diff options
Diffstat (limited to 'old/64987-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/64987-0.txt | 3787 |
1 files changed, 0 insertions, 3787 deletions
diff --git a/old/64987-0.txt b/old/64987-0.txt deleted file mode 100644 index 9e946a9..0000000 --- a/old/64987-0.txt +++ /dev/null @@ -1,3787 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Vrouwenleven in de Dessa, by Marie C. E. -Ovink-Soer - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Vrouwenleven in de Dessa - -Author: Marie C. E. Ovink-Soer - -Release Date: April 03, 2021 [eBook #64987] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VROUWENLEVEN IN DE DESSA *** - - - - - VROUWENLEVEN IN DE DESSA - - - DOOR - M. C. E. OVINK-SOER - Schrijfster van: „In het Zonneland” - - - L. J. VEEN--AMSTERDAM - - - - - - - -INHOUD - - - BLADZ. - - VROUWENLEVEN IN DE DESSA 1 - EEN ZENDELINGSVROUWTJE 38 - KARBOUWENJONGETJE 86 - EEN AVONDWANDELING 120 - EEN PROEFSNIT 127 - DE EERSTE BUI 133 - ALLEEN THUIS 145 - BRAND IN DE KAMPONG 159 - MARGO'S HELDENDAAD 166 - - - - - - - -VROUWENLEVEN IN DE DESSA. - - -I. - -Het was middernacht, de strandkampong lag in diepe rust; in de kleine -inlandsche woningen geen geluid of beweging, alles sliep. Hier en daar -schitterde een lichtpuntje door de bilikwanden der huisjes, waarmee de -palita, het primitieve olielampje, de duisternis in zijn naaste -omgeving verbrak. - -Aan het eind van het dorp, door een vrij groot erf van de andere -gescheiden, lag een huisje, dat niet in de algemeene rost deelde. Een -zacht rumoer van stemmen drong naar buiten door, af en aanloopende -menschen, meest oudere vrouwen, traden de woning binnen of verlieten -haar en, bij het openen der deur, teekende zich even een helder -lichtvlak op den grond, dat de duisternis rondom nog zwarter deed -schijnen. - -Er had een belangrijke gebeurtenis plaats gegrepen achter de vier -muren: er was een kindje geboren; een aardig, mollig meisje had er zoo -even haar intree gedaan. In een duister, beschut hoekje lag het jonge -moedertje, doodstil, met wijd geopende oogen, voor zich uit te staren. -Zij was zoo doodelijk vermoeid, de kleine Kamisah, het arme, -afgestreden lichaam verlangde zoo vurig naar rust. Maar zij mocht de -groote, donkere oogen niet sluiten, zij moest strijden tegen de alles -overweldigende begeerte, want als de slaap langer dan een oogenblik -haar de oogen look, dan kwamen de booze geesten om haar en heur kind in -het ongeluk te storten. Hardnekkig hing haar blik aan het flikkerend -licht van het lampje, terwijl zij trachtte te luisteren naar de -vermanende stem der over haar heengebogen vrouw. „Niet slapen, Kamisah, -denk aan het kindje, morgen kun je volop rusten, nu moet je waken, de -kwade geesten waren rond.” - -„Ja, ja.” Kamisah wist het wel, zij kende haar plicht en gaarne wilde -zij haar kindje beschermen tegen booze invloeden. Met een korte -opflikkering van levenskracht strekte zij de hand uit naar het kleine -schepsel, dat men naast haar had neergelegd. Voor het eerst doortrilde -de jonge moeder een gelukkig, dankbaar gevoel: dat warme, levende -lichaampje aan heur zijde behoorde haar toe, ’t was haar eigen kindje, -dat zij, ten koste van veel smart en lijden, het leven had gegeven. - -’t Moedertje betastte de teere leedjes, liefkoosde het ronde kopje, -toen zonk de hand machteloos neer, de lange wimpers daalden op de -vaalbleeke wangen. Doch daar klonk weer de waarschuwende stem aan haar -oor: „niet slapen, Kamisah, niet slapen.” Zij sloeg de oogen op met een -uitdrukking in den blik als van een gewonde ree. Naast moeder boog zich -nu ook haar man over Kamisah heen en wischte de groote zweetdroppels -af, die haar op het voorhoofd parelden. - -Moeder drong hem op zijde, een trek van onrust vertoonde zich eensklaps -op het oud, gerimpeld gelaat en haastig wenkte zij de doekoen. Deze -scheen de onrust der oude wouw te deelen; diep over Kamisah -heengebogen, begon zij het roerlooze lichaam van het jonge vrouwtje te -streelen en te wrijven onder het prevelen van geheimzinnige woorden. - -Op eens richtte de zieke zich op; greep met de bruine handjes om zich -heen, opende den mond als om te spreken en zonk kreunend neer........ - -De hanen kraaiden den morgen te gemoet, de vogels ontwaakten, de dag -werd geboren en, in het kleine huisje aan zee, lag het vijftienjarig -moedertje stijf en koud: zij had het leven van haar kindje met het hare -betaald. - - - -Onbewust, dat zij, bij hare geboorte, het beste verloren had wat een -mensch in het leven wordt gegeven: moederliefde en moederzorg, -schreeuwde en kraaide kleine Wagini er lustig op los. Zij was een mooi, -sterk kindje, al moedertjes levenskracht had zij meegekregen. -Grootmoeder zorgde met trouwe toewijding voor ’t jonge leven, dat -geheel van haar afhing. De eerste dagen leefde Wagini van rijstwater -met suiker, maar zij was nog geen week oud, toen grootmoeder reeds -fijngeknede pisang met dunne rijstepap vermengd in het begeerige mondje -stopte. Het kleintje gedijde: vol trots vertoonde de oude vrouw haar -pleegkind; had men ooit flinker, aardiger meisje gezien voor haar -leeftijd? - -Vader keek niet veel om naar zijn dochtertje; hij; was een stil, stug -man, die liefst alleen zijn gang ging. Wanneer hij zich den dood van -zijn jong, mooi vrouwtje had aangetrokken en haar betreurde, droeg hij -zijn leed in stilte. Hij uitte zich tegen niemand en, werd de naam der -doode genoemd, dan was er op zijn gelaat geen spoor van -gemoedsaandoeningen te lezen. - -Wagini telde nog geen twee jaar, toen haar vader op zekeren dag aan -grootmoeder meedeelde, dat hij van plan was elders heen te trekken, -naar een of andere groote stad, om daar werk te zoeken. Nénéh verdiende -genoeg voor zich zelve en Wagini beiden, en naderhand zou de kleine -meid haar kunnen helpen. - -Na een kalm afscheid van zijn familie, verliet Kerto-Sadji dus op -zekeren dag zijn woning en er zouden vele jaren voorbijgaan eer hij -haar weder betrad. Af en toe kreeg grootmoeder bericht, altijd bij -mondelinge boodschap, dat het haar schoonzoon goed ging; ook deed hij -haar nu en dan wat geld toekomen, dat door de oude vrouw steeds -dankbaar in ontvangst werd genomen. Zij dacht er niet over na, en het -ergerde haar dus ook niet, dat de vader in het geheel niet naar zijn -kind verlangde. Kerto-Sadji was altijd eenzelvig geweest, het kleine -meisje ontbeerde zijn liefde niet. Neen, Wagini wist niet beter of -Grootmoeder—„nénéh” zooals de inlander haar noemt—was de eenige -bloedverwant, die zij bezat. - -Dat oude gerimpelde gezicht, die magere, bruine armen -vertegenwoordigden voor ’t kind àl wat zij aan ouderliefde en ouderzorg -behoefde. Van nénéh kreeg zij eten en drinken met menig snoeperijtje -bovendien; tot nénéh vluchtte zij bij denkbeeldige gevaren, nénéh -knorde en strafte, maar liefkoosde haar toch nog meer. - -Van een lief, mollig kindje werd zij al gauw een bijdehand, klein ding, -wijs boven haar jaren, met een fijn gevormd, rank figuurtje en mooi -gezichtje. Heur zwart haar sprong en krulde om ’t effen voorhoofd, in -’t aardig nekje en beschaduwde de groote ernstige oogen, waaraan de -lange wimpers iets zwaarmoedigs gaven. Grootmoeder bedierf het mooie -kindje en schikte haar op wat zij kon. De fraaie zilveren bandjes om -hare polsjes, het halskettinkje van blauwe kralen, waar ze zoo grootsch -op was, het vergulde sieraad in de kleine kondeh, alles kwam van nénéh. -Maar, ze deed dan ook flink haar best, zesjarige dreumes die ze was, en -hielp reeds, met parmantige wijsheid aan allerlei in het huishouden. -Met een oud-vrouwtjesachtige bedrijvigheid liep ze af en aan, sjouwde -met de waterkruik, die zij verderop aan de rivier vulde, waschte de -rijst, zocht brandhout bijeen en spoelde het vaatwerk af. - -Ze moest nu ook spoedig leeren batikken, had grootmoeder gezegd, doch -dit vooruitzicht leek Wagini verre van pleizierig. Zij hield niet van -stil zitten; met de vriendinnetjes spelen, hard loopen en springen, dat -was haar grootste lust. Als de anderen huisjes van karang [1] bouwden, -dan keek ze ongeduldig toe. Het was wel aardig om naderhand het lichtje -te zien blinken tusschen de openingen der karang muurtjes, maar het -loonde toch de moeite niet, zooveel tijd aan het opbouwen te besteden. - -Van het onderwijs op de godsdienstschool, waar zij een uurtje per dag -heen ging, profiteerde Wagini niet bijster veel. Met groote moeite -leerde zij de arabische letterteekens van elkaar onderscheiden, de -kunst van lezen en schrijven werd zij nooit machtig. ’t Kon niet -anders, niemand lette er op of zij ál of niet naar school ging en -Wagini had dikwijls weken achtereen allerlei werk, dat haar veel -nuttiger en noodiger toescheen dan schoolbezoek. In een strandkampong -geboren, was zij bevoorrecht kind boven velen; aan het strand spelen -was zoo prettig. Het schoon der zee trok maar zelden haar aandacht, zij -lette er niet op of deze, in feesttooi gehuld, het heerlijk blauwe -kleed met goud en diamanten overdekt, hare golven zacht tegen het -strand stuwde, of wel diezelfde golven, met boos gebrul, hoog tegen den -oever opjoeg, zoo gulzig naar het land happend, als wilde zij het -verslinden. Wanneer het water zoo heel woest te keer ging, was zij -alleen wel eens bang, dat het de kampong zou binnenstormen en in -razende vaart alles meesleepen. Doch, daar Wagini dit nooit zag -gebeuren, verdween deze angst met de jaren en leerde zij den oceaan als -een kameraad beschouwen, die haar en den haren het noodige gaf om te -leven. Als dreumes van vijf, zes jaar, trok zij al voordeel van de zee -op hare wijze. De kleine sarong hoog opgeschort, liep zij het water in -om vischjes en garnalen te vangen, en verdiende daarmede menig -snoepduitje. Dikwijls stond Wagini aan het strand met een vuil handje -boven de oogen, zooals zij het de zeelui in hare omgeving zag doen. Dan -keek ze uit of de visschersprauwen in aantocht waren. Werden zij -spoedig verwacht, dan was het kleine ding in haar element. Naast -grootmoeder zat zij al lang van te voren aan het strand, gretig starend -naar de blanke zeilen, die achtereenvolgens aan den horizon opdoemden. -En, wierp de vloot haar zilveren zeebuit op het land, welk een genot om -de groote visschen te bewonderen, ze te helpen voortsleepen naar de -kampong, de mannen achterna te loopen, die de volle manden wegdroegen, -er bij te zitten als de voorraad verdeeld werd onder de koopers, bij -het eentonig tellen der vrouwen. - -Vader had jaren geleden ook op een groote prauw gevaren, vertelde -grootmoeder. - -„Net zoo een als van Roestiman?” vroeg Wagini. - -„Nog veel grooter,” verzekerde nénéh, „zij was bemand met wel twintig -koppen en zoo mooi versierd met schelletjes, stukjes blik en -spiegeltjes, die helder in de zon fonkelden, tusschen het tuigwerk.” - -Vader had altijd een goede verdienste gehad met de visscherij, maar hij -was ongedurig van aard, hij kon nooit lang bij hetzelfde werk blijven. - -„Waar is die schuit nu?” vroeg Wagini, die meer belang stelde in de -prauw dan in vaders wedervaren. - -„Gestrand, kind, daar ver weg bij poeloe padjang; een tegenwind dreef -haar op de karang, waar zij verging.” En de oude vrouw strekte den -dorren wijsvinger uit naar een witte plek in de verte, waar de golven -in heftige branding gistten en woelden tusschen de koraalriffen, die -mijlen ver in zee het vaarwater onveilig maakten. - - - -Grootmoeder werd oud en sukkelend, de arbeid viel haar zwaar. Wagini -deed bijna al het werk in huis en hielp nénéh bovendien bij die -bezigheden, waar wel is waar weinig verdiensten op zat, als garen -spinnen, matten vlechten, batikken enz., doch die de nijvere, oude -handen bezighielden. Het jonge meisje droeg de zware vischmanden, -grootmoeder de lichte vracht als zij passarwaarts gingen. - -’t Kostte het oudje veel inspanning ver te loopen, doch zij liet haar -kleindochter niet graag alleen gaan; Wagini telde bijna veertien jaar -en was het mooiste meisje uit de kampong. - -„Kind,” sprak nénéh op zekeren dag, „ik zal niet lang meer leven, je -moet maar spoedig trouwen, dan kan je man voor je zorgen en grootmoeder -het hoofd rustig neerleggen.” - - - - -II. - -Zacht en volgzaam van aard, sprak Wagini niet veel tegen; dat paste -haar niet tegenover de oude vrouw, doch het vooruitzicht van een -huwelijk vervulde het meisje met heftigen afkeer. Zij wist, dat moeder, -even vijftien jaar oud, bij hare geboorte gestorven was. Wat had die -arme moeder van het leven genoten? Neen, Wagini wilde niet, als zij, -jong sterven, ze had het veel te goed, ze was gezond en krachtig, het -leven lachte haar toe. Al moest zij flink de handen uitsteken, al viel -het sjouwen met de vischmanden haar wel eens zwaar, er was toch veel, -dat vergoeding gaf voor het harde werken, menig feestje in de kampong -of daar buiten kwam den eentonigen dagelijkschen arbeid afwisselen. - -Daar had men inlandsch Nieuwjaar, wanneer niemand werkte en ieder in -zijn allerbesten pronk, vrienden en kennissen ging geluk wenschen, -terwijl er overal getrakteerd werd. Het was een genot op zich zelf voor -kleine, ijdele Wagini, om, bij die gelegenheid, de fraai gebatikte -sarong om de slanke heupen te plooien, en al wat zij aan sieraden -bezat, op de fluweelen kabaja te hechten. - -En dan het aardig ketoepatfeest, na afloop der vasten, als men met -prauwen naar het naburig eiland voer, om de aan het feest geëigende -lekkernijen te genieten en de inlandsche spelen te bewonderen. Het -deerde Wagini niet, dat zij uren lang in de felle zon moest staan om de -grappig verkleede clowns hunne buitelingen te zien maken, de kleine -dansers gâ te slaan die, in meisjespakken gestoken, van blauwe brillen -en waaiertjes voorzien, hunne langzame, statige pasjes uitvoerden op de -maat van hun eigen zang. De nagebootste dieren waren ook een kijkje -waard: hoe hartelijk moest ’t meisje meelachen als zij de potsierlijke -krokodillen met hunne groote, klepperende bekken op de naastbijstaanden -zag toespringen, die in den eersten schrik angstig achteruitstoven -alsof er werkelijk gevaar dreigde. - -Wanneer grootmoeder van naar huis gaan sprak, vleide Wagini steeds nog -een poosje te mogen blijven: het ketoepatfeest kwam maar eens in het -jaar. - -Maar des te menigvuldiger waren de feestjes in de kampong: de sedekahs -en slametans bij huwelijken, geboorten en sterfgevallen of die, als -zoenoffer, voor een gedane gelofte golden. Als jong meisje mocht Wagini -niet tegenwoordig zijn bij die gelegenheden, doch zij gluurde met de -vriendinnetjes om een hoekje, zag van verre het dansen der -tandakmeisjes en genoot van de lieflijke tonen der gamelang. Er leefde -niet veel poëzie in haar eenvoudig zieltje, maar zij had gevoel voor -muziek. Uren achtereen kon ze, met droomerig genot, zitten luisteren -naar de klanken van gamelang, rebab (een soort viool) of fluit, als -zij, op den adem van den avondwind gedragen, uit de verte tot haar -kwamen. - -O, ze was zoo gehecht aan haar kampong, aan de gebruiken van haar eigen -volk, vreemden ging ze schuw uit den weg; doch onder haar kornuitjes -voelde zij zich vrij als een vroolijk, gelukkig kind. - -Wanneer de maan vol en helder aan den hemel stond, heerschte er een -gezellige, opgewekte geest in de kampong. Zij lag dan als in -tooverlicht gehuld, al het leelijke der huisjes was verdwenen, men zag -de vuile muren, de sjofele daken niet meer in dien blauwen zilvergloed. -Oud en jong kwam naar buiten; hier zaten groepjes mannen -philosopheerend bijeen, onder het kalm genieten van een strootje -(cigaret), ginds behandelden de huismoeders, in druk en levendig -gesprek, de op de passar gehoorde nieuwtjes. De kleintjes bleven laat -buiten spelen en sprongen als lustige eekhorens heen en weer, terwijl -zij bij hunne vroolijke spelletjes de hoogste liedjes uitgalmden. - -Het was bijna jammer ter ruste te gaan, nu het zoo helder licht bleef -en de frissche avondwind over de kampong heenstreek. - -In den kring harer speelgenootjes zat Wagini druk mee te babbelen en te -lachen. - -„Je wordt de bruid, Wagini, vóór de maan weer vol is,” plaagden de -vriendinnetjes, „ze zeggen dat je vader gauw thuis komt, dat je -grootmoeder hem liet roepen.” - -Boos keerde het meisje zich af. “’k Wil niet,” sprak ze norsch, stond -eensklaps op en trad haar huisje binnen. - -„Nénéh, het is immers niet waar, ik hoef toch nog niet te trouwen?” -vroeg ze gejaagd. - -De oude vrouw zag haar kleinkind kalm in het angstige gezichtje. - -„Grootmoeder en vader weten wat goed voor je is, kind,” sprak ze -bedaard, „maak je maar niet bezorgd en ga nu slapen, hartje.” - -Wagini bleef echter langen tijd op haar matje heen en weer wentelen en -schreide zacht; zij wilde niet trouwen. - -Doch naar haar wil wordt, in zake huwelijk, niet gevraagd bij het -inlandsche meisje. De ouders of naaste verwanten zoeken een geschikte -partij en het kind heeft te gehoorzamen. - -Wanneer een klein kampongmeisje er aardig uitziet, ontbreekt het haar -niet aan huwelijkspretendenten. ’t Gebeurt dikwijls, dat er, vóór het -kind zes of zeven jaar oud is, reeds verscheidene keeren aanzoek om -haar hand is gedaan. Dit gaat echter buiten de beide hoofdpersonen om. -Heeft de jonge man, wanneer hij vijftien jaar of ouder is, al eenige -stem in het kapittel, het meisje wordt geheel behandeld als een stuk -koopwaar, dat van de eene hand in de andere overgaat. - -Dit lot was ook Wagini beschoren. Wel is waar kwam de voorspelling -harer vriendinnetjes niet uit, de maan werd weer vol, terwijl het -meisje nog vrij en frank rondliep, doch zij had haar noodlot intusschen -met reuzenschreden nader zien komen. - -Op zekeren dag, terwijl Wagini tegen het vallen van den avond buiten -zat te spinnen, zag zij een haar onbekend man grootmoeders huisje -binnentreden; even later stond het meisje vóór haar vader. De -ontmoeting tusschen vader en dochter was zeer kalm; wat kon het kind -voor dien, haar geheel vreemden man gevoelen? Onderdanig, zooals het -eene dochter betaamt, begroette zij hem, zonder grootmoeders blijdschap -te deelen, die Kerto-Sadji zeer hartelijk ontving. - -Al spoedig bemerkte Wagini, dat vader alleen was thuis gekomen om haar -uit te huwelijken. Sinds een jaar had hij vast werk aan een fabriek van -mortions (vuurwerk) en wilde zoo spoedig mogelijk weer terug naar de -groote stad, waar hij vrouw en kinderen achterliet. - -Daar zijne tegenwoordigheid echter bepaald vereischt werd hij het -huwelijk zijner dochter en de daaraan voorafgaande formaliteiten, was -hij op grootmoeders verzoek overgekomen; de oude vrouw wilde de zaak -met spoed tot een gewenscht einde brengen. - -Met angst en schrik zag het jonge meisje haar huwelijksdag te gemoet; -al werd zij geheel buiten de voorafgaande onderhandelingen gehouden, al -had zij zich zelfs verstopt toen haar aanstaande een kijkje kwam nemen -naar zijne kleine bruid, zij wist wel, dat verzet haar niets zou baten. -De bruidsgeschenken waren gewisseld, er was rekening gehouden met -gunstige en ongunstige voorteekenen en eindelijk werd een -heilaanbrengende dag uitgezocht voor de huwelijksvoltrekking. - -Tot het laatst toe bleef Wagini hopen, dat een of ander toeval het -onheil zou afwenden, doch, nu dit niet het geval bleek, berustte zij: -het was Gods wil. - -Op den gewichtigen dag kwam nénéh reeds om vijf uur haar kleindochter -wekken, want het toilet eener inlandsche bruid kost veel tijd. - -Terwijl men hiermede bezig was, begaf Wagini’s bruidegom zich met zijne -verwanten en vrienden naar de moskee, om het huwelijk door den priester -te laten voltrekken. Bij deze plechtigheid behoeft de vrouw niet -tegenwoordig te zijn; Wagini was dus reeds gehuwd vóór zij haar man -ooit ontmoette. - -Intusschen liet het arme kind het lijdelijk toe, dat men haar in -bruidstooi kleedde. Onbeweeglijk bleef zij zitten, terwijl men haar -lief gezichtje met boreh insmeerde en ook hals en armen met deze gele -verfstof bedekte. Nu werd een fraai gebatikte kain (soort sarong) om -haar fijn middeltje gewonden en daarover een tweede kain of overkleed -van blauw satijn geworpen en in kunstigen wrong, onder de armen door, -op den rug bevestigd, zoodat schouders, armen en een groot gedeelte der -borst onbedekt bleven. - -Het weelderige haar, in een komvormig kapsel opgestoken, versierde -grootmoeder met snoeren aan draden geregen bloemen, die langs het -voorhoofd tot op de wangen hingen. Vergulde en zilveren armbanden -schitterden aan bovenarm en polsen, terwijl de kleine, tengere vingers -bijna verloren gingen onder het aantal grof bewerkte ringen, waarin -groote, onechte steenen fonkelden. Grootmoeder had dit kostbaar -bruidsgewaad met al den daarbij behoorenden opschik natuurlijk niet -zelve kunnen bekostigen. Voor een rijksdaalder was al de pronk gehuurd, -waarmede Wagini de bewondering van vrienden en verwanten zou wekken. - -Het toilet der bruid was nu voltooid en zij moest, als een stijf -aangekleede pop, stil blijven zitten tot de bruigom kwam. - -Het huis vulde zich intusschen met gasten en toeschouwers, ieder kwam -de bruid bewonderen. Wagini’s hart klopte luid en angstig; had zij maar -durven wegloopen, het lot ontvluchten, dat haar wachtte! Maar waar -moest zij heen, wie zou haar helpen? - -Om vier uur verkondigde een groot rumoer reeds van verre de komst van -den bruidegom. Vergezeld van een stoet vrienden en bloedverwanten en -door muziek begeleid, kwam hij te paard aanrijden en steeg af voor het -huis der bruid, waarna hij door twee personen plechtig werd -binnengeleid. Toen Wagini hem zag aankomen, had zij het wel willen -uitschreeuwen. In plaats daarvan liet zij zich gedwee bij de hand nemen -door de twee aangewezen vrouwen, die het bruidje haar man te gemoet -voerden. Wagini hield de oogen neergeslagen, slechts even wierp zij een -schuwen blik op Sakerto, toen zij vlak voor hem stond. Op het oogenblik -der eerste ontmoeting tusschen man en vrouw wil het gebruik, dat het -jonge paar elkaar met sirih werpt. Sakerto volbracht dezen plicht naar -den eisch, doch de hand van het vrouwtje beefde zoo sterk, dat het -dichtgevouwen blad naast het hoofd van haar man terecht kwam. Als -bruidegom was deze niet minder fraai uitgedost dan zijne bruid. Ook hij -droeg het bovenlijf naakt en met boreh besmeerd, zijne haren, eveneens -met snoeren bloemen versierd, zwierden hem los op den rug, een kostbare -kain omgaf zijne heupen en hing tot laag op de voeten neer, terwijl de -kris, het handvat fonkelend van kleine steentjes, met bloemen was -versierd. Sakerto had een vriendelijk, goedig uiterlijk en telde dubbel -zooveel jaren als Wagini. - -Het feit dat hij reeds gehuwd was geweest, gaf aanleiding tot eene -nieuwe plechtigheid. Men reikte Wagini een kom water, die zij over een -stuk brandend hout moest leeg gieten: een zinnebeeldige voorstelling, -dat het vuur, in het eerste huwelijk onderhouden, nu was uitgebluscht. -Na afloop dezer ceremonie nam het bruidspaar naast elkander op een -matje plaats, er werd koffie en gebak rondgediend en het gevolg van den -bruidegom bracht de huwelijksgeschenken, meest smakelijke eetwaren, aan -de bruid; ook ontving zij eenig geld van haar man, waarvoor zij hem -onderdanig buigend dankte. Zonder een woord te wisselen zat het -bruidspaar naast elkaar, de gelukwenschers stroomden het huis uit en -in, men at en dronk en was vroolijk, er heerschte een drukte van -belang, een bedrijvigheid en heen- en weergeloop, die toenamen naarmate -de avond viel. De lampen werden ontstoken, de muziek liet hare tonen -hooren, op het erfje verdrongen zich de toeschouwers, aangetrokken door -de vroolijkheid en het helder verlichte huis, waar men bruiloft vierde. -Den geheelen nacht bleef het feest voortduren, niemand dacht aan -slapen. Wagini was doodmoe, zij kon de oogen bijna