summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/65340-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/65340-0.txt')
-rw-r--r--old/65340-0.txt21010
1 files changed, 0 insertions, 21010 deletions
diff --git a/old/65340-0.txt b/old/65340-0.txt
deleted file mode 100644
index 5f7ee85..0000000
--- a/old/65340-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,21010 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of De drie steden: Parijs, by Emile Zola
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: De drie steden: Parijs
-
-Author: Emile Zola
-
-Translator: W. J. A. Roldanus Jr.
-
-Release Date: May 14, 2021 [eBook #65340]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE DRIE STEDEN: PARIJS ***
-
-
-
-
- DE DRIE STEDEN
-
- PARIJS
-
- ROMAN
-
-
- DOOR
- EMILE ZOLA
-
- VERTALING VAN
- W. J. A. ROLDANUS Jr.
-
-
- UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF
- TE AMSTERDAM AAN HET DAMRAK 88
-
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE BOEK
-
-
-I.
-
-Op een ochtend in het eind van Januari stond abbé Pierre Froment, die
-in den Sacré-Cœur van Montmartre een mis moest lezen, reeds voor acht
-uur voor de basilica. Alvorens naar binnen te gaan, keek hij een
-oogenblik naar Parijs, welks grenzenlooze zee zich aan zijn voeten
-ontrolde.
-
-Na twee maanden van vreeselijke koude, sneeuw en ijs lag Parijs nu als
-het ware gedompeld in een somberen, huiverenden dooi. Uit den wijden,
-loodkleurigen hemel hing een dichte nevel als een rouwsluier. Het
-geheele Oosten der stad, de wijken van armoede en werk, schenen in
-rosachtige dampen, waarin men den adem van werkplaatsen en fabrieken
-vermoedde, gehuld, terwijl naar het Westen, naar de wijken van rijkdom
-en genot, de mist òplichtte, niet meer dan een fijne, onbeweeglijke
-nevelsluier was. Nauwlijks kon men raden, waar de ronde lijn van den
-horizont was, het onmetelijke huizenveld geleek een chaos van steenen,
-bezaaid met stilstaande poelen, die de inzinkingen met een valen
-waterdamp vulden, en waartegen de muurkappen der gebouwen en de hoog
-gelegen straten roetachtig zwart afstaken. Het was een mysterievol,
-door wolken omsluierd Parijs, als begraven onder de asch van een ramp,
-reeds half verdwenen onder het lijden en de schande van wat zijn
-onmetelijkheid verborg.
-
-Mager en droefgeestig in zijn dunne soutane stond Pierre nog te kijken,
-toen abbé Rose, die zich blijkbaar achter een pilaar verscholen had, om
-hem op te wachten, op hem toetrad.
-
-“Zoo, ben jij daar eindelijk, beste jongen? Ik heb je wat te vragen.”
-
-Hij scheen verlegen, zenuwachtig. Wantrouwend keek hij om zich heen, of
-er niemand was; dan nam hij hem, alsof de eenzaamheid hem niet
-voldoende gerust stelde, een paar passen mede in den ijzigen
-Noordenwind, dien hij blijkbaar niet eens voelde.
-
-“Luister eens, het betreft een armen man, over wien ze me gesproken
-hebben, een ouden man van zeventig jaar, die niet meer werken kan en in
-een krot in de rue des Saules van honger omkomt... En nou had ik
-gedacht, beste jongen, dat jij die drie francs uit mijn naam moest gaan
-brengen, dan heeft hij tenminste nog voor een paar dagen brood.”
-
-“Maar waarom gaat u zelf uw aalmoes niet brengen?”
-
-Weer werd abbé Rose zenuwachtig en keek met verschrikte, schuwe blikken
-om zich heen.
-
-“Neen, neen, dat kan ik niet na al die onaangenaamheden, die ik
-ondervonden heb. Je weet heel goed, dat ze op me letten en dat ik weer
-een standje krijgen zou, als ze merkten, dat ik zoo maar gaf, zonder te
-weten aan wien ik geef. Ja, ik heb, om die drie francs te krijgen, wat
-moeten verkoopen... Ik smeek je, beste jongen, bewijs mij dezen
-dienst.”
-
-Diep ontroerd keek Pierre naar den goeden, reeds geheel grijzen
-priester met zijn dikken, goedigen mond, zijn heldere kinderoogen in
-het ronde, glimlachende gezicht. In een opwelling van bitterheid
-herinnerde Pierre zich de geschiedenis, van dezen vriend der armen, de
-ongenade, waarin deze vrome, menschlievende man door zijn verheven
-rechtschapenheid gevallen was. Zijn kleine rez-de-chaussée in de rue de
-Charonne, waarvan hij een asyl gemaakt had, waarin hij alle ellende der
-straat opnam, was ten slotte de oorzaak van een schandaal geworden. Men
-maakte er misbruik van zijn goedgeloovigheid en van zijn onschuld;
-zonder dat hij er ook maar iets van vermoedde, gebeurden er de
-schandelijkste dingen. Snollen, die geen man gevonden hadden, om haar
-mede te nemen, zochten hier haar onderkomen. De gemeenste rendez-vous
-werden er gegeven, het was een afschuwelijke vermenging van geslachten.
-Op een goeden nacht had de politie een inval gedaan, om een wegens
-kindermoord verdacht meisje van dertien jaar te arresteeren. De
-kerkelijke autoriteit had daarop abbé Rose gedwongen zijn asyl te
-sluiten door hem over te plaatsen naar de St. Pierre de Montmartre,
-waar hij zijn vicariaat terugkreeg. Het was geen ongenade, maar een
-eenvoudige overplaatsing. Men had hem verwijten gedaan, terwijl men nu,
-zooals hij zeide, zijn gangen naging; hij schaamde zich en voelde zich
-ongelukkig, omdat hij nu slechts in het geheim geven kon, als een dwaze
-verkwister, die bloost over zijn fouten.
-
-Pierre nam de drie francs.
-
-“Ik beloof u, dat ik heel graag doen zal wat u vraagt.”
-
-“Je gaat toch zeker na je mis? Hij heet Laveuve en woont in de rue des
-Saules in een huis met een binnenplaats, even voor je in de rue
-Marcadet komt. Je zult het makkelijk vinden... En als je zoo goed wilt
-zijn me vanavond om vijf uur in de Madeleine, waar ik naar een lezing
-van monseigneur Martha ga luisteren, te komen vertellen hoe het
-afgeloopen is, dan zou je me een heel groot plezier doen. Monseigneur
-Martha is altijd zoo hartelijk voor me geweest. Kom jij ook niet
-luisteren?”
-
-Pierre antwoordde met een ontwijkend gebaar. Monseigneur Martha,
-bisschop van Persepolis, die in het aartsbisschoppelijk paleis veel
-invloed had, sedert hij als werkelijk geniaal propagandist de inkomsten
-voor den Sacré-Cœur vertienvoudigde, had inderdaad abbé Rose onder zijn
-bescherming genomen en doorgezet, dat men hem in Parijs liet en weer
-naar de Saint-Pierre de Montmartre Verplaatst had.
-
-“Ik weet niet of ik zal kunnen blijven,” zeide Pierre. “Maar in ieder
-geval kom ik u mijn bevindingen vertellen.”
-
-De Noordenwind en de grimmige koude doordrong hen beiden op den
-eenzamen top, in den mist, welke de groote stad in een oceaan van
-nevels veranderde. Maar stappen deden zich hooren; en dadelijk weer vol
-wantrouwen, zag abbé Rose een zeer grooten en krachtigen man
-voorbijgaan. Hij droeg overschoenen en liep blootshoofds met zijn dik,
-grijs, kortgeknipt haar.
-
-“Is dat je broer niet?” vroeg de priester.
-
-“Ja,” antwoordde Pierre kalm; “het is mijn broer Guillaume. Nu ik in
-den laatsten tijd nog al eens in den Sacré-Cœur kom, zie ik hem vrij
-dikwijls. Hij woont hier nu al vijf-en-twintig jaar in de buurt, geloof
-ik. Als we elkaar tegenkomen, geven we elkaar een hand. Maar ik ben nog
-niet bij hem geweest... Och, tusschen ons is alles dood, we hebben
-niets gemeenschappelijks meer, werelden scheiden ons...”
-
-Het liefdevolle glimlachje van abbé Rose kwam weer terug en hij maakte
-een gebaar, als wilde hij te kennen geven, dat men nooit aan de liefde
-moet wanhopen. Guillaume Froment, een geleerde met een helder hoofd,
-een chemicus, een afvallige, die geheel afgezonderd leefde, was nu een
-van z’n parochianen geworden, en wanneer de abbé langs het huis, waarin
-hij met zijn drie volwassen zonen steeds aan het werk was, kwam, voelde
-hij het als een ideaal om hem voor God te heroveren.
-
-“Maar ik laat je hier maar in dit akelige, koude weer staan, en zoo
-warm ben jij ook niet gekleed... Ga je mis lezen. Tot vanavond in de
-Madeleine.”
-
-En weer rondkijkend, of niemand hem hooren kon, voegde hij er smeekend,
-met zijn gezicht van een kind, dat altijd doet wat het niet doen mag,
-aan toe:
-
-“En spreek er met niemand over. Anders zeggen ze weer, dat ik me niet
-goed gedraag.”
-
-Pierre keek abbé Rose na, die zich verwijderde in de richting van de
-rue Cortot, waar de oude priester op een vochtigen rez-de-chaussée, die
-door het uitzicht op een tuintje opgevroolijkt werd, woonde. De asch,
-waaronder Parijs begraven lag, scheen onder de vlagen van den ijzigen
-Noordenwind dikker te worden. Eindelijk ging Pierre de basilica binnen.
-Zijn hart weende, was vol van de bitterheid, welke dit bankroet der
-naastenliefde in hem opgewoeld had. Welk een verschrikkelijke ironie,
-dat deze vrome man gestraft was omdat hij gegeven had, dat hij zich
-achter een pilaar verbergen moest, om te blijven geven! Niets
-verzachtte het branden van deze weer open gegane wond, noch den
-lauw-warmen vrede, dien hij binnentrad, noch de zwijgende plechtigheid
-van het breede, diepe schip met zijn kale, nieuwe steenen. Er waren nog
-geen schilderijen, geen versieringen in; de stelling, die opgericht was
-voor den in aanbouw zijnden koepel, versperde half den weg. Op dit
-vroege ochtenduur, in het grijze licht, dat door de hooge, smalle
-vensters binnenviel, waren aan verscheidene altaren reeds verscheidene
-stille missen gelezen, brandden achter in de apsis gewijde kaarsen.
-Vlug liep Pierre naar de sacristie, om daar de heilige gewaden aan te
-trekken en dan in de kapel Saint-Vincent-de-Paul zijn mis te lezen.
-
-Maar nu de herinneringen eenmaal in hem teruggekomen waren, dacht
-Pierre, terwijl hij machinaal de voorgeschreven gebaren maakte, slechts
-aan zijn wanhoop. Sedert zijn terugkomst uit Rome—drie jaar geleden
-nu—leefde hij in den vreeselijksten ziele-angst, waarin een mensch
-geraken kan. Om zijn verloren geloof terug te vinden, had hij een
-eerste proef genomen, was hij naar Lourdes gegaan, om daar het naïeve
-kindergeloof te zoeken, dat nederknielt en bidt, het primitieve geloof
-der jonge volkeren, die gebogen zijn onder het juk van hun
-onwetendheid. Maar bij het zien van de verheerlijking van het absurde
-en van het verval van het gezonde menschenverstand was hij nog meer in
-verzet gekomen en had de overtuiging gekregen, dat het heil, de vrede
-der hedendaagsche menschen en volkeren niet liggen kan in het
-kinderlijk opgeven van de rede. Vervolgens had hij, weer aangegrepen
-door den drang, om lief te hebben, met een tweede proef zijn laatsten
-vrede op het spel gezet en was naar Rome gegaan, om te zien, of het
-Katholicisme zich vernieuwen, tot den geest van het oorspronkelijk
-Christendom terugkeeren, de godsdienst van de democratie, het geloof
-zijn kon, dat de moderne in doodsgevaar verkeerende wereld verwachtte,
-om verder in vrede te kunnen leven; maar hij had daar niets gevonden
-dan puinhoopen, dan den verrotten stam van een boom, die geen nieuwe
-vruchten meer dragen kan; had er niets gehoord dan het laatste kraken
-van het oude, maatschappelijke gebouw, dat op het punt stond in te
-storten. Weer aangegrepen door zijn grooten twijfel, waarin hij bijna
-alles ontkende, was hij toen, uit naam van hun armen door abbé Rose
-teruggeroepen, weer naar Parijs teruggegaan, om daar te vergeten, zich
-op te offeren, te gelooven in hen, omdat zij met hun vreeselijke lijden
-alleen voor hem bestonden. En van af dat oogenblik, sedert die drie
-jaar was hij gestooten op dit bankroet der goedheid zelve, op de
-belachelijke, nuttelooze, gehoonde naastenliefde.
-
-Deze drie laatste jaren had Pierre in een onophoudelijk toegenomen
-marteling doorleefd, waarin ten slotte zijn geheele wezen onderging.
-Zijn geloof was voor altijd gestorven, ja zelfs zijn hoop, om het
-geloof der menigte voor het gemeenschappelijk heil te benutten, was
-geheel vervlogen. Hij loochende alles, verwachtte niets meer dan de
-onvermijdelijke slotcatastrophe, opstand, moordpartijen en
-brandstichting, die een schuldige en tot ondergang gedoemde wereld
-moesten wegvagen. Als ongeloovig priester wakend over het geloof van
-anderen, kuisch en fatsoenlijk zijn beroep vervullend, vol trotsche
-droefheid, dat hij geen afstand had kunnen doen van zijn rede, zooals
-hij afstand gedaan had van zijn vleesch en van zijn droom om redder der
-volkeren te zijn, hield hij zich toch staande in een eenzame en wilde
-grootschheid. Deze wanhopige loochenaar, die de diepte van het Niet
-gepeild en aangeraakt had, behield een zoo trotsche en ernstige, door
-zoo reine goedheid doorgeurde houding, dat hij in zijn parochie Neuilly
-de reputatie van een door God beminden, jongen heilige gekregen had,
-wiens gebed wonderen werkte. Hij was de orderegel zelf; hij bezat niet
-meer dan het priesterlijk gebaar zonder de onsterfelijke ziel: hij was
-niet meer dan een ledig graf, waarin zelfs de asch van de hoop niet
-meer overbleef—en door smart gemartelde vrouwen, in tranen badende
-parochianen aanbaden hem, kusten zijn soutane; ja, een vrouw, wier kind
-thuis op sterven lag, was hem in wanhoop komen smeeken aan Jezus
-genezing te vragen, zeker als zij was, dat Jezus die hem in het
-heiligdom van Montmartre, waar het wonder van zijn van liefde brandend
-hart vlamde, toestaan zou.
-
-Inmiddels was Pierre in zijn heilige gewaden de kapel van
-Saint-Vincent-de-Paul binnengegaan. Hij ging de trede van het altaar op
-en begon de mis; en toen hij zich met zijn tot zegenen uitgebreide
-handen omkeerde, zag men zijn ingevallen gezicht, zijn door bitterheid
-smaller geworden, zachten mond, zijn door lijden donker geworden,
-liefdevolle oogen. Het was niet meer de jonge priester met het door
-liefdevuur verteerde gelaat, die naar Lourdes—niet meer de jonge
-priester met het stralende apostelgelaat, die naar Rome gegaan was.
-Zijn beide in eeuwigen strijd verkeerende erfdeelen—zijn vader, van
-wien hij den oninneembaren toren van zijn voorhoofd had; zijn moeder,
-die hem haar naar liefde dorstende lippen gegeven had, zetten op dit nu
-verwoeste gelaat, waarop in oogenblikken van vergetelheid de chaos van
-zijn troostelooze wanhoop oprees, hun strijd voort, den eeuwigen
-menschelijken strijd tusschen gevoel en rede. De lippen bekenden nog
-den ongestilden dorst om lief te hebben, om zich voor de menschheid te
-geven en te leven, een dorst, dien hij meende nooit meer te zullen
-kunnen lesschen, terwijl het krachtige voorhoofd daarentegen, de
-citadel, waardoor hij leed, hardnekkig weigerde zich over te geven aan
-de aanvallen van de dwaling. Maar hij bleef standvastig, verborg het
-verschrikkelijke van het Niet, waarin hij streed, maakte trotsch de
-gebaren, sprak verheven de voorgeschreven woorden uit; en de moeder,
-die daar tusschen de andere vrouwen neergeknield lag, de moeder, die
-van hem een laatste tusschenkomst verwachtte, die geloofde, dat hij
-sprak met God voor de redding van haar kind, zag hem door haar tranen
-in een engelachtige schoonheid als een bode van goddelijke genade
-stralen.
-
-Toen Pierre na het offertorium den kelk ontblootte, werd hij door een
-groote minachting voor zichzelf aangegrepen. De schok was te heftig
-geweest; hij moest steeds weer aan die dingen denken. Welk een
-kinderachtigheid, welk een naïveteit van een arm, wanhopig, door de
-behoefte om lief te hebben en te gelooven gemarteld wezen lag er in die
-beide experimenten te Lourdes en te Rome! Hoe had hij zich kunnen
-inbeelden, dat de tegenwoordige wetenschap zich zou aanpassen aan het
-geloof van eeuwen her; hoe had hij zoo dwaas kunnen zijn, om te
-gelooven, dat hij, de eenvoudige priester, den paus tot andere
-gedachten brengen, hem bewegen kon een heilige te zijn en de wereld te
-veranderen. Hij voelde zich diep beschaamd; wat zou men hem uitgelachen
-hebben! Ook de gedachte aan een schisma joeg hem het schaamrood naar de
-wangen. Hij zag zich weer in Rome terug, vervuld van den droom, om een
-boek te schrijven, waarin hij zich van het Katholicisme afscheiden zou,
-om den nieuwen godsdienst der democratieën, het gelouterde,
-menschelijke en levende Evangelie te prediken! Welk een belachelijke
-dwaasheid! Een schisma!
-
-Hij had te Parijs een edel voelenden en edel denkenden abbé gekend, die
-dat beroemde, aangekondigde en verwachte schisma tot stand had trachten
-te brengen! De arme kerel! Welk een treurige, belachelijke arbeid was
-dat te midden van de algemeene ongeloovigheid, van de ijzige
-onverschilligheid van sommigen, van de spotternijen en beleedigingen
-van anderen! Wanneer Luther thans terugkeerde, zou hij, vergeten en
-omkomend van honger op een vijfde verdieping in Batignolles sterven.
-Een schisma kan niet slagen bij een volk, dat niet meer gelooft, dat
-onverschillig geworden is voor de Kerk, dat zijn heil van elders
-verwacht. Het geheele Christendom, ja, het geheele Christendom zou
-weggevaagd worden, want het Evangelie is, afgezien van enkele moreele
-principes, als een sociale codex niet meer bruikbaar. De dagen, dat de
-soutane zwaarder op zijn schouders drukte, dat hij een minachting voor
-zichzelf gevoelde, nu hij aldus het goddelijke mysterie der mis
-celebreerde, die voor hem het gebaar van een dooden godsdienst geworden
-was, kwelde die zekerheid hem nog meer.
-
-Pierre, die den kelk half met den wijn uit de miskan gevuld had,
-waschte zijn handen en zag opnieuw het innig smeekende gezicht der
-moeder. Toen geloofde hij in een liefdevolle gedachte van een door zijn
-eed gebonden man, dat hij voor haar priester gebleven was—een priester
-zonder geloof, die het geloof der anderen met het brood der illusie
-voedt. Maar deze heldhaftige houding, deze trotsche plichtsvervulling,
-waarin hij zich opsloot, was voor hem niet zonder een steeds grooter
-wordenden angst. Gebood de eenvoudige eerlijkheid hem niet de soutane
-af te werpen en onder de menschen terug te keeren? Zijn valsche positie
-vervulde hem op sommige oogenblikken met een walging voor zijn
-nutteloos heroïsme, en hij vroeg zich opnieuw af of het niet laf en
-gevaarlijk was de menschen in hun bijgeloof te laten verder leven.
-
-Zeker de leugen van een God van gerechtigheid en waakzaamheid, van een
-toekomstparadijs, waar al het aardsche lijden weer goed gemaakt worden
-zou, was voor de arme menschheid met haar lijden lang een
-noodzakelijkheid geweest; maar welk een bedrog, welk een tyrannieke
-exploitatie der volkeren was het geweest, hoeveel manlijker zou het
-zijn de volkeren brutaalweg te opereeren, door hun den moed te geven
-het leven, al was het dan onder tranen, te leven! Keerden zij zich niet
-van het Christendom af, omdat zij een behoefte gevoelden aan een
-menschelijker ideaal, aan een godsdienst van gezondheid en vreugde, die
-geen religie des doods zijn zou? Den dag, waarop de idee der
-naastenliefde ineenstorten zou, zou ook het Christendom ineenstorten,
-want het was gebouwd op de goddelijke barmhartigheid, die als het ware
-een correctie is van de noodlottige ongerechtigheid en voor hem, die in
-dit leven leed, het uitzicht op een toekomstige belooning opende. En de
-naastenliefde stortte in, de armen gelooven er niet aan, maken zich
-boos over het leugenachtige paradijs, de belofte waarvan zoo lang hun
-geduld gestaald had, eischen, dat men hen voor de regeling van hun
-aandeel in het geluk niet naar het hiernamaals verwees. Een kreet naar
-gerechtigheid stijgt van aller lippen op: gerechtigheid op deze aarde,
-gerechtigheid voor allen, die honger hebben, die de aalmoes na achttien
-eeuwen moede is nog langer te helpen en die nog altijd geen brood
-hebben om te eten!
-
-Toen Pierre, met zijn ellebogen op de altaartafel geleund, den kelk, na
-er eerst de hostie in gebroken te hebben, geledigd had, voelde hij een
-nog grootere troosteloosheid over zich komen. Deze laatste strijd van
-de gerechtigheid tegen de barmhartigheid in dit groote, door asch
-omsluierde, met het vreeselijke Onbekende gevulde Parijs—deze strijd,
-waarin zijn hart en zijn rede slag leveren zouden—was dus het laatste
-experiment, dat thans begon. De behoefte aan het goddelijke worstelde
-in hem nog tegen het alles overheerschende verstand. Hoe zou men ooit
-den dorst der menigten naar het mysterie kunnen lesschen? Zou,
-uitgezonderd dan de elite, de wetenschap voldoende zijn de begeerte te
-bevredigen, het lijden in slaap te wiegen, de droomen te
-verwezenlijken? En wat zou er van hem zelf worden in het bankroet der
-naastenliefde, die alleen hem in de drie laatste jaren staande
-gehouden, al zijn tijd in beslag genomen, hem de illusie, dat hij voor
-anderen nuttig was, gegeven had?
-
-Plotseling voelde hij den grond onder zijn voeten wegzinken; hij hoorde
-nog slechts den kreet van het volk, dien grooten Zwijgende, die
-gerechtigheid eischte, gromde en bromde en dreigde het hem door geweld
-en list ontnomen deel terug te nemen. Niets meer kon de onvermijdelijke
-catastrophe, den broederoorlog der klassen, die de oude, onder haar
-opstapeling van misdaden tot verdwijnen gedoemde wereld zou wegvagen,
-tegenhouden. Ieder uur verwachtte hij de instorting, Parijs in bloed en
-vlammen onder te zien gaan. Zijn afgrijzen voor gewelddaden deed hem
-huiveren; hij wist niet waar hij het nieuwe geloof moest zoeken, dat
-het gevaar bezweren kon, want hij was zich zeer goed bewust, dat het
-sociale en religieuze probleem één waren, dat het in den vreeselijken
-en dagelijkschen arbeid van Parijs daarom alleen ging; maar hij zelf
-was nog te verward van begrip, stond door zijn priester zijn te veel
-buiten het werkelijke leven, werd te zeer door twijfel en het gevoel
-van zijn machteloosheid verscheurd dan dat hij zou kunnen zeggen, waar
-waarheid, gezondheid en leven te vinden waren. O, gezond zijn, leven,
-eindelijk zijn hart en zijn rede bevredigen in vrede, in den zekeren,
-eerlijken arbeid, dien de mensch op aarde te verrichten heeft.
-
-De mis was ten einde en Pierre verliet het altaar, toen de in tranen
-badende moeder, langs wie hij kwam, met bevende handen zijn misgewaad
-greep en het vurig kuste, zooals men de reliquie van een heilige kust,
-waarvan men heil verwacht. Zij dankte hem voor het wonder, dat hij
-bewerkt hebben moest, overtuigd als zij was thuis haar kind genezen te
-zullen vinden. Deze liefde, dat vurige geloof troffen hem diep ondanks
-de pijnlijke troosteloosheid, die zich van hem meester maakte, dat hij
-niet de verheven priester was, voor wien zij hem hield, dien zij in
-staat achtte een uitstel van den dood te verkrijgen. Maar hij liet haar
-getroost en versterkt gaan en smeekte de ongekende, bewuste kracht,
-indien er tenminste een bestond, vurig het arme schepsel te hulp te
-komen. Toen hij zich in de sacristie verkleed had en, gezweept door den
-winterstorm, weder voor de basilica stond, werd hij opnieuw door een
-rilling doorhuiverd en verstijfd, terwijl hij door den nevel heen
-trachtte te zien of de orkaan van toorn en gerechtigheid Parijs niet
-had weggevaagd, de verwachte catastrophe, die het eenmaal verwoesten
-zou, zoodat onder den loodgrijzen hemel niets over blijven zou dan een
-verpeste poel van zijn puinhoopen.
-
-Pierre wilde zich onmiddellijk van de opdracht van abbé Rose kwijten.
-Hij volgde op den kam van Montmartre de rue du Norvins, kwam in de rue
-des Saules en liep tusschen bemoste muren de sterk hellende straat af.
-De drie francs, die hij in den zak van zijn soutane in zijn hand hield,
-vervulde hem met een diepe ontroering en tevens met een woede tegen de
-nuttelooze barmhartigheid. Maar naarmate hij verder in de hoeken der
-ellende afdaalde, snoerde het zien daarvan steeds meer zijn keel dicht,
-maakte een eindeloos medelijden zich van hem meester. Langs de sedert
-de groote werken aan den Sacré-Cœur aangelegde groote straten was een
-geheele nieuwe wijk in aanbouw. Te midden van de omvergewoelde tuinen,
-tusschen de nog door staketsel omgeven bouwterreinen verhieven zich
-reeds burgerhuizen, die met hun royale, glanzend witte gevels de oude,
-wankele gebouwen—verdachte kroegen met bloedroode muren, lijdensplekken
-met zwarte, bezoedelde krotten, waarin het menschelijke vee zich
-ophoopte—nog somberder en bouwvalliger maakten. Dien dag stroomde onder
-den lagen hemel de modder over het door de wagens stukgereden
-plaveisel, deed het dooiweer de muren een koud vocht uitsijpelen,
-terwijl uit al die vuilheid en al dat lijden een vreeselijke triestheid
-opsteeg.
-
-Pierre, die tot de rue Marcadet geloopen was, keerde weer om en ging,
-zeker als hij was zich niet te vergissen, de binnenplaats van een soort
-kazerne of hospitaal binnen, die door drie onregelmatige gebouwen
-omgeven was. Deze binnenplaats was een soort riool, waarin zich
-gedurende de twee maanden van hevige vorst het vuil blijkbaar opgehoopt
-had; nu smolt dit alles en een afschuwelijke stank steeg uit het
-moddermeer op. De gebouwen waren half ingevallen; de vestibules gaapten
-als kelderholen; vuile ramen waren met bonte papieren bedekt, smerige
-lampen hingen overal als doodenvanen. Achter in het pothuis, dat als
-portiersloge dienst deed, zag Pierre slechts een ziekelijken man, die
-in de flarden van een voormalige paardendeken gewikkeld was.
-
-“Er moet hier een oude werkman, Laveuve, wonen. Welke trap? Welke
-verdieping?”
-
-De man antwoordde niet, zette slechts een paar verwonderde, verschrikte
-idiotenoogen op. Ongetwijfeld zou de conciërge wel in de buurt zijn. De
-priester bleef even wachten, maar ging, toen hij achter op de
-binnenplaats een klein meisje zag, op zijn teenen door het riool
-loopend, naar haar toe.
-
-“Ken jij in het huis ook een ouden werkman, die Laveuve heet, beste
-meid?”
-
-Het kleine meisje, dat slechts in een verfomfaaid rose linnen jurkje
-gekleed was, rilde van de koude, haar handen waren met kloven overdekt.
-Zij keek met haar, ondanks de winterwonden, aardig gezichtje naar hem
-op.
-
-“Laveuve, weet niet, weet niet!”
-
-En met haar onbewust bedelaarsgebaar stak zij een van haar arme,
-verkleumde en gezwollen handjes uit. Toen hij haar een klein geldstukje
-gegeven had, begon zij, als een uitgelaten geit door de modder te
-hollen en met een schel stemmetje te zingen:
-
-“Weet niet, weet niet, weet niet!”
-
-Hij besloot haar te volgen. Zij was in een der gapende vestibules
-verdwenen en hij klom achter haar een donkere, stinkende trap op. De
-treden waren half gebroken en zoo glibberig door den hier neergeworpen
-groentenafval, dat hij zich aan het vettige touw, waarmede men zich
-naar boven heesch, moest vasthouden. Maar alle deuren waren gesloten;
-hij klopte vergeefs aan de meeste en kreeg bij de laatste niets dan een
-dof gebrom te hooren, als was er een dier in opgesloten. Toen hij weer
-op de binnenplaats was, aarzelde hij even, doch ging toen een andere
-trap op. Ditmaal werd hij bijna verdoofd door een doordringend
-geschreeuw, het geschreeuw van een kind, dat vermoord wordt. Hij liep
-in de richting van dat geluid en kwam eindelijk terecht voor een
-groote, openstaande kamer, waarin een alleen gelaten kind, dat,
-blijkbaar om niet te vallen, op zijn klein stoeltje vastgebonden was,
-aan één stuk door zat te huilen. Hij wilde weer naar beneden gaan,
-verstard door zooveel gebrek en verwaarloozing.
-
-Maar op dat oogenblik kwam een vrouw, die een paar aardappelen in haar
-schort had, thuis; toen hij haar naar Laveuve vroeg, keek zij
-wantrouwend naar zijn soutane.
-
-“Laveuve, Laveuve, ik weet het waarachtig niet. Als de conciërge er
-was, zou zij het u misschien wel kunnen zeggen... Er zijn hier zooveel
-trappen, dat je elkaar niet kent, en bovendien wisselt het ieder
-oogenblik... Maar kijk eens achterin.”
-
-De achtertrap was nog erger dan de andere, de treden waren weggerot, de
-muren kleefden als sijpelde er angstzweet door. Op ieder portaal
-wasemden de goten en bestekamers een verpestenden stank uit; uit iedere
-kamer klonk gejammer en getwist. Een deur ging open, en op den drempel
-verscheen een man, die een vrouw aan haar haren voortsleepte, terwijl
-drie kleine kinderen huilden. Op de bovenste verdieping zag hij in een
-kamer een ziekelijk, hoestend meisje met een reeds verlepte borst, dat,
-wanhopig omdat zij geen melk meer had, door op en neer te loopen een
-zuigeling tot rust trachtte te brengen. In een kamer ernaast werd hij
-pijnlijk getroffen door den hartverscheurenden aanblik van drie in
-lompen gekleede wezens, aan wie geen leeftijd of geslacht meer te
-onderscheiden was en die midden in de kale kamer gulzig uit denzelfden
-schotel een voer aten, waar honden hun neus voor opgetrokken zouden
-hebben. Zij lichtten nauwelijks hun hoofd op, bromden iets, maar gaven
-geen antwoord op zijn vragen.
-
-Pierre wilde weer naar beneden gaan, toen hij heelemaal in de hoogte
-bij het begin van een gang, een laatste poging waagde en aan een deur
-klopte. Een vrouw deed open; haar ongekamd haar werd al grijs, hoewel
-zij niet ouder dan veertig was; haar bleeke lippen, haar omkringde
-oogen en haar geel gelaat drukten een groote moeheid uit, iets als
-voortdurende, aanhoudende vrees onder de steeds blijvende ellende. Bij
-het zien van de soutane werd zij verlegen en stamelde:
-
-“Kom binnen, mijnheer de abbé, kom binnen!”
-
-Maar een man, die Pierre eerst niet gezien had, een werkman van een
-jaar of veertig, groot, mager, kaal met enkele verkleurde baard- en
-snorharen, maakte een heftig, dreigend gebaar, als wilde hij den
-priester de deur uitgooien. Maar hij hield zich in, ging naast de
-wankele tafel zitten en deed, alsof hij de aanwezigheid van den
-geestelijke negeerde. In de kamer was verder nog een blond meisje van
-een jaar of elf, twaalf, met een lang, zacht gezichtje en de
-intelligente, eenigszins ouwelijke uitdrukking, die de ellende en
-groote armoede aan kinderen geeft; hij riep het en hield het tusschen
-zijn knieën, als om het tegen de aanraking met de soutane te
-beschermen.
-
-Ofschoon de ontvangst Pierre allesbehalve aanmoedigde en hij uit het
-kale, onverwarmde vertrek en de terneergeslagenheid van deze drie
-wezens de diepe ellende der familie begreep, besloot hij toch zijn
-vraag te herhalen.
-
-“Kent u ook een ouden werkman Laveuve in dit huis?”
-
-De vrouw, die, nu zij zag, dat haar man er boos om was, beefde, omdat
-zij hem had laten binnenkomen, trachtte schuchter de zaak goed te
-maken.
-
-“Laveuve, Laveuve, neen... Ken jij hem soms, Salvat?”
-
-Salvat haalde zijn schouders op maar het kleine meisje kon niet
-zwijgen.
-
-“Zeg moeder Théodore, misschien is het de philosoof wel.”
-
-“Een vroegere schilder,” ging Pierre voort: “een oude, zieke man, die
-niet meer kan werken.”
-
-Nu begreep madame Théodore dadelijk alles.
-
-“Ja, dat is hij, dat is hij... Wij noemen hem den philosoof, een
-bijnaam, dien zij hem gegeven hebben, maar daarom kan hij best Laveuve
-heeten.”
-
-Salvat, die een van zijn vuisten naar den hemel balde, scheen te
-protesteeren tegen de gruwelen van een wereld en van een God, die de
-oude werklieden als afgejakkerde paarden van honger liet crepeeren.
-Maar hij zeide geen woord; hij verviel weer in een woest, diep zwijgen,
-in die soort van pijnlijk peinzen, waarin hij verzonken was, toen de
-priester binnenkwam. Hij was een werktuigkundige. Zijn oog rustte
-voortdurend op een zak met gereedschappen, een kleine, lederen zak,
-waarin iets òpbultte, waarschijnlijk het een of ander voorwerp, dat hij
-moest terugbrengen. Blijkbaar dacht hij aan het lange stilliggen van
-het werk, hoe hij gedurende de twee laatste maanden van den
-verschrikkelijken winter vergeefs naar het een of ander karweitje
-gezocht had. Of misschien dacht hij in het brandstichtende gepeins, dat
-zijn groote, vreemde, onvaste en brandende blauwe oogen in vlam zette,
-aan de nabije en bloedige vergeldingsmaatregelen der hongerlijders.
-Plotseling zag hij, dat zijn dochter den zak genomen had en dien
-trachtte open te maken, om te zien wat erin zat. Hij rilde, een
-plotselinge ontroering maakte hem bleek en met een bitter vertrokken
-mond zeide hij:
-
-“Wil je dat wel eens laten, Céline? Ik heb je al zoo dikwijls verboden
-aan de gereedschappen te komen.”
-
-Hij nam den zak en zette dien heel voorzichtig achter zich tegen den
-muur.
-
-“Nu, woont Laveuve op deze verdieping?” vroeg Pierre.
-
-Madame Théodore raadpleegde met een schuwen blik Salvat. Zij vond het
-niet goed grof te zijn tegenover priesters, wanneer zij zich de moeite
-gaven te komen, want dikwijls kon je een paar sous van hen los krijgen.
-Toen zij uit Salvat’s zwijgen opmaakte, dat hij haar haar gang liet
-gaan, bood zij Pierre dadelijk aan hem den weg te wijzen.
-
-“Als mijnheer de abbé het goed vindt, ga ik wel even mede. Het is juist
-aan het einde van de gang. Maar je moet den weg weten, want je moet nog
-een paar treden op.”
-
-Céline, die een tijdverdrijf zag, ontsnapte aan de knieën van haar
-vader en ging ook met den priester mede. Salvat bleef alleen achter in
-het vertrek van armoede en lijden, van ongerechtigheid en toorn; hij
-had geen vuur, geen brood, en hield, door zijn vurige droomen vervolgd,
-zijn blikken gevestigd op den zak, alsof daarin met de gereedschappen
-het heil der wereld lag.
-
-Inderdaad moesten zij nog eenige treden op en dan stond Pierre achter
-madame Théodore en Céline in een soort smal dakkamertje van een paar
-meter in het vierkant, waarin men niet rechtop kon staan. Het licht
-viel slechts door een klapvenster binnen, maar daar de sneeuw hoog
-tegen het raam lag, moest men, om wat te kunnen zien, de deur wijd open
-laten. In plaats van het daglicht kwam de dooi naar binnen, smolt de
-sneeuw, die droppel voor droppel naar beneden viel en den vloer
-overstroomde. Na die lange weken van bittere koude doordrong de
-vochtigheid nu alles met een rilling. En daar nu lag, zonder een stoel,
-zonder een stuk plank zelfs, in een hoek van den kalen vloer op een
-hoop smerige lompen Laveuve als een half gecrepeerd dier tusschen een
-stapel vuil.
-
-“Dat is hij,” zeide Céline met haar zingende stem, “dat is de
-philosoof.”
-
-Madame Théodore had zich over hem heen gebogen, om te hooren of hij nog
-leefde.
-
-“Ja, hij ademt, ik geloof, dat hij slaapt. Als hij alle dagen maar wat
-at, zou hij wel gezond zijn. Maar wat zal ik u zeggen? Hij heeft
-niemand meer, en wanneer je naar de zeventig loopt, zou het het beste
-zijn je maar in het water te gooien. Schildersknechts kunnen op hun
-vijftigste jaar dikwijls al niet meer op ladders staan. Eerst heeft hij
-nog werk op den beganen grond gevonden. Daarna heeft hij nog geluk
-gehad werkplaatsen te mogen bewaken. Maar nu is het uit: hij heeft
-overal gedaan gekregen en nu is hij twee maanden geleden hier in dezen
-hoek komen neervallen, om er te sterven. De huisbaas heeft hem nog niet
-op straat durven zetten, ofschoon hij er wel zin in heeft. Wij hier op
-dezelfde verdieping brengen hem nu en dan wat wijn en een paar korsten
-brood. Maar hoe kan je, wanneer je zelf niets hebt, aan een ander wat
-geven?”
-
-Vol ontzetting keek Pierre naar de ruïne, die vijftig jaar van hard
-werken, armoede en sociale onrechtvaardigheid van een mensch gemaakt
-hadden. Eindelijk kon hij het witte, afgejakkerde, platgedrukte,
-misvormde hoofd onderscheiden, den onverzorgden baard, die de
-gelaatstrekken bedekte, het gezicht als van een oud paard, dat niet
-meer geroskamd wordt, de wangen, die scheefgetrokken waren, sedert de
-tanden waren uitgevallen, de glazige oogen, den neus, die over den mond
-hing, en vooral de uitdrukking van een door het zware werk uitgeput,
-verlamd en gebroken dier, dat alleen nog maar goed was voor het
-abattoir.
-
-“De arme kerel!” prevelde de priester rillend. “En men laat hem hier
-maar alleen en hulpeloos van honger omkomen! Geen hospitaal, geen asyl
-heeft hem opgenomen!”
-
-“Ach,” antwoordde madame Théodore met haar klagend-berustende stem; “de
-hospitalen zijn er voor zieken, en hij is niet ziek, hij lijdt alleen
-maar aan verval van krachten. En bovendien is hij allesbehalve
-makkelijk, laatst hebben ze hem nog in een asyl willen opnemen, maar
-hij wil zich niet laten opsluiten, geeft onbeschofte antwoorden aan de
-personen, die hem wat vragen, afgezien nog van het feit, dat hij den
-naam heeft te drinken en kwaad te spreken van de bourgeois... Maar
-Goddank, hij zal spoedig uit zijn lijden verlost zijn!”
-
-Pierre had, toen hij zag, dat Laveuve zijn oogen opende, zich over hem
-heen gebogen, sprak liefdevol tegen hem, vertelde hem, dat hij hem uit
-naam van een vriend wat geld brengen kwam om te koopen wat hij het
-meest noodig had. Bij het zien van de soutane had de oude man eerst
-scheldwoorden gebromd, maar ondanks zijn groote zwakheid behield hij de
-spotzucht van den Parijschen arbeider.
-
-“Dan zou ik graag een glas wijn drinken,” zeide hij met een duidelijke
-stem, “en wanneer er dan genoeg overblijft, een stuk brood, want dat
-heb ik in geen twee dagen geproefd.”
-
-Céline bood aan het te gaan halen en madame Théodore zond haar uit om
-voor het geld van abbé Rose een brood en een liter wijn te koopen.
-Intusschen vertelde zij aan Pierre, dat Laveuve opgenomen had moeten
-worden in het Asile des Invalides du Travail, een
-liefdadigheidsinstelling, aan het hoofd waarvan baronesse Duvillard
-stond; maar het voorgeschreven onderzoek was blijkbaar zoo uitgevallen,
-dat men de zaak verder had laten rusten.
-
-“Baronesse Duvillard, maar die ken ik,” riep Pierre, wiens hart
-bloedde, uit. “Ik zal vandaag nog naar haar toe gaan. Men mag een
-mensch niet langer in een dergelijken toestand laten.”
-
-Toen Céline met het brood en den wijn terugkwam, richtten zij met hun
-drieën Laveuve op zijn hoop lompen op, hielpen hem met eten en drinken
-en lieten het overschot van den wijn en het brood—een groot brood van
-vier pond—bij hem staan met den raad het niet dadelijk op te eten, als
-hij niet wilde stikken.
-
-“Mijnheer de abbé moest zijn adres maar geven voor het geval ik hem
-iets moet laten weten,” zeide madame Théodore, toen zij weer voor haar
-eigen deur stond.
-
-Daar Pierre geen kaartje bij zich had, gingen zij alle drie weer naar
-binnen. Maar Salvat was daar niet meer alleen. Hij stond heel zacht en
-heel vlug te praten met een jongen, ongeveer twintigjarigen man. Deze
-was slank en donkerbruin, had rondgeknipte haren, het begin van een
-baard, heldere oogen, een rechten neus en magere lippen in een bleek,
-intelligent en eenigszins sproetig gelaat en een hard, eigenzinnig
-voorhoofd. Hij rilde van de koude in zijn versleten jasje.
-
-“Mijnheer de abbé wil zijn adres achter laten met het oog op den
-philosoof,” legde madame Théodore, die het onaangenaam vond hier
-menschen aan te treffen, uit.
-
-De twee mannen keek eerst den priester en dan elkaar met een
-vreeselijken blik aan. Plotseling spraken zij geen woord meer. Heel
-voorzichtig nam Salvat zijn zak met gereedschappen op.
-
-“Ga je weer werk zoeken?”
-
-Hij antwoordde niet, maakte slechts een toornig gebaar, als om te
-kennen te geven, dat hij niets meer van werk wilde weten, nu het werk
-zoo lang niets van hem had willen weten.
-
-“Tracht in ieder geval wat mede te brengen, want je weet, dat er niets
-meer in huis is... Hoe laat ben je terug?”
-
-Met een tweede gebaar antwoordde hij, dat hij terug zou komen als hij
-kon, misschien heelemaal niet. Ondanks zijn heldhaftige pogingen waren
-er tranen in zijn blauwe oogen, waarin een vlam brandde. Hij nam zijn
-dochter Céline op, gaf haar een zoen en ging dan, gevolgd door zijn
-jongen vriend, met zijn zak onder zijn arm weg.
-
-“Céline,” begon madame Théodore weer; “geef je potlood aan mijnheer den
-abbé, en ga u hier zitten, mijnheer, dan kunt u makkelijker schrijven.”
-
-Toen, Pierre op Salvat’s stoel voor de tafel was gaan zitten, ging zij,
-om de onbeleefdheid van haar man te verontschuldigen, voort:
-
-“Hij is niet kwaad, maar hij heeft in zijn leven allerlei
-beroerdigheden aan zijn kop gehad, en daardoor is hij wat stuursch
-geworden. Het gaat hem net zoo als den jongen man, dien u daarnet
-gezien hebt, Victor Mathis. Dat is er ook een, die niet gelukkig is.
-Het is een zeer goed opgevoede, heel beschaafde man, wiens moeder, een
-weduwe, net genoeg bezat om droog brood te eten. Enfin, u kunt wel
-begrijpen, dat dat hun hoofd op hol brengt en zij de heele wereld in de
-lucht willen laten vliegen. Ik ben het er niet mede eens, maar ik
-vergeef het hun heel graag!”
-
-Door al het onbekende en vreeselijke, dat hij om zich heen voelde,
-verontrust en tevens geïnteresseerd, haastte Pierre zich niet om het
-adres te schrijven en trachtte haar tot verdere vertrouwelijke
-mededeelingen te verlokken.
-
-“Als u alles eens wist, mijnheer de abbé! Die arme Salvat is een
-vondeling, zonder vader of moeder; in den beginne heeft hij alles
-moeten aanpakken, om zijn brood te verdienen. Daarna is hij
-werktuigkundige geworden en nu is hij, daar sta ik voor in, een knappe,
-flinke werkman. Maar toen reeds had hij zijn eigen denkbeelden, maakte
-ruzie, wilde zijn kameraads tot staking aanzetten, zoodat hij nergens
-kon blijven. Toen hij dertig was, heeft hij de stommiteit uitgehaald
-met een uitvinder naar Amerika te gaan, die hem daar zoo uitgebuit
-heeft, dat hij zes jaar later ziek en zonder een sou terugkwam... Nu
-moet ik u nog vertellen, dat hij met mijn jongste zuster Léonie
-getrouwd was, die vóór zijn vertrek naar Amerika stierf en hem met de
-kleine eenjarige Céline achterliet. Ik leefde toen met mijn man
-Théodore Labitte, een metselaar; en niet om mijzelf te prijzen—maar het
-hielp niets of ik mij al half blind naaide, hij sloeg me zóó, dat ik
-voor dood op den vloer liggen bleef. Ten slotte heeft hij mij laten
-zitten en is er met een jonge meid van twintig jaar van door gegaan,
-wat me, eerlijk gezegd, meer pleizier dan verdriet deed... En toen
-Salvat bij zijn terugkomst uit Amerika mij met zijn kleine Céline, die
-hij mij voor zijn vertrek had toevertrouwd en die mij moeder noemde,
-alleen terug vond, zijn we als van zelf ook samen gaan leven. Wij zijn
-niet getrouwd, maar dat komt op hetzelfde neer, niet waar, mijnheer de
-abbé?”
-
-Toch scheen zij zich er eenigszins over te geneeren, en om te laten
-zien, dat zij heele nette bloedverwanten had, vertelde zij verder:
-
-“Ik heb niet veel geluk gehad, maar ik heb een andere zuster, Hortense,
-die met een ambtenaar, mijnheer Chrétiennot getrouwd is en prachtig op
-den boulevard Rochechouart woont. We waren met ons drieën uit een
-tweede huwelijk, Hortense, de jongste, Léonie, die gestorven is, en ik,
-Pauline, de oudste... Verder heb ik nog een halfbroer Eugène Toussaint,
-die tien jaar ouder is; ook een werktuigkundige, die nu na den oorlog
-bij dezelfde firma werkt, in de fabriek van Grandidier, honderd pas
-verder in de rue Marcadet. Jammer genoeg heeft hij laatst een beroerte
-gehad... Ik heb heele zwakke oogen, die ik bedorven heb met het tien
-uur per dag naaien. Nu kan ik zelfs geen verstelwerk meer doen, zonder
-dat mijn oogen dadelijk beginnen te tranen. Daarom heb ik geprobeerd
-werkhuizen te vinden, maar dat lukt ook al niet, alles loopt ons tegen.
-Zoo komt het, dat we aan alles gebrek hebben, dikwijls krijgen we twee
-of drie dagen niets te eten; neen, we leiden echt het leven van een
-hond, die zich voedt met wat hij toevallig vindt, en in de twee laatste
-maanden hebben we met die hevige koude dikwijls gedacht, dat we ’s
-morgens niet meer wakker zouden worden... Wat zal ik u zeggen? Gelukkig
-ben ik nooit geweest, eerst mishandeld en geslagen, en nu weggeveegd in
-een hoek, terwijl ik zelf niet weet waarom ik eigenlijk leef.”
-
-Haar stem was treurig geworden; in haar roode oogen kwamen tranen, en
-Pierre voelde, dat de brave, willooze, uit het leven eigenlijk reeds
-verdwenen vrouw haar geheele bestaan beweende.
-
-“O, ik heb heelemaal niet over Salvat te klagen,” zeide zij nog. “Het
-is een brave kerel; hij droomt er slechts van iedereen gelukkig te
-maken; hij drinkt niet en hij werkt, wanneer hij kan... Maar dat is
-zeker, als hij zich minder met politiek bemoeide, zou hij nog meer werk
-vinden. Je kan niet met je kameraads disputeeren, naar vergaderingen
-gaan en in de werkplaats zijn. Dat is een gebrek van hem, dat is niet
-tegen te spreken... Maar dat neemt niet weg, dat hij gelijk heeft als
-hij klaagt; je kan je zoo’n voortdurenden tegenslag niet voorstellen.
-Een heilige zou er dol om worden en het is heel goed te begrijpen, dat
-een arme pechvogel ten slotte er de brui aan geeft... In twee maanden
-heeft hij nu net één goed mensch getroffen, een geleerde, die daarboven
-op den heuvel woont, mijnheer Guillaume Froment, die hem wat werk
-gegeven heeft, zoodat we nu en dan wat soep konden maken.”
-
-Verbaasd den naam van zijn broer te hooren, wilde Pierre nog het een en
-ander vragen, maar een vreemd gevoel deed hem zwijgen. Hij keek Céline,
-die met haar ernstig, ziekelijk gezichtje voor hem had staan luisteren,
-aan, en toen madame Théodore zag, dat hij tegen het kind glimlachte,
-zeide zij nog:
-
-“Ja ziet u, de gedachte aan de kleine brengt hem buiten zich zelf van
-woede. Hij aanbidt haar, hij zou iedereen kunnen dooden, wanneer hij
-haar zonder avondeten naar bed ziet gaan. Zij is zoo lief en ze leert
-zoo goed op school! Maar nu heeft zij zelfs geen hemd meer, om erheen
-te gaan!”
-
-Pierre, die eindelijk zijn adres geschreven had, liet een
-vijffrancsstuk in de hand van het kind glijden en zeide, om
-dankbetuigingen af te snijden, vlug:
-
-“U weet nu waar u mij vinden kunt, als u mij voor Laveuve noodig hebt.
-Maar ik zal vanmiddag nog over hem spreken en hoop, dat men hem
-vanavond nog zal komen halen.”
-
-Madame Théodore luisterde niet meer, maar putte zich uit in
-zegenwenschen, terwijl Céline, die schrok van de vijf francs in haar
-hand, mompelde:
-
-“Die arme papa is nog al uitgegaan, om een paar sous te verdienen. Als
-ik hem eens naliep, om te zeggen, dat we voor vandaag genoeg hebben.”
-
-En de priester, die reeds in de gang was, hoorde de vrouw antwoorden:
-
-“Hij zal al een eind weg zijn. Misschien komt hij wel terug.”
-
-Toen Pierre met kloppende slapen en een met droefheid vervuld hart uit
-het vreeselijke huis der ellende kwam, zag hij tot zijn verbazing
-Salvat en Victor Mathis in een hoek van de vuile, als een verpest riool
-stinkende binnenplaats staan. Zij waren naar beneden gegaan om het in
-de kamer afgebroken onderhoud voort te zetten. Weer praatten zij zacht
-en vlug met een vuur, dat ook in hun oogen brandde. Maar zij hoorden
-het geluid van voetstappen; toen zij den abbé herkenden, zwegen zij
-plotseling en gaven elkander een stevigen handdruk. Victor ging de
-richting van Montmartre uit; Salvat weifelde op de manier van iemand,
-die het noodlot raadpleegt. Dan sloeg hij, het grimmige toeval tegemoet
-gaande, de rue Marcadet in en liep, zijn mager, moe, hongerig en
-afgewerkt lichaam oprichtend, met zijn zak onder zijn arm naar Parijs.
-
-Een oogenblik voelde Pierre den lust in zich opkomen hem te zeggen, dat
-zijn dochtertje hem terugriep. Maar hetzelfde vreemde gevoel van
-daareven, iets als discretie en angst tegelijk, de zekerheid, dat niets
-het noodlot tegenhouden kon, had zich weer van hem meester gemaakt. Hij
-zelf bezat niet meer de kalmte, de ijskoude en wanhopige
-troosteloosheid van dien ochtend. Toen hij weer in den huiverenden
-nevel van de straat stond, voelde hij opnieuw zijn koorts, het vuur der
-barmhartigheid, dat de aanblik van zooveel afschuwelijke en steeds weer
-nieuwe ellende in hem had doen ontbranden. Neen, neen, er bestond te
-veel lijden: hij wilde nog strijden, Laveuve redden, een weinig vreugde
-bereiden aan zooveel arme menschen. Het nieuwe experiment lag in dit
-Parijs, dat hij zoo mysterieus en zoo angstaanjagend onder de dreigende
-hand van de onvermijdelijke gerechtigheid had zien liggen. En hij
-droomde van een heldere, gezondheid gevende en bevruchtende zon, die
-van de stad het groote, vruchtbare veld zou maken, waaruit de betere
-wereld van morgen zou opschieten.
-
-
-
-
-II.
-
-Dien ochtend had er, zooals bijna iederen dag, een intiem dejeuner
-plaats bij de Duvillards: enkele vrienden, die meer zichzelf
-uitnoodigden dan dat zij uitgenoodigd werden. In dezen killen dooi- en
-mistdag was het koninklijke hôtel in de rue Godot-de-Mauroy, dicht bij
-den boulevard de la Madeleine, versierd met de zeldzaamste bloemen, een
-manie van de barones, die de hooge, weelderige en met de mooiste
-kunstschatten gevulde vertrekken in warme, geurige serres veranderde,
-waarin het trieste, vale daglicht van Parijs tot een zachte, streelende
-liefkoozing werd.
-
-De groote receptiesalons op den rez-de-chaussée zagen uit op de groote
-binnenplaats; daarvoor lag een klein wintertuintje, waarin steeds twee
-lakeien in donkergroene livrei met gouden tressen wachtten. Een
-beroemde schilderijenverzameling, die op millioenen geschat werd, nam
-de geheele Noordzijde in, terwijl een eeretrap, die even beroemd en
-even kostbaar was, naar de gewoonlijk door de familie bewoonde
-vertrekken leidde: een grooten, rooden salon, een kleinen salon in
-blauw en zilver, een studievertrek, waarvan de muren met oud leder
-bekleed waren, een lichtgroene, op Engelsche wijze gemeubileerde
-eetkamer, afgezien nog van de talrijke slaap- en toiletkamers. Het uit
-den tijd van Lodewijk XIV dateerende hôtel had een voornamen adel
-bewaard, als had het zich aan den genotzuchtigen smaak van den
-triompheerenden, sedert een eeuw door de nieuwe almacht van het geld
-regeerenden smaak, overgegeven en onderworpen.
-
-Het had nog geen twaalf uur geslagen. Baron Duvillard was, tegen zijn
-gewoonte in, het eerst in den kleinen salon in blauw en zilver. Het was
-een flinke, krachtige zestiger met een grooten neus, dikke wangen, een
-breeden mond met nog mooi gebleven wolfstanden. Doch hij was reeds
-vroeg kaal geworden, verfde de weinige haren, die hij nog over had, en
-schoor zich, sedert zijn baard grijs geworden was, geheel glad. Zijn
-grijze oogen verrieden zijn vermetelheid, zijn lach klonk als die van
-een veroveraar. Zijn geheele gezicht drukt de inbezitneming van die
-verovering, de heerschappij van den gewetenloozen gebieder uit, die van
-de door zijn kaste gestolen en vastgehouden macht gebruik en misbruik
-maakte.
-
-Hij deed een paar passen en bleef dan voor een prachtige mand met
-orchideeën naast het raam staan. Op den schoorsteenmantel en op de
-tafel geurden ruikers viooltjes. In den slaperig makenden parfum, in de
-diepe, warme stilte, die uit het behang scheen te vallen, strekte hij
-zich makkelijk uit in een der blauwzijden, met zilverdraad bewerkte
-fauteuils; dan nam hij een courant uit zijn zak en begon voor de tweede
-maal een artikel te lezen, terwijl het geheele paleis om hem heen hem
-zijn reusachtig vermogen, zijn souvereine macht, de geheele
-geschiedenis van de eeuw, die hem tot gebieder gemaakt had, voor den
-geest riep. Zijn grootvader, Jérôme Duvillard, zoon van een advocaat te
-Poitou, was in 1788 op achttienjarigen leeftijd als notarisklerk naar
-Parijs gekomen; taai, intelligent en hebzuchtig als hij was, had
-hij—eerst met het speculeeren in nationale goederen en later als
-leverancier der keizerlijke legers—de drie eerste millioenen verdiend.
-Zijn vader, Grégoire Duvillard, de zoon van Jérôme, geboren in 1805,
-was de groote man der familie, degene, die het eerst in de rue
-Godot-de-Mauroy regeerde, nadat koning Louis-Philippe hem den
-baronstitel verleend had, en bleef onder de Julimonarchie en onder het
-tweede keizerrijk door zijn schandaalverwekkende winsten bij alle
-beroemde diefstallen der speculatie, de mijn-, spoorweg- en
-Suez-aandeelen een der helden van de moderne financieele wereld. Hij
-zelf, Henri, geboren in 1836, had zich eerst op vijf-en-dertigjarigen
-leeftijd, kort na den oorlog en na den dood van baron Grégoire, met de
-zaken bemoeid, maar toen ook dadelijk met zoo’n razende begeerte, dat
-hij in een kwart eeuw het vermogen opnieuw verdubbeld had.
-
-Hij was de verderver, de verwoester, die alles wat hij aanraakte,
-bedierf en verslond; hij was ook de verleider, de kooper van veile
-zielen, die tegenover de nu eveneens hebzuchtig en ongeduldig geworden
-democratie de nieuwe tijden begrepen had. Zedelijk minder hoogstaand
-dan zijn vader en zijn grootvader, bezat hij de fout, dat het hem
-minder om de verovering dan om den buit te doen was; desniettemin was
-hij een verschrikkelijke man, een machtige triumphator, die met een
-zekeren blik zijn operaties overzag, met iederen streek van zijn hark
-millioenen samenraapte, met de regeeringen op vertrouwelijken voet
-stond en, zoo niet Frankrijk, dan toch een heel ministerie in zijn zak
-steken kon. In den tijd van een eeuw, in drie generaties had zich de
-reeds door den komenden storm bedreigde en aan het wankelen gebrachte
-heerschappij in hem belichaamd. En menigmaal werd zijn gestalte
-grooter, stak boven alles uit, werd de bourgeoisie zelf, die bij de
-deeling van 1789 ten koste van den vierden stand alles tot zich
-getrokken, zich met alles vetgemest had en niets teruggeven wil.
-
-Het artikel in het stuiversblaadje, dat de baron voor de tweede maal
-las, scheen hem zeer te interesseeren. De Voix du Peuple was een
-schendblad, dat, onder voorwendsel de beleedigde gerechtigheid en
-moraal te verdedigen, iederen ochtend, in de hoop zijn oplage daardoor
-te vergrooten, met een nieuw schandaal kwam. Dien ochtend prijkte met
-groote letters de titel: “De Afrikaansche spoorwegen. Een omkooperij
-van vijf millioen. Twee ministers verkocht. Dertig Kamerleden en
-senatoren gecompromitteerd.” Dan kondigde in een venijnig-hatelijk
-artikel de hoofdredacteur, de beruchte Sanier, aan, dat hij de lijst
-der twee-en-dertig Parlementsleden bezat en publiceeren zou, wier
-stemmen baron Duvillard bij de stemming over de Afrikaansche spoorwegen
-gekocht had. Een heele romantische geschiedenis werd daaraan verbonden:
-de avonturen van een Hunter, dien de baron als drijver gebruikt had en
-die nu op de vlucht was. Heel kalm las de baron iederen zin over,
-haalde zijn schouders op, ofschoon hij alleen was, en zeide in de
-rustige zekerheid van iemand, die zich gedekt voelt en te machtig is,
-om verontrust te worden, hardop:
-
-“De stommeling! Hij weet er nog minder van dan hij zegt!”
-
-Juist op dat oogenblik kwam de eerste gast, een elegant gekleede,
-knappe, nauwelijks vier-en-dertigjarige jongeman met lachende oogen,
-een fijnen neus, een gefriseerden baard en iets overmoedigs,
-lichtvaardigs, vogelachtigs in zijn manier van doen. Bij uitzondering
-scheen hij dien ochtend zenuwachtig en onrustig.
-
-“Zoo ben jij daar, Dutheil?” zeide de baron opstaande. “Heb je het
-gelezen?”
-
-En hij wees op de Voix du Peuple, die hij weer opvouwde en in zijn zak
-stak.
-
-“Zeker, ik heb het gelezen. Het is krankzinnig... Hoe is Sanier aan die
-lijst met namen gekomen? Er moet een verrader zijn!”
-
-De baron, die zich in zijn geheimen angst verkreukelde, keek hem kalm
-aan. Dutheil, de zoon van een bijna armen en zeer fatsoenlijken notaris
-te Angoulême, was door deze stad, dank zij den goeden naam van zijn
-vader, nog op zeer jeugdigen leeftijd als afgevaardigde naar de Kamer
-gezonden. Hij leefde daar een vroolijk leventje, dat als het ware een
-voortzetting was van zijn in nietsdoen en fuiven doorgebrachten
-studententijd; maar zijn elegante jonggezellenkamer in de rue de
-Serêne, zijn successen als knap man bij de vrouwen kostten hem veel
-geld. Zoo was hij al tot allerlei compromissen, tot alle mogelijke
-laagheden afgegleden als een luchthartig en onbezonnen man, die aan
-dergelijke kleinigheden niet het minste gewicht hecht.
-
-“Kom!” zeide de baron eindelijk. “Heeft Sanier de lijst? Ik betwijfel
-het hard, want er bestaat geen lijst, Hunter is niet zoo stom geweest
-er een te maken... En zelfs al was het zoo? Het is een heele gewone
-geschiedenis; er is niets gebeurd, wat bij zulke dingen niet altijd
-gebeurt!”
-
-Dutheil, die voor het eerst in zijn leven angstig was, luisterde naar
-hem in een behoefte, om gerustgesteld te worden.
-
-“Dat heb ik ook al tegen mezelf gezegd. De zaak heeft niets om het
-lijf.”
-
-Hij trachtte zijn glimlach terug te vinden; hij wist niet precies meer
-hoe hij in deze zaak aan die twaalf duizend francs kwam: òf het een
-leening was òf onder het voorwendsel van een fictieve publiciteit, want
-Hunter was zoo handig geweest om het schaamtegevoel van zelfs de minst
-jonkvrouwelijke gewetens te sparen.
-
-“Neen hoor, de zaak heeft niets om het lijf,” herhaalde Duvillard, die
-blijkbaar veel pleizier had in den angst van Dutheil. “Heb je Silviane
-gezien?”
-
-“Ik kom juist van haar vandaan; zij is woedend op u... Vanmorgen heeft
-zij gehoord, dat er geen quaestie van is, dat zij aan de Comédie komt.”
-
-Een kleur van woede maakte plotseling het gelaat van den baron purper.
-Hij, die zoo kalm en spottend gebleven was bij het dreigend schandaal
-van de Afrikaansche spoorwegen, verloor, zoodra het om dit meisje, den
-laatsten hartstocht van zijn zestig jaar, ging, zijn zelfbeheersching;
-zijn bloed kookte.
-
-“Komt zij niet aan de Comédie? En eergisteren hebben ze het me op het
-ministerie van Schoone Kunsten zoo goed als zeker beloofd.”
-
-Het was een eigenzinnige luim van die Silviane d’Aulnay. Zij had tot
-nog toe op de planken slechts een schoonheidssucces behaald en stond er
-nu op aan de Comédie te komen, waar zij in Polyeucte als Pauline wilde
-debuteeren, een rol die zij al maanden lang als een bezetene
-bestudeerde. Het leek krankzinnigenwerk: heel Parijs lachte erom, want
-de jonge dame had den naam afgrijselijk pervers te zijn en zich aan de
-liederlijkste ontucht over te geven. Maar zij liet de menschen praten,
-eischte, zeker van haar overwinning, de rol.
-
-“De minister heeft niet gewild,” legde Dutheil uit.
-
-De baron stikte bijna van woede.
-
-“De minister, de minister! Dan zal ik dien minister laten vallen.”
-
-Hij kon er niet verder op in gaan, want baronesse Duvillard kwam
-binnen. Ondanks haar veertig jaren was zij nog een mooie, knappe vrouw,
-hoogblond, groot, alleen wat te gezet, met prachtig geconserveerde
-schouders en armen en een vlekkelooze zijden huid. Alleen haar gelaat
-begon de sporen van den ouderdom te vertoonen, eenigszins te verwelken
-en vlekkerig-rood te worden. Dat was haar ieder uur terugkeerende
-kwelling en zorg. Haar Joodsche afkomst sprak uit het eenigszins lange
-gelaat, dat een zeldzame charme had, en de wellustig-zachte oogen.
-Indolent als een Oostersche slavin, had zij een afkeer van beweging,
-van loopen en zelfs van spreken, scheen zij met haar voortdurende zorg
-voor haar eigen persoon, als voor den harem geschapen. Dien dag was zij
-geheel in het wit: een verrukkelijk, schitterend-eenvoudig toilet.
-
-Met een verrukt gezicht complimenteerde Dutheil haar en kuste haar
-hand.
-
-“U brengt weer wat lente in mijn ziel, barones. Parijs is vanochtend
-zoo donker en modderig.”
-
-Maar een tweede gast kwam binnen, een knappe, flinke man van vijf- of
-zes-en-dertig jaar; en de baron, geheel door zijn hartstocht
-opgezweept, maakte van de gelegenheid gebruik, om Dutheil mede te nemen
-naar zijn studeerkamer.
-
-“Ga even met me mede. Ik wou nog een paar woorden over die quaestie
-zeggen... Mijnheer de Quinsac wil mijn vrouw wel een oogenblik
-gezelschap houden.”
-
-Zoodra zij met de Quinsac, die haar eerbiedig de hand gekust had,
-alleen was, keek zij hem lang en zwijgend aan, terwijl haar mooie,
-liefdevolle oogen zich met tranen vulden. In de diepe, eenigszins
-pijnlijke stilte, die ontstaan was, zeide zij eindelijk fluisterend:
-
-“Wat voel ik mij gelukkig een oogenblik met je alleen te zijn, beste
-Gérard. In geen maand heb je me dat geluk gegund.”
-
-De manier, waarop Henri Duvillard met de jongste dochter van Justus
-Steinberger, den rijken Joodschen bankier, getrouwd was, vormde nog
-steeds een legendarische geschiedenis. Evenals de Rothschilds waren de
-Steinbergers in den beginne met hun vieren broers: Justus te Parijs, de
-drie andere te Berlijn, Weenen en Londen, wat hun geheim
-bondgenootschap een groote kracht, een internationale en almachtige
-heerschappij over de Europeesche geldmarkt gaf. Justus was de minst
-rijke van de vier en had in baron Grégoire een te duchten tegenstander,
-met wien hij om alle groote prooien moest strijden. Na zulk een verwoed
-tweegevecht in een hebzuchtige verdeeling van den buit, was hij op het
-scherpzinnige denkbeeld gekomen zijn jongste dochter Eve te laten
-trouwen met Henri, den zoon van den baron. Deze was tot nog toe voor
-een aardigen jongen, een sport- en clubman doorgegaan: de berekening
-van Steinberger was blijkbaar, dat hij na den dood van den reeds door
-de doktoren opgegeven baron de hand zou kunnen leggen op de
-concurreerende bank, wanneer hij alleen maar een makkelijk te
-overwinnen schoonzoon tegenover zich had. Juist in dien tijd was Henri
-hartstochtelijk verliefd geworden op de toenmaals schitterende, blonde
-schoonheid van Eve. Hij wilde haar bezitten, en de vader, die zijn zoon
-kende, had toegestemd en lachte in zijn vuistje om “de kat, die Justus
-in den zak kocht”, zooals hij het zelf noemde.
-
-En inderdaad was het huwelijk voor Justus een ramp gebleken, want na
-den dood van zijn vader kwam achter den genotsmensch de op buit beluste
-man te voorschijn in Henri, die zich in de uitbuiting van de ontketende
-begeerten der nu eindelijk in het bezit der macht zijnde burgerlijke
-democratie het grootste deel naar zich toe haalde. Niet alleen had Eve
-Henri, die op zijn beurt de almachtige bankier werd, welke meer dan
-ooit de markt beheerschte, niet verslonden, maar had de baron in minder
-dan vier jaar Eve opgegeten en verteerd. Nadat hij haar vlak achter
-elkaar moeder van een dochter en een zoon gemaakt had, verwijderde hij
-zich gedurende haar laatste zwangerschap plotseling van haar, als had
-hij een walg van haar gekregen—als van een vrucht waarvan men genoeg
-genoten heeft en die men wegwerpt. Toen zij hoorde, dat hij tot zijn
-jonggezellenleven terugkeerde en het met andere vrouwen hield, was zij
-eerst verbaasd en wanhopig geweest, doch al heel spoedig had zij,
-zonder verwijten te doen of een poging te wagen om hem weer voor zich
-te veroveren, harerzijds ook een amant genomen.
-
-Den amant, dien zij op haar vijf-en-twintigste jaar gekozen had,
-behield zij meer dan vijftien jaar; zij was hem volmaakt trouw, zooals
-zij haar echtgenoot trouw gebleven zou zijn. Toen hij stierf, was zij
-diep bedroefd, voelde zij zich als een weduwe. Maar toen zij zes
-maanden later graaf Gérard de Quinsac ontmoette, kon zij aan haar drang
-naar liefde geen weerstand bieden, gaf zij zich aan hem.
-
-“Beste Gérard,” ging zij, toen zij zag, hoe verlegen de jonge man was,
-op haar moederlijk-verliefden toon voort; “ben je ziek geweest of is er
-iets, dat je hindert en dat je me verbergt?”
-
-Zij was tien jaar ouder dan hij; en ditmaal klemde zij zich als een
-wanhopige aan die laatste liefde vast; met geheel haar wezen, dat in
-opstand kwam tegen het oud worden, aanbad zij den mooien jongen man,
-was zij bereid om te strijden ten einde hem tot iederen prijs te
-behouden.
-
-“Neen, ik houd heusch niets voor je verborgen,” antwoordde de graaf.
-“Maar mijn moeder heeft de laatste dagen op bijna al mijn tijd beslag
-gelegd.”
-
-Zij bleef hem met haar ongerusten hartstocht aankijken; zij vond hem
-zoo voornaam en edel met zijn regelmatig gezicht en zijn donkerbruine
-snor. Hij behoorde tot een der oudste familiën van Frankrijk en woonde
-samen met zijn moeder, een weduwe, die door haar man, een
-avontuurlijken geest, geheel geruïneerd was, maar toch op een
-rez-de-chaussée in de rue Saint-Dominique met haar rente van hoogstens
-vijftienduizend francs volgens haar stand leefde. Hij zelf had nooit
-iets gedaan, zijn verplichten diensttijd vervuld, maar afstand gedaan
-van de militaire loopbaan, zooals hij dat deed van de diplomatieke, de
-eenige, die eervol voor hem openstond. Zijn dagen bracht hij door in
-het drukke nietsdoen van jongelieden, die het Parijsche leven leiden.
-Zelfs zijn trotsche, strenge moeder scheen dat te verontschuldigen,
-alsof zij van meening was, dat een man van zijn afkomst zich onder een
-republiek, bij wijze van protest, op den achtergrond moest houden. Maar
-ongetwijfeld had zij nog andere, meer intieme en verontrustende redenen
-om alles door de vingers te zien. Op zijn zevende jaar had zij hem door
-een hersenontsteking bijna verloren, op zijn achttiende had hij over
-zijn hart geklaagd; de doktoren rieden aan hem in elk opzicht te
-ontzien. Zij wist dus welk een leugen zich achter die krachtige
-gestalte, dat trotsche uiterlijk verborg. Hij was niets dan asch, die
-steeds door ziekte en dood bedreigd werd. Achter zijn schijnbare
-manlijkheid was niets dan vrouwelijke willoosheid, een goed, zwak, voor
-alle vernederingen ontvankelijk wezen.
-
-Bij een bezoek, dat hij met zijn streng-vrome moeder aan het Asile des
-Invalides du Travail bracht, had hij voor het eerst Eve ontmoet. Door
-zich aan hem te geven, had zij hem veroverd, en hij bleef bij haar
-komen, omdat hij haar nog altijd begeerlijk vond en niet wist hoe hij
-met haar breken kon. Zijn moeder sloot de oogen voor deze zondige
-liaison, zooals zij dat al voor zoovele dwaasheden gedaan had, die zij
-hem als aan een ziek kind vergaf. Bovendien had Eve hem nog veroverd
-door een daad, die de geheele wereld versteld deed staan. Plotseling
-hoorde men, dat monseigneur Martha haar tot het Katholicisme bekeerd
-had. Dat, wat zij voor haar wettigen man niet had willen doen, deed
-zij, om zich voor altijd van de liefde van een amant te verzekeren.
-Heel Parijs sprak nog van de pracht en de praal, die bij de
-doopplechtigheid van die vijf-en-veertigjarige Jodin, wier schoonheid
-en tranen aller harten geroerd hadden, in de Madeleine ten toon
-gespreid was.
-
-Dit groote bewijs van liefde streelde Gérard’s ijdelheid nog steeds.
-Toch begon hij genoeg van haar te krijgen, had hij getracht met haar te
-breken door samenkomsten te vermijden; hij begreep dan ook heel goed
-wat zij hem met haar smeekende oogen vroeg.
-
-“Heusch,” herhaalde hij, reeds zwak wordend; “mijn moeder heeft mij
-geen dag vrij gelaten. Je begrijpt, hoe heerlijk ik het gevonden
-had...”
-
-Zonder een woord te zeggen, bleef zij hem smeeken; tranen kwamen aan
-den rand van haar oogwimpers. Het was nu al een groote maand geleden,
-dat zij elkaar voor het laatst in hun klein kamertje in de rue Matignon
-gezien hadden. Goed en zwak, evenals zij, gaf hij toe, was hij niet in
-staat lang te weigeren.
-
-“Vanmiddag dan, als je wilt. Om vier uur, zooals gewoonlijk.”
-
-Hij had fluisterend gesproken, maar een zacht geluid deed hem omkijken
-en rillen als een man, die op heeterdaad betrapt wordt. Het was
-Camille, de dochter van de barones, die binnenkwam. Zij had niets
-gehoord, maar uit hun glimlach, uit het beven der lucht zelf, had zij
-alles begrepen: weer een rendez-vous in de straat, die zij vermoedde,
-en nog vanmiddag. Een pijnlijk zwijgen volgde; onrustige, booze blikken
-werden gewisseld.
-
-De thans drie-en-twintigjarige Camille was een donkere, eenigszins
-mismaakte brunette; haar linkerschouder was hooger dan haar rechter.
-Zij geleek noch op haar vader, noch op haar moeder: het was een van die
-onvoorziene toevallen in de herediteit van een familie, waarbij men
-zich afvraagt vanwaar zij komen. Haar eenige trots waren haar mooie
-donkere oogen en haar bewonderenswaardig zwart haar, dat haar kleine
-gestalte geheel omhullen kon, naar men zeide. Maar haar neus was lang,
-haar gezicht iets naar links getrokken, haar kin spits, haar trekken
-iets ingedrukt. De smalle, geestige, boosaardige mond verried den
-opgekropten wrok, de perverse woede, die in dit leelijke en om die
-leelijkheid verbitterde meisje verborgen was. Degene, die zij op de
-wereld het meest verafschuwde, was haar moeder, die nooit van haar
-gehouden, zich nooit met haar bemoeid, haar van de wieg af aan de
-zorgen van dienstboden overgelaten had. Op die wijze was er tusschen
-die beide vrouwen een ware haat ontstaan: bij de eene koud en zwijgend,
-bij de andere vurig en hartstochtelijk.
-
-De dochter haatte de moeder, omdat zij haar mooi vond en haar verweet
-haar niet even mooi gemaakt te hebben als zij zelf was. Iederen dag
-leed zij eronder, dat zij niet begeerd werd, dat aller begeerten nog
-uitgingen naar haar moeder. Daar zij grappig en bijtend boosaardig was,
-luisterde men graag naar haar en lachte om haar; maar de blikken van
-alle mannen, zelfs van de jongste, ja vooral van de jongste, keerden
-ten slotte weer terug naar de triompheerende moeder, die niet oud
-worden wilde. En thans had zij met haar wilde energie besloten haar
-haar laatsten amant te ontrooven en met dezen Gérard, wiens verlies
-haar ongetwijfeld dooden zou, te trouwen. Dank zij haar bruidsschat van
-vijf millioen ontbrak het niet aan huwelijkscandidaten; maar zij voelde
-zich volstrekt niet gevleid daardoor en placht met haar boosaardig
-lachje te zeggen: “Lieve Hemel, voor vijf millioen zouden zij er een
-uit de Salpêtrière [1] nemen.” Maar langzamerhand was zij zelf verliefd
-geworden op Gérard, die in zijn medelijdende goedheid steeds heel
-vriendelijk tegenover het jonge meisje was. Hij leed onder haar
-verlatenheid, van lieverlede liet hij zich inpalmen door haar dankbare
-liefde, die zij voor hem blijken liet; de mooie man voelde zich gevleid
-haar god te zijn, haar tot slavin te hebben; en bij zijn poging om te
-breken met de moeder, die hij moede begon te worden, voegde zich zeker
-ook de gedachte, zich te laten trouwen door de dochter, wat per slot
-van rekening een zeer makkelijke oplossing was, ofschoon hij het zich
-niet bekende, daar hij zich schaamde en erg opzag tegen al de
-verwikkelingen en tranen, die niet uitblijven konden.
-
-Het zwijgen bleef voortduren. Met haar scherpen, als een mes zoo
-snijdenden blik had Camille tegen haar moeder gezegd, dat zij alles
-wist; met een tweeden, smartelijken blik klaagde zij haar leed aan
-Gérard. Om het evenwicht tusschen de beide vrouwen weer te herstellen,
-vond hij niets dan het compliment:
-
-“Dag Camille... Ha, een havanabruine japon! Het is wonderlijk, zoo goed
-als eenigszins donkere kleeren je staan!”
-
-Camille keek schuin naar de witte japon van haar moeder en dan naar
-haar eigen toilet, dat nauwlijks haar hals en haar polsen zien liet.
-
-“Ja,” antwoordde zij lachend; “ik zie er alleen maar schappelijk uit,
-wanneer ik me niet als een jong meisje kleed.”
-
-Eve, die niet op haar gemak was, daar zij een mededinging, waaraan zij
-nog niet gelooven wilde, grooter voelde worden, gaf het gesprek een
-andere wending.
-
-“Is je broer niet thuis?”
-
-“Zeker, we zijn tegelijk naar beneden gekomen.”
-
-Hyacinthe, die juist binnenkwam, drukte met een moe gebaar Gérard de
-hand. Hij was twintig jaar, had het lichtblonde haar en het lange,
-Oostersch-kwijnende gezicht van zijn moeder, de grijze oogen en de
-dikke, gewetenloos hebzuchtige lippen van zijn vader. Op school was hij
-een slecht leerling geweest, verachtte alle beroepen zonder
-onderscheid, was vast besloten niets te doen. Door zijn vader bedorven,
-interesseerde hij zich slechts voor poëzie en muziek, leefde hij in een
-kring van artisten, snollen, bandieten en gekken, ging hij zelf prat op
-ondeugden en misdaden, affecteerde hij een walging voor al wat vrouw
-was, stond hij de belachelijkste philosophische en sociale denkbeelden
-voor, verviel altijd in uitersten en was achtereenvolgens collectivist,
-individualist, anarchist, pessimist, symbolist, ja zelfs sodomist
-geweest, zonder daarom, omdat het tot den goeden toon behoorde, op te
-houden Katholiek te zijn. In den grond der zaak was hij een domkop en
-een halve idioot. In het vierde geslacht was het krachtige, hebzuchtige
-bloed der Duvillards na de drie prachtige roofdieren, die het
-voortgebracht had, als uitgeput door de bevrediging van zijn
-hartstochten, tot dezen mislukten hermaphrodiet gedegenereerd, die niet
-eens in staat was tot groote misslagen en groote uitspattingen.
-
-Camille, die te veel verstand had, om de onbeduidendheid van haar
-broeder niet te merken, maakte zich vroolijk over hem: zij keek hem
-aan, zooals hij daar in zijn lange, geplooide jas stond, een
-romantische, door hem nog overdreven wederopleving van een mode, en
-zeide:
-
-“Mama vraagt naar je, Hyacinthe... Kom, laat je onderrok eens zien. Wat
-zou jij er in meisjeskleeren aardig uitzien!”
-
-Maar zonder te antwoorden, ging hij naar een ander gedeelte der kamer.
-Hoewel zij heel vertrouwelijk met elkaar omgingen, elkaar hun perverse
-denkbeelden vertelden en vergeefs trachtten elkaar te overtroeven,
-koesterde hij een heimelijke vrees voor zijn zuster. Hij wierp een
-minachtenden blik op de mand orchideeën, een ouderwetsche, burgerlijk
-geworden mode. Hij had de lelies reeds achter zich en was nu bij den
-ranonkel, de bloedbloem.
-
-De twee laatste der gasten kwamen bijna tegelijk. Eerst kwam de rechter
-van instructie Amadieu, een intieme huisvriend, een kleine man van
-vijf-en-veertig jaar, dien een onlangs gevoerd anarchistenproces op den
-voorgrond gebracht had. Hij had een plat, regelmatig, door een grooten
-blonden bakkebaard omgeven magistratengezicht, waaraan hij een
-scherpzinnige uitdrukking trachtte te geven door steeds een monocle,
-waarachter zijn oog fonkelde, te dragen. Hij was een mondain man van de
-nieuwe school, een uitstekend psycholoog, had een boek geschreven als
-antwoord op de misbruiken der criminalistische physiologie, bezat een
-taaie eerzucht, zag graag, dat er veel over hem gesproken werd, loerde
-altijd op gelegenheden opzienbarende, roem gevende processen te
-krijgen. Ten slotte kwam nog generaal de Bozonnet, een oom van
-moederszijde van Gérard, een groote, magere grijsaard met een
-arendsneus. Door zijn rheumatiek had hij onlangs zijn ontslag moeten
-nemen. Tot belooning voor zijn heldhaftig gedrag bij Saint-Privat na
-den oorlog tot kolonel benoemd, was hij ondanks zijn monarchistische
-relaties, zijn aan Napoleon gezworen eed trouw gebleven. Men vergaf hem
-in zijn kringen dat soort militair bonapartisme, omdat hij de republiek
-met groote bitterheid beschuldigde het leger den genadeslag te hebben
-toegebracht. Verder was hij een fatsoenlijk man, die zijn zuster,
-madame de Quinsac, aanbad; met het aannemen der uitnoodigingen van de
-barones scheen hij vooral een wensch van zijn zuster te bevredigen, als
-om de voortdurende aanwezigheid van Gérard in dat huis natuurlijker en
-verklaarbaarder te doen schijnen.
-
-Nu echter kwamen de baron en Dutheil overdreven luid lachend uit de
-studeerkamer terug; blijkbaar wilden zij het doen voorkomen, alsof er
-niets was, dat hen hinderde. Men ging nu naar de eetkamer, waar een
-groot vuur brandde, welks vroolijke vlammen als voorjaarsstralen
-glansden tusschen de fijne, met zilverwerk en kristal beladen Engelsche
-meubelen van licht mahoniehout. Het in lichtgroen gehouden vertrek had
-in het vale daglicht een eigenaardige bekoring, terwijl de in het
-midden staande tafel met haar rijke couverts en haar wit, met
-Venetiaansche kant versierd tafellinnen, als door een wonder gebloeid
-scheen te hebben: een geheel veld met groote, voor den tijd van het
-jaar prachtige en heerlijk geurende theerozen.
-
-De barones liet den generaal rechts en Amadieu links van zich plaats
-nemen. De baron had Dutheil als rechter- en Gérard als linkerbuurman.
-De kinderen gingen aan de beide einden van de tafel zitten, Camille
-tusschen Gérard en den generaal, Hyacinthe tusschen Dutheil en Amadieu.
-Dadelijk na de roereieren met truffels ontspon zich een vertrouwelijk
-en vroolijk gesprek, het gewone Parijsche dejeunergesprek, waarin de
-groote en kleine gebeurtenissen van den vorigen avond en van den
-ochtend, de waarheden zoowel als de leugens, het financieele schandaal,
-de politieke gebeurtenissen, de laatst verschenen roman, het laatst
-gespeelde stuk, kortom al die verhalen de revue passeeren, die men
-elkaar eigenlijk moest influisteren, maar dààr hardop vertelt.
-
-Dapper en met zijn gewone kalme onbeschaamdheid begon de baron het
-eerst te spreken over het artikel in de Voix du Peuple.
-
-“Zeg eens, hebben jullie het artikel van Sanier vanochtend gelezen? Het
-is een van zijn beste, er zit verve in! Maar wat een gevaarlijke gek!”
-
-Het gezegde vroolijkte het geheele gezelschap op, want dit artikel zou,
-als niemand er een woord over gesproken had, als een zware last op het
-dejeuner gedrukt hebben.
-
-“Een tweede Panama!” riep Dutheil uit. “Maar nu krijgen we er toch
-genoeg van.”
-
-“Maar die geschiedenis met die Afrikaansche sporen is zoo helder als de
-dag,” begon de baron weer. “Al degenen, die Sanier zoo vreeselijk
-dreigt, kunnen gerust slapen. Het is niets anders dan een handigheidje,
-om Barroux als minister te doen vallen. Er zal wel heel gauw een
-interpellatie aangevraagd worden en dan heb je de poppen aan het
-dansen.”
-
-“Die schandaal- en lasterpers is iets, dat Frankrijk geheel ten gronde
-zal richten,” zeide Amadieu. “We moesten daar wetten tegen hebben.”
-
-De generaal maakte een toornig gebaar.
-
-“Wetten? Waarom? Ze hebben toch niet den moed om ze toe te passen.”
-
-Er volgde een stilte. De maître d’hôtel diende geroosterde zeebarbeelen
-rond. Het opdienen geschiedde zoo zacht, dat men in de warme, geurige
-stilte der kamer niet eens het rinkelen van het vaatwerk hoorde. Zonder
-dat men wist hoe, was het gesprek plotseling op een ander onderwerp
-gekomen.
-
-“De reprise van het stuk is immers uitgesteld?” vroeg een stem.
-
-“Ja,” zeide Gérard; “ik heb gehoord, dat Polyeucte op zijn vroegst in
-April gaan zal.”
-
-Camille, die tot nog toe gezwegen had en den jongen man weer voor zich
-trachtte te winnen, keek haar vader en haar moeder met haar
-schitterende oogen aan. Men had het over de reprise, waarin Silviane
-met alle geweld wilde debuteeren. Maar de baron en de barones bleven
-volkomen kalm, want reeds sedert zeer langen tijd behoefden zij niets
-voor elkaar te verbergen. Eve was zoo gelukkig met het rendez-vous, dat
-zij voor dien middag gekregen had. Zij dacht alleen aan dat geluk en
-was in haar verbeelding reeds in het liefdesnestje, terwijl zij, zonder
-het zich bewust te zijn, tegen haar gasten glimlachte. De baron had het
-in zijn gedachten veel te druk met de nieuwe stappen, die hij bij het
-ministerie van Schoone Kunsten doen wilde, om het engagement met geweld
-door te drijven. Hij zeide alleen:
-
-“Hoe moeten ze ook in de Comédie stukken opnieuw monteeren? Zij hebben
-geen vrouwen meer.”
-
-“Wat had gisteren Delphine Vignet in den Vaudeville een prachtige
-japon. En niemand verstaat zoo de kunst om zich te kappen als zij.”
-
-Toen vertelde Dutheil, terwijl hij terwille van Camille zijn woorden
-voorzichtig koos, de amourette van Delphine met een welbekend senator.
-Dan kwam een ander schandaal ter sprake, de dood van een vriendin des
-huizes, die te brutaal door een chirurg geopereerd was, een zaak, die
-bijna in de handen van Amadieu gekomen was. De generaal maakte hiervan
-gebruik, om—zonder eenigen overgang—zijn gewone bittere uitvallen tegen
-de idiote organisatie van het tegenwoordige leger te plaatsen. De oude
-Bordeaux fonkelde als donkerrood bloed in de kristallen glazen; een
-reebout met truffels had zijn eenigszins scherpen geur vermengd met den
-uitstervenden parfum der rozen, toen de asperges gepresenteerd
-werden—een vroeger zeer zeldzame primeur, die thans echter zelfs geen
-verwondering meer verwekte.
-
-“Die heb je tegenwoordig den heelen winter,” zeide de baron
-teleurgesteld.
-
-“En gaat vanmiddag de matinée van prinses de Hardt nog door?” vroeg
-Gérard op hetzelfde oogenblik.
-
-“Ja. Ga je erheen?” was Camille’s antwoord.
-
-“Neen, ik denk het niet. Ik zal niet kunnen,” zeide de jonge man
-verlegen.
-
-“Die kleine prinses is heusch een beetje geschift,” zeide Dutheil.
-“Jullie weten toch, dat ze zichzelf voor weduwe uitgeeft. Maar in
-werkelijkheid moet haar man, een echte prins, die aan een koninklijke
-familie verwant is, met een zangeres de wereld rondreizen. Zij heeft er
-de voorkeur aan gegeven in haar hôtel in de avenue Kléber te blijven
-regeeren, dat wel de vreemdste ark van Noach is, waarin het
-kosmopolitisme weelderig voortwoekert.”
-
-“Houd je mond toch, kwaadspreker!” viel de barones hem in de rede. “Wij
-mogen hier Rosemonde heel graag, het is een charmante vrouw.”
-
-“Zeker,” zeide Camille; “zij heeft ons geïnviteerd en we gaan straks
-naar haar toe, niet waar mama?”
-
-Om geen antwoord te behoeven te geven, deed zij, alsof zij de vraag
-niet gehoord had, terwijl Dutheil, die goed op de hoogte scheen te
-zijn, zich vroolijk bleef maken over de prinses en haar matinée, waarop
-Spaansche danseressen met een zoo wellustige en geile mimiek zouden
-optreden, dat heel Parijs zich in haar salons verdringen zou.
-
-“Zij heeft de schilderkunst laten varen en houdt zich nu bezig met
-scheikunde,” voegde Dutheil er nog aan toe. “Haar salon is thans vol
-anarchisten... Het komt mij zoo voor, of zij jou niet met rust kan
-laten, beste Hyacinthe.”
-
-Tot dat oogenblik had Hyacinthe, alsof het geheele gesprek hem koud
-liet, geen woord gezegd.
-
-“O, zij verveelt mij doodelijk,” verwaardigde hij zich te antwoorden.
-“Ik ga alleen naar haar matinée in de hoop er den jongen lord Elson te
-ontmoeten, die me daar van uit Londen rendez-vous gegeven heeft. Maar
-ik wil graag bekennen, dat het de eenige salon is, waar ik iemand vind,
-met wien ik praten kan.”
-
-“Dus ben je ook tot de anarchie overgegaan?” vroeg Amadieu ironisch.
-
-Onverstoorbaar en met een air van de hoogste elegantie zeide Hyacinthe:
-
-“Och, mijnheer, ik geloof, dat in dezen tijd van algemeene laagheid en
-vuilheid iemand van eenige distinctie niets anders dan anarchist zijn
-kan.”
-
-De geheele tafel lachte. Men verwende hem veel en vond hem heel
-grappig. Zijn vader vooral had er groot pleizier in, dat hij—hij! een
-anarchist tot zoon had, terwijl de generaal, wanneer hij zijn bittere
-uren had, vond, dat een maatschappij, die stom genoeg was om zich door
-een paar schurken te laten ringelooren, niet beter verdiende dan te
-verdwijnen. Alleen de rechter van instructie, die bezig was een
-specialist in anarchistenprocessen te worden, verdedigde de bedreigde
-maatschappij en deelde over wat hij het leger der verwoesting en der
-moorden noemde, verschrikkelijke bijzonderheden mede. Maar de andere
-gasten bleven glimlachen en lieten zich een werkelijk verrukkelijke
-eendenleverpastei goed smaken. Er was zooveel ellende, men moest alles
-begrijpen, de dingen zouden wel op hun pootjes terecht komen.
-
-“Maar in ieder geval,” zeide de baron op verzoenenden toon, “zou men
-toch iets kunnen doen. Wat? Dat weet niemand precies. Verstandige
-eischen neem ik bij voorbaat aan. Zoo bijvoorbeeld de verbetering van
-het lot van den arbeider, goede inrichtingen stichten, zooals ons Asile
-des Invalides du Travail, waarop we met recht trotsch kunnen zijn. Maar
-men moet ons niet het onmogelijke vragen.”
-
-Bij het dessert ontstond er een plotselinge stilte, alsof midden in het
-geratel van het gesprek en in den roes van het copieuse dejeuner ieders
-angst opnieuw zijn hart beklemde en vrees op de verontrustende
-gezichten te lezen was. Men zag weer de vrees van Dutheil voor een
-aanklacht, de angstige woede van den baron, die zich afvroeg, hoe hij
-het best Silviane’s wensch zou kunnen vervullen. Dat meisje was de
-vlek, die op hem, den sterke en machtige, kleefde, de geheime ziekte,
-die hem misschien zou wegvreten en verwoesten. Maar vooral zag men op
-de gezichten van de barones, Camille en Gérard het vreeselijke drama,
-die met haat vervulde rivaliteit tusschen de moeder en de dochter, die
-elkaar den man, welke zij liefhadden, betwistten. De vergulde mesjes
-schilden sierlijk de vruchten, er waren gouden trossen druiven en
-allerlei suikerwerk, koeken, een ontelbaar aantal lekkernijen werden
-rondgediend.
-
-Terwijl de vingerkommetjes rondgegeven werden, fluisterde een knecht de
-barones iets in, waarop deze zacht antwoordde:
-
-“Laat hem maar in den salon. Ik kom dadelijk.”
-
-En zich tot de gasten wendend:
-
-“Mijnheer de abbé Froment wil mij spreken. Hij zal ons niet storen; ik
-geloof, dat u hem allemaal kent. Een echt-vrome man, voor wien ik veel
-sympathie heb!”
-
-Men bleef nog even aan tafel zitten en verliet dan de eetkamer.
-
-Pierre was midden in den kleinen salon blijven staan. Toen hij op een
-tafel een blad met koffie en likeuren zag staan, kreeg hij spijt, dat
-hij aangedrongen had ontvangen te worden, en zijn verlegenheid werd nog
-grooter, toen de gasten eenigszins luidruchtig, met schitterende oogen
-en lichtgekleurde wangen binnenkwamen. Maar de vlam der barmhartigheid
-en der naastenliefde was weer zoo in hem opgelaaid, dat hij die
-verlegenheid overwon. Ten slotte had hij nog slechts het onbehaaglijk
-gevoel, dat hij den vreeselijken ochtend van ellende, dien hij
-doorleefd had, zooveel donkerte en koude, zooveel vuil en honger
-brengen kwam, in dit rijke, lichte, warme, met nuttelooze en overbodige
-dingen volgepropte huis, tusschen deze menschen, die door hun goed
-dejeuner in een vroolijke stemming schenen te zijn.
-
-Dadelijk ging de barones met Gérard naar hem toe, want door dezen was
-de priester, die madame de Quinsac goed kende, ten tijde van de
-beroemde bekeering aan de Duvillards voorgesteld. Toen Pierre zich
-verontschuldigde op dit uur te komen, zeide zij:
-
-“Maar u bent altijd welkom, mijnheer de abbé... Als u mij toestaat even
-voor mijn gasten te zorgen, dan ben ik dadelijk tot uw dienst!”
-
-Zij ging weer naar het blad terug, om met haar dochter de koffie en de
-likeuren rond te dienen. Gérard bleef bij hem en begon een gesprek over
-het Asile des Invalides du Travail, waar zij elkaar onlangs ontmoet
-hadden ter gelegenheid van de eerste steenlegging van een nieuw
-paviljoen, dat men dank zij een prachtige gift van honderdduizend
-francs van baron Duvillard kon bouwen. De stichting telde nog pas vier
-paviljoens, terwijl er in het oorspronkelijke plan gerekend was op
-twaalf, die makkelijk plaats vinden konden op de op het schiereiland
-Gennevilliers door de stad geschonken terreinen, zoodat de inschrijving
-nog steeds open stond en er veel lawaai gemaakt werd met deze
-liefdadigheidsinstelling, die een duidelijk antwoord zijn moest aan de
-booze tongen, welke de vetgemeste bourgeoisie beschuldigden niets voor
-de arbeiders te doen. In werkelijkheid had een prachtige kapel, die men
-midden op het terrein gebouwd had, twee derden van het bijeengebrachte
-kapitaal verslonden. Dames-patronessen uit alle kringen, barones
-Duvillard, gravin de Quinsac, prinses Rosemonde de Harth en nog twintig
-anderen, hadden tot taak de stichting door inzamelingen en bazars in
-het leven te houden. Maar het succes was toch voornamelijk te danken
-aan de gelukkige gedachte, dat men de dames van de groote zorgen der
-organisatie ontheven had door den hoofdredacteur van den Globe, den
-afgevaardigde Fonsègue, een uitstekend zakenman, tot
-hoofd-administrateur benoemd had. De Globe maakte voortdurend
-propaganda, beantwoordde de aanvallen der revolutionnairen met de
-onuitputtelijke barmhartigheid der leidende klassen, en zoodoende had
-de stichting bij de laatste verkiezingen als een triomphantelijk
-verkiezingswapen dienst gedaan.
-
-Camille kwam met een dampend kopje koffie naar hem toe:
-
-“U een kopje koffie, mijnheer de abbé?”
-
-“Neen, dank u, mademoiselle!”
-
-“Een glaasje chartreuse dan?”
-
-“Neen, werkelijk niet.”
-
-Toen iedereen bediend was, kwam de barones naar hem terug en vroeg
-vriendelijk:
-
-“En waarmede kan ik u nu van dienst zijn, mijnheer de abbé?”
-
-Pierre begon bijna fluisterend, zijn keel werd als dichtgeknepen door
-een ontroering, die zijn hart luid deed kloppen.
-
-“Ik kom een beroep doen op uw groote goedheid, mevrouw. Ik heb
-vanochtend in een verschrikkelijk huis in de rue des Saules achter
-Montmartre een schouwspel gezien, dat mij tot in het diepst van mijn
-ziel ontroerd heeft... U kunt u geen denkbeeld vormen van een
-dergelijke armoede en ellende, families zonder vuur of brood, mannen
-zonder werk, moeders, die geen melk meer hebben voor haar zuigelingen,
-kinderen, die nauwlijks kleeren aan hun lichaam hebben... En onder
-zooveel verschrikkingen heb ik de ergste, de afschuwelijkste gezien: op
-een hoop lompen, in een hoek, waar een hond zijn neus voor optrekken
-zou, lag een arbeider, die van ouderdom niet meer werken kan, van
-honger te sterven.”
-
-Hij trachtte alles zoo omzichtig mogelijk te zeggen; hij schrok bijna
-van de woorden, die hij zeide, van de dingen, die hij vertelde in deze
-omgeving van groote luxe en genot, in tegenwoordigheid van deze met
-aardsche vreugde verzadigde gelukkigen, want hij voelde heel goed, dat
-hij hier een wanklank bracht. Hoe was hij op het denkbeeld gekomen, om
-op dit uur te gaan, wanneer het dejeuner juist afgeloopen is, wanneer
-het aroma der dampende koffie de zalige digestie streelt! Toch bleef
-hij doorspreken, verhief ten slotte, toegevend aan het verzet, dat hem
-prikkelde, zijn stem, vertelde zijn verhaal verder, noemde den naam van
-Laveuve, vroeg in naam van het menschelijk medelijden hulp en steun.
-Alle gasten waren dichterbij gekomen, om naar hem te luisteren; hij zag
-den baron, den generaal, Dutheil en Amadieu voor zich staan, die
-zwijgend, zonder een gebaar, met kleine slokjes hun koffie leegdronken.
-
-“Kort en goed, mevrouw,” eindigde hij; “die oude man kan geen uur
-langer in dien vreeselijken toestand blijven, en ik hoop, dat u zoo
-goed zult zijn hem vanavond nog te laten opnemen in het Asile des
-Invalides du Travail, waar zijn aangewezen plaats is.”
-
-Tranen waren in de mooie oogen van Eve gekomen. Zij was geheel van
-streek door deze treurige geschiedenis, die midden in de vreugde, welke
-zij van den namiddag verwachtte, vallen kwam. Daar zij indolent en
-zonder initiatief was, had zij het voorzitterschap van het comité
-slechts aanvaard onder voorwaarde, dat Fonsègue al de administratieve
-zorgen op zich zou nemen.
-
-“O, mijnheer de abbé,” prevelde zij, “u verscheurt mijn hart. Maar ik
-kan niets, absoluut niets doen... Trouwens ik geloof, dat wij dat geval
-van Laveuve reeds onderzocht hebben... U weet, dat er bij ons slechts
-personen onder de strengste waarborgen genomen worden. Wij benoemen een
-rapporteur, die ons verslag moet uitbrengen. Hebt u u indertijd niet
-met het geval Laveuve belast, mijnheer Dutheil?”
-
-De afgevaardigde dronk juist zijn glaasje chartreuse uit.
-
-“Ja zeker, dat heb ik... Die kerel heeft u aardig voor den gek
-gehouden, mijnheer de abbé. Hij is heelemaal niet ziek, en wanneer u
-geld achtergelaten hebt, kunt u er zeker van zijn, dat hij het
-onmiddellijk na uw vertrek is gaan verdrinken. Want hij is altijd
-dronken en bovendien heeft hij het afschuwelijkste karakter, dat je je
-denken kan. Hij scheldt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat op de
-bourgeois en zegt, dat hij, wanneer hij nog armen had, de geheele
-wereld in de lucht zou laten vliegen. Trouwens hij wil niet eens in het
-Asile, dat is, volgens zijn zeggen, een echte gevangenis, waarin je
-bewaakt wordt door begijntjes, die je dwingen naar de mis te gaan; een
-vuil klooster, waar je ’s avonds om negen uur naar bed moet! En zoo
-zijn er zoovelen, die hun vrijheid met koude, honger en dood boven het
-Asile verkiezen... Laten die Laveuve’s maar op straat krepeeren,
-wanneer zij weigeren bij ons te komen, zich in onze asyls te verwarmen
-en te eten!”
-
-De generaal en Amadieu knikten toestemmend, maar Duvillard was
-edelmoediger.
-
-“Neen, neen, een mensch is een mensch en je moet hem helpen zelfs tegen
-zijn wil.”
-
-Eve, die wanhopig was, bij de gedachte, dat men haar haar middag
-ontnemen zou, zocht allerlei uitvluchten.
-
-“Ik verzeker u, dat ik aan handen en voeten gebonden ben. Mijnheer de
-abbé, twijfel niet aan mijn hart noch aan mijn toewijding. Maar hoe kan
-ik, zonder dat er een paar dagen mee heengaan, het damescomité bij
-elkaar krijgen, en zonder dat kan ik onmogelijk een besluit nemen,
-vooral niet in een geval, dat reeds onderzocht en waarin een beslissing
-genomen is.”
-
-Plotseling vond zij een oplossing.
-
-“Maar wat ik u raden zou, mijnheer de abbé; ga dadelijk naar mijnheer
-Fonsègue, onzen hoofd-administrateur. In een dringend geval kan hij
-alleen handelen, want hij weet, dat de dames een onbeperkt vertrouwen
-in hem hebben en alles, wat hij doet, goedkeuren.”
-
-“U zult Fonsègue in de Kamer vinden,” voegde Dutheil eraan toe; “maar
-ik betwijfel of u rustig met hem zult kunnen spreken, want het belooft
-een warme zitting te worden.”
-
-Pierre drong niet langer aan en besloot onmiddellijk naar Fonsègue te
-gaan en in ieder geval de opneming van den ongelukkige, wiens beeld hem
-vervolgde, nog vóór den avond door te drijven. Hij bleef nog eenige
-minuten staan praten met Gérard, die hem een middel aan de hand deed om
-den afgevaardigde te overtuigen: hij moest hem wijzen op de slechte
-uitwerking, die een dergelijke geschiedenis hebben kon, wanneer zij in
-de revolutionnaire bladen ruchtbaarheid kreeg. De andere gasten
-begonnen ook aanstalten tot vertrek te maken. Alvorens weg te gaan,
-vroeg de generaal aan zijn neef, of hij hem ’s middags nog zien zou bij
-zijn moeder, wier jour het was: een vraag, waarop de jonge man met een
-ontwijkend gebaar antwoordde, toen hij zag, dat Eve en Camille naar hem
-keken. Dan nam Amadieu, die zeide, dat hij voor een dringende zaak in
-het Paleis van Justitie zijn moest, afscheid. En weldra volgde Dutheil
-hem, om naar de Kamer te gaan.
-
-“Dus afgesproken, van vier tot vijf bij Silviane,” zeide de baron, die
-hem uitliet, tegen hem. “Kom me bij haar vertellen, wat er in de Kamer
-gebeurd is ten gevolge van dat beroerde artikel van Sanier. Ik moet het
-toch weten... Ik zelf zal naar het ministerie van Schoone Kunsten gaan,
-om die zaak van de Comédie in orde te brengen, en dan heb ik nog
-verschillende dingen te doen, conferenties met aannemers en een
-belangrijke publiciteitsquaestie, die ik nog regelen moet.”
-
-“Ja, van vier tot vijf bij Silviane, zoo als gewoonlijk,” zeide de
-afgevaardigde, die toch alles behalve gerust was over de wijze, waarop
-het met die beroerde geschiedenis van de Afrikaansche sporen zou
-afloopen.
-
-En allen hadden reeds den ongelukkigen Laveuve, die met den dood
-worstelde, vergeten; allen liepen hun zorgen, hun hartstochten na: het
-drijfwerk had hen weer gegrepen; zij waren weer onder den molensteen
-gekomen, in de wilde jacht van Parijs, die hen met zich voerde en in
-een heftigen schok tegen elkander botsen liet, waarbij het erom ging,
-wie het eerst over de lichamen der anderen zijn doel bereiken zou.
-
-“Dus u gaat met ons mee naar de matinée van de prinses, mama?” vroeg
-Camille, die haar moeder en Gérard bleef opnemen.
-
-“Ja, dadelijk... Maar ik kan niet blijven, want ik heb vanmorgen een
-telegram van Salmon gekregen, dat ik beslist om vier uur mijn japon
-moet komen passen.”
-
-Aan het beven van Eve’s stem voelde Camille, dat haar moeder loog.
-
-“O, ik dacht, dat u morgen pas moest passen... Nu, dan zullen wij u na
-afloop der matinée met het rijtuig bij Salmon komen halen.”
-
-“Neen, dat is volstrekt niet noodig, beste meid! Je weet nooit van te
-voren, wanneer je klaar bent, en als ik nog tijd vinden kan, ga ik naar
-de modiste.”
-
-Een heimelijke woede deed een moordlustige vlam in de donkere oogen van
-Camille ontbranden. Er was geen twijfel meer mogelijk aan het
-rendez-vous. Maar ondanks haar hartstochtelijken drang, om een
-hinderpaal uit te denken, kon zij, durfde zij de zaak niet verder
-drijven. Zij had vergeefs getracht Gérard smeekend aan te zien, maar
-deze wendde zijn hoofd af en stond gereed om te vertrekken. Pierre,
-die, sedert hij bij de Duvillards kwam, van heel veel dingen op de
-hoogte was, voelde, dat zich hier een vreeselijk zwijgend drama
-afspeelde.
-
-Uitgestrekt in een fauteuil, beet Hyacinthe op een aethercapsule, de
-eenige likeur, die hij gebruikte. Dan zeide hij:
-
-“Ik ga naar de tentoonstelling Lis. Heel Parijs verdringt zich daar. Er
-is een beeld “De verkrachting van een ziel”, dat men bepaald gezien
-moet hebben.”
-
-“Maar ik wil er heel graag met jullie naar toe gaan,” zeide de barones.
-“We kunnen er, vóór naar de prinses te gaan, wel even inloopen.”
-
-“Graag, graag!” riep Camille uit, die anders gewoonlijk hardvochtig den
-spot dreef met de symbolistische schilders, maar nu blijkbaar hoopte
-een middel te vinden haar moeder op te houden.
-
-En zich dan tot een glimlachje dwingend:
-
-“Ga jij niet met ons mee naar Lis, Gérard?”
-
-“Neen, dank je wel!” antwoordde de graaf. “Ik heb behoefte om wat te
-loopen. Ik zal abbé Froment naar de Kamer brengen.”
-
-Met een handkus nam hij afscheid van moeder en dochter. Het was hem
-juist ingevallen, dat hij tot vier uur naar Silviane kon gaan, bij wie
-hij vrij op kon loopen, sedert hij een nacht bij haar geslapen had.
