summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/64987-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/64987-0.txt')
-rw-r--r--old/64987-0.txt3787
1 files changed, 0 insertions, 3787 deletions
diff --git a/old/64987-0.txt b/old/64987-0.txt
deleted file mode 100644
index 9e946a9..0000000
--- a/old/64987-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,3787 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Vrouwenleven in de Dessa, by Marie C. E.
-Ovink-Soer
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Vrouwenleven in de Dessa
-
-Author: Marie C. E. Ovink-Soer
-
-Release Date: April 03, 2021 [eBook #64987]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VROUWENLEVEN IN DE DESSA ***
-
-
-
-
- VROUWENLEVEN IN DE DESSA
-
-
- DOOR
- M. C. E. OVINK-SOER
- Schrijfster van: „In het Zonneland”
-
-
- L. J. VEEN--AMSTERDAM
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD
-
-
- BLADZ.
-
- VROUWENLEVEN IN DE DESSA 1
- EEN ZENDELINGSVROUWTJE 38
- KARBOUWENJONGETJE 86
- EEN AVONDWANDELING 120
- EEN PROEFSNIT 127
- DE EERSTE BUI 133
- ALLEEN THUIS 145
- BRAND IN DE KAMPONG 159
- MARGO'S HELDENDAAD 166
-
-
-
-
-
-
-
-VROUWENLEVEN IN DE DESSA.
-
-
-I.
-
-Het was middernacht, de strandkampong lag in diepe rust; in de kleine
-inlandsche woningen geen geluid of beweging, alles sliep. Hier en daar
-schitterde een lichtpuntje door de bilikwanden der huisjes, waarmee de
-palita, het primitieve olielampje, de duisternis in zijn naaste
-omgeving verbrak.
-
-Aan het eind van het dorp, door een vrij groot erf van de andere
-gescheiden, lag een huisje, dat niet in de algemeene rost deelde. Een
-zacht rumoer van stemmen drong naar buiten door, af en aanloopende
-menschen, meest oudere vrouwen, traden de woning binnen of verlieten
-haar en, bij het openen der deur, teekende zich even een helder
-lichtvlak op den grond, dat de duisternis rondom nog zwarter deed
-schijnen.
-
-Er had een belangrijke gebeurtenis plaats gegrepen achter de vier
-muren: er was een kindje geboren; een aardig, mollig meisje had er zoo
-even haar intree gedaan. In een duister, beschut hoekje lag het jonge
-moedertje, doodstil, met wijd geopende oogen, voor zich uit te staren.
-Zij was zoo doodelijk vermoeid, de kleine Kamisah, het arme,
-afgestreden lichaam verlangde zoo vurig naar rust. Maar zij mocht de
-groote, donkere oogen niet sluiten, zij moest strijden tegen de alles
-overweldigende begeerte, want als de slaap langer dan een oogenblik
-haar de oogen look, dan kwamen de booze geesten om haar en heur kind in
-het ongeluk te storten. Hardnekkig hing haar blik aan het flikkerend
-licht van het lampje, terwijl zij trachtte te luisteren naar de
-vermanende stem der over haar heengebogen vrouw. „Niet slapen, Kamisah,
-denk aan het kindje, morgen kun je volop rusten, nu moet je waken, de
-kwade geesten waren rond.”
-
-„Ja, ja.” Kamisah wist het wel, zij kende haar plicht en gaarne wilde
-zij haar kindje beschermen tegen booze invloeden. Met een korte
-opflikkering van levenskracht strekte zij de hand uit naar het kleine
-schepsel, dat men naast haar had neergelegd. Voor het eerst doortrilde
-de jonge moeder een gelukkig, dankbaar gevoel: dat warme, levende
-lichaampje aan heur zijde behoorde haar toe, ’t was haar eigen kindje,
-dat zij, ten koste van veel smart en lijden, het leven had gegeven.
-
-’t Moedertje betastte de teere leedjes, liefkoosde het ronde kopje,
-toen zonk de hand machteloos neer, de lange wimpers daalden op de
-vaalbleeke wangen. Doch daar klonk weer de waarschuwende stem aan haar
-oor: „niet slapen, Kamisah, niet slapen.” Zij sloeg de oogen op met een
-uitdrukking in den blik als van een gewonde ree. Naast moeder boog zich
-nu ook haar man over Kamisah heen en wischte de groote zweetdroppels
-af, die haar op het voorhoofd parelden.
-
-Moeder drong hem op zijde, een trek van onrust vertoonde zich eensklaps
-op het oud, gerimpeld gelaat en haastig wenkte zij de doekoen. Deze
-scheen de onrust der oude wouw te deelen; diep over Kamisah
-heengebogen, begon zij het roerlooze lichaam van het jonge vrouwtje te
-streelen en te wrijven onder het prevelen van geheimzinnige woorden.
-
-Op eens richtte de zieke zich op; greep met de bruine handjes om zich
-heen, opende den mond als om te spreken en zonk kreunend neer........
-
-De hanen kraaiden den morgen te gemoet, de vogels ontwaakten, de dag
-werd geboren en, in het kleine huisje aan zee, lag het vijftienjarig
-moedertje stijf en koud: zij had het leven van haar kindje met het hare
-betaald.
-
-
-
-Onbewust, dat zij, bij hare geboorte, het beste verloren had wat een
-mensch in het leven wordt gegeven: moederliefde en moederzorg,
-schreeuwde en kraaide kleine Wagini er lustig op los. Zij was een mooi,
-sterk kindje, al moedertjes levenskracht had zij meegekregen.
-Grootmoeder zorgde met trouwe toewijding voor ’t jonge leven, dat
-geheel van haar afhing. De eerste dagen leefde Wagini van rijstwater
-met suiker, maar zij was nog geen week oud, toen grootmoeder reeds
-fijngeknede pisang met dunne rijstepap vermengd in het begeerige mondje
-stopte. Het kleintje gedijde: vol trots vertoonde de oude vrouw haar
-pleegkind; had men ooit flinker, aardiger meisje gezien voor haar
-leeftijd?
-
-Vader keek niet veel om naar zijn dochtertje; hij; was een stil, stug
-man, die liefst alleen zijn gang ging. Wanneer hij zich den dood van
-zijn jong, mooi vrouwtje had aangetrokken en haar betreurde, droeg hij
-zijn leed in stilte. Hij uitte zich tegen niemand en, werd de naam der
-doode genoemd, dan was er op zijn gelaat geen spoor van
-gemoedsaandoeningen te lezen.
-
-Wagini telde nog geen twee jaar, toen haar vader op zekeren dag aan
-grootmoeder meedeelde, dat hij van plan was elders heen te trekken,
-naar een of andere groote stad, om daar werk te zoeken. Nénéh verdiende
-genoeg voor zich zelve en Wagini beiden, en naderhand zou de kleine
-meid haar kunnen helpen.
-
-Na een kalm afscheid van zijn familie, verliet Kerto-Sadji dus op
-zekeren dag zijn woning en er zouden vele jaren voorbijgaan eer hij
-haar weder betrad. Af en toe kreeg grootmoeder bericht, altijd bij
-mondelinge boodschap, dat het haar schoonzoon goed ging; ook deed hij
-haar nu en dan wat geld toekomen, dat door de oude vrouw steeds
-dankbaar in ontvangst werd genomen. Zij dacht er niet over na, en het
-ergerde haar dus ook niet, dat de vader in het geheel niet naar zijn
-kind verlangde. Kerto-Sadji was altijd eenzelvig geweest, het kleine
-meisje ontbeerde zijn liefde niet. Neen, Wagini wist niet beter of
-Grootmoeder—„nénéh” zooals de inlander haar noemt—was de eenige
-bloedverwant, die zij bezat.
-
-Dat oude gerimpelde gezicht, die magere, bruine armen
-vertegenwoordigden voor ’t kind àl wat zij aan ouderliefde en ouderzorg
-behoefde. Van nénéh kreeg zij eten en drinken met menig snoeperijtje
-bovendien; tot nénéh vluchtte zij bij denkbeeldige gevaren, nénéh
-knorde en strafte, maar liefkoosde haar toch nog meer.
-
-Van een lief, mollig kindje werd zij al gauw een bijdehand, klein ding,
-wijs boven haar jaren, met een fijn gevormd, rank figuurtje en mooi
-gezichtje. Heur zwart haar sprong en krulde om ’t effen voorhoofd, in
-’t aardig nekje en beschaduwde de groote ernstige oogen, waaraan de
-lange wimpers iets zwaarmoedigs gaven. Grootmoeder bedierf het mooie
-kindje en schikte haar op wat zij kon. De fraaie zilveren bandjes om
-hare polsjes, het halskettinkje van blauwe kralen, waar ze zoo grootsch
-op was, het vergulde sieraad in de kleine kondeh, alles kwam van nénéh.
-Maar, ze deed dan ook flink haar best, zesjarige dreumes die ze was, en
-hielp reeds, met parmantige wijsheid aan allerlei in het huishouden.
-Met een oud-vrouwtjesachtige bedrijvigheid liep ze af en aan, sjouwde
-met de waterkruik, die zij verderop aan de rivier vulde, waschte de
-rijst, zocht brandhout bijeen en spoelde het vaatwerk af.
-
-Ze moest nu ook spoedig leeren batikken, had grootmoeder gezegd, doch
-dit vooruitzicht leek Wagini verre van pleizierig. Zij hield niet van
-stil zitten; met de vriendinnetjes spelen, hard loopen en springen, dat
-was haar grootste lust. Als de anderen huisjes van karang [1] bouwden,
-dan keek ze ongeduldig toe. Het was wel aardig om naderhand het lichtje
-te zien blinken tusschen de openingen der karang muurtjes, maar het
-loonde toch de moeite niet, zooveel tijd aan het opbouwen te besteden.
-
-Van het onderwijs op de godsdienstschool, waar zij een uurtje per dag
-heen ging, profiteerde Wagini niet bijster veel. Met groote moeite
-leerde zij de arabische letterteekens van elkaar onderscheiden, de
-kunst van lezen en schrijven werd zij nooit machtig. ’t Kon niet
-anders, niemand lette er op of zij ál of niet naar school ging en
-Wagini had dikwijls weken achtereen allerlei werk, dat haar veel
-nuttiger en noodiger toescheen dan schoolbezoek. In een strandkampong
-geboren, was zij bevoorrecht kind boven velen; aan het strand spelen
-was zoo prettig. Het schoon der zee trok maar zelden haar aandacht, zij
-lette er niet op of deze, in feesttooi gehuld, het heerlijk blauwe
-kleed met goud en diamanten overdekt, hare golven zacht tegen het
-strand stuwde, of wel diezelfde golven, met boos gebrul, hoog tegen den
-oever opjoeg, zoo gulzig naar het land happend, als wilde zij het
-verslinden. Wanneer het water zoo heel woest te keer ging, was zij
-alleen wel eens bang, dat het de kampong zou binnenstormen en in
-razende vaart alles meesleepen. Doch, daar Wagini dit nooit zag
-gebeuren, verdween deze angst met de jaren en leerde zij den oceaan als
-een kameraad beschouwen, die haar en den haren het noodige gaf om te
-leven. Als dreumes van vijf, zes jaar, trok zij al voordeel van de zee
-op hare wijze. De kleine sarong hoog opgeschort, liep zij het water in
-om vischjes en garnalen te vangen, en verdiende daarmede menig
-snoepduitje. Dikwijls stond Wagini aan het strand met een vuil handje
-boven de oogen, zooals zij het de zeelui in hare omgeving zag doen. Dan
-keek ze uit of de visschersprauwen in aantocht waren. Werden zij
-spoedig verwacht, dan was het kleine ding in haar element. Naast
-grootmoeder zat zij al lang van te voren aan het strand, gretig starend
-naar de blanke zeilen, die achtereenvolgens aan den horizon opdoemden.
-En, wierp de vloot haar zilveren zeebuit op het land, welk een genot om
-de groote visschen te bewonderen, ze te helpen voortsleepen naar de
-kampong, de mannen achterna te loopen, die de volle manden wegdroegen,
-er bij te zitten als de voorraad verdeeld werd onder de koopers, bij
-het eentonig tellen der vrouwen.
-
-Vader had jaren geleden ook op een groote prauw gevaren, vertelde
-grootmoeder.
-
-„Net zoo een als van Roestiman?” vroeg Wagini.
-
-„Nog veel grooter,” verzekerde nénéh, „zij was bemand met wel twintig
-koppen en zoo mooi versierd met schelletjes, stukjes blik en
-spiegeltjes, die helder in de zon fonkelden, tusschen het tuigwerk.”
-
-Vader had altijd een goede verdienste gehad met de visscherij, maar hij
-was ongedurig van aard, hij kon nooit lang bij hetzelfde werk blijven.
-
-„Waar is die schuit nu?” vroeg Wagini, die meer belang stelde in de
-prauw dan in vaders wedervaren.
-
-„Gestrand, kind, daar ver weg bij poeloe padjang; een tegenwind dreef
-haar op de karang, waar zij verging.” En de oude vrouw strekte den
-dorren wijsvinger uit naar een witte plek in de verte, waar de golven
-in heftige branding gistten en woelden tusschen de koraalriffen, die
-mijlen ver in zee het vaarwater onveilig maakten.
-
-
-
-Grootmoeder werd oud en sukkelend, de arbeid viel haar zwaar. Wagini
-deed bijna al het werk in huis en hielp nénéh bovendien bij die
-bezigheden, waar wel is waar weinig verdiensten op zat, als garen
-spinnen, matten vlechten, batikken enz., doch die de nijvere, oude
-handen bezighielden. Het jonge meisje droeg de zware vischmanden,
-grootmoeder de lichte vracht als zij passarwaarts gingen.
-
-’t Kostte het oudje veel inspanning ver te loopen, doch zij liet haar
-kleindochter niet graag alleen gaan; Wagini telde bijna veertien jaar
-en was het mooiste meisje uit de kampong.
-
-„Kind,” sprak nénéh op zekeren dag, „ik zal niet lang meer leven, je
-moet maar spoedig trouwen, dan kan je man voor je zorgen en grootmoeder
-het hoofd rustig neerleggen.”
-
-
-
-
-II.
-
-Zacht en volgzaam van aard, sprak Wagini niet veel tegen; dat paste
-haar niet tegenover de oude vrouw, doch het vooruitzicht van een
-huwelijk vervulde het meisje met heftigen afkeer. Zij wist, dat moeder,
-even vijftien jaar oud, bij hare geboorte gestorven was. Wat had die
-arme moeder van het leven genoten? Neen, Wagini wilde niet, als zij,
-jong sterven, ze had het veel te goed, ze was gezond en krachtig, het
-leven lachte haar toe. Al moest zij flink de handen uitsteken, al viel
-het sjouwen met de vischmanden haar wel eens zwaar, er was toch veel,
-dat vergoeding gaf voor het harde werken, menig feestje in de kampong
-of daar buiten kwam den eentonigen dagelijkschen arbeid afwisselen.
-
-Daar had men inlandsch Nieuwjaar, wanneer niemand werkte en ieder in
-zijn allerbesten pronk, vrienden en kennissen ging geluk wenschen,
-terwijl er overal getrakteerd werd. Het was een genot op zich zelf voor
-kleine, ijdele Wagini, om, bij die gelegenheid, de fraai gebatikte
-sarong om de slanke heupen te plooien, en al wat zij aan sieraden
-bezat, op de fluweelen kabaja te hechten.
-
-En dan het aardig ketoepatfeest, na afloop der vasten, als men met
-prauwen naar het naburig eiland voer, om de aan het feest geëigende
-lekkernijen te genieten en de inlandsche spelen te bewonderen. Het
-deerde Wagini niet, dat zij uren lang in de felle zon moest staan om de
-grappig verkleede clowns hunne buitelingen te zien maken, de kleine
-dansers gâ te slaan die, in meisjespakken gestoken, van blauwe brillen
-en waaiertjes voorzien, hunne langzame, statige pasjes uitvoerden op de
-maat van hun eigen zang. De nagebootste dieren waren ook een kijkje
-waard: hoe hartelijk moest ’t meisje meelachen als zij de potsierlijke
-krokodillen met hunne groote, klepperende bekken op de naastbijstaanden
-zag toespringen, die in den eersten schrik angstig achteruitstoven
-alsof er werkelijk gevaar dreigde.
-
-Wanneer grootmoeder van naar huis gaan sprak, vleide Wagini steeds nog
-een poosje te mogen blijven: het ketoepatfeest kwam maar eens in het
-jaar.
-
-Maar des te menigvuldiger waren de feestjes in de kampong: de sedekahs
-en slametans bij huwelijken, geboorten en sterfgevallen of die, als
-zoenoffer, voor een gedane gelofte golden. Als jong meisje mocht Wagini
-niet tegenwoordig zijn bij die gelegenheden, doch zij gluurde met de
-vriendinnetjes om een hoekje, zag van verre het dansen der
-tandakmeisjes en genoot van de lieflijke tonen der gamelang. Er leefde
-niet veel poëzie in haar eenvoudig zieltje, maar zij had gevoel voor
-muziek. Uren achtereen kon ze, met droomerig genot, zitten luisteren
-naar de klanken van gamelang, rebab (een soort viool) of fluit, als
-zij, op den adem van den avondwind gedragen, uit de verte tot haar
-kwamen.
-
-O, ze was zoo gehecht aan haar kampong, aan de gebruiken van haar eigen
-volk, vreemden ging ze schuw uit den weg; doch onder haar kornuitjes
-voelde zij zich vrij als een vroolijk, gelukkig kind.
-
-Wanneer de maan vol en helder aan den hemel stond, heerschte er een
-gezellige, opgewekte geest in de kampong. Zij lag dan als in
-tooverlicht gehuld, al het leelijke der huisjes was verdwenen, men zag
-de vuile muren, de sjofele daken niet meer in dien blauwen zilvergloed.
-Oud en jong kwam naar buiten; hier zaten groepjes mannen
-philosopheerend bijeen, onder het kalm genieten van een strootje
-(cigaret), ginds behandelden de huismoeders, in druk en levendig
-gesprek, de op de passar gehoorde nieuwtjes. De kleintjes bleven laat
-buiten spelen en sprongen als lustige eekhorens heen en weer, terwijl
-zij bij hunne vroolijke spelletjes de hoogste liedjes uitgalmden.
-
-Het was bijna jammer ter ruste te gaan, nu het zoo helder licht bleef
-en de frissche avondwind over de kampong heenstreek.
-
-In den kring harer speelgenootjes zat Wagini druk mee te babbelen en te
-lachen.
-
-„Je wordt de bruid, Wagini, vóór de maan weer vol is,” plaagden de
-vriendinnetjes, „ze zeggen dat je vader gauw thuis komt, dat je
-grootmoeder hem liet roepen.”
-
-Boos keerde het meisje zich af. “’k Wil niet,” sprak ze norsch, stond
-eensklaps op en trad haar huisje binnen.
-
-„Nénéh, het is immers niet waar, ik hoef toch nog niet te trouwen?”
-vroeg ze gejaagd.
-
-De oude vrouw zag haar kleinkind kalm in het angstige gezichtje.
-
-„Grootmoeder en vader weten wat goed voor je is, kind,” sprak ze
-bedaard, „maak je maar niet bezorgd en ga nu slapen, hartje.”
-
-Wagini bleef echter langen tijd op haar matje heen en weer wentelen en
-schreide zacht; zij wilde niet trouwen.
-
-Doch naar haar wil wordt, in zake huwelijk, niet gevraagd bij het
-inlandsche meisje. De ouders of naaste verwanten zoeken een geschikte
-partij en het kind heeft te gehoorzamen.
-
-Wanneer een klein kampongmeisje er aardig uitziet, ontbreekt het haar
-niet aan huwelijkspretendenten. ’t Gebeurt dikwijls, dat er, vóór het
-kind zes of zeven jaar oud is, reeds verscheidene keeren aanzoek om
-haar hand is gedaan. Dit gaat echter buiten de beide hoofdpersonen om.
-Heeft de jonge man, wanneer hij vijftien jaar of ouder is, al eenige
-stem in het kapittel, het meisje wordt geheel behandeld als een stuk
-koopwaar, dat van de eene hand in de andere overgaat.
-
-Dit lot was ook Wagini beschoren. Wel is waar kwam de voorspelling
-harer vriendinnetjes niet uit, de maan werd weer vol, terwijl het
-meisje nog vrij en frank rondliep, doch zij had haar noodlot intusschen
-met reuzenschreden nader zien komen.
-
-Op zekeren dag, terwijl Wagini tegen het vallen van den avond buiten
-zat te spinnen, zag zij een haar onbekend man grootmoeders huisje
-binnentreden; even later stond het meisje vóór haar vader. De
-ontmoeting tusschen vader en dochter was zeer kalm; wat kon het kind
-voor dien, haar geheel vreemden man gevoelen? Onderdanig, zooals het
-eene dochter betaamt, begroette zij hem, zonder grootmoeders blijdschap
-te deelen, die Kerto-Sadji zeer hartelijk ontving.
-
-Al spoedig bemerkte Wagini, dat vader alleen was thuis gekomen om haar
-uit te huwelijken. Sinds een jaar had hij vast werk aan een fabriek van
-mortions (vuurwerk) en wilde zoo spoedig mogelijk weer terug naar de
-groote stad, waar hij vrouw en kinderen achterliet.
-
-Daar zijne tegenwoordigheid echter bepaald vereischt werd hij het
-huwelijk zijner dochter en de daaraan voorafgaande formaliteiten, was
-hij op grootmoeders verzoek overgekomen; de oude vrouw wilde de zaak
-met spoed tot een gewenscht einde brengen.
-
-Met angst en schrik zag het jonge meisje haar huwelijksdag te gemoet;
-al werd zij geheel buiten de voorafgaande onderhandelingen gehouden, al
-had zij zich zelfs verstopt toen haar aanstaande een kijkje kwam nemen
-naar zijne kleine bruid, zij wist wel, dat verzet haar niets zou baten.
-De bruidsgeschenken waren gewisseld, er was rekening gehouden met
-gunstige en ongunstige voorteekenen en eindelijk werd een
-heilaanbrengende dag uitgezocht voor de huwelijksvoltrekking.
-
-Tot het laatst toe bleef Wagini hopen, dat een of ander toeval het
-onheil zou afwenden, doch, nu dit niet het geval bleek, berustte zij:
-het was Gods wil.
-
-Op den gewichtigen dag kwam nénéh reeds om vijf uur haar kleindochter
-wekken, want het toilet eener inlandsche bruid kost veel tijd.
-
-Terwijl men hiermede bezig was, begaf Wagini’s bruidegom zich met zijne
-verwanten en vrienden naar de moskee, om het huwelijk door den priester
-te laten voltrekken. Bij deze plechtigheid behoeft de vrouw niet
-tegenwoordig te zijn; Wagini was dus reeds gehuwd vóór zij haar man
-ooit ontmoette.
-
-Intusschen liet het arme kind het lijdelijk toe, dat men haar in
-bruidstooi kleedde. Onbeweeglijk bleef zij zitten, terwijl men haar
-lief gezichtje met boreh insmeerde en ook hals en armen met deze gele
-verfstof bedekte. Nu werd een fraai gebatikte kain (soort sarong) om
-haar fijn middeltje gewonden en daarover een tweede kain of overkleed
-van blauw satijn geworpen en in kunstigen wrong, onder de armen door,
-op den rug bevestigd, zoodat schouders, armen en een groot gedeelte der
-borst onbedekt bleven.
-
-Het weelderige haar, in een komvormig kapsel opgestoken, versierde
-grootmoeder met snoeren aan draden geregen bloemen, die langs het
-voorhoofd tot op de wangen hingen. Vergulde en zilveren armbanden
-schitterden aan bovenarm en polsen, terwijl de kleine, tengere vingers
-bijna verloren gingen onder het aantal grof bewerkte ringen, waarin
-groote, onechte steenen fonkelden. Grootmoeder had dit kostbaar
-bruidsgewaad met al den daarbij behoorenden opschik natuurlijk niet
-zelve kunnen bekostigen. Voor een rijksdaalder was al de pronk gehuurd,
-waarmede Wagini de bewondering van vrienden en verwanten zou wekken.
-
-Het toilet der bruid was nu voltooid en zij moest, als een stijf
-aangekleede pop, stil blijven zitten tot de bruigom kwam.
-
-Het huis vulde zich intusschen met gasten en toeschouwers, ieder kwam
-de bruid bewonderen. Wagini’s hart klopte luid en angstig; had zij maar
-durven wegloopen, het lot ontvluchten, dat haar wachtte! Maar waar
-moest zij heen, wie zou haar helpen?
-
-Om vier uur verkondigde een groot rumoer reeds van verre de komst van
-den bruidegom. Vergezeld van een stoet vrienden en bloedverwanten en
-door muziek begeleid, kwam hij te paard aanrijden en steeg af voor het
-huis der bruid, waarna hij door twee personen plechtig werd
-binnengeleid. Toen Wagini hem zag aankomen, had zij het wel willen
-uitschreeuwen. In plaats daarvan liet zij zich gedwee bij de hand nemen
-door de twee aangewezen vrouwen, die het bruidje haar man te gemoet
-voerden. Wagini hield de oogen neergeslagen, slechts even wierp zij een
-schuwen blik op Sakerto, toen zij vlak voor hem stond. Op het oogenblik
-der eerste ontmoeting tusschen man en vrouw wil het gebruik, dat het
-jonge paar elkaar met sirih werpt. Sakerto volbracht dezen plicht naar
-den eisch, doch de hand van het vrouwtje beefde zoo sterk, dat het
-dichtgevouwen blad naast het hoofd van haar man terecht kwam. Als
-bruidegom was deze niet minder fraai uitgedost dan zijne bruid. Ook hij
-droeg het bovenlijf naakt en met boreh besmeerd, zijne haren, eveneens
-met snoeren bloemen versierd, zwierden hem los op den rug, een kostbare
-kain omgaf zijne heupen en hing tot laag op de voeten neer, terwijl de
-kris, het handvat fonkelend van kleine steentjes, met bloemen was
-versierd. Sakerto had een vriendelijk, goedig uiterlijk en telde dubbel
-zooveel jaren als Wagini.
-
-Het feit dat hij reeds gehuwd was geweest, gaf aanleiding tot eene
-nieuwe plechtigheid. Men reikte Wagini een kom water, die zij over een
-stuk brandend hout moest leeg gieten: een zinnebeeldige voorstelling,
-dat het vuur, in het eerste huwelijk onderhouden, nu was uitgebluscht.
-Na afloop dezer ceremonie nam het bruidspaar naast elkander op een
-matje plaats, er werd koffie en gebak rondgediend en het gevolg van den
-bruidegom bracht de huwelijksgeschenken, meest smakelijke eetwaren, aan
-de bruid; ook ontving zij eenig geld van haar man, waarvoor zij hem
-onderdanig buigend dankte. Zonder een woord te wisselen zat het
-bruidspaar naast elkaar, de gelukwenschers stroomden het huis uit en
-in, men at en dronk en was vroolijk, er heerschte een drukte van
-belang, een bedrijvigheid en heen- en weergeloop, die toenamen naarmate
-de avond viel. De lampen werden ontstoken, de muziek liet hare tonen
-hooren, op het erfje verdrongen zich de toeschouwers, aangetrokken door
-de vroolijkheid en het helder verlichte huis, waar men bruiloft vierde.