niet meer open -houden, het scheen haar toe, dat de lampen dof begonnen te branden, zij -verstond niet meer wat men tot haar sprak. Eindelijk nam haar lijden -een einde: toen het daglicht aanbrak vertrok de bruidegom met zijne -vrienden en Wagini mocht gaan rusten, haar statiegewaad afleggen, voor -eenige uren althans. - - - -Den volgenden dag zat de jonggetrouwde vrouw in haar bruidstooi -gekleed, weer om vier uur klaar, wachtend op den bruigom, ditmaal om -met hem een rit door de stad te maken. Spoedig hield de fraaiversierde -bruidswagen, gevolgd door wel twintig karretjes, waarin Sakerto’s -vrienden hadden plaats genomen, voor Wagini’s woning stil. Door hare -verwanten begeleid, trad het bruidje naar buiten in den vollen -zonneschijn en daar stond zij, klein en tenger schepseltje, een vreemde -onnatuurlijke verschijning met haar saffraankleurig gezichtje en -getooid in dat bonte, opgeschikte gewaad. Zwijgend nam zij naast haar -man plaats en zoolang de rit duurde bleven beiden als beweginglooze -poppen strak voor zich uitstaren. Misschien ging Sakerto met hart en -ziel in de glorie op, als bruigom zoo deftig en met groot gevolg rond -te rijden en overal bekijks te wekken. Ieder week voor den bruidsstoet -uit, de kampongs liepen leeg om den optocht voorbij te zien komen. Maar -het bruidje kon hare tranen nauwelijks bedwingen en af en toe trilde -het verraderlijk om den kleinen, strakken mond. Eindelijk was ook deze -lijdenstocht volbracht en nu stapte de bruiloftsstoet af voor het huis -van den jongen man, waar deze met zijne moeder en zusters woonde, en -dat nu voortaan ook Wagini’s tehuis zou zijn. Nadat de nieuwe -schoondochter plechtig was ingehaald, met inachtneming van al de -ceremoniën, die de adat voorschrijft, trad de schoonmoeder uit het -binnenvertrek het jonge vrouwtje vriendelijk te gemoet. Er lag een -wereld van goedheid in de zachte, bruine oogen, toen zij op het -schepseltje rustten, dat voortaan een deel van haar gezin zou uitmaken. -Wagini was echter te ontdaan om dit op te merken. - -Het bruidspaar vormde weer het midden van een aantal gasten en -toeschouwers, de drukte was nog grooter dan den vorigen dag. Gul werd -ieder uitgenoodigd zich te goed te doen aan den overvloed van spijzen, -die stonden opgedischt: vleesch en visch met gekruide sausen, rijst met -toespijzen, gebak in soorten en een overvloed van vruchten. Hartelijk -drong schoonmoeder Bok Djemilah het bruidje toe te tasten en zette haar -het beste en lekkerste voor, doch Wagini kon geen bete naar binnen -krijgen. Zij had nog geen woord met haar man gewisseld en deze nam -evenmin eenige notitie van zijn kind-vrouwtje; hij at en dronk en -onderhield zich met zijne vrienden. Was dit fijngevoeligheid, begreep -hij hoe beschaamd en verlegen zij zich voelde? - -Grootmoeder liet het zich intusschen best smaken en keek vergenoegd -rond: zij had er niet het minste begrip van hoe het Wagini te moede was -en meende tot bestwil van het kind gehandeld te hebben. Haar -kleindochter ging een aangenaam leven te gemoet, want Sakerto verdiende -flink geld met timmeren, hij was een zachtzinnig, bedaard mensch en zou -zijn vrouwtje zeker goed behandelen. Wagini hoefde nu niet meer met de -zware vischmanden te sjouwen, want de dessa, waar haar man woonde, lag -niet aan zee. Zij had slechts hare plichten als huisvrouw te verrichten -en kon nog een aardig stuivertje bijverdienen in den tijd van den -padi-oogst. Op hare beurt kon zij grootmoeder nu steunen en het goede -kind zou nénéh op haar ouden dag het dagelijksch bordje rijst zeker -graag gunnen. - -De feeststemming onder de bruiloftsgasten werd steeds grooter. Een paar -bont uitgedoste dansmeisjes wekte de bewondering en den luiden bijval -van het publiek, door de kunstige, lenige wijze, waarop zij hare -ledematen wisten te draaien en te wringen naar de eischen der -tandakkunst. - -Het ging alles als in een roes aan Wagini voorbij, die moeite had om -wakker te blijven; het arme kind kon zich bijna niet meer rechtop -houden. Doch het werd weer morgen eer zij mocht opstaan om naar hare -kampong teruggeleid te worden (de eerste dagen nà haar huwelijk slaapt -de jonge vrouw nog in hare eigen woning). Bijna omvallend van -vermoeienis trad Wagini er binnen. Goddank, nu was het feestvieren -achter den rug. - - - -Twee dagen later werd Wagini voorgoed in het huis van haar echtgenoot -opgenomen. Zij moest nu hare schoonmoeder in het huishouden helpen en -naast haar man, ook deze gehoorzamen. Dit laatste viel het jonge -vrouwtje gemakkelijk genoeg. Bok Djemilah was een goede vrouw, zij -verlangde niet te heerschen en te bevelen, haar stem klonk steeds zacht -en vriendelijk. Spoedig hield de nieuwe schoondochter bijna even veel -van haar als van grootmoeder, doch voor haar man bleef zij even angstig -en schuw als op den trouwdag. Weerspannige vrouwtjes worden bij den -inlander met de bamboe geregeerd, maar tot dit middel wilde Sakerto -vooralsnog zijn toevlucht niet nemen, al verdroot het hem geducht, dat -Wagini hem uit den weg ging waar zij kon en zich verstopte of vluchtte -als zij hem van verre zag aankomen. „Heb maar geduld, ze is nog zoo -jong, het zal wel terecht komen,” verzekerde Djemilah haar zoon, en zij -wees het jonge vrouwtje intusschen met liefderijke woorden op hare -plichten. Wagini luisterde onderdanig toe, prevelde: „ja, ja,” en bleef -onwillig haar man zelfs een hand te reiken. Als een stout kind -verschool zij zich nu eens onder een bank, dan weer in het kippenhok of -zij klom in een boom, waar de roode mieren het haar zoo lastig maakten -met hunne venijnige steken, dat zij zich wel naar beneden moest laten -glijden. In plaats van eenige genegenheid voor Sakerto op te vatten, -werd haar afkeer van hem steeds grooter. Die dwaze angst bezorgde -Wagini op zekeren avond een ernstig ongeluk. - -Het was al laat en het jonge vrouwtje had zich juist tusschen hare -schoonzusters in, op haar matje gevlijd, toen zij op eens haar man zag -binnenkomen. Zij dacht, dat hij al lang sliep en, hoewel Sakerto niet -de minste acht op haar sloeg, werd zij eensklaps door zulk een grooten -angst aangegrepen, dat ze overeind vloog, vlug over de om haar liggende -gestalten heen wipte en naar de deur vluchtte. - -Bij den drempel struikelde zij, viel en bezeerde zich zoo hevig aan -haar rechtervoet tegen een stuk ijzer, dat zij kreunend bleef liggen. - -Weken lang moest Wagini voor hare dwaasheid boeten, de voet wilde -slechts langzaam genezen. Grootmoeder kwam haar kleinkind bezoeken en -bleef, om haar met Bok Djemilah te verplegen. - -De beide vrouwen spraken hoofdschuddend over Wagini’s koppigheid en -kuren. - -Waar moest dat heen? Straks verstootte Sakerto het ondeugende kind nog -en grootmoeder vouwde angstig de handen samen bij dit vreeselijk -vooruitzicht. - -Maar het noodlot kwam Wagini te hulp. - -Zij was nauwelijks hersteld en had zich voor den eersten keer met -langzame voorzichtige pasjes buiten gewaagd, toen zij voor hare oogen -het ongeluk zag gebeuren, dat haar, geheel onverwacht, hare vrijheid -teruggaf. - -Een eindje van het huis stond een klapperaanplant en Sakerto was in een -hoogen boom geklommen, zooals hij reeds honderden malen gedaan had, om -de rijpe vruchten af te kappen. - -Wagini luisterde onwillekeurig naar het regelmatig kloppen en den -harden plof, waarmee de vruchten achtereenvolgens naar beneden kwamen. -Op eens werd het geklop gestaakt, een rauwe gil weerklonk door de lucht -en tegelijkertijd stortte Sakerto naar omlaag. Een kleine -onvoorzichtigheid had hem het evenwicht doen verliezen, en, toen op -Wagini’s angstgeschreeuw, de huisgenooten kwamen toeloopen, bleek het, -dat de arme Sakerto zijn ruggegraat gebroken had, en onmiddellijk een -lijk was geweest. - -Den volgenden morgen werd Sakerto begraven, diep betreurd door zijne -moeder en zusters, die weeklagend bijeen zaten. Wagini trachtte haar te -troosten, doch de oogen der weduwe zelve bleven droog. - - - -Een jaar ruim is verloopen. Overal op de sawahs heerscht vroolijke -opgewektheid, men is in het volle getij van den padi-oogst. Vóór dag en -dauw tijgen mannen en vrouwen, meisjes en jongelingen naar de velden om -de rijpe halmen één voor één, met het scherpe mesje af te snijden en -tot bundels saam te binnen. Er wordt van ’s morgens tot ’s avonds -gearbeid en in de schemering ziet men overal menschen met welgevulde -bundels op den rug, tevreden huiswaarts gaan. Die niet op eigen grond -werkt, verhuurt zich bij zijn buurman en hoe vlijtiger de handen zich -reppen, hoe grooter de bos padi, die als welverdiend snijloon naar huis -wordt meegedragen. - -Geen tijd in het jaar, waarop de jongelieden prettiger en vrijer met -elkaar verkeeren dan wanneer de gouden halmen vallen, die den Javaan -zijn levensbrood geven. Alle stijfheid en vormelijkheid wordt op zij -gezet, oud en jong werkt lustig en opgewekt. - -De zon is zoo even herrezen en giet haar gouden gloed over de akkers, -zacht wiegelen de volle padihalmen op den adem van den morgenwind; ach -armen, ze weten niet hoe spoedig het gedaan zal zijn met hun jong -krachtig leven. - -Zie, daar komen de snijdsters aan, achter elkaar loopend, op het smalle -pad. De meesten dragen het hoofd nog onbedekt, doch allen hebben den -grooten toedoeng of zonnehoed in de hand, die haar straks beschermen -moet tegen de al te vurige liefkoozingen der dagvorstin. Hoe vroolijk -steken de kleurige baadjes tegen de omgeving af, hoe veel lieve jonge -gezichten ziet men tusschen de oude, verweerde vrouwen in. Het zijn -hare dochters en kleindochters, die spoedig zullen worden als zij: hard -werken in zon en regen maakt vroeg oud. - -Maar aan die toekomst denken de jongeren niet, nu is het leven nog -heerlijk en vol beloften en velen lachen stil voor zich heen bij een of -andere zoete herinnering. Onder de padisnijdsters is ook Wagini, een -mooie, tot haar vollen wasdom ontwikkelde vrouw, heerlijk om aan te -zien met haar krullend haar en donkere schitteroogen. Zij lacht -verstolen en slaat even de oogen op, als zij, druk aan het snijden, -denzelfden jongen man, die haar nu reeds drie dagen het hof maakt, over -het veld naar zich toe ziet komen. Wat een knap uiterlijk, wat een -prettig gezicht heeft hij, die slanke Ramidin! Daar komt hij haar op -zijde en lacht en Wagini, het schuwe preutsche vrouwtje, lacht terug en -laat van terzijde, van onder de lange wimpers, haar blik met -welgevallen op Ramidin rusten. - -En nu begint tusschen dit paar het spelletje oud als de wereld: hij -lokt en vleit, en zij doet als weet ze niet waar hij heen wil. Ze laat -toe, dat hij de door haar gesneden halmen tot schooven bindt en ze voor -haar draagt. Den heelen dag blijft hij haar ter zijde en om het paartje -heen lacht en fluistert men: die twee worden het ééns. - -In de schemering, als zij naast elkander huiswaarts gaan, zij met den -zwaren bundel padi, in de slendang op den rug gebonden, spreekt hij het -groote woord en Wagini, fier en gelukkig, dat zij nu, in vrije keuze, -de inspraak van haar hart mag volgen, reikt haar vriend de kleine, -tengere hand en belooft Ramidin, dat zij met hem door het leven wil -gaan. - - - - - - - -EEN ZENDELINGSVROUWTJE. - - -I. - -Zij hadden elkaar bijna drie jaar lang dagelijks gezien en gesproken, -elkander goed, heel goed leeren kennen vóór hij het beslissend woord -sprak, haar vroeg zijn vrouwtje te worden, en met hem mee te trekken -naar het verre, vreemde land. Als zij haar Johannes niet zoo innig had -lief gehad, de blonde, slanke Dina, met eene liefde, die langzamerhand -van kleinen knop tot een volle, heerlijke bloem was ontwikkeld, dan zou -zij zeker geaarzeld, hem haar jawoord niet zoo gemakkelijk gegeven -hebben, maar nu.... En toch hij vroeg zooveel; voor hem moest zij haar -„Heimat,” doch wat oneindig zwaarder woog, haar dierbaar tehuis, haar -„süsses Mütterchen,” verlaten. „Ach, waarom koos hij juist een -werkkring, die hem naar verre landen riep?” zuchtte zij, droef te moede -als zij aan de naderende scheiding dacht. Zij wist echter hoe lief haar -aanstaanden man zijne roeping was, hij vertelde het haar meer dan eens, -hoe reeds als kind het denkbeeld hem bezielde Christus’ zachtaardige -leer onder de onwetende heidenen te verspreiden en hun daarmede geluk -en zegen te brengen. - -In hare dwepende meisjesliefde zag zij een apostel in haar Johannes, -even goed en zachtzinnig als de meest geliefde leerling van den Heer, -toen deze nog rond ging op aarde. En Dina peinsde en droomde over de -toekomst, doch menigmaal toefden hare gedachten ook in het verleden, -toen zij zelfs den naam niet kende van den man, die haar nu alles en -alles was. Hoe goed herinnerde zij zich den avond, waarop hij voor het -eerst hun huis betrad. Zij was een aankomend meisje, de zware blonde -vlechten nog hangend op haar rug en als een echt bakvischje blozend bij -iedere gelegenheid. Zoo was die lastige blos natuurlijk ook naar hare -wangen gestegen, toen zij kennis met hem maakte en voor het eerst den -blik ontmoette van zijne ernstige, donkere oogen. - -Vriendelijk en goedig had hij in het geheel niet laten bemerken, hoe in -het oog vallend hare verlegenheid was geweest; dat had haar toen reeds -dadelijk voor hem ingenomen. - -Het sprak vanzelf dat hij, de zoon van haar vaders besten vriend, -spoedig als kind bij hen aan huis kwam, al de uren, die hij niet aan -zijne studie wijdde, bij hen sleet. - -Zij zag hoog tegen hem op in die dagen, als tot een zeer ontwikkeld, -knap man, die met haar vader over onderwerpen redeneerde, waarvan zij -nooit gehoord, veel minder over gedacht had. - -Toch luisterde zij gretig toe, al begreep zij niet alles; het gebeurde -dikwijls, dat Johannes zich tot haar wendde, of, om harentwille, het -gesprek eene andere richting gaf; dit vervulde haar steeds heimelijk -met trotsche blijdschap. Die nieuwe huisgenoot bleek voor het geheele -gezin een groote aanwinst, spoedig kon hij niet meer gemist worden in -hun kring. Hij stal Dina’s hart door zijne vriendelijke attenties voor -„lieb Mütterchen,” zijne stille hulpvaardigheid en groote deelneming in -al wat de haren betrof. Aan alles kon zij bemerken, dat hij graag in -hun midden toefde; zelf stil en ernstig van aard, zich aangetrokken -voelde door den opgewekten toon, die bij hen heerschte. Zij was niets -ernstig, integendeel, zij kon den verpersoonlijkten levenslust -voorstellen, het leven bood haar tot nu toe enkel rozen. - -Altijd gezond en opgewekt, geliefd kind in huis, ja zelfs wel een -beetje verwend en vertroeteld als eenige dochter en zuster, zou zij -haar lot met niemand hebben willen ruilen, en wenschte zij, dat het -maar immer zoo blijven mocht. - -Doch het kind groeide op tot jonkvrouw en het uur kwam, waarin ook in -haar het stille, reine, heerlijke gevoel ontwaakte, dat liefde heet. ’t -Was ongemerkt en als vanzelf gekomen, dat de genegenheid en -vriendschap, die zij voor Johannes koesterde, langzamerhand in een -dieper en inniger gevoel veranderden. En zij wist, zij voelde het aan -duizend kleinigheden; een lange blik, een zachter klank in zijne stem -als hij tot haar sprak, een heimelijke handdruk, deze alle zeiden het -haar, dat hare liefde beantwoord werd. Haar eigen zoet geheim bewaarde -zij als een schat diep in haar hart, zelfs Mütterchen kon zij er niet -over spreken, en zoo wachtte zij vol geduldig, hoopvol vertrouwen, tot -Johannes tot haar komen zou om het woord te spreken, dat over hun -beider toekomst zou beslissen. Toen dat uur aanbrak, wie kon haar geluk -beseffen? Alles jubelde in haar en, nauw was zij alleen, het gelaat nog -nat van vreugdetranen of zij knielde neder en deed de stilte gelofte om -haar Johannes waarlijk een zegen te zijn, hem vol vertrouwen en -toewijding te volgen waarheen hij ook gezonden mocht worden, zijne -lasten lichter, zijne vreugde grooter te maken en hem zoo, in ieder -opzicht, te wezen een licht op zijn pad. Die heilige, goede voornemens -bleef zij trouw, ook toen zij de haren vaarwel moest zeggen. De -verloopen maanden waren Dina als in een droom voorbijgegleden; haar -korte engagementstijd, haar huwelijk, een verrukkelijk reisje langs den -Rijn, gevolgd door de niet minder heerlijke weken, die zij als jong -getrouwde vrouw bij haar ouders aan huis had doorgebracht. Maar nu -naderde het scheidingsuur met droevige snelheid en de arme Dina -ontwaakte uit haar gelukkigen droom en leed bijna meer dan zij dragen -kon. Ze wilde haar man geen verdriet doen en verborg hem haar strijd, -doch ’t viel het arme vrouwtje oneindig zwaar haar geliefd huis te -verlaten en dikwijls moest zij naar eenzame hoekjes vluchten om eens -flink uit te schreien. Vooral wanneer zij, Mütterchen aankijkend, -bedacht, dat de uren geteld waren, waarin zij dat lieve, dierbare -gelaat voor het laatst zou aanschouwen, was het haar of zij dit niet -kon overleven. Maar kost het strijd en bittere pijn, ook het zwaarste -leed wordt gedragen, en zoo kwam ook Dina door het vreeselijk -scheidingsoogenblik heen, en nam zij als troost naar het verre land de -herinnering aan moeders kussen en de vurige zegenbeden harer ouders -mede.—De tijd, de vele nieuwe gewaarwordingen op de reis, eerst over -land, naderhand over zee en vooral de groote liefde van haar trouwen -Johannes, zij deden het overige; toen het jonge paar Batavia bereikte, -had Dina hare aangeboren opgeruimdheid grootendeels herwonnen en -verlangde zij vol geestdrift den werkkring van haar man te deelen. Hoe -bewonderde zij hem in zijn vasten wil en doorzettingskracht; zoodra hij -zeker wist, dat zijn arbeidsveld op Java zou liggen, was hij aan het -moeielijk Javaansch begonnen, ieder vrij uur, met taaie volharding aan -die studie wijdend; Dina’s bewondering maakte echter ook wel eens voor -naijver plaats op die nare boeken welke al Johannes’ tijd in beslag -namen; slechts af en toe kon hij een uurtje aan vrouwlief wijden en zij -had altijd wat te vragen en te babbelen, wilde haar man immer naast -zich hebben om hem deelgenoot te maken van iedere gedachte. In die uren -van eenzaamheid overviel haar ein fürchtbares Heimweh, dat zij niet -altijd overwon, al streed zij er dapper tegen. - -Wanneer zij maar eenmaal in haar eigen huisje zat, zoo sprak het jonge -vrouwtje zich zelve moed in, dan zou alles beter gaan, zij zou hare -vaste bezigheden hebben en trachten Mutter’s verzekering, „dat Dina -eene uitstekende huishoudster was,” niet te beschamen. Het duurde ook -zoo lang en de tijd kroop voorbij juist omdat zij zoo verlangde naar -haar eigen „Herd,” „doch endlich bleibt nicht ewig aus,” troostte zij -zich. Groot was hare vreugde toen Johannes met de welkome tijding tot -haar kwam: „Ik heb mijne aanstelling, Dina, wij gaan naar Soeka Slamat, -waar ik de kleine gemeente, die broeder J. vijftig jaar geleden -stichtte, zal voorgaan. Langen tijd hebben die Christenen geen leeraar -gehad, er staat ook nog geen kerkje, maar het geld er voor is al -grootendeels bijeen.” - -Dina klapte in de handen. „O, Johannes, hoe heerlijk, dan zult gij de -kerk inwijden, niet waar? Krijgen we een lief huisje, man?” - -„Dat is ook in aanbouw. We zullen daar heel stil wonen, kindlief, -zonder Europeanen in de buurt. ’k Hoor zelfs, dat in den regentijd de -weg naar de hoofdplaats der afdeeling onbegaanbaar moet wezen. Ziet ge -er niet tegen op, vrouwtje, in die eenzaamheid te leven met je stillen -man tot eenig gezelschap?” - -Maar Dina sloeg de armen om zijn hals en betuigde vol nadruk: „Neen, -neen, ik zie er geen ziertje tegen op. Ik mag je helpen met je werk, hé -Johannes? Als de vrouw van onzen „pastor,” mag ik mij wijden aan de -vrouwen en kinderen der gemeente, niet waar? En dan hoe heerlijk om -mijn eigen huishouden te hebben, je lievelingskostjes te koken, alles -rein en net om ons heen te houden, o man!” Hij glimlachte over haar -enthusiasme. - -„Nu beste, als dat vooruitzicht je bekoort, zul je je hart kunnen -ophalen, je zult de handen nog al eens moeten uitsteken, vrees ik. Wat -bedienden betreft zullen we daar, op dat afgelegen plekje, niet veel -keuze hebben en dan.... we moeten het zuinig overleggen, kind.” - -„Of dàt mij schrik zou kunnen aanjagen,” lachte het jonge vrouwtje, „ik -heb thuis werken geleerd, dat verzeker ik je,” en hem met een vroolijk -gebaar hare niet kleine, doch welgevormde handen voorhoudend, voegde -zij er bij: „Deze twee verstaan de kunst van aanpakken, dat zult ge -eens zien.” - -Hij kuste haar dankbaar. „Wanneer vertrekken we?” vroeg Dina, haar -oogen, met een blijden glans tot haar man opslaande. - -„Zoo gauw je klaar kunt komen, kind.” - -Dat hield zij zich voor gezegd. O! zij was het kofferleven zoo moede, -hoe goed en vriendelijk de menschen ook waren bij wie zij deze -verloopen maanden gastvrijheid hadden genoten, zij verlangde met heel -haar hart hun vaarwel te kunnen zeggen: „Eigener Herd ist Goldeswerth.” - -Onder het pakken zong het zendelingsvrouwtje half haar repertoire -Duitsche liedjes af; zij was zoo innig gelukkig en Johannes niet -minder, al voelde hij niet, als zij, de behoefte om zich zoo luide te -uiten. - - - -Op de hoofdplaats der afdeeling, waartoe de gemeente van Johannes -behoorde, kon het jonge paar maar één huis vinden, geschikt om te -bewonen, tot het hunne in de bergen gereed zou zijn. Ofschoon het oud -en vervallen was en zij er, als beiden hoopten, slechts kort in zouden -blijven, trachtte Dina het er toch zoo gezellig en aardig mogelijk in -te richten. Zij schikte hare huwelijksgeschenken op tafeltjes en -kasten, versierde de stoelen met de handwerkjes, haar door de -vriendinnen vereerd, en maakte zoo de plekjes, waar zij het meest -zouden zitten, bepaald „gemüthlich.” Hare vroolijke, optimistische -levensbeschouwing kwam haar nu te pas. O heden, wat een gesukkel was -dat met die inlandsche bedienden. Hoe hemelsbreed verschilden zij met -haar in opvatting van reinheid, zuinigheid en orde. De jonge vrouw had -tal van groote en kleine ergernissen, doch viel er wijselijk haar man -niet mede lastig. Aan de theetafel toonde zij hem slechts den grappigen -kant van hare beproevingen, en beschreef in kluchtige verhalen hare -ontzetting over de vuilheid van Sarina, de kokkin, die maar één baadje -scheen te bezitten en dat nacht en dag aan had. En schaterend van het -lachen vertelde zij verder, dat de huisjongen alles precies omgekeerd -deed als zij gelastte; haar gebroken Maleisch wilde hij maar niet -begrijpen. Nu dacht zij er over hare bevelen precies in omgekeerden zin -te geven, als zij ze wenschte uitgevoerd te zien, dan moest het immers -goed uitkomen? Neen, het smerige, luie stelletje bedienden, dat zij nu -had, nam zij zeker niet naar de bergen mee; kokkie had n. b. opslag -durven vragen ook. - -„En die heb je haar zeker dadelijk beloofd,” plaagde Johannes, “’t -mensch kan dan een tweede baadje koopen.” - -„Dat kun je zoo denken! Ik heb haar juist gezegd, dat ze direct gaan -kon, die luie slons, ik kan best zelf voor ons beidjes koken op onzen -„Herd”; hoe heerlijk toch, dat wij die uit Duitschland meenamen. Ik -verbeeld mij zoo, dat wij op Soeka Slamat betere bedienden zullen -vinden dan hier zijn te krijgen. Dat zij nooit bij Europeanen dienden -kan mij niet schelen, ik leer hun graag alles, mits zij maar zindelijk -en eerlijk zijn.” - -Johannes was reeds eenige keeren naar Soeka Slamat geweest: tot hare -teleurstelling had Dina hem niet kunnen vergezellen. De reis was te -lastig nu, in den regentijd, meende Johannes; allerlei ongemakken, die -hij als man zoo erg niet telde, werden onoverkomelijke bezwaren waar -het eene dame gold; Dina moest geduld hebben tot hun huisje daarginds -gereed was. - -Zes maanden na hunne aankomst te N. was het zoover. „Voor het laatst en -nu voorgoed,” juichte het zendelingsvrouwtje onder het inpakken. Alles -deed zij zelve bijna; het orgel waaraan zij zoovele genotrijke uren te -danken had, als zij er, geaccompagneerd door haar man, hare liederen -bij zong, emballeerde zij met bijzondere zorg en keek met een ongerust -hart de karbouwenkar na, die haar schat naar de nieuwe woning zou -brengen. Gelukkig, dat Johannes stemmen kon, want op dat schudden en -schokken op den bergachtigen weg had zij het niets begrepen, het orgel -leed er stellig van. Maar alle bekommernissen, de behouden overkomst -van haar meubilair betreffend, zette Dina ver van zich toen zij naast -haar man, in hunne nieuwe bendy gezeten, de reis aanvaardde naar het -plekje, dat voortaan hun eigen zou zijn. Zij klaagde over hitte noch -stof op den langen grootendeels onbeschaduwden weg, zij telde het niet -wanneer zij, af en toe, kleine einden te voet moesten gaan, omdat -Johannes de primitieve bruggen niet vertrouwde; aan het einde van dien -weg lag immers hun „tehuis?” - -Toen zij het eindelijk bereikten en Johannes haar binnen leidde, kon -zijn vrouwtje niet spreken van vreugde. „Het is een verrukkelijk -huisje!” riep zij eindelijk vol blijdschap uit: drie galerijen en vier -kamers, niet groot, maar flink hoog, wat konden zij meer verlangen? En -alles blonk van nieuwheid; zij behoefde hier geen vuilgroene plekken -aan den muur te „cacheeren” of zich te ergeren aan het uitslaan van een -vochtigen grond. - -Had Dina hare tijdelijke woning zooveel mogelijk gezellig trachten te -maken, hier was het haar een genot hun eigen huisje op te sieren en -wonderen te doen met de middelen, die haar ten dienste stonden. Toen -zij ten laatste alles geheel naar haar genoegen in orde had gebracht, -riep zij Johannes en wandelde zielstevreden met hem het heele huis -door, als een kind genietend bij zijne betuigingen van bewondering voor -haar goeden smaak en practischen zin. Het keurig nette keukentje was -haar grootste trots; daar stond „der Herd”, zoo glimmend gepoetst, dat -men zich er in kon spiegelen en het niet minder blinkend keukengerei, -keurig tegen den wand gerangschikt. „Ja, ja,” schertste Johannes, „dat -is het stokpaardje van de Duitsche vrouwen: Die Küche, die Küche.” -„Neen, niet alleen: die Küche, wir lieben drei K’s,” lachte Dina -vroolijk: “Küche, Kirche und Kinder.” - - - - -II. - -Haar gelaat betrok terwijl zij het laatste woord uitsprak en er kwam -een droevige trek op. „Kinder,” ach zij had zoo vurig gehoopt spoedig -moedervreugde te zullen smaken en tot nu toe had zij er niet aan -behoeven te denken toebereidselen te maken voor een welkomen kleinen -gast. Haar eerst zoo hartstochtelijk verlangen was in de afgeloopen -twee jaren langzamerhand in een hopend wachten overgegaan.... maar -toch, het gemis van een kindje op haar schoot ontlokte haar menig -smartelijken zucht. „Niet mijn, maar uw wil, o Heer,” die ootmoedige -woorden wilden Dina niet over de lippen, wanneer haar man haar tot -berusten maande. - -Dina kreeg nu een druk, werkzaam leven; spoedig leerde zij de taal een -weinig verstaan en kon er zich, zij het dan ook gebrekkig, in -uitdrukken. Vol ijver aanvaardde zij de haar vanzelf toegewezen taak -als raadsvrouw en onderwijzeres voor vrouwen en kinderen op te treden. -Zij vergezelde haar man op zijne huisbezoeken en, naarmate zij de -menschen beter leerde kennen, trad zij ook dikwijls zonder hem hunne -huisjes binnen of haastte zich, als men haar raad en hare hulp inriep, -deze in persoon te gaan brengen. In de dessa’s en kampongs der gemeente -zag men het vroolijke, vriendelijke zendelingsvrouwtje gaarne komen en -Dina van haar kant mocht hare “Christenleutchen” van harte lijden. -Vooral tot het opgroeiend geslacht voelde zij zich aangetrokken. Drie -keer in de week hield zij school voor groote en kleine meisjes, die zij -in het naaien en zingen onderwees. De anderen nam zij dikwijls mede -naar de keuken, niet zoo zeer om haar het koken te leeren, want de -meesten konden de inlandsche spijzen beter toebereiden dan zij zelve, -maar om haar aan het verstand te brengen, dat reinheid op handen en -keukengereedschap tot de hoofdvereischten behoort van eene goede -kokkin. De aanstaande huisvrouwtjes trachtte Dina te doen begrijpen hoe -veel aangenamer en gezonder zij hare huisjes konden maken, wanneer zij -deze zindelijk en frisch hielden en er alles een behoorlijke vaste -plaats gaven, en zoo gaf zij duizend kleine wenken meer die zij zich -ten nutte konden maken. En zij waren gewillig en volgzaam genoeg, -Dina’s groote zoowel als kleine leerlingen. Allen deden haar best om -het hare geduldige, altijd opgeruimde onderwijzeres naar den zin te -maken. Een verwijtende blik of een afkeurend hoofdschudden waren de -eenige strafmiddelen van de jonge vrouw en met beide deed zij wonderen. - -Er verliep bijna geen dag of Dina ging minstens tweemaal met Johannes -naar het in aanbouw zijnde kerkje. Beiden zagen met groot verlangen de -voltooiing te gemoet. De oefeningen werden nu bij hen aan huis -gehouden, waar de noodige ruimte ontbrak en tal van andere bezwaren hen -ieder keer tot elkander deden zeggen: „wanneer zal het voor ’t laatst -zijn?” - -„Ik heb heusch ons kerkje al lief,” betuigde het zendelingsvrouwtje af -en toe, terwijl zij vergenoegd het nette, ruime gebouw rondkeek. „Zie -eens hoe flink hoog de vensters zijn en hoe vele zijn er wel! Mij -dunkt, wij zullen het hier niet warm hebben, het dak is zoo hoog en er -staan overal boomen om het huis. Waar zullen we het orgel zetten, -Johannes? Dáár voor het podium?” Zij wipte vlug de steenen treden op, -en vervolgde: „Hier zult ge staan, hé, man, wanneer je preekt? Jammer, -dat er geen geld genoeg is voor een preekstoel, maar een kerkklok -krijgen we toch zeker, niet waar?” Toen Johannes niet dadelijk -antwoordde, verdween de vroolijke trek op Dina’s gezichtje en, hare -vraag herhalend, keek zij hem angstig aan. - -„’k Vrees er voor, vrouwtje,” antwoordde de zendeling eindelijk, „het -spijt mij zoo, maar het is toch beter, dat ik het je maar ronduit zeg. -Ik geloof, neen ik weet zeker, dat wij onze kerk niet met klokgelui -zullen inwijden, de kosten zijn niet meegevallen en....” Hij zweeg, -want hij las op Dina’s gelaat zooveel teleurstelling, verslagenheid en -verdriet, dat het hem aan het hart ging en haar liefkoozend op den -schouder kloppend, troostte hij: - -„Kom, mijn beste, trek het je zoo niet aan, later....” - -Het jonge vrouwtje knikte maar eens, zij kon niet spreken, de tranen -zaten haar in de keel. „Glockengeläute,” zij kende geen liefelijker, -schooner muziek ter wereld; van kind af had het gelui der kerkklok een -onuitsprekelijk zoete aantrekkingskracht voor haar gehad, het riep tal -van geheimzinnige gewaarwordingen in hare ziel wakker, het maakte haar -vroom en goed, het deed haar dubbel erkentelijk zijn voor de zegeningen -in haar leven. - -En nu zou die beminde roepstem ontbreken als hun eigen kerkje werd -ingewijd; zij zou niet over het land heenbeieren, om der geheele -gemeente in heldere metaalklanken te verkonden, dat de groote dag daar -was, waarop zij voor het eerst in haar eigen Godshuis kon vergaderen. -Het was heel hard, vond de arme Dina, en telkens als zij over de -inwijding spraken, zuchtte zij heimelijk, als zij bedacht, dat toch -eigenlijk het voornaamste zou ontbreken, om dien plechtigen dag voor -haar tot een dag van inwijding te maken. - -Maar ter wille van Johannes, deed zijne vrouw haar best om hare -teleurstelling zoo goed mogelijk te dragen en hielp hem ijverig het -programma voor den inwijdingsdag opmaken. Deze naderde nu snel, „in het -begin der volgende week kwam de kerk zeker klaar,” had de opzichter -verzekerd; den daarop volgenden Zondag zou de inwijding plaats hebben. - - - -Het was een heerlijk frissche morgen, „net een lentedag in mijn lief -Heimatland,” dacht Dina, toen zij buiten trad. „Was het haar eigen -opgewekte stemming, die alles om haar heen zulk een bijzonder -feestelijk aanzien gaf?” vroeg het zendelingsvrouwtje zich af, terwijl -zij beurtelings den blik richtte naar de stralende zon, de helder -blauwe lucht en den vollen bladerrijkdom der boomen, waar de wind -vroolijk doorheen speelde. Zongen de vogeltjes niet nog liefelijker dan -anders, verspreidden hare rozen geen heerlijker geuren dan gisteren? -Dina glimlachte om zich zelve. Dat alles was maar zoete verbeelding, -omdat zij zich zoo heel gelukkig voelde, omdat heden de blijde -Zondagmorgen was aangebroken, waarnaar zij, haar man en de geheele -gemeente met hen maanden lang verlangend hadden uitgezien, de -inwijdingsdag van hun eigen kerk. Om negen uur zou de plechtigheid -aanvangen, het was nu al zes uur geslagen en er viel nog veel te doen. -De jonge vrouw spoedde zich in huis en riep haar volkje bij elkaar. -Weldra waren alle handen in de weer om de kerk nog eens een extra beurt -te geven. De vloer en de banken werden geboend en afgewreven, hier en -daar knaapjes geplaatst om leege plekjes te vullen. Vóór het podium -stond het orgel juist op zijn plaats en er bleef ruimte genoeg over -voor de leden der gemeente, die er zich bij het gezang om heen zouden -scharen. Inmiddels hadden andere gedienstige handen het gebouw buiten -versierd, guirlandes van groen waren om de pilaren geslingerd en in -groote bogen voor de open vensters bevestigd. Dina offerde hare mooiste -rozen „met hart en ziel,” betuigde zij haar man. “Es musz überall -festlich geschmückt aussehen.” - -Toen alles klaar was mocht zij met gewettigden trots op het werk -neêrzien. - -De ruime zaal met drie rijen banken door twee flinke gangpaden -gescheiden, met de breede deuren, en vele hooge vensters bood een even -vriendelijken als gastvrijen indruk. Er is plaats voor velen, noodden -de lange banken, er is frissche lucht in overvloed voor iedereen, -beloofden de wijd geopende ramen en buiten suizelde de wind door het -frissche groen: de boomen en ik, wij beiden, zullen de onbescheiden zon -verhinderen het u lastig te maken. - -Dina bleef maar ronddrentelen en Johannes moest haar wel driemaal -aanmanen om zich nu heusch te gaan kleeden, ten einde gereed te zijn -als hare gasten kwamen. Behalve het bestuur van de -afdeelingshoofdplaats, verwachtte Johannes de zendelingen in de -residentie werkzaam, benevens eenige goede vrienden en particulieren, -die van hunne belangstelling blijk wilden geven. „Van de gemeente zou -stellig niemand thuis blijven,” dacht Dina, terwijl zij vlug -voortmaakte; o de kerk zou vol genoeg zijn! - -Met een aardig blosje en een hartelijk welkom in de heldere oogen, -ontving het zendelingsvrouwtje een half uur later hare gasten. Zij -voelde zich ietwat zenuwachtig, het was de eerste keer, dat Johannes -bepaald zou preeken voor zooveel menschen. Zou hij zich niet beklemd -gevoelen en op een gegeven oogenblik naar zijne woorden moeten zoeken? - -Doch al die onrust verdween, toen de jonge vrouw, in de kerk gezeten, -haar man zoo kalm vooruit zag treden, en zich achter het hooge tafeltje -plaatsen van waar hij de gemeente zou toespreken. Geen plaatsje was -onbezet gebleven, de banken waren dicht gevuld en al die menschen zagen -tot haar Johannes op, vouwden op zijn voorbeeld de handen en bogen stil -het hoofd, terwijl hij God’s zegen over de bijeenkomst inriep. Dina -verstond slechts enkele woorden en van de aanspraak, die nu volgde, zou -zij ook veel gemist hebben, wanneer zij deze niet van te voren in het -Duitsch had gelezen. Nu kon zij den zin vrij goed volgen, Johannes -sprak langzaam en duidelijk; ieder moest hem verstaan en met -belangstelling luisteren, dacht zijn vrouwtje, waar hij over het -ontstaan der gemeente vertelde. Het eerste zaad, nu vijftig jaar -geleden uitgestrooid, was in vruchtbare aarde gevallen. Telde de -gemeente in den aanvang eenige tientallen, nu was zij zoovele -honderdtallen groot. Slechts enkelen werden afvallig of onwaardig -gekeurd langer tot haar te behooren, over het geheel kon de stichter -met vreugde neêrzien op zijn werk. Hier in dit stille hoekje tusschen -de bergen leefde de arbeidzame bevolking kalm en tevreden voort, trouw -hare godsdienstplichten vervullend, ook toen de gemeente langen tijd -zonder voorganger bleef. In hare dessa’s en kampongs waren roof en -diefstal onbekende voorvallen, het behoorde tot de uitzonderingen -wanneer het bestuur klachten kreeg over de Christengemeente van Soeka -Slamat. Daarom was het een vreugdedag voor hem geweest, toen hij -geroepen werd de open plaats te vervullen en hun voorganger te worden. -Hij wenschte niets liever dan lange jaren voor en met hen werkzaam te -zijn, daar gave God zijn zegen toe. - -Een oogenblik later klonken de orgeltonen door de kerk. Dina stond op -en trad naast het orgel, terwijl de vrouwen en meisjes zich om haar -heen schaarden. Vol en schoon verhief zich het koor van mannen- en -vrouwenstemmen, de zendeling en zijn vrouwtje hadden voldoening van het -veelvuldig oefenen met hunne leerlingen. De tekst werd natuurlijk in -Javaansche woorden gezongen, maar het gezang klonk er niet minder -liefelijk om. - -Toen orgel en koor zwegen, stond een oud man op, wien men zijn tachtig -jaren echter niet kon aanzien. Nog flink en ongebogen van houding, kalm -en duidelijk sprekend, vertelde hij, het eerst toegetreden lid der -gemeente, met hoeveel vreugde deze dag door hem verbeid was. Van de -lange toespraak begreep Dina overigens zeer weinig, evenmin als van de -verschillende kleine preeken door de broeders zendelingen -achtereenvolgens gehouden. Maar zij verveelde zich toch geen oogenblik. -Het deed haar hart goed de groote aandacht en belangstelling te zien, -waarmee de gemeente luisterde: mannen en vrouwen bogen zich naar voren, -om toch geen woord te verliezen; de kinderen zaten doodstil. - -Af en toe klonk een schreiend stemmetje door de ruimte, want geen -moeder had thuis willen blijven, en velen brachten een zuigelingetje -mede. Maar de hongerige vogeltjes wilden niet zoet blijven slapen; wat -wisten de onnoozele schaapjes van plaats of tijd? De vrouwen susten -hare kleintjes op de beste wijze, menig geheimpje tusschen moeder en -kind werd achter de slendang afgehandeld. - -Met een gretig verlangenden blik volgde Dina de bewegingen der moeders, -die met hare kindertjes bezig waren. „Ach, kon zij ook zulk een klein -schepseltje het hare noemen, het even teeder, als die vrouwen vóór -haar, aan haar warme borst vleien.” Zij boog het hoofd en, terwijl haar -man, de gemeente oproepend tot het laatste gebed, de handen vouwde, -smeekte zij uit het diepst van haar bewogen ziel: „Geef mij een kindje, -o Heer! als het Uw wil is, ik zal het zoo liefhebben en slechts het -goede leeren.” - -De plechtigheid was afgeloopen; kalm en zonder gedruisch, als zij -gekomen was, ging de gemeente uiteen, geheel vervuld van hetgeen zij -gehoord had. Het was voor allen een dag van beteekenis geweest, dien -zij zich, als ouden van dagen, nog zouden herinneren. - - - -Een klein half jaar was na den inwijdingsdag verloopen en de -west-moesson naderde, door Dina juist niet met genoegen te gemoet -gezien. „Wij verlangen nu wel naar regen,” gaf zij haar man toe, „maar -als ik denk aan verleden jaar, hoe wij hier als ’t ware op een eiland -zaten, van de buitenwereld afgestorven, terwijl wij vele dagen zelfs -geen voet buitenshuis konden zetten, neen, dan moet ik je ronduit -bekennen, dat ik wel wat opzie tegen de naderende maanden. Ik ben niet -bang mij te vervelen, vervolgde zij snel, dat is het niet, de dagen -vliegen om, ik kom nog tijd te kort. Maar ik houd zoo dol veel van de -zon en den blauwen hemel. Een sombere, donkere lucht, waaruit de regen -uren achtereen neerplast, stemt mij melancholiek.” De jonge vrouw wilde -er niet voor uitkomen, dat de hoofdoorzaak van haar afkeer voor de -west-moesson een andere was. Dat getijde bracht de tijgers mede en, al -noemde iedereen dit overdreven, zij was doodsbang voor die gevaarlijke -buren. Het vorig jaar waren twee lieden uit hunne dessa een offer van -de wilde dieren geworden. Zij hadden hun dood wel is waar drie kwart -aan eigen onvoorzichtigheid te wijten, daar, zij zich tegen -schemeravond ongewapend in het bosch hadden gewaagd, doch dat maakte de -zaak niet minder verschrikkelijk, oordeelde het zendelingsvrouwtje. - -„Druk de menschen toch op het hart voorzichtig te zijn, Johannes,” -verzocht Dina meer dan eens, nadat het haar een poos later ter oore was -gekomen, dat het volk tijgersporen had gezien. „Spreek vooral eens -ernstig met Karsiman en Petrus, ze zijn zulke waaghalzen, en mij dunkt, -Petrus mag wel dubbel oppassen, nu hij zulk een lief, jong vrouwtje -thuis heeft en zij een kindje verwachten.” - -„Ja, ja, je hebt Petrus en Maria nu eenmaal in het hart gesloten,” -schertste Johannes, „ik geloof, dat je wel drie keer naar hen toegaat -tegen éénmaal naar de andere gezinnen.” - -„’t Is zoo,” bekende Dina gul, „maar man, ge moet niet vergeten, dat -Maria van het begin af mijn lievelingsleerling is geweest, dat ge het -paartje getrouwd hebt en het lieve vrouwtje mij dubbel aantrekt, nu zij -een kleintje te gemoet ziet. Zij gaat zoo vertrouwelijk met mij om en -is zoo dankbaar voor de kleinste gave. ’t Naaien van de kleertjes voor -haar popje, was een genot voor ons beiden. En Petrus is een -trouwhartige, beste vent, ik weet wel, dat gij hen ook graag moogt -lijden, al lacht ge mij uit, nu ik zoo opgewonden over hen spreek.” - -„Dat doe ik volstrekt niet, wijfjelief. Wees maar gerust, kind, ik zal -de menschen de grootst mogelijke voorzichtigheid aanbevelen, maar tob -dan ook niet meer over denkbeeldige ongelukken. Wij zullen de tijgers -nu laten rusten en prettig gaan lezen; krijg je naaiwerk, lieve, dan -haal ik „Ekkehard” voor den dag. - -„Hoe heerlijk!” betuigde Dina, „we hebben de laatste maanden -allerprettigste avonden, nu je niet meer zoo aanhoudend voor je zelf -zit te werken als je verleden jaar altijd deed.” - -„Dat had zijn reden, vrouwtje.” En Dina met een geheimzinnigen glimlach -aankijkend, vroeg Johannes eensklaps: „Wie is er einde Januari jarig, -kind?” - -„Dwaze man, of je dat niet weet,” lachte zijn vrouwtje en deftig voegde -zij er bij: „Den dertigsten Januari van het jaar onzes Heeren 1894 -wordt Johannes’ huisvrouw: Everdina, Maria, Elizabeth, drie en twintig -jaar. En vertel mij eens waarom ik je dat zeggen moest?” - -Doch Johannes schudde het hoofd met de bewering, dat hij Dina maar eens -had willen plagen, terwijl hij „Ekkehard” voor zich legde en de -bladzijde opsloeg, waar hij den vorigen avond gebleven was. - - - -Geen vroolijke zonneschijn begroette Dina’s feestdag, integendeel, uit -de zwarte wolken ontlastte zich een zware regenvloed, die als gisteren, -zeker den geheelen dag zou aanhouden. De zendelingsvrouw stond voor het -venster van de gesloten binnengalerij naar de druipende boomen en -struiken te zien, waartusschen de heftige wind ruw huis hield. De -feestelijke stemming, waarmee zij straks Johannes’ warme gelukwenschen -had ontvangen, was geheel verdwenen; zij voelde zich lusteloos en -neêrslachtig, was dat nu ook een weer voor haar verjaardag? - -Op dat oogenblik hoorde zij de stem van haar man uit de achtergalerij: -„Waar blijf je kind, gaan we niet ontbijten?” - -Hij kwam haar halfweg te gemoet en trok haar arm door den zijne. -„Scheelt er wat aan, vrouwtje?” vroeg hij hartelijk, „je kijkt zoo -bedrukt.” - -Zij legde hare wang even tegen zijn schouder en poogde te glimlachen. -“’t Is al over, beste, let er maar niet op,” antwoordde zij zacht en -wilde op hare plaats gaan zitten, toen zij verrast achteruit week. - -„O lieve, beste man, wat een verrassing!” - -Vóór haar bord stond een bouquet, verregend wel is waar, en slechts -bestaande uit wilde bloemen en grassen, maar zoo smaakvol geschikt en -zulk een welsprekende getuige van Johannes’ innige genegenheid, dat -zijn vrouwtje de tranen in de oogen sprongen. Als soldaatjes in het -gelid, waren verscheidene mailbrieven tegen de glazen en vingerkommen -overeind gezet. Daar zij in den loop der laatste week waren gekomen, -giste Johannes, dat zij gelukwenschen voor den 30sten zouden bevatten -en had hij de brieven stil verstopt om er zijn jarige nu dubbel mee te -verrassen. En dat hij zijn doel bereikt had, bewees de luide -juichkreet, waarmee Dina er de hand naar uitstrekte. Doch juist toen -zij Mutter’s brief wilde openbreken, zag zij een gesloten couvert op -haar bord liggen, dat haar adres droeg in het welbekende handschrift -van Johannes. Verrast keek zij hem aan, wat beteekende dat? Maar het -jonge vrouwtje kreeg geen ander antwoord dan een lachend hoofdschudden, -waarop zij moeder’s brief neêrlegde en den anderen greep; snel scheurde -zij het couvert open en hare oogen vlogen over de weinige regels. Wat -las zij? Wat deed haar op eens het papier neêrwerpen, om vol verrukking -hare armen om Johannes heen te slaan? - -Als het meest welkome nieuws, dat zij op dezen dag kon hooren, deelde -de zendeling zijn vrouwtje mede: „De klok voor ons kerkje is in Europa -besteld en zal weldra hier zijn.” - -„O Johannes, lieve man, is het heusch waar? ik kan het haast niet -gelooven,” sprak Dina, bijna schreiend van aandoening. „Hoe heb je die -groote som bijeen kunnen krijgen? En mij niets te vertellen, dat alles -buiten mij om te beredderen, ondeugende man, ik vergeef het je nooit -als je mij nu niet dadelijk mijne nieuwsgierigheid bevredigt.” - -„Kom dan eens kalmpjes naast mij zitten, wijfje,” en toen Dina aan zijn -verzoek voldaan had, onthulde Johannes het geheim. - -Al had hij er niet zoo over gesproken en gezucht als zij, het was hem -iederen Zondag ook telkens een stil verdriet, dat hun kerkje geen klok -rijk was. Hij had er veel en dikwijls over gedacht of er geen kans zou -zijn de benoodigde ƒ 300 bijeen te krijgen. Misschien, dat de gemeente -mettertijd wel in staat zou zijn de som samen te brengen, maar hoe lang -kon dat nog duren? - -Toen had hij bedacht, dat hij in zijn vrijen tijd wel weer beproeven -kon met schrijven er wat bij te verdienen en zie! dat was boven -verwachting gelukt. Dien geheelen vorigen west-moesson, toen zij in -huis zaten opgesloten, had hij druk vertaald en geschreven: allerlei -stukken op godsdienstig en wetenschappelijk gebied, en deze, als vóór -zijn huwelijk, aan verscheidene Duitsche bladen ter opname gezonden. -Langzaam, bij kleine beetjes, waren de verschillende honoraria -binnengekomen, maar eindelijk was de som bijeen. Het had hem wel eens -moeite gekost een en ander voor zijn vrouwtje stil te houden, maar hij -wilde haar verrassen en was dus steeds op zijn hoede geweest, dat geen -woordje, het geheim betreffend, aan zijne lippen ontsnapte. - -En Johannes had wil van zijne verrassing: Dina was een en al -opgetogenheid en verrukking. Zij moest alles weten: waar en wanneer de -klok besteld was, of deze haar eigendom bleef wanneer zij elders werden -heengezonden, waar wellicht ook een „Glocke” ontbrak, enz. enz. enz. -Zou er nu maar niet dadelijk een begin worden gemaakt met den -klokketoren? - -„Een klokketoren zou het gebouw niet kunnen dragen,” meende de -zendeling. De klok zou, zooals hij dit wel elders had gezien, in een -hooge stellage worden opgehangen, naast de kerk natuurlijk. - -Dienzelfden middag nog, toen het even droog was, wilde de jarige Dina -het plekje gaan uitzoeken waar de „Glocke” geplaatst zou worden en, in -hare verbeelding zag zij; haar cadeau er al hangen. - -Het zendelingsvrouwtje vond, dat de dagen na haar feestdag -voorbijkropen, nimmer had zij vuriger naar „die Glockentöne” verlangd -dan nu zij wist, dat zij ze spoedig zou hooren. Doch juist toen -Johannes bericht had ontvangen dat de klok uit M. verzonden was, trad -een droevig voorval tusschenbeide, dat Dina’s gedachten een geheel -andere wending gaf. - -De regenmoesson liep ten einde, en, hoewel er vele hongerige tijgers