-
-“Het doet je goed wat frissche lucht in te ademen,” zeide hij tot den
-priester, toen zij op de ledige, stille binnenplaats gekomen waren. “Ze
-stoken te hard en die vele bloemen geven je hoofdpijn.”
-
-Eenigszins versuft ging Pierre weg; zijn handen gloeiden koortsachtig;
-zijn zinnen waren zwaar van al de luxe, dien hij daar achterliet als
-den droom van een gloeiend, geurig paradijs, waarin slechts
-uitverkorenen leefden. Zijn nieuwe drang tot naastenliefde was er des
-te grooter door geworden; hij dacht slechts aan een middel, om de
-opneming van Laveuve door te drijven, en luisterde niet naar den graaf,
-die vol liefde over zijn moeder sprak. De deur van het hôtel was achter
-hem dichtgevallen en zij hadden eenige stappen in de straat gedaan,
-toen hij plotseling het bewustzijn kreeg van een visioen. Had hij niet
-op den rand van het trottoir een arbeider zien staan kijken naar die
-monumentale deur, waarachter zich zulke fabelachtige rijkdommen
-verborgen? En was die arbeider niet Salvat met zijn gereedschapszak, de
-uitgehongerde man, die vanochtend uitgegaan was, om werk te zoeken?
-Vlug keerde hij zich om, want zulk een ellende tegenover zooveel genot
-en bezit maakte hem onrustig. Doch de werkman, die in zijn beschouwing
-gestoord was en misschien ook vreesde herkend te worden, verwijderde
-zich met een slependen stap. Toen Pierre hem nog slechts op zijn rug
-zag, weifelde hij en zeide hij ten slotte tot zichzelf, dat hij zich
-vergist had.
-
-
-
-
-III.
-
-Toen abbé Froment het Paleis Bourbon binnen wilde gaan, bedacht hij,
-dat hij geen kaartje bij zich had. Hij besloot reeds eenvoudig Fonsègue
-te laten roepen, hoewel deze hem niet kende, toen hij in de vestibule
-Mège zag, den collectivistischen afgevaardigde, met wien hij vroeger in
-den tijd van zijn militante naastenliefde op zijn zwerftochten door de
-ellende der wijk Charonne vriendschap gesloten had.
-
-“Wat, jij hier? Je komt toch geen zedepreeken voor ons houden?”
-
-“Neen, ik wou graag mijnheer Fonsègue spreken voor een dringende
-aangelegenheid: een ongelukkige, die niet wachten kan.”
-
-“Fonsègue? Ik weet niet of hij er al is... Wacht maar even.”
-
-Hij hield een kleinen, blonden man, die iets van een loerende muis had,
-aan en zeide:
-
-“Hé, Massot; mijnheer de abbé Froment hier zou graag dadelijk je
-patroon spreken.”
-
-“De patroon is er nog niet. Ik kom juist van het bureau, waar hij nog
-een kwartier te werken had. Wanneer mijnheer de abbé wachten wil, zal
-hij hem hier zeker kunnen spreken.”
-
-Mège liet nu Pierre in de groote, koude Salle des Pas perdus [2] met
-haar Laokoöon en haar bronzen Minerva gaan. De hooge, op den tuin
-uitziende glazen deuren lieten het bleeke en trieste licht van den
-winterdag op de kale muren vallen. Maar op dat oogenblik was de zaal
-vol en als verwarmd door een koortsachtige opwinding en drukte.
-Talrijke groepjes stonden te praten, terwijl voortdurend menschen
-kwamen en gingen en zich door de saamgedrongen menigte een weg baanden.
-Er waren vooral afgevaardigden, journalisten en eenvoudige
-belangstellenden. Steeds groeide het lawaai aan: fluisterend gevoerde
-en heftige gesprekken, uitroepen en gelach weerklonken te midden van
-hartstochtelijke gesticulaties.
-
-De terugkeer van Mège in dit lawaai scheen het tumult nog te
-verdubbelen. Hij was groot, mager als een apostel, zag er vrij
-ongesoigneerd en voor zijn vijf-en-veertig jaar reeds oud en afgeleefd
-uit; zijn nog brandend jonge oogen fonkelden achter de glazen van zijn
-bril, die nooit zijn smallen, snavelvormigen neus verliet. Van zijn
-jeugd af had hij gehoest, hij sprak afgebeten en vurig, en slechts de
-grimmige wil, den hem nooit loslatenden droom van de toekomstige
-maatschappij te verwezenlijken, hield hem in het leven. Als zoon van
-een armen dokter uit het Noorden was hij als jonge man naar Parijs
-gekomen, had in het rijk der lagere journalistiek geleefd en zich
-daarna als spreker in openbare vergaderingen naam gemaakt; en toen hij
-na den oorlog door zijn vurig geloof en zijn strijdlustig temperament
-de leider der collectivistische partij werd, was het hem gelukt
-eindelijk in de Kamer te komen. Goed op de hoogte van alles, streed hij
-daar als doctrinair, die volgens zijn overtuiging over de wereld
-beschikt had en het dogma van het collectivisme van te voren stuk voor
-stuk regelt, met wilde energie en hardnekkigheid voor zijn denkbeelden.
-Sedert hij als afgevaardigde uit de staatsruif at, zagen de
-buitenstaande socialisten in hem nog slechts een rhetor of liever een
-dictator, die er slechts op uit was de menschen om te smelten, ten
-einde hen voor zijn geloof te veroveren en ten slotte te regeeren.
-
-“Weet je wat er aan de hand is?” vroeg hij aan Pierre. “Weer een mooi
-zaakje, wat?... Maar wat zal ik je zeggen? We zitten nu eenmaal tot
-over onze ooren in de modder.”
-
-Vroeger had hij een ware sympathie opgevat voor dezen priester, dien
-zoo liefdevol voor de armen was, zoo innig verlangde naar een sociale
-wedergeboorte. En op zijn beurt was de priester belang gaan stellen in
-den autoritairen droomer, die vastbesloten was de menschen, zelfs tegen
-hun wil in, gelukkig te maken. Hij wist, dat hij arm was en met een
-vrouw en vier kinderen, die hij aanbad, in het verborgen leefde.
-
-“Je begrijpt natuurlijk, dat ik het niet met Sanier eens ben,” ging hij
-voort. “Maar nu hij vanochtend gedreigd heeft de lijst te zullen
-publiceeren van allen, die zich hebben laten omkoopen, kunnen we ons
-niet langer den schijn laten aanleunen medeplichtigen te zijn. Reeds
-lang hebben we gemeene streken vermoed, waartoe die geschiedenis met de
-Afrikaansche sporen de gelegenheid bood. En het ergste is, dat twee
-leden van de tegenwoordige regeering ermede gemoeid zijn, want toen
-drie jaar geleden de Kamers zich met de emissie-Duvillard bezig
-hielden, was Barroux aan Binnenlandsche Zaken en Montferrand aan
-Openbare Werken. Bestaat er, nu zij teruggekeerd zijn, de een als
-Minister van Binnenlandsche Zaken en de andere als Minister van
-Financiën en tevens minister-president, een mogelijkheid hen niet te
-dwingen ons, zelfs in hun eigen belang, in te lichten over hun vroegere
-handelingen... Neen, neen, zij mogen en kunnen niet zwijgen. Ik heb al
-aangekondigd, dat ik vandaag een interpellatie zal houden.”
-
-Juist deze aankondiging van een interpellatie van Mège ten gevolge van
-het vreeselijke artikel in de Voix du Peuple bracht de wandelgangen zoo
-in beweging. Pierre werd een beetje schuw onder deze geheele
-geschiedenis, die zoo in zijn eenige bezorgdheid—een ongelukkige van
-den hongerdood te redden—vallen kwam. Hij begreep dan ook niet veel van
-de hartstochtelijke uitleggingen van den socialistischen afgevaardigde
-te midden van het toenemende rumoer en gelach, dat de verwondering te
-kennen gaf Mège in gesprek met een priester te zien.
-
-“Wat een ezels toch!” prevelde hij vol minachting. “Ze denken zeker,
-dat ik iederen ochtend bij mijn ontbijt een soutane opeet!... Maar nu
-moet ik mij verontschuldigen, waarde abbé! Kom ga daar op dit bankje op
-Fonsègue wachten!”
-
-Zelf mengde hij zich nu in het gewoel en Pierre begreep, dat het
-werkelijk het beste was kalm te gaan zitten. De omgeving pakte,
-interesseerde hem, hij vergat Laveuve en liet zich medesleepen door den
-hartstocht der parlementaire crisis, waarin hij geworpen werd. Het
-vreeselijke Panamaschandaal had men nauwlijks achter den rug; hij had
-het drama gevolgd met den angst van iemand, die iederen avond het
-luiden van de stormklok verwacht, welke het laatste uur van de in
-doodsstrijd verkeerende, oude maatschappij aankondigt. En nu begon weer
-een klein Panama, kraakte het verrotte gebouw opnieuw. Het was een
-gebeurtenis, zooals die in de parlementen van alle tijden, bij alle
-groote geldquaesties steeds voorkomt; maar de sociale toestanden,
-waaronder zij plaats vond, verleenden haar een vreeselijken ernst. Deze
-affaire van de Afrikaansche sporen, dat stukje naar boven gewoelde
-modder, dat zulk een verontrustenden stank uitwasemde en in de Kamer
-plotseling zoo’n opwinding, zoo’n vrees en zoo’n woede verwekte, was
-per slot van rekening niets dan een gelegenheid voor een politieken
-strijd, een terrein, waarop de vraatzuchtige lusten der verschillende
-groepen nog meer geprikkeld zouden worden; het ging er slechts om een
-ministerie ten val te brengen, om het door een ander te vervangen. Maar
-welk een beklagenswaardige buit lag er achter die bronstigheid, achter
-dien voortdurenden drang van eerzuchtige pogingen—het geheele volk met
-zijn ellende en zijn lijden!
-
-Pierre zag, dat Massot, de kleine Massot, zooals men hem noemde, naast
-hem was komen zitten. Met zijn oor en zijn oog steeds op de loer,
-hoorde en schreef hij alles op en sloop overal rond met zijn
-fretten-manieren; hij was hier niet als parlementair verslaggever, hij
-had slechts een belangrijke zitting geroken en was nu gekomen, om te
-zien, of er niet een of ander artikel uit samen te flansen viel. De te
-midden van die menigte als verdwaalde priester scheen hem te
-interesseeren.
-
-“U zult nog een oogenblik geduld moeten hebben, mijnheer de abbé,”
-zeide hij met de beminlijke opgewektheid van een jongen man, die met
-alles spot. “De patroon moet beslist komen, want hij weet, dat het hier
-warm toe zal gaan... U behoort toch niet tot zijn kiezers uit Corrèze,
-wel?”
-
-“O neen, ik ben een Parijzenaar, ik kom voor een armen man, dien ik
-graag onmiddellijk in het Asile des Invalides du Travail opgenomen
-zag.”
-
-“O, prachtig! Ik ben ook een kind van Parijs!”
-
-Hij lachte om zijn eigen woorden. Ja, hij was inderdaad een kind van
-Parijs: de zoon van een apotheker uit de wijk Saint-Denis, een
-voormalige luilak van het Lycée Charlemagne, die niet afgestudeerd had.
-Alles was hem mislukt, tenslotte was hij op zijn achttiende jaar, toen
-hij nog niet zonder fouten schrijven kon, in de journalistiek terecht
-gekomen en verdiende nu sedert twaalf jaar zoo goed en zoo kwaad als
-het ging zijn brood met interviews, verslagen en dergelijke
-journalistieke bezigheden. Hij had alles gezien, was van alles blasé
-geworden, geloofde niet meer aan groote mannen, beweerde, dat er geen
-waarheid meer bestond en leefde in vrede van de algemeene slechtheid en
-domheid. Hij bezat natuurlijk volstrekt geen litteraire eerzucht, legde
-zelfs een op theoretische gronden gebouwde minachting voor litteratuur
-aan den dag. Intusschen was hij volstrekt niet van verstand ontbloot:
-hij schreef zonder eenige overtuiging of meening, onverschillig wat,
-voor onverschillig welke courant en praalde kalm met het recht dat hij
-had, alles aan het publiek te zeggen, mits hij het slechts amuseerde of
-opwond.
-
-“U kent dus Mège, mijnheer de abbé? Een prachtig type, hé? Een groot
-kind, een hersenschimmige droomer in de huid van den
-verschrikkelijksten partijganger! O, ik heb veel met hem omgegaan, ik
-ken hem door en door... U weet, dat hij steeds in de heilige
-overtuiging leeft, dat hij, voor we zes maanden verder zijn, de macht
-in handen heeft en in een ommezien zijn collectivistische maatschappij
-verwezenlijken zal, die op de kapitalistische volgen moet, zooals de
-dag volgt op den nacht... En met zijn interpellatie van vandaag is hij
-zeker het ministerie-Barroux te laten vallen, om de bereiking van zijn
-doel te verhaasten. Zijn systeem is het uitputten van zijn
-tegenstanders. Hoe dikwijls heb ik hem niet berekeningen hooren maken,
-dezen uitputten, genen uitputten, een derden uitputten, om eindelijk te
-regeeren! Altijd over hoogstens zes maanden, nooit later... Maar zijn
-ongeluk is, dat hij altijd anderen een handje helpt en dat zijn beurt
-nooit komt.”
-
-De kleine Massot liet zijn vroolijkheid den vrijen loop. Dan begon hij
-fluisterend:
-
-“En Sanier, kent u dien ook? Niet? Kijk, die roode daar met zijn
-stierenek, die eruit ziet als een slager... Ja, die daar midden in die
-troep versleten jassen staat.”
-
-Eindelijk zag Pierre hem. Hij had groote, ver van zijn hoofd afstaande
-ooren, een mond met dikke lippen, een grooten neus, dikke, doffe,
-uitpuilende oogen.
-
-“Dien ken ik door en door, al zeg ik het zelf. Ik ben bij hem aan de
-Voix du Peuple geweest, voor ik bij Fonsègue aan den Globe kwam...
-Niemand weet precies waar hij eigenlijk vandaan komt. Langen tijd heeft
-hij als onbeteekenend journalist, door eerzucht en hebzucht verteerd
-rondgezworven in de onderste lagen der journalistiek. Misschien
-herinnert u u nog zijn eersten coup de théâtre, die vrij verdachte
-geschiedenis van een nieuwen Lodewijk XVII, dien hij trachtte te
-lanceeren, en die van hem den zonderlingen royalist gemaakt heeft, die
-hij altijd gebleven is. Daarna is hij op het denkbeeld gekomen de zaak
-van het volk te omhelzen en heeft hij een wreekend Katholiek socialisme
-geafficheerd, viel hij de vrije gedachte en de republiek aan, bracht de
-gruwelen van den tijd in naam der gerechtigheid en der moraal aan het
-licht, zoogenaamd om ze te genezen. Daarvoor begon hij met portretten
-van financiers, een opeenstapeling van ignobele kletspraatjes zonder
-controle of bewijs, die hem eigenlijk voor de rechtbank hadden moeten
-brengen, maar die, in een boek verzameld, het u natuurlijk bekende
-overweldigende succes gehad hebben. Dat heeft hij voortgezet en zet hij
-nu nog voort in de Voix du Peuple, die hij ten tijde van het
-Panamaschandaal gelanceerd heeft en welke thans de rioolopening is, die
-de vuiligheid van het oogenblik uitbraakt. Zoodra de bron opdroogt,
-verzint hij nieuwe, enkel en alleen uit zijn behoefte aan schandaal,
-waarvan zijn trots en zijn kas moeten leven.”
-
-De kleine Massot maakte zich echter volstrekt niet boos; hij was weer
-begonnen te lachen; in den grond der zaak had hij, ondanks zijn wreede
-woorden, eerbied voor Sanier.
-
-“Ja, het is een bandiet, maar toch een kranige kerel! U kunt u niet
-voorstellen, hoe ijdel hij is! Onlangs hebt u kunnen zien, dat hij zich
-door het volk heeft laten toejuichen, want hij speelt zoo’n beetje als
-koning der Halles. Misschien gaat hij ten slotte nog gelooven, dat hij
-werkelijk de redder van het volk, de steunpilaar der deugd is. Ik sta
-altijd verbaasd over zijn vruchtbaarheid in het uitdenken van nieuwe
-aanklachten en schandalen. Geen ochtend gaat er voorbij, dat hij niet
-een nieuwen gruwel ontdekt, zonder dat hij nieuwe schuldigen aan den
-haat van het volk prijs geeft. Neen, de moddergolf raakt nooit
-uitgeput, want hij voegt er steeds een nieuwen oogst gemeenheden aan
-toe, en telkens wanneer het publiek teekenen van moeheid geeft,
-verdubbelen zich zijn monsterachtige phantasieën... Daarin zit nu juist
-zijn genie, mijnheer de abbé, want hij weet deksels goed, dat zijn
-oplaag grooter wordt, zoodra hij, zooals vandaag, dreigt alles te
-zullen zeggen, de namen van de verkochten en verraders te zullen
-publiceeren... Dan is zijn verkoop weer voor verschillende dagen
-verzekerd!”
-
-Pierre luisterde naar den vroolijken spotter en begreep nu verscheidene
-dingen, waarvan de beteekenis hem tot nog toe ontgaan was, veel beter.
-Ja hij begon zelfs Massot allerlei dingen te vragen, verbaasd als hij
-was, dat er nog zooveel afgevaardigden in de wandelgangen waren,
-terwijl de zitting toch reeds geopend was. Ja, die zitting! Ook al werd
-er een wet van algemeen belang behandeld, alle leden liepen weg bij de
-plotselinge tijding van een interpellatie, die het ministerie omver zou
-kunnen werpen. En de voortdrijvende hartstocht daarbij was de
-ingehouden woede, de toenemende ongerustheid der protégé’s van het aan
-het bewind zijnde kabinet, die bang waren verdrongen te zullen worden
-en hun plaats te moeten afstaan aan anderen; het was ook de plotselinge
-hoop, de ongeduldige en vraatzuchtige honger van allen, de protégé’s
-van de eventueele nieuwe ministeries.
-
-Massot wees hem Barroux, het hoofd van het kabinet, die, ofschoon hij
-er zich niet op zijn plaats gevoelde, de portefeuille van Financiën
-genomen had, om na de Panama-crisis de openbare meening gerust te
-stellen door zijn algemeen erkende integriteit. Hij stond wat terzijde
-te praten met den minister van Onderwijs, senator Taboureau, een
-oud-professor met een bescheiden en triest gezicht, dien men van de een
-of andere provincie-universiteit gehaald had. Het was een rechtschapen,
-eerlijk man, maar wist absoluut niets van het Parijsche leven. Barroux
-zelf was een zeer decoratieve verschijning; groot, met een knap,
-gladgeschoren gezicht, dat alleen door een te kleinen neus ontsierd
-werd. Hij was zestig jaar en zijn sneeuwwit, kroezend haar gaf hem een
-ietwat theatrale majesteit, die hij zich op de tribune ten nutte
-maakte. Afkomstig uit een oude, rijke, Parijsche familie, advocaat,
-daarna republikeinsch journalist onder het keizerrijk, fatsoenlijk,
-romantisch, lawaaierig en een beetje pedant, maar zeer rechtschapen en
-vurig geloovend aan de principes van de groote Revolutie was hij met
-Gambetta aan het bewind gekomen. De Jacobijn in hem geraakte uit de
-mode; hij werd een grootheid uit het verleden, een van de laatste
-steunpilaren der burgerlijke Republiek, waarom de nieuwe, jongere, op
-buit beluste politici begonnen te glimlachen. Achter de praal van zijn
-uiterlijke houding, achter de pracht van zijn welsprekendheid was een
-weifelaar verborgen, een week hart, een goed mensch, die weende, als
-hij de verzen van Lamartine nog eens las.
-
-Dan kwam Monferrand, de minister van Binnenlandsche Zaken, voorbij en
-nam Barroux ter zijde, om hem iets in het oor te fluisteren. Hij was
-vijftig jaar, in tegenstelling met Barroux kort en dik, met een
-lachende, vaderlijke gelaatsuitdrukking; maar uit zijn rond, eenigszins
-alledaagsch, door een nog blonden baard omgeven gezicht sprak een
-levendig begrip. Men voelde in hem den heerscher, de aan hard werk
-gewende handen lieten den buit nooit los. Hij was vroeger burgemeester
-van Tulle geweest en kwam uit la Corrèze, waar hij groote landgoederen
-bezat. Beslist was hij een macht, waarmede men in de toekomst rekening
-zou moeten houden. Hij sprak eenvoudig en kalm met een buitengewone
-overredingskracht. Zonder van eenige eerzucht blijk te geven, huichelde
-hij een volmaakte onbaatzuchtigheid, waaronder echter de razendste
-begeerten woedden. Een dief, schreef indertijd Sanier, een moordenaar,
-die twee tantes geworgd had, om van haar te erven. Maar in ieder geval
-geen gewone moordenaar.
-
-Vervolgens bracht nog een ander der personen in het drama, dat zich zoo
-dadelijk afspelen zou, de afgevaardigde Vignon, door zijn binnenkomen
-de druk pratende groepen in nog grooter opwinding. De twee ministers
-keken hem aan, terwijl hij—dadelijk door een groot aantal
-afgevaardigden omringd—uit de verte tegen hen lachte. Hij was nog geen
-zes-en-dertig, mager, middelmatig groot, hoogblond en droeg een mooien,
-blonden baard, waar hij zeer trotsch op was. Als geboren Parijzenaar
-had hij vlug carrière gemaakt in het administratieve bestuur, was
-korten tijd prefect te Bordeaux geweest en vormde nu als het ware de
-jeugd en de toekomst in de Kamer. Hij was zeer eerzuchtig en
-intelligent, van vele dingen goed op de hoogte en bezat een programma,
-dat hij zeer goed in staat was, zij het ook gedeeltelijk, tot
-uitvoering te brengen. Hij toonde echter in het geheel geen haast, was
-zeer voorzichtig en sluw, overtuigd, dat zijn dag eens komen zou, en
-stond sterk, omdat hij zich nog in geen enkele zaak gecompromitteerd
-had. In den grond der zaak was hij slechts een administrateur van den
-eersten rang; zijn programma verschilde van dat van Barroux slechts
-door de nieuwe formules, hoewel een ministerie-Vignon in plaats van een
-ministerie-Barroux een belangrijke gebeurtenis scheen. Van Vignon
-beweerde Sanier, dat hij naar het presidentschap der Republiek streefde
-en er niet voor terugdeinzen zou, om door bloed te gaan, ten einde in
-het Elysée te komen.
-
-“Lieve Hemel,” legde Massot uit, “het is heel goed mogelijk, dat
-ditmaal Sanier niet liegt en dat hij een lijst met namen gevonden heeft
-in een notitieboekje van Hunter, dat hij in handen gekregen moet
-hebben... Ik persoonlijk weet reeds heel lang, dat bij die affaire der
-Afrikaansche sporen Hunter de drijver van Duvillard geweest is, om
-stemmen te winnen. Maar wanneer men alles goed begrijpen wil, dan moet
-men eerst weten op welke wijze hij te werk gegaan is—met een handigheid
-en een vriendelijke fijngevoeligheid, die ver verwijderd zijn van de
-brutale omkooperij en de vuile marchandages, die men vermoedt. Je moet
-Sanier zijn, om je een Parlement als een open markt voor te stellen,
-waar alle gewetens te koop zijn en toegewezen worden aan den meest
-biedende. Neen, heel anders gaat het er toe! Alles is heel begrijpelijk
-en dikwijls ook verschoonbaar!... Het artikel gaat dan ook voornamelijk
-tegen Barroux en Monferrand, die, zonder dat hun naam genoemd is, zeer
-duidelijk aangewezen worden. U weet natuurlijk, dat op het oogenblik
-der stemming Barroux aan Binnenlandsche Zaken en Monferrand aan
-Openbare Werken was, zoodat zij beschuldigd worden plichtverzakende en
-trouwelooze ministers te zijn—de zwaarste sociale misdaad. Ik weet niet
-met welke politieke combinatie Barroux zich ingelaten heeft, maar ik
-zweer u, dat hij geen centime in zijn zak gestoken heeft, want hij is
-de meest rechtschapen man, dien ik ken. Met Monferrand is het een heel
-andere quaestie: die is best in staat om zijn deel op te strijken; maar
-het zou mij toch sterk verwonderen, als hij zich in een wespennest
-gestoken had. Hij is niet zoo dom om een fout te begaan, vooral een zoo
-stomme fout als geld aan te nemen en de quitantie te laten slingeren.”
-
-Hij viel zichzelf in de rede en wees met een hoofdbeweging naar
-Dutheil, die met een koortsachtig opgewonden, maar toch glimlachend
-gezicht in een groep stond, welke zich om de beide ministers gevormd
-had.
-
-“Kijkt u eens naar dien jongen, knappen man met zijn mooien baard!”
-
-“Ik ken hem,” zeide Pierre.
-
-“O, kent u Dutheil? Nu, dat is er zeker een, die geld aangenomen heeft.
-Voor hem, die van Angoulême hier gekomen is, om een heerlijk leventje
-te leiden, was het geld van Hunter als manna, dat hem toekwam, en hij
-heeft daarbij zelfs niet gedacht, dat hij zijn vingers bezoedelde. U
-kunt ervan overtuigd zijn, dat hij één en al verbazing is, dat men daar
-zoo’n drukte over maakt.”
-
-Dan wees hij op een anderen afgevaardigde, die in dezelfde groep stond,
-een ongeveer vijftigjarig, heel ongegeneerd gekleed man met een
-droefgeestig gezicht en een door het gewicht van zijn lang paardenhoofd
-eenigszins gebogen rug. Zijn enkele, geelachtige haren lagen plat tegen
-zijn voorhoofd, zijn snor hing slap neer en zijn heele gelaat drukte
-een voortdurende wanhopige troosteloosheid uit.
-
-“En Chaigneux, kent u dien? Neen?—Kijk hem dan eens aan en vraag u dan
-af, of het niet heel natuurlijk is, dat die ook zijn deel opgestoken
-heeft... Hij komt uit Atrecht, waar hij een advocatenkantoor had. Toen
-zijn district hem afgevaardigd heeft, heeft hij zich door de politiek
-laten bedwelmen, alles verkocht, om hier in Parijs zijn fortuin te
-maken, en zich met zijn vrouw en zijn drie dochters hier gevestigd. U
-kunt u zijn onaangenaam leven voorstellen met die vier vrouwen—vier
-verschrikkelijke vrouwen, die aan niets denken dan aan kantjes en
-lintjes, aan boodschappen en bezoeken, ongerekend de jacht op de
-mannen, die haar ontvluchten. Dat is de voortdurende pech, het
-dagelijks terugkomende échec van dezen armen, middelmatigen kerel, die
-gedacht heeft, dat zijn positie als afgevaardigde de zaken makkelijker
-voor hem zou maken en daar nu in ondergaat... En zoudt u dan willen
-gelooven, dat Chaigneux, die nooit weet hoe hij vijfhonderd francs bij
-elkaar moet krijgen, zich niet heeft laten omkoopen? Ik geef graag toe,
-dat hij geen oneerlijk man was. Hij is het geworden, dat is alles!”
-
-Massot was nu eenmaal op gang en zette zijn portretstudiën voort. Een
-oogenblik had hij erover gedacht de geheele serie onder den titel:
-“Afgevaardigden te koop” uit te geven; de naïeven, die in de tobbe
-gevallen waren, de door eerzucht geprikkelden, de onder de verleiding
-van open laden bezwijkende lage zielen, de grootezakendoeners, die zich
-bij het roeren in de groote cijfers bedwelmen en den vasten grond onder
-hun voeten verliezen. Maar hij erkende graag, dat zij betrekkelijk
-weinig talrijk waren, en dat die enkele schurftige schapen in alle
-parlementen der wereld te vinden zijn. De naam Sanier kwam weer terug,
-alleen Sanier kon van onze Kamers dievenholen maken.
-
-Pierre werd vooral geïnteresseerd door den storm, dien de dreigende
-ministerieele crisis om hem heen ontketende. Om Barroux en Monferrand
-groepeerden zich alleen mannen als Dutheil en Chaigneux, die den grond
-onder hun voeten voelden wegzinken en zich afvroegen of zij dien nacht
-niet in Mazas [3] slapen zouden. Al hun protégé’s waren daar, allen,
-die door hen invloed en betrekkingen gekregen hadden en nu door hun val
-ook verdwijnen zouden. Men moest dan ook hun angstige blikken zien te
-midden van de fluisterende gesprekken, de in omloop zijnde inlichtingen
-en praatjes. In de groep daarnaast, die zich om den kalmen,
-glimlachenden Vignon gevormd had, bevonden zich de andere protégé’s,
-zij, die gereed stonden om eindelijk een aanval op de macht te wagen,
-om eindelijk invloed en betrekkingen te krijgen. Daar vlamden de oogen
-van hebzucht, men las er een nog in den staat van hoop verkeerende
-vreugde in, een gelukkige verbazing over de zich zoo onverwacht
-voordoende gelegenheid. Vignon vermeed het een antwoord te geven op de
-al te directe vragen van zijn vrienden, verzekerde alleen maar, dat hij
-zich niet in de quaestie mengen zou. Blijkbaar was het zijn plan Mège
-te laten interpelleeren en het ministerie te laten vallen, want voor
-dezen was hij niet bang; hij zou—zoo dacht hij—de portefeuille slechts
-voor het oprapen hebben.
-
-“Monferrand is er een,” zeide de kleine Massot, “die met de wolven in
-het bosch meehuilt. Ik heb hem gekend als een anticlericaal, als een
-priestervreter, als u mij die uitdrukking niet kwalijk neemt. Maar nu
-meen ik te mogen verklaren—en ik zeg dat niet om u naar den mond te
-praten—dat hij zich met God verzoend heeft... Men heeft mij tenminste
-verteld, dat monseigneur Martha niet meer van zijn zijde wijkt. Dat
-doet je pleizier in deze nieuwe tijden, nu de wetenschap bankroet
-geslagen heeft en de godsdienst aan alle kanten—in de letterkunde en in
-de maatschappij zelf—weer opbloeit in een verrukkelijk mysticisme.”
-
-Hij spotte zooals altijd, maar hij had het op zoo’n beminlijke manier
-gezegd, dat de priester wel goedkeurend knikken moest. Doch er ontstond
-een groote beweging, overal werd gezegd, dat Mège naar het
-spreekgestoelte ging; alle leden haastten zich naar de zittingzaal en
-lieten in de Salle des Pas perdus alleen de nieuwsgierigen en enkele
-persmuskieten achter.
-
-“Ik begrijp niet waar Fonsègue blijft,” begon Massot weer. “Wat hier
-gebeurt interesseert hem toch ook. Maar hij is zoo sluw, dat hij er
-altijd zijn goede redenen voor heeft, als hij niet doet wat een ander
-wel doen zou... Kent u hem?”
-
-En na het ontkennende antwoord van Pierre:
-
-“Een kranige kop en een ware macht!... O, ik spreek vrij uit over hem,
-ik ben nu eenmaal niet eerbiedig aangelegd en mijn chefs zijn juist de
-ledepoppen, die ik het beste ken en het liefste uit elkaar haal...
-Fonsègue wordt in het artikel van Sanier ook heel duidelijk aangewezen.
-Hij is trouwens een protégé van Duvillard. Dat hij geld aangenomen
-heeft, staat zoo vast als een paal boven water, want hij neemt voor
-alles geld aan. Maar hij is altijd gedekt, krijgt het geld om
-aannemelijke redenen, voor publiciteit en dergelijke gepermitteerde
-dingen. En wanneer hij, zooals ik zoo even meende te zien, onrustig is,
-wanneer hij talmt hier te komen als om een moreel alibi vast te
-stellen, dan heeft hij de eerste domheid in zijn leven uitgehaald.”
-
-Massot ging verder den geheelen Fonsègue te schilderen. Hij was
-eveneens afkomstig uit la Corrèze en, men wist niet waarom, een
-doodsvijand van Monferrand. Vroeger advocaat te Tulle was hij naar
-Parijs gekomen, om het te veroveren en had het dank zij het groote
-ochtendblad de Globe, waarvan hij oprichter en directeur was, inderdaad
-veroverd. Nu bewoonde hij op de avenue du Bois de Boulogne een
-weelderig ingericht hôtel en er werd geen enkele nieuwe onderneming
-gelanceerd, waarin hij niet zijn koninklijk aandeel had. Hij was een
-zakengenie en maakte, om als meester over de markt te heerschen, van
-zijn blad gebruik als van een onberekenbare macht. Maar welk een
-handigheid en geduld was er voor noodig geweest, om eindelijk den naam
-te krijgen van een ernstig en soliden man, die met autoriteit het
-deugdzaamste en meest gerespecteerde blad regeerde! Hoewel hij in den
-grond der zaak noch aan God noch aan den duivel geloofde, had hij van
-die courant den steunpilaar der maatschappelijke orde, van den eigendom
-en van de familie gemaakt, zij was conservatief republikeinsch, sedert
-dat in haar belang was, maar bleef godsdienstig en predikte een geest,
-die de bourgeoise gerust stelde. En zoo, als erkende en geëerbiedigde
-macht, stak hij zijn hand in alle zakken.
-
-“Nu ziet u, hoever je met de journalistiek komen kan, mijnheer de abbé!
-Vergelijk nu Sanier en Fonsègue eens. In den grond van de zaak zijn het
-collega’s; zij hebben ieder een wapen en gebruiken dat. Maar welk een
-verschil in de middelen en in de resultaten. Het blad van den eerste is
-feitelijk een goot, die hemzelf meesleept naar het riool, terwijl het
-blad van den tweede beslist tot de beste journalistiek behoort, die men
-zich denken kan, uitstekend verzorgd, zeer litterair, een lekkernij
-voor fijnproevers, een eer voor hem, die het leidt... En toch is het in
-den grond der zaak één en dezelfde comedie!”
-
-Massot lachte hartelijk om zijn laatste aardigheid, maar zeide dan
-plotseling:
-
-“Daar heb je Fonsègue eindelijk!”
-
-En nog steeds lachend stelde hij den priester voor.
-
-“Mijnheer de abbé Froment, die al een klein half uurtje op u zit te
-wachten... Ik zal eens gaan kijken wat er binnen gebeurt... U weet
-toch, dat Mège een interpellatie houdt.”
-
-Fonsègue kreeg een kleine rilling.
-
-“Een interpellatie... Goed, goed, ik kom dadelijk.”
-
-Pierre keek hem aan. Het was een kleine, magere, levendige, nog jong
-gebleven vijftiger met een donkeren baard, fonkelende oogen en een
-mond, die onder zijn snor schuil ging. Verder had hij een zeer innemend
-uiterlijk en geest tot in het topje van zijn neus, den neus van een
-altijd snuffelenden jachthond.
-
-“En waarmede kan ik u van dienst zijn, mijnheer de abbé?”
-
-Pierre zette nu in enkele woorden zijn verzoek uiteen, vertelde van
-zijn bezoek aan Laveuve, gaf enkele hartverscheurende bijzonderheden en
-vroeg de onmiddellijke opneming van den ongelukkige in het Asile.
-
-“Laveuve? Maar is zijn zaak al niet onderzocht?... Dutheil heeft er
-rapport over uitgebracht en de feiten waren zoodanig, dat we niet tot
-opneming hebben kunnen besluiten.”
-
-De priester bleef aandringen.
-
-“Ik verzeker u, mijnheer, dat uw hart van medelijden gebroken zou zijn,
-als u vanochtend met mij geweest was. Het is een schande den ouden man
-nog een uur langer in zoo’n verwaarloosden toestand te laten. Hij moet
-vanavond in het Asile slapen.”
-
-“Vanavond,” riep Fonsègue uit, “maar dat is onmogelijk, absoluut
-onmogelijk! Daarvoor moeten eerst allerlei formaliteiten vervuld
-worden. Trouwens ik kan alleen geen beslissing nemen, die macht bezit
-ik niet. Ik ben slechts de administrateur en doe niets anders dan de
-bevelen van het damescomité uitvoeren.”
-
-“Maar barones Duvillard heeft mij juist naar u gezonden en mij
-verzekerd, dat u alleen de noodige macht bezit, om in een
-uitzonderingsgeval een onmiddellijke opneming te gelasten.”
-
-“Zoo, zendt de barones u! Dat is net iets voor haar! Zij is niet in
-staat een besluit te nemen en veel te bezorgd voor haar rust, om een
-verantwoordelijkheid te aanvaarden... Waarom wil zij, dat juist ik al
-die onaangenaamheden hebben moet? Neen, neen, mijnheer de abbé, ik doe
-beslist niets tegen onze reglementen in, ik ben niet van plan een bevel
-te geven, dat mij misschien in onmin met de dames zou brengen. U kent
-ze niet; ze zijn verschrikkelijk, zoodra zij vergaderen.”
-
-Hij werd opgewekter en verdedigde zich schertsend; maar hij had reeds
-het vaste besluit genomen niets te doen. Plotseling verscheen Dutheil
-weer en stormde blootshoofds de wandelgangen in, om de afwezigen, die
-belang hadden bij de discussie, welke zoo juist een aanvang genomen
-had, te verzamelen.
-
-“Wat, ben jij daar nog, Fonsègue. Ga gauw naar je plaats. Het wordt
-ernst!”
-
-Hij was alweer weg. De afgevaardigde haastte zich echter volstrekt
-niet, alsof de verdachte geschiedenis, die de zittingzaal in een
-hartstochtelijke opwinding bracht, hem in geen geval nadeel berokkenen
-kon. Hij glimlachte nog steeds, hoewel een licht, zenuwachtig beven hem
-met zijn oogleden deed knippen.
-
-“Neem me niet kwalijk, mijnheer de abbé, maar u ziet, dat mijn vrienden
-mij noodig hebben. Ik herhaal u, dat ik absoluut niets voor uw protégé
-kan doen.”
-
-Maar Pierre wilde dit antwoord nog niet als definitief aannemen.
-
-“Neen, neen, mijnheer, ga u nu maar uw zaken doen, dan wacht ik zoolang
-wel hier... Neem geen besluit, zonder er rijpelijk over na te denken.
-Men haast u op het oogenblik en ik voel, dat u niet met onverdeelde
-aandacht naar mij luistert. Wanneer u strakjes terugkomt en u geheel
-aan het geval wijden kunt, zult u, daar ben ik zeker van, toestaan wat
-ik u vraag.”
-
-En hoewel Fonsègue hem bij het weggaan verzekerde, dat hij zijn besluit
-niet zou kunnen veranderen, bleef Pierre hardnekkig en ging weer op het
-bankje zitten, ook al zou hij tot ’s avonds moeten wachten. De Salle
-des Pas perdus was nu bijna geheel ledig en leek nu nog droefgeestiger
-en killer met haar Laokoöon en haar Minerva en met haar kale wanden;
-zij maakte den indruk van een banaal station, waar het gewoel van de
-eeuw doortrok, zonder het hooge plafond te verwarmen. Nooit nog was een
-valer, onverschilliger daglicht door de groote glazen deuren
-binnengevallen, waarachter men den kleinen, ingesluimerden tuin met
-zijn spaarzaam wintergroen zag. Geen geluid van de stormachtige zitting
-ernaast drong hier door; slechts een doodelijke stilte viel neer uit
-het zwaarmoedige gebouw, waardoor een rilling van troosteloosheid ging,
-die ongetwijfeld van heel ver, uit het geheele land gekomen was.
-
-Dat was het wat Pierre nu in zijn overpeinzingen niet losliet. De
-geheele oude, vergiftigde wond lag hier in haar ettering bloot. De
-langzame parlementaire verrotting had zich uitgebreid en greep nu het
-sociale lichaam aan. Zeker boven de lage intriges, boven het drijven
-van persoonlijke eerzucht stond wel de hoogere strijd der principes,
-stond de voortschrijdende geschiedenis, die het verleden wegvaagde en
-trachtte in de toekomst meer waarheid, gerechtigheid en geluk te
-scheppen; maar wat hielp dat, wanneer men in de vreeselijke
-dagelijksche praktijk niets zag dan de ontketening van egoïstische
-begeerten, den eenigen drang om zijn buurman te worgen en alleen te
-triompheeren. Tusschen de verschillende groepen ontdekte men niets dan
-een strijd om de macht en om de bevrediging, die de overwinning geeft.
-Links en rechts, katholieken, republikeinen, socialisten en al die
-ontelbare partijschakeeringen waren niets dan etiquetten, welke
-denzelfden brandenden dorst naar heerschen en regeeren classificeerden.
-Alle vragen trokken zich samen tot één vraag, wie van deze, gene of nog
-een derde partij Frankrijk in zijn macht hebben zou, om ervan te
-genieten, om zijn gunsten te verdeelen onder zijn beschermelingen. En
-het ergste was, dat de groote slagen, de dagen en weken, welke ermede
-verloren gingen dezen op genen en genen weer op dien te laten volgen,
-op niets anders uitliepen dan op een allerdwaast heen en weer trappelen
-op dezelfde plaats, want alle drie beteekenden even veel of even
-weinig; er bestonden tusschen hen slechts vage verschillen, zoodat de
-nieuwe meester hetzelfde werk bedierf als zijn voorganger, daar hij,
-zoodra hij aan het bewind kwam, noodzakelijkerwijze zijn programma’s en
-beloften vergeten moest.
-
-Onoverwinlijk keerden Pierre’s gedachten weer terug naar Laveuve, dien
-hij een oogenblik vergeten had. O, wat bekommerde die ongelukkige oude
-man, die daar op zijn lompen van honger lag te crepeeren, er zich om of
-Mège het ministerie-Barroux zou doen vallen en een ministerie-Vignon
-aan het bewind komen zou? Op die wijze zouden er honderd, tweehonderd
-jaren moeten verloopen voor er brood was in de dakkamertjes, waar de
-verminkten van den arbeid, de oude, kreupel geworden lastdieren liggen
-te reutelen. En achter Laveuve stond de geheele ellende, het geheele
-volk der onterfden en der armen, die in doodsstrijd verkeerden en
-gerechtigheid eischten, terwijl de voltallige Kamer zich
-hartstochtelijk opwond om te weten, aan wien de natie toebehooren, wie
-haar verslinden zou. De modder stroomde tot aan den rand, de
-afschuwelijke, bloedende wond lag schaamteloos bloot als een
-kankergezwel, dat het organisme wegvreet en het hart aantast. Welk een
-walging boezemde dat schouwspel in, hoe verlangde men naar het wrekende
-mes, dat gezondheid en vrede teruggeven zou.
-
-Pierre zou niet hebben kunnen zeggen hoe lang hij in dat gepeins
-verzonken was, toen wederom een verward lawaai de zaal vulde.
-Verschillende Kamerleden kwamen weer terug en vormden druk
-gesticuleerende groepen. Dan hoorde hij plotseling Massot naast zich
-zeggen:
-
-“Het is nog niet gevallen, maar het scheelt toch een beroerd beetje. Ik
-geef geen sou meer voor zijn leven.”
-
-Hij bedoelde het ministerie. Dan vertelde hij aan een pas aangekomen
-collega het verloop der zitting. Mège had heel goed en met een
-buitengewoon vurige verontwaardiging tegen de verrotte en verrottende
-maatschappij gesproken, maar had, zooals altijd, zijn doel
-voorbijgestreefd en juist door zijn heftigheid de Kamer bang gemaakt.
-Toen Barroux dan ook de verdaging van de interpellatie voor een maand
-gevraagd had, behoefde hij slechts woorden te geven aan zijn
-verontwaardiging, die trouwens zeer oprecht was, want een heilige toorn
-tegen de infame campagnes, die een zekere pers voerde, vervulde hem.
-Moest de smaad van Panama zich hernieuwen? Zou de
-volksvertegenwoordiging zich door nieuwe dreigementen met onthullingen
-laten intimideeren? Het eenige doel was, om de republiek zelf onder een
-vloed van schanddaden te verdrinken. Neen, neen, het uur was gekomen,
-om tot zichzelf in te keeren, om in vrede te werken, zonder dat op
-schandaal beluste personen in staat gesteld zouden worden den
-algemeenen vrede te verstoren. En de Kamer, op wie deze woorden indruk
-gemaakt hadden en die bang was op den langen duur het geduld van de
-kiezers met die telkens nieuwe modder uit te putten, had de
-interpellatie voor een maand verdaagd. Maar, hoewel Vignon zich met
-opzet niet in de discussie gemengd had, had zijn geheele groep tegen
-het ministerie gestemd, zoodat de door Barroux verkregen meerderheid
-slechts twee stemmen bedroeg—een belachelijke meerderheid.
-
-“Maar dan zal het ministerie ontslag vragen,” zeide een stem tot
-Massot.
-
-“Ja, het gerucht gaat. Maar Barroux is taai... In ieder geval zullen
-zij, wanneer zij mochten aanblijven, binnen acht dagen tegen den grond
-liggen, te meer daar Sanier woedend is en beweert morgen de lijst met
-namen te publiceeren.”
-
-Inderdaad zag men Barroux en Monferrand haastig en terneergeslagen en
-door hun ongeruste protégé’s gevolgd, voorbijkomen. Men vertelde, dat
-het geheele kabinet zou vergaderen, om een beslissing te nemen. Dan
-kwam Vignon, omgeven door zijn vrienden, terug. Hij straalde van
-vreugde, die hij echter voor zijn vrienden trachtte te verbergen, want
-hij wilde niet te vroeg victorie kraaien; maar de oogen van zijn groep
-fonkelden, een geheele troep jachthonden, die wachtten op het naderende
-uur van den buit. Zelfs Mège triompheerde. Op twee stemmen na had hij
-het ministerie doen duikelen! Alweer een! En dat van Vignon zou hij ook
-ten val brengen. En dan zou hij eindelijk regeeren!
-
-“Alle duivels!” mompelde de kleine Massot. “Chaigneux en Dutheil zien
-er uit als een paar honden, die een rammeling gehad hebben. Maar kijk
-eens naar Fonsègue, dan zie je wat anders. Wat een kerel, hè?...
-Bonsoir, ik maak, dat ik wegkom!”
-
-Hij gaf zijn collega de hand; hij wilde niet blijven, hoewel de zitting
-nog niet opgeheven was en er weer een belangrijke quaestie—maar
-natuurlijk voor leege banken—behandeld werd.
-
-Pierre was opgestaan, om nogmaals zijn verzoek aan Fonsègue te doen.
-Maar deze was hem voor en zeide haastig:
-
-“Neen, heusch niet, mijnheer de abbé, ik zeg u nogmaals, dat ik beslist
-weiger de verantwoordelijkheid van een dergelijke overtreding van onze
-reglementen op mij te nemen. Er is een rapport uitgebracht en de zaak
-is definitief beslist. Hoe kan ik dus anders handelen dan ik doe?”
-
-“Mijnheer,” zeide de priester smartelijk, “het gaat hier om een ouden
-man, die honger heeft, die koude lijdt en sterven zal, wanneer hij niet
-geholpen wordt.”
-
-Met een wanhopig gebaar scheen de hoofdredacteur van den Globe de muren
-tot getuigen te roepen, dat hij er niets aan kon doen. Ongetwijfeld was
-hij bang voor de een of andere onaangename geschiedenis voor zijn blad,
-waarin hij het Asile des Invalides du Travail als verkiezingswapen
-misbruikt had. En misschien ook maakte de heimelijke angst, waarin de
-zitting hem gebracht had, hem hardvochtig.
-
-“Ik kan niets doen, ik kan niets doen... Maar ik zou natuurlijk niets
-liever zien dan dat u mij door het damescomité zoudt dwingen iets te
-doen. U hebt reeds den steun van barones Duvillard, tracht ook dien van
-de andere dames te krijgen.”
-
-Vastbesloten tot het einde toe te strijden, zag Pierre daarin een
-laatste middel, om zijn doel te bereiken.
-
-“Ik ken gravin de Quinsac; ik zou dadelijk naar haar toe kunnen gaan.”
-
-“Ja, dat is uitstekend! Ga naar gravin de Quinsac; neem een rijtuig en
-tracht ook prinses de Hardt te spreken. Die heeft tegenwoordig veel
-invloed... Probeer de toestemming van die dames te krijgen, ga dan om
-zeven uur naar de barones terug, vraag aan haar een brief, die mij
-dekt, en kom dan bij mij op de courant. Om negen uur is uw man dan in
-het Asile.”
-
-Hij sprak nu op vroolijk-ongedwongen toon en scheen, nu hij geen gevaar
-meer liep in moeilijkheden te geraken, zeker van het succes. De
-priester vatte weer nieuwen moed.
-
-“Ik ben u hoogst dankbaar, mijnheer; u zult een reddingswerk doen.”
-
-“Maar u begrijpt toch, hoop ik, dat ik niets liever zou willen. Ja, als
-wij met een woord de ellende genezen, honger en dorst voorkomen
-konden!... Maar haast u, u hebt geen minuut te verliezen.”
-
-Zij gaven elkaar de hand en Pierre haastte zich weg. Het was niet
-makkelijk, want de groepen waren grooter geworden; de woede en de angst
-van de zitting vormden hier een stormachtigen tegenstroom, zooals een
-steen, die midden in een poel geworpen wordt, de modder opwoelt en het
-verborgen vuil naar de oppervlakte doet stijgen. Hij moest zich met
-zijn ellebogen een weg banen door die menigte, door de rillende en
-bevende lafheid van sommigen en de onbeschaamde brutaalheid van
-anderen, door de vuile bezoedelingen, die de meesten tengevolge van de
-onvermijdelijke besmetting der omgeving gekregen hadden. Maar hij nam
-een nieuwe hoop met zich mede, en het scheen hem toe, dat, wanneer hij
-dezen dag een leven redde, wanneer hij dezen dag iemand gelukkig
-maakte, dat het begin van de verlossing, een kleine aflaat voor de
-domheden en zonden van de zelfzuchtige en vraatzuchtige politieke
-wereld zijn zou.
-
-In de vestibule hield een nieuw incident Pierre nog even op. Er
-heerschte daar een groote opwinding ten gevolge van een ruzie tusschen
-een man en een der boden, die den man den toegang geweigerd had, na
-gezien te hebben, dat de kaart, die hij toonde, een oude kaart was,
-waarop de datum weggekrabd was. De man, die eerst grof en brutaal was
-geweest, drong niet verder aan en scheen door een plotselinge
-schuchterheid aangegrepen te zijn. Pierre herkende tot zijn verbazing
-in dien slecht gekleeden man Salvat, dien hij ’s morgens had weg zien
-gaan, om werk te zoeken. Ditmaal was hij het werkelijk—groot, mager,
-verwilderd met vlammende dwepersoogen in zijn bleek
-hongerlijdersgezicht. Hij had zijn zak met gereedschappen niet meer bij
-zich; zijn in flarden hangende jas was dichtgeknoopt en puilde aan den
-linkerkant uit, waarschijnlijk door een stuk brood, dat hij eronder
-gestopt had. Teruggejaagd door de boden, ging hij weer verder en liep
-langzaam op goed geluk af den pont de la Concorde over, als iemand, die
-niet weet, waarheen hij gaat.
-
-
-
-
-IV.
-
-In den ouden, verkleurden salon Louis XVI met grijze betimmering zat
-gravin de Quinsac op haar gewone plaatsje naast den schoorsteen. Met
-haar lang en voornaam gelaat, haar ietwat strenge kin en met haar nog
-mooie oogen onder het naar de ouderwetsche mode uit haar jeugd
-opgemaakte, fijne, grijze haar geleek zij sprekend op haar zoon.
-Ondanks haar trotsche koelheid kon zij vriendelijk en innemend zijn.
-
-Na een lange stilte begon zij weer met een kleine handbeweging tegen
-markies de Morigny, die aan den anderen kant van den schoorsteen, waar
-hij sedert jaren denzelfden fauteuil had, zat:
-
-“Ja, beste vriend, ge hebt groot gelijk, de lieve God heeft ons in een
-verschrikkelijken tijd vergeten.”
-
-“Ja, wij zijn het geluk voorbijgevlogen,” zeide hij langzaam; “en daar
-hebben wij beiden schuld aan.”
-
-Met een tweede gebaar legde zij hem droef glimlachend het zwijgen op.
-En weer viel een stilte in; geen geluid van de straat drong door in
-dezen droefgeestigen rez-de-chaussée, die achter op de binnenplaats van
-een oud hôtel in de rue Saint-Dominique, bijna op den hoek van de rue
-de Bourgogne, lag.
-
-De markies was een oude man van vijf-en-zeventig jaar, negen jaar ouder
-dan de gravin. Hoewel hij klein en mager was, maakte hij met zijn
-gladgeschoren gezicht met de diepe, correcte rimpels toch een voornamen
-indruk. Hij behoorde tot een der oudste families van Frankrijk en was
-een der laatste legitimisten, die, ofschoon hij geen hoop meer had,
-ondanks alles trouw bleef aan de gestorven monarchie. Zijn nog altijd
-op eenige millioenen geschat vermogen was als het ware geïmmobiliseerd
-door zijn weigering om het in dienst te stellen van de werken der eeuw
-en het op die wijze vruchten te doen dragen. Men wist, dat hij de
-gravin, zelfs nog tijdens het leven van graaf de Quinsac, heimelijk had
-liefgehad en na den dood van dezen, toen de hoogstens veertigjarige
-weduwe zich met een rente van vijftien duizend francs op dezen
-vochtigen rez-de-chaussée had moeten terugtrekken, haar zijn hand
-aangeboden had. Doch zij aanbad haar toenmaals tienjarigen zoon Gérard,
-die zeer teer van gezondheid was; en uit een soort moederlijke
-schaamte, uit een bijgeloovige vrees, dat zij hem verliezen zou,
-wanneer zij een nieuwe liefde en een nieuwen plicht in haar leven
-bracht, had zij alles voor dien jongen opgeofferd. De markies echter,
-die zich erbij neergelegd had, bleef haar met zijn geheele ziel
-aanbidden, maakte haar nog het hof als op den eersten avond, dat hij
-haar gezien had. Nooit had er iets tusschen hen bestaan; zelfs geen kus
-hadden zij elkander gegeven.
-
-Toen hij haar daar zoo treurig zitten zag, was hij bang haar misnoegen
-opgewekt te hebben en voegde hij eraan toe:
-
-“Ik zou je graag gelukkiger gemaakt hebben, maar ik heb het niet
-gekund, en dat is zeker alleen mijn schuld.—Maak je je bezorgd over
-Gérard?”
-
-Zij knikte van neen, om dan te zeggen:
-
-“Zoolang de zaken blijven, zooals zij zijn, mogen we niet klagen, lieve
-vriend, want wij hebben ze aanvaard.”
-
-De gravin bedoelde de zondige verhouding tusschen haar zoon en barones
-Duvillard. Altijd was zij zwak geweest voor dit kind, dat zij met
-zooveel moeite had opgevoed, want zij alleen kende de uitputting, het
-jammerlijke einde van een ras, dat zich onder het mooie uiterlijk van
-zijn trotsche houding verborg. Zij duldde zijn luiheid, zijn niets
-doen, zijn genotzucht, die hem een tegenzin voor de militaire en voor
-de diplomatieke loopbaan ingeboezemd had. Hoe dikwijls had zij kleine
-domheden goedgemaakt, kleine schulden betaald, hoewel zij de geldelijke
-hulp weigerde van den markies, die zelfs zijn millioenen niet meer
-durfde aanbieden, daar zij er hardnekkig op bleef staan heldhaftig te
-leven van de overblijfselen van haar fortuin. Zoo was zij er ten slotte
-ook toe gekomen haar oogen te sluiten voor de amourette van haar zoon,
-daar zij heel goed begreep hoe dit alles in zijn werk gegaan was: men
-laat zich medesleepen—komt niet tot besef van wat er gebeurt: de man
-weet niet hoe hij breken moet; de vrouw houdt hem vast door zich te
-geven. De markies had er zich eerst bij neergelegd, toen Eve Christin
-geworden was.
-
-“Je weet hoe goed Gérard is,” ging de gravin voort. “Dat is zijn kracht
-en tegelijk zijn zwakheid. Hoe kan ik hem verwijten doen, wanneer hij
-met mij weent?... Hij zal die vrouw wel moede worden.”
-
-Markies de Morigny schudde zijn hoofd.
-
-“Zij is nog zoo mooi... En dan is de dochter er nog. Dat zou ernstiger
-zijn; hij zou met haar trouwen.”
-
-“Die mismaakte dochter!”
-
-“Ja, ik hoor de praatjes al: een Quinsac, die om haar millioenen met
-een monster trouwt.”
-
-Dat was het waarvoor zij beiden bang waren. Zij wisten alles wat er bij
-de Duvillards gebeurde: de teedere vriendschap tusschen de leelijke
-Camille en den mooien Gérard, de roerende idylle, waarachter zich het
-vreeselijkste drama verborg.
-
-“O neen, dat nooit!” riep de gravin verontwaardigd uit. “Mijn zoon in
-die familie, neen, daar geef ik nooit mijn toestemming voor!”
-
-Op dat oogenblik kwam generaal de Bozonnet de kamer binnen. Hij aanbad
-zijn zuster en kwam, zonder een enkele maal over te slaan, haar op haar
-jours gezelschap houden, want de oude vriendenkring was langzamerhand
-kleiner geworden; er waren nog slechts enkele getrouwen, die zich in
-dezen grijzen, somberen salon waagden, waar men zich op duizend mijlen
-van het werkelijke Parijs zou kunnen wanen. Om haar op te vroolijken,
-vertelde hij dadelijk, dat hij bij de Duvillards gedejeuneerd had,
-noemde de gasten, zeide dat Gérard er ook was. Hij wist, dat hij zijn
-zuster een groot genoegen deed door geregeld naar dat huis te gaan,
-waarvan hij haar het nieuws vertelde en dat hij door de groote eer van
-zijn tegenwoordigheid een weinig van zijn bezoedeling reinigde. Hij
-zelf verveelde zich niet bij de Duvillards, daar hij zich al lang naar
-den geest der eeuw geschikt had en zich voor alles, wat geen
-krijgskunde was, zeer inschikkelijk toonde.
-
-“Die arme kleine Camille aanbidt Gérard,” zeide hij. “Aan tafel heeft
-zij hem met haar oogen verslonden.”
-
-“Daarin schuilt juist het gevaar,” viel de markies hem ernstig in de
-rede; “een huwelijk zou, uit alle oogpunten beschouwd, iets
-verschrikkelijks zijn.”
-
-“Maar waarom?” vroeg de generaal heel verbaasd. “Zij is niet mooi, maar
-als alleen mooie meisjes trouwden! En dan zijn de millioenen er ook
-nog! Onze lieve jongen zou daar uitstekend gebruik van kunnen maken...
-Ja, die liaison met de moeder! Maar lieve Hemel, dat komt tegenwoordig
-dagelijks voor!”
-
-De markies maakte een gebaar van grooten afkeer. Waarom nog strijden,
-wanneer alles instortte? Wat moest men antwoorden aan een Bozonnet, den
-laatsten afstammeling van deze illustere familie, wanneer het met hem
-al zoo ver gekomen was, dat hij de schandelijke zeden der Republiek
-verontschuldigde, nadat hij zijn koning verloochend en het keizerrijk
-gediend had?
-
-“Hoe kan je zoo iets zeggen?” riep de gravin, die eveneens zeer
-verontwaardigd was, uit. “Nooit zal ik voor een dergelijk schandaal
-mijn toestemming geven. Dat heb ik zooeven nog gezworen!”
-
-“Zweer niet, zuster!” zeide de generaal. “Ik zou alleen onzen Gérard
-gelukkig willen zien. En we zullen toch moeten erkennen, dat hij voor
-niet veel deugt. Dat hij geen soldaat heeft willen worden, kan ik mij
-begrijpen, dat is tegenwoordig geen beroep meer. Maar dat hij geen
-diplomaat geworden is, dat hij niet de een of andere betrekking
-aanvaard heeft, begrijp ik minder goed. Zeker het klinkt heel mooi om
-op den tegenwoordigen tijd te schelden en te beweren dat een man uit
-onze kringen daarin eigenlijk geen fatsoenlijke bezigheid vinden kan,
-maar, als we eerlijk willen zijn, moeten we toegeven, dat alleen
-luilakken dat zeggen. Gérard heeft slechts één excuus: zijn weinige
-capaciteiten, zijn gemis aan energie en kracht.”
-
-Tranen waren in de oogen der moeder gekomen. Zij verkeerde steeds in
-angst en beven, want zij kende de leugen, die zich achter het mooie
-uiterlijk verborg: hoe flink en sterk haar zoon ook schijnen mocht, de
-geringste koude kon zijn dood zijn.
-
-“Hij is nu toch zes-en-dertig,” ging de generaal voort; “en nog leeft
-hij steeds ten laste van jou. Daar moest nu eindelijk eens een eind aan
-komen.”
-
-Maar zij verzocht hem te zwijgen en wendde zich tot den markies.
-
-“Wij moeten op God vertrouwen, niet waar vriendlief? Hij moet mij
-helpen, want ik heb nooit tegen hem gezondigd.”
-
-“Nooit!” riep de markies uit, en hij legde in dat woord al zijn smart,
-al zijn liefde, al de vereering voor deze vrouw, die hij zoovele jaren
-aanbad, zonder dat zij een van beiden ooit gezondigd hadden.
-
-Een nieuwe getrouwe kwam binnen en het gesprek nam een andere wending.
-Mijnheer de Larombardière, vice-president van het gerechtshof, was een
-groote, magere, kaalhoofdige, op een smal bakkebaardje na gladgeschoren
-man van vijf-en-zestig jaar. Zijn grijze oogen, zijn saamgeknepen mond,
-die ver van zijn neus afstond, en zijn vierkante, eigenzinnige kin
-gaven aan zijn gezicht een zeer strenge uitdrukking. De groote wanhoop
-van zijn leven was, dat hij, met een hinderlijk lispelen behept, zijn
-voortreffelijke qualiteiten in zijn ambt niet tot volle ontwikkeling
-had kunnen brengen, want hij liet er zich op voorstaan, dat hij een
-groot redenaar was. Die heimelijke marteling maakte hem prikkelbaar. In
-hem belichaamde zich het oude, royalistische en mokkende Frankrijk, dat
-slechts met tegenzin de Republiek diende, de oude, strenge, voor iedere
-evolutie en voor alle nieuwe opvattingen gesloten magistratuur.
-Afkomstig uit den kleinen ambtenaarsadel was hij een met het Orleanisme
-gerallieerde legitimist en beschouwde hij zich in dezen salon, waarin
-hij heel trotsch was den markies te ontmoeten, als den man van wijsheid
-en logica.
-
-Er werd over de laatste gebeurtenissen gesproken. De politieke
-gesprekken waren trouwens gauw uitgeput en liepen meestal uit op een
-bittere veroordeeling van menschen en feiten, want de drie heeren waren
-het over de gruwelen van het republikeinsche regime volkomen eens. Zij
-waren de ruïnes, de overblijfselen van de oude, tot bijna volkomen
-onmacht gedoemde partijen. De markies, een der laatsten van dien nog
-rijken, trotschen en koppigen adel, zweefde hoog in zijn absolute
-intransigentie en bleef een doode trouw. De magistraat, die tenminste
-een pretendent had, rekende op een wonder, toonde de noodzakelijkheid
-daarvan aan, wanneer Frankrijk niet in de ergste ongelukken vervallen,
-niet spoedig en geheel verdwijnen wilde. Wat den generaal betreft, hij
-betreurde van de twee keizerrijken slechts de groote oorlogen; hij had
-de hoop op een Bonapartistische restauratie opgegeven en beweerde, dat
-de Republiek, door zich niet te houden aan de keizerlijke legers en den
-dienstplicht in te voeren, den oorlog en het vaderland gedood had.
-
-Toen de huisknecht vragen kwam, of de gravin abbé Froment wilde
-ontvangen, scheen zij zeer verbaasd.
-
-“Wat kan die van mij willen? Laat hem binnenkomen.”
-
-De gravin was heel vroom; zij had den priester in
-liefdadigheidsinstellingen leeren kennen en was door zijn ijver en door
-den roep van jongen heilige, waarin zijn parochianen van Neuilly hem
-gebracht hadden, getroffen.
-
-Pierre, zich geheel overgevend aan zijn koortsachtige opwinding, voelde
-bij het binnentreden van den salon een zekere schuchterheid in zich
-opkomen. Eerst onderscheidde hij niets, meende in een rouwkamer te
-komen, een donker, waarin de vormen wazig schenen te worden en zachte
-stemmen fluisterden. Maar toen hij de aanwezige personen herkend had,
-voelde hij zich nog minder op zijn gemak: zij kwamen hem zoo triest
-voor, zoo veraf staande van de wereld, waaruit hij kwam en waarin hij
-terugkeerde. Nadat de gravin hem een stoel naast zich gewezen had,
-vertelde hij haar op zeer zachten toon de jammerlijke geschiedenis van
-Laveuve en vroeg haar steun, om hem in het Asile des Invalides du
-Travail opgenomen te krijgen.
-
-“O ja, dat is die inrichting, waartoe ik op dringend verzoek van mijn
-zoon behoor... Maar ik heb nooit een vergadering van het comité
-bijgewoond, mijnheer de abbé. Hoe kan ik, die natuurlijk absoluut geen
-invloed heb, mij in dergelijke quaesties mengen!”
-
-Weer rezen de gestalten van Gérard en Eve voor haar geestesoog op, want
-deze twee hadden elkaar voor het eerst in het Asile ontmoet, en reeds
-werd het altijd lijdend moederhart zwak, hoewel zij er reeds spijt van
-had haar naam geleend te hebben voor een van die lawaaierige
-liefdadigheidsinstellingen, waarvan zij het zelfzuchtige misbruik, dat
-ervan gemaakt werd, afkeurde.
-
-“Mevrouw,” drong Pierre aan, “het gaat hier om een armen, ouden man,
-die van honger omkomt. Heb medelijden wat ik u bidden mag.”
-
-Hoewel de priester fluisterend gesproken had, kwam de generaal
-naderbij.
-
-“Zoo, nog altijd in de weer voor uw ouden revolutionnair? Geen succes
-gehad bij den administrateur? Ja, het is moeilijk medelijden te hebben
-met zulke kerels, die, wanneer zij de meesters waren, ons allen zouden
-wegvegen, zooals zij zeggen.”
-
-Mijnheer de Larombardière knikte toestemmend. In den laatsten tijd was
-het anarchistisch gevaar een nachtmerrie voor hem.
-
-En Pierre begon zijn hartverscheurend pleidooi opnieuw. Hij schilderde
-de vreeselijke ellende, de woningen, waarin geen brood was, de vrouwen
-en kinderen, die van koude klappertanden, de vaders, die het modderige
-Parijs afliepen voor een stuk brood. Het eenige wat hij vroeg was een
-paar woorden op een visitekaartje, een paar welwillende woorden der
-gravin, die hij dadelijk naar barones Duvillard brengen zou, om haar te
-bewegen de reglementen te overtreden. Zijn woorden, die van ingehouden
-tranen beefden, vielen onafgebroken in den somberen salon, als kwamen
-zij van heel verre, als gingen zij verloren in een doode wereld, waarin
-zij nooit weerklank vinden zouden.
-
-Gravin de Quinsac wendde zich tot mijnheer de Morigny. Maar deze scheen
-volmaakt onverschillig en keek op de hautaine manier van iemand, wien
-dit alles niet aangaat, in het vuur—zonder eenige belangstelling voor
-de dingen en de wezens, waartusschen een dwaling van den tijd hem dwong
-te leven. Toch keek hij op, toen hij den blik der aangebeden vrouw op
-zich voelde rusten; hun oogen ontmoetten elkander met een oneindige
-zachtheid, de zoo treurige zachtheid van hun heldhaftige liefde.
-
-“Lieve God, ik ken uw barmhartigheid, mijnheer de abbé,” zeide zij; “en
-ik zou niet gaarne mijn medewerking weigeren.”
-
-Zij verliet een oogenblik den salon en kwam dan dadelijk terug met een
-visitekaartje, waarop zij geschreven had, dat zij volgaarne abbé
-Froment bij de stappen, die hij deed, ondersteunde. Hij dankte haar
-hartelijk en ging met van dankbaarheid bevende handen weg, alsof hij
-een nieuwe hoop op redding medenam uit dezen salon, waarin achter hem
-weer een golf van donkerte en zwijgen scheen te vallen over de oude
-dame en haar laatste getrouwen om haar haard: een geheele wereld, die
-bezig was te verdwijnen.
-
-Buiten gekomen, stapte Pierre, nadat hij den koetsier het adres voor
-prinses de Hardt, avenue Kléber, gegeven had, opgelucht in zijn
-rijtuig. Als hij nu ook nog den steun van deze krijgen kon, behoefde
-hij niet meer aan succes te wanhopen. Op den pont de la Concorde was er
-echter zoo’n opstopping, dat het paard stapvoets moest gaan. Toen zag
-hij op het trottoir Dutheil, die, met een sigaar in zijn mond,
-vriendelijk tegen de menigte glimlachte; zorgeloos als een vogel was
-hij blij na de Kamerzitting de straat weer droog, den hemel weer blauw
-gevonden te hebben. En toen Pierre hem daar zoo vroolijk en
-triomphantelijk zag, kreeg hij plotseling een ingeving, zeide hij tot
-zichzelf, dat hij dezen jongen man, wiens rapport een zoo noodlottige
-uitwerking gehad had, voor zich moest trachten te winnen. Toevallig
-moest het rijtuig op dat oogenblik heelemaal stilstaan. De
-afgevaardigde herkende den abbé en glimlachte.
-
-“Waarheen gaat de reis, mijnheer Dutheil?”
-
-“O niet heel ver, naar de Champs-Elysées.”
-
-“Daar kom ik ook langs, en daar ik u graag even zou spreken, zoudt u
-mij een groot genoegen doen in te stappen. Ik zal u afzetten waar u
-wilt.”
-
-“Heel graag, mijnheer de abbé. Hindert het u niet, als ik blijf
-rooken?”
-
-“Volstrekt niet.”
-
-Het rijtuig maakte zich uit het gedrang los, stak het plein over en
-reed de Champs-Elysées op. Pierre begreep, dat hij maar een paar
-minuten had, en begon dadelijk den aanval op Dutheil, vastbesloten hem
-te overwinnen. Hij herinnerde zich nog den uitval van den jongen man op
-Laveuve in het huis van den baron, en was dan ook zeer verbaasd toen
-hij zich in de rede hoorde vallen met de woorden:
-
-“O ja, uw oude dronkaard. U hebt de zaak dus met Fonsègue niet in orde
-kunnen brengen? Maar wat wilt u eigenlijk? Dat men hem vandaag daar nog
-opneemt?... Maar daar heb ik niets op tegen!”
-
-“Ja, maar uw rapport.”
-
-“Mijn rapport, mijn rapport! Maar de dingen veranderen al naar het
-standpunt, dat men inneemt... En als die Laveuve u zoo na aan het hart
-ligt, wil ik u volstrekt mijn hulp niet weigeren.”
-
-Pierre keek hem verwonderd aan, hij was zoo gelukkig, dat hij niet eens
-behoefte gevoelde verder te spreken.
-
-“U hebt de zaak verkeerd aangepakt,” ging Dutheil, terwijl hij zich
-vertrouwelijk over hem heen boog, voort. “De baron is in zijn huis heer
-en meester—om redenen, die u ongetwijfeld begrijpt en kent; de barones
-doet alles wat hij vraagt. In plaats van al dat nuttelooze heen en weer
-rijden, hadt u moeten trachten zijn steun te krijgen, wat u zeker
-gelukt zou zijn, daar hij in een uitstekende stemming was. Dan zou zij
-dadelijk toegestemd hebben.”
-
-Hij begon te lachen.
-
-“Weet u wat ik doen zal?... Ik zal den baron voor uw zaak winnen. Ja,
-ik ga dadelijk naar een huis, waar men zeker is hem dagelijks op dit
-uur te treffen.”
-
-Hij lachte nog luider.
-
-“Maar u kent dat huis natuurlijk even goed als ik, mijnheer de abbé.
-Wanneer hij daar is, kan men er zeker van zijn, dat hij niets
-weigert... Ik beloof u, dat hij vanavond nog de opneming van Laveuve
-eischen zal. Maar het zal wel een beetje laat worden.”
-
-En dan plotseling een inval krijgend:
-
-“Maar waarom zoudt u eigenlijk niet met mij medegaan? U krijgt dan
-dadelijk een paar woorden op een visitekaartje en kunt onmiddellijk,
-zonder een minuut te verliezen, de barones gaan zoeken... Och ja, ik
-begrijp heel goed, dat u u een beetje voor het huis geneert. U wilt
-liever alleen met den baron spreken? Dan moet u maar zoolang in een
-kleinen salon wachten en zal ik hem bij u brengen.”
-
-Dit voorstel deed hem nog luider lachen, terwijl Pierre bij de
-gedachte, op die manier bij Silviane d’Aulnay geïntroduceerd te worden,
-eenigszins verlegen aarzelde. Daar was beslist zijn plaats niet. Toch
-zou hij naar den duivel zelf gegaan zijn en hij had dit reeds menigmaal
-gedaan in gezelschap van abbé Rose, wanneer zij hoopten een lijden te
-verzachten.
-
-Dutheil, die hem verkeerd begreep, fluisterde nog zachter om
-vertrouwelijk te zeggen:
-
-“Hij heeft daar alles betaald. U kunt gerust medegaan.”
-
-“Dat zal ik zeker doen,” antwoordde de priester, die op zijn beurt ook
-begon te lachen.
-
-Het kleine, maar zeer weelderige—de fijne en eenigszins galante weelde
-van een tempel—hôtel d’Aulnay lag in de avenue d’Antin, dicht bij de
-avenue des Champs-Elysées. De priesteres van dit heiligdom, waarin het
-goudgalon der oude dalmatieken in den malvekleurigen weerschijn der
-ramen glansden, was een kleine slanke, aanbiddelijke schoonheid van
-vijf-en-twintig jaar; geheel Parijs kende haar verrukkelijk
-madonnagezichtje, het zachte, lange, ovale voorhoofd, den fijnen neus,
-den kleinen mond met de vlekkelooze wangen en de naïeve kin onder het
-zware, dikke, het voorhoofd bedekkende, zwarte haar.
-
-De reden van haar bekendheid lag juist in die zachte, verwonderde
-uitdrukking, deze oneindige reinheid van haar blauwe oogen, de geheele
-kuische onschuld, die, wanneer zij wilde, een zeldzame tegenstelling
-vormde met de liederlijke deerne, die zij in den grond der zaak was met
-haar monsterachtige, openlijk ten toon gespreide perversiteit, zooals
-die op de humus der groote steden opschiet. Men vertelde de
-allerwonderlijkste verhalen over haar neigingen en grillen. Sommigen
-beweerden, dat zij de dochter van een conciërge, anderen van een dokter
-was. In ieder geval had zij zich eenige beschaving eigen gemaakt, want,
-als het noodig was, ontbrak het haar niet aan geest en houding. Sedert
-tien jaar liep zij, gevierd om haar schoonheid, op de planken rond; ja
-zelfs had zij vrij aardige successen behaald in rollen van kuisch, jong
-meisje en liefhebbende, vervolgde vrouwen. Maar sedert er sprake van
-was, dat zij aan de Comédie-Française komen zou, om daar de rol van
-Pauline in Polyeucte te spelen, waren sommigen verontwaardigd, lachten
-anderen hartelijk, zoo ongerijmd scheen hun dat denkbeeld toe, dat als
-het ware een aanslag was op de majesteit der klassieke tragedie. Zij
-echter wilde het nu eenmaal en was er met de onbeschaamdheid van een
-deerne, aan wie de mannen nooit iets hebben kunnen weigeren, zeker van,
-dat zij haar wil doorzetten zou.
-
-Dien dag was Gérard, die niet wist hoe hij zijn tijd moest dooden, voor
-hij om vier uur Eve in de rue Malignon verwachten kon, op het denkbeeld
-gekomen bij de in diezelfde buurt wonende Silviane op te loopen. Zij
-was een vroegere vlam van hem en hij was een der getrouwen van het
-kleine hôtel gebleven, waarin hij zelfs dikwijls lang bleef, wanneer
-het knappe jonge meisje zich verveelde. Maar hij had haar in een
-woedende stemming aangetroffen en lag lui uitgestrekt in een der diepe
-fauteuils van den in oud goud gehouden salon naar haar klachten te
-luisteren. Zij stond voor hem in een geheel witten japon—heelemaal wit,
-juist zooals Eve aan het dejeuner—sprak hartstochtelijk en overtuigde
-hem ten slotte, daar hij aan zooveel jeugd en schoonheid geen weerstand
-bieden kon. Onwillekeurig vergeleek hij haar met de andere; en nu reeds
-had hij genoeg van dat rendez-vous; zulk een moreele en physieke
-moeheid greep hem aan, dat hij veel liever in dezen fauteuil zou
-blijven zitten.
-
-“Versta je, Gérard,” riep zij ten slotte uit; “niet dat, niet dat zal
-ik hem toestaan, zoolang hij mij mijn benoeming niet brengt.”
-
-Baron Duvillard kwam binnen. Dadelijk werd zij zoo koud als ijs; zij
-ontving hem met de uitdrukking van een beleedigde, jonge koningin, die
-een verklaring verwacht; hij glimlachte verlegen, want hij voorzag een
-storm en bracht bovendien nog slechte tijdingen. Zij was de zweer aan
-het ondanks het verval van zijn ras nog zoo sterke en krachtige lichaam
-van dien man. Zij was ook het begin der gerechtigheid en der
-boetedoening, daar zij het opgehoopte goud met beide handen naar zich
-toe trok en de hongerenden en van koude rillenden door haar wreedheid
-wreekte. Het was jammerlijk te zien hoe deze gevreesde en gevleide man,
-voor wien staten beefden, hier bleek werd van angst, deemoedig zich
-boog en door zijn begeerte voor die vrouw in een seniele, stamelende
-kindschheid terugviel.
-
-“Als je eens wist, lieve vriendin, hoe druk ik het gehad heb. Een hoop
-vervelende zaken, conferenties met aannemers en het regelen van een
-moeilijke publiciteitsquaestie. Ik was al bang, dat ik je niet even de
-hand zou kunnen komen kussen.”
-
-Hij kuste haar hand, maar zij liet haar arm weer koel en onverschillig
-vallen en keek hem slechts aan, wachtend op wat hij haar te zeggen zou
-hebben; en zij bracht hem daardoor in zoo’n verlegenheid, dat hij begon
-te transpireeren en te stamelen, geen woorden meer vinden kon.
-
-“Natuurlijk heb ik mij ook met jouw belangen bezig gehouden; ik ben
-naar het ministerie van Schoone Kunsten geweest, waar men mij een
-formeele belofte gegeven had... O, men is daar nog altijd zeer op jouw
-hand!... Maar, stel je voor, die idioot van een minister, die
-Taboureau, een oude professor uit de provincie, die niets van ons
-Parijs kent, heeft zich beslist tegen je benoeming verzet en zegt, dat
-je, zoo lang hij aan het bewind is, nooit in de Comédie-Française
-debuteeren zal.”
-
-“En?” was het eenige woord, dat over haar lippen kwam.
-
-“Wat moet ik verder doen? Je kan toch een minister niet laten vallen,
-om jou de rol van Pauline te laten spelen.”
-
-“En waarom niet?”
-
-Hij deed, alsof hij lachte, maar het bloed drong naar zijn slapen en
-zijn geheele lichaam beefde van angst.
-
-“Maar wees toch niet zoo koppig, mijn kleine Silviane. Je bent zoo
-aardig, als je wilt... Zet toch dat denkbeeld van dit debuut uit je
-hoofd. Je speelt een gevaarlijk spel, want wat zou je je ergeren, als
-het eens op een fiasco mocht uitloopen! Je zoudt geen tranen genoeg
-hebben, om te huilen... En bovendien je kunt me zooveel andere dingen
-vragen, die ik je graag geven zou. Daar, zeg maar wat je hebben wilt en
-je krijgt het onmiddellijk.”
-
-Schertsend trachtte hij haar hand weer te nemen. Maar heel waardig deed
-zij een paar stappen terug.
-
-“Niet dàt meer, niet dàt meer, zoolang ik de rol van Pauline niet
-gespeeld heb; begrepen?”
-
-Hij had het begrepen: dat beteekende een gesloten slaapkamer, geen zoen
-zelfs meer in haar hals. Hij kende haar genoeg, om te weten met welk
-een strengheid zij hem van haar lichaam zou spenen. Uit zijn
-samengesnoerde keel kwam nog slechts een soort dof gebrom, terwijl hij
-bleef trachten de quaestie nog van een schertsenden kant op te nemen.
-
-“Wat is zij ondeugend vandaag, hè?” ging hij door, zich tot Gérard
-wendend. “Wat heb je haar toch gedaan, dat ik ze in zoo’n toestand
-vind?”
-
-Maar de jonge man bleef lui liggen en gaf geen antwoord; hij gevoelde
-geen lust slagen, die niet voor hem bestemd waren, op te vangen.
-
-Maar nu kende de woede van Silviane geen grenzen meer.
-
-“Wat hij gedaan heeft? Hij heeft me beklaagd, dat ik afhang van een man
-als jij bent, van een, die zoo zelfzuchtig en ongevoelig is voor
-beleedigingen, waarmede ik overstelpt word. Moest jij niet het eerst
-van verontwaardiging uit je vel springen? Hadt je mijn engagement aan
-de Comédie niet moeten eischen als een eerherstel? Want per slot van
-rekening is het een echec voor jou, en wanneer men mij niet waardig
-oordeelt, dan treft die beleediging jou ook... Maar ik ben maar een
-snol, niet waar?... Zeg het maar dadelijk, dat ik een snol ben, die uit
-achtenswaardige huizen weggejaagd wordt.”
-
-Zij bleef doorrazen met vloeken en grove woorden, die steeds weer over
-haar zoo vinnige lippen kwamen, wanneer zij woedend was. Vergeefs
-smeekte de baron, die heel goed wist, dat een enkel woord van hem een
-nog grooteren stortvloed van gemeene woorden veroorzaken zou, den graaf
-met een blik tusschenbeide te komen; maar deze, wiens liefde voor den
-vrede hen menigmaal met elkaar verzoende, bewoog zich niet: hij was te
-slaperig, om zich met de zaak te bemoeien. Dan eindigde zij plotseling
-met den slag van een bijl, die alle gunsten afhouwt.
-
-“Enfin, mijn waarde, je moet maar zien hoe je het klaar speelt, dat ik
-debuteer, maar vóór dien tijd niets hoor, zelfs niet het puntje van
-mijn pink!”
-
-“Goed, goed!” prevelde Duvillard met een wanhopigen grijnslach; “we
-zullen het wel in orde brengen!”
-
-Maar op dat oogenblik kwam een huisknecht binnen en zeide, dat mijnheer
-Dutheil beneden was en den baron verzocht even in de rookkamer te
-komen. Duvillard vond het vreemd, want gewoonlijk kwam Dutheil naar
-boven, alsof hij thuis was. Maar dan bedacht hij zich, dat de
-afgevaardigde ongetwijfeld ernstige tijdingen uit de Kamer medebracht,
-die hij hem dadelijk en onder vier oogen wilde mededeelen. Hij volgde
-den huisknecht en liet Gérard en Silviane alleen.
-
-In de rookkamer, een vertrek, dat door een deur met een portière direct
-in de vestibule uitkwam, wachtte Pierre, die nieuwsgierig rondkeek, met
-Dutheil. Voor alles viel hem op het bijna godsdienstig plechtige van de
-entrée, de zware draperieën, het mystieke licht der ramen, de oude
-meubelen, de geur van myrrhe en wierook. Vroolijk sloeg Dutheil met de
-punt van zijn wandelstok op den lagen divan, dat zoowel een liefdes-
-als een rustbed was.
-
-“Zij is mooi ingericht, wat? Ja, het is een meisje, dat het klappen van
-de zweep kent.”
-
-Nog geheel van streek en ongerust kwam de baron binnen. En zonder zelfs
-den priester te zien, vroeg hij:
-
-“Wat hebben zij daar gedaan? Is er wat ernstigs voorgevallen?”
-
-“Mège heeft geïnterpelleerd en de urgentie gevraagd, om Barroux te
-laten vallen. Enfin u kunt wel begrijpen wat hij gezegd heeft.”
-
-“Ja, ja! Tegen de bourgeois, tegen mij, tegen jou. Altijd hetzelfde...
-En verder?”
-
-“Nou, de urgentie is niet toegestaan, maar ondanks een schitterende
-verdediging heeft Barroux slechts een meerderheid van twee stemmen
-kunnen krijgen!”
-
-“Twee stemmen! Bliksems, dan ligt hij tegen den grond en hebben we de
-volgende week een ministerie-Vignon.”
-
-“Dat zeggen ze in de wandelgangen allemaal.”
-
-Zijn wenkbrauwen samengefronst, als overwoog hij wat voor slechts en
-wat voor goeds een dergelijke gebeurtenis voor de wereld brengen kon,
-maakte de baron een ontevreden gebaar.
-
-“Een ministerie-Vignon... Duivels, daar zouden we niet veel mede
-vooruitgaan. Die jonge democraten poseeren graag als beschermers der
-deugd; met een ministerie-Vignon zou Silviane ook niet in de Comédie
-komen.”
-
-Dat was het eenige wat hij zag in de catastrophe, waaronder de geheele
-politieke wereld beefde. De afgevaardigde kon dan ook niet nalaten zijn
-eigen angst te laten doorschemeren.
-
-“En wat moet er van ons worden?”
-
-Die woorden herinnerden Duvillard weer aan den toestand en met een
-nieuw, ditmaal trotsch gebaar gaf hij zijn brutaal vertrouwen te
-kennen.
-
-“Wij? Wij blijven wie wij zijn! Wij hebben toch nooit gevaar geloopen,
-zou ik denken! Sanier mag gerust zijn lijst publiceeren, als hij daar
-lust in heeft. Wanneer wij Sanier en zijn lijst al niet lang gekocht
-hebben, dan is dat alleen, omdat Barroux een man van eer is en ik er
-niet van houd mijn geld weg te smijten... Ik zeg je nog eens, dat we
-niets te vreezen hebben.”
-
-Dan zag hij eindelijk abbé Froment, die zich op den achtergrond
-gehouden had, en Dutheil bracht hem op de hoogte van den dienst, welke
-deze van hem verwachtte. In den opgewonden toestand, waarin hij
-verkeerde, en nog geheel onder den indruk van Silviane’s strengheid,
-koesterde hij blijkbaar de stille hoop, dat een goede daad hen geluk
-zou brengen en stemde hij onmiddellijk toe den priester behulpzaam te
-zijn. Hij haalde een visitekaartje en een potlood uit zijn zak en ging
-bij het raam staan.
-
-“Maar dat spreekt toch vanzelf, waarde abbé, ik ben heel blij een
-steentje bij te kunnen dragen tot uw goed werk... Luister maar wat ik
-schrijf: “Doe als het je blieft wat mijnheer de abbé Froment voor dien
-ongelukkigen man vraagt; onze vriend Fonsègue wacht slechts op een
-woord van jou, om te handelen!””
-
-Op dat oogenblik zag Pierre door de openstaande deur Gérard, die door
-Silviane uitgelaten werd. Zij was nu weer heelemaal kalm en blijkbaar
-nieuwsgierig naar wat Dutheil doen kwam. De aanblik van de jonge vrouw
-bracht hem in de grootste verbazing, zoo eenvoudig en zacht scheen zij
-hem toe in haar vlekkelooze madonnareinheid. In zijn droomen had hij in
-den tuin der onschuld nooit een verrukkelijker en bescheidener
-bloeiende lelie gezien.
-
-“Wanneer u dit kaartje onmiddellijk aan mijn vrouw geven wilt,” ging
-Duvillard voort, “dan zult u naar prinses de Hardt moeten gaan, waar
-een matinée gegeven wordt.”
-
-“Dat was ik van plan, mijnheer de baron.”
-
-“Prachtig... U zult er mijn vrouw zeker vinden; zij zou er met de
-kinderen heengaan.”
-
-Hij hield op, want hij had nu ook Gérard gezien en riep hem.
-
-“Zeg Gérard, mijn vrouw heeft toch gezegd dat zij naar de matinée zou
-gaan, mijnheer de abbé kan er toch op aan, dat hij haar daar kan
-vinden.”
-
-De jonge man, die juist naar de rue Matignon wilde gaan, om daar op Eve
-te wachten, antwoordde op zeer natuurlijken toon:
-
-“Als mijnheer de abbé zich haast, zal hij haar nog wel vinden. Zij zou
-erheen gaan voor zij bij Salmon ging passen.”
-
-Hij kuste Silviane de hand en ging weg met het indolente en
-onverschillige air van iemand, die zelfs van het genot blasé is.
-
-Hoewel hij het eenigszins pijnlijk vond, moest Pierre zich door
-Duvillard aan de vrouw des huizes laten voorstellen. Hij maakte
-zwijgend een buiging, terwijl zij, eveneens zwijgend, zijn begroeting
-met een kuische gereserveerdheid en met een in de omstandigheden
-passenden takt, waartoe geen enkele ingénue, zelfs niet van de Comédie,
-in staat geweest zijn zou, beantwoordde. Terwijl de baron den priester
-uitliet, ging zij met Dutheil naar den salon terug. Zij waren nog niet
-achter een portière, of hij sloeg zijn arm om haar middel en wilde haar
-een zoen op haar lippen geven. Maar zij verzette zich nog, want zij
-wist, dat hij niet ernstig was, en bovendien moest hij eerst lief voor
-haar zijn.
-
-Toen Pierre, overtuigd nu van het welslagen, in de avenue Kléber voor
-het hôtel van prinses de Hardt kwam, geraakte hij weer in een groote
-verlegenheid. De avenue was geheel versperd met équipages, die de
-gasten voor de matinée musicale brachten, terwijl zich voor de met rood
-fluweelen gordijnen behangen deur een zoo groot aantal genoodigden
-verdrong, dat hij bang was er niet door te zullen komen. Hoe zou hij
-daar binnen kunnen gaan? Hoe zou hij met zijn soutane de prinses te
-spreken kunnen vragen en een onderhoud hebben met barones Duvillard? In
-zijn koortsachtige opgewondenheid had hij aan die moeilijkheden niet
-gedacht. Hij wilde reeds te voet naar de deur gaan en trachten
-onopgemerkt binnen te sluipen, toen een vroolijke stem hem deed
-omkijken:
-
-“Hoe is het mogelijk, mijnheer de abbé? Zie ik u nu hier weer?”
-
-Het was de kleine Massot. Hij ging overal heen en maakte, wanneer hij,
-zooals hij dat noemde, de kroniekziekte had, tien verschillende dingen
-per dag mede, een Kamerzitting, een trouwpartij, een begrafenis enz.
-enz.
-
-“Zoo, mijnheer de abbé, komt u bij onze bekoorlijke prinses naar het
-dansen van de Morinnetjes kijken?”
-
-Hij zeide het spottend, want deze Morinnetjes waren een groep van zes
-Spaansche danseressen, die door de wulpsche zinnelijkheid van haar
-wiegelende bewegingen geheel Parijs toenmaals naar de Folies-Bergère
-[4] lieten stroomen. De grootste prikkel echter was, dat die meisjes
-voor de salons nog vrijmoediger dansen van de grootste zinnelijke
-uitgelatenheid, die men zeker in een schouwburg niet toegestaan zou
-hebben, bewaarden. En de beau monde verdrong zich bij de brutale,
-excentrieke gastvrouwen, die, zooals prinses de Hardt, voor geen enkele
-attractie terugdeinsden.
-
-Toen Pierre den kleinen Massot uitgelegd had, dat hij nog steeds voor
-dezelfde zaak in de weer was, bood deze dadelijk aan hem als gids te
-dienen. Hij kende de inrichting van het hôtel, liet hem door een
-achterdeur binnengaan en bracht hem door een gang in een hoek van den
-vestibule vlak bij den ingang van dien grooten salon. Groote groene
-planten, die de vestibule versierden, verborgen hen bijna geheel.
-
-“Blijf hier staan, mijnheer de abbé, dan zal ik trachten de prinses te
-vinden en kunt u hooren, of de barones er al is.”
-
-Het viel Pierre op, dat het hôtel geheel gesloten was: de gordijnen
-waren neergelaten, de kleinste spleten toegestopt, zoodat het daglicht
-niet binnenkomen kon, terwijl in alle vertrekken het electrisch licht
-onnatuurlijk sterk brandde. De warmte was reeds drukkend, de scherpe
-geuren van bloemen en vrouwenlichamen bezwangerden de atmospheer. Het
-kwam Pierre voor, als betrad hij een van die wellustige lustholen eener
-droomwereld, zooals het genotzoekende Parijs die verwezenlijkt. Als hij
-op zijn teenen ging staan, kon hij door de openstaande salondeur de
-ruggen van de reeds zittende vrouwen zien, heele rijen blonde en
-donkere nekken. De Spaanschen voerden blijkbaar een eersten dans uit.
-Hij zag haar niet, maar hij kon den geilen hartstocht van haar dans
-volgen in de huivering van al die nekken, welke zich als onder een
-sterken windstoot bewogen. Dan weerklonk gelach, een storm van bravo’s.
-
-“Het is mij niet mogelijk geweest de prinses te vinden, u zult nog wat
-geduld moeten hebben,” kwam Massot zeggen. “Ik heb Janzen ontmoet, hij
-zal haar bij u brengen... Kent u Janzen niet?”
-
-En deels uit gewoonte, deels omdat hij het prettig vond, begon hij weer
-te vertellen. De prinses was een goede vriendin van hem. Hij had
-verleden jaar, toen zij dadelijk na haar vestiging te Parijs in dit
-hôtel gedebuteerd had, verslag gegeven van haar eerste soirée. Hij
-kende de volle waarheid omtrent haar, voorzoover men die weten kon.
-Rijk was zij misschien, want zij gaf enorm veel geld uit. Getrouwd
-moest zij ook geweest zijn en wel met een echten prins, ongetwijfeld
-was zij het ook nu nog ondanks het feit, dat zij beweerde weduwe te
-zijn, want het scheen vast te staan, dat haar man, die mooi was als een
-aartsengel, met een zangeres reisde. Maar dat er een van de vijf op den
-loop was bij haar, dat stond vast als een paal boven water. Overigens
-was zij heel intelligent, maar buitengewoon wispelturig; nooit kon zij
-zich lang bij één ding bepalen, de eene liefhebberij volgde op de
-andere. Zoo had zij, na eerst een hartstochtelijke schilderes geweest
-te zijn, onlangs een passie gehad voor scheikunde, terwijl zij nu weer
-geheel in de poëzie opging.
-
-“Dus u kent Janzen niet?... Janzen is de man geweest, die haar een
-hartstocht ingeboezemd heeft voor de scheikunde en speciaal voor de
-studie van ontplofbare stoffen, want u begrijpt natuurlijk even goed
-als ik, dat de scheikunde voor haar alleen belangrijk is, omdat zij
-anarchistisch is... Haar houd ik voor een Oostenrijksche, hoewel je,
-wanneer zij iets beweert, verstandig doet daaraan te twijfelen. En wat
-Janzen betreft, die zegt, dat hij een Rus is, maar hij moet een
-Duitscher zijn. O, een zeer bescheiden, een raadselachtig man, die geen
-woning en misschien ook geen naam heeft, een verschrikkelijke kerel,
-van wiens verleden en leven men absoluut niets weet. Ik persoonlijk
-weet dingen, die mij doen gelooven, dat hij medeplichtig is aan den
-vreeselijken aanslag in Barcelona. In ieder geval zie ik hem nu al een
-jaar lang te Parijs, waar hij ongetwijfeld door de politie nagegaan
-wordt. En niemand zal mij van mijn idée af kunnen brengen, dat hij
-alleen maar de amant van onze half geschifte prinses geworden is, om de
-politie op een dwaalspoor te brengen. Hij neemt het air aan alsof hij
-hier een vroolijk leventje leidt en introduceert hier allerlei
-excentrieke menschen, anarchisten van iedere nationaliteit en kleur,
-zooals bijvoorbeeld Raphanel, dien kleinen, ronden, vroolijken kerel
-daar, een Franschman, voor wien zijn kornuiten wel op hun hoede mogen
-zijn; en Bergaz, een Spanjaard geloof ik, zoogenaamd een makelaar aan
-de Beurs, dien dikke daar met den vreeselijken, wellustigen mond! En
-nog vele anderen, avonturiers en bandieten uit alle vier de
-windstreken! O, die vreemdelingen-kolonies: enkele aanzienlijke
-vlekkelooze namen, enkele werkelijk groote vermogens—maar verder wat
-een gespuis!”
-
-Zoo was het ook met de salons van Rosemonde: klinkende titels, echte
-milliardairs, maar verder de meest extravagante mengeling van
-internationale leugens en de onderste lagen der maatschappij. En Pierre
-dacht aan dat internationalisme, aan dat kosmopolitisme, aan dien zwerm
-van vreemdelingen, die steeds dichter op Parijs neerstrijkt.
-Ongetwijfeld kwam hij er om ervan te genieten als van een stad van
-avonturen en genot, maar hij bederft Parijs nog wat meer. Was die
-langzame ontbinding van de groote steden, die de wereld beheerscht
-hebben, dat toestroomen van alle hartstochten, van alle lusten, die
-opgehoopte, van uit de geheele wereld aangebrachte humus, waarop de
-bloem der beschaving in schoonheid en intelligentie ontluikt, dan
-noodzakelijk?
-
-Maar Janzen kwam, een groote, magere jonge man van een jaar of dertig
-met grijze, fletse, harde oogen, een puntbaard en lange, krullende
-haren, die zijn bleek gezicht, dat als met een nevel overtrokken was,
-nog langer maakten. Hij sprak tamelijk slecht Fransch op zachten toon
-en zonder eenig gebaar. Hij zeide, dat hij de prinses nergens had
-kunnen vinden, hoewel hij haar overal gezocht had. Misschien had iemand
-wel haar misnoegen opgewekt en had zij zich in haar kamer opgesloten en
-was naar bed gegaan, het aan haar gasten overlatend zich zoo goed
-mogelijk te amuseeren.
-
-“Daar is zij,” zeide plotseling Massot.
-
-Inderdaad stond Rosemonde in de vestibule uit te kijken, alsof zij op
-iemand wachtte. Zij was klein en slank en scheen met haar fijn
-gezichtje, haar zeegroene oogen, haar teer, bewegelijk neusje en haar
-ietwat grooten en te bloedrooden mond, waarin prachtige tanden
-schitterden, meer vreemd dan mooi. Zij droeg een hemelsblauwen, met
-zilveren loovertjes afgezetten japon, zilveren armbanden en een
-zilveren diadeem in haar aschblond haar.
-
-“Maar met alle genoegen, mijnheer de abbé,” zeide zij tegen Pierre,
-zoodra zij het doel van zijn bezoek wist. “En als men uw ouden man niet
-in het Asile wil opnemen, dan moet u hem maar hier brengen!”
-
-Zenuwachtig bleef zij steeds naar de deur kijken. Toen de priester haar
-vroeg of barones Duvillard reeds gekomen was, riep zij uit:
-
-“Neen, ik begrijp er niets van. Zij zou haar twee kinderen medebrengen.
-Hyacinthe heeft mij plechtig beloofd, dat hij komen zou.”
-
-Hyacinthe was haar nieuwe gril. Dat de hartstocht voor de scheikunde
-plaats had moeten maken voor een voorliefde voor de decadente en
-symbolische poëzie, vond zijn oorzaak daarin, dat zij op een avond,
-toen zij met Hyacinthe over occultisme sprak, in hem een buitengewone
-schoonheid ontdekt had, de astrale schoonheid van de zwervende ziel van
-Nero. Alle teekenen wezen daar tenminste op, zeide zij.
-
-Plotseling liet zij Pierre staan.
-
-“Ha, eindelijk,” mompelde zij, opgelucht en gelukkig.
-
-Zij vloog naar de deur. Hyacinthe kwam binnen met zijn zuster Camille.
-Maar reeds had hij den vriend, voor wien hij kwam, gezien: den jongen
-lord Elson, een kwijnenden, bleeken jongen man met haar als van een
-meisje; hij verwaardigde zich nauwlijks de hartelijke ontvangst van
-Rosemonde op te merken, want hij beweerde, dat de vrouw een onrein en
-laag dier was, dat zoowel het lichaam als den geest bezoedelde.
-Wanhopig over die koelheid, volgde zij de beide jonge mannen in den
-levenden geur en de gloeiende hitte van den salon.
-
-Massot was zoo welwillend Camille aan te spreken en bij Pierre te
-brengen, die dadelijk bij de eerste woorden wanhopig werd.
-
-“Wat, mademoiselle, is uw moeder niet medegekomen?”
-
-Het jonge meisje, dat, zooals gewoonlijk in het donker, ditmaal
-pauwblauw, gekleed was, scheen zenuwachtig; haar oogen hadden een
-boosaardige uitdrukking en haar stem klonk sissend.
-
-“Neen, zij kon niet... zij moest gaan passen bij Salmon. Wij hebben ons
-op de tentoonstelling verlaat en zij heeft zich onderweg bij hem laten
-afzetten.”
-
-Zij had, in de hoop daardoor het rendez-vous van haar moeder in de rue
-Matignon te verhinderen, het bezoek aan de tentoonstelling handig weten
-te rekken, en nu maakte het haar woedend, dat haar moeder, dank zij die
-leugen van het passen, toch had bewerkt nog op tijd te zijn.
-
-“Maar zou ik,” vroeg Pierre naïef, “als ik nu direct naar Salmon ging,
-mijn kaartje daar niet kunnen afgeven?”
-
-Het denkbeeld scheen haar zoo grappig, dat zij in een schril gelach
-uitbarstte.
-
-“Het zal de vraag zijn, of u haar daar nog vindt. Zij had nog een
-andere, dringende afspraak, daar zal zij nu wel heen zijn.”
-
-“Dan zal ik hier maar wachten. Zij komt u toch zeker hier halen?”
-
-“Ons halen? Wel neen, ik zeg u toch, dat zij een andere belangrijke
-afspraak heeft. Mijn broer en ik gaan alleen terug.”
-
-Een steeds grootere bitterheid vergiftigde haar smartelijke ironie.
-Begreep die priester dan heelemaal niets, dat hij haar die naïeve
-vragen deed, welke als een mes in haar hart woelden. Hij moest het toch
-weten, iedereen wist het immers.
-
-“Wat spijt mij dat vreeselijk,” ging hij zóó verdrietig voort, dat de
-tranen hem in de oogen kwamen. “Het is nog altijd voor dien armen ouden
-man. Ik heb een aanbeveling van uw vader, en mijnheer Gérard had mij
-gezegd...”
-
-Hier werd hij verlegen en in zijn goddelijke onbekommerdheid, slechts
-door zijn eenigen hartstocht, de naastenliefde vervolgd, ging hem
-plotseling een licht op.
-
-“Ja, ik heb uw vader en mijnheer de Quinsac zooeven gesproken...”
-
-“Ik weet het, ik weet het!” antwoordde zij met het lijdend gezicht van
-iemand, die alles weet. “Nu, mijnheer de abbé, wanneer u papa gesproken
-en een aanbeveling voor mama gekregen hebt, dan zult u moeten wachten,
-tot mama klaar is met haar zaken... Maar die duren dikwijls lang. U
-kunt tegen zes uur naar het hôtel gaan, maar ik durf u niet verzekeren,
-dat u haar dan al vinden zult.”
-
-Haar oogen schitterden moorddadig, ieder van haar woorden had iets
-woest-spottends, iets snijdends als messen, waarmede zij den nog altijd
-prachtigen hals van haar moeder had willen doorboren. Nog nooit had zij
-haar zoo gehaat, haar zoo haar schoonheid, haar vreugde, haar geluk zoo
-bemind te worden, misgund. En de ironie, die in het bijzijn van den
-onschuldigen priester over haar maagdelijke lippen kwam, was een stroom
-verborgen modder, waarin zij haar trachtte te verdrinken.
-
-Maar nu kwam Rosemonde, zenuwachtig als altijd, naar haar toe en nam
-haar mede.
-
-“Kom toch mee, lieveling, zij zijn verrukkelijk, bedwelmend.”
-
-Janzen en de kleine Massot volgden de prinses. Alle mannen kwamen op
-het gerucht, dat de Spaanschen weer een dans zouden beginnen,
-aangesneld en verdrongen zich in den salon.
-
-Toen Pierre weer buiten kwam, bleef hij een oogenblik als versuft en
-met knippende oogen in het volle daglicht staan. Het was nog geen half
-vier, zoodat hij nog ruim twee uur wachten moest, vóór hij naar het
-hôtel in de rue Godot-de-Mauroy gaan kon. Wat moest hij doen? Hij
-betaalde zijn koetsier, want hij wilde liever, nu hij toch allen tijd
-had, zachtjes de Champs-Elysées afwandelen. Dat zou misschien de
-koortsachtige opwinding, die zijn handen deed gloeien, wat kalmeeren.
-En in zijn hartstochtelijke naastenliefde, die naarmate zich
-hinderpalen voordeden, steeds hooger oplaaide, had hij nu nog slechts
-één haast: het goede werk, dat hij eindelijk zeker waande, voltooien.
-Hij dwong zich zijn pas in te houden, zachtjes de prachtige avenue, die
-de zon opgedroogd had en die nu onder den blauwen lentehemel door een
-groote menigte opgevroolijkt werd, af te wandelen.
-
-Bijna twee uur, dat hij niets doen kon, terwijl de ongelukkige Laveuve
-daar op zijn lompen in het ijskoude dakkamertje met den dood worstelde.
-Een plotseling verzet, een onweerstaanbaar ongeduld kwam weer in Pierre
-op, deed hem weer harder loopen, om barones Duvillard dadelijk te
-vinden en van haar het reddende bevel te krijgen. Hij vermoedde wel,
-dat zij hier ergens in de buurt, in een van die bescheiden straatjes
-was. Welk een wanhopige toorn maakte zich van hem meester bij de
-gedachte, dat hij, om een leven te redden, zoo wachten moest, totdat
-zij klaar zijn zou met datgene, waarover haar dochter met zulke
-moordlustige blikken sprak. Hij meende een vreeselijk gekraak te
-hooren: het kraken der ineenstortende burgerlijke familie; de vader bij
-een hoer, de moeder in de armen van een minnaar, broeder en zuster, die
-alles wisten, van wie de eerste langzamerhand tot de liederlijkste
-perversiteiten afgleed, en de tweede in haar woedende razernij haar
-moeder dien minnaar ontstelen wilde, om met hem te trouwen. De
-equipages reden in snellen draf de schitterende avenue af, de menigte
-stroomde langs de zijwegen, en al die menschen waren vroolijk en mooi,
-zonder dat zij schenen te vermoeden, dat ergens aan het einde een
-gapende afgrond was, waarin zij hals over kop neervallen en verdwijnen
-zouden.
-
-Toen Pierre bij den Cirque d’été kwam, zag hij tot zijn groote
-verwondering Salvat weer, ditmaal op een bank. De arbeider moest, na
-vergeefs naar werk gezocht te hebben, hier uitgeput van vermoeienis en
-honger, neergevallen zijn. Toch was onder zijn jas nog altijd de bult
-zichtbaar, ongetwijfeld het stuk brood, dat hij mee naar huis bracht.
-Met moe afhangende armen en achterover tegen de bank leunend, keek hij
-met zijn droomerige oogen naar de kinderen, die met groote moeite
-kleine zandhoopjes bij elkaar schepten en die dan met hun voeten weer
-uittrapten. Zijn roodgerande oogen werden vochtig, een eindeloos zacht
-glimlachje speelde om zijn arme, bleeke lippen. Ditmaal wilde Pierre,
-die door een onrust aangegrepen werd, naar hem toegaan en hem
-aanspreken. Maar Salvat stond wantrouwend op, verwijderde zich in de
-richting van den Cirque, waar juist een concert ten einde liep, en
-sloop langs de deur van dit feestgebouw, waarin twee duizend
-samengeperste menschen naar de muziek luisterden.
-
-
-
-
-V.
-
-Toen Pierre op de place de la Concorde kwam, herinnerde hij zich
-plotseling de afspraak, die hij met abbé Rose tegen vier uur in de
-Madeleine gemaakt en in al dit koortsachtige heen en weer loopen
-vergeten had. Hij was al te laat. Blij, dat hij door die afspraak den
-tijd makkelijker door zou kunnen komen, versnelde hij zijn pas.
-
-Bij zijn binnentreden in de kerk zag hij tot zijn verbazing, dat het
-reeds bijna geheel donker was. Slechts een paar kaarsen brandden: het
-schip lag in diepe schaduwen gedompeld, en te midden van dat halfdonker
-sprak een hooge, duidelijke stem, zonder dat men in den beginne van het
-talrijke auditorium iets anders zag dan de kale en verwarde massa van
-de in aandachtig luisteren onbeweeglijke hoofden. Monseigneur Martha
-stond op den kansel en was bijna aan het einde van zijn derde
-voordracht over den Nieuwen Geest. De beide eerste voordrachten hadden
-groote sensatie gemaakt, zoodat geheel Parijs aanwezig was—dames uit de
-hoogste kringen, politici, schrijvers, allen medegesleept door de
-welsprekendheid van den redenaar met zijn knappe, warme voordracht en
-de breede gebaren van een groot tragediespeler.
-
-Pierre wilde die plechtige aandacht, die rillende stilte, waarin alleen
-het woord van den geestelijke klonk, niet verstoren. Hij zou straks
-abbé Rose wel zoeken en bleef tegen een pilaar geleund staan. Een
-schuin vallende, uitstervende straal van het laatste daglicht viel door
-het raam juist op den redenaar, die in zijn wit koorhemd groot en
-krachtig scheen en bijna nog niet grijs was, ofschoon hij de vijftig
-reeds gepasseerd was. Hij had mooie trekken, donkere, levendige oogen,
-een krachtigen neus en een scherp geteekende kin en mond. Maar het
-meest opvallend aan hem was, het meest nam hij allen voor zich in door
-zijn sympathieke verschijning, de steeds blijvende uitdrukking van
-groote beminlijkheid, die het gebiedende van zijn gezicht verzachtten,
-ja bijna deden verdwijnen.
