen en hunne nietige ellende. Ik
-schitter door alle eeuwen heen. Ik besta ten allen tijde. Ik ben als het betooverend
-licht over de bergen van Hellas, en als de eeuwige glans der wateren in zijne golven!&#x201d;
-</p>
-<p>Naar het Goede en naar het Schoone streven de volkeren.
-</p>
-<p>Menschelijk en edel is het Goede&#x2014;goddelijk en onsterfelijk echter het Schoone.
-</p>
-<p class="trailer">EINDE.</p>
-<p><span class="pageNum" id="pb2.355">[<a href="#pb2.355">355</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e9023">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9023src">1</a></span> De volksregeering.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9023src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9030">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9030src">2</a></span> Onder &#x201e;kalokagathia&#x201d; verstonden de Grieken die harmonische vereeniging van al wat
-schoon, goed en edel is; ons &#x201e;rechtschapenheid&#x201d; drukt het nog niet voldoende uit.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9030src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9036">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9036src">3</a></span> De volgende beschrijving van de pest is ontleend aan de overschoone schildering daarvan
-door Thucydides, die zelf door de pest is aangetast geweest, Bell. Pelop. Boek II.
-47&#x2013;56.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9036src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9051">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9051src">4</a></span> Charon, die de zielen der afgestorvenen over de rivieren in de onderwereld zette.
-Hij is, naar de mythe, de zoon van Erebus en Nux. Zij, die het veergeld niet konden
-betalen, moesten als schimmen aan de oevers van den Acheron verwijlen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9051src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9084">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9084src">5</a></span> Attis, (ook Atis, Atys en Attys geschreven) een zoon van Calaüs koning van Phrygië;
-hij was, naar de mythe, een priester van Cybele. Gestorven zijnde opgewekt, komt hij
-als de trouwe begeleider van Cybele voor. Te zijner eere werden jaarlijks te Pessinus
-in Phrygië in de lente feesten gevierd. Wellicht doelt de mythe op het sterven der
-natuur in den winter en haar ontwaken in de lente.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9084src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9143">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9143src">6</a></span> Het raadhuis (bouleuterion).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9143src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9173">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9173src">7</a></span> Plutarchus, leven van Pericles, cap. 38, aan welk geschrift veel van het hier vermelde
-ontleend is.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9173src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9231">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9231src">8</a></span> Spreekwijze ontleend aan Heracles. Vergelijk Deel I pag. 220 en de noot.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9231src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9359">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9359src">9</a></span> Hier wordt Plato, Socrates&#x2019; groote leerling bedoeld.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9359src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div id="aanteekeningen" class="div1 notes"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">AANTEEKENINGEN VAN DEN SCHRIJVER.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">DEEL I, PAGINA <a href="#pb24">24</a><span class="corr" id="xd30e9396" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>Men spreke uit: <i>Ictinus</i>, zoo ook <i>Hipponicus</i>, <i>Cratinus</i>, daarentegen <i>Prómachos</i>, <i>Pápyrus</i>, <i>Pháleron</i>, <i>Agorácritus</i>.
-</p>
-<p>DEEL I, PAGINA <a href="#pb149">149</a>.
-</p>
-<p>De klemtoon worde op de volgende namen aldus gelegd: <i>Pasicòmpsus</i>, <i>Execéstides</i>, <i>Astrámpsychus</i>, <i>Mnesárchus</i>, waardoor het eigenaardige van die harde, ruw klinkende woorden, in het oog valt.
-De lezer bederve dat niet door eene verkeerde uitspraak.
-</p>
-<p>DEEL I, PAGINA <a href="#pb320">320</a>.
-</p>
-<p>De bijzonderheden van deze schildering aan den zeeslag bij Tragia zijn <i>geheel verdicht</i>, alleen overeenkomstig met de behoefte van den <i>roman</i>, om het karakter van Pericles in zijne kracht en heldenmoed uit te doen komen<span class="corr" id="xd30e9441" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>DEEL II, PAGINA <a href="#pb2.349">349</a> EN <a href="#pb2.350">350</a>.
-</p>
-<p>Het in het vorige jaar verschenen dichterlijk album &#x201e;Egeria&#x201d; (Eger 1875), alsmede
-de epische dichtbundel &#x201e;<span lang="de">Orient und Occident</span>&#x201d; van K.&nbsp;B. v. Hansgirg bevatten een gedicht &#x201e;Phidias&#x201d; getiteld, waarin, evenals hier,
-Pallas Athene den stervenden beeldhouwer verschijnt. Hansgirg geeft zelf in het laatste
-boek, pag. 79, het jaar 1874 op, als het jaar, waarin dit gedicht werd opgesteld.