in -de buurt waren geweest, had geen enkel ongeval in de dessa’s der -christengemeente plaats gegrepen. Eenige karbouwen en paarden waren een -prooi der wilde dieren geworden, doch menschenlevens had men niet te -betreuren. Helaas! het zou niet zoo blijven. - -Op een avond, toen de zendeling en zijne vrouw gezellig bijeen zaten en -juist een partij schaak zouden spelen, werden zij opgeschrikt door een -luid rumoer, dat van buiten tot hen doordrong. Johannes vloog op en -spoedde zich, door zijne vrouw gevolgd, naar de voorgalerij. Een koor -van verwarde stemmen steeg uit den zwarten menschenhoop op, die voor -het huis stond; de zendeling wenkte met de hand om stilte te verzoeken, -waarop men een jongentje naar voren drong, dat, nog bevend van angst en -het harde loopen, een vreeselijk nieuws aan het ontstelde echtpaar -vertelde. Hij was het karbouwenknechtje van Petrus en van avond met hem -de karbouwen van het veld gaan halen, zooals zij iederen dag deden. Zij -schenen zich echter verlaat te hebben, want in het bosch was het bijna -donker, en eensklaps had hij door het groen een paar vurige tijgeroogen -zien fonkelen. Met den kreet: een tijger, een tijger, was hij toen -weggevlucht, zoo snel als zijne voeten hem konden dragen en had in het -omkijken nog gezien hoe Petrus den karbouw vastgreep, dien hij zeker -niet in den steek wilde laten. Had hij het maar gedaan. Toen het volk -met flambouwen en lansen de plek van het ongeluk bereikte, was er van -Petrus niets meer te zien en de karbouw lag stervend aan den kant. - -Nog vóór het knaapje zijn verhaal ten einde had gebracht, was Dina naar -buiten gevlogen; het hart overvloeiend van smart en deernis met die -arme Maria. Zij wist, dat het jonge vrouwtje iederen dag haar kindje -kon verwachten en allesbehalve flink en sterk was. Welke vreeselijke -gevolgen kon een onvoorzichtig woord in deze omstandigheden niet ten -gevolge hebben? De beklagenswaardige weduwe mocht nu nog niets weten -van den vreeselijken dood, dien haar man had gevonden. - -Doch Dina kwam te laat; vóór het huisje stond een groepje vrouwen, in -wier midden een onheilspellende stilte ontstond, toen zij de vrouw van -den zendeling zagen naderen. Geen van haar zeide iets en Dina durfde -niets vragen. Men maakte plaats voor haar en zij trad de kleine woning -binnen, waar zij zoo menig uur vertoefd had. Een kapokpitje in een glas -met klapperolie brandde in een hoek en wierp zijn weifelend licht over -de balé-balé, waarop eene stille gedaante lag uitgestrekt. Door een -vreeselijk voorgevoel aangegrepen, trad Dina dichterbij, de handen als -afwerend voor zich uitgestrekt en, in plaats van het jonge zalig -glimlachende moedertje, dat zij zich zoo dikwijls had voorgesteld, daar -te zien liggen, aanschouwde zij een bleek, strak gelaat met gesloten -oogen en een roerloos lichaam, waaruit het leven gevloden was. - -Als versuft en verdoofd stond zij een oogenblik op het gezicht te -staren, dat haar zoo menigmaal vriendelijk had toegelachen, toen hoorde -zij een klagend stemmetje, en wendde zich instinktmatig om. - -„Leeft het kindje?” vroeg zij zacht. - -Een der vrouwen trad met een bundeltje in de armen op Dina toe. De -jonge vrouw nam het weesje van haar over en terwijl zij zich over het -donkere kopje boog, begonnen hare tranen te vloeien, een stroom van -weldadige tranen, die haar verlichting schonken. Fluisterend vertelden -de vrouwen, hoe de arme Maria geheel onvoorbereid door de -verpletterende tijding getroffen was. Met de andere buren was zij naar -buiten geloopen, toen een ongewone drukte van druk sprekende en -dravende menschen hare opmerkzaamheid had getrokken. In het donker was -de tegenwoordigheid van Petrus’ vrouw niet opgemerkt, en zoo had deze -geheel onverwacht het wreede nieuws vernomen, dat haar tot weduwe -maakte. - -De arme vrouw was bewusteloos ineengezakt, liefderijke handen hadden -haar naar huis gedragen en zoo goed mogelijk verzorgd, doch Maria -herkreeg haar bewustzijn niet meer en leefde slechts zoolang, tot haar -dochtertje geboren was. - -Innig bewogen hoorde het zendelingsvrouwtje, naast Johannes, die zich -inmiddels bij haar had gevoegd, het treurig verhaal aan. Dina’s tranen -begonnen opnieuw te vloeien, doch ditmaal bedwong ze hare smart -terwille van het kleintje, dat zij aan hare borst in slaap trachtte te -sussen. Eensklaps vatte zij de hand van haar man en, terwijl de -vrouwen, met de doode bezig, niet op hen letten, trok zij hem naar een -hoekje en sprak fluisterend, de oogen met een innige bede tot hem -opslaande: „Johannes, mag ik dit weesje als kindje aannemen? Ge weet, -het heeft geen andere verwanten dan een ouden grootvader, die er niet -voor zorgen kan en het ons zeker gaarne wil afstaan. Ik heb zoo vurig -naar een kleintje verlangd, het is mij of God mij tot vergoeding en -troost dit weesje schenkt. Zeg „ja”, lieve man, ik zal voor kleine -Elizabeth—Maria wenschte, dat zij zoo zou heeten—een trouwe moeder -zijn.” Johannes zag zijne vrouw in het bleeke, bewogen gelaat en legde -zegenend de hand op het kinderhoofdje aan hare borst. „Met heel mijn -hart geef ik mijne toestemming, beste,” zeide hij hartelijk, „laat ons -het kindje van Petrus en Maria als ons eigen tot ons nemen, en trachten -zoo goed mogelijk de plaats harer arme ouders te vervullen.” Verheugd -en dankbaar drukte Dina Johannes de hand, toen dekte zij voorzichtig -Elizabeth’s gezichtje toe, wierp een laatsten liefdevollen blik op het -jong gestorven moedertje, terwijl ze even over haar bleef heengebogen, -als deed zij haar eene stille gelofte, en droeg toen haar schat -behoedzaam door de kille nachtlucht naar heur eigen huis. - -Zij had zoo menig kindje zien geboren worden en helpen verplegen in de -eerste levensdagen, zij wist wel, hoe men met die brooze schepseltjes -moest omgaan en toen haar dochtertje, zooals zij Elizabeth in stilte -reeds noemde, rein en welverzorgd in haar bed lag, knielde zij er voor -neder en bad langen tijd, het kleine handje tegen hare lippen gedrukt. - -Den volgenden dag werd het treurig overschot van Petrus’ lijk in de -wildernis gevonden en naast dat zijner vrouw ter aarde besteld. - - - -Wederom is de kerk te Soeka Slamat feestelijk versierd, doch niet -alleen het Godshuis. Het gebouwtje er naast, een flinke hooge stellage, -waarin de kerkklok hangt, is eveneens van onder tot boven met groen en -bloemen omslingerd. Op Dina’s verzoek zal „die Glocke” heden worden -ingewijd. Daar komen de klokkenluiders aan; op een gegeven teeken -vatten zij de afhangende touwen en hoort! daar wordt de zondagsstilte -eensklaps door een geluid verbroken, dat nog nooit op dit plekje -tusschen de bergen weêrklonk. De kerkklok luidt haar eigen intreê in. -Vol en helder rollen de klanken over het heele naburige land en -verkonden in alle dessa’s en kampongs der gemeente, dat de vromen -gewacht worden in het bedehuis. - -Verrukt heft de zendelingsvrouw het hoofd op, als de geliefde -„Glockentöne” voor het eerst, na zoovele jaren, wederom haar oor -treffen, en zij drukt het slapend kindje op haar schoot, vaster tegen -zich aan, het hart vervuld van stillen dank. - -„Blijf maar slapen, mijn Elizabeth,” fluistert zij zacht, „het gewicht -van dit uur kunt ge toch niet beseffen; ge weet niet, dat uwe -pleegmoeder haar grootsten schat op dezen blijden dag ten doop zal -houden.” - -Wanneer de laatste tonen verstommen, staat Dina op, strijkt Elizabeth’s -mooie doopjurk glad, legt een sluier over het gezichtje, om het tegen -den zonnegloed te beschermen en gaat met haar kindje kerkwaarts. - -Hoe gelukkig en rijk voelt zij zich als zij, naast de andere moeders -gezeten, die hare zuigelingen ten doop zullen houden, vol stille weelde -op het wezentje neêrziet, dat haar toebehoort. Haar klein meiske slaapt -rustig door; voelt het reeds, dat ze in veilige handen is? - -Het plechtig oogenblik is daar, het zendelingsvrouwtje staat behoedzaam -op en treedt vóór haar echtgenoot, door de Javaansche moedertjes -gevolgd. Als in een droom hoort zij de zachte, vriendelijke stem van -haar man ’s Hemels zegen afsmeeken op al die kinderhoofdjes. Nu -bevochtigt Johannes de vingers in het doopvont en beroert één voor één -de voorhoofdjes der kleinen, en wanneer de beurt aan haar dochtertje is -gekomen, klinkt het Dina dubbel plechtig tegen: „Ik doop u: Elizabeth -Maria, in den naam des Vaders, des Zoons, en des Heiligen geestes.” - -Het doopwater vloeit Elizabeth langs het gelaat en blijft aan de lange, -donkere wimpers hangen. Dina buigt zich diep over het kindje heen om -hare tranen te verbergen, die er zich mede vermengen. Maar Elizabeth -schreit niet als de andere kleintjes, zij blijft zoet doorslapen en -lacht zoo zalig en vreedzaam in haar droom, „als speelt ze met -engeltjes in het paradijs,” denkt het gelukkig zendelingsvrouwtje. - - - - - - - -KARBOUWENJONGETJE. - - -I. - -Katjong was vier jaar toen zijn vader hem voor ’t eerst op een karbouw -zette. Ontelbare malen had de kleine kleuter hierom gesmeekt, en nu -zijn hartewensch eindelijk vervuld werd, gilde hij het uit van vreugde -en hield zich, zonder een zweem van angst te toonen, op den breeden rug -van den kolos in evenwicht. - -Van zijn verheven zitplaats blikte Katjong fier op zijn, hem -bewonderende, verwanten neder. Hij voelde zich een man: nu zou hij wel -gauw met de andere jongens mee mogen naar de weideplaats en het -heerlijke vrije leven beginnen waarnaar hij reikhalzend uitzag. - -Want, met de vrijheid, thuis bij moeder, was het, volgens Katjong, -treurig gesteld. Hij mocht nooit alleen den grooten weg op en werd -opgenomen als hij zich weerspannig toonde. Kon hij even ontsnappen, -dadelijk was moeder of een der zusjes hem op de hielen, vóór hij ’t -wist werd hij teruggesleurd en kreeg nog klappen toe. Nu, die kwamen -dikwijls hard genoeg aan; broekje noch buisje oefenden een -verzachtenden invloed uit. In dit stadium van zijn leven liet Katjong -de algeheele zorg voor zijn toilet aan moeder natuur over, hetgeen hem -zeer zeker veel tijd bespaarde, want van aan- en uitkleeden was nooit -de minste quaestie. - -Moeders slendang voorzag in al de behoeften van de linnenkast, doch -meestal vervulde de lieve zon de rol van handdoek; zoo nat kon Katjong -niet wezen of zij had hem, in minder dan geen tijd, netjes opgedroogd. -Vuil en stof waren Katjong’s onafscheidelijke kameraden, die slechts -voor korten tijd afscheid namen, wanneer moeder haar zoon bij den put -afspoelde. In zijn allerprilste jeugd had het jongemensch zich steeds -ernstig verzet tegen dit, naar zijn opvatting, volkomen overbodig -reinigingsproces, doch mettertijd zich philosophisch leeren schikken in -het onafwendbare, daar op zijn gillen, stampvoeten en huilen hoegenaamd -geen acht werd geslagen. - - - -Katjong’s vaste overtuiging dat hij nu mee uit weiden zou mogen gaan, -daar hij, op dien gedenkwaardigen dag in zijn leven, getoond had hoe -flink en kranig hij op „Possong” durfde zitten, werd onmiddellijk den -bodem ingeslagen. De over hem gestelde machten bleken een geheel andere -meening toegedaan en, al protesteerde de kleuter terdege, hij moest -zich onderwerpen. Vader en moeder zouden er over denken als Possong’s -jong geboren was, Katjong moest dus nog een groot half jaar geduld -hebben. In afwachting van die gulden dagen, bracht het kereltje den -tijd zoek met over het kleine erfje vóór vaders huis te drentelen, zich -in stof of modder te wentelen, vuil zwijntje als hij was, en buurmans -kippen op te jagen. Ter afwisseling gluurde hij eens door den pagger -en, dreigde het minste onraad, dan wist hij, met benijdenswaardige -vlugheid, zijn huisje binnen te schieten, en zich achter moeders sarong -te verschuilen, tot de kust weer veilig was. - -In het donkere, benauwde vertrekje, waar de heele familie huisde, deed -Katjong niet anders dan slapen en voor den inwendigen mensch zorgen. Op -de eenige balé-balé was voor hem geen plaats, dus strekte hij zich -welbehaaglijk op den grond uit wanneer Klaas Vaak met zijn zandman rond -ging. Het ventje kon zich vrij naar alle kanten omwentelen, van de -meubels had hij geen last. Het kookgerei stond in een hoek geschoven -naast de oude, wrakke tafel; met de balé-balé maakte deze het eenige -meubilair uit. - -Katjong had altijd honger en stopte alles naar binnen, wat hij maar -krijgen kon, vandaar zijn dik rijstbuikje, dat hij zoo parmantig droeg -als ware het een sieraad om trotsch op te wezen. - -De ouders van onzen Katjong waren arme dessamenschen, vader bewerkte -een klein stukje grond achter zijn huisje en moeder bracht den oogst -naar de passar en moest daarvoor palen ver loopen. Behalve Katjong -waren er drie oudere zusjes, die zich, klein als zij waren, reeds -behulpzaam maakten in het huishouden: water aandroegen, hout zochten, -en ’s avonds het vuil bijeenveegden om het daarna te verbranden. -Broertje vond dit laatste proces gewichtig genoeg om het altijd met -zijne tegenwoordigheid te vereeren. Met een stokje roerde hij in de -vuilnis, om de vlam hoog te laten opschieten, of sprong in de dichte -rookkolom rond als een kleine, vette kabouter, proestend en blazend, -maar toch vol pret. Aan opvoedkunde werd bij Pak-Kastimah en -Bok-Kastimah (zoo heetten Katjong’s ouders) niets gedaan. Vader en -moeder regeerden hun kroost op dezelfde wijze als zij het de karbouwen -deden. Een duw of klap, een ruwe vermaning of booze blik moest de -geheele bende in het spoor houden. Bij de buffels had dit systeem meer -succes dan bij de kinderen, die met aangeboren slimheid, de oudelui -dikwijls wisten te foppen en te bedriegen, doch overigens even dom en -onwetend opgroeiden als het lieve vee.—Op den leeftijd, dat andere -kinderen geplaagd worden met de eerste beginselen der edele lees- en -schrijfkunst en, in plaats van buiten te mogen rennen en dollen, achter -hooge muren stil moeten zitten, ving Katjong zijne opvoeding aan in -Gods vrije natuur: even vijf jaar oud was hij Karbouwenjongen geworden. -Dat was me een leventje. ’s Morgens vóór dag en dauw, haalde het -kereltje „Possong” uit den stal, Oerip, het jong, volgde vanzelf. - -Op den grooten weg kwamen de makkers, met de hun toevertrouwde beesten, -van alle kanten opzetten en zoo trok de bende kleuters van vijf, zes en -zeven jaar naar de groote weideplaats, waar de wakers het vlaggetje -reeds in den grond hadden gestoken om het verzamelpunt aan te duiden. -De meeste drijvertjes waren in zeer primitief toilet, slechts eenigen -droegen een sarong. - -Ook Katjong’s moeder had haar zoontje een oude, verbleekte lap om de -heupen bevestigd, toen hij voor ’t eerst mee zou gaan. Hiermee en met -een zweepje, dat vader voor hem sneed, was zijne uitrusting als -Karbouwenjongetje voltooid. Evenals zijne kameraden, liet Katjong zijn -sarong zelden aan het voor dit kleedingstuk bestemde doel beantwoorden, -de vuile, lange lap hing hem meestal als een bandelier om den nek of, -als het erg zonnig was, werd zij om het hoofd geslagen. Nu, de coiffure -zou er niet van bederven, Katjong’s haarbos zag er op elk uur van den -dag steeds even verwaaid en woest uit: de zwarte haren hingen over -zijne oogen, zelden nam hij de moeite ze weg te strijken. Van een -molligen kabouter, was hij een schraal jongetje geworden met bolle -uitpuilende oogen in zijn koffiebruin gezichtje, waaraan de groote -altijd openstaande mond een onnoozele uitdrukking gaf. Doch onnoozel -was Katjong anders om den drommel niet. De makkertjes waren niet veel -mooier dan hij; in hun wereldje werd van het uiterlijk bovendien niet -de minste notitie genomen, het kwam er slechts op aan wie de vlugste, -wie de sterkste was, en daarin won Katjong het van al de anderen. - -Waren de karbouwen eenmaal rustig aan het grazen, dan gingen hun kleine -meesters aan het pret maken, of zij vochten een robbertje als de -gevoelens al te sterk verdeeld bleken over de waarde der hun -toebehoorende beesten. En liegen en bluffen als ze konden!! op ’t -laatst geloofden zij hun eigen verzinsels door de veelvuldige herhaling -er van. - -Rono’s karbouw was sterker dan een tijger, maar die van Sipin won het -verre van hem, volgens dezen jongenheer: hij had een tijger bevochten -en de overwinning behaald. Katjong bleef ook niet achter: Welke buffel -had zulke prachtige teekens als zijn Possong? wie had ooit grooter, -sterker jong gezien dan Oerip? dat zou een karbouw worden als er nog -nooit een geweest was! Kwam er een reiswagen aan, dan rende de heele -bende naar den grooten weg en, terwijl de schuwsten zich verdekt -opstelden, kwamen de brutaaltjes vlak naar voren en monsterden wagen en -paarden. Katjong was altijd haantje de voorste en gilde de loopers na -als zij de paarden tot spoed aanzetten. Aan den wagen en zijn inhoud -verspilde ons baasje zijn aandacht niet, maar de vier postpaarden, en -vooral den looper, daar kon hij nooit genoeg naar kijken. Wedden, dat -hij, evengoed als de looper, de galoppeerende paarden in vliegenden ren -kon bijhouden en de zweep even flink kon laten klappen? Wat een -heerlijk leven had zoo’n looper, maar karbouwenjongen te zijn was toch -nog prettiger. - -Om negen uur ’s morgens en zes uur ’s avonds trokken de jongens met -hunne dieren naar de kali en nu begon de grootste pret. Wie had Katjong -ooit voorspeld, dat hij en het water zulke dikke vrienden zouden worden -op den duur? Maar het was ook heerlijk om, stoffig en bezweet, zich in -het koele nat te laten glijden, naar hartelust rond te plassen, het -water over de breede karbouwenschonken heen te gieten en de goedige -dieren zoo volop te zien genieten, vooral ’s middags als de zon -vuurstralen naar beneden zond en het vee amechtig, en met moeite -voortstrompelend, de kali bereikt had. Waren de buffels flink -gewasschen en afgewreven, dan mochten zij zich geheel onder water -dompelen; dikwijls zag men niets dan de horens en een klein stukje kop, -met de natte glimmende neusgaten, snuivend van genot, boven water -uitsteken. De kinderen speelden tusschen hen door, onbevreesd ooit door -stoot of schop getroffen te worden. Zij joegen elkander na, gooiden met -steentjes, zwommen en doken als echte waterrotten en lieten zich -naderhand in de zon drogen of door den koelen avondwind. In de -schemering draven zij hunne dieren huiswaarts, langzaam achteraan -slenterend, of schrijlings op hun beest gezeten, af en toe een kleine -vermaning met het zweepje uitdeelend aan een achterblijver, die even -een malsch hapje gras wilde verorberen. Thuis wachtte hun immers volop -voer en de kleine bazen hadden honger. En nadat zij zich behoorlijk te -goed hadden gedaan aan een portie roode rijst met een stukje gedroogde -visch of andere lekkernij, strekte het karbouwenjongentje zich slaperig -op zijn matje uit, om morgen vroeg zijn onbezorgd bestaan weer te -hervatten. - -Zoo ging Katjong’s leven voort, als dat van een kleinen wilde; evenals -zijne makkertjes sprak hij geen andere taal dan het laag Javaansch en -wist niets van hormat of eerbewijzen, die de kleine man gewoon is zijn -meerderen te brengen. - -Vrij en frank zwierf hij over de heuvels en ging slechts met zijns -gelijken om, die op denzelfden gespannen voet stonden met al wat naar -beschaving zweemde, als hij zelf. Katjong had nooit iets anders of -beters gekend en was volmaakt gelukkig. - -Toen gebeurde er iets, dat een groote verandering in zijn gemoedsleven -bracht. - -De suikervelden stonden in vollen bloei. Trotsch verhieven de -rietstokken, zwaar van sap, hunne pluimen, als wilden zij den -voorbijganger toeroepen: „bewonder ons nog eens terdege, het zal -spoedig gedaan zijn met ons jong, krachtig leven.” ’t Was een heerlijk -schoon gezicht die grijsgepluimde velden, welke zich tot op -onafzienbaren afstand uitstrekten, maar Katjong en zijne kameraden -vonden er geen bewonderenswaardigs aan. Hun zin was meer op het -materieele gericht: geen grooter lekkernij voor een Javaantje dan het -zoete sap uit den rietstok. Het stelen van ’t te veld staande riet is -echter streng verboden; wee den dief, die op heeterdaad betrapt wordt: -een flinke straf wacht hem. Wie zich echter door de vrees voor straf -laat weerhouden, een karbouwenjongen zeker niet. Hij weet de plekjes, -waar de rijpe stokken staan, te vinden, en zijn naakt, lenig lichaampje -wringt zich door openingen heen, waar een volwassen mensch hem moeilijk -volgen kan; ’t plukken van de verboden vrucht verhoogt bovendien het -genot. En dan, heeft de waker scherpe oogen en vlugge beenen, de -karbouwenjongen doet niet voor hem onder, integendeel.