-
-Pierre had hem, toen hij nog pastoor van de Sainte-Clotilde was,
-gekend. Hij moest van Italiaansche afkomst zijn, hoewel hij in Parijs
-geboren was, had Saint-Sulpice met de beste getuigschriften verlaten en
-was zeer intelligent, zóó eerzuchtig, dat zijn superieuren zelfs zich
-daarover ongerust begonnen te maken. Toen hij daarna tot bisschop van
-Persepolis benoemd was, verdween hij en bleef vijf jaar in Rome; wat
-hij daar gedaan had, was nooit iemand te weten gekomen. Na zijn
-terugkeer bracht hij Parijs in verbazing door zijn succesvolle
-propaganda, hield zich bezig met de meest verschillende dingen en was
-in het aartsbisdom, waar hij almachtig was, zeer populair. Speciaal
-richtte hij zijn kracht erop, om de inschrijvingen tot voltooiing van
-den dom voor den Sacré-Cœur te vertiendubbelen. Niets was hem daarvoor
-te veel: noch reizen, noch lezingen, noch inzamelingen, noch stappen
-bij ministers, ja zelfs bij Joden en vrijmetselaars. In den laatsten
-tijd had hij zijn arbeidsveld nog uitgebreid, trachtte hij de
-wetenschap met het Katholicisme te verzoenen, het Christelijke
-Frankrijk met de Republiek te rallieeren en predikte overal de politiek
-van Leo XIII, die den definitieven triomf der Kerk verzekeren moest.
-
-Niettegenstaande de tegemoetkomendheid van dezen invloedrijken en
-beminlijken man kon Pierre toch geen sympathie voor hem voelen. Hij was
-hem slechts voor één ding dankbaar, n.l. dat hij den goeden abbé Rose
-tot vicaris van Saint-Pierre de Montmartre had laten benoemen,
-blijkbaar om het schandaal te verhinderen, dat een priester gestraft
-zou worden, omdat hij zich te barmhartig getoond had. Toen hij hem daar
-zoo op den kansel van de Madeleine terugvond en hem zijn
-veroveringsveldtocht hoorde voortzetten, zag hij hem weer voor zich,
-zooals hij hem het vorige jaar bij de Duvillards had gezien, toen hij
-met zijn gewone meesterschap de bekeering van Eve tot het Katholicisme,
-zijn mooisten triomf, tot een goed einde gebracht had. De doop, een
-plechtigheid van buitengewone pracht en praal, een ware
-galavoorstelling, die aan het stampubliek van alle groote
-gebeurtenissen gegeven werd, had in diezelfde kerk plaats gehad. Gérard
-lag, tot tranen toe geroerd, op zijn knieën, terwijl de baron
-triompheerde als een goed echtgenoot, die verheugd is, dat de
-godsdienst eindelijk de volmaakte harmonie in zijn huwelijk brengt. In
-sommige kringen werd beweerd, dat de familie van Eve, de oude Justus
-Steinberger, haar vader, in den grond der zaak niet al te boos geweest
-was; grijnslachend zou hij gezegd hebben, dat hij zijn dochter goed
-genoeg kende, om haar aan zijn ergsten vijand toe te wenschen. In
-bankzaken bestaan er nu eenmaal papieren, die men gaarne door zijn
-concurrenten laat disconteeren. Met de hardnekkige hoop op de
-overwinning van zijn ras zeide hij ongetwijfeld, om zich te troosten
-over het echec van zijn eerste berekening, dat een vrouw als Eve in een
-Christelijke familie een goed ontbindend middel was, dat er krachtig
-toe medewerken zou, om al het geld en al de macht in de handen der
-Joden te doen vallen.
-
-Maar het visioen verdween, de stem van monseigneur Martha verhief zich
-steeds machtiger. Te midden van het rillend auditorium jubelde hij over
-de weldaden van den Nieuwen Geest, die eindelijk Frankrijk den vreden
-brengen en het zijn rang en zijn kracht teruggeven zou. Wezen overal
-niet onmiskenbare teekenen op een herleving? De nieuwe geest was de
-wedergeboorte van het ideaal, het protest van de ziel tegen het lage
-materialisme, de triomf van het spiritualisme over de
-modderlitteratuur; het was de erkende, maar op de haar toekomende
-plaats teruggebrachte wetenschap, die zich verzoende met het geloof van
-af het oogenblik, dat zij er geen aanspraak meer op maakte om in het
-heilige gebied van dit laatste binnen te dringen; het was de met
-vaderliefde ontvangen democratie, de gelegitimeerde, nu eveneens als de
-veelgeliefde dochter der Kerk erkende Republiek. Een idyllische
-ademtocht streek over de menigte: de Kerk opende haar hart voor alle
-kinderen; er zou nog slechts eendracht en vreugde zijn, wanneer het
-volk, gehoorzamend aan den nieuwen geest, zich geven zou aan den Heer
-der Liefde, zooals het zich gegeven had aan zijn koningen, wanneer het
-de eenige macht van God, den onbeperkten gebieder over lichamen en
-zielen, erkende.
-
-Nu luisterde Pierre met aandacht en hij vroeg zich af, waar hij reeds
-vroeger bijna dezelfde woorden gehoord had. En plotseling herinnerde
-hij het zich, hij meende monseigneur Nani weer te hooren, zooals hij
-sprak in het laatste onderhoud, dat zij samen gehad hadden. Hier vond
-hij den droom terug van een democratischen paus, die de van haar troon
-gestooten monarchieën aan haar lot overliet en trachtte het volk te
-heroveren. Kon, nu Caesar vernietigd was, de paus niet de eeuwenoude
-eerzucht verwezenlijken, keizer en pontifex tegelijk, de souvereine,
-algemeene God zijn? Het was de droom, dien hij in zijn
-apostel-naïeveteit eens zelf gedroomd had, toen hij zijn Nieuw Rome
-schreef—de droom, waarvan het werkelijke Rome hem zoo ruw genezen had.
-In den grond der zaak was deze priesterpolitiek, die de eeuwen aan haar
-zijde heeft, die zich taai en met een buitengewone soepelheid vastklemt
-aan de verovering en vastbesloten is uit alles voordeel te trekken,
-niet meer dan een huichelachtige leugenpolitiek. Welk een evolutie: de
-Kerk komt de wetenschap, de democratieën, de Republiek tegemoet,
-overtuigd, dat zij die alle, indien men haar daartoe den tijd laat,
-verslinden zal. Ja, de nieuwe geest! Het was de oude geest der
-overheersching, die zich steeds weer hernieuwt, steeds weer met
-denzelfden honger naar overwinning en wereldbezit!
-
-Pierre meende onder het gehoor enkele afgevaardigden te herkennen, die
-hij in de Kamer gezien had. Was die groote man met den blonden baard,
-die zoo vroom zat te luisteren, niet een der creaturen van Montferrand?
-Men beweerde, dat Monferrand, vroeger een priestervreter, thans met den
-clerus coquetteerde. In de sacristieën begon een geheele heimelijke
-evolutie, het wachtwoord uit Rome deed de rondte: men moest zich
-railleeren met de nieuwe regeering en die, door zich er meester van te
-maken, langzaam aan geheel overweldigen. Frankrijk was nog steeds de
-oudste dochter der Kerk, de eenige natie, die nog gezond en sterk
-genoeg was, om den paus eenmaal weer zijn wereldlijke macht terug te
-geven. Men moest haar dus trachten te winnen, zelfs als republiek was
-zij waard, dat men zich bij haar aansloot. In die grimmige
-diplomateneerzucht maakte de bisschop gebruik van den minister, die het
-in zijn belang achtte op zijn beurt weer op den bisschop te steunen. En
-wie van de twee zou ten slotte den ander opeten? En tot welk een rol
-daalde de godsdienst af! Hij werd een verkiezingswapen, een
-stemmensaldo bij meerderheden, een beslìssende en geheime reden, om een
-portefeuille te krijgen of te behouden! De goddelijke naastenliefde was
-ver te zoeken. Een gevoel van groote bitterheid maakte zich van Pierre
-meester bij de herinnering aan den onlangs gestorven Bergerot, den
-laatste der groote heiligen, der reine geesten van het Fransche
-episcopaat, dat thans slechts uit intriganten en domkoppen scheen te
-bestaan.
-
-Inmiddels liep de conférence ten einde. In een vurige peroratie, die
-den Parijs met het reddende symbool van het Kruis beheerschenden dom
-van den Sacré-Cœur daar boven op den Heiligen berg der Martelaars
-bezwoer, toonde monseigneur Martha dit groote Parijs, dat, dank zij de
-door den goddelijken adem van den nieuwen geest verleende moreele
-almacht, weer Christelijk en de heerscher der wereld geworden was. Door
-het gehoor, dat niet applaudisseeren mocht, liep een goedkeurend
-gemompel van verrukking; zij voelden zich zoo gelukkig door dit
-wonderbare einde, dat alle belangen en gewetens geruststelde. Dan
-verliet monseigneur Martha plechtig den kansel, terwijl het luide
-gestommel van weggeschoven stoelen den donkeren vrede der kerk
-verstoorde, welke nauwlijks verlicht werd door enkele kaarsen, die als
-de eerste sterren aan den schemerenden hemel fonkelden. Een ware vloed
-van menschen, onduidelijke en fluisterende schimmen, stroomde naar
-buiten. Slechts enkele vrouwen bleven op haar knieën liggen bidden.
-
-Pierre ging op zijn teenen staan en trachtte abbé Rose te vinden, toen
-een hand hem aanraakte. Het was de oude priester, die hem uit de verte
-herkend had.
-
-“Ik zat bij den kansel en heb je dadelijk gezien, beste jongen; maar ik
-wilde liever wachten, om niemand te storen... Wat heeft monseigneur
-mooi gesproken!”
-
-Hij scheen inderdaad zeer onder den indruk. Maar een hartverscheurende,
-treurige uitdrukking lag om zijn goeden mond, om zijn heldere
-kinderoogen, wier glimlach gewoonlijk het goedige, ronde, bleeke
-gezicht verhelderden.
-
-“Ik was bang, dat je weer weggegaan zoudt zijn zonder mij te zien, want
-ik heb je wat te zeggen... Je weet wel, die arme oude man, naar wien ik
-je vanochtend gestuurd heb en voor wien ik je verzocht je te
-interesseeren... welnu, toen ik thuis kwam, was daar een dame, die me
-dikwijls wat geld komt brengen voor mijn armen. Toen dacht ik zoo bij
-mezelf, dat de drie francs, die ik je gegeven had, toch eigenlijk maar
-een armzalige aalmoes waren; en daar die gedachte me maar niet losliet
-en me bleef kwellen, kon ik aan mijn verlangen geen weerstand bieden en
-ben ik vanmiddag naar de rue des Saules gegaan...”
-
-Eerbiedig Het hij zijn stem dalen, om de diepe, grafachtige stilte van
-de kerk niet te storen. Doch ook een heimelijke schaamte deed hem
-stamelen, de schaamte, dat hij weer teruggevallen was in de zonde van
-onvoorzichtige en blinde barmhartigheid, die hem reeds zoo dikwijls
-door zijn superieuren verweten was. En heel zacht fluisterde hij
-verder:
-
-“Ik wilde den armen man nog vijf francs brengen, maar ik heb hem dood
-gevonden.”
-
-Pierre huiverde in een plotselinge rilling. Hij wilde het niet
-begrijpen.
-
-“Wat dood? Die oude man, die Laveuve dood?”
-
-“Ja, ik heb hem dood gevonden! En in welk een vreeselijke ellende! Als
-een oud dier, dat op een hoop lompen in een dakkamertje is gaan
-sterven. Niemand heeft hem in zijn laatste oogenblikken bijgestaan; hij
-heeft zich eenvoudig omgekeerd naar den muur. En hoe kaal en hoe koud
-was het in dat krot! Welk een verwaarloozing, en hoe vreeselijk voor
-een armen stakkerd om zoo, zonder een liefkoozing, weg te gaan. Mijn
-hart bloedt er nog van!”
-
-In zijn ontsteltenis vond Pierre slechts een gebaar van opstand tegen
-de stomme sociale wreedheid. Was het brood, dat hij bij den ongelukkige
-achtergelaten en dat deze na zooveel dagen van ontbering misschien te
-gulzig opgegeten had, de schuld van dien dood! Of was deze de door het
-noodlot bepaalde ontknooping van een uitgeput, door werk en ontberingen
-versleten leven? Maar wat kwam eigenlijk de oorzaak erop aan! De dood
-was gekomen, had den ongelukkige verlost.
-
-Maar de goede abbé Rose had zich reeds bij Gods wil neergelegd; hij
-wilde niets dan vergiffenis en hoop.
-
-“Neen, neen, mijn kind, opstand en verzet zijn slecht. Wanneer wij
-allen schuldig zijn, kunnen wij niets dan God smeeken onze zonden te
-vergeten... Ik had je gevraagd hier te komen, omdat ik hoopte een goede
-tijding van je te krijgen, en nu moet ik je dat vreeselijke
-mededeelen... Laten we boete doen en bidden.”
-
-Hij knielde neer naast de pilaar achter de zwarte, onduidelijke
-gestalten der vrouwen, die daar in het donker baden. Hij boog zijn
-witharig hoofd en verootmoedigde zich lang voor God.
-
-Maar in Pierre gromde het verzet zoo luid, dat hij niet bidden kon. Hij
-boog zelfs zijn knieën niet, maar bleef huiverend staan. Zijn hart was
-als vermorzeld, zijn brandende oogen hadden geen traan. Laveuve dood,
-uitgestrekt op zijn hoop lompen, zijn handen krampachtig samengeknepen,
-als om zich vast te klampen aan zijn martelaarsleven, terwijl hij,
-wederom door zijn vurige naastenliefde aangegrepen en door zijn
-apostelijver verteerd, geheel Parijs afliep om voor hem een rein bed te
-vinden. O, welk een vreeselijke ironie bood dat alles! Daarvoor moest
-hij bij de Duvillards in den warmen salon zijn, terwijl de arme man
-stierf; voor dezen ongelukkigen doode was hij vervolgens naar de Kamer,
-naar gravin de Quinsac, naar die Silviane en naar die Rosemonde gegaan;
-voor dien van het leven bevrijde, van de ellende verloste had hij de
-menschen lastig gevallen, den vrede van sommigen gestoord, het genot
-van anderen bedreigd! Waartoe van het parlementshol in den kouden
-salon, waarin het stof van het verleden verstarde, van de uitspattingen
-van de bourgeois—naar de extravaganties der kosmopolitische
-maatschappij te vliegen, als men toch altijd te laat komt en de
-menschen eerst redt, wanneer zij eerst dood zijn? Hoe belachelijk, dat
-hij zich opnieuw door die naastenliefde had laten ontvlammen! Van dezen
-laatsten brand voelde hij niets meer in zich dan asch! Ditmaal waande
-hij zichzelf gestorven, was hij niets meer dan een ledig graf.
-
-En deze geheele, vreeselijke leegte, dit Niets, dat hij dien ochtend na
-zijn mis in den Sacré-Cœur gevoeld had, werd steeds dieper en van af
-dat oogenblik onpeilbaar. Tegelijk met de illusoire, nuttelooze
-naastenliefde stortte het Evangelie in, naderde het einde van het
-Heilige Boek. Na eeuwen van hardnekkige pogingen mislukte de verlossing
-door den Christus; de wereld had tegenover de in de bedrogen en
-ongelukkige volkeren opstijgende behoefte van gerechtigheid een ander
-heil noodig. De volkeren wilden niets meer weten van het leugenachtige
-paradijs, waarmede men de sociale misdaden reeds zoo lang in slaap
-wiegde; zij eischten, dat men de vraag van het geluk op de aarde
-bracht. Maar hoe? Door welken nieuwen eeredienst? Door welke gelukkige
-vereeniging tusschen het gevoel voor het goddelijke en de
-noodzakelijkheid, om het leven in zijn majesteit en vruchtbaarheid te
-eeren? Daar begon de angst, het kwellende probleem, waarin hij ten
-slotte geheel onderging, hij, de priester, die met zijn gelofte kuisch
-te zijn en het absurde te dienen, buiten de verdere wereld stond!
-
-Maar de constateering van het feit werd daardoor nog vreeselijker. Hij
-geloofde niet langer aan de goede uitwerking van de aalmoes. Barmhartig
-zijn was niet voldoende meer, men moest in den vervolge ook
-rechtvaardig zijn. Voor alles gerechtigheid—en de verschrikkelijke
-ellende zou verdwijnen, zonder dat men barmhartig behoefde te zijn. In
-dit treurige Parijs ontbrak het zeker niet aan goede harten; de
-liefdadigheidsinstellingen wemelden er als groene bladeren bij de
-eerste lentewarmte. Er waren instellingen voor alle leeftijden, alle
-gevaren, alle ongelukken. Men hielp kinderen, nog voor zij geboren
-waren, door voor de moeders te zorgen; dan kwamen de crèches, de
-weeshuizen voor de verschillende klassen; en nadat men zich met de
-volwassenen bezig gehouden had, volgde men den man op zijn levensweg;
-hoe ouder men werd, des te meer werd men met zorgen omringd,
-vermenigvuldigden zich de Asyls, de Hospitia, de Toevluchtsoorden. Alle
-handen strekten zich uit naar de verwaarloosden, naar de onterfden,
-naar de misdadigers zelfs; er waren allerlei vereenigingen tot
-bescherming van zwakken, instellingen tot voorkoming van misdaden,
-tehuizen voor de opneming van berouwhebbenden.
-
-Bladzijden en bladzijden zou men noodig hebben om alleen die
-buitengewone vegetatie der barmhartigheid te beschrijven, die tusschen
-de straatsteenen van Parijs opwast in een prachtige opwelling van
-geestdrift, waarin zielegrootheid zich vermengt met wereldsche
-ijdelheid. Wat kwam dit alles er op aan? De barmhartigheid verzoende,
-louterde alles. Maar welk een vreeselijk argument was de volmaakte,
-belachelijke nutteloosheid van die naastenliefde! Na zooveel eeuwen van
-Christelijke barmhartigheid was nog geen enkele wond dichtgetrokken,
-was de ellende slechts grooter geworden, tot razernij gestegen! De
-voortdurend om zich grijpende kwaal mocht geen dag langer geduld worden
-van af het oogenblik dat de sociale onrechtvaardigheid er niet door
-genezen, zelfs niet door verminderd werd. Was het trouwens al niet
-voldoende, dat een man van koude en honger gestorven was, om het
-getimmerte van een op de aalmoes gebouwde maatschappij te doen
-instorten? Eén slachtoffer, en de maatschappij was reeds veroordeeld.
-
-Pierre voelde zulk een golf van bitterheid in zich opstijgen, dat hij
-niet langer in deze kerk kon blijven, waarin de schaduwen steeds meer
-neerdaalden op de groote, aan het kruis genagelde witte
-Christusbeelden. Alles begon zich in het donker te hullen, hij hoorde
-niets meer dan het wegstervende geprevel der gebeden, de jammerklachten
-der vrouwen, die, in de diepe donkerte reeds niet meer zichtbaar,
-knielend lagen te bidden.
-
-Toch aarzelde hij weg te gaan, zonder nog een woord gesproken te hebben
-met abbé Rose, wiens naïef-geloovig smeeken het geluk en den vrede der
-menschen aan den goeden wil van het Onzienlijke overliet. Hij wilde hem
-niet storen en stond reeds op het punt om weg te gaan, toen de abbé uit
-eigen beweging opkeek.
-
-“Wat is het toch moeilijk op verstandige wijze goed te zijn!
-Monseigneur Martha heeft mij weer verwijten gedaan, en wanneer ik God
-niet had, die mij vergeeft, zou ik sidderen voor mijn zieleheil.”
-
-Een oogenblik bleef Pierre onder de porticus van de Madeleine, op het
-hooge bordes staan, dat het plein beheerscht. Voor hem lag de rue
-Royale, die zich uitstrekte tot de breede Place de la Concorde, waar
-zich de obelisk en de beide fonteinen verheffen, terwijl nog verder de
-colonnade van de Kamer van Afgevaardigden den horizont afsloot. Het was
-een perspectief van verheven grootschheid; langzaam omsluierde de
-schemering den hemel, schoof de gebouwen verder terug en gaf hun het
-onaardsch-bevende en wazige van een droom. Geen stad ter wereld bezit
-op dit vage uur, wanneer de beginnende nacht den steden iets
-droomachtigs, de oneindigheid van menschelijke onmetelijkheid geeft,
-dit decor van chimerische praal en grandiose pracht.
-
-Tegenover deze zich voor hem openende ruimten weifelend, bleef Pierre
-onbeweeglijk staan en vroeg zich af, waarheen hij gaan zou, nu alles,
-wat hij sedert dien ochtend zoo vurig gewenscht had, ineengestort was.
-Wilde hij nog steeds naar het hôtel Duvillard in de rue Godot-de-Mauroy
-gaan? Hij wist het niet meer. Dan keerde de irriteerende herinnering
-met haar wreede ironie terug. Waartoe diende het, nu Laveuve gestorven
-was? Waartoe den tijd te dooden, op straat rond te loopen, om tot zes
-uur te wachten? De gedachte, dat hij een woning had, dat het het
-eenvoudigste was naar huis terug te gaan, kwam zelfs niet in hem op.
-Het scheen hem toe, dat hij nog een belangrijk iets te doen had, zonder
-dat hij zou kunnen zeggen wat. Dat iets was overal en zoo ver, zoo
-verward en zoo moeilijk, dat hij het zeker niet tot stand brengen zou.
-Als waren zijn beenen van lood ging hij met bonzende en kloppende
-slapen het bordes af en bleef dan nog een oogenblik op de bloemenmarkt
-rondloopen, een wintermarkt, waarop de eerste azalea’s zich rillend
-ontplooiden. Vrouwen kochten viooltjes en Nizza-rozen. Hij keek ernaar,
-alsof die geurige, teere en fijne pracht hem interesseerde. Doch dan
-maakte zich een plotselinge afschuw van hem meester en ging hij verder,
-de richting van de boulevards in.
-
-Daar liep Pierre zonder te weten waarheen, zonder te weten waarom,
-recht voor zich uit. De invallende duisternis verraste hem als een
-onverwacht natuurverschijnsel. Hij had zijn blik hemelwaarts geslagen
-en zag met verwondering, dat deze zeer zacht verbleekte, terwijl de
-dunne zwarte kokers der schoorsteenen er eindelooze strepen op vormden.
-Ook vielen de groote gouden letters van de uithangborden, waarin het
-daglicht wegstierf, hem op. Nooit nog had hij het bonte kleurengewemel
-der gevels, de beschilderde ramen, de schreeuwende reclamebilletten, de
-prachtige winkels, die als voor iedereen toegankelijke salons en
-slaapkamers in het volle licht stonden, opgemerkt. En welk een gedrang,
-welk een buitengewoon gewriemel op den rijweg, langs de trottoirs,
-tusschen de blauwe, roode en gele zuilen en kiosken! Vanwaar kwamen al
-die menschen? Waarheen gingen al die equipages? Hoe verdoovend, hoe
-angstaanjagend!
-
-En medegevoerd door zijn somber gepeins liep Pierre nog steeds
-machinaal recht voor zich uit. De avond kwam, de eerste lantaarns
-werden aangestoken; het was het schemeruurtje van Parijs, het uur, dat
-de duisternis nog niet is ingetreden, dat de electrische bollen in den
-verdwijnenden dag glanzen. Aan alle kanten fonkelden de vonken der
-lampen, staken de winkels licht aan in hun etalages. Weldra zouden op
-de boulevards de levendige sterren der rijtuigen als een wandelende
-melkweg trekken tusschen de in de verblindende pracht als van het volle
-zonlicht schitterende trottoirs. En in het geschreeuw der koetsiers, in
-het gedrang der voetgangers bruiste het laatste haasten van de
-zakenstad Parijs, het Parijs der hartstochten, de verbitterde strijd om
-liefde en geld. Het zware dagwerk was gedaan, de genotsstad Parijs werd
-licht en begon den feestnacht. De koffiehuizen en de restaurants
-fonkelden en stelden achter de hooge, vlekkelooze ramen hun toonbanken
-van schitterend metaal, hun kleine witte tafeltjes en hun verleidelijke
-vruchten en mandjes met oesters ten toon. En dit zoo met de eerste
-lantaarns ontwakende Parijs was reeds aangegrepen door een
-genotzuchtige vroolijkheid, liet zich medesleepen door de ontketende
-begeerte naar al wat te koop is.
-
-Pierre werd bijna omvergeloopen. Een troep couranten-jongens baande
-zich met de avondbladen een weg door de menigte. Speciaal een nieuwe
-editie van de Voix du Peuple veroorzaakte een oorverdoovend, het
-geratel der wielen overstemmend lawaai. Met regelmatige tusschenruimten
-lieten ruwe stemmen steeds weer den roep weerklinken: “Leest de Voix du
-Peuple, het nieuwe schandaal der Afrikaansche sporen, het echec van het
-ministerie, twee-en-dertig omgekochten in de Kamer en in den Senaat.”
-En deze opschriften waren met reusachtige letters op de als standaarden
-in de hoogte gezwaaide exemplaren te lezen. De menigte bleef zich
-voorthaasten, gewoon als zij was aan deze met gemeenheden gedrenkte
-modder. Enkele mannen bleven staan en kochten de courant, terwijl
-snollen, die op zoek waren naar een diner, haar rokken over straat
-lieten sleepen en, schuinsche blikken naar de terrassen der café’s
-werpend, op een toevalligen minnaar wachtten. En dit onteerend
-uitschreeuwen der couranten, dit uitschreeuwen, dat als een bezoedeling
-en een slag in het gezicht was, scheen de doodsklok van den dag te
-zijn, die bij den aanvang van den beginnenden nacht van pleizier, de
-begrafenis der natie verkondigde.
-
-Nu herinnerde Pierre zich nogmaals zijn ochtend, dacht aan dat
-verschrikkelijke huis in de rue des Saules, waar zooveel ellende en
-lijden opgehoopt was. Hij zag weer de als een riool zoo vuile
-binnenplaats, de walgelijke trappen, de vuile, koude en kale kamers, de
-families, die elkaar eten betwistten, waar losloopende honden hun neus
-voor zouden hebben opgetrokken, moeders met uitgedroogde borsten, die
-schreeuwende kinderen sussend heen en weer droegen, oude mannen, die
-als beesten in een hoek neergevallen waren en tusschen allerlei vuil
-van honger stierven. En dan trok de verdere dag aan zijn geestesoog
-voorbij—de pracht, de rust, de vreugde der salons, die hij doorgeloopen
-had, de onbeschaamde en brutale glans van het financieele, het
-politieke en het mondaine Parijs. En eindelijk kwam hij in de
-schemering in het Parijs—Gomorra en het Parijs—Sodom, dat voor den
-nacht, voor de gruwelen van dien medeplichtigen nacht fel òplichtte. En
-deze vloekwaardige monsterachtigheid van dit alles loeide onder den
-bleeken hemel, waaraan de eerste sterren rein en bevend fonkelden.
-
-Pierre rilde onder die opstapeling van ongerechtigheden en smarten,
-onder alles wat beneden in ellende en misdaad, boven in rijkdom en
-ontucht geschiedde. De tot macht gekomen bourgeoisie wilde niets van
-haar veroverde, geheel en al gestolen heerschappij loslaten, terwijl
-het eeuwig bedrogen volk, de groote Zwijgende, zijn vuisten balde en
-grommend zijn wettelijk aandeel opeischte. En deze vreeselijke
-ongerechtigheid vervulde de toornende duisternis met woede. Uit welke
-wolk zou de donderslag weerklinken? Dezen wrekenden donderslag, die
-zich door dof gerommel aan alle punten van den horizont aankondigde,
-verwachtte hij reeds jaren. Slechts om het vreeselijke losbarsten ervan
-te bezweren, had hij een boek van reinheid en hoop geschreven, was hij
-in zijn onschuld naar Rome gegaan. Maar alle hoop was nu in zijn hart
-gestorven; hij voelde, dat de donderslag onvermijdelijk was, niets kon
-meer de catastrophe tegenhouden. Nooit nog had hij haar bij het
-onbeschaamd geluk van sommigen, bij de wanhopige ellende van anderen
-zoo nabij gevoeld. Zij hoopte zich op, zij zou ongetwijfeld boven dit
-bronstige en pralende Parijs, dat, zoodra de avond kwam, zijn vurigen
-oven deed opvlammen, losbarsten.
-
-Toen Pierre, gebroken van moeheid en diep terneergeslagen op de place
-de l’Opéra kwam, keek hij op. Waar was hij toch? Hier op dit breede
-kruispunt van wegen en straten scheen het hart van de groote stad te
-kloppen, als stroomde het bloed der verre stadsdeelen van alle kanten
-langs triomphantelijke avenues erheen. Waarom was hij toch hier? Pierre
-vroeg het zich geprikkeld en verwonderd af. Nu Laveuve gestorven was,
-behoefde hij slechts naar huis terug te gaan, met gesloten deuren en
-ramen in zijn hoek weg te kruipen als een voortaan nutteloos wezen
-zonder geloof en zonder hoop, dat alleen nog maar op de definitieve
-vernietiging wachtte. Van de place de l’Opéra naar zijn huisje in
-Neuilly was het een heele weg. Hoewel hij als het ware geradbraakt van
-vermoeidheid was, wilde hij geen rijtuig nemen; hij keerde op zijn
-schreden terug, liep in de richting van de Madeleine en stortte zich,
-met de grimmige begeerte zijn wond nog grooter te maken en zich als het
-ware te drenken in woede en toorn, weer midden in het gedrang der
-trottoirs en het oorverdoovend lawaai van den rijweg. Was niet op den
-hoek van die straat, aan het einde van dien boulevard de afgrond,
-waarin deze verrotte wereld, deze oude maatschappij, die hij bij
-iederen stap hoorde kraken, neerstorten moest?
-
-Toen hij de rue Scribe wilde oversteken, werd hij tegengehouden door
-een oploop. Voor een der weelderige restaurants ventten twee groote,
-slecht gekleede, vuil uitziende mannen beurtelings de Voix du Peuple,
-de schandalen en de verkochten met zulke luide stemmen, dat de
-voorbijgangers bleven staan en een oploopje vormden. En hier herkende
-Pierre opnieuw tot zijn verbazing in een aarzelend heen en weer loopend
-man, die, na geluisterd te hebben, door de ramen van het groote café
-ging kijken, Salvat. Ditmaal frappeerde de ontmoeting hem nog meer en
-vervulde hem zoodanig met argwaan, dat hij eveneens staan bleef en
-besloot zijn doen en laten te volgen. Hij kon niet aannemen, dat deze
-man, die er zoo jammerlijk uitzag en met het stuk brood, dat een bult
-vormde onder zijn reeds in flarden hangende boezeroen, binnen gaan en
-plaats nemen zou aan een der tafeltjes onder het warme licht der
-lampen. Een oogenblik wachtte hij, dan zag hij hem met een slependen en
-vermoeiden pas verder gaan, alsof het bijna ledige restaurant niet in
-zijn smaak viel. Wat zocht hij toch? Waarheen liep hij toch sedert den
-vroegen morgen op deze eenzame, wilde jacht dwars door het rijke,
-vroolijke Parijs, terwijl de honger hem overal op de hielen volgde. Hij
-sleepte zich slechts met moeite voort en scheen aan het eind van zijn
-wilskracht en energie. Uitgeput ging hij een oogenblik tegen een kiosk
-staan leunen, dan richtte hij zich weer op en liep, altijd zoekend,
-verder.
-
-Doch nu gebeurde er iets, dat Pierre’s verbazing tot het uiterste
-bracht. Een groote en sterke man, die uit de rue Caumartin kwam, had
-Salvat opgemerkt en sprak hem aan. Na een korte weifeling herkende de
-priester zijn broer Guillaume, die nu zonder eenige schaamte den
-werkman een hand gaf. Ja hij was het met zijn dik, kortgeknipt, ondanks
-zijn zeven-en-veertig jaar reeds geheel grijs haar. De dikke snor was
-nog donkerbruin, wat aan zijn gelaat met het hooge, torenvormige
-voorhoofd iets energieks gaf. Dat voorhoofd, vol onoverwinnelijke
-logica en verstand, dat Pierre ook bezat, had hij van zijn vader, maar
-het onderste gedeelte van het gezicht van den ouderen broeder was
-krachtiger met den grooten neus, de vierkante kin en den breeden,
-scherp geteekenden mond. Een litteeken van een oude wond liep over de
-linkerslaap. Maar wanneer een glimlachje de nog zeer witte tanden
-ontblootte, helderde dit op den eersten aanblik ernstige, harde en
-gesloten gezicht door een uitdrukking van manlijke goedheid op.
-
-Pierre herinnerde zich wat madame Théodore hem dien ochtend verteld
-had. Zijn broeder Guillaume had, door zooveel ellende getroffen, Salvat
-voor een paar dagen werk gegeven. Dat verklaarde de belangstelling,
-waarmede hij hem uitvroeg, terwijl Salvat, die blijkbaar verlegen was,
-heen en weer trippelde, als wilde hij zijn smartelijke wandeling weer
-zoo gauw mogelijk voortzetten. Een oogenblik scheen Guillaume die
-verlegenheid door de blijkbaar verwarde antwoorden, die hij kreeg, te
-merken. Toch nam hij afscheid van den werkman. Maar bijna onmiddellijk
-daarna keerde hij zich om en keek Salvat, die moe door de menigte
-verder liep, na. De gedachten, die toen in hem opkwamen, moesten wel
-ernstig en dringend zijn, want plotseling keerde hij op zijn schreden
-terug en volgde Salvat op een afstand als wilde hij zich vergewissen
-welke richting hij uitging.
-
-Door een steeds grooter wordende onrust aangegrepen, had Pierre dit
-tooneel gadegeslagen. De zenuwachtige verwachting van een groot
-onbestemd ongeluk, de argwaan, die door deze op elkaar volgende,
-onverklaarbare ontmoetingen met Salvat in hem gewerkt werd, de
-verbazing zijn broer nu ook in dit avontuur gewikkeld te zien, dat
-alles dreef hem er toe aan meer te willen weten, erbij te zijn, te
-verhinderen misschien. Hij aarzelde niet langer en volgde nu zelf
-voorzichtig de beide mannen.
-
-Een nieuwe verbazing greep hem aan, toen Salvat en daarna zijn broer
-Guillaume plotseling de rue Godot-de-Mauroy insloegen. Welk noodlot
-bracht hem terug naar deze straat, waarheen hij met koortsachtige haast
-had willen gaan en waarvan de dood van Laveuve hem slechts verwijderd
-gehouden had. En zijn ontsteltenis werd nog grooter, toen hij Salvat,
-dien hij een oogenblik uit het oog verloren had, weer terug vond op het
-trottoir vlak tegenover het hôtel Duvillard, precies op dezelfde plek,
-waar hij hem ’s ochtends had meenen te zien. Wegens een reparatie aan
-het plaveisel onder de koetspoort stond de groote deur juist wijd open.
-De smalle straat leek naast den hel verlichten boulevard als
-weggezonken in een blauwen nevel, waarin de enkele gasvlammetjes der
-lantaarns als sterren plekten. Een paar vrouwen kwamen voorbij, zoodat
-Salvat even van het trottoir af moest. Maar dadelijk ging hij er weer
-op staan, stak een eindje sigaar aan, dat hij waarschijnlijk onder een
-tafeltje van een café opgeraapt had, en betrok dan weer onbeweeglijk en
-geduldig de wacht tegenover het hôtel.
-
-Pierre schrok en vroeg, door sombere voorgevoelens gekweld, zich af, of
-hij dezen man niet aanspreken moest. De tegenwoordigheid van zijn
-broer, die zich, zooals hij zag, loerend onder de deur van een huis
-ernaast verborg en eveneens gereed stond tusschenbeide te komen, hield
-hem ervan terug. Dus vergenoegde hij er zich mede Salvat niet uit het
-oog te verliezen, die, steeds op de loer, zijn blik op de deur gericht
-hield, terwijl hij slechts nu en dan in de richting van den boulevard
-keek, als verwachtte hij iets of iemand, die daarvandaan moest komen.
-Inderdaad kwam eindelijk de landauer der familie Duvillard met den
-koetsier en den palfrenier in donkergroene livrei met gouden tressen.
-
-Tegen de gewoonte in zaten in het rijtuig, dat op dit uur den vader of
-de moeder thuis placht te brengen, dezen avond slechts de beide
-kinderen Camille en Hyacinthe. Zij kwamen terug van de matinée van
-prinses de Hardt en praatten ongedwongen met de brutale
-schaamteloosheid, waarmede zij elkaar trachtten te imponeeren.
-
-“Ik heb een walg van de vrouwen... En haar geur, ajakkes! En dan dat
-afschuwelijke kinderen krijgen, waaraan je bij haar altijd bloot
-staat.”
-
-“Och, zij zijn allicht nog zooveel waard als jouw George Elson, dat
-mislukte meisje. Trouwens het is heel dom van je het niet met de
-prinses aan te leggen, want zij is dol op je.”
-
-“O, die prinses hangt me de keel uit!”
-
-Hyacinthe was tegenwoordig tot de negatie der sekten, tot de kwijnende
-pose van algeheele wereldverzaking gekomen. Maar Camille beefde van
-heftige en boosaardige opwinding en sprak op geprikkelden toon. Na een
-kort zwijgen begon zij weer.
-
-“Zeg, mama is weer bij hem.”
-
-Zij behoefde geen nadere aanduiding te geven, haar broeder begreep
-haar, want zij praatten dikwijls ongedwongen over die dingen.
-
-“Passen bij Salmon, hé?... Zij is de andere deur doorgegaan en is nu
-bij hem.”
-
-“Wat kan jou het eigenlijk schelen, of zij met Gérard is of niet?”
-vroeg Hyacinthe kalm.
-
-En toen hij voelde, hoe zij opsprong:
-
-“Houdt je dan nog altijd van hem—wil je hem nog altijd hebben?”
-
-“Ja, ik wil hem, en ik zal hem hebben!”
-
-En in dien kreet legde zij haar geheel ijverzuchtige woede van leelijk
-meisje, al het leed over haar verlaten zijn, over het bewustzijn, dat
-haar nog zoo mooie moeder bezig was haar haar genot te ontrooven.
-
-“Je zult hem hebben, je zult hem hebben,” begon Hyacinthe, die blij
-was, dat hij zijn zuster, voor wie hij bang was, een beetje treiteren
-kon; “je zult hem hebben, als hij zich maar geven wil... Hij houdt niet
-van je.”
-
-“Hij houdt wel van me!” riep Camille woedend. “Hij is lief voor mij, en
-daar heb ik genoeg aan.”
-
-Hij werd bang voor haar dreigenden blik, voor haar kleine handjes, die
-zich als klauwen kromden. Dan, na een stilte:
-
-“En wat zegt papa ervan?”
-
-“O papa, als die maar van vier tot zes bij de andere zijn kan.”
-
-Hyacinthe begon te lachen. Dat was wat zij onder elkaar het snoepuurtje
-van papa noemden, en Camille maakte zich daar ook altijd vroolijk over,
-behalve op de dagen, dat mama ook buitenshuis snoepte.
-
-De gesloten landauer was de straat ingereden en naderde nu met de luide
-hoefslagen van de twee groote paarden. Op dat oogenblik stak een kleine
-blondine van zestien of achttien jaar, een loopmeisje van een modiste,
-dat een groote hoedendoos onder haar arm had, vlug de straat over, om
-vóór het rijtuig onder de koetspoort te komen. Zij bracht een hoed voor
-de barones en had met haar viooltjes-blauwe oogen, haar rose neusje en
-haar altijd lachend mondje in het aardigste gezichtje, dat men zich
-denken kan, langs den geheelen boulevard loopen slenteren. Op dat
-oogenblik sprong Salvat, na een laatsten blik op den landauer geworpen
-te hebben, onder de koetspoort. Bijna onmiddellijk daarna kwam hij weer
-te voorschijn, wierp zijn eindje sigaar in de goot, verwijderde zich
-langzaam en verdween in de vage schemering der straat.
-
-Wat gebeurde er nu? Later herinnerde Pierre zich dat een bestelwagen
-van de Westerspoorwegmaatschappij den landauer een minuut ophield,
-terwijl het loopmeisje onder de poort verdween. Dan zag hij, terwijl
-zijn keel als het ware door angst toegesnoerd werd, hoe zijn broer, als
-onder den invloed van een openbaring, van een plotselinge zekerheid,
-het hôtel binnenvloog. Zonder het juiste te begrijpen, voelde Pierre de
-nadering van het ontzettende. Maar hoewel hij ook naar binnen vliegen
-en schreeuwen wilde, bleef hij als aan den grond genageld staan: hij
-had het gevoel, alsof een looden hand zich om zijn keel klemde.
-Plotseling was het als het rommelen van den donder, een vreeselijke
-ontploffing, als opende zich de aarde en als zonk het door den bliksem
-getroffen hôtel in de diepte. Alle ramen der naburige huizen sprongen
-en vielen met het kletterend geluid van hagel op den grond. Een
-hellevlam hulde de straat voor een oogenblik in vuur; het stof en de
-rook waren zóó, dat de enkele voorbijgangers verblind werden en van
-schrik over dien vurigen oven, waarin zij meenden te verzinken,
-begonnen te gillen.
-
-Maar bij dien bliksemstraal ging voor Pierre een licht op. Hij zag weer
-de bom voor zich, die de door het gebrek aan werk leeg en overbodig
-geworden gereedschappenzak rond maakte. Hij zag weer den bult onder den
-boezeroen, dien hij voor een stuk brood gehouden had, dat hij vrouw en
-kind mee naar huis wilde nemen. Nadat de bom het gelukkige Parijs
-doorgetrokken was en bedreigd had, was zij hier, op den drempel der
-heerschende bourgeoisie, die de meesteres is van het goud, ontvlamd en
-met een donderend geweld ontploft. Maar Pierre dacht op dat oogenblik
-slechts aan zijn broer Guillaume en vloog naar de poort, waarin zich
-een krater geopend scheen te hebben. Maar in den beginne onderscheidde
-hij niets, de bijtende en scherpe rook verduisterde alles. Dan zag hij,
-dat de muren gespleten, de bovenverdieping opengescheurd, het plaveisel
-weggeslagen en met puinhoopen bezaaid was. De landauer, die juist
-binnen zou rijden, was niet getroffen, had zelfs geen schram gekregen
-van een projectiel. Maar het meisje, het kleine, blonde, knappe
-loopmeisje, lag, door den bliksemstraal der catastrophe getroffen, met
-een opengescheurden buik op haar rug. Het fijne gezichtje was
-ongeschonden, de oogen helder, zij lachte als verwonderd, en uit de
-naast haar neergevallen doos, waarvan de deksel opengegaan was, was de
-hoed, een heel teere, rose hoed, gerold.
-
-Door een wonder leefde Guillaume nog, stond reeds weer op zijn voeten.
-Alleen zijn linkerhand bloedde: scherven hadden den pols opengescheurd.
-Zijn snor was verbrand, en de ontploffing, die hem tegen den grond
-geworpen had, had hem zoo van streek gebracht, dat hij over zijn
-geheele lichaam beefde. Toch herkende hij zijn broeder, en als na een
-groot ongeluk, waarin het onverklaarde als het ware een voorziening
-wordt, verwonderde het hem in het geheel niet hem daar te zien. Deze
-broeder, dien hij zoo lang uit het oog verloren had, was er natuurlijk,
-omdat hij er zijn moest. En in het als waanzinnig huiveren, dat hem
-doortrilde, riep hij hem dadelijk toe:
-
-“Neem me mee, neem me mee... naar jou, naar Neuilly!”
-
-Dan voegde hij eraan toe, sprekend over Salvat:
-
-“Ik vermoedde wel, dat hij een patroon van me gestolen had... Goddank
-maar één, anders zou de geheele wijk in de lucht gevlogen zijn... De
-ongelukkige! Ik ben niet gauw genoeg kunnen komen, om de lont uit te
-trappen.”
-
-Met een volkomen helderheid van geest, zooals het gevaar die soms
-geeft, herinnerde Pierre zich, zonder een woord te zeggen en zonder een
-minuut te verliezen, dat het hôtel een achteruitgang in de rue Vignon
-had. Hij had onmiddellijk het ernstige gevaar, waarin zijn broer zich
-bevinden zou, wanneer hij in dit voorval betrokken werd, begrepen.
-Nadat hij hem in de donkere rue Vignon gebracht had, wond hij vlug zijn
-zakdoek om zijn pols en zeide hem dan die onder zijn vest tegen zijn
-borst te houden.
-
-“Neem me met je mee naar Neuilly,” herhaalde Guillaume bevend. “Niet
-naar mijn huis!”
-
-“Ja, ja, wees maar gerust. Wacht even hier, dan haal ik een rijtuig.”
-
-Hij had hem, in zijn haast, om een rijtuig te vinden, weer op den
-boulevard gebracht; maar de donderende ontploffing had de geheele wijk
-in rep en roer gebracht: de paarden steigerden en de menschen vlogen in
-een waanzinnige opwinding op goed geluk af de een of andere richting
-in. Politie-agenten waren toegesneld, een groote menigte versperde
-reeds den ingang van de rue Godot-de-Mauroy, die door het uitgaan van
-alle lichten zwart als een afgrond gaapte, terwijl op den boulevard een
-couranten-jongen van de Voix du Peuple het nieuwe schandaal der
-Afrikaansche sporen, de twee-en-dertig omgekochte Kamer- en
-Senaatsleden, den aanstaanden val van het ministerie uit bleef
-schreeuwen.
-
-Toen Pierre eindelijk een rijtuig vond, hoorde hij een voorbijganger
-tot een ander zeggen:
-
-“Het ministerie vallen, dat kan je denken. Deze bom lapt het weer
-heelemaal op!”
-
-De twee broeders stapten in en reden weg. Boven het bruisende Parijs
-was het nacht geworden, een zwarte nacht zonder erbarmen, waarin de
-sterren in den van de daken opstijgenden nevel van misdaden en woede
-verdwenen. En met het angstaanjagende vleugelgeklep, dat Sodom en
-Gomorrha hadden hooren komen, weerklonk de luide kreet om gerechtigheid
-van alle zijden van den horizont.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE BOEK
-
-
-I.
-
-Het huisje in de afgelegen straat van Neuilly, waar na het invallen van
-de schemering niemand meer door kwam, sliep op dat uur in den donkeren
-nacht. De luiken waren gesloten, geen lichtstraal drong naar buiten
-door en het was als voelde men den diepen vrede van den daarachter
-gelegen ledigen, dooden, door de winterkoude verstarden tuin.
-
-Terwijl Pierre in het rijtuig met zijn gewonden broeder naar huis reed,
-was hij meermalen bang Guillaume in onmacht te zien vallen. In elkaar
-gedoken leunde hij achterover en sprak geen woord. Het was een
-vreeselijke stilte, zoo vol vragen en antwoorden, dat zij het nutteloos
-en pijnlijk vonden ze te stellen of te geven. Toch maakte de priester
-zich ongerust over de wond en vroeg hij zich af welken dokter hij zou
-moeten halen; hij kon slechts een vertrouwbaren man in het geheim
-nemen, daar hij zag hoe gaarne de gewonde verdwijnen wilde en zich
-verborg.
-
-Tot den Arc de Triomphe werd geen woord gesproken. Toen eerst scheen
-Guillaume uit zijn verdooving te ontwaken en zeide:
-
-“En denk erom, Pierre, geen dokter. Wij zullen dat samen wel in orde
-brengen.”
-
-Pierre wilde zich daartegen verzetten, doch hij maakte slechts een
-eenvoudig gebaar, als wilde hij zeggen, dat hij het wel zou doen, als
-hij het noodig achtte. Waartoe diende het op dat oogenblik te gaan
-redetwisten? Maar zijn ongerustheid was toegenomen, en het was een
-groote verlichting voor hem toen het rijtuig eindelijk voor het huisje
-stilhield en hij zijn broer zonder bijzondere zwakheid zag uitstappen.
-Vlug betaalde hij den koetsier en was erg blij, dat niemand, zelfs niet
-een van zijn buurlieden, op straat was. Dan maakte hij de deur met zijn
-sleutel open en steunde den gewonde, om hem de drie treden van het
-bordes op te helpen.
-
-In de vestibule brandde een klein nachtlichtje. Onmiddellijk was, bij
-het opengaan van de deur, de oude dienstbode Sophie uit de keuken
-gekomen. Thans zestig jaar, mager en gerimpeld, was zij reeds meer dan
-dertig jaar in het huis, daar zij eerst in dienst geweest was bij de
-moeder, alvorens in dien van den zoon over te gaan. Zij kende
-Guillaume, dien zij als jongen man gezien had. Ongetwijfeld herkende
-zij hem, hoewel hij in geen tien jaar den drempel overschreden had.
-Maar zij toonde geen enkele verbazing, scheen dien plotselingen
-terugkeer heel natuurlijk te vinden in het gewone discrete zwijgen, dat
-zij zich eigen gemaakt had. Zij leefde geheel in afzondering en sprak
-slechts, wanneer de dienst dat noodzakelijk maakte. En ook nu zeide zij
-slechts:
-
-“Mijnheer de abbé, mijnheer Bertheroy zit al een kwartier in uw
-studeerkamer op u te wachten.”
-
-“Zoo, komt Bertheroy nog altijd hier?” vroeg Guillaume, wiens gezicht
-weer opklaarde. “Nu, hem wil ik wel zien; hij is een van de beste en
-meest vrijzinnige geesten van den tegenwoordigen tijd. Hij is mijn
-meester gebleven.”
-
-Bertheroy, vroeger de vriend van hun vader, den beroemden scheikundige
-Michel Froment, was nu op zijn beurt een der corypheeën van Frankrijk,
-aan wien de scheikunde den buitengewonen vooruitgang te danken had,
-welke haar tot de moederwetenschap, die bezig is het aangezicht der
-aarde te hernieuwen, gemaakt hebben. Hoewel lid van het Institut en
-overladen met allerlei eere-ambten, had hij toch voor Pierre een groote
-genegenheid behouden en kwam hij hem dikwijls voor het diner opzoeken,
-om, zooals hij zeide, wat afleiding te hebben.
-
-“Heb je hem in mijn studeerkamer gelaten? Prachtig! We zullen naar hem
-toegaan,” zeide Pierre tegen de dienstbode. “Breng een lamp in mijn
-slaapkamer en maak mijn bed op, dan kan mijn broeder dadelijk gaan
-liggen.”
-
-Terwijl Sophie, zonder eenige verbazing te toonen of een woord te
-zeggen, het bevel uitvoerde, gingen de twee broeders naar het vroegere
-laboratorium van hun vader, waarvan Pierre een groote studeerkamer
-gemaakt had. Toen de geleerde hen samen, de een steunend op den ander,
-binnenkomen zag, ontving hij hen met een uitroep van blijde verbazing.
-
-“Wat, samen!... Beste jongens, jullie kondt me geen grooter pleizier
-doen. Ik heb zoo dikwijls dat nare misverstand tusschen jullie
-betreurd!”
-
-Hij was een groote, magere zeventiger met hoekige trekken. De
-geelachtig geworden huid kleefde als een stuk perkament op de
-vooruitspringende juk- en wangbeenderen. Hij had absoluut niets
-imponeerends, zag er eerder als een oude kruidenhandelaar uit. Maar
-zijn voorhoofd was mooi, breed en glad en onder zijn grijs verwilderd
-haar brandden nog een paar vlammenoogen.
-
-Toen hij de verbonden hand zag, riep hij uit:
-
-“Wat, ben je gewond, Guillaume?”
-
-Pierre bleef zwijgen en liet het aan zijn broer over de geschiedenis te
-vertellen, zooals hij dat zelf wilde. Maar deze had begrepen, dat hij,
-eenvoudig, de waarheid bekennen moest, met weglating van de bijzondere
-omstandigheden.
-
-“Ja, bij een ontploffing. Ik geloof, dat ik mijn pols gebroken heb.”
-
-Bertheroy keek hem aan, zag, dat zijn snor verbrand was, dat zijn oogen
-verschrikt stonden. Hij werd ernstig, maar trachtte toch niet door
-vragen tot vertrouwelijkheden te dwingen.
-
-“Kom, kom, een ontploffing... Mag ik de wond eens zien? Zooals je weet,
-heb ik, voor ik mij door de scheikunde verleiden liet, in de medicijnen
-gestudeerd en ben ik nog zoo’n beetje chirurg.”
-
-“Ja, ja, kijk u eens naar de wond!” riep Pierre, niet in staat dien
-uitroep te bedwingen. “Ik maak me zoo ongerust... Het is een onverhoopt
-geluk, dat u hier bent.”
-
-De geleerde keek hem aan en voelde den ernst der omstandigheden, die
-men voor hem verborgen hield. En toen Guillaume glimlachend, maar
-verbleekend van zwakheid, toestemde, wilde hij eerst, dat hij naar bed
-ging. De dienstbode kwam zeggen, dat het bed opgemaakt was, en allen
-gingen in de kamer ernaast, waar de gewonde ontkleed en op bed gelegd
-werd.
-
-“Licht mij wat bij, Pierre, en laat Sophie een kom met water en wat
-linnen halen!”
-
-En nadat hij zacht de wond gewasschen had:
-
-“Alle duivels!... De pols is niet gebroken, maar het ziet er toch
-leelijk uit. Ik ben bang, dat het been gekwetst is. Er zijn spijkers
-doorgegaan, niet waar.”
-
-Daar hij geen antwoord kreeg, zweeg hij verder. Zijn verwondering werd
-grooter, hij begon aandachtig de hand, die zwart geworden was door de
-vlam, te onderzoeken, en rook zelfs ten slotte aan de mouw van zijn
-hemd, om zich beter rekenschap te kunnen geven. Blijkbaar herkende hij
-de uitwerking van een dier nieuwe ontploffingsmiddelen, die hij zelf
-zoo grondig bestudeerd en, om zoo te zeggen, geschapen had. Maar toch
-moest deze hem op een dwaalspoor brengen, want er waren sporen
-voorhanden, die hem onbekend waren.
-
-“Heb je je,” vroeg hij eindelijk, medegesleept door zijn
-geleerdennieuwsgierigheid, “in een laboratorium-ontploffing zoo mooi
-toegetakeld?... Wat voor een gevaarlijke springstof was je aan het
-fabriceeren?”
-
-Sedert Guillaume hem zijn wond zoo zag bestudeeren, voelde hij, ondanks
-zijn pijn, een toenemende onrust, alsof het echte geheim, dat hij
-bewaren wilde, gelegen was in die springstof, de eerste proef waarmede
-hem zoo wreed getroffen had.
-
-“Ik verzoek u dringend, meester, mij niets verder te vragen. Ik kan u
-toch niet antwoorden... Ik weet, dat u edel genoeg bent, om mij te
-verplegen en toch nog van mij te houden, zonder mij de biecht af te
-nemen.”
-
-“Maar natuurlijk, beste jongen,” riep Bertheroy uit, “bewaar jij je
-geheim maar! Wanneer je een ontdekking gedaan hebt, behoort die aan jou
-toe, en ik weet dat je het beste gebruik daarvan zult maken. Bovendien
-weet je heel goed, dat ik te zeer bezield ben door den hartstocht voor
-de waarheid en het mijn principe is nooit de daden van anderen—waarin
-zij ook bestaan mogen—te beoordeelen, voordat ik alle gronden daarvoor
-ken.”
-
-Een breed gebaar gaf zijn groote verdraagzaamheid, zijn verheven, van
-onwetendheid en bijgeloovigheid bevrijden geest te kennen, die van hem,
-ondanks de vele ordeteekenen, welke zijn borst versierden, ondanks de
-universitaire en academische titels als officieel geleerde, tot den
-vermetelsten, meest vrijen, en zooals hij zeide, alleen door
-waarheidsliefde bezielden mensch maakte.
-
-Hij had de noodige instrumenten niet bij zich en stelde er zich mede
-tevreden de wond zorgvuldig te verbinden, nadat hij zich vergewist had,
-dat er geen stukje scherf in het vleesch was blijven steken. Eindelijk
-ging hij weg met de belofte den volgenden ochtend vroeg terug te komen,
-en toen de priester hem uitliet, stelde hij hem gerust: als het been
-niet te diep beleedigd was, zou alles wel goed afloopen.
-
-Toen Pierre weer bij het bed terugkwam, vond hij zijn broer nog in
-zittende houding; uit zijn verlangen aan de zijnen te schrijven,
-teneinde hen gerust te stellen, putte hij nog eenige kracht. De
-priester moest, nadat hij hem papier en potlood gegeven had, de lamp
-weer nemen en hem bijlichten. Gelukkig kon Guillaume zijn rechterhand
-gebruiken en aan madame Leroi, zijn schoonmoeder, die na den dood van
-zijn vrouw bij hem gebleven was en haar drie kleinzoons opgevoed had,
-schrijven, dat hij niet thuis komen zou. Bovendien woonde, zooals
-Pierre wist, in het huis, een jong meisje van vijf of zes-en-twintig
-jaar, de dochter van een vroegeren vriend van Guillaume, die haar na
-den dood van haar vader opgenomen had en, ondanks het groote verschil
-van leeftijd, binnenkort met haar trouwen wilde. Doch dit waren voor
-den priester allemaal onduidelijke, verwarde zaken, en hij had zich
-steeds gehouden, alsof hij van die verhouding niets wist.
-
-“Wou je, dat die brief dadelijk naar Montmartre werd gebracht?”
-
-“Ja, dadelijk. Het is nou even zeven uur, dan kunnen ze hem vóór achten
-hebben... Je stuurt toch zeker een vertrouwd man?”
-
-“Het beste zal zijn, dat Sophie met een rijtuig gaat. Met haar kan je
-gerust zijn, zij zal niet praten... Ik zal het dadelijk even in orde
-maken.”
-
-Sophie werd geroepen en begreep dadelijk alles; zij beloofde, als men
-haar uitvroeg, te zullen zeggen, dat mijnheer Guillaume dien nacht bij
-zijn broer zou slapen, maar dat zij niet wist waarom. En zonder zelfs
-een opmerking te maken, ging zij weg met de woorden:
-
-“Het eten is klaar, mijnheer de abbé; u behoeft de soep en den ragout
-maar van het vuur te nemen.”
-
-Maar toen Pierre ditmaal weer naast het bed van zijn broer kwam zitten,
-lag Guillaume, met twee kussens onder zijn hoofd, zeer moe en bleek op
-zijn rug. Hij had koorts. Op den hoek van een tafel brandde de lamp met
-een zacht licht; de stilte was zóó diep, dat men de groote klok in de
-eetkamer ernaast kon hooren tikken. Een oogenblik omhulde die groote
-vrede de beide broeders, die na een scheiding van zoovele jaren,
-eindelijk weer vereenigd en alleen waren. Dan strekte de gewonde zijn
-gezonde hand uit de dekens; de priester nam die en drukte haar
-liefdevol in de zijne. En deze druk hield aan; de beide handen bleven
-broederlijk in elkaar rusten.
-
-“Neem me niet kwalijk, beste Pierre, dat ik hier zoo binnen kom
-vallen,” prevelde Guillaume zacht. “Ik leg beslag op je huis, neem je
-bed in beslag, belet je te eten.”
-
-“Kom, praat nu niet meer en vermoei je niet verder,” viel Pierre hem in
-de rede. “Waar wil je anders naar toe dan naar hier, wanneer je in
-moeilijkheden bent?”
-
-De koortsachtige hand van den gewonde drukte die van Pierre nog warmer,
-terwijl zijn oogen vochtig werden.
-
-“Ik dank je Pierre. Je bent nog precies de oude, wees zacht en
-liefderijk als vroeger. Je weet niet hoe goed me dat op dit oogenblik
-doet.”
-
-Nu kwam ook voor de oogen van den priester een tranensluier. Te midden
-van deze groote kalmte, van deze op zoovele heftige opwindingen
-volgende stilte, was het voor die beide broeders een onuitsprekelijke
-bekoring zoo in het huis van hun jeugd terug te zijn. Hier waren hun
-vader en moeder gestorven—hun vader op tragische wijze door een
-ontploffing in zijn laboratorium, hun moeder vroom als een echte
-heilige. Hier in dit zelfde bed had Guillaume Pierre verpleegd, toen
-deze, na den dood van zijn moeder zelf bijna gestorven was; en nu
-verpleegde Pierre Guillaume. Alles, de onvoorziene omstandigheden van
-hun ontmoeting, de vreeselijke catastrophe, waardoor zij geschokt
-waren, de geheimzinnige kant van de zaak, die onopgehelderd bleef
-tusschen hen; dit alles vervulde hen met een diepe ontroering. En bij
-deze na een zoo langen tijd van scheiding gevolgde toenadering
-ontwaakten hun gemeenschappelijke herinneringen, sprak het oude huis
-van hun jeugd, van hun overleden ouders, van de verre dagen, waarin zij
-lief gehad en geleden hadden. Daar, onder het raam, lag de tuin, de nu
-door de vorst verstarde tuin, die vroeger in het vroolijke zonlicht van
-hun spelen weerklonk. Links bevond zich het laboratorium, het groote
-vertrek, waarin hun vader hun had leeren lezen. In de eetkamer rechts
-zagen zij hun moeder weer boterhammen snijden. En het gevoel, dat zij
-op dit oogenblik alleen waren, dit bleeke, rustige licht der lamp, de
-diepe, zwijgende eenzaamheid van den tuin, van het huis, van het
-geheele verleden vervulde hen met een vreemden, zachten weemoed,
-waaraan zich een eindelooze bitterheid paarde.
-
-Zij hadden willen praten, hun hart voor elkaar uitstorten. Maar wat
-moesten zij elkander zeggen? Scheidde hen, niettegenstaande hun handen
-nauw ineengestrengeld waren, niet een onoverbrugbare afgrond? Dat
-geloofden zij tenminste. Guillaume had de overtuiging, dat Pierre een
-vrome, vurig-geloovige priester was, die geen twijfel kende, die noch
-in gedachte, noch in de praktijk des levens iets met hem gemeen had.
-Een bijlslag had hen gescheiden—zij bewoonden twee verschillende
-werelden. En evenzoo hield Pierre Guillaume voor een gedeclasseerde,
-voor een man van verdachten levenswandel, die met de vrouw, bij wie hij
-drie kinderen had, niet eens getrouwd was en nu op het punt stond met
-dat veel te jonge meisje, dat God weet waarvandaan kwam, in het
-huwelijk te treden. Bovendien schrikten hem de geëxalteerde denkbeelden
-van den geleerde en van den revolutionnair, zijn ontkenning van alles,
-zijn aanvaarding, ja zelfs de provocatie van de ergste gewelddaden en
-het onduidelijk zich op den achtergrond vertoonende monster van het
-anarchisme hem af. Op welk terrein zou de overeenstemming, de
-eensgezindheid bereikt moeten worden, daar ieder van de beide broeders
-zijn vooroordeel tegen den ander behield en hem aan de
-tegenovergestelde zijde van den afgrond zag, zonder dat een plank dien
-kon overbruggen? En hun arme harten snikten in hartstochtelijke,
-broederlijke liefde.
-
-Pierre wist, dat Guillaume indertijd reeds bijna in een anarchistisch
-complot betrokken was geweest. Hij vroeg hem niets, maar als van zelf
-kwam de gedachte bij hem op, dat hij zich niet zoo verbergen zou, als
-hij niet bang was als medeplichtige gearresteerd te worden. Was hij
-inderdaad een medeplichtige van Salvat? En Pierre beefde; want, om zich
-een meening te kunnen vormen, had hij nog steeds geen ander materiaal
-dan de woorden, die zijn broeder na den aanslag ontsnapt waren, den
-kreet, waarmede hij Salvat beschuldigde hem een bom ontstolen te
-hebben, alsmede het feit, dat hij zoo heldhaftig onder de koetspoort
-van het hôtel Duvillard gevlogen was, om de lont uit te trappen. Doch
-welk een duisterheden heerschten er nog! Maar wanneer men hem een
-patroon van een zoo vreeselijke springstof ontstolen had, dan moest hij
-ze toch fabriceeren en hebben! Zeker, zelfs wanneer hij geen
-medeplichtige was, kon hij met zijn gewonde hand niets beters doen dan
-verdwijnen; want wanneer men hem, die zich reeds eenmaal bloot gegeven
-had, daar met zijn bloedende hand had aangetroffen, dan zou het hem
-nooit gelukt zijn de wereld van zijn onschuld te overtuigen. Maar toch
-bleef er nog een dichte duisternis heerschen, bleef de mogelijkheid van
-een misdaad bestaan. Het was vreeselijk.
-
-Guillaume moest aan het beven van de vochtig-klamme hand, die nog
-altijd in de zijne rustte, iets van de neerslachtigheid merken, waarin
-dit door den twijfel reeds verpletterde en nu door de catastrophe
-geheel tegen den grond geworpen arme wezen gevallen was. Het graf was
-ledig, zelfs de asch was er uitgeveegd.
-
-“Mijn arme Pierre,” begon hij weer langzaam; “neem me niet kwalijk, als
-ik je niets zeg. Ik kan je niets zeggen.... En bovendien, waartoe dient
-dat? Wij zouden elkaar toch zeker niet begrijpen.... Laten we niets
-zeggen, laten we slechts genieten van de vreugde samen te zijn, en
-ondanks alles elkaar liefhebben.”
-
-Pierre keek naar hem op, en lang rustten hun blikken in elkaar.
-
-“Hoe vreeselijk is dat alles!” stamelde hij.
-
-Maar Guillaume had de stomme vraag goed begrepen. Zijn oogen gaven er
-het antwoord op, terwijl zij zich niet afwendden en een zeer reine,
-hooge vlam erin òplichtte.
-
-“Ik kan je niets zeggen,” antwoordde hij. “Maar laten we elkaar toch
-blijven liefhebben, Pierre!”
-
-Toen voelde Pierre een oogenblik, dat zijn broeder boven alle lage
-ongerustheid, boven de vrees van den schuldige, die voor zichzelf
-siddert, verheven was; integendeel, de hartstocht voor een groot doel,
-de edele bezorgdheid, om zijn verheven idée, het geheim te bewaren,
-hief hem boven de gewone stervelingen op. Maar ongelukkigerwijze was
-dat slechts het vluchtige visioen van een vage hoop op overwinning en
-verlossing; want reeds zonk alles weer weg in den twijfel, in het
-wantrouwen van den mensch, die zichzelf niet kent.
-
-Plotseling rees de herinnering aan een ontzettend schouwspel in Pierre
-op en dreigde hem krankzinnig te maken.
-
-“Broeder,” stamelde hij, “heb je onder de deur dat blonde kind, dat met
-haar opengereten buik en haar aardig verwonderd glimlachje op den rug
-lag, gezien?”
-
-Op zijn beurt rilde Guillaume nu ook. En zacht en moeilijk zeide hij:
-
-“Ja, ja, ik heb haar gezien. Het ongelukkige kind! O, die
-verschrikkelijke noodzakelijkheden, de verschrikkelijke dwalingen der
-gerechtigheid!”
-
-Toen viel Pierre in een vreeselijke rilling over het voorgevallene, in
-zijn verbijstering over de gewelddaad aan den rand van het bed op zijn
-knieën. Hij snikte wanhopig en liet zijn hoofd op de dekens vallen.
-Zwak als een kind lag hij daar in deze plotselinge crisis, die zijn
-oogen met tranen overstroomde. Alles, wat hem sedert den ochtend zoo
-had doen lijden, brak als het ware samen; de vreeselijke smart over de
-ongerechtigheid, het leed over de wereld barstte los in dien
-tranenvloed, welken niets scheen te kunnen tegenhouden. Guillaume, die
-eveneens zijn ontroering niet bedwingen kon, had met het gebaar,
-waarmede hij vroeger het haar van het kind gestreeld had, zijn hand
-gelegd op het hoofd van zijn broeder, om hem te kalmeeren, en zweeg,
-daar hij geen troost wist. Hij legde zich neer bij de ieder oogenblik
-mogelijke uitbarsting, die de langzame evolutie in de natuur altijd
-verhaasten kan. Maar welk een lot voor de ongelukkige schepsels, voor
-de levens, die de lava met milliarden medesleept! Te midden van de
-diepe stilte begonnen ook zijn tranen te stroomen.
-
-“Pierre,” zeide hij eindelijk zacht, “ik wil datje eet... Kom, ga eten.
-Bedek het licht wat en laat mij alleen. Dat zal mij goed doen.”
-
-Pierre moest hem zijn zin geven. Maar hij sloot de deur van de eetkamer
-niet, en geheel krachteloos van den honger, dien hij tot dusver niet
-eens opgemerkt had, at hij staande, steeds scherp toeluisterend, of
-zijn broer niet steunde of hem niet riep. De stilte scheen nog grooter
-te worden, het kleine huis scheen geheel in de zachte melancholie van
-het verleden weg te zinken.
-
-Toen Sophie tegen half negen van Montmartre terugkwam, hoorde Guillaume
-haar ondanks haar zachte loopen. Hij begon te woelen, wilde weten hoe
-het daar was. Pierre ging het hem onmiddellijk zeggen.
-
-“Maak je maar niet ongerust. Sophie is ontvangen door een oude dame,
-die, na den brief gelezen te hebben, eenvoudig tegen haar gezegd heeft,
-dat het goed was. Zij heeft haar niets gevraagd en scheen heelemaal
-niet nieuwsgierig te zijn.”
-
-Guillaume, die voelde, dat zijn broer zich over die kalmte verwonderde,
-zeide eveneens heel kalm:
-
-“O, het is voldoende als grootmoeder gewaarschuwd is. Zij weet, dat ik,
-als ik niet thuis kom, dat ook niet kan.”
-
-Maar hij kon den slaap niet vatten. Het hielp niet, of het licht van de
-lamp bedekt werd, steeds weer opende hij zijn oogen, keek rond en
-scheen door de muren heen in de richting van Parijs te luisteren. De
-priester moest de dienstbode laten komen en haar vragen, of zij, toen
-zij naar Montmartre ging, niets buitengewoons opgemerkt had. Zij scheen
-verbaasd over die vraag; neen, zij had niets opgemerkt. Trouwens het
-rijtuig had over de bijna verlaten buitenboulevards gereden.
-
-Om negen uur begreep Pierre, dat zijn broer niet slapen zou, als hij
-hem zonder nieuws liet. In zijn opkomende koorts begon de gewonde
-angstig te worden, liet het verlangen om te weten, of Salvat
-gearresteerd was en hij gesproken had, hem niet meer los. Hij bekende
-dat niet en scheen niet ongerust voor zijn eigen persoon, en dat was
-ongetwijfeld waar ook, maar zijn groot geheim verstikte hem, hij rilde
-bij de gedachte, dat een zoo hoog doel, zooveel werk en zooveel
-verwachtingen afhingen van dezen door de ellende verblinden
-ongelukkige, die de gerechtigheid met het werpen van bommen herstellen
-wilde. Vergeefs trachtte de priester hem aan zijn verstand te brengen,
-dat men op dit oogenblik nog niets weten kon, maar Guillaume werd van
-minuut tot minuut onrustiger, zoodat hij eindelijk besloot ten minste
-een poging te wagen, om hem gerust te kunnen stellen.
-
-Maar waar moest hij heengaan? Waar aankloppen? In den loop van het
-gesprek noemde Guillaume, die naging aan wien Salvat onderdak had
-kunnen vragen, den naam Janzen, en een oogenblik dacht hij erover daar
-te laten informeeren. Doch dan bedacht hij, dat Janzen, als hij den
-aanslag vernomen had, er niet de man naar was om de politie bij zich
-thuis af te wachten.
-
-“Ik zou de avondbladen wel voor je willen gaan koopen,” zeide Pierre,
-“maar daar staat natuurlijk toch niets in. In Neuilly ken ik bijna
-iedereen, maar ik weet niemand, die... ja toch misschien Bache...”
-
-“Ken je Bache, het lid van den gemeenteraad?” viel Guillaume hem in de
-rede.
-
-“Ja, we hebben samen voor liefdadigheidsinstellingen gewerkt.”
-
-“O, Bache is een van mijn oude vrienden. Ik ken geen vertrouwder man.
-Ga hem halen, als je wilt!”
-
-Een kwartier later kwam Pierre met Bache, die in een naburige straat
-woonde, terug. Maar hij bracht niet alleen hem mede, maar ook Janzen,
-dien hij tot zijn groote verbazing bij Bache aangetroffen had. Zooals
-Guillaume vermoedde, was Janzen, die aan het diner bij prinses de Hardt
-den aanslag gehoord had, zoo voorzichtig geweest niet naar zijn kleine
-woning in de rue des Martyrs, waar de politie wel eens een val voor hem
-opengezet kon hebben, terug te gaan. Zijn betrekkingen tot de
-anarchisten waren bekend, hij wist, dat hij nagegaan werd en dat hij,
-als buitenlandsch anarchist ieder oogenblik gearresteerd en uitgewezen
-kon worden. Hij had het dan ook verstandiger geoordeeld voor enkele
-dagen gastvrijheid te gaan vragen aan Bache, een zeer dienstvaardig en
-behulpzaam man, aan wiens handen hij zich zonder vrees toevertrouwde.
-Nooit zou hij bij Rosemonde gebleven zijn, dat bekoorlijke, maar half
-onwijze vrouwtje, dat hem in haar razende begeerte naar sensaties nu
-reeds een maand lang in opspraak bracht.
-
-Guillaume was in de wolken, toen hij Bache en Janzen binnenkomen zag en
-wilde weer rechtop gaan zitten. Maar Pierre eischte, dat hij rustig met
-zijn hoofd op het kussen zou blijven liggen en vooral dat hij zoo
-weinig mogelijk sprak. Terwijl Janzen zwijgend bleef staan, nam Bache
-een stoel en ging onder een stortvloed van vriendschapswoorden naast
-het bed zitten. Het was een dikke zestiger met een breed en bol
-gezicht, een vollen, grijzen baard en lang grijs haar. Zijn kleine
-oogjes keken droomerig en om zijn dikken mond lag een vriendelijk,
-hoopvol glimlachje. Zijn vader, een vurig aanhanger van Saint-Simon,
-had hem in den eeredienst van het nieuwe geloof opgevoed, terwijl hij
-zelf, ofschoon hij den eerbied voor dat geloof steeds hield, door een
-persoonlijke behoefte aan orde en godsdienstigheid, tot de denkbeelden
-van Fourier overgegaan was, zoodat men in hem als het ware een
-opeenvolging en verkorting van die beide doctrines vond. Op
-dertigjarigen leeftijd had hij zich ook met spiritisme bezig gehouden.
-Hij bezat een klein, maar goed belegd vermogen en had in zijn leven
-geen ander avontuur gehad dan dat hij in 1871, zonder zelf precies te
-weten hoe en waarom, deel had uitgemaakt van de Commune. Hoewel hij tot
-de gematigden behoorde, was hij toch bij verstek ter dood veroordeeld
-en had hij tot de amnestie in België gewoond. Neuilly, dat zich die
-dingen herinnerde, had hem naar den gemeenteraad afgevaardigd—echter
-minder, om het slachtoffer der burgerlijke reactie te verheerlijken dan
-wel om den rechtschapen, in de geheele wijk populairen man te beloonen.
-
-In zijn verlangen naar nieuws moest Guillaume den bezoeker alles wel
-vertellen; de geschiedenis van de bom, de vlucht van Salvat, de manier,
-waarop hij gewond werd, toen hij de lont wilde uittrappen. Janzen met
-zijn koel gezicht, zijn blonden, mageren Christuskop en zijn krullende
-haren, die naar hem luisterde, zeide eindelijk:
-
-“Zoo, is het Salvat?... Ik dacht, dat het de kleine Mathis zou zijn...
-Salvat, dat verwondert me. Hij was het niet van plan.”
-
-En toen Guillaume, angstig, hem vroeg, of hij dacht, dat hij spreken
-zou, riep hij eerst:
-
-“O, neen, geen quaestie van!”
-
-Doch dan, iets van minachting in zijn heldere, chimerische, harde
-oogen:
-
-“En toch weet ik het zoo zeker niet... Salvat is sentimenteel.”
-
-Bache, die door den aanslag geheel van streek was, werd ongerust en
-overlegde dadelijk hoe zij, in geval van verklikking, Guillaume, van
-wien hij heel veel hield, buiten de zaak houden zouden. En deze leed er
-bij het zien van Janzen’s minachtende koelheid onder, dat men hem voor
-vreesachtig aanzien en gelooven kon, dat het eenige, waar hij aan
-dacht, was zijn eigen leven te redden. Maar wat moest hij tegen hen
-zeggen, hoe zou hij hun de bezorgdheid, die hem rillen deed,
-begrijpelijk kunnen maken, zonder hun het geheim toe te vertrouwen, dat
-hij zelfs voor zijn broeder verborgen had?
-
-Op dat oogenblik kwam Sophie aan haar meester zeggen, dat mijnheer
-Théophile Morin en een andere mijnheer hem wilden spreken. Zeer
-verwonderd over dat late bezoek, ging Pierre naar de kamer ernaast om
-ze te ontvangen. Hij had Morin na zijn terugkeer uit Italië leeren
-kennen en hem geholpen bij de vertaling en bewerking van zijn
-uitstekend résumé der tegenwoordige wetenschappen voor de Italiaansche
-scholen. Als zoon van Franche-Comté was hij een landsman van Proudhon,
-met wiens arme familie hij, de zoon van een horlogemaker, veel had
-omgegaan, opgegroeid in diens denkbeelden, een warm vriend der armen,
-en koesterde hij een instinctieven haat tegen rijkdom en bezit. Later
-was hij als onderwijzer naar Parijs gekomen, had daar een waren
-hartstocht opgevat voor de studie en zich met geheel zijn ziel aan
-Auguste Comte gegeven. Op die wijze zou men in hem, den vurigen
-positivist, den vroegeren aanhanger van Proudhon, den persoonlijken
-opstand van den arme, den haat tegen de ellende terug kunnen vinden.
-Overigens hield hij zich aan het wetenschappelijk positivisme, daar hij
-in zijn afkeer van alles wat naar mystiek zweefde, den in latere jaren
-zoo godsdienstig geworden Comte verloochend had. Zijn rechtschapen,
-eentonig en droefgeestig leven had slechts één roman gekend—den
-plotselingen koortsaanval, die hem medegesleept had om gedurende de
-legendarische epopee der Duizend aan de zijde van Garibaldi op Sicilië
-te strijden. En daarna was hij weer het Parijsche onderwijzertje
-geworden, dat in vergetelheid zijn droevig brood verdiende.
-
-Toen Pierre weer in de slaapkamer terugkwam, zeide hij met ontroerde
-stem tegen zijn broer:
-
-“Morin heeft Barthès medegebracht, die in gevaar meent te zijn en mij
-gastvrijheid vraagt.”
-
-“Nicolas Barthès, die held, die antieke geest!” riep Guillaume vol
-geestdrift uit. “Ik ken en bewonder hem... Je moet je huis wijd voor
-hem open zetten.”
-
-Bache en Janzen hadden elkaar glimlachend aangekeken. Dan zeide de
-laatste langzaam en op zijn koud-ironischen toon:
-
-“Waarom verstopt mijnheer Barthès zich? Velen beschouwen hem als dood,
-en hij is een spook, waarvoor niemand meer bang is.”
-
-Barthès, die nu vier-en-zeventig was, had bijna vijftig jaar in de
-gevangenis doorgebracht. Hij was de eeuwige gevangene, de
-vrijheidsheld, dien alle regeeringen van de eene vesting in de andere
-gebracht hadden. Van af zijn jongelingsjaren leefde hij in zijn droom
-van broederschap, streed hij voor een ideale republiek van waarheid en
-gerechtigheid en kwam ten slotte steeds in de gevangenis, waar hij
-achter slot en grendel zijn humanitaire droomen voortzette. Als
-Carbonaro, als republikein, als evangelisch sectariër had hij altijd en
-overal samengezworen, zonder ophouden gestreden tegen iedere mogelijke
-macht. En toen de Republiek gekomen was, die Republiek, welke hem
-zooveel jaren kerkerstraf gekost had, had ook deze hem in de gevangenis
-gezet en nog meer donkere jaren aan de zoovele zonlooze toegevoegd. Hij
-bleef de martelaar der vrijheid en verlangde ondanks alles naar
-haar—naar haar, die nooit bestond.
-
-“Je vergist je leelijk,” zeide Guillaume, geprikkeld door Janzen’s
-spottenden toon. “Men wil Barthès, wiens intransigente rechtschapenheid
-onze politici hindert, weer een tijdje opsluiten; hij heeft groot
-gelijk voorzorgsmaatregelen te nemen.”
-
-Nicolas Barthès kwam binnen, een groote, magere, slanke grijsaard met
-een adelaarsneus en nog vurige oogen. De tandenlooze, maar nog fijn
-geteekende mond verdween bijna geheel onder zijn sneeuwwitten baard,
-terwijl zijn haar, dat glansde als een aureool, in dichte lokken op
-zijn schouders viel. Achter hem kwam bescheiden Théophile Morin met
-zijn grijze bakkebaarden, zijn grijze, en brosse geknipte haren, zijn
-bril, zijn geel, verweerd onderwijzersgezicht. Zij schenen volstrekt
-niet verbaasd te zijn of een verklaring te verwachten, toen zij den
-gewonde met zijn verbonden pols op bed zagen liggen; voorgesteld werd
-niemand: zij, die elkaar kenden, glimlachten elkaar toe.
-
-Barthès boog zich over Guillaume en kuste hem op zijn beide wangen.
-
-“O,” zeide deze laatste; “het doet me goed je te zien, dat geeft me
-weer moed.”
-
-Maar de beide nieuw aangekomenen brachten eenig nieuws. Op de
-boulevards heerschte een buitengewone opwinding; de tijding van den
-aanslag had zich van café tot café verspreid, en men ontrukte elkaar de
-late uitgave van een courant, waarin het verhaal heel slecht en met
-ongelooflijke details gedaan werd. Per slot van rekening wist men niets
-met zekerheid.
-
-Pierre, die Guillaume bleek zag worden, dwong hem weer te gaan liggen.
-Maar toen hij de heeren mede wilde nemen naar de kamer ernaast, zeide
-de gewonde zacht:
-
-“Neen, neen, ik beloof je, dat ik me niet meer bewegen en geen woord
-meer zeggen zal. Blijf hier en praat fluisterend. Heusch het zal mij
-goed doen niet alleen te zijn en jullie te hooren.”
-
-Nu begon onder het slapende licht der lamp een op fluisterenden toon
-gevoerd gesprek. De oude Barthès sprak naar aanleiding van dien
-aanslag, welken hij schandelijk en idioot vond, met de verbazing van
-een dier legendarische strijders voor de vrijheid, die van de nieuwere
-tijden niets begrijpen. Zou de eindelijk veroverde vrijheid niet voor
-allen voldoende zijn? Bestond er een ander probleem dan de stichting
-der ware Republiek? Toen het gesprek op Mège en diens redevoering van
-dien middag in de Kamer kwam, viel hij heftig het collectivisme aan,
-dat hij een der democratische vormen van het despotisme noemde.
-Théophile Morin verklaarde zich ook tegen de collectivistische
-inlijving der sociale krachten, maar zijn haat richtte zich toch nog
-meer tegen de verfoeielijke gewelddaden der anarchisten, want hij
-verwachtte slechts vooruitgang van de evolutie en toonde zich vrij
-onverschillig voor de politieke middelen, die de toekomstige
-wetenschappelijke maatschappij moesten verwezenlijken. Ook Bache scheen
-met de anarchisten niet veel op te hebben; toch voelde hij iets voor
-hun idyllischen droom, voor de humanitaire hoop, die op den bodem van
-hun vernielingswoede kiemde. Ook hij ging heftig te keer tegen Mège,
-dien hij beschuldigde na zijn intrede in de Kamer een rhetor, een van
-de dictatuur droomende theoreticus geworden te zijn. Janzen was nog
-steeds blijven staan en luisterde naar hem met zijn ironisch vertrokken
-mond in zijn ijskoud gezicht; slechts nu en dan sprak hij een kort
-woord, dat sneed als een vlijmscherp lemmet, om zijn anarchistische
-meeningen te verdedigen: alles moest verwoest worden, om alles weer te
-kunnen opbouwen.
-
-Pierre, die naast het bed was blijven zitten, luisterde eveneens met
-hartstochtelijke aandacht. In de instorting van al zijn overtuigingen,
-in het Niet, waartoe hij gekomen was, roerden deze mannen, die uit alle
-vier punten der denkbeelden van de eeuw gekomen waren, het
-verschrikkelijke probleem, waaronder hij leed, van het probleem van het
-nieuwe, door de democratie van de komende eeuw verwachte geloof. Welke
-onophoudelijke ideeëngolven volgden elkander op, stootten tegen elkaar
-aan sedert de onmiddellijke voorgangers, sedert Voltaire, sedert
-Diderot, sedert Rousseau! De eene verwekte de andere en alle braken in
-een storm, waarin het moeilijk was helder te zien. Vanwaar woei de
-wind? Waarheen ging het scheepje des heils, naar welke haven moest men
-zich inschepen? Reeds had hij tot zichzelf gezegd, dat hij de balans
-der eeuw opmaken, dat hij, nadat hij de erfenis van Rousseau en andere
-voorloopers aanvaard had, de denkbeelden van Saint-Simon, Fourier, van
-Cabet zelfs, van Auguste Comte, van Proudhon en ook van Karl Marx,
-bestudeeren moest, om zich ten minste rekenschap te geven van den
-doorloopen weg, van het kruispunt, dat men bereikt had. Bood zich niet
-een prachtige gelegenheid aan, nu een toeval in zijn huis deze mannen,
-deze vertegenwoordigers der levende, tegengestelde doctrines, die hij
-wilde onderzoeken, samenbracht?
-
-Maar toen Pierre zich omkeerde, zag hij, dat Guillaume zeer bleek was
-en zijn oogen gesloten hield. Had hij zelf, in zijn geloof in de
-wetenschap, den twijfel der elkaar tegensprekende theorieën, de wanhoop
-te zien, dat de strijd voor de waarheid de dwaling deed toenemen, langs
-zich voelen gaan?
-
-“Heb je pijn?” vroeg de priester ongerust.
-
-“Ja, een beetje. Ik wil probeeren te slapen.”
-
-Allen gingen weg met een zwijgenden handdruk. Alleen Nicolas Barthès
-bleef; hij sliep in een kamer op de eerste verdieping, die Pierre voor
-hem klaar gemaakt had. Om bij zijn broer te kunnen blijven, ging Pierre
-op een canapé liggen. En het kleine huis verviel weer in zijn grooten
-vrede, in de stilte van de eenzaamheid van den winter, waarin de
-zwaarmoedige huiveringen der jeugdherinneringen beefde.
-
-
-
-Den volgenden ochtend om zeven uur moest Pierre de couranten gaan
-halen. Guillaume had slecht geslapen, er was een zware koorts
-opgekomen. Maar toch moest Pierre hem de eindelooze artikelen over den
-aanslag voorlezen. Het was een buitengewone dooreenhaspeling van
-waarheid en verzinsels, van juiste berichten, die verdronken in de
-meest onverwachte uitspattingen der phantasie. De Voix du Peuple, het
-blad van Sanier, vooral onderscheidde zich door zijn hoofdjes en
-onderhoofdjes in groote letters. Plotseling had het de beruchte lijst
-der twee-en-dertig in de zaak der Afrikaansche sporen gecompromitteerde
-Kamer- en Senaatsleden tot later uitgesteld; daarentegen hielden de
-bijzonderheden over den aanblik der koetspoort van het hôtel Duvillard,
-van het weggeslagen plaveisel, van het uit elkaar gesprongen plafond
-der eerste verdieping en van de uit haar hengsels gerukte deur niet op.
-Dan kwam het verhaal der twee als door een wonder gespaard gebleven
-kinderen van den baron, van den intact gebleven landauer, terwijl de
-ouders, naar men beweerde, zich verlaat hadden bij de zoo interessante
-conférence van monseigneur Martha. Een geheele kolom was gewijd aan het
-eenige slachtoffer, het blonde, knappe loopmeisje van de modiste, welks
-identiteit nog niet vastgesteld was, hoewel een zwerm reporters naar
-haar patrones op de avenue de l’Opera en daarna naar den faubourg
-Saint-Denis, waar men meende, dat de grootmoeder van het ongelukkige
-schepseltje woonde, gevlogen was. In een ernstig, blijkbaar door
-Fonsègue geïnspireerd artikel, werd een beroep gedaan op het
-patriotisme der Kamer, om te midden van de smartelijke gebeurtenissen,
-die het land doormaakte, iedere ministerieele crisis te vermijden. Het
-ministerie zou nog enkele weken rustig voortleven.
-
-Maar Guillaume werd slechts door één bijzonderheid getroffen: de dader
-van den aanslag bleef onbekend: Salvat was blijkbaar niet gearresteerd
-en werd evenmin verdacht. Integendeel scheen men juist op een verkeerd
-spoor te zijn: een buurman beweerde een goedgekleed heer met
-handschoenen aan op het oogenblik van de ontploffing het hôtel te
-hebben zien binnengaan. En Guillaume scheen een weinig gerust gesteld
-te worden, toen zijn broer hem een andere courant voorlas, waarin
-bijzonderheden gegeven werden over de helsche machine, die blijkbaar
-gebruikt was: een betrekkelijk klein conservenbusje, waarvan men de
-overblijfselen gevonden had. Doch de angst kwam weer boven, toen hij
-hoorde, dat men zich erover verwonderde, dat een zoo kleine helsche
-machine zulke geweldige verwoestingen had kunnen veroorzaken, en dat
-men vermoedde hier met een nieuwe onberekenbaar krachtige springstof te
-doen te hebben.
-
-Om acht uur kwam Bertheroy weer. Hij was ondanks zijn zeventig jaar
-frisch en opgewekt als een jong student in de medicijnen, die een
-vriend den dienst bewijst een kleine operatie te doen. Hij had een
-verbandtasch, linnen en pluksel bij zich. Maar hij werd boos, toen hij
-den gewonde zoo rood, zenuwachtig en koortsachtig vond.
-
-“Ik zie wel, beste jongen, dat je niet verstandig geweest bent. Je hebt
-natuurlijk veel te veel gepraat en je opgewonden.”
-
-Nadat hij de wond onderzocht en zorgvuldig gesondeerd had, zeide hij
-onder het verbinden:
-
-“Het been is beleedigd en ik sta voor niets in, als je niet verstandig
-bent. Iedere complicatie zou een amputatie noodzakelijk maken.”
-
-Pierre rilde, terwijl Guillaume eenvoudig zijn schouders optrok, als
-wilde hij zeggen, dat hij zich gaarne liet amputeeren, als alles om hem
-heen instortte. Bertheroy was gaan zitten en keek hen beiden scherp
-onderzoekend aan. Nu wist hij alles van den aanslag, dacht daar het
-zijne over.
-
-“Beste jongen,” begon hij plotseling op zijn kort-aangebonden manier,
-“ik ben overtuigd, dat jij die afschuwelijke stommiteit in de rue
-Godot-de-Mauroy niet uitgehaald hebt. Maar ik geloof wel, dat je in de
-buurt geweest bent... Neen, je behoeft je niet te verdedigen. Ik weet
-niets en wil niets weten, zelfs niet de formule van die verdomde
-springstof, waarvan jouw hemdsmouw de sporen droeg en die zulk
-verschrikkelijk werk gedaan heeft.”
-
-En toen de twee broers verrast en ondanks zijn verzekeringen van angst
-verstijvend zwegen, voegde hij er met een breed gebaar aan toe:
-
-“Ach, beste jongens, als je eens wist, hoe nutteloos zoo’n daad mij
-toeschijnt—nog meer nutteloos dan misdadig. Ik heb een souvereine
-minachting voor het ijdele drijven van de politiek, zoowel van de
-revolutionnaire als van de conservatieve. Is de wetenschap niet
-voldoende? Waartoe dient het den tijd te willen verhaasten, terwijl een
-schrede der wetenschap de menschheid veel nader brengt tot de stad van
-gerechtigheid en waarheid dan honderd jaar politiek en sociaal verzet?
-Kom, alleen de wetenschap vaagt de dogma’s weg, stoot de goden van hun
-voetstuk, brengt licht en geluk... Ik, lid van het Institut, rentenier,
-gedecoreerde, ik ben de eenige revolutionnair.”
-
-Hij begon te lachen en Guillaume begreep de vriendelijke ironie van dat
-lachje. Ook al bewonderde hij in hem den grooten geleerde, toch had het
-hem pijn gedaan te zien, dat hij als een bourgeois door het leven ging,
-dat hij hooge betrekkingen en eerbewijzen aanvaardde, dat hij onder de
-republiek republikein was, maar steeds bereid onder onverschillig
-welken meester de wetenschap te dienen. En nu ontpopte zich deze
-opportunist, deze gehiërarchiseerde geleerde, deze arbeider, die uit
-alle handen rijkdom en roem aannam, zich als een kalme, besliste
-revolutionnair, die zich bewust was, dat zijn werk ondanks alles de
-wereld verwoesten en weer hernieuwen zou.
-
-Hij stond op en ging weg.
-
-“Ik kom nog terug. Weest verstandig en houdt veel van elkaar!”
-
-Toen zij weer alleen waren en Pierre naast het bed zat, zochten hun
-handen elkaar weer en bleven ineengestrengeld in een druk, waarin al
-hun angst brandde. Hoeveel onbekends, hoeveel dreigende wanhoop was er
-om en in hen! De sombere winterdag viel binnen, ze zagen de zwarte
-boomen van den tuin, terwijl het kleine huisje van stilte huiverde. Een
-dof geluid van stappen liet zich slechts boven hun hoofden hooren, de
-stap van Nicolas Barthès, den heldhaftigen vriend van den vrede, die,
-nadat hij hier geslapen had, bij het aanbreken van den dag weer
-begonnen was als een leeuw in zijn kooi te loopen, het gewone
-heen-en-weer-loopen van den eeuwigen gevangene. Op dat oogenblik vielen
-de blikken der twee broeders op een courant, die opengeslagen op het
-bed was blijven liggen en bezoedeld was met een potloodteekening, die
-de pretentie had het doode loopmeisje met haar opengereten buik, naast
-de doos en den hoed, voor te stellen. En het was zoo vreeselijk, zoo
-ontzettend van leelijkheid, dat weer twee dikke tranen uit Pierre’s
-oogen rolden, terwijl de omsluierde, wanhopige en in de verte starende
-blikken van Guillaume de toekomst zochten.
-
-
-
-
-II.
-
-Het kleine, zoo kalme en arbeidzame huisje boven op Montmartre, dat
-Guillaume reeds sedert zoovele jaren met de zijnen bewoonde, stond in
-den bleeken winterdag rustig te wachten.
-
-Na het ontbijt kwam Guillaume, die zeer terneergeslagen was en bedacht,
-dat hij misschien in geen drie weken naar huis zou kunnen gaan, op het
-denkbeeld Pierre er heen te zenden, om alles te vertellen en uit te
-leggen.
-
-“Luister eens, Pierre, je moet mij dien dienst bewijzen. Ga hun de
-waarheid vertellen. Zeg, dat ik hier niet ernstig gewond lig en dat ik
-ze dringend verzoek niet naar mij te komen kijken, omdat ik bang ben,
-dat men hen volgen en mijn schuilplaats ontdekken zal. Door mijn brief
-van gisteravond zouden zij misschien ongerust worden, als ik hun geen
-bericht gaf.”
-
-Dan kwam de eenige angst, die sedert den vorigen dag zijn helderen blik
-benevelde:
-
-“Voel eens in den rechterzak van mijn vest... Daar zit een kleine
-sleutel in... Geef dien aan madame Leroi, mijn schoonmoeder, en zeg
-haar, dat zij, wanneer mij een ongeluk overkomt, doen moet wat zij te
-doen heeft. Dat is al voldoende; zij zal het begrijpen.”
-
-Even had Pierre geaarzeld, maar hij zag, dat Guillaume door die lichte
-inspanning zóó uitgeput was, dat hij hem vroeg te zwijgen.
-
-“Spreek niet verder, blijf rustig liggen. Ik zal ze bij je thuis gaan
-geruststellen, daar je wilt, dat ik me daarmede belast.”
-
-Deze stap viel hem zóó zwaar, dat hij het eerste oogenblik overwogen
-had, of hij Sophie niet zou kunnen laten gaan. Al zijn oude
-vooroordeelen ontwaakten; hij had een gevoel, alsof hij naar het huis
-van den weerwolf ging. Hoe dikwijls had hij zijn moeder niet “dat
-schepsel” hooren zeggen, wanneer zij sprak over de vrouw, met wie haar
-oudste zoon leefde. Nooit had zij de drie uit dit vrije huwelijk
-geboren zoons willen zien, maar vooral hinderde het haar, dat de
-grootmoeder, die madame Leroi, daar in huis was gebleven, om de
-kinderen op te voeden. En de kracht van die herinnering was zoo groot,
-dat hij nu nog, wanneer hij naar den Sacré-Cœur ging, in het
-voorbijgaan met een schuwen blik naar het huisje keek en het vermeed
-als een verdacht huis, waarin zonde en ontucht woonden. Zeker, de
-moeder der drie groote zoons was nu reeds tien jaar dood, maar bevond
-zich er thans niet een ander “schepsel” in het huis, die jonge wees,
-die zijn broeder opgenomen had en met wie hij, niettegenstaande hij
-twintig jaar ouder was, wilde trouwen? In zijn oogen was dat alles
-tegen de zeden, abnormaal, aanstootgevend; hij stelde zich een met alle
-zeden spottend huishouden voor, waarin het ongeregelde, gedeclasseerde
-leven op een moreelen en materieelen ondergang, waarvoor hij
-terugschrok, uitloopen moest.
-
-Guillaume riep hem terug.
-
-“En zeg aan madame Leroi ook, dat gij, voor het geval ik mocht sterven,
-het haar zult komen zeggen en dat zij dan onmiddellijk doet, wat zij
-doen moet.”
-
-“Ja, ja, wees nou maar kalm, ik zal alles wel zeggen... Sophie zal bij
-je in de kamer blijven voor het geval je haar noodig hebben mocht.”
-
-En nadat hij de dienstbode zijn laatste bevelen gegeven had, ging
-Pierre weg en stapte in de tram met de bedoeling tot den boulevard
-Rochechouart te rijden en dan te voet den heuvel op te gaan.
-
-En onderweg, tijdens het in slaap wiegende voortglijden van de zware
-tram, herinnerde hij zich die hem slechts gedeeltelijk bekende
-geschiedenissen, waarvan hij de bijzonderheden eerst later te weten
-kwam. In 1850 was Leroi, een jonge aan het lyceum te Montauban
-terechtgekomen Parijsche professor met hartstochtelijk republikeinsche
-denkbeelden, getrouwd met Agathe Dagnan, de jongste der vijf dochters
-van een Protestantsche familie uit de Cevennes. De jonge mevrouw Leroi
-was zwanger, toen haar man na den Staatsgreep ten gevolge van heftige
-artikelen, die hij in een plaatselijk blad geschreven had, uit vrees
-voor een arrestatie naar Genève had moeten vluchten; daar was in 1852
-hun dochter Marguerite, een teer kind, geboren. Gedurende zeven jaar,
-tot 1859, had het jonge huishouden met de grootste armoede te kampen,
-daar de vader slechts weinige en dan nog slecht betaalde lessen vond,
-terwijl de moeder door de voortdurende zorgen, die het kind eischte,
-aan huis gebonden was. Na hun terugkeer in Parijs scheen het ongeluk
-hen nog meer te vervolgen: de vroegere professor klopte vergeefs aan
-alle deuren, werd overal wegens zijn denkbeelden afgewezen en was wel
-verplicht particuliere lessen te geven. En juist kon hij weer tot de
-universiteit terugkeeren, toen een laatste bliksemstraal hem tegen den
-grond wierp: hij kreeg een beroerte, zijn beide beenen waren verlamd en
-voor zijn verdere leven was hij aan zijn stoel vastgenageld. Nu kwam de
-bitterste armoede; hij moest allerlei minderwaardig werk—artikelen voor
-dictionnaires, copieën van manuscripten, bandjes voor couranten
-schrijven—doen, waarvan het huishouden in een klein woninkje in de rue
-Monsieur-le-Prince nauwlijks leven kon.
-
-Daar groeide Marguerite op. Leroi, door de onrechtvaardigheid en het
-lijden verbitterd, voorspelde de Republiek, die de dwaasheden van het
-Keizerrijk wreken, en de heerschappij der wetenschap, die den ouden
-valschen en wreeden God der dogma’s wegvagen zou. In Agathe, wier
-Protestantsch geloof te Genève geheel ten gronde gegaan was, bleef
-slechts de giststof van vroegeren opstand achter. Zij was nu geheel het
-hoofd van het gezin geworden, ging het werk halen en weer terugbrengen,
-maakte het zelf grootendeels, zorgde voor het huishouden en voor de
-opvoeding van het kind, dat niet naar school ging, alles wat zij wist
-van haar moeder en vader geleerd had, zonder dat er ooit sprake van
-godsdienstonderwijs geweest was. Door den geestelijken omgang met haar
-man had madame Leroi, die zich in haar Protestantsch atavisme van vrij
-onderzoek van alle geloof bevrijd had, zich een soort rustig atheïsme,
-een voorstelling van plicht, van menschelijke en verheven gerechtigheid
-geschapen, die zij dapper boven alle maatschappelijke conventies uit,
-verwezenlijkte. De langdurige ongerechtigheid, waaronder haar man leed,
-het onverdiende ongeluk, dat haar in hem en in haar dochter trof,
-schonk haar op den langen duur een buitengewoon weerstandsvermogen, een
-opofferingskracht, die van haar een leidster en troosteresse van een
-onvergelijkelijke energie en adel maakten.
-
-Daar, in dat huis, leerde na den oorlog Guillaume de Leroi’s kennen.
-Hij had op hetzelfde portaal tegenover hun klein woninkje een groote
-kamer, waarin hij hartstochtelijk werkte. In den beginne groette men
-elkaar nauwlijks; de buren waren heel trotsch, heel ernstig en leidden
-hun armoedig bestaan in een soort schuwe teruggetrokkenheid. Dan
-volgden eenige vriendschappelijke aanrakingen: de jonge man bezorgde
-den voormaligen professor enkele artikelen, die voor een nieuwe
-encyclopedie bewerkt moesten worden. Plotseling kwam de catastrophe.
-Leroi stierf op een avond in zijn fauteuil, toen zijn dochter hem van
-de tafel naar het bed reed. De twee wanhopig bedroefde vrouwen hadden
-geen geld voor de begrafenis. Het geheele geheim van haar bittere
-ellende openbaarde zich in haar tranen; zij moesten Guillaume, die van
-af dat oogenblik haar raadsman en vertrouwde werd, voor haar laten
-handelen. Dat, wat gebeuren moest, gebeurde op de meest eenvoudige en
-teedere wijze onder de stilzwijgende goedkeuring der moeder, die in
-haar minachting voor een maatschappij, waarin de goeden van honger
-stierven, de noodzakelijkheid van maatschappelijke banden weigerde te
-erkennen. Er was geen sprake van een huwelijk. Op een goeden dag was de
-twintigjarige Marguerite de vrouw van den drie-en-twintigjarigen
-Guillaume. Beiden waren mooi, gezond en krachtig; ze aanbaden elkaar en
-werkten vol hoop op de toekomst.
-
-Van af dien dag begon een nieuw leven. Guillaume, die geheel met zijn
-broeder gebroken had, was na den dood van zijn vader in het bezit van
-een rente van tweehonderd francs per maand gekomen. Het dagelijksch
-brood was daardoor verzekerd; en hij verdubbelde die som reeds door
-zijn chemische analyses, onderzoekingen en toepassingen op de
-industrie. Het jonge huishouden ging zich boven op den heuvel in een
-klein huisje van achthonderd francs vestigen, dat een klein tuintje
-had, waarin zij later een houten laboratorium zouden kunnen maken.
-Madame Leroi was bij hen komen inwonen, hielp hen, spaarde een tweede
-dienstbode uit en wachtte, zooals zij zeide, op haar kleinkinderen, om
-ze op te voeden. En zij waren gekomen, telkens met twee jaar
-tusschenruimte: drie zoons, drie kleine, flinke kereltjes, Thomas,
-François en Antoine. En zooals zij zich geheel gegeven had aan haar man
-en aan haar dochter, zooals zij zich geheel gaf aan haar schoonzoon,
-gaf zij zich aan de drie kinderen, die uit deze gelukkige verbintenis
-geboren waren; zij werd Grootmoeder zooals men haar noemde, Grootmoeder
-voor het geheele huis, zoowel voor de jongen als voor de ouden. Zij was
-het verstand, de wijsheid, de dapperheid—zij waakte onophoudelijk over
-alles, bestuurde alles, haar raadpleegde men over alles, haar raad
-volgde men steeds op; en zoo heerschte zij daar onbeperkt, als
-almachtige koningin-moeder.
-
-Zoo duurde in het kleine bescheiden huisje, waarin de meest strikte
-spaarzaamheid de uitgaven regelde en in alle behoeften voorzag, dit
-leven van ingespannen arbeid en vreedzame liefde. Dan verloor Guillaume
-zijn moeder, erfde en kon eindelijk zijn oude begeerte verwezenlijken:
-het huis koopen en in den hoek van den tuin een ruim, zelfs uit steen
-opgetrokken laboratorium bouwen. Nauwlijks was men daarmede klaar en
-scheen het leven voor hen allen een beteren keer te nemen, of het
-ongeluk kwam terug en rukte ruw Marguerite weg, die binnen een week aan
-typheuze koortsen stierf. Zij was pas vijf-en-dertig jaar, haar oudste
-zoon Thomas veertien en Guillaume bleef op zijn acht-en-dertigste jaar
-als weduwnaar met drie zoons achter, wanhopig over het verlies, dat hij
-had geleden. Het denkbeeld, om in dit van de wereld als afgestorven
-huis, waarin de harten zoo nauw verbonden waren, een vreemde vrouw te
-brengen, scheen hem zoo laag en onverdragelijk, dat hij besloot niet te
-hertrouwen. Het werk nam hem geheel in beslag; hij bracht zijn hart en
-zijn zinnen tot zwijgen. Gelukkig bleef Grootmoeder gezond en krachtig;
-het huis behield zijn koningin en de kinderen vonden in haar de
-leidster en opvoedster terug, die opgevoed was in de school van de
-heldhaftig gedragen armoede.
-
-Twee jaren verliepen. Dan werd het huishouden plotseling grooter door
-een jong meisje, Marie Couturier, de dochter van een vriend van
-Guillaume. Deze Couturier was een uitvinder, een geniale krankzinnige,
-die een tamelijk groot vermogen in de allerdwaaste phantasieën en
-hersenschimmen verspild had. Zijn zeer vrome vrouw was van verdriet
-gestorven, en hoewel hij zijn dochter aanbad en de enkele malen, dat
-hij haar zag, met liefkoozingen en geschenken overlaadde, had hij haar
-eerst op een lyceum gedaan en later, zonder zich verder om haar te
-bekommeren, ondergebracht bij een verre bloedverwante. Op zijn sterfbed
-dacht hij slechts aan haar door Guillaume te smeeken haar bij zich te
-nemen en met haar te trouwen. De verre bloedverwante was juist failliet
-gegaan. De toenmaals negentienjarige Marie stond zonder een sou op
-straat; zij bezat niets dan haar groote kennis, haar gezondheid en haar
-moed. Nooit had Guillaume toegestaan, dat zij thuis of buitenshuis
-lessen gaf; zij moest alleen Grootmoeder, die niet meer zoo vlug ter
-been was, in het huishouden helpen. Deze gaf daarvoor gaarne haar
-toestemming, blijde over de komst van deze jeugd en deze vroolijkheid,
-die wat opgewektheid brengen zou in het sedert Marguerite’s dood
-sombere huis. Marie zou de oudste zuster zijn, te oud reeds dan dat den
-jongens, die nog op het gymnasium waren, het hoofd op hol gebracht zou
-worden. Zij zou in dit huis, waar ieder werkte, eveneens werken en
-medewerken aan het gemeenschappelijk geluk, totdat zij een
-fatsoenlijken jongen ontmoeten en met hem trouwen zou.
-
-Weer vijf jaar verliepen, zonder dat Marie het gelukkige huis verlaten
-wilde. Het uitstekende onderwijs, dat zij genoten had, was in een flink
-hoofd gevallen; zij was blijde alles te weten, hoewel zij zeer rein,
-zeer gezond, ja zelfs naïef gebleven was. Daarbij was zij echt
-vrouwlijk, maakte zich met niets mooi, amuseerde zich met niets, was
-altijd vroolijk en tevreden; zeer practisch en volstrekt niet droomerig
-aangelegd, was zij steeds met het een of ander bezig, verlangde van het
-leven niets anders dan wat het geven kon, zonder zich in het minst om
-het hiernamaals te bekommeren. Met groote liefde dacht zij terug aan
-haar zoo vrome moeder, die haar onder tranen haar eerste communie had
-laten doen; maar toen zij alleen overgebleven was, was zij als van zelf
-opgehouden met naar de kerk te gaan, want haar gezond verstand kwam
-tegen al die dingen op. Om braaf te blijven, had zij de moreele politie
-niet noodig; integendeel zij vond het absurde gevaarlijk, beschouwde
-het als den verwoester van de ware gezondheid.