-Den geheelen nacht bleef het feest voortduren, niemand dacht aan
-slapen. Wagini was doodmoe, zij kon de oogen bijna niet meer open
-houden, het scheen haar toe, dat de lampen dof begonnen te branden, zij
-verstond niet meer wat men tot haar sprak. Eindelijk nam haar lijden
-een einde: toen het daglicht aanbrak vertrok de bruidegom met zijne
-vrienden en Wagini mocht gaan rusten, haar statiegewaad afleggen, voor
-eenige uren althans.
-
-
-
-Den volgenden dag zat de jonggetrouwde vrouw in haar bruidstooi
-gekleed, weer om vier uur klaar, wachtend op den bruigom, ditmaal om
-met hem een rit door de stad te maken. Spoedig hield de fraaiversierde
-bruidswagen, gevolgd door wel twintig karretjes, waarin Sakerto’s
-vrienden hadden plaats genomen, voor Wagini’s woning stil. Door hare
-verwanten begeleid, trad het bruidje naar buiten in den vollen
-zonneschijn en daar stond zij, klein en tenger schepseltje, een vreemde
-onnatuurlijke verschijning met haar saffraankleurig gezichtje en
-getooid in dat bonte, opgeschikte gewaad. Zwijgend nam zij naast haar
-man plaats en zoolang de rit duurde bleven beiden als beweginglooze
-poppen strak voor zich uitstaren. Misschien ging Sakerto met hart en
-ziel in de glorie op, als bruigom zoo deftig en met groot gevolg rond
-te rijden en overal bekijks te wekken. Ieder week voor den bruidsstoet
-uit, de kampongs liepen leeg om den optocht voorbij te zien komen. Maar
-het bruidje kon hare tranen nauwelijks bedwingen en af en toe trilde
-het verraderlijk om den kleinen, strakken mond. Eindelijk was ook deze
-lijdenstocht volbracht en nu stapte de bruiloftsstoet af voor het huis
-van den jongen man, waar deze met zijne moeder en zusters woonde, en
-dat nu voortaan ook Wagini’s tehuis zou zijn. Nadat de nieuwe
-schoondochter plechtig was ingehaald, met inachtneming van al de
-ceremoniën, die de adat voorschrijft, trad de schoonmoeder uit het
-binnenvertrek het jonge vrouwtje vriendelijk te gemoet. Er lag een
-wereld van goedheid in de zachte, bruine oogen, toen zij op het
-schepseltje rustten, dat voortaan een deel van haar gezin zou uitmaken.
-Wagini was echter te ontdaan om dit op te merken.
-
-Het bruidspaar vormde weer het midden van een aantal gasten en
-toeschouwers, de drukte was nog grooter dan den vorigen dag. Gul werd
-ieder uitgenoodigd zich te goed te doen aan den overvloed van spijzen,
-die stonden opgedischt: vleesch en visch met gekruide sausen, rijst met
-toespijzen, gebak in soorten en een overvloed van vruchten. Hartelijk
-drong schoonmoeder Bok Djemilah het bruidje toe te tasten en zette haar
-het beste en lekkerste voor, doch Wagini kon geen bete naar binnen
-krijgen. Zij had nog geen woord met haar man gewisseld en deze nam
-evenmin eenige notitie van zijn kind-vrouwtje; hij at en dronk en
-onderhield zich met zijne vrienden. Was dit fijngevoeligheid, begreep
-hij hoe beschaamd en verlegen zij zich voelde?
-
-Grootmoeder liet het zich intusschen best smaken en keek vergenoegd
-rond: zij had er niet het minste begrip van hoe het Wagini te moede was
-en meende tot bestwil van het kind gehandeld te hebben. Haar
-kleindochter ging een aangenaam leven te gemoet, want Sakerto verdiende
-flink geld met timmeren, hij was een zachtzinnig, bedaard mensch en zou
-zijn vrouwtje zeker goed behandelen. Wagini hoefde nu niet meer met de
-zware vischmanden te sjouwen, want de dessa, waar haar man woonde, lag
-niet aan zee. Zij had slechts hare plichten als huisvrouw te verrichten
-en kon nog een aardig stuivertje bijverdienen in den tijd van den
-padi-oogst. Op hare beurt kon zij grootmoeder nu steunen en het goede
-kind zou nénéh op haar ouden dag het dagelijksch bordje rijst zeker
-graag gunnen.
-
-De feeststemming onder de bruiloftsgasten werd steeds grooter. Een paar
-bont uitgedoste dansmeisjes wekte de bewondering en den luiden bijval
-van het publiek, door de kunstige, lenige wijze, waarop zij hare
-ledematen wisten te draaien en te wringen naar de eischen der
-tandakkunst.
-
-Het ging alles als in een roes aan Wagini voorbij, die moeite had om
-wakker te blijven; het arme kind kon zich bijna niet meer rechtop
-houden. Doch het werd weer morgen eer zij mocht opstaan om naar hare
-kampong teruggeleid te worden (de eerste dagen nà haar huwelijk slaapt
-de jonge vrouw nog in hare eigen woning). Bijna omvallend van
-vermoeienis trad Wagini er binnen. Goddank, nu was het feestvieren
-achter den rug.
-
-
-
-Twee dagen later werd Wagini voorgoed in het huis van haar echtgenoot
-opgenomen. Zij moest nu hare schoonmoeder in het huishouden helpen en
-naast haar man, ook deze gehoorzamen. Dit laatste viel het jonge
-vrouwtje gemakkelijk genoeg. Bok Djemilah was een goede vrouw, zij
-verlangde niet te heerschen en te bevelen, haar stem klonk steeds zacht
-en vriendelijk. Spoedig hield de nieuwe schoondochter bijna even veel
-van haar als van grootmoeder, doch voor haar man bleef zij even angstig
-en schuw als op den trouwdag. Weerspannige vrouwtjes worden bij den
-inlander met de bamboe geregeerd, maar tot dit middel wilde Sakerto
-vooralsnog zijn toevlucht niet nemen, al verdroot het hem geducht, dat
-Wagini hem uit den weg ging waar zij kon en zich verstopte of vluchtte
-als zij hem van verre zag aankomen. „Heb maar geduld, ze is nog zoo
-jong, het zal wel terecht komen,” verzekerde Djemilah haar zoon, en zij
-wees het jonge vrouwtje intusschen met liefderijke woorden op hare
-plichten. Wagini luisterde onderdanig toe, prevelde: „ja, ja,” en bleef
-onwillig haar man zelfs een hand te reiken. Als een stout kind
-verschool zij zich nu eens onder een bank, dan weer in het kippenhok of
-zij klom in een boom, waar de roode mieren het haar zoo lastig maakten
-met hunne venijnige steken, dat zij zich wel naar beneden moest laten
-glijden. In plaats van eenige genegenheid voor Sakerto op te vatten,
-werd haar afkeer van hem steeds grooter. Die dwaze angst bezorgde
-Wagini op zekeren avond een ernstig ongeluk.
-
-Het was al laat en het jonge vrouwtje had zich juist tusschen hare
-schoonzusters in, op haar matje gevlijd, toen zij op eens haar man zag
-binnenkomen. Zij dacht, dat hij al lang sliep en, hoewel Sakerto niet
-de minste acht op haar sloeg, werd zij eensklaps door zulk een grooten
-angst aangegrepen, dat ze overeind vloog, vlug over de om haar liggende
-gestalten heen wipte en naar de deur vluchtte.
-
-Bij den drempel struikelde zij, viel en bezeerde zich zoo hevig aan
-haar rechtervoet tegen een stuk ijzer, dat zij kreunend bleef liggen.
-
-Weken lang moest Wagini voor hare dwaasheid boeten, de voet wilde
-slechts langzaam genezen. Grootmoeder kwam haar kleinkind bezoeken en
-bleef, om haar met Bok Djemilah te verplegen.
-
-De beide vrouwen spraken hoofdschuddend over Wagini’s koppigheid en
-kuren.
-
-Waar moest dat heen? Straks verstootte Sakerto het ondeugende kind nog
-en grootmoeder vouwde angstig de handen samen bij dit vreeselijk
-vooruitzicht.
-
-Maar het noodlot kwam Wagini te hulp.
-
-Zij was nauwelijks hersteld en had zich voor den eersten keer met
-langzame voorzichtige pasjes buiten gewaagd, toen zij voor hare oogen
-het ongeluk zag gebeuren, dat haar, geheel onverwacht, hare vrijheid
-teruggaf.
-
-Een eindje van het huis stond een klapperaanplant en Sakerto was in een
-hoogen boom geklommen, zooals hij reeds honderden malen gedaan had, om
-de rijpe vruchten af te kappen.
-
-Wagini luisterde onwillekeurig naar het regelmatig kloppen en den
-harden plof, waarmee de vruchten achtereenvolgens naar beneden kwamen.
-Op eens werd het geklop gestaakt, een rauwe gil weerklonk door de lucht
-en tegelijkertijd stortte Sakerto naar omlaag. Een kleine
-onvoorzichtigheid had hem het evenwicht doen verliezen, en, toen op
-Wagini’s angstgeschreeuw, de huisgenooten kwamen toeloopen, bleek het,
-dat de arme Sakerto zijn ruggegraat gebroken had, en onmiddellijk een
-lijk was geweest.
-
-Den volgenden morgen werd Sakerto begraven, diep betreurd door zijne
-moeder en zusters, die weeklagend bijeen zaten. Wagini trachtte haar te
-troosten, doch de oogen der weduwe zelve bleven droog.
-
-
-
-Een jaar ruim is verloopen. Overal op de sawahs heerscht vroolijke
-opgewektheid, men is in het volle getij van den padi-oogst. Vóór dag en
-dauw tijgen mannen en vrouwen, meisjes en jongelingen naar de velden om
-de rijpe halmen één voor één, met het scherpe mesje af te snijden en
-tot bundels saam te binnen. Er wordt van ’s morgens tot ’s avonds
-gearbeid en in de schemering ziet men overal menschen met welgevulde
-bundels op den rug, tevreden huiswaarts gaan. Die niet op eigen grond
-werkt, verhuurt zich bij zijn buurman en hoe vlijtiger de handen zich
-reppen, hoe grooter de bos padi, die als welverdiend snijloon naar huis
-wordt meegedragen.
-
-Geen tijd in het jaar, waarop de jongelieden prettiger en vrijer met
-elkaar verkeeren dan wanneer de gouden halmen vallen, die den Javaan
-zijn levensbrood geven. Alle stijfheid en vormelijkheid wordt op zij
-gezet, oud en jong werkt lustig en opgewekt.
-
-De zon is zoo even herrezen en giet haar gouden gloed over de akkers,
-zacht wiegelen de volle padihalmen op den adem van den morgenwind; ach
-armen, ze weten niet hoe spoedig het gedaan zal zijn met hun jong
-krachtig leven.
-
-Zie, daar komen de snijdsters aan, achter elkaar loopend, op het smalle
-pad. De meesten dragen het hoofd nog onbedekt, doch allen hebben den
-grooten toedoeng of zonnehoed in de hand, die haar straks beschermen
-moet tegen de al te vurige liefkoozingen der dagvorstin. Hoe vroolijk
-steken de kleurige baadjes tegen de omgeving af, hoe veel lieve jonge
-gezichten ziet men tusschen de oude, verweerde vrouwen in. Het zijn
-hare dochters en kleindochters, die spoedig zullen worden als zij: hard
-werken in zon en regen maakt vroeg oud.
-
-Maar aan die toekomst denken de jongeren niet, nu is het leven nog
-heerlijk en vol beloften en velen lachen stil voor zich heen bij een of
-andere zoete herinnering. Onder de padisnijdsters is ook Wagini, een
-mooie, tot haar vollen wasdom ontwikkelde vrouw, heerlijk om aan te
-zien met haar krullend haar en donkere schitteroogen. Zij lacht
-verstolen en slaat even de oogen op, als zij, druk aan het snijden,
-denzelfden jongen man, die haar nu reeds drie dagen het hof maakt, over
-het veld naar zich toe ziet komen. Wat een knap uiterlijk, wat een
-prettig gezicht heeft hij, die slanke Ramidin! Daar komt hij haar op
-zijde en lacht en Wagini, het schuwe preutsche vrouwtje, lacht terug en
-laat van terzijde, van onder de lange wimpers, haar blik met
-welgevallen op Ramidin rusten.
-
-En nu begint tusschen dit paar het spelletje oud als de wereld: hij
-lokt en vleit, en zij doet als weet ze niet waar hij heen wil. Ze laat
-toe, dat hij de door haar gesneden halmen tot schooven bindt en ze voor
-haar draagt. Den heelen dag blijft hij haar ter zijde en om het paartje
-heen lacht en fluistert men: die twee worden het ééns.
-
-In de schemering, als zij naast elkander huiswaarts gaan, zij met den
-zwaren bundel padi, in de slendang op den rug gebonden, spreekt hij het
-groote woord en Wagini, fier en gelukkig, dat zij nu, in vrije keuze,
-de inspraak van haar hart mag volgen, reikt haar vriend de kleine,
-tengere hand en belooft Ramidin, dat zij met hem door het leven wil
-gaan.
-
-
-
-
-
-
-
-EEN ZENDELINGSVROUWTJE.
-
-
-I.
-
-Zij hadden elkaar bijna drie jaar lang dagelijks gezien en gesproken,
-elkander goed, heel goed leeren kennen vóór hij het beslissend woord
-sprak, haar vroeg zijn vrouwtje te worden, en met hem mee te trekken
-naar het verre, vreemde land. Als zij haar Johannes niet zoo innig had
-lief gehad, de blonde, slanke Dina, met eene liefde, die langzamerhand
-van kleinen knop tot een volle, heerlijke bloem was ontwikkeld, dan zou
-zij zeker geaarzeld, hem haar jawoord niet zoo gemakkelijk gegeven
-hebben, maar nu.... En toch hij vroeg zooveel; voor hem moest zij haar
-„Heimat,” doch wat oneindig zwaarder woog, haar dierbaar tehuis, haar
-„süsses Mütterchen,” verlaten. „Ach, waarom koos hij juist een
-werkkring, die hem naar verre landen riep?” zuchtte zij, droef te moede
-als zij aan de naderende scheiding dacht. Zij wist echter hoe lief haar
-aanstaanden man zijne roeping was, hij vertelde het haar meer dan eens,
-hoe reeds als kind het denkbeeld hem bezielde Christus’ zachtaardige
-leer onder de onwetende heidenen te verspreiden en hun daarmede geluk
-en zegen te brengen.
-
-In hare dwepende meisjesliefde zag zij een apostel in haar Johannes,
-even goed en zachtzinnig als de meest geliefde leerling van den Heer,
-toen deze nog rond ging op aarde. En Dina peinsde en droomde over de
-toekomst, doch menigmaal toefden hare gedachten ook in het verleden,
-toen zij zelfs den naam niet kende van den man, die haar nu alles en
-alles was. Hoe goed herinnerde zij zich den avond, waarop hij voor het
-eerst hun huis betrad. Zij was een aankomend meisje, de zware blonde
-vlechten nog hangend op haar rug en als een echt bakvischje blozend bij
-iedere gelegenheid. Zoo was die lastige blos natuurlijk ook naar hare
-wangen gestegen, toen zij kennis met hem maakte en voor het eerst den
-blik ontmoette van zijne ernstige, donkere oogen.
-
-Vriendelijk en goedig had hij in het geheel niet laten bemerken, hoe in
-het oog vallend hare verlegenheid was geweest; dat had haar toen reeds
-dadelijk voor hem ingenomen.
-
-Het sprak vanzelf dat hij, de zoon van haar vaders besten vriend,
-spoedig als kind bij hen aan huis kwam, al de uren, die hij niet aan
-zijne studie wijdde, bij hen sleet.
-
-Zij zag hoog tegen hem op in die dagen, als tot een zeer ontwikkeld,
-knap man, die met haar vader over onderwerpen redeneerde, waarvan zij
-nooit gehoord, veel minder over gedacht had.
-
-Toch luisterde zij gretig toe, al begreep zij niet alles; het gebeurde
-dikwijls, dat Johannes zich tot haar wendde, of, om harentwille, het
-gesprek eene andere richting gaf; dit vervulde haar steeds heimelijk
-met trotsche blijdschap. Die nieuwe huisgenoot bleek voor het geheele
-gezin een groote aanwinst, spoedig kon hij niet meer gemist worden in
-hun kring. Hij stal Dina’s hart door zijne vriendelijke attenties voor
-„lieb Mütterchen,” zijne stille hulpvaardigheid en groote deelneming in
-al wat de haren betrof. Aan alles kon zij bemerken, dat hij graag in
-hun midden toefde; zelf stil en ernstig van aard, zich aangetrokken
-voelde door den opgewekten toon, die bij hen heerschte. Zij was niets
-ernstig, integendeel, zij kon den verpersoonlijkten levenslust
-voorstellen, het leven bood haar tot nu toe enkel rozen.
-
-Altijd gezond en opgewekt, geliefd kind in huis, ja zelfs wel een
-beetje verwend en vertroeteld als eenige dochter en zuster, zou zij
-haar lot met niemand hebben willen ruilen, en wenschte zij, dat het
-maar immer zoo blijven mocht.
-
-Doch het kind groeide op tot jonkvrouw en het uur kwam, waarin ook in
-haar het stille, reine, heerlijke gevoel ontwaakte, dat liefde heet. ’t
-Was ongemerkt en als vanzelf gekomen, dat de genegenheid en
-vriendschap, die zij voor Johannes koesterde, langzamerhand in een
-dieper en inniger gevoel veranderden. En zij wist, zij voelde het aan
-duizend kleinigheden; een lange blik, een zachter klank in zijne stem
-als hij tot haar sprak, een heimelijke handdruk, deze alle zeiden het
-haar, dat hare liefde beantwoord werd. Haar eigen zoet geheim bewaarde
-zij als een schat diep in haar hart, zelfs Mütterchen kon zij er niet
-over spreken, en zoo wachtte zij vol geduldig, hoopvol vertrouwen, tot
-Johannes tot haar komen zou om het woord te spreken, dat over hun
-beider toekomst zou beslissen. Toen dat uur aanbrak, wie kon haar geluk
-beseffen? Alles jubelde in haar en, nauw was zij alleen, het gelaat nog
-nat van vreugdetranen of zij knielde neder en deed de stilte gelofte om
-haar Johannes waarlijk een zegen te zijn, hem vol vertrouwen en
-toewijding te volgen waarheen hij ook gezonden mocht worden, zijne
-lasten lichter, zijne vreugde grooter te maken en hem zoo, in ieder
-opzicht, te wezen een licht op zijn pad. Die heilige, goede voornemens
-bleef zij trouw, ook toen zij de haren vaarwel moest zeggen. De
-verloopen maanden waren Dina als in een droom voorbijgegleden; haar
-korte engagementstijd, haar huwelijk, een verrukkelijk reisje langs den
-Rijn, gevolgd door de niet minder heerlijke weken, die zij als jong
-getrouwde vrouw bij haar ouders aan huis had doorgebracht. Maar nu
-naderde het scheidingsuur met droevige snelheid en de arme Dina
-ontwaakte uit haar gelukkigen droom en leed bijna meer dan zij dragen
-kon. Ze wilde haar man geen verdriet doen en verborg hem haar strijd,
-doch ’t viel het arme vrouwtje oneindig zwaar haar geliefd huis te
-verlaten en dikwijls moest zij naar eenzame hoekjes vluchten om eens
-flink uit te schreien. Vooral wanneer zij, Mütterchen aankijkend,
-bedacht, dat de uren geteld waren, waarin zij dat lieve, dierbare
-gelaat voor het laatst zou aanschouwen, was het haar of zij dit niet
-kon overleven. Maar kost het strijd en bittere pijn, ook het zwaarste
-leed wordt gedragen, en zoo kwam ook Dina door het vreeselijk
-scheidingsoogenblik heen, en nam zij als troost naar het verre land de
-herinnering aan moeders kussen en de vurige zegenbeden harer ouders
-mede.—De tijd, de vele nieuwe gewaarwordingen op de reis, eerst over
-land, naderhand over zee en vooral de groote liefde van haar trouwen
-Johannes, zij deden het overige; toen het jonge paar Batavia bereikte,
-had Dina hare aangeboren opgeruimdheid grootendeels herwonnen en
-verlangde zij vol geestdrift den werkkring van haar man te deelen. Hoe
-bewonderde zij hem in zijn vasten wil en doorzettingskracht; zoodra hij
-zeker wist, dat zijn arbeidsveld op Java zou liggen, was hij aan het
-moeielijk Javaansch begonnen, ieder vrij uur, met taaie volharding aan
-die studie wijdend; Dina’s bewondering maakte echter ook wel eens voor
-naijver plaats op die nare boeken welke al Johannes’ tijd in beslag
-namen; slechts af en toe kon hij een uurtje aan vrouwlief wijden en zij
-had altijd wat te vragen en te babbelen, wilde haar man immer naast
-zich hebben om hem deelgenoot te maken van iedere gedachte. In die uren
-van eenzaamheid overviel haar ein fürchtbares Heimweh, dat zij niet
-altijd overwon, al streed zij er dapper tegen.
-
-Wanneer zij maar eenmaal in haar eigen huisje zat, zoo sprak het jonge
-vrouwtje zich zelve moed in, dan zou alles beter gaan, zij zou hare
-vaste bezigheden hebben en trachten Mutter’s verzekering, „dat Dina
-eene uitstekende huishoudster was,” niet te beschamen. Het duurde ook
-zoo lang en de tijd kroop voorbij juist omdat zij zoo verlangde naar
-haar eigen „Herd,” „doch endlich bleibt nicht ewig aus,” troostte zij
-zich. Groot was hare vreugde toen Johannes met de welkome tijding tot
-haar kwam: „Ik heb mijne aanstelling, Dina, wij gaan naar Soeka Slamat,
-waar ik de kleine gemeente, die broeder J. vijftig jaar geleden
-stichtte, zal voorgaan. Langen tijd hebben die Christenen geen leeraar
-gehad, er staat ook nog geen kerkje, maar het geld er voor is al
-grootendeels bijeen.”
-
-Dina klapte in de handen. „O, Johannes, hoe heerlijk, dan zult gij de
-kerk inwijden, niet waar? Krijgen we een lief huisje, man?”
-
-„Dat is ook in aanbouw. We zullen daar heel stil wonen, kindlief,
-zonder Europeanen in de buurt. ’k Hoor zelfs, dat in den regentijd de
-weg naar de hoofdplaats der afdeeling onbegaanbaar moet wezen. Ziet ge
-er niet tegen op, vrouwtje, in die eenzaamheid te leven met je stillen
-man tot eenig gezelschap?”
-
-Maar Dina sloeg de armen om zijn hals en betuigde vol nadruk: „Neen,
-neen, ik zie er geen ziertje tegen op. Ik mag je helpen met je werk, hé
-Johannes? Als de vrouw van onzen „pastor,” mag ik mij wijden aan de
-vrouwen en kinderen der gemeente, niet waar? En dan hoe heerlijk om
-mijn eigen huishouden te hebben, je lievelingskostjes te koken, alles
-rein en net om ons heen te houden, o man!” Hij glimlachte over haar
-enthusiasme.
-
-„Nu beste, als dat vooruitzicht je bekoort, zul je je hart kunnen
-ophalen, je zult de handen nog al eens moeten uitsteken, vrees ik. Wat
-bedienden betreft zullen we daar, op dat afgelegen plekje, niet veel
-keuze hebben en dan.... we moeten het zuinig overleggen, kind.”
-
-„Of dàt mij schrik zou kunnen aanjagen,” lachte het jonge vrouwtje, „ik
-heb thuis werken geleerd, dat verzeker ik je,” en hem met een vroolijk
-gebaar hare niet kleine, doch welgevormde handen voorhoudend, voegde
-zij er bij: „Deze twee verstaan de kunst van aanpakken, dat zult ge
-eens zien.”
-
-Hij kuste haar dankbaar. „Wanneer vertrekken we?” vroeg Dina, haar
-oogen, met een blijden glans tot haar man opslaande.
-
-„Zoo gauw je klaar kunt komen, kind.”
-
-Dat hield zij zich voor gezegd. O! zij was het kofferleven zoo moede,
-hoe goed en vriendelijk de menschen ook waren bij wie zij deze
-verloopen maanden gastvrijheid hadden genoten, zij verlangde met heel
-haar hart hun vaarwel te kunnen zeggen: „Eigener Herd ist Goldeswerth.”
-
-Onder het pakken zong het zendelingsvrouwtje half haar repertoire
-Duitsche liedjes af; zij was zoo innig gelukkig en Johannes niet
-minder, al voelde hij niet, als zij, de behoefte om zich zoo luide te
-uiten.
-
-
-
-Op de hoofdplaats der afdeeling, waartoe de gemeente van Johannes
-behoorde, kon het jonge paar maar één huis vinden, geschikt om te
-bewonen, tot het hunne in de bergen gereed zou zijn. Ofschoon het oud
-en vervallen was en zij er, als beiden hoopten, slechts kort in zouden
-blijven, trachtte Dina het er toch zoo gezellig en aardig mogelijk in
-te richten. Zij schikte hare huwelijksgeschenken op tafeltjes en
-kasten, versierde de stoelen met de handwerkjes, haar door de
-vriendinnen vereerd, en maakte zoo de plekjes, waar zij het meest
-zouden zitten, bepaald „gemüthlich.” Hare vroolijke, optimistische
-levensbeschouwing kwam haar nu te pas. O heden, wat een gesukkel was
-dat met die inlandsche bedienden. Hoe hemelsbreed verschilden zij met
-haar in opvatting van reinheid, zuinigheid en orde. De jonge vrouw had
-tal van groote en kleine ergernissen, doch viel er wijselijk haar man
-niet mede lastig. Aan de theetafel toonde zij hem slechts den grappigen
-kant van hare beproevingen, en beschreef in kluchtige verhalen hare
-ontzetting over de vuilheid van Sarina, de kokkin, die maar één baadje
-scheen te bezitten en dat nacht en dag aan had. En schaterend van het
-lachen vertelde zij verder, dat de huisjongen alles precies omgekeerd
-deed als zij gelastte; haar gebroken Maleisch wilde hij maar niet
-begrijpen. Nu dacht zij er over hare bevelen precies in omgekeerden zin
-te geven, als zij ze wenschte uitgevoerd te zien, dan moest het immers
-goed uitkomen? Neen, het smerige, luie stelletje bedienden, dat zij nu
-had, nam zij zeker niet naar de bergen mee; kokkie had n. b. opslag
-durven vragen ook.
-
-„En die heb je haar zeker dadelijk beloofd,” plaagde Johannes, “’t
-mensch kan dan een tweede baadje koopen.”
-
-„Dat kun je zoo denken! Ik heb haar juist gezegd, dat ze direct gaan
-kon, die luie slons, ik kan best zelf voor ons beidjes koken op onzen
-„Herd”; hoe heerlijk toch, dat wij die uit Duitschland meenamen. Ik
-verbeeld mij zoo, dat wij op Soeka Slamat betere bedienden zullen
-vinden dan hier zijn te krijgen. Dat zij nooit bij Europeanen dienden
-kan mij niet schelen, ik leer hun graag alles, mits zij maar zindelijk
-en eerlijk zijn.”
-
-Johannes was reeds eenige keeren naar Soeka Slamat geweest: tot hare
-teleurstelling had Dina hem niet kunnen vergezellen. De reis was te
-lastig nu, in den regentijd, meende Johannes; allerlei ongemakken, die
-hij als man zoo erg niet telde, werden onoverkomelijke bezwaren waar
-het eene dame gold; Dina moest geduld hebben tot hun huisje daarginds
-gereed was.
