summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/64986-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/64986-0.txt')
-rw-r--r--old/64986-0.txt26979
1 files changed, 0 insertions, 26979 deletions
diff --git a/old/64986-0.txt b/old/64986-0.txt
deleted file mode 100644
index df59ed5..0000000
--- a/old/64986-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,26979 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Aspasia, by Robert Hamerling
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Aspasia
-
-Author: Robert Hamerling
-
-Translator: W.F.P. Enklaar
-
-Illustrator: A. Poussin
-
-Release Date: April 03, 2021 [eBook #64986]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ASPASIA ***
-
-
-
-
- ASPASIA
-
- DOOR
- ROBERT HAMERLING
-
- VOLLEDIGE VERTALING DOOR
- W. F. P. ENKLAAR
-
- VIERDE GEAUTORISEERDE UITGAVE
-
- MET ILLUSTRATIE’S VAN
- A. POUSSIN
-
-
-
-
- Uitgave van
- Gebroeders E. & M. COHEN, AMSTERDAM
- Heerengracht 326
-
-
-
-
-
-
-
-VOORREDE.
-
-
-Wanneer deze roman, naar eene vele malen aangehaalde les van onzen
-tijd, een volk—het oud-helleensche—„bij zijn arbeid opzoekt” en de
-cosmopolitische arbeid van het Helleensche volk zich uitstrekt tot den
-werkkring van kunstenaars, dichters en denkers, zal het dan niet
-schijnen, dat aan deze soort van arbeid en aan de schildering daarvan
-iets diepzinnigs en wijsgeerigs aankleeft?
-
-Zal de frissche bekoorlijkheid van den indruk niet achterstaan bij die
-beelden, welke aan de bron van een naïef, oorspronkelijk, werkelijk
-ontluikend leven zijn ontleend, waaruit de poëzie nog heeft geput? En
-moet zulk eene poging, evenals op de bekoorlijkheid van dat naïeve en
-natuurlijke, ook niet schipbreuk lijden op de bekoorlijkheid van het
-geestige in onzen hedendaagschen zin, van het realistische pikante op
-de verscheidenheid der tegenwoordige poëzie? Mocht Helleensch leven
-anders dan met Helleenschen eenvoud voorgesteld worden? Mocht de
-schrijver naar iets anders trachten dan naar een adem van den
-Helleenschen geest, van Helleensche bevalligheid en liefelijkheid?
-Rijzen er bovendien geene bedenkelijke bezwaren, om een leven, dat
-reeds is ondergegaan te schilderen? Détail-schildering van het
-hedendaagsche leven wordt als een aantrekkelijk realisme geprezen; die
-der Oudheid echter zal op velen den indruk van huiveringwekkende
-geleerdheid maken. Inderdaad, wie dit werk slechts vluchtig
-doorbladert, en opmerkt dat de afzonderlijke hoofdstukken verschillende
-zijden van het Helleensche leven openen, hij zal spoedig met zijn
-oordeel gereed zijn, hij zal gelooven alleen een schetsboek vóór zich
-te hebben, in het gunstigste geval een „historischen” roman, wat, naar
-de beschouwing des meesten, zooveel zegt als geen roman.
-
-En toch—wanneer deze roman als kunstwerk van de levensbeschrijving, de
-geschiedenis, het bloote verhaal zich door innerlijke en uiterlijke
-samenstelling onderscheidt, wanneer hij niet alleen de uitdrukking van
-een in zich besloten leven en lot is, maar ook van een kamp in
-natuurlijke ontwikkeling en oplossing, dan is het volgende verhaal een
-roman te noemen. Want niet alleen blinkt daarin in bepaalde gestalte de
-schoone, geestelijk opgevatte zinnelijkheid door, en hare opkomst,
-bloei en verval; de strijd tusschen het aesthetisch en zedelijk
-levens-ideaal wordt ontwikkeld en beslist in het lot van één enkel
-persoon en van één volk. Steeds heeft deze vergelijking van het lot van
-enkele personen en volken, van het individueele en het algemeene leven
-mij voor den geest gestaan, als het echte geheim der Epische dichting,
-als haar hoogste beginsel, als haar eigenlijk gebied. Evenwel niet
-alzoo, dat het détail van het verhaalde individueele leven en van het
-algemeene juist naast elkander loopen: alsof het eene slechts eene
-episode ware van het andere, maar dat beide aan één en hetzelfde détail
-zijn vastgeknoopt en zooveel mogelijk, als een organisch geheel,
-levendig in elkander geweven en gevlochten zijn.
-
-Met mate slechts mocht, om den reinen, bevalligen indruk van het beeld
-niet te bederven, de strijd worden aangegeven: slechts zacht mocht hij
-voortgaan en zoo schijnt de handeling wellicht door een dunnen draad
-verbonden te zijn. Maar de schilderingen en gesprekken, die als eene
-uitweiding voorkomen, dat alles zonder uitzondering komt ten laatste
-tot zijn recht, vol licht, het vertoont zich in zijne noodzakelijkheid,
-in betrekking tot het geheel, tot de gedachte.
-
-Maar niet tot eene gedachte in den afgetrokken zin des woords. Laat de
-meening zich niet van u meester maken, welwillende lezer, dat het
-verloop van deze geschiedenis om eene bepaalde strekking veranderd of
-verdraaid is geworden. Ik geef het reilen en zeilen, het worstelen en
-streven der menschen weder en de woorden waarmede zij het verdedigen.
-Ik heb geene strekking op het oog dan die van het leven, geene zedeleer
-dan die der noodzakelijkheid, geene logica dan die der feiten, welke
-uit schering en inslag bestaat, zoo gelijkmatig en bestendig, als het
-heen en weder bewogen worden van de pijnboomtoppen door den wind. De
-wijzen beweren wel te recht, dat de idee nooit volkomen opgaat in de
-werkelijkheid. De dichter, die eene bepaalde bedoeling beoogt, volgt
-haar tot op eene zekere hoogte van hare ontwikkeling, houdt ze daar op
-een punt, hetwelk zij toch eigenlijk slechts vluchtig raakt, met geweld
-vast, laat haar in alle bonte kleuren schitteren tot vreugde der
-stervelingen, en maakt de zeepbel tot eene vaste ster. De reine,
-onbevooroordeelde poëzie echter begeleidt de idee op den weg harer
-ontwikkeling het liefst tot dat punt, waar zij, om weder tot hare
-reinheid terug te keeren, aan den Phoenix gelijk, zich zelven aan de
-vlammen overgeeft.
-
- R. H.
-
- Gräz, November 1875.
-
-
-
-
-
-
-
-ASPASIA
-
-I.
-
-DE SCHAT VAN DELOS [1].
-
-
-Op een zonnigen dag in het zwoele jaargetijde richtte een slanke,
-jeugdige vrouwengestalte, vergezeld door eene slavin, in de stad der
-Atheners haren snellen tred over de Agora [2]. De verschijning dezer
-vrouw had de wonderlijke uitwerking, dat elk wie haar ook op den weg
-ontmoette en had aangekeken, achter haar stil stond en als vastgenageld
-haar een geruimen tijd naöogde. De oorzaak daarvan lag niet zoozeer in
-de omstandigheid, dat het schier eene zeldzaamheid was, wanneer men
-eene vrije Atheensche vrouw uit den hoogeren stand openlijk op de
-straten zag wandelen, als wel vooral hierin, dat deze vrouwengestalte
-van eene buitengewone en overweldigende schoonheid was.
-
-Op de gezichten van hen, die bij de ontmoeting haar aanstaarden, of
-achter haar, als aan den grond genageld haar naöogden, spiegelde de
-verbazing zich op alle mogelijke wijzen van uitdrukking af.
-
-Eenigen lachten met welgevallen, de oogen van grijsaards, wier baard
-reeds grauwde, fonkelden, anderen sloegen op de vrouw blikken, als die
-van een Faun [3], wederom anderen drukten een soort van eerbied uit,
-alsof zij eene Godin zagen. Eenigen vestigden op haar een ernstigen,
-bevredigden kennersblik, anderen keken als dwazen, met den mond van
-verwondering half geopend. Evenwel waren er ook niet weinigen, die een
-spottenden grijnslach vertoonden en een kwaadaardigen, sarkastischen
-blik op haar vestigden, alsof schoonheid zonde ware.—Mannen, die twee
-aan twee of in groepen stonden, braken hun gesprek af. Gezichten,
-waarop de verveling te lezen stond, schenen op eens als bezield; het
-voorhoofd, met rimpels doorploegd, werd effen. Er kwam beweging in de
-gemoederen.
-
-De verschijning der vrouw was als een zonnestraal, die in een priëel
-van rozen valt en waarin de muggen in bacchantische dwarling hare
-dansen uitvoeren.
-
-Onder degenen, wier aandacht de indrukwekkende vrouwengestalte tot zich
-trok, waren ook twee mannen, die zwijgend naast elkander voortgingen.
-Rustig, ernstig, vol waardigheid en edel waren beiden van uiterlijk; de
-een, om wiens hoofd donkere lokken golfden, was jonger, statig, doch
-niet zonder een spoor van weekelijkheid in zijn trekken; nog hooger,
-bijna eerbied afdwingend, stak naast hem de gestalte uit van den
-ouderen man, en het groote voorhoofd welfde zich over zijn diepzinnige
-oogen. Het was, als zag men den vurigen Achilles voortschrijden, naast
-Agamemnon, den gebieder der volken.
-
-De jongste sloeg een blik van verrassing op de betooverende vrouw; de
-oudste daarentegen bleef rustig: het was, alsof hij de schoone niet
-voor de eerste maal had gezien en hij scheen zóó onverschillig, zóó
-diep in andere gedachten verzonken, dat zijn metgezel eene vraag
-onderdrukte, die hem reeds op de lippen zweefde.
-
-Een slaaf liep achter de beide mannen. Zij volgden den langen,
-stoffigen weg, die naar den Piraeus [4] voerde.
-
-Vorschend liet in het voortgaan de jongste soms zijn blikken weiden
-over den hel schitterenden spiegel van den Saronischen zeeboezem. Zijn
-oog was scherp, als het oog van een adelaar. Hij ontwaarde een schip,
-dat nog niet zichtbaar was voor den blik van een ander mensch. Hij zag
-het opdoemen aan het uiteinde van den horizont der zee. De nadering van
-het vaartuig was onmerkbaar bij den grooten afstand. De man, met den
-adelaarsblik, had het voorkomen van iemand, die zich weet te
-beheerschen; maar wanneer hij zoo heentuurde naar het vaartuig in de
-verte, scheen het toch soms voor een oogenblik, alsof hij met den adem
-van zijn eigene borst het talmende zeil wilde doen zwellen en het schip
-in snelle vaart doen naderen.
-
-Wanneer men den blik rechts van den weg wendde, welken de beide mannen
-betraden, dan stiet men op eenigen afstand op een in de zon blinkenden
-muur, die schier onafzienbaar van de stad afliep tot aan het klippige
-strand der zee. Richtte men zijn oog naar den linkerkant, dan zag men
-een muur van dezelfde soort, als die, welke zoo even voor den blik van
-den beschouwer zich scheen op te doen. De bouwlieden stapelden
-rechthoekig gehouwen stukken op elkander en waar de massa gereed was,
-daar klonk wijd en zijt het dreunen van de hamers, die de aaneen
-hechtende ijzeren krammen in het arduin dreven.
-
-Ook deze muur strekte zich naar beneden uit tot aan de zee, breidde
-zich daar met een groote kromming uit en, zoowel boven de stad als daar
-beneden met den anderen muur verbonden, omvatte hij de haven met hare
-gebouwen, als met een beschuttenden arm.
-
-Op dit muurwerk rustte het oog van den jongste der beide mannen
-vorschend en met eene soort van bevrediging, wanneer het voor een
-oogenblik zich afwendde van het door het zeil bewogen schip in de
-verte. En lachende sprak hij ten laatste, terwijl hij langs de
-eindelooze lijn van aaneengehecht arduin schouwde, zich tot zijn makker
-wendend:
-
-„Wanneer ieder woord, dat ik met aandrang ter wille van dit werk tot de
-Atheners sprak, tot een steen daarvoor was geworden, waarlijk, dan zou
-het reeds lang gereed voor onze oogen staan. Maar ook nu zien wij het
-eindelijk der voltooiing nabij.”
-
-„En was deze middelste muur inderdaad onmisbaar?” vroeg de oudste,
-terwijl hij op het werk een onverschilligen, vluchtigen blik wierp.
-
-„Dat was hij,” hernam de ander. „Veel te ver wijkt de oudere, linker
-muur af naar Phaleron [5]. Eene groote uitgestrektheid van het strand
-der haven bleef open. Nu eerst is de taak ten volle afgewerkt. Verjongd
-uit de asch van den brand des Perzischen krijgs verrezen, heeft de stad
-Pallas Athene [6], schitterend en machtig, gevoed door de cijnsen der
-Grieksche kunsten en eilanden, dezen arduinen gordel om haar leden
-geslagen, en is van nu af sterk genoeg, om de afgunst van Grieken,
-zoowel als den aanval van alle barbaren in het Oosten te trotseeren.”
-
-De man, die zoo tot zijn makker sprak, was Xanthippus’ zoon, de
-Alcmaeönide [7] Pericles, dien men den Olympiër noemde. Zijn metgezel
-echter was een beroemd beeldhouwer in metaal en marmer, Phidias
-geheeten. Het werk zijner handen was het reusachtige standbeeld der „in
-de voorste rijen strijdende Athene,” dat van den top der Acropolis [8]
-wijd schitterde in het Attische land en in de verte der zee, waar de
-naderende schippers de van goud fonkelende lansspitsen der Godin met
-blijdschap begroetten, als eerste kenteeken van het rechtsgebied van
-het „met violen omkranste Athenen.”
-
-Bijna van denzelfden vorm schenen de zich ver uitstrekkende rijen van
-arduin, maar zij hadden, door het licht van den Griekschen hemel
-beschenen, niets sombers. Eene levendige drukte heerschte daartusschen
-van alle kanten. Luid klonken de uitroepen, waarmede de drijvers de
-muildieren aanspoorden en in lange rijen gingen de rijk bevrachte
-dieren langs den weg van de haven naar de stad en van de stad naar de
-haven.
-
-Hier en daar reikte een olijfboschje tot vlak bij den weg, in welks
-groene toppen van tijd tot tijd een verfrisschend koeltje, van de golf
-overwaaiend, ritselde.
-
-Dan nam de beeldhouwer den breed geranden petasus [9] van het hoofd en
-liet het koeltje spelen om zijn hoog, kaal voorhoofd. De Olympiër
-echter stapte steeds moediger door, hield steeds vaster den blik op de
-galei gericht, die uit den boezem der baai nu toch langzamerhand de
-haven naderde.
-
-Nu zijn zij beiden niet verre van de zee gekomen. De haven is bereikt.
-Ook hier weidt het oog van den man, dien men den Olympiër noemt,
-bevredigd rond. Zijn werk is het grootendeels, wat zich daar aan ’t oog
-voordoet, iets nieuws voor het volk der Grieken van dien tijd: breede,
-statige, recht loopende straten. Hier prijkt de groote, met zuilenrijen
-omgevene marktplaats, die naar den naam van haar bouwmeester Hipodamus,
-van Milete, genoemd werd. Trapsgewijze verheffen zich ter linkerzijde,
-over het woud van zuilen van het Theater heen, aan de helling van den
-versterkten heuvel Munichia, de rijen der huizen en op den top van den
-heuvel prijkt schitterend het marmeren heiligdom van Artemis [10].
-Daaronder echter in de vlakte strekken zich tot aan de zee onafzienbaar
-ver de zuilenrijen uit; hier de prachtige Stoa [11] van Pericles, daar
-de ontzettende magazijnen, waar ontscheepte vrachten ten verkoop of tot
-verdere verzending zich bevonden, ginds de reusachtige bazar van de
-haven, de handelsbeurs, het „Deigma” [12] waar schippers en handelaars
-hunne waren ten toon stelden, waar zij hun accoord troffen.
-
-Tusschen deze zuilen, op deze steenterrassen staat de kloeke Griek, als
-op den bodem zijner kracht, verheugd omdat met het toenemen van het
-algemeen welvaren, ook zijn eigen welzijn toeneemt. Hier ontvangt hij
-uit de handen van den bevrienden zeegod den vollen hoorn aller gaven
-van het buitenland en ziet de laatste golfkringen van den Pontus [13],
-van den Nijl en van de Indische zee aan zijn strand in schuim
-vaneenspatten.
-
-Hier woelt het Grieksche volk van Pericles dooreen; schoone
-donkerbruine gestalten steken af tegen den achtergrond der witte
-marmeren zuilen. De hoofden der meesten zijn ontbloot, de sandalen ter
-nauwernood aan de voeten, het sobere, lichte gewaad, half doek half
-mantel, achteloos om de schouders geworpen,—maar toch in plastische
-schoonheid als bruine beelden van metaal, staan zij tusschen de zuilen.
-Doch levendig zijn hunne gebaarden en in het bonte mengelmoes van
-stemmen doen zij de klanken van het welluidend Grieksche taaleigen
-vernemen, vol energie in spraak en gebaarden en waardig tevens, als
-personen in het treurspel.
-
-Sinds de Athener na gelukkig gevoerde oorlogen de zee beheerschte,
-heeft hij geleerd zich te begeven naar de havenstad den Piraeus en zich
-te verrijken. Hij gaat naar den Piraeus en zoekt reeders voor
-overzeesche vaarten en ondernemingen op. Hij gaat naar de kassiers, de
-wisselaars, deponeert bij hen gelden of neemt ze in ontvangst en
-wanneer hij noch gelden te ontvangen noch te deponeeren heeft, zoo
-neemt hij eenige op. Want handel en vertier bloeien en de Athener kent
-de gelegenheden. Hij weet, wanneer het tijd is graan uit den Pontus te
-halen, of hout uit Thracië, of de papyrusplant uit Egypte, of tapijten
-uit Milete, of fijn schoeisel uit Sicyon, of druiven uit Rhodus. Hij
-weet ook waar zijn olijfolie, zijn honig, zijne vijgen, zijn metalen
-werken, zijn aardewerk gezocht en het duurst betaald worden. En de
-makelaar, de wisselaar geeft het geld zonder lang bedenken.
-
-De rentestandaard is hoog en voor rijke percenten kan men iets wagen.
-Zoo menige vrij gelatene, menige Pasio [14], menige Simo, menige
-Phormio zit thans tevreden achter zijn wisseltafel in den Piraeus, en
-gedraagt zich als een overheidspersoon, want men sluit bij hem
-contracten. Hij geeft twee talenten [15], zonder van gelaat te
-veranderen, en ontvangt even onverschillig twee talenten, wanneer men
-die bij hem neêrlegt. Hij schrijft de som en den naam van hem, die ze
-gedeponeerd heeft, in zijn boek en de zaak is afgedaan. Men vertrouwt
-op de eerlijkheid van Pasio en Pasio is eerlijk, zoolang ten minste als
-niet het voordeel eener oneerlijkheid opweegt tegen den in gevaar
-gebrachten naam zijner eerlijkheid.
-
-Thans zien de beide mannen de zee, zacht gerimpeld en smaragdgroen
-klotsend tegen de steenen terrassen. Open ligt voor hunne oogen de
-diepe ronde bocht van de zeehaven den Piraeus. Als wachters der
-zeepoorten bewaken twee geweldige torens ter rechter en ter linkerzijde
-den ingang. In tijden van gevaar kan eene ijzeren, reusachtige ketting
-ter versperring van den eenen toren naar den anderen gespannen worden.
-In tallooze menigte liggen in de bocht de ronde, dikbuikige
-handelsschepen voor anker; het strand ter linkerzijde echter is geheel
-bedekt met de hooge triëren [16] der Atheensche vloot, naar de gewoonte
-der Grieken, op het vaste land getrokken, ieder in hare bijzondere
-omheining, als monsters in hunne holen rustend, geweldige zeedraken,
-met phantastische snebben en met vinnen voorziene, in de hoogte zich
-verheffende staarten; en op de andere zijde van het Piraeische
-schiereiland bevinden zich nog veel meer van deze prachtige
-zeegedrochten, (in de krijgshavens Zea en Munichia) en daarachter
-strekken zich de zeearsenalen uit, waar het „want” der onttakelde
-schepen bewaard wordt, en verderop breiden zich de werven uit, waar
-onophoudelijk nieuw scheepsmateriaal gelost en onverpoosd nieuwe kielen
-gebouwd worden.
-
-Nu loopt het vaartuig, hetwelk de Olympiër op den weg naar den Piraeus
-zoo scherp in het oog had gehouden, de haven binnen. Het is het
-Atheensche staatsschip „Amphitrite.”
-
-Hoopen volks stormen naar de landingsplaats; in alle gaanderijen, op
-alle steenterrassen weerklinkt een gemompel van stemmen.
-
-„Daar is de Amphitrite—de Amphitrite met den schat van Delos!—de
-Amphitrite met de bondskas!—zoo heeft hij het doorgedreven, de slimme
-Pericles!—Wat zullen de bondgenooten daarvan zeggen?—Wat zij willen!
-Wij staan aan hun hoofd, wij beschermen hen, wij zenden onze triëren
-naar hunne kusten, wij voeren hunne oorlogen, daarvoor betalen zij de
-bondsgelden—wat wij overhouden, is ons eigendom.”
-
-De tonen van fluiten klinken van het vaartuig, terwijl het nadert. Op
-de Amphitrite werd, evenals op alle staatsschepen der Atheners, de
-riemslag naar den klank der fluiten bestuurd. Ook gezang klinkt van de
-roeibanken en daartusschen het geklater van de door tallooze riemen
-geslagen zee. Als goud schittert van de spits der scheepsnebbe het
-beeld van de zeegodin, naar welke het schip is genaamd. Schoon
-beschilderd blinkt de rand van het hooge boord in den zonneschijn. Het
-gezang en de muziek van fluiten werd overstemd door de heldere,
-vroolijke kreten der Atheners, welke de door het weêr gebruinde
-zeelieden op het schip krachtig beantwoordden.
-
-De klank der fluiten verstomt, de riemen bewegen zich niet meer, het
-schip ligt stil, er begint een gekraak van touwen, een gerammel van
-kettingen, een heen- en wederloopen aan boord; het anker wordt
-uitgeworpen, de zeilen worden gereefd, een trap wordt van den oever
-naar het schip gelegd. Eenige Atheensche overheidspersonen staan voor
-aan het uiterste van het strand. Hen nadert Pericles de Olympiër, en
-spreekt eenige woorden. De klank zijner stem heeft iets eigenaardigs,
-iets wondervols. Die hem nog niet herkend hebben, herkennen hem nu.
-Niet alle Atheners zagen nauwkeurig zijne gelaatstrekken in de
-volksvergadering op de Pnyx [17]. Maar allen hoorden, allen kennen
-zijne stem. Eenigen van de overheidspersonen begeven zich nu over de
-trappen aan boord van het schip.
-
-Na eenigen tijd worden uit de diepte van het ruim een paar met ijzer
-beslagene, goed bewaarde vaten geheschen en aan land gebracht, waar een
-span muildieren voor den zwaren last gereed staat. De Triërarch [18]
-komt aan land en spreekt met Pericles.
-
-Het is een gouden schat, welke de „Amphitrite” onder de oogen van het
-vol deelneming gespannen Atheensche volk op de blauwe zeegolven
-aandroeg. Het is de schat van het Atheensche Bond. Hij komt uit Delos,
-de „Ster der Zee”, naar het machtige Athene, welke, op aansporing van
-Pericles, niet meer als Bondschat zal beheerd worden, maar in ontvangst
-genomen als cijnsen der steden en eilanden.
-
-Om gouden schatten zweeft iets huiveringwekkends, een schemerlicht, een
-adem van onzekerheid die bewuste verwachtingen ontvlamt, een onbewuste
-angst doet binnen sluipen. Het bare goud wordt gemunt, maar ook de munt
-wordt in de hand van den eigenaar weder omgemunt. Zij verandert onder
-iederen vinger, die haar aanraakt. Den eenen wordt zij ten zegen, den
-anderen ten vloek. En zóó ook deze schat van Delos, waarop de oogen van
-de schare der Atheners vol verwachtingen zijn gevestigd—wie weet, of er
-meer zegen dan vloek uit zal voortkomen, of er meer genot dan berouw
-voor gekocht zal worden, of er meer blijvends dan vergankelijks
-daarmede tot stand zal worden gebracht? Wie kent de winden, die uit
-deze Aeölusharp zullen waaien?
-
-„Met dit goud zou men Athene tot den onbedwingbaren burg van Hellas
-[19] kunnen maken!” dachten eenige der magistraten, die Pericles
-omgaven.
-
-„Met dit goud zou men de zeemacht van Athene kunnen versterken, Sicilië
-en Aegypte veroveren, de Perzen beoorlogen, Sparta onderdrukken!” dacht
-de Triërarch.
-
-„Met dit goud kon men ons de gelden voor feesten en schouwspelen
-betalen!” dacht het volk, dat de steenterrassen van de haven vulde.
-
-„Van dit goud kon men de heerlijkste tempels bouwen, de schitterendste
-standbeelden oprichten,” dacht de peinzende beeldhouwer aan de zijde
-van Pericles.
-
-En Pericles, de Olympiër zelf?—In zijn hoofd, en in het zijne alleen,
-waren alle deze gedachten vereenigd....
-
-Het muildierspan, dat bestemd was, om de gouden vracht van de haven
-naar de stad te brengen, zette zich in beweging. De schare der Atheners
-verdrong zich daarachter en nadat het gedrang had opgehouden, namen ook
-Pericles en Phidias den terugweg aan. Daar het grootste deel van het
-volk den schat nastroomde, zoo was daarachter de weg van den Piraeus
-tamelijk ledig en enkele figuren konden gemakkelijk in het oog vallen.
-
-Op de marmeren zerk van een der grafteekenen, welke aan den kant van
-den weg zich bevonden, zaten twee mannen in een levendig gesprek
-verdiept. Het gelaat van den eenen vertoonde de opgeruimde waardigheid
-van den wijze; somber waren de trekken van den anderen en uit zijne
-vurige oogen sprak eene dweepzieke eigenzinnigheid. De eerste groette
-Pericles, die hem voorbij ging, met een vertrouwelijken lach, de
-andere, met het sombere gelaat, wierp hem een scherpen blik uit
-vijandige oogen toe.
-
-Weder waren de beide mannen een eind verder gekomen, toen zij een
-jongen man, in nadenken verzonken, zagen staan. Hij scheen de wereld om
-zich heen vergeten of onder de voeten verloren te hebben, en er over na
-te denken, waar hij een nieuwe konde vinden. Hij had eigenaardige,
-juist geene liefelijke trekken en staarde met onafgewenden blik naar
-den grond.
-
-„Een van mijne steenhouwers!” zeide de ernstige Phidias tot zijn
-metgezel, terwijl hij in het voorbijgaan den peinzende op den schouder
-klopte, als om hem wakker te schudden; „een brave, maar wonderlijke
-knaap. Hij werkt een dag lang ijverig in mijne werkplaats, en den
-volgenden is hij verdwenen. Zoo peinzend daar te staan is zijne
-gewoonte.”
-
-Niet verre van den peinzende zat een lamme, kreupele man aan den weg
-ineengedoken, een bedelaar met een wonderlijk grijnzend gezicht. De
-goedhartige Pericles wierp hem een goudstuk toe. De kreupele bedelaar
-echter verwrong zijn grijnzend gelaat nog meer en scheen iets als een
-scheldwoord tusschen de tanden te mompelen.
-
-Toen de twee mannen ongeveer de helft van den weg afgelegd hadden, en
-uit een olijfboschje, hetwelk den weg een eind als omzoomde, te
-voorschijn traden, rees de Acropolis van de stad voor hen op en men zag
-het reusachtige metalen beeld van „Athene Promachos” [20], in den glans
-der avondzon schitteren. Men zag haar gehelmd hoofd, men zag de
-opgestoken lans en het groote schild, waarop haar linker hand rustte.
-Ook fonkelde van de helling van den berg, oogverblindend, een gouden
-Gorgonenhoofd [21], dat een bemiddeld Athener daar als wijgeschenk had
-geplaatst.
-
-Van dit oogenblik af aan greep eene zeldzame verandering plaats in het
-wezen van den beeldhouwer. Hij scheen nu geheel met zijn metgezel van
-rol verwisseld te hebben. Evenals toch deze op den weg van de stad naar
-de haven met opgewekten zin en vurigen blik naar een doel in de verte
-gestaard had, zijn metgezel echter ernstig, zwijgend, bijna
-onverschillig naast hem was voortgeschreden, zoo had nu omgekeerd op
-den terugweg de beeldhouwer met haastigen tred en vurigen blik
-onafgewend zich naar de Acropolis gericht, terwijl zijn metgezel
-bedaard en schier vermoeid naast hem voortstapte. Het was de aanblik
-zijner Godin, na hetgeen hij in den Piraeus gezien had, die hem
-eigenaardig opwekte. Daar was hem de praal van het nuttige voor oogen
-gekomen: het gewemel van de haven, het geschreeuw van kijvende
-makelaars, de geweldige, maar in hare groote eentoonige
-zuilengaanderijen, welke op tempels zonder Goden geleken, eindelijk de
-door den nevelachtigen adem van het „onzekere” omhulden gouden schat:
-dat alles had zijne kunstenaarsziel bijna verduisterd. Hij moest het
-zijn gang laten gaan, maar het verstoorde zijne reeks van
-onverwezenlijkte, ideale, schitterende scheppingen, waarmede zijn ziel
-vervuld was. Thans, nu de Acropolis voor hem opdoemde, scheen hij
-veranderd en liet zóó peinzend, zóó vol nadenken en als ’t ware metend
-zijn onafgewenden blik over de blinkende hoogte van de Acropolis
-zweven, dat Pericles hem reeds naar de oorzaak zijner overpeinzingen
-wilde vragen.
-
-„Vader!” zei op dit oogenblik een knaapje tot een ouderen man, onder
-wiens geleide het onmiddellijk vóór Pericles en Phidias op den weg liep
-met de donkere oogen onafgewend naar de Acropolis ziende: „Hebben de
-Atheners geheel alleen de stedebeschermende Godin Pallas op hun burg,
-of woont zij ook bij andere menschen?”
-
-„Ook de Rhodiërs,” antwoordde de man het knaapje, „wilden haar bij zich
-op hun burg hebben, maar hun gelukte het echter niet.”
-
-„Is Pallas Athene op hen vertoornd?” vroeg het knaapje verder.
-
-„De Atheners op het vaste land en in de zee de Rhodiërs dongen naar de
-bescherming van de Godin. Genen zoowel als dezen maakten een offerfeest
-gereed op hun burg, om de gunst van Pallas te winnen. Maar de Rhodiërs
-waren achteloos; zij beklommen hun burg, doch toen zij het offer wilden
-brengen, hadden zij geen vuur. Zoo brachten zij geen betamelijk, maar
-een koud offer, terwijl bij de schrandere Atheners vuur en vetdamp
-vroolijk flikkerde en opsteeg over de rotsen van de Acropolis. Daarom
-gaf Pallas Athene den Atheners de voorkeur. Maar de Rhodiërs hielden
-aan bij Zeus en om hen schadeloos te stellen, goot hij van den hemel
-een gouden regen naar beneden, die hunne straten en huizen vulde.
-Deswege verheugden zich de Rhodiërs en troostten zich daarmede, en
-plaatsten op hun burg den God des rijkdoms, Plutus.”
-
-Deze vertelling, welke de man het knaapje deed, trof het oor der beide
-mannen, die achter hen liepen. Phidias glimlachte even en wendde zich
-na een oogenblik stilzwijgens tot zijn metgezel met deze woorden:
-
-„Pericles, het komt mij voor, dat de tijden veranderd zijn en dat wij
-weldra zullen doen als de Rhodiërs. Denkt gij er ook niet aan, Plutus
-op den burg te plaatsen?”
-
-„Vrees niets!” hernam Pericles lachend. „Zoo lang de zee het Attische
-strand bespoelt, zal het metalen beeld uwer Godin heerschend uitsteken
-op de Acropolis der Atheners!”
-
-„Maar onder de puinhoopen der tempels,” hernam Phidias. „Half woest
-ligt nog steeds de rots van den burg, zooals hem de brandende hand der
-Perzen heeft gelaten. Laat toch de zuilbrokken en puinhoopen wegruimen
-en bouw daarmede uwe havendammen en lange muren verder: want wat de
-Pers in de stad vernielde, dat bouwt gij toch slechts in den Piraeus
-weder op!”
-
-Op dit oogenblik keerde zich de man, die het knaapje geleidde, om, daar
-hij het geluid der sprekenden achter zich vernam, en hij herkende
-Pericles; deze beantwoordde vriendelijk zijn groet, want hij kende hem
-sedert langen tijd en was zijn gastvriend geweest, toen gene nog in
-Syracuse leefde.
-
-„Uw gesprek en dat van uw zoontje Lysias, mijn beste Cephalus,” zeide
-hij tot den man, „heeft onzen Phidias hier zooeven aanleiding gegeven
-mij heftig aan te vallen.”
-
-„Hoe zoo?” vroeg Cephalus.
-
-„Wij komen uit den Piraeus,” vervolgde de Olympiër, „en reeds daar was
-onze vriend, de lieveling van Pallas Athene, bijna in eene slechte
-luim. Hij zou wel altijd onder godengestalten willen verkeeren. Hij
-haat de lange muren, de breede zuilengaanderijen, de balen koopwaren,
-de pakken, de vaten, de geiteleeren zakken; het geschreeuw der
-makelaars in den Piraeus heeft zijn gehoorvlies verscheurd. Hij zal,
-wanneer hij door de poort de kromme, onaanzienlijke straten der oude
-Atheensche stad weder binnengetreden is, met een verlicht hart zich het
-stof van den weg naar de haven van zijne voeten afschudden.
-
-„Maar zeg toch,” ging Pericles, tot den beeldhouwer zich keerend,
-voort, „wat staart gij zoo vol gedachten en onafgewend naar de hoogte
-der Acropolis? Is het het gezicht van uwe Godin, dat u bezielt—van uwe
-gehelmde, lansslingerende Promachos?”
-
-„Weet,” hernam Phidias, „de gehelmde, lansslingerende Promachos is
-sedert geruimen tijd in mijne ziel verdrongen door eene Pallas Athene
-des vredes; door eene Pallas, die niet meer kampt met kletterend
-metaal, maar rustig en toch zegevierend met haar blinkend
-Gorgonenschild [22] de geboorten van den nacht versteent. Wanneer ik nu
-mijn blik op de hoogte van de Acropolis richt, zoo weet, dat ik daar
-dit beeld, in mijn geest gerijpt, plaats en dat ik een heerlijk,
-schitterend feestelijk huis daarover welf; dat ik den gevel en den
-fries van dat huis met honderdvoudig beeldwerk tooi en dat ik zelfs van
-verre schitterende, prachtige portalen bouw, van den kant, waar de
-feestelijke optocht der Panathenaeën [23] henen trekt. Maar vrees niet,
-dat ik goud en elpenbeen voor die Pallas Athene des Vredes, en marmer
-voor dat heiligdom van u zal afsmeeken—neen—ik bouw en versier zoo maar
-in gedachten—maak u niet ongerust!”
-
-„Zóó zijn zij allen, de kunstenaars en de dichters,” zei Pericles,
-bijna gekrenkt door den spottenden toon van zijn vriend. „Gij weet
-niet, dat het schoone slechts de bloesem is van het nuttige. Gij
-vergeet, dat het volkswelzijn op vaste grondslagen moet gebaseerd zijn
-en dat de volle bloei der kunst zich slechts in rijke, machtige staten
-ontplooit. Onze Phidias is op mij verstoord, omdat ik een paar jaren
-lang aan koornbeurzen in den Piraeus en aan den langen middelmuur
-gebouwd heb, in plaats van den tempel van de Acropolis weder op te
-richten, en omdat ik het niet geheel alleen aan de heerschende lans
-zijner metalen Godin op den burg overlaat, om ons tegen iederen vijand,
-die te land en ter zee ons kan bedreigen, te beschermen.”
-
-Phidias hief het hoofd beleedigd op, en wierp een donkeren blik op
-Pericles. Deze echter beantwoordde den blik van den beleedigden met een
-verzoenenden glimlach en ging voort, terwijl hij de hand van zijn
-vriend greep: „Kent gij mij zóó weinig, dat gij mij in ernst voor een
-vijand en bespotter der goddelijke beeldende kunst moogt houden? Ben ik
-niet de vriend en bezielde aanmoediger van al het schoone?”
-
-„Ik weet het,” zeide Phidias, nu op zijn beurt sarkastisch lachende.
-„Ik weet het, gij zijt de vriend van het schoone. Een blik in de oogen
-der schoone Chrysilla....”
-
-„Niet dat alleen,” viel Pericles snel in en vervolgde op ernstigen
-toon:
-
-„Gelooft mij, mijne vrienden, wanneer de staatszorgen mij drukken, en
-nevens die van den staat mijne eigene, wanneer menige tegenwerking mij
-hindert, menige tegenspraak mij verbittert, wanneer ik ontstemd uit de
-vergadering der Atheners terugkeer, bijna verstoord door de straten
-wandel, zoo is dikwijls eene kleine zuilengalerij, die door schoone
-evenredigheden mijn oog bekoort, of een beeld aan den weg, met fijnen
-geest ontworpen, in staat mij af te leiden en mij in betere stemming te
-brengen, en ik herinner mij niet, dat ik ooit eene smart heb
-ondervonden, die niet door het voorlezen van een gezang uit Homerus ten
-minste gelenigd is geworden.”
-
-De vrienden waren thans door de poort de stad binnen getreden. Hier
-schenen de straten nauwer, de woonhuizen minder statig dan in den
-Piraeus. Maar het was het echte Athene. Het was heilige grond.
-
-Toen Phidias reeds in de nabijheid van zijn huis was gekomen, zeide hij
-tot Pericles en Cephalus: „Wanneer gij tijd en lust hebt, bij mij nog
-even binnen te komen, dan zult gij een belangrijken wedstrijd in mijne
-werkplaats door uwe uitspraak kunnen beslissen.”
-
-„Gij prikkelt onze nieuwsgierigheid,” hernam Pericles.
-
-„Gij herinnert u toch,” vervolgde Phidias, „het marmerblok, ’t welk het
-Perzische leger over zee met zich mede voerde, om, na onze
-onderwerping, een Perzisch zegeteeken, uit Perzisch marmer gehouwen, in
-Hellas op te richten, en dat, toen de barbaren verslagen waren, op het
-slagveld van Marathon [24] in onze handen viel. Na menige omzwerving
-kwam het kostbare blok in mijne werkplaats terecht, en, zooals u bekend
-is, Pericles, wenschten de Atheners, dat daaruit een beeld van de
-Cyprische Godin [25] gebeiteld werd, om de Tuinen daarmede te
-versieren. Geen mijner leerlingen hield ik er beter voor geschikt, dat
-Agoracritus van Paros [26], om door de voltooiing van zulk een beeld
-zich roem te verwerven, en zoo vertrouwde ik hem, op zijn verlangen,
-het marmerblok toe, waaruit hij nu een voortreffelijk werk vervaardigd
-heeft. Maar, een ander van mijne beste leerlingen, de eergierige
-Alcamenes, benijdde Agoracritus het blok en den roem van zijn arbeid en
-waagde het, in wedijver met den Pariër, mijn lieveling, zooals hij hem
-noemt, een marmeren beeld van dezelfde Godin te ontwerpen. Nu is het
-beeld van beide jongelingen voltooid en een groot aantal kunstlievende
-mannen is heden in mijn huis bijeen gekomen. Wanneer gij u bij hen
-wildet voegen, welk een spoorslag zou dat voor die beiden zijn! Komt en
-ziet, hoe verschillend het ideaal van het goddelijk wezen zich in de
-ziel van beide jonge mannen heeft afgespiegeld!”
-
-Niet lang bedachten zich Pericles en Cephalus. Zij knikten toestemmend
-en traden met gespannen verwachting het huis van Phidias binnen.
-
-Zij vonden hier reeds vele kunstkenners bijeen. Daar waren onder
-anderen de Milesiër Hippodamus, Antiphon, de redenaar, Ephialtes, de
-bij het volk geliefde aanhanger en medehelper van Pericles, de
-bouwmeester van den langen middelmuur en Ictinus [27], een bouwmeester
-van groote geleerdheid en juisten kunstsmaak, de intieme vriend van
-Phidias.
-
-Toen deze mannen en de nieuw aangekomenen elkander hadden begroet,
-bracht de meester hen in een der ruimste vertrekken van zijn huis.
-
-Daar verhieven zich op een voetstuk naast elkander twee
-hooguitstekende, omhulde marmerblokken. Een bont doek was, om het
-witte, schitterende marmer, tegen stof en bezoedelingen te bewaren,
-daar over heen geworpen. Een slaaf trok nu, op een wenk van Phidias,
-het doek weg. Toen deden zich de beide schitterende beelden in hun
-machtig edel gevormde lijnen aan de blikken der beschouwers op, die
-daar vóór bijeen stonden.
-
-De mannen staarden langen tijd en zonder een woord te spreken de beide
-beelden aan. Op hunne trekken stond een eigenaardige, overweldigende
-indruk te lezen. Het was klaarblijkelijk dat de merkwaardige
-verscheidenheid der beelden hen getroffen had.
-
-Het eene vertoonde eene vrouwelijke gestalte van verhevene schoonheid
-en bovenmenschelijken adeldom. Zij was omkleed en haar gewaad golfde in
-breede, schoon vallende plooien tot op de enkels af. Slechts een der
-beide borsten was onbedekt gelaten. De uitdrukking was strak en streng:
-niets vrouwelijks was er in de trekken, niets weelderigs in de
-ledematen, niets bevalligs in de houding. En toch was het schoon. Het
-was een strenge, eene rijpe en toch jonkvrouwelijke schoonheid. Het was
-Aphrodite zonder den geur van Crocus- en Hyacynth-bloesems, waarmede de
-later geboren Chariten [28] en boschnymfen van den Ida [29] de Goden
-omkransten. Zij verspreidde nog geen welriekende geuren en geen
-glimlach plooide nog hare lippen.
-
-Zoo lang de omstanders alleen dit beschouwden, misten zij niets. Een
-door alle Gratiën en liefdegoden omgeven Cypris was tot nu toe nog niet
-in den geest der Grieken gerijpt.
-
-Zooals zij daar stond, de uit het schuim geborene, door de hand van
-Agoracritus gebeiteld, was haar ideaal dat der vaderen.
-
-Zoodra de beschouwer intusschen van dit beeld een tijd lang den blik
-gevestigd had op dat van Alcamenes, werd hij door eene soort van onrust
-aangegrepen; en wanneer hij dan tot het eerste beeld wilde terugkeeren,
-was het hem alsof het minder begrijpelijk was dan straks, en alsof hij
-den maatstaf voor de juiste waardeering daarvoor verloren had. Het was
-geheel iets nieuws, wat zich aan de blikken dier mannen voordeed. Nog
-konden zij niet zeggen, of hun dat nieuwe beviel. Nog wisten zij niet,
-of het recht had hun te behagen. Dit slechts stond vast, dat hun het
-vorige daarnaast thans minder voldeed.
-
-Hoe vaker echter de blik van het beeld van Alcamenes naar dat van
-Agoracritus, en van dit naar het andere dwaalde, des te langer bleef
-hij op dat van Alcamenes rusten.—Wat daarin met zulk eene heimelijke
-betoovering werkte, was de macht eener bekoorlijkheid, eener bezieling,
-van eene frischheid en eenvoud, zooals de beitel der Grieksche meesters
-tot nog toe nog niet bereikt, waarnaar hij niet eens had gestreefd.
-
-Van allen bleef niemand, niemand met zoo vurige oogen aan de vormen,
-welke Alcamenes hier ten toon had gesteld, hangen, als Pericles.
-
-„Dit werk,” sprak hij na eenigen tijd, „herinnert mij bijna het
-standbeeld van Pygmalion [30]; het schijnt bezield te zijn en juist op
-het punt, om van het strakke marmer in een levend wezen, met warm bloed
-in de aderen, te verkeeren.”
-
-„Ja waarlijk,” riep Cephalus, „het werk van Agoracritus tintelt van den
-geest van zijn meester Phidias, ja overtreft het in ernst. In het beeld
-van Alcamenes echter schijnt mij eene vonk te gloren uit eene vreemde
-smidse, die het met een zeldzaam, eigenaardig leven doorgloeit.”
-
-„Welke nieuwe geest is in u gevaren, wakkere Alcamenes,” riep Pericles
-uit, „daar toch tot hen uwe wijze van die van Agoracritus nauwelijks
-kon onderscheiden worden? Hebt ge soms de Godin in een droom gezien?
-Weet ge, dat ge mij in eene verrukking hebt gebracht, zooals nog nooit
-een beeld heeft vermocht?”
-
-Alcamenes glimlachte. Doch Phidias vestigde nu, als door eene
-plotselinge gedachte bezield, een scherpen blik op het werk van
-Alcamenes en scheen de omtrekken, de vormen van enkele leden onder den
-invloed dier gedachte te bestudeeren.
-
-„Geen droombeeld,” sprak hij eindelijk, „schijnt mij toe in dit marmer
-belichaamd te zijn, maar veel bekoorlijks uit de zinnelijke
-werkelijkheid opgenomen, om het beeld der Godin daarmede te tooien. Hoe
-langer ik de slankheid van dit geheele beeld, het teedere en toch
-weelderige van dezen boezem en van deze heupen, de eigenaardige
-fijnheid van dezen spits toeloopenden vinger en bekoorlijk gebogen
-handgewrichten beschouw, des te sterker gevoel ik eene vrouw in mijne
-herinnering teruggeroepen, die wij een paar malen in dit huis hebben
-gezien.”
-
-„Het is, zoo al niet het gelaat, dan toch de gestalte van de
-Milesische!” riep een ander der leerlingen van Phidias, naderbij
-tredende; en alle leerlingen naderden de een na den ander eerst het
-beeld en riepen toen elkander aanziende uit één mond: „ongetwijfeld;
-het is de Milesische.”
-
-„Wie is die Milesische?” vroeg Pericles haastig en in spanning.
-
-„Wie zij is?” zeide Phidias glimlachend: „gij hebt haar reeds eens
-gezien—heden—weinige uren geleden—een oogenblik slechts heeft de glans
-harer schoonheid u getroffen.—Overigens vraag het Alcamenes.”
-
-„Wie zij is?” herhaalde nu de vurige Alcamenes. „Een zonnestraal is
-zij, een dauwdroppel, eene schoone vrouw, een roos, een verkwikkende
-Zephyr. Wie zal een zonnestraal naar zijn naam en afkomst vragen?
-Misschien weet Hipponicus wat anders van haar te zeggen. Hij heeft haar
-als gast in zijn huis gehuisvest.”
-
-„Eens kwam zij met Hipponicus hier in deze werkplaats,” zeide Phidias.
-
-„Met welke bedoeling?” vroeg Pericles.
-
-„Om dingen te zeggen,” hernam Phidias, „zooals ik nog nooit uit den
-mond eener vrouw vernomen heb.”
-
-„Derhalve is zij de gast van Hipponicus?” vroeg Pericles.
-
-„In een klein huis, dat hem toebehoort,” zeide Phidias, „’t welk
-tusschen zijn woonhuis en dit is gelegen. Sedert echter de Milesische
-in dat huis vertoeft, is er een zonderlinge geest in dezen geheelen
-zwerm gevaren.”
-
-„Hoe dat?” vorschte Pericles.
-
-„Sinds dien tijd,” hernam Phidias, „is de suffer, dien ge op de straat
-aan de haven eenzaam hebt zien staan, peinzend voor zich starend, nog
-veel droomeriger geworden, en wat Alcamenes betreft, hij behoort tot
-diegenen, die ik het meest boven op het platte dak van het huis
-aantrof, vanwaar men in het peristylium [31] van het aangrenzende huis
-neerziet, en werwaarts zij van hun werk heensluipen, nu eens onder
-voorwendsel een ontsnapte vogel of aap op te vangen, dan weder om in de
-avondlucht zittende zich te verfrisschen, omdat hun, naar zij zeggen,
-het bloed zoo geweldig naar het hoofd steeg—inderdaad echter, om het
-snarenspel der Milesische te kunnen hooren.”
-
-„En dezer toovenares dus,” zei Pericles, „heeft onzen Alcamenes hare
-bekoorlijkheden afgezien, die ons hier zelfs in het marmer verrukken?”
-
-„Hoe het zich toedroeg, kan ik niet zeggen!” hernam Phidias. „Misschien
-heeft de suffer voor koppelaar gespeeld; want hij schijnt op een
-vertrouwelijken voet met haar te staan. Deze zonderlinge knaap toch
-heeft zich voorgenomen een Eros [32] te beitelen en houdt het voor dit
-doel noodig vooraf goed bekend te zijn met het wezen van dezen God en
-zich er volkomen vertrouwd mede te maken. Want zoo is nu eenmaal zijne
-manier: hij tracht nooit naar de dingen zelven, maar steeds naar hun
-begrip, naar waarheid en wijsheid, zooals hij zegt; daarom noemen wij
-hem ook altijd den vriend der wijsheid en zoeker naar waarheid. Thans
-streeft hij naar het zuivere begrip van liefde en wil zich daarin door
-zijne schoone Milesische vriendin doen onderwijzen.
-
-„Deze laat, naar het schijnt, den zonderling begaan en ik heb haar eens
-een uur lang, in dezen tuin op een steenklomp zittende, met hem zien
-spreken. Heeft nu werkelijk niet alleen hij, maar ook Alcamenes, van
-het geheime onderricht van de Milesische genoten, zoo moge hij ook
-voortaan op dezen weg zijn heil zoeken. Moge hij voortgaan meer van
-schoone vrouwen te leeren, dan van de meesters zijner kunst.”
-
-„Wat hier voor uw blik zich vertoont,” riep Alcamenes opstuivend op
-deze spottende taal van Phidias, „is het werk mijner handen; de
-berisping, die het ondervindt, neem ik op mij, en den lof, dien men het
-toezwaait, behoef ik met niemand te deelen!”
-
-„Ei wat,” riep Agoracritus met donkeren blik; „met de Milesische hebt
-gij dien te deelen! Heimelijk sloop zij naar u toe!”
-
-Een donkere blos kleurde Alcamenes’ wangen.
-
-„En gij?” riep hij, „wie sloop naar u toe? Meent ge, dat wij het niet
-weten? Phidias zelf was het, de meester, die ’s nachts heimelijk in uw
-werkplaats kwam, om de laatste hand aan het werk van zijn lieveling te
-leggen.”
-
-Nu kleurde eene donkerroode kleur Phidias’ gelaat, hij wierp een
-gramstorigen blik op den vermetelen leerling en wilde iets antwoorden.
-
-Maar Pericles trad tusschen beiden en sprak verzoenend:
-
-„Geen twist, voortreffelijke mannen! Het zij, zooals gij zegt; naar
-Alcamenes is de Milesische, naar Agoracritus is Phidias geslopen. Laat
-ieder leeren waar en op welke wijze hij kan en laat niemand zijn naaste
-het schoone benijden, dat hem door de gunst der Muzen [33] of der
-Chariten of door welke andere Godheden ook ten deel is gevallen.”
-
-„Ik heb het nooit versmaad iets van Phidias te leeren,” zeide
-Alcamenes, die het eerst van hun drieën zijne kalmte herkregen had;
-„maar ook van de levende werkelijkheid de schoonheid af te zien, is het
-werk van een verstandigen kunstenaar; en, laat mij het eerlijk
-bekennen, mij komt eene Milesische of in ’t algemeen eene dochter van
-de levenslustige Ionische kusten beter in staat voor, aan het vorschend
-oog van den kunstenaar de geheimen der schoone kunst te ontdekken, dan
-de vrouwen en jonkvrouwen van ons Attische land. Het is niet hetzelfde
-hoe de kunstenaar de vrouw ziet; of ze in bloode schaamte den worm
-gelijk is, die schijnt in zich zelven weg te kruipen, dan of ze de
-bloeiende schoonheid harer vrouwelijkheid in vrije bekoorlijkheid
-ontplooit. Onze Atheensche vrouwen brengen haar leven in strenge
-afzondering, in hare vrouwenvertrekken bewaakt, door. Wil men den
-vrijen blik eener vrouw genieten, die het verstaat, zonder blooheid en
-zonder onbeschaamdheid door hare geheele bekoorlijkheid te verrukken,
-dan moet men tot deze Ionische, deze Lydische vrouwen gaan, die van
-gindsche kusten komende en tegelijkertijd een adem van de schoone
-ongedwongenheid van hare inheemsche dartele feesten met zich brengende,
-de vroolijke wet der schoonheid en der zinnelijke vreugde verkondigen.”
-
-Velen der aanwezigen waren het met Alcamenes eens, en prezen hem
-gelukkig, dat hij de gunst had verworven van een vrouw, als de
-Milesische.
-
-„De gunst?” vroeg Alcamenes. „Ik weet niet wat gij bedoelt; de gunst
-dezer vrouw heeft hare grenzen.... Vraagt het maar eens aan dien
-droomer, den waarheidzoeker, haar vriend.”
-
-Zoo sprak Alcamenes en wees op den jongen beeldhouwer, die straks op de
-straat naar den Piraeus zoo peinzend had gestaan en, inmiddels
-teruggekeerd, het vertrek was binnengetreden. Alle aanwezigen keken op
-deze woorden van Alcamenes naar den droomer en glimlachten; want zij
-vonden in zijn uiterlijk niets, wat hun voorkwam, den omgang en de
-vriendschap der Milesische waardig te zijn. Hij had een stompen neus en
-zijn geheele uiterlijk was niet dat van een welgevormden Griek. Wel is
-waar, de glimlach om zijn mond was, trots de dikke lippen, fijn, en
-wanneer zijne oogen niet nadenkend, star op één punt gericht waren,
-keken zij vroolijk en boezemden zij vertrouwen in.
-
-„Wij raken van ons onderwerp af,” merkte Phidias nu op. „Alcamenes en
-Agoracritus wachten nog steeds ons oordeel af. Voorloopig schijnt het,
-dat we het hierover eens zijn dat Agoracritus eene Godin, Alcamenes
-eene schoone vrouw gebeiteld heeft.
-
-„Nu,” sprak Pericles, „ik geloof waarlijk, dat onze Alcamenes niet
-alleen, maar ook onze Agoracritus, de onsterfelijken zullen vertoornen,
-omdat zij toch beiden van onzen meester Phidias geleerd hebben, wanneer
-zij een goddelijk wezen willen scheppen, de menschelijke gedaante tot
-in hare fijnste aderen, na te gaan. In den grond zijt gij beeldhouwers
-toch allen aan elkander hierin gelijk, dat gij voorgeeft Goden te
-vormen, in wie wij inderdaad iets goddelijks meenen te zien en aan te
-staren: wanneer we echter nauwlettender toezien, dan bevinden wij, dat
-dit goddelijke slechts de reinste schoonheid en volkomenheid van het
-menschelijke is, en dat ook de aetherische Godengestalte slechts eene
-samenvoeging is van menschelijke polsen, spieren, zenuwen en
-vaatbundels. Hoort nu ook eens de meening van dien tweeden leerling, uw
-droomer daar over, de Milesische! Ook hij is gerechtigd, zijne meening
-daaromtrent te zeggen.”
-
-„Wat meent ge,” riep Alcamenes den droomer toe, „is de natuur van den
-mensch goddelijk?”
-
-„Wat Homerus en Hesiodus [34] betreft, en de andere dichters,” zeide de
-droomer, „zoo herinner ik mij, dat zij de zee en de aarde en alle
-mogelijke dingen goddelijk noemen; het zou mij daarom verwonderen,
-wanneer de menschelijke natuur ook niet met hare zenuwen, spieren en
-aderen goddelijk was. Pindarus [35] schijnt mij zelfs nog verder te
-gaan, wanneer hij zingt: „Eén is van den beginne af het geslacht der
-Goden en der stervelingen!” En ik herinner mij dat ik eens den wijsgeer
-Anaxagoras [36] kort en bondig heb hooren zeggen, dat al wat is, levend
-is en wat leeft goddelijk is. Wilt gij echter naar deze Ouden niet
-hooren, zoo vraagt het aan de schoone Milesische.”
-
-„Ik geloof,” hernam Pericles, „dat wij allen niet ongezind zouden zijn
-dezen raad te volgen, wanneer wij slechts wisten hoe wij gedaan konden
-krijgen, om de Milesische tot beslechting dezer zaak hier te doen
-komen. Kan soms Phidias ons dezen dienst bewijzen, of wil Alcamenes ons
-het geheim openbaren, hoe men deze schoone raadpleegt, of zullen wij
-tot den droomer ons wenden?”
-
-„Ja, tot den droomer!” riep Alcamenes levendig. „Ik wed, dat deze, als
-hij wil, ons de Milesische nog heden uit het huis van Hipponicus, als
-eene slang uit hare schuilplaats door tooverzangen en bezweringen,
-hierheen zal lokken!”
-
-„Wanneer Alcamenes zelf ons naar hem verwijst,” zeide Pericles, „zoo is
-hij wel de rechte man en niemand anders, die ons in deze zaak kan
-helpen. Maar wat kunnen we den man beloven, opdat hij medelijden met
-ons moge hebben en heenga, om de Milesische tot ons te lokken?”
-
-„Het zal zoo heel veel moeite niet kosten,” hernam de droomer, „iemand
-te bewegen hier binnen te treden, die reeds als ’t ware wachtende,
-achter de deur staat.”
-
-„Is de Milesische derhalve in onze nabijheid?” vroeg Pericles.
-
-„Toen ik straks,” vervolgde de droomer, „van mijne wandeling naar den
-Piraeus terugkeerde, en, door de achterdeur dit huis binnen willende
-treden, vlak langs de heining van den tuin van Hipponicus kwam, zag ik
-de Milesische tusschen de bloembedden en de bloeiende struiken staan,
-terwijl zij een tak van een laurierboom afplukte. Ik vroeg haar welken
-held of wijze of kunstenaar zij met dezen tak dacht te versieren? Zij
-zeide, dat hij bestemd was voor dengene der beide voortreffelijkste
-leerlingen van Phidias, die heden, naar de uitspraak van kunstrechters,
-als overwinnaar uit den wedstrijd zou te voorschijn treden. „Gij wilt
-derhalve het geluk van den overwinnaar oneindig vergrooten?” zei ik,
-„zoek toch den overwonnene ook eenigszins te troosten!”—„Goed,”
-hervatte de Milesische, „men moet ook medelijden hebben met den
-overwonnene; ik zal voor hem eene roos plukken.”—„Eene roos,” hernam
-ik, „is dat niet wat te veel? Zijt gij zeker, dat dan de overwinnaar
-den overwonnene niet benijdt?”—„Zoo moge de overwinnaar kiezen,” riep
-zij; „daar, neem den lauriertak en de roos en reik ze hem over.”—„Zoudt
-gij ze hem niet liever zelve overhandigen?” vroeg ik. „Meent ge dat
-waarlijk,” hernam zij. „Voorzeker,” zei ik. „Nu welaan dan,” hervatte
-zij; „zend den overwinnaar en den overwonnene hier naar mij toe aan de
-tuindeur, zoodra de kunstrechters het vonnis uitgesproken en zich
-verwijderd hebben.”—„Weet derhalve,” zoo besloot de droomer zijn
-verhaal, „dat de Milesische met den lauwertak en de roos achter de
-tuinheining van Hipponicus staat.”
-
-„Goed,” zeide Pericles, „ga en haal ze hier heen.”
-
-„Hoe kan ik dat?” hernam de andere. „Hoe zal ik haar overhalen, dat zij
-hier kome in tegenwoordigheid van zulk een aantal mannen?”
-
-„Mij om ’t even, hoe gij het beproeft,” zeide Phidias; „dat behoort tot
-uw geheime koppelaarskunsten; die behoeft gij ons niet te verklappen.
-Ga ze maar halen, omdat Pericles het zoozeer verlangt.”
-
-De droomer gehoorzaamde. Hij ging en keerde na eenige oogenblikken met
-eene vrouw terug, in wier gestalte de edelste fijnheid met bekoorlijke
-weelderigheid van vormen op eene wonderlijke wijze vereenigd waren.
-Pericles herkende aanstonds in haar de schoone, die hij vluchtig had
-gezien, toen hij met Phidias zich van de markt naar de haven wilde
-begeven. Zij was slank; toch waren de ledematen van de bekoorlijkste
-volheid en weelderigheid. Haar gang was fier en tegelijk bekoorlijk.
-Haar gekruld, zacht haar had een donkerrossen glans, haar gelaat was
-van eene onvergelijkelijke schoonheid. Het betooverendste echter aan
-haar was een vochtige glans, een zachte onweêrstaanbare gloed in de
-heerlijke oogen, aan welks betoovering niemand, die slechts even haar
-aanzag, wederstand kon bieden. Haar gewaad uit geel, zacht byssus [37],
-sloot nauw om de fijne, fraai geronde heupen tot aan de enkels.
-Bovenaan was het voorste stuk van het gewaad ter hoogte van de
-schouders met fraaie gespen aan het achtergedeelte bevestigd. Daarover
-viel van de schouders eene soort van oppergewaad in schoone plooien af
-tot aan het midden van het lichaam. Het kleed zonder mouwen liet de
-edelgevormde armen ontbloot en verborg niet geheel den omtrek van den
-jonkvrouwelijken, teederen en toch krachtig ontwikkelden boezem. Het
-was de gewone chiton [38] der Grieksche vrouwen, dien de vreemde droeg,
-maar rijk en veelkleurig, zooals men dien zag bij de Ionische en
-Lydische vrouwen der Aziatische kusten. De kleur van het gewaad was
-glanzend geel, de zoomen waren met bont borduursel rijkelijk versierd.
-
-Het donkerrosse glanzende haar golfde in krullen langs den hals; een
-purperen band, die op de plaats, waar hij op het voorhoofd rustte, met
-een metalen ingesneden plaat versierd was, hield de weelderige lokken
-bijeen.
-
-Toen deze bekoorlijke vrouw onder begeleiding van den droomer
-binnentrad en eene zoo groote schare van aanzienlijke mannen zag en
-onder hen zelfs den machtigen Pericles, aarzelde zij een weinig. Doch
-Alcamenes trad haar te gemoet, vatte haar bij de hand en sprak:
-
-„Pericles, de Olympiër, wenscht de schoone en schrandere Milesische te
-zien.”
-
-„Hoe groot en rechtmatig ook de begeerte moge geweest zijn, eene zoo
-gevierde vrouw te zien,” zeide Pericles, „verzwijgt gij toch ten
-onrechte, Alcamenes, dat wij eigenlijk door de verlegenheid, waarin de
-beslechting van den wedstrijd tusschen u en Agoracritus ons plaatste,
-op raad van den waarheidzoeker besloten, de wijsheid van de schoone
-Milesische in te roepen. De vraag namelijk is onder ons gerezen, of het
-geoorloofd is, eene Godin onder de vormen van eene schoone Grieksche
-vrouw voor te stellen. Bij de Atheners, vroom en aan de Goden nauw
-verknocht, als zij zijn, begint het geweten zijne stem te doen hooren,
-of zij soms de stervelingen overmoedig en de Goden op hen afgunstig
-maken, wanneer zij het goddelijke al te menschelijk voorstellen en of
-hunne beeldende kunst in het algemeen den Goden welgevallig of gehaat
-is?”
-
-„De zachtheid en helderheid van den Griekschen hemel,” begon de
-Milesische met eene stem, wier veren klank niet minder betooverend was,
-als de glans van haar oog, „wordt overal geroemd en de lichaamsgestalte
-der Grieken door de barbaren [39] zelven, als het meest op de Goden
-gelijkende erkend. De Goden van Hellas zullen zich niet op den Athener
-vertoornen, wanneer hij hun tempels bouwt, zoo schitterend en verheven
-als de aether zelf, die zich boven hen welft, en wanneer hij beelden
-voor hen opricht, wier schoone gestalte niet verre beneden de gestalte
-blijft van hen, welke aan deze beelden offers brengen. Zooals het land
-is, zoo is de tempel, zooals de mensch, zoo zijne Goden! Trouwens,
-bewijzen dan ook niet de Olympiërs [40] zelf, dat het hun lust en wil
-is, zich af te spiegelen in de ziel der Atheners? Hebben zij hun niet
-boven allen den scheppenden geest verleend, en hebben zij niet den
-Attischen grond de beste klei, het onvergelijkelijkst marmer tot
-bouwkunde en beeldende kunst gegeven?”
-
-„Inderdaad,” viel hier de opgewonden Alcamenes levendig in, „alles
-bezitten wij; alleen nog niet het rechte, onbeperkte veld, waarop wij
-arbeiden kunnen!—Waarachtig, mij en ons allen jeuken reeds de vingers,
-en de beitel in onze handen wordt gloeiend van ongeduld.”
-
-Een goedkeurend gemompel doorliep bij deze plotselinge wending van het
-gesprek de geheele werkplaats van Phidias.
-
-„Troost u, Alcamenes,” zeide de Milesische, den nadruk op ieder woord
-leggende; „Athene is rijk geworden, schatrijk, en wel niet te vergeefs
-is de gouden schat van Delos over de zee tot u overgezwommen.”
-
-De schoone vrouw wierp bij deze woorden een betooverenden blik op
-Pericles. Deze had, terwijl zij sprak, zijne oogen op haar golvende,
-bruine, zachte lokken onafgebroken gevestigd, en zeide nu onhoorbaar
-tot zich zelven: „Bij de Goden, het blonde haar dezer vrouw zelf is een
-schitterende gouden schat van Delos en voor dat gemunte goud zou dit
-ongemunte niet te duur betaald zijn....”
-
-Toen liet hij een geruimen tijd het hoofd peinzend op zijne borst
-zinken, terwijl aller oogen op hem waren gevestigd. Eindelijk begon
-hij:
-
-„Te recht verwacht gij, beoefenaars en vrienden der schoone beeldende
-kunst, dat de schat van Delos niet te vergeefs naar Attica’s strand is
-overgekomen. En, wanneer ik slechts naar de inspraak van mijn hart,
-niet naar de eischen van het algemeen belang had te vragen, waarlijk,
-ik zou dien schat het liefst onmiddellijk naar de werkplaats van
-Phidias doen brengen. Maar hoort, hoe de stand van zaken is voor hem,
-aan wien de zorg voor het algemeen welzijn is toevertrouwd. Toen de
-Pers, met zijne drommen het land overheerschend, tot ons was gekomen en
-het gemeenschappelijk gevaar alle Hellenen vereenigd had, toen hij
-echter verslagen afgetrokken en de groote les, die de strijd ons had
-gegeven, weder vergeten was en de bijzondere belangen overal weder de
-eerste plaats innamen, toen hoopte ik nog dat het mogelijk was, ’t geen
-wij, door den nood des oorlogs gedrongen, hadden begonnen, langs
-vreedzamen weg voort te zetten. Op mijn raad noodigde het Atheensche
-volk allen Hellenen, hunne vertegenwoordigers naar Athene te zenden, om
-over de gemeenschappelijke belangen van Griekenland te onderhandelen.
-Ik wilde bewerken, dat op gemeene kosten alle door de Perzen verbrande
-tempels en heiligdommen weder zouden worden hersteld. Voorts zouden de
-Hellenen, van toen af aan vrij en veilig op alle Grieksche zeeën, op
-alle Grieksche kusten kunnen verkeeren; er zouden borgen worden
-gesteld, dat onder de bescherming van een ongestoorden vrede de
-gemeenschappelijke welvaart aller Hellenen onbelemmerd zou bloeien.
-Twintig mannen kozen wij uit het volk, mannen, die zelven medegekampt
-hadden in de groote slagen tegen de Perzen. En welke antwoorden
-brachten deze boden terug? Van den een ontwijkende, onverholen
-afwijzende van den ander. Boven alles echter zocht Sparta de zaden van
-het wantrouwen tegen Athene en zijn stamgenooten met kwistige hand uit
-te strooien. Zóó werd de poging ijdel, en Athene verkreeg de ervaring,
-dat het niet op de eendracht der Hellenen mocht rekenen, dat de afgunst
-zijner mededingers niet sluimerde. Was mijn welgemeend plan gelukt, dan
-had zich Athene en geheel Hellas zonder voorbehoud aan de kunsten des
-vredes kunnen wijden en zijn edelsten bloei onmiddellijk kunnen
-ontplooien. Nu echter is het onze eerste plicht, naar steeds grootere
-macht, naar steeds grooteren invloed in Griekenland te streven, en
-steeds zooals nu onaantastbaar uitgerust gereed te staan. Deze eerste
-noodzakelijkheid gebiedt ons rekenschap te houden met onze middelen,
-hoe schitterend ze voor het oogenblik ook mogen zijn. Oordeelt nu
-zelven, gij mannen, of wij de verplichtingen, welke de handhaving van
-onzen voorrang in Griekenland ons oplegt, uit het oog verliezen en de
-gouden gaven van het geluk nu reeds aan het schoone en liefelijke mogen
-offeren.”
-
-Zoo sprak Pericles, en daar de mannen zijne rede zwijgend, maar toch,
-naar hij meende op te merken, niet zonder verborgen weerzin,
-aanhoorden, ging hij voort: „overdenkt de zaak, of geeft ze den droomer
-hier, den waarheidsvriend, of, wanneer men vrouwen ook in politieke
-zaken mag hooren, aan deze schoone uit Milete ter overweging.”
-
-„Wanneer ik de woorden van Pericles goed begrepen heb,” begon de
-droomer op zijne omslachtige wijze, daar alle aanwezenden bleven
-zwijgen, „zoo heeft de groote staatsman het als eene vaststaande zaak
-vooropgesteld, dat Athene trachten moet den voorrang onder de Grieksche
-staten te handhaven. Op welke wijze echter deze voorrang verzekerd kan
-worden, dat heeft hij ons ter overweging gegeven. Wel is waar, is hij
-ook de tot nu toe algemeen heerschende meening, dat de voorrang van een
-staat boven den anderen alleen op eene overweldigende krijgsmacht moet
-steunen, zelf toegedaan. Maar verstandig als hij is, onderscheidt hij
-zich van alle vroegere staatslieden daardoor, dat hij ook nog andere
-middelen mogelijk schijnt te achten; want, als hij die niet mogelijk
-achtte, hoe zou hij ons dan aangezocht hebben daarnaar onderzoek te
-doen?”
-
-„Kunt gij ons,” zeide Pericles, „zulke andere middelen aanwijzen, zoo
-spreek!”
-
-„Men moet,” hernam de droomer, „om deze middelen te weten, zulken
-lieden vragen, die bewezen hebben te verstaan, om anderen den voorrang
-af te winnen, en de menschen, zonder gebruik te maken van geweld, het
-schoonst en het best kunnen onderwerpen en beheerschen. Men moest dan
-juist weder de schoone Milesische hier om raad vragen.”
-
-De vreemde wierp glimlachende een blik op den droomer, en deze ging op
-zijn gewonen trant zich tot haar wendende voort:
-
-„Gij hebt gehoord, dat wij overwegen, of een staat boven alles door
-krijgsmacht en schatten zich den voorrang verzekert, of ook nog door
-iets anders in de wereld, bij voorbeeld door beoefening van het schoone
-en goede en geestelijke voortreffelijkheid. Gij behoort nu tot
-diegenen, die er zich op verstaan, anderen den voorrang af te winnen en
-de menschen, als van zelven, het schoonst en het best te beheerschen.
-Wilt gij ons niet zeggen, hoe gij dat ten uitvoer brengt?”
-
-„Wat ons vrouwen betreft,” hernam de Milesische glimlachende, „zoo kan
-ik slechts zeggen, dat het voor een zeker gedeelte op de schoone
-gestalte aankomt, en op de kunst zich sierlijk te kleeden en bekoorlijk
-te dansen of betooverend de cither te bespelen en wat men verder
-verleidelijke kunsten moge noemen.”
-
-„Wat de vrouwen aangaat, zou de vraag dus opgelost zijn?” zeide
-Pericles. „Maar hoe? Zullen ook wij Atheners, de Spartanen en alle
-eilandbewoners en Aziaten het schoonst en best aan ons trachten te
-onderwerpen en beheerschen door schitterend gewaad en schoone gestalte,
-door bekoorlijke dansen en citherspel?”
-
-„Ja, zeker,” hernam de Milesische. Dit stout geuite woord verbaasde de
-mannen. De bekoorlijke vrouw echter ging voort:
-
-„Die staat zal boven allen het meest tot macht en aanzien geraken, waar
-men het bekoorlijkst weet te dansen, het schoonst de cither te
-bespelen, het best te bouwen, te beitelen en te schilderen en waar de
-voortreffelijkste dichters gevonden worden!”
-
-„Gij schertst!” riepen eenige der mannen.
-
-„Volstrekt niet!” hernam de schoone glimlachende.
-
-„Wanneer men het nader beschouwd,” zeide Hippodamus, „dan schijnt de
-schoone Milesische met hare stoute bewering, die ons in het eerste
-oogenblik deed glimlachen, nog zoo geheel geen ongelijk te hebben.
-Inderdaad! Wanneer de schoonheid slechts eenmaal de zegevierende macht
-in de wereld is, waarom zou dan ook een volk niet, door de
-bekoorlijkheid van het schoone, het andere den voorrang afwinnen, roem,
-bewondering, liefde, onberekenbaren invloed verwerven, even goed als
-eene schoone vrouw?”
-
-„Zoo maar niet de onbeperkte beoefening van het schoone,” hernam
-Pericles, „de gemoederen weekelijk en verwijfd maakte!”
-
-„Week en verwijfd?” riep de Milesische; „gij Atheners zijt het maar al
-te weinig. Zijn er niet velen onder u, die uw staat geheel naar de
-sombere en ruwe wijze der Spartanen zouden willen inrichten? Het is
-onbillijk te zeggen, dat het schoone den mensch bederft. Het schoone
-maakt de burgers opgeruimd, tevreden, handelbaar, opofferend, vol gloed
-en bezieling. Wat zou er benijdenswaardiger zijn, dan een gelukkig
-volk, naar welks feesten van heinde en verre de menschen toestroomen?
-Laat de sombere, ruwe Spartanen zich gehaat maken; Athene zal, naar
-balsem riekende, en met bloemen bekranst, als eene bruid, zich de
-harten veroveren!”
-
-„Gij meent dus,” zeide Pericles, „dat nu reeds de tijd is gekomen,
-waarop wij het zwaard uit de hand kunnen leggen, om ons aan het schoone
-en aan alle kunsten des vredes te wijden?”
-
-„Veroorlooft gij mij, het uit te spreken, o Pericles,” vroeg de
-vreemde, „wanneer het naar mijne meening de tijd is, het schoone te
-scheppen?”
-
-„Spreek het uit!” hernam de staatsman.
-
-„De tijd, om het grootsche en schoone te scheppen,” zeide de
-Milesische, „is dan gekomen, naar ik meen, wanneer de mannen aanwezig
-zijn, die geroepen zijn, het te scheppen!—Nu hebt gij uw Phidias en de
-andere meesters: wilt gij met de volvoering uwer gedachten talmen, tot
-zij oud en stram zijn geworden? Gemakkelijk vindt gij het goud, om het
-schoone te betalen, maar niet altijd de mannen om het uit te voeren!”
-
-Luide en algemeene bijvalskreten weerklonken bij deze woorden.
-
-Er zijn blikken, er zijn woorden, die, als de zengende bliksem, eene
-menschenziel doen trillen. De ziel van Pericles was door zulk een blik
-en zulk een woord te gelijk getroffen geworden.
-
-De bliksemende gloed was uit het betooverendst oog, het bliksemend
-woord van de betooverendste lippen gekomen. De macht van het woord was
-Pericles zich bewust; de overweldigende kracht van den blik drong tot
-in zijn binnenste door; hun vlam en gloed grepen hem meer dan hij wist
-in het hart.
-
-Zijn oog begon vurig te schitteren en in zich zelven herhaalde hij de
-woorden der vreemde:
-
-„De tijd om het schoone te scheppen is dan gekomen, wanneer de mannen
-aanwezig zijn, welke in staat zijn het te scheppen.—Ik moet bekennen,”
-ging hij voort, „dit woord is een der treffendste en gelukkigste, die
-er kunnen gezegd worden. Het ia bijna zoo duidelijk, alsof men zeide:
-„de tijd om lief te hebben is dan gekomen, wanneer de schoonheid daar
-is, die in staat is de liefde te ontvlammen.” Een beteren verdediger
-kon datgene, wat ons allen ter harte gaat, niet vinden. Ik geloof, dat
-gij mij en allen, die hier zijn, hebt overtuigd. Inmiddels zou het u
-niet zoo gemakkelijk gevallen zijn, schoone vreemdelinge, wanneer
-datgene, wat gij zegt, niet reeds in de schuilhoeken onzer harten
-gesluimerd had. Doch wilt ge het mij toestaan, dat ik mij nog niet
-geheel en al overwonnen geef? Wilt gij in der minne met mij een
-vergelijk treffen? Ik meen, dat wij moeten trachten ons Athene
-strijdvaardig en machtig te houden, zooals het is; doch gij hebt
-gelijk, dat wij niet langer uit beangste bedenkingen mogen talmen, dat
-te doen, waarvoor de tijd nu is gekomen, omdat, zooals gij ons
-herinnerd heb, er nu mannen zijn, die, als ze heengegaan zijn, nimmer
-zullen terugkeeren!—Dank het aan deze schoone, Phidias, wanneer mijn
-bedenkingen verdwenen zijn, en ik u en den uwen, wien, zooals Alcamenes
-zeide, de beitel in de hand van ongeduld gloeit, beloof, de hinderpalen
-uit den weg te helpen ruimen, opdat gij, evenals een strijdlustig
-leger, uit moogt trekken, om het vernielde weder te herstellen en uwe
-schoone en heerlijke idealen der verwezenlijking nader te brengen.
-
-„Ziet, er is niet weinig gedaan, om ons Athene sterker te maken. De
-havenstad is nieuw gebouwd, de middelmuur bijna voltooid. Reeds lang
-was het mijn voornemen eene ruime worstelschool voor de Atheensche
-jongelingschap op te richten; ook aan de kunsten der Muzen, de toon- en
-dichtkunst, wil ik eene waardige plaats toewijden. Met schitterende
-tempels echter en met heerlijke standbeelden willen wij op passende
-wijze het werk der vernieuwing bekronen, dat beneden in den Piraeus
-begonnen is geworden.”
-
-Blijde bijvalsbetuigingen gingen er bij deze woorden van Pericles op,
-uit de rijen der beeldhouwers en overige aanwezige mannen.
-
-„Vermanend verheffen zich de reusachtige zuilen des tempels,” vervolgde
-Pericles, „die Pisistratus [41] begonnen is voor den Olympischen Zeus
-te bouwen en waaraan sedert den val van den geweldigen man niemand
-weder de handen heeft geslagen. Zou het niet billijk zijn, dezen eerst
-te voltooien?”
-
-„Neen!” riep levendig de volksvriend Ephialtes. „Dat zou zijn den roem
-van den vijand der volksvrijheid vereeuwigen. Laat een tyran [42]
-voltooien, wat een tyran begonnen heeft! Het vrije volk der Atheners
-laat het gedenkteeken van Pisistratus in zijne puinhoopen liggen, tot
-een teeken, dat de zegen der Goden niet rust op het werk van despoten!”
-
-„Gij hebt den volksvriend Ephialtes gehoord,” zeide Pericles, „en
-wanneer gij Ephialtes gehoord hebt, zoo hebt gij het geheele volk der
-Atheners gehoord. Bovenop de Acropolis staat het overoude, eerwaardige
-heiligdom van Erechtheüs [43] en de stedegodin Athene, half vernield en
-slechts gebrekkig na den Perzischen krijg weder voor den dienst der
-Goden hersteld.”
-
-„Daar huizen de uilen;” riep de vrijzinnige Callicrates. „Oud en somber
-zijn daar de tempels, oud en somber de priesters en zelfs de Goden zijn
-door de sombere atmosfeer vermolmd.”
-
-„Dan zullen wij den tempel licht en vroolijk weder opbouwen,” zeide
-Pericles.
-
-„Dan zou Phidias tot ledigheid gedoemd zijn,” hernam Callicrates; „gij
-weet, nooit mag het overoude, heilige van den hemel gevallen houten
-schild van Athene Polias [44] in den tempel van Erechtheüs door een
-ander vervangen worden—nooit mag het in zijne leelijkheid veranderd,
-maar steeds met een of ander voorwerp omhangen worden!”
-
-„Dan laten wij de oude priesters met hunne oude Goden in de oude
-tempels huizen,” hernam Pericles, „en we beraadslagen met Phidias: laat
-hij ons vertellen, wat hij wakende droomt, wanneer hij zijn blik op de
-Acropolis vestigt!”
-
-Phidias stond in gedachten verzonken.
-
-Pericles trad naar hem toe en zeide, terwijl hij de hand op zijn
-schouder legde: „houd op met mijmeren—schud de grootsche gedachten,
-welke gij in uw hoofd koestert, wakker, want haar tijd is gekomen!”
-
-Phidias glimlachte; daarop sprak hij met schitterende oogen:
-
-„Laat Ictinus hier u vertellen, hoe dikwijls ik de oppervlakte van de
-burghoogte en hare rotsterrassen met hem heb afgemeten—hoe wij
-cijferden en rekenden en geheime plannen smeedden, niet wetende,
-wanneer de ure zou komen om ze te verwezenlijken.”
-
-„En welke plannen waren dat?” vroegen de mannen. Phidias deelde mede,
-wat in stilte reeds lang in zijn gemoed tot rijpheid was gekomen. Vol
-geestdrift luisterden zij naar hem.
-
-„En zal niet,” vroeg een der mannen, „een zoodanig werk, evenals reeds
-eens is geschied, verijdeld worden door de afgunst der priesters van
-Erechtheüs op den burg?”
-
-„Wij zullen over die afgunst zegevieren!” riep Ephialtes uit.
-
-„De schat van Delos,” zeide Pericles, „zal nedergelegd worden aan de
-voeten der Godin—in het achterste gedeelte van den tempel zal hij
-geborgen worden: en zoo zal op de schitterende hoogte van de burgrots
-dezelfde tempel de onderpanden van Athene’s macht en grootheid
-vereenigen!”
-
-Met geestdrift juichten de aanwezigen de laatste woorden van Pericles
-toe. Hij echter ging voort, alsof hij zich plotseling bezon, met een
-blik op den lauwertak en de roos in de handen van de schoone vrouw:
-
-„Veel is hier beslist geworden; evenwel niet de wedstrijd tusschen
-Alcamenes en Agoracritus. Aan wien van deze twee Aphrodite’s geeft wel
-de schoone en schrandere vreemdelinge de voorkeur?”
-
-„Is dezen hier ook eene Aphrodite?” vroeg de Milesische, op het beeld
-van Agoracritus het oog vestigende; „Ik heb haar voor eene strengere
-Godin gehouden, voor eene Nemesis [45] bijvoorbeeld.”—
-
-Agoracritus, die den geheelen tijd door met donkeren blik en mokkend
-ter zijde op een steenblok had gezeten, lachte bitter en bijna honend,
-toen hij dit woord hoorde.
-
-„Eene Nemesis?” herhaalde Pericles, „inderdaad, die beteekenis is
-treffend. Is Nemesis niet de strenge Godin der maat, wier
-overschrijding steeds gewroken wordt? Nu, in dit werk van Agoracritus
-schijnt inderdaad de ernstige, gestrenge wet en maat van ’t geheele
-wezen levend belichaamd te zijn. De schoonheid der Godin is bijna
-dreigend, bijna schrik aanjagend. Voor ’t overige, zijn Cypris, de
-Godin van de liefelijke maat, en Nemesis, de wreekster van de
-overschreden maat, niet van den oorsprong af eenigszins verwant?
-Wanneer nu dit het geval is, dat de Atheners eene Aphrodite in de
-omheining der Tuinen willen plaatsen, en slechts Alcamenes eene
-Aphrodite gebeiteld heeft, dan kunnen wij ook alleen deze in de Tuinen
-eene plaats geven. Het werk van Agoracritus echter, ’t welk eene
-heerlijke Nemesis voorstelt, zullen wij met zijne toestemming, naar ik
-meen, in den tempel dezer Godin te Rhamnus opstellen. Wellicht kan de
-kunstenaar haar nog eenige uiterlijke kenteekenen en symbolen
-toevoegen.”
-
-„Dat zal ik!” riep de toornige Agoracritus, met een donkeren blik.
-„Eene Nemesis zal zij worden, mijne Cyprische Godin.”
-
-„Wien derhalve, schoone vreemdelinge,” zeide Pericles, „zult gij nu den
-lauwertak en wien de roos overreiken?”
-
-„Beide aan u!” hervatte de Milesische. „Van deze beiden is geen
-overwinnaar of overwonnene. En op dit oogenblik betaamt het, alle
-kransen in de hand van den man te leggen, aan wien dezen het te danken
-hebben, dat hun de baan geopend is, om naar de edelste lauwers te
-dingen!”
-
-Hiermede reikte zij lauwerkrans en roos aan Pericles over. De
-schitterende oogen van beiden ontmoetten elkander een oogenblik en
-bleven vol beteekenis een korten tijd op elkander gericht.
-
-„Ik zal,” zeide Pericles, „den lauwertak tusschen de beide jongelingen
-verdeelen, de welriekende, liefelijke roos echter behoud ik voor mij
-zelven.”
-
-Hij brak den lauriertak in twee stukken en verdeelde dien onder de
-beide jongelingen. Toen zeide hij, rondom zich ziende: „Ik geloof, dat
-ik nu niemand hier meer ontevreden laat. Alleen de droomer daar schijnt
-mij toe nog met zekere ongerustheid en ernstige gelaatstrekken voor
-zich heen te kijken. Hebt gij nu nog bezwaren, waarheidsvriend?”
-
-„Ik vroeg straks,” hernam de aangesprokene, „uit uw naam, de schoone
-Milesische, of alleen door goud en krijgsmacht, of soms ook door de
-beoefening van het schoone, van het goede en voortreffelijke, een staat
-een anderen voorrang zou kunnen afwinnen. Wat het schoone betreft,
-heeft ons de Milesische bewezen, dat dit tot gezegd doel voortreffelijk
-geschikt is. Ik zou nu echter ook gaarne willen weten, of dit ook het
-geval is met datgene, wat ik nog niet noemde, met het goede en de
-innerlijke voortreffelijkheid.”
-
-„Naar mijn oordeel,” sprak de Milesische, „is het goede één met het
-schoone; wanneer dat echter niet het geval en integendeel daarmede in
-strijd is, dan zou ik het voor genoemd doel niet geschikt houden.”
-
-„Wilt gij ons ook de bewijzen daarvoor leveren?” vroeg de droomer.
-
-„Bewijzen?” hernam de Milesische glimlachend; „ik weet niet of daarvoor
-bewijzen bestaan. Wanneer mij die invallen, zal ik ze u zeggen.”
-
-„Juist!” viel Pericles in; „wij willen deze zaak tot eene volgende
-gelegenheid uitstellen.”
-
-De zonderling haalde de schouders op en ging heen.
-
-„Deze wonderlijke man is, naar het mij voorkomt, nog niet geheel
-tevreden gesteld,” merkte Pericles op.
-
-„Neen,” hernam Alcamenes; „ik ken hem: hij geeft zich den schijn dat
-hij hoogst bescheiden is, maar het hindert hem zeer, wanneer men hem de
-leiding van het gesprek ontneemt, en wanneer de quaestie niet haarfijn
-tot dat doel geleidt, ’t welk hij heimelijk beoogd heeft. Doch zijne
-ontevredenheid is spoedig voorbij; hij is een goedaardige ziel, licht
-tot verzoening geneigd.”
-
-„Hoe heet hij toch, die zonderlinge waarheidsvriend?” vroeg Pericles.
-
-„Socrates [46], de zoon van Sophroniscus!” hernam Alcamenes.
-
-„En de schoone vreemdelinge, van wie wij heden zooveel geleerd hebben;
-hoe heet zij?” vervolgde Pericles.
-
-„Aspasia!” zeide Alcamenes.
-
-„Aspasia?” riep Pericles. „Die naam is zacht en zoet; hij smelt weg op
-de lippen als een kus.”
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-TELESIPPE.
-
-
-Pericles had sedert de bijeenkomst ten huize van Phidias wakend en
-peinzend de nachten doorgebracht. De schat van Delos hield hem steeds
-bezig, waarmede een nieuwe tijd voor de macht en de heerlijkheid der
-Atheners gekomen was; de gesprekken, die in het huis van Phidias
-gevoerd waren, weerklonken nog steeds in zijne ziel en wanneer hij, om
-aan die reeks van woelende gedachten te ontkomen, de oogen sloot, dan
-verscheen hem halfwakend in een vluchtigen droom, het bekoorlijke beeld
-der Milesische, en de vochtige, aphroditische glans harer betooverende
-oogen drong door tot in het diepst zijner ziel.
-
-Allerlei plannen, sedert langen tijd opgevat, kookten in Pericles’
-gemoed. Vluchtige gedachten namen allengs een bepaalden vorm aan, en
-besluiten kwamen er uit voort, evenals de rozen, des nachts rijpende
-knoppen schieten.
-
-Op een morgen zat hij peinzend in zijn vertrek, toen zijn vriend
-Anaxagoras hem kwam bezoeken. Van zijn vroegste jeugd af, met den
-wijzen Clazomeniër [47] door vriendschap verbonden, was Pericles nog
-steeds menigen morgen bezig, om de nieuwe onderzoekingen, welke
-Anaxagoras’ heldere, vurige geest ingesteld had, te overwegen. Nieuwe
-meeningen waren het, welke die stoute denkers—en Anaxagoras nam onder
-hen eene eerste plaats in—verheven boven de kinderlijke beschouwingen
-der vaderen, uit de diepte van hun nadenkenden geest, begonnen te
-verbreiden.
-
-Heden echter bemerkte de schrandere man aanstonds reeds bij het
-binnentreden, dat gedachten van een geheel anderen aard zijn vriend
-bezig hielden; hij vond den anders zoo kalmen en waardigen staatsman
-opgewonden, terwijl zijn oog van dat matte vuur gloeide, ’t welk een in
-gedachten doorwaakten nacht te kennen geeft.
-
-„Is het volk heden tot eene vergadering van gewichtigen aard op den
-heuvel de Pnyx [48] samen geroepen?” vroeg de grijsaard, den Olympiër
-in ’t gelaat ziende; „ik herinner mij dat ik u slechts bij zulke
-gelegenheden zoo peinzend heb aangetroffen.”
-
-„Inderdaad verzamelt het volk zich heden,” hernam Pericles, „en het
-zijn gewichtige zaken, die ik van plan ben daar te behandelen. Ik vrees
-of ik het zal kunnen doorzetten....”
-
-„Gij zijt strateeg” [49] hernam Anaxagoras, „gij zijt bestuurder der
-openbare inkomsten, gij regelt de openbare feesten, gij zijt—de Goden
-mogen het weten, hoe al de ambten en waardigheden, welke de Atheners u
-met gewone en buitengewone volmacht opnieuw hebben opgedragen, mogen
-heeten; om ’t even: gij zijt wat het gewichtigste is en de hoofdzaak in
-een vrijen staat—gij zijt de grootste redenaar, die men den „Olympiër”
-noemt, omdat met den donder uwer woorden eene soort van heerschersmacht
-is verbonden, evenals met den donder van Zeus. En gij zijt beangst?”
-
-„Ja, dat ben ik!” hernam Pericles, „en ik verzeker u, dat ik nooit den
-steen op de Pnyx bestijg, zonder in stilte de Goden aan te roepen, dat
-geen onbedacht woord mijn mond ontglippe, en dat ik nooit een oogenblik
-vergete, dat het Atheners zijn tot wie ik spreek. Gij weet hoe
-ongeduldig het volk onlangs reeds is geworden, toen ik het telkens
-weder aanspoorde nieuwe sommen voor het bouwen van den middelsten
-langen muur en ter vernieuwing van den Piraeus toe te staan. En nu
-heeft mij Phidias bepraat, mij nieuwe groote plannen voor den geest
-gespiegeld. Zijne brandende begeerte en die der zijnen moet niet langer
-weerstaan worden; ons Athene moet met de lang overdachte werken van
-deze mannen versierd en ten overstaan van geheel Griekenland
-verheerlijkt worden. Gij weet, ik behoor tot diegenen, welke het nieuwe
-met behoedzaamheid aangrijpen, het gegrepene echter vasthouden en met
-vurigen moed ten uitvoer brengen. En zoo heb ik ook, vóór ik deze zaak
-begon, rijpelijk haar overdacht; nu echter ben ik in stilte wellicht
-vuriger daarvoor bezield dan Phidias zelf en de zijnen.”
-
-„Is het volk der Atheners dan niet met geestdrift bezield en
-kunstlievend?” zeide Anaxagoras. „En is niet de rijke schat van Delos
-overgekomen?”
-
-„Ik vrees het wantrouwen,” hernam Pericles, „’t welk geheime en
-openbare tegenstanders uitzaaien. De oligarchische partij is niet
-geheel overweldigd. Ook weet gij, dat er vrienden der Laconiërs zijn en
-dezulken, die het licht en het reine en het schoone haten. Hebt gij het
-zelf niet ondervonden, sedert gij in de zuilengaanderijen der Agora
-zijt opgetreden, om ons Atheners de boodschap der reine, vrije en uit
-den geest geborene waarheid te verkondigen. Intusschen zal ik heden
-eene troef uitspelen, die voorloopig de menigte ten volle op mijne hand
-zal brengen. Er zijn arme burgers, die van de hand op den tand leven en
-die morgen honger moeten lijden, wanneer zij heden hun arbeid staken
-en, om hun burgerplicht niet te verzuimen, naar de volksvergadering
-gaan. Waarom zouden zij niet door een paar obolen [50] uit de staatskas
-schadeloos gesteld worden? Ook heb ik te doen met die arme drommels,
-die zoo gaarne de openbare schouwspelen zouden willen bijwonen, maar
-het entreé-geld niet kunnen betalen. Zij zullen er van staatswege heen
-mogen gaan, om ongemerkt door de werken hunner dichters zich te doen
-vormen en veredelen, terwijl zij meenen alleen hun genoegen na te
-jagen. En die goede zielen, welke bij duizenden uit het volk door het
-lot worden gekozen om aan de vele gerechtshoven als assessoren te
-worden toegevoegd, zij moeten voortaan niet meer zonder
-schadeloosstelling den geheelen dag verliezen, om de tallooze processen
-hunner medeburgers in het zweet huns aanschijns te beslechten.
-
-„Athene is rijk, nieuwe goudbronnen ontspringen om ons en storten zich
-van de landen der bondgenooten in onze schatkist uit. Een groot saldo
-is in kas. Ik heb mijzelven afgevraagd: moet dat als reserve voor de
-toekomst bewaard worden of moet het den tegenwoordigen tijd ten goede
-komen? Na wikken en wegen is het mij helder geworden, dat het heden
-daarop het grootste recht heeft. Het volk moet de vruchten zijner
-zegepralen en roem plukken, het moet vrij en gelukkig zijn; een schoon,
-benijdenswaardig bestaan, zooals den mensch past, moet in ons door de
-Goden geliefd Athene in het leven geroepen worden.”
-
-„Ik heb den edelen Pericles dikwijls in zulk eene gloeiende geestdrift
-gezien,” merkte Anaxagoras op, „maar uwe bezieling van heden schijnt
-mij sterker te zijn, dan iedere geestdrift te voren.”
-
-„Ik dank den Goden,” hernam Pericles, „dat zij mij, bij beradenheid in
-het overleg, de snelste vurigheid van besluit en den taaien moed van
-uitvoering hebben gegeven. Zijt gij soms ontevreden op mij? Schijn ik u
-toe mijne plannen te ver te drijven of te weinig rekening te houden met
-het altijd overijlde en soms ondankbare volk?”
-
-„Laat mij het openlijk bekennen,” hernam de grijsaard, „ik bemoei mij
-niet met staatkunde. Ik ben geen Athener, wellicht niet eens een
-Helleen, maar een wereldburger, een wijsgeer. Mijn vaderland is het
-onmetelijk heelal.”
-
-„Maar gij zijt wijs,” zeide Pericles, „en kunt de daden der
-staatslieden beoordeelen, of het ten goede dan ten kwade zal
-uitloopen.”
-
-„Daarvoor zal ik mij in acht nemen!” riep Anaxagoras. „Niet alleen de
-dichters, maar ook de staatslieden volgen onwetend een goddelijken
-wenk, zijn door een daemon [51] bezeten, die hen bezielt, en hen schier
-onbewust tot datgene drijft, wat voor het oogenblik waarlijk
-noodzakelijk en nuttig is. Het gewone menschenverstand zal te ras
-oordeelen en dwalen, wanneer het den arbeid geldt van door eene Godheid
-bezielde mannen. Ik heb mij in de verborgen geheimen der natuur
-verdiept en overal daarin een besturende Geest gevonden; de geest
-echter is onfeilbaarder en machtiger in het voortbrengen en werken dan
-in het oordeelen...”
-
-Zoo onderhielden zich de beide mannen vertrouwelijk in het vertrek van
-Pericles. Op dit oogenblik echter trad een slaaf binnen, door de
-echtgenoote van Pericles, Telesippe, gezonden.
-
-Het was eene zonderlinge boodschap, waarmede deze dienaar van de
-meesteres des huizes kwam. De opzichter van Pericles was dezen morgen
-van het landgoed gekomen, en had een jongen ram meegebracht, die op
-genoemd landgoed met één hoorn in plaats van met twee was ter wereld
-gekomen. Dit dier nu had de opzichter, niet zonder aarzeling en angst,
-aan zijne meesteres getoond. Telesippe, eene vrome vrouw, had aanstonds
-naar den ziener Lampon gezonden, om het wonderteeken te verklaren. Nu
-noodigde zij haar echtgenoot uit, te komen, ten einde het zonderlinge
-dier te zien en met haar de uitspraak van den waarzegger te vernemen.
-
-Pericles hoorde het verhaal van den slaaf aan, en zeide toen goedig tot
-zijn vriend:
-
-„Laat ons de vrouw ter wille zijn en gaan, om den eenhoornigen ram te
-beschouwen.”
-
-Anaxagoras stond op en volgde Pericles bereidwillig.
-
-Zij begaven zich naar het peristylium [52] van het huis.
-
-Het huis van Pericles was eenvoudig. Het was niet grooter, niet rijker
-versierd, dan dat van een anderen Atheenschen burger van matig fortuin.
-
-Het was eenvoudig, evenals de levenswijze van den eigenaar. In eene
-republiek moet de invloedrijkste man eenvoudig leven, wanneer hij zich
-tegen het wantrouwen zijner medeburgers wil vrijwaren. Maar ook zonder
-berekening en bedoeling zal een man, die zich rusteloos aan het welzijn
-van den staat wijdt, zijne eigene huishouding steeds een weinig
-verwaarloozen. Eenvoudig en onopgesmukt was ook het peristylium in
-Pericles’ huis. Maar er ontbrak niet die prettige bekoorlijkheid, die
-met dat eigenaardige en liefelijkste deel van het huis, met dezen door
-zuilen omgevene opene plaats, op de wijze van eene zaal gebouwd, overal
-gepaard gaat. Men bevond zich toch hier in het binnenste der woning en
-tevens onder den vrijen hemel. Men was daar afgesloten van alle
-gedruisch der buitenwereld, en toch in onmiddellijke aanraking met
-frissche lucht van den hemel, die van boven er in waaide, met de zon,
-maan en sterren, die onbelemmerd hare gouden stralen uit de hoogte op
-de marmeren zuilen wierpen. De zwaluwen vlogen vertrouwelijk tjilpend
-uit en in, en bouwden hare nesten aan de kapiteelen en lijsten. Niet
-aanlokkelijk naar buiten als de tempels, maar naar binnen keerde het
-woonhuis, als ’t ware afwerende, zijn zuilenpraal, om ruimte te
-verschaffen aan den vrijen, en toch vertrouwelijken, bekoorlijken
-familiekring. Hier zat men, hier wachtte men ook wel bezoekers af. Hier
-nuttigde men soms ook den maaltijd. Hier bracht men ook de huisoffers
-ter eere der Goden; hier stond de eigenlijke haard van het huis, het
-altaar van den haard-beschermenden Zeus [53].
-
-Achter den zuilengang, die alle vier zijden van het peristylium omgaf,
-strekten zich de woonvertrekken van Pericles’ gezin uit. De deuren der
-kamers kwamen daar op uit. Smaakvolle versierselen bedekten de posten
-en kroonlijsten der deuren; de openingen waren gedeeltelijk slechts met
-bonte tapijten schilderachtig behangen. Naar achteren grensde het
-vrouwenvertrek aan het peristylium, en daarachter lag de kleine, goed
-omheinde tuin. Betrad men van de straat het huis, dan voerde een gang,
-die door het voorhuis liep, recht naar het peristylium. Aan de zijde
-van den ingang, zoowel aan den linker als aan den rechter kant van de
-vierkante opene ruimte, liepen de zuilengangen; aan de zijde, die
-tegenover den ingang lag, werd door een paar pilaren een middelvertrek
-afgescheiden, dat binnenwaarts inspringend, eene naar het peristylium
-opene, van de drie overige zijden echter door wanden ingeslotene
-voorzaal, vormde.
-
-In deze voorzaal stond Telesippe, de echtgenoote van Pericles, door
-eenige slaven en slavinnen omringd, en naast haar de opzichter, die van
-het landgoed gekomen was, met den eenhoornigen jongen ram op de armen.
-
-Telesippe was eene slanke vrouw met strenge, niet leelijke, doch ietwat
-ruwe trekken. Zij was statig en eenigszins zwaarlijvig, maar haar
-uiterlijk was niet meer bloeiend. De wangen hingen slap, slap de
-boezem, slap, achteloos en zonder zwier hing ook het gewaad langs hare
-ledematen af. Het haar was nog niet opgemaakt en naar achteren in een
-grooten bos opgebonden. Zij was bleek, want zij had zich dezen morgen
-niet geblanket. Deze vrouw, de echtgenoote van den grooten Pericles,
-was vroeger met den rijken Hipponicus gehuwd geweest. Deze scheidde van
-haar en zij had Pericles tot nieuwen echtgenoot gekregen. Toch zag zij
-er nog jeugdig uit; de blos op de wangen deed hare koele, strenge oogen
-minder ongunstig uitkomen.
-
-Toen Telesippe, in de naar het peristylium opene zaal staande, haren
-echtgenoot niet alleen, maar in gezelschap van Anaxagoras zag naderen,
-maakte zij aanstalten om zich voor den vreemdeling, naar de zeden dier
-dagen, in het vrouwenvertrek terug te trekken.
-
-Pericles wenkte haar te blijven. Zij bleef dan ook, maar zonder het
-grijze hoofd van den oude verder met een blik te verwaardigen. Zij had,
-en, naar zij meende, met reden, weinig met dezen grijzen vriend en
-raadsman van haar echtgenoot op.
-
-Met een soort van angst keek zij naar den ram. „Ik heb den ziener
-Lampon ontboden,” zeide zij, „ik ben voor een slecht voorteeken
-beducht.”
-
-Op dit oogenblik opende de portier de buitendeur en liet den ziener
-binnen, die aanstonds door den langen gang naderde.
-
-De ziener Lampon was priester van een kleinen tempel aan Dionysus [54]
-gewijd, welke niet veel opbracht. Hij legde zich daarom op de mantiek
-[55] toe en niet zonder geluk. Hij had bij de vromen een goeden naam.
-Hij droeg, om uiterlijk zijn beroep te doen kennen, het priesterlint om
-het voorhoofd, en daarover den Apollonischen lauwerkrans [56] op het
-hoofd. Overigens zocht hij, naar de gewoonte van mannen van zijn slag,
-door een achteloos gewaad, ongekamden baard, wild fladderend haar en
-een schuwen, zwervenden blik te kennen te geven, dat zijne ziel, aan de
-aarde ontrukt, met goddelijke zaken vervuld was.
-
-„Dit wonderdier,” zeide Telesippe tot Lampon, „is op ons landgoed
-geboren en dezen morgen in de stad gebracht. Gij zijt een der kundigste
-waarzeggers, verklaar ons dit teeken, of wij het als een gunstig dan
-als een noodlottig moeten beschouwen.”
-
-Lampon liet den ram op het altaar van Zeus Ephestios leggen.
-
-Eene kool glom toevallig nog op het altaar. Lampon trok een haar uit
-het voorhoofd van den ram en wierp het op de glimmende kool.
-
-„Het teeken is gunstig,” zeide hij; „want het haar is verbrand zonder
-hevig knetteren.”
-
-Toen vestigde hij den blik op Pericles en vervulde vervolgens zijne
-wichelkunst ten opzichte van den ram. Pericles stond toevallig rechts
-van den ram. „Het teeken is gunstig voor Pericles!” zeide de ziener met
-een gewichtig gebaar, en stak overeenkomstig een gebruik der mantiek,
-een laurierblad in den mond en kauwde het, om door het genot van het
-kruid, den God der zieners gewijd, zich in een toestand van heilige
-bezieling te brengen en het rechte zienerswoord door geestvervoering te
-vinden.
-
-De oogappels van den wichelaar begonnen zich onder krampachtige
-trekkingen te verdraaien. Plotseling boog de ram zijn kop ter zijde,
-zoodat de hoorn op ’t midden van zijn voorhoofd in eene rechte lijn
-naar Pericles wees en hij liet een eigenaardig geluid daarna hooren.
-
-„Heil u, Alcmaeönide,” riep Lampon; „heil u, zoon van Xantippus,
-overwinnaar der Perzen bij Mycale [57], edele spruit uit het geslacht
-der Buzygen, de heilige Palladium-bewakers [58]! Heil u, overwinnaars
-van Thracië [59], van Phocis [60], van Euboea! Vroeger bezat de ram
-Athene twee horens: den aanvoerder der oligarchen Thucydides, en
-Pericles, den leider der volkspartij. Voortaan echter zal de ram Athene
-slechts een enkelen hoorn op het voorhoofd hebben; de partij der
-oligarchen is voor altijd vernietigd en Pericles alleen bestuurt met
-wijsheid en fierheid de lotgevallen der Atheners!”
-
-Anaxagoras glimlachte. Pericles nam zijn vriend ter zijde en sprak
-zacht tot hem: „De man is sluw; hij rekent er op, onder de waarzeggers
-te worden opgenomen, die mij van staatswege op mijn volgenden veldtocht
-zullen vergezellen.”
-
-„Maar wat moet er met den ram geschieden?” vroeg Telesippe.
-
-„Deze ram,” hervatte Lampon, „moet zoo vet mogelijk gemest en daarna
-aan Dionysus geofferd worden. Want voor dezen God zijn de bokken een
-geschikt offer, wegens de schade, die zij aan de wijnstokken
-toebrengen; eigenlijk de geitebokken—maar een bok is een bok, en bij
-gebrek aan een geitebok is ook een „schapebok,” als deze, den God niet
-ongevallig.”
-
-Zoo luidde de verklaring van den ziener. Hij nam drie obolen in
-ontvangst als zienersloon, boog het hoofd, waarlangs de lokken
-achteloos golfden en vertrok.
-
-„Waarde Telesippe,” zeide Anaxagoras, „hoe duur betaalt men toch
-tegenwoordig de wijsheid! Drie obolen geeft men voor het orakel
-aangaande een bok, die met een enkelen hoorn geboren is, om ons datgene
-te zeggen, wat zonder belooning reeds de uilen van Athene in hunne
-holen krassen!”
-
-Telesippe wierp den spreker een van toorn gloeienden blik toe, die deze
-met de opgeruimde kalmte van den wijze opnam.
-
-Telesippe wilde den toornigen blik door een scherpe opmerking doen
-volgen. Daar vernam men een geklop aan de buitendeur. De portier opende
-de deur en eene vrouw trad binnen, vergezeld door eene slavin, die aan
-de deur bleef staan. Het gelaat dezer vrouw had de roode kleur, maar
-ook de rimpels van een ouden appel, die door het lange liggen
-ineengeschrompeld is. Eenige dunne, korte, donkere haren overschaduwden
-de bovenlip.
-
-„Elpinice, de zuster van Cimon!” [61] fluisterde Pericles Anaxagoras in
-het oor. „Laten wij naar de Agora gaan; want tegen deze beide vrouwen
-te zamen kunnen wij het hier in huis niet uithouden.”
-
-Zoo sprekende trok Pericles zijn vriend ter zijde in de zuilengaanderij
-en ging met hem, na een vluchtigen groet aan Elpinice, haastig over den
-drempel van het huis de straat op.
-
-Elpinice, de zuster van Cimon, was een zonderlinge vrouw. Zij was de
-dochter van den gevierden held Miltiades, de zuster van den niet minder
-beroemden veldheer Cimon, en de vriendin van een der voortreffelijkste
-schilders dier dagen Polygnotus. Zij was eenmaal schoon en bekoorlijk
-geweest, zelfs schoon genoeg, om den smaakvollen schilder te verrukken.
-Maar zij moest Aphrodite vertoornd hebben, want door eene boosaardige
-luim der Godin was in hare ziel geen teeder gevoel aanwezig, behalve de
-liefde voor haar broeder. In haar bijna mannelijke borst was geen
-verlangen naar het echtelijk geluk; zij wenschte slechts haar geheele
-leven lang in de nabijheid van haar broeder te mogen verkeeren. Het
-gebeurde echter, dat Cimon door den dood zijns vader Miltiades in een
-uiterst moeilijken toestand geraakte. Miltiades was door de ondankbare
-Atheners aangeklaagd en tot eene geldboete van vijftig talenten
-veroordeeld, en daar hij weldra stierf, zonder die som betaald te
-hebben, ging de schuld van vijftig talenten, overeenkomstig de harde
-bepaling der wet, op zijn zoon Cimon over. Zoolang deze de vijftig
-talenten niet betaalde, was hij burgerlijk eerloos. Uit liefde voor
-haar broeder had Elpinice ongehuwd willen blijven en uit liefde voor
-haar broeder huwde ze nu. Om haar hand te verkrijgen, delgde een zeker
-Callias de schuld van Cimon. Deze Callias stierf na eenigen tijd en
-Elpinice zocht zonder dralen het huis van haar broeder weder op.
-
-Na de belegering en onderwerping van het eiland Thasos [62] bracht
-Cimon den schilder Polygnotus, een geboren Thasiër, met zich naar
-Athene. Cimon had de bekwaamheid van den jongeling opgemerkt, had hem
-lief gekregen en wenschte aan zijne kunst een uitgebreider en waardiger
-veld te openen. Hij bewerkte, dat aan Polygnotus door de Atheners
-opgedragen werd om den tempel van Theseus [63] met schilderijen te
-versieren; ook schilderde hij op Agora in de groote galerij, die juist
-naar deze pracht van kleuren de „bonte” of de „beschilderde” [64]
-genoemd werd, tooneelen uit de verovering van Troje [65]. Daar het huis
-van zijn vriend en beschermer altijd voor hem open stond, ontbrandde de
-jongeling in vurige liefde voor Elpinice, en toen de uitspraak der
-Grieksche helden over de gewelddadige behandeling, door Aiax Cassandra
-[66] aangedaan, in de galerij geschilderd werd, had Laodice, de
-schoonste van Priamus’ dochters, onder de Trojaansche gevangenen, de
-trekken van Cimon’s zuster. Zij weigerde den kunstenaar hart en hand;
-doch zij schonk hem hare vriendschap. Sedert waren ettelijke jaren
-vervlogen, maar de vriendschapsband dezer beiden duurde nog steeds
-voort, nadat Cimon gestorven en Elpinice, evenals Polygnotus, oud was
-geworden.
-
-Ja, Elpinice was oud geworden, en wel zonder het te weten. Slechts een
-korten tijd van haar leven en tegen haar zin gehuwd, had zij haar
-geheele verdere leven aan de onvruchtbare dweeperij van eene
-zusterlijke liefde gewijd; zij had, hoewel weduwe, toch in haar geheele
-wezen dat zonderlinge gekregen, ’t welk ongehuwde oude dames kenmerkt.
-Aan oude vrijsters nu is dit eigen, dat haar de opgroeiende spruiten,
-als mijlpalen van den voortsnellenden tijd, en als aanwijzers van den
-weg, dien zij reeds afgelegd hebben, ontbreken, zoodat de ouderdom haar
-onverwachts nadert. Zij gevoelen zich inwendig nog eeuwig jong. Deze
-vereeniging van inwendige jeugd en uitwendigen ouderdom drukt haar voor
-de wereld eerst zacht, allengs echter steeds sterker den stempel van
-het belachelijke op het wezen.
-
-Zoo was ook Elpinice oud en belachelijk geworden, zonder het zelve te
-bemerken. De hooge prijs, waarmede Callias hare hand betaalde, de
-hulde, welke de schilder haar bracht, en al het andere van dezen aard
-had haar ijdel gemaakt op hare schoonheid. Zij bleef nog ijdel, toen
-datgene, waarop zij ijdel was, reeds lang verdwenen was. Zij waande,
-dat zij nog altijd was, zooals Polygnotus haar geschilderd had, als de
-schoonste van Priamus’ dochteren. Want zij was ongehuwd; zij had geen
-echtgenoot, die haar zeide; „gij zijt oud!”—De zachte, rustige,
-eerwaardige Polygnotus wilde en kon haar dit ook niet zeggen. Hij was
-een oude vrijer gebleven en bracht de ietwat stijve, doch welgemeende
-hulde van een oud jonggezel aan de eenige uitverkorene van zijn nog
-onveranderd hart.
-
-Haar broeder Cimon was eenigen tijd vóór zijn dood door de Atheners
-verbannen geworden. Zijne aanhangers deden hun best verlof tot zijn
-terugkeer bij het volk te bewerken. Zij vreesden echter den invloed van
-Pericles, wiens ster aan het opgaan was en voor wien de verwijdering
-van zijn ouden tegenstander stellig slechts voordeelig kon zijn.
-
-Toen kwam in Elpinice’s overspannen en avontuurlijken geest, die steeds
-stoute plannen had gekoesterd, het voornemen op, om ook ditmaal
-beslissend voor het heil van haar broeder op te treden. Zij blankette
-zich en zalfde zich met kostelijken balsem, doste zich in prachtgewaad
-en ging naar Pericles. Zij wist, dat de groote staatsman niet
-ongevoelig was voor vrouwelijke bekoorlijkheid. Zij wilde zich aan hem
-vertoonen in eene door kunst verhoogde betooverende gestalte, die
-Callias eens had ontvlamd, Polygnotus had verrukt. Zij ging naar
-Pericles, om hem te overreden, dat hij den Olympischen donder zijner
-welsprekendheid in de volksvergadering niet zou doen weerklinken,
-wanneer het voorstel om Cimon terug te roepen gedaan werd.
-
-Toen Pericles de zonderlinge, grillig opgesmukte, naar balsem riekende
-vrouw vóór zich zag staan, met eene zegevierende uitdrukking op het
-gelaat, bemerkte hij, dat het ditmaal op de gevoeligheid van zijn hart
-gemunt was. Hij wist dat hij den naam had voor zulk een indruk vatbaar
-te zijn en hij ergerde zich er over. Het griefde hem, dat zulk een naam
-bleef, niettegenstaande zijn ernstig, waardig leven. En nu kwam daar
-die verouderde Elpinice en waagde het hem met de koude overblijfselen
-hare schoonheid in hare netten te willen verstrikken!
-
-Pericles was zachtzinnig van nature. Maar dat eene grillig opgedirkte
-vrouw met een knevel op de lip, het voor eene zoo gemakkelijke zaak
-rekende, hem, den vriend van het schoone te betooveren, dat maakte,
-naar Cronion’s [67] raadsbesluit, dezen zachten man voor een oogenblik
-tot een wreedaard.
-
-Hij zag de smeekelinge een tijd lang zwijgend aan, sloeg haren dos
-nauwlettend gade, vervolgens haar gelaat en zeide eindelijk zeer kalm
-tot haar:
-
-„Elpinice, gij zijt oud geworden!”
-
-Hij sprak deze woorden op den zachtsten toon. En toch waren zij
-boosaardig. Zij zijn de eenige boosheid, die de overlevering ons van
-Pericles, den Olympiër, meldt.
-
-Eene onmerkbare huivering doorliep hem zelven, toen hij dat noodlottige
-woord had gesproken. Hij had een voorgevoel, dat het een van die
-woorden was, wier gevolgen Clio’s [68] stift moest opteekenen. Het
-woord: „Elpinice, gij zijt oud geworden!” kon het begin zijn van eene
-lotwisseling voor Pericles, voor Athene, ja voor geheel Griekenland...
-burgeroorlog, een inval der Perzen, bloed, jammer, tranen, onheil van
-elken aard; de ondergang van het Helleensche volk kon uit dit woord
-voortspruiten. Want, wat vermag niet eene vrouw, tot wie men gezegd
-heeft: gij zijt oud?
-
-En de goedaardigste aller Grieken had dit bitterste aller woorden
-gesproken!
-
-Elpinice kromp ineen, wierp een gramstorigen blik op Pericles en ging
-weg.
-
-Maar wat baatte het den goeden naam van Pericles, dat hij de kokette
-Elpinice zoo onhoffelijk behandeld had? Werd niet alles bedorven door
-zijne eigene ontsteltenis over het vinnige woord, dat hem ontvallen
-was, doch waarover hij berouw gevoelde en dat hij op de Pnyx zocht goed
-te maken? Want toen het volk verzameld was en het voorstel tot
-terugroeping van Cimon aan de orde kwam, en iedereen naar Pericles zag,
-verwachtende, dat hij er zich heftig tegen zou verzetten, zag hij
-integendeel verstrooid rond en zweeg, alsof hem de zaak niet ter harte
-ging, zoodat Cimon’s aanhangers gewonnen spel hadden. Wèl lachten de
-Atheners en fluisterde de een den ander in het oor, sluw met het oog
-knippende: „Zie toch eens die oude Elpinice! Met opgestreken zeil is
-zij naar Pericles gegaan, en de vrouwengek heeft goed
-toegehapt—toegehapt in den rotten appel!”
-
-„Arme Pericles!”
-
-Na den dood van Cimon vertoornde zij zich op de wereld, omdat deze ook
-zonder Cimon haren gewonen gang ging. Nu haatte zij Pericles en den
-nieuwen tijd nog meer.
-
-Haar taal was steeds gekruid met uitdrukkingen als: „mijn broeder Cimon
-placht te zeggen” of „mijn broeder Cimon placht dit of dat te doen,” of
-„mijn broeder Cimon zou in dit geval zus en zoo gehandeld hebben.”
-
-Was reeds Cimon een vriend der Laconiërs geweest, een man, die zijne
-sympathieën voor Sparta zoo weinig verborg, dat hij een zijner zonen
-den naam „Lacedaemonius” [69] gaf, en die in zijn geheele wezen meer
-van een Spartaanschen houwdegen, dan van een beschaafd opgevoed en
-levendig Athener in zich had, zoo kon het niemand verwonderen, dat
-zijne onvrouwelijke zuster de liefde voor de Laconiërs tot in het
-belachelijke overdreef. Zij was de partij toegedaan, die van elke vrije
-en opgeruimde levensopvatting der Atheners afkeerig was, en bevorderde
-die door den ijver, waarmede zij het huiselijke leven van hare
-tegenstanders bespiedde. Zij was juist het vertrouwelijkst met die
-vrouwen, wier mannen zij haatte; vandaar hare vriendschap voor
-Telesippe, Pericles’ gade.
-
-Maar toch was dit wandelend gedenkteeken van den goeden ouden tijd,
-deze oude vrijster en vriendin van den mokkenden Polygnotus, niet in
-alle opzichten onaangenaam en terugstootend. Zij was te gelijk
-boosaardig en goedig, grillig en eerlijk, deftig en kluchtig,
-belachelijk en eerwaardig.
-
-Dit nu was het karakter der vrouw, voor wie Pericles en zijn vriend,
-den wijsgeer Anaxagoras, zoo haastig op de vlucht waren gegaan, toen
-zij hare vriendin Telesippe een bezoek kwam brengen.
-
-Telesippe hielp de magere vrouw zich ontdoen van het himation [70]
-waarmede Elpinice, als eene kuische Atheensche jonkvrouw, wanneer zij
-over straat ging, niet slechts het bovenlijf, maar ook haar hoofd, tot
-op mond en oogen, placht te bedekken. Vervolgens plaatste Telesippe
-eene stoel voor haar en verzocht haar te gaan zitten. Elpinice was zeer
-netjes en met een zekeren voorvaderlijken eenvoud gekleed. Met niet
-minder zorg was ook het haar opgemaakt. De haartooi strookte volkomen
-met haar wezen. De haarvlecht was aan het achterhoofd door een
-omgeslagen en bevallig dichtgeknoopten doek, den zoogenaamden „saccus”
-[71] omsloten, terwijl het voorhoofd met de Stephane [72] versierd was,
-dat is, de reeds genoemde metalen plaat, die bijna als een diadeem het
-voorhoofd omgaf. Groote, ronde ouderwetsche oorbellen bengelden aan de
-beide kanten van het gezicht der eerwaardige Elpinice.
-
-„Telesippe,” riep de bezoekster uit, „gij zijt vandaag bleeker dan
-gewoonlijk. Hoe komt dat?”
-
-„Dat kan wel een gevolg zijn van den schrik,” hernam Telesippe; „wij
-hebben toch van daag een wonder in huis gehad.”
-
-„Wat zegt gij?” riep Elpinice. „Is olie of wijn bij het plengen
-gestort? Of hebben de balken zonder bekende oorzaak gekraakt? Of is er
-een zwarte hond [73] in huis geloopen?”
-
-„Een ram,” hernam Telesippe, „met één hoorn, en dat wel midden op het
-voorhoofd, is op ons landgoed geboren en heden morgen bracht de
-opzichter hem in de stad.”
-
-„Een ram met één hoorn?” riep Elpinice uit. „Bij Artemis [74]! het
-verwondert mij niet, dat teekenen en wonderen geschieden. Op den
-Brilessus [75] moet den laatsten nacht een groote meteoorsteen uit de
-lucht zijn gevallen. Sommigen willen ook eene staartster in den vorm
-van een brandenden balk gezien hebben. Verscheidene godenbeelden moeten
-onlangs begonnen zijn te zweeten en te bloeden. Nog kort geleden moet
-zelfs een raaf zich op het vergulden Pallas-beeld te Delphi [76] hebben
-neêrgezet, die de vruchten van den ijzeren palm waarop hij stond, met
-zijn snavel heeft losgewerkt. Maar wat het mooiste is van
-alles—verbeeld u: de priesteres der Eumeniden [77] te Orchomenus [78]
-moet een langen, zwarten baard gekregen hebben!—Gij hebt toch een
-waarzegger laten roepen?”
-
-„Ja, Lampon,” hervatte Telesippe.
-
-„Lampon is goed!” hernam Elpinice met een goedkeurenden hoofdknik. „Hij
-is de beste van allen. Ieder kan een dier slachten en uit de ingewanden
-voorspellen, maar men moet Lampon zien en hooren, wanneer hij een ei
-boven het vuur houdt en uit de barsten zijne waarzeggingen put, of
-wanneer hij uit graankorrels, die hij op den grond legt, geheele
-woorden en letters opmaakt, dan er hoenders bijzet en er op let, wat
-zij oppikken en wat niet. Ook uit de hand, uit helder water uit wat men
-wil, kan hij voorspellen als niemand anders. Lampon is een knap man, op
-wien men zich kan verlaten. Wat Lampon zegt, daaraan kunt ge gelooven,
-alsof het de priesteres [79] op den drievoet te Delphi gezegd had.—Maar
-gij vertelt mij niet, hoe hij u het wonderteeken heeft uitgelegd!”
-
-„Hij heeft dien éénen hoorn als een teeken verklaard van de
-heerschappij van Pericles over Athene,” zeide Telesippe. Elpinice trok
-den neus op. Zij zei niets meer tot lof van Lampon.
-
-„Mijn broeder Cimon,” zeide ze, „gaf, zoo goed als iemand, acht op de
-goddelijke teekenen, en liet eens twaalf dagen achtereen een ram
-slachten, totdat de ingewanden gunstig waren. Toen eerst greep hij den
-vijand aan. Maar hij placht steeds tot den wichelaar, die hem van
-staatswege vergezelde, te zeggen: „Wichelaar doe wat uw ambt u
-voorschrijft, maar vlei mij niet! Vervalsch den wenk der Goden niet, om
-mij te behagen!” De tegenwoordige staatslieden daarentegen zijn daar
-niet mede gediend. De zieners weten wel, wie de waarheid wèl en wie ze
-niet willen hooren. En al mogen de lieden, die zich laten vleien, zich
-in een gunstigen afloop verheugen,—de ware zegen der Godin is toch
-nooit het deel van hen, die de Goden niet eerbiedigen.”
-
-„Meent gij,” hervatte Telesippe, „dat Pericles Lampon bijzonder
-dankbaar was voor zijne voorspelling? Hij glimlachte slechts. Zijn
-vriend, die oude, door de Goden verlaten Anaxagoras, veroorloofde zich
-zelfs spottende aanmerkingen.”
-
-„Sedert den dood van mijn broeder Cimon,” riep Elpinice uit, „hebben we
-de Sophisten [80] in het land gekregen, die Godenverachters!”
-
-„En deze lieden,” zeide Telesippe, „ondermijnen niet alleen de
-godsvrucht en de oude zeden in den staat, zij verstoren ook het
-huiselijk geluk en de huiselijke welvaart. Ik ben de vrouw geweest van
-den rijken Hipponicus en vóór hem had ik zelfs den Archon Basileus [81]
-kunnen huwen, wiens gemalin toch eigenlijk de hoogste waardigheid in
-den staat bekleedt, omdat zij, naar een oud gebruik, aan de heilige
-priesterbedieningen van haar man deel neemt. Maar ik liet mij eerst
-door den rijken Hipponicus winnen, en vervolgens door het waardig en
-tevens zacht, innemend karakter van Pericles. En wat moet ik nu
-beleven, ik die aan iets beters gewoon ben geraakt! In welk een
-huishouden ben ik uit dat van Hipponicus gekomen! En hoe zijn de zaken
-steeds erger geworden! Pericles veronachtzaamt zich zelven en zijn
-huis. Wanneer ik tot hem ga, om over de gewichtigste huiselijke
-aangelegenheden te beraadslagen, dan heeft hij daarvoor geen tijd. Ik
-waag het nauwelijks meer ’s morgens in zijne kamer te komen. Hij wijst
-mij inderdaad de deur! „Lieve Telesippe,” zegt hij dan, „kwel mij ’s
-morgens toch niet met zulke dingen, of kom ten minste niet, dan nadat
-ge een bad gebruikt hebt en gekleed zijt, want ge beleedigt te gelijk
-mijne ooren en mijne oogen.”—Ik ben de vrouw geweest van den rijken
-Hipponicus en hij overlaadde mij met pracht en weelde; maar nooit heeft
-hij zulke taal tegen mij gevoerd. Hier integendeel, waar mij, in plaats
-van pracht en overvloed, enkel schrielheid en bekrompenheid omringt,
-hier zou ik mijn gestrengen echtgenoot en meester slechts mogen
-naderen, als ik een bad genomen heb en gezalfd en bekransd ben! Hoezeer
-heb ik mij verzet, toen hij op den inval kwam, zijne bezitting
-eenvoudig te verpachten en al ’t geld aan zijn vertrouwden slaaf
-Euangelus over te geven. Die is nu rentmeester en opzichter in huis, en
-ik, zijne huisvrouw, ben veroordeeld het geld uit de handen van een
-slaaf te ontvangen. Weet ge, van wien Pericles die mooie manier van
-huishouden heeft geleerd, en wie hem daarin met zijn voorbeeld heeft
-versterkt? Niemand anders dan zijn beste vriend Anaxagoras. Alvorens
-die ellendige dwarskijker en leeglooper zijne geboorteplaats Clazomenae
-verliet, om naar Athene te verhuizen, verweten hem zijne vrienden dat
-hij zijne gronden, welke hij van zijne vaderen geërfd had, niet
-bebouwde, waarop hij ten antwoord gaf: „Doet het zelven, als gij daar
-genoegen in hebt!” Daarna vertrok hij en liet al zijn hebben en houden
-aan de Clazomeniërs, zeggende: „jaagt de geiten van de gemeente in
-mijne akkers en weilanden.”—van dat allooi zijn de vrienden en
-raadslieden van Pericles!”
-
-Telesippe’s klaagliederen werden afgebroken door een slaaf, die hare
-bevelen in een huishoudelijke aangelegenheid kwam vernemen. Andere
-slaven en slavinnen kwamen van de markt terug, na levensmiddelen voor
-den huiselijken maaltijd te hebben ingekocht. Telesippe rook of proefde
-het een of ander stuk, vroeg Elpinice’s oordeel over de frischheid van
-een schelvisch en deelde aan den kok hare bevelen mede. Voorts gaf zij
-aan sommige slavinnen vlas, linnen en andere stoffen om te weven of te
-naaien, ’t geen haar dagelijksche arbeid was.
-
-Toen keerde zij naar hare vriendin terug, om het afgebrokene gesprek
-voort te zetten.
-
-„Ik heb u het ergste nog niet medegedeeld,” vervolgde zij. „Vroeger was
-het hier een eenvoudig, maar rustig huishouden. Dat is veranderd, sinds
-Pericles zijn bloedverwant, den jongen Alcibiades [82], den zoon van
-Clinias, die zijn vader verloren had, uit onbedachtzame goedhartigheid
-in zijn huis opgenomen en hem met zijne eigene kinderen heeft opgevoed.
-Ik zeg uit goedhartigheid; maar daarin betoonde hij zich alleen
-goedhartig jegens zijn bloedverwant, onverantwoordelijk jegens mij en
-zijn eigen vleesch en bloed. Gij weet hoe flink mijne beide jongens
-Xanthippus en Paralus steeds geweest zijn en hoe goed zij door mij in
-behoorlijke tucht zijn gehouden. Den geheelen dag zaten zij rustig in
-een hoek en de paedagoog [83] viel bij hen in slaap zoo weinig moeite
-veroorzaakten zij hem. Pericles noemde hen steeds „suffers” en bekeef
-hen om hunne weinige opgewektheid en levendigheid. Inderdaad echter
-zijn het welopgevoede jongens, zooals ieder vader zich slechts kon
-wenschen. Zij hadden geleerd op een wenk te gehoorzamen. Zij deden
-niets, dan wat hun bevolen was. Zij zaten of liepen, wanneer men het
-wilde hebben. Als men zei: „Paralus, bijt niet altijd op je nagels!” of
-„Xanthippus, peuter niet met je vingers in den neus!” dan beet Paralus
-niet meer op zijn nagels en Xanthippus nam zijne vingers van den neus.
-En als ze soms wat lastig werden, dan behoefde men maar te zeggen: „de
-Mormo [84] komt” of daar is de „Empusa” [85] of de „Acco” [86] of „de
-wolf”, of „het paard bijt”, dan werden zij bleek als een doek en gedwee
-als lammeren. En nu? Gij kent de jongens niet meer, sinds die bengel
-van een Alcibiades in huis is gekomen. Met hem is leven en lawaai en
-allerlei onordelijkheid in de kinderkamer gekomen. Hij begon al
-dadelijk, met de ratelaars en drijftollen, waarin Xanthippus en Paralus
-bijzonder plezier hadden, in een hoek te stoppen en om houten paarden
-en wagens te roepen. Pericles gaf hem den zin en nu rent hij daarmede
-onder een verschrikkelijk geschreeuw en geraas door het Peristylium
-rond, alsof hij in de renbaan te Olympia [87] was. Weldra had hij
-genoeg van de houten paarden en hij spande Paralus en Xanthippus, ja
-eindelijk zelfs den paedagoog voor zijn „Olympische zegekar”, zooals
-hij het noemde. Voor afwisseling ving hij zwaluwen in het Peristylium,
-kortte hare vleugels of liet ze aan een lang touw vliegen.
-
-„In het begin zagen de beide knapen de woestheid van hun nieuwen
-kameraad met eene soort van angstige verbazing aan. Langzamerhand
-echter werden zij er aan gewoon, sloten zich bij hem aan, als hij weer
-’t een of ander kattekwaad uitvoerde, en zagen met alle aandacht toe.
-Later hielpen zij hem daarbij en eindelijk begonnen zij zelfs, al wat
-de wildzang deed, dapper na te apen. Maar hun ingeboren betere aard
-openbaarde zich toch altijd, doordat zij nooit zelven kwâjongensstreken
-bedachten. Zij deden alleen getrouw alles wat Alcibiades hen beval.
-Toen ik nu van de Mormo, de Empusa, de Acco, den wolf of het bijtende
-paard begon te spreken, lachte Alcibiades. Toen Xanthippus en Paralus
-Alcibiades zagen lachen, zonder dat dit invloed had op de Mormo, de
-Empusa, den wolf of het paard, lachten zij eveneens. Zoo verloor ik
-mijne macht over de jongens en luisteren zij niet meer naar mij. De
-paedagoog is een oud man, een slaaf in den dienst van ons huis
-vergrijst, die uit een olijfboom viel en zijn been brak en dien
-Pericles derhalve weder uit goedhartigheid in huis nam, om toezicht
-over de knapen te houden, omdat hij voor vermoeiender arbeid niet meer
-deugde. Nu is zelfs het vuur op den haard voor de jongens niet zeker;
-zij vernielen en breken alles, wat vernield of gebroken kan worden, zij
-klouteren op, waar zij maar kunnen, en vallen er af, dat het mij
-verwondert dat het altijd zoo goed afloopt. De slavinnen in huis worden
-geplaagd en geknepen, de slaven uitgelachen en afgeranseld. Kom ik dan
-eens ernstig tusschenbeide en dreig hen met mijne sandaal [88] dan
-kruipen Xanthippus en Paralus in een wip onder de tafels en bedden, en
-Alcibiades kloutert, als een eekhorentje, tegen de zuilen van het
-peristylium op tot aan de kroonlijst. En Pericles? Wanneer ik hem mijn
-nood klaag, dan lacht hij en neemt den belhamer Alcibiades in
-bescherming tegen de „suffers.”....
-
-Op dit oogenblik werd Telesippe door den kleinen Paralus gestoord, die
-schreiend binnen kwam stuiven.
-
-De beide andere knapen volgden hem op den voet.
-
-„Wij speelden den razenden Aiax,” zei Alcibiades, „den razenden Aiax,
-die zoovele runderen versloeg, toen hij waanzinnig werd, daar hij hen
-voor Achaeërs hield en die stamvader van ons huis is, zooals mijn vader
-Clinias mij verteld heeft. Ik stelde Aiax voor, Paralus en Xanthippus
-de runderen. Ik heb hen echter niet hard geslagen.”
-
-„Ellendige jongen!” riep Telesippe toornig opvliegende uit, drukte
-Paralus en Xanthippus aan haar hart en liefkoosde hen, om ze te
-troosten.
-
-Inmiddels vestigde Elpinice onafgewend de oogen op den kleinen
-Alcibiades.
-
-„’t Is toch een prachtig mooie jongen!” zeide ze. „Die donkere, vurige
-oogen—dat sneeuwwitte voorhoofd—die prachtige golvende lokken”—
-
-„Een onhandelbare bengel is hij!” riep Telesippe, geprikkeld door de
-bewondering, die hare vriendin voor den knaap scheen opgevat te hebben.
-Toen riep zij den paedagoog. Hinkend kwam de oude man aanstrompelen.
-„Waarom hebt ge niet verhinderd, dat Alcibiades de beide knapen
-afranselde?” snauwde zij hem toe.
-
-„Hij deed zelf in ons spel meê,” viel Alcibiades in; „hij stond reeds
-klaar als het Trojaansche paard, waarmede ik later Ilium binnen wilde
-trekken.”
-
-Telesippe keek den paedagoog verbaasd aan.
-
-„Gebiedster Telesippe,” hernam deze, „het is niet de eerste maal, dat
-ik gedwongen ben geweest aan de luimen van dezen dollen jongen mijn rug
-te leenen.—Gisteren heeft hij mij in de hand gebeten, als een jonge
-hond”—
-
-„Bah, zeg liever als een jonge leeuw!” riep de kleine Alcibiades
-beleedigd uit.
-
-„O Zeus en Apollo,” bracht Elpinice uit met levendige gebaren. Daarna
-den jongen tot zich trekkende, ging zij vleiend voort: „Gij zijt zeker
-een moedige knaap en zoo ge onder den grooten Cimon, mijn broeder,
-geleefd had, zoudt ge zonder twijfel geholpen hebben om de Perzen te
-verslaan. In dien tijd echter, mijn jongen, waren de knapen heel anders
-dan tegenwoordig. Zij waren niet brutaal en neuswijs en aanmatigend. En
-zij gebruikten geen zalven en warme baden. Aan tafel zaten zij netjes,
-zonder de beenen te kruizen en zonder een blaadje groente zelf te
-nemen. In de worstelschool strekten zij, wanneer zij op het zand zaten,
-de beenen zoo uit, dat de eerbaarheid er niet door beleedigd werd, en
-stonden zij op, dan wischten zij aanstonds de sporen van hunne jeugdige
-ledematen in het zand uit. ’s Morgens zag men hen dun en licht gekleed,
-ook wanneer het stormde en regende, naar den muziekmeester gaan en zij
-leerde daar oude, degelijke stukken, zooals „Pallas, de
-Stedebedwingster” of een gezang van Simonides [89], niet zulke
-weekelijke liederen, als thans in de mode zijn, met draaien en krullen,
-waarvoor men zulk een ondeugenden bengel met de roede moest geven.
-Bedenk, zoon van Clinias, weldra zult gij ook met uwe makkers naar de
-school gezonden worden, gij zult de spraakkunst leeren en gymnastiek en
-de lier bespelen en op de fluit blazen.”
-
-„Neen!” riep de kleine Alcibiades, „op de fluit blazen wil ik niet—dat
-staat leelijk—de wangen worden er zoo door opgezet—zóó.” En daarbij
-blies hij zijne wangen op, zooveel hij kon.
-
-„O, hoe ijdel!” riep Elpinice, en wilde den knaap kussen.
-
-Doch oude vrijsters zijn bij kinderen niet erg bemind. Alcibiades blies
-Elpinice, om zich aan hare omhelzing te onttrekken, brutaal al de lucht
-uit zijn bolle wangen in het gezicht en sprong spottend lachend weg.
-
-Elpinice was boos. Zij sprong op van haar stoel, om zich
-oogenblikkelijk te verwijderen. Zij nam haar himation weder op, sloeg
-den eenen tip van den langen mantel over den linker schouder naar voren
-en hield hem met den linker arm tegen het lichaam aan. Daarop trok zij
-het gewaad over den rug naar de rechterzijde, zoodat het niet alleen
-dit doel van het lichaam, maar ook het hoofd, met uitzondering van het
-gezicht, bedekte. Ten laatste schoof zij het onder de kin weder over
-den linker schouder terug, zoodat een slip over haar rug afhing.
-
-„Gij ziet,” zeide Telesippe, terwijl zij hare vriendin nog weerhield,
-„gij ziet, welk een lot ik hier duld. Zoo slijt ik mijn leven, met dien
-ellendigen jongen aan den hals, met een echtgenoot, die er zich niet om
-bekommert, vreugdeloos, geplaagd, geminacht, ik, die eens de vrouw had
-kunnen zijn van Archon Basileus—ik, die deel had kunnen nemen aan de
-heiligste verrichtingen van den Atheenschen godsdienst!”
-
-„Mijn broeder Cimon was gewoon te zeggen,” hernam Elpinice: „Nieuwe
-tijden, booze tijden!—De wereld gaat haar gang en zij bevordert het
-eerzuchtig pogen der mannen maar ook wij vrouwen zijn er nog. Denk er
-aan, Telesippe, en laat u, wat ik zeg, voor heden genoeg zijn: wanneer
-wij vrouwen ons aaneengesloten houden en ons vastklemmen aan de
-raderen, dan zal men de wereld niet zoo spoedig geheel uit het oude
-spoor lichten!”
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-DE MARSKRAMER VAN HALIMUS.
-
-
-Toen de staatsman Pericles en zijn vriend, de wijze Anaxagoras, het
-huis van Pericles hadden verlaten, daalden zij de straat, die van den
-grooten schouwburg van Dionysus naar den voet der zuidelijke helling
-van de Acropolis voerde, af, en toen noordwaarts de straat in, die
-tusschen de westelijke helling van de Acropolis en den heuvel van den
-Areopagus [90] tot aan de Agora doorliep.
-
-Nu hadden zij hun doel bereikt. Zij stonden op de Agora. Dit middelpunt
-van het Atheensche leven en verkeer ligt in den Ceramicus [91]. Het
-ligt als geborgen onder de hoede der gezamenlijke heuvelen van Athene:
-naar het zuiden heeft het de steile rots van den Areopagus, aan de
-westzijde den Nymphen-heuvel, waaraan in zuidelijke richting de
-beroemde hoogte van de Pnyx zich aansluit, naar het noorden ligt eene
-middelmatige hoogte, die den tempel van Theseus draagt en in het
-noordwesten ruischen de boschjes van het doorluchte Coloneüs [92].
-
-Zoo zien al de door sagen beroemde en geheiligde hoogten van Athene op
-de Agora neder.
-
-Op het midden daarvan verheft zich het altaar der twaalf groote
-Olympische Goden. Hier prijken voorts de koperen standbeelden der tien
-door sagen verheerlijkte stamheroën van het Attische volk en land. In
-de nabijheid van deze standbeelden der stamhelden is aan ieder der
-negen archonten, de eerwaardigste overheid van Athene, zijne openbare
-werkzaamheid in de Agora toegedeeld. Hier staat ook het meerendeel der
-gerechtshoven; hier de raadszaal van den raad der Vijfhonderden: het
-„bouleuterion” en het ronde, met een koepel bedekte gebouw van den
-Tholus [93].
-
-Dichter opeen gepakt dan gewoonlijk stormt heden de volkshoop naar deze
-verzamelplaatsen; men ziet de Prytanen zich met spoed naar den Tholus
-begeven, die mannen, welke behooren tot de afdeeling van den Raad,
-welke juist in functie is. Ook vele andere overheidspersonen ziet men
-over de marktplaats gaan. Men merkt hen nauwelijks op. Nu echter komt
-Pericles, de strateeg. Op hem zijn aanstonds aller oogen gevestigd. Hij
-neemt afscheid van zijn geleider Anaxagoras en begeeft zich in den
-Tholus bij de Prytanen. Hij heeft met deze mannen, die de onderwerpen,
-welke in de volksvergadering zullen behandeld worden, vooraf bespreken
-en zelven de leiding hebben, nog iets voor den dag van heden te
-overleggen.
-
-Ook statige tempels verheffen zich op de schitterende, ruime Agora der
-Atheners en fraaie zuilengaanderijen door de kunst versierd, strekken
-zich daar uit.
-
-Verkwikkend voor het oog is, te midden van dezen ruimen kring van
-tinnen en zuilengaanderijen, die in de stralen der zon schitteren, het
-groen der platanen, welke, van Cimon afkomstig, steeds in dankbare
-herinnering zijn, daar zij de zwoele zomerhitte op de Agora temperen en
-weldadig het druk gewoel beschaduwen.
-
-Onder gevlochten huiven, die tegen regen en zon bedekken, ligt in
-tallooze winkels de bonte, welriekende en veelvuldige rijkdom der
-Atheensche markt uitgestald.
-
-Uien en latuwe, komijn en sterkers, thym en honig, rundvleesch en
-visch, gevogelte en wild—verdienen zij onze vluchtige beschouwing,
-omdat ze zich op de markt van het oude Athene aan ons oog vertoonen?
-Waarom niet? Wat onder Attica’s hemel is gerijpt, is edeler dan andere
-streken voortbrengen, en de Grieksche zon heeft het met fijnere sappen
-gekruid.
-
-Ook de naburen brengen hun beste producten te Athene ter markt. Deze
-zachte, sappige groenten heeft Megara [94] gezonden. Deze ganzen, die
-heerlijke watersnippen en strandloopers komen uit het vette Boeötische
-land.
-
-Het grootste gewoel heerscht er op de markt, ginds om de schubbige
-bewoners der zee. Van den goedkoopsten zoutevisch, die er bestaat, die
-toch met olie besmeerd, in gekruide bladeren gewikkeld en in heete asch
-gebraden, heerlijk smaakt, tot op de meest geprezen en duurste
-lekkernijen van deze soort, de Boeötische aal, is hier alles
-uitgestald, wat er in de honderd golven der diep inspringende Grieksche
-kusten heerlijks wemelt. Deze sardijnen daar uit de naburige baai van
-Phaleron zijn zoo malsch, dat ze, om zoo te zeggen, het vuur maar
-behoeven te zien om gebraden te zijn.
-
-Wie geen lust heeft, de bestanddeelen van zijn maaltijd naar huis te
-dragen, kan op de plaats zelve zijne begeerte bevredigen. Naar den geur
-te oordeelen, is zelfs het sappige ezelsgebraad daar niet te versmaden;
-de verkooper ten minste roemt het lendestuk als eene lekkernij. Zijn
-buurman wel is waar spreidt niet luid klinkende stem al zijne
-welsprekendheid ten toon, om te bewijzen dat zijn geitevleesch de
-voorkeur verdient en dat dit het voedzaamste van alle vleeschsoorten
-is, een ware „athletenkost.”
-
-Wilt gij u aan de vleesch- en bloedlucht onttrekken—evenwel de
-Olympiërs zelven hebben een welgevallen daarin en versmaden geenszins
-de offers—en begeert ge aan fijnere en edeler geuren u te vergasten,
-begeef u dan ginds naar dien kant, waar de schalksche blikken van een
-meisje, dat kransen vlecht, of een blonde knaap u wenken. De Athener
-houdt ongeloofelijk veel van kransen. Zij vergezellen hem van de wieg
-tot aan het graf. Met kransen tooit zich te Athene niet alleen de roem,
-de liefde, de dood, de vreugde en iedere soort van feestelijkheid, niet
-slechts de drinker omwindt zijn voorhoofd, ja zijn geheele lichaam met
-kransen bij het symposion [95], ook de magistraat zet zich den krans op
-’t hoofd, wanneer hij zijne betrekking waarneemt, en eveneens de
-redenaar, wanneer hij zich gereed maakt, op de Pnyx tot het vergaderde
-volk te spreken. Uit myrthe vlecht Athene zijne kransen en uit rozen;
-den klimop en zelfs het loof der zilverpopulieren versmaadt het niet;
-hyacinthen woelt het gaarne door het groen der myrthen; maar bij
-voorkeur schijnt het toch het teedere viooltje lief te hebben, want
-zijne dichters spreken van „het met violen omkranste Athene.” Nu echter
-bevinden we ons op de pottebakkersmarkt, den trots van den Atheenschen
-kunstwerker. Naar de potten toch wordt sedert overoude tijden deze
-geheele stadswijk geheeten en op de koopvaardijschepen gaan van daar de
-voortbrengselen van de Attische kleiaarde, door de Goden zoo rijk
-gezegend, naar alle wereldstreken. De Athener vormt deze klei van zijn
-geboortegrond, evenals zijn Attisch marmer, met den fijnen
-kunstenaarszin, dien de Goden, naar hun wijs bestek, hem bij zijne
-voortreffelijke klei en marmer verleende.
-
-Zie toch van de kleine, platte phiale [96] zonder hengsels en voeten,
-tot aan den reusachtigen pithos [97], die honderd amphoren wijns
-bevat, en toch slechts pottebakkerswerk is, heeft alles eene zekere
-netheid en sierlijkheid. Deze amphoren, met wijde buiken, met dubbele
-hengsels, deze hydriën [98], deze reukfleschjes, met nauwen hals,
-waaruit de vloeistof slechts droppelsgewijze en met klokkend geluid
-vloeit, deze ontzaggelijke mengvaten, deze schepvaten, deze bekers, van
-allerlei vorm, zij zijn alle schoon.
-
-Geen enkel stuk is er onder, dat leelijk is, omdat het alleen voor het
-gebruik moest dienen, Ook het vaatwerk voor dagelijksch gebruik, ja
-zelfs het vat, waarin de Griek zijn wijn, zijn honig, zijn olie voor de
-spijzen, zijn olie, om zich te zalven, bewaart, is schoon. Het mist
-noch de bevallige evenredigheid en bekoorlijkheid, noch de
-goedberekende omtrekken.
-
-Wanneer men hier wandelt, gelooft men niet, dat men op eene markt en te
-midden van waren wandelt; want het schoone behoort niet alleen hem, die
-het betaalt, het doet ieder, die voorbijgaat, aangenaam aan, en wanneer
-de omgeving van den mensch den hartverheffenden stempel der schoonheid
-draagt, daar hebben allen aan alles deel en daar is in den besten zin
-het ideaal van goederengemeenschap verwezenlijkt.
-
-Wij zouden ook nog de zalfmarkt kunnen doorwandelen, en de
-kleerenmarkt, waar, met de inheemsche dracht modes van het buitenland,
-als mantels uit Megara, Thessalische hoeden, schoenen uit Amyclea [99],
-en Sicyon [100] liefhebbers en koopers vinden. Het liefst wel zouden we
-de boekenrollen beschouwen, die daar meest in cylindervormige kasten
-ten toon staan. Gaarne zouden we de breede bladen van beschreven
-papyros ontvouwen, die, om staven gewikkeld welke aan beide uiteinden
-met elpenbeenen of metalen knoppen versierd zijn, door ronde of gele
-perkamentbanden worden samengehouden. Maar het geschreeuw der roepers,
-het gedruisch van de markt is te groot, dan dat we ons zouden kunnen
-verdiepen in de boekenwijsheid der Atheners.
-
-Een kolenbrander uit Acharnae [101] en een marskramer uit Halimus
-prijzen om het hardst al rond loopende hunne waren aan. Bij hen sluit
-zich een derde aan, die de Atheners opwekt, zijne voortreffelijke
-lampenkousen te koopen. Weldra echter klinkt het van alle kanten:
-„koopt olie!” „koopt azijn!” en daartusschen maken stadsomroepers
-bekend, dat deze en gene waren gelost zijn, of kondigen den prijs aan,
-die er is uitgeloofd voor de ontdekking van een diefstal of het
-terugbrengen van een weggeloopen slaaf. Wat men echter in het
-marktgewoel mist, zijn de vrouwen. Geen Athener zendt zijne vrouw of
-dochter naar de markt. Hij stuurt zijn slaaf of hij gaat zelf in eigen
-persoon om inkoopen te doen voor het familiemaal.
-
-Maar woelt daar niet, bij den tempel van Aphrodite Pandemus [102] een
-tal van eigenaardig opgeschikte vrouwen? Zij behooren niet tot
-koopsters op de markt, maar tot de verkoopsters. Zij zijn verkoopsters
-en koopwaren tegelijk. Daaronder zijn fluitspeelsters en danseressen,
-die zich laten huren voor de symposiën der rijken, om vroolijke gasten
-te bekooren. Op de Agora staan ook wisseltafels, even goed als in den
-Piraeus, en de Athener deponeert zijn baar geld bij deze wisselaars en
-bankiers, om het naar behoefte in kleine sommen weder terug te nemen.
-
-De Athener heeft tallooze redenen om dagelijks minstens eenmaal de
-Agora te bezoeken, en wanneer hem ook eene oorzaak mocht ontbreken, dan
-gaat hij er toch heen. Hij is door en door een gezellig wezen.
-Aanhoudende omgang met zijns gelijken is hem eene behoefte. Overal
-heerscht deze gezelligheid en spraakzaamheid: in de winkels, in de
-gaanderijen, in de baden, in de barbierswinkels, zelfs in de
-werkplaatsen der arbeidslieden, alleen niet in kroegen: deze kent de
-Athener ternauwernood, of laat ze over aan de heffe des volks.
-
-Wat beteekent die groote, gewapende troep lieden, die daar juist in het
-midden der bijna onafzienbare Agora zich geposteerd heeft? Dat zijn de
-duizend Scythische boogschutters, die als huurlingen de markt der
-Atheners, naar oud gebruik, bewaken, eene soort van stads- en
-politiewacht, in dienst van den Raad van Vijfhonderd. Deze zonen uit
-het verre Scythenland vermaken de Atheners door hun barbaarsch
-koeterwaalsch, zooals ze het Grieksch radbraken en door—den onlesbaren
-dorst hunner kelen.
-
-Zij hebben stompe neuzen, en gezichten zonder uitdrukking, die
-ongunstig afsteken bij de prachtig gesneden gezichten en de trekken,
-vol uitdrukking, der inboorlingen. Die buitenlanders zijn plomp en
-onbehouwen; deze inboorlingen daarentegen zijn fijn gebouwd en alles is
-vuur en spier in hen.
-
-De bewegingen van genen schijnen hier traag en lomp, zelfs leelijk, als
-zij zich haasten; in de bewegingen van dezen is iets bevalligs, iets
-edels. Zelfs die kolenbrander uit Acharnae houdt zich recht en die
-marskramer uit Halimus, die zijn armoedig, linnen gewaad met moeite
-voor de volksvergadering van heden met wat krijt eenigen nieuwen glans
-heeft gegeven, ziet, terwijl hij zijne waren rondvent, met eene soort
-van trots om zich heen. Hij slaat, terwijl hij over de markt loopt,
-zijne armen heen en weer; doch zijn bovenlijf blijft in waardige rust.
-In de oogen van al deze mannen staat de spreekwoordelijk geworden
-„Attische blik” te lezen. Wat deze blik beduidt? Het is moeilijk te
-zeggen. De „Attische blik” is, als het geheele wezen der Atheners, een
-spiegel van zeer verscheidene, beminnelijke en onbeminnelijke
-eigenschappen. Ieder oogenblik is deze Attische blik gereed in Attisch
-gekruid, bijtend, schertsend woord over te gaan. De Athener schijnt
-ernstig, maar uit zijn ernst springt onverwachts een sarkastisch
-gezegde, als de vonk uit den vuursteen. Hij heeft een aangeboren
-geestigheid en weet die te gebruiken.
-
-Midden door de drukte der Agora beweegt zich sedert eenigen tijd een
-man, wiens gewaad en statig uitzicht zekere welgesteldheid verraden,
-terwijl hij echter met de oogen van een onbekende rondom zich ziet.
-Hier en daar heeft hij zich naar een winkel begeven, heeft naar den
-prijs van deze en gene waren gevraagd, steeds echter scheen hij
-bezwaren te hebben, zooals dat met een vreemdeling pleegt te gebeuren.
-
-Juist gaat de marskramer van Halimus hem langzaam voorbij.
-
-„Ik kan niet wijs worden,” zegt de vreemdeling tot den bandkramer,
-misschien aangemoedigd door den blik van nieuwsgierigheid of
-deelneming, welke deze op hem sloeg, „ik kan niet wijs worden uit de
-bedoelingen van deze handelaars. Ik geloof dat men mij wil afzetten...”
-
-„Zijt gij dan een vreemdeling?” vroeg de bandkramer.
-
-„Ja zeker,” hernam deze. „Ik ben met mijne familie uit Sicyon gekomen
-en dat wel vóór pas weinige dagen. Ik denk mij hier te vestigen. Ik wil
-in ’t vervolg liever een vreemde te Athene zijn, dan burger te Sicyon,
-waar ik het van mijne vijanden hard te verduren gehad heb.”
-
-Toen de bandkramer van Halimus hoorde, dat deze man geen Atheensch
-burger, maar een vreemdeling was—hij had hem voor een raadsheer
-aangezien—hief hij ’t hoofd nog meer op en zeide met eene soort van
-welwillendheid:
-
-„Vriend, wanneer u de waarde van onze munten en de prijzen onzer waren
-onbekend zijn, moet ge trachten die te leeren kennen en wel, als ’t
-mogelijk is, van een eerlijk man.—Zie hier,” ging hij voort, terwijl
-hij een zeer klein, dun zilverstukje te voorschijn haalde en op de
-vlakke hand lei, „zie hier, dat is Attisch zilver, zooals wij het
-daarboven uit Laurion [103] delven. In de geheele wereld vindt ge zulk
-fijn en zuiver zilver niet als dit. Dit muntstukje evenwel is ons
-kleinste zilvergeld, een halve obool, daarvoor kunt ge u een gemeene
-kaas of een leverworstje of een redelijk stuk vleesch koopen, zooals ge
-slechts met goeden eetlust kunt op-eten. Geeft ge een heelen obool, dan
-krijgt ge een vleeschmaaltijd, die kostelijk is toebereid. Voor vier
-obolen kunt ge een lekkeren zeevisch mee naar huis nemen. Hebt ge zes
-obolen bij elkaar, dat is zooveel als eene drachme, dan kunt ge
-daarvoor een grooter zilverstuk met het hoofd van Athene op de eene en
-den lauwrieren omkransten Attischen uil op de andere zijde inwisselen.
-Voor zoo’n drachme krijgt ge nu een schotel goed toebereide zeeëgels;
-voor twee zulke drachmen een heel schepel gerstemeel, voor drie een
-schepel weit of eene Copaïsche aal en voor tien zulke drachmen kunt ge
-u een chiton koopen, als hij niet van al te fijne stof moet zijn. Hebt
-ge honderd drachmen bijeen, dan is dat eene mine, en voor anderhalve
-mine kunt ge u een slaaf koopen; voor drie minen een paard of een zeer
-klein huisje, wilt ge een grooter en beter hebben, dan moet ge stellig
-zestig minen besteden en dat maakt een talent uit.—Ziet ge, op deze
-wijze kunt ge u allerlei lekkernijen en prachtige zaken te Athene voor
-weinig geld verschaffen. Wanneer u echter ook dit weinige ontbreekt,
-dan moet ge maar doen, als wij arme lieden: gij moet u eenvoudig voeden
-met onze inlandsche gerstekoeken en kunt daarbij op het hartige,
-inlandsche knoflook kauwen.”
-
-Op dit oogenblik werd de spreker gestoord door den toon van eene
-geweldige stem, die over de markt klonk. Het was de stem van den
-heraut, die nu mondeling de schriftelijke oproeping aan de Atheners,
-welke voor het bouleuterion aangeplakt was, herhaalde, om zich op de
-Pnyx te verzamelen, er bijvoegende dat over een uur de vergadering zou
-geopend worden.
-
-Tegelijk werd er op de hoogte van de Pnyx eene groote vlag geheschen,
-welke als teeken der ophanden zijnde volksvergadering boven de stad
-wapperde, heinde en verre zichtbaar.
-
-Overal drong het volk om den heraut en er ontstond eene soort van
-gisting onder de menigte.
-
-Reeds van den vroegen morgen af waren de Atheners op de been en overal,
-waar zich menschen plachten te verzamelen, hoorde men een levendig
-gesprek, dat niet zelden zeer hoog liep. De stem van den heraut
-wakkerde het vuur van het politieke gesprek tot een nieuwen en
-helderder gloed aan.
-
-„Achttienhonderd talenten moet de schat bedragen, die met het
-staatsschip van Delos is overgebracht!” riep er een uit het midden van
-eene groep burgers.
-
-„Drieduizend talenten zijn het!” riep een tweede.
-
-„Zesduizend!” viel levendig een derde in. „Zesduizend talenten zeg ik
-u, zijn van Delos overgekomen—zesduizend talenten, baar geld.”
-
-„Hoezee!” riep een vierde en sprong op van blijdschap. „Waar geld is,
-zegt het spreekwoord, daar blaast de wind lustig in de zeilen!”
-
-„Wat de nieuwe gebouwen betreft,” sprak een vijfde uit de groep met een
-bedenkelijk gezicht, „vooral het nieuwe heiligdom van Pallas op den
-burg, daar heb ik vrede mee; maar wat het rechterloon betreft en vooral
-de gelden voor den schouwburg—”
-
-„Wat? Gunt gij die dan het volk niet?” klonk eene stem uit de groep der
-arme burgers den spreker tegen.
-
-„Ja wel!” hernam gene. „Ik denk alleen, dat het voorstel niet door zal
-gaan. De oligarchen zullen het wel verhinderen. Tooneelgelden voor het
-volk? Dat zullen de vele Laconer vrienden niet toestaan. Neen stellig
-niet!”
-
-„Ik geloof integendeel,” meende een ander, „dat de schouwburggelden
-gemakkelijk zullen doorgedreven worden, want de menigte volks is immers
-op Pnyx tegenover de oligarchen in de meerderheid. Maar wat betreft de
-bouwwerken en vooral den nieuwen tempel van Pallas Athene...”
-
-„Hoe?” vielen verscheidenen den spreker in de rede, „wilt ge dat we
-niet bouwen zullen?”
-
-„Dat niet,” hernam gene. „Ik meen slechts...”
-
-„Kom, wacht toch!” viel hem iemand in de rede, „laten we eerst Pericles
-hooren!”
-
-„Ja, bravo, laten we eerst Pericles hooren!” klonk het in den kring.
-Alleen de worsthandelaar Pamphilus trok den neus op en zeide:
-
-„Pericles en eeuwig Pericles! Moeten we dan altijd naar hem hooren?”
-
-„Waarom niet?” gaf men hem ten antwoord, „Pericles is
-verstandig—Pericles meent het goed met ons—Pericles is de man, aan wien
-de Atheners het vet op de soep te danken hebben—Pericles is hier de
-eenige in Athene, van wien zijne medeburgers niets kwaads weten te
-zeggen.”
-
-„Wat?” riep de dwarsdrijver; „niets kwaads? zeggen dat niet alle
-ouderen van jaren dat hij in zijne trekken eene zekere gelijkenis heeft
-met Pisistratus, den tyran?”
-
-„Dat is waar,” hernam Phamphilus. „Ook heeft hij, wat niet allen bekend
-is, een zoogenaamden uienkop.”
-
-„Wat? Een uienkop?” riepen de toehoorders.
-
-„Wel zeker, een uienkop!” hervatte de ander. „Weet toch,” vervolgde hij
-geheimzinnig, „dat de schoone, statige Pericles op zijn kruin een
-knobbeltje heeft, zoodat zijn hoofd eenigermate spits toeloopt, niet
-ongelijk aan een ui.”
-
-„Malligheid!” riepen de anderen. „Heeft een uwer dezen uienkop van
-Pericles ooit gezien?”
-
-„Niemand!” vervolgde de andere levendig. „Niemand heeft hem gezien! Dat
-is zeker. Maar hoe zou men ook den uienkop van Pericles kunnen zien? In
-het veld draagt Pericles zijn strategenhelm en ook in vredestijd bedekt
-hij, zooveel mogelijk, het hoofd daarmede. En waar het niet voegt, nu
-daar behelpt hij zich op eene andere wijze. Op het redenaarsgestoelte
-b.v. draagt hij den gebruikelijken myrthenkrans om het hoofd; en
-gewoonlijk heeft hij op straat den breedgeranden Thessalischen hoed op.
-En zoo is het volkomen waar, dat niemand nauwkeurig het hoofd van
-Pericles heeft gezien; maar juist omdat niemand het gezien heeft, ligt
-het vermoeden voor de hand, dat zijn hoofd een uienkop is; want wanneer
-het niet zoo ware, welke reden zou Pericles dan hebben, het zoo
-zorgvuldig te verbergen?”—„Ja zeker, natuurlijk,” zeiden vele
-toehoorders, met goedkeurend gebaar; „het lijdt geen twijfel, dat
-Pericles’ hoofd een uienkop is.”
-
-„Wanneer dat zoo is,” merkte lachend een van de oligarchische partij
-op, die zich in de groep bevond, met een spottenden, zijdelingschen
-blik op eenige armoedig gekleede mannen, die ook naar het gesprek
-luisterden: „wanneer de volksvriend Pericles een uienkop heeft, dan mag
-hij dien wel goed bewaren, tegen de liefde van zijne beste vrienden en
-aanhangers, de uien- en knoflookkauwers.” Sommigen lachten om de
-geestigheid van den oligarch. Maar onder de mannen, die de spottende,
-zijdelingsche blik getroffen had, bevond zich ook de marskramer uit
-Halimus. Het scheen dat er een bliksemstraal uit zijn donker oog
-schoot, hij balde de vuist en was op het punt den oligarch een scherp
-woord naar het hoofd te slingeren.
-
-Op dit oogenblik naderde hem een man, die ’t geen hij op de markt
-gekocht had, in de plooien van zijn gewaad droeg.
-
-„Hei daar, Phidippides!” riep een van hen hem toe, „hebt ge weer een
-half uur staan pingelen, oude schacheraar?”
-
-„Ja zeker!” hernam Phidippides: „voor deze beide nietige vischjes vroeg
-het wijf twee obolen!”
-
-„En ge kreegt ze ten laatste—?”
-
-„Voor één,” hernam Phidippides met een grijnslach, doch voegde er
-aanstonds bij: „ongetwijfeld deugt het goed niet, anders had het wijf
-het mij niet zoo goedkoop gelaten. Men wordt altijd bedot.”
-
-De toehoorders lachten. „Phidippides,” vervolgde de man van zoo straks,
-„gij zijt een kerel en weet van huishouden. Wat zegt gij van de
-verkwisting van Pericles, die nu hebben wil, dat wij den bondsschat,
-die hierheen gekomen is, voor allerlei loon- en tooneelgelden en voor
-een groot, prachtig heiligdom van Pallas op de Acropolis zullen
-besteden? Hebt gij daar niets tegen in te brengen, Phidippides?”
-
-„Pallas Athene beware mij daarvoor!” riep deze uit. „Moge de zegen van
-alle Goden komen over het hoofd van onzen grooten en wijzen Pericles!
-Ik heb daar niets, niemendal tegen in te brengen, integendeel, ik zeg:
-wij moeten bouwen: het prachtige heiligdom van Athene op den burg
-moeten wij hebben, ook wanneer het al de bondsgelden te zamen zou
-verslinden.”
-
-„Wat? Gij zijt spaarzaam in uw eigen huis, gij ziet op een kruimel, en
-met de staatsgelden zijt gij zoo mild?” vroegen eenigen.
-
-„Ja zie,” hernam Phidippides, „in huis, daar loont het de moeite niet
-vrijgevig te zijn of op een weelderigen voet zich in te richten.
-Wanneer toch zijn we thuis? Wanneer veroorlooven de bezigheden het den
-Atheenschen burger thuis te zijn? Nu eens moet hij naar de markt, dan
-weer naar de volksvergadering, straks naar de vergadering zijner wijk
-of broederschap, dan weer eens naar het eene of andere gerechtshof of
-eene club, of naar den Piraeus of naar zijn land om naar de schapen te
-gaan zien—wanneer dan, vraag ik, is de Atheensche burger thuis? De
-Atheensche burger behoort aan den staat en de staat behoort aan hem;
-daarom is het altijd mijne leus: zuinig aan den huiselijken haard, maar
-royaal en mild voor den staat, voor het algemeen! Wanneer ik mijn eigen
-huis verfraai, dan heb ik maar een korten tijd er plezier van en
-misschien brengt mijn zoon en erfgenaam het er weer door. Maar wat ik
-daarboven op de Acropolis help bouwen, dat blijft en dat laat ik na aan
-mijne verste nazaten!”
-
-„Phidippides heeft gelijk!” zeiden de mannen, terwijl ze elkander met
-een goedkeurenden knik aanzagen.
-
-Maar de man van de oligarchische partij, die straks die aardigheid, ten
-koste van het volk veroorloofd had, verhief nu zijne stem opnieuw.
-
-„Alles met mate,” zeide hij. „Men moet met de hand en niet met den zak
-zaaien. Als we geen maat houden, dan gaat de staat achteruit en het
-trotsche gebouw der Atheensche macht en grootheid komt smadelijk ten
-val!”
-
-„Moge het u op den neus vallen!” riep de nog altijd verstoorde
-marskramer van Halimus, terwijl hij den oligarch met de vuist dreigde.
-
-De omstanders lachten. Phidippides begon nu weer: „Ziet toch eens de
-rijkste mannen van Athene. Zij weten wel, waarmede zij den grootsten
-roem kunnen behalen: niet door prachtige huizen voor zich te bouwen,
-maar door schepen voor den staat uit te rusten, door koren uit de
-openbare schouwspelen op hunne eigen kosten op te voeren en andere
-dergelijke dingen te doen, waartoe de wet hen wel verplicht, maar
-waarin zij onder elkander een roemrijken wedijver aan den dag leggen,
-door meer te doen, dan wat van hen gevorderd wordt. Is er iets,
-waarvoor zij hun rijkdommen liever besteden, dan hiervoor, hoewel zij
-er slechts den glans van den staat door opluisteren, terwijl zij zich
-zelven bijna tot armoede brengen?”
-
-„Inderdaad,” viel de oligarch in, „zoo handelen de rijken. Ongelukkig
-echter komt het thans bij die diensten meer op uiterlijken praal aan,
-dan op het degelijke en waarlijk belangrijke. De Triërarchen gaan
-dikwijls aan boord, zonder zich voor hunne manschappen van iets anders
-dan van meel, uien en kaas te hebben voorzien. Zij echter, die een koor
-voor een treurspel op hunne kosten inrichten en opvoeren, kweeken deze
-choreuten [104] tot ontwikkeling en behoud hunner stem een geruimen
-tijd op met allerlei zoetigheden en lekkernijen, en moeten het
-bovendien nog verdragen, wanneer hun koor in een wedstrijd overwonnen
-wordt, dat ze uitgelachen en beschimpt worden. Deze gewoonten zullen
-ons verwijfd maken. We moesten toch een weinig meer acht geven op het
-voorbeeld der mannelijke, krijgshaftige Spartanen.”
-
-„Hij is een vriend der Laconiërs!” riepen sommigen uit den kring op
-spottenden toon.
-
-„Ja, zeker een vriend der Laconiërs!” zeide de oligarch. „Ik herhaal
-het, wij moeten het voorbeeld der Spartanen navolgen, anders zal onze
-heerlijkheid niet lang duren, vooral als wij voortgaan met de teugels
-van den staat hoe langer zoo meer in de handen van onbemiddelde,
-hongerige, omkoopbare lieden uit het volk te laten glijden.”
-
-De marskramer van Halimus, die uit de verte toehoorde, balde bij deze
-woorden van den oligarch op nieuw de vuist. Met moeite bracht hem een
-zijner kameraden tot bedaren.
-
-„Ik heb verleden nacht een wonderlijken droom gehad,” ving thans een
-uit den kring der mannen aan, „en ik zou wel willen weten, wat die
-beteekende. Ik zag eerst een groote duisternis rondom mij uitgebreid.
-Toen zag ik een man komen—hij had de trekken van Pericles—en eene
-fakkel ontsteken, die steeds grooter werd, totdat zij ten laatste als
-eene gloeiende zon van den hemel glansde. Toen schitterde alles rondom
-in een helder daglicht. Maar die reusachtige fakkel begon juist door
-hare heete stralen weer dampen uit de aarde tot zich te trekken—deze
-werden al dichter en somberder en pakten zich samen tot wolken, en ten
-laatste verdween de fakkel geheel en al achter deze en werd het weer
-even donker als te voren. Het was eene zeldzame afwisseling van licht
-en duisternis. Zou deze droom ook een onheil beteekenen?”
-
-„Niet alle droomen zijn door de Goden gezonden,” hernam een der
-toehoorders.
-
-„Gij dwaalt,” zei de oligarch. „Droomen hebben steeds eene beteekenis.
-Ik zelf ben eens gered door een waarschuwenden droom, toen ik mij op
-een schip wilde begeven, dat later met man en muis in de golven
-verdween. De Goden hebben niet gewild, dat ik op zulk eene wijze zou
-omkomen.”
-
-„Misschien wilden zij, dat gij gehangen werd!” schreeuwde de kramer van
-Halimus, die zijn lang ingehouden toorn niet meer kon bedwingen.
-
-De oligarch wierp een donkeren blik op den man, die zóó gesproken had.
-Het scheen, dat hij den vermetelen spotter het duur betaald wilde
-zetten.
-
-Maar toen hij in den kring rondzag, las hij op de gezichten, dat men
-het met den spotter eens was, en daar deze zoo strijdlustig op hem
-toetrad, alsof hij hem met zijne krachtige vuisten te lijf wilde,
-achtte hij het wijzer in het gedrang van het volk te verdwijnen. Het
-volk zette zich in beweging om den weg naar den heuvel der Pnyx in te
-slaan, want het uur van de volksvergadering was gekomen.
-
-Ook de marskramer van Halimus sloot zich daarbij aan. Nog steeds
-gloeiend van toorn tegen den oligarch. De Sicyoniër liep in zijne
-nabijheid. „Hebt ge gehoord,” sprak hij, zich tot hem wendende, „wat
-zoo’n schurk van een oligarch zich nog in Athene veroorlooft? Het
-gemeene volk te verachten! Een van ons te verachten, omdat men arm
-is—alsof wij daarom minder Atheensche burgers waren! ’t Is waar, ik ben
-slechts een marskramer en mijne vrouw heeft zich in den grootsten nood
-een paar maal als min moeten verhuren. Maar de wet verbiedt
-uitdrukkelijk, dat men een Atheensch burger, wanneer hij uit armoede
-een eerlijk beroep uitoefent, dit voor de voeten werpt. En bij Pallas,
-ik ben een Atheensch burger, zoo goed als iemand anders, al woon ik ook
-niet in de Tripodenstraat, maar in een nederig voorstadje aan de bocht
-van Phaleron. Nu, ik denk maar, het is beter, met de mars op den rug
-zijn kost te zoeken, dan zooals zij leven, die liever verhongeren
-willen dan werken, maar het toch niet beneden hunne waardigheid achten,
-als tafelschuimers de borden van andere menschen af te likken of rond
-te gaan en te loeren, of soms ergens iemand zich willens of wetens aan
-eene van de tallooze wetten van Athene vergrijpt, om hem te kunnen
-aanklagen en van de geldboete, waartoe hij veroordeeld wordt, zijne
-bepaalde portie af te strijken. Houden zij het voor eene eer als
-parasiet [105] of sycophant [106] te leven, wel bekome het hun. Ik
-echter acht mij veel beter dan hen, en wie met mij den spot wil
-drijven, hij kome op: daar sta ik en vrees niemand, ik, de marskramer
-van Halimus. Ik vervul mijn burgerplicht zoo goed als iemand: ik doe
-wat brood en uien in mijn ransel en sta dan welgemoed den ganschen dag
-op de Pnyx ten dienste van mijn vaderland. Ik dank den Goden, dat ik
-Athener geboren ben; en wanneer ik zoo op den vroegen morgen van
-Halimus naar de stad wandel en de Acropolis in den glans der morgenzon
-mij zie toelachen en de reusachtige Athene Promachos mij schijnt te
-wenken en te zeggen: „Ook gij zijt een mijner zonen!” dan gaat mijn
-hart open en in stilte breng ik mijn dank aan Theseus, dat hij ons,
-kinderen van het Attische land, allen, onverschillig of wij in de stad
-of in de landelijke wijken wonen, in den tijd onzer voorvaderen, tot
-één staat heeft vereenigd. Want dit moet gij overige Grieken toch
-toegeven, dat evenals steden van dorpen verschillen, zoo ook ons Athene
-zich van alle overige Grieksche steden onderscheidt. Wij Atheners zijn
-nu eenmaal autochthonen [107] en hebben onbetwist het zuiverste, meest
-onvermengde Hellenenbloed in de aderen. Gij begrijpt echter tevens, dat
-het niet weinig beteekent, een staat als deze, als burger mede te
-helpen regeeren en besturen. Het heeft mij in de laatste dagen heel wat
-hoofdbrekens gekost om te overleggen, in hoeverre men de voorstellen
-van den strateeg Pericles moet ondersteunen. Pericles is verstandig,
-zeer verstandig en ik ben zeer ingenomen met het overbrengen van de
-bondskas van Delos naar Athene: eveneens met het besteden der gelden
-ten bate van het volk en met den nieuwen tempel van Athene op den burg.
-Maar wij burgers kunnen van den anderen kant maar niet zoo grif alles
-toegeven, alsof het zoo zijn moest—wij moeten altijd laten merken, dat
-wij de baas zijn en dat wij te beslissen hebben, wij het volk, en dat
-wij eene volksregeering hier in Athene hebben....”
-
-Zoo sprak de marskramer van Halimus, in het bewustzijn dat hij een
-Atheensch burger was, tot zijn nieuwen makker uit Sicyon. Toen ging hij
-naar den winkel van zijn vriend, den barbier Sporgilus, liet zich door
-hem kin en wang glad scheren, om er onder zijne medeburgers in de
-volksvergadering netjes uit te zien; tevens gaf hij Sporgilus zijne
-mars, om die te bewaren, tot hij van de volksvergadering zou zijn
-teruggekomen.
-
-Inmiddels was door eene troep Scythische boogschutters, aangevoerd door
-een der zoogenaamde Lexiarchen, om de Agora een touw gespannen, zoo,
-dat alleen die straat vrij bleef, welke naar den heuvel der Pnyx
-leidde—een oud gebruik, waarvan de strekking was, om de Atheners, die
-gaarne op de markt pratende den tijd vergaten, aan den weg te
-herinneren, dien zij moesten inslaan. En daar het touw met menie
-bestreken was, om hen, die er over heen sprongen rood te verven, zoo
-liep de achterblijver groote kans zich aan gelach der spottende menigte
-bloot te stellen.
-
-De marskramer sloeg met de menigte zijner medeburgers den weg naar de
-Pnyx in. De kameraad bleef aan zijne zijde, begeerig nog een en ander
-van hem te zullen hooren. Tot aan de afsluiting van de plaats der
-volksvergadering mocht hij hem slechts vergezellen.
-
-De heuvel der Pnyx is de middelste van de drie, die aan de westzijde
-van de stad zich uitstrekken. In het noordwesten scheidt hem eene kloof
-van van den zoogenoemden Nymphen-heuvel, ten zuiden eene nog diepere
-kloof, waardoor een in de rotsen gehouwen rijweg loopt, van den
-Museum-heuvel, die het hoogst zich verheft in de groep van steile
-hoogten. Ten noorden en zuiden loopt de heuvel vrij glooiend naar de
-vlakte af, op de oostelijke helling echter, in de richting van de
-Acropolis, omgeeft een steil muurterras, in een halven cirkel, den
-grond, verbreedt de oppervlakte van den heuvel en maakt zijne
-oneffenheden glad. Trappen in de rotsen uitgehouwen, en door kunst
-gebaande wegen voeren tot deze deels door de natuur, deels door
-menschenhanden gemaakte hoogvlakte heen, die in overoude tijden het in
-rotsen uitgehouwen altaar van den oppersten God droeg.
-
-De bandkramer van Halimus en zijn vriend uit Sicyon hadden de hoogte
-bereikt. De slagboomen waren geopend, doch aan den ingang stonden de
-Lexiarchen, ten getale van zes, ambtenaren met de lijsten der
-Atheensche burgers in de handen, om te zorgen dat geen onbevoegde in de
-vergadering van burgers binnensloop. Dertig helpers stonden hun ter
-zijde.
-
-Het volk stroomde het wijde, omheinde perk binnen, waarover alleen de
-blauwe hemel zich welfde. De marskramer hield echter den vreemdeling,
-die voor de omheining moest blijven, nog een oogenblik gezelschap. Met
-nieuwsgierige blikken keek de Sicyoniër over de heining heen naar de
-ruimte, die zich met de dichte massa’s van het aandringende volk vulde.
-Hij zag den achtergrond van den heuvel door een rotswand afgesloten,
-waaruit een hooge steen zich verhief, in den vorm van een dobbelsteen.
-Deze vierkante steen was het spreekgestoelte, van waar de redenaars tot
-het volk spraken. Van beide zijden voerde een smalle trap daarheen. In
-oude tijden was deze plaats een heiligdom, deze dobbelsteen het altaar
-van den oppersten Zeus geweest. Tegenover het spreekgestoelte strekten
-zich achter elkaar een aantal steenen banken uit, waarop een deel der
-vergaderden plaats konden nemen.
-
-Nadat de vreemdeling deze dingen had beschouwd, keerde hij zich om en
-liet zijn blik van de hoogte van den ruimen heuvel over de stad wijden.
-Hij zag vóór zich de geheele stad der Atheners, in een kring om den
-heiligen berg der Acropolis gelegen, die op geringen afstand juist
-tegenover de Pnyx zich verhief. De aderen der op elkaar gestapelde
-rotsbrokken fonkelden in de stralen der zon. Ter linkerzijde van den
-berg der Acropolis verhief zich, wel veel onaanzienlijker maar als een
-reusachtig gehouwen rotsblok opdoemend, de Aresheuvel, de gewijde
-plaats van den Areopagus, met het oude, huiveringwekkende heiligdom der
-Eumeniden [108].
-
-Steeds sterker werd het gedrang des volks ter plaatse, waar de
-Lexiarchen stonden, bij den ingang. Levendig vertoonde zich ook hier,
-evenals op de Agora, de aard der Atheners. Ieder oogenblik weerklonken
-de kreten van den Lexiarch: „Vooruit, Eubulides! praat niet zoo lang
-bij den slagboom!” „Bedaard, Charondas! blijf niet staan in het
-gedrang. Maak plaats voor de volgenden!”
-
-De marskramer van Halimus drong ter zijde, om zonder dat de strenge
-ambtenaars het bemerkten, zijn nieuwsgierigen vriend uit Sicyon in het
-gedrang der toestroomenden enkele personen te wijzen, die hem tot de
-eene of andere aanmerking aanleiding gaven.
-
-„Ziet ge,” zeide hij, „daar ginds de beide mannen, met hun lange
-ongekamde baarden en hunne sombere gezichten, met die korte en grove
-mantels en een dikken stok in de hand? Hunne ooren staan plat tegen het
-hoofd gedrukt, alsof ze iederen dag elkander met hunne ijzeren vuisten
-om het hoofd sloegen. Zij zien er uit als athleten, die minstens
-eenmaal reeds in Olympia hebben gezegevierd. Dat zijn die menschen,
-welke wij Laconisten plegen te noemen, weet ge, die met Sparta dweepen
-en hier gaarne alles zoo zouden willen zien, als het daar is...”
-
-Weder stootte de kramer zijn kameraad aan: „die daar is
-Phidias—Phidias, de beeldhouwer, die de groote Athene Promachos op den
-burg heeft gemaakt—de schaar, die hem omstuwt, zijn zijne jongeren,
-zijne leerlingen en helpers—die stemmen allen voor Pericles.”
-
-Nu naderden de prytanen. De marskramer wees ze zijn makker. Maar weldra
-stootte hij hem harder aan: „Zie daar, dat is Pericles! De strateeg
-Pericles!”
-
-„En die hem vergezellen?” vroeg de Sicyoniër.
-
-„Dat zijn ook strategen,” hernam de marskramer.
-
-„Hoe heeten zij?” vroeg hij.
-
-„Dat mogen de Goden weten!” antwoordde de kramer. „Ik geloof, dat er
-tien strategen te Athene zijn, maar wij kennen alleen Pericles.”
-
-„En de eerwaarde mannen, die daar met zoo deftige stap naderen?”
-vervolgde de Sicyoniër.
-
-„Dat zijn de negen Archonten!” zeide de marskramer.
-
-„Zijn deze niet,” hernam de Sicyoniër, „van alle overheidspersonen bij
-u het meest in aanzien?”
-
-„Ja wel in aanzien,” hernam de marskramer, „maar toch wij stellen de
-strategen hooger.”
-
-„Hoe zoo?” vroeg hij.
-
-„Omdat wij daartoe onze beste koppen kiezen,” antwoordde de kramer met
-een beteekenend gezicht. „Bij de Archonten zien wij op ouderdom,
-onbesmetten naam en een eerwaardig uiterlijk. Groote eer geniet zulk
-een Archont, zeer groote eer, dat valt niet te ontkennen; zijn persoon
-wordt bijna voor heilig geacht. Daarom echter ziet het er erg voor hem
-uit, als zijn ambtsjaar om is en wij niet heel te vreden met hem
-geweest zijn. Wij veroordeelen hem—raad eens waartoe? Om een
-levensgroot standbeeld uit zuiver goud den God te Delphi te wijden.”
-
-„Een levensgroot standbeeld uit zuiver goud?” riep de Sicyoniër
-verbaasd uit, „dat kan immers niemand betalen.”
-
-„Juist daarom!” hernam de marskramer. „Een schuldenaar van den staat,
-die niet betalen kan, wordt volgens onze wet burgerlijk met eerloosheid
-gestraft. Zulk een Archont blijft derhalve zijn geheele leven lang
-eerloos. En te recht. Heeft hij vroeger groote eer genoten, zoo moet
-hij nu ook groote schande daarvoor dragen.”
-
-„Wie is toch die lamme, kreupele, met lompen bedekte man, met den
-bedelzak op den schouder, die daar met allerlei dolle gebaren bij den
-ingang de volksvergadering tracht binnen te dringen?”
-
-„Dien kwaadaardig grijnzenden bedelaar, meent ge?” sprak de bandkramer.
-„Dat overal bekende menschenkind is als slaaf in een proces van zijn
-heer gefolterd geworden en van dien tijd af kreupel gebleven; hij heeft
-er ook zijn verstand half bij verloren en begaat nu, als bedelaar
-rondzwervende, de dwaasheid, zich overal in te dringen, waar Atheensche
-burgers verzameld zijn, op de markt, op de Pnyx en waar niet al. Steeds
-wordt hij hier door de Lexiarchen geweerd; dan antwoordt hij hen met
-smaadredenen en scheldt op het geheele Atheensche volk, waarvoor hij
-dikwijls slaag heeft gekregen of zelfs met steenen is geworpen, wanneer
-de jonge beeldhouwer Socrates hem niet in bescherming neemt, die zich
-gaarne over den „dollen Meno”—zoo noemt men hem—ontfermt en dien gij
-ook nu weder in zijne nabijheid ziet.”
-
-Thans werd de vlag ingehaald, die van de hoogte der Pnyx den Atheners
-de ophanden zijnde volksvergadering had aangekondigd. Dat inhalen was
-een teeken, dat de vergadering geopend was. Nu haastte zich ook de
-kramer van Halimus de omheining binnen te gaan, terwijl hij met een
-mengeling van trots en medelijden van den Sicyoniër afscheid nam, die
-voor den slagboom moest achterblijven. Als het getjilp van een vol
-vogelnest klonken de verschillende stemmen der Atheners, die zich de
-groote ruimte binnen drongen.
-
-Thans gebood de heraut stilte; zijn krachtige stem klonk heinde en ver
-over de heuvels. En het werd stil.
-
-De Sicyoniër was blijven staan, waar hij straks het gesprek met den
-kramer uit Halimus had gevoerd, en nam, zoo goed dit uit de verte
-mogelijk was, waar, hetgeen daarbinnen die wijd uitgestrekte ruimte,
-door eene dicht opeengedrongen menschenmassa gevuld, geschiedde. Zijne
-standplaats was iets hooger, zoodat hij over de hoofden der menigte kon
-heenzien.
-
-Hij zag, hoe thans, nadat de stilte was hersteld, een varken, als
-reinigingsoffer geslacht, onder begeleiding van een priester werd
-rondgedragen, en dat met het bloed daarvan de grond en de banken werden
-besprenkeld. Vervolgens zag hij, hoe een helder vuur werd ontstoken en
-dat het eigenlijke brandoffer werd gebracht. En opnieuw vernam hij de
-stem van den heraut, die de Goden plechtig aanriep. Hij zag, hoe uit
-het midden der Prytanen er een opstond, hoe de Atheners naar het
-voorlezen van een geschrift luisterden, dat ongetwijfeld de aan het
-volk gedane voorstellen van den strateeg Pericles en de toelichtingen
-van den Raad bevatte, hoe toen wederom de heraut zich verhief, om te
-vragen, wie over dit voorstel het woord verlangde; hij zag, hoe nu de
-redenaars het spreekgestoelte beklommen en hoe zij, naar oud gebruik,
-zich den myrthenkrans op het hoofd zetten, als zij tot het volk
-spraken; hij zag hoe het volk zijne goed- of afkeuring te kennen gaf,
-nu eens met ingehouden adem luisterde, dan onrustig werd, eerst zacht,
-als een korenveld; dat door een lichten wind gebogen wordt, dan weder
-onstuimig opbruisend, daverend en trillend, als een bergwoud, dat door
-den storm wordt gezweept, zoodat de heraut op den wenk van den eersten
-der Prytanen stilte moest gebieden; hij zag hoe soms de strijd der
-meeningen in de volksmassa tot een handenstrijd dreigde te ontaarden,
-hoe hier een man uit het volk dreigend de vuist tegen een oligarch
-balde, daar een vriend der Laconiërs den knoestigen stok onder luide
-verwenschingen tegen de volksmannen ophief; hij zag nu de groote
-volksmassa, als een eenig man, jubelend hare goedkeuring betuigen,
-terwijl de oligarchen morden of verstoord zwegen; dan zag hij weder
-dezen, door gelaatstrekken, gebaren en uitroepen hunne tevredenheid aan
-den dag leggen, genen daarentegen in kreten luide hunne afkeuring lucht
-geven.
-
-Zoo gingen onder eene stormachtige beweging van meeningen en
-gemoedsstemmingen eenige uren voorbij.
-
-Thans zag de Sicyoniër den strateeg Pericles, die reeds vroeger enkele
-woorden tot het volk had gesproken, opnieuw het redenaarsgestoelte
-beklimmen. Wederom heerschte er eene volkomene stilte onder de schare
-der Atheners.
-
-Rustig en waardig verhief zich de gestalte van den man, dien zij den
-Olympiër noemden, te midden van het volk. Hij maakte geene levendige
-gebaren; zijne hand hield hij rustig in zijn opperkleed. Maar zijne
-stem klonk op doordringenden, overweldigenden toon over de hoofden heen
-der luisterende schare. ’t Geluid dier stem drong door tot den
-Sicyoniër, die zonder zelfs de woorden te verstaan, als door eene
-betoovering bevangen naar de klanken luisterde, die zoet en liefelijk
-waren als het suizen van den westenwind en toch krachtig, als de
-rollende donder in de lucht.
-
-Plotseling zag de Sicyoniër Pericles de rechterhand uit zijn
-oppergewaad te voorschijn halen en ze recht vóór zich uitstrekken,
-heenwijzende naar de naburige, zich tegenover hem verheffende hoogte
-van de Acropolis.
-
-Bij deze beweging van Pericles wendden al de duizenden Atheners hunne
-hoofden en blikken in de richting der uitgestrekte hand van den
-redenaar, naar de heilige hoogte van de Acropolis, die schitterde in de
-stralen der zon. De Sicyoniër deed eveneens. Het was alsof die heilige
-hoogte steeds schitterender straalde, alsof zij door een nieuwen,
-geheimzinnigen glans was omgeven. De geheimzinnige glans echter, die
-van de Acropolis afstraalde, scheen zich in de oogen der onafgewend
-starende Atheners af te spiegelen. Het was als zagen zij daar bij den
-klank van Pericles’ stem voor de oogen van hun geest iets opstijgen,
-wat voor hunne zinnelijke oogen nog niet zichtbaar was. Het scheen
-alsof de berg zich met een tooverkrans sierde, die vele
-heerscherskronen zou overleven en vele menschengeslachten voorbij zou
-zien gaan en in heerlijken luister rustig zou blijven schitteren tot
-aan het einde der dagen.
-
-De luisterende Sicyoniër hoorde de donderende woorden van den Olympiër
-wegsterven; hij zag hoe de redenaar den krans van het hoofd nam, hoe
-hij van het spreekgestoelte afsteeg onder de jubelende kreten der
-Atheners, hoe de voorzittende Prytaan het volk tot stemmen uitnoodigde,
-hoe dit door het opsteken der handen die uitnoodiging beantwoordde, hoe
-de uitslag bekend werd gemaakt en hoe ten laatste op een wenk van den
-Prytaan door den heraut het einde der vergadering werd aangekondigd.
-
-Het volk stroomde terug door de geopende slagboomen. In eene opgewekte
-stemming daalde het de helling van de Pnyx af. Met belangstelling ijlde
-de Sicyoniër zijn vriend Halimus te gemoet en riep hem reeds uit de
-verte toe:
-
-„Hoe is het afgeloopen, kameraad?”
-
-„Wij hebben alles toegestaan!” riep de man uit Halimus met fonkelende
-oogen.
-
-„Wij hebben eerst de oligarchen en Laconer-vrienden overstemd,” ging
-hij voort, „en de krijgssoldij, het rechterloon en de tooneelgelden
-toegestaan. Stel u de blijdschap van het arme volk voor, toen wij, ten
-spijt der oligarchen, voor ons zelven al deze schoone zaken hebben
-weten te verkrijgen! En wat het nieuwe, prachtige heiligdom van Pallas
-op den burg betreft, benevens het achterhuis voor den staatsschat en
-met het groote beeld van Pallas en de drie dubbele prachtige
-gaanderijen, door welke de feestelijke optocht der Panathenaeën
-voortaan de Acropolis zal betreden, waarvan het plan reeds door Phidias
-ontworpen is, zoo is er niet één Atheensch burger onder allen, die daar
-thans in de vergadering zijn geweest, die niet de helft zijner
-bezitting zou willen geven, wanneer nu reeds de prachtige tempel
-voltooid op de hoogte stond, zooals Pericles dien ons geschilderd en,
-ik zou haast zeggen, met den vinger getoond heeft. Slechts eenigen van
-die mannen met lange baarden en dikke Laconische knuppels—gij kent ze
-wel—maakten zwarigheden: er was al zoo veel gebouwd; met de nieuwe
-worstelschool en het Odeon [109] was men ook al reeds begonnen; men kon
-met den grooten marmeren tempel op den burg nog best wat wachten; het
-bouwen zou ontzettende sommen verslinden. Toen echter trad Pericles op.
-
-„Wanneer gij Atheners,” sprak hij, „dit heerlijk werk naar het plan van
-Phidias en Ictinus niet volvoeren wilt op staatskosten, dan hebben
-reeds Hippias en Hipponicus en Dionysodorus en Pyrilampes en vele
-andere der rijkste mannen uit Athene de gelofte gedaan, den bouw op
-eigen kosten te volbrengen en dan zullen deze mannen, niet het
-Atheensche volk, den roem daarvoor inoogsten tot in de verste tijden!”
-Dit was genoeg. Gij kunt u voorstellen, hoe wij ons haastten onder
-luide kreten de handen op te steken en toe te staan, wat Pericles en
-Phidias wilden. En verbeeld u, terwijl wij juist met den grootsten
-ijver onze bijvalsbetuigingen doen hooren, treedt Phidias op, door
-Pericles geroepen, om ons de kosten van den bouw en het beeldwerk
-uiteen te zetten, en zegt: „Uit ivoor en goud zal mijne Pallas Athene
-zoo en zooveel kosten; uit marmer of brons echter slechts
-zooveel.”—Toen klonk het van alle kanten; „uit goud en ivoor! Geen
-karigheid, Phidias; ga dadelijk aan den arbeid!”
-
-Zoo vertelde de Athener uit het volk onder levendige gebaren aan zijn
-nieuwen vriend uit Sicyon.
-
-Geheel Athene was in eene soort van opgewondenheid, die de van de Pnyx
-komenden overal verspreidden.
-
-Fier als een koning, droomende van tooneelgelden, openbare spelen,
-prachtige tempels, schatkamers, gouden en ivoren beelden en zich over
-dit alles verheugende, als stond het reeds voltooid daar en als ware
-het eene versiering van zijn eigen huis, ging de marskramer van Halimus
-door de Zuiderpoort naar zijne woning. Hij vertelde aan allen, die hij
-ontmoette, wat op de Pnyx was behandeld, en begroette, toen hij in zijn
-vlek gekomen was, zelfs zijne bruine vrouw, die hem op den drempel van
-zijn huis met haar kind op den arm te gemoet trad, plechtig met de
-woorden: „Wij hebben alles toegestaan!”
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-DE PANSGROT.
-
-
-Hoog en breed, in ongestoorde helderheid, welfde zich de hemel des
-vredes over de stad der Atheners. Hun roem wies zichtbaar en hun macht
-scheen geen mededinger meer te durven trotseeren. Gedreven door een
-onwederstaanbaren aandrang en met eene haast, als vreesden zij het
-rechte tijdstip te verzuimen, gingen de Atheners de plannen van
-Pericles en Phidias ten uitvoer leggen. Uit alle oorden van Griekenland
-stroomden geschikte en eerzuchtige jonge kunstenaars Pericles toe. Er
-waren vele beeldhouwers noodig om voor de gebouwen van de Acropolis het
-fijne werk te maken. Voor de gevels van den tempel van Pallas moest een
-niet gering aantal groote godenbeelden vervaardigd worden, voor de
-metopen [110] en den fries lange rijen van zinnebeeldige voorstellingen
-gebeiteld worden. Bovendien wedijverden de rijke Atheners bij de
-beeldhouwers wijgeschenken te bestellen, die zij, gelijktijdig met de
-opening van den grooten, nieuwen tempel, op de Acropolis wenschten te
-plaatsen. En de kunstenaars zelven wedijverden met elkander tegen
-datzelfde tijdstip en met het zelfde doel, het schoonste en beste werk
-te leveren. Tallooze werk- en timmerlieden waren met den bouw der
-groote worstelschool en het Odeon bezig; een nog grooter aantal bij de
-werken op de Acropolis. In de mijnen van den Pentelicon ontwaakte thans
-een dubbel krachtig leven. Onafgebroken trokken van daar de met
-muildieren en ossen bespannen vrachtwagens naar de stad. De helling van
-den rotsachtigen berg der Acropolis weerklonk onophoudelijk van de
-kreten der drijvers, want het kostte groote moeite de geweldige
-marmerblokken op de hoogte van den berg te brengen. En evenals naar het
-marmer op den Pentelikon, groeven de Atheners nu vlijtiger dan ooit
-naar het edel metaal in den Laurion en naar de voortreffelijke
-kleiaarde in hun eigen bodem. En wat zij niet hadden, dat brachten hun
-kooplieden aan over de zee, zooals het cypressen- en ebbenhout en
-allerlei metalen en verfstoffen, en uit het verre Oosten het ivoor. De
-steenen en boomen moesten bewerkt worden, de metalen gesmolten; het
-ivoor door de handen van menschen gaan, die het voor de kunst wisten
-gereed en vaardig te maken; de goud- en zilverstikkers hadden handen
-vol werks, om allerlei tempelsieradiën en wijgeschenken te
-vervaardigen; de touwslagers moesten den bouw -en timmerlieden en
-wagenrijders buitengewoon sterke touwen leveren, de wegmakers moesten
-wegen voor de talrijke transporten banen; er was werk overal en alles
-werd in den bruisenden maalstroom van bedrijvigheid medegesleept. Voor
-den zwaarsten handenarbeid bij de gebouwen werden zelfs buitenlandsche
-helpers gehuurd. Bruikbaar boven anderen scheen de stille, ernstige,
-taaie, geduldige Aegyptenaar. Evenals bij de pyramiden in zijn eigen
-land, stapelde hij onvermoeid in den vreemde marmerblok op marmerblok
-met de volharding van een lastdier. Geheel Athene was op dat tijdstip
-ééne groote kunstenaarswerkplaats.
-
-Als de eigenlijke haard echter, waaruit de offervlammen van dit den
-Goden welgevallig streven het krachtigste opstegen, stond de doorluchte
-hoogte van de Acropolis daar, als een oud heiligdom en een sterke burg
-der Atheners te gelijker tijd, om wier voet de woningen in den omtrek
-zich samengegroept en tot eene stad vereenigd hadden. Tot een „burg”
-maakten deze hoogte alleen hare natuurlijke rotsen en de geweldige
-muren, die haar ten noorden en zuiden beschutten.
-
-Nog is het geen verheffende aanblik, wat zich aan het oog vertoont, en
-ons op dit oogenblik de hoogte te zien geeft. Wild en woest doet zich
-de breede hoogvlakte aan ons voor. Overoud puin ligt er verspreid,
-overblijfselen van vernielde werken, waaruit het nog bruikbare is
-uitgezocht. Naar de zuidelijke helling is de grond gedeeltelijk
-uitgegraven en uit de diepte ziet men reeds een hecht steenen
-fondament, grootendeels op oude overblijfsels rustend, tot aan de
-oppervlakte van den grond en daarboven verrijzen. De overige vlakte is
-bijna geheel met marmerblokken bedekt, welke pas gehouwen werden.
-Aardhoopen, puin en zand zijn in menigte aanwezig, werkplaatsen van
-allerlei aard vertoonen zich op den achtergrond. Overal wordt het
-kloppen van hamers gehoord en het knarsen der touwen en het doffe
-dreunen van steenen en balken en het roepen der opzichters, die het
-heir van arbeiders leiden en aansporen.
-
-Maar midden in die woelige en rustelooze drukte van hetgeen tot stand
-gebracht werd op de Acropolis, staat nog een hecht eerwaardig
-gedenkteeken van den ouden tijd, evenals een grauwe, half vervallen
-toren aan het strand der zee, waartegen de bruisende golven aanrollen,
-als om hem met hare branding te ondermijnen en met zich voort te
-stuwen. Dit gedenkteeken was de zetel van den oudsten eeredienst der
-Atheners; het geheimzinnige, sombere heiligdom van den „slangvoetigen”
-Erechtheüs, den Attischen Stamheros,—tevens de vereering van den zeegod
-Poseidon [111], van de dochter van Cecrops, Pandrosus, en van Athene
-Polias in zijne gewelven omvattende,—half verwoest in den Perzischen
-oorlog en verloopig slechts in der haast hersteld.
-
-Zonderling klonken de sagen van Erechtheüs uit de overoude tijden van
-het Attische land en volk: hoe in eene hechte kist Pallas Athene aan de
-dochters van koning Cecrops, die heerschte op de Acropolis, het pas
-geboren „slangvoetige” kind van onzekere afkomst had overgegeven, met
-het ernstige verbod om de kist te openen; hoe echter Cecrop’s
-dochters—zij heetten Pandrosus, Aglaurus en Herse—door nieuwsgierigheid
-gedreven, de kist openden en het knaapje vonden, door eene vreeselijke
-slang omkronkeld, hoe daarop de jonkvrouwen, waanzinnig geworden van
-ontzetting over dien aanblik, zich van den hoogen rotswand van de
-Acropolis nederstortten. De jonge Erechtheüs echter groeide op onder de
-hoede van koning Cecrops en werd de machtige beschermer der Atheners.
-Deze tempel nu bevat zijn graf en de gewijde groeve van den halfgod
-wordt nog steeds als eene bescherming en steun van het land beschouwd.
-
-De ziel echter van den ouden stamheld leeft volgens het geloof der
-Atheners voort in eene slang die altijd in het heiligdom wordt
-verpleegd. Dit dier wordt als de geheimzinnige beschermster des tempels
-geacht en iedere maand brengt men hem honigkoeken ten offer.
-
-Eene heilige bron ontspringt op het gebied des tempels; haar water is
-zout, alsof het eene onderaardsche gemeenschap heeft met de zee en bij
-het waaien van den zuidenwind, zeggen de Atheners, bemerkt men daarin
-het zachte bruischen der zeegolven. En geen wonder; want, naar de
-bewering der Atheners, deed de zeegod Poseidon, met een slag van zijn
-geweldigen drietand, uit de rots der Acropolis deze bron ontspringen,
-toen hij met Pallas Athene streed om het bezit van het Attische land.