-
-Evenals Grootmoeder was zij tot een rustig, bijna onbewust atheïsme
-gekomen; zij redeneerde niet veel, was eenvoudig een gezond, braaf
-meisje, dat lang arm geweest was zonder daaronder te lijden, dat
-slechts aan de noodzakelijkheid van den arbeid geloofde en door de
-zekerheid, dat het geluk in de levensvreugde van een normaal en dapper
-geleid bestaan gelegen is, staande gehouden werd. Haar mooi evenwicht
-had haar steeds gelijk gegeven, haar altijd geleid en gered. Zij
-luisterde dan ook alleen naar haar instinct en zeide met haar lief
-lachje steeds, dat dat haar beste raadgever was. Tweemaal had zij een
-huwelijksaanzoek afgeslagen, en toen Guillaume bij het tweede aandrong,
-dat zij het aannemen zou, had zij hem verwonderd gevraagd of zij te
-veel in huis was. Zij voelde zich er zeer gelukkig, zij bewees hem
-diensten. Waarom zou zij het verlaten, waarom de risico loopen elders
-minder gelukkig te zijn?
-
-Dan was langzamerhand het denkbeeld van een eventueel huwelijk tusschen
-Marie en Guillaume ontstaan. Inderdaad wat zou verstandiger en beter
-voor allen zijn? Dat hij niet hertrouwd was, vond zijn oorzaak daarin,
-dat hij een offer aan zijn zoons bracht, daar hij bang was een
-vreemdelinge, die misschien de vreugde en den vrede van het huis
-verstoord zou hebben, in hun leven te brengen. Maar nu was die vrouw
-reeds in huis, een vrouw, die moederlijk voor de kinderen zorgde en
-wier stralende jeugd zijn hart ten slotte getroffen had! Hij was nog
-krachtig en gezond en had altijd verkondigd, dat de man niet alleen
-moest leven, ofschoon hij, die zoo geheel in zijn werk opging, tot
-dusverre weinig onder zijn weduwnaarschap geleden had. Doch wel bestond
-er een groot verschil van leeftijd, en hij zou zich heldhaftig op den
-achtergrond gehouden en een jongeren man voor haar gezocht hebben,
-wanneer niet zijn drie zoons, wanneer niet de grootmoeder zelve zich
-tot medeplichtigen van zijn geluk gemaakt hadden. Deze allen zwoeren
-samen voor een verbintenis, die alle banden nauwer toehalen en als het
-ware een nieuwe lente in het huis brengen zouden. Marie, die voor de
-wijze, waarop Guillaume haar sedert vijf jaar behandelde, zeer dankbaar
-was, had dadelijk toegestemd, toegevend aan een opwelling van oprechte
-toegenegenheid, waarin zij liefde meende te voelen. Zoo was dan het
-sedert een maand besproken huwelijk bepaald op het aanstaande voorjaar,
-tegen het einde van April.
-
-Toen Pierre uit de tram gestapt was en de eindelooze treden naar de rue
-Saint-Eleuthère opging, voelde hij bij de gedachte, dat hij dat
-verdachte huis van den weerwolf, zou binnengaan, waarin alles hem
-natuurlijk zou hinderen en prikkelen, weer een gevoel van onbehagen in
-zich opkomen. En bovendien moest hij er zich niet op voorbereiden het
-huis, na den brief, dien Sophie er den vorigen avond gebracht had en
-die meldde, dat de vader niet thuis komen zou, in opwinding en
-ongerustheid te vinden. Doch toen hij de laatste treden opging en
-angstig opkeek, kwam het hem voor alsof het kleine huisje daar in de
-hoogte in een oneindige rust en vrede onder de heldere winterzon lag,
-die weer was gaan schijnen als om het met een liefdevolle liefkoozing
-te omgeven.
-
-Bijna tegenover den grooten, naar de basilica van den Sacré-Cœur
-leidenden weg kwam wel een klein deurtje in den ouden tuinmuur in de
-rue Saint-Eleuthère uit, maar om in het huis te komen moest men naar de
-place du Tertre gaan, waar de voorgevel en de hoofdingang waren.
-Kinderen speelden op het plein, een vierkant provinciestadjesplein, met
-kwijnende boompjes beplant en door eenvoudige winkeltjes omzoomd. In
-den hoek links liet het in de vorige lente opnieuw geverfde huis zijn
-lichten gevel met zijn vijf ramen zien, die echter steeds uitgestorven
-geleken, want het leven was aan de andere zijde, aan den kant van den
-tuin, die den onmetelijken horizont van Parijs beheerschte.
-
-Pierre vatte moed en trok aan de als goud schitterende, koperen bel. Er
-werd echter niet dadelijk opengedaan, en hij wilde voor de tweede maal
-bellen, toen de deur open ging en den geheelen ingang zien liet, een
-corridor, aan het einde waarvan men in het volle licht den oceaan van
-Parijs, het grenzenlooze huizenveld, zien kon. En nu stond daar, zich
-afteekenend tegen de lijst van die oneindigheid, een jong meisje van
-zes-en-twintig jaar in een eenvoudige, door een groot, blauw schort
-half bedekte, zwartwollen japon. De mouwen waren tot boven de ellebogen
-opgeslagen, haar armen en haar handen nog vochtig van het niet geheel
-afgedroogde water.
-
-Een oogenblik heerschte er een verbaasd en verlegen zwijgen. Het jonge
-meisje, dat met een lachend gezicht aan was komen loopen, was bij het
-zien van de soutane ernstig geworden, terwijl haar gelaat onbewust een
-vijandige uitdrukking aangenomen had. De priester begreep, dat hij zijn
-naam noemen moest.
-
-“Ik ben abbé Pierre Froment.”
-
-Dadelijk vond zij haar verwelkomend glimlachje terug.
-
-“Neem me niet kwalijk, mijnheer... Ik had u moeten herkennen, want ik
-heb u eens in het voorbijgaan Guillaume zien groeten.”
-
-Zij zeide Guillaume. Het was dus Marie. Pierre keek haar verbaasd aan
-en vond haar heel anders dan hij haar zich voorgesteld had. Zij was
-niet groot, maar krachtig en mooi gebouwd, met breede heupen, een
-breede borst en een kleine, stevige amazonenhals. Aan haar lichten,
-makkelijken gang, waarin zij al de bekoorlijkheid van een jonge,
-krachtige vrouw legde, zag men haar gezondheid, de kracht van haar
-spieren. Zij was een brunette met een heel blanke huid en een zware,
-prachtige, zwarte haarkroon, die zij blijkbaar zonder eenige
-coquetterie opmaakte. Het zuivere, intelligente voorhoofd, de fijne
-neus en de vroolijke oogen maakten een levenskrachtigen indruk, terwijl
-de volle lippen en de ernstige kin haar rustige goedheid verrieden.
-
-Maar bij deze eerste ontmoeting scheen zij Pierre met haar dik,
-weelderig haar, met haar prachtige, zoo onschuldig bloote armen te
-gezond, te zelfbewust toe. Zij viel niet in zijn smaak, zij maakte hem
-bang als een anders geaard wezen, dat hem vreemd bleef.
-
-“Ik kom juist uit naam van mijn broer Guillaume.”
-
-Weer veranderde haar gezicht; het werd weer ernstig en zij haastte zich
-hem in de gang te laten, waarop zij de deur sloot.
-
-“Brengt u ons nieuws van hem?... Neem me niet kwalijk, dat ik u zoo
-ontvang. Maar onze dienstboden zijn juist met de wasch bezig en ik heb
-toegekeken, of zij het goed deden... U moet mij heusch excuseeren, dat
-ik u verzoek hier een oogenblik binnen te gaan. Het is misschien beter,
-wanneer ik het het eerste hoor.”
-
-Zij had hem in een links van de keuken gelegen vertrek gebracht, dat
-als waschhok gebruikt werd. Er stond een tobbe vol zeepsop, terwijl het
-waschgoed op houten stangen hing uit te druipen.
-
-“En wat is er met Guillaume?”
-
-Heel eenvoudig zeide Pierre de waarheid: hoe zijn broer aan den pols
-gewond was, hoe het toeval hem getuige gemaakt had van het ongeluk; hoe
-hij bij hem in Neuilly gevlucht was; hoe hij wilde, dat men hem daar
-kalm zou laten genezen, zonder dat men zelfs naar hem kwam kijken.
-Onder het vertellen keek hij naar de uitwerking, die zijn verhaal op
-haar maakte; hij zag, hoe zich op haar gelaat eerst schrik en
-medelijden afteekenden, dan een poging, om kalm te blijven en rustig te
-oordeelen. Eindelijk zeide zij:
-
-“Gisteravond heeft zijn brief mij vreeselijk angstig gemaakt. Ik was er
-zeker van, dat er een ongeluk gebeurd was. Maar je moet dapper zijn en
-je vrees niet aan de anderen laten zien... Gewond aan den pols, maar
-toch niet ernstig, is het wel?”
-
-“Dat niet, maar toch wel een wond, die groote voorzichtigheid eischt.”
-
-Met haar groote, vrijmoedige oogen keek zij scherp in de zijne, als
-wilde zij tot in het diepst van zijn ziel lezen, terwijl zij heel
-zichtbaar de tallooze vragen, die haar op de lippen kwamen, terugdrong.
-
-“En is dat alles? Heeft hij u niets anders opgedragen dan te zeggen,
-dat hij bij een ongeluk gewond is?”
-
-“Neen, hij wil alleen, dat u zich niet ongerust over hem maakt.”
-
-Nu drong zij niet meer aan, maar vergenoegde zich, den wil van
-Guillaume eerbiedig gehoorzamend, met wat hij zeggen liet, om het
-huishouden gerust te stellen. Zij trachtte niet er meer van te hooren.
-En evenals zij ondanks den heimelijken angst na den brief van den
-vorigen avond haar werk weer opgevat had, zoo vond zij ook nu weer haar
-schijnbare vroolijkheid, haar vredigen glimlach, haar helderen,
-dapperen blik terug.
-
-“Guillaume heeft mij maar één opdracht gegeven, n.l. om een sleuteltje
-aan madame Leroi te overhandigen.”
-
-“Uitstekend,” antwoordde Marie eenvoudig. “Grootmoeder is daar en de
-kinderen moeten u trouwens ook zien. Ik zal met u medegaan.”
-
-Gerustgesteld nu nam zij Pierre wat nauwkeuriger op, zonder dat het
-haar gelukte haar nieuwsgierigheid, die eerder welwillend te noemen was
-en een ondergrond van onbestemd medelijden bezat, te verbergen. Haar
-frissche, blanke armen, die een heerlijken geur van jeugd van zich
-gaven, waren bloot gebleven. Zonder zich te haasten en in alle onschuld
-trok zij de mouwen neer. Dan deed zij het groote, blauwe schort af en
-kwam haar ronde, krachtig-elegante taille in de eenvoudige, zwarte
-japon te voorschijn. Hij keek haar aan: neen, zij viel beslist niet in
-zijn smaak, en zonder dat hij wist waarom, steeg een verzet in hem op,
-dat hij haar zoo natuurlijk, zoo gezond en zoo dapper voor zich zag
-staan.
-
-“Als u mij volgen wilt, mijnheer de abbé. We moeten den tuin door.”
-
-Aan den anderen kant van de gang, tegenover de keuken en het waschhok,
-waren twee vertrekken, de bibliotheek, die op de place du Tertre, en de
-eetkamer, die op den tuin uitzag. De vier vertrekken van de eerste
-verdieping dienden als slaapkamers voor den vader en de drie zoons. De
-vroeger toch reeds kleine tuin was thans tot een soort binnenplaats
-ingekrompen door den bouw van het laboratorium, dat een geheelen hoek
-innam. Toch waren er van de oude boomen nog twee groote, kwastige
-pruimeboomen overgebleven, evenals een groot, buitengewoon sterk
-seringenboschje, dat in de lente met bloemen getooid was. Vóór dat
-boschje had Marie een breed bloemperk aangelegd, waarin zij enkele
-rozen, nagelbloemen en reseda’s kweekte.
-
-Met een gebaar wees zij naar de zwarte pruimeboomen, de seringen en de
-rozestruiken, waaraan nauwlijks enkele groene puntjes te zien waren,
-naar dit geheele hoekje natuur, waar dat nog in den winterslaap rustte.
-
-“Zeg aan Guillaume, dat hij gauw beter en bij de eerste knoppen hier
-zijn moet.”
-
-Toen Pierre haar op dat oogenblik aankeek, kleurden haar wangen zich
-plotseling hoogrood. Dikwijls kreeg zij zoo, bij de meest onschuldige
-woorden, plotseling een blos, wat haar wanhopig maakte. Zij vond het
-belachelijk zich zoo op te winden als een klein meisje, wanneer men een
-zoo dapper hart had. Maar haar rein bloed had een zoo groote teerheid,
-een zoo natuurlijk schaamtegevoel behouden, dat zoo’n blos dikwijls aan
-haar heerschappij ontsnapte. Ongetwijfeld had zij slechts gebloosd,
-omdat zij bang was door zoo naar de lente te verlangen, tegenover den
-priester een toespeling op haar huwelijk gemaakt te hebben.
-
-“Ga binnen, mijnheer de abbé. De kinderen zijn er toevallig alle drie.”
-
-En zij liet hem in het laboratorium.
-
-Het was een groot, vijf meter hoog vertrek met een tegelvloer en kale,
-grijs geverfde muren. Een groote vlakte van licht, als het ware een
-lauw bad van zonneschijn, drong door de groote op het Zuiden en het
-onmetelijke Parijs uitziende ramen tot in de verste hoeken van het
-vertrek. Voor de ramen waren groote houten horren, die ’s zomers
-neergelaten werden om de hevige warmte buiten te sluiten. De geheele
-familie leefde in nauwe arbeidsgemeenschap van ’s morgens tot ’s avonds
-in dat vertrek. Ieder had er zich naar zijn smaak ingericht en bezat er
-zijn lievelingsplekje, waar hij zich met zijn werk afzonderen kon. De
-helft van het vertrek nam de vader in met zijn laboratorium, den oven,
-de proeftafels, de planken voor het neerzetten van zijn toestellen,
-fleschjes enz. Naast hem had Thomas, de oudste zoon, een kleine smidse
-ingericht met een aambeeld, een bankschroef en al de gereedschappen van
-den werktuigkundige, die hij na zijn baccalaureaat wilde worden, om
-zijn vader niet te behoeven te verlaten en hem bij verschillende
-toepassingen behulpzaam te kunnen zijn. In den anderen hoek hadden de
-twee jongsten, François en Antoine, zich aan de twee einden van een
-groote werktafel tusschen een hoop kartons en boeken ingericht.
-François, die reeds universitaire lauweren behaald had, was thans aan
-de École Normale, waar hij zich voor een examen voorbereidde; Antoine,
-die in het derde leerjaar een tegenzin in de klassieke studiën gekregen
-had, werd door zijn hartstocht voor het teekenen beheerscht en wijdde
-zich thans geheel aan de houtgravures. Voor het raam hadden midden in
-het volle licht, tegenover den eindeloozen horizont, ook grootmoeder en
-Marie haar werktafeltje.
-
-“Kinderen, kinderen,” riep zij met haar kalme stem, waaraan zij een
-geruststellenden en vroolijken klank trachtte te geven; “kinderen,
-mijnheer de abbé komt nieuws van je vader brengen.”
-
-Kinderen! Welk een jonge moederlijkheid legde zij in dat woord, wanneer
-zij tot die drie groote jongens sprak, als wier oudste zuster zij zich
-langen tijd beschouwd had. De nu drie-en-twintigjarige Thomas was een
-reus met een reeds sterk ontwikkelden baard; hij geleek sprekend op
-zijn vader, had een hoog voorhoofd en krachtige trekken, was
-lichamelijk en geestelijk een beetje langzaam, stil, schuw bijna, ging
-geheel in zijn liefde voor zijn vader op en was volkomen tevreden met
-zijn handwerk, dat hem tot een eenvoudigen helper van zijn vader
-maakte. François, die twee jaar jonger was, had fijnere trekken, maar
-bijna hetzelfde figuur, hetzelfde breede voorhoofd, denzelfden
-krachtigen mond en hetzelfde ensemble van gezondheid en kracht, waarin
-slechts het levendiger vlammen den fijneren geest en den
-wetenschappelijken seminarist verried. De jongste, Antoine, die op zijn
-achttiende jaar niet minder krachtig, even mooi en bijna even groot
-was, onderscheidde zich van de anderen door het blonde haar en de
-blauwe, zachte, droomerige oogen, die hij van zijn moeder geërfd had.
-Toen zij jonger waren en alle drie op het gymnasium-Condorcet gingen,
-was het moeilijk hen van elkander te onderscheiden, alleen wanneer men
-ze op een rij naast elkaar zette, kon men verschil in grootte zien. Ook
-nu kon men zich nog makkelijk vergissen, wanneer ze niet naast elkaar
-stonden, zoodat men de met de jaren grooter wordende verschillen
-waarnemen kon.
-
-Toen Pierre binnen kwam, waren zij alle drie zoo in hun werk verdiept,
-dat zij de deur niet eens hoorden opengaan. En weer viel Pierre deze
-door hem reeds bij Marie opgemerkte discipline en zielskracht op,
-waarmede hier het dagelijksche werk zelfs te midden van de grootste
-ongerustheid weer opgevat werd. Maar de heldere stem van Marie deed hen
-opkijken.
-
-“Vader laat nieuws van zich hooren, kinderen!”
-
-Alle drie lieten nu tegelijk hun werk liggen en kwamen dichterbij.
-Zooals zij daar naar den leeftijd naast elkaar stonden, deden zij
-denken aan drie reuzenzonen uit een sterke en krachtige familie. Men
-voelde het: zoodra het om hun vader ging, werden zij als het ware
-plotseling samengesmolten, klopte nog slechts één hart in hun breede
-borsten.
-
-Doch op dat oogenblik ging een deur achter in het laboratorium open en
-kwam Grootmoeder van de bovenverdieping, waar zij, evenals Marie, haar
-slaapkamer had. Zij was er een streng wol gaan halen. Strak en zonder
-er iets van te begrijpen, keek zij den priester aan.
-
-“Grootmoeder,” moest het jonge meisje uitleggen; “dit is mijnheer de
-abbé Froment, de broer van Guillaume, die hem hier gestuurd heeft.”
-
-Pierre keek nu op zijn beurt haar aan en verwonderde zich, dat zij op
-haar zeventigste jaar nog zoo recht was, er nog zoo levenskrachtig en
-sterk uitzag. In het eenigszins lange gezicht, welks vroegere
-schoonheid in een ernstigen charme voortleefde, schitterden de bruine
-oogen nog steeds met jeugdig vuur; de bleeke mond, waarin de tanden nog
-volkomen gaaf waren, had den vastberaden trek behouden. Slechts enkele
-grijze haartjes vertoonden zich in het zwarte haar, dat zij nog altijd
-volgens de ouderwetsche mode opmaakte. Haar wangen waren eenvoudig wat
-ingedroogd en waren met diepe, symmetrische rimpels doorgroefd, die aan
-het heele gelaat een grooten adel verleenden, de souvereine uitdrukking
-van koningin-moeder, die zij behouden had, hoewel zij, in haar eeuwigen
-zwartwollen japon er nooit tegen opzag de eenvoudigste bezigheden te
-doen.
-
-“Zendt Guillaume u, mijnheer de abbé?” vroeg zij. “Hij is gewond, niet
-waar?”
-
-Verbaasd, dat zij het dadelijk raadde, deed Pierre het verhaal
-nogmaals.
-
-“Ja gewond aan zijn pols, maar zonder onmiddellijk gevaar.”
-
-Hij voelde, dat de drie zoons beefden, hoe hun geheele wezen hun vader
-te hulp wilde snellen, om hem te verdedigen. Om hunnentwil zocht hij
-naar hoopvolle woorden.
-
-“Hij is bij mij in Neuilly. Met een goede verpleging is een ernstige
-complicatie niet te vreezen. Hij heeft mij gestuurd, om u te zeggen,
-dat u niet ongerust behoeft te zijn.”
-
-Grootmoeder liet niet de minste vrees blijken. Zij bleef heel kalm; het
-was alsof zij iets hoorde dat zij reeds lang wist. Zij scheen zelfs
-verlicht, bevrijd van den angst, waarvan zij niemand deelgenoot gemaakt
-had.
-
-“Wanneer hij bij u is, mijnheer, dan is hij zeker in de beste handen en
-tegen ieder gevaar beschermd... Zijn brief van gisteravond, die
-heelemaal geen verklaring van zijn wegblijven gaf, had ons verbaasd, en
-zeker zouden we ons ten slotte ongerust gemaakt hebben... Maar nu is
-alles goed!”
-
-En evenmin als Marie, vroegen Grootmoeder en de drie zoons verdere
-bijzonderheden. Op een tafel zag Pierre de wijd opengeslagen
-ochtendbladen met hun vele bijzonderheden over den aanslag liggen.
-Natuurlijk hadden zij die gelezen en waren zij bang geweest, dat hun
-vader in dat verschrikkelijk voorval betrokken was. Wat wisten zij
-precies? Salvat moest hun onbekend zijn, en de onvoorziene keten der
-omstandigheden, die de ontmoeting en daarna de verwonding veroorzaakt
-hadden, konden zij niet opnieuw samenvoegen. Grootmoeder wist
-ongetwijfeld meer. Maar zij, de drie zoons, wisten evenmin als Marie
-iets, veroorloofden zich zelfs niet iets te weten. Welk een kracht van
-eerbied en liefde lag er in hun onwankelbaar vertrouwen op den vader,
-in hun rust, zoodra hij hun zeggen liet, dat er geen reden was zich
-ongerust over hem te maken.
-
-“Madame,” begon Pierre weer; “Guillaume heeft mij gevraagd u dit kleine
-sleuteltje te geven en u eraan te herinneren, dat u, voor het geval hem
-een ongeluk mocht overkomen, zijn opdracht uitvoeren moet.”
-
-Zij beefde nauwlijks, toen zij den sleutel aannam, en zij antwoordde
-eenvoudig, alsof het den meest gewonen wensch van een zieke betrof:
-
-“Goed; zeg hem, dat zijn wensch vervuld zal worden... Maar ga toch
-zitten, mijnheer!”
-
-Inderdaad was Pierre tot nog toe blijven staan. Hij moest, ondanks zijn
-blijvende verlegenheid, die hij in dit huis, waar hij zich toch
-eigenlijk in den familiekring bevond, niet kon laten blijken, een stoel
-nemen. Marie, die niet leven kon, zonder dat haar vingers bezig waren,
-was weer aan haar borduurwerk begonnen, een van die fijne handwerkjes,
-die zij voor een magazijn van huwelijksuitzetten bleef maken, omdat
-zij, zooals zij lachend zeide, tenminste haar eigen zakgeld wilde
-verdienen. Grootmoeder was weer begonnen met haar eeuwig
-kousen-stoppen, waarvoor zij boven de wol was gaan halen. Ook de drie
-jongens waren weer tot hun werk teruggekeerd. Het was als het ware een
-klein oogenblikje van ontspanning, dat zij zich gegund hadden, alvorens
-hun taak af te maken.
-
-“Maar we kunnen morgen allemaal naar vader gaan kijken,” zeide Thomas.
-
-Zonder Pierre tijd tot antwoorden te laten, keek Marie op.
-
-“Neen, neen, hij wil niet, dat iemand van hier naar hem komt kijken,
-want wanneer wij nagegaan en gevolgd werden, zou zijn schuilplaats
-ontdekt worden... Is het niet zoo, mijnheer de abbé?”
-
-“Het zou inderdaad voorzichtiger zijn niet te gaan, maar te wachten,
-tot hij zelf weer zal kunnen terugkeeren. Het is een quaestie van twee
-of drie weken.”
-
-“Zeker, dat is heel verstandig,” stemde Grootmoeder dadelijk toe.
-
-De drie zoons drongen niet verder aan, aanvaardden de heimelijke
-ongerustheid, waarin zij zouden leven, zagen dapper af van dat bezoek,
-dat hun zooveel vreugde gegeven zou hebben; want dat was het
-uitdrukkelijk bevel van hun vader en zijn redding hing er misschien van
-af.
-
-“Dan wilt u zeker wel zoo goed zijn te zeggen, mijnheer de abbé,” zeide
-Thomas, “dat ik gedurende zijn afwezigheid van plan ben naar de fabriek
-te gaan, waar ik onderzoekingen, waaraan wij thans bezig zijn, beter
-kan doen.”
-
-“En zeg hem uit mijn naam,” voegde François er aan toe; “dat hij zich
-niet ongerust over mijn examen behoeft te maken. Alles gaat heel goed.
-Ik geloof zeker te zullen slagen.”
-
-Pierre beloofde niets te zullen vergeten. Maar Marie keek glimlachend
-Antoine aan, die was blijven zwijgen en als in het verre Niet staarde.
-
-“En heb jij hem niets te zeggen, kleintje?”
-
-Alsof hij uit een droom ontwaakte, begon de jonge man eveneens te
-lachen.
-
-“Zeker wel—dat jij veel van hem houdt, en dat hij gauw terugkomen moet,
-opdat je hem gelukkig kunt maken.”
-
-Allen lachten, ook Marie zelf, zonder eenige verlegenheid, met kalme
-vreugde, in de zekerheid der toekomst. Tusschen de zoons en haar
-bestond niets dan een mooie toegenegenheid. De bleeke lippen van
-Grootmoeder glimlachten ernstig; ook zij verheugde zich in het geluk,
-dat het leven hun scheen te beloven.
-
-Pierre wilde nog een paar minuten blijven. Er werd over allerlei dingen
-gesproken, en zijn verwondering werd steeds grooter. Hij viel van de
-eene verbazing in de andere in dit huis, waarin hij verwacht had een
-verdacht, ongeregeld leven, wanorde en de verwoestende revolutie van
-alle moraal te zullen vinden, en nu kwam hij in een zoo liefdevolle
-kalmte, in een zóó sterke tucht, dat zij het bijna met den ernst en de
-strengheid van een klooster vulden, die echter door jeugd en
-vroolijkheid verzacht werden. Het meest viel hem echter de krachtige
-opvoeding, de moed van geest en hart op, waarmede de zoons, zonder iets
-van hun persoonlijke gevoelens te laten merken, zonder zich te
-veroorloven hun vader te beoordeelen, zich vergenoegden met wat hij hun
-zeggen liet, zwijgend en stoïcijnsch de gebeurtenissen afwachtten en
-weer tot hun dagelijksch werk terugkeerden. Men kon zich niets
-eenvoudigers, niets waardigers, niets edelers denken. Daarbij kwam nog
-de glimlachende heldhaftigheid van Grootmoeder en Marie, die beiden
-sliepen boven het laboratorium, waarin met de vreeselijke springstoffen
-proeven genomen werden, in het voortdurende gevaar van een altijd
-mogelijke ontploffing.
-
-Maar die moed, die regelmaat, die waardigheid verwonderden Pierre
-slechts, zonder hem te ontroeren. Hij had geen reden om zich te
-beklagen: de ontvangst was correct, zooal niet hartelijk, want hij was
-daar toch nog slechts een vreemdeling, een priester. En toch bleef zijn
-stemming vijandig. Hem hinderde het gevoel, dat hij zich in een
-omgeving bevond, waar geen enkele van zijn kwellingen gedeeld, ja zelfs
-niet vermoed kon worden. Hoe was het mogelijk, dat deze menschen in hun
-godsdienstig ongeloof, in hun eenig geloof aan de wetenschap, zoo
-rustig, zoo kalm waren bij het zien tegenover zich van dat vreeselijke
-Parijs, dat voor hen de gruwelen van zijn ongerechtigheid en van zijn
-lijden uitstrekte? Hij zag om en keek ernaar door het groote raam; daar
-lag het in zijne oneindigheid, steeds tegenwoordig, steeds zijn
-reusachtig leven levend. Op dit uur scheen Parijs onder de schuine
-stralen van de winterzon door een lichtend stof bedekt, alsof een
-onzichtbare zaaier, die zich in den stralenkrans der dagvorstin
-verborg, met volle handen dat zaad, welks gouden vloed overal neerviel,
-uitwierp. Het reusachtige ontgonnen veld was ermede bedekt, de
-eindelooze chaos van daken en monumenten was niets meer dan een groot
-bouwland, waardoor een reuzenploeg voren getrokken had. En ondanks zijn
-onbehaaglijk gevoel door een onbedwingbare behoefte aan hoop bewogen,
-vroeg Pierre zich af, of dit door de goddelijke zon met licht bezaaide
-Parijs niet het goede zaad voor den oogst der toekomst was, dien oogst
-van waarheid en gerechtigheid, waaraan hij wanhoopte.
-
-Eindelijk stond Pierre op en ging weg, terwijl hij beloofde dadelijk
-terug te zullen komen, als er slechte tijding te melden viel. Marie
-liet hem uit. Bij de voordeur kreeg zij plotseling weer zoo’n blos,
-waaraan zij zich zoo ergerde. Zij werd vuurrood, toen zij ook van haar
-kant een liefdevollen groet aan den gewonde wilde laten overbrengen.
-Maar dapper sprak zij hem toch uit, terwijl haar blikken zich vroolijk
-en helder op die van den priester richtten.
-
-“Tot weerziens, mijnheer de abbé.... Zeg aan Guillaume, dat ik hem
-liefheb en op hem wacht.”
-
-
-
-
-III.
-
-Drie dagen verliepen. In het kleine huisje van Neuilly voelde
-Guillaume, die, brandend van koorts en ongeduld, aan zijn bed gebonden
-was, zich door een nieuwen angst aangegrepen, wanneer de couranten
-aankwamen. Pierre had wel getracht die te doen verdwijnen, maar hij
-zag, dat zijn broer zich dan nog meer opwond, en zoo moest hij zelf wel
-alles voorlezen wat over den aanslag geschreven werd: een buitengewonen
-vloed, die niet ophield in de kolommen te blijven vloeien.
-
-Nog nooit had zoo’n overstrooming de pers onder water gezet. De anders
-zoo voorzichtige, zoo ernstige Globe werd niet gespaard en bezweek
-eveneens onder dezen aanval van reporterswaanzin. Maar vreeselijk om te
-zien was het hoe de gewetenlooze bladen, zooals de Voix du Peuple, de
-algemeene koorts exploiteerden, de openbare meening schrik aanjoegen,
-en het hoofd op hol brachten, alleen maar om een grootere oplaag te
-kunnen geven en meer te verkoopen. Iederen ochtend was het een nieuwe
-sensatie, een nieuw verhaal, om de menschen te doen rillen en beven. Er
-werd verteld, dat baron Duvillard iederen avond dreigbrieven kreeg, dat
-men zijn vrouw, zijn dochter, zijn zoon vermoorden, hem zelf worgen,
-zijn hôtel in de lucht zou laten springen, zoodat het hôtel dag en
-nacht door een schaar agenten in burgerkleeding bewaakt werd. Een
-andermaal was er sprake van een buitengewone ontdekking: naast de
-Madeleine was een riool, waarin anarchisten waren afgedaald. Zij hadden
-de geheele kerk ondermijnd en er vaten met buskruit onder gebracht—het
-was een ware vulkaan, waarin de helft van Parijs zou verslonden worden.
-Nog een derden keer werd beweerd, dat men het spoor van een ontzaglijke
-samenzwering ontdekt had, die geheel Europa van af het binnenland van
-Rusland tot achter in Spanje omvatte. Het signaal zou van Frankrijk
-uitgaan, er zou drie dagen lang een bloedbad aangericht worden, de
-straten van Parijs zouden door geweervuur leeggevaagd worden, de Seine
-rood zien. En dank zij dat prachtige en verstandige werk der pers
-heerschte overal schrik en ontsteltenis, verlieten de vreemdelingen bij
-massa’s hun hôtels. Parijs was nog slechts een krankzinnigengesticht,
-waarin zelfs de meest idiote schrikbeelden geloof vonden.
-
-Maar niet dat was het wat Guillaume zoo angstig maakte. Hij maakte zich
-slechts ongerust ten opzichte van Salvat, van de nieuwe sporen, waarop
-de couranten zich wierpen. Salvat was nog niet gearresteerd, ja zelfs
-was er geen enkele aanwijzing, dat men hem op het spoor was. Dan las
-plotseling Pierre een berichtje, dat den gewonde deed verbleeken.
-
-“Zoo, het schijnt dat ze tusschen de puinhoopen onder de koetspoort van
-het hôtel Duvillard een stuk gereedschap, een priem gevonden hebben, op
-het handvat waarvan de naam van Grandidier, een bekend fabrikant,
-stond. Die Grandidier moet vandaag voor den rechter van instructie
-verschijnen.”
-
-Guillaume maakte een wanhopig gebaar.
-
-“Nu zijn zij op het goede spoor. Salvat heeft natuurlijk dat
-gereedschap laten vallen. Hij heeft bij Grandidier gewerkt voor hij een
-paar dagen bij mij geweest is.... Door Grandidier zullen zij alles te
-weten komen; zij behoeven den draad slechts te volgen.”
-
-Pierre herinnerde zich nu die fabriek, waarover hij in Montmartre had
-hooren spreken en waar Thomas, de oudste zoon, die er zijn opleiding
-ontvangen had, soms nog ging werken. Maar nog steeds durfde hij niets
-verder vragen aan zijn broer, want hij voelde, hoe ernstig, voornaam en
-vrij van lage vrees voor zijn eigen persoon diens angst was.
-
-“Je hebt mij juist verteld, dat Thomas gedurende mijn afwezigheid in de
-fabriek zou gaan werken voor den nieuwen motor, dien hij zocht en bijna
-gevonden heeft,” ging Guillaume voort. “Stel je voor, dat er een
-huiszoeking gehouden wordt, dat men hem ondervraagt en dat hij niet
-antwoorden wil, om zijn geheim te verdedigen... Hij moet gewaarschuwd,
-dadelijk gewaarschuwd worden!”
-
-Zonder hem tijd te laten zijn wensch nader te formuleeren, bood Pierre
-aan dat te doen.
-
-“Als je dat wilt, zal ik vanmiddag Thomas in de fabriek opzoeken.
-Misschien tref ik dan tevens mijnheer Grandidier en kan ik hooren wat
-er bij den rechter van instructie gezegd is en hoe het met de zaak
-staat.”
-
-Met tranen in zijn oogen en een warmen handdruk dankte Guillaume hem.
-
-“Ja, ja, Pierre, doe dat, dat is goed en braaf van je.”
-
-“Ik had vandaag nog naar Montmartre willen gaan,” ging Pierre voort.
-“Ik heb je er niets van gezegd, maar ik heb een gedachte, die me niet
-loslaten wil. Wanneer die Salvat gevlucht is, dan heeft hij daar zijn
-vrouw en zijn dochter alleen achter moeten laten. Ik heb ze den ochtend
-van den aanslag in zulk een ellendigen toestand aangetroffen, dat ik
-niet, zonder dat mijn hart verscheurd wordt, aan die arme, verlaten,
-misschien van honger stervende schepsels denken kan. Wanneer de man er
-niet meer is, moeten vrouw en kind omkomen.”
-
-Guillaume, die Pierre’s hand in de zijne gehouden had, drukte die nog
-inniger en met een bevende stem zeide hij:
-
-“Ja, dat zou goed en braaf zijn... Doe dat, Pierre.”
-
-Dat huis in de rue des Saules, dat vreeselijke huis van lijden en
-ellende, was Pierre steeds in de gedachte gebleven als een afschuwelijk
-riool, waarin het oude Parijs met den dood worstelde. En toen hij er in
-dien middag weer naar toeging, vond hij dezelfde kleverige vuiligheid
-terug, de donkere vochtige trappen in denzelfden verwaarloosden,
-troosteloozen en stinkenden toestand. Terwijl ’s winters de mooie
-wijken van het centrum droog waren en gereinigd werden, bleven de
-wijken der armen somber en vuil onder het voortdurend heen en weer
-trappelen der jammerlijke kudde.
-
-Pierre, die de trap der Salvats kende, klom die dadelijk op te midden
-van het luide geschreeuw van kinderen, die huilden en plotseling weer
-zwegen, om het huis in een doodelijke stilte te doen verzinken. De
-gedachte aan den ouden Laveuve, die hier als een hond in een goot
-gestorven was, kwam weer in zijn herinnering terug en deed hem
-verstijven. Hij rilde, toen hij, boven gekomen, aan de deur klopte en
-slechts een diepe stilte antwoordde. Geen geluid, geen ziel...
-
-Toen klopte hij nogmaals en daar er nog geen antwoord volgde, dacht
-hij, dat er niemand was. Misschien was Salvat vrouw en kind komen
-halen, misschien hadden zij hem naar een ander gat in den vreemde
-gevolgd. Doch dat kon hij niet goed gelooven: de armen veranderen niet
-gauw van woonplaats, sterven waar zij lijden. En hij klopte voor de
-derde maal.
-
-Eindelijk liet zich in de stilte een zacht geluid hooren, het geluid
-van kleine voetjes.
-
-“Wie is daar?” vroeg een fijn kinderstemmetje.
-
-“Mijnheer de abbé.”
-
-Weer een stilte. Besluiteloosheid, aarzeling.
-
-“Mijnheer de abbé, die laatst ook geweest is.”
-
-Dat maakte een einde aan de onzekerheid; de deur ging op een kiertje
-open en Céline, het kleine meisje, liet den priester binnen.
-
-“Neem me niet kwalijk, mijnheer de abbé; moeder Théodore is uit en zij
-heeft mij op het hart gedrukt niemand open te doen.”
-
-Een oogenblik had Pierre zich ingebeeld, dat Salvat zeker hier was.
-Maar met één blik had hij vlug het eenige vertrek, waarin de familie
-samenhokte, overzien. Madame Théodore was blijkbaar bang voor een
-bezoek der politie. Had zij haar vader teruggezien? Wist zij, waar hij
-zich schuil hield? Was hij haar beiden komen geruststellen?
-
-“En is je vader er ook niet, beste meid?”
-
-“O neen, mijnheer, hij heeft zaken en is weg.”
-
-“Hoe bedoel je dat?”
-
-“Ja, hij is niet meer komen slapen, wij weten niet waar hij is.”
-
-“Heeft hij werk?”
-
-“Neen, dan zou hij ons geld zenden.”
-
-“Is hij dan op reis?”
-
-“Ik weet het niet.”
-
-“Maar hij heeft toch zeker wel aan moeder Théodore geschreven?”
-
-“Ik weet het niet.”
-
-Pierre vroeg niet verder door; hij schaamde zich een beetje dat kind
-van elf jaar zoo uit te hooren. Het was mogelijk, dat zij niets wist,
-dat Salvat uit voorzichtigheid niets van zich liet hooren. Haar blond,
-zacht en intelligent gezichtje zag er waarheidlievend uit; het bezat
-reeds de ernstige uitdrukking, welke bittere ellende aan kinderen
-geeft.
-
-“Het spijt mij, dat madame Théodore niet thuis is, ik had haar graag
-willen spreken.”
-
-“Maar kunt u niet even op haar wachten, mijnheer?... Zij is naar oom
-Toussaint in de rue Marcadet; zij zal wel gauw terug zijn, zij is al
-een uur weg.”
-
-Zij maakte een van de stoelen leeg, waarop wat hout lag.
-
-In het onverwarmde, akelig kale vertrek was blijkbaar geen brood
-voorhanden. Men voelde de afwezigheid van den man, het verdwijnen van
-hem, die de wil en de kracht is, op wien men zelfs na weken van
-werkeloosheid rekent. De man gaat uit, trekt de stad door, brengt ten
-slotte nog altijd het onmisbare, de broodkorst, terug, die dan gedeeld
-wordt en het sterven belet. Maar is de man weg, dan zijn vrouw en kind
-geheel verlaten, zonder hulp of steun.
-
-Pierre ging zitten en keek naar dat arme, kleine schepseltje met haar
-heldere, blauwe oogen en haar grooten mond, die ten slotte ondanks
-alles glimlachte. Hij kon het niet nalaten haar nog verder uit te
-hooren.
-
-“En ga je niet naar school, beste meid?”
-
-“Ik heb geen schoenen,” antwoordde zij, ietwat blozend.
-
-Inderdaad zag hij, dat zij oude, aan flarden hangende schoenen had,
-waaruit haar kleine, roode teentjes gluren kwamen.
-
-“En bovendien,” ging zij voort, “moeder Théodore zegt, dat je niet naar
-school gaat, als je niets te eten hebt.—Moeder Théodore heeft willen
-werken, maar zij kon niet door haar oogen, die dadelijk begonnen te
-steken en te tranen... Wij weten niet wat wij beginnen moeten; sinds
-gisteren hebben we niets meer, en wanneer oom Toussaint ons geen
-twintig sous geven kan, is het uit.”
-
-Zij glimlachte nog steeds onbewust, terwijl twee dikke tranen in haar
-oogen kwamen. Dit in deze ledige kamer opgesloten, van de gelukkigen
-als afgesneden meisje was een zoo hartverscheurende aanblik, dat de
-priester zijn woedend verzet tegen de ellende, zijn vurig verlangen
-naar sociale rechtvaardigheid weer in zich boven voelde opkomen.
-
-Na een minuut of tien begon hij ongeduldig te worden, want hij bedacht,
-dat hij ook naar de fabriek Grandidier moest.
-
-“Ik begrijp niet, dat moeder Théodore nog niet terug is,” zeide Céline.
-“Zij praat zeker weer.”
-
-Daar viel haar iets in.
-
-“Als u het goed vindt, mijnheer de abbé, dan zal ik u bij oom Toussaint
-brengen. Het is hier vlak bij, alleen even den hoek om.”
-
-“Maar je hebt geen schoenen, kindlief.”
-
-“O, dat hindert niet, ik kan zoo best loopen.”
-
-“Wijs mij dan den weg maar even,” zeide hij opstaande. “Dan kan ik
-gelijk een paar schoenen voor je koopen.”
-
-Céline kreeg een vuurroode kleur en volgde hem gauw, nadat zij als
-goed, klein huisvrouwtje zorgvuldig de deur gesloten had.
-
-Voor madame Théodore bij haar broer Toussaint aanklopte om twintig
-sous, was zij op het denkbeeld gekomen eerst haar geluk te beproeven
-bij haar zuster Hortense, die met een ambtenaar, den kleinen
-Chrétiennot, getrouwd was en op den boulevard Rochechouart vier kamers
-had. Maar dat was een pijnlijke stap, waartoe zij eerst bevend besloten
-had bij de gedachte, dat Céline sinds den vorigen dag niets gegeten
-had.
-
-De oudste broer Toussaint was vijftig jaar en een zoon uit het eerste
-huwelijk. Later was zijn vader hertrouwd met een jong naaistertje, dat
-hem drie dochters, Pauline, Léonie en Hortense geschonken had. Dat gaf
-de verklaring waarom Pauline, de oudste, tien en Hortense, de jongste,
-achttien jaar jonger was dan Toussaint. Na den dood van zijn vader, had
-Toussaint korten tijd voor zijn stiefmoeder en zijn drie zusters moeten
-zorgen. Het ergste daarbij was, dat hij, hoe jong ook nog, zelf reeds
-een vrouw en een kind had. Gelukkigerwijze echter wist de ijverige en
-intelligente schoonmoeder zich te redden. Zij ging weer als arbeidster
-terug naar het atelier, waar Pauline reeds als leerlinge was, en bracht
-daar ook Léonie. Maar Hortense, die bedorven, mooier en fijner was,
-liet zij langer op school. Later, toen Pauline met den metselaar
-Labitte en Léonie met den werktuigkundige Salvat getrouwd was, maakte
-Hortense, die als winkeljuffrouw bij een confiseur in de rue des
-Martyrs in dienst was, kennis met den ambtenaar Chrétiennot, die, daar
-zij weigerde zijn maîtresse te worden, met haar trouwde. Léonie was
-enkele weken na haar moeder aan typhus gestorven. Pauline, door haar
-man verlaten, leefde met haar zwager Salvat, wiens dochtertje haar
-“moeder” noemde, en stierf bijna van honger. Alleen Hortense droeg ’s
-Zondags een lichte zijden japon, woonde in een nieuw huis en was een
-bourgeoise—maar ten koste van een helleleven en vreeselijke
-ontberingen.
-
-Madame Théodore kende heel goed de moeilijkheden, waarin haar zuster
-verkeerde, wanneer het einde der maand naderde, zoodat zij dan ook met
-vreezen en beven een poging, om iets van haar te leenen, waagde.
-Bovendien verweet Chrétiennot, die langzamerhand door zijn eigen
-middelmatigheid verbitterd was, zijn vrouw, sedert haar schoonheid
-verwelkte, de oorzaak te zijn van zijn mislukt bestaan, en wilde haar
-familie, voor wie hij zich schaamde, niet meer zien. Toussaint was nog
-een fatsoenlijk werkman, maar die Pauline, die madame Théodore, welke
-onder de oogen van het kind met haar zwager Salvat leefde, die van de
-eene werkplaats naar de andere ging, die dolleman, van wien geen enkele
-patroon iets wilde weten—al die ongeregelde verhoudingen, al die
-ellende waren den correcten, ijdelen, door de levensomstandigheden
-verbitterden kleinen ambtenaar een doorn in het oog. Hij had dan ook
-Hortense verboden haar zuster te ontvangen.
-
-Toch voelde madame Théodore, toen zij de met een looper belegde trap
-van het huis op den boulevard Rochechouart opging, een zekeren trots in
-zich opkomen bij de gedachte, dat een zuster van haar in al die luxe
-woonde. De kamers, die zevenhonderd franc kostten en op de binnenplaats
-uitzagen, lagen op de derde verdieping. De meid, die altijd tegen vier
-uur terug kwam, om voor het middageten te zorgen, was er reeds. Zij
-liet de bezoekster, die zij kende, doorloopen, hoewel het haar wel
-eenigszins verbaasde, dat zij het waagde zoo slecht gekleed te
-verschijnen. Maar reeds op den drempel van den kleinen salon bleef
-madame Théodore verwonderd staan, toen zij haar zuster Hortense
-snikkend en terneergeslagen zitten zag in een der blauwe
-rips-fauteuils, waarop zij zoo trotsch was.
-
-“Wat heb je? Wat is er?”
-
-Hoewel pas twee-en-dertig jaar was zij reeds lang de mooie Hortense
-niet meer. Zij zag er nog steeds uit als een blonde, groote, slanke pop
-met aardige oogen en mooi haar. Maar zij, die vroeger zoo netjes en
-proper was, begon zich te verwaarloozen, droeg peignoirs, die
-twijfelachtig zindelijk waren, haar oogen kregen roode randen, haar
-huid verlepte. Twee op elkaar volgende bevallingen—twee meisjes,
-waarvan de oudste negen en de jongste zeven was—hadden haar schoonheid
-ten gronde gericht. Bovendien betreurde de hoogmoedige en trotsche
-vrouw eveneens haar huwelijk, want zij had vroeger zichzelf voor een
-schoonheid gehouden, die het paleis en de karossen van een
-sprookjesprins waardig was.
-
-Haar wanhoop was zóó groot, dat zij er zich zelf niet over verwonderde
-haar zuster te zien binnenkomen.
-
-“Ben jij het? Als je eens wist wat een pech we nou weer hebben bij al
-die andere beroerdigheden!”
-
-Onmiddellijk dacht madame Théodore aan de kleine, Lucienne en Marcelle.
-
-“Zijn je dochtertjes ziek?”
-
-“Neen, zij zijn met een buurvrouw op den boulevard aan het wandelen...
-Maar ik ben weer zwanger! Eerst dacht ik het, dat het een verlating
-was, maar het is nu de tweede maand al. Toen ik het daarnet na het
-dejeuner aan Chrétiennot vertelde, is hij vreeselijk woedend geworden
-en heeft hij mij met allerlei gemeene woorden toegeschreeuwd, dat het
-mijn schuld was. Alsof het alleen van mij afhangt!... Ik heb er het
-meeste last van!”
-
-Weer begon ze te snikken. Zij bleef doorstamelen, vertelde van haar
-schrik, want zij hadden vast besloten geen derde kind meer te hebben.
-Goddank, dat hij wist, dat zij niet in staat was hem te bedriegen; zij
-was zoo slap en indolent, dacht alleen maar aan haar rust.
-
-“Lieve Hemel, jullie zult dat kind, evenals de twee andere, wel
-grootbrengen,” zeide madame Théodore eindelijk.
-
-Onmiddellijk droogde de woede de tranen van Hortense. Zij stond op en
-riep:
-
-“Jij bent ook een mooie! Je kan wel zien, dat je niet met onze beurs
-behoeft rond te komen? Waarvan moeten wij het kind groot brengen, nu
-het toch al zoo moeielijk is het eind van de maand te halen?”
-
-Zij vergat haar armzaligen bourgeois-trots, die haar er gewoonlijk toe
-bracht te zwijgen of zelfs te liegen, legde haar armoede, het
-vreeselijke geldgebrek, dat jaar in jaar uit aan haar knaagde, bloot.
-De huur alleen was al zevenhonderd francs. Van de drie duizend francs,
-die haar man verdiende, bleven dus nauwlijks tweehonderd francs per
-maand over. Hoe kon je daarvan met je vieren eten, je kleeden, je stand
-ophouden? De man moest zijn rok, mevrouw een nieuwe japon hebben, de
-meisjes versleten een paar schoenen per maand, waarbij nog allerlei
-andere uitgaven kwamen, waarop je niet bezuinigen kon. Ja, je kon eens
-wat minder eten of drinken, maar daartegenover stond, dat er weer
-avonden waren, dat je in ieder geval een rijtuig hebben moest. In het
-kort het waren de ondragelijke levensomstandigheden van den kleinen
-ambtenaar, die al even beroerd waren als de zwarte ellende van den
-arbeider, het was de valsche uiterlijke schijn, de leugenachtige luxe,
-alles, wat de intellectueele trots om niet aan een bankschroef of op
-een stelling te werken, aan jammer en lijden verbergt.
-
-“Enfin, je zult de kleine niet wurgen,” herhaalde madame Théodore.
-
-Hortense liet zich weer in haar fauteuil vallen.
-
-“Neen, zeker niet, maar alles is nu uit. Twee waren al te veel en nu
-komt het derde. Lieve God, wat moet er van ons worden? Wat moet er van
-ons worden?”
-
-Haar peignoir was open gegaan, en weer begonnen de tranen uit haar
-roode oogen te stroomen.
-
-Madame Théodore vond het zeer onaangenaam, dat zij het met haar vraag
-om een leening zoo slecht trof; toch waagde zij het eindelijk en vroeg
-twintig sous. Maar dat bracht Hortense’s wanhoop tot het uiterste.
-
-“Op mijn woord, ik heb geen centime in huis. Daarnet heb ik voor de
-kinderen tien sous van de meid geleend. Eergisteren heb ik op de bank
-van leening op een ringetje tien francs gekregen. En zoo is het altijd
-tegen het eind van de maand... Chrétiennot krijgt vandaag zijn
-traktement en komt vroeg thuis om mij het geld voor het middageten te
-brengen. Ik beloof je, dat ik je morgen wat zal sturen, als ik kan.”
-
-Maar op dat oogenblik kwam de meid, die wist, dat mijnheer niets van de
-familie van zijn vrouw hebben moest, binnenvliegen.
-
-“Madame, madame, ik hoor mijnheer de trap opkomen.”
-
-“Ga gauw weg,” riep Hortense uit. “Anders zou ik weer een scène
-krijgen... Als ik kan, morgen, dat beloof ik je.”
-
-Madame Théodore moest zich in de keuken verstoppen, om niet door
-Chrétiennot gezien te worden. Zij keek den mageren, kleinen man met
-zijn ijdel, smal gezicht en zijn grooten, gesoigneerden baard na; hij
-was als altijd correct gekleed en droeg een nauwsluitende overjas. Zijn
-veertien bureaujaren hadden hem al uitgedroogd, en zijn hartstocht, om
-uren lang in een café in de buurt te zitten, gaf hem den genadeslag.
-
-Langzaam en als met lood in haar schoenen ging madame Théodore terug
-naar de rue Marcadet, waar de Toussaint’s woonden. Ook van den kant van
-haar broer verwachtte zij niet veel, want zij wist in welke
-moeilijkheden het huisgezin gekomen was. Het vorige najaar had
-Toussaint een aanval van een beroerte gehad, het begin van een
-verlamming, die hem gedurende bijna vijf maanden aan zijn stoel
-gekluisterd had. Tot dat oogenblik was hij een uitstekend werkman
-geweest, die niet dronk en zijn drie kinderen—een dochter, die haar
-man, een schrijnwerker, naar Havre gevolgd was, een jongen, die in
-Tonkin gesneuveld was, en nog een jongen, Charles, die pas uit dienst
-gekomen was en zijn oud beroep van werktuigkundige uitoefende—een goede
-opvoeding gegeven had. Maar de ziekte van vijf maanden had het weinigje
-geld, dat zij op de Spaarbank geplaatst hadden, opgemaakt, en
-Toussaint, die weer zoo goed als beter was, moest, zonder een sou, zijn
-leven opnieuw beginnen, als was hij twintig jaar.
-
-Madame Théodore vond haar schoonzuster alleen in het eenige, zeer
-zindelijke vertrek, dat het echtpaar bewoonde; daarnaast was een klein
-kabinet, waar Victor sliep. Madame Toussaint was ondanks haar zorgen en
-haar vasten een dikke flinke matrone met een rond gezicht met kleine,
-heldere oogjes. Zij was een fatsoenlijke, praatzieke, eenigszins
-snoepachtige vrouw, die geen ander gebrek had dan dat zij graag lekkere
-potjes klaar maakte. Voordat de andere haar mond open had kunnen doen,
-begreep zij reeds het doel van haar bezoek.
-
-“Je komt al op een heel ongelukkig oogenblik, we hebben geen sou.
-Eergisteren is Toussaint pas naar de fabriek terug kunnen gaan en nu
-moet hij vanavond al om een voorschot vragen.”
-
-Zij keek madame Théodore eenigszins wantrouwend en weinig sympathiek
-aan.
-
-“En heeft Salvat nog steeds geen werk?”
-
-Ongetwijfeld voorzag madame Théodore de vraag, want zij loog heel
-rustig.
-
-“Hij is niet meer te Parijs; een vriend van hem heeft hem meegenomen,
-om in België te werken; ik verwacht, dat hij ons eerstdaags wel wat
-zenden zal.”
-
-Maar madame Toussaint bleef wantrouwend.
-
-“Des te beter, dat hij niet in Parijs is! Wij hebben met al die
-bommengeschiedenissen aan hem gedacht; we zien hem voor gek genoeg aan,
-om zich daarin te mengen.”
-
-De ander vertrok geen spier. Al mocht zij iets vermoeden, dan hield zij
-het toch voor zich.
-
-“En hebt gij heelemaal geen werk?”
-
-“Och, wat zou ik met mijn arme oogen doen? Naaien gaat niet meer.”
-
-“Ja, dat is zoo, wij arbeidsters raken gauw afgetakeld. Toen Toussaint
-hier aan zijn stoel gebonden was, heb ik mijn oude vak van
-linnennaaister weer willen opvatten. Maar dat kan je denken, ik bedierf
-alles en ik schoot niet op... Het eenige, wat ik nog doen kan, is een
-beetje het huishouden bij anderen te gaan doen. Waarom ga jij dat ook
-niet doen?”
-
-“Ik heb het geprobeerd, maar het wou niet lukken.”
-
-Langzamerhand kwam madame Toussaint’s goed hart weer boven en werd bij
-het zien van die groote ellende geroerd. Zij vroeg haar te gaan zitten
-en zeide, dat zij haar wat geven zou, als Toussaint een voorschot
-meebracht. Dan begon zij haar geschiedenissen te vertellen, want zoodra
-er iemand was om te luisteren, kon zij haar kletszucht niet bedwingen.
-Het onvermijdelijke verhaal, waarop zij weer terugkwam, dat zij steeds
-opnieuw begon, waarbij zij altijd weer in geestdrift geraakte, was de
-geschiedenis van haar zoon Charles, van het dienstmeisje van den
-wijnhandelaar, waarmede hij zoo dom geweest was naar bed te gaan, en
-van het kind, dat hij bij haar had. Voor Charles soldaat werd, was hij
-een heel ijverig werkman en een goed zoon geweest, die altijd zijn
-geheele loon thuis bracht. Zeker hij was een goed werkman gebleven,
-maar de lust tot werken was toch wel eenigszins verdwenen door den
-dienst. Niet dat hij ernaar terug verlangde, want hij sprak over de
-kazerne als over een gevangenis, maar de gereedschappen wogen nu
-eenmaal zwaarder in zijn hand, toen hij ze weer moest opnemen.
-
-“Ach ja, Charles mag zoo aardig en lief voor ons zijn, als hij wil,
-maar financieel kan hij niets meer voor ons doen. Ik wist, dat hij
-volstrekt geen zin had om zoo gauw te trouwen om de lasten, die het
-meebrengt. En bovendien is hij zeer voorzichtig met meisjes. En nu
-moest die stommiteit gebeuren—die Eugénie, die hem bediende, wanneer
-hij aan den overkant een borrel ging drinken. Natuurlijk deed hij het
-niet, om met haar te trouwen, maar toch bracht hij haar sinaasappelen,
-toen zij in het ziekenhuis bevallen is. Een echte slet, die er al eens
-met een anderen man van door geweest is... Maar het kind is en blijft
-er. Charles heeft het bij een min op het land gedaan en betaalt het
-kostgeld. Een echte ruïne voor ons, telkens weer nieuwe onkosten. In
-het kort, alle ongelukken zijn tegelijk op ons hoofd neergekomen.”
-
-Madame Toussaint was zoo al een half uur aan het spreken, toen zij
-plotseling ophield, want zij zag madame Théodore bleek worden van het
-wachten.
-
-“Begin je ongeduldig te worden? Toussaint zal wel dadelijk thuis zijn.
-Willen we misschien naar de fabriek gaan?”
-
-Zij besloten te gaan, maar zij bleven onder aan de trap nog wel een
-kwartier staan praten met een buurvrouw, die pas een kind verloren had.
-Eindelijk verlieten zij het huis, toen een stem haar terugriep.
-
-Het was Céline, die nieuwe schoenen aan had en gulzig in een broodje
-hapte.
-
-“Moeder, moeder, dat is de abbé van den laatsten keer... Kijk eens wat
-hij voor mij gekocht heeft!”
-
-Toen madame Théodore de schoenen en het broodje zag, begreep zij alles.
-Zij begon te beven en dank te stamelen, toen Pierre, die de kleine
-volgde, haar aansprak. Madame Toussaint kwam ook dadelijk naderbij,
-stelde zich voor, maar vroeg toch niets voor zichzelf, blij als zij was
-om het buitenkansje van haar schoonzuster, die het nog zooveel
-moeilijker had dan zij. Toen zij zag, hoe de priester deze laatste tien
-francs in haar hand drukte, zeide zij, dat zij graag wat geleend zou
-hebben, maar dat zij het onmogelijk kon, en begon dan weer het verhaal
-over de beroerte van Toussaint en Charles’ ongeluk.
-
-“Zeg moeder,” viel Céline haar in de rede, “de fabriek, waar vader
-gewerkt heeft, is immers hier in de straat. Mijnheer de abbé moet er
-een boodschap doen.”
-
-“De fabriek van Grandidier?” vroeg madame Toussaint. “Daar gaan we
-juist naar toe, we zullen mijnheer den abbé den weg wel wijzen.”
-
-Het was een honderd pas verder. Pierre liep met de twee vrouwen en het
-kind wat langzaam, daar hij trachten wilde madame Théodore over Salvat
-aan het praten te krijgen.
-
-Maar dadelijk werd zij voorzichtig. Zij had hem niet meer teruggezien,
-hij moest met een kameraad voor werk naar België gegaan zijn. De
-priester meende daaruit te moeten opmaken, dat Salvat het niet gewaagd
-had naar de rue des Saules terug te komen; zijn aanslag deed alles ten
-gronde gaan: het verleden vol werk en hoop, het heden met vrouw en
-kind.
-
-“Kijk, mijnheer, daar hebt u de fabriek,” zeide madame Toussaint. “Mijn
-schoonzuster behoeft niet meer te wachten, nu u haar zoo flink geholpen
-hebt... Ik dank u uit haar en uit onzen naam.”
-
-Madame Théodore en Céline bedankten ook en bleven kijken hoe Pierre de
-fabriek binnenging. Er waren toch ook wel aardige en goede priesters,
-vonden zij.
-
-De fabriek Grandidier besloeg een groote ruimte. Aan de straatzijde zag
-men slechts een gebouw van baksteen met smalle vensters en een groote
-deur, waardoor men op een diepe binnenplaats keek. Dan volgde een rij
-afzonderlijke gebouwen, werkplaatsen, loodsen en tallooze daken,
-waarboven twee groote schoorsteenen uitstaken. Dadelijk bij het
-binnenkomen hoorde men het trillen van de machines, het doffe lawaai
-van den arbeid, de geheele ijverige, onrustige oorverdoovende
-bezigheid, waaronder de grond zelfs beefde.
-
-Thans vervaardigde de fabriek voornamelijk rijwielen. Toen Grandidier,
-die leerling van de École des arts et des métiers te Châlons geweest
-was, haar overnam, stond de fabriek heel wankel; zij werd slecht
-bestuurd en was stil blijven staan bij het maken van motoren met behulp
-van verouderde machines. Grandidier, een man met een vooruitzienden
-blik, had zijn ouderen broeder, die administrateur aan den Bon Marché
-was, als vennoot genomen en nam aan dezen uitstekende rijwielen voor
-honderdvijftig francs te leveren. Op die wijze ontstond er een
-levendige handel: de Bon Marché lanceerde het populaire rijwiel de
-Lisette, het “rijwiel voor allen”, zooals de annonces zeiden. Maar
-Grandidier streed nog steeds, hij had de overwinning nog niet behaald,
-want door de geheel nieuwe inrichting der fabriek had hij zich diep in
-de schuld moeten steken. Iedere maand kwam er een vernieuwing, een
-vereenvoudiging, die groote bezuinigingen aanbracht. Voortdurend hield
-hij zijn oogen open en hij droomde er nu van weer tot de kleine motoren
-terug te keeren, daar hij den nabijen triomf der automobielen voorzag.
-
-Pierre, die Thomas Froment te spreken gevraagd had, werd door een ouden
-werkman naar een kleine, houten werkplaats gebracht, waar hij den
-jongen man in werktenue en met door ijzervijlsel zwart geworden handen
-vond. Hij was bezig een machinedeel pasklaar te maken en niemand zou in
-dezen zoo aandachtig en dapper zijn zwaar werk verrichtenden kolos den
-schitterenden leerling van het lycée Condorcet vermoed hebben, waar de
-drie broeders den naam Froment beroemd gemaakt hadden. Maar als
-vertrouwde medewerker van zijn vader wilde hij niets anders zijn dan de
-hamerende arm, de uitvoerende kracht. Hij was sober, geduldig, stil,
-had zelfs geen maîtresse, zeide, dat hij later, wanneer hij een goede
-vrouw ontmoette, wel trouwen zou.
-
-Toen hij Pierre zag, werd hij ongerust, liet hij zijn werk in den
-steek, vloog naar hem toe.
-
-“Vader is toch niet erger?”
-
-“Neen, neen... Hij heeft in de courant gelezen van de priem, die
-gevonden is in de rue Godot-de-Mauroy en heeft zich toen ongerust
-gemaakt bij de gedachte, dat er hier een huiszoeking zou kunnen plaats
-vinden.”
-
-Gerustgesteld, glimlachte Thomas.
-
-“Zeg maar aan vader, dat hij gerust kan slapen. In de eerste plaats ben
-ik nog niet zoo ver als ik wel graag willen zou. En bovendien is hij
-nog niet gemonteerd. De afzonderlijke deelen heb ik thuis en eigenlijk
-weet niemand precies wat ik hier doen kom. De politie mag komen zoeken,
-zij zal niets zien, ons geheim loopt geen gevaar.”
-
-Pierre beloofde die woorden letterlijk aan Guillaume over te brengen,
-om hem van iedere vrees te bevrijden. Toen hij echter Thomas trachtte
-uit te hooren, om te weten hoe het met de zaak stond, wat men in de
-fabriek over den gevonden priem dacht en of men al vermoeden begon te
-krijgen op Salvat, werd Thomas weer gesloten en gaf slechts
-eenlettergrepige antwoorden. Was de politie nog niet geweest? Neen.
-Maar de werklui hadden toch zeker wel den naam van Salvat genoemd? Dat
-natuurlijk wel, want iedereen kende zijn anarchistische denkbeelden. En
-wat had Grandidier gezegd, toen hij van den rechter van instructie
-terugkwam? Hij wist het niet, had hem nog niet gezien.
-
-“Maar daar is hij juist... De arme man, zijn vrouw heeft vanmorgen weer
-een aanval gehad!”
-
-Dat was een treurige geschiedenis, die Pierre reeds van Guillaume
-gehoord had. Grandidier had uit liefde een buitengewoon mooi meisje
-getrouwd, dat tengevolge van het verlies van een jongetje en
-kraamvrouwenkoorts sedert vijf jaar krankzinnig was. Hij had er niet
-toe kunnen overgaan haar in een gesticht te doen, maar was met haar
-blijven wonen in een paviljoen, waarin de ramen, die op de binnenplaats
-uitzagen, steeds gesloten bleven. Nooit zag men haar, nooit sprak hij
-met iemand over haar. Men vertelde, dat zij als een zacht, meegaand
-kind en nog heel mooi was met haar prachtig blond haar. Doch meermalen
-had zij vreeselijke aanvallen, moest hij met haar worstelen, haar
-urenlang in zijn beide armen houden, opdat zij haar hoofd niet tegen de
-muren te pletter loopen zou. Men hoorde dan vreeselijk gegil, waarna
-even later alles weer in een doodelijke stilte terugviel.
-
-Op dat oogenblik kwam Grandidier, een knappe veertiger met een energiek
-gezicht, een dikke snor en heldere oogen, de kleine werkplaats, waar
-Thomas bezig was, binnen. Hij hield veel van dezen laatste en had hem
-zijn leertijd verlicht door hem als zijn zoon te behandelen. Thomas
-mocht komen werken als hij lust had en zooveel gebruik maken van de
-machines als hij zelf wilde. En hoewel Grandidier heel goed wist, dat
-hij zich voornamelijk bezighield met kleine motoren, waarin hij zelf
-ook zoo’n groote belangstelling toonde, legde hij de grootste discretie
-aan den dag en wachtte rustig zonder te vragen.
-
-Thomas stelde den priester voor.
-
-“Mijn oom, abbé Pierre Froment, die eens naar me komt kijken.”
-
-De gewone beleefdheidsphrases volgden.
-
-“Zeg eens, Thomas,” zeide hij dan; “ik heb je mijn onderhoud met den
-rechter van instructie nog niet verteld. Wij staan daar goed
-aangeschreven, anders hadden we al de smerissen van de prefectuur al op
-ons dak gehad. Ik moest hem verklaren, hoe die met mijn naam gemerkte
-priem in de rue Godot-de-Mauroy gevonden kon zijn. En ik heb heel goed
-begrepen, dat hij dacht, dat de dader van den aanslag hier had moeten
-werken... Ik heb dadelijk aan Salvat gedacht. Maar ik verklik niemand.
-Hij heeft mijn werkboekje. Ik heb hem over Salvat alleen verteld, dat
-hij verleden jaar herfst drie maanden in de fabriek gewerkt heeft en
-zich daarna niet meer heeft laten zien. Laat hij hem nu maar gaan
-zoeken!... O, die rechter! Een blond, zeer gesoigneerd, mondain
-mannetje, dat met kattenoogen in deze geschiedenis speurt.”
-
-“Is dat niet mijnheer Amadieu?” vroeg Pierre.
-
-“Precies. De man schijnt erg in zijn nopjes over het geschenk, dat die
-anarchistische bandieten hem met hun aanslag gegeven hebben.”
-
-Angstig luisterde de priester. Dat was het, waar zijn broeder zoo bang
-voor geweest was; dat was het eindelijk gevonden goede spoor, de eerste
-goede draad. Hij keek Thomas aan om te zien, of die ook ongerust was.
-Maar hetzij, dat de jonge man niets wist van den band, die Salvat aan
-zijn vader bond, hetzij dat hij een groote zelfbeheersching bezat, de
-jonge man lachte eenvoudig om het portret van den rechter.
-
-Terwijl Grandidier naar het machinedeel, waarmede Thomas bijna klaar
-was, keek en zij er samen lang over praatten, ging Pierre naar een
-openstaande deur, om een blik te werpen in de groote machinekamer
-ernaast. De priester hoorde drie arbeiders, die aan een fonteintje hun
-handen kwamen wasschen, praten. Zijn aandacht werd onmiddellijk
-geboeid, toen hij een van hen een ander Toussaint en den derde Charles
-hoorde noemen. Dat waren vader en zoon. Toussaint was een gezette man
-met breede schouders en pezige armen, wien men zijn vijftig jaar pas
-aanzag, wanneer men naar zijn rond, gerimpeld, gegroefd en door het
-werk weggevreten gezicht zag, dat omgeven was door een grijzenden
-baard, dien hij alleen Zondags kamde. Zijn rechterarm was door de
-verlamming reeds aangetast en maakte veel langzamere bewegingen.
-Charles, het sprekend evenbeeld van zijn vader, had een dikke zwarte
-snor en was met zijn sterke spieren, die duidelijk onder de blanke huid
-te zien waren, in de volle kracht van zijn zes-en-twintig jaren. Ook
-zij spraken over de bom van hôtel Duvillard, over den gevonden priem en
-over Salvat, die nu door allen verdacht werd.
-
-“Alleen een bandiet kon zoo’n streek uithalen,” zeide Toussaint. “Ik
-wil met die anarchie niets te maken hebben. Maar de bourgeois mogen wel
-oppassen, anders laat men ze gewoon in de lucht vliegen. Dat gaat hen
-aan; zij hebben het zelf gewild.”
-
-Op den bodem van die onverschilligheid lag een lang verleden van
-ellende en onrechtvaardigheid. De oude man had alle hoop opgegeven, was
-het strijden moede; wat hem betrof, mocht de wereld, waarin honger den
-ouden, lam geworden werkman dreigde, ten gronde gaan.
-
-“Ik heb die anarchisten nog al eens hooren praten,” zeide Charles; “en
-ze zeggen waarachtig dikwijls zeer ware en verstandige dingen... Kijk
-eens vader, jij werkt nu al meer dan dertig jaar—en is het nu niet
-afschuwelijk, dat het heel goed mogelijk is, dat je, zoodra je ziek
-bent, als een uitgeknepen citroen weggegooid wordt. En wanneer ik
-bedenk, dat het met mij precies eender gaan kan... Verdomme, als dat
-alle menschen gelukkig maken kan, dan heb ik bliksems veel lust met hun
-omverwerpen van de maatschappij mede te doen.”
-
-Uit zijn woorden sprak niet de heilige hartstocht, maar slechts de
-zucht om een beter leven te hebben; de kazerne had hem reeds
-gedeclasseerd en uit zijn verplichten diensttijd had hij een
-voorstelling van gelijkheid, van den strijd om het bestaan, een drang
-om het hem wettig toekomend deel van het genot te nemen, medegebracht.
-Het was de onvermijdelijke stap van de eene generatie naar de andere:
-de vader, teleurgesteld in zijn verwachting van de broederrepubliek,
-was sceptisch en vol minachting voor alles geworden; de zoon, na het
-schijnbare bankroet der vrijheid voor het geweld gewonnen, stond op het
-punt zich bij het nieuwe geloof aan te sluiten.
-
-Maar toen de derde, een brave kerel, boos werd en schreeuwde, dat men
-Salvat, als hij het gedaan had, onmiddellijk zonder vorm van proces
-naar de guillotine moest sturen, gaf Toussaint hem ten slotte gelijk.
-
-“Ja zeker, ik vind het ook, ook al is hij met een zuster van me
-getrouwd... Maar toch zou het me sterk verwonderen, als hij het gedaan
-had... Hij is niet slecht, hij zou geen vlieg kwaad doen.”
-
-“Wat zal ik je zeggen?” merkte Charles op. “Wanneer ze je tot het
-uiterste drijven, dan wordt je woedend.”
-
-Alle drie hadden zich flink gewasschen; Toussaint, die den patroon
-gezien had, bleef op hem wachten, om hem een voorschot te vragen.
-Toevallig ging Grandidier, na Pierre hartelijk de hand gedrukt te
-hebben, zelf naar den ouden werkman, dien hij hoogachtte, toe. Hij
-luisterde naar hem en gaf hem op een kaartje een paar woorden voor den
-kassier mede, hoewel hij zeer sterk tegen het voorschotsysteem gekant
-was. De arbeiders voelden geen sympathie voor hem; hielden hem, ondanks
-zijn werkelijke goedheid, voor hardvochtig, omdat hij meende zijn
-positie als patroon krachtig te moeten verdedigen en in niets toe te
-kunnen geven, als hij zichzelf niet ten gronde wilde richten. Hoe kan
-men, waar de concurrentie zoo fel is en het kapitalistische stelsel een
-zoo vreeselijken strijd noodzakelijk maakt, zelfs de gerechtvaardigde
-eischen van den arbeider inwilligen?
-
-Een diep medelijden greep Pierre aan, toen hij, na met Thomas eerst nog
-precies afgesproken te hebben, wat hij zijn vader antwoorden zou,
-Grandidier in de richting zag gaan van het gesloten paviljoen, waar hem
-het vreeselijke drama van zijn hart wachtte. Was er onder de armen, die
-van honger stierven, onder de arbeiders, onder de door den arbeid
-overwonnenen, die hem vervloekten en benijdden, één, die ongelukkiger
-en beklagenswaardiger was?
-
-Toen Pierre weer op straat kwam, zag hij daar tot zijn verwondering
-madame Toussaint en madame Théodore nog staan met de kleine Céline. Nog
-steeds wachtten zij op Toussaint, die eindelijk, gelukkig met zijn
-voorschot, naar buiten kwam. Dadelijk vertelde hij madame Théodore de
-geschiedenis van den priem en zeide, dat hij, evenals trouwens al zijn
-kameraden, van meening was, dat Salvat dien aanslag wel gepleegd kon
-hebben. Zij werd heel bleek en protesteerde er tegen, zonder te laten
-merken wat zij wist of wat zij vermoedde.
-
-“Ik zeg je nogmaals, dat ik hem niet meer gezien heb. Hij moet ergens
-in België zijn. Hij een bom gooien? En je zegt zelf, dat hij te goed is
-en dat hij geen vlieg kwaad zou doen.”
-
-Toen Pierre met de tram naar Neuilly terugging, verzonk hij in een diep
-gepeins. De drukte van de arbeiderswijk, het gedreun van de machine
-klonk nog in zijn ooren. En voor de eerste maal, sedert hij zoo door
-zijn zieleangst gefolterd werd, werd hem de noodzakelijkheid van den
-arbeid duidelijk als een noodlot, dat zich openbaarde als gezondheid en
-kracht. Hier ontdekte hij eindelijk een vasten bodem, dat was de
-kracht, die staande houdt en redt. Was dat het eerste glanzen van een
-nieuw geloof? Maar welk een hoon! Deze onzekere, hopelooze arbeid
-leidde tot de eeuwige onrechtvaardigheid! Steeds loerde de ellende op
-den arbeider, wurgde hem bij de minste werkeloosheid en slingerde hem,
-zoodra de ouderdom kwam, als een gecrepeerden hond in de goot!
-
-Te Neuilly vond Pierre Bertheroy aan het bed van Guillaume. De oude
-geleerde had hem juist verbonden en scheen nog niet geheel gerust
-omtrent de complicaties, die de wond zou kunnen veroorzaken.
-
-“Maar je houdt je ook niet kalm. Ik vind je altijd in een opgewonden
-koortsachtigen toestand, die fataal voor je is. Heusch je moet je
-rustig houden, jongen, en je door niets laten kwellen.”
-
-Een paar minuten later zeide hij, voor hij wegging:
-
-“Stel je voor, dat ze me naar aanleiding van die bom in de rue
-Godot-de-Mauroy zijn komen interviewen. Die journalisten verbeelden
-zich, dat je alles weet. Ik heb hem geantwoord, dat het heel
-vriendelijk van hem zou zijn als hij zelf mij een paar inlichtingen
-over de gebruikte springstof gaf... Dat is waar ook, ik geef morgen in
-mijn laboratorium een college over explosiemiddelen. Kom jij ook
-luisteren, Pierre, dan kon je het aan Guillaume oververtellen; hij zal
-het wel interessant vinden.”
-
-Op een wenk van zijn broer nam Pierre de uitnoodiging aan. Toen zij
-weer alleen waren en Pierre hem verteld had, dat Salvat verdacht werd
-en de rechter van instructie op het goede spoor was, werd Guillaume
-opnieuw door een hevige koorts aangegrepen. Zijn hoofd viel op het
-kussen en met gesloten oogen stamelde hij als in een nachtmerrie:
-
-“Dat is het einde... Salvat gearresteerd—Salvat ondervraagd... Zooveel
-werk, zooveel hooge verwachtingen... alles weg!”
-
-
-
-
-IV.
-
-Om half twee was Pierre in de rue d’Ulm, waar Bertheroy een vrij groot
-huis bewoonde, dat de Staat hem gegeven had, om er een laboratorium in
-te richten. De geheele eerste etage was verbouwd tot een groote zaal,
-waarin de beroemde scheikundige meermalen een beperkt aantal leerlingen
-en bewonderaars ontving, voor wie hij voordrachten hield, proeven deed
-en een uiteenzetting gaf van zijn nieuwe ontdekkingen en theorieën.
-
-Bij zulke gelegenheden werden enkele stoelen gezet voor de lange,
-massieve, met flesschen en toestellen overvulde tafel. Daarachter stond
-de oven, terwijl met glazen fleschjes en allerlei modellen gevulde
-vitrines om het vertrek heen liepen. De stoelen waren reeds ingenomen,
-hoofdzakelijk door collega’s van den geleerde, enkele jongelieden,
-zelfs dames en journalisten. Er heerschte een familiare toon, er werd
-met den meester gesproken, als ware men bij hem thuis.
-
-Zoodra Bertheroy Pierre zag, ging hij naar hem toe, drukte hem
-vriendschappelijk de hand en bracht hem naar de tafel, om hem een
-plaatsje te geven naast François Froment, die reeds eerder gekomen was.
-De jonge man was nu bijna aan het einde van het derde jaar aan de École
-Normale, die vlak in de buurt was, zoodat hij maar een paar stappen
-behoefde te doen, om bij zijn meester te komen, den man, dien hij
-eerbiedig als het grootste genie van dien tijd beschouwde. Pierre was
-zeer ingenomen met die ontmoeting, want de flinke jongen met zijn
-levendige oogen in zijn hoog, intellectueel gezicht had na zijn bezoek
-aan Montmartre een zeer prettigen indruk bij hem achtergelaten. De
-jonge man begroette met de oprechte expansie der jeugd zijn oom
-hartelijk, blij tevens weer iets van zijn vader te hooren.
-
-Bertheroy begon. Hij sprak familiaar, heel eenvoudig en met gelukkige
-woordvondsten. Eerst gaf hij een résumé van de reeds door hem gedane
-onderzoekingen over en proeven met springstoffen. Lachend vertelde hij,
-dat hij meermalen bommen onder handen had, om de geheele wijk in de
-lucht te laten vliegen. Maar hij stelde zijn gehoor gerust; hij was
-voorzichtig. Ten slotte sprak hij over de bom van de rue
-Godot-de-Mauroy, waarover geheel Parijs sedert enkele dagen sprak. De
-overblijfselen waren nauwkeurig onderzocht door deskundigen, en ook hem
-had men een stuk gebracht, om er zijn meening over te zeggen. De bom
-scheen van een tamelijk slecht maaksel; zij was met stukjes ijzer
-geladen en met een lont van kinderlijke constructie voorzien. Het
-buitengewone was de vreeselijke kracht van de binnenpatroon, welke, hoe
-klein zij ook geweest moest zijn, die verschrikkelijke uitwerking gehad
-had. Men vroeg zich af welke een onberekenbare vernielingskracht men
-krijgen zou, als die lading vertien- of verhonderdvoudigd werd.
-
-Hier begon de moeilijkheid: zoodra men over samenstelling van de
-gebruikte springstof redeneerde, werd het probleem door de discussies
-verward. Van de drie deskundigen beweerde de een, dat het eenvoudig
-dynamiet was, terwijl de beide anderen—zonder het onderling eens te
-zijn—aan een mengsel geloofden. Wat hem betreft, hij had, heel
-bescheiden, zijn meening niet willen zeggen, de brokstukken, die men
-hem voorgelegd had, hadden te weinig sporen behouden dan dat hij ze aan
-een analyse had kunnen onderwerpen. Hij wist niets, kon geen conclusie
-geven. Maar het was zijn overtuiging, dat men hier te doen had niet een
-nieuw explosiemiddel, welks kracht alles wat men tot nu toe gevonden
-had, overtrof. Hij vermoedde, dat de een of andere onbekende geleerde
-of wel een van die naïeve uitvinders, welke een gelukkige hand bezaten,
-in het geheim de formule van dit explosiemiddel ontdekt had. En hier
-wilde hij juist op neerkomen, op de talrijke, nog onbekende
-springstoffen, op de binnenkort te verwachten ontdekkingen, die hij
-voorzag. Hij wees zelfs den weg aan, dien men betreden moest. Volgens
-zijn oordeel lag daarin de toekomst. Dan zeide hij in een uitgewerkte,
-prachtige peroratie, dat men tot nog toe de explosiemiddelen onteerd
-had door ze te gebruiken, om op dolzinnige wijze zijn wraak te koelen
-en verwoestingen aan te richten, terwijl er misschien juist de door de
-wetenschap gezochte bevrijdende kracht in lag, de hefboom, die de
-wereld omhoog heffen en veranderen zou, zoodra men ze getemd en ertoe
-beperkt zou hebben, om niets anders te zijn dan de gehoorzame dienaren
-des menschen.
-
-Gedurende deze geheele, nauwelijks anderhalf uur lange voordracht
-voelde Pierre, hoe François, die naast hem zat, bij het zien van de
-wijde horizonten, die de meester opende, beefde en in geestdrift
-geraakte. Hem zelf had de voordracht buitengewoon geïnteresseerd, want
-hij moest of hij wilde of niet sommige toespelingen begrijpen en zekere
-betrekkingen tusschen hetgeen hij gehoord had en dat wat de angst van
-Guillaume hem verraden had—het geheim, dat deze zoo bang was
-prijsgegeven te zien aan den rechter van instructie—voelen. Toen hij,
-alvorens met François weg te gaan, Bertheroy de hand ging drukken,
-zeide hij dan ook met een bepaalde bedoeling:
-
-“Het zal Guillaume wel spijten, dat hij u deze wondermooie denkbeelden
-niet heeft hooren ontwikkelen.”
-
-“Kom, kom!” zeide de geleerde glimlachend. “Resumeer jij maar voor hem
-wat ik gezegd heb. Hij zal het best begrijpen, want hij weet er meer
-van dan ik.”
-
-François, die in tegenwoordigheid van den beroemden geleerde als een
-eerbiedig leerling het zwijgen bewaard had, kon, toen zij samen een
-paar passen op straat gedaan hadden, zich niet weerhouden te zeggen:
-
-“Hoe jammer toch dat een man met een zoo breed inzicht, bevrijd van
-alle bijgeloof en voor geen waarheid terugdeinzend, zich heeft laten
-classificeeren, etiquetteeren en opsluiten in titels en Academies! Wat
-zouden wij nog meer van hem houden, als hij minder van de staatsruif at
-en zijn ledematen niet zoo door grootkruisen gebonden waren!”
-
-“Wat zal ik je daarvan zeggen?” zeide Pierre verzoenend. “Je moet nu
-eenmaal leven! En trouwens ik geloof, dat hij in den grond der zaak van
-dat alles vrij is!”
-
-Daar zij bij de École Normale waren, bleef Pierre, die dacht, dat de
-jonge man daarheen terug moest, staan. Maar deze keek slechts even naar
-het oude gebouw.
-
-“Neen, neen, het is Donderdag, ik ben vrij... We hebben veel vrij,
-eigenlijk te veel. Niet, dat ik het niet prettig vind, want daardoor
-ben ik in staat dikwijls naar Montmartre te gaan en daar aan mijn oude
-tafel te werken. Dáár alleen voel ik mijn hersens heelemaal vrij en
-helder.”
-
-François, die zoowel tot de École Polytechnique als tot de École
-Normale toegelaten was, had deze laatste gekozen en was in de
-wetenschappelijke afdeeling ingeschreven. Zijn vader wilde, dat hij een
-beroep en wel dat van onderwijzer koos; later zou het hem, wanneer de
-omstandigheden dat veroorloofden, vrijstaan onafhankelijk te blijven en
-zich alleen met zijn studies bezig te houden. Hoewel nog heel jong, was
-hij nu reeds bijna aan het eind van zijn derde jaar en bereidde hij
-zich voor voor zijn laatste examen, dat thans al zijn tijd in beslag
-nam. Hij gunde zich geen andere rust dan zijn bezoeken aan Montmartre
-en lange wandelingen in den Jardin du Luxembourg.
-
-Werktuigelijk ging François ook nu weer naar dien tuin, waarheen Pierre
-hem al pratend volgde. Het was een lente-zachte Februarimiddag, waarop
-een bleeke zon op de nog zwarte boomen scheen, een van die eerste mooie
-dagen, welke de kleine groene puntjes der seringen doen ontspruiten.
-Het gesprek liep over de École Normale.
-
-“Ik moet je eerlijk zeggen,” zeide Pierre, “dat ik den heelen opzet
-daarvan niet gelukkig vind. Zeker er wordt uitstekend werk geleverd, en
-het eenige middel, om goede leerkrachten te vormen, bestaat blijkbaar
-daarin, dat men ze volpropt met al de vereischte kennis. Maar de
-verkeerde kant der zaak is, dat niet allen, die voor het onderwijs
-opgeleid worden, onderwijzers worden. Velen verstrooien zich over de
-wereld, gaan in de journalistiek, doen niets anders dan de kunst, de
-litteratuur en de maatschappij bedillen. En die zijn feitelijk
-onverdragelijk... Nadat zij eerst slechts bij Voltaire gezworen hebben,
-wenden zij zich eensklaps tot het spiritualisme, de mystiek, de laatste
-mode der salons. Het dilettantisme en het kosmopolitisme werpen verder
-nog een duit in het zakje. Sedert het vaste geloof aan de wetenschap
-iets ruws en onelegants geworden is, meenen zij de professorale toga
-uit te trekken door een beminlijken twijfel, een opzettelijke
-onwetendheid, een aangeleerde onnoozelheid te huichelen. Hun grootste
-vrees is naar de École te ruiken; zij zijn op en top Parijzenaars en
-nemen, louter om te behagen het air van jonge gedresseerde beren aan.
-Vandaar die sarcastische pijlen, die zij op de wetenschap
-afschieten—zij, die er aanspraak op maken, alles te weten en die, omdat
-het zoo voornaam lijkt, terugkeeren tot het geloof der eenvoudigen, tot
-het naïeve en lieflijke idealisme van Jezus in de kribbe.”
-
-“Het portret is een beetje overdreven, maar het is zoo, het is zoo,”
-lachte François.
-
-“Ik heb er verscheidene zoo gekend,” ging Pierre, die zich opwond en in
-geestdrift geraakte, voort. “En bij allen heb ik dien angst
-teruggevonden, om voor onnoozel aangezien te worden, een angst, die
-uitloopt op de reactie tegen alle inspanning, tegen al het werk der
-eeuw: tot afkeer van de vrijheid, tot wantrouwen tegenover de
-wetenschap, tot het loochenen der toekomst. Mijnheer Homais [5] is voor
-hen het toppunt van het belachelijke; de vrees, om op hem te gelijken
-drijft hen ertoe niets te gelooven of slechts het ongelooflijke te
-gelooven. Nu is mijnheer Homais ongetwijfeld belachelijk, maar hij
-blijft tenminste op vasten bodem. En waarom zou hij den eerbied voor
-het oordeel der wereld niet trotseeren en zelfs waarheden als koeien
-zeggen, terwijl zooveel anderen dien trotseeren—ja zich zelfs daarop
-beroemen—door neer te knielen voor het absurde? Al is het banaal
-geworden, om te zeggen, dat tweemaal twee vier is, daarom blijft het
-toch vier. En dat te zeggen is nog minder dwaas en krankzinnig dan
-bijvoorbeeld aan de wonderen van Lourdes gelooven.”
-
-Verwonderd keek François den priester aan. Deze bemerkte het en hield
-zich wat in. Maar toch braken zich wanhoop en woede baan, wanneer hij
-sprak over de intellectueele jeugd, zooals hij zich die in zijn aanval
-van vertwijfeling voorstelde. Zooals hij daar in die wijk der ellende
-medelijden gehad had met de van honger stervende arbeiders, zoo was hij
-hier vol van een smartvolle verachting voor de jonge geesten, aan wie
-het tegenover de wetenschap aan moed ontbrak, die tot den troost van
-een leugenachtig spiritualisme, tot de belofte van een eeuwig geluk in
-den gewenschten, uitbundig geprezen dood terugkeerden. Was de laffe
-gedachte het leven niet ter wille van het leven zelf, ter wille van den
-eenvoudigen plicht om te bestaan en zijn krachten te geven, niet de
-moord zelf op het leven? Steeds vormt het Ik het middelpunt, steeds
-eischt het individu gelukkig te zijn door zich en in zich. O, hoe
-wanhopig stemde het hem te moeten gelooven, dat deze jeugd, van wie hij
-gedroomd had, dat zij dapper de taak aanvaardt de waarheid steeds meer
-tegemoet te gaan, dat zij het verleden slechts bestudeerde, om zich van
-haar te bevrijden en de toekomst tegen te gaan, hoe wanhopig stemde het
-hem te moeten gelooven, dat hij haar uit uitputting en traagheid en
-misschien ook ten gevolge van de overspanning van een ten einde
-spoedende, door menschenarbeid overladen eeuw in metaphysische
-dubbelzinnigheden zou zien terugvallen.
-
-François begon weer te glimlachen.
-
-“Maar u vergist u, als u denkt, dat wij allen op de École zoo zijn... U
-schijnt slechts de leerlingen der litteraire afdeeling te kennen en u
-zoudt ongetwijfeld van meening veranderen, als u die der
-natuurwetenschappelijke afdeeling leerde kennen... Het is ongetwijfeld
-waar, dat bij onze litteraire kameraden een reactie tegen dat
-positivisme duidelijk merkbaar is, dat het denkbeeld van het beruchte
-bankroet der wetenschap hen overal vervolgt. Dat staat natuurlijk in
-verband met de leermeesters, die zij hebben, met de neo-spiritualisten
-en dogmatische rhetorici, in wier handen zij gevallen zijn. En nog meer
-staat het in verband met de mode, met den tijdgeest, die, zooals u zoo
-juist hebt opgemerkt, wil, dat de wetenschappelijke waarheid plomp,
-zonder gratie en zoo ruw is, dat zij voornamer en fijner besnaarden
-geesten onaanneembaar toeschijnt. Een jongmensch, dat op eenigszins
-hoogere beschaving aanspraak maakt en in den smaak vallen wil, moet
-noodgedwongen aan den nieuwen geest meedoen.”
-
-“O, de nieuwe geest,” riep Pierre uit met een kreet, dien hij niet
-onderdrukken kon; “die nieuwe geest bezit niet de onschuld van een
-vluchtige mode; hij is een taktiek, en een vreeselijke taktiek, een
-reactie van de duisternis tegen het licht, van de slavernij tegen de
-bevrijding der geesten, tegen waarheid en gerechtigheid.”
-
-Toen de jonge man hem weer, steeds meer en meer verbaasd aankeek, zweeg
-hij. De gestalte van monseigneur Martha was voor hem opgerezen en hij
-meende te hooren, hoe deze op den kansel der Madeleine trachtte Parijs
-weer te heroveren voor de Roomsche politiek, voor het zoogenaamde
-neo-Katholicisme, dat van de democratie en van de wetenschap
-aanvaardde, wat hij zich toeëigenen kon, om het dan te verwoesten. Dat
-was de beslissende strijd, en al het vergif, dat de jeugd toegediend
-werd, kwam van daar. Hij wist heel goed, welke pogingen er in de
-geestelijke kweekscholen gedaan werden, om in de waanzinnige hoop
-daardoor de nederlaag der wetenschap te bespoedigen, aan deze herleving
-van het mysticisme mede te werken. Men zeide, dat monseigneur Martha op
-de Katholieke universiteit almachtig was, dat hij zich meermalen tegen
-zijn vertrouwde vrienden uitgelaten had, dat er drie generaties
-geloovige en gedweeë leerlingen noodig waren, voor de Kerk weer de
-souvereine meesteres van Frankrijk zou kunnen zijn.
-
-“Neen, wat de École Normale betreft, vergist u zich beslist,” zeide
-François nogmaals. “O, zeker er zijn ongetwijfeld enkele
-strenggeloovigen. Maar zelfs in de letterkundige afdeeling is de groote
-meerderheid in den grond der zaak skeptisch aangelegd. Voor alles zijn
-zij, hoewel zij zich daarover een beetje schamen, onderwijzers en
-worden daardoor door de ironie van geëmancipeerde schoolvossen
-aangestoken, en, tot oorspronkelijke scheppingen niet in staat, door
-een kritischen geest verteerd. Het zou mij dan ook zeer verwonderen,
-indien uit hun rangen het verwachte genie te voorschijn kwam. Het ware
-te wenschen, dat een barbaarsch genie, zonder geleerdheid, zonder
-kritiek, zonder overwegingen en zonder nuances, de eeuw van morgen met
-bijlslagen onder een mooi opvlammen van waarheid en werkelijkheid
-opensloeg. En wat mijn kameraden der natuurwetenschappelijke afdeeling
-betreft, verzeker ik u, dat het neo-Katholicisme, het mysticisme,
-occultisme en alle mode-phantasmagorieën op hen geen enkelen invloed
-hebben. Zij denken er niet aan van de wetenschap een godsdienst te
-maken, blijven zeer toegankelijk voor den twijfel, maar zijn over het
-algemeen heldere en krachtige, zekerheid wenschende koppen, die zich
-geheel geven aan het onderzoek, welks arbeid zich over het ontzaglijke
-veld der menschelijke kennis verbreidt. Zij wankelen niet, zij blijven
-overtuigde positivisten, revolutionnisten, deterministen, die van de
-waarneming en de ervaring de slotoverwinning over de wereld
-verwachten.”
-
-Hij zelf wond zich nu op en liet in de rustige, zonnige lanen van den
-tuin, aan zijn geloof den vrijen loop.
-
-“Kent men de jeugd ooit? Het maakt je aan het lachen, wanneer men ziet
-hoe alle soorten van apostelen om haar strijden, haar tot zich trekken,
-haar wit of zwart of grijs noemen, al naar mate de kleur, die zij voor
-den triomf van hun denkbeelden noodig hebben. De ware jeugd huist in de
-scholen, in de laboratoria, in de bibliotheken. Die jeugd werkt, die
-jeugd brengt de toekomst, niet de zoogenaamde jeugd der vereenigingen,
-manifesten en dergelijke buitensporigheden. Natuurlijk maakt die veel
-lawaai, hoort men haar slechts. Maar als u de aanhoudende pogingen, den
-hartstocht eens kende van de anderen, die, opgesloten in hun taak,
-zwijgen. Zoo ken ik er veel. Zij gaan mede met de eeuw, hebben geen
-enkele van haar verwachtingen verworpen en schrijden
-steeds—vastbesloten het werk van hun voorgangers voort te zetten—de
-nieuwe eeuw, steeds meer het licht, steeds meer de vrijheid tegemoet.
-Ga met hen spreken en praat met hen over het bankroet der wetenschap!
-Zij zullen de schouders ophalen, want zij weten heel goed, dat de
-wetenschap nooit de harten meer ontvlamd, nooit wonderdadiger
-veroveringen gemaakt heeft. Laat men de scholen, de laboratoria, de
-bibliotheken sluiten, den maatschappelijken bodem geheel veranderen—dan
-eerst zou men kunnen vreezen, dat de dwaling weer opnieuw opschoot, de
-dwaling, die zoo zoet is voor zwakke harten en bekrompen hersens!”
-
-Maar zijn mooie geestdrift werd onderbroken. Een groote, blonde jonge
-man bleef staan, om François de hand te drukken. Tot zijn verbazing zag
-Pierre, dat het de zoon van baron Duvillard, Hyacinthe, was, die hem
-overigens zeer correct groette. De jongelieden tutoyeerden elkaar.
-
-“Wat, jij in onze oude wijk, in de provincie?”
-
-“Ja, ik moet achter het Observatorium, bij Jonas, zijn... Ken je Jonas
-niet? God, een geniaal beeldhouwer, die er bijna in geslaagd is de
-materie te onderdrukken. Hij heeft “De Vrouw” gemodelleerd, niet langer
-dan een vinger—niets dan ziel, zonder de ignobele gemeenheid der
-vormen, en toch geheel de Vrouw in haar essentieel symbool. Het is
-grootsch, het is verpletterend. Het is een schoonheidsleer, een
-godsdienst!”
-
-François keek hem glimlachend aan. De lange, nauwsluitende jas en zijn
-opgemaakt gezicht met het gesoigneerde hoofd- en baardhaar gaven hem
-geheel het uiterlijk van een hermaphrodiet.
-
-“En jij? Ik dacht, dat je aan het werk was, dat je eerstdaags een
-gedicht zou publiceeren?”
-
-“Och, beste kerel, het scheppen kost mij zooveel moeite! Een vers kost
-mij weken... Ja, ik heb een klein gedichtje gemaakt: Het einde der
-Vrouw. Je ziet, dat ik niet zoo exclusief ben als men wel zegt, want ik
-bewonder Jonas, die nog aan de noodzakelijkheid van het bestaan der
-Vrouw gelooft. Zijn excuus is die ruwe, materieele beeldhouwkunst! Maar
-lieve hemel, wat heeft men in de poëzie de Vrouw misbruikt! Wordt het
-heusch geen tijd haar daaruit te verjagen, om den tempel eindelijk eens
-te reinigen van het vuil, waarmede haar gebreken als vrouw haar
-bezoedeld hebben? Hoe walgelijk is die vruchtbaarheid, het moederschap
-en al wat erbij komt! Als we allen rein en fijngevoelig genoeg waren,
-om er geen een meer aan te raken, en ze allen onvruchtbaar zouden
-sterven! Dat zou tenminste een fatsoenlijk einde zijn, niet waar?”
-
-En met deze woorden, die hij op zijn gewone, kwijnende manier gezegd
-had, ging hij heupwiegelend verder.
-
-“Ken je hem?” vroeg Pierre.
-
-“Ja, ik heb op het Lyceum Condorcet alle klassen met hem doorloopen.
-Een zeldzaam grappig type! Een luilak, die tot in zijn dassen toe
-geurde met de millioenen van zijn vader en zich aanstelde, alsof hij er
-zijn neus voor optrok; hij poseerde als een revolutionnair en zeide,
-dat hij de bom, die de wereld in de lucht zou laten vliegen, met zijn
-sigaret aansteken zou. Schopenhauer, Nietzsche, Tolstoi en Ibsen
-vereenigd! En nu ziet u wat er van hem geworden is: een zieke en een
-hansworst!”
-
-“Het is een verschrikkelijk symptoom, dat juist de zonen der gelukkigen
-en bevoorrechten uit verveling en moeheid ten gevolge van de
-aanstekelijke vernielingswoede, het slooperswerk beginnen willen.”
-
-François was doorgeloopen tot den vijver, waarin kinderen een heel
-eskader bootjes lieten varen.
-
-“Dit is nu nog maar een hansworst... Maar hoe kan men deze mystiek,
-deze herleving van het spiritualisme, welke door de doctrinairen van
-het beruchte bankroet der wetenschap gepropageerd wordt, werkelijk als
-ernst beschouwen, wanneer men ziet hoe het na een zeer korte evolutie
-uitloopt op dergelijke dolzinnigheden in litteratuur en kunst? Enkele
-jaren van invloed zijn voldoende geweest en het satanisme, het
-occultisme en al dergelijke afdwalingen staan in vollen bloei—afgezien
-er nog van, dat Sodom en Gomorrha, naar het heet, zich met het nieuwe
-Rome verzoend hebben. Aan de vruchten kent men den boom, niet waar? En
-lijkt het niet, alsof wij in plaats van getuige te zijn van een
-renaissance, van een het verleden terugbrengende, diepe sociale
-beweging, eenvoudig een voorbijgaande reactie, die door heel wat
-oorzaken verklaard kan worden, bijwonen? De oude wereld wil niet
-sterven, verzet zich in een laatste stuiptrekking en schijnt voor een
-uur weer te herleven, alvorens door den buiten zijn oevers getreden
-stroom der menschelijke kennis, die steeds grooter golven vormt,
-meegesleurd te worden. Dat is de toekomst, dat is de nieuwe wereld, die
-de ware jeugd zal wekken—de jeugd, die werkt, die men niet kent, die
-men niet hoort... Maar luister eens scherp toe, misschien zult u haar
-dan hooren, want wij zijn hier in haar woning: de groote stilte, die
-ons omgeeft, is het gevolg van den vlijt der vele jonge koppen, die
-zich over de werktafel, het boek, de geschreven bladzijde buigen en de
-waarheid dagelijks meer veroveren.”
-
-Met een breed gebaar wees François aan de andere zijde van den Jardin
-du Luxembourg naar de instituten, de lycea, de hoogescholen, de
-juridische en geneeskundige faculteit, het Institut met zijn vijf
-Académies, de tallooze bibliotheken en musea, het geheele gebied van
-den intellectueelen arbeid, dat een reusachtig veld van het onmetelijke
-Parijs uitmaakt. Pierre was bewogen, werd in zijn loochening geschokt.
-Hij meende inderdaad uit de schoollokalen, uit de sectiekamers, uit de
-laboratoria, uit de bibliotheken, uit de studeerkamers zelfs, het
-geweldige, doffe geluid van den arbeid van al die druk bezige hersens
-te hooren. Het was niet het stootende, ademlooze sidderen, het
-lawaaiige dreunen der fabrieken, waarin het handwerk zich aftobt en
-prikkelt. Maar ook hier klonk de zucht even mat, was de inspanning even
-moorddadig, de vermoeiende arbeid even vruchtbaar. Was het dus waar,
-dat de intellectueele jeugd steeds in haar zwijgende smidse staat, geen
-enkele hoop laat varen, geen verovering opgeeft en in volle vrijheid
-van geest de waarheid en gerechtigheid van morgen met de onoverwinlijke
-hamers van waarneming en ervaring smeedt?
-
-François keek op de klok van het Paleis van Justitie.
-
-“Ik ga naar Montmartre. Loopt u nog een eind mede?”
-
-Pierre nam de uitnoodiging aan, te meer daar de jonge man eraan
-toevoegde, dat hij eerst zijn broer Antoine in het Musée du Louvre
-halen wilde. Op den helderen namiddag heerschte in de bijna ledige
-zalen der schilderijengalerij, wanneer men van de lawaaierige en drukke
-straten komt, een warme, voorname rust. Er waren slechts copiisten, die
-in een diepe, slechts door de stappen van enkele ronddwalende
-vreemdelingen gestoorde stilte werkten. Antoine zat aan het einde der
-Primitievenzaal, waar hij met iets als vrome toewijding een studie naar
-Mantegna teekende. Maar bij die Primitieven wekte niet de mystiek, de
-ideëele vlucht, welke de mode erin ziet, zijn hartstocht op, maar
-integendeel—en wel met volle recht—de oprechtheid der naïeve realisten,
-hun bescheiden eerbied voor de natuur, de tot in de kleinste
-bijzonderheid afdalende eerlijkheid, waarmede zij haar zoo getrouw
-mogelijk trachtten weer te geven. Heele dagen lang was hij ijverig
-bezig ze te copieeren, ze te bestudeeren, om van hen de strengheid van
-teekening, de hooge oorspronkelijkheid, die zij aan hun oprechtheid van
-eerlijke kunstenaars te danken hebben, te leeren kennen.
-
-Pierre werd door de reine vlam, welke dit ingespannen werken in de
-lichtblauwe oogen van Antoine gebracht had, getroffen. Het gewoonlijk
-in zacht gepeins verzonken gelaat van den blonden kolos was als verhit
-en gloeide koortsachtig; het hooge torenvormige voorhoofd, dat hij van
-zijn vader geërfd had, maakte den indruk van een citadel, die ten volle
-gewapend was voor de verovering der waarheid en der schoonheid. De
-geheele geschiedenis van den achttienjarige bestond hierin: in zijn
-derde studiejaar had een weerzin tegen de klassieke studiën zich van
-hem meester gemaakt, zijn hartstocht voor het teekenen bracht zijn
-vader ertoe hem van het lyceum te nemen, waar hij absoluut geen
-vorderingen maakte; daarna bracht hij zijn dagen door, om zichzelf te
-zoeken, om de diepe oorspronkelijkheid, waarvan het gebiedende
-bewustzijn zoo luid in hem gesproken had, in zichzelf los te maken. Hij
-had het met kopergravures en met etsen geprobeerd. Maar al heel gauw
-was hij teruggekeerd tot de houtsnede en bleef daarbij,
-niettegenstaande deze, door de industrieele procedé’s verlaagd, in
-discrediet geraakt was. Was hier niet een geheele kunst te verbreeden,
-haar nieuw leven te schenken?
-
-Hij droomde ervan zijn eigen teekeningen in hout te snijden, het brein
-te zijn, dat leven verwekte, en de hand, die uitvoerde, om nieuwe
-uitwerkingen van goede kracht van visie en uitdrukking te verkrijgen.
-Om zijn vader, die eischte, dat al zijn zoons een beroep zouden
-uitoefenen, te gehoorzamen, verdiende hij zijn dagelijksch brood door
-houtsneden voor geïllustreerde bladen te maken. Maar naast dit gewone
-werk had hij reeds eenige platen van buitengewoon krachtige en
-levensware uitdrukking gemaakt: copieën naar de werkelijkheid,
-tooneelen uit het dagelijksch leven, die een voor een zoo jongen man
-verbijsterend meesterschap verrieden.
-
-“Wil je dat in hout snijden?” vroeg François, toen zijn broeder de
-copie weer in zijn portefeuille deed.
-
-“Neen, dit is maar een les, om bescheiden en eerlijk te leeren zijn.
-Het tegenwoordige leven is zoo heel anders.”
-
-Op straat begon Antoine tegen Pierre, die voor de broers een steeds
-grootere sympathie voor zich voelde opkomen, over zijn kunstdroom te
-spreken.
-
-“De kleur is een macht, een hooge bekoring; men kan zeggen, dat zonder
-haar geen volkomen levenswaarheid bestaat. Toch—en dat is vreemd—is zij
-voor mijniet onontbeerlijk. Het is mij alsof ik met wit en zwart het
-leven even krachtig, even beslist kan weergeven; ik verbeeld mij zelfs,
-dat ik zulks zonder de bedriegelijke huichelarij der kleuren nog
-ernstiger, nog essentieeler maken kan... Maar welk een taak. Kijk eens
-naar het groote Parijs, dat wij doorgaan! Ik zou het tegenwoordige
-oogenblik in enkele tooneelen, in enkele typen willen vastleggen, die
-als het ware eeuwige getuigen zouden kunnen zijn. En dat zou ik heel
-nauwkeurig, heel naïef willen doen, want de uitdrukking der eeuwigheid
-ligt slechts in de eenvoudige onschuld van den kunstenaar, die
-deemoedig en geloovig tegenover de altijd mooie natuur staat. Ik heb al
-een paar figuren, ik zal ze u laten zien... O, als ik het zou durven
-wagen het hout onmiddellijk met de graveerstift aan te grijpen, zonder
-eerst mijn hartstocht door het teekenen af te korten!
-
-“Trouwens ik maak alleen maar een potloodschets; de stift kan dan nog
-gelukkige invallen, onverwachte kracht en fijnheden uitvoeren. Vandaar
-dat de teekenaar en de graveur in mij slechts één persoon vormen,
-zoodat ik alleen maar mijn houtsneden uitvoeren kan. De teekeningen
-zouden, wanneer zij door een ander gesneden werden, zonder leven zijn.
-Wanneer men een schepper van wezens is, ontspringt het leven evenzeer
-uit de vingers als uit de hersenen.”
-
-Toen zij met hun drieën beneden aan den Montmartre-heuvel waren en
-Pierre met de tram naar Neuilly terug wilde gaan, vroeg Antoine, in
-wien de hartstocht koortsachtig brandde, of hij den beeldhouwer Jahan
-kende, die voor den Sacré-Cœur werkte. En op Pierre’s ontkennend
-antwoord:
-
-“Ga u dan een oogenblik mee naar boven; het is een jongen met een
-groote toekomst. U moet het ontwerp van een engel, dat zij geweigerd
-hebben, eens zien.”
-
-Toen ook François dezen engel prees, besloot de priester mede te gaan.
-Jahan had boven op den heuvel, onder de door den bouw van de Basilica
-noodzakelijk geworden barakken in een loods een atelier kunnen
-inrichten, dat groot genoeg was om daarin den reusachtigen engel uit te
-voeren. De drie bezoekers troffen hem aan in zijn werkkiel, terwijl hij
-toezicht hield op het werk van zijn twee helpers; zij waren bezig het
-blok steen, waaruit de engel ontstaan moest, af te houwen. Jahan was
-een flinke kerel van zes-en-dertig jaar met een grooten, bruinen baard,
-een sterken, gezonden mond en mooie, schitterende oogen. Hij was een
-geboren Parijzenaar, had de École Normale bezocht en bezat een
-hartstochtelijk temperament dat hem voortdurend onaangenaamheden
-bezorgde.
-
-“Zoo, komt u naar mijn engel zien, waarvan men in het
-aartsbisschoppelijk paleis niets weten wil. Daar is hij.”