-
-Zes maanden na hunne aankomst te N. was het zoover. „Voor het laatst en
-nu voorgoed,” juichte het zendelingsvrouwtje onder het inpakken. Alles
-deed zij zelve bijna; het orgel waaraan zij zoovele genotrijke uren te
-danken had, als zij er, geaccompagneerd door haar man, hare liederen
-bij zong, emballeerde zij met bijzondere zorg en keek met een ongerust
-hart de karbouwenkar na, die haar schat naar de nieuwe woning zou
-brengen. Gelukkig, dat Johannes stemmen kon, want op dat schudden en
-schokken op den bergachtigen weg had zij het niets begrepen, het orgel
-leed er stellig van. Maar alle bekommernissen, de behouden overkomst
-van haar meubilair betreffend, zette Dina ver van zich toen zij naast
-haar man, in hunne nieuwe bendy gezeten, de reis aanvaardde naar het
-plekje, dat voortaan hun eigen zou zijn. Zij klaagde over hitte noch
-stof op den langen grootendeels onbeschaduwden weg, zij telde het niet
-wanneer zij, af en toe, kleine einden te voet moesten gaan, omdat
-Johannes de primitieve bruggen niet vertrouwde; aan het einde van dien
-weg lag immers hun „tehuis?”
-
-Toen zij het eindelijk bereikten en Johannes haar binnen leidde, kon
-zijn vrouwtje niet spreken van vreugde. „Het is een verrukkelijk
-huisje!” riep zij eindelijk vol blijdschap uit: drie galerijen en vier
-kamers, niet groot, maar flink hoog, wat konden zij meer verlangen? En
-alles blonk van nieuwheid; zij behoefde hier geen vuilgroene plekken
-aan den muur te „cacheeren” of zich te ergeren aan het uitslaan van een
-vochtigen grond.
-
-Had Dina hare tijdelijke woning zooveel mogelijk gezellig trachten te
-maken, hier was het haar een genot hun eigen huisje op te sieren en
-wonderen te doen met de middelen, die haar ten dienste stonden. Toen
-zij ten laatste alles geheel naar haar genoegen in orde had gebracht,
-riep zij Johannes en wandelde zielstevreden met hem het heele huis
-door, als een kind genietend bij zijne betuigingen van bewondering voor
-haar goeden smaak en practischen zin. Het keurig nette keukentje was
-haar grootste trots; daar stond „der Herd”, zoo glimmend gepoetst, dat
-men zich er in kon spiegelen en het niet minder blinkend keukengerei,
-keurig tegen den wand gerangschikt. „Ja, ja,” schertste Johannes, „dat
-is het stokpaardje van de Duitsche vrouwen: Die Küche, die Küche.”
-„Neen, niet alleen: die Küche, wir lieben drei K’s,” lachte Dina
-vroolijk: “Küche, Kirche und Kinder.”
-
-
-
-
-II.
-
-Haar gelaat betrok terwijl zij het laatste woord uitsprak en er kwam
-een droevige trek op. „Kinder,” ach zij had zoo vurig gehoopt spoedig
-moedervreugde te zullen smaken en tot nu toe had zij er niet aan
-behoeven te denken toebereidselen te maken voor een welkomen kleinen
-gast. Haar eerst zoo hartstochtelijk verlangen was in de afgeloopen
-twee jaren langzamerhand in een hopend wachten overgegaan.... maar
-toch, het gemis van een kindje op haar schoot ontlokte haar menig
-smartelijken zucht. „Niet mijn, maar uw wil, o Heer,” die ootmoedige
-woorden wilden Dina niet over de lippen, wanneer haar man haar tot
-berusten maande.
-
-Dina kreeg nu een druk, werkzaam leven; spoedig leerde zij de taal een
-weinig verstaan en kon er zich, zij het dan ook gebrekkig, in
-uitdrukken. Vol ijver aanvaardde zij de haar vanzelf toegewezen taak
-als raadsvrouw en onderwijzeres voor vrouwen en kinderen op te treden.
-Zij vergezelde haar man op zijne huisbezoeken en, naarmate zij de
-menschen beter leerde kennen, trad zij ook dikwijls zonder hem hunne
-huisjes binnen of haastte zich, als men haar raad en hare hulp inriep,
-deze in persoon te gaan brengen. In de dessa’s en kampongs der gemeente
-zag men het vroolijke, vriendelijke zendelingsvrouwtje gaarne komen en
-Dina van haar kant mocht hare “Christenleutchen” van harte lijden.
-Vooral tot het opgroeiend geslacht voelde zij zich aangetrokken. Drie
-keer in de week hield zij school voor groote en kleine meisjes, die zij
-in het naaien en zingen onderwees. De anderen nam zij dikwijls mede
-naar de keuken, niet zoo zeer om haar het koken te leeren, want de
-meesten konden de inlandsche spijzen beter toebereiden dan zij zelve,
-maar om haar aan het verstand te brengen, dat reinheid op handen en
-keukengereedschap tot de hoofdvereischten behoort van eene goede
-kokkin. De aanstaande huisvrouwtjes trachtte Dina te doen begrijpen hoe
-veel aangenamer en gezonder zij hare huisjes konden maken, wanneer zij
-deze zindelijk en frisch hielden en er alles een behoorlijke vaste
-plaats gaven, en zoo gaf zij duizend kleine wenken meer die zij zich
-ten nutte konden maken. En zij waren gewillig en volgzaam genoeg,
-Dina’s groote zoowel als kleine leerlingen. Allen deden haar best om
-het hare geduldige, altijd opgeruimde onderwijzeres naar den zin te
-maken. Een verwijtende blik of een afkeurend hoofdschudden waren de
-eenige strafmiddelen van de jonge vrouw en met beide deed zij wonderen.
-
-Er verliep bijna geen dag of Dina ging minstens tweemaal met Johannes
-naar het in aanbouw zijnde kerkje. Beiden zagen met groot verlangen de
-voltooiing te gemoet. De oefeningen werden nu bij hen aan huis
-gehouden, waar de noodige ruimte ontbrak en tal van andere bezwaren hen
-ieder keer tot elkander deden zeggen: „wanneer zal het voor ’t laatst
-zijn?”
-
-„Ik heb heusch ons kerkje al lief,” betuigde het zendelingsvrouwtje af
-en toe, terwijl zij vergenoegd het nette, ruime gebouw rondkeek. „Zie
-eens hoe flink hoog de vensters zijn en hoe vele zijn er wel! Mij
-dunkt, wij zullen het hier niet warm hebben, het dak is zoo hoog en er
-staan overal boomen om het huis. Waar zullen we het orgel zetten,
-Johannes? Dáár voor het podium?” Zij wipte vlug de steenen treden op,
-en vervolgde: „Hier zult ge staan, hé, man, wanneer je preekt? Jammer,
-dat er geen geld genoeg is voor een preekstoel, maar een kerkklok
-krijgen we toch zeker, niet waar?” Toen Johannes niet dadelijk
-antwoordde, verdween de vroolijke trek op Dina’s gezichtje en, hare
-vraag herhalend, keek zij hem angstig aan.
-
-„’k Vrees er voor, vrouwtje,” antwoordde de zendeling eindelijk, „het
-spijt mij zoo, maar het is toch beter, dat ik het je maar ronduit zeg.
-Ik geloof, neen ik weet zeker, dat wij onze kerk niet met klokgelui
-zullen inwijden, de kosten zijn niet meegevallen en....” Hij zweeg,
-want hij las op Dina’s gelaat zooveel teleurstelling, verslagenheid en
-verdriet, dat het hem aan het hart ging en haar liefkoozend op den
-schouder kloppend, troostte hij:
-
-„Kom, mijn beste, trek het je zoo niet aan, later....”
-
-Het jonge vrouwtje knikte maar eens, zij kon niet spreken, de tranen
-zaten haar in de keel. „Glockengeläute,” zij kende geen liefelijker,
-schooner muziek ter wereld; van kind af had het gelui der kerkklok een
-onuitsprekelijk zoete aantrekkingskracht voor haar gehad, het riep tal
-van geheimzinnige gewaarwordingen in hare ziel wakker, het maakte haar
-vroom en goed, het deed haar dubbel erkentelijk zijn voor de zegeningen
-in haar leven.
-
-En nu zou die beminde roepstem ontbreken als hun eigen kerkje werd
-ingewijd; zij zou niet over het land heenbeieren, om der geheele
-gemeente in heldere metaalklanken te verkonden, dat de groote dag daar
-was, waarop zij voor het eerst in haar eigen Godshuis kon vergaderen.
-Het was heel hard, vond de arme Dina, en telkens als zij over de
-inwijding spraken, zuchtte zij heimelijk, als zij bedacht, dat toch
-eigenlijk het voornaamste zou ontbreken, om dien plechtigen dag voor
-haar tot een dag van inwijding te maken.
-
-Maar ter wille van Johannes, deed zijne vrouw haar best om hare
-teleurstelling zoo goed mogelijk te dragen en hielp hem ijverig het
-programma voor den inwijdingsdag opmaken. Deze naderde nu snel, „in het
-begin der volgende week kwam de kerk zeker klaar,” had de opzichter
-verzekerd; den daarop volgenden Zondag zou de inwijding plaats hebben.
-
-
-
-Het was een heerlijk frissche morgen, „net een lentedag in mijn lief
-Heimatland,” dacht Dina, toen zij buiten trad. „Was het haar eigen
-opgewekte stemming, die alles om haar heen zulk een bijzonder
-feestelijk aanzien gaf?” vroeg het zendelingsvrouwtje zich af, terwijl
-zij beurtelings den blik richtte naar de stralende zon, de helder
-blauwe lucht en den vollen bladerrijkdom der boomen, waar de wind
-vroolijk doorheen speelde. Zongen de vogeltjes niet nog liefelijker dan
-anders, verspreidden hare rozen geen heerlijker geuren dan gisteren?
-Dina glimlachte om zich zelve. Dat alles was maar zoete verbeelding,
-omdat zij zich zoo heel gelukkig voelde, omdat heden de blijde
-Zondagmorgen was aangebroken, waarnaar zij, haar man en de geheele
-gemeente met hen maanden lang verlangend hadden uitgezien, de
-inwijdingsdag van hun eigen kerk. Om negen uur zou de plechtigheid
-aanvangen, het was nu al zes uur geslagen en er viel nog veel te doen.
-De jonge vrouw spoedde zich in huis en riep haar volkje bij elkaar.
-Weldra waren alle handen in de weer om de kerk nog eens een extra beurt
-te geven. De vloer en de banken werden geboend en afgewreven, hier en
-daar knaapjes geplaatst om leege plekjes te vullen. Vóór het podium
-stond het orgel juist op zijn plaats en er bleef ruimte genoeg over
-voor de leden der gemeente, die er zich bij het gezang om heen zouden
-scharen. Inmiddels hadden andere gedienstige handen het gebouw buiten
-versierd, guirlandes van groen waren om de pilaren geslingerd en in
-groote bogen voor de open vensters bevestigd. Dina offerde hare mooiste
-rozen „met hart en ziel,” betuigde zij haar man. “Es musz überall
-festlich geschmückt aussehen.”
-
-Toen alles klaar was mocht zij met gewettigden trots op het werk
-neêrzien.
-
-De ruime zaal met drie rijen banken door twee flinke gangpaden
-gescheiden, met de breede deuren, en vele hooge vensters bood een even
-vriendelijken als gastvrijen indruk. Er is plaats voor velen, noodden
-de lange banken, er is frissche lucht in overvloed voor iedereen,
-beloofden de wijd geopende ramen en buiten suizelde de wind door het
-frissche groen: de boomen en ik, wij beiden, zullen de onbescheiden zon
-verhinderen het u lastig te maken.
-
-Dina bleef maar ronddrentelen en Johannes moest haar wel driemaal
-aanmanen om zich nu heusch te gaan kleeden, ten einde gereed te zijn
-als hare gasten kwamen. Behalve het bestuur van de
-afdeelingshoofdplaats, verwachtte Johannes de zendelingen in de
-residentie werkzaam, benevens eenige goede vrienden en particulieren,
-die van hunne belangstelling blijk wilden geven. „Van de gemeente zou
-stellig niemand thuis blijven,” dacht Dina, terwijl zij vlug
-voortmaakte; o de kerk zou vol genoeg zijn!
-
-Met een aardig blosje en een hartelijk welkom in de heldere oogen,
-ontving het zendelingsvrouwtje een half uur later hare gasten. Zij
-voelde zich ietwat zenuwachtig, het was de eerste keer, dat Johannes
-bepaald zou preeken voor zooveel menschen. Zou hij zich niet beklemd
-gevoelen en op een gegeven oogenblik naar zijne woorden moeten zoeken?
-
-Doch al die onrust verdween, toen de jonge vrouw, in de kerk gezeten,
-haar man zoo kalm vooruit zag treden, en zich achter het hooge tafeltje
-plaatsen van waar hij de gemeente zou toespreken. Geen plaatsje was
-onbezet gebleven, de banken waren dicht gevuld en al die menschen zagen
-tot haar Johannes op, vouwden op zijn voorbeeld de handen en bogen stil
-het hoofd, terwijl hij God’s zegen over de bijeenkomst inriep. Dina
-verstond slechts enkele woorden en van de aanspraak, die nu volgde, zou
-zij ook veel gemist hebben, wanneer zij deze niet van te voren in het
-Duitsch had gelezen. Nu kon zij den zin vrij goed volgen, Johannes
-sprak langzaam en duidelijk; ieder moest hem verstaan en met
-belangstelling luisteren, dacht zijn vrouwtje, waar hij over het
-ontstaan der gemeente vertelde. Het eerste zaad, nu vijftig jaar
-geleden uitgestrooid, was in vruchtbare aarde gevallen. Telde de
-gemeente in den aanvang eenige tientallen, nu was zij zoovele
-honderdtallen groot. Slechts enkelen werden afvallig of onwaardig
-gekeurd langer tot haar te behooren, over het geheel kon de stichter
-met vreugde neêrzien op zijn werk. Hier in dit stille hoekje tusschen
-de bergen leefde de arbeidzame bevolking kalm en tevreden voort, trouw
-hare godsdienstplichten vervullend, ook toen de gemeente langen tijd
-zonder voorganger bleef. In hare dessa’s en kampongs waren roof en
-diefstal onbekende voorvallen, het behoorde tot de uitzonderingen
-wanneer het bestuur klachten kreeg over de Christengemeente van Soeka
-Slamat. Daarom was het een vreugdedag voor hem geweest, toen hij
-geroepen werd de open plaats te vervullen en hun voorganger te worden.
-Hij wenschte niets liever dan lange jaren voor en met hen werkzaam te
-zijn, daar gave God zijn zegen toe.
-
-Een oogenblik later klonken de orgeltonen door de kerk. Dina stond op
-en trad naast het orgel, terwijl de vrouwen en meisjes zich om haar
-heen schaarden. Vol en schoon verhief zich het koor van mannen- en
-vrouwenstemmen, de zendeling en zijn vrouwtje hadden voldoening van het
-veelvuldig oefenen met hunne leerlingen. De tekst werd natuurlijk in
-Javaansche woorden gezongen, maar het gezang klonk er niet minder
-liefelijk om.
-
-Toen orgel en koor zwegen, stond een oud man op, wien men zijn tachtig
-jaren echter niet kon aanzien. Nog flink en ongebogen van houding, kalm
-en duidelijk sprekend, vertelde hij, het eerst toegetreden lid der
-gemeente, met hoeveel vreugde deze dag door hem verbeid was. Van de
-lange toespraak begreep Dina overigens zeer weinig, evenmin als van de
-verschillende kleine preeken door de broeders zendelingen
-achtereenvolgens gehouden. Maar zij verveelde zich toch geen oogenblik.
-Het deed haar hart goed de groote aandacht en belangstelling te zien,
-waarmee de gemeente luisterde: mannen en vrouwen bogen zich naar voren,
-om toch geen woord te verliezen; de kinderen zaten doodstil.
-
-Af en toe klonk een schreiend stemmetje door de ruimte, want geen
-moeder had thuis willen blijven, en velen brachten een zuigelingetje
-mede. Maar de hongerige vogeltjes wilden niet zoet blijven slapen; wat
-wisten de onnoozele schaapjes van plaats of tijd? De vrouwen susten
-hare kleintjes op de beste wijze, menig geheimpje tusschen moeder en
-kind werd achter de slendang afgehandeld.
-
-Met een gretig verlangenden blik volgde Dina de bewegingen der moeders,
-die met hare kindertjes bezig waren. „Ach, kon zij ook zulk een klein
-schepseltje het hare noemen, het even teeder, als die vrouwen vóór
-haar, aan haar warme borst vleien.” Zij boog het hoofd en, terwijl haar
-man, de gemeente oproepend tot het laatste gebed, de handen vouwde,
-smeekte zij uit het diepst van haar bewogen ziel: „Geef mij een kindje,
-o Heer! als het Uw wil is, ik zal het zoo liefhebben en slechts het
-goede leeren.”
-
-De plechtigheid was afgeloopen; kalm en zonder gedruisch, als zij
-gekomen was, ging de gemeente uiteen, geheel vervuld van hetgeen zij
-gehoord had. Het was voor allen een dag van beteekenis geweest, dien
-zij zich, als ouden van dagen, nog zouden herinneren.
-
-
-
-Een klein half jaar was na den inwijdingsdag verloopen en de
-west-moesson naderde, door Dina juist niet met genoegen te gemoet
-gezien. „Wij verlangen nu wel naar regen,” gaf zij haar man toe, „maar
-als ik denk aan verleden jaar, hoe wij hier als ’t ware op een eiland
-zaten, van de buitenwereld afgestorven, terwijl wij vele dagen zelfs
-geen voet buitenshuis konden zetten, neen, dan moet ik je ronduit
-bekennen, dat ik wel wat opzie tegen de naderende maanden. Ik ben niet
-bang mij te vervelen, vervolgde zij snel, dat is het niet, de dagen
-vliegen om, ik kom nog tijd te kort. Maar ik houd zoo dol veel van de
-zon en den blauwen hemel. Een sombere, donkere lucht, waaruit de regen
-uren achtereen neerplast, stemt mij melancholiek.” De jonge vrouw wilde
-er niet voor uitkomen, dat de hoofdoorzaak van haar afkeer voor de
-west-moesson een andere was. Dat getijde bracht de tijgers mede en, al
-noemde iedereen dit overdreven, zij was doodsbang voor die gevaarlijke
-buren. Het vorig jaar waren twee lieden uit hunne dessa een offer van
-de wilde dieren geworden. Zij hadden hun dood wel is waar drie kwart
-aan eigen onvoorzichtigheid te wijten, daar, zij zich tegen
-schemeravond ongewapend in het bosch hadden gewaagd, doch dat maakte de
-zaak niet minder verschrikkelijk, oordeelde het zendelingsvrouwtje.
-
-„Druk de menschen toch op het hart voorzichtig te zijn, Johannes,”
-verzocht Dina meer dan eens, nadat het haar een poos later ter oore was
-gekomen, dat het volk tijgersporen had gezien. „Spreek vooral eens
-ernstig met Karsiman en Petrus, ze zijn zulke waaghalzen, en mij dunkt,
-Petrus mag wel dubbel oppassen, nu hij zulk een lief, jong vrouwtje
-thuis heeft en zij een kindje verwachten.”
-
-„Ja, ja, je hebt Petrus en Maria nu eenmaal in het hart gesloten,”
-schertste Johannes, „ik geloof, dat je wel drie keer naar hen toegaat
-tegen éénmaal naar de andere gezinnen.”
-
-„’t Is zoo,” bekende Dina gul, „maar man, ge moet niet vergeten, dat
-Maria van het begin af mijn lievelingsleerling is geweest, dat ge het
-paartje getrouwd hebt en het lieve vrouwtje mij dubbel aantrekt, nu zij
-een kleintje te gemoet ziet. Zij gaat zoo vertrouwelijk met mij om en
-is zoo dankbaar voor de kleinste gave. ’t Naaien van de kleertjes voor
-haar popje, was een genot voor ons beiden. En Petrus is een
-trouwhartige, beste vent, ik weet wel, dat gij hen ook graag moogt
-lijden, al lacht ge mij uit, nu ik zoo opgewonden over hen spreek.”
-
-„Dat doe ik volstrekt niet, wijfjelief. Wees maar gerust, kind, ik zal
-de menschen de grootst mogelijke voorzichtigheid aanbevelen, maar tob
-dan ook niet meer over denkbeeldige ongelukken. Wij zullen de tijgers
-nu laten rusten en prettig gaan lezen; krijg je naaiwerk, lieve, dan
-haal ik „Ekkehard” voor den dag.
-
-„Hoe heerlijk!” betuigde Dina, „we hebben de laatste maanden
-allerprettigste avonden, nu je niet meer zoo aanhoudend voor je zelf
-zit te werken als je verleden jaar altijd deed.”
-
-„Dat had zijn reden, vrouwtje.” En Dina met een geheimzinnigen glimlach
-aankijkend, vroeg Johannes eensklaps: „Wie is er einde Januari jarig,
-kind?”
-
-„Dwaze man, of je dat niet weet,” lachte zijn vrouwtje en deftig voegde
-zij er bij: „Den dertigsten Januari van het jaar onzes Heeren 1894
-wordt Johannes’ huisvrouw: Everdina, Maria, Elizabeth, drie en twintig
-jaar. En vertel mij eens waarom ik je dat zeggen moest?”
-
-Doch Johannes schudde het hoofd met de bewering, dat hij Dina maar eens
-had willen plagen, terwijl hij „Ekkehard” voor zich legde en de
-bladzijde opsloeg, waar hij den vorigen avond gebleven was.
-
-
-
-Geen vroolijke zonneschijn begroette Dina’s feestdag, integendeel, uit
-de zwarte wolken ontlastte zich een zware regenvloed, die als gisteren,
-zeker den geheelen dag zou aanhouden. De zendelingsvrouw stond voor het
-venster van de gesloten binnengalerij naar de druipende boomen en
-struiken te zien, waartusschen de heftige wind ruw huis hield. De
-feestelijke stemming, waarmee zij straks Johannes’ warme gelukwenschen
-had ontvangen, was geheel verdwenen; zij voelde zich lusteloos en
-neêrslachtig, was dat nu ook een weer voor haar verjaardag?
-
-Op dat oogenblik hoorde zij de stem van haar man uit de achtergalerij:
-„Waar blijf je kind, gaan we niet ontbijten?”
-
-Hij kwam haar halfweg te gemoet en trok haar arm door den zijne.
-„Scheelt er wat aan, vrouwtje?” vroeg hij hartelijk, „je kijkt zoo
-bedrukt.”
-
-Zij legde hare wang even tegen zijn schouder en poogde te glimlachen.
-“’t Is al over, beste, let er maar niet op,” antwoordde zij zacht en
-wilde op hare plaats gaan zitten, toen zij verrast achteruit week.
-
-„O lieve, beste man, wat een verrassing!”
-
-Vóór haar bord stond een bouquet, verregend wel is waar, en slechts
-bestaande uit wilde bloemen en grassen, maar zoo smaakvol geschikt en
-zulk een welsprekende getuige van Johannes’ innige genegenheid, dat
-zijn vrouwtje de tranen in de oogen sprongen. Als soldaatjes in het
-gelid, waren verscheidene mailbrieven tegen de glazen en vingerkommen
-overeind gezet. Daar zij in den loop der laatste week waren gekomen,
-giste Johannes, dat zij gelukwenschen voor den 30sten zouden bevatten
-en had hij de brieven stil verstopt om er zijn jarige nu dubbel mee te
-verrassen. En dat hij zijn doel bereikt had, bewees de luide
-juichkreet, waarmee Dina er de hand naar uitstrekte. Doch juist toen
-zij Mutter’s brief wilde openbreken, zag zij een gesloten couvert op
-haar bord liggen, dat haar adres droeg in het welbekende handschrift
-van Johannes. Verrast keek zij hem aan, wat beteekende dat? Maar het
-jonge vrouwtje kreeg geen ander antwoord dan een lachend hoofdschudden,
-waarop zij moeder’s brief neêrlegde en den anderen greep; snel scheurde
-zij het couvert open en hare oogen vlogen over de weinige regels. Wat
-las zij? Wat deed haar op eens het papier neêrwerpen, om vol verrukking
-hare armen om Johannes heen te slaan?
-
-Als het meest welkome nieuws, dat zij op dezen dag kon hooren, deelde
-de zendeling zijn vrouwtje mede: „De klok voor ons kerkje is in Europa
-besteld en zal weldra hier zijn.”
-
-„O Johannes, lieve man, is het heusch waar? ik kan het haast niet
-gelooven,” sprak Dina, bijna schreiend van aandoening. „Hoe heb je die
-groote som bijeen kunnen krijgen? En mij niets te vertellen, dat alles
-buiten mij om te beredderen, ondeugende man, ik vergeef het je nooit
-als je mij nu niet dadelijk mijne nieuwsgierigheid bevredigt.”
-
-„Kom dan eens kalmpjes naast mij zitten, wijfje,” en toen Dina aan zijn
-verzoek voldaan had, onthulde Johannes het geheim.
-
-Al had hij er niet zoo over gesproken en gezucht als zij, het was hem
-iederen Zondag ook telkens een stil verdriet, dat hun kerkje geen klok
-rijk was. Hij had er veel en dikwijls over gedacht of er geen kans zou
-zijn de benoodigde ƒ 300 bijeen te krijgen. Misschien, dat de gemeente
-mettertijd wel in staat zou zijn de som samen te brengen, maar hoe lang
-kon dat nog duren?
-
-Toen had hij bedacht, dat hij in zijn vrijen tijd wel weer beproeven
-kon met schrijven er wat bij te verdienen en zie! dat was boven
-verwachting gelukt. Dien geheelen vorigen west-moesson, toen zij in
-huis zaten opgesloten, had hij druk vertaald en geschreven: allerlei
-stukken op godsdienstig en wetenschappelijk gebied, en deze, als vóór
-zijn huwelijk, aan verscheidene Duitsche bladen ter opname gezonden.
-Langzaam, bij kleine beetjes, waren de verschillende honoraria
-binnengekomen, maar eindelijk was de som bijeen. Het had hem wel eens
-moeite gekost een en ander voor zijn vrouwtje stil te houden, maar hij
-wilde haar verrassen en was dus steeds op zijn hoede geweest, dat geen
-woordje, het geheim betreffend, aan zijne lippen ontsnapte.
-
-En Johannes had wil van zijne verrassing: Dina was een en al
-opgetogenheid en verrukking. Zij moest alles weten: waar en wanneer de
-klok besteld was, of deze haar eigendom bleef wanneer zij elders werden
-heengezonden, waar wellicht ook een „Glocke” ontbrak, enz. enz. enz.
-Zou er nu maar niet dadelijk een begin worden gemaakt met den
-klokketoren?
-
-„Een klokketoren zou het gebouw niet kunnen dragen,” meende de
-zendeling. De klok zou, zooals hij dit wel elders had gezien, in een
-hooge stellage worden opgehangen, naast de kerk natuurlijk.
-
-Dienzelfden middag nog, toen het even droog was, wilde de jarige Dina
-het plekje gaan uitzoeken waar de „Glocke” geplaatst zou worden en, in
-hare verbeelding zag zij; haar cadeau er al hangen.
-
-Het zendelingsvrouwtje vond, dat de dagen na haar feestdag
-voorbijkropen, nimmer had zij vuriger naar „die Glockentöne” verlangd
-dan nu zij wist, dat zij ze spoedig zou hooren. Doch juist toen
-Johannes bericht had ontvangen dat de klok uit M. verzonden was, trad
-een droevig voorval tusschenbeide, dat Dina’s gedachten een geheel
-andere wending gaf.