-Nog zijn in den rotsachtigen grond de sporen van den drietand des Gods
-aanwezig en ieder kan ze met eigen oogen aanschouwen. Pallas Athene
-echter liet tegenover de bron een olijfboom opgroeien, den olijfboom,
-waarvan alle andere olijfboomen in Attica, die trots en grootste zegen
-van het Attische land, afstammen. Door dien olijfboom echter behaalde
-de wijze Pallas Athene in den wedstrijd der zegeningen, de overwinning
-op den machtigen drietandzwaaier. Ook dezen overouden heiligen
-olijfboom houdt nog het tempelgebied omsloten. De Pers had hem
-verbrand, den volgenden morgen evenwel was hij door de gunst der Goden
-weder herrezen en stond daar in volle schoonheid. Het heiligste
-monument echter in het gebied van het Erechtheüm is het overoude beeld
-van Athene Polias van olijvenhout, niet door een menschenhand gesneden,
-maar uit den hemel gevallen. Erechtheüs zelf had het opgericht en
-onveranderd—zoo leert het priestergeslacht dat in het heiligdom van
-Erechtheüs den dienst verricht—moet het op die plaats bewaard blijven,
-tot in de verste tijden. Eene eeuwige lamp brandt voor dat beeld in de
-donkere ruimte des tempels. Ook merkwaardige wijgeschenken zijn daar te
-vinden: een houten Hermesbeeld [112], voortdurend, sedert den tijd van
-Cecrops, met levende, groene, myrthentakken, zonder wortels, omkranst,
-een eigenaardig gevormde zetel, dien de kunstenaar Daedalus [113] in
-overoude tijden had gemaakt; alsmede zegeteekenen uit de Perzische
-oorlogen: buitgemaakte wapenrustingen en zwaarden van overwonnen
-Perzische aanvoerders.
-
-Vóór den tempel echter onder den open hemel staat een altaar van Zeus.
-
-Geen levend wezen mag daarop geofferd; zelfs geen wijn er op geplengd
-worden; alleen offerkoeken worden hier den Oppergod gebracht.
-
-Aldus is het gelegen met het in de zangen van Homerus reeds vermelde
-„huis van Erechtheüs,” hetwelk verscheiden tempelzalen voor de
-vereering der bovengemelde godheden bevat en aan de noordelijke helling
-van den berg op den oneffenen bodem zich verheft. Vlak daartegenover
-zal men het nieuwe prachtige heiligdom van Pallas Athene oprichten.
-
-Eene heilige plechtigheid wordt juist vóór den ingang van den tempel
-verricht.
-
-Van tijd tot tijd wordt het oude houten beeld van Athene Polias
-gereinigd en op nieuw bekleed; die reiniging pleegt op een plechtige
-wijze te geschieden. Het is een godsdienstig feest als een ander, en
-dit feest vond nu juist plaats. Men heeft het beeld zijne sieradiën en
-gewaad afgenomen en er een doek over heen gespreid terwijl daartoe
-aangewezene personen bezig zijn het gewaad te wasschen. En opdat
-niemand ongeroepen dezen tempel zou binnentreden is er een koord voor
-gespannen, zoolang de heilige plechtigheid duurt.
-
-De reiniging is nu volbracht, de Godin wordt weder gekleed, het
-haar—want haar hoofd is met golvende lokken voorzien—wordt zorgvuldig
-gekamd en opgemaakt, haar lichaam op nieuw getooid met kransen,
-diademen, halskettingen en oorbellen.
-
-De personen, die aan den heiligen dienst deel hebben genomen,
-verwijderen zich. Weldra ziet men nog maar twee mannen op de trappen
-vóór den ingang van den tempel staan en zich samen onderhouden. De een
-van hen is de priester van den Erechtheüs-tempel, Diopithes. Zijn
-gelaat is somber en hij werpt toornige blikken van den drempel des
-tempels naar de schare van arbeiders, wier geraas en drukte hem als
-eene snoode verstoring van de heilige plechtigheid voorkomt.
-
-Het geslacht der Eteobutaden, waaruit sedert overoude tijden de
-priester van Erechtheüs en de hem ter zijde staande priesteres van
-Athene Polias stamden, was het oudste en geruimen tijd het
-aanzienlijkste priestergeslacht in geheel Attica. Maar in latere tijden
-hadden de verwante Eumolpiden, het priestergeslacht van Demeter [114]
-te Eleusis [115], met wier eeredienst de groote mysteriën verbonden
-waren, als Hiërophanten of opperpriesters van deze geheimzinnige
-feesten van Eleusis tot een nog hoogeren rang in de Attische hiërarchie
-[116] zich weten te verheffen. Niet zonder geheimen wrok verdroegen de
-Eteobutaden deze vernedering. Maar deze wrok alleen was het niet, die
-het gemoed van Diopithes, den tegenwoordigen priester in het heiligdom
-van Erechtheüs op den burg, verduisterde.
-
-Opnieuw een ontevreden blik op den arbeid van het Parthenon slaande,
-begon hij tot den man, die met het onderworpen gelaat van een
-vertrouwde en helper naast hem stond en die niemand anders was dan
-Lampon, de ziener, die vroeger ten huize van Pericles was geroepen om
-het wonderteeken van den eenhoornigen ram te verklaren.
-
-„De vrede,” zei hij, „is van deze gewijde hoogte geweken, sedert op
-haar de woelige schare van Phidias en Callicrates huishoudt, en het zou
-mij niet verwonderen, wanneer de Goden zelve weldra van het gedruisch
-van die dwaze en goddelooze menschen zich terugtrekken. Want dwaas en
-goddeloos is het, wat zij doen, en nimmer kan het den Goden behagen. In
-plaats van vooreerst het overoude heiligdom van Erechtheüs in
-heerlijken glans te herstellen, dat slechts voorloopig door den nood
-der tijden, toen de Pers zijne godschennende hand daaraan had geslagen,
-is hersteld geworden, beginnen thans die Pericles en Phidias een geheel
-nieuwen, onnutten prachttempel vlak tegenover dat oude, eerwaarde
-heiligdom te bouwen. Liet ik mijn blik tot nu toe ongehinderd van deze
-plaats tot in het verst verschiet weiden, zoo ligt nu weldra deze
-prachttempel als een wal voor mijne oogen. O, ik weet wat zij willen,
-die heimelijke godloochenaars. Zij willen dezen ouden eerwaardigen
-tempel en zijne Goden verdringen, den ouden, gestrengen eeredienst
-willen zij verdelgen en met hem de echte vroomheid; zij willen op de
-plaats der oude tempels en der oude godenbeelden zulke oprichten, die
-door hun ijdelen pronk en glans alleen het oog verblinden, maar geen
-gevoel voor ware godsvrucht in het hart opwekken. Wat zal het worden,
-dit „huis der jonkvrouw”, die Parthenon? Een tempel zonder priesters,
-zonder eeredienst, een praalgebouw, een doel- en middelpunt alleen voor
-de schitterende feesten der Panathenaeën, en daarnevens—doch neen, niet
-daarnevens maar in zijn eigen zalen, o schande! eene schatkamer, eene
-bewaarplaats voor het goud der Atheners, dat zij op eerlijke of
-oneerlijke wijze aan zich hebben gebracht! Slechts als beschermster van
-dit goud plaatsen zij in hun tempel de Godin! En welke Godin? wat
-beteekent dat pronkbeeld uit goud en ivoor? Een maaksel zal het zijn
-van menschenhanden. Het oude houten beeld, hetwelk deze onaanzienlijke
-tempel bevat, is door geen roemzucht eens stervelings
-vervaardigd—goddelijk is zijn oorsprong en door goddelijke genade is
-het den Atheners ten deel gevallen!”
-
-Zoo sprak Diopithes.
-
-„Het is een booze tijd,” zeide Lampon met goedkeurenden knik. „Het
-eenvoudige, het oude, het eerwaardige, het heilige is op verre na niet
-meer geacht en weldra zal het menschelijke in laatdunkenden trots zich
-boven het goddelijke willen verheffen.”
-
-Zachter en met een geheimzinnig gelaat ving nu Diopithes weder aan:
-
-„Die Pericles en die Phidias, die de Atheners tot den nieuwen bouw
-hebben overreed, weten toch één ding niet, wat wij Erechtheüs-priesters
-weten, en dat wij, die hier boven op den burgt wonen, boven alle andere
-menschen kunnen weten: dat juist die plek daar ginds, waar zij den
-prachtigen gevel en den hoofdingang van hun nieuwen tempel willen
-oprichten, tot die plaatsen behoort, die men de „onderaardsche” noemt,
-tot die plaatsen, waar nooit een vogel uit de lucht neerstrijkt, of
-hij, die het doet, valt dood neder, als door een giftigen adem
-getroffen. Laat ze maar bouwen, de Atheners, op die ongeluksplaats; zij
-zullen geen zegen, zij zullen slechts vloek daarmede op zich laden! Het
-is het erfdeel der Atheners, onberaden te handelen. Weinigen weten, van
-waar dat komt. Wij Eteobutaden weten het. Poseidon, overwonnen in den
-kampstrijd met Pallas Athene, verstoord om zijne nederlaag, doemde de
-Atheners voor alle tijden tot onverstandigen raad!”
-
-„Onverstandig zijn zij,” hernam Lampon, „en onverstandig zijn hunne
-leidslieden, omdat zij naar de leer luisteren van hen, die zich
-wereldwijzen en waarheidsvrienden noemen. Naar Pericles hooren de
-Atheners; Pericles zelf luistert naar Anaxagoras, den Clazomeniër, die
-de natuur bespiedt en die, omdat hij alles tot natuurlijke oorzaken wil
-terug brengen, daarom het bestaan der Goden ontkent. Onlangs nog werd
-ik in het huis van Pericles geroepen, om een wonderteeken te verklaren,
-dat zich daar had vertoond. Er was namelijk op Pericles’ landgoed een
-ram met één hoorn midden op het voorhoofd geboren. Ik deed wat men
-verlangde, naar de regelen mijner kunst, en Pericles kon over mijne
-prophetie tevreden zijn. Maar ik werd met ondank beloond, want Pericles
-zweeg geheel stil en Anaxagoras, die juist bij hem was, glimlachte,
-alsof mijn werk ijdel en mijne uitspraak dwaas was!”
-
-„Ik ken hem,” hervatte Diopithes en een donker vuur bliksemde in zijne
-oogen, „ik ken hem wel, den Clazomeniër; ik had onlangs op den weg naar
-den Piraeus een gesprek met hem over Goden en goddelijke zaken en ik
-zag dat zijne wijsheid eene verderfelijke is. Zulke mannen mogen in
-onzen staat niet geduld worden. Of is het zoover met ons gekomen, dat
-de wetten te Athene niet meer van kracht zijn tegen godloochenaars?
-Neen, nog doortrilt den meesten Atheners een kille huivering bij dezen
-naam!”
-
-Zoo sprak Diopithes. Terwijl hij nu naar den rechterkant een scherpen
-blik sloeg, wees hij naar eenige mannen, welke in een levendig gesprek
-gewikkeld, den eenigen weg, die naar den heuvel der Acropolis voerde,
-over de westelijke helling opgingen.
-
-„Mij dunkt,” zeide Diopithes, „ik zie daar den onverstandigen raadsman
-van het Atheensche volk, den vriend en beschermer van Anaxagoras juist
-aankomen. Aan zijne zijde gaat, wanneer mijn oog mij niet bedriegt, een
-van die nieuwerwetsche tooneeldichters, die den eerwaarden Aeschylus
-[117] meenen overtroffen te hebben. Maar wie is echter die derde, die
-fijne, slanke jongelingsgestalte, die aan de andere zijde van Pericles
-gaat?”
-
-„Dat is zeker,” antwoordde Lampon, „die jonge citherspeler uit Milete,
-dien Pericles, naar ik hoor, lief heeft en die thans overal met hem
-gezien wordt.”
-
-„Een jong citherspeler uit Milete?” vroeg Diopithes, de goedgebouwde
-gestalte van den Milesischen jongeling nauwlettend beschouwende, „ik
-heb tot dusverre slechts geweten, dat Pericles een kenner en
-bewonderaar is van de bekoorlijkheden der schoone kunne, nu zie ik dat
-hij het schoone overal weet te waardeeren; want deze jongeling, bij de
-Goden, is waardig, niet slechts Pericles, den zoogenaamden Olympiër,
-maar den beheerscher zelven van den Olympus, den oppersten Zeus, als
-schenker te dienen. Het verwondert mij echter, dat deze zoogenaamde
-Olympiër, de zoo geroemde Pericles, vermetel genoeg is om zich openlijk
-voor de oogen der Atheners met zijn lieveling te vertoonen.”
-
-Terwijl de Erechtheüs-priester zoo den jongeling, die met Pericles was,
-te gelijk met afgunstige en wellustige blikken beschouwde, waren de
-drie mannen genaderd.
-
-Bekoorlijk schoon en teeder was de jeugdige gestalte, welke Lampon aan
-Diopithes als een citherspeler uit Milete had doen kennen. De
-treurspeldichter, die zich eveneens in gezelschap van Pericles bevond,
-wierp soms een vurigen blik op den bekoorlijken jongeling, en richtte
-bij voorkeur het woord tot den Milesiër. De dichter zelf was schoon en
-van een statig voorkomen. Zijn helder voorhoofd scheen als door een
-vroolijken, hemelschen glans omstraald.
-
-Thans trad uit de schare der bouwlieden Callicrates den aangekomenen te
-gemoet, de wakkere meester, wien de uitvoering was opgedragen van
-datgene wat Phidias en Ictinus in de eenzaamheid hadden overpeinsd en
-ontworpen. Men kon het den man wel aanzien, dat het zijn werk was
-onophoudelijk heen en weer te loopen in de hitte der zon tusschen de
-steenblokken en de zwoegende en slavende arbeiders op de hoogte van de
-Acropolis. Zijn gelaat was verbrand en zijne kleur stak nauwelijks af
-bij den donkeren baard, die het omgaf. Het niet minder donker,
-doordringend en bliksemend oog scheen geheel vervuld van den gloed der
-zon. Zijne geheele gespierde gestalte scheen als geblakerd. Zijn gewaad
-onderscheidde zich zeer weinig van de kleeding der werklieden.
-Achteloos hing de lap, waarvan de kleur niet meer te onderkennen was,
-dien hij zijn chiton noemde, om zijne gebruinde ledematen. En evenals
-hij nu onder de schare der werklieden arbeidde, zoo had hij reeds menig
-jaar bij den langen muur daar beneden, die zijn werk was en die hij
-onlangs tot vreugde van Pericles had voltooid, zijne beste krachten aan
-het nut zijner medeburgers gewijd.
-
-Pericles deed Callicrates verscheidene vragen, aangaande de vorderingen
-der werken. Met voldoening wees Callicrates hem op de nu gelegde
-grondvesten, die samengevoegd waren uit reusachtige, vierkantige
-steenen.
-
-„Gij ziet,” zeide hij, „dat het fundament gereed is, benevens de drie
-groote marmeren trappen, die het omgeven. Zie eens hoe het zich bijna
-over den geheelen zuidelijken kant van den heuvel uitstrekt! Reeds zijn
-ook de tusschenruimten der zuilen afgestoken en eveneens de omtrekken
-der binnenmuren; zoo ook die van het vertrek voor het beeld der Godin,
-en van het achterhuis voor den schat, ook aan de voetstukken der zuilen
-wordt gewerkt en aan het taflement; natuurlijk wordt alles nog maar in
-het ruwe bearbeid; want het fijnere werk volgt eerst, wanneer het
-geheel in algemeene trekken samengevoegd daarstaat, en gij moogt
-voorloopig geen oordeel vellen, naar hetgeen er thans verrezen is. Gij
-zult wat geduld moeten oefenen; want Ictinus is een talmer en Phidias
-eveneens...”
-
-„Ik kan mij best voorstellen,” hernam Pericles, „dat de nauwgezette
-Ictinus nooit over zich zelven te vreden is.”
-
-„En Phidias evenzoo,” herhaalde Callicrates, bijna verdrietig. „Dagen
-lang zitten zij samen te fluisteren, met hun beschreven tafels en
-bladen vóór zich, en rekenen en passen, peinzende over de juiste
-tusschenruimten, de dikte en helling der kroonlijsten en kapiteelen;
-dan weer gaan ze naar den Theseus-tempel en meten daar de omtrekken van
-zuilen en taflement en voelen zich dan ook niet te vreden als zij de
-balken wat te zwaar of de tusschenruimten der zuilen iets te groot
-bevinden en wenschen dat het hier beter zal worden. En dan rekenen en
-meten zij weer en zijn het onderling niet eens en nemen proeven om te
-zien, hoeveel sterker de hoekzuilen moeten zijn dan de andere, en
-hoeveel dichter de hoekzuilen bij de naastbij zijnde moeten staan, dan
-de afstand der andere onderling, hoe de schacht zich naar boven en
-onder moet verdunnen, hoeveel hier van den Dorischen, daar van den
-Ionischen stijl [118] moet ontleend worden, en hoeveel strepen de
-uitwijking van dien balk of van die kroonlijst of van dat kapiteel of
-fries sterker of zwakker mag gemaakt worden, opdat er eene tot nu toe
-onbereikte harmonie in het geheele werk moge verkregen worden.”
-
-„Wie zou een Ictinus niet om zijn fijn ontwikkelden kenners- en
-kunstenaarsblik benijden!” riep Pericles.
-
-„Hij heeft het oog van een valk,” hernam Callicrates. „Gij kunt u niet
-voorstellen, hoe verwonderlijk sterk het waarnemingsvermogen van dien
-man is. Hij heeft den duimstok altijd in de hand, maar hij gebruikt hem
-zelden, want zien is hem even zeker als meten en uitrekenen. Het
-aangeboren vermogen om met zijn oog te meten, is zoo verbazend, dat hij
-kleine verschillen opmerkt, waarvan de leek nauwelijks een flauw begrip
-heeft. Hij ziet, om zoo te zeggen, met een oog dat tast en voelt, en
-hij tast en voelt met een vinger, die ziet. En met Phidias is het
-evenzoo. Deze pleegt te zeggen en gij hebt het zeker wel uit zijn mond
-gehoord: „geef mij een leeuwenklauw en ik zal u daarnaar den heelen
-leeuw vormen!”—Zoo scherp en geoefend is het oog van Phidias en zijn
-kunstgevoel voor alles, wat men vorm, wezen en harmonie noemt.”
-
-„Waarom zou het oog der Hellenen ook niet even fijn gevoelig kunnen
-worden, als hun oor?” zeide de dichter. „Wij dichters en
-toonkunstenaars” en hij wierp bij deze woorden een blik op den jongen
-citherspeler—„wij voelen de kleinste fijnheden en afwisselingen in den
-rhythmus [119] en hooren tusschentonen daarin, die voor het oor van den
-leek niet merkbaar zijn.”
-
-„Het is zeer loffelijk van Ictinus en Phidias,” vervolgde Callicrates
-glimlachend, „dat zij alles zoo haarfijn bedenken en met lijnen en
-teekens op het papier brengen. Maar begrijp wel, dat al dat fijn
-gedachte, wat deze mannen overpeinzen en ontwerpen op het papier, ook
-uitgevoerd moet worden—uitgevoerd in massieve, wederstrevende stof. Zie
-hier het ontwerp, waarin Ictinus de maat en berekeningen heeft
-opgegeven, zooals hij het verlangt te hebben—die moet ik nu in harden
-steen ten uitvoer leggen op eene reusachtige schaal, en toch zoo
-nauwkeurig, in al de fijnheden van het ontwerp, alsof ik het met een
-fijn mesje uit ebbenhout moet snijden.”
-
-„Het is gemakkelijk te begrijpen,” zeide de dichter, „dat het moeite
-moet kosten die fijne evenredigheden en rechte lijnen in het
-reuzenschrift der marmerblokken, bij de verschillende vormen, overal in
-acht te nemen.”
-
-„Rechte lijnen zegt ge!” riep Callicrates met een bijna spottenden
-glimlach uit. „Rechte lijnen? Dat gaven de Goden! Met rechte lijnen kan
-een stumper ook wel klaar komen. Maar zulke komen er niet voor in de
-ontwerpen van Ictinus en Phidias. Weet ge, wat Ictinus zegt? „Om recht
-te schijnen mag de lijn in groote afmetingen het nooit in de
-werkelijkheid zijn.”—Zie maar eens hier naar die fundamenten en de
-trappen, die naar de oppervlakte voeren. Gij zult wel denken, dat deze
-oppervlakte werkelijk zoo recht loopt, als ze zich aan uw oog voordoet?
-Gij vergist u: de lijn van deze oppervlakte verheft zich naar het
-midden in eene zachte, voor het oog nauw merkbare en toch voor het
-gezicht berekende kromming. En diezelfde zachte, onmerkbare kromming
-zult ge later ook bij het groote werk, schoon in geringere mate, terug
-vinden; ja, overal in deze gansche architectuur van den tempel wil
-Ictinus ze zien aangebracht; en evenals van de kroonlijst tot aan de
-fundamenten er werkelijk niets waterpas te vinden zal zijn, zoo wil hij
-evenmin iets volkomen loodrechts dulden, maar de naar boven krom
-oploopende lijnen moeten even zacht weder naar beneden afloopen. Zonder
-deze zachte krommingen, op de wetten der optiek en lichtbreking
-gebaseerd, zegt Ictinus, zou het geheel zonder zwier schijnen en zou
-het, in plaats van vrij en fier naar boven te stijgen, er uitzien alsof
-het in den grond weg wilde zinken. Gij moogt nu, wat ge wilt, gelooven
-van deze en dergelijke kunstgeheimen der beide meesters, maar bedenk
-eens, hoe ik, om maar van één ding te spreken, het moet aanleggen, om
-in weerwil van die zachte krommingen naar boven en onmerkbare
-afdalingen naar beneden, de blokken, de steenmassa’s, de zuilbrokken,
-naar die fijne berekeningen, toch haarfijn en vast en stevig in elkaar
-te voegen?”
-
-„Gij zult het tot stand kunnen brengen, wakkere Callicrates,” viel
-Pericles levendig in: „ik ken u. Laten wij voor het overige Ictinus en
-Phidias maar laten meten en berekenen; het is toch in den grond der
-zaak een innerlijke, door de Goden ingeschapen aandrang, welken die
-mannen volgen. Hun is het door de Goden in de ziel gelegd, langs welken
-weg en door welke middelen zij ons in uiterlijken tooi datgene zuiver
-kunnen doen genieten wat zij reeds in hun geest hebben aanschouwd.”
-
-„Zoo lang hier een steen op den ander blijft,” zeide de dichter
-goedkeurend, „zal wel datgene, wat door Goden bezielde mannen, als deze
-beiden, eerst in hunne ziel hebben aanschouwd, en dan in getallen en
-berekeningen hebben uitgedrukt, hart en ziel der toeschouwers met
-overweldigende kracht aangrijpen.”
-
-„Doch niet toeschouwers, als die luistervink daarboven,” viel
-Callicrates lachend in, nadat hij een poos met scherpen blik den
-Erechtheüs-priester en zijn vertrouwde had aangezien, die beiden
-loerend en luisterend nog steeds aan den ingang van het Erechtheüm
-stonden.
-
-„Met blikken van verbeten woede,” vervolgde Callicrates, „ziet die
-Erechtheüs-priester steeds naar onzen arbeid, maar ik durf gerust zijn
-blik beantwoorden. Wij plagen elkander en tusschen mijne lieden en
-zijne tempeldienaars bestaat eene openlijke veete.”
-
-„Het kan ons ook niet verwonderen,” zeide Pericles, „dat de
-Erechtheüs-priester vertoornd is. Wij bouwen toch, in plaats van zijn
-oud heiligdom te herstellen, vlak voor zijne oogen een nieuwen tempel
-op. Want wie toch zou het wagen de schennende hand aan de eerwaardige
-geheimen van dit sombere heiligdom te slaan?”
-
-„Ja, waarlijk,” hernam Callicrates, „het is veel beter de uilen daar te
-laten nestelen. Die zitten dag en nacht onder het oude tempeldak. Die
-mannen daarginds willen niets weten van de nieuwe godenbeelden van
-Phidias. Zij willen geen nieuwe Goden; zij wasschen en kammen de oude
-en behangen ze uitwendig met nieuw gewaad, en gelooven, dat ze zoo
-eeuwig kunnen duren. Deze lieden zouden Pallas Athene het liefst nog
-met een uilenkop afgebeeld zien.”
-
-„Daar naderen Phidias en Ictinus,” zeide de dichter, naar den anderen
-kant heenziende, „wij zullen nu hen zelven hooren.”
-
-„Gij zult niet veel hooren,” hernam Callicrates. „Phidias is stil,
-zooals ge weet, en Ictinus wordt boos op ieder, die hem wil noodzaken
-over zijn vak te spreken. Beide mannen zijn slechts onder elkander, met
-niemand anders, spraakzaam.”
-
-Intusschen waren Phidias en Ictinus nader gekomen. Ictinus was een
-onaanzienlijk gebogen mannetje. Zijne trekken waren niet scherp, zijne
-gelaatskleur vaal, zijne oogen mat, alsof hij veel had gewaakt en
-gepeinsd. In zijn gang echter had hij iets haastigs, iets onrustigs,
-dat aan prikkelbaarheid en opvliegendheid deed denken.
-
-Phidias beantwoordde den handdruk van Pericles en dien van den dichter
-die bij hem was. Op den schoonen citherspeler met zijne jeugdige en
-teedere vormen sloeg hij een zonderlingen blik. Hij scheen hem te
-kennen en toch niet te willen kennen. Ictinus had het voorkomen van
-iemand, die weinig er mede op had menschen te ontmoeten, en hij scheen
-voornemens zijn weg zonder Phidias te willen vervolgen.
-
-Maar de dichter wilde onderzoeken, of het waar was, wat Callicrates had
-gezegd, en wendde zich tot het haastige mannetje met de vraag: „Meester
-Ictinus, wilt ge niet als een deskundige de vraag beslissen, die
-Pericles en mij en den jongen citherspeler straks een geruimen tijd
-heeft bezig gehouden? Wij spraken over de redenen, die u, bouwmeesters,
-konden bewegen, den architraaf niet onmiddellijk op de zuilenschacht te
-doen rusten, maar een ietwat breed gelid, ’t zij in den vorm van het
-Dorische kapiteel of van den Ionischen stijl, daartusschen te schuiven.
-Sommigen beweren, dat dit geschiedt, om het te doen voorkomen alsof de
-last van het taflement de zuilen uiteen houdt—en den top als ’t ware
-naar beneden drukt—”
-
-Ictinus lachte bij zich zelven. „Zuilen dus van leem, van deeg of
-boter?” antwoordde hij op sarkastischen toon. „Mooie zuilen
-voorzeker—zuilen van leem, die zich plat laten drukken—ha, ha, ha—mooie
-zuilen.”
-
-„Gij lacht dus om deze verklaring?” riep de dichter: „zeg dan zelf,
-waarom doet gij het?”
-
-„Omdat het tegendeel leelijk en afschuwelijk en onverdragelijk zou
-zijn!”
-
-Deze woorden bromde Ictinus haastig, sloeg op den vrager een vluchtigen
-blik uit zijne grijze oogen en ijlde weg.
-
-De mannen lachten.
-
-„Ik zie,” vervolgde Pericles zich tot Phidias wendend, „dat de werken
-goed vorderen. Dat verheugt mij. Wij moeten snel en ijverig
-voortwerken. Wij moeten gebruik maken van de gunstige omstandigheden,
-die wellicht nimmer terug zullen keeren. Een groote oorlog zou alles
-stuiten en weldra zouden ons de middelen ontbreken om het ondernomene
-te voltooien.”
-
-„Wij zijn daarom aan de ontwerpen en kleimodellen der ontzachelijke
-gevelgroepen en van de friezen en metopen-velden in de werkplaatsen
-ijverig bezig,” hernam Phidias.
-
-„Denkt ge er niet aan,” vroeg Pericles, „Polygnotus te ontbieden, opdat
-ook hier, evenals daar beneden in den Theseus-tempel beitel en penseel
-in de uitvoering van de metopen-velden het werk konden verdeelen? Doch,
-ik herinner het mij, gij koestert geene hooge gedachten van de
-zusterkunst, het schilderen, die, ik moet het bekennen, nog een weinig
-onbeholpen in het niet verzinkt, bij de reusachtige vorderingen van den
-beitel.”
-
-„Ik heb zelf als jongeling het penseel ter hand genomen,” hernam
-Phidias; „maar het voldeed mij niet. Vol en rond en zuiver wilde ik
-datgene wat ik in mijn geest zag, voorstellen, en dat kon ik alleen met
-den beitel.”
-
-„Welaan,” zeide Pericles, „dan moge aan het nieuwe heiligdom van Pallas
-alleen de rijpste kunst hare krachten wijden, opdat het een
-gedenkteeken worde van het beste, wat wij vermogen. Wij zullen
-Polygnotus bij eene andere gelegenheid zoeken schadeloos te stellen.
-Wij willen later ook eens overleggen of er niet iets te doen is voor
-het oude heiligdom van dien toornigen priester en ook voor gindsch
-onvoltooid tempeltje, dat zich zoo fier op de rotsen verheft ter eere
-van de ongevleugelde zegegodin. Mocht toch, als ik eens van het
-wereldtooneel aftreed, geen Atheensch burger iets meer te wenschen
-overblijven! Dat er nog zoovelen zijn, die ontevreden zijn, is mij eene
-pijnlijke gedachte. Gij glimlacht? Waarlijk, misschien wil de ernstige,
-gestrenge Phidias alleen zich zelven voldoen.”
-
-„Dat is juist het moeilijkste,” hernam Phidias.
-
-„Vreest ge niet de tegenstanders?” vervolgde Pericles. „Geef acht, wij
-hebben overvloed van dezulken. Ook gij wordt benijd, en wat gij werkt,
-is niet allen welgevallig.”
-
-„Pallas Athene verbiedt mij te vreezen!” [120] hernam Phidias met de
-woorden van Homerus, en wees met de hand naar het ijzeren reusachtige
-beeld zijner Athene Promachos, dat te midden van deze mengeling van het
-oude en het nieuwe op de Acropolis zoo verheven, rustig in den reinen
-aether zich verhief.
-
-Toen verwijderde Phidias zich om Ictinus weder op te zoeken.
-
-Pericles, de treurspeldichter en de jongeling uit Milete zetten hunne
-wandeling over de hoogte van de Acropolis voort.
-
-De treurspeldichter verdiepte zich in een aangenaam gesprek met den
-jongen citherspeler. Hij zelf toch was ook een voortreffelijk
-beoefenaar van het snarenspel. Zoo fijn en scherpzinnig wist de
-jongeling zich uit te drukken, dat gene ten laatste verwonderd zeide:
-
-„Ik wist wel dat de Milesiërs zeer beminnelijk waren, maar ik wist nog
-niet, dat zij zoo wijs tevens zijn.”
-
-„En ik,” hervatte de jongeling, „heb de treurspeldichters der Atheners
-altijd voor zeer wijs gehouden, maar ik dacht niet, dat ze ook zoo
-beminnelijk konden zijn. Ik beoordeelde namelijk onberaden uit de
-dichtwerken zelven de dichters. Hoe komt het, dat uwe tragische
-dichtkunst tot nu toe zoo weinig rekenschap hield met de zachtere
-aandoeningen van het menschelijk hart? Grootsch is daar alles,
-verheven, niet zelden huiveringwekkend, maar aan den zachtsten en toch
-tevens den machtigsten hartstocht, de liefde, gunt men de plaats niet,
-die haar toekomt. Anacreon [121] toch en Sappho [122] weten, de een op
-vroolijken, de andere op weemoedigen toon zooveel van haar te zingen;
-waarom versmaadde het tot dusverre slechts de treurspeldichter, alleen
-het grootsche en bovenmenschelijke nastrevend, tonen van die teedere,
-echt menschelijke aandoening aan te slaan?”
-
-„Jonge vriend,” zeide de dichter glimlachend, „geen waardiger
-verdediger had de teedere, met pijlen gewapende God [123] kunnen
-vinden. Weinige dagen geleden is bij mij de gedachte aan een treurspel
-opgekomen, waarin degeen, wiens verdediger gij heden zijt, wel eene
-plaats zal worden ingeruimd. Ik weet niet, of die vluchtige gedachte
-tot ernst zou zijn geworden; maar het treft heel goed, dat ik er door u
-aan herinnerd word. Ik ben voornemens dat treurspel nu werkelijk te
-schrijven, daar uwe woorden en nog meer uwe heerlijke oogen mij ten
-gunste der zaak, die gij voorstaat, hebben ontvlamd en bezield.”
-
-„Voortreffelijk,” hernam de jongeling; „ik zal den geurigsten krans
-voor den dag uwer zegepraal voor u vlechten”—
-
-„Een krans van roode rozen,” riep de dichter, „daar ik toch in mijn
-gedicht den alles overwinnenden Eros denk te verheerlijken.”
-
-„Voorzeker,” hernam de jongeling, „en ziedaar, de dankbare, gevleugelde
-God schijnt te willen, dat ik de rozen voor dien krans aanstonds pluk.”
-De teedere slanke jongelingsgestalte ijlde tegelijkertijd op een
-vooruitstekende rots, waar in de spleten een wellicht eeuwen-oude
-heester stond, die geheel met bloeiende rozen bedekt was.
-
-„Wees voorzichtig, jonge vriend,” zeide de dichter, „gij weet niet op
-welk eene noodlottige plaats gij staat. Van den top dier rots heeft een
-koning der Atheners [124] zich in de zee neergestort, omdat zijn
-beroemde zoon, van de bestrijding van den Minotaurus [125]
-terugkeerende, verzuimd had, toen hij Athene naderde, als een teeken
-zijner overwinning het witte zeil te hijschen. Buitendien de voet kan
-op deze gewijde hoogte geene plaats betreden, waar niet vonken uit het
-verleden uit den grond opspatten en overoude sagen den wandelaar
-omruischen.”
-
-„En toch,” hernam Pericles, „terwijl de voet in het stof van het
-verleden ronddoolt, zwerven de oogen van deze hoogte vrij in het
-verschiet en baden zich in de volle schoonheid en frischheid van het
-heden. Zijt gij moedig en behendig, Milesische vriend, volg ons dan
-over de rots naar de hooge bergvlakte, waar de machtige schutsmuur der
-Acropolis op uitloopt.”
-
-Lachend snelde de jongeling vooruit en weldra stonden de drie mannen op
-de verheven sterkte.
-
-„Hoor nu eens,” zeide Pericles, „wat u dit schoone, bochtige Attische
-strand zegt, deze schitterende golven, deze eilanden die hunne
-bergtoppen uit het schoonste zeegroen in het schoonste hemelsblauw
-verheffen! Ginds doemt uit de golven van den Saronischen zeeboezem
-Aegina [126] op, met zijne talrijke bergkruinen. In die kloven
-verborgen zich de wilde „Miermenschen” van den voortijd. Thans echter
-verheft zich op den hoogsten top van het eiland in de eenzaamheid van
-een schaduwrijk woud, de tempel van den panhelleenschen [127] Zeus,
-welke ons volk tot een zijner schoonste feesten verzamelt. Daar rechts,
-korter nabij in dezelfde baai ligt het heerlijke Salamis, de wieg der
-helden. Behoeft wel de late nazaat voor de schim van den onsterfelijken
-held te blozen, die van daar tegen Ilium [128] optrok? Werd niet juist
-daar in die schoone zeeëngte, die ons thans zoo vreedzaam begroet, door
-ons de beroemdste aller zeeslagen gestreden? En meer zuidelijk, waar de
-Cithaeron, de Pentelicon en de Parnesus zich als een bolwerk voor
-Attica verheffen, den westelijk zich uitstrekkenden Hymettus de hand
-reikende, daar verhalen overoude sagen van leeuwen, die in de
-woudkloven huisden. Maar onze vaderen hebben de leeuwen geworgd, hunne
-harten bij het vuur gebraden en opgegeten, om leeuwenmoed en
-leeuwenkracht hunne nazaten te doen erven. En zoo was het zeker die
-geërfde leeuwenmoed, waardoor, vlak achter die hoogten, op het slagveld
-van Marathon, de schitterendste aller overwinningen behaald zijn
-geworden. De leeuwen en wolven van die kloven zijn geveld, de barbaren
-uit die sterkten van het Attische strand voor altijd verdreven; rustig
-delven wij op de plaats van de oude leeuwenjacht het heerlijke
-Pentelisch marmer en verzamelen den honig van de beroemde Hymettus
-bijen. Daar achter de Acrocorinthus [129] verheft zich het geweldige
-Cyllene-gebergte in zilveren glans, en wanneer de laatste nevelsluier
-in het Westen zal zijn verdreven, dan rijzen de tinnen op van Corinthe
-[130] uit de blauwe fonkelende zeeëngte. Maar vergeten we den ernstigen
-groet niet, die over Salamus en Aegina heen ons de naburige
-Peloponnesus toezendt. Ziet ge die bochtige kusten met de steile
-hoogten van Argolis en daarachter Arcadië’s bergen? Zoo dikwijls ik
-over de gedenkteekenen en herinneringen van den Atheenschen roem naar
-gindsche bergen van de Peloponnesus het oog sla, dan wordt het mij zoo
-zonderling te moede en het is mij alsof ik de hand op het zwaard moet
-leggen—het is, alsof zich achter die bergen het sombere Lacedaemon
-verhief en dreigend daarover heen blikte.”
-
-„Dat toch de blik van staatslieden en veldheeren altijd in het
-verschiet zweeft,” viel de dichter in. „Is het niet beter, in plaats
-van het oog te slaan op gindsche bergen van de Peloponnesus, volop te
-genieten, wat wij hier voor onze oogen hebben? Jongeling, laat u niet
-verleiden naar de Peloponnesus en hare dreigende bergtoppen. Verlustig
-u in het vroolijke beeld van het door water en zon begunstigde land
-daar beneden u, waar in grooten getale de vriendelijke hoeven u
-toelachen, de bezitting van den nooit vermoeiden Athener, die zoo
-mogelijk, dag op dag uit de stad naar zijne vruchtboomen en zaadvelden
-zich begeeft en onderzoekt hoe de slaven zijne runderen oppassen en
-zijne lammeren en geiten. En hoe bekoorlijk kronkelen zich de wegen
-tusschen de hoeven, weiden, olijfbosschen, tusschen de altaren der
-Goden en steenen monumenten naar alle zijden heen. Hier naar den
-Piraeus, en ginds naar Rhamnus en Marathon. Het schoonst en heerlijkst
-echter loopt westelijk de weg naar Eleusis, de heilige stad der
-mysteriën, tusschen tallooze wit schitterende heiligdommen en zilveren
-populieren en olijf- en vijgeboomen door. En hoe heerlijk ligt de stad
-zelve daar uitgestrekt tusschen den Ilissus en den Cephissus, de
-kristalheldere maar kortlevende stroompjes; op de bergen nabij de stad
-ontspringen zij en bereiken nog niet eens de naburige zee, maar zijn
-tevreden om als stofregen en dauw de bloemtuinen der Atheners te
-bevochtigen, of borrelend in duizende bronnen hun jong leven te
-verspillen. Aan den Ilissus liggen lachende tuinen, door menschen
-aangelegd; maar een natuurlijke tuin en een liefelijke schaduwrijke
-oase in het zonnige land van Attica zijn de dalen, waar onder het
-heldere groen der olijven de schoone beekjes van den Cephissus
-klateren. Dit oord prijs ik met trots, want daar is mijne
-geboorteplaats, de heuvel van Colonos [131]. Uw krijgszuchtige vriend
-Pericles zou u kunnen vertellen, dat in deze streek de schoonste rossen
-geteeld worden en dat het de wilde, prachtige veulens van Colonos
-waren, waarvoor in overoude tijden de zeegod den breidel heeft
-uitgevonden. Maar ik zeg u, dat in dit dal van den Cephissus nooit ruwe
-winden blazen, dat daar de wijnstok en de vijg bloeien, dat daar,
-bevochtigd door den reinsten dauw de narcissen tieren en de viooltjes
-en de gulden crocus en de wijnkleurige klimop...”
-
-De trekken des dichters gloeiden van geestdrift, toen hij in de heldere
-oogen van den jongeling blikkende, de bekoorlijkheid van zijn
-geboorteland prees. Eindelijk vatte hij zijn hand en zeide: „Kom toch
-zelf eens in mijne schoone landstreek, of nog liever, ga terstond met
-mij en breng den dag door in mijne landelijke woning aan den
-Cephissus-oever; ik zal u mijne cithers en lyren laten zien en we
-zullen, als gij er lust in hebt, op de wijze van Arcadische herders,
-een kleinen wedstrijd houden in zang en snarenspel.”
-
-De citherspeler glimlachte. Pericles zeide na eene pause: „Ik zelf zal
-weldra den jongen Aspasius als gids naar uwe landelijke woning
-geleiden; gij hebt ook voor uw wedstrijd in gezang en snarenspel wel
-een kamprechter noodig”—
-
-„Dus heet de jongeling Aspasius?” riep de dichter uit; „die naam
-herinnerd mij aan een schoone Milesische, van wie ik in den laatsten
-tijd veel heb hooren spreken”—
-
-De citherspeler bloosde.
-
-Die blos trof den dichter. Hij hield nog steeds de tot afscheid
-gereikte hand van den jongen Milesiër in de zijne. En zie, op dit
-oogenblik werd een gevoel in hem levend, dat hij ongetwijfeld vroeger
-reeds ondervonden had, maar zonder zich daarvan bewust te zijn.
-
-Hij voelde namelijk op eens duidelijk, dat de hand van den jongen
-Milesiër zeer fijn, zeer warm en zeer zacht was. Een oogenblik later
-was hij overtuigd, dat de hand te fijn, te warm en te zacht was, om aan
-een mannelijken arm, al was die ook nog zoo jong en teer, toe te
-behooren. De eene helft van het schoone geheim las hij in de purperen
-kleur op de wangen van den citherspeler, de andere helft had hij, om
-zoo te zeggen, in zijne hand....
-
-De dichter vergiste zich niet. De hand, die hij in de zijne hield, was
-niet die van een jongeling. Het was de hand van de schoone Aspasia.
-
-Pericles en de Milesische hadden elkander in den loop der maand, na die
-eerste ontmoeting ten huize van Phidias, het eerst bij Hipponicus, den
-goedhartigen gastronoom, die met Pericles bevriend was, wedergezien.
-Zij ontmoetten elkander dikwijls en ten laatste zouden zij het liefst
-niet meer van elkaar gescheiden zijn. Aspasia kleedde zich in
-mansgewaad en vergezelde haar vriend soms onder de vermomming van den
-„citherspeler van Milete.” Zoo was zij ook heden met hem naar de
-Acropolis gegaan. Onder weg had zich de treurspeldichter bij hen
-aangesloten. En zijne ontvankelijke en gevoelige ziel was zonderling
-getroffen geworden. Door eene betoovering was de dichter in dit
-gezelschap aangegrepen, die hem zelven onverklaarbaar was. Nu zag hij
-dit raadsel opgelost. In verwarring liet hij de fijne, zachte hand
-glippen. Weldra echter greep hij ze weder en zeide met een veel
-beteekenenden glimlach tot zijn vriend Pericles: „ik bemerk dat Apollo,
-de God der zieners en dichters, mij nog steeds gunstig is. Hij heeft
-mij den verren weg naar Delphi bespaard en zelfs mijne nachtelijke
-sluimering heeft hij niet afgewacht, om mij met openbaringen in den
-droom te verschijnen; maar plotseling heeft hij mij de gave verleend,
-onbedriegelijk uit de hand des menschen te voorspellen, en vooral
-daaruit het geslacht op te maken, ook dan wanneer men het nog zoozeer
-wil verbergen”—
-
-„Gij zijt van oudsher een lieveling der Goden,” zeide Pericles, „en
-voor u hebben de Olympiërs geene geheimen”—
-
-„Daar doen ze wèl aan,” hernam de dichter. „Ik reken onder hen ook den
-Olympiër Pericles”—
-
-„Wat uwe chiromantiek [132] u ook over het geslacht van den Milesischen
-citherspeler moge verraden hebben,” zeide Pericles, „zeker is het, dat
-hij recht heeft in mansgewaad te gaan en een mannennaam aan te nemen.
-De aard der vrouwen is doorgaans ontvankelijk en lijdelijk. Deze
-daarentegen is van eene steeds werkzame en vruchtbare natuur, en gij
-kunt hem niet naderen, zonder dat hij invloed op u oefent en een
-zaadkorrel in uw ziel achterlaat.”
-
-„Ik kan u verklaren,” zeide de dichter, „ook in mij heeft hij zooeven
-eene dichterlijke vonk, door een paar los daarheen geworpen woorden tot
-eene heldere vlam aangeblazen. Het is zonderling, welk eene kracht
-wijze gedachten, door een schoone mond geuit, op ons hebben!—Hoe
-verleidelijk is het, zich aan zoo’n gewenschte macht nog langer over te
-geven! Maar de zon neigt achter de hoogten van de Acrocorinthus ten
-ondergang. In dat boschje slaat een nachtegaal, die, naar ik geloof,
-uit het vlek Colonos over is gevlogen, om mij te vermanen naar huis
-terug te keeren. Van den hoogsten top der Acropolis tot gindsche hoeve,
-die gij daar op de helling van den kleinen heuvel, door de wateren van
-den Cephissus omspoeld, uit het groen der olijven ziet uitsteken, is
-een tamelijk lange weg af te leggen. Ik neem derhalve afscheid van u en
-niettegenstaande de veranderingen, die inmiddels hebben plaats
-gegrepen, en welke bekoorlijker zijn, dan alle die de mythen ons
-verhalen, herhaal ik mijne woorden: Kom over naar de streek van
-Colonos; vlucht daarheen, wanneer u de nabijheid der menschen te
-drukkend wordt, en breng daar een dag door in de eenzaamheid.”
-
-„We zullen uwe woorden niet vergeten!” zeide Pericles. „Doch laat uwe
-Muze u volgen in uwe eenzaamheid. In den wedstrijd van alle kunsten
-moet ook de tragische naar den hoogsten trap streven. Gij hebt ze van
-de stroeve strengheid van uw voorganger [133] tot zachtheid en reiner
-menschelijkheid gebracht. Laat uwe nieuwe tragedie den schepper der
-„Electra” waardig zijn, opdat wij het weldra als de liefelijkste en
-rijpste vrucht van Sophocles’ Muze moge prijzen en genieten.”
-
-„Mocht slechts,” hernam de dichter, „de geest van dezen citherspeler,
-van wien ik nog geen citherklank heb gehoord en die mij toch reeds
-betooverd heeft, mij omzweven. Het schijnt, dat hij de harten der
-staatsmannen en dichters zich heeft uitgekozen. om zijne melodieën
-daarop te spelen...”
-
-Zoo sprak de man met het heldere voorhoofd en de klare, bezielde,
-vriendelijke oogen; hij drukte zijn vriend de hand, boog voor de
-verkleede Milesische en verwijderde zich langzaam, evenwel niet zonder
-nog eens om te zien; hij daalde de Acropolis af.
-
-„Verontrust u niet, omdat hij in ons geheim ingewijd is,” zeide
-Pericles tot Aspasia.
-
-„Ik wilde juist hetzelfde aan u zeggen”, hernam Aspasia glimlachende.
-
-„Hebt gij dan zoo spoedig die edele, dichterlijke ziel doorgrond?”
-vroeg Pericles.
-
-„Zij is zoo klaar en spiegelhelder tot op den bodem, als de wateren van
-den Cephissus,” antwoordde Aspasia. „Maar laat ons nu ook de helling
-afdalen, want ik gevoel mij door den zwoelen zomeravond vermoeid en
-mijne lippen smachten naar een verfrisschenden dronk”—
-
-„Welaan dan,” zei Pericles, „we gaan slechts eenige schreden rechtsaf
-buiten dien muur, en we hebben de Pansgrot met hare beroemde wateren
-vlak voor ons, die onmiddellijk uwe lippen de gewenschte lafenis zal
-bieden.”
-
-Pericles en Aspasia daalden een aantal trappen, die in de rotsen
-gehouwen waren, af. Toen bereikten zij de grot en de bron die daarvóór
-uit den grond ontsprong. Het was de bron Clepsydra, wier wateren soms
-in den grond verdwenen en dan weer plotseling opborrelden.
-
-Aspasia schepte water met hare holle hand en dronk.
-
-Toen schepte zij andermaal en bood de handvol helder, verfrisschend
-water met dartele vriendelijkheid Pericles aan. Deze dronk het water
-glimlachend uit hare holle hand.
-
-„Geen koning der Perzen,” zeide hij, „heeft ooit uit eene zoo kostbare
-schaal gedronken! Ze is echter zoo klein, dat ik haast vreezen moet,
-haar met den dronk in te slikken.”
-
-Aspasia lachte en wilde de scherts beantwoorden, doch op hetzelfde
-oogenblik verschrok ze, want ze bemerkte plotseling een gelaat, dat uit
-den achtergrond der schemerdonkere grot met een soort van goedaardigen,
-boerschen glimlach op haar neerzag. Naderbij tredende, bevond zij, dat
-het een vrij ruw bewerkt beeld van den God Pan [134] was, aan wien de
-grot was gewijd.
-
-„Vrees niets,” zeide Pericles, „de herdersgod is goedaardig van
-karakter.”
-
-„Soms ook van een boozen aard,” hernam Aspasia; „de verhalen der
-herders omtrent hem loopen uiteen.”
-
-„Voor ons Atheners ten minste,” hervatte Pericles, „heeft hij zich
-bovenmate goed betoond. Den hardlooper Phidippides, die naar Sparta
-ijlde, om de Spartanen ten spoedigste tot hulp tegen de Perzen op te
-roepen [135], verscheen de God in het gebergte op de grenzen tusschen
-Argolis [136] en Arcadië[136], waar hij inheemsch is; het beviel hem,
-dat de kerel uit vaderlandsliefde zoo ademloos over de Argolische
-bergen liep en hij kreeg een goeden dunk van de Atheners, over wie hij
-zich vroeger niet erg had bekommerd. Hij kwam zelf om ons te helpen
-naar Marathon en wij overwonnen, zooals bekend is, en de dankbare
-Atheners verzuimden niet, hem na de overwinning dit kleine heiligdom in
-de grot op de Acropolis op te richten.”
-
-„Pan mag zoo goed zijn als hij wil,” zeide Aspasia, „deze grot is
-echter te bekoorlijk voor den boeren- en herdersgod.”
-
-„Gij hebt gelijk,” hernam Pericles, „en nog meer dan gij zelve denkt:
-wanneer het namelijk waar is, wat de oude sage bericht, dat juist deze
-grot de plaats is geweest van de belangrijkste bruiloft, die er ooit in
-de Grieksche wereld gevierd is geworden—dat hier in de vertrouwelijke
-schemering der grot, de God des lichts Apollo, in liefde ontstoken voor
-de rozenvingerige dochter van Erechtheüs Creüsa, zich met haar verbond
-en dat de vrucht hunner liefde Ion de vader werd van onzen Ioninischen
-stam!”
-
-„Hoe?” riep Aspasia geroerd uit, half schertsend, half ernstig, „is dit
-hier de bakermat van den edelsten stam der Grieken, die ginds bloeit in
-de landouwen van Attica en op de kusten van mijn geboorteland? En de
-Atheensche jonkvrouwen tooien de wanden dezer grot niet dag aan dag met
-kransen van rozen en leliën? En in plaats van den schitterenden God
-Apollo staat hier grijnzend met zijn breed gezicht de plompe Arcadiër,
-een vreemdeling uit die vijandige, sombere bergen van de Poloponnesus?”
-
-„Waarom,” antwoordde haar Pericles glimlachende, „waarom vaart gij zoo
-heftig uit tegen den God der berg- en woudstilte? Ik ken er geen, onder
-wiens bescherming een verliefd paar vertrouwelijker kan keuvelen, dan
-onder dien van den God van den idyllischen vrede en der vreugde”—
-
-„Nu,” riep Aspasia, „voor één ding althans, voor de schaduwrijke
-koelte, die hij hier in de grot mij schenkt, ben ik hem dankbaar.”
-
-Met deze woorden nam zij den Thessalischen hoed van het hoofd en zette
-dien op het hoofd van den herdersgod. De goudgele, heerlijke lokken
-golfden van hare schouders af.
-
-„Och, mocht ik toch weldra,” vervolgde zij glimlachend, „het geheele
-gewaad van den citherspeler aan den eerlijken Pan wijden, evenals dit
-hoofddeksel! Waarlijk, het wordt mij lastig. Hoe lang moet ik nog onder
-dezen dwang gebukt gaan? O gij Atheners, wanneer zult gij het der vrouw
-vergunnen vrouw te zijn! Ge moet toestemmen, Pericles, gij Atheners
-zijt niet de waardigste zonen van Ion, die in deze grot geboren werd.
-Gij hebt te veel van het Dorische karakter in u opgenomen. Gij moet het
-hoofd buigen voor de nazaten der landverhuizers van uw eigen stam, die
-op de kusten van Azië zich reiner, vrijer en vuriger hebben
-ontwikkeld”—
-
-„En doen wij dat niet?” zeide Pericles met een veel beteekenenden
-glimlach zich tot Aspasia buigend, die op een breed, uitstekend, met
-mos begroeid rotsblok zich had neergezet. „Doen wij dat niet?”
-herhaalde hij en drukte haar geurig gelokt hoofd tegen zijne borst.
-
-„Pan is luimig,” riep Aspasia. „Hij beloofde mij verkwikking in zijne
-grot, maar hij schijnt met zijn adem heimelijk de zwoele avondlucht nog
-drukkender te maken”—
-
-„In der daad,” zeide Pericles, „bijna bedwelmd omgeeft ons de lucht,
-zwanger van den geur van de thym en wilde rozen.”
-
-Terwijl Pericles en Aspasia zoo praatten, was het blauw des hemels in
-een gloeiend rood veranderd. De lange Hymettus-keten was geheel gedoopt
-in den rozenkleurigen gloed. Langzaam was de zon achter Arcadië’s
-bergen ter kimme gedaald. Over de bergtoppen van den Brilessus
-flikkerde van tijd tot tijd uit het zwangere zwerk door de zwoele lucht
-een matte bliksemstraal.
-
-„Aspasia,” riep Pericles, „de boodschap, die gij als Grieksche uit het
-vroolijke Ionië den Grieken overbrengt, zij weerkaatst, als het
-weerlicht in die zwangere wolk, zwoel en rijk aan zegen, in mijne ziel
-en in alle geesten van Attica! Zij zal werkelijkheid worden, deze
-boodschap: in den engsten kring tusschen u en mij, in den ruimsten van
-geheel het Atheensche volk! Wij gevoelen allen eene nieuwe kracht, een
-nieuw vuur in ons en wij zien dat het Helleensche volk streeft naar
-zijne hoogste ontwikkeling!”
-
-Zoo sprak Pericles en drukte een gloeienden kus op de lippen van
-Aspasia. Het was dezelfde gloed, het was dezelfde kracht, het was de
-kiem van dezelfde levensvolheid en levensschoonheid, welke de vuist van
-den strijder bij Marathon, den beitel van Phidias, de stift van
-Sophocles, den redenaarsdonder van Pericles op de Pnyx en zijn
-brandenden kus op de lippen der schoonste Grieksche vrouw bezielde....
-
-Wanneer een vertrouwelijk paar als dit, waarin het menschelijke wezen
-tot den reinsten, weelderigsten en edelsten bloei is ontwikkeld, in een
-kus elkander beroeren, dan is dit de hoogste zaligheid van het leven en
-eene huivering van vreugde doortrilt heimelijk het hart der wereld van
-de eene pool tot de andere; ook die kus is te vergelijken met dien
-bliksem van den zwoelen zomeravond boven de toppen van den Brilessus.
-
-Zielen ontmoeten elkander als van vonken zwangere wolken.
-
-Maar de wolken ontlasten zich—de menschelijke ziel voedt den gloed.
-Dronken was de ziel van Pericles, toen hij met Aspasia de helling van
-den berg bij het schitterend licht der fonkelende avondster afdaalde.
-Hij drukte de schoone zacht aan zijne borst, en zeide, met het oog op
-het door de maan beschenen reusachtige beeld der Godin van Phidias:
-
-„O Pallas Athene, leg den metalen helm af, en vergun den nachtegalen
-der Cephissus-valleien daarin te nestelen!”
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-DE PAUWEN VAN PYRILAMPES.
-
-
-Ten tijde dat de hier verhaalde zaken voorvielen bevonden zich onder de
-rijke en aanzienlijke burgers van Athene twee mannen, die voor het
-eerst trachtten, niet slechts, zooals het gewoonte was, door de
-schitterende diensten aan den staat, maar ook door eene tot hiertoe
-ongewone huiselijke pracht en weelde elkander te overtreffen.
-
-De een dezer mannen heette Hipponicus, in wiens gastvrije woning
-Aspasia zich ophield, een man van adellijk geslacht. De andere was
-Pyrilampes, een parvenu, een rijk geworden wisselaar uit den Piraeus.
-
-Hipponicus leidde den oorsprong van zijn geslacht af van niemand minder
-dan van Triptolemus [137], den lieveling van Demeter, den stichter der
-Eleusinische mysteriën, den uitvinder van den ploeg, den beschermer van
-den akkerbouw en van iedere beschaving. Zonder twijfel had het geslacht
-van Hipponicus aan zijne afkomst te danken, dat het ambt van Daduchus
-[138] priester bij de mysteriën van Eulesis, er erfelijk in was.
-
-Ook Hipponicus bekleedde deze waardigheid. Maar de man naar de wereld
-bekommerde zich daar niet veel om. Slechts eenmaal in den loop van het
-jaar, ten tijde der groote mysteriën, was hij verplicht zich voor
-korten tijd naar Eleusis te begeven.
-
-Eene zonderlinge eigenaardigheid juist van dit geslacht was daarin
-gelegen, dat de stamhouders steeds beurtelings Callias en Hipponicus
-heetten. Ieder Callias noemde zijn eerstgeborene Hipponicus en ieder
-Hipponicus den zijne Callias [139].
-
-De lotgevallen van al deze verschillende Calliassen en Hipponicussen
-waren veelal zeer merkwaardig; bijzonder de wijze, waarop zij aan hunne
-rijkdommen kwamen.
-
-Aan Hipponicus, dien ten tijde van Solon [140] leefde, en een
-persoonlijk vriend van dezen wetgever was, werd verweten, dat hij den
-grond tot de welvaart van zijn geslacht, gelegd had, door misbruik te
-maken van eene vertrouwelijke mededeeling van dien beroemden man. Ten
-tijde van Pisistratus had een Hipponicus alleen den moed de goederen
-van den verdreven tyran op te koopen. Terwijl in de Perzische oorlogen
-velen verarmden, werd de familie der Calliassen en Hipponicussen steeds
-rijker. Aan een Hipponicus namelijk had zekere Eretriër [141],
-Diomnestus genaamd, zijne schatten in bewaring gegeven, welke hij bij
-den eersten inval der Aziaten op een vijandelijk veldheer buit had
-gemaakt. Bij den tweeden inval voerden de Perzen, zooals bekend is,
-alle Eretriërs en onder hen ook Diomnestus, gevankelijk weg, en zijne
-schatten bleven in het bezit van Hipponicus. Dan weder was het een
-Callias, dien een Pers bij Marathon, om zijn leven te redden, in ’t
-geheim naar een plaats voerde, waar zijne landgenooten veel goud hadden
-begraven. Callias nam de voorzorg, den Pers, nadat hij hem de plaats
-gewezen had, te dooden, om zoo zeker te zijn, dat hij niets van het
-geheim aan een ander zou verraden, voordat Callias den tijd had
-gevonden, den schat geheel weg te nemen en in veilige bewaring te
-brengen.
-
-Zoo luidden de overleveringen, die getuigenis afleggen voor het in dat
-geslacht erfelijke talent, zich rijkdommen te verwerven. Zooals van
-zelf spreekt, geraakten de nakomelingen tot het grootste aanzien in den
-staat.
-
-Menige Callias en Hipponicus diende zijnen medeburgers als gezant naar
-den Perzischen koning of anders in gezantschappen over vrede; voor
-sommigen hunner richtte men van staatswege eene eerezuil op.
-
-Onze Hipponicus nu, de gastheer van Aspasia, deed zijne vaderen eer
-aan. Hij was goedhartig van karakter en bij het volk zeer bemind.
-Somwijlen offerde hij aan de Godin Pallas Athene eene volledige
-Hecatombe [142], onthaalde bij feestelijke gelegenheden het volk naar
-stammen en geslachten, en bij de groote Dionysia richtte hij voor
-allen, die komen wilden, in Ceramicus een drinkgelag aan in de open
-lucht en gaf hun met klimop omkransde zetels er bij, waarop de gasten
-plaats konden nemen. Toen hij eens naar Corinthe reisde om een vriend
-te bezoeken en onderweg vernam, dat de man op het punt stond om door
-zijne schuldeischers gegijzeld te worden, zond hij een bode met het
-noodige geld vooruit, om den schuldeischer tevreden te stellen, omdat
-het hem onaangenaam zou geweest zijn, bij zijne aankomst, zijn vriend
-in eene slechte luim aan te treffen. Zijn huis te Athene onderscheidde
-zich, zooals gezegd is, zeer van die toenmalige huizen der andere
-Atheners.
-
-Alleen de rijk geworden geldwisselaar Pyrilampes beproefde het hem te
-evenaren. Deze had een huis in den Piraeus, dat hij zoo inrichtte, als
-dat van Hipponicus. Hij zocht overigens zoo veel mogelijk Hipponicus in
-alles na te doen. Wanneer Hipponicus zich een klein hondje van
-Melitaeïsche [143] ras, dat beroemd was om zijne bevalligheid,
-aangeschaft had, dan kocht Pyrilampes een nog kleiner van datzelfde
-ras. Vermeerderde daarentegen Hipponicus het getal zijner honden met
-een nieuwen Laconischen, Molossischen [144] of Cretensischen hond, die
-om zijn grootte door de menschen bewonderd werd, dan rustte Pyrilampes
-niet, vóór hij een nog grooteren kon machtig worden. Hipponicus had een
-reus tot portier, en daar nu Pyrilampes geen nog grooter man voor zich
-kon vinden, plaatste hij aan de poort van zijn huis een aardigen dwerg,
-’t geen veel opzien baarde. Hipponicus’ oudste zoontje, die, zooals
-vanzelf sprak, Callias heette, betoonde weinig lust om de vier en
-twintig letters van het alphabet te leeren; toen liet Hipponicus de
-kameraadjes van den kleinen Callias, zijne huisslaven en andere
-personen uit de omgeving van den jongen, ieder met den naam van een der
-letters aanduiden. Pyrilampes had eveneens een zoontje, Demus geheeten,
-en daar deze liever met jonge honden speelde, zoo schafte hij zich
-vierentwintig hondjes aan en deed ieder een plaatje om den hals, waarop
-de naam van eene letter van het alphabet geschreven was. Hipponicus was
-beroemd om zijne paardenfokkerij; daar Pyrilampes hem hierin niet kon
-overtreffen, zocht hij de paarden van Hipponicus door een aantal
-zeldzame en merkwaardige apen te overschaduwen. Hipponicus hield altijd
-veel hanen en kwartels, om ze met elkaar te laten vechten, een
-schouwspel, waarin de Atheners bijzonder veel vermaak schepten. Meer
-bepaald echter had hij zich in den laatsten tijd op het kweeken van
-Siciliaansche duiven toegelegd, die te Athene zeer in den smaak vielen
-en weldra nergens zoo schoon en voortreffelijk te vinden waren als bij
-Hipponicus. Deze zegepraal van zijn mededinger hield Pyrilampes den
-slaap uit de oogen. Hij peinsde zoo lang dat hij de duiven van
-Hipponicus overtrof. Daar kreeg hij uit Samos [145] een paar van die
-prachtige vogels, met hun schoonen, honderdoogigen staart, die aan Hera
-[146] waren gewijd, en destijds te Athene alleen bij name bekend waren.
-Pyrilampes liet de gevederde vreemdelingen broeien, paste ze zorgvuldig
-op en weldra stapte een groot aantal dier verbazend schoone dieren
-pronkend over zijn groot voorhof, ja zelfs op het plat van zijn dak tot
-verwondering en genoegen der voorbijgangers.
-
-Met deze Samische vogels sloeg Pyrilampes Hipponicus en zijne duiven
-uit het veld. In grooten getale stroomden de nieuwsgierige Atheners
-toe, om de pauwen van Pyrilampes te bekijken. Men sprak een tijdlang
-bijna over niets, dan over de pauwen van Pyrilampes.
-
-De gelukkige mededinger van Hipponicus rustte niet, voordat Pericles
-hem beloofd had zijne pauwen te komen zien. Pericles ging naar hem toe,
-vergezeld van Aspasia, die zich ook nu weder als Milesische
-citherspeler had verkleed.
-
-Wie in die dagen te Athene zijne schoone vriendin een bijzonder
-aangenaam geschenk wilde vereeren, kocht een van Pyrilampes’ jonge
-pauwen en schonk haar die.
-
-Aspasia sprak met zoo onverholen ingenomenheid over de prachtige vogels
-en Pericles meende zoo duidelijk in hare oogen te lezen, welk een
-sieraad zij zulk een vogel in het peristilium harer woning achtte, dat
-hij niet nalaten kon Pyrilampes ter zijde te nemen en hem heimelijk
-last te geven een der jonge pauwen bij de Milesische Aspasia, die in
-een der zijvleugels van het huis van Hipponicus woonde, te doen
-bezorgen. Voor zijne vriendin echter hield hij de zaak geheim, om haar
-door het geschenk te verrassen.
-
-Op den morgen, die op dit bezoek van Pericles en de verkleede
-Milesische volgde, trad Hipponicus onverwachts het vertrek zijner
-schoone gast binnen. Hipponicus was een vrij gezet man. Zijn gezicht
-was rood en eenigszins opgezwollen. Zijne oogen glinsterden goedaardig
-en om zijn tamelijk dikke lippen zweefde steeds een glimlach. Met dezen
-glimlach op de lippen, die echter ditmaal, voor zooverre zulks bij
-Hipponicus mogelijk was, iets spottends had, zeide hij tot Aspasia:
-
-„Schoone vriendin, ik hoor dat het u zeer goed bevalt in de stad der
-Atheners”—
-
-„Daarvan komt u de verdienste toe,” hernam Aspasia.
-
-„Niet geheel en al,” antwoordde Hipponicus. „Gij hebt in den beginne
-reeds een aangenaam verkeer gehad met Phidias en zijne kunstenaars en
-later ook met mijn vriend, den grooten Pericles. Ik hoor, dat gij hem
-somstijds uit zedigheid onder de vermomming van een citherspeler
-vergezelt. En wanneer ik goed ingelicht ben, bevallen u de
-Siciliaansche duiven van Hipponicus niet bijzonder meer, maar gaat gij
-liever met Pericles naar den Piraeus, om de pauwen van Pyrilampes te
-bewonderen”—
-
-„Die pauwen zijn prachtig,” zeide Aspasia onbeschroomd, „en gij moet ze
-zelf eens gaan zien.”
-
-„Ik ben nog onlangs voorbij het huis van Pyrilampes gekomen,” hernam
-Hipponicus, „en ik heb die dieren hooren schreeuwen. Daar had ik genoeg
-aan. Nu, ieder zijn smaak; ieder moet zijn genoegen daar zoeken, waar
-hij het vindt. Een genot, dat men t’huis heeft, verveelt gauw. En, naar
-ik bemerk, wordt het meer gewaardeerd als men iemand aangenaam
-onderhoudt, dan dat men hem gastvrijheid verleent.”—
-
-Hipponicus zag bij deze woorden Aspasia scherp aan en hoopte, dat zij
-iets zeggen zou.
-
-Daar zij echter zweeg, vervolgde hij: „Gij weet, Aspasia, dat ik u te
-Megara uit onaangename verwikkelingen heb gered; ik heb u hierheen naar
-Athene gevoerd; ik heb u gastvrij ontvangen. Ik heb veel voor u gedaan.
-En nu zeg mij, welken dank oogst ik daarvoor in? Verstaat ge mij,
-Aspasia? Welken dank oogst ik daarvoor in?”
-
-„Wie op zulk eene wijze om dank vraagt,” hernam Aspasia, „die wil
-betaling, geen dank. Ook gij verlangt betaald te worden, zooals ik zie,
-voor wat ge mij bewezen hebt. Uwe weldaden hebben, naar het schijnt,
-een bepaalden prijs. Maar gij hebt verzuimd, Hipponicus, dezen prijs
-uwer weldaden vooraf te bedingen, en nu maakt gij u driftig, als een
-vischwijf op de markt, omdat deze prijs den kooper te hoog is!”
-
-„Verdraai de zaken niet, Aspasia,” hernam Hipponicus rood wordende,
-„gij weet het, ik was de kooper en uwe gunst was het, die ik, voor
-alles, wat ge begeert wilde koopen”—
-
-„Zoo ben ik de koopwaar?” riep Aspasia uit; „het zij zoo, ik ben
-koopwaar, als ge wilt en heb een bepaalden prijs”—
-
-„En deze prijs—?” vroeg Hipponicus.
-
-„Zult gij met al uwe schatten nooit kunnen betalen!” wierp Aspasia hem
-snel tegen.
-
-Hipponicus draaide zich onrustig op zijn stoel.
-
-„Geen praatjes! zeide hij toen en zijne trekken namen weder een
-goedhartige uitdrukking aan. „Gij zijt niet meer te krijgen! Dat is
-alles.—Een ander heeft u gekocht. Voor welken prijs—dat is zijne zaak.
-Daar het de groote Pericles is, ben ik noch op hem noch op u boos. Ik
-houd van Pericles en gun hem alles goeds; hij heeft mij eens een
-grooten dienst bewezen, dien ik nooit in mijn leven vergeten zal. Hij
-heeft mij van eene lastige vrouw, de toen nog schoone, maar twistzieke
-Telesippe afgeholpen. Mogen de Goden hem er voor beloonen!”
-
-Met dit gezegde, dat hij steeds uitte, wanneer men over Pericles kwam
-te spreken, stond Hipponicus op en ging heen.
-
-Nadat hij zich verwijderd had, was Aspasia’s eerste gedachte, dat het
-haar nu niet langer paste de gastvrijheid van Hipponicus te blijven
-genieten.
-
-Zij riep hare slavin, liet een paar muildieren met hare bezittingen
-beladen, om die naar een Milesische vriendin te brengen, eene
-eerwaardige dame, die sedert jaren te Athene woonde. Met Aspasia’s
-moeder was deze van kindsbeen af bevriend geweest en koesterde zelve
-eene bijna moederlijke liefde voor hare schoone, jeugdige landgenoote.
-
-Nadat Aspasia Hipponicus haar dank had doen betuigen voor de bewezen
-gastvrijheid en haar besluit, zijn huis te verlaten, had laten
-mededeelen, verkleedde zij zich naar hare gewoonte als citherspeler en
-ging op weg, begeleid door een slaaf, ten einde Pericles in zijn woning
-op te zoeken.
-
-Tot op dezen dag had zij dien stap nog niet gewaagd, zelfs niet in hare
-verkleeding. Maar heden brandde zij van ongeduld om onverwijld
-gelegenheid te zoeken haar vriend te spreken en met hem te overleggen,
-wat zij nu na hare verwijdering uit het huis van Hipponicus verder zou
-aanvangen.
-
-Kort nadat Aspasia vertrokken was, werd Hipponicus door een bediende
-gemeld, dat er een slaaf van Pyrilampes geweest was, die een jongen
-pauw had gebracht voor de Milesische, die in het bijgebouw woonde.
-
-Hipponicus haatte niets zoo zeer in de wereld als de pauwen van
-Pyrilampes, en had hij de eerste opwelling van zijn hart gevolgd, dan
-zou hij den vogel onmiddellijk den hals hebben doen omdraaien, echter
-stelde hij zich tevreden met gefronste wenkbrauwen te zeggen:
-
-„De Milesische is weg en ik weet niet waarheen zij gegaan is. Breng den
-pauw naar het huis van Pericles. Deze heeft hem zonder twijfel
-gekocht.”—
-
-Inmiddels was Aspasia op haar weg naar Pericles op de Agora gekomen.
-
-Terwijl zij met een zekeren haast zich door het gedrang der onbekende
-menschen spoedde, ontmoette haar plotseling Alcamenes.
-
-De beeldhouwer bleef voor haar staan, zag haar met zijne heldere oogen
-aan en zeide toen met een spottend lachje: „Waarheen gaat ge, schoone
-citherspeler? Zeker naar Pericles?—Mogen uwe nieuwe vrienden met hunne
-aanspraak op u en uwe gunst gelukkiger zijn dan de oude!”
-
-„Wien gaf ik ooit eenig recht op mij?” vroeg Aspasia.
-
-„Onder anderen ook aan mij,” hernam Alcamenes.
-
-„Aan u?” zeide Aspasia. „Ik gaf u wat ge noodig hadt, wat den
-beeldhouwer onmisbaar was. Niets meer en niets minder.”
-
-„Eene vrouw moet niets of alles geven,” hernam Alcamenes.
-
-„Vergeet dan, dat ik u ooit iets heb gegeven,” riep Aspasia en verdween
-in het gedrang.
-
-Snel waren deze weinige woorden gewisseld. Alcamenes lachte bitter en
-sarcastisch. Aspasia vervolgde haar weg met spoed.
-
-In het huis van Pericles was Telesippe dien morgen met een vrome
-plechtigheid bezig.
-
-Zij hoopte schadeloosstelling voor de nalatigheid, die Pericles, naar
-zij meende, in het beheer zijner huishouding aan den dag legde, van de
-gunst van Zeus Ktesios [147] den beschermer van de huiselijke have, die
-door alle vrome Atheners door huiselijken eeredienst pleegde vereerd te
-worden. Niemand was beter vertrouwd met de heilige oudvaderlijke
-gebruiken dan Telesippe. Zij omwond haar voorhoofd en haar rechter
-schouder met wollen draden, nam toen een nog ongebruikten aarden pot,
-van deksel voorzien, omwoelde het hengsel met witte wol, deed in den
-pot een mengsel van allerlei vruchten, met helder water en olie en
-plaatste dit offer ter eere van den God in de voorraadkamer.
-
-Juist was zij gereed met haar vroom werk, toen zij bemerkte dat de
-portier een slaaf binnen liet, die een grooten vreemden vogel met
-langen, prachtigen staart, de pooten samengebonden, op zijn armen
-droeg.
-
-De slaaf zeide, dat deze vogel voor Pericles was, legde hem neder en
-ging zijns weegs.
-
-Telesippe verwonderde zich en wist niet recht wat de zaak beteekende.
-
-Zou Pericles dien vogel op de markt gekocht hebben en moest die voor
-den maaltijd geplukt en gebraden worden?
-
-Maar Pericles placht zich anders zeer weinig met huiselijke
-aangelegenheden te bemoeien.
-
-Zij besloot de terugkomst van haar echtgenoot af te wachten. Voorloopig
-liet ze den vogel in den kleinen hoenderhof voor het huis brengen.
-
-Juist trad eene vrouwengestalte, door eene slavin begeleid, de
-buitendeur binnen, en toen Telesippe haar te gemoet ging, stak uit het
-himation het welbekende hoofd van hare vriendin Elpinice.
-
-De trekken van Elpinice vertoonden ditmaal een buitengewonen ernst. Zij
-was opgewonden, hare bewegingen haastig en gejaagd, hare oogen rolden
-heen en weder en hare lippen trilden als van ongeduld om iets te
-zeggen, om zich van een gewichtig geheim te ontlasten.
-
-„Telesippe,” zeide zij, „verwijder alle getuigen of begeef u met mij in
-een uwer binnenvertrekken.”
-
-De gade van Pericles was het niet vreemd hare vriendin in zulk een
-opgewonden toestand bij zich te zien binnenstuiven. Zij had toch veel
-verkeering en vormde, om zoo te zeggen, het middelpunt van de
-vrouwenpraatjes in de stad. Ze wist veel en hare nieuwtjes brachten
-groote opschudding in menig vrouwenvertrek. Toen zij beiden in een
-binnenvertrek alleen waren, zonder gestoord te kunnen worden, begon de
-zuster van Cimon op een plechtigen toon:
-
-„Telesippe, wat denkt ge van de trouw van uw echtgenoot?”
-
-Telesippe wist op ’t oogenblik niet wat zij zeggen zou.
-
-„Wat denkt ge van de genegenheid van uw man voor ons geslacht in het
-algemeen?” vervolgde Elpinice.
-
-„Ach,” antwoordde zij: „zijn hoofd is zoo overvol van staatszaken...”
-
-„Dat hij aan vrouwen in het geheel niet meer denkt, meent ge?” viel de
-zuster van Cimon in en vertrok haar mond tot een medelijdend,
-spottenden glimlach. „Natuurlijk!” ging zij vorschend voort, „gij moet
-het vóór allen weten, als zijne echte gade en wettige bedgenoote.”
-
-„Ja zeker,” hernam de vrouw van Pericles argeloos.
-
-Elpinice greep hare hand, glimlachte nog eens medelijdend en zeide
-toen:
-
-„Telesippe, is het gedrag en karakter van uw man u dan onbekend? Denk
-toch eens even na. Herinner u de schoone Chrysilla—de geliefde van den
-treurspeldichter Ion, aan wie uw man, zooals iedereen weet, een
-geruimen tijd het hof heeft gemaakt.”
-
-„Maar dat is nu al lang geleden,” antwoordde Telesippe.
-
-„Wel mogelijk, maar is in den laatsten tijd nooit een vermoeden bij u
-opgekomen? Heeft niets in het gedrag van uw man u bijzonder getroffen?
-Niets uwe ziel met booze voorgevoelens vervuld?”
-
-Zij bezon zich een oogenblik en schudde ontkennend het hoofd.
-
-„Arme vriendin!” riep Elpinice uit. „Zoo treft u de slag dan
-onvoorbereid en verneemt ge alles op eens.”
-
-„Spreek,” zeide de vrouw van Pericles.
-
-„Is de naam van Aspasia nog niet tot uwe ooren doorgedrongen?” vroeg
-Elpinice.
-
-„Die naam is mij niet bekend,” antwoordde zij.
-
-„Nu, hoor dan,” zeide de zuster van Cimon. „Aspasia is de naam van eene
-jonge Milesische vrouw, die, de Goden mogen weten na welke zwerftochten
-en avonturen, te Megara aangeland en van daar door uw voormaligen
-echtgenoot Hipponicus naar Athene is gebracht. Ik denk, dat het u niet
-ten eenenmale onbekend is van welk soort en van welke waarde zij zijn,
-die Milesische vrouwen, de Ionische over ’t algemeen, die vrouwen van
-de overzeesche kusten? Het zijn Bacchanten [148], die zich over
-Griekenland verspreiden en met brandende fakkels de harten der mannen
-in vuur en vlam zetten. Aspasia is van al deze Bacchanten de
-gevaarlijkste, de doortraptste, de sluwste, de vermetelste! ... In de
-strikken van deze vrouw is uw man gevallen!”
-
-„Wat zegt ge?” riep de vrouw van Pericles getroffen uit. „Waar ontmoet
-hij die vreemde vrouw dan?”
-
-„In het huis van Hipponicus,” hernam Elpinice. „Want zij woont in het
-huis van Hipponicus. Daar hebben die hetaeren hare samenkomsten. Daar
-worden orgiën [149] gevierd, orgiën, Telesippe—het is verschrikkelijk
-wat er gefluisterd wordt van de orgiën in het huis van Hipponicus! En
-uw echtgenoot te midden daarvan!—Maar dat is nog niet het ergste. Let
-wel, hij verkwist zijn bezittingen met die Milesische boeleerster! Hij
-vereert haar slaven, huisraad, tapijten, duiven, sprekende spreeuwen en
-alles wat ge maar denken kunt! Sedert gisteren is dat alles in de
-geheele stad bekend! Tot heden geschiedde alles zoo geheim mogelijk. Nu
-verbreidt het zich in de stad als een loopend vuurtje, want gisteren
-heeft Pericles de kroon op zijn schandelijk werk gezet. Gisteren heeft
-hij bij Pyrilampes een vreemden vogel, een pauw, gekocht voor de
-Milesische Aspasia! De geheele wereld spreekt heden van dien pauw. En
-van morgen is de vogel door een slaaf van Pyrilampes naar het huis van
-Hipponicus gebracht. Ik zelf heb onder weg menschen gesproken, die den
-slaaf den pauw op de armen hadden zien dragen. Maar denk eens!
-Diezelfde lieden vertelden mij, dat Hipponicus den pauw niet heeft
-aangenomen, omdat de Milesische niet meer bij hem woont! Vat ge, hoe
-dat samenhangt? Zij is van Hipponicus weggegaan naar een ander huis. En
-wie heeft dat andere huis voor haar gekocht of gehuurd? Uw man
-Pericles!—Wat staart ge me zoo peinzend aan?”
-
-„Ik denk na,” zeide Telesippe, „over dien vreemden vogel, waarvan ge
-mij vertelt. Weinige oogenblikken, voordat gij kwaamt, is een vreemde
-vogel door een slaaf hier aan huis gebracht, met de boodschap, dat
-Pericles hem gekocht had.”
-
-„Waar is de vogel?” riep Elpinice. Telesippe bracht hare vriendin naar
-den hoenderhof, waar de jonge pauw jammerlijk op den grond lag te
-spartelen; want men had hem de pooten nog niet losgemaakt.
-
-„Dat is de pauw!” zeide Elpinice; „juist zoo heb ik de pauwen van
-Pyrilampes hooren beschrijven. De zaak is zonneklaar. De pauw is ten
-huize van Hipponicus niet aangenomen geworden; de slaaf wilde of konde
-de Milesische zelve niet verder zoeken en bracht den vogel gemakshalve
-naar den kooper. Dat is eene beschikking der Goden, Telesippe. Breng
-toch Hera een offer, de beschermgodin en wreekster van den
-huwelijksband!”
-
-„Rampzalige vogel!” riep Telesippe en wierp een toornigen blik op het
-dier, „ge zult niet te vergeefs in mijne handen gevallen zijn!”
-
-„Slacht hem!” riep de zuster van Cimon, „slacht hem en braad hem op het
-vuur en bereid uw trouweloozen echtgenoot daarmede een Thyestes-maal
-[150]!”
-
-„Dat zal ik,” hernam Telesippe, „en Pericles kan er mij geen verwijt
-van maken. Om een vogel als deze vrij rond te laten loopen, daar is
-onze hoenderhof veel te klein voor. Wanneer hij hem dus gekocht heeft,
-zoo mag ik vooronderstellen dat hij geplukt en gebraden en opgegeten
-moet worden. Pericles moet daar het zwijgen toe doen. Hij kan tegen
-deze verontschuldiging niets inbrengen. Hij moet zwijgen en in stilte
-bersten van spijt, wanneer ik hem den gebraden vogel voorzet. En eerst
-als hij de vervloekte spijs mokkend genuttigd heeft, zal ik mijn mond
-open doen, om hem zijne openbare schande geducht voor de voeten te
-werpen.”
-
-„Daar doet ge wel aan,” zeide Elpinice en wreef zich lachend de handen.
-„Ziet ge nu wel,” ging zij voort, „van welken aard de staatsbezigheden
-zijn, die uw gemaal van zijne rechtmatige, wettige bedgenoote
-vervreemden?”
-
-„Zijne vrienden zijn het, die hem in het verderf hebben gestort,” zeide
-Telesippe. „Zijn hart is toch licht ontvlambaar en open voor iederen
-indruk. De omgang met godloochenaars heeft hem goddeloos gemaakt. Ja,
-hij is goddeloos geworden, den huiselijken eeredienst verricht hij met
-een lauw gemoed en doet of duldt vele van deze dingen om mijnentwil.
-Gij herinnert u, hoe hij kort geleden aan de koorts ziek lag. Gij riedt
-mij een amulet om zijn hals te hangen, een ring met ingesneden magische
-teekens of een stuk perkament met wonderkrachtige spreuken beschreven,
-in leer genaaid. Ik zorgde voor zulk een amulet en hing het den zieke
-om den hals. Hij lag in een lichten sluimer en lette er niet op. Weldra
-echter kwam een zijner vrienden hem een bezoek brengen. Toen deze het
-amulet op de borst van Pericles zag, nam hij het weg en wierp het ter
-zijde. Pericles ontwaakte uit zijn sluimer; toen zeide zijn vriend tot
-hem, zooals mij een slaaf verhaalde, die juist in het vertrek was: „De
-vrouwen hebben u een amulet om den hals gehangen; ik ben een verlicht
-man en heb het ding weggenomen!”—„Het is goed,” hernam Pericles, „maar
-ik zou u voor een nog verlichter man gehouden hebben, wanneer gij het
-hadt laten hangen.”
-
-„Dat was zeker een van die nieuwerwetsche beeldhouwers,” zeide
-Elpinice. „Ik heb nooit veel van Pericles gehouden—hoe had ik ook met
-den tegenstander van mijn voortreffelijken en onvergelijkelijken
-broeder op kunnen hebben? Maar hij is mij bijna gehaat geworden, sedert
-hij geheel en al een speel- en werktuig in de handen van Phidias,
-Ictinus, Callicrates en al die menschen geworden is, die nu met hun
-eerzuchtig streven zoo veel alarm maken en die iedere ware verdienste
-op den achtergrond dringen. Weet ge wel, dat, terwijl al deze mannen
-met beitel en troffel zich op de Acropolis zoo druk maken, de edele
-Polygnotus, de voortreffelijke meester, dien mijn broeder Cimon zoo
-hoog schatte, ledig moet loopen?”
-
-Elpinice gaf nog eenigen tijd lucht aan hare klachten, doch stond ten
-laatste op, om te gaan. Telesippe deed haar uitgeleide tot aan het
-Peristylium. Daar onderhielden de beide vrouwen, naar de gewoonte dier
-kunne, die bij het afscheid nemen moeilijk het laatste woord kan
-vinden, zich nog een geruimen tijd bij de deur over het groote nieuws
-van den dag.
-
-Plotseling ging de voordeur open en een jongeling trad het huis binnen.
-
-De jonkman was van eene in ’t oog loopende schoonheid.
-
-De beide vrouwen hadden zich bij het gezicht van een vreemden man,
-volgens de strenge Attische zeden, moeten verwijderen. Maar zij waren
-als aan den grond genageld.
-
-En was het dan wel een man, was het niet een baardelooze jongeling,
-dien zij zagen?
-
-Ook had deze, vóór Telesippe goed kon nadenken, zich even bescheiden
-als innemend tot haar gewend met de vraag, of Pericles thuis was en het
-hem gelegen kwam het bezoek van een vreemdeling te ontvangen.
-
-„Mijn man is uit,” antwoordde Telesippe.
-
-„Heb ik het genoegen zijne echtgenoote, de vrouw des huizes, te mogen
-zien?” zeide de jongeling. „Ik ben,” vervolgde hij, de harde namen met
-opzet nog scherper uitsprekende, „Pasicompsus, de zoon van Execestides
-uit—,” hij durfde niet zeggen, uit Milete, want een enkele oogopslag op
-de beide vrouwen, in wier handen hij gevallen was, deed hem gevoelen,
-dat hij met het noemen van het lichtzinnige Milete hier geen bijzonder
-gunstigen indruk zou maken. Den minsten argwaan wekte hij zeker,
-wanneer hij voorgaf uit het strenge, zedige Sparta te komen.
-
-„Ik ben,” zeide hij derhalve, „Pasicompsus, de zoon van Execestides uit
-Sparta. Mijn grootvader Astramphychus was met den vader van Pericles
-door banden van gastvriendschap verbonden.
-
-Toen Elpinice, de vriendin der Spartanen, hoorde dat de jongeling uit
-Sparta kwam, was zij in de wolken.
-
-„Welkom, vreemdeling,” zeide ze, „wanneer gij uit het land, der goede,
-oude zeden komt. Wie is toch uwe moeder geweest, dat gij, een telg van
-het ruwe Sparta, zoo schoon gelokt en van eene zoo ranke en slanke
-gestalte zijt?”
-
-„Ik sloeg uit den aard,” hernam de jongeling. „Men heeft mij ginds te
-Sparta steeds voor eene vrouw gehouden. En toch heb ik nooit voor
-iemand gebeefd, die met mij wilde vechten. Ik heb menigeen voor mij in
-het stof doen bijten. Maar dat hielp niet. Zij hielden mij toch steeds
-voor eene vrouw. Daar kreeg ik genoeg van, en, om de spotters te
-ontwijken, besloot ik in den vreemde te gaan en niet eerder naar het
-ruwe Sparta terug te keeren, voordat ik een baard en een knevel zou
-gekregen hebben. Vooreerst denk ik mij hier te Athene aan de schoone
-kunsten, die hier bloeien, te wijden.”
-
-„Ik zal u bij den voortreffelijken meester Polygnotus aanbevelen,”
-zeide Elpinice. „Ik hoop toch, dat gij een schilder zijt en niet een
-van die steenhouwers, welke hier te lande zoo talrijk en overmoedig
-zijn.”
-
-„Zeker heb ik nooit geleerd steenen te houwen,” hernam de jongeling;
-„maar van het kleurenmengen geloof ik iets te verstaan, zoo goed als
-iemand van ons geslacht; hoewel ik die kunst niet behoef uit te
-oefenen, om mijn kost te winnen, want ik leef, den Goden zij dank, van
-mijne eigen middelen—”
-
-„En hoe bevalt u Athene?” ging Elpinice voort, „en hoe bevallen u zijne
-bewoners?”
-
-„Zij zouden mij best bevallen,” zeide de jongeling, „wanneer zij allen
-zoo eerwaardig en beminnelijk waren, als die, welke de goden mij zoo
-spoedig na mijne aankomst in dit huis deden ontmoeten.”
-
-„Jongeling!” riep Elpinice verrukt uit, „gij doet uw land eer aan! Ach,
-dat onze Atheensche jeugd ook zoo wellevend en bescheiden was! O,
-gelukkig Sparta! Gelukkige Spartaansche moeders en vrouwen en maagden!”
-
-„Is het waar,” vroeg nu Telesippe, „dat de Spartaansche vrouwen de
-schoonste van geheel Hellas zijn? Dat heb ik dikwijls hooren
-verzekeren.”
-
-De jonge man scheen door deze vraag onaangenaam gestemd te worden.
-Zijne neusvleugels bewogen zich licht, en zijne lippen trilden een
-weinig, toen hij minachtend zeide:
-
-„Wanneer forsche gestalte hetzelfde is als vrouwelijke schoonheid, dan
-zijn de Spartaansche vrouwen de schoonste.—Maar wanneer fijnheid en
-adel van vormen beslist,” voegde hij er na eene kleine pauze bij,
-terwijl hij met een innemend lachje zijn blik over de gestalte en het
-gelaat van Elpinice liet weiden, „dan is het billijk den prijs der
-schoonheid aan de Atheensche vrouwen toe te kennen.”
-
-„Jongeling uit Sparta,” zeide Elpinice, „gij spreekt als de meester
-Polygnotus sprak, toen hij met mijn broeder Cimon van Thasos hierheen
-kwam; en mij verzocht of hij voor de schoonste dochter van Priamus op
-de schilderij, waarmede hij de bonte galerij wilde versieren, mijne
-trekken mocht bezigen. Ik zat vijftien dagen voor hem in de bonte
-galerij, en hij schilderde mij trek voor trek.”
-
-„Zijt gij Elpinice, de zuster van Cimon?” riep de jonge man uit met
-levendige gebaren van verbazing. „Wees gegroet! Van u en uw broeder
-Cimon, den vriend der Laconiërs, vertelde mij telkens mijn grootvader
-Astramphychus te Sparta, toen ik nog als een knaap op zijne knie
-speelde. En juist, zooals hij u schilderde, staat gij nu voor mij! En
-thans herinner ik mij de schoonste van Priamus’ dochteren op de
-schilderij van Polygnotus. Gisteren heb ik ze gezien, toen ik door de
-bonte galerij ging, en ik weet niet of ik meer de schilderij van
-Polygnotus moet geluk wenschen, dat zij zoo op u gelijkt, dan u, dat
-gij zoo gelijkt op de afbeelding van Priamus’ dochter!”
-
-De zuster van Cimon stond daar, met opgerichten hoofde, in al hare
-waardigheid. Doch een traan welde op in haar oog en zij moest hem
-wegpinken. Haar hart was ontroerd. Zooals deze jonge Spartaan tot haar
-sprak, had in geen dertig jaren een jongeling uit haar eigen vaderland
-tot haar gesproken. Zij had geheel Sparta, zij had alle Spartanen
-willen omhelzen en zij mocht niet eens dezen eenen, die voor haar
-stond, naar den drang haars harten, in de armen sluiten! Maar zij
-beloonde hem met een teederen blik.
-
-„Amycle,” zeide de echtgenoote van Pericles, tot eene vrouw, die om
-eenige huiselijke bezigheid in het peristylium kwam, „hier kunt ge een
-landsman begroeten: deze jonge man komt uit Sparta.”
-
-Daarop wendde zij zich tot den jongeling met deze woorden: „Deze vrouw
-was de min van den kleinen Alcibiades, dien mijn echtgenoot als
-bloedverwant en vaderloozen zoon van Clinias, in huis heeft genomen. De
-gezonde en krachtige Laconische vrouwen zijn als voedsters overal
-gezocht. Wij hebben Amycle lief gekregen en thans dient zij bij ons als
-huishoudster.”
-
-De jonge man beantwoordde den korten groet, waarmede de ruwe,
-roodwangige vrouw in den breeden tongval van haar land hem begroette,
-met een spottend lachje, terwijl de min van haar kant met blikken van
-twijfel en argwaan de fijne weekelijke, ja, bijna weelderige vormen van
-haar zoogenaamden landsman beschouwde.
-
-„Zulke forsche, krachtige gestalten,” zeide Telesippe, de huishoudster,
-die zich verwijderde, nastarende, „worden uwe Laconische vrouwen.”
-
-„Hadden zij niet den vollen boezem,” zeide de jongeling, „dan zou men
-ze voor zakkendragers houden. Nu kunt ge, in zooverre het geoorloofd is
-van de minnen op de jonge meisjes te besluiten, de Spartaansche meisjes
-u voorstellen, die loopen, worstelen, springen, zich in het werpen met
-den discus [151] en de speer oefenen en met de jongelingen zich in den
-wedloop meten. Zij zijn forsch en stout en dragen haar rokje kort, ter
-nauwernood tot aan de knie en dan nog met een split.”
-
-Zonder door de vrouwen bemerkt te worden, was Alcibiades het
-Peristylium binnen geslopen, had den vreemden, schoonen jongeling
-nauwkeurig aangekeken en zijne laatste woorden opgevangen.
-
-„Maar hoe worden de Spartaansche jongens opvoed?” vroeg hij; terwijl
-hij plotseling achter eene zuil te voorschijn kwam en met zijne
-prachtige donkere oogen den vreemdeling strak aankeek.
-
-Deze was verrast door de plotselinge verschijning van den schoonen
-knaap.
-
-„Dat is nu de kleine Alcibiades, de zoon van Clinias,” zeide Telesippe.
-
-„Alcibiades,” vervolgde zij, zich tot den knaap wendende, „doe uw
-opvoeder geen schande aan door onbescheiden te zijn. Het is een
-Spartaansch jongeling die daar voor u staat.”
-
-De vreemde boog zich neer naar den knaap, om hem een kus op het
-voorhoofd te geven.
-
-„Zonder schoenen,” zeide hij daarop tot hem, „loopen de jongens in
-Sparta, zij slapen op stroo of riet, mogen nooit volop eten, worden
-jaarlijks voor het altaar van Artimis [152] tot op het bloed toe
-gegeeseld, om gehard te worden tegen pijn, krijgen onderricht in alle
-soort van gymnastiek, in het gebruik der wapenen, in krijgsdansen en in
-de kunst van te stelen, zonder betrapt te worden; van den anderen kant
-behoeven zij de letters niet te leeren en het is hun uitdrukkelijk
-verboden, zich meer dan eens of twee maal in ’t jaar te baden en te
-zalven.”
-
-„Bah,” riep de kleine Alcibiades.
-
-„Overigens,” vervolgde de vreemdeling, „zijn zij in klassen verdeeld en
-de jongeren hebben ouderen tot vrienden, van wie zij allerlei goeds
-zoeken te leeren, wier goedkeuring zij trachten te verwerven en die zij
-met hart en ziel zijn toegedaan.”
-
-„Als ik een Spartaansche jongen was en zulk een vriend moest kiezen,”
-sprak de knaap met fonkelende oogen, „dan zou ik u kiezen.”
-
-De jongeling lachte en boog zich andermaal naar den knaap, om hem een
-zoen te geven.
-
-Op dat oogenblik vertoonde zich in de trekken van Elpinice, die tot
-dusverre kalm, dicht nevens den jongen man had gestaan, plotseling eene
-geweldige ontroering. ’t Was alsof eene huivering hare leden
-doortrilde. Haastig trok zij Telesippe ter zijde en fluisterde haar
-zacht in het oor:
-
-„Telesippe, deze jonge man—”
-
-„Welnu?” vroeg zij even zacht.
-
-„O Zeus en Apollo!” zuchtte de zuster van Cimon met gesmoorde stem.
-
-„Wat is er dan toch?” vroeg Telesippe in spanning.
-
-Wederom boog zich Elpinice naar het oor harer vriendin.
-
-„Telesippe,” fluisterde zij, „ik zag straks—”
-
-„Wat zaagt gij?” vroeg Pericles’ vrouw beangst.
-
-„Toen de vreemdeling zich naar den knaap vooroverboog en de boord van
-den chiton aan zijn borst een weinig openging, toen zag ik”—en weder
-stokte hare stem van ontroering in de keel.
-
-„Wat hebt ge gezien?” vroeg nogmaals Telesippe.
-
-„Eene vrouw!” bracht Elpinice er met moeite uit.
-
-„Eene vrouw?”
-
-„Ja, eene vrouw!—Het is de Milesische. Zend den jongen weg en laat het
-overige aan mij over.”
-
-Telesippe beval den knaap naar zijne makkers terug te keeren. Hij wilde
-echter niet; hij wilde liever bij zijn „vriend” blijven. Telesippe
-moest Amycle roepen om den weerbarstigen jongen weg te brengen.
-
-Toen dit geschied was, wierp Elpinice haar vriendin een veel
-beteekenenden blik toe, richtte zich fier en streng op, trad op den
-vreemdeling toe en keek hem een tijdlang met doordringend oog aan.
-
-De vreemdeling trachtte in het begin den blik van Cimon’s zuster uit te
-houden.
-
-Maar die blik was haar te doordringend, evenals die van den
-gerechtsdienaar welke met doorborenden blik den betrapten misdadiger
-aanstaart. Onwillekeurig poogde zij, harer schuld zich bewust, zich aan
-dien vreeselijken oogopslag te onttrekken.—Thans eerst nu Elpinice haar
-met hare oogen had overwonnen, verbrak zij het noodlottig zwijgen en
-zeide op snijdenden toon:
-
-„Spartaansche jongeling, eet gij gaarne gebraden pauwen? Pericles zal
-er heden een op zijne tafel hebben. Zoudt gij zijn gast niet willen
-zijn?”
-
-„Ja,” sprak nu Telesippe en op haar gelaat stond, zoo mogelijk, nog
-meer verachting en hoon te lezen dan op dat van Elpinice; „Ja, het is
-een pauw van Pyrilampes! Een pauw, dien Pericles gisteren gekocht
-heeft. Hij wilde hem aan eene Ionische boeleerster ten geschenke geven,
-doch nu vindt hij het beter hem gebraden te eten”.
-
-„Knaap,” riep Elpinice van den anderen kant, „is het waar dat uwe
-landgenooten aan den Eurotas beweren dat gij eene vrouw zijt? Bedenk,
-dat ook te Athene menschen zijn, die beweren, dat gij geen man zijt,
-maar—eene hetaere van Milete!”
-
-„Ellendige!” riep nu weder Telesippe, ziedende van toorn, en zich zelve
-niet meer meester, „is het u niet genoeg, dat gij de mannen buitenshuis
-in uwe netten lokt? Moet ge zelfs tot in het heiligdom van den
-huiselijken haard binnendringen? Hebt ge geen ontzag voor de
-godenbeelden van dit huis, die met gramstorige blikken neerzien op
-haar, die den heiligen, huiselijken haard verstoort en ontwijdt?—Ga
-gezalfd en opgesierd voor de deur van uw eigen huis staan en trek de
-voorbijgangers bij hun gewaad naar binnen!—Hoe? Waagt ge het nog mij
-aan te zien? Gaat ge nog niet weg?”
-
-„Roep Amycle hier,” zeide Cimon’s zuster tot hare opstuivende vriendin,
-„om met hare echte Laconische vuisten dezen onechten landgenoot, deze
-wellustige Milesische hetaere de deur uit te werpen.”
-
-„Vooraf,” riep Telesippe, die, nadat haar kalm karakter eens opgewekt
-was, al heftiger en heftiger werd, „vooraf zal ik met deze vingers haar
-de oogen uit het gezicht krabben—en haar dat geleende, valsche gewaad
-van het lichaam scheuren.”
-
-Op deze wijze tierden en raasden de beide vrouwen, deze links en gene
-rechts van de verkleede en ontmaskerde Milesische en hare woede ging
-alle perken te buiten.
-
-Deze echter liet den eersten en heftigsten vloed van smaadwoorden
-uitvloeden, totdat de razende vrouwen, verbluft over de rustige kalmte
-van de zwaar beleedigde, een oogenblik verstomden.
-
-Toen echter nam zij het woord en sprak:
-
-„Hebt gij nu uwe scherpste, uwe in gift gedoopte pijlen afgeschoten? Ik
-heb dien dichten hagel van schimpschoten rustig over mij heen laten
-gaan, want ik had mij nu eenmaal in het gevaar begeven, ik waagde mij
-in de nabijheid van die toornige huisgoden en ik heb, ofschoon ge mij
-ondanks mijn gewaad hebt herkend, toch zooveel mannelijks in mij, om
-mij in ’t onvermijdelijke te schikken. Maar ook gij, meesteres van dit
-huis, Telesippe en gij, eerwaardige Elpinice, zult het begrijpen en
-dulden, dat ik op zooveel smaadwoorden, zij ’t ook op een toon, die
-niets gemeen heeft met den uwen, iets zal antwoorden.—Wat is het dan
-Telesippe, wettige gade van den grooten Pericles, waarom gij mij zoo
-harde woorden toevoegt en met smaad en schimp overlaadt? Zeg, wat heb
-ik u ontroofd? Uwe huisgoden? Uwe kinderen? Uw onbesproken naam? Den
-roep uwer deugden? Uw geld? Uwe kostbaarheden? Uwe zalf en
-blanketdoozen? Niets van dat alles. Slechts eene kleinigheid kan ik
-schijnen u ontnomen te hebben: dat wat u het onbeduidendst van alles
-was, wat gij zelve hebt prijs gegeven, wat gij eigenlijk nooit
-waarachtig hebt bezeten, waar gij nooit ernstig u op toegelegd hebt om
-het te verwerven en te behouden: de liefde van uw man! En wanneer het
-nu eens werkelijk zoo was, wanneer uw echtgenoot mij lief had en niet
-u, zou dat dan mijne schuld zijn? Neen! Het zou de uwe zijn. Ben ik
-naar Athene gekomen om de Atheners te dwingen hunne vrouwen lief te
-hebben? Beter past het en gemakkelijker valt het mij, de Atheensche
-vrouwen te leeren, hoe zij het moeten aanleggen, om door hare mannen
-bemind te worden. Gij Atheensche vrouwen, kinderbarende slavinnen,
-verstaat niet de kunst het hart eens mans te onderwerpen en gij wordt
-boos op ons, Ionische vrouwen, omdat wij ze wel verstaan. Is het dan
-een misdaad haar te kennen? Neen, het is een misdaad ze niet te
-verstaan. Wat beteekent het bemind te worden? Het beteekent behagen.
-Wilt ge bemind worden, weet te behagen. Daar baat geen echtband, geen
-dure eed, geen beroep op goddelijke en menschelijke rechten, daar geldt
-alleen deze wet: weet te behagen!—En wanneer behaagt de vrouw? Boven
-alles als zij het wil. En waarmede moet zij trachten te behagen? Met
-alles wat behagelijk is. Niet lang wordt de man geboeid, wanneer zij
-alleen de zinnen streelt, niet lang wanneer zij slechts de
-verbeeldingskracht betoovert, of den geest bekoort of het gemoed
-roert—dat alles moet zij weten te vereenigen, in één woord, zij moet
-beminnelijk zijn.—Maar om de zegepraal der beminnelijkheid volledig te
-maken en te zekerder hartstocht op te wekken, moet zij haar eigen
-liefde met meer zorg trachten te verbergen dan te openbaren. Verkoelend
-werkt te groote gloed der vrouw op den vurigen man, afstootend op den
-onverschilligen. Ze begint met den man ijdel te maken en eindigt met
-hem te vervelen. De verveling des mans echter is het zekere graf van
-het huwelijksgeluk en van de vrouwelijke heerschappij. Minnekoozen of
-knorren, schertsen of vloeken mag de man, om ’t even, alleen geeuwen,
-geeuwen mag hij nooit.—Gij, o Telesippe, deedt te weinig en te veel: te
-weinig, want ge boodt uw man alleen uw lichaam en uwe trouw; te veel,
-want gij boodt hem, wat ge te geven hadt, als zijn eten op een bord! De
-vrouw moet echter geen eten op een bord zijn, noch een meubel in huis,
-noch eene slavin, zelfs niet de „echtgenoote,” zooals men het noemt,
-want Hymen [153] is de verraderlijke vijand van Eros. Dagelijks op
-nieuw moet zij hare gunst doen verwerven en de zeldzame kunst verstaan,
-des avonds als bruid zijn leger te beklimmen en ’s morgens als maagd
-weder op te staan! Dat zijn de regels van die kunst: volg die op, als
-ge wilt en kunt. Zoo niet, doe dan afstand van datgene, wat door deze
-kunst wordt verkregen, en gun zonder jaloezie aan anderen hare vruchten
-in te oogsten!”
-
-Zoo sprak Aspasia.
-
-Trotsch echter zag de vrouw van Pericles op haar neer en vertrok haar
-mond in een verachtelijken plooi.
-
-„Behoud de wijsheid uwer boeleerkunst voor u zelve,” zeide zij, „gij
-zult ze noodig hebben. Gij behoeft mij niet te leeren, hoe men de
-liefde en hoogachting van een man moet zoeken te winnen, mij, die de
-Archon Basileus tot vrouw wilde hebben. Wat meent gij toch met uwe
-kunsten te zullen bereiken, gij de vreemdelinge, de boeleerster? Gij
-kunt mijn echtgenoot door uwe aanloksels verleiden, maar zijn huis,
-zijn haard blijft gij vreemd. En zelfs, wanneer hij mij verstiet, kunt
-ge toch zijne wettige gade nooit worden, gij kunt hem geen wettigen
-erfgenaam baren, want gij zijt eene vreemdelinge, gij zijt geen
-Atheensche burgeres! Of mijn man naar mij, door vurige liefde gedreven
-smacht of niet, om ’t even, ik heersch hier aan zijn huiselijken haard;
-ik ben de meesteres des huizes. Ik zeg u: „ga!” en gij moet
-gehoorzamen.”
-
-„Ik gehoorzaam en ga,” hernam Aspasia—„Wij hebben eerlijk gedeeld,”
-voegde zij er scherp bij. „U zijn huis en haard, mij zijn hart!—Laat
-ieder het hare behouden!—Vaarwel, Telesippe.”
-
-Met deze woorden verwijderde zich Aspasia.
-
-Telesippe en Elpinice waren weder alleen. Elpinice billijkte de
-fierheid harer vriendin en prees het antwoord, dat zij de vreemdelinge
-had gegeven.
-
-Na een lang gesprek ging ook Elpinice heen, terwijl de vrouw van
-Pericles aan hare huiselijke bezigheden ging.
-
-De kleine Alcibiades sprak den heelen dag veel over zijn „Spartaanschen
-vriend”, tot ergernis van de eerlijke Amycle, die het hoofd schudde en
-zeide:
-
-„Die knaap heeft nooit door den Eurotas gezwommen.”
-
-Telesippe verbood beiden een woord van dien vreemdeling te reppen in
-tegenwoordigheid van Pericles.
-
-De dag ging voorbij, het etensuur was gekomen.
-
-Pericles was in huis teruggekeerd en zette zich met de zijnen aan
-tafel.
-
-Hij at van de spijzen, die opgedragen werden, beantwoordde de vragen
-van den kleinen Alcibiades en der beide andere jongens en sprak soms
-ook een woord tot Telesippe, die echter in een half somber, half
-hoonend stilzwijgen verzonken bleef.
-
-Pericles zag de menschen om zich heen gaarne opgeruimd.
-
-Het strakke, norsche gelaat zijner vrouw maakte hem ongerust.
-
-Nu werd een nieuw gerecht opgedragen. Het was de gebraden pauw.
-
-„Wat is dat?” vroeg hij.
-
-„Dat is de pauw,” antwoordde Telesippe, „die hedenmorgen op uw last
-hier is gebracht.”
-
-Pericles zweeg stil. Na eenige oogenblikken, waarin hij zich den
-samenloop der omstandigheden zocht helder te maken, vroeg hij op een
-toon, die voor den heldhaftigen man vrij benauwd klonk:
-
-„Wie zeide u, dat ik den vogel gebraden wilde hebben?”
-
-„Wat anders?” hernam Telesippe. „Om een zoo groot dier te houden en
-vrij te laten rondloopen, is onze hoenderhof veel te klein. Ik dacht
-dus, dat gij den pauw op de markt gekocht hadt, om hem vandaag op tafel
-te hebben. En waarom niet? Hij is smakelijk en lekker gebraden. Proef
-maar eens!”
-
-Daarop leide ze een mooi, bruin gebraden stuk op het bord van haar
-echtgenoot.
-
-Pericles, dien men den Olympiër noemde, Pericles, de met zege gekroonde
-veldheer, de machtige redenaar, de bestuurder van Athene’s lot, die met
-waardige standvastigheid de opgeruide schare der Atheners, evenals de
-legerbenden der aanrukkende vijanden op het slagveld onder de oogen
-durfde zien—hij sloeg de oogen neer voor het stukje pauw, dat zijn
-wettige echtgenoote op zijn bord legde.
-
-Maar weldra wist hij zichzelven te beheerschen. Hij stond op met de
-verontschuldiging, dat hij verzadigd was en zich in zijne vertrekken
-wilde begeven.
-
-Op dit oogenblik vroeg de kleine Alcibiades:
-
-„Hebben de zwanen in den Eurotas ook zulke prachtige veeren als deze
-pauw?”
-
-En zonder het antwoord af te wachten, vervolgde hij:
-
-„Amycle is eene oude zottin, wanneer zij beweert, dat mijn Spartaansche
-vriend nooit door den Eurotas heeft gezwommen.”
-
-Toen Pericles van een Spartaanschen vriend hoorde spreken, zag hij
-eerst den knaap en vervolgens Telesippe met een vragenden blik aan.
-
-„Van welken Spartaanschen vriend spreekt ge?” vroeg hij eindelijk.
-
-Noch de knaap, noch Telesippe gaf hem antwoord.
-
-Pericles verliet de eetzaal. Telesippe volgde hem.
-
-Op den drempel der binnenvertrekken zeide zij zacht, doch op scherpen
-toon tot haar man:
-
-„Verbied uwe Milesische boeleerster u hier in uw huis op te zoeken,
-opdat zij ook niet de knapen moge verleiden. Geef haar uw hart, aan die
-boeleerster, o Pericles, als gij wilt; maar uw huis, uw haard zal zij
-niet ontwijden. Volg haar, waarheen gij wilt; hier echter in dit huis,
-aan dezen haard, handhaaf ik mijn recht. Hier ben ik meesteres, ik
-alleen.”
-
-Diep werd Pericles getroffen door den toon dezer woorden. Het was niet
-de stem van een gekrenkt vrouwenhart, het was de beleedigde koele trots
-van de meesteres van het huis, de wettige gade.
-
-Koel beantwoordde hij den koelen blik van den spreekster en zeide kalm:
-
-„Het zij zooals gij zegt, Telesippe!”
-
-Denzelfden dag nog kwam er een vreemde slaaf tot Pericles met eene
-schriftelijke boodschap.
-
-Pericles opende het briefje en las de volgende regels van Aspasia’s
-hand:
-
-„Ik heb het huis van Hipponicus verlaten. Veel heb ik u te vertellen.
-Bezoek mij, als ge kunt, in het huis van de Milesische Agariste.”
-
-Pericles antwoordde als volgt:
-
-„Kom morgen op het buitengoed van den dichter Sophocles aan den
-Cephissus-oever. Daar zult gij mij vinden. Kom verkleed of laat u in uw
-gewone gewaad in een draagstoel daarheen brengen.”
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-IN HET CEPHISSUS-DAL.
-
-
-Wanneer men in zuidelijke richting de oude stad Athene verliet en een
-weinig links zich wendende den buiten-Ceramicus doorliep en onder de
-tuinen en de lanen met platanen beplant van de Academie [154] zijn weg
-vervolgde, dan nog een eind weegs zuidelijk langs een zonnig pad
-aflegde, bereikte men het bekoorlijke, liefelijk omschaduwde
-Cephissus-dal.
-
-Zoodra men dit dal binnentrad, vertoonde zich aan den linker kant een
-ruischend, weelderig groen olijvenbosch. Het strekte zich als een
-groene wal langs den weg uit. Forsch wond daartusschen de kuischboom
-zijne takken, welks blauwe bloesem aangenaam tegen het zachte groen der
-smalle bladeren afstak. Klimopranken hingen van de takken neer; ook
-taxusboomen groeiden langs de helling en bedekten haar zoo, dat men
-niets dan een groen tapijt zag.
-
-Aan den anderen kant van den weg, ter rechterzijde klaterden de
-kristalheldere beekjes van den Cephissus, uit het dal over schitterend
-witte kiezelsteentjes den wandelaar te gemoet vlietend, hier en daar in
-de rozen- en laurierboschjes zich verschuilend.
-
-Aan gene zijde van den Cephissus zag men op geen grooten afstand den
-niet minder liefelijk omgroeiden, door sagen en zangen beroemden heuvel
-Colonos.
-
-Ging men, als men het dal betreden had, een kort eind tusschen het
-olijvenbosch en het stroomend water, dan zag men aan genen oever van
-den Cephissus op grasrijken, zacht glooienden bodem eene bekoorlijke
-landhoeve in de stralen der zon schitteren, door enkele overoude, hoog
-gekruinde cypressen, platanen en pijnboomen omgeven en een tuin, die
-bijna tot aan den Cephissus reikte. Maar niet alleen aan deze zijde
-strekte zich die tuin tot aan den oever van den Cephissus uit, deze
-toch zijn loop uit het diepst van het dal naar den ingang vervolgende,
-maakte eene kromming ter rechter zijde en besproeide dan ook de velden,
-waarin de vrucht- en bloemtuinen, rondom het landgoed, aan dien kant
-uitliepen. Daar verhief zich de bodem aan den tuin iets meer glooiend,
-en de beek vlood zacht kabbelend tusschen heestergewassen door, waarin
-de stralen der zon flikkerden en de nachtegalen kweelden.
-
-In het midden van de groote ruimte tusschen dezen glooienden
-Cephissus-oever en het woonhuis stond een tuinhuisje, door rozen
-omgeven. Aan de uiteinden van den tuin verschaften laurier, myrthen- en
-rozenboschjes, met hun dicht gebladerte, eene schaduwrijke plaats. Ook
-de donkerroode bloesem van den granaatboom ontbrak niet. Dubbele rijen
-van olijven-, vijgen- en andere vruchtboomen, van het eene priëel naar
-het andere voerende, omzoomden dezen tuin.
-
-Waar de grond naar den Colonos-heuvel zacht glooide, daar hingen de
-donkere druiventrossen, in de warme stralen der zon. De landelijke
-woning zelve was door wijnranken omslingerd, ja zelfs om de boomen
-wonden zij zich in weelderige volheid en kracht. Met hen wedijverde
-woekerend het klimop, welks groote, zwarte trossen van muren en
-boomstammen neerhingen en welks weelderig gebladerte zich
-voortslingerend, zelfs het bedauwde weiland omzoomde.
-
-Tusschen de bloeiende perken waren kleine bloembedden aangelegd. Weinig
-was er overgebleven van de schoon getroste narcissen, van den geurigen
-crocus, de leliën, irissen en viooltjes wegens het ver gevorderde
-jaargetijde, en de liefde der Atheners tot het vlechten van kransen,
-maar talloos bloeide alom de rozen, door viooltjes omzoomd, in purperen
-bedden langs den grond zich uitstrekkende, of op hooge heesters
-prijkend, nooit door ruwe winden geteisterd en iederen morgen
-verfrischt door den reinsten hemeldauw.
-
-Gemakkelijk schijnt het van de voorwerpen, die hier te zien waren, de
-namen en het uiterlijk in woorden weder te geven; onmogelijk echter is
-het den blijmoedigen en gelukkigen vrede te schilderen, die over dit
-weelderig groene dal, door wouden omzoomd, door de wateren van den
-Cephissus besproeid, door nachtegalen bezocht, verspreid lag. Men was
-zoo nabij de woelige stad en toch gevoelde men zich ver van de drukke
-wereld. Het was, alsof de landelijke God Pan uit die schaduwrijke
-boschjes te voorschijn moest treden of eene Najade [155] uit de wateren
-van den Cephissus onder het schitterend loof zou opstijgen. Verder in
-de geheimzinnige diepten van het woud stoeiden zeker Satyrs met
-bokspooten en kon men het gelach van schoone, bevallige Hamadryaden
-[156] hooren, die rustten op het groene loof. Soms ging er eene
-ritseling door de kruinen der boomen, die in het zuiverste blauw van
-den Griekschen hemel trilden, als eene aangename koelte, die daar
-ruiste voor den tred van den God der vreugde, Dionysus.
-
-Maar ook de zang van de gezellen van Apollo, de vriendelijke Muzen, was
-niet vreemd aan dit heerlijk oord. Hier woonde toch de lieveling der
-Muzen, de groote dichter Sophocles. Dit was zijne geboorteplaats, die
-hij op de hoogte van de Acropolis geprezen had en aan Pericles en
-Aspasia uit de verte had getoond. Hier was hij geboren en hier leefde
-hij. Onder de witte zerken, met klimop begroeid, die hier en daar uit
-het groen van den tuin en der boschjes uitstaken, sliepen zijne vaderen
-den eeuwigen slaap.
-
-Juist zat hij in een rozenpriëel, terwijl de aangename morgenlucht hem
-verkwikte, en had het wastafeltje op zijne knieën liggen, op welker
-oppervlakte hij van tijd tot tijd met eene scherpe stift eenige verzen
-griffelde; zeer dikwijls echter wischte hij het geschrevene met het
-stompe eind der stift weder uit, wanneer de eerste ingeving zijner Muze
-hem niet ten volle bevredigde.
-
-Terwijl hij een blik wierp op den weg in het dal, zag hij een statig
-man met lichten en vluggen tred door het dal aankomen.
-
-„Wie is die vroege wandelaar,” dacht hij bij zich zelf, „die daar
-schier gevleugeld als Hermes, de bode der Goden, nadert?”
-
-Weldra was de wandelaar naderbij gekomen en de dichter herkende den
-liefsten zijner vrienden. Verheugd ging hij hem te gemoet tot aan den
-ingang van den tuin.
-
-Pericles schudde hem de hand. „Ik voldoe aan uwe uitnoodiging,” zeide
-hij, „ik ben heden uw gast en heb het woelig en drukke stadsleven en
-alle staatsaangelegenheden ontvloden. Ook de citherspeler uit
-Milete—gij herinnert u dien ongetwijfeld—zal den dag met ons komen
-doorbrengen, als gij het goedvindt. Ik heb veel met hem te bespreken en
-weet geene plaats, waar ik het zoo ongestoord zou kunnen doen.”
-
-„Zal de schoone citherspeler uit Milete ook komen?” riep Sophocles
-verheugd uit. „Dacht ik het niet dat u iets heerlijks bezielde, toen ik
-u zoo vurig en opgewekt zag naderen. Daar was niet veel te zien van de
-rustige waardigheid van den redenaar op de Pnyx; ik herkende u
-ternauwernood, zoo schuddet ge het hoofd en de schouders heen en weder
-en deed mij denken aan dat edele krijgsros, waarvan Homerus zegt, dat
-het den halster in zijn stal heeft losgerukt en met fieren kop en
-vliegende manen naar buiten naar de weide rent...” [157]
-
-„Stil,” zeide Pericles en lei zijne hand op den mond zijns vriends.
-„Het waren de geurige luchten van het Cephissus-dal, die zoo bezielend
-in de morgenkoelte op mij werkten.”
-
-„Waarom ook niet het verlangen, om de schoone Milesische te zien?”
-zeide Sophocles, „is zij niet de bekoorlijkste aller vrouwen?”
-
-„Zij is teeder als eene Lydische, waardig als eene Atheensche, sterk
-als eene Laconische,” hernam Pericles.
-
-„Gij behoeft Ion zijne blonde, lelieblanke Chrysilla niet meer te
-benijden,” merkte Sophocles op met een schalkschen lach.
-
-„Spreek niet van Chrysilla,” zeide Pericles. „Aspasia is
-onvergelijkelijk. Moeilijk is het te zeggen of zij meer van een Muze
-dan van eene Charis heeft.”
-
-„Wellicht is zij voor u eene Parce [158],” zeide Sophocles, „zij kan u
-goeds en kwaads in uwe levensdraden spinnen.”
-
-„Waarom ook niet Lamia [159] en Empusa?” riep Pericles uit. „En al ware
-het zoo—wij hebben bloed genoeg in de aderen en een zwaard aan onze
-zijde, om het evenals held Odysseus, tegenover ieder Circe [160] te
-rechter tijd uit de schede te kunnen trekken.”—
-
-„Ik kom tot u als een moede, opgejaagde vervolgde,” ging Pericles
-voort, terwijl hij zich het zweet van het verhitte voorhoofd wischte,
-„ik heb mij aan de tallooze zorgen en bemoeiingen mijner veelvuldige
-ambten en waardigheden onttrokken, om een dag aan de schoone Muze en
-haar liefste pleegkind, de liefde, te wijden.”—
-
-„Daar doet gij wèl aan,” hernam Sophocles, „wanneer gij de rust zoekt,
-om te beminnen. Op den heeten zomerdag moet men òf niet beminnen òf
-niets anders doen dan beminnen.”
-
-„Ik geloof, dat gij zelf met deze uitspraak in strijd handelt,” merkte
-Pericles op; „die wastafeltjes daar in uwe hand bewijzen, dat gij
-ijverig vers aan vers rijgt. Dat verhindert u echter niet, naar men
-vertelt, uwe schoone Ephesische vriendin Philaenion in die stille
-myrthen- en rozengaarden te herbergen.”—
-
-„Is poëzie arbeid?” vroeg Sophocles; „dat wist ik niet. Wanneer het
-heete voorhoofd den dichter maakt, dan is wel de poëzie een welluidend
-uitademen van al het schoone licht en al het goddelijk vuur, dat men
-met zijn aardsche zinnen uit den hemelschen aether inzuigt. Licht gaat
-over in geluid. En zoo zou ik ook de liefde op een zomerdag niet gaarne
-willen missen, want daar is zij het vurigst en het zoetst en het
-goddelijkst. De eene gloed stroomt in den anderen; door het vuur van
-Apollo ontgloeid, zoekt gij verfrissching in den zaligen adem der
-liefde en keert gij met eene bevredigde, harmonisch gestemde ziel tot
-de Muze terug. Ten laatste verwisselen Eros en de Muze van rollen; de
-Muze wakkert den liefdegloed aan en de oogen of boezem van de geliefde
-overstelpen u met dichterlijke gedachten.”
-
-„Zoo moede is men, geloof ik, nooit,” hernam Pericles, „dat de liefde
-geen verkwikking zou zijn. Wij allen, die door den drang om te werken
-en te scheppen gedreven worden, weten dat.”
-
-Zoo onderhielden zich de vurige mannen, beiden in den rijpen bloei
-hunner jaren.
-
-Thans hield eene draagbaar voor het huis van Sophocles stil.
-
-Daaruit steeg Aspasia. Zij was in vrouwengewaad.
-
-Sophocles begroette haar en geleidde haar naar Pericles, in de
-lommerrijke, geurige boschjes.
-
-Voor onbescheiden blikken beveiligd, sloeg zij den sluier op, liet het
-himation, dat over haar hoofd geslagen was, van hoofd en schouders
-glijden en stond daar in een bonten chiton, met sierlijke randen, het
-krullend, rosbruine haar in golvende lijnen langs de slapen en op het
-hoofd, als eenig sieraad een breeden, purperen haarband die van de
-kruin naar achteren rondom haar prachtige lokken gewoeld was. In de
-hand droeg zij een kleinen, bevalligen zonnescherm en in den gordel,
-die haar gewaad midden om haar lichaam omsloot, stak een niet minder
-bekoorlijke, bladvormige, bont beschilderde waaier.
-
-Sophocles zag Aspasia voor het eerst in vrouwengewaad. Een kreet van
-verwondering ontvoer hem. De Milesische was in de idylle van het
-Cephissus-dal schier als een verblindend wonder neergedaald. Hare
-verschijning stak af bij deze landelijke stilte. Een bedwelmende droom
-bracht zij met zich van schoonheid en jeugd, die alle heerlijke geuren
-van haag en bloemen verre overtrof.
-
-Sophocles voerde de schoone met haar vriend door dichte en lommerrijke
-lanen en zeide:
-
-„Moogt gij behagen vinden, Aspasia, in hetgeen de natuur voor dit oord
-heeft gedaan. Weinig reden zult gij hebben om de kunst der Atheners in
-het aanleggen van tuinen te bewonderen. Ik weet zeer goed, dat gij
-Aziatische Grieken dat veel beter verstaat: bekoorlijke lusttuinen aan
-te leggen, met doolhoven, hermitages en grotten, kunt gij
-voortreffelijk. Gij hebt immers daar de uitgestrekte, grootsch
-aangelegde paradijzen van den Pers tot voorbeeld. Wij Atheners,
-gelooven, dat de schoone natuur, evenals eene schoone vrouw, ook zonder
-opschik schoon is.”
-
-„Laat Aspasia slechts een korten tijd in deze oorden wandelen,” zeide
-Pericles, „en gij zult weldra met de onopgeschikte natuur niet meer
-tevreden zijn. Zij zal u weldra met uw tuin betooveren en veranderen.
-Dat is zoo hare manier. Waar zij gaat, daar ontspruiten bloemen onder
-hare voeten. Ongemerkt weet zij iemand te ontvonken en wanneer zij zich
-een paar woorden over uw tuin laat ontvallen, zult gij geen rust meer
-hebben, voor gij hem tot iets gemaakt hebt, dat zich kan meten met den
-lusthof der Hesperiden [161] of met den tuin van Phoebus aan de
-uiterste einden der zee, of met den Cyrenaeïschen hof van Zeus en
-Aphrodite, of den tuin van Midas met haar honderdbladige rozen of ten
-minste met den lusthof van een Homerischen Alcinoös, den vorst der
-Phaeken op het eiland Scheria.”
-
-„Wel weet ik,” hernam Sophocles, „dat dit vrouwelijk wezen onrust zaait
-in de gemoederen der menschen. Heb medelijden, o schoone toovenares, en
-laat mij en mijn tuin onveranderd! Ik was tot nu toe hier zoo tevreden
-en gelukkig. Wanneer Phoebus aan het hemelgewelf schitterde dan
-verheugde ik mij, dat mijne olijven, vijgen en granaatappels door zijne
-stralen werden gestoofd; regende Zeus, dan dankte ik hem, dat mijne
-weilanden groen werden. Ik was tevreden, met hetgeen mijn hof mij
-opleverde; bloemen in de lente, schaduw in den zomer, rijpe vruchten in
-den herfst, verfrisschende koelte en stilte, door de Muzen zoo geliefd,
-in den winter. Boven alles echter, Aspasia, bezweer en verander toch
-niet door een tooverformulier datgene wat mij door de gewoonte het
-liefst is geworden, en wat voor minnaar en dichter beiden het meest
-gewenscht is: de vertrouwelijke gezelligheid dezer laurierboschjes,
-dezer myrthen- en rozenpriëelen.”
-
-„Zou werkelijk,” vroeg Aspasia, „die eenzaamheid, in de laurierboschjes
-voor den dichter zoo begeerlijk zijn? Moet hij niet veel liever, om tot
-volle rijpheid te geraken, de stille schaduw verlaten en in het heldere
-licht der wereld en des levens treden?”
-
-„Men gelooft zoo lang,” hernam Sophocles, „dat het de zon is en niets
-anders dan de zon, die de wijndruiven doet rijpen, totdat men ontdekt,
-dat juist de grootste, de weelderigste, de donkerste druiven verborgen
-hangen onder de schaduw der dichtste bladeren. En al mocht gij in
-twijfel trekken, dat deze eenzaamheid den dichter nuttig is, zeer zeker
-zult gij erkennen, dat zij den minnaar welkom is. Hier kunt gij, zoo ge
-wilt, u dagen lang verlustigen, alleen gestoord door het getjilp der
-vogels of het murmelen der beken. Geen slaaf betreedt ooit ongeroepen
-dezen tuin. Wilt ge echter het vertrouwelijkste en door de Muzen en
-Chariten het meest gezegende plekje leeren kennen, zoo komt met mij
-mede.”
-
-Pericles en Aspasia volgden den dichter. Hij voerde hen naar beneden,
-tot waar, zooals reeds vermeld is, de Cephissus een bocht maakt en den
-hof ook van den anderen kant omstroomde. De bodem glooide hier naar de
-beek af, die in eene ietwat diepere bedding vloeide. Evenwel liep de
-oever niet steil naar beneden; integendeel tusschen de beek en de
-oploopende vlakte was eene bekoorlijke ruimte gelaten, die juist breed
-genoeg was, dat twee menschen, vertrouwelijk naast elkander, onder het
-groene loof, waar de stralen der zon heerlijk door speelden, konden
-wandelen.
-
-De dichter voerde zijne gasten langs dit bekoorlijke pad. Daar ruischte
-het geklater en gemurmel van de beek, daar kweelden en sloegen de
-vogels het liefelijkst, daar speelden als dartele geesten schaduw en
-licht op de golfjes en tusschen de takken. Hier en daar lag een
-weelderig grasperk, waar men zich op kon uitstrekken en de
-verfrisschende koeltjes van de schaduw rustig en droomend genieten.
-Hier trof men ook eene rotsgrot aan, van buiten schier omringd door
-bloemen en twijgen, van binnen met zitplaatsen en kussens versierd die
-tot binnentreden op de heetste uren van den dag noodden.
-
-Aspasia was bij het zien van deze bekoorlijke rustplaats verrukt en
-voldeed gaarne aan het verzoek van haar vriend zich hier neder te
-zetten. Pericles en de dichter zelf volgden haar voorbeeld. Men zag op
-de heldere wateren der beek neder, die hier in een natuurlijke kom
-uitliep. Bonte, schitterende libellen zweefden en dansten in de stralen
-der zon over de bloemen aan den oever en een paar prachtige
-onschadelijke wateradders beschreef, zich onbespied wanende, in den
-kristalhelderen vloed zacht zich wendend, zijne vlugge, bevallige
-kringen. Weldra echter schoten zij, toen hunne beschouwers door een
-zacht geritsel zich deden hooren, onder de dichte planten, die
-weelderig woekerend van den oever in het water afhingen.
-
-„Een lief bruidspaartje,” zeide Sophocles; „ik beluister ze hier
-dikwijls. Zij zijn onafscheidelijk.”
-
-„Moeilijk is het,” begon Pericles na eene korte pauze, waarin allen
-zich aan de zaligheid der natuur hadden overgegeven—„moeilijk is het,
-uit deze vreedzame wereld zich in den geest wederom te verplaatsen bij
-die menschen en beslommeringen, die men zooeven ontvloden is. En toch
-zou het doel aan dezen tocht, Aspasia, slechts half bereikt zijn,
-wanneer wij niet over die menschen en zaken, die wij hier ontvlucht
-zijn, spraken. Integendeel, wij moeten in de eerste plaats ons daarmede
-bezighouden; want niet slechts gij hebt mij aangaande de gebeurtenissen
-der laatste dagen veel te vertellen, maar ook ik zelf heb u veel
-raadselachtigs op te helderen. Hier zweven over het water bekoorlijke
-libellen, en aalgladde, vlugge slangetjes trekken in den vloed hunne
-bekoorlijke kringen, maar niet daarover hebben we ons te onderhouden,
-maar van dieren van eene geheel andere soort heb ik u te spreken, van
-rampzalige vogels, die mij en u gisteren noodlottig zijn geworden: van
-de vervloekte pauwen van Pyrilampes. Door de ontrouw van Hipponicus
-werd een dier vogels, die tot een geschenk voor u bestemd was, in mijn
-huis gebracht en viel in de handen van mijne gebiedster Telesippe.”
-
-„En wat was het lot van den vreemdeling?” vroeg Aspasia.
-
-„O vraag mij niet naar mijn lot en het zijne op dien dag,” riep
-Pericles lachende uit. „Stel u den man voor, wien men, zooals de sage
-meldt, zijne kinderen lekker toebereidt, als een maal voorzette; thans
-eerst kan ik mij de verwondering en ontzetting van mijn gemoed
-voorstellen, nu mij het wel is waar niet zoo afschuwelijke, maar toch
-haast even treffende wedervoer, den prachtigen vogel, die, naar ik
-geloofde, zijn prachtigen vederdos voor de verrukte Aspasia ontplooide,
-dien zij als een nieuwen Argus [162] beschouwde, haar door haar
-geliefde toegezonden, om als in zijne plaats met honderd liefdesoogen
-de wacht te houden—dat ik dien vogel dood, geplukt, tot eene
-vormelooze, gebraden massa op mijn bord heb gezien!”
-
-Vroolijk lachte Sophocles bij dit verhaal.
-
-„Gij hebt zwaar gezondigd,” zeide hij, „dat gij dezen vogel, aan Hera,
-de Godin van den echt, gewijd, in den dienst van hare vijandin, de
-gouden Aphrodite hebt gebruikt.”—
-
-„Veel erger dan over u en uw pauw, o Pericles,” zeide Aspasia, „is de
-toorn der Godin op denzelfden dag over mijn hoofd losgebroken. Weet,
-dat ik op denzelfden morgen verkleed u in uw huis opzocht, dat ik ook,
-evenals die pauw, in de handen van Telesippe ben gevallen en dat ik,
-zoo al niet geslacht, toch nauwelijks eene minder onaangename en wreede
-behandeling heb ondergaan. Bij de Goden, Telesippe wenschte slechts,
-dat ik evenals de pauw honderd oogen had gehad, om mij ze allen te
-kunnen uitkrabben! In gezelschap van uwe razende echtgenoote was eene
-bedaagde, belachelijke vrouw, Elpinice geheeten. Deze dame ontbrandde
-in warme liefde voor den jongen citherspeler en verviel in een
-onbeschrijfelijken toorn, toen zij ontdekte, dat het eene vrouw was. Ik
-werd door deze beide Harpyen [163] uitgescholden, met smaadwoorden
-overstelpt, uit het huis gejaagd. „Ik sta als meesteres aan den haard
-van dit huis,” riep Telesippe uit. „Gij echter zijt eene vreemdelinge,
-eene boeleerster, ik beveel u van hier te gaan.” Zij voegde er bij dat
-zij van uw hart afstand wilde doen, maar dat zij nooit uw haard zou
-prijsgeven. Volgaarne gunde ik haar uw haard, Pericles; maar denkt gij
-de vrouw, die aan uw haard gebiedt, het recht toe te kennen, de vrouw,
-die uw hart bezit, met smaadwoorden en woeste bedreigingen lastig te
-vallen?”
-
-„Wat kan ik daaraan doen?” hernam Pericles. „De rechten der Atheensche
-vrouwen zijn gering. Diegene echter, welke zij hebben, moeten wij
-eerbiedigen. Zij reiken niet verder dan den drempel van het huis...”
-
-„Het schijnt derhalve,” hernam Aspasia, „dat gij Atheensche mannen geen
-heeren in huis zijt, maar alleen daarbuiten... Hoe zonderling! Gij
-maakt de vrouw tot uwe slavin en dan verklaart gij u zelven weder tot
-slaven van die slavinnen.”
-
-„Dat is het huwelijk!” zeide Pericles de schouders ophalend.
-
-„Wanneer dit het huwelijk is,” hervatte Aspasia, „dan ware het wellicht
-beter, dat er volstrekt geen huwelijken in de wereld bestonden.”—
-
-„Den zaligen band der harten sluit de liefde,” zeide Pericles;
-„echtgenoote echter en meesteres des huizes wordt de vrouw door de
-wet.”—
-
-„Door de wet?” vroeg Aspasia; „ik dacht altijd, dat het eigenlijk
-alleen het moederschap was, waardoor de geliefde vrouw gade werd en dat
-de echt, om zoo te zeggen, eerst met het kind begon.”—
-
-„Niet volgens de Atheensche burgerlijke wet,” wierp Pericles haar
-tegen.
-
-„Verander dan uwe burgerlijke wet,” riep Aspasia uit, „want zij deugt
-niets.”
-
-„Vrome lieveling der Goden, Sophocles,” sprak Pericles zich tot zijn
-vriend wendende, „help mij toch deze vertoornde schoone tot rede
-brengen, opdat zij niet met hare kleine blanke hand het geheele
-staatsgebouw der Atheners omver moge werpen.”
-
-„Hoe zou ik kunnen gelooven,” zei de dichter, „dat onze verstandige
-Aspasia het beste en heerlijkste deel van den mensch, de rede, zou
-kunnen verliezen?—Zij weet het zoo goed en zou het ons, als wij het
-ooit vergaten, weder kunnen leeren, dat een leven zonder genot geen
-leven is, dat men echter, om het genot des levens in de hoogste mate te
-kunnen genieten, zich boven alles moet wachten, om de sombere Ate, de
-Godin der verblinding en der hartstochtelijke onberadenheid, tegen zich
-op te zetten; dat we ons nooit tot iets ten strijde, moeten aangorden,
-voordat we nauwkeurig onze krachten hebben gewogen, dat vroolijk genot
-onmogelijk is zonder zelfbeheersching, dat wij de menschen moeten
-liefhebben, want zij zijn de gezellen van ons genoegen, en de Goden
-eeren, want het zijn geen ijdele namen, maar zij wijzen ons de perken
-onzer kracht aan en staan machtig en gebiedend tusschen onzen eigen wil
-en het noodlot tusschen de vrijheid en de eeuwige noodzakelijkheid, dat
-wij...”—
-
-„Genoeg,” viel hier Aspasia lachende in de rede, „ik vrees anders, dat
-wij uit den helderen Aether van het reine denken, waarin ons uwe
-verstandige en schoone woorden hebben verplaatst, den weg niet zullen
-kunnen terugvinden, naar de onbeduidende, maar tastbare zaken, waarvan
-we in ons gesprek zijn uitgegaan. Wanneer het mij vrijstaat, het
-algemeene op het bijzondere toe te passen, dan komt het mij voor,
-Sophocles, dat gij hebt willen zeggen, dat de uitheemsche vrouwen en de
-uitheemsche vogels te Athene goed moeten vinden, geplukt en mishandeld
-te worden en dat ze zich, uit vromen eerbied, niet tegen de wetten van
-het land mogen verzetten, die haar geen rechten toekennen.”
-
-„Onze vriend hier,” voegde Pericles bij hetgeen Aspasia gesproken had,
-„valt het natuurlijk gemakkelijk, voor het menschelijk doen en laten,
-vooral met betrekking tot echtgenooten, wijze regels op te stellen en
-even gemakkelijk die op te volgen. Zijn leven vliedt zonder strijd
-daarheen, want hij is ongehuwd en geene Telesippe treed zijne Aspasia
-dreigend met een brandhout te gemoet...”
-
-„Zoo gaat het altijd met de bemiddelaars,” hernam Sophocles lachend,
-„en met allen, die zelfs wanneer het hun verzocht wordt, zich in de
-aangelegenheden van minnenden te mengen. Ik word nu bespot en bijna met
-verwijtingen overladen, omdat ik, de rede predikende zelf zoo
-onredelijk was, aan verliefden raad te willen geven. Daarvoor wil ik nu
-mij zelven straffen, daar ik u aanstonds aan uw eigen wijsheid
-overlaat. Voor een korten tijd neem ik van u afscheid, opdat gij uwe
-zaken alleen in het reine kunt brengen. Ik ga zorgen, dat gij niet den
-geheelen dag zonder lafenis van spijs en drank moogt doorbrengen. En
-wanneer ik soms, terwijl gij uwe zaken bespreekt, wat lang in gindsche
-laurierboschjes vertoef, weet dat mij daar geene Aspasia wacht, maar
-dat ik in die schaduwschemering, met mijne wastafeltjes op de knie en
-de stift in de hand, de klaagtonen van de edele dochter van Oedipus
-[164] beluister...”
-
-„Gij hebt dus dat dichterlijke plan, waarvan gij op de Acropolis
-spraakt, niet laten varen?” vroeg Aspasia.
-
-„De helft van het werk is reeds gereed,” hernam Sophocles, „en een
-slaaf zit dag aan dag met een zwart riet om het voltooide en afgewerkte
-van de wastafeltjes op de papyrus over te brengen.”
-
-„Zult gij ons daarvan geene voorproef geven?” vroeg Pericles.
-
-„Uw tijd is te kostbaar,” antwoordde de dichter en verwijderde zich.
-
-Toen dus Pericles en Aspasia alleen waren kwamen zij op hun onderhoud
-terug, dat zij in tegenwoordigheid van hun trouwen vriend reeds
-aangeroerd hadden.
-
-Maar het ging zooals bij gesprekken van minnenden gewoonlijk het geval
-is, zij dwaalden telkens van hun onderwerp af. Zij trachtten niet naar
-een gestrengen gedachtenloop, daar tal van andere denkbeelden hunne
-ziel vervulden, die den draad der redeneering afbraken. Zij luisterden
-bovendien naar het gezang van een vogel in de takken, ademden de
-geurige lucht der weiden in met volle teugen, plukten hier en daar een
-bekoorlijke druif van een zwaar beladen wijnwinde of een rozenroode,
-sappige vrucht van den boom.
-
-Aspasia beet in een appel en gaf hem toen aan Pericles. Deze bedankte
-haar met een gelukkig lachje, want het was hem niet onbekend, wat een
-aangebeten appel in de taal der liefde beteekende. Ook bleef de
-aangeboden gelegenheid liefdesorakelen te raadplegen niet ongebruikt.
-Aspasia vlocht onder het gesprek een krans, reikte hem toen aan
-Pericles over en lachte, toen daar bladeren afvielen; want dit was voor
-de ingewijden een teeken van den heftigen liefdegloed van hem, die den
-krans droeg. Pericles daarentegen plukte die bloemen wier kelken de
-eigenschap hadden met een kleine knal te barsten, zoo men ze tusschen
-de vingers plat drukte en hij achtte het zijner niet onwaardig uit de
-kracht van dien knal de innigheid van de liefde der beminde af te
-leiden.
-
-Maar hoezeer ook de liefdegloed van Pericles den krans, dien hij in de
-hand droeg, deed verwelken en ontbladerde en de vurige genegenheid in
-het hart van Aspasia het knallende bloemenorakel eer mocht aandoen,
-beiden trachtten toch telkens op een ernstig gesprek terug te komen.
-Vele vragen werden ter sprake gebracht, maar natuurlijk weinige ten
-volle beantwoord. Men overwoog, hoe Aspasia met behulp van Pericles
-haar nieuw huishouden het best zou inrichten, vervolgens hoe zij hun
-omgang het ongestoordst zouden voortzetten en, daar verliefden over
-niets liever keuvelen, dan over de geschiedenis hunner eerste
-ontmoeting, kwamen ook Pericles en Aspasia op de hunne in het huis van
-Phidias terug en Pericles verhaalde wat de gevolgen van die eerste
-kennismaking waren geweest, hoe sedert dien dag zoo menig grootsch plan
-was ontworpen, hoe hij sinds zich tegen de verwijten zijner vrienden
-had moeten verdedigen, hoe ten laatste allen zich voldaan hadden
-verwijderd, behalven de zoon van Sophroniscus, de waarheidszoeker, die
-nog steeds de vraag beantwoord wilde zien of de beoefening van het
-schoone die van het zedelijke overbodig maakte. Die vraag had men toen
-laten rusten en was sedert in vergetelheid geraakt, nu Aspasia echter
-aan haar lievelingsdenkbeeld herinnerd werd, beweerde zij weder zeer
-beslist, dat de aankweeking van het schoone in de wereld evenveel recht
-van bestaan had, als de beoefening van het zedelijke en dat een pauw
-evenveel waard was, als een eend hoewel deze beter geschikt was om
-gemest te worden. Toen Pericles niet aanstonds wist of hij haar dit
-mocht toegeven, werd het minnende paar juist ter goeder ure door de
-komst van Sophocles in zijn gesprek gestoord.
-
-Hij kwam hen tot een eenvoudig ontbijt uitnoodigen. Hij geleidde hen
-naar het tuinhuisje, dat midden in den hof gelegen was. Zij vonden dat
-van binnen netjes versierd, bijkans weelderig ingericht voor weldadige
-ontspanning, en in eene sierlijke spijszaal herschapen. Aanligbedden
-voor twee personen stonden gereed, waarop men, het bovenlijf op de
-linkerhand gesteund, gewoon was het maal te gebruiken. Voor die
-aanligbedden stonden de tafels, met spijzen beladen en wel voor ieder
-aanligbed een afzonderlijke.
-
-Pericles en Aspasia namen op uitnoodiging van Sophocles plaats en
-strekten de handen uit naar de aangeboden ververschingen. Op tafel was
-aanwezig: gevogelte, koeken, Siciliaansche kaas, vijgen, amandelen,
-noten, druiven en bovendien kostelijke, vurige wijn van de eilanden
-[165].
-
-„Ik hoop, vrome Sophocles,” sprak Aspasia schertsend, „dat gij ons geen
-gebraden nachtegalen voorzet, hoewel men in eene stad, waar men zich
-niet ontziet pauwen op te zetten, evengoed nachtegalen zou kunnen
-braden.”
-
-„Smaal toch niet om ééne goddelooze op het geheele Atheensche volk,”
-smeekte Sophocles.
-
-„Eene vrouw,” riep Aspasia uit, op nieuw ziedend van toorn, „die in
-staat was een pauw te slachten, hem zijn schoonen vederdos uit te
-plukken en hem in eene pan te doen, verdiende met roeden uit Hellas
-gegeeseld te worden. Zoo ooit over iemand, moet over haar de toorn der
-Grieksche Goden losbarsten, want zij heeft zich vergrepen aan het
-heiligste wat er bestaat, aan het schoone!”
-
-„Als wij onze schoone en verstandige Aspasia mogen gelooven,” zeide
-Pericles tot Sophocles, „dan is schoonheid de hoogste wet des levens en
-daar zij ziel en lichaam doordringt, van alle deugden de eerste en de
-laatste.”
-
-„Die gedachte lacht mij zeer toe,” hervatte de dichter, „ofschoon ik
-niet weet, hoe Anaxagoras en die bekende steenhouwer van Phidias en de
-overige wijzen er over zouden oordeelen. Maar ook van hen zal niemand
-de geweldige macht der schoonheid en van datgene, dat zij in het hart
-der menschen verwekt, van de liefde durven bestrijden. Ik heb juist van
-morgen, geheel naar uw verlangen, Aspasia, om de onoverwinnelijke macht
-der liefde te toonen, in mijn drama een tooneel ingelascht, waarin ik
-de Haemon, de zoon van koning Creon [166] vrijwillig in den Hades [167]
-doe nederdalen, om zijne geliefde bruid Antigone daarheen te volgen...”
-
-„Dat is overdreven, Sophocles,” sprak Aspasia tot den dichter, die
-eenigermate verwonderd was, daar hij toch meende in haar geest te
-hebben gehandeld. „Van zulk eene treurige zijde moet de stift der
-dichters de liefde niet teekenen. De liefde is opgewekt en vroolijk en
-moet liever zich zelve prijs geven dan hare vroolijkheid. Zij moet eene
-menschelijke ziel niet naar den Hades voeren. Zij moet de menschen
-alleen met het leven niet met den dood verzoenen. Sombere, dweepzieke
-hartstocht moet onder de Grieken niet met den naam van liefde
-bestempeld worden. Dat is ziekelijkheid, dat is slavernij...”
-
-„Gij hebt gelijk, Aspasia,” antwoordde Sophocles. „De leer, die gij
-daar verkondigt, is opwekkend en duidelijk; gij en Pericles en ik
-zullen voorzeker alleen de schoone, vrije, opgewekte liefde huldigen en
-wij willen, als het uwe goedkeuring wegdraagt, nog heden den Goden een
-offer brengen, opdat zij nooit in onzen boezem het vriendelijk
-liefdevuur tot een doodelijken en verderfelijken gloed mogen aanblazen.
-Maar in de dicht- en beeldende kunst drijft de geest de dichters en
-beeldhouwers, om datgene wat zij uit willen drukken op eene scherpe en
-overdreven wijze te doen. Ik wilde aantoonen, dat Eros een machtige God
-is; maar ik wensch van harte, dat hij zijne geheele macht nooit weder
-op eene dergelijke wijze de Grieken zal doen ondervinden. Mocht hij
-slechts boven alles de harten der schoonen zacht en goedgunstig
-stemmen, want wat anders dan de schoonheid is de schuld van al den
-jammer en ellende der liefde op de wereld? Inderdaad, de schoonheid is
-eene noodlottige, dikwerf beslissende macht in het leven der
-stervelingen. Zij zit, wanneer ik het zoo mag uitdrukken, mede
-besturend in den raad der hoogste machten.”
-
-„Schoonheid zit medebesturend in den raad der hoogste machten!”
-herhaalde Aspasia. „Deze uitspraak verdiende, mijns inziens, aan de
-spreuken van Hellas’ wijzen toegevoegd te worden.”
-
-„Wanneer die uitspraak u zoo bevalt,” hernam de dichter, „dan zal ik
-die luide voor geheel Hellas herhalen en haar in een reizang op Eros in
-mijn treurspel invlechten. Wanneer zou ik dien reizang op Eros onder
-gunstiger voorteekenen kunnen voltooien, dan zoolang uw voet nog in
-dezen lusthof wandelt? Gij moogt van hier niet gaan, vóór ik den hymne
-opgeschreven en aan uw oordeel onderworpen heb.”
-
-„Geen schooner gastgeschenk kunt gij ons geven,” hernam Pericles.
-
-„Vergeeft mij thans,” ving Sophocles weder aan, „dat ik u niets
-aanbied, waarmede men anders een onthaal pleegt te kruiden. Ik vertoon
-u noch eene danseres noch eene fluitspeelster; want heden, dunkt mij,
-hebben mijne gasten aan zich zelven genoeg; en bovendien, wie zou zich
-op de cither durven meten met den schoonen „citherspeler uit Milete” en
-met zulk een kunstenaar een wedstrijd durven aangaan?”
-
-„In de eerste plaats—gij zelf,” riep Pericles; „gij zijt ons zelfs de
-wedstrijd schuldig, want gij hebt ons toch op de Acropolis iets
-dergelijks beloofd. Haal slechts uw snareninstrument, Sophocles, en
-breng er ook een voor Aspasia mede; en begint dan op de wijze van
-Siciliaansche herders in zang en spel te wedijveren, terwijl ik als
-onpartijdig scheidsrechter uitspraak zal doen—want dat gij mij tot
-kamprechter aanstelt, spreekt wel van zelf, daar gij buiten mij geen
-toehoorders meer hebt.”—
-
-„Het genoegen Aspasia’s gezang en snarenspel te hooren,” hernam
-Sophocles, „zal voor eene nederlaag niet te duur gekocht zijn.”
-
-Hij verwijderde zich en keerde weldra met twee schoon versierde cithers
-terug en verzocht Aspasia daar eene van te kiezen.
-
-Met kennersoog tokkelde de schoone de snaren en liefelijke tonen
-ontlokte zij aanstonds aan het bezielde instrument als vonken aan den
-vuursteen.
-
-En thans begonnen de dichter en de schoone Milesische, ontgloeid door
-den zoeten, vurigen wijn, bij den klank der snaren liederen van
-Anacreon en Sappho te zingen en gevleugelde disticha [168] en daaronder
-ook iets nieuws van eigen vinding.
-
-Een der kleine liederen van Sophocles luidde als volgt:
-
-
- „Wat heet leven en lust, zonder Cypria’s lachenden aanblik?
- Dan toch wilde ik sterven, zoodra ’t zoete liefdegenot
- Nimmer mij het hart meer verheugt met gloed en teedere omarming:
- Bloesems der jeugd, o, hoe snel maait u de zeis van den tijd!”
-
-
-Bezield antwoordde Aspasia:
-
-
- „Kort ja, is hij, de tijd, voor de sterv’lingen, maar toch noodigt
- ons
- Bacchus, bekoort ons de dans en de bloeiende krans van de liefde!
- Dit, slechts dit, heet leven; slechts lust is leven.—Vliedt dan
- Gij zorgen! Geniet van het heden, want een sluier onthult ons het
- morgen!”
-
-
-Met een stralenden blik op Aspasia zong nu de dichter:
-
-
- „Zoet is, zoet ja, bij Pan, den Arcadische, wat gij bij uw luite
- Zingt, o Aspasia! zoet klinkt uw liefelijk gezang!
- Kon ik ontvlieden? Omlegert mij niet de macht der Eroten
- In der Sirenen gestalt’, die mijne ziel houdt geboeid?”
-
-
-Met een betooverenden glimlach op de rozenroode lippen zong nu Aspasia:
-
-
- „Schertsend vermeide zich laatst met Neäera haar vriend. Om de
- heupen
- Wond haar Cypris een band, bont en met bloemen doorweefd.
- Goud was het opschrift, dat luidde: bemin mij voor eeuwig,
- Maar geef niet toe aan uw smart, als mij een ander bezit!”
-
-
-„Hoe lang draalt gij nog, Pericles, den krans der overwinning aan
-Aspasia toe te kennen,” zeide de dichter.
-
-„Geef hem den dichter, Pericles,” hernam Aspasia; „maar stelt hem
-vooraf nog ééne voorwaarde; hij moet ons nog een distichon op de
-schoone Philaenion zingen.”
-
-„Hoort gij, wat Aspasia verlangt?” zeide Pericles tot den dichter; „gij
-moet Philaenion bezingen, de schoone Ephesische, die thans, naar men
-verhaalt, de deelgenoote is uwer zaligste uren en welke wij, vreemde
-gasten, misschien van daag, tot uwe heimelijke smart uit dit bekoorlijk
-oord hebben verjaagd.”
-
-„De voorwaarde is niet zonder heimelijke boosheid en wreedheid,” hernam
-Sophocles glimlachend, „maar ik wil ze niet onvervuld laten.”
-
-En hij zong:
-
-
- „Klein ja is en donker Philaenion, echter niet slanker
- Is de klimop en niet molliger ’t bloempje des velds.
- Meer dan Cypria’s gordel bekoort haar lieflijk gesnap mij;
- Al wat zij schenkt, dat schenkt zij met vriendelijken glimlach.
- Waarlijk, Philaenion min ik, de heerlijke, tot de godlijke Cypris
- Mij een andere schenkt, die nog bekoorlijker is!”
-
-
-„Gij zijt tevreden, Aspasia?” vroeg Pericles, en toen deze toestemmend
-knikte, wendde hij zich tot Sophocles en reikte hem den kampprijs met
-de woorden:
-
-„Ontvang den krans, vriendelijke zanger”.
-
-„Dat zou ik niet zijn,” hernam Sophocles, „zoo ik niet sloot met een
-loflied op de schoonste:
-
-
- „Cypria’s schoonheid hebt ge, de lippen van Pitho, der Horen
- Lentebloesem daarbij en Calliope’s stem,
- Themis’ wrekende maat, Pallas’ wijsheid en Charis’
- Vriendelijken lach met den ernst der strenge Muze vereend.” [169]
-
-
-„Dat noem ik ons verlegen maken,” zeide Aspasia, „en ons een plicht der
-dankbaarheid opleggen, die wij nooit vergelden kunnen.”
-
-Zoo eindigde de wedstrijd. De dichter en Milesische spraken toen nog
-veel over de toonkunst en Aspasia legde daarbij eene zoo groote kennis
-aan den dag van Dorische, Phrygische, Lydische, Hypodorische [170] en
-Hypophrygische melodieën, van fijne schakeeringen daartusschen en van
-de voortreffelijkheid van de eene boven de andere, dat Pericles in
-verbazing ten laatste uitriep:
-
-„Zeg mij toch, Aspasia, hoe heet de man, die zich beroemen mag u in uwe
-prille jeugd in die moeilijke kunst te hebben onderwezen en ingewijd?”
-
-„Dat zult ge vernemen,” hernam Aspasia, „wanneer ik u eens de
-geschiedenis mijner eerste jeugd vertel.”
-
-„Waarom hebt ge dat nog nooit gedaan?” vroeg Pericles. „Hoe lang zult
-gij het nog uitstellen? Doe het nog heden. De gelegenheid is gunstig en
-Sophocles is zulk een vertrouwd vriend en zoo gesloten, dat gij u niet
-behoeft te ontzien, hem mededeelgenoot van uw verhaal te maken.”
-
-„Neen,” zeide Sophocles, „hoe bekoorlijk ik mij ook de geschiedenis van
-Aspasia’s jeugd voorstel, moet ik toch vreezen, dat wanneer gij het
-genoegen ze te hooren met een ander moest deelen, ze niet half zoo lang
-zal uitvallen, als wanneer gij alleen ze verneemt. Bovendien herinner
-ik mij de belofte, dat ik u niet eerder zou laten heengaan, vóór ik
-Aspasia door een reizang op Eros ten volle weder zal verzoend hebben en
-zoo moet ik wel andermaal de eenzaamheid opzoeken en aan de uwe, die
-gij wel niet minder wenscht, overlaten. Terwijl ik op denzelfden dag,
-waarop ik voor mijn treurspel een loflied op Eros dicht, een minnend
-paar als gij, in mijne afzondering heb ontvangen, geloof ik mij zoo
-verdienstelijk jegens den God te hebben gemaakt, dat het mij niet
-verwonderen zou, wanneer mij het schoonste lied, als dank daarvoor, van
-hem ten deel viel.”
-
-Met deze woorden verwijderde zich de dichter.
-
-Schertsend riep Aspasia hem achterna, dat hij niet moest terugkeeren
-zonder de bekoorlijke, schoon gelokte Philaenion.
-
-Pericles en Aspasia waren nu weder in de stille, kalme geurige lanen
-alleen aan zich zelven overgelaten.
-
-Nog opgewekt door het levendige gesprek onder het genot van den wijn en
-het snarenspel en toch in eene soort van zachte ontspanning, brachten
-zij, nu eens wandelend, dan weer rustend, den eersten tijd in dien
-zoeten, droomerigen toestand door, welke vooral in een bosch of in
-geurige, schaduwrijke tuinen in de uren van den middag zich van den
-geest meester maakt, wanneer Pan slaapt en zijne geesten, onbedwongen,
-in de eenzame dreven hun dartel spel drijven.—
-
-De vette olijf glinsterde in de middagzon. Geen leeuwerik, met weligen
-kuif, huppelde meer rond, de hagedissen lagen sluimerend in de weiden.
-Slechts de boomkrekel liet hier en daar zijn zacht en melodisch gepiep
-op de takken hooren.
-
-In zulke oogenblikken, bij eene bekoorlijke natuur is men zoo verhit,
-zoo opgewekt van den zonneschijn en de heerlijke geuren, geniet men
-zoo, dat, wanneer men zich ter ruste vleit op lommerrijke weiden onder
-ritselende boomen, de levensgeesten niet weten of het eene zoete
-afmatting is, wat hen doortrilt, dan wel eene overbodige inspanning
-hunner veerkracht.
-
-De beiden gelieven vertoefden ten laatste bij dat oord, waar de klimop
-zich slingerde, waar de golven van den Cephissus onder de zonnige
-twijgen klaterden en waar in de zwoele middagstilte het onschadelijk
-paar wateradders in de kristallen gloed zijne kringen placht te
-beschrijven, terwijl gonzende libellen over de watervlakte zweefden.
-
-Uit dien half droomerigen toestand eener verrukkelijke siesta
-ontwakend, herhaalde Pericles zijn verzoek aan Aspasia, om hun
-vertrouwelijk te zamen zijn op dezen dag door het lang beloofde verhaal
-der lotgevallen van hare jeugd de kroon op te zetten.
-
-Doch het is een zonderling iets, wanneer de lippen der vertelster fijn
-en zacht en heerlijk zijn als Attische honig. Pericles bekende, dat hij
-niet wist of hij begeeriger was naar de kussen zijner vriendin dan naar
-haar verhaal.
-
-Eindelijk kwam zij aan het woord:
-
-„Gij weet,” zeide zij glimlachend, „ik ben niet oud genoeg om u op een
-lang, avontuurlijk en bont verhaal te kunnen vergasten. Maar gij hebt
-het recht, naar mijne afkomst te mogen vragen en te vernemen, van
-welken aard mijn lot geweest is, vóór het met het uwe was verbonden.
-Philammon heette de man, naar wien gij zooeven hebt gevraagd, aan wien
-ik mijne kennis in de toonkunst en andere kunsten en in één woord alles
-te danken heb, wat een mensch den anderen te danken kan hebben, en ’t
-geen eigenlijk, naar ik meen niet zoo heel veel is; want het meest
-beslist toch bij den mensch, vooral bij de vrouw, de grond, waarop hij
-is geboren, de lucht, die hij inademt en de gedaante der dingen, die
-hij van zijne jeugd af om zich heeft gezien, boven alles echter de
-ingeboren aanleg en het lot en het gesternte, waaronder hij het
-levenslicht heeft aanschouwd.
-
-„Die goede Philammon! Ik geloof niet, dat ik ooit weder met een man in
-zoo’n gelukkigen vrede zal leven als met hem; want hij koesterde geene
-verwachtingen meer van mijne kunne en ik nog geene van de zijne. Hij
-telde tachtig jaar en ik tien. ’t Is waar, hij scheen wel een vierde
-jonger dan hij werkelijk was en ik een vierde ouder dan mijne jaren.
-
-„Na den dood van mijn vader Axiochus en van mijne moeder te Milete werd
-ik door hem als een vriend des huizes in zijn familiekring opgenomen.
-Hij was de geleerdste, verstandigste, spraakzaamste en tevens
-vroolijkste grijsaard in het levenslustige Milete, de beminnelijkste
-grijsaard misschien, die de aarde sinds Anacreon had gedragen. Ik weet
-niet, of er ergens een schooner liefdeband bestaat, dan dit van een
-jeugdig grijsaard en een vroegrijp meisje. De scherpste tegenstellingen
-des levens zoeken en vinden elkaar in die vereeniging.
-
-„Ik was schier hartstochtelijk verliefd op Philammon’s sneeuwwitten,
-lang afgolvenden baard, op zijne heldere oogen, waaruit mij al het
-licht der wetenschap scheen tegen te schitteren, op zijne lyren en
-cithers, op zijne boekrollen, op de bronzen en marmeren beelden van
-zijn huis en op het heerlijke bloemtapeet van zijn tuin. Wat hem
-betreft, hij scheen niet minder behagen in mij te scheppen; van het
-oogenblik af, waarop ik zijn huis betrad, speelde een glimlach om zijne
-lippen, zooals ik er nooit meer een heb gezien bij een gelukkig
-sterveling en dien ten laatste zelfs de dood niet geheel kon doen
-verdwijnen. Vijf jaren lang leefde ik in den geur der rozen, waarmede
-deze goddelijke grijsaard zijne bekers bekranste, dronk de wijsheid in
-uit zijne heldere oogen en zijne lippen, die overvloeiden van
-welsprekendheid, speelde op zijn lyren en cithers, ontrolde met
-gloeiende wangen zijne boekrollen, beschouwde zijne bronzen en marmeren
-beelden en verzorgde de bloemen van zijn tuin. De wereld der poëzie,
-der tonen en der lente, was voor hem zelven op nieuw ontwaakt en
-bezield, toen hij ze nog eens met het kind genoot. Hij zeide, dat hij
-tachtig jaar oud geworden was en nu eerst vele zijner boekrollen
-verstond, nu ik, het kind, ze hem had voorgelezen.
-
-„Toen hij gestorven was, noemden de Milesiërs mij het schoonste meisje
-van het Ionische strand en ik zag voor de eerste maal in den spiegel.
-Het leven der rijke stad, waar vroegtijdig de Grieksche geest in de
-Aziatische zon tot weelderige volheid zich ontwikkelde, begon mij met
-verleidelijke bekoorlijkheid aan te grijpen.
-
-„En toch was ik niet gelukkig.
-
-„Bij Philammon’s boekrollen en marmeren beelden was ik vroolijk
-geweest; in den bedwelmenden roes der vreugde, door hulde en wierook
-omgeven, werd ik ernstig, nadenkend, luimig, aanmatigend.
-
-„Ik miste iets.
-
-„De mannen van Milete schenen mij dwaas toe. Zij dongen om mijne gunst,
-ik verachtte hen.
-
-„Ik stond na den dood van Philammon als eene wees, jong, arm, onervaren
-in de wijde wereld.
-
-„Toen zag mij een Perzisch satraap [171] en aanstonds vatte hij het
-plan op het zoo geroemde Ionische meisje naar Persepolis [172] te
-voeren, naar den grooten koning [173]. Mijne dwaze meisjesziel werd
-ontvlamd. Ik dacht aan Rhodopis [174], die den koning van Aegypte, aan
-mijne landgenoote Thargelia, die den koning der Thessaliërs tot
-echtgenooten hadden gekregen. De koning der Perzen echter, de
-machtigste der aarde, zweefde voor mijn geest als het ideaal van alle
-mannelijke schoonheid, al het verhevene, beminnelijke en
-geestkrachtige. Als kind bij Philammon was ik verstandig geweest voor
-mijne jaren thans als rijpende jonkvrouw werd ik gekkelijk. Te
-Persepolis aangekomen, werd ik rijkelijk opgesierd en toen naar den
-koningsburg gevoerd, die in verblindende pracht prijkte. Te midden van
-deze heerlijkheid zat de koning der Perzen, niet minder schitterend
-uitgedost, maar met het uiterlijk van een gewoon mensch. Hij lonkte mij
-met zijn doffe, despotische oogen toe. Eindelijk begon hij slaperig de
-hand naar mij uit te strekken, als naar eene koopwaar, die hij betasten
-wilde. Dat prikkelde mij; tranen van spijt ontsprongen aan mijne oogen.
-Dat beviel den Pers echter en een lach plooide zijne matte trekken. Hij
-spaarde mij zelfs sedert dat oogenblik en zeide dat de fierheid der
-Grieksche vrouwen hem beter beviel, dan de slaafsche karakterloosheid
-der andere vrouwen. Na weinige weken was het hart van den despoot voor
-mij in liefde ontbrand. Mij echter overviel een angst; ik verzonk in
-zwaarmoedigheid. Vreemd, eentonig, koud scheen het leven om mij heen.
-De menschen waren niet vatbaar voor eenigen hartstocht. In zich zelven
-gekeerd leven zij voort in pronkvertrekken van bedwelmende aromen
-doortrokken. Zonderling en beangstigend scheen mij die pracht van het
-Oosten toe en snel was de betoovering geweken, waarmede zij in den
-beginne mijne verbeeldingskracht had verstrikt. Een koude huivering
-overviel mij, als ik de tempels en afgodsbeelden in den vreemde
-beschouwde; een heimwee greep mij aan naar de Goden van Hellas.
-
-„Ik ontvluchtte na korten tijd. Vrij ademde ik weder, toen ik het
-Ionische strand weder betrad, toen ik de Grieksche zee, voorbode van
-eene nieuwe en betere toekomst, tegen de kust zag aanklotsen. Onder
-begeleiding van eene enkele trouwe slavin zocht ik in de haven van
-Milete een schip, dat mij naar Griekenland zou voeren. Ik vond een
-koopvaarder uit Megara, die bereid was mij naar die stad te brengen.
-Van daar kon ik spoedig het naburige, fiere, bloeiende Athene bereiken,
-waarnaar mijne ziel zoo vurig had verlangd. Te Megara met mijne slavin
-aangekomen, stond ik voorloopig alleen en hulpeloos. De bedaagde
-scheepskapitein, die mij van Milete had medegenomen, noodig mij in
-zijne woning en beloofde mij eerstdaags naar Athene te doen voeren. Ik
-nam zijne uitnoodiging aan. Hij echter vertraagde van dag tot dag de
-voorbereidselen tot mijn vertrek, totdat ik ten laatste bemerkte, dat
-hij voornemens was mij in zijn huis te houden. Weldra zag ik ook zijn
-opgeschoten zoon in hartstocht voor mij ontbrand en in huis, als eene
-gevangene bewaakt, werd ik door beider liefdesbetuigingen vervolgd.
-Voor hen, meenden die dwazen, zou ik ongerept den Perzischen koning
-zijn ontvloden en voor hen mij hebben gespaard. Toen ik nu koel bleef
-en alles deed, om de boeien, die men mij wreed had aangeslagen, te
-verbreken, barstte beider gramschap in hevige woede over mij los. De
-vrouw van den scheepskapitein had echter van den beginne afaan de
-jeugdige vreemdelinge met argwanenden blik beschouwd en toen zij nu,
-terwijl deze beide mannen op mij vertoornd waren en om mijnentwil
-geweldig met elkaar twisten, door eene razende ijverzucht werd
-aangegrepen, zag ik mij als door Furiën omringd en geweldig bedreigd
-door de hartstochten dezer razende menschen. De vrouw kwam op de
-gedachte de Megarensers tegen mij als eene vreemde toovenares en
-verstoorster van den huiselijken vrede op te hitsen en daar de beide
-mannen door mijne koelheid en de onmogelijkheid mij langer in huis te
-houden vreeselijk verbitterd waren, ondersteunden zij uit wraakzucht de
-pogingen der vrouw. Hun streven was niet zonder gevolg. Ik was toch in
-Megara, onder menschen van den Dorischen stam, onder menschen, die,
-losgerukt van hunne stamgenooten in de Peloponnesus, zoo dicht bij het
-machtige, dreigende Athene, daarom te sterker zich hunne Dorische
-afkomst bewust waren, en des te slaafscher de Spartaansche zeden
-meenden te moeten handhaven. Streng en mannelijk in hun doen willen zij
-schijnen, maar zij zijn dubbel teugelloos, wanneer de hartstocht zich
-van hen meester maakt; want hun gemoed is ruw, hun geest gemeen. Hun
-heftig gevoel is vreemd aan elke zachte aandoening, die over de
-gemoederen van andere menschen door den adem der bekoorlijkheid en
-vriendelijkheid is uitgespreid.
-
-„Op mijn dringend verlangen deed men het eindelijk voorkomen, dat men
-mij rustig zou laten vertrekken. Een muildier stond gereed voor mijn
-goed, een draagstoel voor mij en mijne slavin. Toen ik echter uit het
-huis van den Megarenser trad, vond ik het tegen mij opgehitste volk op
-straat verzameld en werd ik met spottende en hoonende woorden begroet.
-
-„Voor het volk van Megara was het voldoende te hooren, dat ik eene
-Milesische was, om mij te haten en in blinde woede te vervolgen. Ik
-weet niet, wat mij met zulk een moed, met zulk een fierheid bezielde,
-toen ik dit Dorische gepeupel, grijnzend, schreeuwend, dreigend rondom
-mij gedrongen zag. Met opgerichten hoofde ging ik door de menigte,
-achter mij mijne sidderende slavin. De voorsten, die een weinig voor
-mij teruggeweken waren, werden door hen, die achter hen stonden,
-opnieuw tegen mij aangedrongen; ik zag mij in een maalstroom van
-verwarring vastgeklemd, gestomt en toen ik ziedend van toorn een woord
-tot de menigte sprak, grepen eenigen onder smadelijke bedreiging mij
-bij de armen en het gewaad.
-
-„Op dat oogenblik kwam een reiswagen met paarden bespannen den weg
-langs. In den wagen zat, naar het scheen, een aanzienlijk en rijk man,
-door slaven gevolgd.
-
-„Toen deze man mij zag, te midden van dat dreigend gevaar, daar de
-vermetelsten reeds de hand aan mij sloegen, liet hij den wagen
-stilhouden en gaf den zijnen last, mij en mijne slavin in den ruimen
-reiswagen te helpen en, toen dit geschied was, bracht het vurige span
-mij in weinige oogenblikken voor altijd uit het vervloekte Megara en
-onttrok mij aan de smadelijke bejegening, die mij dreigde.”
-
-„Nu begrijp ik, Aspasia,” viel Pericles in, „waarom gij geheel in
-strijd met uw kalm karakter, zoo vijandig en hartstochtelijk opvliegt
-wanneer er sprake is van de Doriërs en het Dorische karakter.”
-
-„Ik ontken het niet,” hernam Aspasia, „ik heb sedert dien dag te Megara
-aan alle Doriërs onverzoenlijken haat en wraak gezworen.”
-
-„En de man, die u redde,” zeide Pericles, „was zeker niemand anders dan
-Hipponicus?”
-
-„Dezelfde,” antwoordde Aspasia.
-
-„Gij hebt,” vervolgde Pericles, „een weelderigsten bloei van Ionische
-karakter te Milete en de plompe overdrijving van het Dorische te Megara
-leeren kennen. Thans op den bodem van Athene gekomen, zult gij, hoop
-ik, u in dat schoone en gelukkige midden gevoelen, dat het gevolg is
-van de verzoening en de harmonie der uitersten.”
-
-„Het was mij aanstonds een goed teeken,” antwoordde Aspasia, „dat het
-toeval mij, zoodra ik den Atheenschen bodem had betreden, naar die
-plaats voerde, waar de levendigste vonken van den nieuwen Atheenschen
-geest rondspatten—naar de werkplaats van Phidias.”—
-
-„En daar,” viel Pericles in, „vondt gij de mannen, die gij aan het hof
-van den Perzischen koning miste, de gevoelige ontvankelijke mannen,
-waarop gij invloed kondt oefenen—daar vondt gij den krachtigen, vurigen
-Alcamenes...”
-
-„En den peinzenden, niet vurigen, niet innemenden zoon van
-Sophroniscus,” hernam Aspasia; „en ik trachtte aan beiden datgene te
-geven, ’t welk zij mij naar hun eigenaardig karakter schenen noodig te
-hebben. Den beeldhouwer toonde ik, dat hij niet alleen van den meester
-Phidias kan leeren en het gelukte mij de valsche bescheidenheid van den
-waarheidszoeker, die de geheele wereld met zijne vorschende vragen
-vervolgt, voor een deel althans in een ware te veranderen. Maar nog
-ontbrak mij de man, wien ik niet alleen dit of dat, wien ik alles, wien
-ik mijn geheele persoonlijkheid niet zou aarzelen toe te vertrouwen.
-Eindelijk vond ik hem. Sedert dien tijd ben ik der smidse, waar de
-echte vonken van den nieuwen Helleenschen geest opspatten, nog nader
-gekomen, dan in de werkplaats van Phidias.”
-
-„En waar was dat?” vroeg Pericles.
-
-„Aan het hart van den gemaal der pauwenslachtende Telesippe!” hernam
-Aspasia glimlachend en vlijde haar schoon gelokt hoofd met smeltenden
-blik aan de borst van den geliefden man.
-
-Hij boog zich over haar en drukte haar een kus op de lippen. Daarna
-sprak hij:
-
-„Menige van die levensvonken van den Helleenschen geest zou wellicht
-nog sluimeren in deze borst, Aspasia, wanneer gij uw schoon hoofd daar
-nooit tegen had gedrukt!”—
-
-Zoo verliep de dag voor het gelukkige paar in den tuin van Sophocles.
-
-De avond begon te vallen, de boschjes geurden sterker, de nachtegalen
-hieven hun lied aan in de twijgen en als wilden zij met hen wedijveren,
-lieten de krekels in het gras hunne schelle tonen hooren. Glimwormen
-glinsterden uit het donker der boschjes en Hesperus [175] spreidde zijn
-glans uit aan den hemel.
-
-Thans verscheen de dichter weder, om zijne gasten tot den maaltijd uit
-te noodigen. Hij voerde hen wederom naar dat gezellige, liefelijk
-versierde tuinhuis.
-
-„Gij hebt mij,” zeide Sophocles, zich tot Aspasia wendende, „toen ik
-van u heen ging, een bevel nagezonden. En wie zou het durven wagen u
-niet te gehoorzamen in alles wat gij zoudt kunnen wenschen?”
-
-Daarbij wees hij naar den achtergrond van het vertrek, waaruit
-Philaenion lachend te voorschijn trad.
-
-Pericles en Aspasia waren aangenaam verrast. Philaenion was klein, maar
-van een betooverende, evenredige gestalte; daarbij was zij krachtig van
-leden en toch vol bekoorlijkheid in hare bewegingen. Zij had de
-zwartste oogen en boven het ietwat lage voorhoofd viel het donkerste
-haar in krullende lokken.
-
-Aspasia dankte den dichter in vriendelijke woorden voor zijne
-bereidwilligheid en kuste Philaenion op het voorhoofd. Vroolijk
-schaarde men zich om den disch. Vele heerlijke gaven werden er
-aangeboden en wederom stroomde de vurige Chiërwijn [176] onder
-opgeruimden, geestigen kout en gelach.
-
-Toen las Sophocles zijn gasten den beloofden lofzang op Eros voor, den
-onsterfelijken reizang op den „Alverwinnaar in den strijd.”
-
-In verrukking hieven Aspasia en de dichter aanstonds bij het getokkel
-der snaren het schoone lied aan. De melodie stroomde als van zelf van
-hunne lippen. Zij vonden ze gelijkelijk uit.—
-
-Philaenion in dezelfde geestverrukking viel in, en zoowel door het lied
-als door den gloeienden wijn bezield, begeleidde zij weldra den zang
-met de bekoorlijkste, innemendste dansen.
-
-Wie zou het geluk dezer gelukkige menschen vermogen te schilderen?
-
-Zij waren gelukzalig, als de Olympische Goden.
-
-Toen Pericles met Aspasia laat in den avond den lusthof doorwandelde,
-om naar huis terug te keeren, geurden de rozen bedwelmend; de
-scharlakenroode, geheimzinnig vlammende anjelierbloesem schitterde in
-de duisternis.
-
-En nooit kweelden de nachtegalen in het Cephissus-dal bekoorlijker dan
-in dien nacht.
-
-„Weet gij, wat zij zingen,” zeide Pericles tot Aspasia, die met een
-blijden glimlach aan zijne zijde wandelde. „Zij zingen allen den
-reizang van Sophocles op Eros; zij zingen allen:
-
-
- „God der liefde, nooit bedwongen,
- Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,
- Waar uw pijl is ingedrongen,
- Voor uw almagt buigen doet;
- Die uw zetel hebt gekozen
- Op het liefelijk gelaat
- Van de teedre maagd, wier bloozen
- Wat haar harte wenscht verraadt!” [177]
-
-
-Zij zingen allen:
-
-
- „Alle wezens kunt gij dwingen,
- Land en zee is uw gebied;
- ’t Broos geslacht der stervelingen,
- De eeuwige Goôn zelfs vreest gij niet.
- Ach, met onbegrensd vermogen
- Heerscht de teedre, zwakke maagd,
- Als de gloed der schitterende oogen
- Zoete drift in ’t harte jaagt,
- Onverwinbaar neemt de min
- Spelend aller zielen in.”— —
-
-
-
-
-
-
-
-VII
-
-DE DISCUS-WORP.
-
-
-Sedert het prachtige gebouw, dat door Pericles voor muzikale
-uitvoeringen was bestemd, met een wedstrijd van toonkunstenaars
-ingewijd en geopend was, stroomden de Atheners onophoudelijk naar den
-zuidelijken voet van de Acropolis, om het eigenaardige gebouw, met zijn
-kegelvormig dak, uit de masten van buitgemaakte Perzische schepen
-vervaardigd, te bewonderen.
-
-Maar weldra volgde op de voltooiing van het Odeon die van het Lyceüm
-[178] en evenals vroeger naar het eerste, zoo vloeide de schare der
-Atheners ook oostwaarts naar den Ilissus, om de nieuwe prachtige
-worstelschool, die haar wedergade niet had, te bezichtigen.
-
-Ofschoon nog nieuw, zijn de wanden en zuilen toch reeds hier en daar
-met vleiende opschriften bekrast, die den lof van den een of anderen
-knaap verkondigen. Want niet de scheppende beeldhouwers alleen, voor
-wie de welgemaakte gestalte der jongelingen, die bij de vele
-lichaamsoefeningen zich hier onbedekt vertoonde, eene onmisbare school
-is voor het natuurlijke en schoone in hunne scheppingen, ook de
-kunstliefhebbers komen hier, om aan het gezicht van zuiver ontwikkelde
-jeugdige kracht hun hart op te halen. Met hun vurigen kennersblik
-wedijvert het oog van liefhebbende en eerzuchtige vader, die met fieren
-trots de oefeningen en wedstrijden hunner zonen volgen en hunne
-krachtsinspanning en ijver met levendige gebaren, met luide kreten
-aansporen. Overigens zijn er nog dweepende liefhebbers der gymnastische
-kunsten, voor wie zoo’n schouwspel eene verkwikking is en die, met
-hunne stramme ledematen, als verjongd door het vuur, de bewegingen en
-oefeningen der jeugd in hun geest de vertoonde toeren medemaken. Ja
-zelfs tot op zulk eene hoogte stijgt bij deze hartstochtelijke
-liefhebbers hun ingeschapen lust, dat zij zich niet tevreden stellen
-met als ledige toeschouwers dagen lang in het Lyceüm en de Palaestren
-[179] zich op te houden, maar onmiddellijk, wanneer de geest hen
-drijft, zich onder de jongelingen begeven, om aan hunne oefeningen deel
-te nemen of een hunner tijdgenooten tot een kleinen worstelstrijd in
-het gymnasium uit te dagen. „Hei daar Charisius,” luidt het, „willen
-wij het eens tegen elkaar opnemen, zooals we zoo dikwijls in onzen
-gelukkigen ephebentijd [180] plachten te doen? Wat jonge Herculessen
-waren wij toch in vergelijking met de hedendaagsche jongens!” Zoo
-klinkt het, en de beide mannen herinneren zich de dagen hunner
-bloeiende jeugd en vatten elkaar aan en worstelen naar de nog niet
-verleerde regels der kunst ten aanschouwe van een menigte, die hen
-aanmoedigt.
-
-Maar niet alleen voor lichamelijke oefeningen dient deze plaats: het is
-eene reusachtige gezelschapszaal. Ja zelfs zoozeer is dit het geval,
-dat alle eigenlijke worstelperken op de zuidzijde van het Peristylium
-achter de dubbele zuilenrij zich bevinden, terwijl de drie overige
-gangen, alsook de lanen, die aan de worstelschool grenzen, uitsluitend
-aan het gezellig verkeer der Atheners gewijd zijn. Hier ontmoeten
-elkaar de beroemde mannen, hunne vereerders, vrienden en leerlingen.
-Men kan zich hier immers ongestoorder met elkander onderhouden, dan in
-die zuilengangen op de woelige Agora. Wat de nakomelingschap met
-geestdrift op bestoven boekrollen zal lezen, dat vloeit hier in levende
-taal van de lippen der denkers. Bij den meester en zijne nog niet
-talrijke leerlingen, die hier vol aandacht aan zijne zijde wandelen,
-kan zich een ieder, wie ook, uit de menigte aansluiten. Slechts weinige
-dagen pas heeft de zaal van het Lyceüm hare deuren geopend en reeds
-kunt gij den stouten vleugelslag van den Helleenschen geest daarin
-hooren ruischen. In dien grijsaard daar, met zijne heldere oogen,
-herkent gij den vriend van Pericles, den edelen Anaxagoras.
-
-Van hem heeft reeds menig Athener geleerd de wetten der natuur op te
-sporen en met terzijdestelling van het bijgeloof aan de Olympische
-Goden de eeuwige wetten van het natuurlijk ontstaan der dingen na te
-vorschen. Maar velen zijn er nog, die in hem een godloochenaar en
-Magiër [181] meenen te zien.
-
-„Is dit niet de wijze van Clazomenae?” vroeg een Athener, zich wendend
-tot een der leerlingen en toehoorders uit de schare, die den wijsgeer
-omstuwt, „is hij niet dezelfde, van wien men vertelt, dat hij eens bij
-de spelen te Olympia in een dikken mantel plaats nam, terwijl de zon
-helder aan den hemel scheen en tot hen die hem uitlachten, zeide dat
-vóór er nog één uur verloopen was, een onweder zou losbarsten, ’t geen
-dan ook werkelijk tot verbazing van anderen geschiedde. Waaruit putte
-toch dien man kennis van de toekomst zoo hij niet meer dan iemand
-anders wetenschap heeft van de bovennatuurlijke dingen en de mantiek
-verstaat?”
-
-„Vraag het hem zelf!” antwoordde de leerling.
-
-De Athener volgde den raad en herhaalt zijne vraag aan Anaxagoras.
-„Zijt gij,” zoo spreekt hij, „de man, die te Olympia in een dikken
-mantel gehuld, plaats naamt en een onweder voorspeldet bij helderen
-hemel en zonneschijn?”
-
-„Wel zeker,” antwoordde Anaxagoras lachend. „En ook gij zoudt hetzelfde
-hebben kunnen doen, zonder magische of mantieke kunst, wanneer u,
-evenals mij, een Arcadisch herder inlichtingen had gegeven over de huif
-van den Erymanthus.”
-
-„Wat wilt gij zeggen met die huif van den Erymanthus?” vroeg de
-Athener.
-
-„De Erymanthus,” hernam Anaxagoras „staat daar als een hooge berg op de
-grenzen van Arcadië, Achaje en Elis [182]. Ziet men nu van Olympia uit
-eene zekere kruin van dien berg bij groote hitte en Noordoostenwind met
-een dichten wolkensluier bedekt, dan ontlast zich binnen een uur een
-onweder, dat frissche koelte brengt en geweldige regenbuien uitgiet
-over de Pisatische [183] velden.”
-
-En toen daarop door de omstanders het gesprek gebracht werd op het
-ontstaan en de oorzaken van het onweder, verzekerde Anaxagoras lachend
-dat de bliksem ontstond, door eene zekere wrijving der wolken tegen
-elkander. Hij gaat tot andere natuurverschijnselen over en draagt
-geheel nieuwe, ongewone stellingen voor. Zoo beweert hij bij voorbeeld,
-dat de zon eene gloeiende massa is en grooter oppervlakte heeft dan de
-Peloponnesus. De maan, meent hij, is bewoond en bevat heuvels en dalen.
-
-Terwijl de wijze op zulke wijze sprekende met zijne toehoorders
-rondwandelt en elders levendige groepen zich om den staatkundige en
-nieuwtjesventer vormen, zit in een ledigen hoek van de verst gelegene,
-zuidelijke galerij van het Lyceüm op een gladde, marmeren bank een
-paar, dat in zijne afzondering zich druk over gewichtige zaken schijnt
-te onderhouden.
-
-Het is een jongeling van buitengewone schoonheid en een jonge man,
-wiens gelaatstrekken een scherp contrast opleveren met die van zijn
-makker.
-
-Er was onder de enkele voorbijgangers nauwelijks één, die niet bleef
-staan of in het voorbijgaan ten minste niet even omkeek, om de in het
-oog loopende schoonheid van den jongeling nauwkeurig gade te slaan.
-
-Eenigen zelfs kwamen weder terug of bleven in de nabijheid en hielden
-den jongen man in het oog, het oogenblik afwachtende, dat hij bij de
-gymnastische oefeningen—want met dit doel was hij toch zeker
-gekomen—zijne geheele welgemaakte gestalte aan hunne blikken zou
-toonen.
-
-Maar zij die dit verwachtten, bedrogen zich deerlijk. Want de
-betooverde jongeling was de schoone vriendin van Pericles, die besloten
-had heden nogmaals van de verkleeding gebruik te maken, om een der
-lievelingsscheppingen van haar vriend, het nu voltooide Lyceüm te
-bezichtigen. Zij had voor ditmaal haar ouden vriend Socrates tot
-leidsman genomen. Openlijk durfde zij zich toch niet in dit gewaad met
-Pericles vertoonen, daar het geheim van den citherspeler reeds door al
-te velen ontdekt was. Socrates had volgaarne datgene op zich genomen,
-wat Pericles zelf zijn vriendin moest weigeren.
-
-Reeds vroeg in den morgen had hij haar daar aangetroffen, om haar de
-worstelschool geheel te laten zien, voordat de oefeningen der knapen en
-jongelingen een aanvang hadden genomen. Hij volbracht met lust en ijver
-zijn plicht, terwijl hij Aspasia in het gymnasium rondleidde en door de
-ontzettend groote tuinen, met zuilengaanderijen omsloten, waarachter
-zich de ruime zalen uitstrekten; ook vergat hij de baden niet, noch de
-jonge lanen, die naast het gymnasium eene welkome verkwikking aan de
-wandelaars aanboden, welke uitliepen op de groene weilanden van den
-Ilissus-oever.
-
-Den „waarheidszoeker,” den „wijsheidsvriend,” den peinzer uit Phidias’
-werkplaats tot begeleider te hebben, zonder een offer te worden van
-zijne onophoudelijke vragen was onmogelijk. Zoo had hij dan ook
-vooreerst op zijne manier gesproken, hoe verstandig Pericles het Odeon
-met het Lyceüm had aangevuld, daar het wellicht Pericles’ meening was,
-dat de geesten- en lichaamsoefeningen steeds nauw verbonden moeten
-blijven en dat zij vereenigd de harmonische volkomenheid van lichaam en
-ziel konden tot standbrengen en dat de Grieken niet alleen in ijzer en
-steen het schoone wilden zien en genieten, maar in hun eigen wezen,
-geestelijk en lichamelijk, door eene sterke aandrift zich gedreven
-gevoelden, dat te verwezenlijken.
-
-En nadat hij reeds zijn plicht had vervuld, wist hij Aspasia nog steeds
-te boeien, door haar al dieper en dieper in een gesprek te wikkelen.
-Hij zette zich met haar neder op een sierlijk marmeren bank in eene der
-minst bezochte gaanderijen en weldra was hij op zijn
-lievelingsonderwerp terug gekomen, dat hij nooit naliet op het tapijt
-te brengen, zoo dikwijls hij zich met de schoone Milesische mocht
-onderhouden. Ongelukkigerwijze vielen ook thans, ondanks al zijne
-inspanning, om van haar de lang gewenschte verklaring over het begrip
-en het wezen der liefde te verkrijgen, Aspasia’s antwoorden zoo uit,
-dat Socrates steeds meende te moeten tegenwerpen:
-
-„Wat gij daar beschrijft, Aspasia, dat is toch geen liefde voor
-anderen—dat is immers alles slechts liefde voor zich zelve.”
-
-Hij wilde namelijk weten, wat het toch eigenlijk beteekende, als men
-bij voorbeeld zeide: Pericles bemint Aspasia of Aspasia bemint
-Pericles.
-
-Maar welke schoone wendingen de Milesische ook aan de zaak mocht geven,
-Socrates draaide en wrong zich nog veel behendiger en haalde uit
-Aspasia’s woorden, zij mocht zeggen wat zij wilde, altijd weder de
-verklaring, dat wie een ander scheen te beminnen, in den grond toch
-alleen zich zelven en zijn eigen ik beminde en op het oog had. Hem
-zweefde, zij het ook nog niet helder, de gedachte eener liefde voor den
-geest, die werkelijk liefde tot den naaste, geen eigenliefde was. En
-handelende op zijne eigenaardige wijze, hield hij zich alsof hij in de
-verklaringen van Aspasia niet het geringste spoor van eene zoodanige
-liefde kon vinden. Hij ontdekte daarin steeds egoïsme—een egoïsme onder
-twee.
-
-De waarheidszoeker en de schoone hadden reeds geruimen tijd over dit
-onderwerp gesproken, toen zij den wijzen Anaxagoras met eenige
-volgelingen langzaam de gaanderij zagen op wandelen.
-
-„De Goden zenden ons ongetwijfeld dezen man,” zeide Socrates, „om ons
-uit de verlegenheid te redden.”
-
-„Meent gij niet,” hernam Aspasia lachende, „dat de jeugd zich moest
-schamen, wanneer zij over de liefde bij den ouderdom inlichtingen
-vraagt?”
-
-Anaxagoras was, terwijl hij langzaam de gaanderij opwandelde en soms
-een oogenblik stil bleef staan, juist bezig zijnen toehoorders uiteen
-te zetten, dat het begin van alle dingen kleine, onderling geheel
-gelijke, deeltjes waren; want evenals het goud uit goudstof bestond,
-zoo bestond het heelal uit de kleinst mogelijke stofdeeltjes, die door
-de overal heerschende rede den eersten stoot tot vorm en harmonie
-erlangden. Deze rede die hij den „nous” [184], dat is den geest noemde,
-was niet alleen in den bewusten mensch aanwezig, maar ook in de
-schijnbaar donkerste diepte der natuur doorgedrongen en alles was vol
-zielen.
-
-Toen de wijsgeer met zijne volgelingen vlak bij de plaats gekomen was,
-waar Socrates zich met Aspasia onderhield, wendde hij zich van zelf,
-zonder een groet van den jongen man af te wachten, met een
-vriendelijken blik tot hem; want hij was zeer met hem ingenomen.
-Socrates stond op en zeide:
-
-„Hoezeer benijd ik deze uwe vrienden, Anaxagoras, die u den ganschen
-dag vergezellen, en ieder oogenblik hun dorst naar kennis aan uwe bron
-kunnen laven. Wij anderen die u slechts zelden ontmoeten, dragen de
-twijfelingen dagen lang in ons om, zonder die weggenomen te zien en
-kwellen ons en onze weetgierige vrienden met vragen, die geene uitkomst
-opleveren. Ik plaag hier nu den zoon van Axiochus reeds een uur lang en
-wil van hem weten wat liefde is; want hij heeft kennis van zulke zaken.
-Maar hij houdt, naar het schijnt, met opzet zijne wijsheid voor zich
-zelven en geeft mij met ondeugende plagerij slechts zulke antwoorden,
-waardoor ik nog minder van de zaak begrijp, dan straks. Heb gij
-medelijden met mij, Anaxagoras, en zeg mij: wat is liefde?”
-
-„In den beginne,” hernam de wijsgeer, die de vraag uit een verkeerd
-oogpunt opvatte en het onderwerp van bovennatuurlijke zijde beschouwde,
-„in den beginne waren de grondstoffen en zaden der dingen in blinde
-wanorde dooreen gemengd. Toen was alles chaos [185], nacht en „erebos”
-[186]. Noch hemel, noch aarde, noch licht was er tot de duistere nacht,
-door den wind bevrucht, het moederei voortbracht, waaruit de liefde ter
-wereld kwam of de gevleugelde Eros, zooals de dichters zeggen, door
-wiens alles beheerschende macht de inwendige strijd en tweedracht der
-dingen werd te niet gedaan en het een met het ander in liefde
-samensmolt, tot water, en aarde, en hemel, en menschen, en Goden, in
-afzonderlijke gestalten en vormen uit den schoot der alles bevruchtende
-natuur, als kinderen der liefde, te voorschijn traden...”
-
-„Dan zou Eros het eerst geboren wezen zijn,” zeide Socrates, den
-wijsgeer, die naar het gebied der geestelijke wereld was afgedwaald,
-voor een oogenblik volgend, „maar ik heb door u, Anaxagoras, ook den
-Nous als eerste en hoogste wezen hooren noemen. Zouden Nous en Eros, de
-overal heerschende rede en de alles voortbrengende liefde dan hetzelfde
-zijn?”
-
-„Wel mogelijk,” hernam Anaxagoras, „dat zij in den innigsten grond een
-zijn, en dat zij naar hetzelfde doel jagen—de een met bewustzijn, de
-andere blind...”
-
-„Dan zou het in eens verklaard zijn,” riep Socrates uit, „wat het
-zeggen wil, als men van de blindheid der liefde, van de geblinddoekte
-oogen van Eros spreekt. Wanneer ik u goed begrepen heb, Anaxagoras, dan
-is Eros niets anders dan de geblinddoekte Nous—”
-
-„Gij kunt dat zoo opnemen, als u dat bevalt,” hernam Anaxagoras
-lachende.
-
-„Maar zie nu eens Anaxagoras,” vervolgde Socrates, „hoe gij mij en
-dezen jongeling, den zoon van den Milesiër Axiochus, van ons eigenlijk
-onderwerp hebt afgebracht, terwijl gij ons in de hoogste sferen uwer
-wijsheid hebt opgevoerd. Want deze jongeling en ik, wij hadden bij ons
-gesprek eene andere soort van liefde op het oog, dan die, waarop gij
-ons in uw betoog over den strijd der dingen en erebos en het moederei
-zooeven gewezen hebt. Wij vroegen namelijk—en ook dit is onze aandacht
-wel waard—wat toch de eigenlijke natuur, het wezen en het doel van die
-gewaarwording is, krachtens welke de eene mensch den anderen, maar
-vooral deze man die vrouw of deze vrouw dien man beweert lief te
-hebben?”
-
-„Een verlangen van deze soort,” hernam Anaxagoras „waardoor de man tot
-eene vrouw, en niet tot de vrouw in het algemeen, maar tot eene
-bepaalde vrouw en wederom niet tot den man in het algemeen, maar tot
-een bepaalden man in hartstochtelijken en onbedwongen liefde zich
-getrokken gevoelt, is een soort van krankheid der ziel en als zoodanig
-zeer beklagenswaardig. Want eene ziekelijke begeerte en eene
-hartstochtelijke neiging van dien aard stort niet alleen dengene, wiens
-verlangen door het voorwerp zijner liefde onbevredigd blijft, in de
-meest beklagenswaardige en jammerlijkste ellende, maar zij brengt, ook
-wanneer zij hoop heeft bevredigd te worden of werkelijk ten deele
-bevredigd wordt, hem in eene afhankelijkheid van de geliefde vrouw die
-hij reeds aanstonds als zijner onwaardig en als smadelijk moet
-erkennen, maar ook daarom moet de wijze haar geheel en al vermijden,
-omdat hij, ten einde de kalmte en innerlijke tevredenheid zijner ziel
-te bewaren nooit aan iets met hartstochtelijke liefde zich mag
-vasthechten. Want alles, waaraan wij ons in die mate door de gewoonte
-doen boeien kan ons weder ontrukt worden en zijn verlies berokkent ons
-dan ondragelijke smarten. Zulk eene ziekelijke, hartstochtelijke liefde
-verstoort de kalmte van het gemoed, vervult het met bestendige angst en
-ijverzucht, doet den koensten versagen, maakt den sterksten zwak, den
-besten onverschillig voor eer en schande, en den spaarzaamsten tot een
-verkwister. Zij verbittert de menschen en maakt hen tot elkanders
-heftigste vijanden en brengt jammer en ellende over gansche volkeren en
-steden, zooals dan ook om der wille van ééne vrouw Illium verwoest is
-en de Grieken tien jaren lang alle moeiten, gevaren en rampen hebben
-doorstaan en het bloed hunner uitnemendsten hadden te betreuren.”
-
-Anaxagoras had nauwelijks opgehouden met spreken, toen Pericles met een
-vriend al sprekende de gaanderij kwam opwandelen. Hij zag Anaxagoras
-met Socrates redeneeren. Hij herkende ook Aspasia in hare verkleeding
-aan de zijde van Socrates en wierp haar verwonderd een vragenden blik
-toe, dien zij met een ongedwongen lachje beantwoordde.
-
-Pericles bleef staan en daar hij de laatste woorden van Anaxagoras had
-opgevangen, vroeg hij, na wederzijdsche begroeting, over welk onderwerp
-zij zooeven met gespannen aandacht naar Anaxagoras hadden geluisterd.
-
-„Laat dit, Pericles,” zeide Socrates met schalkschen lach, „deze jonge
-man hier, de zoon van den Milesiër Axiochus, u uiteen zetten; hij toch
-is de schuld, dat Anaxagoras gedwongen is zich op deze plaats op te
-houden en het een en ander over een der moeilijkste vraagpunten van het
-menschelijk weten, naar het mij voorkomt, in het midden te brengen.”
-
-„Het betoog van den wijzen Clazomeniër,” zeide Aspasia, „was een
-uitvloeisel van de vraag van Socrates, wat men te denken heeft van de
-liefde.”
-
-„En wat heeft de wijze Clazomeniër betreffende dit punt geantwoord?”
-vroeg Pericles.
-
-„Hij zeide,” hernam Aspasia, „wanneer ik ten minste zijn gedachtengang
-en niet alleen zijne woorden goed heb begrepen, dat de liefde, hoe
-vurig zij ook wezen moge, steeds toch eene zaak van het vroolijke
-levensgenot moet blijven en nooit in ziekelijke, sombere dweeperij mag
-ontaarden, en evenmin in tyrannie of hartverterende ijverzucht...”
-
-„Hij zeide,” viel Socrates met een veelbeteekenend lachje in, „dat
-wanneer iemand den jongeling, die hem dierbaar is, of de schoone, die
-hij bemint, aan de zijde van een anderen, schoonen of leelijken man
-mocht zien zitten, hij het daarom volstrekt niet voor noodig moet
-houden de Olympische [187] wenkbrauwen te fronsen of eene Grieksche
-vloot in Aulis [188] te verzamelen, om in woesten wraakdorst volkeren
-te verdelgen en steden te verwoesten...”
-
-Pericles glimlachte. Hij vond de Silenus-gestalte [189] van den
-waarheidszoeker bijna koddig naast de overweldigende bekoorlijkheid van
-de verkleede Aspasia, die aan zijne zijde zat. Het had hem voorzeker in
-het eerst bevreemd Aspasia hier te vinden en zijne Olympische
-wenkbrauwen hadden zich werkelijk een weinig gefronst; maar nu schaamde
-hij zich bijna over deze eerste opwelling. Hij twijfelde niet aan de
-bedoeling zijner schoone vriendin, zich, zooals het aan hare kunne
-voegde, vóór den aanvang der lichaamsoefeningen, uit de worstelschool
-te verwijderen. Hij hield het echter voor raadzaam haar door eene
-zijdelingsche vermaning er aan te herinneren, dat die tijd naderde en
-dat zij er aan denken moest zich gereed te maken tot vertrekken. Hij
-liet zich ontvallen, dat de oefeningen weldra zouden beginnen. Hij
-voegde er bij, dat het voor heden voor hem eene noodzakelijkheid was,
-hier aanwezig te zijn, daar zijne beide zonen Xantippus en Paralus,
-benevens zijn pleegzoon Alcibiades, nadat zij eerst de gymnastische
-voorbereiding in de palaestra hadden doorloopen, voor het eerst aan de
-openbare oefeningen in de worstelschool zouden deelnemen. De kleine
-Alcibiades was niet langer te houden geweest: hij wilde niets meer van
-de kinderachtige palaestra hooren en brandde van begeerte zich op het
-open veld van eer, in het Lyceüm, met zijne tijdgenooten te meten.
-
-Anaxagoras en zijne volgelingen vernamen dit bericht met levendige
-belangstelling en sloten zich bij Pericles aan, om getuigen te zijn van
-den wedstrijd van den kleinen Alcibiades van wien de Atheners, hoe jong
-hij ook was, reeds begonnen te spreken.
-
-Aspasia stond eveneens met Socrates op, om de overigen te volgen en
-verzocht stil den waarheidszoeker haar uit het Lyceüm te willen
-wegbrengen.