-Mijn verhaal daarentegen van Phidias&#x2019; dood werd reeds in 1873 geschreven en daar deze
-geheele roman in de eerste maanden van 1874 in het bureel van de Weener &#x201e;<span lang="de">Neuen freien Presse</span>&#x201d; aanwezig was, kan ik mij ook nog op het getuigenis van hen, die het werk daar in
-handen gehad hebben, beroepen, dat, hoeveel ook sedert in het handschrift van &#x201e;Aspasia&#x201d;
-veranderd is geworden, <i>toch juist dit tooneel reeds toen woordelijk zoo geschreven was, als het thans in
-druk verschijnt</i>, zoodat derhalve aan plagiaat niet kan gedacht worden.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure spineswidth"><img src="images/spines.jpg" alt="Oorspronkelijke rug." width="198" height="720"></div><p>
-</p>
-<p>&nbsp;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure backwidth"><img src="images/back.jpg" alt="Oorspronkelijke achterkant." width="454" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1" id="toc">
-<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2>
-<table>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#voorrede">VOORREDE.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#voorrede">5</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">1. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch1">DE SCHAT VAN DELOS.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">8</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">II. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch2">TELESIPPE.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">49</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">III. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch3">DE MARSKRAMER VAN HALIMUS.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">75</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">IV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch4">DE PANSGROT.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">102</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">V. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch5">DE PAUWEN VAN PYRILAMPES.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">133</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch6">IN HET CEPHISSUS-DAL.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">161</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch7">DE DISCUS-WORP.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">193</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VIII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch8">HET OFFER AAN DE CHARITEN.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch8">218</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">IX. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch9">ANTIGONE</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">241</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">X. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch10">DE KONINGIN VAN HET FEEST.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">272</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch11">SAMOS.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch11">302</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch12">UREN VAN ZALIGHEID.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">333</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch13">DIOPITHES EN HIPPARETE.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch13">356</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch14">DE PANATHENAEËN.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch14">5</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch15">UILEN OP DE ACROPOLIS.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch15">33</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch16">DE VROUWEN OP HET THESMOPHORIËNFEEST.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch16">59</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch17">HET MEISJE UIT ARCADIË.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch17">86</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVIII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch18">DE NIEUWE GOD EN ZIJN BLIKSEMSCHICHT.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch18">127</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIX. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch19">HET KIND DES LICHTS EN DE PRIESTERS DER DUISTERNIS.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch19">157</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XX. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch20">DE SCHOOL VAN ASPASIA.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch20">185</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch21">DE MUILEZEL VAN CALLICRATES.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch21">218</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch22">STRIJD EN ZEGEPRAAL.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch22">253</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXIII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch23">HET DIONYSUS-FEEST.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch23">283</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXIV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch24">DE SATYR EN DE BACCHANTE.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch24">321</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#aanteekeningen">AANTEEKENINGEN VAN DEN SCHRIJVER.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#aanteekeningen">355</a></td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-<div class="transcriberNote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
-<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen
-van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden
-van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd30e49" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
-</p>
-<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd30e49" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
-</p>
-<h3 class="main">Metadata</h3>
-<table class="colophonMetadata">
-<tr>
-<td><b>Titel:</b></td>
-<td>Aspasia</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Auteur:</b></td>
-<td>Robert Hamerling (1830&#x2013;1889)</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/64801949/" class="seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Vertaler:</b></td>
-<td>Willem Frederik Paulus Enklaar (1848&#x2013;1916)</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/284044973/" class="seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Illustrator:</b></td>
-<td>A. Poussin [Pseudonym van Albert Hahn Jr. (1894&#x2013;1953)]</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/202749112/" class="seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Taal:</b></td>
-<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td>
-<td>[1917]</td>
-<td></td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Codering</h3>
-<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
-einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
-zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
-dit boek.</p>
-<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
-<ul>
-<li>2021-03-29 Begonnen.
-</li>
-</ul>
-<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
-<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links
-voor u niet werken.</p>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-<th>Bewerkingsafstand</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e172">6</a></td>
-<td class="width40 bottom">idividueele</td>
-<td class="width40 bottom">individueele</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e211">9</a></td>
-<td class="width40 bottom">mytische</td>
-<td class="width40 bottom">mythische</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e245">11</a></td>
-<td class="width40 bottom">Alcmaeonide</td>
-<td class="width40 bottom">Alcmaeönide</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e249">11</a></td>
-<td class="width40 bottom">Alcmaeoniden</td>
-<td class="width40 bottom">Alcmaeöniden</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e255">11</a></td>
-<td class="width40 bottom">brug</td>
-<td class="width40 bottom">burg</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e327">17</a></td>
-<td class="width40 bottom">Aeolusharp</td>
-<td class="width40 bottom">Aeölusharp</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e392">22</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2404">171</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5587">45</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7545">205</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8810">307</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8903">314</a>, <a class="pageref" href="#xd30e9234">341</a>, <a class="pageref" href="#xd30e9396">355</a>, <a class="pageref" href="#xd30e9441">355</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e419">24</a></td>
-<td class="width40 bottom">Aegaësche</td>
-<td class="width40 bottom">Aegaeïsche</td>
-<td class="bottom">2 / 1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e430">25</a></td>
-<td class="width40 bottom">Propylaëen</td>
-<td class="width40 bottom">Propylaeën</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e457">27</a></td>
-<td class="width40 bottom">Percicles</td>
-<td class="width40 bottom">Pericles</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e464">27</a></td>
-<td class="width40 bottom">Conversationslexion</td>
-<td class="width40 bottom">Conversationslexicon</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e532">32</a></td>
-<td class="width40 bottom">Hesidus</td>
-<td class="width40 bottom">Hesiodus</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e535">32</a></td>
-<td class="width40 bottom">Boëotië</td>
-<td class="width40 bottom">Boeötië</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e612">40</a></td>
-<td class="width40 bottom">an-anders</td>
-<td class="width40 bottom">anders</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e657">44</a></td>
-<td class="width40 bottom">geweldadig</td>
-<td class="width40 bottom">gewelddadig</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><i title="22 gevallen">Passim.
-</i></td>
-<td class="width40 bottom">Erechtheus</td>
-<td class="width40 bottom">Erechtheüs</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e669">44</a></td>
-<td class="width40 bottom">Panathenaëen</td>
-<td class="width40 bottom">Panathenaeën</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e734">48</a></td>
-<td class="width40 bottom">beöogd</td>
-<td class="width40 bottom">beoogd</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e781">50</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2215">158</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3606">257</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6422">118</a>, <a class="pageref" href="#xd30e9217">340</a>, <a class="pageref" href="#xd30e9227">341</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">&#x201d;</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e797">51</a></td>
-<td class="width40 bottom">staaswege</td>
-<td class="width40 bottom">staatswege</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e818">53</a></td>
-<td class="width40 bottom">hoorden</td>
-<td class="width40 bottom">hoorde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e843">55</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5601">46</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7096">169</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7158">172</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8945">318</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e849">55</a></td>
-<td class="width40 bottom">scheide</td>
-<td class="width40 bottom">scheidde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e881">57</a></td>
-<td class="width40 bottom">Alcmaconide</td>
-<td class="width40 bottom">Alcmaeönide</td>
-<td class="bottom">2 / 1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e892">57</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2701">192</a></td>
-<td class="width40 bottom">Aegaeische</td>
-<td class="width40 bottom">Aegaeïsche</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e930">60</a></td>
-<td class="width40 bottom">Aegaïsche</td>
-<td class="width40 bottom">Aegaeïsche</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e940">60</a></td>
-<td class="width40 bottom">geweldadige</td>
-<td class="width40 bottom">gewelddadige</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e975">63</a></td>
-<td class="width40 bottom">voortspuiten</td>
-<td class="width40 bottom">voortspruiten</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><i title="23 gevallen">Passim.