-
-De regenmoesson liep ten einde, en, hoewel er vele hongerige tijgers in
-de buurt waren geweest, had geen enkel ongeval in de dessa’s der
-christengemeente plaats gegrepen. Eenige karbouwen en paarden waren een
-prooi der wilde dieren geworden, doch menschenlevens had men niet te
-betreuren. Helaas! het zou niet zoo blijven.
-
-Op een avond, toen de zendeling en zijne vrouw gezellig bijeen zaten en
-juist een partij schaak zouden spelen, werden zij opgeschrikt door een
-luid rumoer, dat van buiten tot hen doordrong. Johannes vloog op en
-spoedde zich, door zijne vrouw gevolgd, naar de voorgalerij. Een koor
-van verwarde stemmen steeg uit den zwarten menschenhoop op, die voor
-het huis stond; de zendeling wenkte met de hand om stilte te verzoeken,
-waarop men een jongentje naar voren drong, dat, nog bevend van angst en
-het harde loopen, een vreeselijk nieuws aan het ontstelde echtpaar
-vertelde. Hij was het karbouwenknechtje van Petrus en van avond met hem
-de karbouwen van het veld gaan halen, zooals zij iederen dag deden. Zij
-schenen zich echter verlaat te hebben, want in het bosch was het bijna
-donker, en eensklaps had hij door het groen een paar vurige tijgeroogen
-zien fonkelen. Met den kreet: een tijger, een tijger, was hij toen
-weggevlucht, zoo snel als zijne voeten hem konden dragen en had in het
-omkijken nog gezien hoe Petrus den karbouw vastgreep, dien hij zeker
-niet in den steek wilde laten. Had hij het maar gedaan. Toen het volk
-met flambouwen en lansen de plek van het ongeluk bereikte, was er van
-Petrus niets meer te zien en de karbouw lag stervend aan den kant.
-
-Nog vóór het knaapje zijn verhaal ten einde had gebracht, was Dina naar
-buiten gevlogen; het hart overvloeiend van smart en deernis met die
-arme Maria. Zij wist, dat het jonge vrouwtje iederen dag haar kindje
-kon verwachten en allesbehalve flink en sterk was. Welke vreeselijke
-gevolgen kon een onvoorzichtig woord in deze omstandigheden niet ten
-gevolge hebben? De beklagenswaardige weduwe mocht nu nog niets weten
-van den vreeselijken dood, dien haar man had gevonden.
-
-Doch Dina kwam te laat; vóór het huisje stond een groepje vrouwen, in
-wier midden een onheilspellende stilte ontstond, toen zij de vrouw van
-den zendeling zagen naderen. Geen van haar zeide iets en Dina durfde
-niets vragen. Men maakte plaats voor haar en zij trad de kleine woning
-binnen, waar zij zoo menig uur vertoefd had. Een kapokpitje in een glas
-met klapperolie brandde in een hoek en wierp zijn weifelend licht over
-de balé-balé, waarop eene stille gedaante lag uitgestrekt. Door een
-vreeselijk voorgevoel aangegrepen, trad Dina dichterbij, de handen als
-afwerend voor zich uitgestrekt en, in plaats van het jonge zalig
-glimlachende moedertje, dat zij zich zoo dikwijls had voorgesteld, daar
-te zien liggen, aanschouwde zij een bleek, strak gelaat met gesloten
-oogen en een roerloos lichaam, waaruit het leven gevloden was.
-
-Als versuft en verdoofd stond zij een oogenblik op het gezicht te
-staren, dat haar zoo menigmaal vriendelijk had toegelachen, toen hoorde
-zij een klagend stemmetje, en wendde zich instinktmatig om.
-
-„Leeft het kindje?” vroeg zij zacht.
-
-Een der vrouwen trad met een bundeltje in de armen op Dina toe. De
-jonge vrouw nam het weesje van haar over en terwijl zij zich over het
-donkere kopje boog, begonnen hare tranen te vloeien, een stroom van
-weldadige tranen, die haar verlichting schonken. Fluisterend vertelden
-de vrouwen, hoe de arme Maria geheel onvoorbereid door de
-verpletterende tijding getroffen was. Met de andere buren was zij naar
-buiten geloopen, toen een ongewone drukte van druk sprekende en
-dravende menschen hare opmerkzaamheid had getrokken. In het donker was
-de tegenwoordigheid van Petrus’ vrouw niet opgemerkt, en zoo had deze
-geheel onverwacht het wreede nieuws vernomen, dat haar tot weduwe
-maakte.
-
-De arme vrouw was bewusteloos ineengezakt, liefderijke handen hadden
-haar naar huis gedragen en zoo goed mogelijk verzorgd, doch Maria
-herkreeg haar bewustzijn niet meer en leefde slechts zoolang, tot haar
-dochtertje geboren was.
-
-Innig bewogen hoorde het zendelingsvrouwtje, naast Johannes, die zich
-inmiddels bij haar had gevoegd, het treurig verhaal aan. Dina’s tranen
-begonnen opnieuw te vloeien, doch ditmaal bedwong ze hare smart
-terwille van het kleintje, dat zij aan hare borst in slaap trachtte te
-sussen. Eensklaps vatte zij de hand van haar man en, terwijl de
-vrouwen, met de doode bezig, niet op hen letten, trok zij hem naar een
-hoekje en sprak fluisterend, de oogen met een innige bede tot hem
-opslaande: „Johannes, mag ik dit weesje als kindje aannemen? Ge weet,
-het heeft geen andere verwanten dan een ouden grootvader, die er niet
-voor zorgen kan en het ons zeker gaarne wil afstaan. Ik heb zoo vurig
-naar een kleintje verlangd, het is mij of God mij tot vergoeding en
-troost dit weesje schenkt. Zeg „ja”, lieve man, ik zal voor kleine
-Elizabeth—Maria wenschte, dat zij zoo zou heeten—een trouwe moeder
-zijn.” Johannes zag zijne vrouw in het bleeke, bewogen gelaat en legde
-zegenend de hand op het kinderhoofdje aan hare borst. „Met heel mijn
-hart geef ik mijne toestemming, beste,” zeide hij hartelijk, „laat ons
-het kindje van Petrus en Maria als ons eigen tot ons nemen, en trachten
-zoo goed mogelijk de plaats harer arme ouders te vervullen.” Verheugd
-en dankbaar drukte Dina Johannes de hand, toen dekte zij voorzichtig
-Elizabeth’s gezichtje toe, wierp een laatsten liefdevollen blik op het
-jong gestorven moedertje, terwijl ze even over haar bleef heengebogen,
-als deed zij haar eene stille gelofte, en droeg toen haar schat
-behoedzaam door de kille nachtlucht naar heur eigen huis.
-
-Zij had zoo menig kindje zien geboren worden en helpen verplegen in de
-eerste levensdagen, zij wist wel, hoe men met die brooze schepseltjes
-moest omgaan en toen haar dochtertje, zooals zij Elizabeth in stilte
-reeds noemde, rein en welverzorgd in haar bed lag, knielde zij er voor
-neder en bad langen tijd, het kleine handje tegen hare lippen gedrukt.
-
-Den volgenden dag werd het treurig overschot van Petrus’ lijk in de
-wildernis gevonden en naast dat zijner vrouw ter aarde besteld.
-
-
-
-Wederom is de kerk te Soeka Slamat feestelijk versierd, doch niet
-alleen het Godshuis. Het gebouwtje er naast, een flinke hooge stellage,
-waarin de kerkklok hangt, is eveneens van onder tot boven met groen en
-bloemen omslingerd. Op Dina’s verzoek zal „die Glocke” heden worden
-ingewijd. Daar komen de klokkenluiders aan; op een gegeven teeken
-vatten zij de afhangende touwen en hoort! daar wordt de zondagsstilte
-eensklaps door een geluid verbroken, dat nog nooit op dit plekje
-tusschen de bergen weêrklonk. De kerkklok luidt haar eigen intreê in.
-Vol en helder rollen de klanken over het heele naburige land en
-verkonden in alle dessa’s en kampongs der gemeente, dat de vromen
-gewacht worden in het bedehuis.
-
-Verrukt heft de zendelingsvrouw het hoofd op, als de geliefde
-„Glockentöne” voor het eerst, na zoovele jaren, wederom haar oor
-treffen, en zij drukt het slapend kindje op haar schoot, vaster tegen
-zich aan, het hart vervuld van stillen dank.
-
-„Blijf maar slapen, mijn Elizabeth,” fluistert zij zacht, „het gewicht
-van dit uur kunt ge toch niet beseffen; ge weet niet, dat uwe
-pleegmoeder haar grootsten schat op dezen blijden dag ten doop zal
-houden.”
-
-Wanneer de laatste tonen verstommen, staat Dina op, strijkt Elizabeth’s
-mooie doopjurk glad, legt een sluier over het gezichtje, om het tegen
-den zonnegloed te beschermen en gaat met haar kindje kerkwaarts.
-
-Hoe gelukkig en rijk voelt zij zich als zij, naast de andere moeders
-gezeten, die hare zuigelingen ten doop zullen houden, vol stille weelde
-op het wezentje neêrziet, dat haar toebehoort. Haar klein meiske slaapt
-rustig door; voelt het reeds, dat ze in veilige handen is?
-
-Het plechtig oogenblik is daar, het zendelingsvrouwtje staat behoedzaam
-op en treedt vóór haar echtgenoot, door de Javaansche moedertjes
-gevolgd. Als in een droom hoort zij de zachte, vriendelijke stem van
-haar man ’s Hemels zegen afsmeeken op al die kinderhoofdjes. Nu
-bevochtigt Johannes de vingers in het doopvont en beroert één voor één
-de voorhoofdjes der kleinen, en wanneer de beurt aan haar dochtertje is
-gekomen, klinkt het Dina dubbel plechtig tegen: „Ik doop u: Elizabeth
-Maria, in den naam des Vaders, des Zoons, en des Heiligen geestes.”
-
-Het doopwater vloeit Elizabeth langs het gelaat en blijft aan de lange,
-donkere wimpers hangen. Dina buigt zich diep over het kindje heen om
-hare tranen te verbergen, die er zich mede vermengen. Maar Elizabeth
-schreit niet als de andere kleintjes, zij blijft zoet doorslapen en
-lacht zoo zalig en vreedzaam in haar droom, „als speelt ze met
-engeltjes in het paradijs,” denkt het gelukkig zendelingsvrouwtje.
-
-
-
-
-
-
-
-KARBOUWENJONGETJE.
-
-
-I.
-
-Katjong was vier jaar toen zijn vader hem voor ’t eerst op een karbouw
-zette. Ontelbare malen had de kleine kleuter hierom gesmeekt, en nu
-zijn hartewensch eindelijk vervuld werd, gilde hij het uit van vreugde
-en hield zich, zonder een zweem van angst te toonen, op den breeden rug
-van den kolos in evenwicht.
-
-Van zijn verheven zitplaats blikte Katjong fier op zijn, hem
-bewonderende, verwanten neder. Hij voelde zich een man: nu zou hij wel
-gauw met de andere jongens mee mogen naar de weideplaats en het
-heerlijke vrije leven beginnen waarnaar hij reikhalzend uitzag.
-
-Want, met de vrijheid, thuis bij moeder, was het, volgens Katjong,
-treurig gesteld. Hij mocht nooit alleen den grooten weg op en werd
-opgenomen als hij zich weerspannig toonde. Kon hij even ontsnappen,
-dadelijk was moeder of een der zusjes hem op de hielen, vóór hij ’t
-wist werd hij teruggesleurd en kreeg nog klappen toe. Nu, die kwamen
-dikwijls hard genoeg aan; broekje noch buisje oefenden een
-verzachtenden invloed uit. In dit stadium van zijn leven liet Katjong
-de algeheele zorg voor zijn toilet aan moeder natuur over, hetgeen hem
-zeer zeker veel tijd bespaarde, want van aan- en uitkleeden was nooit
-de minste quaestie.
-
-Moeders slendang voorzag in al de behoeften van de linnenkast, doch
-meestal vervulde de lieve zon de rol van handdoek; zoo nat kon Katjong
-niet wezen of zij had hem, in minder dan geen tijd, netjes opgedroogd.
-Vuil en stof waren Katjong’s onafscheidelijke kameraden, die slechts
-voor korten tijd afscheid namen, wanneer moeder haar zoon bij den put
-afspoelde. In zijn allerprilste jeugd had het jongemensch zich steeds
-ernstig verzet tegen dit, naar zijn opvatting, volkomen overbodig
-reinigingsproces, doch mettertijd zich philosophisch leeren schikken in
-het onafwendbare, daar op zijn gillen, stampvoeten en huilen hoegenaamd
-geen acht werd geslagen.
-
-
-
-Katjong’s vaste overtuiging dat hij nu mee uit weiden zou mogen gaan,
-daar hij, op dien gedenkwaardigen dag in zijn leven, getoond had hoe
-flink en kranig hij op „Possong” durfde zitten, werd onmiddellijk den
-bodem ingeslagen. De over hem gestelde machten bleken een geheel andere
-meening toegedaan en, al protesteerde de kleuter terdege, hij moest
-zich onderwerpen. Vader en moeder zouden er over denken als Possong’s
-jong geboren was, Katjong moest dus nog een groot half jaar geduld
-hebben. In afwachting van die gulden dagen, bracht het kereltje den
-tijd zoek met over het kleine erfje vóór vaders huis te drentelen, zich
-in stof of modder te wentelen, vuil zwijntje als hij was, en buurmans
-kippen op te jagen. Ter afwisseling gluurde hij eens door den pagger
-en, dreigde het minste onraad, dan wist hij, met benijdenswaardige
-vlugheid, zijn huisje binnen te schieten, en zich achter moeders sarong
-te verschuilen, tot de kust weer veilig was.
-
-In het donkere, benauwde vertrekje, waar de heele familie huisde, deed
-Katjong niet anders dan slapen en voor den inwendigen mensch zorgen. Op
-de eenige balé-balé was voor hem geen plaats, dus strekte hij zich
-welbehaaglijk op den grond uit wanneer Klaas Vaak met zijn zandman rond
-ging. Het ventje kon zich vrij naar alle kanten omwentelen, van de
-meubels had hij geen last. Het kookgerei stond in een hoek geschoven
-naast de oude, wrakke tafel; met de balé-balé maakte deze het eenige
-meubilair uit.
-
-Katjong had altijd honger en stopte alles naar binnen, wat hij maar
-krijgen kon, vandaar zijn dik rijstbuikje, dat hij zoo parmantig droeg
-als ware het een sieraad om trotsch op te wezen.
-
-De ouders van onzen Katjong waren arme dessamenschen, vader bewerkte
-een klein stukje grond achter zijn huisje en moeder bracht den oogst
-naar de passar en moest daarvoor palen ver loopen. Behalve Katjong
-waren er drie oudere zusjes, die zich, klein als zij waren, reeds
-behulpzaam maakten in het huishouden: water aandroegen, hout zochten,
-en ’s avonds het vuil bijeenveegden om het daarna te verbranden.
-Broertje vond dit laatste proces gewichtig genoeg om het altijd met
-zijne tegenwoordigheid te vereeren. Met een stokje roerde hij in de
-vuilnis, om de vlam hoog te laten opschieten, of sprong in de dichte
-rookkolom rond als een kleine, vette kabouter, proestend en blazend,
-maar toch vol pret. Aan opvoedkunde werd bij Pak-Kastimah en
-Bok-Kastimah (zoo heetten Katjong’s ouders) niets gedaan. Vader en
-moeder regeerden hun kroost op dezelfde wijze als zij het de karbouwen
-deden. Een duw of klap, een ruwe vermaning of booze blik moest de
-geheele bende in het spoor houden. Bij de buffels had dit systeem meer
-succes dan bij de kinderen, die met aangeboren slimheid, de oudelui
-dikwijls wisten te foppen en te bedriegen, doch overigens even dom en
-onwetend opgroeiden als het lieve vee.—Op den leeftijd, dat andere
-kinderen geplaagd worden met de eerste beginselen der edele lees- en
-schrijfkunst en, in plaats van buiten te mogen rennen en dollen, achter
-hooge muren stil moeten zitten, ving Katjong zijne opvoeding aan in
-Gods vrije natuur: even vijf jaar oud was hij Karbouwenjongen geworden.
-Dat was me een leventje. ’s Morgens vóór dag en dauw, haalde het
-kereltje „Possong” uit den stal, Oerip, het jong, volgde vanzelf.
-
-Op den grooten weg kwamen de makkers, met de hun toevertrouwde beesten,
-van alle kanten opzetten en zoo trok de bende kleuters van vijf, zes en
-zeven jaar naar de groote weideplaats, waar de wakers het vlaggetje
-reeds in den grond hadden gestoken om het verzamelpunt aan te duiden.
-De meeste drijvertjes waren in zeer primitief toilet, slechts eenigen
-droegen een sarong.
-
-Ook Katjong’s moeder had haar zoontje een oude, verbleekte lap om de
-heupen bevestigd, toen hij voor ’t eerst mee zou gaan. Hiermee en met
-een zweepje, dat vader voor hem sneed, was zijne uitrusting als
-Karbouwenjongetje voltooid. Evenals zijne kameraden, liet Katjong zijn
-sarong zelden aan het voor dit kleedingstuk bestemde doel beantwoorden,
-de vuile, lange lap hing hem meestal als een bandelier om den nek of,
-als het erg zonnig was, werd zij om het hoofd geslagen. Nu, de coiffure
-zou er niet van bederven, Katjong’s haarbos zag er op elk uur van den
-dag steeds even verwaaid en woest uit: de zwarte haren hingen over
-zijne oogen, zelden nam hij de moeite ze weg te strijken. Van een
-molligen kabouter, was hij een schraal jongetje geworden met bolle
-uitpuilende oogen in zijn koffiebruin gezichtje, waaraan de groote
-altijd openstaande mond een onnoozele uitdrukking gaf. Doch onnoozel
-was Katjong anders om den drommel niet. De makkertjes waren niet veel
-mooier dan hij; in hun wereldje werd van het uiterlijk bovendien niet
-de minste notitie genomen, het kwam er slechts op aan wie de vlugste,
-wie de sterkste was, en daarin won Katjong het van al de anderen.
-
-Waren de karbouwen eenmaal rustig aan het grazen, dan gingen hun kleine
-meesters aan het pret maken, of zij vochten een robbertje als de
-gevoelens al te sterk verdeeld bleken over de waarde der hun
-toebehoorende beesten. En liegen en bluffen als ze konden!! op ’t
-laatst geloofden zij hun eigen verzinsels door de veelvuldige herhaling
-er van.
-
-Rono’s karbouw was sterker dan een tijger, maar die van Sipin won het
-verre van hem, volgens dezen jongenheer: hij had een tijger bevochten
-en de overwinning behaald. Katjong bleef ook niet achter: Welke buffel
-had zulke prachtige teekens als zijn Possong? wie had ooit grooter,
-sterker jong gezien dan Oerip? dat zou een karbouw worden als er nog
-nooit een geweest was! Kwam er een reiswagen aan, dan rende de heele
-bende naar den grooten weg en, terwijl de schuwsten zich verdekt
-opstelden, kwamen de brutaaltjes vlak naar voren en monsterden wagen en
-paarden. Katjong was altijd haantje de voorste en gilde de loopers na
-als zij de paarden tot spoed aanzetten. Aan den wagen en zijn inhoud
-verspilde ons baasje zijn aandacht niet, maar de vier postpaarden, en
-vooral den looper, daar kon hij nooit genoeg naar kijken. Wedden, dat
-hij, evengoed als de looper, de galoppeerende paarden in vliegenden ren
-kon bijhouden en de zweep even flink kon laten klappen? Wat een
-heerlijk leven had zoo’n looper, maar karbouwenjongen te zijn was toch
-nog prettiger.
-
-Om negen uur ’s morgens en zes uur ’s avonds trokken de jongens met
-hunne dieren naar de kali en nu begon de grootste pret. Wie had Katjong
-ooit voorspeld, dat hij en het water zulke dikke vrienden zouden worden
-op den duur? Maar het was ook heerlijk om, stoffig en bezweet, zich in
-het koele nat te laten glijden, naar hartelust rond te plassen, het
-water over de breede karbouwenschonken heen te gieten en de goedige
-dieren zoo volop te zien genieten, vooral ’s middags als de zon
-vuurstralen naar beneden zond en het vee amechtig, en met moeite
-voortstrompelend, de kali bereikt had. Waren de buffels flink
-gewasschen en afgewreven, dan mochten zij zich geheel onder water
-dompelen; dikwijls zag men niets dan de horens en een klein stukje kop,
-met de natte glimmende neusgaten, snuivend van genot, boven water
-uitsteken. De kinderen speelden tusschen hen door, onbevreesd ooit door
-stoot of schop getroffen te worden. Zij joegen elkander na, gooiden met
-steentjes, zwommen en doken als echte waterrotten en lieten zich
-naderhand in de zon drogen of door den koelen avondwind. In de
-schemering draven zij hunne dieren huiswaarts, langzaam achteraan
-slenterend, of schrijlings op hun beest gezeten, af en toe een kleine
-vermaning met het zweepje uitdeelend aan een achterblijver, die even
-een malsch hapje gras wilde verorberen. Thuis wachtte hun immers volop
-voer en de kleine bazen hadden honger. En nadat zij zich behoorlijk te
-goed hadden gedaan aan een portie roode rijst met een stukje gedroogde
-visch of andere lekkernij, strekte het karbouwenjongentje zich slaperig
-op zijn matje uit, om morgen vroeg zijn onbezorgd bestaan weer te
-hervatten.
-
-Zoo ging Katjong’s leven voort, als dat van een kleinen wilde; evenals
-zijne makkertjes sprak hij geen andere taal dan het laag Javaansch en
-wist niets van hormat of eerbewijzen, die de kleine man gewoon is zijn
-meerderen te brengen.
-
-Vrij en frank zwierf hij over de heuvels en ging slechts met zijns
-gelijken om, die op denzelfden gespannen voet stonden met al wat naar
-beschaving zweemde, als hij zelf. Katjong had nooit iets anders of
-beters gekend en was volmaakt gelukkig.
-
-Toen gebeurde er iets, dat een groote verandering in zijn gemoedsleven
-bracht.
-
-De suikervelden stonden in vollen bloei. Trotsch verhieven de
-rietstokken, zwaar van sap, hunne pluimen, als wilden zij den
-voorbijganger toeroepen: „bewonder ons nog eens terdege, het zal
-spoedig gedaan zijn met ons jong, krachtig leven.” ’t Was een heerlijk
-schoon gezicht die grijsgepluimde velden, welke zich tot op
-onafzienbaren afstand uitstrekten, maar Katjong en zijne kameraden
-vonden er geen bewonderenswaardigs aan. Hun zin was meer op het
-materieele gericht: geen grooter lekkernij voor een Javaantje dan het
-zoete sap uit den rietstok. Het stelen van ’t te veld staande riet is
-echter streng verboden; wee den dief, die op heeterdaad betrapt wordt:
-een flinke straf wacht hem. Wie zich echter door de vrees voor straf
-laat weerhouden, een karbouwenjongen zeker niet. Hij weet de plekjes,
-waar de rijpe stokken staan, te vinden, en zijn naakt, lenig lichaampje
-wringt zich door openingen heen, waar een volwassen mensch hem moeilijk
-volgen kan; ’t plukken van de verboden vrucht verhoogt bovendien het
-genot. En dan, heeft de waker scherpe oogen en vlugge beenen, de
-karbouwenjongen doet niet voor hem onder, integendeel.—Reeds menig
-strooptochtje hadden de kleine deugnieten in de velden ondernomen,
-zonder dat een van hen gesnapt was. In gezellig samenzitten werd de
-buit opgesmikkeld en, even brutaal als onverschillig, namen de jongens
-niet eens de moeite de uitgezogen vezels te verstoppen: hun
-visitekaartje legden zij er niet naast en de doode vezels vertelden
-niets na. Op zekeren dag besloot Katjong zijn geluk eens te beproeven;
-hij had op een afgelegen plekje een vetten stok ontdekt, ’t was nog
-vroeg in den morgen, van den waker heinde en ver niets te zien.
-
-
-
-
-II.
-
-Dat deze vlak in de buurt op de loer lag, kon Katjong niet weten, doch
-het was wel dom van hem, dat hij het heuvelachtig terrein niet eerst
-goed onderzocht, vóór hij de tuinen binnensloop.
-
-Juist had het knaapje den rietstengel met zijn grasmes doorgekapt en
-wilde hij zich ijlings uit de voeten maken, toen de arm der
-gerechtigheid zijn loop stuitte. Katjong werd gegrepen, hard heen en
-weer geschud en eindelijk met een ijzeren greep op zijn mager
-schoudertje voortgedreven. „Ampon, Ampon!” schreeuwde het kind,
-worstelend om los te komen. Maar de verbolgen waker duwde hem ruw
-vooruit en onthaalde den kleinen dief op een woordenvloed, die alles
-behalve complimenteus genoemd kon worden. Voort ging het, ’t veld door,
-een glibberig karbouwenpad af, den grooten weg op naar de
-naastbijzijnde dessa. Katjong wist niet wat er met hem gebeuren zou en
-dit verhoogde zijn angst; ook was het tijd om Possong en Oerip te gaan
-baden. Wat zou vader zeggen als hij de dieren niet thuis bracht om
-negen uur? Het ventje uitte zijn ziels-angst in gillende tonen, terwijl
-de tranen langs zijn besmoezeld gezichtje vloeiden, maar de
-onbarmhartige waker dreef hem steeds sneller vooruit. Katjong’s
-trillende beenen weigerden bijna hun dienst. Daar in de verte lag
-vaders huisje, een eind verder aan den grooten weg het mooie huis van
-den petinggi. O, wee, o, wee, de waker sleurde hem het erf op, wat zou
-Katjong nu overkomen? In het kwartier, dat hij hier moest wachten, kwam
-het kind een beetje op zijn verhaal; eindelijk verscheen de
-dorpsburgemeester, de waker deed zijn verslag en nu ging het in
-gezelschap van dien grooten mijnheer naar een nog veel voornamere
-grootheid: den assistent-wedono ofte wel het onderdistrictshoofd. Ook
-hier moest er geruimen tijd gewacht worden; Katjong was moe van het
-huilen en gillen, den angst en de opwinding. Vóór den grooten heer
-gebracht, hurkte hij bevend op den grond en herhaalde zijn smeekend:
-„Ampon, Ampon!” Van wat er nu volgde, begreep hij niet veel; men vroeg
-hem zijn naam, hij moest vertellen wat er was voorgevallen, hetgeen ’t
-kereltje, onder de booze blikken van den waker, stamelend deed. Alles
-wat hij vertelde, werd opgeschreven, toen hoorde hij iets van „rol” en
-„kotta” en daarop zeide men hem aan, dat hij gaan kon.
-
-„Vrij, vrij,” o heerlijk tooverwoordje, Katjong vertrouwde zijne ooren
-niet, doch nauwelijks zag hij den waker, die hem tot dusver streng in
-het oog had gehouden, zich onverschillig afwenden, of als een pijl van
-den boog vloog het knaapje den weg op, terug naar de weideplaats.