-
-Maar de peinzende jonge steenhouwer uit Phidias’ werkplaats wandelde,
-nadat hij met de verkleede schoone het gedrang voorbij was, als
-droomende naast haar en zonder het te willen of te weten, voerde hij
-haar in plaats van uit de worstelschool, naar de verst afgelegen en
-juist geheel ledige gaanderij, verre van de plaats, waar de jongelingen
-en knapen wedijverden.
-
-Zijn binnenste was geheel vervuld met de belangrijke woorden, die
-Anaxagoras over den hartstocht der liefde had gesproken. De taal van
-den wijze was tot in het diepst zijner ziel doorgedrongen.
-
-Aspasia vroeg hem ten laatste naar de oorzaak van zijn peinzend
-zwijgen.
-
-In den beginne antwoordde hij niet, toen echter, als uit een droom
-ontwakende, begon hij, nadat hij zijne gezellin had uitgenoodigd zich
-naast hem op eene marmeren bank in de zedige zuilengang neder te
-zetten, als volgt:
-
-„Weet gij, Aspasia, wanneer voor ’t eerst in mijn leven mijn daemon
-zijne stem in mij heeft doen hooren?”
-
-„Wat noemt gij uw daemon?” vroeg Aspasia.
-
-„Mijn daemon,” hernam hij, „is een tusschenwezen, half van eene
-goddelijke, half van een menschelijke natuur. Het is geen droombeeld,
-geene hersenschim; want ik hoor soms heel duidelijk, zoo duidelijk als
-men iets hooren kan, zijne stem in mijn binnenste. Maar hij verwaardigt
-zich, helaas, niet, mij de diepten der wijsheid heimelijk te openbaren.
-Wat kennis betreft, schijnt het toch niets krachtiger of wijzer te zijn
-dan ik zelf. Het is hem voldoende, mij in enkele gevallen, kort en
-zonder eenige reden, met zijne inwendig hoorbare stem te zeggen wat ik
-doen of wat ik laten moet. Voor de eerste maal in mijn leven vernam ik
-die stem, toen ik u, Aspasia, voor het eerst ontmoette.”
-
-Aspasia gevoelde zich wonderlijk bewogen, toen zij den jongen denker
-zoo ernstig over zijn daemon hoorde spreken, alsof deze eene werkelijke
-persoon en de natuurlijkste zaak van de wereld was.
-
-„En wat gebood u uw daemon in dat oogenblik?” vroeg zij lachende.
-
-„Toen ik u zag en de gedachte zich aanstonds van mij meester maakte, u
-naar het wezen der liefde te vragen toen klonk het zacht, maar
-duidelijk in mijne ziel; „doe dat niet!” Maar ik dacht: wat wil toch
-die vreemdeling? Wat gaan hem mijne zaken aan?—Ik luisterde niet naar
-hem en vroeg u, vroeg u telkens naar het wezen der liefde. Maar nu ben
-ik besloten hem in het vervolg te zullen gehoorzamen in alles, wat hij
-mij gebieden of verbieden mag; want de overtuiging is in mij levend
-geworden, dat hij de zaken goed inziet en mijn vriend is en mijn
-volkomen vertrouwen verdient.”
-
-„Gij zijt een dweeper, mijn vriend,” zeide Aspasia, „hoewel gij
-voorgeeft naar het heldere begrip der zaken te streven. Uw karakter is
-te veel in zich zelven gekeerd, o zoon van Sophroniscus. Zie rondom u
-en merk het reine, rustige, gezonde leven op, dat met opwekkende
-schoonheid u overal omgeeft. Offer aan de Chariten Socrates, offer aan
-de Chariten en vergeet niet, dat gij een Griek zijt.”
-
-„Een Griek?” hernam Socrates lachende. „Ben ik niet te leelijk om een
-Griek te zijn? Mijn stompe neus reeds maakt eene scherpe tegenstelling
-met de schoonheid der Grieken. Ik maak van den nood eene deugd en zoek
-een levensideaal, dat bestaanbaar is met leelijkheid.”—
-
-Aspasia zag na deze woorden Socrates aan, met eene mengeling van
-verbaasdheid en medelijden.
-
-Die arme zoon van Sophroniscus! Hij wandelde onder de opgeruimde en
-tevreden stervelingen als de eenige ontevredene. Men begon hem reeds
-onder de wijzen te rekenen. Maar niemand had hem ooit zich zelven aldus
-hooren betitelen. Hij vroeg maar altijd. Hij wandelde onder zijne
-medemenschen als een levend, schier onaangenaam vraagteeken. Was hij de
-belichaamde behoefte aan eene nieuwe openbaring, aan eene nieuwe
-gedachte, aan een nieuwen tijd? ...
-
-Daar de werkelijkheid, zelfs in hare volste openbaring zijne vragen
-niet geheel en al beantwoordde, klom hij op tot het gebied van de reine
-gedachte. Hij jaagde „heldere begrippen” na. Maar niets grenst nader
-aan het streven naar zulke diepzinnige gedachten dan zijn schijnbaar
-contrast, de dweeperij. En daarom sprak hij van zijn „daemon”.
-
-Het was hem daarmede ernst. Het oog van den Griek was gewoon helder en
-open naar buiten te zien. Socrates richtte het zijne naar binnen. Hij
-dacht na, hij ontdekte het inwendige en schrikte daarvoor zoozeer, dat
-het hem als eene daemonische macht toescheen. Die noemde hij zijn
-daemon.
-
-Veel werd over zijn „ironie” gesproken. Ach, de ironie, waarmede hij de
-onwetendheid van anderen in zijne gesprekken aantoonde, zij was slechts
-een zwakke nagalm van die ironie, welker scherpte hij zich zelven,
-tegen zijn vergeefs naar kennis dorstend worstelen in eigen boezem
-richtte.—
-
-Het was een pijnlijke ernst, wanneer hij aangaande zich zelven de
-verklaring gaf: „dit weet ik, dat ik niets weet.”—
-
-En toch gistte het in hem en was zijne ziel vol van gedachten over de
-toekomst.
-
-Hij zocht, zooals hij zooeven aan Aspasia had gezegd, een levensideaal,
-dat niet als het Grieksche, met leelijkheid bestaanbaar was.——
-
-Hij zocht, hij had een voorgevoel van een ernstiger, een verhevener
-ideaal tegenover dat van het „alverwinnende schoone”, ’t welk over
-zijne tijdgenooten eene schitterende aureool verspreidde...
-
-Zoodanig was het wezen van dezen, nog jeugdigen denker. En toch—hij was
-een Griek. Leelijk van uiterlijk, peinzend in zijn binnenste, was hij
-toch ook aangeblazen door de liefelijkheid en bevalligheid van den
-Griekschen geest. Een somber dweeper was hij niet en kon hij nooit
-worden. De adem van Aspasia was ook over zijn hoofd heen gegaan; nooit
-kon hij door sombere machten geheel beheerscht worden. Hoe langer zoo
-meer moest zijn karakter tot blijde opgeruimdheid gestemd worden en ook
-tot de blijmoedigheid van den wijze, die met gelatenheid den giftbeker
-drinkt, als zijne ure is gekomen...
-
-Nu echter bruischte de jeugd nog in hem en eene heimelijke, hem zelven
-schier onbewuste jeugdige hartstocht. Nog was hij niet de man, noch de
-grijsaard, van wien de boeken der Ouden gewagen—nog was hij de
-steenhouwer uit Phidias’ werkplaats...
-
-Hij beminde in stilte de schoone en wijze Aspasia.
-
-Hij beminde haar en wist dat hij een stompen neus had en het gezicht
-van een Sileen en dat zij hem nooit kon beminnen.
-
-Hij wist het, maar hij was nog jong en kende zelf slechts ten halve de
-macht van het vuur, dat heimelijk in zijn boezem smeulde.
-
-„Ik weet het, Aspasia,” zeide hij, „ik schijn u toe, als eene rups op
-den bloesem van het Helleensche leven rond te kruipen, daaraan
-heimelijk te knagen en hem met het sceptisch venijn der gedachte te
-bezoedelen en gij zoudt lust hebben mij daarvan weg te knippen met de
-toppen uwer roozenroode vingers. Maar zie, Aspasia, ik zou toch liever
-schoon dan wijs zijn. Zeg mij, hoe ik het aanleggen moet, om schoon te
-zijn?”
-
-„Wees altijd blijde en opgeruimd,” hernam Aspasia, „en tracht aan de
-Chariten te offeren.”
-
-„Bestraal mij met den glans uwer oogen!” riep de anders zoo kalme
-waarheidszoeker uit, door de ontroering van zijn hart overweldigd. „Dan
-zal ik steeds,” voegde hij er bij, „blijde en opgeruimd zijn.”
-
-Hij sprak deze woorden in hartstochtelijke opgewondenheid en boog het
-hoofd nader tot Aspasia’s gelaat, alsof hij den schitterenden straal
-uit haar oog wilde opvangen.
-
-Daarbij kwam het Silenus-gezicht van den wijsheidsvriend zoo dicht bij
-het bekoorlijke gelaat der Milesische dat zijne dikke lippen den
-bevalligen, rozenrooden mond der schoone bijna beroerden.
-
-„Offer aan de Chariten!” riep Aspasia, sprong op en snelde weg...
-
-Op dat zelfde oogenblik kwam een naakte knaap bijna buiten adem, den
-zuilengang instuiven, snelde, toen hij Socrates zag, op hem toe en
-verborg in zijn mantel zijne naakte leden.
-
-De waarheidszoeker wist niet of hij zijne blikken op de voortvluchtige
-Aspasia, dan wel op den knaap zou vestigen, die bij hem eene
-schuilplaats zocht.
-
-Hij zag er uit als een man, wien een duif uit de hand vliegt en die op
-hetzelfde oogenblik eene zwaluw aan zijn boezem ziet verschuilen...
-
-De jongen in den mantel gewikkeld, vleide zich vertrouwelijk tegen hem
-aan en smeekte dringend, terwijl hij beefde van angst, dat hij hem zou
-verbergen en beschermen.
-
-„Wiens zoon zijt gij en wat is de oorzaak van uwe angstige vlucht?”
-vroeg Socrates den knaap.
-
-„Ik ben de zoon van Clinias, de pleegzoon van Pericles en heet
-Alcibiades,” antwoordde hij.
-
-Op de volgende wijze had het zich toegedragen, dat het zoontje van
-Clinias gedwongen was zijne naakte leden sidderend in den mantel van
-Socrates te verbergen.
-
-Toen deze zich opnieuw met Aspasia in het gesprek verdiepte, waren de
-oefeningen der jongelingen en knapen in de daarvoor bepaalde ruimten
-van het Lyceüm begonnen.
-
-Pericles en zijn gevolg stonden met vele anderen rondom de
-worstelplaats der knapen.
-
-Het was een schoon gezicht, vol bekoorlijkheid, deze flinke, knappe,
-teedere en toch reeds door de oefeningen der palaestra krachtige,
-bloeiende gestalten, na zich ontdaan te hebben van de chlamys [190], in
-het zand der worstelschool te zien wedijveren.
-
-Onder alle muntte de jonge Alcibiades uit: hoewel een van de jongsten,
-was hij toch reeds stevig op de beenen en had iets fiers, iets
-overmoedigs in zijn gezicht. Maar dit fiere en overmoedige werd
-getemperd door zijne bekoorlijke schoonheid. De beeldhouwers drongen
-naar hem toe, om die nog onontwikkelde, maar zich reeds vertoonende
-spieren, die bloeiende, welgemaakte gestalte, die kleinere, doch
-harmonische vormen te bewonderen.
-
-Naast den jongen Alcibiades bevonden zich onder de knapen ook zijne
-beide kameraden, de zonen van Pericles, Xantippus en Paralus; voorts de
-kleine Callias, de zoon van den rijken Hipponicus, met wien Alcibiades
-reeds vriendschap had gesloten; en ook het zoontje van den rijken
-Pyrilampes, Demus, was daar tegenwoordig.
-
-De knapen, vurig en levendig, konden het begin der oefening nauwelijks
-afwachten.
-
-Met den wedloop begon nu onder leiding der paedotriben [191] de
-kampstrijd.
-
-De paedotriben onderwezen hun kweekelingen, hoe zij in den loop hun
-adem en hunne krachten moesten sparen, hoe zij de bovenste en onderste
-ledematen gelijkmatig moesten bewegen, hoe zij met opgelichten haast
-zwevenden voet met groote passen voort moesten snellen, om met het
-kleinst aantal schreden de grootste ruimte af te leggen; ook leerden
-zij de knapen zekere regelmatige bewegingen der armen, die, naar hunne
-meening, met de passen in overeenstemming, de snelheid der bewegingen
-bevorderden.
-
-Maar zie, de kleine Alcibiades wilde van deze leer niets weten: hij
-meende, dat de beweging der armen waartoe men hem noodzaken wilde,
-leelijk waren en geraakte met de paedotriben daaromtrent in hevigen
-strijd.
-
-Een der opzichters, die de oefeningen leidde, mengde zich bemiddelend
-in het geschil, streek den knaap over de wangen en prees zijne begeerte
-om de bevallige schoonheid in beweging en houding steeds in acht te
-nemen, maar wees hem, om de doelmatigheid dier bewegingen aan te
-toonen, op het voorbeeld der Mauretanische [192] struisvogels, die door
-het slaan met hunne kleine vleugels, die zij als zeilen gebruiken, hun
-vluggen loop versnelden.
-
-De naakte knapen liepen onder vroolijk geschreeuw, dat des te luider
-werd, naarmate zij meer den eindpaal naderden, naar hun wit. Meermalen
-werd de wedloop herhaald—steeds was de jonge Alcibiades het eerst bij
-den eindpaal.
-
-Hierna kwamen de oefeningen in het springen aan de beurt: het springen
-in de hoogte, in de breedte en in de diepte.
-
-De paedotriben gaven de jongens gewichten in de hand en leerden hen die
-zoo te gebruiken, dat zij verre van de vlugheid in het springen te
-belemmeren, integendeel de vaart des lichaams bevorderden. Ook deze
-gewichten mishaagden den eigenzinnigen Alcibiades en het scheelde
-weinig of hij had ze een van hen, die over het gedrag der knapen
-moesten waken en hem zijne weerbarstigheid in vrij scherpe woorden
-verweet, naar het hoofd geworpen. Toorn en schaamte maakte zich van
-Pericles meester, toen hij onder zoovele vrienden en toeschouwers
-getuigen moest zijn van de ongezeggelijkheid van den jongen. Maar zijn
-toorn verdween en hij lachte weder minzaam, toen onder de bijvalskreten
-der toeschouwers de zoon van Clinias ook in den sprong al zijne makkers
-overtrof.
-
-Thans werden de knapen door de alipten [193] met olie ingesmeerd voor
-den worstelkamp. Dat liet de kleine Alcibiades zich nog doen, maar toen
-men hem het lichaam met stof wilde bestrooien, om de glibberigheid der
-gladde leden te verminderen, verzette hij zich met kracht tegen die
-bezoedeling. Maar hier schikte men zich niet, als in de palaestra, naar
-de grillen van den knaap: hier gold de strenge wet van het gymnasium,
-het zoontje van Clinias moest zich daarnaar voegen.
-
-Twee aan twee traden de knapen tot het worstelen vooruit. Met een
-zachte buiging der knie den rechtervoet een weinig naar voren te
-brengen, den arm tot den aanval zoowel als tot verdediging uit te
-strekken, hals en hoofd niet voorover te buigen, het onderlijf in te
-trekken, de borst vooruit te steken en de welven, des tegenstanders
-beweging vooraf te bespieden, bij den aanval en bij de verdediging
-steeds naar de regelen der kunst te werk te gaan, dit alles onderwezen
-de paedotriben aan de knapen.
-
-Hoe men verder zijn tegenstander meer door vlugheid dan door kracht op
-den grond moest werpen, den gevallene met handen en voeten zoo
-omslingeren, dat hij bewegingloos op den grond moest blijven liggen en
-alle pogingen opgeven weder op te staan, dat werd benevens andere
-kunstgrepen den jeugdigen worstelaar telkens ingeprent. Maar ook op de
-schoonheid en bevalligheid in bewegingen stelden de leeraars en
-opzichters der oefeningen grooten prijs. Niet op krachtsontwikkeling en
-vlugheid alleen doelden de regels, die zij gaven, maar ook op het ten
-toon stellen der goedgebouwde gestalte, waardoor de Atheners zich van
-de Barbaren en zelfs van menigen Griek onderscheidden.
-
-De jonge Alcibiades worstelde met den oudsten onder de knapen en wierp
-hem door een kunstgreep, dien hij niet aan de paedotriben te danken
-had, maar in het beslissende oogenblik zelf had uitgedacht, in het
-zand.
-
-Nu werd den knapen het schaafijzer ter hand gesteld, om zich het stof
-van de ledematen af te schrapen, en nadat dit geschied was, kreeg ieder
-van hen een discus en eene kleine stang in plaats van eene speer, beide
-voor de oefeningen in het werpen. De discus van de knapen was niet, als
-anders, van metaal, maar van eene soort van hard hout gesneden. De
-discusworp was lang niet gemakkelijk, wanneer hij naar de regels der
-kunst werd uitgevoerd. Bij den worp den rechten stand des lichaams aan
-te nemen, voorts de werpschijf, die met zand stroef was gemaakt, om een
-beter houvast te verschaffen, de beste ligging in de hand te geven, dan
-de hand in eene draaiende beweging te brengen, om als ’t ware de
-kracht, die men aanwenden moest, evenredig te maken met het gewicht,
-den discus recht en de spieren van den arm gespannen te houden,
-eindelijk de schijf in een halven cirkelboog te slingeren en dan uit de
-laagte zoover mogelijk te werpen—dat alles werd Alcibiades, evenals den
-anderen knapen, ingeprent; deze echter sloeg al die regels in den wind
-en toen de knapen, de een na den anderen, naar voren traden om den
-discus te slingeren en de afstand, die ieder bereikte, op den grond
-door een teeken kenbaar gemaakt werd, wierp de telg van Clinias, toen
-hij aan de beurt kwam, zijn discus, zooals hem goed dacht. Toen vloog
-zijne schijf verre die der anderen voorbij.
-
-Toen trad een nog sterkere knaap voor, die in het werpen met den discus
-eene bijzondere handigheid had. Deze beproefde nu zijn geluk en
-zorgvuldig, met inachtneming van alle regels der paedotriben, wierp hij
-den discus en overtrof wel is waar den worp van Alcibiades niet, maar
-bleef ook niet daarachter. Zijne schijf en die van Alcibiades lagen
-evenver van die der anderen.
-
-Alcibiades verbleekte. Voor de eerste maal zou hij zijne overwinning
-met een ander moeten deelen. Sprakeloos en van gramschap ziedend, wierp
-hij toornige blikken op zijn mededinger. Deze echter durfde beweren,
-dat zijne schijf, nauwkeurig beschouwd, nog iets verder lag dan die van
-Alcibiades.
-
-Door deze bewering werd de jonge Alcibiades door eene onbegrijpelijke
-woede aangegrepen, hief de rechterhand op en slingerde met alle macht
-den discus, die hij in de hand had, naar het hoofd zijns tegenstanders.
-Maar al te goed trof de worp; bezwijmd en bloedend zonk de knaap ter
-aarde.
-
-Eene groote verwarring ontstond er. De bijna doodelijk gewonde moest
-weggedragen worden. Bij dit gezicht verbleekte en sidderde Alcibiades
-een oogenblik; toen echter de verwanten en vrienden van zijn gewonden
-tegenstander met verwijtingen en bedreigingen op hem aandrongen,
-herkreeg hij aanstonds zijne bedaardheid en fierheid.
-
-Thans echter zag hij Pericles, hevig vertoornd, met den eerwaardigen
-gymnasiarch [194] naderen en daar hij begreep, dat men hem wilde
-aangrijpen, wegvoeren, wellicht op eene smadelijke wijze kastijden,
-keerde hij zich eensklaps om, brak door den kring der omstanders heen,
-waar die het minst dicht was en ontvluchtte met die snelheid, waardoor
-hij straks bij den wedloop de zegepraal had verworven.
-
-Men trachtte hem te achterhalen, maar weldra was hij uit de oogen
-zijner achtervolgers verdwenen.
-
-In het afgelegenste deel van het Lyceüm had hij Socrates getroffen en
-was, zooals reeds verhaald is, op hem toegesneld en had hulp smeekend
-zich in zijn mantel verscholen.
-
-„Dus zijt gij de zoon van Clinias?” zeide Socrates op zachten en kalmen
-toon, nadat de knaap hem op zijne vragen de aanleiding zijner vlucht
-had verteld. „Vraagt gij in uw doen en laten niet naar lof of
-berisping? Bekommert gij u niet om het verlangen en den wil van de
-voortreffelijke en aanzienlijke mannen, van wie gij afstamt of aan wie
-gij door geboorte verwant zijt?”
-
-„Ik wil niet altijd doen, wat de anderen willen,” zeide de knaap fier.
-„Ik wil doen, wat mij goeddunkt en wat ik zelf wil en mij voorneem.”—
-
-„Gij hebt groot gelijk,” hernam Socrates, steeds kalm, „de mensch moet
-kunnen doen, wat hij zelf wil en zich voorgenomen heeft. Maar wat hebt
-gij toch gewild en wat hadt gij u voorgenomen, toen gij dezen morgen
-met de andere jongens in het Lyceüm kwaamt?”
-
-„De eerste te zijn in alles!” riep de kleine Alcibiades levendig uit.
-„De eerste te zijn, mij te onderscheiden en de grootste eer onder allen
-weg te dragen! Dat had ik mij voorgenomen.”
-
-„Dan hebt ge dus niet gedaan, wat ge eigenlijk wildet en u voorgenomen
-had. Gij wildet u onderscheiden, gij wildet met roem overladen het
-Lyceüm verlaten en inderdaad zijt gij met smaad en schande bedekt
-weggejaagd en hebt misschien nog bovendien, als gij aan de uwen wordt
-teruggegeven, eene geduchte kastijding te wachten. Waarom zijt ge toch
-niet rechtstreeks op uw doelwit afgegaan en hebt uw tijd met bijzaken,
-die u van dat doel afvoerden, verloren? Gij zijt niet hierheen gekomen,
-om uw makker een gat in het hoofd te werpen, maar, zooals gij zegt, om
-roem en eer te behalen. Uw fout was, dat gij een oogenblik geheel en al
-vergeten hebt, wat gij hier eigenlijk wildet en u met bijzaken hebt
-afgegeven, die ten gevolge hadden, dat gij in plaats van met roem
-overdekt met smaad en schande uit het gymnasium moest vluchten.”
-
-Voor de eerste maal werd het Alcibiades duidelijk, dat de wet eener
-doelmatige orde niet als iets willekeurigs noch als eene bedreiging van
-buiten hem voorkwam, maar als eene macht in hem zelven, die met zijn
-eigen wezen innig verbonden was.
-
-Bovendien lag er in de woorden van Socrates en in den toon, waarop zij
-gesproken werden iets, wat den knaap vertrouwen inboezemde. Hij zag den
-man ernstig en zwijgend in het gelaat, hij zag hem in die vriendelijke,
-bruine oogen en zijn vertrouwen ging in dat zelfde oogenblik bijna
-onbewust in eene genegenheid over, zooals hij tot nu toe nog voor geen
-mensch gevoeld had.
-
-Intusschen naderden de menschen, die Alcibiades zochten, met Pericles
-en den gymnasiarch.
-
-Opnieuw begon de knaap te sidderen.
-
-„Vrees niets,” zeide Socrates, „ik zal met de hulp der Goden trachten u
-met al deze grimmige vijanden en vervolgers te verzoenen.
-
-De aankomenden herkenden Socrates en aan zijn boezem, in zijn himation
-gewikkeld, den knaap, dien zij zochten. Het was als zag men Achilles
-[195], in tegenwoordigheid van zijn leermeester en opvoeder, den
-goedigen Centaur.
-
-Toen Pericles en de gymnasiarch met de overige genaderd waren en recht
-op Socrates toetraden, zeide deze:
-
-„Ik weet wien gij zoekt, gij mannen; maar hij, dien gij zoekt is mijn
-smeekeling, zooals gij ziet en ik zal hem niet uitleveren, maar volgens
-mijn plicht, naar mijne beste krachten verdedigen. Hij is, gelijk hij
-mij zegt, in het Lyceüm gekomen om zich te onderscheiden, wat hem
-daarom niet ten volle gelukt is omdat hij onbedachtzaam zich met
-bijzaken inliet, daar hij namelijk den discus een zijner makkers naar
-het hoofd wierp wat hem schande aanbracht, in plaats van de eer, die
-hij eigenlijk gezocht had. Wat de wonde van dien knaap betreft,
-bedenkt, gij mannen, dat een dergelijk ongeluk of vergrijp, zooals gij
-het noemen wilt, ook door Goden en heroën is gepleegd; want, zooals gij
-weet, heeft Apollo zelf zijn lieveling Hyacinthus [196] en de held
-Perseus zijn grootvader Acrisius [197] met een discus-worp gedood. Het
-is waarschijnlijk, dat deze donkergelokte knaap, met zijne vurige
-oogen, ook in andere opzichten aan Goden en heroën gelijk kan worden.
-
-De toorn van Pericles bedaarde bij het gezicht van den wedergevonden
-knaap, op wiens gelaat ieder spoor van trots was verdwenen. Hij richtte
-tot zijn beschermer eenige vriendelijke woorden, die tevens den knaap,
-welke nog steeds eene tuchtiging vreesde, konden geruststellen en beval
-daarop den paedagoog den jongen aan te kleeden en uit het Lyceüm naar
-huis te brengen.
-
-Socrates voegde zich bij Pericles en den gymnasiarch, en de mannen
-spraken nog eene poos over de zeldzame mengeling van heerlijke en
-gevaarlijke eigenschappen, die in het karakter van het zoontje van
-Clinias zich vertoonden.
-
-Deze echter verliet aan de hand van den paedagoog de plaats niet
-eerder, voor hij met een warmen blik uit zijn donkere, fonkelende oogen
-van zijn beschermer en pleitbezorger had afscheid genomen.
-
-Op deze wijze werd de zeldzame band des harten gelegd tusschen
-Socrates, dien zij den leelijke noemden, en den schoonste van alle
-Hellenen-zonen, den jongen Alcibiades, op dien dag, toen den
-„waarheids-zoeker” eene duif uit de hand vloog en op hetzelfde
-oogenblik eene jonge zwaluw aan zijne borst een schuilplaats kwam
-zoeken...
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-HET OFFER AAN DE CHARITEN.
-
-
-Geen scheppende en werkende geest gaat zoo geheel en al in zijn werk
-op, als die des beeldhouwers. Geen anderen weg betrad Phidias, dan die
-tusschen de Acropolis en zijne werkplaats liep. Hij zag zelfs in zijne
-nachtelijke droomen niets anders dan zijne godenbeelden, zijne groepen,
-zijne friezen en niet zelden vond hij, omdat zijn rustelooze geest en
-in den slaap evenals overdag werkzaam was, niet zonder verwondering bij
-zijn ontwaken zijne plannen verder gevorderd en gerijpt. Verscheidene
-zijner beelden waren oorspronkelijk droomgezichten geweest en hij kon
-beweren, dat hem Goden in den droom verschenen waren, evenals aan de
-helden van Homerus. De geheele wereld had slechts waarde voor hem, in
-zoover zij betrekking had op zijne kunstenaarsziel. Hij deed afstand
-van de genietingen des levens; hij was eenzaam en ongehuwd.
-
-Zijne ziel was vervuld met allerlei ontwerpen en zijn helder oog was de
-klare spiegel van zijn geest.
-
-Het was een bont gewemel van menschen en dingen in de zalen en pleinen
-van de werkplaatsen van Phidias. Steeds waren er ontwerpen te bedenken,
-te onderzoeken, te verwerpen, steeds opnieuw modellen in klei te vormen
-en de verhoudingen te berekenen. Naar de kleimodellen werd ook menig
-kunstwerk eerst door de steenhouwers uit het ruwe blok gehouwen en
-later aan de fijnere hand des kunstenaars ter volledige afwerking
-toevertrouwd. Een puinhoop kon Phidias’ werkplaats genoemd worden, maar
-een puinhoop der wording, niet der vernietiging. Het was de chaos, doch
-niet de chaos van den ondergang, maar de chaos waaruit de schepping
-geboren werd. Brokken lagen overal verspreid maar niet als deelen van
-een geheel, dat bestaan had, maar als deelen, die op weg waren, om een
-geheel te worden.
-
-En over dien bajert zweefde de geest van Phidias. Deze geest bestuurde
-alles. Hij hield den vurigen Alcamenes en den strengen Agoracritus in
-bedwang en dreef hen tot eendrachtig samenwerken.
-
-Deze beide waren zijne machtigste armen; de eerste verleende hem
-bovendien zijne hulp door zijne welbespraaktheid. Wat Phidias eens had
-gezegd, in korte, wellicht raadselachtige woorden zich had laten
-ontvallen, dat herhaalde en verduidelijkte Alcamenes, prentte het in
-zijn geheugen en deelde het later weder mede.
-
-Juist liet hij zijn oog gaan over die jongeren en kunstenaars, wier
-arbeid bijzonder aan zijne zorgen was toevertrouwd. Overal berispte
-hij, vermaande hij, spoorde hij aan met de vurigheid, die hem eigen
-was, terwijl hij de bestanddeelen der gevelgroepen, friezen en
-metopenbeelden nauwkeurig beschouwde.
-
-„Wat doet gij daar, Dracyllus? Te zwak gewelfd om op een afstand
-uitwerking te doen is die borst; het veld van het onderlijf te weinig
-geleed, de kuiten te onduidelijk geteekend. De hoofdspieren te weinig,
-de mindere spieren te veel op den voorgrond geplaatst!—Charicles, gij
-spant hier de huid te strak, daar te slap over de spieren. Hier is zij
-niet los genoeg, bijna niet te verschuiven. Het moet schijnen, alsof
-men zelfs bij bronzen of marmeren beelden het vel tusschen zijne twee
-vingers kan nemen en een weinig naar boven kan trekken!—Uw God, Lycius,
-is schier niet te herkennen uit de plooien van zijn gewaad. Behoort gij
-soms ook tot die beeldhouwers, wier Heracles [198] alleen aan de knots
-kenbaar is?—Ook uw bronnimf, Crinagoras, schijnt aan haar kruik gekend
-te moeten worden, in plaats dat gij het zachte, als ’t ware vloeibare
-harer leden over het diepst van haar wezen hadt uitgespreid.”
-
-Thans kwam hij bij eene groep van Parthenon-fries: jongelingen, die
-steigerende rossen optoomden.
-
-„Bij welke merrie, Lycius, hebt gij dien dikken kop, die stompe ooren
-gezien? Ook het geheel is te stijf, te houterig, te ouderwetsch! Zijt
-gij bij de Aegineten ter schole gegaan? Zulk ouderwetsch prulwerk zou
-zelfs Argeladas [199] niet goedgekeurd hebben!”—Zoo ging Alcamenes te
-werk, berispte nog dit en dat in het bijzonder en scheen in zijn vuur
-geneigd, om het beeld van den leerling stuk te slaan, hetgeen hem
-dikwijls overkwam, wanneer de toorn zich van hem meester maakte.
-
-Agoracritus naderde en nam, naar zijne gewoonte, den armen leerling
-tegen den driftigen Alcamenes in bescherming. Dezen steeg het bloed
-naar het hoofd en gaf hem een scherp antwoord.
-
-Op dit oogenblik echter naderde Phidias en onder zijne geleide een paar
-menschen, die in ’t geheel geen vreemdelingen waren in deze werkplaats.
-
-Hoe hadden Pericles en Aspasia zich het genot kunnen ontzeggen nu en
-dan een blik te gaan werpen op de rustige vorderingen van die grootsche
-ontwerpen?
-
-Zij waren gekomen en hadden den meester midden onder de schare zijner
-leerlingen gevonden, tusschen zijne kleimodellen, nog onvoltooide
-werken en half gehouwen marmerblokken; zij vonden hem minder
-spraakzaam, strenger, ingetrokkener, meer in zich zelven verdiept dan
-ooit te voren.
-
-Toen Alcamenes de Milesische zag, deed hij zijn best onverschillig en
-opgeruimd te schijnen, en de nog niet geheel verkropte spijt te
-verbergen, die hij bij de vluchtige ontmoeting op de Agora had laten
-doorschemeren. De sombere Agoracritus echter deed volstrekt geen moeite
-om den wrok te verhelen, dien hij nog steeds tegen Aspasia koesterde.
-Hij ging op zij en sprak geen enkel woord tot de beide aanzienlijke
-bezoekers.
-
-Daar dezen bij hun binnentreden in de zaal nog iets van den
-woordenstrijd tusschen Alcamenes en Agoracritus hadden opgevangen, viel
-het gesprek terstond op dat zelfde onderwerp en de levendige Aspasia
-sprak het onverholen uit, dat zij het volkomen met Alcamenes eens was,
-als hij de laatste sporen der overlevering van het ouderwetsche uit de
-kunst wilde weggenomen zien. Bij de beschouwing der ontwerpen en
-kleimodellen voor de kolossale gevelgroepen, voor de friezen en
-metopenbeelden, vond zij menig pronkstuk nog te hard en streng en zelfs
-de hoogste bloeitijd der kunsten scheen haar toe te langzaam te komen.
-
-Onverholen sprak zij haar meening uit.
-
-„De schoone Aspasia,” zei Phidias met een ernstigen lach, „zou willen,
-dat alles wat wij maken, zoo sierlijk, weelderig en bekoorlijk is, als
-zij zelve. Maar vergeet niet, Aspasia, dat wij beeldhouwers verplicht
-zijn in onze scheppingen niet het bloot menschelijke, niet het
-alledaagsch schoone en bekoorlijke, maar het bovenmenschelijke, het
-goddelijke voor te stellen en te belichamen.”
-
-„Phidias heeft misschien gelijk,” zei Pericles, „wanneer hij zich
-datgene, wat Aspasia streng, stijf, ouderwetsch noemt, niet geheel wil
-laten ontnemen. Wie weet of het ideaal van het schoone in de beeldende
-kunst niet op de smalle grens ligt, die de kuische, jonkvrouwelijke
-schoonheid van de weelderige, vol ontwikkelde scheidt. De hoogste en
-laatste trap der ontwikkeling is toch ook de eerste der daling;
-datgene, wat het gemoed met de reinste, edelste betoovering genoegelijk
-aandoet en verkwikt, moet dus een weinig aan deze zijde van dien
-hoogsten trap, niet daarop liggen.”
-
-„Ook al dat ik u, Phidias,” zei Aspasia, „nog zoo zeer tot het
-sierlijke, bekoorlijke en weelderige wilde aansporen en dat gij van uw
-kant de uwen tot dat zelfde doelwit opwektet, geloof ik toch, dat de
-juiste grens nog in langen tijd niet zou overschreden worden. Want
-zoover schijnen mij uwe leerlingen nog van het al te sierlijke en al te
-weeke verwijderd, dat zelfs, wanneer zij met alle krachten er zich op
-toelegden, zij het bezwaarlijk zouden bereiken. Ik zeg niet, dat gij
-langzaam zijt, maar de weg is lang.”
-
-„Wanneer ik de beelden van Phidias beschouw,” zei Pericles, het gesprek
-eene andere wending gevende, daar hij vreesde dat Phidias zich
-beleedigd mocht achten door Aspasia’s woorden, „of de zangen van
-Homerus hoor, dan vind ik, dat zij verheven zijn in hun bekoorlijkheid
-en bekoorlijk in hun verhevenheid. Zij zijn verheven, zooals ieder
-weet, en zij zijn bekoorlijk, zooals niemand loochent, en schoon noemen
-wij ze misschien juist hierom, omdat ze beide zaken in zich bevatten.”
-
-„Daar kan ik mij mede vereenigen,” zeide de steenhouwer Socrates, van
-zijn werk opziende, daar hij tot dusverre vlijtig aan een marmerblok,
-dat hem aangewezen was, had zitten beitelen. „Lang heb ik bij mij
-zelven nagedacht, wat toch de schoonheid is; nu zijn mij Pericles’
-woorden als eene lichtstraal in mijne ziel gevallen.—Als het verhevene
-met het bekoorlijke verbonden, als eene liefelijke verhevenheid en eene
-verhevene liefelijkheid zou men alzoo het schoone kunnen beschrijven.
-En wanneer Aspasia en Pericles weder eens over de juiste grenzen der
-ontwikkeling in de kunsten spreken, zoo behoeven zij slechts te zeggen,
-dat het schoone om schoon te blijven, nooit alleen bekoorlijk en nooit
-alleen verheven, maar steeds beide te gelijk moet zijn. Gaven mij toch
-de Goden bij elken beitelslag, dien ik hier in Phidias’ werkplaats zal
-slaan, deze les gedachtig te zijn, in ’t bijzonder als ik de hand leg
-aan het wijgeschenk, dat ik voornemens ben aan de Godin van Phidias op
-den dag, dat haar feestgebouw op Acropolis zal ingewijd worden, op te
-dragen.”
-
-„Hoe?” riep Aspasia uit, „de nadenkende steenhouwer zal nu ook als vrij
-scheppend beeldhouwer zijne krachten beproeven?”
-
-„Ja zeker,” hernam Socrates. „Wel is waar hebben Phidias en Alcamenes
-mij niets van het beeldwerk voor het nieuwe Parthenon opgedragen, om
-het zelfstandig uit te voeren, en toen ik verzocht mij zulken
-verhevener arbeid toe te vertrouwen, ben ik door Alcamenes met dien
-spottenden lach afgewezen, dien hij zoo meesterlijk verstaat. Bij Zeus,
-ik heb zoo goed als iemand van Phidias geleerd, den volkomen eironden
-vorm van het gelaat te teekenen, het hoofd klein, maar fijn en schoon
-geëvenredigd te vormen, voorhoofd en neus op bijna gelijke lijn te
-plaatsen, de wenkbrauwen in scherpe trekken te doen uitkomen, het oog
-rond en diep uit te hollen, de neusvleugels zacht af te doen loopen, de
-kin mollig te ronden, haar en baard golvend voor te stellen. Niet
-altijd wil ik ruwe marmerblokken houwen en gedachten van anderen, als
-een machinaal werkman helpen belichamen. Ik wil een wijgeschenk
-scheppen en trachten met kunstvaardige hand een zelfopgevat, helder,
-rein begrip in den steen door de beeldende kunst voor te stellen.”
-
-„Welk zelfopgevat, rein begrip is het dan, dat gij, zooals ge zegt, in
-het marmer wilt belichamen?” vroeg Aspasia.
-
-„Daar zult gij wel van hooren,” hernam Socrates, „het betaamt immers
-niet over den arbeid van een leerling te spreken, alvorens gij van het
-werk des meesters, van de Goddelijke Pallas Athene, zooveel gezien
-hebt, als heden daarvan te zien is.”
-
-Pericles en Aspasia verlangden zeer datgene van Phidias’ werk te zien,
-wat gereed was. Phidias echter zeide:
-
-„Gij zult thans slechts brokstukken daarvan zien, want zooeven werd het
-kleimodel stuk gezaagd, zooals dat vereischt wordt voor kunstwerk in
-goud en ivoor.”
-
-Pericles en Aspasia echter zouden voorloopig voldaan zijn, als zij dit
-mochten zien en op hun verlangen geleidde Phidias hen met Socrates en
-Alcamenes naar eene der ruime zalen. Daar wees hij hun een houten
-voorwerp, waaromheen de gedaante der Godin uit goud en ivoor, evenals
-vleesch en vel, moest worden aangebracht. Naast de arbeiders, die bezig
-waren het kleimodel van het grootsche werk in stukken te zagen, zag men
-anderen, die olifantstanden, van uitnemende schoonheid en grootte,
-zooals Indië die voortbrengt, in dunne platen te zagen, waarvan elk
-weder zorgvuldig bewerkt moest worden om een der deelen van het model
-uit te maken.
-
-Pericles en Aspasia beschouwden met aandacht de geweldige brokstukken
-van den doorgezaagden Colossus.
-
-Ook deze brokstukken gaven aanleiding tot nadenken en gelukkigerwijze
-was juist het hoofd der Godin nog geheel en ongedeerd. Dit konden zij
-dus naar hartelust beschouwen en zich laten medeslepen door de hooge
-gedachtenvlucht des meesters, die zich in de heerlijke, diepzinnige
-trekken dezer nieuwe „Pallas Athene des vredes” openbaarde...
-
-Wat in dat beeld zich afspiegelde, was de geestelijke kracht, het was
-het licht van het heldere verstand, dat opstijgt uit de diepten.
-
-„Zoo schoon en diepzinnig, als het gelaat der Godin ons daar
-tegenstraalt,” zei Pericles, „schijnt zij ons waarlijk als eene die
-niet uit eene vrouw is geboren, maar voortgekomen is uit het hoofd van
-haar vader Zeus.”
-
-„In het hoofd echter,” viel Socrates in, die naar het rechte begrip der
-dingen steeds zocht en onmiddellijk van die opmerking partij trok, „in
-het hoofd zetelen, zooals bekend is, de gedachten. Wat is dus Pallas,
-die uit het hoofd haars vaders voortgekomen is, anders dan de bezielde
-en belichaamde gedachte van Zeus? O, gij gelukkige, door de Goden rijk
-gezegende Phidias, die geroepen zijt het hoogste, dat er bestaat, de
-gedachte voor te stellen!—Ik arme stumpert, ik zoek naar haar mijn
-leven lang, de reine gedachte en zou haar gaarne door mijn peinzen uit
-het hoofd van Zeus in het mijne overbrengen, evenals eene spattende
-vonk, maar ik kan haar maar nooit vatten. En Phidias hier neemt slechts
-een beetje leem, een beetje klei en kneedt ze, en onder zijne handen
-ontstaat uit het leem een beeld, dat mij de oogen verblindt, wanneer ik
-het aanschouw en mij dwingt uit te roepen: „Dat is de gedachte—de
-gedachte van Zeus!”—Dat echter Phidias gelijk heeft, wanneer hij de
-gedachte, zooals hij die daar belichaamd heeft, Pallas Athene noemt, de
-schitterende schutsgodin van alle Grieken, vindt duidelijk zijne
-verklaring in de meeningen der wijzen over de gedachte en der dichters
-over Pallas Athene. Afgezien van de bekende geboorte uit het hoofd van
-Zeus, verzekeren de dichters aangaande Pallas Athene, dat zij
-maagdelijk, voorts ook dat zij van eene mannelijke en vrouwelijke
-natuur tevens is, geheel in tegenstelling met de Godin der liefde, die
-niets met de gedachte gemeen heeft, maar geheel opgaat in de schoone
-gewaarwordingen en in de onbewust voortbrengende werken der liefde. Wie
-echter zal loochenen, dat ook de gedachte maagdelijk en mannelijk en
-vrouwelijk te gelijk is? De gedachte is koel, als het licht der
-sterren, en blijft zelfgenoegzaam in hare reine, heldere sfeer; slechts
-haar tegenhanger, het gevoel, is enkel gloed en brengt voort en gaat op
-in de werken der liefde. En het ontzetting verspreidende Gorgonenhoofd,
-’t welk de dichters en de beeldhouwers op het schild der Godin Pallas
-Athene plaatsen, wat is het toch anders, dan de afschuw van den
-overwonnen nacht, welke de zegevierende gedachte als tropee in haar
-schild voert? Zoo is het dan aan geen twijfel onderhevig, dat Phidias
-de gedachte heeft willen voorstellen, opdat wij echter ook steeds mogen
-zeggen als het ons beter voorkomt, dat het hoofd daar vóór ons het
-hoofd is van de Godin Pallas Athene...”
-
-De ernstige Phidias glimlachte bij deze woorden; Alcamenes echter viel
-den spreker in de rede en klopte hem met goedkeurenden blik op de
-schouders en prees zijne woorden. Aspasia zei:
-
-„Wanneer Phidias, zooals gij beweert, Socrates, de macht der ijle
-gedachten heeft willen belichamen, heeft hij wellicht, terwijl hij ze
-schiep, niet eens aan die gedachte gedacht”—
-
-„Dat wedervaart andere vaders ook wel eens,” hernam Socrates.
-
-„U overkomt dat zeker nooit!” riep Alcamenes met schalkschen lach den
-denker aanziende.
-
-„Neen,” hernam Socrates, „maar waarom maakt gij u ten mijnen koste
-vroolijk? Denken is beter dan niet te denken. Mogen de Goden al hun
-lievelingen het beste in den droom beschikken, wij moeten steeds
-trachten ons met wakkere zinnen te behelpen. Gij hebt u ongetwijfeld er
-over verwonderd, Aspasia, dat ik u zoo dikwijls naar het wezen der
-liefde heb gevraagd. En toch kon ik niet anders. Evenals Phidias het
-zegevierend licht der gedachte in het beeld van Pallas Athene heeft
-belichaamd, zoo zou ik in een beeld van Eros de liefde willen
-teruggeven. Gij zult toch zeker niet beweren dat Eros een verachtelijke
-God is; vele wijzen noemen hem zelfs den oudsten en eersten van alle,
-en wanneer de liefde, naar het schijnt, boven alles een streven, een
-zoeken, een verlangen is, dan mag ik toch wel zeggen, dat die God
-eigenlijk de mijne is. Om echter nauwkeuriger met hem bekend te worden,
-ben ik, gelijk gij weet, dikwijls vragend en onderzoekend bij de
-menschen rondgegaan.”—
-
-„Dat is waar,” viel Alcamenes lachend in, „gij zijt meer op de Agora en
-op de zuilengaanderijen en andere openbare plaatsen te zien geweest,
-dan hier in Phidias’ werkplaats. Deze man schijnt waarlijk door eene
-bijzondere onrust gedreven te worden. Eerst hakt hij een halven dag als
-een dolleman op zijne marmerblokken, dan laat hij eensklaps zijne
-gereedschappen vallen en staart peinzend een uur lang voor zich uit.
-Dan springt hij op en loopt weg en komt in een halven dag niet terug.
-Gij wilt een Eros beitelen? Nu, zeg dan toch wanneer? Weet gij wel,
-mijn waarde, dat onze meester Phidias u den traagsten zijner leerlingen
-noemt?”
-
-„Ik weet het,” hernam Socrates, „maar ik herinner mij ook, dat gij ook
-niet zelden den beitel wegwerpt en wegijlt, met of zonder voorwendsel,
-en, evenals ik, de liefde naloopt, naar men zegt, zonder toch eigenlijk
-veel naar haar begrip en karakter te vragen.”—
-
-„Gij hebt gelijk,” hernam Alcamenes lachend, „ik vraag in ’t geheel
-niet naar haar begrip. Maar wie zegt u, dat ik altijd de liefde naloop,
-als ik mij uit de werkplaats verwijder?”
-
-„Niet altijd gaat gij zelf weg,” zei Socrates, „soms zendt gij slechts
-een handlanger of zelfs den dollen Meno, als hij hier juist
-rondslentert, met briefjes aan de schoone Corinthische Theodota.”—
-
-Wederom lachte Alcamenes en Socrates vervolgde:
-
-„Mijn vriend Anaxagoras heeft den hartstocht der liefde eene ziekte
-genoemd: ik weet echter niet of zij eene gewone ziekte is en met
-artsenijen moet behandeld worden, of eene goddelijke, zooals de
-geestvervoering der dichters of de verrukking der Delphische
-priesteres. Dat de God der liefde vleugels moet hebben en eene
-knapengestalte, weet ik: hoe ik hem overigens moet voorstellen, ernstig
-of vroolijk, met de oogen naar boven of naar beneden gericht,—waarlijk,
-ik zou gaarne willen weten, Aspasia, hoe gij het zoudt aanleggen de
-liefde voor te stellen, als gij een der onzen waart in deze werkplaats
-van Phidias.”
-
-„Ik zou het niet gaarne beproeven haar voor te stellen,” zei Aspasia.
-„De liefde is een gevoel, en een gevoel heeft geene gestalte. Waarom
-wilt gij voorstellen, wat geene gedaante heeft? Stel in de plaats van
-de liefde, datgene wat de liefde opwekt, het beminnenswaardige, het
-schoone. Want dit heeft eene gestalte en is vleeschelijk zichtbaar en
-tastbaar en met alle zintuigen waarneembaar. En gij behoeft niet eerst
-lang te peinzen en rond te gaan bij de menschen, om er naar te vragen,
-maar slechts eenvoudig na te maken wat uw oog het schoonst en
-bekoorlijkst aandoet.”
-
-Socrates dacht eenige oogenblikken zwijgend na en sprak toen:
-
-„Niets is juister, dan wat gij zegt, Aspasia. Ik zal Eros laten varen
-en trachten de Chariten te beitelen. Want dezen zijn het toch ook nu
-weder, waarop gij al zoo dikwerf mijne aandacht vestigt, als op de
-eigenlijke Godinnen der schoonheid en bekoorlijkheid. Aphrodite is wel
-is waar schoon, maar zij is niet alleen de Godin der schoonheid, ook en
-veel meer de Godin der liefde: in haar wezen is de schoonheid reeds met
-de liefde gemengd; bij de Chariten echter is zij nog rein en vrij op
-zich zelve en, om mij zoo uit te drukken, zelfgenoegzaam in hare
-goddelijkheid. Ik zal dus de Chariten beeldhouwen en als wijgeschenk
-aan de Godin van Phidias op de burg plaatsen. Maar evenals vroeger de
-liefde, moet ik nu op alle mogelijke wijze de schoonheid onderzoeken.
-Waar vind ik nu het schoonste en bekoorlijkste te gelijk, om het
-„eenvoudig na te maken,” zooals Aspasia straks zeide?”
-
-„Wanneer gij het bekoorlijkste, dat men slechts zien kan, zoekt,” zei
-Alcamenes glimlachend, „dan kan ik u een goeden raad geven. Tracht de
-schoone Corinthische, van wie gij zooeven spraakt, te zien dansen.”
-
-„De Corinthische Theodota?” vroeg Socrates. „Ik heb de bevalligheid
-harer dansen meermalen hooren roemen. Maar wie zou ons het genoegen de
-Corinthische danseres te zien en te bewonderen, beter kunnen
-verschaffen, dan gij zelf, Alcamenes, haar welsprekendste lofredenaar
-en vriend?”
-
-„Waarom niet?” hernam Alcamenes opgeruimd. „Wie de hoogste
-bekoorlijkheid, die de gestalte eener vrouw in dansen, vol uitdrukking,
-kan ten toon spreiden, wil genieten, die moet naar Theodota gaan zien
-en ik zal een ieder, die het wenscht, zonder afgunst den toegang tot
-dit genot openstellen.”
-
-Deze woorden van Alcamenes waren niet zonder geheime boosaardigheid
-tegen Aspasia. Met opzet roemde hij in tegenwoordigheid van Pericles’
-vrienden en Pericles zelven de bevalligheid en bekoorlijkheid van eene
-andere vrouw.
-
-De schoone danseres en hetaere Theodota was door toedoen van Alcamenes
-van Corinthe naar Athene overgekomen.
-
-De aanleiding daartoe was zeer eigenaardig geweest.
-
-Toen namelijk Alcamenes gemerkt had, dat hij van het bezit van Aspasia,
-waarvan hij zich vroeger zeker geloofde, moest afzien, was hij door
-eene heimelijke spijt en ergernis tegen de preutsche Aspasia
-aangegrepen. Maar hij was te jong, te opgeruimd, te luchthartig, dan
-dat om dit verlies het heimwee knagen zou aan zijn gemoed; zijn streven
-was slechts hierop gericht een werkelijk geluk, een werkelijk
-liefdegenot voor datgene, wat hij zich te vergeefs had voorgespiegeld,
-in de plaats te stellen.
-
-Een zeer rijk Corinthiër had hem een klein beeldwerk in marmer
-opgedragen. Alcamenes had zich van die opdracht gekweten en het
-voltooide werk naar Corinthe gezonden. De Corinthiër was verrukt over
-de bekoorlijkheid en zeldzame bewerking van dit stuk en schreef
-Alcamenes dat hij voor dit meesterwerk elke belooning, die hij maar
-wilde, kon ontvangen; wat ooit de wensch zijns harten geweest was, zou
-hem gegeven worden.
-
-Daarop schreef de jonge beeldhouwer met zijn gewonen overmoed aan den
-Corinthiër het volgende terug:
-
-„Het is bekend, dat gij in uw rijk en weelderig Corinthe sedert lange
-tijden de schoonste „vriendinnen” hebt, die in geheel Hellas te vinden
-zijn. Daar gij mij voor mijne marmeren groep elken wensch wilt
-bevredigen, verzoek ik u mij die schoone, welke tegenwoordig te
-Corinthe den grootsten roep heeft, op uw kosten voor eene maand naar
-Athene te zenden en haar mede te deelen, dat zij voor die maand mij
-uitsluitend als model moet dienen voor mijne beeldwerken.”
-
-De rijke Corinthiër lachte, toen hij deze regels las en weinige dagen
-later bevond zich de schoonste hetaere van Corinthe, de danseres
-Theodota, te Athene bij Alcamenes.
-
-Alcamenes was er zeer mede in zijn schik en heugde zich een maand lang
-in het bezit van de geroemde schoone, op kosten van den rijken
-Corinthiër.
-
-Toen de maand verstreken was en de verplichtingen der schoone Theodota
-ophielden, gevoelde zij weinig lust naar Corinthe terug te keeren, zij
-had Athene lief gekregen en besloot daar te blijven.
-
-Alcamenes bleef voor haar eene bestendige vriendschap koesteren en
-roemde haar bij allen, die het hooren wilde, als de schoonste vrouw van
-Hellas.
-
-Hij verzuimde nooit er bij te voegen, dat zij bekoorlijker was, dan de
-alom geprezene Milesische Aspasia, die meer door sluwheid dan door
-schoonheid Pericles in hare netten had gevangen.
-
-Toen nu Alcamenes in tegenwoordigheid van Aspasia die woorden tot lof
-van Theodota tot Socrates sprak, begreep zij aanstonds de bedoeling van
-den gekrenkten jongen man. Zij bemerkte, dat hij heimelijk hare
-ergernis wilde opwekken door eene andere schoone te prijzen, vooral in
-de tegenwoordigheid van haar zelve en Pericles. Met de snelheid en
-gevatheid van den vrouwelijken geest had zij oogenblikkelijk hare
-gedachten geregeld en haar besluit genomen.
-
-Onder de overwegingen, die snel als de bliksem door haar geest gegaan
-waren, was ook deze geweest, welken indruk wel de door Alcamenes
-gesproken woorden op het ontvankelijk gemoed van Pericles hadden
-gemaakt. Zij overdacht, dat Pericles op de gedachte kon komen, de
-schoone Corinthische te gaan zien en aan deze begeerte zou voldoen
-zonder het gezelschap zijner vriendin. Dat Pericles in hare afwezigheid
-Theodota zou ontmoeten, kwam haar niet wenschelijk voor; minder beducht
-was zij, als zij zelve bij die ontmoeting tegenwoordig ware. Zij wist
-wat zij tegenover alle andere vrouwen in de weegschaal kon leggen. Wat
-Alcamenes betrof, meende zij zijne booze handelwijze niet beter te
-kunnen straffen, dan door hem te toonen, hoe weinig zij om dergelijke
-plagerijen gaf.
-
-Bij deze afdoende gronden voor haar besluit kwam nog een laatste; zij
-zelve verlangde vurig de door Alcamenes zoo hoog geprezene Corinthische
-schoone te zien.
-
-Zoo was het tot geene geringe verbazing van Alcamenes, dat zij zelve
-zijn aanbod om ieder, die het verlangde tot haar te voeren, aannam.
-
-Opgeruimd en onbeschroomd sprak zij:
-
-„Als gij, Alcamenes, in staat zijt, ons den weg te openen tot het
-schoonste en bekoorlijkste, wat gij kent, tot de danseres Theodota, dan
-ware het dwaasheid van Pericles, Socrates, mij zelve en iedereen, die u
-hoort, u niet aanstonds aan uw woord te houden, en u niet uit te
-noodigen zonder dralen eene zoo aanlokkende belofte te vervullen.”
-
-„Ik onderstel,” hernam Alcamenes gevat, „dat gij, schoone Aspasia,
-zoowel uit uw eigen naam, als ook uit dien van Pericles en Socrates,
-hebt gesproken.”
-
-Pericles bedacht zich een oogenblik, doch verklaarde toen, dat hij
-geene bezwaren had tegen het verlangen der schoone Aspasia. „Wij gaan,”
-zeide hij, „dezen weg alleen in gezelschap van Socrates en om
-zijnentwil: een wijze te volgen, kon toch nooit iemand tot schande
-strekken.”
-
-„Onze vurige Alcamenes,” zei Socrates, „is een vriend van rassche en
-koene besluiten. Zie, hoe hij zich reeds verheugd de handen wrijft en
-naar zijn Thessalischen hoed grijpt. Ik wed, dat hij ons nu geen rust
-meer laat, maar zich vast voorgenomen heeft, oogenblikkelijk langs den
-kortsten weg uit Phidias’ werkplaats naar de woning der schoone
-Theodota te voeren.”
-
-„Juist zoo,” antwoordde Alcamenes levendig. „Onze meester Phidias is
-onder ons laatste gesprek reeds weggeslopen. Ik raad u hem niet door uw
-afscheid te storen in zijne berekeningen en overpeinzingen. Hier in de
-nabijheid is een uitgang, de deur is open, de straat vrij, de woning
-van Theodota niet ver—laat ons gaan!”
-
-Het huis van Theodota was weldra bereikt.
-
-Men behoefde niet te vreezen, dat men de schoone ongelegen kwam.
-Alcamenes ging even binnen, om het gezelschap aan te kondigen. Hij
-keerde aanstonds terug en verzocht zijnen vrienden hem te volgen.
-
-Hij voerde hen in de binnenvertrekken van Theodota. Deze waren met
-overdadige weelderigheid ingericht. Overal bevonden zich zachte
-aanligbedden met purperen kussens, de grond was met mollige tapijten
-bedekt; welriekende geuren stegen uit sierlijke schalen omhoog. Een bed
-met purperen behang werd door de bevallige liefdegoden gedragen.
-Sieraden en gewaad lagen in schilderachtige wanorde rondom verspreid.
-Zachte sandalen, haarbanden, kostbare gordels, blanketdoozen,
-zalfdoozen, ringvormige spiegels van blank gepolijst metaal met rijk
-versierde handvatsels, bekoorlijk schoone zonneschermen en
-veelkleurige, bladvormige waaiers, Cypria’s geheele tuighuis; te midden
-daarvan kleine kunstwerken uit brons of marmer, deels geschenken van
-Alcamenes, aarden werktuigen met goud en ivoor ingelegd, verwelkte en
-frissche kransen van allerlei soort: dat alles maakte in zijne bonte
-mengeling bij den eersten aanblik een overweldigenden indruk op de
-binnenkomenden, een indruk, die door de welriekende geuren van het
-vertrek werd versterkt, terwijl van een der mollige bedden de schoon
-versierde hetaere zelve opstond, om haar gasten welkom te heeten.
-
-Theodota was schoon. Het haar was ravenzwart, het oog donker en vurig.
-De trekken waren fijn. Zij was sterk geblanket, de wenkbrauwen kunstig
-afgerond, de lippen rooskleuriger, dan zij in werkelijkheid waren. Zij
-droeg een gewaad met bloemen geborduurd en met rijken tooi beladen.
-Haar gewaad werd om het midden van haar lijf te zamen gehouden door een
-vergulden gordel met rijk versierden gesp en van allerlei smaakvolle en
-kunstige kostbaarheden voorzien. Haar hals, haar boezem, hare armen, ja
-zelfs hare voeten boven de enkels waren versierd met tooiselen,
-flonkerend van granaat of barnsteen. Ook het kleine, welgevormde oor
-prijkte met bellen van eene bekoorlijke schoonheid. Om het hoofd had
-zij een met paarlen bezaaiden metalen band.
-
-„Ik heb,” zei Alcamenes tot zijne bezoekers, „Theodota reeds verteld,
-waarom gij hierheen gekomen zijt en wat gij van haar verlangt.”
-
-„Alcamenes is wel dwaas,” zei Theodota glimlachend, „dat hij zoo opeens
-zulke aanzienlijke onverwachte gasten bij mij binnenleidt en mij geen
-tijd gunt om ze waardig te ontvangen.”
-
-„Gij hebt geen tijd daarvoor noodig,” zei Alcamenes, „gij zijt immers
-steeds dezelfde, en niet uwe woning geldt ons bezoek, maar u en uwe
-bekoorlijkheid en uwe kunst.—Een wijs en ernstig man ziet gij hier voor
-u,” vervolgde hij op Socrates wijzende, „en hij brandt van verlangen u
-te zien en uw dans te bewonderen. En meer nog aan dezen wijzen man,
-Theodota, hebt gij het te danken, dan aan mijne vurige woorden, dat
-heden zelfs de groote Pericles en de gevierde, kunstlievende Aspasia
-uit Milete over uw drempel gekomen zijn, om zich met eigen oogen van
-uwe beroemde kunst te overtuigen.”
-
-„Wat?” riep Theodota uit, „voor een wijze, voor een groot en vermaard
-staatsman en voor eene uitverkorene mijner kunne, die, naar het schijnt
-alle andere vrouwen van dezen tijd in schoonheid overtreft, moet ik het
-wagen mij te vertoonen en het weinige, wat ik vermag aan het oordeel
-van zulke rechters onderwerpen?”
-
-„Maak u niet ongerust, Theodota,” zei Pericles, „Alcamenes heeft u
-geprezen en Alcamenes weet het schoone op te sporen.”
-
-„Inderdaad,” voegde Socrates er schalks lachend aan toe, met een
-zijdelingschen blik op Aspasia, „hem ontmoet het schoonste altijd het
-eerst.”—
-
-„Dan moge hij het verantwoorden,” zei Theodota. „Preutsch te zijn voor
-wien dan ook ter wereld en te weigeren mijne kunst ten toon te
-spreiden, mag mij niet in de gedachte komen. Gij wilt mij zien dansen,
-gelijk honderden voor u wenschten, en ik wil dat verlangen bevredigen.
-Beschouwt u als mijne meesters. Wat wilt gij dat ik dansen en u daarin
-zal voorstellen? Welke Godin? welke heldin? welke mythe of
-geschiedenis?” Zij wendde zich met deze vraag vooral tot Pericles. Deze
-echter antwoordde:
-
-„Vraag dat aan dezen wijze, want deze is opzettelijk hier gekomen met
-bepaalde bedoelingen, zoodat het hem zeker zeer gewenscht zal zijn de
-voorstelling van uw dans te mogen kiezen. Zeg het dus openhartig,
-Socrates, wat gij wenscht dat Theodota zal dansen.”
-
-„Wanneer gij en Theodota zelve,” hernam Socrates na eenige oogenblikken
-nagedacht te hebben, „de keuze aan mij overlaat, dan weet ik niets
-beter dan Theodota te verzoeken den strijd der drie Godinnen [200] om
-den prijs der schoonheid op den Ida te dansen.”
-
-„Wat een heerlijk genot als gij beurtelings als Aphrodite, Hera, en
-Pallas Athene verschijnt en ons toont, hoe ieder van haar met dezelfde
-en toch naar ieders karakter fijn veranderde middelen den herder op den
-Ida zocht te betooveren en den prijs der schoonheid uit zijne hand
-trachtte machtig te worden. Alcamenes heeft mij beloofd dat ik hier zou
-ervaren, wat bekoorlijkheid is, en daarom willen wij Theodota
-noodzaken, zoo bevallig en bekoorlijk mogelijk te zijn en op zooveel
-verschillende wijzen, als maar denkbaar is.”—
-
-Nadat Theodota zich uit het vertrek had verwijderd, om aan haar gewaad
-en uiterlijk die verandering aan te brengen, die overeenkwam met den
-dans, dien zij zou voorstellen, zeide Socrates:
-
-„Wij zullen ons doel bereiken: want Theodota is niet als de meeste
-schoonen, die slechts terughoudend en droppelsgewijs afmeten, wat zij
-ons geven willen; maar zij zal ons, wat zij aan te bieden heeft,
-ruimschoots schenken en alles op eens als uit den hoorn van Amalthea
-[201] over ons uitstorten. Dan is de zaak afgedaan en kunnen wij naar
-huis terugkeeren. Ik zie wel, dat Theodota lief en zacht is, maar niet
-verstandig. Hoe zou Aspasia dansen, als zij wilde! Maar wie van ons,
-behalve de Olympiër Pericles, heeft haar ooit zien dansen?”—
-
-Nu kwam Theodota terug, korter gekleed en in een gewaad dat haar in de
-meest ongedwongen bewegingen niet belemmeren kon. Met haar trad een
-knaap binnen met eene lier en eene fluitspeelster. Deze begon te spelen
-en de knaap begeleidde haar met zijn snareninstrument. Onder die
-klanken echter begonnen zacht de bewegingen van Theodota zich te mengen
-en het was onmogelijk te zeggen, op welk oogenblik zij begonnen was te
-dansen.
-
-Zij danste, wat haar opgedragen was: eerst de strijd van Aphrodite om
-den appel, den eereprijs in de handen van Paris, dan die van Hera en
-vervolgens die van Pallas. Het was dezelfde dans, driemaal herhaald, en
-toch steeds geheel verscheiden, overeenkomstig het wezen en karakter
-der Godinnen. Zij scheen driemaal geheel veranderd. Bewonderenswaardig
-was het te zien, welk eene afwisseling zij met hare levendige
-bewegingen, sprekende oogen en doelmatige gebaren in dien strijd wist
-te brengen. Nu eens scheen het verzoek een zacht smeeken, een zoet
-vleien, een bekoorlijk dringen, eene verleidelijke bekoring, eene
-belofte van den innigsten dank, dan weder een fier, der zege bewust
-bevel, een meer gebiedend verlangen, dan ook een vleiend aandringen
-soms eene listige poging om met verleidelijk geweld den kampprijs aan
-de hand des rechters te ontwringen. Daarbij kon zij iedere
-bekoorlijkheid van haar schoone gestalte in houding, beweging en
-gebaren doen uitkomen. En daar ieder fijn uitgedachte, elke sprekende
-trek driemaal voorkwam, steeds overeenkomstig het wezen der Godin, wist
-men niet, wat meer te bewonderen, de rijkdom harer vinding en de
-afwisseling van het geheel of de bekoorlijkheid en volkomenheid in elk
-gebaar en iederen trek.
-
-Nog moet vermeld worden dat Theodota onder het dansen hare vurige oogen
-vol van die afwisselende doch steeds smeekende uitdrukking schier
-onafgebroken op Pericles gevestigd hield. Hem maakte zij tot het
-doelwit harer mimiek, in hem scheen zij Paris te zien en uit zijne
-handen scheen zij den kampprijs te willen ontvangen.
-
-Toen Theodota haar dans geëindigd had, zwaaide Pericles haar hoogen lof
-toe over de bevalligheid en volkomenheid der kunst, waarmede zij zich
-van hare taak gekweten had.
-
-„De taak, die gij de schoone Theodota hebt opgedragen,” zei Alcamenes,
-„was niet zoo heel moeilijk: zij zou andere en veel zwaardere rollen
-tot uwe grootere verbazing vervuld hebben. Zij is in staat niet alleen
-de teederheid der duif en de woestheid van den leeuw, maar als het
-noodig is, ook het zachte klateren eener beek of het opflikkeren van
-het vuur of het suizend trillen van een boom na te bootsen.”
-
-„Ik twijfel er niet aan,” zei Pericles, „dat zij ook in staat is, als
-die danser, dien ik onlangs gezien heb, zelfs de letters van het
-alphabet, de eene na de andere, door het gebarenspel harer wonderlijke
-lenige en teedere ledematen uit te drukken.”
-
-„En wat hebt gij ons van Theodota te zeggen,” vroeg Alcamenes, Socrates
-op den schouder kloppende, die gedurende den dans geen blik van de
-danseres had afgewend, en nu daar stond, naar het scheen, in diepe
-gedachten verzonken.
-
-„Ik zal leeren dansen!” hernam hij ernstig. „Ik kende tot heden slechts
-eene wijsheid van het hoofd en de gedachte; nu weet ik, dat er ook eene
-wijsheid der handen en voeten is.”
-
-De omstanders lachten en meenden dat de peinzer met zijne gewone ironie
-sprak. Doch Socrates ging voort:
-
-„De rhytmus is maat en maat is zedelijkheid. Zulk eene schoone rhytmus
-van het lichaam als ons Theodota getoond heeft, moet noodzakelijk ’s
-menschen geheele wezen met hart en liefde voor de schoone maat
-vervullen. Men moet, als men dit eens gezien heeft, noodzakelijk al wat
-plomp, ruw, gemeen en onbehouwen is verachten. Ik benijd u Theodota den
-schoonen rhytmus dien gij in uw lichaam en uwe ziel bezit.”
-
-„Ik verheug mij zeer,” hernam Theodota glimlachend, „als ik dien
-schoonen rhytmus werkelijk bezit en er anderen genot mede verschaffen
-kan; want het is mijne bezigheid en mijne kunst te behagen en genot te
-verschaffen. Deze kunst echter schijnt mij bij den dag in Griekenland
-moeilijker te worden. Voor uw door de kunst verwend oog, is de schoone
-natuur in de vrouw niet langer voldoende. Gij verlangt, o mannen, dat
-wij ons tooien met iedere bekoorlijkheid der kunst, zoo wij u willen
-aantrekken of aan ons boeien.—Intusschen,” voegde Theodota er met een
-bekoorlijk lachje bij, „hoe zwaar gij ons vrouwen de kunst ook maken
-moogt om te bekoren, ik zal niet ophouden dit beroep als het schoonste,
-en met uw verlof, ook als het mijne te beschouwen.”
-
-„Klaarblijkelijk,” zei Socrates, „behoort gij niet tot die vrouwen, die
-slechts aan een enkelen man zoeken te behagen en die men gewoon is
-verliefden of minnenden te noemen.”
-
-„Neen, bij de Goden!” viel Alcamenes in; „tot deze behoort zij niet.
-Zij is de schrik van alle dweepzieke jongelingen, die over liefde bij
-haar komen zeuren. Gisteren nog beklaagden de jonge Damoetas zich bij
-mij, dat gij hem de deur gewezen hadt, Theodota, omdat hij u te
-zwaarmoedig geworden was.”
-
-„Ja, waarlijk,” hervatte Theodota. „Ik spot met de boeien niet alleen
-met die van Hymen, maar ook van Eros. Ik ben geen priesteres der
-liefde, maar een dochter der vreugde!”
-
-„Ik bewonder u, Theodota,” zei Socrates. „Want gij schijnt mij niet
-alleen het schoonste, maar ook het menschlievendste aller beroepen
-gekozen te hebben. Welk een zelfverloochening oefent gij uit, Theodota,
-welk een zelfopoffering. Gij versmaadt het de lafenis te zijn in den
-beker van een enkelen man, geëerd eene plaats in te nemen aan den
-huiselijken haard, gij verkiest het als een dun wolkje in de lucht te
-stijgen en heen te trekken over alle landen en u in een bloemenregen
-van vreugde over de hoofden der menschen uit te storten. Gij doet
-afstand van den huiselijken vrede, van de eer der gade, van het geluk
-der moeder en den troost des ouderdoms, alleen om de vermeerderde
-behoefte naar schoonheid en genot in den boezem der mannen van Hellas
-te bevredigen. En niet alleen Hymen’s keten veracht gij—gij tart zelfs
-met dartelen overmoed, ja schier met Prometheïsche [202] fierheid, de
-toorn van Eros, den wraakgierigsten aller Goden. En het is u niet
-onbekend, hoe kort de bloei der schoonheid en der jeugd duurt. Toch
-staat gij daar, vol verloochening en zelfopoffering, als een bloeiende
-boom in de maand Maart en zegt: „Plukt ze maar allen en schudt ze af de
-bloesems mijner kortstondige lente en vlechte er wie wil een ruiker van
-voor weinige dagen. Ik wil geen vruchtboom zijn, ik wil alleen bloesems
-voortbrengen!”—Welk een opoffering, Theodota, welk een
-zelfverloochening! Mogen de Goden en menschen u daarvoor zegenen en de
-Chariten eenmaal uw lichaam onder rozen begraven!”
-
-Zoo sprak Socrates.
-
-Theodota bedankte hem met een bekoorlijken glimlach. Zij was maar al te
-goed vertrouwd met de eigenaardigheden der verschillende menschen, dan
-dat de taal van den zonderlingen man haar had kunnen bevreemden.
-
-„Gij schat mijne verdiensten te hoog,” zeide zij.
-
-„Ik heb nog lang niet alles gezegd,” hernam Socrates.
-
-„Dat moge u een rede zijn, eens weder te komen,” antwoordde Theodota.
-
-Zoo hielden zij beiden nog een poosje het gesprek gaande. Daar de
-anderen thans er zich in mengden, werd het onderhoud levendiger en
-Theodota vond gelegenheid om menigen vurigen blik op Pericles te slaan,
-menig veel beteekenend woord tot hem te richten.
-
-Pericles beantwoordde dit op vriendelijke wijze, die hem tegenover
-vrouwen eigen was.
-
-Aspasia nam de verhouding van beiden nauwkeurig waar maar zonder de
-hartstochtelijke verblinding van andere vrouwen. Zij zelve predikte de
-boodschap der vrije, vroolijke liefde en kantte zich openlijk tegen de
-slavernij aan, niet alleen in den echt, maar ook in de liefde.
-Bovendien wist zij, dat eene vrouw, die ijverzucht verried, verloren
-was. Ook bleef zij zich van den afstand bewust, die Theodota van haar
-scheidde.
-
-Theodota vervulde, zorgeloos daarheen levende, hare nimfenbestemming.
-Aspasia zou nooit in zulk een beroep bevrediging kunnen vinden.
-Oneindig ver was zij verwijderd van die zelfopoffering, die de
-zonderlinge Socrates in zoo wonderlijke taal bij Theodota had geprezen.
-
-Zij offerden den bloesem harer lente niet aan het ruwe zingenot der
-menigte op, zij had een heerlijker doel gezocht en gevonden; zij werd
-bemind en beminde—ofschoon dan ook met die levenslustige, vrije
-opwekkende liefde, die zij predikte. En wat de middelen betrof, te
-betooveren, te boeien: Theodota schonk wat zij had zorgeloos weg en had
-weldra niets meer te geven. Aspasia’s rijk, diep, gemoed was
-onuitputtelijk.
-
-Toch achtte Aspasia het niet overbodig er op bedacht te zijn, hoe zij
-hare medeminnares de gelegenheid om zelfs eene vluchtige en
-voorbijgaande verovering te maken, zou kunnen ontnemen. Snel was in
-hare ziel een plan gerijpt en het bezoek bij de schoone Corinthische
-bleef niet zonder gevolg.
-
-Toen Pericles, Aspasia, Alcamenes en Socrates het huis van Theodota
-hadden verlaten, vroeg de beeldhouwer zijn vriend:
-
-„Welaan, beste Socrates, wat hebt ge voor uwe groep der Chariten bij
-den drievoudigen dans der bekoorlijke Theodota geleerd?”
-
-„Veel, wonderbaar veel,” antwoordde de aangesprokene. „Ik weet nu, wat
-de trits der Chariten beteekent, wat ieder voor zich zelve en wat allen
-te zamen uitdrukken. Maar het moet thans nog mijn geheim blijven; want
-het is tijd den beitel ter hand te nemen en het marmer te laten
-spreken. Gij zult ervaren, wat ik heden bij Theodota heb geleerd,
-wanneer de groep mijner Chariten voltooid op de Acropolis staat.
-Ontvang voorloopig mijn dank, dat gij mij vriendschappelijk op den weg
-hebt geleid, dien ik bewandeld heb om der wille van die schoone en
-wijze vrouw, die mij gelast heeft aan de Chariten te offeren.”
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-ANTIGONE [203]
-
-
-Wanneer men in de lentemaand Elaphebolion [204] van het vierde jaar der
-vierentachtigste Olympiade het huis van den rijken Hipponicus te Athene
-voorbijging, zou men fluitspel en mannenstemmen, die zich oefenden voor
-een reizang, kunnen hooren, daar het geluid uit het binnenste van het
-huis voorkomende, tot op de straat doordrong.
-
-Hetzelfde kon men vernemen, als men het huis van den rijken Pyrilampes
-en dat van den rijken Midas en dat van den rijken Aristocles en de
-huizen van andere rijke Atheners voorbijging. Het scheen bijna, alsof
-de beitelslagen wederom overstemd zouden worden door de tonen van
-fluiten en het snarenspel en de stemmen van kunstvaardige zangers, die
-de liederen der dichters zongen. Want het feest ter eere van Dionysus,
-de Dionysiën, was wedergekeerd en daarmede de tijd aangebroken, dat de
-Atheners, met achterstelling van alle belangen, zich bezig hielden met
-de dramatische voorstellingen in het theater van Dionysus.
-
-De stukken waren, overeenkomstig het gebruik, door de dichters bij den
-tweeden Archont ingediend. Deze had naar het oordeel van deskundigen
-die stukken uitgekozen, welke het best geschikt waren voor de
-opvoering; de tooneelspelers, welke daarin zouden optreden, werden op
-staatskosten aangewezen en die rijke Atheensche burgers, die voor
-ditmaal de „choregie” moesten betalen, kleeden, bekostigen en laten
-oefenen, waren aangewezen om hun plicht te vervullen. De rijke
-Hipponicus had een koor te stellen voor de Antigone van Sophocles, de
-rijke Pyrilampes voor eene tragedie van Euripides [205], de rijke Midas
-voor een treurspel van Ion, de rijke Aristocles voor eene komedie van
-Cratinus [206] en wederom anderen voor andere stukken. Naar de
-gewoonte, die langzamerhand te Athene heerschende was geworden, was er
-een schier hartstochtelijke wedijver onder de choregen [207] ontstaan
-en zij zochten met al de eerzucht, die den Athener eigen was, elkander
-in nette, smaakvolle en prachtige uitrusting der hun opgedragen koren
-te overtreffen. Den overwinnaar toch wachtte een krans, nauwelijks
-minder benijdenswaard dan de kransen van Olympia en Pytho [208].
-
-Geluid van stemmen en de klank der fluiten klonken wederom krachtig uit
-het huis van Hipponicus, toen een rijzige gestalte met vluggen tred de
-straat afkwam. Het scheen een vreemdeling te zijn; want hem volgde een
-muildierdrijver, wiens dier met een reiszak beladen was. Het liet zijne
-blikken in de straat weiden, als iemand die naar een bepaald huis
-zoekt.
-
-Plotseling weerklonken de stemmen en muziek uit het huis van Hipponicus
-in zijn oor. Hij luisterde een oogenblik, lachte toen tevreden en zei
-tot den slaaf:
-
-„Wij behoeven het niemand te vragen. Dit en geen ander is het huis van
-Hipponicus.”
-
-Met vluggen tred naderde hij het huis en wilde juist aan de deur
-kloppen.
-
-Op dit oogenblik echter kwam een man van den tegenovergestelden kant de
-straat op en ontmoette den vreemdeling juist voor het huis van
-Hipponicus.
-
-Op het gezicht van dezen man toonde de vreemdeling zich aangenaam
-verrast en terwijl gene met een vriendelijke glimlach op hem toetrad,
-boog hij het hoofd een weinig achterover, lei de linkerhand op de
-borst, hief de rechterhand op en galmde op hoogdravenden toon, alsof
-hij reeds den cothurnus [209] aanhad, met volle stem de woorden:
-
-
- „Zoo mijn geest niet dwaalt,
- En ’t voorgevoel mij niet bedriegt,
- En heldere blik mij niet ontbreekt,”—
-
-
-dan geven de Goden een gunstig teeken, daar zij mij juist voor den
-drempel van Hipponicus mijn edelen vriend doen ontmoeten, den
-treurspeldichter Sophocles.”
-
-Daarmede reikte hij den dichter de hand, die haar greep en hartelijk
-schudde.
-
-„Welkom, voortreffelijke Polus!” riep hij. „Wees welkom te Athene! Hebt
-gij weder rondom in de steden van Hellas de menschen verrukt met het
-geluid uwer stem op den hoogen cothurnus en nieuwen roem geoogst en
-klinkende munt bovendien?”
-
-„Zoo is het,” hernam Polus. „Men heeft mij hier en daar eer bewezen,
-waar men mij juist noodig had voor de feesten in Hellas’ steden. Maar
-steeds toch weerklonk het in mijn hart:
-
-
- „Daar wild’ ik heen.
- Waar dicht begroeid ’t gebergt’
- Tot aan de baren reikt, waar
- Sunions vlakke grond gelegen is.
- Om Pallas’ heilge stad
- Met blijden mond te groeten.”—
-
-
-En toen mij nu te Halicarnassus [210] de boodschap gewerd van uw
-Archont, die mij voor de Lenaeën [211] naar Athene riep en mij elk loon
-beloofde, wat ik mocht verlangen en toen ik bovendien vernam, dat naar
-uw wensch de eerste rol in uw nieuw treurspel mij was toegedacht,
-snelde ik als op de vleugelen der liefde over de eilandzee; want
-nergens toch rijg ik den cothurnus liever aan de voeten dan te Athene
-en geen dichter wijd ik mijne kunst liever dan aan mijn besten vriend
-en grooten meester Sophocles.”
-
-Nogmaals drukte de dichter den tooneelspeler hartelijk de hand.
-
-„Gij zijt ook mij steeds de meest gewenschte hulp,” hernam de dichter.
-
-„Daar binnen in het huis van Hipponicus,” vervolgde hij, „vindt gij de
-choreuten en de koormeester en misschien ook reeds uwe beide
-medetooneelspelers, Demetrius en Callipides. Hipponicus noodigde u op
-dit uur in zijn huis, opdat wij allen te zamen zouden zijn, om de
-rollen te verdeelen en alles in gereedheid te brengen, wat dienstig kan
-zijn om aan ons treurspel de overwinning te verzekeren. Laat ons dus
-binnengaan, Hipponicus wacht u met ongeduld.”
-
-De beide mannen klopten aan de deur en werden binnengelaten. Hipponicus
-verwelkomde Polus met groote blijdschap en noodigde hem tevens uit, den
-tijd, dien hij te Athene moest doorbrengen, zijn gast te willen zijn.
-
-„Wilt gij,” hernam Polus, „bij alle uwe moeiten en zorgen die gij thans
-hebt, u ook nog dezen last op uwe schouders laden?”
-
-„Dezen nieuwen last,” zei Hipponicus, „gesteld dat het een last ware,
-zou ik de moeite niet waard achten. Doch gij hebt geen ongelijk, als
-gij zegt, dat ik tal van moeiten en zorgen te dragen heb, sinds de
-Archont mij de choregie der „Antigone” heeft opgelegd. Eerst moesten de
-noodige zangers en fluitspelers aangeworven worden en nu heb ik ze
-allen in huis en die menschen moeten betaald en gevoed worden, en hoe
-gevoed! met melk en honig en allerlei zoetigheden, opdat hun kelen niet
-ruw zullen worden. Nachtegalen in eene kooi zou men niet met meer zorg
-kunnen voeden en verplegen, dan ik het deze knapen doe. Dan moesten nog
-de prachtige kostumen besteld worden en de sieradiën voor de choreuten
-en gij weet wat tegenwoordig de Atheners op dat punt verlangen. Als zij
-geen gouden kransen te zien krijgen en niet iedere pracht rijkelijk is
-aangewend, dan valt er aan geen overwinning te denken. Ik geloof niet
-dat ik er ditmaal onder de vijfduizend drachmen afkom. Maar ik zou
-zelfs het dubbele besteden, als het noodig was, om den pauwenfokker
-Pyrilampes de loef af te steken, die met een treurspel van den
-vrouwenhater [212] Euripides de overwinning zoekt te bereiken.
-Sophocles weet het reeds, maar gij nog niet, waarde Polus, wat die
-kerel al gedaan heeft, om mij de zege te ontrukken. Eerst zocht hij den
-Archont om te koopen, vervolgens trachtte hij mij de beste choreuten
-afhandig te maken. Eindelijk heeft hij zelfs den koormeester heimelijk
-geld geboden, om de koren slecht te laten instudeeren. En dat alles was
-hem nog niet genoeg. Toen mijne sieradiën en prachtige kostumen in orde
-waren en in den winkel gereed lagen, zoo heerlijk mooi, dat ze niet te
-overtreffen waren, ging die kerel er heen en wilde den kleermaker
-dwingen ze hem te verkoopen. Toen deze dat aanbod van de hand wees,
-liet hij hem door zijne slaven afranselen en dreigde hem op eenen nacht
-het huis met alles, wat daarin was, boven zijn hoofd in brand te
-steken. Zoo handelt die ellendige Pyrilampes!”
-
-
- „Getroost, getroost, mijn waarde!”
-
-
-declameerde Polus met hoog pathos.
-
-
- „Nog leeft hij in den hemel,
- „Jupijn, die alles ziet en ’t al beheerscht.
- Vertrouw hem toe uw bittre smart,
- En haat noch vergeet in uw toorn,
- Hen die u leed berokkenen!”
-
-
-„Overigens,” vervolgde Polus, iets minder hoogdravend, „ken ik dien man
-en zijne streken, Hipponicus, zeer goed. Gij dacht mij daaromtrent
-beter in te lichten; maar ik kan u staaltjes mededeelen, hoe hij alle
-middelen in het werk heeft gesteld om mij aan het treurspel van
-Sophocles te onttroggelen. Uit zijn eigen zak beloofde hij eene groote
-som aan den openbaren eereprijs toe te zullen voegen, als ik in de
-tragedie van Euripides wilde optreden. Ik echter—ik stond als
-Philoctetes [213] toen de sluwe Odysseus hem en zijn overwinnenden boog
-naar Ilium wilde voeren:
-
-
- „Nimmer en nimmer, wees daarvan verzekerd,
- Nooit, zelfs niet als de verzengende bliksem
- Mij met zijn gloed mocht verteren!”—
-
-
-„Ik dank den Goden, Polus,” zei Hipponicus, „dat een man als gij, zoo
-getrouw u aan ons aansluit; want een koor mag nog zoo voortreffelijk
-zijn, als de tooneelspelers, die de staat aanwijst, niet deugen,
-fluiten en sissen de Atheners.”
-
-„En ik dank den Goden,” hernam Polus, „dat gij het zijt, Hipponicus,
-die het koor van Sophocles uitrust; want ook al dat de tooneelspelers
-voortreffelijk zijn, maar het koor niet bovenmate prachtig is, dan
-maken de Atheners met handen en voeten een oorverdoovend geraas, om hun
-ongenoegen te kennen te geven.”
-
-Thans traden twee nieuwe gasten in het huis. Het waren de
-tooneelspelers Demetrius en Callipides. Zij werden door Hipponicus
-vriendelijk ontvangen en begroetten Polus, met wien zij zoo menigmaal
-in de treurspelen van Sophocles het tooneel hadden betreden.
-
-„Ik zie nu,” zei Hipponicus, „dat alles wat tot de overwinning van de
-„Antigone”, moet samenwerken, in mijn huis vereenigd is.”
-
-„Het instudeeren der koren,” zei Sophocles tot de tooneelspelers, „is
-al lang begonnen; wij wachten u met ongeduld. Nu gij er zijt, willen we
-niet dralen, maar onmiddellijk overgaan tot de verdeeling der rollen.
-Vooreerst dan Antigone zelve: zij valt aan den speler der eerste rol
-ten deel. En hierbij wees hij op Polus, den „Protagonist” [214]. Deze,
-evenals zijne makkers, nam dat zwijgend aan, als iets dat van zelf
-sprak.
-
-Maar Sophocles viel zichzelven in de reden en vroeg aan Polus:
-
-„Hebt ge wel van de schoone Milesische Aspasia hooren spreken?”
-
-Toen deze bevestigend antwoordde, vervolgde Sophocles: „Als wij naar
-deze Milesische wilden luisteren, dan moest ik den Archont verzoeken,
-mij eene vrouw voor de rol van Antigone toe te staan. Ik had met haar
-een heftigen strijd, waarin zij ons gebruik om in vrouwenrollen mannen
-te laten optreden, zeer gispte en beweerde, dat men de vrouwen moest
-toestaan het tooneel te betreden. Te vergeefs beriep ik mij op de
-maskers, die het gelaat bedekken en op den geweldigen omvang van den
-schouwburg.”
-
-Polus lachte schamper. „Hoe?” riep hij daarop verontwaardigd uit, „toen
-ik als Electra [215] optrad en aanhief:
-
-
- O heilig licht,
- O aether, die de aard omgeeft!”—
-
-
-heeft toen iemand in mijne houding, in mijne stem, die uit het goede
-masker voortkwam, de vrouw gemist?”
-
-„Niemand, niemand,” riepen allen uit één mond.
-
-„En toen ik de urn met de gewaande asch haars broeders [216]
-hartstochtelijk aan mijne borst drukte,” vervolgde Polus diep ontroerd:
-
-
- „Dierbaarst overschot, mij blijvend,
- Van den liefsten aller menschen.”—
-
-
-„Alle toeschouwers waren geroerd, bewogen, in tranen badend,” zei
-Sophocles. „Nooit werd er op het tooneel eene stem gehoord,” vervolgde
-Sophocles, „die roerender was, nooit eene, die vrouwelijker klonk, dan
-de uwe!”
-
-„Ik hoop, dat gij daarmede niet zult beweren,” hernam Polus, „dat mijne
-stem over het algemeen een vrouwelijken toon heeft? Gij herinnert u,
-denk ik, mijn Aiax [217] nog wel:
-
-
- „Ha, wee mij dat ik hen liet glippen,
- Die snoodaards, die verwenschte schurken,
- En in hun plaats, door waanzin aangegrepen
- Onschuldige schapen en gehoornde stieren
- Deed sneven door het flikkerend staal,
- Hun donker bloed vergietend.”—
-
-
-De stem van Polus scheen bij de voordracht van deze regels geheel
-veranderd. „Dat is de diepste, geweldigste heldenstem!” riepen de
-toehoorders in verrukking uit.
-
-„Hoe? en mijn Philoctetes?” vervolgde Polus; „mijn kreet van diepste
-smart, toen het oude slangengif in mijne aderen brandde en mij schier
-verteerde,—mijn „Ach! Ach! Wee mij! het komt—het komt.”—
-
-En wederom riepen allen: „Wat een stem vol lijden! Wat een natuurlijke
-toon van den vertoornden, gefolterden, gepijnigden lijder!”
-
-„En dan,” ging Polus voort, „toen ik aan het slot der tragedie aanhief:
-
-
- „Welaan, het uur van scheiden is gekomen.
- Weest mij gegroet gij lachende dreven,
- Gij bronnen en gij, zoetlavende drank.”
-
-
-„Dat was een heerlijk oogenblik,” zei Hipponicus goedkeurend, „maar het
-schoonste, wat ik van u gezien en gehoord heb, was toch toen gij als
-Aiax op het tooneel stond en die overschoone alleenspraak hieldt.”
-
-„Gij bedoelt,” viel Polus hem in de rede, „toen ik in eene eenzame grot
-vóór den zelfmoord het zwaard met de punt naar boven in den grond stak
-[218]:
-
-
- „Het moordend zwaard staat in den grond geplant,
- Om ’t snelst mijn boezem te doorboren.”—
-
-
-„Juist,” riep Hipponicus uit, „en toen gij eerst Zeus aanriept en dan
-de maagdelijke Erinnyen en vervolgens Helios.” [219]—
-
-„O Helios,” viel Polus in,
-
-
- „O Helios, als gij mijn vaderland bestraalt,
- Houd dan uw goudgetooiden teugel in,
- En breng de mare van mijn droeven dood.”—
-
-
-„En toen gij,” ging Hipponicus in geestdrift voort, „ten laatste uw
-geboortegrond nog herdacht en den vaderlijken huiselijken haard
-aanriept en Salamis en de stad des roems, Athene, en uw stamverwant
-Atheensche volk—toen gloeiden de harten van twintig duizend Atheners
-van verrukking. Een fier gevoel van vaderlandschen trots doortintelde
-allen en ieder gevoelde dat de afscheidsgroet van den stervenden held
-ook hem gold. Tot nu toe waren zij geroerd geweest en in stilte
-geschokt—thans barstten zij uit in een storm van toejuichingen, die u
-gold en Sophocles en den Salaminischen held!”
-
-„Te recht, Hipponicus,” zeide thans Sophocles, „prijst gij Polus, maar
-vergeet niet ook de verdiensten van Demetrius en Callipides te
-erkennen. Ook zij zijn gevierd en geëerd in de steden van Griekenland;
-ook zij hebben veel bijgedragen tot de zegepraal van verscheidene
-mijner treurspelen.”—„U, Demetrius,” vervolgde hij, „draag ik voor
-ditmaal den waardigen koning Creon op; aan den jongen Callipides Ismene
-[220]. Er zijn nog een paar bijpersonen, die wel is waar slechts even
-op het tooneel verschijnen, maar die ik daarom toch niet gaarne aan den
-eersten den besten stumpert zou willen toevertrouwen.”
-
-„Voor den dag er maar mede!” riepen de tooneelspelers. „Ieder onzer is
-bereid zoovele personen, als men slechts verkiest, op zich te nemen,
-als zij maar niet te gelijk op het tooneel moeten verschijnen. Onder
-het masker kan men elke rol vervullen.”
-
-„Daar hebt ge vooreerst Haemon, de minnaar van Antigone,” zeide
-Sophocles, „hij treedt eerst op, als Antigone reeds ter dood is
-geleid.”
-
-„Geef mij maar den minnaar Haemon,” riep Polus.
-
-„Callipides,” vervolgde Sophocles, „moet de rol van den blinden ziener
-Tiresias op zich nemen. Dan is er nog een wachter en een bode. Deze
-beiden hebben lange verhalen te doen. Verhalen nu moeten op het tooneel
-altijd zoo voortreffelijk mogelijk voorgedragen worden. Niets is
-vervelender, dan wanneer zij door iemand, die nauwelijks kan spreken,
-uitgestameld worden. Ik heb daarom besloten deze beide kleine rollen
-zelf te spelen. Ik ben toch bij mijne vorige stukken menigmaal op
-dergelijke wijs opgetreden.”
-
-De tooneelspelers klapten in de handen van blijdschap, daar zij vereerd
-waren, dat de dichter zelf met hen wilde medewerken. Ook Hipponicus was
-er recht blijde om.
-
-„Eindelijk is daar nog Eurydice, de gemalin van Creon,” zeide
-Sophocles. „Zij verschijnt slechts met weinige woorden aan het slot der
-tragedie ten tooneele.”
-
-„Geef mij maar de Eurydice,” riep Polus.
-
-„Die is reeds vergeven,” hernam Sophocles. „Iemand die nog nooit het
-tooneel heeft betreden, doch niet genoemd wil worden, wenscht de
-Eurydice te spelen.”
-
-De nieuwsgierigheid van Hipponicus en de tooneelspelers werd door de
-geheimzinnige gebaren van den dichter niet weinig geprikkeld. Doch hij
-weigerde nadere inlichting te geven.
-
-Hij stelde toen aan tooneelspelers afschriften van het stuk ter hand,
-gaf hun nog eenige wenken over de opvatting en uitvoering der rollen en
-regelde de kostumen, waarin zij zouden optreden.
-
-Daarop stelde Hipponicus hun de vijftien choreuten voor, benevens den
-koormeester en verzocht hen de oefeningen van het koor bij te wonen.
-
-Onder de muziek der fluiten begon men met plechtige liederen en den
-plechtigen danspas, ter eere van den God [221] omdat de beteekenisvolle
-dans om zijn altaar het begin was geweest van het drama. Nu schreden
-zij rechts, dan links, nu stonden zij stil, dan weder vereenigden zij
-zich, nu eens sneller dan weder langzamer zich bewegend, onder het
-voordragen van de talrijke en heerlijke hymnen der „Antigone”. Gloeiend
-van geestdrift gaf de didaskalos [222] de maat aan met de handen en
-voeten, menigmaal zelfs, als de geestdrift hem overmeesterde, met het
-geheele lichaam. De dichter trad herhaaldelijk tusschenbeide. Hij had
-ook zijn best gedaan de zangwijzen der reizangen uit te denken en de
-dansbewegingen van het koor passend te maken. Soms liet hij den
-fluitspeler weggaan, greep het snareninstrument en begeleidde het koor,
-om beter het gezang en de plechtige bewegingen te kunnen regelen.
-
-Evenals Sophocles bezig was in het huis van Hipponicus, zoo deed
-Euripides in dat van Pyrilampes, Ion in dat van Midas, Cratinus in dat
-van Aristocles en andere dichters in de huizen der andere choregen, als
-veldheeren, die hunne troepen onderrichten en aansporen, allen begeerig
-om den Dionysischen zegeprijs te behalen.
-
-De huizen der choregen waren als zoovele brandpunten, waaruit zich eene
-gespannen verwachting en eene levendige belangstelling over de stad
-verspreidde; in de overwinning toch van den choreeg waren ook zijne
-verwante familiën betrokken en hare namen werden eveneens genoemd. De
-spanning, waarin bij dergelijke gelegenheden gewoonlijk het Atheensche
-volk verkeerde, had ditmaal een buitengemeen hoogen trap bereikt, daar
-Hipponicus en Pyrilampes ongehoorde pogingen in ’t werk stelden, om
-zich de zege te verzekeren, daarbij voegde zich de veete, die er
-tusschen de beide mededingers bestond en die iederen dag in
-handtastelijkheden dreigde over te gaan en eene onbeperkte stof aanbood
-voor de praatzieke tongen der Atheners. De staatsaangelegenheden, de
-zaken in den Piraeus, alles werd ter zijde gesteld; en al ware er juist
-eene Atheensche vloot tegen den vijand in zee geloopen, men zou in die
-dagen minder over haar hebben gesproken, dan over Hipponicus en
-Pyrilampes.
-
-Zie, daar ontmoeten elkander op de Agora twee mannen, die op
-vertrouwelijken toon van geheel andere zaken spreken, dan over de
-vijandschap van Hipponicus en Pyrilampes. Het zijn Pericles en
-Anaxagoras.
-
-„Gij zijt in gepeinzen verdiept,” zei de wijze tot zijn vriend;
-„koestert gij nieuwe gedachten en plannen voor den staat of vervult
-eene schoone vrouw uw hoofd?”
-
-„Wellicht beide,” hernam Pericles. „Hoe schoon zou het zijn, als men
-een van die twee, de vrouwen, kon ontberen, om zich onverdeeld aan de
-staatsbelangen of de wijsheid of eene andere, groote ernstige zaak te
-kunnen wijden!”
-
-„Men kan de vrouwen ontberen—men kan alles ontberen,” zeide Anaxagoras
-met nadruk en verdiepte zich in een betoog hoeveel beter het was, daar
-men toch eigenlijk nooit iets waarachtig en bestendig bezitten kan, van
-te voren van alles afstand te doen.
-
-Pericles luisterde geduldig naar den wijze, maar zijn gelaat drukte
-duidelijk uit, dat hij niet van gedachte veranderd noch overtuigd was
-geworden.
-
-„Wanneer gij nu eenmaal,” zoo besloot Anaxagoras zijn betoog, „de vrouw
-niet missen kunt, dan is, wel beschouwd, de uwe, ik bedoel Telesippe,
-toch even goed als iedere andere. Zij baart u kinderen. Wilt gij meer
-van haar?”
-
-„Gij kent haar toch,” hernam Pericles. „Gij weet, hoe bijgeloovig zij
-is en bekrompen van verstand en de vriendin van niet ééne Muze.
-Misschien was dit nog te verdragen, indien zij zooveel zachtheid van
-gemoed bezat als men haar bewijst. Maar deze vrouw is altijd
-weerbarstig en vol vooroordeelen en aan mijne beste bedoelingen weet
-zij altijd eene hatelijke uitlegging te geven. Wanneer ik vroeger
-meermalen haar een keurig onderkleed ten geschenke gaf of iets
-bekoorlijks, wat in huis of in de slaapkamer haar bevalliger maakte,
-dan nam zij dit zeer kwalijk en vroeg:
-
-„Ben ik u dan niet meer mooi genoeg, dat gij zulke dingen voor mij
-noodig oordeelt? Wanneer ik u niet beval, zooals ik ben, dan wil ik u
-ook niet opgesierd bevallen.” Kan men dwazer en onvrouwelijker spreken?
-Tooit niet zelfs de jongste, schoonste vrouw zich gaarne voor haren
-geliefde en is het niet eene natuurlijke begeerte van den minnaar of
-den echtgenoot, de beminde vrouw zoo bekoorlijk mogelijk te versieren?
-In alle zaken, over het algemeen, die de liefde gelden, heeft ze altijd
-die eigenzinnigheid gehad, die de schoonste vrouw onverdragelijk maakt.
-Gij weet voorts, dat het mij eigen is zindelijkheid en reinheid tot in
-het hartstochtelijke te drijven. Hoeveel harde woorden zijn er niet
-tusschen ons gevallen over het varkenskot en het hoenderhok, dat zich
-naar oud gebruik, vlak bij den huiselijken haard bevindt, dat mij een
-gruwel is, doch haar zoo na aan ’t hart ligt. Het gevoel van viesheid
-kent zij niet. Biedt zij mij niet de lippen tot een kus, bezoedeld met
-het vuil of het kwijl, dat zij juist van het gezicht harer kinderen
-heeft afgekust? Want in het vuil, ja zelfs in den uitslag harer
-kinderen, als zij soms ziek zijn, zonder noodzakelijkheid met hare
-vingers en lippen te wroeten, schijnt haar een natuurlijke en
-noodzakelijke uiting te zijn der moederlijke liefde. Maar moet eene
-moeder niet tegelijk gade zijn? Moet eene weldenkende en gevoelige
-vrouw niet beide liefdeplichten weten te vereenigen en met
-nauwgezetheid vervullen? En wat beteekent de moederlijke teederheid, de
-aangeboren drift, die zij met elke wijfjesaap gemeen heeft, wanneer zij
-alleen in de duistere neiging der natuur geworteld is, als zij niet
-gepaard gaat met het goede inzicht, wat werkelijk voor de kinderen
-nuttig is of niet? Hebt gij zelf niet dikwijls gevraagd: wat baat
-natuurdrift zonder kennis en zonder de zedelijke wijding, die haar van
-het dierlijke tot het menschelijke verheft!”—
-
-„Wat dit laatste punt aangaat hebt gij goed en verstandig gesproken,”
-merkte Anaxagoras op. „Maar wat gij zeidet over die rokjes met schoone
-franjes en schitterend van kleur en wat niet al, die Telesippe niet
-wilde aannemen, dit is, verstandig beschouwd, dwaasheid en
-verderfelijke weelderigheid. Zulke pronkerij is uit den booze. Een
-vrouw is eene vrouw, zeg ik u. In naam der wijsheid laat af van alle
-dweeperij voor de schoone Milesische Aspasia!”
-
-„Is het mijne schuld,” vroeg Pericles glimlachend, „dat de schoonheid
-op aarde door de Goden sterker is gemaakt dan de wijsheid?”——
-
-Op den dag van dit gesprek was er iets geschied, dat, zoo Pericles
-toevallig met eigen oogen had gezien, hem verdrietig en bezorgd zou
-hebben gemaakt, wellicht zelfs zijn geloof aan de voortreffelijkheid
-der Milesische zou hebben geschokt en den vurigen gloed zijner
-bezieling voor haar, als vuur door water, in een plotselingen rook en
-walm zou hebben uitgedoofd.
-
-Van Aspasia waren naar den dichter Sophocles en van dezen naar de
-Milesische herhaaldelijk geheime boden gegaan. Ja, eens had men den
-dichter zelven in het schemerend avonduur heimelijk het huis van de
-schoone vriendin van Pericles zien binnengaan.
-
-Thans gebeurde het, dat Aspasia naar hare woning terugkeerende, door
-een man werd vergezeld, dien loerende buren in de schemering voor
-Pericles hielden.
-
-Doch het was Sophocles. Voor de deur harer woning stonden beiden een
-oogenblik stil. Overwegen zij soms of de begeleider den drempel zou
-overschrijden of terug zou keeren? Eindelijk vroeg de dichter met zijne
-zachte welluidende stem aan de schoone Milesische:
-
-„Wat is heiliger de vriendschap of de liefde?—
-
-„Heiliger is toch wel in ieder bijzonder geval, zij die de oudste
-is,”—zei Aspasia glimlachende en de raadselachtige vraag op even
-raadselachtige wijze beantwoordende.—
-
-Nadat deze woorden onder hen gewisseld waren, nam Sophocles afscheid en
-keerde terug, terwijl Aspasia hare woning binnentrad.
-
-Op den morgen na deze kleine gebeurtenis begaf zich de ziener Lampon
-naar het huis van de hem toegenegen zuster van Cimon. Hij kwam van de
-Acropolis waar hij wederom geruimen tijd met Diopithes had gefluisterd.
-
-Nauwelijks was de priesterdienst, om welke Elpinice den ziener had
-ontboden, ten einde gebracht of deze leidde met een geheimzinnig en
-veelbeteekenend gezicht het gesprek op Pericles en Aspasia.
-
-Het manwijf en de ziener waren dikwijls gewoon de hun ter oore gekomen
-praatjes en nieuwtjes elkander mede te deelen.
-
-„De Goden schijnen den trotschen Pericles te willen straffen,” begon
-Lampon.
-
-„Wat is er dan geschied?” vroeg Elpinice in gespannen verwachting.
-
-„Voorloopig dit,” hernam de andere, „dat in het schemerlicht van den
-avond heimelijk ook een ander naar de schoone vriendin van den Olympiër
-sluipt.”—
-
-„Waarom niet?” zei Elpinice. „Zij is immers eene hetaere. Maar wie is
-die andere?”
-
-„Pericles’ beste vriend, „de lieveling der Goden” zooals hij zich
-gaarne hoort noemen, de vriendelijk lachende treurspeldichter uit het
-vlek Colonos.”
-
-„Een vrouwengek,” riep Elpinice uit; „een vrouwengek en een oude
-liefhebber, evenals Pericles zelf.—Maar dat is oud nieuws, wat gij mij
-daar vertelt, vriend Lampon. Het is geruimen tijd geleden, dat men dien
-dichter voor de eerste maal in het gezelschap van Pericles en Aspasia
-heeft gezien. Het is overbekend, dat hij niet minder dan zijn vriend
-voor die boeleerster in liefde ontvlamd is. Het vermoeden lag dus voor
-de hand, dat hij naar haar toe zou sluipen. Maar wie heeft hem gezien?
-Wie zal het op zijn woord getuigen?”
-
-„Ik zelf,” hernam Lampon. „Ik zelf heb hen gezien en hoorde zelfs in
-het voorbijgaan een klein gesprek voor de huisdeur. En een tweeden
-getuige, zoo noodig, bezorgt ons Diopithes.”
-
-„Dat is goed,” hernam Elpinice met innig genoegen.
-
-„Deze tijding, aan Pericles overgebracht, brengt zijne liefde voor de
-Milesische den genadeslag toe. Deze liefde is het schandelijkst en
-goddelooste, wat men hier in Athene vindt, en de Ionische hetaere is de
-groote verleidster. Zij moet verwijderd, verdreven, ten gronde gericht
-worden. Maar wie neemt het op zich Pericles die tijding te brengen?”—
-
-„’t Beste zou Theodota dat kunnen,” meent Diopithes. „Deze vrouw heeft
-sedert eenigen tijd, en niet met ongunstig gevolg, hare strikken voor
-den minnaar van Aspasia gespannen. En als zij het nu is, die hem het
-bewijs van Aspasia’s ontrouw levert, kan zij deze daardoor het zekerst
-verdringen en hare plaats innemen.”
-
-„Arme Telesippe!” riep Cimon’s zuster uit. „Het beste ware zeker, als
-gij in ’t geheel geene medeminnares hadt; doch voor ’t oogenblik is
-reeds veel, is reeds alles gewonnen, wanneer maar die Milesische uit de
-deur wordt gezet.”
-
-„Zoo is het,” hernam Lampon. „Uit het hart van een man als die
-Pericles, kan eene schoone en sluwe vrouw alleen door eene andere
-schoone en sluwe vrouw verdreven worden. Theodota is veel minder
-gevaarlijk dan Aspasia. Integendeel deze veile Corinthische is als was
-in onze handen. Zij moet Pericles onder de belofte hem uitvoerige en
-belangrijke mededeelingen aangaande de trouwelooze Aspasia te doen in
-haar huis lokken. Dan volgt het overige van zelf.”
-
-„Wij zijn zeker, dat onze pogingen slagen zullen,” hernam Elpinice.
-„Pericles heeft reeds een begeerig oog op haar geslagen. Ik weet het.
-Hij is reeds eens in haar huis geweest, zij het ook in gezelschap der
-Milesische, die overmoedig genoeg was, hem daarheen te voeren.”—
-
-„Op aansporing van Alcamenes,” zeide Lampon.
-
-„Deze heeft ons in de hand gewerkt. Ook hij behoort tot degenen, die de
-Milesische haten en het met genoegen zullen zien, dat zij beschaamd,
-vernederd en door Pericles verstooten wordt. Hij wil zich wreken op de
-vrouw, die hem om Pericles heeft verraden. Lang vóór ons heeft hij het
-voornemen opgevat, door Theodota de Milesische uit de gunst van den
-gevierden man te verdringen. Hem ontbraken slechts de geschikte wapenen
-tegen Aspasia. Wij willen hem die verschaffen. Wie echter zal nu
-Alcamenes inlichten dat hij zich met de Corinthische moet verstaan, om
-het plan te volvoeren?”—
-
-Elpinice dacht een oogenblik na, daarop sprak zij:
-
-„Laat mij daarvoor zorgen. Ik ken de bijpaden die wij moeten inslaan om
-de boodschap juist, zooals wij verlangen, ter oore van de Corinthische
-te brengen.”—
-
-Van dit oogenblik af had Aspasia zich niet alleen tegen Telesippe, maar
-ook tegen Theodota tot een ernstigen kamp uit te rusten.
-
-Elpinice wendde zich tot Polygnotus; deze was met Agoracritus,
-Aspasia’s bittersten vijand, bevriend. Agoracritus bracht de boodschap
-van Lampon en Elpinice aan zijn makker in de werkplaats van Phidias
-over en deze heethoofd vond de gelegenheid om zich op de trotsche
-schoone te wreken te verleidelijk; hij had spoedig met zijne wakkere
-vriendin een plan beraamd, om hun opzet te volvoeren.
-
-In deze wolken flikkerde dus de bliksemstraal, die geslingerd zou
-worden om den liefdeband te verbreken tusschen den voortreffelijksten
-man en de schoonste vrouw in Griekenland, de bliksem, die in de eerste
-plaats heimelijk gesmeed was in de smidse, van den mokkenden, ouden God
-Erechtheüs op den burg.——
-
-De viering der Dionysiën was dartel en luidruchtig begonnen. De laatste
-dagen van het feest waren aan den wedstrijd der tragische Muze gewijd.
-
-Lichte regenwolken dreven, terwijl de dolle comedie van Cratinus onder
-de uitgelaten vreugde der toeschouwers werd opgevoerd, van den Hymettus
-af over het Dionysus-theater en de opperpriester van Dionysus, die daar
-voor het geheele volk op zijn heerlijken, met marmeren beelden
-versierden zetel in de orchestra [223] zat, voelde een regendroppel op
-zijn neus vallen, juist op het oogenblik dat de overmoedige Cratinus
-tegen den persoon van den zelfden priester Agasthenes, onder het
-luidruchtig gelach van alle Atheners, een gevleugelden pijl van zijn
-Attisch vernuft afschoot.
-
-„Het begint te druppelen,” zei de opperpriester tot zijn buurman
-Pericles: „mij dunkt, wij moesten het schouwspel staken.”
-
-„De wolk drijft over,” hernam deze lachend.
-
-Doch zie, daar snort een nieuwe pijl. En deze pijl trof zijn buurman
-zelven. Alle Atheners lachten en keken naar Pericles, en Pericles
-lachte mede.
-
-Maar een derde pijl snorde; hij trof de nieuwe Hera en den nieuwen
-Olympischen Zeus, de Milesische Omphale [224] en den Atheenschen
-Heracles...
-
-Wederom zagen alle Atheners naar Pericles. Maar Pericles lachte niet
-meer. Eene wolk trok langs het voorhoofd van den Olympiër. De snorrende
-pijl had Aspasia getroffen...
-
-Andere schouwspelen volgden en zoo ging voor de Atheners het grootste
-gedeelte van den eersten dag voorbij. Verscheidene verwijderden zich,
-om straks terug te keeren, velen hielden het tot het einde toe vol. De
-gegoeden lieten zich door hunne slaven wijn, ooft en koeken tot
-verkwikking brengen.
-
-Den volgenden dag begon alles opnieuw. Wederom zaten dertigduizend
-Atheners op de steenen zitplaatsen van den Dionysus-schouwburg, de
-omkranste overheidspersonen op afzonderlijke, schoon versierde,
-marmeren zetels in de voorste rijen, de rijken op purperen kussens, die
-zij zelven hadden medegebracht, door hunne slaven bediend, de armen met
-eenige vijgen of uien in hun ransel, waarmede zij het den geheelen dag
-moesten doen. Doch zoowel deze laatsten als de eersten gevoelden zich
-als Atheners geroepen, om het schoonste te zien en spraken met groote
-geleerdheid over Sophocles en Ion en Euripides en keken eens met
-turenden blik naar de wolken des hemels, of niet eene daarvan de
-feestvreugde van den dag zou verminderen of verstoren.
-
-Wederom hadden de eerste duizenden van het aanstormende volk zich in de
-ruimte van het kolossale amphitheater als Pygmaeen verloren. Thans was
-de geheele schouwburg van de bovenste rijen tot de onderste toe gevuld;
-het scheen wel een reusachtige, kokende en bruisende menschenkrater.
-Bijna bedwelmend en huiveringwekkend was het van de bovenste rijen neer
-te zien op deze golvende zee van menschenhoofden.
-
-In die onstuimige dwarreling deed hoe langs zoo meer een dreigend
-tumult zich hooren. Heden toch zou de fel ontbrande strijd tusschen
-Hipponicus en Pyrilampes tot een beslissing komen. De partijen der
-beide choregen schenen handgemeen te zullen worden. Als een hunner zich
-te midden der toeschouwers vertoonde, klonken er kreten van vrienden en
-tegenstanders, bijvalsbetuigingen en hoonend gesis.
-
-Onophoudelijk waren de agonotheten [225] en mastigophoren [226] in de
-weer; telkens vlogen zij de trappen, die dwars door de zitplaatsen
-liepen, op, om hier een twist te beslechten, daar een oproermaker tot
-rust te brengen.
-
-De rustigste onder die woelige menigte was Socrates, de mijmeraar uit
-Phidias’ werkplaats. Hij was ook gekomen, niet zoozeer om de
-schouwspelen, als wel om de toeschouwers te zien en over hunne
-handelingen na te denken.
-
-„Daar zitten dertigduizend Atheners in gespannen aandacht,” zeide hij
-in zich zelven; „allen vol begeerte om eene verdichte geschiedenis te
-hooren, om door valsche tranen en voorgewende smart zich te laten
-roeren. Zij zijn als de kinderen, die met open mond naar sprookjes
-luisteren, alleen met dit onderscheid, dat deze niet weten, dat zij
-verzonnen zijn, genen echter het wel degelijk weten. Van waar komt toch
-wel die zeldzame lust bij de menschen naar het nagebootste, het
-verdichte?”——
-
-De schoone Theodota zat onder de toeschouwers. Zij was op het
-sierlijkst uitgedost. Haar oog was bijna onafgewend op den
-strategenzetel gevestigd, waarop Pericles zat. Pericles kon zich niet
-onthouden, van tijd tot tijd den vurigen blik uit hare donkere oogen te
-beantwoorden.
-
-Eindelijk klonk boven het gonzen der menigte de helder klinkende stem
-van den heraut uit, die stilte gebood. Nu werd een dankoffer gebracht
-bij het altaar van Dionysus. Daarop deed opnieuw de stem van den heraut
-zich hooren:
-
-„Het koor van Ion trede op!”
-
-Het treurspel van Ion werd door de Atheners aangehoord, toegejuicht,
-geschat op zijn juiste waarde door hun aangeboren fijn gevoel. Een
-tragedie van Philocles volgde. De uitspraak van den protagonist voldeed
-niet aan het fijne Attische oor. Een onweerstorm van gelach, gemor,
-snijdend gesis brak over hem uit. Het ontbrak niet aan spottende tongen
-en trappelende voeten. Een blijspel kwam thans aan de beurt. Nu was de
-spotter meester van het terrein, zelfs verheven boven alle Olympische
-Goden. De meest onbedwongen scherts gaf zich lucht in de kunstige
-rhythmen.
-
-Toen trad het koor van Euripides op.
-
-Het werk van dezen dichter bewoog de gemoederen. De vrouwen waren
-geroerd door datgene, wat tot het hart sprak, de mannen meegesleept
-door de schitterende gedachten, waarmede het geheele dichtstuk als het
-ware doorwerkt en doorweven was, als gouden draden in een purperen
-weefsel. Met kreten van verrassing en bewondering werd de schitterende
-pracht van het koor begroet. Zoo iets had men schier nog nooit gezien.
-Donderende toejuiching volgde, toen het stuk afgespeeld was. Pyrilampes
-en zijne vrienden waren uitermate verheugd en waanden zich reeds zeker
-van de overwinning.
-
-In den korten tijd, die er tusschen de voorstelling van dit treurspel
-en den aanvang van het volgende verstreek naderde eensklaps een slaaf
-den zetel van Pericles en reikte hem een toegevouwen blad papier.
-
-Pericles opende het en las deze woorden:
-
-„Sophocles sluipt in de avondschemering het huis van Aspasia binnen.”
-
-Pericles was getroffen. Wie had die regels geschreven?—Zij kwamen van
-Theodota. Toen Pericles naar den brenger van dit korte en zonderlinge
-bericht omzag, was deze reeds verdwenen.—
-
-Uit zijn ernstig denken wekte den strateeg de helderklinkende stem van
-den heraut, die zich wederom deed hooren:
-
-„Het koor van Sophocles trede op!”
-
-En nu werd een treurspel der liefde voor het oog en het oor der Grieken
-opgevoerd, een treurspel der liefde onder die drie gestalten, waarin
-zij achtereenvolgens het menschenhart op zijn levensweg aandoet: de
-zusterliefde, de liefde der bruid, de moederliefde. Ter wille van haar
-geliefde broeder sterft Antigone, ter wille van de geliefde bruid
-sterft Haemon en ter wille van den geliefden zoon sterft Eurydice.—
-
-Een lang, donker treurgewaad omhult der hooge gestalte van Oedipus’
-dochter. De maskers toonen ernstige, edele jonkvrouwelijke gezichten,
-zacht en roerend klinken hare stemmen.—Antigone zweert haar broeder te
-zullen begraven, dien koning Creon den honden en roofvogels tot eene
-prooi heeft voorgeworpen; den ingeschapen, goddelijken plicht wil zij
-vervullen, trots alle menschelijke inzettingen.
-
-Het koor van edele, Thebaansche grijsaards treedt voor, zijne eerste
-reien ontplooien in purperen gewaad, vol Dionysischen luister, de
-hoofden met goud getooid; daar klinkt de heerlijke, machtig
-aangrijpende met zijne afwisselende rhythmen wegsleepende hymnus:
-
-
- „Straal der zonne, wees gegroet.”
-
-
-Koning Creon betreedt het tooneel in goud gestikt, purperen gewaad, het
-voorhoofd met den diadeem versierd, steunende op een schepter, waarop
-een adelaar zijne wieken ontplooit. Boven de gewone maat van den man
-verheft hem de cothurnus, gebiedende waardigheid verleent hem het
-masker, geweldig staat hij daar, zelfs voor het oog van den verst
-verwijderden toeschouwer in de kolossale ruimte. Het recht van den
-gebiedenden heerscher wil hij doen gelden tegenover de edele
-jonkvrouw—zij echter kent slechts één hoogsten plicht, haar in het hart
-gegrift: de liefde—en den koning, die de wreedheid tegen den broeder
-met den rechtmatigen haat der burgers van Thebe tegen hem verdedigt,
-geeft zij slechts dit eene onsterfelijke antwoord:
-
-
- „Mij schiep natuur tot liefde, niet tot haat.”
-
-
-En zij gaat heen om te doen, wat zij gezworen heeft en het recht der
-levenden voor het recht der dooden ten offer te brengen. In een
-ernstigen, verheven rei bezingt het koor de grootheid van den mensch en
-zijne hemeltergende vermetelheid—en betreurt het erfelijke leed der
-Labdaciden [227]; Haemon, Creon’s eigen zoon, komt en smeekt zijn vader
-om het leven van Antigone, zijn teergeliefde bruid—doch de vorst houdt
-streng vast aan zijn voornemen en als Ismene vraagt:
-
-
- „Zult gij de bruid dan dooden van uw zoon?”
-
-
-klinkt het harde antwoord:
-
-
- „Ook andere velden nog beloven vrucht.”
-
-
-Vertwijfelend ijlt de bruidegom weg, met een onheilspellend gelaat—en
-nu weêrklinkt in het koor der edele Thebaansche grijsaards dat lied, ’t
-welk gedicht werd op dien zonnigen dag, toen Pericles en Aspasia in den
-lusthof van den dichter in het Cephissus-dal verwijlden:
-
-
- „God der liefde, nooit bedwongen,
- Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,
- Waar uw pijl is ingedrongen,
- Voor uw almacht buigen doet!”
-
-
-Nu echter begint in afwisselenden zang van het koor, de roerende klacht
-van Oedipus’ dochter, die gedoemd is, om levend neer te dalen in de
-groeve—aandoenlijk, hartverscheurend klinkt de treurzang en bij dit
-glanspunt der tragedie is ieder oog van de ademloos luisterende
-Atheners vochtig van innerlijke aandoening. De jonkvrouw naöogend op
-haar doodsweg, vermeldt de rei des grijsaards:
-
-
- „Zoo werd ook Danaë aan ’t licht der zon
- Ontrukt, in ’t koperen gewelf gesloten,
- Waar als in ’t graf geen oog haar vinden kon.—
-
-
-Tiresias komt, de onfeilbare, grijze ziener treedt op en spreekt eene
-ernstige vermaning, om den onverzoenlijken te verbidden en eindelijk
-buigen de onsterfelijken zijn onwrikbaren trots—hij laat, door een
-vreeselijk voorgevoel aangegrepen, zijne vermetelheid varen—reeds roept
-het koor in een vroolijken jubelzang den God der vreugde, Dionysus,
-aan:
-
-
- „Lievling der Thebaansche maagd
- Zoon van Zeus, wiens donderslagen
- Raatlend door het luchtruim jagen;
- Kom, terwijl we in blijden zin
- ’t Feestlied door uw stad doen schallen,
- Zegenbrengend Theben in!”
-
-
-Indrukwekkend klinkt die jubelzang na het sombere grafgezang—doch
-plotseling versterven die juichtonen en maken opnieuw plaats voor het
-grafgezang; want Antigone heeft zich zelve in de groeve van het leven
-beroofd en haar lijk omklemmend is Haemon, door zijn eigen staal
-geveld, met haar afgedaald in den nacht van den Hades.
-
-En nu verschijnt Eurydice, de gemalin van den weeklagenden Creon. Zij
-verneemt de tijding van den dood van haar geliefden zoon. Uit den mond
-van den bode hoort zij dat beiden vereenigd in den dood zijn gegaan in
-de sombere groeve. Op de tijding van het uiteinde haars zoons breekt
-haar moederhart.
-
-Geweldig greep dat doodsbericht uit den mond van den bode de gemoederen
-aan. Doch nog aangrijpender klonken de weinige woorden uit den mond der
-koningin, die zich als offer wil geven aan den dood.
-
-Ademloos luisterden de Atheners naar het wegsterven der laatste woorden
-van dit grootsch en verheven treurspel: met eene strophe ter
-aanprijzing der wijsheid eindigde het treurspel als met een verheven
-slotaccoord.
-
-Groot en diep was de indruk, dien de tragedie van Sophocles, drie
-liefdebanden en drie doodsoffers in elkander strengelend, op de
-gemoederen der aandachtige Grieken teweegbracht. Zóó schoon was de
-strenge, sombere ernst der tragische kunst nog nooit verzacht,—zóó
-menschelijk was het verhevene, zóó verheven was het menschelijke door
-niemand ooit uitgesproken.
-
-Maar ook nooit was in eenige tragedie zulk een overvloed van heerlijke
-gezangen, zoo rijk en beteekenisvol over de toehoorders uitgestort; zoo
-harmonisch volkomen tot in het kleinste had het Attisch tooneel nog
-geene schepping gezien, zoo’n kunstvaardig en schitterend koor was nog
-nooit voor de verzamelde Atheners opgetreden.
-
-Toen het koor van Hipponicus zich verwijderd had en de dramatische
-wedstrijd geëindigd was, verhief het geheele volk met luide kreten
-onstuimig zich ten gunste van Hipponicus, zoodat de kamprechters zonder
-beraadslaging onverwijld den dichter der Antigone en zijn choreeg, ten
-aanhoore der vergaderde menigte, die vol spanning de uitspraak
-verbeidde, als overwinnaars in den tragischen wedstrijd uitriepen.
-Sophocles en Hipponicus verschenen overeenkomstig het gebruik op het
-tooneel, om voor de oogen van het volk uit de hand der kamprechters den
-zegekrans te ontvangen.
-
-Onmogelijk is het de vreugde en den trots van Hipponicus te schilderen,
-onmogelijk ook de verwoede verbittering van Pyrilampes en de zijnen.
-
-Toen Pericles den schouwburg verliet, ontstuwd door de ontzaglijke
-menigte, zag hij te midden van het gedrang eensklaps Theodota aan zijne
-zijde. Haar schoon gelaat was met de teederste blikken, met den
-verrukkelijksten glimlach om den mond verleidelijk naar hem toegekeerd.
-Zonder bemerkt te worden drukte zij hem een blad papier in de hand.
-
-Er stonden eenige regels op geschreven, Pericles las ze.
-
-De inhoud was als volgt:
-
-„Verlangt gij bericht omtrent Sophocles en Aspasia, kom dan tot
-Theodota. Een slaaf wacht u onder de zuilen van den Tholus en zal langs
-een geheimen weg u door een achterdeur in mijn huis geleiden.”
-
-Voordat Pericles er over kon denken, of hij deze uitnoodiging zou
-aannemen, geraakte hij, verder wandelende, onder de schare van
-Sophocles’ vrienden, die den dichter hartelijk geluk wenschten.
-
-Toen Sophocles hem zag, onttrok hij zich aan de gelukwenschingen zijner
-vrienden en snelde hem te gemoet.
-
-Pericles, hoewel ontstemd en peinzend, wenschte den overwinnaar
-eveneens van harte geluk.
-
-„Ik dank u,” zeide Sophocles, „doch spreek niet als vriend tot mij,
-maar als kunstrechter.”
-
-Met moeite datgene, wat in dit oogenblik hem meer dan alles vervulde,
-van zich zettende, sprak Pericles:
-
-„Weet gij, wat mij in uw treurspel reden tot nadenken heeft gegeven?
-Het heeft mij, gelijk vele andere toeschouwers, bijna bevreemd naast de
-banden des bloeds, dien den Griek sedert overoude tijden steeds heilig
-zijn geweest, nu ook de banden der teedere min met gelijk recht, met
-gelijke macht, met gelijken doodsernst in het treurspel geteekend te
-zien. Levendig houdt deze nieuwheid mijn geest bezig, en nog weet ik
-niet te zeggen, of gij daarin ten volle recht hebt.”
-
-Van dit onderwerp afstappende, vervolgde Pericles:
-
-„Waart gij het niet zelf, die onder het masker van den bode dat
-aangrijpend verhaal van den dood van Haemon zoo plechtig schoon hebt
-voorgedragen? Ik meende uwe stem te herkennen. Doch wie sprak de
-woorden van Eurydice? Welke tooneelspeler stak achter het masker van
-deze koningin? Ik weet niet, welke verwonderlijke, het gemoed heimelijk
-aangrijpende betoovering de toeschouwers beving, toen gij beiden, gij
-als bode en die koningin tegen elkander overstondt. Welke man, tenzij
-Polus, zou dien wonderlijken klank der stem zoo heerlijk kunnen
-weergeven?”
-
-„Ook Polus niet,” hernam Sophocles glimlachend. „Gij hebt straks van
-nieuwigheden in mijn stuk gesproken; weet dan, dat bij deze
-voorstelling ook eene nieuwigheid is gewaagd, waarvan tot heden geen
-menschenziel afweet, behalve ik zelf en de eerlijke Hipponicus. Voor de
-eerste maal, sedert Thespis [228] zijn kar in beweging bracht, heeft
-heden op ons tooneel achter het masker eene werkelijke vrouw gestoken.
-Wees gij nu de derde in het geheim en laat het tusschen ons drieën voor
-alle volgende tijden bewaard blijven.”
-
-„En wie was die vrouw,” vroeg Pericles, „die het gewaagd heeft, zij ’t
-ook onbekend, het tooneel te betreden? en het oude gebruik en de goede
-oude zeden te trotseeren?”
-
-„Gij zult ze zien,” antwoordde Sophocles en verdween voor een
-oogenblik; weldra keerde hij terug met eene vrouw, die zoo dicht
-omsluierd was, dat ze onmogelijk was te herkennen.
-
-Sophocles voerde haar en Pericles iets meer ter zijde opdat zij
-volkomen veilig zouden zijn voor de nieuwsgierige blikken der menigte.
-Daarop sprak hij:
-
-„Is het nog noodig Pericles, dat zij zich ontsluiere, om de vrouw te
-herkennen, die niet alleen de schoonste, maar ook de moedigste is van
-haar geslacht?”
-
-Pericles was getroffen.
-
-„Ja, zij moet zich ontsluieren,” sprak hij op een koelen en ernstigen
-toon. Met vaste hand trok de vrouw den sluier van het gelaat en
-Pericles stond tegenover Aspasia.
-
-Hij kon geen woord uiten. De inhoud van dat briefje van Theodota scheen
-dus waar te zijn geweest. Aspasia had, zooals nu duidelijk werd, zonder
-zijne voorkennis heimelijk met den dichter samengewerkt, om het stoute
-plan ten uitvoer te brengen. Hij kende de trouwe vriendschap van den
-edelen Sophocles, doch Aspasia had een nieuw bewijs gegeven, dat haar
-geest in dartele vrijheid met alle boeien spotte.
-
-Alles wat daar in het gemoed van Pericles omging, las Aspasia duidelijk
-op zijn voorhoofd, in zijne zamengetrokken wenkbrauwen, in den donkeren
-blik zijner oogen.
-
-En dit welsprekende zwijgen met haar gewone levendigheid
-beantwoordende, sprak zij:
-
-„Frons uwe wenkbrauwen niet, Pericles, en boven alles vertoorn u niet
-op uw vriend Sophocles. Door mij gedwongen, heeft hij die vermetelheid
-begaan.”
-
-„Wees ook niet toornig op Aspasia,” viel de dichter haar in de rede,
-„want weet, dat zij mij heeft doen inzien, dat de vriendschap heiliger
-is dan de liefde, wanneer zij ouder is dan de liefde.”
-
-„Strijd tegen het overgeleverde is mijne roeping!” vervolgde Aspasia,
-„en waarom zoudt gij dan op mij verstoord zijn, als ik niet minder
-belang stel in de schoone poëzie van Sophocles, dan in de marmeren
-beelden van Phidias’ werkplaats? Om de schoonheid en de vrijheid te
-vinden, ben ik naar Hellas gekomen. Had ik slavernij gezocht, dan was
-ik aan het Perzische hof gebleven en had een kwijnend leven
-voortgesleept onder den matten liefdeblik van den grooten koning. Wat u
-op dit oogenblik bezielt, Pericles, is een waan, een vooroordeel, eene
-ergerlijke bekrompenheid, een vrije Helleen onwaardig. Verdrijf ze uit
-uw gemoed, o Pericles!”
-
-Thans naderde hen Hipponicus, die Pericles en Aspasia uitnoodigde deel
-te nemen aan het feestmaal, dat hij op een der volgende dagen wenschte
-te houden, om op waardige wijze de overwinning van Sophocles en de
-zijnen te vieren.
-
-De avond begon reeds te vallen, toen Pericles afscheid nam van
-Hipponicus, Sophocles en Aspasia. Peinzend wandelde hij voort.
-
-Hij dacht aan Aspasia. Hij overwoog in zijn hart, wat zij zooeven had
-gesproken. Hij moest haar volkomen gelijk geven. Geen kluister mocht de
-liefde zijn, geen slavenjuk voor Aspasia.
-
-Maar ook voor hem zelve niet.
-
-„Gij kunt Theodota bezoeken,” sprak hij schier onhoorbaar; „het is
-misschien niet goed een langen tijd onafgebroken zich aan één vrouw
-over te geven.”
-
-De eischen van de fiere en vrije Aspasia schenen hem thans in volkomen
-overeenstemming te zijn met de ernstige woorden van Anaxagoras.
-
-Nu kwam hem ook weder het briefje van de Corinthische te binnen en hij
-dacht aan den slaaf, die hem onder de zuilen van den Tholus wachtte.
-Het bericht, dat hem Theodota had gegeven, was hem nu door Sophocles
-veel nauwkeuriger medegedeeld, dan Theodota het zou kunnen doen. Maar
-zou zij misschien nog niet iets anders te zeggen hebben?
-
-Hij naderde de zuilen van den Tholus. De slaaf trad op hem toe en
-voerde hem door eenzame steegjes tot aan een tuinhaag, waar hij een
-klein poortje wilde opendoen. Pericles stond aan den drempel van
-Theodota’s woning. Hij kon binnentreden. Niemand zag hem. De
-nachtegalen kweelden in de boschjes van den tuin.
-
-Plotseling echter stond Pericles stil. Hij bedacht zich en bevond, dat
-hem op dit oogenblik de lust om Theodota te spreken geheel en al
-ontbrak. Hij verbaasde zich over zich zelven. Hij zeide tot den slaaf,
-dat hij zijn bezoek tot een volgenden keer wenschte uit te stellen.
-Deze keek hem verbaasd aan. Hij echter verwijderde zich met langzame
-schreden en vervolgde zijn weg.—
-
-De maan was opgegaan en verspreidde haar zacht licht over de aarde. In
-haar stralen schitterde de zee en een zilveren glans tintte de kruinen
-van Attica’s bergen. De lucht was zoel en verkwikkend. Daar klonken op
-eens in de verte de tonen, door de avondlucht gedragen, van den
-heerlijken reizang uit de Antigone:
-
-
- „God der liefde, nooit bedwongen,
- Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,
- Waar uw pijl is ingedrongen,
- Voor uw almacht buigen doet!”
-
-
-Pericles in ’t oor.
-
-Jongelieden, uit den schouwburg terugkeerende, zongen stukken uit die
-beroemde rei, die hen had verrukt en vroolijk gestemd in de zachte
-avondkoelte.
-
-Eene andere onrust voegde zich bij de inwendige ontroering van Pericles
-en bij zijne gedachten aan Aspasia. Hij benijdde bijna Sophocles en
-Hipponicus de lauweren, die zij zich dezen dag om de slapen hadden
-gewonden. Het was hem te moede, alsof hij het zwaard om de lendenen
-gorden en een leger of vloot wilde verzamelen en voortstormen om
-schitterende zegepralen te bevechten. De lange vrede begon hem roemloos
-toe te schijnen. Een drukkend gevoel bekroop hem, waarvan hij echter al
-peinzend voortwandelend bevrijd werd, toen hij de blinkende tinnen van
-de Acropolis vóór zich zag opdoemen en de nagalm van den schoonen
-Antigone-dag weder ruischte in zijne ziel.
-
-Hij was juist op de plaats gekomen van den hellenden weg, waar van den
-eenen kant de geweldige, reusachtige graniet- en marmermassa van den
-Dionysus-schouwburg zich verhieven in de diepte, aan den anderen de
-rotsen van den burgtberg, beschenen door het licht der maan, majestueus
-tegen de lucht afstaken. In de ontzachelijke ruimte van den schouwburg
-heerschte de stilte van het graf, waar den geheelen dag door een zoo
-bont en opgewekt leven zich had bewogen, waar de hoogste uiting der
-Grieksche dichtkunst zich zoo plechtig hadden geopenbaard.
-
-Pericles zag neder in die diepte van den schouwburg en dan weder
-richtte hij zijn oog naar de heldere hoogte van de Acropolis, waar de
-tempel van Phidias begon te verrijzen. Zijn eigen persoon en lot
-verdwenen naar den achtergrond, het wolkje op zijn voorhoofd dreef
-voorbij, zijne borst verwijdde zich en uit deze diepte en van die
-hoogte voelde hij zich door een geest van profetie bezield, die hem den
-roem zijner vaderstad voorspelde en een adem van onsterfelijk leven
-scheen er te zweven over zijn hoofd.
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-DE KONINGIN VAN HET FEEST.
-
-
-Toen Pericles, na de overwinning van Hipponicus en het daarop gevolgd
-gesprek van Aspasia, eenige dagen door allerlei gevoelens, die de
-vrijheidsliefde der Milesische in hem opgewekt had, bestormd werd, werd
-telkens de gedachte bij hem levendig: „Ik zal aan de vriendelijke
-uitnoodiging van Theodota gehoor geven. Waarom zou die Milesische vrouw
-mij in kluisters slaan, die zij zelve niet kent?”—Doch als het beeld
-van Aspasia weder oprees voor zijn geest, als hij dacht aan de vrije
-fiere ziel van die vrouw, aan de mogelijkheid haar te zullen verliezen,
-dan week zijne begeerte naar Theodota naar den achtergrond. Naast den
-vurigen gloed, waarmede Pericles Aspasia beminde, kon die nieuwe
-opwelling geen stand houden. Vooruit gezien, ja vooruit berekend was
-deze uitwerking door Aspasia.—Maar Pericles ging voort met zich zelven
-te bestrijden en aan nieuwe opwekking tot dien strijd zou het hem niet
-ontbreken.
-
-Hipponicus, die alles opofferde, om van den luister zijns rijkdoms en
-de pracht zijner feesten te doen spreken, had niet gerust, voordat
-Pericles en Aspasia er in toegestemd hadden ook op het zegemaal te
-zullen komen.
-
-Toen de bepaalde dag gekomen was, zag men in het huis van Hipponicus de
-uitgelezenste hoofden, de schitterendste vertegenwoordigers van den
-Atheenschen roem vereenigd.
-
-Pericles, Aspasia en de overige genoodigden waren nauwelijks
-binnengetreden, of Hipponicus liet hen de pracht van zijn huis zien.
-Hij leidde hen rond en toonde hun zijne vertrekken, zijne tuinen, zijne
-baden, zijne worstelplaats—een gymnasium in het klein—zijne
-vischvijvers, zijne schoone paarden, zijne honden, zijne zeldzame
-vogels, zijne hanen en kwartels, die hij voor zijn genoegen hield, om
-ze met elkaar te laten vechten. Hij wees hun het grafteeken, dat hij
-voor een zijner gestorven honden van het Melitaeïsche ras had
-opgericht. Hij zeide, dat zijn huis eene herberg was, steeds vol
-gasten, dat hij dagelijks een dozijn parasiten aan zijne tafel
-spijzigde. „Die knapen,” zei hij, „zijn zoo vet gemest, dat het mij
-spijt, dat ik ze u vandaag niet kan laten zien. Want heden heb ik mij
-voorgenomen, alleen de uitstekendste mannen van Athene aan mijne tafel
-te vereenigen.”
-
-Een zijner gasten vroeg hem naar zijne gemalin, eene vraag, die niet
-zeer bescheiden was. Hij antwoordde, dat zij wèl was, maar dat hij haar
-in de vrouwenvertrekken niet storen wilde. Iedereen toch wist, dat hij
-die vrouw alleen daarvoor gebruikte, om haar uit pronkzucht met
-allerlei edelgesteenten en paarlen te behangen en haar naar de nieuwste
-mode in een sierlijken wagen, met Sicyonische paarden bespannen, door
-de straten te laten rijden. Voor ’t overige hield de oude
-liefhebber—ook naar de nieuwste mode—er eene buitenlandsche vriendin op
-na, en men zeide dat tegenwoordig de beroemde Theodota het voorwerp
-zijner hulde was.
-
-Ook over zijne kinderen sprak hij tot zijn gasten, over zijn zoontje
-Callias, die hij juist, naar hij zeide, naar Delphi had gezonden, om
-zijn hoofdhaar te laten afknippen en dat volgens een oud gebruik aan
-Apollo te wijden; voorts over zijn dochtertje Hipparete, wier
-schoonheid en innemend karakter hij niet genoeg kon prijzen en van wie
-hij zeer veel scheen te houden. „Dit kind,” zei hij, „groeit op tot de
-schoonste en edelste aller Atheensche jonkvrouwen en het zal moeilijk
-zijn eens een bruidegom, harer waardig, te vinden. Wat schoonheid
-betreft, ken ik geen knaap in Athene, van wien men voorspellen kan, dat
-hij als jongeling opgegroeid naast deze jonkvrouw zal kunnen gesteld
-worden, behalve uw Pleegzoon, Pericles, den kleinen Alcibiades. Ik heb
-hem een paar maal in de worstelschool gezien en deze knaap mag gerust
-beweren, bijna onder de jongens te zijn, wat Hipparete is onder de
-meisjes. Wat hun leeftijd aangaat, geloof ik, dat zij niet veel zullen
-verschillen. Nu, wie weet, wat de Goden beschikken, als deze beide
-knoppen eens opengebroken zijn! Wat dunkt u, Pericles? Doch, er is nog
-tijd genoeg, om daarover te spreken.”
-
-Na deze en dergelijke gesprekken geleidde Hipponicus zijne gasten in de
-groote, prachtig versierde eetzaal. Hier stonden in een wijden kring de
-aanligbedden, waarop men gewoon was aan tafel aan te liggen. Het
-behoeft nauwelijks vermeld te worden, dat de daarover gespreide
-tapijten rijk en keurig bewerkt waren, dat de ronde kussens, waarop men
-den arm kon doen rusten, met bonte kleuren afgezet waren, dat de
-zilveren en gouden vazen, met edelgesteenten bezet, op de schenktafels
-meer nog door bevalligheid van vorm, dan door hare kostbaarheid de
-aandacht trokken, dat uit even sierlijke schalen de heerlijkste geuren
-opstegen die de geheele zaal met een bedwelmende, aangename lucht
-vervulden; dat de wanden beschilderd waren met beelden, vol levenslust
-en bekoorlijkheid. Daar waren groepen en tooneelen te zien, waarin
-tallooze liefdegoden waren voorgesteld, allen bevallig door duiven en
-musschen gedragen. Nog merkwaardiger was de vloer. Bij den eersten
-aanblik scheen zij bezaaid met den afval van een rijken disch: van
-vruchtenschillen in de meest afwisselende kleuren, beentjes,
-broodkruimels, afgesneden hanenkammen, bontkleurige vederen, kortom van
-overblijfsels van allerlei soort. Maar wanneer men de vloer nader
-beschouwde, zag men dat alle deze voorwerpen kunstig waren nagemaakt
-door ingelegde bonte steenen in het fijnste mozaïek. Groote, schoone
-beschilderde vaten waren tot verdere versiering op geschikte punten van
-de ruime zaal geplaatst. Tegenover den ingang van het vertrek stond een
-met bloemen bekranst altaar, waarop eene vlam brandde, die de
-welriekendste geuren verspreidde.
-
-Hipponicus noodigde de gasten naar vrije keus zich op de aanligbedden
-neder te vlijen. Eerst echter ging men zitten; slaven naderden met
-schoon gevormde, zilveren bekkens en kannen, om vóór het begin van het
-maal den gasten de schoenriemen los te maken, hun de zilveren bekkens
-onder de ontbloote voeten te houden en daarover den inhoud der zilveren
-kannen uit te gieten. Deze bevatten echter in plaats van water geurigen
-wijn, die sterk was gekruid door vermenging van welriekende olie en
-essencen. Eveneens werden de handen besprenkeld en vervolgens met fijne
-doeken afgedroogd.
-
-De gasten van Hipponicus hadden, volgens de uitnoodiging van den
-gastheer, zich twee aan twee op de aanligbedden nedergezet, naar het
-toeval meêbracht of de vriendschap van een paar mannen, die gaarne
-naast elkander wilden blijven. De waarheidszoeker Socrates had plaats
-genomen naast den wijzen Anaxagoras; de beeldhouwer Phidias naast zijn
-vriend, den bouwmeester Ictinus; de dichter Sophocles naast den
-tooneelspeler Polus; de sophist Protagoras [229] naast den geneesheer
-Hippocrates [230].
-
-De sophist Protagoras vertoefde juist te Athene en had zijn intrek
-genomen bij zijn gastvriend Hipponicus. Zijne aankomst te Athene had
-groot opzien verwekt; want de roem van dezen man wies in Griekenland
-van dag tot dag. Hij was een geboren Abderiet [231] derhalve een
-Thraciër en toch eigenlijk een Ioniër, want Abdera was eene kolonie der
-Ioniërs. In zijn vroegere jaren was hij pakdrager geweest, naar men
-zeide, totdat een wijs man zijne kundigheden ontdekte en ze tot
-ontwikkeling deed komen. Veel had hij rondgezworven, hij had zelfs uit
-de wijsheidsbron van het oosten geput en nu rees hij op aan den hemel
-van Hellas als een schitterend meteoor. Hij had verstand van alle
-mogelijke zaken: van de gymnastiek, de muziek, de redekunst, de
-dichtkunst, de kennis van hemel en aarde, de mathematische vakken, de
-ethiek, de politiek en overal waar hij kwam vond hij een buitengewonen
-toeloop van weetgierigen. Rijke jongelingen gaven de grootste sommen,
-om van zijn onderricht te genieten. Hij was eene prachtige
-verschijning, die het oog bekoorde, hij had de houding van een koning,
-ging prachtig gekleed, en wegsleepend was de kracht zijner
-welsprekendheid.
-
-Deze Protagoras nu zette zich naast den jongen, doch zeer ervaren en
-scherpzinnigen arts Hippocrates neder, een neef van Pericles.
-
-Door eene zonderlinge bestiering van het lot had de afgetrokken
-Polygnotus, die zich hier niet recht te huis gevoelde, den overmoedigen
-blijspeldichter Cratinus, ook als drinker befaamd, tot nabuur gekregen.
-Maar welk een hemelsbreed verschil er tusschen deze mannen bestond, één
-punt van aanraking en overeenstemming hadden zij toch gemeen. Zij waren
-de eenigen, die niet door vriendschapsbanden tot dit gezelschap
-behoorden en alleen aan de eerzuchtige begeerte van Hipponicus, om
-uitnemende mannen op elk gebied bij zich te zien, hunne uitnoodiging te
-danken hadden. Cratinus was een spotter, wiens geestigheid, den bliksem
-gelijk, het liefst de hoogst uitstekende punten trof. Hij had immers in
-zijne laatste comedie zelfs Pericles en zijne schoone vriendin niet
-gespaard. Polygnotus echter, de vriend van Elpinice, voedde een
-heimelijken wrok tegen Phidias. En zoo keken dan ook Cratinus en
-Polygnotus elkander hoofdschuddend aan, toen zij Aspasia, op
-uitnoodiging van den gastheer, tusschen dezen en Pericles plaats zagen
-nemen op een afzonderlijk aanligbed, waarop zij, naar de gewoonte der
-vrouwen, rechtop zat, terwijl de mannen, met den linker arm op het
-kussen steunende, op hunne linkerzijde aanlagen. Cratinus en Polygnotus
-vroegen elkaar fluisterend, hoe het kwam, dat men hier eene
-vreemdelinge, eene hetaere, zulk eene eer bewees. De overige gasten
-dachten er anders over. Zij waren vrienden van Pericles, zij vormden de
-schitterende schare zijner getrouwen, zij kenden de uitnemendheid en de
-macht van Aspasia en verwonderden zich reeds niet meer over iets, als
-het de Milesische gold. Wat Protagoras betrof, deze zag Aspasia wel is
-waar heden voor het eerst, maar haar uiterlijk had hem van het eerste
-oogenblik af zoo geheel en al betooverd, dat iedere gedachte eerder bij
-hem zou opkomen, dan zich aan hare tegenwoordigheid te ergeren.
-
-Op een wenk van Hipponicus werd nu voor elk aanligbed eene kleine tafel
-geplaatst; de spijzen werden deels opgedragen, deels rondgediend, en
-het maal begon.
-
-Evenals het gezelschap van beroemde gasten in het huis van Hipponicus
-eenig was, zoo had deze zijn best gedaan, dat aan zijne tafel niets zou
-ontbreken, wat de Atheensche markt eere kon aandoen.
-
-„Wanneer ik,” sprak Hipponicus, terwijl zijne gasten zich aan de
-heerlijke spijzen te goed deden, „mij heden het genoegen zie bereid,
-zulk eene schare van uitgelezen mannen aan mijne tafel te vereenigen,
-dan gevoelde ik mij verplicht, hen zoo kostelijk mogelijk te onthalen.
-Maar gij weet, hoe ver wij Atheners het ook in de andere kunsten mogen
-gebracht hebben, in de kunst van goed te eten staan wij nog zeer ten
-achteren. En toch, meen ik, is de kunst van goed te eten volstrekt geen
-zaak, die mag verwaarloosd worden. Ik voor mij heb er altijd eene eer
-ingesteld voor een lekkerbek door te gaan en ik zou mij gelukkig
-prijzen, als ik iets kon bijdragen, om de Attische keuken tot een
-hoogere trap van volkomenheid te brengen. Ik zie een spottenden
-glimlach de lippen van sommigen plooien, alsof zij wilden zeggen, dat
-ons Athene iets dergelijks niet noodig heeft, dat het wel geroepen is
-in andere kunsten aan de spits der volken te staan, doch niet in deze
-kunst. Veroorlooft mij te zeggen, dat dit eene dwaling is. Want, als
-gij u op ons uitnemend marmer, op onze voortreffelijke kleiaarde en
-dergelijke dingen beroept, zal ik u gemakkelijk aantonen, dat gij ook
-zout en olie en azijn en aromatische kruiden, die toch altijd de
-krachtigste hulpmiddelen blijven in de handen van een kunstenaar in de
-kookkunst, onder geen hemelstreek beter vindt dan bij ons. Om van het
-Attische zout niet te spreken, dat in tweeërlei zin beroemd is, weet
-ieder dat niets te vergelijken is met de vrucht van den Attischen
-olijf, dat de kruiden van de Hymettus de geurigste zijn en dat juist
-daarom de honig van dien Hymettus de kostelijkste is, die ergens is te
-vinden.
-
-„Ik betreur het, dat ik om een waarlijk uitmuntenden kok te hebben, er
-een uit Sicilië heb moeten ontbieden.
-
-„Deze echter, Anacharsis genaamd, is nu werkelijk een meester van
-onovertroffen bekwaamheid en ik mocht hem wel den Phidias of Sophocles
-der kookkunst noemen.
-
-„Niemand verstaat het zoo goed door voorgerechten den eetlust te
-prikkelen. De sausen, waarin hij ons de worstjes, de wildezwijnenlever,
-de kleine vogels en dergelijke heeft opgedischt, zullen zelfs den
-fijnsten kenner bevredigen. Wat zijn meesterschap betreft in het
-uithalen van tonijnen [232], alen, muraenen [233] en speenvarkentjes en
-ze op de scherpzinnigste wijze tot streeling van het verhemelte met
-lijsters, eieren en oesters op te vullen, daarvan kunt gij u heden zelf
-genoeg overtuigen. Zijne hazen en reeën, zijne patrijzen en fasanten
-zult gij even heerlijk vinden als zijne koeken met melk en honig
-toebereid en met allerlei vruchten gevuld.
-
-„Gij hebt juist, ik herhaal het, de gelegenheid de kunst van dezen
-voortreffelijken man te waardeeren; maar gij allen—en ik mocht er wel
-bijvoegen, alle Atheners over het algemeen—gij zijt in uw gemoed steeds
-te zeer met andere zaken bezig, om met waren kennerssmaak dit te
-proeven en de waarde van deze kunst onbevooroordeeld te erkennen.
-Eigenlijk zijn slechts de parasiten van professie werkelijke, degelijke
-lekkerbekken en dankbare dischgenooten. Gelukkig groeit het aantal van
-die kunstlievende mannen, die er hun vak van maken, om op andermans
-kosten heerlijk te smullen, met den dag aan. Ik heb u reeds gezegd, dat
-ik dagelijks een dozijn van die lekkerbekken aan mijne tafel vereenig
-en ik kan ze niet missen; want het begint mij te vervelen al dat
-heerlijke geheel alleen te genieten. Gij moest eens zien, met welk een
-ernst die knapen hun vak opvatten, hoe zij smakken met de tong, hoe zij
-de wenkbrauwen optrekken, als mijn kok hen met een nieuwe uitvinding of
-met eene fijne, slechts voor den kenner merkbare verandering, in de
-spijzen verrast. Zóó zijt gij nu waarlijk niet; integendeel terwijl gij
-de grootste kunststukken van mijn voortreffelijken Anacharsis door uwe
-keel laat glijden, denkt de een dit, de ander aan wat anders, Pericles
-aan zijne staatszaken en aan eene nieuwe volksplanting, die hij wil
-overbrengen, Sophocles aan een nieuw treurspel, Phidias aan de friezen
-van het Parthenon, Polygnotus overdenkt, hoe men de wanden dezer
-eetzaal nog sierlijker had kunnen beschilderen en Socrates ontleedt in
-zich zelven een begrip, in plaats van den patrijs, dien hij op zijn
-bord heeft.”
-
-Aldus gaf Hipponicus zijn gemoed lucht en zijne gasten lachten vroolijk
-om de aanmerkingen van den goedhartigen gastronoom.
-
-Nu echter stond Hipponicus op en bracht het gebruikelijke plengoffer
-met eene waardigheid, die hij als daidouchos te Eleusis niet plechtiger
-kon ten toon spreiden.
-
-„Aan den goeden Geest gewijd!” [234] sprak hij en goot eenige droppels
-ongemengden wijn uit de schaal op den grond, dronk toen zelf, liet den
-beker opnieuw vullen en bij de gasten, rechts beginnende, rondgaan.
-Gedurende dit plengoffer heerschte er eene plechtige stilte, slechts
-twee fluiten begeleidden dit met ernstige, gedempte tonen.
-
-Daarop werden de kleine tafels weggenomen en de vloer gereinigd [235].
-
-Toen vervolgens de drinkbeker gebracht, het groote mengvat geplaatst en
-het nagerecht opgedragen was, met allerlei versnaperingen die den
-drinklust konden opwekken, alsmede hoofdtooisels en geurige kransen van
-rozen, viooltjes en myrthen binnengebracht waren, waarmede de gasten
-hunne hoofden omwonden, werd de Paëan [236] ter eere van Dionysus
-aangeheven en op het met bloemen bekranste altaar een offer van
-vermengde wijn in de vlam gegoten, ter eere van alle Olympische Goden.
-
-„Gij weet, waarde gasten en vrienden,” sprak weder Hipponicus, „wat het
-oude, schoone gebruik van ons verlangt. Wilt gij liever den symposiarch
-[237] kiezen of wel hem door het lot benoemen?”
-
-Phidias, Ictinus, Anaxagoras en eenige anderen verklaarden zich er
-tegen, dat men hem door het lot aanwees, want dan moesten zij vreezen,
-naar zij zeiden, zelf benoemd te kunnen worden en zij gevoelden weinig
-roeping den post van ceremoniemeester op zich te nemen.
-
-„Als het noodig is,” zeide Protagoras, „een symposiarch te kiezen, dan
-weet ik niemand, wien we dit eerambt liever moesten aanbieden, dan aan
-den aanzienlijksten van zoovele aanzienlijke mannen, aan den grooten
-Pericles.”
-
-Deze bedankte met een glimlach voor die eer en zeide: „Kiest Socrates.
-Die verstaat het, verstandige gesprekken te leiden; zou hij dan ook
-geen symposion kunnen besturen?”
-
-Socrates echter antwoordde: „Ik weet niet of ik verstandige gesprekken
-kan leiden of niet; dit echter weet ik wel, dat ook wanneer dit
-werkelijk zoo was, het een onvergeefelijke aanmatiging van mij zou
-wezen, ’t zij bij een gesprek, ’t zij bij een symposion, de moeilijke
-taak der leiding op mij te nemen, in tegenwoordigheid van mijne
-leermeesteres Aspasia, wier heerlijke wijsheid allen hier aanwezigen
-genoeg bekend is. Ik geef toe, dat de gewoonte medebrengt, een
-symposiarch te kiezen en dat Aspasia eene vrouw is; maar ik weet niet,
-wat de kunne met de taak van een symposiarch te maken heeft? Hipponicus
-verlangt, dat dit symposion eenig in zijn soort zij; welaan, laten wij
-hem daarin behulpzaam zijn en kiezen we in plaats van een symposiarch
-eene symposiarche.”
-
-Op het eerste oogenblik schenen de gasten door deze woorden verbluft,
-doch weldra klonken van alle kanten levendige bijvalskreten.
-
-„Zonderling, maar misschien verstandig is het,” zei Aspasia, „iemand
-tot hoofd der tafel te kiezen, die zelf het drinken niet verstaat.”
-
-„Met welken wijn,” ging zij voort, „zijn tot nu toe onze bekers
-gevuld?”
-
-„Het is wijn van Thasos,” hernam Hipponicus, „Thasische wijn van de
-beste soort, zooals hij geplengd wordt in het Prytaneüm [238] te
-Thasos. Den kostelijken geur heeft de wijn uit zich zelven, maar den
-zoeten smaak van het met honig gemengde weitemeel, dat men, naar een
-voortreffelijk gebruik, in vaten heeft gedaan.”
-
-„Honigzoete, geurig gekruide wijn van Thasos!” riep Aspasia, „gij zijt
-waardig op het welzijn gedronken te worden der beide mannen, wier
-overwinning met dit maal gevierd wordt! Mijne vrienden, ledigt uwe
-bekers op het welzijn van den gekransten choreeg en op dat van den
-gelauwerden dichter der Antigone!”
-
-Met geestdrift begroetten allen dezen dronk en ledigden hunne bekers,
-die op bevel der koningin van het feest opnieuw werden gevuld.
-
-„Thrax” [239], riep Hipponicus, tot een der bedienende slaven, „breng
-de wijnkaart hier, die voor het symposion van heden bestemd is en geef
-ze aan de symposiarche.—Op dezelfde lijst, Aspasia, vindt ge de spelen
-en vermakelijkheden, waarover wij heden in dit huis beschikken kunnen.
-Moge het u behagen tot ons genoegen telkens datgene uit te kiezen wat u
-juist het schoonst en geschiktst voorkomt en het door een woord of een
-wenk als met een tooverstaf voor ons te bezweren.”
-
-„Wilt gij mij eene cither laten geven?” vroeg Aspasia. „Ik zal mij als
-symposiarche niets meer aanmatigen, dan den grondtoon voor de stemming
-en de harmonie aangeven.”
-
-Oogenblikkelijk liet Hipponicus een slaaf eene met edelgesteenten en
-ivoor rijk versierde cither binnen brengen. De schoone Milesische nam
-ze aan en begon bij de tonen de volgende verzen te zingen:
-
-
- „Lachend, met bloemen getooid, welriekend van Syrischen nardus,
- Met Dionysischen dauw, schitterend, rooskleurig besproeid,
- Laat ons met klinkende stem onder ’t getokkel der snaren verkonden,
- Dat hij het schoonst is op aard, hij het hoogste: de lust!”
-
-
-Daarop liet zij de luit aan Socrates geven.
-
-Deze echter zeide:
-
-„Daar het ook tot de taak van den symposiarch behoort, raadsels ten
-genoege der gasten op te geven, heb ik aanstonds vermoed, dat Aspasia
-onze scherpzinnigheid met zulke dingen op de proef zou stellen. Wat zij
-daar juist, om den grondtoon voor ons symposion aan te geven, zooals
-zij zegt, van den lust des levens onder begeleiding der snaren heeft
-gezongen, wat is dat, wel beschouwd, anders dan een verleidelijk
-raadsel, dat zij ons voorlegt? Deze schoone Milesische schijnt mij
-inderdaad eene Sphinx [240] toe, met een afgrond naast zich, waarin zij
-ons allen zal storten, als wij hare raadsels niet kunnen oplossen. Hoe
-benijd ik thans den voortreffelijken Hipponicus! Want deze schijnt toch
-zeker wel het best van ons allen den lust en het vroolijke genot des
-levens te kennen en zoo wellicht alleen in staat dat raadsel van
-Aspasia in de rechte beteekenis te verklaren en op te lossen. Want wat
-iemand het best in de praktijk kent, dat zal hij wel het best kunnen
-onderwijzen.”
-
-Levendig en vroolijk hunne goedkeuring aan die woorden te kennen
-gevende, riepen allen:
-
-„Zoo is het! Hipponicus is de man, om ons over het genot en over den
-lust des levens te onderrichten.”
-
-„Wanneer dan de vervelende bespiegeling van alle dingen bij dit
-symposion niet geheel vermeden kan worden,” begon Hipponicus met een
-schalkschen lach, „dan dank ik den Goden, dat het gesprek juist op dit
-en geen ander onderwerp gekomen is. Want dit is werkelijk, zooals
-Socrates zeide, eene zaak, waarover ik een woordje mag meespreken. Gij
-herinnert u nog wel, hoe ik straks mijn best heb gedaan, u aan het
-verstand te brengen, dat men bezwaarlijk het ergens ter wereld in de
-kunst van goed te eten en te drinken verder zou kunnen brengen, dan
-hier te Athene, als men maar wil. In het algemeen kan men de stelling
-uitspreken, dat op dezen bodem en onder dezen Helleenschen hemel de
-menschen geboren zijn, om gelukkig te zijn. Ik zal u echter ook
-bewijzen, dat het bij ons in Griekenland gemakkelijk is het
-aangenaamste leven met de wijsheid, de deugd of vroomheid of
-godenverheerlijking of wat gij ook noemen wilt, te verbinden. Want de
-Helleensche Goden verlangen al het mogelijke, alleen niet onthouding of
-verloochening van de vreugde en het genot des levens. Zelfs van mij
-verlangen zij dat niet, hoewel ik van een priesterlijk geslacht ben en
-jaarlijks éénmaal bij de viering der Eleusinische mysteriën het ambt
-van diadouchos moet waarnemen. Het overige deel van het jaar leef ik te
-Athene voor het vaderland en mijn genoegen, zonder dat het de Goden en
-niemand ter wereld zou invallen, mij daarvan een verwijt te maken. Als
-de arme stumpert Diopithes daarboven op den burg mij vijandig is en
-kwaad van mij spreekt, is het niet, omdat ik van eene keurige tafel en
-schoone vrouwen houd en er goed van leef, ’t geen hij ook wel gaarne
-zou doen, als hem de middelen er niet toe ontbraken, maar alleen omdat
-het Eleusische priestergeslacht het zijne, de Eumolpiden, de
-Eteobutaden, in luister en aanzien overschaduwd heeft.
-
-„Als Diopithes als een suffer leeft, dan doet hij dat uit vrijen wil;
-de Goden der Hellenen bekommeren zich daar niet om en, hoewel ik er
-eene betere tafel op nahoud, beroem ik mij toch even vroom en den Goden
-even welgevallig te zijn als hij. Durft iemand beweren, dat ik geen
-vroom man ben en de Goden niet eer, zoo goed als iemand te Athene? Zeus
-Herkeios [241] heeft zijn altaar aan mijn huiselijken haard; in de nis
-achter de deur staat Hermes Strophaios, de goddelijke bewaker van den
-deurdrempel; vóór de deur staat het gewone Hecate-huisje [242], en de
-kegelvormige zuil van Apollo Agyieus [243] den God der straten en
-daarnaast de laurier, den God gewijd, tot eene beschutting tegen
-tooverij en vallende ziekte, bij de deur zelve blijft van het eene
-Pyanepsiën-feest [244] tot het andere de olijftak, symbool der
-overwinning, hangen, dien men met witte wol omwonden in den
-Apollo-tempel bij dat feest wijden laat; het ontbreekt ook niet aan
-opschriften boven de deur, die het huis onder de hoede der Goden
-stellen, noch aan den gebruikelijken Medusa-kop aan den anderen kant,
-die al het booze van den ingang afweert. Ik verzuim noch de betamelijke
-godenoffers, noch de reinigingen en verzoeningen, noch de gebeden, noch
-de gaven, noch de rijkelijke bijdragen, om den luister der godenfeesten
-te verhoogen en het heeft mij kort geleden weder vijfduizend drachmen
-gekost, om het koor voor Sophocles’ Antigone zoo prachtig mogelijk uit
-te rusten. Wie durft dus opstaan en zeggen, dat ik geen vroom man ben
-en de Goden niet, naar oudvaderlijk gebruik, eer? Wij Grieken zijn een
-vroom volk en ik ben een Griek. Daarom vereer ik de Goden, zooals
-betamelijk is, maar ik vrees ze niet, ook al geniet ik het goede der
-aarde. Want in den Tartarus [245] zijn er velen, die om verschillende
-overtredingen de zwaarste straffen lijden, maar ik herinner mij niet,
-dat er onder hen één is, die daar lijdt, omdat hij een gastronoom en
-man van de wereld geweest is. Is er één onder? Neen, geen enkele!
-Daarom nog eens: ik ben een vroom man en behoef de Goden niet te
-vreezen. Ik vrees niets ter wereld, behalve de dieven en inbrekers, die
-mij mijne schatten, mijne paarlen en edelgesteenten, mijne Perzische
-gouden dariken [246] zouden kunnen ontrooven.”
-
-Alle dischgenooten begonnen vroolijk te lachen bij deze laatste woorden
-van Hipponicus en klapten in de handen; hij echter vervolgde:
-
-„Daar bouwen ze wijselijk een schathuis voor de staatsgelden boven op
-den burg, onder de bescherming der schutsgodin dezer stad. Maar hoe zal
-een vaderlandlievend man, als een onzer, zijn zuur verdiend geld in
-veiligheid brengen? Ik ontken het niet, dat sedert ik zesduizend slaven
-in mijne zilvermijnen laat werken en mijne bezittingen dagelijks
-toenemen, ik mij wat ongerust maak.”—
-
-„Troost u, Hipponicus,” riep Pericles, „ik zal bij het volk mijn best
-doen, dat het u toegestaan wordt, een schathuis voor u zelven op de
-Acropolis te bouwen. Gij hebt dit, zoo al niet door iets anders, dan
-toch zeker door uwe prachtige rede verdiend, die gij straks gehouden
-hebt.”
-
-Wederom klapten alle dischgenooten in de handen en prezen Hipponicus en
-zijne rede.
-
-Alleen de dartele en onvermoeide drinkebroer Cratinus zeide tot den
-gastronoom:
-
-„Wanneer gij, edele Hipponicus, werkelijk de Goden niet vreest, maar
-alleen de dieven en niets anders ter wereld, dan de dieven, wat denkt
-gij dan van de waterzucht en de andere gevolgen van een vroom en tevens
-goed leven? En van het pootje, dat, zooals ik helaas bij ondervinding
-weet, aan te rijke besproeiing met Dionysischen dauw pleegt verbonden
-te zijn? Hebt gij ook hiervoor geen vrees? Of vertrouwt gij op dit punt
-geheel en al uw vriend Hippocrates, den voortreffelijken arts dien gij
-wijselijk aan uwe tafel pleegt te noodigen?”
-
-„Gij hebt het geraden,” hernam Hipponicus, „in deze dingen verlaat ik
-mij geheel op Hippocrates, met wien ik, evenals met de Goden gaarne op
-een goeden voet sta. Hem laat ik het ook over te beslissen of het
-pootje en waterzucht en dergelijke zaken werkelijk komen, van wat men
-noemt „het vette der aarde genieten.”
-
-„Niet geheel en al,” hernam Hippocrates glimlachend. „Het is wel is
-waar niet te ontkennen, dat de inspanning en vermoeienis, die met een
-goed leven gepaard gaan, waterzucht en dergelijke dingen veroorzaken
-kunnen. Wat het genot op zich zelf echter betreft—en om het zuivere
-begrip daarvan is het toch in ons onderhoud te doen—moet dit als een
-zeer geschikt hulpmiddel ter bevordering der gezondheid beschouwd
-worden. Het genot is namelijk eene eigenaardige lichaams- en
-zielsstemming, hetwelk de wangen kleurt, de oogen verheldert, de
-ademhaling gemakkelijker maakt, het bloed krachtig door de aderen
-drijft, het trage veerkracht geeft, het vloeibare stolt, alle
-levensgeesten opwekt, alle krachten vermeerdert en het geheele wezen
-van den mensch in een staat van schoone, heilzame harmonie brengt.
-Zelfs voor den kranke is de vreugde eene zoo heilzame artsenij, dat ik
-niet weet of onder alle kruiden, pleisters en dranken, die wij
-geneeskundigen bij zieken aanwenden een krachtiger middel is te
-vinden.”
-
-Lachend gaven alle gasten hun instemming te kennen met deze woorden, en
-alle dischgenooten deden eene gelofte, dat zij zich nooit aan een
-anderen arts dan Hippocrates zouden toevertrouwen.
-
-„Wijze geneesheer!” riep de halfdronken Cratinus, „gij hebt mij ten
-volle gerust gesteld. Nu is het mij helder: hoe had ik, dien zij een
-vriend der flesch noemen, voornamelijk sedert ik eene comedie
-geschreven heb, waarin gevulde flesschen, mijne vriendinnen, het koor
-vormen, hoe had ik, zeg ik, de met genot van het drinken verbonden
-kwalen tot op dezen huidigen dag zoo gelukkig kunnen trotseeren, zoo
-niet de genezende kracht van het drinken op zich zelve mij op de been
-had gehouden?—Ware ik ceremoniemeester, in plaats van die schoone
-vreemdelinge, die zich vermoedelijk beter op de werken van de gulden
-Aphrodite verstaat, dan op die van Bacchus, dan zou ik oogenblikkelijk
-een dubbelen dronk instellen op den wijsten aller geneesheeren, den
-grooten Hippocrates!”
-
-„Thrax,” riep Aspasia den naast haar staanden slaaf toe, „geef Cratinus
-een beker, dubbel zoo groot als de onzen. En laat ons nu een dronk
-wijden ter eere van Hippocrates!”
-
-Toen nu allen ter eere van Hippocrates gedronken hadden en ook Cratinus
-zijn dubbelen beker geledigd had, nam Polus het woord:
-
-„Ik weet niet, hoe onder ons van daag over levensgenot kan gesproken
-worden, zonder vóór alles aan de woorden te denken, welke gij in het
-treurspel, welks overwinning wij vieren, uit den mond van den bode
-vernomen hebt:
-
-
- „Des menschen leven past het nooit te roemen,
- Nooit over ’t onheil dat hem trof te klagen.
- Want die het meest door rampen werd bezocht,
- Dien beurt het lot vaak uit zijn lijden op,
- En werpt hem die ’t gelukkigst scheen in ’t stof.
- Geen ziener die des stervelings einde kent.
- Doch alles is voorbij. Want als de vreugd
- Den mensch ontviel, leeft hij geen leven meer,
- Als een bezielde doode doolt hij rond.
- Al is zijn huis met schatten opgevuld,
- Al praalt hij in een vorstelijk gewaad.
- Zoo hem ’t genot ontbreekt, acht ik dit alles
- Niet hooger dan de schaduw van den rook!”
-
-
-„Ik prijs de vreugde,” zei daarop Sophocles, „niet alleen omdat zij het
-leven aangenaam, maar ook, omdat zij het schoon maakt. In de diepte des
-levens heerscht veel sombers en verschrikkelijks en dikwijls is de
-vraag gerezen, of het niet beter was niet te leven dan wel. Daar wij nu
-echter leven, moeten we den afgrond des levens en zijne
-verschrikkingen, zoo goed mogelijk, trachten te bedekken met de bloemen
-der schoonheid en harer tweelingzuster, de vreugde. Nauw is de grens,
-die om het menschelijk leven is getrokken; maar binnen deze grens
-mensch te zijn is geoorloofd en tevens de reine menschheid in dien
-kleinen tijdkring schoon en edel te ontwikkelen. Mensch te zijn wil
-zeggen edel te zijn en zacht, en voor dat edele en beminnelijke zachte
-is de grens de liefelijke maat, waardoor hij zijn aanzijn goddelijk
-besteden kan. Even schoon als opgeruimd, even edel als zacht genoemd te
-worden, zij der Hellenen trots!”
-
-„Ik dank u voor deze uitspraak,” zei Pericles.
-
-„Men heeft mij in den oorlog soms te zacht en toegefelijk genoemd, doch
-ik geloofde juist als een Helleen te handelen. Als er weer gestreden
-moet worden, te land of ter zee, zal ik van het volk der Atheners den
-dichter der „Antigone” tot medestrateeg verzoeken.”—
-
-„Sophocles als strateeg?” riepen sommigen van het gezelschap.
-
-„Waarom niet?” zei Sophocles lachende. „Mijn vader toch was een
-wapensmid. Dit is een voorteeken, dat ik voor strateeg geboren ben.”
-
-„Veel geluk er mede!” riep Hipponicus. „Maar meent ge, Pericles, dat er
-spoedig weder krijgsvolk ingescheept zal worden en eene vloot zee zal
-bouwen?”
-
-„Het is best mogelijk,” hernam Pericles.
-
-„Het is mij wèl,” hernam Hipponicus, „maar ik hoop Pericles, dat gij u
-op geen ander admiraalschip lauweren zult verwerven, dan op datgene,
-wat ik als triërarch zal uitrusten.”
-
-„Dat zal ik,” antwoordde Pericles. „Doch laten we niet de krijgshaftige
-stemming den boventoon laten voeren bij een zoo vreedzaam feest.
-Onvriendelijk zou het zijn, zoo wij niet vóór wij tot andere dingen
-overgaan, den wijzen Anaxagoras vroegen, of hij hetgeen hier over het
-genot is gezegd, verwerpt of goed keurt.”
-
-„Wanneer gij mijne meening verlangt te hooren,” zei Anaxagoras, „wil ik
-u die niet onthouden. Wat gij daar te berde hebt gebracht, bewijst dat
-het uw streven is van buiten af het schoone en goede en aangename tot u
-te brengen, zooveel maar mogelijk is. Maar ik beweer dat de ware, de
-rechte vreugde diegene is, welke niet van buiten komt, maar die welke
-men als zijn innigst werkelijk leven in zich zelven bezit. Geluk is
-niet hetzelfde als vreugde; en zoo weinig bestaat het geluk in de
-dingen buiten ons, dat het veel meer, ja het best zonder deze bestaat.
-Vrijwillig zich aan den algemeenen Wereldgeest te onderwerpen, den
-eigen wil te dooden, dat is wijsheid en deugd en de waarborg tevens der
-rechte vreugde, de vaste burgt der apathie, waarin de mensch zonder
-begeerten, zonder hartstocht, zich zelven genoegzaam, zich zelfs
-tegenover de machten van het noodlot overwinnelijk toont.”
-
-De woorden van Anaxagoras maakten een eigenaardigen indruk. Pericles
-hoorde ze met die belangstellende aandacht, welke hij steeds aan de
-uitspraken van zijn ouden vriend schonk. Over Aspasia’s voorhoofd
-echter vloog een licht wolkje. Haar oog ontmoette dat van Protagoras.
-Het was alsof de schoone vrouw en de sophist in elkanders oogen lazen,
-wat er in hunne ziel omging. En toen nu de schitterende redenaar in den
-zwijgenden kring rondzag, gereed om den wijsgeer te antwoorden, schenen
-de stralen uit Aspasia’s oogen zijne gedachten te bezielen, zijne
-woorden kracht en gloed te geven.
-
-„Streng en hard,” begon hij, „klinken de woorden van den wijze uit
-Clazomenae te dezer plaatse, waar zooeven nog onder den klank van
-vroolijke skoliën [247] het feestelijk genot om het met bloemen
-bekranste altaar van Dionysus heerschte! Maar ook hij—merkt dit wel
-op—ook hij, de strenge, harde wijze heeft van het genot als van ’s
-menschen hoogste doel gesproken. Slechts over de wegen, die daarheen
-voeren, denkt hij verschillend. En in der daad het genot heeft vele
-namen en vele vormen en vele zijn de paden, die heenvoeren naar zijne
-zonnige hoogte. Menigeen vindt zijne hoogste vreugde in de bedwelming
-der zinnen, anderen, door een hoogeren adel der ziel tot het schoone
-gedreven, verheffen zich tot de reiner sferen van het genot, en er is
-eene derde soort van die goddelijke menschen, die boven lucht en wolken
-in het eeuwige klare zonder begeerten wonen. Weet gij aan welke van die
-drie wijzen, om het genot na te jagen, ik de voorkeur geef? Aan geene,
-maar aan die, welke het verstaat, naar tijd en plaats, iedere dezer
-verschillende wegen te bewandelen. Wanneer de bekers tintelen en
-schoone oogen schitteren, laat ons dan de vroolijke wijsheid van
-Hipponicus volgen; wanneer voor onze oogen de wonderen van het schoone
-heerlijk zich vertoonen en het menschelijke zijn edelsten bloei
-ontvouwt, dan deelen wij de geestelijke vreugde van Sophocles, wanneer
-de hemel bewolkt is, wanneer onafwendbaar smart en onheil ons
-bedreigen, dan is het tijd kalm tot de schoon bekranste vreugde te
-zeggen: Vaarwel! en zich te omgorden met de goddelijke kalmte en
-rustige waardigheid van den wijzen Anaxagoras. Te kunnen ontberen is
-roemrijk—maar wij willen die kunst slechts daar uitoefenen, waar wij
-haar noodig hebben. Als het tijd is zich te verheugen, willen wij ons
-verheugen, als het tijd is te ontberen willen wij ontberen. Wie
-verstandig weet te genieten, hem zal ook de wijsheid der
-zelfverloochening niet ontbreken. Hij zal de vreugde tot zijne slavin
-maken, niet zich zelven tot een slaaf der vreugde. Hij zal de
-omstandigheden aan zich, niet zich aan de omstandigheden onderwerpen.
-En wanneer datgene, wat door de wijsheid onzer vreugde als perk wordt
-gesteld, niets anders is dan de natuurlijke, rechte maat van het genot
-en het genot door overmaat verdwijnende, geen genot meer is, maar het
-tegendeel daarvan, zoodat het zijne grens en zijne maat niet buiten of
-naast zich, maar in zich heeft, waarom zouden wij dan nog van deugd
-spreken en onthouding, als van een zaak, die vreemd, ja zelfs vijandig
-aan het geluk zou zijn? Ontbering, onthouding, deugd zonder genot kan
-in de gedachte van den Helleen opkomen, nooit echter doordringen tot de
-diepte van zijn gemoed. Zelfs te werken in het zweet des aanschijns,
-handenarbeid te verrichtten om het dagelijksch brood, acht hij zijns
-onwaardig. Daarom werkt de slaaf, werkt de barbaar voor den Helleen.
-Het minder edele deel der menschheid moet zich voor het edeler deel
-opofferen, opdat het ideaal van waarachtig bestaan, den mensch waardig,
-verwezenlijkt worde. Ware ik wetgever, een nieuwe Lycurgus of Solon
-[248] en werden de tafelen der wet onbeschreven in mijne hand gelegd,
-ik zou ze aangrijpen en met gouden stift bovenaan deze woorden zetten:
-
-Gij stervelingen, weest schoon,—weest vrij—weest gelukkig!”
-
-Zoo sprak Protagoras, met onafgewenden blik op Aspasia gericht en
-verheugd over den glans van ingenomenheid, die onmiskenbaar uit haar
-gelaat hem tegenstraalde. Bijna elk van den kring hechtte zijne
-goedkeuring aan zijne woorden en Pericles zeide, dat hij Protagoras zou
-opdragen de eerstvolgende kolonie, die uit Athene zou gezonden worden,
-aan te voeren. Want hij scheen hem toe een staat in den Helleenschen
-geest te kunnen regelen.
-
-„Gelukkige Protagoras,” begon nu Socrates, „gelukkige Protagoras, wien
-het vergund is het goud van Aspasia’s zwijgen in de klinkende munt van
-welsprekende taal om te zetten. Wanneer ik uwe woorden even goed
-begrepen heb, als gij de taal van Aspasia’s oogen, dan schijnt gij mij
-de wijsheid in zooverre als een middel ter bevordering van geluk te
-beschouwen, als men haar om zoo te zeggen, gereed houden en uit den zak
-kan halen, wanneer men juist niets beters bij de hand heeft—”
-
-„Wat is wijsheid?” riep Protagoras. „Vraag het duizend menschen en wat
-de een wijsheid noemt, heet bij den ander dwaasheid. Vraag hun echter
-wat vreugde is en droefheid, allen zullen het daaromtrent eens zijn.”
-
-„Gelooft gij dat werkelijk?” hernam Socrates. „Men kan er de proef van
-nemen...”
-
-„Vergun mij, Protagoras,” viel Aspasia in, „dat ik mij verstout
-Socrates te antwoorden; niet met woorden, want hoe zou ik mij vermeten,
-wanneer er woorden van wijsheid moeten gesproken worden, in Protagoras’
-plaats te treden? Ik wil den eeuwigen twijfelaar en vrager met die
-middelen bestrijden, die mij als symposiarche, tot onderzoek zijner
-laatste tegenwerping ten dienste staan.”
-
-„Vooraf,” vervolgde zij, „bevochtig uwe lippen, die wellicht door het
-vuur van het gesprek droog geworden zijn, met frisschen dauw.”
-
-Op haar bevel werd nieuwe wijn in den krater [249] gemengd en den
-gasten in andere, grootere bekers geschonken.
-
-„Dit is wijn van Lesbos,” zei Hipponicus, „de bloem van den wijnstok.
-Hij is minder geurig dan de Thasische, doch zijn smaak is nog
-aangenamer.”
-
-„Hij is zacht en vurig te gelijk, als de ziel van zijne landgenoote
-Sappho,” riep Protagoras, even met zijne lippen het vocht in de beker
-proevende.
-
-De beker werden geledigd op Aspasia’s bevel ter eere van de zachte en
-hartstochtelijke Lesbische zangster en op nieuw gevuld, terwijl de
-oogen der gasten al meer en meer begonnen te schitteren.
-
-„Laten wij nu,” begon Aspasia weder, „hen laten binnenkomen, die gereed
-staan, om ons op iets van datgene te vergasten, waaronder de menschen
-naar Protagoras’ meening het allen eens zijn, naar Socrates’ zienswijze
-echter niet.”
-
-Fluitspeelsters, danseressen en kunstenmaaksters kwamen de zaal binnen,
-allen jong, bekoorlijk, allen bekranst en met welriekende wateren
-besprenkeld en getooid in verleidelijk gewaad.
-
-Het fluitspel begon in weeke, zoete tonen en daarbij werden door de
-danseressen mimische dansen uitgevoerd. Wat Socrates bij Theodota had
-bewonderd dat had hij nu in veelvoudige mate in eene groep van
-bloeiende gestalten voor oogen. Nadat deze danseressen door hare kunst
-aller oogen hadden verrukt, oefende hetgeen thans de kunstenmaaksters
-volvoerden, eene betooverende en bedwelmende werking uit. Als dezen bij
-den klank der fluiten en de maat der muziek een aantal ballen in de
-hoogte wierpen en weder opvingen of den zoogenaamden kogelloop op een
-pottebakkersrad uitvoerden, lag in de bliksemsnelle bewegingen der
-jeugdige, slanke, lenige meisjesgestalten eene betooverende, ja
-bedwelmende bekoorlijkheid. Toen zij echter den verbazingwekkenden
-zwaardendans begonnen, toen zij tusschen de klingen, die met de punt
-naar boven in den grond gestoken waren, dansend heen en weder sprongen
-en over de blinkende zwaardspitsen naar voren en achteren oversloegen,
-toen gevoelden de opgewekte toeschouwers zich door een genot, met
-huivering gemengd, aangegrepen. Toen eene van die slanke, bekoorlijke
-meisjes in een licht, nauwsluitend gewaad, dat den vollen en reinen
-vorm des lichaams deed uitkomen, met de handen op den grond steunende
-in eene bevallige kromming naar achteren de voeten over den rug en het
-hoofd heenstrekte, om daarmede uit het vóór haar staande mengvat een
-beker te vullen, dien zij met de teenen van den linkervoet bij het
-hengsel had gegrepen, terwijl zij met de teenen van den anderen voet
-het oor van het schepvat vasthield, of in diezelfde houding een pijl
-van den boog deed snorren—toen was het niet alleen de verbazende
-vaardigheid, die zij ten toon had gespreid, maar tevens het tot de
-hoogste vrijheid en bijna bovenmenschelijke vlugheid ontwikkelde
-schouwspel harer bloeiende ledematen, die de zinnen van Hipponicus’
-gasten in eene soort van zwijmel bracht.
-
-Toen de dansen en spelen geëindigd waren en de danseressen,
-kunstenmaaksters en fluitspeelsters onder de levendigste toejuichingen
-der dischgenooten zich weder hadden verwijderd, zei Aspasia:
-
-„Het schijnt dat alles wat wij gezien hebben ons genoegen heeft gedaan
-en dat wij het volkomen eens zijn in deze soort van genot, terwijl wij
-toch vroeger, toen het de leer der wijsheid gold, het maar niet eens
-konden worden. De proef, waarop het aankwam, zooals gij zeidet,
-Socrates, is derhalve genomen—”
-
-„Gij weet zeer wel, Aspasia,” antwoordde Socrates, „dat niemand ter
-wereld zich liever laat onderrichten dan ik. Vergun mij nog één ding
-aan Protagoras te vragen. Wanneer er, zooals gij leert, verscheidene
-soorten van genot zijn en wij datgene, wat het genot verschaft, een
-goed noemen, dan zijn er nog wel andere goederen en onder deze een
-hoogste goed. Om echter juist dit uit andere goederen uit te vinden en
-ook het hoogste genot uit andere genietingen—want het genot is toch,
-zooals wij gezegd hebben, niet zelf het goede, maar wordt eerst door
-het bezit van het goede teweeg gebracht—zou daartoe een weinig verstond
-of oordeel of wijsheid noodig zijn of hoe men het ook noemen wil?”
-
-Glimlachend zei Aspasia:
-
-„Gij ziet, Protagoras, dat deze man u in de engte drijft: doch het is
-mijn plicht te zorgen, dat de strijd niet al te heftig wordt. Reeds
-sedert een half uur heb ik een kleinen aanslag in den zin tegen den
-strijdlustigen Socrates. Het komt mij niet goed voor, dat Socrates op
-hetzelfde aanligbed met Anaxagoras aanligt en zoo steeds door den adem
-des meesters met nieuwen strijdlust aangeblazen wordt. Over het
-algemeen schijnt het mij toe, dat Hipponicus’ gasten zich grootendeels
-op een wijze geplaatst hebben, die gevaarlijk is voor het algemeen en
-gunstig voor heimelijke samenzweringen. Verscheidene malen heb ik
-opgemerkt, dat Phidias en Ictinus zacht samen fluisteren. Ook Cratinus
-zag ik vaker dan noodig was tot het oor van zijn buurman, Polygnotus,
-overbuigen. Krachtens mijne volmacht als symposiarche zal ik eene
-geheele verandering in de plaatsen brengen.”
-
-„Goed,” riepen de vroolijke dischgenooten. „Wij willen u gaarne
-gehoorzamen. Spreek, hoe denkt ge ons nu te plaatsen?”
-
-„Welaan,” zeide Aspasia. „Den gastronoom Hipponicus bevele Socrates op
-te staan en zette zich naast den wijzen Anaxagoras; de spraakzame Polus
-neme plaats naast den stillen Ictinus, de overmoedige Cratinus zal den
-zachten, vromen Sophocles tot buurman hebben. Phidias eindelijk moet
-met Polygnotus één aanligbed deelen. Hoe echter plaats ik Socrates?
-Onmogelijk kan ik hem in de nabijheid van Anaxagoras laten; integendeel
-ik moet deze beide kampioenen zoo ver mogelijk van elkander zetten. Wat
-blijft er anders over, dan dat ik u Protagoras, verzoek mijne plaats in
-te nemen, terwijl ik zelf ter beslechting van den strijd mij naast
-Socrates zal zetten.”
-
-Met deze woorden stond Aspasia op en plaatste zich onder op het
-aanligbed, waarop Socrates aanlag.
-
-Bereidwillig hadden inmiddels de dischgenooten de schikking van de
-symposiarche opgevolgd; alleen benijdden zij in stilte en luide
-Socrates zijne gezellin.
-
-Op dezen zelven oefende de onmiddellijke nabijheid der schoone eene
-eigenaardige werking uit. Had straks de adem van Anaxagoras, zooals
-Aspasia zich uitdrukte, zijn strijdlust aangeblazen, de adem van de
-bekoorlijke vrouw stemde hem tot vrede en verzoening.
-
-„Wat is dat?” riep Aspasia, zich tot Socrates overbuigend en zijn krans
-beschouwend, „aan uw krans zijn reeds vele bladeren ontvallen. Dat
-geldt als een voorteeken van geheime minnesmart. Is het soms uw jongste
-vriend, de moedwillige Alcibiades, die u droefheid veroorzaakt? Doch,
-ik ben gekomen om u te woord te staan. Welke bezwaren waren het,
-Socrates, die gij nog uit den weg zoudt willen geruimd zien?”—
-
-Socrates, betooverd door den vurigen blik van Aspasia, bedwelmd door
-den adem van haar mond, opgewekt door het ruischen van haar gewaad bij
-ieder harer bewegingen, antwoordde:
-
-„Aspasia, ik had bezwaren—en zij stonden in mijn hoofd goed
-gerangschikt, als in slagorde. Maar men heeft juist, toen ik ze in de
-beste orde wilde doen oprukken, een schoonbekranste dam opgeworpen,
-zoodat het schijnt dat zij daarover willende springen, de beenen zouden
-breken. Wat ik bedenkelijk vind, Aspasia? Zal ik het u zeggen? Ik vind
-op dit oogenblik alleen dit bedenkelijk, dat gij naast mij zit.”
-
-Met een ietwat spottend lachenden blik zag Anaxagoras, die intusschen
-den beker flink had toegesproken, zwijgend naar den spreker, die zoo
-smadelijk de wapens strekte.
-
-„Gij ziet, Anaxagoras,” zei Socrates, „ik ben in den strijd voor eene
-goede zaak gevallen en gij, grijsaard, voor wien ik eigenlijk het
-zwaard had getrokken, moet thans mij, den jongen man, uit den strijd
-dragen. Wreek mij, als gij kunt, Anaxagoras!”
-
-„Waarom niet?” hernam Anaxagoras, nadat hij een dronk uit zijn beker
-genomen had, „ik gevoel mij in het geheel niet zoo zwak, als de oude
-Priamus, om voor de jeugdige wijsheid van dezen Achilles sidderend te
-verstommen. Ik wil nog een woordje met u praten, Protagoras.”
-
-„Halt!” riep Aspasia, „wanneer het uwe bedoeling is ernstige woorden te
-spreken, vergun mij dan vooraf, dat ik mijn plicht als presidente der
-tafel vervulle en met een dronk van den vurigsten en kostelijksten
-aller wijnen, die tot nu toe geschonken werden, met het heerlijk
-druivensap van Chios, uwe tongen moge ontboeien.”
-
-Na deze woorden liet Aspasia den gezochtsten van alle Grieksche wijnen
-rondschenken.
-
-De bekers werden geledigd en nu was er niemand meer in het gezelschap,
-die niet hoog zweefde boven de sferen van het nuchtere verstand en zich
-niet overgegeven had aan de geweldige macht van den bezielden Dionysus.
-
-Anaxagoras ledigde zijn beker en begon eenigszins verward te spreken
-over genot en deugd, over kennis en den Wereldgeest.
-
-Om zijn geest nog meer op te wekken en te verhelderen bood Aspasia hem
-zelfs nog een beker van den krachtigen Chiër-wijn aan.
-
-Hij dronk dien uit en de taal van den wijze werd nog verwarder; hij
-begon te stotteren en met het hoofd geducht heen en weer te schudden.
-
-Ten laatste zonk het hoofd geheel op de borst. Nog eenige oogenblikken
-en de grijsaard lag in een rustigen sluimer.
-
-Een vroolijk gelach klonk er door de rijen der dischgenooten.
-
-„Wat hebt gij gedaan, Aspasia?” riepen zij: „de laatste voorvechter der
-strenge wijsheid hebt gij ontwapend en in slaap gewiegd!”
-
-„Bij het vroolijk symposion,” hernam Aspasia, „betaamt het der strenge
-wijsheid in te slapen. Maar niet zonder de Chariten is deze edele man
-ingesluimerd. Ziet, hoe schoon het gezicht is van den rustig ademenden
-grijsaard! Ik stel u voor, dat wij allen de kransen van onze hoofden
-nemen en ze op het hoofd en de schouders van den slapenden nederleggen
-en op deze wijze de zoo schoon en vreedzaam ingesluimerde wijsheid
-begraven.”
-
-De gasten deden wat Aspasia voorsloeg en in weinig oogenblikken was het
-hoofd van den wijze onder bloemen begraven.
-
-Socrates ging voort met drinken zonder dronken te worden, om ongestraft
-de zonderlingste dingen, Aspasia, die naast hem zat, in ’t oor te
-kunnen fluisteren.
-
-De ernstige Phidias zei tot den knaap, die zijn beker vulde, dat hij
-hem tot model voor eene zijner ephebenbeelden op den fries van het
-Parthenon wilde gebruiken. Cratinus stiet heimelijke verwenschingen uit
-en zei tot zijn buurman Sophocles:
-
-„Die toovenares, die Circe, die Omphale zal aan mij denken! zij laat
-mij zelfs dien krachtigen Chiër uit den grooten beker drinken! Zoolang
-ik nuchteren was, merkte ik er niets van; nu echter is het mij
-duidelijk, waarop zij het gemunt heeft.”—Polygnotus verzekerde zijn
-buurman, dat hij, met uitzondering van de jeugdige Elpinice, nog nooit
-eene zoo schoon gevormde vrouw als Aspasia gezien had. „Pericles,” zei
-de purperroode Hipponicus met eene stem, die trilde van aandoening,
-„Pericles, gij weet dat ik u steeds in eere heb gehouden, dat ik u den
-innigsten dank verschuldigd ben, omdat gij vóór eenige jaren mij van de
-toen nog schoone, maar kijfzieke Telesippe hebt afgeholpen. Doe mij nog
-het genoegen mij toe te staan een schathuis op den burg te bouwen—want
-ik heb zesduizend slaven in het werk in de zilvermijnen en mijn
-vermogen neemt bij den dag toe en men is voor dieven niet veilig. En
-als uw pleegzoon Alcibiades grooter is... mijn dochtertje Hipparete...
-de schoonste aller Helleensche jonkvrouwen...
-
-„Het zij zoo,” zei Pericles met een vriendelijken glimlach.
-
-Hij was de eenige van het geheele gezelschap op wien Bacchus zijne
-macht niet had kunnen uitoefenen; niet omdat hij minder gedronken had,
-maar omdat zijn gestel even sterk was, als zijne ziel zacht. Hij sprak
-met Protagoras over de politiek, over veranderingen in de
-volksheerschappij te Athene, over het uitzenden van de kolonie, over de
-mogelijkheid dat een veldtocht op handen was. Protagoras echter was
-verstrooid, daar hij telkens vurige blikken sloeg op de schoone
-Milesische. Eindelijk verraste de stille Ictinus de dischgenooten door
-het aanheffen van een paeän op Dionysus, die toen door allen in koor
-gezongen werd.
-
-Zoo heerschte er op het symposion ten huize van Hipponicus eene
-feestelijke stemming, die aangewakkerd werd door Bacchus’ heerlijke
-gaven, door zinnenstreelende bekoorlijkheden, door de betoovering, die
-er uitging van de schoone Milesische, eene stemming die gekruid werd
-door de bloem van den Helleenschen geest.
-
-Toen stond de welsprekende Protagoras op en stelde den volgenden toost
-in:
-
-„De symposiarche Aspasia heeft mij, zooals gij weet, hare plaats
-afgestaan. Ik maak van mijn recht gebruik, om voor een oogenblik mij
-hare waardigheid aan te matigen en u uit te noodigen dezen laatsten
-dronk aan Aspasia zelve te wijden. Hoog heeft zij als koningin der
-tafel de banier der schoone vreugde opgeheven, zegevierende heeft zij
-het rijk van den blijden levenslust tegen den ernst en de strengheid
-der wijsheid verdedigd, op gunstige oogenblikken heeft zij nu eens door
-Dionysus’ gaven, dan eens met de hulp van Eros en de Chariten, dan
-weder met de betoovering der zinnen den strijd tegen den vijand
-gevoerd, zij heeft met zoete bedwelming de vragen van den
-waarheidszoeker in slaap gesust en het grijze hoofd van den grijsaard,
-dien het jeugdig vuur had verlaten, onder bloemen begraven, zij heeft
-ons allen de hooge zee der Dionysische vreugde doen doorklieven. Zonder
-gevaar echter is de zachte dronkenschap voor de edele Hellenen en niet
-verderfelijk dringt zij tot in de diepten der hoofden, maar als dauw
-slaat haar zilveren nevel neder op de bladeren der kransen, waarmede
-wij verkoelend ons voorhoofd omschaduwe! Derhalve, mijne vrienden,
-ledigt met mij dezen laatsten beker ter eere van de schoone en wijze
-koningin onzer tafel, de goddelijke Aspasia!”
-
-Zoo sprak Protagoras en de uitgelezen mannen beantwoordden dezen dronk
-met vuur. De groote mannen, die bij het maal van Hipponicus vereenigd
-waren als omkranste feestgenooten, vormden om Pericles en Aspasia eene
-groep die op het veld van den roem als de schitterendste sterren van
-Oud-Hellas fonkelden!—
-
-En toen de laatste bekers geledigd waren, namen de mannen met een
-warmen handdruk van elkander afscheid en verlieten het huis van
-Hipponicus, toen de morgen reeds grauwde.
-
-„Kunt ook gij instemmen met de lofspraak van Protagoras op de
-symposiarche?” vroeg Aspasia aan Pericles toen zij zich met hem alleen
-bevond.
-
-„Ik bewonder u thans nog meer,” zei Pericles; „maar vreest gij niet,
-dat ik wat minder liefheb?”
-
-„Waarom?” vroeg Aspasia.
-
-„Omdat gij altijd een woord hebt voor iedereen,” hernam hij; „wat hebt
-gij dan over voor Pericles?”
-
-„Mij zelve,” antwoordde Aspasia.
-
-Hij kuste haar op het voorhoofd en zij sloot hem in hare armen, in de
-volheid van haar geluk.
-
-„Ik weet niet,” zei Pericles, toen hij van haar afscheid nam, „ik zou
-van u gescheiden mij weder in het druk gewoel der daden willen storten
-of ongestoorder dan nu een heerlijke maand van liefde met u in
-idyllische rust doorleven.”
-
-„Wellicht,” hernam Aspasia, „verleenen u de Onsterfelijken het een of
-het ander of beide te gelijk ter goeder ure.”
-
-De Milesische sloot dien morgen hare moede, schoone oogen in het
-bewustzijn, dat zij haar doel weder eene schrede nader gekomen was. Zij
-dacht aan het oogenblik, toen zij vernederd het huis van Pericles moest
-verlaten; zij dacht aan de fiere Telesippe, die zich onaantastbaar
-waande en onschendbaar in hare heerschappij aan den huiselijken
-haard—zij zeide in zich zelve, dat hare geheime en openlijke plannen
-der verwezenlijking naderden en dat zij in hare zending zou
-triompheeren, dat zij op de puinhoopen van het overgeleverde en het
-veroordeel de banier der vrijheid, der schoonheid en der vreugde voor
-eeuwig zou planten.
-
-
-
-
-
-
-
-XI.
-
-SAMOS.
-
-
-„Dat had ik niet gedacht,” riep de oude Callipides te midden van eene
-der talrijke groepen Atheners, die, op de groote markt van den Piraeüs
-bij elkander staande, druk in gesprek waren, „dat had ik niet gedacht,
-toen ik onlangs voorbij de Athene Promachos op den burg ging. Ik zag de
-speer der Godin vol boomkrekels, die lustig piepten. Dat beteekent
-vrede, zei ik bij mij zelven. Doch ’t is waar, den volgenden dag is
-kort vóór den aanvang der volksvergadering eene wezel over de Pnyx
-geloopen—”
-
-„Gij wilt toch geen onheil krassen, oude uil?” riepen de anderen.
-
-„Samos is nu eenmaal het machtigste der met ons verbonden eilanden,”
-hernam de oude. „Het kan andere bondgenooten tot afval verleiden, het
-kan een opstand tegen ons verwekken, Sparta kan zich er in mengen, een
-algemeene Grieksche oorlog kan ontbranden. Er ligt, zooals men zegt,
-veel tonder opgehoopt. Wat raakt het ons of de Samiërs dan wel de
-Milesiërs Priëne [250] bezitten?”
-
-„Het aanzien van Athene moet opgehouden worden!” viel een jong man
-heftig hem in de rede, terwijl hij de hand uitstrekte en het hoofd
-oprichtte. „Samos en Milete zijn verplicht als leden van het bond hunne
-geschillen ter beslissing aan Athene, het hoofd van het bond over te
-laten. Samos weigert dit. En daarom is Pericles in woede tegen de
-Samiërs ontstoken.”
-
-„En in zijne woede heeft hij in de volksvergadering den zachten
-Sophocles tot medestrateeg verzocht,” zei een der mannen lachend.
-
-„Om „de Antigone!” riepen anderen. „Daar heeft hij goed aan gedaan.
-Leve Sophocles!”
-
-„Gij weet er geen van allen iets van,” sprak de barbier Sporgilus, dien
-de nieuwsgierigheid en de onstuimigheid van den volkshoop naar de haven
-had gedreven. „Gij weet allen niets van deze zaak af; gij weet niet hoe
-dat geschil met Samos ontstaan is en wie dat aangewakkerd heeft.”
-
-„Leve Sporgilus!” riepen sommigen. „Hoort naar Sporgilus! Hij is een
-van hen, die ’s morgens precies weten wat Zeus ’s nachts met Hera
-verhandeld heeft.”
-
-„Moge ik een bult als eene vuist op mijn neus krijgen,” riep Sporgilus,
-„als het niet de zuivere waarheid is, wat ik u ga vertellen! Aspasia,
-de Milesische, heeft Pericles bepraat. Ik weet het precies—luistert
-slechts naar mij. Den dag, nadat het Milesische gezantschap aangekomen
-was, stond ik juist op de markt, toen de gezanten voorbijgingen en om
-zich keken, als menschen, die iets wilden vragen. En werkelijk, daar
-kwam een van hen op mij toe en zei: „Zeg eens, Atheensche vriend, kunt
-gij mij de woning van de jonge Milesische Aspasia wijzen?” De mannen
-dachten zeker, dat ik hen niet kende maar ik kende ze wel
-degelijk—terstond aan hunne nette manieren en kostbare kleeding zou ik
-ze herkend hebben, al had ik ze nooit gezien. Ik bewees hun zooveel
-mogelijk beleefdheid en beschreef hun haarfijn het huis van de
-Milesische en den weg daarheen, waarop zij mij zeer vriendelijk en
-beleefd hun dank betuigden en onverwijld den weg insloegen, dien ik hun
-gewezen had. De avond begon reeds te vallen. Zij slopen de woning van
-de Milesische binnen. Bemerkt gij het nu? De gezanten zeg ik u hebben
-met de Milesische heimelijk onderhandeld; zij heeft daarna Pericles
-bepraat en hem in hevigen toorn doen ontsteken tegen de Samiërs.”