-</i></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">&#x201e;</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1118">73</a></td>
-<td class="width40 bottom">Hiero</td>
-<td class="width40 bottom">Hiëro</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1147">75</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1151">75</a></td>
-<td class="width40 bottom">Coloneus</td>
-<td class="width40 bottom">Coloneüs</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1186">78</a></td>
-<td class="width40 bottom">pottenbakkersmarkt</td>
-<td class="width40 bottom">pottebakkersmarkt</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1303">88</a></td>
-<td class="width40 bottom">zeide</td>
-<td class="width40 bottom">zeiden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1332">90</a></td>
-<td class="width40 bottom">Sicyonier</td>
-<td class="width40 bottom">Sicyoniër</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1337">91</a></td>
-<td class="width40 bottom">parisiet</td>
-<td class="width40 bottom">parasiet</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1466">105</a></td>
-<td class="width40 bottom">ofkomst</td>
-<td class="width40 bottom">afkomst</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1477">106</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1627">117</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5230">10</a></td>
-<td class="width40 bottom">Erechtheum</td>
-<td class="width40 bottom">Erechtheüm</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1488">106</a></td>
-<td class="width40 bottom">&#x2018;</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1490">106</a></td>
-<td class="width40 bottom">&#x2019;</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1494">106</a></td>
-<td class="width40 bottom">Cecrosp</td>
-<td class="width40 bottom">Cecrops</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1518">107</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4324">313</a></td>
-<td class="width40 bottom">Erechtheus-tempel</td>
-<td class="width40 bottom">Erechtheüs-tempel</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1555">109</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7921">235</a></td>
-<td class="width40 bottom">Erechtheus-priesters</td>
-<td class="width40 bottom">Erechtheüs-priesters</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1570">111</a></td>
-<td class="width40 bottom">Plataeae</td>
-<td class="width40 bottom">Plataea</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1573">111</a></td>
-<td class="width40 bottom">Promethus</td>
-<td class="width40 bottom">Prometheus</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><i title="35 gevallen">Passim.
-</i></td>
-<td class="width40 bottom">Erechtheus-priester</td>
-<td class="width40 bottom">Erechtheüs-priester</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1667">120</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2863">203</a></td>
-<td class="width40 bottom">moeielijkste</td>
-<td class="width40 bottom">moeilijkste</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1679">120</a></td>
-<td class="width40 bottom">Pericles</td>
-<td class="width40 bottom">Phidias</td>
-<td class="bottom">5</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1745">124</a></td>
-<td class="width40 bottom">Arcadie&#x2019;s</td>
-<td class="width40 bottom">Arcadië&#x2019;s</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1756">125</a></td>
-<td class="width40 bottom">Colones</td>
-<td class="width40 bottom">Colonos</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1869">133</a></td>
-<td class="width40 bottom">Brillessus</td>
-<td class="width40 bottom">Brilessus</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1884">134</a></td>
-<td class="width40 bottom">adelijk</td>
-<td class="width40 bottom">adellijk</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1891">134</a></td>
-<td class="width40 bottom">Gaëa</td>
-<td class="width40 bottom">Gaea</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1909">134</a></td>
-<td class="width40 bottom">Callassen</td>
-<td class="width40 bottom">Calliassen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1966">139</a></td>
-<td class="width40 bottom">begnine</td>
-<td class="width40 bottom">beginne</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1975">139</a></td>
-<td class="width40 bottom">Apasia</td>
-<td class="width40 bottom">Aspasia</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1980">139</a></td>
-<td class="width40 bottom">verlangd</td>
-<td class="width40 bottom">verlangt</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2066">145</a></td>
-<td class="width40 bottom">Pericles</td>
-<td class="width40 bottom">Hipponicus</td>
-<td class="bottom">8</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2169">153</a></td>
-<td class="width40 bottom">Telesippe</td>
-<td class="width40 bottom">Elpinice</td>
-<td class="bottom">7</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2278">161</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2280">161</a></td>
-<td class="width40 bottom">laurier-boschjes</td>
-<td class="width40 bottom">laurierboschjes</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2313">164</a></td>
-<td class="width40 bottom">..</td>
-<td class="width40 bottom">&#x2026;</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2333">165</a></td>
-<td class="width40 bottom">Lamina</td>
-<td class="width40 bottom">Lamia</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2372">168</a></td>
-<td class="width40 bottom">todat</td>
-<td class="width40 bottom">totdat</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2379">169</a></td>
-<td class="width40 bottom">over</td>
-<td class="width40 bottom">oever</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2384">169</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4918">365</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5171">5</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5182">6</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6132">89</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6360">113</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6767">144</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2427">173</a></td>
-<td class="width40 bottom">aargorden</td>
-<td class="width40 bottom">aangorden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2437">174</a></td>
-<td class="width40 bottom">wordt</td>
-<td class="width40 bottom">word</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2453">175</a></td>
-<td class="width40 bottom">plukte</td>
-<td class="width40 bottom">plukten</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2459">175</a></td>
-<td class="width40 bottom">trachten</td>
-<td class="width40 bottom">trachtten</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2464">176</a></td>
-<td class="width40 bottom">af</td>
-<td class="width40 bottom">of</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2497">178</a></td>
-<td class="width40 bottom">niet niet</td>
-<td class="width40 bottom">niet</td>
-<td class="bottom">5</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2620">185</a></td>
-<td class="width40 bottom">poezië</td>
-<td class="width40 bottom">poëzie</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2674">190</a></td>
-<td class="width40 bottom">onbrak</td>
-<td class="width40 bottom">ontbrak</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2774">195</a></td>
-<td class="width40 bottom">zuilenrei</td>
-<td class="width40 bottom">zuilenrij</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2802">197</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5690">55</a></td>
-<td class="width40 bottom">bij</td>