-Voort, voort, Katjong’s beenen leken wel geëlectriseerd, zijn adem
-stokte van het snelle gaan, het stof vloog in dwarrelwolken om hem
-heen, in zijn verwarde haren, tegen zijn mager lichaampje, hij
-struikelde over zijn sarong en trok deze, al voortrennend, hooger op.
-De menschen keken hem na, kleine, vieze verschijning die hij was, voort
-vliegend als zat hem de stormwind op de hielen. Op de weideplaats was
-het eenzaam en verlaten, van Possong en Oerip geen spoor te bekennen.
-Natuurlijk, al de jongens waren naar huis, het was zeker al elf uur, en
-Katjong keek naar den vurigen zonnebol en knipoogde met zijn pijnlijke,
-rood geschreide oogen. Er zat niet anders op, hij moest ook naar huis
-en zonder pak slaag zou het wel niet afloopen, al stonden de buffels
-veilig op stal, door een van de makkertjes thuis gebracht.
-
-Katjong sloop voorzichtig vaders erfje op en richtte zijn schreden
-allereerst naar den stal ter zijde van het huis; o schrik, de stal was
-leeg en Katjong’s angstige twijfel, onderweg door de hoop bestreden,
-bleek zekerheid: Possong en Oerip waren gestolen. Wanhopig keek het
-kind om zich heen, wat te doen? Hoe kon hij vader en moeder de
-vreeselijke tijding meedeelen? Tot zijne verontschuldiging kon hij
-niets bijbrengen: het was zijn schuld, hij had de karbouwen zonder
-toezicht gelaten en zoo waren zij zeker ver afgedwaald en een welkome
-buit voor de dieven geworden. Sipin’s dieren waren hem ook eens
-ontvreemd geworden, doch toen had de kleine drijver voor de overmacht
-moeten bukken; door een grooten kerel waren hem de oogen dichtgehouden,
-terwijl diens kameraad het vee wegleidde. Was dit ongeval Katjong ook
-maar overkomen, want Sipin had geen slaag gehad. O, als Possong, zijn
-mooie, sterke karbouw, eens geslacht werd door de gemeene roovers!!
-Katjong hield van niemand ter wereld zooveel als van dit dier, de
-gedachte alleen maakte hem wanhopig. De liefde voor Possong deed den
-knaap zijn vrees overwinnen; als er nog iets aan de zaak te verhelpen
-viel, moest vader alles weten, doch over den rietdiefstal besloot
-Katjong maar te zwijgen, hij zou het voorstellen alsof het ongeluk
-gebeurd moest zijn toen hij ver weg aan het spelen was.
-
-Den karbouwendieven is het meestal niet te doen om het ontvreemde vee
-te behouden tot eigen nut of het te slachten; zij stelen om geldelijk
-voordeel te behalen. Is een karbouw zoek, dan krijgt de bestolene
-meestal een paar dagen later een geheimzinnige visite. De bezoeker weet
-te vertellen, dat Kerto of Achmad zijn karbouw gezond en wel terug kan
-bekomen, doch hij moet er voor betalen. Het is niets ongewoons, dat de
-dieven twee derde van de waarde, die het beest heeft, eischen. Stemt de
-eigenaar in de bedongen voorwaarden toe, dan moet hij zich naar eene of
-andere afgelegen plek in bosch of wildernis begeven met het geld bij
-zich. Hier wacht hem een onbekende, die de ƒ 20 of ƒ 30 in ontvangst
-neemt en den bestolene toevoegt: „Volg deze of gene richting en ge zult
-uw dier vinden.”
-
-Het gebeurt zelden of nooit, dat er met deze transactie valsch spel
-wordt gespeeld. Toen Katjong eindelijk besloot zijn huisje binnen te
-gaan, vond hij vader noch moeder; de zusjes vertelden, dat moeder nog
-niet van de passer was thuisgekomen en vader uit was om hem en de
-dieren te zoeken. Doch dit gaf den kleinen zondaar slechts uitstel van
-executie. Al heel spoedig verscheen vader en nu volgde er een zeer
-pijnlijk tooneel. In plaats van zijn vreugde te kennen te geven, dat
-zijn zoon ten minste niet verloren raakte, diende de verbolgen vader
-dit jonge mensch eene tuchtiging toe, zooals hem nog nooit was te beurt
-gevallen. Dien heelen dag kreeg Katjong geen goed woord en hield zich
-wijselijk zooveel mogelijk uit den weg. Maar tot de eer van het ventje
-dient gezegd, dat hij veel meer verdriet had over het verlies van
-Possong en Oerip dan over de bekomen klappen. ’s Avonds, terwijl zijne
-ouders bij het walmend oliepitje zaten te beraadslagen, vroeg hij
-eensklaps in den angst van zijn hart: „Vader, zouden de dieven Possong
-wel voer hebben gegeven?”
-
-„Houd je mond,” snauwde moeder hem toe, „en ga slapen of ik zal je
-krijgen.” Katjong kneep zijn oogen dicht, doch de gedachte aan den
-leegen stal hield hem lang wakker. En hoe treurig was het, den
-volgenden morgen zijne makkers met hunne karbouwen voorbij te zien
-trekken en in druilerig nietsdoen den tijd door te brengen.
-
-Tegen het vallen van den avond kwam een onbekende het erfje op, en nu
-volgde de gewone comedie, waarop Pak-Kastimah en zijn vrouw reeds waren
-voorbereid. Maar de handlanger vroeg meer dan waarop het echtpaar had
-gerekend: voor ƒ 30, geen cent minder, kon hij de karbouwen slechts
-terug bezorgen. Waar moest die groote som vandaan komen? Moeder zocht
-bijeen wat eenigszins aan kleeren kon gemist worden, doch meer den ƒ 2,
-ƒ 3 zou de pandjeshuishouder daar niet op geven.
-
-Vader en moeder waren dadelijk besloten het middel om hunne karbouwen
-terug te krijgen met beide handen aan te grijpen. Al had Pak-Kastimah
-de zaak dadelijk aangegeven, het was gevaarlijk deze alleen aan de
-politie over te laten. ’t Kon zijn, dat zij mettertijd de dieven te
-pakken kreeg, doch van Possong en Oerip zouden de beenderen dan zeker
-al lang verbleekt zijn. Zuchtend besloot vader zijn kris te beleenen,
-daar kon hij zeker ƒ 25 op krijgen. Het was een poesaka (erfstuk), dat
-hij van zijn vaders vader geërfd had, met echte steentjes aan het
-handvat.
-
-Maar de pandhuishouder wilde de kris hoogstens voor tien gulden in pand
-nemen en op de kleeren gaf hij niet meer dan twee gulden.
-
-Van de familie en een paar vrienden kreeg vader nog vijf gulden, de
-rest bekwam hij tegen woekerrente van een oude vrouw, die gewoonlijk
-hare dessagenooten uit den brand hielp, in gevallen als waarin
-Pak-Kastimah nu verkeerde, doch zich hare hulp buitensporig hoog liet
-betalen. Twintig procent was al het minste, waartegen zij hare kostbare
-duitjes uitzette.
-
-Met een verlicht hart kwam vader eindelijk thuis, het geld was bijeen,
-morgen konden de dieren weer op stal staan. Met moeder werd de som nog
-eens goed nageteld, in het zakje gedaan en onder vaders hoofdkussen
-veilig verborgen.
-
-
-
-Het was ongeveer middernacht; alles lag in diepe rust in Pak-Kastimah’s
-woning. behalve Katjong, die telkens wakker schrikte als hij den slaap
-al even vatte, door allerlei nare droomen achtervolgd. Nu eens zag hij
-Possong met afgesneden hals in het bosch liggen; dan weder doorleefde
-hij, half wakend, half droomend, het akelig tooneel toen hij als
-rietdief werd opgepakt. De kameraadjes hadden zijne hoop dat die zaak
-zou zijn afgeloopen, geheel den bodem ingeslagen. Spoedig zou hij, met
-vader, naar de kotta worden opgeroepen en daar werd hij stellig in de
-boei (gevangenis) gestopt in een donker hok, waar hij maanden lang
-moest opgesloten blijven. Katjong zou zeker bleek zijn geworden van
-ontzetting als zijn vel hiertoe in staat ware geweest, nu puilden hem
-de oogen nog meer uit het hoofd dan anders; elke straf scheen het
-natuurkind verkieselijk boven lange, eenzame afsluiting.
-
-In de halve duisternis en stilte om hem heen, scheen Katjong dit
-vooruitzicht nog veel verschrikkelijker; hij wentelde zich op zijn
-matje heen en weer, wischte zich het angstzweet van het gezicht, opende
-de oogen en ging rechtop zitten. Daar werd plotseling zijn blik door
-iets ongewoons getroffen, het scheen wel of de grond bewoog dicht bij
-de deur.
-
-Het kind keek scherp toe en zag nu duidelijk korreltjes aarde ter zijde
-rollen: zacht en onhoorbaar zakte de grond naar omlaag en daar dook
-eensklaps uit de gemaakte opening een hoofd op. Het loerende knaapje
-begreep dadelijk wat dit beduidde: een dief wist dat er veel geld in
-huis was en trachtte dit door ondergraving van het huisje te
-bemachtigen.
-
-„Vader, vader, dieven,” gilde Katjong uit al zijn macht; hij sprong
-overeind en trappelde met zijn magere beentjes om zich heen.
-Slaapdronken rees Pak-Kastimah overeind en rukte de deur open, maar in
-den pikdonkeren nacht viel er niets te onderscheiden. Een oogenblik
-later was de heele kampong in opstand, de buren liepen toe, eenigen
-brachten flambouwen en trachtten het spoor van den dief te ontdekken,
-doch deze had in de duisternis een goed heenkomen gezocht en gevonden.
-
-Moeder, die wijselijk het zakje met geld dadelijk tusschen hare kleeren
-had verborgen, onderzocht met belangstellende buurvrouwen het gat,
-waardoor de dief zou zijn binnengedrongen, als kleine Katjong hem niet
-te vlug was geweest. ’t Ventje werd op eens tot held verheven,
-ontelbare malen moest hij vertellen hoe hij den schurk ontdekt had en,
-daar Katjong zich bij iedere herhaling een dichterlijke vrijheid meer
-veroorloofde, werd de geschiedenis hoe langer hoe belangwekkender.
-Vader klopte zijn zoon op den rug, moeder beloofde hem een duit en, had
-de rietdiefstal met zijne gevolgen niet als een dreigend spook in de
-verte gestaan, Katjong zou volmaakt tevreden zijn geweest.
-
-Den volgenden dag stonden Possong en Oerip weer op stal, vermagerd door
-verwaarloozing in die twee dagen, doch overigens gezond en wel. Katjong
-kon zijne lievelingen niet genoeg bekijken. Hij liep ver weg om malsch
-gras voor hen te snijden, baadde de dieren zoo dicht mogelijk bij huis
-met buitengewone zorg en verloor ze op de weideplaats geen oogenblik
-uit het oog. Ook bleef hij de eerste dagen vlak in de buurt van het
-vlaggetje, want voor de wakers hadden de dieven respect.
-
-Zoo verliepen er zes à zeven dagen en, met de zorgloosheid den Javaan
-eigen, was Katjong bijna vergeten, dat hij zich voor rietdiefstal zou
-te verantwoorden hebben, toen het noodlot, als een bliksemstraal uit
-helderen hemel op hem neerviel. Een onbewust voorgevoel deed ons
-vriendje dien dag bij het naar huis gaan al treuzelen, doch eindelijk
-moest hij zijn erfje wel opstappen en, daar aan de deur stond het begin
-van de hem wachtende ellende, in de gestalte van vader, die verwoed op
-hem afkwam. Van den prins geen kwaad wetend, had Pak-Kastimah een
-aanzegging gekregen, dat hij met zijn zoontje den volgenden dag voor
-den politie-rechter op de kotta moest verschijnen ter zake van
-rietdiefstal, waarvoor dit jonge mensch zich zou hebben te
-verantwoorden. Zoo midden uit zijn werk dien verren tocht naar de kotta
-te moeten ondernemen, stond Pak-Kastimah volstrekt niet aan. Bovendien
-had hij, noch zijne familie ooit iets met de politie uitstaande gehad.
-Geen wonder, dat er voor Katjong wat opzat. Deze zou verstandiger
-hebben gedaan als hij vroeger maar alles te gelijk bekend had, dan was
-hij er met één pak voor beide gelegenheden afgekomen. Nu vielen de
-slagen opnieuw en geen: „Ampon, Ampon,” weerhield vader er duchtig op
-los te kloppen. Met een nijdigen duw tot besluit kon Katjong zich
-wegpakken, vol jammer bedenkend, dat dit pas het begin was van de
-straf, die hem nog te wachten stond.
-
-Vóór dag en dauw werd den volgenden morgen de tocht aanvaard; het was
-twee uur loopen naar de kotta en om acht uur waren zij ontboden.
-Katjong zag er even vuil en slordig uit als altijd; dien heelen langen
-weg achter vader aan, waren zijne gedachten bij het lot, dat hem zeker
-wachtte: eenige maanden zijne vrijheid kwijt—het was met recht een
-lijdenstocht voor den armen Katjong. Eindelijk was de kotta bereikt en
-voegden vader en zoon zich bij een grooten troep menschen, die vóór het
-assistent-residentiekantoor in dubbele rij zaten neergehurkt. Het
-kereltje kroop achteraan, dicht bij den muur, en keek met kloppend hart
-naar de bedrijvigheid om zich heen. Oppassers liepen af en aan, de
-menschen rondom hem stonden op wanneer de een of andere naam werd
-afgeroepen, men sprak een taal, die hij niet verstond. Daarbinnen, waar
-de gevreesde rechter zat, wisselden vragen en antwoorden elkander af;
-hoog boven de andere uit sprak een bedaarde, ernstige stem. Daar klonk
-Katjong’s naam, het knaapje gilde het uit en verschool zich achter de
-ruggen der voor hem zittende menschen. Doch een oppasser trok den
-kleinen dief bij den arm naar voren en dwong hem mee te gaan, terwijl
-vader volgde; diens nabijheid gaf den armen jongen nog een beetje moed.
-
-Toen Katjong wéér opkeek, zag hij een groote kamer, waarin verscheidene
-menschen op den grond zaten; aan een groene tafel zetelde de rechter,
-die het klein, onooglijk menschenkind een oogenblik heel ernstig en
-bestraffend aankeek vóór hij begon te spreken. Katjong was blijven
-staan, doch nu drukte een hand hem op den grond en, met gebogen hoofd,
-wachtte hij de beslissing van zijn lot. De getuigen legden hunne
-verklaring af, waarvan Katjong niets verstond, omdat hij het hoog
-Javaansch niet kende; toen vroeg men hem of hij bekende den diefstal
-gepleegd te hebben.
-
-Wat hielp het te liegen, in de boei ging hij toch, had Sipin hem
-verzekerd, en bevend riep Katjong dus maar: „Ja.”
-
-Nu wendde de rechter zich tot zijn vader.
-
-„Pak-Kastimah, gij zijt een eerlijk man en immers nooit met de politie
-in aanraking gekomen?”
-
-„Neen, heer.”
-
-„Welnu, vindt ge het dan niet verschrikkelijk, dat uw zoontje zich nu
-al vergrepen heeft aan een anders eigendom?”
-
-„Ja, heer,” stemde de vader volmondig toe, „en ik heb hem dan ook reeds
-flink gestraft.”
-
-„Laat mij eens zien, Pak-Kastimah, hoe ge dat gedaan hebt,” klonk het
-nu.
-
-Pak-Kastimah wendde zich tot zijn zoon en, vóór deze er op verdacht kon
-zijn, ontving hij een klap om de ooren, dat hem hooren en zien verging.
-Afwerend hield Katjong de armen voor het hoofd en gilde alsof hij
-vermoord werd.
-
-Doch vader raakte hem ter dege, nu rechts dan links, tot de rechter
-wenkte, dat het genoeg was. Een oogenblik later volgde Katjong vader
-naar buiten, aldoor huilend en een keel opzettend alsof hij nog steeds
-geslagen werd. Onder de strafoefening had de slimmerd intusschen zijne
-ooren wijd opengezet, doch van het woordje boei niets gehoord. Zou de
-rechter vaders tuchtiging voldoende achten als straf voor zijn
-misdrijf? Goddank, dit scheen wel zoo, geen oppasser volgde hen en
-vader sloeg den weg naar huis met hem in. Katjong hield op met gillen
-en wreef zijn gezicht af; vader had hem niet zoo erg veel pijn gedaan,
-misschien was hij ook wel blij, dat hij zijn kleinen vuilpoes weer mee
-naar huis mocht nemen. Aan de eerste woning langs den weg mocht Katjong
-zijn buikje vol eten en toen durfde hij eindelijk vragen of hij nu
-heusch niet in de boei hoefde. En vader sprak niet onvriendelijk: „Voor
-dezen keer ben je er nog goed afgekomen, rakkerd, pas maar op, dat je
-nooit meer door de politie wordt opgepakt!”
-
-Dit beloofde Katjong van ganscher harte; hij had te veel angst
-uitgestaan om, voor het oogenblik althans, niet met de meest
-boetvaardige gevoelens bezield te zijn.
-
-
-
-Jaren zijn verloopen. Katjong is van een vuil, diefachtig
-karbouwenjongetje, een knap, fatsoenlijk man geworden. Op zijn
-vijftiende jaar trad hij in gouvernementsdienst en heeft als looper bij
-de paardenposterij ordentelijk zijn brood. Hij heet nu ook niet langer
-Katjong: bij de geboorte van zijn oudsten zoon Sipin, veranderde zijn
-naam in dien van Pak-Sipin.
-
-Al puilen zijn oogen nog steeds sterk naar voren, al wist moeder natuur
-zijn grooten mond ook niet meer in behoorlijk fatsoen te brengen,
-Pak-Sipin maakt een vrij wat behaaglijker indruk dan vroeger, nu hij
-een net geplooiden hoofddoek draagt en een donker baadje met metalen
-knoopen, die helder glinsteren.
-
-In de uitoefening van zijn werk, naast den reiswagen, ziet hij er
-meestal zeer bestoft of bemodderd uit, doch dit brengt zijn beroep nu
-eenmaal mee en het strekt hem geenszins tot schande. Zijn stal mag ook
-gezien worden, hij spaart den roskam niet en ziet goed toe, dat zijn
-dieren het hun toekomend voer krijgen; hij stelt er een eer in, dat
-zijn paarden er glanzend en weldoorvoed uitzien. Pak-Sipin is een
-gewild looper op de lijn; niemand kan zoo vlug als hij de achterplank
-van den reiswagen op- en afspringen, of, de paarden bijhoudend in
-vliegenden ren, het tuig in orde brengen, wanneer er iets in het
-ongereede is geraakt.
-
-Krachtig en lustig laat hij de zweep knallen en, te midden van hooge
-stofwolken of dikke modderspatten, die rondom hem opvliegen, reppen
-zich zijn lenige voeten in onnavolgbare snelheid naast het galoppeerend
-vierspan. Gaat het de hoogten op, dan klinkt zijn rrt rrt! zoo
-uitlokkend en aanmoedigend, dat de paarden er een vaart inzetten alsof
-zij het werk voor hun plezier doen. Dan is Pak-Sipin in zijn element en
-zou zijn lot met niemand ter wereld willen ruilen. Hij voelt zich nog
-net zoo jong en flink als toen hij, nu tien jaar geleden, voor het
-eerst naast zijn dieren de heuvels opjoeg, en zoolang hij even frisch
-en krachtig blijft, zal hij zijn werk zeker met denzelfden lust en
-ijver uitoefenen als waarmee hij het begon.
-
-
-
-
-
-
-
-EEN AVONDWANDELING.
-
-
-Het is zes uur en wij stappen het hek van ons erf uit om onze gewone
-avondwandeling te maken. Hoewel de zon onderging, is het nog niet
-donker; we hebben eene korte schemering in dezen tijd van het jaar.
-Verrukkelijk koel is het buiten, vooral als wij in het open veld komen,
-van weerskanten door sawahs (rijstvelden) omringd, die een heerlijken
-aanblik bieden in hun smaragd kleed, even frisch als jong.
-Karbouwenhoedertjes baden hun vee in het stroompje langs den weg;
-dikwijls zijn zij niet ouder dan drie of vier jaar, dreumesen, die eene
-ons onverklaarbare macht uitoefenen op de logge dieren aan hunne zorgen
-toevertrouwd. Vijf, zes karbouwen worden soms door zulk een kleuter in
-bedwang gehouden; met een steenworp, een tik of schop van het handje of
-voetje dwingt hij het logge, groote beest tot gehoorzaamheid, dat hem
-met één slag van zijn poot zou kunnen vernietigen.
-
-Zij zijn beste vrienden, de karbouwen zijn drijvertje, omdat zij naast
-elkander opgroeiden, dezelfde woning deelen, dag in dag uit met
-elkander doorbrengen; als een goedige reus laat de karbouw zich drillen
-door een kinderhand. Behalve de landlieden, die van het werk huiswaarts
-keeren, komen wij niet veel levende wezens tegen; af en toe zien wij
-visschers, die tot aan het middel in het water staan en nog een maaltje
-visch hopen te vangen in hunne groote kruisnetten. Deze bezigheid
-verveelt hun niet, al duurt zij uren; een inlander houdt er van tijden
-achtereen zich met nietsdoen te vermaken, strak voor zich uitstarend,
-zonder te zien, misschien niet eens denkend.
-
-De duisternis valt nu snel, maar de maan is opgekomen en staat vol en
-helder aan den diep blauwen hemel. Haar zachte glans werpt een
-geheimzinnig licht tusschen den bladerrijkdom der boomen door in de
-donkere lanen. De schaduwen der bladeren worden in arabesken op den
-grond geteekend, en bewegen zich phantastisch, wanneer een koeltje door
-de takken vaart; zacht wuiven de kruinen der hooge palmen en
-weerkaatsen op hunne breede bladen het maanlicht met blauwachtigen
-gloed. In het geboomte liggen de kampongs verscholen; af en toe blinkt
-een flauw lichtje (een walmend pitje in een blikje met olie of
-petroleum gestoken) aan den ingang der erven; slechts onze voetstappen
-weerklinken nauw op het begrinte pad, overigens is het stil om ons
-heen.
-
-Boven ons hoofd tintelen de sterren: het fonkelend Zuiderkruis, de
-Groote Beer, die geheel anders op den horizon staat dan in Europa, de
-Melkweg, Orion en hoe zij verder heeten mogen.
-
-Haar gloed is niet zoo schitterend als anders, nu zij met het maanlicht
-moeten wedijveren.
-
-Wij slaan een zijweg in en te midden van de stilte bereikt een
-eigenaardig gezang ons oor. ’t Doet mij aan een litanie in een R.C.
-kerk denken en het is dan ook een gebed door den priester of een
-geloovige opwaarts gezonden. Er ligt eene weemoedige aantrekkelijkheid
-in dien zang, uit de duisternis tot ons komend; onwillekeurig blijven
-we even staan en luisteren naar de geheimzinnige stem, die haar God
-aanroept op hare wijze.
-
-Als zwevende sterren dwalen de vuurvliegjes om ons heen, nu hoog, ver
-buiten het bereik, dan vlak voor onze voeten, als wilden zij met hun
-stralend lampje onze wegwijzer zijn. Bij eene bocht der laan staat een
-groote tjemaraboom, die aan den lariks uit het noorden herinnert; met
-tientallen hebben vuurvliegjes zich er op neergezet en hem het
-voorkomen van een kerstboom gegeven, ’t is een eenig schoone aanblik,
-die donkere boom, als met diamanten bezaaid, in zachten maanlichtglans.
-
-Wij slaan den weg huiswaarts in en komen in meer bewoonde buurten; af
-en toe glijden donkere gestalten ons voorbij, doch de meesten zwaaien,
-hoewel de maan schijnt, groote obors (eene soort van fakkels) op en
-neder, die een helder licht op den weg werpen, dat nog blijft schijnen,
-wanneer de dragers reeds als schimmen in de duisternis verdwenen zijn.
-
-Het veelstemmig insecten- en kikkerconcert, dat onze wandeling reeds
-eenigen tijd begeleidde, wordt aanzienlijk versterkt naarmate de nacht
-valt; er komen steeds meer muzikanten bij en ieder zingt zijn liedje op
-verschillende, doch vrij eentonige wijs. Veel orde heeft de
-kapelmeester er niet onder, want telkens zwijgt een instrument om zeer
-ontijdig weer in te vallen.
-
-Op de open aloen-aloen is het bijna dag, zwaarmoedig ruischt de
-nachtwind door de zware tamarinden, over de groote grasvlakte, en
-speelt met den bloesem der djowa-boomen, die aan „gouden regen” doet
-denken.
-
-De kotta (stad) is veel levendiger dan anders op dit uur, want de
-inlander houdt van maneschijn; in groepjes zitten of staan zij bijeen,
-zonder er behoefte aan te voelen het gesprek steeds gaande te houden.
-De kleine warangs aan den weg doen goede zaken, zij gelijken op
-kraampjes, zooals men die ’s avonds op een Hollandsche markt ziet, maar
-de versnaperingen, welke er te koop worden geboden, zien er geheel
-anders en juist niet smakelijk uit. Behalve de vruchten, biedt de
-koopwaar een onooglijken aanblik; aan al de stalletjes wordt zoowat
-hetzelfde verkocht. Vieze kleine bengels, bijna naakt, zwermen als
-muggen om de tentoongestelde lekkernijen, en benijden het makkertje,
-dat een paar duiten rijk is en daarvoor iets van die heerlijkheden
-machtig kan worden. Menigeen koopt voor de waarde van eenige centen
-zijn avondmaal: een portie rijst in een boomblad gewikkeld, met of
-zonder een gebakken vischje, naar de financiën dit toelaten; kleine
-meisjes draven met de bedrijvigheid van huismoedertjes huiswaarts, na
-hare inkoopen te hebben gedaan.
-
-Voorbij een Chineesch huis komend, zien wij een familie rond den disch
-geschaard: vader, moeder en drie kinderen. In het midden, op de
-ongedekte tafel staat een schaal rijst en allen grijpen met de vingers
-toe, terwijl het meer dan eenvoudig maal hun best schijnt te smaken.
-
-In de laan naar onze woning is het eenzaam en stil, vriendelijk wenkt
-het licht van ons eigen huis tusschen de boomen door. Een sterke geur
-van melatie en sedap-malem komt ons te gemoet als wij het erf opgaan en
-in groote sprongen rent mijn hondje de verandatrappen af, vol
-uitbundige vreugde ons weer te zien. Na de lange wandeling is het
-heerlijk om uit te rusten: wij blijven nog wat buiten zitten, genietend
-van de frissche geurige lucht in een zoet dolce far niente.
-
-
-
-
-
-
-
-EEN PROEFSNIT.
-
-
-„Hebt ge lust om morgen mee te gaan?” stelde mijn man mij voor, „ik ga
-proefsnit houden, en dat hebt ge nog nooit bijgewoond.”
-
-„Proefsnit houden, wat is dat?” vroeg ik nieuwsgierig.
-
-„Wel, met de inlandsche hoofden moet ik controleeren hoeveel (padi)
-rijst de een of andere akker opbrengt. Een vierde gedeelte van een bouw
-(1 bouw = 7096 □ M.) wordt in ons bijzijn gesneden en afgewogen en naar
-deze productie wordt de geheele oogst globaal berekend om de daarvoor
-verschuldigde belasting vast te stellen, begrijpt ge? Wij moeten vroeg
-van huis, want het is ver weg, en dan met een prauw de rivier op. Zorg
-dus, dat ge bijtijds klaar zijt.”