-
-Het een meter hooge beeld, waarvan de klei reeds aan het drogen was,
-bezat een prachtige vlucht met zijn twee groote ontplooide vleugels.
-Het naakte lichaam was dat van een slanken, krachtigen jongeling met
-een van vreugde stralend gezicht en scheen als door verrukking omhoog
-gedragen te worden.
-
-“Zij vonden mijn engel te menschelijk. En waarachtig, zij hadden
-gelijk... Een engel is het moeilijkste wat men zich denken kan. Je
-weifelt reeds omtrent het geslacht—is het een jongen of een meisje?
-Wanneer bovendien het geloof ontbreekt, dan moet men wel het eerste het
-beste model nemen en copieeren... Toen ik dezen maakte, trachtte ik mij
-een mooi kind voor te stellen, waaraan vleugels groeiden en dat door de
-bedwelming der vlucht in de vreugde der zon omhoog gedragen wordt. Dat
-heeft hun aanstoot gegeven, zij hebben iets godsdienstigers gewild en
-toen heb ik dat prutswerk daar gemaakt. Je moet toch leven.”
-
-Met een handgebaar wees hij op een andere maquette, aan de uitvoering
-waarvan zijn helpers juist begonnen waren: een correcten engel met
-symmetrischen ganzevleugels, een lichaam, dat noch op een jongen, noch
-op een meisje geleek, en een banalen kop, welke de door de traditie
-voorgeschreven onnoozele uitdrukking toonde.
-
-“Wat zal ik je zeggen?” ging hij voort. “Die geheele kerkelijke kunst
-is tot de afschuwelijkste banaliteit vervallen. Men gelooft niet meer,
-men bouwt kerken als kazernes, men versiert ze met Onze Lieve Heeren en
-Madonna’s, waar je bij zoudt kunnen huilen. Het genie kan slechts
-opbloeien uit den socialen bodem; de groote kunstenaar kan slechts
-voortkomen uit het geloof van zijn eeuw... Zoo ben ik bijvoorbeeld de
-kleinzoon van een boer uit Beauce en opgegroeid bij mijn vader, die
-naar Parijs gekomen is, om zich in de rue de la Roquette als
-marmerbewerker te vestigen. Ik zelf ben ook als werkman begonnen, mijn
-geheele jeugd heb ik onder het volk doorgebracht, zonder dat ook maar
-het denkbeeld bij mij opgekomen is een voet in de kerk te zetten... Wat
-moet er van de kunst worden in een tijd, die niet meer aan God noch aan
-de schoonheid gelooft? Men moet wel overgaan tot het nieuwe geloof, en
-dat is het geloof in het leven, in den arbeid, in de vruchtbaarheid,
-aan alles wat werk en leven schept...”
-
-Hij viel zich plotseling in de rede, om uit te roepen:
-
-“Zeg, ik heb weer aan mijn beeld der Vruchtbaarheid gewerkt en ik ben
-er aardig tevreden over... Ga eens mee kijken!”
-
-Hij stond er op hen mede te nemen naar zijn eigen atelier, dat hij
-dicht bij het huisje van Guillaume had. Men kwam er door de rue du
-Calvaire, die straat, welke eigenlijk niet meer dan een als een ladder
-zoo steile, eindelooze trap is. De deur kwam uit op een der kleine
-portalen en na eenige treden bevond men zich in een groot, met
-maquetten, pleisterbeelden, schetsen overvuld vertrek. Op een voetstuk
-stond het beeld der Vruchtbaarheid, waaraan hij bezig was, in vochtige
-doeken gewikkeld. Toen hij deze eraf genomen had, kwam zij te
-voorschijn met haar krachtig ontwikkelde heupen, haar buik, waaruit een
-nieuwe wereld ontstaan zou, haar door de voedende en verlossende
-gezwollen boezem van echtgenoote en moeder.
-
-“Nou,” riep hij met een gelukkig lachje; “ik zou zoo denken, dat het
-kind van deze niet zoo’n uitgemergeld en verpieterde jongen zal zijn
-als de bleeke aesthetici van tegenwoordig en dat hij ook niet bang zal
-zijn eveneens kinderen te maken!”
-
-Maar terwijl Antoine en François het beeld bewonderden, werd Pierre’s
-aandacht voornamelijk in beslag genomen door een jong meisje, dat de
-deur van het atelier voor hen geopend had en dadelijk daarna weer met
-een vermoeid uiterlijk aan een klein tafeltje in een boek was gaan
-zitten lezen. Het was Lise, Jahan’s twintig jaar jonger zusje, dat na
-den dood van haar ouders bij haar broer was komen inwonen. Teer en zwak
-van gezondheid, had zij een zeer zacht gezicht, dat door prachtig
-aschblond haar omlijst was. Zij kon zich slechts met moeite
-voortbewegen en ook haar geest was achterlijk en kinderlijk naïef
-gebleven. In den beginne had haar broeder er veel verdriet over gehad,
-maar thans was hij aan haar onnoozelheid gewend geraakt, en daar hij
-zelf steeds druk in de weer en vol nieuwe plannen was, moest hij haar
-wel wat verwaarloozen, liet hij haar als een vleiend kind in zijn huis
-leven, zooals zij dat zelf verkoos.
-
-Pierre had opgemerkt met welk een zusterlijke geestdrift Lise Antoine
-ontving. En onmiddellijk zag hij, hoe deze, toen hij Jahan met zijn
-Vruchtbaarheid geluk gewenscht had, naast het jonge meisje ging zitten,
-zich met haar bezig hield, haar allerlei dingen vroeg en naar het boek,
-dat zij las, keek. Sedert een half jaar was er tusschen hen een reine,
-teere band ontstaan. Hij kon haar van uit den tuin van zijn vader op de
-place du Tertre zien door het groote glazen dak van het atelier, waarin
-zij haar onschuldig meisjesleven leefde. In den beginne had zij zijn
-belangstelling opgewekt, omdat hij haar daar altijd alleen, bijna
-verlaten zag; later, toen hij kennis gemaakt had en haar tot zijn
-verrukking zoo eenvoudig en bekoorlijk gevonden had, was het
-hartstochtelijke verlangen in hem opgekomen haar door liefde tot begrip
-en leven te wekken; hij wilde de geest en het hart zijn, die
-bevruchten. Wat de broeder niet had kunnen zijn, werd hij voor de teere
-plant, die zoozeer een zorgvuldige verpleging, zon en liefde noodig
-had. Reeds was hij erin geslaagd haar te leeren lezen, een taak,
-waarvoor alle onderwijzeressen teruggeschrikt waren. Zij luisterde naar
-hem, begreep hem. Haar mooie heldere oogen in haar onregelmatig gelaat
-werden langzamerhand door een vlam van geluk verlevendigd. Dit was het
-wonder der liefde: de adem van den jongen geliefde, die zijn geheele
-wezen gaf, schiep de vrouw. Weliswaar bleef haar gezondheid zoo teer,
-dat men altijd bang was haar in een zachten zucht te zien verscheiden,
-ook kon zij nog niet loopen, daar haar voeten te zwak waren, maar zij
-was niet meer de kleine wilde, het kwijnende bloempje van de vorige
-lente.
-
-Jahan, vol verbazing over het wonder, was naar de jonge lui gekomen.
-
-“Nu, doet je leerling je geen eer aan? Ze leest al heel vloeiend en
-begrijpt de mooie boeken, die je voor haar medebrengt, heel goed.
-Waarachtig, ze leest me tegenwoordig iederen avond voor.”
-
-Zij sloeg haar reine oogen op en keek Antoine met een glimlach van
-oneindige dankbaarheid aan.
-
-“O, ik zal alles kunnen en alles doen, wat hij mij leert.”
-
-Allen begonnen zachtjes te lachen. Toen de drie bezoekers eindelijk
-afscheid namen, bleef François voor een maquette, die tijdens het
-drogen gesprongen was, staan.
-
-“Een mislukt ontwerp,” zeide de beeldhouwer. “Ik wou een Barmhartigheid
-maken, een bestelling voor de een of andere instelling. Maar al mijn
-zoeken hielp niets—wat ik vond was zoo banaal, dat ik de klei heb laten
-barsten. Maar toch zal ik er weer aan dienen te beginnen.”
-
-Weer buiten kwam Pierre op het denkbeeld naar de basilica van den
-Sacré-Cœur te gaan in de hoop daar abbé Rose te zullen aantreffen. Hij
-ging dus met de twee broers de rue Gabrielle op en kwam weer op de
-trappen van de rue Chappe, die zij opliepen. Toen zij boven voor de met
-haar woud van stellingen in den helderen hemel oprijzende kerk kwamen,
-vonden zij daar Thomas, die door de rue Lamarck, waar hij aan een
-gieter een opdracht wou gaan geven, van de fabriek huiswaarts ging.
-
-“Wat ben ik blij,” riep hij, die gewoonlijk zoo stil en in zichzelf
-gekeerd was, stralend van geluk uit. “Ik geloof, dat ik voor onzen
-kleinen motor... Zeg aan vader, dat alles goed gaat en dat hij gauw
-beter worden moet.”
-
-Bij den blijden uitroep hadden François en Antoine zich in een
-plotselinge, gelijktijdige opwelling tegen hun broeder aangedrukt. Zoo
-stonden zij daar alle drie tot één dappere groep vereenigd; zij hadden
-slechts één hart, dat bij de gedachte, dat de vader zich verheugen, dat
-een goede tijding van hen hem helpen zou weer gauw beter te worden, van
-één vreugde klopte. Pierre, die ze nu kende, ze op hun waarde schatte
-en van hen begon te houden, werd diep getroffen door deze drie zoo
-sprekend op elkander gelijkende kolossen, die zoodra hun kinderliefde
-opvlamde, zich dadelijk nauwer verwant gevoelden en zoo tot een
-heldhaftige phalanx vereenigd werden.
-
-“U moet tegen hem zeggen, dat wij op hem wachten en dat wij op het
-eerste teeken bij hem zullen zijn.”
-
-Alle drie drukten den priester krachtig de hand. En toen hij hen
-nakeek, terwijl zij zich verwijderden in de richting van het huisje,
-waarvan de tuin boven den muur van de rue Saint-Eleuthère zichtbaar
-was, meende hij een fijne silhouette, een blank, door de zon bestraald
-gezichtje onder een zwarte haarkroon te onderscheiden, ongetwijfeld
-Marie, die naar het uitloopen der seringen keek.
-
-Onbeweeglijk bleef Pierre op dezelfde plaats staan. De meest
-tegenstrijdige gevoelens en gedachten maakten zich van hem meester en
-maakten hem zoo verward, dat het hem onmogelijk was duidelijk in
-zichzelf te lezen. Nu wendde hij zijn blikken naar de stad. Het
-onmetelijke Parijs ontrolde zich aan zijn voeten, een in het helder
-rose van den lenteavond teer en doorzichtig Parijs. De eindelooze
-huizenzee teekende zich heel duidelijk af, zoodat men de schoorsteenen
-en de kleine, zwarte strepen der ramen bijna bij millioenen tellen kon.
-In de stille lucht deden de monumenten aan voor anker liggende schepen
-denken, aan een op zijn vaart tegengehouden eskader, welks lange masten
-in de afscheid nemende zon glansden. Nooit nog had Pierre de groote
-afdeelingen van dezen menschelijken oceaan zoo duidelijk onderscheiden:
-daar beneden in het Oosten en Noorden de werkstad met de snuivende
-rookende fabrieken; in het Zuiden, aan de overzijde der rivier, de
-stille, rustige stad der studie en van den geestelijken arbeid.
-Daarentegen heerschte de hartstocht van den handel overal, voornamelijk
-echter in het centrum, terwijl in het Westen, in den langzamerhand
-bloedrooden brand der ondergaande zon, de stad der gelukkigen en der
-machtigen haar ophooping van paleizen uitbreidde.
-
-Toen voelde Pierre uit de diepte van het Niet, waarin hij door het
-verlies van zijn geloof gevallen was, de heerlijke frischheid, de nog
-onduidelijke komst van een nieuw geloof opstijgen. Zelfs zijn
-verwachtingen zou hij niet onder woorden hebben kunnen brengen, maar
-reeds te midden van de ruwe fabrieksarbeiders was het handwerk hem
-ondanks de ellende en de vreeselijke onrechtvaardigheid, waartoe het
-leidde, als iets noodzakelijks en verlossends toegeschenen. En zie, nu
-had de intellectueele jeugd, die hij opgegeven had, die generatie van
-morgen, welke naar zijn meening verdorven in de dwaling en in de
-vroegere verrotting teruggevallen was, zich vol mannelijke beloften aan
-hem geopenbaard, vast besloten het werk der ouderen voort te zetten en
-door de wetenschap de waarheid en de gerechtigheid te veroveren.
-
-
-
-
-V.
-
-Het was nu reeds ruim een groote maand geleden, dat Guillaume naar zijn
-broer in het kleine huisje van Neuilly gevlucht was. Daar zijn pols zoo
-goed als genezen was, kon hij al geruimen tijd opstaan en uren lang in
-den tuin zitten. Maar hoe graag hij ook naar Montmartre terug wilde, om
-de zijnen weer te zien en zijn werk weer te hervatten, toch deden de
-berichten uit de couranten hem iederen ochtend zijn vertrek weer
-uitstellen. De toestand bleef altijd en eeuwig dezelfde: de politie
-verdacht nu Salvat, had hem een avond bij de Halles gezien, maar dan
-weer uit het oog verloren: ieder oogenblik kon hij echter gearresteerd
-worden. Wat zou er gebeuren; zou hij spreken, zouden nieuwe
-huiszoekingen volgen?
-
-Een week lang hadden de couranten zich met niets anders bezig gehouden
-dan met de onder de koetspoort van het hôtel Duvillard gevonden priem.
-Alle Parijsche reporters hadden de fabriek Grandidier bezocht, de
-arbeiders en den patroon ondervraagd, teekeningen gegeven. Sommigen
-gingen zelfs zoover persoonlijk op onderzoek uit te gaan, om zelf de
-hand op den schuldige te leggen. Men maakte grappen over de onmacht der
-politie; er was een heele hartstocht ontstaan voor deze jacht op dien
-man; de dagbladen stonden vol van de meest ongerijmde phantasieën, de
-schrik verdubbelde zich, want er was met nieuwe bommen gedreigd; Parijs
-zou zeker op een goeden dag in de lucht vliegen. De Voix du Peuple
-verzon iederen dag een nieuw sensatieverhaal; dreigbrieven,
-bedreigingen met brandstichting, wijdvertakte en duistere
-samenzweringen. Nog nooit was een zoo belachelijke besmetting van
-waanzin over een stad gestreken.
-
-Van af zijn wakker worden wachtte Guillaume met een koortsachtig
-ongeduld op de couranten en beefde ieder oogenblik bij de gedachte, dat
-hij de arrestatie van Salvat zou lezen. De heftige campagne, die de
-bladen voerden, de domheden en de wreedheden, die hij erin vond,
-brachten hem buiten zichzelf, het wachten maakte hem
-zenuwachtig-overspannen. Men had het net op goed geluk af over de
-geheele in den reuk van anarchie staande schaar dichtgetrokken en
-verdachten gearresteerd—fatsoenlijke arbeiders en bandieten, dwepers en
-nietsdoeners. Het was het vreemdsoortigste samenraapsel, dat de rechter
-van instructie Amadieu in een reusachtigen bond van misdadigers
-trachtte te veranderen. Op een ochtend las Guillaume zelfs zijn naam,
-die genoemd werd naar aanleiding van een huiszoeking bij een talentvol
-revolutionnair journalist, met wien hij bevriend was. Zijn hart klopte
-van woede, maar was het niet voorzichtiger nog wat geduldig in het
-kleine asyl te Neuilly te blijven, daar de politie ieder uur het huisje
-in Montmartre kon binnenvallen en hem daar, als zij hem er vond,
-arresteeren?
-
-In dezen voortdurenden angst leidden de beide broers een stil en
-eenzaam leven. Ook Pierre vermeed het nu uit te gaan en bleef geheele
-dagen thuis. Men was nu in het begin Mei; de vroeg ingevallen lente gaf
-aan den tuin een jeugdige bekoring en een heerlijke warmte. Maar bij
-voorkeur had Guillaume, zoodra hij op mocht staan, zijn tenten
-opgeslagen in het vroegere, thans als een groote studeerkamer
-ingerichte laboratorium van hun vader. Alle papieren en alle boeken van
-den beroemden scheikundige bevonden zich daar nog, en de zoon had er
-pas begonnen studies ontdekt, waarvan de opwindende lezing hem van ’s
-morgens vroeg tot ’s avonds laat boeide; en zonder dat hij het zich
-bewust was, verdroeg hij alleen door dat werken geduldig zijn
-vrijwillige opsluiting. Ook Pierre las het grootste gedeelte van den
-tijd; maar hoe dikwijls sloeg hij zijn oogen van het boek op en ging
-hij geheel op in zijn overpeinzingen, in het Niet, waarin hij steeds
-weer terugviel. Uren lang konden de twee broers zonder een woord te
-zeggen en gehuld in een diepe stilte zoo tegenover elkaar zitten. Toch
-bezaten zij het bewustzijn, de gelukkige en vertrouwen gevende
-zekerheid, dat zij samen waren. Dikwijls ontmoetten hun blikken elkaar,
-wisselden zij een glimlach, zonder er behoefte aan te gevoelen op een
-andere wijze tegen elkaar te zeggen hoe zij weer van elkaar begonnen te
-houden. De innige en warme toegenegenheid van vroeger bloeide weer in
-hen op, zij voelden het oude huis van hun kindsheid, hun vader en hun
-moeder in de rustige lucht, die zij inademden, herleven. De groote
-glazen deur zag uit op den tuin en op Parijs, en zij ontwaakten slechts
-uit hun lezen en hun lang gepeins, om, dikwijls ongerust, te luisteren
-naar het verre gerommel of het luidere lawaai van de groote stad.
-
-Menigmaal braken zij midden in hun gesprek af, wanneer zij iemand boven
-hun hoofden heen en weer hoorden loopen. Het was Nicolas Barthès, die,
-sedert Théophile Morin hem op den avond van den aanslag had
-medegebracht, zijn onderdak niet meer verlaten had. Hij kwam zelden
-beneden, waagde zich nauwlijks in den tuin, uit vrees, naar hij zeide,
-dat men hem uit een huis in de verte, waarvan de ramen door een
-boomgroep gemaskeerd werden, zien en herkennen zou. Deze angst van den
-ouden samenzweerder voor de politie kon een glimlachje verwekken,
-terwijl dat als een ijsbeer heen en weer loopen, dat hardnekkige
-wandelen van den eeuwige gevangene, die voor de vrijheid van anderen
-twee derden van zijn leven in alle kerkers van Frankrijk doorgebracht
-had, aan het kleine huisje iets roerends melancholiek gaf: het was als
-het ware het rhythme van het goede en mooie, van alles, waarop men
-hoopte en wat ongetwijfeld nooit komen zou.
-
-Bezoeken kwamen de eenzaamheid der beide broeders slechts weinig
-storen. Sedert de wond van Guillaume dichttrok, liet ook Bertheroy zich
-minder zien. Een geregeld bezoeker bleef Théophile Morin, wiens
-bescheiden belletje om den anderen dag ’s avonds op hetzelfde uur
-weerklonk. Hij had voor Barthès, ofschoon hij diens denkbeelden niet
-deelde, de vereering, die men voor een martelaar pleegt te hebben. Hij
-ging dan altijd een uur naar boven, maar zij praatten blijkbaar niet,
-want geen geluid drong uit de kamer door. Wanneer hij een oogenblik in
-het laboratorium kwam zitten, werd Pierre steeds getroffen door zijn
-uitdrukking van groote moeheid, zijn aschgrauwen baard en haar, zijn
-uitgeteerd gelaat. Slechts wanneer er over Italië gesproken werd,
-vlamden zijn oogen als gloeiende kolen op. Op een dag, dat hij den naam
-van Orlando Prada, den grooten patriot, zijn krijgsmakker in de
-legendarische expeditie der Duizend hoorde noemen, werd Pierre diep
-getroffen door den vurigen geestdrift, die op zijn dood gelaat
-verscheen. Doch dat waren slechts korte bliksemstralen van vreugde,
-want weldra kwam de oude professor weer te voorschijn, vond men in hem
-slechts den landgenoot en vriend van Proudhon terug, die later een
-trouwe leerling van Auguste Comte geworden was. Van Proudhon had hij
-den opstand van den arme tegen den rijke, den vurigen drang naar een
-rechtvaardiger verdeeling van den rijkdom gehouden.
-
-Maar de nieuwere tijden vervulden hem met angst en beven; noch zijn
-doctrines, noch zijn temperament deden hem iets voelen voor de
-revolutionnaire middelen. Comte had hem een onwankelbare zekerheid in
-intellectueele wetten gegeven; hij hield zich aan de logica, aan de
-heldere, besliste methode van het positivisme, dat alle menschelijke
-kennis als het ware hiërarchiseert, de onnoodige metaphysische methoden
-verwerpt en overtuigd is, dat het menschelijke, sociale en religieuze
-probleem slechts door de wetenschap opgelost kan worden. Maar bij al
-zijn bescheidenheid, bij al zijn geresigneerdheid ontbrak aan dat
-steeds onwankelbaar gebleven geloof niet een zekere bitterheid, want
-niets scheen op redelijke wijze zijn doel tegemoet te gaan: Comte zelf
-was ten slotte bij de meest verwarrende mystiek terecht gekomen, de
-groote geleerden werden bij het zien der waarheid door angst
-aangegrepen, de barbaren bedreigden de wereld met een nieuwe macht, wat
-hem in politiek opzicht bijna reactionnair maakte; bij voorbaat legde
-hij zich neer bij de komst van een dictator, die wat orde in den chaos
-brengen zou, opdat de opvoeding der menschheid verder zou kunnen gaan.
-
-Andere bezoekers waren nog Bache en Janzen, die steeds samen kwamen en
-altijd heel laat in den avond. Soms bleven zij tot twee uur in den
-ochtend met Guillaume in de groote studeerkamer zitten praten. De
-dikke, vaderlijke Bache met zijn in de sneeuw van zijn baard- en
-hoofdhaar schuilgaande oogen, sprak langzaam, zalvend en eindeloos,
-zoodra hij aan een uiteenzetting van zijn denkbeelden begon. Hij had
-slechts eerbied voor Saint-Simon, den baanbreker, die het eerst de wet
-van de noodzakelijkheid van den arbeid, al naar gelang van ieders
-krachten, opgesteld had. Maar zijn stem klonk ontroerd, wanneer hij
-sprak over Fourier. Dat was de ware verwachte Messias van den modernen
-tijd, de Verlosser, die het goede zaad der komende wereld uitgestrooid
-had, door voor de maatschappij van morgen, zooals zij zonder eenigen
-twijfel tot stand komen zou, regelen achter te laten. De wet der
-harmonie was uitgevaardigd, de eindelijk bevrijde en gezond toegepaste
-hartstochten zouden het raderwerk ervan, de aantrekkelijk geworden
-arbeid de levensfunctie worden. Niets ontmoedigde hem: indien slechts
-één gemeente een phalanstère [6] vormde, dan zou weldra het geheele
-departement, vervolgens de omliggende departementen, eindelijk geheel
-Frankrijk volgen. Hij aanvaardde zelfs het werk van Cabet, wiens Icaria
-[7] nog niet zoo heel dwaas was.
-
-Hij herinnerde dan aan de motie, die hij in 1871, toen hij in de
-Commune zat, voorgesteld had, om de denkbeelden van Fourier toe te
-passen op de Fransche Republiek, en hij scheen overtuigd te zijn, dat
-de troepen van Versailles, door de communistische gedachte in het bloed
-te verstikken, den triomf van het communisme een halve eeuw vertraagd
-hadden. Wanneer er tegenwoordig sprake was van dansende tafels, dwong
-hij zich tot een lachje, wat niet belette dat hij in den grond der zaak
-een verstokte spiritist gebleven was. Sedert hij lid van den
-gemeenteraad was, zwenkte hij van de eene socialistische secte naar de
-andere, al naar mate zij min of meer zijn oude overtuiging naderden.
-Hij ging geheel op in dien drang naar geloof, in die kwellende begeerte
-naar het goddelijke, die hem, nadat zij hem eerst God uit de kerken
-hadden doen verjagen, dezen nu in den poot van het een of andere
-meubelstuk zoeken lieten.
-
-Janzen daarentegen was even stil als zijn vriend Bache praatziek. Nu en
-dan liet hij een korten zin hooren, maar deze striemde als een
-geeselslag, was scherp als een dolk. Zijn ideeën en theorieën bleven
-daardoor dan ook duister, te meer daar de moeite, die het hem kostte
-zich in het Fransch uit te drukken, alles wat hij zeide, in een soort
-nevel hulde. Hij kwam uit verre streken—een Rus, een Pool, een
-Oostenrijker, een Duitscher misschien—niemand kon het met zekerheid
-zeggen. In ieder geval was hij een vaderlandslooze, die zijn droom van
-bloedige broederschap overal met zich ronddroeg. Wanneer hij met zijn
-bleeken, blonden Christuskop een van zijn verschrikkelijke woorden, met
-een ijzige koude en zonder een gebaar, van zijn lippen vallen liet,
-sprak daaruit nooit iets anders dan de noodzakelijkheid om de volkeren
-uit te roeien en de aarde met een jong en beter volk te bezaaien. Bij
-iedere meening van Bache, dat de arbeid door politieverordeningen
-aangenaam gemaakt, de phalanstère als een kazerne georganiseerd, de
-godsdienst als een pantheïstisch of spiritistisch deïsme hervormd moest
-worden, haalde hij medelijdend zijn schouders op.
-
-Waartoe dergelijke beuzelarijen, dergelijke huichelachtige
-oplapperijen, wanneer het huis ineenstortte en de eenige eerlijke
-uitweg was om het naar den grond te werpen, ten einde het flinke huis
-met nieuw materiaal opnieuw te kunnen opbouwen? Over de propaganda door
-de daad, door bommen, bewaarde hij het stilzwijgen, maakte hij slechts
-een gebaar vol oneindige hoop. Blijkbaar keurde hij die goed. De
-legende, die van hem een der daders van den aanslag te Barcelona
-maakte, verlichtte zijn verleden met den glans van een vreeselijken
-roem. Toen Bache op een goeden dag over zijn vriend Bergaz, den reeds
-in een diefstal gecompromitteerden coulissier [8], sprak en hem
-eenvoudig voor een bandiet uitmaakte, glimlachte Janzen slechts even en
-zeide op zijn kalme manier, dat diefstal een gedwongen restitutie was.
-En in dien beschaafden, verfijnden man, wiens geheimzinnig leven
-misschien misdaden, maar geen enkele lage, gemeene handeling verborg,
-voelde men een onverzoenlijken, koppigen theoreticus, die vast besloten
-was voor den triomf der idée de wereld in brand te steken.
-
-Wanneer op sommige avonden Théophile Morin in het huisje te Neuilly
-Bache en Janzen vond en zij met Guillaume tot heel laat in den nacht
-bleven praten, zat Pierre in zijn donker hoekje onbeweeglijk naar hen
-te luisteren, zonder ooit aan de discussies deel te nemen. In den
-beginne had hij er zich hartstochtelijk voor geïnteresseerd als iemand,
-die, krankzinnig gemaakt door zijn behoefte aan waarheid en gemarteld
-door zijn twijfel, erover dacht de balans van de denkbeelden der eeuw
-op te maken en alle, die tot stand gekomen waren, te bestudeeren, om
-daaruit den doorloopen weg, de verkregen voordeelen af te leiden. Maar
-dadelijk bij de eerste stappen schrikte hij terug, toen hij ze alle
-vier met elkander hoorde redetwisten, zonder dat een verzoening
-mogelijk was.
-
-Na het echec, dat hij bij zijn onderzoekingen in Lourdes en Rome en bij
-zijn derde poging in Parijs geleden had begreep hij heel goed, dat het
-ging om den geest der eeuw, om de nieuwe waarheden, om het onverwachte
-Evangelie, welks prediking het aangezicht der aarde veranderen zou. Van
-te veel ijver gloeiend, ging hij van de eene overtuiging over tot de
-andere en verwierp deze weer, om een derde te omhelzen. In den beginne
-had hij zich met Théophile Morin positivist, met zijn broer Guillaume
-evolutionnist en determinist, met Bache humanitair communist gevoeld.
-Zelfs Janzen, die met een zoo woesten trots aan zijn theoretischen
-droom van een onbeperkt individualisme geloofde, had hem een oogenblik
-aangetrokken. Maar dan verloor hij den vasten grond onder zijn voeten,
-had hij nog slechts de tegenspraken, de chaotische onsamenhangendheid
-van de voorwaarts schrijdende menschheid gezien. Het was niets meer dan
-een hoop slakken, waarin hij verdwaalde. Het had niets te beteekenen,
-dat Fourier uitgegaan was van Saint-Simon: hij verloochende hem toch
-gedeeltelijk, en terwijl de leer van den laatste zich verstarde tot een
-soort mystiek sensualisme, scheen de leer van den eerste op een niet te
-aanvaarden inlijvingscodex uit te loopen.
-
-Proudhon haalde alles neer zonder iets op te bouwen. Comte, die de
-methode schiep en de wetenschap haar plaats aanwees door haar tot de
-eenige heerscheres te verklaren, had zelfs geen vermoeden van de
-sociale crisis, welker vloed alles dreigde mede te sleuren, en stierf,
-door de vrouw ter aarde geworpen, als een illuminaat [9] der liefde.
-Ook deze beiden traden in den strijd en vochten met de beide anderen;
-het algemeene conflict en de verblinding waren zóó groot geworden, dat
-de door hen gemeenschappelijk aangebrachte waarheden erdoor
-verduisterd, misvormd, onherkenbaar werden. Vandaar de buitengewone
-verwarring van het oogenblik: Bache met Saint-Simon en Fourier,
-Théophile Morin met Proudhon en Comte, begrepen niets meer van Mège,
-den collectivistischen afgevaardigde, vervloekten hem, gingen te keer
-tegen hem en het staatscollectivisme, zooals zij trouwens tegen alle
-socialistische secten te keer gingen, zonder er zich rekenschap van te
-geven, dat deze toch ook van hun meesters uitgegaan waren, wat den
-verschrikkelijken, ijskouden Janzen in het gelijk scheen te stellen,
-wanneer hij verklaarde, dat het huis niet meer te herstellen viel, dat
-het in verrotting en waanzin instortte en met den grond gelijk gemaakt
-worden moest.
-
-Op een avond dat Pierre, na het vertrek der drie bezoekers, met
-Guillaume alleen bleef, zag hij, dat deze met een somber gezicht en
-langzame passen op en neer liep. Hij bleef spreken zonder er zich
-rekenschap van te geven, dat zijn broeder alleen nog maar naar hem
-luisterde. Hij betuigde zijn afkeer tegen den collectivistischen Staat
-van Mège, tegen den dictatuurstaat, die de oude dienstbaarheid nog
-strenger invoerde. Alle elkaar wederkeerig verslindende socialistische
-secten zondigden door de willekeurige organisatie van den arbeid,
-knechtten den individu ten voordeele van de gemeenschap. Daarom was hij
-er, daar hij de beide groote stroomingen—de rechten der gemeenschap en
-de rechten van den individu—in één bedding leiden moest, ten slotte toe
-gekomen, al zijn vertrouwen in het libertaire communisme, in de
-anarchie te stellen, de anarchie, waarin, zooals hij droomde, de
-individu bevrijd worden en zich zonder eenigen dwang tot zijn eigen
-welzijn en dat van anderen ontwikkelen zou. Bestond de eenige
-wetenschappelijke theorie niet daarin, dat de eenheden de wereld
-scheppen, dat de atomen door de aantrekkingskracht, de vurige, vrije
-liefde, het leven verwekken? De onderdrukkende minderheden
-verdwenen—niets bleef meer over dan het bevrijde spel der capaciteiten
-en krachten van ieder afzonderlijk, wat op zijn beurt weer leidde tot
-de harmonie in het al naar gelang van de behoeften en van de werkzaam
-zijnde krachten der voorwaarts schrijdende menschheid steeds wisselend
-evenwicht.
-
-Hij stelde zich een volk voor, dat, beschermd tegen de voogdijschap van
-den Staat, geen meester en bijna geen wet kende—een gelukkig volk,
-waarin iedere burger afzonderlijk, nadat hij door de vrijheid de
-volkomen ontwikkeling van zijn wezen verkregen had, het met zijn
-buurlieden eens werd over de duizenderlei noodzakelijkheden van het
-leven. Daaruit ontstond de maatschappij, de in vrijheid samenwerkende
-associatie, ontstonden honderden verschillende associaties, die het
-sociale leven regelden, maar overigens steeds veranderlijk waren,
-tegenstrijdige belangen hadden, ja zelfs vijandig tegenover elkander
-stonden, want vooruitgang kon slechts geboren worden uit conflict en
-strijd: de wereld was slechts geschapen door den strijd van tegenover
-elkaar staande krachten. Dat was alles: geen onderdrukkers, geen rijken
-en armen meer; het gemeenschappelijke gebied der aarde met haar
-gereedschappen en haar natuurlijke schatten was aan het volk, den
-rechtmatigen eigenaar, teruggegeven, die er, wanneer niets abnormaals
-meer zijn ontwikkeling tegenhield, op gezonde en logische wijze van
-genieten zou.
-
-Dan eerst zou de wet der liefde werken, zou de menschelijke
-solidariteit, die onder de menschen de levende vorm van de universeele
-aantrekkingskracht is, haar geheele kracht ontplooien, hen nader tot
-elkaar brengen en tot een liefderijke familie vereenigen zien. Het was
-een mooie, zeer edele en zeer reine droom van de volkomen vrijheid, van
-den vrijen mensch in de vrije maatschappij, waartoe een hoogstaande
-geest wel komen moest, wanneer hij de andere, geheel door de tyrannie
-bevlekte, socialistische secten bestudeerd had. De anarchistische droom
-is ongetwijfeld de hoogste en verhevenste. Welk een zaligheid zich aan
-de hoop op deze harmonie van het leven over te geven, dat, aan zijn
-natuurlijke krachten overgelaten, uit zichzelf het geluk scheppen zou!
-
-Toen Guillaume zweeg, scheen hij als uit een droom te ontwaken. Hij
-keek Pierre eenigszins angstig aan, want hij was bang te veel gezegd en
-hem gegriefd te hebben. Pierre was ontroerd en een oogenblik als door
-hem overwonnen; maar dadelijk daarop voelde hij de tegenspraak, de
-vreeselijke, alle hoop doodende, praktische tegenspraak in zich
-oprijzen. Waarom had de harmonie niet in de eerste dagen der wereld,
-bij de geboorte der maatschappij gewerkt? Hoe had de tyrannie, door de
-volkeren aan de onderdrukkers over te leveren, kunnen triompheeren? En
-zelfs wanneer men ooit dat onoplosbare probleem alles te verwoesten, om
-alles opnieuw te beginnen, verwezenlijken kon—wie kon beloven, dat de
-aan dezelfde wetten gehoorzamende menschheid niet weer denzelfden weg
-inslaan zou. Per slot van rekening was zij thans dat, wat het leven van
-haar gemaakt had, en niets bewees, dat het leven haar niet weer tot
-hetzelfde maken zou. Opnieuw beginnen, o ja! Maar dan voor iets anders!
-En was dat andere werkelijk in den mensch—moest men den mensch zelf
-niet veranderen? Ongetwijfeld gaat het langzaam, moet men lang wachten,
-wanneer men weer uitging van het punt waar men was, om de begonnen
-evolutie voort te zetten, maar welk een gevaar schuilt erin, welk een
-vertraging zal het geven, wanneer men terug gaat, zonder te weten langs
-welken weg men te midden van den chaos der puinhoopen der verloren tijd
-inhalen moet!
-
-“Laten we naar bed gaan,” zeide Guillaume glimlachend. “Ik lijk wel
-dwaas, om je lastig te vallen met al die dingen, welke je niets
-interesseeren.”
-
-Pierre wilde zijn hart voor zijn broeder openen, den vreeselijken
-strijd, die daarin gevoerd werd, laten zien, maar nog hield een gevoel
-van schaamte hem ervan terug: zijn broeder kende van hem niets dan de
-leugen van den geloovigen, aan zijn geloof trouwen priester. En zonder
-te antwoorden ging hij naar zijn kamer.
-
-Toen Guillaume en Pierre den volgenden avond in de groote studeerkamer
-zaten te lezen, kwam tegen tien uur de oude dienstbode zeggen, dat
-Janzen er met een vriend was. Het was Salvat. Alles ging eenvoudig in
-zijn werk.
-
-“Hij wou je zien,” legde Janzen aan Guillaume uit. “Ik heb hem ergens
-ontmoet en toen hij hoorde, dat je gewond was en je ongerust maakte,
-heeft hij mij gesmeekt hem naar je toe te brengen. Maar voorzichtig is
-anders.”
-
-“Mijnheer Froment,” zei eindelijk Salvat, die er verlegen en beschroomd
-bij bleef staan; “het heeft mij vreeselijk gespeten, toen ik hoorde in
-welke onaangenaamheden ik u gebracht heb, want ik zal nooit vergeten
-hoe goed u eens voor mij geweest bent, toen alle anderen mij de deur
-wezen.”
-
-Hij wiegelde op zijn eene been, terwijl hij zijn ouden hoed van zijn
-eene hand in de andere deed.
-
-“Daarom stond ik erop u zelf te zeggen, dat ik bij die heele
-geschiedenis maar van één ding berouw heb—n.l. dat ik op een avond,
-toen u u omkeerde, een patroon van u gestolen heb, want dat kan u in
-moeilijkheden brengen... En ik wil u ook zweren, dat u van mij niets te
-vreezen hebt, want ik zal me liever twintigmaal laten guillotineeren
-dan uw naam te noemen... Dat is alles wat ik u zeggen wilde.”
-
-Hij viel weer in zijn verlegen zwijgen terug, terwijl zijn trouwe
-honde-oogen, zijn droomerige, liefdevolle oogen met een uitdrukking van
-eerbiedige vereering op Guillaume rusten bleven. Pierre keek hem nog
-steeds aan; zijn binnenkomen had een vreeselijk visioen voor zijn geest
-geroepen: het ongelukkige modiste-loopmeisje, het aardige, blonde kind,
-dat met een opengereten buik onder de koetspoort van het hôtel
-Duvillard lag. Was het mogelijk, dat die krankzinnige, die moordenaar
-daar stond en vochtige oogen had?
-
-Ontroerd was Guillaume den man de hand gaan drukken.
-
-“Ik weet heel goed, Salvat, dat je geen slecht mensch bent; maar wat
-voor een vreeselijke domheid heb je uitgehaald, beste kerel?”
-
-Zacht en zonder boos te worden glimlachte Salvat.
-
-“O mijnheer Froment, als het nog eens gedaan moest worden, zou ik het
-doen. U weet, dat het nu eenmaal mijn idee is. En ik zeg u
-nogmaals—afgezien van u is alles in orde. Ik ben tevreden.”
-
-Hij wilde niet gaan zitten, maar bleef nog een oogenblik met Guillaume
-staan praten, terwijl Janzen, alsof de zaak hem absoluut niet
-interesseerde, in een boek met platen zat te bladeren. Hij keurde een
-dergelijk gevaarlijk en onnoodig bezoek af. Guillaume hoorde Salvat uit
-omtrent wat hij op den dag van den aanslag gedaan had: zijn dolle jacht
-dwars door Parijs, hoe hij als een geslagen hond rondgedwaald had met
-zijn bom, die hij eerst in zijn gereedschapstasch en onder zijn
-boezeroen gestoken had, hoe de koetspoort van het hôtel Duvillard dicht
-was, hoe de deurwaarders hem belet hadden de Kamer binnen te gaan, hoe
-hij er bij den Cirque te laat aan gedacht had een hekatombe van
-bourgeois te offeren, en hoe hij eindelijk, als aangetrokken door de
-kracht zelf van het noodlot, weer voor het hôtel Duvillard
-terechtgekomen was. Zijn gereedschapstasch lag op den bodem der Seine;
-hij had die er in een plotselingen aanval van haat tegen den arbeid,
-die zelfs niet in staat was hem en de zijnen te voeden, weggeworpen en
-alleen de bom gehouden, om tevens zijn handen vrij te hebben.
-
-Dan schilderde hij zijn vlucht, de achter hem de geheele wijk
-schokkende, vreeselijke ontploffing, zijn vreugde en zijn verbazing,
-toen hij zich heel ver weg in de rustige straten, waar men nog van
-niets wist, terugvond. Sedert een maand leefde hij nu op goed geluk af,
-zonder te weten waar en hoe, dikwijls sliep hij onder den blooten
-hemel, terwijl hij niet alle dagen te eten had. Op een avond had de
-kleine Victor Mathis hem honderd sous gegeven. Ook andere kameraden
-hielpen hem, gaven hem een nacht onderdak en lieten hem bij het minste
-gevaar vluchten. Tot nu toe had een geheele stille medeplichtigheid hem
-uit de handen van de politie gehouden. Naar het buitenland vluchten?
-Hij had er wel een oogenblik over gedacht, maar zijn signalement zou
-natuurlijk overal zijn en aan de grenzen werd op hem geloerd. Zou hij
-niet juist door een vlucht zijn arrestatie verhaasten? Parijs was een
-oceaan, nergens liep hij minder gevaar. Trouwens hij bezat noch den wil
-noch de energie om te vluchten; hij was op zijn manier een fatalist,
-die niet de kracht in zich voelde Parijs te verlaten en wachtte in den
-wakenden droom, die hem medevoerde, tot hij gearresteerd zou worden.
-
-“En heb je het gewaagd je dochter, je kleine Céline nog eens op te
-zoeken?” vroeg Guillaume.
-
-Salvat maakte een onbestemd gebaar.
-
-“Neen, hoe zou ik? Zij is bij moeder Théodore. Vrouwen komen altijd
-terecht. En bovendien waarom zou ik het doen? Met mij is het uit, ik
-kan voor niemand iets doen. Het is alsof ik al dood ben.”
-
-Toch kwamen er tranen in zijn oogen.
-
-“De arme kleine! Ik heb haar, vóór ik weg ging, aan mijn hart gedrukt.
-Als ik haar en die vrouw niet van honger had zien krepeeren, zou ik
-misschien nooit op de gedachte gekomen zijn.”
-
-Dan zeide hij eenvoudig, dat hij bereid was om te sterven. Hij had de
-bom bij baron Duvillard neergelegd, omdat hij hem goed kende en wist,
-dat hij de rijkste van de bourgeois was, wier voorvaderen bij de
-Revolutie het volk bedrogen hadden door alle macht en al het geld tot
-zich te trekken. Thans hielden zij het hardnekkig vast, wilden zelfs de
-kruimels ervan niet teruggeven. Van de Revolutie maakte hij zich op
-zijn manier een voorstelling, als ongeletterde, die zijn wijsheid uit
-couranten en volksvergaderingen gehaald had. Hij sprak over zijn
-eerlijkheid, terwijl hij met zijn vuist op zijn borst sloeg, en duldde
-vooral niet, dat er aan zijn moed getwijfeld werd, omdat hij ontvlucht
-was.
-
-“Ik heb nooit iemand bestolen, en wanneer ik me niet bij de smerissen
-aangeef, dan doe ik dat alleen, omdat ze best de moeite nemen kunnen
-mij te zoeken en te arresteeren. Er valt aan mijn schuld niet te
-twijfelen, sedert ze die priem hebben en mij kennen, dat weet ik heel
-goed. Maar daarom behoef ik nog niet zoo dom te zijn om alles voor hen
-voor te kauwen. Wanneer het morgen niet is, zal het overmorgen zijn,
-want ik begin er genoeg van te krijgen als een dier nagezeten te worden
-en niet meer te weten hoe ik eigenlijk leef.”
-
-Janzen bladerde niet langer in het plaatjesboek, maar keek hem
-nieuwsgierig aan. Een minachtend glimlachje speelde in zijn koude
-oogen.
-
-“Je vecht, je verdedigt je, je doodt de anderen en tracht zelf niet
-gedood te worden. Dat is de oorlog,” zeide hij in zijn stootend
-Fransch.
-
-Deze woorden vielen in een diep zwijgen. Salvat scheen het niet gehoord
-te hebben en stamelde in groote phrases zijn geloofsbelijdenis: hij had
-zijn leven geofferd, om de ellende eindelijk te doen ophouden; hij had
-het voorbeeld gegeven van een groote daad en was er zeker van, dat
-andere helden daaruit ontstaan zouden, om den strijd voort te zetten.
-Maar bij deze volkomen oprechte overtuiging, bij zijn
-verlossingsdweperij kwam ook de trots martelaar, de vreugde een der
-stralende en vereerde heiligen der ontstaande revolutionnaire Kerk te
-zijn.
-
-Zooals hij gekomen was, ging hij weg. Toen Janzen hem medegenomen had,
-was het alsof de macht, die hem gebracht had, hem ook weer medevoerde
-in het onbekende donker. Toen eerst stond Pierre op en zette de groote
-glazen deur van de studeerkamer wijd open; hij had het benauwd en
-voelde een plotselinge behoefte aan versche lucht. Het was een zachte,
-maanlooze nacht, waarin slechts het wegstervend lawaai van het aan den
-rand van den horizont daar in de verte onzichtbaar liggende Parijs
-opsteeg.
-
-Zooals hij meestal deed, begon Guillaume langzaam op en neer te loopen.
-Dan sprak hij weer, opnieuw vergetend, dat zijn broeder een priester
-was.
-
-“De arme kerel! Hoe begrijpelijk is die daad van geweld en hoop. Zijn
-geheel verleden van nutteloozen arbeid en steeds toegenomen ellende is
-er een maar al te goede verklaring voor. Daarbij komt nog de
-besmettelijke kracht der idee, daarbij komen nog de volksvergaderingen,
-waarin men zich met woorden bedwelmt, de geheime onder-onsjes met
-kameraden, waarin het geloof versterkt en de geest verhit wordt... Dit
-is er een, dien ik goed meen te kennen. Hij is een goed, sober, braaf
-werkman. De ongerechtigheid heeft hem altijd verbitterd. Langzamerhand
-heeft het verlangen naar geluk hem alle begrip der werkelijkheid doen
-verliezen, waarvan hij ten slotte een afschuw gekregen heeft. Is het
-dan zoo te verwonderen, dat hij in den droom leeft, een droom van
-verlossing, die tot moord en brandstichting overgaat?... Toen ik hem
-daareven zoo voor mij zag staan, meende ik een van de eerste
-Christelijke slaven van het oude Rome te zien. De geheele
-onrechtvaardigheid van de oude heidensche maatschappij, die in
-doodsstrijd worstelde onder het bederf van geld en ontucht, drukte op
-zijn schouders, verpletterde hem. Hij keerde uit de katakomben terug,
-waar hij te midden van het donker met zijn ongelukkige broeders woorden
-van bevrijding en verlossing gefluisterd had. De dorst naar het
-martelaarschap verteerde hem, hij spuwde de Caesars in het gelaat,
-beleedigde de goden, opdat eindelijk de aëra van Jezus een einde maken
-zou aan de slavernij. En hij was bereid onder de tanden van de wilde
-dieren te sterven.”
-
-Pierre antwoordde niet dadelijk. Reeds vroeger was het hem opgevallen,
-dat de geheime propaganda, het militante dogma der anarchisten een
-zekere overeenkomst met die van de Christelijke sectarissen in den
-beginne bezaten. Dezen zoowel als genen, wierpen zich in een nieuwe
-hoop, opdat eindelijk gerechtigheid ten deel vallen zou aan de
-nederigen. Het heidendom verdween ten gevolge van de uitputting der
-zinnen, ten gevolge van het vurige verlangen naar iets anders, naar een
-rein en hooger staand geloof. Deze droom van het Christelijk paradijs,
-dat het hiernamaals met al zijn compensaties opende, was de nieuwe
-hoop, die volgens de regelmaat der geschiedenis op het voor haar
-bestemde uur kwam. Thans, nu achttien eeuwen die hoop uitgeput hadden,
-nu de lange proef genomen en de eeuwige slaaf gedupeerd was, geeft de
-arbeider zich weer over aan een nieuwe hoop, om het geluk op deze
-wereld terug te brengen, want de wetenschap bewijst hem iederen dag
-meer, dat het geluk in het hiernamaals een leugen is. Laat dit ook weer
-een illusie zijn, maar moge zij jong en levend in den zin van de
-veroverde waarheid hernieuwd worden! Het is niets dan de eeuwige strijd
-van den arme en den rijke, de eeuwige strijdvraag of er meer
-gerechtigheid en minder lijden heerschen zal. Maar de samenzwering der
-ongelukkigen is nog altijd dezelfde, nog steeds is het dezelfde
-mystieke exaltatie, dezelfde waanzin, om een voorbeeld te geven en
-bloed te vergieten.
-
-“Maar,” zeide Pierre eindelijk, “je kan het toch niet eens zijn met die
-bandieten, met die moordenaars, wier woeste gewelddaden mij met
-afgrijzen vervullen. Gisteren heb ik je laten praten, toen droomde je
-van een groot, gelukkig volk, van de ideale anarchie, waarin ieder
-wezen bij de vrijheid van alle wezens vrij zal zijn. Maar welk een
-gruwel, wat komen je verstand en je hart in opstand, wanneer de theorie
-in propaganda en praktische uitvoering overgaat. Wanneer jij het
-denkend brein bent—wat voor een vervloekte hand is er dan werkzaam, die
-kinderen doodt, deuren inslaat en laden leegt? Neem jij die
-verantwoordelijkheid op je? Komt de mensch, die je bent, je opvoeding,
-je beschaving, het geheele sociale atavisme, dat je achter je hebt,
-niet in verzet bij de gedachte aan stelen en moorden?”
-
-Guillaume bleef plotseling rillend voor zijn broeder stilstaan.
-
-“Stelen, moorden! Neen, neen, dat weet ik niet! Maar we moeten alles
-zeggen, de geschiedenis van het vreeselijk uur, dat wij thans
-doormaken, vaststellen. Een waanzin waait door de wereld, maar de
-waarheid is, dat men al het noodige gedaan heeft, om dezen in het leven
-te roepen. De eerste, nog onschuldige daden der anarchisten zijn zoo
-gewelddadig onderdrukt, de politie heeft de enkele arme drommels, die
-in haar handen gevallen zijn, zóó ruw mishandeld, dat langzamerhand een
-ware woede ontstaan is, die tot de vreeselijke vergeldingsmaatregelen
-aanleiding gegeven heeft. Denk toch eens aan de vaders, die mishandeld
-en in de gevangenis geworpen werden, aan de moeders, aan de kinderen,
-die op de straat van honger crepeerden, aan de krankzinnige wrekers,
-die iedere op het schavot stervende anarchist achterlaat. De vrees der
-bourgeois heeft de woestheid der anarchisten in het leven geroepen. En
-weet je eigenlijk wel, waaruit de misdaad van een Salvat bestaat? Uit
-onze eeuwen van schaamteloosheid en zonde, uit alles, wat de volkeren
-geleden hebben, uit al de tegenwoordige kankergezwellen, die ons
-wegvreten, uit de genotzucht, uit de minachting voor den zwakke, uit
-het vreeselijke schouwspel, dat onze verrottende maatschappij biedt.”
-
-Hij begon weer op en neer te loopen en ging, als dacht hij hardop,
-voort:
-
-“Wat heb ik moeten denken, welk een strijd heb ik moeten voeren, om te
-komen waar ik nu ben! Ik was slechts een positivist, een geleerde, die
-geheel en al opging in waarnemingen en proeven, die niets toegaf dan
-het vastgestelde feit. In wetenschappelijk en sociaal opzicht
-aanvaardde ik de eenvoudige en langzame evolutie, die de menschheid
-verwekt, zooals het menschelijk leven zelf verwekt is. Toen echter
-moest ik—eerst in de geschiedenis van den aardbol, dan in die van de
-maatschappijen—aan den vulkaan, aan den plotselingen ondergang, aan de
-plotselinge uitbarsting, die iedere geologische phase, iedere
-historische periode gekenmerkt hebben, een plaats inruimen. Zoo komt
-men tot de meening, dat nooit een vooruitgang tot stand gekomen is
-zonder hulp van verschrikkelijke catastrophes. Iedere schrede
-voorwaarts heeft milliarden levens gekost. Onze beperkte gerechtigheid
-komt daartegen op; wij noemen de natuur een wreede moeder, maar indien
-wij den vulkaan ook al niet verontschuldigen, zoo moeten wij hem toch,
-wanneer hij uitbarst, als van te voren gewaarschuwde geleerden
-aanvaarden... En dan, en dan... Ach, misschien ben ik ook maar een
-dweper als de anderen... Ik heb mijn ideeën.”
-
-En met een breed gebaar gaf hij te kennen welk een sociale droomer hij
-was naast den nauwgezetten, methodischen, tegenover de
-natuurverschijnselen zoo bescheiden geleerde. Voortdurend was zijn
-streven erop gericht alles tot de wetenschap terug te brengen en het
-was zijn grootste verdriet, dat hij niet wetenschappelijk in de natuur
-de gelijkheid, ja zelfs niet de rechtvaardigheid vaststellen kon,
-waarnaar hij in maatschappelijk opzicht zoo verlangde. Hij was er
-wanhopig onder, dat het hem niet gelukken mocht de logica van den man
-der wetenschap in overeenstemming te brengen met de liefde van den
-hersenschimmigen apostel. In dat dualisme speelde zijn groot verstand
-een rol op zichzelf, terwijl zijn kinderhart van algemeen geluk, van
-broederschap tusschen louter gelukkige volkeren droomde: voortaan
-zouden er geen misdaden, geen oorlog meer zijn, was de liefde slechts
-de eenige meesteres der wereld.
-
-Maar Pierre, die naast het groote, open raam was blijven staan en zijn
-blik gericht hield op Parijs, waaruit het laatste grommen van Parijs
-opsteeg, werd door den overstroomenden vloed van zijn twijfel in zijn
-wanhoop medegesleept. Deze broeder, die met zijn geloof van geleerde en
-apostel in zijn huis gevallen was, deze mannen, die van alle einden der
-moderne gedachtenwereld hier samen kwamen, om te redetwisten, deze
-Salvat eindelijk, die de verbittering van zijn waanzinnige daad met
-zich bracht—dat alles was te veel. Hij, die tot dusverre zwijgend en
-zonder een gebaar te maken naar allen geluisterd had, die zich voor
-zijn broeder schuil gehouden had achter de mooie leugen van den
-priester, hij voelde plotseling zoo’n bitterheid in zijn hart
-opstijgen, dat hij niet langer liegen kon. En in een uitbarsting van
-woede en smart ontsnapte zijn geheim hem.
-
-“O Guillaume, jij mag je droom hebben, ik heb mijn wond in mijn borst,
-die mij weggevreten en bijna leeggehaald heeft. Maar zie je dan niet
-in, dat je anarchie, dat je droom naar een rechtvaardig geluk, waaraan
-Salvat met bomaanslagen werkt, de finale waanzin is, die alles wegvagen
-zal? De eeuw eindigt te midden van puinhoopen. Nu reeds meer dan een
-maand luister ik naar jullie. Fourier heeft Saint-Simon ten gronde
-gericht, Proudhon en Comte rukken Fourier om; allen hoopen
-contradicties en onsamenhangendheden op, laten niets achter dan een
-chaos, waarin men geen keuze durft doen. Socialistische secten schieten
-als paddestoelen op; de verstandigste daarvan voeren tot een dictatuur,
-de andere zijn slechts gevaarlijke hersenschimmen. En aan het einde van
-zulk een ideeënstorm staat niets dan anarchie, jouw aanslagen, die de
-oude wereld den genadeslag geven en haar in stof veranderen willen.
-
-“... O, ik heb deze laatste catastrophe, dezen broedermoordwaanzin, den
-onvermijdelijken klassenstrijd, waarin onze beschaving ten ondergaan
-moest, voorzien en verwacht. Alles wees erop: de ellende in de laagste,
-de zelfzucht in de hoogste klassen, het kraken van het oude
-menschelijke gebouw, dat op het punt staat onder te veel misdaden en al
-te veel lijden in te storten. Toen ik naar Lourdes ging, wilde ik zien,
-of de God der eenvoudigen het verwachte wonder wrochten, het geloof der
-eerste tijden aan het volk, dat door zooveel lijden in opstand kwam,
-teruggeven zou. En naar Rome ben ik gegaan in de naïeve hoop, daar den
-nieuwen, voor onze democratieën noodigen godsdienst te vinden, den
-eenigen godsdienst, die de wereld vrede geven kan door haar terug te
-brengen tot de broederschap der gouden eeuw. Maar hoe onnoozel was dat
-van mij! Zoowel hier als daar raakte ik slechts den bodem van het Niets
-aan.
-
-“Daar, waar ik zoo vurig het heil der anderen hoopte te vinden, verloor
-ik mijzelf slechts—als een schip, dat recht in het water zinkt, en
-waarvan nooit meer een wrak teruggevonden wordt. Eén band slechts
-verbond mij nog met de menschen, de naastenliefde, die op den langen
-duur misschien de wonden verbinden, heelen en genezen kon; maar dat
-laatste ankertouw is nu ook doorgesneden: de naastenliefde staat
-nutteloos en belachelijk tegenover de hooge, verheven gerechtigheid,
-die zich opdringt, die voortaan niemand meer tegenhouden kan. Het is
-uit—ik ben in mijn afschuwelijke innerlijke troosteloosheid niets meer
-dan asch, dan een ledig graf. Ik geloof aan niets, niets, aan niets
-meer.”
-
-Pierre had zich hoog opgericht en breidde zijn beide armen uit, als
-wilde hij het Niet van zijn hart en van zijn brein daaruit laten
-vallen. En tot in het diepst van zijn hart geschokt bij het zien van
-dezen woesten loochenaar, van dezen wanhopigen nihilist, die zich aan
-hem openbaarde, ging Guillaume huiverend naar hem toe.
-
-“Wat zeg je daar, Pierre? Jij, dien ik voor zoo vast en zoo rustig in
-je geloof hield! Jij, de bewonderenswaardige priester, de heilige, dien
-deze heele parochie vereert? Ik wilde niet met jou over je geloof
-spreken—en jij loochent alles, gelooft aan niets!”
-
-Weer breidde Pierre langzaam zijn armen in het ledige uit.
-
-“Er bestaat niets—ik heb getracht alles te weten en niets anders
-gevonden dan de vreeselijke smart over dit Niet, dat mij verplettert.”
-
-“O, Pierre, wat heb je moeten lijden! Droogt de godsdienst dan nog meer
-uit dan de wetenschap, dat ze je zoo verwoest, terwijl ik nog een oude
-dwaas vol hersenschimmen gebleven ben!”
-
-Hij nam Pierre’s beide handen en drukte die. Een angstig makend
-medelijden greep hem aan bij het zien van deze groote, vreeselijke
-gestalte—deze gestalte van den ongeloovigen priester, die over het
-geloof van anderen waakte, die in de hautaine droefheid over zijn
-leugen kuisch en eerlijk zijn dienst waarnam. Hoe moest die leugen op
-zijn geweten drukken, dat hij op die wijze, in zoo’n débâcle van zijn
-geheele wezen biechtte! Een maand geleden zou hij het in de dorheid van
-zijn hoogmoedige eenzaamheid nooit gedaan hebben! Heel veel dingen
-moesten hem door zijn ziel gegaan zijn, dat hij zoo spreken kon: zijn
-verzoening met zijn broeder, de gesprekken, die hij iederen avond
-hoorde, het vreeselijke drama, waarin hij betrokken was, zijn gedachte
-over den met de ellende strijdenden arbeid, de onbewuste hoop, die de
-intellectueele jeugd van morgen weer in zijn hart opwekte. Huiverde in
-zijn overdreven loochening niet een nieuw geloof?
-
-Guillaume begreep hem; hij voelde, dat in zijn broeder, nu hij zijn
-lang volgehouden, grimmig zwijgen varen liet, een onbevredigde
-teederheid trilde. Hij liet hem dicht bij het raam op een stoel plaats
-nemen en ging dan, zonder zijn handen los te laten, naast hem zitten.
-
-“Maar ik wil niet, dat je lijdt, beste jongen. Ik laat je niet meer
-alleen, ik zal voor je zorgen. Want ik ken je veel beter dan jij jezelf
-kent. Jij hebt nooit anders geleden dan door den strijd van je hart
-tegen je rede, en op den dag, dat tusschen deze beide vrede zal zijn,
-dat je liefhebben zult wat je begrijpt, zal je lijden ophouden.”
-
-En zachter ging hij met een oneindige teederheid voort:
-
-“Kijk eens, onze arme moeder en onze arme vader zetten hun
-verschrikkelijken strijd in jou voort. Jij was nog te jong, je kon niet
-alles weten. Ik, ik wist hoe ellendig zij waren—hij ongelukkig door
-haar, die hem voor een verdoemde hield—zij ongelukkig door hem, wiens
-ongeloof haar kwelde. Toen een ontploffing hem in deze kamer zelf
-doodde, heeft zij daarin een straf Gods gezien, is hij het zondige,
-door het huis ronddwalende spook gebleven! En toch, welk een edel man
-was hij, welk een goed en groot hart had hij, welk een naar waarheid
-dorstende arbeider was hij! Hij wilde niets dan liefde en het geluk van
-allen!... Sedert wij hier ’s avonds zitten, heb ik een gevoel, alsof
-hij terugkeert; zijn schim omgeeft ons, hij is om en in ons opnieuw
-ontwaakt. Maar ook zij, de vrome, aan smarten zoo rijke vrouw,
-herleeft, is steeds om ons, baadt ons in haar liefde, weent en wil ons
-maar niet begrijpen. Misschien zijn zij het, die mij zoo lang hier
-gehouden hebben, die ook op dit oogenblik aanwezig zijn, om jouw handen
-in de mijne te leggen.”
-
-Inderdaad meende Pierre den ademtocht van waakzame teederheid, die
-Guillaume voor hem opriep, over hen beiden te voelen strijken. Het
-verleden, hun jeugd herleefde.
-
-“Jij moet ze verzoenen, Pierre, want zij kunnen zich slechts verzoenen
-in jou. Jij hebt zijn voorhoofd, dat sterk is als een niet in te nemen
-toren, en je hebt haar mond, haar oogen, vol niet te verwezenlijken
-teederheid. Tracht ze tot overeenstemming te brengen door dezen
-eeuwigen honger naar liefde, overgave en leven, waaraan je ten gronde
-gaat, omdat je hem niet hebt kunnen stillen, eenmaal overeenkomstig je
-verstand te bevredigen. Jouw vreeselijke ellende heeft geen andere
-oorzaak. Keer tot het leven terug, heb lief, geef je geheel, wees een
-man!”
-
-“Neen, neen,” riep Pierre wanhopig uit. “De dood van den twijfel is
-over mij heen gestreken en heeft alles verdroogd en vernietigd; in dit
-koude stof kan niets meer herleven. Het is de totale onmacht!”
-
-“Maar zoover, tot zoo’n absolute verloochening kan het toch niet met je
-gekomen zijn,” ging Guillaume, wiens broederhart bloedde, voort.
-“Niemand komt zoover, zelfs de meest gedesillussionneerde heeft nog
-zijn hoekje van chimères en hoop. De naastenliefde, de barmhartigheid,
-het van de liefde te verwachten wonder loochenen, neen zoover ga ik
-niet! Maar waarom zou ik, nu je jouw wond voor mij bloot gelegd hebt,
-jou mijn droom, mijn wanhoopswaanzin, die mij in het leven houdt, niet
-vertellen? Zullen de geleerden dan de laatste droomende groote kinderen
-zijn? Zal het geloof weldra alleen nog maar in de laboratoria der
-chemici opgroeien?”
-
-Een tot het uiterste gespannen ontroering doorschokte hem: een heftige
-strijd werd in zijn brein en in zijn hart gevoerd; dan overwon de
-innige liefde voor zijn broeder: hij gaf aan het groote medelijden, dat
-zich van hem meester gemaakt had, toe en begon te spreken. Maar hij was
-nog dichter bij Pierre komen zitten, sloeg zijn arm om zijn middel,
-drukte hem tegen zich aan; en in deze omarming biechtte hij op zijn
-beurt, terwijl hij zijn stem liet dalen als was hij bang, dat iemand
-zijn geheim afluisteren zou.
-
-“Waarom zou jij het niet mogen weten? Zelfs mijn zoons weten er niets
-van, maar jij bent een man, jij bent mijn broeder, en daar je geen
-priester meer bent, biecht ik aan mijn broer. Daardoor zal ik nog meer
-van je gaan houden en misschien zal het jou goed doen.”
-
-Toen vertelde hij hem zijn uitvinding, een nieuwe springstof, een kruit
-van een zóó buitengewone kracht, dat de uitwerking ervan onberekenbaar
-was. En voor dat kruit had hij een bijzonder oorlogswerktuig, bommen,
-die door een speciaal vervaardigd kanon weggeslingerd werden en aan het
-leger, dat er gebruik van zou maken, een verpletterende overwinning
-verzekerden. Het vijandelijke leger zou in enkele uren totaal
-vernietigd zijn, de belegerde steden bij het geringste bombardement in
-stof vallen. Lang had hij gezocht, getwijfeld, berekeningen gemaakt en
-proeven genomen; maar thans was alles gereed: de juiste formule van het
-kruit, de teekeningen voor het kanon en de bommen, een kostbaar
-dossier, dat op een veilige plaats verborgen was. En na maanden van
-pijnlijk nadenken had hij besloten zijn uitvinding aan Frankrijk te
-geven, om het de overwinning in den komenden oorlog met Duitschland te
-verzekeren. Toch voelde hij geen enghartige vaderlandsliefde in zich,
-integendeel, hij had een zeer breede, internationale opvatting omtrent
-de toekomstige libertaire beschaving. Maar hij geloofde in de zending
-van Frankrijk, hij geloofde vooral in Parijs, het brein van de
-hedendaagsche en toekomstige wereld, waaruit alle wetenschap, alle
-gerechtigheid ontspruiten zouden. Reeds was bij den sterken adem der
-Revolutie de idee van vrijheid en gelijkheid uit de wereldstad
-opgestegen, en ook van haar genie, van haar moed zou de finale
-bevrijding uit moeten gaan. Parijs moest overwinnen, wilde de wereld
-gered worden.
-
-Dank zij Bertheroy’s voordracht over de springstoffen had Pierre alles
-begrepen. De matelooze grootschheid van dit plan, van dezen droom greep
-hem aan. In het bliksemen en donderen der bommen zou zich voor het
-overwinnende Parijs een buitengewoon lot openen. Maar ook was hij
-getroffen door den adel, dien de nu reeds een maand durende angst van
-zijn broeder in zijn oogen aannam. Deze had slechts gebeefd uit vrees,
-dat zijn uitvinding door den aanslag van Salvat wereldkundig zou
-worden. De kleinste indiscretie kon alles in gevaar brengen; zou dat
-kleine gestolen bommetje, waarover de geleerden zich verbaasden, zijn
-geheim niet openbaar maken? Hij wilde zijn eigen weg kiezen, want hij
-voelde de noodzakelijkheid in het geheim te handelen, totdat de dag zou
-komen. Tot op dat oogenblik zou het geheim rusten in de aan de hoede
-van Grootmoeder toevertrouwde schuilplaats, van Grootmoeder, die de
-noodige orders had en wist wat zij te doen had, wanneer hij zelf door
-een plotseling ongeval verdwijnen zou. Hij verliet zich op haar als op
-zijn eigen moed, en niemand zou de hand erop leggen, zoolang zij er als
-zwijgende hoedster over waken zou.
-
-“Nu je mijn hoop en mijn angst kent, zal je me kunnen helpen,” zoo ging
-Guillaume voort; “zal je mijn plaats kunnen innemen, wanneer ik mijn
-taak niet tot het einde zou kunnen afmaken... Tot het einde afmaken,
-tot het einde afmaken! Sedert ik hier opgesloten ben en nadenk en door
-ongerustheid en ongeduld verteerd word, zijn er uren, dat ik den weg
-niet duidelijk meer voor mij zie. Die Salvat, die ongelukkige, aan
-wiens misdaad wij allen schuld hebben en die als een wild dier vervolgd
-wordt! Die waanzinnige, nooit verzadigde bourgeoisie, welke zich liever
-zal laten verpletteren door den val van het oude, wankele huis dan de
-geringste reparatie erin te dulden! Die hebzuchtige, afschuwelijke,
-voor de kleinen zoo harde, voor de verlatenen zoo beleedigende pers,
-die geld slaat uit algemeene rampen en bereid is den toch al
-besmettelijken waanzin aan te wakkeren, ten einde haar oplaag te
-vertiendubbelen. Waar is de waarheid, de gerechtigheid, de logische,
-gezonde hand, die men met den bliksem bewapenen moet? Zal het
-overwinnende, de volkeren beheerschende Parijs de verwachte rechter, de
-verwachte redder zijn? O, deze angst, wanneer men de meester van het
-wereldnoodlot meent te zijn, en dan te moeten kiezen, te moeten
-beslissen!”
-
-Hij was opgestaan; een hevige rilling, woede en vrees, dat zooveel
-menschelijke ellende de verwezenlijking van zijn droom beletten zou,
-doorhuiverde hem. En te midden van de diepe stilte, die nu ontstond,
-dreunde het kleine huisje door een regelmatigen, aanhoudenden stap.
-
-“Ja, de menschen redden, ze liefhebben, ze allen gelijk en vrij
-willen,” prevelde Pierre bitter. “Hoor, daar heb je boven ons hoofd
-weer den stap van Barthès! Hij geeft je antwoord uit de eeuwige
-gevangenis, waarin zijn liefde voor de vrijheid hem geworpen heeft!”
-
-Maar Guillaume had zijn zelfbeheersching weer teruggekregen, ging met
-de geestdrift van zijn geloof weer terug naar zijn broer en nam als een
-groote broer, die zich geheel gaf, zijn jongeren broeder in zijn
-liefderijke, redding brengende armen.
-
-Tranen rezen weer op in de oogen van Pierre; die innige liefde
-doordrong hem en hief hem op.
-
-“O, wat zou ik je graag gelooven, een genezing beproeven! Het is waar,
-dat er reeds een onbestemd ontwaken in mij plaats gegrepen heeft. Maar
-herleven, neen! Dat zou ik niet kunnen; de priester in mij is dood, een
-ledig graf!”
-
-Een zoo hevig snikken doorschokte hem, dat ook Guillaume’s oogen zich
-met tranen vulden. Arm in arm, dicht tegen elkaar aangedrukt, weenden
-de beide broeders lang in dit huis, waarin de vader en de moeder
-terugkeerden en wederom rondspookten, in afwachting, dat hunne schimmen
-weer verzoend en aan den vrede der aarde teruggegeven zouden worden.
-Door de openstaande deur drong het zachte donker van den tuin, terwijl
-daar in de verte, aan den horizont, Parijs ingeslapen was in de
-vreeselijke, onbekende duisternis, onder den rustigen, met sterren
-bezaaiden hemel.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE BOEK
-
-
-I.
-
-Den Woensdag voor Halfvasten-Donderdag werd er in het hôtel Duvillard
-ten voordeele van het Oeuvre des Invalides du Travail een groote
-weldadigheidsbazar gegeven. De receptievertrekken op de
-rez-de-chaussée, drie groote salons in Louis XIV-stijl, die op de kale,
-vierkante binnenplaats uitzagen, zouden aan het gewoel der koopers
-prijsgegeven worden, want er waren, naar men beweerde, vijf duizend
-kaarten aan alle Parijsche kringen verzonden. Het was een groote
-gebeurtenis, ja als het ware een manifestatie, dat dit gebombardeerde
-hôtel de menigte tot binnentreden uitnoodigde, zijn beide deurvleugels
-wijd openzette, de koetspoort aan voetgangers en equipages prijs gaf.
-Wel werd er verteld, dat een zwerm politie-agenten de rue
-Godot-de-Mauroy en naburige straten bewaakte.
-
-Duvillard was op deze grootsche gedachte gekomen en tegenover zijn
-formeelen wensch had zijn vrouw zich bij al de drukte neergelegd ter
-wille van de stichting, die zij zoo nonchalant en voornaam presideerde.
-Den vorigen dag had de Globe in een mooi, door den directeur Fonsègue,
-den administrateur der stichting, geïnspireerd artikel, den bazar
-aangekondigd en daarin doen uitkomen hoe edel en edelmoedig dit
-initiatief der barones was, die haar tijd, haar geld, ja zelfs haar
-hôtel afstond, na de afschuwelijke misdaad, die het paleis bijna in
-stof veranderd had. Was dat niet het grootmoedige antwoord van de
-hoogere klasse op de vloekwaardige hartstochten der lagere? En welk een
-afdoend antwoord was het voor hen, die de kapitalistische bourgeoisie
-beschuldigden niets voor de arbeiders, de gewonden en verlamden van de
-loonklasse te doen!
-
-De deuren van de salons zouden om twee uur opengaan en eerst om zeven
-uur sluiten: vijf volle uren dus zou de verkoop duren. Maar nog om
-twaalf uur, toen in de rez-de-chaussée nog niets gereed was en
-arbeiders en vrouwen de laatste hand legden aan de versiering der
-“stands” en het uitstallen der artikelen, werd, evenals andere dagen,
-in de kleine appartementen van de eerste etage een intiem dejeuner
-gegeven, waaraan enkele huisvrienden genoodigd waren. De drukte had in
-het huis haar toppunt bereikt, doordat dienzelfden ochtend Sanier in de
-Voix du Peuple zijn campagne in zake de Afrikaansche sporen weer
-opgevat had. In venijnige zinnen vroeg hij of men van plan was het
-publiek nog langer bezig te houden met de geschiedenis van die bom en
-van dien anarchist, welken de politie niet arresteerde. Ditmaal
-beschuldigde hij minister Barroux openlijk tweehonderd duizend francs
-aangenomen te hebben, en beloofde eerstdaags de namen der
-twee-en-dertig omgekochte senatoren en Kamerleden te zullen
-publiceeren. Mège zou dus zeker zijn interpellatie, die bij de
-overspanning, waarin Parijs door den anarchistischen schrik verkeerde,
-gevaarlijk kon worden, hervatten. Anderzijds vertelde men, dat Vignon
-en zijn partij tot een uiterste krachtsinspanning besloten waren, om
-van de omstandigheden gebruik te maken om het ministerie te laten
-vallen. Alle teekenen voor een onvermijdelijke, vreeselijke crisis
-waren aanwezig. Gelukkig zat de Kamer dien Woensdag niet; zij had, daar
-zij de Halfvasten vieren wilde, haar zittingen tot Vrijdag verdaagd.
-Men had dus twee dagen om zijn maatregelen te nemen.
-
-Eve was dien ochtend nog zachter en kwijnender dan gewoonlijk. Zij was
-wat bleek, een droeve onrust lag in haar diepe, mooie oogen. Zij wijtte
-dit aan de waarlijk bovenmatige inspanning, welke de voorbereiding van
-den bazar van haar gevergd had, maar de waarheid was, dat Gérard haar
-sedert vijf dagen vermeed en een nieuw rendez-vous ontweek. Daar zij er
-zeker van was, dat zij hem nu zien zou, had zij het gewaagd zich weer
-geheel in witte zijde te kleeden, dit jeugdige toilet maakte haar jong;
-maar hoe mooi zij ook nog gebleven mocht zijn met haar blanke huid,
-haar prachtige taille, haar edel en bekoorlijk gezicht, toch waren haar
-zes-en-veertig jaar duidelijk merkbaar aan haar roodachtige tint en het
-rimpelig worden van haar lippen, haar oogleden en haar fijne slapen.
-Camille was, hoewel zij natuurlijk een der meest gezochte verkoopsters
-zijn zou, er hardnekkig bij gebleven een donkerbruine japon aan te
-trekken, haar oude-vrouwentoilet, zooals zij het met haar bijtend
-lachje noemde. Maar haar lang, boosaardig geitengezicht straalde van
-heimelijke vreugde, en haar fijne lippen en groote oogen fonkelden van
-zooveel geest, dat zij bijna mooi leek en haar mismaakten schouder deed
-vergeten.
-
-In den kleinen, blauw-zilveren salon, waar zij met haar dochter de
-gasten ontving, kreeg Eve de eerste teleurstelling, toen zij generaal
-Bozonnet, die met zijn neef Gérard komen zou, alleen binnenkomen zag.
-Hij vertelde, dat madame de Quinsac zich bij het opstaan minder goed
-gevoelde en Gérard als goed zoon bij haar had willen blijven. Maar
-dadelijk na het dejeuner zou hij naar den bazar komen. Terwijl Eve
-luisterde en haar angst, dat zij Gérard beneden niet tot een verklaring
-zou kunnen dwingen, trachtte te verbergen, keek Camille haar met haar
-verslindende oogen aan. Eve moest op dat oogenblik wel een heimelijk
-voorgevoel hebben, dat een ongeluk haar dreigde, want zij zag haar
-dochter ook bleek en onrustig worden.
-
-Dan kwam prinses Rosemonde de Harth als een wervelwind binnenvliegen.
-Zij zou ook verkoopen in den “stand” van de barones, die haar om haar
-onstuimigheid en haar vroolijkheid, welke zij steeds met zich bracht,
-gaarne lijden mocht. Zij droeg een vuurrood zijden japon en zag er met
-haar kroeshaar en haar jongensachtige magerheid extravagant uit.
-Lachend, vertelde zij een ongeval, waardoor haar equipage bijna in
-tweeën gereden was. Toen baron Duvillard en zijn zoon Hyacinthe, zooals
-altijd te laat, uit hun kamers kwamen, legde zij dadelijk beslag op den
-jongen man en gaf hem een standje, dat hij haar den vorigen avond tot
-tien uur vergeefs had laten wachten, ofschoon hij haar stellig beloofd
-had, dat hij haar mede nemen zou naar een kroeg in Montmartre, waar,
-naar men beweerde, vreeselijke dingen gebeurden. Met een kwijnende
-uitdrukking op zijn gelaat antwoordde Hyacinthe, dat vrienden hem
-hadden opgehouden bij een spiritistische seance, waarop de heilige
-Thérèse verschenen was, om een liefdessonnet te reciteeren.
-
-Maar Fonsègue kwam met zijn echtgenoote, een magere, stille,
-onbeteekenende vrouw, met wie hij niet gaarne uitging. Overal kwam hij
-zonder haar, maar ditmaal had hij haar moeten medenemen, want zij was
-bestuurslid van de instelling, en hij zelf kwam als administrateur, die
-zich voor den bazar interesseerde, dejeuneeren. De kleine man met zijn
-ondanks zijn vijftig jaar nog bruin haar trad op zijn gewone vroolijke,
-luidruchtige manier binnen; hij droeg zijn gekleede jas met de
-correctheid van een zakenman, die de zielen, den goeden naam der
-conservatieve republiek, waarvan de Globe het orgaan was, beschermen
-moest. Wie hem echter kenden, zagen, dat zijn oogleden onrustig
-knipten; zijn eerste vragende blik gold Duvillard, blijkbaar wilde hij
-gaarne weten hoe hij den nieuwen slag van dien ochtend opnam. Maar toen
-hij zag, dat deze heel kalm grapjes met Rosemonde stond te maken, werd
-hij zelf ook rustig als een speler, die nooit verloren had, daar hij
-zelfs in de uren van het verraad het ongeluk steeds had weten te
-overwinnen. En dadelijk begon hij met de barones over administratieve
-dingen te spreken.
-
-“Hebt u eindelijk met abbé Froment over dien Laveuve gesproken, dien
-hij ons zoo warm aanbevolen heeft? Alle formaliteiten zijn nu vervuld;
-hij kan komen, want we hebben sedert drie dagen een bed vrij.”
-
-“Ja, dat weet ik, maar ik weet niet, wat er van abbé Froment geworden
-is; in geen maand heeft hij een teeken van leven gegeven. Ik heb hem
-daarom gisteren geschreven en gevraagd, of hij vandaag op den bazar wil
-komen. Op die manier kan ik hem persoonlijk de goede tijding
-mededeelen.”
-
-“Om u die vreugde te laten, heb ik het hem niet langs administratieven
-weg laten weten. Een charmant priester, vindt u niet?”
-
-“O, heel charmant. Wij mogen hem graag.”
-
-Duvillard mengde zich nu in gesprek om te zeggen, dat ze niet op
-Dutheil behoefden te wachten, want dat hij een telegram van den jongen
-afgevaardigde gekregen had, die zich wegens dringende bezigheden
-verontschuldigde. Fonsègue, die opnieuw een vragenden blik op den baron
-wierp, werd weer ongerust. Maar deze glimlachte en stelde hem gerust
-met de half-fluisterend gesproken woorden:
-
-“O, niets bijzonders. Een opdracht van mij, waarover hij mij strakjes
-antwoord zal komen brengen.”
-
-En hem dan wat ter zijde nemend.
-
-“Tusschen twee haakjes, vergeet het berichtje niet, waarover ik je
-gesproken heb.”
-
-“Welk berichtje? O, ja, die soirée, waarop Silviane gedeclameerd
-heeft... Daar wou ik juist over spreken. De lofspraak daarin is wel wat
-al te erg.”
-
-Duvillard, zooeven nog zoo kalm met zijn veroverende en minachtende
-manieren, werd nu bleek en door wanhoop aangegrepen.
-
-“Maar ik wil beslist, dat het erin komt, waarde vriend. Je zoudt me in
-de grootste ongelegenheid brengen, want ik heb het Silviane
-uitdrukkelijk beloofd.”
-
-In den angstigen blik van zijn oogen en het beven van zijn lippen was
-de geheele angst te lezen van een ouden, verwenden man, die bereid is
-het genot, waarvan men hem speent, met iederen prijs te betalen.
-
-“Goed, goed!” zeide Fonsègue, die zich inwendig vroolijk maakte. “Als
-het zoo ernstig is, dan zal het berichtje erin komen, dat beloof ik u!”
-
-Daar men niet op Gérard en Dutheil behoefde te wachten, waren alle
-gasten aanwezig. Eindelijk begaven zij zich naar de eetkamer, terwijl
-beneden de laatste hamerslagen gegeven werden. Eve zat tusschen
-generaal Bozonnet en Fonsègue; Duvillard tusschen madame Fonsègue en
-Rosemonde, terwijl Camille en Hyacinthe aan het hoofd- en benedeneinde
-der tafel zaten. Het déjeuner werd wat haastig en ongeregeld gebruikt,
-want tot driemaal toe kwamen dienstmeisjes inlichtingen en orders
-vragen. Deuren werden onophoudelijk open en dicht geslagen, de muren
-zelf schenen te dreunen onder het ongewone lawaai, waarmede de laatste
-voorbereidende maatregelen het huis vervulden. Allen werden door de
-koortsachtige opwinding medegesleept; het gesprek sprong van den hak op
-den tak, liep nu eens over het bal, dat den vorigen dag op het
-ministerie van Binnenlandsche Zaken gegeven was, dan weer over het
-volksfeest, dat den volgenden dag plaats hebben zou; steeds echter kwam
-men weer terug op den bazar, op den prijs, dien men voor de artikelen
-betaald had en waarvoor men ze weer verkoopen zou, op het
-waarschijnlijke cijfer van de totale opbrengst.
-
-Toen generaal Bozonnet den naam van den rechter van instructie Amadieu
-noemde, zeide Eve, dat zij hem niet te dejeuneeren had durven vragen,
-omdat zij wist hoe druk hij het had, maar dat zij toch hoopte, dat hij
-ook zijn obool zou komen brengen. Fonsègue plaagde Rosemonde met haar
-japon van vuurroode zijde en beweerde, dat zij reeds in de vlammen der
-hel brandde, wat haar, daar het satanisme op dat oogenblik een passie
-van haar was, in den grond der zaak aanging. Duvillard gedroeg zich
-volkomen correct tegenover de stille madame Fonsègue, terwijl
-Hyacinthe—om zelfs de prinses te overbluffen—in uitgekozen woorden de
-magische operatie vertelde, waardoor men een reinen man, na hem van
-alle manlijkheid ontdaan te hebben, in een engel veranderde. Camille
-was zeer gelukkig en opgewekt en wierp nu en dan een brandenden blik op
-haar moeder, die steeds onrustiger werd naarmate zij voelde, dat haar
-dochter steeds agressiever werd en vastbesloten was tot een openlijken
-oorlog zonder genade.
-
-Tegen het einde van het dessert hoorde de moeder, hoe Camille zeer luid
-op haar uitdagenden en doordringenden toon zeide:
-
-“O, praat mij niet over die geschminkte, als communie-bruidjes gekleede
-oude dames, die nog met een pop schijnen te spelen. Ik walg ervan!”
-
-Zenuwachtig stond Eve op en excuseerde zich.
-
-“Neem mij niet kwalijk, dat ik u wat haast... Je weet werkelijk niet,
-of dit een dejeuner is... maar ik ben bang, dat men ons geen tijd zal
-laten een kop koffie te gebruiken.”
-
-De koffie werd rondgediend in den blauw-zilveren salon, waarin een
-wondermooie mand met gele rozen geurde. Deze hartstocht voor bloemen
-van de barones veranderde het hôtel in een voortdurende lente.
-Duvillard nam dadelijk Fonsègue, terwijl zij beiden hun kopje dampende
-koffie nog in de hand hadden, mee naar zijn studeerkamer, om een sigaar
-te rooken en vrij te kunnen spreken; de deur bleef echter wijd open
-staan en men hoorde hun stemmen door elkaar klinken. Generaal de
-Bozonnet, die blij was in madame Fonsègue een ernstige en geduldige
-vrouw te hebben, die naar hem luisterde, zonder hem in de rede te
-vallen, vertelde haar de zeer lange geschiedenis van de vrouw van een
-officier, die haar man in 1870 in alle slagen gevolgd had. Hyacinthe
-dronk geen koffie; hij noemde die minachtend een drank voor conciërges.
-Hij maakte zich een oogenblik vrij van Rosemonde, die een glaasje
-kummel dronk, en ging naar zijn zuster:
-
-“Zeg eens even, dat was ook dom wat je daarnet er voor mama uitgooide.
-Mij kan het niet schelen, maar ten slotte gaan de anderen het ook
-merken, en ik zeg je, gedistingeerd is het niet.”
-
-Camille keek hem met haar donkere oogen strak aan:
-
-“Wees zoo goed je niet met mijn zaken te bemoeien!”
-
-Hij schrok, voelde, dat er een onweer op til was en ging met Rosemonde
-naar den grooten rooden salon ernaast, om haar een nieuwe schilderij te
-laten zien, die zijn vader den vorigen dag gekocht had. De generaal,
-dien hij riep, volgde met madame Fonsègue.
-
-Moeder en dochter waren nu een oogenblik alleen. Als gebroken leunde
-Eve tegen een wandtafeltje. Het geringste verdriet maakte haar moe en
-mat en in haar naïef en volmaakt egoïsme kon zij bij de minste
-aanleiding in tranen uitbarsten. Waarom haatte haar dochter haar zoo?
-Waarom trachtte zij met zooveel hardnekkigheid haar laatste
-liefdesgeluk, waaraan zij met haar geheele hart hing, te vernietigen?
-Diep bedroefd en meer wanhopig dan verbitterd keek zij haar aan, en op
-het oogenblik, dat het jonge meisje ook naar den rooden salon wilde
-gaan, kwam zij op het ongelukkige denkbeeld haar terug te houden, om
-een opmerking over haar toilet te maken.
-
-“Maar beste kind, waarom kleedt je je toch zoo hardnekkig als een oude
-vrouw? Je ziet er heusch niet voordeelig door uit.”
-
-In haar teedere oogen van gevierde en aangebeden mooie vrouw was
-duidelijk het medelijden met dit leelijke en mismaakte schepseltje, dat
-zij nooit goed als haar dochter had kunnen erkennen, te lezen. De eene
-schouder hooger dan de andere, de lange armen van een bultenaar, een
-profiel van een zwarte geit—hoe was het mogelijk, dat zoo iets
-monsterachtigs voortgekomen was uit haar koninklijke schoonheid, de
-schoonheid, die zij haar geheele leven lang zelf lief gehad, met
-eerbiedige vroomheid verzorgd had, die de eenige godsdienst was, voor
-welken zij ooit iets gevoeld had. Haar verdriet en haar schaamte, dat
-zij zoo’n kind had, beefden in haar stem.
-
-Camille bleef plotseling stokstijf staan, als had een zweepslag haar
-midden in haar gezicht gestriemd. Dan kwam zij naar haar moeder toe, en
-nu begon de vreeselijke verklaring tusschen die beiden met deze
-eenvoudige, halfgefluisterde woorden:
-
-“U vindt, dat ik mij slecht kleed... Dan moet u zich eens wat meer met
-mij bemoeien, ervoor zorgen, dat mijn toiletten naar uw smaak zijn en
-mij uw geheim om mooi te zijn, leeren.”
-
-Reeds had Eve spijt over haar uitval; zij had een afschuw van disputen
-met beleedigende woorden. Zij wilde er zich aan onttrekken, vooral op
-dit oogenblik, nu men haar beneden voor den bazar wachtte.
-
-“Kom beste meid, maak geen scène, nu allen het kunnen hooren... Ik heb
-je lief gehad...”
-
-Met een ingehouden, maar vreeselijk lachje viel Camille haar in de
-rede:
-
-“U hebt mij lief gehad... Maar, arme mama, zeg toch niet zulke komische
-dingen! Hebt u ooit iemand lief gehad? U wilt, dat men u lief heeft;
-maar dat is heel wat anders. Maar uw kind, een kind... Weet u eigenlijk
-wel hoe men een kind lief heeft?... U hebt mij altijd aan mijn lot
-overgelaten, omdat u mij te leelijk vondt en bovendien geen dagen en
-nachten genoeg hadt om u zelf lief te hebben... Neen, moeder, lieg maar
-niet; u beschouwt me ook nu nog altijd als een monster, dat u afkeer
-inboezemt en u hindert.”
-
-Nu was het uit, nu moest de scène ten einde gespeeld worden, in een
-koortsachtig fluisteren, van aangezicht tot aangezicht, met op elkaar
-geklemde tanden.
-
-“Ik beveel je te zwijgen, Camille! Ik kan een dergelijke taal niet
-dulden!”
-
-“Ik behoef niet te zwijgen, wanneer u tracht mij te kwetsen. Als ik er
-verkeerd aan doe mij als een oude vrouw te kleeden, dan komt dat
-misschien, omdat een ander zoo belachelijk is zich als een jong meisje,
-als een bruid te kleeden.”
-
-“Als een bruid, ik begrijp je niet.”
-
-“O, u begrijpt mij heel goed... Maar ik wil toch, dat u het weet:
-iedereen vindt mij niet zoo leelijk als u, naar het schijnt, mij wil
-laten gelooven.”
-
-“Als je leelijk bent, dan komt dat, omdat je je slecht kleedt. Iets
-anders heb ik niet gezegd.”
-
-“Ik kleed mij zooals ik wil, en ongetwijfeld goed, daar men van mij
-houdt zooals ik ben.”
-
-“Zoo, houdt iemand van je? Dan moet hij het maar zeggen en met je
-trouwen.”
-
-“Dat gebeurt ook, dat gebeurt ook! Dat zal een heele opluchting voor u
-zijn! En dan kunt u me nog als bruid zien ook!”
-
-Haar stemmen werden onwillekeurig luider. Camille hield even op, haalde
-adem en ging dan weer met een fluisterende, fluitende stem door.
-
-“Gérard zal u dezer dagen om mijn hand komen vragen.”
-
-Bleek en met strakke oogen keek Eve haar aan; zij scheen het niet
-begrepen te hebben.
-
-“Gérard... Waarom zeg je me dat?”
-
-“Natuurlijk omdat Gérard mij liefheeft en met mij trouwen zal... U
-drijft mij tot het uiterste, u zegt steeds weer, dat ik leelijk ben, u
-behandelt mij als een monster, waarvan niemand iets weten wil. Dan moet
-ik mij toch verdedigen, moet ik u de waarheid zeggen, om u te bewijzen,
-dat niet iedereen uw smaak heeft.”
-
-Er volgde een stilte; de strijd scheen door dat vreeselijke, dat
-plotseling tusschen haar oprees, geëindigd te zijn. Maar nu stonden
-niet meer moeder en dochter tegenover elkaar, doch twee mededingsters,
-die leden en streden.
-
-Eve haalde diep adem en keek angstig rond, of niemand binnenkwam, die
-haar zou kunnen zien of hooren. Dan vastberaden:
-
-“Je kan niet met Gérard trouwen.”
-
-“En waarom niet?”
-
-“Omdat ik het niet wil, omdat het onmogelijk is.”
-
-“Dat is geen reden. Zeg me de reden.”
-
-“De reden is, dat het huwelijk onmogelijk is. Dat is alles.”
-
-“Neen, de reden zal ik u zeggen, omdat u mij ertoe dwingt... De reden
-is, dat Gérard uw minnaar is... Maar wat beteekent dat, daar ik het
-weet en hem toch hebben wil?”
-
-En haar vlammende oogen voegden er aan toe: “En juist daarom wil ik hem
-hebben!” Haar lange marteling mismaakt te zijn, haar woede, dat zij van
-haar kinderjaren af haar mooie moeder zoo gevierd en aangebeden gezien
-had, doorschokte haar en wreekte zich in een boosaardigen triomf.
-Eindelijk ontroofde zij haar dan toch den minnaar, dien zij haar zoo
-lang benijd had.
-
-“Ongelukkige,” stamelde Eve zwak en in haar hart getroffen. “Je weet
-niet wat je zegt en wat je me doet lijden.”
-
-Maar zij moest weer zwijgen en glimlachen, want Rosemonde kwam zeggen,
-dat men beneden naar haar vroeg. De deuren van het hôtel zouden geopend
-worden en zij moest in haar “stand” zijn. Ja, zij kwam dadelijk naar
-beneden... Zij hield zich vast aan een wandtafeltje, dat achter haar
-stond, om niet te vallen.
-
-“Zeg,” ging Hyacinthe tegen zijn zuster zeggen, “het is idioot, om
-zoo’n ruzie te maken. Je zoudt beter doen naar beneden te gaan.”
-
-Camille zond hem ruw weg.
-
-“Ga zelf en neem de anderen mede. Het is beter, wanneer wij geen last
-van hen hebben.”
-
-Hyacinthe keek zijn moeder aan als een zoon, die wist en het
-belachelijk vond. Dan haalde hij, geërgerd haar zoo weinig krachtig te
-zien tegen zijn heks van een zuster, zooals hij haar noemde, zijn
-schouders op, liet haar beiden aan haar dwaasheid over en nam de
-anderen mede naar beneden. Men hoorde Rosemonde lachend weggaan,
-terwijl de generaal, die een nieuw verhaal begonnen was, madame
-Fonsègue begeleidde. Maar toen moeder en dochter zich alleen waanden,
-drongen andermaal stemmen tot haar ooren door, de stemmen van Duvillard
-en Fonsègue. De vader was er altijd nog, die haar kon hooren.
-
-Eve voelde, dat zij weg had moeten gaan. Maar zij vond er de kracht
-niet toe; na het woord, dat haar als een zweepslag getroffen had, en in
-de wanhoop, waarin de vrees haar minnaar te verliezen, haar wierp, was
-haar dat onmogelijk.
-
-“Gérard kan niet met je trouwen, hij heeft je niet lief.”
-
-“Hij heeft me wel lief.”
-
-“Je verbeeldt je, dat hij je lief heeft, omdat hij uit medelijden
-vriendelijk voor je geweest is... Hij heeft je niet lief.”
-
-“Hij heeft mij lief... Hij heeft mij lief, in de eerste plaats, omdat
-ik niet dom ben, zooals zooveel anderen, en vooral heeft hij mij lief,
-omdat ik jong ben.”
-
-Dat was een nieuwe wonde, en uit den wreeden spot, waarmede zij
-toegebracht werd, klonk de triompheerende vreugde eindelijk deze
-schoonheid, waaronder zij zoo geleden had, te zien verwelken.
-
-“Jeugd, moeder, ja, u weet niet meer wat dat is... Al mag ik niet mooi
-zijn, jong ben ik; ik ruik nog lekker, heb heldere oogen, frissche
-lippen. Bovendien heb ik zooveel en zoo lang haar, dat ik me daarmede
-zou kunnen kleeden, als ik dat wilde... Kom, je bent nooit leelijk,
-wanneer je jong bent, maar wanneer je niet jong meer bent, arme mama,
-dan is het uit. Het helpt niet of je al mooi geweest bent, alles in het
-werk stelt, om het nog te zijn... er blijft niets over dan puinhoopen,
-schande en walging.”
-
-Zij zeide het zoo scherp, dat iedere zin als een messteek in het hart
-van haar moeder drong. Tranen kwamen in de oogen van de ongelukkige,
-zoo diep gewonde vrouw. Ja, het was waar, zij stond machteloos
-tegenover de jeugd, zij leed slechts, omdat zij ouder werd, omdat zij
-voelde, hoe de liefde haar verliet, nu zij gelijk was aan een te rijpe,
-van haar tak gevallen vrucht.
-
-“Nooit zal de moeder van Gérard haar toestemming tot een huwelijk met
-jou geven.”
-
-“Hij zal haar overreden, dat is zijn zaak... Ik heb twee millioen, en
-met twee millioen doe je heel wat.”
-
-“Wil je hem dan bezoedelen, zeggen, dat hij je om je geld trouwt?”
-
-“Neen, neen, Gérard is een heel fatsoenlijke en nette jongen. Hij heeft
-mij lief, hij trouwt met me om me zelf... Maar hij is nu eenmaal niet
-rijk, heeft ondanks zijn zes-en-dertig jaar geen gevestigde positie, en
-dan is het zoo gek niet om een vrouw te nemen, die je met het geluk
-rijkdom brengt... Want, versta me goed, mama, ik breng hem het geluk,
-de wederkeerige, van de toekomst zekere liefde.”
-
-Nogmaals stonden zij oog in oog tegenover elkaar. De verschrikkelijke
-scène, telkens onderbroken en weer opgevat, scheen geen einde te kunnen
-nemen; het was een drama van moorddadige heftigheid, maar gedempt,
-zonder lawaai, gesproken met verstikte stemmen. Geen van beiden wilde
-wijken, hoewel zij met al die open deuren ieder oogenblik overvallen
-konden worden, hoewel het personeel steeds binnen kon komen en de stem
-van den vader vroolijk naast haar klinken bleef.
-
-“Hij heeft je lief, hij heeft je lief... Dat zeg jij... Hij heeft het
-je nooit gezegd.”
-
-“Hij heeft het me wel twintigmaal gezegd. Hij zegt het telkens, als we
-alleen zijn.”
-
-“Ja, zooals aan een klein meisje, dat men een plezier wil doen... Nooit
-heeft hij tegen je gezegd, dat hij met je trouwen wil.”
-
-“Hij heeft het me den laatsten keer, dat hij hier was, nog gezegd. De
-zaak is beklonken—ik verwacht, dat hij eerstdaags mijn hand zal
-vragen.”
-
-“Je liegt, je liegt, ongelukkige. Je wilt me pijnigen. Je liegt, je
-liegt!”
-
-Eindelijk barstte haar smart in dezen kreet van protest uit; zij wist
-niet meer, dat zij moeder was, dat zij tot haar dochter sprak... alleen
-de verliefde, beleedigde, door een mededingster geprikkelde vrouw bleef
-nog over.
-
-“Mij, mij heeft hij lief,” bekende zij snikkend. “Den laatsten keer
-heeft hij het mij gezworen, gezworen, versta je, dat hij je niet lief
-had en nooit met je trouwen zou.”
-
-Camille begon scherp te lachen en nam een spottend-medelijdende houding
-aan.
-
-“Mama, ik heb heusch met je te doen. Je bent nog zoo’n echt kind... Ja
-heusch, u bent het kind. Laat u, die toch zooveel ervaring heeft, u nog
-beetnemen door de verzekeringen van een man? Gérard is de kwaadste niet
-en daarom zweert hij u alles wat u wilt.”
-
-“Je liegt! Je liegt!”
-
-“Kom, wees nou verstandig. Dat hij niet meer komt, dat hij vandaag niet
-op het déjeuner verschenen is, vindt alleen zijn oorzaak hierin, dat u
-hem de keel uithangt. Hij laat u zitten, mama, u moet den moed hebben u
-dat goed voor te houden. Hij blijft vriendelijk, omdat hij goed
-opgevoed is en niet weet hoe hij met u breken moet. In het kort, hij
-heeft medelijden met u.”
-
-“Je liegt! Je liegt!”
-
-“Vraag het hem dan zelf als een goede moeder, die u zijn moest. Spreek
-openlijk met hem, vraag hem vriendschappelijk wat hij van plan is te
-doen. En wees u op uw beurt ook vriendelijk. Begrijp toch, dat, wanneer
-je hem lief hebt, je hem mij dadelijk zoudt moeten geven in zijn
-belang. Geef hem zijn vrijheid terug en je zult zien, dat hij slechts
-mij lief heeft!”
-
-“Je liegt, ongelukkig kind. Je wilt me martelen en dooden.”
-
-In haar woedende radeloosheid herinnerde Eve zich, dat zij de moeder
-was, dat zij deze onwaardige dochter een bestraffing toedienen moest.
-Zij vond geen stok en rukte nu uit de mand gele rozen, die haar beiden
-met haar sterken geur bedwelmden, een handvol van de langgesteelde,
-doornige rozen en sloeg daarmede Camille in haar gezicht. Een droppel
-bloed kwam te voorschijn op de linkerslaap, dicht bij het ooglid.
-
-Onder dien slag sprong het jonge meisje, vuurrood en als krankzinnig,
-met haar hand omhoog als gereed, om ook te slaan, naar voren.
-
-“Moeder, pas op... Ik zweer je, dat ik je als de eerste de beste deerne
-zal afranselen... En begrijp mij goed, ik wil Gérard, ik zal met Gérard
-trouwen, ik zal hem u ontnemen door een schandaal te maken, als u hem
-niet goedschiks geeft.”
-
-Na haar woede-daad was Eve als gebroken en wanhopig op een fauteuil
-neergevallen. In haar drang naar een gelukkig leven en een egoïstisch
-genot om geliefkoosd, gevleid en aangebeden te worden, kwam al haar
-afschuw voor scènes terug. Camille daarentegen toonde, dronken door
-haar wreedheid, dreigend, verslindend, meedoogenloos eindelijk haar
-hardvochtige en zwarte ziel in haar volle naaktheid. Er ontstond een
-angstaanjagend zwijgen, waarin men opnieuw de vroolijke stem van
-Duvillard uit de studeerkamer hoorde komen.
-
-De moeder was zacht begonnen te huilen, toen Hyacinthe den kleinen
-salon kwam binnen vliegen. Toen hij de beide vrouwen zag, haalde hij
-medelijdend-minachtend zijn schouders op.
-
-“Zoo, hebben jullie nu je zin? Hadt je niet beter gedaan dadelijk naar
-beneden te gaan? Je weet toch, dat iedereen naar jullie vraagt. Het
-wordt te gek. Ga nou gauw mee.”
-
-Misschien zouden Eve en Camille, in haar behoefte om elkaar nog meer te
-kwetsen en nog meer te lijden, hem nog niet gevolgd hebben, als
-Duvillard en Fonsègue, die hun sigaar gerookt hadden, niet uit de
-studeerkamer gekomen waren, om ook naar beneden te gaan. Eve moest
-opstaan en met droge oogen glimlachen, terwijl Camille voor den spiegel
-haar haar in orde bracht en met de punt van haar zakdoek den kleinen
-rooden droppel, die aan haar slaap parelde, afveegde.
-
-In de drie reusachtige, met tapijten en groene planten versierde salons
-beneden verdrong zich reeds een dichte menigte. De “stands” waren met
-roode zijde gedrapeerd, wat aan de verschillende artikelen een
-schitterende omlijsting gaf. Geen bazar had met de duizenderlei hier
-opgehoopte voorwerpen kunnen wedijveren, want men vond er van alles:
-van schetsen van meesters en autographen van beroemde schrijvers tot
-schoentjes en kammen toe. Dit pêle-mêle op zichzelf was reeds een
-aantrekkelijkheid, geheel afgezien van het buffet, waar mooie, blanke
-handen champagne schonken, van de twee loterijen, een orgel en een met
-een pony bespannen Engelsch wagentje. Een zwerm van bekoorlijke jonge
-meisjes, die zich midden in het gewoel bewogen, verkocht de loten. Maar
-zooals Duvillard wel voorzien had, werd het groote succes van den bazar
-voornamelijk gevormd door de verrukkelijke rilling, welke de dames
-kregen bij het gaan onder de koetspoort, waar de bom gesprongen was. De
-toegebrachte schade was reeds grootendeels hersteld, maar de schilders
-waren nog bezig.
-
-Toen barones Eve eindelijk met haar dochter Camille naar beneden ging,
-om haar plaats in haar “stand” in te nemen, vond zij de verkoopsters
-reeds koortsachtig bezig, onder leiding van prinses Rosemonde, die bij
-dergelijke gelegenheden buitengewoon listig en roofzuchtig was. Zij
-bestal de koopers met de grootste onbeschaamdheid.
-
-“Ben je daar eindelijk!” riep zij. “Pas maar goed op, want er zijn hier
-een boel koopsters, die een goeden slag trachten te slaan. Ik ken ze,
-zij loeren op gelegenheidskoopjes, halen de etalages door elkaar en
-wachten, tot men het hoofd er bij verliest, om dan minder duur te
-koopen dan in gewone winkels... Maar ik zal ze fatsoenlijk afzetten,
-wacht maar!”
-
-Eve, die een zeer slechte verkoopster was en er zich mede vergenoegde
-in haar “stand” te tronen, moest met de anderen mede lachen. Dan dwong
-zij zich ertoe Camille een paar raadgevingen te geven, welke deze
-glimlachend en gehoorzaam aanhoorde, maar de ongelukkige vrouw bezweek
-bijna bij de angstaanjagende gedachte, dat zij daar tot zeven uur
-blijven en zonder haar hart lucht te geven, voor al die menschen lijden
-moest. Het was dan ook een groote verlichting voor haar, toen zij abbé
-Pierre Froment zag, die op een roodfluweel tabouretje naast den “stand”
-op haar zat te wachten. Doodmoe kwam zij naast hem zitten.
-
-“O, mijnheer de abbé, u hebt mijn brief dus gekregen... Ik heb een
-goede tijding voor u en wilde u het genoegen laten die zelf aan uw
-protégé, dien Laveuve, dien u mij zoo warm aanbevolen hebt, te
-brengen... Alle formaliteiten zijn vervuld; u kunt hem morgen naar het
-Asile laten transporteeren.”
-
-Verbijsterd keek Pierre haar aan.
-
-“Laveuve—maar die is dood!”
-
-Nu verwonderde zij zich op haar beurt.
-
-“Wat, is hij dood?... Maar waarom hebt u ons dat niet laten weten? Als
-u eens wist wat voor moeite we ons gegeven hebben, wat we er allemaal
-voor hebben moeten doen!... Weet u zeker, dat hij dood is?”
-
-“Hij is dood, mevrouw... Een maand geleden is hij gestorven.”
-
-“Al een maand! Maar dat konden wij niet weten. U hebt niets van u laten
-hooren... Lieve hemel, hoe vervelend, dat hij dood is... nu moeten we
-alles weer ongedaan maken.”
-
-“Hij is dood, mevrouw. Het is waar, ik had u moeten waarschuwen... Maar
-wat is er aan te doen? Hij is dood.”
-
-Dat steeds weer terugkomende woord “dood”, de geschiedenis van dezen
-“doode”, met wien zij zich nu sedert een maand bezig hield, deed haar
-rillen en bracht haar heelemaal tot wanhoop. Het klonk haar in het oor
-als een omen van den kouden dood, waarin zij zich in de doodswade van
-haar laatste liefde voelde nederdalen. Pierre moest daarentegen ondanks
-zichzelf bitter over zooveel wreede ironie glimlachen. O, deze hinkende
-naastenliefde, die altijd komt, wanneer de menschen reeds dood zijn.
-
-De priester bleef op het bankje zitten, toen de barones opstaan moest,
-daar zij den rechter van instructie Amadieu komen zag. Hij was zeer
-gehaast, wilde maar even acte de présence geven en iets koopen, vóór
-hij naar het paleis van Justitie terugging. Maar de kleine Massot, de
-verslaggever van den Globe, die om de “stand” heen sloop, zag hem ook
-en vloog, tuk op inlichtingen, naar hem toe. Hij liet hem niet los en
-onderwierp hem aan een formeel verhoor, om te weten, hoe het stond met
-dien Salvat, dien men beschuldigde de bom onder de koetspoort gelegd te
-hebben. Was het niet een uitvinding der politie, zooals sommige bladen
-beweerden? Of was het werkelijk het goede spoor en zou de politie hem
-eindelijk arresteeren? Maar Amadieu gaf ontwijkende antwoorden en zeide
-terecht, dat de zaak hem nog niet aanging, dat hij er zich eerst mede
-te bemoeien had, wanneer die Salvat gearresteerd was en hij met de
-instructie belast werd. Maar in zijn sluw-gewichtige manier van doen,
-in zijn correcte houding van mondain magistraat waren allerlei
-aanduidingen te lezen, als was hij reeds op de hoogte van de kleinste
-bijzonderheden en als beloofde hij voor de eerstvolgende dagen de
-grootste gebeurtenissen. Dames vormden een kring om hem, een zwerm van
-knappe, van nieuwsgierigheid koortsachtige vrouwen verdrong zich om de
-geschiedenis van dien bandiet, welke haar het kippenvel deed krijgen.
-Toen Amadieu van prinses Rosemonde voor twintig francs een doosje
-sigaretten, dat misschien dertig sous waard was, gekocht had, maakte
-hij zich vlug uit de voeten.
-
-Inmiddels was Massot, die Pierre herkend had, dezen de hand gaan
-drukken.