-<td class="width40 bottom">hij</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2882">204</a></td>
-<td class="width40 bottom">Boeötie</td>
-<td class="width40 bottom">Boeötië</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2885">204</a></td>
-<td class="width40 bottom">Troie</td>
-<td class="width40 bottom">Troje</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2914">206</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2924">207</a></td>
-<td class="width40 bottom">Sophoniscus</td>
-<td class="width40 bottom">Sophroniscus</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2987">211</a></td>
-<td class="width40 bottom">Africa</td>
-<td class="width40 bottom">Afrika</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3034">215</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6403">116</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6693">138</a></td>
-<td class="width40 bottom">&#x201e;</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3154">227</a></td>
-<td class="width40 bottom">Delphise</td>
-<td class="width40 bottom">Delphische</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3164">228</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3234">234</a></td>
-<td class="width40 bottom">Aprodite</td>
-<td class="width40 bottom">Aphrodite</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3209">232</a></td>
-<td class="width40 bottom">Teodota</td>
-<td class="width40 bottom">Theodota</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3267">237</a></td>
-<td class="width40 bottom">irone</td>
-<td class="width40 bottom">ironie</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3333">242</a></td>
-<td class="width40 bottom">carcasme</td>
-<td class="width40 bottom">sarcasme</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3340">242</a></td>
-<td class="width40 bottom">Phytho</td>
-<td class="width40 bottom">Pytho</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3482">249</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6630">136</a></td>
-<td class="width40 bottom">&#x201d;</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3493">249</a></td>
-<td class="width40 bottom">Polos</td>
-<td class="width40 bottom">Polus</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3553">252</a></td>
-<td class="width40 bottom">familien</td>
-<td class="width40 bottom">familiën</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3580">255</a></td>
-<td class="width40 bottom">Overwe-wegen</td>
-<td class="width40 bottom">Overwegen</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3632">259</a></td>
-<td class="width40 bottom">Crotinus</td>
-<td class="width40 bottom">Cratinus</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3654">260</a></td>
-<td class="width40 bottom">Euripidis</td>
-<td class="width40 bottom">Euripides</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3683">262</a></td>
-<td class="width40 bottom">toegevrouwen</td>
-<td class="width40 bottom">toegevouwen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3746">265</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">verhevene, zóó </td>
-<td class="bottom">15</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3824">271</a></td>
-<td class="width40 bottom">Dionysusschouwburg</td>
-<td class="width40 bottom">Dionysus-schouwburg</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3856">275</a></td>
-<td class="width40 bottom">atheisme</td>
-<td class="width40 bottom">atheïsme</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3879">277</a></td>
-<td class="width40 bottom">aanlidbed</td>
-<td class="width40 bottom">aanligbed</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3921">280</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4158">300</a></td>
-<td class="width40 bottom">Dionycus</td>
-<td class="width40 bottom">Dionysus</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3935">281</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6120">88</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7491">200</a></td>
-<td class="width40 bottom">moeielijke</td>
-<td class="width40 bottom">moeilijke</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4022">287</a></td>
-<td class="width40 bottom">be-beslissen</td>
-<td class="width40 bottom">beslissen</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4070">291</a></td>
-<td class="width40 bottom">Skolien</td>
-<td class="width40 bottom">Skoliën</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4153">299</a></td>
-<td class="width40 bottom">Bachus</td>
-<td class="width40 bottom">Bacchus</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4196">302</a></td>
-<td class="width40 bottom">?</td>
-<td class="width40 bottom">!</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4242">306</a></td>
-<td class="width40 bottom">Chysilla</td>
-<td class="width40 bottom">Chrysilla</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4249">306</a></td>
-<td class="width40 bottom">triëarchen</td>
-<td class="width40 bottom">triërarchen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4254">306</a></td>
-<td class="width40 bottom">Cephissusdal</td>
-<td class="width40 bottom">Cephissus-dal</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4257">306</a></td>
-<td class="width40 bottom">Piraëus</td>
-<td class="width40 bottom">Piraeüs</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4316">312</a></td>
-<td class="width40 bottom">weggejaagt</td>
-<td class="width40 bottom">weggejaagd</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4417">323</a></td>
-<td class="width40 bottom">verbrandden</td>
-<td class="width40 bottom">verbranden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4449">327</a></td>
-<td class="width40 bottom">toeëigend</td>
-<td class="width40 bottom">toeëigent</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4473">329</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4884">361</a></td>
-<td class="width40 bottom">hun</td>
-<td class="width40 bottom">hen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4491">330</a></td>
-<td class="width40 bottom">treuspeldichter</td>
-<td class="width40 bottom">treurspeldichter</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4539">334</a></td>
-<td class="width40 bottom">Klein Azië&#x2019;s</td>
-<td class="width40 bottom">Klein-Azië&#x2019;s</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4544">334</a></td>
-<td class="width40 bottom">Corinthiers</td>
-<td class="width40 bottom">Corinthiërs</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4572">335</a></td>
-<td class="width40 bottom">ontwikkeld</td>
-<td class="width40 bottom">ontwikkelt</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4611">337</a></td>
-<td class="width40 bottom">papagaaien</td>
-<td class="width40 bottom">papegaaien</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4621">339</a></td>
-<td class="width40 bottom">rozekransen</td>
-<td class="width40 bottom">rozenkransen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4636">340</a></td>
-<td class="width40 bottom">verassingen</td>
-<td class="width40 bottom">verrassingen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4694">345</a></td>
-<td class="width40 bottom">bezielde</td>
-<td class="width40 bottom">bezielden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4754">350</a></td>
-<td class="width40 bottom">Phoeniciers</td>
-<td class="width40 bottom">Phoeniciërs</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4826">357</a></td>
-<td class="width40 bottom">Antaëus</td>
-<td class="width40 bottom">Antaeüs</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4832">357</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6134">89</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7001">161</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7199">174</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7466">197</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5009">373</a></td>