-
-Ik had veel lust in het tochtje; het programma stond mij bijzonder aan,
-en ’t moest nog half zeven slaan, toen wij den volgenden morgen ’t erf
-afreden in de meer dan koele morgenlucht. Ja, het was frisch, bij koud
-af, de zon vertoefde nog in hare kleedkamer achter de wolken en
-beloofde pas laat haar entrée te zullen maken. De postpaardjes draafden
-lustig voort, spoedig lag de stad achter ons en waren wij op een
-mooien, zwaar belommerden weg, die zich mijlen ver uitstrekte. Slechts
-de kweelende vogelstemmetjes in de boomen hielden ons gezelschap; hier
-en daar zaten inlanders, tot aan de schouders in hunne sarongs
-gewikkeld, voor hunne huisjes. Zij hadden het zeker koud net als ik;
-verlangend zagen wij naar de zon uit, maar deze vertoonde zich niet,
-integendeel de wolken zakten al lager en lager, en weldra reden wij in
-een dikken mist.
-
-„In de bergen is het niets ongewoons, dat men door eene wolk rijdt,”
-sprak mijn man, „maar hier in de vlakte heb ik het nog nooit gezien.”
-
-„’t Lijkt wel een Hollandsche Novemberdag,” antwoordde ik, een warmen
-doek dichter om mij heen trekkend, „ik hoop, dat het gauw zal
-opklaren.”
-
-Toen wij even moesten wachten bij het verwisselen van paarden, en ik
-mij omkeerde om het landschap te overzien, kreeg ik nog sterker dan te
-voren den indruk alsof ik mij op een laten najaarsdag in Holland
-bevond. Honderden spinnewebben, hangend tusschen de stoppels der
-afgesneden padi-velden, deden deze op met rijp bedekte akkers gelijken;
-de dichte, laag hangende nevel verborg den horizon, en er lag zulk een
-troostelooze eenzaamheid over het geheele veld, dat melancholieke
-gedachten aan dood en winter bij mij opwelden. Langzamerhand trok de
-mist op, en toen wij aan de plaats kwamen, waar wij de reis per prauw
-zouden voortzetten, was het mooi weêr.
-
-In de woning van den assistent-wedono (onderdistrictshoofd) bracht men
-ons een kopje warme thee, dat mij, na den koelen rit, ook zonder melk,
-uitstekend smaakte.
-
-Terwijl mijn man zich met de inlandsche hoofden over dienstzaken
-onderhield, ging ik even zitten, toen ik achter mijn schommelstoel
-eenige beweging bespeurde. In de veronderstelling, dat een bediende
-langs mij heenschoof, bleef ik kalm zitten, doch tot mijn verbazing zag
-ik op eens een vrouw van den grond opstaan en mij zeer eerbiedig
-begroeten. Het was eene knappe inlandsche, heel mooi aangekleed, met
-een zwart satijnen baadje en groote juweelen op de borst en in de
-ooren. ’k Begreep dadelijk, dat zij de Raden-Ajoe van den
-assistent-wedono was, en maakte uit hare gebaren op, dat zij mij van de
-taarten aanbood, die op tafel gereed stonden, want ik verstond geen
-woord van wat zij in het Javaansch vertelde. Ook had ik niet veel trek
-in het inlandsch gebak, dat meestal droog is of onaangename bijsmaakjes
-heeft, maar beleefdheidshalve nam ik een stukje, dat ’k met groote
-moeite naar binnen werkte, want het smaakte vreeselijk naar den rook en
-was bovendien niet goed gaar. Nadat zij aan de plichten der
-gastvrijheid voldaan had, ging de Raden-Ajoe weer deftig aan mijne
-voeten zitten, en we namen beiden een bedachtzaam stilzwijgen in acht
-tot mijn man gereed was.
-
-Blijde stond ik op, in de meening verlost te zijn van de taart en het
-benauwend gezelschap der inlandsche dame, doch dit laatste kwam anders
-uit. De Raden-Ajoe verklaarde, dat zij mevrouw vergezellen wilde in de
-prauw, greep mijn doek en taschje, en stapte vastberaden achter ons aan
-naar het vaartuigje, dat er met zijne vroolijke vlaggen en bamboe
-zonnetentje heel aardig uitzag. De prauw was keurig in orde, er lagen
-dekens op de banken en een mat op den bodem. Wij gingen onder de
-zonnetent zitten, de Raden-Ajoe plaatste zich op den grond. Dank zij
-mijn man, die haar spoedig inlichtte, dat ik slechts Maleisch verstond,
-vlotte de conversatie iets beter; we spraken over de kinderen, de
-dieren, den prijs der levensmiddelen, enz. en keken ter afwisseling
-naar de begroeide oevers der rivier, waarop de roeiers ons vrij vlug
-voortpagaaiden. In andere prauwen volgden ons de inlandsche Hoofden,
-zoodat wij eene aardige miniatuurvloot vormden, die lustig voortgleed.
-Als we kampongs passeerden, stonden schreeuwende jongetjes ons op te
-wachten, en draafden zoo ver mogelijk mee om langer te genieten van het
-ongewone schouwspel, dat onze vloot hun bood. Vrouwen spoelden hare
-wasch of baadden hare kinderen in het verre van heldere water; overal
-was leven en bedrijvigheid.
-
-„Wat zouden ze thuis vreemd opkijken, als zij mij hier eens konden
-zien,” dacht ik bij mij zelve, „in dit primitieve vaartuig met zulk
-eigenaardig gezelschap.”
-
-
-
-
-
-
-
-DE EERSTE BUI.
-
-
-De buitengewoon warme, ongezonde Oost-mousson loopt gelukkig ten einde.
-Mensch, dier, gewas, alles snakt naar regen; maanden achtereen is er
-geen droppeltje gevallen, al zijn wij in den drogen tijd, toch een
-ongewoon verschijnsel. Iederen morgen staat de zon even helder aan den
-wolkloozen hemel, en bestraalt met haar verzengenden gloed het gewas op
-den akker, trekt het weinige water tot zich, dat nog in de stroompjes
-overbleef, doet mensch en dier hijgen, zuchten, de koelst mogelijke
-plekjes opzoeken.
-
-„Lieve hemel wat is het warm!” Deze uitroep ontsnapt mij misschien wel
-voor den derden keer, terwijl ik lusteloos op een luierstoel
-uitgestrekt naar buiten lig te staren.
-
-Alles ziet er even verlept en grauw uit, de bladeren der boomen met een
-dikke stoflaag bedekt, hebben hun fraai groene kleur geheel verloren,
-een nijdige rukwind, zoo warm alsof hij; uit de Sahara kwam, veegt af
-en toe de kruinen der palmen schoon, maar die weelde duurt niet lang:
-al heel spoedig hebben zij het oude onooglijke pakje weêr aan. De weg
-is bijna onbegaanbaar, diep zakken de wielen der karretjes in het stof
-en in hooge wolken verstuift het zand onder de hoeven der paarden.
-Straks, toen ik even naar buiten ging om naar mijne bloemen te kijken,
-kreeg ik een gevoel alsof ik voor een bakkersoven stond; zij zien er
-niets fleurig uit, mijn arme bloemen, de rozen laten kwijnend blad en
-knoppen hangen, te moe en uitgeput om veel op te frisschen van het
-lauwe putwater, waarmee ik ze liet besproeien.
-
-Logge karbouwen trekken hijgend ons erf voorbij, zij kunnen de zwaar
-beladen karren suikerriet moeielijk voortkrijgen; ik zie den drijver
-twee keer stilstaan, om hunne koppen met water te besproeien uit een
-modderig riviertje, dat nog niet geheel is opgedroogd.
-
-Overal hoort men van ziekte, in de kampongs zoowel als bij de
-Europeanen; mijne bedienden komen ook telkens een van allen niet
-binnen, en als ik naar hen ga kijken, liggen ze suf, met wezenlooze
-oogen voor zich uitstarend, op de balé-balé, rillend van koorts en met
-zware hoofdpijn.
-
-Wij zelve zijn ook niet recht wel, alles vermoeit ons en maakt ons veel
-warmer, mijn naaiwerk valt mij uit de hand, de pen wordt klam in mijne
-vingers, hoe kan men ook werken bij zulk eene hitte!
-
-De insecten alleen trekken zich niets aan van de onaangename
-weêrsgesteldheid, vliegen en muskieten zijn dubbel zoo druk en
-danslustig als anders en maken het mij zoo lastig, dat ik ze uit den
-grond van mijn hart verwensch. Wat in het water leeft moet dubbel in
-zijn element zijn op dagen als deze, ofschoon dit ook niet frisch kan
-zijn; zelfs in mijn koele badkamer, waar geen zonnestraaltje
-binnendringt, was het water lauw van morgen.
-
-De hoofdpijn, waarmee ik opstond, wordt erger in plaats van beter, ik
-ga naar mijn kamer om eau de cologne te halen en word op mijn weg
-daarheen onaangenaam verrast door het gezicht van de wasch, die in de
-achtergalerij ligt te wachten om nageteld en geborgen te worden. ’k Heb
-veel meer lust om wat te gaan rusten, maar ik kan het goed toch niet
-laten liggen, dus roep ik baboe om mij te helpen, doch zie haar niet
-verschijnen.
-
-„Baboe is ziek, mevrouw,” licht de huisjongen mij in.
-
-„Weêr ziek,” zeg ik knorrig, „dat is nu al de derde keer van de week,
-zoo kan het niet langer.” Al pruttelend ga ik naar haar kijken en moet
-een zonnig stukje erf oversteken om hare kamer te bereiken. ’t Is er
-donker en benauwd; mijn Ramé is een knappe meid, hare kondeh zit altijd
-netjes, hare kleeren zijn steeds helder en zindelijk. Nu ziet zij er
-echter al zeer onooglijk uit, met loshangende haren, een morsig baadje
-aan en op haar voorhoofd een groen papje, dat van een zeker boomblad
-gemaakt, een inlandsch geneesmiddel tegen de hoofdpijn is. Ik ben een
-weinig ontstemd binnengekomen, maar als ik de arme meid goed aankijk,
-krijg ik bepaald medelijden met haar, want zij ziet er ellendig uit.
-Ziek als ze is, glijdt ze toch dadelijk van haar bed, omdat het niet
-behoorlijk is mevrouw, anders dan op den grond gehurkt, te ontvangen.
-
-„Ben je zoo ziek, baboe, zal ik den dokter djawa voor je laten komen?”
-vraag ik.
-
-„Och neen, mevrouw,” zegt ze met flauwe stem, „mevrouw heeft mij goede
-medicijn gegeven, de koorts is nu weg, maar ik ben nog zoo moe, dat ik
-niet op de been kan blijven; ’t is ook zoo warm, kwam er maar regen.”
-
-„Ja, kwam er maar regen,” zucht ik eveneens, en na haar wat eau de
-cologne te hebben gegeven, ofschoon overtuigd, dat zij veel meer
-vertrouwen stelt in haar eigen groen mengseltje, ga ik naar binnen en
-beredder de wasch alleen.
-
-De waschbaas heeft erg vuil gewasschen: de bruine vlekken door het
-stout er op achtergelaten, zitten nog in de tafellakens en de
-vaatdoeken vertoonen overal vette plekken. „Dat kan ik zoo niet
-gebruiken,” zeg ik bij mijzelf, een grooten hoop terzijde leggend, „dit
-moet allemaal worden overgewasschen.” Maar dan bedenk ik, dat ik het
-goed veel later thuis kreeg dan anders, omdat de waschbaas ook al ziek
-was, het water is bovendien zeer schaarsch de laatste weken, de meeste
-putten zijn droog. Daar de onze zeer diep zijn, hebben wij nog genoeg,
-maar velen, niet zoo gelukkig, moeten het water van ver weg laten
-halen.
-
-Eindelijk hen ik klaar en ga naar de groote slaapkamer, waar het
-betrekkelijk koel en heerlijk donker is. Pun, mijn poesje, komt mij
-miauwend te gemoet, zij heeft zich achter in het zand gerold, haar wit
-vel is groezelig, als ik haar streel voelt zij stoffig en kleverig aan.
-Mooi is poesje niet met haar flauw blauwe oogen, haar grooten kop en
-knoop in den staart, dien zij, zeer ongracieus, loodrecht omhoog
-draagt. Wanneer ik haar buiten de deur zet, merk ik op dat het in de
-binnengalerij niet veel lichter is dan in de slaapkamer, de zon is
-schuil gegaan achter groote wolken. Doch dit doet zij bijna iederen dag
-zonder dat er iets van komt; ik zal mij maar niet op een doode musch
-verheugen. Een paar muskieten zijn binnen de klamboe gebleven, en hunne
-bloeddorstige aanvallen op mijn gezicht en handen, maken het mij
-onmogelijk in te dutten; ik lig dus maar stil, met de oogen dicht, zoo
-zal de hoofdpijn misschien wel zakken, ofschoon het hier ook al warm
-is, warm en drukkend. Zoo lig ik een half uur of langer te soezen als
-ik opschrik door een ongewoon geluid, dat de stilte om mij heen
-verbreekt.
-
-Wat is dat? Zacht en onregelmatig tikt er iets tegen het raam, dan hoor
-ik een vreemd geloei in de lucht, dat van verre, heel van verre schijnt
-te komen en op eens.... een geplas en gekletter, dat hooren en zien mij
-vergaat. Het regent! Goddank, Goddank, het regent.
-
-In een oogenblik sta ik op mijn voeten en gooi ramen en zonneblinden
-wijd open, een heerlijk tafereel treft mijn oog.
-
-In volle, dikke stralen stroomt het zegen brengend nat uit den hemel op
-de dorstige aarde, die het gretig, dankbaar inzuigt, op boom en struik,
-hun leelijk pakje omtooverend in de fraaiste feestkleedij, op mijn
-uitgeputte bloemen, rozen, viooltjes, melatie, die als dankend zich
-opheffen en hare zoetste geuren omhoog zenden.
-
-„Hoe is het met je hoofdpijn?” vraagt mijn man, die naast mij is komen
-staan, en mij glimlachend aanziet.
-
-„O die is weg, heelemaal weg, maar zie toch eens, man, hoe heerlijk
-frisch alles er uitziet, is het niet goddelijk? Die struik ginds.... ik
-dacht, dat zijn bladeren zwart waren, nu zie ik pas hoe beeldig
-lichtrood zij zijn. Wat riekt de melatie sterk, hé, en hoe rein wit
-zijn de bloempjes nu. Daar bij den uitgang van het erf is een flink
-zeetje, waar gaat al dat water met zulk een vaart naar toe?”
-
-Maar buiten kunnen we alles nog veel beter zien, we gaan dus naar de
-voorgalerij. De regen is aan het verminderen, maar het water maakt een
-verbazend geweld boven ons hoofd, waar het door de dakgoten bruist, en
-aan het eind gekomen naar omlaag stort. De bedienden hebben overal
-bakken gezet om het regenwater op te vangen, zij loopen lachend af en
-aan en plassen met de bloote voeten door het nat. Van het achtererf
-klinkt een verbazend gelach en geschater, ik ga eens kijken en
-aanschouw een aardig tooneeltje onder een waterstraal, die van een
-flinke hoogte naar beneden komt. Twee knaapjes, de kleintjes van den
-koetsier, krijgen van moeder een bad uit de eerste hand. Met hun beiden
-zijn ze misschien nog geen vijf jaar, mollig en gezond, met stevige
-armen en beenen. Het water druipt langs hunne naakte leden, zij
-spartelen en dansen gillend, half van angst, half van pret, als moeder
-hen onder den waterstraal duwt, dan volgt een proesten, lachen en
-schateren, dat men lust krijgt mee te doen. Hoe lief, onschuldig en
-aanvallig zijn zij, net zoo aardig om te zien met hunne schitterende
-oogjes, gladgeschoren kopjes en dikke rijstbuikjes, als blanke
-kindertjes met rose wangen.
-
-De regen heeft nu geheel opgehouden, het druipt en lekt uit de boomen,
-maar we kunnen toch al weer wandelen op de begrinte paden. Hoe geurig
-riekt het overal, hoe helder is de atmosfeer, geheel van stof
-gezuiverd. ’k Werp het hoofd achterover om de kruidige lucht in te
-ademen en geef er niets om, dat een regen zware druppels uit den
-grooten mangaboom een treurige verwoesting in mijn poney aanricht. Pun
-schijnt buiten door de bui verrast te zijn en zit zich nu uit alle
-macht te poetsen; zij houdt niet van nat, maar had het ongewenschte bad
-hoog noodig. Bij de badkamer vind ik baboe, die bezig is regenwater
-door eene zeef te laten loopen, om er de waschkannen mee te vullen. Zij
-heeft ook een geheel ander voorkomen dan daar straks, het vieze goedje
-is van haar voorhoofd af, regendruppels glinsteren in haar net
-opgemaakte kondeh, zij ziet er even frisch en helder uit als het water,
-dat zij in de kannen giet.
-
-„Weer beter, baboe?” vraag ik lachend. Zij lacht ook, en antwoordt
-vroolijk:
-
-„Heelemaal beter, mevrouw, ’t is nu ook zoo lekker buiten.”
-
-De groote weg is één modderplas, wij kunnen onze gewone avondwandeling
-niet maken, en genieten dus maar in de voorgalerij van de verfrischte
-atmosfeer.
-
-„Er zal van nacht nog heel wat regen vallen,” merkt mijn man op, met
-een blik naar de lucht.
-
-„Heerlijk,” roep ik, „wij kunnen nog veel gebruiken, de grond is
-uitgedroogd.”
-
-Ik kan mij nu niet voorstellen, dat de elken dag terugkeerende
-regenvloed ons gauw zal gaan vervelen. Met genot volg ik de druppels,
-die van de frissche bladeren glijden en met zacht getik omlaag vallen;
-de donkere wolken aan den horizon zie ik veel liever dan den mooien
-sterrenhemel van gisteren, ik voel mij verjongd, opgewekt,
-levenslustig, een geheel ander mensch dan vóór de eerste bui.
-
-
-
-
-
-
-
-ALLEEN THUIS.
-
-
-Voor de eerste maal sinds mijne komst in Indië zal ik alleen thuis
-blijven. Tot dusver heb ik mijn man steeds kunnen vergezellen op zijne
-tournées; nu moet hij echter twee dagen te paard de bergen in, is
-genoodzaakt in een slechte pasangrahan (soort logement) te overnachten,
-en ik kan onmogelijk meegaan.
-
-Nadat ik hem uitgeleide heb gedaan, stap ik zuchtend het huis weer
-binnen. Wij wonen nog niet lang op dit kleine plaatsje in het
-binnenland, en ik ken geen der families intiem genoeg om ze te bezoeken
-in dien tijd, of te kunnen verwachten, dat zij het mij zullen doen.
-
-Ach, hoe heerlijk toch in Holland te zijn, in een stad waar familie of
-vrienden u omringen, waar men lang genoeg vertoeft om nauwe banden aan
-te knoopen, intieme kennissen te maken, bij wie ge steeds even welkom
-zijt als zij bij u.
-
-Hier ziet men onophoudelijk nieuwe gezichten; pas zijt ge elkaar een
-weinig nader gekomen, en hoopt eene gezellige conversatie te beginnen,
-dáár leest ge de overplaatsing der familie of wel uw eigene in de
-courant en een paar weken later zijt ge elkaar half vergeten. Enfin,
-dit is nu eenmaal niet anders en men doet wijs er niet over te
-pruttelen. Zijne huiselijke omgeving, zijn gezellig intérieurtje kan
-een mensch toch overal meenemen, al trekt hij naar de eenzaamste
-oorden, en, zoo ergens, dan is ’t in het binnenland een voorwaarde om
-gelukkig te zijn, dat ge uw tehuis tot uw wereld weet te maken, want
-buiten uw eigen kringetje moet ge niet veel afleiding verwachten. Men
-komt er dan ook spoedig toe zich op eigen klein gebied aan te schaffen
-wat het leven veraangenamen, en de eentonigheid er aan ontnemen kan.
-Behalve de huisdieren, hebben we allerlei beesten op het erf: koeien,
-paarden, kwakende eenden, kippen, duiven in soorten, konijnen,
-marmotten, enz. en het is een eigenaardig genot voor mij ze in hun doen
-en laten te bespieden, hen aan mij te gewennen en mak te maken.
-
-Na het ontbijt is steeds mijn eerste werk naar de goedang of
-provisiekamer te gaan, voeder (eten) uit te geven voor mijn vierbeenige
-en gevederde lievelingen en last not least, voor ons zelve. ’k Besluit
-dus hieraan te beginnen, neem mijn sleutelmandje, en begeef mij naar de
-bijgebouwen.
-
-Nog vlugger dan de bedienden, hebben de vogels het in ’t vizier, dat de
-goedang geopend zal worden; de duiven zaten reeds op het dak te wachten
-en fladderen nu in tientallen om mij heen. Zij zijn verzot op djagoeng
-of Turksche tarwe, de schuwste laten zich door deze lekkernij verlokken
-in mijne onmiddellijke nabijheid neer te strijken, doch dat zijn er
-maar enkele, bijna allen laten zij zich streelen en met de hand pakken.
-Daar komen de kippen en eenden aan, de hoenders als driftig trippelende
-dametjes met veel onnoodige drukte, de eenden al onbevallig wat er aan
-is, met hun schommelgang en snaterende bekken. Eén mama-eend waggelt
-met haar kroost regelrecht de provisiekamer binnen; zij weet wel, dat
-ik haar, ter wille der kleintjes, een beetje verwen en in de goedang
-zelf laat eten. Al kwakend stapt zij naar het gewone plekje achter de
-deur en helpt hare domme kinderen voort, die de eigenschap, welke men
-hun soort toeschrijft, nog in hooger mate bezitten dan de oude lui.
-
-De staljongen verschijnt nu op het tooneel en vraagt zout en rijst voor
-de koeien om boeboer of brei te koken, en paddie voor de paarden; ik
-geef kokkie het noodige voor het middag- en avondeten, de huisjongen
-brengt de lampen die gevuld moeten worden. Petroleumkannen kennen wij
-hier niet: uit het groote blik pompt men de olie op in het reservoir
-van de lamp. Mijn Sastra morst nog al eens bij deze gelegenheid, maar
-op den steenen vloer komt dit er minder op aan. Na een half uurtje ben
-ik klaar en ga, vergezeld van Leeuwtje, mijn aardigen hond, naar den
-stal om den apen vruchten te brengen en eens naar de paarden te zien.
-De paarden kennen mijne stem en hinniken vroolijk als ik hen toespreek,
-maar met de apen ben ik op geen goeden voet. Zij grijpen mij de
-vruchten af, maken nijdige geluiden, rukken aan hun ketting en betoonen
-niet de minste dankbaarheid. Een van de drie, Jim genaamd, was tot
-dusver vrij mak, hij stak zijn snuitje vooruit als hij mij zag, legde
-een harig handje op zijne borst, en nam heel netjes de vruchten aan,
-die ik hem bood. Van morgen is hij echter uit zijn humeur en even
-onvriendelijk als de anderen; ’k denk, dat het stalpersoneel de dieren
-plaagt en zij daardoor valsch worden. Leeuwtje blijft op een afstand,
-hij is bang en zij grijnzen en krijschen boosaardig tegen hem,
-misschien beneden zij het dier zijn heerlijke vrijheid.
-
-Mijn hondje is anders goedig genoeg, hij stoeit en speelt met Puzz,
-mijn vinnige poes, zonder haar ooit pijn te doen, vernielt nooit iets,
-is steeds gehoorzaam en bedaard.
-
-Wij ontbeten vroeger dan anders: ’t is dan ook nog niet te warm om de
-bloemen in oogenschouw te gaan nemen. Deze bestaan voornamelijk uit
-rozen, die in potten zoowel als in den vollen grond, frisch en heerlijk
-bloeien; ik bewonder en verzorg ze gaarne, maar zij zijn mij niet half
-zoo lief als wilde viooltjes, die ik met veel moeite van één klein
-plantje tot een flinke tobbe vol gekweekt heb. De bloempjes gaan nooit
-geheel open, maar haar geur is even sterk als in Holland, en tal van
-liefelijke herinneringen aan het verre vaderland komen mij in de
-gedachte, als ik de paarsblauwe blaadjes tusschen het welig groen
-ontdek, en de zoete geur tot mij opstijgt.
-
-Het is iets opmerkelijks in dit immer groene land, dat men zoo weinig
-bloemen ziet. Zij groeien niet tusschen het gras, in stilstaand water
-of aan stroomende beekjes, evenmin als in de tuintjes der inlanders.
-Eigenlijke veldbloemen komt men nooit tegen; wel bloeien hier en daar
-de heggen met blauwe of paarse klokken en ziet men hooge struiken, die
-roode bloempjes dragen, de z.g. Salièra, doch hiermede houdt het op,
-ten minste in deze streek.
-
-Het huis lijkt mij als uitgestorven wanneer ik er weer binnentreed; nu
-is dit louter verbeelding, want ’s morgens is mijn man natuurlijk op
-het kantoor aan zijn werk, maar de gedachte dat ik hem er nu niet
-vinden zal als ik lust krijg even bij hem aan te wippen, maakt het
-zeker zoo eenzaam om mij heen. Werk heb ik anders genoeg en lectuur
-ook, in overvloed, maar de uren gaan niet zoo vlug voorbij als
-anders—alleen met Leeuwtje tot gezelschap, die den baas eveneens mist.
-
-Ik wil gaarne aannemen, dat een moeder met twee of meer kinderen het
-hier volhandig kan hebben, maar wanneer de vrouw des huizes, zooals ik,
-slechts voor haar man en zichzelve hoeft te zorgen, heeft zij het
-stellig oneindig gemakkelijker dan de meeste dames van haar stand en
-hare positie in Holland. De wasch behoeft zij slechts te bergen; het
-reinigen van thee- of koffie-servies laat zij den huisjongen over; stof
-afnemen, zelf eens meehelpen op drukke dagen om de dienstboden te
-gemoet te komen, dit alles vervalt in Indië, omdat men er handen genoeg
-heeft. Met mijne bedienden trof ik het zeer goed; zij gingen van de
-vorige standplaats met ons mee, twee van hen met vrouw en kinderen.
-Achter het huis, in de bijgebouwen, hebben zij hunne kamers, en ik merk
-zeer weinig van hun huiselijk leven op dien afstand. Wel weet ik, dat
-de vrouw van mijn huisjongen haar eerste kindje wacht, en de aanstaande
-ouders daar recht mee in hun schik zijn. De koetsier heeft een
-schoolgaand knaapje, hij wil er een geleerde van maken en betaalt 25
-cents ’s maands voor zijne geestelijke vorming. Heel trotsch stapt die
-zesjarige kleuter ’s morgens naar school, vader heeft hem geholpen
-hoofddoek en sarong netjes aan te doen; met de lei onder den arm en
-reeds iets statigs en deftigs in gang en houding, begeeft hij zich naar
-den tempel der wijsheid. Toen hij de Javaansche letterteekens beet had,
-vond bij onze witte buitenmuren zeer geschikt om zijne kunst op te
-oefenen en, pas na eenige zeer ernstige vermaningen op dit punt, kwam
-ik de vreemde figuren: puntjes, boogjes, streepjes, niet meer tegen.
-
-Mijn verderen morgen aan schrijf- en naaiwerk bestedend, is deze zoo
-wat om, als ik het houten hamertje en ’t eigenaardig zwiepend geluid
-hoor, waarmee de klontong (koopman) zich en zijne waar aankondigt.