-
-“Die Salvat zal al een heel eind weg zijn, wanneer hij goede beenen
-heeft, denkt u ook niet, mijnheer de abbé?... Ik moet altijd om de
-politie lachen.”
-
-Maar op dat oogenblik kwam Rosemonde met Hyacinthe naar hem toe.
-
-“Mijnheer Massot, u komt overal, u moet beslissen... Het Cabinet des
-Horreurs [10] in Montmartre, de kroeg, waar Legras zijn Fleurs du Pavé
-zingt...”
-
-“Is een vreeselijke plaats, prinses. Ik zou er niet graag met een
-huzaar heengaan.”
-
-“Maak nu geen gekheid, mijnheer Massot; ik spreek in vollen ernst. Een
-fatsoenlijke vrouw kan er heel goed in gezelschap van een heer
-heengaan, niet waar?”
-
-En zonder hem tijd tot een antwoord te laten, wendde zij zich tot
-Hyacinthe:
-
-“Zie je nu wel, dat mijnheer Massot niet neen zegt. Je gaat er vanavond
-met mij heen, dat is afgesproken!”
-
-Zij vloog al weer weg, om aan een oude dame voor tien francs een pakje
-naalden te verkoopen, terwijl de jonge man met zijn geblaseerde stem
-slechts zeide:
-
-“Zij lijkt wel niet wijs met haar Cabinet des Horreurs!”
-
-Massot haalde wijsgeerig zijn schouders op. Een vrouw moest zich nu
-eenmaal amuseeren. Toen Hyacinthe zich verwijderd had en met zijn
-perverse minachting tusschen de mooie, loten verkoopende meisjes
-rondliep, veroorloofde hij zich te prevelen:
-
-“De jongen heeft het hard noodig, dat een vrouw een man van hem maakt.”
-
-Doch dan viel hij zichzelf in de rede en zeide, zich weer tot Pierre
-wendend:
-
-“Kijk, daar heb je Dutheil... Wat kletste Sanier vanochtend toch, dat
-Dutheil vanavond in Mazas zou slapen?”
-
-Inderdaad drong Dutheil zich haastig en glimlachend door de menigte
-heen, om bij Duvillard en Fonsègue, die nog altijd bij den “stand” der
-barones stonden te praten, te komen. Onmiddellijk wuifde hij met zijn
-hand ten teeken van overwinning, om te zeggen, dat hij in de delicate
-opdracht, waarmede men hem belast had, geslaagd was. Het ging om niets
-minder dan om een vermetele manoeuvre, ten einde de opneming van
-Silviane in de Comédie-Française te verhaasten. Zij was op het
-denkbeeld gekomen den baron ertoe te bewegen een invloedrijk criticus
-tot een diner in het Café Anglais uit te noodigen. Deze zou, zoo
-beweerde zij, wanneer hij haar had leeren kennen, de administratie wel
-dwingen de deuren wijd voor haar open te zetten. Het was geen
-gemakkelijke taak den criticus die uitnoodiging te doen aannemen, want
-hij ging voor een knorrig en streng heer door. Dutheil had dan ook drie
-dagen al zijn diplomatie moeten gebruiken en al zijn invloeden in het
-vuur brengen. Maar nu straalde hij: hij had overwonnen.
-
-“Vanavond, waarde baron, vanavond om half acht. Bliksems, het heeft mij
-meer moeite gekost dan er een premieleening door te krijgen.”
-
-Hij lachte met de vroolijke onbeschaamdheid van een pretmaker, die
-weinig last van zijn politiek geweten had. Zelfs had hij veel pleizier
-in zijn toespeling op de nieuwe publicatie van de Voix du Peuple.
-
-“Maak geen gekheid,” fluisterde Fonsègue heel zacht, die het aardig
-vond Dutheil wat bang te maken. “Het staat heel slecht.”
-
-Dutheil werd heel bleek en zag reeds den commissaris van politie en
-Mazas voor zich. Maar in zijn volkomen en naïef gemis aan iederen
-moreelen zin, stelde hij zich dadelijk gerust en begon weer te lachen.
-Lieve hemel, het leven was toch zoo mooi!
-
-“Kom,” antwoordde hij vroolijk, terwijl hij in de richting van
-Duvillard knipoogde; “daar heb je mijn beschermer!”
-
-Deze had hem dankbaar de hand gedrukt en gezegd, dat hij een aardige
-jongen was. En zich tot Fonsègue wendende:
-
-“Zeg, je moet vanavond ook van de partij zijn. Ja, je moet, want ik
-wil, dat Silviane een imponeerenden indruk maakt. Dutheil zal de Kamer
-vertegenwoordigen, jij de journalistiek en ik de financiën.”
-
-Hij viel zich plotseling in de rede, daar hij Gérard, die zich langzaam
-en met een ernstig gezicht een weg door al de vrouwenrokken baande,
-zag. Hij riep hem met een gebaar.
-
-“Gérard, je moet me een dienst bewijzen.”
-
-Dan vertelde hij waar het om ging—dat de invloedrijke criticus de
-uitnoodiging aangenomen had, dat het diner over Silviane’s toekomst
-beslissen zou, dat al haar vrienden verplicht waren zich om haar te
-scharen.
-
-“Ik kan niet,” antwoordde de jonge man verlegen; “ik dineer bij mijn
-moeder, die zich vanochtend niet al te lekker voelde.”
-
-“Je moeder is te verstandig, om niet te begrijpen, dat er dingen van
-buitengewoon en exceptioneel belang zijn. Ga weer naar huis terug,
-vertel haar het een of ander, zeg haar, dat het geluk van een vriend op
-het spel staat.”
-
-En toen Gérard al zwak begon te worden, voegde hij er aan toe:
-
-“Ik heb je noodig, beste jongen, ik heb een man uit de hooge kringen
-noodig. Je weet welk een groote macht de hooge kringen op het tooneel
-vormen. Als Silviane die op haar hand heeft, is haar overwinning
-verzekerd.”
-
-Gérard beloofde te zullen komen en bleef dan nog een oogenblik met zijn
-oom, generaal de Bozonnet, staan praten, die dit gekrioel van vrouwen,
-waarin hij als een oud, afgetuigd schip ronddreef, heel aardig vond.
-Nadat hij madame Fonsègue voor haar welwillendheid, om naar hem te
-luisteren, bedankt had door voor honderd francs een autogram van
-monseigneur Martha van haar te koopen, raakte hij verdwaald onder den
-zwerm jonge meisjes, die hem elkaar als het ware toewierpen. Toen hij
-eruit kwam, had hij zijn handen vol loten.
-
-“Jongen, ik raad je aan je niet onder die jonge dames te wagen. Je
-laatsten sou zou je erbij inschieten!... Kijk, mademoiselle Camille
-roept je!”
-
-Inderdaad wachtte deze op Gérard, sedert zij hem gezien had. Zij
-glimlachte uit de verte tegen hem, en toen hun oogen elkaar ontmoetten,
-moest hij wel naar haar toe gaan, ofschoon hij op hetzelfde moment den
-wanhopigen blik van Eve, die hem ook smeekend riep, op zich voelde
-rusten. Camille, die merkte, dat haar moeder geen oog van haar af had,
-overdreef dadelijk haar vriendelijkheid als verkoopster en maakte van
-de kleine vrijheden, die de liefdadigheidskoorts toestond, gebruik,
-stopte de zakken van den jongen man vol met allerlei kleine voorwerpen,
-gaf hem andere in zijn handen, die zij tusschen de hare drukte—en dat
-alles met een jeugdigen overmoed, met een luid, frisch gelach, dat de
-andere, haar mededingster, martelde.
-
-Eve leed er zeer onder, wilde naar hen toegaan, hen scheiden. Maar
-juist op dat oogenblik werd zij tegengehouden door Pierre, die op een
-denkbeeld gekomen was, dat hij, alvorens den bazar te verlaten, aan
-haar oordeel onderwerpen wilde.
-
-“Nu Laveuve dood is en u zooveel moeite gegeven hebt voor het bed, dat
-nog vrij is, zou ik u willen vragen zoo goed te willen zijn er nog niet
-over te beschikken, voor ik abbé Rose gesproken heb. Ik zie hem
-vanavond, en hij, die zooveel ellende kent, zal zoo blij zijn er
-tenminste één te kunnen verlichten en een van zijn armen naar het Asile
-te kunnen brengen.”
-
-“Natuurlijk,” stamelde de barones; “ik zal zoo gelukkig zijn... zooals
-u wilt... Ik zal nog wachten... Ongetwijfeld, ongetwijfeld, mijnheer de
-abbé!”
-
-Heel haar arm, lijdend wezen beefde. Zij wist niet meer wat zij zeide,
-zij kon haar hartstocht niet overwinnen, liet den pastoor staan en
-merkte niet eens, dat hij daar stond, toen Gérard, gehoor gevend aan
-het smartelijke smeeken van haar blik, erin slaagde het jonge meisje te
-ontsnappen, om eindelijk naar de moeder te gaan.
-
-“Wat kom je toch weinig, lieve vriend!” zeide zij hardop en
-glimlachend. “We zien je bijna niet meer!”
-
-“O, ik voelde mij niet lekker,” antwoordde hij vriendelijk.
-
-Hij ziek! Vol moederlijke bezorgdheid keek zij hem aan, en het kwam
-haar inderdaad voor dat zijn correct, knap mannegezicht ondanks de
-trotsche, voorname uitdrukking wat bleeker was, dat de edele buitenkant
-het onherstelbaar innerlijk verval minder verborg. Ja hij met zijn
-aangeboren goedheid moest wel lijden onder zijn onnut, mislukt leven,
-onder al het geld, dat hij aan zijn arme moeder kostte, wat hem ten
-slotte wel tot dit huwelijk met dit rijke, mismaakte meisje, dat hij
-was gaan beklagen, drijven zou. Zij voelde, dat hij zelf zóó zwak was,
-als een wrak door een storm zóó heen en weer geslingerd werd, dat haar
-hart volschoot en zij, nauwlijks fluisterend, vurig smeekte te midden
-van deze menigte, die alles hooren kon.
-
-“Als jij lijdt—ik niet minder!... Gérard, we moeten elkaar spreken, ik
-wil het.”
-
-“Neen, laten we nog wat wachten!” stamelde hij verlegen.
-
-“Het moet, Gérard. Camille heeft me je plannen verteld. Je kunt niet
-weigeren me te zien. Ik wil je spreken.”
-
-Bevend trachtte hij nogmaals de wreede verklaring te vermijden.
-
-“Maar daar is het onmogelijk; ze kennen het adres.”
-
-“Nu, dan morgen om vier uur in het kleine restaurant van het Bois de
-Boulogne, waar we al eens meer geweest zijn.”
-
-Hij moest het beloven en zij namen afscheid. Camille draaide zich om en
-keek naar hen. Een groote menigte vrouwen belegerde den “stand” en de
-barones begon op haar nonchalante manier te verkoopen, terwijl Gérard
-zich weer bij Duvillard, Fonsègue en Dutheil voegde, die door het
-vooruitzicht op het diner zeer opgewonden waren.
-
-Pierre had het gesprek gedeeltelijk gehoord. Hij kende de geheimen van
-het huis, de marteling, de physiologische en moreele ellende, die door
-den glans van zooveel rijkdom en macht verborgen werd. Het was een
-steeds dieper invretende, vergiftigde wond: een knagende ziekte
-verteerde vader, moeder, zoon en dochter, bij wie alle maatschappelijke
-banden losgeraakt waren. Om de salons te kunnen verlaten, moest Pierre
-zich een weg banen door de menigte der koopsters, die uit den triomf
-van den bazar een manifestatie wilden maken. En daar ergens in de
-verte, in het diepe donker rende Salvat onophoudelijk voort, terwijl
-Laveuve, de doode, als het ware een kaakslag van bittere ironie in het
-aangezicht der bedriegelijke, lawaaierige barmhartigheid was.
-
-
-
-
-II.
-
-Welk een heerlijke vrede heerschte daar bij den goeden abbé Rose in den
-kleinen, op een smallen tuin uitzienden rez-de-chaussée, welken hij in
-de rue Cortot bewoonde! Geen geratel van wagens, zelfs niet de
-ademhaling van het aan de andere zijde van den heuvel van Montmartre
-dreunende Parijs drong door tot de groote stille en de ingesluimerde
-rust van een afgelegen provinciestadje.
-
-Het sloeg zeven uur, de schemering was langzaam ingevallen. Pierre zat
-in het eenvoudige eetkamertje te wachten, dat de huishoudster de soep
-op zou doen. De abbé, die zich ongerust maakte, dat hij hem in een
-maand—sedert hij zich met zijn broeder Guillaume in Neuilly had
-opgesloten—zoo goed als niet gezien had, had hem den vorigen dag een
-brief geschreven en gevraagd te komen eten, om eens kalm over hun zaken
-te spreken, want Pierre bleef hem geld voor hun gemeenschappelijke
-aalmoezen geven, en sedert de oprichting van hun asyl in de rue de
-Charonne hadden zij samen hun liefdadigheidsrekeningen, die zij van
-tijd tot tijd controleerden. Na het eten zouden zij erover spreken en
-nagaan of er niet iets beters te doen viel. De goede priester straalde
-van vreugde over dezen mooien, vreedzamen, goeden avond, dien hij zoo,
-met zijn lieve armen zich bezig houdend, doorbrengen zou; dat was
-ondanks alle onaangenaamheden, welke zijn ondoordachte naastenliefde
-hem reeds bezorgd had, zijn eenig genot, waartoe hij, uit hartstocht,
-als tot een zondige zwakheid steeds terugkeerde.
-
-Pierre was blij hem dit genoegen te kunnen doen en vond ook zelf
-daardoor een opluchting, een rust van enkele uren in dit zoo eenvoudige
-middagmaal, in al die goedheid, welke hun omgaf; hij was nu ver van
-zijn vreeselijke marteling. Hij herinnerde zich het vrije bed in het
-Asile des Invalides du Travail en dat barones Duvillard hem beloofd had
-te zullen wachten tot hij aan abbé Rose gevraagd zou hebben, of hij
-niet ergens een groote ellende, die belangstelling verdiende, wist. Hij
-begon er dadelijk over, nog vóór zij aan tafel gingen.
-
-“Een groote ellende, die belangstelling verdient? Maar beste jongen,
-die verdienen ze allemaal. Als je iemand gelukkig wilt maken, heb je,
-vooral wanneer het oude, werklooze arbeiders betreft, keus in
-overvloed, vraag je je alleen maar angstig af, wie de uitverkorene zal
-zijn, terwijl zooveel anderen in hun hel blijven.”
-
-Toch dacht hij na, wond zich op, nam eindelijk ondanks den smartelijken
-strijd van zijn gewetensbezwaren, een besluit.
-
-“Ik weet het al. Dat is beslist de ongelukkigste en bescheidenste van
-allen, een oude man van twee-en-zeventig jaar, een schrijnwerker, die
-sedert de acht of tien jaar, dat hij van de openbare liefdadigheid
-leeft, geen werk meer vinden kan. Zijn naam weet ik niet, iedereen
-noemt hem den grooten Oude. Dikwijls blijft hij weken lang van mijn
-Zaterdagsche uitdeelingen weg. Wanneer er haast is met de opneming,
-zullen we hem moeten gaan zoeken. Ik geloof, dat hij meermalen in het
-nachtasyl in de rue d’Orsel slaapt, wanneer plaatsgebrek hem ten minste
-niet dwingt achter het een of ander staketsel te gaan liggen. Willen we
-vanavond in de rue d’Orsel gaan kijken?”
-
-Zijn oogen schitterden; voor hem waren die bezoeken aan de grootste
-ellende, die hij ondanks zijn overvloeiend apostelmedelijden niet meer
-durfde maken, zoo had men ze hem verweten en als een misdaad
-aangerekend, een orgie, de verboden vrucht.
-
-“Is dat afgesproken, jongen? Alleen dezen éénen keer nog maar! Het is
-trouwens de eenige manier, om den grooten Oude te vinden. Je kunt tot
-elf uur bij mij blijven... En bovendien zou ik je graag laten zien,
-welk een verschrikkelijke ellende daar heerscht. Misschien hebben we
-het geluk, dat we den een of anderen armen stakkerd kunnen helpen.”
-
-Pierre glimlachte om dien jeugdigen ijver bij dezen ouden man met zijn
-sneeuwwit haar.
-
-“Afgesproken, waarde abbé! Ik vind het heerlijk den heelen avond hier
-bij u te blijven en het zal me goed doen u nog eens op een van onze
-oude drijfjachten te volgen, waarvan we altijd met een hart vol vreugde
-en smart terugkwamen.”
-
-De huishoudster bracht de soep. Maar juist toen de beide priesters aan
-de tafel wilden gaan zitten, werd er zacht en bescheiden gebeld, en
-toen de abbé hoorde, dat het een buurvrouw, madame Mathis, was, die een
-antwoord kwam halen, liet hij haar binnenkomen.
-
-“De arme vrouw had een voorschot van tien francs noodig, om een matras
-uit de bank van leening te krijgen,” legde hij Pierre uit. “Ik had ze
-niet, maar heb ze van een ander weten te krijgen. Zij woont hier in
-huis, in een vreeselijke, heimelijke ellende... Haar inkomsten zijn zoo
-klein, dat zij er niet van leven kan.”
-
-“Maar,” vroeg Pierre, die zich den jongen man herinnerde, dien hij bij
-Salvat gezien had; “heeft zij geen grooten zoon van twintig jaar?”
-
-“Ja juist... Ik geloof, dat haar ouders rijke provincialen waren. Zij
-is, naar men mij verteld heeft, getrouwd met een pianomeester, die haar
-te Nantes les gaf en haar geschaakt heeft. Zij is met hem naar Parijs
-gekomen, waar hij gauw gestorven is, een treurige liefdesroman. Door
-haar meubels te verkoopen en alles bij elkaar te scharrelen, had zij
-een rente van nog geen twee duizend francs en kon zij haar zoon op het
-gymnasium laten gaan en zelf bescheiden leven. Maar daar zij haar
-kapitaaltje in twijfelachtige waarden belegd had, is een groot deel van
-haar geld verdwenen en heeft zij nog maar een inkomen van achthonderd
-francs. Zij heeft tweehonderd francs huur te betalen, zoodat zij met
-vijftig francs per maand moet rondkomen. Anderhalf jaar geleden heeft
-haar zoon haar verlaten, om haar niet langer tot last te zijn, en
-tracht zijn eigen brood te verdienen, wat hem echter, naar ik geloof,
-niet gelukt.”
-
-Madame Mathis kwam binnen, een kleine donkere vrouw met een treurig,
-zacht en kwijnend gezicht. Zij droeg altijd dezelfde zwarte japon,
-sprak nauwelijks en leefde in de ongeruste afzondering van een arm
-schepsel, dat steeds door den storm van het ongeluk getroffen wordt.
-Toen abbé Rose haar de fijngevoelig ingepakte tien francs gaf, kreeg
-zij een kleur, bedankte hem en beloofde ze terug te zullen geven,
-zoodra zij haar maandgeld ontving, want zij was geen bedelares en wilde
-niets afnemen van het deel, dat voor hongerlijders bestemd was.
-
-“En heeft uw zoon Victor werk gevonden?” vroeg de abbé.
-
-Zij aarzelde, want zij wist niet wat haar zoon deed, daar zij hem soms
-in weken niet zag. Zij antwoordde dan ook slechts:
-
-“Hij is heel goed en houdt veel van mij... Het is zoo jammer, dat wij
-geruïneerd werden, voor hij op de École Normale was. Nou heeft hij zijn
-examen niet kunnen doen... Hij was zoo’n knappe en ijverige leerling op
-het gymnasium.”
-
-“U hebt uw man verloren, toen uw zoon tien was, niet waar?”
-
-Weer kreeg zij een kleur, dacht dat heel haar geschiedenis aan de beide
-priesters bekend was.
-
-“Ja, mijn arme man heeft nooit geluk gehad. De tegenslag had hem
-verbitterd, zijn denkbeelden werden steeds geëxalteerder en hij is in
-de gevangenis gestorven—tengevolge van een vechtpartij in een
-volksvergadering, waarbij hij ongelukkigerwijze een politie-agent
-wondde... Tijdens de Commune had hij medegevochten... Maar toch was hij
-een heel zachtmoedig man, die mij aanbad.”
-
-Tranen waren in haar oogen gekomen. En abbé Rose liet haar gaan met de
-troostgevende woorden:
-
-“Laten we hopen, dat u nog plezier van uw zoon zult beleven en dat hij
-u alles zal vergoeden wat u voor hem gedaan hebt.”
-
-Madame Mathis verwijderde zich langzaam met een gebaar van eindelooze
-triestheid. Zij wist niets van haar zoon, maar zij beefde voor de
-verbittering van het harde noodlot.
-
-“Ik geloof niet,” zeide Pierre, toen zij weer alleen waren, “dat de
-arme vrouw veel op haar zoon kan rekenen. Ik heb den jongen maar eens
-gezien, maar zijn heldere oogen zijn zoo koud en snijdend als een mes.”
-
-“Vindt je?” riep de oude priester verbaasd uit. “Hij leek mij een heel
-beleefde jongen, misschien een beetje genotzuchtig, maar onze
-tegenwoordige jeugd is nu eenmaal vroeg rijp... Maar laten we aan tafel
-gaan, de soep zal koud worden.”
-
-
-
-Bijna op hetzelfde uur was het ook aan een ander einde van Parijs, in
-den salon van gravin de Quinsac, welken zij achter in den stillen en
-triesten rez-de-chaussée van een oud hôtel in de rue de Saint-Dominique
-had, langzaam donker geworden. Zij zat daar alleen met markies de
-Morigny, den trouwen vriend, aan den haard, waarin juist de gloed van
-het laatste blok hout uitdoofde. De dienstbode had de lamp nog niet
-gebracht en de gravin vergat te bellen; die toenemende donkerte gaf
-eenige verlichting voor haar onrust, maakte den heimelijken angst, dien
-zij bang was te veel op haar moe gezicht te zullen toonen, onzichtbaar.
-Nu eerst durfde zij spreken.
-
-“Ja beste vriend, ik ben niet erg gerust omtrent de gezondheid van
-Gérard. Enfin, je zult hem straks zien, want hij heeft mij beloofd
-vroeg thuis te zullen komen en met mij te dineeren. O, zeker, ik weet
-heel goed, dat hij er flink en sterk uitziet, maar om hem goed te
-kennen, moet men voor hem gezorgd hebben zooals ik. Met hoeveel moeite
-heb ik hem niet grootgebracht! Steeds staat hij bloot aan allerlei
-kleine kwalen, die bij hem onmiddellijk erger worden... En het leven,
-dat hij leidt, is voor zijn gezondheid allesbehalve goed.”
-
-Zij zweeg, zuchtte, durfde niet goed alles bekennen.
-
-“Hij leidt het leven, dat hij leiden kan,” zeide langzaam markies de
-Morigny, wiens fijn profiel en voornaam, streng en teer gezicht in
-donkerte gedompeld was.
-
-“Wat moest hij doen, nu hij het militaire leven niet heeft kunnen
-verdragen en u zelfs tegen de vermoeienissen van den diplomatieken
-dienst voor hem opziet. Hem blijft niet anders over dan op den
-achtergrond te leven en onder deze afschuwelijke Republiek, die
-Frankrijk naar het graf voert, den ondergang af te wachten.”
-
-“Je hebt gelijk, beste vriend, maar juist dat leven van niets-doen
-maakt mij zoo bang. Daarin verliest hij al het goede en gezonde, dat
-hij nog heeft... Ik zeg dat niet alleen voor al de liaisons, die wij
-dulden moeten. De laatste, waarbij ik me zoo moeilijk kon neerleggen,
-omdat mijn denkbeelden en mijn geloof er zich zoo tegen verzetten,
-heeft, naar het mij voorkomt, een goeden invloed op hem gehad... Maar
-nu is hij bijna zes-en-dertig en hij kan toch niet op die wijze, zonder
-doel, verder blijven leven. Misschien is hij alleen maar ziek, omdat
-hij niets doet, niets is en voor niets deugt.”
-
-Weer begaf haar stem haar even.
-
-“En bovendien, beste vriend... nu je mij dwingt, alles te zeggen, ik
-zelf voel me ook niet erg goed... Ik heb in den laatsten tijd flauwtes
-gehad, den dokter daarover geraadpleegd... In het kort, iedere dag kan
-de laatste zijn.”
-
-Bevend boog Morigny zich naar haar toe en wilde in de steeds toenemende
-duisternis haar handen in de zijne nemen.
-
-“Wat, lieve vriendin, jou zou ik moeten verliezen, mijn laatsten afgod!
-Ik, die de oude wereld, waartoe ik behoor, ineen heb zien storten en
-nog slechts leef in de hoop, dat jij tenminste blijven zoudt om mij de
-oogen toe te drukken.”
-
-Zij smeekte hem haar onrust nog niet grooter te maken.
-
-“Neen, neen, kus mijn handen niet; blijf daar in het halfdonker zitten,
-waarin ik je nauwlijks zien kan... Dat wij elkander zoo lang zonder
-schande en wroeging lief gehad hebben, moet tot aan het graf onze
-goddelijke sterkte blijven... En als je me aanraakte, als ik je te
-dicht bij mij voelde, zou ik niet tot het einde toe kunnen spreken,
-want ik heb nog niet alles gezegd.”
-
-En toen hij weer in zijn zwijgen en roerloosheid teruggevallen was,
-ging zij voort:
-
-“Als ik morgen stierf, zou Gérard niet eens het kleine vermogen vinden,
-dat hij denkt, dat ik bezit. De lieve jongen heeft mij veel gekost,
-zonder dat hij het ooit vermoed heeft. Zeker, ik had strenger en
-verstandiger moeten zijn, maar mijn ongeluk is altijd geweest, dat ik
-een te zwakke moeder was... Begrijp je nu den angst, waarin ik leef,
-zoodra ik eraan denk, dat Gérard, als ik sterf, niet genoeg zal hebben,
-daar hij niet in staat is het wonder, dat ik iederen dag herhaal, te
-doen, om den bedriegelijken schijn van ons huis op te houden... Ik ken
-hem, ik weet hoe zwak en ziekelijk hij ondanks zijn gezond uiterlijk
-is. Wat moet er van hem worden? Zal hij niet tot de grootste armoede
-vervallen?”
-
-Zij liet nu haar tranen den vrijen loop, haar verscheurd hart bloedde,
-als zij zich voor den geest riep wat er van haar aangebeden kind,
-waarin hun geslacht en een geheele wereld ineenstortten, na haar dood
-worden moest. Onbeweeglijk en diep ontroerd bleef de markies zitten;
-hij voelde wel, dat hij geen recht had zijn vermogen aan te bieden, en
-begreep op welk een nieuwen val dat ongeluk uitloopen zou.
-
-“Arme vriendin,” zeide hij eindelijk met een van verzet en smart
-bevende stem; “is het al zoover gekomen, dat je aan dat huwelijk, aan
-dat afschuwelijke huwelijk met de dochter van die vrouw denkt? Nooit
-zou het gebeuren, heb je indertijd gezworen. Liever zou je alles dood
-zien gaan. En nu stem je toe, ik voel het!”
-
-Nog steeds weende zij in den donkeren salon voor het uitgegane vuur.
-Was dat huwelijk van Gérard en Camille voor haar niet de gelukkige
-oplossing, de zekerheid, dat zij haar zoon rijk en gelukkig en voor
-haar geheele leven verzekerd achterliet? Maar een laatste verzet rees
-in haar op.
-
-“Neen, neen, ik stem niet toe; ik zweer je, dat ik nog niet toestem. Ik
-strijd met al mijn krachten... een vreeselijken strijd, waarvan je de
-marteling niet begrijpen kunt.”
-
-Maar oprecht voorzag zij haar nederlaag.
-
-“Geloof mij, waarde vriend, dat ik, wanneer ik eenmaal toegeven mocht,
-het afschuwelijke van zoo’n huwelijk even goed voel als jij. Het is het
-einde van ons geslacht en van onze eer.”
-
-Deze kreet ontroerde hem diep. Ook hij verwachtte in zijn
-intransigentie van Katholiek en hoogmoedigen royalist niets anders dan
-een laatste instorting. Maar welk een smartvolle gedachte was het voor
-hem, dat deze edele, zoo innig en zoo rein beminde vrouw het
-jammerlijkste slachtoffer in die catastrophe zijn zou! Nu de duisternis
-hen omgaf, waagde hij het voor haar neer te knielen, haar hand te nemen
-en te kussen.
-
-Toen de dienstbode eindelijk een brandende lamp binnenbracht, kwam ook
-Gérard. De oude salon Louis XVI met het doffe beeldhouwwerk kreeg in
-het zwakke licht zijn ouderwetsche bekoring terug. De jonge man
-huichelde een groote opgewektheid, om zijn moeder gerust te stellen en
-niet al te bedroefd achter te laten, nu hij niet bij haar kon blijven
-dineeren. Toen hij haar uitgelegd had, dat een paar vrienden hem
-verwachtten, ontsloeg zij hem dadelijk van zijn belofte, blij hem zoo
-vroolijk te zien.
-
-“Ga maar jongen, doch vermoei je niet te veel... Morigny zal nu blijven
-dineeren en om negen uur komen de generaal en Larombardière. Ik zal mij
-heusch niet vervelen.”
-
-En zoo kon Gérard, na nog een oogenblik met den markies gepraat te
-hebben, naar het Café Anglais gaan.
-
-Toen hij daar kwam, gingen reeds in bontmantels gehulde vrouwen de trap
-op; de zaaltjes vulden zich met vroolijke en weelderig gekleede
-gezelschappen, de electrische lampjes straalden, de beweging van de
-verblindende prostitutie der hoogere kringen begon de muren te schokken
-en te verhitten. In het door den baron besproken cabinet particulier
-vond hij een buitengewonen overvloed van alles, prachtige bloemen,
-kristal, zilver, als moest een galadiner gegeven worden. De tafel voor
-zes couverts was gedekt met een weelde, die een glimlach op zijn lippen
-riep; het menu en de wijnkaart beloofden wonderen: het zeldzaamste en
-duurste, dat men kiezen kon.
-
-“Chic, hé?” riep Silviane, die er reeds met Duvillard, Fonsègue en
-Dutheil was. “Ik wil je invloedrijken criticus eens paf doen staan...
-Wanneer je een journalist zoo’n diner geeft, moet hij wel lief zijn,
-wat?”
-
-Zij had, om te overwinnen, een extravagant toilet aangetrokken, een
-geelzijden japon met oude Alençon-kant, had zich gedecolleteerd en
-droeg al haar juweelen: een diadeem in het haar, een rivière om den
-hals, armbanden en ringen. Met haar kuisch, door prachtig haar omlijst
-madonnagezichtje leek zij op een met de offeranden der geheele
-Christenheid bedekte moeder Gods, de jonkvrouwelijke koningin.
-
-“Nou je bent zóó mooi, dat je dit ook staat,” zeide Gérard, die haar
-dikwijls plaagde.
-
-“O, jij vindt natuurlijk, dat ik maar een burgermeisje ben en dat een
-eenvoudig dinertje en een bescheiden toilet een teeken van meer smaak
-geweest zouden zijn,” antwoordde zij, zonder boos te worden. “Maar jij
-weet niet, beste jongen, hoe je de mannen vangen moet”
-
-Duvillard gaf haar gelijk; hij was verrukt haar in haar volle glorie,
-als een afgodsbeeld opgetooid, te kunnen laten zien. Fonsègue sprak
-over diamanten en beweerde, dat het onzekere en wisselvallige waarden
-waren, sedert de wetenschap, dank zij de electriciteit, weldra in staat
-zou zijn ze tot iets alledaagsch te maken. Dutheil draaide met de
-sierlijke bewegingen van een kamenier om de jonge vrouw heen, om een
-plooi van de kant recht te leggen of een weerbarstig haarlokje op te
-steken.
-
-“Nou, die criticus is ook een ongelikte beer, om zoo op zich te laten
-wachten!”
-
-Inderdaad kwam de criticus een kwartier te laat, terwijl hij zich
-dadelijk verontschuldigde, dat hij tot zijn groot leedwezen weer om
-half tien weg moest, daar hij, of hij wilde of niet, acte de présence
-geven moest in een klein theater in de rue Pigalle. Het was een groote,
-breedgeschouderde vijftiger met een vol, behaard gezicht. Van de École
-Normale had hij een beperkt dogmatisme, een bekrompen schoolgeleerdheid
-overgehouden, waarvan niets hem had kunnen afbrengen, noch zijn
-herculische pogingen om sceptisch en oppervlakkig te zijn, noch zijn
-twintigjarig verkeer in alle Parijsche kringen. Een schoolvos was hij
-en een schoolvos bleef hij. Dadelijk bij zijn binnenkomen dwong hij
-zich verrukt over Silviane te zijn. Hij kende haar natuurlijk van
-gezicht, ja hij had zelfs naar aanleiding van de enkele rollen, waarin
-zij opgetreden was, in een paar regels heel minachtend over haar
-geschreven. Maar dit mooie, koninklijk gekleede, onder de bescherming
-van vier aanzienlijke mannen gepresenteerde jonge meisje maakte indruk
-op hem; de gedachte kwam in hem op, dat er niets Parijscher, niets
-vrijer van schoolvosserij zijn kon dan haar te steunen door in haar een
-talent te ontdekken.
-
-Men zette zich aan tafel. Alles was prachtig, de bediening uitstekend.
-Op het sneeuwwitte tafellaken geurden de bloemen, schitterde het
-zilverwerk en het kristal, terwijl een overvloed van de zeldzaamste en
-duurste schotels geserveerd werd: Russische visch, verboden wild, de
-laatste, als eieren zoo groote truffels, primeurs, sappig als in het
-volle seizoen. Het was een geldverspilling alleen voor het genot om
-dat, wat men op die wijze slechts te eten kreeg, met waanzinnige
-prijzen te betalen, voor den roem tot zichzelf te zeggen, dat niemand
-meer uitgeven kon.
-
-De criticus stond verbaasd, hoewel hij het air aannam van iemand, die
-aan alle feesten gewend is; hij werd dienstvaardig, beloofde zijn
-steun, verbond zich tot meer dan hij feitelijk gewild had. Verder was
-hij heel opgewekt, vond geestige woorden, overdreef zelfs zijn goede
-luim door ruwe grappen. Maar toen na het wild en de oude Bourgonje, de
-Champagne verscheen, geraakte hij in vuur en kwam, zonder dat hij er
-zich tegen verzetten kon, zijn ware natuur weer boven. Men had het
-gesprek op Polyeucte gebracht, op de rol van Pauline, die Silviane voor
-haar debuut in de Comédie-Française wilde spelen. Deze wonderlijke
-gril, die hem een week geleden woedend gemaakt had, scheen hem nu nog
-slechts een vermetele poging, die zij overwinnend doorstaan zou, als
-zij zijn raad wilde opvolgen. Nu was hij op zijn stokpaardje, hield een
-heel betoog over de rol, beweerde, dat geen enkele tragedienne tot nog
-toe die rol goed begrepen had, dat Pauline in den beginne slechts een
-braaf burgermeisje was en dat het mooie van haar bekeering bij de
-ontknooping juist lag in het wonder, in de genade, die van haar een
-goddelijke figuur maakte. Dat was niet de opvatting van Silviane, die
-van af de eerste verzen in haar de ideale heldin uit de een of andere
-symbolische legende zag. Hij sprak eindeloos door, zij deed, alsof zij
-overtuigd was, en hij was verrukt over een zoo mooie en zoo gewillige
-leerling. Doch toen het tien uur sloeg, verliet hij haastig het
-geurige, gloeiend-heete vertrek, om zijn plicht in de rue Pigalle te
-gaan doen.
-
-“Jezus, kinderen, wat heeft die kerel mij verveeld!” riep Silviane uit.
-“Hij lijkt wel idioot met zijn Pauline als burgermeisje. Als ik hem
-niet noodig had, dan zou ik hem eens eventjes de waarheid gezegd
-hebben... Waarachtig, het is te gek! Schenk mij een glas champagne in,
-ik moet me wat opvroolijken.”
-
-Terwijl uit de gangen en uit de cabinets particuliers gelach en geluid
-van kussen klonk, nam nu het feest tusschen de vier mannen en dit met
-diamanten opgetooide, gedecolleteerde, half naakte meisje een zeer
-intiem karakter aan. Onder het raam, op den boulevard, bewoog zich de
-stroom van rijtuigen en voetgangers, de koortsachtige genotzucht, het
-geschacher met liefde.
-
-“Neen, het raam niet open zetten, je zult me nog verkouden maken,”
-zeide Silviane tegen Fonsègue, die naar het venster ging. “Heb je het
-zoo warm? Ik vind het hier heel lekker... Zeg, beste Duvillard, laat
-nog wat champagne komen. Het is verbazend zoo’n dorst als ik van dien
-criticus gekregen heb!”
-
-Het was benauwd warm in de verblindende warmte der lampen, in den
-steeds drukkender wordenden geur der bloemen en der wijnen. Een
-onweerstaanbare drang om dronken te worden, om op een gemeene manier
-pleizier te maken zooals in vroegere dagen, maakte zich van haar
-meester: een paar glazen champagne deden de rest: zij werd door een
-overmoedige, luidruchtige, verdoovende vroolijkheid aangegrepen. Nooit
-nog hadden zij haar zoo grappig gezien, zoodat zij zelf ook pret
-begonnen te krijgen. Daar Fonsègue naar de courant terug moest, gaf zij
-hem een zoen—een dochterlijke zoen, zooals zij zeide, omdat hij altijd
-respect voor haar gehad had. Toen zij alleen met de drie anderen bleef,
-nam zij in het geheel geen blad meer voor haar mond, wat hen nog meer
-prikkelde en opwond. Naarmate zij meer dronken werd, kwam haar
-schaamteloosheid steeds meer te voorschijn; haar madonnagezichtje, haar
-ideaal-rein uiterlijk, waaronder zich de meest perverse, de
-monsterachtigste courtisane openbaarde, was haar grootste prikkel,
-zooals zij heel goed wist. Vooral wanneer zij dronken was, had zij, met
-haar onschuldige blauwe oogen en haar leliereinheid, duivelsche
-phantasieën, die de mannen razend maakten.
-
-Duvillard liet haar dan ook kalm dronken worden, spoorde haar zelfs tot
-drinken aan, want hij koesterde het heimelijke plan haar naar huis te
-brengen, en wanneer de dronkenschap haar aan hem overleverde, bij haar
-te blijven. Maar zij doorzag hem en zeide glimlachend:
-
-“Ik snap je wel, dikkerd! Je denkt, dat ik vanavond liever voor je zal
-zijn, omdat ik zoo vroolijk ben. Maar dan vergis je je, mijn hoofd is
-nog helder... Je zult mij niet aanraken voor je me in de Comédie hebt
-laten debuteeren.”
-
-Duvillard, dien zij nu sedert zes weken speende, dwong zich tot een
-lachje; hij hoopte nog steeds, dat hij, wanneer hij maar geduldig
-wachtte, haar wel naar bed zou brengen. Gérard, dien zij in een
-herinnering aan de verliefde luim, welke zij al eens voor hem gehad
-had, vriendelijk toelonkte, liet zich in zijn gebroken wilskracht
-geheel door zijn begeerte naar een gelukkigen nacht beheerschen,
-terwijl Dutheil, die steeds op een gelegenheid loerde, welke haar aan
-hem overleveren zou, zich opwond bij de gedachte, dat, als hij handig
-wist te manoevreeren, eindelijk de beurt aan hem komen zou.
-
-Toen zij merkte, dat zij zoo begeerd werd, verzon zij allerlei
-onmogelijke geschiedenissen, deed hun verhalen, waaruit een
-verwonderlijk vuile phantasie bleek. En zij vonden haar in haar
-schitterend toilet als van een jonkvrouwlijke koningin onbetaalbaar.
-Toen zij genoeg champagne gedronken had en half dol was, viel haar
-plotseling iets in.
-
-“Zeg eens kinderen, we blijven toch niet hier, het wordt vervelend. We
-moeten wat doen... Weet je wat, jullie moesten tot besluit van den
-avond met me naar het Cabinet des Horreurs gaan. Ik wil La Chemise
-hooren, het lied, dat Legras zingt. Heel Parijs loopt er heen.”
-
-Maar ditmaal verzette Duvillard zich.
-
-“Neen, dat gaat niet. Dat lied is het vuilste, wat je denken kan. Nooit
-ga ik daar met je heen.”
-
-Zij scheen hem niet te hooren; maar was al opgestaan en maakte lachend
-voor een spiegel haar kapsel in orde.
-
-“Ik heb in Montmartre gewoond en wil er weer naar terug. En bovendien
-wil ik weten of die Legras dezelfde Legras is, dien ik vroeger gekend
-heb, o, al heel lang geleden... Vooruit met de geit!”
-
-“Maar we kunnen je toch in zoo’n toilet niet in die kroeg brengen,
-lieve kind! Stel je voor dat je daar gedecolleteerd en met al je
-diamanten binnenkomt! Ze zullen je uitfluiten... Gérard, zeg haar toch,
-dat zij verstandig moet zijn!”
-
-Gérard, dien de gedachte van zoo’n dolle onderneming eveneens hinderde,
-wilde tusschenbeide komen, maar zij sloot hem met haar reeds
-gehandschoende hand den mond en herhaalde met de vroolijke
-eigenzinnigheid van de dronkenschap.
-
-“Als ze ons uitfluiten, zal het nog lolliger zijn... Laten we
-opschieten!”
-
-Nu trok Dutheil, die glimlachend luisterde, galant haar partij.
-
-“Maar beste baron, iedereen gaat naar het Cabinet des Horreurs. Ik ben
-er met heel voorname dames geweest en speciaal voor La Chemise, dat
-volstrekt niet gemeener is dan iets anders!”
-
-“Hoor je wat Dutheil zegt, dikzak?” riep Silviane triomphantelijk uit.
-“En hij is afgevaardigde. Hij zou zijn eervolle positie niet graag
-compromitteeren.”
-
-Toen Duvillard zich in zijn wanhoop, om zich op zoo’n plaats met haar
-te vertoonen, bleef verzetten, werd zij niet boos, maar integendeel nog
-vroolijker.
-
-“Doe jij maar wat je wilt, dikzak! Ik heb je niet noodig. Ga jij maar
-met Gérard weg en tracht elkaar te troosten. Ik ga er met Dutheil naar
-toe. Jij wilt wel met me meegaan, nietwaar Dutheil?”
-
-Maar dat was niet de ontknooping, die de baron wenschte. Hoewel de
-angst hem niet verliet, moest hij zich wel bij de luim van dit
-verschrikkelijke meisje, welks geur alleen reeds hem dol maakte,
-neerleggen. Hij vond slechts één uitweg—hij liet Gérard, die in een
-laatste opwelling van zijn waardigheid hardnekkig weigerde van de
-partij te zijn, niet gaan. Hij nam zijn beide handen, hield hem terug
-en smeekte hem op een zoo bijzonderen toon hem dien vriendendienst te
-bewijzen, dat de minnaar van de vrouw, de verloofde van de dochter
-eindelijk gedwongen was den echtgenoot en vader zijn zin te geven.
-
-Silviane, die het heele tooneeltje gevolgd had, amuseerde zich dol en
-lachte tranen. Plotseling liet zij zich gaan, verried haar gril voor
-Gérard en zeide met een toespeling op zijn liaison met de barones.
-
-“Kom, ga toch mee kerel; dat ben je hem werkelijk wel verplicht!”
-
-Duvillard deed alsof hij het niet hoorde. Dutheil zeide, om hem gerust
-te stellen, dat er in een hoek van het Cabinet des Horreurs een soort
-loge was, waarin je je wat verdekt kon opstellen. Gelukkig stond het
-rijtuig van Silviane, een groote gesloten landauer te wachten; de
-koetsier, een mooie, flinke kerel, zat onbeweeglijk op den bok. In draf
-reden zij weg.
-
-Het Cabinet des Horreurs was een vroeger failliet gegaan café op den
-boulevard Rochechouart. Het smalle, onregelmatige zaaltje met de
-donkere hoeken lag gedrukt onder een laag, berookt plafond. Men kon
-zich geen smakeloozer versiering denken: op de muren had men eenvoudig
-de gemeenste, vuilste en meest schreeuwende affiches geplakt. Achterin
-was voor een piano een soort estrade gemaakt, waarop een deur, die door
-een gordijn gemaskeerd was, uitkwam. Verder waren er slechts banken,
-zonder bekleeding of kussens, waarlangs gewone kroegtafeltjes stonden,
-waarop de glazen smerige kledderige plekken achterlieten. Geen kunst,
-geen luxe, zelfs geen zindelijkheid! Vleermuizen zonder bollen
-verhitten de door menschelijken adem en pijpenrook gevormde atmospheer.
-Onder dien sluier zag men zwetende, rood-opgeblazen gezichten, terwijl
-de scherpe uitwaseming van al die opgehoopte menschen den roes, het
-geschreeuw, waarmede het publiek zich bij ieder nieuw lied opzweepte,
-deed toenemen. Men had die estrade slechts behoeven op te slaan, dezen
-Legras er maar met een paar meiden op behoeven te zetten en hem er zijn
-repertoire van liederlijke vuiligheden laten zingen, en na dien avond
-was het reusachtige succes gekomen, stroomde heel Parijs erheen en
-verdrong zich in dat verdachte koffiehuis, dat de kleine renteniers,
-uit den omtrek, zoolang zij daar slechts hun partijtje domino mochten
-spelen, niet tot bloei hadden kunnen brengen.
-
-Het was de geilheid van het onreine, de onweerstaanbare
-aantrekkingskracht van het walgelijke en liederlijke. Het genotzuchtige
-Parijs, de bourgeoisie, die meesteresse was van het geld en van de
-macht, waarvan zij langzamerhand beu werd, doch die zij niet loslaten
-wilde, stroomde er slechts om gemeenheden en beleedigingen in haar
-gezicht geslingerd te krijgen. Gehypnotiseerd door de verachting,
-voelde zij bij haar naderend verval den drang, dat men haar in het
-gezicht spuwde. Welk een verschrikkelijk symptoom: deze veroordeelden
-van morgen wierpen zich uit eigen beweging in de modder, verhaastten
-vrijwillig hun ontbinding—deze dorst naar het onreine bracht daar in de
-uitwerpselen van die kroeg mannen, die voor ernstig en respectabel
-doorgingen, teere, heerlijke vrouwen, die geurden van gratie en luxe.
-
-Aan een der tafeltjes vlak bij de estrade zat stralend met woest
-fonkelende oogen en bevende neusvleugels de kleine prinses de Harth.
-Zij vond het heerlijk eindelijk haar vurige nieuwsgierigheid naar de
-onderste lagen van Parijs te kunnen bevredigen, terwijl de jonge
-Hyacinthe, die er zich bij neergelegd had haar te begeleiden wel zoo
-goed was zich niet al te zeer te vervelen. Zij hadden aan een tafeltje
-vlak naast zich een zoogenaamden Spanjaard, den coulissier Bergaz
-gevonden. Deze was hun voorgesteld door Janzen en bezocht trouw de
-feesten der prinses. Verder wist men niets van hem, zelfs niet of hij
-het geld, dat hij dikwijls met handen vol uitgaf, werkelijk op de Beurs
-verdiende. Hij was altijd gemaakt-elegant gekleed en had met zijn
-groote, slanke gestalte, zijn rooden, genotzuchtigen mond en zijn
-vurige roofdieroogen iets gedistingeerds over zich. Het heette, dat hij
-een liederlijke kerel was. Dezen avond zat hij in gezelschap van twee
-jongelui: Rossé, een kleinen donkeren Italiaan met stijf haar, die als
-model naar Parijs gekomen was, en Sanfaute, een Parijzenaar, een
-bleeke, zedelooze slungel zonder baard, die zijn blond haar, dat in
-lokken over zijn magere wangen viel, als een meisje kapte.
-
-“O,” vroeg Rosemonde koortsachtig nieuwsgierig aan Bergaz, “jij kent
-hier alle menschen, wijs mij de beruchtste individuen eens aan, en
-vertel me eens, of er bijvoorbeeld geen dieven of moordenaars zijn.”
-
-Hij lachte spottend en hield haar wat voor den gek.
-
-“Maar u kent iedereen, mevrouw... Dat kleine, teere en rose vrouwtje is
-een Amerikaansche, de echtgenoote van een consul, die zeker dikwijls
-bij u geweest is. Die andere daar, die groote, majestueuze brunette, is
-een gravin, die u iederen dag in haar equipage in het Bois de Boulogne
-tegenkomt. En die magere achteraan, wier oogen gloeien als die van een
-wolvin, is de vriendin van een zeer voornamen, om zijn strengheid van
-zeden bekenden hoogwaardigheidsbekleder.”
-
-“Dat weet ik, dat weet ik,” viel zij hem boos in de rede, “maar de
-anderen, degenen, voor wie je juist hier komt?”
-
-Zij deed allerlei vragen en zocht naar angstaanjagende, mysterievolle
-gezichten. Ten slotte trokken twee jonge mannen, die in een hoek zaten,
-haar aandacht: de een nog heel jong met een bleek en gemaakt-deftig
-gezicht, terwijl men van den anderen niet kon zeggen hoe oud hij was;
-hij droeg een ouden, toegeknoopten paletot, die zelfs zijn boord
-verborg, en zijn pet was zoo diep in zijn oogen getrokken, dat men van
-zijn gezicht alleen een stuk van zijn baard zag. Zwijgend zaten zij
-voor hun glas bier, dat zij langzaam uitdronken.
-
-“Als je hier verkleede bandieten komt zoeken, dan tref je net al heel
-slecht,” zeide Hyacinthe lachend. “Met dien armen bleeken, jongen, die
-wel niet iederen dag wat te eten zal hebben, ben ik nog op het
-gymnasium geweest.”
-
-“Wat, heb je Mathis op het gymnasium gekend?” vroeg Bergaz verbaasd.
-
-“Ja, hij heeft daar gestudeerd...”
-
-“Zoo, heb je Mathis gekend? Een merkwaardige jongen, die het
-tegenwoordig heel beroerd heeft... Maar dien anderen, die bij hem zit,
-ken je dien niet?”
-
-Hyacinthe keek den man met de in zijn oogen gedrukte pet aan en wilde
-reeds neen knikken, toen Bergaz hem plotseling een stoot met zijn
-elleboog gaf, ten teeken dat hij zwijgen moest.
-
-“Stil, daar heb je Raphanel,” zeide hij heel zacht, als ter verklaring.
-“Zoodra hij er is, ruik je de politie.”
-
-Raphanel was ook een van die vage en verdachte anarchistische figuren,
-die Janzen, om de voorbijgaande revolutionnaire passie der prinses te
-streelen, bij haar geïntroduceerd had. Deze, een kleine, vroolijke man
-met een poppengezichtje en een kinderneus, die schuil ging tusschen
-dikke wangen, ging door voor een hartstochtelijken dweper en eischte in
-volksvergaderingen met groot lawaai brandstichting en moord. Het
-vreemde echter aan hem was, dat hij, hoewel reeds verschillende malen
-aan groot gevaar blootgesteld, nog steeds den dans had weten te
-ontspringen, terwijl zijn makkers achter slot en grendel kwamen. Deze
-begonnen zich daarover te verwonderen.
-
-Onmiddellijk drukte hij de prinses vroolijk de hand, ging, zonder dat
-het hem gevraagd werd, naast haar zitten en begon dadelijk te schelden
-op die vuile bourgeoisie, die zich op deze verdachte plaatsen verdrong.
-Verrukt moedigde Rosemonde hem aan, terwijl men om hem heen boos begon
-te worden. Bergaz keek hem met zijn doordringende oogen en zijn
-wantrouwend glimlachje aan als een verschrikkelijk man, die handelt en
-de anderen liet praten. Nu en dan wisselde hij een blik van
-verstandhouding met Rossé en Sanfaute, zijn beide zwijgende luitenants.
-Deze twee behoorden hem blijkbaar met lichaam en ziel toe en volgden
-hem trouw naar alle orgieën, naar alle aanslagen, waar hij hen beliefde
-te brengen. Zij alleen buitten de anarchie uit, beoefenden haar tot aan
-het einde, gebruikten de wreede logica der consequenties. Hyacinthe,
-die in zijn overspannenheid wel van ontucht droomde, maar er zich niet
-aan waagde, was erg jaloersch op de lokkenpracht van Sanfaute, ofschoon
-hij deed, alsof het iets heel gewoons was, waar hij reeds lang
-geblaseerd van was.
-
-Intusschen waren op de estrade, in afwachting van Legras en zijn Fleurs
-du Pavé, achtereenvolgens twee zangeressen opgetreden, een dikke, die
-onnoozele romances zong met gemeene toespelingen, en een magere met
-ruwe refreinen, die als klappen in het gezicht striemden. Zij had te
-midden van een storm van toejuichingen haar laatste lied gezongen, toen
-plotseling het vroolijk gestemde, lachlustige publiek opnieuw
-losbarstte: Silviane was in de kleine loge verschenen. Toen zij daar
-half naakt, in haar geelsatijnen japon op een ster gelijkend, en
-stralend van juweelen in het volle licht stond, ging er een vreeselijk
-gejouw, gelach, geschreeuw en gefluit op. Maar het lawaai werd nog
-grooter, vloeken vlogen door de lucht, toen men achter haar Duvillard,
-Gérard en Dutheil in rok en witte das zag.
-
-“Wat hebben we je nu gezegd?” prevelde Duvillard, die de heele
-geschiedenis zeer onaangenaam vond, terwijl Gérard in het donker
-trachtte te blijven.
-
-Maar zij maakte glimlachend en verrukt front naar het publiek en
-ontving den storm met haar uitgelaten, rein madonnagezichtje zooals men
-op de hooge zee de levenwekkende lucht inademt. Hier was zij thuis, dit
-was haar geboortelucht.
-
-“Nou wat dan?” antwoordde zij den baron, die wilde, dat zij ging
-zitten. “Ze zijn vroolijk—dat is toch heel aardig... Ik amuseer me
-kostelijk.”
-
-“Zeker, het is heel aardig,” zeide Dutheil, die ook deed alsof hij zich
-hier thuis gevoelde. “Zij heeft groot gelijk.”
-
-Te midden van het niet ophoudende lawaai was de kleine prinses de Harth
-opgestaan, om beter te kunnen zien. Dan gaf zij Hyacinthe een duw.
-
-“Zeg, daar heb je je vader met die Silviane. Kijk eens, kijk eens...
-Wat een brutaliteit om zich hier met haar te vertoonen.”
-
-Hyacinthe weigerde te kijken. Het interesseerde hem absoluut niet; zijn
-vader leek wel idioot: alleen een kwajongen kon zoo op een meisje
-verliefd worden. Zijn minachting voor de vrouw werd beleedigend.
-
-“Je zoudt mij bijna boos maken,” zeide Rosemonde, die bijna op zijn
-knie ging zitten. Zij was vastbesloten zich dien avond, onder
-voorwendsel hem een kop thee te offreeren, door hem thuis te laten
-brengen en hem bij zich te houden. “Jij bent een kwajongen met je
-aanstellerij niets van ons te willen weten... Je vader heeft gelijk,
-dat hij van haar houdt. Zij is heel knap, ik vind haar aanbiddelijk.”
-
-Nu grinnikte Hyacinthe en zeide met een toespeling op Silviane’s
-algemeen bekende perversiteit:
-
-“Wil ik het haar soms gaan zeggen?... Papa zal jullie wel aan elkaar
-voorstellen. Jullie zoudt een aardig paartje vormen.”
-
-Toen Rosemonde de toespeling begreep, begon zij eenvoudig te lachen.
-
-“Neen, neen, ik ben wel nieuwsgierig naar alles, maar zoover is het nog
-niet met me.”
-
-“Maar zoover zal het wel komen. Je moet alles kennen.”
-
-“Lieve hemel, ja! Wie weet?”
-
-Plotseling hield het lawaai op, iedereen ging weer zitten, slechts de
-vurige pols van het publiek klopte nog koortsachtig. Legras was op de
-estrade gekomen. Het was een dikke, bleeke jonge man in een fluweelen
-jasje, met een rood, zorgvuldig geschoren gezicht, harde oogen en den
-gulzigen mond van mannen, die zich door vrouwen laten aanbidden,
-terwijl zij haar terroriseeren. Het ontbrak hem niet aan talent en hij
-zong zuiver met een doordringende, buitengewoon pathetische metaalstem.
-Zijn repertoire, zijn Fleurs du Pavé verklaarden volkomen zijn succes.
-Het waren liederen, waarin het vuil en het lijden van de laagste
-volkslagen, de geheele afzichtelijke wonde van de maatschappelijke hel
-huilde en haar kwaal in gemeene woorden vol bloed en vuur uitspuwde.
-
-De piano preludeerde; dan zong Legras La Chemise, het vreeselijke lied,
-dat heel Parijs trok. Met zweepslagen werd het laatste stuk linnen van
-het arme meisje, het prostitutie-vleesch, verscheurd en afgerukt. De
-geheele ontucht van de straat werd er in al haar vuilheid en haar
-scherp vergif tentoongesteld. En de misdaad der bourgeoisie schreeuwde
-luid ten hemel achter dat door de modder gesleepte, in het massagraf
-geworpen, vertrapte, onteerde, onbedekte vrouwenlichaam. Maar meer nog
-dan in de woorden lag de brandende beschimping in de wijze, waarop
-Legras dit den rijken, den gelukkigen, den mooien dames, die zich hier
-ophoopten om naar hem te luisteren, in het gezicht slingerde. Onder de
-lage zoldering, midden in de dikke pijpenrook, in den verblindenden
-gloed van het gaslicht gooide hij er zijn verzen als fluimen uit. Het
-was als een orkaan van gloeiende minachting. Toen hij klaar was,
-heerschte er een krankzinnige geestdrift, de dames veegden niet eens
-zooveel beleedigingen af, maar applaudiseerden als razenden. Het
-publiek stampte, schreeuwde zich heesch, wentelde zich als bezeten in
-zijn eigen vuil.
-
-“Bravo! Bravo!” herhaalde de prinses met haar scherpe stem.
-“Wonderbaar, wonderbaar!”
-
-Maar vooral Silviane, wier dronkenschap, sedert zij zich in dezen wit
-gloeiend gestookten oven opwond, erger werd, klapte als razend in haar
-handen en schreeuwde luid.
-
-“Hij is het, het is mijn Legras! Ik moet hem een zoen geven. Hij heeft
-me zoo gelukkig gemaakt!”
-
-Duvillard werd ten slotte boos en wilde haar met geweld medenemen. Zij
-klampte zich vast aan den rand der loge en schreeuwde nog harder,
-zonder echter boos te worden, integendeel zij bleef heel vroolijk.
-Duvillard moest wel aan het onderhandelen gaan. Zij wilde zich wel naar
-huis laten brengen, maar eerst moest zij Legras, haar ouden vriend,
-omhelzen. Dat had zij zich gezworen.
-
-“Wachten jullie in het rijtuig. Ik kom dadelijk weer bij jullie.”
-
-Toen het publiek eindelijk wat kalmer werd, zag Rosemonde, dat de loge
-verlaten was; en nu haar nieuwsgierigheid bevredigd was, dacht zij
-eraan zichzelf door Hyacinthe naar huis te laten brengen. Deze had
-onverschillig geluisterd en praatte nu met Bergaz, die beweerde in het
-Noorden gereisd te hebben, over Noorwegen. O, de fjorden, de ijsmeren,
-de reine, lelieachtige, kuische koude van den eeuwigen winter! Daar
-slechts, zeide Hyacinthe, kon hij zich de vrouw en de liefde, den
-sneeuwblanken kus begrijpen.
-
-“Willen we er morgen naar toe gaan?” riep de prinses met haar brutale
-levendigheid. “Dan maken we daar onze huwelijksreis. Ik laat mijn hôtel
-in den steek en vertrek met de Noorderzon.”
-
-Dan voegde zij eraan toe, dat zij het natuurlijk uit de grap zeide.
-Maar Bergaz wist, dat zij er best toe in staat was en had bij de
-gedachte, dat zij haar klein hôtel misschien zonder een bewaker achter
-zou laten, een vluggen blik gewisseld met Sanfaute en Rossé, die nog
-steeds zwijgend en glimlachend bij hen zaten. Wat een mooie slag was er
-dan te slaan! Wat een prachtige gelegenheid, om weer iets terug te
-krijgen van den gemeenschappelijken rijkdom, die door de infame
-bourgeoisie gestolen was.
-
-Raphanel begon, nadat hij Legras toegejuicht had, met zijn kleine,
-grijze en doordringende oogen door de zaal te loeren. De twee mannen,
-Mathis en de andere, de slecht gekleede, van wien men slechts een stuk
-van zijn baard zag, hielden ten slotte zijn aandacht vast. Zij hadden
-niet gelachen, zij hadden niet in hun handen geklapt, zij zaten daar
-als zeer moede menschen, die uitrusten en overtuigd zijn, dat de beste
-manier om te verdwijnen was je in een groote menigte te begeven.
-
-Plotseling wendde Raphanel zich tot Bergaz.
-
-“Achterin zit de kleine Mathis. Wien heeft hij bij zich?”
-
-Bergaz maakte een ontwijkend gebaar: hij wist het niet. Maar hij
-verloor Raphanel nu niet meer uit het oog, zag, dat deze deed, als
-interesseerde hem de zaak verder niet, zijn glas bier uitdronk en dan
-afscheid nam met de schertsende woorden, dat een dame op hem wachtte in
-het bureau der omnibussen. Zoodra hij verdwenen was, stond Bergaz op,
-sprong over de banken, duwde de menschen op zijde, en baande zich een
-weg naar den kleinen Mathis, wien hij iets influisterde. Onmiddellijk
-stond deze van zijn tafeltje op, nam zijn makker mede en bracht hem
-door een zijdeur naar buiten. Het was alles zoo vlug in zijn werk
-gegaan, dat niemand deze vlucht bemerkte.
-
-“Wat is er toch?” vroeg de prinses aan Bergaz, toen deze weer kalm
-tusschen Rossé en Sanfaute kwam zitten.
-
-“Niets—ik wou alleen Mathis, die wegging, goeden dag zeggen.”
-
-Rosemonde zeide, dat zij Mathis’ voorbeeld wilde volgen. Dan eerst
-bleef zij nog een oogenblik zitten praten over Noorwegen, daar zij zag,
-dat alleen de gedachte aan de eeuwige sneeuw en de groote, reinigende
-koude, Hyacinthe opwond. In zijn gedicht La fin de la Femme, de dertig
-versregels, die hij nooit wilde afmaken, droomde hij zich als laatste
-decor een bevroren dennenbosch. Zij was opgestaan en herhaalde haar
-vorige scherts, dat zij hem naar huis wilde medenemen, om onder een kop
-thee het reisplan op te maken, toen Bergaz, die naar haar luisterde,
-zonder echter de deur uit het oog te verliezen, plotseling
-onwillekeurig uitriep:
-
-“Mondésir! Ik wist het wel!”
-
-Bij de deur vertoonde zich een kleine, gespierde man met een stevigen
-rug. Zijn rond gezicht met het bultige voorhoofd en de stompe neus had
-iets militair-hards. Men had hem voor een onderofficier in politiek
-kunnen houden. Hij keek de zaal rond, scheen echter teleurgesteld te
-zijn.
-
-“Ik heb wel gezegd, dat het naar de politie ruikt,” zeide Bergaz, die
-zijn uitroep van daareven wilde doen vergeten, kalm. “Daar heb je er al
-een, Mondésir, een kranige kerel, die in dienst onaangenaamheden gehad
-heeft... Zie hem eens ruiken als een hond, die het spoor bijster is.
-Ach, beste jongen, als ze je gezegd hebben, dat hier wild is, dan kan
-je lang zoeken... De vogel is gevlogen.”
-
-Toen Rosemonde Hyacinthe overgehaald had haar thuis te brengen, stapten
-zij lachend in het coupétje, dat op haar stond te wachten, want zij
-hadden den landauer van Silviane met den onbeweeglijk en statig op den
-bok zittenden koetsier gezien, terwijl Duvillard, Gérard en Dutheil nog
-steeds op het trottoir stonden. Meer dan twintig minuten wachtten zij
-nu reeds in het half donker van dien buitenboulevard, waarop de lage
-prostitutie en de gemeenste ondeugden der armenwijken rondzwierven.
-Dronken kerels waren tegen hen aangeloopen, schimmen van deernen, die
-fluisterend en onder de vloeken en slagen van haar souteneurs op en
-neer liepen, streken langs hen heen. Paren zochten het donker der
-boomen op, bleven op banken zitten. Zoo was de geheele wijk: verdachte
-huizen, smerige gemeubileerde kamers, de ellendige kamers van de
-ontucht, die geen ramen in de vensters, geen lakens op de matrassen
-hebben. De walging van die laag-gezonken, tot aan den vroegen morgen in
-die zwarte modder van Parijs krioelende menschheid omgaf hen, maar noch
-de baron, noch Gérard, noch Dutheil wilden weggaan. Hun hardnekkige
-hoop deed hen hier blijven; ieder van hen nam zich voor, dat hij het
-langst zou wachten en Silviane naar huis brengen en haar voor zich
-hebben, daar zij te dronken was, om zich te verzetten.
-
-Eindelijk werd Duvillard ongeduldig en zeide tot den koetsier.
-
-“Jules, ga eens hooren, waarom madame niet terugkomt!”
-
-“En de paarden dan, mijnheer?”
-
-“Daar zullen wij wel op letten.”
-
-Er begon een fijne motregen te vallen. Het wachten scheen tot in de
-eeuwigheid te duren. Een onverwachte ontmoeting bracht echter eenige
-afleiding. Zij meenden een schim, een magere hoer in een zwarten rok
-langs zich te zien gaan. Doch dan herkenden zij tot hun verbazing een
-priester.
-
-“Wat, u mijnheer Froment?” riep Gérard uit. “Op dit uur? En in deze
-wijk?”
-
-Zonder zijn verwondering te laten blijken, dat hij hen zelf hier vond,
-en zonder te vragen wat zij hier deden, legde Pierre hun uit, dat hij
-zich met abbé Rose bij een bezoek aan een nachtasyl verlaat had. O, al
-de vreeselijke ellende, welke naar die verpeste slaaplokalen kwam, waar
-hij bijna flauw gevallen was van den stank. Alles, wat daar in een
-zware sluimering, als op den grond neergevallen dieren, van uitputting
-en wanhoop ineen stortte, om vergetelheid te zoeken voor de gruwelen
-van het leven!
-
-Vergeefs hadden Pierre en abbé Rose in dien hoop ongelukkigen naar den
-grooten Oude, den vroegeren schrijnwerker, gezocht, om hem uit de goot
-op te visschen en den volgenden dag naar het Asile des Invalides du
-Travail te brengen. Hij had zich ’s avonds wel aangemeld, maar geen
-plaats meer gevonden—want deze hel was nog een uitverkoren plaats. Hij
-zou nu ergens tegen een paal geleund staan of achter een staketsel
-liggen. Wanhopig was abbé Rose weer naar de rue Cortot teruggegaan,
-terwijl Pierre een rijtuig zocht om naar Neuilly te rijden.
-
-De motregen bleef vallen en werd koud. Eindelijk kwam Jules terug en
-onderbrak het verhaal van Pierre, die aan den baron en de beide anderen
-het vreeselijke, wat hij gezien had, schilderde.
-
-“En waar is madame, Jules?” vroeg Duvillard, ongerust, hem alleen te
-zien.
-
-Onverstaanbaar en eerbiedig, zonder eenige andere ironie te laten
-blijken dan dat zijn linker mondhoek wat scheef trok, antwoordde de
-koetsier met zijn kleurlooze stem:
-
-“Madame laat zeggen, dat zij niet naar huis gaat en dat zij het rijtuig
-ter beschikking van de heeren stelt, als de heeren willen, dat ik hen
-naar huis rijd.”
-
-Dat was te veel, de baron werd boos. Wat, hij had zich naar deze kroeg
-laten medenemen, hij had hier staan wachten in de hoop van haar
-dronkenschap gebruik te maken, en nu moest hij toezien, dat zij zich
-juist in die dronkenschap Legras om den hals wierp! Neen, neen, hij had
-er genoeg van, hij zou haar die schandelijke beleediging betaald
-zetten. Hij hield een rijtuig, dat voorbij kwam, aan, duwde er Gérard
-in en zeide:
-
-“Jij moet mij thuis brengen.”
-
-“Maar zij stelt toch haar landauer tot uw beschikking!” riep Dutheil,
-die reeds getroost was en in den grond der zaak over de geheele grap
-lachen moest. “Er is hier best plaats voor drie... Gaat u liever in dat
-aapje? Nou, zooals u zelf wilt!”
-
-Hij stapte vroolijk in, strekte zich op de kussens uit en de twee
-groote koetspaarden draafden lustig voort, terwijl de baron in het
-hevig schuddende oude rijtuig aan zijn woede lucht gaf, zonder dat
-Gérard hem met een enkel woord in de rede viel. Zij, die hij met
-goedheid overladen had, die hem nu reeds bijna twee millioen gekost
-had, had hem die beleediging aangedaan, hem, hem, die de meester was,
-die over het geld en de menschen beschikte! Zij had het gewild—hij was
-nu vrij. En hij ademde diep als iemand, die uit het bagno komt.
-
-Pierre keek de beide rijtuigen een oogenblik na. Dan ging hij onder de
-boomen loopen, om wat tegen den regen beschermd te zijn en te wachten,
-tot een ander rijtuig voorbijkwam. Zijn arme, strijdende ziel begon tot
-ijs te verstijven, alles drong erin binnen: de geheele afschuwelijke
-nacht van Parijs, alle ontucht en troosteloosheid, die daar snikte, de
-prostitutie uit hoogere kringen, die tot de laagste was afgedaald.
-Bleeke vrouwenschimmen slopen steeds nog rond, op zoek naar brood; daar
-streek een schaduw langs hem heen en een stem fluisterde hem in:
-
-“Zeg aan uw broer, dat de politie Salvat op het spoor is en dat hij
-ieder oogenblik gearresteerd kan worden.”
-
-De schim verdween reeds weer, maar Pierre meende bij het licht van een
-lantaarn het kleine, droge, bleeke en gemaakt-deftige gezicht van
-Victor Mathis te zien. En tegelijkertijd zag hij in de vreedzame kamer
-van abbé Rose het zachte, zoo treurige gezicht van madame Mathis, die
-nog slechts van de laatste bevende hoop op haar zoon leefde,
-verschijnen.
-
-
-
-
-III.
-
-Dien Halfvasten-Donderdag, dat alle bureaux van het reusachtige hôtel
-ledig waren, zat Monferrand, de minister van Binnenlandsche Zaken om
-acht uur reeds in zijn kabinet. Een deurwachter bewaakte zijn deur en
-twee loopjongens zaten in de eerste anti-chambre.
-
-Monferrand had bij zijn ontwaken een alleronaangenaamste gewaarwording
-gehad. De Voix du Peuple, die den vorigen dag de zaak der Afrikaansche
-sporen weer begonnen was door Barroux, den tegenwoordigen minister van
-Financiën te beschuldigen tweehonderd duizend francs aangenomen te
-hebben, zette dezen ochtend de campagne voort en maakte het schandaal
-nog grooter door eindelijk de zoo lang beloofde lijst te publiceeren
-van de twee-en-dertig Kamerleden en senatoren, die hun stemmen verkocht
-hadden aan Hunter, den mythischen, thans verdwenen, onvindbaren
-strooman van Duvillard. Monferrand zag zich met een bedrag van tachtig
-duizend francs aan het hoofd der lijst, terwijl Fonsègue met vijftig
-duizend volgde en de cijfers vervolgens vielen tot tien duizend francs
-voor Dutheil en drie duizend voor Chaigneux, die het goedkoopst geweest
-was.
-
-In de opwinding van Monferrand was noch verbazing noch woede merkbaar.
-Hij had eenvoudig niet geloofd, dat Sanier zijn zucht naar sensatie zoo
-ver drijven zou, dat hij deze lijst, dat zoogenaamd uit een
-notitieboekje van Hunter gescheurde blaadje met de onbegrijpelijke
-hiëroglyphen, die men zou moeten verklaren, om er de waarheid uit te
-krijgen, publiceeren zou. Anderzijds was hij, daar hij niets geschreven
-en niets onderteekend had, volkomen rustig, daar hij heel goed wist,
-dat men zich met brutaliteit en altijd door loochenen uit alle
-moeilijke gevallen redden kon. Maar welk een steen werd in den
-parlementairen poel geworpen! Onmiddellijk voelde hij het
-onvermijdelijke gevolg: deze nieuwe orkaan van onthullingen en
-verklapperijen zou het ministerie ten val brengen en wegvagen. Gelukkig
-zat de Kamer dien dag niet, maar morgen zou Mège zijn interpellatie
-natuurlijk weer opvatten, zouden Vignon en zijn vrienden van de
-gelegenheid gebruik maken, om een woedenden aanval te doen op de zoo
-vurig begeerde portefeuilles. Hij zag zich reeds gevallen, weggejaagd
-uit dit kabinet, waarin hij zich nu sedert acht maanden zoo op zijn
-gemak voelde. Hij kende geen dwaze ijdelheid, was slechts gelukkig, dat
-hij als regeeringsman, die zich voor sterk genoeg hield, om de menigte
-te temmen en te leiden, op zijn plaats was.
-
-Hij had de couranten met een minachtend gebaar weggegooid, was
-opgestaan en rekte zich uit met het gebrom van een leeuw, die geplaagd
-wordt. Nu liep hij op en neer in het groote vertrek. Met zijn handen op
-zijn rug zoo loopend had hij niets meer van zijn vaderlijke manieren,
-van zijn glimlachend en eenigszins vulgaire gemoedelijkheid. De ruwe
-strijder, die hij was, kwam in zijn korte gestalte, in zijn breede
-schouders en in zijn harde gelaatstrekken duidelijk uit. De zinlijke
-mond, zijn dikke neus, zijn wreede oogen verrieden, dat hij geen
-geweten, maar een ijzersterken, tegen het moeilijkste werk opgewassen
-wil bezat. Wat zou hij doen? Zou hij zich met den fatsoenlijken en
-bombastischen Barroux in de débâcle laten meeslepen? Misschien stond
-zijn persoonlijk geval niet wanhopig. Maar hoe moest hij de anderen
-verlaten, om zelf den veiligen oever te bereiken? Het was een ernstig
-probleem, een moeilijke manoeuvre en het zoeken naar een oplossing
-maakte hem in zijn razend verlangen om de macht te behouden, woedend.
-
-Hij kon niets vinden en vloekte tegen die aanvallen van deugd van deze
-dwaze Republiek, die volgens hem iedere regeering onmogelijk maakten.
-Een dergelijk dwaasheid zou een man van zijn verstand en van zijn
-kracht tegenhouden! Ga nou eens menschen regeeren, wanneer men je het
-geld, den voornaamsten scepter, uit de hand rukt! Hij moest in zijn
-eentje hardop lachen, zoo absurd scheen hem de gedachte aan een
-idyllisch land, waarin groote ondernemingen op fatsoenlijke manier tot
-stand kwamen. Daar hij niet wist, waartoe hij besluiten moest, kwam hij
-op de gedachte, dat het maar het verstandigst zijn zou de zaak met
-baron Duvillard te bespreken, dien hij sedert lang kende, het speet hem
-niet eerder aan hem gedacht te hebben, dan had hij hem wellicht kunnen
-overhalen Sanier’s stilzwijgen te koopen. Eerst wilde hij den baron een
-briefje schrijven en dat door een der loopers laten brengen. Maar dan
-gaf hij er in zijn wantrouwen voor geschreven stukken de voorkeur aan
-te telephoneeren.
-
-“Heb ik het genoegen met baron Duvillard te spreken?... Prachtig! Ik
-ben het, Monferrand, de minister van Binnenlandsche Zaken! Ik zou graag
-zien, dat u zoo gauw mogelijk bij mij kwam... Uitstekend! Ik wacht
-hier!”
-
-Hij begon weer op en neer te loopen en na te denken. Die Duvillard had
-een helderen kop, die hem zeker dadelijk een denkbeeld aan de hand zou
-doen. Hij verdiepte zich in allerlei lastige combinaties, toen de bode
-kwam zeggen, dat het hoofd der Veiligheidspolitie den minister dringend
-wilde spreken. Zijn eerste gedachte was, dat deze door de prefectuur
-van politie gezonden werd, om zijn oordeel in te winnen omtrent de
-maatregelen, welke dien dag genomen moesten worden met het oog op twee
-groote optochten, die zeker veel menschen zouden trekken.
-
-“Laat mijnheer Gascogne maar hier komen!”
-
-Een groote, magere, donkere man, die er als een op zijn Zondags
-gekleede werkman uitzag, kwam binnen. Uiterlijk zeer koelbloedig en
-volkomen bekend met de dessous van Parijs, bezat hij een helderen,
-methodischen geest. Maar de beroepsgewoonten belemmerden hem eenigszins
-en hij zou meer intelligentie bezeten hebben, indien hij niet geloofd
-had een zoo groote te bezitten, wanneer hij niet overtuigd geweest was,
-dat hij alles wist.
-
-Eerst excuseerde hij den prefect, die zeker zelf gekomen zou zijn,
-wanneer een lichte ongesteldheid hem niet verhinderd had. Trouwens het
-was misschien beter, dat hij den minister inlichtte omtrent de ernstige
-zaak, die hij grondig kende.
-
-“Mijnheer de minister, ik geloof, dat wij eindelijk den dader van den
-aanslag in de rue Godot-de-Mauroy hebben.”
-
-Monferrand, die ongeduldig luisterde, begon zich plotseling voor de
-zaak te interesseeren. De vergeefsche nasporingen der politie, de
-aanvallen en de grappen in de courant ergerden hem dagelijks meer.
-
-“Gelukkig voor u, mijnheer Gascogne, want per slot van rekening zou het
-u uw betrekking gekost hebben! Is de man gearresteerd?”
-
-“Nog niet, Excellentie. Maar hij kan niet meer ontsnappen, het is een
-kwestie van enkele uren.”
-
-En hij vertelde de heele geschiedenis: hoe de agent Mondésir,
-gewaarschuwd door een geheimen agent, dat de anarchist Salvat in de
-kroeg in Montmartre zat, te laat was gekomen, daar de vogel reeds
-gevlogen was; hoe het toeval hem, toen hij op ongeveer honderd pas van
-de kroeg stond te loeren, weer met Salvat samengebracht had. Van af dat
-oogenblik had men Salvat in alle stilte gevolgd, daar men hem in zijn
-nest met zijn medeplichtigen hoopte te vangen, was men hem nagegaan tot
-de Porte Maillot, waar hij plotseling, daar hij blijkbaar voelde, dat
-hij vervolgd werd, het Bois de Boulogne ingevlogen was. Daar liep hij
-nu sedert twee uur ’s ochtends in den fijnen motregen rond. Men had den
-dag afgewacht, om een drijfjacht te organiseeren en jacht op hem te
-maken als een op een wild dier, dat ten slotte van moeheid neervallen
-zou. Iedere minuut was dus zijn arrestatie te wachten.
-
-“Ik weet, Excellentie, hoezeer u zich voor deze arrestatie
-interesseert, en kom daarom nu uw bevelen vragen. De agent Mondésir
-leidt de drijfjacht. Het spijt hem vreeselijk, dat hij den man niet op
-den boulevard Rochechouart ingerekend heeft, maar zijn denkbeeld om hem
-in zijn net te vangen, was uitstekend; het eenige, wat men hem
-verwijten kan, is, dat hij niet aan het Bois de Boulogne gedacht
-heeft.”
-
-Salvat gearresteerd, deze Salvat, van wien de couranten sedert drie
-weken vol stonden! Dat zou een succes zijn, dat een buitengewoon opzien
-verwekte. Monferrand luisterde en in zijn groote, starende oogen, op
-zijn ruwen kop, die op een wild dier, dat rust, geleek, was het
-plotseling besluit te lezen, om deze gebeurtenis, die het toeval hem
-bracht, ten eigen voordeele te benutten. Onduidelijk nog ontstond er
-reeds een band tusschen deze arrestatie en de interpellaties van Mège,
-met de andere quaestie, de zaak der Afrikaansche sporen, die den
-volgenden dag het ministerie omverwerpen zou. Hij zag reeds het ontwerp
-der combinatie voor zich. Zond zijn goed gesternte hem niet wat hij
-zocht, het middel om zich uit het troebele water der aanstaande crisis
-te redden?
-
-“Maar is u er wel zeker van, mijnheer Gascogne, dat die Salvat de dader
-van den aanslag is?”
-
-“Beslist zeker, Excellentie! Hij zal in het rijtuig alles bekennen nog
-vóór we in de prefectuur zijn.”
-
-Peinzend was hij weer heen en weer gaan loopen, en terwijl hij
-bedachtzaam-langzaam sprak, kwamen de denkbeelden in hem op.
-
-“Mijn bevelen, lieve God, mijn bevelen! In de eerste plaats moet u met
-groote voorzichtigheid te werk gaan... Maak geen paniek onder de
-wandelaars. Laat de arrestatie, als het kan, ongemerkt plaats
-hebben!... En als u een bekentenis krijgt, houd die dan voor u en deel
-die niet aan de pers mede. Ja, dat druk ik u vooral op het hart, meng
-de couranten niet in de zaak!... Kom mij onmiddellijk waarschuwen en
-geen woord tegen iemand over de zaak, geen woord!”
-
-Gascogne maakte een buiging, maar Monferrand hield hem nog even terug,
-om hem te zeggen, dat zijn vriend, mijnheer Lehmann, de
-procureur-generaal, dagelijks van anarchisten dreigbrieven kreeg, dat
-zij hem en zijn familie in de lucht zouden laten vliegen, zoodat hij
-verzocht zijn huis door politie in burgerkleeding te laten bewaken.
-Reeds had de Veiligheidsdienst een dergelijke bewaking georganiseerd
-voor het huis van den rechter van instructie Amadieu. Maar wanneer
-Amadieu een voorname persoonlijkheid, een beminlijke Parijzenaar, een
-uitnemend psycholoog en criminalist en in zijn vrije uren zelfs een
-uitstekend schrijver was, daartegenover stond, dat de
-procureur-generaal Lehmann in alle opzichten zijns gelijke was; hij was
-een van die politieke rechters, een van die zeer talentvolle Joden, die
-op zeer eervolle wijze hun weg gaan en steeds de zijde van de
-machthebbers kiezen.
-
-“En dan hebben we ook nog de zaak-Barthès, Excellentie!” zeide op zijn
-beurt Gascogne. “Wij wachten—moeten we tot de arrestatie in het kleine
-huisje te Neuilly overgaan?”
-
-Een van die toevallen, welke de politie nu en dan diensten bewijzen en
-het geloof aan haar genie doen ontstaan, had hem op de hoogte gebracht
-van het geheime toevluchtsoord van Nicolas Barthès in het kleine huisje
-van een priester, abbé Pierre Froment. Maar hoewel Barthès, sedert in
-Parijs de schrik voor anarchisten heerschte, eenvoudig als verdachte,
-die met de revolutionnairen in betrekking stond, gearresteerd zou
-kunnen worden, had Gascogne het niet gewaagd hem zonder een formeele
-opdracht gevangen te nemen bij dezen priester, die door de geheele wijk
-als een heilige vereerd werd. De minister, dien hij over het geval
-geraadpleegd had, was het volkomen met hem eens geweest, dat men
-tegenover den clerus zeer gematigd optreden moest, en had beloofd de
-zaak zelf in orde te zullen brengen.
-
-“Neen mijnheer Gascogne, laat die zaak met rust. U kent mijn stelregel:
-wij moeten de priesters voor ons hebben, niet tegen ons... Ik heb abbé
-Froment geschreven, dat hij vanochtend, nu ik niemand anders verwacht,
-bij mij moet komen. Ik zal met hem spreken: de zaak gaat u niet meer
-aan.”
-
-Hij wilde hem nu laten gaan, toen de bode zeggen kwam, dat de president
-van den ministerraad er was.
-
-“Barroux!... Bliksems, ga hierdoor, mijnheer Gascogne; ik heb liever,
-dat niemand u ontmoet, nu ik u het stilzwijgen gevraagd heb over de
-arrestatie van dien Salvat... Afgesproken dus, ik alleen moet alles
-weten, en telephoneer mij onmiddellijk, als er iets ernstigs gebeurt.”
-
-Nauwlijks was de chef van den veiligheidsdienst door een zijdeur
-verdwenen, of de bode deed die van de antichambre open.
-
-“Mijnheer de president van den ministerraad!”
-
-Met uitgestoken handen en een dienstvaardigheid, waarin hartelijkheid
-en eerbied handig waren afgewogen, ging Monferrand hem tegemoet.
-
-“Waarom hebt u zich die moeite gegeven?” riep hij uit. “Ik zou wel bij
-u gekomen zijn, als u mij dringend wilde spreken!”
-
-Maar met een ongeduldig gebaar wees Barroux iedere
-hoffelijkheidsbetuiging af.
-
-“Neen, neen, ik deed juist mijn dagelijksche wandeling op de Champs
-Elysées en maakte mij zóó bezorgd, dat ik liever dadelijk hier naar toe
-wilde komen... Je begrijpt natuurlijk, dat de dingen niet zoo blijven
-kunnen, en daar er morgenochtend een ministerraad gehouden moet worden,
-waarin we een verdedigingsplan moeten vaststellen, achtte ik het
-gewenscht, dat wij samen eens praatten.”
-
-Hij nam een fauteuil, terwijl Monferrand een anderen bijschoof, om,
-tegen het licht in, bij hem te gaan zitten. De twee mannen zaten
-tegenover elkaar. En zooals Barroux, die tien jaar ouder, sneeuwwit en
-plechtig was, met zijn gladgeschoren gezicht en zijn bakkebaarden de
-trotsche statigheid der macht, de conventioneel-romantische houding
-bewaarde, zoo verborg de andere, de sluwere en plompere, onder zijn
-gewone trekken, achter zijn gemaniereerde vrijmoedigheid en
-eenvoudigheid een onbekenden afgrond, de donkere ziel van een
-meedoogenloozen, gewetenloozen en genotzuchtigen despoot.
-
-Barroux, die heel opgewonden was, hijgde een oogenblik. Het bloed steeg
-hem naar het hoofd, zijn hart klopte van verontwaardiging en woede,
-wanneer hij dacht aan den stroom van gemeene beschimpingen, die de Voix
-du Peuple dien ochtend weer over hem uitgegoten had.
-
-“Kijk eens, mijn waarde collega, daar moet een eind aan komen; we
-moeten aan die schandelijke campagne een eind maken... Trouwens u
-begrijpt heel goed wat ons morgen in de Kamer te wachten staat. Nu de
-beroemde lijst gepubliceerd is, zullen we alle ontevredenen tegenover
-ons hebben. Vignon roert zich...”
-
-“Zoo, hebt u berichten over Vignon?” vroeg Monferrand, die nu zeer
-opmerkzaam geworden was.
-
-“Natuurlijk, ik zag in het voorbijgaan een heele file rijtuigen voor
-zijn deur staan. Al zijn aanhangers zijn sedert gisteren in de weer en
-ik weet niet hoeveel menschen me niet gezegd hebben, dat de bende reeds
-onderling de portefeuilles verdeelt. Want u begrijpt wel, dat de
-naïeve, dolzinnige Mège wel weer de kastanjes uit het vuur halen zal.
-Kortom, we zijn dood; ze willen ons in de modder begraven, voordat ze
-nog over onze overblijfselen strijden.”
-
-Hij maakte een theatraal gebaar, zijn stem klonk welsprekend, als stond
-hij op de tribune. Maar zijn ontroering was oprecht, tranen kwamen in
-zijn oogen.
-
-“Ik, die mijn geheele leven aan de Republiek gegeven heb, die haar
-gesticht en gered heb, ik zal, door zooveel beleedigingen overladen,
-verplicht worden mij tegen zulke afschuwelijke beschuldigingen te
-moeten verdedigen. Ik, een plichtvergeten minister, die zich zou hebben
-laten omkoopen, die tweehonderd duizend francs van dien Hunter
-ontvangen zou hebben, om ze eenvoudig in mijn zak te steken!... Zeker
-er is tusschen hem en mij sprake geweest van tweehonderd duizend
-francs. Maar men moet weten hoe en in welke omstandigheden. Het is
-natuurlijk met u precies eender gegaan met de tachtig duizend francs,
-die hij u gegeven zou hebben...”
-
-Monferrand viel hem zeer beslist in de rede.
-
-“Hij heeft mij geen centime gegeven.”
-
-Heel verbaasd keek de andere hem aan, maar zag niets dan zijn groot, in
-het donker gedompeld hoofd.
-
-“O, ik dacht, dat u in connectie met hem stond, dat u hem speciaal
-kende.”
-
-“Neen, ik heb Hunter gekend, zooals iedereen hem kent, ik wist zelfs
-niet, dat hij de drijver van baron Duvillard voor die Afrikaansche
-sporen was, en nooit hebben wij over die quaestie gesproken.”
-
-Dit was zoo onwaarschijnlijk, zoo in tegenspraak met alles wat hij
-wist, dat Barroux voor dien zoo evidenten leugen een oogenblik
-verbijsterd bleef zitten. Dan echter was hij zichzelf weer meester en
-kwam weer op zijn eigen geval terug.
-
-“O, hij is zeker wel tien maal bij mij geweest en heeft mijn ooren gek
-gezanikt over die Afrikaansche sporen, toen de Kamer over de
-premieleening beslissen moest... Ik zie het nog voor mij, zooals wij
-beiden in deze kamer zaten, want ik had toen, zooals u zich herinneren
-zult, Binnenlandsche Zaken, terwijl u juist de portefeuille van
-Openbare Werken overgenomen hadt. Ik zat daar aan dat bureau, terwijl
-Hunter op dezelfde plaats in den fauteuil, waarin ik nu zit, zat. Dien
-dag wilde hij mij raadplegen, hoe hij belangrijke sommen, welke de bank
-Duvillard voor publiciteit wilde beschikbaar stellen, het best zou
-kunnen besteden; ik herinner me nog, dat ik bij het hooren van groote
-bedragen voor de monarchistische bladen boos werd, daar ik—en
-terecht—van oordeel was, dat dat geld uitgegeven werd tegen de
-Republiek. Derhalve heb ik op zijn verzoek een lijst opgemaakt en de
-tweehonderd duizend francs bestemd voor republikeinsche, ons bevriende
-bladen. Op die wijze hebben deze door mijn bemiddeling—dat is zoo—het
-geld gekregen. Dat is de geheele geschiedenis.”
-
-Hij stond op en sloeg zich op zijn borst, terwijl zijn stem nog luider
-werd.
-
-“Kort en goed, ik heb genoeg van al die leugens en lasterpraatjes... Ik
-zal die heele geschiedenis morgen eenvoudig aan de Kamer mededeelen.
-Dat zal mijn eenige verdediging zijn. Een eerlijk man vreest de
-waarheid niet.”
-
-Op zijn beurt was Monferrand nu ook opgestaan en uitte een kreet, die
-gelijk stond met een bekentenis.
-
-“Dat is dwaasheid! Men mag nooit bekennen! Dat mag u niet doen!”
-
-Maar Barroux bleef trotsch en koppig.
-
-“Ik zal het wel doen, en we zullen zien, of de Kamer een ouden dienaar
-der vrijheid niet met acclamatie vrijspreken zal.”
-
-“U zult onder hoongelach vallen en ons allen in uw val medesleepen.”
-
-“Wat beteekent dat? Dan vallen wij tenminste waardig en eervol!”
-
-Monferrand maakte een woest-toornig gebaar. Dan echter werd hij
-plotseling kalm. In de angstige besluiteloosheid, waarin hij sedert den
-vroegen ochtend verkeerde, ging plotseling een helder licht op; het nog
-onvaste plan, dat de inhechtenisneming van Salvat had doen ontstaan,
-kreeg duidelijker omtrekken en breidde zich uit tot een vermetele
-combinatie. Waarom zou hij den val van dien onnoozelen Barroux
-verhinderen? Het eenige wat voor hem belang had was niet met hem te
-vallen of zich tenminste weer in de hoogte te werken. Hij zweeg,
-mompelde nog slechts een paar onverstaanbare woorden, waarin hij zijn
-verzet verstikte. Eindelijk zeide hij op zijn knorrig-gemoedelijke
-manier.
-
-“Per slot van rekening hebt u misschien gelijk. Je moet dapper zijn. En
-bovendien, u is de president, wij zullen u volgen.”
-
-De twee mannen waren weer tegenover elkaar gaan zitten en het gesprek
-werd voortgezet. Zij werden het eens over de houding, die het
-ministerie tegenover de interpellatie, die morgen ongetwijfeld gehouden
-zou worden, moest aannemen.
-
-Dien nacht had baron Duvillard zoo goed als niet geslapen. Nadat hij
-door Gérard thuis gebracht was, was hij onmiddellijk naar bed gegaan
-als iemand, die den slaap wil bevelen, om te vergeten en weer zichzelf
-te worden. Maar de slaap was niet gekomen, ofschoon hij dien, gekweld
-door slapeloosheid, uren lang gezocht had. De beleediging, die Silviane
-hem aangedaan had, liet hem geen oogenblik met rust. Het was, zooals
-hij het uitgeschreeuwd had, schandelijk. Dat meisje, dat hij rijk
-gemaakt, met weldaden overladen had, wierp hem die modder in het
-aangezicht, hem, den meester, die er zich op beroemde Parijs en de
-Republiek in zijn zak gestoken te hebben, die over gewetens beschikte,
-zooals een koopman zich van wol of leder meester maakt, om op de Beurs
-een slag te slaan. En het heimelijke bewustzijn, dat Silviane het
-wrekende gezwel, de verrotting voor hem, den verrotter, was, bracht hem
-geheel buiten zichzelf. Vergeefs trachtte hij dat spookbeeld te
-verjagen, te denken aan zijn zaken, aan zijn afspraken voor morgen, aan
-de millioenen, die hij in alle deelen der wereld had, aan de almacht
-van het geld, die het lot der volkeren in zijn handen legde, steeds en
-steeds weer kwam Silviane weer terug en bezoedelde hem met haar
-ontucht.
-
-Hij trachtte zich wanhopig vast te klampen aan de groote zaak, die hij
-sedert maanden voorbereidde—aan die beroemde Trans-Sahara-lijn, die
-reusachtige onderneming, waarmede millioenen gemoeid waren en die het
-aangezicht der aarde veranderen zou, steeds en steeds weer kwam
-Silviane terug en sloeg hem met haar kleine hand, die zij in het riool
-nat gemaakt had, op zijn beide wangen. Tegen het aanbreken van den dag
-was hij echter in een lichte sluimering gevallen, terwijl hij woedend
-zwoer, dat hij haar nooit weer wilde zien, haar zou wegtrappen, zelfs
-wanneer zij zich op haar knieën zou werpen.
-
-Toen hij tegen zeven uur gebroken in de verslappende klamheid der
-lakens wakker werd, gold zijn eerste gedachte haar en gaf bijna aan een
-lafheid toe. Plotseling kwam het denkbeeld in hem op dadelijk te gaan
-kijken, of zij thuis gekomen was, haar in haar slaap te overvallen,
-vrede met haar te sluiten en daarvan gebruik te maken, om haar weer te
-bezitten. Maar hij sprong uit bed, nam een koude douche en vond zijn
-moed weer terug. Neen, Silviane was een ellendelinge, ditmaal was hij,
-naar hij geloofde, voor goed van haar genezen. En inderdaad vergat hij
-haar, zoodra hij de ochtendbladen ingekeken had. De publicatie van de
-lijst door de Voix du Peuple bracht hem buiten zichzelf van woede, want
-tot nog toe had hij het sterk betwijfeld, of Sanier die wel in zijn
-bezit had. Met één oogopslag beoordeelde hij het document, de enkele
-waarheden, die het te midden van den gewonen stroom domheden en leugens
-bevatte. Hij zelf voelde zich ook ditmaal nog niet getroffen: hij
-vreesde in werkelijkheid maar één ding, n.l. de arrestatie van zijn
-bemiddelaar Hunter, door wiens proces ook hij in het geding zou
-gebracht kunnen worden.
-
-Hij had, zooals hij met zijn kalm glimlachend gelaat onophoudelijk
-herhaalde, niets anders gedaan dan wat alle banken doen, wanneer zij
-een emissie op de markt brengen: hij had de pers voor haar publicaties
-betaald, gebruik gemaakt van de diensten van courtiers en de aan de
-zaak bewezen diensten beloond. Het was een zaak... dat zeide alles voor
-hem. Overigens was hij een kalm speler en met verontwaardiging en
-minachting sprak hij over een bankier, die, door chantage in het nauw
-gedreven, een eind aan zijn leven gemaakt had. Neen, neen, men moest
-het hoofd omhoog houden, men moest tot den laatsten adem, tot den
-laatsten gulden strijden!
-
-Tegen negen uur riep een bellen hem aan zijn particuliere telephoon,
-die op zijn schrijftafel stond. Weer maakte zijn waanzin zich van hem
-meester: het moest Silviane zijn, ging het door zijn brein. Dikwijls
-viel zij hem zoo midden in zijn gewichtigste bezigheden lastig. Zij was
-thuisgekomen, begreep, dat zij te ver was gegaan en wilde hem nu
-vergiffenis vragen. En toen hij hoorde, dat het Monferrand was, die hem
-op het ministerie wilde spreken, doorhuiverde hem een lichte rilling
-als iemand, die nogmaals gered is van den afgrond, waar hij langs
-geloopen is. Dadelijk liet hij zich zijn hoed en zijn wandelstok
-brengen, daar hij loopen en in de frissche lucht nadenken wilde. Weer
-was hij geheel met zijn gedachten bij de complicaties en de
-schandaalgeschiedenis, die het Parlement en geheel Parijs in rep en
-roer brengen zou. Zich van kant maken, neen, dat was krankzinnig en
-laf. De storm kon woeden, zooveel als hij wilde, hij voelde zich sterk:
-zijn wil was krachtiger dan de gebeurtenissen, hij was vastbesloten
-zich te verdedigen als een gebieder, die niets van zijn macht opgeven
-wil.
-
-Nauwlijks was Duvillard in de antichambre van het ministerie of hij
-voelde, hoe die storm van angst en schrik hier als een orkaan woedde.
-De Voix du Peuple had met haar lijst de harten der schuldigen tot ijs
-verstijfd, allen snelden bleek en radeloos toe, nu zij den grond onder
-zich voelden wegzinken. De eerste, dien hij zag, was Dutheil. Hij beet
-zenuwachtig op zijn fijne snor en in zijn poging, om ondanks alles te
-lachen, vertrok zijn gezicht krampachtig. Hij gaf hem een standje: het
-was hoogst verkeerd op zoo’n angstige manier te komen informeeren. Maar
-Dutheil, die door die ruwe woorden reeds weer opgevroolijkt was, zwoer,
-dat hij het artikel van Sanier niet gelezen had, dat hij alleen den
-minister een dame, die hij kende, kwam aanbevelen. De baron belastte
-zich met die aangelegenheid, wenschte hem een prettige Halfvasten en
-zond hem weg. Maar een vreeselijk medelijden had hij met Chaigneux,
-wiens geheele lichaam beefde, als werd hij naar beneden getrokken door
-het gewicht van zijn langen paardenkop en die er zoo vuil en
-hulpbehoevend uitzag, dat men hem voor een ouden bedelaar gehouden zou
-hebben. Toen hij den baron zag, vloog hij naar hem toe en begroette hem
-met een onderdanige dienstvaardigheid.
-
-“O, mijnheer de baron, wat moeten de menschen slecht zijn! Dat is mijn
-dood, men vermoordt mij; wat zal er van mijn vrouw en mijn drie
-dochters worden, wier eenige steun ik ben.”
-
-In deze jammerklacht lag de geheele geschiedenis van dien armen
-stumperd, dit slachtoffer der politiek. Om met zijn vier vrouwen,
-zooals hij de moeder en de drie dochters noemde, in Parijs goede sier
-te maken, was hij zoo dwaas geweest Atrecht en zijn advocatenkantoor te
-verlaten; en van dat oogenblik af was hij, angstig geworden door zijn
-voortdurend echec, de bedeesde dienaar van zijn familie geworden. Een
-eerlijk afgevaardigde! Lieve God, hoe gaarne zou hij het geweest zijn,
-maar verkeerde hij niet altijd in geldverlegenheid, was hij niet altijd
-op zoek naar een biljet van honderd francs, was hij niet een
-afgevaardigde, die steeds te koop was? En bovendien werd hij door zijn
-vier vrouwen zoo getreiterd en lastig gevallen, dat hij het geld voor
-haar overal en hoe ook opgeraapt zou hebben.
-
-“Stel u voor, mijnheer de baron, dat ik eindelijk een man voor mijn
-oudste dochter gevonden had. Dat is het eerste geluk, dat mij ten deel
-valt, ik zou er dan nog maar drie thuis hebben... Maar u begrijpt wat
-voor een indruk een artikel als dat van vanochtend op de familie van
-den jongen man moet maken. Ik ben naar den minister gevlogen om hem te
-smeeken, mijn aanstaanden schoonzoon een secretarisbaantje te geven...
-Dat baantje, dat ik hem beloofd heb, kan nog alles in orde brengen.”
-
-Hij was zoo jammerlijk om aan te zien en sprak op een zoo smeekenden
-toon, dat Duvillard op het denkbeeld kwam een van die goede daden te
-verrichten, welke hij op het juiste oogenblik dikwijls deed, en waarin
-hij zijn protectie en zijn geld tegen hooge interest belegde. Het is
-altijd goed arme drommels, waarvan men voor een stuk brood dienaren en
-medeplichtigen maakt, aan zijn zijde te hebben. Hij zond hem dan ook
-weg en beloofde zijn zaak te zullen behartigen, terwijl hij er nog aan
-toevoegde, dat hij hem morgen op zijn kantoor wachtte, daar hij, nu een
-zijner dochters trouwde, hem wilde spreken en helpen.
-
-Chaigneux, die een leening rook, putte zich in dankbetuigingen uit.
-
-“O, mijnheer de baron, mijn leven zal te kort zijn, om u die schuld der
-dankbaarheid terug te kunnen betalen.”
-
-Toen Duvillard zich omkeerde, zag hij tot zijn verbazing abbé Froment,
-die in een hoek der antichambre zat te wachten. Deze behoorde toch niet
-tot de schaar verdachten, hoewel hij, door schijnbaar in een courant te
-lezen, een grooten angst trachtte te verbergen. De baron ging naar hem
-toe, gaf hem een hand en begon vriendschappelijk met hem te praten.
-Pierre vertelde, dat hij een brief gekregen had, waarin hem verzocht
-werd op het ministerie te komen; hij wist echter niet waarom. Hij zat
-nu al een kwartier te wachten. Als men hem hier in die antichambre maar
-niet vergat.
-
-De bode kwam eerbiedig naar Duvillard toe.
-
-“De minister verwacht u, mijnheer de baron. Hij is op het oogenblik in
-conferentie met den minister-president, maar ik heb order u, zoodra
-deze weg is, binnen te laten, mijnheer de baron.”
-
-Bijna onmiddellijk daarna ging Barroux weg. Toen Duvillard binnen wilde
-gaan, herkende hij hem en hield hem terug. Op bitteren toon en
-verontwaardigd over al dien laster sprak hij over de afschuwelijke
-zaak. Zou hij, Duvillard, als het noodig was, niet willen getuigen, dat
-hij, Barroux, direct nooit een sou ontvangen had. Hij vergat, dat hij
-tegen een bankier sprak en dat hij zelf minister van Financiën was en
-gaf al zijn afkeer voor het geld te kennen. Wat waren die zaken toch
-een troebele en vergiftige poel! Maar hij herhaalde, dat hij de
-lasteraars zou weten te straffen, dat de waarheid voldoende zijn zou.
-
-Duvillard luisterde naar hem en keek hem aan. Plotseling rees de
-gedachte aan Silviane weer in hem op en vervolgde hem, zonder dat hij
-moeite deed haar te verjagen. Hij bedacht, dat, als Barroux, toen hij
-diens bemiddeling had ingeroepen, gewild had, Silviane nu aan de
-Comédie zijn zou en het ongelukkig avontuur van den vorigen avond niet
-plaats gehad zou hebben, want hij begon zichzelf niet schuldig te
-vinden: Silviane zou hem nooit zoo schandelijk in den steek gelaten
-hebben, als hij haar gril had kunnen bevredigen.
-
-“Maar weet u wel, dat ik erg boos op u ben?” viel hij den minister in
-de rede.
-
-“Boos op mij? En waarom?” vroeg de minister verbaasd.
-
-“Natuurlijk, omdat u mij niet geholpen hebt... U weet wel... Mijn
-vriendinnetje, dat in Polyeucte debuteeren wil.”
-
-Barroux glimlachte vriendelijk.
-
-“O ja, Silviane d’Aulnay! Maar daar heeft Taboureau zich tegen verzet.
-Hij heeft Schoone Kunsten, de zaak gaat alleen hem aan. Ik kan er
-absoluut niets aan doen. Deze volmaakt eerlijke man, die uit de een of
-andere provinciefaculteit is komen vallen, zit vol gewetensbezwaren...
-Ik ben een oude Parijzenaar, ik begrijp alles, en het zou mij een groot
-genoegen geweest zijn u een dienst te bewijzen.”
-
-Bij dezen nieuwen hinderpaal geraakte Duvillard weer in hartstocht; hij
-wilde onmiddellijk hebben wat men hem weigerde.
-
-“Taboureau, Taboureau, ook een mooi blok aan uw been! Eerlijk! Maar
-zijn alle menschen niet eerlijk?... Luister eens, mijn waarde minister,
-het is nog tijd, laat Silviane benoemen, dat zal u morgen geluk
-aanbrengen.”
-
-Ditmaal brak Barroux in een luid gelach uit.
-
-“Neen, neen, ik kan Taboureau op dit oogenblik niet in den steek
-laten... De menschen zouden ons uitlachen. Een ministerie, dat valt of
-blijft voor de Silviane-quaestie.”
-
-Hij had zijn hand uitgestoken, om afscheid te nemen. De baron nam die
-aan, hield hem nog een oogenblik staande en zeide zeer ernstig met een
-bleek gezicht:
-
-“Het is heel verkeerd van u zoo te lachen, mijn waarde minister. Er
-zijn toch wel ministeries voor kleinere dingen gevallen... Als u morgen
-valt, hoop ik, dat u er nooit spijt van zult hebben.”
-
-Duvillard keek hem na. Hij was beleedigd, dat de minister het zoo
-schertsend opnam, wond zich op bij de gedachte, dat voor hem iets
-beslist onmogelijk was. O, het was niet in de hoop zich weer met
-Silviane te verzoenen, maar hij zwoer zich een heiligen eed, dat hij,
-als het moest, alles tegen den grond werpen zou, om haar, slechts uit
-wraak, dat contract als een klap in haar gezicht, het onderteekende
-contract thuis te zenden. Ja, als een klap in haar gezicht... Deze
-minuut was beslissend geweest.
-
-Op dit oogenblik zag Duvillard, die Barroux nog steeds nakeek, tot zijn
-verbazing dat Fonsègue, die juist aankwam, zoo trachtte te
-manoeuvreeren, dat hij niet door den minister gezien werd. Het gelukte
-hem, hij ging de antichambre binnen; zijn gewoonlijk zoo levendig
-gezicht zag er thans wanhopig uit. De storm van angst loeide nog steeds
-en bracht ook hem hier.
-
-“Heb je je vriend Barroux niet gezien?” vroeg de baron nieuwsgierig.
-
-“Barroux? Neen!”
-
-Deze kalme leugen verried alles. Hij stond op familiaren voet met
-Barroux, steunde hem al tien jaar in zijn courant, had dezelfde ideeën,
-dezelfde politieke en godsdienstige richting. Maar nu hij met zijn
-scherpe neus den dreigenden ondergang rook, begreep hij, dat hij andere
-vrienden zoeken moest, als hij ook niet onder de puinhoopen begraven
-wilde worden. Had hij niet tien jaren lang al zijn diplomatieke
-voorzichtigheid gebruikt voor het stichten van het meest waardige en
-meest gerespecteerde blad van Parijs, om zich door de onhandigheid van
-een eerlijk man op die wijze te laten compromitteeren?
-
-“Ik dacht dat je op gespannen voet met Monferrand stondt!” zeide
-Duvillard. “Wat kom je hier doen?”
-
-“O, mijn beste baron, de uitgever van een groot blad staat met niemand
-op gespannen voet. Hij wijdt zich geheel aan zijn land.”
-
-Ondanks zijn eigen opwinding kon Duvillard een glimlachje niet
-bedwingen.
-
-“Je hebt gelijk. Bovendien is Monferrand werkelijk een flinke kerel,
-dien je zonder vrees steunen kunt.”
-
-Nu vroeg Fonsègue zich af, of zijn angst zoo duidelijk op zijn gelaat
-te lezen was. Het artikel van de Voix du Peuple had hem, den kalmen
-speler, die zijn spel altijd zoo beheerschte, buitengewoon bang
-gemaakt. Voor de eerste maal in zijn leven had hij een fout begaan,
-voelde hij, dat hij gevaar liep, nu hij zoo onvergeeflijk onvoorzichtig
-geweest was een paar regels te schrijven. De vijftig duizend francs,
-die Barroux hem voor zijn blad had doen toekomen, maakten hem niet
-ongerust, maar hij beefde, dat de andere geschiedenis, de som, die hij
-persoonlijk ten geschenke gekregen had, zou uitkomen. Eerst de
-doordringende blik van Duvillard deed hem zijn koelbloedigheid weer
-eenigszins terugkrijgen. Het was dwaas niet meer te kunnen liegen en
-door zijn houding alleen te bekennen.
-
-De bode was weer naderbij gekomen.