-<td class="width40 bottom">Goddellijke</td>
-<td class="width40 bottom">Goddelijke</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5026">374</a></td>
-<td class="width40 bottom">Bachanten</td>
-<td class="width40 bottom">Bacchanten</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5030">374</a></td>
-<td class="width40 bottom">Aegaëische</td>
-<td class="width40 bottom">Aegaeïsche</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5035">374</a></td>
-<td class="width40 bottom">verlichten</td>
-<td class="width40 bottom">verlichtten</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5083">380</a></td>
-<td class="width40 bottom">Ik</td>
-<td class="width40 bottom">In</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5088">380</a></td>
-<td class="width40 bottom">Anstig</td>
-<td class="width40 bottom">Angstig</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5144">383</a></td>
-<td class="width40 bottom">Pallas beelden</td>
-<td class="width40 bottom">Pallasbeelden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5159">384</a></td>
-<td class="width40 bottom">staart</td>
-<td class="width40 bottom">staat</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5187">6</a></td>
-<td class="width40 bottom">Nersus</td>
-<td class="width40 bottom">Nessus</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5235">10</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5904">73</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">een </td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5257">12</a></td>
-<td class="width40 bottom">Gaeä</td>
-<td class="width40 bottom">Gaea</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5265">13</a></td>
-<td class="width40 bottom">Panathenaëische</td>
-<td class="width40 bottom">Panathenaeïsche</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5336">21</a></td>
-<td class="width40 bottom">verkante</td>
-<td class="width40 bottom">vierkante</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5359">23</a></td>
-<td class="width40 bottom">Sparstaan</td>
-<td class="width40 bottom">Spartaan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5454">33</a></td>
-<td class="width40 bottom">noot 1 pag. 96.</td>
-<td class="width40 bottom">noot 2 pag. 94.</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5468">34</a></td>
-<td class="width40 bottom">dan</td>
-<td class="width40 bottom">dat</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5484">35</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">der </td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5511">37</a></td>
-<td class="width40 bottom">Lacedaemonier</td>
-<td class="width40 bottom">Lacedaemoniër</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5533">40</a></td>
-<td class="width40 bottom">Lacedaëmon</td>
-<td class="width40 bottom">Lacedaemon</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5569">43</a></td>
-<td class="width40 bottom">Muzenreiën</td>
-<td class="width40 bottom">Muzenreien</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5614">47</a></td>
-<td class="width40 bottom">Pararalus</td>
-<td class="width40 bottom">Paralus</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5649">51</a></td>
-<td class="width40 bottom">rede</td>
-<td class="width40 bottom">reden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5652">51</a></td>
-<td class="width40 bottom">onsluiering</td>
-<td class="width40 bottom">ontsluiering</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5681">54</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5684">54</a></td>
-<td class="width40 bottom">Candaules</td>
-<td class="width40 bottom">Candaulus</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5765">61</a></td>
-<td class="width40 bottom">ververwezenlijken</td>
-<td class="width40 bottom">verwezenlijken</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5774">62</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5777">62</a></td>
-<td class="width40 bottom">labyrint</td>
-<td class="width40 bottom">labyrinth</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5804">64</a></td>
-<td class="width40 bottom">veinzerei</td>
-<td class="width40 bottom">veinzerij</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5814">65</a></td>
-<td class="width40 bottom">het het</td>
-<td class="width40 bottom">het</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5817">65</a></td>
-<td class="width40 bottom">verwaarloosd</td>
-<td class="width40 bottom">verwaarloost</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5833">66</a></td>
-<td class="width40 bottom">ge-gemoet</td>
-<td class="width40 bottom">gemoet</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5876">71</a></td>
-<td class="width40 bottom">gevaarlijklijkste</td>
-<td class="width40 bottom">gevaarlijkste</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5893">72</a></td>
-<td class="width40 bottom">Vele</td>
-<td class="width40 bottom">Velen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5912">73</a></td>
-<td class="width40 bottom">sesamus meel</td>
-<td class="width40 bottom">sesamusmeel</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5938">76</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5963">78</a></td>
-<td class="width40 bottom">Tesmophoriën-tempel</td>
-<td class="width40 bottom">Thesmophoriën-tempel</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5956">78</a></td>
-<td class="width40 bottom">leesmeesteres</td>
-<td class="width40 bottom">leermeesteres</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5973">78</a></td>
-<td class="width40 bottom">Chritylla</td>
-<td class="width40 bottom">Critylla</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5982">79</a></td>
-<td class="width40 bottom">Crytilla</td>
-<td class="width40 bottom">Critylla</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5989">79</a></td>
-<td class="width40 bottom">chachet</td>
-<td class="width40 bottom">cachet</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6061">85</a></td>
-<td class="width40 bottom">Bedaard</td>
-<td class="width40 bottom">Bedaart</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6080">86</a></td>
-<td class="width40 bottom">Iönische</td>
-<td class="width40 bottom">Ionische</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6087">87</a></td>
-<td class="width40 bottom">moeielijk</td>
-<td class="width40 bottom">moeilijk</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6092">87</a></td>
-<td class="width40 bottom">uitgegelatene</td>
-<td class="width40 bottom">uitgelatene</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6112">88</a></td>
-<td class="width40 bottom">voorbereidsmaatregelen</td>
-<td class="width40 bottom">voorbereidingsmaatregelen</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6155">92</a></td>
-<td class="width40 bottom">dat</td>
-<td class="width40 bottom">Dat</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6158">92</a></td>
-<td class="width40 bottom">Peseus</td>
-<td class="width40 bottom">Perseus</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6161">92</a></td>
-<td class="width40 bottom">Sroomen</td>
-<td class="width40 bottom">Stroomen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6182">94</a></td>
-<td class="width40 bottom">Aeschyles</td>
-<td class="width40 bottom">Aeschylus</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6205">96</a></td>
-<td class="width40 bottom">verschrikten</td>
-<td class="width40 bottom">verschikte</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6230">99</a></td>