—Reeds menig -strooptochtje hadden de kleine deugnieten in de velden ondernomen, -zonder dat een van hen gesnapt was. In gezellig samenzitten werd de -buit opgesmikkeld en, even brutaal als onverschillig, namen de jongens -niet eens de moeite de uitgezogen vezels te verstoppen: hun -visitekaartje legden zij er niet naast en de doode vezels vertelden -niets na. Op zekeren dag besloot Katjong zijn geluk eens te beproeven; -hij had op een afgelegen plekje een vetten stok ontdekt, ’t was nog -vroeg in den morgen, van den waker heinde en ver niets te zien. - - - - -II. - -Dat deze vlak in de buurt op de loer lag, kon Katjong niet weten, doch -het was wel dom van hem, dat hij het heuvelachtig terrein niet eerst -goed onderzocht, vóór hij de tuinen binnensloop. - -Juist had het knaapje den rietstengel met zijn grasmes doorgekapt en -wilde hij zich ijlings uit de voeten maken, toen de arm der -gerechtigheid zijn loop stuitte. Katjong werd gegrepen, hard heen en -weer geschud en eindelijk met een ijzeren greep op zijn mager -schoudertje voortgedreven. „Ampon, Ampon!” schreeuwde het kind, -worstelend om los te komen. Maar de verbolgen waker duwde hem ruw -vooruit en onthaalde den kleinen dief op een woordenvloed, die alles -behalve complimenteus genoemd kon worden. Voort ging het, ’t veld door, -een glibberig karbouwenpad af, den grooten weg op naar de -naastbijzijnde dessa. Katjong wist niet wat er met hem gebeuren zou en -dit verhoogde zijn angst; ook was het tijd om Possong en Oerip te gaan -baden. Wat zou vader zeggen als hij de dieren niet thuis bracht om -negen uur? Het ventje uitte zijn ziels-angst in gillende tonen, terwijl -de tranen langs zijn besmoezeld gezichtje vloeiden, maar de -onbarmhartige waker dreef hem steeds sneller vooruit. Katjong’s -trillende beenen weigerden bijna hun dienst. Daar in de verte lag -vaders huisje, een eind verder aan den grooten weg het mooie huis van -den petinggi. O, wee, o, wee, de waker sleurde hem het erf op, wat zou -Katjong nu overkomen? In het kwartier, dat hij hier moest wachten, kwam -het kind een beetje op zijn verhaal; eindelijk verscheen de -dorpsburgemeester, de waker deed zijn verslag en nu ging het in -gezelschap van dien grooten mijnheer naar een nog veel voornamere -grootheid: den assistent-wedono ofte wel het onderdistrictshoofd. Ook -hier moest er geruimen tijd gewacht worden; Katjong was moe van het -huilen en gillen, den angst en de opwinding. Vóór den grooten heer -gebracht, hurkte hij bevend op den grond en herhaalde zijn smeekend: -„Ampon, Ampon!” Van wat er nu volgde, begreep hij niet veel; men vroeg -hem zijn naam, hij moest vertellen wat er was voorgevallen, hetgeen ’t -kereltje, onder de booze blikken van den waker, stamelend deed. Alles -wat hij vertelde, werd opgeschreven, toen hoorde hij iets van „rol” en -„kotta” en daarop zeide men hem aan, dat hij gaan kon. - -„Vrij, vrij,” o heerlijk tooverwoordje, Katjong vertrouwde zijne ooren -niet, doch nauwelijks zag hij den waker, die hem tot dusver streng in -het oog had gehouden, zich onverschillig afwenden, of als een pijl van -den boog vloog het knaapje den weg op, terug naar de weideplaats. -Voort, voort, Katjong’s beenen leken wel geëlectriseerd, zijn adem -stokte van het snelle gaan, het stof vloog in dwarrelwolken om hem -heen, in zijn verwarde haren, tegen zijn mager lichaampje, hij -struikelde over zijn sarong en trok deze, al voortrennend, hooger op. -De menschen keken hem na, kleine, vieze verschijning die hij was, voort -vliegend als zat hem de stormwind op de hielen. Op de weideplaats was -het eenzaam en verlaten, van Possong en Oerip geen spoor te bekennen. -Natuurlijk, al de jongens waren naar huis, het was zeker al elf uur, en -Katjong keek naar den vurigen zonnebol en knipoogde met zijn pijnlijke, -rood geschreide oogen. Er zat niet anders op, hij moest ook naar huis -en zonder pak slaag zou het wel niet afloopen, al stonden de buffels -veilig op stal, door een van de makkertjes thuis gebracht. - -Katjong sloop voorzichtig vaders erfje op en richtte zijn schreden -allereerst naar den stal ter zijde van het huis; o schrik, de stal was -leeg en Katjong’s angstige twijfel, onderweg door de hoop bestreden, -bleek zekerheid: Possong en Oerip waren gestolen. Wanhopig keek het -kind om zich heen, wat te doen? Hoe kon hij vader en moeder de -vreeselijke tijding meedeelen? Tot zijne verontschuldiging kon hij -niets bijbrengen: het was zijn schuld, hij had de karbouwen zonder -toezicht gelaten en zoo waren zij zeker ver afgedwaald en een welkome -buit voor de dieven geworden. Sipin’s dieren waren hem ook eens -ontvreemd geworden, doch toen had de kleine drijver voor de overmacht -moeten bukken; door een grooten kerel waren hem de oogen dichtgehouden, -terwijl diens kameraad het vee wegleidde. Was dit ongeval Katjong ook -maar overkomen, want Sipin had geen slaag gehad. O, als Possong, zijn -mooie, sterke karbouw, eens geslacht werd door de gemeene roovers!! -Katjong hield van niemand ter wereld zooveel als van dit dier, de -gedachte alleen maakte hem wanhopig. De liefde voor Possong deed den -knaap zijn vrees overwinnen; als er nog iets aan de zaak te verhelpen -viel, moest vader alles weten, doch over den rietdiefstal besloot -Katjong maar te zwijgen, hij zou het voorstellen alsof het ongeluk -gebeurd moest zijn toen hij ver weg aan het spelen was. - -Den karbouwendieven is het meestal niet te doen om het ontvreemde vee -te behouden tot eigen nut of het te slachten; zij stelen om geldelijk -voordeel te behalen. Is een karbouw zoek, dan krijgt de bestolene -meestal een paar dagen later een geheimzinnige visite. De bezoeker weet -te vertellen, dat Kerto of Achmad zijn karbouw gezond en wel terug kan -bekomen, doch hij moet er voor betalen. Het is niets ongewoons, dat de -dieven twee derde van de waarde, die het beest heeft, eischen. Stemt de -eigenaar in de bedongen voorwaarden toe, dan moet hij zich naar eene of -andere afgelegen plek in bosch of wildernis begeven met het geld bij -zich. Hier wacht hem een onbekende, die de ƒ 20 of ƒ 30 in ontvangst -neemt en den bestolene toevoegt: „Volg deze of gene richting en ge zult -uw dier vinden.” - -Het gebeurt zelden of nooit, dat er met deze transactie valsch spel -wordt gespeeld. Toen Katjong eindelijk besloot zijn huisje binnen te -gaan, vond hij vader noch moeder; de zusjes vertelden, dat moeder nog -niet van de passer was thuisgekomen en vader uit was om hem en de -dieren te zoeken. Doch dit gaf den kleinen zondaar slechts uitstel van -executie. Al heel spoedig verscheen vader en nu volgde er een zeer -pijnlijk tooneel. In plaats van zijn vreugde te kennen te geven, dat -zijn zoon ten minste niet verloren raakte, diende de verbolgen vader -dit jonge mensch eene tuchtiging toe, zooals hem nog nooit was te beurt -gevallen. Dien heelen dag kreeg Katjong geen goed woord en hield zich -wijselijk zooveel mogelijk uit den weg. Maar tot de eer van het ventje -dient gezegd, dat hij veel meer verdriet had over het verlies van -Possong en Oerip dan over de bekomen klappen. ’s Avonds, terwijl zijne -ouders bij het walmend oliepitje zaten te beraadslagen, vroeg hij -eensklaps in den angst van zijn hart: „Vader, zouden de dieven Possong -wel voer hebben gegeven?” - -„Houd je mond,” snauwde moeder hem toe, „en ga slapen of ik zal je -krijgen.” Katjong kneep zijn oogen dicht, doch de gedachte aan den -leegen stal hield hem lang wakker. En hoe treurig was het, den -volgenden morgen zijne makkers met hunne karbouwen voorbij te zien -trekken en in druilerig nietsdoen den tijd door te brengen. - -Tegen het vallen van den avond kwam een onbekende het erfje op, en nu -volgde de gewone comedie, waarop Pak-Kastimah en zijn vrouw reeds waren -voorbereid. Maar de handlanger vroeg meer dan waarop het echtpaar had -gerekend: voor ƒ 30, geen cent minder, kon hij de karbouwen slechts -terug bezorgen. Waar moest die groote som vandaan komen? Moeder zocht -bijeen wat eenigszins aan kleeren kon gemist worden, doch meer den ƒ 2, -ƒ 3 zou de pandjeshuishouder daar niet op geven. - -Vader en moeder waren dadelijk besloten het middel om hunne karbouwen -terug te krijgen met beide handen aan te grijpen. Al had Pak-Kastimah -de zaak dadelijk aangegeven, het was gevaarlijk deze alleen aan de -politie over te laten. ’t Kon zijn, dat zij mettertijd de dieven te -pakken kreeg, doch van Possong en Oerip zouden de beenderen dan zeker -al lang verbleekt zijn. Zuchtend besloot vader zijn kris te beleenen, -daar kon hij zeker ƒ 25 op krijgen. Het was een poesaka (erfstuk), dat -hij van zijn vaders vader geërfd had, met echte steentjes aan het -handvat. - -Maar de pandhuishouder wilde de kris hoogstens voor tien gulden in pand -nemen en op de kleeren gaf hij niet meer dan twee gulden. - -Van de familie en een paar vrienden kreeg vader nog vijf gulden, de -rest bekwam hij tegen woekerrente van een oude vrouw, die gewoonlijk -hare dessagenooten uit den brand hielp, in gevallen als waarin -Pak-Kastimah nu verkeerde, doch zich hare hulp buitensporig hoog liet -betalen. Twintig procent was al het minste, waartegen zij hare kostbare -duitjes uitzette. - -Met een verlicht hart kwam vader eindelijk thuis, het geld was bijeen, -morgen konden de dieren weer op stal staan. Met moeder werd de som nog -eens goed nageteld, in het zakje gedaan en onder vaders hoofdkussen -veilig verborgen. - - - -Het was ongeveer middernacht; alles lag in diepe rust in Pak-Kastimah’s -woning. behalve Katjong, die telkens wakker schrikte als hij den slaap -al even vatte, door allerlei nare droomen achtervolgd. Nu eens zag hij -Possong met afgesneden hals in het bosch liggen; dan weder doorleefde -hij, half wakend, half droomend, het akelig tooneel toen hij als -rietdief werd opgepakt. De kameraadjes hadden zijne hoop dat die zaak -zou zijn afgeloopen, geheel den bodem ingeslagen. Spoedig zou hij, met -vader, naar de kotta worden opgeroepen en daar werd hij stellig in de -boei (gevangenis) gestopt in een donker hok, waar hij maanden lang -moest opgesloten blijven. Katjong zou zeker bleek zijn geworden van -ontzetting als zijn vel hiertoe in staat ware geweest, nu puilden hem -de oogen nog meer uit het hoofd dan anders; elke straf scheen het -natuurkind verkieselijk boven lange, eenzame afsluiting. - -In de halve duisternis en stilte om hem heen, scheen Katjong dit -vooruitzicht nog veel verschrikkelijker; hij wentelde zich op zijn -matje heen en weer, wischte zich het angstzweet van het gezicht, opende -de oogen en ging rechtop zitten. Daar werd plotseling zijn blik door -iets ongewoons getroffen, het scheen wel of de grond bewoog dicht bij -de deur. - -Het kind keek scherp toe en zag nu duidelijk korreltjes aarde ter zijde -rollen: zacht en onhoorbaar zakte de grond naar omlaag en daar dook -eensklaps uit de gemaakte opening een hoofd op. Het loerende knaapje -begreep dadelijk wat dit beduidde: een dief wist dat er veel geld in -huis was en trachtte dit door ondergraving van het huisje te -bemachtigen. - -„Vader, vader, dieven,” gilde Katjong uit al zijn macht; hij sprong -overeind en trappelde met zijn magere beentjes om zich heen. -Slaapdronken rees Pak-Kastimah overeind en rukte de deur open, maar in -den pikdonkeren nacht viel er niets te onderscheiden. Een oogenblik -later was de heele kampong in opstand, de buren liepen toe, eenigen -brachten flambouwen en trachtten het spoor van den dief te ontdekken, -doch deze had in de duisternis een goed heenkomen gezocht en gevonden. - -Moeder, die wijselijk het zakje met geld dadelijk tusschen hare kleeren -had verborgen, onderzocht met belangstellende buurvrouwen het gat, -waardoor de dief zou zijn binnengedrongen, als kleine Katjong hem niet -te vlug was geweest. ’t Ventje werd op eens tot held verheven, -ontelbare malen moest hij vertellen hoe hij den schurk ontdekt had en, -daar Katjong zich bij iedere herhaling een dichterlijke vrijheid meer -veroorloofde, werd de geschiedenis hoe langer hoe belangwekkender. -Vader klopte zijn zoon op den rug, moeder beloofde hem een duit en, had -de rietdiefstal met zijne gevolgen niet als een dreigend spook in de -verte gestaan, Katjong zou volmaakt tevreden zijn geweest. - -Den volgenden dag stonden Possong en Oerip weer op stal, vermagerd door -verwaarloozing in die twee dagen, doch overigens gezond en wel. Katjong -kon zijne lievelingen niet genoeg bekijken. Hij liep ver weg om malsch -gras voor hen te snijden, baadde de dieren zoo dicht mogelijk bij huis -met buitengewone zorg en verloor ze op de weideplaats geen oogenblik -uit het oog. Ook bleef hij de eerste dagen vlak in de buurt van het -vlaggetje, want voor de wakers hadden de dieven respect. - -Zoo verliepen er zes à zeven dagen en, met de zorgloosheid den Javaan -eigen, was Katjong bijna vergeten, dat hij zich voor rietdiefstal zou -te verantwoorden hebben, toen het noodlot, als een bliksemstraal uit -helderen hemel op hem neerviel. Een onbewust voorgevoel deed ons -vriendje dien dag bij het naar huis gaan al treuzelen, doch eindelijk -moest hij zijn erfje wel opstappen en, daar aan de deur stond het begin -van de hem wachtende ellende, in de gestalte van vader, die verwoed op -hem afkwam. Van den prins geen kwaad wetend, had Pak-Kastimah een -aanzegging gekregen, dat hij met zijn zoontje den volgenden dag voor -den politie-rechter op de kotta moest verschijnen ter zake van -rietdiefstal, waarvoor dit jonge mensch zich zou hebben te -verantwoorden. Zoo midden uit zijn werk dien verren tocht naar de kotta -te moeten ondernemen, stond Pak-Kastimah volstrekt niet aan. Bovendien -had hij, noch zijne familie ooit iets met de politie uitstaande gehad. -Geen wonder, dat er voor Katjong wat opzat. Deze zou verstandiger -hebben gedaan als hij vroeger maar alles te gelijk bekend had, dan was -hij er met één pak voor beide gelegenheden afgekomen. Nu vielen de -slagen opnieuw en geen: „Ampon, Ampon,” weerhield vader er duchtig op -los te kloppen. Met een nijdigen duw tot besluit kon Katjong zich -wegpakken, vol jammer bedenkend, dat dit pas het begin was van de -straf, die hem nog te wachten stond. - -Vóór dag en dauw werd den volgenden morgen de tocht aanvaard; het was -twee uur loopen naar de kotta en om acht uur waren zij ontboden. -Katjong zag er even vuil en slordig uit als altijd; dien heelen langen -weg achter vader aan, waren zijne gedachten bij het lot, dat hem zeker -wachtte: eenige maanden zijne vrijheid kwijt—het was met recht een -lijdenstocht voor den armen Katjong. Eindelijk was de kotta bereikt en -voegden vader en zoon zich bij een grooten troep menschen, die vóór het -assistent-residentiekantoor in dubbele rij zaten neergehurkt. Het -kereltje kroop achteraan, dicht bij den muur, en keek met kloppend hart -naar de bedrijvigheid om zich heen. Oppassers liepen af en aan, de -menschen rondom hem stonden op wanneer de een of andere naam werd -afgeroepen, men sprak een taal, die hij niet verstond. Daarbinnen, waar -de gevreesde rechter zat, wisselden vragen en antwoorden elkander af; -hoog boven de andere uit sprak een bedaarde, ernstige stem. Daar klonk -Katjong’s naam, het knaapje gilde het uit en verschool zich achter de -ruggen der voor hem zittende menschen. Doch een oppasser trok den -kleinen dief bij den arm naar voren en dwong hem mee te gaan, terwijl -vader volgde; diens nabijheid gaf den armen jongen nog een beetje moed. - -Toen Katjong wéér opkeek, zag hij een groote kamer, waarin verscheidene -menschen op den grond zaten; aan een groene tafel zetelde de rechter, -die het klein, onooglijk menschenkind een oogenblik heel ernstig en -bestraffend aankeek vóór hij begon te spreken. Katjong was blijven -staan, doch nu drukte een hand hem op den grond en, met gebogen hoofd, -wachtte hij de beslissing van zijn lot. De getuigen legden hunne -verklaring af, waarvan Katjong niets verstond, omdat hij het hoog -Javaansch niet kende; toen vroeg men hem of hij bekende den diefstal -gepleegd te hebben. - -Wat hielp het te liegen, in de boei ging hij toch, had Sipin hem -verzekerd, en bevend riep Katjong dus maar: „Ja.” - -Nu wendde de rechter zich tot zijn vader. - -„Pak-Kastimah, gij zijt een eerlijk man en immers nooit met de politie -in aanraking gekomen?” - -„Neen, heer.” - -„Welnu, vindt ge het dan niet verschrikkelijk, dat uw zoontje zich nu -al vergrepen heeft aan een anders eigendom?” - -„Ja, heer,” stemde de vader volmondig toe, „en ik heb hem dan ook reeds -flink gestraft.” - -„Laat mij eens zien, Pak-Kastimah, hoe ge dat gedaan hebt,” klonk het -nu. - -Pak-Kastimah wendde zich tot zijn zoon en, vóór deze er op verdacht kon -zijn, ontving hij een klap om de ooren, dat hem hooren en zien verging. -Afwerend hield Katjong de armen voor het hoofd en gilde alsof hij -vermoord werd. - -Doch vader raakte hem ter dege, nu rechts dan links, tot de rechter -wenkte, dat het genoeg was. Een oogenblik later volgde Katjong vader -naar buiten, aldoor huilend en een keel opzettend alsof hij nog steeds -geslagen werd. Onder de strafoefening had de slimmerd intusschen zijne -ooren wijd opengezet, doch van het woordje boei niets gehoord. Zou de -rechter vaders tuchtiging voldoende achten als straf voor zijn -misdrijf? Goddank, dit scheen wel zoo, geen oppasser volgde hen en -vader sloeg den weg naar huis met hem in. Katjong hield op met gillen -en wreef zijn gezicht af; vader had hem niet zoo erg veel pijn gedaan, -misschien was hij ook wel blij, dat hij zijn kleinen vuilpoes weer mee -naar huis mocht nemen. Aan de eerste woning langs den weg mocht Katjong -zijn buikje vol eten en toen durfde hij eindelijk vragen of hij nu -heusch niet in de boei hoefde. En vader sprak niet onvriendelijk: „Voor -dezen keer ben je er nog goed afgekomen, rakkerd, pas maar op, dat je -nooit meer door de politie wordt opgepakt!” - -Dit beloofde Katjong van ganscher harte; hij had te veel angst -uitgestaan om, voor het oogenblik althans, niet met de meest -boetvaardige gevoelens bezield te zijn. - - - -Jaren zijn verloopen. Katjong is van een vuil, diefachtig -karbouwenjongetje, een knap, fatsoenlijk man geworden. Op zijn -vijftiende jaar trad hij in gouvernementsdienst en heeft als looper bij -de paardenposterij ordentelijk zijn brood. Hij heet nu ook niet langer -Katjong: bij de geboorte van zijn oudsten zoon Sipin, veranderde zijn -naam in dien van Pak-Sipin. - -Al puilen zijn oogen nog steeds sterk naar voren, al wist moeder natuur -zijn grooten mond ook niet meer in behoorlijk fatsoen te brengen, -Pak-Sipin maakt een vrij wat behaaglijker indruk dan vroeger, nu hij -een net geplooiden hoofddoek draagt en een donker baadje met metalen -knoopen, die helder glinsteren. - -In de uitoefening van zijn werk, naast den reiswagen, ziet hij er -meestal zeer bestoft of bemodderd uit, doch dit brengt zijn beroep nu -eenmaal mee en het strekt hem geenszins tot schande. Zijn stal mag ook -gezien worden, hij spaart den roskam niet en ziet goed toe, dat zijn -dieren het hun toekomend voer krijgen; hij stelt er een eer in, dat -zijn paarden er glanzend en weldoorvoed uitzien. Pak-Sipin is een -gewild looper op de lijn; niemand kan zoo vlug als hij de achterplank -van den reiswagen op- en afspringen, of, de paarden bijhoudend in -vliegenden ren, het tuig in orde brengen, wanneer er iets in het -ongereede is geraakt. - -Krachtig en lustig laat hij de zweep knallen en, te midden van hooge -stofwolken of dikke modderspatten, die rondom hem opvliegen, reppen -zich zijn lenige voeten in onnavolgbare snelheid naast het galoppeerend -vierspan. Gaat het de hoogten op, dan klinkt zijn rrt rrt! zoo -uitlokkend en aanmoedigend, dat de paarden er een vaart inzetten alsof -zij het werk voor hun plezier doen. Dan is Pak-Sipin in zijn element en -zou zijn lot met niemand ter wereld willen ruilen. Hij voelt zich nog -net zoo jong en flink als toen hij, nu tien jaar geleden, voor het -eerst naast zijn dieren de heuvels opjoeg, en zoolang hij even frisch -en krachtig blijft, zal hij zijn werk zeker met denzelfden lust en -ijver uitoefenen als waarmee hij het begon. - - - - - - - -EEN AVONDWANDELING. - - -Het is zes uur en wij stappen het hek van ons erf uit om onze gewone -avondwandeling te maken. Hoewel de zon onderging, is het nog niet -donker; we hebben eene korte schemering in dezen tijd van het jaar. -Verrukkelijk koel is het buiten, vooral als wij in het open veld komen, -van weerskanten door sawahs (rijstvelden) omringd, die een heerlijken -aanblik bieden in hun smaragd kleed, even frisch als jong. -Karbouwenhoedertjes baden hun vee in het stroompje langs den weg; -dikwijls zijn zij niet ouder dan drie of vier jaar, dreumesen, die eene -ons onverklaarbare macht uitoefenen op de logge dieren aan hunne zorgen -toevertrouwd. Vijf, zes karbouwen worden soms door zulk een kleuter in -bedwang gehouden; met een steenworp, een tik of schop van het handje of -voetje dwingt hij het logge, groote beest tot gehoorzaamheid, dat hem -met één slag van zijn poot zou kunnen vernietigen. - -Zij zijn beste vrienden, de karbouwen zijn drijvertje, omdat zij naast -elkander opgroeiden, dezelfde woning deelen, dag in dag uit met -elkander doorbrengen; als een goedige reus laat de karbouw zich drillen -door een kinderhand. Behalve de landlieden, die van het werk huiswaarts -keeren, komen wij niet veel levende wezens tegen; af en toe zien wij -visschers, die tot aan het middel in het water staan en nog een maaltje -visch hopen te vangen in hunne groote kruisnetten. Deze bezigheid -verveelt hun niet, al duurt zij uren; een inlander houdt er van tijden -achtereen zich met nietsdoen te vermaken, strak voor zich uitstarend, -zonder te zien, misschien niet eens denkend. - -De duisternis valt nu snel, maar de maan is opgekomen en staat vol en -helder aan den diep blauwen hemel. Haar zachte glans werpt een -geheimzinnig licht tusschen den bladerrijkdom der boomen door in de -donkere lanen. De schaduwen der bladeren worden in arabesken op den -grond geteekend, en bewegen zich phantastisch, wanneer een koeltje door -de takken vaart; zacht wuiven de kruinen der hooge palmen en -weerkaatsen op hunne breede bladen het maanlicht met blauwachtigen -gloed. In het geboomte liggen de kampongs verscholen; af en toe blinkt -een flauw lichtje (een walmend pitje in een blikje met olie of -petroleum gestoken) aan den ingang der erven; slechts onze voetstappen -weerklinken nauw op het begrinte pad, overigens is het stil om ons -heen. - -Boven ons hoofd tintelen de sterren: het fonkelend Zuiderkruis, de -Groote Beer, die geheel anders op den horizon staat dan in Europa, de -Melkweg, Orion en hoe zij verder heeten mogen. - -Haar gloed is niet zoo schitterend als anders, nu zij met het maanlicht -moeten wedijveren. - -Wij slaan een zijweg in en te midden van de stilte bereikt een -eigenaardig gezang ons oor. ’t Doet mij aan een litanie in een R.C. -kerk denken en het is dan ook een gebed door den priester of een -geloovige opwaarts gezonden. Er ligt eene weemoedige aantrekkelijkheid -in dien zang, uit de duisternis tot ons komend; onwillekeurig blijven -we even staan en luisteren naar de geheimzinnige stem, die haar God -aanroept op hare wijze. - -Als zwevende sterren dwalen de vuurvliegjes om ons heen, nu hoog, ver -buiten het bereik, dan vlak voor onze voeten, als wilden zij met hun -stralend lampje onze wegwijzer zijn. Bij eene bocht der laan staat een -groote tjemaraboom, die aan den lariks uit het noorden herinnert; met -tientallen hebben vuurvliegjes zich er op neergezet en hem het -voorkomen van een kerstboom gegeven, ’t is een eenig schoone aanblik, -die donkere boom, als met diamanten bezaaid, in zachten maanlichtglans. - -Wij slaan den weg huiswaarts in en komen in meer bewoonde buurten; af -en toe glijden donkere gestalten ons voorbij, doch de meesten zwaaien, -hoewel de maan schijnt, groote obors (eene soort van fakkels) op en -neder, die een helder licht op den weg werpen, dat nog blijft schijnen, -wanneer de dragers reeds als schimmen in de duisternis verdwenen zijn. - -Het veelstemmig insecten- en kikkerconcert, dat onze wandeling reeds -eenigen tijd begeleidde, wordt aanzienlijk versterkt naarmate de nacht -valt; er komen steeds meer muzikanten bij en ieder zingt zijn liedje op -verschillende, doch vrij eentonige wijs. Veel orde heeft de -kapelmeester er niet onder, want telkens zwijgt een instrument om zeer -ontijdig weer in te vallen. - -Op de open aloen-aloen is het bijna dag, zwaarmoedig ruischt de -nachtwind door de zware tamarinden, over de groote grasvlakte, en -speelt met den bloesem der djowa-boomen, die aan „gouden regen” doet -denken. - -De kotta (stad) is veel levendiger dan anders op dit uur, want de -inlander houdt van maneschijn; in groepjes zitten of staan zij bijeen, -zonder er behoefte aan te voelen het gesprek steeds gaande te houden. -De kleine warangs aan den weg doen goede zaken, zij gelijken op -kraampjes, zooals men die ’s avonds op een Hollandsche markt ziet, maar -de versnaperingen, welke er te koop worden geboden, zien er geheel -anders en juist niet smakelijk uit. Behalve de vruchten, biedt de -koopwaar een onooglijken aanblik; aan al de stalletjes wordt zoowat -hetzelfde verkocht. Vieze kleine bengels, bijna naakt, zwermen als -muggen om de tentoongestelde lekkernijen, en benijden het makkertje, -dat een paar duiten rijk is en daarvoor iets van die heerlijkheden -machtig kan worden. Menigeen koopt voor de waarde van eenige centen -zijn avondmaal: een portie rijst in een boomblad gewikkeld, met of -zonder een gebakken vischje, naar de financiën dit toelaten; kleine -meisjes draven met de bedrijvigheid van huismoedertjes huiswaarts, na -hare inkoopen te hebben gedaan. - -Voorbij een Chineesch huis komend, zien wij een familie rond den disch -geschaard: vader, moeder en drie kinderen. In het midden, op de -ongedekte tafel staat een schaal rijst en allen grijpen met de vingers -toe, terwijl het meer dan eenvoudig maal hun best schijnt te smaken. - -In de laan naar onze woning is het eenzaam en stil, vriendelijk wenkt -het licht van ons eigen huis tusschen de boomen door. Een sterke geur -van melatie en sedap-malem komt ons te gemoet als wij het erf opgaan en -in groote sprongen rent mijn hondje de verandatrappen af, vol -uitbundige vreugde ons weer te zien. Na de lange wandeling is het -heerlijk om uit te rusten: wij blijven nog wat buiten zitten, genietend -van de frissche geurige lucht in een zoet dolce far niente. - - - - - - - -EEN PROEFSNIT. - - -„Hebt ge lust om morgen mee te gaan?” stelde mijn man mij voor, „ik ga -proefsnit houden, en dat hebt ge nog nooit bijgewoond.” - -„Proefsnit houden, wat is dat?” vroeg ik nieuwsgierig. - -„Wel, met de inlandsche hoofden moet ik controleeren hoeveel (padi) -rijst de een of andere akker opbrengt. Een vierde gedeelte van een bouw -(1 bouw = 7096 □ M.) wordt in ons bijzijn gesneden en afgewogen en naar -deze productie wordt de geheele oogst globaal berekend om de daarvoor -verschuldigde belasting vast te stellen, begrijpt ge? Wij moeten vroeg -van huis, want het is ver weg, en dan met een prauw de rivier op. Zorg -dus, dat ge bijtijds klaar zijt.” - -Ik had veel lust in het tochtje; het programma stond mij bijzonder aan, -en ’t moest nog half zeven slaan, toen wij den volgenden morgen ’t erf -afreden in de meer dan koele morgenlucht. Ja, het was frisch, bij koud -af, de zon vertoefde nog in hare kleedkamer achter de wolken en -beloofde pas laat haar entrée te zullen maken. De postpaardjes draafden -lustig voort, spoedig lag de stad achter ons en waren wij op een -mooien, zwaar belommerden weg, die zich mijlen ver uitstrekte. Slechts -de kweelende vogelstemmetjes in de boomen hielden ons gezelschap; hier -en daar zaten inlanders, tot aan de schouders in hunne sarongs -gewikkeld, voor hunne huisjes. Zij hadden het zeker koud net als ik; -verlangend zagen wij naar de zon uit, maar deze vertoonde zich niet, -integendeel de wolken zakten al lager en lager, en weldra reden wij in -een dikken mist. - -„In de bergen is het niets ongewoons, dat men door eene wolk rijdt,” -sprak mijn man, „maar hier in de vlakte heb ik het nog nooit gezien.” - -„’t Lijkt wel een Hollandsche Novemberdag,” antwoordde ik, een warmen -doek dichter om mij heen trekkend, „ik hoop, dat het gauw zal -opklaren.” - -Toen wij even moesten wachten bij het verwisselen van paarden, en ik -mij omkeerde om het landschap te overzien, kreeg ik nog sterker dan te -voren den indruk alsof ik mij op een laten najaarsdag in Holland -bevond. Honderden spinnewebben, hangend tusschen de stoppels der -afgesneden padi-velden, deden deze op met rijp bedekte akkers gelijken; -de dichte, laag hangende nevel verborg den horizon, en er lag zulk een -troostelooze eenzaamheid over het geheele veld, dat melancholieke -gedachten aan dood en winter bij mij opwelden. Langzamerhand trok de -mist op, en toen wij aan de plaats kwamen, waar wij de reis per prauw -zouden voortzetten, was het mooi weêr. - -In de woning van den assistent-wedono (onderdistrictshoofd) bracht men -ons een kopje warme thee, dat mij, na den koelen rit, ook zonder melk, -uitstekend smaakte. - -Terwijl mijn man zich met de inlandsche hoofden over dienstzaken -onderhield, ging ik even zitten, toen ik achter mijn schommelstoel -eenige beweging bespeurde. In de veronderstelling, dat een bediende -langs mij heenschoof, bleef ik kalm zitten, doch tot mijn verbazing zag -ik op eens een vrouw van den grond opstaan en mij zeer eerbiedig -begroeten. Het was eene knappe inlandsche, heel mooi aangekleed, met -een zwart satijnen baadje en groote juweelen op de borst en in de -ooren. ’k Begreep dadelijk, dat zij de Raden-Ajoe van den -assistent-wedono was, en maakte uit hare gebaren op, dat zij mij van de -taarten aanbood, die op tafel gereed stonden, want ik verstond geen -woord van wat zij in het Javaansch vertelde. Ook had ik niet veel trek -in het inlandsch gebak, dat meestal droog is of onaangename bijsmaakjes -heeft, maar beleefdheidshalve nam ik een stukje, dat ’k met groote -moeite naar binnen werkte, want het smaakte vreeselijk naar den rook en -was bovendien niet goed gaar. Nadat zij aan de plichten der -gastvrijheid voldaan had, ging de Raden-Ajoe weer deftig aan mijne -voeten zitten, en we namen beiden een bedachtzaam stilzwijgen in acht -tot mijn man gereed was. - -Blijde stond ik op, in de meening verlost te zijn van de taart en het -benauwend gezelschap der inlandsche dame, doch dit laatste kwam anders -uit. De Raden-Ajoe verklaarde, dat zij mevrouw vergezellen wilde in de -prauw, greep mijn doek en taschje, en stapte vastberaden achter ons aan -naar het vaartuigje, dat er met zijne vroolijke vlaggen en bamboe -zonnetentje heel aardig uitzag. De prauw was keurig in orde, er lagen -dekens op de banken en een mat op den bodem. Wij gingen onder de -zonnetent zitten, de Raden-Ajoe plaatste zich op den grond. Dank zij -mijn man, die haar spoedig inlichtte, dat ik slechts Maleisch verstond, -vlotte de conversatie iets beter; we spraken over de kinderen, de -dieren, den prijs der levensmiddelen, enz. en keken ter afwisseling -naar de begroeide oevers der rivier, waarop de roeiers ons vrij vlug -voortpagaaiden. In andere prauwen volgden ons de inlandsche Hoofden, -zoodat wij eene aardige miniatuurvloot vormden, die lustig voortgleed. -Als we kampongs passeerden, stonden schreeuwende jongetjes ons op te -wachten, en draafden zoo ver mogelijk mee om langer te genieten van het -ongewone schouwspel, dat onze vloot hun bood. Vrouwen spoelden hare -wasch of baadden hare kinderen in het verre van heldere water; overal -was leven en bedrijvigheid. - -„Wat zouden ze thuis vreemd opkijken, als zij mij hier eens konden -zien,” dacht ik bij mij zelve, „in dit primitieve vaartuig met zulk -eigenaardig gezelschap.” - - - - - - - -DE EERSTE BUI. - - -De buitengewoon warme, ongezonde Oost-mousson loopt gelukkig ten einde. -Mensch, dier, gewas, alles snakt naar regen; maanden achtereen is er -geen droppeltje gevallen, al zijn wij in den drogen tijd, toch een -ongewoon verschijnsel. Iederen morgen staat de zon even helder aan den -wolkloozen hemel, en bestraalt met haar verzengenden gloed het gewas op -den akker, trekt het weinige water tot zich, dat nog in de stroompjes -overbleef, doet mensch en dier hijgen, zuchten, de koelst mogelijke -plekjes opzoeken. - -„Lieve hemel wat is het warm!” Deze uitroep ontsnapt mij misschien wel -voor den derden keer, terwijl ik lusteloos op een luierstoel -uitgestrekt naar buiten lig te staren. - -Alles ziet er even verlept en grauw uit, de bladeren der boomen met een -dikke stoflaag bedekt, hebben hun fraai groene kleur geheel verloren, -een nijdige rukwind, zoo warm alsof hij; uit de Sahara kwam, veegt af -en toe de kruinen der palmen schoon, maar die weelde duurt niet lang: -al heel spoedig hebben zij het oude onooglijke pakje weêr aan. De weg -is bijna onbegaanbaar, diep zakken de wielen der karretjes in het stof -en in hooge wolken verstuift het zand onder de hoeven der paarden. -Straks, toen ik even naar buiten ging om naar mijne bloemen te kijken, -kreeg ik een gevoel alsof ik voor een bakkersoven stond; zij zien er -niets fleurig uit, mijn arme bloemen, de rozen laten kwijnend blad en -knoppen hangen, te moe en uitgeput om veel op te frisschen van het -lauwe putwater, waarmee ik ze liet besproeien. - -Logge karbouwen trekken hijgend ons erf voorbij, zij kunnen de zwaar -beladen karren suikerriet moeielijk voortkrijgen; ik zie den drijver -twee keer stilstaan, om hunne koppen met water te besproeien uit een -modderig riviertje, dat nog niet geheel is opgedroogd. - -Overal hoort men van ziekte, in de kampongs zoowel als bij de -Europeanen; mijne bedienden komen ook telkens een van allen niet -binnen, en als ik naar hen ga kijken, liggen ze suf, met wezenlooze -oogen voor zich uitstarend, op de balé-balé, rillend van koorts en met -zware hoofdpijn. - -Wij zelve zijn ook niet recht wel, alles vermoeit ons en maakt ons veel -warmer, mijn naaiwerk valt mij uit de hand, de pen wordt klam in mijne -vingers, hoe kan men ook werken bij zulk eene hitte! - -De insecten alleen trekken zich niets aan van de onaangename -weêrsgesteldheid, vliegen en muskieten zijn dubbel zoo druk en -danslustig als anders en maken het mij zoo lastig, dat ik ze uit den -grond van mijn hart verwensch. Wat in het water leeft moet dubbel in -zijn element zijn op dagen als deze, ofschoon dit ook niet frisch kan -zijn; zelfs in mijn koele badkamer, waar geen zonnestraaltje -binnendringt, was het water lauw van morgen. - -De hoofdpijn, waarmee ik opstond, wordt erger in plaats van beter, ik -ga naar mijn kamer om eau de cologne te halen en word op mijn weg -daarheen onaangenaam verrast door het gezicht van de wasch, die in de -achtergalerij ligt te wachten om nageteld en geborgen te worden. ’k Heb -veel meer lust om wat te gaan rusten, maar ik kan het goed toch niet -laten liggen, dus roep ik baboe om mij te helpen, doch zie haar niet -verschijnen. - -„Baboe is ziek, mevrouw,” licht de huisjongen mij in. - -„Weêr ziek,” zeg ik knorrig, „dat is nu al de derde keer van de week, -zoo kan het niet langer.” Al pruttelend ga ik naar haar kijken en moet -een zonnig stukje erf oversteken om hare kamer te bereiken. ’t Is er -donker en benauwd; mijn Ramé is een knappe meid, hare kondeh zit altijd -netjes, hare kleeren zijn steeds helder en zindelijk. Nu ziet zij er -echter al zeer onooglijk uit, met loshangende haren, een morsig baadje -aan en op haar voorhoofd een groen papje, dat van een zeker boomblad -gemaakt, een inlandsch geneesmiddel tegen de hoofdpijn is. Ik ben een -weinig ontstemd binnengekomen, maar als ik de arme meid goed aankijk, -krijg ik bepaald medelijden met haar, want zij ziet er ellendig uit. -Ziek als ze is, glijdt ze toch dadelijk van haar bed, omdat het niet -behoorlijk is mevrouw, anders dan op den grond gehurkt, te ontvangen. - -„Ben je zoo ziek, baboe, zal ik den dokter djawa voor je laten komen?” -vraag ik. - -„Och neen, mevrouw,” zegt ze met flauwe stem, „mevrouw heeft mij goede -medicijn gegeven, de koorts is nu weg, maar ik ben nog zoo moe, dat ik -niet op de been kan blijven; ’t is ook zoo warm, kwam er maar regen.” - -„Ja, kwam er maar regen,” zucht ik eveneens, en na haar wat eau de -cologne te hebben gegeven, ofschoon overtuigd, dat zij veel meer -vertrouwen stelt in haar eigen groen mengseltje, ga ik naar binnen en -beredder de wasch alleen. - -De waschbaas heeft erg vuil gewasschen: de bruine vlekken door het -stout er op achtergelaten, zitten nog in de tafellakens en de -vaatdoeken vertoonen overal vette plekken. „Dat kan ik zoo niet -gebruiken,” zeg ik bij mijzelf, een grooten hoop terzijde leggend, „dit -moet allemaal worden overgewasschen.” Maar dan bedenk ik, dat ik het -goed veel later thuis kreeg dan anders, omdat de waschbaas ook al ziek -was, het water is bovendien zeer schaarsch de laatste weken, de meeste -putten zijn droog. Daar de onze zeer diep zijn, hebben wij nog genoeg, -maar velen, niet zoo gelukkig, moeten het water van ver weg laten -halen. - -Eindelijk hen ik klaar en ga naar de groote slaapkamer, waar het -betrekkelijk koel en heerlijk donker is. Pun, mijn poesje, komt mij -miauwend te gemoet, zij heeft zich achter in het zand gerold, haar wit -vel is groezelig, als ik haar streel voelt zij stoffig en kleverig aan. -Mooi is poesje niet met haar flauw blauwe oogen, haar grooten kop en -knoop in den staart, dien zij, zeer ongracieus, loodrecht omhoog -draagt. Wanneer ik haar buiten de deur zet, merk ik op dat het in de -binnengalerij niet veel lichter is dan in de slaapkamer, de zon is -schuil gegaan achter groote wolken. Doch dit doet zij bijna iederen dag -zonder dat er iets van komt; ik zal mij maar niet op een doode musch -verheugen. Een paar muskieten zijn binnen de klamboe gebleven, en hunne -bloeddorstige aanvallen op mijn gezicht en handen, maken het mij -onmogelijk in te dutten; ik lig dus maar stil, met de oogen dicht, zoo -zal de hoofdpijn misschien wel zakken, ofschoon het hier ook al warm -is, warm en drukkend. Zoo lig ik een half uur of langer te soezen als -ik opschrik door een ongewoon geluid, dat de stilte om mij heen -verbreekt. - -Wat is dat? Zacht en onregelmatig tikt er iets tegen het raam, dan hoor -ik een vreemd geloei in de lucht, dat van verre, heel van verre schijnt -te komen en op eens.... een geplas en gekletter, dat hooren en zien mij -vergaat. Het regent! Goddank, Goddank, het regent. - -In een oogenblik sta ik op mijn voeten en gooi ramen en zonneblinden -wijd open, een heerlijk tafereel treft mijn oog. - -In volle, dikke stralen stroomt het zegen brengend nat uit den hemel op -de dorstige aarde, die het gretig, dankbaar inzuigt, op boom en struik, -hun leelijk pakje omtooverend in de fraaiste feestkleedij, op mijn -uitgeputte bloemen, rozen, viooltjes, melatie, die als dankend zich -opheffen en hare zoetste geuren omhoog zenden. - -„Hoe is het met je hoofdpijn?” vraagt mijn man, die naast mij is komen -staan, en mij glimlachend aanziet. - -„O die is weg, heelemaal weg, maar zie toch eens, man, hoe heerlijk -frisch alles er uitziet, is het niet goddelijk? Die struik ginds.... ik -dacht, dat zijn bladeren zwart waren, nu zie ik pas hoe beeldig -lichtrood zij zijn. Wat riekt de melatie sterk, hé, en hoe rein wit -zijn de bloempjes nu. Daar bij den uitgang van het erf is een flink -zeetje, waar gaat al dat water met zulk een vaart naar toe?” - -Maar buiten kunnen we alles nog veel beter zien, we gaan dus naar de -voorgalerij. De regen is aan het verminderen, maar het water maakt een -verbazend geweld boven ons hoofd, waar het door de dakgoten bruist, en -aan het eind gekomen naar omlaag stort. De bedienden hebben overal -bakken gezet om het regenwater op te vangen, zij loopen lachend af en -aan en plassen met de bloote voeten door het nat. Van het achtererf -klinkt een verbazend gelach en geschater, ik ga eens kijken en -aanschouw een aardig tooneeltje onder een waterstraal, die van een -flinke hoogte naar beneden komt. Twee knaapjes, de kleintjes van den -koetsier, krijgen van moeder een bad uit de eerste hand. Met hun beiden -zijn ze misschien nog geen vijf jaar, mollig en gezond, met stevige -armen en beenen. Het water druipt langs hunne naakte leden, zij -spartelen en dansen gillend, half van angst, half van pret, als moeder -hen onder den waterstraal duwt, dan volgt een proesten, lachen en -schateren, dat men lust krijgt mee te doen. Hoe lief, onschuldig en -aanvallig zijn zij, net zoo aardig om te zien met hunne schitterende -oogjes, gladgeschoren kopjes en dikke rijstbuikjes, als blanke -kindertjes met rose wangen. - -De regen heeft nu geheel opgehouden, het druipt en lekt uit de boomen, -maar we kunnen toch al weer wandelen op de begrinte paden. Hoe geurig -riekt het overal, hoe helder is de atmosfeer, geheel van stof -gezuiverd. ’k Werp het hoofd achterover om de kruidige lucht in te -ademen en geef er niets om, dat een regen zware druppels uit den -grooten mangaboom een treurige verwoesting in mijn poney aanricht. Pun -schijnt buiten door de bui verrast te zijn en zit zich nu uit alle -macht te poetsen; zij houdt niet van nat, maar had het ongewenschte bad -hoog noodig. Bij de badkamer vind ik baboe, die bezig is regenwater -door eene zeef te laten loopen, om er de waschkannen mee te vullen. Zij -heeft ook een geheel ander voorkomen dan daar straks, het vieze goedje -is van haar voorhoofd af, regendruppels glinsteren in haar net -opgemaakte kondeh, zij ziet er even frisch en helder uit als het water, -dat zij in de kannen giet. - -„Weer beter, baboe?” vraag ik lachend. Zij lacht ook, en antwoordt -vroolijk: - -„Heelemaal beter, mevrouw, ’t is nu ook zoo lekker buiten.” - -De groote weg is één modderplas, wij kunnen onze gewone avondwandeling -niet maken, en genieten dus maar in de voorgalerij van de verfrischte -atmosfeer. - -„Er zal van nacht nog heel wat regen vallen,” merkt mijn man op, met -een blik naar de lucht. - -„Heerlijk,” roep ik, „wij kunnen nog veel gebruiken, de grond is -uitgedroogd.” - -Ik kan mij nu niet voorstellen, dat de elken dag terugkeerende -regenvloed ons gauw zal gaan vervelen. Met genot volg ik de druppels, -die van de frissche bladeren glijden en met zacht getik omlaag vallen; -de donkere wolken aan den horizon zie ik veel liever dan den mooien -sterrenhemel van gisteren, ik voel mij verjongd, opgewekt, -levenslustig, een geheel ander mensch dan vóór de eerste bui. - - - - - - - -ALLEEN THUIS. - - -Voor de eerste maal sinds mijne komst in Indië zal ik alleen thuis -blijven. Tot dusver heb ik mijn man steeds kunnen vergezellen op zijne -tournées; nu moet hij echter twee dagen te paard de bergen in, is -genoodzaakt in een slechte pasangrahan (soort logement) te overnachten, -en ik kan onmogelijk meegaan. - -Nadat ik hem uitgeleide heb gedaan, stap ik zuchtend het huis weer -binnen. Wij wonen nog niet lang op dit kleine plaatsje in het -binnenland, en ik ken geen der families intiem genoeg om ze te bezoeken -in dien tijd, of te kunnen verwachten, dat zij het mij zullen doen. - -Ach, hoe heerlijk toch in Holland te zijn, in een stad waar familie of -vrienden u omringen, waar men lang genoeg vertoeft om nauwe banden aan -te knoopen, intieme kennissen te maken, bij wie ge steeds even welkom -zijt als zij bij u. - -Hier ziet men onophoudelijk nieuwe gezichten; pas zijt ge elkaar een -weinig nader gekomen, en hoopt eene gezellige conversatie te beginnen, -dáár leest ge de overplaatsing der familie of wel uw eigene in de -courant en een paar weken later zijt ge elkaar half vergeten. Enfin, -dit is nu eenmaal niet anders en men doet wijs er niet over te -pruttelen. Zijne huiselijke omgeving, zijn gezellig intérieurtje kan -een mensch toch overal meenemen, al trekt hij naar de eenzaamste -oorden, en, zoo ergens, dan is ’t in het binnenland een voorwaarde om -gelukkig te zijn, dat ge uw tehuis tot uw wereld weet te maken, want -buiten uw eigen kringetje moet ge niet veel afleiding verwachten. Men -komt er dan ook spoedig toe zich op eigen klein gebied aan te schaffen -wat het leven veraangenamen, en de eentonigheid er aan ontnemen kan. -Behalve de huisdieren, hebben we allerlei beesten op het erf: koeien, -paarden, kwakende eenden, kippen, duiven in soorten, konijnen, -marmotten, enz. en het is een eigenaardig genot voor mij ze in hun doen -en laten te bespieden, hen aan mij te gewennen en mak te maken. - -Na het ontbijt is steeds mijn eerste werk naar de goedang of -provisiekamer te gaan, voeder (eten) uit te geven voor mijn vierbeenige -en gevederde lievelingen en last not least, voor ons zelve. ’k Besluit -dus hieraan te beginnen, neem mijn sleutelmandje, en begeef mij naar de -bijgebouwen. - -Nog vlugger dan de bedienden, hebben de vogels het in ’t vizier, dat de -goedang geopend zal worden; de duiven zaten reeds op het dak te wachten -en fladderen nu in tientallen om mij heen. Zij zijn verzot op djagoeng -of Turksche tarwe, de schuwste laten zich door deze lekkernij verlokken -in mijne onmiddellijke nabijheid neer te strijken, doch dat zijn er -maar enkele, bijna allen laten zij zich streelen en met de hand pakken. -Daar komen de kippen en eenden aan, de hoenders als driftig trippelende -dametjes met veel onnoodige drukte, de eenden al onbevallig wat er aan -is, met hun schommelgang en snaterende bekken. Eén mama-eend waggelt -met haar kroost regelrecht de provisiekamer binnen; zij weet wel, dat -ik haar, ter wille der kleintjes, een beetje verwen en in de goedang -zelf laat eten. Al kwakend stapt zij naar het gewone plekje achter de -deur en helpt hare domme kinderen voort, die de eigenschap, welke men -hun soort toeschrijft, nog in hooger mate bezitten dan de oude lui. - -De staljongen verschijnt nu op het tooneel en vraagt zout en rijst voor -de koeien om boeboer of brei te koken, en paddie voor de paarden; ik -geef kokkie het noodige voor het middag- en avondeten, de huisjongen -brengt de lampen die gevuld moeten worden. Petroleumkannen kennen wij -hier niet: uit het groote blik pompt men de olie op in het reservoir -van de lamp. Mijn Sastra morst nog al eens bij deze gelegenheid, maar -op den steenen vloer komt dit er minder op aan. Na een half uurtje ben -ik klaar en ga, vergezeld van Leeuwtje, mijn aardigen hond, naar den -stal om den apen vruchten te brengen en eens naar de paarden te zien. -De paarden kennen mijne stem en hinniken vroolijk als ik hen toespreek, -maar met de apen ben ik op geen goeden voet. Zij grijpen mij de -vruchten af, maken nijdige geluiden, rukken aan hun ketting en betoonen -niet de minste dankbaarheid. Een van de drie, Jim genaamd, was tot -dusver vrij mak, hij stak zijn snuitje vooruit als hij mij zag, legde -een harig handje op zijne borst, en nam heel netjes de vruchten aan, -die ik hem bood. Van morgen is hij echter uit zijn humeur en even -onvriendelijk als de anderen; ’k denk, dat het stalpersoneel de dieren -plaagt en zij daardoor valsch worden. Leeuwtje blijft op een afstand, -hij is bang en zij grijnzen en krijschen boosaardig tegen hem, -misschien beneden zij het dier zijn heerlijke vrijheid. - -Mijn hondje is anders goedig genoeg, hij stoeit en speelt met Puzz, -mijn vinnige poes, zonder haar ooit pijn te doen, vernielt nooit iets, -is steeds gehoorzaam en bedaard. - -Wij ontbeten vroeger dan anders: ’t is dan ook nog niet te warm om de -bloemen in oogenschouw te gaan nemen. Deze bestaan voornamelijk uit -rozen, die in potten zoowel als in den vollen grond, frisch en heerlijk -bloeien; ik bewonder en verzorg ze gaarne, maar zij zijn mij niet half -zoo lief als wilde viooltjes, die ik met veel moeite van één klein -plantje tot een flinke tobbe vol gekweekt heb. De bloempjes gaan nooit -geheel open, maar haar geur is even sterk als in Holland, en tal van -liefelijke herinneringen aan het verre vaderland komen mij in de -gedachte, als ik de paarsblauwe blaadjes tusschen het welig groen -ontdek, en de zoete geur tot mij opstijgt. - -Het is iets opmerkelijks in dit immer groene land, dat men zoo weinig -bloemen ziet. Zij groeien niet tusschen het gras, in stilstaand water -of aan stroomende beekjes, evenmin als in de tuintjes der inlanders. -Eigenlijke veldbloemen komt men nooit tegen; wel bloeien hier en daar -de heggen met blauwe of paarse klokken en ziet men hooge struiken, die -roode bloempjes dragen, de z.g. Salièra, doch hiermede houdt het op, -ten minste in deze streek. - -Het huis lijkt mij als uitgestorven wanneer ik er weer binnentreed; nu -is dit louter verbeelding, want ’s morgens is mijn man natuurlijk op -het kantoor aan zijn werk, maar de gedachte dat ik hem er nu niet -vinden zal als ik lust krijg even bij hem aan te wippen, maakt het -zeker zoo eenzaam om mij heen. Werk heb ik anders genoeg en lectuur -ook, in overvloed, maar de uren gaan niet zoo vlug voorbij als -anders—alleen met Leeuwtje tot gezelschap, die den baas eveneens mist. - -Ik wil gaarne aannemen, dat een moeder met twee of meer kinderen het -hier volhandig kan hebben, maar wanneer de vrouw des huizes, zooals ik, -slechts voor haar man en zichzelve hoeft te zorgen, heeft zij het -stellig oneindig gemakkelijker dan de meeste dames van haar stand en -hare positie in Holland. De wasch behoeft zij slechts te bergen; het -reinigen van thee- of koffie-servies laat zij den huisjongen over; stof -afnemen, zelf eens meehelpen op drukke dagen om de dienstboden te -gemoet te komen, dit alles vervalt in Indië, omdat men er handen genoeg -heeft. Met mijne bedienden trof ik het zeer goed; zij gingen van de -vorige standplaats met ons mee, twee van hen met vrouw en kinderen. -Achter het huis, in de bijgebouwen, hebben zij hunne kamers, en ik merk -zeer weinig van hun huiselijk leven op dien afstand. Wel weet ik, dat -de vrouw van mijn huisjongen haar eerste kindje wacht, en de aanstaande -ouders daar recht mee in hun schik zijn. De koetsier heeft een -schoolgaand knaapje, hij wil er een geleerde van maken en betaalt 25 -cents ’s maands voor zijne geestelijke vorming. Heel trotsch stapt die -zesjarige kleuter ’s morgens naar school, vader heeft hem geholpen -hoofddoek en sarong netjes aan te doen; met de lei onder den arm en -reeds iets statigs en deftigs in gang en houding, begeeft hij zich naar -den tempel der wijsheid. Toen hij de Javaansche letterteekens beet had, -vond bij onze witte buitenmuren zeer geschikt om zijne kunst op te -oefenen en, pas na eenige zeer ernstige vermaningen op dit punt, kwam -ik de vreemde figuren: puntjes, boogjes, streepjes, niet meer tegen. - -Mijn verderen morgen aan schrijf- en naaiwerk bestedend, is deze zoo -wat om, als ik het houten hamertje en ’t eigenaardig zwiepend geluid -hoor, waarmee de klontong (koopman) zich en zijne waar aankondigt. - -De muziek met het