-
-„Daar hebt ge het!” riep een der omstanders. „Sporgilus weet dus
-werkelijk, wat Hera met Zeus gesproken heeft.—Doch—daar komt Pericles
-met zijn vriend Sophocles aan—hij drilt hem zeker voor zijn nieuw
-ambt.”
-
-In der daad zag men de beide mannen ter zijde op een tamelijk stille
-plaats tusschen de zuilen wandelen. Zij waren in een vertrouwelijk
-gesprek verdiept.
-
-„Waarachtig,” sprak Sophocles, „gij verrast de Atheners; men geloofde,
-dat Pericles in dit oogenblik eerder tot alles zou overgaan, dan
-hiertoe. Want hij scheen thans ten volle opgegaan te zijn in de werken
-des vredes, in de bevordering van de binnenlandsche welvaart en—in de
-liefde voor de schoone Aspasia...”
-
-„Mijn waarde vriend,” zei Pericles glimlachend, „is het dan te
-verwonderen, dat den strateeg de lauweren van zijne vrienden, die met
-truffel, beitel en stift arbeiden, geen rust laten? Reeds lang, ik
-beken het eerlijk, gevoelde ik mij in mijn binnenste onrustig en
-gejaagd. Ik gevoelde mij werkeloos onder die onverpoosd arbeidende
-mannen en soms schaamde ik mij bijna over die liefelijke rozebanden,
-die mij omstrengelden.”
-
-„Hoe?” hernam Sophocles, „dat gij inderdaad de onvermoeidste arbeider
-zijt onder de ijverigen, dat alles wat gedaan en geschapen wordt,
-slechts door u mogelijk wordt gemaakt, bevorderd en tot een goed einde
-gebracht, rekent gij dat dan voor niets?”
-
-„Het voldoet niet aan de eischen, die een van ons beiden zich zelven
-mag stellen,” hernam Pericles. „Ik wil niet alleen een medearbeider
-zijn, ik wil zelf iets volbrengen en ik kan als strateeg alleen naar
-het zwaard grijpen. Waarom zou ik alleen door het schoone vuur der
-eerzucht, dat rondom mij ontbrand is, niet aangegrepen worden?”
-
-„En gij wilt ditmaal volstrekt uw krijgsroem met mij deelen?” vroeg de
-dichter na eene kleine pauze.
-
-„Liever dan—de gunst van een bekoorlijke vrouw!” antwoordde Pericles en
-sloeg een scherpen blik op zijn vriend.
-
-Deze ontroerde. „Nu begint er,” zoo sprak hij, „een licht voor mij op
-te gaan,—en het is een zonderling licht—waarom juist ik tot strateeg
-moest verkozen worden—”
-
-„Alles wat in de wereld geschiedt, beste vriend,” hernam Pericles
-glimlachend, „heeft niet ééne maar honderd oorzaken. Wie kan zeggen,
-welke de gewichtigste is?”—
-
-„Wilt ge niet liever mij achterlaten en de schoone met u naar Samos
-nemen?” vroeg de dichter.
-
-Pericles antwoordde slechts met een glimlach. Daarop zei hij: „Troost
-u; het is maar een klein reisje, dat we voor ons genoegen ondernemen,
-een zeetochtje van slechts weinige weken; want aan eene ernstige
-tegenweer van de Samiërs tegen het machtige Athene valt wel niet te
-denken. Samos [251] is eene prachtige stad, die u wel bevallen zal;
-Melissus, de bevelhebber van het Samische smaldeel, dat wij tegenover
-ons zullen hebben, is een waardig wijsgeer van de Eleatische [252]
-school, met wien gij ongetwijfeld met genoegen kennis zult maken en als
-wij Chios voorbij zeilen, willen wij uw vriend Ion een bezoek brengen,
-den treurspeldichter, die daar in eene aangename, bekoorlijke rust
-woont.”
-
-„Wilt gij Ion gaan bezoeken?” riep Sophocles uit. „Herinner u, dat hij
-niet erg op u gesteld is, sedert gij zijn medeminnaar bij de schoone
-Chrysilla zijt geweest.”
-
-„Mijne verhouding tegenover iemand,” hernam Pericles, „wordt nooit
-aangewezen door de meening, die men omtrent mij koestert, maar daardoor
-hoe ik over hen denk. Ion is een flink man. Hij zal u met zijn besten
-inlandschen Chiër verwelkomen, hoewel gij zijn mededinger in den
-tragischen wedstrijd geweest zijt.”
-
-„En gij, ik herhaal het,” zei Sophocles, „zijn mededinger bij de
-schoone Chrysilla, die thans, naar ik verneem, op Chios hem gezelschap
-houdt.”
-
-„Laat Chrysilla rusten,” hernam Pericles.
-
-De dichter schikte zich blijmoedig in zijn lot. Pericles begon hem over
-datgene, wat zijn nieuw ambt vereischte, te onderrichten.
-
-Als men in die dagen een beschreven blad in Sophocles’ handen zag, was
-het geen schets van een treurspel, geen reizang, geen loflied op Eros
-of Dionysus, maar de lijst van de manschap, die ter zee moest dienen,
-welke hij moest oproepen, van de rijke burgers, die hij aansporen moest
-als triërarchen hunne schepen te leveren en ze uit te rusten.
-
-Uit de bekoorlijke eenzaamheid van zijn groen Cephissus-dal zag hij
-zich door Pericles medegesleept naar tuighuizen der krijgshavens Zea en
-Munichia, in het rumoer van den Piraeüs, waar de vreeselijke zeedraken
-der Atheensche vloot uit hunne ramen weder in zee getrokken werden, in
-het leven en gedruis der arsenalen, waar het onophoudelijk dreunde van
-gehamer en geklop, rumoer en geraas. In den beginne deed het den
-smaakvollen dichter schier pijnlijk aan, steeds te verkeeren te midden
-van het geschreeuw der roeiers en matrozen, die toen nog weinig werk
-hadden en kibbelden om fluitspeelsters en elkander soms gaten in het
-hoofd sloegen. Zijn gehoorvlies werd verscheurd door het schelle
-fluitje van den bootsman, door het aangeven van de roeimaat, door
-schetterende fanfaren: want met die triëren, wier uitrusting gereed
-was, ondernamen hare triërarchen dagelijks kleine tochten in de golf om
-te onderzoeken, welk schip het beste en snelste zeilde.
-
-Maar toen de dag der afvaart was aangebroken en men de schepen met hun
-drie rijen roeibanken, met hun hoog uitstekende, als zwanenhalzen
-gekromden voor- en achtersteven, prachtig geschilderd, met de van goud
-schitterende Pallasbeelden en andere versierselen, de dreigend
-toeloopende balken der kiel, vrij en koen in goed geordende rijen over
-de flauwe oppervlakte zag zweven en op het teeken eener trompet eene
-plechtige stilte volgde, gedurende welke de heraut met luider stemme
-van het verdek van het admiraalschip een gebed uitsprak, dat allen van
-de overige schepen naspraken en waaraan zelfs het volk op het strand
-deel nam en de rook der offers van het verdek der schepen in de blauwe
-morgenlucht opsteeg en het geheele leger uit gouden en zilveren bekers
-dankoffers plengde en den paeän aanhief en eindelijk de vloot zich in
-beweging zette, de wind de zeilen deed zwellen, de zee onder den slag
-van tallooze riemen opbruischte en de lange rij der vaartuigen,
-vergezeld door de zegewenschen van de achtergeblevenen, uit de haven de
-open zee koos—toen was de dichter Sophocles van ganscher harte strateeg
-geworden en met geen fierder zin kon zijn held Aiax uit Salamis tegen
-Troje zijn opgetrokken, dan hij thans zelf uit het vlek Colonos koers
-zette naar Samos.—
-
-Na verloop van eenige weken liep een snelzeiler met berichten van
-Pericles voor den raad en de volksvergadering den Piraeüs binnen. De
-bevelhebber van het schip, dat deze tijdingen overbracht, bezorgde
-heimelijk niet als triërarch, maar als persoonlijk vriend van den
-strateeg Pericles, een geschrift, dat niet voor het publiek bestemd
-was. Het was een schrijven van Pericles aan zijne vriendin Aspasia.
-
-De brief luidde als volgt:
-
-„Ik weet niet, vanwaar het kwam, dat mijne borst schier nooit fierder
-klopte, dan op het oogenblik, dat ik wederom de hooge zee onder mij
-voelde. Toen ik op het verdek van het schip stond en de winden de
-Aegaeïsche zee mijn voorhoofd verkoelden, toen was het alsof met hen
-een adem van vrijheid mij tegenwoei en alsof ik mijzelven had
-wedergevonden. Wedergevonden? Een dwaas woord! Had ik mij dan verloren?
-Ik was het mij niet bewust—misschien u, Aspasia? Een oogenblik scheen
-het mij werkelijk toe, alsof ik in den laatsten tijd te weekelijk en te
-lijdelijk mij op het rozenleger der liefde had neergevlijd. Ik was
-bijna verstoord op u. Doch toen ik nadacht, zag ik in, dat ik u groot
-onrecht deed en dat juist integendeel datgene, wat van u uitgaat, nooit
-eene verslappende, maar steeds bewust of onbewust eene opwekkende,
-aandrijvende kracht, mij geheel beheerschte en mij heendreef uit het
-rustige Athene naar het woelige oorlogsveld.
-
-„Derhalve schaam ik mij niet langer over mijne liefde voor u noch over
-het verlangen, dat ik nu reeds koester om u weder te zien, hoewel die
-zoete begeerte mij bijna een leelijken trek had gespeeld.
-
-„Ik vond de Samiërs slecht uitgerust en slechts ten deele voorbereid.
-Ik schaamde mij haast over de gemakkelijke overwinning. Er scheen
-weldra niets meer te doen overig; ik maakte derhalve aanstalten om naar
-Athene terug te keeren, in de hoop dat bij de eenvoudigheid der
-middelen, waardoor dit gevolg bereikt was, de snelheid waarmede de
-overwinning bevochten werd, mij tot roem zou strekken. Zou tot die
-bespoedigde terugkeer ook niet het verlangen om datgene, wat ik te
-Athene achtergelaten had, zoodra mogelijk weder te zien, eenig aandeel
-hebben? Ik ben er mij zelven niet van bewust maar toch durf ik de
-mogelijkheid niet ontkennen. In alle gevalle bleek de haast, waarmede
-ik wilde terugkeeren, niet zoo voordeelig, als die, waarmede ik
-uitgetrokken was. Ik leerde, dat men in den oorlog met spoed
-uittrekken, maar behoedzaam terug moet keeren.
-
-„Doch waartoe zou ik u tijdingen mededeelen, die zeker te Athene op
-aller lippen zijn? Onze vloot brandt van verlangen den vroeger
-verzuimden zeestrijd in te halen: zelfs de zachte Sophocles gloeit op
-dit oogenblik van het vuur van Ares [253]. Ik heb hem naar Chios en
-Lesbos gezonden om de schepen der bondgenooten te halen; andere
-versterkingen zijn in aantocht.
-
-„Zend mij berichten van u en de vrienden te Athene door dienzelfden mij
-bevrienden triërarch, die u dezen brief bezorgd heeft en houd u
-overtuigd, dat ik naar uwe berichten niet minder vurig verlang, dan gij
-naar de mijne. Zeg aan Phidias, dat hij zich niet door het rumoer des
-oorlogs in zijne rustige werken des vredes late storen. De schoonste
-vreugde zal het voor zijn vriend bij zijn terugkeer zijn wanneer dezen
-de hooge tempelzuilen van den burgt bijna voltooid tegenblinken.”
-
-Dit was dan de inhoud van Pericles’ brief aan Aspasia. De Milesische
-beantwoordde dien in dier voege:
-
-„Het verheugt mij, dat gij zoo snel van de gedachte zijt teruggekomen,
-dat het karakter van den fieren Pericles in den laatsten tijd door
-Aspasia verwijfd zou zijn geworden. Moet ik integendeel mij niet
-verwijten, dat ik door de voorspraak ten behoeve mijner landgenooten u
-voor een deel heb heengedreven naar wat gij het woelige veld des
-oorlogs noemt? Eene zoo kortstondige scheiding schijnt mij niet
-onvoordeelig toe; want het scheen dat gij den langen vrede reeds moede
-waart geworden, ja zelfs het genot en de liefde voor Aspasia. Schaam u
-echter niet over het verlangen om mij en uwe vrienden weder te zien. De
-begeerte om wat ons lief is geworden terug te zien is dan immers het
-sterkste, wanneer men het juist verlaten of verloren heeft. Ik vrees,
-dat gij de scheiding hoe langer zoo gemakkelijker zult verdragen, hoe
-langer ze duurt en ten laatste, evenals Agamemnon vóór Troje, in steeds
-toenemende gemoedsrust voor Samos zult blijven liggen.
-
-„Mijn verlangen naar u daarentegen kan niet verflauwen door den tijd,
-daar het gevoed wordt door werkeloosheid en eenzaamheid. Gij hebt mij
-hier bijna zoo verlaten achtergelaten, alsof ik uw gemalin was; gij
-hebt den blijmoedigen Sophocles met u medegenomen en den welsprekenden
-Protagoras met eene kolonie naar het verre buitenland gezonden. Alleen
-Socrates is nog over en deze zoekt nog van tijd tot tijd mijn
-gezelschap. Maar of het uit wantrouwen tegen mij geschiedt of tegen
-zich zelven—hij waagt zich niet zonder een ander in mijne nabijheid en
-overschrijdt mijn drempel steeds in gezelschap van een vriend, die
-bijna zoo zonderling is als hij zelf. ’t Is de treurspeldichter
-Euripides, de jongere mededinger van Sophocles. Hij en Socrates zijn
-onafscheidelijke vrienden en men zegt zelfs, dat deze hem helpt bij
-zijne treurspelen, omdat zij zoo rijk zijn aan wijze spreuken. Maar dit
-is dwaasheid. Zij beiden zijn zoo gelijk van karakter, dat ik niet
-weet, wat de een van den ander zou kunnen ontleenen. Beiden vloeien zij
-over van wijsheid. Wat Socrates is onder de denkers, dat is Euripides
-onder de dichters: een peinzer en een zonderling. Bovendien is hij een
-boekenworm; hij heeft zich een groote boekerij aangeschaft en leeft
-daarin geheel voor de Muzen. Voor het overige ziet hij er uit als alle
-dichters; een oudachtig gezicht op een eeuwig jeugdig bewegelijk
-lichaam. Hij is afgetrokken, norsch en ruw in zijne manieren en gaat
-alleen met Socrates en de sophisten om. Intusschen heeft Socrates zoo’n
-invloed op hem uitgeoefend, dat hij begeerig werd mij te zien.
-
-„Deze man hier,” zei Socrates, terwijl hij mij voorstelde, „is de
-voortreffelijke treurspeldichter Euripides, dien gij, naar ik hoop,
-dubbel bewonderen zult, als gij hoort, dat zijn vader Mnesarchus een
-herbergier en zijne moeder Clito eene groentevrouw is geweest. Ook moet
-gij weten, dat hij juist op den dag van den grooten zeeslag bij Salamis
-op dit eiland het eerste levenslicht heeft aanschouwd.”
-
-„Een roemrijk voorteeken,” zei ik.
-
-„Dat is mogelijk,” sprak Euripides zelf, „maar wat de Goden
-oorspronkelijk met mij bedoelden, is nog niet ten volle duidelijk.”
-
-„Toen vertelde hij mij uitvoerig—want nadat hij eens aan het praten
-raakte, werd hij tegen verwachting tamelijk spraakzaam—hoe zijn vader
-in een droomgezicht voorspeld was, dat zijn pas geboren zoontje eens
-als overwinnaar in roemrijke wedstrijden de zege zou behalen. Zijn
-vader had, als echt Helleen, gemeend, dat dit op de overwinningen te
-Olympia en Nemea doelde en had hem met de meeste zorgvuldigheid in de
-gymnastische kunsten laten onderrichten; ook had hij werkelijk reeds
-als knaap den palm bij de Panathenaeën weggedragen; maar hij had
-langzamerhand meer smaak gekregen in boekrollen dan in vuistriemen en
-werpschijven en was ten laatste in plaats van een gelauwerden athleet
-een mededinger in den tragischen wedstrijd geworden.
-
-„Hoe komt het toch,” vroeg ik hem, „dat gij in elk uwer treurspelen u
-zoo scherp en vinnig uitlaat tegen de vrouwen en dat men u algemeen
-voor een vrouwenhater houdt?”
-
-„Ik ben getrouwd,” luidde het korte antwoord.
-
-„Is dit een reden,” zei ik, „om alle vrouwen te haten, ook haar, met
-wie gij niet door dergelijke banden verbonden zijt?”
-
-„Socrates heeft mij tot u gebracht,” hernam hij, „om mij van mijn
-vrouwenhaat te genezen. Voorloopig acht ik ééne vrouw, de vrouw, die
-mij ter wereld bracht: de voormalige groentevrouw Clito—ik zeg
-voormalige, want thans heb ik haar overgehaald den groentenhandel aan
-kant te doen en een klein landgoed, dat mijn eigendom is, te besturen.”
-
-„Ik gaf mijn verlangen te kennen met deze vrouw kennis te maken.
-
-„Als het u niet verveelt,” gaf hij ten antwoord, „de geschiedenis, hoe
-ik op Salamis gedurende den grooten slag in eene grot aan het strand
-geboren ben, te hooren vertellen—want dit verhaal spaart zij niemand,
-die haar komt bezoeken—is het gemakkelijk uw verlangen te bevredigen.”
-
-„Een paar dagen later zocht ik, vergezeld van eene slavin, het
-afgelegen, bescheiden landhuis op, waarin moeder Clito heerscht en
-welks stilte alleen door de welluidende trimeters [254] van haar
-dichterlijken zoon wordt gestoord, als hij, om geheel zijn eigen
-meester te zijn, zich in die landelijke eenzaamheid terugtrekt. Ik trof
-de goede vrouw aan te midden van haar kippen, eenden en biggetjes en
-zei haar, dat ik zeer gaarne de geschiedenis, hoe haar beroemde zoon op
-Salamis gedurende den grooten veldslag geboren was, wilde hooren.
-
-„Innig verheugd en met kennelijken trots zeide het moedertje:
-
-„Dat is eene geschiedenis, waarde vrouw, die zelfs de groote
-Themistocles [255] mij gaarne hoorde vertellen.”
-
-„Toen noodigde zij mij uit op eene zodenbank midden in den tuin plaats
-te nemen, nadat zij eerst de kippen en duiven, die daar zaten,
-weggejaagd had.
-
-„O kind,” zei zij toen, „dat was een schrikkelijke dag, toen de scharen
-der Perzen op ons heilig Athene losstormden en alles te vuur en te
-zwaard vernielden en de menschen bij de altaren doodden en in pek
-gedoopte vuurpijlen van den Areopagus naar de Acropolis slingerden, tot
-alle tempels daar in lichter laaie stonden en een dichte rook van
-zwarte wolken over de zee zich verspreidde. Maar terwijl de stad
-verbrandde en alle mannen zwoeren, dat zij met de wapenen in de hand
-onder de rookende puinhoopen wilden sterven en de vrouwen daartusschen
-weeklaagden en de stad van gejammer weerklonk, omdat Athene, het
-heilige Athene, verdelgd werd van den aardbodem, toen stond
-Themistocles op, Themistocles, de zeeheld en strekte de hand uit naar
-de zee en de vloot en riep: „Daar is Athene!” en dreef alles, wat
-weerbaar was, naar de schepen. En naast hem stond de langgebaarde
-priester van den Erechtheüs-tempel op den burg, die verkondigde, dat er
-een hoogst belangrijk wonder was geschied: de heilige burgslang was van
-zelf uit den brandenden tempel verdwenen, een teeken, dat de
-schutsgodin der stad, Pallas Athene, zelve en alle Goden van daar waren
-gevloden en dat het vaderland van den Athener nergens anders was dan op
-zee, op de schepen der vloot van Themistocles.
-
-„Terwijl nu de mannen allen te scheep gingen, was het een jammerlijk
-gezicht hoe zich de vrouwen, de kinderen en grijsaards door elkander in
-de booten wierpen, die aan de kust gereed lagen en ook lager aan de
-straten van Salamis, waarvan er vele omsloegen, omdat zij de menigte
-vluchtelingen niet konden dragen.
-
-„Zelfs de honden wilden niet achterblijven in de verlaten stad: zij
-stortten zich in zee en zwommen langs de schepen hunner meesters,
-zoolang zij konden. Ge moet echter weten, kind, dat ik toen hoogst
-zwanger was en in dien toestand bereikte ik gelukkig met eene gansche
-schare het strand van Salamis en daar sloegen wij in eene rotsgrot op
-de kust, met eenige vrouwen en kinderen, ons nachtleger op. De nacht
-was bovenmate onrustig; want in die nachtelijke ure verzamelden zich om
-Salamis alle Grieksche zeilschepen en onophoudelijk weerklonk van schip
-tot schip den geheelen nacht door het geroep der zeelieden, zoodat
-zelfs de onbezorgden onmogelijk een oog konden luiken. Het was juist
-toevallig de tijd van het Jacchus-feest, waarop het beeld van den God
-in het begin van den nacht bij fakkellicht in een grooten, plechtigen
-optocht van Aegina naar Eleusis over zee wordt gevoerd, en Themistocles
-had niet gewild, dat men deze plechtigheid om de benauwde tijden zou
-nalaten en juist toen de Grieken hunne schepen in orde schaarden, kwam
-het feestelijk getooide vaartuig met de heilige beelden de Aeäciden
-[256] van Aegina en bij den hellen schijn der fakkels schitterde de
-geheele burg, zoodat alle Grieken op de schepen nog meer werden
-aangevuurd, omdat zij zagen dat de Goden van hun vaderland nog
-heerschten. En toen de heldere morgen aanbrak en ik mij met de andere
-vrouwen naar het strand voortsleepte, zag men reeds de vereenigde
-schepen der Hellenen strijdvaardig staan, beschenen door den glans der
-fakkels en de geheele Euripus [257] wemelde en de groote vloot der
-Perzen kwam langzaam in een onafzienbare rij van den Phaleron
-aanzeilen.
-
-„Ik echter kon het daar niet meer uithouden; ik moest naar de grot
-terugkeeren. De barensweeën en de kommer overweldigden mij. En daar lag
-ik nu op een bed van zeegras, verlaten door een ieder, want de vrouwen,
-die haar nachtleger met mij gedeeld hadden, liepen allen weg; alle
-vrouwen en kinderen toch op Salamis wisten dat hare echtgenooten en
-vaders op de schepen waren en zij stonden daar allen dicht opeen op het
-hooge strand en keken naar de vaartuigen en wrongen de handen en
-smeekten tot de Goden. Daar hoorde ik opeens een trompetgeschal en een
-paeän hoorde ik zingen door vele duizende stemmen—uit de verte klonk
-het in gedempte tonen tot mijne legerstede door.
-
-„Toen was het, alsof een vreeselijke orkaan in een dicht olijfwoud zich
-stortte en alsof duizende toppen kraakten—het was echter het gekraak
-der schepen die tegen elkander stietten en daar tusschen klonk steeds
-dof uit de verte het krijgsgeschreeuw der onzen en der barbaren. Hoe
-lang dit duurde weet ik niet en het gevecht kan ik u niet vertellen,
-kind, want ik zag niets; ik wentelde mij den geheelen dag door op mijn
-bed heen en weder, hulpeloos als ik daar lag en smachtte naar lafenis
-en verzonk ten laatste in eene sluimering, die wel mijne laatste had
-kunnen wezen.
-
-„Toen hoorde ik plotseling in mijne sluimering een luid gejubel van
-vrouwen en ik kreeg mijn bewustzijn weder en het kwam mij te binnen dat
-ik op Salamis lag. Maar menige jammerklacht mengde zich onder de
-jubelkreten; want niet alleen tallooze wrakken spoelden aan het strand
-van Salamis, maar ook lijken, onder welke menige vrouw haar zoon of man
-herkende. Ook velen der in het gevecht gewonden en velen van de
-bemanning van die schepen welke verbrijzeld waren en die dichter bij
-het strand van Salamis waren dan bij het Atheensche strand, redden zich
-op de eilanden en brachten de heugelijke tijding: de Pers is verslagen
-en vlucht in zijne hartader getroffen over de zee en ontvliedt de
-rookende puinhoopen van Athene en nog heden mogen wij terugkeeren in de
-bevrijde stad.—Verbeeld u eens kind, hoe het mij te moede werd, toen
-onverwacht, alsof de Goden het zoo bestierd hadden, mijn man
-Mnesarchus, die zich onder de gelanden bevond, de grot kwam
-binnenstormen, met den jubelkreet: „Athene is weer vrij! Athene is weer
-het onze!”—Zoo wou hij voortgaan met juichen en jubelen, toen—maar
-verbeeld u hoe hij mij verbaasd aankeek en naast mij het naakte,
-pasgeboren, schreiende knaapje. Hij kon geen woord uitbrengen, hij nam
-het kereltje in zijne armen en sprong er mede in de rondte in zijne
-uitgelaten vreugde over de zegepraal en zijn vaderschap, liep toen met
-het kind naar de zee en wiesch het af en liep weer weg en bracht mij
-water en andere verkwikkingen, zoodat ik eindelijk hoewel langzaam, wat
-bijkwam van de doodelijke afmatting waarin ik verzonken was.
-
-„Den volgenden dag werd er op het eiland een groot zegefeest gevierd.
-Omkranste jongelingen dansten om de tropaeën, terwijl de Pers aftrok en
-met het rampzalig overschot zijner onmetelijke schare heenvluchtte naar
-het verre Oosten. Toen ging Mnesarchus met het pasgeboren knaapje op
-zijne armen midden door het feestelijk gewoel en toonde het aan alle
-Grieken en vertelde hoe het ter wereld was gekomen in de ure van den
-strijd. En toen Themistocles zelf naderde en de toedracht der zaak
-vernam zei hij:
-
-„Eere den Griekschen moeders, die ons nieuwe burgers baren nog
-gedurende den strijd, ter vergoeding voor diegenen, welke voor het
-vaderland gevallen zijn!”
-
-„Zoo sprak hij en hij beval aan Mnesarchus honderd drachmen uit te
-betalen. Toen heerschte er algemeene vroolijkheid en Mnesarchus noemde
-den knaap Euripides, ter herinnering dat hij geboren werd op den dag
-der overwinning in den Euripus, in de zeeëngte van Salamis.”
-
-„Zoo vertelde mij het eerlijke moedertje Clito, precies, zooals ik het
-hier voor u neergeschreven heb.”—
-
-Weinige dagen, nadat de brief van Aspasia aan Pericles verzonden was,
-kwamen krijgsberichten uit Samos en tegelijk een nieuw schrijven voor
-Aspasia. De inhoud daarvan luidde aldus:
-
-„Gij zijt onvergelijkelijk, Aspasia, en altijd dezelfde. Was het toeval
-of geschiede het met eene geheime bedoeling, dat gij mij in uw brief
-dat bekoorlijk verhaaltje van het moedertje van Salamis deedt? Toen uwe
-brieven mij met de verlangde versterking uit Athene gewerden, stond ik
-reeds met mijne vloot tegenover de Samische. Ik las het verhaal van uw
-moedertje en vol van Salaminische geestdrift gaf ik het teeken tot den
-aanval.
-
-„Wij overwonnen. Maar ik zal mij wel wachten u eene schildering van
-dien slag te geven. Hoe zou ik het wagen tegenover dat beeld, waarmede
-gij mij zoo levendig de herinnering aan het heldenfeit van Salamis voor
-den geest hebt getooverd, met mijne onbeteekenende overwinning te
-pralen, waardoor de Samische vloot wel onschadelijk is gemaakt, doch
-het verzet der stad zelve nog niet is gefnuikt. Wij omsluiten haar te
-land en ter zee. Dit Samos is eene sterke stad en prachtig gelegen:
-maar zijn grootste, van oudsher beroemde tempel is, zooals gij weet,
-aan Hera, de Godin van den echt, gewijd en in dit heiligdom worden
-gansche troepen van die vogels gemest, die der Godin heilig, maar ons
-beiden gehaat zijn.
-
-„Ook Sophocles heeft uw brief gelezen, vooral het verhaal van uw
-moedertje heeft hem groot genoegen gedaan.
-
-„Daar hij zelf zich onder de bekranste jongelingen en knapen bevond,
-die bij het zegefeest, waarvan het moedertje spreekt, om de tropaeën
-dansten en Aeschylus onder de strijders, hebben deze drie
-treurspeldichters een belangrijk aandeel genomen aan de eer van
-Salamis—het geringste echter uw Euripides, die alleen de verdienste
-heeft toen geboren te zijn geworden.
-
-„Ik heb overigens ook nog bij Sophocles inlichtingen ingewonnen naar
-het karakter van Euripides en hem gevraagd naar zijne meening over
-diens vrouwenhaat. Sophocles antwoordde mij, dat Euripides de vrouwen
-slechts haatte, omdat hij ze liefhad. Want als hij ze niet liefhad en
-ze missen kon, dan zou hij zich niet om haar bekommeren en niet van
-haar spreken en het zou hem onverschillig zijn of zij goed zijn of
-slecht. Tot zooverre Sophocles: ik houd het er dus voor, dat de roem om
-Euripides van zijn vrouwenhaat te genezen, u niet veel moeite zal
-kosten.”
-
-Deze brief van Pericles beantwoordde Aspasia in dier voege:
-
-„Gij hebt met uwe overwinning vóór Samos den Atheners reden gegeven tot
-groote blijdschap, waarmede ik in stilte van ganscher harte instemde;
-alleen hebt ge mijne vreugde aanmerkelijk verminderd door uwe
-bescheidenheid, waardoor gij mij eene schildering van uw zeegevecht
-hebt onthouden. Ik vind het over het algemeen zeer goed, dat gij uwe
-brieven aan mij niet met staats- en krijgszaken vult en u liever tot
-datgene bepaalt, wat uw eigen persoon betreft; maar men zegt, dat juist
-deze slag u in al uw glans en heerlijkheid heeft getoond, dat gij zelf
-het schip van den vlootvoogd der vijanden in den grond hebt geboord.
-Niet om de zaken is het mij te doen, maar om u, om het heldere beeld
-van uw wezen, zoodat ik u als met eigen oogen zie.
-
-„De bouw van het Parthenon vordert met eene haast ongeloofelijke
-snelheid. Waarlijk, uit eene welgevulde kas is het, zooals Callicrates
-pleegt te zeggen, goed bouwen.
-
-„Vóór eenige dagen heeft er op de Acropolis een ongeluk plaats gehad,
-dat veel opzien verwekte. Een werkman viel van een steiger en werd
-doodelijk gewond: en daar dit juist geschiedde op de plaats, die
-Diopithes als eene „onderaardsche,” als een ongelukspunt verklaard had,
-heeft de gemoederen en de tongen der bijgeloovigen te Athene geducht in
-beweging gebracht.
-
-„Zegepralend wijst de onverzoenlijke Erechtheüs-priester op zijne
-vervulde voorspelling en verkondigt nog meer rampen in de toekomst;
-hetgeen de Goden mogen verhoeden!
-
-„Hij ziet van den drempel van zijn oud heiligdom nog steeds donker en
-toornig op den wakkeren Callicrates neer en wenscht hem een zonnesteek
-toe. Doch de heetste pijlen van Apollo stuiten op het voorhoofd van den
-onvermoeide af. Pallas Athene dekt hem met haar schild. Hij tergt zijn
-tegenstander, waar hij kan, en wanneer zijne wangunstige blikken hem al
-te lastig worden, weet hij het zoo in te richten, dat zijne lieden eene
-stofwolk in de nabijheid van het Erechtheüm doen opdwarrelen, die den
-priester noodzaakt, zich de oogen wrijvende, naar het binnenste van
-zijn tempel de wijk te nemen.
-
-„Nu is zelfs een muildier in den twist dezer beide mannen betrokken
-geworden. Onder de muildieren namelijk, die nu reeds eenige jaren bezig
-zijn dag aan dag de helling van de Acropolis op en neder te draven,
-steenen en andere vrachten op de hoogte te sleepen, bevond er zich een,
-dat deels door den ouderdom, deels door eene wonde, die hij bij het
-vervullen van zijn arbeid gekregen had, ongeschikt voor den arbeid
-geworden was. Zijn drijver wilde hem sparen en in den stal rustig laten
-staan. Het wakkere dier echter was daar mede niet te vreden en liet
-zich zelfs niet door slagen afhouden datgene te doen, wat het sedert
-zoo langen tijd gewoon was, en draafde met zijne makkers, zij het ook
-onbelast, de Acropolis op en af. En dit doet het nu getrouw dag aan dag
-en iedereen kent den „muilezel van Callicrates,” zooals men hem noemt,
-daar Callicrates het onbruikbaar gewordene, maar altijd toch wakkere
-dier onder zijne bescherming neemt. Daar deze muilezel echter op de
-Acropolis zonder werk losloopt en rondstappende soms het gebied van het
-Erechtheüm te nabij komt en zelfs eenige malen de heilige kruiden, die
-daar geplant zijn, met zijn onheiligen snuit heeft besnuffeld, haat
-Diopithes dezen trouwsten aller arbeiders van het Parthenon bijna nog
-meer dan Callicrates zelven en het is niet te voorzien, welke
-verwikkelingen uit deze zaak nog zullen voortspruiten.
-
-„Vaarwel, mijn held, en denk niet altijd alleen aan het verhaal van het
-moedertje, aan Salamis en Themistocles, maar ook eens aan uwe Aspasia.
-Noch Hera, noch alle pauwen van Samos zouden mij verhinderen tot u te
-snellen, als gij het wilt.”—
-
-Niet lang daarna ontving Aspasia van Pericles de volgende regelen:
-
-„Gij zijt verstoord op mij, omdat ik u de beschrijving van het
-zeegevecht niet gegeven heb; gij verlangt dus mij vóór Samos te zien
-heerschen en handelen en het bevel voeren? Op zich zelf is een zeeslag
-misschien van alle schouwspelen het meest waard gezien te worden en ik
-beken u volmondig, dat ik, zoo dikwijls ik mij als strateeg ter zee met
-den vijand moet meten, hoezeer ook mijn plicht als aanvoerder mij
-geheel vervulde, toch steeds een blik van bewondering over had voor het
-schoone en geweldige gezicht, dat een strijd tusschen die met zeilen
-voorziene kolossen opleverde. De goede Clito heeft u alleen de
-bijomstandigheden van den slag van Salamis, niet het gevecht zelf
-verhaald, en daarom wil ik trachten u de geschiedenis van den strijd
-der schepen vóór Samos in korte trekken te schilderen, onder die
-voorwaarde evenwel, dat dit verhaal van krijgszaken het eenige zal
-zijn, ’t welk gij aangaande dezen veldtocht van mij zult ontvangen.
-
-„Bij het eiland Tragia ontmoette ik de van Milete komende Samische
-vloot. Een aanval verwachtende, nam zij onmiddellijk eene vaste
-stelling in een kring aan, om mij te verhinderen datgene te doen, wat
-steeds in een zeeslag mijn hoofddoel is, namelijk de vijandelijke
-schepen door eene snelle en onverwachte wending in de flank aan te
-tasten. Ik zond eenige kloeke zeilers vooruit, om deze kringvormige
-positie in verwarring te brengen en door schijnaanvallen en eene
-geveinsde vlucht hier en daar een vijandelijk vaartuig van zijn plaats
-te lokken. Ook stak er een tamelijk felle wind op, wat eveneens
-medewerkte om door den zwaren golfslag den gesloten kring der Samische
-vloot te verbreken.
-
-„Onze vloot stond van het begin af met vooruitspringende vleugels
-tegenover de vijandelijke linie en gereed om ieder schip, dat zich
-buiten den kring durfde wagen, in de flank aan te vallen.
-
-„Intusschen gelukte het den Samischen vlootvoogd, terwijl zijne
-voorhoede reeds in een vrij heeten strijd gewikkeld was, uit het
-daarachter staande gedeelte van den wankelenden en half verbroken kring
-eene gesloten slagrij te vormen, waarmede hij plotseling, terwijl de
-schepen der voorhoede, op zijn bevel, zich terugtrokken, in dichte
-rijen naderde.
-
-„Een oogenblik bracht de aanval dezer gesloten phalanx [258] onze
-voorste gelederen in verwarring. De dikbuikige schepen der Samiërs met
-hunne trompvormig gebogen voorstevens en tallooze krachtig bewogen
-riemen zagen er als monsters uit, die op duizend pooten naar ons
-toekropen. Alleen was dit kruipen eer een vliegen, als de snelheid van
-den wind. Maar na weinige oogenblikken, toen ook ik de verstrooide
-schepen ijlings in orde had gesteld, stond onze phalanx evenzeer
-gesloten, als een ijzeren muur, tegenover de Samische.
-
-„Nu ontbrandde de eigenlijke strijd in woeste verbittering. Onder luid
-geschreeuw op elkander losgaande, drongen de voorste rijen der onzen en
-die der Samiërs onstuimig op elkander in, zoodat ieder Attisch vaartuig
-naar twee kanten zijn aanval richtte, ieder vijandelijk schip zich naar
-twee kanten verdedigde. Geleken de Samische schepen op dreigend
-vooruitstekende zwijnensnuiten, de onzen waren met zeeslangen te
-vergelijken, die tusschen die snuiten door vlug en met doodelijke beten
-rechts en links hare kronkelingen wisten te slingeren. In de dicht
-opeen gepakte rijen begonnen nu van schip tot schip de geweldige
-krijgswerktuigen te werken: de catapulten en schorpioenen [259]
-slingerden hun geschut en de vreeselijke dolfijnen [260] lange balken
-met zware, ijzeren punten, die, nederstortend op het vijandelijke
-vaartuig, met goed berekende juistheid nederdaalden en de mast
-verpletterden of het verdek verbrijzelden en als met ijzeren klauwen
-het schip vasthielden en tot een buit van den aanvaller maakten. En
-terwijl de aandacht van het vijandelijk vaartuig door een hagel van
-pijlen, waarmede zijn verdek overstormd werd, werd beziggehouden,
-voeren stoute, lichte booten om het zeegevaarte heen, wier bemanning
-met bijlen zijne riemen vernielde.
-
-„En toen ten laatste de schepen kiel aan kiel gesloten waren en de hoog
-uitstekende boorden der onzen en der vijanden elkander raakten, vormden
-de vereenigde verdekken weldra een slagveld, waarop de zwaargewapenden
-met lans en zwaard, man tegen man, tegenover elkander stonden. De
-vermetelsten aarzelden niet aan boord der naaste vijandelijke
-vaartuigen te springen. Sommigen der onzen gelukte het hier en daar de
-vijandelijke bemanning neder te houwen, den triërarch gevangen te
-nemen, zich van het roer meester te maken en de weerlooze roeiers te
-dwingen het buitgemaakte vaartuig uit de Samische linie naar de
-Atheensche over te brengen.
-
-„Hoe roemrijk bij dergelijke waagstukken de heldhaftige zin zich ook
-openbaarde, ik keurde dien al te onstuimigen moed af, daar ik er steeds
-op bedacht ben, in den zeestrijd het bloed mijner dapperen zooveel
-mogelijk te sparen en meer de schepen dan de menschen tegen elkaar te
-doen strijden. Waarom zouden dezen elkander vermoorden, waar gene door
-stoute, snelle bewegingen in staat zijn den kamp te beslissen?
-
-„Ik voer tusschen de schepen der vloot door en riep den triërarchen
-toe, dat zij liever met de scheepsnebben en de ijzeren, puntige balken,
-dan met zwaard en lans moesten strijden en hun schip niet als een
-burgt, maar als wapen zouden beschouwen. Zij begrepen mij en daar de
-Samiërs talrijke onbruikbaar gemaakte schepen uit den slag brachten,
-doch met het overschot dichter opeen drongen, werd het ons te
-gemakkelijker, om de schepen te enteren en in de flank aan te tasten.
-
-„Thans werd het ons hoofddoel, om de vijandelijke schepen in den grond
-te boren. Het was nu inderdaad een strijd der schepen zelve geworden.
-Benevens het geweld der in volle vaart aangebrachte scheepsnebben,
-benevens de kracht der ijzeren, puntige balken aan de kiel, bewezen de
-door mijzelve uitgevonden „ijzeren handen” [261] voortreffelijke
-diensten, daar zij menig Samisch vaartuig aangrepen en vast omkneld
-hielden in hare vreeselijke omarming. Onder het dof gekreun der tegen
-elkander botsende balken mengde zich het snerpend gekraak van
-splinterende riemen, wanneer in snelle, goed berekende vaart een
-vaartuig vlak langs het vijandelijke schoot en het uitstekend roeituig
-als dorre takken deed breken.
-
-„De Samiërs deinsden terug, zij geraakten in wanorde doch zij weken nog
-niet. Vertoornd over dien trots, verdrietig over den langen strijd,
-wilde ik juist het bevel geven eenige transportschepen met werk en rijs
-geladen, in brand te steken en in de vijandelijke rijen te zenden, om
-het overschot der weerbarstige Samische vloot te verbranden, toen
-plotseling een geweldig stuk steen naar den mast van mijn schip werd
-geslingerd. De mast werd niet getroffen, de stuurman echter wel, die
-oogenblikkelijk met verbrijzelden schedel van zijn stuurstoel afviel.
-Bij het nedervallen had de steenklomp tevens het roer zelf, met alles
-wat in de nabijheid zich bevond, verpletterd. De steen was van het
-admiraalschip der Samiërs geslingerd, waaruit ik opmaakte, dat de
-Samische vlootvoogd mij zelven tot een persoonlijken kamp uitdaagde.
-Doch met mijn ontredderd schip was weerstand onmogelijk. Snel en zonder
-dat de vijand het kon bemerken klom ik van den achtersteven van het
-schip langs een ladder in een boot en spoedde mij naar een ander
-vaartuig, de „Pharthenos” [262], en terwijl het Samische admiraalschip
-mijn ontredderd schip bemachtigde om het, met mij zelven als
-krijgsgevangene, naar de Samiërs meenden, buit te maken en mede te
-voeren, boorde ik met de „Pharthenos” in de flank van den Samiër,
-zoodat hij, lek geworden, water schepte en op zij vallend onder den
-waterspiegel verdween. De Samische vlootvoogd zelf was een der
-weinigen, die onder een pijlregen der onzen, die hun krachtigen
-zegekreet reeds deden weerschallen, ter nauwernood al zwemmend zich
-redden. Nu eerst weken de Samiërs en de zege was ons.
-
-Nog op den avond van denzelfden dag kwam de Samische opperbevelhebber,
-Melissus, onder veilig geleide op mijn schip, om met mij over de
-vredesvoorwaarden te onderhandelen; hij stelde echter zulke eischen,
-dat men mij voor overwonnen zou hebben moeten houden, als ik ze
-aangenomen had. Hij erkende wel dat de vloot der Samiërs verslagen was,
-maar gaf de verzekering, dat de stad echter in staat en voornemens was
-een lang beleg uit te houden. Bovendien was Phoenische hulp in aantocht
-en eene geldelijke ondersteuning was den Persischen satraap te Sardes
-aangeboden. Melissus lei bij dit geheele onderhoud eene wilskracht en
-hardnekkigheid aan den dag, zooals alleen een wijsgeer in staat is te
-ontwikkelen. Hij is van eene hooge gestalte, reeds op vrij gevorderden
-leeftijd en zijn voorhoofd draagt zoozeer den stempel van den
-diepzinnigen denker, dat het mij schier ongeloofelijk voorkwam, in hem
-den man te zien, die nog zooeven eene vloot tegen mij aangevoerd had en
-dien ik met de vlugheid eens jongelings door de met wrakken bezaaide
-golven had zien zwemmen. Weldra zag ik in hem alleen den in geheel
-Griekenland met roem overdekten wijze uit de school van Parmenides. Ik
-weet zelf niet hoe het kwam, dat ons gesprek langzamerhand en
-onmerkbaar in wijsgeerige overdenkingen overging. Waarheid is, dat hij
-mij ten laatste met groote levendigheid uiteen zette, dat, wanneer iets
-is, het eeuwig is; dat het eeuwige echter in ruimte onbegrensd was en
-het waarachtig eeuwige, één en oneindig, alles in zich omvatte; want
-als er twee of meer oneindigheden waren, moesten zij elkander begrenzen
-en waren derhalve niet meer oneindig en het Al moest iets in zich zelf
-gelijksoortigs zijn; want ware er iets waarachtig ongelijksoortigs, dan
-bestond niet meer het ééne, maar het vele; het vele echter kon niet
-bestaan, want dat het bestond was slechts schijn en gold alleen voor de
-zinnelijke waarneming, niet voor de denkende bespiegeling van den
-geest.—
-
-„Toen toevallig eenige andere strategen en triërarchen binnenkwamen,
-die met groote nieuwsgierigheid en belangstelling den uitslag onzer
-vredesonderhandelingen verbeidden en nu hoorden dat de Samische
-vlootvoogd en ik ons over de onbegrensdheid van het Al en over de
-oneindigheid van het ongeschapen Zijn onderhielden, bleven zij geheel
-verbluft en met open mond staan, en wij zelven moesten lachen, als wij
-nagingen hoe wij zooeven nog met scheepsnebben en doodelijk geschut
-tegen elkander hadden gewoed, doch thans in een dergelijk onderwerp
-verdiept waren. Want daar ik dergelijke vertoogen, als Melissus hield,
-te Athene dikwijls uit den mond van Zeno had gehoord en deze Eleatische
-stellingen en strijdvragen mij steeds de grootste belangstelling hadden
-ingeboezemd, behoefde ik Melissus het antwoord niet schuldig te blijven
-en ons gesprek had inderdaad bijna het karakter van een wijsgeerigen
-strijd aangenomen.
-
-„Hoe veel beter zou het zijn,” zei ik tot Melissus, toen wij afscheid
-namen en ik hem de hand schudde, „als wij Hellenen allen, zooverre onze
-taal op de kusten en eilanden wordt gesproken, daar wij toch door één
-geestelijk streven verbonden zijn, ook door één zelfde staatkundig
-belang in den loop der tijden konden vereenigd worden!”
-
-„Een bliksemstraal schoot bij deze woorden uit het grauwe donkere oog
-van den Samiër.
-
-„Ongetwijfeld,” zeide hij met een bitteren, spottenden glimlach, „hoopt
-gij, dat het Athene zal zijn, dat allen Hellenen in zijn gebied lokt en
-hen goedschiks of kwaadschiks tot ééne staat vereenigt?”
-
-„Ik begreep het gevoel van den vaderlandslievenden man, die met zooveel
-warmte voor de onafhankelijkheid van zijn eiland streed en ik
-waardeerde het.
-
-„Het is nu eenmaal het lot van alle welgemeende bedoelingen en
-gedachten, dat zij schipbreuk lijden op de klip van kleinere belangen,
-die toch eigenlijk zich moesten oplossen in de grootere. Het wordt met
-ondank beloond, als men de gedachte van een groot geheel in zijn hart
-opvat en daarvoor wil werken. Spoor ik de Hellenen aan tot eenheid, dan
-zien zij daarin alleen Atheensche veroveringszucht of zelfs eerzuchtige
-bedoelingen van mijzelven. Zoo gevoelt men zich met zijn besten wil en
-bedoelingen telkens gedwarsboomd door eene jammerlijke bekrompenheid.
-Daardoor heb ik soms oogenblikken, dat alle kracht en lust tot den
-arbeid mij ontzinken en ik troost zoek in de reine sfeer der gedachte,
-waar de geest in onbeperkte vlucht zich kan verheffen in de ongemeten
-ruimten van het geestelijke en ongeziene. Als ik in stilte des nachts
-op het verdek treed van mijn vaartuig, boven mij de met sterren
-bezaaide hemel zich welft—als de masten onbewegelijk zich verheffen en
-daar boven de oneindigheid het uitspansel zich uitbreidt—als geen
-geluid wordt gehoord, dan het zachte, welluidende kabbelen der golven,
-licht bewogen door den adem van den wind, tegen de kiel van het
-schip—dan rijst het beeld van Melissus op voor mijn geest en ik geloof
-niet langer aan, maar gevoel de waarheid van zijne oneindige, eeuwige
-eenheid van het Zijn.
-
-„Meer dan gij gelooven kunt, denk ik aan u, aan de vrienden te Athene
-en aan datgene, wat daar onder hunne handen der voltooiing nadert.
-Thans, nu hier, naar het schijnt, het moeilijkste volbracht is en eene
-wellicht lange, vervelende belegering mij bijna tot werkeloosheid
-veroordeelt, durf ik u mijn heimwee naar Athene wel bekennen, zonder
-mij daarvoor te schamen.
-
-„Het ongeluk, dat de werkman bij den bouw van het Parthenon heeft
-getroffen, waaraan Diopithes op zoo kwaadwillige wijze eene rampzalige
-uitlegging heeft gegeven, is mij zeer ter harte gegaan. Ik heb
-Hippocrates doen verzoeken den gewonde, als hij nog leeft, te
-behandelen, en wanneer het ons gelukt hem te redden en Diopithes te
-beschamen, doe ik de gelofte uit dankbaarheid voor Pallas Hygieia [263]
-een altaar op de Acropolis op te richten.
-
-„Wat voorts het wakkere muildier van Callicrates aangaat, ik ben van
-meening, dat het beschouwd moet worden om zijne trouw en vlijt den
-staat der Atheners belangrijke diensten bewezen te hebben en om te
-voorkomen, dat de afgunst van Diopithes hem onheil zal berokkenen, heb
-ik hem de vrijheid bezorgd te snuffelen en te grazen, waar het hem
-lust, en alles wat hij aan het goed van een ander beschadigt of zich
-daarvan toeëigent, zal den eigenaars van staatswege vergoed worden.”
-
-Nog vóór Aspasia gelegenheid gevonden had dezen laatsten brief van
-Pericles te beantwoorden, ontving zij opnieuw eenige letteren van hem,
-die de bevestiging inhielden van het ongeluk, dat het Atheensche leger
-vóór Samos had getroffen, terwijl Pericles de Phoenische hulpvloot te
-gemoet was getrokken.
-
-Slechts met enkele woorden meldde Pericles deze zaak in zijn brief aan
-Aspasia. Daarna vervolgde hij aldus:
-
-„Kondt gij het voor mogelijk houden, dat onder ons Hellenen datgene nog
-steeds gebeuren kan, wat ik gezien heb, toen ik mij naar het leger
-begaf, dat de stad van de landzijde had ingesloten en door de uitvallen
-der Samiërs niet weinig geleden had? Luide jammerklachten klonken mij
-in het oor, toen ik het kamp binnentrad. Ik vond den priester van het
-leger juist bezig aan Zeus, den Redder [264] een offer te brengen. In
-den kring, die zich rondom het altaar en den priester gevormd had, zag
-ik vijftig gevangen genomen Samiërs met gebonden handen staan. Ik vroeg
-wat er met deze menschen, die als offerdieren om het altaar stonden,
-moest geschieden. Toen vernam ik dat de ziener, die van staatswege aan
-het leger was toegevoegd, verklaard had, dat het de wil van Zeus den
-Redder was, dat hem ter eere de vijftig Samische krijgsgevangenen
-plechtig zouden worden geofferd. En men was juist op het punt den wil
-van Zeus te volbrengen. Ik trad op den priester en ziener toe en
-verklaarde ten aanhoore van het geheele leger, dat het een leugen was,
-dat de Goden der Hellenen ooit menschenoffers wilden en stelde mij
-daarmede tevreden door op de voorhoofden der vijftig Samiërs het teeken
-van een zwijnensnuit, zooals de voorsteven der Samische schepen voeren,
-af te drukken, ter vergelding van den smaad, dien zij kort te voren aan
-onze gevangenen hadden aangedaan, door in hun lichaam een uil [265] in
-te branden.
-
-„Nu belegeren wij opnieuw de stad en bestormen haar van de landzijde
-met stormrammen en werpgeschut.
-
-„De brieven, die ik van Telesippe ontvang, zijn vol klachten over den
-jongen Alcibiades”—
-
-Aspasia beantwoordde de letteren van Pericles op de volgende wijze:
-
-„Vele en gewichtige zaken, dierbare Pericles, hebben uwe beide laatste
-brieven mij medegedeeld. Vele dingen, waarbij ik van vreugde zou kunnen
-juichen, ook andere zaken die een bange vrees, zij het ook slechts eene
-voorbijgaande, voor u in mijne ziel opwekten. Maar waarom zou ik over
-de wisseling der fortuin al te zeer klagen, daar juist in deze
-wisseling de onveranderlijkheid van uw eigen, trouw beeld mij te
-duidelijker wordt afgespiegeld? Gij hebt mij, zooals ik wenschte,
-zonder het te weten, u zelven afgeschilderd. Hoe arm zijn woorden en
-hoeveel vuriger zou een kus, op uw voorhoofd gedrukt, u zeggen wat ik
-gevoel! De tijd vliegt mij om, als ik aan u denk en de liederen van
-Sappho bij de klank der snaren zing.
-
-„Phidias en de zijnen zijn onvermoeid. Verdiept in hunne berekeningen
-en als door eene daemonische macht voortgezweept, luisteren zij slechts
-met een half oor naar de gebeurtenissen, die buiten hun werkkring,
-elders in de wereld plaats grijpen. Vergeef het hen: want ook zij
-arbeiden toch voor u en den roem van uw naam tot in de verste toekomst.
-
-„Over den jongen Alcibiades verneem ik telkens een en ander; want hij
-begint de aandacht van de Atheners tot zich te trekken. Er zijn er
-velen, die in de worstelschool of waar hij zich ook vertoont, zich om
-hem verdringen. Maar hij sluit zich alleen aan bij Socrates, wellicht
-omdat deze hem niet vleit. Toen hij onlangs door zijn paedagoog
-begeleid over straat ging, met een kwartel, zijn lievelingsvogel, in
-den mantel verborgen, drong er weder veel volk om hem heen. Terwijl hij
-nu genoodzaakt was hieraan zijn aandacht te wijden, ontvloog hem den
-kwartel. De jongeling werd daarover zoo driftig, dat half Athene op de
-been kwam, om den kwartel van Alcibiades weder op te vangen. Zóó zijn
-de Atheners! Intusschen, wanneer zij den jongen Alcibiades bederven,
-komt dit grootendeels ook daar van daan, dat hij de pleegzoon is van
-Pericles, den grooten Pericles, die na de zege bij Tragia meer dan ooit
-de held van den dag is.
-
-„Alleen Diopithes blijft heimelijk tegen u mokken, benevens de zuster
-van Cimon en uwe vrouw Telesippe. Op hunne zijde zijn de oude pruiken
-met hun ouderwetsche kleeding en de haarvlecht over de kruin
-samengebonden, de ijdele oude strijders bij Marathon [266] en
-afgeleefde grijsaards en zotte Spartanen-vrienden, die lang haar
-dragen, het lichaam oefenen, honger lijden, zich nooit wasschen en met
-hun lompen knuppel op de steenen der straat ratelen; voorts
-verscheidene suffers, die meenen de wijsheid in pacht te hebben, en
-sterrekijkers, die barrevoets en met gescheurde mantels loopen, doch de
-wenkbrauwen bedenkelijk fronsen, den neus in den haveloozen, langen
-baard steken en er een deftigen onderkin op nahouden. Al deze lieden
-denken in uwe afwezigheid aan het spreekwoord: „als de wijnstok niet
-bewaakt wordt, is het goed druiven plukken.” [267]
-
-„Theodota zweert nog steeds, naar ik hoor, dat de zwaardvisch Pericles
-eens zeker in haar net zal spartelen. Geheime draden schijnen steeds
-tusschen deze vrouw en onze vijanden gesponnen te worden. Elpinice
-loopt zich de beenen onder haar lijf stuk, om hare vrienden en
-vriendinnen tegen mij op te zetten. Door hare en uwe vrouw word ik
-openlijk vervolgd; zij zien, dat ik weerloos en onbeschermd ben en
-houden mij voor eene lichte en zekere prooi.
-
-„Euripides schijnt het er op gezet te hebben te loochenstraffen, wat uw
-vriend Sophocles van hem gezegd heeft. Ik zie hem nog altijd somber,
-knorrig, ontevreden. Toch maakte hij mij in tegenwoordigheid van
-Socrates tot vertrouwde van zijn treurig levenslot. Hij gaf mij eene
-schildering van het karakter zijner gemalin, eene schildering, die ik u
-niet behoef te herhalen, daar de dierbare echtgenoote van den
-treurspeldichter het trouwe afbeeldsel is van uwe beminde Telesippe.
-Doch hoor nu eens, wat de dichter besloten heeft, om zich van dit
-ondragelijk gezelschap te ontslaan. Hij denkt zijne vrouw weg te zenden
-en eene betere, die meer aan de behoefte van zijn hart beantwoordt,
-voor haar in de plaats te nemen.—Dierbare held, wat zegt gij van zulk
-een mannelijk besluit van den dichter?”—
-
-Na eenigen tijd schreef Pericles aan Aspasia:
-
-„Ik weet niet of ik den lof van edelmoedigheid verdien, dien gij mij
-toezwaait. Ik ben ten hoogste verbitterd op die koppige Samiërs en ik
-zal hen, als de tijd daarvoor gekomen is, geducht voor hunne
-hardnekkigheid doen boeten.
-
-„In de dagen van werkeloosheid en ongeduld is de edele, opgeruimde
-Sophocles mij een dubbel gewenschte vriend, terwijl hij zich overigens
-als medestrateeg voortreffelijk houdt. Steeds is hij bereid mij ten
-dienste te staan, het liefst bij vreedzame zendingen. Als bemiddelaar
-en onderhandelaar werkt hij met zoo’n wonderlijke macht, dat men hem
-voor een toovenaar zou houden; het verwondert mij trouwens niet want
-zijn karakter is zoo innemend, dat hij zonder uitzondering bij allen
-geliefd is. Hij staat mij getrouw ter zijde in mijne pogingen, om de
-verwildering der gemoederen tegen te gaan, die bij een langdurigen
-oorlog zoo licht zich van het krijgsvolk meester maakt. Nu eens moeten
-de wetten der menschelijkheid gehandhaafd, dan weder een ergerlijk
-vooroordeel uitgeroeid worden. Gij weet zelve, hoeveel in dit opzicht
-nog bij ons Atheensch volk te doen valt.
-
-„Wanneer een onweder losbreekt en de bliksem midden in ons kamp slaat,
-of de stuurman van mijn schip bij eene invallende zonsverduistering
-zijne zinnen verliest, dan moet ik alles, wat ik aangaande de oorzaak
-van dergelijke natuurverschijnselen van Anaxagoras geleerd heb, mij
-voor den geest halen, om de verschrikte en verslagen mannen tot bedaren
-te brengen.
-
-„Doch, ik vertel u hoe ik mijn best doe de vooroordeelen van anderen
-uit te roeien en ik vergeet, dat gij mij soms beschuldigt zelf er nog
-mede behebt te zijn. Gij vraagt den echtgenoot van Telesippe, wat hij
-zegt van het manhafte besluit van Euripides?—Ik zal u dat mondeling
-mededeelen, als ik weer in Athene ben teruggekeerd.”
-
-Zóó schreef Pericles.
-
-Negen maanden lang bood de trotsche eilandstad hardnekkigen weerstand
-en menig bericht werd er van Samos naar Athene, van Pericles naar
-Aspasia gezonden.
-
-Ten laatste meldde de Atheensche veldheer aan zijne Milesische
-vriendin:
-
-„Samos is stormenderhand genomen, de trots van Melissus gebroken, de
-vrede gesloten. De Samiërs leveren hunne schepen uit en slechten de
-muren.
-
-„Toch is het mij niet mogelijk aanstonds naar Athene terug te keeren.
-Ik moet eerst nog naar het naburige Milete, waar velerlei zaken te
-regelen zijn.
-
-„Slechts kort is dit uitstel en wij zullen binnen weinige weken
-elkander wederzien.
-
-„Op de vloot heerscht groote vreugde en de triërarchen verblijden zich
-over de overwinning, voor een deel in gezelschap hunner vriendinnen,
-van welke reeds eenigen gedurende de langdurige belegering van Athene
-naar Samos zijn overgekomen. Deze schoonen hebben de gelofte afgelegd,
-na de verovering van Samos in de stad van den beroemden Hera-tempel nu
-op hare kosten een tempel te bouwen voor de Godin der Liefde. Het
-schijnt, dat zij vast besloten zijn die gelofte te houden. Vóór weinige
-dagen is ook Theodota hier gekomen, volgens den wensch van haar vriend
-Hipponicus, die even goed patriot als gastronoom is en zich op het
-schip, waarvan hem de triërarchie was aangewezen, niet door een ander
-liet vervangen, maar zelf den zeetocht heeft medegemaakt.
-
-„Vaarwel! Te Milete, uw vaderstad, zal ik voortdurend aan u denken!”
-
-Toen Aspasia den brief van Pericles had gelezen, dacht zij eene poos
-na.
-
-Daarop nam zij een stout besluit.
-
-Den volgenden dag zag men haar reisvaardig met eene slavin zich naar
-den Piraeus begeven en een vaartuig beklimmen, dat op het punt was uit
-de haven van Athene koers te zetten naar de Ionische kust.
-
-
-
-
-
-
-
-XII.
-
-UREN VAN ZALIGHEID.
-
-
-Van Samos had Pericles met twee zijner galeien den kortsten tocht naar
-Milete gemaakt.
-
-De triërarch van het tweede schip was niemand anders dan Hipponicus.
-Deze had Pericles verzocht hem naar Milete te mogen vergezellen. Onder
-zijn geleide bevond zich de schoone hetaere Theodota.
-
-Zóó geraakte de verleidelijke danseres weder in de omgeving van
-Pericles en kon voor hem weder hare bekoorlijkheden ten toon spreiden.
-
-De Milesiërs ontvingen den Atheenschen strateeg met gejuich. Met
-schitterende feesten vierden zij zijne aankomst en met een gouden
-lauwerkrans vereerden zij den overwinnaar van Samos.
-
-Pericles voelde zich als door zwoelen adem aangewaaid toen hij
-Klein-Azië’s kusten betrad. Dit was toch het land der Artemis beelden
-met hun duizend borsten, met de reuzentempels, die de Helleensche
-schoone vormen met de kolossale, reusachtige afmetingen van het Oosten
-vereenigden, het land der Aphrodite-priesteressen, die zich aan het
-zingenot wijdden, het land der weekelijke, vrouwelijke melodieën, het
-land van de moeder der Goden, wier feestrijen op den Tmolus door
-orgiastische [268] woestheid en mystieke razernij van het Oosten zich
-kenmerkte, het land ook van haar pleegzoon, den vreugdegod Dionysus,
-die reeds door zijn karakter en uiterlijk, teeder en vrouwelijk van
-gestalte en toch vol moed en vuur, met weelderige lokken en rijken
-haardos door eene lydische mitra [269] getooid, in veelkleurig, wijd
-gewaad, als Klein-Azië’s echte zoon zich betoonde.
-
-En zoo ergens op de Ionische kusten van Azië, dan waaide deze zwoele
-adem, die den Athener Pericles trof in de straten van het rijke,
-prachtige, met rozen bezaaide Milete. Hier hoorde men over de Perzen en
-de satrapen te Sardes spreken als te Athene over de Megarensers en
-Corinthiërs. Men zag Perzen en ook andere Oosterlingen in de straten
-wandelen. Rijk en bont als het gevederte der Oostersche vogels en toch
-smaakvol was de kleeding der mannen van Milete en van de bekoorlijke,
-weelderige vrouwen. Kleederdrachten troffen hier de Atheners, die aan
-de Perzen, andere die aan de Egyptenaars waren ontleend; hij zag ze van
-de kleur van het viooltje en den hyacinth, hij zag ze zelfs in
-vuurroode kleedij. Hij zag de Milesiërs omhangen met de weefsels van
-Perzië, stralend van de edelgesteenten van Indië, druipende van
-Syrische zalven.
-
-Pericles en Hipponicus genoten gedurende hun oponthoud te Milete de
-gastvriendschap van den rijksten en aanzienlijksten burger,
-Artemidorus. Deze bracht hen naar zijn prachtig landgoed in de
-nabijheid der stad. Niet verre van dit landelijk verblijf lag een
-myrthenbosch, waarvan de sage meldde, dat in zijn lommerrijk geboomte,
-bevolkt door het gewiekte koor van zangers, somwijlen de Godin
-Aphrodite in hare heerlijke gestalte zich vertoonde.
-
-In de vertrekken van Artemidorus heerschte de pracht van het Oosten.
-Met bonte Perzische behangen prijkten de wanden: het huisraad
-schitterde van goud, het blonk van ivoor, het ademde een geur van
-sandelhout. Eene menigte schoone slavinnen zweefde door het huis. Er
-bevonden zich onder haar, die van de stranden der Kaspische zee
-geboortig, schitterend blank waren als de marmeren beelden, anderen
-bruin als de bronzen beelden in het huis van Artemidorus en nog meer
-anderen schitterend zwart, als de met goud ingelegde ebbenhouten tafels
-in zijne vertrekken. Met beelden en schilderijen was Artemidorus’ huis
-rijkelijk versierd. Niets ontbrak er, wat het gemoed van den
-Aziatischen Griek in Aspasia’s vaderstad kon bevredigen.
-
-„Gij andere Grieken noemt ons Ionië een brandpunt van weelderigheid,”
-zei Artemidorus tot zijne gasten, toen hij hen aan eene kostelijke
-tafel onthaalde, „en, naar ik hoor, moeten in der daad onze Milesische
-schoonen voor de deugd van Atheensche mannen gevaarlijker zijn, dan de
-hoffelijke Milesiër voor de Atheensche vrouwen.”
-
-Pericles glimlachte.
-
-„Vergeet niet,” vervolgde Artemidorus, „dat ons Ionië niet alleen een
-brandpunt der weelderigheid is, maar ook de bakermat der dichtkunst, ja
-zelfs der wijsheid, daar wij u Hellenen, behalve schoone vrouwen,
-Thales [270], Herodotus [271] en, zoo wij ons niet te veel aanmatigen,
-ook den grooten Homerus [272] hebben geschonken.”
-
-„Wie twijfelt er aan,” hernam Pericles, „dat de krachtige bloesem van
-den Helleenschen geest nooit en nergens afvalt, zelfs niet in de
-weelderigheid van het rozenleger der vreugde?”
-
-„Zeg liever, dat hij zich nergens schitterender ontwikkelt, dan juist
-daar!” riep Artemidorus. „Er is geen vooruitgang onder de menschen en
-volkeren zonder datgene wat onverdraagzame dwepers weelderig noemen.”
-
-Den avond van den tweeden dag voerde Artemidorus zijne gasten naar het
-myrthenbosch, nabij zijn prachtig landhuis gelegen, dat hij zelf op de
-wijze van een lusthof had doen aanleggen. De schoone Theodota was als
-geliefde en metgezellin van Hipponicus door den beleefden Artemidorus
-mede genoodigd. Zij wilde trachten door den vurigen gloed harer donkere
-oogen den vriend van Aspasia in liefde te doen ontbranden.
-
-Onder geleide van hun gastheer doorwandelden Pericles, Hipponicus en
-Theodota de bekoorlijke dreven van den bloeienden myrthenhof. Daar het
-groote bosch zich over eene zachte glooiing uitstrekte, had men op
-verscheiden punten, waar de grond niet met boomen beplant was, een
-heerlijk gezicht op de stad, op de blauwe zee en de eilanden, die als
-een bolwerk vóór de vier havens van Milete lagen. Op zulke plaatsen
-liet de rijke Artemidorus door de slaven, die hem op den voet volgden,
-Oostersche tapijten spreiden of eene met purper behangen tent opslaan,
-om daar uit te rusten, verfrisschingen te gebruiken of naar de weeke
-toonen van Lydische fluiten te luisteren, die op last van Artemidorus
-met de nachtegalen in het woud wedijverden, om het oor te bekoren.
-
-De slaven en slavinnen bevolkten het bosch als Silenen, die hier en
-daar den wandelaars uit wijnzakken de volle bekers toereikten, of als
-Hebe’s [273] en nimfen uit bevallige horens hun bloemen en heerlijke
-vruchten aanboden. Drie der schoonste nimfen voerden op een open
-grasperk een bekoorlijken reidans uit, waarbij de Aziatische, bij de
-Cybele-feesten [274] gebruikelijke tamboerijn op luidruchtige wijze
-geslagen werd, zoodat eene zekere betoovering en bedwelming zich van de
-zinnen meester maakten.
-
-Een klein meer in het midden van het bosch was met allerlei gedaanten
-uit de Helleensche fabelleer bevolkt. Zeemeerminnen met vischstaarten
-zag men er, die zich met waterbloemen bekransten, en Sirenen [275] op
-rotsen uitgestrekt, die in een wedstrijd met de Tritons [276] hare
-zoete, verleidelijke zangen deden hooren. Ook de waarzeggende, van
-gedaante wisselende grijsaard Proteus [277] ontbrak daar niet, die
-allen wie het verlangden, voorspellingen deed. Ook Pericles naderde hem
-en wenschte een orakel van hem te vernemen.
-
-„Ik zal, als het noodig is, niet verzuimen u vast te houden,” zei hij
-lachend, „zooals het gebruik is bij hen die u ondervragen, opdat gij
-niet in steeds nieuwe gedaantewisselingen den vrager moogt ontkomen.”
-
-Bereidwillig stond de grijsaard Pericles te woord en deelde hem de
-volgende orakelspreuk mede:
-
-
- „Daar waar de nachtegaal nestelt, de rozen het heerlijkste geuren
- Knellen goedgunstige Goôn in ijzeren banden uw geluk!
- Houd het, o held, slechts vast met sterke vuist, als gij thans mij
- doet!
- Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk.”
-
-
-Pericles begreep niet, wat de grijze zeegod bedoelde. Toen hij na dit
-onderhoud met hem naar zijne vrienden omzag, waren zij verdwenen. Hij
-liep dus eenigen tijd alleen. De vogels, die van tak tot tak, van boom
-tot boom huppelden en daarbij hun liefelijk gekweel aanhieven, lokten
-hem al dieper en dieper in het woud. Maar ook eksters, spreeuwen en
-papegaaien zaten hier en daar in ’t geboomte, die Pericles toeriepen en
-bespotten met de woorden: „Wees welkom!” en „verheug u” en „kom toch,
-kom toch!” Snaterend huppelden zij weldra naast den wandelaar voort.
-Thans echter meende Pericles, dat hij in plaats van enkele vogels een
-geheel koor van nachtegalen op eenigen afstand vernam. Tegelijk drong
-een sterke rozengeur, als door zachte koeltjes uit de verte gedragen,
-tot hem door: het moest van eene groote, bloeiende rozengaarde komen.
-En, wat het opmerkelijkste was, onder die rozengeur scheen zich het
-aroma van Indische reukwateren te mengen. Half onwillekeurig vervolgde
-Pericles zijn weg in de richting, van waar de rozengeur en de heldere
-tonen der nachtegalen kwamen. Hij deed het zonder bedoeling en hij
-dacht niet meer aan de voorspelling van den grijzen zeegod. Hier en
-daar zag hij in de schemering van het woud uit de verte iets
-schitterends door de takken blinken. De vogels, die den wandelaar van
-tak tot tak huppelend en zingend als ’t ware hadden vergezeld,
-verstomden nu en schenen met schalksche blikken op hem neer te zien. En
-in plaats van hun gezang deed zich hier en daar in de toppen der boomen
-een sterker wiekgeklap en een zacht lachen hooren, als van zwevende
-liefdegoodjes, die zich ten koste van den wandelaar vroolijk maakten.
-
-Nu zag Pericles de weelderige rozengaarde zelve, wier geuren hem straks
-reeds bedwelmend waren toegewaaid. Tusschen de takken door zag hij nu
-duidelijker die schitterende gedaante blinken, als met purper, goud en
-verblindend wit gewaad omhangen. Hij naderde en het gelukte hem, juist
-van den kant, vanwaar hij kwam, zijn oog dieper in het loof te doen
-doordringen. Te midden nu van deze weelderige rozenpracht, zag hij het
-bekoorlijkste tooneel, dat men zich voorstellen kan.
-
-Omgeven door een schaar lieve knapen, in purperen kleeding, met gouden
-vleugels aan de schouders en gouden pijlen in zilveren kokers aan hunne
-zijde, stond eene vrouwelijke gestalte in sneeuwwit gewaad, met een
-gouden gordel om het midden en met rozenkransen omwoeld. Het gelaat der
-schoone kon Pericles onmogelijk duidelijk zien; want juist toen hij
-naderde waren de liefdegoodjes met overmoedigen ijver bezig het hoofd,
-de borst en het geheele lichaam der vrouw al dichter en dichter met
-rozenkransen te omwinden, dat het daaronder schier geheel verdween.
-Pericles dacht aan de legende, die zijn Milesische gastvriend hem had
-medegedeeld, dat in deze gaarde de Godin Aphrodite somwijlen zich in
-hare heerlijke gestalte vertoonde, en het kwam hem niet ongerijmd voor,
-dat die onder rozen schier bedolven schoone eene Godin was.
-
-Nadat de gevleugelde knapen de slanke vrouwengestalte geheel met
-rozenbanden omstrengeld hadden, trokken zij haar aan die zelfde banden
-op een leger van bloemen neder en bevestigden lachende de einden der
-kransen aan de stammen en struiken. Daarna bestrooiden zij de geboeide,
-terwijl zij vroolijk om haar heen dansten, steeds met rozen, die zij
-van zwaar beladen takken der dichte struiken afplukten.
-
-Bij het gezicht van den vreemdeling sprongen de kleine Eroten allen
-lachend weg en lieten de geketende achter. Pericles trad de priëel
-binnen. Nu klonk uit het bloemengraf de bede van de gevangene tot den
-vreemdeling, om haar te bevrijden.
-
-Pericles verbrak eene der rozenketenen, schoof de rozen ter zijde, die
-het hoofd en het aangezicht van de vrouw bedekten, en de stralende
-oogen van Aspasia schitterden hem tegen...
-
-Het gevoel, dat zich in het eerste oogenblik van Pericles meester
-maakte, was dat van ongekende vreugde. In het volgende oogenblik echter
-werd het gemengd met verbazing, die zulk eene verrassing bij hem moest
-opwekken. En reeds zweefde eene ernstige vraag op zijn lippen naar de
-omstandigheden, waardoor hem deze onverwachte vreugde was bereid.
-
-Doch nu stond Aspasia op, schudde de rozenketenen van zich af en zeide
-met hare zacht betooverende, zilveren stem:
-
-„Weet dan, dierbare Pericles, dat ook ik, evenals Socrates, mijn daemon
-heb, die in beslissende oogenblikken mij toefluistert, niet alleen wat
-ik nalaten, maar ook wat ik doen moet. Deze daemon nu heeft, toen uw
-laatste schrijven van Samos mij meldde, dat de vrede gesloten, dat
-Theodota te Samos aangekomen was en gij van plan waart naar Milete te
-vertrekken, zich oogenblikkelijk in mij doen hooren en mij gelast
-onmiddellijk een schip te beklimmen en u te Samos of zoo gij daar niet
-meer waart te Milete op te zoeken. Wellicht wilde de daemon mij het
-schoonste, dubbele geluk doen smaken, Milete niet zonder u en u alleen
-te Milete weder te zien. Ik kwam te Milete, ik begaf mij naar uw
-gastvriend Artemidorus en hoorde van de verrassingen, die de schoone
-Theodota uit eigen beweging en op aansporen van anderen, u in deze
-gaarde, aan Aphrodite geheiligd, wilde bereiden. Ik hoorde van de
-maatregelen, die reeds met behulp van den grootmoedigen Artemidorus
-genomen waren, maar ik vond het beter in overleg met dien zelfden
-Artemidorus, de verrassende rol, welke Theodota wilde spelen, op dit
-tooneel zelve te vervullen. Artemidorus dus hebt gij het te danken, dat
-de liefdegoden niet Theodota, maar mij op deze plaats u geketend hebben
-overgeleverd.”
-
-„Voor mij,” hernam Pericles, „hebt gij de legende van de verschijning
-der Godin der liefde in dit woud bewaarheid; voor mij zijt gij de Godin
-der liefde, de Godin van het geluk, en boven alles, veroorloof mij dit
-er bij te voegen, de Godin der verrassingen.”
-
-„Is er wel een geluk denkbaar zonder verrassingen?” vroeg Aspasia.
-
-Een vertrouwelijk gesprek vereenigde de beide minnenden nog een
-geruimen tijd op die bekoorlijke plek. Zij hadden, zooals alle
-gelieven, na eene lange scheiding, elkander duizenden dingen te zeggen.
-
-Maar toen kussen de woorden dreigden te vervangen en de schemering
-inviel, sprongen plotseling weder de liefdegoden uit de struiken te
-voorschijn en wilden Pericles, met nieuwe kransen die zij gevlochten
-hadden, eveneens omstrengelen en ketenen.
-
-„Pas op voor die kleinen!” zei Aspasia. „Het is tijd om heen te gaan en
-voor heden afscheid te nemen. Uw weg is ver; de mijne korter; want mij
-is door Artemidorus dat kleine, bekoorlijke tuinhuis ingeruimd, dat,
-weinige schreden van hier gelegen, alleen door het dichte myrthenbosch
-halverwege voor onze blikken verborgen is. Daarheen wil ik mij begeven.
-Keer gij echter, dierbare Pericles terug naar Artemidorus, naar uw
-vriend Hipponicus en naar de schoone Theodota, de verleidelijke
-Corinthische met hare vurige oogen!”
-
-Op deze woorden van Aspasia barstten de liefdegoden in een luid,
-vroolijk gelach uit, terwijl zij hunne ketenen nog vaster om Pericles
-wonden en deze stemde in met hunne vroolijkheid, en ten laatste ook
-Aspasia zelve. De liefdegoden echter vormden met Pericles en Aspasia
-eene bekoorlijke groep, die door rozen omwonden en door kleine Geniën
-[278] voortgetrokken, tusschen de myrthen- en rozenboschjes verdween.
-De stilte des nachts heerschte in het eenzame woud; alleen nog sloegen
-de nachtegalen en geurden de rozen.
-
-En Pericles vond een zoeter geluk bij Aspasia, dan hij ooit gesmaakt
-had bij de Corinthische met hare vurige oogen.
-
-Want niet het oogenblik, waarin een vurig minnend paar voor de eerste
-maal zich in onbeschrijfelijke zaligheid verliest, is het zoetste van
-het leven; dat echter is het, waarin de minnenden na lange scheiding,
-na lange ontbering elkander wedervinden. De weelde der eerste omhelzing
-is gelijk aan de vlam van het groene hout, dat niet zonder onaangenamen
-rook en heftig knetteren brandt; voor de minnenden echter, die elkander
-wedergevonden hebben, flikkert de vreugdevlam hoog en helder
-ongehinderd opwaarts.
-
-Toen op den morgen na dien nacht Pericles en Aspasia hand in hand uit
-het tuinhuis van Artemidorus in de van dauw parelende gaarde traden,
-geleken zij zelven twee heerlijke gestalten, door den fonkelenden
-morgendauw besprenkeld. En evenmin als de zoete tonen in de kelen der
-vogels verstomd of de bedwelmende geuren der zwellende rozekelken
-verdwenen waren, zoo min was de liefde in beider minnende harten
-verkoeld.
-
-Zij klommen eene der kleine hoogten, van waar men een vrij gezicht had
-op de stad, de zee en het strand, op den kronkelenden Meander, die met
-palmen, laurieren en kuischlamstruiken omzoomd, als een zilveren koord
-zich slingerde door de velden, op den blauwen Latmus in het verschiet
-en het meer Biblis, waarover bontgevederde watervogels hunne wieken
-uitspreidden. Pericles echter liet zijne blikken weiden over de tinnen
-der stad, liet ze een oogenblik rusten op de trotsche Atheensche
-triremen in de haven en sloeg toen het oog ver over de zee, waar Samos
-lag, in nevelen gehuld, de plaats, waar hij een jaar zijns levens met
-mannelijken moed aan zijn vaderland had ten offer gebracht. Toen weder
-zijn blik op de schoon gebouwde stad vestigende, prees hij hare
-vroolijke, prachtige ligging en den opgewekten, levenslustigen geest
-harer bewoners.
-
-„Nog is Milete prachtig en zijne bewoners levenslustig,” hernam
-Aspasia. „Maar de vaderlandslievende burgers denken terug aan den tijd,
-toen Milete de beheerscher was dezer zee, toen het niet alleen rijk en
-weelderig, maar ook machtig en onafhankelijk was, toen het zijne
-koloniën uitzond tot op de verste kusten van den Pontus [279]. Deze
-tijd is voorbij: Milete is niet meer onafhankelijk en moet zich buigen
-voor het machtige, bloeiende Athene.”
-
-„Gij zegt dit bijna met bitterheid,” zei Pericles glimlachend, „maar
-bedenk toch, dat Milete, zoo het niet Atheensch was, Perzisch zou zijn
-geworden. Niet de stamverwante Helleen heeft uwe macht gebroken, maar
-de Pers, toen hij deze kusten met zijne drommen heeft overdekt. En
-hadden niet Atheners daar ginds bij Marathon en Salamis gestreden, een
-Perzisch satraap heerschte nu te Milete, evenals te Sardes. Wees niet
-verstoord op de Atheensche vloot, die beschermend haren arm boven deze
-kusten houdt uitgestrekt.”
-
-„Dan moest ik dus,” antwoordde Aspasia, „in plaats van verbitterd te
-zijn op den Athener, dankbaar zijn voorhoofd kussen?”
-
-Tegelijk gaf zij Pericles een kus op het voorhoofd; deze hernam:
-
-„Uw gevleugelde liefdegoden hebben gisteren dit Milete op den
-aanvoerder der machtige Atheensche vloot gewroken.”
-
-„Laat het u geen berouw veroorzaken,” zeide Aspasia, „aan dit Milesisch
-strand eene week van uw werkzaam leven gewijd te hebben. Eer de plaats,
-die niet alleen als het vaderland der weelderigste rozen en der fijnste
-wol in de wereld, maar ook als dat van de schoonste sprookjes beroemd
-is. Of zou er voor teedere harten iets liefelijkers kunnen bedacht
-worden, dan onze Milesische fabel van Eros en Psyche [280]?”
-
-„Gij hebt gelijk,” hernam Pericles; „maar,” vervolgde hij schalks
-lachende, „zoover ik weet, is ook de fabel van de „Weduwe van Ephese”
-onder deze hemelstreek gedicht, als het ten minste eene fabel heeten
-mag.”
-
-„Waarvan de strekking volgens de gewone opvatting is,” viel hem Aspasia
-in de rede, „dat de vrouwen meineedig, weifelmoedig en trouweloos zijn.
-Maar het is eene slechte fabel, die niet meer dan ééne beteekenis
-heeft, niet meer dan ééne waarheid in zich bevat. Vergun mij dat ik de
-weduwe van Ephese onder mijne bescherming neem. Zij werd haar dooden
-echtgenoot ontrouw. De liefde echter hangt zoozeer met het leven samen,
-dat eene liefde en trouw tot over het graf, een leven, dat zich aan een
-lijk laat koppelen, een onding is. De bloedelooze schimmen in den Hades
-mogen zich niet met het bloed van de levenden voeden.”
-
-Zoo spraken zij beiden vertrouwelijk en opgeruimd. Toen kwam
-Artemidorus en verweet Aspasia schertsend, dat zij hem zijn gast had
-ontnomen; nadat hij beiden tot een ontbijt had genoodigd, voerde hij
-hen op een sierlijken, met witte paarden bespannen wagen naar den
-overouden, beroemden tempel van Apollo en naar het heiligdom van de
-Cybrische Godin aan het vlakke strand der zee, door ruischend riet
-omzoomd en door gele halcyonen [281] bevolkt. Zij voeren langs de
-schoone zeekust en op den terugtocht bestegen zij eene boot, om zich
-over de zachte, donkerblauwe golven te laten roeien naar een boschrijk
-eiland, dat de slaven van Artemidorus aanstonds weder in een klein
-paradijs omschiepen, door bonte, mollige tapijten uit te spreiden en
-kostelijke gaven van elke soort aan te bieden.
-
-Zoo vervloog de dag even snel als de nacht voorbij was gegaan en
-wederom hoorden zij beiden elkander geheel toe in de eenzaamheid van
-den lusthof, die alleen door het gekweel der nachtegalen werd
-verstoord.
-
-Artemidorus had Aspasia nu geheel aan zijn gast afgestaan en het was
-niet alleen de begeerte om Pericles eer te bewijzen, maar ook de
-overdadige grootmoedigheid, die hem eigen was, die hem zijne schoone
-landgenoote alle mogelijke hulp deden bieden, die zij noodig had, om
-haar vriend de idyllische eenzaamheid van den myrthenhof met de
-afwisselende betoovering van eene onuitputtelijk vindingrijke liefde te
-kruiden.
-
-En Aspasia maakte niet minder gebruik van deze hulpmiddelen, dan van
-diegene, welke de natuur zelve nog kwistiger dan de rijke Artemidorus
-in haar bekoorlijk, betooverend karakter en uiterlijk had nedergelegd.
-
-Het hoogste, edelste genot van den geest en der zinnen vierde in deze
-beide door de Goden beminde zielen zijn zeldzaam, zalig feest. Vele en
-groote dingen had Pericles geschapen en volbracht, tot veel schoons en
-onvergankelijks had Aspasia hem bezield, terwijl zij de brandende vonk
-van haar geest, de schoonheid, naar alle zijden deed spatten. Maar het
-schoonste en goddelijkste volbrachten beiden, terwijl zij elkander
-liefhadden en gelukkig waren: zoo gelukkig, als niet de gewone menschen
-konden worden, maar alleen zij, die het beeld der godheid in zich
-omdroegen. Over datgene, wat zij bezielden, schiepen, volbrachten,
-mochten de stervelingen zich verheugen; op hun reine liefde zagen de
-zalige Olympiërs zelven met voldoening neder. Het ideaal van het
-menschelijk geluk in de schoone vreugde des levens en der liefde te
-verwezenlijken, scheen in die Halcyonische [282] dagen van Milete
-beiden zelven als het beste deel hunner bestemming...
-
-Inderdaad genoten Pericles en Aspasia voor de eerste maal ten volle het
-geluk hunner liefde in deze eenzame plaats. Maar de schoonste
-wijkplaats van ongestoorde eenzaamheid, schooner en ongestoorder dan de
-bloemengaarde en het tuinhuis konden opleveren, had de tooverhand van
-Aspasia geschapen. Het open, platte dak van het huis, door de toppen
-van hooge pijnboomen en cypressen omruischt, was door haar in eene
-kleine lustgaarde herschapen. Door bloeiend heestergewas en bloemen,
-die op hooge stengels wiegelden en den rand aan alle kanten omzoomden,
-en door purperkleurig linnen, waardoor men het geheele terras als een
-tent kon bedekken, was deze wijkplaats aan de oogen der buitenwereld
-onttrokken. In dit bloemenpriëel, van de wereld afgesloten, alleen voor
-de beide gelieven toegankelijk brachten zij zalige uren door. Hier
-genoten zij de veilige eenzaamheid van een gesloten vertrek, zonder de
-benauwde lucht daarmede verbonden. Zij hadden den vrijen aether boven
-zich en gevoelden den weldadigen adem van de zachte, geurige en
-verfrisschende koeltjes uit het woud. De eenzaamheid der myrthen, de
-eenzaamheid van het huis voldeden hun niet; evenals teedere duiven,
-vlogen zij naar het dak, naar dat zalige, zonnige plekje, en alleen wat
-met vleugels voorzien was, kon hen daarheen volgen; de duiven, de
-pauwen, de tjilpende vogels. Hier rustten zij te midden der bloemen,
-hier liet Aspasia haar vriend de zangen der dichters hooren, die in
-haar mond eene wonderlijke bekoorlijkheid kregen, hier snoerde zij hem
-bij den klank der snaren in het zilveren net harer tonen, met de
-betoovering harer smeltende stem, die het gemoed van den hoorder tot
-zaligheid stemden, hier vertelde zij hem liefelijke Milesische
-sprookjes, hier keuvelden zij nu eens onverstandig als kinderen, dan
-weder diepzinnig als oude wijsgeeren. Hier konden zij de purperen
-doeken om zich en over zich heen trekken en als Goden, in een Olympisch
-rooskleurig licht gehuld, in verheerlijkte gestalte onder eene
-vriendelijke schemering ademen. Of zij konden den helderen glans der
-zon naar binnen laten stroomen en de minnaar kon het gelaat en de
-gestalte der geliefde, door het verblindend witte licht bestraald, en
-door de terugkaatsing der groene heesters tooverachtig beschenen, in
-verhoogde bekoorlijkheid als een aetherisch wezen bewonderen.
-
-Aspasia kleedde zich naar Milesisch gebruik, nu eens in het purper, dan
-weer in het zeeblauw, soms in vuurkleurig, niet zelden in saffraangeel
-gewaad. Zij hield er van haar vriend in telkens afwisselende gedaante
-te verschijnen. Zij ontleende gewaad, houding, gestalte, uitdrukking,
-gang nu eens aan deze dan weder aan gene Godin of Heroïne [283], en op
-verlangen van Pericles voerde zij voor hem mimische dansen uit, die met
-deze afwisselende gedaanten overeenkwamen en die in kunstvaardigheid en
-bekoorlijkheid alles overtroffen, wat de schoone Theodota ooit ten toon
-had gespreid.
-
-Bij die verwisselingen van zijn onvergelijkelijke vriendin kon Pericles
-niet nalaten zich de verzen van den grijzen zeegod te herinneren, die
-deze hem had toegesproken, toen hij zonder het te weten den weg insloeg
-om Aspasia te vinden. Die verzen, welke hem het schoonste geluk
-beloofden en hem aanrieden:
-
-
- „Houd het, o held, slechts vast, met sterke vuist, als gij thans
- mij doet!
- „Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk!”
-
-
-„Ik zal u moeten vasthouden, gelijk den voorspellenden, van gedaante
-verwisselenden Proteus, opdat gij mij niet in uwe metamorphosen
-ontsnapt,” zei Pericles schertsend tot Aspasia.
-
-„Hoe wilt gij het aanleggen om mij vast te houden?” vroeg de
-Milesische.
-
-„Dat wenschte ik gaarne van u zelve te hooren,” hernam Pericles.
-
-„Toch niet naar Atheensch gebruik in eene kooi, met stevige tralies?”
-vroeg Aspasia.
-
-„Wat voor kooi bedoelt gij?” zei Pericles.
-
-„Die kooi,” antwoordde Aspasia, „die gij mannen het vrouwenvertrek in
-uw huis pleegt te noemen.”
-
-„In die kooien,” zei Pericles na een korte pauze, „zijn wellicht alleen
-Telesippe’s, doch geen Aspasia’s opgesloten te houden.”
-
-De Milesische antwoordde met een glimlach.
-
-Het was haar genoeg, dat woord daar los heen te hebben geworpen, om in
-de ziel van Pericles overdacht te worden.
-
-Het gebeurde eens, dat Pericles met Artemidorus, in Aspasia’s
-afwezigheid, over haar sprak.
-
-„De sagen en legenden van alle tijden,” zei Artemidorus, „berichten van
-tal van helden, die voor langer of korter tijd in de macht van schoone
-vrouwen zijn geraakt. Odysseus, die naar zijn huiselijken haard
-smachtte, hield de schoone nimf Calypso jaren lang in hare grot terug.
-Den vromen Aeneas wist de minnende Dido [284] te veroveren, zelfs den
-sterksten der sterken ketende de schrandere Omphale [285] een tijdlang
-aan haar spinrokken. Maar geene van al die vrouwen vermocht het, de
-geketende mannen voor altijd te boeien: hare betoovering week, de
-banden werden geslaakt, de ontevreden held trok het roestige zwaard of
-haalde de vergeten knots uit den schuilhoek te voorschijn, kalefaterde
-op een goeden dag zijn half verrot vaartuig weder en trok na een
-vluchtigen afscheidsgroet aan de schoone op nieuwe avonturen uit. Zoo
-zou ook Aspasia’s betoovering wel verdwijnen, als gij in deze
-vreugdevolle wijkplaats voortdurend met haar moest verkeeren.”
-
-„Voorzeker,” zeide Pericles, „als Aspasia Theodota was, als zij niets
-bezat dan de bekoorlijkheid van haar lichaam. Doch er zijn middelen,
-waardoor de minnaar voor altijd geboeid kan worden. Ik spreek van
-diegene welke gewone vrouwen aanwenden, in de meening dat zij door
-geveinsde preutschheid of door grillen en plagerijen en bezwaren,
-waarmede zij den geliefde kwellen, haar bezit zullen doen op prijs
-stellen. Er zijn bevoorrechte vrouwelijke naturen, wien het vergund is
-in weerwil van onbeperkte overgave, waardoor het geluk der vrouwen
-doorgaans schipbreuk lijdt, juist door deze den geliefde met steeds
-vaster boeien te kluisteren. Moest ik dat onnoembare, waardoor haar dit
-gelukt, een naam geven, dan zou ik het slechts charis kunnen noemen:
-die wonderlijke vereeniging, van bekoorlijkheid en bevalligheid,
-vleiend zonder opdringen, het gemoed vervroolijkend als de lach der
-Olympische Goden. Deze charis, geloof ik, is de betoovering, die
-Aphrodite in haar gouden gordel bewaart. Duizend droeve wolken
-verdonkeren den hemel der geliefden: alleen de charis weet ze te
-verdrijven: alleen in de stralen der schitterende, opgeruimde
-blijmoedigheid der ziel verdwijnt al het droefgeestige. Alleen door
-haar adem wordt al het ruwe en harde verzacht. Haar wordt alles vergund
-en alles vergeven, omdat zij geene wonde slaat of ze heelt die
-oogenblikkelijk. Aspasia bezit deze blijmoedigheid van ziel, dezen
-charis, deze gordel van Aphrodite en daarmede alleen verijdelt zij
-spelende alle pogingen van Theodota. Want ik ken de vrouwen en weet,
-hoe zeldzaam, hoe eenig in de wereld datgene is, wat Aspasia bezit.”
-
-„Ik versta u volkomen,” zei Artemidorus; „wat gij zegt, heb ik dikwijls
-ondervonden. De proefsteen van de vrouwen en van haar toovermacht is
-niet het genot, dat zij verschaft, maar de kunst, hoe zij de
-tusschenruimten tusschen de oogenblikken van zalig genot weten aan te
-vullen.”
-
-„Aspasia verstaat het,” hernam Pericles, „ieder oogenblik eene
-schitterende vonk te laten opspatten, iets als een vuurpijl of ook als
-een schoone zeepbel, waarnaar men snel grijpen moet en dat het volgende
-oogenblik ons weer ontneemt. En dit alles doet Aspasia zonder
-inspanning, zonder dwang en gemaaktheid; zij doet het, omdat het haar
-van nature eigen is. En juist daarom, werkt zij onwederstaanbaar. De
-zalige uren der armen van geest zijn eene bekoring der zinnen, met
-doodelijke verveling verbonden; alleen uit de ziel welt datgene op, wat
-aan het zoetste duurzame waarde schenkt.”
-
-De dag naderde, waarop Pericles met zijne beide schepen weder naar
-Samos moest terugkeeren, om vandaar nog een kort uitstapje naar Chinos
-te maken. De vriendelijke tegemoetkoming der Milesiërs had het Pericles
-gemakkelijk gemaakt, om het plan, waarom hij te Milete gekomen was, te
-volvoeren; en zoo was het hem mogelijk geweest slechts het geringste
-deel van den tijd, dien hij zich te Milete ophield, aan politieke
-onderhandelingen te besteden, terwijl hij het grootste deel aan zijn
-innerlijk geluk had kunnen wijden.
-
-De gastvrije Artemidorus gaf den Atheenschen veldheer vóór zijn vertrek
-een feestmaal, waaraan ook Aspasia deelnam.
-
-Aan dit feestmaal zei Pericles tot zijn gastheer Artemidorus:
-
-„Geen wonder, dat de geheime betoovering van deze hemelstreek ook mij
-heeft bekoord en ik zeven dagen lang schier onbewust mij aan eene
-gelukkige werkeloosheid heb overgegeven. Men bemerkt het, dat gij,
-Grieken van deze kust, nabij de vurige Phoeniciërs woont, die het eerst
-de Godin der liefde vereerden, en nabij dat Cyprische eiland, dat die
-weelderige Godin op haar zegetocht uit de Sidonische golf naar Hellas
-de eerste rustplaats heeft aangeboden. En evenals uit het Zuiden de
-feestelijke bezieling der Cyprische Godin, zoo dringt van het Noorden,
-van de hoogten van den Tmolus, het feestelijk geruisch van Dionysus en
-van zijne voedster Rhea tot u door. Zoo zijt gij als het ware omringd
-en omruischt van de golven der feestvreugde dier Goden van het genot.
-Evenals uit overvolle uiers de melk, zoo wordt hier de dauw der
-weelderigheid uit den hoorn des overvloeds van die Goden en uit de
-duizend zwellende borsten van Artemis over u uitgestort. U, Milesiërs,
-zullen de vreeslijke, dweepzieke Orgiën op den Tmolus wel niet alleen
-van hooren zeggen, bekend zijn. Het zou mij verwonderen, zoo niet de
-een of ander uwer door nieuwsgierigheid gedreven, ten tijde der feesten
-zich in die geheimzinnige plaatsen van het naburige Lydië had gewaagd
-en, zij het dan ook misschien op een afstand, de razernij der
-Corybanten had gadegeslagen.”
-
-Bij deze woorden van Pericles toog er een wolk over het gelaat van
-Artemidorus en eene lichte zucht ontsnapte aan zijne borst, zoodat
-Pericles hem verwonderd en schier getroffen aanzag.
-
-„Mij zelven,” sprak Artemidorus, „heeft het noodlot eens daarheen
-gevoerd en ik zou u gaarne datgene, wat ik gezien en beleefd heb,
-verhalen, als er niet zoovele smartelijke herinneringen aan verbonden
-waren.”
-
-Deze woorden vermeerderden de belangstelling van Pericles en toen
-Artemidorus dit bemerkte, vervolgde hij:
-
-„Ik zie het wel, ik moet ook tegen mijn wil spreken en mijne
-onaangename gewaarwording rechtvaardigen door u eene mededeeling te
-doen, die de uitdrukking van uw gelaat, Pericles, van mij schijnt te
-verlangen. Welnu, luister:
-
-„Het is nog slechts weinige jaren geleden, dat ik den bekoorlijksten
-jongeling van Milete, mijn zoon mocht noemen. Hij was met alle gaven
-des geestes en des lichaams toegerust, doch tevens met eene onbeperkte
-verbeeldingskracht, die geen teugel kende, met een vurig, ja dweepziek
-gemoed. Het heeft nooit te Milete ontbroken aan jongelingen, die door
-de verhalen der razende orgiën op den Tmolus tot misdadige
-nieuwsgierigheid geprikkeld werden, en menigeen is aan de bewaking
-zijner zorgvuldige ouders ontsnapt, om zich bij die wilde rijen aan te
-sluiten; ja zelfs er waren tijden, waarin dat verlangen als eene soort
-pestziekte woedde. Ik overwoog, hoe ik eene dergelijke
-zinsverbijstering van mijn al te hartstochtelijken Chrysanthes zou
-afweren. Zooals ik gevreesd had, werd hij ook weldra door die ziekte
-aangegrepen. De tijd der Lydische feesten naderde. Chrysanthes was in
-het oogvallend stil en ingetrokken; zijne wangen verbleekten en hij zag
-er uit, alsof hij door een heimelijk, koortsachtig ongeduld werd
-verteerd. Reeds was ik besloten hem als gevangene in huis te behandelen
-en oppassers bij hem te plaatsen, die ieder zijner schreden zouden
-bewaken. Toch deed de toestand, waarin ik hem zag, mij vreezen, dat hij
-zou ontsnappen en daarbij voegde zich de gedachte, dat de jongeling,
-ten gevolge van zijn geheel onbevredigd verlangen, in eene gevaarlijke
-zwaarmoedigheid of in eene doodelijke ziekte zou vervallen en dat het
-heilzamer zou zijn, wanneer ik de begeerte, naar het scheen, zijner
-steeds toenemende nieuwsgierigheid ten deele bevredigde, althans op
-eene wijze, die geen gevaar voor hem na zich sleepte. Ik deelde hem
-mede, dat ik mij met hem naar den Tmolus wilde begeven en met hem de
-mystieke gebruiken der Corybanten wenschte gade te slaan. In mijn
-gezelschap onder mijne onmiddellijke hoede, moest toch de jongeling
-voor elk gevaar beveiligd zijn.
-
-„Eene reis van verscheidene dagen bracht ons tot ons doel. Wij
-bestegen, begeleid door een slaaf, die levensmiddelen voor één dag
-droeg, den boschrijken, nog eenzamen Tmolus en wachtten het oogenblik
-af, waarop de wilde troep der Corybanten uit Sardes de berghelling zou
-bestijgen.
-
-„Het orgiastische lentefeest was reeds den vorigen dag daarmede
-begonnen, dat men den grooten pijnboom van den Tmolus had geveld en
-omwonden met kransen van de tallooze lenteviooltjes, die in de kloven
-van den Tmolus groeiden; den boom, zóó bekranst, sleepte men onder
-uitbundig gejubel naar den tempel van Cybele, om hem aan de alles
-voortbrengende moeder der Goden als lenteoffer te wijden.
-
-„Nog bleef het grootste en luidruchtigste deel van het feest over. Een
-dof geraas drong tot onze ooren door nog voor wij in de avondschemering
-de naderende schaar der Corybanten konden zien. Wij verborgen ons bij
-hare nadering in het dichte struikgewas, om ongemerkt getuigen te zijn
-van haar dolle waanzin.
-
-„De zwerm naderde, het geraas werd oorverdoovend. Ieder dezer
-Corybanten, van welke verscheidene geheel naakt, andere slechts met het
-ruige vel van een wild dier om de lendenen bekleed waren, droeg een
-tamboerijn, waarop hij met alle geweld sloeg en een doffen toon deed
-hooren, of een rammelend bekken; sommigen bliezen op eene fluit of
-hoorn, anderen hadden zwaarden en schilden in de handen, die zij tegen
-elkander sloegen. Doch boven al dat gekletter van metaal en
-muziekinstrumenten klonk het geschreeuw, of liever het gebrul uit, dat
-een jubelzang ter eere van den verlorenen en nu wedergevonden jongeling
-Attis, den lieveling en bode van de alles voortbrengende moeder Rhea,
-moest voorstellen. Van den verloren en wedergevonden Attis zongen zij,
-maar het was de uit haar doodslaap ontwaakte, wild opbruisende
-teelkracht der natuur, die deze menschen niet alleen vierden, maar ook
-in zich zelven tot waanzinnige bedwelming lieten opbruisen. De schaar
-werd aangevoerd door Cybele-priesters, die helder brandende pijnfakkels
-in de eene hand, in de andere scherpgeslepen kromme messen droegen, die
-zij met de uitdrukking van dweepzucht, verwoed zwaaiden. De gang dezer
-menschen mocht geen loopen heeten, veeleer een woest springen en dansen
-onder allerlei verwringingen, onder begeleiding van een oorverdoovend
-geraas van zwaarden en muziekinstrumenten.
-
-„De gezichten van allen waren hoog rood; sommigen zelfs met
-donkerblauwe vlekken geteekend; de oogen schenen uit hunne kassen te
-zullen springen en velen stond het schuim op den mond. Daarbij schudden
-zij woest de lange, golvende lokken, die voor het meerendeel uit
-vreemde haren kunstig samengevoegd, om de slapen fladderden en die hen
-een half mannelijk half vrouwelijk uiterlijk gaven. De wilde of tamme
-dieren, die op weg in hunne handen waren gevallen, sleepten zij met
-zich mede. Aan de spits van den zwerm werd een panther gevoerd. Eenigen
-zagen wij met slangen, die zij opgeraapt hadden, in de handen en
-speelden daarmede onbevreesd alsof het kransen of linten waren.
-
-„Terwijl de tierende schaar langs ons heenstormde, zag ik den jongen
-Chrysanthes naast mij door eene toenemende ontroering aangegrepen. Hij
-zweeg, maar zijn gelaat gloeide, zijn oog staarde wezenloos op de dolle
-feestvierende schaar en hij begon eenige bewegingen, die hij bij de
-razenden opmerkte, onbewust na te doen.
-
-„Niet verre van de plaats, waar wij in het geboomte verborgen waren,
-strekte zich eene groote vlakte uit, door reusachtige pijnboomen
-ingesloten en met allerlei kruiden begroeid. Hier hield de troep stil,
-doch niet om te rusten maar om nog doller te woeden. De meegesleepte
-dieren werden in het midden geplaatst, ook de priesters sloten zich
-daarbij aan en rondom hen schaarden zich de Corybanten.
-
-„Op een bezielend woord van den priester, stortten zij zich op den
-panther en de overige dieren, scheurden ze in stukken, eerst met de
-handen, vervolgens met de tanden, slurpten hun warm bloed en staken de
-overblijfsels van het bloedende vleesch aan hunne Thyrsusstaven [286],
-als op spiesen. Toen begonnen zij, onder nog sterker geraas der pauken
-en cymbalen [287] en koperen werktuigen, in de rondte te dansen, de
-groote, alles voortbrengende moeder prijzende en de alles bezielende
-teelkracht, de onuitputtelijke kracht van genot en liefde, wier beeld
-voor hunne oogen werd ten toon gesteld.
-
-„De wilde dieren vloden voor het woest getier in de verwijderdste
-schuilhoeken; een leeuw stoof verschrikt in dolle vaart vlak langs mij
-en Chrysanthes door het geboomte. En waarlijk, de fanatieke kreten, het
-rookende offerbloed, het zwaaien der brandende fakkels en bovenal het
-geraas der tamboerijnen, moesten mensch en dier verschrikken of in de
-wildste onstuimigheid brengen. Ik zelf verloor schier mijne bezinning.
-Toen deed Chrysanthes plotseling een poging om zich van mij los te
-rukken. Ontzet zag ik hem aan en bemerkte, dat hij in zijn geheele
-uiterlijk reeds aan die razenden gelijk was. Ik hield hem vast, maar
-reuzenkracht in zijne jeugdige leden ontwikkelend, maakte hij zich los
-en voortstormend sprong hij van een rotswand, zoo hoog en steil, dat
-alleen door een wonder zijne leden niet verbrijzeld werden, midden
-onder die razenden, en evenals de schuimende vloed een droppel, zoo
-verzwolg hem de dolle schaar.
-
-„Van schrik en ontzetting radeloos stond ik daarbij bijna zinneloos.
-
-„De woeste dans ging voort voor mijn benevelden blik. Sommigen stortten
-als dood neder, stonden weder op en begonnen opnieuw.
-
-„Wederom klonken kreten der zinneloozen, vergezeld van teekenen en
-wonderlijke gebaren, door het rumoer heen. En toen de razernij ten top
-was gestegen, traden eenigen uit den troep te voorschijn en trachtten
-hunne woorden te doen verstaan, waarvan echter slechts weinig
-verstaanbaars tot mijn oor doordrong.
-
-„Het duizelde mij voor de oogen, ik zag niets dan een woesten troep
-zich door elkander bewegen, waarin de dolsten zich met flikkerende
-klingen wondden, verminkten—ik dacht aan Chrysanthes—het werd nacht
-voor mijne oogen, ik zonk buiten kennis op den grond.
-
-„Toen ik mijn bewustzijn herkreeg, was de maan in al haar glans
-opgegaan, de Corybanten waren verder getrokken, het geluid van het
-tympanon [288] klonk uit de diepte van het woudgebergte, als de donder,
-die in de verte ratelt.
-
-„Ik begaf mij naar het naburige Sardes, den zetel van de priesterschap
-Cybele, omdat ik daar het eerst iets aangaande het lot van mijn
-Chrysanthes hoopte te vernemen, of ik soms den geliefden verloren zoon
-mocht kunnen terugvinden.
-
-„En ik vond hem terug; het werd mij gebracht op eene baar, uit de
-pijnboomtakken van den Tmolus gevlochten, gewond, verminkt, bloedend.
-
-„De jongeling in den bloei zijner jaren en schoonheid lag daar voor
-mijne oogen, gelijk die met viooltjes omkranste pijnboom, geveld op den
-Tmolus door het mes der Corybanten, als een dankoffer aan de alles
-voortbrengende Godin...”
-
-Zoo luidde het verhaal van Artemidorus.
-
-De vroolijkheid van het feestmaal was verdwenen.
-
-Toen het afgeloopen was en Pericles zich met Aspasia alleen bevond,
-zeide hij:
-
-„Milete is schoon en het verhaal van Artemidorus zal mij de herinnering
-aan de zaligste dagen mijns levens, die de Goden mij ooit schonken,
-niet geheel en al treurig maken. Doch ik gevoel dat het tijd is den
-voet van dit gloeiend strand weder op het snelle schip te zetten, en
-mijne schier beklemde borst zal eerst weder ten volle vrij adem halen
-in de zachte, vaderlandsche Attische lucht!”
-
-
-
-
-
-
-
-XIII.
-
-DIOPITHES EN HIPPARETE.
-
-
-Aspasia bevond zich verkleed in mannengewaad op het schip, dat den
-Atheenschen strateeg naar zijne vloot vóór Samos terugvoerde. Toen de
-triëre uit de haven roeide, in de open zee, schitterend in de stralen
-der zon, wierp de Milesische aan de zijde van haar vriend nog een blik
-naar het bloeiende Ionische strand. Troepen van kraanvogels en
-langhalzige zwanen vlogen over de beemden en lieten zich klapwiekend
-neder op den ruischenden oever. Aspasia’s blikken echter hingen aan de
-verdwijnende tinnen van hare vaderstad. Haar gemoed was doordrongen van
-het vaste gevoel, dat zij hier op de plaats, waar zij het levenslicht
-had aanschouwd, den schoonsten triomf haars levens had gevierd en de
-betooverende keten der liefde vaster dan ooit, ja onverbreekbaar om den
-gevierdsten Helleenschen man van zijn tijd had geslagen. Ook Pericles
-staarde met helder schitterend oog terug naar het wijkend strand van
-Ionië: hij dacht aan de zoet doorleefde dagen en hoe zijne
-onvergelijkelijke vriendin als een vrouwelijke Antaeüs [289] uit de
-aanraking van haar geboortegrond, als ’t ware verdubbelde kracht tot
-overwinnende, onwederstaanbare bekoorlijkheid had verkregen.
-
-„Bijna zou ik kunnen klagen,” zei hij, „dat de uren van zaligheid, in
-Milete gesleten, voorbij zijn; maar hoe zou mij de gedachte niet
-bevredigen, dat ik u zelve, als den schoonsten buit, weder met mij
-voer?”
-
-„Overal,” hernam Aspasia, „zal ons het geluk en de liefde volgen;
-slechts ééne zaak laten wij achter, om ze misschien nimmer weder te
-vinden: de gelukkige eenzaamheid, die wij hier hebben genoten en de
-schoone vrijheid van alle knellende banden.”—
-
-Pericles boog het hoofd en zag peinzend vóór zich uit.
-
-„In Athene teruggekeerd,” vervolgde Aspasia, „zijt gij weder de
-staatsbestuurder, op wiens doen en laten aller oogen gericht zijn; zijt
-gij weder burger van Athene, door de strenge wet der overlevering
-gebonden, zijt gij weder Telesippe’s gemaal—en ik—ik ben weder de
-vreemde, de van vaderland beroofde, de van recht verstokene, ik ben
-weder, zooals uwe echtgenoote en hare vriendin zich uitdrukken, de
-hetaere van Milete.”—
-
-Pericles hief langzaam het hoofd op en zag zijne vriendin scherp in het
-gelaat. „Hebt gij iets anders verlangd Aspasia,” sprak hij, „hebt gij
-niet altijd den echt als eene slavernij bespot en het vrouwenvertrek
-van den Athener als eene gevangenis?”
-
-„Ik herinner mij niet, Pericles,” hernam Aspasia, „dat gij mij
-werkelijk ooit gevraagd hebt, aan welken staat ik de voorkeur gaf, aan
-dien van hetaere of van Atheensche echtgenoote.”
-
-„En wanneer ik het deed,” zei Pericles, „wanneer ik u de keuze
-voorstelde, welk antwoord zoudt gij mij geven?”
-
-„Ik zou u zeggen,” hernam Aspasia, „dat ik noch het een noch het andere
-zou kiezen; dat ik vrijwillig noch hetaere zou willen zijn, noch de
-echtgenoote van een Athener.”
-
-Pericles was getroffen.
-
-„De echtgenoote van een Athener?” herhaalde hij toen; „gij schijnt dus
-niet elke echtverbintenis, maar alleen de Atheensche te versmaden; zeg
-mij toch, waar ter wereld het ideaal eener echtverbintenis te vinden
-is, die uwe goedkeuring wegdraagt?”
-
-„Ik weet het niet,” hernam Aspasia; „ik denk dat die wel nergens te
-vinden zal zijn; maar ik draag dat ideaal in mijn binnenste.”
-
-„En wat zou er noodig zijn, om datgene wat gij in uw binnenste draagt
-te verwezenlijken?” vroeg Pericles.
-
-„Wanneer er eene echtverbintenis zijn moet,” hernam Aspasia, „dan moet
-zij gegrondvest zijn op de wet der vrijheid en op de wet der liefde.”
-
-„En wat zou ik moeten doen,” vroeg Pericles, „om dit ideaal met u te
-verwezenlijken?”
-
-„Gij zoudt mij alle rechten der gade moeten toestaan,” antwoordde
-Aspasia, „zonder mij één van de rechten te ontnemen, die gij tot nu toe
-aan de geliefde hebt gegund.”
-
-„Gij wilt dus,” zei Pericles, „dat ik Telesippe verstooten en u in hare
-plaats als meesteres mijn huis zal binnenleiden? Dat is mij
-begrijpelijk; maar wat gij overigens verlangt is mij niet duidelijk.
-Wat bedoelt gij met de rechten, die ik u niet ontnemen mag?”
-
-„Boven alles het recht om tusschen mij en u geene andere wet te
-erkennen, dan die der liefde,” antwoordde Aspasia. „Dan geniet ik
-dezelfde rechten als gij, evenals eene geliefde, dan ben ik niet de
-slavin, zooals de echtgenoote. Gij zijt de heer des huizes, niet de
-mijne; gij zijt tevreden met het offer van mijn hart, zonder mijn geest
-in boeien te slaan en mij tot de werkeloosheid eener dompige
-eenzaamheid in het vrouwenvertrek te doemen.”
-
-„Gij wilt mij derhalve u hart toewijden,” hernam Pericles; „de gaven en
-kracht van uw geest echter zullen, evenals thans, het goed van allen
-zijn. Gij wilt u niet ontzeggen in aanraking te blijven met alles, wat
-uwe verbeeldingskracht prikkelen, uw geest bezighouden en verrijken
-kan?”
-
-„Ja, dat is mijne meening,” riep Aspasia.
-
-„En wanneer wij de proef eens wilden nemen met zulk eene verbintenis,”
-zei Pericles, „weet gij of zoo’n proef mogelijk is, niet alleen uit het
-oogpunt van ’t gevestigd gebruik, maar ook uit het oogpunt der liefde
-zelve?”
-
-„Als ze u onmogelijk voorkomt, wie dwingt ons dan die te nemen?” hernam
-Aspasia glimlachend, terwijl zij haar vriend een teederen kus op het
-voorhoofd drukte, en aanstonds begon zij over andere dingen te
-spreken.—
-
-De weg naar Samos was spoedig afgelegd. Nadat Pericles hier eenige
-beschikkingen betreffende de vloot gemaakt had, beklom hij opnieuw eene
-triëre, om naar Chios te zeilen.
-
-„Hoe?” vroeg Aspasia schertsend, „koestert gij zoo groot verlangen uwe
-vroegere, schoone beminde terug te zien, die, zoo ik meen, bij den
-dichter Ion op Chios leeft?”
-
-Pericles beschouwde het als eene aardigheid en glimlachte.
-
-Ditmaal was Sophocles in het geleide van Pericles. De dichter was niet
-weinig verrast de Milesische in hare vroegere verkleeding op het schip
-van Pericles terug te zien.
-
-Zij was nu weder de bekoorlijke jongeling, wiens geheim slechts aan
-weinige ingewijden bekend was.
-
-Op Chios, het vaderland der edelste druiven die onder Griekschen hemel
-rijpten, welks bewoners de rijkste lieden van geheel Hellas geheeten
-werden, leefde de treurspeldichter Ion, een geboren Chiër, die met
-zijne treurspelen te Athene reeds menigen lauwerkrans had weggedragen.
-Wel is waar werd er gemompeld, dat hij de Atheensche burgerij door
-eenige vaten Chiërwijn, die hij ter gelegenheid van de opvoering van
-zijn eerste stuk het volk aanbood, voor zich en zijne tragedie gunstig
-gestemd had. Hij was zooals reeds deze mildheid bewees een der rijkste
-mannen van Chios en oefende daarom een grooten, staatkundigen invloed
-op zijn vaderland uit.
-
-Met Pericles stond Ion op geen goeden voet, sinds beide mannen
-mededingers naar de bekoorlijke Chrysilla geweest waren, en de dichter
-was nog steeds op Pericles verstoord, ofschoon de schoone ten laatste
-de zijne was geworden en den rijken, in weelde levenden man naar zijn
-geboorteland was gevolgd. Pericles betreurde dien wrok in het gemoed
-van zijn eenigen medeminnaar; want hij moest voor Athene van Chios
-eenige belangrijke voordeelen trachten te verwerven en hij vreesde, dat
-de invloedrijke Ion uit persoonlijke vijandschap hem daarin in den weg
-zou staan.
-
-Sophocles nam op zich Ion met Pericles te verzoenen, en daar niemand
-tot middelaar zoo van nature geschikt was als de beminnelijke dichter
-der „Antigone,” die alle menschen voor zich innam, gelukte hem ook die
-poging bij zijn kunstbroeder Ion zoo uitnemend, dat deze Pericles
-benevens Sophocles tot zich noodde en het zich tot eene eer rekende de
-beide Atheensche strategen gastvrij te onthalen.
-
-Slechts van den eenen morgen tot den anderen kon Pericles op Chios
-vertoeven, en nadat het grootste deel van den dag aan politieke
-onderhandelingen was gewijd, maakte Pericles, door Sophocles vergezeld,
-zich gereed om aan de uitnoodiging van Ion gevolg te geven.
-
-Maar niet zonder een derde begaven zij zich naar het huis van hun
-Chiïschen gastheer.
-
-Aspasia had er, niet zonder geheime bedoeling, op gestaan haar vriend
-ditmaal als slaaf verkleed te volgen en daar, werwaarts hij zich begaf,
-naar de gewoonte der slaven, die hunne heeren vergezelden, altijd in
-zijne nabijheid te blijven.
-
-De geheime bedoeling echter der Milesische was geene andere, dan de
-vernieuwde ontmoeting van Pericles en de schoone Chrysilla onschadelijk
-te maken en de aandacht haars vriends van Chrysilla en die der schoone
-van Pericles af te leiden. Pericles willigde het verzoek van Aspasia
-gaarne in en meende dat de reden daarvan alleen gelegen was in eene
-vergeeflijke nieuwsgierigheid zijner vriendin, om die Chrysilla eens te
-leeren kennen.
-
-Ion bewoonde een landgoed op de bekoorlijkste plek van het eerst
-steile, daarna zacht glooiende strand, rondom omringd door latten, die
-beladen waren met de rijpende gaven van Bacchus, beschenen door de
-koesterende zon.
-
-Hij voerde zijne gasten op een terras, dat op eene der liefelijkste
-vooruitspringende rotsen lag, door de zee omspoeld. Daarover slingerden
-zich de schoone wijnranken waaraan de Chiïsche druiven verleidelijk in
-dichte trossen hingen en tusschen welke aan het oog een verrukkelijk
-gezicht op de glinsterende zee en de bloeiende omliggende eilanden
-gegund werd.
-
-Naar dit liefelijke oord geleidde Ion zijne vrienden en nadat hunne
-oogen zich aan het bekoorlijk gezicht vergast hadden, verzocht hij hen
-zich neder te vlijen op mollige aanligbedden en verkwikte hen met
-kostelijke gaven. Het edelste Bacchusnat werd rondgediend in zilveren
-bekers.
-
-Chrysilla was ook tegenwoordig. Zij bloeide nog als eene roos, maar de
-bloei harer ledematen had zich in den loop van den tijd op Chios tot
-zulk eene weelderigheid ontwikkeld, dat de fijne kunstsmaak van den
-Athener de maat der schoonheid daarin miste. Zij geleek op eene
-trotsche, volle roos. Maar de roos is wel de weelderigste en geurigste,
-niet de schoonste der bloemen.
-
-Ion, die in den grond een goedhartig man was en een groot minnaar van
-het genot, ontving Pericles zonder zijn vroegeren wrok en met
-ongeveinsde hartelijkheid.
-
-Hij hief den beker in de hoogte, gevuld met den vurigsten, schuimenden
-wijn zijner gaarde en stelde een dronk in op het welzijn van Pericles
-en zijn vriend, den beroemden, edelen Sophocles.
-
-Maar toen Ion in zijn opgewondenheid verder ging en de beide mannen
-prees om hunne krijgsdaden, die zij als strategen vóór Samos hadden
-verricht, wees Sophocles voor zijn deel dien lof af en zeide, dat die
-onverdeeld aan zijn vriend Pericles toekwam.
-
-„En toch,” vervolgde Sophocles tot Ion en eenige voorname bewoners van
-Chios, die door dezen uitgenoodigd waren, „zoudt gij onbillijk zijn,
-als gij in Pericles boven alles den staatsman en veldheer wildet
-bewonderen. Van den roem zijner ondernemingen en scheppingen gaat de
-roep door geheel Hellas, maar deze maakt slechts melding van die
-eigenschappen van den grooten man, die gerucht verwekken en in verren
-kring schitteren. Ik weet daarentegen van zijne edele, onopgemerkte
-deugden meer dan ooit te spreken, sedert ik zijn strijdmakker geweest
-ben vóór Samos. Van de overwinningen, die hij daar bevochten heeft,
-weet gij; doch gij weet niet dat, toen ieder der vijftig rijke Samiërs,
-die hij als gijzelaars naar Lemnos zond, hem heimelijk een talent voor
-zijne loslating liet bieden, hij deze aanbiedingen, zoowel als de
-sommen, waarmede de Perzische satraap hem zocht om te koopen, van de
-hand wees. Anderen vertellen u, hoevele vijandelijke schepen hij in den
-grond heeft geboord, hoevele vijanden hij gedood heeft—ik zal u echter
-zeggen hoevelen hij uit medelijden gespaard heeft, hoe spaarzaam hij
-was met het bloed der zijnen en hoe ik hem een paar maal schertsend tot
-de soldaten heb hooren zeggen, dat, als het van hem afhing, zij eeuwig
-zouden leven. Hij vond „ijzeren handen” voor zijne schepen uit, opdat
-de handen van vleesch en bloed des te meer zouden gespaard worden. Gij
-weet dat hij een held is in de ure van den strijd; maar ik zeg u, dat
-hij een wijze is in de ure der rust en dat hij, als hij maar een
-oogenblik in het leger den tijd heeft, zijn soldaten wind en weer,
-zons- en maansverduisteringen en alle verschijnselen aan den hemel
-verklaarde, waarom velen hem voor een toovenaar hielden. Van zijne
-geleerdheid en wijsgeerigen zin hebben zij zoo’n hoogen dunk, dat velen
-thans voor zeker beweren, dat hij den Samischen vlootvoogd Melissus,
-een beroemd wijsgeer, meer door zijne groote krijgskunst, dan wel door
-zijne doodende sluitredenen op de vlucht heeft geslagen. Er was geen
-zachter en geen strenger, geen meer gevreesd en meer geliefd man in het
-leger dan hij, geen die meer zweeg, wanneer het spreken overbodig was
-en geen, die spraakzamer was, als het noodig was het zwijgen te
-verbreken. Dit wilde ik u van Pericles zeggen, opdat gij den edelen en
-voortreffelijken man als zoodanig moogt roemen, niet altijd alleen als
-strateeg en zeeheld; want in dit opzicht verdient hij wel is waar lof,
-maar niet onvoorwaardelijk, in zoover hij nadat hij zich vóór Samos zoo
-dapper had gekweten, te Milete naar ik hoor, zich minder moedig heeft
-betoond, ja zelfs zijne vloot en veldheersambt bijna vergeten had en
-eenige dagen langer dan noodig was in de baai daar voor anker heeft
-gelegen, wat ik als eene strategische fout beschouw.”
-
-Ion en de andere toehoorders lachten over deze slotwoorden van
-Sophocles; Pericles echter bedacht zich niet lang om de rede van zijn
-vriend te beantwoorden. Hij sprak het volgende:
-
-„Mijn ambtgenoot en vriend Sophocles hier wil u overreden, naar ik
-hoor, mij liever onder de wijzen dan onder de groote strategen te
-tellen. Gaarne zou ik, om hem niet met gelijke munt te betalen,
-omgekeerd van hem beweren, dat hij eerder tot de groote strategen dan
-tot de wijzen behoort, doch het ligt te zeer voor de hand om het te
-kunnen ontkennen, dat hij met mij in hetzelfde geval verkeert: van de
-krijgskunst namelijk en van datgene wat tot het zeewezen behoort
-verstaat hij, om zoo te zeggen, al heel weinig. Hij zal zijn leven lang
-veel gemakkelijker de namen van alle Nereïden [290] der zee onthouden,
-dan de benamingen van de bestanddeelen van eene goedgebouwde Atheensche
-triëre. Maar hij heeft ons gedurende dezen zeetocht als strateeg een
-prachtigen paeän op Asclepius [291] gedicht, die op de geheele vloot
-gezongen wordt en die, zooals onze stuurlieden en roeiknechten
-verzekeren, ons bij stormen op zee reeds de voortreffelijkste diensten
-heeft bewezen. En evenals zijn paeän de opgestuwde golven bedaart en de
-Goden der zeevaart goedgunstig stemt, zoo is zijn geheele wezen met
-zachte olie te vergelijken, die al het ruwe glad maakt, al het woest
-verbolgene bedaart. De matrozen op zijn schip doen wat zij behooren te
-doen, ook wanneer hij een verkeerd teeken geeft en zij houden hem wel
-is waar voor een in het zeewezen onervaren, maar toch als een door de
-Goden geliefd man. Wanneer uit mijn mond woorden van wijsheid komen,
-naar de menschen meenen, dan gelooven zij tevens, dat ik ze aan den
-Clazomeniër Anaxagoras ontleend heb; wanneer echter Sophocles den mond
-opent, zijn allen overtuigd, dat de Goden zelven hem die woorden in den
-droom hebben ingegeven. Zulk een man, mijne vrienden van Chios, is mijn
-medestrateeg Sophocles. Ik meen hem geprezen te hebben en ik zou den
-Goden danken, zoo de lof, dien hij mij toegezwaaid heeft, even wel
-verdiend is, als die, welken ik hem in deze woorden toebreng.”
-
-Zoo roemden, door de vurige gave van Bacchus opgewekt en ongeveinsde
-hartelijkheid onder het masker van goedhartige scherts verbergend,
-elkander de beide Atheensche scheepsbevelhebbers in den kring van
-vroolijke, krachtige mannen, onder de druiventrossen van het schoone
-terras van Ion.
-
-„Ik zou haast blozen,” zei Ion, „als men mannen vóór zich ziet als
-Pericles en Sophocles, die met ernstige bezigheden vervuld en
-onophoudelijk voor het algemeene nut werkzaam zijn terwijl men zelf in
-de afzondering alleen voor het genot en de Muzen leeft. Maar ik geloof,
-dat naast een roemrijk en schoon werken ook eene loffelijke en schoone
-ledigheid is. Deze heb ik verkozen.”
-
-„Zeker,” zeide Sophocles, „is eene ledigheid schoon te noemen, die
-schoone vruchten draagt. De Atheners hebben uwe treurspelen nog niet
-vergeten.”—
-
-„Noch uw Chiër-wijn!” voegde Pericles er bij.
-
-„Ik weet zeer goed,” hernam Ion, goedhartig glimlachend, „dat gij
-Atheners beweert, dat ik door mijn wijn uwe gunst voor mijn treurspel
-wilde koopen, maar gij moogt zeggen wat gij wilt, alleen niet, dat de
-wijn slecht geweest is. Want, als gij mijn Chiër niet roemt, dan
-beleedigt gij mij meer, dan wanneer gij mijne treurspelen berispt.”
-
-„Ziet me die treurspeldichters toch eens,” zei Pericles, „hoe opgeruimd
-en vroolijk zij van geest zijn, terwijl zij er van houden in hunne
-treurspelen zich met de somberste en verschrikkelijkste dingen bezig te
-houden: altijd spreken zij van den toorn der Goden, overouden vloek,
-overerfelijke schuld, vreeselijke beschikkingen van het noodlot en
-dergelijke akeligheden meer...”
-
-„Juist omdat wij opgeruimd van geest zijn,” hernam Sophocles,
-„verkeeren wij moedig met het sombere, wij worstelen daarmede en zouden
-het gaarne overweldigen. Moedig worstelen wij met die oude, blinde
-machten van het noodlot, om de menschelijke dingen, zoo goed wij
-kunnen, uit de betoovering eener duistere noodlottige macht te
-bevrijden. In de heldere sterrennachten, die ik aan boord van mijne
-triëre vóór Samos doorbracht, heb ik mij in den geest dikwerf
-opgehouden met dien lijdenden, Thebaanschen grijsaard en hem gevolgd op
-zijn lijdensweg, hoe hij het eerst door vertwijfelend berouw of
-onvrijwillige schuld gedreven, zich van het licht der oogen heeft
-beroofd en rondzwerft in den vreemde, langzamerhand echter tot een
-reiner klaarheid en vrijheid gekomen, schuld en berouw ten laatste van
-zich werpt, vóór het einde zijns levens het grijze hoofd met de
-fierheid van den onschuldige omhoog heft en van een misdadiger de
-rechter wordt over hen, die niet onvrijwillig en onbewust zooals hij,
-niet door eene onverbiddelijke beschikking van het noodlot, maar uit
-eigen beweging door de verloochening van alle edele, menschelijke
-gevoelens misdreven hebben.”
-
-„Mijn beste vriend,” sprak Ion, „uit hetgeen gij daar over Oedipus zegt
-spreekt weder de oude, welbekende liefde voor uw geboortevlek, want
-daar was het toch, dat de grijze lijder tot zijne rust inging.”—
-
-„Gaarne beken ik u,” hernam Sophocles, „en ik zie er een gunstig teeken
-in voor mijne tragische dichtkunst, dat juist in dat vlek, waar ik
-geboren werd, die overoude, tragische verwikkelingen zich hebben
-opgelost.”
-
-„Eer vrij uwe geboorteplaats,” zei Pericles, „maar dit zult gij mij
-toch moeten toegeven, dat niet alleen uw vlek, maar geheel Athene de
-bodem is, waarop overoude verwikkelingen tot eene oplossing komen, oude
-schuld verzoend wordt, vroegere duisternis bezwijkt op de plaats der
-heldere Godin Pallas Athene! Op den gezegenden bodem van Athene heeft
-niet alleen die zwaar beproefde grijsaard, maar ook de jonge Orestes,
-voortgejaagd door de Furiën, delging van den vloek gevonden, ja, gij
-allen kent den afgrond in de nabijheid van den onvoltooiden tempel van
-den Olympischen Zeus en wij willen gaarne gelooven, wat de sage meldt,
-dat in dezen afgrond de wateren van den Deucalionischen [292] vloed
-zich hebben neergestort.”—
-
-Onder deze en dergelijke gesprekken was de zon langzamerhand ter kimme
-gedaald; de zee was over eene groote uitgestrektheid met een purperen
-gloed getint, die zijn laatsten, gouden glans over het met wijnloof
-omkranste terras verspreidde. De gasten van Ion ademden met welbehagen
-de zachte, verfrisschende avondkoeltjes in die over de zee tot hen
-overwaaiden. Ion liet de bekers opnieuw vullen en het vocht in de
-zilveren schalen fonkelde, alsof ook daarin de purperen gloed der
-ondergaande zon zich afspiegelde.
-
-Pericles liet zijn beker door geene andere hand, dan door die van zijn
-slaaf vullen. Deze nam het ambt van schenker met eene bevalligheid
-waar, die aan het oog van Ion, van de schoone Chrysilla en de overige
-aanwezigen evenmin ontging, als de schoonheid der trekken van den
-jongeling. Hij scheen het zich tot taak gesteld te hebben, het ambt van
-schenker ook bij Sophocles te vervullen, wat de dichter glimlachend en
-met kennelijke vreugde liet welgevallen.
-
-„Uw schenker heeft maar ééne fout, Pericles,” zei hij.
-
-„En welke is die?” vroeg Pericles.
-
-„Dat hij bij het aanreiken van den beker zoo haastig is,” hernam de
-dichter; „men zou liever zien, dat hij daarbij een weinig draalde, om
-zich in de oogen te laten zien, die, naar mij dunkt, eene nadere
-beschouwing overwaard zijn.”
-
-De jongeling bloosde, toen hij na deze woorden van Sophocles aller
-blikken op zich gericht zag. Deze lachte om de verlegenheid van den
-knaap en riep met de woorden eens ouderen dichters:
-
-
- „Hoe schoon op purperwangen glanst des Eros’ licht!”
-
-
-„Wat zegt gij van deze verzen van Phrynichus [293]? Hoe bevallen u die
-purperwangen?”
-
-„Mij bevallen zij niet,” hernam de jongeling, die spoedig zijne
-tegenwoordigheid van geest hernomen had. „Het komt mij voor, dat de
-dichters in hunne verzen zaken prijzen, die zij in de werkelijkheid
-volstrekt niet schoon zouden vinden. Ik geloof, dat eene wang met echt
-purper geverfd, leelijk zou zijn.”—
-
-„Hoe?” riep Sophocles, „dan zoudt gij toch ook de rozenvingeren van Eos
-[294] bij Homerus niet schoon kunnen vinden?”
-
-„Volstrekt niet,” hernam de jonge slaaf. „Als mijne vingers rood als
-rozen waren, zou Pericles, mijn meester, gelooven, dat ik mij met het
-sap der purperslak bezoedeld had en mij bevelen mijne handen te gaan
-wasschen.”
-
-„Och, dat alle hekelende kunstrechters slaven waren als gij!” riep
-Sophocles. Maar lachend plaagde Pericles hem, omdat hij als dichter nu
-eindelijk zijn beoordeelaar had gevonden.
-
-Verscheidene aardigheden werden er gewisseld; ook vurige blikken, door
-den gloed van Dionysus bezield, werden hier en daar geworpen en te
-midden daarvan deden de onzichtbaar rondzwevende minnegoodjes een
-klein, onschuldig, dartel spel van onderlinge ijverzucht ontbranden.
-Pericles vond, dat zijn vriend Sophocles het geheim van den schoonen
-slaaf te weinig eerbiedigde, en van dezen wederom meende hij, zijn ambt
-van schenker met grooteren ijver dan noodig was vervulde. Aspasia van
-haren kant dacht opgemerkt te hebben, dat Chrysilla’s blikken die van
-Pericles telkens ontmoetten en dat deze de zijne somwijlen een tijdlang
-op de weelderige, bloeiende vormen van Ion’s vriendin deed rusten.
-Weldra echter veranderde de zaak. Chrysilla had werkelijk in den
-beginne met hare oogen Pericles gezocht, om uit ijdele, vrouwelijke
-nieuwsgierigheid uit te vorschen, of de macht harer bekoorlijkheden nog
-iets vermocht op den man, die haar eens zijne hulde had bewezen.
-
-Evenwel kon ook de schoone slaaf, die aller oogen tot zich trok, door
-haar niet onopgemerkt blijven en dezen van zijn kant scheen het er op
-gezet te hebben zijne vurigste blikken juist aan Chrysilla te wijden.
-Zoo gelukte het hem ten laatste de oogen van Ion’s vriendin bijna
-geheel van Pericles af te leiden en op zich te vestigen. In dit streven
-werd hij door Sophocles krachtig geholpen.
-
-Ion had in den beginne die wisseling van woorden en blikken tusschen
-Pericles en Chrysilla niet zonder eenig ongenoegen waargenomen en zag
-ten laatste met even weinig behagen de oplettendheid, die zijne
-vriendin aan den vreemden jongeling wijdde, doch tevens gaf hij aan
-zijne vriendin eenige reden tot bezorgdheid, doordat hij den indruk
-liet bemerken, dien de opgewekte geest en de schoonheid van dezen
-jongeling bijna geheimzinnig op hem maakten.
-
-Nieuwe bekers werden gebracht. Toen Sophocles wederom den zijne uit de
-hand van den schoonen schenker aannam, beschouwde hij den rand des
-bekers met een scherp oog en zei, tot den slaaf zich wendend:
-
-„Voor de eerste maal moet ik mij beklagen, dat gij niet oplettend
-genoeg uw ambt vervult. Aan den rand van dezen beker zie ik een klein
-pluisje, dat gij verzuimd hebt weg te nemen.”
-
-Glimlachend wilde de jongeling met zijne fijne vingertoppen over de
-plaats van den rand des bekers strijken, om het pluisje te verwijderen.
-Doch Sophocles liet dit niet toe, zeggende:
-
-„Zulke dingen moeten niet met de vingers aangeraakt, maar liever met
-den adem van uw mond zacht weggeblazen worden.” Na deze woorden
-gesproken te hebben, reikte hij den jongeling den beker, die zich
-glimlachend bukte, om het pluisje, zooals de dichter wenschte er af te
-blazen. Deze echter hield den beker zoo, dat het hoofd van den
-jongeling zoo dicht mogelijk bij het zijne moest komen. Derhalve
-raakten de gouden lokken van den jongeling bijna onmiddellijk den
-boezem des dichters. Hij ademde het bedwelmende aroma in, dat daaruit
-opsteeg en ondervond de zachte aanraking op zijne wangen van het
-gebogen en weder opgeheven hoofd; hij zette daarop zijne lippen juist
-op de plaats van den beker, die door den adem van den rozenmond
-aangeroerd was.
-
-Met spiedend oog had Pericles het voorgevallene opgemerkt. „Mijn waarde
-Sophocles,” zei hij, „ik wist niet dat gij zoo’n haarklover waart, om
-zooveel drukte van zoo’n onbeduidend pluisje te maken.”
-
-„Beken liever,” hernam Sophocles, tevreden glimlachend, „dat gij nu
-inziet vroeger gedwaald te hebben, toen gij mij in gezelschap van deze
-allen stoutweg voor een zeer slecht strateeg en krijgskundige hebt
-uitgemaakt. Intusschen stel u gerust; ik heb de voldoening waarom het
-mij te doen was, en ik beloof u dat ik het bij dit kleine bewijs mijner
-groote talenten laten zal.”
-
-Zoo sprekende reikte Sophocles zijn vriend de hand en deze drukte ze
-hartelijk lachend. De schaduwen werden al langer en langer, maar nog
-laat in de schemering des avonds lieten de klank der bekers en een
-vroolijk, luidruchtig gesprek op het door de zee bespoelde terras van
-Ion zich hooren. In de zee was de purperglans allengs verdwenen, maar
-nog steeds fonkelde het in de steeds opnieuw gevulde, schuimende bekers
-op Chios.
-
-Het was zonderling, maar eindelijk was de schoone vroolijke, geestige
-schenker van Pericles het middelpunt van het geheele gesprek geworden.
-Ieder wilde ten laatste alleen door hem zich den beker laten vullen.
-Ieder wilde een blik uit zijne vroolijke, bezielde oogen opvangen,
-ieder een geestig woord uit zijn mond vernemen. Toen Chrysilla eens den
-wensch naar een bijzonder mooien druiventros uitte, die van de latten
-afhing, haastte zich de vlugge en gedienstige schenker dien te plukken
-en de dame aan te bieden. Chrysilla bloosde, bloosde voor den slaaf—en
-niemand verwonderde zich daarover. Ion keurde het niet goed, maar vond
-het toch zeer verklaarbaar. En zoo draaide zich ten laatste alles om de
-verkleede Milesische. Ofschoon zij uit eene aardigheid verkozen had te
-dienen, heerschte zij toch...
-
-Eindelijk vroeg Ion, dien zijn eigen kostelijken wijn niet kariger dan
-zijne gasten had aangesproken, aan Pericles, of hij hem dien slaaf
-verkoopen wilde.
-
-„Neen!” antwoordde Pericles, „ik ben van plan hem zijne vrijheid te
-geven en nog heden wil ik dat doen—op dit oogenblik! Hij zal voor het
-laatst deze kleederen gedragen hebben. Hier ten aanschouwe van u allen
-verklaar ik hem vrij!”—
-
-Alle aanwezigen gaven luide hunne goedkeuring over dit besluit te
-kennen. De bekers werden op de gezondheid van den schenker geledigd en
-zijne vrijlating met het bloed der edelste druif bezegeld.
-
-Eén echter van het vroolijke gezelschap, Pericles zelf, was op het
-einde ernstig en nadenkend geworden.
-
-„Gij hebt,” zei Aspasia lachend tot hem, toen zij van Ion weggingen,
-„mijne vrijlating met eene plechtigheid uitgesproken, die zelfs hen
-trof, die niet wisten, dat het maar een grap was.”
-
-„Het was geen grap,” hernam Pericles, „ik wil dat gij nooit meer
-mannenkleeding zult dragen, dat gij nooit meer u zelve vernedert.”
-
-„Ik ben verlangend te vernemen,” hernam Aspasia, „hoe gij het de
-vreemdeling en de zoogenaamde hetaere uit Milete besparen zult, zich te
-vernederen.”
-
-„Dat zult gij vernemen,” zei Pericles.
-
-Den volgenden morgen keerde de Atheensche veldheer naar Samos terug en
-onverwijld gaf hij aan de vloot order den volgenden morgen zeilree te
-zijn, om eindelijk den terugkeer naar Athene aan te nemen.
-
-Met uitbundige blijdschap werd dit bevel begroet en fier met wimpels
-getooid, zeilde, onder het aanheffen van een donderenden zegezang, bij
-het krieken van den volgenden dag, het zegevierend Atheensch eskader
-uit de haven van Samos naar de hooge zee, westwaarts koers zettende, om
-na eene afwezigheid van elf maanden het vaderland terug te zien.
-
-„Ik denk,” zei Aspasia tot haar vriend op het oogenblik van hun
-vertrek, „dat gij het afgrijzen, ’t welk het verhaal van Artemidorus op
-den laatsten avond te Milete bij u opwekte, wel reeds op Chios zult
-overwonnen hebben en dat gij daartoe niet eerst, naar ge meendet, de
-Attische lucht noodig hebt.”
-
-„En toch,” hernam Pericles in vurige opgewondenheid, „is mijne ziel
-geheel vervuld van een heimwee naar het vaderlandsche strand en steeds
-klinken al luider en luider in mij eenige verzen, die ik uit den mond
-van Sophocles gehoord heb:
-
-
- „Ion’s zoon Melicertes, en gij lieflijke Leucathea,
- Vorstin der fonkelende zee, immer tot hulpe bereid,
- Nereus’ dochters, en gij, Poseidon, ruischende baren,
- Gij ook, Thracische wind, zachtste beheerscher der zee,
- Neemt in genade mij op en voert mij over het zilte
- Zeenat zonder gevaar, naar het geliefde Atheen!”
-
-
-De vaart ging den eersten dag bij gunstigen wind en onder een
-onbewolkten hemel langs de eilanden van den blauwen Archipel. Voor de
-beide gelieven was deze vaart door de eilandenzee een zalig genot. Wat
-zagen zij gaarne, terwijl het ranke vaartuig de baren ruischend
-doorkliefde van het boord van het schip in de donkerblauwe golven, die
-in den naasten kring van het schip groen als weilanden en verderop als
-in schitterend blauw gedoopt schenen en door de tallooze, verblindende
-zilveren stralen der zon werd beschenen. Meeuwen fladderden om den mast
-met hare lange, wit gerande vlerken, en in geheele drommen volgden
-dolfijnen het witte schuimend spoor, dat de kielen, den vloed
-doorklievend, achter zich lieten. In dartel spel, met de gespleten
-staarten om zich slaande, vermeiden zij zich in de zilte baren,
-scheerden over den zeespiegel, om dan weder hunne zwarte, schitterende
-lichamen in de golven te begraven.
-
-Bij het vallen van den nacht liet Pericles de vloot voor Tenos ankeren.
-Het eentonige gezang der roeiers verstomde en daarmee het ruischen der
-zee, door de kielen doorkliefd; in den reinen, helderen aether
-fonkelden de sterren en het maanlicht sloeg in het Oosten zijn gouden
-brug over de zee.
-
-Pericles stond peinzend op het verdek van zijn vaartuig, terwijl alles
-rondom hem in diepen sluimer verzonken lag.
-
-Daar schoof zich eene warme, zachte hand in de zijne.
-
-„Waarom staart gij zoo in gedachten op de zee?” vroeg Aspasia:
-„Koestert gij zoo’n vurig verlangen naar de ambrosische [295] dochters
-van Nereus, die met haar rozevoeten de kristallen diepten doorkruisen?”
-
-De zilveren klank harer stem wekte den droomer uit zijn gepeinzen.
-
-Pericles antwoordde met een kus en zij begonnen te minnekoozen, waarbij
-zij allengs, bij het heldere maanlicht, als in zoete droomen gewiegd,
-de geheele zee rondom zich vol leven zagen. Uit de diepten doemden de
-dochters van Nereus op, rijdend op zeemonsters, en Tritons, die
-schetterende trompetters ter zee, bliezen op hunne mosselschelpen; te
-midden van hen verrees de zeenimf Galathea: zij hief haar purperen
-gewaad uit den vloed en liet het, door zachte koeltjes zwellende, als
-een zeil boven zich heen golven.
-
-Bij het grauwen van den morgen vernamen Pericles en Aspasia plotseling
-den klank van snaren in de verte. Het klonk hun als de lier van Orpheus
-[296], die toch, naar de oude overlevering, toen de zanger den dood had
-gevonden, door de Maenaden [297] in de zee geworpen en door den vloed
-verder gestuwd was over de Aegaeïsche zee en welker tonen de
-zeevaarders somwijlen bij diepe windstilte over den waterspiegel
-vernamen. De klank derhalve van de onbeheerd ronddobberende lier van
-Orpheus scheen tot het oor van Pericles en Aspasia door te dringen, tot
-zij bemerkten, dat de tonen uit de triëre van Sophocles kwamen, die hen
-naderde, toen de vloot in de schemering van den morgen zich weder in
-beweging zette. De vrienden begroetten elkander en Sophocles nam de
-uitnoodiging van Pericles aan om hem een bezoek op zijn schip te
-brengen. Daar praatten zij over Athene, over het wederzien hunner
-vrienden, over het feest der Panathenaeën dat onmiddellijk na hunne
-terugkomst zou gevierd worden, en steeds hooger spande Aspasia de
-verwachting, waarmede Pericles en Sophocles de verrassingen verbeidden,
-die Phidias en de zijnen door hun rusteloozen arbeid in dat lange
-tijdsverloop aan hunne terugkeerende vrienden hadden bereid.
-
-Toen nu de dag ten volle was aangebroken en de eerste stralen de zee
-verlichtten, doemde ter linker zijde het heilige Delos op, de „Ster der
-zee”, het eiland van Apollo, schitterend in de morgenzon, als ’t ware
-gekust door de stralen van den God, aan wien het geheiligd was. Niet
-zonder innerlijke ontroering staarde Pericles op de overoude
-eerwaardige parel in den Archipel. Hij dacht aan den dag, toen, als een
-geschenk van den God, de rijke, gouden schat van dit eiland Athene
-binnenstroomde. Maar ook het scheepsvolk liet het goddelijk eiland niet
-zonder vereering aan zijne oogen voorbijgaan. Van de hooge boorden der
-geheele Atheensche vloot klonk een donderende paeän ter eere van
-Apollo, den beschermgod van den Ionischen stam, welk lied machtig rolde
-over den zeespiegel, beschenen door de vriendelijke stralen der
-morgenzon.
-
-Maar gezang en gejubel verdoofden van nu af niet meer op de schepen;
-eene vroolijke stemming heerschte overal; want nog heden zou men het
-vaderlandsche strand bereiken en hoe meer men de vurig gewenschte
-kusten naderde, des te gevleugelder schenen de triëren, gedreven door
-de zwellende zeilen en den dubbel krachtigen riemslag der roeiers, het
-zilte sop te doorklieven.
-
-De uren vlogen voorbij: reeds was men Tenos en Andros voorbij
-gestevend. In een zachten, zilveren glans verhieven zich ten noorden
-van Ceos de hoogten van Euboeä. Ter linkerzijde doemden grootsch en
-breed getakt, door dien zelfden zilverglans omstraald, de met pijnen
-begroeide bergen van Aegina op. Een zachte rijp scheen alles te
-bedekken, gelijk het fluweelen waas de donkere pruimen.
-
-Tusschen de beide eilanden echter, verre vooruitspringend op den
-achtergrond door een krans van eerwaardige hoogten omgord, rees uit de
-diepten der zee Attica’s gewijde kust.
-
-Tallooze oogen zochten haar—met blijde kreten werd zij begroet. Maar de
-afstand ter zee is bedriegelijk. Reeds was de zon ver naar het westen
-gedaald, vóór het uitspringend gebergte van Sunion was bereikt, steil
-zich verheffend, verblindend wit, door de baren omruischt, met den
-marmeren tempel van Pallas, die met zijne prachtige zuilen eene
-lichtende stip is voor den zeevaarder.
-
-In een wijden kring zeilde de Atheensche vloot om deze gevaarlijke,
-zuidelijke kaap van Attica, koers zettende naar de prachtige Saronische
-golf, ter rechter zijde het vaderlandsche strand en de glinsterende
-tinnen van Athene, links de bergen van de Peloponnesus, waarachter de
-zon onderging. Toen was alles, van verre en op een afstand, door een
-gouden rozensluier bedekt. De bergtoppen en de aether daarboven, de zee
-en de schepen zelve, zij alle waren gehuld in het tooverlicht der
-laatste uren van den dag. Alles was purper en schitterde als goud.
-Alleen in het zuidwesten hadden zwarte wolken zich samengepakt.
-Plotseling schoten de bliksemstralen daaruit te voorschijn en de bergen
-van Argos stonden in eene zee van vuur. Rustig en grootsch verhieven
-zich daar tegenover ter rechterzijde de hoogten, die Athene omgeven: de
-lange bergketen van den Hymettus, de pyramidaal oploopende Pentelicon,
-de stout verrijzende rotsklomp van den Lycabettus.
-
-Thans echter verscheen de heilige, aan ieder Atheensch oog dierbare
-hoogte van de Acropolis, omgeven door de wijd uitgestrekte stad. Aller
-blikken wendden zich daarheen. Maar veranderd vonden zij de heilige
-hoogte; de marmerwitte tinnen, vreemd aan de zoo langen tijd afwezigen,
-schitterden door den lichten nevel heen in de laatste stralen der
-ondergaande zon.
-
-Niet naar het van verre wenkende hoofd en de flikkerende lansspits der
-reusachtige Athene Promachos richtte, als anders ditmaal de Atheensche
-schepeling van het boord van zijn schip het oog naar Sunion’s hoogte,
-maar aller oogen wendden zich naar die nieuwe, sneeuwwitte tinnen, die
-door de schemering heenblonken van den top der Acropolis.—
-
-En uit één mond klonk de kreet van boord tot boord: „Het Parthenon! Het
-Parthenon!”——
-
-Ter zelfder ure, dat de blikken der terugkeerende overwinnaars naar de
-hoogte van de Acropolis waren gericht, greep juist daar, in het
-eerwaardige Erechtheüm nabij de stoute tinnen van het nieuwe Parthenon,
-eene geheimzinnige en bijna wondervolle gebeurtenis plaats.
-
-Het grootste en heerlijkste, om de vier jaren gevierde feest der
-Atheners, de Panathenaeën, naderde. Op dit feest werd aan de
-schutsgodin van Athene, de eeuwenlang vereerde Athene Polias, naar
-oudvaderlijk gebruik een schoon geweven kleed, de zoogenaamde peplos
-[298] ten geschenke gebracht. Deze peplos werd op de Acropolis zelve,
-in het heiligdom van Athene Polias, hetwelk gemeenschap had met het
-oude Erechtheüm, geweven. Vier meisjes van jeugdigen, bijna nog
-kinderlijken leeftijd werden uit de aanzienlijkste familiën van Athene
-gekozen, om die heilige peplos te helpen weven en bovendien nog eenige
-maanden lang in het gebied van den tempel te verblijven, ten einde
-onderscheidene andere heilige gebruiken te verrichten, die met den
-ouden, deels geheimzinnigen eeredienst in het Erechtheüm op den burg
-samenhingen. Twee dezer meisjes wierden gekozen om op een bepaalden
-nacht niet lang vóór de feestviering der Panathenaeën, van de Acropolis
-zich langs een geheimen onderaardschen weg iets onbekends, iets
-geheimzinnigs, dat niemand zien mocht en dat, naar het heette, zelfs de
-priesters niet kenden, naar eene grot in het heiligdom, nabij den
-Illisus gelegen, te dragen en vandaar iets even geheimzinnigs,
-onbekends naar het heiligdom van Athene Polias op den burg terug te
-brengen.
-
-Onder de jonge meisjes, die ditmaal tot het ambt van Arrhephoren—want
-zoo werden zij genaamd—verkozen waren, bevond zich het dochtertje van
-Hipponicus, Hipparete, van wier bevalligheid en zedigheid Hipponicus
-gesproken had toen hij bij gelegenheid van het feestmaal ter eere
-zijner choregie aan Pericles had voorgesteld, dit lieve kind voorloopig
-reeds aan den schoonen Alcibiades te verloven. Inderdaad was Hipparete
-het toonbeeld van een echt Attischen, hoewel niet volkomen ontloken
-knop, die ondanks haar kinderlijkheid reeds iets verstandigs en
-waardigs ten toon spreidde.
-
-Met hare overige vriendinnen, die tot een gelijken dienst aan de Godin
-geroepen waren, vertoefde Hipparete nu op de Acropolis in het
-tempelgebied der Godin. De meisjes werden hier verpleegd als tot den
-tempel behoorende. Er was ook eene bijzondere ruimte, waar zij zich
-door het balspel vermaken konden. De priesteres van Athene Polias had
-het opzicht over haar. Daar echter het heiligdom der Godin met dat van
-Erechtheüs vereenigd was, leefden de meisjes ook onder het oog van
-Diopithes, den Erechtheüs-priester; zelfs was de priesteres van Athene
-Polias nevens hem slechts een onbeduidende schaduw in het gebied van
-het Erechtheüm.
-
-Hij gaf de meisjes talrijke aanwijzingen en vermaningen, het liefste en
-het meeste onderhield hij zich met het dochtertje van Hipponicus. Haar
-boven allen scheen hij zijne gunst te bewijzen, haar roemde hij steeds
-boven hare vriendinnetjes. Niet zelden sprak hij met haar in langdurige
-gesprekken over zaken, die haar vader, zijne huiselijke aangelegenheden
-en het verkeer met zijne gasten betroffen. Hipparete antwoordde hem met
-de onbevangenheid van een kind. Toen hij haar eens schertsend vroeg, of
-haar vader nog geen echtgenoot voor haar had gekozen, noemde zij zeer
-ernstig den pleegzoon van Pericles, den jongen Alcibiades, en zeide,
-dat haar vader haar aan dezen wilde verloven.
-
-„Aan den pleegzoon van Pericles?” riep Diopithes en zijne vriendelijke
-trekken namen plotseling eene afkeurende, schampere uitdrukking aan.
-
-De vijandelijke gezindheid jegens Pericles en allen, die hij als
-vrienden, raadgevers en dienaars van dezen man beschouwde, was sedert
-dat gesprek met den ziener Lampon onophoudelijk versterkt geworden.
-Door de priesteres van Athene Polias, die een werktuig in zijne hand
-was, stond hij in betrekking met de zuster van Cimon en met de
-echtgenoote van Pericles, en vernam door haar steeds, wat er in de
-omgeving van zijn tegenstander voorviel.
-
-De avond, waarop het geheimzinnige gebruik zou verricht worden, was
-aangebroken. De beide uitverkoren meisjes Hipparete, en Lysiske werden
-uitgedost in kostbare, witte, met goud gestikte kleederen, die hare
-vaders voor dit doeleinde moesten bekostigen en die, wanneer zij
-gebruikt waren, het eigendom van het heiligdom bleven.
-
-Zoo rijk versierd werden de beide meisjes in het binnenste van het
-heiligdom van Athene Polias geleid en ontvingen daar van de priesteres
-in tegenwoordigheid van den Erechtheüs-priester, benevens diegenen, die
-gekomen waren om de heilige plechtigheid als toeschouwer mede te
-vieren, onder verscheidene ceremoniën de beide bedekte kruiken, om ze
-van hier langs den geheimzinnigen weg naar de grot in het heiligdom te
-dragen. Met de linkerhand hielden zij de aarden kruiken tegen de borst,
-in de rechter droegen zij eene aangestoken fakkel. Vóór zij zich op weg
-begaven, gaf de Erechtheüs-priester haar nauwkeurige aanwijzingen over
-hetgeen zij te doen hadden, vermaande haar iedere misdadige
-nieuwsgierigheid naar den inhoud der kruiken uit haar gemoed te
-verbannen en zich over niets, wat haar op weg of in de grot mocht
-ontmoeten, te beangstigen of in haren heiligen dienst te doen storen.
-Hij zei haar, dat zij onder de bescherming van den God Erechtheüs zich
-bevonden, den pleegzoon van de Godin van den dauw Herse, naar wier
-heiligdom zij zich begaven, en vermaande haar niet te versagen, ook al
-mocht de God zelf, zij het ook in slangengedaante, als reeds eenmaal in
-vroegere tijden aan de Arrhephoren, zich op haar weg vertoonen. Alleen
-dan, wanneer zij het heilige geheim schonden of haar heiligen plicht
-niet stipt verrichtten, hadden zij den toorn van den God te duchten. In
-elk ander geval echter hadden zij slechts gunst en heil van hem te
-wachten.
-
-De beide meisjes begaven zich op weg. In groote spanning en kinderlijk
-geloof had Hipparete naar de woorden van den priester geluisterd en was
-vol blijde hoop en vertrouwen. Minder goedsmoeds ging de jongere
-Lysiske naast haar. Zoo daalden zij beiden den onderaardschen weg af,
-waarin vele trappen gehouwen waren. Angstig zag Lysiske om zich heen,
-Hipparete sprak haar moed in.
-
-Eindelijk vroeg Lysiske wat er toch wel in die heilige kruiken
-verborgen mocht zijn.
-
-„Wat wij terug zullen brengen,” antwoordde Hipparete, „kan ik mij
-voorstellen. Wat kan de dauwgodin Herse anders geven dan dauw? Wellicht
-dus met dauw besproeide twijgen of bloemen.”
-
-„Maar wat wij daarheen brengen?” vroeg Lysiske weder.
-
-„Ik weet het niet,” hernam Hipparete. „Als wij iets vochtigs naar boven
-dragen, dan brengen wij vermoedelijk iets droogs of vurigs naar
-beneden; want evenals het daar beneden in de diepte vochtig is, zoo dor
-en droog is het op den bergtop.”
-
-„Neen,” zei de kleine Lysiske angstig, „wij dragen zeker een grooten
-uil naar beneden, zooals die daar boven in het metselwerk van het
-Erechtheüm krassen en brengen eene schrikkelijke slang terug, omdat de
-slangen zich gaarne in vochtige laagten ophouden.”
-
-„Wees niet bang voor slangen,” zei Hipparete, „gij weet toch, dat in
-hare gedaante zich de God Erechtheüs verbergt en dat deze ons beschut
-en ons zegent op dezen tocht.”
-
-De beide meisjes waren de talrijke trappen afgedaald, hadden het doel
-van haar tocht bereikt en traden nu door eene in de rotsen gehouwen
-poort het heiligdom binnen. De grot was verlicht door een lamp, die,
-vóór een steenen beeld der dauwgodin geplaatst, met eene roode vlam
-brandde.
-
-Onder de ceremoniën, die men haar geleerd had, legden de beide meisjes
-hare kruiken vóór de Godin neder en waren op ’t punt de gereedstaande,
-eveneens dicht omhulde kruiken, op te nemen en weg te dragen.
-
-Juist sloegen de meisjes haar blikken naar den achtergrond der grot;
-daar zagen zij bij het schemerlicht eene reusachtige slang ineengerold
-liggen, met den kop half opgeheven.
-
-Lysiske schrikte, verbleekte, sidderde en wilde vluchten, Hipparete
-hield haar terug en gaf haar de kruik in de hand, waarmede deze beangst
-en zonder om te zien, haastig wegliep. Toen nam Hipparete de andere
-kruik en maakte zich gereed de grot te verlaten. Nu echter kwam uit den
-achtergrond der grot een sterke tocht, waardoor de fakkel van Hipparete
-en tevens de lamp werden uitgebluscht, zoodat het meisje in het
-pikdonker stond. Nu zou de vrees ook haar om het hart zijn geslagen,
-zoo niet op hetzelfde oogenblik uit den achtergrond eene vriendelijke
-stem haar in de ooren had geklonken, die haar vermaande onverschrokken
-te blijven, zooals zij tot nu toe geweest was.
-
-„Voor uw edelen moed en uwe vrome trouw,” klonk de stem, „verleent de
-God u, o kind, een geschenk, dat den zegen der Goden en het hoogste
-geluk u voor uw geheele leven waarborgt.”
-
-Op dit oogenblik begon de vlam van de lamp van zelf weder te ontbranden
-en de God rustte niet meer schrikaanjagend daar, maar in heroëngestalte
-op de plaats, waar straks de slang haar kop had opgeheven. Hij
-verlangde, dat het meisje hem naderde. Hipparete deed het onversaagd.
-Hij trok haar tot zich en drukte een kus op haar voorhoofd, dat die
-schitterende reinheid had welke men bij half ontloken bladeren
-waarneemt, wanneer zij juist na een warmen lenteregen uit de bruine
-knoppen zijn gebroken.
-
-„Hebt gij wel nooit hooren spreken,” vroeg hij, „van de goddelijke
-genade, die aan sterfelijke jonkvrouwen is ten deel gevallen? Hebt gij
-nooit gehoord van Alcmene en Semele, van Danaë?”
-
-De lippen van den spreker trilden een weinig, toen hij die woorden
-sprak: ook zijn hand beefde, toen hij daarmede het rijkgelokte hoofd
-van het meisje streelde.
-
-„Hebt gij,” ging hij voort, „wel niet hooren spreken van die
-uitverkoren jonkvrouwen, tot wie Zeus nederdaalde en die niet
-verschrikten, als de God zich in zoete min tot haar nederboog?”
-
-Zoo sprekende sloeg hij zijn arm om het meisje, dat hevig verschrikte;
-maar zij herkreeg haar moed en luisterde weder geloovig, en in het
-reine kristal van haar oog spiegelde zich niets af dan de verwachting
-eener kinderlijke ziel, die de wonderlijke en zegenrijke geschenken te
-gemoet zag, waarmede de God beloofd had haar te zullen beloonen.
-
-Plotseling zei het meisje, in den donkeren hoek van de spelonk ziende:
-
-„De slang is toch nog altijd daar—alleen kleiner is zij thans, veel
-kleiner van gestalte...”
-
-Hipparete sprak deze woorden zeer bedaard en zonder de minste
-aandoening van angst. Men had haar ingeprent, dat zij voor slangen op
-haar weg niet bang moest zijn en zij vreesde ze ook niet. Zij wist dat
-daaronder de zegen aanbrengende God Erechtheüs zich verborg. Zij had
-die veel grootere slang niet gevreesd, waarom zou zij die kleinere
-vreezen?
-
-De God echter aan hare zijde ontstelde. De valsche Erechtheüs begon te
-sidderen voor den toorn van den waarachtigen God. Strak staart hij naar
-dien hoek en ziet, dat daar in der daad eene slang zich kronkelt. Het
-vrome kind was overtuigd, dat haar geen leed wedervaren kon, dat zij
-onder de hoede stond van den God Erechtheüs; de God zelf echter
-sidderde onder zijn godenmasker, sidderde voor den kruipenden
-aardworm...
-
-Op dat oogenblik weerklinkt van buiten het gejubel van eene
-volksschare, die langs de grot trok; het was eene menigte, die van den
-Illisus naar de Piraeüs stormde met den jubelenden kreet: „De vloot van
-Samos loopt de haven binnen! Pericles is daar! Lang leve Pericles, de
-Olympiër”.
-
-Met een somberen blik in de oogen en eene onheilspellende plooi om
-zijne lippen verheft zich de eerst door zijn angst, thans door zijn
-wrok ontmaskerde Erechtheüs-priester.
-
-Hij richt zich op en maakt zich gereed, om het kind spoedig uit de grot
-weg te voeren. Rustig neemt Hipparete, ook nu nog aan haar plicht
-denkend, de heilige kruik van den grond op. De priester neemt haar bij
-de hand en trekt haar door den donkeren gang voort. Daar, waar de
-geheime weg in het binnenste gedeelte van het Erechtheüm uitloopt
-verlaat hij haar, na streng bevolen te hebben, dat zij over alles wat
-zij in de grot gezien had, een diep stilzwijgen moest bewaren; dan
-alleen zou de zegen van den God haar niet onthouden worden.
-
-Hipparete ging den verlichten tempel binnen en legde de heilige kruik
-neder voor de voeten der Godin. Toen dacht zij zwijgend na over de
-verschijning van den God.
-
-En Diopithes?
-
-Hij zal heengaan en Erechtheüs trachten te verzoenen en vuriger dan
-ooit de vrees voor de oude Goden prediken.—
-
-Terwijl dit des avonds op de stille hoogte van de Acropolis voorviel,
-was de terugkeerende vloot den Piraeüs binnengeloopen. In dichte
-drommen was het Atheensche volk naar buiten gesneld, om de aankomenden
-te zien en te begroeten.
-
-Het was donker geworden, doch de kaden der haven schitterden van
-fakkels en te grootscher slechts was het schouwspel, toen bij den
-schijn der fakkels de honderd fiere triëren der zegevierende vloot op
-de golven kwamen aandrijven.
-
-Bijna romantisch schitterden bij den hellen schijn der hoog gezwaaide
-fakkels de hooge masten, de witte zeilen, de vergulde Pallasbeelden en
-de grillige vormen der scheepsnebben, met de veroverde schilden
-getooid, met de sieradiën van vernielde vijandelijke schepen en andere
-tropaeën rijkelijk omhangen.
-
-Luide, blijde jubelkreten klonken van de steenen kaden den krijgers in
-’t oor.
-
-De ontscheping volgde. Toen ook de strategen aan land stapten, drong
-alles om Pericles heen. Hem gold de luidste jubelkreet der menigte en
-velen waren er, die bloemen op zijn pad strooiden en hem met kransen
-overlaadden.
-
-Om zich aan deze eerebetuigingen te onttrekken, nam Pericles de
-uitnoodiging van Hipponicus aan, die hem eene plaats aanbood in zijn,
-met edele Thessalische paarden bespannen wagen, die op den rijken
-gastronoom in den Piraeüs wachtte.
-
-Aspasia had zich van Pericles moeten scheiden. Een draagstoel wachtte
-haar, die zij met dicht gesluierd gelaat besteeg en waarin zij naar de
-stad gevoerd werd.
-
-Intusschen was de maan opgegaan en haar glans verspreidde zich over de
-zee, de kusten en de stad.
-
-Pericles had, in den wagen van Hipponicus zwijgend en in gepeinzen
-verzonken, de stad bereikt. Toen zag hij bij eene plotselinge kromming
-van den weg, den blik omhoog slaande, vlak vóór zich de toppen van den
-Acropolis.
-
-Hij was getroffen. Eene lichte huivering voer hem door de leden.
-Onmiddellijk vóór zijne oogen bevond zich hetgeen hij straks uit de
-schemerende verte had gezien. Verblindend wit bij het schijnsel der
-maan, scherp tegen den nachtelijken hemel uitkomend, grootsch in de
-pracht van marmeren gevels en zuilen, stond het pas voltooide werk van
-Ictinus en Phidias op de schitterende hoogte van de Acropolis.
-
-En de betoovering, die nog heden de ziel aangrijpt van hem, die voor de
-eerste maal op de puinhoopen van het Parthenon te Athene staat,
-doortrilde in dat oogenblik de ziel van Pericles.
-
-
-
-
-
-
-
-XIV.
-
-DE PANATHENAEËN.
-
-
-Wanneer het vaderland een groot man eert, de geheele wereld hem viert,
-wanneer op al zijne paden vereering, liefde, hulde hem te gemoet komen,
-dan is er dikwijls toch ééne plaats, waar zijne grootheid ineenkrimpt,
-waar hij zich klein gevoelt, waar hem koude of zelfs afgunstige oogen
-ontmoeten.
-
-En deze plaats is zijn eigen haard, zijn huis, de schoot zijner
-familie, het uitgangspunt van zijn arbeid.
-
-Ook Pericles gevoelde zich zonderling en onaangenaam aangedaan, toen
-hij, wien het jubelgeschreeuw van het Atheensche volk nog in de ooren
-klonk, na een afwezigheid van een jaar weder den drempel zijner woning
-betrad. Evenals den zegevierend terugkeerenden Agamemnon, ontving ook
-hem eene heimelijk mokkende gade.
-
-De tijding, dat Aspasia in het gezelschap van Pericles te Milete
-geweest was, dat zij op de terugvaart zich aan zijne zijde had
-bevonden, was tot Elpinice’s ooren doorgedrongen en uit den mond harer
-vriendin had Telesippe het vernomen.
-
-De vrouw van Pericles dacht er niet aan zich op den terugkeerenden
-echtgenoot te wreken, zooals Clytaemnestra [299] op den terugkeerenden
-Agamemnon, noch door een vergiftigd Nessus-kleed [300] hem in het
-verderf te storten, zooals Dejanira den ontrouwen Heracles had gedaan.
-Zij dacht kleingeestig, kleingeestig was haar wrok, kleingeestig haar
-haat en kleingeestig ook haar wraak.
-
-Dat Pericles vóór Samos overwonnen, dat hij het schip van den
-vijandelijken veldheer in den grond had geboord, wat baatte het hem
-tegenover de Erinnys, die aan zijn haard haar zetel had opgeslagen?
-Terwijl de agora van zijn roem weergalmde, moest hij in zijn eigen huis
-de kleingeestige, kijvende taal, den smadelijken afgunstigen blik van
-Telesippe verdragen.
-
-En Elpinice? Zij sprak tot Pericles, toen zij hem voor het eerst na
-zijn terugkeer ontmoette:
-
-„Schaam u, Pericles! Mijn broeder Cimon heeft over de Perzen, over
-barbaren gezegevierd, gij echter hebt Hellenen-bloed vergoten en laat u
-verheerlijken als de onderdrukker van uw eigen stamgenooten.”—
-
-Zonder heftig op te stuiven, zwijgend, zooals het zijne gewoonte was in
-den omgang, doch niet zonder ernstige overweging en fiere plannen, liet
-Pericles den tweestrijd, die met de verschijning van Aspasia zijn hart
-had bestormd, der beslissing te gemoet snellen. Hij had in den beginne
-gemeend, dat het gemakkelijk zou zijn de rechten der geliefde
-gescheiden te houden van de rechten der gade. En had Telesippe zelve
-dit niet geloofd? Had zij niet met verachting op de Milesische hetaere
-neergezien, die wel is waar het hart van haar echtgenoot had veroverd
-maar die toch haar heerschappij aan den huiselijken haard moest laten,
-haar, de wettige gade? Had zij niet de vreemde van den drempel des
-huizes verdreven en had deze niet voor haar moeten wijken?
-
-Maar de zaken waren veranderd. Pericles zelf was niet meer, die hij
-geweest was. De gedachte aan eene echtverbintenis van een anderen aard
-was niet te vergeefs als een gloeiende vonk in zijne ziel geworpen.
-
-De dagen, waarop het grootste van alle Atheensche feesten gevierd zoude
-worden, waren teruggekeerd.
-
-De bevolking der landelijke vlekken stroomde naar de stad; want het
-feest was, wat zijn naam uitdrukte en wat het zijn moest naar de
-gedachte van zijn stichter Theseus, een steeds vernieuwd
-verbroederingsfeest van het gansche Attische volk. Maar ook van heinde
-en verre, uit de verbonden steden en eilanden, uit de koloniën, ja uit
-geheel Griekenland kwamen de gasten.
-
-Nog nooit echter had Athene eene zoo groote menigte van burgers en
-vreemdelingen binnen zijne muren verzameld gezien. Want ditmaal voegde
-zich bij de aantrekkelijkheid, die het vieren der Panathenaeën steeds
-had geoefend, de begeerte om het schoone Parthenon dat voor de eerste
-maal geopend werd, het van goud en ivoor stralende standbeeld van de
-Pallas Athene van Phidias onthuld te zien.
-
-Gedurende verscheidene dagen hadden de gewone wedstrijden plaats vóór
-den aanvang van den grooten feestelijken optocht. In de vallei aan den
-Ilissus streden de jonge helden uit de Atheensche worstelschool om den
-prijs. Eerst worstelden de uitnemendste knapen, dan de dapperste
-jongelingen, vervolgens de krachtigste mannen in alle soorten van den
-Helleenschen worstelstrijd. In den wedkamp der knapen overwon ook
-ditmaal de pleegzoon van Pericles en de lieveling van alle Atheners,
-Alcibiades, echter tot ergernis van Telesippe, die den knaap haatte,
-omdat hij hare beide minder begaafde, weinig belovende zonen, Paralus
-en Xantippus, geheel en al in de schaduw stelde.
-
-Hoe bruischt het bloed in de aderen van den jeugdigen overwinnaar,
-terwijl hij alle overige wedstrijden mede aanzag, waaraan hij echter
-tot zijn leedwezen slechts als toeschouwer, niet als mededinger om den
-prijs, mocht deelnemen! Met welk een afgunst zag hij, in geleide van
-Pericles buiten de stad gekomen op de vlakte, die westwaarts van den
-Piraeüs gelegen was, het opdwarrelende stof vochtig worden door den
-dampenden adem der rennende rossen! Hoe bewonderde hij den kampioen in
-de hippische [301] kunst, staande op den met vurige rossen bespannen
-wagen, op elke kar naast den menner de met helm en schild gewapende
-strijder, die, terwijl het span in toomelooze vaart door de renbaan
-stoof, er af sprong en in krachtigen loop een eind met de kar om ’t
-hardst liep, om dan met even zekeren sprong weder op den wagen te recht
-te komen!
-
-En hoe voelde de knaap zich door den beroemden wapendans der
-jongelingen medegesleept! Hoe fonkelde zijn oog bij dit krijgshafte
-spiegelgevecht toen de jongelingen op de maat der muziek allerlei
-krijgsbewegingen maakten, alle soorten van aanval, van verdediging, van
-ontwijken beproefden, in den danspas en onder begeleiding van den
-rhythmus der tonen, waarbij in de maat met de zwaarden tegen de
-opgeheven schilden geslagen werd, zoodat de heldere klank van het
-metaal vereenigd met de tonen der muziek, soms ook met het gezang van
-krijgsliederen, eene soort van strijdlustige stemming en vervoering ook
-bij den toeschouwer opwekten! Toen nu zelfs de jonge Alcibiades, door
-deze vervoering aangegrepen, de bewegingen der zwaarddansers begon na
-te doen en van begeerte scheen te branden, zich in hunne rijen te
-mengen, moest Pericles aan het verhaal van Artemidorus denken en aan
-het tooneel toen de Milesiër zijn zoon Chrysanthes op den Tmolus
-plotseling zag aangegrepen van den waanzin der Corybanten. En waarlijk,
-dit gewoel van den wapendans zou aan de rijen der Corybanten hebben
-kunnen herinneren, zoo daar niet alles wild en huiveringwekkend, hier
-niet alles in plechtige en edele maat zich aan het oog vertoond had.
-
-Maar ook de nacht had zijn feest: den grooten fakkelwedloop, waarmede
-de Atheners hunne Goden des lichts: Hephaestus [302], Prometheus en
-Pallas Athene plachten te vereeren. Alleen de schoonste en kloekste
-jongelingen van Athene werden tot den wedloop toegelaten. Het kwam er
-op aan de fakkels brandende aan den eindpaal te brengen: wiens toorts
-onder den loop uitging, moest uit de rij treden. Wie langzaam liep, om
-de vlam aan te houden, werd door de levendige spottende kreten van het
-volk tot spoed gedreven.
-
-De Atheensche stammen kozen uit hun midden de schoonste grijsaards, de
-statigste mannen, om den grooten feestelijken optocht op te luisteren
-en zij waren in hunne keuze zeer streng. Uitgelezen ook waren de
-jongelingen en jonkvrouwen, die aan den optocht deelnamen; alleen kon
-bij de bloeiende jeugd de keuze minder streng zijn, dan bij de ouderen
-en grijsaards, om aan het oog slechts welgemaakte, schoone en edele
-vormen te toonen.
-
-Onder de wedstrijden behooren ook de kunsten der Muzen.
-
-Pericles was het geweest, die, elke soort van voortreffelijkheid met
-gelijke warmte aankweekende en bevorderende, ook het spel van snaren en
-fluiten en danskoren in den kring der wedkampen bij de Panathenaeën had
-opgenomen. Want onder de ambten en waardigheden, die hij bekleedde,
-behoorde ook dat van leider der openbare spelen en feesten te Athene.
-
-Toen nu de dag van het eigenlijke feest aanbrak, waarop de zoogenaamde
-peplos naar oud gebruik aan de schutsgodin Athene in het Erechtheüm
-gebracht en de overwinnaars in de Panathenaeïsche wedstrijden in het
-nieuwe Parthenon gekroond zouden worden, werd de feeststoet in de wijk
-der Ceramicus in orde geschaard.
-
-De geheele wijk wemelde van drommen, die zich naar de
-vereenigingsplaats begaven. Dit vereenigingspunt leverde echter een
-even levendig, bont en schitterend tooneel van verwarring op. Hier
-stond het ten offer bestemde, schoon gehoornde rund in zijne volle
-kracht, daar ontlaadde zich de vurige, sterke, stalen aard der fiere
-rossen, als ’t ware electrisch, in een vonkenspattenden hoefslag.
-Nevens de ongeduldig steigerende rossen stonden jongelingen, die hen
-met krachtige hand aan de schitterende teugels hielden of bezig waren
-hen op te toomen of ook in kunstige wendingen hunne snelheid te
-beproeven. En zoo verkwikte zich thans het oog aan levendige groepen,
-aan beelden van kracht en welgemaaktheid.
-
-Het bonte kluwen ontwarde zich. De feeststoet begon zich in orde te
-scharen. Nadat dit geschied was, zette hij zich onder de muziek van
-trompetten, fluiten en snareninstrumenten in beweging. Vooraf ging de
-hecatombe der offerdieren, honderd uitgelezen, schitterende runderen,
-bestemd om op de Acropolis ter eere van de Godin geslacht te worden en
-vervolgens tot feestmaal te dienen: prachtige dieren, met vleezigen,
-sterken nek, laag afhangende kwabben, de horens als de beide armen
-eener lyra schoon gekromd, met bloemkransen getooid en aan de spits
-voor een deel verguld. Zij werden geleid door krachtige jongelingen,
-die met sterke hand de ongeduldige, weerbarstige dieren bedwongen.
-Rammen volgden op de runderen, niet minder schoon en sterk, met schoone
-horens en vachten. Achter deze dieren, benevens hunne drijvers,
-offerdienaars en offerpriesters, gingen zij die verschillende andere
-offergaven droegen: offerkoeken op platte schalen, vloeibare stoffen,
-deels in zakken, deels in groote, schoon gevormde kruiken gedragen.
-
-Nu volgde een schitterende stoet van Atheensche vrouwen en jonkvrouwen,
-in rijk feestgewaad, die gouden en zilveren werken droegen, prachtige
-pronkvaten, welke het geheele jaar door op eene daarvoor bepaalde
-plaats bewaard en bij zulke feestelijke gelegenheden ten toon werden
-gedragen. Sierlijke korfjes, gevuld met bloemen, vruchten, reukwerk,
-droeg een deel der bevallig met goud versierde meisjes op de hoofden.
-Uit Athene’s bloeiendste dochteren gekozen, teeder en statig,
-bekoorlijk en waardig te gelijk, verrukten deze korfdraagsters ieder
-oog door de zedige bekoorlijkheid harer uiterlijke houding en
-bewegingen. Het waren knoppen, kuisch besloten, maar fonkelend van den
-dauw der jeugdige frischheid. Het jaar door verborgen, evenals die
-gouden pronkvaten, en aan het oog der wereld ontrukt in het binnenste
-der vrouwenvertrekken, waren zij thans als ’t ware te voorschijn
-gebracht om te schitteren in het licht van den feestdag. Het heerlijke
-feest onthulde, wat anders voor de blikken verborgen was; het onthulde,
-ontketende alles, wat schoon en schitterend was. Heden schoot de God
-der liefde zijne schichten, heden ontmoetten elkander de blikken van
-bekoorlijke jonkvrouwen en jongelingen, begeerig naar liefde. Jeugdige
-ongedwongenheid werd getemperd door de aangeboren bekoorlijkheid, die
-hare stralen vrij en vroolijk rondom zich verspreidde.
-
-Achter deze schitterende offergaven werden de nog heerlijker
-wijgeschenken gedragen, wier getal nooit grooter geweest was dan thans:
-prachtig vaatwerk, fonkelende gouden en zilveren schilden, drievoeten
-van den bekoorlijksten vorm, rijkelijk versierd, ook beeldwerken van de
-hand der beste meesters. Dat alles, openlijk gedragen, schitterde
-oogverblindend in de stralen der zon.
-
-Aan den stoet van jonkvrouwen sloten zich de liefelijke, teedere, nog
-kinderlijke meisjesgestalten der Arrhephoren aan, in den feestdos, dien
-zij bij hare heilige verrichtingen op de Acropolis gedragen hadden en
-onder haar de lieve, kinderlijk vrome, moedige Hipparete.
-
-Nu volgden de dragers en geleiders van die geschenken en offers, die
-aan de Godin van de Atheensche koloniën of van de met Athene verbonden
-steden en eilanden gebracht werden.
-
-Nu echter kwam eerst van alle wijgeschenken het belangrijkste, het
-glanspunt van den geheelen feeststoet, het groote, rijke, prachtige
-weefsel, de peplos. Niet door menschenhanden werd het gedragen: als een
-zeil was het over een soort van prachtschip gespannen, dat in den
-feesttrein zich op raderen voortbewoog. Dit gevaarte, een werk van
-buitengewone schoonheid en grootte, moest het niet in de rijen, die de
-Atheensche grootheid en macht te kennen gaven, aan de heerschappij ter
-zee der Atheners herinneren en aan den zeegod tegelijk, wiens
-eeredienst sinds overoude tijden in verband stond met dien van
-Erechtheüs en Pallas op den burg? En dat de peplos in plaats van het
-prachtschip hoofdzaak was geworden in den optocht der Panathenaeën,
-herinnerde het niet aan de overwinning van de Godin des lichts Pallas
-Athene in den kamp met den donkeren drietandzwaaier [303]. Het aandeel
-door de Godin des lichts aan den strijd der Goden tegen de Giganten
-[304] genomen, was voorgesteld in schitterend goudstiksel, kunstig op
-den purperen of saffraan-gelen grond van het weefsel aangebracht. Boven
-den mast van het prachtschip uitgespannen, zag men eene afbeelding van
-dien kamp der lichtgoden tegen de ruwe natuurmachten in goud weefsel
-voorgesteld, die hoog in de lucht zich verheffend, het volk heinde en
-verre duidelijk tegenschitterde in den glans der zon.
-
-Achter het prachtschip met de peplos liepen de overwinnaars in de
-Panathenaeïsche wedstrijden, met fieren tred: de citherspelers en
-fluitblazers met hun muziekinstrumenten, de overwinnaar in den
-fakkelloop, met de brandende fakkel in de hand, waarmede naar oud
-gebruik het vuur voor de groote feestoffers der Godin op de Acropolis
-werd aangestoken, de overwinnaars in den wedren der rossen en wagens,
-met hun prachtige vierspannen, op elk de menner en zijn makker met helm
-en schild: voorts, met olijftakken in de handen, die stoet van schoone,
-eerbiedwekkende grijsaards, die in den wedstrijd van mannelijke
-welgemaaktheid de overwinning hadden weggedragen. Als op edele
-voorbeelden staarde de Atheensche jongelingschap op deze mannen, met
-hun zilveren lokken, die eene eerwaardige schoonheid en frischheid van
-lichaam en ziel tot op den laten ouderdom hadden bewaard. Op hen volgde
-de trein der epheben, Athene’s mannelijke jeugd, slanke gestalten,
-donker gelokt, met vurigen blik, op de edele rossen als goed geoefende
-ruiters zittende. Door de strategen en taxiarchen [305] aangevoerd,
-marcheerde achter de epheben de strijdbare manschap van Athene: de
-zwaargewapenden en de ruiterij der Edelen [306] in schitterende
-wapenrusting op de schoonste en vurigste rossen—want te paard verscheen
-de rijke en voorname Athener in feestelijken optocht als in het
-veld—vervolgens in eene eindelooze reeks de burgerij, met de overheden
-aan het hoofd; het volk naar gemeenten [307] ingedeeld, mannen en
-vrouwen in feestgewaad, met myrthentakken in de hand, achter de burgers
-de vreemdelingen, die het burgerrecht hadden verkregen, hunne vrouwen
-met eikentwijgen in de hand, als smeekelingen van Zeus Xonios, den God
-der gastvrijheid. Andere vrouwen en dochters dier vreemdelingen liepen
-achter de Atheensche burgeressen, wier bescherming zij genoten en
-droegen zonneschermen in de hand, om haar, als de trein in de brandende
-zon stilhield, boven het hoofd te houden of stoelen zonder leuning,
-klein en sierlijk van vorm, waarop hare beschermvrouwen zich dan konden
-neer laten.
-
-Deze stoet bewoog zich van den buiten-Ceramicus door de schoonste
-straten der stad, tot op de Agora, die met eikenloof bestrooid,
-overigens ook feestelijk was versierd: het werk der slaven voor dien
-dag. Hier hield de trein derhalve voor het eerst halt en het eskadron
-der voorname Atheners in zijne schitterende wapenrusting voerde op de
-ruime plaats bewegingen en manoeuvres uit, die bijna het prachtigste
-deel van de geheele feestviering uitmaakten.
-
-Terwijl de stoet op de Agora verwijlde, had een deel der geleiders van
-de offerdieren met eenige der dieren zich daarvan afgescheiden, om
-vooraf de beide gebruikelijke offers, het ééne op den Areopagus, het
-andere bij het altaar van Athene Hugieia te brengen.
-
-Nadat deze vóóroffers gebracht waren, zette zich de feesttrein met de
-hecatombe en het prachtschip weder in beweging. Hij nam zijn weg ook
-verder door de voornaamste straten en trok langs de beroemdste
-heiligdommen, waar men een poos stilhield, om den God te vereeren door
-offers of door het aanheffen van een paeän.
-
-Toen men de plaats bereikt had, waar de weg naar den heuvel van de
-Acropolis voerde, werd van de paarden en wagens achtergelaten, wat
-langs den breeden maar steilen weg den stoet niet volgen kon, of wat op
-de hoogvlakte van den burgt geen genoegzame ruimte zou gevonden hebben.
-Doch het ontbrak niet aan koene ruiters noch aan wagenmenners, die met
-hunne moedige paarden toch in den trein bleven, terwijl zij zich
-zooveel mogelijk op het midden van den breeden weg hielden, omdat daar
-door geribd pleister het gevaar van uitglijden, zoowel voor paarden als
-voor raderen, verminderd was.
-
-Op de Acropolis gekomen, maakte de stoet halt tusschen het Erechtheüm
-en het pas voltooide heiligdom van Pallas Athene. De peplos werd in het
-Erechtheüm gebracht en het groote offer der hecatombe begon onder het
-aanheffen van een paeän voor een in de open lucht staand altaar aan de
-oostzijde van het Parthenon.
-
-Maar geen blik der menigte drong tot in de schemerende zaal van het
-Erechtheüm door, waar het overoude, houten beeld van Athene, op een met
-bloemen bekransten troon staande, zijne gewone schatting, de peplos,
-ontving. Onopgemerkt bleef ook het heilige offer: ieder oog richtte
-zich op de pracht van den schitterenden tempel, welks poorten zich
-heden voor het eerst voor de blikken van het Atheensche volk ontsloten.
-
-De eerste indruk, dien het nieuwe feestgebouw maakte, was
-onbeschrijfelijk. Alles was schitterend marmer, van de blokken der
-grondvesten tot aan de sierlijk gemetselde hoogste tinnen. En wat geen
-marmer was, stralend in zijne jonkvrouwelijke reinheid, was goud of
-heldere kleurenpracht.
-
-Van het westen naar het oosten, in een langwerpig, van zuilen voorzien
-vierkant, verhief zich fier en vrij de heerlijke tempel, door het
-zonlicht omstraald, op zijne hoogte. Edel, regelmatig in zijne
-afmetingen scheen hij toch van zijne geweldige fundamenten met
-wondervolle bekoorlijkheid schier reusachtig naar boven te streven. De
-grondvesten zelven met de opwaarts voerende marmertrappen verhieven
-zich boven het hoofd van den toeschouwer. De tempel zelf echter met
-zijn woud van marmeren zuilen, met het versierde beeldwerk zijner
-rondomloopende friezen, met de kolossale marmergroepen, vol leven, die
-de breede gevels als ’t ware met eene schare van heerlijke gestalten
-bevolkten, stralend van goud en de schitterendste kleuren, hier en daar
-den glans van het witte Pentelische marmer doende verbleeken, scheen
-van de verlichte hoogvlakte als ’t ware tot de maagdelijke Godin zich
-te verheffen in haar rijk des lichts, den daar geheiligden aether.
-
-Niets echter boeide in deze eerste oogenblikken der beschouwing het oog
-des Atheners zoo zeer als de groote in kolossale marmergroepen
-voorgestelde tooneelen, die de breede velden der beide gevels vulden.
-Dit gezicht was overweldigend. Want de heerlijke gestalten, zooals zij
-rustend, staande, loopende, niet slechts in verheven beeldwerk, maar
-als standbeelden losgemaakt van den achtergrond, zich in fijn
-aangegeven betrekking tot elkander vertoonden, zij schenen uit hunne
-lijsten te voorschijn te willen treden en af te dalen onder het volk
-der door de Goden geliefde Atheners. Hunne houding en beweging hadden
-de juiste maat, maar toch waren zij vol gezond, heerlijk, bloeiend
-leven in zinrijke vorm afgebeeld.
-
-De Athener zag op den oostelijken gevel het oogenblik voorgesteld na de
-geboorte der Godin uit het hoofd van Zeus: in het midden den God, de
-Godin en den Titan Prometheus, die het hoofd Gods heeft gekloofd, om de
-Godin des lichts te doen geboren worden: van daar naar beide kanten
-heenspoedend met de blijde boodschap Nike [308] en Iris [309], haar
-tegemoet snellend, Godinnen en heroën, die met vreugde de tijding
-vernemen; links in den gevel Helios met zijne vurige paarden
-opstijgend; rechts de Godin van den nacht met haar span nederdalend in
-de stroomen van Oceanus. Den strijd van Poseidon echter met Pallas
-Athene om het bezit en het beschermheerschap van het Attische land,
-bevatte de westelijke gevel: in het midden de beide strijdende
-godheden: de onstuimige Poseidon, die zooeven met den drietand de
-heilige bron uit de rots heeft geslagen, tegen hem over Pallas Athene
-en de op haar bevel ontstane olijfboom; naast haar het hoog steigerende
-span voor den zegetocht; godheden en heroën van het Attische land zich
-bij de Godin aansluitend, bij Poseidon het gevolg zijner zeegoden. Van
-deze gestalten, allen meer dan levensgroot uit het marmer gebeiteld,
-dwaalde het oog naar de kleinere beeldwerken van den fries boven de
-zuilen, waar in de lange rijen der metopenvelden, kampstrijden der
-Grieken met woeste Centauren waren voorgesteld; vandaar door de zuilen,
-die rondom den tempel liepen tot aan het beeldwerk van den inwendigen
-fries, die den buitensten marmeren wand van den tempel omgaf. En door
-het gezicht daarvan begon het oog van den Athener nog vuriger te
-stralen, want hier aanschouwde de levendige feeststoet zijn eigen
-beeld, uit marmer gehouwen: tooneelen uit den optocht der Panathenaeën
-en wat daaraan vooraf was gegaan: afbeeldsels van schoone, zedige
-jonkvrouwen, van krachtige jongelingen op steigerende rossen, fier
-stuivende spannen en voorstellingen van hippische agonen [310] het
-overreiken der peplos en, te midden van al dat menschelijk schoone,
-Olympische Goden, uit hunne onzichtbare en ongenaakbare gewesten
-nedergedaald als getuigen van het heerlijke feest. Zoo eenvoudig, zoo
-onopgesmukt en edel scheen hier bij alle schoonheid iedere gestalte,
-dat zij uit het marmer tot het Atheensche volk voor alle volgende
-tijden scheen te zeggen: „Houd de schoone maat en laat uw leven steeds
-in zulk een edelen eenvoud, in zulk eene schoonheid en reinheid
-bloeien, als het hier zich aan u vertoont in de marmeren beelden uit de
-werkplaats van den diepzinnigen Phidias!”
-
-Ten aanschouwe van het ongeduldige volk betraden thans, nadat het offer
-der hecatombe was verricht, in plechtigen stoet de eerste
-overheidspersonen van Athene de trappen van den tempel. Zij schaarden
-zich daar aan weerszijden van de poort. In hun midden stond Pericles en
-de Archon Basileus.
-
-Thans openden zich de breede, sierlijke metalen deuren des tempels. Het
-inwendige deed zich met zijne schitterende zuilen aan de oogen voor en
-Phidias’ nieuw, schoon beeld van Pallas Athene vertoonde zich in al
-zijn luister prijkend voor de eerste maal in de heilige schemering aan
-het volk der Atheners.
-
-Thans hieven de feestgenooten een lofzang aan ter eere van de Godin.
-Toen die klanken weggestorven waren, trad Pericles te voorschijn en
-sprak van de trappen des tempels aldus tot de verzamelde menigte:
-
-„In overoude tijden had Pallas Athene de volheid aller aardsche
-zegeningen over de wieg van het Atheensche volk uitgestort en als de
-geefster van de voedzame olijf, als de schenkster der voornaamste
-goederen, als zij, die de welvaart van het Attische land had
-gegrondvest en bevorderd, werd zij vereerd in dat eerwaardige, doch
-ruwe houten beeld van het Erechtheüm. Toen echter was de tijd gekomen,
-waarop Athene zich het zwaard aangordde, aan de spits van Hellas de
-Barbaren bekampte en, in de zegepralen gestaald, tot den bloei zijner
-macht zich verhief. Als herinnering van dien tijd stond op den burg het
-over land en zee, heinde en ver zichtbare reusachtige beeld der Athene
-Promachos. Nu echter was de tijd aangebroken, waarop het innigste en
-diepste wezen van de Godin en daarmede het schoonste deel harer
-zegeningen over het Attische land en volk werd uitgebreid. Nu wilde zij
-zich ten volle openbaren als de Godin van den lichtenden aether, in
-welks glans de nacht verdwijnt, als de nadenkende, schrandere, om wier
-voorhoofd de vrije gedachte in schoone klaarheid zweeft, als de steun
-van alle kunsten en wetenschappen en alle zegen, die voortspruit uit
-den geest. Als zoodanig had Phidias haar thans voorgesteld, een Pallas
-Athene des vredes. En over deze nieuwe gestalte der Godin had men het
-nieuwe, harer waardige tempelgebouw gesticht, geen priesterlijk huis
-voor offergaven, maar een Panathenaeïsch feesthuis der Godin, waarin
-zij het waarachtig licht en de waarachtige macht van haar wezen,
-losgemaakt van alle priesterbekrompenheid, vermocht te openbaren.
-Zinrijk omgaf dit tempelhuis de Godin, uitdrukkend de openbaring van
-haar wezen zelf en tevens die van het volk, dat zij beschermt. En zoo
-wilde men dan ook in het vervolg nog de peplos aanbieden aan het
-overoud eerwaardige, houten beeld van de schutsgodin der stad, de oude,
-heilige zeden der vaderen eerende: doch doel en middelpunt van het
-feest der Panathenaeën moest voortaan het Parthenon zijn. Hier zouden
-van nu af de overwinnaars in de agonen hunne prijzen uit de hand der
-kamprechters, zittende aan de voeten der Godin, ontvangen, en tot de
-beeldwerken van het schitterend feesthuis zou het volk zich wenden, om
-die uitstraling van het innerlijk wezen der Godin in zich op te nemen,
-zijn gemoed te vervullen met het grootsche en heerlijke, dat hier van
-de wanden en gevels en friezen in marmeren taal sprak. In deze beelden
-zou de Athener de geschiedenis lezen van zich zelven, lezen het in
-steen gehouwen heldenlied der zege des lichts en des geestes over al
-het duistere en ruwe. Zich zijner kracht bewust, moest de geest in den
-Helleen ontbranden van edele begeerte om altijd het gedenkteeken
-waardig te blijven, dat hij hier voor alle volgende tijden zich zelven
-had opgericht.”
-
-Door deze woorden van Pericles geraakte het volk in vervoering en door
-duizende stemmen werd opnieuw de paeän aangeheven ter eere der
-jonkvrouwelijke Godin; onder dit gezang en onder de muziek van fluiten
-en snareninstrumenten, die den feeststoet begeleiden, betrad, op den
-wenk van den Archon Basileus en door hem geleid, voor het eerst de
-stoet der jonkvrouwen de trappen en ging door de geopende poorten van
-het Parthenon. Door maagdelijken voet zou het nieuwe heiligdom der
-maagdelijke Godin het eerst betreden worden. Op de jonkvrouwen volgden
-de jongelingen en terwijl genen zich in het binnenste van den tempel
-ter rechter, dezen ter linker zijde van het beeld der Godin schaarden,
-onder het voortdurend gezang van de paeän, betraden zij, die
-wijgeschenken in den feesttrein droegen, het feesthuis en legden de
-geschenken aan de voeten der Godin neder. Andere wijgaven, bijzonder
-blinkende, gouden en zilveren schilden, werden opgehangen aan de zuilen
-des tempels. Nu werden de overwinnaars in de Panathenaeïsche
-wedstrijden over den drempel geleid benevens de kamprechters en zij,
-die in Athene de hoogste waardigheden bekleedden.
-
-Luider klonk de muziek van fluiten en cither, bezielender schalde de
-paeän door de marmeren portalen, toen het prachtige beeld der Godin
-onmiddellijk zich voor de oogen der in de tempelzaal aanwezigen en
-steeds toestroomende Atheners vertoonde. Daarop waren alle blikken
-gericht.
-
-Oogverblindend als de tempel, schitterde ook de kolossale
-godengestalte: van ivoor waren de onbedekte deelen gevormd, van goud al
-het overige; diepzinnig voor zich heen staarde het ernstige, schoone
-hoofd, bedekt door den zwaren helm, waaronder weelderige lokken
-neergolfden. De trekken van het gelaat hadden eene peinzende
-uitdrukking, maar het diepzinnige scheen zich in eene vriendelijke
-opgeruimdheid op te lossen. Ter linkerzijde van de Godin rustte het
-schild vreedzaam staande, niet meer krijgshaftig opgeheven. De lans was
-niet langer strijdvaardig in hare hand geklemd. Niet als kampioen
-verscheen zij meer doch wel als overwinnares. Op hare uitgestrekte
-rechterhand droeg zij eene gevleugelde zegegodin, evenals men eene duif
-of valk draagt. De gevleugelde zegegodin bood haar een van goud
-stralenden krans aan. Onder de bescherming van het schild kronkelde
-zich de heilige burgtslang, zinnebeeld van de eerstgeboren, door de
-Goden bewaakte kracht van het Attische land en volk. Over de borst der
-Godin hing het Aegispantser [311] met het versteenend Gorgonenhoofd.
-Onder het breedgewelfde, hoog verheven sieraad van haar helm was eene
-Sphinx zittende afgebeeld, ter rechter en linker zijde daarvan
-griffioenen, zinnebeelden van diepzinnigheid, scherpzinnigheid en
-waakzaamheid. Nog ander verschillend beeldwerk trachtte het wezen van
-de Godin duidelijk uit te drukken: op de buitenzijde van het schild de
-strijd tegen de wilde Amazonen [312], op den binnenkant de trotsche
-Giganten, op den rand der sandalen de ruwe Centauren; en zoo overal
-strijd tegen de woeste, donkere machten.
-
-Waardig welfde zich het prachtig huis over het heerlijke beeld der
-Godin. In eene dubbele rij liepen de schitterende zuilen, met
-bloemkransen feestelijk omwonden, door de tempelzalen, ze in drie
-schepen verdeelend. Bij de zijschepen echter vormde eene tweede
-zuilengaanderij boven de eerste eene bovenverdieping, een open omgang.
-Eene groote, vierkante opening was er in het midden van het platte dak,
-dat op die bovenste zuilenrij rustte, zoodat het licht in den tempel
-viel, die niet van vensters voorzien was, en het beeld der Godin
-bescheen. Aangrijpend was deze van boven binnenstroomende heldere
-aether in de eerbiedwekkende en goddelijke stilte des tempels: het
-gemoed werd door den blik naar die licht verspreidende opening en den
-blauwen hemel, die zich daarboven welfde, verlicht van den
-overweldigenden indruk van het prachtige en grootsche pronkstuk. De
-valken en de adelaars, het vurig span van Helios en de donderwolken van
-Zeus trokken daarover heen en bij het afwisselend spel van licht en
-schaduw, nu eens door een gouden glans, dan eens door een wit
-zilverlicht omstraald, dan weer in eene halve schemering gehuld, scheen
-het gelaat der Godin als met veranderde trekken ernstiger of zachter
-van hare hoogte neer te zien. In de edele majesteit van den tempel was
-niets, wat het oog van de Godin kon afleiden; alles voerde tot haar
-terug, zelfs de rij der schoon gevormde, schitterende wijgeschenken
-tusschen de zuilen. Niets was daar aanwezig van die verstrooide en
-verstrooiende pracht, waarmede andere tijden en andere volken de huizen
-hunner Goden trachtten te versieren. Eenzaam stond in den geheimzinnig
-stillen marmeren tempel, zich badend in licht en glans, het
-reusachtige, verheven schoone beeld der Godin.
-
-Nadat alzoo het nieuwe feesthuis van Athene door het Atheensche volk
-onder bezielende liederen, begeleid door fluiten- en snarenspel, der
-Godin was opgedragen en gewijd, en de rijke wijgeschenken aan hare
-voeten waren neergelegd, begon de verdeeling der prijzen aan de
-overwinnaars in de Panathenaeïsche kampspelen. De overwinnaars werden
-door de prijsrechters opgeroepen, en daar ’t eerst aan de zegevierende
-knapen, dan aan de jongelingen, eindelijk aan de mannen de prijzen
-uitgereikt werden, was ’t de veertienjarige zoon van Clinias,
-Alcibiades, die als overwinnaar onder de knapen, het eerst in het pas
-geopend Panathenaeïsch feesthuis opgeroepen werd en den prijs ontving
-uit de handen der rechters. Den fier en vroolijk rondzienden knaap viel
-eene prachtig gevormde amphora [313] ten deel, waarop in schitterende
-kleuren was voorgesteld, hoe de jonge Heracles de beide slangen
-verworgde. De schoone vaas was echter gevuld met olie van de heilige
-olijven van Pallas Athene in den tuin der Academie. Dergelijke
-eergeschenken ontvingen de overwinnaars in de overige agonen; hun
-echter, die in de musische [314] wedstrijden de zege hadden behaald,
-werden gouden kransen toegekend.