-
-“Mag ik mijnheer den baron eraan herinneren, dat mijnheer de minister
-op hem wacht?”
-
-Toen Fonsègue met abbé Froment alleen bleef, ging hij, zoodra hij hem
-zag, dadelijk naast hem zitten. Ook hij verwonderde zich, dat deze hier
-was. Pierre vertelde, dat hij ontboden was zonder dat hij vermoeden kon
-wat de minister hem te zeggen had. Hij liet zijn ongeduld, de lichte
-huivering, die door zijn vingers beefde, nogmaals blijken; maar hij
-moest wachten, daar er zulke ernstige dingen te verhandelen waren.
-
-Zoodra Monferrand Duvillard binnen zag komen, ging hij met uitgestoken
-handen naar hem toe. Niettegenstaande den storm van schrik, die overal
-woedde, behield hij zijn vriendelijk en glimlachend uiterlijk.
-
-“Wat een geschiedenis, waarde baron!”
-
-“Het is idioot!” antwoordde deze, terwijl hij zijn schouders ophaalde.
-
-Hij ging in den fauteuil van Barroux zitten, terwijl de minister
-tegenover hem plaats nam. De beide mannen waren als het ware geschapen,
-om elkander te begrijpen: beiden maakten dezelfde radelooze gebaren,
-hadden denzelfden woedenden toon, toen zij beweerden, dat regeeren,
-wanneer men van de menschen de deugd eischte, die zij niet bezaten,
-evenmin mogelijk was als zaken doen. Was het, wanneer naar aanleiding
-van een groote onderneming de goedkeuring der Kamer noodig zou zijn,
-niet in alle tijden en onder alle regimes de taktiek geweest het
-noodzakelijke te doen om deze te verkrijgen? Men moest toch invloed
-krijgen, sympathieën winnen, zich van de stemmen verzekeren. Alles was
-nu eenmaal te koop, de menschen zoowel als de rest, sommigen voor goede
-woorden, anderen voor gunstbewijzen of geld, voor min of meer vermomde
-geschenken. Maar was het—zelfs toegegeven, dat men met de omkooping wat
-te ver was gegaan, dat in sommige gevallen het geknoei te onvoorzichtig
-geweest was—verstandig zoo’n lawaai te maken? Zou een krachtige
-regeering niet dadelijk begonnen zijn het schandaal uit patriotisme en
-uit een gevoel van fatsoen te verstikken?
-
-“Maar natuurlijk, je hebt duizendmaal gelijk!” riep Monferrand. “Als ik
-wat te zeggen had, zou je eens een mooie begrafenis eerste klasse
-zien!”
-
-Toen Duvillard, getroffen door die laatste woorden, hem strak aankeek,
-ging hij glimlachend voort:
-
-“Maar ongelukkig heb ik niets te zeggen, en ik ben zoo vrij geweest u
-te storen, om eens kalm met u over den toestand te praten... Barroux,
-die juist hier geweest is, leek mij in een opgewonden en verkeerde
-gemoedsstemming te zijn.”
-
-“Ja, ik heb hem ook gesproken; hij heeft soms van die vreemde
-ideeën...”
-
-Dan viel hij zichzelf in de rede:
-
-“Zeg, Fonsègue zit in de antichambre. Laat hem hier komen, nu hij
-blijkbaar vrede met je wil sluiten. Hij zal niet overbodig zijn, hij
-weet dikwijls goeden raad en zijn blad kan de overwinning geven,”
-
-“Wat, is Fonsègue hier?” riep Monferrand uit. “Ik wil niets liever dan
-hem de hand drukken. Oude geschiedenissen, die niemand aangaan! Lieve
-Hemel, als u eens wist hoe weinig haatdragend ik ben!”
-
-Toen de bode Fonsègue binnengebracht had, volgde de verzoening heel
-eenvoudig. Zij kenden elkaar reeds van het gymnasium in hun
-geboorteplaats Corrège, doch spraken in de laatste twee jaar ten
-gevolge van een afschuwelijke geschiedenis, waarvan niemand precies de
-bijzonderheden wist, niet meer met elkaar. Maar er zijn oogenblikken,
-dat de dooden begraven moeten worden, wanneer men het slagveld voor een
-nieuw gevecht moet schoonmaken.
-
-“Het is heel aardig van je, dat je het eerst bij mij komt. Je bent dus
-niet boos meer?”
-
-“Neen. Waarom zou je elkaar opeten, wanneer je er alle belang bij hebt
-het eens te zijn?”
-
-En zonder eenige verdere verklaring begonnen zij over de groote zaak.
-Toen Monferrand zeide, dat Barroux van plan was te bekennen en een
-verklaring te geven van zijn handelwijze, sprongen de beide anderen
-verbaasd op. Dat stond gelijk met een val! Ze zouden het hem wel
-beletten, hij mocht zoo’n dwaasheid niet uithalen! Daarop bespraken zij
-alle denkbare middelen, om het in gevaar gebrachte ministerie te
-redden, want dat moest toch het eenige zijn, wat Monferrand wilde. En
-deze deed dan ook alsof hij hartstochtelijk zocht naar een middel, om
-zijn collega’s en zichzelf door de moeilijkheden heen te helpen, hoewel
-om zijn mondhoeken een flauw glimlachje spelen bleef. Eindelijk scheen
-hij echter overwonnen te zijn en zocht niet verder.
-
-“Laten we niet langer zoeken, het ministerie is gevallen.”
-
-De beide anderen keken elkaar aan, angstig als zij waren de zaak der
-Afrikaansche sporen toe te vertrouwen aan het volgend kabinet. Een
-kabinet Vignon zou zeker doen alsof het hoogst fatsoenlijk was!
-
-“Wat moeten we dan doen?”
-
-Maar op dat oogenblik ging de telephoon.
-
-“Excuseert me even!”
-
-Een oogenblik luisterde hij en sprak in het toestel, zonder dat uit
-zijn antwoorden of zijn korte vragen op te maken was, welke mededeeling
-hij ontving. Het was de chef van den Veiligheidsdienst, die zijn
-belofte hield en hem telephoneerde, dat de man in het Bois de Boulogne
-gevonden was en de jacht met kracht voortgezet werd.
-
-“Uitstekend! En vergeet mijn orders niet!”
-
-Dan keerde Monferrand, wiens plan zich langzamerhand uitgebreid en in
-de zekerheid van Salvat’s arrestatie een vasten vorm aangenomen had,
-naar het midden van het groote vertrek terug en zeide op zijn gewone,
-vertrouwelijke manier:
-
-“Wat zal ik zeggen, waarde vrienden? Ik moest de baas zijn! Als ik de
-baas was!... Een enquête-commissie is een begrafenis eerste klasse voor
-dergelijke geschiedenissen. Ik zou niets bekennen, ik zou een
-enquête-commissie laten benoemen. Dan zou je eens zien hoe gauw de
-storm bedaarde!”
-
-Duvillard en Fonsègue lachten. Maar deze laatste, die Monferrand al zoo
-lang kende, doorzag hem bijna geheel en al.
-
-“Zeg eens, wanneer het ministerie valt, dan volgt daar nog niet uit,
-dat jij ook valt. Een ministerie kan opgelapt worden, als de stukken
-goed zijn.”
-
-“Neen, neen, mijn waarde, dat spel speel ik niet,” protesteerde
-Monferrand, bang, dat hij hem in de kaart gekeken had. “We zijn
-solidair!”
-
-“Kom nou, solidair met de onnoozele gekken, die zich met voordacht
-verdrinken. En wij mogen jou, wanneer wij je noodig hebben, per slot
-van rekening toch tegen je wil redden, niet waar, baron?”
-
-En toen Monferrand, zonder verder te protesteeren, weer ging zitten,
-riep Duvillard, die weer geheel door zijn hartstocht medegesleept werd
-en bij de herinnering aan Barroux’ weigering in woede geraakte, uit:
-
-“Natuurlijk! Als het ministerie vallen moet, dan moet het ook vallen...
-Wat kan je van een ministerie verwachten, waarin een kerel als
-Taboureau zit? Een oude, afgeleefde professor zonder eenig prestige,
-die uit Grenoble hierbinnen is komen vallen, die nooit een voet in een
-schouwburg gezet had en onder wiens leiding de schouwburgen nu staan.
-Natuurlijk begaat hij de eene stommiteit na de andere.”
-
-Monferrand, die volkomen op de hoogte van de quaestie-Silviane was,
-bleef ernstig en amuseerde er zich een oogenblik mede den baron te
-prikkelen.
-
-“Taboureau is een eenigszins ouderwetsche geleerde, maar die als
-aangewezen is voor het Openbaar Onderwijs, waarin hij volkomen thuis
-is.”
-
-“Scheid toch uit. Jij bent toch verstandiger, jij zult toch niet,
-zooals Barroux, Taboureau verdedigen... Het is waar, dat ik erop sta,
-dat Silviane in de Comédie debuteert. Zij is in den grond der zaak heel
-aardig en heeft een opmerkelijk talent, zou jij er ook tegen zijn?”
-
-“Ik, lieve God, ik zou er niet over denken! Een knap meisje op het
-tooneel zou iedereen pleizier doen, daar ben ik zeker van! Maar we
-zouden dan aan Schoone Kunsten iemand moeten hebben, die denkt zooals
-ik...”
-
-Zijn flauw glimlachje was weer teruggekomen. Wanneer hij zich van den
-steun van Duvillard en van zijn millioenen kon verzekeren door dat
-meisje te laten debuteeren, dan zou dat niet te duur gekocht zijn. Hij
-wendde zich tot Fonsègue als om dezen te raadplegen, en deze, die de
-groote beteekenis van deze aangelegenheid inzag, dacht ernstig na.
-
-“Voor Schoone Kunsten zou een senator het meest geschikt zijn... maar
-ik weet niemand, absoluut niemand in de gegeven omstandigheden. Een
-breed denkende geest, een Parijzenaar, wiens aan het hoofd staan der
-Universiteit niet al te veel verwondering wekken zou... Dauvergne is er
-wel.”
-
-“Wie is dat, Dauvergne?” riep Monferrand verbaasd uit. “O ja,
-Dauvergne, de senator van Dijon... Maar hij heeft niet het minste
-verstand van onderwijs.”
-
-“Bliksems!” riep Fonsègue uit, “ik zoek toch nog... Dauvergne is een
-groote, blonde, decoratieve persoonlijkheid. En bovendien is hij
-ontzaglijk rijk, heeft hij een knappe vrouw, wat ook niet kwaad is, en
-geeft hij in zijn hôtel op den boulevard Saint-Germain groote feesten.”
-
-Hij had in den beginne den naam slechts aarzelend genoemd; maar
-langzamerhand begon zijn keuze hem een ware vondst toe te schijnen.
-
-“Wacht eens even. Ik herinner me, dat Dauvergne in zijn jeugd te Dijon
-een stuk, een éénacter in verzen heeft laten opvoeren. Dijon is een
-letterkundige stad en dat geeft hem dadelijk een zachten, litterairen
-geur. Afgezien daarvan heeft hij sedert twintig jaar er geen voet meer
-gezet, is hij een besliste Parijzenaar geworden, die in alle kringen
-verkeert... Dauvergne zal alles doen wat we willen. Hij is onze man.”
-
-Duvillard zeide, dat hij hem kende en voor zeer geschikt hield.
-“Trouwens wat komt het er op aan, hij of een ander?”
-
-“Dauvergne, Dauvergne,” herhaalde Monferrand. “Lieve God, ja—misschien
-zal hij een goed minister worden. Dauvergne dus!”
-
-Dan barstte hij plotseling in een luiden lach uit.
-
-“Nou zijn we waarachtig met een reconstructie van het kabinet bezig, om
-die aardige dame in de Comédie te laten optreden. Het
-ministerie-Silviane... En de andere portefeuilles?”
-
-Hij schertste, want hij wist, dat vroolijkheid dikwijls moeilijke
-oplossingen verhaast. En inderdaad regelden zij in een opgewekte
-stemming alles wat gedaan moest worden, wanneer het ministerie den
-volgenden dag vallen zou, tot in de kleinste bijzonderheden. Zonder het
-met zoovele woorden uit te spreken, besloten zij toch het ministerie te
-laten vallen en Monferrand uit het troebele water op te visschen. Deze
-laatste sloot zich bij de anderen aan, daar hij de financieele macht
-van den baron en vooral de diensten van den Globe, die een campagne
-voor hem op touw zetten kon, noodig had; terwijl anderzijds, afgezien
-van de Silviane-quaestie de beide anderen den staatsman met de sterke
-vuist, die door de benoeming van een enquête-commissie, welker draden
-hij in de hand houden zou, het schandaal met de Afrikaansche sporen
-beloofde te begraven, noodig hadden. Weldra waren de drie mannen het
-volkomen eens, want niets brengt de menschen meer tot elkaar dan een
-gemeenschappelijk belang, vrees en het bewustzijn, dat men elkaar
-noodig heeft. Toen Duvillard dan ook over de jonge dame sprak, die
-Dutheil hem wilde aanbevelen, zeide de minister onmiddellijk, dat het
-in orde was. Een heel aardige jongen, die Dutheil! Zoo moesten er meer
-zijn! Ook spraken zij af, dat de aanstaande schoonzoon van Chaigneux
-zijn baantje krijgen zou. Die arme Chaigneux! Hij was altijd bereid
-zich met alles te belasten en hij had het zoo moeilijk met zijn vier
-vrouwen.
-
-“Dus alles is afgesproken!”
-
-“Afgesproken!”
-
-“Afgesproken!”
-
-En Monferrand, Duvillard en Fonsègue gaven elkaar een krachtigen
-handdruk.
-
-Toen de eerste de beide anderen tot aan de deur uitgeleide deed, zag
-hij in de antichambre een prelaat met een fijne, violet omzoomde
-soutane met een priester staan praten.
-
-“O, monseigneur Martha, hebt u gewacht?” riep de minister uit, terwijl
-hij vol ijver naar den prelaat liep. “Kom toch binnen, kom toch
-binnen!”
-
-Maar met groote hoffelijkheid weigerde de bisschop dat.
-
-“Neen, neen, abbé Froment was er vóór mij. Ontvang hem eerst.”
-
-Monferrand moest wel toegeven en liet den priester in zijn kabinet
-gaan. Het onderhoud duurde echter niet lang. De minister, die zoodra
-hij met een geestelijke sprak, steeds diplomatiek-gereserveerd was,
-begon zonder eenige inleiding over de quaestie Barthès. Pierre had de
-twee uur, dat hij had moeten wachten, in de grootste onrust verkeerd,
-want de eenige verklaring, welke hij zich voor dien brief geven kon,
-was, dat men het verblijf van zijn broer bij hem ontdekt had. Wat zou
-er gebeuren? Toen hij nu hoorde, dat de minister alleen over Barthès
-sprak en hem zeide, dat het de regeering aangenamer zijn zou, wanneer
-Barthès vluchtte dan dat zij genoodzaakt zou zijn hem weer in de
-gevangenis te zetten, geraakte hij een oogenblik in verwarring. Hij
-begreep het niet goed. Hoe was het mogelijk, dat de politie, die den
-legendarischen samenzweerder in het kleine huisje te Neuilly had weten
-te vinden, totaal onbekend scheen te zijn met de aanwezigheid van
-Guillaume?
-
-“Wat wil Uwe Excellentie dus van mij? Ik begrijp het nog niet goed.”
-
-“Lieve hemel, mijnheer de abbé, dat laat ik geheel aan uw prudentie
-over. Als deze man binnen acht-en-veertig uur nog bij u is, zouden wij
-verplicht zijn hem te laten arresteeren, wat ons zeer spijten zou, daar
-wij weten, dat uw woning een asyl van alle deugden is. Raad hem aan
-Frankrijk te verlaten; hij zal niet lastig gevallen worden.”
-
-Vlug bracht Monferrand Pierre naar de antichambre terug. Dan wendde hij
-zich glimlachend en buigend tot monseigneur Martha:
-
-“Monseigneur, ik ben geheel tot uw dienst... Kom binnen, kom binnen!”
-
-De prelaat, die opgewekt met Duvillard en Fonsègue stond te praten,
-drukte dezen en Pierre de hand. Bezield door een verlangen, om alle
-harten te winnen, was hij dien ochtend buitengewoon beminlijk en
-vriendelijk. Zijn donkere, levendige oogen glimlachten, zijn knap
-gezicht met de regelmatige, vaste lijnen was één liefkoozing. Zonder
-haast en op zijn onbevangen veroveraarsmanier ging hij het kabinet
-binnen.
-
-Nu waren in het ledige ministerie nog slechts Monferrand en monseigneur
-Martha, die een eindeloos gesprek voerden. Men had kunnen denken, dat
-de prelaat graag Kamerlid wilde worden. Maar hij speelde een meer
-nuttige en hoogere rol: hij regeerde in het donker, hij was de leidende
-ziel van de Vaticaansche politiek in Frankrijk. Bleef Frankrijk niet de
-oudste Dochter der Kerk, de eenige groote natie, die ooit eens aan het
-pausdom zijn almacht terug zou kunnen geven? Hij had de Republiek
-aanvaard, predikte verzoening en ging in de Kamer voor den stichter van
-de nieuwe Katholieke partij door. En Monferrand, die door den
-vooruitgang van den nieuwen geest, door deze reactie der mystiek, die
-zich vleide de wetenschap te begraven, getroffen werd, was één en al
-beminlijkheid. De man met de ijzeren vuist gebruikte voor zijn
-overwinning alle krachten, die zich aanboden.
-
-
-
-
-IV.
-
-Op den middag van dienzelfden dag voelde Guillaume een zóó groote
-behoefte aan frissche lucht en vrije ruimte, dat Pierre erin toestemde
-een lange wandeling met hem te maken in het vlak bij hun huisje gelegen
-Bois de Boulogne. Na zijn terugkeer van het ministerie had hij zijn
-broeder onder het dejeuner verteld op welke wijze de regeering van plan
-was zich van Nicolas Barthès te ontdoen. Beiden waren somber gestemd,
-want zij wisten niet op welke manier zij den ouden man zijn verbanning
-moesten mededeelen en gaven zich tot den avond tijd om te overwegen hoe
-zij het bittere ervan voor hem zouden kunnen verzachten. Onder de
-wandeling zouden zij er nog wel eens over spreken. En bovendien, waarom
-zouden zij zich nog langer schuil houden, waarom zouden zij dien
-eersten uitgang niet wagen, nu Guillaume door niets ernstigs bedreigd
-scheen te worden? De beide broeders gingen door de Porte des Sablons
-het bosch in.
-
-Het was in de laatste dagen van Maart; het bosch begon groen te worden,
-maar nog zoo teer, dat de lichte puntjes aan de bladeren op een
-bleekgroen mos, op een eindeloos fijne kant geleken. De regen, die den
-geheelen nacht en ochtend gevallen was, had opgehouden; de lucht echter
-bleef aschgrauw; het weer oplevende, geheel doordrenkte bosch had in de
-onbeweeglijke, zachte atmospheer, een heerlijke frischheid, een
-onschuldige jeugd. De feestelijkheden van de Halfvasten hadden
-blijkbaar de groote menigte naar het hartje van Parijs gelokt, want in
-de lanen zag men slechts ruiters, equipages en wandelaarsters, die uit
-haar coupés en landauers gestapt waren, terwijl minnen haar zuigelingen
-in kanten manteltjes ronddroegen. In het Bois heerschte de hooge
-elegance, de mondaine beweging van uitgelezen dagen, waarop de kleine
-luiden zich zelfs niet vertoonen. Slechts hier en daar zag men een paar
-burgervrouwen uit de buurt met een breiwerk op de banken of op de dicht
-begroeide plaatsen zitten en naar het spelen van haar kinderen kijken.
-
-Pierre en Guillaume sloegen de allée de Longchamp in, die zij volgden
-tot den weg van Madrid aux Lacs. Daar gingen zij onder de boomen loopen
-en volgden den loop van de kleine beek naar Longchamp. Hun plan was tot
-aan de meren te gaan, die om te wandelen en dan door de Porte Maillot
-naar huis terug te keeren. Maar het kreupelhout, dat zij doorgingen,
-was in deze kindsheid der lente zoo rustig en verrukkelijk, dat zij aan
-hun verlangen om te gaan zitten en van de heerlijke rust te genieten,
-geen weerstand bieden konden.
-
-Een boomstam diende als bank, zij konden zich inbeelden diep in een
-echt bosch te zijn. En Guillaume droomde inderdaad na zijn lange
-vrijwillige gevangenschap van een werkelijk bosch. O, de vrije ruimte,
-de gezonde lucht, die in de takken waait; deze geheele, reusachtige
-wereld, die het onvervreemdbare gebied van den mensch zijn moest. De
-naam van Barthès, den eeuwigen gevangene, kwam weer op zijn lippen en
-hij zuchtte, weer door droefheid overmand. De marteling, waaronder die
-ééne, steeds weer in zijn vrijheid beperkte leed, was voldoende om al
-het genot, dat die heerlijke, reine lucht hem gaf, te bederven.
-
-“Wat wil je tegen hem zeggen? We moeten het hem toch zeggen.
-Ballingschap is toch in ieder geval te verkiezen boven de gevangenis.”
-
-Pierre maakte een wanhopig gebaar.
-
-“Ja, ja, ik zal hem waarschuwen. Maar mijn hart breekt eronder!”
-
-Op dat oogenblik doemde in dit eenzame, verlaten hoekje, waar zij zich
-aan het einde der wereld wanen konden, een vreemd schouwspel voor hen
-op. Plotseling sprong een man uit het kreupelhout en rende voor hen
-uit. Het was ongetwijfeld een man, maar zoo onherkenbaar, zoo met
-modder bedekt, dat men hem voor een dier had kunnen houden, voor een
-door de honden opgejaagd en in het nauw gebracht, wild zwijn. Een
-oogenblik bleef hij radeloos voor de beek staan, dan liep hij erlangs,
-maar toen hij passen en zwaar ademhalen achter zich hoorde, ging hij
-tot zijn dijen in het water, sprong op den anderen oever en verdween
-achter een boschje pijnboomen. Bijna onmiddellijk daarna vlogen
-boschwachters onder leiding van een paar agenten langs hen heen,
-volgden de beek en verdwenen in de verte. Het was een menschenjacht in
-de teere lente der bladeren, een heimelijke, woeste jacht zonder roode
-rokken of stooten op hoorns.
-
-“De een of andere schooier,” prevelde Pierre. “De ongelukkige.”
-
-“Altijd de gendarmen en de gevangenis,” zeide Guillaume op zijn beurt
-ontmoedigd. “Een andere sociale school hebben ze nog niet gevonden.”
-
-De man rende nog steeds verder en verder. Toen Salvat ’s nachts in een
-plotselinge vlucht het Bois de Boulogne bereikt had en zoo aan de
-agenten, die hem volgden, ontsnapt was, wilde hij tot aan de Porte
-Dauphine gaan en daar in de vestinggrachten afdalen. Hij herinnerde
-zich, dat hij vroeger dikwijls, wanneer hij geen werk had, daar dagen
-lang op die plek doorgebracht, zonder er ooit iemand ontmoet te hebben.
-En inderdaad bestond er geen geheimer, meer door struikgewas versperd,
-meer door hoog gras bezaaid toevluchtsoord. Sommige plekken van de
-gracht zijn niets dan nesten voor vagebonden en verliefde paartjes.
-Toen Salvat in het dichtste gedeelte van doorns en klimop binnendrong,
-had hij het geluk ondanks den neervallenden regen een soort hol met
-droge bladeren te vinden, waarin hij zich tot aan zijn kin begroef. Hij
-dreef reeds van het water, want hij was, slechts tastend en dikwijls op
-handen en voeten kruipend, op de modder en hellingen uitgegleden. Die
-droge bladeren waren voor hem een ongehoopte weldaad, een soort laken,
-waaronder hij zich wat kon drogen en uitrusten van zijn dolle jacht
-door de angstaanjagende duisternis. De regen bleef neerdrenzen, maar
-alleen zijn hoofd werd nu maar nat, ja ten slotte raakte hij verdoofd,
-viel hij in den regen in een zwaren slaap.
-
-Toen hij zijn oogen weer opensloeg, werd het licht; het moest ongeveer
-zes uur zijn. Het hemelwater had ten slotte ook de bladeren vochtig
-gemaakt, zoodat hij als het ware in een ijskoud bad lag. Toch bleef hij
-er liggen, want hij voelde zich hier veilig voor de jacht, die zeker op
-hem gemaakt zou worden. Hier kon geen “smeris” hem ontdekken, want zijn
-lichaam was heelemaal begraven en zijn hoofd verdween zelfs half onder
-het struikgewas. Hij bewoog zich niet en bleef liggen kijken, hoe het
-steeds lichter werd.
-
-Tegen acht uur kwamen politieagenten en boschwachters voorbij en
-doorzochten de vestinggracht, zonder hem echter te zien. Juist zooals
-hij gedacht had, was met het aanbreken van den dag de drijfjacht
-begonnen. Zijn hart klopte met luide slagen, hij kreeg het gevoel alsof
-hij een stuk wild was, dat door de jagers ingesloten werd. Toevallig
-had hij juist zijn schuilplaats gezocht onder de kazerne der gendarmen,
-waarvan het leven tot hem doordrong. Niemand kwam meer voorbij, geen
-levende ziel was te zien, geen geritsel in het gras te hooren. Slecht
-in de verte weerklonken de onduidelijke geluiden van het ochtendleven
-in het Bois de Boulogne, een bel van een fietsrijder, de galop van een
-paard, het rollen van rijtuigen; het gelukkige, door de frissche lucht
-bedwelmde niets doen van het mondaine Parijs.
-
-De uren verliepen, negen uur, tien uur. Sedert het niet meer regende,
-had hij, dank zij den pet en den dikken paletot, dien de kleine Mathis
-hem gegeven had, minder van de koude te lijden. Maar de honger begon
-hem weer te kwellen, een brandend gevoel boorde hem als het ware een
-gat in zijn maag, terwijl vreeselijke krampen zijn lendenstreek bijna
-braken. Hij had sedert twee dagen niets gegeten en had den vorigen
-avond, toen hij van Mathis een glas bier kreeg, sedert anderhalven dag
-een leege maag. Het was zijn plan daar tot den avond te blijven, dan in
-het donker naar Boulogne te sluipen en door een open plek, die hij aan
-dien kant kende, het bosch te verlaten. Men had hem nog niet te pakken.
-Hij trachtte weer in te slapen, maar kon het niet, daar de honger hem
-te veel kwelde. Om elf uur kreeg hij een duizeling, dacht hij te zullen
-sterven. Woede maakte zich van hem meester en plotseling sprong hij uit
-zijn bladerenbed. Hij kon daar niet langer blijven, hij wilde eten, ook
-al zou het hem zijn vrijheid en zijn leven kosten. Het sloeg twaalf
-uur.
-
-Nauwlijks had hij de gracht verlaten of hij bevond zich op de groote
-open ruimte der grasvelden van la Muette. Hij joeg er als een
-krankzinnige doorheen en ging instinctmatig de richting van Boulogne
-in, daar hij meende, dat alleen daar een uitweg te vinden zou zijn. Het
-was een wonder, dat niemand zich om dien zoo dolzinnig voortrennenden
-man bekommerde. Toen het hem gelukt was onder de boomen te komen,
-begreep hij hoe onvoorzichtig hij was geweest, werd hij zich den
-waanzin bewust, die hem in zijn drang om te vluchten medegesleept had.
-Hij beefde, ging plat op den grond tusschen de bremstruiken liggen en
-wachtte eenige minuten om zich te vergewissen, dat de agenten hem niet
-op de hielen zaten. Dan liep hij langzaam verder, steeds loerend en
-luisterend, met een wonderlijk instinct voor het gevaar. Het was zijn
-bedoeling tusschen het hoogst gelegen meer en de renbaan van Auteuil
-door te loopen. Maar daar is slechts een breede, door enkele boomen
-omzoomde baan; hij moest buitengewoon handig te werk gaan om nooit in
-het vrije veld te zijn. Hij maakte gebruik van den kleinsten boomstam,
-van het dunste boomgroepje en waagde dat nog slechts, wanneer hij eerst
-langen tijd den omtrek afgekeken had. Een nieuwe schrik, het zien van
-een boschwachter in de verte, dwong hem nog een kwartier plat op zijn
-buik te blijven liggen. Het naderen van een leeg rijtuig of van een
-wandelaar was voldoende om hem te doen stilstaan. Hij haalde verlicht
-adem, toen hij eindelijk aan de andere zijde van den Montemar-heuvel in
-het kreupelhout tusschen den weg naar Boulogne en de avenue de
-Saint-Cloud was. Dat kreupelhout is daar zeer dicht en hij behoefde het
-slechts te volgen, om, op die wijze verborgen, den uitgang, die niet
-ver meer weg kon zijn, te bereiken. Hij was gered.
-
-Maar plotseling zag hij op ongeveer dertig meter afstand een
-boschwachter staan, die hem den weg versperde. Hij sloeg links af en
-vond daar een tweeden, die eveneens onbeweeglijk stond en op hem scheen
-te wachten. Boschwachters, steeds weer boschwachters om de vijftig
-pas—een heel cordon was daar als de mazen van een net gespannen. Het
-ergste was, dat men hem blijkbaar gezien had, want een zacht gefluit
-liet zich hooren en werd weldra van post tot post, tot in het oneindige
-toe herhaald. Eindelijk hadden de jagers het goede spoor;
-voorzichtigheid was nu verder onnoodig, de man behoefde zijn laatste
-heil nog slechts in de vlucht te zoeken. Hij voelde dat zóó goed, dat
-hij het onmiddellijk op een loopen zette, over hindernissen heensprong
-en zonder bang te zijn gezien of gehoord te worden, tusschen de boomen
-vluchtte. In drie sprongen was hij de avenue de Saint-Cloud over, om
-zich in het dichte geboomte, dat zich tusschen deze avenue en de allée
-de la Reine-Marguerite uitstrekt, te werpen. Daar is het kreupelhout
-nog dichter; het zijn de dichtst begroeide plekken van het Bois de
-Boulogne, een geheele zee van groen in den zomer, waarin hij zich
-misschien, als er bladeren aan de boomen geweest waren, schuil had
-kunnen houden.
-
-Een oogenblik was hij weer alleen: hij bleef staan en luisterde
-angstig. Hij zag of hoorde de gendarmes niet meer: zou hij ze op een
-dwaalspoor gebracht hebben? Een stilte, een vrede van eindelooze
-zachtheid daalde neer van het jonge loof. Doch dan liet het zacht
-gefluit zich weer hooren en kraakten takken; hij zette zijn
-krankzinnigen loop weer voort, vluchtte, om te vluchten, recht voor
-zich uit. Toen hij bij de allée de la Reine-Marguerite kwam, vond hij
-die versperd: op regelmatige afstanden stonden agenten opgesteld. Hij
-moest nu, zonder het kreupelhout te verlaten, weer de allée verder
-volgen. Maar hij verwijderde zich op die manier van Boulogne, keerde op
-zijn schreden terug. Verward teekende zich in zijn arm brein een
-laatste plan tot redding af: door het kreupelhout naar het boschje van
-Madrid loopen, om daar van het eene boomgroepje naar het andere ten
-slotte bij het water te komen. Dat was de eenige boschweg, die naar de
-Seine kon loopen, want hij durfde het niet wagen daarheen te gaan over
-de kale vlakten van den Hippodrome en het exercitieterrein.
-
-Hij rende steeds verder en verder. Toen hij aan de allée de Longchamp
-kwam, kon hij die niet oversteken, daar zij ook bewaakt was. Nu moest
-hij zijn plan om over Madrid en de Seine te vluchten, opgeven; hij was
-gedwongen een omweg te maken langs den Pré Catelan. Onder de leiding
-van de boschwachters kwamen de agenten dichterbij; hij voelde hoe zij
-hem in een steeds nauwer en nauwer wordenden kring omsingelden. Weldra
-ontstond een woeste, wilde, ademlooze jacht, heuvel op, heuvel af, over
-steeds weer opduikende hindernissen. Hij sprong over doornige struiken,
-sloeg latwerk in. Driemaal viel hij, daar zijn voeten verward raakten
-in het ijzerdraad der afgesloten ruimten, die hij in het geheel niet
-gezien had; maar hoewel hij in de brandnetels terechtgekomen was, stond
-hij op, zonder iets van het vurige jeuken te merken en zette zijn
-dolzinnige vlucht voort als werden sporen in zijn zijde gedrukt en hij
-tot bloedens toe gestriemd.
-
-Toen zagen Guillaume en Pierre hem, onherkenbaar, angstaanjagend, langs
-zich stormen en in het modderige water van de beek springen, zooals een
-dier, dat een laatsten wal tusschen zich en de honden opwerpen wil. Hij
-was op het hersenschimmige denkbeeld gekomen, dat het eiland midden in
-het meer een onschendbaar asyl zijn zou, als hij het bereiken kon. Hij
-wilde erheen zwemmen, zonder dat iemand het zag, en zich daar
-onopgemerkt en verder voor alle nasporingen gevrijwaard, in den grond
-ingraven. Hij rende steeds verder en verder. Maar weer dwongen
-boschwachters hem, om te keeren, was hij verplicht steeds weer te gaan
-in de richting van den kruisweg bij de meren, werd hij teruggedreven
-naar de vestingwerken, vanwaar hij gekomen was. Het was nu bijna drie
-uur. Meer dan twee en een half uur rende hij nu steeds verder en
-verder...
-
-Maar dat was het einde. Hij viel bijna neer. Zijn uitgeputte voeten
-droegen hem niet meer, bloed stroomde uit zijn ooren; schuim stond op
-zijn mond. Zijn zijden werden als door een heftigen storm op- en
-neergejaagd, alsof de woeste sprongen van zijn hart ze wilde breken.
-Water en zweet droop langs zijn geheele lichaam; met modder bedekt,
-verwilderd en met een ledige maag werd hij nog meer door den honger dan
-door de moeheid gekweld. In den nevel, die langzamerhand zijn
-waanzinnig fonkelende oogen omsluierde, zag hij plotseling achter een
-door boomen verborgen chalet de deur van een bergplaats open staan.
-Niemand was er te zien dan een dikke witte kat, die overhaast de vlucht
-nam. Hij vloog naar binnen en rolde zich in het stroo, dat tusschen de
-ledige vaten lag. Nauwlijks had hij er zich in begraven of hij hoorde
-de jacht voorbijrazen, de agenten en boschwachters, die zijn spoor
-verloren, langs het chalet in de richting der fortificaties verder
-rennen. Het stampen der zware schoenen hield op; een diepe stilte trad
-in. Hij had zijn beide handen op zijn hart gedrukt als wilde hij het
-kloppen ervan verstikken, en viel in een doodelijke uitputting, terwijl
-dikke tranen uit zijn gesloten oogleden rolden.
-
-
-
-Na een kwartier gerust te hebben, hadden Guillaume en Pierre hun
-wandeling voortgezet, het meer bereikt en wilden tot den carrefour des
-Cascades loopen, om dan langs een omweg naar Neuilly terug te keeren.
-Een stortbui dwong hen een schuilplaats te zoeken onder de dikke, nog
-kale takken van een kastanjeboom; maar toen de regen nog erger werd,
-keken zij om zich heen en zagen op den achtergrond van een boomgroep
-een soort chalet staan, een café-restaurant, waarin zij hun toevlucht
-gingen zoeken. In een zijlaan zagen zij een rijtuig staan; de koetsier
-zat eenzaam, onbeweeglijk en wijsgeerig in den zachten zomerregen op
-den bok. Tot zijn groote verbazing zag Pierre Gérard de Quinsac voor
-zich uitloopen, die, ongetwijfeld ook door den regen overvallen, zich
-eveneens naar het chalet haastte. Doch dan meende hij zich vergist te
-hebben, want hij zag den jongen man niet in de zaal. Deze zaal, een
-soort glaswarande, waarin enkele stoelen en tafeltjes stonden, was
-geheel leeg. Op de eerste verdieping kwamen vier of vijf kamertjes op
-een gang uit. Niets bewoog zich er; het huis was nog nauwlijks uit zijn
-winterslaap ontwaakt; men voelde er nog de vochtigheid, welke in
-dergelijke etablissementen, die van November tot Maart gesloten zijn,
-pleegt te heerschen. Er achter bevonden zich een stal, een bergplaats
-en enkele met mos bedekte bijgebouwen. Verder was het een bekoorlijk
-hoekje, dat de tuinlieden en de schilders weer spoedig in orde zouden
-gaan maken voor de galante uitstapjes en de vroolijke drukte op mooie
-dagen.
-
-“Ik geloof, dat het nog niet geopend is,” zeide Guillaume, toen hij de
-groote stilte van het huis betrad.
-
-“Maar ze zullen het wel goed vinden, dat we even wachten, tot de regen
-ophoudt,” antwoordde Pierre, die aan een der tafeltjes was gaan zitten.
-
-Toch liet zich een kellner zien. Hij kwam van de eerste verdieping en
-zocht, druk doende, in het buffet naar een paar kleine, droge koekjes,
-die hij op een schotel legde. Eindelijk bracht hij den beiden broeders
-twee glaasjes chartreuse.
-
-In een der kamertjes boven zat barones Eve Duvillard, die met een
-rijtuig gekomen was, reeds meer dan een half uur op Gérard te wachten.
-Hier hadden zij elkaar den vorigen dag op den liefdadigheidsbazar
-rendez-vous gegeven. De liefste herinneringen wachtten hier op hen,
-want twee jaar geleden hadden zij er in de wittebroodsweken van hun
-liaison, toen zij nog niet naar zijn huis durfde gaan en dit op
-rillerige lentedagen zoo eenzame nestje ontdekt had, heerlijke
-samenkomsten gehad. Ongetwijfeld, niet de vrees alleen gezien te worden
-had haar ertoe gebracht dit plekje voor het laatste rendez-vous van hun
-stervende passie te kiezen, maar ook de poëtische gedachte hier hun
-eerste kussen te vinden, opdat zij ook de laatste zijn zouden. Het was
-zoo charmant, dit plekje midden in dit groote, aristocratische bosch,
-op twee passen van de breede lanen, waar geheel Parijs door kwam. In
-haar wanhoop over het bittere einde, dat zij voelde komen, werd haar
-teer, verliefd hart tot tranen toe geroerd.
-
-Maar zij had, zooals vroeger, een jonge zon over het jonge loof willen
-zien. Deze aschgrauwe hemel, deze regen deed haar rillen. En toen zij
-het kamertje binnenging, herkende zij het nauwlijks—zoo triest en zoo
-koud zag het er met zijn versleten divan, zijn tafel en zijn vier
-stoelen uit. De winter heerschte hier nog, de kille vochtigheid, de
-schimmellucht van een langen tijd gesloten en niet gelucht vertrek. Het
-behang was losgeraakt en hing jammerlijk aan flarden. Doode vliegen
-lagen overal op den grond, en de kellner, die de blinden wilde
-openmaken, had heel veel moeite met de spanjolet. Toen hij echter den
-gashaard aangestoken had, werd de kamer weldra vroolijker en
-behaaglijker.
-
-Eve was, zonder zelfs de dikke voile, die haar gezicht geheel bedekte,
-op te slaan, op een stoel gaan zitten. Geheel in het zwart gekleed, als
-droeg zij reeds rouw over haar laatste liefde, liet zij niets van zich
-zien dan haar nog prachtig blond haar, dat als een kroon van dof goud
-onder den kleinen zwarten hoed uitkwam. Met haar slank gebleven taille,
-haar mooien boezem en haar flink, krachtig figuur verried zij in niets,
-dat zij reeds dicht bij de vijftig was. Zij had twee kop thee besteld,
-en toen de kellner deze met een schaal kleine, droge koekjes, die
-waarschijnlijk nog over waren van het vorige jaar, bracht, vond hij
-haar nog steeds met haar voile voor onbeweeglijk op dezelfde plaats
-zitten. Dan bleef zij weer in een moedeloos gepeins alleen. Zij was een
-half uur voor den afgesproken tijd gekomen; zij had de eerste willen
-zijn, om wat kalmer te kunnen worden en niet dadelijk aan haar eersten
-aanval van wanhoop toe te geven. Vooral wilde zij niet huilen, want zij
-had zich voorgenomen waardig te zijn, rustig te praten, te spreken als
-een vrouw, die wel rechten heeft, maar slechts luisteren wil naar haar
-gezond verstand. Zoolang zij nog alleen was, zoolang zij de manier
-overwoog, waarop zij Gérard ontvangen zou, om hem een huwelijk, dat zij
-als een ongeluk en een misdaad beschouwde, af te raden, was zij
-tevreden over haar moed, hield zij zich voor kalm, ja zelfs berustend.
-
-Zij snikte en begon te beven. Gérard kwam binnen.
-
-“Wat, ben je de eerste, lieve vriendin? En ik dacht nog al, dat ik tien
-minuten te vroeg was... En nu heb je je de moeite gegeven thee te
-bestellen en op mij te wachten.”
-
-Hij was erg verlegen en beefde zelf bij de gedachte aan de vreeselijke
-scène, die hij voorzag. Maar verder gedroeg hij zich volkomen correct,
-dwong zich tot een glimlach en deed alsof hij geheel opging in de
-galante vreugde haar hier weer terug te vinden als in den mooien tijd
-van hun liefde.
-
-Maar zij stond op—zij had haar voile eindelijk opgeslagen—keek hem aan
-en stamelde:
-
-“Ja, ik was wat eerder vrij... En voordat er een verhindering kwam, ben
-ik hierheen gegaan.”
-
-Maar toen zij hem daar nog zoo mooi en liefdevol zag staan, vergat zij
-al haar plannen en werd als krankzinnig. Al haar mooie redeneeringen,
-al haar mooie voornemens werden weggevaagd. Het was een niet te
-bedwingen opwelling, het was als werd haar hart uit haar lichaam gerukt
-bij de gedachte, dat zij hem nog altijd liefhad, dat zij hem voor zich
-behouden, dat zij hem nooit aan een ander geven zou. Wanhopig viel zij
-hem om zijn hals.
-
-“O Gérard, Gérard... Ik lijd te veel, ik kan niet, ik kan niet... Zeg
-me dadelijk, dat je niet met haar wilt trouwen, dat je nooit met haar
-zult trouwen!”
-
-Haar stem begaf haar, tranen stroomden uit haar oogen. O, die tranen!
-Hoe had zij zich voorgenomen niet te huilen! Maar zij stroomden
-eindeloos, zij overstroomden haar mooie oogen in een vloed van
-vreeselijke smart.
-
-“Mijn dochter! Groote God, jij met mijn dochter trouwen!... Jij met
-haar! Zij in jouw armen hier in deze kamer! Neen, neen, dat is te veel!
-Ik wil het niet! Ik wil het niet!”
-
-Hij werd als verstijfd bij dezen kreet van vreeselijke jaloezie, waarin
-de moeder niet meer was dan een vrouw, die de jeugd van een
-mededingster, die vijf-en-twintig jaar, welke niet meer konden
-terugkeeren, razend maakte. Hij zelf had, toen hij naar het rendez-vous
-ging, de verstandigste besluiten overwogen en zich voorgenomen eerlijk,
-als een hoogst beschaafd man, met allerlei mooie en troostende zinnen
-met haar te breken. Maar tegenover vrouwentranen voelde hij zich zwak
-en machteloos. Hij trachtte haar te kalmeeren, deed haar plaats nemen
-op den divan, om zich uit haar omarming los te maken. Dan ging hij
-naast haar zitten en zeide:
-
-“Kom, lieveling, wees nou verstandig. Wij zijn toch hier gekomen om
-vriendschappelijk te praten... Ik verzeker je, dat je de dingen
-overdrijft!”
-
-Maar zij eischte een beslist antwoord.
-
-“Neen, neen, ik lijd te veel, ik moet onmiddellijk alles weten... Zweer
-mij, dat je nooit, nooit met haar zult trouwen!”
-
-Nogmaals trachtte hij een ontwijkend antwoord te geven.
-
-“Je kwelt jezelf, je weet heel goed, dat ik van je houd.”
-
-“Neen, neen! Zweer mij, dat je nooit met haar zult trouwen, nooit!”
-
-“Maar ik houd toch van jou, ik houd toch van jou alleen!”
-
-Zij trok hem hartstochtelijk naar zich toe, drukte hem aan haar borst,
-bedekte zijn oogen met kussen.
-
-“Is dat waar? Houd je alleen maar van mij?... Welnu, neem me dan, kus
-me, laat ik voelen, dat je de mijne, altijd de mijne bent en nooit van
-die andere!”
-
-Zij dwong Gérard tot liefkoozingen en gaf zich in zoo’n volle overgave
-aan hem, dat hij, zelf door hartstocht bedwelmd, haar niets weigeren
-kon. Zonder kracht nu verder, zwoer hij haar alles wat zij wilde,
-herhaalde hij tot in den treure, dat hij slechts haar lief had en dat
-hij nooit met haar dochter zou trouwen. Ja, ten slotte ging hij zelfs
-zoover om te beweren, dat hij met het misvormde kind slechts medelijden
-had. Zijn goedheid was zijn excuus. Eve echter dronk die medelijdende
-minachting, welke hij voor haar dochter voelde, al de zekerheid, dat
-zij de eeuwig mooie, de eeuwig begeerde was, van zijn lippen af.
-
-Toen het voorbij was, bleven zij beiden zwijgend en moede en verlegen
-op den divan zitten.
-
-“O, ik zweer je, dat ik daar niet voor gekomen ben,” fluisterde zij
-eindelijk zacht.
-
-Weer viel er een stilte in, die hij wilde verbreken.
-
-“Wil je je thee niet uitdrinken? Hij is bijna koud.”
-
-Maar zij luisterde niet naar hem, en als was er niets gebeurd, als
-begon de onvermijdelijke verklaring nu pas, zeide zij gebroken en
-eindeloos bedroefd:
-
-“Kijk eens, Gérard, je kunt niet met mijn dochter trouwen. In de eerste
-plaats zou het iets laags, bijna een bloedschande zijn... En dan jouw
-naam, jouw positie... Neem me niet kwalijk, dat ik zoo openhartig ben,
-maar iedereen zal zeggen, dat je je verkoopt. Het zou een schandaal
-voor jouw familie en de onze zijn.”
-
-Zij had, zonder toorn nu, als een moeder, die naar beweeggronden zoekt
-om haar grooten zoon van een afschuwelijke misdaad af te houden, zijn
-handen in de hare genomen. En hij luisterde met gebogen hoofd, zonder
-haar aan te kijken.
-
-“Denk eens aan wat de menschen zeggen zullen, Gérard! Ik maak me
-volstrekt geen illusies; ik weet, dat tusschen jouw kringen en de mijne
-een groote afgrond gaapt. Rijk zijn helpt niets... het geld maakt dien
-nog slechts grooter. En al ben ik ook Christin geworden, mijn dochter
-is en blijft de dochter van een Jodin... O, Gérard, ik ben zoo trotsch
-op je. Het zou mijn hart breken, wanneer ik je door dat geldhuwelijk
-met een misvormd meisje, dat jou niet waardig is, dat je niet
-liefhebben kunt, vernederd en als het ware bezoedeld zag!”
-
-Hij keek haar verlegen en smeekend aan, wilde aan dat pijnlijk
-onderhoud ontsnappen.
-
-“Maar ik heb je toch gezworen, dat ik alleen jou liefheb, dat ik nooit
-met haar zal trouwen! De zaak is nu uit. Laten we elkaar niet langer
-martelen!”
-
-Hun blikken bleven een oogenblik in elkander rusten en drukten alles
-uit, wat zij niet uitspraken: hun moeheid, hun ellende. De oogleden, de
-arme, roode oogleden in het plotseling vlekkig en oud geworden gezicht
-zwollen op van tranen, die over haar bevende wangen begonnen te
-vloeien. Weer huilde zij eindeloos, maar nu zonder bitterheid.
-
-“Mijn arme, arme Gérard!... O, nu druk ik zwaar op je schouders. Neen,
-ontken het niet; ik voel, dat ik een ondragelijke last ben, dat ik een
-hinderpaal voor je ben, dat ik je heelemaal ongelukkig maken zal,
-wanneer ik je voor mij alleen wil behouden.”
-
-Hij wilde protesteeren, doch zij liet hem niet aan het woord komen.
-
-“Neen, neen, tusschen ons is alles uit... Ik word leelijk... het is
-uit... En bovendien door mij is jouw toekomst niets meer. Ik kan je in
-niets helpen, jij geeft mij alles door jezelf te geven, en ik geef je
-niets terug... En toch is de tijd nu gekomen om je een positie te
-scheppen. Jij op jouw leeftijd kunt niet leven zonder een gevestigde
-positie, zonder een huis en het zou laf van mij zijn de hinderpaal voor
-je geluk te zijn door mij aan je vast te klampen en je met mij te
-verdrinken.”
-
-Zoo sprak zij door, terwijl zij haar blik steeds op hem gericht hield,
-hoewel zij hem slechts door haar tranen heen zag. Evenals zijn moeder
-wist zij, dat hij ondanks zijn knap uiterlijk, zóó zwak en zóó
-ziekelijk was, dat ook zij ervan droomde hem een kalm leven, een
-behagelijk hoekje van geluk te verschaffen, waarin hij, tegen de
-stormen van het noodlot beschermd, rustig oud kon worden. Zij had hem
-zoo lief—en kon dan de werkelijke goedheid van haar diepe liefde zich
-niet verheffen tot verzaking, tot opoffering? Zelfs in haar egoïsme van
-mooie en aangebeden vrouw vond zij redenen om den terugtocht te
-aanvaarden, opdat het einde van haar levensherfst niet bedorven worden
-zou door drama’s, die haar verpletterden. En dit alles zeide zij,
-terwijl zij hem behandelde als een kind, welks geluk zij ten koste van
-het hare scheppen wilde, terwijl hij weer met neergeslagen blikken
-onbeweeglijk naar haar luisterde, zonder verder te protesteeren, blij,
-dat zij zijn bestaan regelde zooals zij het wilde.
-
-“Zeker,” ging zij voort, terwijl zij ten slotte de gronden aanvoerde,
-die ten gunste van het afschuwelijke huwelijk spraken, “Camille zou je
-brengen alles wat ik voor je wensch, alles, wat ik voor je droom. Door
-haar zou, dank zij de omstandigheden, die ik je niet behoef te noemen,
-je leven gelukkig, verzekerd zijn... En wat de rest betreft, lieve
-Hemel, daar zijn voorbeelden genoeg van. Niet dat ik onze fout wil
-verontschuldigen, maar ik zou je tallooze families kunnen noemen,
-waarin nog heel wat erger dingen gebeurd zijn... En dan, ik had
-ongelijk, toen ik zooeven zeide, dat het geld een afgrond graaft.
-Integendeel het brengt de menschen dichter bij elkaar, het doet alles
-vergeven. Je zoudt niets dan ijverzuchtigen om je heen zien, die zich
-over je geluk zouden verbazen.”
-
-Gérard stond op en scheen een laatste maal te willen protesteeren.
-
-“Wat, nu zal jij me per slot van rekening toch nog tot een huwelijk met
-je dochter willen dwingen?”
-
-“Lieve God, neen! Maar ik ben verstandig, ik zeg wat ik zeggen moet. Je
-moet het nog eens overwegen.”
-
-“Alles is overwogen... Ik heb je liefgehad en heb je nog lief... De
-rest is onmogelijk.”
-
-Een hemelsch glimlachje speelde om haar lippen; zij nam hem nu weer in
-haar armen, en beiden stonden nu weer als één in hun omhelzing.
-
-“Hoe goed en lief ben je, Gérard! Als je eens wist hoe lief ik je heb,
-hoe ik je altijd, ondanks alles, lief hebben zal!”
-
-Haar tranen kwamen weer terug en ook hij weende. Beiden handelden in
-hun aangeboren teederheid te goeder trouw, terwijl zij de pijnlijke
-oplossing verschoven en nog op geluk hopen wilden. Maar zij voelden het
-beiden heel goed; het huwelijk was een uitgemaakte zaak. Er bleef niets
-meer over dan tranen en zinledige woorden; het leven ging ondanks alles
-zijn gang, het onvermijdelijke zou in vervulling gaan. De gedachte, die
-hem zoo week stemde, was waarschijnlijk deze, dat dit hun laatste
-omhelzing was, hun laatste rendez-vous, want het zou laag zijn, na
-alles wat zij wisten en tegen elkaar gezegd hadden, elkaar nogmaals op
-deze wijze te ontmoeten. Toch wilden zij de illusie bewaren, dat zij
-niet met elkander braken, dat zij eenmaal nog lust konden krijgen
-elkander weer te kussen. En de smart over het einde van alles snikte in
-hen.
-
-Toen zij elkander losgelaten hadden, zagen zij het smalle kamertje met
-zijn verschoten divan, zijn vier stoelen en zijn tafel weer voor zich.
-Het kleine gashaardje suisde; zij snikten nu bijna in een zware, warme
-vochtigheid.
-
-“Dus je wilt geen thee?” vroeg hij weer.
-
-Zij stond voor den spiegel haar haar in orde te maken.
-
-“Neen, dank je wel! Die is niet te drinken hier!”
-
-En zij, die hier een zoo verrukkelijke herinnering gedacht had te
-vinden, werd in deze afscheidsminuut door de trieste omgeving geheel
-overweldigd, toen het geluid van zware stappen en grove stemmen, haar
-heelemaal van stuk brachten. Menschen liepen door de gang heen en weer
-en klopten aan de deuren. Zij vloog naar het raam en zag hoe agenten
-het restaurant omsingelden. De meest dolzinnige gedachten kwamen in
-haar op: haar dochter had haar laten volgen; haar man wilde zich van
-haar laten scheiden om met Silviane te trouwen. Dat beteekende een
-vreeselijk schandaal, een ineenstorten van al haar plannen. Doodsbleek
-en radeloos wachtte zij, terwijl hij, even bleek als zij, haar bevend
-smeekte kalm te blijven en vooral niet te schreeuwen. Maar toen harde
-slagen de deur deden dreunen en de commissaris van politie zijn naam
-noemde, moesten zij wel openen. Welk een oogenblik! Welk een schrik,
-welk een schande!
-
-
-
-Beneden hadden Pierre en Guillaume meer dan een uur gewacht tot de
-regen zou ophouden. Zij spraken half fluisterend in een hoek van de
-glaswarande en namen eindelijk een besluit in zake het pijnlijke geval
-van Nicolas Barthès. Zij zouden den volgenden avond Théophile Morin,
-den ouden vriend van den eeuwigen gevangene, te dineeren vragen; deze
-moest hem dan de nieuwe verbanning, waardoor hij getroffen werd, maar
-mededeelen.
-
-“Dat zal het verstandigst zijn,” zeide Guillaume. “Morin houdt veel van
-hem, zoodat hij het hem zoo voorzichtig mogelijk zal mededeelen, en zal
-wel tot de grens met hem medegaan.”
-
-Pierre keek zwaarmoedig naar den nog steeds neervallenden regen.
-
-“Alweer weg, alweer het vreemde land, wanneer het het cachot niet is!
-De arme, vreugdelooze, zijn leven lang opgejaagde man! Zijn geheele
-leven heeft hij gegeven aan zijn vrijheidsideaal, dat ouderwetsch is,
-waarom gelachen wordt, dat hij met zichzelf instorten ziet.”
-
-Weer verschenen nu politie-agenten en boschwachters en slopen om het
-restaurant heen. Ongetwijfeld hadden zij begrepen, dat zij het spoor
-bijster geworden waren, en keerden nu terug in de meening, dat de man
-zich in dit chalet verstopt moest hebben. Zij omsingelden het handig en
-namen, alvorens tot een nauwkeuriger huiszoeking over te gaan, de
-noodige maatregelen, dat het wild hun niet voor de tweede maal zou
-ontsnappen. Toen de twee broers deze manoeuvre bemerkten, voelden zij
-hoe een heimelijke angst zich van hen meester maakte. Het was het
-vervolg van de drijfjacht op den man, dien zij hadden zien vluchten;
-maar wie zeide hun dat men hen, nu zij ongelukkigerwijze in de zaak
-betrokken werden, niet dwingen zou hun identiteit op te geven? Met een
-blik raadpleegden zij elkaar; zij dachten er een oogenblik over ondanks
-den stortregen weg te gaan. Doch dan begrepen zij, dat zulks hen in een
-nog onaangenamer positie zou kunnen brengen. Zij bleven wachten, te
-meer daar de komst van twee nieuwe bezoekers afleiding bracht.
-
-Een victoria hield voor de deur stil. Eerst stapte een jonge man uit
-met een correct, doch geblaseerd uiterlijk, dan een jonge vrouw, die,
-vroolijk door dien aanhoudenden regen, luid lachte. Zij hadden een
-woordenwisseling, zij vond het schertsenderwijze jammer, dat zij niet
-op de fiets gegaan waren, terwijl hij dezen wandelrit in een zondvloed
-idioot vond.
-
-“Maar we moesten toch ergens naar toe, beste jongen! Waarom ben je niet
-met me naar de maskerade gaan kijken?”
-
-“De maskerade? Neen, dan nog honderdmaal liever het Bois!”
-
-Toen zij binnenkwam, herkende Pierre in de jonge vrouw, die de regen
-zoo vroolijk maakte, de kleine prinses Rosemonde en in den jongen man,
-die de Halfvasten zoo afschuwelijk, het Bois verpest en de fiets
-onaesthetisch vond, den mooien Hyacinthe Duvillard. Na thuis met hem
-thee gedronken te hebben, had zij hem dien nacht bij zich gehouden en
-haar gril willen bevredigen door hem bijna als een vrouw geweld aan te
-doen. Maar hoewel hij erin toestemde bij haar in bed te komen liggen,
-had hij—niettegenstaande zij hem ten slotte sloeg en zich zelfs zoo ver
-vergat om hem te bijten—iedere aanraking beslist vermeden. O, die
-afschuwelijkheid, die afstootende vuilheid van het kind, dat eruit zou
-geboren kunnen worden. Nu, wat het kind betreft, daar had hij gelijk
-in, zij wilde er ook geen hebben! Toen had hij gesproken van de zielen,
-die zich geestelijk paren, zij zeide niet neen, stemde toe het te
-probeeren; maar hoe moest men dat doen? En toen zij weer over Noorwegen
-spraken, besloten zij—het eindelijk eens geworden zijnde—’s Maandags
-hun huwelijksreis naar Christiania te beginnen, om daar de
-intellectualiteit van hun verbintenis te voltrekken. Het eenige wat hun
-speet, was dat zij niet meer in het hartje van den winter waren, want
-was de koude, de witte, de ongerepte sneeuw niet de eenig mogelijke
-sponde voor een dergelijke huwelijksvoltrekking.
-
-Zoodra de kellner hun, bij gebrek aan kummel, kleine glaasjes anisette
-gebracht had, boog Hyacinthe, die Pierre en zijn broer Guillaume, met
-wiens zoons hij op het gymnasium geweest was, herkend had, zich over
-naar Rosemonde en fluisterde haar den naam van den laatste in het oor.
-Dadelijk stond zij in een plotselinge opwelling van geestdrift op.
-
-“Guillaume Froment! Guillaume Froment! De groote scheikundige!”
-
-Met uitgestoken handen ging zij naar hem toe:
-
-“O, mijnheer, ik hoop, dat u mij deze ongemanierdheid vergeven zult!
-Maar ik moet u de hand drukken... Ik bewonder u zoo! U hebt zulke
-prachtige onderzoekingen met springstoffen gedaan!”
-
-Toen zij de verbazing van den chemicus zag, begon zij als een
-schoolmeisje te lachen.
-
-“Ik ben prinses de Hardt. Mijnheer de abbé, uw broer, kent mij en ik
-had mij door hem aan u moeten laten voorstellen... Verder hebben u en
-ik gemeenschappelijke vrienden, o.a. Janzen, die mij beloofd had mij
-als zeer bescheiden leerling tot u te brengen. Ik houd mij ook bezig
-met chemie... uit liefde voor de waarheid en ter wille van goede
-dingen, meer niet... U wilt mij zeker wel toestaan bij u aan te
-kloppen, wanneer ik van Christiania terug ben, waarheen ik met mijn
-jongen vriend daar een eenvoudig pleizier- en ontdekkingsreisje ga doen
-in het rijk van onbekende gevoelens.”
-
-Zij ratelde maar door, zonder dat het den anderen mogelijk was er één
-woord tusschen te krijgen. Zij gooide alles door elkaar: haar sympathie
-voor het internationalisme, die haar een oogenblik in de armen van
-Janzen geworpen had, in de anarchistische wereld, onder de
-gevaarlijkste avonturiers der partij; haar nieuwe passie voor mystieke
-en symbolische kapelletjes, de wraak, die het ideëele op het grove
-realisme nam, de poëzie der aesthetici, die haar droomen deed van een
-tot nog toe ongekenden wellust onder den ijzigen kus van den mooien
-Hyacinthe.
-
-Plotseling hield zij op en begon zij weer te lachen.
-
-“Wat moeten die politieagenten hier zoeken? Willen ze ons misschien
-arresteeren? Wat een leuke grap zou dat zijn?”
-
-Inderdaad gingen de commissaris van politie Dupot en de agent Mondésir,
-nadat de agenten vergeefs den stal en de bergplaats doorzocht hadden,
-ertoe over het restaurant te visiteeren en kwamen de warande binnen.
-Het stond bij hen vast, dat de man nergens anders zijn kon. Dupot, een
-klein, kaal, bijziend mannetje met een bril op, had geen wapens bij
-zich; maar daar hij een woest en woedend verzet van den opgejaagden en
-in het nauw gebrachten wolf voorzag, had hij Mondésir aangeraden zijn
-revolver te laden en in zijn zak gereed te houden. Toch moest Mondésir
-met zijn breeden, vierkanten doggerug en zijn snuffelenden, stompen
-neus hem uit hiërarchischen eerbied het eerst laten binnen gaan.
-
-Met een vluggen blik van achter zijn bril had de commissaris de vier
-bezoekers, den priester, de jonge vrouw en de beide anderen opgenomen
-en wilde, zonder verder acht op hen te slaan, naar de eerste verdieping
-gaan, toen de kellner, verschrikt door dien plotselingen inval der
-politie, zijn hoofd verloor en stamelde:
-
-“Maar... boven zijn een heer en een dame... in een kamertje!”
-
-Dupot duwde hem kalm op zij.
-
-“Een heer en een dame zoeken wij niet... Ga onmiddellijk alle deuren
-open doen, geen kastdeur mag dicht blijven.”
-
-Boven doorzochten zij alle vertrekken en alle hoekjes, totdat alleen
-nog het kamertje, waarin Eve en Gérard waren en dat de kellner niet
-openen kon, omdat de grendel er van binnen voorgeschoven was,
-overbleef.
-
-“Doe toch open,” riep de jongen door het sleutelgat, “het is niet om u
-te doen.”
-
-Eindelijk werd de grendel weggeschoven, en Dupot, die zich zelfs geen
-glimlachje veroorloofde, liet de dame en den heer bevend en doodsbleek
-naar beneden gaan, terwijl Mondésir pour acquit de conscience onder de
-tafel, achter den divan en in een kleine muurkast kijken ging.
-
-Toen Eve en Gérard beneden de warande doorloopen moesten, vonden zij
-daar tot hun grooten schrik kennissen, die het meest onvoorziene toeval
-hier samengebracht had. Het hielp niets, dat een dichte voile haar
-gezicht bedekte; zij ontmoette den blik van haar zoon en voelde, dat
-hij haar herkende. Welk een noodlottig toeval! Hij, die zijn zuster,
-voor wie hij zoo bang was, altijd alles vertelde! En terwijl zij
-vluchtte, terwijl de graaf, wanhopig over het schandaal, haar in den
-neerstroomenden regen naar het rijtuig bracht, hoorden zij heel
-duidelijk hoe de kleine prinses heel vroolijk riep:
-
-“Maar die mijnheer is graaf de Quinsac!... Maar wie is die dame?”
-
-Toen Hyacinthe, die bleek geworden was, niet antwoordde, drong zij aan:
-
-“Jij moet haar toch kennen. Vertel me wie het is!”
-
-“Niemand,” antwoordde hij eindelijk. “De een of andere vrouw.”
-
-Pierre had het begrepen; hij wendde, verlegen door zooveel schande en
-lijden, zijn blik af en keek Guillaume aan. Maar plotseling, juist toen
-de commissaris van politie Dupot en de agent Mondésir, zonder den man
-gevonden te hebben, naar beneden kwamen, veranderde het tooneel. Buiten
-weerklonken kreten, lawaai en heen en weer geloop. Dan verscheen de
-chef van den veiligheidsdienst Gascogne, die in de bijgebouwen van het
-restaurant was blijven zoeken; hij duwde een niet nader te omschrijven
-pak lompen en modder, dat door twee agenten vastgehouden werd, voor
-zich uit. Het was de man, het achtervolgde, in het nauw gebrachte en
-eindelijk gevangen dier, dat men achter in de bergplaats in een ton
-onder het hooi gevonden had.
-
-Welk een triompheerend halahi na die twee uren waanzinnig geren, na die
-woeste drijfjacht, welke de borsten buiten adem gebracht en de beenen
-gebroken had! De menschenjacht, de meest opwindende en hartstochtelijke
-jacht van alle! Ze hadden den kerel, stootten, sleepten, sloegen hem!
-En hij, de man, was het jammerlijkst stuk wild, dat men zich denken
-kon: een wrak, uitgeteerd en aardkleurig door den nacht, dien hij in
-een met bladeren gevuld gat doorgebracht had, nog nat tot zijn middel,
-omdat hij midden door die beek gewaad had; zijn armzalige, door den
-regen gegeeselde, met modder bedekte kleeren hingen aan flarden om zijn
-lichaam, zijn pet was aan stukken gescheurd, zijn voeten en zijn handen
-bloedden door de vreeselijke jacht dwars door het met doornen en
-brandnetels versperde struikgewas. Hij had geen menschelijk gezicht
-meer; zijn haar plakte aan zijn slapen, de met bloed doorloopen oogen
-puilden uit hun kassen, het geheele gezicht was vertrokken door angst,
-woede en lijden. Het was het wild, het was de man. Ze stootten hem nog
-verder en eindelijk viel hij, vastgehouden door de ruwe vuisten, die
-hem schudden, in zittende houding op een der tafeltjes van het kleine
-café neer.
-
-Toen doorhuiverde Guillaume een schrik, waarvan de rilling hem deed
-verstijven. Hij greep de hand van Pierre; deze keek, begreep, beefde op
-zijn beurt. Rechtvaardige God, Salvat! Die man was Salvat! Salvat
-hadden zij als een door een troep honden opgejaagd wild zwijn door het
-Bois zien vluchten. Dat vuile pak, die door de ellende en het verzet
-overwonnene was Salvat! En in zijn angst kreeg Pierre nogmaals
-plotseling het visioen van het kleine loopmeisje onder de koetspoort
-van het hôtel Duvillard, de knappe blondine, wier buik door de bom
-opengereten was.
-
-Dupot, Mondésir en Gascogne triompheerden. Toch had de man geen
-tegenstand geboden, hij had zich zacht als een lam gevangen laten
-nemen. En terwijl hij daar, zoo ruw in bedwang gehouden, zat, wierp hij
-moede, onzegbaar trieste blikken om zich heen.
-
-Hij begon te spreken en zijn eerste met heesche en zachte stem gezegd
-woord was:
-
-“Ik heb honger!”
-
-Hij stierf bijna van honger en moeheid; hij had na twee dagen vasten
-den vorigen avond niets dan een glas bier gehad.
-
-“Geef hem een stuk brood,” zeide commissaris Dupot tegen den kellner.
-“Dat kan hij opeten, terwijl wij een rijtuig laten halen.”
-
-Een agent ging een rijtuig zoeken. De regen had opgehouden: men hoorde
-weer de fietsbellen, de equipages reden weer, het Bois kreeg in de
-breede, door een bleeken zonnestraal vergulde lanen zijn mondain leven
-terug.
-
-Maar de man had zich gulzig op het stuk brood geworpen en terwijl hij
-het met een dierlijke bevrediging verslond, zagen zijn blikken de vier
-bezoekers, die daar bij elkaar zaten. De opgewonden trekken van
-Hyacinthe en Rosemonde, die verrukt waren zoo onverwacht getuigen te
-zijn van de arrestatie van dezen ongelukkige, dien zij voor den een of
-anderen bandiet hielden, schenen hem te prikkelen. Dan begonnen zijn
-droevige, met bloed doorloopen oogen te trillen; zij hadden tot hun
-verbazing Pierre en Guillaume herkend. En nu drukte zich in die oogen,
-terwijl zij op den laatste gevestigd bleven, niets meer uit dan de
-gedweeë onderworpenheid van een dankbaren hond, de hernieuwde belofte
-van een onverbreekbaar zwijgen.
-
-Dan begon hij weer te spreken, als richtte hij zich moedig tot hem,
-dien hij niet meer aankeek, en ook tot de anderen, de kameraden, die
-niet aanwezig waren.
-
-“Stom om zoo te rennen... Ik weet niet, waarom ik zoo hard geloopen
-heb... Laat er een eind aan komen... Ik ben bereid.”
-
-
-
-
-V.
-
-Toen Guillaume en Pierre den volgenden ochtend de couranten lazen,
-zagen zij tot hun groote verbazing, dat de arrestatie van Salvat niet
-die groote sensatie maakte, welke zij ervan verwacht hadden. Zij vonden
-slechts een klein, onder de andere verloren gaand berichtje, dat de
-politie na een drijfjacht in het Bois de Boulogne de hand gelegd had op
-een anarchist, die, naar men geloofde, bij de laatste aanslagen
-betrokken was. Maar alle couranten stonden vol over het vreeselijk
-schandaal, dat de nieuwe onthullingen in de Voix du Peuple verwekten:
-het was een niet eindigende vloed van artikelen over de affaire der
-Afrikaansche sporen, allerlei berichten en beschouwingen over de
-belangrijke zitting, welke men dien dag in de Kamer verwachtte, wanneer
-de socialistische afgevaardigde Mège zijn interpellatie, zooals hij
-formeel aangekondigd had, zou hervatten.
-
-Guillaume had den vorigen avond besloten naar huis, naar Montmartre
-terug te keeren; zijn wond was zoo goed als genezen en geen gevaar
-scheen hem noch voor de uitwerking van zijn plannen noch voor zijn
-verdere onderzoekingen te bedreigen. De politie had blijkbaar niet het
-minste vermoeden, dat hij mogelijk ook verantwoordelijk voor den
-aanslag was. Salvat zou zeker niets verraden. Maar Pierre smeekte hem
-nog een paar dagen, tot de eerste verhooren van Salvat afgeloopen
-waren, te wachten; dan eerst zouden zij een helderen blik in alles
-hebben. Den vorigen dag had hij gedurende het lange wachten in het
-ministerie, allerlei vage dingen opgevangen: een heimelijken en nog
-onduidelijken samenhang tusschen den aanslag en de parlementaire
-crisis. En dit alles wekte in hem het verlangen op, dat deze crisis
-eerst heelemaal opgelost zou zijn, voordat Guillaume zijn gewoon leven
-weer begon.
-
-“Luister eens,” zeide hij, “ik zal even aanloopen bij Morin, om hem te
-vragen bij mij te komen dineeren, want Barthès moet vanavond beslist op
-de hoogte gebracht worden van den nieuwen slag, die hem treft... Dan ga
-ik naar de Kamer, want ik wil weten wat er gebeurt. Eerst daarna laat
-ik je gaan.”
-
-Om half een kwam Pierre in het Paleis-Bourbon. Terwijl hij dacht, dat
-Fonsègue hem zeker toegang zou kunnen verschaffen, ontmoette hij in de
-vestibule generaal de Bozonnet, die toevallig twee kaarten had, daar
-een vriend van hem op het laatste oogenblik verhinderd was mede te
-gaan. De nieuwsgierigheid was reusachtig groot, heel Parijs verwachtte
-een stormachtige zitting, en sinds den vorigen dag werd er letterlijk
-om de kaarten gevochten. Pierre zou dan ook nooit toegang gekregen
-hebben, als de generaal niet zoo vriendelijk geweest was hem mede te
-nemen. Deze was op zijn beurt blijde, dat hij iemand had met wien hij
-kon praten, want hij kwam, zooals hij zeide, alleen maar om zijn middag
-te dooden. Maar ook kwam hij, de ontevreden voormalige legitimist, die
-later Bonapartist geworden was, om zich te vermeien in de schandelijke
-rotheid van het parlementarisme.
-
-Boven konden de generaal en Pierre nog juist een plaatsje vinden op de
-eerste banken der tribune. Zij troffen daar den kleinen Massot aan, die
-zich nog wat kleiner en magerder maakte en hen rechts en links van zich
-een plaatsje gaf. Hij kende iedereen.
-
-“U komt zeker uit nieuwsgierigheid de zitting bijwonen, generaal? En u,
-mijnheer de abbé, om u te oefenen in verdraagzaamheid en het vergeven
-van beleedigingen... Ik ben nieuwsgierig door mijn beroep, want ik heb
-altijd stof voor een artikel noodig; en daar er op de perstribune
-alleen nog maar slechte plaatsen waren, ben ik me hier op mijn gemak
-gaan installeeren... Het zal ongetwijfeld een prachtige zitting worden.
-Kijk dat gedrang rechts en links en overal eens!”
-
-Inderdaad waren de smalle, slecht geplaatste tribunes tot aan den rand
-met hoofden gevuld. Een groote menigte mannen en vrouwen van iederen
-leeftijd verdrong zich daar in een zoo verwarde massa, dat men niets
-anders dan de bleeke rondheid der gezichten onderscheiden kon. Maar het
-tooneel van den strijd was beneden in de nog ledige zittingzaal, welke
-met haar half cirkelvormige rijen banken denken deed aan een
-schouwburgzaal, die bij een première langzaam volloopt. De glanzende en
-ernstige tribune wachtte in het koude daglicht, dat door de glazen
-zoldering binnenviel, terwijl daarachter en hooger het den geheelen
-achtermuur innemende bureau met zijn tafels, zijn stoelen en zijn
-presidentsfauteuil eveneens verlaten was; alleen waren twee
-bureauknechten bezig nieuwe pennen in de penhouders te steken en de
-inktkokers na te kijken.
-
-“De vrouwen,” begon lachend Massot weer, “komen hier als naar een
-menagerie in de heimelijke hoop, dat de wilde dieren elkaar zullen
-opeten... Hebt u het artikel in de Voix du Peuple van vanochtend
-gelezen? Die Sanier is een wonder van een kerel! Als er geen vuiligheid
-meer is, vindt hij altijd nog wat, vermeerdert de modder en bevuilt het
-riool nog meer. Als de ondergrond der zaak waar is, dan moet hij er met
-zijn monsterachtig woekerende commentaren altijd nog wat bij liegen.
-Iederen dag moet hij zichzelf overtreffen, nieuw vergif aan zijn lezers
-voorzetten, om de oplaag maar steeds grooter te doen worden...
-Natuurlijk wordt het publiek daardoor gepakt, en alleen door hem zijn
-al die menschen hier, om als zenuwlijders op het een of andere vuile
-schouwspel te wachten.”
-
-Dan werd hij weer vroolijk en vroeg aan Pierre of hij in den Globe het
-niet onderteekende, zeer waardige, maar tevens zeer perfide artikel
-gelezen had, waarin Barroux gesommeerd werd met alle openhartigheid de
-verklaringen, die het land over de affaire der Afrikaansche sporen
-verwachtte, af te leggen. Tot nog toe had het blad den
-minister-president steeds krachtig gesteund; doch nu voelde men in het
-artikel een begin van wantrouwen, de plotselinge koude, die aan een
-breuk vooraf pleegt te gaan. Pierre zeide, dat het artikel hem zeer
-verbaasd had, want hij dacht, dat het lot van Fonsègue door een
-volkomen overeenstemming in inzichten en tengevolge van zeer oude
-vriendschapsbanden aan dat van Barroux verbonden was.
-
-“Zeker, zeker, het hart van den patroon zal er wel bij gebloed hebben,”
-zeide Massot nog steeds lachend. “Het artikel heeft veel opzien verwekt
-en zal het ministerie veel kwaad doen. Maar wat zal ik u zeggen? De
-patroon weet beter dan wie ook welke gedragslijn hij moet volgen, om de
-positie van zijn blad en van zichzelf te redden.”
-
-Dan ontwierp hij een beeld van de opwinding en de groote verwarring,
-die er in de wandelgangen, waar hij even was gaan kijken, alvorens
-hierboven een goed plaatsje te zoeken, onder de afgevaardigden
-heerschte. De Kamer, die in twee dagen niet bijeen geweest was, kwam nu
-samen bij dit groote schandaal, dat hij vergeleek bij een brand, welken
-men zoo goed als gebluscht waant en die plotseling weer aanwakkert en
-alles verteert. De cijfers van Sanier’s lijsten deden de ronde: Barroux
-tweehonderd duizend francs, Monferrand tachtig duizend, Fonsègue
-vijftig duizend, Dutheil tien duizend, Chaigneux drie duizend, die
-zooveel, gene zooveel—een eindelooze onthulling met de wonderlijkste
-verhalen, kletspraatjes en laster, een ongelooflijke dooreenmenging van
-waarheid en leugen, waarin men onmogelijk den juisten weg vinden kon.
-
-Terwijl de wind van angst en schrik woei, zag men tusschen de
-vaalbleeke gezichten met de bevende lippen andere met een vuurroode
-kleur, stralend van woeste vreugde en lachend om de aanstaande
-overwinning, want tenslotte stak achter die groote, gehuichelde
-verontwaardiging, achter dat schreeuwen om eerlijkheid en parlementaire
-moraliteit niets anders dan een personenquaestie: men wilde weten of
-het ministerie vallen en wie het nieuwe kabinet formeeren zou. Barroux
-scheen zeer zwak te staan, maar wie kon voorspellen, welke rol het
-onverwachte in zulk een rommel spelen zou? Men zeide, dat Mège een
-uiterst heftige redevoering zou houden. Barroux zou antwoorden en zijn
-vrienden vertelden, dat hij een helder en volkomen licht over de zaak
-wilde doen opgaan. Ongetwijfeld zou daarna Monferrand het woord voeren.
-Wat Vignon betreft, deze hield zich ondanks zijn onderdrukten
-jubelkreet op den achtergrond; men had hem naar verschillende van zijn
-partijgenooten zien gaan om hun aan te raden kalm te blijven en hun
-zelfbeheersching niet te verliezen, wat in den strijd over de
-overwinning beslist. Nog nooit had een met zooveel dranken en zooveel
-afschuwelijke ingrediënten overstroomenden heksenketel op zulk een
-hellevuur gekookt.
-
-“De duivel mag weten wat eruit te voorschijn komt,” zeide Massot ten
-slotte. “Bah, wat een vuile rommel!”
-
-Maar generaal de Bozonnet voorzag de ergste catastrophes. Ja, als men
-nog maar een leger gehad had! Dan zou men dat handjevol verkochte
-parlementariërs, die het land opvraten en ten gronde richtten, op een
-goeden morgen kunnen wegjagen. Volgens zijn meening beteekende het
-feit, dat een volk onder de wapenen geen leger vormde, het einde van
-alles.
-
-“U zoekt immers stof voor een artikel,” zeide hij tegen Massot. “Daar
-hebt u een mooi onderwerp... Frankrijk, dat meer dan een millioen
-soldaten heeft, bezit geen leger. Ik zal u aanteekeningen geven, dan
-zult u eindelijk de waarheid kunnen zeggen.”
-
-Onmiddellijk maakte hij zich meester van den journalist en begon een
-heele preek tegen hem. De oorlog moest een kasten-aangelegenheid zijn;
-aanvoerders bij Gods genade moesten huurlingen, betaalde of uitgekozen
-soldaten ten strijde voeren. Den oorlog democratiseeren stond gelijk
-met den oorlog dooden, en dat was een doorn in het oog van den held,
-die den krijg als de eenige nobele bezigheid beschouwde. Van het
-oogenblik af, dat iedereen gedwongen werd te strijden, wilde niemand
-meer vechten. Daarom zou de verplichte militaire dienst, de natie onder
-de wapenen, ongetwijfeld vroeger of later tot het einde van den oorlog
-leiden. Dat er sedert 1870 niet gevochten was kwam juist, omdat
-iedereen gereed stond om te vechten. Men aarzelde thans het eene volk
-tegen het andere in den strijd te werpen, daar men aan de vreeselijke
-vernietiging, aan de reusachtige verspilling van geld en bloed dacht.
-Het in een reusachtig versterkt kamp veranderde Europa vervulde hem met
-woede en walging; het was alsof de zekerheid, dat allen elkaar dadelijk
-bij den eersten slag vernietigen zouden, hem het genot vergalde, dat
-vroeger het oorlog voeren bood.
-
-“Maar het zou toch niet zoo’n heele groote ramp zijn, wanneer de oorlog
-verdween,” zeide Pierre zacht.
-
-“Het zou een mooie collectie volkeren worden, als er niet meer
-gevochten werd,” zeide de generaal, eerst geprikkeld; doch dan wilde
-hij laten zien, dat hij praktisch was. “Bedenk toch eens, dat de oorlog
-nooit zooveel geld gekost heeft als sedert hij niet meer mogelijk is.
-Onze gewapende vrede, onze volkeren onder de wapenen ruïneeren
-gewoonweg de staten. Als het geen nederlaag is, dan is het een zeker
-bankroet... In ieder geval is de militaire stand een verloren stand,
-waarbij niets meer te halen is; het geloof daarin verdwijnt, men zal
-hem langzamerhand verlaten, zooals men den priesterstand verlaat.”
-
-Hij maakte een wanhopig gebaar, als vervloekte de soldaat van vroeger
-dit Parlement, deze republikeinsche Kamer, als verweet hij haar de
-dagen, die komen zouden, dat de soldaat nog slechts de burger zijn zou.
-
-De kleine Massot schudde het hoofd; waarschijnlijk vond hij die stof te
-ernstig.
-
-“Kijk, daar heb je monseigneur Martha met den Spaanschen gezant in de
-diplomatenloge,” viel hij den generaal kortaf in de rede. “Zooals u
-weet, zegt men, dat hij van zijn candidatuur in le Morbihan afziet. Hij
-is veel te slim, om zich als Kamerlid aan gevaar bloot te stellen,
-terwijl hij bovendien toch de draden in handen houdt, waarnaar de
-meeste met de republikeinsche regeering verzoende Katholieken dansen.”
-
-Werkelijk zag Pierre het glimlachende gezicht van monseigneur Martha,
-die den vorigen dag in de antichambre van den minister zoo voorkomend
-voor hem geweest was. Het leek hem nu alsof die bisschop, hoe
-bescheiden hij zich ook voordeed, hier een grooten invloed had. Hij
-voelde hoe machtig en bezig hij was, hoewel hij zich volstrekt geen
-moeite gaf en alleen maar als een eenvoudige nieuwsgierige een kijkje
-nemen kwam. Pierre’s blik keerde steeds weer naar hem terug, alsof hij
-verwachtte, dat deze plotseling zou opstaan, om de handeling te leiden
-en de menschen en dingen te bevelen.
-
-“Ha, daar heb je Mège,” zeide Massot weer. “De zitting zal beginnen.”
-
-Langzamerhand liep de zaal beneden vol. Kamerleden kwamen door de
-deuren en liepen de nauwe gangetjes af. De meesten bleven in opgewonden
-gesprekken staan praten en brachten zoo de koortsachtige opwinding uit
-de wandelgangen naar de zaal. Anderen, die er reeds met vaalgrijze en
-vermoeide gezichten zaten, keken naar de zoldering, waar het
-halvemaanvormige glazen dak witachtig òplichtte.
-
-Nu noemde Massot den naam van iederen binnenkomenden, invloedrijken
-afgevaardigde. Mège, die door een ander lid van de kleine
-socialistische groep staande gehouden werd, gesticuleerde opgewonden.
-Dan kwam Vignon, door eenige vrienden begeleid en een glimlachende
-kalmte bewarend, de treden af, om naar zijn plaats te gaan. Maar de
-tribunes wachtten vooral op de gecompromitteerde leden, wier naam op de
-lijst van Sanier stond; dezen waren interessant om te bestudeeren:
-enkelen huichelden een volkomen kalmte, waren vroolijk en maakten
-grappen; anderen daarentegen namen een ernstige, verontwaardigde
-houding aan. Chaigneux zag er aarzelend en weifelend uit, als werd hij
-neergedrukt onder het gewicht van een vreeselijke onrechtvaardigheid.
-Dutheil daarentegen had zijn kalme onbezorgdheid teruggevonden en zou
-volkomen vroolijk geweest zijn, indien niet een zenuwachtige
-spierbeweging zijn mond vertrokken had. Het meest bewonderde men
-Fonsègue; hij was zichzelf weer zóó volkomen meester, zijn gezicht had
-een zóó vastberaden, zijn blik een zóó onbevangen uitdrukking, dat al
-zijn collega’s en het geheele publiek een eed gedaan zouden hebben op
-zijn onschuld.
-
-“O die patroon,” prevelde Massot geestdriftig. “Zoo bestaat er toch
-geen tweede... Kijk, daar heb je de ministers! Let vooral eens goed op
-de ontmoeting tusschen Barroux en Fonsègue na het artikel van
-vanochtend!”
-
-Het toeval wilde, dat Barroux met opgeheven hoofd, heel bleek en bijna
-uitdagend, langs Fonsègue moest, om bij de ministerbank te komen. Hij
-zeide geen woord, maar keek hem aan als iemand, die voelt, dat hij
-verlaten wordt, dat een verrader hem een mes in den rug stoot. Fonsègue
-bleef echter naar alle kanten handen geven, alsof hij zelfs niets
-merkte van den zwaren blik, die op hem rustte. Verder deed hij eveneens
-alsof hij ook Monferrand niet zag, die kalm, alsof er geen wolkje aan
-de lucht was, achter Barroux liep. Zoodra hij op zijn plaats zat, keek
-hij op en glimlachte tegen monseigneur Martha, die dezen groet met een
-hoofdknikje beantwoordde. Dan begon hij zacht in zijn handen te
-wrijven, blij, dat de zaken precies zoo liepen als hij wilde.
-
-“Wie is die grijze, trieste man op de ministersbank?” vroeg Pierre aan
-Massot.
-
-“O dat is die goede Taboureau, de man zonder prestige, de minister van
-Openbaar Onderwijs. Je kent hem natuurlijk wel, maar je herkent hem
-nooit: hij ziet er precies uit als een oude, door het lange gebruik
-afgesleten sou. Dat is er ook een, die den patroon nu niet bepaald
-dankbaar gestemd zal zijn, want de Globe bevatte vanochtend een juist
-door zijn gematigdheid zoo fel artikel over zijn onbekwaamheid in alles
-wat de afdeeling Schoone Kunsten betreft. Het zou mij verwonderen, als
-hij daarboven opkomt.”
-
-Maar een dof tromgeroffel kondigde de komst van den voorzitter in het
-bureau aan. Een deur ging open en een kleine stoet verscheen, terwijl
-een verward lawaai, geroep en geloop de halfcirkelvormige zaal vulden.
-De president stond, luidde lang met zijn bel en zeide, dat de zitting
-geopend was. Er trad echter geen stilte in, toen een secretaris, een
-groote, lange, donkere jongeman, met een scherpe stem de notulen
-voorlas. Nadat deze goedgekeurd en de brieven van verhindering
-voorgelezen waren, werd vlug een klein wetsontwerp met het opsteken der
-handen aangenomen. Daarna kwam eindelijk de groote zaak, de
-interpellatie van Mège te midden van een rilling in de zaal en de
-hartstochtelijke nieuwsgierigheid der tribunes. Nadat de regeering de
-interpellatie aanvaard had, besloot de Kamer, dat de discussie
-onmiddellijk beginnen zou. Ditmaal ontstond er een diepe stilte,
-waardoor nu en dan een korte rilling ging, waarin men den schrik, den
-haat, den hartstocht, de verslindende, ontketende begeerten voelde.
-
-Op de tribune begon Mège gekunsteld-gematigd de quaestie te preciseeren
-en formuleeren. Hij was groot, mager, knoestig en krom als een boomtak
-en steunde zijn eenigszins gebogen gestalte met zijn beide handen,
-terwijl hij zijn rede dikwijls even onderbreken moest voor een
-teringhoestje. Maar achter zijn lorgnet schitterden zijn oogen van
-geestdrift; langzamerhand verhief zich zijn schrille, krijschende stem
-tot een donder, terwijl hij onder een heftig gebarenspel zijn grof
-gebouwd lichaam oprichtte. Hij herinnerde eraan, hoe hij twee maanden
-geleden bij de eerste onthullingen van de Voix du Peuple de regeering
-over die betreurenswaardige affaire der Afrikaansche sporen wilde
-interpelleeren, en maakte er niet ten onrechte opmerkzaam op, dat er,
-indien de Kamer, toegevend aan gevoelens, die hij op dit oogenblik niet
-verder beoordeelen wilde, zijn interpellatie niet verdaagd had, reeds
-lang licht zou zijn opgegaan, wat het weder opduiken van het schandaal,
-deze geheele heftige campagne van onthullingen, waaronder het geheele
-land leed, voorkomen zou hebben.
-
-Nu echter begreep men, dat zwijgen onmogelijk geworden was, de beide
-met zooveel ophef van plichtverzaking beschuldigde ministers moesten
-antwoorden, hun volkomen onschuld bewijzen, het meest heldere licht
-over hun geval doen schijnen, geheel afgezien nog van het feit, dat het
-Parlement een dergelijke beschuldiging van onteerende omkoopbaarheid
-niet op zich mocht laten zitten. Hij rakelde de geheele geschiedenis
-der affaire op, sprak van de concessie, die aan den bankier Duvillard
-voor de Afrikaansche sporen gegeven was, over de beruchte emissie van
-premieloten, welke de Kamer—wanneer men de aanklagers gelooven
-mocht—goed gekend had dank zij een omkooperij, een geschacher met en
-een koopen van gewetens. Op dit punt van zijn rede, toen hij begon over
-den beruchten Hunter, Duvillard’s drijver, dien de politie had laten
-ontvluchten, om zich des te meer met de vervolging van socialistische
-afgevaardigden te kunnen vermoeien, geraakte hij in vuur en liet zich
-tot een onstuimige heftigheid verleiden.
-
-Hij sloeg met zijn vuist op de tribune, sommeerde Barroux kategorisch
-tegen te spreken, dat hij van de tweehonderd duizend francs, waarmede
-zijn naam op de lijst voorkwam, ooit een centime gekregen had. Stemmen
-schreeuwden hem toe, dat hij de geheele lijst voor moest lezen; andere
-begonnen, toen hij haar voorlezen wilde, lawaai te maken en te brullen,
-dat het een schandaal was om zoo’n leugenachtig en lasterlijk pamphlet
-in een Fransche Kamer te brengen. Maar hij bleef geestdriftig doorgaan,
-gooide Sanier in de modder, ontkende beslist, dat hij iets met de
-aanklagers gemeen had, maar eischte, dat allen op denzelfden voet
-behandeld werden en dat, als er onder zijn collega’s omgekochten waren,
-men ze hedenavond nog in Mazas zou laten slapen.
-
-De president stond achter zijn monumentale tafel en luidde machteloos
-als een loods, die den storm niet meer meester is. Te midden van de
-opgeblazen en schreeuwende gezichten bewaarden alleen die van de boden
-den onverstoorbaren ernst van hun functie. Tusschen het lawaai in bleef
-men de stem van den redenaar hooren, die in een plotselingen overgang
-een tegenstelling begon te maken tusschen de door hem gedroomde
-collectivistische maatschappij en de misdadige kapitalistische
-maatschappij, welke in staat was dergelijke schandalen te verwekken.
-Hij was als een apostel, die met een woeste halsstarrigheid de wereld
-naar zijn geloof wilde hervormen. Het collectivisme was een leer, een
-dogma geworden, waarbuiten geen heil te vinden was. De voorspelde dagen
-zouden weldra komen; hij wachtte ze met een glimlach vol vertrouwen af;
-hij behoefde nog slechts dit ministerie en misschien nog een tweede of
-een derde omver te werpen, om eindelijk zelf als hervormer, die vrede
-brengen zou aan de volkeren, de macht in handen te krijgen. Deze
-sectariër had—zooals de andere socialisten verwijtend
-beweerden—dictatorsbloed in zijn aderen. Weer luisterde men naar hem,
-want zijn koortsachtige, hardnekkige rhetoriek had ten slotte de
-schreeuwers uitgeput. Toen hij eindelijk de tribune verliet,
-weerklonken op sommige banken der linkerzijde luidruchtige
-toejuichingen.
-
-“Een paar dagen geleden heb ik hem met zijn drie kinderen in den Jardin
-des Plantes gezien,” zeide Massot tegen den generaal. “Hij zorgde voor
-hen als een kindermeid. Hij lijkt mij een brave kerel, die zijn arm
-huishouden zooveel mogelijk tracht te verbergen.”
-
-Maar een rilling was door de zaal gehuiverd. Barroux stond op om naar
-de tribune te gaan. Hij richtte met een hem eigen beweging, die zijn
-hoofd naar achteren wierp, zijn hooge gestalte op en begon dadelijk in
-een mooie, bloemrijke taal en met theatrale gebaren zijn zwaarmoedige
-verontwaardiging te schilderen. Het was een romantische
-tribune-welsprekendheid, waaruit men dadelijk den braven, weekhartigen,
-eenigszins dommen man, die hij per slot van rekening was, proeven kon.
-Toch beefde dien dag een echte, diepe ontroering in hem, want zijn hart
-bloedde over zijn ongelukkig lot en hij voelde met zich een geheele
-wereld instorten. O, hoe hield hij den kreet van wanhoop in, den kreet
-van den burger, dien de gebeurtenissen op den dag, dat hij door zijn
-toewijding recht meent te hebben op den triomf, in het gezicht slaan en
-terugwerpen.
-
-Hoe vreeselijk, wanneer men zich sedert het keizerrijk met hart en ziel
-aan de Republiek gegeven, voor haar gestreden, voor haar geleden, haar
-vervolgens na de verschrikking van een nationalen en een burgeroorlog
-temidden van den dagelijkschen partijstrijd gegrondvest heeft, zich dan
-plotseling, wanneer zij eindelijk triompheert en sterk en onoverwinlijk
-is, als een vreemdeling uit een anderen tijd te voelen, te hooren, hoe
-nieuw aangekomenen een andere taal spreken, een ander ideaal
-verdedigen, getuige te moeten zijn van een instorting van alles wat men
-liefheeft en vereert, van alles, wat iemand de kracht tot overwinnen
-gegeven heeft. De machtige arbeiders van den eersten tijd waren er niet
-meer. Gambetta had gelijk gehad te sterven. Maar welk een bitterheid
-voor de laatste, temidden van de intelligente en handige jonge
-generatie overgebleven ouden, die zien moesten, hoe er om hun
-ouderwetsch geworden romantisme gelachen werd. Alles stortte ineen,
-zoodra de idee der vrijheid bankroet sloeg, zoodra de vrijheid niet
-meer het eenige goed, het fundament zelf der republiek was, die zij zoo
-duur en met zooveel inspanning van krachten gekocht hadden.
-
-Zeer oprecht en zeer waardig bekende Barroux. De republiek was de
-heilige ark, en om haar te redden, zoodra zij in gevaar verkeeren kon,
-werden alle middelen, zelfs de ergste, geheiligd. Hij vertelde de
-geschiedenis heel eenvoudig: al het geld van de bank Duvillard zou,
-onder voorwendsel van publiciteit, naar de bladen der oppositie gaan,
-terwijl de republikeinsche bladen belachelijk kleine sommen kregen. Als
-minister van Binnenlandsche Zaken was hij toenmaals met de
-persaangelegenheden belast; en wat zou men gezegd hebben, indien hij
-niet getracht had het juiste evenwicht te herstellen, zoodat de macht
-van de tegenstanders niet vertienvoudigd werd. Alle handen strekten
-zich naar hem uit, tallooze bladen, en daaronder de meest
-verdienstelijke en meest getrouwe, eischten het hun rechtmatig
-toekomend deel. Dat deel nu had hij hun verzekerd door onder hen de
-tweehonderd duizend francs, waarmede zijn naam op de lijst voorkwam, te
-verdeelen. Geen centime daarvan was in zijn zak terechtgekomen; hij gaf
-niemand het recht aan zijn rechtschapenheid te twijfelen, zijn woord
-moest voldoende zijn. Op dat oogenblik was hij werkelijk
-bewonderenswaardig groot. Alles, zijn pralende middelmatigheid, zijn
-emphase verdween; niets was meer over dan de man van eer, die bevend
-zijn hart liet zien, wiens geweten bloedde door het uitrukken der
-waarheid, die begreep, dat de belooning uitblijven zou.
-
-Inderdaad werd de rede met een ijskoude stilte ontvangen. Barroux, die
-in zijn naïveteit geloofd had, dat een uitbarsting van geestdrift
-volgen zou, werd langzamerhand zelf door die koude, welke uit alle
-banken opsteeg, aangegrepen. Plotseling voelde hij, dat hij alleen
-stond, dat het uit was met hem, dat de dood hem aangeraakt had. Het was
-de leegte als van een graf in hem. Toch sprak hij te midden van de
-angstaanjagende stilte verder met de bravoure van een arme, die
-zelfmoord pleegt en uit liefde voor mooie en edele houdingen, staande
-sterven wil. Het einde was een laatste, mooi gebaar. Toen hij de
-tribune verliet, was de stemming nog killer geworden, weerklonk er geen
-enkele toejuiching. Tot overmaat van ramp had hij een toespeling
-gemaakt op het heimelijke drijven van Rome en van de geestelijkheid,
-dat volgens hem geen ander doel had dan om de verloren posities te
-heroveren en vroeger of later de monarchie te herstellen.
-
-“Wie is nou zoo stom om te bekennen?” prevelde Massot. “Hij ligt op
-zijn gat en het ministerie met hem.”
-
-Nu betrad te midden van die tot ijs verstijfde zaal Monferrand zonder
-eenige aarzeling de tribune. Het was voor de zich allesbehalve op haar
-gemak gevoelende Kamer een groote opluchting, toen Monferrand dadelijk
-met een formeel en krachtig démenti begon. Hij sloeg met zijn eene
-vuist op de tribune, en gaf met de andere uit naam van zijn beleedigde
-eer, harde slagen op zijn borst. Met zijn korte, ineengedrongen
-gestalte, zijn vooruitstekend gezicht, zijn dikken, sensueelen en
-eerzuchtigen neus, zijn breede schouders, waarachter hij zijn groote
-handigheid verborg, was hij een oogenblik prachtig om aan te zien. Hij
-ontkende alles. Niet alleen wist hij niet, wat die achter zijn naam
-geschreven tachtig duizend francs beteekenden, maar hij daagde de
-geheele wereld uit, om te bewijzen, dat hij ooit een sou van dat geld
-aangeraakt had. Zijn verontwaardiging kookte en stroomde zóó over, dat
-hij er zich niet mede tevreden stelde in zijn naam alles te loochenen,
-maar ook in den naam van alle tegenwoordige en vroegere Kamers, alsof
-deze monstruositeit van een volksvertegenwoordiger, die zijn stem
-verkocht, alle denkbare smadelijke misdaden overtrof. De bijval barstte
-los, de weer verwarmde, bevrijde Kamer juichte hem toe.
-
-Toch riepen op de socialistische banken enkele stemmen, dat hij een
-verklaring moest geven van de affaire der Afrikaansche sporen,
-herinnerden hem er aan, dat hij minister van Openbare Werken was, toen
-de premieleening goedgekeurd werd, eischten eindelijk te weten wat hij
-van plan was heden als minister van Binnenlandsche Zaken tegenover de
-onthullingen te doen, om het geweten van het land gerust te stellen.
-Maar hij moffelde de vraag weg en zeide, dat, wanneer er schuldigen
-waren, de gerechtigheid haar loop moest hebben: niemand behoefde hem
-aan zijn plicht te herinneren. Dan voerde hij plotseling met een
-onvergelijkelijke kracht en handigheid de afleidende beweging uit, die
-hij sinds den vorigen dag voorbereidde. Zijn plicht vergat hij nooit,
-hij deed dien steeds als een trouw soldaat der natie met evenveel
-waakzaamheid als voorzichtigheid. Had men hem zooeven niet beschuldigd
-de politie te gebruiken voor God weet wat voor lage spionnagediensten,
-waardoor het den beruchten Hunter mogelijk geweest was te ontvluchten?
-Welnu, hij kon aan de Kamer mededeelen, waarvoor hij den vorigen dag
-die belasterde politie gebruikt had, wat zij voor de gerechtigheid en
-de openbare orde gedaan had. Den vorigen dag had zij in het Bois de
-Boulogne den gevaarlijksten misdadiger gearresteerd, den dader van den
-bomaanslag in de rue Godot-de-Mauroy, dien anarchistischen werkman,
-dien Salvat, die meer dan zes weken met alle nasporingen gespot had. In
-den loop van den avond had de onverlaat een volledige bekentenis
-afgelegd; de gerechtigheid zou nu spoedig haar werk doen. Eindelijk was
-de openbare moraal gewroken, kon Parijs zijn langen schrik van zich
-afwentelen, was de anarchie getroffen in haar zwakste punt. Dat had
-hij, de minister, voor de eer en het heil van het land gedaan, terwijl
-vuile lasteraars vergeefs zijn naam trachtten te bezoedelen door dien
-op een lijst, het werk van de laagste politieke manoeuvres, te
-plaatsen.
-
-Met open mond en rillend luisterde de Kamer. Deze uit den hemel
-vallende arrestatie, waarover geen enkel ochtendblad gesproken had; dit
-geschenk, dat Monferrand in dien verschrikkelijken Salvat, welke reeds
-een misdadigers-mythe begon te worden, aan de Kamer scheen te geven;
-deze geheele ensceneering pakte haar als een lang op zijn voltooiing
-gewacht hebbend drama, welks ontknooping zich nu plotseling voor haar
-afspeelde. Diep ontroerd en gevleid bracht zij een lange ovatie aan den
-redenaar, die echter door bleef gaan om zijn energieke daad, de redding
-der maatschappij, de bestraffing der misdaad te verheerlijken, zonder
-daarbij te vergeten de belofte af te leggen, dat hij steeds de man met
-de krachtige vuist, de man van de openbare orde zou zijn. Ja, hij
-veroverde zelfs de bank der rechterzijde, toen hij, zich losmakend van
-Barroux, eindigde met het uitspreken van sympathie voor de geallieerde
-Katholieken, met een beroep op de eendracht van de verschillende
-geloofsbelijdenissen tegen den gemeenschappelijken vijand, het woeste
-socialisme, dat alles wilde vernietigen.
-
-Toen Monferrand de tribune verliet, was de truc gelukt: hij had
-zichzelf weer uit het troebele water opgevischt. De geheele Kamer,
-rechts en links dooreen, juichte en overstemde de protesten van de
-enkele socialisten, wier lawaai dit triomfgeschreeuw slechts verhoogde.
-Vele handen werden naar hem uitgestoken; hij bleef een oogenblik
-glimlachend staan, maar het was een glimlach, waarachter zich een
-toenemende onrust verborg. Zijn succes begon hem bang te maken. Zou hij
-te goed gesproken hebben? Zou hij, in plaats van zichzelf alleen te
-redden, ook het ministerie gered hebben? Dat zou zijn geheele plan in
-duigen hebben doen vallen. De Kamer moest niet stemmen onder den indruk
-van deze redevoering, die haar zoo geschokt had. Hij doorleefde twee of
-drie minuten van werkelijken angst, terwijl hij nog steeds glimlachend
-afwachtte of niemand opstaan zou, om hem te beantwoorden.
-
-Op de tribunes was het succes even groot. Men had dames zien juichen.
-Zelfs monseigneur Martha gaf teekenen van levendige voldoening.
-
-“Dat zijn nu onze tegenwoordige krijgers, generaal,” zeide Massot met
-een spottend grijnslachje. “En die daar is een haantje de voorste. Dat
-is je handig uit een moeilijke positie redden. Maar het is een kranig
-werkje.”
-
-Eindelijk zag Monferrand, dat Vignon, aangespoord door zijn vrienden,
-opstond en naar de tribune ging. Nu keerde zijn spottend-gemoedelijk
-glimlachje terug; en hij ging weer op de ministerbank zitten, om
-schijnheilig te luisteren.
-
-Met Vignon kreeg de Kamer dadelijk een geheel ander aspect. Met zijn
-mooien blonden baard, zijn blauwe oogen, zijn slanke, jeugdige houding
-stond hij flink en correct op de tribune. Hij sprak als een praktisch
-man met een eenvoudige en onmiddellijk zijn gehoor treffende
-welsprekendheid, die de holle rhetoriek van zijn voorgangers nog leeger
-en pralender deed schijnen. Door zijn korte werkzaamheid in de
-administratie had hij een levendig begrip voor zaken gekregen, kon hij
-de meest ingewikkelde quaesties makkelijk formuleeren en oplossen.
-Steeds in de weer, dapper en zeker van zijn geluksster ging hij de
-toekomst tegemoet; hij had het geluk om nog te jong en te handig te
-zijn om zich in iets te hebben gecompromitteerd. Zijn programma was
-iets vooruitstrevender dan dat van Barroux en Monferrand, opdat hij,
-wanneer hij het ministerie had doen vallen, hun plaats zou kunnen
-innemen. Verder was hij heel goed in staat dit programma uit te voeren
-door de reeds zoo lang beloofde hervormingen te beproeven.
-
-Dus zeide hij met zijn heldere stem zeer beslist wat hij te zeggen had,
-wat het gezond verstand, het heimelijke geweten zelf der Kamer
-verwachtte. Zeker hij was de eerste om zich te verheugen over een
-arrestatie, die het geheele land geruststellen zou. Maar hij zag niet
-in welk verband er bestaan kon tusschen die arrestatie en de droevige
-zaak, die thans aan het oordeel der Kamer onderworpen werd. Dat waren
-twee totaal verschillende quaesties en hij bezwoer zijn collega’s niet
-te stemmen in de voorbijgaande opwinding, waarin hij hen thans zag. Er
-moest een volkomen en helder licht over de zaak ontstoken worden, en
-dat konden de twee aangeklaagde ministers natuurlijk niet doen. Verder
-verklaarde hij zich tegen een enquête-commissie, hij was van meening,
-dat men de schuldigen, als die er waren, naar de rechtbank behoorde te
-verwijzen. Ook hij eindigde met een discrete toespeling op den
-toenemenden invloed van de geestelijkheid en zeide, dat hij geen enkel
-compromis van welken aard dan ook aanvaardde en de dictatuur van den
-Staat even goed verwierp als een herleving van den ouden theocratischen
-geest.
-
-Goedkeurend gemompel ging door de geheele zaal. Toen Vignon weer ging
-zitten, weerklonken slechts enkele toejuichingen. Maar de Kamer had
-haar gewone kalmte weer teruggekregen; de toestand was zoo duidelijk,
-de uitslag der stemming zoo zeker, dat Mège, die eerst nog had willen
-repliceeren, het verstandiger vond van het woord af te zien, hoe zwaar
-hem dat ook viel. Vooral de kalme houding van Monferrand, die steeds
-door aandachtig naar de rede van Vignon had zitten luisteren, als wilde
-hij aan het talent van zijn tegenstander de noodige eer geven, viel op;
-Barroux daarentegen zat na de ijzige koude, waarmede zijn rede
-opgenomen was, onbeweeglijk en doodsbleek op zijn bank, als had de
-instorting der oude wereld ook hem getroffen en verpletterd.
-
-“Het ministerie is gevallen,” begon Massot weer. “Ja, die kleine Vignon
-zal het ver brengen. Men zegt, dat hij van het Elysée droomt. In ieder
-geval is hij op dit oogenblik de aangewezen kabinetsformateur.”
-
-Toen hij te midden van het lawaai der nu volgende stemmingen weg wilde
-gaan, hield de generaal hem terug.
-
-“Wacht nog even, mijnheer Massot... Wat een walgelijke boel is die
-parlementaire keuken! U moest dat eens in een artikel zeggen en
-aantoonen hoe het land langzamerhand verzwakt en tot in het merg
-bedorven wordt door zulke dagen van nuttelooze en vuile discussies. Een
-slag, waarin vijftig duizend man vallen, zou ons minder uitputten, meer
-leven in ons hart achterlaten dan tien jaar van dit afschuwelijk
-parlementarisme... Loop eens een ochtend bij mij op. Ik zal u een
-militair wetsontwerp laten zien: wij moeten tot ons vroeger beperkt
-beroepsleger terugkeeren, wanneer we niet willen, dat ons zoo
-verburgerd nationaal leger, dat een zoo illusoire massa vormt, het
-doode gewicht wordt, dat de natie ten gronde richt.”
-
-Sedert de opening der zitting had Pierre geen woord gezegd. Hij
-luisterde aandachtig, eerst in het onmiddellijke belang van zijn broer,
-dan langzamerhand ook zelf medegesleept door de koortsachtige
-opwinding, die zich van de zaal meester maakte. Hij kwam hoe langer hoe
-meer tot de overtuiging, dat Guillaume niets meer te vreezen had, maar
-hoe ging hier de eene gebeurtenis over in de andere, welk een indruk
-maakte hier de arrestatie van Salvat! De feiten vereenigden, verwarden,
-veranderden zich onophoudelijk! Terwijl hij zich over de woelige zaal
-heenboog, kon hij er de tallooze botsingen van hartstochten en belangen
-als het ware zien.