-
-De muziek met het hamertje maakt hij zelf en het piepend geluid wordt
-veroorzaakt door het heen en weerschuiven van den
-bamboe—draagstok—waaraan de pakken met goederen hangen.
-
-De dragers of koelies zijn gewoonlijk flinke, goed gebouwde menschen,
-die voor gering loon uren en uren aaneen belast en beladen
-voortsjokken. Een inlander kan onbegrijpelijk lang achtereen loopen op
-een sukkeldrafje, slechts af en toe stilstaand om zijn last te
-verplaatsen.
-
-Diep in het binnenland, zooals hier, waar niet anders dan het hoog
-noodige voorhanden is, maakt een klontong meestal goede zaken; iedereen
-profiteert van de gelegenheid.
-
-Deze koopman is een Chinees, die betrekkelijk al in goeden doen is,
-want hij heeft 4 koelies, die elk twee met matten omgeven pakken
-neerzetten. Toen deze zoon van het hemelsche rijk begon, droeg hij
-ongetwijfeld zijn pakje zelf, spaarde, overlegde en leed half honger om
-eindelijk zooveel bijeen te hebben gegaard, dat hij zich één, later
-meer koelies kon aanschaffen, naarmate hij zijne zaken uitbreidde.
-Vlijtig en werkzaam zijn de Chineezen, dit moet ieder hun nageven.
-
-Zelden heb ik zulk een leelijk, bijdehand kereltje gezien als dit
-exemplaar. In zijn vuil geel gezicht met uitstekende wangbeenderen,
-blinken scherpe zwarte oogjes; voor zijn gemak had hij den langen
-staart, die aan het achterhoofd slingert, om de kaalgeschoren kruin
-gelegd, doch nu hij mij ziet aankomen laat hij hem uit beleefdheid weer
-bengelen.
-
-In Holland hebben de vischvrouwen den roep ongehoord te overvragen,
-maar zij konden bij de kooplui hier een lesje nemen. In het begin was
-ik dikwijls verstomd en besloot niet te bieden, maar door ondervinding
-wijzer geworden, ding ik nu even brutaal af als zij durven eischen, en
-krijg een en ander soms voor een derde of vierde van den gevraagden
-prijs. De koopman is zelf overtuigd dat hij schromelijk overvraagt, en
-zegt heel gemoedelijk af en toe: „boleh tawar,” hetgeen beduidt: „Je
-mag afdingen.” Van deze vergunning ruimschoots gebruik makend, koop ik
-mooie zijde, lint, kant, enz. voor matigen prijs, maar bewonder slechts
-de juweelen, die hij in een geheimzinnig afzonderlijk trommeltje bij
-zich heeft. Oorknoppen van ƒ 300, een armband van ƒ 500, ringen,
-spelden, enz.
-
-„Koop maar wat,” zegt vriend Baba, „boleh tawar.” Doch al schitteren de
-steentjes nog zoo verleidelijk, wie weet hoe weinig zij misschien waard
-zijn; ik ben geen deskundige en lach bij mijzelve, als ik den Chinees
-slechts noode het trommeltje zie sluiten, nu ik niet eens wil bieden op
-al dat fraais, en hem zeg, dat hij naar rijke njonja’s moet gaan met al
-die dure zaakjes.
-
-Baboe, die is komen kijken, vindt het jammer dat mevrouw niets koopt:
-hare vingers zitten vol koperen ringen met valsche steentjes en in hare
-ooren draagt zij verbazende oorknoppen, die mij aan groote radijzen
-doen denken, meer in het oog vallend dan fraai.
-
-De klontong heeft mij aardig opgehouden, het is ver over den gewonen
-tijd als ik ga eten. Veel eer doe ik de rijsttafel niet aan, ofschoon
-meest alles op zijn Europeesch wordt klaargemaakt, zonder klapperolie
-of sterke kruiden, en nu sta ik nog vlugger op dan anders, zoo alleen.
-
-Na het middagdutje, als ik in de voorgalerij thee zit te drinken, voel
-ik dubbel, hoe stil wij toch wonen. Behalve af en toe een inlander,
-komt er niemand voorbij, er passeeren geen rijtuigen op het
-namiddagritje, ik zie geen jonge meisjes, zooals op onze vroegere
-woonplaats, mij vroolijk toeknikken en even binnen wippen om te
-groeten, geen mooi aangekleede kinderen aan de hand van baboes, of in
-de slendang gedragen. ’k Denk er over een toertje te gaan maken, om de
-zon aan zee te zien ondergaan, maar een blik naar de lucht doet mij op
-dit voornemen terugkomen. De hemel is zwaar bewolkt, er dreigt regen,
-die wel spoedig zal vallen ook.
-
-Als ik echter na het avondeten buiten kom, is het nog droog, maar er
-blinkt geen enkele ster, terwijl het mij ook benauwd en drukkender
-toeschijnt dan daar straks.
-
-Baboe zal van nacht in mijn kleedkamer slapen, haar bed is spoedig
-gespreid: een matje om op te liggen, en een kussentje onder het hoofd.
-Ik zou niet graag mijn klamboe (muskietennet) missen, want de heele
-kamer suist van de muskieten, maar dat schijnt mijn Ramé niet te
-hinderen.
-
-
-
-
-
-
-
-BRAND IN DE KAMPONG.
-
-
-Als iederen morgen is de zon in verrukkelijke schoonheid om zes uur
-herrezen, en werpt haar vol, gouden licht over Java’s vruchtbare
-velden, doorboort de nevelen, die zich legeren om de toppen der bergen
-en schittert op de golven, die de stranden bespoelen. ’t Was vroeg dag
-in de kampong aan het zeestrand, om vier uur toog het visschersvolk
-reeds uit; pas tegen zonsondergang zouden zij huiswaarts keeren.
-Vroolijk stak de kleine vloot in zee, met krachtige pagaaislagen werden
-de prauwen naar buiten geroeid tot het zeil de stevige bries te pakken
-kreeg en de booten in zwaluwvlucht over het water schoren. De
-thuisgebleven vrouwen bezorgen de huishouding, de meeste gaan tegen een
-uur of zeven passerwaarts om visch aan den man te brengen of zelve
-inkoopen te doen. Ook de moeder van kleine Moersina is naar de passer
-gegaan, het meisje heeft beloofd goed te zullen oppassen, terwijl
-moeder uit is; zij zal niet met de kameraadjes buiten gaan spelen, maar
-vlijtig hout bijeenzoeken om straks het water op te koken. Met de
-bedrijvigheid van een huismoedertje, draaft Moersina af en aan, schort
-de kleine sarong hooger op om niet in hare bewegingen belemmerd te
-worden, draait de kondeh vaster, die telkens in het mollig nekje dreigt
-te zakken, en beweegt de lenige vingertjes even vlug als handig.
-
-Op den aarden vloer van het huisje heeft zij weldra het hout tot een
-flink stapeltje gebouwd; nu zal zij moeder eens verrassen en zorgen,
-dat zij bij hare thuiskomst het water kokend vindt. Fluks strijkt zij
-een lucifer af, het hout is droog en ontvlamt dadelijk; het meisje
-grijpt een pan en spoedt zich naar den put om water te halen. Zij heeft
-er niet op gelet, het onnoozele schaapje, dat zij vlak bij den
-bamboewand haar vuurtje bouwde. Vroolijk kringelen de vlammen omhoog,
-vurige tongetjes lekken even den muur, dalen, rijzen, vangen een
-spelletje aan, dat hoe langer hoe woester wordt; wat een grapje leek is
-dra in vreeselijken ernst verkeerd. Ontzet wijkt Moersina terug als zij
-haar huisje nadert; door de wanden licht een vuurzee.
-
-„Brand, brand,” weerklinkt het spoedig alom; de weinige menschen, die
-thuis bleven, loopen te hoop, gillen door elkander, gesticuleeren met
-drukke gebaren en zien het angstig aan hoe de heftige wind de vonken
-verspreidt en de vlammen naar de andere huizen jaagt. Zij weten allen
-wat het beduidt, brand in hunne kampong met zulk een stormwind,
-tusschen de opeengebouwde huisjes van bamboe, de meeste met atap
-gedekt.
-
-Het vuur grijpt om zich heen met veel armen, weldra staan zes, acht,
-tien woningen in brand. Alles rent dooreen om te redden, wat te redden
-valt, men sleept bultzak en kleerkist naar buiten, laat stoelen en
-tafels verbranden om vischgerij en kleedingstukken aan den boozen
-vijand te ontrukken.
-
-Goddank, ditmaal eischt de vuurgod geen menschenlevens, doch des te
-gretiger verslindt hij wat vele monden dagen lang had kunnen voeden.
-Hier vallen volle garven padie hem ten buit, kort geleden in
-verzengenden zonnegloed, aar voor aar, in het zweet haars aanschijns
-door de snijdster gesneden; dáár worden in een oogenblik bakken vol
-gedroogde visch vernietigd, ter waarde van honderd gulden of meer
-wellicht.
-
-De zwarte rookwolken over de stad heen trekkend, hebben van heinde en
-ver lieden doen toestroomen; in drommen trekt het volk op naar het
-tooneel van den brand.
-
-Door Chineezen getrokken en bediend, komt nu ook de brandspuit aan,
-tallooze handen worden uitgestoken om te helpen blusschen en, zoo van
-alle kanten bestookt, moet het vuur wel wijken, na zijn tijd helaas
-maar al te goed besteed te hebben: twee en dertig huizen zijn in
-vlammen opgegaan.
-
-Tegen zonsondergang wenden de visschers den steven huiswaarts. De zee
-is glad als een spiegel, langzaam nijgt de zon ter kimme, haar
-scheidend licht werpt een rozengloed over het groote, stille watervlak.
-Aan den horizont schijnt de vuurbol weg te zinken tusschen twee
-eilanden, die als reuzenbouquetten tegen lucht en water afsteken. Alles
-ademt zoete vrede, kalme rust.
-
-Met volle zeilen komen de prauwen uit zee aanzetten, notedopjes
-gelijken zij, zoo uit de verte gezien, welker randen de golven bijna
-raken.
-
-Onbewust van hetgeen hun wacht, naderen de visschers het strand en
-kijken uit, naar de plek waar hun thuis ligt, waar zij zullen landen.
-Maar wat is dat? Zij onderscheiden hunne huizen niet in het landschap;
-scherper turen zij met de hand boven de oogen en.... het gissen wordt
-zekerheid wanneer zij dichterbij komen: er is brand geweest in de
-kampong, de woningen van velen hunner zijn niet meer. Wat er in het
-hart dier mannen omgaat? Op hunne trekken is niets te lezen, als zij
-landend het droevig nieuws vernemen in zijn geheelen omvang, en de plek
-betreden waar dezen morgen hunne huizen stonden. In plaats daarvan
-vinden zij eene grijze aschvlakte, waaruit hier en daar nog kleine
-vlammen sissend te voorschijn schieten. Tusschen de puinhoopen en naast
-de verkoolde heggen zitten vrouwen en kinderen met het weinigje
-huisraad, dat zij konden redden, om zich heen. Strak en onbeweeglijk
-staren zij voor zich uit, ook op hun gelaat teekent zich ontroering
-noch verdriet, als droegen zij maskers, waarachter iedere aandoening
-der ziel verborgen blijft.
-
-En over de aschvlakte speelt het stervend zonnelicht in laatsten
-vriendelijken glans, als profeteerde het: Geduld, geduld, wanhoopt
-niet; wat verloren ging, kan herwonnen worden, uit den dood zal nieuw
-leven verrijzen.
-
-
-
-
-
-
-
-MARGO’S HELDENDAAD.
-
-
-Margo was bezig de laatste hand aan haar toilet te leggen en zette een
-snoeperig hoedje op de blonde krullen, terwijl mama en de zusters,
-bewonderend toeziende, om haar heen stonden. Het was een groote dag in
-het leven van het mooie blondje: voor het eerst zou zij zich, aan den
-arm van haar galant, in het publiek vertoonen. Mama, Suze en Cato
-hadden om strijd haar best gedaan het aardig persoontje voor den
-spiegel op haar voordeeligst te doen uitkomen, hierin zelve een groot
-genoegen vindend. Toch was dit niet onverdeeld geweest; de keeren waren
-immers geteld dat zij haar mooi konden opschikken, haar, aller
-lieveling, het verwende kind in huis.
-
-Natuurlijk hadden hare ouders en zusters, lang vóór deze dag aanbrak,
-geweten, dat zij Margo na korteren of langeren tijd zouden moeten
-overgeven aan den boozen roover, die haar hartje zou stelen, maar zij
-hadden nooit anders gedacht of zij zouden het kind niet voor goed
-behoeven af te staan. Al volgde zij den roover naar eene andere stad,
-af en toe zou zij haar ouderlijk huis toch bezoeken of hare familie bij
-haar logeeren. Doch nu.... niets van dat alles, die prettige toekomst
-kon niet verwezenlijkt worden, want ver over zee moest Margo den man
-harer keuze volgen: hij was slechts tijdelijk met verlof in Holland,
-zijn werkkring lag in Indië. In dat opzicht noemde hare familie Margo’s
-keuze heel ongelukkig, ach! dat nu juist die man, heel van Java komend,
-in hun stil stadje neer moest strijken en de ware Jozef blijken. „Het
-was het noodlot,” zuchtte Suze tot Cato, en beiden moesten dubbel naar
-Margo’s stralend gezichtje kijken, om door dien aanblik haar egoïst
-verdriet naar den achtergrond te dringen.
-
-Van den dag harer geboorte af, dus achttien jaar reeds, woonde Margo in
-de vriendelijke, kleine stad, waar haar vader burgemeester was.
-
-Papa en de zusters hadden er de jaargetijden al heel wat keeren meer
-zien wisselen, want Margo was het eenig kind uit ’s burgemeesters
-tweede huwelijk en scheelde wel een jaar of vijftien met hare jongste
-stiefzuster. Prettiger, gelukkiger gezin dan dat van burgemeester
-Wetters was er niet te vinden, vrede en vroolijkheid hadden er voor
-goed hun intrek genomen. Toen haar vader nu bijna twintig jaar geleden
-zijn half volwassen dochters eene tweede moeder thuis bracht, was er
-van weerskanten dadelijk een bereidwillig streven geweest, om in vrede
-en eensgezindheid te leven, om door wederzijdsch schikken en plooien
-een vriendelijke verstandhouding in het leven te roepen; geen wonder
-dus dat deze spoedig ontstond, en, toen twee jaar later Margootje belet
-vroeg, werd het nieuwe zusje met groote vreugde ingehaald.
-
-Natuurlijk werd zij het algemeene troetelpopje; haar moeder was
-eigenlijk de eenige, die het verstand een ernstig woordje mee liet
-spreken in Margo’s opvoeding. Wellicht was het hieraan te danken,
-misschien ook aan Margo’s gelukkigen aanleg, dat zij, in plaats van een
-onuitstaanbaar nufje te worden, opgroeide tot een allerliefst,
-eenvoudig meisje, vroolijk en guitig van aard, met een warm, gevoelig
-hart, en innig dankbaar voor al de zegeningen, die het leven haar
-schonk. Het sprak vanzelf, dat het Margo niet aan aanbidders ontbrak.
-Naarmate zij opgroeide veranderden deze van gewone schooljongens in
-Gymnasiasten en Hoogere burgers. De zesde klasse van het gymnasium
-bezong het mooiste meisje van de stad in het Latijn, de Hoogere burgers
-deden het in gewoon Hollandsch, doch beide soorten van gedichten lieten
-niets te wenschen over wat verhevenheid van stijl en bloemrijkheid van
-inhoud betrof. Margo lachte en schertste met haar ridderstoet,
-betuigde, dat zij de liederen aan haar gewijd, prachtig vond en
-verdeelde hare gunsten zoo gelijk mogelijk. De leelijksten en
-minstbevoorrechten onder de jongelui kregen de meeste, „want,” zei
-Gootje tegen Cato, „die stakkerds moeten toch al zoo veel missen omdat
-zij zoo verlegen en onbeholpen zijn.” Op zekeren dag stak mama een
-stokje voor al die gekheid. „Je bent nu haast zeventien, Gootjelief, en
-mij dunkt, dat het tijd wordt om het schoolmeisje voor de jonge dame
-plaats te laten maken,” sprak zij.
-
-Margo lachte eens en gaf moes een zoen. In het vervolg zond zij de
-verzen en minnebrieven aan hare vereerders terug en wilde geen koek of
-chocolade met kermis of St. Nicolaas meer cadeau hebben. Hare parasol
-en andere pakjes droeg zij voortaan zelve, en wist haren aanbidders dus
-in alle mogelijke opzichten aan het verstand te brengen, dat zij als
-eene volwassen dame wenschte behandeld te worden.
-
-Doch de Gymnasiasten en Hoogere burgers werden heeren studenten en,
-kwamen zij met vacantie thuis, dan brachten zij, als vroeger, het
-lieftallige burgemeestersdochtertje hunne hulde en maakten haar om
-strijd het hof. Margo werd geplaagd door hare vriendinnen, terwijl Cato
-en Suze elkaar toefluisterden: „We zullen onze lieve Go wel gauw
-geëngageerd zien.” Nu, de zusters vergisten zich niet, maar tot hare
-verbazing en tot innige verontwaardiging van haar trouwen ridderstoet,
-koos zij niet een van hen, maar een vreemden musch, die een half jaar
-geleden onder hen was komen neerstrijken. Als een vuurtje ging het door
-de stad: „Heb je het al gehoord? Weet je het al? Margootje Wetters is
-verloofd met Johan Graven, dien Indischen verlofganger, die bij den
-ouden heer Spaat op Zomerlust logeert.” En wie het nog niet geloofde,
-kon het den middag, waarop dit verhaal aanvangt, met eigen oogen zien,
-toen Margo aan den arm van een forsch gebouwden, knappen man, door het
-Indisch zonnetje flink bruin gebrand, al de voornaamste straten van
-hare geboortestad door wandelde, de oogen schitterend van geluk in het
-rose gezicht, dat vol kuiltjes en glimlachjes werd opgeheven naar de
-vrienden en kennissen, die zij op hun weg ontmoetten. Zij vormden een
-knap paar: de slanke blondine en de kloeke, donkere man aan hare zijde,
-wien oprechtheid en wilskracht op het voorhoofd waren geschreven en in
-de heldere oogen blonken. Vol liefde en trots rustte zijn blik op het
-aanvallig meisje, dat zoo vertrouwend haar handje op zijn arm liet
-rusten. Hij drukte die lieve, kleine hand dichter tegen zich aan en zij
-fluisterde hem toe: „O Hans, gaat het jou als mij, voel je je ook zoo
-onuitsprekelijk gelukkig, dat je de heele wereld wel aan het hart zou
-willen drukken?” En hij plaagde terug:
-
-„Neen kindje, die groote wereld heeft mij niet noodig, maar ik weet wel
-wie ik aan het hart zou willen drukken, als hier niet zoo veel
-nieuwsgierige oogen om ons heen waren. Het is me alsof ik droom. Ik kan
-mij mijn geluk nog niet goed voorstellen. Heb ik nu heusch een meisje,
-als God wil, heel gauw een eigen dierbaar vrouwtje, ik, arme jonggezel,
-die jaren lang alleen moest voortsukkelen? Hoe vreemd is het leven
-toch, hé, schat? Daar moest ik van ver over zee in deze kleine stad
-aanlanden, omdat mijn oom hier bij toeval woonde en mij verzocht hem
-eens op te zoeken. Eerst had ik er volstrekt geen lust in, moet je
-weten, maar eene stille Voorzienigheid dreef mij hierheen opdat ik jou,
-mijn ander ik, zou ontmoeten. Eén blik in je blauwe oogen had het hem
-gedaan, dadelijk klonk het in mijn binnenste: Die en geen ander, al zou
-je je leven lang ongetrouwd moeten blijven.... Nu Gootje, biecht eens
-eerlijk op, hoe ging het jou?”
-
-„Neen, zoo direct heb ik mijn hart niet aan je verloren, Hans, maar ik
-moest toch veel meer aan je denken dan goed was voor mijn zielerust,”
-bekende Margo openhartig. „En naderhand.... O Hans, als je alleen naar
-Indië waart teruggekeerd, ik had mij dood geschreid van verdriet.”
-
-„Heusch, kindje?”
-
-Zij waren op een eenzaam plekje, ver van spiedende nieuwsgierige oogen
-en.... Hans profiteerde van tijd en omstandigheden. Toen zij weer
-voortwandelden, hervatte de jonge man: „Margolief, ik sprak er al eens
-met je over, maar ik wilde, dat je het vooruit goed bedacht, kind, hoe
-verschillend je leven in Indië zal zijn, vergeleken met dat wat je hier
-leidt. Gisteren avond nam je het Cato een beetje kwalijk, toen zij je
-plaagde en zei, dat Java nog drie kwart een woestenij was en dat je
-conversatie zich tot zwarte of bruine dames zou bepalen. Zij overdreef
-natuurlijk, maar in zoo verre had zij gelijk, dat je er veel meer dan
-in Holland in je tehuis je wereld zult moeten zoeken. Wij kunnen op
-plaatsen komen te wonen waar bijna of in het geheel geene conversatie
-is, waar de menschen nooit iets hooren, dat naar een concert, opera of
-comedie gelijkt, waar....”
-
-„Dwaze Hans, houd toch op,” viel zijn meisje in, „alsof het gemis van
-dat alles mij iets zal kunnen schelen, zoolang we het met ons beiden
-moeten ontberen. Neen, ik werd verdrietig op Toos omdat zij over die
-dieren begon. “’k Ging hier al op de vlucht voor eene spin,” plaagde
-zij, „wat zou dat in Indië geven?” Weet je, vent, ik werd boos omdat
-het waar is wat Toos zei; ik ben als de dood voor alles bijna wat
-insect heet. En nu ik toch aan het biechten ben, wil ik je er nog bij
-vertellen, dat ’k in alle opzichten een hazennatuur heb. ’t Is
-vreeselijk, maar ik kan er niets aan doen, ’k durf niet alleen in het
-donker loopen, ik schrik direct van ieder ongewoon geluid en stel mij
-dan heel flauw en kinderachtig aan. Laatst zat ik in de schemering te
-soezen, toen Suze stil de kamer binnenkwam en mij heel bedaard een kus
-gaf. Verbeeld je, ik gilde het uit en begon te schreien.”
-
-„Maar kindje....”
-
-„Ja Hans, ik weet beet wat je zeggen wilt, het is bespottelijk, ik heb
-er dikwijls knorren voor gehad als kind, en mama heeft haar best genoeg
-gedaan om mij die malle schrikgewoonten af te leeren, doch ik vrees,
-dat alles niet veel geholpen heeft.” Zij zweeg en zag half verlegen,
-half lachend naar Johan op, die, haar ondeugend aankijkend, meewarig
-het hoofd schudde. „O Gootje, Gootje, wat val je mij tegen,” sprak hij
-in koddige wanhoop, „wat moet ik in vredesnaam met zulk een
-„hazenvrouw” beginnen daarginds? ’k Weet er niets anders op, dan dat ik
-maar altijd aan je groene zijde blijf zitten, om je voor ieder mogelijk
-en onmogelijk gevaar te beschermen.”
-
-„Spot jij maar,” klaagde Margo, „je zult zien, dat die malle bangheid
-mij nog eens in groote ongelegenheid brengt.”
-
-„Dat zullen we moeten afwachten, poesje, en laat ons nu over wat anders
-praten. Kijk eens welke beeldige zaakjes hier uitgestald liggen,”
-vervolgde Hans, en hield haar staande voor den grootsten winkel van
-luxe-artikelen, dien de plaats rijk was. „Kies nu maar wat moois uit.”
-
-Margo’s oogen schitterden, zij was dol op presentjes. „Ventjelief,”
-vleide zij, „weet je wat ik verbazend graag van je cadeau zou hebben?
-Een mooi kistje. En weet je waarvoor? Om jouw brieven in te bewaren;
-zie, dat is een hartewensch van me: een elegant kistje voor mijne
-minnebrieven.”
-
-„Je zult het mooiste hebben, dat voor geld te krijgen is,” beloofde
-Hans, „maar of het ooit kwart vol zal komen, lieverdje, dat betwijfel
-ik zeer.”
-
-„Ik heb in deze afgeloopen veertien dagen al zes brieven van je gehad,”
-beweerde Margo ijverig, „dus....”
-
-„Ja, ja,” viel haar galant een beetje verlegen in, „dat kwam zoo door
-verschillende omstandigheden, het was in die dagen toen die zware
-verkoudheid mij thuis hield. Maar zie je, kindje, ik moet al zoo veel
-schrijven, mijne betrekking brengt dit mede, dat....”
-
-Doch Margo was den winkel al binnen gestapt, en weldra stond het
-paartje voor zulk eene collectie kistjes, dat zij terecht van „embarras
-du choix” konden spreken. De winkelier had pas een nieuwen voorraad
-ontpakt en kwam steeds met meer aandragen.
-
-„O Hans,” riep Margo op eens, terwijl zij de hand uitstrekte naar een
-lichtgrijs exemplaartje, dat de winkelier, als het laatste van zijne
-collectie, voor haar neerzette, „mag ik dit hebben? Wil je mij dit
-geven, als het ten minste niet te duur is, het is een prachtstuk.”
-
-Het kistje was werkelijk een juweeltje in zijne soort, van
-palissanderhout vervaardigd en keurig besneden, zoo fijn en elegant,
-als het meest verwende dametje zich maar wenschen kon. Er zat een
-verguld sleuteltje op en het bleek van binnen even mooi afgewerkt als
-aan den buitenkant. Margo was een en al verrukking en Hans ging daar
-zoo in op, dat hij niet naar den prijs vroeg, doch den winkelier
-verzocht hem de rekening te zenden en het kistje onmiddellijk te willen
-bezorgen bij den burgemeester.
-
-Toen de jongelui thuiskwamen, stond Margo’s nieuw eigendom er dan ook
-al. Hans kreeg zijn wel verdienden dank, het mooie cadeau werd door al
-de huisgenooten bovenmate bewonderd en toen bracht de eigenares het
-naar hare kamer. Met eene ernstige uitdrukking op het lief gelaat sloot
-zij het kistje open, haalde een pakje brieven te voorschijn, alle met
-dezelfde flinke mannenhand geschreven, en legde die er in, zoo zacht en
-liefkoozend de velletjes aanrakend, als waren ze bezielde wezens.
-Daarna draaide zij zorgvuldig het sleuteltje om en verborg dit aan een
-koordje om haar hals. „Daar ligt ge nu veilig bewaard, mijn dierbare
-brieven,” fluisterde Margo het kistje toe, „geen onbescheiden oogen
-zullen u kunnen lezen, geen schennende handen u ooit aanraken.” En met
-een laatsten, bewonderenden blik op haar nieuw verworven schat, keerde
-zij naar de huiskamer terug, die kleine, dwaze, romantische Margo.
-
-
-
-Een jaar ruim is verloopen en we vinden Margo Wetters terug als mevrouw
-Graven op eene kleine plaats in Java’s binnenlanden. Het jonge vrouwtje
-heeft juist haar man uitgeleide gedaan, die voor een dag naar het
-naburige D. is vertrokken om er den landraad te presideeren. Het was
-vooral voor Margo een erge tegenvaller geweest, dat haar man voorzitter
-van twee landraden werd; hij moest nu telkens voor een of meer dagen
-van huis en zij kon zijn gezelschap zoo moeielijk missen. Margootje was
-innig gelukkig met haar Hans en had er nog geen oogenblik spijt van
-gehad, dat zij, ter wille van hem, haar vaderland en haar dierbaar
-tehuis verliet. Het leven in Indië was haar ook erg meegevallen wat de
-warmte en de eentonige levenswijze betrof, en vooral de insectenwereld
-bleek veel minder afschrikwekkend dan zij zich deze had voorgesteld. Of
-was de jonge vrouw zooveel flinker geworden?