-
-Toen alzoo de verdeeling der prijzen had plaats gehad, geschiedde nog
-onder de oogen van het volk het overbrengen van den Atheenschen schat
-naar het achtergedeelte van het Parthenon. Dit gedeelte hetwelk mede
-omgeven door de zuilen van het Parthenon, zich in westelijke richting
-aan de tempelzaal aansloot, was eene rondom versterkte ruimte, zonder
-vensters, en kon slechts door eene lamp verlicht worden; in haar
-geheimzinnig schemerlicht zouden de gemunte en ongemunte schat van
-Athene benevens kleinoodiën van allerlei aard, kostbare sieraden en
-pronkstukken, ook hoogst gewichtige oorkonden van den staat voortaan
-bewaard blijven onder het toezicht van den schatmeester van het
-Atheensche volk.
-
-Onder de scharen van het volk, dat over de hoogte der Acropolis zich
-her- en derwaarts bewoog en den thans onthulden luister van het
-Parthenon bewonderde, bevonden zich ook velen, die uit den vreemde
-waren gekomen.
-
-Onder hen ook een Spartaan.
-
-Toen deze de nieuwe tempelzaal wilde betreden, werd hij door een
-Atheensch jongeling, die hem reeds eenigen tijd met wantrouwende
-blikken had vervolgd, bij den schouder gegrepen, terwijl hij hem
-toeduwde:
-
-„Weg van dezen drempel! Doriërs is het verboden hier binnen te treden!”
-
-Inderdaad ontzegde eene oude orakelspreuk aan mannen van den Dorischen
-stam de heiligdommen op den burg te Athene te betreden. En althans
-tegenover verklaarde vijanden van Athene herinnerde men zich soms deze
-orakelspreuk. Toen nu eene groote menigte volks zich om den Spartaan
-drong en de Atheensche jongeling de schampere woorden herhaalde, trok
-alles partij tegen den vreemdeling en werd hij gedwongen den burg te
-verlaten.
-
-Zoo flikkerde, zij het ook slechts in eene enkele bliksemflits, voor
-een oogenblik, zelfs bij het feest des vredes, de vijandschap, die de
-beide groote Hellenenstammen sedert overoude tijden verdeelde,
-onheilspellend in het zwerk...
-
-Doch er was ook een Athener op de Acropolis, die op het feestgedruisch,
-dat bij het nieuwe Parthenon heerschte, met blikken van wrok en afgunst
-neerzag. Deze Athener was Diopithes, de priester van Erechtheüs.
-
-Wel is waar was naar oud en onveranderlijk gebruik de peplos naar het
-Erechtheüm gebracht en aan het houten beeld van Athene Polias
-opgedragen; maar dit was vluchtig en zonder feestelijk gerucht
-geschied; naar den nieuw gebouwden tempel, het priesterlooze feesthuis
-van Pallas Athene had het verzamelde volk der Atheners zich heengewend.
-Niet het uit den hemel neergedaalde Palladium der stad Athene, niet de
-Godin van zijn heiligdom, maar het ijdele pronkbeeld van Phidias hadden
-de Atheners hunne hulde bewezen. Voor de voeten van deze nieuwe Pallas
-Athene, niet in zijn tempel, waren de kostbare wijgeschenken
-nedergelegd. De Goden van het Erechtheüm waren vertoornd en hun
-priester met hen...
-
-Evenals op dien dag, toen Pericles en de verkleedde Aspasia in
-gezelschap van Sophocles op de hoogte van de Acropolis hadden
-gewandeld, om de grondslagen te zien leggen van den luister, die thans
-zich vertoonde, stond ook nu Diopithes in gesprek met zijn vertrouwde
-aan de poort van het Erechtheüm. En zie, evenals toen, terwijl hij met
-Lampon mokkend en spijtig over de bedorvenheid der tijden sprak, zag
-hij ook thans plotseling den gehaten man met dezelfde Aspasia over de
-hoogte van de Acropolis wandelen, vergezeld van Phidias, Ictinus,
-Callicrates, Sophocles, Socrates en anderen van die uitnemende
-Atheensche mannen, die met Phidias de Homerische zinspreuk in hunne
-banier hadden geschreven:
-
-
- „Pallas Athene gedoogt geen vrees in mij!”
-
-
-Toen namelijk het uur voor het groote feestmaal was gekomen, waarbij
-het vleesch van de honderd runderen der hecatombe en de overblijfsels
-der vóóroffers aan het volk gemeenschappelijk werd aangeboden,
-bevochtigd door de rijkelijke gaven van Bacchus, wandelde die
-uitgelezen schaar op de thans stille Acropolis rond, om ongestoord het
-voltooide werk in oogenschouw te nemen.
-
-Het gelaat van Phidias was heden niet ernstig en gerimpeld, als anders;
-een opgeruimde glans straalde over zijn hooggewelfd voorhoofd.
-
-Ten hoogste verheugd sprak Pericles, hoe hij, na het begin en het
-allengs vorderen van al deze werken te hebben nagegaan, thans, na eene
-afwezigheid uit Athene van een jaar, verrast was door een voltooid
-werk, welks luister hij niet had kunnen vermoeden. En wederom roemde
-hij, hoe zooveel heerlijks in zoo’n kort verloop van jaren voltooid en
-als ’t ware voortgekomen was uit één enkel hoofd.
-
-Doch Phidias zeide, dat niet door het hoofd alleen, maar door de
-duizende kunstvaardige handen, die dat hoofd ten dienste hadden
-gestaan, het wonder was geschied. Zij hadden ook eigenlijk niet één
-hoofd, maar één geest gediend, die in de schoonste harmonie allen
-bezielde.
-
-Terwijl de mannen alzoo in blijde, opgewekte stemming de sierlijkheid
-der nieuwe scheppingen als met een vreugde-dronken oog genoten en hunne
-gewaarwordingen in woorden lucht gaven, zag men Aspasia wel in
-gespannen aandacht, met fonkelenden blik en gloeiende wangen, doch
-zwijgend de werken van Phidias, Ictinus en de overige kunstenaars
-beschouwen.
-
-Haar zwijgen bevreemde zelfs Phidias, den grootsten zwijger onder de
-mannen, en hij sprak eindelijk met den hem eigen ernstigen glimlach,
-zich tot Aspasia wendend:
-
-„Als mijn geheugen mij niet bedriegt, wordt sedert lang de schoone
-Milesische te Athene door velen als de hoogste rechter beschouwd in
-alle zaken, de kunst betreffende. Ook heeft zij, voor zoover ik mij
-herinner, nooit geschroomd haar oordeel uit te spreken. Hoe komt het,
-dat zij, eene vrouw, ons mannen heden door haar stilzwijgen beschaamt?”
-
-Aller blikken waren vol spanning op Aspasia gevestigd en ieder hechtte
-voor zichzelven de grootste belangstelling aan de vraag van Phidias.
-
-„Terecht,” sprak Aspasia, „herinnert gij er aan, o Phidias, dat ik eene
-vrouw ben! Uit dien hoofde ben ik niet zoo spoedig gevat als gij,
-mannen, en is in mijn gedachtengang minder strenge orde en
-geleidelijkheid. Bewegelijk is het gemoed der vrouw en gij moogt wel
-toezien, dat gij niet te veel waagt, als gij mij, eene vrouw, de eenige
-van mijn geslacht, naar het schijnt, het recht toekent om vrij te
-denken en vrij te spreken. Hier staat de nieuwe, heerlijke tempel,
-groot als een berg en schoon als een bloem, en welk eene volheid van
-het volkomene is daarmede tevens voor onzen blik ten toon gespreid en
-onthuld! Dat alles is zoo bevallig in zijne waardigheid, zoo diepzinnig
-in zijne natuurlijkheid, zoo menschelijk in zijne goddelijkheid, dat
-ieder mannelijk gemoed daardoor in een toestand van hoogste
-tevredenheid en volkomen voldaanheid moet gebracht worden. De aard der
-vrouwen echter is, evenals die der kinderen, dat, als zij met de ééne
-hand het gewenschte voorwerp aannemen, zij de andere reeds naar iets
-anders uitstrekken en het oog wellicht reeds op een derde voorwerp
-richten. Ware ik een man, ik zou mij in dit oogenblik tevreden stellen,
-in geestvervoering Phidias als den eersten, als den grootsten van alle
-Hellenen te prijzen. Als vrouw echter heb ik nog een onvervulden
-wensch, ja zelfs eene aanklacht tegen u uit te spreken. Vreest gij niet
-den toorn der gouden Aphrodite, o Phidias? Gij schijnt mij toe steeds
-slechts het hooge, het reine, het goddelijke te zoeken, om het in
-menschelijke gestalte te belichamen; en ware het goddelijke niet
-toevallig altijd tevens schoon, gij zoudt, geloof ik, u om het schoone
-niet bekommeren. Want nooit zoekt gij het; en wat de zinnen bekoort,
-het hart ontvlamt, vindt geen weerklank in uwe ziel. De bekoorlijkheid
-van het vrouwelijke om haar zelve voor te stellen, zooals de dichters
-het doen in hunne geestdrift, als zij van Aphrodite zingen, versmaadt
-gij. In een heiligen ernst is steeds uw gemoed verzonken, en uwe ziel
-zweeft, den adelaar gelijk, alleen boven de toppen der bergen. O Eros,
-hebt gij geen pijl voor dezen? Waarom, o Cyprische Godin, slaat gij
-dezen niet in uwe gouden ketenen, opdat hij zijn beitel aan uwe
-bekoorlijkheid wijde, opdat ook door hem eindelijk uw innigste wezen
-zoo openbaar worde, als door hem het diepste wezen zijner Godin Pallas
-Athene openbaar is geworden in dit goddelijk beeld?”
-
-„Inderdaad,” zei Phidias, „heb ik tot nu toe tegen Eros’ peilen en
-Aphrodite’s boeien beschutting gevonden onder het schild van Pallas
-Athene, en haar heb ik het wel te danken, dat mijne kunst niet
-weekelijk en verwijfd is geworden. Beschuldig overigens de Lemniërs, o
-Aspasia, wanneer ik ook nu, nadat ik juist het beeld der
-jonkvrouwelijke Godin voor het Parthenon voltooid heb, mijne kunst niet
-aan de gouden Aphrodite kan wijden. Want het is geen Aphrodite, wat de
-Lemniërs van mij verlangen, maar een metalen beeld van die zelfde
-Pallas Athene vragen zij mij reeds langen tijd dringend voor hen te
-vervaardigen.”
-
-„Wat gij daar zegt,” hernam Aspasia na eene korte pauze, waarin zij
-over het gezegde van Phidias had nagedacht, „vervult mij met grooter
-verwachting dan gij zelf denkt! Ik vernam heden hoe Pericles tot het
-volk sprak, er op wijzende hoe men van het onaanzienlijke, vormelooze
-houten beeld opgeklommen was tot de geweldige Athene Promachos en van
-deze tot de jonkvrouw van het Parthenon. Wie zou nu niet gelooven, dat
-ook de Pallas der Lemniërs weder uit zal munten boven de jonkvrouw van
-het Parthenon? Wie zou er aan twijfelen, o Phidias, dat, hoe meer gij
-schept, des te warmer en te schitterender onder uwen tooverstaf de
-„vuurbron” des levens en der schoonheid uit het marmer of het metaal
-zal te voorschijn komen? Nadat gij de in de eerste gelederen strijdende
-manvrouw en de diepzinnige jonkvrouw gebeiteld hebt, wat blijft u nu
-overig dan de vrouw?”
-
-„Of ik voorwaarts ga,” hernam Phidias, „dan wel van den rechten weg
-afwijk, als ik naar de inblazingen eener schoone vrouw luister, weet ik
-niet. Doch wat gij verlangt, schijnt op mijn weg te liggen.”
-
-„Gij aan wien geen Hellenenvrouw hare bekoorlijkheid zou ontzeggen,”
-vervolgde Aspasia, „moet de vrouw voorstellen en hare bekoorlijkheid,
-en verkondigen als het hoogste en laatste aan het Grieksche volk:
-„alleen in het kleed der schoonheid zal de wijsheid alle harten
-veroveren!”
-
-Zoo onderhield zich Aspasia met Phidias. Pericles echter begon nu met
-Ictinus en Phidias het plan van de grootsche voorzalen te bespreken,
-die aan het werk van den burgt aan de zuidzijde de kroon zouden
-opzetten en die, naar de meening dezer mannen, niet minder verheven en
-prachtig zouden worden, dan het Parthenon zelf. Steeds van nieuws af
-aan keerde men vol aandacht en genot naar het voltooide terug, naar de
-beeldwerken, naar de heerlijke wijgeschenken. De werken van den een of
-anderen leerling van Phidias, op de gevels of friezen prijkend, werden
-beoordeeld: hier werd Alcamenes geprezen, daar Agoracritus, en zoo
-ieder der tallooze beeldhouwers, die met vurigen ijver aan dit
-meesterstuk hunne krachten hadden gewijd.
-
-Nu echter voerde Phidias Pericles en allen, die om hem waren, naar het
-werk van den peinzenden zoon van Sophroniscus, naar de groep der
-Chariten, die de waarheidzoeker als wijgeschenk voor de Acropolis had
-vervaardigd.
-
-Zij zagen de drie jonkvrouwen in marmer gebeiteld, elkander
-omstrengelend, gelijkend op elkander en toch wederom van een
-verschillend karakter. Bekoorlijk was de eene gebeiteld, edel en
-gestreng de andere, peinzend de derde.
-
-Toen de beschouwers zich over deze verscheidenheid verwonderden, zeide
-de beeldhouwer met eene uitdrukking van lichte droefheid op het gelaat:
-
-„Ik meende, dat gij u over deze verscheidenheid niet zoudt verbazen,
-integendeel dat gij ze ten volle natuurlijk zoudt vinden. Waarom zou
-men een drietal van Chariten aannemen, zoo zij alle drie geheel gelijk
-waren en hetzelfde uitdrukten? Ik deed mijn best, om den diepen zin van
-deze trits na te sporen en ik twijfelde niet of drie verschillende
-eigenschappen moesten zich in het wezen der Charis vereenigen. Maar het
-gelukte mij niet te weten te komen, welke de drie verschillende
-bestanddeelen der Charis waren, totdat Alcamenes ons bij de schoone
-Theodota bracht. De schellen vielen mij als ’t ware van de oogen, toen
-de Corinthische achtereenvolgens in haren dans Aphrodite, Hera en
-Pallas voorstelde. Wat is het karakter van Aphrodite anders dan het
-lichamelijk schoone? Wat het karakter van Hera anders dan het schoone
-naar de ziel, of het goede, het zedelijke? En wat heeft het karakter
-van Pallas anders dan het geestelijk schoone of het ware? En zoo ervoer
-ik toen, dat lichaam en ziel en geest te samen moesten werken om het
-volkomen wezen der Charis uit te drukken...
-
-„Dat was het, wat ik toen van Theodota leerde en verzweeg, toen gij
-daarnaar vroegt; want ik voelde mij gedreven, niet in woorden, maar in
-een beeld, evenals Phidias, den indruk van mijn geest levendig voor te
-stellen. Maar het is mij niet gelukt. Want ware het mij gelukt, dan zou
-deze verklaring niet noodig zijn geweest. Ik heb mij van het marmer
-bediend en toch moest ik tot woorden mijne toevlucht nemen. Gij echter,
-o Aspasia, behoeft geen woorden, om mij uw oordeel kenbaar te maken;
-want ik lees het in uw blik!”
-
-„En wat leest gij dan?” vroeg Aspasia.
-
-„Gij zegt mij: keer terug, o droomer, van de beelden en levendige
-vormen tot de gedachten, begrippen en woorden!—Ik wil het doen! Ik wil
-van dezen dag af den beitel uit de hand leggen of liever hem zelven, in
-plaats van een werk mijner hand, aan de wijze Godin aanbieden als
-wijgeschenk. En dit beeld mijner gebrekkige kunst wil ik in stukken
-slaan, tevreden, als de gedachte leeft, die het geschapen heeft en als
-het, in plaats van in dood marmer belichaamd wordt in den geest, het
-gemoed en het leven der Atheners!”
-
-„Wijd gij gerust, o Socrates,” zeide Pericles, „uw beitel aan de Godin
-als wijgeschenk, om voortaan alleen te volvoeren, wat uwe ware roeping
-is en wat niemand zoo goed verstaat als gij. Maar dit wijgeschenk moet
-niet verbrijzeld worden; zij het ook minder met kunstenaarshand dan
-door den geest van den wijze gevormd, toch stelt deze groep de
-schoonste bestemming van den Helleenschen geest voor oogen: lichaam,
-gemoed en geest vereenigd in de hoogste harmonie tot den schoonsten
-bloei der Charis! Edeler kan ons aller trouw streven niet uitgesproken,
-waardiger niet aangespoord worden tot nieuwe werkzaamheid en
-scheppingskracht!
-
-„Hier voor dit beeld is het de plaats elkander de hand te reiken tot
-vernieuwing van het bond, dat ons allen vereenigt. Hier ook is het,
-naar mij dunkt, de plaats, hier voor het beeld der Chariten, onze edele
-Aspasia te danken voor datgene, wat zij in vereeniging met ons heeft
-volbracht, niet zoozeer door hare woorden aansporende, als wel door den
-gloed, die er van haar wezen uitstraalde, ons onmiddellijk
-ontvonkend.—Want haar wezen, gij weet het allen, dringt als een
-lichtstraal tot in de gemoederen door en doet altijd iets nieuws en
-schoons ontbranden. Vorm uwe Pallas, o Phidias, naar haar beeld! Want
-zij zegt het u niet alleen, zij heeft het aan u en aan ons allen met
-der daad bewezen, dat de wijsheid onoverwinnelijk is in het kleed der
-schoonheid!—
-
-„Vluchtig is anders het spoor van het schoone,” ging Pericles voort:
-„het komt en gaat als de straal van het gesternte, als de bevruchtende
-regenwolk. Maar de onvergelijkelijke bekoorlijkheid, die er van
-Aspasia’s wezen uitstraalt, zal ons als een kostbare schat steeds
-bijblijven. Niet meer eene vreemdelinge ziet gij voor u, op wie men
-ongestraft zijne hatelijke pijlen kan afschieten of die men mag
-beschimpen met onteerende namen. Zij is van dezen dag af mijne wettige
-gemalin. In vrede is de echtverbintenis, die mij met Telesippe
-vereenigde, verbroken. In hare plaats heerscht voortaan Aspasia als
-meesteres aan mijn huiselijken haard. Ik weet, dat de Athener met
-onvriendelijk oog den medeburger beschouwt, die eene buitenlandsche
-vrouw als wettige gade zijn huis binnenvoert. Ik weet, dat onze wet den
-spruiten uit zulk een echt zelfs het Atheensche burgerrecht weigert.
-Toch heb ik Aspasia tot vrouw genomen. Doch het is eene verbintenis van
-geheel anderen aard, die ik met haar sluit; een nieuwe vorm van den
-echt zweeft ons beiden voor den geest, zooals hij tot nu toe—ik weet
-niet of de schuld aan de mannen of aan de vrouwen ligt—nog nooit
-verwezenlijkt is. Groote verandering heeft onze staat in den laatsten
-tijd ondergaan: wanneer nu het algemeene leven zich vernieuwt, waarom
-zou dan ook niet het burgerlijke, het huiselijke naar eene
-wedergeboorte streven? Voor mij en deze vrouw zal de huidige dag, die
-het Atheensche volk op zijn glanspunt heeft getoond, te gelijkertijd
-een keerpunt zijn en een hoogtij van ons persoonlijk lot. Athene en
-geheel Hellas streeft onder een nieuw gesternte nieuwe doeleinden te
-gemoet; wij beiden doen hetzelfde in den engen kring van het huiselijke
-leven. Hier, evenals daar, is de drijvende geest, gemoed en gedachte
-dezelfde. En hier als daar zal, naar ik meen, het gelijke zich op
-gelijke wijze openbaren!”
-
-Voordat een der vrienden de aandoening, die door deze woorden van
-Pericles bij allen te weeg gebracht was, in woorden lucht kon geven,
-greep Aspasia de hand van haar nieuwen gemaal en sprak:
-
-„Het is zooals gij zegt, o Pericles; ik heb mij de kracht des woords
-noch de diepte der wijsheid aangematigd. Als ik in vereeniging met u
-iets heb tot stand gebracht, dan was de werking, die van mij uitging,
-die der vrouwelijkheid alleen, wie het voor de eerste maal vergund was
-zonder de boeien der geslachts zich vrij en ongedwongen te uiten. Ben
-ik een apostel, dan ben ik die der vrouwelijkheid. Wellicht moet uit de
-vrouwelijkheid de wereld, die tot nu toe in de boeien der ruwe
-mannelijkheid was, herboren worden, om ieder overblijfsel van
-barbaarschheid van den vroegeren tijd weg te nemen. En als eene vrouw
-van den Ionischen stam ben ik ondanks mij zelve, de voorvechtster van
-het Ionische karakter tegenover den ernstigen, strengen geest van den
-Dorischen stam, die de schoonste bloesems van het Helleensche leven
-verstikken zou, als hij de overwinning behaalde. Wee den schoonen Goden
-van Hellas, als hij ooit in de wereld de overhand krijgt!—Ben ik
-inderdaad geroepen en machtig voor eene zaak te werken en te strijden
-en heb ik mij, zooals gij zegt, altijd beijverd bij de meesters der
-beeldende kunst, om het schoone en het vrouwelijke te bevorderen, dan
-zou ik voortaan, ook in andere richtingen des levens mij bewegend, een
-openlijken krijg willen verklaren aan ieder vooroordeel, aan elke
-onzinnige overlevering, aan iedere bekrompen of ongezonde
-levensbeschouwing, aan iedere den mensch onwaardige denkwijze. Ik zal,
-naar bondgenooten zoekend, mij tot de leden van mijne kunne wenden. Zij
-zullen naar mij hooren, want ik ben de gade van Pericles den Olympiër!”
-
-Zoo sprak Aspasia. De vrienden luisterden naar hare woorden vol
-aandacht en namen hartelijk deel in haar geluk.
-
-Ook de Erechtheüs-priester vernam die woorden in het schemerlicht,
-achter de zuilen verborgen. Zijne lippen trilden en plooiden zich tot
-een hoonenden lach. Een vurige blik van den innigsten haat bliksemde in
-zijn oog en viel op de Milesische.
-
-In bezielde taal begonnen nu de vrienden hunne blijdschap te betuigen
-en prezen de voornemens van het edele paar.
-
-Alleen Socrates zweeg nog, zooals hij dikwijls uit bescheidenheid deed,
-wanneer hij zich in een kring van uitgelezen mannen bevond.
-
-Toen vroeg Pericles aan den mijmerende met vriendelijken glimlach:
-
-„Wat denkt onze wijsheidsvriend van het bond, dat hier ten aanschouwe
-zijner Chariten is gesloten?”
-
-„Mij is slechts dit ééne helder,” antwoordde de zoon van Sophroniscus,
-„dat ons Athene de gezegendste zal zijn onder alle steden der bewoonde
-wereld. Al het andere is mij onbekend en in duisternis gehuld. Maar wij
-willen in alles het beste hopen van de gunst van den albesturenden
-vader Zeus en zijne onvolprezen dochter Pallas Athene.”
-
-
-
-
-
-
-
-XV.
-
-UILEN OP DE ACROPOLIS.
-
-
-Als het waar mocht zijn, zooals de sage bij den verheven dichter der
-Euminiden [315] meldt, dat de diefstal van het vuur uit den hemel en de
-gave daarvan aan de menschen door Prometheus op de Acropolis heeft
-plaats gehad, dan is het niet te verwonderen, dat bij het noemen van
-den naam Acropolis te Athene velen slechts eene hoogte voor den geest
-zweeft, geheel in verblindend licht gehuld, gekroond door de marmeren
-tinnen van het Parthenon.
-
-Doch er waren ook uilen op de Acropolis....
-
-Er waren uilen te Athene—er waren er zoovele dat de uitdrukking „uilen
-naar Athene zenden” [316] de beteekenis kon krijgen van een overbodigen
-arbeid.
-
-En deze vogels waren zelfs aan Pallas Athene geheiligd. Zij behoorden
-bij haar, als de vogels van den gedachtenvoortbrengende, geheimzinnigen
-nacht. Want de nacht zelf is donker, maar hij is zwanger van licht en
-beter dan de drukke dag doet hij de gedachte ontkiemen en rijpen in het
-wakkere hoofd der menschen. Niet zelden echter tracht de nacht iets
-zelfstandigs te zijn en meer dan het licht, dat uit hem geboren wordt,
-en stelt zich dan vijandelijk tegenover het licht.
-
-Zoo komt het, dat ook de vogels van den nacht, de uilen, vijanden van
-het licht geworden zijn.
-
-Er waren er dan, zooals gezegd is, vele op de Acropolis en zij
-nestelden het liefst in de ruimte tusschen de kroonlijst en het schuine
-dak van het oude, eerwaardige Erechtheüm, gezamenlijk met hagedissen,
-muizen en slangen.
-
-Zij zijn daarom de lievelingsvogels van den Erechtheüs-priester
-Diopithes, die ginds juist, onmiddellijk vóór de trappen van het
-Parthenon, in een levendig gesprek met een man gewikkeld is en zich
-tevens eenigszins zonderling beweegt.
-
-Hij loopt namelijk vóór de oogen van den anderen man met eene zekere
-opgewondenheid de trappen van het Parthenon op en af. Voor den ingang
-des tempels zijn, om het binnentreden gemakkelijker te maken, in de
-breede, hooge trappen kleinere gehouwen. Deze kleinere trappen klimt
-Diopithes op en telt ze onderwijl en spreekt het getal met hoorbare
-stem uit.
-
-En nadat hij zóó gaande en luid tellend aan den anderen man het getal
-der trappen heeft aangeduid, zegt hij tot hem het volgende:
-
-„Gij weet welke wet voor het aantal trappen van een tempelstoep door
-den vromen en welberaden geest der Hellenen sedert eeuwen is
-vastgesteld geworden. Oneven is naar den ouden regel het getal dezer
-trappen, opdat, als een gunstig voorteeken, de eerste en de laatste
-trede door de rechter voet zou kunnen worden betreden.”
-
-„Ja, zoo is het inderdaad,” hernam de man, tot wien Diopithes sprak.
-
-„Welnu,” ging Diopithes voort, „gij ziet, dat de mannen die dit
-Parthenon gebouwd hebben, schijnen te meenen, dat zij geen goede
-voorteekens meer noodig hebben. Het getal dezer kleinere trappen is
-even. Zij mogen nu werkelijk, hetzij in fieren trots of door de Goden
-met verblinding geslagen, tegen den heiligen regel gezondigd hebben:
-wat zij daar opgericht hebben doet zich reeds bij den eersten aanblik
-voor als een goddeloos, den Goden ongevallig werk. En ik zeg u: het is
-in zijn geheele ontwerp eene geringschatting, eene beleediging, eene
-beschimping der Goden. Zie toch eens: sedert de Panathenaeën voorbij
-zijn, sedert de overwinnaars in de wedstrijden hunne prijzen
-weggedragen hebben, sinds het volk zich zat gegaapt heeft aan het
-verkwiste goud en ivoor van Phidias’ standbeeld, is de feesttempel,
-zooals zij dien noemen, weder gesloten, het beeld der Godin bedekt;
-opdat het voor het volgende feest niet door het stof verontreinigd
-mocht zijn, en, in plaats van priesters en hunne dienaren, ziet men dag
-aan dag alleen de schatmeesters in- en uitgaan, die in het achterste
-deel van het gebouw hunne bezigheden verrichtend, de gelden, die
-inkomen en uitgegeven worden, natellen. En zoo klinkt, o hoon en
-misdaad! in ’t oor der Godin, in plaats van den klank van vrome
-woorden, alleen het gerammel van goud- en zilverstukken!”
-
-Op deze ontboezeming van Diopithes begon de man, met wien de priester
-zich onderhield en die door zijn uiterlijk bleek een vreemdeling te
-zijn, onverschillig naar de hoeveelheid, de waarde en het bedrag der
-gemunte en ongemunte schatten te vragen, die in dit huis onder de hoede
-van Pallas Athene opgehoopt lagen, en Diopithes gaf bereidwillig alle
-inlichtingen, die hij kon geven.
-
-„Een mooie spaarpenning of liever een mooie buit is het,” merkte de
-vreemdeling op, „dien gij Atheners daar opgestapeld hebt. Maar mij
-dunkt gij zult dien voorraad wel spoedig uitgeput hebben, ook in
-vredestijd.”
-
-„Nog in langen tijd niet,” hernam Diopithes.
-
-„Ik zie echter,” vervolgde de vreemdeling, „dat, nu deze kostbare
-tempelbouw juist voleindigd is, men reeds met eene gelijke haast en
-gelijken ijver hier boven een nieuw werk begonnen is, een prachtpoort
-voor de Acropolis, voorzalen in den verhevensten stijl, niet minder
-grootsch dan het Parthenon zelf—”
-
-„En niet minder onzinnig, niet minder overtollig,” viel Diopithes hem
-in de rede. „Dat is toch juist,” vervolgde hij, „de snoodheid van die
-overmoedigen, die Athene’s lot tegenwoordig besturen. Zij laten het
-heiligdom van Erechtheüs vervallen, dat zelfs de Pers slechts ten halve
-waagde te vernielen, en richten daarentegen pronkzalen op, volgepropt
-met de ijdele beelden van de uit heel Hellas saamgevloeide bent van
-Phidias.”
-
-„Maar is Pericles dan almachtig?” riep de vreemde. „Hoe komt het, dat
-niet één van alle beroemde veldheeren en staatsmannen der Atheners,
-zoover ik weet, het lot der verbanning is ontkomen, en Pericles
-daarentegen eene zoo lange reeks van jaren zonder tegenkanting in zijne
-oppermacht zich staande houdt?”
-
-„Hij is de eerste staatsman,” zei Diopithes, „wien de Atheners den tijd
-laten hen zelven te gronde te richten.”
-
-„Dat verhoeden de Goden!” hernam de vreemdeling. „Ik ben een eenvoudig
-man uit Euboeä en wensch den Atheners alles goeds toe.”
-
-„Waarom veinst gij?” zeide Diopithes, terwijl hij den vreemdeling strak
-in het gelaat keek. „Gij zijt de man uit Sparta, dien zij bij het feest
-der Panathenaeën van den drempel van het Parthenon verdreven hebben. Ik
-heb alles gezien en herkende u aanstonds weder, toen gij, over de
-hoogte van de Acropolis wandelende, u met eenige vragen tot mij wendet.
-Ja, gij zijt een Lacedaemoniër en als gij zegt, dat gij den Atheners
-alles goeds toewenscht, spreekt gij onwaarheid. Maar vrees daarom niets
-van mij! Er zijn Atheners, die mij gehater zijn dan het geheele
-Spartaansche volk. En het is ongetwijfeld wel bekend, dat hier te
-Athene de tegenstanders van al die nieuwigheden, de vrienden der oude
-tucht, Laconisten genoemd worden. En niet ten onrechte.”
-
-Schier onwillekeurig reikte de man uit Sparta den Erechtheüs-priester
-de hand.
-
-„Geloof niet,” ging deze voort, „dat het aantal dergenen, die op
-Pericles verbitterd zijn, in zijn nieuw Athene gering is. Kom mede! Ik
-zal u eene plaats wijzen, waar niet minder dan om het Erechtheüm,
-onverzoende wraakgeesten zweven.”
-
-Na het uiten dezer woorden voerde Diopithes den Spartaan naar den rand
-van den westelijken heuvel van de Acropolis en wees hem met de hand
-naar een steilen, somberen, woesten rotsheuvel, die tegenover den
-burgt, alleen door eene kloof daarvan gescheiden was, doch lager dan
-deze zich verhief.
-
-„Ziet gij dien steilen heuvel, welks rotsblokken als door Titanen
-handen op elkander gestapeld zijn?” vroeg Diopithes. „Ziet gij de in de
-rots gehouwen trappen, die naar eene vierkante ruimte voeren? Van deze
-plaats echter leidt een andere trap, ook in de rots gehouwen, naar eene
-diepe, donkere kloof, waaruit een zwart water ontspringt. In die kloof
-staat het heiligdom der sombere wraakgodinnen, der Erinnyen met
-slangenlokken en die vierkante ruimte op de hoogte van den berg is de
-verzamelplaats van het overoude, eerwaardige, door de Goden zelven
-ingesteld gericht, dat wij den Areopagus plegen te noemen. Den grijzen
-rechters van dit gericht is de hoede van dit heiligdom der Erinnyen
-toevertrouwd: in hunne handen zijne overoude inzettingen en
-heiligdommen gegeven, die in een geheimzinnig duister gehuld zijn en
-waaraan het heil van den staat is vastgeknoopt. Zij alleen weten, wat
-de stervende lijder Oedipus in het oor van koning Theseus gefluisterd
-heeft, toen hij op den heuvel van Colonus in het woud der Eumeniden het
-doel van zijn langen zwerftocht had gevonden. Tusschen bloedige offers
-worden de strijdenden geplaatst, over wier zaak deze rechters
-beslissen, en een eed leggen zij af met afschuwelijke verwenschingen
-tegen zich zelven en tegen de hunne, als zij anders dan naar de
-strengste rechtvaardigheid mochten uitspraak doen. Zwijgend leggen zij,
-nadat zij de zaak hebben aangehoord, hun vonnis in twee urnen, in de
-urn der barmhartigheid of in de urn des doods. Opzettelijken moord te
-vonnissen was van den beginne af hun ambt. Maar ook zedeloosheid,
-nieuwigheden in den staat en in den dienst der Goden te straffen,
-behoorde oorspronkelijk tot hunne taak; in den intiemsten kring van het
-familieleven door te dringen was hun veroorloofd, om de meest verborgen
-misdaad aan het licht te brengen. Zij straften den vadermoorder, zij
-straften den brandstichter, zij straften den man, die een onschuldig
-dier zonder noodzaak had gedood, zij straften den knaap, die
-meedoogeloos een jongen vogel de oogen had uitgestoken. Protest aan te
-teekenen tegen besluiten van het geheele volk, was hun vergund. Is het
-te verwonderen, wanneer deze plaats der oude tijden, deze op de rots
-van den Ares-heuvel gegrondveste burg der vrome tucht, den machthebbers
-van het nieuwe Athene al lang een doorn in het oog is geweest? Pericles
-was het, die het eerst deze heilige macht durfde trotseeren, die hare
-voorrechten beperkte, haar aanzien verminderde, haar den onaangenamen
-invloed op de staatsaangelegenheden besnoeide. Te vergeefs! Evenals
-over dezen zelfden Ares-heuvel de brandende pijlen der Perzen tegen den
-burg en tegen den ouden tempel der Acropolis vlogen, zoo vliegen
-heimelijk thans van daar de gramstorige blikken der Areopagiten,
-zwanger van onheil, naar den nieuwen tempel van Pericles!”—
-
-„Maar de groote massa der Atheners houdt toch van Pericles,” zei de
-Spartaan—„zij houden hem voor een oprechten vriend der
-volksheerschappij.”
-
-„Ik houd Pericles voor niet onnoozel genoeg,” hernam Diopithes, „om een
-oprecht vriend der volksheerschappij te zijn. Een man, uitnemend in
-geestesbeschaving, is nooit een eerlijk vriend der volksheerschappij.
-Want hoe zou het hem voldoen, de macht, die hij de onverstandige
-menigte ontwrongen heeft, vrijwillig weder met haar te deelen, en zich
-in zijne beste plannen, in zijne schoonste ondernemingen door bekrompen
-hoofden te laten storen en dwarsboomen? Pericles vleit, als alle
-volksmannen, de massa, om zich van haar tot volvoering zijner
-eerzuchtige plannen te bedienen. Wellicht blijft hem uit den gouden
-schat in het achtergebouw van het Parthenon ten laatste zooveel over,
-dat hij zich daaruit eene kroon kan doen vervaardigen, die hij zich op
-een feest der Panathenaeën, ten aanschouwe van het verzamelde volk en
-aan de voeten der Godin van Phidias, op het hoofd zet. Bereidt er u op
-voor, gij Lacedaemoniërs, om den Hellenen koning en zijne koningin
-Aspasia, door het geven van eene kluit Spartaanschen grond en eene
-kruik water uit den Eurotas, te helpen huldigen!”
-
-Bij deze laatste woorden zag de priester om. „Laat ons heengaan,” zei
-hij tot den Spartaan, „ik zie menschen naderen, die hier boven den
-grond voor de nieuwe voorzalen afbakenen. Men zou mij een samenspanning
-met Lacedaemon ten laste leggen als men ons te zamen zag spreken.”
-
-Zoo sprak de Erechtheüs-priester en verdween weldra met de man uit
-Sparta achter de zuilen van het Erechtheüm, waar beiden nog een
-tijdlang zich vertrouwelijk onderhielden.
-
-Weinige dagen na het feest der Panathenaeën had Telesippe, door
-minnelijke schikking van Pericles gescheiden, het huis van haar gemaal
-verlaten en Aspasia was in hare plaats als wettige gemalin daar binnen
-geleid.
-
-Niet verootmoedigd verliet Telesippe het huis van haar echtgenoot, maar
-met fier opgeheven hoofde; want zij ging een lot te gemoet, waarvoor
-zij zich toch geboren waande, welks vervulling echter zij niet meer had
-durven hopen.
-
-Altijd was het begin harer klachten geweest: „Ik had de gade van den
-Archon Basileus kunnen wezen!”
-
-Toen het besluit om van Telesippe te scheiden in Pericles gerijpt was,
-kon hij niet nalaten er op te peinzen, hoe hij het smartelijke van den
-indruk zou kunnen verzachten, die deze beslissing noodwendig op zijne
-gade moest maken. Hij herinnerde zich hoe dikwijls zij van den Archon
-Basileus had gesproken. Hij, die thans het ambt van Archon Basileus
-bekleedde, was een vriend van Pericles, een man van tamelijk
-gevorderden leeftijd, doch ongehuwd. Pericles begaf zich tot hem en
-vroeg hem, of hij niet genegen zou zijn te huwen. De Archon Basileus
-was een stil, eenvoudig mensch en zeide, dat hij niet ongenegen was in
-het huwelijk te treden, als er zich maar een geschikte bruid voor hem
-opdeed.
-
-„Ik ken eene vrouw,” zei Pericles, „die geknipt is voor een man als
-gij; het is mijne eigene vrouw. Voor mij zelven heeft ze te weinig van
-die opgeruimdheid, waardoor een staatsman bij zijne tallooze
-beslommeringen afleiding en opwekking kan erlangen, en te veel van die
-strengheid, van die deftige waardigheid, die een ernstig man, met het
-priesterlijk gewaad omhangen, als gij, ongetwijfeld moet aantrekken. Ik
-sta op het punt, om van Telesippe te scheiden, doch ik zou mij zeer
-gelukkig achten, als ik wist, dat zij uit mijn huis in dat van een
-beter man overgaat, en dat zij daar, waar zij heengaat, datgene zou
-vinden, wat zij in mijn huis miste.”
-
-De Archon Basileus nam deze woorden zoo ernstig op, als zij gemeend
-waren. Over het bezwaar, dat een Archon Basileus doorgaans alleen met
-eene jonkvrouw huwde, deed Pericles hem heenstappen, door hem te
-beloven, dat hij al zijn invloed bij de Atheners zou aanwenden, om de
-schending van dit oud gebruik onopgemerkt te laten. Daarop gaf de
-Archon ten laatste de verklaring, dat hij bereid was Telesippe uit het
-huis van haren tegenwoordigen echtgenoot in het zijne als wettige gade
-binnen te leiden.
-
-Pericles deelde zijne gade te gelijkertijd zijn besluit mede van haar
-te scheiden en het voornemen van den Archon Basileus met haar te willen
-huwen.
-
-Telesippe vernam de beslissing koud en ongevoelig: zij uitte geen enkel
-woord, doch trok zich terug in haar vrouwenvertrek. Toen zij daar
-echter de beide knapen zag, die zij nu verlaten moest, trok zij hen tot
-zich en schreide bittere tranen op hun hoofd. Zij dacht er aan, hoe zij
-Hipponicus kinderen had gebaard, hoe hij haar had verstoten en hoe zij
-de vrucht van haar schoot voor altijd had moeten verlaten: hoe zij
-voorts Pericles kinderen had geschonken en ook dezen verlaten en van
-hen moest scheiden en aan een nieuwen echtgenoot zich verbinden. Zij
-scheen zich zelve toe van alle recht beroofd, hulpeloos van huis tot
-huis verjaagd....
-
-Maar de echtgenoot van den Archon Basileus! Het doelwit harer eerzucht!
-Het eens verloren en nu toch bereikte geluk haars levens! Ja,
-waarlijk—alleen der verstootene gade was daarmede voldoening gegeven,
-niet der moeder. Door den dwazen trots der vrouw heen voelde zij altijd
-door de angstige slagen van het onverzoende moederhart.
-
-En toen nu het oogenblik was gekomen, waarop Telesippe het huis van
-haar echtgenoot zou verlaten en op het voorhoofd harer zonen den
-laatsten kus drukte, om voor altijd van hen te scheiden, werd ook
-Pericles plotseling door een zonderling gevoel overweldigd: het scheen
-hem toe, dat men toch geen heiligen band, die eens twee menschenharten
-had vereenigd, ooit kon verbreken zonder iets van het hartebloed
-daarmede vergoten werd.
-
-Telesippe had hem kinderen gebaard, kinderen, die zijne trekken, zijne
-gelijkenis op ’t gelaat droegen. Hoe zou niet voor altijd eerwaardig en
-heilig voor den man zijn de vrouw, die hem kinderen had geschonken, die
-zijne trekken droegen? Op het voorhoofd der kinderen was de stempel
-gedrukt der ontwijde moedereer. Deze erfenis liet zij bij haar scheiden
-hare kinderen en haar echtgenoot achter. Pericles was zich daarvan
-helder bewust, toen Telesippe zijn huis verliet.
-
-Straks reeds had hij met een koelen, ernstigen handdruk van haar
-afscheid genomen; thans greep hij nog eenmaal de hand zijner vrouw, de
-moeder zijner kinderen, en een traan bevochtigde die. En toen Telesippe
-reeds lang zich verwijderd had, stond Pericles nog geruimen tijd in
-gepeins verzonken, met eene vraag zich bezig houdend, die geene
-menschelijke wijsheid ooit zal oplossen....
-
-Zonderling en raadselachtig zijn de plichten der menschen en hunne
-rechten met elkander in strijd....
-
-Voor Pericles en zijn huwelijksleven was de teerling geworpen.
-
-Het keerpunt in zijn huiselijk leven had een tweeledig aanzien, zooals
-bijna alle menschelijke zaken. Op het ernstig afscheid van Telesippe
-volgde de blijde intocht van Aspasia. Hare intrede verdreef gemakkelijk
-de donkere schaduw op het diepzinnig voorhoofd van Pericles. Zij
-verspreidde licht en glans tot in den diepsten hoek des huizes. Aspasia
-kwam begeleid door alle lachende lentegeesten. Eene geurige, frissche
-lucht verjoeg de tot nu toe dompige atmosfeer van het huis.
-
-De oude, eerwaardige huisgoden waren met Telesippe heengetogen, Aspasia
-bracht nieuwe mede. Zij plaatste in het peristylium den vreugderijken
-Dionysus en de lachende Aphrodite en den gelokten, schitterenden
-beschermgod van den Ionischen stam, den met pijl en lyra gewapenden
-aanvoerder der Muzenreien, Apollo. Ook ontbraken van nu af niet de
-Chariten aan het altaar van dit huis, waar het passend offer haar zoo
-lang was geweigerd.
-
-De geest van vernieuwing, die Aspasia’s schreden overal volgde,
-begeleidde haar ook in het huis van Pericles. Binnen korten tijd was
-dit huis op vroolijke en weelderige wijze ingericht. Niets leelijks,
-niets onedels duldde Aspasia rondom zich. Wijken moest, wat geen genade
-vond in haar oog, wat niet overeenstemde met haar schoonheidsgevoel.
-Schoonheid werd verklaard als de hoogste wet, ook aan den huiselijken
-haard. Kunstenaarshanden moesten de muren der vertrekken met
-bekoorlijke beelden versieren. Uit kunstenaarshanden moest voortaan
-niet alleen voortkomen, wat het leven siert en schoonheid geeft, maar
-ook wat slechts moest dienen voor dagelijksche behoeften.
-
-Eenvoudig was tot heden het huishouden van Pericles; nu mishaagde hem
-dezen eenvoud zelven. Niets is aangenamer voor den minnende, dan het
-verblijf der geliefde zoo bekoorlijk mogelijk in te richten. Geen man
-versiert voor zich zelven het huis, voor eene geliefde vrouw echter
-wordt zelfs de vrek een verkwister. Met blijdschap hielp Pericles zijne
-beminde Aspasia de woning van zijn nieuw geluk in een tempel der
-schoonheid herscheppen.
-
-Den fijn ontwikkelden zin voor hetgeen het oog bekoorde, voor het
-smaakvolle en harmonische, die den vrouwen eigen is en dien zij in hare
-sieradiën, in hare kleeding aan den dag leggen, bezat Aspasia in zoo
-ongemeene mate, dat Pericles zich als in de macht eener toovenares
-bevond en zijne geliefde smeekte, dat zij toch ook niet hem zelven, als
-alles rondom haar, zou veranderen. Maar hij was reeds veranderd. Zonder
-verwijfd geworden te zijn, ontwikkelde hij nu in zich een zin, die tot
-heden in den rusteloos werkzamen man geheel gesluimerd had. De
-geliefde, of liever de liefde zelve, leerde hem de diepe en niet te
-verachten poëzie kennen en waardeeren, van hetgeen hij tot nu toe niet
-had opgemerkt. Wat waren hem vroeger paarlen en edelgesteenten geweest?
-Thans kon hij een juweel, dat in een gouden band aan den leliewitten
-arm der geliefde fonkelde, een zeer langen tijd beschouwen en zich in
-zijn bont flikkerend licht, als in eene zonderlinge openbaring,
-verdiepen. Wat waren hem vroeger geurige zalven, wat was hem al het
-reukwerk der wereld geweest? Thans was zijn zin ontwaakt voor iederen
-fijnen, geurigen adem, die in de nabijheid der geliefde hem omgaf en
-iedere kleurmengeling bracht eene aangename gewaarwording in zijne
-ziel. Wat waren hem tot heden kleuren geweest? Eene vluchtige bekoring
-op zijn hoogst, waarvan hij zich nauwelijks bewust was. En thans? Wat
-een leven, welk eene betoovering kreeg voor zijn oog het gloeiend rood,
-het vlammend geel, het verrukkelijk blauw, het liefelijke, zachte
-groen, als het om het lichaam der geliefde golfde of wanneer hare
-schoone, blanke leden daardoor te meer uitkwamen.
-
-De band der liefde en eene onbeperkte toewijding moge twee harten nog
-zoo lang en gelukkig vereenigd hebben, de band die Hymen om hen slaat,
-bereidt hen toch een nieuw, tot nu toe onbekend geluk. De echt heeft,
-evenals de liefde, zijne eigenaardige zaligheid. Dagelijks opnieuw zich
-te verliezen en dagelijks opnieuw zich terug te vinden mogen aan de
-zalige oogenblikken der liefde haar aantrekkelijkheid geven; maar ook
-het bewustzijn zijn hoogste geluk altijd in zijne nabijheid te hebben,
-is benijdenswaard.
-
-Wie op het huwelijk laag neerziet kent de liefde niet.—
-
-Iedere dag had thans voor Pericles zijn eigenaardigen lust, zijn
-eigenaardigen glans, zijne eigenaardige bekoorlijkheid. Altijd was
-Aspasia voor Pericles alles en toch iederen tijd iets anders: des
-morgens zijne rozenvingerige Eos, des avonds zijne Selene [317], zoete
-sluimering op zijne oogleden droppelend, des daags zijne Hebe, die hem
-den beker des levens aanbood. Zij was de Hera van den „Olympiër,” maar
-zij behoefde nooit den toovergordel eerst van de gouden Aphrodite te
-ontleenen. Nog meer: in menig oogenblik scheen zij hem eerwaardig toe
-als zijne moeder en op andere tijden beminde hij haar met de liefde,
-waarmede men een kind liefheeft.
-
-Wanneer reeds doode sieraden, edelgesteenten, paarlen, geurige balsems,
-schitterende kleuren door de liefde eene nieuwe betoovering verkrijgen,
-in den minnende een nieuw, tot nu toe onbekend gevoel opwekken, welk
-verhoogd leven, welke nieuwe betoovering moet dan de poëzie, moet de
-muziek minnenden harten instorten? Welk een volheid en weelde van
-bekoorlijkheid en genot moest de betooverende Aspasia niet uit deze
-bronnen weten te scheppen en te putten!
-
-Zong Aspasia Pericles een lied voor bij de luit of las zij hem gelijk
-zij als kind aan Philammon had gedaan, uit boekrollen voor, zoo wist
-hij niet, wat hem meer verrukte: wanneer zij met gloeiende wangen
-geheel opging in het vuur harer kunst of van den dichter, dien zij las,
-of wanneer zij in moedwillige dartelheid haar lied of voordracht met
-kinderlijk gekeuvel, overbodige liefdesvragen, met vriendelijk gevlei
-telkens afwisselde...
-
-De Atheners hadden in den regel geen eigenlijk tehuis. Zij leefden
-buitenshuis. Pericles echter bezat thans een tehuis.
-
-Dat de knapen Xanthippus en Paralus de zoons van Pericles, niet van
-Aspasia waren, kwam dit niet juist het echtgeluk van Pericles ten
-goede? Hij behoefde Aspasia’s liefde niet met hen te deelen.
-
-Wanneer aan beiden nog iets ontbrak, was het wellicht alleen het
-geheele, volle bewustzijn van hun geluk. Want eigenlijk begrijpen niet
-de gelukkigen zelven, maar alleen zij, die het missen, geheel en ten
-volle het geluk der gelukkigen. Met goede bedoeling mengen de Goden
-gaarne een droppel alsem in iederen vreugdebeker: want slechts het
-verstoorde of bedreigde geluk komt tot klaar bewustzijn.
-
-Het huwelijk van Pericles en Aspasia gaf den Atheners onuitputtelijke
-stof tot gesprekken. Men behandelde het op de Agora, men vertelde in
-alle gaanderijen, in alle worstelplaatsen, in alle werkplaatsen der
-handwerkslieden en in alle barbierswinkels van gansch Athene, dat
-Pericles zijne gade kuste, zoo dikwijls hij van huis ging en wederom
-als hij terug kwam. Een man verliefd op zijne vrouw! Men sprak van de
-witte Sicyonische paarden en het schitterende rijtuig, waarmede de
-nieuwe vrouw van Pericles soms door Athene’s straten reed. Men sprak
-van de omkeering, die in het eens zoo eenvoudige huis van Pericles had
-plaats gegrepen. Men sprak van de nieuwe, prachtige muurschilderingen,
-waarmede het versierd was, in het bijzonder van eene, die de plundering
-van den Olympus door de Eroten voorstelde. Getooid met den buit trokken
-zij jubelend voort: deze met den bliksem van den Cronide [318], gene
-met den boog van Apollo, een derde met den helm en het schild van Ares,
-weer een andere met Heracles’ knots, met den thyrsus van Bacchus, met
-de fakkels van Arthemis, met de gevleugelde sandalen van Hermes.
-
-Men zeide nu zelfs, dat Aspasia de redevoeringen opstelde, die Pericles
-voor het volk hield. Pericles, de Olympiër, de sedert zoo langen tijd
-gevierde redenaar, liet zich dit glimlachend welgevallen en erkende,
-dat hij zijne gelukkigste gedachten aan Aspasia te danken had. Aspasia
-bezat eene betooverende, zoetvleiende, krachtige taal, zooals men soms
-bij vrouwen aantreft, waaraan zich een liefelijke, zilveren klank van
-stem paarde; en zoo maakte zij op de mannen den indruk, als ware zij
-met groote gave van welsprekendheid bedeeld en eene vrouw, van wie men
-veel leeren kon.
-
-Echter werd er ook onder het volk gemompeld, dat Aspasia Pericles zocht
-te verleiden naar de koninklijke waardigheid te streven. Men zeide, dat
-zij niet achter hare landgenoote Thargelia wilde staan, wie het ook
-gelukt was de gade van een koning te worden.
-
-Steeds nog stond de eerwaardige Elpinice aan de spits dier
-nieuwigheidsventers. Zij was de levende en wandelende kroniek van
-Pericles’ huis te noemen. Van haar afkomstig was het verhaal van den
-kus, welke Pericles bij het uitgaan en terugkeeren aan zijne vrouw gaf.
-Zij wist het, welke gezindheid Aspasia jegens de kinderen van Pericles
-koesterde en jegens den jongen Alcibiades.
-
-Zij wist te vertellen, dat Aspasia niet van Paralus en Xanthippus
-hield, dat zij zich weinig aan hen liet gelegen liggen, hen overliet
-aan de zorg van den paedagoog, doch zich als eene moeder den jongen
-Alcibiades aantrok, hem vertroetelde, dat onder hare handen de zoon van
-Clinias verwijfd en nog wat ergers zou worden.
-
-Was het te verwonderen, dat Aspasia voor den heerlijk begaafden
-pleegzoon van Pericles partij trok tegen zijne zoons, die wel is waar
-des vaders trekken op het gelaat droegen, doch in karakter de
-evenbeelden hunner moeder Telesippe waren?
-
-Behalve Alcibiades, Paralus en Xanthippus groeide nog in het huis van
-Pericles een andere knaap op, die wel niet tot de huisgenooten van
-Pericles behoorde, maar toch ook niet onder de slaven gerekend kon
-worden. Pericles had hem uit den Samischen oorlog mede naar Athene
-gebracht. Men wist niets meer van zijne afkomst, dan dat hij de zoon
-van een Thracische of Scythischen of een ander Noordsch koning was, dat
-hij door eene vijandelijke hand als kind aan zijne ouders ontroofd was
-en vervolgens als slaaf was verkocht. Pericles vond hem op Samos. Zijne
-deelneming werd opgewekt door het droevige lot en het ongemeen
-uiterlijk van den knaap; hij kocht hem en voerde hem met zich naar
-Athene. Hier liet hij hem opvoeden met zijne eigen kinderen. Zijn naam
-was Manes. Hemelsbreed verschilden zijne trekken van de fijnheid en
-adel der Helleensche vormen, hij herinnerde veeleer een weinig aan de
-Scythische huursoldaten op de Agora. Maar hij had uitnemend schoon,
-bruin, glanzend haar, heldere oogen en eene zeer blanke huid. Hij was
-stil in zich zelven gekeerd en verried in vele zaken een eigenaardig
-karakter.
-
-Alcibiades zocht den nieuwen makker voor zich te winnen en hem in te
-nemen door zijne beminnelijke uitgelatenheid. Het gelukte hem niet.
-Manes was liefst alleen, legde geene schitterende gaven des geestes aan
-den dag, verdiepte zich echter met ijver in alle vakken van wetenschap,
-die hem tegelijk met de jongens van Pericles onderwezen werden.
-Pericles zelf begon van hem te houden, Aspasia echter vond hem
-zonderling en de jonge Alcibiades maakte hem tot het doelwit van zijne
-spotternijen en overmoedige scherts.
-
-Het deed aan het geluk van Pericles geen afbreuk, dat zijn huis thans
-meer dan vroeger voor zijne vrienden open stond, en dat Aspasia met
-opzet, tegen ’t gebruik der Atheensche vrouwen, in het gezelschap van
-haar echtgenoot deel nam aan de gesprekken der mannen. Voor het geluk
-van minnenden is het toch een nieuwe prikkel, wanneer zij voor eenige
-oogenblikken zich in eene grootere omgeving als ’t ware verliezen, om
-later dubbel gelukkig elkander weder te vinden.
-
-Van de oudere vrienden van Pericles trad Anaxagoras thans meer op den
-achtergrond; hij werd verdrongen door den schitterenden Protagoras, die
-zich in Aspasia’s gunst mocht verheugen en wiens frissche,
-onbevooroordeelde, gezonde, vrijzinnige levensbeschouwing hem tot een
-natuurlijken bondgenoot van de Milesische maakte. Opmerkelijk was het,
-dat de dichter der „Antigone” zelden het huis van Pericles bezocht:
-hetzij, omdat hij met den hem eigen fijne takt de ijverzucht, die zijn
-vriend tegen hem had opgevat, niet opnieuw wilde wekken, hetzij, omdat
-hij meende eene bij hem zelven ontwakenden, onedelen hartstocht te
-moeten onderdrukken; misschien ook omdat eene andere bekoorlijke vrouw
-zijn hart had veroverd en hem aan zijne oude vrienden ontroofde. Niet
-onmogelijk is het, dat al deze redenen te zamen zijne bezoeken minder
-talrijk maakten....
-
-Was het dus eene zeldzaamheid, dat de vroolijke Sophocles zich daar
-vertoonde, des te meer zocht de sombere Euripides, zijn mededinger op
-het gebied van het treurspel, het gezelschap van Aspasia. Met hem kwam
-Socrates, wiens vriendschap en trouw onveranderd waren gebleven. De
-belangen van zijn beroep voerden Phidias soms naar het huis van
-Pericles, en Aspasia genoot den triomf te zien, dat hij haar gezelschap
-niet vermeed. Tegen hem wist zij eene lieftalligheid aan den dag te
-leggen, die op zijn eigenaardig karakter berekend was. Altijd weder
-kwam zij in hare gesprekken met hem op zijne Lemnische Godin terug. Zij
-wond zich dan op, ja geraakte zelfs in vuur. Naar hare meening stond
-Phidias thans op een kruisweg, en zij hoopte invloed te oefenen, op de
-richting die hij zou kiezen. Zij wilde alles er op zetten, om zijne
-stijfhoofdigheid in de opvatting zijner kunst te breken.
-
-Herhaaldelijk wierp zij hem voor de voeten, dat hij de bekoring der
-vrouwelijke schoonheid niet genoeg tot haar recht liet komen.
-
-Phidias versmaadde inderdaad de zoogenaamde modellen. Hij droeg in zich
-zelven de volmaakte afbeeldingen van alle schoone vormen. Zoo bleef
-zijn kunstenaarsoog het liefst naar binnen gericht en hoe ouder hij
-werd des te meer vertrouwde hij op zijn eigen talent. Hij was te fier,
-om de werkelijkheid eenvoudig na te volgen en in steen of metaal over
-te brengen. Dit echter was het juist, wat Aspasia van hem verlangde.
-
-Toen zij even weder een levendig gesprek van dezen aard met Phidias had
-gevoerd en deze zich verwijderd had, zeide Pericles glimlachend:
-
-„Gij schijnt zeer verstoord te zijn op Phidias, omdat hij niet meer bij
-de schoone natuur ter schole wil gaan?”
-
-„Zoo is het,” zeide Aspasia; „in zijne ziel worden alleen de idealen
-eener, om zoo te zeggen, onbewuste en ernstige schoonheid gevonden. Het
-is tijd, dat hij de ten volle ontwikkelde, bewuste bekoorlijkheid en
-lieftalligheid niet versmaadt aan de natuur te ontleenen.”
-
-„Naar welke vrouw echter,” hernam Pericles, „zoudt gij hem verwijzen,
-om deze volle en betooverende bekoorlijkheid, als uit de zuiverste bron
-te putten? Daar Phidias de Homerische Helena niet uit den Hades kan
-oproepen en de schoonste van alle thans levende Helleensche vrouwen,
-naar het eenstemmig oordeel van alle menschen, gij zelve zijt, zoo zou
-ik wel gaarne willen weten, wat gij Phidias zoudt antwoorden, als hij u
-vraagt, naar welke vrouw gij hem verwijst?”
-
-„Ik zou hem naar eene vrouw verwijzen,” hernam Aspasia, „die geheel
-haar eigen meester is.”
-
-„Maar als hij er op stond zich tot eene vrouw te wenden, die niet haar
-eigen meester is?” vroeg Pericles.
-
-„Dan zou hij zich natuurlijk,” hervatte Aspasia, „tot dengene moeten
-wenden, wien zij behoort: tot haar heer als zij eene slavin is, of tot
-haar echtgenoot, als zij de vrouw is van een Atheensch man.”
-
-„En gelooft gij,” zeide Pericles, „dat een Atheensch man ooit zou
-kunnen besluiten, de vrouw, die hem toebehoort geheel en al aan de
-blikken van een ander prijs te geven?”
-
-„Waarom doet gij mij eene vraag,” zeide Aspasia, „die gij beter in
-staat zijt te beantwoorden dan ik zelve?”
-
-„Welaan dan,” antwoordde Pericles, „ik zal ze beantwoorden. De
-Atheensche man zal de vrouw, die hem toebehoort, nooit ongesluierd aan
-de blikken van een ander prijs geven. De eerbaarheid der vrouw mag geen
-ijdele klank zijn, en wanneer de jonkvrouw van een zedig karakter is,
-moet de vrouw, die een man toebehoort, dubbel zedig zijn uit liefde
-omdat zij door het prijs geven harer eerbaarheid niet zich zelve alleen
-onteert.”
-
-„Uwe meening is achtenswaardig,” zeide Aspasia, „en ongetwijfeld juist.
-De grond echter, dien gij er voor aanvoert, schijnt mij niet volkomen
-afdoend te zijn. Het komt toch niet zelden voor, dat gij, mannen, uwe
-vrouwen aan de oogen en handen der geneesheeren toevertrouwt, zij het
-dan ook in eigen tegenwoordigheid. Derhalve komt het mij voor, dat de
-eerbaarheid niet de voornaamste reden is en dat niet elke ontsluiering
-op zich zelve onzedig is.”
-
-Zoo ver waren Pericles en Aspasia in hun gesprek gevorderd, toen zij
-plotseling door het bezoek van twee mannen werden gestoord, wier
-gelijktijdig binnentreden in hun huis hen zeer verraste.
-
-De beide mannen waren Protagoras en Socrates.
-
-„Wel, hoe komt het,” vroeg Aspasia glimlachend na de eerste begroeting,
-„dat twee uitgelezen mannen, van wie ik sedert het feestmaal bij
-Hipponicus altijd gevreesd had dat zij vijandig tegen elkander over
-zouden staan, heden zoo vreedzaam te zamen tegelijker tijd dit huis
-betreden?”
-
-„Ik zal u vertellen hoe het komt,” antwoordde Socrates, „als gij het
-volstrekt wilt weten. Wij beiden, Protagoras en ik, ontmoetten elkander
-van verschillende kanten komend, voor de deur van dit huis. Ik voor mij
-stond reeds een poos voor den drempel en aarzelde binnen te treden,
-omdat mij juist op het oogenblik, waarop ik binnen wilde gaan, eene
-gedachte inviel, die ik maar niet uit mijn hoofd kon zetten. Terwijl ik
-daar zoo stond, met de oogen naar den grond geslagen, kwam Protagoras
-van den anderen kant. Hij zag mij aanvankelijk evenmin als ik hem, daar
-hij, terwijl ik in gepeinze verdiept naar den grond keek, met
-opgerichten hoofde zijn oog in de wolken en in den onmetelijken aether
-liet ronddwalen. Zoo liepen we elkander tegen het lijf; ik herkende
-Protagoras en hij mij, en daar wij beiden bemerkten, dat ieder onzer
-van plan was hier binnen te gaan, wilden wij ieder terugkeeren en den
-andere het veld ruimen. Maar toen wij wederkeerig verklaarden, dat we
-elkander de baan vrij wilden laten en geen van beiden elkanders aanbod
-wilden aannemen, kwamen wij eindelijk tot den inval, op goed geluk te
-zamen het huis binnen te treden.”
-
-Pericles en Aspasia glimlachten en zeiden, dat zij in deze ontmoeting
-een goed voorteeken zagen, des te meer omdat zij juist in een soort van
-wijsgeerig gesprek verdiept waren. Zij waren, zeiden zij, met een vraag
-bezig tot welker oplossing twee mannen, die wel is waar verschillende
-meeningen waren toegedaan, maar toch onbetwist wijzen waren, zeker wel
-het hunne konden bijdragen.
-
-Toen nu Protagoras en Socrates vroegen, welke de bedoelde vraag was,
-maakte Pericles geen bezwaar om de beide mannen de zaak uiteen te
-zetten.
-
-„Wij wierpen de vraag op,” zei hij, „of een man bereid zou kunnen zijn
-de ongesluierde schoonheid der vrouw, die hij liefheeft, aan het oog
-eens beeldhouwers tot model prijs te geven. Ik ontkende dit. Aspasia
-echter wees mij er op, dat wij, mannen, onze vrouwen toch wel aan de
-oogen en handen der geneesheeren prijs geven, zij het dan ook in onze
-eigen tegenwoordigheid; dat wij derhalve soms geneigd zijn andere
-gronden hooger te achten, dan die der zedigheid. Dat u nu juist het
-toeval hierheen voert is eene bestiering der Goden, die u als wijze
-mannen tot beslissing dezer zaak geroepen hebben.”
-
-„Ongetwijfeld,” zei Protagoras, „zijn er gronden, die hooger staan dan
-de zedigheid, en beweegredenen, die de schijnbare kwetsing der
-zedigheid kunnen verontschuldigen. Een dier beweegredenen heeft Aspasia
-reeds aangevoerd. Ik voeg er bij: wat zou er van de beeldhouwkunst
-worden wanneer het schoonste zich uit preutschheid aan het oog des
-beeldhouwers onttrok? De schoonheid heeft plichten niet alleen
-tegenover zich zelve. Wat de natuur haar met kwistige hand heeft
-geschonken, dat moet zij der kunst ten goede laten komen. Het schoone
-toch behoort in een zekeren zin steeds aan het algemeen en dit laat
-zich zijn recht daarop niet ontnemen. Bovendien is de schoonheid,
-volgens hare natuur, iets vluchtigs, iets dat op zich zelf alleen voor
-het tegenwoordig geslacht aanwezig is en dat niet anders tot de
-nakomelingschap gebracht en daarvoor vereeuwigd kan worden, dan doordat
-de dichters het in hunne zangen verheerlijken, zooals Homerus de gade
-van Menelaüs, of dat een beeldhouwer de levende bekoorlijkheid des
-lichaams in marmer of metaal aan de komende geslachten, zoo ver
-mogelijk, overlevert.”
-
-„Naar uwe meening,” hernam Pericles, „moet dus eene schoone vrouw als
-gemeen goed beschouwd worden, die niemand geheel voor zich alleen mag
-bezitten?”
-
-„Alleen hare schoonheid—niet zij zelve,” antwoordde Protagoras.
-„Evenals het bij alles, wat in de wereld geschiedt, op de aard en
-wijze, waarop dit plaats vindt, aankomt op de omstandigheden, waaronder
-het gebeurt, zoo kan ook, mijns inziens, het ten toon stellen van de
-vrouwelijke bekoorlijkheid ter bevordering van een grootsch doel, de
-kunst, op een aard en wijze en onder omstandigheden plaats grijpen, die
-het bedenkelijke der zaak ten volle wegnemen.”
-
-„En welke zouden die omstandigheden zijn?” vroeg Pericles.
-
-„Dit is eene zaak,” hernam Protagoras, „die eenigszins moeilijk is uit
-te maken. Zooals Aspasia naar aanleiding van uw vroeger gesprek, dat
-gij ons medegedeeld hebt, reeds herinnerd heeft, plegen wij immers eene
-vrouw, die zonder getuigen de vertrouwelijke nabijheid van den
-hulpbiedenden geneesheer zoekt, voor schaamteloos en onzedig te houden,
-doch wij vinden in die soort van vertrouwelijkheid niets bedenkelijks,
-als zij plaats grijpt onder de oogen van den man. Daarom mag men eens
-en voor goed vaststellen, dat er omstandigheden zijn, waarin de man
-zijne vrouw zonder schande of onteering aan een vreemd oog kan prijs
-geven...”
-
-„Natuurlijk,” zeide Pericles, „zou ik die prijsgeving eener vrouw,
-wanneer het door omstandigheden of door een grootsch doel geboden was,
-alleen onder die voorwaarde kunnen billijken. Ik hoop dat gij ook nog
-de voorwaarde er bij voegt, dat de vrouw den beeldhouwer alleen zal
-geven, wat aan haar voor den beeldhouwer belangrijk is, en dat de
-eerbaarheid zich alleen zal terugtrekken tot één punt, maar dit punt,
-om zoo te zeggen, tot op den laatsten droppel bloeds zal verdedigen.
-Intusschen, herinnert gij u niet de geschiedenis van dien Oosterschen
-koning, die door de bekoorlijkheid zijner vrouw betooverd, op den inval
-kwam haar geheel naakt aan zijn gunsteling te toonen [319]? Als ik mij
-goed herinner, verloor deze koning troon en vrouw en leven door den
-gunsteling, die ontvlamd door die bekoorlijkheid, niet rustte, tot hij
-bezat wat hem zoozeer had verrukt.”—
-
-„Met andere oogen,” sprak Protagoras, „met andere gezindheid, met
-andere gedachten beschouwt een beeldhouwer de naakte schoone gestalte,
-als de verwijfde gunsteling eens Oosterschen konings. Gene merkt, als
-hij heerlijk ontwikkelde ledematen beschouwt, zóóveel op, dat juist
-zijn kunstenaarsoog bezig houdt en eene groote bron van kennis welt
-daaruit voor hem op, dat er weinig plaats meer overblijft in zijn
-gemoed voor wulpsche gedachten. En die welke soms nog mochten opkomen,
-heeft hij leeren te beheerschen. De gewoonte ook heeft voor de grovere
-bekoorlijkheid der onthulling hem ongevoelig gemaakt. En wat nu den
-ouden, eerwaardigen Phidias betreft—is dat een man? Neen, veeleer eene
-door de Godheid gekuste, doch geslachtlooze beeldhouwersziel, die
-alleen een lichaam, eene hand heeft, om den beitel te kunnen voeren—dat
-is iemand, voor wien alles in de wereld alleen vorm is, nooit stof.”—
-
-„Protagoras’ meening kennen wij nu,” sprak Pericles. „Laat ons hooren
-wat Socrates aangaande deze zaak in het midden te brengen heeft. Wat
-denkt gij, Socrates? Is het eene vrouw veroorloofd tot bereiking van
-een grootsch kunstenaarsdoel, hare eerbaarheid ter zijde te stellen?”
-
-„Dit schijnt mij,” hernam Socrates, „hiervan af te hangen of in de
-wereld het schoone een hoogeren rang inneemt dan het goede. En dit is
-juist, als ik mij wel herinner, de vraag, die wij al zoo lang trachten
-op te lossen en wier oplossing ook bij het feestmaal van Hipponicus
-weder werd afgebroken.”—
-
-„Bij alle Olympische Goden,” viel hem Aspasia glimlachend in de rede,
-„gij zult mij zeer verplichten, beste Socrates, als gij er heden van
-afziet deze vraag uitvoeriger te behandelen en als gij mij voorloopig
-vergeeft, dat ik niet inzie, waarom de zedelijkheid de voorkeur zou
-hebben boven de schoonheid. Wanneer het eene wet is, dat alles in de
-wereld goed en zedelijk moet zijn, dan is het ook eene wet, dat alles
-in de wereld naar schoonheid streeft en in haar den bloei van zijn
-wezen, het doel zijner ontwikkeling vindt. Bijgevolg kan toch de eene
-zoowel als de andere lezer beide wetten alleen eene subjectieve, van
-den mensch zelf afhankelijke wet zijn. Daarbij, meen ik, kunnen wij het
-voor heden laten berusten.”
-
-„Natuurlijk!” riep Protagoras: „evenals ieder mensch waarheid noemt,
-alleen datgene wat hem persoonlijk waar voorkomt, zoo is ook goed en
-schoon voor ieder, alleen datgene wat hem alzoo toeschijnt. Eene op
-zichzelf vaststaande zedelijkheid bestaat er evenmin, als eene absolute
-waarheid.”
-
-De goedige trekken van Socrates namen eene ietwat spotachtige
-uitdrukking aan en hij zeide:
-
-„Gij beweert altijd, Protagoras, dat er geene absolute waarheid is en
-gij zijt toch zelf de man, die over alles, wat men ook vragen mag, de
-meest afdoende en onomstootelijke beslissing kunt geven!”
-
-„Zijne meening openlijk uit te spreken,” hernam Protagoras, „is beter
-dan in valsche bescheidenheid voor te geven, niets te weten en toch
-altijd en eeuwig alles beter te willen weten, dan anderen.”—
-
-„Ik tracht naar het weten,” zeide Socrates, „dat ik niet bezit. Gij
-echter loochent de mogelijkheid daarvan. Moeten wij den menschelijken
-arbeid der gedachte reeds als ijdel opgeven, nadat wij dien pas eerst
-hebben begonnen?”
-
-„Altijd nog beter,” antwoordde Protagoras, „dan de frischheid en
-harmonie van het Helleensche leven door eene sombere en ontevreden
-beschouwing te willen vervangen.”
-
-„Ik begrijp nu,” hernam Socrates, „dat er menschen zijn die, omdat zij
-de kunst van het denken geringschatten, de kunst van het spreken des te
-sterker beoefenen. Want daar de gedachten, die zij uitspreken, naar
-hunne eigen verklaring geen onbetwistbare waarde hebben, zoo kunnen het
-alleen schitterende woorden zijn, waardoor zij op het gemoed hunner
-toehoorders werken.”
-
-„Er zijn ook menschen,” sprak Protagoras, „die de kunst van spreken
-geringschatten, omdat zij gelooven, dat men achter hun geveinsden
-eenvoud diepzinnigheid, achter hun stamelen de wijsheid van een orakel
-en achter hunne bescheiden vragen het afdalen van een verheven geest
-zal zoeken.”—
-
-„Het komt mij beter voor,” zei Socrates, „de menschen door vragen, die
-hun gemakszucht storen, tot denken te dwingen, dan hen door snel
-gevatte, altijd gereede antwoorden, die den vrager hoogst aangenaam
-zijn, tot gedachteloosheid te brengen.”—
-
-„Beter is gedachteloosheid,” hernam Protagoras, „dan den bodem der
-werkelijkheid te verlaten, op wolken en nevelbeelden te rijden en zich
-in het oneindige te verliezen. Intusschen is zulk een zich verdiepen in
-de wereld van den onbegrensden gedachtennevel dikwijls verklaarbaar. Er
-zijn er toch, die gedwongen worden, jacht te maken op begrippen, omdat
-hun de goddelijke gave van stoffelijke kunstgewrochten te scheppen
-ontzegd werd.”—
-
-„Ook zijn er sommigen,” antwoordde Socrates, „die met beelden pronken,
-omdat hun de gave zich reine en klare begrippen te vormen, niet gegeven
-is.”
-
-„Die ellendige droomers,” zeide Protagoras, „zij juist zijn het, die de
-deugd gehaat maken, omdat zij met hunne woorden er altijd op
-terugkomen.”—
-
-„Bewonderenswaardiger zijn voorzeker zij,” hervatte Socrates, „die de
-deugd geheel en al ter zijde laten liggen, om nooit uit de atmosfeer
-eener schoone liederlijkheid te geraken.”—
-
-„Zoo lang de liederlijkheid schoon en beminnelijk is,” hernam
-Protagoras, „is het beter dan de noodzakelijke onthouding van hen, die
-op het gebied der schoonheid en van het genot het onkruid van den
-angstvalligen twijfel zaaien, omdat zij zelven niet tot schoonheid en
-genot geroepen zijn.”—
-
-„Zulk een ben ik,” hervatte Socrates kalm. „Gij echter, Protagoras,
-schijnt mij een van diegenen te zijn, die de vrije gedachte tot datgene
-willen maken, wat zij zelven zijn, tot dienstknechten der zinnen!”
-
-„Ik betreur het,” viel hier Pericles de twistenden in de rede, „dat gij
-met deze woordenwisseling de zaak, die hier behandeld werd, niet tot
-beslissing hebt gebracht, maar u, naar mij voorkomt, in een
-onvruchtbaren, heeten woordenstrijd hebt begeven.”
-
-Socrates zeide:
-
-„Ik weet, dat ik hier slechts de overwonnene kan zijn!”
-
-Na het uiten dezer woorden verwijderde hij zich kalm, zonder een spoor
-van opgewondenheid in zijne trekken.
-
-Spoedig daarop ging ook Protagoras heen, echter niet zonder alvorens
-zijn opgewekt gemoed door eenige bittere woorden lucht te hebben
-gegeven.
-
-„Deze beide wijze mannen,” zeide Pericles tot Aspasia, „schijnen mij
-volkomen tegen elkander opgewassen te zijn. Zij gingen elkander te
-lijf, als kunstmatig geoefende kampvechters, en het is moeilijk te
-zeggen, wie van beiden op de eer der overwinning aanspraak mag maken.”
-
-Aspasia glimlachte slechts en ook toen Pericles haar reeds alleen
-gelaten had, zweefde nog die glimlach om hare lippen. Zij wist zeer
-wel, wat den strijd der beide mannen tot zulk een felheid had gedreven
-en wat daar zelfs van den kant van den zachten Socrates zooveel
-snijdends en bitters onder gemengd had. Zij las evengoed in het hart
-van den droomer, als in dat van den schitterenden sophist, die geen
-woord sprak, waarvan hij niet wist, dat het aan het oor der schoone
-Milesische welgevallig zou zijn.
-
-Tegen Socrates ontstond, sedert zijn woordenstrijd met Protagoras, in
-Aspasia een toenemend gevoel van afkeer en bijna zonder zich er van
-bewust te zijn, ontkiemde in hare ziel het plan om met vrouwelijke
-arglistigheid de wijsheid van den man, die op „de vrije gedachte”
-altijd hamerde en „de slavin der zinnen” verachtte, zoo mogelijk aan
-hem zelven te schande te maken.
-
-
-
-
-
-
-
-XVI.
-
-DE VROUWEN OP HET THESMOPHORIËNFEEST [320].
-
-
-„Dat is de schoonheid zelve!” riepen de Atheners, toen Phidias zijn
-nieuw metalen beeld van Pallas, dat de Lemniërs hem opgedragen hadden,
-voltooid had, en het voor de eerste maal voor de blikken der Atheners
-onthulde. Een roep van verbazing en verrassing klonk door geheel
-Athene.
-
-Wat wilde Phidias nu? Zooals hij de Godin in zijn jongste werk had
-voorgesteld, had geen Griek haar gedacht.
-
-Zij was zonder helm en zonder schild. Vrij golfden de krullende lokken
-om haar fier, maar niet minder liefelijk opgericht gelaat. Wonderschoon
-was de omtrek van dit gezicht; onvergelijkelijk teeder waren de wangen
-gevormd. Men meende haar te zien blozen. De beide geheel naakte armen
-waren, evenals de handen, modellen van den fijnsten en edelsten vorm.
-De opgeheven arm liet een deel der rechterzijde onbedekt zien, slechts
-licht plooide zich het gewaad om de heupen en hier als overal liet het
-de omtrekken der gestalte in volmaakte zuiverheid uitkomen.
-
-Zoo eenstemmig de Atheners in den lof der schoonheid van deze nieuwste
-schepping van Phidias waren, even eenstemmig waren zij in hunne
-bewering, dat voor deze Pallas, Aspasia den kunstenaar tot model moest
-gediend hebben.
-
-Niet geheel dwaalden zij met deze bewering.
-
-Inderdaad, als reeds Theodota het verstond haar lichaam als eene
-kunstenaarsstof te behandelen, de gedaante van verscheidene Godinnen
-daarin op verrassende, indrukwekkende wijze voor te stellen voor deze
-verrichtingen in den dienst der kunst geheel Athene tot getuige had,
-zoo wist Aspasia dezelfde kunst in nog edeler en verhoogde mate ten
-toon te spreiden. Maar de eenige getuigen van de ontplooiing dier gaven
-waren Pericles en Phidias geweest.
-
-De ernstige Phidias ging zelfs zoo ver om voor een oogenblik toe te
-geven, dat de natuur menigmaal het ideaal nabij kon komen.
-
-In de Pallas van Aspasia echter had Phidias reeds niet meer de bloote
-natuur voor oogen. Wat hij daar zag was een schepping der nabootsende
-kunst, eene vreeselijke gestalte, uit den geest wedergeboren. Aspasia
-drukte op de natuurlijke stof harer schoonheid met
-kunstenaarsbewustzijn evengoed een bepaalden stempel, als Phidias naar
-eene bepaalde, inwendige beschouwing en bedoeling het marmer beitelde.
-
-Terwijl Phidias de bekoorlijke lieftalligheid van de schoone en wijze
-Aspasia in duurzaam metaal vereeuwigde, luisterde hij inderdaad naar de
-vermaning van Pericles om de wijsheid voor te stellen in het
-betooverende, alverwinnende gewaad der schoonheid.
-
-Reeds Alcamenes had iets nieuws en wonderschoons bereikt, toen hem
-vergund was, uit de levende bron van Aspasia’s schoonheid te putten.
-Phidias loste dezelfde vraag op, doch hij loste ze op als aller groote
-meester, als de verhevene, de onvergelijkelijke.
-
-Wat Phidias in zijne laatste Pallas gaf, was Aspasia, maar verheven tot
-eene zoo reine en bovenmenschelijke hoogte, dat zij te gelijk als een
-ideaal zich voordeed, als een belichaamde droom der edelste
-beeldhouwersziel.
-
-Toen Socrates dit nieuwe beeldwerk zag, sprak hij op zijne zinrijke
-wijze:
-
-„Uit dit beeld zou de schoone Aspasia evenveel van den meester Phidias
-kunnen leeren, als de meester Phidias geleerd heeft van de schoone
-Aspasia.”
-
-Zonderling was het, dat de loftuitingen, waarmede de Atheners de
-Lemnische Pallas van Phidias overlaadden, hem ontstemden en knorrig
-maakten. Hij hoorde er niet gaarne van spreken. Hij had dit werk
-wellicht daarom minder lief omdat hij het niet geheel uit zich zelf
-geschapen had. Hij had, naar het scheen, met eene soort van half
-onbewusten onwil zich van zijne taak, die hem van buiten af opgedragen
-was, gekweten, en met wier volbrenging hij alleen zich van eene onrust
-zocht te bevrijden, die als door eene vreemde betoovering, in hem
-opgewekt was geworden.
-
-Nu scheen hij des te dieper in zich zelven te willen terugkeeren.
-Stiller en ernstiger dan ooit wandelde hij rond en verloor zich in de
-beschouwing van een verheven beeld, dat in de verborgen diepte zijner
-ziel hem tegenstraalde. Hij was weder geheel en al zich zelf geworden.
-Hij vermeed Aspasia, hij verkeerde nauwelijks meer met Pericles en op
-een goeden dag verliet hij stil en heimelijk Athene, om naar Elis te
-gaan, ten einde daar de grootsche gedachten zijner groote ziel te
-verwezenlijken.
-
-De onverzadelijkste en onvermoeidste bewonderaar der Lemnische Pallas
-bleef Socrates. Hij scheen zijne liefde voor de Milesische op de Godin
-van Phidias over te willen brengen. De natuurlijke Aspasia kwam hem
-niet meer volkomen voor, van het oogenblik af, waarop hij haar hooger
-ideaal in steen belichaamd zag. En toch kon men toen van hem zeggen,
-dat hij zijn tijd tusschen die Pallas en haar levend model verdeelde.
-Dagelijks zag men hem zijne schreden naar de woning van Pericles
-richten, zelfs op gevaar af daar den welsprekenden Protagoras te
-ontmoeten.
-
-Hoe kwam het toch? Wanneer Socrates peinzend en, naar hij meende,
-zonder doel, door Athene’s straten wandelde, vond hij zich ten laatste
-onverwachts voor het huis van Pericles. Evenals in een labyrinth van
-straten, scheen hij een labyrinth van gevoelens te doorkruisen, waar
-hij geen uitgang vond en dat hem steeds weder op dezelfde plaats
-terugbracht.
-
-Zonder plan derhalve geschiedde het, als Socrates zijne schreden naar
-die woning richtte. Doch wat deed hij daar, als hij er zijns ondanks
-gekomen was? Verloor hij zich in huldebetoon? Gaf hij teekenen van een
-inwendig liefdevuur, dat hem verteerde? Had hij, evenals Protagoras,
-zich er aan gewend zijne wijsheid uit vreemde oogen te putten? Niets
-van dat alles. Hij streed met Aspasia. Hij gaf haar fijne zetten. Eens
-zelfs sprak hij in hare tegenwoordigheid uit—eene uitspraak, die sedert
-dikwijls herhaald en door de overlevering gewoonlijk aan Pericles is
-toegeschreven, die haar toch slechts aan Socrates had ontleend—: die
-vrouw is de beste, over wie men het minst spreekt. Hij zei haar bittere
-woorden en zelfs wanneer hij haar scheen te vleien, tintelde hij van
-die fijne ironie, die een kenmerk van zijn spreektrant uitmaakte.
-
-En Aspasia? Zij scheen des te zachter, vredelievender, beminnelijker en
-innemender, naarmate Socrates zijne vrijmoedige luim meer den vrijen
-teugel gaf. En omgekeerd: hoe zachter en verleidelijker Aspasia was,
-des te ontevredener en stuurscher werd de wijze Socrates.
-
-Wat wilden zij van elkander, deze beide zonderlingen? Streden zij samen
-den overouden, hardnekkigen tweestrijd der wijsheid en der schoonheid?
-Die zonderlinge strijd werd vooral gevoerd sinds de woordenwisseling,
-welke Socrates met Protagoras in tegenwoordigheid van Pericles en
-Aspasia gehouden had.
-
-Aspasia deed het voorkomen dat zij geloofde dat Socrates ter wille van
-zijn lieveling Alcibiades het huis van Pericles bezocht. Zij ging in
-hare ondeugenden luim zoo ver, dat zij verzen tot hem richtte, waarin
-zij hem als aan een minnaar raad gaf. Socrates nam dat alles
-glimlachend op, zonder de minste gemelijkheid, of eene poging om zijne
-moedwillige vriendin te loochenstraffen. Hij toonde ook nooit, dat de
-schoone knaap, die nog steeds met eene bijna teedere liefde hem
-aanhing, hem te veel was. Tegenover den knaap was hij open, opgeruimd,
-vriendelijk, vertrouwelijk, zonder een spoor van die grilligheid en
-ironie, waarmede hij goedvond de vriendelijkste bejegening van de
-schoonste aller Helleensche vrouwen te beantwoorden.
-
-Talrijke gesprekken voerde Aspasia nog altijd met den vrouwenhater
-Euripides, die als treurspeldichter thans tot grootere beroemdheid
-geraakte. Zijne ernstige, bespiegelende Muze vond weerklank en hij werd
-weldra de lievelingsdichter van een tijdvak, dat zich van de
-onmiddellijke en naïeve beschouwing der zaken meer en meer tot eene
-ideale en verhevene opvatting gedreven gevoelde. Hij had rijke ervaring
-opgedaan en zoo vloeide zijn mond altijd over van hetgeen hij in zijn
-geest had doorleefd. Daarbij had hij een scherp, fier karakter, dat hem
-open en vrijmoedig deed uitspreken, wat hij dacht. Hij gaf niemand iets
-toe, zelfs niet aan het Atheensche volk, ’t geen ieder meende te moeten
-vleien. Toen men eens een zijner verzen uitfloot, welks inhoud het
-Atheensche volk niet beviel, trad hij op het tooneel om zich te
-verdedigen, en toen men hem toeriep, dat men dit vers niet wilde
-dulden, antwoordde hij, dat de dichter de onderwijzer van het volk was
-en niet het volk de onderwijzer van den dichter.
-
-Hij vleide ook Aspasia niet, en niemand zou het gewaagd hebben op den
-toon, dien hij aansloeg, met haar over de vrouwen te spreken.
-
-Hij had zijne eerste vrouw verstooten en eene andere genomen: een feit,
-dat Aspasia, zooals vermeld wordt, in een brief aan Pericles met sluw
-overleg als een voorbeeld van mannelijken moed geprezen had.
-
-Op een goeden dag kwam Aspasia met Euripides toevallig over deze zaak
-te spreken, in tegenwoordigheid van haar echtgenoot en Socrates. Nadat
-zij hem opnieuw over zijn moedig besluit had geprezen, vroeg zij hem
-naar zijne nieuwe gade.
-
-„Zij is het tegendeel van de eerste,” antwoordde Euripides wrevelig,
-„maar daarom niet beter: zij heeft alleen de tegenovergestelde
-gebreken. De eerste was een domme, maar eerlijke ziel, die mij met eene
-huisbakken soort van liefde lastig viel; deze is een behaagzieke, die
-door lichtzinnigheid en grilligheid mij tot vertwijfeling brengt. Ik
-ben van den regen in den drop gekomen. Ik ben een ongelukskind en al
-het bittere geven mij de Goden achtereenvolgens te smaken.”
-
-„Ik hoorde van uwe vrouw zeggen,” hernam Aspasia, „dat zij schoon en
-beminnelijk is.”—
-
-„Ja wel, voor iedereen,” zei Euripides, „behalve voor mij. Zij zou het
-natuurlijk ook voor mij zijn, als ik besluiten kon hare slechte
-eigenschappen als even zoovele deugden te beschouwen.”—
-
-„Welke zijn dan die slechte eigenschappen, die gij haar toekent?” vroeg
-Aspasia.
-
-„Zij verwaarloost het huishouden,” antwoordde Euripides: „het garen aan
-den weefstoel vernielen de hoenders. Zij danst en houdt feestmalen bij
-hare vriendinnen; zij heeft de onfatsoenlijkheid aan de huisdeur te
-staan en op straat te gluren.”
-
-„Is dat alles?” vroeg Aspasia.
-
-„Neen!” antwoordde de dichter. „Zij is wispelturig, zij is luimig, zij
-is ontrouw, zij is leugenachtig, zij is vol veinzerij, zij is valsch,
-zij is boosaardig, zij is nukkig, zij is onbillijk, zij is wreed, zij
-is wraakgierig, zij is nijdig, zij is eigenzinnig, zij is bijgeloovig,
-zij is dwaas, zij is sluw, zij is babbelziek, zij is jaloersch, zij is
-ijdel, zij is behaagziek, zij is gewetenloos, zij is ongevoelig, zij is
-zielloos...”
-
-„Houd op!” viel hem Aspasia in de rede. „Het zou u zwaar vallen, dit
-alles afzonderlijk te bewijzen.”
-
-„Dit alles en nog meer!” hernam Euripides.
-
-„Wellicht betoont ge uwe vrouw te weinig liefde,” bracht Aspasia in ’t
-midden, „en maakt gij haar daardoor van u afkeerig!”
-
-„Ja, waarlijk!” riep Euripides met een hoonenden lach; „als men de
-vrouwen hoort, ontbreekt het den mannen altijd aan liefde. „Gij hebt
-geen hart, mijn vriend!” zei de adder tot den geitebok. Juist het
-tegendeel is waar! Ik zeg u, mijn ongeluk komt daar vandaan, dat ik
-mijne vrouw niet zoo behandel, als de meeste Atheners hunne vrouwen
-behandelen; dat ik mij te veel door haar laat beheerschen, dat ik mij
-door haar laat kwellen. Want mak als lammeren zijn de vrouwen, zoolang
-men ze kort houdt; doch aanstonds worden ze overmoedig, als men haar
-aanleiding geeft tot de meening, dat zij onmisbaar zijn. Ja, er is maar
-één enkel middel, om zich van eene vrouw, van haar hart, van hare
-liefde, van hare hoogachting, van hare toewijding te verzekeren: dit
-middel bestaat hierin, dat men haar verwaarloost. Wee den man, die
-zijne vrouw laat merken, dat hij haar niet missen kan! Zij zal hem den
-voet op den nek zetten. Eene vrouw lief te hebben is den boozen daemon
-in haar op te wekken. Wie echter zijne vrouw met eene vriendelijke
-koelheid te gemoet treedt en overigens zijn eigen weg gaat, wie haar
-bewijst, dat hij haar missen kan, die wordt gevleid en geliefkoosd, die
-wordt de wang gestreeld, die wordt de hand op den schouder gelegd met
-de vraag: „Wat zal mijn lief mannetje van avond eten?” die wordt
-vereerd als „de steun en heer des huizes en der familie,” hem wordt
-roerend dank betuigd voor iedere kruimel van genade, die hij laat
-vallen. Toonde echter dezelfde man zich teeder en verliefd, dan zou hij
-haar binnen acht dagen vervelend toeschijnen, in een maand was hij
-veracht en in een jaar dood gekweld.”
-
-Glimlachend hoorden Pericles en Aspasia deze op gramstorigen toon
-uitgebrachte ontboezeming aan. Euripides echter vervolgde met gelijken
-wrevelen ernst en nadruk:
-
-„De Parce van de man is de vrouw. Zij is het, die zijne levensdraden
-spint—zwarte of gouden.”
-
-Pericles schrikte schier bij deze laatste woorden. Aspasia glimlachte.
-
-„Ik kan niet gelooven,” zeide Pericles, „dat de man in ’t algemeen zoo
-afhankelijk is van de vrouw.”
-
-„Hij zal het worden, als hij het nog niet is,” hernam Euripides. „Ik
-voorspel de toekomst. De macht der vrouw is schrikbarend aan het
-toenemen. Verstaat gij de dichters en beeldhouwers niet, die sedert
-overoude tijden het fabelachtige beeld der Sphinx hebben voorgesteld,
-eene raadselachtige vrouw, met zachten boezem doch scherpe klauwen? De
-Sphinx is de vrouw. Het verleidelijke schoone gelaat, den verleidelijk
-zachten boezem houdt zij ons voor, het overige echter van het lichaam
-is een dier met tijgerpooten en moorddadige klauwen.”
-
-„Zult gij het vrouwelijk geslacht niet overmoedig maken,” zei Aspasia,
-„als gij haar karakter door zulke vergelijkingen den stempel van het
-grootsche verleent?”
-
-„Grootsche misdaden,” hernam Euripides, „van een man kunnen bewondering
-wekken; eene vrouw met groote ondeugden boezemt altijd afschuw in. Want
-de misdaden van den man kunnen soms uit eene overmaat van op zichzelf
-roemrijke eigenschappen voortspruiten; de ondeugden eener vrouw echter
-komen altijd voort uit eene kleingeestige, tot eene overmaat gedreven
-zwakheid.”
-
-„En toch zien wij de vrouwen met deze kleingeestige zwakheden
-triomfeeren!” zeide Aspasia.
-
-„Niet voor altijd!” voerde Euripides haar te gemoet. „De dag der wrake
-komt, die, met de vlammen van een gezonden en rechtmatigen hartstocht,
-de woeste flikkering van eene ziekelijke en zwakke neiging zal
-uitblusschen. Slechts zoolang wij mannen ons zwak toonen, zijn de
-vrouwen sterk. De vrouw is eene Sphinx; ja zeker! Doch men behoeft haar
-slechts de klauwen af te snijden, om haar onschadelijk te maken. Met
-onafgesneden klauwen is zij eene tijgerin; met afgesneden klauwen niets
-meer dan eene kat. Onze vaderen hebben goed gedaan, dat zij de vrouwen
-kort hielden. Wij mannen van dezen tijd zijn te weekelijk—ik zelf
-behoor tot dat getal—wij laten de vrouwen de klauwen groeien. Dat is
-niet goed...”
-
-Het voorhoofd van Aspasia rimpelde zich een weinig, toen de vergramde
-dichter deze woorden met krachtige stem uitstiet. Socrates bemerkte het
-en zeide:
-
-„Vergeet niet, mijn waarde, dat gij tot Aspasia spreekt.”
-
-„Tot Aspasia,” hernam Euripides, snel gevat, „maar niet van Aspasia. Ik
-spreek over de vrouwen. Aspasia is eene vrouw, maar de vrouwen zijn
-geen Aspasia’s...”
-
-Socrates liet het, zooals gemeld is, in zijne gesprekken met Pericles’
-gade niet aan scherpe woorden ontbreken. Maar nooit was hij in den toon
-van Euripides vervallen. Wij gevoelen ons echter verplicht te zeggen,
-dat Euripides in zijne gesprekken met Aspasia het geheele vrouwelijke
-geslacht hoonde en onrecht aandeed, doch steeds Aspasia zelve met
-bereidwillige hoffelijkheid daarvan uitzonderde; terwijl Socrates
-omgekeerd zijne pijlen steeds alleen tegen de persoon van Aspasia
-afschoot, het geheele geslacht echter gaarne verdedigde.
-
-En zoo nam hij dan ook nu het schoone geslacht in bescherming tegenover
-den vrouwenhater Euripides, terwijl hij zeide:
-
-„Het komt mij een zonderling, maar onomstootelijk feit voor, dat ieder
-man, als hij van de vrouw in het algemeen spreekt, toch altijd slechts
-zijne eigene op het oog heeft. Men moest alzoo, dunkt mij, alleen aan
-zulke mannen toestaan om over de vrouwen in het algemeen te spreken,
-die niet getrouwd zijn. Ik beroem mij een van die laatstgenoemden te
-zijn; en hoe verre mijn vriend Euripides in andere wijsheid mij achter
-zich moge laten, heb ik, omdat hij getrouwd is, het voordeel van
-grootere onpartijdigheid op hem vooruit. Daar voorts Pericles ook
-gehuwd en Aspasia zelve eene vrouw is, ben ik hier de eenige, die
-geroepen schijnt de partij op te nemen voor het door Euripides zoo fel
-gehoond geslacht. Mij ontbreekt het wel is waar aan welsprekendheid en
-ik zou Protagoras gaarne hier wenschen: deze zou niet in gebreke
-blijven ons de vrouw te prijzen als de schenkster der zoetste vreugde,
-als de bereidster van het schoonst geluk, als de beschermster van den
-goddelijken schat der schoonheid en van het genot op aarde, als de
-troosteres van den man, als de artsenij zijner kwalen. „Welk een
-pronkstuk,” zou hij uitroepen, „is eene schoone vrouw! Met ieder atoom
-harer persoonlijkheid verrukt zij. Geluk en zaligheid stralen uit van
-haar wezen...” Zoo zou Protagoras spreken. Euripides daarentegen
-beweert: de vrouwen zijn Sphinxen, zij hebben een bekoorlijk gelaat en
-een zachten boezem, doch scherpe klauwen. Zou het niet geoorloofd zijn
-omgekeerd te zeggen: de vrouwen hebben wel is waar scherpe klauwen,
-maar een bekoorlijk gelaat? Waarom zou men den grootsten nadruk niet
-liever op het goede der vrouwen, dan op het kwade leggen?—„Men moet
-haar de klauwen afsnijden,” zegt Euripides. Maar zou haar dit, behalve
-de mogelijkheid om te schaden, ook hare vijandelijke gezindheid
-ontnemen? Zou het niet veel practischer zijn, rechtstreeks op de
-verbetering harer gezindheden te werken? De klauwen worden dan van zelf
-onschadelijk. Hoevele deugden kan eene vrouw niet ontwikkelen! Hoevele
-zegeningen weet zij niet om zich te verspreiden! Niet alleen door
-hetgeen, wat zij uitvoert of zegt of doet, maar reeds door hetgeen, wat
-zij is. De natuurlijke kampioenen van het schoone zijn de vrouwen: doch
-daar zij elke zaak, waarvoor zij strijden, doen triomfeeren—hoe
-heerlijk zou het zijn, als wij haar ook tot kampioenen van het goede en
-het ware konden winnen? Zoolang het licht van eene hoogere opvatting
-het hoofd der vrouwen niet verheldert, volgen zij natuurlijk alleen de
-aandrift van haren physischen aanleg, en deze aandriften zijn altijd
-ruw en baatzuchtig. Wellicht zullen de mannen in de toekomst er naar
-streven, om de vrouwen, door eigene overweging in plaats van slavinnen
-van onbestemde natuurdriften te zijn, tot priesteressen van het schoone
-en het goede te maken!”
-
-„Ja, dat ontbrak er nog maar aan, dat de slangen vleugels kregen!” riep
-Euripides met een spottenden lach. „Niet te verwonderen is het
-overigens,” ging hij voort, „dat deze hoop op verbetering der vrouwen
-uitgesproken wordt door een man, die in ’t algemeen alle menschelijk
-geluk van het verstand en van heldere begrippen verwacht. Ik zeg u
-echter, dat de waarde en de adel der vrouw niet in de ontwikkeling van
-haar verstand, maar in de ontwikkeling van haar hart, van haar gevoel
-berust!”
-
-„Dat kan wel zijn,” hernam Socrates, „maar nu doet zich de vraag op, of
-het hart en zijne gewaarwording ooit door zichzelf kan gevormd worden,
-dan wel of daartoe niet de invloed van een tot op zekere hoogte
-ontwikkeld verstand gevorderd wordt?”—
-
-Pericles drukte zijne ingenomenheid met Socrates’ woorden uit. Aspasia
-zweeg en toonde terstond minder belangstelling; want hoezeer ook enkele
-punten, die Socrates had aangeroerd, met hare eigene meening
-overeenstemden, kwam het haar toch voor, als had de droomer onder het
-masker zijner bescheidenheid zich durven vermeten, haar een lesje te
-geven. Voor eene bevrijding van den geest, voor eene veredeling van
-haar geslacht te werken, was immers sinds lang haar streven geweest.
-
-Had zij niet openlijk zich zelve en haren vrienden op de Acropolis de
-gelofte gedaan, dit doel met alle krachten te bevorderen, nadat zij de
-gade van Pericles geworden was?
-
-Zij had woord gehouden. Het leven en de positie der vrouwen geheel en
-al te herscheppen was sinds dien tijd haar moedig pogen.
-
-Om dit doel echter te bereiken, had zij moeten trachten invloed te
-krijgen op de vrouwen van Athene, de rol van zuurdeeg moeten vervullen
-bij deze trage massa, degenen, die haar dwarsboomden, verzoenen, ze tot
-aanhangsters, leerlingen, vriendinnen moeten maken.
-
-Pericles had hare bedoelingen gesteund: want hij beminde haar. Hij
-verschafte haar gaarne elk soort van genoegen. Hij leidde haar, wanneer
-deze uitdrukking veroorloofd is, in de Atheensche kringen binnen. De
-Atheensche vrouwen waren van het gezelschap der mannen uitgesloten;
-maar zij hielden een vrij druk verkeer onder elkander. Schijnbaar
-argeloos mengde Aspasia zich in dit verkeer.
-
-Onder de schoone en waarlijk verstandige vrouwen, wien het gegeven is,
-de mannen in hare netten te lokken, worden er aangetroffen, wien het
-bovendien verleend is, trots den nijd, den haat, de ijverzucht, die zij
-opwekken, toch ook personen van haar eigen geslacht aan te trekken en
-voor zich in te nemen. Zooals van zelf spreekt, bereikten zij dit niet
-door overmatige vriendelijkheid en lieftalligheid of door praatjes en
-opgedrongen beleefdheden, maar door den eenvoud, waarmede zij den
-gevaarlijken glans harer voorrechten vrijwillig schijnen te temperen,
-en door de nauwkeurigste kennis der eigenaardigheden en grillen van
-haar, die zij voor zich willen winnen. Aspasia zocht vertrouwen in te
-boezemen; ongelijk aan de onverstandigen van hare sekse, wist zij, dat
-eene schoone vrouw in de meeste gevallen het zekerst door een
-verstandig, rustig, kalm, waardig gedrag zoowel mannen als vrouwen
-inneemt. Zij richtte haar streven in de eerste plaats daarop, dat men
-gedwongen werd haar te achten; beminnelijk te schijnen zou dan vanzelf
-het geval zijn.
-
-Eerst nadat Aspasia door zulk eene houding, die bij haar volstrekt niet
-gemaakt maar eene zaak van haar vrouwelijke natuur was, den bodem voor
-hare ondernemingen had voorbereid, was zij met hare bedoelingen en
-plannen meer openlijk voor den dag gekomen.
-
-Na eenigen tijd waren de Atheensche vrouwen tegenover de gade van
-Pericles in een tal van partijen verdeeld.
-
-Er waren onverzoenlijken, die haar haatten en die met alle middelen van
-vrouwelijke vijandelijkheid zich openlijk en in het geheim tegen haar
-verzetten. Er waren er, die Aspasia eene soort van persoonlijke
-genegenheid niet weigerden, maar van meening waren, dat hare plannen te
-vermetel en onbepaald waren; er waren anderen, die wel is waar de
-persoon van Aspasia met afgunstige oogen beschouwden, doch door een
-innerlijken drang gedreven werden, om haar voetspoor te volgen en in
-vele opzichten te doen als zij. Doch er waren er ook, die zich geheel
-en al door Aspasia hadden laten overtuigen en winnen, doch die niet
-alleen den moed bezaten zich openlijk met hare leidsvrouw te verbinden
-tot een strijd voor de vertrapte rechten der vrouw.
-
-Tot de onverzoenlijkste en nog steeds gevaarlijkste vijandinnen van
-Aspasia behoorden, zooals licht te begrijpen is, de verstooten gemalin
-van Pericles en de zuster van Cimon.
-
-Deze laatste was gewoon als ’t ware boek te houden van het leven en de
-handelingen van Aspasia; zij vorschte uit en verbreidde wat Aspasia tot
-andere vrouwen sprak en niet zelden geschiedde het, dat deze woorden
-verdraaid van mond tot mond gingen, om de gemoederen der Atheners tegen
-de gade van Pericles op te hitsen.
-
-Zoo geschiedde het op zekeren dag, dat Aspasia met eene pas gehuwde
-vrouw zich in tegenwoordigheid van haar echtgenoot onderhield. Het
-jeugdige paar verlangde van haar te vernemen, waarop het zekere geluk
-der liefde en van den echt berustte.
-
-Aspasia voelde den lust in zich opkomen, om eens den Socratischen
-redeneertrant te beproeven.
-
-„Wanneer uwe buurvrouw,” zeide zij tot de jonge vrouw, „een schooner
-kleed heeft dan gij, welk zoudt gij verkiezen: het uwe of het hare?”
-
-„Het hare,” antwoordde de jonge vrouw.
-
-„En wanneer uwe buurvrouw schooner kleinoodiën bezit dan gij,”
-vervolgde Aspasia, „aan welke zoudt gij de voorkeur geven?”
-
-„Aan de hare natuurlijk,” hernam de jonge vrouw.
-
-„En wanneer zij een beteren man heeft dan gij, aan welken zoudt gij de
-voorkeur geven, den uwen of dien van haar?”
-
-De jonge vrouw bloosde over deze onverwachte, verbijsterende vraag.
-Aspasia echter zei glimlachend:
-
-„In den natuurlijken loop der dingen zal de vrouw den beteren man, de
-man de betere vrouw voortrekken. Mij schijnt dus de zekerste waarborg
-voor het geluk in de liefde en den echt, dat de man trachte in ’t oog
-zijner vrouw de beste aller mannen, de vrouw wederkeerig in ’t oog van
-haar man de beste aller vrouwen te zijn. Velen vorderen van anderen de
-liefde als een plicht, wat zeer onbillijk is. Men moet ze trachten te
-verdienen en er naar streven ze voortdurend levendig te houden.”
-
-Wat Aspasia met deze woorden het jonge paar te denken gaf, was zeker
-niet zonder gezonden zin. Doch hoe werden zij niet verwrongen in den
-mond van Elpinice en consorten? Het onderhoud van Aspasia met het jonge
-echtpaar maakte eenige dagen lang bij de Atheners de ronde. Maar men
-vertelde niet, dat Aspasia als eenigen waarborg voor onwankelbaar
-echtgeluk verklaard had, dat de man zijne vrouw voor de beminnelijkste
-aller vrouwen, de vrouw haar man voor den besten aller mannen moest
-houden; neen, men zeide, dat Aspasia de jonge Hipparchia in
-tegenwoordigheid van haar gemaal had opgezet, aan een vreemden man
-boven haar eigen echtgenoot de voorkeur te geven, als geene haar beter
-beviel.
-
-Aspasia besloot de Socratische methoden in hare gesprekken in het
-vervolg te laten varen en nog zorgvuldiger dan vroeger er op te letten,
-met welk soort van personen zij zich onderhield. De vijandinnen van
-Aspasia gingen echter zoover, dat zij opzettelijk met haar gesprekken
-aanknoopten, om haar onder den schijn van genegenheid uitspraken te
-ontlokken, die haar in de achting der Atheners zouden kunnen doen
-dalen. Aspasia doorzag zulk een plan gemakkelijk en wist de aanslagen
-dezer vijandinnen soms op eene wijze te verijdelen, die haar, behalve
-de voldoening haar doel bereikt te hebben, nog eene soort van
-vermakelijk genot verschafte.
-
-Zoo drong zich op een goeden dag een zekere Clitagora met geveinsde
-bewondering aan haar op. Aspasia echter wist, dat Clitagora tot de
-clique van Telesippe en de zuster van Cimon behoorde.
-
-Zij stelde Aspasia de vraag voor, door welke kunsten eene vrouw haar
-echtgenoot het best aan zich zou kunnen boeien?
-
-„De krachtigste van alle kunsten, waardoor eene sluwe vrouw den
-argeloozen echtgenoot aan zich en aan den huiselijken haard boeien
-kan,” hernam Aspasia met gewichtig gelaat, „is de kookkunst. Mij is
-eene vrouw bekend, die als eene Godin door haar man wordt vereerd,
-alleen om de lekkernijen, die zij hem dagelijks voorzet. Haar
-meesterstuk is de zachte en lichte sesamee [321], die zij uit
-sesamusmeel met honig en olie in de pan gereed maakt. Zij neemt gepelde
-gerst, stampt ze fijn in een vijzel, schudt het meel in een pot, giet
-er olie bij, roert deze brij, terwijl zij langzaam kookt, bestendig om,
-besproeit ze van tijd tot tijd met bouillon van hoenders of geiten- en
-lamsvleesch, ziet toe dat zij niet overkookt en wanneer ze gaar is,
-laat zij ze opdragen. Ook hare hazenpasteien van bastaardnachtegaals en
-andere kleine vogels zijn voortreffelijk. Welk man zou zich aan de
-verleiding van zulke dingen kunnen onttrekken? Er zijn ook mannen, die
-met de zoogenaamde Cappadocische [322] koeken dweepen. Men kneedt ze
-het best met honig, snijdt het deeg in dunne platen, die, als ze de pan
-maar ruiken, oprollen. Deze rolletjes worden dan in wijn gedoopt en
-moeten geheel heet op tafel komen.”
-
-Op die wijze ging Aspasia voort de regels van eene lekkere keuken
-uiteen te zetten tot verbazing van een deel harer toehoorderessen en
-tot ergernis van een ander deel, dat in deze uitweidingen niets vond,
-wat dienen kon, om Aspasia in de openbare meening te schaden en den
-roep van hare lichtzinnigheid of hare gevaarlijke beginselen te
-bewijzen.
-
-De onaangename tegenstand, die de pogingen van Aspasia in de
-vrouwenwereld van Athene voor een deel ondervonden deed haar des te
-liever de gelegenheid aangrijpen, die zich voordeed, om een paar
-verweesde dochtertjes van haar oudere, te Milete gestorven zuster bij
-zich aan huis te nemen. In deze teedere, doch gunstig begaafde en
-ontwikkelde meisjes, Drosis en Prasina geheeten, van welk de eene
-vijftien jaar en de ander slechts een jaar telde, geloofde Aspasia
-geschikte voorwerpen te vinden voor de verwezenlijking harer gedachten
-over de vorming van de Helleensche vrouw tot geestelijke en
-persoonlijke vrijheid. Men mocht gelooven, dat zij eens de school,
-waaruit zij kwamen, eer zouden aandoen en de zaak van Aspasia, die
-tegelijk de zaak van het geheele vrouwelijke geslacht was, tot
-overwinning zou helpen voeren.
-
-Intusschen, Aspasia was ongeduldig; zij was zeer geneigd om ver
-reikende plannen op te vatten, die natuurlijk eerst langzaam konden
-rijpen, doch zij wenschte die door koene, snelwerkende maatregelen te
-bereiken.
-
-Zulk een doortastenden maatregel nu beproefde zij om de teugels der
-heerschappij over haar geslacht te Athene zoo mogelijk in eens in hare
-macht te brengen.
-
-Onder de talrijke godsdienstige feesten der Atheners was er ook een,
-dat uitsluitend door vrouwen gevierd werd en dat op strenge straffe
-geen man bij mocht wonen. Dit was het Thesmophoriën-feest; ter eere van
-Demeter, die niet alleen als de Godin van den akkerbouw, maar ook als
-die van den echt werd vereerd, wegens de verwantschap, die de begrippen
-van zaaien en voortbrengen, oogst en geboorte samen verbindt.
-
-De heilige gebruiken van dit feest werden niet aan bepaalde
-priesteressen opgelegd, maar aan vrouwen, die telkens uit de
-verschillende stammen werden gekozen. Een zekeren tijd van te voren
-moesten de vrouwen door onthouding zich tot de deelneming aan dit feest
-voorbereiden. Zij sliepen op kruiden, welke men de kracht toeschreef
-het bloed te verkoelen en de onthouding gemakkelijker te maken. Tot
-deze behoorden de kuischlamstruik en een zekere soort van netels. De
-viering zelve bestond in feestelijke omgangen, in vergaderingen in den
-Thesmophoriën-tempel, benevens in overgeleverde gebruiken, waaronder
-ernst en scherts en plagerijen elkander afwisselden.
-
-Vier dagen lang duurde het feest. Op den eersten dag ging men naar het
-kustplaatsje Halimus en vierde in een zich daar bevindende tempel van
-Demeter zekere mysteriën. Op den tweeden dag keerde men naar Athene
-terug; op den derden waren de vrouwen van het krieken van den dag tot
-aan den avond in den Thesmophoriën-tempel vergaderd. Demeter en
-Persephone en andere Godheden werden aangeroepen en haar ter eere
-dansen uitgevoerd. In de pauzen zaten de vrouwen op kuischlam en andere
-kruiden, zooeven vermeld, en onderhielden zich met gesprekken en
-plagerijen, die bij deze gelegenheid gebruikelijk waren. Zij nuttigden
-gedurende haar verblijf in den tempel geen spijs, maar stelden zich
-voor deze onthouding schadeloos door het heerlijke offermaal, waarmede
-den volgenden dag de geheele plechtigheid besloten werd.
-
-Men denke zich de vrouwen van Athene, doorgaans opgesloten in de enge
-omgeving van haren huiselijken kring, onder de oogen harer mannen, en
-nu vier dagen lang met strenge uitsluiting der mannen aan zich zelven
-overgelaten, tot eene geweldige schaar vereenigd, feestelijke omgangen
-houdend, vervolgens in een tempel verzameld, met dansen en heilige
-gebruiken bezig, op heilige kruiden zittend en babbelend naar
-hartelust—men denke zich deze snaterende vrouwenvergadering en men zal
-licht inzien, dat zij wel geschikt was niet alleen de vrouwelijke
-tongen, maar met de tong tevens den vrouwelijken geest los te maken en
-hem tegen de oudvaderlijke beperkingen in beweging te brengen.
-
-Dit Thesmophoriën-feest nu was teruggekeerd.
-
-Wederom zaten de vrouwen van Athene in de pauzen tusschen de dansen en
-de feestzangen te babbelen op kuischlam in den Thesmophoriën-tempel.
-Wederom snaterden de stemmen luid en zacht door elkander. Waarover werd
-al niet in de verschillende groepen der vrouwen, die op den grond
-zaten, gesproken! Dezen onderhielden zich over de slechte gewoonten
-harer mannen, genen over de ondeugden harer slavinnen of klaagden er
-over, dat de kinderen van den tegenwoordigen tijd veel lastiger en
-uitgelatener waren dan in vroegere tijden: sommigen kibbelden over de
-beste manier om sesamus-koeken klaar te maken; anderen vertelden
-elkander van toovermiddelen, om in het kraambed te gebruiken, of
-deelden jongere lotgenooten raadgevingen mede over het bereiden van
-liefdedranken; er waren er zelfs, die elkander heimelijk in het oor
-fluisterden, hoe men zwangerschap huichelen en ter wille van den
-echtgenoot een ander kind kon onderschuiven. Sommigen verhaalden
-elkander spookgeschiedenissen of verhalen van Thessalische heksen of
-sprookjes of de nieuwste familiegeheimen van deze of gene vriendin. Nog
-anderen spraken over Aspasia en dit gesprek werd allengs het
-levendigste, dat in den tempel gevoerd werd.
-
-„Aspasia heeft gelijk,” zeide eene jonge, wakkere vrouw, wier frisch
-uiterlijk gunstig tegen de verwelkte en geblankette gezichten der
-meesten rondom haar uitkwam.
-
-„Aspasia heeft gelijk, wij moeten de mannen dwingen ons zoo te
-behandelen, als Pericles Aspasia doet.”
-
-„Dat willen wij!” riepen eenige aanhangsters der Milesische. „Wij
-moeten hen dwingen het huiselijk en het echtelijk leven met ons zoo in
-te richten als Pericles met Aspasia doet.”
-
-„Ik heb met mijn man reeds een begin gemaakt,” riep eene levendige,
-kleine vrouw, Chariclea geheeten. „Mijn Diagoras heeft er zich reeds
-aan gewend, mij telkens als hij thuis komt en uitgaat, een zoen te
-geven, evenals met Pericles en Aspasia het geval is.”
-
-„Ontvangt gij ook bezoeken van wijsgeeren en dient gij beeldhouwers ook
-tot model?” vroeg op spottenden toon eene van die vrouwen, wier wangen
-het meest verlept en geblanket waren.
-
-„Waarom zouden Aspasia en Chariclea het niet doen, als hare mannen het
-toestaan?” riep eene andere der vrouwen. „Ook wij zullen het doen en
-onze mannen dwingen het goed te vinden.”
-
-„Niet ieder man is tot hoorndrager geboren!” zei de eerste spreekster
-met een boosaardigen lach.
-
-„Wilt gij beweren,” riep Chariclea toornig, terwijl zij zich voor die
-vrouw plaatste, met hare handen in de zijde, „wilt gij beweren, dat ik
-mijn man tot een hoorndrager maak?”
-
-„Nog zal ik het van u niet zeggen,” hernam gene, „maar uwe
-leermeesteres Aspasia zal u dit wellicht nog leeren!”
-
-Toen deze bittere woorden waren gevallen, trad eene gesluierde vrouw
-van eene slanke en edele gestalte plotseling uit den kring van haar,
-die getuigen van dit gesprek waren geweest, te voorschijn, sloeg stijf
-vóór de vinnige spreekster den sluier terug en wierp een vlammenden
-blik op haar.
-
-„Aspasia!” riepen sommigen en snel verbreidde zich deze naam verder en
-er ontstond eene opschudding, die tot in de verste kringen zich
-voortplantte. De geheele Thesmophoriën-tempel geraakte in oproer. „Wat
-is er te doen?” riepen de verst verwijderden. „Is er soms een man
-binnengeslopen?”
-
-„Aspasia!” klonk het antwoord. „Aspasia is hier!”
-
-Op dit bericht drongen alle vrouwen zich om haar heen en weldra bevond
-zich de Milesische in het middelpunt van de geheele vergadering.
-
-Zij was gekomen, omgeven van de schaar harer geestverwanten, te midden
-van welke zij, bovendien gesluierd om niet herkend te worden, voor de
-oogen der groote menigte tot op dit oogenblik verborgen was gebleven.
-
-Door deze geestverwanten werd zij ook nu als door eene lijfwacht
-omgeven, toen zij met opgerichte gestalte een toornigen blik op de
-vermetele vestigde.
-
-Terwijl Aspasia zoo voor hare vijandin stond, drong eene van hare
-partij zich voor haar en duwde de andere de volgende hoonende woorden
-toe:
-
-„Gij hebt gelijk! Niet ieder man is voor hoorndrager geboren. Gij moest
-dat weten! Ik ken u precies! Gij zijt Critylla, die door uw eersten man
-Xanthias verstooten zijt, omdat hij ontdekte, dat gij in het nachtelijk
-uur een rendezvous met uw boel voor de deur hadt, bij den laurierboom
-die het altaar van den stratenbeschermenden Apollo overschaduwt!”—
-
-Het gelaat van Critylla werd met een donker rood overtogen en zij
-maakte aanstalten, om hare vijandin aan te vliegen. Maar zij werd door
-den aanhang van Aspasia teruggedrongen; daarop sprak deze het volgende:
-
-„Deze vrouw heeft mijn echtgenoot gehoond—gehoond alleen daarom, omdat
-hij de eerste is van alle Atheners, die de waarde der vrouw in zijne
-gade eert en haar niet tot slavin vernedert. Wanneer mannen als
-Pericles alleen ter wille van de liefde en de achting die zij hunne
-vrouwen bewijzen, spot en hoon moeten verdragen, niet alleen uit den
-mond der mannen, maar zelfs van den kant van het vrouwelijk geslacht,
-hoe kunt gij dan hopen, dat uwe echtgenooten zullen besluiten het
-voorbeeld van den edelsten der mannen te volgen?”
-
-„Zoo is het inderdaad!” zeiden de vrouwen uit den kring, terwijl zij
-elkander aanzagen. „Critylla heeft zich vergrepen, door Pericles en
-Diagoras te beschimpen. Gaven de Goden, dat alle mannen waren als
-deze!”
-
-„De mannen zijn, zooals gij ze verdient!” vervolgde Aspasia. „Beproeft
-het maar eens, den onweerstaanbaren invloed, die aan het vrouwelijke
-geslacht verleend is, te gebruiken! Gij hebt tot heden verwaarloosd die
-macht in u te ontwikkelen, ja, het schijnt mij, dat gij die niet eens
-hebt gekend. Uwe slavernij is eene vrijwillige. Gij praalt met den
-titel van meesteressen des huizes en gij wordt korter gehouden dan
-slavinnen—want slavinnen mogen toch vrij zich op de straat of op de
-markt vertoonen. Gij zijt gevangen! Is dat niet zoo?”
-
-„Zoo is het inderdaad!” riep eene der vrouwen in den kring. „Mijn man
-heeft eens, toen hij voor een paar dagen op reis was, mij in het
-vrouwenvertrek opgesloten en de deuren daarvan met zijn cachet
-verzegeld.”
-
-„De mijne,” riep eene andere, „heeft een grooten Molosser-hond gekocht,
-die aan de deur wacht moet houden, alleen opdat geen minnaar in zijne
-afwezigheid binnen moge sluipen.”
-
-„Niet eens het huishouden is u zonder voorbehoud toevertrouwd,” ging
-Aspasia voort.
-
-„Volkomen waar!” viel weder eene der vrouwen levendig in; „mijn man
-draagt den sleutel der provisiekamer altijd bij zich.”
-
-„Loopen zij niet zelven op de markt, om vleesch en groenten in te
-koopen?” riep eene tweede.
-
-„Ja, zelfs wanneer het oorlogstijd is,” riep eene derde, „en de mannen
-gewapend loopen, kan men den een of ander van hen geharnast en met het
-Gorgo-schild aan den arm op de markt om eieren en groenten zien
-pingelen, of hij brengt te paard pekelvleesch in zijn metalen helm naar
-huis.”—
-
-„En daar zij u niet eens aan den huiselijken haard het gezag hebben
-gelaten,” sprak Aspasia, het woord weder opvattende, „is het niet te
-verwonderen, dat zij u nog veel minder veroorloven in openbare
-aangelegenheden een woord mede te spreken. Komen zij van de Pnyx waar
-over vrede en oorlog gehandeld is, durft gij het dan in uw hoofd
-krijgen te vragen, wat daar beslist is?”
-
-„Waarachtig niet!” riepen de vrouwen. „Wat raakt het u!” heet het dan.
-„Blijf bij uw spinnewiel en zwijg!”
-
-„En als gij niet zwijgt?”
-
-„Dan is het nog erger!”
-
-„Mijn man,” zeide eene der vrouwen, „zeurt tot vervelens toe mij die
-oude, flauwe spreuk voor: het schoonste sieraad der vrouw is
-stilzwijgen!”
-
-„Die kennen we ook, die spreuk! Zij is in den mond van alle mannen!”
-klonk het in den kring.
-
-„Waartoe hebben wij dan eene tong?” vroeg eene van haar en zij voegde
-er bij: „Soms alleen tot kussen, likken en trekkebekken?”
-
-De vrouwen lachten onbeschaamd over die woorden; want zij waren onder
-elkaar.
-
-Aspasia echter ging voort:
-
-„Zij willen dat gij onontwikkeld en dom zult zijn; want dan alleen
-kunnen zij u overheerschen. Van het oogenblik af, waarop gij verstandig
-en wijs, waarop gij u van de macht bewust wordt, die aan het vrouwelijk
-geslacht boven het mannelijke gegeven is, van dat oogenblik is het uit
-met hunne tyrannie. Gij meent reeds alles gedaan te hebben, als gij uw
-huis rein houdt, als gij uwe kinderen wascht en zoogt, als gij er op
-let, dat de wol aan uw kleed niet door de mot verteerd en het garen aan
-den weefstoel niet door de hoenders vernield wordt, en wanneer iemand
-uwer nog iets wil doen om haar man te behagen, dan meent zij met een
-crocusgeel kleed en puntschoenen, een doorzichtig oppergewaad en met
-zalfdoosjes en eenige cinnaber [323] dit doel te zullen bereiken. Maar
-alleen in de handen van haar, die ook een weinig geest bezitten, is
-lichamelijke schoonheid en versiering een voor de mannen gevaarlijk
-wapen. Waardoor echter kunt gij datgene, wat ik een weinig geest
-noemde, verwerven, dan door een vrijer verkeer in de wereld, waarvan de
-mannen als met een ijzeren muur u afsluiten? Het moet u in het vervolg
-veroorloofd zijn de duffe gemoederen met den instroomenden adem der
-vrijheid te reinigen en te verfrisschen, de buitenwereld op u te laten
-werken en, evenals gij de indrukken der wereld en der gebeurtenissen in
-u opneemt, moet gij wederkeerig in de wereld en het leven invloed
-uitoefenen met de alles veredelende vrijheid van den ontwikkelden,
-vrouwelijken geest. De vrouwelijke geest moet met den mannelijken in de
-wereld zich tot eene vereende kracht verbinden. Dan zal niet alleen het
-huwelijk en het geheele huiselijke leven hervormd worden, dan zullen de
-kunsten tot haar schoonsten bloei geraken, dan zal de oorlog en al het
-ruwe onder de menschen een einde nemen. Laat ons een verbond sluiten,
-eene vreedzame samenzwering maken en elkander de gelofte afleggen, dat
-wij met alles wat in ons is, voor het recht van ons geslacht willen
-strijden, om die macht vrij te ontwikkelen, welke tot onze roeping
-behoort.”
-
-Eene levendige toejuiching begroette deze woorden van Aspasia van den
-kant van een groot deel der vergadering; toen echter volgde zulk een
-luid en verward geluid van stemmen, dat men niets duidelijks meer
-onderscheiden kon, daar de vrouwen onder elkander het onderwerp met
-heftigheid begonnen te behandelen en allen eensklaps tegelijk spraken.
-’t Was alsof een trekkende troep luid snaterende en krijschende vogels
-zich in den Thesmophoriën-tempel had neergelaten.
-
-Eindelijk echter zag men eene spichtige, schoon nog levendige en
-krachtige gestalte, door den dicht opeen gedrongen hoop met de armen
-zich baan maken en zich naar het midden van den kring, waar Aspasia
-stond, heendringen. De witte doek, die haar hoofd omhulde, verborg ook
-het grootste deel van haar gezicht, zoodat men haar niet aanstonds kon
-herkennen. Toen zij echter in ’t midden van den kring bleef staan en
-haar oog met eene boosaardige uitdrukking op Aspasia vestigde, herkende
-men de scherpe, schier manlijke trekken der fiere zuster van Cimon.
-
-Elpinice was gevreesd in geheel Athene, gevreesd door al hare
-geslachtgenooten. Zij heerschte door de macht harer tong, door hare
-bijna manlijke wilskracht, door den wijden kring harer relatiën. Daarom
-ontstond er onmiddellijk een angstig stilzwijgen, toen de zuster van
-Cimon met de volgende woorden Aspasia te lijf ging:
-
-„Met welk recht verstout zich hier de vreemdeling het woord te nemen in
-den kring van geboren Atheensche vrouwen?”
-
-Deze vraag van Elpinice maakte plotseling een diepen indruk, en vele
-der vrouwen, goedkeurend met het hoofd knikkend, verwonderden zich dat
-deze gedachte niet terstond bij haar opgekomen was.
-
-Elpinice echter vervolgde:
-
-„Hoe durft de Milesische het wagen ons de les te willen lezen? Wil zij
-zich soms met ons op ééne lijn stellen? Is zij met ons opgegroeid?
-Heeft zij onze zeden, onze gebruiken gevolgd, onze heiligdommen van
-kindsbeen af met ons vereerd? Wij zijn Atheensche vrouwen; wij hebben
-op ons achtste jaar het heilige gewaad der Arrhephoren gedragen, wij
-hebben tien jaar lang het offermeel in den tempel van Artemis gemalen,
-wij zijn bij het Braurons feest [324] als bloeiende jonkvrouwen aan die
-zelfde Godin gewijd, wij hebben als korfdraagsters den feeststoet der
-Panathenaeën gevolgd. En deze hier? Uit den vreemde is zij gekomen,
-door geen Goden begeleid, zonder zegen van Goden, eene gelukzoekster,
-misdadig en geslepen, en nu wil zij zich in onzen kring dringen, omdat
-zij een Atheensch man zoo heeft weten te begoochelen, dat hij haar
-tegen wet en zeden in zijn huis heeft opgenomen?”
-
-Rustig, maar niet zonder een spottenden glimlach, antwoordde Aspasia:
-
-„Gij hebt gelijk! Ik ben niet opgegroeid in de muffe eenzaamheid van
-een Atheensch vrouwenvertrek; ik heb niet uw Braurons feesten in
-saffraankleurig rokje medegevierd, ik heb niet bij uwe Panathenaeën
-eene feestkorf over het hoofd en een snoer van verdroogde vijgen om den
-hals gedragen, ik heb niet medegehuild op de daken bij uwe
-Adonis-feesten [325]. Ik heb hier niet als Atheensche burgeres tot
-Atheensche burgeressen, ik heb als vrouw tot vrouwen gesproken!”
-
-„Mannenverleidster! Goddelooze slang!” riep Elpinice nog heftiger
-vertoornd uit, „waagt gij het onze tempel te betreden, onze
-heiligdommen met uwe tegenwoordigheid te ontwijden?”
-
-Deze woorden werden met onstuimigheid uitgestooten. De korte haartjes
-op Elpinice’s bovenlip rezen te berge. De vriendinnen van Elpinice, die
-zich om haar vereenigd hadden, namen tegenover de Milesische eene
-dreigende houding aan.
-
-Maar ook Aspasia’s geestverwanten schaarden zich nauwer om haar
-leidsvrouw, bereid om haar te verdedigen. En niet gering was het getal
-dergenen in den Thesmophoriën-tempel, die nog de partij van Pericles’
-gade kozen.
-
-Wederom gonsde een verward, levendig rumoer van stemmen en menig heftig
-woord dreigde een hartstochtelijken strijd der partijen aan te
-wakkeren.
-
-Toen wist de onverschrokken zuster van Cimon zich nogmaals gehoor te
-verschaffen, om de krachtigste harer troeven uit te spelen.
-
-„Denkt aan Telesippe!” riep zij met luider stemme; „herinnert u, hoe
-deze vreemde gelukzoekster, deze Milesische hetaere eene Atheensche,
-wettige vrouw van haar haard, van de vrucht van haren schoot, van haar
-echtgenoot heeft verdrongen! Wie uwer gelooft zich veilig tegen de
-boeleerkunsten van deze vrouw, als het haar in den zin komt ook de
-mannen van andere vrouwen te verleiden? Vóór gij luistert naar het
-gesis van deze slang, herinnert u, dat zij gif in haar mond verbergt!—
-
-„Ziet haar ginds,” viel Elpinice zich zelve in de rede, de oogen naar
-een hoek van den tempel wendend, „ziet ginds Telesippe! Ziet haar in
-rouw en droefheid verzonken—ziet haar bleek gelaat—ziet hoe haar de
-tranen langs de kaken rollen alleen bij de herinnering aan hare
-kinderen!”—
-
-De hoofden van alle vrouwen keerden zich om en volgden Elpinice’s
-blikken, en zij zagen naar de verstooten vrouw van Pericles, die op
-eenigen afstand stond en bleek van gramschap en spijt naar Aspasia
-blikte.
-
-Elpinice echter ging voort:
-
-„Weet gij, wat zij van ons Atheensche vrouwen denkt? Behoef ik het u te
-zeggen? Heeft zij zelve het u niet gezegd? Zij houdt ons voor dwaas,
-voor onwetend, voor onervaren, de liefde van een man onwaardig, en
-genadig wil zij zich vernederen om ons te leeren, zich in haren trots
-zeker bewust, dat wij toch nooit kunnen worden als zij zelve de
-schoone, de wijze, en onvergelijkelijke, de alles betooverende
-Milesische, met wie zelfs de schoonsten van u zich nimmer kunnen
-meten!”
-
-Deze taal van Elpinice had eene ongeloofelijke uitwerking op de geheele
-vergadering der vrouwen. Veranderd was plotseling de stemming, zelfs in
-de harten dergenen, die tot nu toe Aspasia genegen waren geweest.
-
-Elpinice nam opnieuw het woord:
-
-„Weet gij, wat hare vrienden, de trouwe aanhangers van Pericles, van
-haar zeggen, en wat reeds alle mannen van Athene onder elkander
-herhalen? Aspasia is de beminnelijkste vrouw van Athene—ja, de eenige
-beminnelijke vrouw van Athene—naar Milete moet men gaan, zeggen zij,
-als men schoone en betooverende vrouwen vinden wil!”
-
-Bij deze woorden brak de woede der vrouwen en hare met boosaardige
-sluwheid aangewakkerde gramschap in lichte vlammen uit. Men begon met
-woest getier, met opgeheven armen op Aspasia los te gaan. Deze echter
-stond rustig en richtte hare fiere, ongebogen gestalte nog hooger op;
-zij sprak, bleek van toorn, doch met een blik van onbeschrijfelijke
-minachting:
-
-„Bedaart wat, gij knollen-, peterselie- en komkommerwijven! Bedaart
-wat, gij appel-, kaas- en boterwijven!—Waarom schreeuwt en tiert gij
-zoo, waarom dringt gij op mij aan? Denkt gij mij ook nog te krabben en
-te bijten?”
-
-De weinige trouw en moedig gebleven volgelingen van Aspasia wierpen
-zich tusschen beiden, er ontstond een wild rumoer en bijna eene
-vechtpartij onder de vrouwen. Eenigen van Elpinice’s partij maakten
-aanstalten, om Aspasia de oogen met de nagels uit te krabben; anderen
-trokken de scherpe gespen van hare kleederen en gingen daarmede
-dreigend op de vijandin los. Deze echter verliet onder de bescherming
-dergenen, die zich nog dapper om haar schaarden, haastig den
-Thesmophoriën-tempel.
-
-Zóó eindigde de poging van Aspasia om de vrouwen van Athene door den
-geest te bevrijden.
-
-
-
-
-
-
-
-XVII.
-
-HET MEISJE UIT ARCADIË [326].
-
-
-Eenige jaren waren zoo voorbijgegaan. Aspasia had moedig gestreden,
-maar zij mocht zich niet beroemen gezegepraald te hebben. Het
-onstuimige tooneel in den Thesmophoriën-tempel was in de stad bekend
-geworden en Aspasia had de vernedering te verduren, die onder alle
-omstandigheden met eene nederlaag gepaard gaat. Het ontbrak overigens
-ook niet aan dezulken, die haar aanhingen: het grootste deel echter van
-haar geslacht was door nijd, verblinding en de boosaardige
-uitstrooisels harer vijandinnen op haar gebeten.
-
-Eene zwaarmoedige stemming maakte zich soms van Pericles meester. Hij
-dacht aan het onbewolkt geluk, dat hij met de Milesische in de korte,
-maar zalige, eenzaamheid aan het Ionische strand had gesmaakt. Soms
-maakte zich een gevoel van hem meester, als moest hij nogmaals de
-zorgen van den dag afschudden en wegvluchten uit het woelige Athene,
-waar zijn beste oogenblikken door den hatelijken laster der menschen,
-die als het gegons der bijen zijn hoofd omzweefden, verbitterd werden.
-
-Toen de tijding te Athene kwam dat Phidias in Elis zijn gouden en
-ivoren standbeeld van den Olympischen Zeus had voltooid, het grootste
-en verhevendste zijner werken, hoe bekoorde toen Pericles het denkbeeld
-om met Aspasia een kort uitstapje te maken naar het Dorische land! Maar
-Aspasia scheen de tocht al te moeilijk door het bergland van Argos en
-Arcadië, en slechts als een aangename scherts beschouwde zij de
-gedachte aan zulk eene reis, toen zij voor het eerst tusschen hen beide
-ter sprake gebracht werd.
-
-In het Atheensche volk was langzamerhand die afkeer tegen de gade van
-Pericles binnengeslopen, waarmede schoone en invloedrijke vrouwen, wier
-lot met dat van een hooggeplaatst man verbonden is, bijna altijd te
-kampen hebben. Men ging voort haar geheimen invloed op de politieke
-plannen en ondernemingen van Pericles toe te schrijven en te beweren
-dat zij Pericles opzette zich tot tyran van geheel Hellas op te werpen.
-De uitgelatene blijspeldichters, aan wier spits Cratinus, de vriend van
-Polygnotus, stond, die nog sedert het feestmaal van Hipponicus op de
-Milesische gebeten was, spitsten hunne pijlen tegen haar al scherper en
-scherper. De Attische Muze geleek op de bij: zij droop van honig, doch
-zij verborg ook een scherpen angel.
-
-Pericles werd toornig en trachtte den overmoed der comedie te beperken.
-
-Deze poging werd ten aanschouwe der heele wereld aan den invloed van
-Aspasia toegeschreven.
-
-„Houden zij mij voor een ouden leeuw,” zeide Cratinus, „wien de tanden
-zijn uitgevallen en die alleen nog kwijlen kan?”
-
-En in zijne volgende comedie slingerde hij onbeschaamd voor de oogen
-der gezamelijke Atheners een gemeen scheldwoord naar Aspasia’s hoofd.
-
-Het schimpwoord van Cratinus was gruwzaam beleedigend, bijna
-vernietigend. De afgunst der geheime en openlijke vijanden van Aspasia
-kon schier geen erger bedenken. De spotzieke menigte ving het begeerig
-op en herhaalde het. De grond van Athene begon te gloeien onder de
-voeten der Milesische...
-
-Van dien dag af was de reis naar Elis tusschen Pericles en Aspasia eene
-uitgemaakte zaak. Minder bezwaarlijk vond de diep gekrenkte thans, het
-Pelops-schiereiland [327] te betreden, dan op den brandenden bodem van
-Athene te vertoeven.
-
-Te Athene was de Milesische te zeer door belangstellenden en
-nieuwsgierigen omgeven, die als ’t ware in de stralen van haren geest
-en van hare schoonheid zich koesterden. In de ernstige, stille beemden
-van Argos, op de idyllische hoogten van Arcadië, zelfs in het gewoel
-van Olympia zou zij, naar Pericles’ meening, wederom geheel en al
-uitsluitend voor zijn en haar geluk leven.
-
-Snel werden de voorbereidingsmaatregelen voor de reis genomen, en
-weldra kon de zuster van Cimon, die van alle dingen het eerst op de
-hoogte was, aan het babbelziek Athene vertellen, dat Pericles op ’t
-punt stond naar Olympia te vertrekken en dat de verwijfde held zijne
-beminde Aspasia—die overigens wél deed zich aan de schande, waarmede
-zij te Athene overladen werd, te onttrekken—niet missen wilde. Er waren
-velen die zich vroolijk maakten over dat onafscheidelijk paar. Velen
-echter waren er ook, die het in stilte benijdden....
-
-Een licht voertuig bracht de beide getrouwen tot aan den Isthmus [328].
-Slaven en muildieren waren tot aan Corinthe vooruit gezonden, om
-vandaar in de reis over de moeilijke wegen van de Peloponnesus
-behulpzaam te zijn.
-
-Hoe vrij ademden beiden, toen zij het anders zoo geliefde Athene achter
-zich hadden!—Zij wisten niet, dat zij, uit Athene, als ’t ware
-vluchtend, het hun beschoren lot niet vertraagden, maar integendeel
-bespoedigden...
-
-Van de prachtige land- en zeegezichten, die in onafgebroken afwisseling
-zich aan hun oog voordeden, tot aan de monumenten aan de kanten van den
-weg, de Hermes-zuilen en het Hecate-huisje aan de kruiswegen was alles
-voor het thans weder gelukkige paar opwekkend, alles belangrijk.
-
-Zij vonden den breeden weg van Eleusis vol reizigers. Men zag vrome,
-menschlievende lieden voor de beelden en kapellen der reisgoden
-vruchten en andere spijzen nederleggen, opdat arme en hongerige
-zwervers zich daaraan konden verkwikken. Hier en daar stonden
-ooftboomen aan den kant van den weg geplant, wier vruchten eveneens
-gemeen goed voor alle dorstigen waren. Ook aan herbergen ontbrak het
-niet.
-
-„Een reislievend volk zijn wij Hellenen,” zeide Pericles tot Aspasia.
-„Alom aangeknoopte banden van gastvrijheid en vroolijke feesten lokken
-van plaats tot plaats. Ook voor den reiziger is, zooals gij ziet, goed
-gezorgd.”
-
-Aan de berghellingen ter zijde van den weg ontsprong menige vroolijke
-bron uit de rotsen. In den reuzenstam des populiers, die de bron
-overschaduwde, had menig rustend wandelaar, om zijn dankbaar gemoed uit
-te storten, eene spreuk of een vers gesneden, soms ook een wijgeschenk
-aan de takken opgehangen.
-
-Bloeiende, met tempels en zuilen prijkende steden en vlekken deden zich
-aan de blikken der beide reizigers op. Eerst Eleusis, de heilige stad
-der mysteriën, waar, op Pericles’ bemoeiing, juist een nieuw, fraai
-gebouw voor het vieren der mysteriën verrees. Vervolgens Megara, de
-stad der Doriërs, welks aanblik in Aspasia’s geest onaangename
-herinneringen terugriep. Haar vriendelijk gelaat verduisterde; zij
-zweeg, doch het onvergeten leed en de onverzoende smaad persten haar
-een traan van weemoed en smart af. Pericles begreep haar en zeide:
-
-„Troost u! Uwe vijanden zijn ook de mijne. Megara zal boeten, voor wat
-het misdeed!”
-
-Aangekomen in het van menschen wemelende Corinthe, begaf Pericles zich
-naar het huis van zijn gastvriend Amynias, die hem en zijne gemalin met
-de hoogste eerbewijzen ontving.
-
-Al te verleidelijk blonk den aangekomenen de hoogte van de wijd en zijd
-uitziende Acrocorinthes, de Acropolis der stad Corinthe, tegen, de door
-bloemen en kruiden dicht bewassen rotsberg, steil afhellend naar de
-stad, een wachtpost van het Helleensche land. Van zijne kruin
-schitterde de oude, beroemde tempel van de Godin der liefde. Want
-evenals het van geest tintelende Athene zich onder de bescherming van
-de schrandere Pallas Athene had gesteld, zoo had de rijke,
-genotlievende handelsstad tot schutsvrouw de vreugdeverspreidende
-Aphrodite gekozen. Evenals Pallas Athene daar, was hier Aphrodite de
-beheerscheres van den burg en gewapend stond zij in haar heiligdom. Van
-de hoogste rotskruin schitterden hare tempeltinnen verre over de zee,
-tevens als een baken voor de zeelieden. Duizend Hierodulen, dienaressen
-der Godin, bekoorlijke en goedgunstige dochters der vreugde, woonden in
-het tempelgebied op de berghoogte, die door aangelegde terrassen,
-zuilengaanderijen, tuinen, priëelen, baden en gastverblijven op eene
-zoo ver uitziende vlakte, tot een dubbel vriendelijk Eden omgeschapen
-was.
-
-Van deze hoogte nu, in het middelpunt van de Helleensche landen en
-zeeën zich verheffend, overzagen Pericles en Aspasia al die grillig
-gevormde, in eigenaardige kleurschakeering prijkende bergtoppen; zij
-zagen in het noorden de besneeuwde kruin van den Parnassus en verder
-oostwaarts den Helicon, zij begroetten Attica’s bergketens en met niet
-geringe blijdschap zagen zij zelfs de liefelijke, bekende rotshoogte
-van de Atheensche Acropolis door den reinen aether uit de verte
-opdoemen. Zuidwaarts weidde hun blik over de hoogten van Noord-Arcadië.
-Zij zagen tusschen de tallooze bergen en dalen de blinkende zeeboezems
-en kusten, ook groenende of rotsgrauwe zeeëilanden, alles door de
-bekoorlijkheid van een onvergelijkelijk licht overgoten.
-
-In dit liefelijk gezicht werden Pericles en Aspasia eenigszins gestoord
-door den zwerm van Hierodulen, die in de nabijheid van het tempelgebied
-in de zuilengangen en priëelen omzwierven.
-
-„Gij hebt te Athene,” zei de Corinthische gastheer, die het paar
-vergezelde, terwijl hij een blik op deze schoonen sloeg, tot Pericles,
-„gij hebt zulk een soort van eeredienst nog niet en gij zult wellicht
-in deze priesteressen, die zich ten gunste van den tempelschat
-prijsgeven, geen heilige personen zien. Bij ons staat zulk
-priesterschap sedert langen tijd in hoog en eerwaardig aanzien. Deze
-gulle, vroolijke meisjes, die den dienst van Aphrodite vervullend, zich
-in haar gemoed tot de moeder der liefde zoeken te verheffen, zijn bij
-offers en andere godsdienstige plechtigheden tegenwoordig, nemen aan de
-feestelijke optochten der burgers deel en zingen daarbij een paeän ter
-eere van Aphrodite. Men wendt zich tot haar om voorspraak bij de Godin,
-de beschermvrouw onzer stad. Gij glimlacht? Nu, gij Atheners moogt
-meenen dat gij aan Pallas Athene meer te danken hebt. Bij u is de staat
-vermogend en invloedrijk, bij ons zijn het de enkele burgers. Ieder is
-een Croesus een koning op zich zelven en verheugt zich in de door
-handel en scheepvaart verworven goederen des levens. Wij streven niet
-naar macht en invloed in Griekenland, wij verspillen onze schatten niet
-aan den bouw van vestingwerken of vloten en dergelijke zaken, doch wij
-leven prettig en gelooven dat per slot van rekening toch alleen de
-individu leeft en het geheel maar een bloot begrip is. Het moge zijn,
-zooals het wil, en gij Atheners moogt nog zoo minachtend op ons
-nederzien, gij hebt toch den weg ingeslagen, die u nader tot ons
-brengt. Gij bemint en beoefent het schoone, waarmede toch altijd de
-liefde voor de aangenaamheden des levens gepaard gaat.”
-
-Deze woorden van den Corinthiër maakten een diepen indruk op Pericles,
-zonder dat hij er veel acht op scheen te slaan. Hij staarde naar de
-bergen van de Peloponnesus en sprak na eenigen tijd met een lichten
-glimlach, zich tot Aspasia richtend:
-
-„Het is opmerkelijk, dat ons juist hier, als ’t ware aan den drempel
-van den ernstige, strenge Peloponnesus, nog het beeld van de hoogste
-weelderigheid van het Helleensche leven tegenstraalt. Wie zou kunnen
-gelooven, wanneer men van het vroolijke, kunstlievende, gedachtenrijke
-Athene komt, of als hier in het genotlievende Corinthe door
-verleidelijke Hierodulen omgeven, op de hoogte van den Aphrodite tempel
-staat, dat op zoo’n geringen afstand aan gene zijde van den Isthmus en
-die somber zich verheffende bergen, op Arcadië’s hooglanden, een
-onbedorven herdersvolk in oudvaderlijken eenvoud leeft? Dat tegenover
-die plaatsen van een schoonen genotvollen lediggang, daar boven aan
-genen kant der bergen de ruwe Spartaan en de sombere, mokkende
-Messeniër, ruigharigen leeuwen of wolven gelijk, in afschuwelijke
-kloven of donkere wouden op leven en dood elkander bekampen? Welk een
-worstelplaats van wilde heldhaftige kracht is van overoude tijden die
-strook lands aan gene zijde der opdoemende bergen! Uit burgten, gebouwd
-uit op elkander gestapelde rotsblokken, trokken de Argivische vorsten
-tegen Ilium op. Op de paden van de Peloponnesus betraden Heracles en
-Perseus hun heldenbaan, doodden leeuwen en bestreden het slangengebroed
-in de kloven en de verderfaanbrengende vogels in de lucht. En worstelt
-niet nog ten huidigen dage op de velden van Pelop’s schiereilanden, op
-den Isthmus te Nemea, te Olympia, mannelijke kracht en moed om den
-prijs? Stroomen niet derwaarts de mannen van geheel Hellas, tuk op den
-lauwertak van lichaamskracht? Somber, dreigend en ruw schijnt deze
-Peloponnesus, en de wateren van den Styx [329] besproeien niet te
-vergeefs zijn woest bergland. Maar wij willen hare verschrikkingen
-trotseeren, wij willen ons in het hol van den leeuw wagen. En als wij
-weekelijk en verwijfd worden, willen wij met nieuwen kracht ons sterken
-in die ruwere lucht.”
-
-„Sedert wanneer,” zei Aspasia glimlachend, „is Pericles een
-bewonderaar, ja zelfs een benijder van de ruwe en eenvoudige mannen van
-gene zijde van den Isthmus geworden? Troost u maar, dierbare vriend!
-Laat hen daar worstelen en strijden, zooveel zij willen. Over hunne
-sombere berghoogten schittert niet als over Athene’s Acropolis het
-zegevierende licht van Pallas Athene!”—
-
-Onder een sterk geleide braken de reizigers den volgenden morgen van
-Corinthe op, om met blijden moed hun tocht door het Dorische land over
-de Argolische bergen te beginnen. Aspasia weigerde doorgaans van den
-draagstoel gebruik te maken, dien Pericles uit liefderijke zorg voor
-haar had laten gereed maken en die door slaven of muildieren over de
-moeilijke plaatsen van het gebergte kon gedragen worden. Zij gaf er de
-voorkeur aan, om op een muildier naast haar echtgenoot te rijden. En
-zoo trokken zij dan, onder vertrouwelijken kout, door de suizende
-bergwouden, den loop der beken te gemoet, die zich in de kloven
-nederstortten, bereikten over steile hellingen en boschrijke toppen de
-vrije bergvlakten, soms ook door bergpassen en dalen, waar oleander- en
-lentiscusstruiken en wilde pereboomen over het donkere pad hun
-schaduwrijke twijgen in elkander strengelden.
-
-Op zulke sombere wegen sloeg nochtans de moedige Aspasia soms een
-angstig bespiedenden blik in het struikgewas, om te zien of niet de
-donkere gestalte van een roover daaruit te voorschijn zou springen. Dan
-glimlachte Pericles en zeide, met een blik op het goedgewapende met de
-wegen vertrouwde gevolg van inlanders, die hij tot begeleiding door het
-gebergte had medegenomen:
-
-„Vrees niets, Aspasia! Reeds sedert lang zijn de wilde reuzen op deze
-paden uitgeroeid, en geveld is reeds lang de pijnboombuiger Sinis
-[330], de snoode wreedaard. Alleen voor de slangen van deze hoogten en
-dalen moeten wij op onze hoede zijn: want gij herinnert u wel, wat hier
-zeer nabij op Nemea’s grondgebied geschiedde, toen de voedster het
-knaapje in het gras legde, om voor de langstrekkende „Zeven tegen
-Thebe” [331], op hun verzoek, een dronk verkwikkend water te halen.”
-
-Na eene vermoeiende dagreis bevonden zich de reizigers aan het begin
-van de Inachus-vlakte en zagen tusschen twee grauwe, spitse bergen den
-in de sagen beroemden heerscherszetel van Agamemnon, den overouden
-wachter dezer bergpassen, den burg van Mycenae, loerend op zijn
-rotskruin liggen—„in den hoek van Argos”, naar de woorden van het
-Homerisch lied. Ter rechter zijde verhief zich de kale kegelvormige
-berg met den ouden burg Larisa, de Acropolis der stad Argos, welke aan
-den voet van den berg over eene ruime uitgestrektheid in de vlakte
-gelegen, nog steeds bloeiend en niet minder sterk bevolkt was dan de
-stad der Atheners. Over de uitgebreide strandvlakte van het
-„paardenvoedende Argos” [332] schitterde de blauwe zeeboezem van
-Nauplia. Bergketens, in de tinten van de ondergaande zon gedoopt,
-hieven hier hunne veelgetakte kruinen ten hemel en liepen ginds met
-groote krommingen tot aan de zee. Ook aan gene zijde van de blinkende
-golf doemden de nevelachtige omtrekken van geweldige bergkruinen op.
-
-Eene zonderlinge gewaarwording maakte zich van de reizigers meester.
-Hunne blikken hingen aan het grauwe rotsgevaarte van Mycenae, de sporen
-van den koningsburg der Pelopiden zoekend en al de andere
-onvernietigbare overblijfsels van Cyclopische schathuizen, graven,
-muren en gewelven van den voortijd.
-
-Toen zij Mycenae zelve hadden bereikt, was de duisternis ingevallen.
-Zij stonden op de rotshoogte, waar het grauwe muurwerk, uit
-reusachtige, loodrecht gehouwen rotsblokken opgestapeld, door mos en
-klimop overdekt, in de schemering schier dreigend en beangstigend zich
-verhief. Nochtans versmaadden zij het, naar beneden te gaan tot de
-woonplaatsen der weinige Myceners, die in de reeds lang vervallen en
-schier uitgestorven heerscherstad der Atriden [333] nog woonden.
-Pericles en Aspasia besloten den lauwen zomernacht in de nabijheid van
-deze eerwaardige overblijfsels van het verleden onder eene tent door te
-brengen. Thans ging de maan op en baadde het muurwerk en de hoogte
-zelve, met alle bergkruinen van Argos rondom en de vlakte daartusschen
-tot aan de verre golf, in haar zilveren licht. Hoewel vermoeid, konden
-Pericles met Aspasia de bekoring van dit tooverachtig, heldere
-maanlicht niet weerstaan. Zij putten nieuwe kracht uit de zonderlinge
-opgewektheid hunner gemoederen. Voor weinige dagen nog omgaf hen het
-woelige Athene en thans stonden zij op Mycenae’s puinhoopen, door de
-huiveringwekkende stilte van den sterrenhelderen nacht omgeven, in de
-sombere eenzaamheid der Argolische bergen. De geest van Homerus kwam
-over hen. In het ruischen van den wind, in het suizen der bergtoppen
-vernamen zij iets, wat hun als een zwakke nagalm klonk van zijn
-onsterfelijk heldenlied. Het licht der volle maan, dat rondom op Argos’
-bergtoppen scheen, herinnerde hen aan de wachtvuren, die eens hier van
-den eenen bergtop tot den anderen flikkerden, om de mare van de zege
-der Hellenen over zee en gebergte herwaarts te brengen tot aan den burg
-van Agamemnon, waar de woeste Clytemnaestra, aan de zijde van haar
-minnaar Aegisthus, den terugkeer van den zegevierenden
-Hellenen-aanvoerder met in ’t geheim geslepen moordstaal verbeidde. En
-binnen deze verlaten puinhoopen, die daar vóór hen lagen, in de
-doodstille, nachtelijke eenzaamheid, werd dit moordstaal getrokken.
-Achter deze muren verstierf dof het doodsgerochel van den huiswaarts
-gekeerden heerscher der volkeren...
-
-Pericles en Aspasia liepen langs den geweldigen muur, die den kant van
-den steilen burgtheuvel met talrijke hoeken en bochten omgaf. Zij
-bereikten de overoude, beroemde leeuwenpoort, den eerwaardigen ingang
-van den Atriden-burg, waarboven het oudste beeldwerk van het werelddeel
-prijkte. Door deze poort betraden zij de burgtruimte en stonden voor de
-binnenmuren, waarachter eens de Atriden tegen elken aanval veilig
-leefden; doch alleen de grondvesten wezen hun de plaats der eigenlijke
-vorstenvertrekken. Zij zetten hunne wandeling voort en bereikten
-verder, niet meer op de hoogte van den berg, maar op zijne helling, het
-eerwaardige, ongeschonden, ronde gebouw, dat een schatkamer en de
-grafkelder tevens der Pelopiden was.
-
-Toen Pericles en Aspasia dit gebouw naderden, verschikte hen de
-gestalte van een reusachtig man, die vóór de poort lag en die bij de
-nadering der vreemdelingen zich halverwege oprichtte. De man herinnerde
-hen aan de reuzengestalten van Hemorus, die tegen elkander rotsblokken
-slingerden, wier gewicht de latere stervelingen niet meer van den grond
-konden opheffen. Pericles sprak hem toe en bemerkte na eene korte
-woordenwisseling, dat hij met een in de bergen van Argos ronddolenden
-bedelaar te doen had. Zijne leden waren karig met lompen bedekt, zijn
-donkergebruind gelaat was als verweerd door wind en regenjachten. Zóó
-wellicht zal de zwaar beproefde zwerver Odysseus er uitgezien hebben,
-op het oogenblik, dat hij als schipbreukeling het vasteland bereikte,
-nadat hij dagen lang zwemmend met de zee had geworsteld en het scherpe,
-zilte nat zijn leden had geteisterd.
-
-De grijze, zonderlinge, reusachtige bedelaar beweerde, dat hij den
-schat van Atreus bewaakte en zonder zijne toestemming niemand de poort
-van het gebouw mocht naderen. Van ongehoorde, gouden schatten begon hij
-te bazelen, die in geheime hoeken van deze rotskamers nog altijd
-verborgen lagen en die den vinder tot den rijksten aller stervelingen,
-tot aanvoerder en koning in Hellas, tot erfgenaam en opvolger van den
-Hellenen vorst Agamemnon zouden maken.
-
-Glimlachend zei Pericles tot Aspasia: „Wel was Mycenae in overoude
-tijden beroemd als de stad, die het rijkst was aan goud, van alle
-Helleensche steden; maar ik denk, dat het goud van Mycenae reeds lang
-naar Athene is gevloeid en wij behoeven het niet meer te zoeken. Toch
-trekt mij deze zonderlinge rotsgroeve der Atriden onweerstaanbaar aan.
-
-„Voer ons heden nog in het gebouw, dat gij bewaakt,” vervolgde
-Pericles, tot den reus zich wendend. „Wij zijn Atheners en naar de
-bergen van Argos gekomen, om aan het stof der goddelijke Atriden onze
-hulde te bewijzen.”
-
-Toen beval hij eenigen slaven fakkels aan te steken. De bedelaar, op
-wien de persoonlijkheid van Pericles eene zekere macht scheen uit te
-oefenen, toonde zich zwijgend bereid, als gids te dienen. Met forsche
-hand schoof hij, zijne reuzenkracht aanwendend, een groot rotsblok ter
-zijde, dat voor den ingang lag en dien geheel en al versperde. Maar
-zelfs toen was het nog niet gemakkelijk over steen en gruis heen door
-de half geopende poort den weg naar het binnenste gedeelte van het diep
-in de aarde zich uitstrekkende gewelf te volgen.
-
-Langs een uit geweldige blokken gevormden weg bereikten Pericles en
-Aspasia het hooge, sombere ronde gewelf, welk wanden niet op de gewone
-wijze opgetrokken waren; in steeds nauweren kring vonden zij de
-steenlagen op elkander gestapeld en van boven door een kegelvormig
-gewelf afgesloten. Zij vonden de sporen van oude metaalbekleeding aan
-de wanden: eene geliefde wandversiering, waarvan Homerus gewag maakt.
-Hoe zal voorheen in de vorstenvertrekken de gepolijste, blanke koperen
-wand in den weerschijn der flikkerende fakkels geschitterd hebben! Maar
-gewelddadig waren hier reeds de koperen platen afgerukt, onbekleed
-grijnsden de grauwe steenmassa’s der machtige op elkander gestapelde
-kringen den beschouwer tegen.
-
-Uit het ronde gebouw traden Pericles en Aspasia door eene nauwere poort
-in eene vierkante ruimte, die geheel in de levende rots uitgehouwen
-was.
-
-Peinzend stonden zij beiden daar. Slechts schemerachtig verhelderde het
-sobere licht der brandende fakkels de donkere steengewelven.
-
-„Eene stoute gedachte zou het zijn,” sprak Pericles ten laatste, „in
-deze huiveringwekkende steengroeve ons nachtverblijf te houden!”
-
-Aspasia huiverde een weinig, doch in het volgend oogenblik glimlachte
-zij weder en kon de betoovering niet van zich weren, die de
-huiveringwekkende en toch verleidelijke gedachte op haar uitoefende, om
-een nacht door te brengen in de duizendjarige Pelopiden-groeve, om te
-rusten boven het stof van Atreus en Agamemnon.
-
-Menig bezwaar werd nog geopperd, eindelijk echter besloot men de stoute
-gedachte ten uitvoer te leggen. Tapijten werden op den steenen vloer
-van de kleinere rotskamer door slaven nedergelegd en daarop een leger
-gespreid. In het gewelf strekte de reusachtige bedelaar zich uit om te
-slapen, de slaven legerden zich bij den buitensten ingang.
-
-Nu vonden Pericles en Aspasia zich alleen in het huiveringwekkend,
-geheel in de rotsen gehouwen vertrek. Het onzekere schijnsel der in den
-grond gestoken fakkels speelde spookachtig op de grauwe, vensterlooze
-rotswanden. Om hen heen heerschte de stilte des doods. Het was
-werkelijk de rust des grafs, die hen omgaf.
-
-„In dezen nacht,” zei Pericles, „en in deze omgeving dringt zich de
-gedachte aan vergankelijkheid en vernietiging schier in lichamelijke
-gestalte met Titanisch geweld aan mij op. Hoe zwak en wisselvallig
-schijnt al het levende, en hoe hecht en sterk trotseert de tand des
-tijds datgene wat wij het doode plegen te noemen! Atreus en Agamemnon
-zijn sinds lang niet meer en wij zuigen misschien de onzichtbare atomen
-van hun stof in met onzen adem. Deze doode muren echter, welke die
-menschen opgebouwd hebben, omringen ons nog heden en zullen wellicht
-ook hen nog omsluiten, die de atomen van ons stof over duizend jaren
-zullen inademen!”—
-
-„Ik ben het niet geheel met u eens, Pericles,” hernam Aspasia, „om het
-onvernietigbaar bestaan van het doode te verheffen boven het vluchtige
-leven van den mensch. Het neerstortende rotsblok begraaft de bloemen,
-maar de bloemen keeren terug met iedere lente en slingeren hare
-stengels om den steen en ten laatste verteert na duizende jaren de
-steen, terwijl de bloemen er echter altijd nog zijn. Zoo ligt het leven
-ook begraven onder puinhoopen van steden, maar tusschen de puinhoopen
-kruipt het zachtkens te voorschijn en omstrengelt den steen, die toch
-eens verbrokkelen zal: ’s levens krachtig groen wast zelfs door de rots
-en doet ze springen, en zoo is ten laatste toch alleen het schijnbaar
-vluchtige en vergankelijke waarachtig eeuwig.”
-
-„Gij hebt gelijk,” zeide Pericles, „het leven zou weldra vermoeiend en
-vervelend worden, als daaraan de onveranderlijkheid van het doode
-beschoren was. Onvergankelijk is reeds één met het doode, alleen
-afwisseling is leven.”
-
-„Herleeft niet,” sprak Aspasia, „de heldenzin van Agamemnon in duizend
-helden? En de liefde van Paris en Helena, wordt zij niet in tallooze
-verliefde paren opnieuw gevoeld?”
-
-„Ongetwijfeld, het leven komt en gaat,” hernam Pericles, „en in eeuwige
-verandering keert het weder. Zijn wij echter zeker, dat het bij dit
-komen en gaan ten laatste niet iets van zijne oorspronkelijke kracht
-verliest? Zou het groote in de wereld niet eenigszins op de
-steenkringen gelijken in het gewelf dezer groeve, die van boven wel is
-waar aan elkander sluiten, maar steeds enger worden?—De heldengeest van
-Agamemnon schijnt teruggekeerd te zijn: wij hebben de Perzen verslagen,
-maar toch komt het mij voor, dat wij tegenover de helden van Homerus
-een weinig ingekrompen zijn.”
-
-„Vele dingen,” hervatte Aspasia, „mogen zwakker worden als ze herhaald
-worden; maar ontkent gij, dat veel nog krachtiger en heerlijker zich
-vernieuwt? De kunst, die met deze bouwvallen onderging, is teruggekeerd
-en heeft de met beelden prijkende, marmeren tinnen van het Parthenon
-gebeiteld!”
-
-„Wanneer echter,” zei Pericles, „ook die met beelden prijkende tinnen
-eens in stof zullen zijn verkeerd—wanneer het heerlijke vierspan van
-Pallas wellicht van den gevel van het Parthenon naar beneden stortend,
-met donderend geraas op de rotshelling wordt verbrijzeld, zijt gij dan
-zeker, dat de kunst nog eens en steeds heerlijker zal wederkeeren? Of
-zal er een tijd komen, welks roem alleen nog teert op het vertoon van
-onsterfelijke bouwvallen?”
-
-„Dit zij eene zorg voor de latere geslachten!” antwoordde Aspasia.
-
-„Gij hebt ook van de liefde van dat schoonste paar uit den voortijd
-gesproken,” vervolgde Pericles, „en hoe die in tallooze paren zich
-hernieuwt?”
-
-„Twijfelt gij daaraan?” zei Aspasia.
-
-„Neen!” riep Pericles, „en ik geloof, dat de liefde en juist alleen de
-liefde, steeds bestaat met dezelfde kracht, met dezelfde
-levensfrischheid, met dezelfde bron van zaligheid!”
-
-„De liefde en het genot!” viel Aspasia hem met een betooverenden
-glimlach in de rede.
-
-„Ja, zeker!” sprak Pericles. „Wel is waar, moet ik met een gevoel van
-schaamte op deze plaats wandelen en wellicht ben ik niet waardig zelfs
-één enkelen nacht boven het stof van Homerische helden te rusten. Maar
-schoon ik ook met smartelijke benijding afstand moet doen van den
-heldenroem van Achilles, deel ik toch het geluk van Paris: het bezit
-van de schoonste Helleensche vrouw!”—
-
-De gelaatstrekken van Pericles waren niet in volkomen overeenstemming
-met de woorden zelve. Zijn gelaat scheen twijfel uit te drukken of het
-den man wel betaamde afstand te doen van den roem van Achilles, en zich
-te vreden te stellen met het geluk van Paris.—
-
-Doch met de betoovering van de schoonste Helleensche vrouw wist Aspasia
-de gedachten in slaap te wiegen, die in de manlijke ziel van Pericles
-oprezen. Haar oog verspreidde een magischen glans in de sombere
-rotsgroeve, van hare wangen scheen een rozenrood schijnsel door het
-geheele vertrek te lichten. De fakkel, die zooeven flauw had
-geflikkerd, evenals wellicht die, welke eens bij de begrafenis van den
-vermoorden Agamemnon haar licht had verspreid, scheen eensklaps
-vroolijk op te vlammen als eene bruiloftsfakkel. Door den glans der
-schoonheid, die in de donkere diepte schoot, scheen zelfs de groeve nu
-in een bruidsvertrek herschapen en de eeuwige frischheid des levens en
-der liefde verkreeg de overhand boven de huivering des doods en der
-vergankelijkheid, boven het duizendjarig stof der Atriden.—
-
-Toen Pericles en Aspasia de plaats hunner nachtelijke rust verlieten en
-uit de sombere groeve naar buiten traden, straalde hun de morgen, met
-zijn verkwikkenden dauw op alle velden en heuvels, vroolijk tegen. Maar
-’t was ook in ’t schitterend licht van den dag niet minder eenzaam en
-doodstil dan onder de bouwvallen van den Atriden-burg. Alleen een gier
-zweefde onbeperkt met wijd uitgespreide vleugels boven Mycenae, hoog in
-de blauwe lucht.
-
-Terwijl daarop de reizigers van den medegebrachten voorraad en den
-wijn, dien een slaaf in een geitelederen zak droeg, een en ander voor
-een ontbijt nuttigden, vroeg Pericles aan Aspasia, of zij niet gedroomd
-had gedurende haar slaap in de Atriden-groeve.
-
-„Inderdaad,” hernam Aspasia, „heeft mij in den ochtendstond een droom
-midden onder het gewoel der helden voor Ilium verplaatst. Ik heb
-Achilles in levenden lijve gezien en hij zweeft mij nog steeds voor
-oogen. Zijne gestalte was die van een onbeteugelden, schoonen
-jongeling, schier daemonisch was zijn uiterlijk, hoog en slank, het
-volkomen eironde gelaat door donkere lokken omgolfd, de oogen koolzwart
-en bijna rond, wat zijn gelaat bij al den adel der trekken iets
-Gorgonen-achtigs, iets huiveringwekkends gaf; de mond buitengewoon
-klein, de lippen echter krachtig ontwikkeld—overal de trekken van
-jeugdige schoonheid met de uitdrukking van woeste, bijna
-bovenmenschelijke heldenkracht vereenigd. Zóó zag ik hem bij de schepen
-staan, het hoofd in een lichtgloed gehuld, door zijn oorlogskreet
-alleen reeds ontzetting aanjagend binnen de muren van Ilium.”
-
-„Ook mij,” zeide Pericles, „heeft een droom ter zelfder tijd naar de
-Homerische wereld gevoerd, maar zonderling, niet onder de helden;
-integendeel: ik zag Penelope; en wat nog vreemder is, ik zag haar niet
-zooals Homerus haar schildert, als Odysseus’ trouwe en geduldig
-wachtende gade, maar als jeugdige bruid in het licht eener sage, die
-mij nog zinrijker voorkomt, dan alles wat Homerus van haar gezongen
-heeft. Ge kent zeker de overlevering omtrent de omstandigheden van
-Odysseus’ vrijen: hoe de Spartaansche koning Icarius zijne dochter
-Penelope aan Odysseus had beloofd, in de hoop hem daardoor te bewegen
-zich in Lacedaemon neder te zetten. Toen dit hem echter niet gelukte
-trachtte hij de teedergeliefde dochter van haar minnaar afkeerig te
-maken, en toen Odysseus de bruid naar Ithaca wegvoerde, volgde haar
-vader hen met tranen en gebeden, zoodat Odysseus haar ernstig afvroeg
-of zij hem vrijwillig volgen of liever met haar vader naar Sparta wilde
-terugkeeren. Toen Penelope niets antwoordde, maar zedig den sluier voor
-het gelaat trok, liet Icarius haar ongehinderd gaan en richtte op de
-plaats, waar dit voorgevallen was, een beeld op gewijd aan de
-maagdelijke schaamte. Wat een liefelijk beeld is deze zwijgende
-blozende Penelope; in maagdelijke schaamte het hoofd omhullende! En
-juist in deze jonkvrouwelijke gestalte heb ik haar dezen nacht in den
-droom gezien.”
-
-Zoo vertelden Pericles en Aspasia elkander de droomen, die hun
-verschenen waren boven het stof der Atriden, en zij overwogen half
-schertsend, half ernstig of er soms een voorteeken, een verborgen zin
-in deze droomgezichten verscholen mocht zijn.
-
-Nog één blik wierpen zij van de puinhoopen van Mycenae op de
-Inachus-vlakte en het oude Archos. Daarna maakten zij zich gereed om
-hun weg te vervolgen en hun zwerftocht uit de Argolische bergen naar de
-Arcadische aan te vangen.
-
-Pericles en Aspasia schepten er vermaak in, groote afstanden te voet af
-te leggen en, als voor hun genoegen wandelend, op de paden van het
-groene woudgebergte vertrouwelijke gesprekken te voeren.
-
-Aspasia was tot dusverre gewoon alleen op kussens en tapijten te
-rusten: nu ondervond zij, dat het mogelijk was ook op groene zoden, op
-mos, kruiden en pijnboomnaalden zich ter ruste te vlijen. Wanneer zij
-zich soms op eene liefelijke plek nederlieten, bracht een slaaf op
-bevel van Pericles een der boekrollen, die de zangen van Homerus
-bevatten, en Aspasia las haar echtgenoot op zijn verzoek plaatsen
-daaruit voor met hare welluidende, heldere stem. Niet zonder deze
-zangen hadden zij de overblijfsels van het oude Atriden-rijk willen
-bezoeken, en inderdaad, sinds zij deze puinhoopen hadden gezien,
-begrepen zij den dichter eerst ten volle.
-
-Van tijd tot tijd rees er wel een kleine woordenstrijd wanneer Pericles
-al te opgewonden den lof van den aartsvaderlijken heldentijd prees,
-terwijl Aspasia het ideaal van het menschelijk leven liever in den
-tegenwoordigen tijd of zelfs in de toekomst zocht.
-
-„Bij Homerus,” zei Pericles eens, „geloof ik eene merkwaardige leer te
-vinden; dat namelijk de mensch eens dier geweest en langzamerhand
-mensch geworden is. Men ziet bij hem, namelijk in de Odyssee, hoe die
-menschwording allengs heeft plaats gegrepen. Hij legt overal het
-zwaartepunt op de zegepraal van de menschelijkheid over het ruwe en
-dierlijke. Overal treft gij dezen strijd der menschheid aan met de nog
-niet volkomen verwonnen overblijfsels der dierlijkheid. Hij toont ons
-in de wilde Laestrygonen en Cyclopen, wat wij eens geweest zijn. Hij
-schildert dan vol diepen zin deze wilde halfmenschen tegenover het
-menschelijk edel gevoel, stelt de menscheneters tegenover de gastvrije
-Phaeäken, en om het menschelijke voor den terugkeer tot het dierlijke
-te bewaren, knoopt hij het zoo innig mogelijk aan het goddelijk vast.
-Pallas Athene, de Godin van menschelijk verstand en beleid, van de door
-menschelijkheid geadelde geestkracht, is de trouwe geleidsvrouw en
-hulpe zijner helden. Menschelijkheid is het wat hij predikt,
-menschelijkheid in tegenoverstelling van dierlijkheid. Bij hem is de
-reine menschelijkheid uitgedrukt in reine poëzie. In den reinen,
-helderen aether zweven bij hem alle voorwerpen. Welsprekender heeft de
-verheven eenvoud uit geen mond gesproken dan uit den zijnen.”
-
-Hier stuitte Aspasia Pericles in zijn lofrede.
-
-„Met uw verlof,” zeide zij, „er is u een woord ontvallen, dat ik niet
-onopgemerkt mag laten voorbijgaan en dat gij zelf wellicht gaarne zult
-willen terugnemen. Homerus, is toch eenvoudig noch ongekunsteld, ten
-minste niet in dien zin, als bij voorbeeld de beeldhouwers vóór Phidias
-waren. Met Homerus sprong, om een oud beeld te gebruiken, de poëzie in
-volkomen rijpheid uit het hoofd van Zeus. Zijne taal is breed, rijk,
-vol. Zijne schilderingen zijn soms even prachtig als levendig, en er
-zijn plaatsen in de Ilias en Odyssee, die geen later dichter in
-rhetorische pracht en uitdrukking zal overtreffen. En zijne
-welsprekendheid! Zijn de woorden, waarmede de toornende Achilles [334]
-bewogen moet worden om terug te keeren tot den strijd, en het antwoord,
-dat hij geeft, geen meesterstukken? En dit toch niet door hun
-verhevenheid alleen; maar ook, door de schikking en de treffende kracht
-der bewijsvoering, blijven zij modellen der hoogste welsprekendheid.”
-
-„Wat gij daar te berde brengt, is waar,” hernam Pericles.
-
-„Maar toch bezit Homerus in een zekeren zin weder datgene, wat ik
-verheven eenvoud noem. Wellicht bestaat het geheim der hoogste kunst
-daarin, dat zij, door den prachtigen stijl heen, toch dien hoogen
-eenvoud laat doorschemeren, met de rijpheid van het tegenwoordige de
-natuurlijke frischheid van den voortijd vereenigt.”
-
-Na hun tocht eenige dagen te hebben voortgezet, bevonden de reizigers
-zich te midden van de ruwe bergachtige streken van het herdersland
-Arcadië. Zij togen onder een geleide van inheemsche herders, die hun
-niet alleen als gidsen dienden maar ook, met knotsen en sterke lansen
-gewapend, te gelijk als beschermers en verdedigers. Zij zagen in de
-eenzame bergen boven zich de adelaars in de wolken zweven, zij zagen
-andere vogels met scherpe klauwen en kromme snavels op steile rotsen
-onder luid gekras elkander bestrijden, zij zagen zwermen kraanvogels,
-spreeuwen en kraaien voor den havik vluchten, die van de toppen der
-bergen op hen nederschoot. Hier en daar dreunden bijlslagen uit de
-diepte van het woud en het gekraak van eeuwenoude stammen onder de
-handen der houthakkers. Van verscheurende dieren, die meestal alleen
-des nachts hunne holen verlaten, ontmoetten zij niet één op hun pad.
-Alleen vonden zij den bodem van Arcadië’s wouden met schildpadden
-bedekt, die moeilijk tusschen de kruiden en steen voortwaggelden of in
-de zon zich koesterden.
-
-Zoo zwierven Pericles en Aspasia door de stille dreven, en terwijl zij
-het vreemde en nieuwe met kalmte als iets toevalligs en voorbijgaands
-meenden te moeten opnemen, oefende toch alles op hen een beslissenden,
-onmerkbaren invloed uit en voegde het zich als eene vooraf bepaalden
-schakel in hun bestaan; zonder het te bemerken of te vermoeden gingen
-zij groote veranderingen en gebeurtenissen in hun leven en lot te
-gemoet.—
-
-Over bergvlakten, die tot aan de wolken reikten, voorttrekkend, hadden
-de reizigers dikwijls zeldzame gezichten op de geheele uitgestrektheid
-van Hellas. Aan den versten gezichtseinder zagen zij soms de kruinen
-van met sneeuw bedekte bergen glinsteren. Op zekeren dag waren zij vóór
-het krieken van den morgen opgebroken en trokken over het nog in nacht
-gehulde gebergte.
-
-„Gij rilt van den koelen morgenwind?” vroeg Pericles aan Aspasia, die
-huiverde.
-
-„Ik ril voor die donkere, ledige eenzaamheid der bergen,” antwoordde
-zij. „Mij is het te moede, alsof wij niet meer op Helleenschen bodem
-wandelen en alsof wij door alle Goden van Hellas verlaten zijn.”
-
-Op dit oogenblik vestigde het oog van Pericles zich op een gouden
-wolkje, dat aan den rand van den horizon in het verre noorden zichtbaar
-werd. Hij wees ook Aspasia daarop. Het gouden wolkje nam grootere
-afmetingen aan, maar bleef onveranderd op zijne plaats en stak
-zonderling af bij de overige, grauwe tint van den nachtelijken hemel.
-Langzamerhand verkreeg de oppervlakte van het wolkje eene merkwaardige
-duidelijkheid en bepaalder omtrekken, die in het geheel niet meer als
-die van eene wolk schenen. Het zag er uit als eene gouden landouwe in
-de verte, waarop zalige Goden zich vermeiden. En inderdaad, toen de
-morgen grauwde en de lijnen van bergketens in de verte zichtbaar
-werden, verbreidde die glans zich sterker en de wandelaars bemerkten,
-dat het niet eene onbewegelijke lichte wolk geweest was, wat zij gezien
-hadden, maar de besneeuwde kruin van een verren berg in het noorden,
-beschenen door de stralen van de nog niet zichtbare zon.
-
-„Het is, geloof ik, de top van den Thracischen Olympus, den Godenberg!”
-zeide Pericles opgewekt tot Aspasia. „Ziet ge, dat de Goden van Hellas
-ons nog niet verlaten hebben? Verre weg van den zetel, waar zij in
-eeuwige zaligheid tronen, zenden zij door eene spleet van het
-hooggebergte ons een groet in deze onverkwikkelijke eenzaamheid.”
-
-„Zij willen ons zeggen,” hernam Aspasia glimlachend: „vergeet ons en al
-het schoone niet geheel in het sombere land der Doriërs!”
-
-Weldra echter geraakten de reizigers van de kale bergvlakten in het
-boom- en bronrijke westen van het Arcadische land. Hier storten zich
-talrijke beekjes, bekoorlijk om te zien, nu eens ruischend, dan weder
-zacht murmelend van de boschachtige hellingen naar beneden. Op de
-weilanden stond, zelfs in den zomergloed, het weelderig uitspruitend
-groen altijd frisch en onverdord. Hemelhoog verhieven de olmen, de
-beuken, platanen en eiken hun groenende takken en statige stammen
-omhoog. Van het geloei der kudden runderen weerklonken de dalen. Overal
-bemerkten de reizigers, dat zij in het gebied van den forsch gebouwden
-God [335] zich bevonden, om wiens schouders het vel van den los hing,
-ter wiens eere op alle hoogten in den omtrek het purperen offerbloed
-schuimde uit de harige borst van den ram.
-
-Overal vond men zijn eenvoudig beeld opgericht, uit het hout van den
-olmboom gesneden, overal trof men sporen van hem aan. Hier was een
-borstelig evervel te zien, hem ter eere aan een plataan gehangen, daar
-het forsch getakt gewei van een hert, uit dankbaarheid voor hem aan een
-beuk gespijkerd. Aan de bronnen echter zag men nimfenbeelden, door de
-herders opgericht, daarnaast wijgeschenken opgehangen.
-
-Pericles en Aspasia wandelden door hooge eikenwouden, die de op- en
-ondergaande hemellichten met eene zee van gouden glans overtogen, en
-waar de zon door de kruin van een boom als een karbonkel glinsterde,
-lange stralen werpend, die men wanen zou met de handen te kunnen
-grijpen. Dat alles was hun zoo nieuw, zoo verrassend. Zij hadden op
-dergelijke zaken nooit hunne aandacht gevestigd.
-
-Op zekeren dag vernamen de pelgrims, terwijl zij een woud, waardoor hun
-weg vele uren leidde, doortogen, een ongewoon en sterk ruischen in de
-takken.
-
-„Ik herinner mij,” merkte Pericles op, „van een Arcadisch eikenbosch
-gehoord te hebben, dat Pelagos [336] genoemd wordt, wegens het sterke
-ruischen zijner tallooze kruinen, evenals de zee. Het is wellicht dit
-woud waar wij thans doortrekken.”
-
-De inheemsche gidsen echter, de begeleiders der zwervelingen,
-verklaarden dat dit ruischen in het diepe woud geen gewoon verschijnsel
-was en wezen te gelijk naar den hemel boven hen, die straks nog geheel
-helder was geweest en thans zoo dof was als beslagen staal. De
-Arcadiërs voorspelden een naderenden storm. De reizigers verhaastten
-hunne schreden, om nog voor het losbreken daarvan de plaats te
-bereiken, waar zij voornemens waren te overnachten. Weldra echter ging
-het ruischen van het woud over in een wild huilen en de toppen begonnen
-te kraken. Enkele kleine, doch gitzwarte en van regen zwangere wolken
-joegen, door den wind gezweept, door het donkergrijze zwerk. De straks
-nog gouden zon stond vaalgeel boven de kruinen der bergen, die nog
-schitterden in haar bleek schijnsel. Van de toppen der boomen schoten
-rukwinden op den grond en zweepten loof, stof en kleine takken dwarlend
-voor zich op. Nu begonnen enkele droppels te vallen en weinige
-oogenblikken later stortte een regenvloed, in den beginne met
-hagelsteenen vermengd, kletterend neder. IJlings vluchtten de reizigers
-onder het breede beschuttend dak van een reusachtigen eik. Plotseling
-deed een vreeselijke donderslag het gebergte dreunen. En van toen af
-volgde bliksemstraal op bliksemstraal; de van onweer zwangere wolken
-schenen van verschillende hemelstreken tegen elkander te botsen. De
-rosse bliksemstralen kruisten elkander boven de hoofden der verschrikte
-zwervelingen en de donderslagen werden door de honderden dalen en
-bergen weerkaatst. Daarbij plaste de regen onophoudelijk in stroomen
-neder, de storm loeide, de roofvogels krijschten en uit de verte
-weerklonk het gehuil van den wolf.
-
-Met angstige blikken aanschouwden de reizigers uit hunne schuilplaats
-onder het bladerdak van den eik het vreeselijk onweer, dat rondom hen
-van alle kanten woedde.
-
-Daar sloeg plotseling voor hunne oogen uit een zwarte wolk, die boven
-den kam van eene puntige rots hing, de bliksem in een der hoogste
-boomen van het woud. In huiveringwekkende pracht baadde de reuzenstam
-zich in een zee van vuur en was in één oogwenk tijds van de kruin tot
-den voet in vlammen gehuld: een vonkenregen spatte neder uit de
-knetterende takken. Een zwavellucht doortrok den aether. Van den
-brandenden eik echter kronkelden de vlammen zich naar andere boomtoppen
-en bedreigde weldra de schuilplaats der reizigers. De Arcadische mannen
-beloofden de zwervelingen naar de naaste hoeve te voeren, waar zij
-zouden overnachten. Voorwaarts langs ongebaande wegen spoedden zij
-zich, hunne gidsen volgend.
-
-Na eenigen tijd had de geweldige regen uitgewoed; maar men hoorde het
-doffe gebruis van gezwollen beken, die van de hoogten zich
-nederstortten in de dalen en kloven, puin en zand, gebroken takken en
-rotsblokken zelfs, door de woudstroomen weggespoeld, in den afgrond met
-zich sleepend.
-
-Intusschen was de avond gevallen en terwijl de reizigers door het woud
-in allerijl hun weg vervolgden, bedaarde het onweder. Weldra werden de
-wolken door de winden uiteen gedreven en de maan ging rustig op over
-het woud en de hoogten, die nog zooeven hadden gedaverd van den wilden
-strijd der elementen.
-
-Nu bereikten de vluchtelingen eene groote opene plek in het bosch, eene
-met kruiden bewassen vlakte, die over eene zachte helling zich naar
-beneden uitstrekte. Een groot verrassend panorama deed zich hier in de
-stilte van den nacht aan hunne blikken op. Heinde en ver verhieven zich
-de toppen der bergen en puntige kruinen in het zilveren schijnsel der
-maan, die nu eens geheel helder aan den reinen hemel stond, dan weder
-beneveld door voorbij drijvende wolkjes haar licht verspreidde. Het oog
-had veel te aanschouwen en de vermoeiden wandelden als in een wakenden
-droom voort. Daartusschen bruisten de woudstroomen met machtig geweld.
-Midden in die open plek lagen eenzaam de hoeve en hof van een herder.
-Toen de reizigers zich gereed maakten daarop toe te treden, trad hun
-plotseling een man in den weg, die gewapend en met dierenhuiden bedekt
-was en die klaarblijkelijk het erf tegen de nachtelijke aanvallen van
-wilde dieren bewaakte. Een paar geweldige honden liepen blaffend aan
-zijne zijde.
-
-Spoedig brachten de inheemsche gidsen hem op de hoogte van de zaak. Zij
-verlangden gastvrijheid voor de Atheensche reizigers. De wachter voerde
-de vreemdelingen, nadat hij de blaffende honden met steenen tot rust
-had gebracht, achter den met hagedoorn omschutten muur, die de hoeve
-omgaf en eene ruime plaats vormde, waar in het midden een wachtvuur
-brandde. De eigenaar der hoeve, een eenvoudig herder, naderde en heette
-de gasten welkom, zonder naar hun afkomst of naam of naar het doel
-hunner reis te vragen. Hij liet een hamel slachten, om dien voor het
-onthaal zijner gasten bij het vuur te braden.
-
-Nadat hij de reizigers alzoo had verkwikt, wees hij de slaven hun
-nachtleger in de schuren aan; aan Pericles en Aspasia echter stond hij
-de kamer van zichzelven en van zijne vrouw af en liet voor hen een
-helder leger spreiden, terwijl hij rijshout en dorre kruiden op den
-grond strooide en dit met zachtwollige schapenvachten bedekte. Tot dek
-gaf hij hun eenige geitenvellen en bovendien zijn mantel.
-
-De afwisselende wederwaardigheden, de kleine avonturen, ja zelfs de
-ongemakken eener reis vermeerderen het genot van reizenden, in plaats
-van dit te verminderen. De onophoudelijke afwisseling van beelden en
-gebeurtenissen verschaft ten laatste een onuitsprekelijk genoegen en
-uit de vrije lucht des hemels stroomt den vermoeiden niet alleen nieuwe
-kracht en verfrissching toe, maar ook eene blijmoedige stemming.
-
-Pericles had zich nooit opgewekter gevoeld dan hier in de hut van den
-herder bij het gezicht van dat armoedig leger. De zilveren klank van
-Aspasia’s lach mengde zich zelfs eigenaardig bij het idyllisch geloei
-der runderen uit de dampende stallen....
-
-„Hoe veel zonderlings bescheren ons de Goden, aan wie wij ons op onzen
-zwerftocht hebben toevertrouwd!” zeide Pericles. „Vóór weinige dagen
-hadden wij tot slaapvertrek eene eeuwen-oude koningsgroeve, die ons
-midden in de Ilias verplaatste, en heden schijnt het, dat wij de
-avonturen der Odyssee zullen beleven. Die geest van Homerus omzweeft
-ons, sinds wij den Isthmus hebben overschreden; ik denk, dat wij door
-ons zwerven geheel zullen veranderen en als wij teruggekeerd zijn
-kwalijk meer passen bij de verfijnde, schier verwijfde Atheners!”
-
-Toen Pericles en Aspasia, vroegtijdig gewekt door het geblaf der honden
-en het krachtig geloei der runderen, van hun leger verrezen en in den
-ruimen hof naar buiten traden, zagen zij de boersche herdersknechten
-zich naar de stallen begeven. Een groote, ruigharige hond speelde met
-eene schildpad, die hij in het nog natte gras had gevonden. Hij greep
-haar onder luid geblaf en allerlei sprongen nu eens met den poot, dan
-eens met den bek en trok haar om en om, tot zij dood op den rug lag.
-Een andere hond vocht of liever speelde met een bok. De bok stiet hem
-met de horens, de hond echter hapte naar den baard van den bok en
-trachtte hem te bijten. Aan de bron zat een naakt kind en wierp met
-steentjes naar de schitterende zonneschijf, die zich in de oppervlakte
-van het water spiegelde.
-
-Nu kwam uit de stallen de kudde runderen met zwaren tred aanwaggelen:
-vooraan, fier in het bewustzijn zijner kracht, de springstier; de
-kalveren sprongen blatend om hunne moeder. Twee knechts volgden met
-kromme herdersstaven in de hand, van twee geduchte honden vergezeld.
-Vervolgens kwamen de blatende geiten, door jongens geleid. Den vooraan
-loopenden geitebok vatte de herder bij zijn harigen kin en streelde
-hem. „Deze trouwe bok,” zei hij tot Pericles en Aspasia, „kondigt in
-donkere nachten den wolf of den los, die het erf besluipt, aan, zelfs
-wanneer de honden slapen en verzuimen het roofdier te bespringen.”
-
-De blatende kudde lammeren echter vereenigde zich om een donkerbruin
-meisje, wier hoofd door een breedgeranden hoed overschaduwd werd en die
-een herdersstaf in de hand hield. Het meisje had iets over zich, wat in
-het eerste oogenblik de aandacht trok en een indruk te weeg bracht,
-waarvan men zich niet onmiddellijk rekenschap kon geven. Zag men echter
-nauwkeurig toe, monsterde men hare gestalte en het schamel gewaad, dat
-haar bedekte, dan bemerkte men, dat het een herdersmeisje was, zich ter
-nauwernood van andere onderscheidende, en men zag niets bijzonders aan
-haar, dan blonde haarvlechten en oogen van eene vreemde soort. Deze
-oogen namelijk waren merkwaardig diep en mijmerend, en schenen zelfs in
-deze, haar welbekende en alledaagsche omgeving met eene soort van
-kinderlijke verbazing rond te staren.
-
-De lammeren verdrongen zich blatend om haar en sprongen tegen haar op.
-Een der jongste, glinsterend wit, likte liefkozend de uitgestrekte hand
-van het meisje.
-
-Toen de geheele kudde lammeren de poort van den hof, door het meisje
-geleid, uitgetrokken was, naderde de gastvrije herder Pericles en
-Aspasia en zij vernamen van hem, dat de jonge herderin zijne dochter
-was, zijn eenig kind, en dat zij Cora [337] heette. Hij zette hun nu
-verscheidene versnaperingen uit zijn landelijken voorraad tot een
-ontbijt voor, waarin zijne vrouw Glycaena hem de behulpzame hand bood.
-
-Pericles vroeg den herder of hij wilde toestaan met de zijnen een dag
-lang bij hem rust te houden, omdat zij na de inspanning van den
-laatsten tocht zeer vermoeid waren.
-
-Met blijdschap willigde de herder dit verzoek in, liep naar zijne vrouw
-en zeide met geheimzinnig gebaar:
-
-„Glycaena, ik geloof bepaald, dat die beide vreemdelingen die in onze
-hoeve gekomen zijn, geen stervelingen zijn. Wat hun uiterlijk en
-schoonheid van gestalte betreft, schijnen zij mij verkleede Goden toe,
-zooals die toch menigmaal bij arme herders hun intrek hebben genomen.
-Ook roeren zij bijna de spijzen niet aan, die men hun voorzet.”
-
-„En de slaven,” vroeg Glycaena, „houdt gij die ook voor Goden?”
-
-„Neen,” zei de herder, „die eten en drinken als gewone menschen. Maar
-die beiden—nu om het even! Onthaal ze maar, zoo goed gij kunt.”
-
-Daarop keerde de herder tot zijne gasten terug, leidde hen overal rond,
-toonde hun zijne stallen en zijne graanzolders, benevens zijne
-gladgeboende melkemmers, de tot den rand toe met melk gevulde vaten en
-de korven, met kaas gevuld. Hij voerde hen ook naar de in hun kotten
-achtergebleven zeugen en biggen met hun glinsterend witte tanden, prees
-hun malsch vleesch en voederde ze voor hunne oogen met steeneikels en
-roode kornoeljes. Nauwelijks gaf Aspasia te kennen, dat zij vermoeid
-was en wel eens wilde rusten of de herder was aanstonds met een
-gespikkeld gemzenvel gereed, om het voor haar uit te spreiden en lachte
-daarbij met eene sluwe uitdrukking op zijn gelaat, alsof hij wilde doen
-merken, dat hij wel wist, welke behandeling verkleede Godinnen van de
-stervelingen vereischten.
-
-Huiden en koppen van gedoode roofdieren waren aan de omheining van den
-hof, alsmede aan de boomen, die hem omgaven, in grooten getale
-opgehangen, en nadat Pericles en Aspasia ook deze beschouwd hadden,
-ademden zij, in de vrije natuur wandelend en aan zichzelven
-overgelaten, ruimer de geurige lucht der kruiden op de berghelling in.
-In het frissche groen, als door de geweldige regen schoongewassen,
-glinsterde de berg in de stralen der morgenzon. De bedauwde grashalmen
-schitterden op hunne naar de zon gekeerde zijde als blank geslepen
-klingen. Een zwerm kraaien vloog in volle vaart over de dreven, streek
-op een eenzaam staanden boom neder, vloog na weinige oogenblikken even
-haastig weder op en verloor zich in den blauwen aether. Over de
-verwijderde bergtoppen zag men herders met hunne kudden trekken. De
-valleien daartusschen waren geheel met een witten nevel en damp gevuld,
-die als de zee golfde, en waarin de van de hoogte wijdende kudden
-schenen ondergedompeld te worden en te verdwijnen. Lammeren en runderen
-zag men in alle dalen grazen en vlugge geiten klauterden tegen de
-rotshellingen op. Hier en daar klonk de toon der syrinx [338], alsmede
-gezang, het tijdverdrijf der herders op het veld. Van zekeren kant
-vernamen de beide wandelaars tonen, die hun bijzonder liefelijk in de
-ooren klonken. Zij sloegen den weg in, vanwaar het geluid kwam en
-vonden eene groep herders, die luisterend zich om den voortreffelijken
-fluitspeler hadden geschaard. Weldra echter trad uit het midden der
-luisterende schaar een herder, die zich met hem in een wedstrijd wilde
-meten. Toen Pericles en Aspasia naderden, viel beiden fluitblazers de
-schalmei uit den mond, ja bijna uit de handen, en alle herders rondom
-stonden getroffen door de vreemde verschijning. Toen Pericles echter
-hen vriendelijk verzocht hun wedstrijd voort te zetten en hun zeide,
-dat zijne gemalin en hij Atheners waren, die, op hunne reis naar Elis,
-door een geweldig onweder overvallen, hier eene schuilplaats hadden
-gezocht, begonnen de beide kunstvaardige herders met nog grooter ijver
-dan straks hun wedstrijd opnieuw en verzochten den Athener en zijne
-gemalin het rechtersambt te vervullen.
-
-Pericles en Aspasia waren opgetogen over de verrukkelijke tonen der
-herdersfluiten. Zij verbaasden zich dat onder zulke ruwe, onbeschaafde
-menschen, als deze bergbewonende Arcadiërs, eene, zij het ook
-gebrekkige kunst tot zulk eene hoogte en volkomenheid kon geraken.
-
-Aspasia vroeg de herders, of zij ook niet in nimische dansen met
-elkander konden wedijveren. Toen wezen zij op den jongste onder hen,
-een slanken knaap, die op Pericles’ verzoek te voorschijn trad en half
-koddig, half bekoorlijk een landelijken dans ten beste gaf, waarin hij
-verschillende werkzaamheden van het landleven in nimische dansen wist
-voor te stellen.
-
-„Zoudt gij ook niet eens een dans met uw tweeën kunnen uitvoeren?”
-vroeg Aspasia den knaap.
-
-„Als Cora maar wilde—” sprak hij op bijna treurigen toon en met
-zwaarmoedige oogen voor zich uit ziende.
-
-„Cora?” riepen de andere herders lachend. „Malle jongen! wat spreekt ge
-van Cora? Cora wil niets van u weten!”
-
-De knaap zuchtte en sloop weg.
-
-Verder wandelend bereikten Pericles en Aspasia eene lammerweide, die
-aan het oog onttrokken door boomen aan alle kanten omgeven was. Hier
-vonden zij Cora te midden van hare lammeren zittend. Eenige der jonge
-witwollige schaapjes vergaten het malsche gras en lieten, liever om
-Cora liggend, hunne koppen op hare knieën rusten. Cora zelve echter zat
-met gebogen hoofd geheel en al verdiept in de beschouwing van eene
-schildpad, die op haar schoot lag en die het meisje met hare schoone,
-heldere en schrandere oogen aankeek.
-
-„Waar hebt gij dit dier gevonden?” vroeg Pericles, die met Aspasia
-genaderd was. Het meisje was zoo geheel in gedachten en mijmering
-verzonken, dat ze de beide vreemdelingen eerst bemerkte, toen zij voor
-haar stonden. Nu keek zij op, mat beide met een blik uit hare groote,
-ronde, kinderlijke oogen en zeide:
-
-„Uit het bosch hier nabij komen deze dieren van zelf tot mij kruipen.
-Vooral deze hier komt altijd terug en is zoo weinig schuw, dat zij haar
-hals en kop, in plaats van ze in te trekken, altijd zoo ver mogelijk
-uitsteekt en mij onophoudelijk met hare heldere oogen aankijkt. De oude
-Baubo zegt, dat Pan soms zelf in de gedaante van eene schildpad zich
-verbergt. Ik geloof,” ging het meisje zacht voort, „dat ook deze iets
-geheimzinnigs in zich verbergt; want sinds zij altijd tot mij uit het
-bosch komt en den dag bij mij en de lammeren doorbrengt, vermeerdert en
-gedijd de geheele kudde op een wonderlijke wijze.”
-
-Toen zij eenmaal aan het praten was, liet het Arcadisch meisje zich
-gaarne door Aspasia’s vragen verleiden voort te gaan met haar
-zonderling en kinderlijk gesnap. Liefelijk was het te hooren, hoe het
-herdersmeisje met hare ernstige oogen van den woud- en herdersgod Pan
-vertelde, hoe zijn fluitspel uit de verte in de eenzame bergen
-weerklonk, hoe hij zich nu eens genadig, dan weer luimig toonde. Zij
-verhaalde ook van de Satyrs, met hunne bokspooten, die de wouden
-doorzwierven, niet alleen de Nimfen, maar ook de herdersmeisjes plagend
-vervolgden, en van éénen, die ook haar had nagezet, tot zij hem met een
-brandend hout verjoeg, dat zij uit een wachtvuur in het bosch had
-genomen; voorts van de Nimfen, die zich evenals de Satyrs in de wouden
-ophouden en die soms den mensch bij het maanlicht ontmoeten; wat echter
-een ongeluk is, want wie eene Nimf in het woud ziet, wordt met waanzin
-geslagen en is voor altijd verloren.
-
-De ziel van het meisje was geheel vervuld van de wonderlijken sagen en
-sprookjes van haar Arcadisch geboorteland. Zij sprak van diepe poelen
-en huiveringwekkende bergkloven, van door de Goden gevloekte meren in
-het woud, in welker wateren geen visch kon leven, van holen, waarin
-booze geesten hunne schuilhoeken hadden, van merkwaardige heiligdommen
-van Pan op eenzame, sombere berghoogten. En hoe huiveringwekkender de
-verhalen van het meisje waren, des te wijder zette zij hare kinderlijk
-beangstigde oogen open.
-
-„Op den Stymphalos,” zeide ze, „daar hangen onder het tempeldak de
-doode Stymphalische vogels, zooals de held Heracles [339] ze had
-geveld. Mijn vader zelf heeft ze gezien. Achter in den tempel staan
-marmeren beelden van jonkvrouwen met vogelpooten. Die doode
-Stymphalische vogels zijn zoo groot als kraanvogels en zij vlogen op de
-menschen aan, toen zij nog leefden en verbrijzelden hun de hoofden met
-hunne snavels en aten hen dan op. Hunne snavels waren zoo sterk, dat
-zij zelfs koper daarmede konden doorbijten.”
-
-Van de door de Goden vervloekte meren in het woud, waarin geen visch
-kon leven en waarin zelfs de vogels, die er toevallig over heen vlogen,
-dood neervielen, kwam zij op het verschrikkelijke water van den Styx,
-dat in de somberste bergkloof van Arcadië hoog van de woeste rotsen
-neerdruipt; en van de akelige wateren op de wilde dieren der bergwouden
-en de jachten, die de Arcadische mannen daarop maakten. Toen echter
-verloor haar oog de kinderlijk angstige uitdrukking en eene moedige
-ziel straalde uit haar blik. Zij verhaalde, hoe de herders, wanneer een
-roofdier in de nabijheid der hoeve zich ophield, menigen stormachtigen
-nacht onder den blooten hemel moesten doorbrengen, hoe men op grooten
-afstand schitterende vuren in de hoeven onderhield, hoe men het luide
-gebrul van het hongerige roofdier in de stilte des nachts van verre uit
-het woud kon hooren en hoe dan alles zich opmaakt om zijn spoor te
-vervolgen, of hoe men het in eene hinderlaag opwacht, en, wanneer het
-zijn sprong over den ringmuur van het erf wagen wil, men plotseling uit
-den schuilhoek op het dier losgaat met het werpen van speren en steenen
-en brandende houten, totdat het bezwijkt, overweldigd door de schaar
-zijner bespringers.