-<td class="width40 bottom">ontzichtbare</td>
-<td class="width40 bottom">onzichtbare</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6277">105</a></td>
-<td class="width40 bottom">Achillis</td>
-<td class="width40 bottom">Achilles</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6281">105</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6330">110</a></td>
-<td class="width40 bottom">en</td>
-<td class="width40 bottom">in</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6339">111</a></td>
-<td class="width40 bottom">heete</td>
-<td class="width40 bottom">heette</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6353">112</a></td>
-<td class="width40 bottom">geitenbok</td>
-<td class="width40 bottom">geitebok</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6379">114</a></td>
-<td class="width40 bottom">tan-tanden</td>
-<td class="width40 bottom">tanden</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6409">117</a></td>
-<td class="width40 bottom">verojeg</td>
-<td class="width40 bottom">verjoeg</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6434">119</a></td>
-<td class="width40 bottom">Atalanta</td>
-<td class="width40 bottom">Atalante</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6437">119</a></td>
-<td class="width40 bottom">Augonautentocht</td>
-<td class="width40 bottom">Argonautentocht</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6481">123</a></td>
-<td class="width40 bottom">hardersgeschiedenissen</td>
-<td class="width40 bottom">herdersgeschiedenissen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6555">129</a></td>
-<td class="width40 bottom">harstochtelijke</td>
-<td class="width40 bottom">hartstochtelijke</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6564">130</a></td>
-<td class="width40 bottom">Boeëtië</td>
-<td class="width40 bottom">Boeötië</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6597">133</a></td>
-<td class="width40 bottom">Boestië</td>
-<td class="width40 bottom">Boeötië</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6642">136</a></td>
-<td class="width40 bottom">Maeänder</td>
-<td class="width40 bottom">Maeander</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6651">136</a></td>
-<td class="width40 bottom">Lechaeùm</td>
-<td class="width40 bottom">Lechaeum</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6659">136</a></td>
-<td class="width40 bottom">gegeheele</td>
-<td class="width40 bottom">geheele</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6668">136</a></td>
-<td class="width40 bottom">Kenchreër</td>
-<td class="width40 bottom">Kenchraeër</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6732">141</a></td>
-<td class="width40 bottom">duurde</td>
-<td class="width40 bottom">duurden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6758">143</a></td>
-<td class="width40 bottom">athleten maag</td>
-<td class="width40 bottom">athletenmaag</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6780">145</a></td>
-<td class="width40 bottom">Anacter</td>
-<td class="width40 bottom">Anactor</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6783">145</a></td>
-<td class="width40 bottom">Tessalische</td>
-<td class="width40 bottom">Thessalische</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6792">145</a></td>
-<td class="width40 bottom">Boeöter</td>
-<td class="width40 bottom">Boeötiër</td>
-<td class="bottom">2 / 1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6802">146</a></td>
-<td class="width40 bottom">den den</td>
-<td class="width40 bottom">den</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6844">150</a></td>
-<td class="width40 bottom">vroegegeren</td>
-<td class="width40 bottom">vroegeren</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6851">150</a></td>
-<td class="width40 bottom">opopzicht</td>
-<td class="width40 bottom">opzicht</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6927">155</a></td>
-<td class="width40 bottom">relief</td>
-<td class="width40 bottom">reliëf</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6958">157</a></td>
-<td class="width40 bottom">Hierd</td>
-<td class="width40 bottom">Hier</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6978">160</a></td>
-<td class="width40 bottom">mysteriën stad</td>
-<td class="width40 bottom">mysteriënstad</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6985">160</a></td>
-<td class="width40 bottom">labyrintische</td>
-<td class="width40 bottom">labyrinthische</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7039">164</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7709">220</a></td>
-<td class="width40 bottom">moeielijkheden</td>
-<td class="width40 bottom">moeilijkheden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7059">166</a></td>
-<td class="width40 bottom">feestreiën</td>
-<td class="width40 bottom">feestreien</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7070">167</a></td>
-<td class="width40 bottom">hetmet</td>
-<td class="width40 bottom">het met</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7107">169</a></td>
-<td class="width40 bottom">slaaplelei</td>
-<td class="width40 bottom">slaaplelie</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7190">174</a></td>
-<td class="width40 bottom">geheimnissen</td>
-<td class="width40 bottom">geheimenissen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7193">174</a></td>
-<td class="width40 bottom">nader</td>
-<td class="width40 bottom">ander</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7196">174</a></td>
-<td class="width40 bottom">be-bevinden</td>
-<td class="width40 bottom">bevinden</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7240">178</a></td>
-<td class="width40 bottom">instaat</td>
-<td class="width40 bottom">in staat</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7274">180</a></td>
-<td class="width40 bottom">Paphin</td>
-<td class="width40 bottom">Paphia</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7287">181</a></td>
-<td class="width40 bottom">halm</td>
-<td class="width40 bottom">kalm</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7314">182</a></td>
-<td class="width40 bottom">Erechtheuspriester</td>
-<td class="width40 bottom">Erechtheüs-priester</td>
-<td class="bottom">2 / 1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7353">185</a></td>
-<td class="width40 bottom">wettein</td>
-<td class="width40 bottom">wetten</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7370">187</a></td>
-<td class="width40 bottom">lachtte</td>
-<td class="width40 bottom">lachte</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7400">191</a></td>
-<td class="width40 bottom">danstte</td>
-<td class="width40 bottom">danste</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7411">192</a></td>
-<td class="width40 bottom">voorsnelden</td>
-<td class="width40 bottom">voortsnelden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7429">194</a></td>
-<td class="width40 bottom">bekoorlijkder</td>
-<td class="width40 bottom">bekoorlijkste der</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7441">195</a></td>
-<td class="width40 bottom">Philammom</td>
-<td class="width40 bottom">Philammon</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7449">196</a></td>
-<td class="width40 bottom">zeggeen</td>
-<td class="width40 bottom">zeggen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7476">198</a></td>
-<td class="width40 bottom">warraan</td>
-<td class="width40 bottom">waaraan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7502">201</a></td>
-<td class="width40 bottom">Sapho</td>
-<td class="width40 bottom">Sappho</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7511">202</a></td>
-<td class="width40 bottom">verrastte</td>