-
-Aan boord reeds had zij haar afschuw voor de kakkerlakken leeren
-bedwingen, ten minste uitte zij deze niet meer in luide gilletjes,
-nadat haar goede Hans er eens ontdaan van wakker schrikte, toen hij
-juist in een verkwikkenden slaap was gevallen, na een ellendig
-doorgebrachten nacht, want hij was zeeziek voor hen beiden. Ook kon zij
-er nu best tegen in het schemeruurtje geheel onverwachts een kus te
-ontvangen. Het was wonderlijk, Margootje vloog volstrekt niet
-verschrikt op bij zulke gelegenheden, integendeel zij bleef dood kalm
-zitten en drukte haar zachte wang tegen de groote, trouwe hand, die
-liefkoozend langs haar gezichtje streek. Wat de liefde al niet leert!
-
-Innig dankbaar was het jonge paar, vooral ter wille van Hans, die bijna
-onafgebroken zeeziek was geweest, toen zij eindelijk weer vasten grond
-onder de voeten hadden. Al heel spoedig werd Graven tot president van
-de landraden te K. en D. benoemd en konden zij hunne bestemming volgen.
-Te K., hunne woonplaats, was het vrij stil en de conversatie bepaalde
-zich tot een paar families. De assistent-resident, sinds jaren
-weduwnaar, zonder kinderen, was een in zichzelf gekeerd mensch, die
-volstrekt geen intiemen omgang zocht. Met het controleursvrouwtje kon
-Margo dadelijk opschieten, zij was ook eene Hollandsche en een
-vroolijke, opgeruimde ziel, hoewel zij veel met zieke kinderen tobde.
-Margo zou nooit vergeten hoe Tommy, haar oudste dochtertje, aanleiding
-had gegeven tot de eerste bittere tranen, die zij in haar huwelijk
-stortte. Dit gebeurde bij de volgende gelegenheid.
-
-Wanneer Hans druk werk had of uit was, haalde Margo kleine Tom dikwijls
-bij zich, dan had hare moeder de handen vrij om zich geheel aan hare
-ziekelijke tweelingen te wijden, en Gootje vond het een genot het
-driejarig dreumesje, dat dol op haar was, om zich heen te hebben. Zoo
-had zij op zekeren dag Tom weer laten halen en zat naast het kind, in
-Hans’ kantoor te naaien. Zij had de kleine meid op de schrijftafel
-gezet, dan kon zij beter het oog op haar houden. Johan was even
-uitgegaan, hij had een geruimen tijd ijverig zitten schrijven.
-
-Na een poosje kwam de naaister binnen om te vragen of mevrouw haar
-wilde helpen de toorooks [2] voor den koetsier te knippen. „Breng het
-goed maar hier,” zei het jonge vrouwtje, en op den grond knielend,
-begon zij te passen en te meten, weldra zóó in haar werk verdiept, dat
-zij in het geheel niet op Tommy lette.
-
-„Daar komt mijnheer,” riep djait [3] op eens, die terecht vermoedde,
-dat de heer des huizes dien kniprommel op het kantoor liever niet zien
-zou.
-
-Margo ruimde haastig op en was juist klaar toen haar man binnentrad.
-Verbaasd zag zij op, daar zij hem op eens het vroolijke deuntje hoorde
-afbreken, waarmede hij het vertrek was ingetreden, terwijl hij
-stokstijf in het midden der kamer bleef stilstaan. Onwillekeurig volgde
-zij zijn blik naar de schrijftafel.... ach, nu begreep zij de
-uitdrukking van zijn strak, donker betrokken gelaat.
-
-Op de tafel zat kleine Tom zielsvergenoegd vellen papier stuk te
-knippen, als sneeuwvlokken lagen de snippers om haar heen. Maar de
-couranten, die Margo haar voor dit doel gegeven had, waren ter zijde
-geworpen; in plaats daarvan had het onnoozel schaapje het
-proces-verbaal aan stukjes geknipt, waar Johan den geheelen morgen en
-vorigen avond onafgebroken aan gewerkt had.
-
-„Hans, lieve Hans,” riep zijne vrouw in vertwijfeling op hem
-toetredend: „het is mijne schuld, knor maar flink op me....”
-
-Doch Hans sprak geen woord, keerde zich om en ging den weg, dien hij
-gekomen was.
-
-„Breng nonnie Tom naar huis,” snikte arme Go tegen de naaister en vloog
-naar de slaapkamer, waar zij hare tranen den vrijen loop liet. Zij
-voelde zich rampzalig, Hans was boos en met reden, zij kon voor
-zichzelve geen enkele verontschuldiging vinden, het was eenig en alleen
-haar domme schuld.
-
-
-
-Een poos later bedacht Margo Graven met een dankbaar hart, dat zij den
-liefsten man ter wereld had. Al heel gauw was hij weer thuis gekomen en
-had zij haar verdriet verder aan zijn hart kunnen uitschreien, terwijl
-zijn vriendelijke, troostende stem haar spoedig tot bedaren bracht. Zij
-mocht de zaak in het geheel niet meer aanroeren of er verder over
-tobben, verzekerde Johan, hij was ook volstrekt niet boos meer, alles
-was vergeven en vergeten.
-
-„Maar waarom liep je dadelijk weg, Hans?” vroeg Margo, „ik had nog
-liever gezien, dat je flink aan het brommen waart gegaan.”
-
-„Nu kindje, om je de waarheid te zeggen, ik was op dat oogenblik
-verbazend boos en driftig en, als ik er niet van door was gegaan,
-geloof ik heusch, dat ik jou of Tommy een klap om de ooren had
-gegeven.”
-
-„Och, mannie, ik had het verdiend, veel meer dan Tom,” en toen barstte
-Margo op eens in lachen uit bij de gedachte, dat Hans haar in eigen
-persoon eene strafoefening had willen toedienen.
-
-Zoo leefden die twee in volkomen harmonie en, kwam er al eens een
-wolkje aan hun huwelijkshemel, het trok dadelijk weer weg om de zon des
-te helderder te laten schijnen. Hans begreep, dat hij in zijn jong,
-aanvallig vrouwtje geen ervaren huishoudster had getrouwd, dat haar
-goede wil om het hem in alles naar den zin te maken, alleen niet
-voldoende was om het huishouden als op rolletjes te doen gaan. Hij
-verdroeg het zonder pruttelen, wanneer de tafel eens minder goed was,
-als er een knoop of band aan zijn goed ontbrak, of wanneer zijn lieve
-Go op zijn wekelijksche reizen bijna altijd een of ander kleedingstuk
-vergat in te pakken, waar hij toch moeilijk buiten kon. Op zekeren dag
-merkte hij goedig op: „Lieve kind, gisteren heb ik mij met één boord
-moeten behelpen en vergat je ook sokken voor mij in te pakken. Ik
-geloof dat wij, wat het vergeten betreft, nu zoowat mijne heele
-garderobe zijn rond geweest. Zou je niet eens een lijstje maken,
-lieverdje, van alles wat ik noodig heb en dit bij het pakken telkens
-raadplegen?”
-
-„Hoe dom, dat ik zelve daar niet aan dacht,” riep Margo, „natuurlijk,
-alles vooruit opschrijven, dat is aangewezen voor een vergeetal als ik
-ben.” En dienzelfden avond nog schreef Mevrouw Graven haar lijstje en,
-daar zij het trouw gebruikte, was de zaak voortaan in orde. Het jonge
-vrouwtje van haar kant, deed evenzoo haar best om haar man het leven
-aangenaam te maken. Al was het haar een beetje een ergernis, dat zij
-zijn kantoor zelden of nooit mocht laten schoonmaken en hij liever aan
-een stoffige dan aan eene net opgeruimde schrijftafel zat, zij zocht
-niet door dwingen of zeuren hierin verandering te brengen. Ook
-achtervolgde zij haar echtvriend niet met eene lastige zucht tot orde,
-die de vertrekken wel proper en net, doch niet gezellig maakt. Hans
-pijp mocht vrij overal rondzwerven, de boeken uit de leestrommel
-mochten op tafel en bank onder het bereik blijven liggen. Margo
-huldigde den stelregel, dat ook een getrouwd man vrij moet blijven in
-het volgen van zijn lievelingsgewoonten, vooral wanneer ze zoo weinig
-lastig waren als die van haar Hans. Duurde de dag wel eens wat langer,
-als haar man van huis was, over het geheel vloog de tijd Margo voorbij.
-Eerst had zij een prettige drukte gehad met de inrichting van hare
-woning: een mooi, groot huis. De rijke Chinees, die het indertijd voor
-zichzelf liet bouwen, stierf voor het geheel af was. De erfgenamen
-verhuurden de woning gaarne aan den nieuwen president van den Landraad,
-terwijl de familie Graven niet minder blij was dadelijk een ruim, nieuw
-huis te kunnen betrekken. De kamers, hoewel klein, waren vele in aantal
-en liepen twee aan twee in elkaar. De galerijen daarentegen kwamen
-Margo reusachtig voor, doch toen de overgordijnen en portières hingen,
-bleken ze niets te groot of te hol om het er gezellig te maken. Naast
-de slaapkamer had de vrouw des huizes een vroolijk, klein vertrekje tot
-boudoir ingericht. Daar plaatste zij, tusschen groene planten, haar
-Singapoorsch ameublementje, en al de schatten die zij van huis had
-meegebracht, waren er neergezet of opgehangen.
-
-Op een marmeren knaapje stond het palissanderhouten kistje, dat zich
-nog steeds in Margo’s bijzondere voorliefde mocht verheugen. Haar
-voornemen getrouw had zij er nooit andere brieven, dan die zij van haar
-man ontving, in geborgen; het was dan ook een treurig dun stapeltje
-gebleven.
-
-Nadat Margo op dien Junimorgen haar man uitgeleide had gedaan, ging zij
-eerst hare bloemen verzorgen en haar huishouden beredderen, en haalde
-toen haar schrijfmap te voorschijn om een langen brief naar huis te
-schrijven. Zij was innig aan haar ouderlijk huis gehecht gebleven, al
-werd zij zelden of nooit door heimwee geplaagd, en, daar hare familie
-ook trouw en veel schreef, bleven zij geheel met elkaar meeleven. Met
-vreugde bedacht Margo dat het heden maildag was en vol verlangen
-verwachtte zij de post, die slechts één keer ’s daags te K. bezorgd
-werd. Toen zij om twaalf uur den besteller het erf zag opkomen, had zij
-hem wel te gemoet willen gaan, en zat ongeduldig te wachten tot de
-jongen binnen kwam. Hij bracht een heel pak „drie kwart nonsens-brieven
-natuurlijk,” dacht Margo. Heel oneerbiedig gaf zij dien titel aan de
-dienstbrieven van Hans.
-
-Haastig doorzocht het jonge vrouwtje het pak, achteloos met de
-couranten en dienstbrieven omspringend; zij vond slechts één mailbrief
-waarvan het adres door Suze was geschreven. „Hoe vreemd, geen brief van
-Moes,” zei Margo hardop, en haastig het couvert openscheurend, begon
-zij te lezen. Suze bezat in het geheel geen correspondentie-gave, met
-den besten wil kon zij geen velletje vol krijgen; mama daarentegen
-vulde met gemak twaalf zijtjes, hare brieven vormden een dagboek in het
-klein.
-
-Doch niet alleen teleurgesteld liet Mevrouw Graven, na eenige
-oogenblikken, het spoedig doorgelezen epistel in haar schoot vallen.
-Met een angstige, verdrietige uitdrukking op het gelaat overdacht zij
-den inhoud van Suze’s brief.
-
-„Mama was bedlegerig,” schreef deze, „een verwaarloosde verkoudheid,
-door een koortsaanval gevolgd, had den dokter de zaak eerst ernstig
-doen inzien. Nu was alle gevaar geweken, maar mama moest nog heel
-voorzichtig blijven en hare kamer houden. Zoo gauw zij hier toe in
-staat was, zou zij haar lieve Gootje schrijven.”
-
-Zelfs dit geruststellend slot vermocht Margo weinig op te beuren. Zij
-zag mama in gedachte zwak en lijdend voor zich, hoe liefderijk ook door
-Toos en Suze verpleegd, toch naar haar eigen kind verlangend, misschien
-in de koorts wel om haar roepend.
-
-De tranen der jonge vrouw begonnen te vloeien bij deze voorstelling;
-was Hans er nu maar geweest, dan had zij bij hem troost en opbeuring
-gezocht en ook zeker gevonden. Nu zat zij zich in hare eenzaamheid op
-te winden en het gevolg daarvan was dat zij zich steeds zenuwachtiger
-maakte. Aan de rijsttafel kon zij bijna geen hapje eten door de keel
-krijgen en onverkwikt stond zij uit haar middagslaapje op. Hare
-vriendin, de controleursche, was met de zieke tweelingen voor een maand
-naar boven gegaan, anders had het Margo zeker afleiding gegeven eens
-bij haar aan te loopen. Nu drentelde zij den geheelen verderen dag maar
-op en neer, Suze’s brief herhaaldelijk overlezend, het hart vol onrust.
-O, waarom scheidde die nare, groote zee haar van hare dierbaren te
-huis! Uit een ander vreemd land, mits het slechts in Europa lag, zou
-zij in deze omstandigheden haar lief moedertje spoedig kunnen bereiken,
-maar nu waren zij onbereikbaar voor elkander.
-
-Zoo tobde Margo en de tijd leek haar eindeloos lang, omdat zij geen
-lust had geregelde bezigheid onderhanden te nemen en meer dan ooit naar
-haar trouwen Hans verlangde. Zij ging vroeg ter ruste in de hoop haar
-leed in den slaap te vergeten, doch de uren volgden elkander op en
-rusteloos heen en weer woelend bleef zij wakker liggen. Hare baboe, die
-in het boudoirtje haar matje had gespreid, scheen vast te slapen. Margo
-riep haar twee keer, toen stond zij zelve maar op om een glas koud
-water te vragen. Op de waschtafel zag zij een fleschje Hoffman’s
-druppels staan en bedacht, dat zij zeker kalm in slaap zou vallen als
-zij van dat goedje nam. Het nachtlampje verspreidde maar een flauw
-licht, zij kon de druppels niet juist tellen en geloofde naderhand ook
-wel wat veel te hebben genomen, want de medicijn smaakte erg sterk; dat
-kwam er echter niet op aan, vergif was het niet. De jonge vrouw ging
-weer te bed en spoedig voelde zij eene groote kalmte over zich komen;
-onrust, zorg en angst losten zich op in een gewaarwording van droomend
-waken, die haar aangenaam aandeed. Zoo had zij een half uur of langer
-liggen soezen, toen het haar voorkwam, alsof zij in hare nabijheid
-zacht fluisterende stemmen hoorde. In het geheel niet bang, alleen
-nieuwsgierig ging Margo recht overeind zitten en keek naar het groote
-scherm, waarachter het gerucht vandaan kwam. En nu zag zij ook heel
-duidelijk, dat een plekje, waar een gouden vogel op het zwart satijn
-was geborduurd, even bewogen werd, alsof er iemand achter stond. Zij
-staarde nog naar de bewuste plek, toen op eens een zwartgemaakt gezicht
-achter het schut uitkeek en een kruipende gedaante, langzaam en
-voorzichtig geheel te voorschijn kwam.
-
-„’k Weet nog niet,” vertelde Margo later aan haar man, „wat mij
-bezielde, waar ik den moed vandaan haalde, maar ik werd er als het ware
-toe gedreven mij uit bed te laten glijden, terwijl de gedachte mij
-vliegensvlug door het hoofd ging: „dat is een dief en je moet hem
-verjagen, anders steelt hij je brillanten oorknoppen van de
-toilettafel, je moet!””
-
-De dief had zich intusschen half opgericht met de bedoeling het
-nachtlicht uit te blazen; in het donker kon hij veiliger zijn slag
-slaan, toen hij eensklaps een slanke gedaante op zich zag toetreden.
-
-Als zij hem, met een van angst verwrongen gelaat onder de oogen was
-gekomen, zou de inbreker misschien brutaal zijn opgetreden; nu
-ontstelde hij van die stille gedaante, wie het blonde haar tot aan de
-heupen hing, terwijl de groote oogen hem strak aanzagen. Langzaam hief
-de gestalte den wijsvinger omhoog en wees nadrukkelijk naar de deur,
-terwijl een zachte, kalme stem tot driemaal toe dit enkele woord
-herhaalde: „Pigi, pigi, pigi” (ga).
-
-
-
-Langzaam, als onder hypnotischen invloed gebracht, schoof de dief, de
-oogen onafgebroken op Margo gericht, naar de deur, die op de
-buitengalerij uitkwam. Tot op het laatste oogenblik bleven de gloeiende
-oogen het jonge vrouwtje aanstaren, dat hem langzaam volgde. Ruggelings
-gooide hij de deur, die op een kier stond, geheel open en verdween in
-de duisternis. Margo had nog de kracht de deur op het nachtslot te
-draaien, toen viel zij als versuft op de bank neer en drukte de hand
-tegen haar bonzend hart. Langzamerhand kwam haar denkkracht weer terug.
-Zou zij de bedienden roepen, gillen, de buurt in rep en roer brengen?
-Maar wat zou dat alles nu nog helpen? Zij had den dief voorgoed
-verjaagd, de man had haar aangestaard, alsof hij een geest, geen levend
-wezen in haar zag. Welke tooverkracht had haar bezield, hoe was zij ter
-wereld in staat geweest dat zwarte monster te gemoet te treden? Deze
-vragen bestormden de jonge vrouw te gelijk met een heerlijk
-triomfantelijk gevoel. Nu kon Hans haar nooit meer plagen met haar
-„hazenhart,” integendeel, hij moest hare dapperheid en haar moed
-bewonderen tot aan zijn laatsten levensdag. Een tweeden keer zou zij
-die heldhaftige rol echter onmogelijk kunnen spelen, bekende Margo
-zichzelve. Angstig sprong zij op. Was hij wel voorgoed weg, die gemeene
-dief, en hoe had hij binnen kunnen komen? Zij had de deuren zelve
-gesloten. Zou baboe hem ingelaten hebben, zij vertrouwde die meid geen
-zier. Zij ging naar het boudoir. Ja, baboe was weg; al lag haar matje
-er nog, de zaak kwam hare meesteres zeer verdacht voor. „Morgen jaag ik
-haar stellig weg,” besloot Margo, „en nooit neem ik zoo’n wezen in
-mijne kamer, Hans raadde het mij nog wel aan, omdat hij het geruster
-voor mij vond!” Ook de deur, die naar het boudoir leidde, sloot de
-jonge vrouw stevig dicht, en, nadat zij alle deuren en vensters nog
-eens nauwkeurig geïnspecteerd had, legde zij zich weer neer, ofschoon
-zij klaar wakker en veel te opgewonden was om aan slapen te kunnen
-denken, maar.... het was pas twee uur.
-
-
-
-„En heeft de dief heusch niets meegepakt, kind?” vroeg Hans, nadat zijn
-vrouwtje hem alles uitvoerig verteld en hij hare heldhaftigheid met
-veel lof geprezen had, hoewel hij, heel ondeugend, niet kon nalaten nog
-al eens te zinspelen op de voorname rol, die de Hoffman’s druppels in
-de geschiedenis meegespeeld hadden.
-
-„Neen, ik heb niets vermist,” betuigde Gootje, terwijl zij zich in
-veilig welbehagen tegen haar man aanvlijde, en hare armen nauwer om hem
-heenstrengelde. ’t Was zoo heerlijk haar steun en stut weer naast zich
-te hebben. Ook haar angst over mama, waarvan zij hem dadelijk
-deelgenoot maakte, was geheel verdwenen; terwijl zij samen Suze’s brief
-overlazen, had Hans met kalm, verstandig redeneeren, zijn vrouwtje doen
-inzien, dat zij zich geheel noodeloos ongerust maakte.
-
-„Dus je mist niets?” vervolgde Hans, „nu, straks zullen wij een
-nauwkeurig onderzoek in loco instellen. Ik kan de zaak wel aangeven,
-maar dat zal ons niet veel helpen. Baboe zegt, dat zij nergens van
-weet, zooals je mij vertelde, en den brutalen schavuit zou je volgens
-je eigen getuigenis niet herkennen. In ieder geval zou ik baboe maar
-wegzenden, lieverd, ’k ben er van overtuigd, dat zij den kerel binnen
-heeft gelaten.”
-
-„Ik ook, zij beweert echter om een uur of half twee naar haar jongetje
-te zijn gaan kijken, dat den heelen dag niet wel was geweest, doch ik
-geloof er geen zier van. Zij heeft met den dief achter het schut
-gefluisterd, denkend dat ik in diepe rust was.”
-
-„Juist, en wat zou je er nu van zeggen, kindje, als ik mij eens
-„lekker” ging maken? Je hebt mij zoo dadelijk overvallen en je nieuws
-was zoo belangrijk, dat ik voor niets anders gedachten had.”
-
-„Dan ga ik maar zeggen, dat zij het eten opdragen; hè man, je bent toch
-altijd in een ommezientje klaar.”
-
-Maar Hans was nog niet geheel gereed, toen hij zijn vrouwtje op eens
-een luiden kreet hoorde slaken in het boudoirtje.
-
-„Wat is er, Go?” en haastig zijne jas dichtknoopend, liep hij haar te
-gemoet.
-
-„Hans,” kreet zij, met tranen in hare stem, „de dief heeft toch
-gestolen, nu pas zie ik, dat mijn mooie kistje weg is, hoe vreeselijk!
-hoe vreeselijk!”
-
-„Bedaar, lieverd, en luister eens even,” troostte Hans. „We zullen je
-schat zeker terug vinden, want denk eens na, wat heeft de kerel er aan?
-Verkoopen kan hij het niet, dat is veel te gevaarlijk voor hem.
-Natuurlijk heeft hij vermoed, dat er geld of iets anders van waarde in
-zat; baboe heeft hem zeker een handje geholpen, zij weet, dat je het
-sleuteltje altijd bij je draagt. Laat ons maar eens buiten gaan zoeken,
-’k ben overtuigd, dat we het kistje vinden, geloof me, ik heb door
-veeljarige ondervinding wel een beetje verstand van die zaken.”
-
-Met deze woorden troonde Johan zijne vrouw mede en, met een pajong
-gewapend tegen het brandend voormiddagzonnetje, gingen zij het erf op.
-
-De huisbedienden werden den anderen kant uitgezonden, geen plekje van
-het groote erf zou ondoorzocht blijven, beloofde Hans zijn bedroefd
-vrouwtje. Al heel spoedig liep een der jongens hen achterop en riep
-reeds uit de verte: „dapat toewan” (gevonden mijnheer).
-
-„Waar, waar?” vroeg Margo en trok haar man haastig mede.
-
-„Heel achteraan, in het pisangboschje, mevrouw,” en ja wel, een
-oogenblik later stond Margo diep verslagen over haar geroofden schat
-heengebogen. Daar lag het palissanderhouten kistje, ruw neergesmeten,
-met uit elkaar gerukte scharnieren, door vuil bezoedeld, en er om heen
-in stof en modder.... Margootje’s minnebrieven, door den nijdigen dief,
-in teleurgestelde hebzucht, geheel aan flarden gescheurd.
-
-„Hans, o Hans,” riep zijn vrouwtje, meer kon zij niet zeggen, toen
-barstte zij in tranen uit. „Geen nieuwsgierige oogen zullen u ooit
-aanraken,” hoe waren die woorden, eens zoo overmoedig uitgesproken, te
-schande gemaakt! Met het lezen was het tot daaraan toe, daarmee zou de
-inbreker zich wel niet hebben opgehouden, zelfs al waren zij in het
-Javaansch geschreven, en hij de leeskunst machtig geweest; doch wat de
-schennende hand betreft, zijne sporen waren maar al te merkbaar. „Dat
-die booswicht mijn mooie kistje vernielde,” snikte Margo, „dat zou ik
-hem niet zoo erg hebben aangerekend, maar dat hij mijne minnebrieven
-als oud vuil heeft behandeld, dat vergeef ik hem nooit, nooit.”
-
-Hans had erg te doen met Gootjes leed en om haar op andere gedachten te
-brengen, sprak hij: „Maar schat, het waren toch niet alleen je
-minnebrieven. Wat lees ik daar,” en hij bukte zich diep naar den grond:
-„Geachte Mejuffrouw, en hier: om 8 uur mag ik u en uwe zuster dus....
-en hier weer....”
-
-„Och houd op, mannie,” en Margo kleurde tot in haar hals, terwijl zij
-de stukjes papier, waar Hans zijn aandacht op gevestigd hield, onder
-het zand trachtte te bedekken. „Plaag mij zoo niet,” en een beetje
-verlegen bekende zij: „Zie, het stapeltje bleef zoo dun, toen voegde ik
-er maar alle papiertjes en kleine briefjes bij, die je mij ooit
-schreef, ook vóór onze verloving.”
-
-„En al die onnoozele snippertjes hadt je trouw bewaard? O klein, dwaas
-vrouwtje,” doch terwijl hij het hoofd over haar schudde, las Margo zulk
-eene aanbiddende liefde in zijn blik, dat zij best begreep hoe hij
-eigenlijk over hare dwaasheid dacht.
-
-Het was heel stil in het pisangboschje, Hans had den jongen met het
-vernielde kistje naar huis gezonden. Slechts de zon, die in lichtende
-plekjes op het mos speelde tusschen het frissche groen der groote
-bladeren, was er getuige van hoe Margo, de armen om haar mans hals
-slaande, innig fluisterde: „Je hebt gelijk, mijn lieve man, ik stel mij
-dwaas aan met te schreien en te zuchten over mijn verlies. Wat
-beteekent het, dat deze brieven vernietigd en dood zijn, terwijl ik in
-jou mijn levende liefde naast mij heb. Mijn beste Hans, hoe heerlijk,
-dat wij nog jong zijn, dat het leven rijk aan beloften voor ons ligt en
-wij in onze liefde den talisman bezitten, die ons smart en leed zal
-helpen dragen, hè man?”
-
-„Juist kindje, je spreekt mij geheel uit het hart,” antwoordde Hans
-bewogen, maar toen kwam zijn spotzieke aard weer boven en hij plaagde
-met een ondeugend gezicht: „Mevrouw Graven, je hebt je in de laatste
-vierentwintig uur uitstekend gehouden, je bent eene groote heldin, en
-ik geloof nu ook niet langer, dat het alleen de invloed van de
-Hoffman’s druppels was, die je van nacht zoo stout en moedig maakte.”
-
-„Hans, Hans, je bent onverbeterlijk,” en Margo dreigde haar man met den
-vinger, maar deze vatte de kleine hand en trok haar onder zijn arm
-door: „Kom, kind, laat ons nu aan tafel gaan. Schertsend en lachend
-spoedde zich het paartje huiswaarts, terwijl de reusachtige bladeren
-elkander in hunne eigenaardige taal toewuifden:
-
-„Welk eene aardige afleiding was dat in ons eentonig leven, wij hebben
-een gelukkig menschenpaar gezien.”
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Koraal.
-
-[2] Soort livrei.
-
-[3] Naaister.
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VROUWENLEVEN IN DE DESSA ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.