-
-Pericles en Aspasia waren verrast over de uitdrukking van moed en
-belangstelling, die bij deze verhalen uit de blikken en gebaren van het
-herdersmeisje sprak, in wier gemoed zooeven nog, buiten het bijgeloof
-en de verhalen en sprookjes van haar geboortegrond, voor niets anders
-ruimte scheen overgelaten.
-
-„Het komt mij voor,” zeide Aspasia, „dat gij aan zulke gevechten niet
-ongaarne deel zoudt willen nemen.”
-
-„O, dol graag!” riep het meisje. „Ik heb behalve dien boozen,
-overmoedigen Satyr ook reeds tweemaal een wolf, die mijn kudde wilde
-bespringen, met een brandend hout verjaagd.”
-
-„Het meisje herinnert mij,” zeide Pericles tot Aspasia, „zooals zij in
-dit oogenblik voor ons staat, aan die beroemde dochter van het
-Arcadische land, Atalante [340] die, door haar vader als kind te
-vondeling gelegd, omdat hij geene dochters, alleen zonen wilde hebben,
-door eene berin gezoogd en door jagers opgevoed werd en vervolgens in
-de Arcadische wouden met speer en boog gewapend rondzwierf, een schrik
-der wilde dieren, een stoute, maagdelijke jageres, die van geen
-zachtere aandoening iets weten wilde.”
-
-„Zijt gij altijd zoo alleen bij uwe lammeren?” vroeg Aspasia. „Is er
-niets, waar ge van houdt en wat ge altijd om u zoudt willen hebben?”
-
-„Wel zeker!” riep Cora en zag de vraagster weder met die kinderlijk
-verbaasde uitdrukking harer oogen in het gelaat. „Ik houd veel van deze
-schildpad, met hare schrandere oogen, die mij altijd aankijkt en die
-misschien plotseling eens van gedaante verandert en met mij begint te
-spreken, want ik droom soms ’s nachts van haar en dan spreekt zij
-altijd. Ik houd ook veel van de lammeren; en ook die welbekende,
-ritselende boomen rondom mij heb ik lief en uren lang hoor ik naar hun
-geritsel. Ik houd ook van den zonneschijn; doch de op de bladeren
-kletterende regen is mij insgelijks lief, als mede de donder, die zoo
-statig door het gebergte rolt. Ook van de vogels houd ik, zoowel de
-grootere, de adelaars en de kraanvogels, die hoog boven mijn hoofd
-vliegen, als van de kleinere die op de takken zingen. Het meest echter
-heb ik de verre bergen lief, vooral des avonds, als de ondergaande zon
-hen met eene rooskleurige tint overdekt, of in den nacht, als hunne
-toppen, terwijl alles stil, doodstil is, zoo rustig daar staan door het
-witte maanlicht omschenen.”
-
-Pericles en Aspasia glimlachten. „Het schijnt, dat wij ons op nieuw
-hebben vergist,” zeide Pericles, „daar wij een herdersmeisje, dat van
-zoovele dingen houdt, onvatbaar hielden voor alle zachtere
-aandoeningen.”
-
-Aspasia trok Pericles ter zijde en sprak:
-
-„Wat voor oogen zou dit eenvoudig, Arcadische herdersmeisje opzetten,
-dat met de schildpad op den schoot zit en meent, dat het dier zich in
-een God zal herscheppen, wanneer men haar plotseling in Athene
-verplaatste! Hoe koddig zou zij zich aanstellen, als ik haar bij die
-beide, mij toevertrouwde meisjes bracht, die ik tot mij heb genomen en
-die men reeds in Athene mijne school begint te noemen!”
-
-„Zij zou als een raaf onder de duiven zijn!” hernam Pericles.
-
-Altijd weer opnieuw voelden zich beiden aangetrokken door het gekeuvel
-van het meisje, waarin een zonderlinge phantasie en eene even
-eigenaardige soort van gevoel zich openbaarden. Weldra echter begon
-Aspasia met de Arcadische van rol te verwisselen, daar zij van
-toehoorderes zelve ging vertellen. Zij begon het herdersmeisje van
-Athene te verhalen, tot Pericles haar verzocht een einde aan ’t gesprek
-te maken, daar hij gaarne had, dat zij met hem den ingeslagen weg
-vervolgde. Weldra verdwenen de wandelaars in het bosch. Het was middag
-geworden, de zon had de vochtigheid van den morgen opgetrokken en het
-struikgewas verwarmd en al zijne heerlijke geuren doen ontwikkelen. Op
-de open weiden in het woud en in de houtspleten stonden hoog
-opgeschoten, bloeiende heesters, welker geuren vereenigd met de aroma’s
-van de boomhars de berglucht verkwikkend, ja bijna bedwelmd maakten.
-Van cicaden [341] wemelde het hout onder de brandende zon.
-
-Toen de wandelaars in de eenzaamheid van het woud uitrustten, kropen
-ook naar hen de schildpadden toe, waarvan Cora zooveel hield; ook boven
-hunne hoofden vlogen de groote vogels en zongen de kleine in de takken;
-het ritselen der toppen, waarnaar Cora uren luisterde, ruischte over
-hen en Cora’s geliefde zonneschijn speelden om hen heen.
-
-„Het diep geruisch dezer Arcadische wouden,” zei Pericles, „dat als van
-een oneindigen afstand schijnt te komen en zich in een oneindigen
-afstand weder verliest, vervult mij met eene zonderlinge huivering.
-Iets dergelijks heb ik nooit in mijn leven ondervonden. Ik heb nooit
-naar de stemmen van een woud geluisterd; onverschillig ben ik
-verschijnselen voorbij gegaan, die mij nu plotseling iets schijnen te
-willen zeggen. Zie ginds eens dien fijnen, in de zon schitterenden
-draad, die van den top van den haverhalm tot aan de bloem van dat
-blauwe klokje gespannen is: hebt gij wel eens het wonderfijne, zilveren
-weefsel der spin met aandacht beschouwd? Dit Arcadische meisje leert
-ons, dat men ook dingen beschouwen kan en liefkrijgen, die men
-gewoonlijk ter nauwernood opmerkt en die men onbewust geniet, zonder
-dat men er dankbaar voor is, evenals men ademhaalt.”
-
-„Uw gemoed, dierbare Pericles,” hernam Aspasia, „is naar ’t schijnt,
-zeer ontvankelijk voor nieuwe indrukken. Thans heeft een Arcadisch
-herderskind u eene geheel nieuwe en ongewone liefde ingeboezemd, eene
-liefde voor boomen en drijvende wolken en hoog vliegende vogels, en de
-geur der Arcadische bergkruiden, schijnt u wellicht reeds welriekender,
-dan die van alle rozenpriëelen van Milete!”
-
-„Gij zult toch toe moeten geven,” hervatte Pericles, „dat deze geurige
-woudlucht het hart verkwikt en dat daarentegen de bedwelmende geur der
-rozen de geestkracht van den mensch ten laatste verslapt. Inderdaad, ik
-voel mij hier door den adem van een vernieuwd leven bezield. Toen wij
-eens op de Acropolis in de Pangrot stonden en gij over den herdersgod
-den neus ophaaldet, vermoedden wij niet, dat deze God ons later eens
-zoo vriendelijk te gast nooden, zoo heerlijk onthalen zou. Vreedzaam
-geluk omgeeft ons hier, en wanneer ik mij in den geest uit deze
-voorwereldlijke stilte in het woelig Athene terug verplaats, dan
-schijnt mij het onstuimig jagen en drijven dier menschen schier ijdel,
-tegenover de goddelijke rust dezer herders op hunne eenzame bergen.”
-
-„Ik deel maar ten halve uwe ingenomenheid met de genietingen, die de
-gastvrijheid van den herdersgod ons hier bereidt,” zeide Aspasia. „Deze
-menschen zijn plomp en eenvoudig, de verre sneeuwkruinen doen mij
-huiveren en het gebergte in de nabijheid beangstigt mij, als zou het
-mij onder zijne toppen bedelven. Het ernstig, eentonig ruischen van die
-hooge, rijzige dennen doet mij onaangenaam aan, en schijnt mij juist
-geschikt om in het menschelijk gemoed een somber, naargeestig en
-dweepend gevoel aan te kweeken. Ik voor mij bemin zonnige dreven,
-bloeiende velden, stranden met een ruim gezicht op zee. Ik verkies die
-oorden, waar de van vernuft tintelende geest zich in schoone rijpheid
-ontwikkelt. Gij zoudt, dunkt mij, gaarne bij deze herders willen
-achterblijven; ik daarentegen zou ze allen wel van hier willen
-wegvoeren, om ze tot menschen te vormen. Welaan, doe, zooals Apollo
-deed, wien het insgelijks eens behaagde zich onder de herders te
-begeven en kudden te weiden [342]. Blijf hier! Gij kunt dan als eene
-cicade leven: wijs, zonder leed en bloed. En lust het u soms nog nuttig
-werkzaam te zijn, dan kunt ge krekelvallen vlechten of lijmstokken
-behendig tusschen de boomtakken steken, om vogels te vangen, of met
-steenen door den slinger geworpen, de spreeuwen en kraanvogels van de
-zaadvelden verjagen. Of gij kunt de lammeren van Cora hoeden, die mij
-naar Athene zal vergezellen.”
-
-Pericles glimlachte. „Denkt gij dus inderdaad,” zeide hij, „Cora met u
-te nemen?”
-
-„Wel zeker, denk ik dat te doen!” hernam Aspasia, „en ik hoop, dat gij
-uwe toestemming daartoe niet weigeren zult.”
-
-Pericles was verrast. „Mijne toestemming,” zei hij, „zal u niet
-geweigerd worden, maar welke bedoeling hebt gij daarmede?”
-
-„’t Is louter eene aardigheid,” antwoordde Aspasia. „Dit Arcadische
-meisje zal mij gewis vermaken. Ze doet mij lachen, als ik in hare
-groote, ronde, angstig rondkijkende oogen zie.”
-
-’t Was, zooals Aspasia zeide: zij wilde zich met dat meisje vermaken,
-zij wilde er genoegen in scheppen te zien, hoe zonderling het
-bijgeloovig, onervaren herderskind zich gedragen zou, wanneer men het
-plotseling in het oververfijnde Athene verplaatste.
-
-De ziekte van een zijner slaven noodzaakte Pericles nog een tweeden dag
-de gast van den herder te blijven.
-
-Ook dezen dag bracht het Atheensche paar meest in het gezelschap van
-het bruine herdersmeisje door. Weder snapte Cora, vertelde
-herdersgeschiedenissen, ja zij zong zelfs eenige zonderlinge,
-kinderlijke liederen, die zij zelve gemaakt had, zooals het volgende:
-
-
- Het beekje komt van ’t rotsgebergt’
- En stort zich in het woud;
- Er grazen reeën in het dal,
- Het lachend ze aanschouwt.
-
- ’t Besprenkelt bloem en blad met dauw
- En lescht der dieren dorst,
- En komt de barre winter aan,
- Wordt het met ijs omkorst.
-
-
-Zij vertelde ook van den verliefden Daphnis [343], die van
-zwaarmoedigheid en verlangen wegkwijnde en dien daarna alle dieren
-betreurden. Dit droevig verhaal beviel echter aan Aspasia niet: zij
-luisterde er naar met een spottenden glimlach om de rozelippen en
-teekenen van afkeuring...
-
-Toen zij voortwandelende aan eene bron kwamen, door sappige kruiden
-omgeven, waaruit een kristalhelder beekje gevormd werd, en Aspasia zich
-daarin wilde spiegelen trok Cora haar angstig terug en waarschuwde
-haar, zeggende, dat iemand, die zich in eene bron spiegelt, somwijlen
-plotseling een ander beeld dan het zijne daarin ziet, namelijk dat van
-eene Nimf, die hem uitlacht, en dan was hij verloren.
-
-Toen de zon in het zenith stond en de toon eener syrinx in de broeiende
-middagstilte vernomen werd, zei Cora: „Pan zal weder boos worden; hij
-wil niet, dat men hem op den middag, als hij rust, door syrinxen of
-andere geluiden uit zijne sluimering zal wekken.”—De muziek echter kwam
-van den herdersknaap, die den vorigen dag, op Pericles’ en Aspasia’s
-verzoek, een landelijken dans had uitgevoerd. Wel wist de knaap, dat
-Pan van den klank der syrinx in het middaguur niet hield; maar hij
-bespeelde altijd de syrinx, als hij bemerkte, dat Cora in de nabijheid
-was, omdat hij meende haar daarmede genoegen te doen. Cora echter
-berispte den armen jongen. En toch had zij een week gemoed. Zij redde
-voor Pericles’ en Aspasia’s oogen een cicade die zich in het web eener
-spin verward had.
-
-Ernstig en aandachtig luisterde het meisje weder, toen Aspasia haar
-opnieuw van Athene begon te vertellen.
-
-Met opzet schilderde Aspasia in de gesprekken, die zij met Cora nog in
-den loop van den dag hield, het leven in de stad der Atheners in
-verleidelijke kleuren. Zij verstoorde den vrede dezer idyllische
-natuur, zij verwekte een wanklank in de harmonische wereld van dit
-kinderlijk hart. Eindelijk vroeg zij Cora of zij met haar naar Athene
-wilde gaan. Het herdersmeisje zweeg, maar scheen in diepe gedachten
-verzonken.
-
-Aspasia wendde zich tot de ouders van Cora en verklaarde hun, dat zij
-Cora gaarne met zich mede naar Athene wilde nemen, en hunne dochter
-daar een gelukkig lot zou verbeiden.
-
-„Dat mogen de Goden geven!” zei de eerlijke herder. „Dat mogen de Goden
-geven!” herhaalde de herderin. Maar zij zeiden niet ja.—En zoo dikwijls
-Aspasia de vraag om hunne toestemming herhaalde, zeiden beiden altijd
-dit ééne:
-
-„Dat mogen de Goden geven!”
-
-Men zag, dat het aan het vaderlijk en moederlijk hart zwaar viel, hun
-eenig kind, zij het ook voor het gelukkigst lot, van zich te laten
-gaan.
-
-Aan den avond van dienzelfden dag werd Cora plotseling gemist, nadat
-zij toch met hare lammerenkudde reeds naar huis was teruggekeerd en
-langen tijd werd zij te vergeefs gezocht. Eindelijk zagen Pericles en
-Aspasia, niet verre van den ingang van het hof staande, het meisje de
-helling afkomen. Maar zij kwam in zeer zonderlinge houding. Zij had
-namelijk de handen stijf tegen de ooren gedrukt. Op eenigen afstand van
-Pericles en Aspasia stonden, buiten de hoeve, de slaven van Pericles in
-eene groep bijeen. Toen het meisje deze groep genaderd was, nam zij
-plotseling de handen van de ooren weg en scheen naar de woorden der
-slaven, die onder elkander praatten, te luisteren. Bijna op hetzelfde
-oogenblik scheen zij te ontstellen, drukte de hand tegen de borst en
-bleef een oogenblik als in den grond geworteld staan. Pericles en
-Aspasia gingen naar haar toe en vroegen naar de oorzaak van hare
-ontsteltenis.
-
-„Ik heb Pan gevraagd,” antwoordde zij, „of de Goden wilden, dat ik met
-u naar Athene zou gaan.”
-
-„Hoe dan?” vroegen beiden.
-
-„Ginds onder in het dal,” zeide het meisje, „ligt eene grot, aan Pan
-geheiligd. Daar staat het beeld van den God, uit eikenhout gesneden, in
-de spelonk. Derwaarts begeven zich alle herders, als zij iets
-geheimzinnigs te vragen hebben. Men fluistert den God de vraag stil in
-het oor, houdt vervolgens zijne eigene ooren met de handen dicht,
-totdat men onder menschen komt, die juist met elkander spreken. Dan
-trekt men de handen plotseling weg en het eerste woord, dat men
-verneemt, is de orakelspreuk van Pan, het antwoord van den God op de
-vraag, die men hem in het oor heeft gefluisterd.”
-
-„En welk woord hebt gij het eerst onder die slaven gehoord?” vroeg
-Aspasia.
-
-„Het woord Athene!” hernam Cora en beefde daarbij van aandoening.
-
-„Pan wil derhalve, dat ik naar Athene ga,” vervolgde zij zuchtend.
-
-„Hij staat u toe uwe lievelings-schildpad mede te nemen,” zei Aspasia
-glimlachend.
-
-De ouders van Cora kwamen nader.
-
-„Pan wil, dat ik naar Athene zal gaan,” zei het meisje op treurigen,
-maar beslisten toon. En zij deed nog eens het verhaal, hoe zij in de
-grot van Pan zijn orakel had geraadpleegd.
-
-De herder en zijn vrouw luisterden naar hare mededeeling, zagen
-elkander ontroerd aan en herhaalden toen, op niet minder treurigen toon
-dan het meisje, de woorden:
-
-„Pan wil, dat Cora met de vreemdelingen naar Athene zal gaan!”—
-
-Toen gingen zij naar hun weenend kind, drukten het in hunne armen en
-kusten het.
-
-„Cora zal beloond worden voor hare gehoorzaamheid aan den God,” zei
-Aspasia. „Zij zal dikwijls boden zenden, die u berichten en geschenken
-van haar zullen brengen en als gij oud zijt geworden, zal zij u bij
-zich noodigen, om het overige uwer dagen rustig bij haar te slijten.”
-
-„Gisteren reeds wedervoer ons een voorteeken in ons huis,” zei de
-herder ernstig, „doordien eene slang die het nest eener zwaluw onder de
-kroonlijst wilde besluipen, door het rookgat midden op den haard naar
-beneden is gevallen.”
-
-Aspasia sprak nog eenigen tijd met het herderspaar, om het te
-bemoedigen en te troosten, en zwijgend, schoon met gebroken hart,
-voegde het zich in den wil van den God.
-
-Treurig weerklonk in de verte de syrinx van den verliefden
-herdersknaap, terwijl hij in de schaduwen der stille paden van het
-landelijk erf ronddoolde.
-
-Nu gingen allen te zamen in de hoeve, om daar den nacht door te
-brengen, die voor Pericles en Aspasia de laatste was in de Arcadische
-bergen. Want met het krieken van den morgen waren zij voornemens op te
-breken en hunne reis naar Elis voort te zetten, waar grootere dingen
-hen verbeidden dan hier in het stille herdersland.
-
-
-
-
-
-
-
-XVIII.
-
-DE NIEUWE GOD EN ZIJN BLIKSEMSCHICHT.
-
-
-Niet om de Olympische wedloopers naar den eindpaal te zien vliegen,
-niet om de worstelaars en vuistvechters in het zand te zien bijten,
-niet om de duizendvoudige bijvalskreten van het volk der Hellenen te
-hooren, waarmede zij de overwinnaars in den wedloop, in het worstel- en
-vuistgevecht, in het springen, in het werpen met speer en schijf, in
-den wapenloop begroetten, waren Pericles en Aspasia naar Elis gekomen.
-Hunne harten verlangden vurig naar hun vriend Phidias, toen zij in den
-glans van een heerlijken morgen de gevierde, door de wateren van den
-heiligen Alpheüs doorsneden dalvlakte van Olympia bereikten. Alle
-wegen, die van de Arcadische bergen of uit het zuiden van de
-Peloponnesus over Messenië of van het noorden over Achaëe naar het
-Elische strand voerden, boven alles echter de zoogenaamde heilige
-feestweg, die langs den Alpheüs liep, wemelden van wandelaars; ook over
-de golven der westelijke zee in de nabijheid zagen zij de bekranste
-schepen van Italië’s en Sicilië’s kusten naderen.
-
-Weldra bevonden zij zich in het gewoel van de karavanen der
-feestgezantschappen, die zich naar het Pisatische strijdperk begaven;
-geen enkele Helleensche staat van eenig belang had verzuimd zulk een
-gezantschap te zenden. Waar zulk eene karavaan op den weg kwam, drong
-zich de stroom der overige pelgrims te voet en met rijtuig opeen en
-allen staarden verbaasd den stoet aan en hen, die in prachtgewaad,
-bekranst op den bekransten wagen zaten en den wagen zelven die niet
-zelden met schilderwerk versierd, verguld en met tapijten behangen was,
-ook de heerlijke offerdieren, het kostbare offergereedschap, het
-talrijke geleide.
-
-Niet verre van de standplaats der tenten en winkels, ongeveer tegenover
-den ingang van het woud, bevond zich eene groote
-beeldhouwerswerkplaats. Ze was sedert jaren die van den vermaarden
-Phidias; hier voltooide hij gemeenschappelijk met Alcamenes en andere
-zijner leerlingen in de eenzaamheid der Elische vallei, wier rust
-alleen om de vier jaar door het Olympische feestgewoel werd verstoord,
-het grootste en diepzinnigste zijner beelden. De drukte van het
-vroolijke Athene ontvloden, vrij van alle invloeden, die de vlucht
-zijner gedachten met bloemenketenen naar de aarde zouden willen
-trekken, schiep hij hier in de eenzaamheid, door de berglucht verkwikt,
-onder het geklater van den heiligen stroom, zijn Olympischen Zeus.
-
-Uit de werkplaats van Phidias ziet men twee mannen komen en den oever
-van den Alpheüs stroomopwaarts bewandelen.
-
-In een van deze mannen herkennen wij den vurigen Alcamenes. Zijn makker
-is de beroemde Polycletus van Argos, door zijn marmeren en metalen
-beelden met den Athener wedijverend, maar, met den kalmen en rustigen
-geest van den Peloponnesiër, het menschelijke als zoodanig rein
-trachtende op te vatten, en boven alles het mannelijke, ’t welk hij het
-liefst in standbeelden van athleten uitdrukte. Zijne school was
-Olympia: hier oefende en volmaakte hij zijn oog en geest aan de levende
-omtrekken van een harmonischen, krachtigen lichaamsbouw.
-
-Het verschil van richting in hunne kunst verwijderde, zij ’t ook schier
-onbewust, Phidias en zijn Argivischen mededinger. Terwijl de Athener
-geloofde, dat de eenvoudige kunst van den Argiver te hoog werd
-aangeslagen, vond deze zich heimelijk gegriefd, dat men hem, den
-Peloponnesischen kunstenaar, voorbij was gegaan en den Athener met
-zijne leerlingen geroepen had, om het grootste en verhevendste
-kunstwerk op Peloponnesischen bodem te voltooien. Dit was een dier
-Atheensche triomfen, welke Aspasia Pericles had voorspeld, toen zij hem
-zocht te bewijzen, dat een staat door de beoefening van het schoone
-zijne mededingers kon overvleugelen...
-
-Zoo was Polycletus gedurende zijn oponthoud te Olympia verstoken van
-den omgang met Phidias en zijne jongeren, met uitzondering van
-Alcamenes, wiens openhartig, vroolijk en levendig karakter zich gaarne
-over kleinigheden heen zette en die dan ook zooeven, bij eene
-toevallige ontmoeting, een onbevangen gesprek met zijn Argivischen
-kunstbroeder had aangeknoopt.
-
-Polycletus, een ernstig, verstandig man, die met Phidias en zijne
-school zonder eenige hartstochtelijke bitterheid naar den eerepalm
-dong, vroeg naar Agoracritus, daar hij zich verwonderde waarom deze
-zijn meester niet gevolgd was, om evenals op de Acropolis te Athene,
-ook hier aan zijne zijde het roemvol werk te helpen voltooien.
-
-„Te recht verwondert gij u,” zei Alcamenes, „dat juist de geliefdste
-leerling van den meester hier ontbreekt, terwijl ik—die sedert de
-overwinning, welke ik met mijne Aphrodite op hem behaald heb, mij
-nauwelijks meer op de persoonlijke genegenheid van den meester mag
-beroemen—deze toch herwaarts gevolgd heb en voortga aan zijne zijde te
-arbeiden. Nu, als men samen leven en werken zal, komt het er niet
-zoozeer op aan of men elkander meer of minder liefheeft, als wel daarop
-of men een gemakkelijk karakter bezit. Ik voor mij zou den omgang met
-Agoracritus, hoewel hij geweldig op mij gebeten is, best kunnen
-uithouden; doch hij kan dit niet; en alleen om mijn gehaat gezicht niet
-meer te zien, is hij sedert de voltooiing van het Parthenon heengegaan.
-Hij heeft intusschen op zich genomen, een Zeus, die Coronea [344] hem
-heeft opgedragen, te vervaardigen. Maar evenals hij des tijds, toen hij
-zich voorgenomen had eene Aphrodite te beitelen, eene Nemesis schiep,
-zoo hield men zijn Zeus, toen deze daar voltooid stond, voor een God
-der onderwereld. Zoo verdiept hij zich altijd in het sombere, en daar
-mijne kunst steeds eene tegenovergestelde richting heeft gevolgd, zijn
-wij allengs zulke tegenvoeters geworden, dat wij volstrekt niet meer in
-staat zijn aan de uitvoering van hetzelfde ontwerp met elkander te
-arbeiden.”
-
-„Uw levendige geest, Alcamenes,” hernam Polycletus, „doet u zulke
-groote vorderingen in de kunst maken, dat uwe makkers u niet
-gemakkelijk kunnen volgen.”
-
-„Ik kan mij hier vrijer bewegen, dan bij de werken op de Acropolis te
-Athene,” zei Alcamenes. „Daar moest in alles, naar een vast plan van
-den meester, eene volstrekte eenheid heerschen; hier liet hij mij en
-Paeönius, naar vrije verkiezing, de uiterlijke versiering des tempels
-over; hij zelf echter bleef geheel en al verdiept in gepeinzen over
-zijn Olympischen beheerscher der Goden.”
-
-Toen Alcamenes deze woorden gesproken had, bleven zijne oogen
-plotseling gevestigd op een verwijderd punt in ’t gedrang van hen, die
-zich langs den oever van den Alpheüs bewogen. ’t Scheen, dat hij daar
-iemand had herkend en zijn geheele wezen begon eene ongewone aandoening
-te verraden. Hij keerde zich tot Polycletus en zeide:
-
-„Ziet gij ginds dien statigen en eerwaardigen man, die aan de zijde van
-eene dichtgesluierde vrouw van bekoorlijke gestalte zich in ’t gewoel
-een weg zoekt te banen? Het is Pericles uit Athene, vergezeld van zijne
-gade, de schoone Milesische Aspasia.”
-
-„Ja waarlijk,” antwoordde Polycletus. „Ik herken Pericles; ik heb hem
-vóór jaren in Athene gezien. Maar die schoone vrouw is mij geheel
-vreemd.”
-
-„Eene even gevaarlijke en sluwe, als schoone vrouw,” hervatte
-Alcamenes. „Men kan haar niet beminnen zonder haar te haten, en niet
-haten, zonder haar te beminnen.”
-
-Toen Pericles en Aspasia Alcamenes zagen, en bij hem Polycletus, en het
-Atheensche paar genaderd was en de beide beeldhouwers elkander
-hartelijk hadden begroet, vroeg Pericles aanstonds naar Phidias.
-
-„Wij zijn,” zeide hij, „gisteren avond laat te Olympia aangekomen, niet
-om de spelen bij te wonen, die voor mij de bekoorlijkheid der nieuwheid
-al lang verloren hebben en die mijne gade, als vrouw, niet mag zien,
-maar alleen om Phidias en zijn God, van wien men thans reeds met den
-grootsten lof gewaagt. Nu zijn wij juist voornemens den meester op te
-gaan zoeken en gij, Alcamenes, zult ons ongetwijfeld gaarne
-begeleiden.”
-
-„Hij bevindt zich in het heilige woud,” hernam Alcamenes, „in den pas
-voltooiden tempel van Zeus. Hij heeft zich daar met zijne medearbeiders
-opgesloten en wil niemand bij zich toelaten, deels om niet in zijn werk
-gestoord te worden, deels om zijn gewrocht niet eerder aan de oogen der
-menschen bloot te stellen, vóór het op de bestemde plaats en in al
-zijne heerlijkheid voor hen staat. Eerst na den afloop der spelen zal
-de tempel geopend worden. Hoe onverbiddelijk de afgetrokken en schier
-menschenschuwe man allen ook van zich weert, zoo wil ik toch beproeven,
-in den afgezonderden tempel tot hem door te dringen en hem gasten aan
-te kondigen, die hij ongetwijfeld met groote vreugde zal ontvangen.”
-
-„Neen, Alcamenes, doe dat niet,” zei Pericles, „ook door ons moet
-Phidias niet in zijn arbeid gestoord worden en ook van ons zal hij
-begeeren, dat wij zijn werk niet dan in den vollen luister zullen zien.
-Wij zullen een weinig geduld oefenen. Doch de feestelijke opening van
-den tempel denk ik niet met Aspasia af te wachten. Niet in ’t gedrang
-van tallooze Hellenen zouden wij dat gezicht voor het eerst willen
-genieten. Ik hoop ten minste, dat Phidias ons één dag van te voren in
-de zalen van den nog eenzamen tempel zal toelaten en ons vergunnen zijn
-volkomen afgewerkt godenbeeld in stilte te beschouwen.”
-
-„Gij zult, Pericles,” hernam Alcamenes, „zeker hierdoor een vurigen
-wensch van den meester zelven vervullen. Wilt gij derhalve Phidias voor
-het oogenblik in zijn tempel ongestoord laten, stel u dan te vreden met
-mij en den wakkeren Polycletus, die op den bodem van Olympia beter te
-huis is dan nauwelijks eenig Helleen, en wiens metalen of marmeren
-beeld ginds tusschen het loof der platanen en olijfboomen van het
-heilige woud u toeblinken.”
-
-Onder vriendelijke dankbetuiging namen Pericles en Aspasia het geleide
-der beide groote kunstenaars aan.
-
-Zij wandelden samen door het onafzienbare gewoel op de groote, vrije
-ruimte, die zich uitstrekte tusschen den schaduwrijken oever van den
-Alpheüs en het heilige woud Altis, waar de nieuwe feesttempel van den
-Olympischen Zeus zich verhief, te midden van eene menigte metalen en
-marmeren beelden.
-
-Zij gingen langs de huizen, bestemd voor de tallooze personen, die tot
-den dienst van den tempel behoorden, langs de herbergen, die op verre
-na niet voldoende waren voor de vreemdelingen, langs de ruimten waar de
-strijdwagens bewaard werden, langs de stallen, waarin de edele rossen
-en muildieren hinnikten. Het grootste deel van het saamgestroomde volk
-zagen zij in de open lucht onder tenten gelegerd.
-
-Na weinige schreden trof hun blik de prachtige tent van het
-feestgezantschap uit Sicyon, iets verder die van Corinthe, vervolgens
-die van Argos, Samos, Rhodos en andere. Om deze tenten heerschte een
-groote drukte, vooral van hen die landgenooten waren van de
-verschillende gezanten. Dan klonk het: deze hier is de prachtige tent
-van den rijken Periander uit Chios, die van den vermogenden Euphorides
-uit Orchomenus [345], gene van den rijken Pauson van Eretria. De
-bewoners der tenten stonden aan den ingang, druk en met levendige
-gebaren zich onderhoudend; zij groetten hunne vrienden en noodigden hen
-uit, onder de schaduw van hun purperen tent te komen uitrusten.
-Vreemde, door de zon gebruinde jongelingen naderden hen en trachtten
-met de helft van gebroken ringen, wier andere helft in de handen van
-den toegesprokene zich bevond, zich als zonen en verwanten van oude
-gastvrienden te doen erkennen. Winkels van allerlei aard sloten zich
-bij de bonte tentenrij aan.
-
-De volksmenigte woelde dooreen. Men hoorde de verschillende Helleensche
-tongvallen door elkander. Men verstond elkaar niet altijd. Naast de
-vrij harde taal van den Peloponnesiër, de breede van den Thebaan, de
-platte van den Megarenser, klonken de weeke Ionische en Aeölische
-tonen. In het gewoel der Hellenen waren boven allen, de levendige,
-vroolijke Atheners herkenbaar, benevens de ernstige, sombere Spartanen.
-Dikwijls wierpen zij elkander een blik van diepen haat en afgunst toe.
-
-Ook de reusachtige gestalten der athleten, kon men daar zien
-rondwandelen. Men wees hen met den vinger aan en noemden hunne namen en
-hunne overwinningen.
-
-Vóór de tent van het feestgezantschap uit Cios zagen Pericles en
-Aspasia een weenenden knaap, dien een hoogbejaarde grijsaard, zijn
-grootvader wellicht, te vergeefs zocht te troosten. Pericles vroeg naar
-de oorzaak dezer tranen en vernam, dat de jongen, onder beschuldiging
-van verwijfdheid, van den wedstrijd der knapen was uitgesloten, omdat
-hij met lang haar [346] en een purperen kleed te Olympia gekomen was.
-Met half spottende, half berispende woorden laakte Aspasia, zonder zich
-te ontzien voor hen, die het hooren konden, de harde, oudvaderlijke
-gestrengheid der Elische kamprechters; daarop streek zij den knaap
-vertroostend over de donkere lokken en zei: „Schrei niet, beste jongen!
-Pericles van Athene zal voor u een goed woord doen bij de
-Hellanodiken.” [347]
-
-Al meer en meer vulde zich de ruimte. Hier en daar verdrong zich de
-opeengepakte massa. Pericles en Aspasia ontmoetten al voortwandelend
-groepen, die zich verzamelden om beeldhouwers, welke hunne werken hier
-openlijk ten toon stelden, of om rhapsoden [348], of om een man, die,
-op een spreekgestoelte staande, aan het luisterend Helleensche volk de
-door hem opgestelde geschiedenis van Grieksche staten en eilanden
-voorlas, of om een voortreffelijk toonkunstenaar, of om mannen, die in
-trotsche houding en purperen gewaad door de hen aangapende menigte
-gingen, Sophisten die den roem van hun naam te Olympia nog verhoogen
-wilden en bereid waren voor de hen omstuwende menigte eene schitterende
-rede te houden over welk onderwerp men maar wilde, of om een
-onaanzienlijk mannetje, op wiens kalen schedel onder de brandende
-zonnestralen van Elis het zweet als morgendauw flikkerde en die een
-sterrekundige fabel, een werk van scherpzinnige en ingewikkelde
-berekeningen, ter algemeene bezichtiging stelde.
-
-Een hoogbejaarde Spartaan, met sneeuwwitte lokken, zag met donkere en
-onvergenoegde blikken naar al die eerzuchtige bedrijvigheid.
-
-„Ik prijs den tijd gelukkig,” zeide hij tot een vriend aan zijne zijde,
-„toen Olympia niets meer was dan de kampplaats voor ’t aan den dag
-leggen van Helleensche manlijke kracht, terwijl zij nu veeleer tot eene
-vertooning van vrouwelijke en verwijfde kunsten misbruikt wordt. Toen
-ik nog een knaap was, was hier niets te koop dan onmisbare
-levensmiddelen, alsmede benoodigdheden voor het feest zelf, als
-sieraden, hoofdbanden, kransen. Thans pralen de winkels van ijdelen
-opschik; wij hebben ten tijde van het feest hier eene groote kermis van
-Hellas, waar de winkeliers van alle steden en eilanden hunne
-verleidelijkste waren te pronk willen stellen. Het krioelt hier steeds
-meer van raphsoden, toonkunstenaars, beeldhouwers, wijsheidsvrienden en
-ander volk van dat slag. Na korten tijd zal het grootsche doel van het
-overheilige Olympische feest onder de tentoonstellingen en vertooningen
-van onmanlijken wedijver waarmede de Atheners en andere Hellenen van
-het vlakke land, der eilanden en Ionische kusten elkander de loef
-zoeken af te steken, verdwenen zijn. Eerzuchtige dwazen! Ieder wil met
-iets pronken, ieder opgemerkt worden. Ginds, ziet ge, snijden eenige
-Megarensers hunne namen in de schors der populieren aan den Alpheüs om
-toch ook iets voor hunne onsterfelijkheid te doen!”
-
-„Eenigen zie ik daar ook bezig,” hernam zijn makker, „met schoone,
-bonte kiezelsteentjes uit het zand van den heiligen stroom te zoeken.
-Ik moet daar ook eenige van verzamelen, om ze voor mijne jongens mee te
-brengen...”
-
-Na het uiten dezer woorden verdween de vriend van den Spartaan onder de
-populieren langs den Alpheüsoever. Hoofdschuddend zag deze hem na.
-
-Op dit oogenblik weerklonk weder de schelle, alles overheerschende stem
-van den heraut, die van tijd tot tijd door de tentenstad en het gewemel
-van menschen heenstappende de oogen en ooren van alle Hellenen voor een
-oogenblik op zijn persoon vestigde. Hij was de algemeene mond der
-Hellenen. Hij berichtte de meest verschillende zaken. „De Panormitanen
-[349] en de Leontiërs [350] deelen plechtig allen Hellenen mede, dat
-zij met elkander vrede hebben gesloten, na hunne geschillen door een
-minnelijke schikking bijgelegd te hebben.” En wederom: „De Magnesiërs
-[351] geven aan de Hellenen kennis, dat zij met de Larissaeërs [352] en
-Demetriërs [353] een eeuwigdurend verdrag van onderlinge verdediging
-hebben aangegaan.”
-
-Nu echter verkondde zijne krachtige stem: „De Lechaeërs[353] betuigen
-ten aanschouwe van het geheele Helleensche volk den Phliasiërs[353] hun
-dank voor de hen betoonde hulp in den strijd met de Kenchraeërs[353].”—
-
-„Dat was wel de moeite waard!” riep een Kenchraeër met een spottenden
-glimlach. „Denken de Lechaeërs inderdaad, dat wij voor hen en de
-Phliasiër bang waren? Bij Heracles! Zij zullen op het volgende
-Olympische feest geheel andere mededeelingen door den heraut hooren
-doen!”
-
-„Niets dan snoeverij!” hernam hoonend een Lechaeër, die niet verre van
-hen verwijderd stond. „Bluf maar! Wij hebben nog pijlen genoeg om er de
-geheele stad der Kenchraeërs onder te bedelven!”
-
-„En wij nog lansen genoeg,” hernam de Kenchraeër, „om de nieren van
-alle Lechaeërs aan te spietsen!”
-
-„Pak u weg!” schreeuwde de van toorn gloeiende Lechaeër, „anders zult
-gij morgen uw gezicht in den spiegel niet meer herkennen!”—Tevens hief
-hij dreigend de vuist op.
-
-Een Athener greep zijn arm vast. „Wat moet dat?—Laat den Kenchraeër met
-rust, of gij hebt met mij te doen!”—
-
-„Ei, kijk hem eens!” sprak een Samiër onder de toeschouwers, die zich
-om de twistenden heen gedrongen hadden; „de Atheners willen zich zelfs
-in de gunst der Kenchraeërs dringen, en men weet, waar het met al hunne
-vriendelijkheden op uitloopt!”—
-
-„Ja wel, dat weten we!” riepen eenige Argivers en Spartanen. „Sedert
-eenigen tijd,” sprak een der Argivers, „geven de Atheners zich wonder
-veel moeite, om in goede verstandhouding te staan met de bewoners van
-den Isthmus en de passen van de Peloponnesus!”
-
-„Hebben zij dan daarvoor den tijd?” riep een der Spartaners met een
-grijnslach. „Is dan de groote Pericles, de Olympiër, al gereed met
-zijne groote, prachtige tempels en propylaeën en Pallasbeelden van goud
-en ivoor? En behaagt het de Hera van den Atheenschen Olympiër haar rijk
-ook aan gene zijde van de pijnboomwouden, van den Isthmus uit te
-breiden?”
-
-„Hare vrienden en voorvechters heeft zij immers reeds vooruit
-gezonden!” riep de Argiver, met den vinger over zijn schouder naar de
-werkplaats van Phidias wijzend.
-
-De Atheners, die aanwezig waren, wilden zich die spotternij niet laten
-welgevallen. Wilder en heftiger dreigde de woordenstrijd te ontbranden.
-
-Daar klonk plotseling eene geweldige en welluidende mannenstem, zoo
-wonderlijk doordringend, dat oogenblikkelijk allen daarnaar luisterden.
-
-„Aan welken Helleen behoort de tong,” riep de machtige redenaar, „die
-daar durft spotten met de nieuwe tempels en godsbeelden der Atheners?
-Wat er roemrijks te Athene geschapen is dat is gewrocht ter eere van
-den gemeenschappelijk en Helleenschen naam! En bedenkt, dat sedert
-eeuwen altijd vrede is gehouden door onze vaderen, van welken stam zij
-ook waren, op deze plaats, waar de heilige wateren van den Alpheüs de
-maat klateren voor de Olympische feestreien van het gansche Helleensche
-volk. Tot een vreedzamen wedstrijd zijn wij steeds herwaarts gekomen;
-hier was het heilige grond, hier de godsvrede. In het tempelgebied van
-den gemeenschappelijken God Zeus vereenigt ons het feest der
-Panhellenen [354]. Houd vrede, Hellenen, op de Pisatische landauwen!
-Hier moeten geen wapenen getrokken worden, hier mag geen
-metaalgekletter gehoord worden, dan de klank der halve ringen, die
-tegen elkander gehouden worden; hieraan kunnen Helleensche gastvrienden
-van alle oorden elkander herkennen!”—
-
-De kreet „Pericles” weerklonk na deze woorden door de menigte:
-„Pericles van Athene! Pericles, de Olympiër!” Vaders hieven hunne
-jongens op, om hun Pericles te toonen. Slechts door weinigen was hij te
-voren herkend geworden. Thans, nu hij gesproken had, nadat zijne
-donderende welsprekendheid had weergalmd, herkende hem het gansche
-Helleensche volk. En nog vond, wat hij gesproken had, weerklank in de
-harten der bewegelijke, licht ontvlambare Hellenen. Kreten van
-toejuiching weerschalden tot over den Alpheüs en de wateren van den
-stroom schenen bruisend in te stemmen in den algemeenen bijval.
-
-Pericles onttrok zich aan de menigte door zich met Aspasia en zijne
-vrienden naar het heilige woud Altis te begeven, waar hij zich verloor
-tusschen de tempels en heiligdommen van allerlei soort, de
-standbeelden, drievoeten en gedenkzuilen, waar het gebladerte der
-olijfboomen, platanen en palmen ritselde. Van de gevelspits van den
-nieuwen Zeus-tempel schitterden hun eene vergulden Zegegodin tegen,
-tusschen twee eveneens vergulde vaten, in oogverblindenden glans. Zij
-beschouwden op den achtergevel de beelden van Alcamenes. Hij had daar
-den strijd der Lapithen [355] en Centauren voorgesteld en daarin zijne
-voorliefde voor bewegelijkheid en veelvuldige afwisseling van houding
-en gebaren, meer dan op de Acropolis, den vrijen teugel gelaten.
-
-Begeleid door Polycletus en Alcamenes beschouwden Pericles en Aspasia
-daarop de overige tallooze wonderen van het heilige woud.
-
-Ten laatste bestegen zij eene vrije trap, die uit Altis noordwaarts
-naar een groot, breed terras leidde. Dit terras breidde zich langs den
-zuidelijken voet van den Cronos-heuvel tot aan het stadion [356] uit.
-Op die vlakte verhief zich eene lange rij van zoogenaamde schatkamers
-van verschillende steden, waarin deze hunne naar Olympia gezonden
-wijgeschenken bewaarden.
-
-Van de schatkamers van den Cronos-heuvel opwaarts gaande, bezichtigden
-Pericles en Aspasia de heiligdommen, die dezen heuvel versierden. Van
-den top daarvan hadden zij het schoonste gezicht op Olympia. Zij zagen
-onder zich het heilige woud Altis met zijne tempels en standbeelden in
-zijne volle uitgestrektheid; zij zagen aan gene zijde van Altis den
-majestueuzen stroom, den Alpheüs, door de vlakte heenschieten; zij
-zagen ter rechter zijde de rivier Cladeüs, die op de Pisatische bergen
-ontspringend, zijne wateren met die van den Alpheüs vermengt; zij zagen
-ter linker zijde het stadion en den hippodromos [357], de plaatsen voor
-de Olympische wedstrijden, die het heilige woud begrensden. Rechts van
-den Cronos-heuvel, nabij den noordelijken uitgang van Altis, zagen zij
-gebouwen, die het middelpunt van het bestuur van Olympia uitmaakten en
-waar zoowel de kamprechters als de athleten zelven, vóór het standbeeld
-van den met den dubbelen bliksem gewapenden Zeus Horkios [358], de
-wetten van den strijd bezwoeren. Verder was van alle kanten niets te
-zien dan de krans van hooge bergen, in wier hoede het heilige
-feestterrein van Olympia lag.
-
-Het oog der mannen weidde met welgevallen over deze tafereelen. Aspasia
-echter begon over de geweldige hitte te klagen en over de vele muggen,
-die haar kwelden.
-
-„Hoe komt het toch,” zeide zij, „dat de Hellenen voor hunne athleten
-wedstrijden het warmste van den zomer en deze muffe, drassige vallei
-van den Alpheüs hebben gekozen?”
-
-„De stichter Heracles heeft aan de muggen niet gedacht,” zei Alcamenes
-lachend.
-
-„En wij mannen tot heden ook nog niet,” voegde Pericles er bij. „Maar
-nu ik er eenmaal opmerkzaam op gemaakt ben, moet ik u gelijk geven,
-Aspasia. Die tallooze bloedzuigers zijn geweldig lastig.”
-
-Door Altis terugkeerend, vertoefden Pericles en Aspasia alleen nog bij
-de standbeelden van Polycletus.
-
-Steeds levendiger werd inmiddels in den loop van den dag het gewoel en
-de drukte tusschen Altis en den Alpheüs. Talrijker offers werden des
-avonds op de met bloemen bekranste altaren der Goden gebracht. Men zag
-de athleten de ingewanden der offerdieren beschouwen, hopende daaruit
-een gunstig voorteeken voor den strijd te zullen vinden. De grootste
-schare van toeschouwers stroomde naar het plechtige brandoffer op het
-overoude beroemde aschaltaar van Zeus.
-
-De verrichtingen van deze heilige plechtigheden duurden tot diep in den
-nacht, onder de tonen der muziek en bij het schijnsel der maan, die
-bijna vol was. Alles had plaats op eene hoogst ernstige wijze, in eene
-schoone orde en eene eerbiedwekkende stilte. Te middernacht eerst
-werden de fakkels in het heilige woud uitgebluscht en de laatste
-vlammen op de altaren verdoofden allengs. Nu echter stormde reeds een
-niet onaanzienlijk deel van het volk naar de renbaan, om daar, na eene
-goede plaats bemachtigd te hebben, het krieken van den dageraad en het
-begin der spelen af te wachten.
-
-Den volgenden morgen bestegen Pericles en Aspasia wederom den
-Cronos-heuvel.
-
-Het oog van Pericles was gevestigd op het stadion, dat uit de verte
-zichtbaar was, met die belangstelling, die zulk een schouwspel elken
-Griek steeds inboezemde. Hij had zich alleen ter liefde van Aspasia het
-genot ontzegd zich van nabij onder de toeschouwers in het stadion zelf
-te begeven. Niet met hetzelfde welgevallen richtte de Milesische het
-oog naar de kampplaats, waar de lichaamskracht, door geweldigen, ja
-schier moordlustigen ijver verhoogd, te midden van stof en brandende
-hitte ten toon werd gespreid.
-
-„Waarom laat gij uw oog bijna verachtend over die belangstellende
-menigte dwalen?” vroeg Pericles.
-
-„Heeft het niet den schijn,” zei Aspasia, „dat het Helleensche volk,
-zoo groot geworden in vele dingen, die waarachtig schoon en heerlijk
-zijn, den grootsten zijner eerepalmen voor de athleten te Olympia
-bewaarde? Moet dan waarlijk de kracht der armen en de snelheid der
-voeten als de hoogste aller voorrechten gelden op Helleenschen bodem?”
-
-„Ik begrijp u,” hernam Pericles, „gij zijt de voorvechtster der
-vrouwelijkheid en van al wat het leven verfijnt, veredelt en schooner
-maakt. Hier echter viert de ruwe, manlijke kracht haar triomfen.”
-
-„Een echt, verkwikkelijk schouwspel voor Doriërs,” zei Aspasia, „is
-zulk een worstel- en vuistgevecht, waarbij de mannen tegen elkander
-woeden, tot het bloed hun uit mond en neus stroomt. Gij hebt gelijk, ik
-haat die spelen; want waar het manlijke haar doel voorbij streeft, daar
-schijnt het mij niet ver van de barbaarschheid te zijn. Ik vrees, dat
-de ruwe bekoorlijkheid van dit schouwspel het gemoed der menschen hoe
-langer zoo meer verderft en hen opnieuw tot hunne vroegere verwildering
-en ruwheid terug zal voeren.”
-
-„Gij overdrijft!” hernam Pericles glimlachend.
-
-De lijnrecht tegen elkander overstaande zienswijze van Pericles en
-Aspasia over dit onderwerp zou nog vóór het einde van dezen dag door
-een klein tooneel, dat zij bijwoonden, versterkt worden.
-
-Toen namelijk Pericles en Aspasia aan den avond van denzelfden dag,
-vergezeld door Polycletus en Alcamenes, in den omtrek van het stadion
-wandelden en Aspasia de haar onbekende plaatsen beschouwde, gebeurde ’t
-dat, terwijl zij juist op eene steenen bank zich nederzetten om te
-rusten, een troep athleten, die aan den strijd dien dag deel hadden
-genomen, een andere troep ontmoette, waarop de geheele schaar, die zich
-deels op den grond neervlijde, in een levendig gesprek gewikkeld werd.
-De gevechten van den eersten dag werden met woorden nog eens gestreden
-en iedere overwinning aan eene scherpe critiek onderworpen. Zij, die
-overwonnen waren, zetten uiteen door welk toeval hunne tegenstanders
-hen onder gekregen hadden en hoe de overwinning maar aan een haar had
-gehangen, of zij beschuldigden hunne kampioenen openlijk dat zij tegen
-de regels van het gevecht gezondigd hadden. Doch het baatte hun
-doorgaans weinig en zij moesten soms nog den spot hunner kameraden
-verduren.
-
-„Om het even, beste Theagenes,” klonk het, „gij moet de builen maar
-dragen, die Nicostratus u geslagen heeft. Gij ziet er erbarmelijk uit,
-met uwe olielappen om uw gewond hoofd en gij riekt als een
-lantaarnpaal.”
-
-„Spot maar!” hernam de aangesprokene, een nog jeugdig worstelaar en
-vuistvechter, die deerlijk toegetakeld was en daarom zijn hoofd met een
-in olie gedoopten doek had omwonden.
-
-„Spot maar!” zei hij; „ik heb nu eens geprobeerd, wat vleesch en been
-kunnen verdragen. Slagen heb ik op mijn hoofd gekregen, die, geloof ik,
-een rotsblok zouden verbrijzeld hebben. Maar meent gij, dat ik buiten
-eene kleine gloeiing, eenigen last aan mijn hoofd merk? Op zijn hoogst
-zijn een paar onschadelijke builen wat opgeloopen. Maar de rug begint
-mij nu wat zeer te doen—’t kan wel van den geweldigen val komen,
-waarmede ik in den worstelstrijd op den grond te recht kwam.”
-
-„Men ziet, dat gij een nieuweling zijt!” zeiden de anderen, „daar gij
-nog niet weet, dat het hoofd het minst gevoelige deel van den mensch
-is, de rug echter het teerste!”
-
-„Uw rug zal in drie dagen wel weer beter zijn,” zei een van hen; „maar
-zie mij eens aan: vanwaar zal ik mijne tanden terugkrijgen? Had ik ze
-uitgespogen, toen een vuistslag van Meleager mij trof, dan had ik mijn
-verlies daarmede te kennen gegeven; daarom heb ik ze liever naar binnen
-geslikt. Het is onpleizierig zijne tanden in plaats van in den mond in
-de maag met zich te dragen.”
-
-„Gij zult ze verteren!” zeide Boeötiër Cnemon. „Een athletenmaag moet
-ook tanden kunnen verduwen.”
-
-„Daarvan zal ik bezwaarlijk zooveel vleesch van op mijn lijf krijgen
-als gij hebt!” voegde Theagenes hem toe.—Cnemon was inderdaad een
-oudachtige, stoere kerel, die het merg van vele runderen, kalveren en
-lammeren in zich had opgenomen. Zijne ooren waren gekwetst door
-vuistslagen: van staal scheen zijn vleesch op zijn breede, gewelfde
-borst en rug: hij geleek op een metalen standbeeld. De spieren lagen op
-zijne armen rond en vast als steenen in de bedding eener rivier, die de
-stroom door haar golven langen tijd voortgestuwd en rond gesleept had.
-
-„Meent gij,” riep hij, „dat ik voor een uwer onderdoe, omdat ik een
-weinig zwaarlijvig ben en niet zoo snel ter been als gij? Nu, een
-hardlooper ben ik niet maar ik ben een kerel, dien men evenmin
-omverwerpt als eene koperen zuil. Schoon de aarde zelve ook mocht
-beven—blijf ik nog staan!”
-
-Daarop lei Cnemon eene werpschijf op den grond, ging er op staan en
-vervolgde:
-
-„Welaan! is er één onder u, die mij er afwerpt?”
-
-Te vergeefs beproefden de athleten, de een voor, de ander na, hunne
-kracht aan den kolos. Nu liet Cnemon de werpschijf met olie begieten,
-zoodat zij zeer glibberig was. Maar ook nu nog handhaafde hij zijne
-stelling.
-
-Toen strekte hij zijne rechterhand uit, eveneens de vingers en hield ze
-vast tegen elkander gesloten. „Nu, beproef het eens,” riep hij, „om de
-pink van de overige vingers los te trekken!”—
-
-Zij beproefden het, maar de pink scheen als met staal aan de andere
-vingers gesmeed te zijn.
-
-„Dat beteekent nog niets!” riep snoevend de Argiver Sthenelus. „Ik
-houd, als het moet, een vierspan in volle vaart tegen, door met de hand
-in de spaken te grijpen!”
-
-„En ik,” zei de Eleër Thermius, „ik heb te Pylus eens een hengst bij de
-hoef gegrepen en toen hij zich losrukte hield ik de hoef in de hand.”
-
-„Dat zijn sterke toeren,” zei de Thessaliër Euagoras, „maar doet het
-mij eens na, wat ik te Larissa gedaan heb: ik heb den beroemden
-hardlooper Cresilas in vollen ren de sandalen van de voeten gehaald!”
-
-„Hoe?” riep de Spartaan Anactor, „de Thessalische hardlooper zal
-tegenover mannen van de vuist zich durven beroemen? Wat helpen u uwe
-snelle beenen, als ik u in het stof doe bijten?”
-
-„Mijne vuisten zijn niet slechter dan mijne beenen!” riep de
-Thessaliër, „en als ik u maar even aanraak, dan kunt gij uwe botten
-hier uit het zand bijeen rapen!”
-
-„Zwijg!” schreeuwde de Spartaan, „anders sla ik u de oogen uit, evenals
-de kok den inktvisch!”
-
-„Ik maal u tot gruis,” duwde hem de Thessaliër toe, „zoodat de mieren u
-bij kruimels kunnen wegdragen!”
-
-„Gij vecht met woorden,” riep de Boeötiër Cnemon daar tusschen in. „Dat
-is geen gebruik bij ons athleten. Laten wij het liever met daden
-bewijzen.”
-
-„Dat willen wij doen!” riepen beiden.
-
-„Uitstekend!” zei de dikke Thebaan: „maar wat wilt gij eigenlijk? Wilt
-gij om het hardst loopen of wilt gij elkaar met de vuisten te lijf? Dat
-zijn volstrekt geen te verachten toeren. Evenwel, weet gij wat het
-meesterstuk is van den athleet en waarin zich alle athleten, hetzij
-hardloopers of vuistvechters of wat ook, op een gelijk terrein
-bevinden?”
-
-„Wat dan?” vroegen de Spartaan en de Thessaliër te gelijk.
-
-„De beste proef van den athleet,” zei de Thebaan, terwijl hij zich over
-zijn buik streek, „blijft de kracht der verduwing. Denkt eens aan
-Heracles: hij verworgde de leeuwen bij dozijnen in het gebergte, doch
-hij was ook de man, die een stier in één maal opat. Dat noem ik
-mannenwerk! Laat, ik wil niet zeggen een rund—want wat zou Heracles
-beteekenen, als hij niet de eenige in zijne soort bleef?—maar toch een
-grooten, vetten hamel braden, deelt dien in twee gelijke helften en eet
-hem in éénmaal op! „Wiens maag het eerst den dienst weigert, die moet
-zich overwonnen geven; want hij is de zwakste van u beiden.”
-
-„Bravo!” klonk het in de ronde. „Anactor en Euagoras zullen de groote
-athletenproef voor onze oogen nemen! Wij laten onmiddellijk een hamel
-halen en hem aan het spit braden.”
-
-Anactor en Euagoras namen de voorwaarden aan. En aanstonds verwijderden
-zich eenigen, om den zwaarsten hamel, die te vinden was, uit te zoeken.
-
-Zoover was het tooneel ten aanhoore van Pericles en zijne vrienden
-gekomen, toen Aspasia van hare zitplaats opstond en zeide: „Laat ons
-gaan, Pericles! ik heb niet langer de kracht deze Olympische
-wedstrijden aan te zien!”—
-
-Lachend verlieten nu ook de overige mannen hunne zitplaatsen en sloegen
-met Aspasia den weg naar huis in.
-
-„Het gevoel van Aspasia tegenover deze athleten,” sprak Alcamenes,
-„schijnt mij niet meer en niet minder te zijn, dan het gevoel van eene
-vrouw, die gezond is van lichaam en ziel en die door eene natuurlijke
-en billijke aandrift geleid wordt. Waartoe dienen eigenlijk die
-krachtige mannen? Zijn zij in den krijg geduchter dan anderen? Maaien
-zij rijen van vijanden neder als de Homerische helden? Neen! De
-ervaring leert het tegendeel. Zijn zij de rechte mannen, om zich
-omtrent de verbetering van het menschenras verdienstelijk te maken?
-Wederom, neen! Ook dat wordt door de ervaring tegengesproken. Zij
-deugen tot niets, dan tot hetgeen zij in het stadion onder de luide
-bijvalskreten der toeschouwers uitrichten.”
-
-„Inderdaad,” hernam Pericles, „niet uit de personen der athleten zelven
-blijkt het nut der kunst, die zij uitoefenen. Maar groot en
-onwaardeerbaar is de winst, die uit de tentoonspreiding van goed
-ontwikkelde kracht en uit de daarvoor ruim bewezen eer voortvloeit, in
-zoo verre, dat daardoor het Helleensche volk ten levendigste er aan
-herinnerd wordt, dat men de gave des lichaams niet minder dan die des
-geestes kan ontwikkelen en der volkomenheid nader brengen. Grooter is
-het gevaar, dat de mensch zijne lichamelijke dan zijne geestelijke
-gaven veronachtzamen zal; want tot geestelijke ontwikkeling en
-werkzaamheid gevoelt hij zich aanhoudend door een innerlijken drang en
-door de noodzakelijkheid gedreven. De ontwikkeling echter van zijn
-lichaam pleegt hij aan de natuur over te laten, zoo hij niet buitenaf
-daartoe wordt aangespoord.”
-
-Onderwijl hadden de wandelaars juist het heilige woud bereikt en
-stonden opnieuw tegenover eenige standbeelden van overwinnaars,
-gebeiteld door de hand van Polycletus.
-
-Met den blik op de beelden gevestigd, sprak Aspasia het volgende:
-
-„Als ik de werken van Polycletus hier beschouw, dan schijnt het mij,
-dat de kunstenaar in dit geschil aan mijne zijde staat. Want noch de
-bovenmatige kracht noch de buitengemeene ontwikkeling der ledematen
-heeft de kunstenaar zich verwaardigd af te beelden; integendeel beelden
-en typen van de gewone maat, de harmonische, vol en rein ontwikkelde
-gestalte stelt hij ons voor oogen. Steeds komt het mij voor, dat de
-voortreffelijke Polycletus allen lof verdient, omdat hij niet als
-Phidias de sterfelijke natuur schier veracht, maar haar de eer geeft,
-die haar toekomt en dat hij, gelijk Phidias het goddelijke het
-verhevenst voorstelt, het zuiver menschelijke op de getrouwste wijze
-heeft nagebootst.”
-
-Een minder aangenamen indruk dan Aspasia dacht, maakte deze uitspraak
-op Polycletus.
-
-„De kunstenaar,” sprak hij, „is afhankelijk van de wenschen en
-behoeften dergenen, die van zijne kunst willen genieten. Dat in Hellas
-alleen aan Phidias de gave verleend is de Goden waardig af te beelden,
-schijnen althans ook de Eleërs te meenen, daar zij hem naar Olympia
-ontboden hebben. Niet alzoo echter de Argivers, die het met mij, den
-inboorling, willen beproeven en mij opgedragen hebben het gouden en
-ivoren beeld van Hera in haren grooten tempel te Argos te
-vervaardigen.”
-
-Zoo sprak Polycletus en het gelukte Aspasia niet, de zichtbare
-ontstemdheid van den meester weg te nemen. Hij verwijderde zich niet
-lang daarna onder het een of ander voorwendsel.
-
-„Gij hebt, Aspasia,” zei Alcamenes lachend, „nu ook Polycletus een
-spoorslag gegeven, om zijn best te doen, dat de Hera van Argos den Zeus
-van Olympia waardig zij.”
-
-„Een voortreffelijk werk moge hij in wedijver met Phidias tot stand
-brengen,” zei Aspasia, „doch evenals Phidias, nadat hij met zijne
-Lemnische Pallas tot de aarde was neergedaald, spoedig weder opsteeg
-naar den Olympus en sedert dien tijd boete doet aan de voeten van den
-Olympischen Zeus, zoo geloof ik, dat Polycletus van den Olympus snel
-weder naar de aarde en tot zijn eigen gebied zal terugkeeren. Het valt
-niet te ontkennen, dat de prozaïsche Peloponnesiër in zijne beelden de
-verhevenheid en diepte van het zieleleven weinig uitdrukt, maar laten
-ook de Atheensche kunstenaars in dat opzicht nog niet veel te hopen en
-te wenschen over? Mag ik het u bekennen, dat ik somwijlen in den droom
-godengestalten zie, die tot dusverre geen Phidias, geen Alcamenes, geen
-Polycletus met den beitel heeft kunnen scheppen? Verleden nacht
-verscheen mij Apollo, mij de liefste van alle Goden, de God des lichts
-en der toonen. Hij verscheen mij in de wondervolle, slanke gestalte
-eens jongelings, vermetel en toch liefelijk, fier in het bewustzijn
-zijner zege en toch bevallig. Doodelijk getroffen kromden zich, alleen
-voor zijn aanblik en voor den boog in zijne uitgestrekte hand, de
-draken der duisternis. „Wie beitelt mij den God, zooals ik hem gezien
-heb? Zelfs gij niet, Alcamenes! En toch zijt gij de vurigste onder de
-beeldhouwers en met altijd jeugdige, ontvankelijke ziel geeft gij u
-over aan het leven en zijne bekoorlijkheid. Daarom ontsluit ook het
-leven voor u zijn geheim en zijn machtigste adem trilt in uwe
-scheppingen en verwekt de rustige kalmte der reine vormen.”
-
-De oogen van Alcamenes gloeiden van geestdrift bij deze woorden.
-
-„Sedert langen tijd,” sprak hij, „zijn de Arcadiërs voornemens voor uw
-lievelingsgod een grooten tempel te bouwen, en zij wendden zich tot
-Phidias, om den fries met beeldwerken te versieren. Deze verwees hen
-naar mij. Maar de Arcadische mannen wikken en wegen lang en zij zullen
-nog menig jaar wachten, totdat misschien de God met zijne doodelijke
-pijlen hen hunner gelofte indachtig maakt. Als zij dan echter hun plan
-volvoeren en zich tot mij wenden, dan zullen de beeldwerken van den
-fries voor alle volgende tijden getuigenis afleggen van mijn
-kunstgevoel, waaraan ik, op uwe aansporing, Aspasia! den vrijen teugel
-liet.”
-
-„Wees geheel u zelf,” hernam Aspasia, „luister niet naar het woord der
-koele en strenge mannen, en gij zult iets scheppen, dat zelfs zij, die
-uwe manier afkeuren, in verbazing en bewondering zal brengen.”
-
-Van dit oogenblik af verdoofde de laatste vonk van wrok tegen Aspasia
-in het hart van Alcamenes.
-
-Hij zocht telkens opnieuw haar gezelschap, sprak met haar over zijne
-plannen en ontwerpen, werd door hare woorden ontvonkt en onderricht, en
-zij weigerde hem haar raad niet, dien hij ijverig zocht.
-
-Den volgenden dag was Pericles door een toeval verplicht zonder Aspasia
-een uitstapje te maken en haar in ’t gezelschap van Alcamenes,
-Polycletus en eenige andere vrienden, die hij te Olympia had gevonden,
-achter te laten. Na een vrij lang gesprek verwijderden zich al de
-mannen, behalve Alcamenes, die het onderhoud met zijne gewone
-levendigheid voortzette.
-
-Steeds opgewondener werden de woorden van Alcamenes, steeds vuriger
-zijne blikken.
-
-Maar niet alleen toonde zich Alcamenes hartstochtelijk tegenover de
-gade van Pericles, toen hij zich met haar alleen bevond, maar hij sloeg
-ook ongemerkt, en naar ’t scheen, onwillekeurig een toon aan, die
-eenigszins aan de vroegere vertrouwelijkheid herinnerde. Gaf hem
-daartoe de welwillendheid recht, waarmede eens de door kunstzin
-bezielde Milesische in een vriendschappelijk verkeer hem bejegend had,
-hem den begaafdsten van Phidias’ jongeren?
-
-Aspasia nam dien toon van vertrouwelijkheid op, met een gevoel van
-gekrenkten trots.
-
-De hartstochtelijke Alcamenes begon vergelijkingen te maken tusschen de
-vormen van haar vroegeren, jeugdigen bloei en die van thans, sprak
-daarbij van die vormen, zooals men over dingen spreekt, waarmede men
-bijzonder vertrouwd is.
-
-Ook dit beleedigde de hooghartige Aspasia.
-
-Alcamenes greep hare hand, beschouwde ze met kennersoog, prees de
-bekoorlijkheid daarvan en zeide, dat deze hem eene onuitputtelijke bron
-was voor zijn kennis op het gebied der kunst.
-
-Aspasia trok hare hand terug en merkte aan, dat Theodota niet minder
-onuitputtelijk was in dit opzicht, door hare bekoorlijkheden.
-
-„Gij zijt boos op mij, omdat ik Theodota geprezen heb!” riep Alcamenes.
-
-„Heb ik u dat ooit laten voelen?” hernam Aspasia koel; „hebt gij mij
-vijandig tegen u bevonden, toen wij elkander hier weder ontmoetten? Heb
-ik opgehouden verwachtingen, die u tot eer verstrekken, omtrent u te
-koesteren en u als den bekwaamsten tot het streven naar het ideale aan
-te sporen? Ik wist, dat gij mij haattet, maar mij zijn de kunst van
-Alcamenes en Alcamenes zelf van elkander gescheiden. Ik heb noch de
-liefde noch den haat van Alcamenes beantwoord.”
-
-„Koel en verstandig,” zeide Alcamenes, „mogen uwe woorden klinken, maar
-zij zijn door heimelijke verbittering scherp en vlijmend. Gij zijt nog
-gebeten op mij, ter oorzake van Theodota! Vergeef mij, wat ik tegen u
-heb misdreven! Wat gij mijn haat noemt, het was de wraak der liefde!”
-
-„Lang vóór uw haat mij openlijk bleek,” hernam Aspasia, „zeide ik u
-reeds, wat ik u zooeven herinnerde: dat de deelneming van eens menschen
-geest voor iets, geheel afgescheiden is van ’t geen zijn hart gevoelt.”
-
-„Ook bij de vrouw?” vroeg Alcamenes met een ondeugenden glimlach. „Ik
-herhaal u: gij zijt nog verstoord op mij ter wille van Theodota! En een
-werk der wraak was ’t wellicht ook, dat gij in mij de oude vlam weder
-hebt aangeblazen!—Nog eens, vergeef mij! Veroordeel in dit oogenblik
-het vuur niet, dat gij zelve overigens in ’t karakter van Alcamenes
-hebt geprezen!”
-
-Bij deze woorden omvatte de onstuimige jongeling, in steeds heftiger
-hartstocht ontgloeid, de vrouw van Pericles.
-
-De fiere schoone trof den aanrander met een blik, die hem weder tot
-bezinning bracht.
-
-Op dat oogenblik trad Pericles binnen.
-
-Hij las, wat er voorgevallen was, op ’t gelaat van Alcamenes.
-
-Deze nam in verwarring afscheid en ijlde weg, met opnieuw veranderde
-gezindheid, beschaamd en vervuld van wrok tegen Aspasia.
-
-Pericles was bleek.
-
-„Behoeft het nog opheldering?” zei Aspasia; „gij hebt alles in de
-trekken van Alcamenes gelezen.”—
-
-„Het schijnt,” hernam Pericles, „dat Alcamenes u behandeld heeft,
-zooals men eene vrouw doet, die men...”
-
-„Spreek het niet uit, bid ik u!” zei Aspasia.
-
-„Ik weet,” vervolgde Pericles, „welke grenzen gij trekt, naar de
-opvatting van Protagoras, tusschen uwe bekoorlijkheden en uw persoon.
-Ik ken die leer, volgens welke de sluier eener vrouw zich mag inkrimpen
-tot een vijgeblad. Gij ziet, Alcamenes heeft een andere meening dan gij
-over de onschendbaarheid van het vijgeblad. Hij dwaalt, zegt gij; maar
-men moet zijne handelwijze naar zijne opvatting der zaak, en niet naar
-de uwe beoordeelen. Gij kent het niet onedel maar hartstochtelijk
-karakter van den man. Hij zal van nu af dubbel op u gebeten zijn; hij
-zal het aantal uwer openbare tegenstanders vermeerderen.”
-
-„Hij vindt, naar ’t schijnt, bij die vijandschap een onverwachten
-bondgenoot!” zei Aspasia.
-
-Nog een paar bittere woorden werden er gewisseld. Pericles verliet het
-vertrek van Aspasia.
-
-Van spijt bevend stampte Aspasia op den grond.
-
-„Die verwenschte bodem van de Peloponnesus,” sprak zij, „brengt mij
-onheil aan.”
-
-Weldra echter vatte zij nieuwen moed. ’t Is een licht wolkje, dacht
-zij, dat zonder schade langs den helderen hemel der liefde trekt.
-Vroolijker flikkert de gloed bij eene nieuwe verwarming, dan vóór de
-verkoeling.
-
-Aspasia bedroog zich niet.—Maar blijft na die vroolijk opflikkerende
-vlammen geen onaangename asch in de borst achter? En vergeet de liefde
-alles wat zij vergeeft?—
-
-Pericles en Aspasia waren te Olympia de gastvrienden van Phidias. Hij
-had hun eenige vertrekken in eene der groote ruimten zijner werkplaats
-ter bewoning afgestaan. Hij zelf echter bleef onzichtbaar.
-Onophoudelijk was hij in den tempel met de voltooiing en oprichting van
-zijn reusachtig gouden en ivoren beeld bezig. Hij weigerde iederen
-omgang, maar hij had Alcamenes laten zeggen, dat Pericles en Aspasia de
-eersten van het geheele Helleensche volk zouden zijn, voor wie hij het
-grootste werk zijner handen zou onthullen.
-
-De met spanning verwachte ure was genaderd.
-
-Op een gloeienden zomerdag was een van onweer zwangere avond gevolgd.
-Donkere wolken vlogen door het zwerk en hadden zich eindelijk boven de
-hemelhooge kruinen der bergen samengepakt. Toen er volkomen duisternis
-heerschte kwam een slaaf van Phidias aan Pericles berichten, dat hem
-opgedragen was hem en Aspasia naar het binnenste van den Zeus-tempel te
-geleiden. In hun gezelschap bevond zich, op verzoek van Aspasia, het
-meisje uit Arcadië. Zij volgden den slaaf en wandelden door het heilige
-woud van Altis, dat onder den nachtelijken hemel in diepe schaduwen
-zich uitstrekte. Eenzaam was het rondom en slechts een zacht geritsel
-trilde door de toppen der boomen.
-
-Nu bereikten zij den tempel. De slaaf ontsloot de poort en voerde hen
-het gebouw binnen. Daar leidde hij hunne schreden naar eene eenigszins
-hoogere plaats in den achtergrond, waar zij zich konden nederzetten.
-Vervolgens verwijderde hij zich, sloot opnieuw de poort achter zich en
-liet hen met hun drieën in het donker. Eene flauwe lichtschemering viel
-neder uit den nachtelijken, bewolkten hemel door de opening van het
-tempeldak. Maar zij drong niet door tot de uiterste hoeken.
-
-Zonder een woord te spreken, bijna angstig wachtten Pericles, Aspasia
-en het herdersmeisje. Eensklaps scheurde vóór hunne oogen de sluier der
-duisternis en zij verschrikten, verblind door eene plotselinge,
-schitterende verschijning. Het voorhangsel, dat den achtergrond van het
-tempelvertrek van het voorportaal had gescheiden, was weggetrokken en
-zij zagen in het heldere licht vóór zich den gouden en ivoren kolos van
-den Olympischen God. Op een schitterenden, rijkversierden troon was hij
-zittend voorgesteld en toch reikend tot aan het dak des tempels met dat
-verheven hoofd, dat, in goddelijke rust, enkel door een beweging zijner
-lokken, naar ’t woord des zangers, de hoogte van den Olympus doet
-daveren [359].
-
-Om de ivoren ledematen van den koning der Goden golfde de gouden
-mantel, die den linker schouder benevens den arm en het onderste deel
-des lichaams omhulde. In bont émail fonkelde het goud van den mantel;
-met een tooi van kleine figuren en bloeiende leliën was zijne
-oppervlakte bezaaid. Van groen geëmailleerd goud was op de lokken van
-den Olympiër een olijfkrans gedrukt. In de linkerhand hield hij den uit
-verschillende edele metalen kunstig bewerkten schitterenden schepter.
-Op de uitgestrekte rechterhand droeg hij eene zegegodin van dezelfde
-stof, als waaruit de gestalte des Gods zelven was gevormd. Op vier
-zuilvormige pooten, waartusschen nog kleine kolommen stonden, verhief
-zich de sierlijke troon, prijkend in bonte afwisseling, in een glans
-van goud en marmer, ebbenhout en elpenbeen. Donkerblauw was de vlakke
-voorzijde van den troon geverfd; een donkere achtergrond deed den glans
-van het goud en het ivoor te beter uitkomen.
-
-Vol diepen zin omgaf van alle kanten rijk beeldwerk de gestalte van den
-God en den troon. Op de punt van den schepter zat een adelaar, gouden
-leeuwenbeelden versierden de bank, waarop de voeten van den beheerscher
-der Goden rustten, Sphinxen droegen de leuningen van den troonzetel,
-zinnebeelden van de onnaspeurlijke raadsbesluiten van Cronion [360]. Op
-de zijvlakken van den troonzetel schitterden, door de hand van Panaenus
-geschilderd, in hellen kleurengloed de daden van Heracles, den
-beroemden zoon van Zeus. Andere heldendaden prijkten er nevens: alsmede
-de afbeeldingen van verschillende wedstrijden te Olympia.
-
-Op de breede vlakte van het voetstuk echter, waarop de troon zich
-verhief, steeg de heerlijkste dochter van Zeus, de gouden Aphrodite,
-uit het schuim der zee.
-
-Goddelijk genadig was het aangezicht van den Olympiër en toch vol
-onbeschrijfelijk verheven ernst. De milde goedheid was met strenge
-kracht en diepe wijsheid vereenigd. Machtig echter en overweldigend was
-de uitdrukking der hoogste majesteit.
-
-Aspasia verborg schier ontsteld het hoofd aan de borst van Pericles.
-Een schier onaangename indruk maakte op haar deze schitterende,
-overweldigende gestalte. Hier was niets vrouwelijks meer onder het
-goddelijke gemengd, zooals in de gestalte van den jonkvrouwelijke
-Pallas Athene. Hier was de manlijk ernstige, de strenge macht van den
-beheerscher der Goden tot de hoogste uitdrukking gebracht.
-
-Aspasia voelde bij dit gezicht eene diepe smart, die haar boezem
-doorvlijmde...
-
-Ook het Arcadisch meisje was in het eerste oogenblik hevig ontsteld:
-spoedig daarop echter kwam zij tot zich zelve en staarde naar den God
-met het vertrouwen van een kind.
-
-Het onweder was zacht en langzamerhand nader gekomen. Men zag door de
-opening van den tempel de bliksemflitsen door den hemel schieten en men
-hoorde uit de verte den rollenden donder.
-
-Aspasia wilde Pericles met zich medetrekken. Maar hij bleef in stomme
-verbazing, als in den grond geworteld, verzonken. Ook hij was gewoon
-van de beeldende kunst een liefelijken indruk te ontvangen. Hier echter
-zag hij het verhevene tegenover zich in nooit geëvenaarde gestalte. Het
-was, als lag er eene nieuwe openbaring in dit godsbeeld.
-
-Daarbuiten rolde al nader en nader de donder.
-
-Plotseling sloeg een bliksemstraal door de opening van het tempeldak.
-
-Pericles en Aspasia verloren voor een oogenblik hunne bezinning.
-
-Toen de helle gloed hunne oogen niet meer verblindde, zagen zij eene
-marmeren plaat in de ruimte van den tempel, waarop de twaalf Olympische
-Goden en reliëf waren afgebeeld, door den bliksem zwart gemaakt en
-gebarsten...
-
-Het gelaat van Zeus had in den rossen gloed des bliksems een oogenblik
-eene vreeselijke, Titanische uitdrukking gehad. ’t Was, alsof zijne
-hand den bliksem had geslingerd, die zijne Olympische medegoden had
-verbrijzeld...
-
-Maar nu schitterde het gelaat des Gods weder in rustige majesteit,
-zoodat bij zijn aanblik de schrik dier bliksemflits was verzacht en
-verdwenen. Zoo groot scheen de God dat de bliksemstralen hem slechts
-als een onbeduidende, matte vonkenregen omgaven.
-
-„Deze God van Phidias,” sprak Pericles, in diep gepeins verzonken, „is
-te groot voor de tempels der Hellenen. Hij streeft met zijn hoofd
-opwaarts naar het onbereikbare, naar het oneindige...”
-
-Slechts noode volgde Pericles eindelijk Aspasia op haar dringend
-verzoek.
-
-Zij zochten Phidias op.
-
-Deze echter had ongezien beiden nauwlettend gadegeslagen, terwijl zij
-voor het beeld des Gods in stomme verbazing stonden.
-
-Nu verliet hij den tempel, om zich aan hunne loftuitingen te
-onttrekken.
-
-Hij bleef voor hen verborgen.
-
-Toen Pericles en Aspasia in diepe gepeinzen verzonken in hunne woning
-waren teruggekeerd, schudde Aspasia den indruk van den ernstigen,
-verheven indruk van hare ziel af, evenals een vogel de parelende
-regendruppels van zijn lichte vederen afschudt.
-
-Niet alzoo Pericles.
-
-Doch Aspasia rustte niet, alvorens zij den Olympischen ernst van zijn
-voorhoofd had verdreven.
-
-Eindelijk trad ook bij hem het verbijsterend gevoel der verhevenheid
-van den onder bliksem en donder gezienen God op den achtergrond, en de
-bewondering van den onvergelijkelijken meester verkreeg in zijne
-ontroerde ziel de overhand.
-
-Nog met gesloten oogen, zag dien nacht in de sluimering het meisje van
-Arcadië zich omgolfd door lichtstroomen, wonderbaar vermengd met den
-gloed van goud, den glans van elpenbeen en het geflonker van den rossen
-bliksem.
-
-Pericles ontwaakte een paar maal verschrikt uit zijn slaap. Hij had
-gedroomd, dat de zittende God van Phidias zich in zijne geheele grootte
-had opgericht en met zijn hoofd het dak des tempels tot puin had
-gestooten.
-
-Aspasia had een anderen, even zonderlingen droom.
-
-Zij zag den adelaar van Zeus, zooals hij van de punt des schepters
-neervloog naar het voetstuk en daar met zijn snavel de duiven der
-gouden, vroolijk lachende, zalige Aphrodite de oogen uitpikte...
-
-
-
-
-
-
-
-XIX.
-
-HET KIND DES LICHTS EN DE PRIESTERS DER DUISTERNIS.
-
-
-Een zonderling contrast vormden gene Ionische uren van zaligheid en
-deze Peloponnesische tochten van Pericles en Aspasia! Ginds, aan
-Milete’s vroolijk strand, trok de zegevierende vrouwelijkheid met haar
-zachten arm een tooverkring om den Atheenschen held; hier te midden van
-statige bergkruinen openbaarde zich de mannelijke Dorische geest in
-velerlei zaken, die geschikt waren het gemoed ernstig te stemmen in
-Pericles’ ziel. Hier stortte de natuur zelve eene soort van ernstige
-huivering in zijn gemoed; hier spraken tot hem eeuwenoude overblijfsels
-van een heldhaftig verleden, tegenover welke de latere stervelingen
-zich alleen als een zwak en verbasterd geslacht moesten gevoelen. Hier
-werd op plaatsen wier sagen aan de oude heldenwereld onmiddellijk zich
-aansloten, een eeredienst en een wedstrijd der mannelijkheid gehouden,
-in staat, zooals Aspasia te recht gevoelde, om in de ziel van den Griek
-gezindheden te wekken, aan te kweeken en te onderhouden, die de
-overwinning der schoonheid en vrouwelijkheid op elk gebied des levens
-eerder verhinderen dan bevorderen konden. In de bergachtige oorden der
-herders had Pericles een eenvoudig, als men wil, een idyllisch leven
-gezien, dat nog ongerept was door den adem der beschaving en dat
-beschouwingen, gevoelens, verwachtingen koesterde, die wellicht den
-ondergang van den echt Helleenschen geest afwachtten, om met een
-grauwen, eentonigen nevel de vroolijke, Helleensche wereld te omhullen.
-Hier had zelfs de kunst van den Athener, in den tempel van den
-Olympischen Koning der Goden, haar hoogste en laatste schepping
-gewrocht en den triomf van het ernstig verhevene over het bevallig
-schoone, voor het oog van den Griek, zoo ’t scheen, voor eeuwig
-bezegeld.
-
-Bijna lijnrecht stond Aspasia tegenover deze aandoeningen en gevoelens,
-die Pericles koesterde. Want hunne karakters waren niet geheel gelijk,
-en hunne betrekking tot de buitenwereld was geheel verschillend.
-Aspasia was de naar alle kanten werkende, gevende, bezielende;
-Pericles, zonder afbreuk te doen aan zijne mannelijke kracht, was de
-echte Helleen, die elken indruk rondom zich opving en opnam in zijne
-edele ziel. Hij was, gelijk het Helleensche volk, met zijn ontvankelijk
-gemoed tusschen de uitersten geplaatst; en evenals het Helleensche volk
-en de Helleensche geest, doorleefde hij onder de afwisseling van deze
-invloeden en uitersten, eene ontwikkeling, eene inwendige geschiedenis,
-wier doel en einde nog niet te overzien waren; terwijl Aspasia
-onwrikbaar en onveranderlijk vast stond op den hechten grond van haar
-karakter als de betooverende voorvechtster van Helleensche levenslust
-en de alverwinnende kracht van het schoone.
-
-Was het niet te vreezen, dat door deze zachte tegenstelling, tot heden
-onder de rozengaarde der liefde en van het geluk verborgen, de schoone
-harmonie van het leven der liefde, dat het edele, schoone paar ten
-toppunt van geluk voerde, eenmaal zou kunnen worden verstoord?
-
-Wèl hing dat gevaar boven hunne hoofden, maar de rozen der liefde
-schenen voor dit paar onverwelkelijk te zijn en een onvergankelijken
-toovergeur te verspreiden.
-
-Nog altijd immers bleef Pericles de ontvankelijke en ontvangende,
-Aspasia de zegevierend werkende, de gevende.
-
-In hunne gesprekken hadden zij wel is waar dikwijls verschil en niet
-zelden geloofde Pericles de geliefde vrouw tot zijne meening
-overgehaald en in zijne stemming gebracht te hebben, doch ten laatste
-bemerkte hij gewoonlijk, dat zij het was, die hem van gevoelen en
-stemming veranderd had, dat het onmogelijk was de machtige betoovering,
-die in de hand dezer onvergelijkelijke vrouw gelegd was, geheel en al
-van zich af te weren. Steeds liet hij zich door de schoone terugvoeren
-tot het standpunt van eene meer vrije en opgeruimde levensbeschouwing.
-Steeds opnieuw werd de schoone harmonie der beide zielen weder
-hersteld, steeds opnieuw verwezenlijkten zij het ideaal van het
-Helleensche leven op zijn glanspunt, en boden een schouwspel aan,
-waarop de Olympiërs met trots en blijdschap nederzagen.
-
-Aspasia verstond het voortreffelijk, om de nevelen weg te vagen van ’t
-voorhoofd van haar echtgenoot. Of zij voor altijd in staat zou zijn de
-nieuw ontspruitende kiemen van zijn inwendig leven te verstikken, den
-gang zijner innerlijke ontwikkeling tegen te gaan, dit was natuurlijk
-voor ’t oogenblik onmogelijk uit te maken.
-
-Zeker is ’t echter, dat Aspasia de gave had om de scherts van
-Anacreon’s liederen betooverend in den ernst te mengen, waarmede de
-hymnen van Pindarus Pericles hadden bezield, en te zorgen, dat tusschen
-hen beiden de echte Grieksche zin nog steeds zijn recht handhaafde.—
-
-In het kleine voorval met Alcamenes had het verleden eene vluchtige
-schaduw op het huwelijksgeluk van Pericles geworpen. Aspasia ademde
-ruimer, toen zij met haar gemaal, terugkeerende van Olympia naar
-Athene, den bodem van Peloponnesus achter den rug had. Zij vermoedde
-niet, welk verdriet haar op Attica’s bodem zelf, onmiddellijk vóór het
-bereiken van hun doel wachtte.
-
-Terwijl Phidias te Olympia zijn Zeus voor geheel Hellas schiep, gelijk
-hij vroeger te Athene de Pallas Athene alleen voor de Atheners had
-gebeiteld, was zijn vroegere makker en vriend Ictinus in de Attische
-mysteriënstad Eleusis werkzaam geweest, werwaarts hij ontboden was, om
-een nieuwen tempel voor Demeter te bouwen, ter viering der groote
-mysteriën.
-
-Daar de dagen voor de viering der mysteriën niet ver meer af waren,
-bevond zich Hipponicus, die bij deze plechtigheid de in zijn geslacht
-erfelijke waardigheid van daduchus bekleedde, juist te Eleusis, waar
-hij een landgoed bewoonde, zooals ook andere rijke Atheners in de
-omstreken van het schoon gelegen Eleusis bezaten. Want de stad lag niet
-ver van het strand nabij de vaart van Salamis en vlak tegenover dit
-eiland. Tegen de heuvels aan lagen de woningen der burgers en de groote
-tempelgebouwen met hun uitgestrekt en heilig gebied, waarin zij
-stonden.
-
-Pericles nam bij Hipponicus zijn intrek gedurende den tijd, dat hij te
-Eleusis zou vertoeven.
-
-De eerste dag was gewijd aan de bezichtiging van den nieuwen, grooten,
-door Ictinus voltooiden tempel, die, voor de viering der mysteriën
-ingericht, vele onderaardsche vertrekken en labyrinthische gangen van
-ontzettende grootte bevatte; plaatsen bij uitnemendheid geschikt voor
-die geheimzinnige plechtigheden, die het alleen den ingewijden
-veroorloofd was te aanschouwen.
-
-De Eleusinische mysteriën waren nu een onderwerp, waartegen Aspasia
-zich terstond op de meest beslissende wijze met al de scherpte van haar
-geest en vernuft verklaarde. Haar scheen alles, wat zich aan het licht
-onttrok, wat de duisternis zocht, wat zich hulde in den sluier van het
-geheimzinnige, gepaard te gaan met bijgeloof en dweeperij, en zoo zag
-zij ook in deze mysteriën een gevaar voor den vrijen, naar het licht
-strevenden geest der Hellenen.
-
-Toen zij de vereering en het heilig ontzag der Atheners voor deze
-mysteriën laakte, zei Pericles: „Misschien is dit ontzag der Hellenen
-de zich heimelijk openbarende vereering van den menschelijken geest in
-’t algemeen voor de geheimen, die nog onopgelost in de diepte van zijne
-eigen ziel sluimeren. Wie weet, hoe vele openbaringen de menschelijke
-geest nog te voorschijn brengt uit deze heilige diepte!”
-
-„Ik wil niets hooren van openbaringen in de toekomst!” hernam Aspasia.
-„De openbaring van het tegenwoordige is de openbaring van het schoone
-menschelijke, en alles wat zou kunnen volgen, zou slechts iets minders
-zijn. Klemmen wij ons met hart en ziel en alle vezelen van ons wezen
-vast aan het schoone, vroolijke heden!”—
-
-Pericles wees Aspasia op den daduchus Hipponicus, en vroeg haar of dan
-deze man, wiens lichaamsgestalte al ronder en ronder werd en wiens blos
-zich al schitterender en schitterender voordeed, soms een spoor van
-dweepzucht vertoonde? En toch was hij niet alleen een ingewijde, maar
-zelfs bekleedde hij eene priesterwaardigheid te Eleus en behoorde tot
-hen, die de inwijding der mysten [361] voltrokken.
-
-Aspasia antwoordde, dat zij, welke anderen in het rijk van bijgeloof en
-dweepzucht binnenvoeren, niet zelden van een geheel andere meening
-waren, dan die zij anderen trachten op te dringen. „Somwijlen echter,”
-zeide zij, „gelijken ook de dragers en verkondigers van heilige
-geheimzinnigheden op de muildieren, die hier en daar volgens een oud
-gebruik tot drager van heilig tempelgereedschap of godenbeelden
-gebezigd worden en op wie niets van den goddelijken zegen nederdaalt,
-dien zij voor anderen op hun rug dragen en uitdeelen. De „onschuldige
-Hipponicus,” voegde Aspasia er bij, „schijnt mij tot deze laatste soort
-te behooren.”
-
-Hipponicus was trotsch op zijne waardigheid van daduchus, omdat daaraan
-inderdaad eene eer onder het Helleensche volk verbonden was. Doch wat
-overigens er mede gepaard ging en wat ze van hem eischte, daartoe
-gevoelde hij zich waarlijk niet door eene innerlijke aandrift
-gedrongen, noch door een persoonlijke neiging geroepen; de
-omstandigheid alleen, dat hij tot het geslacht behoorde, waaruit de
-daduchen van Eleusis plachten gekozen te worden en dat die keuze hem te
-beurt gevallen was, had hem met de priesterlijke waardigheid bekleed.
-
-Hij verdedigde tegenover Pericles’ gade de mysteriën, doch als eene
-zaak, die hij wel is waar vertegenwoordigde, maar zonder er zich veel
-aan gelegen te laten liggen.
-
-Afkeerig van wijsgeerige beschouwingen, stelde hij zich tevreden met
-Aspasia op een schilderij te wijzen, die den wand zijner eetzaal
-versierde. Deze schilderij was van de hand van Polygnotes en stelde het
-bezoek voor, dat de zwerver Odysseus in het rijk der schaduwen bracht.
-De Hades was afgeschilderd met al zijne verschrikkingen, en onder de
-bleeke schimmen bewoog zich onvervaard de nog levende vorst van Ithaca.
-[362]
-
-Toen Pericles met Aspasia de schilderij beschouwde, bemerkte hij als
-ingewijde aanstonds, dat sommige bijzonderheden toespelingen bevatten
-op de Eleusinische mysteriën. Hipponicus bevestigde dit en sprak tot
-Aspasia.
-
-„Zoo veel is mij wel geoorloofd te zeggen, dat de weg naar het heilige
-licht van Eleusis door den Hades voert en door de verschrikkingen des
-„erebos”. Wat echter de profanen betreft en hen, die hardnekkig
-versmaden zich te laten inwijden, hun lot in de onderwereld is voor de
-deskundigen op deze schilderij zeer aanschouwelijk voorgesteld.”
-
-Zoo sprak Hipponicus en ried Aspasia ernstig aan zich te laten
-inwijden; hij herinnerde haar tevens, dat, naar de algemeene
-overtuiging der Hellenen, zij die in de mysteriën van Demeter te
-Eleusis ingewijd zijn, na hun dood in zalige gewesten zullen wandelen:
-terwijl daarentegen den niet ingewijden beschoren is ten eeuwigen tijde
-in akelige duisternis en eenzaamheid te smachten.
-
-„Ik heb dit dikwijls hooren beweren,” zei Aspasia, „en ’t klonk mij
-steeds in de ooren, alsof iemand op eene slecht gestemde cither
-onharmonische tonen aanslaat of over eene glasplaat met een puntig
-ijzer heen en weder krast. Het is verbazend, waaraan zelfs Helleensche
-ooren zich kunnen gewennen. Ik weet, dat er menschen zijn, die, als zij
-’t einde van hun leven voelen naderen, zich nog spoedig doen inwijden,
-en velen haasten zich zelfs hunne kinderen reeds in prille jeugd dit
-heil deelachtig te doen worden.”
-
-„Ik ben zelf,” zei Pericles, „zooals bijna alle Atheners een ingewijde
-en gaarne zou ik bereid zijn, ook deze geheimzinnigheden evenals alle
-andere u mede te deelen.”—
-
-„Ik begrijp,” hernam Aspasia, „dat voor de dwazen het bijgeloof, voor
-de verstandigen de nieuwsgierigheid een voldoende reden is, om zich te
-laten inwijden. Op het recht van nieuwsgierigheid echter heb ik als
-vrouw dubbele aanspraak. Wat moet ik doen, Hipponicus, om de wijding
-deelachtig te worden?”
-
-„De zaak is eenvoudig,” zei Hipponicus. „Gij meldt u in het volgende
-jaar bij de viering der kleine Eleusinische mysteriën te Athene aan,
-gij ontvangt daar op de voorspraak van een reeds ingewijde, de kleinere
-wijding en begeeft u een half jaar later met den Eleusinischen
-feeststoet van Athene herwaarts naar Eleusis, om hier de groote wijding
-deelachtig te worden en de eigenlijke geheime plechtigheden te
-aanschouwen.”
-
-„Hoe?” riep Aspasia, „moet ik zoolang mijne nieuwsgierigheid bedwingen?
-Moet ik de kleine Eleusiniën afwachten en dan nog een half jaar zien
-verloopen, voor de geheimen mij geopenbaard zullen worden? Zijt gij
-niet daduchus, Hipponicus, en kunt gij als zoodanig voor mij de gunst
-niet verkrijgen, dat ik de kleinere wijding nu hier tegelijk met de
-grootere ontvang?”
-
-„Onmogelijk!” hernam Hipponicus.
-
-„Wat verhindert u daarin?” vroeg Aspasia.
-
-„De tijd tusschen de beide wijdingen is vastgesteld door het heilige
-gebruik,” antwoordde de daduchus.
-
-„Gij kunt mij over dat heilige gebruik heen helpen!” bracht Aspasia in
-het midden.
-
-„De hiërophantes [363] is een van die strenge en ernstige mannen,
-zooals Diopithes te Athene,” hernam Hipponicus. „Zou ik mij den toorn
-van dien opperpriester op den hals willen halen?”
-
-Aspasia bleef bij haar verzoek volharden, maar de daduchus herhaalde
-zijn: „Onmogelijk.” Hij was een vijand van verwikkelingen en
-moeilijkheden. Hij gevoelde niet den minsten lust de gansche
-Eleusinische priesterkaste tegen zich in ’t harnas te jagen. Hij hield
-van vrede en behagelijke rust.
-
-Den volgenden dag kwam de Eleusinische optocht van Athene naar Eleusis.
-Pericles en Aspasia bevonden zich met Hipponicus onder hen, die als
-toeschouwers de schare ontmoetten, toen deze bij vele duizenden den
-heiligen weg langs trok. Terwijl de blikken van Aspasia zweefden over
-de in den optocht gedragen heilige voorwerpen en over de schaar der
-mysten zelve, allen met mirt en klimop omkranst, korenaren en
-akkergereedschappen dragend, ter eere van Demeter, die de graanvruchten
-doet gedijen, ontmoetten haar eensklaps—want de aankomst van den
-Eleusinischen stoet greep in het schemerend avonduur plaats—in de bonte
-menigte van gezichten, de matte oogen en de slap hangende wangen van
-Telesippe.
-
-Telesippe’s gemaal, die door den invloed van Pericles telkens opnieuw
-tot Archon Basileus was gekozen, wien ook de leiding van de
-Eleusinische mysteriën was opgedragen, liep te midden der Atheensche
-priesters en overheidspersonen; Telesippe stapte als Basilissa [364] en
-deelgenoote zijner godsdienstige waardigheden en verrichtingen, met
-fier opgericht hoofd aan zijne zijde.
-
-Vol waardigheid schreed de vrouw van den Archon Basileus voort in al
-den omvang harer welgedane gestalte, en toen haar blik, trotsch ter
-rechter en linker zijde dwalend, op haar vroegeren gemaal en de
-Milesische naast hem viel, toen richtte zij het hoofd nog hooger op en
-een trek van innige verachting vertoonde zich om hare dikke lippen. Zoo
-plechtig was haar uiterlijk, als stond zij nu wederom op het
-Lenaeën-feest als „de mystische gade van den God” in den tempel van
-Dionysus, aan het hoofd harer onderdanige priesteressen, geheimzinnige
-gebruiken volvoerend, die geen mannenoog mocht aanschouwen en
-waaromtrent zij de deelgenooten allerplechtigst de gelofte van
-stilzwijgendheid afnam.
-
-Toen Aspasia de vrouw zag, zoo fier in het bewustzijn harer
-priesterlijke waardigheid, en een pijl van de diepste minachting uit
-hare afgunstige oogen afschietend, ontwaakte de oude haat weder en de
-bittere spotlust in het gemoed van de Ionische.—
-
-„Zie eens,” zeide ze lachend tot Pericles, „zie eens, hoe zij daar
-praalt, met dat glimmend vet op hare ledematen, de waardige Telesippe!
-Nadat zij de echte vrouw van twee sterfelijke mannen is geweest, is zij
-nu zelfs de mystische gemalin van den God Dionysus geworden! ’t Zou mij
-echter zeer verwonderen, als de jeugdige God haar niet spoedig ook aan
-een ander overdeed en wel aan Silenus zijn dikbuikigen makker: want
-voor dezen schijnt zij geheel als geschapen!”
-
-Eenige woorden van deze bittere spotternij drongen door tot Telesippe’s
-oor. Nog beter echter werden zij gehoord door Elpinice en den ziener
-Lampon, die achter Telesippe in den optocht gingen, en die, evenals
-zij, op Pericles alsmede op de Milesische in ’t voorbijgaan scherpe en
-loerende blikken gevestigd hadden. Blikken van met moeite onderdrukte
-verbittering werden op de vermetele geworpen, en eene stilzwijgende
-gelofte om de lang gezworen wraak te bespoedigen, rees tegelijkertijd
-in de drie gekrenkte gemoederen op.
-
-In den nacht stroomden langs het strand van den Eleusinischen zeeboezem
-de feestreien, aangevoerd door den God Iacchus met brandende toorts.
-Hier flonkerde het nachtelijk schijnsel over de met bloemen bezaaide
-dreven, en rondom den God slingerde zich de bezielde schare, den bodem
-stampend in den dans, de golvende lokken schuddend, doorstrengeld met
-den mirtekrans, en de zwellende, rijpende druif in dien krans. In
-tallooze bochten kronkelde zich de rei met de hoog gezwaaide fakkels.
-Een myst gaf telkens de fakkel aan den anderen. De mystische
-fakkelglans werd als heilig beschouwd en de daaraf spattende vonken als
-een louteringsmiddel van de zielen dergenen, die zij troffen.
-
-Met het aanbreken van den avond, die aan de voorafgaande feestviering
-een einde maakte en vóór de geheimenissen in den wijtempel plaats
-grepen, moesten de mysten zich door tal van reinigingen, geloften,
-gebeden en ander heilige gebruiken voor de wijding voorbereiden.
-
-Onophoudelijk had Aspasia inmiddels bij Hipponicus den wensch
-hernieuwd, om door zijne bemiddeling in de mysteriën te worden
-ingewijd.
-
-Hipponicus herinnerde haar, dat de viering der mysteriën onder het
-toezicht stond van den Archon Basileus, den echtgenoot van Telesippe,
-en dat, evenals de Archon Basileus het oppertoezicht over de
-Eleusinische priesters had, zoo zijne gemalin over de priesteressen van
-Eleusis als Basilessa gesteld was, tijdens de viering der mysteriën.
-
-Dit alles scheen de eigenzinnigheid van Aspasia nog meer te prikkelen:
-en toch zou ’t haar bezwaarlijk gelukt zijn den tegenstand van
-Hipponicus te verwinnen, ware ’t hem thans niet tegenover de gade van
-Pericles gegaan, als Alcamenes te Olympia. Niet te vergeefs koesterde
-hij in zijn huis den gloed, die zijn hart reeds eenmaal had verzengd.
-Aspasia, gedachtig aan het voorval met Alcamenes, zou anders wel op
-hare hoede geweest zijn, om dit vuur opnieuw aan te blazen en een
-gevaar te vermijden, dat haar om Pericles’ wil noodlottig had kunnen
-zijn, maar zij had zich nu eenmaal in ’t hoofd gezet, datgene, wat zij
-wilde bestrijden, nauwkeurig te onderzoeken, ten einde het met te
-grooter kracht te kunnen aantasten. Zij zag met voldoening den
-minnegloed van Hipponicus, dien zij overigens verachtte, opnieuw
-opvlammen; het was haar immers een waarborg, dat hij ten laatste haar
-vurig verlangen zou inwilligen.
-
-En zoo geschiedde het ook. De daduchus gaf eindelijk toe, om de
-kleinere wijding, die Aspasia reeds vóór een half jaar moest ontvangen
-hebben, haar thans toe te dienen. Hij wist den zoogenaamden mystagoog
-[365] voor zich te winnen, wiens plicht het vooral was bij de kleinere
-Eleusiniën te Athene de „duisterlingen” voor te bereiden en in den
-„tempel” binnen te leiden. De daduchus liet Aspasia, nadat de
-reinigings-ceremoniën afgeloopen waren, op de vacht van een aan Zeus
-geofferd lam staan, vervolgens onderrichtte haar de mystagoog in zekere
-gebruiken en formulieren, die zij in den tempel noodig had, om te
-bewijzen, dat zij ingewijd was, opdat haar de toegang met de mysten tot
-het binnenste van ’t heiligdom niet geweigerd zou worden. Eindelijk
-liet hij haar zweren, dat zij omtrent alles, wat zij in het huis der
-groote wijding zien en hooren zou, een onverbreekbaar stilzwijgen voor
-eeuwig zou in acht nemen.
-
-Niet te gelijk werden, toen de dagen der wijding gekomen waren, alle
-mysten binnen geleid, maar de eene afdeeling volgde op de andere.
-
-Onder de schare van mysten, die het eerst werd toegelaten, bevonden
-zich Pericles en Aspasia.
-
-Een glimlach zweefde om de lippen van Aspasia toen zij met deze schaar,
-geleid door de mystagoog, het binnenste van ’t heiligdom betrad en den
-Hiërophantes, benevens de overige offerpriesters en helpers, in
-schitterend en veelbeteekenend gewaad gedost zag, met diademen op de
-vrij langs de schouders neergolvende lokken, statige grijsaards,
-eerbiedwaardig van uiterlijk, die daarenboven geheimzinnige symbolen
-ten toon droegen; te midden van hen de daduchus met eene fakkel in de
-hand.
-
-En nog bekoorlijker lachte de schoone Milesische, toen nu de „heilige
-heraut” zijne stem verhief voor de verzamelde mysten, met den eisch,
-dat ieder, die niet de wijdingen had ontvangen, zich zou verwijderen,
-alsmede ieder, wiens hand niet rein van schuld en niet waardig
-voorbereid was, om het heilige licht van Eleusis te aanschouwen; hen
-ten laatste nogmaals den plechtigen eed afnemende, een eeuwig zwijgen
-te bewaren over datgene, wat zij zouden hooren en zien. Hierop werd
-ieder afzonderlijk eene vraag in het oor gefluisterd, die alleen de
-myst kon begrijpen en die hij even zacht weder in het oor van den
-vrager beantwoordde, terwijl door een onzichtbaar koor de plechtige
-hymnus op de Godinnen van Eleusis aangeheven werd.
-
-En nog steeds zweefde die fijne glimlach om de geestige lippen van
-Aspasia, toen de mysten in het binnenste van den tempel waren
-binnengeleid en zekere heilige voorwerpen hun daar ’t eerst getoond
-werden, overblijfselen uit eeuwenoude tijden, zinnebeelden der
-zegeningen en mysteriën van den Eleusinischen eeredienst, hun tevens
-aangeboden om aan te raken en te kussen en met gewijd woord uit den
-mond van den Hiërophantes uitgelegd.
-
-En met denzelfden glimlach volgde Aspasia de mimische voorstellingen
-der heilige sagen, aanschouwelijk en aangrijpend om te zien in de
-geheimzinnige schemering van den tempel, begeleid door de liefelijke
-tonen van fluit- en snarenspel.
-
-Nu echter werd de schare van mysten langs trappen naar onderaardsche
-gewelven en gangen gevoerd. Weldra zagen zij zich door eene volslagen
-duisternis omringd. De zwerftochten begonnen: een lang, moeitevol,
-doelloos ronddolen in het nachtelijk donker. Alleen de stem van den
-Hiërophantes weerklonk ernstig en waardig en strekte door zinrijke
-spreuken en waarschuwingen tot gids in dien donkeren, labyrinthischen
-zwerftocht.
-
-Plotseling hoorde men een dof gedreun, alsof de grondvesten der aarde
-trilden: het scheen gehuil, gesteen, geluid van ruischend water en
-geratel van den rollenden donder dooreen gemengd.—De straks nog rustige
-schare der mysten greep een angstige verbazing aan, zij begon te
-sidderen en te beven, het klamme angstzweet parelde zich op het
-voorhoofd.
-
-Steeds grooter echter werden de verschrikkingen; want bij het schijnsel
-van als bliksem, schitterende vlammen, die afwisselend uit den grond
-sloegen en wier roode, blauwe, witte of vale kleur schier verblindend
-was, zag men gruwzame spookgestalten, monsters der onderwereld door een
-vluchtigen glans verlicht. Gorgonen met ontzettende koppen, sluipende
-Echidnen [366], vreeselijke Chimaeren [367], die de gestalten van een
-leeuw, eene geit en eene slang in zich vereenigden, tandenknarsende
-Harpyen met gapende muilen, bleeke, bloeddorstige Emphusen met
-hondenkoppen, blaffende Scylla’s [368] en het huiveringwekkende beeld
-van Hecate. Doch steeds ontzettender werden de verschrikkingen.
-Eindelijk verscheen in een vaal licht Thanatos, de God des doods,
-zittend op doodsbeenderen, in donker, nachtelijk gewaad, het voorhoofd
-omkranst met affodil [369], met eene omlaag gehouden fakkel in de hand,
-naast hem een vale klepper, waarmede hij in vliegende vaart onmetelijke
-afstanden aflegt.
-
-Rondom hem waren zijne getrouwen gelegerd; Eurynomus de daemon der
-vernietiging, een der geesten van den Hades, wiens taak het was het
-vleesch der lijken tot op de beenderen af te knagen. Hij zat op zijn
-aas, gelijk een raaf of gier, en sloeg zijne tanden begeerig in het
-weeke vleesch.
-
-Verder op waren om den valen Thanatos te zien de Pest en de bleeke,
-uitgeteerde Honger, de furie van den oorlog Enyo, benevens de kranke,
-hartdoorknagende, Razernij der liefde en Ate, de Verbijstering, de
-noodlottige daemon der dwaasheid, der verblinding en der schuld.
-
-Aspasia lachte nog altijd, maar haar lach was niet langer bekoorlijker
-en haar gelaat marmerwit...
-
-Terwijl nu echter op een wenk van den Hiërophantes de daduchus zijne
-fakkel aan eene der uit den grond uitslaande vlammen ontstak, en steeds
-huiveringwekkender de melodieën der fluiten en van het onzichtbare koor
-klonken, geraakte de schaar der mysten in een somber, met mephilitische
-[370] dampen gevuld hol. Uit de verte vernam men een dof bruisen als
-van stroomend water en daartusschen het luid geblaf van een
-driekoppigen hond [371].
-
-Toen nu de mysten den langen, donkeren hollen weg afgelegd hadden,
-zagen zij als in een droom eene groote eentoonige, sombere landouw voor
-zich, zoo ’t scheen van slaap verwekkende vochten doortrokken en
-omgeven door somber vlietende stroomen.
-
-Door den staf van den heiligen heraut bezworen, verstomde het geblaf
-van den driekoppigen helhond en de mysten-schaar zag zich omringd door
-de schaduwen des doods, in. het rijk van Persephone [372] waar in het
-vale licht wilgen en zilverpopulieren stonden, bleek en onbewegelijk
-met treurig neerhangende twijgen.
-
-Daarop volgde de Asphodelus-weide, geheel overdekt met de treurige
-doodsbloem, wier bleeke knoppen als droomend op hooge stengels
-wiegelden.
-
-Over deze weiden zweefden de schimmen, de zielen der gestorvenen, heen
-en weder; zij geleken droombeelden of rook; zij waren niet tastbaar,
-zonder menschelijk geluid, alleen met een zacht, eentonig gegons de
-uitgestrekte ruimte des erebus vervullend. Zij waren zich slechts half
-bewust, als verzonken in gepeins en sluimerig, alleen tot volle
-bewustzijn te brengen door een gereikten dronk versch, rookend
-offerbloed.
-
-Nachtvogels fladderden in de lucht, ook zij waren somber en
-spookachtig. Als schimmen met doorschijnende lichamen, gleden ook de
-visschen traag en zonder geluid voort in de wateren der onderwereld.
-Deze stroomen echter, die het erebus omgaven, waren: de Acheron, de
-stroom des eeuwigen lijdens, de tranenstroom Cocytus [373], de
-vuurstroom Pyriphlegeton [374] en de Styx, met zijne gitzwarte wateren.
-
-Door ’t schemerdonker der zwevende, ijle schimmenwereld gingen de
-mysten als in een droom, geleid door den heiligen heraut verder, totdat
-plotseling eene koperen reusachtige poort met het geweld des donders
-vóór hen opensprong.
-
-Over een koperen drempel betraden zij den Tartarus, de verblijfplaats
-van die zielen, welken het niet vergund was, in een half wakenden, half
-sluimerenden toestand, zonder leed of vreugde, over de Asphodelus-weide
-te zweven; maar zij, die door de wrekende Erinnyen nedergestort waren
-in den dieperen jammervollen afgrond van den Hades.
-
-Eeuwig op het rondwentelend rad gebonden te zijn [375]—door eeuwig
-dreigende, hangende rotsblokken omringd te worden—naar eeuwig
-terugwijkende met vruchten beladen takken met eeuwig onverzadigde
-begeerte de handen uit te strekken [376]—met eeuwig vergeefsche
-krachtinspanning den steeds weder terugrollenden steen bergopwaarts te
-wentelen [377]—de altijd weder wegloopende wateren van vertwijfelende
-inspanning in een bodemloos vat te scheppen [378]—de steeds
-aangroeiende ingewanden aan den beet van een gier [379] en de ledematen
-aan de kronkelingen van de slangen der Erinnyen prijs te geven—een
-speelbal te zijn voor eeuwig in de handen der Stygische
-schrikgestalten: zoodanig was het lot van hen, die de schare der mysten
-op den jammervollen bodem huiveringwekkend aanschouwde.
-
-Talrijk waren zij, de beelden dier folteringen in de onderwereld; het
-talrijkste echter de beelden van een eeuwig vergeefsch, smartelijk
-worstelen en streven.—
-
-Zóó werden de ingewijden door die verschrikkelijke diepten, door het
-lijden des levens en de huivering des doods rondgevoerd en hunne ziel
-was met angst en siddering vervuld.
-
-Plechtig klonk de stem van den Hiërophantes door al deze verschijningen
-en verschrikkingen heen, verklarend en vermanend.
-
-Al vreeselijker en ontzettender werd de onderaardsche duisternis, al
-luider het geween en gesteun der boetelingen.
-
-De stroomen der onderwereld begonnen te bruisen, het geheele
-schimmenrijk scheen in ééne hartverscheurende zucht los te barsten;
-maar ook de schare van hen, die uit de bovenwereld neergedaald waren,
-scheen daarin te deelen en de stemmen aller schepselen zich te
-vereenigen in een oneindig, door de diepste ellende afgeperst: ach!—
-
-Toen scheen op eens een wonderbaar licht uit den schoot der diepste
-duisternis:
-
-Vriendelijke streken doemden op, overdekt met gouden bloemen:
-liefelijke stemmen weerklonken, zalige reien zweefden daarheen over de
-heerlijke velden.
-
-Hier glansde Persephone’s paleis in helder licht. Aan den drempel van
-het paleis stond, met de lyra in de hand, Orpheus, de overoude, heilige
-mysteriën-zanger, en zijn welluidende mond verkondde geheimzinnige
-zaken.
-
-Achter hem lonkte het knaapje Demophoön uit de knetterende vlammen,
-waarmede zijne goddelijke voedster Demeter hem tot schrik zijner
-sterfelijke moeder omgeven had, ongedeerd glimlachend den mysten toe.—
-
-Over de gouden poorten des tempels echter zweefde in vollen glans,
-verlicht door de helderste stralen, het symbool der gevleugelde Psyche,
-niet meer als eene schim in den Hades rondwarend, maar over
-Asphodelusweiden en Tartarus en Elysium [380] zich verheffend naar den
-haar verwanten, goddelijken aether.—
-
-Nu werden de mysten door de poort gevoerd om in waarheid ziende te
-worden. Hier werd voor hen het nog onuitgesproken gedeelte der
-geheimenissen onthuld. Hier verscheen hun, nochtans aan ieder naar de
-eigen kracht zijner oogen, in luisterrijken glans: het volle, heilige
-licht van Eleusis.—
-
-Op den dag, die op de inwijding van Aspasia in de Eleusinische
-geheimenissen, aan de zijde van haar gemaal Pericles met een groot deel
-der mysten, volgde, bevond de Milesische zich in een verwarde,
-eigenaardig veranderde stemming. Haar geheele wezen was door ontroering
-aangegrepen, haar zenuwgestel geschokt, zij was schier koortsachtig. In
-een levendig gesprek met Pericles over hetgeen zij met hem gezien en
-gehoord had, zocht zij de gestoorde harmonie van haar gemoed weder te
-verkrijgen. Want evenals er nachtvogels zijn en ander nachtgebroedsel,
-wier oog de duisternis liefheeft en den helderen straal van licht niet
-kan verdragen, zoo zijn er van den anderen kant ook kinderen des
-lichts, die zich alleen in den gouden glans van het hun bekende en
-verwante element wel bevinden en niet in de donkere afgronden van den
-nacht kunnen staren. Tot dezen behoorde Aspasia. Een blik in de
-duisternis echter, een staren in den zwarten nacht, kwam haar die tocht
-voor, en wat zich het heilige licht van Eleusis noemde, scheen haar
-geen licht, integendeel eene andere soort van duisternis; want het was
-somber en voerde door somberheden heen. Zij echter kon zich het licht
-alleen vroolijk denken. Voor haar gold als licht alleen datgene, wat
-schitterde en tot opgewektheid stemde te gelijk. Het vale, kille,
-spookachtige schemerdonker, waarna het oogverblindend schelle licht,
-dat de Hiërophantes van Eleusis in de diepten des levens deed vallen,
-scheen haar een snood contrast met het ware, rooskleurige licht.
-Goochelspel en ijdele bangmakerij noemde zij de aan tooverij grenzende
-phantastische kunsten der Eleusinische priesters.
-
-Zoo gevoelde zij zich dus aangedaan en geschokt, door eene pijnlijke
-onrust aangegrepen en meer dan ooit tot tegenspraak geprikkeld.
-
-’t Was intusschen in het van vreemdelingen, voornamelijk van Atheners,
-wemelende Eleusis geen geheim gebleven, dat Aspasia aan de zijde van
-haar gemaal zich in de mysteriën had laten inwijden. Maar ook van de
-bijkomende omstandigheden dezer wijding waren zij, die met het scherpe
-oog der afgunst het doen en laten der Milesische naspeurden, al heel
-spoedig onderricht. De ergsten hare vijandinnen, nog onlangs op nieuw
-beleedigd en tot wraak aangezet, vertoefden te Eleusis, en Lampon liet
-zich niet onbetuigd, de brave, vol-ijverige Lampon, die het vertrouwen
-en de vriendschap van Telesippe in nog hoogere mate had weten te
-winnen, sedert zij de gade van een opperpriester was geworden, en die
-zich voortreffelijk leende tot een werktuig van de wraakzuchtige vrouw
-en haar intrigeerende vriendin. Den argeloozen mystagoog had Lampon
-weldra het geheim van het vermetel waagstuk ontlokt, waardoor Aspasia
-tegen alle heilige regelen in de mysteriën was binnengeleid. Door hem
-werden de vijandinnen op de hoogte dier zaak gebracht.
-
-Weldra werd de Archon Basileus, de handhaver der heilige wetten, van
-deze misdaad verwittigd en een onweder pakte zich samen boven het hoofd
-van Aspasia en haar medeplichtige, Hipponicus, die haar tegen de
-heilige gebruiken, tot hare wijding de behulpzame hand had geleend.
-
-Nog wist Aspasia niets van het dreigend gevaar, en eer zij daarvan in
-kennis werd gesteld, wedervoer haar ten huize van den daduchus een
-onaangenaam geval van gansch anderen aard.
-
-Aspasia zat met Pericles en hun gastheer Hipponicus aan het ontbijt.
-Het heilig gebruik verordende in den tijd der viering van de mysteriën
-eene zekere onthouding; des te meer vermaak schepte Aspasia er in, den
-ouden drinkenbroer Hipponicus door vroolijke drinkliederen en scoliën
-op te wekken, ten einde hem meer aan den bezielenden God Iacchus dan
-aan de strenge Persephone te doen denken. Hij sprak den beker vlijtig
-aan en al vuriger en vuriger begonnen zijne oogen te schitteren,
-terwijl de bekoorlijke vrouw tegen den somberen ernst der mysteriën te
-velde trok en tegen al wat somber was in ’t algemeen, ook tegen het
-sombere begrip van plicht, waartegen zij het vroolijk recht des levens
-en der vreugde plaatste.
-
-Pericles verwijderde zich om een ambtgenoot, die zich te Eleusis
-bevond, op te zoeken en Aspasia begaf zich naar haar vertrek.
-
-Plotseling stond de dronken Hipponicus voor haar en begon haar
-verwijtingen toe te voegen.
-
-„Vrouw!” riep hij uit met dubbelslaande tong, „uw naam is ondank! Heb
-ik u niet te Megara uit moeilijke verwikkelingen gered? En wat was mijn
-loon daarvoor? En heb ik mij nu niet weder onverschrokken voor u in
-gevaar gestort, door u, tegen alle heilige gebruiken, in de groote
-mysteriën binnen te smokkelen? En zal ik ook daarvoor geen dank
-inoogsten, zelfs niet den geringsten? Eilieve, daar gij toch zoo
-vrijzinnig zijt, waarom zijt gij dan tegenover mij zoo preutsch? Vreest
-gij misschien uw man? Die is afwezig. Of het sombere begrip van plicht?
-Daar hebt gij zooeven nog den spot mee gedreven. Ben ik u soms niet
-jong of mooi genoeg? Neem dan dezen ring met dien kostbaren steen! Hij
-heeft twee talenten aan baar zilver gekost!—Weet gij dan, dat Pericles
-altijd van u houden zal? Zal hij u misschien niet eens evenals
-Telesippe verstooten? Alles in de wereld wentelt en draait bont
-dooreen! Verlaat u toch op niets! Tast toe! Neem den ring, mooi wijfje!
-Neem den ring met den steen, die twee talenten gekost heeft! Weet gij
-dan, lieve, hoe lang gij nog bekoorlijk zult zijn? Nog zijt gij het
-ontegenzeggelijk, maar de tijd komt, waarop gij oud en leelijk zult
-zijn!—Neem den ring, schatje, en geef er mij een kus voor!”
-
-Aspasia stiet, gloeiend van toorn, den dronken man naar de deur. Toen
-werd Hipponicus woedend en stotterend schreeuwde hij:
-
-„Wie zijt gij toch eigenlijk? Zeg, wie zijt gij dan toch? Een licht
-dametje uit Milete; bij Demeter! Een dametje uit Milete? Sedert wanneer
-wilt gij eene Spartaansche vrouw zijn, eene eerzame, deftige
-matrone?—O, gij preutsche, die toch eens den jongen Alcamenes zonder
-eenige preutschheid tot model hebt gediend!”—
-
-Aspasia beefde en verbleekte van toorn om den dronken, schaamteloozen
-beleediger. Nogmaals duwde zij den waggelende achteruit, wierp snel
-haar oppergewaad om en ijlde uit het vertrek en uit het huis, haar
-echtgenoot Pericles te gemoet.
-
-Zij had nauwelijks het huis verlaten of de geslepen vriend van
-Diopithes, de ziener Lampon, trad het binnen.
-
-Hij was door Diopithes gezonden, die den vorigen dag te Eleusis was
-aangekomen.
-
-Toen zij, met doodelijken haat tegen Pericles en Aspasia bezield, het
-eerst de tijding van Aspasia’s onwettige inwijding vernamen, hadden zij
-onmiddellijk besloten, zoowel Aspasia zelve als den daduchus bij het
-heilige gerecht aan te klagen, en de meesten waren verheugd, dat zij
-thans, behalve de gehate vrouw, ook den zeer benijden Hipponicus in het
-verderf zouden kunnen storten.
-
-Maar Diopithes zelf, het eigenlijke hoofd dezer vijandelijke partij,
-was van eene andere meening. Hij verzon een plan, dat zijn sluwheid eer
-aandeed. Gaarne had hij Hipponicus de aanklacht en een veroordeelend
-vonnis gegund, maar hij berekende, dat de niet aangeklaagde en niet
-veroordeelde Hipponicus hunne partij nuttiger kon zijn, dan zoo hij
-aangeklaagd en veroordeeld was.
-
-„Als wij hem onmiddellijk aanklagen,” sprak hij, „zal de machtige
-Pericles hem met zijn geheelen invloed ter zijde staan, en hij zal, zoo
-al niet er ongestraft afkomen, dan toch veel lichter straf krijgen, dan
-wij wel wenschen. Wellicht zal hem eene geldboete opgelegd worden,
-hetgeen den rijksten man van Athene niet veel schaden zal. Hij zal die
-betalen en dezelfde blijven, die hij is. Anders evenwel wordt de zaak,
-als wij hem niet onverwijld tot verantwoording van zijn gedrag
-noodzaken, maar de aanklacht voorloopig als eene altijddurende
-bedreiging boven zijn hoofd doen zweven. Wij zullen hem doen weten, dat
-wij zijn geheim kennen en dat het in onze macht is hem in het verderf
-te storten, zoodra wij willen. Dit zal hem bereidwillig en gedwee in
-alles maken. Hij zal als een man, die een behagelijke rust boven alles
-liefheeft en wien geen prijs te hoog is, om eene verlegenheid of
-verwikkeling te ontkomen, alleen uit angst voor ons, een werktuig,
-zonder eigen wil, zijn. Zijn invloed te Athene en de macht van zijn
-rijkdom is groot: beter is het dit water op ons rad, dan op dat van
-onze tegenstanders te leiden.”—Zoo sprak de snoode, sluwe
-Erechtheüs-priester tot zijne makkers en zond Lampon naar de woning van
-Hipponicus.
-
-De ziener trof den daduchus in een zonderlingen toestand aan. Hij vond
-hem dronken en tevens in den hevigsten toorn ontstoken, tengevolge van
-hetgeen zooeven tusschen hem en Pericles’ gade had plaats gehad.
-
-Desniettemin begon Lampon een gesprek met Hipponicus en zei hem
-ronduit, dat het bekend was geworden, hoe hij de gade van Pericles op
-eene wijze, die tegen de heilige regelen streed, in de mysteriën had
-binnengeleid.
-
-Bij deze woorden verschrikte de dronken Hipponicus zoozeer, dat hij
-bijna nuchter werd. Doch met verdubbelde heftigheid barstte zijn toorn
-tegen de Milesische los. Hij begon haar jammerend te verwenschen, als
-eene verleidster, die hem in het verderf wilde brengen.
-
-„Grijp haar!” riep hij, „radbraak haar, vil haar, doe met haar, wat gij
-wilt, zij verdient het!”—
-
-Met innig welgevallen vernam Lampon de uitdrukkingen van gramschap
-tegen Aspasia uit den mond van Hipponicus, en nadat hij eerst nog op
-eene sluwe wijze den toorn en de angst van den man tot het uiterste had
-doen stijgen, kwam hij met de verklaring voor den dag, dat zij, die van
-plan waren hem in staat van beschuldiging te stellen, bereid waren zich
-in het geheim met hem te verstaan. Hij vroeg hem of hij de uitnoodiging
-aannam, welke die mannen hem deden, om met hen over de zaak in
-onderhandeling te treden. Hipponicus haalde weder ruimer adem en
-beloofde reeds vooruit alles wat men van hem mocht verlangen.
-Onmiddellijk werd nu tusschen hem en Lampon plaats en uur voor het
-onderhoud vastgesteld.
-
-Terwijl dit gesprek tusschen Lampon en Hipponicus voorviel, ijlde
-Aspasia door de straten van Eleusis. Weldra echter moest zij haar
-snellen gang vertragen door de groote drukte en gewoel. ’t Kon niet
-anders of zij werd opgemerkt en herkend. Zij zag zich weldra het
-voorwerp der algemeene aandacht, ’t geen haar natuurlijk in
-verlegenheid en verwarring bracht.
-
-De in Eleusis verzamelde menigte was door de vijanden en vijandinnen
-van Aspasia op alle mogelijke wijze tegen Pericles’ gade opgeruid. De
-geruchten over hare onwettige wijding maakten de ronde onder het volk.
-Er waren bovendien menschen, die zich verstoutten luide te zeggen, dat
-Aspasia voorheen eene hetaere te Milete en te Megara was geweest, dat
-zij uit de laatste plaats met schimp en schande was weggejaagd en dat
-reeds om deze misdaad alleen hare inwijding eene goddelooze zaak was.
-Overdrijving en sprookjes van de zotste soort liepen, naar gewoonte,
-over haar van mond tot mond, en zaaiden minachting, ja zelfs
-verbittering in de gemoederen.
-
-Van dergelijke gezindheden was de menigte vervuld, door welke de gade
-van Pericles in angstige haast zich een doortocht trachtte te
-verschaffen.
-
-’t Ontbrak niet aan brutale lieden, die nieuwsgierig hare schreden
-volgden, ja zelfs, achter haar loopende zich beleedigende woorden
-lieten ontvallen, die haar oor bereiken en haar krenken moesten.
-
-„Wat is er voor nieuws in Athene?”—
-
-„Niets dan dat de vrouw daar speer en schild draagt, en dat de mannen
-verwijfd zijn.”—
-
-„Ja, ’t valt niet te ontkennen, dat Athene door eene vrouw bestuurd
-wordt.”—
-
-„Door Pallas Athene bedoelt ge?”—
-
-„Neen, door eene Milesische hetaere. Pericles zal, zoo men zegt, weldra
-haar beeld op de Acropolis laten plaatsen.”—
-
-„Die arme Pericles! De vrouwen heeft hij nooit kunnen weerstaan. Hij is
-immers ook Elpinice’s minnaar geweest en men weet dat deze hem nog met
-hare verwelkte bekoorlijkheden betooverd heeft.”—
-
-„Is die Milesische dezelfde, met wie hij voor jaren eenmaal in
-Klein-Azië heeft rondgezworven?”—
-
-„Ja wel, dezelfde; ’t heette, dat hij met haar een bedevaart deed naar
-den onderrok van de heldenbedwingende Omphale [381], welke rok, zooals
-men weet, in den tempel van Artemis te Ephese is opgehangen.”—
-
-„Maar hoe kwam ’t hem toch in de gedachte om diezelfde vrouw thans met
-zich naar de ruwe Peloponnesus te voeren, waar zij zich toch onmogelijk
-recht tehuis kan vinden? Het poesje, zegt een spreekwoord, ligt graag
-zacht.”
-
-„Inderdaad, men zegt, dat haar de muggen in Elis zeer lastig geweest
-zijn, en ik wed, dat de paardevliegen van Eleusis haar nog minder
-zullen aanstaan.”—
-
-„Waarachtig het gegons van deze schijnt haar zeer slecht te bevallen.”—
-
-„Ach, die teedere hoentjes uit Paphia’s [382] nest, die van hunne jeugd
-af op purperen dons hebben geslapen, die Ionische vrouwen met hare
-smeltende oogen en mollige armen, zonder beenderen in het lichaam,
-geheel molligheid en liefelijkheid—wat zouden zij in het krijgshafte
-Olympia of in het ernstige Eleusis te zoeken hebben?”—
-
-Zoo klonken de scherpe woorden en smaadredenen, met opzet gesproken, in
-het steeds toenemend gewoel achter Aspasia.
-
-Toen dit een geruimen tijd zoo geduurd had, stond Aspasia plotseling
-stil en nam een snel besluit; zij sloeg den sluier, die haar gelaat
-bedekte, op, zoodat haar gezicht geheel zichtbaar was en wierp een
-kalmen en waardigen blik uit hare fonkelende oogen op de schare rondom
-haar.
-
-Toen opende zij den mond en sprak op de volgende wijze tot het haar
-omringend en haar aangapend volk:
-
-„Vóór jaren stond ik eens als eene hulpelooze vrouw in Megara’s
-straten, omringd door de menigte, onschuldig gehoond, onschuldig
-vervolgd met blikken en woorden. Met oogen, gloeiend van haat werd ik
-beschouwd; want het was een vijandig Dorisch volk, dat zich om mij
-drong. Met onbillijke woorden werd ik gesmaad, met snoode handen
-aangegrepen, want het was een ruw, woest Dorisch gepeupel, dat op mij
-aanviel. Heden omgeeft mij de menigte in Eleusis’ straten. Maar ik houd
-rustig en kalm mijn hoofd omhoog: want ’t zijn, meen ik, grootendeels
-Atheners, die mij omringen. Geen Dorisch volk is het, maar een Ionisch,
-welks scherpste pijl, zoo ik meen, de vermetele blik is, en het
-ondoordachte woord dat steeds vaardig aan de vlijmende tong ontglipt.
-Maar waarom dringt gij zoo om mij heen? Waarom gaapt gij mij zoo aan?
-Ik heb mij onwettig in die geheimenissen van Eleusis ingedrongen, meent
-gij? Weest toch niet al te kleingeestig, gij verlichte Atheners, en
-volgt niet al te bereidwillig de wenken en woorden van hen, die het
-licht haten en de duisternis liefhebben, en die u de duisternis voor
-licht verkoopen! Mannen van Athene! vereert niet al te zeer het sombere
-tweetal Godinnen [383] van Eleusis, en blijft gedachtig aan uwe
-schutsgodin Pallas Athene, de Godin des lichts, de ware en waardige
-beschermvrouw van het Attische land en volk wier beeld stralenden,
-vroolijken glans alle nachtgebroedsel verjagend, hoog schittert op uw
-burg!”—
-
-Toen de vrouw van Pericles deze woorden gesproken had en het fonkelend
-oog onbevreesd over de haar omstuwende menigte liet weiden, zagen de
-mannen elkander aan, zeggende:
-
-„Zij is, bij de Goden een schoone vrouw, die Aspasia van Milete, en ter
-wille daarvan moet men haar veel vergeven!” [384]—
-
-Zoo spraken zij en weken een weinig uiteen, zoodat zij rustig haar weg
-kon vervolgen.—
-
-Maar de vrienden van Diopithes, die zich onder de menigte bevonden,
-waren nu nog feller op de Milesische gebeten en begaven zich naar den
-Erechtheüs-priester, om hem te berichten, dat Aspasia met onbeschaamd
-voorhoofd voor het verzamelde volk met minachting over de heilige
-plechtigheden en de eerwaardige Godinnen van Eleusis gesproken had.
-
-Het uur voor het onderhoud bij Diopithes, waartoe men ook Hipponicus
-genoodigd had, was gekomen.
-
-Verscheidene mannen met een somber uiterlijk, verklaarde tegenstanders
-van Pericles, waren bij den priester verzameld.
-
-De angstvallige daduchus was zeer inschikkelijk en gedwee in alle
-zaken. Steunende op zijne verklaringen en op de toornige uitdrukkingen
-tegen Aspasia, waarvan Lampon getuige was geweest, rekende Diopithes
-hem voortaan onder ’t getal zijner bondgenooten en helpers.
-
-Om zijnentwil, heette het, zou men in eene volgens de Atheensche wetten
-hoogst gevaarlijke zaak de aanklacht tegen Aspasia zoolang verschuiven,
-als hij zich die genadige behandeling waardig toonde. Om de vrouw van
-Pericles in het verderf te storten, meenden de samenzweerders, waren de
-vermetele, oneerbiedige uitdrukkingen voldoende, die zij voor het
-geheele volk over de Eleusinische Godinnen had durven uitspreken. Ieder
-oogenblik kon men wegens deze zaak alleen eene aanklacht van
-goddeloosheid en godsdienstverachting tegen haar indienen.
-
-Er waren mannen van de oligarchen-partij tegenwoordig, die zeiden, dat
-men verder moest gaan; dat men zich niet tevreden moest stellen de
-Milesische aan te vallen, die toch altijd slechts eene vrouw was, maar
-dat men zich eindelijk ook aan Pericles zelven eens moest wagen. Zij
-wezen op de verderfelijke veranderingen, die er door hem in den staat
-hadden plaats gegrepen, op de onbeperkte volksheerschappij die door
-zijne toegeeflijkheid zich had ontwikkeld en die door niets in toom
-gehouden werd dan door den persoonlijken invloed van den bij het volk
-geliefden strateeg. De belangen der Atheners waren alzoo aan de
-willekeur en het goedvinden van één enkele prijs gegeven. Anderen
-meenden, dat mannen als Anaxagoras, Socrates en de Sophisten de
-eigenlijke oorzaak waren van den rampzaligen toestand van den staat.
-Deze hadden de Atheners geleerd vrij te denken en oneerbiedig te
-spreken over de Goden en goddelijke zaken; deze vóór anderen moest men
-trachten uit te roeien. Bovendien waren er tegenstanders en benijders
-van Phidias en zijne school onder de aanhangers van Diopithes, die ook
-de vervolging tot hen wilden zien uitgestrekt.
-
-De oogen van Diopithes fonkelden bij de opnoeming van al deze mannen.
-Hem waren zij allen gelijkelijk gehaat.
-
-„Wij zullen ze allen weten te vatten,” zei hij, „allen van de rij af of
-te gelijk. Doch laat ons sluw de goede gelegenheid bespieden en de voor
-ons gunstige stemming der Atheners afwachten. Inmiddels echter moeten
-wij heimelijk naar een vast plan te werk gaan, om ’t verderf dier
-schuldigen voor te bereiden.”
-
-Zoo sprak de Erechtheüs-priester. Veel werd er vervolgens nog gewikt en
-gewogen, veel afgesproken door de bij Diopithes vergaderde mannen.
-
-Aspasia was dien dag niet in het huis van Hipponicus teruggekeerd;
-alleen Pericles begaf zich op den morgen van den volgenden dag, toen
-hij op ’t punt stond met zijne gade Eleusis te verlaten, nogmaals naar
-den daduchus.
-
-Hij riep hem ter verantwoording over de onbeschaamde beleediging, die
-hij Aspasia had aangedaan. Hipponicus verontschuldigde zich met zijne
-dronkenschap en opgewondenheid, waarvan Aspasia voor een deel althans
-zelve de schuld was, daar zij hem door Anacreontische liedjes en
-gesprekken bij het vroolijke maal tot Dionysische dartelheid geprikkeld
-had. Vervolgens beklaagde hij zich bitter over de verlegenheid en het
-gevaar, waarin hij door zijne medeplichtigheid aan de onwettige
-inwijding van Aspasia in de mysteriën geraakt was.
-
-Pericles had medelijden met deze verlegenheid en beloofde hem zijne
-bescherming. Doch Hipponicus was niet tot gerustheid te brengen.
-
-Toen Pericles desniettemin schouderophalend afscheid nam, volgde de
-daduchus hem tot aan de deur, keek telkens angstig rond en fluisterde
-zijn ouden vriend in ’t oor:
-
-„Wees op uw hoede, Pericles! Bij Diopithes werden gisteren in de
-schemering booze plannen gesmeed. Ook ik was daarbij;—gedwongen—; want
-het gold mijn hoofd.—Neem u in acht voor Diopithes en maak hem
-onschadelijk, zoo gij kunt. Men wil Aspasia en Anaxagoras en Phidias en
-u zelven in ’t verderf storten. Mij hebben zij in hunne macht, die
-ellendelingen—ik moest maar altijd met het hoofd ja knikken, op alles
-wat zij daar voorstelden—maar de honden en de raven mogen hen
-verscheuren, den Erechtheüs-priester en zijne geheelen aanhang!”
-
-
-
-
-
-
-
-XX.
-
-DE SCHOOL VAN ASPASIA.
-
-
-Sedert den dag, waarop de jonge Alcibiades door een discus zijn kleinen
-makker in het Lyceüm had gewond, was eene reeks van jaren verloopen.
-
-De knaap was tot een bloeienden jongeling opgegroeid; want hij had zijn
-achttiende levensjaar bereikt. Hij was naar Atheensch gebruik met de
-andere jongelingen, die in ’t zelfde jaar mondig werden, in de
-volksvergadering voorgesteld, met speer en lans gewapend naar het
-heiligdom van Agraulus aan den voet der Acropolis gevoerd, hij had daar
-den plechtigen eed afgelegd, waarmede de nieuwe Atheensche burger zich
-aan het vaderland wijdde: hij had gezworen zijn wapenen nooit oneer aan
-te zullen doen en zijn medestrijder in den slag niet te verlaten, te
-strijden voor de heiligdommen, en, ’t geen allen het dierbaarst is, den
-Staat, eens onverminderd, ja zoo mogelijk vergroot in macht en eer, aan
-de nakomelingen achter te laten, de wetten door het volk gegeven te
-gehoorzamen en niet te dulden, dat een ander ze schond of trachtte af
-te schaffen.
-
-Maar het vaderland, waaraan de jonge Alcibiades met dezen eed trouw
-zwoer, stelde voor het oogenblik slechts matige eischen aan zijn ijver
-en inspanning. De peribolen-dienst, dien de juist mondig verklaarde
-Atheensche jongelingen vervullen moesten, bestond in kleine tochten
-voor de inwendige veiligheid van het Attische land, en deze konden
-eerder als een genoegen dan als een last beschouwd worden.
-
-De staat liet den jongen zoon van Clinias voldoende tijd om de
-genietingen der gulden jeugd te smaken. Met hem was de jonge Callias
-opgegroeid, die zijn vader Hipponicus een schrielhans noemde, de jonge
-Demus, de om zijn schoonheid beroemde zoon van Pyrilampes, die
-insgelijks van meening was, dat zijn vader Pyrilampes van zijne
-rijkdommen geen goed gebruik wist te maken. Xanthippus en Paralus
-werden soms door de luim van Alcibiades, die hun den roem van brave
-knapen te zijn niet gunde, als helpers bij een ondeugenden guitenstreek
-meegesleept, doch zij moesten zich steeds met een ondergeschikte rol
-vergenoegen. Want ten eerste ontbrak het den spruiten van Telesippe aan
-geest en vernuft, en ten andere waren hunne zakken niet zoo gevuld, als
-die der beide zonen van de rijkste mannen van Athene, noch als die van
-Alcibiades zelven, wien na zijn mondigheid ook het vrije bezit van zijn
-vaderlijk erfgoed ten deel was gevallen.
-
-Eene eigenaardige liefde had Alcibiades voor den jongen Manes opgevat,
-den knaap van vreemden afkomst, die Pericles uit den Samischen krijg
-had medegebracht en wien hij te zamen met zijne zonen en met dien van
-Clinias in zijn huis had laten opvoeden. Maar alle pogingen van
-Alcibiades om dezen droomerigen, stillen, eenigszins zwaarmoedigen
-jongeling in zijn vroolijken kring te lokken, mislukten ten eenenmale.
-
-Deze jongeling begon overigens in dien tijd, door eene zonderlinge
-soort van ziekte aangetast, het voorwerp van eene huiveringwekkende
-opmerkzaamheid te worden. In hem ontwikkelde zich die raadselachtige
-neiging, die bekend staat onder den naam van onbewust slaapwandelen of
-maanziekte. In het holst van den nacht, wanneer alles in sluimering lag
-verzonken, stond hij op van zijn leger en doorwandelde met gesloten
-oogen het door de maan verlichte Peristylium, vervolgens beklom hij het
-plat van het dak en liep daar eenigen tijd heen en weder, altijd met
-gesloten oogen, en keerde ten laatste naar zijne legerstede terug, even
-onbewust als hij ze verlaten had. De mare van den slaapwandelenden
-knaap in het huis van Pericles verbreidde zich in geheel Athene en men
-begon van dit oogenblik af hem met een zekeren afschuw te aanschouwen,
-als iemand, die onder den invloed van daemonische machten stond.
-
-Had reeds Alcibiades als knaap de algemeene aandacht der Atheners
-getrokken, ’t was natuurlijk, dat hij nog meer van zich deed spreken,
-toen zijne kin behaard werd door „het zachte dons der mannelijkheid”.
-Zijne dolle streken waren het praatje van den dag, en daar hij
-vroegtijdig geleerd had, hoeveel bekoorlijks de naam van een aardigen
-deugniet aanbrengt, legde hij zich volstrekt geen dwang op, ja zelfs,
-wanneer hij een dollen streek had uitgevoerd, waarover de Atheners het
-hoofd schudden, deed hij dien in het vergeetboek geraken door een nog
-dolleren te doen. Hij wist immers, dat zelfs zij, die hem laakten, hem
-heimelijk bewonderden. Menigmaal scheen het, alsof hij eens wilde
-beproeven, of hij toch niet iets kon doen, wat de Atheners ernstig
-tegen hem zou kunnen verbitteren. Te vergeefs! Zijne handelingen
-mochten moedwillig en dartel zijn, als zij wilden, hij zelf bleef
-altijd geliefd.
-
-’t Was nog altijd de lievelingswensch van Hipponicus, dat de schoonste
-jonkvrouw van Griekenland, zijne dochter Hipparete, de gade mocht
-worden van den schoonsten Helleenschen jongeling. Hij betoonde zich
-daarom zoo vriendelijk en voorkomend mogelijk voor den jongen
-Alcibiades, noodigde hem herhaaldelijk aan tafel en behandelde hem
-bijna met de teederheid van een vader.
-
-Alcibiades maakte zich over hem vroolijk, evenals over ieder ter
-wereld, en plaagde hem met overmoedige scherts. Eens zond hem
-Hipponicus kostelijk toebereide visschen op een gouden schotel.
-Alcibiades hield den schotel en bedankte Hipponicus met de volgende
-woorden: „’t Is al te vriendelijk van u, dat ge mij behalve den gouden
-schotel ook nog zulke heerlijke visch daarbij hebt
-gezonden.”—Hipponicus lachte dat zijn buik schudde, en roemde bij de
-heele wereld de geestigheid van zijn aanstaanden schoonzoon.—
-
-De bevallige jonkvrouw Hipparete zelve, die door haar vader reeds
-geleerd had den jongen Alcibiades als haar toekomstigen echtgenoot te
-beschouwen, was heimelijk voor den prachtigen jongeling in minnegloed
-ontstoken. Zij had hem eenige malen bij openbare feesten gezien. Hij
-echter spotte met het ingetogen meisje. Hij hield zich voor het
-oogenblik liever aan de schoone en geestige hetaeren, wier aantal in de
-stad der Atheners gedurig toenam.
-
-Inzonderheid was het Theodota, die den jongen man inwijdde in de
-mysteriën van het vroolijkste levensgenot. Een tiental jaren was
-ongeveer verstreken, sedert Alcamenes deze schoone van den rijken
-Corinthiër als loon voor zijne voortreffelijke marmergroep had
-bedongen. Thans was Theodota te Athene wellicht niet meer de
-bloeiendste, zeker echter nog de beroemdste onder hare vriendinnen.
-
-Zij was voor Alcibiades het middelpunt van een kring van de
-weelderigste verkwisting, en het dartelste onbeteugeldste levensgenot.
-Maar zij was alleen het middelpunt, terwijl de kring zelf zijne grenzen
-hoe langer hoe wijder uitbreidde.
-
-Diophites wreef zich vergenoegd de handen, zeggende: „Theodota richt
-gewis den veelbelovenden pleegzoon van Pericles ten gronde!”—
-
-Maar werkelijke gezondheid, werkelijke kracht en werkelijke schoonheid
-zijn, naar het schijnt soms onverwoestelijk. De teugellooze Alcibiades
-bloeide als eene roos in den morgendauw. Hij had dien blos op de
-wangen, dien de zedepredikers, volgens hun meening, aan den deugdzamen
-moeten toekennen, terwijl juist de deugdzamen niet zelden met die vale
-gelaatskleur en doffe oogen rondloopen, die de zedeprediker gewoonlijk
-als beeld gebruikt, wanneer hij met krachtige trekken den wellusteling
-wil schilderen.
-
-Theodota vervulde hare taak bij den levenslustigen jongeling in den
-beginne met blijde opgewektheid, doch langzamerhand begonnen in haar
-hart aandoeningen van een dieperen hartstocht levendig te worden. De
-ongelukkige! Zoo zeker als het ’t meest benijdenswaardig geluk scheen,
-door Alcibiades bemind te worden, even zeker was het grootste ongeluk
-hem te beminnen!—
-
-De mondigverklaring van den jongen Alcibiades had weinige dagen na den
-terugkeer van Pericles en zijne gade van hunne Elische reis plaats
-gehad. Ofschoon nu de jonge man, in ’t bezit van zijn vaderlijk
-erfdeel, ophield een huisgenoot van Pericles te zijn, voerden toch de
-gewoonte en genegenheid benevens de betoovering, die Aspasia noodwendig
-op hem moest uitoefenen, hem dikwerf genoeg terug naar den drempel van
-het huis, waarin hij opgevoed was.
-
-Kan het bevreemden, dat de vermetele lieveling der Chariten durfde
-wagen, ook der nog altijd zegevierend schoone gade van Pericles eene
-soort van hulde te bieden, die hij in de school van Theodota geleerd
-had? Maar de schoone Milesische was nog steeds te jong, om den
-onontwikkelden mannelijken bloei verleidelijk, te verstandig om ze in
-’t geheel begeerlijk te vinden, en veel te fier, om zich, zelfs de
-buitengewone schoonheid van den jongeling in aanmerking genomen, voor
-de zegekar van den baardeloozen vrouwenheld te laten spannen. Zij wist,
-dat geen vrouw, zelfs zij niet, dezen vluchtigen losbol inderdaad zou
-kunnen kortwieken, boeien en beheerschen. Grootscher dan het
-twijfelachtig genoegen ’t getal zijner veroveringen te vermeerderen en
-bekoorlijker tevens, was haar de gedachte, haar geslacht aan hem te
-wreken en hem voor eene loszinnigheid te straffen, die hij haar zelve
-niet mocht doen ondervinden. ’t Kwam haar daardoor niet in de gedachte,
-tegenover den jongeling dien moederlijk teederen, door ’t verschil in
-jaren gerechtvaardigden toon aan te nemen, waar onder dikwijls oudere
-vrouwen hare liefde verbergen, of de rol eener vertrouwde bij hem te
-zoeken. Zij beantwoordde de beleefdheden van den jongeling eenvoudig
-door er volstrekt geen acht op te slaan en hem wel is waar niet met
-moederlijke teederheid, maar toch met moederlijke ernst te behandelen.
-Dit verbaasde den verwenden, zich zijner zegepralen bewusten
-veroveraar. Hij gevoelde eene heimelijke spijt, doch de hoogachting die
-hij der Milesische toedroeg, werd er niet door verminderd, integendeel
-zij nam er door toe, zonder dat hij er zich ten volle van bewust was.
-Zoo gevoelde hij zich telkens weder tot Aspasia getrokken en drong haar
-de rol van vertrouwelinge op, die zij volstrekt niet van plan geweest
-was te zoeken.
-
-Op zekeren dag verbreidde zich door Athene het bericht van een nieuwen
-streek van Alcibiades, die meer dan alle vorige geschikt was, om de
-aandacht te trekken en aller tongen in rep en roer te brengen. Er werd
-namelijk verteld, dat Alcibiades op een uitstapje, dat hij met de
-besten zijner vrienden naar Megara had gemaakt, zich daar
-onaangenaamheden op den hals gehaald, ten laatste zelfs een meisje
-geroofd en mede gevoerd had, hetwelk hij nu bij zich te Athene
-verborgen hield. Niet gering, zei men verder, was de verbittering der
-Megarensers, die toch reeds van ouds op de Atheners gebeten waren.
-
-Velen spraken reeds over openlijke vijandelijkheden, die ten gevolge
-van dezen streek der Atheensche jongelingen tusschen Athene en de
-naburige Dorische stad zouden uitbreken.
-
-Alcibiades loochende, wanneer hem er naar gevraagd werd, de zaak
-volstrekt niet, en vertelde ten laatste de geheele geschiedenis
-uitvoerig, ja met blijkbaar welbehagen, aan zijne moederlijke vriendin
-Aspasia.
-
-„Wij waren”—zoo sprak hij—„den vervelenden peribolendienst in de
-landelijke vlekken moede geworden, hoewel wij er ook soms eene kleine
-afwisseling in brachten, door, in plaats van op stroopers en roovers te
-loeren, liever jacht te maken op een Thracisch meisje in de boschjes
-van den Phelleus of op eene jeugdige schoone uit Acharnae.
-
-„Zoo besloot ik dan in gezelschap van mijne vrienden Callias en Demus
-nogmaals een klein zeetochtje voor eenige dagen te ondernemen. Wij
-hadden ons reeds vóór geruimen tijd een fraai versierd, groot
-pleizierjacht op gezamelijke kosten laten bouwen, waarmede wij ook soms
-ter vischvangst gingen. Dit jacht bestegen wij en namen drie Ionische
-meisjes mede, die, behalve in schoonheid, ook in de muziek- en
-zangkunst uitmuntten; voorts een paar jachthonden, benevens jachtnetten
-en werpsprieten; want wij waren voornemens langs die kust te roeien en
-hier en daar aan land te gaan, om te jagen. Wij voeren door de zeeëngte
-van Salamis. De „Bacchante”—zoo heette onze bark—danste lustig op de
-golven.
-
-„De bont beschilderde voorsteven, die in een vergulden panther uitliep,
-waarop eene Bacchante reed, fonkelde in de stralen der zon. Den mast
-hadden wij, als een Thyrsus-staf met klimop en bloemen omwonden. De
-bodem van het vaartuig was met tapijten en mollige kussens bedekt. Wij
-praatten en schertsten en zongen; eene der drie schoonen blies op de
-fluit, de tweede bespeelde de cither en de derde sloeg het symbaal,
-zoodat de zee van gezang en muziek en opgeruimde vroolijkheid
-weerklonk, en wij de nieuwsgierige dolfijnen met de riemen op den kop
-moesten slaan, om hen te verdrijven en te beletten, dat zij ons jacht
-omver wierpen of vernielden.
-
-„Langs het strand varende, kwamen wij voorbij vele landhuizen. Vóór een
-van deze hielden wij een oogenblik stil, om de schoone, die het
-bewoonde, een serenade te brengen. Wij zongen en musiceerden vroolijk.
-De schoone was verheugd, toen zij het gezang uit de zee vernam en de
-sierlijk getooide jonge vrienden zag. Glimlachend stond zij op het
-terras van het huis; wij wierpen haar kransen en kushanden toe. Nu ging
-het weder verder zeewaarts. Brandend stak ons de zon, doch wij wisten
-ons te helpen. Wij spanden de oppergewaden onzer vriendinnen en onze
-eigene boven onze hoofden, om de zon af te weren. ’t Was een schoon
-gezicht, zooals het vaartuig met die wimpels en zeilen getooid, de met
-purper getinte baren doorkliefde. ’t Scheen als zou men straks het
-heldere, verleidende lachen eener Sirene vernemen. Wij waren juist in
-de Halcyonische dagen, gedurende welke de windstilte heerscht en de
-ijsvogel broeidt. Wij hadden de zeeëngte van Salamis achter ons en het
-Megarische strand rechts voor oogen. Hier begonnen de kusten eenzaam en
-eentonig te worden; van tijd tot tijd drongen de tonen eener
-herdersfluit tot ons van de glooiende bergen en men zag kudden van
-runderen, lammeren en geiten grazen. Wij legden hier en daar aan en
-vermaakten ons op allerlei wijzen. Wij vingen visschen met angels, die
-wij van de rotsen aan lange koorden in de zee wierpen, en vingen eenige
-wilde ganzen, eenden en trapganzen met strikken.
-
-„Toen wij juist weder ons schip hadden bestegen, om de reis in de
-richting van Megara voort te zetten, ontmoette ons een pleizierjacht,
-dat in sierlijkheid en weelderigen tooi voor het onze volstrekt niet
-onderdeed. In dit prachtige vaartuig zat een bedaagd man, met een
-bekoorlijk schoon meisje aan zijne zijde. Het gezicht van dit meisje
-deed mij in fellen minnegloed ontsteken. Doch al te vluchtig was de
-ontmoeting. Snel gleden de beide vaartuigen langs elkander; de
-Megarische bark zeilde onmiddellijk om eene vooruitstekende rots en
-verdween uit onze oogen.
-
-„Wij gingen weder aan land op eene plaats, die ons bijzonder aanlokte.
-Daar was eenig kreupelhout, ’t geen onze honden aanstonds
-doorsnuffelden. Na weinige minuten joegen zij een haas op; wij grepen
-naar onze jachtnetten en sprieten en in de hoop, het dier machtig te
-worden, achtervolgden wij het en lieten onze vriendinnen in de
-nabijheid van het vaartuig achter. De haas werd door de honden uit het
-bosch in de velden en weilanden gedreven. Terwijl zij onder luid geblaf
-voortsnelden, brachten zij de herders en hunne kudde in rep en roer. De
-honden stoven zelfs midden door een kudde geiten, zoodat deze
-verschrikt uit elkander vlogen en sommigen tot aan de zee afdwaalden.
-Vertoornd over de verstrooiing zijner kudde, greep de herder een
-scherpen steen, die juist voor zijne voeten lag, wierp hem naar een der
-honden en trof hem doodelijk aan den kop. Het was de trouwe Phylax, die
-alle eigenschappen bezat van een voortreffelijken jachthond.
-
-„Toen wij het voorgevallene uit de verte zagen, lieten wij den haas
-loopen en ijlden gloeiend van toorn, op den geitenhoeder los. Deze
-echter had inmiddels andere herders ter hulp geroepen en wij zagen,
-toen wij aankwamen, een dreigende menigte tegenover ons. Evenwel
-maakten wij aanstalten, om met onze jachtsprieten op hen los te gaan.
-Op dit oogenblik kwam een slaaf in allerijl uit het nabijgelegen
-landhuis aanloopen, om in naam van zijn heer te vragen, wat dit rumoer
-beteekende. Toen wij van den slaaf vernamen, dat de geitenhoeder in
-dienst was bij den heer van dat landgoed, verlangden wij met dezen te
-spreken, om voldoening voor het doodelijk gewonde dier te erlangen. Wij
-volgden den slaaf en toen wij het landgoed naderden, ’t welk een statig
-aanzien had en zich als het eigendom van een vermogend man voordeed,
-verbaasde het ons niet weinig, in den naast het huis gelegen tuin juist
-dienzelfden grijsaard en dat bekoorlijke kind te zien rondwandelen, die
-wij kort geleden op de zee hadden ontmoet. Wij verhaalden den man het
-gebeurde en zeiden, dat wij van plan waren ons op den herder te wreken.
-De oude man, als Megarenser een verklaarde vijand van de Atheners,
-antwoordde in onheusche bewoordingen. De herders, die in groote menigte
-ons op den voet gevolgd waren, beschuldigden ons met hevig misbaar
-hunne velden verwoest en hunne kudden verstrooid te hebben. Met behulp
-der huisslaven, die door wenken en teekenen van hun meester aangespoord
-waren geworden, onder smaadredenen en scheldwoorden op ons indringend,
-waren wij genoodzaakt voor de overmacht te zwichten en zonder eenige
-voldoening de plaats te verlaten.
-
-„Hoe zeer ook door de omstandigheden opgewonden, had ik toch niet
-verzuimd eenige blikken op de jeugdige schoone te werpen, die zich nog
-steeds in den tuin bevond en met een gevoel van nieuwsgierigheid en
-schrik den twist had aanschouwd. Met mijne makkers teruggekeerd, deelde
-ik hun onmiddellijk mijn besluit mede, om mij op den nietswaardigen
-Megarenser te wreken. Het schoone kind hield ik voor een gekochte
-lievelingsslavin. Mijn plan was: mij met mijne vrienden een tijdlang in
-de nabijheid verborgen te houden en het oogenblik te bespieden, waarop
-het landhuis onbewaakt was en het meisje zich alleen in den tuin zou
-bevinden, dan haar ijlings te overvallen en haar te ontvoeren.
-
-„Eerder dan wij gehoopt hadden, vond ik de gewenschte gelegenheid.
-Voordat de tweede dag nog verloopen was, hadden wij het meisje ontdekt,
-aangegrepen, door een doek voor den mond het schreeuwen belet en in
-vliegenden haast op het onder eene rots verborgen schip gebracht.
-
-„Onder beschutting der ingevallen schemering ontvluchtten wij, met den
-liefelijken buit aan boord, en forsche roeislagen brachten ons snel van
-de Megarische kusten.”
-
-„En het meisje?” vroeg Aspasia.
-
-„Schikte zich in haar lot,” hernam Alcibiades, „hoewel zij niet, zooals
-wij gedacht hadden, eene gekochte lievelingsslavin was, maar eene vrij
-geborene, de nicht van dien verwenschten Megarenser. Simaetha [385] is
-haar naam en ik noem haar de bekoorlijkste der Helleensche—neen, niet
-der Helleensche vrouwen, maar toch zeker de bekoorlijkste der
-Helleensche jonkvrouwen!”
-
-Megara! Dit woord had een eigenaardigen klank voor Aspasia’s oor. Met
-onmiskenbare teekenen van belangstelling had zij het verhaal van den
-koenen jongeling aangehoord.
-
-Zij vroeg met bijzondere nieuwsgierigheid naar de eigenschappen van het
-meisje. Alcibiades schilderde haar schier in ideale trekken.
-
-Aspasia verlangde Simaetha te zien. De schaker was aanstonds bereid
-haar wensch in te willigen. Hij bracht Simaetha tot haar. Het meisje
-was beeldschoon, zoodat Aspasia zelve er verbaasd van stond. Maar het
-geheel geleek op een ongeslepen diamant. Immers zij was te Megara
-opgevoed. Het was tijd voor haar geworden, dat zij werd geschaakt zoo
-niet deze parel in de verborgenheid zonder glans of heerlijkheid zou te
-loor gaan.
-
-De rijke Megarenser had haar als een jong meisje in zijn huis
-opgenomen. Zij had het bij hem beter gehad dan eene slavin, maar niet
-zoo goed als eene dochter.
-
-Hij scheen, met het oog op haar veel belovende schoonheid, haar willens
-of onwillens, alleen tot een voorwerp om zijne lusten te bevredigen, te
-willen opvoeden. In geen enkel opzicht geleek de oude Megarenser op den
-edelen grijsaard van Milete, den bekenden Philammon, dien Aspasia in
-het verhaal van de geschiedenis harer jeugd aan Pericles met zulk eene
-warmte had geprezen. Simaetha haatte hem en verklaarde, dat zij zich
-liever wilde dooden, dan ooit weder in het huis van haar opvoeder terug
-te keeren.
-
-Aspasia’s scherpe blik merkte de kiemen van vrouwelijke
-voortreffelijkheid van den hoogsten rang op in het karakter van het
-jonge meisje, dat nog nauwelijks haar zestiende levensjaar was
-ingetreden. Uit hare oogen schitterde evenveel geest, als schoonheid
-uit hare trekken. Aspasia brandde van begeerte om deze heerlijke kiemen
-te ontwikkelen. Spoedig was haar besluit genomen. Zij zeide tot
-Alcibiades:
-
-„Het meisje is uw eigendom: niet zoozeer door den roof, dien gij op
-haar gepleegd hebt, als wel door haar eigen bepaald uitgedrukten wil,
-om niet meer in het huis van den Megarenser terug te keeren. Maar gij
-zijt haar nog niet waardig. Voor knapen van uw soort zijn edele,
-bloeiende meisjes, ja zelfs het onnoozele dochtertje van Hipponicus,
-veel te goed. Vrouwen van Theodota’s slag zijn voor u en uws gelijken
-bestemd: aan dezen moogt gij, om zoo te zeggen, de horens van uw
-overmoed afslijpen. Overigens zoudt gij u over het bezit van Simaetha,
-zooals zij nu is, maar half verheugen. Weldra zoudt gij haar moede
-worden; want onontwikkeld liggen in haar nog de kiemen van die
-eigenschappen, welke noodig zijn om niet de oververzadiging ten laatste
-de heerschappij te doen verkrijgen over de liefde. Vertrouw mij het
-kind eenigen tijd toe. Geef mij den schat, die gij buit gemaakt hebt,
-ter bewaring; beleg om zoo te zeggen, uwe bezitting op renten: gij zult
-ze, als de tijd om is, vertiendubbeld aan waarde uit mijne handen terug
-ontvangen.”
-
-Alcibiades was te jong en te lichtzinnig, dan dat het hem zwaar had
-kunnen vallen het verhavende meisje voor eenigen tijd zijn huis te doen
-verlaten en Aspasia toe te vertrouwen.
-
-„Ik ben bereid,” zeide hij, „mijn kostbaren schat bij u op renten te
-zetten. Ik weet vooruit, dat die renten mij rijkelijk schadeloos zullen
-stellen voor de korte ontbering, die toch immers niet eens eene
-volledige zal zijn, daar gij mij ongetwijfeld zult toestaan het schoone
-kind in uw huis te komen bezoeken.”
-
-„Waarom niet?” hernam Aspasia; „gij moogt gedurig getuige zijn van hare
-vorderingen.”
-
-Simaetha werd bij Aspasia gebracht. Pericles had in den beginne zijne
-toestemming geweigerd; doch zijn gemoed was zoo wonderlijk zacht en
-teeder, dat hij ten laatste op het herhaald aandringen van Aspasia haar
-verzoek inwilligde, evenwel onder voorwaarde, dat het meisje slechts
-zóó lang in zijn huis zou vertoeven, totdat over hare al of niet
-uitlevering zou zijn beslist. Waren de Megarensers niet zoo gehaat
-geweest te Athene, dan zou men de toegevendheid van Pericles, die, uit
-liefde voor Aspasia, aan het meisje eene wijkplaats in zijn huis
-verschafte, zonder twijfel scherper beoordeeld hebben, dan thans
-geschiedde.
-
-Men was reeds sedert geruimen tijd te Athene begonnen te spreken van
-eene school van Aspasia, en meer dan ooit was er van nu af reden voor
-dien naam.
-
-Er waren thans inderdaad niet minder dan vier meisjes in den eersten
-bloei der jeugd, die in het huis van Aspasia onder de onmiddellijke
-hoede der Milesische leefden. Bij hare Milesische nichtjes, die reeds
-langeren tijd bij haar vertoefden, en de Arcadische Cora, die zij van
-hare Elische reis had medegebracht, had zich thans het meisje uit
-Megara gevoegd.
-
-Ten volle beantwoordde de naam van school aan de innerlijke bedoeling
-van Aspasia. Hare persoonlijke bemoeiingen, om de vrouwen te Athene te
-veredelen, te bevrijden, in één woord eene hervorming te dien opzichte
-tot stand te brengen, waren met een zeer twijfelachtigen uitslag
-bekroond. De krachtige drang harer ziel gunde haar echter geen rust.
-Zij was tot de overtuiging gekomen, dat het eene vergeefsche poging was
-de gerijpte en reeds gevormde vrouw te willen hervormen. In den
-ontluikenden leeftijd, meende zij, moest de kiem daartoe gelegd worden.
-
-Geen hetaeren wilde zij opvoeden, maar voorvechtsters en
-medearbeidsters, die door geest en schoonheid op gelijke wijze als zij
-zelve in staat zouden zijn invloed te oefenen. In de school, die zij
-stichtte, moest hare overlevering levendig gehouden en van daar uit
-verder verbreid worden. Door eene samenwerking van vereende krachten in
-haar geest moesten eindelijk de vooroordeelen vallen, en de volkomen
-zegepraal van geest, schoonheid en vrouwelijkheid behaald worden.
-
-De gedachte aan de vooroordeelen, die in een ander opzicht uit deze
-hare school zouden kunnen voortvloeien, hoewel niet bij haar op den
-voorgrond staande, was evenwel niet geheel vreemd bij de fiere,
-schrandere Milesische. Hare leerlingen konden, evenals hare meesteres,
-machtige en uitstekende mannen tot echtgenooten verkrijgen, de
-heerschappij van Pericles helpen verzekeren en bevestigen, en door haar
-invloed den tegenstand zijner vijanden bestrijden.
-
-Maar vond de gade van Pericles er geen bezwaar in, een aantal jeugdige,
-bekoorlijke meisjes onder de oogen van haar echtgenoot om zich te
-verzamelen? Deze fiere, koene, naar machtige doeleinden strevende ziel
-was verre verheven boven laffe overwegingen en kleingeestige gevoelens;
-zij joeg niet, als een gewone vrouw, enkel persoonlijke voordeelen na,
-maar voor eene grootsche gedachte leefde en werkte zij. En zij wist dat
-Aphrodite’s gordel nog altijd in hare macht was; dat hij in hare hand
-nog niets van zijne bekoorlijkheid had verloren. Zij wist, dat zij nog
-lang de meesteres onder hare leerlingen zou blijven en dat dezen eerst
-worden moesten, wat zij reeds was. En wat inzonderheid Pericles betrof,
-zij had de overtuiging, dat niets ter wereld de tooverketen kon
-verbreken of verzwakken, waarmede zij zijn hart had gekluisterd en die
-door de gewoonte al hechter en hechter was geworden.
-
-Eene gril der natuur had Aspasia de moederweelde ontzegd [386]. Zij
-verdroeg het zonder klagen. Was ’t haar niet vergund vrouwelijke telgen
-van haar schoot tot haar evenbeeld op te leiden, het lot had haar in
-die veel belovende bloeiende meisjes eene vergoeding gegeven, waaraan
-zij naar hartelust de tooverkracht harer vormende meesterhand kon
-beproeven.
-
-Muzen en de Chariten schenen van den Olympus neder te dalen en zich als
-’t ware in Aspasia’s school als leermeesteressen aan te bieden. Daar
-werd de verheven leer verkondigd, hoe de natuur tot edele kunst
-gelouterd moest worden en de kunst weder tot natuur. Daar werd de
-eenheid van al het schoone begrepen en verwezenlijkt: daar werd de
-muziek, een dans der zielen en de dans eene muziek der lichamen—daar
-werd de schoonheid poëzie en de poëzie betooverende schoonheid.
-
-Aspasia’s streven was ’t in hare leerlingen door de schoonheid en om de
-schoonheid den geest op te wekken en dien opgewekten geest te veredelen
-en vrij te maken.
-
-Als middel om den geest wakker te schudden diende haar echter niet
-alleen elke soort van kunst; ook de rijke hulpbronnen van wijsheid,
-kennis en wetenschap werden als vruchtbaar zaad op de vleugels der
-Eroten in de school van Aspasia binnengedragen. Uitgesloten alleen was
-het ernstige, het strenge, het sombere. Vroolijkheid bleef gepredikt
-als de hoogste wet der schoonheid en des levens.
-
-Wat Aspasia haren leerlingen boven alles leerde, was dit, hoe dwaas het
-was, allen invloed van hare bekoorlijkheden te verwachten. Zij toonde
-haar aan, dat deze nog lang niet op zich zelven alleen het beminnelijke
-uitmaakten. Zij zeide haar, dat schoonheid eene deugd is, die, als elke
-andere, geleerd, geoefend en aangekweekt moest worden. Zij maakte haar
-duidelijk, dat de geest de echte kruiderij is, die aan de schoonheid
-gepaard, haar frisch deed blijven. „Eene onnoozele schoonheid,” sprak
-zij, „veroudert spoedig en weldra verwelkt ook de bekoorlijkheid, die
-door de laagheid als een verpestende walm wordt omgeven. Niets
-vernietigt zoo snel den bloei, als een stompzinnig voortleven in
-geestdoodende alledaagschheid. Schoon te zijn, zeide zij, is geen
-toestand, maar een handelen, een werken. Schoonheid is de hoogste macht
-en haar invloed berust op de samensmelting der edelste vermogens—op
-eene bekoorlijke en harmonische ontwikkeling van lichaam en ziel. Zij
-is geen dood pronkstuk, geen onbewegelijk licht: integendeel, evenals
-het zonnerad, een levend stralenspel, een spattende vonkenregen.
-
-„Men kan zich de schoonheid niet onmiddellijk geven,” placht zij ook te
-zeggen, „maar men kan overal het leelijke uitroeien, temperen,
-verzachten. Niet te dikwerf kunt gij in den spiegel zien: niet om op te
-merken hoe schoon gij zijt, maar om uwe leelijkheid te bespieden.
-Alleen dan zult gij ervaren dat niemand altijd schoon en niemand altijd
-leelijk is—dat de bloei van iedere schoonheid wel honderdmaal in den
-loop van den dag in gedaante en kleur verandert, dat zij, aan zich
-zelve overgelaten, geen stand kan houden, maar wankelt; dat eene
-schoonheid, die zich harer macht bewust, de hand in den schoot kan
-leggen, een droom is van zottinnen, en dat schoon te zijn eene
-moeilijke kunst is zelfs voor de schoonsten. Laat onder geene
-vermomming het leelijke ingang bij u vinden! Want talloos zijn zijne
-gestalten, talloos zijne vormen! Het leelijke is een daemon, met wien
-wij iederen dag worstelen moeten, als hij ons niet besluipen en
-overweldigen zal. Het meest echter keert hij uit de hinderlaag der ziel
-zijne doodelijke wapenen tegen den bloei des lichaams.”
-
-Maar niet met vermanende woorden alleen, ook metterdaad ondersteunde
-Aspasia hare leerlingen in den strijd tegen dien sluwen, dreigenden
-daemon. Zij vorschte de kiemen en sporen van elke leelijkheid na,
-evenals de overheid den dief. Gelijk een schoolmeester een stok of
-roede, zoo had zij een kleinen, zilveren spiegel in de hand en hield
-dien de schuldige voor, wanneer slechts eene sprank van leelijkheid,
-naar lichaam of ziel, zich vertoonde. Zoo leerde zij die jeugdige
-meisjes zelfbeheersching, onderdrukking van iedere opkomende luim en
-hartstocht, rust, vroolijkheid, gelijkmatigheid van lichaam en ziel.
-
-Van de beide nichten van Aspasia legde de eene, Drosis, een
-schitterenden aanleg voor den mimischen dans aan den dag. Prasina
-daarentegen muntte voornamelijk uit door vaardigheid in zang en
-snarenspel. Doch Aspasia gedoogde niet, dat eene van beiden zich
-uitsluitend op de ontwikkeling van eene dergelijke eenzijdige kunst
-toelegde. Zij verlangde van ieder, dat zij niet door de beoefening van
-ééne bepaalde kunst, maar door eene harmonisch ontwikkelde
-persoonlijkheid zou trachten te behagen. „Eenzijdige beoefening der
-kunst,” zeide zij, „geeft altijd aanleiding tot mindere ontwikkeling
-van het karakter zelf en zijne harmonische vorming.”
-
-Drosis was van nature betooverend door hare bevalligheid. Hare gestalte
-was slank en sierlijk, zoo aetherisch licht en zwevend, dat zij, door
-de velden wandelend, even als eene nimf, geen grashalm noch bloem
-scheen te kunnen knakken. Hare ledematen hadden die rankheid, die
-jeugdige fijnheid en bevallige teederheid, welke de zinnen nog veel
-meer bekoort dan plompe weelderigheid.
-
-Prasina was haar gelijk in schoonheid, maar zij bezat boven haar eene
-heldere zilveren stem, waarmede zij, de liederen van Sappho bij de luit
-zingend, ieders oor verrukte. Is er in ’t algemeen wel iets
-liefelijkers dan de heerlijke tonen van de stem van een zestienjarig
-meisje? Prasina’s stem overtrof in liefelijkheid, smeltende zachtheid
-en warmte de stemmen der nachtegalen in de Cephissus-dalen.
-
-Maar de bekoorlijke Drosis, de vurige Prasina, zij werden weldra door
-den heerlijk zich ontwikkelenden bloei van Simaetha overschaduwd. In
-Simaetha’s gestalte, in hare trekken was de edelste, Helleensche
-betooverende schoonheid van vormen in de zuiverste lijnen uitgedrukt.
-Trekken van deze verwonderlijke zuiverheid hadden zelfs de meesters der
-beeldhouwkunst zich nauwelijks kunnen voorstellen. Zij bezat die
-onbeschrijfelijke helderheid die glinsterende en toch ietwat mijmerende
-vochtigheid van ’t oog, die soms bij meisjes in den teederen bloei der
-jaren een wegsleependen invloed kan oefenen. Maar evenals in uiterlijk
-schoon, kwam ook in geest en gemoed Simaetha hare meesteres Aspasia het
-meest nabij. Innig verwant scheen zij haar door hare geheele
-ontwikkeling in gevoel en denken. Niet minder dan de Milesische
-beloofde zij eene verpersoonlijking van den echten levenslust en den
-schoonheidszin van den Helleenschen geest te worden. Met gloeiende
-geestdrift begreep zij terstond de gedachten van Aspasia. Zij overtrof
-in helderheid van verstand hare medeleerlingen verre. Zij beminde de
-kunsten, en voor de beeldhouwkunst scheen zij het onvergelijkelijk
-scherpe kennersoog van Aspasia te bezitten. Ook daarin kwam zij met
-hare meesteres overeen, dat zij op geen enkele afzonderlijke
-kunstvaardigheid bijzonderen nadruk legde, maar allen gaven tot eene
-schoone harmonie ontwikkelde. Zoo was zij dan de parel van de school
-der Milesische, die haar bijna met de teederheid eener moeder liefhad
-en hare schoonste verwachtingen op haar stelde.
-
-En Cora, het meisje uit Arcadië? ’t Was moeilijk te zeggen of men haar
-tot de school van Aspasia mocht rekenen. Toen Aspasia haar uit haar
-Arcadisch geboorteland had weggevoerd, prikkelde haar juist de ruwheid
-der stof, om er hare vormende en ontbolsterende kunst aan te beproeven.
-Maar de ruwheid der stof scheen weldra grooter nog dan het meesterschap
-van Aspasia’s vormende kunst. Cora was doorgaans een voorwerp van spot
-bij hare speelgenootjes en men verlaagde haar bijna tot eene
-dienstmaagd. Maar toch had het meisje uit Arcadië ook iets in haar
-wezen, dat haar nooit geheel tot eene slavin liet vernederen. Niet
-bekoorlijk was zij, niet van edelen lichaamsbouw, niet opgewekt van
-geest, maar ernstig en peinzend, en het eigenaardige in haar wezen, dat
-zij mede naar Athene gebracht had, bleef onveranderd. Zij verraste,
-door stralen en vonken van geest en gemoed, die altijd iets
-oorspronkelijke en ongewoons hadden, en steeds eene bijzondere soort
-van belangstelling voor haar opwekten. Zij scheen als een wezen uit
-eene vreemde, tot heden nog onbekende wereld.
-
-Aspasia vond het raadzaam hare kweekelingen, tegen de Atheensche zeden
-en ondanks haar jeugdigen leeftijd in den vrijen, ontwikkelden omgang
-met de wereld en de menschen te brengen. Thans evenals vroeger
-bezochten haar huis mannen van uitnemenden geest, door wier gesprekken
-de zielen der meisjes vroegtijdig boven de platte alledaagschheid
-verheven en in hoogere sferen opgevoerd werden. Maar ook bezoeken van
-vrouwen waren niet uitgesloten. Wie van die uitstekende mannen eene
-schoone vriendin in dezen kring wilde binnenleiden, dien werd het
-volgaarne toegestaan. Onder hen, die van die vrijheid gebruik maakten,
-bevond zich die jonge beeldhouwer en architect Callimachus, die een
-verwend beeldschoon, jong meisje, Philandra genaamd, van Corinthe naar
-Athene had gebracht. Hij hield hartelijk veel van het meisje en scheen
-besloten haar tot zijne echtgenoote te nemen. Doch Philandra, van
-nederige en arme afkomst en nog in hare prille jeugd, miste eene
-beschaving en ontwikkeling, die haren vriend waardig was. Hoe kon haar
-die beter ten deel vallen, dan door het verkeer met de omgeving van
-Aspasia? Deze achtte het natuurlijk niet beneden zich den kring harer
-school ook buiten hare woning uit te breiden.
-
-Philandra was eene schoonheid van weelderige, maar toch edele vormen.
-Zij verried een heftig, ja hartstochtelijk karakter en scheen door haar
-statig voorkomen ouder dan zij werkelijk was.
-
-Zoo was dan, om zoo te zeggen, een vrouwelijke Olympia in Aspasia’s
-woning neergedaald. De jonge Alcibiades placht de meisjes naar de
-Godinnen te noemen, met wie zij de meeste gelijkenis hadden.
-Kunstenaars werden in dezen Olympus tot het scheppen van schoone
-beelden ontvonkt, dichters tot zoetklinkende liederen bezield. Doch
-overmoed en al wat onedel was bleef verbannen uit dezen schoonen kring,
-Aspasia’s blik wist zelfs den koenen, hartstochtelijken Alcibiades in
-toom te houden en steeds hield de priesteres der schoonheid ook de
-teugels van de edele juiste maat in de hand. Altijd bleef Aspasia
-gedachtig, wat zij aan de eer van ’t huis haars gemaals verschuldigd
-was. En zij wist te voorkomen, dat de school, die zij om zich verzameld
-had, haar echtgenoot ooit de de minste aanleiding gaf tot verwijdering,
-die allicht tot eene noodlottige scheiding zou kunnen voeren.
-
-Op zekeren dag noodigde de jonge Alcibiades Aspasia en hare meisjes tot
-een pleiziertochtje met zijn jacht uit. Aspasia nam de uitnoodiging van
-den jongen man aan, onder nadrukkelijke voorwaarde, dat hij niemand van
-zijne overmoedige makkers zou mede nemen.
-
-Op een zomermorgen, terwijl de frissche dauw zich parelde op blad en
-halm, besteeg Aspasia met Drosis, Prasina, Simaetha en Cora het schip
-van Alcibiades. Bij haar sloten zich nog Callimachus en Philandra aan,
-en in gezelschap van Philandra eene vriendin van haar, Pasicompsa
-geheeten, die, evenals Philandra zelve, bij Aspasia was ingeleid en
-door deze waardig geacht eene plaats onder hare leerlingen te nemen.
-Behalve de genoemden en eenige slaven, om te roeien, bevond zich
-niemand op het schip.
-
-Men voer het strand langs en geraakte weldra in de schoone bocht van
-Salamis. Links zag men de groene in den morgendauw schitterende
-eilanden, rechts het Attische strand met zijne aegaleïsche [387]
-heuvels.
-
-Niets vermag de ziel vriendelijker en harmonischer te stemmen dan een
-spelevaart over eene zonnige, blauwe zeegolf. En geen heerlijker azuur
-wordt er gevonden, dan dat van Salamis’ zeeboezem. Zoo smaakte dan ook
-het gezelschap van Alcibiades, zich wiegelend op de baren der zee onder
-dien heerlijken hemel, een onbeschrijfelijk, een zalig genot. Boven
-hunne hoofden het blauw van den aether, onder zich het hemelsblauw der
-zee, dreven zij als het ware tusschen twee hemelen, zich wiegelend in
-eene zalige azuur. Of dat van den aether dan wel dat van de zee
-bekoorlijker was, wisten zij niet en zij vroegen er ook niet naar; zij
-zagen alleen, dat somwijlen de vogels voor een oogenblik uit den
-blauwen aether in de zee neerdoken, als om hare bekoorlijkheid te
-onderzoeken, terwijl de visschen daarentegen uit de blauwe zee
-somwijlen oprezen en voor een oogenblik met de koppen lustig in den
-blauwen aether voortzwommen, als om eene vluchtige, heerlijke teug
-daaruit in te zwelgen.
-
-Het gezelschap op het schip van Alcibiades geleek op de vroolijke
-visschen en vogels, die zich in de bekoorlijkheid van zee en aether
-verlustigden en verkwikten. Zij zogen in volle teugen al dat heerlijke
-in en dachten daarbij zoo weinig om de buitenwereld en zich zelven, als
-die vogels en visschen. De jeugdige, bevallige kweekelingen van Aspasia
-zagen van het scheepsboord omlaag naar de schoone zee, doch alleen om
-hare lieve gezichtjes daarin te spiegelen. Alleen Cora zag, als zij in
-den vloed nederkeek, niet haar gezicht, maar de zee zelve. In haar
-gemoed alleen werd de betoovering der zee met levendigheid gevoeld.
-
-De andere meisjes spiegelden zich in de zee, de zee echter spiegelde
-zich in Cora.
-
-De indruk steeg in haar gemoed schier tot vrees. Want zij begon ten
-laatste met eene soort van angst in hare trekken naar de diepte der zee
-te luisteren. En toen men haar glimlachend vroeg, of zij soms de
-stemmen van verleidelijke Sirenen uit de diepte hoorde, bevestigde zij
-dit, waarover haar speelgenooten in een helderen lach uitbarstten, die
-verre over de zee klonk.
-
-Wellicht gelokt door de muziek dezer stemmen, werd het jacht door een
-dolfijn gevolgd, die geheel over den waterspiegel daarheen gleed. Een
-vogeltje, dat zich te ver van ’t land in de zee had gewaagd, zette zich
-een oogenblik, als om te rusten, op zijn rug, zonder dat hij het
-bemerkte.
-
-Juist toen de zilveren lach over Cora op het vaartuig van Alcibiades
-weerklonk, stevende een groote koopvaarder het jacht voorbij. Daar de
-koopvaarder zeer dicht langs het jacht voer, konden zijne bemanning en
-het gezelschap van Alcibiades elkander zeer goed opnemen. De mannen op
-de koopvaarder hadden een ruw, woest uiterlijk en wierpen donkere
-blikken van onder hunne borstelige wenkbrauwen op het jacht van
-Alcibiades, bijna dreigend als haviken op eene vlucht duiven. Daar
-echter de koopvaarder veel sneller roeide, liet hij weldra de bark
-achter zich en het vroolijke gezelschap sloeg geen acht meer op hem.
-Callimachus meende er een Megarisch schip in herkend te hebben.
-
-In eene kleine bocht werd geankerd en men besloot aan land te gaan, om
-zich daar eenigen tijd op het vriendelijk uitnoodigend strand te
-vermeien. ’t Was juist de plaats, waar men den in de rots uitgehouwen
-zetel van den Perzischen koning Xerxes toont, op eene helling der
-aegaleïsche bergen, den zetel, dien de groote koning, toen hij zijne
-vloot hier tot den beslissenden slag geschaard had, op het glooiende
-strand besteeg en vanwaar hij, eerst met fier vertrouwen op de
-overwinning, en vervolgens met steeds toenemende ontzetting de
-vreeselijke vernieling zijner macht bij Salamis had aanschouwd.
-Callimachus en Alcibiades geleidden Aspasia en de meisjes op den in de
-rots gehouwen zetel, en Alcibiades verlangde van Aspasia, dat zij als
-de waardigste daarop plaats zou nemen. Aspasia gaf aan de uitnoodiging
-gehoor. Callimachus zette zich aan hare zijde. De meisjes met
-Alcibiades vlijden zich in eene bekoorlijke groep om haar heen.
-
-Boschjes van zeegras en mirtestruiken, vol donkere en lichte bessen,
-schoten op tusschen de klippen.
-
-Er lag een wondervolle vrede over het zonnige land en de fonkelende zee
-uitgebreid. Dubbel bekoorlijk scheen van deze hooge plaats het
-tegenover hen opdoemend Salamis. Tusschen het eiland en het vaste land
-blauwde de zee, door geen windje gerimpeld. Zilverheldere, glinsterende
-strepen doorsneden hier en daar het diepe azuur, als schitterende
-bruggen. Geen geluid werd er vernomen in de gansche verte dan het
-ruischen van de in gelijkmatigen rhythmus aan- en terugklotsende golven
-bij het strand en van tijd tot tijd het gekrijsch eener meeuw, die
-zweefde over de klippen.
-
-„Bij alle zeenimfen!” zei Alcibiades: „het is hier zoo vreedzaam, als
-aan het Siciliaansche strand. Men zou meenen, dat hier ergens in de
-nabijheid de verliefde Cycloop Polyphemus moest zitten, starend op de
-zee, waar het beeld van Galateä [388], zich spiegelt in den vloed,
-terwijl zij met lichten voet daarover zweeft. De hond van den plompen
-herder loopt blaffend langs het strand haar te gemoet, doch de nimf
-overstelpt lachend den liefdebode met eene aanrollende schuimende golf
-zoodat hij druipstaartend terugloopt.”
-
-Inderdaad, hier heerschte eene zalige stilte, waarvan men niet gelooven
-kon, dat zij ooit verstoord was noch ooit verstoord kon worden.
-
-Aspasia wierp van haar in de rots gehouwen zetel een blik naar de
-bergen van de Peloponnesus.
-
-„Als ’t mogelijk is,” sprak zij, „al het onaangename en sombere, dat ik
-ginds aan gene zijde der bergen gezien en doorleefd heb, uit mijne ziel
-weg te vagen, dan moet het in deze ure zijn. Te glansrijk is de zee aan
-dit strand en den aether daarboven, dan dat hier ooit als ginds het
-sombere de overwinning zou kunnen behalen. Ik daag u moedig uit tot den
-strijd, ruwe sombere Peloponnesus!”
-
-„En ik met u!” riep Alcibiades en stak de vuist uit tegen de Argolische
-bergen.
-
-„En ook wij allen!” riepen de meisjes lachend.
-
-Op dit oogenblik viel Aspasia’s blik, rechts afdwalend, op het
-Megarisch vaartuig. Het scheen thans klein op den grooten afstand. Het
-scheen stil te liggen. Aspasia’s fiere, schier minachtende blik wendde
-zich er weldra van af. In hare oogen bliksemde thans iets van dien
-overmoed, die het hart des Perzischen konings vervulde, toen hij van
-dezen zetel op zijne vloot nederzag.
-
-Een slaaf bracht op bevel van Alcibiades een zak met kostbare lafenis
-en weldra schuimden de bekers en een vroolijk rondgezang klonk over de
-golven. Bekoorlijk schalde het lied der vreugde over de schoone eenzame
-golven, en van verre werd het weerkaatst door den kalmen zeeboezem.
-
-Door den geest van Dionysus gedreven, verstrooiden de meisjes zich
-deels op het schelprijke strand, deels op de hellingen, waar, tusschen
-de rotsen, geurige kruiden opschoten. Zij geleken op fladderende
-vlinders, geplaagd, vervolgd door Alcibiades.
-
-Nu eens liepen zij onder luide kreten naar elkander, om een dood
-zeedier te bewonderen, een polyp of een dolfijn, die vroeger, het zilte
-nat doorklievend, de kleinere zeedieren schrik had aangejaagd of de
-dochters van Neres op zijn rug gedragen, doch thans door eene
-schuimende golf op het rotsachtige strand was geworpen. Dan weder
-gingen zij zitten en Alcibiades verhaalde de aandachtig luisterende
-meisjes zonderlinge jachtavonturen: bijvoorbeeld, hoe hij onlangs eens
-aan ’t strand een grooten polyp en een haas te gelijk had buit gemaakt,
-toen hij met de hengelroede een polyp uit het water op het land
-slingerde en deze juist op een haas neerviel, die in ’t gras sluimerend
-verscholen lag en onmiddellijk door de honderd armen van den polyp
-omkneld werd.
-
-Inmiddels onderhielden zich Aspasia en Callimachus.
-
-De verhouding van Callimachus tot de schoone gade van Pericles was van
-een zonderlingen aard. Hartelijke vriendschap verbond hem met
-Alcamenes, en door dezen ingelicht van alles, wat er tusschen een
-mededinger van Agoracrites en de schoone Milesische was voorgevallen,
-had hij uit Corinthe, vanwaar hij kwam, een vooroordeel, ja bijna een
-heimelijken wrok tegen Aspasia medegebracht. Na het heftige tooneel,
-dat tusschen Alcamenes en Aspasia te Olympia had plaats gegrepen en
-waarvan Callimachus eveneens kennis had gekregen, had hij met zijn
-vriend eene soort van wraakverbond tegen de Milesische gesloten. Te
-Athene gekomen, kwam hij weldra met haar in aanraking, en, door hare
-betoovering aangetrokken, vergat hij ten halve, maar ook slechts ten
-halve, die wraakgedachten.
-
-Aspasia zelve bracht het gesprek op Alcamenes en roemde de vlucht
-zijner levendige phantasie.
-
-„Gij doet er wel aan,” zeide zij, „dat gij de vriendschap met dien man
-aanhoudt en mij dunkt, dat eene zekere verwantschap van zielen u tot
-elkander heeft gevoerd. Want, evenals hem, schijnt ook u eene levendige
-zucht te bezielen, om de kunst op eene nieuwe baan te leiden.”
-
-Aspasia zinspeelde met deze woorden op het feit, dat Callimachus de
-beitel niet meer voldeed, dat hij meer met de boor arbeidde en de
-détails zijner gewrochten met eene zoo schitterende kunstvaardigheid
-afwerkte, als men het vóór hem nog nooit gezien had.
-
-„Wanneer men mij toegeeft,” hernam Callimachus, „dat ik door een
-vlijtig gebruik der boor de beeldhouwkunst eene schrede vooruit hebt
-gebracht, dan zou ik nuttige diensten aan hare zusterkunst, de
-bouwkunst, kunnen bewijzen. Reeds lang ben ik met eene zaak bezig, die
-oppervlakkig, zeer licht en gemakkelijk is, inderdaad echter—gij zult
-er om lachen, als gij het hoort—mij maar volstrekt niet gelukken wil.
-Bij den vooruitgang der kunst geloof ik dat onze zuilen eene rijkere
-versiering noodig hebben. De Ionische krul is het uiterste, waartoe wij
-het gebracht hebben. Daarmede stellen wij ons sedert eeuwen tevreden.
-Ligt het niet voor de hand om met een stouten greep zich daarboven te
-verheffen en iets voortreffelijkers te scheppen?”
-
-„In het oosten,” antwoordde Aspasia, „zag ik bladeren en bloemen met
-keurigen smaak tot versiering der kapiteelen aangebracht. Wij zijn
-schuchter, zooals gij terecht opmerkt. Waarom durft gij niet uitvoeren,
-wat gij in ’t belang der kunst noodig acht?”
-
-„Zoudt gij wel gelooven,” hernam Callimachus, „dat ik nu reeds sinds
-jaren mijn hersens met die zaak kwel? Honderde vormen heb ik
-uitgedacht, doch niet een enkele heeft mij tot heden volkomen voldaan.”
-
-„Waarom wilt gij een nieuwen vorm uitdenken en verzinnen en geheel en
-al uit u zelven scheppen?” vroeg Aspasia. „De natuur is eene
-voortreffelijke leermeesteres; haar moet de bouwmeester zoowel als de
-beeldhouwer haar geheim afzien. Houd uwe oogen open en gij zult vinden,
-wat gij zoekt. Gij behoeft het dan slechts goed op te vatten en met
-schranderen geest volkomen weder te geven.”
-
-Op dit oogenblik werd het gesprek van Aspasia en Callimachus gestoord
-door de meisjes, die kwamen aanloopen en vertelden, dat zij op eene
-verborgen, liefelijke plek van het strand een klein grafteeken hadden
-ontdekt. Zij wilden het Aspasia toonen.
-
-Aspasia en Callimachus gaven aan de uitnoodiging gehoor en lieten zich
-door de meisjes naar eene plaats voeren, waar het kleine grafteeken
-zich bevond. Het lag op ’t rotsachtig strand verborgen en was door
-overhangende klippen bijna bedekt. Het bestond uit een eenvoudigen,
-smallen steen, waarin een kort opschrift gebeiteld was. Boven de zerk
-stond een sierlijke korf, gevuld met verwelkte bloemen en kransen.
-Aspasia trachtte het opschrift te lezen en ontcijferde half een
-meisjesnaam, ’t geen haar echter moeilijk viel; want eene
-breedgebladerde acanthus [389] had met zijn prachtig loof niet alleen
-den gedenksteen zelven reeds bijna overdekt, maar slingerde zich zelfs
-om den korf. Zijn frisch, levend groen maakte eene treffende
-tegenstelling met de treurige verwelkte bloemen in den korf.
-
-Aspasia en de meisjes drukten hare verwondering uit op deze plaats een
-grafteeken te vinden. Callimachus echter zeide: „Mij was de
-aanwezigheid van een klein monument te dezer plaatse niet onbekend.”
-
-Toen de meisjes hierop nieuwsgierig naar de herkomst daarvan vroegen,
-hernam Callimachus:
-
-„Hij, die dit grafteeken met den korf hier oprichtte, was mijn vriend
-en ik ben een der weinigen, wien hij de geschiedenis van dat monument
-heeft meegedeeld.
-
-„De vriend, van wien ik spreek,” vervolgde hij, „was een voortreffelijk
-Atheensch jongeling en oefende met grooten roem de kunst uit om
-aardewerk en grafurnen te beschilderen en verdiende hiermede tevens
-zijn levensonderhoud. Terwijl hij te Corinthe vertoeft, valt zijn oog
-op het bekoorlijkste bloemenmeisje van die stad en hij ontbrandt voor
-haar in vurige liefde. Maar ook een jonge Spartaan, die zich juist met
-eenige vrienden te Corinthe ophield, wordt verliefd op het meisje en
-wil haar bezitten. Door geweld en bedreigingen weet hij haar schrik aan
-te jagen en staat op ’t punt haar van Corinthe weg te voeren. De
-Athener in hartstochtelijken toorn ontstoken, daagt zijn mededinger tot
-een tweegevecht uit en doodt hem. Vervolgens, om den wraak der vrienden
-van den verslagene te ontvluchten, neemt hij het meisje, dat hem
-gewillig volgde, daar het zijn liefde beantwoordde, met zich mede,
-bestijgt in allerijl een vaartuig en vlucht met haar naar zijn
-vaderstad Athene.
-
-„Vroolijk vaart het geliefde paar langs het strand; het hart des
-jongelings vol zalig genot en het meisje stralend in den bloei harer
-jeugd en schoonheid, eener bruid gelijk. Zij bezit behalve hare
-bekoorlijkheid niets dan het bloemkorfje, met frissche bloemen gevuld,
-zooals zij op de markt te Corinthe juist in hare handen droeg, toen de
-minnaar haar weg voerde. De paarlen der zee bespatten ’t vaartuig en
-bevochtigen de rozen in het mandje. Maar toen de jongeling in de
-overmaat zijner vreugde een kus op de lippen van ’t meisje drukt,
-ontglijdt haar de bloemkorf en valt over boord in zee; het meisje bukt
-zich haastig om dien weder te grijpen, doch zich te ver over boord
-uitstrekkende, verliest zij het evenwicht, de boot kantelt en zij stort
-in ’t water. Met een wanhoopskreet werpt zich de jongeling in zee,
-omvat, na langen tijd met de golven geworsteld te hebben, het midden
-van ’t meisje en zwemt met den dierbaren last naar het nabij gelegen
-strand. Met moeite klautert hij tegen eene klip op, het lichaam der
-geliefde met krachtige hand aan zijn borst gekneld. Nu vlijt hij haar
-neer op een vlakke plaats aan het strand. Hare oogen zijn gesloten,
-haar gelaat is bleek, te vergeefs, roept hij haar duizend liefdewoorden
-toe. Hij heeft slechts een lijk gered.
-
-„Den geheelen dag staart hij roerloos op de geliefde; vervolgens maakt
-hij zich gereed haar te begraven. Op de plaats, waar hij haar aan land
-heeft gebracht, delft hij eene groeve. Wat treft daar plotseling zijn
-oog tusschen de rotsen? De bloemkorf van het meisje is op de baren
-drijvend naar het strand gespoeld en rust nu daar, door de klippen
-teruggehouden. Hij daalt de rots af en droevig te moede heft hij
-zuchtend het sierlijke, met frissche bloemen gevulde mandje op en
-plaatst het, bevochtigd door zijne tranen, op het graf van ’t meisje.
-Hij gaat naar Athene en keert weldra terug naar de verscholen, door de
-zee omspoelde groeve, met dezen eenvoudigen gedenksteen. Hij legt dien
-op het graf en plaatst daarop weder het mandje met verwelkende bloemen.
-De verborgenheid der plaats beveiligt het voor heiligschennende handen
-en ook de acanthus heeft, zooals gij ziet, de rol van beschermer op
-zich genomen, daar hij den steen en den korf met de ranken van zijn
-heerlijk loof schier bedekt.”—
-
-Aandachtig hadden de meisjes naar het verhaal van Callimachus
-geluisterd en luide beklaagden zij het treurige lot van ’t jeugdige
-paar.
-
-Aspasia sprak na eene korte pauze:
-
-„Hoezeer uw verhaal, Callimachus, ook het gemoed tot medelijden stemt,
-kan ik toch den machtigen indruk niet weren, dien deze eenvoudige
-steen, deze grafzerk, waarvoor de natuur veel meer dan de kunst heeft
-gedaan, op mij en zeker op allen, die hem zien, zal maken. Hoe sierlijk
-slingert het welig loof van den acanthus zich om den bevalligen, met
-verwelkte bloemen gevulden korf boven de wit marmeren zerk! Is dit niet
-eene dier meesterlijke groepen, welke der natuur als in eene spelende
-luim gelukt en die wel geen kunstenaar ooit zoo bekoorlijk kan
-verzinnen?”
-
-Callimachus antwoordde niet; maar eene gedachte vloog als een
-bliksemstraal door zijne ziel.
-
-Hij staarde een tijd lang op den met loof omslingerden korf; toen sprak
-hij, zich tot de Milesische wendende:
-
-„Inderdaad, Aspasia—deze liefelijk omkranste korf is eene van die
-groepen, waarvoor, zooals gij straks zeidet, de kunstenaar het oog
-geopend moet houden, omdat hij daarvan leeren kan.”
-
-„En omdat hij wellicht daarin vinden kan,” viel Aspasia hem glimlachend
-in de rede, „wat hij met vergeefsche inspanning lang heeft gezocht.”—
-
-In geestdrift begon nu Callimachus aanstonds uit te weiden over hetgeen
-zijne ziel vervulde.
-
-Terwijl hij aan de Milesische de in hem opgewekte gedachte van eene
-nieuwe zuilenversiering breeder ontvouwde, eene versiering, die
-werkelijk bestemd was in het rijk van ’t schoone eene blijvende plaats
-te verwinnen en wier roem met den naam van Callimachus voor altijd
-verbonden blijft [390], verstrooiden zich de meisjes om bloemen te
-plukken, waarmede zij het graf van de jeugdige Corinthische wilden
-tooien.
-
-Weldra dartelden zij weder vroolijk langs het strand aan zeenimfen
-gelijk, onder wie Alcibiades de rol van den plagenden en ondeugenden
-Triton vervulde.
-
-Langzamerhand echter begon de stroefheid en schuchterheid van Cora, die
-op eene eenzame plek van het strand was achtergebleven, op den
-vermetelen jongeling eene grootere bekoorlijkheid uit te oefenen, dan
-de vroolijke uitgelatenheid harer vriendinnen.
-
-Dat hij tegen haar zin een gesprek met haar aanknoopte, schertsend zich
-een tijd lang niet haar onderhield, merkte de betooverende Simaetha
-zonder de minste opwelling van ijverzucht op; want ook daarin was zij
-het evenbeeld harer meesteres, dat zij voor zulk een hartstocht slechts
-weinig ruimte had gelaten in hare fiere ziel. Ook zij scheen slechts
-voor die liefde vatbaar, welke niet gevaarlijk is voor de opgeruimdheid
-en kalme gemoedsrust. En bovendien, welk eene onbeduidende medeminnares
-was het herderskind, vergeleken bij die schitterendste parel van
-Aspasia’s school!
-
-Aan de wereld ontrukt vermaakten zij zich daar in vriendelijke
-afgescheidenheid, wier rust, naar ’t scheen, door niets ter wereld kon
-gestoord worden.—
-
-En toch waren op de onbezorgd zich vermeiende meisjes uit de verte
-vijandige, loerende oogen gericht.
-
-Toen het vroeger vermelde Megarische vaartuig het plezierjacht van
-Alcibiades voorbij was gevaren, hadden de mannen, die zich daarop
-bevonden, een bespiedenden blik op het schip van den Athener geworpen.
-
-Zoodra zij een eind weegs verwijderd waren, zei een van hen vertoornd
-en haastig tot zijne makkers:
-
-„Hebt gij dien Atheenschen jongeling wel gezien, die daar met jonge
-hetaeren op de zee dobbert? Dat is die onbeschaamde, nietswaardige
-meisjesroover Alcibiades! Ik herken hem! Meermalen heb ik hem te Athene
-gezien. En onder de jonge meisjes bevond zich Simaetha—de geschaakte
-Simaetha!”
-
-„Hoe!” riepen de Megarische mannen in heftigen toorn ontstoken, „hoe?
-is dat die vermetele, die het meisje uit het landhuis van Psaumias
-voerde en zich nog steeds ongestraft in het bezit van den buit
-verheugt?”
-
-„Inderdaad,” hernam de andere, „verheugt hij zich nog ongestraft over
-zijn roof; want hij heeft eene machtige bescherming. Te vergeefs waren,
-zooals gij weet, alle bemoeiingen van Psaumias en zijne medeburgers, om
-de uitlevering van het meisje van de overmoedige Atheners te
-verkrijgen. Meenen die Atheensche honden niet van ouds dat zij met den
-Megarischen staat den spot mogen drijven? De tijd zal hun eenmaal
-leeren, dat zij ten onrechte de Dorische stad op hunne grenzen
-verachten. Voor het oogenblik echter, mijne vrienden, moeten wij ons,
-wat Simaetha betreft, de voldoening verschaffen, waartoe de gelegenheid
-zich thans aanbiedt.
-
-„Op dat plezierjacht bevinden zich, behalve dien baardeloozen
-meisjesroover, een ander ongewapend man en de weinige roeislaven,
-alleen vrouwen. Wij echter zijn mans genoeg, om het geheele schip, als
-wij het aanvallen, te veroveren: in ieder geval om Simaetha terug te
-nemen en haar met ons naar Megara te voeren.”
-
-Dit voorstel beviel aan de Megarische mannen. Terwijl zij dus
-raadpleegden, hoe zij het schip zouden aantasten, was het gezelschap
-van Alcibiades in de kleine baai geland. De Megarensers bemerkten dit
-uit de verte.