-<td class="width40 bottom">verraste</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7529">204</a></td>
-<td class="width40 bottom">adjectif</td>
-<td class="width40 bottom">adjectief</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7539">205</a></td>
-<td class="width40 bottom">Aleen</td>
-<td class="width40 bottom">Alleen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7552">206</a></td>
-<td class="width40 bottom">havikken</td>
-<td class="width40 bottom">haviken</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7560">206</a></td>
-<td class="width40 bottom">rythmus</td>
-<td class="width40 bottom">rhythmus</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7567">207</a></td>
-<td class="width40 bottom">Polypphemus</td>
-<td class="width40 bottom">Polyphemus</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7661">216</a></td>
-<td class="width40 bottom">,,</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7704">220</a></td>
-<td class="width40 bottom">een</td>
-<td class="width40 bottom">en</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7725">221</a></td>
-<td class="width40 bottom">vrienden</td>
-<td class="width40 bottom">vriendin</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7777">225</a></td>
-<td class="width40 bottom">Hericles</td>
-<td class="width40 bottom">Heracles</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7828">228</a></td>
-<td class="width40 bottom">bootschap</td>
-<td class="width40 bottom">boodschap</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7901">234</a></td>
-<td class="width40 bottom">Troiaansche</td>
-<td class="width40 bottom">Trojaansche</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8032">243</a></td>
-<td class="width40 bottom">schreeude</td>
-<td class="width40 bottom">schreeuwde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8066">246</a></td>
-<td class="width40 bottom">rond zwierf</td>
-<td class="width40 bottom">rondzwierf</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8149">253</a></td>
-<td class="width40 bottom">Diophithes</td>
-<td class="width40 bottom">Diopithes</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8169">254</a></td>
-<td class="width40 bottom">plaatst</td>
-<td class="width40 bottom">plaats</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8181">255</a></td>
-<td class="width40 bottom">goddelijk</td>
-<td class="width40 bottom">goddelijke</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8187">255</a></td>
-<td class="width40 bottom">dedenkt</td>
-<td class="width40 bottom">denkt</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8202">256</a></td>
-<td class="width40 bottom">Sophronicus</td>
-<td class="width40 bottom">Sophroniscus</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8228">258</a></td>
-<td class="width40 bottom">verwantte</td>
-<td class="width40 bottom">verwante</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8349">269</a></td>
-<td class="width40 bottom">snavels</td>
-<td class="width40 bottom">klauwen</td>
-<td class="bottom">6</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8404">274</a></td>
-<td class="width40 bottom">nocht</td>
-<td class="width40 bottom">noch</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8409">274</a></td>
-<td class="width40 bottom">Nu</td>
-<td class="width40 bottom">Na</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8440">279</a></td>
-<td class="width40 bottom">Ishtmus</td>
-<td class="width40 bottom">Isthmus</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8488">283</a></td>
-<td class="width40 bottom">Hymetlus</td>
-<td class="width40 bottom">Hymettus</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8542">287</a></td>
-<td class="width40 bottom">Dionysusfeest</td>
-<td class="width40 bottom">Dionysus-feest</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8554">288</a></td>
-<td class="width40 bottom">Thesus</td>
-<td class="width40 bottom">Theseus</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8569">289</a></td>
-<td class="width40 bottom">geworedn</td>
-<td class="width40 bottom">geworden</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8598">292</a></td>
-<td class="width40 bottom">Archus</td>
-<td class="width40 bottom">Argus</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8631">294</a></td>
-<td class="width40 bottom">omfladderen</td>
-<td class="width40 bottom">omfladderden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8653">296</a>, <a class="pageref" href="#xd30e9259">343</a></td>
-<td class="width40 bottom">den</td>
-<td class="width40 bottom">dan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8662">296</a></td>
-<td class="width40 bottom">ver-verwondden</td>
-<td class="width40 bottom">verwondden</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8673">297</a></td>
-<td class="width40 bottom">Metagyrt</td>
-<td class="width40 bottom">Metragyrt</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8694">298</a></td>
-<td class="width40 bottom">grijzenden</td>
-<td class="width40 bottom">grijnzenden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8710">299</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">?</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8763">303</a></td>
-<td class="width40 bottom">geeindigd</td>
-<td class="width40 bottom">geëindigd</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8816">307</a></td>
-<td class="width40 bottom">terugvindt</td>
-<td class="width40 bottom">terugvind</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9068">327</a></td>
-<td class="width40 bottom">afschuwlijkste</td>
-<td class="width40 bottom">afschuwelijkste</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9106">332</a></td>
-<td class="width40 bottom">zondes</td>
-<td class="width40 bottom">zonder</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9111">332</a></td>
-<td class="width40 bottom">of</td>
-<td class="width40 bottom">òf</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9152">335</a></td>
-<td class="width40 bottom">Eurechtheus-priester</td>
-<td class="width40 bottom">Erechtheüs-priester</td>
-<td class="bottom">2 / 1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9188">338</a></td>
-<td class="width40 bottom">Alcmaeönieden</td>
-<td class="width40 bottom">Alcmaeöniden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9262">343</a></td>
-<td class="width40 bottom">ontvlokt</td>
-<td class="width40 bottom">ontvolkt</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Afkortingen</h3>
-<p>Overzicht van gebruikte afkortingen.</p>
-<table class="abbreviationtable" summary="Overzicht van gebruikte afkortingen.">
-<tr>
-<th>Afkorting</th>
-<th>Uitgeschreven</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">b.v.</td>
-<td class="bottom">bijvoorbeeld</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">d.i.</td>
-<td class="bottom">dat is</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">o.a.</td>
-<td class="bottom">onder andere</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">v.d.</td>
-<td class="bottom">
-[<i>Uitgeschreven vorm niet beschikbaar</i>]
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">V.d.</td>
-<td class="bottom">
-[<i>Uitgeschreven vorm niet beschikbaar</i>]
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">v.v.</td>
-<td class="bottom">en volgend</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ASPASIA ***</div>
-<div style='text-align:left'>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Updated editions will replace the previous one&#8212;the old editions will
-be renamed.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg&#8482; electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG&#8482;
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-</div>
-