hamertje maakt hij zelf en het piepend geluid wordt -veroorzaakt door het heen en weerschuiven van den -bamboe—draagstok—waaraan de pakken met goederen hangen. - -De dragers of koelies zijn gewoonlijk flinke, goed gebouwde menschen, -die voor gering loon uren en uren aaneen belast en beladen -voortsjokken. Een inlander kan onbegrijpelijk lang achtereen loopen op -een sukkeldrafje, slechts af en toe stilstaand om zijn last te -verplaatsen. - -Diep in het binnenland, zooals hier, waar niet anders dan het hoog -noodige voorhanden is, maakt een klontong meestal goede zaken; iedereen -profiteert van de gelegenheid. - -Deze koopman is een Chinees, die betrekkelijk al in goeden doen is, -want hij heeft 4 koelies, die elk twee met matten omgeven pakken -neerzetten. Toen deze zoon van het hemelsche rijk begon, droeg hij -ongetwijfeld zijn pakje zelf, spaarde, overlegde en leed half honger om -eindelijk zooveel bijeen te hebben gegaard, dat hij zich één, later -meer koelies kon aanschaffen, naarmate hij zijne zaken uitbreidde. -Vlijtig en werkzaam zijn de Chineezen, dit moet ieder hun nageven. - -Zelden heb ik zulk een leelijk, bijdehand kereltje gezien als dit -exemplaar. In zijn vuil geel gezicht met uitstekende wangbeenderen, -blinken scherpe zwarte oogjes; voor zijn gemak had hij den langen -staart, die aan het achterhoofd slingert, om de kaalgeschoren kruin -gelegd, doch nu hij mij ziet aankomen laat hij hem uit beleefdheid weer -bengelen. - -In Holland hebben de vischvrouwen den roep ongehoord te overvragen, -maar zij konden bij de kooplui hier een lesje nemen. In het begin was -ik dikwijls verstomd en besloot niet te bieden, maar door ondervinding -wijzer geworden, ding ik nu even brutaal af als zij durven eischen, en -krijg een en ander soms voor een derde of vierde van den gevraagden -prijs. De koopman is zelf overtuigd dat hij schromelijk overvraagt, en -zegt heel gemoedelijk af en toe: „boleh tawar,” hetgeen beduidt: „Je -mag afdingen.” Van deze vergunning ruimschoots gebruik makend, koop ik -mooie zijde, lint, kant, enz. voor matigen prijs, maar bewonder slechts -de juweelen, die hij in een geheimzinnig afzonderlijk trommeltje bij -zich heeft. Oorknoppen van ƒ 300, een armband van ƒ 500, ringen, -spelden, enz. - -„Koop maar wat,” zegt vriend Baba, „boleh tawar.” Doch al schitteren de -steentjes nog zoo verleidelijk, wie weet hoe weinig zij misschien waard -zijn; ik ben geen deskundige en lach bij mijzelve, als ik den Chinees -slechts noode het trommeltje zie sluiten, nu ik niet eens wil bieden op -al dat fraais, en hem zeg, dat hij naar rijke njonja’s moet gaan met al -die dure zaakjes. - -Baboe, die is komen kijken, vindt het jammer dat mevrouw niets koopt: -hare vingers zitten vol koperen ringen met valsche steentjes en in hare -ooren draagt zij verbazende oorknoppen, die mij aan groote radijzen -doen denken, meer in het oog vallend dan fraai. - -De klontong heeft mij aardig opgehouden, het is ver over den gewonen -tijd als ik ga eten. Veel eer doe ik de rijsttafel niet aan, ofschoon -meest alles op zijn Europeesch wordt klaargemaakt, zonder klapperolie -of sterke kruiden, en nu sta ik nog vlugger op dan anders, zoo alleen. - -Na het middagdutje, als ik in de voorgalerij thee zit te drinken, voel -ik dubbel, hoe stil wij toch wonen. Behalve af en toe een inlander, -komt er niemand voorbij, er passeeren geen rijtuigen op het -namiddagritje, ik zie geen jonge meisjes, zooals op onze vroegere -woonplaats, mij vroolijk toeknikken en even binnen wippen om te -groeten, geen mooi aangekleede kinderen aan de hand van baboes, of in -de slendang gedragen. ’k Denk er over een toertje te gaan maken, om de -zon aan zee te zien ondergaan, maar een blik naar de lucht doet mij op -dit voornemen terugkomen. De hemel is zwaar bewolkt, er dreigt regen, -die wel spoedig zal vallen ook. - -Als ik echter na het avondeten buiten kom, is het nog droog, maar er -blinkt geen enkele ster, terwijl het mij ook benauwd en drukkender -toeschijnt dan daar straks. - -Baboe zal van nacht in mijn kleedkamer slapen, haar bed is spoedig -gespreid: een matje om op te liggen, en een kussentje onder het hoofd. -Ik zou niet graag mijn klamboe (muskietennet) missen, want de heele -kamer suist van de muskieten, maar dat schijnt mijn Ramé niet te -hinderen. - - - - - - - -BRAND IN DE KAMPONG. - - -Als iederen morgen is de zon in verrukkelijke schoonheid om zes uur -herrezen, en werpt haar vol, gouden licht over Java’s vruchtbare -velden, doorboort de nevelen, die zich legeren om de toppen der bergen -en schittert op de golven, die de stranden bespoelen. ’t Was vroeg dag -in de kampong aan het zeestrand, om vier uur toog het visschersvolk -reeds uit; pas tegen zonsondergang zouden zij huiswaarts keeren. -Vroolijk stak de kleine vloot in zee, met krachtige pagaaislagen werden -de prauwen naar buiten geroeid tot het zeil de stevige bries te pakken -kreeg en de booten in zwaluwvlucht over het water schoren. De -thuisgebleven vrouwen bezorgen de huishouding, de meeste gaan tegen een -uur of zeven passerwaarts om visch aan den man te brengen of zelve -inkoopen te doen. Ook de moeder van kleine Moersina is naar de passer -gegaan, het meisje heeft beloofd goed te zullen oppassen, terwijl -moeder uit is; zij zal niet met de kameraadjes buiten gaan spelen, maar -vlijtig hout bijeenzoeken om straks het water op te koken. Met de -bedrijvigheid van een huismoedertje, draaft Moersina af en aan, schort -de kleine sarong hooger op om niet in hare bewegingen belemmerd te -worden, draait de kondeh vaster, die telkens in het mollig nekje dreigt -te zakken, en beweegt de lenige vingertjes even vlug als handig. - -Op den aarden vloer van het huisje heeft zij weldra het hout tot een -flink stapeltje gebouwd; nu zal zij moeder eens verrassen en zorgen, -dat zij bij hare thuiskomst het water kokend vindt. Fluks strijkt zij -een lucifer af, het hout is droog en ontvlamt dadelijk; het meisje -grijpt een pan en spoedt zich naar den put om water te halen. Zij heeft -er niet op gelet, het onnoozele schaapje, dat zij vlak bij den -bamboewand haar vuurtje bouwde. Vroolijk kringelen de vlammen omhoog, -vurige tongetjes lekken even den muur, dalen, rijzen, vangen een -spelletje aan, dat hoe langer hoe woester wordt; wat een grapje leek is -dra in vreeselijken ernst verkeerd. Ontzet wijkt Moersina terug als zij -haar huisje nadert; door de wanden licht een vuurzee. - -„Brand, brand,” weerklinkt het spoedig alom; de weinige menschen, die -thuis bleven, loopen te hoop, gillen door elkander, gesticuleeren met -drukke gebaren en zien het angstig aan hoe de heftige wind de vonken -verspreidt en de vlammen naar de andere huizen jaagt. Zij weten allen -wat het beduidt, brand in hunne kampong met zulk een stormwind, -tusschen de opeengebouwde huisjes van bamboe, de meeste met atap -gedekt. - -Het vuur grijpt om zich heen met veel armen, weldra staan zes, acht, -tien woningen in brand. Alles rent dooreen om te redden, wat te redden -valt, men sleept bultzak en kleerkist naar buiten, laat stoelen en -tafels verbranden om vischgerij en kleedingstukken aan den boozen -vijand te ontrukken. - -Goddank, ditmaal eischt de vuurgod geen menschenlevens, doch des te -gretiger verslindt hij wat vele monden dagen lang had kunnen voeden. -Hier vallen volle garven padie hem ten buit, kort geleden in -verzengenden zonnegloed, aar voor aar, in het zweet haars aanschijns -door de snijdster gesneden; dáár worden in een oogenblik bakken vol -gedroogde visch vernietigd, ter waarde van honderd gulden of meer -wellicht. - -De zwarte rookwolken over de stad heen trekkend, hebben van heinde en -ver lieden doen toestroomen; in drommen trekt het volk op naar het -tooneel van den brand. - -Door Chineezen getrokken en bediend, komt nu ook de brandspuit aan, -tallooze handen worden uitgestoken om te helpen blusschen en, zoo van -alle kanten bestookt, moet het vuur wel wijken, na zijn tijd helaas -maar al te goed besteed te hebben: twee en dertig huizen zijn in -vlammen opgegaan. - -Tegen zonsondergang wenden de visschers den steven huiswaarts. De zee -is glad als een spiegel, langzaam nijgt de zon ter kimme, haar -scheidend licht werpt een rozengloed over het groote, stille watervlak. -Aan den horizont schijnt de vuurbol weg te zinken tusschen twee -eilanden, die als reuzenbouquetten tegen lucht en water afsteken. Alles -ademt zoete vrede, kalme rust. - -Met volle zeilen komen de prauwen uit zee aanzetten, notedopjes -gelijken zij, zoo uit de verte gezien, welker randen de golven bijna -raken. - -Onbewust van hetgeen hun wacht, naderen de visschers het strand en -kijken uit, naar de plek waar hun thuis ligt, waar zij zullen landen. -Maar wat is dat? Zij onderscheiden hunne huizen niet in het landschap; -scherper turen zij met de hand boven de oogen en.... het gissen wordt -zekerheid wanneer zij dichterbij komen: er is brand geweest in de -kampong, de woningen van velen hunner zijn niet meer. Wat er in het -hart dier mannen omgaat? Op hunne trekken is niets te lezen, als zij -landend het droevig nieuws vernemen in zijn geheelen omvang, en de plek -betreden waar dezen morgen hunne huizen stonden. In plaats daarvan -vinden zij eene grijze aschvlakte, waaruit hier en daar nog kleine -vlammen sissend te voorschijn schieten. Tusschen de puinhoopen en naast -de verkoolde heggen zitten vrouwen en kinderen met het weinigje -huisraad, dat zij konden redden, om zich heen. Strak en onbeweeglijk -staren zij voor zich uit, ook op hun gelaat teekent zich ontroering -noch verdriet, als droegen zij maskers, waarachter iedere aandoening -der ziel verborgen blijft. - -En over de aschvlakte speelt het stervend zonnelicht in laatsten -vriendelijken glans, als profeteerde het: Geduld, geduld, wanhoopt -niet; wat verloren ging, kan herwonnen worden, uit den dood zal nieuw -leven verrijzen. - - - - - - - -MARGO’S HELDENDAAD. - - -Margo was bezig de laatste hand aan haar toilet te leggen en zette een -snoeperig hoedje op de blonde krullen, terwijl mama en de zusters, -bewonderend toeziende, om haar heen stonden. Het was een groote dag in -het leven van het mooie blondje: voor het eerst zou zij zich, aan den -arm van haar galant, in het publiek vertoonen. Mama, Suze en Cato -hadden om strijd haar best gedaan het aardig persoontje voor den -spiegel op haar voordeeligst te doen uitkomen, hierin zelve een groot -genoegen vindend. Toch was dit niet onverdeeld geweest; de keeren waren -immers geteld dat zij haar mooi konden opschikken, haar, aller -lieveling, het verwende kind in huis. - -Natuurlijk hadden hare ouders en zusters, lang vóór deze dag aanbrak, -geweten, dat zij Margo na korteren of langeren tijd zouden moeten -overgeven aan den boozen roover, die haar hartje zou stelen, maar zij -hadden nooit anders gedacht of zij zouden het kind niet voor goed -behoeven af te staan. Al volgde zij den roover naar eene andere stad, -af en toe zou zij haar ouderlijk huis toch bezoeken of hare familie bij -haar logeeren. Doch nu.... niets van dat alles, die prettige toekomst -kon niet verwezenlijkt worden, want ver over zee moest Margo den man -harer keuze volgen: hij was slechts tijdelijk met verlof in Holland, -zijn werkkring lag in Indië. In dat opzicht noemde hare familie Margo’s -keuze heel ongelukkig, ach! dat nu juist die man, heel van Java komend, -in hun stil stadje neer moest strijken en de ware Jozef blijken. „Het -was het noodlot,” zuchtte Suze tot Cato, en beiden moesten dubbel naar -Margo’s stralend gezichtje kijken, om door dien aanblik haar egoïst -verdriet naar den achtergrond te dringen. - -Van den dag harer geboorte af, dus achttien jaar reeds, woonde Margo in -de vriendelijke, kleine stad, waar haar vader burgemeester was. - -Papa en de zusters hadden er de jaargetijden al heel wat keeren meer -zien wisselen, want Margo was het eenig kind uit ’s burgemeesters -tweede huwelijk en scheelde wel een jaar of vijftien met hare jongste -stiefzuster. Prettiger, gelukkiger gezin dan dat van burgemeester -Wetters was er niet te vinden, vrede en vroolijkheid hadden er voor -goed hun intrek genomen. Toen haar vader nu bijna twintig jaar geleden -zijn half volwassen dochters eene tweede moeder thuis bracht, was er -van weerskanten dadelijk een bereidwillig streven geweest, om in vrede -en eensgezindheid te leven, om door wederzijdsch schikken en plooien -een vriendelijke verstandhouding in het leven te roepen; geen wonder -dus dat deze spoedig ontstond, en, toen twee jaar later Margootje belet -vroeg, werd het nieuwe zusje met groote vreugde ingehaald. - -Natuurlijk werd zij het algemeene troetelpopje; haar moeder was -eigenlijk de eenige, die het verstand een ernstig woordje mee liet -spreken in Margo’s opvoeding. Wellicht was het hieraan te danken, -misschien ook aan Margo’s gelukkigen aanleg, dat zij, in plaats van een -onuitstaanbaar nufje te worden, opgroeide tot een allerliefst, -eenvoudig meisje, vroolijk en guitig van aard, met een warm, gevoelig -hart, en innig dankbaar voor al de zegeningen, die het leven haar -schonk. Het sprak vanzelf, dat het Margo niet aan aanbidders ontbrak. -Naarmate zij opgroeide veranderden deze van gewone schooljongens in -Gymnasiasten en Hoogere burgers. De zesde klasse van het gymnasium -bezong het mooiste meisje van de stad in het Latijn, de Hoogere burgers -deden het in gewoon Hollandsch, doch beide soorten van gedichten lieten -niets te wenschen over wat verhevenheid van stijl en bloemrijkheid van -inhoud betrof. Margo lachte en schertste met haar ridderstoet, -betuigde, dat zij de liederen aan haar gewijd, prachtig vond en -verdeelde hare gunsten zoo gelijk mogelijk. De leelijksten en -minstbevoorrechten onder de jongelui kregen de meeste, „want,” zei -Gootje tegen Cato, „die stakkerds moeten toch al zoo veel missen omdat -zij zoo verlegen en onbeholpen zijn.” Op zekeren dag stak mama een -stokje voor al die gekheid. „Je bent nu haast zeventien, Gootjelief, en -mij dunkt, dat het tijd wordt om het schoolmeisje voor de jonge dame -plaats te laten maken,” sprak zij. - -Margo lachte eens en gaf moes een zoen. In het vervolg zond zij de -verzen en minnebrieven aan hare vereerders terug en wilde geen koek of -chocolade met kermis of St. Nicolaas meer cadeau hebben. Hare parasol -en andere pakjes droeg zij voortaan zelve, en wist haren aanbidders dus -in alle mogelijke opzichten aan het verstand te brengen, dat zij als -eene volwassen dame wenschte behandeld te worden. - -Doch de Gymnasiasten en Hoogere burgers werden heeren studenten en, -kwamen zij met vacantie thuis, dan brachten zij, als vroeger, het -lieftallige burgemeestersdochtertje hunne hulde en maakten haar om -strijd het hof. Margo werd geplaagd door hare vriendinnen, terwijl Cato -en Suze elkaar toefluisterden: „We zullen onze lieve Go wel gauw -geëngageerd zien.” Nu, de zusters vergisten zich niet, maar tot hare -verbazing en tot innige verontwaardiging van haar trouwen ridderstoet, -koos zij niet een van hen, maar een vreemden musch, die een half jaar -geleden onder hen was komen neerstrijken. Als een vuurtje ging het door -de stad: „Heb je het al gehoord? Weet je het al? Margootje Wetters is -verloofd met Johan Graven, dien Indischen verlofganger, die bij den -ouden heer Spaat op Zomerlust logeert.” En wie het nog niet geloofde, -kon het den middag, waarop dit verhaal aanvangt, met eigen oogen zien, -toen Margo aan den arm van een forsch gebouwden, knappen man, door het -Indisch zonnetje flink bruin gebrand, al de voornaamste straten van -hare geboortestad door wandelde, de oogen schitterend van geluk in het -rose gezicht, dat vol kuiltjes en glimlachjes werd opgeheven naar de -vrienden en kennissen, die zij op hun weg ontmoetten. Zij vormden een -knap paar: de slanke blondine en de kloeke, donkere man aan hare zijde, -wien oprechtheid en wilskracht op het voorhoofd waren geschreven en in -de heldere oogen blonken. Vol liefde en trots rustte zijn blik op het -aanvallig meisje, dat zoo vertrouwend haar handje op zijn arm liet -rusten. Hij drukte die lieve, kleine hand dichter tegen zich aan en zij -fluisterde hem toe: „O Hans, gaat het jou als mij, voel je je ook zoo -onuitsprekelijk gelukkig, dat je de heele wereld wel aan het hart zou -willen drukken?” En hij plaagde terug: - -„Neen kindje, die groote wereld heeft mij niet noodig, maar ik weet wel -wie ik aan het hart zou willen drukken, als hier niet zoo veel -nieuwsgierige oogen om ons heen waren. Het is me alsof ik droom. Ik kan -mij mijn geluk nog niet goed voorstellen. Heb ik nu heusch een meisje, -als God wil, heel gauw een eigen dierbaar vrouwtje, ik, arme jonggezel, -die jaren lang alleen moest voortsukkelen? Hoe vreemd is het leven -toch, hé, schat? Daar moest ik van ver over zee in deze kleine stad -aanlanden, omdat mijn oom hier bij toeval woonde en mij verzocht hem -eens op te zoeken. Eerst had ik er volstrekt geen lust in, moet je -weten, maar eene stille Voorzienigheid dreef mij hierheen opdat ik jou, -mijn ander ik, zou ontmoeten. Eén blik in je blauwe oogen had het hem -gedaan, dadelijk klonk het in mijn binnenste: Die en geen ander, al zou -je je leven lang ongetrouwd moeten blijven.... Nu Gootje, biecht eens -eerlijk op, hoe ging het jou?” - -„Neen, zoo direct heb ik mijn hart niet aan je verloren, Hans, maar ik -moest toch veel meer aan je denken dan goed was voor mijn zielerust,” -bekende Margo openhartig. „En naderhand.... O Hans, als je alleen naar -Indië waart teruggekeerd, ik had mij dood geschreid van verdriet.” - -„Heusch, kindje?” - -Zij waren op een eenzaam plekje, ver van spiedende nieuwsgierige oogen -en.... Hans profiteerde van tijd en omstandigheden. Toen zij weer -voortwandelden, hervatte de jonge man: „Margolief, ik sprak er al eens -met je over, maar ik wilde, dat je het vooruit goed bedacht, kind, hoe -verschillend je leven in Indië zal zijn, vergeleken met dat wat je hier -leidt. Gisteren avond nam je het Cato een beetje kwalijk, toen zij je -plaagde en zei, dat Java nog drie kwart een woestenij was en dat je -conversatie zich tot zwarte of bruine dames zou bepalen. Zij overdreef -natuurlijk, maar in zoo verre had zij gelijk, dat je er veel meer dan -in Holland in je tehuis je wereld zult moeten zoeken. Wij kunnen op -plaatsen komen te wonen waar bijna of in het geheel geene conversatie -is, waar de menschen nooit iets hooren, dat naar een concert, opera of -comedie gelijkt, waar....” - -„Dwaze Hans, houd toch op,” viel zijn meisje in, „alsof het gemis van -dat alles mij iets zal kunnen schelen, zoolang we het met ons beiden -moeten ontberen. Neen, ik werd verdrietig op Toos omdat zij over die -dieren begon. “’k Ging hier al op de vlucht voor eene spin,” plaagde -zij, „wat zou dat in Indië geven?” Weet je, vent, ik werd boos omdat -het waar is wat Toos zei; ik ben als de dood voor alles bijna wat -insect heet. En nu ik toch aan het biechten ben, wil ik je er nog bij -vertellen, dat ’k in alle opzichten een hazennatuur heb. ’t Is -vreeselijk, maar ik kan er niets aan doen, ’k durf niet alleen in het -donker loopen, ik schrik direct van ieder ongewoon geluid en stel mij -dan heel flauw en kinderachtig aan. Laatst zat ik in de schemering te -soezen, toen Suze stil de kamer binnenkwam en mij heel bedaard een kus -gaf. Verbeeld je, ik gilde het uit en begon te schreien.” - -„Maar kindje....” - -„Ja Hans, ik weet beet wat je zeggen wilt, het is bespottelijk, ik heb -er dikwijls knorren voor gehad als kind, en mama heeft haar best genoeg -gedaan om mij die malle schrikgewoonten af te leeren, doch ik vrees, -dat alles niet veel geholpen heeft.” Zij zweeg en zag half verlegen, -half lachend naar Johan op, die, haar ondeugend aankijkend, meewarig -het hoofd schudde. „O Gootje, Gootje, wat val je mij tegen,” sprak hij -in koddige wanhoop, „wat moet ik in vredesnaam met zulk een -„hazenvrouw” beginnen daarginds? ’k Weet er niets anders op, dan dat ik -maar altijd aan je groene zijde blijf zitten, om je voor ieder mogelijk -en onmogelijk gevaar te beschermen.” - -„Spot jij maar,” klaagde Margo, „je zult zien, dat die malle bangheid -mij nog eens in groote ongelegenheid brengt.” - -„Dat zullen we moeten afwachten, poesje, en laat ons nu over wat anders -praten. Kijk eens welke beeldige zaakjes hier uitgestald liggen,” -vervolgde Hans, en hield haar staande voor den grootsten winkel van -luxe-artikelen, dien de plaats rijk was. „Kies nu maar wat moois uit.” - -Margo’s oogen schitterden, zij was dol op presentjes. „Ventjelief,” -vleide zij, „weet je wat ik verbazend graag van je cadeau zou hebben? -Een mooi kistje. En weet je waarvoor? Om jouw brieven in te bewaren; -zie, dat is een hartewensch van me: een elegant kistje voor mijne -minnebrieven.” - -„Je zult het mooiste hebben, dat voor geld te krijgen is,” beloofde -Hans, „maar of het ooit kwart vol zal komen, lieverdje, dat betwijfel -ik zeer.” - -„Ik heb in deze afgeloopen veertien dagen al zes brieven van je gehad,” -beweerde Margo ijverig, „dus....” - -„Ja, ja,” viel haar galant een beetje verlegen in, „dat kwam zoo door -verschillende omstandigheden, het was in die dagen toen die zware -verkoudheid mij thuis hield. Maar zie je, kindje, ik moet al zoo veel -schrijven, mijne betrekking brengt dit mede, dat....” - -Doch Margo was den winkel al binnen gestapt, en weldra stond het -paartje voor zulk eene collectie kistjes, dat zij terecht van „embarras -du choix” konden spreken. De winkelier had pas een nieuwen voorraad -ontpakt en kwam steeds met meer aandragen. - -„O Hans,” riep Margo op eens, terwijl zij de hand uitstrekte naar een -lichtgrijs exemplaartje, dat de winkelier, als het laatste van zijne -collectie, voor haar neerzette, „mag ik dit hebben? Wil je mij dit -geven, als het ten minste niet te duur is, het is een prachtstuk.” - -Het kistje was werkelijk een juweeltje in zijne soort, van -palissanderhout vervaardigd en keurig besneden, zoo fijn en elegant, -als het meest verwende dametje zich maar wenschen kon. Er zat een -verguld sleuteltje op en het bleek van binnen even mooi afgewerkt als -aan den buitenkant. Margo was een en al verrukking en Hans ging daar -zoo in op, dat hij niet naar den prijs vroeg, doch den winkelier -verzocht hem de rekening te zenden en het kistje onmiddellijk te willen -bezorgen bij den burgemeester. - -Toen de jongelui thuiskwamen, stond Margo’s nieuw eigendom er dan ook -al. Hans kreeg zijn wel verdienden dank, het mooie cadeau werd door al -de huisgenooten bovenmate bewonderd en toen bracht de eigenares het -naar hare kamer. Met eene ernstige uitdrukking op het lief gelaat sloot -zij het kistje open, haalde een pakje brieven te voorschijn, alle met -dezelfde flinke mannenhand geschreven, en legde die er in, zoo zacht en -liefkoozend de velletjes aanrakend, als waren ze bezielde wezens. -Daarna draaide zij zorgvuldig het sleuteltje om en verborg dit aan een -koordje om haar hals. „Daar ligt ge nu veilig bewaard, mijn dierbare -brieven,” fluisterde Margo het kistje toe, „geen onbescheiden oogen -zullen u kunnen lezen, geen schennende handen u ooit aanraken.” En met -een laatsten, bewonderenden blik op haar nieuw verworven schat, keerde -zij naar de huiskamer terug, die kleine, dwaze, romantische Margo. - - - -Een jaar ruim is verloopen en we vinden Margo Wetters terug als mevrouw -Graven op eene kleine plaats in Java’s binnenlanden. Het jonge vrouwtje -heeft juist haar man uitgeleide gedaan, die voor een dag naar het -naburige D. is vertrokken om er den landraad te presideeren. Het was -vooral voor Margo een erge tegenvaller geweest, dat haar man voorzitter -van twee landraden werd; hij moest nu telkens voor een of meer dagen -van huis en zij kon zijn gezelschap zoo moeielijk missen. Margootje was -innig gelukkig met haar Hans en