-
-„Des te beter!” zei hun aanvoerder. „Wij zullen hier ons schip aan ’t
-strand verbergen en onzen buit op het land vervolgen. Het meerendeel
-onzer zal het vaartuig verlaten, om ieder afzonderlijk naar land te
-sluipen en dan ons twee aan twee op het klippenrijke strand, waar zij
-verstrooid ronddolen, in hinderlaag leggen. ’t Zal ons gemakkelijk
-vallen op het juiste oogenblik te voorschijn te springen en van het
-meisje, waar het ons vooral om te doen is, ons meester te maken, zonder
-dat de beide Atheensche jongelingen en hunne roeislaven het verhinderen
-kunnen, ja misschien zonder dat zij het bemerken. Want als wij van een
-oogenblik gebruik maken, dat Simaetha van hare vriendinnen gescheiden
-en de aandacht der mannen op iets anders gericht is, gelukt het ons
-wellicht Simaetha geheel ongemerkt op te lichten en wij zijn dan veilig
-voor elke vervolging. Zij weten dan niet, waar het meisje gebleven is,
-vóór wij onzen roof in veiligheid gebracht hebben. Moesten wij echter
-geweld gebruiken, dan ware het te vreezen, dat die jongelingen
-misschien van een voorbijvarend Atheensch vaartuig versterking kregen
-en men ons nog vóór wij het schip bereikt hebben, op zee zelve den buit
-weder afhandig maakte. Daarom laat ons voorzichtig zijn en uit onze
-hinderlaag op eene gunstige gelegenheid loeren!”
-
-Zóó sprak de bevelhebber van het Megarisch vaartuig en de mannen deden
-zooals hij bevolen had. Zij verborgen zich afzonderlijk of twee aan
-twee aan het strand en op de hellingen, en zagen uit hun schuilhoek met
-scherpen blik naar de argeloos ronddartelende meisjes.
-
-Lang wilde het gunstige oogenblik voor de Megarensers niet komen.
-Eindelijk brak het aan. Simaetha toch, benevens Drosis en Prasina,
-naderden bloemen plukkende en zich geen kwaad bewust, eene klip,
-waarachter eenigen der Megarensers zich verscholen hadden. Alcibiades
-was op grooten afstand met Cora bezig en Callimachus onderhield zich
-nog steeds met Aspasia bij het grafteeken van het Corinthische meisje.
-
-De Megarensers sprongen eensklaps te voorschijn en trachtten Simaetha
-te vangen.
-
-Zoodra deze de mannen, met hun woest uiterlijk, op zich zag afkomen,
-vluchtte zij onder angstgeschrei weg, gevolgd door Drosis en Prasina,
-die eveneens de lucht met kreten om hulp vervulden.
-
-Simaetha echter snelde hare speelgenootjes verre vooruit in hare
-haastige vlucht. Reeds had zij bijna de plaats bereikt, waar Alcibiades
-stond. Deze, zoowel als Callimachus, en de roeiers, die zich bij het
-schip bevonden, hoorden de angstkreten der meisjes en snelden ijlings
-ter hulp. Alcibiades droeg altijd een dolk bij zich; onmiddellijk trok
-hij dien en stormde op de roovers los, gevolgd door de slaven, die zich
-met de roeispanen hadden gewapend.
-
-Doch de Megarensers wilden niet zonder buit het veld ruimen. Zij
-zetten, daar Simaetha hun ontsnapt was, hare vriendinnen Drosis en
-Prasina na en grepen haar, daar zij in hare angst, aan schuwe duiven
-gelijk, niet zoo spoedig hadden kunnen ontvluchten.
-
-Dewijl de Megarensers in ieder oponthoud gevaar zagen en om de straks
-gemelde redenen een openlijken strijd liever vermeden, sleurden zij
-Drosis en Prasina met zich voort naar het strand, wierpen zich met haar
-in het schip en voeren in aller ijl naar de baai van Megara, voordat
-Alcibiades en zijne helpers het jacht hadden kunnen beklimmen om hen te
-vervolgen.
-
-Toch wilde hij, gloeiend van toorn, zich onversaagd in zijn vaartuig
-werpen, om de roovers na te zetten. Doch toen hij zich hiertoe
-bereidde, hieven de meisjes een luid geschreeuw aan en jammerden, dat
-zij op het strand verlaten en misschien aan nog loerende vijanden
-werden prijs gegeven. Haar echter met zich in het schip te nemen, en
-zoo de vijanden te vervolgen, scheen Alcibiades niet minder ongeraden
-wegens den angst der meisjes, die dan zouden meenen, dat zij wellicht
-den vijand als buit in den mond werden gevoerd. Callimachus, de roeiers
-en bovenal Aspasia gaven hem in overweging de vervolging op te geven,
-daar die onmogelijk was en er middelen en wegen genoeg te vinden waren,
-om den overmoed der Megarensers te tuchtigen.
-
-Aspasia was bij ’t zien dier stoute daad der Megarensers verbleekt;
-maar spoedig verving een blos van gramschap hare ontsteltenis. Zij was
-nu ’t eerst weder tot zich zelven gekomen en rustig en kalm geworden;
-bijna lachend verzocht zij Alcibiades onverwijld den terugtocht aan te
-nemen. Zonder dralen bestegen allen weder het vaartuig en zetten
-haastig koers naar Athene.
-
-„Wraak den Megarensers!” riep Alcibiades en slingerde, recht opstaande
-in het schip, terwijl hij van wal stiet, een beker tegen de scherpe
-klippen.
-
-„Evenals deze beker op de klip, zal Megara’s machtelooze trots en de
-trots van al zijne stamgenooten smadelijk verbroken worden op de harde
-rotsen van de Atheensche Acropolis!”—
-
-
-
-
-
-
-
-XXI.
-
-DE MUILEZEL VAN CALLICRATES.
-
-
-Het viel Pericles niet moeilijk aan Aspasia’s wensch gehoor te geven en
-de beide haar ontroofde meisjes van de Megarensers terug te eischen.
-Want toen ter tijde was om velerlei redenen het wachtwoord te Athene:
-Megara moet getuchtigd worden.
-
-De Megarensers echter antwoordden, dat zij Drosis en Prasina, die
-voorloopig als gijzelaars aan de bewaking van een aanzienlijk burger
-waren toe vertrouwd, onmiddellijk zouden uitleveren, zoodra Simaetha,
-die door de Atheensche jongelingen geschaakt was, werd teruggegeven.
-Tegen dit laatste echter kantte zich Simaetha met alle kracht aan,
-waarbij zij eene trouwe hulp in Aspasia vond. Het meisje uit Megara was
-de lieveling van Aspasia geworden.
-
-De Megarensers waren te Athene even gehaat, als de Atheners te Megara.
-Pericles had meer dan één reden om een volksbesluit door te drijven,
-dat den Megarensers het bezoeken der Atheensche havens en van de markt
-te Athene verbood, zoolang zij niet alleen die meisjes hadden
-uitgeleverd, maar ook in eenige andere aangelegenheden de verlangde
-voldoening zouden hebben gegeven.
-
-Gevoelig trof deze uitsluiting van de Atheensche markt de Megarensers,
-en niet lang, meende men, zouden zij in hunne weigering volharden.
-
-Daar het echter te vreezen stond, dat de Megarensers zich heimelijk tot
-de Spartanen zouden wenden om hunne krachtige bemiddeling in te roepen,
-en daar bovendien door tamelijk ernstige geschillen met Corinthe en
-door den afval der Attische kolonie Potidaeä [391] eene zekere onrust
-zich van de Atheners had meester gemaakt, grepen de vijanden van
-Pericles en Aspasia de gelegenheid aan, het volk tegen hen op te ruien.
-Door den overmoed der vreemde vrouw, zeiden zij, en door de onbeperkte
-losbandigheid harer vrienden werd nu zelfs de openlijke vrede van
-Hellas bedreigd, en ter wille van twee geschaakte hetaeren had Pericles
-het volksbesluit tegen de Megarensers, als eene brandende fakkel, onder
-de Hellenen geworpen.
-
-Groote en geliefde staatsmannen plegen instellingen ten gunste des
-volks niet altijd te bestrijden, omdat zij weten, dat het volk toch ten
-laatste in een soort van blind vertrouwen hunne leiding zal volgen, en
-dat het gevaarlijke dier instellingen door de macht van hun
-persoonlijken invloed, ten minste zoolang als zij zelven aan het roer
-staan, vernietigd wordt. Maar de bezorgden vragen, wat geschieden zal,
-als zulke mannen soms door den dood werden weggeroepen en niet meer de
-teugels van den staat in hunne vaste hand klemden. Van den anderen kant
-zien de volksvrienden, die voor de handhaving der volksheerschappij
-bezorgd zijn, juist in die gedweeë overeenstemming van den algemeenen
-wil met den wil en de inzichten van één enkel uitstekend man, het
-grootste gevaar voor de vrijheid. Zoo kwam het, dat de alvermogende
-Pericles toch in ’t geheim de voorstanders der onbeperkte
-volksheerschappij evenzeer als de partij der oligarchen tegen zich had.
-
-De leerlooier Cleon, de schapenkoopman Lysicles en de worsthandelaar
-Pamphilus waren van meening, dat de wijsheid van één enkele in den
-staat gevaarlijker was dan de dwaasheid der menigte, en zij vernieuwden
-tegenover hunne medeburgers, zoo dikwijls zij konden, de waarschuwingen
-tegen den „nieuwen Pisistratus.”
-
-Lieden van den slag van dien leerlooier Cleon, dien schapenkoopman
-Lysicles en dien worsthandelaar Pamphilus waagden het reeds somwijlen
-in de volksvergadering met onstuimig getier de waardigheid van Pericles
-aan te randen.
-
-Niet onverschillig beschouwde Pericles de moeilijkheden, die menige
-daad van Aspasia en de brooddronkenheid van Alcibiades hem op den hals
-haalden. Aspasia echter was door haar geheele karakter onaantastbaar.
-De storm kan wel een eik ontwortelen, maar geen bloem knakken. Den
-jongen Alcibiades echter verweet Pericles in ernstige bewoordingen
-zijne teugelloosheid, die, voor een deel althans, de bewuste
-onaangename verwikkelingen met Megara veroorzaakt had. Hij vermaande
-hem de voetstappen zijner voorvaderen te drukken, zich verdienstelijk
-te maken jegens het vaderland en naar roemrijke daden te streven.
-
-„Dat wil ik!” hernam de jonge Alcibiades half ernstig half schertsend.
-„Wie echter dan gij, o Pericles, is de schuld, dat ik geen gelegenheid
-vind, om mij door roemrijke daden te onderscheiden? Hoe lang nog moeten
-wij werkeloos in dezen vervelenden vrede suffen? Geef mij eene vloot,
-dan zal ik u Carthago en Sicilië veroveren! Maar zelfs de weinige,
-armzalige triëren weigert gij mij, die ik noodig had, om de lieftallige
-meisjes Drosis en Prasina uit de gevangenschap in het ellendige Megara
-te bevrijden. Mij blijft niets overig, wanneer ik mij jegens het
-vaderland verdienstelijk wil maken, dan eens naar Sparta te gaan en de
-vrouw van den Spartaanschen koning te verleiden, ten einde het Dorische
-bloed te vervalschen met het Ionische, ten gunste der Atheners! O
-zeker, Pericles, het ontbreekt mij niet aan begeerte naar dappere
-daden.”
-
-„Onstuimige begeerte naar roemvolle daden, zonder waardigheid en
-ernstig overleg,” sprak Pericles, „zal nimmer nut stichten, maar
-slechts verderfelijke gevolgen na zich sleepen. Uwe voortreffelijke
-eigenschappen, waarde Alcibiades, zijn geen blijde hoop, maar een
-gevaar voor het vaderland, zoolang zij met ondeugden als de uwe gepaard
-gaan.”
-
-„Is ’t dan eene ondeugd,” riep Alcibiades, „het genoegen na te jagen?
-en is niet de jeugd de beste tijd om te genieten?”
-
-„Gij vergist u!” antwoordde Pericles ernstig; „de jeugd is niet de tijd
-van het genot zelf, zij is de tijd om zich met lichaam en ziel op
-waarachtig genot voor te bereiden. Zij is de tijd om de vatbaarheid
-voor genot te ontwikkelen, niet ze te verstompen. Gij meent te
-genieten, jonge zoon van Clinias! Maar uw genot van alle vreugdebekers
-is niet veel meer, dan jongensachtige overmoed, gedachteloos spel!”—
-
-„Slechts één leven geven ons de Goden om te genieten!” zeide
-Alcibiades.
-
-„Juist daarom!” hernam Pericles, „moeten wij er op bedacht zijn, het
-niet te verspillen, maar het te behouden!”
-
-Zoo onderhield zich Pericles ernstig vermanend met den jongeling.
-
-Deze echter ging van Pericles naar zijne vriendin Theodota en herhaalde
-glimlachend de woorden van Pericles, terwijl hij er bijvoegde:
-
-„Nu zie ik, dat mijn oude vriend, mijn geliefde Socrates, inderdaad
-wijzer is dan Pericles en dan al die andere wijze mannen te Athene.
-Want deze Socrates alleen heeft het reeds lang volkomen begrepen, dat
-bij den zoon van Clinias dergelijke vermaningen dwaas en vergeefsch
-zijn!”—
-
-Een geruime tijd was verstreken, sinds Pericles en Aspasia van hunne
-Elische reis naar Athene teruggekeerd waren en de Erechtheüs-priester
-Diopithes met de vijanden van het edele paar eene samenzwering had
-gesmeed.
-
-Doch niet ongebruikt was deze tijd van Diopithes voorbijgegaan. Reeds
-te voren waren de wapenen voor den eersten aanval geslepen. Diopithes
-had van Pericles’ afwezigheid uit Athene gebruik gemaakt, om in de
-volksvergadering een wetsvoorstel in te dienen tegen hen, die den
-godsdienst van het Attische land verloochenden, en tegen de wijsgeeren,
-wier leer in tegenspraak was met het van de vaderen geërfde geloof. Met
-de plechtigheid van een Godsgezant was de Erechtheüs-priester voor de
-menigte opgetreden, en zoo hartstochtelijk bezield was zijne rede
-geweest, zoo doorspekt met bedreigingen en onheilspellende
-orakelspreuken, dat het hem inderdaad gelukte de beslissende
-meerderheid van stemmen op de Pnyx voor zijne wet te winnen.
-
-Sedert dien dag hing het zwaard van Damocles boven het hoofd van den
-grijzen Anaxagoras. Op hem was het eerst de pijl van Diopithes gericht;
-doch zijne bedoelingen gingen nog verder. In het geheim wierf hij
-bondgenooten en helpers en sloot zich bij alle vijanden van Pericles
-aan.
-
-De bitterheid in zijne ziel vond iederen dag nieuw voedsel. Want voor
-zijne oogen bewoog zich nog altijd die gehate Callicrates onder de
-werkende en woelende arbeidersschare op de hoogte van de Acropolis, het
-prachtig werk der Propylaeën onder de leiding van den voortreffelijken
-Mnesicles met gelijken ijver bevorderend, als vroeger den feesttempel
-van Pallas. Een gruwel was Callicrates den priester, een gruwel waren
-hem zijne helpers, die over dag aan het gehate werk arbeidden en des
-nachts bij gansche groepen op steenen of hoopen zand zich ter ruste
-vlijden; een gruwel was hem ook dat dier, die oude muilezel, welken,
-zooals reeds verhaald is, de gedwongen rust zijns ouderdoms niet
-behaagde, maar uit oude gewoonte op de Acropolis rondliep, en wien de
-gunst ten deel was gevallen, dat de schade, die hij door zijn grazen en
-snuffelen aan vreemd eigendom mocht veroorzaken, van staatswege zou
-worden vergoed.
-
-Kleine oorzaken, zegt het spreekwoord, sleepen dikwijls groote gevolgen
-na zich.
-
-Overmoedig geworden door de openlijke gunst, die het volk der Atheners
-hem bewees, ging de muilezel van Callicrates voort op de Acropolis rond
-te loopen, zonder eenigen schroom omtrent zijn gedrag, waardoor hij
-reeds lang de verbittering van Diopithes tot het uiterste had gedreven.
-Zonder eenigen eerbied vergreep hij zich aan de heiligdommen van het
-Erechtheüm. Hij scheen niets zoo smakelijk te vinden, als de kruiden,
-die op het tempelgebied groeiden. Hij had geen ontzag voor de giftige
-blikken, die Diopithes op hem wierp, ja hij gaf nauwelijks om de
-nijdige stompen en slagen, waarmede de tempeldienaars hem trachtten te
-verdrijven. Hij besnuffelde voor en na de offerkoeken, die door vrome
-lieden op het altaar van Zeus voor het Erechtheüm werden neergelegd.
-Beklaagde Diopithes zich over dat vergrijp bij Callicrates, dan haalde
-deze de schouders op en beriep zich op de wettelijke voorrechten van
-het dier en op de bereidwilligheid der openbare schatmeesters, om de
-aangerichte schade te vergoeden. Daar de priester met al zijne klachten
-niet verder kwam, had hij reeds sinds lang het onbeschaamde beest
-vreeselijke wraak gezworen.
-
-Het dier echter liep blindelings in zijn verderf en deed de maat zijner
-ongerechtigheid overloopen, door op zekeren dag de toevallig open en
-onbewaakte deur van het heiligdom van Erechtheüs en Athene Polias
-binnen te sluipen; de ontstelde tempeldienaars vonden hem met zijn
-onheiligen snuit aan een frisschen krans snuffelend, waarmede men het
-overoude, houten beeld van de Godin op den morgen van dien dag getooid
-had.
-
-Den volgenden morgen lokte Diopithes den muilezel van Callicrates
-heimelijk tot zich en wierp hem een koek voor.
-
-Des avonds van dien zelfden dag vond men het dier dood liggen op de
-trappen van het Parthenon.
-
-Een der werklieden van Callicrates had uit de verte gezien, dat de
-Erechtheüs-priester het muildier spijs had voorgeworpen, en nu waren
-allen overtuigd, dat het beest als een offer van Diopithes’ wraak was
-gevallen.
-
-Eenigen zwoeren hem daarvoor te zullen straffen, verzamelden zich voor
-het Erechtheüm en overlaadden den priester met luide smaadreden. Ware
-niet Mnesicles te rechter tijd verschenen, dan zou Diopithes het er
-slecht afgebracht hebben onder de handen der werklieden van
-Callicrates.
-
-Thans was de beker van toorn vol in den boezem van den
-Erechtheüs-priester. Hij kon zich niet langer bedwingen om zijne
-gramschap lucht te geven en de hand te leggen aan het groote, lang
-beraamde plan der wraak.
-
-’t Was een stormachtige nacht, een nacht, waarin de hemel bewolkt was
-en donkere wolken voorbij de maan joegen. Toen kwamen in de eenzame
-Eumenidengrot op den Areopagus drie mannen tot een heimelijk onderhoud
-te zamen.
-
-Diopithes was een dier mannen en hij was het ook, die de beide anderen
-tot een gesprek daarheen had genoodigd. Want zijne omgang met de
-eedgenooten op de Acropolis liep te zeer in ’t oog van den waakzamen
-Callicrates.
-
-De tweede der mannen, welke in de Eumenidengrot kwam, was de oligarch
-Thucydides, die door Pericles was ten val gebracht. Hij en Diopithes
-traden het eerst de grot binnen. Nu kwam ook de derde der mannen, half
-vermomd, niet ongelijk aan een dief in den nacht, met schier onhoorbare
-schreden aansluipen.
-
-Met eene zekere nieuwsgierigheid vestigde de oligarch zijne blikken op
-hem. Diopithes toch had hem zijn naam niet genoemd. Maar toen nu de
-nieuwaangekomene tegenover de beide andere mannen in de eenzame grot
-stond en zijn gelaat door het licht der maan, dat juist door de wolken
-brak, zichtbaar werd, deinsde de oligarch met teekenen van afkeer een
-eind terug. Om zijne lippen speelde een grijnslach van ontevredenheid
-en minachting.
-
-Hij had de grove trekken van den leerlooier Cleon herkend, den hem en
-de geheele oligarchische partij doodelijk gehaten volksredenaar, wiens
-ruwe onstuimigheid en bulderende taal op de Pnyx de volksheerschappij,
-door Heracles in ’t leven geroepen, maar ook door zijn wijs beleid
-beteugeld, onmatig trachtte uit te breiden.
-
-Met verbazing en wrevel wendde de oligarch zich tot Diopithes.
-
-„Met welk een man,” zeide hij, „brengt gij mij nu te zamen?”
-
-Doch ook Cleon beet verwonderd en met een spottenden lach den
-Erechtheüs-priester toe.
-
-„Een prachtigen bondgenoot biedt gij, Diopithes, den volksman Cleon
-aan!”
-
-„Ik heb u niet hier genoodigd,” sprak de Erechtheüs-priester, „om den
-twist der oligarchie en der democratie te beslechten. Ik heb u geroepen
-tot een gemeenschappelijken strijd tegen een gemeenschappelijken
-vijand.”
-
-„Zal ik dan vijanden bestrijden,” zei de oligarch, „ten bate van een
-man, die nog erger is dan zij?”
-
-„Zal ik dan tegenstanders verwinnen,” hernam Cleon, „met behulp van
-dengene onder hen, die mij meer gehaat is dan zij allen?”
-
-Op deze wijze gaven de beide mannen hunne gewaarwordingen te kennen op
-’t eerste oogenblik der ontmoeting.
-
-Maar nadat zij op zachter toon een uur lang zich onderhouden hadden,
-waarbij grootendeels de sluwe Erechtheüs-priester het woord had
-gevoerd, zou ’t spiedend oog, als het in dien stillen nacht op den
-Ares-heuvel die zelfde mannen de grot had zien uittreden, opgemerkt
-hebben, dat zij, ofschoon vluchtig en zonder hartelijkheid, elkander
-toch de hand gaven.
-
-Diopithes bemoeide zich schijnbaar niet met staatszaken. Hij stond met
-den woesten volksmenner Cleon op even goeden voet als met den oligarch
-Thucydides. Hij streed, naar hij beweerde, alleen voor de eer der Goden
-des lands en hunne heiligdommen. Om hem in dezen strijd te ondersteunen
-zag noch de volksleider noch de oligarch eenig bezwaar, wanneer zij
-daarvoor, naar zij beiden geloofden, een niet te verachten bondgenoot
-tot het bereiken hunner eigen plannen wonnen. Inderdaad echter waren
-beiden slechts werktuigen in de hand van den veel sluweren priester,
-wiens eenig doel was, zijne persoonlijke vijanden, vooreerst
-Anaxagoras, Phidias en Aspasia, in het verderf te storten.
-
-Om dit te bereiken moest hij gevaarlijke aanklachten tegen hen
-indienen. Tot dit doel had hij eene wet, uitsluitend tegen hen gericht,
-persoonlijk doorgedreven. Opdat zij echter veroordeeld zouden worden,
-moest hij het volk op zijne hand hebben. Hij moest invloed zoeken te
-winnen op de stemmen der menigte. Daarvoor had hij helpers en
-bondgenooten noodig.
-
-Vandaar, dat hij overal vriendschapsbetrekkingen aanknoopte, vandaar
-zijn heimelijke omgang met personen van de meest verschillende soort.
-Zijn eerste, als ’t ware voorbereidende aanval, zou Anaxagoras gelden;
-voorts zou een hoofdaanslag, die ook Pericles moest treffen, tegen
-Aspasia gericht worden. Ten laatste zou het zwaarste, het schijnbaar
-onmogelijke beproefd, en alle krachten vereenigd worden om Pericles te
-doen vallen, Pericles, den bij het meerendeel van het Atheensche volk
-zoo geliefden man.
-
-Hij spoorde allen op, die te Athene tegen Aspasia vijandig werden
-gevonden en schaarde ze in ’t geheim om zich heen. Hij leidde en
-bestuurde ’t geheel als een goed geordend leger en gebruikte ieder
-afzonderlijk als een strijder of bode in een bepaalden kring.
-
-Hij stond door de hem verwante priesteres van Athene Polias in
-betrekking tot de vrouwenwereld, tot Telesippe en de zuster van Cimon.
-Hij knoopte betrekkingen aan met den somberen Agoracritus. Hij maakte
-zich tot een bondgenoot van Cratinus, een Hermippus en andere
-blijspeldichters, die dubbel op Aspasia gebeten waren, sedert Pericles,
-door hare klachten gedreven, eindelijk besloten had de teugelloosheid
-der comedie te beperken. Zijne relaties strekten zich zelfs uit tot den
-dollen Meno, den gewezen slaaf, den in de geheele stad bekenden en bij
-de heffe des volks geliefden zonderling, die gewillig zijne hulp tot
-alle kuiperijen bood en gaarne op zich nam, om door boosaardige en
-sarcastische gezegden, ruwe scherts en lompe uitvallen het volk in de
-straten op te hitsen tegen de wijsgeeren en tegen de gade van Pericles.
-
-Nauwelijks was een maand verstreken sedert de samenkomst dier drie
-mannen op den Ares-heuvel, of de grootste helft van ’t Atheensche volk
-was met eene vijandige gezindheid bezield tegen Aspasia en tegen de
-beide vrienden van Pericles.
-
-Wat Anaxagoras betrof, men was het hierover eens, dat hij een
-godloochenaar was.
-
-Er was schier niemand, die zich niet de eene of andere oneerbiedige
-uitdrukking herinnerde, die hij op de Agora, in het Lyceüm of op eene
-andere openbare plaats uit den mond van den wijsgeer had vernomen.
-Waarop men vroeger ternauwernood had gelet, ja zelfs wat men deels met
-ingenomenheid had gehoord, vond de wispelturigheid des volks nu
-eensklaps gevaarlijk, nadat de stemming geheel was veranderd en, door
-den met Diopithes heimelijk verbonden Cleon, de haat tegen de
-wijsgeeren onder de heffe des volks was verbreid.
-
-Op een laten avond, toen de straten van Athene reeds ledig waren
-geworden, liep een man met haastigen en zachten tred, met blijkbaren
-angst dat hij bemerkt zou worden rond zich ziende, onder de bescherming
-der duisternis, daar de hemel met zwarte wolken bedekt was, uit de
-Tripodenstraat in de richting van den Illissus.
-
-Hij was niet vergezeld van een slaaf met eene fakkel zooals gewoonlijk
-een nachtelijke wandelaar bij zich had. Toen de man den Illissus
-bereikt had, ging hij dien over en vervolgde zijn weg tot aan de
-Itonische poort, waar slechts weinige en onaanzienlijke huizen stonden.
-
-Aan een dier onaanzienlijke woningen klopte hij. De deur werd geopend
-en hij sprak fluisterend eenige woorden tot den slaaf, die hem binnen
-gelaten had.
-
-Daarop voerde deze hem in het slaapvertrek van een grijsaard. De kamer
-zag er armoedig uit en op een armzalig leger rustte de grijsaard.
-
-Die grijsaard was Anaxagoras en die late, nachtelijke bezoeker was
-Pericles.
-
-Eenigszins verwonderd zag de oude man zijn vriend aan, dien hij sedert
-geruimen tijd niet gezien had en door wien hij zich schier vergeten
-waande.
-
-„Niet met eene blijde boodschap,” zeide Pericles, „kom ik u in uw
-nachtelijke rust storen; maar dat ik het ben, die u de boodschap breng,
-moge u een troostrijk voorteeken zijn. En niet als bode alleen, maar
-ook als raadsman en helper ben ik tot u gekomen.”
-
-„Schoon ’t ook slechte tijdingen mochten zijn,” hernam de grijsaard,
-„die Pericles tot zijn ouden vriend Anaxagoras voeren, zouden ze er mij
-te minder onaangenaam door treffen. Spreek eenvoudig en zonder
-terughouding, wat u op het hart ligt.”—
-
-„De eerzuchtige Cleon, naar ik weet, door den Erechtheüs-priester
-heimelijk opgestookt, heeft heden eene aanklacht tegen u wegens
-godloochening bij den Archon Basileus ingediend.”—
-
-„Op godloochening,” hervatte Anaxagoras rustig, „staat, als ik mij goed
-herinner, de doodstraf, volgens de wet van Diopithes. Eene zachte straf
-voor een oud man!”
-
-„Wanneer een grijs, eerwaardig hoofd bedreigd wordt,” zeide Pericles,
-„wekt het grooter medelijden op, dan een jeugdig. Inmiddels, voor de
-veiligheid van uw hoofd zou ik met het mijne instaan. Ik zelf zou voor
-uwe rechters optreden als uw pleitbezorger en voor uw hoofd, als het
-noodig mocht zijn, het mijne aanbieden. Wat ik echter niet in staat ben
-te verhinderen, is, dat men u in den kerker zal brengen, tot uwe zaak
-beslist is—en lang kan die snoode, meedoogelooze gevangenschap duren.”
-
-„Laat men mij gevangen zetten,” hernam Anaxagoras. „Wat baat het mij de
-voeten vrij te hebben, als mijn woord het niet meer is?”
-
-„Dat zal voorbijgaan!” antwoordde Pericles. „Ook aan uw woord zal de
-vrijheid weder gegeven worden, en eene prooi der knabbelende muizen zal
-de wet worden, die de sluwe Erechtheüs-priester bij het opgewonden volk
-heeft doorgedreven, toen ik verre van Athene was en mijn woord niet ter
-beslissing in de schaal kon werpen. Buk voor het oogenblik echter voor
-den drang der omstandigheden. Sta op en bind de zolen onder uwe voeten.
-Verlaat onverwijld en heimelijk voor een tijdlang Athene. Alle
-voorbereidselen voor uwe vlucht zijn genomen. Beneden in de eenzame
-baai van Phaleron ligt een vaartuig gereed om u te voeren waarheen gij
-wilt. Met mijn vriend Cephalus heb ik alles voor u bezorgd en in orde
-gemaakt, en hij zelf zal u vergezellen op uwe vlucht, totdat gij eene
-gewenschte wijkplaats hebt bereikt. Zwaar valt het mij in den nacht tot
-de legerstede van een zwakken grijsaard te komen en tot hem te zeggen:
-„Maak u op en ga!” Doch ik moet het doen. In de diepe duisternis van
-dezen nacht nog breng ik u zelf naar de baai van Phaleron, waar
-Cephalus u wacht.”
-
-„Ik heb geen gegronde reden om te gaan,” zeide Anaxagoras, „maar nog
-minder om te blijven; want ik ben oud en alle wegen der wereld voeren
-naar de laatste rust van den Hades. En wanneer de man in Phaleron met
-het vaartuig mij wacht, waarom zou ik hem dan te vergeefs laten
-wachten? Breng mij naar de Mysische kust, naar Lampsacus. Daar wonen
-mij bevriende mannen. Daar mogen zij mij begraven en het woord waarheid
-op mijn graf beitelen. De kleinzonen der Atheners mogen het lezen, als
-zij Lampsacus bezoeken, en zien, dat men aan het strand van den
-Hellespont, niet verre van het gebied der Barbaren, der waarheid en een
-stervenden grijsaard, die haar predikte, een plaatsje heeft gegund.
-Roep mijn ouden slaaf, Pericles, om mij de sandalen aan de voeten te
-binden, en de weinige boekrollen tot een bundeltje samen te voegen en
-mij naar de zee en verder, als hij wil, te vergezellen.”
-
-De grijsaard stond met behulp van Pericles op van zijne legerstede,
-liet zich door zijn slaaf de sandalen onder de voeten binden, wierp de
-chiton om en in eenige oogenblikken was hij gereed voor de reis.
-
-Toen gingen de beide mannen, met de slaaf achter zich, onder
-bescherming van den donkeren nacht, door de Itonische poort en langs
-den langen muur over den eenzamen weg naar de baai van Phaleron.
-
-Spoedig hadden zij de baai bereikt en vonden Cephalus op eene door
-rotsen omsloten plaats, waar de zee zacht als in een droom tegen het
-strand murmelde. Alleen met een handdruk begroetten de mannen elkander.
-
-Anaxagoras stond op ’t punt van Pericles afscheid te nemen en het
-vaartuig te bestijgen. En terwijl zij elkander de hand reikten zag
-Pericles met een blik van diepe deernis op den grijsaard neder, die in
-het eenzame uur van den nacht uitgedreven werd naar den vreemde over de
-onstuimige baren.
-
-„Waarom beklaagt gij mij?” zeide de grijsaard. „Mij treft in de wereld
-niets onvoorbereid. Ik heb in mijn langen levensloop, ’t een na ’t
-ander, alles in mij gedood, wat vatbaar was voor lijden. Als vurig
-jongeling leed ik veel, ik zag hoe verlokkend het leven was, maar
-tevens hoe vluchtig en ijdel. Toen wierp ik langzamerhand alles van mij
-en ik dompelde mij al dieper en dieper in de kalme wateren der
-bespiegeling. Zóó ben ik oud geworden en mijn lichaam zwak, maar de
-hechte zuil van den onverstoorbaren vrede staat onwankelbaar in mijne
-ziel. Op de onzekere zee meent gij Atheners mij uit te drijven en
-zelven op het veilige vaste land achter te blijven. Inderdaad echter
-ben ik het, die van het kalme strand u rond zie dobberen op de woeste
-en opgestuwde baren des levens! U, mijn vriend, is een ander lot dan
-mij ten deel gevallen. Gij hebt het schoone, het geluk, het genot, den
-roem nagejaagd. Gij hebt u verbonden aan eene schoone vrouw, die uwe
-zinnen heeft bevangen, eene vrouw, schoon genoeg om u zalig te maken.
-Zalig prijs ik u daarom, maar zal ik u ook gelukkig noemen? Zalig is de
-genietende, maar gelukkig alleen hij, die niets verliezen kan en dien
-het leven niet kan teleurstellen, omdat hij er niets van begeert.”
-
-„Den stervelingen is het door ’t lot beschoren,” hernam Pericles,
-„verschillende wegen te betreden. Ik heb veel nagejaagd, veel bereikt,
-maar eerst het laatste oogenblik sluit de rekening af en alleen de dood
-maakt de balans op van het leven. Ik heb mij gehecht aan eene schoone
-vrouw, zooals gij zegt. Een nieuw bond heb ik met haar gesloten, dat
-voert tot een schoon, vrij en edel genot des levens. Wij vereenigden
-ons om iets nieuws te beproeven, maar hoe de proef zal uitvallen is nog
-voor mij verborgen. Menige stoornis heeft zich reeds doen gevoelen,
-somwijlen valt er een bittere droppel in de vreugdekelk en eene zekere
-onrust bekruipt niet zelden mijn gemoed. Heb ik misschien te veel op de
-schoonheid, het leven en het geluk vertrouwd met hunne schitterende
-beloften? Hoe het ook zijn moge, de teerling des levens is geworpen en
-mijn lot zal ik mannelijk dragen!”—
-
-Zóó stortten Pericles en Anaxagoras in den stillen nacht, onder ’t
-klotsen der zee, bij ’t afscheid nemen, het diepste en innigste van hun
-gemoed voor elkander uit.
-
-Toen herdachten zij hunne vierentwintigjarige hartelijke vriendschap en
-omarmden en kusten elkander.
-
-Anaxagoras zag nog eenmaal naar de in schaduw gehulde stad en sprak:
-
-„Vaarwel, gij stad van Pallas Athene! vaarwel, Attische grond, die mij
-zoo lang gastvrijheid hebt verleend! Gij hebt mijne zaadkorrels eene
-plaats gegund. Uit hetgeen sterfelijke handen zaaien, ontkiemt het
-goede zoowel als het kwade; doch alleen het goede blijft onsterfelijk.
-Kalm en met mijn besten zegen neem ik van u afscheid en bestijg het
-ranke vaartuig; ik vertrouw mij als grijsaard aan diezelfde golven
-weder, die mij als jong en krachtig man naar uw strand hebben
-gevoerd!”—
-
-Na deze woorden gesproken te hebben, beklom de wijze van Clazomenae het
-vaartuig.
-
-Nog eenmaal wuifde hij Pericles met de hand toe, toen klonken
-riemslagen—zacht ruischten de golven—en het schip gleed stil en snel
-over den grauwen waterspiegel naar de opene, in nevelen gehulde zee.
-
-Eenige zeevogels in de spleten der rotsen werden opgeschrikt uit hun
-slaap, klepten even met hunne vlerken en sluimerden weder in.
-
-Pericles stond op het eenzame strand en staarde het snel wegvarende
-schip langen tijd na.
-
-Toen ging hij in diepe gepeinzen verzonken terug naar de stad en eene
-huivering voer hem door de leden bij de koelte van den aanbrekenden
-morgen.
-
-Op de Agora gekomen, zag hij dat er reeds, trots den vroegen morgen,
-eene groote menigte volks zich om de zoogenaamde koninklijke
-zuilengalerij verdrong.
-
-De menigte staarde met verbazing op een geschrift, dat eene afkondiging
-van den Archon inhield. ’t Was het afschrift eener akte van
-beschuldiging.
-
-Zij luidde als volgt:
-
-„Aanklacht, onderteekend en ingediend, onder eede bekrachtigd door
-Hermippus, de zoon van Lysides, tegen Aspasia, de dochter van Axiochus
-uit Milete: Aspasia is schuldig aan de misdaad de Goden des lands niet
-te erkennen, oneerbiedig gesproken te hebben over de heilige gebruiken
-der Atheners, zich aan te sluiten bij de meeningen en stellingen der
-godloochenende wijsgeeren. Voorts is zij schuldig aan de misdaad door
-gevaarlijke leeringen de jeugd te verleiden en te bederven en zoowel
-jonge meisjes, die zij in haar huis houdt als vrijgeboren vrouwen, die
-zij bij zich ontvangt, tot ontucht en prijsgeving van zich zelven aan
-te zetten. Eisch: de dood.”
-
-Luid klonken deze woorden over de markt, toen Pericles juist
-voorbijging, zonder opgemerkt te worden door het volk, dat naar de
-koninklijke zuilengalerij gekeerd was. Hij verbleekte——
-
-„Sapperloot!” riep iemand uit de menigte. „Dat valt in Pericles’
-huwelijksgeluk als de bliksemstraal in een duivennest!”
-
-„En Hermippus de aanklager!” riep een tweede. „Hermippus, de
-blijspeldichter!”
-
-„Dat was te verwachten,” hernam een derde. „Ik heb het immers zelf uit
-den mond van Hermippus gehoord, nadat Pericles, door Aspasia
-opgestookt, de comedie gekortwiekt had: „Heel goed!” zei hij, „als men
-ons op het tooneel den mond snoert, zullen wij hem op de Agora
-openen.”—
-
-Zelden waren door eene aanklacht de gemoederen der Atheners in zulk
-eene mate opgewekt geworden, zelden de strijd der partijen zoo fel
-ontbrand, als door de aanklacht tegen Pericles’ gade, en met niet
-minder ongeduld zag men den dag te gemoet, waarop de klacht voor de
-Heliasten [392] openlijk zou behandeld worden.
-
-Op dienzelfden tijd kwam Phidias van Olympia naar Athene terug, en
-Diopithes was niet weinig verbitterd, toen hij den gehaten man telkens
-op de Acropolis heen en weder zag gaan, zich met Mnesicles en
-Callicrates onderhouden en door zijn raad de werken der Propylaeën
-krachtig bevorderen.
-
-Op zekeren dag merkte Diopithes, achter de zuilen van het Erechtheüm
-staande, Phidias op, in gezelschap van zijn geliefdsten leerling
-Agoracritus. De beide mannen wandelden in druk gesprek een tijdlang
-tusschen het Parthenon en het Erechtheüm op en neder, vervolgens kwamen
-zij aan een blok marmer, niet ver van Diopithes, dien zij niet
-opmerkten, gelegen, en zetten zich daarop neder om rustig hun gesprek
-te vervolgen. Het viel den Erechtheüs-priester niet moeilijk hun
-geheele gesprek af te luisteren.
-
-„Zonderlinge wegen,” zeide Agoracritus, „begint de beeldhouwkunst der
-Atheners in te slaan; vreemde dingen vind ik, na menigen zwerftocht
-Athene weder bezoekend, ten toon gesteld in de werkplaatsen van mijn
-jongere kunstbroeders. Waar is de oude verhevenheid en waardigheid
-gebleven? Hebt gij den slaaf, die de ingewanden der offerdieren
-roostert, gezien, door Styppax bewerkt? Wij besteedden onze beste
-krachten aan de beelden der Goden en Heroën; en nu wordt met al de
-zorgvuldigheid der kunst een ellendige slaaf afgebeeld, die, ingewanden
-roosterend, met bolle wangen het vuur aanblaast. De jonge Strongylion
-beproeft zijne kunst aan het ruwe werk om het Trojaansche paard in
-metaal te gieten. Van Demetrius zag ik een oud man met een dikken buik
-en een kalen schedel, opgezwollen aderen en een baard, waarvan enkele
-vlokken als door den wind bewogen uit de massa fladderen.”
-
-„De beeldhouwers zouden zoo iets niet maken,” hernam Phidias, „als het
-den Atheners niet beviel. Wie zou kunnen loochenen, dat helaas!
-verbastering in het hart en de aderen van het Atheensche volk
-binnensluipt. Evenals in de beeldhouwkunst het leelijke zich naast het
-schoone begint te plaatsen, zoo wordt immers ook op de Pnyx, naast de
-donderende, Olympische welsprekendheid van den edelen Pericles, het
-woest getier van een Cleon vernomen. En vroeger hadden wij één
-Hipponicus en één Pyrilampes, thans hebben wij er honderden.”
-
-„Weelderigheid en genotzucht krijgen de overhand,” zeide Agoracritus.
-„En wie heeft haar het eerst openlijk gepredikt, de boodschap van
-weelderigheid en genotzucht? Sedert de vriendin van Pericles eens mijn,
-en ik durf schier zeggen, ook uw werk den prijs ontzeide ten gunste van
-den overmoedigen Alcamenes, sedert dien dag is de gramschap tegen de
-machtige vrouw niet uit mijne ziel verdwenen. Toen zij boosaardig mijne
-Aphrodite tot eene Nemesis verklaarde, vloog de gedachte door mijn
-hoofd: Ja, zij zal u eene Nemesis worden, mijne Aphrodite. Gij zult
-haar ondervinden, de macht der wrekende Godin! En inderdaad met
-langzamen, maar zekeren tred nadert zij, de wraak!”—
-
-„Billijk en rechtvaardig zullen de Goden richten!” hernam Phidias
-ernstig. „En als zij de overmoedige dartelheid der Milesische
-breidelen, zullen zij ook de geheime listen van dien Diopithes
-straffen, tot wiens bondgenoot uwe wraakgierigheid u gemaakt heeft. Wat
-wij ook in Pericles’ gade mogen berispen of wraken, vergeet niet, dat
-zonder haar moedig en betooverend woord de tinnen van ons Parthenon
-hier niet voltooid zouden prijken en dat wij geen feller tegenstander
-bij dit werk gehad hebben, dan den sluwen Erechtheüs-priester!”
-
-„Gij werpt u alzoo op tot vriend en beschermer van de Milesische?”
-vroeg Agoracritus.
-
-„Dat niet!” hernam Phidias. „Ik houd evenmin van Aspasia als van den
-Erechtheüs-priester, en ik ruim het veld voor beiden, daar ik spoedig
-weder denk terug te keeren naar het mij lief geworden Olympia. Ik heb
-ondervonden, dat de Eleërs dankbaarder zijn dan de Atheners. Ik heb,
-dunkt mij, thans genoeg voor Athene gedaan. Het overige mijner dagen
-wil ik aan het groote Hellas wijden. Ik laat Athene over aan zijne
-Aspasia’s, zijne volksleiders, zijne brassers en aan zijne sluwe,
-nietswaardige, wraakgierige Erechtheüs-priesters!”
-
-„Gij had gelijk,” zei Agoracritus, „dat gij Athene den rug hebt
-toegekeerd; de Atheners zouden misschien zelfs uwe kunst hebben ontwijd
-en bedorven; naar hun laatsten smaak hadt gij wellicht Priapussen
-moeten beitelen, in plaats van Olympische Goden.”
-
-„Of de wanstaltige gedaante van dien bedelaar, die op deze reine hoogte
-zich koestert, als een uit de onderaardsche poelen ontsnapte molik!”
-sprak Phidias en wees op den welbekenden, kreupelen Meno, die juist
-tusschen de zuilen in de zon lag.
-
-De bedelaar had de woorden van Phidias gehoord; hij grijnsde, balde de
-vuist en wierp hem eene verwensching naar het hoofd.
-
-Phidias stond met Agoracritus op, en eene schrede verder in de richting
-van het Erechtheüm gaande, zag hij Diopithes achter de zuilen staan.
-
-„Kijk eens, hoe waakzaam de uilen van het Erechtheüm zijn!” zeide
-Phidias.
-
-Een donkere blik van diepen haat wierp de beschaamde luistervink op den
-beeldhouwer.
-
-„Scherpe snavels en scherpe klauwen hebben ze, de uilen van het
-Erechtheüm!” riep hij. „Pas op, dat zij u niet onverwachts de oogen
-uitkrabben!”
-
-Zoo sprak Diopithes. De beeldhouwer echter herhaalde ook thans weder
-het woord van Homerus:
-
-
- „Pallas Athene gedoogt geen vrees in mij!”
-
-
-„Welaan!” mompelde Diopithes voor zich heen, toen de beide mannen zich
-reeds verwijderd hadden. „Bouw maar op de bescherming van uwe Pallas,
-ik bouw op de macht der mijnen! Lang genoeg voorbereid is hij, de
-beslissende kamp tusschen uw gouden en ivoren maaksel en het echte,
-oude Godsbeeld daar binnen in de heilige plaats van het Erechtheüm!”
-
-Hij wilde zich juist verwijderen, toen de dolle Meno met zijne kruk,
-nog altijd in zich zelven Phidias met smaadwoorden verwenschend, tegen
-eene der gladde, schitterende zuilen sloeg, zoodat een splinter er
-afvloog.
-
-Diopithes dit ziende naderde Meno; de blikken van den woesten bedelaar
-en van den Erechtheüs-priester ontmoetten elkander.
-
-Zij kenden elkander.
-
-Meno was eens, zooals reeds verhaald is, met de overige slaven van zijn
-heer, die aangeklaagd was, gefolterd geworden. Niet anders dan met de
-pijnbank werden Helleensche voor het gerecht ondervraagd. Zóó derhalve
-had Meno getuigenis afgelegd en op grond daarvan was de Athener
-vrijgesproken. Doch de slaaf Meno had van dit pijnlijk verhoor eene
-verminking der ledematen overgehouden. Hij was kreupel geworden. Uit
-medelijden had zijn heer hem in vrijheid gesteld en hem, bij zijn dood,
-eene aanzienlijke som vermaakt. De half krankzinnige Meno echter wierp
-het ontvangen geld in het Barathon [393] en verkoos als bedelaar
-werkeloos onder de Atheners rond te dolen. Hij leefde deels van de
-spijzen, die men op de graven der dooden legde. Wanneer het ’s winters
-vroor, warmde hij zijne jichtige leden bij de vuren der smidsen of aan
-de ovens der openbare baden. Een lievelingsoord van hem was een
-afschuwelijke plek in Milete, waar men de lichamen der ter dood
-gebrachten en de stroppen en kleederen der zelfmoordenaars wierp. Hij
-verzamelde de stroppen zorgvuldig en telde ze dagelijks. Een hond, die
-schurftig geworden was en daarom door zijn meester weggejaagd, was naar
-hem toegeloopen en sedert onafscheidelijk van hem. Meno was van een
-kwaadaardig, sluw karakter en zijn hoogste genoegen scheen hij er in te
-stellen, zoo hij twist en tweedracht kon zaaien of eenig kwaad onder
-het volk te weeg brengen. Hij scheen door een heimelijk gevoel van
-wraak bezield en in alles scheen zijn toeleg om de slavernij op de
-vrije onderdrukkers te wreken. Opzettelijk deed de verminkte bedelaar
-zich krankzinniger voor dan hij inderdaad was, om ongestraft den
-Atheners de hardste waarheden naar het hoofd te kunnen slingeren en in
-’t algemeen alles te mogen doen, wat men een mensch met gezonde zinnen
-niet zou toestaan. Hij was steeds op de Agora of elders op openbare
-plaatsen te zien; ook op de Acropolis was hij tehuis geraakt, waar hij
-onder de schare van werklieden rondliep. Want overal vond hij zich op
-zijne plaats waar drukte van menschen was en waar hij zijne duivelsche
-rol kon spelen.
-
-Bovenal echter was ’t hem op de Acropolis bevallen, van het oogenblik
-af, dat hij bemerkte hoe de Erechtheüs-priester Diopithes en de
-bouwmeester Callicrates elkander met verbittering bestreden. Hij scheen
-zich tot taak te hebben gesteld de tempeldienaars van den
-Erechtheüs-priester en de werklieden van Callicrates tegen elkander in
-’t harnas te jagen. Hij liet zich ook gewillig als tusschenpersoon of
-als spion gebruiken. Hij diende beide partijen, en beiden haatte hij
-evenzeer, zooals hij allen haatte, die vrijgeborenen en Atheners waren.
-
-Diopithes zelf sprak somwijlen met hem en erkende weldra de
-bruikbaarheid van dit werktuig. De man was immers altijd onder het
-volk, hij bespiedde en beluisterde alles. Niemand meende iets voor den
-onnoozele te behoeven te verbergen, en de scherpheid zijner tong maakte
-hem even zeer gezocht als gevreesd bij het Atheensche volk.
-
-Meno en Diopithes kenden derhalve elkander en zij verstonden elkander
-zeer goed. Lang onderdrukte wrok en wraakzucht maakten den lammen
-bedelaar en den priester tot bondgenooten.
-
-„Gij zijt boos op Phidias?” begon Diopithes.
-
-„Moge de helhond met zijn honderd koppen hem vernielen!—Trotsche kerel!
-Joeg mij altijd de deur uit, als hij merkte, dat ik mij warmde aan het
-vuur der smeltovens in zijne werkplaats—mijne wanstaltigheid beviel hem
-niet.—Gij zijt een gedrocht, Meno, zei hij, een monster—hij wilde
-alleen Olympische Goden en Godinnen om zich heen zien—ha, ha, ha.—Dat
-de bliksem hem treffe, hem en alle Atheners te zamen!”—
-
-„Gij waard dus nog al dikwijls in zijne werkplaats?”—
-
-„Hij zag mij niet altijd—ik hem wel—Meno weet in hoekjes en gaatjes te
-kruipen—zag hem zijn ijdel, blinkend handwerk verrichten—zag hem
-roekeloos omgaan, hem en de zijnen, met het witte marmer en het metaal
-en het ivoor en het blinkend goud.”—
-
-„Zaagt gij hem roekeloos omgaan met het goud?”—
-
-Bij dit woord begonnen de oogen van den Erechtheüs-priester zeldzaam te
-flikkeren en een grijnslach plooide zijne lippen.
-
-„Zaagt gij hem met het goud spelen, Meno?” herhaalde hij, terwijl een
-onheilspellend vuur uit zijne loensche oogen straalde; „met het
-blinkend goud, dat de stad der Atheners hem in zijne werkplaats
-verschaft heeft, om daaruit en uit ivoor de Godenbeelden op de
-Acropolis te maken?”—
-
-„Ja zeker, zeker—met het blinkend goud der Atheners—ik zag hem
-grabbelen in gansche schatten van goud en ivoor—dat blonk en glom.”
-
-„Zou al dat blinkende goud wel in den smeltkroes gekomen zijn, Meno?
-Zou niet misschien toevallig iets aan de vingers zijn blijven kleven
-van hen, die daarmede omgingen?”—
-
-Bij deze laaghartige vraag zag de bedelaar den priester grijnzend aan.
-Een daemonische glans lag op zijn gelaat.
-
-„Ha, ha, ha,” lachte hij—„Meno weet te loeren, te bespieden—zag hem
-werken, ook als hij meende niet opgemerkt te worden—zag hem heimelijk
-kasten openen, waar het verborgen goud fonkelde,—ha, ha, ha,—het gele
-goud—het goud der Atheners—oogen zette hij dan op als een griffioen,
-die een schat bewaakt,—tastte er in als met klauwen—zóó.—Het schuim
-kwam hem op den mond, toen hij mij ontdekte—joeg mij de deur uit—wilde
-niet, dat ik mij warmde—Wacht maar, ellendeling—zie mij maar aan met uw
-bliksemend oog, oude, grauwe griffioen.”—
-
-En wederom hief de bedelaar dreigend de kruk op tegen het Parthenon,
-als wilde hij het uit wraak tegen den meester in puin slaan.
-
-Na eene kleine pauze naderde de priester hem nog dichter en fluisterde
-hem in ’t oor:
-
-„Hoor eens, Meno, wat gij daar gezegd hebt, zoudt gij dat ook op de
-Agora durven zeggen ten aanhoore van alle Atheners?”
-
-„Ten aanhoore van alle Atheners—ten aanhoore van alle twintigduizend
-lompe honden van Atheners dat de pest ze hale!”—
-
-Sinds dit onderhoud verspreidde zich door geheel Athene het praatje van
-harde, trotsche, beleedigende woorden, die Phidias zou gesproken hebben
-tegen zijne kunstbroeders en tegen het geheele Atheensche volk. Er werd
-verteld, dat hij op de volksheerschappij gesmaald, dat hij zijn
-vaderland veracht en de Eleërs geprezen had, dat hij gezworen had
-Athene den rug toe te keeren en voortaan alleen aan andere Hellenen
-zijne diensten te zullen wijden. Tevens werd er gemompeld van goud, hem
-van staatswege geleverd, en dat niet geheel en al in de smeltkroezen
-zijner werkplaats gekomen was...
-
-Als onkruid schoten deze praatjes op onder het volk tot eene giftige
-plant van verbittering en vijandschap tegen den edelen, rustig
-werkenden meester van het Parthenon.
-
-De dag was gekomen, waarop de zaak van Aspasia voor de Heliasten, onder
-voorzitterschap van den Archon Basileus, in een der gerechtshoven van
-de Agora zou behandeld worden.
-
-Van den vroegen morgen af drong het volk om het gerechtshof.
-
-Rustig en kalm was op dien dag onder alle Atheners alleen Aspasia
-zelve. Zij stond op een bovenvertrek van haar huis en zag door eene
-soort van venster op straat naar de menigte, die naar de Agora trok.
-
-Zij was een weinig bleek, doch niet van angst; want om hare lippen
-zweefde een verachtelijke glimlach.
-
-Pericles trad tot haar.
-
-Hij was bleeker dan Aspasia en een diepen ernst lag op zijne trekken.
-Stilzwijgend sloeg hij een blik naar den somberen hemel boven zich. De
-lucht was betrokken. Zwermen van kraanvogels vlogen van den
-Noordelijken Strymon [394] naar Attica en hun gekras scheen een
-voorbode van regen te zijn.
-
-Nu trad een lange trein van meest bedaagde mannen over de straat. Het
-was de afdeeling der Heliasten, aan wie de zaak van Aspasia ter
-beslissing was opgedragen. Het waren de rechters, voor wie de gade van
-Pericles zich moest verantwoorden en door wie haar vonnis zou worden
-uitgesproken.
-
-„Kijk, daar zijn die oude jongens!” zei Aspasia glimlachend, op de
-Heliasten wijzend. „De helft van hen draagt afgesleten mantels, heeft
-een hongerig voorkomen en steunt in het loopen op dien langen, mij
-onverdragelijken Atheenschen stok, dien Phidias zelfs in het fries op
-de Acropolis aan ’t oog der schoonheidkenners heeft vertoond. Er zijn
-er onder, die knoflook kauwen en de smerige obolen, die zij als
-rechtersloon voor dezen dag zooeven ontvangen hebben, tusschen de
-lippen houden.”—
-
-„’t Zijn mannen uit het volk,” zei Pericles en haalde de schouders op.
-„’t Zijn mannen uit het Atheensche volk, ’t geen u eens zoo goed
-beviel, dat gij ter liefde daarvoor, naar gij mij verhaald hebt, het
-Perzische hof en uw schoon Milete hebt verlaten, en door sterke
-begeerte gedreven over de zee herwaarts zijt gekomen, om het op te
-zoeken en er onder te leven.”—
-
-Aspasia sprak niet één enkel woord.
-
-„Dit knoflook kauwend, lange stokken dragend, obolen in den mond nemend
-Atheensche volk,” vervolgde Pericles, „is juist hetzelfde, welks
-schoone gestalte en ongedwongen houding uwe bewondering wekte, welks
-vaderlandsliefde u trof, welks kunstliefde u niet alleen in de
-scheppende beeldhouwers en dichters onvergelijkelijk voorkwam, maar
-insgelijks in zijne geestdrift, in zijn fijnen smaak om te zien, te
-hooren en te genieten.”
-
-„Nu echter weet ik,” hernam Aspasia, „dat het veelgeprezen, fijne
-Attische volk nog sporen van ruwheid, ik mag wel zeggen, van
-barbaarschheid, in zich bevat.”
-
-„Er is niets volmaakts onder de zon!” sprak Pericles, „een groot licht
-gaat altijd met groote schaduw gepaard. Ik herinner mij onlangs in de
-werkplaats van een onzer beeldhouwers een zonderling beeld gezien te
-hebben: ’t was eene gestalte met vleugels aan de schouders en
-bokspooten. Dit wangedrocht schijnt mij het Atheensche volk. Het heeft
-aanleg voor de hoogste vlucht, maar het loopt nog op bokspooten.
-Overigens moet gij bedenken, dat het Atheensche volk zijne groote
-deugden zelf alleen bezit, terwijl het zijne zwakheden met anderen
-deelt. En evenals de schoonste vrouw toch altijd vrouw blijft, zoo is
-het voortreffelijkste volk nog altijd een volk, aangedaan met de
-zwakheden en hartstochten van hetgeen men juist het volk, de massa, den
-grooten hoop pleegt te noemen.”
-
-„Meer dan andere,” riep Aspasia opstuivend, „is het Atheensche volk
-ondankbaar, wispelturig, naar iederen wind draaiend, lichtzinnig.”
-
-„Maar het is beminnelijk!” zei Pericles op een toon van fijne ironie,
-„genotlievend en vroolijk en een vurig vriend en vereerder van het
-schoone.—Wat wilt gij nog meer, Aspasia?—Hebt gij zelve niet dikwijls
-genoeg den armen suffer Socrates uitgelachen en bespot, omdat hij van
-het Atheensche volk nog andere deugden scheen te verlangen, dan die,
-welke ik u zooeven opnoemde?”
-
-Aspasia wendde trotsch het hoofd af, alsof zij beleedigd was.
-
-„’t Is tijd,” zei Pericles na eene pauze, „om te gaan en ons naar ’t
-gerechtshof op de Agora te begeven, waar de rechters u wachten.—Zijt
-gij in het geheel niet bevreesd, Aspasia? Uwe trekken verraden niet de
-minste bekommering. Wilt gij mij alleen de bange zorgen overlaten?”
-
-„Ik vrees,” hernam Aspasia, „veel meer de nare lucht van het knoflook
-in die vertrekken, dan het vonnis, dat uit den mond dier mannen mij
-treffen kan. Nog voel ik mij door denzelfden moed bezield, die mij
-vervulde onder het gepeupel van Megara en in het volksgedrang in de
-straten van Eleusis.”
-
-Terwijl dit gesprek tusschen hen beiden werd gevoerd, waren de
-Heliasten in het gerechtshof op de Agora aangekomen; ook de Archon
-Basileus was met eenige ondergeschikte ambtenaren, openbare schrijvers,
-verschenen, benevens de opgeroepen getuigen van den aanklager en de
-aangeklaagden.
-
-Vóór het gerechtshof echter woelde de schare des volks levendig
-dooreen. Bont door elkander gonsden daar de stemmen; meeningen,
-wenschen, voorspellingen werden gewisseld. Men kon tegenstanders en
-aanhangers der beklaagden, ook onpartijdigen, hooren.
-
-„Weet gij waarom zij Anaxagoras en Aspasia aangeklaagd hebben?” riep er
-een. „Omdat zij Pericles gevoelig willen treffen, maar zich aan hem
-zelven niet durven wagen. Want er is geen sterveling in Athene, die
-Pericles zelven openlijk zou durven aantasten.”
-
-„Maar zou men het daarom niet kunnen?” schreeuwde een verschrompeld
-mannetje, met gluipende oogen, nader bij komend. „Zou men het niet
-kunnen? Zou men van Pericles, na een bestuur van zoovele jaren, geen
-betere en nauwkeuriger rekening en verantwoording kunnen verlangen, dan
-hij tot nu toe gedaan heeft? Komen in zijne rekeningen geen posten voor
-met de eenvoudige verklaring: doelmatig aangewend? Wat moet dat
-beteekenen, bid ik u, doelmatig aangewend? Zeg? Kan men het volk
-onbeschaamder zand in de oogen strooien? Hoort toch eens: doelmatig
-aangewend!”
-
-Zoo riep de man en vervolgde zijn weg door de menigte en vroeg overal,
-wat het toch beteekenen moest „doelmatig aangewend.”
-
-„Dat zijn sommen,” merkte iemand op met een geheimzinnig gezicht, „die
-Pericles aanwendt, om invloedrijke mannen in de Peloponnesus den mond
-te stoppen opdat zij geen booze plannen zouden smeden tegen Athene.”
-
-„Opdat zij hem niet zouden dwarsboomen in de herstelling der tyrannie
-[395] te Athene!” viel het levendige mannetje met de loensche oogen
-schamper lachend in. „Want wanneer gij u verbeeldt, dat de geleerde
-Pericles, zoo dikwijls hij met zijne vrienden fluistert, alleen de
-lengte van vlooienpooten en de breedte van muggenbeten met hen
-berekent, dan dwaalt gij! Hij bazelt reeds lang over de eenheid van
-geheel Hellas—hij zou, om het kortweg bij zijn naam te noemen, vol
-gaarne tyran van het geheele Helleensche land worden. Zijne vrouw, de
-Milesische, heeft hem dit in ’t hoofd gezet, en dit denkbeeld vindt hoe
-langer zoo meer ingang bij hem en zal hem tot razernij brengen. Naar
-niets minder dan naar eene koningskroon verlangt deze hetaere—zij zou
-zoo gaarne koningin heeten—koningin van geheel Hellas—de lauweren harer
-landgenoote drijven haar den slaap uit de oogen.”
-
-Zoo zaaide de vijand der tyrannie, met zijne scherpe tong, twist en
-tweedracht.
-
-In het gerechtshof echter op de Agora zaten reeds de rechters op hunne
-houten banken, afwachtende de dingen, die komen zouden. De Archon
-Basileus bekleedde het voorzitterschap, terwijl schrijvers en dienaren
-hem omringden.
-
-De gerechtsplaats was afgezet; eene getraliede deur verschafte alleen
-toegang aan hen, die de Archon Basileus opriep.
-
-Aan de buitenzijde der omheining verdrong zich het volk, om aan te
-hooren, wat gesproken zou worden.
-
-Tegenover de banken der rechters was voor de beklaagden, zoowel als
-voor den aanklager, eene eenigszins verheven stellage opgericht,
-waardoor zij in de verte gezien en op een afstand gehoord konden
-worden.
-
-Op eene dier hoogere plaatsen zat Hermippus, een man van een
-onaangenaam somber uiterlijk, wiens doorborend oog onrustig
-ronddwaalde.
-
-Op de andere plaats zat Aspasia, naast haar Pericles. Want als vrouw,
-maar vooral als vreemdelinge, moest zij zich voor het gerecht door een
-man, een burger des vaderlands, laten vertegenwoordigen.
-
-Het was een schouwspel, dat het hart van velen bewoog en roerde, de
-schoonste en meest gevierde vrouw van haar tijd, de vrouw van den
-grooten Pericles, op de bank der beschuldigden te zien.
-
-Dat Pericles naast haar zat, haar mede-aangeklaagde als het ware,
-verhoogde nog het ernstige en treffende van het tooneel.
-
-Met een zekeren trots zetten de rechters en een deel des volks de borst
-op, daar zij zagen, dat ook de machtigsten zich voor hun rechterstoel
-moesten stellen en zich onderwerpen aan de almachtige wetten van den
-staat.
-
-Boosaardige blikken wierp Hermippus op de schoone vrouw, over wier
-gelaat eene zachte bleekheid lag, die de uitdrukking van ongebogen
-fierheid, welke uit hare trekken straalde, nauwelijks vermocht te
-temperen.
-
-Thans opende de Archon Basileus de vergadering. Hij nam den aanklager
-den eed af, dat hij alleen ter liefde der waarheid en der
-rechtvaardigheid de aanklacht had ingediend. De rechters zelven hadden
-reeds bij de aanvaarding van hun ambt den eed van rechtvaardigheid en
-stipte nauwgezetheid afgelegd.
-
-Nu liet de Archon door een der staatsschrijvers eerst de aanklacht,
-daarna het tegen de akte van beschuldiging ingediende tegenschrift
-voorlezen.
-
-Vervolgens verzocht hij den klager zijne aanklacht mondeling en
-uitvoerig toe te lichten.
-
-Hermippus stond op. Zijne rede vloeide over van sarkasme. Men zou
-meenen eene comedie aan te hooren. Hij besprak met scherpe, snijdende
-woorden de feiten, waarop, naar zijne meening, de aanklacht tegen
-Aspasia berustte: hoe zij te Eleusis ten aanhoore van het geheele volk
-oneerbiedig gesproken had over de Eleusinische Godinnen en over de
-heilige gebruiken des lands; hoe zij omgang had gehouden met de
-Sophisten, met Anaxagoras en Socrates, boven alles echter met dien
-welsprekendsten godloochenaar Protagoras, die zich een geruimen tijd te
-Athene had opgehouden, doch thans weder zijne dwaalleer predikend en de
-jeugd bedervend, in andere Helleensche steden rondzwierf: hoe zij
-verder haar geheele streven daarop gericht had, om de Atheensche
-vrouwen tot verzet tegen de instellingen des lands op te ruien, hoe zij
-eens bij gelegenheid van het Thesmophoriën-feest voor alle Atheensche
-vrouwen was opgetreden, om met haar eene samenzwering te maken tot
-vernietiging van die eerwaardige wetten, waardoor de echt en het
-familieleven der Atheners geheiligd waren; hoe zij verder vrijgeboren
-Atheensche vrouwen in haar huis had gelokt, om haar tot een ontuchtig
-leven en de lichtzinnige levensopvatting der hetaeren te verleiden; hoe
-zij eindelijk zelfs zoover was gegaan, dat zij een aantal meisjes in
-huis had opgenomen, klaarblijkelijk met geen ander doel, dan om ze tot
-onzedelijkheid op te kweeken en ze met aanzienlijke Atheensche mannen
-te verbinden.
-
-Als getuige voerde Hermippus velen dergenen aan, die te Eleusis de
-openlijk uitgesproken woorden van Aspasia mede hadden aangehoord; van
-sommigen echter liet hij de schriftelijke verklaringen door den
-openbaren schrijver voorgelezen. De aansporing der vrouwen tot eene
-samenzwering tegen de wetten van den staat liet hij door de vrouwen
-getuigen, die aan dat Thesmophoriën-feest hadden deelgenomen. De poging
-om vrijgeboren vrouwen tot ontucht te verleiden liet hij door de
-voorgelezen verklaring van Xenophon’s gade bevestigen, wie dit
-getuigenis was afgeperst door Telesippe en de zuster van Cimon. Wat de
-jonge meisjes in Aspasia’s huis betrof, beriep hij zich op de algemeene
-bekendheid dezer zaak onder de Atheners, en hij verzuimde niet op den
-voorgrond te plaatsen, hoe juist wegens de meisjes de Atheensche staat
-in den laatsten tijd in gevaarlijke verwikkelingen geraakt was met
-Megara en met de bondgenooten van deze vijandig gezinde, naburige
-Dorische stad.
-
-Zijne slotsom was, dat Aspasia in drie opzichten gezondigd had: tegen
-het oude geloof en den godsdienst des lands, tegen den staat en de
-eerwaardigheid zijner wetten, tegen de goede tucht en de zedelijkheid.
-Hij liet door den schrijver een aantal wetten voorlezen en toonde aan,
-dat naar Atheensch recht, al die handelingen strafwaardig waren en dat
-op de meeste de dood gesteld was; dat Aspasia’s hoofd en leven
-derhalve, daar zij van die misdaden voldingend overtuigd was geworden,
-aan de wet vervallen was. Hij bezwoer bij gevolg de rechters in
-hartstochtelijke opgewondenheid en met verheffing van stem, toch het
-heiligste wat een staat bezat, ter harte te nemen, den overmoed der
-vreemdelinge, die het omverwerpen van de oudvaderlijke inzettingen
-beoogde, te tuchtigen en den tot dusverre door de Goden geliefden en
-door de Goden gezegenden staat der Atheners niet te laten te gronde
-gaan in de school van teugelloosheid, van wetsverachting en van
-godloochening.
-
-De vurige redevoering van Hermippus maakte een diepen indruk op de
-rechters, die meest op gevorderden leeftijd en uit de laagste klasse
-des volks afkomstig waren. Ook uit de menigte, die buiten de afsluiting
-in ademlooze stilte de rede van Hermippus had gevolgd, verhief zich een
-gemompel:
-
-„Hermippus heeft fraai gesproken—zijne bewijzen waren scherp en
-afdoende—hij heeft de wetten op zijne hand—het hoofd der Milesische
-moet vallen.”
-
-Nadat Hermippus geëindigd had en weder op zijne plaats was gaan zitten,
-verhief zich Pericles.
-
-Oogenblikkelijk heerschte weder de diepste stilte en ieder oor
-luisterde in gespannen aandacht naar den eersten klank uit den mond van
-Aspasia’s gemaal.
-
-Pericles’ geheele wezen scheen veranderd. Zijn uiterlijk was niet,
-zooals hij voor het volk op de Pnyx verscheen, wanneer hij het
-redenaarsgestoelte besteeg en in waardige rust, zeker van den uitslag,
-zijne meeningen uitsprak. Voor de eerste maal scheen de kalmte
-gedwongen, die hij uiterlijk ook nu ten toon spreidde, en eene lichte
-trilling klonk in zijne stem, toen hij begon te spreken.
-
-Hij ontkende de schuld van Aspasia. Het eene punt van beschuldiging na
-het andere behandelende, trachtte hij aan te toonen, dat het alleen aan
-de hatelijke overdrijving gelukt was Aspasia’s gedrag den schijn eener
-misdaad te geven, waarop de doodstraf stond. En waar hij niet loochenen
-kon, dat de letter der Atheensche wet tegen Aspasia sprak, beriep hij
-zich op hare daden en edele bedoelingen, en zocht te bewijzen, dat een
-edel streven nooit misdadig kan zijn.
-
-Doch er was ditmaal iets weifelends in de redevoering van den gevierden
-spreker, die den bijnaam van den Olympiër voerde. Men kon duidelijk
-bemerken, dat zijne woorden slechts een geringen indruk op zijne
-hoorders teweegbrachten. Was zijne inwendige ontroering te groot,
-zoodat zij zijne scherpzinnigheid verstompte?—
-
-Ten laatste echter deed Pericles, zooals Hermippus gedaan had. Hij liet
-op zijne bewijsvoering eene aanspraak aan de rechters volgen, die uit
-het hart voortkwam en tot het hart sprak.
-
-Hij zeide:
-
-„Deze vrouw hier is mijne gade. En wanneer zij schuldig is aan de
-misdaden, dan ben ik ook schuldig. Hermippus klaagt ons aan, omdat wij
-de waardigheid der Goden hebben gehoond, het gezag van den staat
-gekrenkt, de tucht en de goede zeden hebben geschonden. Mannen van
-Athene! als ik mij mag beroemen op iets van hetgeen gij op mijne
-aansporing hebt gedaan, dan heb ik het aanzien der Goden van ons land
-niet verkleind, maar veeleer hen verheerlijkt, als iemand vóór mij,
-door prachtige tempels en schitterende beelden op de Acropolis en te
-Eleusis. Ik heb den staat niet gekrenkt, integendeel voor hem gestreden
-in bloedige slagen; ik heb de macht der oligarchen gebroken en aan het
-volk de vrijheid gegeven. Ik heb de tucht en de goede zeden niet
-verslapt, maar ze versterkt en veredeld, terwijl ik de beoefening en
-bevordering van het goede en het schoone onder u heb zoeken te
-verbreiden, en daardoor het gemeene en ruwe tegen te gaan. En in die
-pogingen, mannen van Athene, heeft mij deze vrouw, Aspasia van Milete,
-niet belemmerd, maar ondersteund en aangespoord. Datgene, wat het volk
-en de stad der Atheners misschien voor alle volgende tijden zal
-verheerlijken, is voor een niet gering deel, hare verdienste. Niet met
-het verval van dezen staat, maar met zijn edelsten bloei, macht en
-heerlijkheid zal de herinnering van haar naam voor altijd verbonden
-zijn.—Dit zijn feiten, gij mannen van Athene, en wij beiden gelooven
-ons verdienstelijk gemaakt te hebben omtrent het volk en de stad der
-Atheners. Gindsche Hermippus echter komt en roept u toe: „Scheurt de
-uitverkorene, de geliefde wettige vrouw van Pericles van zijn hart en
-sleept haar voor zijne oogen ter dood!”
-
-Bij deze woorden parelde een traan in het oog van Pericles.
-
-Een traan in het oog van den rustigen, waardigen Pericles! Een traan in
-het oog van den Olympiër! Die traan had een, naar de gewone wetten der
-natuur onverklaarbare uitwerking. Hij werkte verbijsterend als een
-wonder, als een meteoor, als een door de Goden gezonden teeken uit den
-hemel.
-
-Zij, die met eigen oogen hadden gezien, hoe de traan een oogenblik
-blonk in het manlijk oog van Pericles, doch spoedig werd weggepinkt,
-zagen elkander met veelbeteekenende blikken aan.
-
-Zij fluisterden elkander toe:
-
-Pericles heeft geweend!
-
-Uit de gerechtszaal verspreidden zich over de Agora de woorden:
-
-Pericles heeft geweend!
-
-Van de Agora liep het in korten tijd door de geheele stad Athene:
-
-Pericles heeft geweend!
-
-Tegelijkertijd kwam te Athene het bericht van een zeeslag bij Sybota,
-waarin Atheensche schepen den Corcyraeërs [396] tegen de Corinthiërs
-met schitterenden uitslag ter hulp waren gekomen. Maar men luisterde
-slechts ten halve naar het bericht—men sprak over niets, dan over den
-traan van Pericles.
-
-Aan de rede van Hermippus voor de Heliasten was eene grens gesteld door
-den zandlooper, aan de rede van Pericles maakte de opwellende traan een
-einde.
-
-Een dienaar naderde op den wenk van den Archon en verdeelde de
-stemsteentjes onder de rechters. Aan ieder reikte hij ten aanschouwe
-van allen een witten en een zwarten steen, een die vrijsprak en een die
-veroordeelde.
-
-Toen verlieten de Heliasten hunne zetels, traden een voor een naar eene
-koperen vaas en wierpen een stemsteentje daarin, het witte of het
-zwarte. Den steen, dien zij over hadden, wierpen zij in een anderen,
-houten bak.
-
-De eerste stemming der Heliasten gold het schuldig of onschuldig; de
-tweede gold, in geval van schuldigverklaring, de straf, die tegen den
-aangeklaagde geëischt werd.
-
-Nu waren de steenen van alle Heliasten in de stembus. Zorgvuldig werden
-de witte en de zwarte onmiddellijk geteld onder de oogen van den
-Archon.
-
-Met onbeschrijfelijke spanning waren aller oogen op de uit de urn
-rollende witte en de zwarte steenen gevestigd. En zie! De heldere
-loten, die ten leven beslisten, namen in groote getale toe en
-zegevierend overtroffen zij de donkere loten des doods.—
-
-De vrouw van Pericles was vrijgesproken. In de weegschaal van Themis
-was de traan van den held met beslissende zwaarte gevallen.
-
-Uit den mond van den Archon klonk het gewijsde en als op vleugelen
-gedragen verspreidde die mare zich over de gansche Agora.
-
-Aspasia stond op. Een lichte blos kleurde haar gelaat. Haar blik
-zweefde een oogenblik met helderen glans over de eerwaardige hoofden
-der Heliasten. Toen reikte zij stilzwijgend hare hand aan Pericles.
-Deze voerde haar weg. Een sluier bedekte haar gelaat, terwijl zij door
-de menigte gingen.
-
-Op de Agora begroetten en vergezelden Pericles de door duizenden monden
-aangeheven vreugdekreten der Atheners.
-
-In alle straten, die Pericles op zijn terugweg met zijne gesluierde
-gade doorging, verdrong zich het volk en de verschillendste uitroepen
-werden gehoord of gefluisterd, al naar mate ieders gezindheid, bij het
-zien van Aspasia. Een uitroep echter had den boventoon, die telkens en
-overal werd herhaald:
-
-„Wat een schoone vrouw is nog altijd Aspasia!”
-
-Deze uitroep verkreeg ten laatste de overhand over alle andere, en
-alleen de waanzinnige Meno riep de schoone Milesische, toen zij hem
-voorbij ging, een scheldwoord na.
-
-Plotseling stond Socrates, uit de menigte te voorschijn tredend, naast
-Pericles en Aspasia.
-
-„Ik wensch u geluk, Aspasia!” sprak hij, terwijl hij zich bij hen
-aansloot. „Welke uren van kwelling en angst waren die laatste voor uwe
-vrienden!”
-
-„Waar waart gij,” vroeg Aspasia, „toen de uitslag werd bekend gemaakt?”
-
-„Altijd midden onder het volk,” hernam Socrates.
-
-„En wat hoordet gij onder het volk in al dien tijd?” vroeg Aspasia
-weder.
-
-„Vele en verschillende zaken,” antwoordde Socrates: „ten laatste echter
-bleven er alleen twee gezegden over, die van mond tot mond gingen.”
-
-„En welke waren die?”
-
-„Pericles heeft geweend!” en: „Wat eene schoone vrouw is nog altijd
-Aspasia!”
-
-„Zonderlinge samenloop van zaken!” vervolgde Socrates op zijne
-wonderlijke wijze sprekende. „De schoonste vrouw is Aspasia, en de
-gelukkige echtgenoot der schoonste vrouw heeft geweend!—Draag zorg,
-Aspasia, dat dit de laatste traan van Pericles moge blijven! want
-alleen de eerste traan van den man is verheven, de tweede is
-belachelijk. Alleen de eerste grijpt aan en schokt—de tweede is zonder
-eenige uitwerking. Pericles mag nooit meer weenen! Hoort gij dat,
-Aspasia? Pericles mag nooit meer weenen!”
-
-„Ben ik het dan soms, die tranen aan Pericles’ oog tracht af te
-persen?” vroeg Aspasia, innerlijk beleedigd.
-
-„Ik beweer alleen, dat Pericles nooit meer weenen mag,” hernam Socrates
-en verdween onder de menigte.
-
-Aspasia was verstoord. Hoe? Het vijandig gezinde volk der Atheners had
-haar heden vrijgesproken en uit de schare der verzoende vijanden trad
-een vriend te voorschijn, om haar scherpe, onheilspellende woorden toe
-te voegen!—
-
-„Gij kent den zonderling!” zei Pericles. „Oefen geduld met hem! Gij
-weet, hij meent het goed met ons.”—
-
-Aspasia echter bleef toornig. En de gedachte, reeds lang in hare borst
-gekoesterd, den zonderling te straffen voor de altijd vaardige, altijd
-onbeschroomde vrijmoedigheid zijner tong, ontwaakte opnieuw in de fiere
-vrouw, terwijl zij in het bewustzijn harer zegepraal aan de zijde van
-haar echtgenoot daarheen ging.—
-
-Twee mannen volgden op eenigen afstand het paar met loerende blikken;
-een hoonende grijnslach speelde om hunne lippen, terwijl zij met
-elkander fluisterden.
-
-Het waren Diopithes en de oligarch Thucydides.
-
-„Het wijf is ons ontsnapt!” zei de oligarch met somberen blik.
-
-„Des te erger voor haar!” hernam de priester. „Gij kent het volk. Ware
-zij veroordeeld geworden, men zou haar beklagen om Pericles’ wille en
-medelijden hebben met Pericles; doch nu zij er vrij is afgekomen, zal
-men spoedig zeggen, dat de rechters toch te zacht hebben geoordeeld, en
-dat de macht van Pericles te gevaarlijker wordt wanneer men uit liefde
-voor hem de schuldigen vrijspreekt!”
-
-„Verheug u voor heden in uwe zegepraal!” hernam Diopithes, uit de verte
-de vuist achter Aspasia’s gemaal ballend: „De pijlen, die gij van het
-hoofd uwer vrouw hebt afgewend, zullen des te gewisser uw eigen hoofd
-treffen!”
-
-
-
-
-
-
-
-XXII.
-
-STRIJD EN ZEGEPRAAL.
-
-
-Pericles wandelde met zijn vriend Sophocles in het vroege morgenuur op
-de Agora, toen Euripides, met somberen blik in gezelschap van den
-waarheidszoeker hen ontmoette. Een weinig verwonderd over de vele
-bagage, die eenige slaven achter hem droegen, bleven beiden een
-oogenblik staan en vroegen hem, waarom hij zoo reisvaardig was en
-werwaarts hij voornemens was te trekken.
-
-„Ik scheep mij in naar Salamis,” hernam Euripides. „Op dat stille
-eiland hoop ik eindelijk de afzondering en den vrede te vinden, waaraan
-ik zoo groote behoefte heb. In de grot aan het strand, waarin ik het
-levenslicht aanschouwde, wil ik voortaan mijn lievelingszetel opslaan
-en zonder gestoord te worden mij aan mijne gedachten en overpeinzingen
-overgeven.”
-
-„Biedt dan uw landhuis u geen stilte en afzondering genoeg?” vroeg
-Pericles.
-
-„Spreek mij niet van het landhuis!” antwoordde de dichter gemelijk.
-„Dat is mij vreeselijk gehaat geworden door het toenemend aantal
-kikvorschen, die des avonds in den nabijzijnden vijver kwaken, doch nog
-meer door den zwerm van krekels, die door hun eindeloos gepiep mij dag
-en nacht in mijn denken en dichten storen. De oude beuzelaar Anacreon
-heeft ze bezongen, die „helklinkende cicaden,” ik echter verwensch ze!
-Mijn hoofd doet mij zeer en ik ben bijna gek geworden van het schrille
-rumoer dier kwelgeesten, dier piepende booze daemonen. Te vergeefs
-heeft mijn vriend Socrates mij een paar dagen lang geholpen ze in hunne
-holen te vervolgen en uit te roeien... Lacht ge er om, plaagzieke
-Sophocles? Ge zoudt gewis in staat zijn ons op staanden voet eene
-gloeiende lofrede op de krekels en kikvorschen te houden!”
-
-„Waarom niet?” hernam Sophocles glimlachend. „De geheele natuur is
-immers rijk aan tonen en zingt. De golven zingen, de winden zingen, de
-pijnboom zingt, de steen zingt, als de voet des wandelaars hem beroert.
-En zoo gaarne hoort het geluid zich zelf, dat het, als een andere
-Narcissus [397], zijn eigen beeld terugkaatst in den spiegel van Echo.
-Daarom, mijn beste Euripides, laat ons ook de krekels en
-kikvorschen....”
-
-„Daar hebben wij het!” viel Euripides den spreker met heftigheid in de
-rede. „O, die „vereerders van het schoone”, die „dweepers met het
-schoone,” die „aanbidders van het schoone”, en hoe zij zich ook willen
-noemen! Alles, zelfs het afzichtelijkste weten zij met het vernis van
-schoone woorden te bedekken, nooit durven zij den ernst des levens
-onpartijdig in het aangezicht zien! Ik zeg u, de cicaden blijven een
-onverdragelijk gespuis, wat daarover ook de oude Anacreon en na hem de
-vrome Sophocles met hun dichterlijk gevoel gezegd hebben. Overigens
-zijn het, zooals gij weet, niet alleen die krekels en kikvorschen, die
-mijn verblijf op het Attische vasteland verbitteren. Het bevalt mij
-niet langer te Athene. Ik heb er geen pleizier in, ter wille van eene
-weggelopen vrouw de spotternijen der straatjongens te verdragen, hoe
-Attisch gekruid zij ook wezen mogen. Ik heb geen lust mijn leven zoo
-door te brengen, terwijl allerlei dreigende verschijnselen zich
-bovendien in de toekomst vertoonen. Waarom zijn wij toch verlichter
-geworden, als de zeden hoe langer zoo slechter worden?—Vaartwel! Ik ga
-voorloopig naar Salamis.”
-
-„Moet ons geluk dan van de plaats afhankelijk zijn?” vroeg Sophocles.
-„Men behoort te volharden op zijne standplaats. ’t Moet, naar mijne
-meening, de trots zijn van den Helleen, die al het bittere en sombere
-des levens, in zich zelven onveranderd te blijven, zijn opgeruimdheid
-en schoonheidsgevoel te behouden, als iemand, die het hoogste en beste
-van ’t menschelijk leven in de schoone harmonie van zijn eigen wezen
-vereenigt en door niets gestoord wordt in het edelste levensgenot.”
-
-„En wanneer de ouderdom tot u komt met knikkende knieën,” wierp
-Euripides hem tegen, „en de bronnen des genots opdrogen?”
-
-„Dan zal ik van het genot, welks bronnen opdrogen, afstand doen,”
-hernam Sophocles, „maar alleen, om op den vroolijken levenslust des
-mans, die toch altijd met eene zekere onrust gepaard gaat, de veel
-schoonere, waarachtig goddelijke rust en opgeruimdheid, den
-Halcyonischen vrede des grijsaards te doen volgen.”
-
-„Gij spreekt als een zoon van den goeden ouden tijd,” zei Euripides,
-„en gij denkt niet, dat wij langzamerhand te verstandig zijn geworden,
-om in idyllisch-onverstoorbare opgeruimdheid voort te leven.”
-
-„Wat mij betreft,” begon thans Socrates met een ernstig gelaat, „ik
-vind het door Sophocles uitstekend gezegd, dat wij eene schoone
-harmonie van ons eigen wezen moeten bewaren. Alleen zou ik wel gaarne
-willen hooren, ja waag ik het onzen vriend Sophocles uitdrukkelijk te
-vragen, of hij van „schoone harmonie” sprekend, het zedelijke op het
-oog heeft, of wel zich de harmonie in dien zin schoon denkt, zooals men
-bij voorbeeld vrouwen of werken der beeldende kunst schoon en bevallig
-en voor het oog streelend noemt? Of hij, om het anders uit te drukken,
-den klemtoon legt op het goede, dan wel op hetgeen gewoonlijk schoon
-genoemd wordt? En daarmede zouden wij dan weder bij die oude, zoo
-dikwerf tusschen ons opgeworpen en nooit opgeloste vraag terecht komen,
-of het schoone boven het goede, dan wel het goede boven het schoone den
-voorrang verdient?”—
-
-Met gespannen belangstelling zag de waarheidszoeker na deze woorden den
-dichter in ’t gelaat en wachtte zijn antwoord af.
-
-Op hetzelfde oogenblik echter ontstond er een rumoer en eene beweging
-onder het volk, dat inmiddels zich op de Agora verzameld had. Het
-teeken tot het begin der volksvergadering op den Pnyx was gegeven en
-alles toog derwaarts.
-
-Glimlachend zei Pericles, die eveneens zich gereed maakte die zelfde
-richting te volgen:
-
-„Ook heden, waarde zoon van Sophroniscus, zullen wij uwe
-lievelingsvraag niet kunnen beantwoorden. Want het volk der Atheners
-wordt juist op de Pnyx bijeen geroepen en daar moeten wij dringender
-zaken beslissen.”...
-
-Socrates stond daar, zwijgend en verslagen, als iemand, dien opnieuw
-juist ten ontijde de mond, om zoo te zeggen, gesnoerd was.—
-
-„Myrmecides,” zei een Atheensch burger tot zijn buurman, op het punt om
-de Agora te verlaten en met de overige onstuimige volksmassa de hoogte
-van den Pnyx te bestijgen, „wat wij heden ook besluiten mogen, ik heb
-een voorgevoel van iets kwaads voor Hellas. Er wordt gesproken van
-orakels—onheilspellende orakels, ook orakels van Bacis worden er
-medegedeeld, die thans op eens verstaanbaar worden. Doch wat het
-bedenkelijkste is: gij weet dat Delos, het heilige Delos, het eiland
-van den Ionischen God Apollo, nooit door eene aardbeving is geteisterd
-geworden.”—
-
-„Nooit,” antwoordde Myrmecides; „iedere knaap weet van kindsbeen af,
-dat het heilige Delos als met koperen ketenen aan den bodem der zee is
-vastgeklonken en niet als de andere eilanden van den Archipelagos door
-onderaardsche beroeringen kan geschokt worden.”
-
-„Zoo geloofde men tot gisteren,” vervolgde Cynogenes; „doch gisteren is
-het bericht gekomen, dat eene aardbeving, die een zeer korten tijd
-duurde, op het eiland heeft plaats gehad en dat een dof onderaardsch
-gedreun zich heeft doen hooren.”
-
-„Delos geschokt?” riep Myrmecides: „dan is er niets meer dat vaststaat
-in Hellas!”
-
-Andere mannen voegden zich bij Myrmecides en Cynogenes en mengden zich
-in hun gesprek. Doch zij werden weldra gestoord en gedwongen zich om te
-keeren door een luid rumoer, dat achter hen op de Agora zich verhief.
-
-„Een Megarische hond!” klonk het, „een Megarische hond!—doodt hem,
-steenigt hem!”
-
-Eene groote, schreeuwende menigte had zich ijlings om een man
-verzameld, die door eenige Atheners gegrepen en onder allerlei
-uitdrukkingen van toorn vastgehouden werd.
-
-Het was niet de eerste maal, dat een Megarenser in onaangename
-verwikkelingen te Athene geraakt was. Reeds voordat de Atheensche markt
-en de havens van Athene aan de naburige Dorische stad ontzegd waren,
-was menig burger, die soms een vet gemest varken of iets anders op de
-markt te Athene bracht, daar schandelijk voor den gek gehouden,
-uitgescholden of mishandeld geworden.
-
-Tot woede echter was de verbittering bij de Atheners tegen de
-Megarensers gestegen, sedert dezen in barbaarsche ruwheid het gewaagd
-hadden den van Athene naar Megara gezonden heraut dood te slaan. Sinds
-dien dag had het Atheensche volk gezworen elken Megarenser, die zich te
-Athene vertoonde, oogenblikkelijk te steenigen.
-
-De arme man smeekte om zijn leven en zwoer bij alle Goden, dat hij geen
-Megarenser was, dat hij uit Eleusis kwam.
-
-„Gelooft het niet!” riep de man, die hem het eerst had vastgegrepen en
-hem nog steeds als met ijzeren vuist omklemd hield. „Gelooft het niet!
-Ik ken hem! Een Megarische hond is hij—een Megarische hond!”
-
-Op dit oogenblik kwamen eenige Archonten voorbij, die, nadat zij de
-zaak hadden vernomen, het vermoorden van den man verhinderden, door
-eenige Scythische boogschutters er bij te roepen en den man gevankelijk
-weg te doen voeren.
-
-Boven op de Pnyx, niet verre van de plaats der volksvergadering,
-fluisterden drie mannen zacht maar druk met elkander. Het waren de
-leerlooier Cleon, de schapenkoopman Lysicles en de worsthandelaar
-Pamphilus. Zij schenen het onderling niet eens te zijn...
-
-Thans betraden de gezanten der Lacedaemoniërs den weg van de Pnyx, om
-zich naar de volksvergadering der Atheners te begeven. Zij waren
-gekomen om voldoening te eischen voor het hun verwante en met hen
-verbonden Megara. Met vijandelijke blikken zagen deze Spartaansche
-mannen en het grootste deel der Atheners rondom elkander aan.
-
-Doch een oligarch fluisterde den andere zacht in het oor:
-
-„Zullen wij vrede of oorlog wenschen?”
-
-„Het ware wellicht nuttig,” hernam de andere, „wanneer de
-Peloponnesiërs kwamen en hier een weinig opruiming hielden...”
-
-Opgewondener dan het Atheensche volk de Pnyx bestegen had, daalde het
-na eenige uren weder daar af. Op de Agora vormden zich verscheidene
-groepen.
-
-„Ik vind, dat Pericles nooit zoo voortreffelijk heeft gesproken!” riep
-Myrmecides. „O, die slimme vos met de leeuwenhuid! Hoe gematigd deed
-hij zich voor, hoe rustig, hoe vol schijnbare toegefelijkheid! Hoe
-scheen hij bereid tot elke mogelijke tegemoetkoming! Alleen stelde hij
-eischen, die men nooit zou toestaan! Welk een meesterlijke zet was het,
-toen hij zeide, dat Athene bereid was zijnen bondgenooten de volle
-vrijheid terug te geven, zoo slechts de Spartanen vooraf den hunnen
-hetzelfde deden!”
-
-„Ik voorspel teerlucht, riemgeplas, triërarchen-geschreeuw,
-Pallas-beeldenvergulderij in den Piraeüs”—zei de baardschrapper
-Sporgilus met een bedenkelijk gezicht.
-
-„Waarom niet, lafaard?” riepen de anderen. „Hebt gij geen lust in een
-vroolijk zeetochtje?”
-
-„Neen,” antwoordde Sporgilus, „de zee is toch altijd iets zilts en
-bitters!”
-
-„Laat u met knoflook voeren!” klonk het rondom hem, „met knoflook,
-lamzalige vent, zooals de hanen, om vuriger en moediger te worden!”
-
-Thans werd de stem van Cleon, de stem van den beruchten leerlooier
-Cleon, in eene andere dichte groep hoorbaar. „Ik wil oorlog, maar
-zonder Pericles!” schreeuwde hij. „De krijg mag Pericles niet nog
-grooter maken. Hoe zullen wij rekenschap van hem kunnen vorderen, als
-hij aan de spits van een leger of van eene vloot staat. Derhalve weg
-met Pericles! Den eisch der Spartanen, dat hij als Alcmaeönide uit
-Athene verbannen zou worden, dezen eisch alleen had men moeten
-inwilligen! Men verbanne Pericles! Pericles moet verbannen worden!”
-
-Zóó schreeuwde Cleon met heftige, lompe gebaren, terwijl hij met zijn
-geheele lichaam in beweging was en geen enkel oogenblik op dezelfde
-plaats bleef.
-
-„Oorlog, maar zonder Pericles!” herhaalde hij onophoudelijk.
-
-Van dezelfde meening was Pamphilus, die echter met niet minder luid
-getier er bijvoegde, dat men Pericles niet moest verbannen, maar ter
-verantwoording roepen wegens zijn staatsbeheer en in den kerker werpen.
-
-Thans naderde de oude Cratinus met Hermippus en een derden makker, een
-jongeling, die in nog hoogeren graad den „Attischen blik” had dan zij
-beiden, en van wien het gerucht liep, dat hij eerstdaags ook met een
-blijspel zou optreden.
-
-„Zijt gij voor den oorlog of voor den vrede, oude Satyr?” riep een uit
-de menigte den ouden brasser toe.
-
-„Ik,” hernam deze, „ik ben voor gebraden hazen, wijn in de kan, zilver
-in de kast, vijgen in de voorraadkamer, bekranste bokken,
-lammergeblaat, Dionysus-feesten, verschen most, omgeworpen flesschen,
-mooie, hooggeschorte dansmeisjes.”
-
-„Dan zijt gij dus ook voor den vrede?”
-
-„Ja zeker, en er tegen, dat men den Megarensers de Atheensche markt
-ontzegt. Weest toch wijzer, gij met viooltjes omkranste Atheners! Houdt
-toch op, elke oude vrouw, die op de Atheensche markt komt, met argwaan
-aan te zien en te meenen, dat het een man en een verkleede Megarenser
-is! Sinds gij de Megarensers van de markt uitgesloten hebt, kan men
-geen goed gemest varken meer krijgen, zooals het de oude
-Marathon-strijders verdienen. Spoedig zal het zoover komen, dat wij
-gebraden krekels zullen eten. Overigens, wat zeurt en kijft gij toch
-over vrede en oorlog? Zijn de Spartanen met een ander bescheid uit de
-volksvergadering gegaan, dan met hetgeen Pericles heeft voorgesteld?
-Laat toch Pericles aan het roer van den staat, en de anderen, de
-volksmannen, de leerlooiers en schapenkoopers en worstmakers, die u den
-baard schrapen en de vliegen van het hoofd wegjagen en de vlokken van
-den mantel plukken...”
-
-Die bijtende woorden brachten Cleon’s bloed in gisting. „In één
-opzicht,” schreeuwde hij, „heeft Pericles gelijk gehad, toen hij het
-bijtend, onbeteugeld gespuis der comedie-schrijvers trachtte te
-muilbanden—die keffers, die ieder naar de kuiten bijten.”
-
-„Ei, hoor eens dien Cleon!” riep Cratinus. „Cleon, de verschrikkelijke!
-Ik had stellig niet gewaagd hierheen te komen, als ik geweten had, dat
-de man met de gretige tanden en de vreeselijk rollende oogen er was. De
-leerlucht, die reeds op grooten afstand merkbaar is, had mij moeten
-waarschuwen.”
-
-Cleon stikte schier van gramschap. Myrmecides hield hem tegen, terwijl
-Cratinus voortging:
-
-„Gij noemt ons onbeteugeld, omdat wij den geesel zwaaien over de
-hoofden, onbekommerd wien hij treft? Treft hij niet altijd den rechten
-man, dan treft hij toch al licht de rechte zaak. Vraagt Zeus in den
-hemel wel, als hij bliksemt, waar hij treft indien de lucht maar
-gezuiverd wordt.”
-
-„Oude gifspuwer!” riep Cleon. „Zijt gij niet de man van wien men zegt,
-dat hij zijne geestdrift uit het vat tapt?”—
-
-„En gij,” hernam Cratinus, „zijt gij niet de man, die opgezwollen zijt
-van gif, van wien men zegt, dat u onlangs eene slang heeft gebeten, die
-onmiddellijk—crepeerde? Maar dat doet er niets toe. Wij nemen den
-strijd aan met den stank van zeehondenleer, met de verwoede blikken uit
-rollende oogen, met honderd roodharige Cerberus-koppen. En wanneer wij
-eerst met den vrouwenheld Pericles klaar zijn, dan denken wij met die
-halve gekken, de worstmakers, de schapenkoopers, de leerlooiers en alle
-„met viooltjes bekranste Atheners” wel half slapend klaar te komen.”
-
-Op deze woorden van Cratinus klonk plotseling achter eene zuil een
-luid, hoonend gelach. Men keek om en zag den dollen Meno achter de zuil
-neergehurkt zitten.
-
-„Daar hebt gij Meno!” riep de jongste der drie blijspeldichters. „De
-kerel ziet er zoo berooid en gemeen uit, dat Euripides hem eerstdaags
-ongetwijfeld tot den held van een roerend stuk zal maken!”
-
-De Atheners lachten, Meno knarste op de tanden en riep: „Lompe honden!
-Met viooltjes bekranste honden!”
-
-Men wilde hem afranselen; doch hij hitste zijn hond tegen de aanvallers
-aan.
-
-Thans nam men steenen op, om ze hem naar het hoofd te werpen. In dit
-oogenblik echter kwam Socrates er bij, die zich over den man erbarmde
-en hem met zich uit het gedrang voerde.
-
-De menigte verstrooide zich daarop. Pamphilus, heftig vertoornd
-weggaande, kreeg Pericles in ’t oog, trad op hem toe en vervolgde hem
-den ganschen dag, zoo dikwijls hij hem zag, met smaadwoorden.
-
-Wederom liep hij achter hem en zeide: „Gij zijt een tyran, evenals
-Pisistratus! Slechts in schijn handhaaft gij de volksregeering.
-Inderdaad echter zijt gij het alleen, die de teugels van Athene in
-handen hebt.”
-
-Pericles zweeg.
-
-„Gij wilt de Atheners in een oorlog wikkelen,” vervolgde Pamphilus,
-„ten einde het roer in handen te houden en geen rekenschap af te
-leggen!”
-
-Pericles antwoordde niets.
-
-„Gij laat de verdiensten van andere mannen, die niet minder dan gij
-voor redenaars en volksleiders geboren zijn, geen recht wedervaren!”
-schreeuwde Pamphilus.
-
-Pericles bleef zwijgen.
-
-„Gij hebt uwe heerscherskunst geleerd in den omgang met Sophisten en
-boeleersters!—Gij hebt de kracht van het Atheensche volk door
-toenemende weelderigheid en verwijfdheid ontzenuwd!”—
-
-Toen Pamphilus deze woorden uitgilde, was Pericles bij zijn huis
-gekomen. Er heerschte reeds volkomen duisternis op de straten. Pericles
-had volgens Atheensch gebruik een slaaf met een brandende fakkel achter
-zich.
-
-De slaaf klopte aan de deur. De portier opende. Pamphilus stond er nog
-altijd.
-
-„Breng dezen man met uwe fakkel terug door de straten; want het is zeer
-donker geworden!” zei Pericles tot den slaaf en ging rustig zijne
-woning binnen.—
-
-Nog altijd bezocht Socrates, nu eens in gezelschap van zijn
-boezemvriend Euripides, dan weder alleen, gedurig Pericles’ woning. Nog
-altijd bezocht hij Aspasia, nog altijd hield hij er veel van zich met
-haar te onderhouden, alleen klonken zijne woorden steeds duisterder,
-raadselachtiger, steeds meer als orakels.
-
-Weinige dagen na die belangrijke vergadering op de Pnyx betrad Socrates
-wederom het huis van Aspasia. Weldra was hij in een levendig gesprek
-met haar gewikkeld. Aspasia sprak met blijdschap over den ophanden
-zijnden strijd met de Doriërs, doch met weerzin en afkeuring over de
-partijschappen op de Agora, over de vijandelijke plannen van den
-Erechtheüs-priester, over de kuiperijen der Laconisten, over de ruwheid
-der demagogen. „Ter wille van die barbaarschgezinde mannen,” zeide zij,
-„zullen wij wellicht spoedig den tanenden bloei van Hellas
-aanschouwen.”
-
-„Den tanenden bloei van Hellas!” riep Socrates. „Hoe is dat mogelijk?
-Gij vergist u zeker! Hoe lang toch is het geleden, dat gij zeidet, dat
-Hellas zijn heerlijksten bloei naderde? Sinds dien dag, toen wij in
-feestvreugde op de Acropolis voor het voltooide Parthenon stonden en ik
-reeds het oogenblik van dien hoogsten bloei gekomen achtte, gij echter
-beweerdet, dat onze kunst wel is waar bijna goddelijk was geworden,
-maar dat er nog veel aan ontbrak, om ook ons leven geheel en al in elk
-opzicht tot het schoone op te voeren—sinds dien dag zag ik met
-gespannen verwachting naar het beloofde oogenblik van den heerlijksten
-bloei uit en wacht daarop met ongeduld. En daar ik van bloemen in het
-Oosten gehoord heb, die slechts in één enkelen nacht, heimelijk door de
-oogen van Zeus bestraald, haar wonderkelk ten volle ontplooien, dacht
-ik, dat de bloeitijd der stervelingen misschien ook van dien aard was,
-en deze gedachte liet mij, om zoo te zeggen, ook des nachts geen rust;
-ik vreesde steeds, dat ik slapend het schoonste oogenblik zou kunnen
-verzuimen. Bijzonder echter heb ik dat gansch nieuw en merkwaardig
-liefde- en huwelijksverbond, ’t welk Pericles en gij vóór mijn beeld
-der Chariten op den burg gesloten hebt, steeds in gedachte gehouden;
-want als dit gelukte scheen mij juist de schoonste bloei van het
-Helleensche leven verzekerd. En daar gij ons, die om u stonden, toen
-uitdrukkelijk tot getuigen riept, heb ik mijn plicht als zoodanig
-voortdurend trouw bij u vervuld; want ik heb het ernstig opgenomen en
-ik achtte mij geroepen, niet alleen voor een oogenblik, maar voor
-altijd, een nauwlettend getuige te zijn van dat wondervolle verbond.
-Evenals men in een tuin een bijzonder zeldzaam en vruchtbeloovend
-boompje dag aan dag bezoekt, immer vreezende, dat men het eens door
-eene ruwe hand geschonden, door de vorst bevroren of door de zon
-verschroeid zal vinden, en zich telkens opnieuw over zijne ongestoorde
-frischheid verheugt, zoo kom ik tot u, niet meer om te hooren als
-vroeger, maar om te zien, wat de liefde is—en hoe zij zich ontwikkelt,
-van welke beginselen zij uitgaat en tot welke doeleinden zij voert. ’t
-Is zeker eene gewichtige zaak, als de Ioniërs en de Doriërs zich
-eindelijk tot een beslissenden strijd uitrusten; maar schier nog
-gewichtiger is mij de geschiedenis van uw liefdeverbond en de
-beslissende strijd, dien gij buiten en in u voert. Want de volkeren
-zijn onsterfelijk of hebben althans een lang bestaan; hunne lotgevallen
-kunnen altijd weder veranderen en zich vernieuwen; ’t lot van den
-mensch echter is in een engen kring besloten; zooals het valt, zoo
-blijft het meestal; want tot verandering en vernieuwing gunt de Parce
-geen tijd. Ik volg met belangstelling de in- en uitwendige,
-voortschrijdende geschiedenis uwer zoo zonderlinge, op de vrijheid
-gegrondveste liefde. En hoe zacht die ontwikkeling ook voortgaat, mijne
-zinnen zijn niet te stomp om ze op te merken.”
-
-„Dus zijt gij,” zei Aspasia, „van een minnaar een toeschouwer en
-getuige van eene vreemde liefde geworden?”—
-
-„Sinds dien dag in het Lyceüm, waarop gij van mij wegliept en mij
-toeriept, dat ik aan de Chariten moest offeren,” hernam Socrates,
-„sinds dien dag heb ik aan de Chariten geofferd: doch te vergeefs, naar
-het schijnt. Niet fijner zijn mijne lippen, niet innemender mijne
-trekken geworden. En sinds dien tijd heb ik begrepen, dat het zelden of
-nooit aan één en denzelfden sterveling beschoren is de schoonheid met
-den geest te vatten en tegelijk met de zinnen te genieten.”
-
-Aspasia twijfelde of de gloed, dien toenmaals in de ziel van den
-jeugdigen denker voor een oogenblik geblaakt had, thans wel ten
-eenenmale was uitgedoofd.
-
-De gelegenheid scheen zich thans aan te bieden voor het sinds lang
-gekoesterde plan, om eene kleine wraak te nemen op den wijsgeer en hem
-opnieuw te deemoedigen en te beschamen.
-
-Met sluwe geveinsdheid sprak zij dus:
-
-„Dat oogenblik in het Lyceüm, waaraan gij na langen tijd nu weder
-herinnert, is ook uit mijne gedachte niet verdwenen, en, ik wil het
-eerlijk bekennen, ik betreurde menigmaal in stilte, dat ik zonder
-redenen en in eene verkeerde meening u heb beleedigd, toen ik mij van u
-verwijderde met de vermaning, dat gij aan de Chariten moest offeren;
-gij hebt die woorden opgevat, alsof ik had willen zeggen, dat gij, om
-bemind te worden, eerst de eigenschappen moest zoeken te verwerven, die
-beminnelijk maken. Ik had moeten bedenken, dat gij een wijsgeer zijt,
-wien ’t niet in den zin kon komen, ernstig naar mijne liefde te
-streven. Sinds dien tijd was ’t mij altijd, Socrates, alsof ik u eene
-voldoening schuldig was.”
-
-„Gij aan mij?” zei Socrates met een pijnlijken glimlach. „Neen, gij
-hebt geene verontschuldiging noodig; ik zelf meende integendeel er eene
-bij u noodig te hebben, sinds dat oogenblik.”
-
-„Ik was toen zoo heel dwaas!” hernam Aspasia. „Zonder eenigen schroom
-zou ik thans mijn hoofd tegen uwe borst leggen, want thans ken ik u.”—
-
-Aspasia zat met Socrates in een vertrek, dat zeer gezellig en weelderig
-ingericht was en vervuld van welriekende, bedwelmende geuren, die van
-Aspasia zelve schenen uit te stroomen; want zij was, evenals de Goden
-en Godinnen van den Olympus, steeds met eene hemelsche lucht omgeven.
-Zij straalde van onverwelkbare, bloeiende schoonheid en een
-betooverende glans van opgeruimdheid lag op haar gelaat. Zij scheen in
-de voortreffelijkste luim te zijn—wanneer er van iets zoo onbelangrijks
-als luim bij Aspasia sprake mocht zijn.
-
-Eene duif vloog in de kamer rond. Het was de gevleugelde lieveling van
-Aspasia, een fraai diertje, met glanzend witte vederen en een
-bevalligen, lichtgrijzen ring om den hals.
-
-Telkens vloog de duif op den schouder van Aspasia en pikte de gewone
-lekkernijen tusschen de lippen der schoone weg. Nu en dan vloog zij ook
-op het hoofd van Socrates en ging daar zoolang zitten, dat Aspasia
-herhaalde malen zich verplicht achtte zelve den gast van den lastigen
-vogel te bevrijden, waarbij zij natuurlijk zijn hoofd moest aanraken.
-
-Toen zij nu met moeite de duif van Socrates’ schedel had weggejaagd,
-fladderde deze weder rond en liet zich elders neder, na vooraf haar
-„kir, kir” te hebben doen hooren.
-
-„Als het niet algemeen aangenomen was, dat het gekir der duiven zacht
-en liefelijk klinkt,” zeide Socrates, „zou ik het met mijn slechten
-smaak voor leelijk houden. Ik zou het een sterk onderdrukt gehinnik
-noemen.”
-
-„Hoe?” riep Aspasia, „gij smaadt den vogel van Aphrodite? Pas op, dat
-niet de vogel of de Godin zelve zich op u wreke!”
-
-„Dat hebben zij reeds te voren gedaan!” hernam Socrates.
-
-„Onnaspeurlijk is de raad der Goden,” zeide Aspasia; „nu eens zijn zij
-ongunstig en onthouden ons hunne gaven, dan weder zijn zij genadig en
-schenken tienvoudig, wat zij vroeger weigerden. De luimigste echter van
-alle Godinnen is Aphrodite. Zij verlangt volstrekt, dat iemand, die
-eene gunst van haar begeert, het rechte oogenblik en de rechte luim
-afwacht en gedurig aanhoude. Dwaas is hij, die slechts eenmaal zijn
-geluk bij haar beproeft. Weet gij dat niet, Socrates? En doen de
-schoonen niet wellicht evenzoo als de Godinnen?”
-
-„Ik weet het niet,” hernam Socrates; „want ik heb het nooit beproefd.”
-
-„Daar hadt gij ongelijk in!” zei Aspasia. „Het is dus uwe schuld, dat
-gij niet weet of Aphrodite en de vrouwen u gunstig zijn of niet.”
-
-Op die zonderlinge en tergende wijze onderhield zich Aspasia met den
-wijze. Daarbij liefkoosde zij de duif en kuste haar. Socrates
-herinnerde zich niet, haar ooit zoo opgewekt tot uitgelatenheid toe
-gezien te hebben. Hoe dartelder en aanvalliger zij werd, des te
-stiller, afgetrokkener en ernstiger werd hij zelf.
-
-Wederom vloog de duif onder een gekir, dat thans veel van een
-schaterlach had, op den schedel van Socrates. Ditmaal echter raakte zij
-met de kleine nagels harer pootjes zoo vast in zijn hoofdhaar verward,
-dat zij niet meer los kon komen. Aspasia haastte zich haar ter hulp te
-komen en hare nagels uit zijne haren te bevrijden. De onmiddellijke
-nabijheid van een welriekend, warm, bekoorlijk vrouwenlichaam
-doortintelde hem van verrukking—de boezem der schoone vrouw golfde vlak
-voor zijn gezicht, vlak voor zijne lippen—slechts de minste beweging en
-zijne lippen moesten den liefelijk hijgenden boezem aanraken. Geen
-zeegolf ruischt zoo verleidelijk, met zulk een groot gevaar om er
-reddeloos in onder te gaan, als de borst eener vrouw.
-
-Socrates’ lippen waren even dicht bij deze liefelijke golf, als zij bij
-den rozenmond der schoone waren geweest toen de peinzende
-waarheidszoeker in vertrouwelijk gesprek met haar in de eenzame zaal
-van het Lyceüm gezeten had.
-
-Slechts de kleinste beweging—en de opnieuw ontvlamde Socrates zou zich
-eene nieuwe beschaming, krenkender dan de vroegere in het Lyceüm,
-berokkend en door een nieuwe overijling van hart en zinnen den triomf
-der listige schoone, zijne heimelijke vijandin, voltooid hebben.—
-
-Wat ging er in de ziel van Socrates op dat oogenblik om?
-
-Rustig en kalm stond hij op en zeide:
-
-„Laat de duif, Aspasia! Ik geloof niet te duur van den wraakgierigen
-vogel bevrijd te zijn, als ik een lok mijner haren in zijn klauw
-achterlaat.
-
-„Ik begrijp het best,” hernam Aspasia op een veranderden, eenigszins
-spotachtigen toon, „ik begrijp het best, dat gij de kaalheid niet
-vreest. De kaalheid gaat immers met de wijsheid gepaard en gij zijt een
-volslagen wijze geworden! Zoo volmaakt wijs, dat gij verdient kaal
-geplukt te worden tot op uw laatste haar toe door de klauwen van den
-aan Aphrodite gewijden vogel.”
-
-„Kaalheid moge den wijze passen,” sprak Socrates, „weet echter, dat ik
-van alles zelfs van den roem der wijsheid afstand gedaan heb, en dat ik
-voor het oogenblik er alleen aan denk, om mijn burgerplicht te
-vervullen. Reeds morgen ga ik met andere burgers, die het lot heeft
-aangewezen, naar het leger vóór Potidaeä. Alcibiades gaat insgelijks
-mede.”
-
-„Van hem schijnt ge dus nog geen afstand gedaan te hebben?” vroeg
-Aspasia, „nadat gij, zooals gij zegt, al het andere hebt opgegeven?”—
-
-„Wij volgen te zamen de roepstem des vaderlands!” hernam Socrates.
-„Vindt gij dit soms niet goed? Geldt het niet de Doriërs te
-bestrijden?”
-
-„Zijt gij voornemens de Doriërs te bestrijden?” riep Aspasia. „Gij zijt
-zelf een Doriër geworden!”
-
-„Neen,” antwoordde Socrates, „ik meen een echte zoon van den peinzende
-Pallas Athene te zijn.”
-
-„Inderdaad,” hernam Aspasia glimlachend, „gij hebt u, van Eros en de
-Chariten, geheel tot de koele, schier manlijke Athene gewend. Waar is
-die gloed gebleven, die uwe ziel in vlam zette, toen gij in het Lyceüm
-voor de laatste maal mij naar het wezen der liefde vroegt?”
-
-„Mijn liefdegloed, Aspasia,” antwoordde Socrates, „is hetzelfde
-wedervaren, als uwer schoonheid, sedert Phidias uw beeld heeft
-verheerlijkt in de Lemnische Aphrodite. Evenals namelijk uwe
-bekoorlijkheid in dat beeld het aardsche en tijdelijke overtreft, zoo
-is ook mijne liefde veredeld en verheerlijkt, ik zou haast zeggen,
-versteend geworden. Van eene gloeiende kool is zij eene ster
-geworden”...
-
-Op dit oogenblik fladderde de duif op Aspasia’s schouder. Welke daemon,
-welke ondeugende Eros stak in dien vogel.
-
-Zij raakte thans met de klauwen verward op de plaats, waar eene gesp de
-beide smalle einden van den chiton samenhield.
-
-Onstuimig trok de vogel met de pooten, om ze los te krijgen, tot de
-gesp opensprong en de slippen van het gewaad afgleden, ’t welk de
-schitterende witte schouders omhulde.
-
-„Offer deze vogel aan de Chariten!” sprak Socrates, wierp zijn mantel
-over de ontbloote schouders der schoone vrouw en ging heen.
-
-De trotsche Milesische verbleekte—zij greep onthutst met bevende hand
-naar een zilveren spiegel en ontdekte voor de eerste maal met schrik
-eene schaduw van veroudering, die over hare trekken toog.
-
-Was de schoonheid dan niet langer alvermogend? Was er iets, dat haar
-durfde trotseeren?
-
-Eene zachte huivering voer haar door de leden.
-
-
-
-De jonge Alcibiades was zeer in zijn schik, toen eindelijk de wensch,
-dien hij tegen Pericles had geuit, om op het oorlogsveld lauweren te
-mogen plukken, vervuld werd. Hem, zoowel als Socrates, had het lot eene
-plaats aangewezen onder de Atheensche burgers, welke gezonden zouden
-worden ter belegering van de van Athene afgevallen bondstad Potidaeä.
-
-Alcibiades had tot hier toe zijne dolle levenswijze voortgezet en liet
-het bij voortduring niet aan stof ontbreken, die aan de praatzucht der
-Atheners voedsel kon verschaffen.
-
-Hij had het zoogenaamde gezelschap der Ithyphallers opgericht, waarin
-de overmoedigste en uitgelatenste jongelieden bijeen kwamen, om zich te
-zamen aan de meest teugellooze hartstochten over te geven, zooals men
-van een club verwachten kon, die zich naar den onreinen daemon
-Ityphallas noemde. Reeds het tooneel der inwijding was moedwillig en
-dartel in den hoogsten graad. Alleen zij werden in den kring opgenomen,
-die op de gunst van dien daemon in bijzondere mate meenden te kunnen
-bogen.
-
-Om den spot te drijven met het gebruik, dat te Athene een drinkgelag
-vóór het middageten verbood, legde Alcibiades met zijne vrienden
-slemppartijen in den morgenstond aan. In zijne overmoed liet hij zich
-door een voortreffelijk schilder, op den schoot eener jonge hetaere
-gezeten, afschilderen en heel Athene vloeide samen om het portret te
-zien. Hij had een hond, waarvan hij zeer veel hield, wien hij den naam
-van „Daemon” gaf; het was heel kluchtig om te hooren, als hij, evenals
-Socrates, van „zijn Daemon” sprak.
-
-Scheen het alzoo, dat de moedwil die den zoon van Clinias bezielde,
-zelfs Socrates trof, dit belette toch niet, dat hij dienzelfden man
-voor de gansche wereld zijn besten en liefsten vriend noemde. Hij droeg
-inderdaad den denker en waarheidszoeker nog altijd eene bijna
-raadselachtige soort van liefde toe, hoewel dit, naar ’t scheen, niet
-den minsten invloed op zijn doen en laten oefende.
-
-Toen Alcibiades naar Potidaeä trok, geschiedde ook dit niet zonder
-toerustingen, die stof tot spreken gaven. Hij liet zich wapenen van
-eene bijzondere soort maken. Hij had een schild van goud en ivoor. Op
-het schild voerde hij als wapen een Eros, gewapend met de
-bliksemschicht van Zeus.
-
-Eros met de bliksemschicht! Eene schitterende gedachte, een
-Helleenschen kop waardig. ’t Was immers de tijd, waarin, naar ’t
-scheen, de bliksemschicht van Zeus zou overgaan in de handen van den
-gevleugelden knaap...
-
-Eenigen van Alcibiades’ vrienden trokken eveneens te velde. Zij zochten
-hun voorbeeld na te volgen door kostbare en bijzondere soorten van
-uitrustingen. De jonge Callias, de zoon van Hipponicus, trok te velde,
-naar men zei in een pantser, uit eene leeuwenhuid gemaakt.
-
-Er was eene vrouw te Athene, die met diepe droefheid vervuld was, toen
-Alcibiades op ’t punt stond de stad te verlaten; eene vrouw, die langen
-tijd nóch de smart had gekend, nóch de liefde; die niet alleen de
-banden van Hymen veracht, maar ook met de boeien van Eros had gespot,
-eene vrouw, die van zich zelve gezegd had: ik ben geen priesteres der
-liefde, alleen die van het genot.
-
-Die vrouw was Theodota. Zij was het, zooals reeds vermeld is, die de
-jonge Alcibiades als zijne leermeesteres beschouwde, toen hij zich in
-den maalstroom van ’t genot en der jeugdige brooddronkenheid stortte.
-Zijne ijdelheid bracht mede, dat hij boven alles de schoonste en
-beroemdste hetaere van Athene de zijne wilde noemen, deze Theodota,
-welke destijds niet meer op het glanspunt van haar bloei, maar toch nog
-op het toppunt van haar roem stond. Ook Theodota was trotsch op het
-bezit van Alcibiades en niet minder vermeerderde juist deze verovering
-ook weder den roep van haar naam.
-
-Een geruimen tijd verkeerde de jonge Alcibiades met geen vrouw liever,
-dan met de zwartoogige Corinthische, en voerde zijne vrienden zoo
-dikwijls mogelijk bij vroolijke en uitgelaten partijen in Theodota’s
-huis. Hare vroolijkheid niet minder dan hare bekoorlijkheid waren de
-kruiderijen in den schuimenden vreugdebeker van Alcibiades en zijne
-makkers.
-
-Doch Theodota bleef niet altijd zoo vroolijk, als zij in ’t begin van
-haar omgang met Alcibiades geweest was. Te schoon was de jongeling, dan
-dat een vrouwenhart, al had het ook nooit bemind en de liefde voor
-altijd afgezworen, toch niet ten laatste het genot van zijn verkeering
-met hare vrijheid zou moeten betalen.
-
-Weinig had het haar in den beginne gehinderd, als haar jonge vriend ook
-andere vrouwen en hetaeren behalve haar toelonkte. Zij zelve had, als
-hij met Callias en Demus bij haar drinkgelagen hield, jeugdige en
-bekoorlijke vriendinnen in haar huis genoodigd.
-
-Weldra echter meende de jonge aanvoerder der Ithyphallers niet zonder
-misnoegen te bemerken, dat het geheele wezen der Corinthische meer en
-meer veranderde. Zij scheen afgetrokken, ernstig; zij zuchtte telkens,
-hare hartelijke opgeruimdheid scheen als ontaard in eene soort van
-onrust, van onstuimigheid; krampachtig sloot zij soms haar lieveling in
-de armen, als wilde zij hem voor altijd vasthouden; menige traan mengde
-zich in haren kus en als Alcibiades thans eene andere vrouw in hare
-tegenwoordigheid vriendelijk toelachte of liefkoosde, verbleekte zij en
-hare lippen bewogen zich zenuwachtig van ijverzucht.
-
-Deze verandering in het wezen van Theodota viel niet in den smaak van
-den dartelen jongeling, die zich overal den vreugdebeker ten boorde toe
-vol schonk, dien ledigde en weder verder ging.
-
-Gedaan was het voor hem thans met Theodota’s bekoorlijkheid, gedaan met
-hare betoovering. Somber en naargeestig scheen zij thans den jongeling.
-
-In oogenblikken, waarin zij zich aan ijverzuchtige opwellingen overgaf,
-wekte zij zijn toorn op; doch hij vergaf haar dit veel eerder, dan die
-overmaat van dweepende, in tranen uitbarstende teederheid, waarmede zij
-hem lastig viel.
-
-Zij zwoer hem te beminnen, hem alleen toe te behooren. Het was hem
-onverschillig. Het volle bezit eener enkele vrouw, de hoogste behoefte
-voor het hart van den rijperen man, is den jeugdigen losbol zonder
-eenige waarde, ja zelfs lastig.
-
-Alcibiades zeide tot Theodota:
-
-„Sedert gij begonnen zijt met uwe liefdeklachten onder een stroom van
-tranen te kwellen, begint gij mij onuitstaanbaar te worden. Gij weet
-niet, hoe leelijk eene vrouw is, die in plaats van door den glans der
-vroolijkheid en bevalligheid te betooveren, haar gezicht laat misvormen
-door de trekken der ijverzucht, hare eigene wangen, of ook zelfs die
-van den geliefde, met een heeten tranenvloed besproeit en als een Furie
-niets dan heftige klachten uit. Gij verschaft mij niet langer genoegen,
-Theodota! Gij verveelt mij! Niet met sombere klachten en
-hartstochtelijke uitbarstingen kunt gij mij boeien; daarmede voedt en
-verergert gij alleen hetgeen u mishaagt! Zal ik zijn, die ik geweest
-ben, dan moet ook gij weder zijn, die gij geweest zijt!”
-
-Zij trachtte vroolijk te schijnen. Doch het mislukte haar doorgaans.
-Wanneer Alcibiades haar dan verstoord verliet kwam zij tot berouw,
-overstelpte hem met boden en brieven, snelde tot hem, smeekte hem, liet
-zich door den overmoedigen jongeling mishandelen...
-
-Op zekeren dag kwam Socrates ten huize van den jongen vriend en zag de
-vrouw in tranen badend voor den drempel van den onverbiddelijken
-jongeling liggen.
-
-Zij zag hem aan en herkende den man, die eens op hare blijmoedige
-„zelfopoffering” eene zoo zonderlinge lofrede had gehouden. Zij was tot
-deze zelfopoffering niet meer in staat. Zij wilde, wat zij toen zonder
-hinder ontbeerde: beminnen en bemind worden. Jammerend klaagde zij
-Socrates haar leed. Hij sprak haar woorden van troost toe en voerde
-haar weg.
-
-Daarop wilde hij naar Alcibiades terugkeeren, om een goed woord bij
-dezen voor de arme vrouw te doen. Doch hij was zoo in gedachten
-verzonken, dat hij, bij de deur van Alcibiades gekomen, niet
-binnentrad, maar peinzend bleef staan: zoodat Alcibiades, toen hij
-uitging zijn vriend aan den drempel vond.
-
-„Waarover staat gij te peinzen?” vroeg hij.
-
-„Ik meende juist weder het wezen der liefde op ’t spoor te zijn,”
-antwoordde Socrates. „Ik dacht voor een oogenblik gevonden te hebben,
-dat het wezen der liefde daarin bestond, dat men noch tranen vergiet
-noch afperst—dat men noch mishandelt noch zich laat mishandelen—dat men
-noch vertrapt noch zich laat vertrappen—maar in een enkel oogenblik is
-mij dit weder twijfelachtig geworden...”
-
-Toen Alcibiades naar het leger voor Potidaeä vertrok, dankte hij de
-Goden, aan de liefde eener vrouw ontkomen te zijn, die om zijne
-afwezigheid jammerde en zich de haren uit het hoofd rukte.
-
-Na eenigen tijd schreef Alcibiades uit het kamp voor Potidaeä het
-volgende aan Aspasia:
-
-„Gij wenscht van mij te vernemen, hoe onze Socrates het in zijn nieuw
-beroep maakt. Welnu, hij is in het leger voor Potidaeä precies
-dezelfde, als hij voor jaren in de werkplaats van Phidias is geweest.
-Nu eens is hij met den grootsten ijver bij de zaak, dan weder laat hij
-het hoofd hangen en is in ledige gepeinzen verzonken. In heldere
-sterrennachten, als alles rondom in de tenten sluimert, gaat Socrates
-rond en waakt alleen en peinst—en vraagt en zoekt—natuurlijk te
-vergeefs. Hij wil telkens afstand doen van meer te weten, maar
-onwillekeurig wordt hij steeds tot nieuw peinzen en zoeken en vragen
-gedrongen.
-
-„Gij hebt mij eens voor geruimen tijd, toen ik nog een jongen was en
-gij voor een enkelen dag een Spartaansch jongeling voorsteldet, van de
-vriendschapsbanden der jonge Spartanen gesproken, vriendschapsbanden,
-die de jongeren aan de ouderen verbinden en hen tot onafscheidelijke
-wapenmakkers maken. Een dergelijke onscheidbare vriendschap is er thans
-tusschen Socrates en mij ontstaan. En waarlijk, de goede man heeft
-steeds overvloedige gelegenheid om te toonen, dat hij mijn vriend is.
-Ik heb telkens onaangenaamheden met menschen in de omliggende tenten,
-die niet velen kunnen, dat ik in de mijne ’s nachts met goede vrienden
-drink en zing omdat wij hen, zooals zij zeggen, in hun slaap storen.
-Ja, die oude paaien komen er zelfs bij dag tegen op, dat wij vroolijk
-zijn en trekken den neus op, als wij na het ontbijt nog een eindje in
-den dag brassen en pret maken. Zij dienen bij de strategen en
-taxiarchen klachten tegen ons in, en geven voor, dat wij in onze
-dronkenschap tegen hunne slaven en hen zelven allerlei baldadigheden
-plegen. Zoo is er dus altijd en eeuwig gehaspel en soms ook eene kleine
-kloppartij. In zulke gevallen mogen zelfs de strateeg en de taxiarch
-ons niet ontzien, en alleen de voorspraak van Socrates redt den een of
-ander uit het gevaar naar alle regelen van het gymnasium op het zand
-uitgestrekt of ook bont en blauw geslagen te worden.
-
-„Bovendien bevalt mij Socrates, omdat hij dat aanmatigend vertoon niet
-heeft, dat mij de andere sophisten, wijsgeeren en zedeprekers
-onuitstaanbaar maakt. Hij bezit eene soort van zielenadel en nederige
-voortreffelijkheid, waarvan geen mensch in gansch Hellas verder
-verwijderd is dan ik. Maar men bewondert het meest, wat men zelf niet
-heeft en juist de contrasten, naar het schijnt, trekken de menschen tot
-elkander. ’t Is alsof uit zijn overigens aanzienlijk uiterlijk soms
-stralen schieten, als de bliksem eener Godheid, en dit is met de jaren
-steeds krachtiger in hem geworden. Ik heb dikwijls opgemerkt, dat
-iemand, die door dezen bliksem werd getroffen, als geheel verlicht en
-verwarmd scheen: hij bloosde, zijn bloed bruiste, precies alsof hij
-tegenover eene betooverende vrouw stond.
-
-„Onlangs had ik eens met den jongen Callias afgesproken een klein
-nachtelijk avontuur te bestaan. Ons speelde het Homerisch gezang [398]
-van den nachtelijken tocht van Diomedes en Odysseus door het hoofd en
-van den roof der schoone paarden van Rhesus. Nabij de muren van
-Potidaeä wilden wij een bende vijanden overvallen, neervellen en hunne
-wapenen als buit terugbrengen. Wij verlieten dus in stilte tegen
-middernacht het leger en in de nabijheid der stad gekomen, stieten wij
-inderdaad op een hoopje gewapenden, dat de ronde deed. Wij gingen op
-deze knapen los, doodden een paar van hen, terwijl de overigen de
-vlucht namen; dezen echter sloegen alarm, totdat anderen der hunnen
-toesnelden en zoo versterkt maakten zij nog eenmaal rechts-omkeert en
-vielen ons met groote overmacht aan. Wij hielden dapper stand; maar ik
-weet niet, wat er van ons geworden zou zijn, zoo niet eensklaps een man
-als uit den grond was verrezen, zich in het treffen had gemengd en zoo
-dapper en met zulk eene krachtige vuist op de Potidaeërs had
-ingehouwen, dat dezen, nadat eenigen hunner dappersten neergesabeld
-waren, het nogmaals geraden achtten het gevecht te staken en naar de
-muren te vluchten. Die helper was nu niemand anders dan Socrates, wien
-de schoone nacht naar buiten had gelokt, wel is waar niet om op
-avonturen, maar op gedachten jacht te maken; hij dan, buiten het kamp
-ronddolend, had het wapengekletter gehoord en was te rechter tijd ons
-ter hulp gesneld. Bij die gelegenheid heb ik weder gezien, wat die man
-zou kunnen doen, als hij met hart en ziel soldaat en niet daarbij nog
-wijsgeer was. Hij sloeg op de Potidaeërs niet minder geweldig in, dan
-hij vroeger op de marmerblokken in Phidias’ werkplaats hamerde. En
-evenals de steenen, toen hij nog steenhouwer was, het ontgelden
-moesten, wanneer het probleem, dat hem juist bezighield, hem groote
-moeilijkheden veroorzaakte, zoo moesten in dien helderen nacht de
-hoofden der Potidaeërs er voor boeten, dat Socrates juist weder te
-vergeefs getracht had het wereldraadsel op te lossen. Hij kan midden in
-het gevecht naar het gezang van een vogel in de lucht luisteren, of,
-wanneer hij op wacht staat, zijne aandacht, in plaats van op de
-bewegingen der Potidaeërs, op die der sterren aan den hemel vestigen.
-Nog steeds namelijk is hij gewoon het meest alledaagsche opmerkzaam
-gade te slaan en als men hem er naar vraagt, antwoordt hij, dat de
-dingen hem spookachtig voorkomen, omdat hij ze niet begrijpt en omdat
-zij hem haar eigenlijk wezen niet willen openbaren.
-
-„Tegenwoordig zint hij op een plan, hoe men den oorlog onnoodig zou
-kunnen maken, en als hij zelf niet bezig is op de vijanden in te
-houwen, zet hij ons uiteen, hoe afschuwelijk die onderlinge
-menschenslachting is en hoe men eens over menschen, die elkander in den
-krijg vermoorden, niet anders zal spreken, dan men thans over
-menscheneters spreekt en dat er een tijd zal komen, dat men zelfs niet
-zal kunnen begrijpen, hoe het menschelijk geslacht zoo woest en ruw is
-geweest. Hij zegt, dat er een bond onder de wolken moest worden
-opgericht en een opperscheidsgericht ingesteld, waardoor de geschillen
-zouden kunnen beslecht worden. En hij is van oordeel, dat iets
-dergelijks reeds te bereiken ware, als slechts één of een paar staten
-openlijk wilden verklaren, dat zij van stonde aan in iederen oorlog de
-partij van den aangevallene zouden opnemen of van hem, wien onrecht
-wordt aangedaan. Droomerijen, een zonderling waardig! Men mag de zucht
-naar heldendaden, die in den mensch leeft, de vleugels niet knotten;
-bovendien, de wereld zou zonder haat en strijd en oorlog even vervelend
-zijn, als eene wereld zonder liefde.
-
-„Wat mij betreft, het krijgsmansleven schijnt mij best te bekomen. Ik
-ben, geloof ik, reeds veel deugdzamer geworden. Ik matig mij thans in
-alle dingen zóó, dat ik reeds sinds geruimen tijd met mijn vriend
-Axiochus één gemeenschappelijk liefje heb.
-
-„Doch dat zijn dingen, die u vervelen moeten. Vaarwel, Aspasia, en
-schrijf mij nu eens op uwe beurt, hoe toch de stad der Atheners het
-zonder Alcibiades maakt.”—
-
-Een staat van kleinen omvang kan nooit een groot landleger,
-gemakkelijker echter eene groote vloot bezitten. Dit was de toestand
-van Athene, toen koning Archidamus van Sparta met zestigduizend
-Peloponnesiërs in Attica was gevallen. Ook de meesten der bondgenooten
-konden Athene alleen ter zee hulp verleenen.
-
-Terwijl de vloot uitgerust werd, vluchtte het volk door Archidamus
-overstroomde dorpen en vlekken naar de stad. Wat in de stad geen
-onderkomen kon vinden, legerde zich onder den blooten hemel tusschen de
-lange muren, en richtte zich daar in, zoo goed en kwaad het ging. De
-geheele ruimte tusschen de stad en den Piraeüs wemelde van deze gasten
-en er ontstond hier langzamerhand eene tentenstad; want die menschen
-woonden onder tenten, die onder beschutting der muren waren opgeslagen.
-Men zag echter de minder gegoeden hun verblijf houden in reusachtige
-tonnen, zooals die te Athene in gebruik waren. Van de muren der stad
-uit kon men de wachtvuren der Peloponnesiërs zien, die in de velden en
-op de wijnbergen hun kamp hadden opgeslagen. Doch, dank den ijver van
-Pericles, waarmede deze sedert lang de stad van versterkingen had
-voorzien, zag deze zich voldoende tegen elken aanval gevrijwaard.
-Getrouw aan zijn oorspronkelijk plan, waarvan hij zich in zijne kalme
-rust ook niet door het levendigst ongeduld der Atheners liet afbrengen,
-zond Pericles alleen de ruiterij buiten de poorten der stad, om deze en
-hare onmiddellijke omgeving te bewaken.
-
-Toen Archidamus van de hoogten van Attica eene trotsche vloot van
-honderd schepen den Piraeüs zag uitloopen en naar de Peloponnesus koers
-zetten, geschiedde wat Pericles vooruit had gedacht en overwogen. De
-Peloponnesiërs, de onaantastbaar sterke stad tegenover zich ziende en
-tevens zich bewust, dat de onverdedigde, niet versterkte steden van hun
-vaderland aan de machtige vloot en de uitgelezen manschap der vijanden
-prijsgegeven waren, braken op, verlieten Attica en trokken terug over
-den Isthmus.
-
-Pericles had er van moeten afzien, om persoonlijk de uitloopende vloot
-aan te voeren. Want hij scheen onontbeerlijk te Athene, zoolang de
-Peloponnesiërs zich nog op Attischen bodem bevonden.
-
-Toen zij vertrokken waren, was Pericles’ eerste onderneming om met een
-klein, maar voortreffelijk uitgerust leger naar Megara op te rukken.
-Het verbitterde volk der Atheners vorderde gebiedend een geweldige
-afrekening met de gehate stad.
-
-Pericles’ afwezigheid van Athene was daarentegen menigeen wederom
-hooggewenscht.
-
-De uilen op de Acropolis ontwaakten in hunne schuilhoeken uit hun
-sluimer en sloegen de vleugels uit.
-
-Diopithes bediende zich van Meno tegen Phidias, begeerig het lang
-beraamde plan, om den grooten man in het verderf te storten, ten
-uitvoer te brengen.
-
-Een ongunstig bekend sycophant, Stephaniscus geheeten, trad op
-aandrijven van Diopithes als eigenlijke aanklager van Phidias op. Deze
-ellendeling was met eene hetaere gehuwd, die, zooals men zei, in zijn
-huis hare nering voortzette, terwijl hij zelf als sycophant den kost
-zocht te winnen. Hij beweerde in zijne brutale aanklacht, dat Phidias
-van het goud, ’t welk hem tot voltooiing van het standbeeld van Athene
-Parthenos ter hand was gesteld, een deel verduisterd en zich zelve
-toegeëigend had. Voorts verweet hij hem, dat hij eene, met den eerbied
-jegens de Goden en hunne heiligdommen onbestaanbare ijdelheid aan den
-dag had gelegd, door in den Amazonen-strijd op het schild der Godin
-zijn eigen beeld en dat van Pericles te beitelen. Als getuige voor het
-verduisteren van het goud voerde hij Meno aan. Deze had vroeger een
-geruimen tijd ook herhaaldelijk in de werkplaatsen van Phidias zich
-opgehouden en er voor zulke giften, als men een bedelaar geeft,
-ondergeschikte diensten bewezen. Gedurende dien tijd nu, beweerde hij,
-had hij eens uit een donkeren hoek bespied, hoe Phidias, wanende niet
-opgemerkt te worden, van het goud, dat hem ter vervaardiging der
-Parthenos op den burg toevertrouwd was, een deel afgenomen en
-weggeborgen had, klaarblijkelijk met het doel om het zich toe te
-eigenen.
-
-Het zaad des lasters, sedert langen tijd door de handlangers van
-Diopithes, ook tegen Phidias uitgestrooid, was welig opgeschoten. En
-zoo vond de aanklager Stephaniscus bij het Atheensche volk een goed
-voorbereiden akker.
-
-De eerwaardige beeldhouwer, die zich juist weder te Athene bevond, werd
-op die aanklacht van Stephaniscus in den kerker geworpen.
-
-De schepper van het schoonste gedenkteeken, dat, naar Pericles zeide,
-het Atheensche volk zich voor alle volgende tijden had opgericht, werd
-op eene schandelijke beschuldiging in de gevangenis gezet.
-
-Evenals Diopithes zich de afwezigheid van Pericles ten nutte maakte,
-waren ook de lage, eerzuchtige opruiers des volks druk bezig, gedurende
-de afwezigheid van den man, die hen allen in toom hield, hun invloed
-onder het volk uit te breiden.
-
-Door het binnentrekken der landlieden in de stad gedurende den inval
-der Peloponnesiërs, was de massa van het mindere volk in Athene zeer
-vermeerderd. Deze menigte had zich bovendien aan zekere lediggang
-gewend en velen waren, ook na den terugtocht van Archidamus, in de stad
-achtergebleven, omdat hunne hoeven door de vijanden verwoest waren.
-Langzamerhand vormde zich datgene, wat men gepeupel noemt, terwijl het
-getal der onbemiddelde burgers toenam. Maar juist die hongerlijders
-stroomden het drukst naar de volksvergadering; want daar kregen zij
-immers hunne twee obolen in contant geld. Derhalve waren de
-volksvergaderingen op de Pnyx talrijker bezocht en luidruchtiger dan
-ooit. Cleon, Lysicles en Pamphilus durfden zich meer openlijk
-uitspreken en het Atheensche volk werd allengs er aan gewoon lieden van
-dit slag het redenaarsgestoelte te zien beklimmen.
-
-Van deze drie mannen was Pamphilus het krachtigst van meening, dat men
-beproeven moest Pericles ten val te brengen. Eens stond hij op de
-Agora, omstuwd door een groot aantal Atheensche burgers, en zette hun
-uiteen, op welke gronden men Pericles kon aanklagen. Hij schold hem een
-lafaard, die het Attische land door den vijand had laten verwoesten en
-die den burgers tyranniek de wijze voorschreef, waarop zij zich moesten
-verdedigen; gedurende den geheelen tijd, dat de Peloponnesiërs op
-Attischen bodem gestaan hadden, had Pericles geen volksvergadering op
-de Pnyx bijeen geroepen, alleen om geheel naar persoonlijke willekeur
-te kunnen heerschen.
-
-Er bevonden zich velen onder de menigte, die van Pamphilus’ meening
-waren; in het bijzonder drong zich een zekere Crespilus op den
-voorgrond, die den worstenmaker in woest getier tegen Pericles trachtte
-te overtreffen en die de noodzakelijkheid aantoonde, den strateeg bij
-het volk onmiddellijk in staat van beschuldiging te stellen.
-
-Daar kwam plotseling de barbier Sporgilus aanloopen. „Goed nieuws!”
-riep hij uit de verte. „Een handvol geld voor den brenger van goede
-tijding!—Pericles is op de terugtocht van Megara! Hij is reeds met zijn
-leger in Eleusis! De Megarensers heeft hij naar behooren getuchtigd, en
-nog heden zal hij in Athene zijn!”
-
-Pamphilus werd bleek van gramschap.
-
-„Een handvol geld verlangt gij?” hernam hij met onderdrukte stem; „de
-tong moest men u uitsnijden voor uw nieuws, hondsvot!”
-
-Ook op de overige samenzweerders maakte het bericht een zeer
-ontmoedigenden indruk, en hoewel Pamphilus ook nu nog de menigte zocht
-op te ruien, sloop toch de een voor, de ander na weg en men oordeelde
-dat het moeilijk was tegen den zegevierend terugkeerenden Pericles iets
-uit te richten en dat men de zaak tot eene betere gelegenheid moest
-uitstellen.
-
-Toen nu ook Crespilus schouderophalend wilde afdruipen, greep de
-vertoornde Pamphilus hem bij zijn kleed en schreeuwde: „Lafaard!
-Ellendige overlooper! Schaamt gij u niet enkel bij het woord: „Pericles
-is in aantocht!” schandelijk de vlucht te nemen?—Zie naar mij! Ik ben
-volstrekt niet bang Pericles in eigen persoon onder de oogen te komen!
-Ik heb moed! Ik ben geboren op den dag van de zege bij Marathon!”
-
-„Ik niet!” hernam Crespilus. „Ik was een der kinderen die in den
-schouwburg te Athene door de van schrik ontstelde moeders te vroeg ter
-wereld gebracht werden, toen men de Eumeniden van Aeschylus opvoerde!”—
-
-Met deze verontschuldiging rukte Crespilus zijn kleed los uit de handen
-van Pamphilus en ijlde weg.
-
-„Weg zijn zij,” riep de demagoog tandenknarsend, „weg zijn zij, die
-vervloekte kerels—uit elkander gestoven, als had men een emmer vuil
-water over hunne hoofden uitgestort!”
-
-Daar kwam de dolle Meno tot hem en vroeg hem naar de oorzaak zijner
-verbittering.
-
-Hij klaagde hem zijn nood.
-
-„Gek!” zei Meno met een grijnslach. „Wilt gij een muur omver werpen en
-duwt gij er te vergeefs met den schouder tegen? Leg u er onder en ga
-slapen: te zijner tijd valt hij van zelf over uw hoofd ineen!”
-
-
-
-
-
-
-
-XXIII.
-
-HET DIONYSUS-FEEST.
-
-
-Met dubbelen luister, met dubbele levendigheid werden, na het herademen
-uit den treurigen oorlogsnood, de winterfeesten gevierd. Ten volle
-echter is de vroolijke lust ontketend, sedert de lucht zachter begon te
-waaien en de tijd van het grootste der Bacchus-feesten, de tijd van de
-groote, in de stad gevierde, Dionysiën aanbrak. In de wouden vertoont
-zich de wouw, vroolijk snateren aan het strand de halcyonen en aan de
-kroonlijsten tjilpen de zwaluwen. Op de hoogten van den Hymettus, den
-Pentelicon, den Lycabettus ontluikt in iederen struik de lente.
-Viooltjes en anemonen, primulae veris en crocussen openen hunne knoppen
-en de op de weiden vergeten staf des herders is des morgens met bloemen
-getooid.
-
-De zeelieden in de haven winden de ankers, maken het takelwerk los,
-richten de masten op en zetten de zeilen naar de wind. Nieuw leven
-ontwaakt op de baren van den Saronische golf. De afgezanten der
-verbonden steden en eilanden komen en brengen hunnen cijns juist ten
-tijde van het feest naar Athene. In alle herbergen, in alle huizen der
-Atheensche burgers wemelt het van gasten, die van heinde en verre zijn
-gekomen. Met kransen getooid, in feestgewaad gedost, dolen thans van
-den vroegen morgen af zwermen van stedelingen en vreemden door de
-straten. Niet alleen zijn alle in het openbaar staande altaren en
-Hermesbeelden met kransen omhangen, maar ook geweldige mengvaten zijn
-er nevens geplaatst, met de gaven van Bacchus gevuld, door de rijken
-ten offer gebracht en het volk tot vrij gebruik aangeboden. Wederom
-biedt Hipponicus aan inboorlingen en vreemden in den Ceramicus een
-gastvrij onthaal, door iedereen, die komen wil, tot zich te noodigen en
-hen in de open lucht op met klimop bekranste kussens te ontvangen.
-
-Vergeten is de krijgsnood, de twist der partijen houdt een
-wapenstilstand, de aanslagen van Diopithes rusten voor een oogenblik in
-hun anders rusteloozen gang. Alleen genot en vrede heerschen. Wel is
-waar overal klinkt luider de scherts en het vroolijk gelach—en dubbel
-scherp is thans de geestigheid, dubbel roerig de tong des
-Atheners;—maar wee hem, die in dezen tijd geweld pleegt aan een
-Atheensch burger! Niet eens de verzachtende omstandigheid van
-dronkenschap beschermt hem: zijn hoofd en leven is verbeurd.
-
-Hoe komt het, dat men nu op eens zoovele bekoorlijke vrouwen in
-Athene’s straten ziet? Wie zijn die vroolijk lachende, rijk uitgedoste,
-verleidelijke schoonen? Het zijn hiërodulen uit den tempel van
-Aphrodite te Corinthe en andere priesteressen van het genot, die het
-getal der inheemsche hetaeren vermeerderend, uit de verschillende
-steden van Griekenland zijn samengekomen tot het vroolijkste en
-uitgelatenste feest der Atheners.
-
-He! wat een mengelmoes van vreemd, ronddolend volk heeft de vroolijke,
-dartele Dionysische feesttijd herwaarts gelokt! Ziet die behendige
-goochelaars en wondermannen met hunne door de zon donker gekleurde
-gezichten! Ziet, hoe zij voor aller oogen zwaarden inslikken of een
-vuurregen uit den mond spuwen! Ziet daar die Thessalische meisjes, die
-haar zwaardendans uitvoeren te midden van een haar verbaasd aangapenden
-troep! Er ontbreekt geen enkele vertooning, zelfs de rondtrekkende,
-overoude poppenkast niet, noch de bont versierde, op kameelen dansende
-aapjes.
-
-Ook neringdoend volk is van heinde en verre gekomen en slaat zijne
-winkels op, midden in het gewoel der Agora, in den Piraeüs en langs den
-Ilissus.
-
-Troepen landlieden mengen zich onder de stedelingen en deelen met hen
-de feestvreugde, verzamelen zich om hunne lievelingen, de Thebaansche
-fluitspelers, die anders blazend de landelijke streken plegen te
-doortrekken, of brengen het lievelingsspel van hun landelijk
-Dionysus-feest in de stad over: het springen op geöliede zakken,
-waarbij ieder zich met de bloote voeten op den gladden bal tracht
-staande te houden, onder uitbundig gelach der toeschouwers, ondanks al
-zijn gespartel, steeds naar beneden glijdt.
-
-Uitgelatener heerscht de vreugde in de straten, zoodra de duisternis is
-ingevallen. Dan zwerven talrijke scharen rond: zij hebben bellen en
-dragen fakkels en zijn met bloemen bekranst; daaronder zijn vrouwen,
-die mannenkleeren aan hebben, en mannen in vrouwengewaad—met de handen
-wordt geklapt onder het geraas der bellen, waarmede als met cymbalen de
-maat geslagen wordt bij het gezang.
-
-Velen loopen gemaskerd. Sommigen hebben enkel hunne gezichten met
-wijnmoer bestreken of met menie of zich een masker gemaakt van
-boombladeren of boomschors. Anderen echter dragen fraai geschilderde
-maskers, deels van een deftig, deels van een belachelijk voorkomen:
-hier zwerft de gehoornde Actaeön rond, daar de honderdoogige Argus,
-ginds de gedeeltelijk in een paard veranderde Euïppe; Giganten,
-Titanen, Centauren stampen op den grond; Methe [399] bedwelmt, Pitho
-[400] vleit, Apate [401] lokt, Hybris [402] is dolzinnig en zelfs
-schrikgestalten mengen zich somwijlen onder de reien.
-
-Het talrijkste echter, ja overheerschend, zwerven in de straten de
-Satyrs met bokspooten en de Silenen met kale hoofden, die oude maar nog
-altijd vroolijke Satyrs. Zij hebben de hoofden bekranst met het altijd
-groene klimop. Ook Bacchanten dolen rond; zij dragen als Thyrsus
-dikwijls alleen een wingerdtak met klimop omwoeld.
-
-Uitgelaten dartelheid, ja dronkenschap wordt als een plicht jegens den
-God in deze dagen en nachten beschouwd.
-
-En de God, hij rechtvaardigt in dien tijd zijn bijnaam van den
-„Bevrijder”. Zelfs de gevangenen worden voor de dagen van het feest uit
-hunne kerkers ontslagen: op de graven der dooden wordt wijn geplengd.
-Men wil de schimmen bevredigen, die immers niet zonder afgunst de
-vreugde der levenden ontberen. Ja, zelfs de bijgeloovigen willen weten,
-dat de zielen der afgestorvenen zich soms in dezen tijd in de reien der
-feestvierenden mengen en dat onder menig Satyrmasker een ontvleeschde
-doodskop verborgen is.
-
-De eerwaardige Telesippe kauwt in die dagen ijverig de bladeren van den
-hagedoorn en laat haar deur met teer bestrijken; want alleen op die
-wijze is het onheil af te wenden, dat ten tijde der groote Dionysiën
-den levenden van den kant der afgunstige schimmen bedreigt.
-
-Schier huiveringwekkend is het inderdaad te zien, hoe des nachts nu
-hier dan daar in de donkere straten het schijnsel der fakkels zich
-vertoont en een phantastische optocht voorbij trekt onder luidruchtig
-rumoer.
-
-Thans beweegt zich een geweldige stoet door de straten die van het
-Lenaeüm [403] naar den schouwburg voeren. Men draagt het beeld van
-Dionysus uit zijn tempel in het Lenaeüm naar den schouwburg en stelt
-het daar te midden der feestelijke vergadering. Het beeld van den God,
-dat er gedragen wordt, is een pas voltooid werk, een gewrocht van de
-hand des vurigen Alcamenes. Evenals Phidias op den burg naast het oude,
-houten beeld van Athene zijn nieuw, schitterend pronkstuk heeft
-geplaatst, zou wordt ook thans in het Lenaeüm, naast het oude,
-eerwaardige, eenvoudige Dionysus-beeld, het nieuwe, heerlijke werk van
-Alcamenes opgericht. En dit juist draagt men thans naar den
-Dionysus-schouwburg. Scharen Bacchanten omringen het. Wat is dat voor
-een dolle troep, die een zinnebeeld dat vruchtbaarheid voorstelt, voor
-den God uitdraagt en liederen aanheft ter eere van Priapus? Het is
-Alcibiades met zijn Ityphallergezelschap.
-
-Op de kruiswegen en op de pleinen hield de stoet stil, om drankoffers
-te plengen of offerdieren te slachten.
-
-De platte daken der huizen zijn vol toeschouwers, van welke velen
-fakkels en lampen in de handen houden. Ook de vrouwen ontbreken hierbij
-niet. Weldra voegt de moedwil en scherts van de menschen op de
-dakterrassen zich bij de brooddronkenheid van de dolle menigte op de
-straten.
-
-De jonge Alcibiades schijnt ten toppunt van dolzinnige uitgelatenheid
-te zijn; hij overtreft zichzelven in overmoedige streken aan het hoofd
-van zijn gezelschap.
-
-„Bedenkt,” roept hij zijn Ithyphallers toe, „dat wij, die anders ook
-reeds razen en tieren, op het Dionysus-feest verplicht zijn, dubbel te
-razen en te tieren, als wij niet in dolzinnigheid en overmoed
-geëvenaard en overtroffen willen worden door de nuchterste oude paaien
-van de stad der Atheners!”
-
-Onder zulke aansporingen stormde Alcibiades met zijne makkers, alle
-Atheners kennende en door allen bekend, door de drommen des volks heen.
-
-Toen de nacht was ingevallen, liet hij fakkels voor zich uit dragen en
-voerde de zijnen onder luid getier, voorafgegaan door muziek, naar de
-huizen van mooie meisjes en knapen, om hun serenades te brengen. Die
-muzikanten zelven waren meest fluit- en citherspeelsters, als Maenaden
-verkleed, en daar ook zij, die met eene serenade waren vereerd, zich
-bij den stoet aansloten, begon deze hoe langer zoo meer op een troep
-Bacchanten te gelijken, die zich om den God Dionysus hadden geschaard.
-
-Ten laatste pakt de moedwillige, dronken Alcibiades eene jeugdige
-hetaere, Bacchis geheeten, die hij op zijn tocht ontmoette, aan, en
-dwingt haar zich bij den stoet aan te sluiten. Hij noemt haar zijne
-Ariadne [404] en zich zelven haar Dionysus.
-
-Voor de woning van Theodota gekomen, brengt hij ook haar eene
-luidruchtige serenade en treedt met zijn gevolg haar huis binnen.
-
-Theodota had reeds sinds geruimen tijd den jongen Alcibiades niet meer
-bij zich gezien. Steeds heftiger was haar minnesmart geworden. Nu zag
-zij den geliefden jongeling weder; maar hoe onaangenaam, hoe pijnlijk
-was voor haar hart zijn binnentreden! Dronken kwam hij aan het hoofd
-van een dollen troep. Dat zou zij vergeven hebben, maar hij voerde eene
-jonge, bloeiende hetaere met zich mede, die hij zijne vriendin
-onmiddellijk als zijne Ariadne voorstelde en wier bekoorlijkheid hij in
-overdreven taal begon te roemen.
-
-Nu werd in de vertrekken van Theodota een drinkgelag aangelegd, dewijl
-zij er zich niet openlijk tegen durfde verzetten, hoewel haar hart
-schier van stille smart bezweek. Alcibiades wilde, dat zij vroolijk en
-uitgelaten zou zijn. Hij begon in zijne dronkenschap van streken te
-verhalen, die hij dezen avond reeds uitgevoerd had; hij beroemde zich
-een eerbaar, jong meisje midden in het feestgewoel van het Lenaeüm
-gekust te hebben, en prees de zeden en gebruiken, die ten minste op het
-Dionysus-feest de Atheensche vrouwen in haar handelingen vrij maakten.
-Hij sprak van Hipparete, de bekoorlijke dochter van Hipponicus, van
-haar heimelijken minnegloed voor hem, van haar blos, zoodra zij hem
-zag. Daarbij maakte hij zich vroolijk over haar onnoozel, ingetogen en
-jonkvrouwelijk voorkomen. Hij vertelde ook van Cora, het van Arcadië
-naar Athene overgebracht herderskind, het belachelijkste en schuwste
-schepsel, ’t welk er te vinden was en dat toch om elken prijs de zijne
-moest worden. Liever wilde hij van de schitterende Simaetha, van die
-heerlijke, nieuwe parel van schoonheid, dan van het Arcadische,
-hoofdige kind afstand doen.
-
-Na deze uitweidingen begon de jongeling, door den wijn bedwelmd, hevig
-tegen Theodota uit te varen, om hare stilzwijgendheid en haar treurig
-voorkomen.
-
-„Theodota,” riep hij, „gij zijt leelijk geworden! Al dat huilen en
-pruilen misvormt uw gezicht. Ontvangt men zoo een oud vriend, zooals
-ik? Waarover beklaagt gij u? Over mijn moedwil? Zijt gij het zelve niet
-geweest, die mij deze moedwil hebt geleerd? Herinnert gij u niet meer
-die vroolijke dagen en nachten, waarin ik onderricht van u ontving in
-alle soorten van dien schoonen moedwil? En thans? Wat moet dat
-verdrietig en gramstorig gezicht beteekenen? Waarom moet ik nu anders
-zijn, dan in den tijd, toen wij elkander het best bevielen en de
-vroolijkste uren samen doorleefden? Wees verstandig, Theodota! Denk aan
-die verliefde dwazen, wier sombere, teedere dweeperij u eens lastig
-viel en verveelde, zoo dat gij hen meedoogenloos lachend wegjoegt! En
-nu wilt gij zelve eene dweepster worden? Kan men zoo onverstandig zijne
-beste grondstellingen, zijne beminnelijkste eigenschappen verloochenen?
-Wees weder vroolijk en uitgelaten, Theodota! Geef ons een uwer
-prachtige dansen ten beste! Dans, ik wil het en wij allen willen het!
-Laat u nogmaals eens in uw vollen glans bewonderen!”
-
-Zoo sprak Alcibiades. Doch Theodota kon hare tranen niet weerhouden.
-Zij antwoordde met hartstochtelijke verwijten, noemde hem overmoedig,
-trouweloos, misdadig, meedoogenloos.
-
-„Waarvan beschuldigt gij mij,” hernam Alcibiades, „terwijl gij zelve
-ouder geworden zijt en de vroolijkheid der jeugd voor u verloren is
-gegaan? Beschuldig liever den tijd, die ons allen verandert. Ook ik
-moet het voor lief nemen, als ik eenmaal van een jongen Satyr een oude,
-kaalhoofdige Sileen ben geworden. Doch ook als een kaalhoofdige Sileen
-zal ik nog altijd vroolijk zijn. Gij echter zijt op mij verstoord en
-vaart tegen mij uit en tegen het noodlot, omdat gij niet meer een
-bekoorlijk, bloeiend meisje zijt, gelijk Hipparete of Simaetha of deze
-Bacchis hier. Welnu, wilt gij volstrekt weder eene schoone jonkvrouw
-worden, reis dan naar Argos. Daar bevindt zich, zoo men zegt, een
-heiligdom met eene bron, waarin gij u slechts hebt te baden, om weder
-als jonkvrouw daaruit te voorschijn te komen. Ook Hera pleegt, zooals
-de dichters verhalen, van tijd tot tijd dit bad te bezoeken, om zich
-bij den vader der Goden weder aangenaam te maken. Wanneer zelfs de oude
-vader der Goden zulks nog weet op prijs te stellen, zou ik het dan niet
-doen, ik, de levenslustige jongeling, de Ithyphaller-vorst?”
-
-Op deze wijze sprak Alcibiades in overmoedige scherts, terwijl Theodota
-slechts in nog heviger bewoordingen en met een vloed van tranen
-antwoordde; ja zelfs in de overmaat harer woede vergreep zij zich aan
-de jonge Bacchis, zoodat zij eene Maenade geleek.
-
-„Zie eens naar mijn wakkeren vriend Callias,” zei Alcibiades, „die
-heeft tot stelregel geen vrouw meer dan ééns te naderen. En ik—ben ik
-niet telkens weder tot uw drempel teruggekeerd? Ha, bij den zaligen
-Eros, ben ik niet dikwijls genoeg des avonds gekomen met een of meer
-vrienden, met de gouden appelen van Dionysus op de borst, het haar
-omwonden met den populierkrans van Heracles, getooid met purperkleurige
-banden? Maar dat zal nu niet meer gebeuren. Ik denk nooit weder terug
-te keeren, noch alleen noch met anderen! Gaan wij, mijne vrienden! Ik
-verveel mij hier! Vaarwel, Theodota!”
-
-Verschrikt door deze bedreiging hield Theodota den vertoornden
-jongeling terug en beloofde, hare tranen drogend, aan zijne wensch te
-zullen voldoen.
-
-„Welaan!” riep Alcibiades, „dans dan, zooals ik u straks reeds
-verzocht. Doe uw geprezen kunst nog eenmaal eer aan!”—
-
-„Wat zal ik dansen?” vroeg Theodota.
-
-„Gij geleekt zooeven,” hernam Alcibiades, „door den prikkel der
-hartstocht gedreven, veel op Io [405] die door eene door Hera gezonden
-paardenvlieg vervolgd, vertwijfelend over alle landen der wereld
-voortgejaagd werd. Toon ons, als gij wilt, door de kunst veredeld, wat
-ge ons vroeger liet zien in de ruwe, onbevallige werkelijkheid!”
-
-Zwijgend maakte Theodota zich gereed de Io te dansen.
-
-Zij danste onder de muziek der fluiten de geschiedenis van Inachus’
-dochter, hoe zij door Zeus bemind, toen door Hera vervolgd en gebonden
-en op haar bevel door den honderdoogigen Argus bewaakt werd, hoe zij
-door den gewelddadigen dood van haar wachter op last van de
-onverzoenlijke Hera door de vinnig stekende paardenvlieg vervolgd en
-over alle landen werd voortgedreven.
-
-In den beginne had Theodota met moeilijke zelfoverwinning aan het
-geuite verlangen voldaan. Langzamerhand echter scheen zij, al meer en
-meer opgewekt, hare ziel geheel en al uit te storten in ’t geen zij
-voorstelde. Haar mimische dans kreeg een volkomenheid en eene
-uitdrukking, waardoor alle toeschouwers werden medegesleept.
-
-Toen zij echter tot de jammerlijke omdoling van Io overging en de
-ontzetting uitdrukte voor Hera’s toorn en voor het door de Goden
-gezonden, stekende dier, terwijl hare gebaren het karakter van eene
-wilde, hartstochtelijke onstuimigheid aannamen, toen in den angst der
-vluchtende het leed en het verloren liefdegeluk zich schenen te mengen,
-toen kregen de trekken en het geheele uiterlijk van Theodota allengs
-een schier huiveringwekkend voorkomen. Zij speelde met ontzettende
-natuurlijkheid de razende, de vervolgde, de wanhopige.
-
-Maar zij speelde ze weldra niet meer. Hare oogen puilden uit en rolden
-verschrikkelijk in hunne kassen, haar boezem golfde, de geopende lippen
-bedekten zich met een licht schuim.
-
-Zoo wild en onstuimig werden hare bewegingen, dat Alcibiades en zijne
-vrienden verschrikt op haar toeijlden, om haar vast te houden en aan de
-onbeteugelde dolheid paal en perk te stellen.
-
-Thans begon Io-Theodota rustig te worden. Zij zag in den kring rond met
-matte oogen, glimlachte onnoozel en sprak de omstanders met zonderlinge
-namen aan. Alcibiades zelven hield zij voor Zeus, den als Sileen
-verkleeden Callias voor haar vader Inachus, doch in den jongen Demus
-meende zij den honderdoogigen Argus te zien, en plotseling het oog
-strak op Bacchis vestigend stoof zij wederom op in dollen hartstocht;
-verwenschingen uitend tegen de haatdragende Hera, wilde zij zich op het
-meisje storten.—
-
-Theodota was krankzinnig geworden.—
-
-Zij zonk nu uitgeput ineen en stiet verwarde klachten uit in
-onsamenhangende, onzinnige taal.
-
-Alcibiades en zijne makkers werden door eene lichte huivering
-aangegrepen. Maar zij waren dronken van den wijn. Zij lieten de vrouw
-aan hare slavinnen over en zwierden uit Theodota’s woning de straat op,
-waar de luidruchtige, bedwelmende Bacchantische feestvreugde hen in
-haar maalstroom voortsleurde.
-
-Den volgenden dag had een nieuwe omgang met het beeld van Dionysus
-plaats. En ditmaal was het ’t overoude, uit Eleutherae naar Athene
-gebrachte beeld van den God, dat uit het Lenaeüm naar een kleinen
-tempel buiten de stad, in de nabijheid van de Academie, gedragen werd,
-waar het in vroeger tijden was opgericht geweest. Eenmaal ’s jaars, bij
-de groote Dionysiën, werd het beeld voor korten tijd in een
-feestelijken optocht naar de oude plaats gebracht.
-
-Dit geschiedde juist nu weder.
-
-Talrijk en bovenmate prachtig, als ooit te voren, zeer verschillend van
-de eenvoudige wijze der voorvaderen, was ditmaal het feestelijk geleide
-van het beeld des Gods. In alle straten, waardoor het gedragen werd en
-op alle dakterrassen, vanwaar men er op neder kon zien, wemelde het van
-toeschouwers, die zelven in hun tooi van vioolkransen een feestelijk
-gezicht opleverden.
-
-Vooraan in den stoet liepen scharen Satyrs en Silenen in roode
-kleederen, hunne lichamen met klimopranken omwonden.
-
-Vervolgens werd een bekranst altaar rondgedragen, omgeven van knapen in
-purperen gewaad, die wierook, mirre en saffraan op gouden schalen
-droegen.
-
-Dan volgden allerhande vertooningen. Vooreerst een grijsaard achter een
-masker met twee gezichten, die den Tijd voorstelde, daarna de jeugdige,
-bloeiende Horen, die de vruchten droegen overeenkomstig haar
-jaargetijde; voorts eene prachtig uitgedoschte vrouw, versierd met de
-symbolen van het Dionysisch feest, eindelijk een schoon jongeling, die
-den vroolijken Dithyrambus [406], voorstelde.
-
-Verder kwam een schaar van dertig citherspelers die gouden kransen op
-het hoofd droegen en op gouden lieren speelden.
-
-Nu echter volgde een prachtwagen op vier raderen, waarop het beeld van
-Dionysus gevoerd werd. De God was gekleed in een saffraankleurig
-gewaad, waarover een met goud geborduurde mantel geworpen was. Hij
-hield in de rechterhand een gouden beker omhoog, met fonkelenden wijn
-gevuld. Naast hem stond een reusachtig, gouden mengvat. Boven hem was
-een zonnescherm gespannen, waarvan weelderige klimop- en wingerdranken
-nederhingen. De wagen zelf was geheel met kransen omwonden en rondom
-versierd met tragische en comische maskers, genen ernstig en waardig,
-dezen met grappige, grijnzende gezichten op het volk nederziende.
-
-Het onmiddellijke gevolg van den God vormden mannelijke en vrouwelijke
-Bacchanten met loshangende haren, de hoofden met wijngaardrank, klimop
-of struikwinde [407] bekranst.
-
-Op dezen wagen volgde een andere, waarop zich een vergulde wijnpers
-bevond. De wijnpers was geheel met kunstmatige druiven gevuld en dertig
-Satyrs stonden in den wagen en persten schijnbaar de druiven onder het
-aanheffen van een lustig wijnlied, door fluitspel begeleid, terwijl den
-geheelen weg over geurig vocht in een zak van pantervel droop. Om den
-zak echter zweefden Satyrs en Silenen, die drinkend en tierend den
-wijnstroom in bekers opvingen.
-
-Daarop kwam nog een derde wagen. Op dezen was eene grot voorgesteld,
-gehouwen uit heldere schitterende steen, met klimop omslingerd, waarin
-fonteinen van alle Helleensche wijnen sprongen. Bekranste nimfen zaten
-lachend bij deze fonteinen, duiven omfladderden de grot, vlogen uit en
-in en trekkebekten in de groenende twijgen van het klimop. Satyrs en
-Silenen zochten de duiven te vangen, die aan den boezem der nimfen zich
-trachten te redden.
-
-Vervolgens kwamen er reien van zingende knapen, gevolgd door den
-optocht der voorname Atheners op prachtige rossen gezeten, verder
-jongelingen, die gouden en zilveren vaatwerk droegen, aan den dienst
-van Dionysus gewijd.
-
-Luidruchtige scharen sloten zich daarbij aan, en andere vermomde
-personen, die in uitgelaten brooddronkenheid de pracht van den
-feeststoet potsierlijk nabootsten.
-
-Op de Agora werd halt gehouden bij het altaar der twaalf Olympische
-Goden en hier zongen reien van mannen en knapen den Dithyrambus,
-waarbij het koor tegelijk zich in rhytmischen danspas om het altaar
-bewoog.
-
-Deze tonen waren nauwelijks verdoofd en de Dionysische stoet verder
-getrokken, toen een tooneel van de vreemdste en wonderlijkste soort de
-aandacht tot zich trok.
-
-In dien tijd namelijk waren rondtrekkende bedelpriesters van Cybele,
-die men Metragyrten placht te noemen, voorts Sabazius-dienaars,
-apostels van Sabazius [408], een God, oorspronkelijk met Dionysus
-overeenkomende, maar wiens vereering allengs mystiek was geworden,
-alsmede dwepers, die meenden de mystische wijsheid van Orpheus wederom
-te kunnen invoeren, te Athene opgetreden en begonnen hunne leer te
-verkondigen.
-
-De Sabazius-priesters, vereerden en predikten een Heiland der wereld,
-door wien de menschheid van alle kwalen verlost en de sterveling het
-hoogste heil deelachtig zou worden: die Heiland was Sabazius. Zij en de
-Metragyrten trokken rond in de straten met het beeld van den God of ook
-met dat van de moeder der Goden, onder de klanken van het cymbaal en
-den Aziatischen tamboerijn voerden zij dansen uit, waarbij zij zich als
-razende Corybanten gedroegen. Geeseling zelfs en zelfverminking
-pleegden en bevolen zij aan, gelijk de priesters van Cybele op den
-Tmolus. Het geheele land zwierven zij bedelend door, een ezel droeg
-hunne heiligdommen, allerlei geheime middelen verkochten zij en voor
-geld boden zij zich aan, om den toorn der Goden te bezweren, ja zelfs
-gestorvenen van bedreven misdrijven te reinigen en uit de kwellingen
-van den Tartarus te verlossen. Zij waren de verkoopers van en
-onderhandelaars in de hulp der Goden voor de stervelingen.
-
-De geest van den Helleen was niet geheel en al afkeerig van zulke
-dweperij, en hier en daar begon zij in de gemoederen van enkelen wortel
-te schieten.
-
-Niemand zag met grootere verbittering zulke pogingen aan, om een
-somberen en mystieken eeredienst uit het Oosten naar het levenslustige
-Hellas over te planten, dan Aspasia, en met alle middelen, die haar ten
-dienste stonden, streed zij daartegen. De dartele, jonge Alcibiades,
-wien sombere dweepzucht niet minder onbegrijpelijk en een gruwel was,
-stond haar als moedig kampioen tegen die mannen der duisternis en
-kwakzalvers ter zijde.
-
-Gedurende het Dionysus-feest achtten ook de rondtrekkende Metragyrten
-en Sabazius-dienaars de gunstige gelegenheid gekomen, om aanhangers te
-werven voor hun God en Heiland Sabazius en voor zijn fanatieken en
-gruwzamen dienst. Zij trokken rond, met populierloof en venkel
-omkranst, en hielden slangen in de hand, die zij over hun hoofd
-zwaaiden, en dansten, door eene groote menigte volks omstuwd, onder het
-Corybantisch rumoer en cymbalen en tympanen, hun razenden dans, de
-zoogenaamde Sicinnis [409]. Daarbij geeselden en verwondden zij zich
-tot bloedens toe.
-
-Een Metragyrt had eene groote menigte volks om zich heen verzameld en
-predikte met heftige gebaren en luid geschreeuw den verlossenden God
-Sabazius. Hij sprak van geheime wijding, en van de hoogste en den God
-welgevalligste handeling van den ganschen Sabazius-dienst, de
-zelfverminking.
-
-Terwijl de menigte aandachtig luisterde en voor een deel de gemoederen
-bewogen waren door de taal van den Metragyrt, kwam eensklaps de schaar
-der tierende, dronken Ithyphallers daarlangs. Zij hoorden den vreemden
-dweper van den Sabazius-dienst en de zelfverminking spreken.
-
-„Hoe?” riep de uitgelaten aanvoerder der Ithyphallers, „van
-zelfverminking waagt ons iemand te spreken, te midden van de weelde der
-Bacchische feestvreugde? Neen! Zulke taal mag op Helleenschen bodem
-niet gehoord worden, zoolang er nog Ithyphallers zijn!”
-
-Nauwelijks had hij dit gezegd, of de schaar der dronken overmoedige
-jongelingen viel op den Metragyrt aan, sleurde hem voort en, gedachtig
-aan de wraak reeds lang aan zijns gelijken gezworen, slingerde men hem
-in den naburigen afgrond, het Barathron.—
-
-Onder de Bacchanten, die den feeststoet volgden, bevonden zich ook de
-leerlingen van Aspasia.
-
-Hoe zouden zij, die tot vrijheid werden opgevoed, de vrijheid niet
-volop genieten in de dagen, waarop zelfs voor hen, die anders niet vrij
-waren, alle boeien werden verbroken en alle slagboomen vielen?
-
-Ook het Arcadische herderskind, hoewel het zich er met tegenzin in
-schikte, had men als eene Bacchante gemaskerd en zij werd mede
-voortgetrokken door de onbeteugelde reien.
-
-De jonge Alcibiades scheen er groot belang in te stellen, dat aan de
-Bacchanten, die uit Aspasia’s huis kwamen, ook Cora niet ontbrak.
-
-Cora stond wel is waar in schoonheid verre achter bij hare
-speelgenooten. Doch zij was preutsch en haar zonderlinge ernst
-prikkelde den moedwil van den jongeling en voerde hem ten laatste tot
-vermetelheid.
-
-Ter wille van Cora volgde hij met zijne makkers, door Satyrmaskers
-onkenbaar, Aspasia’s meisjes. Het waagstuk, dat hij voornemens was te
-volvoeren, was niets anders, dan de preutsche Arcadische van hare
-speelgenooten af te lokken, of, wanneer hem dit niet gelukte, haar met
-geweld uit haar midden voort te slepen en naar zijn huis te ontvoeren.
-
-Schertsend mengden zich de Satyrs onder de Bacchanten; Alcibiades drong
-zich in de nabijheid van Cora, doch vond haar weerbarstiger dan ooit.
-
-Plotseling vielen, op eene eenzame plaats, die voor de onderneming
-gunstig was, op een wenk van Alcibiades, zijne makkers en hij zelf het
-meisje aan, om het onder de bescherming der reeds aanbrekende
-schemering met geweld weg te voeren.
-
-Doch in het hart der Arcadische ontwaakte dezelfde moed, waarmede zij
-vóór tijden reeds eenmaal een Satyr, die haar aanviel, op de vlucht had
-gedreven. En evenals zij toen een brandend stuk hout uit het vuur in
-het woud had gegrepen, om den vermetele daarmede te verjagen, zoo greep
-zij thans eene harer vriendinnen de fakkel uit de hand en stiet ze den
-vermomden aanrander Alcibiades in ’t gezicht, zoodat zijn satyrmasker
-in brand geraakte en hij in verwarring terugweek. Dit oogenblik maakte
-Cora zich ten nutte, om met de snelheid eener vluchtende hinde weg te
-ijlen en weldra was zij spoorloos uit de oogen harer vervolgers
-verdwenen.
-
-Rusteloos vloog zij met kloppend hart door de straten totdat zij het
-huis van Aspasia bereikt had.
-
-Even als Cora heden onder de Bacchanten, was de jonge Manes, de
-pleegzoon van Pericles, onder de Satyrs opgenomen.
-
-Ook hem had men het masker opgedrongen, ook hij was Xanthippus en
-Paralus tegen zijn zin in het dolle spel gevolgd. Onaangenaam, ja
-beangstigend scheen hem het gewoel, dat hem omgaf. De feestvreugde nam
-een losbandig teugelloos karakter aan. De dolle Meno gedroeg zich op de
-Agora even schaamteloos als zijn hond. Ten laatste werd Manes geheel
-weerloos het mikpunt der spotters. Onbeholpen en schuchter in al zijn
-doen, kon hij de plagerijen en de scherts waarmede hij van alle kanten
-bestormd werd, niet beantwoorden.
-
-„Past op!” schreeuwden eenigen in den kring. „Die naargeestige Satyr
-daar is niet te vertrouwen! Reeds menigmaal zijn bij het Dionysus-feest
-afgunstige schimmen uit de onderwereld onder de levenden geslopen;
-mogelijk is hij Thanatos zelf of de pest!—Scheurt hem het masker af!
-Wie weet welk een grijnzenden kop wij dan zullen zien!”
-
-Het brein van den jongeling werd beneveld, zijn hoofd bonsde, met zijne
-krachtige armen baande hij zich een weg door het gewoel en ijlde naar
-huis terug.
-
-Daar aangekomen sloop hij ongemerkt naar het dakterras, dat op dit
-oogenblik geheel verlaten was. Daar ging hij op eene kleine steenen
-bank zitten, nam het Satyr-masker van zijn gelaat, lei het naast zich
-neder en verzonk in diepe gepeinzen.
-
-Eene diepe zwaarmoedigheid was over zijne trekken verbreid. Hij scheen
-eene heimelijke smart in zijne ziel te dragen. Toen hij zich aan het
-luidruchtig gewoel van het Dionysus-feest onttrok, lag de reden daarvan
-wellicht niet alleen in zijn afkeer van dergelijke uitgelatenheid, maar
-vooral in eene beklemdheid, die ten gevolge van een diepen en machtigen
-indruk, zich van zijne ziel meester maakte.
-
-Reeds lang had Manes op deze wijze, peinzend en treurig met de oogen
-naar den grond geslagen, daar gezeten, met het masker nevens zich.
-Eensklaps stond Aspasia voor hem.
-
-Verschrikt keek hij op. Zwijgend staarde de vrouw des huizes hem
-eenigen tijd in het droefgeestig en sombere gezicht. Toen sprak zij hem
-aldus minzaam aan:
-
-„Hoe komt het, Manes, dat gij de genoegens van uwen leeftijd zoolang
-versmaadt? Voelt gij niets in uw bloed van ’t geen anderen drijft, om
-van den schoonen, vluchtigen, nooit terugkeerenden tijd der jeugd te
-genieten?”
-
-Manes keek getroffen naar den grond en antwoordde niets.
-
-„Hebt gij soms een verdriet of iets wat u hindert?” vervolgde Aspasia.
-„Zijt gij ontevreden in dit huis en zoudt gij liever onder andere
-menschen willen leven? Zijt gij misschien heimelijk op Pericles
-verstoord, omdat hij u van Samos medegenomen heeft, en u als zijn eigen
-zoon in zijn huis heeft doen opvoeden?”
-
-Bij deze woorden van Aspasia stond de jongeling onwillekeurig van zijn
-zitplaats op en met levendige, afwijzende gebaren verwierp hij een
-dergelijke veronderstelling, terwijl een traan in zijn oog opwelde.
-
-Aspasia liet echter niet af naar de reden zijner droefgeestigheid te
-onderzoeken.
-
-Manes antwoordde nu eens met eene lichte zucht, die aan zijn borst
-ontglipte, dan weder met een blos. Zijne hand beefde een weinig. Hij
-waagde zelden op te zien; als hij het echter deed, hadden zijne oogen
-eene diep gevoelige, schier roerende uitdrukking.
-
-De jongeling was zoo houterig en stroef in zijn geheele wezen, en toch
-had hij thans iets teeders, men zou haast zeggen, iets meisjesachtigs
-over zich.
-
-Ieder oogenblik werd Aspasia meer versterkt in haar vermoeden, dat een
-geheim leed aan het hart van den jongeling knaagde.
-
-Liefde kon het niet zijn; want wie zou die stille gloed kunnen gelden!
-Dan toch alleen eene der jeugdige huisgenooten? Maar deze had Manes
-immers altijd schuw en verlegen ontweken? Had men niet alle moeiten
-aangewend, om den jongen man in den vroolijken kring te trekken en
-waren deze pogingen niet altijd mislukt?—
-
-Eene gedachte vloog Aspasia door het hoofd. Eene gedachte, die in ’t
-eerste oogenblik haar schier kluchtig voorkwam, en haar bijna deed
-lachen.—
-
-Maar als de jongeling zijn zielroerend oog tot haar opsloeg, werd die
-gedachte minder belachelijk en Aspasia gevoelde zich, ’t geen anders
-niet in haar karakter lag, door eene opwelling van innig medelijden
-aangegrepen.
-
-Zij werd niet moede de onmannelijke zwaarmoedigheid van den stillen
-jongeling in zachte bewoordingen af te keuren en hem tot de
-vroolijkheid, die aan zijne jeugd voegde, op te wekken.
-
-Terwijl Aspasia zich alzoo met Manes bezig hield, zat Cora eenzaam en
-verlaten in het peristylium van het huis. Zij had, teruggekeerd uit de
-woeste bedwelming der feestvreugde, zich daar neergezet, haar
-Bacchanten-masker afgedaan en naast zich nedergelegd. Zoo zat zij daar
-in diepe gepeinzen verzonken, toen Pericles, toevallig juist naar huis
-teruggekeerd, het peristylium doorging.
-
-Hij was getroffen door ’t gezicht van het meisje, dat daar zoo eenzaam
-en peinzend zat, met het Bacchanten-masker nevens zich.
-
-Hij trad op Cora toe en vroeg haar waarom zij zoo spoedig was
-teruggekomen en zich van hare speelgenooten had afgescheiden, met wie
-zij was uitgegaan.
-
-Cora zweeg. Zij had een krans op haar schoot, denzelfden, dien zij als
-Bacchante gedragen had. Hare hand speelde schier onbewust met de
-bloemen van dien krans, en de grond om haar heen was bedekt met de
-afgeplukte bladeren der bloemen.
-
-Het meisje leverde een zonderling gezicht op, zooals zij op dat
-oogenblik daar zat. Hare houding, het spel met den krans, de ernst van
-het bleeke gelaat, vormde met het gewaad en de zinnebeelden der
-Bacchante, die zij aan of om zich had, een zoo scherp contrast, dat het
-bijna den lachlust opwekte.
-
-Pericles zag haar in het gelaat en sprak haar aan:
-
-„Ik herinner mij niet ooit eene Bacchante met zoo’n droevig gelaat
-gezien te hebben. Mij dunkt, Cora, gij zoudt den Thyrsus veel liever
-weder met den herderstaf verwisselen!—Is ’t niet zoo?—Gij voelt u niet
-gelukkig in dit huis? Gij hebt een heimwee naar uwe vaderlandsche
-bergwouden, naar uwe lammeren en schildpadden.”
-
-Cora sloeg hare oogen even naar Pericles op, die oogen, gelijk die
-eener hinde, en zag hem aan met eene uitdrukking, die nog treuriger was
-dan te voren, doch tevens met een trouwhartigen, schier kinderlijken
-blik, waarin eene toestemming, uit het diepst harer ziel voorkomende,
-scheen te liggen.
-
-„Wilt gij, dat wij u naar huis laten gaan?” vroeg Pericles op een
-hartelijken, vertrouwen inboezemenden toon. „Spreek vrijuit, mijn kind,
-en ik zal alles doen, om u zoodra mogelijk naar uw geboorteland en naar
-uw waarachtig geluk terug te voeren. Wilt gij dit huis verlaten, Cora?
-Spreek!”
-
-Eene zonderlinge uitwerking maakten deze woorden op het Arcadische
-meisje. In ’t eerste oogenblik blonk er een glans van vreugde over haar
-gelaat. Plotseling echter keek zij, als door eene nieuwe gedachte
-getroffen, weder ernstig naar den grond; zij werd bleek, haar boezem
-begon te hijgen, een traan parelde aan hare wimpers.
-
-„Zeg vrijuit,” hernam Pericles, „wat gij wenscht en wat uwe
-opgeruimdheid in dit huis verhindert. Er is zeker iets, dat gij
-mist!”—Pericles sprak deze woorden op een beslisten toon en zag, op een
-antwoord wachtend, het meisje strak in het aangezicht.
-
-„Verlangt gij uit dit huis weg te gaan?” herhaalde hij.
-
-Cora schudde treurig het hoofd, zonder een woord te spreken.
-
-„Uwe droefgeestigheid schijnt dus zonder reden te zijn,” vervolgde
-Pericles, „eene zwaarmoedigheid, die zich als eene soort van ziekte van
-uw gemoed meester maakt. Bestrijd haar, mijn kind! Geef u niet aan hare
-macht over, maar verzet u er tegen! Zie, ook mij zou de daemon der
-ontevredenheid somwijlen willen overweldigen, maar ik worstel met hem.
-Het leven moet vroolijk zijn en genot voor ons: want ware dat niet het
-geval, dan moesten wij immers de dooden benijden. Willen toch niet alle
-menschen opgeruimd en gelukkig zijn en zich blijde met elkander in hun
-bestaan verheugen?
-
-„Waarom zoekt gij de eenzaamheid? Wilt gij ook niet vroolijk en
-gelukkig zijn?”
-
-Wederom sloeg Cora trouwhartig de oogen tot Pericles op en zeide op
-aarzelenden toon:
-
-„Ik ben gelukkig, als ik alleen ben!”
-
-„Zonderling kind!” riep Pericles.
-
-Hij zag Cora zwijgend en peinzend aan. Zij was niet mooi. Hare
-maagdelijke schoonheid was zonder alle betoovering der zinnen.
-
-En toch lag in die maagdelijkheid, in die kinderlijkheid, in die
-zonderlinge gevoeligheid iets, wat eene eigenaardige sympathie in edele
-karakters kon wekken.
-
-Pericles had het ideaal van alle vrouwelijke bekoorlijkheden en
-voortreffelijkheid in Aspasia verwezenlijkt gevonden. Thans trad
-plotseling voor hem de vrouwelijkheid op in eene nieuwe, onbekende
-gedaante. Wat hij hier in Cora voor zijne oogen zag, was verschillend
-van alles, wat hij tot heden gezien, wat hij bewonderd, wat hij bemind
-had.
-
-Niet betooverend, niet verleidelijk scheen hem deze nieuwe soort van
-vrouwelijkheid, maar eene aandoening greep hem aan, even nieuw en
-vreemd, als hetgeen die in hem te voorschijn had geroepen. Hij legde
-zijne hand op het hoofd van het meisje en beval haar krank gemoed aan
-de machtige hoede der goden.
-
-Daarop sprak hij: „Willen we samen Aspasia opzoeken? En toen hij van
-een slaaf hoorde, dat Aspasia zich op het dakplat begeven had, nam hij
-het meisje vriendelijk bij de hand om ze naar hare meesteres te voeren.
-
-Zonderlinge samenloop! Op ’t zelfde oogenblik, dat Pericles in ’t
-peristylium van het huis zijne hand met ernstige aandoening op het
-hoofd van ’t bedroefde herderskind legde, op ’t zelfde oogenblik rustte
-de hand van Aspasia, die haar gesprek met Manes op het dakterras
-geëindigd had, op het hoofd van den droefgeestigen Noordschen
-jongeling.
-
-En ’t was alsof hare hand, met schier moederlijke teederheid zijne
-bruine lokken aanraakte, alsof haar oog met warmte op de trekken van
-den jeugdigen zonderling rustte! Toch zetelde opgeruimde blijmoedigheid
-op haar open, fier voorhoofd en met een kalmen glimlach begroette zij
-Pericles, toen hij met het meisje aan de hand tot haar trad.
-
-„Ik breng u de zwaarmoedige Cora,” zei Pericles tot Aspasia; „ik geloof
-dat zij niet minder dan Manes behoefte heeft aan vriendelijke
-toespraak!”
-
-Terwijl Pericles naderde had hij den blik van warme toegenegenheid
-opgemerkt, waarmede het oog van Aspasia op den jongeling rustte.
-
-Zij volgde zijn nauw merkbaren wenk en hij voerde haar naar een
-afgelegen plek van het dakterras, waar eene rustplaats onder bloeiende
-ranken was aangebracht.
-
-Hier vertelde Aspasia haar gesprek met Manes aan Pericles, deze haar
-het zijne met het Arcadische meisje.
-
-Ten laatste zeide Pericles kalm en ernstig:
-
-„Gij hebt gloeiende blikken, ja zelfs liefdevolle gebaren gebezigd, om
-het sombere gemoed van den jongeling op te beuren!”
-
-„En dat brengt u op de gedachte dat ik liefde voor hem zou gevoelen?”
-vroeg Aspasia. „Neen,” vervolgde zij, toen Pericles zweeg, „ik bemin
-hem niet, want hij is schier leelijk. Zijne plompe wangbeenderen
-beleedigen mijn oog. Maar eene vluchtige aandoening overweldigde mij,
-ik weet zelve niet hoe haar te noemen. Wellicht was het medelijden.”
-
-„Weet gij zoo precies, wat liefde niet is en wat wel?” vroeg Pericles.
-
-„Wat liefde is?” riep Aspasia glimlachend. „Begint gij thans ook mij
-met die dwaze vraag te kwellen?—Liefde is eene zaak, die men niet kan
-afweren, als zij komt, en niet kan tegenhouden als zij gaat.”
-
-„En weet gij er anders niets van te zeggen?” vroeg Pericles.
-
-„Niets, dan wat ik reeds zoo dikwijls gezegd heb,” hernam Aspasia:
-„liefde is een gevoel, dat in tyrannie kan ontaarden, wanneer zij het
-geliefde voorwerp tot een werktuig wil maken, zonder zelfstandigen zin.
-Die onwaardige begeerte moest zij weten te onderdrukken. Zij moest een
-in vrijheid gesloten, in vrijheid gehandhaafd vreugdeverbond des harten
-zijn!”
-
-„Zoo dikwijls gij mij dit herhaaldet,” sprak Pericles, „altijd is het
-mij onwederlegbaar voorgekomen. Mijn kalme, nadenkende geest is daarvan
-nog evenzeer overtuigd, als toen wij zelven zulk een vreugdeverbond des
-harten in vrijheid sloten. Liefde moet die zelfzuchtige begeerte
-opgeven om het beminde voorwerp te bezitten; maar de vraag bestaat nog
-altijd bij mij: kan de liefde dit doen? Is zij in staat die begeerte te
-verwinnen?”
-
-„Zij kan het,” hernam Aspasia: „want zij moet het kunnen!”
-
-„Niet tegen te houden is de liefde, als zij gaat, zeidet gij straks,”
-vervolgde Pericles, na eenige oogenblikken te hebben nagedacht. „Wat
-zal er van ons worden, Aspasia, als haar schoon vuur ook in onze borst
-verdooft?”
-
-„Dan zullen wij zeggen,” hernam Aspasia: „wij hebben met elkander de
-hoogste aardsche zaligheid genoten! Wij hebben niet te vergeefs
-geleefd! Wij hebben op het toppunt van ons bestaan, in de hoogste
-kracht des levens en der liefde, den vreugdekelk geledigd.”
-
-„Geledigd—geledigd”—herhaalde Pericles, schier onhoorbaar in zich
-zelven sprekend. „Gij doet mij daar een woord hooren, dat mij doet
-huiveren”——
-
-„’t Is het lot der bekers geledigd te worden,” zei Aspasia, „en het lot
-der bloemen te verwelken en het lot van al wat leeft schijnbaar te
-verdwijnen, inderdaad echter in eene eeuwigdurende wisseling zich te
-vernieuwen. De plicht van den sterveling echter is ’t, die verandering
-en wisseling om hem en in hem met de blijmoedige kalmte der echte
-wijsheid te aanschouwen. Dwaas zou het zijn zich aan de hielen van het
-voortijlende vast te klemmen. De tijd komt, dat men getroost den beker,
-waarin eens de zaligmakende drank heeft geschuimd, in den afgrond zal
-werpen. Alles streeft naar het toppunt, om dan weder neder te dalen
-langs de ladder der levens tot vernietiging. Alles volgt den loop der
-natuur”—
-
-Nadat Pericles en Aspasia dit gesprek hadden gehouden, maakten zij zich
-gereed zich in huis te begeven; en op de plaats gekomen, waar zij Manes
-en Cora achter gelaten hadden, zagen zij hen beiden in een druk
-onderhoud gewikkeld.
-
-Het platte dak was door Aspasia in eene soort van tuinterras
-herschapen. Daar bevonden zich priëelen ter beschutting tegen de zon en
-hooge, bloeiende heesters, in bakken, met aarde gevuld.
-
-Zulk een heester verborg Pericles en Aspasia, toen zij naderden, voor
-de blikken van den jongeling en van het meisje, die bovendien te zeer
-in hun gesprek verdiept waren, dan dat zij hunne nadering zouden
-bemerkt hebben.
-
-Pericles en Aspasia stonden onwillekeurig een oogenblik stil, hoogst
-verwonderd over dit gezicht. Zij hadden nooit te voren bemerkt, dat
-Manes en Cora zich zoo vertrouwelijk onderhielden, dat de een het
-gezelschap van den ander gezocht had.
-
-’t Was op zich zelf een zonderling tooneel, dat het oog wel tot zich
-mocht trekken, een treurige Satyr en eene zwaarmoedige Bacchante in een
-gesprek met elkander.
-
-Cora vertelde den jongeling van haar Arcadisch geboorteland, van de
-schoone bergwouden, van de schildpadden, van den God Pan, van de
-Stymphalische vogels, van de jacht op wilde dieren.
-
-Manes luisterde met gespannen aandacht. „Gij zijt wel zeer gelukkig,
-Cora,” zei hij daarop, „dat gij dit alles zoo helder voor uw geest hebt
-en het u telkens kunt herinneren. Ik herinner mij, als ik waak,
-volstrekt niets van mijn vaderland en van mijne prille jeugd. Alleen in
-droomen en mijmeringen word ik somwijlen verplaatst in sterk ruischende
-wouden of ik zie ruwe mannen in harige vachten gekleed, op snelle
-paarden gezeten en daarheen rennend over de vlakte. Ik ben dan den
-geheelen dag door treurig, als ik zulke droomen gehad heb en ik ben
-ziek van eene soort heimwee, ofschoon ik geen vaderland heb en ik niet
-weet, waarheen ik mijne schreden het eerst zou richten, als ik het
-wilde opzoeken. Alleen dit weet ik, dat ik noordelijk en steeds
-noordelijk moet gaan, en dikwijls droom ik ook, dat ik naar het Noorden
-trek, altijd meer naar het Noorden in eene onafzienbare ruimte. Gij
-zijt zeker dubbel bedroefd, Cora, dat gij niet naar uw vaderland kunt
-terugkeeren, omdat gij het kent en het altijd gemakkelijk weder zoudt
-weten te vinden. Zeg het mij, Cora, als gij terug wilt keeren naar uw
-geboortegrond; ik zal er u heen voeren en ik blijf er ook; want ik ben
-immers jong en sterk. Waarom zou ik niet met de Arcadische mannen samen
-leven en met hen jagen op de wilde dieren?”
-
-„Neen, Manes,” zeide het meisje, „naar Arcadië moet gij niet gaan,
-omdat u immers het heimwee naar het Noorden heentrekt. Neen ik zou
-volstrekt niet willen, dat gij naar Arcadië toogt, omdat u daar
-ongetwijfeld altijd een onweerstaanbaar verlangen naar uw vaderland zal
-bekruipen. Gij moet koers zetten naar den Hellespont en dan steeds meer
-naar het Noorden, zoo zult gij zeker uw vaderland vinden en wellicht
-zelfs een koninkrijk.”—
-
-„Ik zou wel gaarne naar het Noorden willen trekken,” zei Manes, „maar
-’t zou mij bedroeven, als ik er aan dacht, dat gij hier zijt en te
-vergeefs naar uw Arcadië verlangdet.”
-
-Cora keek peinzend naar den grond en zeide na eene kleine pauze:
-
-„Ik weet niet hoe het komt, Manes, dat ik even gaarne naar het Noorden
-zou willen trekken, als naar Arcadië, zoo wij slechts samen gingen. En
-’t is mij, als zou overal, waarheen we ons begaven, Arcadië zijn.”—
-
-Bij deze woorden van het meisje bloosde Manes en zijne hand beefde
-weder, als altijd, wanneer hij door een groote innerlijke aandoening
-bewogen werd; hij kon eerst geen woord zeggen; na eene korte pauze
-begon hij weder:
-
-„Maar gij wilt zeker veel liever naar Arcadië gaan, Cora, naar de uwen!
-Ik wil u gaarne vergezellen en herder worden, en ’t is mij, alsof ik
-overal, waarheen ik u voer, mijn vaderland terugvind, ja zelfs een
-koninkrijk.”—
-
-Hier stokte zijne stem en hij bloosde weder. Van de straten steeg het
-geraas en getier van den voorbijtrekkenden Bacchanten-stoet naar boven.
-Fakkels schitterden, het genot en gejubel waren ontketend tot volle
-vrijheid—hier boven echter stonden de jongeling en het meisje met
-kranke harten, bleek en sprakeloos en schuchter tegenover elkander, en
-geen van beide waagde het de hand van den andere te vatten en zelfs de
-oogen sloegen zij voor elkander verlegen neer—de Satyr en de
-Bacchante!—
-
-„Zij beminnen elkander!” zei Pericles tot Aspasia. „Zij beminnen
-elkander, die twee: maar met eene zonderlinge soort van liefde, naar ’t
-schijnt. Het is alsof zij elkander geheel en alleen met de ziel
-beminnen.—Zij spreken niet dan van offers, die zij elkander zouden
-willen brengen.”
-
-„Inderdaad,” hernam Aspasia, „met eene soort van liefde beminnen die
-beiden elkander, zooals alleen Manes en Cora die konden gevoelen. Zij
-hebben door de liefde alle vroolijkheid verloren, zij zijn bleek en
-ziek, zij zijn treurig, en hoewel zij weten, dat zij elkaar beminnen,
-hebben zij toch geen genot van hunne wederkeerige liefde: want zij
-durven elkaar niet eens de hand te geven, laat staan een kus.”
-
-„Het is eene schuchtere liefde,” zei Pericles, „eene kuische, eene
-smartelijke, eene onbaatzuchtige, eene zelfverloochenende, eene
-opofferende liefde. Wellicht vergoedt deze soort van liefde door
-bestendigheid en schoone harmonie, wat haar ontbreekt aan zalig en
-bedwelmend goddelijk genot. Wellicht geldt van haar minder, wat gij
-vroeger van de liefde hebt beweerd, dat zij aan den blinden loop der
-natuur onderworpen is.”
-
-„Eene krankheid is deze treurige liefde!” riep Aspasia geprikkeld. „Wee
-den dag, waarop zij is uitgevonden! Niet uit de zee, door het
-morgenrood beschenen, maar uit de Arcadische wateren der Styx verrees
-deze nieuwe, met witte rozen bekranste, bleeke Aphrodite! Deze soort
-van smartelijke, hartstochtelijke liefde is voor de menschen even erg,
-als oorlog en pest en hongersnood. Te Eleusis heb ik deze soort van
-liefde onder het gevolg van den valen Thanatos gezien, en deze gedachte
-was de eenige, die mij beviel, ginds in de Eleusinische, gewijde
-groeven!”
-
-Thans kwamen Pericles en Aspasia uit hun schuilhoek te voorschijn en
-Aspasia voerde het Arcadische meisje met zich naar huis.
-
-Op den avond van dienzelfden dag werd in de woning van Pericles een
-klein feest gehouden, zooals in den tijd der Dionysiën alle Atheensche
-burgers gewoon waren in hunne huizen aan te leggen. Eenige gasten waren
-er, onder wie Callimachus met Philandra en Pasicompsa.
-
-Men was ditmaal niet in de gewone eetzaal des huizes, maar in het
-koeler en ruimer peristylium bijeen gekomen, waar de lucht van den
-zoelen lentenacht van boven verkwikkend binnenwoei.
-
-Pericles had zich naar gewoonte vroeg teruggetrokken.
-
-Plotseling kwam de jonge Alcibiades met eenige zijner vrienden. Hij
-stormde in uitgelaten feestvreugde de deur van het huis binnen en nam,
-met zijne makkers doordringend, onmiddellijk plaats onder de reeds
-vergaderde gasten.
-
-Bij zijne komst vluchtte Cora angstig naar het binnenste deel van ’t
-huis.
-
-Toen Alcibiades dit bemerkte, wilde hij zich bij de bekoorlijke
-Simaetha schadeloos stellen. Deze echter wees hem fier van zich. Zij
-verachtte hem, sedert hij zich zoo diep had verlaagd, om het Arcadische
-herdersmeisje in zijne dolle opgewondenheid met geweld te vervolgen.
-Ook de overige meisjes behandelden hem om dezelfde reden uit de hoogte.
-Langen tijd deed hij zijn best om haar toorn te doen bedaren, maar te
-vergeefs.
-
-„Hoe?” riep hij ten laatste, „Cora loopt voor mij weg, preutsch als
-eene hinde, door de jagers vervolgd—Simaetha keert mij den rug toe—de
-geheele school van Aspasia ziet ernstig en fronst de wenkbrauwen, als
-de oude Anaxagoras—welaan! als gij allen mij afwijst, zal ik mijne
-toevlucht nemen tot de lieve Hipparete, het eerzame, zedige,
-bekoorlijke, bloeiende dochtertje van Hipponicus!”
-
-„Doe dat gerust!” zei Simaetha.
-
-„Dat zal ik!” riep Alcibiades. „Gij zult mij niet te vergeefs afgewezen
-hebben, Simaetha! Alcibiades laat niet met zich spotten! Ik ga morgen
-zoo vroeg mogelijk naar Hipponicus en vraag hem zijn dochtertje. Ik
-trouw, word deugdzaam, doe afstand van alle dolle genoegens en verdrijf
-mij den tijd met Sicilië te veroveren en de Atheners naar mijne pijpen
-te doen dansen!”
-
-„Hipponicus zal u zijne dochter niet geven!” riep de jonge Callias;
-„hij houdt u voor een veel te grooten deugniet!”
-
-Lachend herhaalden de overige gasten: „Hipponicus zal u zijne dochter
-niet geven, gij zijt een veel te groote deugniet!”
-
-„Hipponicus zal mij zijne dochter geven,” riep Alcibiades met nadruk,
-„al had ik hem van te voren ook eene oorveeg gegeven. Wilt gij eene
-weddenschap met mij aangaan? Ik neem aan, Hipponicus een klap om de
-ooren te geven en hem dan zijne dochter te vragen. En hij zal ze mij
-geven.”
-
-„Gij zijt een pocher!” riepen zijne vrienden.
-
-„Laten wij wedden!” hernam Alcibiades: „duizend drachmen, als gij
-wilt!”
-
-„Top!” riepen Callias en Demus.
-
-Alcibiades bood zijn vrienden de hand en zij sloegen toe. De
-weddenschap van duizend drachmen was aangegaan.