-<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br>
-<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br>
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-To protect the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221;), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg&#8482; License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg&#8482;
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg&#8482; electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
-or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.B. &#8220;Project Gutenberg&#8221; is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg&#8482; electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg&#8482; electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg&#8482;
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (&#8220;the
-Foundation&#8221; or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg&#8482; electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg&#8482;
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg&#8482; name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg&#8482; License when
-you share it without charge with others.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg&#8482; work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg&#8482; License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg&#8482; work (any work
-on which the phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; appears, or with which the
-phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-</div>
-
-<blockquote>
- <div style='display:block; margin:1em 0'>
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
- other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
- whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
- of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
- at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
- are not located in the United States, you will have to check the laws
- of the country where you are located before using this eBook.
- </div>
-</blockquote>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221; associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg&#8482;
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg&#8482; License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg&#8482;
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg&#8482;.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg&#8482; License.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg&#8482; work in a format
-other than &#8220;Plain Vanilla ASCII&#8221; or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg&#8482; website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original &#8220;Plain
-Vanilla ASCII&#8221; or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg&#8482; License as specified in paragraph 1.E.1.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg&#8482; works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-provided that:
-</div>
-
-<div style='margin-left:0.7em;'>
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg&#8482; works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg&#8482; trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, &#8220;Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation.&#8221;
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg&#8482;
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg&#8482;
- works.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg&#8482; works.
- </div>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg&#8482; trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg&#8482; collection. Despite these efforts, Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain &#8220;Defects,&#8221; such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the &#8220;Right
-of Replacement or Refund&#8221; described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg&#8482; trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you &#8216;AS-IS&#8217;, WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg&#8482; work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg&#8482; work, and (c) any
-Defect you cause.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg&#8482;
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg&#8482;&#8217;s
-goals and ensuring that the Project Gutenberg&#8482; collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg&#8482; and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation&#8217;s EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state&#8217;s laws.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation&#8217;s business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation&#8217;s website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; depends upon and cannot survive without widespread
-public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
-visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 5. General Information About Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg&#8482; concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg&#8482; eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This website includes information about Project Gutenberg&#8482;,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-</div>
-
-</div>
-
-</body>
-</html>
diff --git a/old/64986-h/images/back.jpg b/old/64986-h/images/back.jpg
deleted file mode 100644
index 4c0cb99..0000000
--- a/old/64986-h/images/back.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/64986-h/images/book.png b/old/64986-h/images/book.png
deleted file mode 100644
index 1825ce0..0000000
--- a/old/64986-h/images/book.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/64986-h/images/card.png b/old/64986-h/images/card.png
deleted file mode 100644
index 784a984..0000000
--- a/old/64986-h/images/card.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/64986-h/images/external.png b/old/64986-h/images/external.png
deleted file mode 100644
index 8300122..0000000
--- a/old/64986-h/images/external.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/64986-h/images/front.jpg b/old/64986-h/images/front.jpg
deleted file mode 100644
index 76ccda8..0000000
--- a/old/64986-h/images/front.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/64986-h/images/plate1.png b/old/64986-h/images/plate1.png
deleted file mode 100644
index 2dd2146..0000000
--- a/old/64986-h/images/plate1.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/64986-h/images/plate2.png b/old/64986-h/images/plate2.png
deleted file mode 100644
index 3cf8f83..0000000
--- a/old/64986-h/images/plate2.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/64986-h/images/plate3.png b/old/64986-h/images/plate3.png
deleted file mode 100644
index 2b91738..0000000
--- a/old/64986-h/images/plate3.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/64986-h/images/plate4.png b/old/64986-h/images/plate4.png
deleted file mode 100644
index 805c822..0000000
--- a/old/64986-h/images/plate4.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/64986-h/images/plate5.png b/old/64986-h/images/plate5.png
deleted file mode 100644
index 33e3776..0000000
--- a/old/64986-h/images/plate5.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/64986-h/images/plate6.png b/old/64986-h/images/plate6.png
deleted file mode 100644
index e6cd315..0000000
--- a/old/64986-h/images/plate6.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/64986-h/images/spines.jpg b/old/64986-h/images/spines.jpg
deleted file mode 100644
index 643f9da..0000000
--- a/old/64986-h/images/spines.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/64986-h/images/titlepage.png b/old/64986-h/images/titlepage.png
deleted file mode 100644
index a36b675..0000000
--- a/old/64986-h/images/titlepage.png
+++ /dev/null
Binary files differ