had er nog geen oogenblik spijt van -gehad, dat zij, ter wille van hem, haar vaderland en haar dierbaar -tehuis verliet. Het leven in Indië was haar ook erg meegevallen wat de -warmte en de eentonige levenswijze betrof, en vooral de insectenwereld -bleek veel minder afschrikwekkend dan zij zich deze had voorgesteld. Of -was de jonge vrouw zooveel flinker geworden? - -Aan boord reeds had zij haar afschuw voor de kakkerlakken leeren -bedwingen, ten minste uitte zij deze niet meer in luide gilletjes, -nadat haar goede Hans er eens ontdaan van wakker schrikte, toen hij -juist in een verkwikkenden slaap was gevallen, na een ellendig -doorgebrachten nacht, want hij was zeeziek voor hen beiden. Ook kon zij -er nu best tegen in het schemeruurtje geheel onverwachts een kus te -ontvangen. Het was wonderlijk, Margootje vloog volstrekt niet -verschrikt op bij zulke gelegenheden, integendeel zij bleef dood kalm -zitten en drukte haar zachte wang tegen de groote, trouwe hand, die -liefkoozend langs haar gezichtje streek. Wat de liefde al niet leert! - -Innig dankbaar was het jonge paar, vooral ter wille van Hans, die bijna -onafgebroken zeeziek was geweest, toen zij eindelijk weer vasten grond -onder de voeten hadden. Al heel spoedig werd Graven tot president van -de landraden te K. en D. benoemd en konden zij hunne bestemming volgen. -Te K., hunne woonplaats, was het vrij stil en de conversatie bepaalde -zich tot een paar families. De assistent-resident, sinds jaren -weduwnaar, zonder kinderen, was een in zichzelf gekeerd mensch, die -volstrekt geen intiemen omgang zocht. Met het controleursvrouwtje kon -Margo dadelijk opschieten, zij was ook eene Hollandsche en een -vroolijke, opgeruimde ziel, hoewel zij veel met zieke kinderen tobde. -Margo zou nooit vergeten hoe Tommy, haar oudste dochtertje, aanleiding -had gegeven tot de eerste bittere tranen, die zij in haar huwelijk -stortte. Dit gebeurde bij de volgende gelegenheid. - -Wanneer Hans druk werk had of uit was, haalde Margo kleine Tom dikwijls -bij zich, dan had hare moeder de handen vrij om zich geheel aan hare -ziekelijke tweelingen te wijden, en Gootje vond het een genot het -driejarig dreumesje, dat dol op haar was, om zich heen te hebben. Zoo -had zij op zekeren dag Tom weer laten halen en zat naast het kind, in -Hans’ kantoor te naaien. Zij had de kleine meid op de schrijftafel -gezet, dan kon zij beter het oog op haar houden. Johan was even -uitgegaan, hij had een geruimen tijd ijverig zitten schrijven. - -Na een poosje kwam de naaister binnen om te vragen of mevrouw haar -wilde helpen de toorooks [2] voor den koetsier te knippen. „Breng het -goed maar hier,” zei het jonge vrouwtje, en op den grond knielend, -begon zij te passen en te meten, weldra zóó in haar werk verdiept, dat -zij in het geheel niet op Tommy lette. - -„Daar komt mijnheer,” riep djait [3] op eens, die terecht vermoedde, -dat de heer des huizes dien kniprommel op het kantoor liever niet zien -zou. - -Margo ruimde haastig op en was juist klaar toen haar man binnentrad. -Verbaasd zag zij op, daar zij hem op eens het vroolijke deuntje hoorde -afbreken, waarmede hij het vertrek was ingetreden, terwijl hij -stokstijf in het midden der kamer bleef stilstaan. Onwillekeurig volgde -zij zijn blik naar de schrijftafel.... ach, nu begreep zij de -uitdrukking van zijn strak, donker betrokken gelaat. - -Op de tafel zat kleine Tom zielsvergenoegd vellen papier stuk te -knippen, als sneeuwvlokken lagen de snippers om haar heen. Maar de -couranten, die Margo haar voor dit doel gegeven had, waren ter zijde -geworpen; in plaats daarvan had het onnoozel schaapje het -proces-verbaal aan stukjes geknipt, waar Johan den geheelen morgen en -vorigen avond onafgebroken aan gewerkt had. - -„Hans, lieve Hans,” riep zijne vrouw in vertwijfeling op hem -toetredend: „het is mijne schuld, knor maar flink op me....” - -Doch Hans sprak geen woord, keerde zich om en ging den weg, dien hij -gekomen was. - -„Breng nonnie Tom naar huis,” snikte arme Go tegen de naaister en vloog -naar de slaapkamer, waar zij hare tranen den vrijen loop liet. Zij -voelde zich rampzalig, Hans was boos en met reden, zij kon voor -zichzelve geen enkele verontschuldiging vinden, het was eenig en alleen -haar domme schuld. - - - -Een poos later bedacht Margo Graven met een dankbaar hart, dat zij den -liefsten man ter wereld had. Al heel gauw was hij weer thuis gekomen en -had zij haar verdriet verder aan zijn hart kunnen uitschreien, terwijl -zijn vriendelijke, troostende stem haar spoedig tot bedaren bracht. Zij -mocht de zaak in het geheel niet meer aanroeren of er verder over -tobben, verzekerde Johan, hij was ook volstrekt niet boos meer, alles -was vergeven en vergeten. - -„Maar waarom liep je dadelijk weg, Hans?” vroeg Margo, „ik had nog -liever gezien, dat je flink aan het brommen waart gegaan.” - -„Nu kindje, om je de waarheid te zeggen, ik was op dat oogenblik -verbazend boos en driftig en, als ik er niet van door was gegaan, -geloof ik heusch, dat ik jou of Tommy een klap om de ooren had -gegeven.” - -„Och, mannie, ik had het verdiend, veel meer dan Tom,” en toen barstte -Margo op eens in lachen uit bij de gedachte, dat Hans haar in eigen -persoon eene strafoefening had willen toedienen. - -Zoo leefden die twee in volkomen harmonie en, kwam er al eens een -wolkje aan hun huwelijkshemel, het trok dadelijk weer weg om de zon des -te helderder te laten schijnen. Hans begreep, dat hij in zijn jong, -aanvallig vrouwtje geen ervaren huishoudster had getrouwd, dat haar -goede wil om het hem in alles naar den zin te maken, alleen niet -voldoende was om het huishouden als op rolletjes te doen gaan. Hij -verdroeg het zonder pruttelen, wanneer de tafel eens minder goed was, -als er een knoop of band aan zijn goed ontbrak, of wanneer zijn lieve -Go op zijn wekelijksche reizen bijna altijd een of ander kleedingstuk -vergat in te pakken, waar hij toch moeilijk buiten kon. Op zekeren dag -merkte hij goedig op: „Lieve kind, gisteren heb ik mij met één boord -moeten behelpen en vergat je ook sokken voor mij in te pakken. Ik -geloof dat wij, wat het vergeten betreft, nu zoowat mijne heele -garderobe zijn rond geweest. Zou je niet eens een lijstje maken, -lieverdje, van alles wat ik noodig heb en dit bij het pakken telkens -raadplegen?” - -„Hoe dom, dat ik zelve daar niet aan dacht,” riep Margo, „natuurlijk, -alles vooruit opschrijven, dat is aangewezen voor een vergeetal als ik -ben.” En dienzelfden avond nog schreef Mevrouw Graven haar lijstje en, -daar zij het trouw gebruikte, was de zaak voortaan in orde. Het jonge -vrouwtje van haar kant, deed evenzoo haar best om haar man het leven -aangenaam te maken. Al was het haar een beetje een ergernis, dat zij -zijn kantoor zelden of nooit mocht laten schoonmaken en hij liever aan -een stoffige dan aan eene net opgeruimde schrijftafel zat, zij zocht -niet door dwingen of zeuren hierin verandering te brengen. Ook -achtervolgde zij haar echtvriend niet met eene lastige zucht tot orde, -die de vertrekken wel proper en net, doch niet gezellig maakt. Hans -pijp mocht vrij overal rondzwerven, de boeken uit de leestrommel -mochten op tafel en bank onder het bereik blijven liggen. Margo -huldigde den stelregel, dat ook een getrouwd man vrij moet blijven in -het volgen van zijn lievelingsgewoonten, vooral wanneer ze zoo weinig -lastig waren als die van haar Hans. Duurde de dag wel eens wat langer, -als haar man van huis was, over het geheel vloog de tijd Margo voorbij. -Eerst had zij een prettige drukte gehad met de inrichting van hare -woning: een mooi, groot huis. De rijke Chinees, die het indertijd voor -zichzelf liet bouwen, stierf voor het geheel af was. De erfgenamen -verhuurden de woning gaarne aan den nieuwen president van den Landraad, -terwijl de familie Graven niet minder blij was dadelijk een ruim, nieuw -huis te kunnen betrekken. De kamers, hoewel klein, waren vele in aantal -en liepen twee aan twee in elkaar. De galerijen daarentegen kwamen -Margo reusachtig voor, doch toen de overgordijnen en portières hingen, -bleken ze niets te groot of te hol om het er gezellig te maken. Naast -de slaapkamer had de vrouw des huizes een vroolijk, klein vertrekje tot -boudoir ingericht. Daar plaatste zij, tusschen groene planten, haar -Singapoorsch ameublementje, en al de schatten die zij van huis had -meegebracht, waren er neergezet of opgehangen. - -Op een marmeren knaapje stond het palissanderhouten kistje, dat zich -nog steeds in Margo’s bijzondere voorliefde mocht verheugen. Haar -voornemen getrouw had zij er nooit andere brieven, dan die zij van haar -man ontving, in geborgen; het was dan ook een treurig dun stapeltje -gebleven. - -Nadat Margo op dien Junimorgen haar man uitgeleide had gedaan, ging zij -eerst hare bloemen verzorgen en haar huishouden beredderen, en haalde -toen haar schrijfmap te voorschijn om een langen brief naar huis te -schrijven. Zij was innig aan haar ouderlijk huis gehecht gebleven, al -werd zij zelden of nooit door heimwee geplaagd, en, daar hare familie -ook trouw en veel schreef, bleven zij geheel met elkaar meeleven. Met -vreugde bedacht Margo dat het heden maildag was en vol verlangen -verwachtte zij de post, die slechts één keer ’s daags te K. bezorgd -werd. Toen zij om twaalf uur den besteller het erf zag opkomen, had zij -hem wel te gemoet willen gaan, en zat ongeduldig te wachten tot de -jongen binnen kwam. Hij bracht een heel pak „drie kwart nonsens-brieven -natuurlijk,” dacht Margo. Heel oneerbiedig gaf zij dien titel aan de -dienstbrieven van Hans. - -Haastig doorzocht het jonge vrouwtje het pak, achteloos met de -couranten en dienstbrieven omspringend; zij vond slechts één mailbrief -waarvan het adres door Suze was geschreven. „Hoe vreemd, geen brief van -Moes,” zei Margo hardop, en haastig het couvert openscheurend, begon -zij te lezen. Suze bezat in het geheel geen correspondentie-gave, met -den besten wil kon zij geen velletje vol krijgen; mama daarentegen -vulde met gemak twaalf zijtjes, hare brieven vormden een dagboek in het -klein. - -Doch niet alleen teleurgesteld liet Mevrouw Graven, na eenige -oogenblikken, het spoedig doorgelezen epistel in haar schoot vallen. -Met een angstige, verdrietige uitdrukking op het gelaat overdacht zij -den inhoud van Suze’s brief. - -„Mama was bedlegerig,” schreef deze, „een verwaarloosde verkoudheid, -door een koortsaanval gevolgd, had den dokter de zaak eerst ernstig -doen inzien. Nu was alle gevaar geweken, maar mama moest nog heel -voorzichtig blijven en hare kamer houden. Zoo gauw zij hier toe in -staat was, zou zij haar lieve Gootje schrijven.” - -Zelfs dit geruststellend slot vermocht Margo weinig op te beuren. Zij -zag mama in gedachte zwak en lijdend voor zich, hoe liefderijk ook door -Toos en Suze verpleegd, toch naar haar eigen kind verlangend, misschien -in de koorts wel om haar roepend. - -De tranen der jonge vrouw begonnen te vloeien bij deze voorstelling; -was Hans er nu maar geweest, dan had zij bij hem troost en opbeuring -gezocht en ook zeker gevonden. Nu zat zij zich in hare eenzaamheid op -te winden en het gevolg daarvan was dat zij zich steeds zenuwachtiger -maakte. Aan de rijsttafel kon zij bijna geen hapje eten door de keel -krijgen en onverkwikt stond zij uit haar middagslaapje op. Hare -vriendin, de controleursche, was met de zieke tweelingen voor een maand -naar boven gegaan, anders had het Margo zeker afleiding gegeven eens -bij haar aan te loopen. Nu drentelde zij den geheelen verderen dag maar -op en neer, Suze’s brief herhaaldelijk overlezend, het hart vol onrust. -O, waarom scheidde die nare, groote zee haar van hare dierbaren te -huis! Uit een ander vreemd land, mits het slechts in Europa lag, zou -zij in deze omstandigheden haar lief moedertje spoedig kunnen bereiken, -maar nu waren zij onbereikbaar voor elkander. - -Zoo tobde Margo en de tijd leek haar eindeloos lang, omdat zij geen -lust had geregelde bezigheid onderhanden te nemen en meer dan ooit naar -haar trouwen Hans verlangde. Zij ging vroeg ter ruste in de hoop haar -leed in den slaap te vergeten, doch de uren volgden elkander op en -rusteloos heen en weer woelend bleef zij wakker liggen. Hare baboe, die -in het boudoirtje haar matje had gespreid, scheen vast te slapen. Margo -riep haar twee keer, toen stond zij zelve maar op om een glas koud -water te vragen. Op de waschtafel zag zij een fleschje Hoffman’s -druppels staan en bedacht, dat zij zeker kalm in slaap zou vallen als -zij van dat goedje nam. Het nachtlampje verspreidde maar een flauw -licht, zij kon de druppels niet juist tellen en geloofde naderhand ook -wel wat veel te hebben genomen, want de medicijn smaakte erg sterk; dat -kwam er echter niet op aan, vergif was het niet. De jonge vrouw ging -weer te bed en spoedig voelde zij eene groote kalmte over zich komen; -onrust, zorg en angst losten zich op in een gewaarwording van droomend -waken, die haar aangenaam aandeed. Zoo had zij een half uur of langer -liggen soezen, toen het haar voorkwam, alsof zij in hare nabijheid -zacht fluisterende stemmen hoorde. In het geheel niet bang, alleen -nieuwsgierig ging Margo recht overeind zitten en keek naar het groote -scherm, waarachter het gerucht vandaan kwam. En nu zag zij ook heel -duidelijk, dat een plekje, waar een gouden vogel op het zwart satijn -was geborduurd, even bewogen werd, alsof er iemand achter stond. Zij -staarde nog naar de bewuste plek, toen op eens een zwartgemaakt gezicht -achter het schut uitkeek en een kruipende gedaante, langzaam en -voorzichtig geheel te voorschijn kwam. - -„’k Weet nog niet,” vertelde Margo later aan haar man, „wat mij -bezielde, waar ik den moed vandaan haalde, maar ik werd er als het ware -toe gedreven mij uit bed te laten glijden, terwijl de gedachte mij -vliegensvlug door het hoofd ging: „dat is een dief en je moet hem -verjagen, anders steelt hij je brillanten oorknoppen van de -toilettafel, je moet!”” - -De dief had zich intusschen half opgericht met de bedoeling het -nachtlicht uit te blazen; in het donker kon hij veiliger zijn slag -slaan, toen hij eensklaps een slanke gedaante op zich zag toetreden. - -Als zij hem, met een van angst verwrongen gelaat onder de oogen was -gekomen, zou de inbreker misschien brutaal zijn opgetreden; nu -ontstelde hij van die stille gedaante, wie het blonde haar tot aan de -heupen hing, terwijl de groote oogen hem strak aanzagen. Langzaam hief -de gestalte den wijsvinger omhoog en wees nadrukkelijk naar de deur, -terwijl een zachte, kalme stem tot driemaal toe dit enkele woord -herhaalde: „Pigi, pigi, pigi” (ga). - - - -Langzaam, als onder hypnotischen invloed gebracht, schoof de dief, de -oogen onafgebroken op Margo gericht, naar de deur, die op de -buitengalerij uitkwam. Tot op het laatste oogenblik bleven de gloeiende -oogen het jonge vrouwtje aanstaren, dat hem langzaam volgde. Ruggelings -gooide hij de deur, die op een kier stond, geheel open en verdween in -de duisternis. Margo had nog de kracht de deur op het nachtslot te -draaien, toen viel zij als versuft op de bank neer en drukte de hand -tegen haar bonzend hart. Langzamerhand kwam haar denkkracht weer terug. -Zou zij de bedienden roepen, gillen, de buurt in rep en roer brengen? -Maar wat zou dat alles nu nog helpen? Zij had den dief voorgoed -verjaagd, de man had haar aangestaard, alsof hij een geest, geen levend -wezen in haar zag. Welke tooverkracht had haar bezield, hoe was zij ter -wereld in staat geweest dat zwarte monster te gemoet te treden? Deze -vragen bestormden de jonge vrouw te gelijk met een heerlijk -triomfantelijk gevoel. Nu kon Hans haar nooit meer plagen met haar -„hazenhart,” integendeel, hij moest hare dapperheid en haar moed -bewonderen tot aan zijn laatsten levensdag. Een tweeden keer zou zij -die heldhaftige rol echter onmogelijk kunnen spelen, bekende Margo -zichzelve. Angstig sprong zij op. Was hij wel voorgoed weg, die gemeene -dief, en hoe had hij binnen kunnen komen? Zij had de deuren zelve -gesloten. Zou baboe hem ingelaten hebben, zij vertrouwde die meid geen -zier. Zij ging naar het boudoir. Ja, baboe was weg; al lag haar matje -er nog, de zaak kwam hare meesteres zeer verdacht voor. „Morgen jaag ik -haar stellig weg,” besloot Margo, „en nooit neem ik zoo’n wezen in -mijne kamer, Hans raadde het mij nog wel aan, omdat hij het geruster -voor mij vond!” Ook de deur, die naar het boudoir leidde, sloot de -jonge vrouw stevig dicht, en, nadat zij alle deuren en vensters nog -eens nauwkeurig geïnspecteerd had, legde zij zich weer neer, ofschoon -zij klaar wakker en veel te opgewonden was om aan slapen te kunnen -denken, maar.... het was pas twee uur. - - - -„En heeft de dief heusch niets meegepakt, kind?” vroeg Hans, nadat zijn -vrouwtje hem alles uitvoerig verteld en hij hare heldhaftigheid met -veel lof geprezen had, hoewel hij, heel ondeugend, niet kon nalaten nog -al eens te zinspelen op de voorname rol, die de Hoffman’s druppels in -de geschiedenis meegespeeld hadden. - -„Neen, ik heb niets vermist,” betuigde Gootje, terwijl zij zich in -veilig welbehagen tegen haar man aanvlijde, en hare armen nauwer om hem -heenstrengelde. ’t Was zoo heerlijk haar steun en stut weer naast zich -te hebben. Ook haar angst over mama, waarvan zij hem dadelijk -deelgenoot maakte, was geheel verdwenen; terwijl zij samen Suze’s brief -overlazen, had Hans met kalm, verstandig redeneeren, zijn vrouwtje doen -inzien, dat zij zich geheel noodeloos ongerust maakte. - -„Dus je mist niets?” vervolgde Hans, „nu, straks zullen wij een -nauwkeurig onderzoek in loco instellen. Ik kan de zaak wel aangeven, -maar dat zal ons niet veel helpen. Baboe zegt, dat zij nergens van -weet, zooals je mij vertelde, en den brutalen schavuit zou je volgens -je eigen getuigenis niet herkennen. In ieder geval zou ik baboe maar -wegzenden, lieverd, ’k ben er van overtuigd, dat zij den kerel binnen -heeft gelaten.” - -„Ik ook, zij beweert echter om een uur of half twee naar haar jongetje -te zijn gaan kijken, dat den heelen dag niet wel was geweest, doch ik -geloof er geen zier van. Zij heeft met den dief achter het schut -gefluisterd, denkend dat ik in diepe rust was.” - -„Juist, en wat zou je er nu van zeggen, kindje, als ik mij eens -„lekker” ging maken? Je hebt mij zoo dadelijk overvallen en je nieuws -was zoo belangrijk, dat ik voor niets anders gedachten had.” - -„Dan ga ik maar zeggen, dat zij het eten opdragen; hè man, je bent toch -altijd in een ommezientje klaar.” - -Maar Hans was nog niet geheel gereed, toen hij zijn vrouwtje op eens -een luiden kreet hoorde slaken in het boudoirtje. - -„Wat is er, Go?” en haastig zijne jas dichtknoopend, liep hij haar te -gemoet. - -„Hans,” kreet zij, met tranen in hare stem, „de dief heeft toch -gestolen, nu pas zie ik, dat mijn mooie kistje weg is, hoe vreeselijk! -hoe vreeselijk!” - -„Bedaar, lieverd, en luister eens even,” troostte Hans. „We zullen je -schat zeker terug vinden, want denk eens na, wat heeft de kerel er aan? -Verkoopen kan hij het niet, dat is veel te gevaarlijk voor hem. -Natuurlijk heeft hij vermoed, dat er geld of iets anders van waarde in -zat; baboe heeft hem zeker een handje geholpen, zij weet, dat je het -sleuteltje altijd bij je draagt. Laat ons maar eens buiten gaan zoeken, -’k ben overtuigd, dat we het kistje vinden, geloof me, ik heb door -veeljarige ondervinding wel een beetje verstand van die zaken.” - -Met deze woorden troonde Johan zijne vrouw mede en, met een pajong -gewapend tegen het brandend voormiddagzonnetje, gingen zij het erf op. - -De huisbedienden werden den anderen kant uitgezonden, geen plekje van -het groote erf zou ondoorzocht blijven, beloofde Hans zijn bedroefd -vrouwtje. Al heel spoedig liep een der jongens hen achterop en riep -reeds uit de verte: „dapat toewan” (gevonden mijnheer). - -„Waar, waar?” vroeg Margo en trok haar man haastig mede. - -„Heel achteraan, in het pisangboschje, mevrouw,” en ja wel, een -oogenblik later stond Margo diep verslagen over haar geroofden schat -heengebogen. Daar lag het palissanderhouten kistje, ruw neergesmeten, -met uit elkaar gerukte scharnieren, door vuil bezoedeld, en er om heen -in stof en modder.... Margootje’s minnebrieven, door den nijdigen dief, -in teleurgestelde hebzucht, geheel aan flarden gescheurd. - -„Hans, o Hans,” riep zijn vrouwtje, meer kon zij niet zeggen, toen -barstte zij in tranen uit. „Geen nieuwsgierige oogen zullen u ooit -aanraken,” hoe waren die woorden, eens zoo overmoedig uitgesproken, te -schande gemaakt! Met het lezen was het tot daaraan toe, daarmee zou de -inbreker zich wel niet hebben opgehouden, zelfs al waren zij in het -Javaansch geschreven, en hij de leeskunst machtig geweest; doch wat de -schennende hand betreft, zijne sporen waren maar al te merkbaar. „Dat -die booswicht mijn mooie kistje vernielde,” snikte Margo, „dat zou ik -hem niet zoo erg hebben aangerekend, maar dat hij mijne minnebrieven -als oud vuil heeft behandeld, dat vergeef ik hem nooit, nooit.” - -Hans had erg te doen met Gootjes leed en om haar op andere gedachten te -brengen, sprak hij: „Maar schat, het waren toch niet alleen je -minnebrieven. Wat lees ik daar,” en hij bukte zich diep naar den grond: -„Geachte Mejuffrouw, en hier: om 8 uur mag ik u en uwe zuster dus.... -en hier weer....” - -„Och houd op, mannie,” en Margo kleurde tot in haar hals, terwijl zij -de stukjes papier, waar Hans zijn aandacht op gevestigd hield, onder -het zand trachtte te bedekken. „Plaag mij zoo niet,” en een beetje -verlegen bekende zij: „Zie, het stapeltje bleef zoo dun, toen voegde ik -er maar alle papiertjes en kleine briefjes bij, die je mij ooit -schreef, ook vóór onze verloving.” - -„En al die onnoozele snippertjes hadt je trouw bewaard? O klein, dwaas -vrouwtje,” doch terwijl hij het hoofd over haar schudde, las Margo zulk -eene aanbiddende liefde in zijn blik, dat zij best begreep hoe hij -eigenlijk over hare dwaasheid dacht. - -Het was heel stil in het pisangboschje, Hans had den jongen met het -vernielde kistje naar huis gezonden. Slechts de zon, die in lichtende -plekjes op het mos speelde tusschen het frissche groen der groote -bladeren, was er getuige van hoe Margo, de armen om haar mans hals -slaande, innig fluisterde: „Je hebt gelijk, mijn lieve man, ik stel mij -dwaas aan met te schreien en te zuchten over mijn verlies. Wat -beteekent het, dat deze brieven vernietigd en dood zijn, terwijl ik in -jou mijn levende liefde naast mij heb. Mijn beste Hans, hoe heerlijk, -dat wij nog jong zijn, dat het leven rijk aan beloften voor ons ligt en -wij in onze liefde den talisman bezitten, die ons smart en leed zal -helpen dragen, hè man?” - -„Juist kindje, je spreekt mij geheel uit het hart,” antwoordde Hans -bewogen, maar toen kwam zijn spotzieke aard weer boven en hij plaagde -met een ondeugend gezicht: „Mevrouw Graven, je hebt je in de laatste -vierentwintig uur uitstekend gehouden, je bent eene groote heldin, en -ik geloof nu ook niet langer, dat het alleen de invloed van de -Hoffman’s druppels was, die je van nacht zoo stout en moedig maakte.” - -„Hans, Hans, je bent onverbeterlijk,” en Margo dreigde haar man met den -vinger, maar deze vatte de kleine hand en trok haar onder zijn arm -door: „Kom, kind, laat ons nu aan tafel gaan. Schertsend en lachend -spoedde zich het paartje huiswaarts, terwijl de reusachtige bladeren -elkander in hunne eigenaardige taal toewuifden: - -„Welk eene aardige afleiding was dat in ons eentonig leven, wij hebben -een gelukkig menschenpaar gezien.” - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Koraal. - -[2] Soort livrei. - -[3] Naaister. - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VROUWENLEVEN IN DE DESSA *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