-
-„Waarom zou ik mij niet bekeeren en deugdzaam worden,” zei Alcibiades,
-„daar rondom mij zoovele treurige teekenen en wonderen geschieden? Niet
-genoeg, dat Cora mij ontvlucht, Simaetha zich van mij afkeert, Theodota
-waanzinnig is geworden, moest ik ook nog beleven, dat ik mijn oudsten
-en besten vriend verloor? Hij heeft zijne trouw jegens mij verbroken en
-eene vrouw genomen.”
-
-„Van wien spreekt gij?” vroegen eenigen.
-
-„Van wien anders, dan van Socrates?” hernam Alcibiades.
-
-„Hoe? Is Socrates getrouwd?” vroeg Aspasia.
-
-„Zoo is het!” hernam Alcibiades, „in alle stilte heeft hij onlangs eene
-vrouw genomen. Geef hem maar op—gij ziet hem nooit weer!”
-
-„Hoe is dat gebeurd?” vroeg Aspasia verder, „ik heb er nog niets van
-gehoord.”
-
-„’t Zal ongeveer twee weken geleden zijn,” zei Alcibiades, „dat ik in
-eene der stillere straten daarboven aan den Ilissus met een vriend,
-dien ik toevallig ontmoette, stond te praten. Plotseling gaat de met
-bloemen versierde deur van een huis open en eene stoet van fluitspelers
-en zangers, met fakkels in de handen en bekranst, treedt naar buiten.
-Hen volgt eene gesluierde bruid, tusschen den bruidegom en den
-nymphagoog [410]. Deze drie bestijgen een met muildieren bespannen
-wagen, die voor het huis staat, en nemen er plaats in. Onderwijl komt
-de moeder der bruid, met de fakkel, die zij aan den haard van het huis
-der bruid heeft aangestoken; bij haar sluit het overige, in ’t wit
-gekleede gezelschap zich aan, met bloemen bekranst en fakkels dragende;
-de wagen zet zich in beweging en voorwaarts gaat het de straat af tot
-aan het huis van den bruidegom, onder de toonen der fluiten, het
-aanheffen van liederen, onder vroolijk jubelen en dansen. Die bruidegom
-nu was niemand anders dan Socrates, de vriend van Aspasia, de
-nymphagoog was de vrouwenhater Euripides.”
-
-„En de bruid?” vroegen velen.
-
-„Het eenvoudig kind van een eenvoudig man,” hernam Alcibiades, „dat
-echter onmiddellijk de teugels van het huishouden als met ijzeren hand
-heeft aangegrepen, en de kunst verstaat, met het weinige huis te
-houden, dat Socrates nog van zijn vaderlijk erfdeel bezit. Socrates
-getrouwd! De arme waarheidzoeker! De waarheid heeft hij gezocht—eene
-vrouw heeft hij gevonden! Ik herhaal het, er geschieden teekenen en
-wonderen! De oude wereld wil, naar ’t schijnt, zich uit het oude spoor
-losrukken. Socrates getrouwd—de vroolijke Theodota waanzinnig; voegt
-men hier nog bij, dat op Aegina en Eleusis, naar men zegt, eenige
-gevallen van pest zijn voorgekomen, die reeds lang op het Aegyptische
-strand spookt, en dat men heden op de Agora een verdacht Satyr-masker
-meent gezien te hebben, waarachter zich Thanatos of de Pest of een
-ander afzichtelijk wezen verbergt—neemt men dit alles samen, dan zult
-ge mij moeten toegeven, dat het in de stad der Atheners vervelend
-dreigt te worden. En wanneer ik daarbij nog de dochter van Hipponicus
-huw, dan krijgt de Helleensche hemel eene sombere tint. Maar heden
-willen wij nog vroolijk zijn—bij Eros met de bliksemschicht! Niet
-langer getreurd en gepruild, meisjes! Laat ons een lustigen, dollen
-strijd beginnen tegen de droevige machten, die ons bedreigen! Laat ons
-met een verachtelijken glimlach alle teekenen en wonderen beschouwen!
-En wanneer dartele lust en genot ook uit geheel Hellas verdwenen waren,
-dan moeten zij nog in dezen kring te vinden zijn. Heb ik geen gelijk,
-Aspasia?”
-
-„Gij hebt gelijk!” antwoordde Aspasia; „in den strijd tegen al het
-sombere zijn wij bondgenooten.”
-
-Zoo sprak zij en liet nieuwe bekers brengen en in het mengvat schuimde
-weder het kostelijk nat; geledigd en nog eens geledigd werden de
-fonkelende bokalen. Vroolijke scherts, gelach en dartel gezang schalden
-door het peristylium en Alcibiades tintelde van den geest van Dionysus.
-
-Zoo was het middernacht geworden. Plotseling gaat in den achtergrond
-eene deur open, die naar het peristylium voert. Uit de deur komt
-langzaam als een spook, met gesloten oogen, Manes te voorschijn—Manes,
-de slaapwandelaar!—Hij had geen deel genomen aan het feest, maar zijne
-stille legerstede opgezocht. Thans echter had de geheimzinnige ziekte
-den slapende uit zijne rust opgedreven.
-
-Bij het gezicht van hem, die met gesloten oogen het peristylium
-doorwandelde, verstomde de luidruchtige vroolijkheid en allen staarden,
-door eene lichte huivering aangegrepen, sprakeloos naar den
-spookachtigen wandelaar.
-
-Nadat hij het peristylium had doorgeloopen, ging hij naar de trap, die
-tot het platte dak des huizes voerde. Met vasten tred beklom hij de
-trap en verdween weldra uit de oogen der gasten. Het meerendeel der
-feestgenooten besloot, nadat de eerste schrik voorbij was, hem te
-volgen.
-
-„Zoo straft Dionysus degenen,” riep Alcibiades, „die zich tegen zijn
-blijden, vreugdevollen dienst verzetten. Wij willen den verachter van
-den God bekeeren! Komt! Wij willen hem wekken en hem dan met geweld
-deel doen nemen aan ons feest!”—
-
-Daarop stonden de meeste gasten op en sloegen den weg in naar het
-dakterras.
-
-Toen zij daar gekomen waren, deed zich een gezicht aan hunne blikken
-voor, dat opnieuw angst en huivering in hunne borst wekte.
-
-Manes wandelde op een eenigszins hoog, hellend uitstek van het dak,
-langs den uitersten kant, op eene plaats, waar alleen een maanzieke met
-gesloten oogen gaan kon, ieder wakende echter onvermijdelijk duizelend
-in de diepte zou neerstorten.
-
-Inmiddels waren ook de overige huisgenooten op het bericht, dat Manes
-in slaap wandelde, toegesneld.
-
-Ook Pericles verscheen.
-
-Hij huiverde, toen hij den jongeling zag en zeide: „Als hij op dit
-oogenblik ontwaakt, stort hij reddeloos in de diepte. Hem echter te
-naderen en te redden van die plaats is onmogelijk!”
-
-Juist toen Pericles deze woorden sprak, naderde ook Cora.
-
-Ontsteld, doodsbleek, de groote, ronde oogen wijd geopend, het gelaat
-door de loshangende lokken omgolfd, staarde Cora naar den
-slaapwandelaar. Bij ’t hooren der woorden van Pericles voer haar eene
-huivering door de leden; vervolgens echter ijlde zij als op vleugelen
-naar de plaats, waar Manes wandelde, boog zich over het hooge afdak,
-deed met vasten voet, zonder te duizelen, eenige schreden naar beneden
-op de gevaarlijke, hellende baan, greep de hand van den jongeling en
-trok hem van den uitersten rand terug, tot waar zij den veiligen bodem
-onder zich voelde.
-
-Eerst toen Manes gered was, maakte eene duizeling zich van haar meester
-en bezwijmd zonk zij ineen.
-
-Thans was het Manes, die ontwakend en de oogen opslaande, angstig het
-meisje omvatte en het voortdroeg in zijne armen, tot zij weder tot
-bewustzijn kwam en half verschrokken, half verlegen met een blos op de
-kaken henen vlood.
-
-De feestgenooten hadden dit tooneel met verbaasde oogen gadegeslagen.
-Thans schaarden zij zich om Manes en voerden hem onder vroolijke,
-opwekkende woorden naar beneden naar het peristylium.
-
-Alleen Pericles bleef een oogenblik met Aspasia achter.
-
-„Hoe betreur ik het,” zei Pericles tot Aspasia, „dat Socrates geen
-getuige geweest is van dit tooneel!”
-
-„Waarom betreurt gij dat?” vroeg Aspasia.
-
-„Hij zou nu toch wel eindelijk,” hernam Pericles, „gevonden hebben, wat
-ware liefde is.”—
-
-Aspasia zweeg een oogenblik en zag Pericles strak in het gelaat. Toen
-zeide zij: „en gij?”
-
-Pericles antwoordde:
-
-„Mij brengt dit paar eenigszins tot schaamte en in verlegenheid. ’t Is
-alsof het zeggen wil: Treedt gij beiden af van het tooneel en ruimt uwe
-plaats aan ons in!”
-
-Nog eens staarde Aspasia Pericles in het ernstig en peinzend gelaat.
-Toen sprak zij:
-
-„Gij zijt geen Griek meer!”
-
-Weinig in getal waren de woorden, die hier gewisseld werden, maar zij
-waren veelbeteekenend. Zij vielen zwaar in de schaal van het noodlot.
-
-Door die woorden ontstond er als ’t ware eene heimelijke scheuring
-tusschen twee edele zielen, eens zoo schoon en innig verbonden.
-
-Een lang voorbereide stroom van nieuwe, sombere machten, van twijfel en
-inwendigen tweestrijd, was in de ziel van Pericles getogen.
-
-Met dit kort gesprek stortte langzaam en zonder gerucht het grootsche,
-schoone en heerlijke gebouw ineen.—
-
-Met de woorden: „Gij zijt geen Griek meer!” had Aspasia, na een
-laatsten, half toornigen, half medelijdenden blik, haar gelaat van
-Pericles afgewend.
-
-Beiden gingen zwijgend naar beneden: Pericles naar zijn vertrek,
-Aspasia terug naar hare gasten.
-
-Inmiddels hadden de feestgenooten te vergeefs hun best gedaan, om den
-jongen Manes te doen deelnemen aan hun festijn en hem tot den dienst
-van den vreugdegod te bekeeren. Hij had zich losgescheurd en was
-teruggekeerd tot de binnenste vertrekken van het huis.
-
-Thans begon men een tijdlang over Cora te spreken; men bewonderde haar
-moed of liever de merkwaardige kracht eener aandoening, eener
-gemoedstemming, van eene hartstocht, onder wier invloed zij gehandeld
-had en waardoor zij als blindelings en onbewust medegesleept was;
-hetgeen voor allen bijna den stempel van een onoplosbaar raadsel had.
-
-En thans begon ook Alcibiades zijn leedwezen te betuigen, dat Socrates
-dit tooneel niet had bijgewoond.
-
-„Wat een heerlijk maal,” zei hij, „zou dit voor het oog van den peinzer
-en waarheidzoeker geweest zijn; hij, die zich reeds over de meest
-alledaagsche dingen in ernstige beschouwingen verdiept, zou ook thans
-niet rusten zonder de beteekenis van dit merkwaardige feit tot in de
-fijnste bijzonderheden nagespeurd te hebben. Is hij zelf niet eene
-soort van slaapwandelaar, iemand die door de maanziekte der
-wijsbegeerte is aangetast, die de oogen sluit om beter te kunnen denken
-en daarbij verdoold raakt op duizelingwekkende hoogte? Het eenige
-onderscheid is, dat hem geen Cora ter hulp snelt, om hem met zachte
-hand van de afgronden der gedachte weg te trekken. Nu, ik zal tot hem
-gaan en hem de geheele geschiedenis vertellen, ofschoon ’t niet zonder
-gevaar is, Socrates in zijn eigen huis te bezoeken. Want zijne jonge
-vrouw Xanthippe is bang, dat ik haar man zal verleiden, en ziet mij
-bovendien met geen gunstig oog aan. Toen ik de pas gehuwden met eenige
-vrienden bezocht, brachten wij haar reeds in groote verlegenheid, en
-het vrouwtje begon er over te schreien en te klagen, dat zij zulke
-voorname lieden, als wij waren, niet in staat was behoorlijk te
-onthalen. „Laat dat zijn zooals het wil,” zei Socrates, „als ’t goede
-menschen zijn, die ons bezoeken, dan zullen zij tevreden zijn; als het
-slechte menschen zijn, dan hebben wij ons niets om hen te
-bekommeren!”—Dit zijn echter redeneeringen, waarmede hij Xanthippe nog
-meer in ’t harnas jaagt. Ik bemerkte aanstonds, dat zij in huis de baas
-was. Nu maakte ik mij er een genoegen van, zoo vrij mogelijk met haar
-man te spreken en hem met vriendschapsbetuigingen te overladen. Sinds
-dien tijd is zij boos op mij en toen ik onlangs haar man een lekkeren
-koek zond, ging zij in haar toorn zoover, dat zij hem uit de mand op
-den grond wierp en met de voeten trapte. En Socrates? Die durfde alleen
-zeggen: „Wat hebt gij daar nu aan? Als gij den lekkeren koek niet had
-vertrapt, dan zoudt gij hem hebben kunnen opeten!”—Het schijnt, dat de
-meeste mannen te Athene hunne vrouwen niet meer weten te regeeren!—Bij
-mijn daemon,” vervolgde Alcibiades, nadat hij zijn beker geledigd had,
-„ik zeg het nog eens, de wereld raakt uit het oude spoor! Delos door
-eene aardbeving geteisterd, Theodota waanzinnig, de wijzen door hunne
-vrouwen geregeerd, ik zelf op het punt om de dochter van Hipponicus te
-trouwen, Sabazius-dienaars in de straten, maanzieken op de daken, de
-Peloponnesus onder de wapenen, te Lemnos en op het naburige Aegina de
-pest—”
-
-„Vergeet de zonsverduistering niet,” viel hem Demus in de rede; „tevens
-moet nog vermeld worden, dat er, naar men zegt, een spook rondwaart in
-het huis van Hipponicus.”—
-
-„Is dat waar?” vroegen allen aan Callias, den zoon van Hipponicus.
-
-„Ja, het is inderdaad zoo!” hernam deze, en vertelde, dat werkelijk een
-spook zich in zijns vaders huis vertoonde; dat Hipponicus peinzend en
-bleek en mager was geworden, dat hem de lekkerste spijzen niet meer
-smaakten en dat hij ’s nachts door de nachtmerrie gekweld werd—
-
-„Daar hebt gij het al!” riep Alcibiades—„dus ook nog
-zonsverduisteringen, en spoken in de huizen van oude, lustige
-lekkerbekken. De drommel moge de wereld halen, als zij zoo somber
-begint te worden. Nog eens, mijne vrienden: op ten strijde, tegen de
-treurigheid der tijden, die zich dreigend aanmeldt!”
-
-„Is het wel noodig daartoe opgewekt te worden?” riep de jonge Callias.
-„Bij Heracles! hebben wij dan niet gedurende dezen geheelen feesttijd
-ons best gedaan, als nooit te voren? Hebben wij den Metragyrt niet in
-het Barathron geworpen? Hebben wij ons niet prachtig gedragen, zooals
-men van de lustige Ithyphallers kon verwachten? En hadden wij niet de
-geheele Atheensche jeugd achter ons? Waren de Dionysiën te Athene ooit
-darteler en uitgelatener dan die thans zijn gevierd? Hebt gij het volk
-ooit zoo opgewekt en dol gezien? Heeft de wijn ooit in rijker stroomen
-gevloden? Is er ooit een grooter aantal jonge meisjes in het gedrang
-verleid geworden? Wemelde het ooit meer te Athene van bereidvaardige en
-gedienstige priesteressen van het genot? En waren zij ooit meer
-gezocht? Wat spreekt gij van sombere tijden, Alcibiades? Het is een
-vroolijke tijd, zeg ik. De wereld gaat vooruit in dartelheid en
-vreugde; niet achteruit, zooals gij meent. En welke donkere, dreigende
-wolken zich ook ooit aan den hemel mogen vertoonen, hij zal weder
-helder worden! En zoo behoort het ook! Lang leve het genot!”
-
-„Lang leve het genot!” galmde het van alle kanten en de bekers klonken,
-tegen elkaar.
-
-„Callias, beste jongen, laat ik u omarmen!” riep Alcibiades en kuste
-zijn vriend. „Zoo hoor ik u en u allen gaarne spreken! Lang leve het
-genot! En opdat het eeuwig leve en groeie en bloeie onder het volk der
-Atheners, moeten de Ithyphallers eendrachtig samenwerken met de school,
-die Aspasia heeft gesticht. Op de Ithyphallers en op de school van
-Aspasia is de vaste burg gegrondvest van vroolijkheid, van alle
-bekoorlijke dartelheid en van allen levenslustig en moedwil! Daarom
-niet gepruild, Simaetha! Niet zoo preutsch, Prasina! Geen leelijk
-gezicht tegen Alcibiades getrokken, Drosis! Kom, lach eens weder,
-Simaetha! Gij zijt nooit zoo bekoorlijk geweest als thans. Bij Zeus!
-Voor één gullen, hartelijken lach van uw mond wil ik duizend drachmen,
-waarom ik gewed heb, verliezen en het dochtertje van Hipponicus nog een
-poos laten wachten!”
-
-Nu wendden zich allen tot Simaetha, om haar te overreden zich met
-Alcibiades te verzoenen.
-
-Aspasia zelve mengde zich in de zaak. „Mok niet langer tegen
-Alcibiades!” sprak zij. „Wanneer hij beweert, dat de school van Aspasia
-op een goeden voet moet staan met het gezelschap der Ithyphallers, dan
-kan hij gelijk hebben; doch alleen in zooverre, dat de uitgelatenheid
-der Ithyphallers betoomd en bedwongen moet worden door lieve
-vrouwenhanden. Wij moeten onzen bijstand den Ithyphallers niet
-onthouden, maar hun den teugel der rechte en schoone maat aandoen,
-opdat het heerlijke rijk der vreugde niet in ruwheid en woestheid
-onderga.”
-
-„Wij onderwerpen ons aan u!” riep Alcibiades. „Wij willen Simaetha tot
-koningin met onbeperkte macht verkiezen in het rijk der vreugde.”—
-
-„Dat willen wij!” klonk het in ’t rond. „Waarom zouden de Ithyphallers
-zich niet beteugelen laten door zulke lieve handjes?”
-
-In uitgelaten vroolijkheid werd de glimlachende, van bekoorlijkheid
-stralende Simaetha tot koningin van het feest uitgeroepen en tot
-onbeperkt heerschende vorstin van het rijk der vreugde.
-
-Men richtte voor haar een heerlijken, met bloemen rijk getooiden troon
-op, men hulde haar in purpergewaad, een gouden diadeem werd op de
-lokken gedrukt, haar lichaam met kransen van rozen en viooltjes
-omslingerd.
-
-Zij praalde in de volle betoovering van jeugd en schoonheid—eene echte
-koningin. Zelfs Aspasia’s oog rustte met bewondering op haar.
-
-„Aspasia beheerscht het tegenwoordige,” riep Alcibiades, „u, Simaetha,
-behoort de toekomst!”—
-
-De bekers werden gevuld met den bedwelmenden drank en ter eere van de
-schitterende koningin der vreugde geledigd.
-
-„Door deze koningin beheerscht,” riepen de jongelingen, „zal het rijk
-der vreugde zich uitbreiden over den geheelen aardbol!”—
-
-„Callias en Demus, neemt uwe duizend drachmen!” riep Alcibiades. „Ik
-geef de weddenschap verloren. Ik ga morgen nog niet naar Hipponicus. De
-vorst der Ityphallers sluit een nieuw verbond met de koningin der
-schoonheid en der vreugde! Den Gode zij dank! Zij lacht weder en hare
-tandjes blinken daarbij, als eene marmeren zuilenrij van het
-Parthenon!”
-
-Daarop naderde de bekranste, door wijn en vurige liefde bedwelmde,
-vermetele jongeling het koninklijk uitgedoste, prachtige meisje, sloeg
-onder het gejubel zijner vrienden den arm om haar heen en wilde het
-gesloten verbond met een kus bezegelen.
-
-Op dit oogenblik bemerkten allen, die hunne blikken op Simaetha
-gevestigd hielden, eensklaps, dat een geweldige kleur zich over haar
-gezicht verspreidde.
-
-Zij strekte de hand uit en weerde Alcibiades af, klagende over een
-plotselinge, geweldige hoofdpijn.
-
-Tegelijk schenen hare lippen, droog van inwendige hitte, naar lafenis
-te snakken.
-
-Men reikte haar een met wijn gevulden beker; zij wees dien echter terug
-en verlangde naar frisch koel water.—Zij sloeg beker op beker van het
-ijskoude vocht naar binnen, maar ’t was of slechts droppels op gloeiend
-ijzer vielen.
-
-Nu bemerkte men ook dat hare oogen met bloed beloopen waren.
-
-De tong van ’t meisje werd zwaar—schor, heesch klonk hare stem—zij
-begon over brandende zwelling der keel, van den mond, der tong te
-klagen.
-
-Tegelijk overviel haar eene vreeselijke benauwdheid—krampachtige
-bewegingen vertoonden zich in de gewrichten der handen, het geheele
-lichaam beefde, het kille zweet droop van hare leden.
-
-Men wilde haar naar haar vertrek, naar haar bed brengen: maar, als door
-een woesten angst gedreven, wenschte zij zich in eene bron, in een
-diep, koel water te storten,—zij wilde wegijlen, aan eene razende
-gelijk—slechts met geweld kon zij teruggehouden worden.
-
-Men had Pericles geroepen.
-
-Hij kwam. Hij zag den toestand van het meisje en verbleekte.
-
-„Verwijdert u!” sprak hij tot de feestgenooten.
-
-Hunne hoofden waren nog half beneveld van de Bacchische bedwelming.
-
-„Waarom ontstelt ge zoo over den toestand van ’t meisje?” riepen zij.
-„Kent ge haar ziekte, zeg het dan!”
-
-„Verwijdert u!” herhaalde Pericles.
-
-„Wat is het, wat is het?” riep Alcibiades.
-
-„De pest!” zeide Pericles op gesmoorden en zachten toon.
-
-Hoe zacht het woord ook gesproken was, het viel als een donderslag in
-de vergadering.
-
-Allen verstomden, verbleekten, stoven uit elkander.
-
-De meisjes begonnen te jammeren—Aspasia zelve werd doodsbleek, en
-verzorgde bevend en sidderend de door den dood aangetaste lieveling.
-
-Het meisje werd weggevoerd. De feestgenooten begonnen zich verslagen in
-stilte te verwijderen.
-
-Alleen Alcibiades herwon spoedig zijne bedaardheid, hij, de dronkenste
-van allen.
-
-„Zoo zullen wij ons overwonnen geven aan de duistere machten?” riep hij
-en greep naar den beker. „Zou onze strijd te vergeefs zijn geweest?—Wat
-stuift gij uit elkander, mijne vrienden? Lafaards, die gij zijt! Als
-gij allen versaagt en u schandelijk overwonnen geeft, ik geef mij niet
-over! Ik trotseer ook de pest en alle verschrikkingen van den Hades!”
-
-Op dezen toon sprak hij voort, tot hij ten laatste bemerkte, dat hij
-geheel alleen stond in het verlaten peristylium, te midden van
-verstrooide kransen en half geledigde of omgeworpen bekers.
-
-Hij keek om zich heen met glazige oogen. „Hei daar, waar zijt gij,
-lustige Ithyphallers?”
-
-„Alleen!” ging hij voort—„geheel alleen!—zij hebben mij allen
-verlaten—allen!—Het rijk der vreugde is verlaten en eenzaam—de sombere
-machten zegevieren”— —
-
-„Het zij zoo!” riep hij ten laatste, den beker van zich werpende.
-„Vaarwel, schoone lust der jeugd! Ik ga naar Hipponicus!”
-
-
-
-
-
-
-
-XXIV.
-
-DE SATYR EN DE BACCHANTE.
-
-
-In dien merkwaardigen nacht, waarin Simaetha tot koningin der vreugde
-bij het vroolijke maal in Pericles’ woning werd gekroond en de gloed
-van de fakkels der Bacchanten in alle straten van Athene schitterde, in
-dien zelfden nacht zat bovenop de eenzame, stille Acropolis, op den
-donkeren gevel van het Parthenon, een ongeluksvogel, een somber
-starende uil, die herhaaldelijk zijn nachtelijk, huiveringwekkend,
-onheilspellend gekras deed hooren.
-
-Van de straten der stad steeg het vreugdegejuich naar boven en onder
-die klanken mengden zich zonderling de nachtelijke klaagtonen van den
-uil op den gevel van het Parthenon.
-
-Verre in den omtrek weerklonken, zij in de donkere ruimte van de tinnen
-der Acropolis af, als eene doodstijding.
-
-En waarlijk zoo was het.
-
-Want juist op het oogenblik, dat de jonge Alcibiades en zijne makkers
-ten toppunt van jeugdige uitgelatenheid hunne bekers ophieven bij het
-festijn in het huis van Pericles en een dronk wijdden aan de
-bekoorlijke koningin der vreugde—in dit zelfde oogenblik stierf Phidias
-in den kerker—in dit zelfde oogenblik blies de onsterfelijke meester
-van het Parthenon, sinds geruimen tijd door eene slepende ziekte
-aangetast, eenzaam den laatsten adem uit.
-
-In die ure echter, waarin de verhevenste Hellenenziel, het middelpunt
-van de luisterrijkste Atheensche scheppingskunst, in den donkeren
-kerkernacht haar stoffelijk hulsel verliet en Aspasia Pericles de
-woorden toevoegde: „Gij zijt geen Griek meer!”—in die ure was het, als
-werd niet alleen het heerlijke verbond van Pericles en Aspasia
-verscheurd, maar ook een vlijmend zwaard scheen te gaan door het hart
-der Helleensche wereld:—’t was alsof hare ster verduisterde, en nevens
-het zegevierend gekras van den uil op het Parthenon klonk een
-boosaardig geschater van grijnzende daemonen in de lucht boven de
-hoogte der Acropolis.
-
-De Erechtheüs-priester ontwaakt bij het uilengekras, op zijn nachtelijk
-leger. Hem klonk het geroep van den uil als de blijde mare in ’t oor:
-„Op, uw tijd is gekomen!”
-
-En de daemonen fluisterden elkander toe: „Nu eindelijk is ons de macht
-gegeven los te breken!—Op, laten wij ons neder op Athene, neder op
-Hellas!”
-
-Aan ’t hoofd van dezen zwerm ongeluks-daemonen vlogen de Tweedracht en
-de Pest.
-
-De laatste breidde hare vale vleugelen uit en vloog alle anderen
-voorbij; zij streek neder op de in nacht gehulde, van het getier der
-Bacchanten weergalmende stad der Atheners.
-
-Zij zocht naar de plaats, waar feestvreugde het vroolijkst tierde—zij
-vond deze plaats en stortte zich als een gier neder op de bekoorlijke,
-jonge koningin der vreugde in Pericles’ woning.
-
-Het schoonste en bloeiendste Helleensche meisje, aan wie, zooals
-Alcibiades meende, de toekomst behoorde, was het eerste slachtoffer van
-een daemon.
-
-Er zijn tijden, waarin met het inwendig bederf, met de omkeeringen der
-zedelijke wereldorde, met de verzwakking en ontaarding, tevens groote
-physische rampen gepaard gaan, waardoor de harmonie en de orde der
-zedelijke en stoffelijke wereld te gelijk schijnen vernietigd te
-worden.
-
-Zulk een tijd brak thans voor Athene aan, zulk een tijd brak thans aan
-voor geheel Hellas.
-
-Aan het inwendige verterend verderf van den staat, zooals het langzaam
-en allengs voorbereid was door toenemende weelde en genotzucht, door
-het hand over hand toenemen van de losbandige demagogie [411], het
-meest echter door den natuurlijken loop der menschelijke zaken, die met
-ijzeren noodwendigheid van bloei tot verval en ontaarding voert—aan dit
-inwendig verderf paarde zich het uitbreken van bloedige veeten onder de
-stammen van Hellas, waaruit ten laatste niemand als overwinnaar te
-voorschijn trad, maar waardoor integendeel de welvaart en de vrijheid
-van allen gemeenschappelijk te gronde gingen; en hierbij voegden zich
-de gruwelen der pest, die moorddadige ziekte.
-
-De Helleensche „kalokagathia” [412] moest verbroken worden—niet meer
-moest het zijn: „eene gezonde ziel in een gezond lichaam,” waarop zich
-het Helleensche leven had mogen beroemen.—
-
-Snel had zich de mare van het eerste pestgeval ten huize van Pericles
-in de geheele stad der Atheners verspreid, en eensklaps maakte de
-uitgelaten Bacchantische feestvreugde plaats voor den bleeken angst,
-voor verlammende bezorgdheid.
-
-Andere doodelijke pijlen van den engel des verderfs werden afgeschoten
-en binnen weinige dagen woedde reeds de pest in al hare verschrikkingen
-[413].
-
-Evenals bij Simaetha geschied was, placht de ziekte met groote
-verhitting van het hoofd uit te breken, tegelijk met ontsteking in de
-keel. Bloedige etter werd uit de keel, uit de mondholte, zelfs uit de
-tong afgescheiden. Voorts werd de borst aangetast en onder hevige
-hoestbuien werd weinig en dun speeksel met moeite opgegeven. Geweldige
-suizingen in de ooren volgden, krampen in de hand, eene beving over het
-geheele lichaam, een gevoel van angst en onrust, tot waanzin stijgend,
-een verterende dorst, inwendige brand, zoo fel, dat zij menigeen naar
-de regenputten dreef. Soms ook, op de ingewanden slaande, veroorzaakte
-de ziekte een hevig braken. Die huid was rood, somwijlen donkerblauw,
-met zweren en blaren bedekt. Evenwel ontbraken, naar ’t schijnt, hier,
-evenals bij de overige pestziekten, waarvan de Oudheid gewaagt, die
-builen, welke als ’t voornaamste kenteeken bekend zijn van de
-zoogenaamde Oostersche pest, dien in latere tijden zoo gevreesden
-geesel der volken.
-
-Tot aan den achtsten dag woedde doorgaans de ziekte; dan volgde de dood
-bij holle oogen, spitsen neus, terwijl het lichaam op het gevoel koud
-en ruw was. Niet ongedeerd kwamen zelfs de herstelden er af. Want
-menigmaal sloeg de ziekte op de uiterste deelen des lichaams: voeten,
-handen en andere ledematen verstierven, verlamd of aangegrepen door het
-brandend vergif. Ook het gezicht ging niet zelden verloren. Het
-geheugen en ’t verstand leden er onder; menige herstelde bleef
-krankzinnig en er waren er, die zich zelfs hunne namen noch die hunner
-vrienden herinnerden.
-
-Zonder uitwerking bleven alle geneesmiddelen. Op raad van Hippocrates
-werden er groote vuren gebrand, daar men meende opgemerkt te hebben,
-dat smeden, die aanhoudend in de nabijheid van vuur arbeidden,
-zeldzamer door de ziekte werden aangegrepen.
-
-Maar het geweld van de ziekte nam steeds toe.
-
-Daar de wetenschap machteloos bleek, zocht men hulp bij het bijgeloof.
-Nooit werden de tallooze gebruiken van zoenoffers, reinigingen,
-bezweringen, die den Hellenen ten dienste stonden, met meer ijver
-betracht.
-
-In de eerste weken weergalmde de stad van de jammerklachten der
-stervenden; zij was vol van lijkstatiën, die de door de pest
-weggeraapte ter begrafenis brachten naar de graven of brandstapels.
-
-Maar toen de sterfte toenam en de besmetting, die van de kranken en de
-lijken uitging, angst en ontzetting verbreidde, zelfs velen eenzaam en
-verlaten in de ontvolkte huizen, ja op de straten stierven, toen werd
-op de heilige gebruiken geen acht meer geslagen. Niet meer werd den
-doode zijn obolus voor den veerman in de onderwereld [414] in den mond
-gestoken, niet meer werd hem de koek, om den helhond te bedwingen, in
-de hand gedrukt, niet meer werd hij zorgvuldig gebaad en met
-welriekende oliën gezalfd, niet meer werd hij, fraai gekleed en
-bekranst met klimop, op een leger in het peristylium van het huis
-tentoongesteld, niet meer gingen luid weeklagenden de lijkstatie
-vooruit, niet meer werd hij vereerd door een lange rij van rouw
-dragers, door doodmalen en doodenoffers, door het anders gewone
-rouwgewaad, dat door de overblijvenden werd aangenomen: haastig en
-zonder misbaar, ja bijna zonder eenig geleide droeg men ze uit, de
-tallooze lijken en stopte ze onder den grond of lei ze op brandstapels.
-Ten laatste echter gebeurde het, dat men zelfs dezen plicht van eer,
-den dooden verschuldigd, die den Helleen altijd als een der heiligsten
-had gegolden, verwaarloosde. In uitgestorven woningen bleven de laatste
-lijken liggen, aan het verderf ten prooi. Men vond zelfs dooden in
-ledige tempels, waarheen de stervenden zich wellicht hadden gesleept,
-om de hulp der Goden in te roepen; men vond er ook velen bij de
-bronnen, werwaarts zij, door inwendigen gloed verteerd, gekropen waren
-om de droge lippen te laven: en als het akeligste en afschuwelijkste,
-vond men zelfs lijken in het water der regenputten, waarin de lijders
-door inwendige hitte verteerd, zich geworpen hadden. Weldra werd het
-verkwikkende bronnat slechts met vrees en huivering beschouwd—het kon
-toch verontreinigd zijn door afschuwelijke verrotting.—
-
-In de straten lagen de lijken opgehoopt van dezulken, die òf zich
-zelven daarheen gesleept hadden òf ontzield uit de huizen waren
-gedragen en in overijlde haast daar neergelegd, òf zelfs van de daken
-afgeworpen waren, ten einde er, in den wanhopenden angst, ten
-spoedigste van bevrijd te zijn.
-
-Als men dan deze lijken bijeen zamelde, bracht de afschuw van den
-Helleen voor de aanraking van doode lichamen, gepaard met den angst
-voor besmetting, de gemoederen in zoodanige verbijstering, dat
-stervenden onder dooden, bewusteloozen onder rottende lijken vermengd
-werden.
-
-Waar door aanverwanten een brandstapel ter verbranding van een
-afgestorvene was opgericht, daar drongen anderen met hunne dooden er
-bij en wilden ook deze in dezelfde vlammen werpen, totdat het vuur door
-de menigte lijken verdoofde en een woeste strijd ontstond om de
-smeulende brandstapels.
-
-Men meende op te merken, dat de roofvogels en wilde dieren, hoe gretig
-ook op aas, de onbegraven, aan de pest gestorven dooden, niet
-aanraakten. Deden zij het echter, dan werden zij zelven weldra eene
-prooi der ziekte en vielen dood ter neder. Dit gebeurde ook dikwijls
-met de honden.
-
-De vrees voor besmetting vervreemdde de menschen van elkander. De Agora
-werd ledig, de worstelscholen bleven onbezocht, het volk durfde zich
-niet meer op de Pnyx verzamelen. De deuren der huizen waren òf vast
-gesloten omdat men elke aanraking afweerde, òf stonden geheel open,
-omdat het huis ledig was en uitgestorven. De vrees verscheurde zelfs de
-banden des bloeds. Ook zagen velen zich aan de willekeur der slaven
-prijs gegeven, daar dezen zich thans voor vroegere onderdrukking
-wreekten door ongehoorzaamheid, trots, het weigeren van hulp, diefstal
-en onbeschaamde plundering.
-
-Bittere smart wisselde in de gemoederen af met stompzinnige
-onderwerping. Niet weinigen echter dreef het verlangen om zich te
-bedwelmen tot woeste uitgelatenheid en tot onbeteugelden lust van
-genot. Men zocht moed of vergetelheid in verbijstering.
-
-De dolle Meno echter verachtte onverschrokken het gevaar en lachte er
-om. Hij was overal te vinden, waar de pest in hare afschuwelijkste
-vormen heerschte. Het liefst scheen hij onder lijken te vertoeven. Men
-zag hem menigwerf op een hoop doode lichamen zitten, alsof hij zich
-verheugde over het onheil, en hij spotte met het laffe volk, dat de
-lijken en hem zelven den verpeste, ontvlood. En daar men opmerkte, dat
-juist hij, die in dronken overmoed het gevaar tartte, verschoond bleef,
-vermeerderde het getal van hen, die hetzelfde deden. Weldra waren de
-straten en pleinen aan dronken onverlaten prijs gegeven, die als ’t
-ware der Koningin Pest een feestdronk wijdden en lachend hare
-verschrikkingen trotseerden. Juist dezen waren het ook, die voor geld
-zich lieten overhalen, om de dooden uit de huizen weg te dragen of in
-de straten te zoeken en ze ter begraving of ter verbranding
-wegbrachten. Zij oefenden hun handwerk uit met de ruwe driestheid van
-menschen, die het niets achten hun leven op het spel te zetten. Zij
-eischten en namen wat hun lustte, plunderden en roofden, en pleegden in
-de huizen, waarin hun bedrijf hen voerde, allerlei gewelddadigheden.
-Ontzag voor de wet bestond er niet meer; want de werkzaamheden der
-gerechtshoven waren reeds geruimen tijd gestaakt en de misdadiger
-dacht, dat de pest òf hen, die hem zouden kunnen aanklagen, zou
-wegrapen, òf hem zelven van de noodzakelijkheid zich te verantwoorden
-ontheffen.
-
-Maar niet alleen mannen uit de armere en laagste klassen veroorloofden
-zich de ruwe uitspattingen, ook gegoeden deden hetzelfde: vooral was
-het de jeugd, die op zulke wijze zich tegen den indruk der haar
-omringende ellende zocht te wapenen. Velen zagen zich plotseling rijk
-geworden, doordat de nalatenschap hunner ouders, hunner broeders en
-zusters of verwanten eensklaps hun deel werd. Daar zij echter moesten
-vreezen weldra een dergelijk lot te zullen ondergaan, als zij van wie
-zij geërfd hadden, zochten zij hunne erfenis zooveel mogelijk in genot
-en in bedwelmende, woeste uitspattingen te verteren. Bij ’t zien van
-deze plotseling rijk gewordenen kwam ook bij anderen de verwachting op,
-zich in een dergelijk lot te zullen verblijden: uit die verwachting
-wederom ontkiemden de hoop en een misdadig verlangen.
-
-Zoo werden ook in dit opzicht de zedelijke banden al zwakker en
-zwakker, en de overlevenden verheugden zich over de voordeelen, die uit
-den jammer der algemeene sterfte voor hen voortvloeiden.
-
-Schoon ook de pest met hare vreeselijke gevolgen bij velen de
-genotzucht tot eene ziekelijke hoogte opdreef, gold echter ook hier de
-algemeene regel, dat de uitersten elkander raken of het eene uiterste
-tot het andere overslaat. Bij die teugellooze genotzucht, breidde ook
-het sombere bijgeloof hoe langer zoo meer zijne heerschappij uit.
-Weldra hoopten zij, die nog zooeven in woeste dronkenschap en
-uitgelatenheid heul hadden gezocht, eene nieuwe kracht en een nieuwen
-troost te vinden in bijgeloovige vereering der Goden.
-
-Mannen als Diopithes traden op, die de ramp, waardoor Athene bezocht
-werd, als eene straf voorstelden voor de vroegere verachting der Goden,
-en de woede des volks keerde zich tot hen, die door Diopithes en zijns
-gelijken als de hoofdoorzaken van den toorn der Goden aangewezen
-werden.
-
-Nu herinnerde men zich ook dien geheimzinnigen Sabazius-dienst en er
-werd gesproken van den Metragyrt, die in het gapende Barathron door de
-overmoedige, dronken Ithyphallers was geworpen. Er werden thans velen
-gevonden, die meenden, dat men wellicht ten onrechte dien Heiland
-Sabazius had versmaad, dien Verlosser van alle kwalen, en dat de
-misdaad, aan den onschuldigen Metragyrt begaan, de eigenlijke oorzaak
-was van den toorn der Goden en vooral van de wraak des beleedigden
-Sabazius. Hem te verzoenen, meenden zij, was nu de eerste plicht en het
-eenige geneesmiddel tegen de menschenverdelgende pest. Zekere te Athene
-wonende vrouw, eene vreemdelinge, Ninos geheeten, die zich op alle
-toovenarijen en geheimzinnige zaken verstond, wierp zich tot priesteres
-van Sabazius op, dien zij den volke zou prediken. Zich te laten wijden
-tot den dienst van dezen God gold weldra als heiliging en redding. Met
-zonderlinge gebruiken werd die plechtigheid des bijgeloofs voltrokken:
-’t vel eener ree werd den profaan omgehangen, een gewijde drank hem
-aangeboden; met klei en leem werd hij ingewreven en eene slang werd om
-zijn borst gewonden. Hij zat daarbij op den grond en met den uitroep:
-„De ramp ontkwam ik, het betere bekwam ik” stond hij op, nadat de
-wijding volbracht was. Een nachtelijk Bacchanaal verbond de sombere
-plechtigheden met de Orgiën der zinnen. Zoo vond uitspatting en
-bijgeloof zich in den Sabazius-dienst vereenigd. Men zag talrijke
-omgangen ter eere van Cybele en Sabazius. Velen waren er, die het
-voorbeeld der Metragyrten volgden en de Sicinnis dansten, terwijl zij
-zich daarbij geeselden en verwondden. Maar ook de aanhangers van den
-Phrygischen God [415] beroemden zich de pest te kunnen stuiten. Zij
-plaatsten den kranke op een stoel en dansten daaromheen onder woest
-getier. Zich in deze reien te mengen, gold voor de gezonden als een
-behoedmiddel tegen de ziekte.
-
-Zoo ver was het gekomen met het volk der Atheners!
-
-Wat Aspasia gevreesd had en meende te kunnen verhinderen, geschiedde:
-vreemde en sombere gebruiken drongen door in de heldere en schoone
-Grieksche wereld, om, zij ’t ook niet terstond tot eene volledige
-zegepraal te geraken, toch datgene voor te bereiden en te verkondigen,
-waarin het Helleensche leven als eene heldere ster achter donkere
-wolken zou ondergaan.
-
-Terwijl te Athene de vreeselijke pest domme vertwijfeling en
-verbijsterenden waan uitbroedde en voor een vreemd bijgeloof den weg
-baande, dat niet meer onschuldig was als het inheemsche en overoude,
-maar integendeel aan den wortel van ’t gezonde leven knaagde,
-bedreigden verschrikkingen van een anderen aard het Attische land.
-
-De oorlog was opnieuw ontbrand. Andermaal viel het Peloponnesische
-leger in de landouwen van Attica en drong hare bevolking naar de stad:
-andermaal was eene sterke vloot, ditmaal door Pericles zelven
-aangevoerd, uitgeloopen, en wederom dwongen de overwinningen, die zij
-op de kusten van de Peloponnesus behaalde, den Spartaanschen koning tot
-overhaasten terugtocht. Doch Potidaeä bood nog steeds weerstand,
-Corinthe moest belegerd worden en nu eens hier dan weder daar sloeg in
-de koloniën en verbonden steden de vlam des oproers in lichte laaie
-uit.
-
-Om Aspasia en zijne beide zoons, Paralus en Xanthippus, aan het
-dreigend gevaar te onttrekken, had Pericles hun voor den tijd zijner
-afwezigheid zijn landgoed tot verblijf aangewezen. Derwaarts begaf zich
-Aspasia met haar gansche gezin. Doch het onheil volgde ook hier, en uit
-de kweekschool van schoonheid en vernuft werden, na Simaetha, ook
-Drosis en Prasina weggemaaid. Zij waren door den zegevierenden Pericles
-uit de gevangenis te Megara bevrijd, slechts om te Athene in den bloei
-harer jeugd aan den vreeselijken doodsengel ter prooi te vallen.
-
-Wie het kon, ontvluchtte, evenals Aspasia, de verpeste stad en begaf
-zich naar de landelijke vlekken of de nabijgelegen eilanden, waar het
-gevaar geringer scheen.
-
-Uiteengescheurd was de vriendenkring van Aspasia. Euripides had reeds
-voor eenigen tijd Athene verlaten. Hij was een menschenhater geworden
-en leefde op Salamis in stille afzondering; ’t liefst bracht hij zijn
-tijd door in die grot aan het strand, waarin hij onder ’t gekletter der
-wapenen en het gekraak der schepen het levenslicht had aanschouwd. Hier
-zat hij eenzaam en alleen, en verdiepte zich in gepeinzen, met het oog
-op de zee gevestigd, en niets verlangde hij van Athene te hooren, dan
-wat de baren hem toefluisterden, die van daar aanrollend, voor zijne
-voeten in schuim spatten.
-
-Sophocles leefde nog als te voren in zijne landelijke lustgaarde aan
-den Cephissus-oever en het hoofd van den lieveling der goden bleef daar
-gespaard voor den geesel, dien het Noodlot over de Atheners zwaaide.
-Opgeruimde, levenslustige wijsheid was zijne trouwe gezellin gebleven
-en had hem geleerd het lot van Pericles te ontwijken, aan niets zijn
-hart te zeer te hechten en den ernst des levens geene te groote macht
-over zijn gemoed te verleenen.
-
-Ook het hoofd van Socrates bleef ongedeerd door den geesel, hoewel hij
-het broeinest der vreeselijke ziekte niet verliet, onverschrokken
-Athene’s straten doorwandelde, de menschen opzocht in hunne ellende, en
-overal, waar hij kon, hulp en troost gaf.
-
-De jonge Alcibiades had intusschen de dochter van Hipponicus, de
-bloeiende Hipparete, als gade zijn huis binnengevoerd.
-
-Ook hij trotseerde met zijn ouden overmoed de verschrikkingen der pest,
-hoewel hij zag dat de toorn der Goden de Ityphallers niet spaarde en de
-pest een zijner liefste vrienden, den jongen Demus, den zoon van
-Pyrilampes, van zijne zijde wegraapte. Toen Pericles met de galeien
-uitzeilde, bevond Alcibiades zich onder zijn gevolg. Daarom konden de
-Sabazius-dienaars hun eeredienst verrichten, zonder vrees van de woeste
-Ithyphallers en het gapende Barathron.
-
-De pest nam een weinig af, zooveel ten minste, dat de burger ook weder
-aan den staat begon te denken en de stad der Atheners van ’t geen haar
-onmiddellijk had bedreigd, den blik weder kon richten naar hetgeen haar
-op grooten afstand boven ’t hoofd hing. Opnieuw was de krijgstrompet
-gestoken, doch de gemoederen waren versaagd: de strijdbare manschap was
-door de pest gedund en ook op de vloot en vóór Potidaeä zwaaide de
-doodsengel zijn geesel. Zegevierend streed ook thans Pericles met zijne
-vloot op de Peloponnesische kust. Doch wat baatte het, dewijl allengs
-geheel Hellas in partijschappen verdeeld, in den maalstroom werd
-medegesleept, zoodat de krijg hier verflauwd, ginds weder met nieuwen
-gloed ontbrandde? Wat nut hadden de zegepralen van Pericles, daar niet
-alleen de twee groote tegenstanders, maar ook hunne bondgenooten,
-slaags raakten, terwijl deze zelven echter òf altijd weifelden òf van
-partij veranderde? Het opperbevel van één enkele was niet meer
-mogelijk; wat hier werd veroverd, ging op een verder gelegen punt weder
-verloren; nergens bood de vijand een beslissenden slag aan; in tallooze
-kleine gevechten werd de groote Helleensche krijg verbrokkeld.
-
-Op de mare, dat het moedelooze Atheensche volk onderhandelingen met
-Sparta aan wilde knoopen, keerde Pericles haastig naar Athene terug.
-Hij hoopte de Atheners met nieuwen moed te bezielen, eene schandelijke
-vertwijfeling te verhinderen. Maar de Atheners, gedwee en verlamd
-geworden door de zware bezoeking, waren gunstiger dan ooit gestemd voor
-de geheime plannen der demagogen en van Diopithes.
-
-De Erechtheüs-priester was door de pest aangetast geweest, doch weder
-genezen. Sedert dien tijd was zijn woeste, fanatieke ijver nog grooter
-geworden. Eene besturing der Goden zag hij in zijne redding uit het
-doodsgevaar.
-
-’t Gebeurde op zekeren dag, dat een hoopje burgers op de Agora om een
-man verzameld was en naar zijne woorden luisterde. Want langzamerhand
-waagden de Atheners het weder elkander te naderen, terwijl nog kort te
-voren de een den ander als de pest zelve had geschuwd.
-
-De man, die te midden van het hoopje toehoorders stond, was een van die
-moedige en vrijzinnige mannen, wier tong thans bij wijlen weder scheen
-losgemaakt. Hij verstoutte zich niet alleen onverholen tegen de
-demagogen te ijveren en ten krachtigste Pericles te verdedigen, maar
-ook het bijgeloof te veroordeelen, dat zich van het Atheensche volk had
-meester gemaakt. Daar zich onder de toehoorders vele aanhangers van
-Diopithes en Cleon bevonden, ontstond er weldra een hevige
-woordenstrijd en de onversaagde kampioen werd ten laatste door de op
-hem losstormende tegenstanders aangegrepen en mishandeld.
-
-Op dit oogenblik kwam de Erechtheüs-priester daarlangs, vergezeld door
-eene menigte zijner aanhangers en vrienden.
-
-Toen hij hoorde dat die man Pericles verdedigd en het vertrouwen der
-Atheners op de Goden een kleinmoedig bijgeloof had genoemd, namen de
-trekken van den priester de uitdrukking van onheilspellende toorn aan.
-
-Hij hield een tijdlang zijne oogen strak ten hemel gewend, alsof hij
-zich in den geest onmiddellijk met de Hemelingen onderhield, en begon
-toen tot het volk te spreken.
-
-„Weet dan, gij Atheners,” sprak hij, „dat de Goden mij dezen nacht een
-droom toezonden en mij te rechter tijd op deze plaats hebben doen
-komen. Te Athene is schuld op schuld gestapeld gedurende eene lange
-reeks van jaren: Sophisten en godloochenaars hebben u verdwaasd,
-hetaeren hebben u beheerscht, tempels en godenbeelden zijn er
-opgericht, niet ter eere der Goden, maar tot ijdele pronk en tot
-verderf van het eenvoudige en vrome geloof der vaderen. Tot straf voor
-uwe verbastering, godloochening en weelderigheid treft u nu datgene wat
-gij lijdt. Niet voor de eerste maal ontlast zich de toorn der Goden
-over de Hellenen. En gij weet op welke wijze de toorn der Goden in
-overoude tijden pleegde afgewend te worden. Gij weet, dat de Goden
-somwijlen alleen door het hoogste aller offers, door een menschenoffer,
-konden worden verzoend. Grijpt dezen godslasteraar: zijn leven is
-bovendien reeds door zijne misdadige godloochening volgens de wet
-verbeurd verklaard. Hij is een misdadiger, reddeloos een kind des
-doods. Maar in plaats van door de hand van den scherprechter zijne
-straf te ondergaan, moet hij, volgens het overoude, half vergeten
-gebruik, den Goden als zoenoffer gebracht worden, moet hij onder de
-toonen der muziek door de straten geleid en verbrand worden en zijne
-asch naar alle windstreken verstrooid!”
-
-Terwijl de priester sprak, had zich steeds meer volk verzameld.
-Daaronder ook Pamphilus. Toen hij hoorde, dat men den vriend en
-verdediger van Pericles te lijf wilde gaan, was hij onmiddellijk bereid
-te helpen.
-
-„Ginds aan den oever van den Illissus,” sprak hij, „branden dag en
-nacht de brandstapels, waarop de door de pest weggemaaiden verteerd
-worden. Op een van die lustig flikkerende vuren zal ook nog wel een
-plaatsje zijn voor hem!”
-
-Daarbij greep hij zelf het eerst den schuldige aan en eene menigte der
-meest woesten onder zijne makkers voegde zich bij hem om den
-ongelukkige voort te sleepen.
-
-Thans kwam Pericles op de Agora, voornemens om zich naar het
-buleuterium [416] te begeven. Hij zag de opschudding en vroeg naar de
-oorzaak daarvan.
-
-Luid klonk het uit de woeste en opgewonden menigte dat de Goden een
-zoenoffer verlangden en dat men juist van plan was dit in den persoon
-van den misdadiger en godloochenaar Mechillus te gaan brengen.
-
-Pericles drong zich midden tusschen het volk, terwijl hij met woorden
-en gebaren zijne afkeuring te kennen gaf. Diopithes trad hem te gemoet.
-
-En nu stonden de beide mannen, de hoofdaanvoerders van den grooten
-strijd, die sedert jaren te Athene gestreden werd en der beslissing
-steeds meer en meer naderde, voor de eerste maal persoonlijk als in een
-tweegevecht tegenover elkander.
-
-„Terug, Alcmaeönide!” riep de Erechtheüs-priester. „Wilt gij ook nu
-weder den Goden onttrekken wat hun toekomt en wat zij gebiedend
-verlangen? Wilt gij het volk der Atheners beletten het schuldige
-zoenoffer te zoeken en eindelijk redding te verkrijgen uit den nood
-waarin niemand anders dan gij zelf hen hebt gestort? Ziet gij niet,
-waarheen uwe verblinding dit vroeger door de Goden rijk gezegende volk
-heeft gevoerd? Uw werk is het, dat het zich van de oude, vrome zeden
-heeft afgekeerd, dat het naar rijkdom, genot en ijdelen glans heeft
-gestreefd, dat het het valsche licht is gevolgd en geluisterd heeft
-naar de woorden der godloochenaars!”
-
-„En gij, Diopithes?” antwoordde Pericles op ernstigen, bedaarden toon,
-„waarheen denkt gij het volk der Atheners te voeren? Tot dweepzieken
-moord van burgers—tot hernieuwing van ruwe en onmenschelijke
-wreedheden, waarvan de Helleensche geest, vooruitgaande op de baan der
-ontwikkeling en humaniteit, reeds sinds eeuwen zich met afgrijzen heeft
-afgewend!”
-
-„Dank den Goden, Pericles!” riep Diopithes, „dat zij dezen man in onze
-hand hebben gegeven—dank den Goden, dat zij zich voor het oogenblik met
-het bloed van dezen man tevreden stellen! Want als zij den waren
-schuldigen van ons eischten, den schuldigste uit het geheele volk der
-Atheners, weet gij wien wij dan moesten vatten en aan de vlammen
-prijsgeven? Evenals eens de ziener Tiresias den overmoedigen,
-hoovaardigen Oedipus, zoo moesten wij u toeroepen: Alcmaeönide, gij
-zijt de schuldige, gij zijt de oorzaak van den toorn der Goden! Een
-oude vloek rust op uw geslacht! Door u, door uwe handlangers en
-vrienden is Athene goddeloos geworden, door u is de rampzalige krijg
-over ons losgebarsten en de ergste geesel in de handen der Goden, de
-pest, behoorde, tot volledige verzoening door geen ander dan door uw
-bloed afgewend te worden!”—
-
-„Als het zoo is, als gij zegt,” hernam Pericles rustig, „laat dan dien
-man los en offer dengene, die u de schuldigste schijnt!”
-
-Tegelijkertijd bevrijdde Pericles den ter dood gewijde uit de hand van
-Pamphilus. Met een grijnslach van innig welgevallen liet deze zijne
-eerste prooi los en sloeg onmiddellijk, verheugd om den ruil, de hand
-aan den hem gehaten, thans zich zelven ten offer biedenden strateeg.
-
-„Wat aarzelt gij?” zei Pericles tot de verbaasde Atheners, die
-stilzwegen en zich niet verroerden. „Denkt gij, dat ik mij alleen heb
-aangeboden in de verwachting door u ontzien te worden? Gelooft mij,
-Atheners, dat het mij vrij onverschillig is, of gij mij spaart dan of
-gij mij ter dood brengt! Tot het schoonste geluk, den schitterendsten
-glans, het volle licht der waarheid en der vrijheid meende ik Athene
-nader gebracht te hebben, en nu zie ik, dat een door de godheid
-beschikte omkeer—of is ’t een vloek, die met den natuurlijken loop der
-wereld gepaard gaat?—ons wederom overweldigt en terugvoert naar nacht
-en dwaling; dat niet alleen uitwendige rampen over Hellas losbreken,
-maar ook in onzen eigen boezem allengs donkere machten over de heldere
-en ware zegevieren! Ik dank den Goden, als ik den luister en bloei van
-mijn vaderland niet overleef!—doodt mij!”
-
-Sprakeloos en roerloos stonden nog altijd de Atheners. Pamphilus werd
-ongeduldig.
-
-Thans trad een man uit de menigte te voorschijn en zeide, terwijl hij
-zich bereidde om weg te gaan: „Als gij Pericles wilt dooden, doe het
-dan zonder mij. Ik wil daar niets van zien. Mij heeft hij eens in
-Thracië, toen ik zwaar gewond was, met eigen handen gered, terwijl alle
-anderen voor de overmacht der vijanden vluchten en mij in de hand des
-vijands wilde achterlaten.”
-
-„Ook ik ga!” riep een tweede. „Ik kreeg van hem in den Samischen oorlog
-genade, toen de andere strategen, op mij gebeten, mij om een gering
-vergrijp ter dood wilden veroordeelen.”
-
-„Ook ik wil met de zaak niets te doen hebben,” zei een derde; „ook mij
-heeft Pericles door zijne voorspraak geholpen, toen ik bij alle
-overheden te Athene geen recht kon krijgen.”
-
-„Ook mij! ook mij!” klonk het uit de menigte, en steeds grooter werd
-het getal der mannen, die zich van den troep afscheidden.
-
-„Door de opzettelijke schuld van Pericles heeft geen Athener ooit rouw
-gedragen!” klonk het [417].
-
-Pamphilus hield zijn offer, dat hem dreigde te ontgaan, krampachtig
-vast.
-
-„Laat Pericles los, Pamphilus!” riepen eenigen. Daarop schreeuwden nog
-meerderen hetzelfde en eindelijk ging er maar één kreet uit de gansche
-menigte op:
-
-„Laat Pericles los, Pamphilus!”—
-
-Aan dezen man konden de Atheners zelfs in hunne slechtste oogenblikken
-zich niet vergrijpen.
-
-„Nog eens hebt gij gezegevierd!” riep Diopithes honend den bevrijden
-Pericles toe. „Maar wellicht is dit de laatste uwer triomfen. Op uw
-hoofd werp ik de schuld, als de Goden onverzoend blijven en hun geesel
-voortwoedt over ons!”—
-
-Korten tijd na deze gebeurtenis werden de beide zonen van Pericles,
-Paralus en Xanthippus, door de pest aangetast en vielen als offer der
-vreeselijke ziekte.
-
-Met innig welgevallen wees de Erechtheüs-priester op den thans
-duidelijk zich openbarenden vloek der Goden, die nu eindelijk het
-geslacht der Alcmaeöniden geheel wilden verdelgen.
-
-Het geweld der pest nam weder toe. Aan de verstoring van het zoenoffer,
-en aan Pericles, die daarvan de schuld was, herinnerden thans
-onophoudelijk Diopithes en zijne aanhangers. Die schuld en de toorn der
-Goden schenen ontegenzeggelijk, na de ramp dien de Hemelingen over den
-man hadden gebracht.
-
-Meer dan ooit waren de gemoederen der Atheners gedrukt en verslagen.
-
-Het veld was vrij gelaten aan de tegenstanders van Pericles.
-
-In eene soort van stompe onverschilligheid liet Pericles, na zooveel
-rampen ook nog door den plotselingen dood van zijne zonen, door den
-ondergang van zijn geslacht, diep ter neer geslagen, de dingen haar
-loop. Het oogenblik voor zijne vijanden, om den lang beraamden,
-beslissenden slag te slaan, was gekomen.
-
-In eene weinig bezochte volksvergadering werd door lage boosheid
-voorgesteld hem van zijn ambt als strateeg en zijne andere waardigheden
-te ontzetten, en de domme verbijstering der meerderheid nam het
-voorstel aan.
-
-Zou Pericles, de Olympiër, na tientallen van jaren roemrijk den staat
-te hebben bestuurd, weder een eenvoudig, Atheensch burger worden? Zou
-Diopithes ten laatste toch gezegevierd hebben?
-
-Welaan dan, gij mannen, zoo riep men thans, die het groote woord onder
-het volk voert, Cleon, Lysicles, Pamphilus, welbespraakte redenaars en
-raadgevers op de Pnyx—stelt u aan de spits der vloten en legers! grijpt
-de teugels, die men aan de handen van den heerschzuchtigen Pericles
-heeft ontwrongen!
-
-Op de Agora beijvert zich inderdaad weder de onvermoeide Pamphilus, een
-grooten hoop volks om zich heen verzamelende, ten einde zijn vriend
-Cleon tot aanvoerder te doen verkiezen, zijn moed, zijne gezindheden,
-zijne bekwaamheden op te vijzelen.
-
-Na een lang en levendig gesprek treedt eensklaps uit de vergaderden een
-armoedig man op, van een zonderling, half verwilderd uitzicht en begint
-tot het volk met vuur te spreken.
-
-„Medeburgers!” roept hij, „wij hebben Pericles afgezet, wij, het
-Atheensche volk. En dit was goed, in zooverre Pericles daaruit heeft
-kunnen zien, dat wij hier te Athene nog de volksheerschappij bezitten.
-In zooverre, zeg ik, was het goed. Overigens echter blijft het toch
-eene ongehoord domme zaak zich een been af te zagen op het oogenblik,
-dat men te Olympia een wedren wil gaan houden—en nadat wij van kwaad
-tot erger zijn vervallen en de os, om zoo te zeggen voor een appel en
-een ei te krijgen is, en worsthandelaars ons willen wijsmaken, dat zij
-vogelmelk te koop hebben...”
-
-„De duivel hale u, ellendeling!” viel hem een man uit de heffe des
-volks verwoed in de rede. „Wilt gij eens zwijgen!”
-
-„Ik wil niet zwijgen!” hernam de opgewondene. „Ik ben een Atheensch
-burger zoo goed als iemand, en ik vrees geen mensch. Ik ben een man uit
-Halimus: marskramer was ik en ik heb betere dagen gekend; maar nadat
-mijne vrouw en kinderen aan de pest zijn gestorven en ik zelf ter
-nauwernood te midden der lijken van het ziekbed ben opgestaan, heb ik
-alles laten liggen, zooals het lag, en heb mij hier in de stad als
-lijkuitdrager verhuurd, dat wil zeggen, ik help de pestlijken uit de
-huizen naar de brandstapels sleepen.”
-
-Na deze woorden van den man weken allen met zekere huivering terug en
-hielden zich, door angst gedreven, op een afstand van hem.
-
-De voormalige marskramer uit Halimus stoorde zich echter daaraan
-volstrekt niet, maar vervolgde:
-
-„Ik beroem er mij op, dat ik, zooals gij mij hier ziet, een man ben van
-ervaring in staatkundige zaken. Ik behoorde vóór vijftien jaar op de
-Pnyx tot hen, die vóór den bouw van het Parthenon stemden en die de
-rechtersoldij en de schouwburggelden toestonden. Ik heb altijd mijn
-burgerplicht vervuld en het belang van den staat op ’t oog gehad, en ik
-zeg u, dat de Peloponnesiërs geen runderen en schapen zijn, die zich
-door den leerlooier Cleon goedschiks hun huid zullen doen touwen. En
-toen de beide zonen van Pericles aan de pest gestorven waren, had men
-eigenlijk den ongelukkigen man, den kinderloos geworden vader, moeten
-beklagen, en hem daarom niet minder achten, noch hem beschouwen als een
-door den toorn der Goden getroffene en hem als zoodanig vervolgen.”
-
-„Genoeg van Pericles,” viel de verwoede Pamphilus den marskramer in de
-rede. „Wij willen niets meer hooren van Pericles. Hij deugt tot niets
-meer. Hij sukkelt, naar men zegt. En wat hebben wij aan een ziekelijk
-man?”
-
-„Pas op, Pamphilus!” riep de andere; „het geneesmiddel van den zieken
-leeuw is, zooals het spreekwoord zegt, dat hij een baviaan opeet!”
-
-„Wilt gij mij beschimpen?” schreeuwde de worstmaker, zijn been
-oplichtende, om zijn tegenstander een trap in de lendenen te geven.
-
-„Kom maar op!” riep de man uit Halimus, „ik zal u zoo looien, dat uw
-huid er uit ziet als purper! Ik zal u de longen uit het lijf scheuren
-en uw ingewanden dooreen klutsen!”
-
-Pamphilus week huiverig terug voor de aanraking van den drager van
-pestlijken.
-
-„Terug!” riep hij, „terug! Waag het niet uwe verpeste hand aan het
-lichaam van een Atheensch burger te slaan! Terug, ellendeling!
-Ellendigste, allerellendigste der menschen!”—
-
-„Waarom?” riep de drager van pestlijken, grijnzend. „Gij zult het
-misschien toch moeten toelaten, dat ik u aanraak! Van zulke knapen als
-gij zijt hoop ik er nog ettelijke dozijnen op mijn wagen te krijgen!
-Overigens echter herhaal ik: het was goed, dat wij Pericles afzetten,
-opdat hij zou zien, dat wij hem kunnen afzetten, als wij willen. Nu hij
-dit echter gezien heeft, is het beste dat wij heengaan en hem weder
-aanstellen en hem de vloot weer toevertrouwen; want wij kunnen hem niet
-missen, zeg ik u—wij hebben geen tweede, hem gelijk, en niet ieder, die
-eene knots [418] draagt, is daarom een held.”—
-
-Wat de half verwilderde man uit Halimus op zijne zonderlinge, maar
-eerlijke manier te berde bracht, was eene moeilijk te bestrijden
-logica.
-
-Inderdaad, wie te Athene weder den oorlog wilde, die moest Pericles ook
-willen. Potidaeä was eindelijk gevallen:—opnieuw, zij het ook met
-zwakken vleugelslag, ontvouwde zich de hoop. Snel veranderde dan ook
-weder de stemming onder het bewegelijke volk der Atheners.
-
-Op den volgenden dag stroomden de Atheners naar de Pnyx en herstelden
-Pericles in al zijne ambten en waardigheden.
-
-Zij meenden, dat het nog de oude Pericles was, aan wien zij zich
-andermaal toevertrouwden. Zij vergisten zich.
-
-Sophocles was de eerste, die zijn vriend de tijding van het nieuwe
-besluit des volks bracht.
-
-„De Atheners hebben u alles teruggegeven!” zei de dichter hem
-gelukwenschende.
-
-„Alles,” hernam Pericles met een bitteren lach, „behalve het vertrouwen
-op hen, het vertrouwen op het geluk van Athene en het vertrouwen op mij
-zelven!—
-
-„Diopithes triomfeert toch!” vervolgde hij. „Schijnbaar heeft hij nu
-ook het onderspit gedolven, maar in waarheid zijn wij te Athene de
-overwonnenen. De hoogste zijner bedoelingen wel is waar heeft Diopithes
-niet bereikt, maar wat hij en de zijnen sedert lang voorbereid en
-gedaan hebben, dat is niet verloren gegaan bij het volk der Atheners!”—
-
-„Verban die sombere gevoelens uit uw hart!” vermaande Sophocles.
-„Athene en Hellas staan nog op hun glanspunt: nog menig heerlijk
-gewrocht zullen zij voortbrengen, nog menigen zegekrans behalen. Ons
-betaamt het niet te klagen, ons, wien het vergund werd, den edelsten
-bloei ontwikkeld te zien.”
-
-„Maar ook den worm, die aan dien edelsten bloei knaagt!” hernam
-Pericles. „Nog is hij er niet, de tijd, die zich aankondigt, maar eene
-donkere toekomst werpt hare schaduw ver voor zich uit. Naar het toppunt
-van opgewekte vroolijkheid, schoonheid en kennis streefden wij. Van
-onze droomen heeft zich de droom der schoonheid verwezenlijkt—de andere
-echter zijn in nacht en verwarring opgegaan. Kort zijn, naar het
-schijnt, de levenslenten der volkeren en hunne bloesems welken, vóór
-zij zich nog ten volle hebben ontwikkeld!”
-
-Zoo sprak op dien dag Pericles tot den edelste zijner vrienden.—
-
-Nog eenmaal verhief zich de geweldige, verderfelijke ziekte.
-
-Er kwam bij de verandering der maan een donkere nacht, een nacht,
-waarin de storm vreeselijk huilde. Koud blies de wind over het Attische
-land van de kloven en hoogten van den Pindus. Dof sloegen in den
-Piraeüs de golven tegen de steenen dammen. De schepen in de haven
-werden heen en weder geslingerd, de masten kraakten, het want gierde.
-In de ontvolkte straten van Athene loeiden de winden als spoken, zij
-speelden met de open deuren der verlaten huizen en huilden door de
-eenzame peristylia. Men wist soms niet of ’t huilen en bulderen van den
-wind was, dan wel het klagen en zuchten van jammerende moeders, dat men
-vernam. Over de tinnen, gevels en marmeren beelden van het Parthenon
-vlogen zwarte wolken. De als wijgeschenken opgehangen schilden sloegen
-klapperend tegen de architraaf, waaraan zij hingen. Nachtvogels
-krasten. Het reuzenbeeld der met lans en helm gewapende Athene
-Promachos trilde op zijn granieten voetstuk.
-
-In dezen donkeren, stormachtigen nacht, waarin ieder zich binnenshuis
-hield en de straten als schoongeveegd waren, dwaalde een man rond, door
-eene zonderlinge onrust gedreven. Die man was Socrates. Zijne oude
-gewoonte om des nachts rond te dolen, ten einde jacht te maken op
-gedachten, was hem meer en meer eigen geworden: evenwel werd hij zelf
-meer door gedachten gedreven, dan hij haar najaagde. Zoo zwierf hij ook
-dien nacht rond, blindelings, als naar een onzeker doel voortgestuwd.
-
-Hij naderde den verlaten oever van den Illissus, waar uitgebrande
-brandstapels lagen en waar de dolle Meno zat bij hoopen asch en
-glimmende kolen. De dolle kerel grijnsde, blies de kolen aan en warmde
-zich daaraan; nu en dan nam hij een slok uit eene flesch edelen Chiër,
-die hij uit een door de pest ontvolkt huis weggenomen had, welks
-voorraad den roovers een gemakkelijke buit geworden was.
-
-Hier en daar stiet de voet van den voortijlenden Socrates in het donker
-op slechts half verbrande, zwart verkoolde ledematen.
-
-En verder vervolgde hij, zonder doel, zijn weg. Eensklaps werd hij
-getroffen door den geur van viooltjes. Hij treedt nader en komt bij
-eene bron, die, naar de gewoonte der Atheners, met viooltjes is
-omplant. Socrates buigt zich neder, om zijn heet voorhoofd te verkoelen
-en zijne droge lippen zoeken het lavende vocht. Maar ook hier grijnst
-de dood hem tegen en spoedig wordt de zonderlinge geur der viooltjes
-hem verklaarbaar. De bron was verontreinigd door een lijk, een dier
-ongelukkigen, dien de vertwijfelende begeerte naar verkoeling nog in de
-ure van den doodstrijd naar de bron had gedreven.
-
-Huiverend week Socrates terug. Toen echter zich herstellend plukte hij
-een der viooltjes, beschouwde het lang en peinzend en zeide: „o gij
-Attische viooltjes, wie zal in de toekomst u nog roemen en de met
-viooltjes omkranste Atheners, als uwe gevierde geur zoo vreeselijk
-vermengd is met de walmen des doods?”—
-
-Hij ijlde terug, dieper de straten in, waar de deuren in den wind
-klapperden en de moeders als in wedstrijd met de winden huilden en
-klaagden. Hij staarde naar de Acropolis en zag het zwarte, in lage
-wolken verscheurde zwerk, dat als krijschende nachtvogels, aan
-ongeluksgeesten gelijk, het reusachtige beeld van Athene Promachos
-zweefde...
-
-Alsof de ongeluksgeesten, die hij daar meende te zien, op hem
-nederdaalden en hem dreigden en vervolgden, doolde Socrates rond.
-Eensklaps stond hij vóór het huis van Pericles.
-
-Hij bleef staan. Hoe dikwijls was hij over dezen drempel getreden! Hoe
-lang was ’t geleden, sinds dit voor ’t laatst geschied was!
-
-Hij naderde schier onbewust en onwillekeurig de deur. Hij bemerkte, dat
-zij niet gesloten was, als ware het vergeten of verzuimd, en zonder
-bewaker.
-
-Hij trad naar binnen; eenzaam en verlaten was het voorportaal. Geen
-geluid drong van binnen tot hem door. Huiveringwekkend was de stilte,
-die hem omgaf.
-
-Thans zag hij uit het peristylium het schijnsel van eenige somber
-flikkerende lichten.
-
-Eene rilling voer hem door de leden; hij wist niet waarom. Maar
-tegelijk drong eene onbekende macht hem voorwaarts.
-
-Daar zag hij midden in het peristylium eene legerstede, met purperen
-kussens opgemaakt. Op de purperen kussens lag een doode, het lichaam
-gehuld in een schitterend wit gewaad—het voorhoofd omkranst met
-groenende klimopranken.
-
-Nevens de sponde zat eene vrouw, met gebogen hoofd, bleek en sprakeloos
-als een steenen beeld.
-
-Socrates bleef op den achtergrond. Hij bleef als vastgenageld staan,
-zonder een woord te spreken. Zijne oogen staarden strak en als van een
-krankzinnige op het lijk en op de vrouw, die bij het lijk zat.
-
-Die marmerwitte, onbewegelijke vrouw was Aspasia. De met klimop
-omkranste doode op de purperen sponde was Pericles, de Olympiër.
-
-Ontzield lag daar de Alcmaeönide, de aanvoerder van die onsterfelijke
-schaar verheven geesten, die Griekenland voor eeuwig hebben
-verheerlijkt—de held van een gouden bloeitijd der menschheid, die nog
-altijd naar hem wordt genoemd, dien hij over Hellas gebracht heeft en
-met welks verval hij zelf ook het leven verliet.
-
-Grooter en statiger nog scheen thans het lichaam van den held, door de
-pijlen van den doodsengel gevallen. Maar zachtheid lag er, evenals bij
-zijn leven, ook thans uitgebreid over zijn mannelijk gelaat. Zelfs de
-pest had die edele trekken niet misvormd. ’t Was, alsof de dood den
-Olympiër niet verslagen en vernietigd had, maar integendeel den door
-zielsleed gebrokene weder in zijne volle grootheid opgericht. Verjongd
-straalde nu weder in de trekken des dooden die opgeruimde kalmte, welke
-den levende eindelijk ontzonken was, verdwenen was de tweestrijd, dien
-ten laatste het gemoed van Aspasia’s gemaal was binnengeslopen...
-
-Waarover peinsde de bleeke Aspasia aan de doodsponde van Pericles?
-
-Aan haar geest ging eene schitterende reeks van schoone, grootsche,
-heerlijke herinneringen voorbij.
-
-Zij dacht aan het oogenblik in de werkplaats van Phidias, waar het
-vurig oog van dien man voor ’t eerst het hare had ontmoet, waar, na
-manlijken, ernstigen strijd voor de grootheid en macht van Athene, de
-schoonheid hem in banden sloeg.
-
-Zijn beeld zweefde voor hare oogen, nu eens hoe hij op het
-redenaarsgestoelte der Pnyx stond en het volk aan zijne lippen hing—dan
-weer hoe hij vol fierheid en geestdrift met haar wandelde over de
-hoogten van de Acropolis, zich verheugend over het heerlijke en
-grootsche, dat daar onder zijne oogen verrees;—nu eens hoe hij, door
-begeerte naar krachtige daden aangegrepen, voor Samos zich nieuwe
-lauweren bevocht—dan weder hoe hij in zalige liefde, het schoonste
-menschenlot vervullend, op de bloeiende hoogte des levens den
-bedwelmenden kelk der vreugde met haar ledigde—of hoe hij op de
-Acropolis in het gezicht van nieuw voleindigde, onsterfelijke
-gewrochten een verbond met haar sloot, zijne ziel vervuld van grootsche
-plannen en verwachtingen.
-
-In zijne edele grootheid zweefde hij voor haar geest, in zijne
-overweldigende macht over de menschen, in zijne gevoeligheid en warmte
-van hart, in zijne waardige, mannelijke kracht—zacht, verstandig en
-moedig te gelijk—het toonbeeld van den echten Helleen, te zeer vervuld
-van geest en gemoed om op te gaan in ruwen heldenzin, en van den
-anderen kant te ijverig, te degelijk om enkel genoegen te vinden in
-weekelijk genot, in de bekoring van schoonheid en liefde.
-
-Maar ook zweefde zijn beeld voor hare oogen, hoe hij aan hare zijde
-wandelde in de dreven der Peloponnesus, hoe meer en meer de ernst met
-zachte schaduwen over zijn voorhoofd gleed, hoe hij vervuld van het
-leven en streven van den voortschrijdenden tijd, aangespoord door een
-voorgevoel eener nieuwe, ernstige, treurige toekomst, zwijgend zijn
-diepst gevoel verborg, totdat hij ophield een Helleen te zijn in den
-geest en den zin der schoone vrouw, met wie hij het schitterend
-vreugdebond der liefde had gesloten, en totdat hij, na den loop der
-ontwikkeling van het Hellenisme in zijn eigene ziel doorleefd te
-hebben, door onheilspellende, sombere voorgevoelens aangegrepen, met de
-macht en grootheid van zijn vaderland zelf bezweek.
-
-Evenals Aspasia’s oog strak op het gelaat van den ontzielden Pericles
-was gericht, zoo staarde het oog van Socrates onbewegelijk op het
-bleeke gezicht der vrouw.
-
-In haar scheen hem Hellas verpersoonlijkt, dat treurend zat aan de
-lijkbaar van den edelste zijner zonen...
-
-Hoe bleek en ernstig zien die trekken van de schoone vrouw, dit eens
-zoo levenslustige Hellas!
-
-Thans sloeg Aspasia haar oog op en haar blik ontmoette dien van
-Socrates. Het was een lange, lange blik, dien Aspasia en Socrates
-wisselden.
-
-Het was een lange, diep ernstigen blik en geen woord zou de
-gewaarwordingen kunnen uitdrukken, die in dezen langen blik opgesloten
-lagen.
-
-Geen enkel woord, alleen deze ééne blik werd tusschen hen beiden
-gewisseld.
-
-Toen verdween Socrates. Als eene spookachtige schim was hij voor de
-vrouw opgerezen—zonder geluid verdween hij.—Eenzaam zat weder bij de
-doodsponde van den grooten Helleen, roerloos en marmerbleek, Aspasia.—
-
-Socrates zette zijne nachtelijke wandeling voort. Zonder bepaald plan
-of doel ijlde hij door de straten, een geruimen tijd met diep bewogen
-gemoed.
-
-Het geweld van den gierenden en huilenden rukwind had opgehouden.
-Stiller en nog eenzamer dan te voren was het geworden om den
-nachtelijken zwerver. Het was reeds lang over middernacht. De morgen
-kondigde zich van verre aan met eene bijna nog onmerkbare grauwen
-streep in het Oosten. Maar nog was het nacht, donkere nacht, in de
-straten van Athene. Door de gescheurde wolken des hemels fonkelden
-slechts enkele verflauwende sterren.
-
-Plotseling stond voor Socrates een man, reisvaardig, naar het scheen,
-vergezeld door een slaaf. Hij vestigde den blik strak op Socrates.
-
-Socrates keek op, toen gene hem den weg versperde, en hij herkende
-Agoracritus.
-
-„Waarheen gaat gij in den donkeren nacht?” vroeg de voormalige makker
-in Phidias’ werkplaats aan den denker.
-
-„Mij riepen dringende zaken naar Athene,” vervolgde Agoracritus, toen
-Socrates met het antwoord draalde; „maar ik haast mij weder weg te
-komen uit de verpeste stad. Ik ga naar Rhamnus, om eindelijk te doen,
-wat men sinds zoovele jaren van mij verlangt: mijne daar geplaatste
-Godin met die uiterlijke kenteekenen te versieren, die haar
-ongetwijfeld van eene Aphrodite tot eene Nemesis zullen maken. Ik heb
-lang geaarzeld—maar thans drijft mij ook de lust dien menschen te
-believen. Zij moeten niet langer twijfelen, de mannen in het land van
-Attica, dat werkelijk de Nemesis in plaats van de lachende Aphrodite
-midden onder hen staat. Ben ik haar toch geen dank verschuldigd, deze
-met langzame, maar zekere schreden naderende Godin? Heeft zij mij niet
-gewroken op de vrouw, die ik haat? De Godin der vergelding heeft hare
-tenten opgeslagen in het huis van Pericles en Aspasia. En nu vernam ik
-nog ten laatste, dat de pest voor weinige dagen Pericles aangegrepen en
-op het ziekbed heeft geworpen.”
-
-Socrates sloeg zijn oogen op, zag Agoracritus in ’t gelaat en zeide
-zacht:
-
-„Hij is dood.”
-
-Agoracritus zweeg getroffen.
-
-Beiden gingen een eind weegs sprakeloos naast elkander.
-
-„Dood?” vroeg toen Agoracritus.
-
-„Ik zag hem zelf!” hernam Socrates op doffen toon.
-
-Wederom zwegen beiden een tijd lang.
-
-Eindelijk begon Agoracritus:
-
-„Gij hebt Pericles ontzield gezien; mij is het ten deel gevallen
-Phidias voor mijne oogen in den kerker te zien sterven. Ik was bij hem
-in zijn laatste ure. Toen ik hoorde, dat hij erg ziek was, ijlde ik
-naar hem. De menschen zeiden mij, dat hij alle geneesmiddelen en iedere
-soort van hulp van de hand wees. Pericles had Hippocrates tot hem
-gezonden: hij echter begon met den geneesheer over de verhoudingen der
-vormen en lijnen van het menschelijk lichaam te spreken. Want ook thans
-op zijn ziekbed hield hem datgene bezig, wat hem vroeger alleen bezield
-had.
-
-„Toen ik kwam, vertelden mij diegenen, welke in den kerker om hem heen
-waren, dat hij herhaaldelijk in koortsachtige droomen sprak en zelden
-iemand meer herkende. Ik ging tot hem en vond hem stervende. Hij
-herkende mij in den beginne nog even, allengs echter werden zijne
-gedachten in de hitte der koorts verward. Hij sprak immer door van
-groote tempels en beeldwerken, van gouden en ivoren standbeelden en
-marmeren friezen—hij gaf zijnen leerlingen aanwijzingen, geheel en al
-alsof hij nog in zijne werkplaats was, spoorde hen tot den arbeid aan
-en berispte de tragen, duidde ook nauwkeurig aan hoe zij dit of dat
-moesten voltooien en was ontevreden, dat zij het niet geheel naar zijn
-wil deden. Menigmaal riep hij uitdrukkelijk mij of Alcamenes. Ten
-laatste echter scheen hij geheel alleen te zijn met zijne heerlijke
-beelden en zijn Goden en Godinnen, zijne Pallas Athene, zijne
-Olympische Zeus zweefden voor zijn geest. ’t Was, alsof de Goden van
-den Olympus allen tot hem nederdaalden en rondom zijn leger stonden,
-voor hem alleen zichtbaar, terwijl hij stierf; want hij schouwde met
-een verhelderd gelaat om zich heen, groette hen en sprak hen bij hunne
-namen aan. Ten laatste echter scheen het, dat Pallas Athene geheel
-alleen bij hem was achtergebleven en hem wenkte; want hij zei de
-eensklaps: „Waarheen wilt gij mij voeren? Ik kom!” Daarop richtte hij
-zich een weinig op, alsof hij wilde opstaan, om met haar, die hem
-wenkte, te vertrekken; hij zonk echter achterover en blies den laatsten
-adem uit.
-
-„Hij stierf midden in zijn droomgezicht. Hij stierf schoon, als ooit
-eenig Helleen, daar het schoonste licht van Hellas nog eenmaal hem
-omstraalde en de Goden hem als ’t ware van de aarde naar den Olympus
-voerden, op het oogenblik, dat de nacht des onheils over Athene
-losbrak, zoodat hij van al dat leed niets meer bemerkte, maar met
-onbenevelden geest heenging.
-
-„In den beginne had het mij innig smartelijk getroffen te zien, hoe
-deze man in den kerker op zijne eenzame legerstede lag te sterven; want
-nadat hij de Athene Promachos op den burg, de Athene Parthenos en het
-Parthenon zelf, benevens dien Olympischen Zeus te Olympia had
-geschapen; en zooveel groots en heerlijks, wat niemand heeft
-overtroffen en niemand ooit zal overtreffen, ’t geen Griekenland de
-meeste luister heeft aangebracht, was zijn loon van de menschen, dat
-hij smadelijk en eenzaam stierf in den donkeren kerker.
-
-„Toen ik hem had zien sterven, voelde ik eene aandoening in de ziel,
-die niet zonder troost was, en ik ging stil heen, nadat ik den meester
-de oogen toegedrukt en zijn voorhoofd gekust had: ik beklaagde slechts
-Hellas te meer en ons allen, die achterbleven, nadat de grootsten en
-besten heen zijn gegaan!”
-
-Na dit verhaal van Agoracritus gingen de beide mannen nog een poos
-peinzend naast elkander. Toen scheidden zij.
-
-Agoracritus ging noordelijk naar Rhamnus; ook Socrates zette, door
-innerlijke aandoening gedreven, zijn weg verder voort, doch toen hij
-nauwelijks een paar schreden gegaan was stiet hij op een ontstoken
-brandstapel. Daarop waren vele pestlijken geworpen. Onder deze lijken
-zag Socrates ook den dollen Meno liggen.
-
-De dragers der pestlijken hadden hem, bedwelmd en verdoofd in een
-vasten slaap, te midden van lijken gevonden en den schijndoode op den
-brandstapel geworpen, waar de vlam reeds om hem likte. Een hond liep
-huilend om den brandenden hoop.
-
-Thans greep de vlam den dollen Meno aan. Op dit oogenblik sprong ook de
-hond op den stapel en verbrandde met zijn meester.
-
-Een zonderling gevoel kwam in Socrates op. „Nu zijt gij vrij, Meno!”
-sprak hij.
-
-„Nu zijt gij vrij!” herhaalde hij nog verscheiden malen, terwijl hij
-met een gloeiend voorhoofd zijn weg vervolgde. „Zal er wellicht eens
-een tijd komen, waarop alle slaven vrij zullen worden?” dacht hij al
-voortgaande—„of alle vrijen slaven!” voegde hij er peinzend in zich
-zelven bij—
-
-Hij doorliep nu reeds ver afgelegen straten, niet meer in den omtrek
-van de stad zelve, maar in hare omstreken, waar landgoederen en tuinen
-der Atheners met de open dreven afwisselden.
-
-Een zwaluw vloog op en verkondigde den dag, met vluggen wiekslag door
-de lucht scherende.
-
-Socrates, door zijn daemon geleid, naderde een huis, waarin zekere
-beweging en drukte heerschten. Vele menschen liepen af en aan.
-
-’t Was de woning van Ariston, een aanzienlijk Athener. Socrates bleef
-staan en vernam van hen, die daar uit- en ingingen, dat Ariston in
-dezen nacht een zoontje was geboren. Na, zoovele beelden des doods eene
-geboorte, een ontwakend leven...
-
-Wederom rees een raadselachtige drang in de borst van Socrates op. Hij
-betrad het huis van den hem bevrienden man.
-
-Het kind lag in het peristylium, in de armen der voedster. Een
-hoogbejaarde grijsaard, die een ziener of priester scheen te zijn,
-hield zijn sneeuwwit hoofd er over gebogen en beschouwde het
-aandachtig. Ook Socrates sloeg zijn oog op het kind, dat een breed
-voorhoofd had, een denkersvoorhoofd, en welks gelaat reeds omschenen
-werd door een zachten, verheven, meer dan kinderlijken ernst.
-
-Plotseling kwam eene bij aangevlogen—eene bij van den naburigen
-Hymettus—eene der geprezen Attische bijen—zij komt aanvliegen, gonst om
-’t hoofd van het kind en raakt een oogenblik zijne lippen aan, even
-slechts en zonder kwaad te doen, ze als het ware kussend. Toen vliegt
-zij weder weg.
-
-Bij dit gezicht spreekt de grijze ziener:
-
-„Een goddelijk teeken is de kus van deze Hymettusbij. Van de lippen van
-dit kind zal eens de taal vloeien, zoeter dan honig!” [419]
-
-Het zien van dit kind maakt een diepen indruk op Socrates. Hij kan het
-voorgeval in zijne ziel niet verklaren. Maar de toekomst zal het eens
-ontsluieren.
-
-De knaap die daar voor de oogen van den rustelooze waarheidzoeker ligt,
-zal, tot jongeling gerijpt, eene nieuwe zending vervullen.
-
-Zijne lippen zullen druipen van Attischen honig. Maar met de zoetste
-welsprekendheid zal hij de bitterste leer verkondigen:
-
-Hij zal leeren, dat het lichaam een kerker is der ziel en dat de ziel,
-zich van hare boeien bevrijdend, opwaarts moet stijgen naar het
-bovenaardsche. Hij zal leeren, dat Eros de menschenwereld verachten en
-naar hooger moet streven, naar het heldere rijk der eeuwige, in
-onveranderlijke schoonheid schitterende gedachten—
-
-En deze leer zal een weergalm vinden aan naburige en verre stranden;
-zij zal het wachtwoord worden van een nieuwen tijd en op de lippen van
-een Galilaeër de wereld veroveren—
-
-Met haar echter zal ook in een anderen zin het woord der
-Sabazius-dienaars en Metragyrten triomfeeren, het sombere woord der
-zelfkastijding en zelfverloochening—
-
-Socrates ging peinzend uit de woning van Ariston. Hij had nu eene
-hoogte bereikt, vanwaar hij het Attische land en de zee kon zien,
-beschenen door de vriendelijke stralen der morgenzon.
-
-Op de zee, in de richting van Sunion, zag hij een vaartuig het zilte
-nat doorklieven. Hij staarde, in gedachten verzonken, werktuigelijk
-naar dit vaartuig.
-
-Het droeg den „Satyr” en de „Bacchante”—het droeg Manes en Cora naar
-het Noorden; het voerde hen een nieuw vaderland te gemoet.
-
-Zij togen daarheen, zalig in het bewustzijn hunner ernstige liefde.
-
-Van de baai uit zagen zij terug en beschouwden, scheidend voor altoos,
-voor het laatst de stad der Atheners.
-
-Een licht, wit wolkje steeg, niet verre van de Acropolis, uit de stad
-omhoog in de reine, heldere morgenlucht. Het kwam van den brandstapel,
-die het zielloos overschot van Pericles in heiligen gloed verteerde.
-
-Dit wolkje steeg omhoog en zweefde om de tinnen van de Acropolis.
-
-Manes en Cora volgden het met hunne oogen, toen het om de witte
-marmeren kruin van den heiligen Pallas-burg zweefde.
-
-Maar het wolkje verdween, en rein en schitterend doemden in het heldere
-licht de tinnen en gevels van het Parthenon en der onlangs voltooide
-Propylaeën op uit de verte.
-
-Hoog verhief zich, boven de ellende en verdeeldheid van de stad der
-Atheners en der sterfelijke menschenkinderen, de onsterfelijke kruin
-van den berg.
-
-Uit de puinhoopen van het vergankelijke verrees in het land der
-Hellenen iets onvergankelijks, zegevierend in eeuwigen glans.
-
-En het scheen te zeggen:
-
-„Verheven ben ik boven het wisselend lot der menschen en hunne nietige
-ellende. Ik schitter door alle eeuwen heen. Ik besta ten allen tijde.
-Ik ben als het betooverend licht over de bergen van Hellas, en als de
-eeuwige glans der wateren in zijne golven!”
-
-Naar het Goede en naar het Schoone streven de volkeren.
-
-Menschelijk en edel is het Goede—goddelijk en onsterfelijk echter het
-Schoone.
-
-
- EINDE.
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN VAN DEN SCHRIJVER.
-
-
-DEEL I, PAGINA 24.
-
-Men spreke uit: Ictinus, zoo ook Hipponicus, Cratinus, daarentegen
-Prómachos, Pápyrus, Pháleron, Agorácritus.
-
-
-DEEL I, PAGINA 149.
-
-De klemtoon worde op de volgende namen aldus gelegd: Pasicòmpsus,
-Execéstides, Astrámpsychus, Mnesárchus, waardoor het eigenaardige van
-die harde, ruw klinkende woorden, in het oog valt. De lezer bederve dat
-niet door eene verkeerde uitspraak.
-
-
-DEEL I, PAGINA 320.
-
-De bijzonderheden van deze schildering aan den zeeslag bij Tragia zijn
-geheel verdicht, alleen overeenkomstig met de behoefte van den roman,
-om het karakter van Pericles in zijne kracht en heldenmoed uit te doen
-komen.
-
-
-DEEL II, PAGINA 349 EN 350.
-
-Het in het vorige jaar verschenen dichterlijk album „Egeria” (Eger
-1875), alsmede de epische dichtbundel „Orient und Occident” van K. B.
-v. Hansgirg bevatten een gedicht „Phidias” getiteld, waarin, evenals
-hier, Pallas Athene den stervenden beeldhouwer verschijnt. Hansgirg
-geeft zelf in het laatste boek, pag. 79, het jaar 1874 op, als het
-jaar, waarin dit gedicht werd opgesteld. Mijn verhaal daarentegen van
-Phidias’ dood werd reeds in 1873 geschreven en daar deze geheele roman
-in de eerste maanden van 1874 in het bureel van de Weener „Neuen freien
-Presse” aanwezig was, kan ik mij ook nog op het getuigenis van hen, die
-het werk daar in handen gehad hebben, beroepen, dat, hoeveel ook sedert
-in het handschrift van „Aspasia” veranderd is geworden, toch juist dit
-tooneel reeds toen woordelijk zoo geschreven was, als het thans in druk
-verschijnt, zoodat derhalve aan plagiaat niet kan gedacht worden.
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Zie Noot 3 op pag. 24.
-
-[2] Een Grieksch woord, dat eigenlijk verzameling en en verzamelplaats
-beteekent, van daar de markt.
-
-[3] Faunus eig. een oude mythische koning van Latium, later als landgod
-geëerd, werd dikwijls met den Griekschen herdersgod Pan verwisseld,
-evenals zijne kinderen de Fauni met de Satyrs, die tot het gevolg van
-Pan behooren.
-
-[4] De voornaamste der drie havens van Athene, waartoe Pericles in 482
-v. C. reeds de grondslagen gelegd had. De twee oudere havens waren Zen
-en Munichia.
-
-[5] Een zeeboezem, vroeger als haven gebruikt.
-
-[6] Athene stond onder de bijzondere bescherming van de Godin Pallas
-Athene, dochter van Zeus, v.d. ook Athene Polias (beschermster der
-stad) geheeten.
-
-[7] Pericles behoorde van vaders kant tot het geslacht der Buzygen, van
-de zijde zijner moeder (Argariste) totdat der Alcmaeöniden.
-
-[8] De burg van Athenen.
-
-[9] Een hoed met breeden rand, vooral een reishoed, zooals doorgaans de
-jonge mannen (Epheben), droegen.
-
-[10] De Godin der jacht, dochter van Zeus en Leto (Latona),
-overeenkomende met de Romeinsche Diana.
-
-[11] Eig. eene zuil, voor de zuilengaanderij te Athene, gebruikt tot
-opteekening en bekendmaking van wetten; beroemd is de poikile (de
-bonte) met muurschilderijen van Polygnotus.
-
-[12] Eig. een proefstuk, ook in de havens te Athene en Rhodus de
-plaats, waar de kooplieden hunne waar ten toon stelden.
-
-[13] Pontus (Euxinus) is de Zwarte zee.
-
-[14] Namen van slaven in de Grieksche comedies veel voorkomende.
-Phormio komt voor als de naam van een berucht tafelschuimer.
-
-[15] Hiermede wordt doorgaans het Attische talent bedoeld, dat 60 minen
-bevatte, plus minus ƒ 2640, later (in de 4e en 3e eeuw) slechts ƒ 2497.
-Het Euboeiscbe talent was ongeveer ƒ 3675, het Aeginetische en
-Babylonische ƒ 4400, later slechts ƒ 3937.
-
-[16] Een licht, snelvarend oorlogsschip, met drie rijen roeibanken
-boven elkander.
-
-[17] De plaats, waar de volksvergaderingen te Athene gehouden werden,
-bij den heuvel Lycabettus, tegenover de Acropolis en de Areopagus.
-
-[18] Bevelhebber over eene triëre of galei; ook degeen te Athene, die
-alleen of met andere burgers eene triëre voor den staatsdienst moest
-uitrusten, over welke hij òf in persoon òf door een plaatsbekleeder het
-bevel had.
-
-[19] Griekenland. Eigenlijk heette Hellas alleen Midden-Griekenland,
-doch dikwijls wordt dezen naam aan het geheel gegeven. Men vergelijke
-ons Holland; naam der provincie en tevens vaak als die van ons geheele
-land gebezigd.
-
-[20] Promachos beteekent in de voorste rijen strijdend, ook als subst.
-Kampvechtster.
-
-[21] De drie dochters van den zeegod Phorcys en de slang Echidna werden
-Gorgonen genoemd, vooral Medusa, die, met slangen omgord en met adders
-gelokt, allen die haar aanzagen in steen veranderde. Zij werd door
-Perseus overweldigd.
-
-[22] Zie noot 2 op pag. 19.
-
-[23] De Panathenaeën waren, zooals de naam aanduidt, een algemeen
-volksfeest, verdeeld in de groote en kleine Panathenaeën; de groote
-werden om de vier jaren, in het derde jaar van iedere Olympiade, de
-kleine jaarlijks gevierd.
-
-[24] De beroemde slag van Marathon, een vlek in Attica, werd door 9000
-Atheners en 1000 Plataeërs, onder aanvoering van Miltiades tegen eene
-tienmaal sterkere macht der Perzen onder Datis en Artaphernes in 490 v.
-C. glorierijk gestreden.
-
-[25] Aphrodite (Venus) was, naar de mythe, nabij het eiland Cyprus uit
-de zee opgestegen; haar naam wordt dan ook verklaard door „de uit het
-schuim der zee opgestegene.” Vandaar haar bijnaam Cypris en Cypria. Op
-Cyprus werd zij hoog vereerd; een prachtige tempel, haar gewijd, bevond
-zich daar.
-
-[26] Een belangrijk eiland in de Aegaeïsche zee, behoorende tot de
-groep der Cycladen, bekend om zijn schitterend wit marmer. Tot de
-Cycladen behoort ook Delos, beroemd als geboorteplaats van Apollo en
-Artemis, kinderen van Zeus en Leto.
-
-[27] Ictinus, Callicrates en Mnesicles waren de beroemdste bouwmeesters
-dier dagen. De beide eersten wijdden hunne krachten vooral aan het
-Pharthenon, aan Athene gewijd, de laatste aan de Propylaeën, het
-voorhof van den burg te Athene.
-
-[28] De Godinnen, die aan het leven liefelijkheid en bevalligheid
-bijzetten: Aglaia, Euphrosyne en Thalia. De Romeinen noemden ze
-Gratiae, Gratiën (eig. bevalligheden, wat ook het Grieksche woord
-uitdrukt).
-
-[29] Een beroemd gebergte op de kust van Azië in Phrygië, Mysië en
-Troas ten zuiden van den Hellespont (tegenw. zee der Dardanellen)
-gelegen. Aan den voet daarvan lag het beroemde Ilium (Troje). Een
-gebergte van dienzelfden naam bevond zich op Creta.
-
-[30] Pygmalion, een „koning” van Cyprus, vatte voor het ivoren beeld
-van een jonkvrouw, ’t welk hij zelf vervaardigd had, zulk eene
-hartstocht op, dat hij Aphrodite smeekte, het te bezielen. Toen dit
-geschied was, nam hij haar tot echtgenoot, bij wie hij Paphos verwekte.
-Vgl. het drama van Rousseau, aan deze mythe ontleend en Brockhaus,
-Conversationslexicon, in voce.
-
-[31] Peristylium of Peristylum is eene met zuilen omgeven plaats,
-evenwel geene zuilengaanderij om een tempel; dit heet in de antieke
-bouwkunst: Pteroma.
-
-[32] De God der liefde, overeenkomende met de Romeinsche Cupido.
-
-[33] De Muzen waren de godinnen van het gezang, de dichtkunst en de
-muziek. Vroeger was haar aantal slechts drie: Mneme, Aoide en Melete
-dochters van Zeus en Mnemosyme. Later worden er negen vermeld, te
-weten: Calliope, Clio, Euterpe, Thalia, Melpomene, Terpsichore, Erato,
-Polyhymnia en Urania, welke ieder eene bijzondere kunst beoefenden en
-elk hare attributen had. De Grieksche namen zelven verklaren, welke
-kunst aan iedere Muze was toegewezen. Haar dienst kwam uit het
-Thracisch landschap Piërië naar Griekenland over. V.d. de Piëriden = de
-Muzen. Vgl. verder Brockhaus, in voce.
-
-[34] Hesiodus was een Grieksch ditactisch dichter in Ascra in Boeötië
-geboren in de 9e eeuw v. C. Behalve eenige gedichten als „Werken en
-Dagen” schreef hij ook eene Theogenie, behelzende de mythen en sagen
-omtrent de Goden. Homerus werd beschouwd als de beroemdste dichter van
-Griekenland, de schepper van de Ilias en Odyssee, doch tegenwoordig
-meent men dat hij werkelijk niet heeft bestaan en zijne gedichten eene
-samenvoeging zijn der werken van tal van dichters.
-
-[35] Pindarus was de beroemdste der Grieksche lyrische dichters,
-ongeveer in 521 te Cynocephalae geboren, gestorven circa 433 v. C. Hij
-schreef hymnen van allerlei soort, zegeliederen, e. a., vooral ter eere
-der overwinnaars in de groote nationale spelen. Door kunstkenners als
-Horatius wordt zijne poëzie hoog gewaardeerd.
-
-[36] Anaxagoras was een der beroemdste Ionische wijsgeeren, omstreeks
-500 v. C. te Clazomenae geboren. Hij had grondige studie van de
-natuurwetenschappen gemaakt. Tot zijn beroemdste leerlingen behooren
-Pericles, de geschiedschrijver Thucydidus, de natuurkundige Archelaüs
-en de treurspeldichter Euripides. Anaxagoras was van oordeel, dat de
-stof zelve onbewegelijk was, maar door een eeuwig verstandig wezen, in
-beweging gebracht en dat door scheiding van het ongelijke en
-vereeniging van het gelijke de wereld ontstaan was. Hij werd van
-ketterij beschuldigd, verliet Athene en stierf te Lampsacus in 428 v.
-C.
-
-[37] Onder byssus verstaat men eene soort boomwol, die in de vroegste
-tijden uit Aegypte en later uit Indië werd aangevoerd. Daaruit
-vervaardigde kleederen noemt men sindones; andere namen voor byssus
-zijn gossypium en chylon.
-
-[38] De chiton is eigenlijk een wollen onderkleed, door mannen en
-vrouwen gedragen, waarover men een wijden mantel, chlaena of pharos
-genaamd, wierp, overeenkomende met de Romeinsche tunica. Verder duidt
-het algemeen een kleed, of gewaad aan. Zie Guhl und Koner, Das Leben
-der Griechen und Römer S. 179.
-
-[39] Alle niet-Grieken werden door hen barbaren geheeten; zóó deden
-later ook de Romeinen wat hen zelven betrof.
-
-[40] Onder Olympiërs verstaat men de Goden, die, naar de mythe, hun
-zetel hadden opgeslagen op de toppen van den Olympus, een berg in
-Thessalië.
-
-[41] Pisistratus maakte zich met geweld van den heerschappij over
-Athene meester in 560 v. C. Hij stierf in 527 v. C. Zijne zonen
-Hippias, Hipparchus en Thessalus, gemeenlijk de Pisistratiden geheeten,
-werden van de tyrannie (alleenheerschappij) beroofd en verdreven. (510
-v. C.) Hipparchus werd door Harmodius en Aristogiton vermoord.
-
-[42] Men wachte zich het woord tyran in onze beteekenis op te vatten.
-Het wordt hier gebezigd in den Griekschen zin en geeft enkel een
-alleenheerscher, die zich in een vrijen staat gewelddadig van de
-heerschappij heeft meester gemaakt, te kennen.
-
-[43] Erechtheüs (ook Erichthonius) was een Attische heros, wiens mythe
-nauw in verband staat met den oorsprong van Athene en de beschaving van
-Attica. Ook komt hij in onmiddellijke betrekking voor met den
-eeredienst. Van hem of Theseus leidt men het ontstaan der Panathenaeën
-af.
-
-[44] Een Grieksch woord, beteekenende: (de stad beschermende). Dat
-schild heette Palladium. In een latere noot wordt dit nader toegelicht.
-
-[45] Nemesis is de Godin van het zedelijk rechtsgevoel, ook van de
-wraak. Zij heet ook wel Adrastea en Rhamnusia, welken laatsten naam zij
-ontleent aan het vlek Rhamnus in Attica, waar zij een tempel en een
-standbeeld had, ’t welk men beweert dat Agoracritus uit het op de
-Perzen veroverd marmer gebeiteld had.
-
-[46] Socrates, een der beroemdste Grieksche wijsgeeren, was te Athene
-ongeveer 470 v. C. geboren. Zijn moeder heette Phaenarete. Zijn hoogste
-streven was zelfkennis. Bekend is zijne methode, om de menschen te
-ondervragen. Van ketterij beschuldigd, moest hij den giftbeker drinken,
-ongeveer 400 v. C.
-
-[47] Vergelijk noot 2 pag. 33.
-
-[48] Zie noot 1 pag. 16.
-
-[49] Eigenlijk beteekent strateeg veldheer; te Athene waren zij
-aanvoerders van het voetvolk en vormden tevens een rechterlijk college.
-
-[50] Een obool is eene munt, het zesde deel van eene drachme
-bedragende, ongev. ƒ 0.075. De obool had weder 6 chalkoi; 100 drachmen
-maken eene minae uit, 10 zilveren minae een gouden, 60 minae een
-talent. Eene minae is dus ongev. ƒ 44. Vergelijk noot 2 pag. 14.
-
-[51] Het Grieksche „daemon” beteekent in de eerste plaats: eene
-Godheid, ook eene wrekende; vervolgens een wezen tusschen Goden en
-menschen in. In het Nieuwe Testament ook de duivel, de booze geest.
-Vergelijk daemonisch, eig. door een daemon of Godheid bezeten, en
-enthousiast of door eene Godheid bezield (Theos, God).
-
-[52] Zie noot 1 pag. 29.
-
-[53] De Grieken kenden den Goden vele hoedanigheden toe; de een
-beschermde dit, de andere dat. Zeus was de beschermer der smeekelingen,
-die bij den haard, bij het altaar zittende, niet gekrenkt mochten
-worden. Als beschermer van den huiselijken haard noemen zij hem Zeus
-Ephestios.
-
-[54] Dionysus was de God van de vruchtbaarheid, inzonderheid van die
-des wijnstoks, ter wiens eere de landelijke Dionysiën in Attica werden
-gevierd. Hij stemt grootendeels overeen met den Romeinschen Bacchus,
-ook Iacchus en Liber geheeten.
-
-[55] De kunst van het voorspellen; het Grieksche woord wijst op eene
-geestvervoering.
-
-[56] De laurier was aan Phoebus Apollo gewijd. De Grieken schreven aan
-zekere planten een reinigende kracht toe, als aan den myrth, den
-rozemarijn, maar vooral aan den Apollonischen lauriertak. Vgl. Guhl und
-Koner, p. 381, in het reeds aangehaalde werk.
-
-[57] Xantippes had de Perzen in 479 v. C. bij Mycale eene geweldige
-nederlaag toegebracht. Mycale is een gebergte in Ionië (waar ook eene
-stad van dien naam lag;) tegenover Samos, zich uitstrekkende van den
-Maeander bij Magnesia tot aan de kust.
-
-[58] Onder Palladium verstaat men het door Pallas (Athene = Minerva)
-van den hemel naar Troje geworpen schild van welks behoud Troje’s lot
-afhing. Later beweerden verscheidene steden, als Athene, Argos, en Rome
-het te bezitten. Te Rome meende men dat het in den tempel van Vesta
-heilig werd bewaard, zoodat zelfs de opperpriester (Pontifex Maximus)
-het niet mocht zien. Er waren ook nog andere houten Palladia.
-
-[59] Een landschap tusschen Macedonië, den Donau, den Bosporus (straat
-van Constantinopel), de Propontis, den Hellespont en de Aegaeïsche zee
-gelegen.
-
-[60] Een landschap van Midden-Griekenland (Hellas).
-
-[61] Cimon, een der beroemdste Grieksche veldheeren, was de zoon van
-Miltiades en Hegesipyle. Zijn vader, Paros niet kunnende vermeesteren,
-werd tot eene zware geldboete veroordeeld, die hij niet kon betalen.
-Die schuld ging op Cimon over, die tevens met „atimie”, d.i. verlies
-aller burgerrechten gestraft werd. Callias, een rijk Athener, huwde
-echter Elpinice, de halfzuster van Cimon, met wie deze, volgens de
-zeden dier dagen, reeds getrouwd was, en betaalde de boete. Vervolgens
-nam hij een roemrijk aandeel in de Perzische oorlogen, veroverde
-verscheidene eilanden, als Scyros en Thasos (463 v. C.), voerde
-oorlogen tegen Sparta, doch werd eindelijk door het Ostracisme of
-schervengerecht verbannen. Na eene vijfjarige ballingschap werd hij
-door Pericles in 451 teruggeroepen, sloot met de Spartanen een
-vijfjarigen wapenstilstand, voerde een Atheensche vloot tegen de Perzen
-naar Cyprus, doch vond bij de belegering der stad Citium den dood.
-Plutarchus, een Grieksch geschiedschrijver, en de Romein Cornelius
-Nepos hebben zijn leven beschreven.
-
-[62] Thasos, een aanzienlijk eiland in het Noorden van de Aegaeïsche
-zee, tegenwoordig Tháschos, aan Turkije behoorende, met ongeveer 10,000
-bewoners.
-
-[63] Theseus, de zoon van Aegeus, was een beroemde, nationale
-Atheensche held, die tal van monsters en schelmen doodde, als den
-Minotaurus op Creta, Sciron, Procrustes e. a. Aegeus meenende dat zijn
-zoon op Creta omgekomen was, stortte zich in de zee, naar hem de
-Aegaeïsche zee genaamd. Hij aanvaardde de heerschappij over Attica en
-verrichtte tal van beroemde feiten. Hij nam deel aan den
-Argonautentocht e. a. Bij zijne vrouw, de Amazone Antiope, verwekte hij
-Hyppolytus, die later door zijne stiefmoeder Phaedra den dood vond. Dit
-gaf Racine stof tot zijn meesterstuk „Phédre”.—Theseus vond bij Scyros
-door koning Lycomedes den dood. Te Athene werd hij als held (heros)
-vereerd en verkreeg door Cimon een tempel (Theseion). Op dezen tempel,
-door Polygnotus versierd, doelt Hamerling ongetwijfeld.
-
-[64] Deze galerij heet in ’t Grieksch de „poikile”.
-
-[65] De belegering en val van Troje behoort tot het mythologisch
-tijdvak; men stelt de verovering dier stad, waarvan Priamus koning was,
-ongev. 1184 v. C.
-
-[66] Cassandra, ook Alexandrea genaamd, was de dochter van Priamus en
-Hecuba, en had van Apollo de gave der profetie ontvangen; evenwel met
-den vloek, dat niemand haar zou gelooven. Zoo voorspelde zij te
-vergeefs den ondergang van hare vaderstad Troje. Toen nu na den val van
-Troje zij en andere jonge maagden naar den tempel van Athene vluchtten
-sleurde Aiax, de Locriër, Cassandra van het altaar weg en onteerde
-haar, terwijl zij later Agamemnon ten deel viel, die haar naar Mycene
-voerde. Agamemnon zou zij de tweelingen Teledamus en Pelops gebaard
-hebben.
-
-[67] Cronion beteekent Cronos’ zoon, d.i. Zeus (Jupiter). Cronos is
-geïdentificeerd met den Romeinschen Saturnus, zoon van Uranus en Gaea,
-die volgens de mythe, zijne eigene kinderen verslond, omdat hem
-voorspeld was, dat zij hem van den troon zouden stooten. Alleen Zeus
-ontkwam dit lot en stortte zijn vader in den Tartarus (de onderwereld).
-
-[68] Aan Clio, de „verkondigende”, de Muze der geschiedenis, werden
-schrijftafeltje en stift, als attributen toegekend. Zie voorts noot 1
-pag. 30.
-
-[69] Sparta werd ook „Lacedaemon” geheeten; „Lacedaemonius” beteekent
-dus de „Lacedaemoniër” of de „Spartaan”.
-
-[70] Een kleed, vooral een mantel, die omgeslagen werd en in vele
-plooien neerviel. Men wikkelde zich er echter geheel in. Het himation
-werd door mannen en vrouwen beide gedragen.
-
-[71] Vergelijk ons woord „zak”. Eig. eene grove stof van gevlochten
-haar, ook een mantel.
-
-[72] Eigenlijk eene bekransing, krans; vandaar ook een hoofdsieraad der
-vrouwen.
-
-[73] De hond stond bij de Grieken weinig in eere; hij was het toonbeeld
-van onbeschaamdheid. Het woord kuoon, dat hond beteekent, wordt ook
-gebezigd voor den ongelukkigsten worp in het dobbelspel.
-
-[74] Artemis (Diana) was de Godin der jacht.
-
-[75] De Brilessus of Brilettus was een bergketen ten N. O. van Athene,
-ongev. 1110 meter hoog, beroemd om zijn marmergroeven. Meer bekend is
-het onder den naam (Pentelicon), thans Menteli.
-
-[76] Beroemde stad in Phocis, (een landschap van Midden-Griekenland),
-beroemd door den Apollo-tempel, het orakel en de bekende Pythische
-spelen.
-
-[77] De Godinnen van het geweten, de wroeging, die den misdadiger
-vervolgen. Zij worden ook Erinyen genaamd.
-
-[78] Eene stad in Boeötië (Midden Griekenland), eene der tien steden
-van het Boeötisch verbond.
-
-[79] De zoogenaamde Pythia, die te Delphi orakels gaf.
-
-[80] Dit woord wordt in tweeërlei zin gebruikt. In den kwaden zin
-beteekent het iemand, die de verderfelijkste leer verkondigt, zooals
-Hippias. In den goeden zin van het woord waren het zedepredikers, die
-slechts het geluk van hun volk bedoelden, zooals Protagoras, Gorgias en
-Socrates.
-
-[81] Na den dood van Koning Codrus (1068 v. C.) werden er Argonten
-(bestuurders) te Athene gekozen, eerst levenslang, daarna voor 10
-jaren. Later waren er drie; de eerste heette Archon (ook Eponymus
-geheeten, omdat men naar hem het jaar noemde), de tweede Archon
-Basileus (koning) voor godsdienstige zaken, de derde Archon
-Polemarchus, wien de leiding in krijgszaken was opgedragen.
-
-[82] Alcibiades, later beroemd staatsman en veldheer, verloor zijn
-vader in den slag bij Coronea (477 v. C.) Zijne moeder heette
-Dinomache. Hij was in 451 v. C. te Athene geboren. Hij huwde met
-Hipparete, de dochter van Hipponicus. Na vele lotgevallen en beroemde
-daden viel hij in een ongenade en werd in 404 v. C. door Pharnabazus
-vermoord. Hij was een der talentvolste Atheners, een leerling van
-Socrates.
-
-[83] Opvoeder; de opvoeding was doorgaans aan de slaven toevertrouwd.
-
-[84] Een vrouwelijke geest of spook, om de kinderen schrik aan te
-jagen.
-
-[85] Het Grieksche woord beteekent spook.
-
-[86] Eigenlijk de naam van eene ijdele vrouw, voor synoniem met „mormo”
-een spook.
-
-[87] Te Olympia in Elis werden de zeer beroemde Olympische spelen om de
-vier jaren gevierd. Zelfs werd daarnaar eene tijdrekening ingesteld.
-Een tijdvak van vier jaren noemde men eene Olympiade.
-
-[88] De sandaal (sandalon) was vooral een vrouwenschoeisel. Zij bestond
-uit eene houten of rundleeren zool, die door riemen aan den voet
-bevestigd werd. Men vertaalt het wel, hoewel niet geheel juist, door
-pantoffel.
-
-[89] In Griekenland zijn twee dichters van dien naam. De oudste is
-Simonides van Amorgos of Samos, naar anderen willen, p. m. 600 v. C.
-Hij schreef Iambische gedichten. De tweede, Simonides van Ceos, is
-beroemder. Hij werd ongev. 557 v. C. geboren. Hij was een dichter van
-elegieën. Zijne epigrammen zijn zeer bekend, b.v. op de overwinnaars
-bij Marathon en op de bij de Thermopylae gevallen Spartanen. Simonides
-stond in hoog aanzien te Sparta en Athene. Op uitnoodiging van Hiëro
-begaf hij zich in 447 naar Syracuse, waar hij in 466 stierf. Toen
-bevonden zich daar ook Pindarus en Bacchylides.
-
-[90] Eig. de „Aresheuvel” de plaats, waar het hoogste gerechtshof van
-Athene zitting had.
-
-[91] Een kwartier van Athene, ook de straat, die naar de Acropolis
-voerde. „Kerameikos”, zooals het Grieksch luidt, beteekent eigenlijk
-pottebakkersmarkt.
-
-[92] Een vlek in Attica, beroemd door de prachtige tragedie van
-Sophocles: Oedipus Coloneüs.
-
-[93] Tholus beteekent een rond gebouw, ook dat gebouw, waarin te Athene
-de Prytanen (d. z. vijftig raadsleden van den raad der Vijfhonderd, die
-afwisselend voorzaten) spijzigden.
-
-[94] Megara was de hoofdstad van het landschap Megaris in
-Midden-Griekenland, eene goed bevolkte, sterke stad, niet verre van de
-zee, door twee lange muren aan zijne zeehaven Nisaëa verbonden.
-
-[95] Maaltijd, drinkgelag.
-
-[96] Eene schaal, vooral eene drinkschaal.
-
-[97] Een groote kruik of aarden vat, waarin de wijn bewaard werd, wijd
-van opening, waaruit de wijn geschept werd.
-
-[98] Een wateremmer of kruik.
-
-[99] Eene stad in Laconië (Peloponnesus), aan den oever van den
-Eurotas, twintig stadiën zuidoostelijk van Sparta gelegen.
-
-[100] Sicyon (ook Secyon geheeten) eene zeer oude stad op de noordkust
-van de Peloponnesus.
-
-[101] Een wijk, vooral door kolenbranders bewoond. Aristophanes, de
-bekende Grieksche blijspeldichter, schreef eene comedie tot titel
-hebbende „de Acharners”.
-
-[102] Men onderscheidt de Aphrodite Pandemus, d.i. de zinnelijke
-liefde, en de Aphrodite Urania d.i. de hemelsche, de geestelijke
-liefde.
-
-[103] Laurion, een zuidelijke tak van den Hymettus, Z. O. van Athene,
-tot het voorgebergte Sunion zich uitstrekkend, was beroemd om zijne
-zilvermijnen, welker opbrengst onder de burgers placht verdeeld te
-worden, totdat ze, op voorstel van Themistocles, tot het bouwen van
-oorlogsschepen werden gebezigd.
-
-[104] Choreuten zijn de koordansers. Choros was een der twee deelen van
-het oudste theater; het beteekent de dansplaats. ’t Werd ook orchestra
-geheeten.
-
-[105] Eigenlijk beteekent het „medespijzend”, iemand die met den
-priester mede eet van het offermeel, v.d. een tafelschuimer.
-
-[106] Eigenlijk hij, die zelfs om het stelen van eene vijg iemand
-aanklaagt, die het geringste zelf aanbrengt, v.d. een valsche
-aanklager, eene verachtelijke klasse van menschen, doch in Athene zeer
-talrijk in den tijd, waarin dit verhaal voorvalt.
-
-[107] Onder Autochthonen verstaat men de oorspronkelijke bewoners van
-een land die niet van elders overgekomen zijn, de inboorlingen.
-
-[108] Eumeniden beteekent eigenlijk de welwillenden, de genadigden; zij
-komen overeen met de Erinyen (Furiën), de zusters der Godinnen van het
-noodlot, de dienaressen van de gerechtigheid en de wreeksters van
-iedere misdaad.
-
-[109] Odeon (Odeion) is eigenlijk eene plaats om te zingen; te Athene
-een openbaar gebouw, tot muzikale uitvoeringen bestemd, dat tevens
-echter voor volksvergaderingen en gerechtshof werd gebezigd.
-
-[110] Metopon beteekent eigenlijk het voorhoofd, v.d. het front.
-
-[111] Poseidon is met den Romeinschen Neptunes geïdentificeerd. Zijn
-attribuut was de geweldige drietand.
-
-[112] Hermes, overeenkomende met den Romeinschen Mercurius, de zoon van
-Zeus en Maia, was de beschermgod van den handel, ook van de dieven en
-reizigers. Ook is hij de bode der Goden.
-
-[113] Daedalus is een der beroemdste kunstenaars der oudheid. Hij
-maakte o.a. voor zijn zoon Icarus en zich zelven, toen zij te Creta
-gevangen gehouden werden, vleugels met was bevestigd. Icarus, die de
-zon te dicht naderde, viel in zee, daar de was smolt. Die zee is naar
-hem de „Icarussche” genoemd. Daedalus was ook de bouwmeester van het
-vermaarde Labyrinth op Creta.
-
-[114] Demeter, de Romeinsche Ceres, was o.a. de Godin van het graan.
-
-[115] Eleusis, eene stad in Attica, lag aan de baai van dien naam,
-tegenover het eiland Salamis.
-
-[116] Priesterheerschappij.
-
-[117] Aeschylus was de eigenlijke stichter van het Grieksche treurspel.
-Hij werd in 525 (volgens sommigen in 521) geboren, zijn vader heette
-Euphorion, uit een oud-Attische familie gesproten, behoorende tot de
-gemeente Eleusis. Op vijfentwintigjarigen leeftijd trad hij als
-tooneeldichter op. In 484 behaalde hij den eersten prijs. In 490
-onderscheidde hij zich dapper in den slag bij Marathon, waar hij
-talrijke wonden ontving. Voorts nam hij deel aan de roemrijke slagen
-bij Artemisium, Salamis en Plataea (480 en 479). In 475 werd hij door
-Hiëro, tyran van Syracuse, aan het hof genoodigd. Na in vele
-dichterlijke wedstrijden, naar Athene teruggekeerd, te hebben
-overwonnen, werd hij aangeklaagd; hoewel vrijgesproken verliet hij de
-stad en begaf zich naar Gela op Sicilië; waar hij op 69-jarigen
-ouderdom stierf. Een grafteeken en standbeeld werd door de Atheners
-voor hem opgericht. Van zijne talrijke tragediën op 93 of 70 begroot,
-hebben we er zeven over. Haar titel luidt: „de geketende Prometheus”,
-„de zeven tegen Thebe”, „de Perzen”, de „Oresteia”, eene trilogie
-bestaande uit den „Agamemnon”, de „Choëphorae of offerplengsters”, en
-„de Eumeniden”, ten laatste de „Hiketiden of smeekelingen”.
-
-[118] Het is hier niet de plaats het nauwkeurig onderscheid uiteen te
-zetten tusschen den Dorischen, en den Ionischen stijl. Uitvoerig kan de
-lezer dat vinden in Guhl en Koner, pag. 10, 11 en volgende. In het
-algemeen slechts merken we op, dat die bouworden op dezelfde wijze
-verschillen, als de volken, Doriërs en Ioniërs, waaraan ze ontleend
-zijn. In den Dorischen stijl heeft zich het ernstige karakter van de
-Doriërs afgespiegeld; lichter en slanker, bevalliger en sierlijker is
-de Ionische bouworde.
-
-[119] Rhythmus is eigenlijk iedere beweging, afgeleid van een
-werkwoord, dat „stroomen”, „in beweging zijn” beteekent; v.d. de maat,
-versmaat. Men herinnert zich dat de verzen der Ouden zich niet door het
-rijm, maar door de maat van het proza onderscheiden.
-
-[120] Dit zijn de woorden, welke Diomedes tot zijn wagenmenner
-Sthenelus spreekt, toen deze hem aanried te vluchten voor Aeneas en
-Pandarus. Iliad. Boek V, vs. 256.
-
-[121] Anacreon was een der grootste en tevens liefelijkste lyrische
-dichters van Griekenland. Al wat zacht en welluidend was vond in hem
-zijn tolk. De liefde en den wijn bezong hij bij voorkeur. Van de 68
-gedichten, die op zijn naam overgeleverd zijn, erkent de critiek er
-zeer weinige voor echt. Hij was te Teos in Ionië geboren, werd te
-Abdera opgevoed, circa 530 v. C. Polycrates, tyran van Samos, noodigde
-hem aan zijn hof. In 521, na den dood van zijn beschermheer, keerde hij
-terug naar Athene, waar hij door Hipparchus met ingenomenheid werd
-ontvangen. Na den val van dezen begaf hij zich weder naar Teos. Tijdens
-den opstand van Ionië tegen Darius vluchtte hij naar Abdera, waar hij
-op 85-jarigen ouderdom stierf. Simonides maakte op hem een grafschrift.
-Naar de sage luidt, is hij aan het doorslikken van een druivepit
-gestorven.
-
-[122] Sappho, dochter van Scamandronymus en Cleïs, geboren te Eresus op
-Lesbos in 612 v. C. was de beroemdste dichteres der Oudheid. Te
-Mitylene verzamelde zij eene schare jongeren om zich heen. Voor een
-dezer, den schoonen Phaon zou zij eene zoo hevige liefde hebben
-opgevat, dat ze zich van de Leucadische rotsen in zee stortte, omdat
-die liefde onbeantwoord werd. Men wil, dat ze een dochter Cleïs naliet.
-Zij koesterde groote vriendschap voor den dichter Alcaeus. De grondtoon
-harer poëzie is hartstocht en liefde. Naar haar is de Sapphische
-strophe genoemd.
-
-[123] Eros, de God der liefde, de Romeinsche Cupido.
-
-[124] Hier wordt Aegeus bedoeld; vergelijk noot 2 pag. 60.
-
-[125] De Minotaurus was, naar de sage, half stier half mensch, welken
-Minos in het labyrinth te Creta met knapen en meisjes voedde, die
-Athene als cijns moest opbrengen. Theseus doodde hem met behulp van
-Ariadne.
-
-[126] Aegina, een eiland ongeveer anderhalve vierk. mijl groot, met
-gelijknamige hoofdstad, ligt in den Saronischen zeeboezem (golf van
-Aegina). Beroemd is de Aeginetische kunst en gymnastische geoefendheid.
-
-[127] Panhellenisch beteekent alle Grieken omvattend.
-
-[128] Troje, op de kust van Klein-Azië gelegen.
-
-[129] Acrocorinthus is de acropolis van Corinthe, de hoogste top en
-sterke vesting.
-
-[130] Corinthe was de aanzienlijkste handelplaats van Griekenland, op
-den Isthmus (zeeëngte) gelegen met voortreffelijke havens. Cicero noemt
-het, in zijne redevoering de imperio Cn. Pompeii c. V: „totius Graeciae
-lumen”, het licht van geheel Griekenland.
-
-[131] Men bemerkt hieruit dat de spreker Sophocles is, de groote
-Atheensche treurspeldichter.
-
-Sophocles, de zoon van Sophillus, een wapensmid, is geboren in 495 v.
-C. te Colonos in Attica. In 480 zong hij in het koor ter eere van de
-overwinning bij Salamis. Lampros was zijn leermeester in de muziek.
-Achttien malen behaalde hij de zege in een tragischen wedstrijd, waarin
-hij dikwijls zelfs Aeschylus overtrof. Na de opvoering zijner Antigone
-werd hij tot strateeg gekozen (441). Tegelijk met Pericles voerde hij
-het bevel in den eersten oorlog tegen Samos. Vier jaar later zou hij
-Hellanotamias geweest zijn, waardoor hij het bestuur verkreeg over de
-bondskas. Bij de hetaere Theoris zou hij een zoon Aristo verwekt
-hebben, die weder een zoon, Sophocles geheeten, naliet, die eveneens
-drama’s schreef. Uit een wettigen echt had Sophocles een zoon Iophen,
-die weinig talent en een slecht karakter bezat, zoodat hij zelfs zijn
-hoogbejaarden vader van krankzinnigheid aanklaagde, om het beheer over
-diens goederen te verkrijgen. Men wil dat de grijze dichter zijn
-schoone zang uit den Oedipus Coloneüs ter eere van Colonos zou hebben
-voorgedragen, teneinde zijne onverzwakte geestkracht te bewijzen. Hij
-werd daarop onmiddellijk vrijgesproken; Sophocles stierf in 406, bijna
-90 jaar oud. Men wil dat hij aan het doorslikken van eene druivepit zou
-gestorven zijn. Hij was van een beminnelijk en vroolijk karakter. Den
-blijspeldichters strekte hij dikwijls tot mikpunt hunner spotternijen.
-
-Van zijne talrijke treurspelen, door de Alexandrijnen op 130 begroot,
-hebben we er zeven over. Voorts schreef hij vele lierzangen, elegieën
-en andere stukken. Bij Sophocles komt het liefelijke en zachte meer op
-den voorgrond dan bij Aeschylus die geweldiger en gespierder is.
-
-De zeven treurspelen, ons bewaard, zijn: „de Antigone”, een der
-schoonste stukken van den dichter, ten onzent o.a. door A. J. ten Brink
-en Opzoomer vertaald. De „Oedipus koning”, door Vondel en Bilderdijk
-vertolkt. De „Oedipus te Colonos (Coloneüs)”, door Bilderdijk
-overgezet, „de Electra”, in 1638 door Vondel vertaald, „de Ajax” en de
-„Trachiniae”, welk laatste door Vondel is overgezet. Overigens bestaan
-van al deze tragedies vertalingen in het Duitsch, Fransch en Engelsch.
-Sophocles wordt door bevoegde kunstrechters voor den grootsten der
-oudere en nieuwere treurspeldichters gehouden.
-
-[132] Dit Grieksche woord beteekent: waarzegging uit de handen.
-
-[133] „Aeschylus”; zie noot 1 pag. 111.
-
-[134] Pan is de God der herders en kudden uit Arcadië afkomstig,
-bevriend met de nymfen, met wie hij reidansen uitvoert. Hij wordt
-afgebeeld met bokspooten, baard en horens op het hoofd (Panische
-schrik). Dikwijls komt hij voor in verbinding met Dionysus (Bacchus).
-
-[135] Dit feit greep plaats vóór den slag bij Marathon. De Spartanen
-echter mochten om godsdienstige bezwaren niet vóór de volle maan
-strijden. De Atheners vochten toen bijna alleen. Zie noot 1 pag. 24. De
-Spartanen kwamen later op het slagveld en prezen den moed der Atheners.
-Het feit waarvan boven melding gemaakt wordt, wordt uitvoerig verhaald
-door Herodotus, Boek VI. § 105.
-
-[136] Beide landstreken in de Peloponnesus.
-
-[137] Triptolemus wordt voor den zoon gehouden van koning Celeüs van
-Eleusis en Metanira of van Oceanus en Gaea. Door Demeter werd hem een
-met draken bespannen wagen geschonken, waarmede hij de aarde zou
-rondrijden om de graankorrels uit te strooien. Later werd hij koning
-van Eleusis en voerde daar den eeredienst der Godin in. De kunst stelt
-hem voor als een krachtig man, op een met draken bespannen wagen en
-korenaren en scepter in de hand.
-
-[138] Daduchus, een Grieksch woord (daidouchos), beteekent: die de
-fakkel vasthoudt en voordraagt, v.d. de priesters in de Eleusinische
-spelen.
-
-[139] Waarom Hamerling hierin eene bijzonderheid ziet, is mij niet
-duidelijk, daar doorgaans bij de Grieken een zoon naar zijn grootvader
-genoemd werd. Zie b.v. noot 1 pag. 125.
-
-[140] Solon, de groote Atheensche wetgever, een zoon van Execestides
-uit het oude geslacht der Crodiden, werd ongev. 639 v. C. geboren. In
-594 werd hij eerste Archont en gaf zijne beroemde wetgeving. Daarbij
-verdeelde hij de burgers in klassen naar hun vermogen. Daarna werden
-ook de politieke rechten en plichten geregeld. Solon stierf hoog
-bejaard in 559. We bezitten eene levensbeschrijving van hem door
-Plutarchus.
-
-[141] Eretria, de hoofdstad van het eiland Euboea waarschijnlijk eene
-kolonie der Atheners, bloeide eertijds door handel en nijverheid. Om
-den afval van de Perzen werd het door Datis en Artaphernes verwoest en
-de bewoners als slaven naar Susa gevoerd. Later werd de stad herbouwd,
-die in 198 v. C. weder door de Romeinen is vernietigd. Eretria heet
-thans Palaeo-Castro. Vgl. noot 2 pag. 60.
-
-[142] Hecatombe beteekent eigenlijk een offer van honderd (hekaton)
-runderen. Dikwijls wordt het alleen voor een zeer groot offer gebezigd.
-
-[143] Melitaeïsch beteekent van Melite, een eilandje in de
-Middellandsche zee bij Dalmatië; niet te verwarren met Melite wat ook
-de Grieksche benaming is van Malta, door de Ouden Ogygia genoemd. Doch
-het Latijnsche adjectivum van dit Melite luidt: Melitensis of
-Melitesius, dus: Melitensisch of Melitesisch.
-
-[144] Epirus, een bergachtig landschap van Noord-Griekenland bestond
-vooral uit drie stammen; de Chaoniërs, die in het Noord-oostelijk deel
-woonden; de Thesprotriërs in het zuiden en de Molossiërs in het
-Noord-oosten.
-
-[145] Samos, een eiland nabij de Westkust van Klein-Azië, niet ver van
-het voorgebergte Mycale, thans Samo, door de Turken echter Susam Adassi
-geheeten. Op Samos bevond zich een tempel van Hera (Heraion).
-
-[146] Hera is vereenzelvigd met de Romeinsche Juno, de echtgenoote van
-Zeus (Jupiter). Vergelijk over het boven medegedeelde de bekende fabel
-van Phaedrus, getiteld: Juno en de pauw (Boek III, 18). Hera was ook de
-Godin van den echt.
-
-[147] Het Grieksche woord Ktesios beteekent: tot het bezit behoorende;
-Zeus Ktesios is dus Zeus, die het eigendom beschermt.
-
-[148] Eigenlijk dienaressen van Bacchus, die zijne nachtelijke feesten
-vieren. Van daar elke opgewonden, slechte vrouw.
-
-[149] Buitengewoon groote feesten, waar het lustig toeging.
-
-[150] Thyestes, de zoon van Pelops en Hippodamia, doodde met zijn
-broeder Atreus hun stiefbroeder Chrysippus en beide vluchtten naar
-Eurystheus. Thyestes verwekte hier bij de echtgenoote van zijn broeder,
-Aerope, twee zonen, waarom hij door Atreus werd verdreven. Uit wraak
-ontvoerde hem Thyestes een zijner zonen, voedde dien op en kweekte in
-hem een onverzoenlijken haat tegen zijn vader. Later zond hij den zoon
-van Atreus om dezen te vermoorden. De aanslag mislukte en Atreus liet
-zijn eigen zoon ter dood brengen. Later vernam hij de toedracht der
-zaak en ontstak in groote woede. In schijn richtte hij voor zijn
-broeder een verzoeningsmaaltijd aan. Daar zette hij Thyestes diens
-eigen zonen voor en toonde hem later hunne hoofden. Thyestes ontvlood
-die rampzalige plaats; later verwekte hij bij Pelopia Aegistheus, die
-Atreus doodde en zijn vader op den troon van Mycenae plaatste.
-
-Een Thyestes-maal beteekent dus: een allernoodlottigs en afschuwelijk
-maal.
-
-[151] De Discus is eene steenen of metalen (later ook houten) ronde
-schijf, van het midden, waaraan gewoonlijk een leeren handvatsel
-bevestigd is, dunner afloopend, dien de Grieken en later de Romeinen
-bij hunne gymnastieke oefeningen gebruikten. De wedstrijd in het
-loopen, springen, worstelen, het vuistgevecht en het werpen met den
-discus en speer vormde het zoogenaamde „Pentathlon” (d.i. vijfderlei
-wedstrijd).
-
-[152] De Romeinsche Diana, dochter van Zeus en Leto (Latona), zuster
-van Apollo, de Godin der jacht.
-
-[153] De God des huwelijks.
-
-[154] De Academie was een gymnasium bij Athene, naar den heros Academus
-genoemd, waar Plato zijne lessen gaf. Vandaar, dat men ook onder
-Academie de school van Plato verstaat.
-
-[155] Eene bronnimf.
-
-[156] Hamadryaden zijn boomnimfen, in onderscheiding van Dryaden, dat
-in ’t algemeen woudnimfen, vooral der eiken (Drus, eik) zijn. Sommigen
-nemen tusschen beide nimfen geen onderscheid aan.
-
-[157] Iliad. VI, vs. 506 en vv., waar men deze heerlijke vergelijking
-in haar geheel kan lezen.
-
-[158] De Parcen (Moiren) waren de Godinnen van het noodlot. Gewoonlijk
-worden er drie genoemd: „Clotho”, die de levensdraden spint, „Lachesis”
-die den menschen hun lot toedeelt en „Atropos”, de onafwendbare, de
-noodzakelijkheid om te sterven.
-
-[159] Lamia, de dochter van Belos en Libya werd om hare schoonheid door
-Zeus bemind; uit wraak hierover roofde Hera hare kinderen. Lamia, van
-verdriet waanzinnig geworden ontvoerde en doodde de kinderen van andere
-moeders. Vandaar wordt zij als een schrikkelijk spook beschouwd. Later
-verstond men onder Lamia eene schoone vrouw, die de jonge mannen
-bekoorde en verleidde.
-
-[160] Circe was eene machtige toovenares, de dochter van Helios en
-Perseïs, op het eiland Aea, die Odysseus’ tochtgenooten in zwijnen
-veranderde.
-
-[161] De Hesperiden, gewoonlijk vier in getal, Aegle, Erythea, Histia
-en Arethusa, bewaakten met den honderdkoppigen draak Lado de gouden
-appelen van Hera op het Atlas-gebergte, in de uiterste streken der
-aarde.
-
-[162] Argus, bijgenaamd Panoptes, de alziende, was de zon van Agenor of
-Inachus, die vele monsters doodde. Hij was met honderd oogen voorzien.
-Later werd hij door Hermes gedood. Met zijne oogen tooide Hera den
-pauwenstaart.
-
-[163] Eene soort van roofvogels, met vrouwenaangezichten en groote
-klauwen. Bij Hesiodes heeten zij „Aello” en „Ocypete”.
-
-[164] Antigone, de dochter van Oedipus, koning van Thebe, en Iocaste.
-
-[165] Vooral de wijnen van Chios, Lesbos en Cyprus waren beroemd.
-
-[166] Creon was koning over Thebe, opvolger van Oedipus.
-
-[167] Hades is eigenlijk de God van de onderwereld, Pluto; vandaar ook
-de onderwereld zelve.
-
-[168] Distichos beteekent eigenlijk van „twee rijen” of „regels” v.d.
-distichon een vers, waarvan de eerste regel zesvoetig is (een
-hexameter) en de tweede vijfvoetig (een pentameter). De grondtoon dezer
-verzen is de dactylus, d.i. eene lange lettergreep, gevolgd door twee
-korte.
-
-[169] Tot recht verstand dezer verzen diene: het Grieksche woord
-Peithoo beteekent: overtuigende welsprekendheid, de gave der
-overreding, van daar ook: de Godin der welsprekendheid, en overreding.
-De Horen zijn de dienaressen van Aphrodite, de Godinnen van den bloei
-en de rijpheid; de eerste heet dan Thallo, (lente) de tweede Carpo
-(herfst). Zij komen dikwijls voor in verbinding met de Chariten
-(Gratiën). Over Calliope, eene der Muzen, zie noot 1 pag. 30. Wat
-Themis aangaat, vergelijk noot 1 pag. 46.
-
-[170] Het Grieksche voorzetsel hupo (onder), geeft in dergelijke
-samenstellingen dikwijls eene nabootsing in den trant van —. Zoo ook in
-Hypodorisch en Hypophrygisch: iets Dorisch, Phrygisch, wat naar dien
-stijl of melodie zweemt.
-
-[171] Landvoogd.
-
-[172] Persepolis, Pârsa („de stad der Perzen”) was eens de hoofdstad
-van Perzië en de begraafplaats der koningen, niet ver van den Araxes.
-Door Darius I werd het ongeveer in 515 v. C. tot residentie verheven.
-
-[173] Met den naam van groote koning werd in de oudheid de Perzische
-koning bestempeld, zoodat zelfs het Grieksche woord koning, basileus,
-zonder lidwoord, altijd de koning der Perzen aanduidde.
-
-[174] Men leze daaromtrent den roman van Georg Ebers, „eene Aegyptische
-koningsdochter”, ten onzent door Dr. H. C. Rogge en C. H. Pleyte
-vertaald.
-
-[175] De avondster.
-
-[176] Van Chios, een der schoonste en vruchtbaarste eilanden van de
-Aegaeïsche zee, thans Chios of Stankio, door de Turken Saki geheeten.
-Het eiland was vooral beroemd om zijn heerlijken wijn en vijgen.
-
-[177] Men leze dezen schoonen reizang in haar geheel bij Sophocles, in
-de Antigone, vs. 772, v.v. Ik bezig Opzoomer’s vertaling.
-
-[178] Lyceüm (Lukeion) is oorspronkelijk eene plaats nabij Athene aan
-Apollo, Lykeios d.i. den wolvendooder gewijd. Later werd het gymnasium
-aldaar beroemd, doordat Aristoteles en na hem de Peripatetische
-wijsgeeren er hunne lessen gaven. Vandaar dat in nieuweren tijd
-gymnasiën en hoogere scholen dikwijls Lyceën worden genoemd.
-
-[179] Palaestra beteekent: worstelschool, oefenperk.
-
-[180] Ephebos wordt hij genoemd, die den leeftijd van achttien jaren
-heeft bereikt: ephebentijd is dus de tijd, wanneer men nog een jong en
-krachtig man is.
-
-[181] Magiërs heetten bij de Meden en Perzen de leden eener
-priesterkaste, veel overeenkomende met de Leviten in Israël. Zij
-bezaten kennis der godzaken, naar men meende; vandaar dat het woord wel
-eens synoniem gebruikt wordt met toovenaar, zooals te dezer plaatse.
-
-[182] Alle drie landschappen in de Peloponnesus.
-
-[183] Pisates is eene landstreek ten zuiden van Elis, en daarvan
-onafhankelijk, met de stad Pisa aan de rivier de Alpheus.
-
-[184] Het Grieksche woord „nous” beteekent: verstand, overleg, geest;
-bij Anaxagoras voor: de wereldgeest, die de stof ordent. Wat de
-uitspraak van „nous” betreft, herinnere zich de lezer, dat het
-Grieksche „ou”, evenals in het Fransch wordt uitgesproken.
-
-[185] Het Grieksche „chaos” beteekent vooreerst de ledige, onmetelijke
-ruimte; voorts bij de wijsgeeren de verwarde massa, waaruit het heelal
-geschapen is „de bajert”.
-
-[186] Duisternis.
-
-[187] Zinspeling op Iliad. I. vs. 528 v.v., waar gezegd wordt, dat bij
-het fronsen der wenkbrauwen van Zeus de Olympus daverde in zijne
-gevesten.
-
-[188] Aulis is eene kleine stad in Boeötië, tegenover het eiland Euboea
-gelegen, waar de Grieksche vloot bijeen kwam, om het leger naar Troje
-te voeren.
-
-[189] Silenus, nu eens de zoon van Hermes, dan weder van Pan genaamd,
-is een der satyrs, volgelingen van Dionysus; hij wordt als een
-afschuwelijk leelijk wezen voorgesteld, met een stompen neus,
-geitenooren, een dikken buik en kaal hoofd. Vandaar zegt men wel eene
-Silenus-gestalte van een leelijk mensch.
-
-[190] De chlamys was een wijde, ruime mantel, die de Epheben droegen.
-Zij werd over den linker schouder geworpen, terwijl men de einden met
-een gesp bevestigde. Gewichten trokken het gewaad naar beneden. Zij was
-de eigenlijke reis- en krijgsmantel, vooral die der ruiters.
-
-[191] Onderwijzers der knapen in het worstelen.
-
-[192] Mauritanië was een landschap in het noorden van Afrika gelegen,
-ongeveer waar thans Marocco ligt; ’t was verdeeld in Tingitana en
-Caesariensis.
-
-[193] Het Grieksche woord „aleiptes” beteekent „zalver”, vandaar de
-slaaf die den badende met olie insmeert, ook de onderwijzer in het
-worstelen, de leeraar, benevens hij, die de knapen voor den worstelkamp
-met olie zalft, om de ledematen lenig te maken.
-
-[194] De opzichter over de gymnastische oefeningen en het worstelperk.
-
-[195] Achilles, de zoon van Peleus en de zeegodin Thetis, is de
-beroemde held, die in de Ilias eene hoofdrol speelt. Een kort maar
-roemrijk leven had hij zich gekozen. Na tal van roemrijke wapenfeiten,
-o.a. het verslaan van den Trojaanschen held Hector, wordt hij door
-Apollo, in de gestalte van Paris, door eene pijl in de hiel getroffen,
-zijn eenige kwetsbare plaats. Benevens Phoenix had Achilles tot
-leermeester in den wapenhandel en artsenijkunde den Centaur Chiron. Op
-dezen laatsten wordt hier door den schrijver gezinspeeld.
-
-[196] Hyacinthus, zoon van den Spartaanschen koning Amyclas en Diomede
-was een buitengemeen schoon jongeling en werd door Apollo en Zephyrus
-bemind. Zephyrus, om zich op zijn mededinger te wreken, deed den
-discus, terwijl Apollo Hyacinthus in het werpen daarmede onderwees, het
-hoofd van Hyacinthus doodelijk treffen. Uit het bloed van den jongeling
-deed Apollo de hyacinth, d.i. misschien de zwaardlelie (althans niet
-onze hyacinth) ontspruiten. Door den Romeinschen dichter Ovidius is
-deze legende dichterlijk behandeld (Metamorph. X, 155 v.v.).
-
-[197] Acrisius, koning van Argos, verwekte bij Eurydice eene dochter
-Danaë, die, volgens het orakel, een zoon zou baren; welke zijn
-grootvader zou dooden. Niettegenstaande alle voorzorgen van Acrisius
-bracht Zeus bij Danaë, Perseus voort. Bij de lijkspelen ter eere van
-den koning van Larissa in Thessalië, die Acrisius mede vierde, werd
-deze door Perseus onwillens, door een discus getroffen en gedood.
-
-[198] Heracles, door de Romeinen Hercules genoemd, was een der
-beroemdste helden, van wie de legenden gewagen. Later werd hij heros
-d.i. halfgod. Zijne twaalf groote werken zijn bekend.
-
-[199] Ageladas—want dit is de gewone schrijfwijze—was een beroemd
-beeldhouwer te Argos. Hij was de leermeester van Phidias, Myron van
-Eleutharae en Polycletus van Sicyon. Zijn eerste onderricht echter in
-de beeldhouwkunst genoot Phidias van Hegias te Athene.
-
-[200] De lezer herinnere zich dat op de bruiloft van Peleus en de
-zeegodin Thetis alle Godheden genoodigd waren, behalve Eris, de Godin
-van den haat. Om zich te wreken wierp Eris in de bruiloftszaal een
-gouden appel met het opschrift „voor de schoonste”; Aphrodite, Hera en
-Athene maakten ieder aanspraak op dien prijs. Paris, de zoon van
-Priamus, werd tot scheidsrechter benoemd, en deze, verlokt door
-Aphrodite’s belofte hem de schoonste vrouw ter wereld als belooning te
-geven, kende haar den prijs toe. Deze vrouw was Helena, de gade van
-koning Menelaüs.
-
-[201] De hoorn van Amalthea beteekent zooveel als de hoorn des
-overvloeds. De reden hiervan is deze: Amalthea is de naam eener geit,
-die Zeus op Creta, toen hij door zijne moeder voor Cronos (Saturnus)
-verborgen werd zoogde. Tot loon daarvoor werd zij onder de sterren
-opgenomen. Zeus ontnam de geit één hoorn en gaf dien aan de dochters
-van Melisseus, die Rhea hadden bijgestaan, en vulde dien met alle
-mogelijke zegeningen en goede gaven.
-
-Eene andere lezing is, dat Amalthea eene nimf is, die met de melk eener
-geit Zeus voedde.
-
-[202] Prometheus, de weldoener der menschheid, ontstal den Goden het
-vuur en opende daardoor in menschen eene bron van eindeloos geluk. Tot
-straf deed Zeus hem door Bia (de kracht) en Kratos (het geweld) aan
-eene rots in den Caucasus nagelen, waar een arend telkens zijne lever,
-die steeds weder aangroeide, kwam verslinden. Toch boog Prometheus zijn
-trots niet, toch bleef hij in opstand tegen de machtige Goden. V.d.
-beteekent Prometheïsch: onbuigzaam, onwrikbaar.
-
-[203] Tot recht verstand van dit hoofdstuk is het niet overbodig,
-kortelijk den inhoud van Sophocles’ Antigone mede te deelen. Polynices,
-de broeder van Antigone, is, als vijand zijner vaderstad, voor de muren
-van Troje gesneuveld. Creon, koning van Thebe, heeft een verbod
-uitgevaardigd op straffe des doods, dat het lijk van Polynices
-onbegraven ten prooi der honden zal blijven. Antigone waagt het lijk
-haars broeders te begraven. Voor Creon gebracht, bekent zij hare daad
-en zegt meer eerbied aan de Goden dan aan de menschen verschuldigd te
-zijn. Antigone wordt opgesloten in eene onderaardsche grot, waar zij
-zich van het leven berooft. Haemon, Creon’s jongste zoon, de verloofde
-van Antigone, stoot zich het zwaard door de borst. Op het hooren van
-die tijding berooft Eurydice, Creon’s echtgenoote, zich van het leven,
-haar echtgenoot vervloekende. Het geheele stuk wordt afgewisseld door
-prachtige reizangen.
-
-[204] Elaphebolion is de maand, die loopt van half Maart tot half
-April. In die maand werden de Elapheboliën gevierd, d.i. de feesten ter
-eere van de hertenjacht. Elaphebolos beteekent: hertendoodend.
-
-[205] Euripides is de derde der beroemde Grieksche treurspeldichters.
-Evenwel hij is de minste onder hen. Zijn vader heette Maesarchus en
-zijne moeder Clito, eene groentevrouw; hij zou juist op den dag der
-overwinning bij Salamis (480) geboren zijn. De dialoog in zijne stukken
-is dikwijls zeer wijsgeerig.—Vooral door Aristophanes wordt hij zeer
-bespot. Hij stierf nog vóór Sophocles in 406 v. C. Van zijne stukken
-zijn ons de namen van 75 bekend, doch slechts 18 hebben wij er over,
-waaronder een satyr-drama en een stuk Rhesus, dat misschien niet van
-hem is. Hij zou door honden zijn verscheurd. Archelaüs heeft te
-Arethusa een monument voor hem opgericht; eveneens deden de Atheners in
-hunne stad.
-
-[206] Cratinus leefde van 520–424 en was de stichter der komedie. Zijne
-Pytine, de flesch, waarin hij tegen Aristophanes vooral te velde trekt,
-is het meest bekend. Hij is beroemd om zijne vinnigheid en sarcasme.
-
-[207] Choregos is eigenlijk de aanvoerder van een koor, ook hij die de
-kosten voor de opvoering van een koor (choregie) draagt.
-
-[208] Pytho is een draak, die het Delphisch orakel bewaakte; hij werd
-door Apollo geveld. Volgens de sage, stelde Apollo daarna te Delphi de
-Pythische feesten in. Met de Olympische, Isthmische en Nemeïsche spelen
-waren zij de beroemdste nationale spelen in Griekenland.
-
-[209] De cothurnus is eigenlijk eene hooge jachtlaars, ook op het
-tooneel in het treurspel gebruikt, om grooter te schijnen.
-
-[210] Halicarnassus was een der beroemdste steden van Klein-Azië in
-Ionië.
-
-[211] De Lenaeën is een feest ter eere van Dionysus (Bacchus) gevierd;
-de naam is afgeleid van het Grieksche lenos, dat wijnpers beteekent.
-
-[212] In de tragedies van Euripides is eene afkeer van de vrouwen
-duidelijk merkbaar. Men zegt, dat de treurige ervaring bij zijne beide
-vrouwen Melito en Choerile opgedaan den dichter tot die sombere
-beschouwing hebben geleid. Vandaar kreeg hij den bijnaam „de
-vrouwenhater.”
-
-[213] Philoctetes, zoon van Poeas en Demonassa trok op tegen Ilium.
-Wegens eene verpestende wonde aan de voet, ten gevolge van een
-slangenbeet, werd hij door de Grieken op het eiland Lemnos
-achtergelaten. Hij bezat echter den boog en pijlen van Hercules zonder
-welke, zoo had Helenus geprofeteerd, Troje niet kon genomen worden. Na
-negen jaren op het eiland te hebben doorgebracht, kwamen Odysseus en
-Diomedus of Neoptolemus (volgens Sophocles) om hem naar Ilium te
-voeren. Na veel tegenstand gelukte het hun, en door bemiddeling van
-Philoctetes werd Ilium genomen.
-
-Sophocles behandelt deze geschiedenis, voor een deel althans, in zijn
-„Philoctetes.”
-
-[214] Protagonistes was de persoon die de hoofdrol, denteragonistes
-hij, die de tweede rol vervult, terwijl tritagonistes genoemd wordt
-degene, die in de derde rol optreedt.
-
-[215] Electra, de dochter van Agamemnon en Clytemnaestra, naar wie een
-treurspel van Sophocles geheeten is.
-
-[216] Orestes, die eerst dood gewaand, later door Electra herkend
-wordt. Te samen dooden zij hun moeder Clytemnaestra, de moordenares
-huns vaders. Ook van Euripides bestaat een treurspel „Electra”
-geheeten.
-
-[217] Zie Inleiding pag V. Aiax, woedend om die nederlaag richt eene
-vreeselijke slachting aan onder de runderen, meenende dat het Grieken
-waren. Daarop stortte hij zich in zijn zwaard.
-
-[218] Soph. Aiax vs. 794 en v.v.
-
-[219] De zon. De volgende verzen vindt men in Sophocles Aiax vs. 823 en
-v.v.
-
-[220] Ismene is de zuster van Antigone, die te vreesachtig is om deze
-te helpen in haar vromen plicht. Toch wordt zij door Creon ter dood
-veroordeeld, doch ontvangt, tegen haar zin, genade.
-
-[221] Dionysus (Bacchus).
-
-[222] Didaskalos beteekent eigenlijk leermeester, ook hij, die een
-tooneelstuk laat instudeeren, de koormeester.
-
-Het komt ook wel voor in de beteekenis van: de dichter van het
-tooneelstuk.
-
-[223] Eigenlijk: de dansplaats; voorts de plaats in den Atheenschen
-schouwburg tusschen het tooneel en de amphitheatersgewijze oploopende
-zitplaatsen.
-
-[224] Omphale, de dochter van den Lydischen koning Iardanes en gemalin
-van Tmolus, verbond zich na den dood van dezen met Heracles of Hercules
-en baarde hem een zoon. Eene latere sage is er, dat Heracles door haar
-verwijfd is geworden en vrouwelijke handwerken leerde, terwijl Omphale
-de wapenen des oorlogs hanteerde. Ongetwijfeld doelt Hamerling hier op
-deze laatste legende, ze toepassende op Pericles en Aspasia.
-
-[225] Agonothetes is een insteller van den wedstrijd, ook een opzichter
-en rechter daarvan.
-
-[226] Mastigophoros is eigenlijk een zweep of geeseldrager; vandaar een
-lager bediende, die met zweep of geesel de orde handhaaft.
-
-[227] Oedipus, de zoon van Laïus, was gesproten uit het geslacht der
-Labdaciden, dat aan Labdacus, den vader van Laïus, zijn naam ontleende.
-
-[228] Thespis te Icaria, een Attisch vlek, geboren, wordt de eigenlijke
-stichter der tragedie genoemd. Hij had de gewoonte ingevoerd, dat de
-reiaanvoerder bij afwisseling het een of ander verhaal uit het goden-
-of helden-epos voordroeg. Onwaarschijnlijk echter is het verhaal, dat
-Thespis op een wagen een tooneel had ingericht; vanwaar de uitdrukking,
-die de schrijver hier gebruikt echter afkomstig is. Horatius bezigt het
-eerst de uitdrukking: „kar van Thespis.”
-
-Van Thespis is niet één stuk meer overgebleven.
-
-[229] Behalve hetgeen de schrijver aangaande Protagoras mededeelt, is
-het nog vermeldenswaard, dat Protagoras voor een leerling gehouden
-wordt van Democritus, wiens atomenleer hij echter niet toegedaan was.
-Protagoras, van atheïsme (asebia) beschuldigd, moest Athene verlaten en
-zijne geschriften werden openlijk verbrand. Zijne hoofdstelling is: de
-mensch is de maat van alles.
-
-Men wil dat hij op zeventigjarigen ouderdom verdronken is.
-
-[230] Hippocrates was de beroemdste arts der Oudheid, omstreeks 460 v.
-C. op het eiland Cos geboren, zoon van Heraclides en Phaenarete. Door
-zijn vader, arts en priester in het geslacht der Asclepiaden,
-onderricht, verliet Hippocrates zijn vaderland, hield zich geruimen
-tijd op Thasos en in Tessalië op en, naar men beweert, zou hij in 377
-te Larissa gestorven zijn, waar een grafteeken voor hem werd opgericht.
-De talrijke geschriften, die onder zijn naam tot ons gekomen zijn, zijn
-niet alle echt. Veel moet op rekening gesteld worden van zijne zonen
-Thessalus en Draco, zijn schoonzoon Polybus en latere geneesheeren uit
-den tijd der Ptolomaeën. Hippocrates was tevens een uitstekend
-wiskundige.
-
-[231] Abdera, aan de monding van den Nestus, omstreeks 656 v. C.
-gegrondvest, was befaamd om de stompzinnigheid zijner inwoners.
-Hippocrates zocht de oorzaak daarvan in hunne verwijfdheid. V.d. dat
-„Abderiet” een scheldnaam is, één of beide deze eigenschappen
-uitdrukkende.
-
-[232] Eene soort van zeevisch, eigenlijk thunnos geheeten.
-
-[233] Muraena is een schoon gevlekte zeeaal, door de Ouden zeer hoog
-gewaardeerd.
-
-[234] Men plengde bij het einde van den hoofdmaaltijd òf aan den goeden
-Geest (Daemon) òf aan de Gezondheid (Hugieia).
-
-[235] Men herinnere zich, dat de Grieken vrij ongemanierd beentjes,
-schillen enz. op den grond wierpen. Anders is deze uitdrukking moeilijk
-te verstaan.
-
-[236] Paëan is eigenlijk een plechtig, veelstemmig lied ter eere van
-Apollo, om hem te smeeken eene ziekte af te wenden; v.d. komt het woord
-voor als een bijnaam van den God: redder. Voorts beteekent het in het
-algemeen: een zegezang, een loflied.
-
-[237] Symposiarchos of koning van het symposion beteekent ongeveer
-president van de tafel; we meenden dat woord het best door
-ceremoniemeester over te zetten, daar zijne functiën vrij wel met die
-van den titularis in onze dagen overeenkomen. Wij hebben de vrijheid
-genomen van dit symposiarchos, naar het Grieksch, een vrouwelijke
-symposiarche te vormen, omdat dit van vele andere ons nog het best
-voldeed. Voorts houde men in het oog, dat symposion, hoewel eigenlijk
-een drinkgelag, de eigenlijke maaltijd werd, waar de gasten door
-muziek, dans en allerlei voorstellingen onderhouden werden.
-
-[238] Prutaneion (Prytaneüm) is het openbare gebouw in de vrije
-Grieksche steden, waarvan steeds het vuur werd onderhouden ter eere van
-Hestia, de Godin van den huiselijken haard; te Athene mochten daarin de
-prytanen (zie noot 1 pag. 76), de buitenlandsche gezanten en ook
-verdienstelijke burgers spijzigen. Vandaar dat Socrates, gevraagd
-zijnde welke straf hij zich waardig keurde, antwoordde: „In het
-prytaneüm op staatskosten te worden onderhouden.”
-
-[239] Thrax beteekent eigenlijk Thraciër; de slaaf werd zoo naar zijn
-vaderland genoemd.
-
-[240] De Sphinx, een monster met het lichaam van een leeuw en een
-vrouwelijk hoofd, verscheen in de nabijheid van Thebe en stortte ieder
-in den afgrond, die het raadsel niet kon oplossen: „Welk is het wezen,
-dat ’s morgens op vier, ’s middags op twee en ’s avonds op drie voeten
-gaat.” Oedipus loste het raadsel op, daar hij meende dat de mensch
-bedoeld werd in zijne verschillende levensperioden.
-
-[241] Herkeios beteekent: tot den hof, het huis behoorend; Zeus had,
-als beschermer van het huis, in den voorhof zijn altaar; v.d. had hij
-den bijnaam Herkeios, beschermgod des huizes.
-
-[242] Hecate is de Godin van het maanlicht, soms ook van de
-onderwereld, van verschijningen, spoken en betoovering; vooral op
-kruiswegen werd zij vereerd. Zoo werd zij ook in de huizen aangeroepen,
-om tooverij en dergelijke zaken af te weren.
-
-[243] Agyieus beteekent beschermer der straten (aguia); Apollo als
-beschermgod daarvan had een zuilvormig altaar voor de huisdeur, waarop
-reukoffers gebrand werden.
-
-[244] De Pyanepsiën was een feest te Athene ter eere van Apollo, waarop
-men een gerecht van peulvruchten of boonen bereidde: de maand waarin
-dat feest gevierd werd, heette Pyanepsion, dat is van half October tot
-half November.
-
-[245] Tartarus komt bij de oude dichters vooreerst als persoon voor
-verbonden met Gaea, de vader van Typhoeüs. Voorts beteekent het: een
-donkere afgrond en doorgaans, zooals hier, „de onderwereld”, „het
-schimmenrijk”.
-
-[246] Een daricus („Dara”, in ’t Perzisch, = vorst) bedroeg twintig
-zilveren drachmen, ongeveer f9,—.
-
-[247] Skoliën (eigenl. schuin, niet volgens de rij) is een lied, dat op
-symposia bij beurten door de gasten gezongen werd: een tafellied.
-
-[248] Lycurgus was Sparta’s beroemdste wetgever. Hij leefde ongeveer in
-888 v. C. Na vele reizen gedaan en talrijke onderzoekingen in het werk
-gesteld te hebben, keerde Lycurgus naar Sparta terug en gaf zijne
-wetten in de „Rhetra” vervat.
-
-[249] Krater is een „mengvat”; de Grieken dronken doorgaans met water
-vermengden wijn; de verhouding van het water tot den wijn was
-gewoonlijk als 3 : 1, soms als 2 : 1, zelden als 3 : 2. Het drinken van
-onvermengden wijn achtte men een barbaar en drinker waardig.
-
-[250] Priëne is eene stad in Ionië, bekend als de geboorteplaats van
-Bias, een der zeven wijzen van Griekenland.
-
-[251] Samos was de voornaamste stad van het eiland van dien naam.
-
-[252] Onder de Eleatische school verstaat men die wijsgeerige school,
-welke gesticht is door Xenophanes uit Colophon, die zich te Elea, eene
-stad in Beneden-Italië, vestigde. Parmenides, Zeno en de hier genoemde
-Melissus waren hare beroemdste vertegenwoordigers. Hunne hoofdstelling
-was, dat het wezen des heelals één, ondeelbaar en onveranderlijk is;
-dat dit alleen bestaat, terwijl de talrijke natuurverschijnselen
-slechts voor de gedachte aanwezig zijn.
-
-[253] Ares is de oorlogsgod, de zoon van Zeus en Hera, de Romeinsche
-Mars.
-
-[254] Trimetros beteekent uit drie maten bestaande, namelijk uit zes
-voeten (= drie dipodieën) in den jambischen (iambus, eene korte syllabe
-door eene lange gevolgd), trochaëschen (trochaeüs, eene lange syllabe
-door eene korte gevolgd) en anapaestischen rhythmus (anapaestus, twee
-korte syllaben door eene lange gevolgd); in de andere verssoorten
-bestaat hij uit drie voeten.
-
-Daar de trimetros bij de treurspeldichters zeer geliefd is, staat
-„trimeters” hier gelijk met „verzen”.
-
-[255] Themistocles was een der grootste veldheeren en staatslieden van
-Athene. Hij was de zoon van Neocles en werd in 514 v. C. te Athene
-geboren. Hij was de groote tegenstander van den onkreukbaren Aristides,
-wien hij door het schervengerecht uit Athene verdreef. Hij was de
-schepper der Atheensche zeemacht; deed de stad, die door de Perzen
-verwoest was, herbouwen en versterken; verbond de stad met de haven
-door lange muren, tot ook eindelijk hij door hetzelfde schervengerecht
-werd verdreven (472) en zelfs van hoogverraad werd beschuldigd. Zijne
-laatste levensjaren sleet hij bij den koning der Perzen, Artaxerxes,
-die hem rijkelijk beloonde en eerde. Hij stierf in 461 v. C.
-
-[256] Aeäciden zijn nakomelingen van Aeasus, den zoon van Zeus en
-Aegina naar welke laatste het eiland (Oenone) geheeten werd, die op
-Aegina als halfgod werd vereerd. Tot de beroemdste Aeäciden behoort
-Achilles, de zoon van Peleus en Thetis.
-
-[257] Euripos beteekent in het algemeen: zeeëngte, kanaal, in het
-bijzonder echter de zeeëngte tusschen Euboeä en het vasteland.
-
-[258] Slagorde.
-
-[259] Catapulten en schorpioenen (scorpio) waren belegeringswerktuigen,
-waarmede men steenen, pijlen enz. slingerde. De eerste schoten in
-horizontale, de laatste in boogvormige richting.
-
-[260] Dolphinus, in het Grieksch Delphis geheeten, was een
-krijgswerktuig van de gedaante van een dolfijn, dat van ijzer of lood
-gemaakt, door eene machine opgetrokken en vervolgens op een vijandelijk
-schip geslingerd werd.
-
-[261] Deze uitdrukking is woordelijk uit het Grieksch vertaald en komt
-overeen met ons „enterhaken”.
-
-[262] Het Grieksche pharthenos beteekent maagd.
-
-[263] De Godin der gezondheid (Hygieia).
-
-[264] Als zoodanig heeft Zeus den bijnaam: Soter.
-
-[265] De uil was aan de Godin Pallas Athene gewijd.
-
-[266] De naam Marathon-strijder (Marathonomachos) was zeer in zwang als
-vereerende titel voor den dappere en onversaagde.
-
-[267] Een Grieksch spreekwoord, ongeveer overeenkomende met ons: „als
-de kat uit is, vieren de muizen feest,” moedig zijn als er geen gevaar
-is, of iets dergelijks.
-
-[268] Orgiastisch beteekent: bezield, bezeten, daar de Orgiën of
-feesten ter eere van Dionysus zich door luidruchtigheid en
-uitgelatenheid kenmerkten. Vergelijk noot 1 pag. 145.
-
-[269] Mitra is in het algemeen een band, een hoofdband, die door de
-Grieksche vrouwen gedragen werd; voorts een tulband, die door de
-verwijfde Aziaten gedragen werd.
-
-[270] Thales een der zeven Wijzen van Griekenland, leefde ongeveer 640
-v. C. Hij zou het eerst eene zonsverduistering voorspeld hebben. Hij
-verkondigde de leer, dat de stof eeuwig bezield en altijd in beweging
-is.
-
-[271] Herodotus „de vader der geschiedenis”, was te Halicarnassus in
-Carië omstreeks 484 v. C. geboren. Hij maakte talrijke reizen. Zijne
-ervaringen teekende hij op in negen boeken, die ieder naar eene der
-Muzen zijn genoemd. Hij munt uit door eenvoud en liefelijkheid van
-stijl. Herodotus stierf omstreeks 408 v. C., wellicht te Thurië, in
-Beneden Italië.
-
-[272] Vergelijk noot 1 pag. 32. Zeven plaatsen betwisten elkander de
-eer Homerus te hebben voortgebracht. Te weten: Smyrna, Rhodos,
-Colophon, Salamis, Chios, Argos, Athene.
-
-[273] Hebe, de dochter van Zeus en Hera, de Godin der jeugd, dikwijls
-als gemalin van Heracles voorkomende, was de schenkster der goden op
-den Olympus.
-
-[274] Cybele, ook Cybebe geheeten, was eene Phrygische Godin, de
-personificatie van het weelderige leven der natuur. Zij wordt ook
-geheeten: „de groote moeder der Goden” en dikwijls met Rhea
-geïdentificeerd. Hare begeleiders waren de dolle Corybanten, haar
-lieveling de jongeling Attis.
-
-[275] De Sirenen waren zeemonsters, die door verleidelijke liederen de
-voorbijvarenden tot zich lokten en hen dan doodden. Zij worden wel
-voorgesteld als vrouwen met vogelklauwen en vleugels.
-
-[276] Triton is de zoon van Poseidon en Amphitrite; vandaar in het
-algemeen een zeegod. Zijn attribuut is de mosselschelp, waarop hij
-blaast.
-
-[277] Proteus was een zeegod, die de robben Poseidon weidde. Als zijn
-verblijfplaats wordt het eiland Pharos, ook wel Karpathos, gemeld. Hij
-had de gave zich in allerlei gedaanten te kunnen veranderen.
-
-[278] Beschermgoden, geleigeesten, (genius.)
-
-[279] De Pontus bijgenaamd Euxinus, de gastvrije, is de Zwarte zee,
-vroeger om hare talrijke stormen Pentus Axinus, de onherbergzame,
-geheeten.
-
-[280] Psyche beteekent „ziel”. De fabel, juister de allegorie, waarop
-hier door den schrijver gedoeld wordt, komt voor bij Apuleins, een
-wijsgeerig schrijver die te Madaura in Numidië geboren was en lang te
-Rome verkeerde (in de tweede eeuw na C.). De inhoud daarvan was de
-volgende: Psyche eene koningsdochter was de schoonste van drie zusters,
-zoodat zij zelfs voor Aphrodite werd gehouden. Deze, hierover
-vertoornd, gelastte Eros een sterveling op haar te doen verlieven. Doch
-deze werd zelf op haar verliefd. De vader raadpleegde Apollo
-daaromtrent. Deze gaf de godspraak, dat men Psyche alleen op een berg
-moest achterlaten, want dat zij de gade van een monster moest worden.
-Dit geschiedde. Daar ontmoette zij telkens Eros in een paleis, dat voor
-haar was verrezen. Nieuwsgierig haren beminde meer van nabij te zien,
-naderde Psyche hem, ondanks zijn vroegere waarschuwing. Bij ongeluk
-liet zij een droppel heete olie op zijn schouder vallen. Eros, die
-sliep, ontwaakte en ontvlood haar. Troosteloos doolde Psyche overal
-rond, totdat zij eindelijk bij Aphrodite kwam, die haar als slavin hard
-behandelde. Nochtans steunde Eros haar in haren arbeid, zooals op haar
-tocht naar Persephone, in het schimmenrijk, waar zij levenloos door den
-benauwden damp ter neder stortte. Eros riep haar door aanraking zijner
-pijl in het leven terug. Eindelijk werd Aphrodite verzoend. Psyche
-ontving van Zeus de onsterfelijkheid en werd voor altijd met den
-geliefde vereenigd. Zij baarde hem eene dochter Hedone, (Voluptas,
-Cupido), het Genot. In deze allegorie wordt de onschuld, de val, de
-boete geschilderd en de redding der ziel door de kracht der liefde.
-
-[281] Halcyonen of Alcyonen zijn ijsvogels.
-
-[282] Halcyonische dagen zijn eigenlijk de zeven dagen vóór en na den
-kortsten dag, gedurende welke de ijsvogel zijn nest bouwt, daar de zee
-dan vrij van stormen is. Daaruit is de Grieksche spreekwijze ontstaan,
-beteekenende: kalme, diepe rust.
-
-[283] Heroïne beteekent eigenlijk heldin, het vrouwelijke van heros;
-voorts iedere voortreffelijke der stervelingen, eene halfgodin.
-
-[284] Dido of Elissa nam Aeneas, die op zijn tocht van Troje naar
-Italië door een vreeselijken storm geteisterd was, gastvrij op in het
-door haar gestichte Cartago.
-
-[285] Zie noot 2 pag. 259.
-
-[286] Thyrsus is de staf der Bacchanten, die met klimop en
-wijngaardloof omwonden was en uitliep in eene pijnboomnaald.
-
-[287] Metalen bekkens.
-
-[288] Eene pauk, eene tamboerijn, vooral bij de feesten ter eere van
-Cybele in gebruik.
-
-[289] Antaeüs was een reus, die zoodra hij zijne moeder, de aarde,
-aanraakte, nieuwe kracht kreeg. Hercules doodde hem door hem boven den
-grond te houden en zoo dood te drukken.
-
-[290] De Nereïden zijn dochters van Nereus, een zeegod en Doris; zij
-waren vijftig in getal.
-
-[291] Asclepius (Aesculapius), de zoon van Apollo en de nimf Coronis,
-de vader der beroemde geneesheeren Podalirius en Machaon, werd als de
-God der genees- en heelkunde vereerd.
-
-[292] In de Grieksche mythen wordt van een geweldigen zondvloed gewag
-gemaakt, waaraan alleen de vrome Deucalion en Pyrrha ontkwamen; hun
-zoon Hellen werd de stamvader der Grieken (Hellenen).
-
-[293] Phrynichus van Athene was een leerling van Thespis, een der
-eerste Grieksche treurspeldichters. In 511 v. C. behaalde hij voor het
-eerst den prijs in een tragischen wedstrijd; nog eenmaal in 476. Op
-hoogen ouderdom overleed hij wellicht aan het hof van Hiëro te
-Syracuse. Hij voerde vrouwenmaskers in en koorliederen, die nog al
-schoon schijnen geweest te zijn. Zijne stukken zijn alle verloren
-gegaan; de Ouden noemen vooral zijn „Phoenische vrouwen” en de
-„Verovering van Milete,” dat in 493 werd opgevoerd. Deze voorstelling
-schijnt zoo roerend geweest te zijn, dat het volk in tranen uitbarstte
-(zie Herod. VI. 21); daarom werd Phrynichus tot een zware geldboete
-veroordeeld, misschien ook omdat hij den Atheners scherp verweten had,
-dat zij hunne dochterstad niet hadden bijgestaan. Deze Phrynichus worde
-niet verward met een gelijknamigen blijspeldichter, die tijdens
-Aristophanes leefde.
-
-[294] „De dageraad,” steeds door Homerus de „rozenvingerige” geheeten.
-
-[295] Goddelijke, onsterfelijke.
-
-[296] Orpheus, een beroemd Thracisch zanger, had zijn zetel op de
-Rhodope, in het Haemus-gebergte. Zelfs de steenen roerde hij door zijn
-betooverend lied. Zijne gemalin heette Eurydice; beiden zijn door de
-zangen van oudere en nieuwere dichters vermaard.
-
-[297] Maenas beteekent: razend, dol; de Maenaden, de razenden, de
-Bacchanten.
-
-[298] Op deze peplos waren de beroemdste heldenfeiten uit mythe en
-historie voorgesteld.
-
-[299] Clytaemnestra, de echtgenoote van Agamemnon, hevig op hem
-verbitterd om den gewelddadigen dood van hunne dochter Iphigenia,
-vermoordde den zegevierenden held, toen hij in zijne vaderstad Mycenae
-was teruggekeerd. Dit onderwerp wordt in Aeschylus’ „Agamemnon”
-behandeld.
-
-[300] Dejanira, de dochter van den Aetolischen koning Oeneus, gade van
-Heracles, had het bloed van den veerman Nessus opgevangen, toen deze
-terwijl hij haar de rivier Euënus overzette en zich ongepaste vrijheden
-met haar veroorloofde, door Heracles met een der in het gif der hydra
-gedoopte pijlen was doorschoten.—Nessus gaf haar stervend den raad dit
-bloed te bewaren, daar het een onfeilbaar middel was om zich altijd de
-liefde van haar man te verzekeren. Toen de held later in liefde
-ontbrandde voor de schoone Iole, zendt Dejanira hem een prachtig gewaad
-dat zij met het bloed van den stervenden veerman had bestreken. Toen
-het kleed warm is geworden kleeft het aan zijn lichaam en brandt hem
-tot in het merg; de held richt met uiterste krachtsinspanning een
-brandstapel op, legt zich er op, Philoctetes en zijn vader steken dien
-aan en de held verbrandt onder de hevigste smarten; als heros werd hij
-onder de onsterfelijke Goden opgenomen.
-
-[301] Hippische kunst is de rijkunst. (Hippos = paard).
-
-[302] Hephaestus, zoon van Zeus en Hera, de God des vuurs, komt overeen
-met den Romeinschen Vulcanus. De feesten te zijner eere op Lemnos, te
-Athene en elders gevierd, heeten: hephaisteia.
-
-[303] Bijnaam van Poseidon; omdat hij met zijn drietand de aarde schudt
-heet hij Enosigaios en Seisichthoon, de aardschudder.
-
-[304] De Giganten (reuzen), een reusachtig, wild geslacht werd door de
-Goden, vooral met de hulp van Heracles, na vreeselijken strijd,
-verdelgd. Hyginus geeft hun getal als vierentwintig op. Bij Hesiodus
-komen zij voor als zonen van Gaea (de Aarde) en Ouranos (den hemel.)
-
-[305] Taxiarchos is in de eerste plaats: de aanvoerder van eene
-legerafdeeling voetvolk (taxis), de overste, ten tweede bijzonder te
-Athene de aanvoerder van die afdeeling voetvolk, die iedere phyle in
-het veld moest brengen.
-
-[306] De zoogenaamde Eupatriden, door Theseus, naar men zegt als eerste
-stand ingevoerd, men kan ze vergelijken met de Romeinsche Patriciërs.
-
-[307] Athene was na Clisthenus in tien phylen verdeeld; deze phylen
-waren wederom in demen, districten, gesplitst.
-
-[308] De Godin der overwinning.
-
-[309] Iris, de dochter van Thaumas en Electra, is, naast Hermes, de
-bodin der Godin, vooral van Hera; bij de oudere Grieken ook die van
-Zeus. Zij wordt ook geïdentificeerd met den regenboog, dien de Grieken
-dan ook Iris noemden.
-
-[310] Wedstrijden: dus kampstrijden met paarden en wagens.
-
-[311] Aegis (Aigis) is eigenlijk een geitenvel; ook het door Hephaestus
-vervaardigde schild van Zeus.
-
-[312] De Amazonen waren krijgshaftige vrouwen, die geen mannen onder
-zich duldden. Er worden drie Amazonen-volken vermeld; het eerste woonde
-aan de kusten van de Zwarte zee, den Caucasus en de rivier Thermodon.
-Haar koningin Hippolyte werd door Heracles gedood. Nog worden eene
-koningin Penthesilea vermeld, die Priamus hulp bracht tegen de Grieken
-en Thalestris, tijdens Alexander den Groote. Ten tweede de Scytische en
-ten derde de Afrikaansche Amazonen, met hare koningin Myrina.
-
-[313] Eene vaas of kruik, met nauwen hals en twee ooren, meestal van
-aardewerk vervaardigd, soms van glas, naar beneden spits toeloopend;
-doorgaans werd zij voor wijn gebruikt, doch ook voor honig, olie enz.
-
-[314] Onder „musische” kunst verstonden de Grieken niet uitsluitend de
-toonkunst maar alles wat fijne, kunstige of wetenschappelijke vorming
-betreft.
-
-[315] Aeschylus, zie Deel I noot 1 pag. 111 en noot 2 pag. 94.
-
-[316] Het Grieksche spreekwoord „Uilen naar Athene zenden”, komt vrij
-wel met onze uitdrukking overeen: „Water in de zee dragen”.
-
-[317] De maan.
-
-[318] Cronides beteekent Cronus’ zoon d.i. Zeus (Jupiter), ook wel
-Cronion geheeten. Zie Deel I, noot 1 pag. 63.
-
-[319] Bedoeld worden hier de Lydische koning Candaulus, de zoon van
-Myrsus en de hoveling Gyges, de zoon van Dascyles. In kleuren en geuren
-kan men dat verhaal lezen bij Herodotus 1, 8–13; het geheugen van
-Pericles schijnt op dit punt vrij slecht te zijn geweest, daar de
-gunsteling geenszins uit liefde voor de vrouw den koning doodde.
-Integendeel: de vrouw van Candaulus liet Gyges roepen en zeide: „Ik
-geef u de keus òf door Candaulus te dooden mij en het rijk te bezitten,
-òf zelf te sterven, opdat gij later niet weder dingen moogt zien, die
-onvoegzaam zijn.” Gyges kiest het eerste, door den uitersten nood
-gedwongen en verkrijgt alzoo de echtgenoote van Candaulus en de
-heerschappij.
-
-[320] De Thesmophoriën is een feest, uitsluitend door vrouwen gevierd,
-ter eere van Demeter (Ceres), als stichtster van het maatschappelijk en
-burgerlijk leven. Het woord Thesmophoros beteekent: wetten en
-instellingen gevend; met den naam de beide Thesmophoren worden dan ook
-Demeter en hare dochter Persephone (Proserpina) aangeduid.
-
-[321] De sesamus is een Oostersch peulgewas, uit welks vrucht olie
-geperst wordt; het zaad wordt als rijst gebruikt. Het gerecht daarvan
-op de boven beschreven wijze bereid, heet in het Grieksch sesamee of
-sesamis.
-
-[322] Cappadocië is een landschap in het Oosten van Klein-Azië,
-tusschen de rivieren de Halys en de Euphraat gelegen.
-
-[323] Eene roode verfstof: drakenbloed, vermiljoen, in het Grieksch
-cinnabaris of cinnabari geheeten.
-
-[324] Van Ephesischen oorsprong of uit de Chersonesus Taurica is de
-vereering van Artemis (Diana) te Brauron in Attica, werwaarts Iphigenia
-de zuster van Orestes haar beeld zou gebracht hebben. Als zoodanig heet
-Artemis Brauronia of Tauropolos; dit laatste verklaart men „op een
-stier rijdend” (taurus = stier) of de woeste.
-
-[325] Adonis, een schoon jongeling, naar de Grieksche sage, door een
-everzwijn gedood, was door Aphrodite (Venus) vurig bemind. Op haar
-verzoek stond Zeus toe, dat Adonis een derde deel van het jaar bij haar
-mocht verwijlen, het tweede deel bij Persephone in de onderwereld en
-over het derde zou hij vrije beschikking hebben. Ter zijner eere werden
-in Juli of in het laatste van de lente de Adonis-feesten vooral door
-vrouwen gevierd; het feest was tweeledig: eerst een treurfeest, waarin
-zijn dood beweend, dan een vreugdefeest, waarbij zijn terugkeer tot
-Aphrodite gevierd werd. In het Oosten werd het meer zinnebeeldig
-opgevat.
-
-[326] Arcadië is een landschap in het midden van de Peloponnesus
-(Moréa) gelegen.
-
-[327] De Peloponnesus.
-
-[328] De landengte tusschen Hellas en de Peloponnesus, ook die van
-Corinthe geheeten. In het algemeen iedere landengte.
-
-[329] De Styx is eene ijskoude, vergiftigde bron in Arcadië, ook eene
-rivier in de onderwereld.
-
-[330] Sinis, volgens anderen Sinnis, bond de reizigers, die hij in
-zijne macht kreeg, aan samengebogen boomen en liet hen zoo van een
-scheuren. Hij werd door Theseus gedood.
-
-[331] De „Zeven Vorsten”, die op verzoek van Polynices, den zoon van
-Oedipus tegen Thebe optrokken om hem, die door zijn broeder Eteocles
-verdreven was, weder op den troon te plaatsen waren: Adrastus,
-Amphiaraüs, Hippomedon, Capaneus, Parthenopaeüs en Tydeus; Polynices
-wordt als zevende genoemd. Aeschylus heeft die stof dichterlijk
-behandeld.
-
-[332] Bij Homerus alzoo genoemd.
-
-[333] De Atriden d.i. zonen van Atreus, waren Agamemnon, koning van
-Mycenae en Menelaüs van Sparta.
-
-[334] In het eerste boek der Ilias wordt de toorn van Achilles
-beschreven; Agamemnon heeft hem zijne schoone slavin Briseïs ontvoerd,
-omdat hij zijne eigene, Chryseïs, op last van Apollo, bij monde van den
-priester Calchas overgebracht, aan haar vader Chryses heeft moeten
-teruggeven. Daarom is Achilles vertoornd en kan noch door gebeden noch
-door geloften er toe gebracht worden, om weder aan den strijd, waaraan
-hij zich onttrokken heeft, deel te nemen. Alleen de dood van zijn
-boezemvriend Patroclus, door Hector geveld, ontvlamt hem weder tot den
-strijd.
-
-[335] „Pan”.
-
-[336] Het Grieksche pelagos beteekent: „zee”.
-
-[337] Cora (in het Grieksch Kora) beteekent: meisje.
-
-[338] De syrinx is eigenlijk iedere pijp, de pijpfluit, die uit
-verscheidene naast elkander vereenigde en trapsgewijze afnemende
-pijpen, ongelijk van dikte en lengte, bestaat: de herders- of
-Pans-fluit.
-
-[339] Het dooden der Stymphalische vogels was een der twaalf werken,
-Heracles (Hercules) door zijn broeder Eurystheus opgelegd. Door Hera
-met waanzin geslagen had Heracles zijne drie kinderen, bij Megara,
-dochter van den Thebaanschen koning Creon verwekt, gedood, en moest, op
-last van den Delphischen God, als boete volbrengen wat Eurystheus hem
-zou opleggen. Het meer, waarom die vogels met koperen vleugels, bek en
-klauwen, zwierven heette Stymphalis; Stymphalos is de naam van een berg
-in Arcadië. De vogels zelve worden Stymphaliden genoemd.
-
-[340] Atalante was de dochter van Iasus en Clymene en werd op den berg
-Parthenius te vondeling gelegd. Zij nam deel aan den Argonautentocht en
-de jacht op het Calydonische zwijn. Later werd zij aan hare ouders
-teruggegeven.
-
-[341] Krekels. In het Latijn heet een krekel cicada, wellicht ware het
-meer consequent geweest, zoo de schrijver tettix, het Grieksche woord
-daarvoor, gebezigd had.
-
-[342] Apollo weidde de runderen van Admetus, koning van Pherae in
-Thessalië.
-
-[343] Volgens de mythe een zoon van Hermes en eene Nimf.
-
-[344] Eene stad in Boeötië in Midden-Griekenland (Hellas), ten westen
-van het meer Copaïs.
-
-[345] Een plaatsje in Arcadië; in Boeötië lag ook een Orchomenus, N. W.
-van het meer Copaïs.
-
-[346] Lang haar te hebben gold bij de Grieken voor een sieraad, zelfs
-als een bewijs van welvaren en werd voor een teeken van trotschheid en
-overmoed gehouden. Vandaar, dat het Grieksche werkwoord, dat „lang haar
-hebben” (komân) beteekent, gelijkluidend is met onze uitdrukking:
-trotsch, pedant zijn.
-
-[347] Hellanodiken beteekent eigenlijk Hellenen-rechters; vandaar de
-kamprechters bij de Olympische spelen.
-
-[348] Rhapsode beteekent eigenlijk hij, die zangen samenvoegt; vooral
-worden onder rhapsoden zij verstaan, die de liederen van Homerus,
-Hesiodes en andere (vooral Epische) dichters tot een geheel vereenigden
-en van plaats tot plaats trokken, om die voor te dragen. Vandaar worden
-de verschillende boeken der Ilias en Odyssee rhapsodiën genaamd.
-
-[349] Panormus was eene belangrijke stad op Sicilië, het tegenwoordige
-Palermo.
-
-[350] Leontini eveneens eene stad op Sicilië, van Atheenschen oorsprong
-(370 v. C.)
-
-[351] Er waren drie steden van dien naam: Magnesia, een oud-Grieksche
-stad in Klein-Azië aan den voet van den Sipylus, Magnesia, aan den
-Maeander, ongeveer twaalf mijlen zuidelijker, en Magnesia, hoofdstad
-van een gelijknamig kustland van Thessalië aan de Pagasaeïsche baai
-(Golf van Volo). Dit laatste Magnesia zal hier wel bedoeld worden.
-
-[352] Larissa was de hoofdstad van Pelasgiotis, een landschap in
-Thessalië; het wordt ook als de hoofdstad van geheel Thessalië
-beschouwd.
-
-[353] Bewoners der steden Demetria, Lechaeum, Phlius en Cenchrae, in de
-Peloponnesus.
-
-[354] Alle Grieken.
-
-[355] De Lapithen was een woeste volksstam in Thessalië, nabij den
-Peneüs. Als stamvader van hen gold Lapithes, de zoon van Apollo en
-Stilbe, gelijk Centaurus voor dien der Centauren. Na aanhoudenden
-strijd met de Centauren dolven ten laatste de Lapithen het onderspit.
-
-[356] Stadion is eigenlijk eene lengte van 600 Grieksche voeten,
-ongeveer 188 Nederlandsche el; veertig stadiën komt dus ongeveer met
-een geographische mijl overeen. Voorts beteekent het de lengte van de
-renbaan te Olympia en in het algemeen: de renbaan.
-
-[357] Hippodromos is de plaats, waar de paarden om het hardst liepen,
-de renbaan: zie deel II, noot 1 pag. 8.
-
-[358] Horkios beteekent: tot den eed behoorend; een bijnaam van Zeus
-als handhaver en beschermer van den eed.
-
-[359] Zie Deel I, noot 1 pag. 204.
-
-[360] Zie Deel I, noot 1 pag. 63.
-
-[361] Mystes is het Grieksche woord voor hem, die ingewijd is in de
-mysteriën. Het woord „musterion” zelf beteekent geheim. De hier
-verkondigde leer schijnt van een godsdienstig-staatkundigen aard
-geweest te zijn. Degenen, die den hoogsten graad in die mysteriën
-hadden verworven, heetten epopten, opzieners.
-
-[362] Ithaca tegenwoordig „Teaki”, eiland in de Ionische zee.
-
-[363] Hiërophantes is hij die de heilige offerplechtigheden onderwijst
-en bijzonder hij die in de Eleusinische mysteriën de profanen in de
-geheimenissen inwijdt; de opperpriester. Vergelijk Herodotus VII, 153.
-
-[364] Basilissa is het vrouwelijk van basileus, dus koningin, vooral
-echter in de beteekenis van: de echtgenoote van den Archon Basileus.
-
-[365] Mystagogos beteekent in het Grieksch eigenlijk hij, die de
-oningewijden binnenleidt; wij zouden zeggen: „de voorbereider”.
-Vergelijk Cic. Verr. 4. 59.
-
-[366] Echidna beteekent: adder; ook de slang Echidna, de moeder der
-Gorgonen; zie de volgende noot.
-
-[367] Chimaera beteekent: geit; voorts een fabelachtig monster van
-voren leeuw, in het midden geit, van achteren draak, voortgebracht,
-naar Hesiodus, door Typhaön en Echidna; het wordt ook voorgesteld met
-de drie koppen der genoemde dieren. De Chimaera werd door Bellerophon
-gedood.
-
-[368] Hier wordt natuurlijk niet de gevaarlijke klip Scylla bedoeld in
-de straat van Messina, maar een persoonlijk wezen. Scylla, eene dochter
-van Phorcys, die door Circe in een monster werd veranderd, welks
-onderlijf uit bassende honden bestond.
-
-[369] De affodil of slaaplelie werd door de Ouden asphodelus, soms
-asphodilus geheeten. Het is een soort van lelieachtig gewas met
-knolvormigen wortel, die door de Ouden genuttigd werd. De smaak is
-bitter en scherp; de wortel saprijk.
-
-[370] Stinkende, verpestende.
-
-[371] De Cerberus, die volgens eene andere mythe honderd koppen had;
-hij bewaakte den Hades; hij werd door Heracles bedwongen. Hij was
-voortgebracht door Typhon en Echidna.
-
-[372] Persephone (Proserpina), de dochter van Demeter, werd door Hades
-(Pluto) geschaakt. De helft van het jaar bracht zij bij Hades, haar
-echtgenoot, door, de andere helft op den Olympus. Zij wordt beschouwd
-als de koningin van het schimmenrijk. Zij wordt ook Kora geheeten.
-
-[373] De naam Cocytus, in het Grieksch Kokutos geheeten, wordt afgeleid
-van een werkwoord, Kôkuô, dat jammeren, klagen, huilen beteekent.
-
-[374] Dit woord bestaat uit het Grieksche pur, vuur en phlegô,
-brandende vuurstroom.
-
-[375] Het zal niet overbodig zijn de personen, die Hamerling hier
-telkens bedoelt, aan te wijzen, omdat zonder die te kennen deze passage
-onbegrijpelijk is. Hier doelt Hamerling op Ixion, koning der Lapithen,
-die omdat hij Hera had willen onteeren in de onderwereld op een eeuwig
-ronddraaiend rad werd gebonden.
-
-[376] Tantalus, koning in Phyrgië, vader van Pelops en Niobe, stond in
-hoogen gunst bij de Goden; doch hij verklapte de geheimen, die hij aan
-hunne tafel vernam en werd tot straf door Zeus in de Tartarus geworpen,
-waar stroomend water en heerlijke vruchtboomen hem omringden, doch
-telkens wanneer hij, door dorst en honger gekweld, de handen er naar
-uitstrekte, weken zij buiten zijn bereik.
-
-[377] Hier heeft de schrijver Sisyphus op het oog, deze was de zoon van
-Aeölus, een doortrapte schelm, die van het Geranea-gebergte rotsblokken
-op de reizigers neerwierp en zich met den buit verrijkte. Zelfs verried
-hij de geheimen der Goden. Ook voor die misdaden werd hij tot gemelde
-straf in de onderwereld veroordeeld.
-
-[378] De Danaïden, dochters van Danaüs, die gedwongen met de zonen van
-Aegyptus huwden. Negen en veertig van de vijftig dochters vermoorden in
-den huwelijksnacht hare mannen, op aansporing van haar vader. Alleen
-Hypermnestra spaarde haar gemaal Lynkeus. Daarom werden zij tot
-bovengenoemde eeuwige straf veroordeeld.
-
-[379] Tityus, zoon van Zeus en Elara, dochter van Orchomenus of van
-Gaea had Leto (Latona) willen onteeren; vandaar zijne straf.
-
-[380] De woonplaats der gelukzaligen in het schimmenrijk: de Elyseesche
-velden.
-
-[381] Zie Deel I noot 2 pag. 259.
-
-[382] Paphia, de Paphische d.i. Aphrodite, die te Paphos, eene stad op
-Cyprus, bijzonder werd vereerd.
-
-[383] Demeter en hare dochter Persephone. Zie noot 1 pag. 171.
-
-[384] Dit zijn nagenoeg dezelfde woorden, die de oudsten des volks, op
-Ilium’s muren gezeten, tot elkander spraken, toen zij de schoone Helena
-zagen. Zij komen voor in de Ilias, Boek III, vers 156–159, en luiden,
-volgens Vosmaer’s vertolking, aldus:
-
- „Niemand verbaas ’t voorwaar, dat ter wille van zulk eene vrouwe
- Grieken en Troiers ’t leed zich troosten van alle die rampspoen.
- Machtig in schoonheid schijnt als dat der godinnen ’t aanschijn.”
-
-[385] In het Grieksch: Simaitha.
-
-[386] Niet historisch; Aspasia heeft Pericles een zoon, eveneens
-Pericles geheeten, geschonken.
-
-[387] Het Grieksche „aigialos” beteekent: „strand”; van dit woord is
-bovengenoemd adjectief gevormd.
-
-[388] Polyphemus, de zoon van Poseidon en de nimf Thoösa, koesterde,
-volgens eene Siciliaansche legende, een onbeantwoorde liefde voor
-Galateä, de dochter van Neurens en Doris, daar deze de voorkeur gaf aan
-Acis den zoon van Faunus en Symaethis. Uit ijverzucht verpletterde
-Polyphemus hem waarop Acis door Galateä in een vloed of bron werd
-veranderd. (Fzons Acilius).
-
-De schrijfwijze Galatheä verdient afkeuring, omdat het Grieksch luidt:
-Galateia.
-
-[389] Acanthus bij ons „berenklauw” geheeten is eene plant, die deels
-als bijenkruid, deels om zijn fraaie, kronkelende bladstengels als rand
-om de tuinbedden geplant en op zuilen, vaatwerk en in borduursel
-nagebootst werd.
-
-[390] Er bestaat werkelijk een verhaal, dat Callimachus door het zien
-eener bloemenmand, als hierboven is beschreven, op de gedachte kwam het
-zoogenaamd Corinthische kapiteel te ontwerpen. Dit kapiteel bestond uit
-acht van buiten aangebrachte en acht binnen in geplaatste
-acanthusbladeren en bloemstengels, onder eene afgeronde dekplaat. Later
-werd deze zuil tot geheele kolonnaden gebruikt.
-
-[391] Potidaeä, eene kolonie der Corinthiërs, lag op het schiereiland
-Chalcidice; in 432 v. C. viel zij van Athene af, doch werd na eene
-nederlaag, haar door de Atheners, onder Callias, den zoon van
-Calliades, toegebracht, te land en ter zee ingesloten. Na een tweejarig
-beleg gaf het zich op vrij gunstige voorwaarden over.
-
-[392] De Heliasten waren de rechters in de Heliaeä, d.i. de hoogste
-rechtbank te Athene, uit gezworenen samengesteld.
-
-[393] Barathon beteekent afgrond, vooral de afgrond te Athene, achter
-de Acropolis gelegen, waarin de ter dood veroordeelden geworpen werden.
-
-[394] Eene rivier in Thracië, thans Karasoe of Stroema geheeten.
-
-[395] Alleenheerschappij.
-
-[396] Bewoners van Corcyra (Kerkura); het noordelijkste der Ionische
-eilanden, ten westen van Epirus, omstreeks 700 v. C. door Corinthiërs
-bevolkt; thans Korfu geheeten.
-
-[397] Narcissus was, volgens eene vooral te Thespiae in Boeötië
-inheemsche legende, een schoon jongeling, de zoon van den riviergod
-Cephissus en de nimf Liriope, door allen bemind. Vooral de nimf Echo
-werd smoorlijk op hem verliefd; uit heimwee naar hem verkwijnde zij,
-zoodat alleen de stem van haar overbleef. Uit straf daarvoor werd
-Narcissus door hartstochtelijke liefde voor zijn eigen beeld verteerd,
-dat hij in eene bron aanschouwde. Eene andere overlevering is dat hij
-zich zelven doodde. Op die plaats ontsproot de Narcissus, de
-doodsbloem, het symbool der vergankelijkheid en des doods, den
-Ondergoden gewijd.
-
-[398] Iliad. Boek X. vs. 470–515.
-
-[399] De dronkenschap, roes.
-
-[400] Zie Deel I noot 1 pag. 182.
-
-[401] De verleiding, begoocheling.
-
-[402] De overmoed, uitgelatenheid.
-
-[403] Lenaeüm (Leenaion) is de plaats te Athene, waar het Bacchusfeest,
-de Lenaeä, in de maand Lenaeön of Gamelion, d.i. de laatste helft van
-Januari en de eerste van Februari, gevierd werd.
-
-[404] Hamerling maakt hier gebruik van eene minder algemeen bekende
-mythe, dan die, volgens welke Theseus, met behulp van Ariadne, de
-dochter van Minos, den Minotauris in het labyrinth op Creta doodde en
-met haar huwde en vluchtte. Op het eiland Naxos werd Ariadne door de
-pijlen van Artemis gedood. De tweede legende, waarop hier gedoeld wordt
-is deze, dat Theseus na de volbrachte heldendaad Ariadne trouweloos op
-Naxos achterliet, waar zij door Dionysus, die uit Indië zegevierend
-terugkeerde, werd gevonden en gehuwd. Na haar dood nam Dionysus haar op
-onder de Onsterfelijken en plaatste de kroon, die hij haar bij het
-huwelijk geschonken had, onder de sterren. Ariadne wordt dikwijls door
-de beeldende kunst voorgesteld aan de zijde van Dionysus, omstuwd door
-Bacchanten en rijdende op een panther.
-
-[405] Io werd door Hera in eene koe veranderd. Deze mythe is
-dichterlijk behandeld door Ovidius. Metamorph. I. vs. 568–748.
-
-[406] Dithyrambus is een bijnaam van Dionysus. Vandaar een lied te
-zijner eer (ook wel van andere Goden).
-
-[407] De schrijver zal bedoelen de „Smilax aspera”, eene
-Zuid-Europeesche klimplant, die in Italië en Griekenland, 30–50 voet
-hoog, om de platanen zich slingert (vgl. Salsaparille). De bloemen zijn
-welriekend en waren in de oudheid zeer gezocht, met klimop
-dooreengewoeld, voor kransen, vooral bij de Bacchus-feesten.
-
-[408] Sabazius komt als een bijnaam van Dionysus voor. Hij luidt ook
-wel Sebasius, terwijl nog verscheidene andere schrijfwijzen worden
-gevonden.
-
-[409] Sicinnis (Sikinnis) is eene Satyr-dans, naar den uitvinder
-Sicinnus naar de nimf Sicinnis alzoo genoemd.
-
-[410] Nymphagoog (numphagoogos) is hij, die de bruid uit het ouderlijk
-huis naar den bruidegom voert.
-
-[411] De volksregeering.
-
-[412] Onder „kalokagathia” verstonden de Grieken die harmonische
-vereeniging van al wat schoon, goed en edel is; ons „rechtschapenheid”
-drukt het nog niet voldoende uit.
-
-[413] De volgende beschrijving van de pest is ontleend aan de
-overschoone schildering daarvan door Thucydides, die zelf door de pest
-is aangetast geweest, Bell. Pelop. Boek II. 47–56.
-
-[414] Charon, die de zielen der afgestorvenen over de rivieren in de
-onderwereld zette. Hij is, naar de mythe, de zoon van Erebus en Nux.
-Zij, die het veergeld niet konden betalen, moesten als schimmen aan de
-oevers van den Acheron verwijlen.
-
-[415] Attis, (ook Atis, Atys en Attys geschreven) een zoon van Calaüs
-koning van Phrygië; hij was, naar de mythe, een priester van Cybele.
-Gestorven zijnde opgewekt, komt hij als de trouwe begeleider van Cybele
-voor. Te zijner eere werden jaarlijks te Pessinus in Phrygië in de
-lente feesten gevierd. Wellicht doelt de mythe op het sterven der
-natuur in den winter en haar ontwaken in de lente.
-
-[416] Het raadhuis (bouleuterion).
-
-[417] Plutarchus, leven van Pericles, cap. 38, aan welk geschrift veel
-van het hier vermelde ontleend is.
-
-[418] Spreekwijze ontleend aan Heracles. Vergelijk Deel I pag. 220 en
-de noot.
-
-[419] Hier wordt Plato, Socrates’ groote leerling bedoeld.
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ASPASIA ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.