-
-Hij had den grooten strijd tusschen Barroux, Monferrand en Vignon
-gevolgd, hij merkte de kinderlijke vreugde van Mège op, die gelukkig
-was, dat hij den modderigen grond van dit water, waarin hij nooit
-anders dan voor anderen vischte, aan het roeren gebracht had; nu was
-hij vol belangstelling voor Fonsègue, die, uiterst kalm en ingewijd in
-de geheimen der toekomst, Dutheil en Chaigneux trachtte gerust te
-stellen. Doch steeds weer keerde zijn blik terug tot monseigneur
-Martha, hem had hij geen oogenblik uit het oog verloren, terwijl hij de
-emoties der zitting volgde op zijn kalm en glimlachend gezicht, alsof
-deze geheele dramatische parlementaire comedie slechts gespeeld werd
-voor den toekomstigen triomf, waarop deze priester hoopte. In
-afwachting van den uitslag der stemming hoorde hij naast zich niets
-meer dan de gesprekken tusschen den generaal en Massot over taktiek,
-kader en recruteering, dan hun discussie over de noodzakelijkheid van
-een bloedbad voor geheel Europa. O, wanneer zou deze jammerlijke
-menschheid, die in de parlementen en in veldslagen niets dan vechten en
-elkaar vernietigen wil, eindelijk tot ontwapening overgaan, om naar de
-geboden van gerechtigheid en rede te luisteren?
-
-De verwarring ten opzichte van de moties van orde scheen eeuwig te
-duren; het was een regen van moties, die liepen van de zeer heftige van
-Mège tot de strenge van Vignon. Het ministerie aanvaardde slechts een
-eenvoudig overgaan tot de orde van den dag en werd verslagen; de motie
-van Vignon werd eindelijk met een meerderheid van vijf-en-twintig
-stemmen aangenomen. Een gedeelte van de rechterzijde had zich met de
-linkerzijde en de socialisten vereenigd. Een lang aangehouden lawaai,
-dat uit de zaal opsteeg en op de tribunes overging, begroette dit
-resultaat.
-
-“Ziezoo, nu hebben wij een ministerie-Vignon,” zeide Massot, toen hij
-met den generaal en Pierre wegging. “Maar Monferrand heeft er zich toch
-aardig uitgewerkt. Als ik Vignon was, zou ik maar goed uit mijn oogen
-kijken.”
-
-
-
-’s Avonds had in het kleine huisje te Neuilly een in al zijn eenvoud
-roerend afscheid plaats. Nadat Pierre treurig, maar volkomen
-gerustgesteld, thuis gekomen was, had Guillaume besloten den volgenden
-dag weer naar Montmartre terug te gaan. En daar ook Nicolas Barthès
-vertrekken moest, zou het kleine huisje weer in zijn vroegere
-troostelooze eenzaamheid terugzinken.
-
-Théophile Morin, aan wien Pierre de treurige tijding had medegedeeld,
-was gekomen; en toen de vier mannen zich om zeven uur aan tafel zetten,
-wist Barthès nog niets. Den geheelen dag had hij met zijn zwaren stap
-van een gevangen leeuw in zijn kamer op en neer geloopen; hij leefde in
-dit door een vriend aangeboden asyl als een heldhaftig groot kind, dat
-zich nooit om verhoudingen van het heden noch om de bedreigingen van de
-toekomst bekommert. Zijn leven was altijd een grenzenlooze hoop
-geweest, die zich steeds te pletter liep tegen de hoeksteenen der
-werkelijkheid. Al wat hij liefgehad had, al wat hij door vijftig jaren
-van gevangenisstraf en verbanning meende bereikt te hebben—de allen
-gelijk makende vrijheid—de broederlijke republiek—mocht ingestort zijn
-en aan zijn droom het hardste démenti gegeven hebben, toch was zijn
-geloof, het reine geloof van zijn jeugd, dat zeker was van de toekomst,
-gebleven. Een hemelsch glimlachje speelde om zijn lippen, wanneer de
-jongeren, de dwepers met hem spotten en hem een goeden ouden kerel
-noemden. Hij zelf begreep niets van de nieuwe secten, maakte zich boos
-over haar gebrek aan menschelijkheid; trotsch en stijfhoofdig bleef hij
-bij zijn denkbeeld de wereld door het eenzijdige begrip van louter van
-nature goede, vrije en broederlijk gezinde menschen te hervormen.
-
-Dien avond was hij onder het eten, nu hij zich door werkelijke vrienden
-omgeven voelde, heel opgewekt en toonde de onschuld van zijn ziel door
-de volkomen zekerheid, waarin hij verkeerde, dat hij ondanks alles zijn
-ideaal in de naaste toekomst verwezenlijkt zou zien. Dan vertelde hij
-kostelijke geschiedenissen over zijn verschillende gevangenissen;
-wanneer hij praten wilde, was hij een gezellig verteller. Hij kende
-alle gevangenissen, Sainte-Pélagie, Mont-Saint-Michel, Belle-Ile-en-Mer
-en Clairvaux, lachte nog over sommige herinneringen en schilderde het
-asyl, dat hij overal in zijn vrij geweten gevonden had.
-
-De drie mannen, die naar hem luisterden, waren verrukt,
-niettegenstaande de angst bij de gedachte, dat deze eeuwige gevangene,
-deze eeuwige balling weer opnieuw op moest staan en zijn stok weer
-opnemen om verder te gaan, hun hart samenkneep.
-
-Eerst bij het dessert sprak Pierre. Hij vertelde hoe de minister hem
-ontboden had en Barthès acht-en-veertig uur gaf om over de grens te
-gaan, als hij niet gearresteerd wilde worden. De oude man met zijn lang
-wit haar, zijn arendsneus en zijn nog altijd jeugdig schitterende oogen
-stond ernstig op en wilde dadelijk vertrekken.
-
-“Wat, beste jongen, je weet dat alles sedert gisteren en je hebt me
-toch bij je gehouden en mij aan het gevaar blootgesteld je, door in je
-huis te blijven, nog meer te compromitteeren... Je moet het me niet
-kwalijk nemen, ik dacht niet aan de moeilijkheden, waarin ik je bracht,
-ik meende, dat alles zoo goed ging... Maar ik dank Guillaume en ik dank
-jou voor de rustige dagen, die je aan den ouden zwerver, den ouden
-dwaas, die ik ben, gegeven hebt!”
-
-Ze smeekten hem nog tot den volgenden ochtend te blijven, maar daarvan
-wilde hij niets hooren. Tegen middernacht ging er een trein naar
-Brussel; dien kon hij nog makkelijk halen. Zelfs weigerde hij beslist,
-dat Morin met hem mede zou gaan. Morin was niet rijk en had zijn
-bezigheden: zou hij hem zijn tijd ontnomen hebben, terwijl het toch zoo
-eenvoudig was, dat hij alleen ging? Hij keerde als een wandelende Jood
-der vrijheid, dien zijn legendarisch martelaarschap eeuwig door de
-wijde wereld drijft, naar de verbanning terug.
-
-Toen hij om tien uur in de kleine, ingeslapen straat van zijn
-gastheeren afscheid nam, stonden er tranen in zijn oogen.
-
-“Ik ben niet jong meer; ditmaal is het uit! Ik zal niet meer
-terugkeeren; mijn gebeente zal daar ergens in een hoekje rusten.”
-
-Maar nadat hij Guillaume en Pierre liefdevol een kus op hun wangen
-gedrukt had, richtte zijn ontembaar en trotsch wezen zich weer op, kon
-hij een laatsten kreet van hoop niet onderdrukken.
-
-“Kom, wie weet, morgen is het misschien reeds de dag van den triomf. De
-toekomst behoort aan hem, die haar maakt en haar verwacht!”
-
-Hij was reeds lang uit het gezicht verdwenen, toen zij nog zijn
-krachtigen, flinken stap langzaam hoorden wegsterven in de verte, in
-den helderen nacht.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE BOEK.
-
-
-I.
-
-Het was een zachte ochtend in het laatst van Maart, toen Pierre met
-zijn broer Guillaume het kleine huisje te Neuilly verliet, om met hem
-naar Montmartre te gaan. Zijn hart kromp ineen bij de gedachte, dat hij
-alleen terugkeeren en weer in zijn wanhoop en in zijn Niet terugzinken
-zou. Hij had niet geslapen, een radelooze bitterheid vervulde hem; maar
-hij verborg zijn smart en dwong zich tot een glimlach.
-
-Toen de twee broers zagen, dat het zulk mooi en lekker weer was,
-besloten zij te voet te gaan; een lange wandeling over de
-buitenboulevards. Het sloeg negen uur. Pierre vond het heerlijk zijn
-ouderen broeder, die één en al opgewektheid was bij de gedachte aan de
-verrassing, die hij den zijnen als bij den terugkeer van een reis
-bereidde, naar huis te vergezellen. Guillaume had de zijnen niet
-gewaarschuwd, doch hun slechts van tijd tot tijd geschreven hoe het met
-hem ging. Uit voorzichtigheid en zijn verlangen eerbiedigend, waren
-zijn zoons hem niet komen opzoeken; en ook het jonge meisje, waarmede
-hij trouwen zou, had verstandig, kalm en bescheiden gewacht.
-
-Toen zij de zonnige hellingen van Montmartre beklommen hadden, ging
-Guillaume, die een sleutel had, eenvoudig en zacht naar binnen. Het
-kleine huisje op de place du Tertre scheen in een diepen vrede te
-sluimeren en Pierre vond het juist zoo terug als hij het bij zijn
-eerste en eenig bezoek gezien had: stil, glimlachend en badend in een
-eindelooze teederheid. Eerst had men de smalle gang, die door den
-rez-de-chaussée liep, om een uitzicht te geven op den onmetelijken
-horizont van Parijs. Dan kwam de tuin, die tot twee pruimeboomen en een
-boschje seringen, waaraan nu jonge blaadjes vroolijk lachten,
-ingekrompen was, en ditmaal zag Pierre drie fietsen tegen de
-pruimeboomen staan. Ten slotte het groote, vroolijke werkvertrek,
-waarin het heele gezin leefde en welks ramen de dakenzee beheerschte.
-
-Guillaume was, zonder iemand gezien te hebben, bij het atelier gekomen.
-Vroolijk bracht hij zijn vinger aan zijn lippen.
-
-“Nou zal je eens wat zien, beste Pierre.”
-
-De deur ging geruischloos open en zij bleven even op den drempel staan.
-Alleen de drie zoons waren er. Thomas was met een perforeermachine
-bezig en maakte tallooze gaten in een kleine koperen plaat. In den
-anderen hoek, voor de glazen deur, zaten François en Antoine aan hun
-groote tafel, de een in een boek verdiept, terwijl de andere met zijn
-graveerstift aan een houtsnede bezig was. Vroolijk vielen de
-zonnestralen binnen en speelden tusschen het pêle-mêle van het vertrek,
-waarin zooveel verschillend werk en zooveel verschillende werktuigen
-opgehoopt waren, te midden waarvan de werktafel van de beide vrouwen
-met een heerlijken ruiker nagelbloemen versierd was. In de diepe
-aandacht der drie jonge mannen, in de religieuze stilte hoorde men
-niets dan het zachte krassen der machine bij ieder gat, dat de oudste
-boorde.
-
-Maar hoewel Guillaume zich op den drempel niet bewoog, ging er toch een
-rilling, een plotselinge waarschuwing door het vertrek. De drie zoons
-keken als door een ingeving tegelijk op en met denzelfden kreet en met
-dezelfde geestdrift vlogen zij hem om zijn hals.
-
-“Vader!”
-
-Gelukkig drukte hij ze aan zijn borst en gaf hun een kus. Dat was
-alles: geen verdere sentimentaliteiten, geen nuttelooze woorden. Het
-was alsof hij den vorigen avond uitgegaan was en nu, na wat langer dan
-gewoonlijk opgehouden te zijn, weer thuiskwam. Glimlachend keek hij hen
-aan, terwijl zij hem eveneens aankeken en ook glimlachten. Maar dat
-drukte al hun liefde, de volkomen overgave voor eeuwig uit.
-
-“Kom toch binnen, Pierre, en geef dien kerels een hand!”
-
-De priester was verlegen en zich niet op zijn gemak gevoelend, bij de
-deur blijven staan. Zijn drie neven schudden hem hartelijk de hand, dan
-echter ging hij, daar hij niet goed wist wat hij doen moest, voor het
-raam zitten.
-
-“Nu jongens, waar is Grootmoeder en waar is Marie?”
-
-Grootmoeder was juist naar haar kamer gegaan en het jonge meisje had
-het plotseling in haar hoofd gekregen zelf op de markt inkoopen te
-doen. Dat was een van haar grootste genoegens; zij beweerde, dat zij
-alleen versche eieren en boter, die naar hazelnoten rook, koopen kon.
-Bovendien bracht zij dikwijls wat lekkers of bloemen mede, blij, dat
-zij kon laten zien wat een goede huisvrouw zij was.
-
-“Zoo, en gaat alles goed, jongens?” vroeg Guillaume verder. “Zijn
-jullie tevreden? Schiet het werk op?”
-
-Hij deed aan ieder afzonderlijk een korte vraag, als iemand, die
-dadelijk weer in zijn dagelijksche gewoonten thuis is. Thomas, wiens
-goedig gezicht straalde, vatte in enkele zinnen zijn nieuwe proeven
-omtrent den nieuwen motor samen, waarvan hij zeker was hem thans
-gevonden te hebben. François, nog steeds druk bezig met de studies voor
-zijn examen, vertelde schertsend van den grooten hoop stof, dien hij
-nog in zijn hersens moest opstapelen. Antoine liet hem de houtsnede
-zien, die hij bijna klaar had: zijn vriendinnetje Lise, de zuster van
-den beeldhouwer Jahan, die in een tuin in de zon zat te lezen. Al
-pratend waren de drie jongens weer naar hun plaatsen gegaan en
-hervatten heel natuurlijk, tengevolge van de sterke tucht, die van den
-arbeid hun leven zelf gemaakt had, hun werk.
-
-“Nou jongens, ik heb ook den tijd, dat ik op bed liggen moest, niet
-nutteloos voorbij laten gaan. Ik heb zelfs een heeleboel aanteekeningen
-gemaakt.”
-
-“Wij zijn te voet gekomen, maar een rijtuig zal dat alles met de
-kleeren en het linnengoed, die Grootmoeder mij gestuurd heeft,
-brengen... Wat ben ik blij alles hier weer terug te vinden! Wat zullen
-we weer werken!”
-
-Reeds zat hij weer in zijn eigen hoekje. Tusschen de smidse en het raam
-was een groote ruimte voor hem gereserveerd; daar waren zijn vitrines
-en planken, die vol stonden met allerlei toestellen, zijn oventje en
-zijn lange tafel, waarvan hij het einde gebruikte als bureau. Reeds nam
-hij weer bezit van die wereld, zijn blikken gingen, gelukkig alles weer
-in orde terug te vinden, van het een naar het ander, zijn handen
-zochten, raakten de voorwerpen aan, als had hij, evenals zijn drie
-zoons, haast weer aan het werk te gaan.
-
-Maar op dat oogenblik riep Grootmoeder, die boven aan de trap ernstig,
-kalm en rechtop in haar eeuwige zwarte japon stond:
-
-“Ben jij daar, Guillaume? Wil je even boven komen?”
-
-Hij ging naar boven, want hij begreep, dat zij hem op de hoogte
-brengen, hem geruststellen, hem dadelijk alles zeggen wilde, wat zij
-onder vier oogen te zeggen had. Het ging om het vreeselijke geheim, dat
-alleen tusschen hen bestond, het eenige, wat zijn zoons niet wisten,
-datgene wat hem met angst gemarteld had, toen hij na den aanslag bang
-was, dat het ontdekt en bekend worden zou. Boven in de kamer liet zij
-hem naast het bed de geheime bergplaats zien, waarin de patronen van
-het nieuwe kruit en de plannen voor de verschrikkelijke
-vernietigingsmachine bewaard werden. Hij vond ze terug zooals hij ze
-achtergelaten had; om ze aan te raken, had men de oude vrouw moeten
-dooden of met haar het huis in de lucht laten vliegen. Op haar kalme,
-heldhaftige manier gaf zij hem den sleutel terug, dien hij haar den
-ochtend na zijn verwonding door Pierre had laten brengen.
-
-“Je was toch niet ongerust, wel?”
-
-“Alleen ongerust dat de politie u zou kunnen brutaliseeren... U bent de
-hoedster en u zoudt mijn werk voltooien, als ik sterven mocht!”
-
-Intusschen voelde Pierre, die nog steeds beneden voor het raam zat,
-zijn verlegenheid toenemen. O, zeker, allen kwamen hem in dit huis met
-liefdevolle sympathie tegemoet—maar waarom scheen het hem dan toe,
-alsof de dingen en de menschen zelf, ondanks hun goeden wil, hem
-vijandig bleven. En hij vroeg zich af wat er te midden van deze
-werkers, die allen door een geloof staande gehouden werden, worden
-moest van hem, van hem, die aan niets meer geloofde, die niets deed.
-Het zien van die zoo ijverig, zoo vroolijk aan hun werk bezige broeders
-vervulde hem met een soort toornige geprikkeldheid, die door het
-binnenkomen van Marie nog erger werd.
-
-Met haar mandje met inkoopen aan haar arm kwam zij, zonder hem te zien,
-binnen en zag er in den glans van haar jeugd, met haar slanke taille en
-haar breede borst zóó vroolijk en zóó overstroomend van gezondheid uit,
-dat men gedacht zou hebben, dat een zonnige lente-ochtend met haar
-binnenkwam. Haar rose gezichtje, haar fijne neus, haar groot,
-intelligent voorhoofd haar volle, goedige mond straalde onder haar
-donkere lokken. Haar bruine oogen lachten in een voortdurenden jubel
-van gezondheid en kracht.
-
-“Jongens, jullie moesten eens weten wat ik allemaal gekocht heb... Komt
-eens kijken! Ik heb de mand niet in de keuken willen uitpakken.”
-
-Zij hield niet op vóór zij om de mand, die zij op tafel gezet had,
-kwamen staan.
-
-“In de eerste plaats boter. Nou, ruikt die naar hazelnoten of niet? Die
-maken ze apart voor mij... En dan eieren. Gisteren gelegd, op mijn
-woord van eer. En dit zelfs vandaag pas... En dan coteletten. Prachtig,
-hè? De slager doet er speciaal zijn best op, als ik ze kom halen!—En
-dan nog een roomkaas, maar van echte room, een prachtstuk!—En
-eindelijk, als verrassing, radijsjes, mooie, kleine, roode radijsjes.
-Radijsjes in Maart! Luxe gewoon!”
-
-Zij triompheerde als een goede huisvrouw, die de waarde der dingen kent
-en op het lyceum Fénelon een heelen kook- en huishoudcursus gevolgd
-had. De drie broers lachten met haar mede en maakte haar een
-complimentje.
-
-Maar plotseling zag zij Pierre.
-
-“Wat, zit u daar, mijnheer de abbé? Neem me niet kwalijk, maar ik had u
-heusch niet gezien... En hoe is het met Guillaume? Komt u nieuws
-brengen?”
-
-“Maar vader is teruggekomen!” zeide Thomas. “Hij is boven bij
-Grootmoeder.”
-
-Verschrikt legde zij haar inkoopen weer in de mand.
-
-“Guillaume weer thuis! Guillaume weer thuis!... En dat zeg je me nou
-pas! En je laat mij eerst mijn mand uitpakken! Een mooie boel, om zoo
-te staan pochen op mijn boter en eieren, terwijl Guillaume weer thuis
-is!”
-
-Juist op dat oogenblik kwam deze met Grootmoeder naar beneden. Vroolijk
-liep zij naar hem toe, liet zich twee stevige zoenen op haar beide
-wangen geven, legde dan haar handen op zijn schouders, keek hem lang
-aan en zeide met een eenigszins bevende stem:
-
-“Ik ben blij, erg blij je weer terug te zien, Guillaume... Nu mag ik
-het wel zeggen, ik ben erg bang geweest, dat ik je zou moeten
-verliezen.”
-
-En hoewel zij nog steeds lachte, kwamen er twee tranen in haar oogen.
-Ook hij was zeer ontroerd en fluisterde, terwijl hij haar weer kuste:
-
-“Lieve Marie... Wat ben ik gelukkig! Ik vind je weer zoo mooi en zoo
-lief terug!”
-
-Pierre, die ze aankeek, vond hen koel. Blijkbaar had hij van
-verloofden, die een ongeluk zoo kort vóór hun huwelijk langen tijd
-gescheiden had, meer tranen, een hartstochtelijker omhelzing verwacht.
-Ook het groote verschil in leeftijd hinderde hem, hoewel zijn broer er
-toch nog flink en jong uitzag. Neen, het moest het jonge meisje zijn,
-dat niet in zijn smaak viel. Zij was te gezond, te kalm. Sedert zij
-binnen was, voelde hij zijn verlegenheid, zijn lust om weg te gaan en
-niet meer terug te komen, grooter worden. Het gevoel, dat hij zoo heel
-anders dan zij, dat hij een vreemdeling in het huis van zijn broeder
-was, deed hem pijn. Hij stond op, wilde weggaan, onder voorwendsel, dat
-hij nog een boodschap in Parijs moest doen.
-
-“Wat, wil je niet bij ons blijven dejeuneeren?” riep Guillaume verbaasd
-uit. “Dat hadden we toch afgesproken. Neen, dat verdriet zal je me toch
-niet aandoen... Voortaan, broertje, is dit huis het jouwe.”
-
-Ook al de anderen verzetten zich tegen zijn vertrek en drongen er
-hartelijk op aan, dat hij zou blijven, zoodat hij toegeven moest en
-weer op zijn stoel ging zitten, waar hij weer in zijn zwijgende
-verlegenheid terugviel en naar deze familie, die de zijne was, maar van
-wie hij zich toch zoo ver verwijderd gevoelde, keek en luisterde.
-
-Het was even over elven. Door vroolijk gebabbel onderbroken, werd het
-werk voortgezet, toen een der beide dienstmeisjes de mand met inkoopen
-kwam halen. Marie drukte haar op het hart haar te roepen voor de zachte
-eieren, want zij liet er zich op voorstaan een prachtig recept te
-hebben, waardoor zij ze juist zoo kon koken, dat het wit een
-roomachtige melk bleef. Dat gaf François aanleiding tot een paar
-grappen; hij plaagde haar dikwijls met al die mooie dingen, die zij op
-het lyceum Fénelon had geleerd, waarop haar vader haar op haar twaalfde
-jaar na den dood van haar moeder gedaan had. Maar zij bleef het
-antwoord niet schuldig, lachte op haar beurt over de uren, die hij zelf
-op de École Normale met paedagogische onzinnigheden verspilde.
-
-“O jullie groote kinderen,” zeide zij, zonder met haar borduurwerk op
-te houden; “het is grappig; jullie bent toch alle drie intelligente
-jongens met een breeden blik, en toch kunnen jullie het in den grond
-der zaak niet goed zetten, dat een meisje zooals ik net als jullie op
-een lyceum gestudeerd heeft. De strijd tusschen de seksen, een
-concurrentiequaestie, niet?”
-
-Zij protesteerden, bezwoeren, dat zij niets liever wilden dan goed
-onderwijs voor meisjes. Dat wist zij zelf ook heel goed; zij vond het
-alleen leuk hen te plagen.
-
-“Neen, neen, in dat opzicht zijn jullie heel achterlijk... Ik weet heel
-goed, wat men in welmeenende burgerlijke kringen aan de meisjeslycea
-verwijt. In de eerste plaats is het onderwijs daar volkomen wereldlijk,
-en dat valt in het geheel niet in den smaak der families, die voor
-meisjes het godsdienstonderwijs als een moreele verdediging
-noodzakelijk achten. Verder wordt het onderwijs er steeds
-democratischer; dank zij het gratis toelaten van leerlingen, wat zeer
-vrijgevig geschiedt, komen er meisjes uit alle kringen, zoodat de
-dochter van de mevrouw op de eerste verdieping en die van de conciërge
-er elkaar vinden en vriendschappelijk met elkaar omgaan. Ten slotte
-geraakt men er los van den huiselijken haard, wordt een steeds grootere
-speelruimte gegeven aan het initiatief, terwijl al die overladen
-programma’s en al die kennis, die bij het examen geëischt wordt,
-ongetwijfeld een emancipatie van het jonge meisje, een stap nader tot
-de toekomstige vrouw, tot de toekomstige maatschappij beteekenen,
-waarnaar jullie allen immers zoo verlangt!”
-
-“Natuurlijk, daar zijn we het allen over eens!” riep François.
-
-Zij maakte een aardig gebaar en ging kalm voort.
-
-“Ik maak maar gekheid... Jullie weet, dat ik maar een eenvoudig meisje
-ben en niet zoo veel verlang als jullie! O, die eischen en die rechten
-der vrouw! Het is immers heel duidelijk, zij heeft alle rechten, zij is
-de gelijke van den man, in zooverre de natuur dat toelaat! De eenige
-moeilijkheid bestaat hierin: elkander te begrijpen en lief te hebben...
-Dat neemt niet weg, dat ik heel blij ben te weten wat ik weet. O, ik
-zeg het zonder eenige pedanterie, alleen maar omdat ik me verbeeld, dat
-dit me zoo gezond gemaakt heeft, mij lichamelijk en geestelijk een
-steun in het leven geeft.”
-
-Wanneer zij die oude herinneringen aan het lyceum Fénelon ophaalde,
-ging zij er geheel in op met een vuur, waarin haar ijver, haar gestoei
-gedurende de vrije uren, haar dolle streken met haar vriendinnen
-herleefden. Van de vijf meisjeslycea te Parijs was het lyceum Fénelon
-het eenige, dat veel leerlingen telde en wel voornamelijk dochters van
-ambtenaren en vooral van onderwijzeressen, die zichzelf voor het
-onderwijs wilden bekwamen. Deze gingen, na het lyceum afgeloopen te
-hebben, haar einddiploma halen aan de École Normale te Sèvres. Maar
-Marie voelde ondanks haar uitstekende studiën in het geheel geen
-roeping voor onderwijs geven, en later, toen haar vader geruïneerd en
-schulden nalatend stierf en zij een oogenblik lang zonder middelen van
-bestaan op straat kwam te staan, had Guillaume haar tot zich genomen en
-niet gewild, dat zij overal en nergens les ging geven. Zij borduurde
-prachtig en stond er hardnekkig op, zelf geld te verdienen, om van
-niemand iets behoeven over te nemen.
-
-Glimlachend had Guillaume, zonder zich in het gesprek te mengen,
-geluisterd. Hij had haar lief leeren krijgen om haar vrijmoedigheid,
-haar rechtschapenheid, haar mooie evenwicht, dat haar groote, krachtige
-bekoring vormde. Zij wist alles, en al mocht zij daardoor de poëzie van
-het onwetende, schuchtere jonge meisje verloren hebben, zij had
-daardoor een werkelijke rechtschapenheid van geest en hart, een
-volmaakte onschuld, die zich voor niets schaamde, zonder eenige
-huichelachtige achterhoudendheid, zonder verborgen, door het
-geheimzinnige geprikkelde perversiteit gewonnen. En bij haar heerlijke,
-rustige gezondheid had zij een zóó kinderlijke kuischheid behouden, dat
-nog dikwijls ondanks haar zes-en-twintig jaar het bloed haar naar de
-wangen steeg, zij van die vuurroode kleuren kreeg, welke haar zoo
-wanhopig maakten.
-
-“Lieve Marie,” zeide Guillaume; “je ziet wel, dat de kinderen een
-grapje maken. Maar jij hebt gelijk... Jouw zachte eitjes zijn de
-lekkerste van de heele wereld.”
-
-Hij had het met zulk een liefdevolle teederheid gezegd, dat het jonge
-meisje, zonder dat er eenige reden voor was, vuurrood werd. Zij voelde
-het zelf en bloosde nog meer. En toen de drie jongens haar ondeugend
-aankeken, werd zij boos op zichzelf.
-
-“Het is belachelijk, dat zoo’n oude jongejuffrouw als ik nog bloost,
-vindt u ook niet, mijnheer de abbé?” vroeg zij, zich tot Pierre
-wendend. “Zou je niet zeggen, dat ik heel wat verkeerds gedaan heb? Die
-jongens plagen me alleen, om me een kleur te laten krijgen... Het helpt
-niets, al verzet ik me er nog zoo tegen; ik weet niet waar het vandaan
-komt, maar ik kan er niets tegen doen.”
-
-Grootmoeder keek op van het hemd, dat zij bezig was te verstellen.
-
-“Het is niets erg, beste meid,” zeide zij. “Het is het hart, dat naar
-je wangen stijgt, opdat men het zien kan.”
-
-Het dejeuner-uurtje naderde. Ze besloten de tafel in het atelier te
-dekken, wat meermalen gebeurde wanneer er een gast was. De eieren, die
-het jonge meisje zelf onder een servet uit de keuken gehaald had,
-werden heerlijk gevonden. Ook de radijsjes en de boter vielen goed in
-den smaak. Na de coteletten was er geen ander dessert dan de roomkaas,
-maar het was een roomkaas, zooals nog nooit iemand er een gegeten had.
-En voor hun oogen hadden zij Parijs, dat zich in zijn vreeselijk
-gebruis onmetelijk van het eene einde van den horizont naar het andere
-uitstrekte.
-
-Pierre had al zijn krachten ingespannen om vroolijk te zijn. Maar
-weldra was hij weer in zijn zwijgen teruggevallen. Guillaume, die de
-drie fietsen buiten had zien staan, vroeg aan Marie hoe ver zij dien
-ochtend gereden had. François en Antoine waren met haar den kant van
-Ogremont uit geweest, maar het vervelende was, dat zij altijd weer de
-fietsen den heuvel op moesten duwen. Zij lachte erom en zeide, dat zij
-daardoor lekker en zonder booze droomen sliep. De fiets bezat in haar
-oogen alle mogelijke deugden; en toen Pierre haar verbaasd aankeek,
-beloofde zij, dat zij hem haar denkbeelden daaromtrent wel eens zou
-uiteenzetten. Van nu af bleef de fiets het onderwerp van het gesprek
-uitmaken. Thomas verklaarde de laatste verbeteringen, die aan de
-machines van de fabriek Grandidier aangebracht waren. Hij zelf zocht
-naar een mechanisme, waarmede men onder het rijden op eenvoudige en
-praktische wijze de versnelling zou kunnen veranderen.
-
-Grootmoeder, die steeds met de kalmte van een koningin-moeder aan de
-tafel zat, boog zich naar Guillaume toe en fluisterde hem iets in.
-Pierre begreep, dat zij over zijn huwelijk sprak, waarvan de op einde
-April vastgestelde datum natuurlijk verzet moest worden. Dit zoo
-verstandige huwelijk, dat het geluk van het geheele huis scheen te
-moeten verklaren, was een beetje het werk van haar en van haar drie
-zoons, want de vader zou nooit naar de stem van zijn hart geluisterd
-hebben, wanneer de vrouw, die hij in de familie bracht, zich niet reeds
-daarin bevonden had, niet reeds als zoodanig erkend en geliefd was. Nu
-scheen om alle mogelijke redenen de laatste week van Juni een goede
-datum.
-
-Marie hoorde het en keerde zich vroolijk om.
-
-“Jij vindt het eind van Juni ook toch goed, lieve kind?” vroeg
-Grootmoeder.
-
-Pierre verwachtte een diepen blos op de wangen van het jonge meisje te
-zullen zien komen. Maar zij bleef heel kalm, zij voelde voor Guillaume
-een groote toegenegenheid, een onbegrensde dankbaarheid en was er zeker
-van, dat zij door dit huwelijk iets verstandigs en goeds deed voor
-zichzelf en voor de anderen.
-
-“Prachtig, einde Juni,” herhaalde zij. “Ik vind het uitstekend.”
-
-De zoons hadden het ook begrepen en vergenoegden er zich mede te
-knikken, om hun instemming te kennen te geven.
-
-Toen ze van tafel opgestaan waren, wilde Pierre beslist weggaan. Waarom
-deed dit in zijn eenvoud zoo hartelijk dejeuner, deze familie, die zoo
-gelukkig was den vader weer in haar midden te hebben, en voor alles dit
-vreedzame, het leven zoo toelachende jonge meisje hem zoo’n pijn? Hij
-gaf weer als voorwendsel, dat hij boodschappen in Parijs had. Dan
-drukte hij de handen, die de drie jongens hem toestaken, ja zelfs die
-van Grootmoeder en Marie, die beiden even hartelijk, maar over zijn
-haastig vertrek eenigszins verbaasd waren. Nadat Guillaume nog vergeefs
-getracht had hem te doen blijven, ging hij met hem mede. In den tuin
-bleef hij echter staan, om Pierre tot een verklaring te dwingen.
-
-“Wat heb je? Waarom loop je weg?”
-
-“Ik heb niets, heusch niet. Ik heb een paar dringende boodschappen, dat
-is alles!”
-
-“Neen, laat dat voorwendsel nu maar achterwege... Niemand heeft je toch
-iets onaangenaams gezegd of je gekwetst. Zij zullen heel gauw even veel
-van je houden als ik van je houd.”
-
-“Daaraan twijfel ik geen oogenblik, ik beklaag me over niemand... De
-eenige, over wien ik zou kunnen klagen, ben ik zelf.”
-
-“Jongen, wat doe je me een verdriet!” zeide Guillaume ontroerd en met
-een wanhopig gebaar. “Ik zie heel goed in, dat je wat voor mij
-verborgen houdt. Bedenk toch, dat we nu weer broers zijn, dat we weer
-even veel van elkaar houden als vroeger, toen ik in je wieg met je
-speelde. Ik ken je, ik ken je ongeluk en je marteling, want je hebt
-alles voor mij opgebiecht. En ik wil niet, dat je lijdt, ik wil je
-genezen.”
-
-Toen Pierre hem zoo hoorde spreken, voelde hij zijn hart opzwellen en
-kon hij zijn tranen niet inhouden.
-
-“Neen, neen, je moet mij aan mijn lijden overlaten. Daarvoor is geen
-genezing. Je kan niets voor mij doen; ik sta buiten de natuur, ik ben
-een monster.”
-
-“Wat zeg je daar? Kan je dan niet in de natuur terugkeeren, zelfs als
-het waar is, dat je daar uitgetreden bent... Ik wil niet, dat je je
-weer gaat opsluiten in dat eenzame kleine huisje, waar je je door het
-herkauwen van je Niets krankzinnig maakt. Kom je dagen bij ons
-doorbrengen, dan kunnen wij je weer den levenslust teruggeven.”
-
-O, welk een ijskoude rilling doorhuiverde hem bij de gedachte, dat hij
-weer alleen zou zijn in dat kleine, leege huisje zonder zijn broer, van
-wien hij zooveel was gaan houden en met wien hij zulke prettige dagen
-doorgebracht had! In welk een eenzaamheid, in welk een kwelling zou hij
-er weer terugvallen na die enkele weken van heerlijk samenleven,
-waaraan hij al zoo gewend geraakt was. Maar zijn smart werd er slechts
-te grooter door; een bekentenis viel van zijn lippen.
-
-“Hier leven! Bij jullie leven! Neen, dat is mij niet mogelijk... Waarom
-dwing je me te spreken, je te zeggen waarvoor ik mij zoo schaam en dat
-ik zelf niet begrijp? Sinds vanochtend vroeg heb je wel gezien, dat ik
-hier bij jullie lijd; dat komt ongetwijfeld, omdat jullie werkt en ik
-niets doe, omdat jullie elkaar lief hebt, omdat jullie gelooft in je
-arbeid, terwijl ik niets heb om lief te hebben of in te gelooven... Ik
-voel me niet op mijn gemak bij jullie, zoodat het niet anders kan, of
-ik moet jullie op mijn beurt hinderen. Zelfs prikkelt jullie mij, ik
-zou jullie zelfs ten slotte gaan haten. Je ziet wel, dat er niets goeds
-meer in mij overblijft, dat alles verwoest en vernield is, dat alles
-dood is, dat alleen nijd en haat er weer in zouden kunnen opgroeien.
-Laat mij dus naar mijn vervloekten hoek terugkeeren, waar het Niet zich
-heelemaal van mij meester zal maken. Vaarwel broeder!”
-
-Buiten zichzelf van liefde en medelijden hield Guillaume hem bij zijn
-armen vast.
-
-“Je zult niet weggaan. Ik wil niet, dat je weggaat, zonder mij vast
-beloofd te hebben, dat je terug zult komen. Ik wil je niet voor de
-tweede maal verliezen, nu ik weet, wie je bent en hoe je lijdt. Tegen
-je eigen wil in, als het moet, zal ik je redden, zal ik je van de
-marteling van je twijfel genezen, o, zonder zedepreeken tegen je te
-houden, zonder je eenig geloof op te dringen, maar eenvoudig door het
-leven, dat alleen je gezondheid en hoop terug kan geven, zijn gang te
-laten gaan. Ik smeek je, Pierre, ik smeek het je in den naam van onze
-liefde, kom weer terug, kom dikwijls terug, om hier je dag door te
-brengen. Je zult zien, dat je, wanneer je je een taak gesteld hebt en
-in den familiekring werkt, je je nooit zoo ongelukkig voelt. Een taak
-van welken aard dan ook en de een of andere groote liefde—het leven
-aanvaarden, leven en liefhebben!”
-
-“Waarom?” prevelde Pierre bitter. “Ik heb geen taak meer en kan niet
-meer liefhebben.”
-
-“Nu, dan zal ik je een taak geven, en zoodra de liefde terugkomt, zal
-je weer liefhebben. Zeg ja, Pierre, zeg ja!”
-
-En toen hij zag, dat zijn smart nog niet week, dat hij er hardnekkig
-bij bleef hem te verlaten en zich te vernietigen, ging hij door.
-
-“O, ik beweer volstrekt niet, dat alles in de wereld naar wensch gaat,
-dat er alleen maar vreugde, waarheid en gerechtigheid is... Je kan je
-niet voorstellen bijvoorbeeld, hoe de geschiedenis van dien
-ongelukkigen Salvat mij met woede en verzet vervult. Hij is strafbaar,
-o zeker, maar hoeveel verontschuldigingen zijn er niet voor zijn daad
-te vinden. Wat zal men hem sympathiek voor mij maken, als men op hem de
-misdaden van allen stapelt, als de politieke benden hem naar elkaar
-toekaatsen, zich van hem bedienen voor de verovering van de macht. Dat
-verbittert mij en ik kan je niet beloven, dat ik verstandiger zijn zal
-dan jij... Maar Pierre, je moet me beloven, dat je, al doe je het
-alleen maar om mij pleizier te doen, overmorgen den heelen dag bij ons
-komt.”
-
-En toen Pierre nog zwijgen bleef:
-
-“Ik wil het; de gedachte, dat jij je in je hol als een gewond dier
-martelt, kan ik niet verdragen... Ik wil je genezen, ik wil je redden.”
-
-Weer waren tranen in de oogen van Pierre gekomen en hij zeide met een
-oneindige troosteloosheid:
-
-“Dwing mij niet om iets te beloven... Ik zal trachten mezelf te
-overwinnen.”
-
-Welk een vreeselijke week had Pierre in het kleine, donkere en ledige
-huisje. Zeven dagen lang begroef hij zich daar en martelde zichzelf in
-wanhoop, dat hij zijn ouderen broer, dien hij weer met zijn geheele
-ziel was gaan lief hebben, niet meer voortdurend bij zich had. Nooit
-nog had hij, sedert de twijfel zijn hart ledig maakte, zijn alleen zijn
-zoo sterk gevoeld. Telkens weer stond hij op het punt naar Montmartre
-te gaan; daar waren, zooals hij onbestemd voelde, liefde, waarheid en
-leven. Maar telkens hield een onbehaaglijk gevoel, datzelfde gevoel,
-dat zich reeds eenmaal van hem meester gemaakt had en uit vrees en
-schaamte bestond, hem tegen. Zou hij, de priester, de ontmande, de uit
-de gemeenschappelijke liefde en arbeid gebannene, zou hij daar onder
-die natuurlijke, vrije en gezonde wezens iets anders kunnen vinden dan
-lijden en pijn? Hij riep de schimmen van zijn vader en zijn moeder, die
-door de verlaten kamers dwaalden, op, deze nog altijd, zelfs na hun
-dood, strijdende schimmen, die hij meende te hooren jammeren, alsof zij
-hem smeekten hen in hem te verzoenen, wanneer hij voor zichzelf vrede
-zou vinden. Wat moest hij doen? Moest hij met hen weenen, met hen zich
-aan wanhoop overgeven? Of moest hij daarginds de genezing zoeken gaan,
-waardoor zij eindelijk de sluimering van het graf zouden vinden,
-gelukkig te kunnen slapen, als hij gelukkig leefde. En op een morgen
-scheen het hem, toen hij wakker werd, alsof zijn vader hem glimlachend
-daarheen zond, terwijl zijn moeder hem met haar groote zachte oogen,
-waarin de smart van hem een slecht priester gemaakt te hebben week voor
-den drang, om hem aan het leven der gemeenschap terug te geven,
-aanmoedigend aankeek.
-
-Dien dag redeneerde Pierre niet verder, maar nam een rijtuig en gaf den
-koetsier het adres, om zeker te zijn niet te weifelen en onderweg weer
-om te keeren. Toen hij dan, als in een droom, weer in het atelier
-stond, waar hij hartelijk ontvangen werd door Guillaume en diens drie
-zoons, was hij getuige van een scène, die hem diep trof en een groote
-verlichting was voor zijn smart.
-
-Bij zijn komst was Marie blijven zitten en had hem nauwelijks gegroet;
-zij zag bleek en een groote rimpel groefde zich over haar voorhoofd.
-Grootmoeder was ook heel ernstig en zeide, terwijl zij haar aankeek:
-
-“Neem haar niet kwalijk, mijnheer de abbé, zij is niet heelemaal
-toerekenbaar... Zij is boos op ons allemaal.”
-
-Guillaume begon te lachen.
-
-“O, het is zoo’n stijfkopje... Je kunt je niet voorstellen, Pierre, wat
-er in dat hoofdje omgaat, wanneer je het niet eens bent met haar
-opvatting van gerechtigheid. Het is een zoo hooge opvatting, dat zij
-geen vergelijk duldt. Wij spraken daarnet over dat proces, waarin de
-vader alleen door de getuigenverklaring van zijn zoon veroordeeld kon
-worden, en zij alleen houdt vol, dat die zoon goed gehandeld heeft, dat
-men altijd en ondanks alles de waarheid zeggen moet... Wat een
-verschrikkelijke officier van justitie zou zij zijn!”
-
-Buiten zichzelf van woede en door het glimlachen van Pierre, die haar
-ongelijk gaf, nog meer geprikkeld, liet Marie zich door haar drift
-medesleepen.
-
-“Guillaume, je bent gemeen... Ik wil niet, dat daarom gelachen wordt.”
-
-“Maar je lijkt wel niet wijs,” riep François uit, terwijl Thomas en
-Antoine eveneens lachten. “Vader en ik verdedigen slechts een stelling
-van menschelijkheid en wij respecteeren en eerbiedigen de gerechtigheid
-even goed als jij.”
-
-“Het gaat hier niet om menschelijkheid, alleen om gerechtigheid. Wat
-recht is, is recht, ondanks alles, zelfs al moest de wereld daardoor
-ten gronde gaan.”
-
-Toen Guillaume nogmaals trachtte haar te overtuigen, sprong zij
-plotseling bevend op en begon in haar woede te stamelen:
-
-“Neen, neen, jullie bent allemaal slecht, jullie wilt me allemaal
-beleedigen... Ik ga liever naar mijn kamer.”
-
-Vergeefs trachtte Grootmoeder haar tegen te houden.
-
-“Kind, kind, denk toch eens na; het is heel leelijk van je. Je zult er
-spijt van hebben.”
-
-“Neen, neen, jullie bent niet rechtvaardig, ik heb te veel verdriet.”
-
-Driftig ging zij naar haar kamer. Het gaf een heele consternatie.
-Dergelijke tooneelen kwamen meer voor, maar zelden zoo heftig.
-Guillaume verweet zich dadelijk, dat hij het spelletje te ver gedreven
-had, vooral door haar te plagen, want ironie kon zij niet verdragen.
-Hij vertelde aan Pierre, dat zij in haar jeugd dikwijls van die
-woede-aanvallen gehad had, wanneer zij iets onrechtvaardigs zag. Zooals
-zij later uitlegde, was het een onweerstaanbare kracht, die haar
-medesleurde en razend maakte. Tegenwoordig nog was zij bij dergelijke
-dingen eigenzinnig en twistziek. Zij schaamde er zich over, want zij
-voelde heel goed, dat zij daardoor dikwijls onverdragelijk en voor
-gezelschap ongeschikt werd.
-
-Inderdaad kwam zij een kwartier later weer uit eigen beweging beneden;
-zij had een hoogroode kleur, maar bekende dapper haar ongelijk.
-
-“Wat ben ik belachelijk, hè, en hoe slecht, terwijl ik de anderen
-verwijt slecht te zijn... Mijnheer de abbé zal een mooi idee van mij
-krijgen.”
-
-“U vergeeft het me, niet Grootmoeder?” vroeg zij en gaf haar een zoen.
-“Ja, nu mag François lachen en Thomas en Antoine ook. Zij hebben
-gelijk, ik verdien niets beters!”
-
-“Arme Marie,” zeide Guillaume liefdevol; “dat komt ervan, als je in het
-absolute leeft... Jij, die in alles zoo evenwichtig, zoo redelijk en
-verstandig bent, omdat je het relatieve der dingen aanvaardt en van het
-leven niets anders vraagt dan wat het geven kan, verliest alle
-redelijkheid en alle evenwicht, zoodra je in die absolute voorstelling
-opgaat, welke jij je van de gerechtigheid maakt... Maar wie van ons
-zondigt niet op die wijze?”
-
-“Dat heeft tenminste het voordeel, dat ik niet volmaakt ben,” schertste
-Marie, nog steeds verlegen.
-
-“Zeker, en daarom houd ik nog meer van je.”
-
-Dat zou Pierre eveneens graag uitgeschreeuwd hebben. Dit tooneel had
-hem diep getroffen, zonder dat hij alles, wat het in hem wakker maakte,
-nog duidelijk begrijpen kon. Kwamen de martelingen, waaronder hij leed,
-ook niet voort uit dat absolute, waarin hij leven wilde, het absolute,
-dat hij tot nog toe van menschen en dieren geëischt had? Hij had het
-volkomen geloof gezocht en hij had zich uit wanhoop in het volkomen
-loochenen geworpen. En was die hautaine houding, welke hij ondanks de
-ineenstorting van alles was blijven aannemen, die roep van een vroom en
-heilig priester, dien hij zich verworven had, terwijl slechts het Niet
-in hem woonde, was dat niet wederom een verkeerd verlangen naar het
-absolute, was dat niet de romantische pose van zijn verblinding en van
-zijn hoogmoed?
-
-Toen zijn broeder zooeven Marie prees, dat zij van het leven niets
-vroeg dan wat het geven kon, was het hem voorgekomen alsof die woorden
-als een raadgeving tot hem gericht werden en als een frissche ademtocht
-der natuur over zijn gelaat streken. Maar dat alles was nog zoo
-verward; het eenige, wat hem werkelijk vreugde bracht, was de toorn,
-waarin hij het jonge meisje gezien had, de dwaling, die haar nader tot
-hem bracht en die haar af deed dalen van het hooge voetstuk van
-volmaaktheid, die hem onbewust lijden deed. Welk gevoel was hier in hem
-werkzaam? Hij gaf er zich geen rekenschap van. Dien dag praatte hij
-enkele oogenblikken met haar en vond haar, toen hij wegging, goed en
-menschelijk.
-
-Twee dagen later reeds was Pierre den geheelen middag in het groote,
-zonnige atelier. Sedert hij zich zijn niets-doen bewust geworden was,
-verveelde hij zich erg en begon slechts daar tusschen die zoo vroolijk
-werkende familie afleiding te vinden. Zijn broeder gaf hem een standje,
-dat hij niet was komen dejeuneeren, en hij moest beloven den volgenden
-dag vroeg genoeg te zullen komen om mede te kunnen eten. Nadat er een
-week verstreken was, bestond er tusschen hem en Marie een goede,
-kameraadschappelijke verhouding, waarin geen spoor meer was te
-ontdekken van de vijandelijkheid, die hen in den beginne tegen elkaar
-had doen botsen. De gedachte aan dien priester in zijn soutane hinderde
-haar in het geheel niet, want in haar rustig atheïsme was zij nooit op
-het denkbeeld gekomen, dat een priester een wezen afzonderlijk zijn
-kon. En juist die zusterlijke ontvangst van haar, alsof hij een gewone
-jas gedragen, hetzelfde leven geleid, dezelfde denkbeelden gehad had
-als zijn groote neven, zonder dat iets hem van andere mannen
-onderscheidde, verwonderde en verrukte hem. Maar wat hem nog meer
-verbaasde was het zwijgen, dat zij over godsdienstige quaesties
-bewaarde—de rustige en gelukkige onbezorgdheid, waarin het goddelijke,
-het hiernamaals, dat angstaanjagende gebied van het mysterie, waardoor
-hij zelf zich in zoo’n smartvollen doodsstrijd voortsleepte, haar
-scheen te laten.
-
-Sedert hij zoo om de twee of drie dagen kwam, merkte zij heel goed, dat
-hij leed. Wat had hij toch? Zij vroeg het hem als een goede vriendin;
-en toen zij slechts ontwijkende antwoorden kreeg, voelde zij, dat hier
-een bloedende, zich over zichzelf schamende smart was, die het geheim,
-waarin zij zich hulde, ongeneeslijk maakte. Haar vrouwlijk medelijden
-ontwaakte en zij vatte een steeds grooter wordende toegenegenheid op
-voor den grooten, bleeken jongeling met zijn koortsachtig brandende
-oogen, die door een innerlijke marteling, waarover hij met niemand
-spreken wilde, verteerd werd. Ongetwijfeld had zij Guillaume gevraagd,
-waarom zijn broer zoo treurig en wanhopig was; en hij had haar een
-gedeelte van het geheim toevertrouwd, opdat zij hem zou kunnen helpen
-Pierre van zijn martelingen te genezen door hem weer levenslust te
-geven. Hij was zoo gelukkig, dat zij met hem als met een vriend en een
-broer omging. Op een avond eindelijk, toen zij vol liefde bij hem
-aandrong, daar zij zag hoe een somber op Parijs nederdalende schemering
-zijn oogen met tranen vulde, bekende hij haar plotseling zijn
-martelingen, vertelde hij haar welk een doodelijke leegte het verlies
-van zijn geloof voor altijd in hem gegraven had. O, niet meer te
-gelooven, niet meer lief te hebben, niets meer te zijn dan asch, niet
-te weten door welke andere zekerheid den ontbrekenden God te vervangen!
-
-Zij keek hem verbaasd en verbijsterd aan. Maar hij leek wel niet wijs!
-En zij zeide hem dat in de verwondering en in het verzet, waartoe die
-kreet van ellende haar bracht. Wat, wanhopen, niet meer gelooven, niet
-meer liefhebben, omdat de hypothese van het goddelijke ineenstort? En
-dat, waar toch de wijde wereld bestaat, het leven met zijn plicht om
-geleefd te worden, al de wezens en al de dingen, die men liefhebben en
-helpen moet, afgezien nog van den wereldarbeid, de taak, aan welker
-vervulling ieder werken moet! Het was ongetwijfeld waanzin, een sombere
-waanzin, en zij zwoer zichzelf een eed hem daarvan te genezen.
-
-Van af dat oogenblik boezemde deze vreemde jongen, dien zij eerst
-ongezellig en daarna wonderlijk gevonden had, haar een diep, maar
-liefdevol medelijden in. Zij was zeer zacht en vroolijk tegenover hem
-en behandelde hem met al haar teere fijngevoeligheid van geest en hart.
-Beiden hadden een zelfde jeugd gehad, want hun vrome moeders hadden hen
-in een bekrompen godsdienstigheid opgevoed. Maar welk een verschillend
-lot, welk een geheel ander leven daarna! Terwijl hij, gebonden door
-zijn priestereed, tegen zijn twijfel streed, was zij na den dood van
-haar moeder naar het lyceum Fénelon gegaan en daar ver van allen
-godsdienst opgegroeid. Langzamerhand had zij haar eerste religieuze
-indrukken volkomen vergeten. En het was voor hem een steeds
-terugkeerende reden tot verbazing, dat zij op die wijze was ontsnapt
-aan den angst voor het hiernamaals, welke hem juist zoo geheel en al
-ten gronde gericht had. Wanneer hij in hun gesprekken zijn verbazing
-daarover uitsprak, begon zij hartelijk te lachen en zeide, dat de hel
-haar nooit vrees had aangejaagd, omdat zij heel goed wist, dat die niet
-bestaan kon, terwijl zij er nog aan toevoegde, dat zij rustig leefde
-zonder hoop in den hemel te komen en trachtte zich aan te passen aan de
-noodzakelijkheden van deze aarde. Dat was misschien een quaestie van
-temperament, maar ook zeker van opvoeding, want nooit was een volkomen
-ontwikkeling in een krachtigeren geest, in een rechtschapener karakter
-terecht gekomen. En het wonderlijke was, dat zij bij al die opgehoopte
-kennis zoo vrouwlijk, zoo teer bleef zonder iets hards of manlijks. Zij
-was eenvoudig door en door natuurlijk, ongedwongen en bekoorlijk.
-
-“O, lieve vriend,” zeide zij, “als je eens wist hoe makkelijk het mij
-valt gelukkig te zijn, wanneer zij, die ik lief heb, niet al te zeer
-lijden. Ik voor mij persoonlijk kan mij steeds best in het leven
-schikken, ik pas mij eraan aan, werk, ben ondanks alles tevreden door
-mijzelf. Verdriet heb ik feitelijk alleen om anderen gehad, want ik kan
-het nu eenmaal niet helpen, maar ik wil, dat iedereen bijna even
-gelukkig is... en er zijn menschen, die zich daartegen verzetten. Zoo
-ben ik langen tijd arm geweest, zonder dat ik daarom ophield vroolijk
-te zijn. Ik verlang niets dan de dingen, die niet te koop zijn.
-Desniettemin is de ellende de grootste gruwel, een schreeuwende
-onrechtvaardigheid, die mij woedend maakt. Ik kan mij begrijpen, dat
-alles voor je ineenstortte, toen je de naastenliefde nutteloos en
-bespottelijk ging vinden. En toch geeft zij verlichting, geven is zoo
-zoet. En dan, eenmaal zal door de rede, door den arbeid, door de goede
-functionneering van het leven zelf de gerechtigheid heerschen... Wat,
-ben ik nu aan het preeken? En ik voel er zoo weinig voor! Het zou te
-belachelijk zijn, wanneer ik jou met mijn geleerde phrases genezen
-wilde. Maar toch is het waar, dat ik je van je sombere ziekte bevrijden
-wil en daarom vraag ik je zoo dikwijls mogelijk bij ons te komen. Je
-weet, dat het Guillaume’s lievelingswensch is. Wij zullen allemaal
-zooveel van je houden, je zult zien hoe vroolijk en eensgezind wij aan
-het gemeenschappelijke werk gaan, zoodat je terugkeeren zult tot de
-waarheid, door met ons bij de goede natuur in de leer te gaan... Leef,
-werk, heb lief, hoop!”
-
-Pierre glimlachte en kwam nu bijna iederen dag terug. Zij was zoo
-liefdevol, wanneer zij hem zoo verstandig de les las! En zij had
-gelijk: in het atelier heerschte zoo’n liefde, de vreugde om samen te
-zijn, samen zich te geven aan den gezonden en waarachtigen arbeid! En
-zich schamend over zijn niets doen en behoefte voelend om zijn vingers
-en zijn gedachten bezig te houden, hielp hij de anderen bij hun werk,
-vooral Thomas, wiens onderzoekingen op het gebied der exacte
-wetenschappen hem het meest interesseerden. Hij deed over zijn soutane
-een blauwe schort en maakte van af dat oogenblik deel uit van het
-atelier.
-
-In de eerste dagen van April, op een middag, dat allen aan het werk
-waren, keek Marie, die naast het werktafeltje tegenover Grootmoeder zat
-te borduren, naar Parijs en uitte een kreet van bewondering.
-
-“O kijk eens, Parijs in dien zonneregen!”
-
-Pierre kwam naar het groote raam. Het was hetzelfde lichteffect, dat
-hij ook bij zijn eerste bezoek gezien had. De zon, die achter dunne,
-purperen wolkjes onder ging, overgoot de stad met een regen van
-stralen, die aan alle kanten op de eindelooze onmetelijkheid der daken
-terugkaatsten. Men had kunnen denken, dat de een of andere reusachtige,
-in den gloed der zon verborgen zaaier zijn gouden zaadkorrels met
-handenvol van het eene eind van den horizont naar het andere strooide.
-
-Hardop zeide Pierre zijn droom.
-
-“Parijs wordt door de zon bevrucht. Zie eens welk een akker, dien de
-ploeg in alle richting omgewoeld heeft! Zie eens naar die bruine
-huizen, die op aardkluiten gelijken, naar die als vorens zoo diepe en
-rechte straten!”
-
-Marie lachte en geraakte ook in geestdrift.
-
-“Ja, ja, zoo is het... De zon bevrucht Parijs. Kijk eens met welk een
-majestueus gebaar zij het zaad van gezondheid en licht daar in de verre
-voorsteden werpt. En hoe vreemd, het is of de wijken der rijken in het
-Westen als het ware in een rossigen nevel gehuld zijn, terwijl het
-goede zaad als geel stof op den linkeroever in de volkrijke wijken van
-het Oosten valt... En daar moet immers de oogst opkomen?”
-
-Allen waren dichterbij gekomen en glimlachten ingenomen om het symbool.
-En inderdaad hoe meer de zon achter het net der wolken daalde, des te
-meer scheen de zaaister van het eeuwige leven haar vlammen uit eigen
-beweging in een rhytmische slingering, die juist de wijken van den
-arbeid koos, nu hier- dan daarheen te werpen. Een handvol vuurzaad viel
-op de wijk der scholen neer, en dan ging een andere handvol de wijk der
-werkplaatsen en fabrieken bevruchten.
-
-“O,” riep Guillaume vroolijk uit; “moge de oogst snel opschieten in
-deze door zoovele revoluties omgeploegde, door het bloed van zoovele
-arbeiders bemeste aarde van ons groot Parijs! Alleen in dezen grond kan
-de idee ontkiemen en bloeien... Ja, ja, Pierre heeft gelijk, de zon
-bevrucht Parijs met de toekomstige wereld, die slechts hier ontstaan
-kan.”
-
-Thomas, François en Antoine, die achter hun vader waren komen staan,
-gaven door een hoofdknikje dezelfde overtuiging te kennen, terwijl
-Grootmoeder, die ernstig in de verte staarde, de stralende toekomst
-scheen te zien.
-
-“Een droom—en na hoeveel eeuwen werkelijkheid?” prevelde Pierre
-rillend. “Wij zullen die niet meer beleven!”
-
-“Nu, dan de anderen!” riep Marie uit. “Is dat niet voldoende?”
-
-Die prachtige kreet trof Pierre diep. En plotseling herinnerde hij zich
-een andere Marie, de aanbiddelijke Marie van zijn jeugd, Marie de
-Guersaint, die te Lourdes genezen was en wier verlies zijn hart voor
-eeuwig leeg gemaakt had. Zou de nieuwe Marie, die hem hier met een zoo
-rustigen en sterken charme toelachte, de oude wond heelen? Sedert zij
-zijn vriendin was, herleefde hij.
-
-En daar voor hen bevruchtte de zon Parijs met het levende, gouden stof
-van haar stralen voor den grooten toekomstigen oogst van gerechtigheid
-en waarheid.
-
-
-
-
-II.
-
-Op een avond na een flinken werkdag raakte Pierre, die Thomas hielp,
-verward in zijn soutane en viel bijna.
-
-“Waarom doe je die toch niet uit?” riep Marie met een klein gilletje
-van schrik.
-
-Zij zeide het zonder eenige bedoeling, eenvoudig omdat zij die soutane
-voor sommige werken wat zwaar en lastig vond.
-
-Maar dit zoo openhartige, zoo besliste woord drong diep in Pierre’s
-geest door en verliet dien niet meer. In den beginne werd hij er
-slechts door getroffen, maar toen de nacht gekomen en hij alleen in
-zijn klein huisje te Neuilly was, voelde hij hoe dat woord hem
-langzamerhand benauwde, hem een pijn, een ondragelijke koorts
-veroorzaakte. “Waarom doe je die niet uit?” Inderdaad, hij had haar
-moeten uittrekken; wat had hem tot dusverre verhinderd dat kleed af te
-leggen, dat zoo zwaar, zoo pijnlijk over zijn schouders hing? De
-vreeselijke strijd begon: hij bracht een afschuwelijken, slapeloozen
-nacht door, waarin hij al zijn vroegere martelingen herleefde.
-
-En toch leek het zoo makkelijk de soutane uit te trekken, nu hij zijn
-ambt niet meer uitoefende. Sedert eenigen tijd las hij zijn mis niet
-meer; dat was de ware breuk, het definitieve opgeven van zijn
-priesterschap. Maar hij kon weer beginnen de mis te lezen, terwijl hij
-voelde, dat hij den dag, waarop hij zijn soutane zou afleggen, het
-priesterschap voor goed opgaf, het verliet, om er nooit meer toe terug
-te keeren. Een onherroepelijk besluit diende genomen te worden. Uren
-lang liep hij in angstvollen strijd door zijn kamer.
-
-O, welk een mooie droom was het geweest, menschenschuw en eenzaam,
-steeds hooger te stijgen, niet meer te gelooven, maar toch als kuisch
-en eerlijk priester over het geloof van anderen te waken! Niet tot
-meineed en tot de vernederende laagheid van den renegaat af te dalen,
-maar zelfs in de troosteloosheid van zijn Niets de dienaar der
-goddelijke illusie te blijven! Op die wijze was men hem, die alles
-loochende, die ledig was als een graf, waaruit de wind zelfs de asch
-weggeblazen heeft, ten slotte als een heilige gaan aanbidden. Nu echter
-begon zijn geweten hem dien leugen te verwijten—een onbehaaglijk
-gevoel, dat hij tot nog toe niet gekend had; de gedachte kwam in hem
-op, dat hij slecht zou handelen, indien hij door bleef gaan zijn ideeën
-en zijn leven niet met elkaar in overeenstemming te brengen.
-
-Het conflict was duidelijk. Met welk recht bleef hij de priester van
-een godsdienst, waaraan hij niet meer geloofde? Gebood de eerlijkheid
-alleen hem niet uit een Kerk te treden, waarin hij ontkende, dat God
-zijn kon? De dogma’s waren voor hem slechts hinderlijke dwalingen en
-toch bleef hij er hardnekkig bij om ze te leeren als eeuwige waarheden.
-Het was een afschuwelijk werk, waartegen zijn geweten nu met schrik in
-opstand kwam. Vergeefs trachtte hij den vurigen gemoedstoestand, den
-drang naar barmhartigheid en martelaarschap, die hem er toe gebracht
-hadden zichzelf op te offeren, die hem hadden doen denken, dat hij
-gaarne wilde lijden onder zijn twijfel en onder zijn verwoest en
-verloren leven, mits hij den armen nog den troost van de hoop brengen
-kon, terug te vinden. Ongetwijfeld hadden de waarheid en de natuur zich
-reeds te veel weer van hem meester gemaakt: deze valsche apostelrol
-stuitte hem thans tegen de borst, hij voelde niet meer den
-afschuwelijken moed in zich Jezus met een gebaar tot de knielende
-geloovigen te roepen, waar hij heel goed wist, dat Jezus niet tot hen
-afdalen zou. Alles stortte in: zijn pose van verheven herder, het
-offer, dat hij bracht in zijn eigen persoon doordat hij alles voor het
-geloof gaf, zelfs de marteling het verloren te hebben.
-
-Wat dacht Marie van zijn leugen? “Waarom doe je die niet uit?” klonk
-het opnieuw in zijn ooren. Zijn geweten werd als in stukken gereten.
-Zij, die zoo oprecht, zoo eerlijk was, moest hem daarom wel verachten.
-In haar vatte hij al de afzonderlijke verwijten, al de heimelijke
-kritiek, die zijn handelwijze uitlokte, samen. Het was thans voor hem
-voldoende, dat zij hem ongelijk gaf, om zich schuldig te gevoelen. Toch
-had zij hem nooit door één woord haar afkeuring te kennen gegeven. En
-mocht zij zijn gedrag niet goedkeuren, dan voelde zij zich blijkbaar
-niet gerechtigd zich in zijn tweestrijd te mengen. De mooie,
-vrijmoedige en gezonde kalmte, waarvan zij steeds blijk gaf, verbaasde
-steeds hem, dien het spook van het ontbrekende, de obsessie van het
-hiernamaals altijd in een vreeselijken doodsstrijd verkeeren deden.
-Dagen lang had hij haar bestudeerd, haar met zijn blikken gevolgd,
-zonder haar ooit op een toestand van twijfel of wanhoop te kunnen
-betrappen. Dat kwam, zeide zij, omdat zij al haar vreugde, al haar
-kracht, al haar plichtsgevoel gebruikte om zóó te leven, dat het leven
-voor haar voldoende was, zonder ooit tijd te vinden zich door
-hersenschimmen te laten bang maken en verlammen. Hij zou dus die
-soutane uittrekken, welke hem benauwde en brandde, omdat zij hem op
-haar zoo kalme manier gevraagd had, waarom hij die niet uittrok.
-
-Maar toen hij zich tegen den ochtend op zijn bed geworpen had en
-meende, nu hij een besluit genomen had, kalmer geworden te zijn, moest
-hij door een plotselinge benauwdheid weer opstaan. De afschuwelijke
-angst begon opnieuw. Neen, neen, hij kon die soutane, welke als het
-ware aan zijn lichaam vastkleefde, niet uittrekken. Zijn huid zou aan
-het laken blijven hangen, zijn geheele innerlijk wezen zou erdoor
-worden uitgerukt. Was het priesterschap niet onuitwischbaar, teekende
-het niet den priester voor eeuwig, plaatste het hem niet altijd buiten
-de kudde? Zelfs wanneer hij het kleed met de huid van zich afrukte, zou
-hij de priester blijven, een voorwerp van ergernis en schande,
-uitgestooten uit het gemeenschappelijke leven, onmachtig en machteloos.
-Waarom dan zou hij het doen, nu de kerker toch gesloten bleef, nu het
-arbeidzame en vruchtbare leven buiten in de volle zon niet meer voor
-hem geschapen was? O, deze machteloosheid, deze machteloosheid! Hij
-meende die tot in zijn beenderen, tot in zijn merg te voelen. Hij kon
-geen besluit nemen en eerst twee dagen later ging hij weer, zonder een
-besluit genomen te hebben, naar Montmartre terug. Zijn martelingen
-waren weer teruggekeerd.
-
-Trouwens ook het gelukkige huis daar was in een koortsachtig opgewonden
-stemming, waardoor zelfs Guillaume aangetast was, die geheel in beslag
-genomen werd door de zaak-Salvat. De zwijgende en waardige houding van
-Salvat, die verklaarde geen medeplichtige te hebben, die alles bekende,
-maar een schuw stilzwijgen bewaarde, zoodra hij bang was iemand te
-zullen compromitteeren, had hem zeer getroffen. De instructie was wel
-geheim, maar de rechter Amadieu, die ermede belast was, leidde haar met
-een buitengewoon lawaai; de geheele pers stond vol van zijn persoon,
-van zijn verhouding tot den beschuldigde, van berichten, interviews en
-indiscreties. Dank zij Salvat’s kalme bekentenis had hij de
-geschiedenis van den aanslag uur voor uur kunnen volgen; alleen bestond
-nog twijfel omtrent de samenstelling van de gebruikte springstof en de
-vervaardiging van de bom zelf. Als Salvat, zooals hij beweerde, de bom
-werkelijk bij een vriend had kunnen laden, moest hij liegen, wanneer
-hij vertelde, dat het kruit eenvoudig dynamiet was en afkomstig uit
-andere bommen, die zijn kameraden gestolen hadden, want de deskundigen
-beweerden, dat dynamiet nooit zoo’n verschrikkelijke uitwerking had
-kunnen hebben. Hier bleef iets geheimzinnigs hangen, dat de instructie
-vertraagde, en de couranten maakten daar misbruik van om dagelijks de
-dolzinnigste verhalen, de meest ongerijmde berichten te publiceeren,
-welker opzienbarende opschriften de oplaag deden stijgen.
-
-Zoo werd Guillaume iederen ochtend steeds meer geprikkeld. Ondanks zijn
-minachting voor Sanier en hoewel hij trilde van verontwaardiging, moest
-hij, of hij wilde of niet, de Voix du Peuple koopen, als werd hij
-aangetrokken door de modder, die eruit stroomde. Trouwens ook de andere
-couranten, zelfs de zoo correcte Globe, publiceerden onbewezen
-berichten en trokken daaruit de meest onrechtvaardige conclusies. De
-taak van de pers scheen hierin te bestaan, dat Salvat bezoedeld en
-bevuild moest worden, om in zijn persoon het anarchisme naar beneden te
-halen. Zijn geheele leven was op die wijze een aaneenschakeling van
-schanddaden geworden: op zijn tiende jaar, toen hij als een arm,
-verlaten kind op straat rondzwierf, was hij een dief, later een slecht
-soldaat, een slecht werkman, die in dienst voor insubordinatie
-gestraft, uit de werkplaatsen, waarin hij door zijn propaganda een
-slechten geest bracht, weggejaagd was; nog later was hij als een
-verdacht avonturier naar Amerika gegaan, waar hij allerlei onbekend
-gebleven misdaden gepleegd moest hebben—afgezien nog van zijn groote
-immoraliteit, zijn samenleven na zijn terugkeer in Frankrijk met zijn
-schoonzuster, die zijn dochtertje opgevoed had en die hij onder de
-oogen van het kind tot zijn vrouw gemaakt had. Zoo werden zijn gebreken
-ten toon gespreid en vergroot, zonder dat men de oorzaken, welke deze
-veroorzaakt hadden, in aanmerking nam, het milieu, waar zij erger
-geworden waren, als verontschuldiging gelden liet. Hoe moesten het
-menschelijkheids- en rechtvaardigheidsgevoel van Guillaume in opstand
-komen in hem, die den waren Salvat kende—dezen teerhartigen mysticus,
-dezen hersenschimmigen, hartstochtelijken geest, die weerloos in het
-leven geslingerd, door de verbitterde ellende steeds verpletterd en
-eindelijk tot den droom gebracht was door de verwoesting van de geheele
-wereld de gouden eeuw weer terug te doen keeren, treffen.
-
-Het ergste was, dat Salvat door alles verpletterd werd, sedert hij in
-strenge afzondering gehouden werd en in de onbeperkte macht van den
-eerzuchtigen en mondainen Amadieu was. Guillaume wist door zijn zoon
-Thomas, dat de beschuldigde op geen steun van zijne vroegere kameraden
-in de fabriek Grandidier behoefde te rekenen. De fabriek begon weer te
-bloeien, ging, dank zij de fabricatie van rijwielen, met den dag
-vooruit; en men zeide, dat Grandidier nog slechts op den door Thomas
-gezochten, kleinen motor wachtte, om tot de vervaardiging in het groot
-van automobielen over te gaan. Maar juist die eerste successen, welke
-nauwlijks een belooning waren voor de vele jaren van inspanning, hadden
-hem voorzichtig en streng gemaakt; hij ontsloeg enkele werklieden, die
-in den reuk stonden anarchist te zijn, daar hij niet wilde, dat die
-pijnlijke geschiedenis van Salvat, die vroeger bij hem gewerkt had,
-zijn firma in discrediet brengen zou. Dat hij Toussaint en diens zoon
-Charles niet ontsloeg, hoewel de eerste een zwager van den beklaagde
-was en de tweede van sympathie voor het anarchisme verdacht werd, vond
-alleen zijn reden hierin, dat beiden daar reeds twintig jaar werkten.
-Toussaint, die na de attaque van een beroerte slechts met moeite weer
-aan het werk gegaan was, had zich voorgenomen, om, wanneer hij als
-getuige à décharge gedagvaard werd, alleen maar te vertellen wat hij
-wist van Salvat’s huwelijk met zijn zuster.
-
-Op een avond, dat Thomas thuiskwam uit de fabriek, waar hij nu en dan
-proeven met zijn motor ging nemen, vertelde hij, dat hij madame
-Grandidier gezien had, de arme jonge vrouw, die tengevolge van een door
-het verlies van een kind veroorzaakte kraamvrouwenkoorts krankzinnig
-geworden was en die haar man, ondanks de dikwijls hevige aanvallen,
-ondanks het droevig dagelijksch leven dat hij met dit zoo
-beklagenswaardige groote kind leidde, nooit in een
-krankzinnigengesticht had willen doen en steeds bij zich gehouden had
-in het groote paviljoen, dat hij naast de fabriek bewoonde. De blinden
-bleven steeds gesloten, en het was dan ook een groote verrassing, toen
-een der ramen geopend werd en de zieke in den heerlijken zonneschijn
-van den vroegtijdigen lentedag daarvoor kwam staan. Haar blond, mooi,
-glimlachend kopje was echter slechts even als een wit en vluchtig
-visioen zichtbaar geweest, want al heel gauw had een dienstbode het
-raam weer gesloten en was het paviljoen in zijn doodsche stilte
-teruggezonken. In de fabriek werd verteld, dat zij sedert een maand
-geen aanval gehad had en dat het krachtige en tevreden uitzien van den
-patroon, de sterke, maar eenigszins ruwe hand, waarmede hij den
-toenemenden bloei van zijn firma verzekerde, daarin hun oorsprong
-hadden.
-
-“Hij is niet kwaad,” zeide Thomas, “maar hij wil in den vreeselijken
-concurrentiestrijd, dien hij doormaakt, ontzag inboezemen. Hij zegt,
-dat in onzen tijd, nu het kapitaal en de loonarbeid elkander dreigen te
-vernietigen, de arbeiders, als zij willen blijven eten, zich gelukkig
-mogen achten, dat het kapitaal in krachtige en verstandige handen valt.
-Hij veroordeelt Salvat alleen daarom zoo meedoogenloos, omdat hij
-meent, dat er een voorbeeld gesteld moet worden.”
-
-Toen de jonge man dien dag uit de fabriek ging, had hij in de wijk van
-de rue Marcadet, die als een van werken zoemende bijenkorf is, een
-hartverscheurende ontmoeting gehad. Madame Thérèse en de kleine Céline
-kwamen er juist uit, nadat zij een weigerend antwoord gekregen had van
-Toussaint, die haar zelfs geen tien sous had kunnen geven. Sedert de
-arrestatie van Salvat hadden de arme vrouw en het kind niets meer te
-eten; verlaten, met schele oogen aangezien, uit haar ellendig krot
-verjaagd, zwierven zij rond op goed geluk af, in de hoop hier en daar
-een aalmoes te krijgen.
-
-“Ik heb gezegd, dat ze maar eens hier moesten komen, vader. Ik had zoo
-gedacht, dat we den huiseigenaar een maand vooruit moesten betalen, dan
-hebben ze tenminste een dak boven haar hoofd... Daar zijn ze zeker!”
-
-Guillaume had rillend geluisterd en verweet zichzelf, dat hij niet
-eerder aan die twee arme schepsels gedacht had. Het was de vreeselijke,
-eeuwige, oude geschiedenis: de man verdwijnt, vrouw en kind worden dak-
-en broodloos. De gerechtigheid, die den man treft, slaat achteruit en
-doodt de onschuldigen.
-
-Schuchter en angstig kwam madame Théodore binnen. Zij was bijna blind
-en de kleine Céline moest haar leiden. Deze had ondanks haar in flarden
-hangend jurkje nog steeds haar smal, intelligent, fijn gezichtje, dat
-niettegenstaande alles nu en dan nog door een jeugdig lachje
-opgevroolijkt werd.
-
-Pierre en Marie waren beiden diep geroerd. In de kamer zat ook Madame
-Mathis, de moeder van den kleinen Victor, die Grootmoeder met het
-verstelwerk hielp. Zij ging dikwijls zoo uit werken, om daardoor haar
-zoon nu en dan een twintigfrancsstuk toe te kunnen stoppen. Maar
-Guillaume alleen richtte het woord tot madame Théodore.
-
-“Och, mijnheer,” stamelde zij; “wie had nu ooit kunnen gelooven, dat
-Salvat tot zoo iets in staat zou zijn. Hij is altijd zoo goed en
-vriendelijk! En toch is het waar, want hij heeft alles aan den rechter
-bekend... Ik zeide tegen iedereen, dat hij in België was. Ik was er
-niet heelemaal zeker van, en ik vind het maar prettiger, dat hij niet
-bij ons teruggekomen is, want ik zou het vreeselijk gevonden hebben,
-als hij bij ons gearresteerd was... En nu zij hem hebben, zullen zij
-hem natuurlijk ter dood veroordeelen.”
-
-Céline, die nieuwsgierig rondgekeken had, begon plotseling met dikke
-tranen in haar oogen te jammeren:
-
-“O neen, mama, zij zullen hem geen kwaad doen.”
-
-Guillaume gaf haar een zoen en bleef verder vragen.
-
-“Wat zal ik u zeggen, mijnheer? De kleine is nog niet in staat om te
-werken en ik kan zoo goed als niets meer zien. Men wil mij zelfs niet
-meer als huishoudster nemen, zoodat je wel van honger crepeeren moet...
-O, ik heb familie genoeg—een zuster van mij is heel goed getrouwd met
-een ambtenaar, mijnheer Chrétiennot, die u misschien wel kent. Maar hij
-is een beetje hoog in zijn wapens, en om mijn zuster scènes te
-besparen, kom ik er niet meer, ook al, omdat zij tegenwoordig wanhopig
-is, daar zij weer in positie verkeert, wat in een huishouden een ware
-ramp is, als je al twee dochtertjes hebt... Daarom heb ik bijna niemand
-anders dan Toussaint, mijn broer. Zijn vrouw is zoo kwaad niet, maar
-zij is toch niet meer dezelfde, sedert zij steeds door in angst leeft,
-dat haar man een tweede attaque zal krijgen. Met de eerste zijn al haar
-spaarduitjes weggegaan; en wat moet er van haar worden, als hij later
-nog eens lam wordt? En dan is er nog meer, dat haar hindert; want u
-moet weten, dat haar zoon Charles zoo dom geweest is het dienstmeisje
-van een wijnhandelaar met jong te schoppen; maar die is er natuurlijk
-vandoor gegaan en heeft hem met het kind laten zitten... Het is dus
-heel goed te begrijpen, dat zij het zelf krap hebben. Ik neem het hun
-niet kwalijk; zij hebben mij al dikwijls genoeg tien sous geleend, zij
-kunnen het niet blijven doen.”
-
-Zoo bleef zij maar doorpraten, zij beklaagde zich echter alleen om
-Céline. Was het niet om te huilen—een zoo flink, handig meisje, dat op
-school zulke goede vorderingen maakte en nu als een bedelares op straat
-moest zwerven? En verder merkte zij heel goed, dat men om Salvat niets
-met haar te doen wilde hebben. De Toussaints wilden zich in zoo’n
-geschiedenis niet compromitteeren, Charles alleen had gezegd, dat hij
-begrijpen kon, dat men op een goeden dag zoo zeer het hoofd verloor,
-dat men de bourgeois in de lucht wilde laten vliegen—gemeen en
-walgelijk was hun manier van doen.
-
-“Ik zeg niets, mijnheer, want ik ben maar een arme vrouw. Maar wanneer
-u weten wilt, wat ik denk—ik denk, dat Salvat beter gedaan had, als hij
-wat hij deed niet gedaan had, omdat wij tweeën, de kleine en ik,
-eigenlijk degenen zijn, die gestraft worden... Ziet u, het wil er niet
-bij mij in: het kind van een ter dood veroordeelde...”
-
-Maar weer viel Céline haar in de rede en viel haar om den hals.
-
-“O, mama zeg dat toch niet. Het kan niet waar zijn!”
-
-Pierre en Marie hadden een blik vol eindeloos medelijden gewisseld,
-terwijl Grootmoeder boven in de kast was gaan kijken, of zij niet wat
-linnengoed en kleeren voor die twee ongelukkige stakkerds had.
-Guillaume, die tot tranen toe bewogen was en vol woede tegen een
-wereld, waarin dergelijke dingen gebeuren konden, liet zijn aalmoes in
-de hand der kleine glijden en beloofde aan madame Théodore, dat hij met
-den huiseigenaar zou gaan spreken.
-
-“O mijnheer Froment,” begon de ongelukkige weer, “Salvat had wel
-gelijk, toen hij zeide, dat u een brave man bent... U weet ook wel, dat
-hij niet slecht is, want hij heeft een paar dagen bij u gewerkt. Nu hij
-in de gevangenis zit, spreekt iedereen over hem alsof hij een bandiet
-is, en dat verscheurt mijn hart”
-
-En zich dan tot madame Mathis wendend, die stil en bescheiden was
-blijven werken:
-
-“Ik ken u ook, madame, en vooral uw zoon Victor, die dikwijls bij ons
-is komen praten... Wees maar niet bang, ik zal niets zeggen, want ik
-wil niemand in gevaar brengen. Maar wanneer Victor praten kon, dan zou
-hij alleen in staat zijn de denkbeelden van Salvat te verklaren.”
-
-Verbijsterd keek madame Mathis haar aan. Daar zij van het ware leven en
-de ware gedachten van haar zoon niets wist, schrok zij bij het
-denkbeeld, dat er een band kon bestaan tusschen hem en dergelijke
-menschen. Maar bovendien geloofde zij er niets van.
-
-“U vergist u blijkbaar... Victor heeft mij verteld, dat hij bijna nooit
-meer in Montmartre komt, dat hij altijd op zoek is naar werk.”
-
-Uit den ongerusten, bevenden toon van haar stem begreep madame
-Théodore, dat zij die vrouw niet in haar treurige zaken had moeten
-mengen, en dadelijk maakt zij nederig haar excuses.
-
-“Neem me niet kwalijk, madame, ik wilde u niet beleedigen. En misschien
-vergis ik mij wel.”
-
-Madame Mathis was weer kalm aan het naaien gegaan, als wilde zij zoo
-gauw mogelijk in haar eenzaamheid terugkeeren, waarin zij nauwlijks
-genoeg te eten had. Het hinderde haar niet, dat haar aangebeden zoon
-haar veronachtzaamde, zij hoopte toch op hem, hij bleef haar laatste
-droom... Eens zou hij haar met alle mogelijke geluk overstelpen!
-
-Grootmoeder kwam met een pak kleeren en linnengoed weer naar beneden en
-met eindelooze dankbetuigingen gingen madame Théodore en Céline weg.
-Nog lang na haar vertrek bleef Pierre zwijgend en met diepe rimpels in
-zijn voorhoofd, op en neer loopen, zonder dat het hem mogelijk was weer
-aan het werk te gaan.
-
-
-
-Toen Pierre den volgenden dag terugkwam, was hij tot zijn verbazing
-getuige van een heel ander bezoek. Een windvlaag kwam naar
-binnen—fladderende rokken, lachgilletjes, en daar was de kleine prinses
-Rosemonde, die den jongen Hyacinthe Duvillard correct en stijf op den
-voet volgde.
-
-“Ik ben het, waarde meester, ik had u als door uw genie in geestdrift
-gebracht leerling een bezoek beloofd... En hier is onze jonge vriend,
-die zoo goed is mij dadelijk na mijn terugkeer uit Noorwegen bij u te
-brengen, want mijn eerste bezoek is voor u.”
-
-Zij draaide zich om en begroette heel gratieus Pierre, Marie, François
-en Antoine, die ook in het atelier waren.
-
-“O, dat Noorwegen, waarde meester, u kunt u niets maagdelijkers
-voorstellen. Wij moesten allen uit die nieuwe, ideale bron gaan
-drinken, wij zouden er gelouterd, verjongd en tot groote opofferingen
-in staat van terugkeeren.”
-
-In werkelijkheid had zij zich er doodelijk verveeld, daar zij zich niet
-had kunnen wennen aan het “melkdieet”, dat haar jonge minnaar haar
-oplegde. Deze huwelijksreis, niet in het warme Italië, maar in het land
-van ijs en sneeuw, was wel buitengewoon elegant geweest en had wel
-getuigenis afgelegd van de voornaamheid van hun liefde, die vrij was
-van alle materialistische grofheid. Slechts hun zielen waren op reis en
-zij wisselden niets dan zielskussen. Maar helaas werd zij op een nacht,
-dat hij er beslist bij bleef haar als een symbolische, reine lelie te
-behandelen, zoo verbitterd, dat zij een rijzweep nam en hem daarmede
-een rammeling toediende. Hij zelf was zoo zwak geweest om boos te
-worden en haar een flink pak slaag te geven, waarop zij in elkaars
-armen vielen en elkander als heel gewone menschen toebehoorden. Bij het
-ontwaken vond zij deze sensatie, die zij zoo ver was gaan zoeken, vrij
-middelmatig, terwijl hij haar nooit vergaf, dat zij dit avontuur,
-waarvan hij een intellectueel genot verwachtte, tot een zoo vernederend
-einde gebracht had. Waartoe diende het het maagdelijke, hemelsche
-Noorden te gaan ontwijden, waar een reeds bevlekte Fransche stad even
-goed geweest zou zijn? En daar zij niet rein genoeg meer waren en zich
-niet verwant meer voelden aan de zwanen op de droomzeeën, gingen zij
-den volgenden dag weer aan boord.
-
-Plotseling onderbrak zij haar verrukte schildering van Noorwegen, want
-het diende nergens voor aan allen hun treurig échec te bekennen, en
-riep uit:
-
-“Tusschen twee haakjes, weet u wat mij bij mijn terugkomst wachtte? Ik
-heb mijn hôtel heelemaal geplunderd gevonden... een plundering, waarvan
-u u geen voorstelling maken kunt—en daarbij een vuiligheid, een
-smeerlapperij!... We hebben dadelijk begrepen, dat de vriendjes van
-Bergaz erin betrokken waren.”
-
-Guillaume had den vorigen dag in de courant gelezen, dat een troep
-jonge anarchisten ingebroken had in het hôtel van prinses de Hardt, dat
-deze geheel onbewaakt had achtergelaten. De vriendelijke bandieten
-hadden er zich niet mede tevreden gesteld alles ondersteboven te halen,
-maar zij hadden blijkbaar twee dagen in het huis doorgebracht, den wijn
-uit den kelder opgedronken, met de medegebrachte voorraden
-feestmaaltijden aangericht, de kamer bevuild en overal sporen van hun
-verblijf achtergelaten.
-
-Toen Rosemonde thuis kwam, was zij meer verbaasd dan boos geweest en
-had dadelijk gedacht aan den avond, dien zij met Bergaz en zijn twee
-lievelingen Rossé en Sanfaute in het Cabinet des Horreurs had
-doorgebracht. Van haar zelf hadden zij gehoord, dat zij naar Noorwegen
-zou gaan. Inderdaad waren die beiden dan ook gearresteerd, maar Bergaz
-was gevlucht. Zij verwonderde er zich niet al te zeer over, want zij
-was reeds gewaarschuwd en wist, dat zich onder het zeer gemengde
-gezelschap, dat zij in haar hartstocht voor internationale
-excentriciteiten bij zich ontving, de grootste bandieten bevonden.
-Janzen had haar een paar vuile geschiedenisjes verteld, die men aan
-Bergaz en zijn bende toeschreef. Ditmaal echter stak hij zijn meening
-niet onder stoelen of banken en vertelde aan iedereen, die het weten
-wilde, dat na Raphanel, Bergaz zich aan de politie verkocht had, en dat
-deze geheele geschiedenis een streek van hem was, om door dien
-opzienbarenden diefstal, die te midden van zooveel vuiligheid gepleegd
-was, het anarchisme voor altijd te bezoedelen. Lag het bewijs daarvan
-niet in het feit, dat de politie hem had laten ontvluchten?
-
-“Ik had gedacht,” zeide Guillaume, “dat de couranten overdreven... Zij
-vinden op dit oogenblik, om het geval van den armen Salvat nog erger te
-maken, zooveel afschuwelijke dingen uit.”
-
-“O neen,” antwoordde Rosemonde vroolijk; “zij hebben niet alles kunnen
-zeggen, het was te smerig... Ik kon nu zonder eenig gewetensbezwaar
-naar een hôtel gaan, waar ik het veel prettiger vind, want het begon
-mij thuis te vervelen... Maar in ieder geval is het anarchisme een vuil
-zootje; ik durf niet meer te zeggen, dat ik er sympathie voor voel.”
-
-Zij lachte en sprong plotseling op een andere gril over; zij wilde, dat
-de meester haar over zijn nieuwe onderzoekingen vertelde, ongetwijfeld
-om hem te laten zien, dat zij in staat was hem te begrijpen. Maar de
-geschiedenis van Bergaz had hem ongerust gemaakt. Hij bepaalde zich tot
-enkele algemeenheden en was tegenover de prinses slechts koel-beleefd.
-
-Inmiddels hernieuwde Hyacinthe de kennis met François en Antoine, met
-wie hij op het lyceum-Condorcet geweest was. Hij was slechts tegen zijn
-zin met haar medegegaan; hij gaf alleen aan haar toe door den angst,
-dien hij voor haar had, sedert zij hem sloeg. Dit kleine huis van een
-als het ware verbannen scheikundige vervulde hem met een medelijdende
-minachting en hij meende verplicht te zijn zijn meerderheid nog meer te
-laten uitkomen tegenover oude kameraden, die hij als gewone
-werkmenschen terugvond.
-
-“O ja, dat is waar ook, je bent naar de École Normale gegaan,” zeide
-hij tegen François, die bezig was aanteekeningen uit een boek te maken.
-“Je wilt, geloof ik, examen doen!... Och, wat zal ik je zeggen? Ik voor
-mij kan het denkbeeld van een halsband niet verdragen. Zoodra het om
-een examen of zoo iets gaat, weet ik absoluut niets meer... En tusschen
-ons gezegd en gezwegen, is wetenschap toch niet veel meer dan
-voor-den-gek-houderij! En wat wordt je horizont erdoor beperkt! Neen,
-je kan beter het kleine kind blijven, welks oogen het onzichtbare
-aanschouwen. Zoo’n kind weet er meer van!”
-
-François, die dikwijls ironisch kon zijn, vond het aardig hem gelijk te
-geven.
-
-“Zeker, je hebt volkomen gelijk. Maar je moet er een natuurlijken
-aanleg voor hebben, om dat kleine kind te blijven... Ik ben
-ongelukkigerwijze behept met een drang, om alles te willen weten. Het
-is zonde en jammer, want ik zit nu heele dagen met mijn neus in de
-boeken... O, ik zal nooit veel weten, dat is zeker, en misschien is dat
-wel de reden, waarom ik altijd probeer meer te weten... Maar je zult me
-moeten toegeven, dat werken even goed als niets doen een manier is om
-het leven door te komen, o zeker, heel wat minder elegant, want jij
-vindt natuurlijk, dat werken minder aesthetisch is!”
-
-“Minder aesthetisch, dat is het juiste woord,” zeide Hyacinthe.
-“Schoonheid is slechts te vinden in het niet-uitgedrukte; ieder leven,
-dat tot werkelijkheid wordt, zinkt weg tot alledaagschheid.”
-
-Maar hoe onnoozel hij in de geniale enormiteit van zijn pretenties was,
-voelde hij toch den spot. Hij wendde zich tot Antoine, die aan zijn
-houtsnede was blijven werken, het portret van Lise, dat hij in zijn
-verlangen, om het ontwaken van het kind tot begrip en leven uit te
-drukken, telkens weer opgaf, om het dan opnieuw te beginnen.
-
-“Zoo heb jij je aan het graveeren gewijd... Sedert ik van het
-verzen-maken en van mijn gedicht, Het Einde der Vrouw, heb afgezien,
-omdat ik de woorden zoo plomp en zoo grof en zoo bezoedelend vond, heb
-ik er ook over gedacht mij aan het teekenen of aan het graveeren te
-wijden... Maar waar is de teekening, die het mysterie, het hiernamaals,
-de eenige wereld, die bestaat en belangrijk is, tot uitdrukking brengt?
-Met welk potlood die te verkrijgen, op welke plaats die weer te geven?
-Er zou iets ontastbaars, dat niet bestaat, dat alleen het wezen van
-dingen en menschen suggereert, voor noodig zijn.”
-
-“Toch kan de kunst slechts door het stoffelijke van haar middelen dat
-weergeven, wat zij het wezen van dingen en menschen noemt en wat in den
-grond der zaak haar volkomen beteekenis is, tenminste die, welke wij
-haar toekennen... Het leven weergeven is mijn groote passie, en er
-bestaat geen ander mysterie dan dat van het leven in het diepst der
-wezens achter de dingen... Wanneer mijn houtsnede leeft, ben ik
-tevreden, omdat ik geschapen heb.”
-
-Een spottende trek op Hyacinthe’s gezicht drukte zijn afkeer voor
-vruchtbaarheid uit. Een heele kunst! De eerste de beste schoft maakte
-een kind. Iets uitgelezens en zeldzaams was slechts de geslachtslooze,
-door zichzelf bestaande idée. Hij wilde dat uitleggen, raakte echter in
-zijn woorden verward en begon dan over de uit Noorwegen medegebrachte
-zekerheid, dat het met kunst en litteratuur in Frankrijk uit was, dat
-zij gedood waren door de alledaagschheid, ja zelfs het misbruik der
-productie.
-
-“Dat is zoo,” merkte François vroolijk op, “niets doen is reeds talent
-hebben.”
-
-Pierre en Marie keken en luisterden; deze vreemde invasie in het
-gewoonlijk zoo ernstige en zoo kalme atelier maakte hen verlegen. Toch
-was de kleine prinses heel voorkomend; zij kwam naar het jonge meisje
-toe en bewonderde het fijne borduurwerk, waar zij juist de laatste hand
-aan legde. Zij wilde niet weggaan voor Guillaume zijn handteekening
-gezet had in een album, dat Hyacinthe uit het rijtuig moest gaan halen.
-Hij voldeed aan haar verzoek met een zichtbaren tegenzin; zij waren
-elkaar reeds moe, maar in afwachting van een nieuwe gril liet zij hem
-niet los en vermaakte zij zich ermee hem te terroriseeren. Toen zij
-hem, nadat zij Froment verzekerd had, dat deze dag onvergetelijk voor
-haar zou blijven, medenam, bracht zij hen allen aan het lachen door de
-woorden:
-
-“Zoo, kennen de jongelui Hyacinthe van het lyceum... Een goede jongen
-niet? Ja, hij zou zelfs aardig zijn als hij net was als andere
-menschen.”
-
-Dienzelfden dag kwamen Janzen en Bache den avond bij Guillaume
-doorbrengen. De intieme samenkomsten van Neuilly werden eens per week
-in Montmartre voortgezet. Pierre ging op zulke dagen eerst heel laat
-naar huis; zoodra de twee vrouwen en de drie volwassen zoons naar boven
-gegaan waren, werden er in het atelier, welks openstaand raam op het
-nachtelijke, van gaslicht fonkelende Parijs uitzag, eindelooze
-gesprekken gehouden. Théophile Morin kwam tegen tien uur, daar hij
-eerst nog had moeten werken.
-
-“Maar dat is een halve gekkin,” riep Janzen uit, toen Guillaume hun van
-het bezoek der prinses verteld had. “Een oogenblik, toen ik pas met
-haar kennis gemaakt had, heb ik gehoopt haar voor onze zaak dienstbaar
-te kunnen maken. Zij leek zoo overtuigd, zoo dapper... Maar zij is een
-der meest perverse vrouwen op de heele wereld, steeds uit op nieuwe
-emoties.”
-
-Het bloed steeg hem naar de wangen; eindelijk liet hij zijn gewone
-gereserveerdheid, de geheimzinnigheid, waarin hij zich steeds hulde,
-varen. Ongetwijfeld had hij geleden onder de breuk met haar, die hij
-eens de kleine koningin van het anarchisme genoemd had en wier rijkdom
-en talrijke relaties in alle kringen hem prachtig propaganda- en
-overwinningsmateriaal toegeschenen was.
-
-“Zooals je weet,” ging hij, wat kalmer geworden, voort; “is die
-plundering en bevuiling van haar hôtel een streek van de politie... Men
-heeft, kort voor het proces van Salvat, het anarchisme heelemaal in
-discrediet willen brengen.”
-
-Guillaume luisterde aandachtig.
-
-“Ja, dat heeft zij mij verteld... Maar ik geloof niet veel van dat
-verhaal. Als Bergaz slechts gehandeld had onder den invloed, waarover
-je daarnet sprak, dan zou de politie hem met de anderen gearresteerd
-hebben, zooals ze indertijd Raphanel en hen, die hij verraden had, ook
-tegelijkertijd ingerekend hebben... En bovendien, ik ken Bergaz langer
-dan vandaag; hij is altijd een halve plunderaar geweest.”
-
-Zijn stem was somber geworden en hij maakte een bedroefd gebaar.
-
-“Zeker, ik begrijp alle eischen, zelfs alle wettige
-vergeldingsmaatregelen... Maar een diefstal, een cynische diefstal
-alleen uit genot om te stelen, neen, daar kan ik niet bij... De
-trotsche hoop op een rechtvaardige en betere maatschappij wordt
-daardoor in mij verwoest... Dien diefstal in het hôtel de Hardt vind ik
-diep en diep treurig.”
-
-Om Janzen’s lippen speelde het raadselachtige, als een dolkmes zoo
-snijdende glimlachje.
-
-“Dat is een quaestie van atavisme! De eeuwen van beschaving en geloof,
-die achter ons liggen, protesteeren in jou. Je moet wel terugnemen wat
-ze je niet willen teruggeven... Het eenige wat mij hindert, is dat
-Bergaz dit oogenblik uitgekozen heeft, om zich te verkoopen. Een
-comedie-diefstal, een oratorisch effect, dat de officier van justitie
-hebben wil om het hoofd van Salvat te eischen.”
-
-In zijn haat tegen de politie en misschien ook ten gevolge van een
-oneenigheid, die hij met Bergaz, met wien hij vroeger bevriend was,
-gehad had, bleef Janzen bij deze verklaring. Het leven van dezen
-vaderlandlooze, die zijn bloedigen droom door geheel Europa met zich
-droeg, bleef ondoorgrondelijk. Guillaume zag van een verdere discussie
-af en zeide eenvoudig:
-
-“Die ongelukkige Salvat. Alles komt op hem neer, alles zal hem
-verpletteren!... Je kunt je niet begrijpen hoe woedend dat geval mij
-maakt. Al mijn voorstellingen van gerechtigheid en waarheid komen
-daartegen in verzet. Zeker, hij is een krankzinnige, maar een, die
-zooveel verontschuldigingen heeft, die in den grond der zaak slechts
-een op het dwaalspoor gebrachte martelaar is! En nu is hij het
-uitverkoren slachtoffer, de zondenbok, die voor ons allen boeten moet.”
-
-Bache en Morin schudden hun hoofd zonder te antwoorden. Zij staken hun
-afkeer voor het anarchisme niet onder stoelen of banken. Morin, die
-vergat, dat zijn eerste leermeester Proudhon het woord, ja bijna de
-zaak zelf in de wereld gebracht had, herinnerde zich nog slechts zijn
-afgod Auguste Comte, om zich met hem in het mooie, hiëratische rijk der
-wetenschappen op te sluiten. Hij was bereid zich aan de tyrannie te
-onderwerpen tot den dag, waarop het ontwikkelde en tot vrede gebrachte
-volk het geluk waard zijn zou. De oude humanitaire mysticus Bache werd
-door de individualistische dorheid van de libertaire theorie in zijn
-diepste overtuiging gekwetst: hij haalde zacht zijn schouders op en
-zeide, dat iedere oplossing te vinden was bij Fourier, die de toekomst
-voor eeuwig verwezenlijkt had door de alliantie van talent, kapitaal en
-arbeid te decreteeren. Toch waren beiden met de burgerlijke
-republieken, die de hervormingen zoo langzaam tot stand brachten, niet
-tevreden; zij vonden, dat hun ideeën bespot werden, dat alles steeds
-slechter ging en ergerden zich eveneens over de manier, waarop de
-verschillende partijen Salvat trachtten uit te buiten, om de macht te
-behouden of die in handen te krijgen.
-
-“Als je bedenkt, dat die ministerieele crisis nu al bijna drie weken
-duurt,” zeide Bache. “Alle begeerten en hartstochten worden in hun
-volle naaktheid bloot gelegd, het is een walgelijk schouwspel... Hebben
-jullie in de ochtendbladen gelezen, dat de president er weer toe heeft
-moeten besluiten Vignon op het Elysée te ontbieden?”
-
-“O, kranten lees ik niet meer,” prevelde Morin met zijn moede stem.
-“Waarom zou ik dat doen? Die worden zoo slecht geschreven en liegen
-toch allemaal.”
-
-Inderdaad kwam er aan de ministerieele crisis geen eind. De president
-der Republiek had de aanwijzingen, die de zitting, waarin het
-ministerie Barroux gevallen was, hem gaf, gevolgd en zeer correct
-Vignon, den overwinnaar, ontboden om hem met de vorming van een nieuw
-ministerie te belasten. Het scheen een heel eenvoudige zaak te zijn,
-die nauwlijks twee of drie dagen zou in beslag nemen, want reeds
-maanden lang noemde men de namen der vrienden, die de jonge leider der
-radicale partij in zijn kabinet zou opnemen. Maar allerlei
-moeilijkheden hadden zich voorgedaan, Vignon had tien dagen lang te
-midden van zoo onoverkomelijke hinderpalen moeten strijden, dat hij uit
-vrees, dat hij al zijn krachten voor later uitputten zou, wanneer hij
-hardnekkig volhouden bleef, den president medegedeeld had, dat hij van
-de opdracht afzag. Dadelijk had deze andere afgevaardigden ontboden,
-totdat hij er eindelijk een vond, die dapper genoeg was om op zijn
-beurt een proef te nemen.
-
-Maar ook hij was op dezelfde moeilijkheden gestooten: eerst scheen het,
-dat een voorloopige lijst binnen enkele uren definitief zou worden,
-maar dan kwamen er aarzelingen, verslappingen, een langzame verlamming,
-die ten slotte tot een echec leidden. Het was, alsof het heimelijke
-woelen, dat Vignon’s werk onmogelijk gemaakt had, opnieuw begon, alsof
-een bende onzichtbare medeplichtigen bezig was de verschillende
-combinaties met een verborgen doel te doen mislukken. En de president
-had de vorming van een kabinet opnieuw moeten opdragen aan Vignon, die
-ditmaal een bijna volledige lijst in zijn zak had en zeker scheen
-binnen tweemaal vier-en-twintig uur te slagen.
-
-“Maar het is nog niet uit,” zeide Bache verder. “Goed ingelichte
-personen verzekeren, dat Vignon nu evenmin als den eersten keer zal
-slagen. Niets kan mij van mijn idee afbrengen, dat Duvillard’s bende
-dat heele zaakje leidt. Maar ten voordeele van wien, dat weet ik niet.
-Maar je kunt ervan overtuigd zijn, dat het er in de allereerste plaats
-om gaat de zaak van de Afrikaansche sporen in den doofpot te stoppen...
-Als Monferrand niet al te zeer gecompromitteerd was, dan zou ik
-gelooven, dat hij erachter zit. Heb je niet opgemerkt, hoe de Globe,
-die plotseling Barroux in den steek gelaten heeft, bijna dagelijks met
-een eerbiedige sympathie over Monferrand spreekt. Dat is een ernstig
-symptoom, want Fonsègue heeft anders de gewoonte niet de overwonnenen
-zoo vroom op te rapen... Enfin, wat kan je van die vervloekte Kamer
-verwachten? In ieder geval gebeurt er weer iets vuils.”
-
-“En dan die sul van een Mège,” zeide Morin, “die voor alle partijen
-zorgt, behalve voor zichzelf. Is het niet belachelijk dat hij denkt,
-dat hij alleen maar het eene ministerie na het andere behoeft omver te
-werpen, om eindelijk zelf kabinetsformateur te worden?”
-
-Bij den naam van Mège protesteerden allen, één in hun
-gemeenschappelijken haat, luid. Bache, die in vele opzichten toch
-precies hetzelfde dacht als de apostel van het Staatscollectivisme,
-veroordeelde iedere redevoering, iedere daad van hem met een
-onverbiddelijke strengheid. Janzen noemde hem eenvoudig een
-burgerlijken reactionnair, dien men als een van de eerste wegvegen
-moest. Dat was de hartstocht van hen allen; dikwijls konden zij
-rechtvaardig zijn tegenover hun onverzoenlijkste tegenstanders, die
-geen enkel van hun denkbeelden duldden, terwijl het een groote,
-onvergeeflijke misdaad was bijna eender te denken als zij, zonder het
-in alle opzichten volkomen met hen eens te zijn.
-
-Dan kwam het gesprek op Sanier, wiens blad de modder iederen dag als
-uit een riool haalde. Guillaume, die volgens zijn gewoonte op en neer
-was gaan loopen, ontwaakte uit zijn droef gepeins, om uit te roepen:
-
-“O, die Sanier! Wat een vuil werk verricht die! Heel gauw zal er niets
-of niemand meer zijn, op wien hij niet gespogen heeft. Je denkt, dat
-hij het met je eens is, en plotseling wordt je bevuild... Heeft hij
-gisteren niet verteld, dat men bij zijn arrestatie op Salvat valsche
-sleutels gevonden heeft en portemonnaies, die hij van wandelaars
-gestolen zou hebben... Altijd Salvat! Salvat, het onuitputtelijk
-onderwerp voor artikelen! Salvat, wiens naam voldoende is om de oplaag
-der couranten te verdriedubbelen! Salvat, de gelukkige afleiding voor
-de omgekochten van de Afrikaansche sporen! Salvat, het slagveld, waarop
-ministeries vallen en gevormd worden! Allen buiten hem uit en wurgen
-hem!”
-
-Na dezen kreet van verzet en medelijden namen de vrienden afscheid.
-Pierre had den geheelen avond voor het open raam gezeten en zonder een
-woord te zeggen geluisterd. Hij was ten prooi aan zijn twijfel, aan
-zijn innerlijken tweestrijd, en nog geen van de vele elkaar
-tegensprekende meeningen hadden hem een oplossing, een bevrediging
-gebracht. Zij waren het er slechts over eens, dat de oude wereld
-verdwijnen moest, zonder dat zij in een zelfde broederlijke
-krachtsinspanning de toekomstige wereld van gerechtigheid en waarheid
-vermochten op te bouwen.
-
-Toen Pierre op zijn beurt ook eindelijk wegging, legde Guillaume zijn
-beide handen op de schouders van zijn broer en keek hem, ondanks zijn
-toorn diep geroerd, lang aan.
-
-“Jij lijdt ook, arme jongen, dat zie ik al een paar dagen. Maar jij
-bent de meester van je lijden, want de strijd wordt slechts in jou zelf
-gestreden, jij kunt je zelf overwinnen, terwijl men de wereld niet kan
-overwinnen, wanneer het lijden het gevolg is van haar slechtheid en
-ongerechtigheid!... Kom, wees dapper, handel volgens je rede, ook al
-moet het je tranen kosten, en je zal kalm worden.”
-
-Toen Pierre dien nacht in zijn kleine huisje te Neuilly, waarin nog
-slechts de schimmen van zijn vader en van zijn moeder terugkeerden,
-alleen was, hield een allerlaatste strijd hem nog lang wakker. Nooit
-nog had hij een zoo sterken afschuw gevoeld voor zijn leugen, voor dat
-priesterschap, dat een zinloos gebaar voor hem geworden was, voor die
-soutane, welke hij eigenlijk slechts als een soort vermomming droeg.
-Misschien had wat hij bij zijn broeder gezien en gehoord had—de
-maatschappelijke ellende van sommigen, de nuttelooze en dwaze agitatie
-van anderen, het ondanks alle onderlinge tegenspraak hardnekkig
-blijvende verlangen naar een betere menschheid—hem de noodzakelijkheid
-van een eerlijk, in het volle licht normaal te leiden leven nog dieper
-doen gevoelen. Nu kon hij aan den langen droom, dien hij eens gedroomd
-had, dat menschenschuwe en eenzame leven van een vroom priester, die
-hij niet was, niet denken, zonder dat een rilling van schaamte hem
-doorhuiverde, zijn geweten in opstand kwam tegen die lange leugen. Nu
-stond het vast: hij zou niet langer liegen, zelfs niet uit
-barmhartigheid, om aan anderen de goddelijke illusie te geven. Maar
-welk een losscheuren uit alles wat hem eens lief geweest was, was het
-afleggen van die soutane, welke hij aan zijn huid meende te voelen
-plakken. Hoe troosteloos was het voor hem tegen zichzelf te moeten
-zeggen, dat hij, zelfs wanneer hij zich losrukte, zwak, gewond,
-verminkt zou blijven, zonder ooit weer te kunnen worden als andere
-menschen.
-
-Daarin bestond in dien vreeselijken nacht wederom zijn strijd en zijn
-marteling. Zou het leven nog iets van hem willen weten? Was hij niet
-geteekend om eeuwig afzonderlijk te blijven staan? Hij meende zijn eed
-als een rood gloeiend ijzer in zijn vleesch te voelen. Waartoe diende
-hij zich te kleeden als andere mannen, daar hij toch nooit meer een man
-zijn kon? Tot nog toe had hij zoo bevend, zoo onhandig, zoo verloren in
-zijn verzaking en in zijn droomwereld geleefd! Niet meer kunnen! Niet
-meer kunnen! Deze vrees, waardoor hij bang was te zullen verlammen,
-liet hem niet los. En toen hij een besluit nam, deed hij het in angst,
-alleen uit eerlijkheid.
-
-Toen Pierre den volgenden dag naar Montmartre terugging, droeg hij een
-donkere jas en broek. Grootmoeder en de drie zonen lieten hun verbazing
-noch door een uitroep, noch door een blik blijken. Was het niet heel
-natuurlijk? Zij begroetten hem op dezelfde kalme manier als altijd,
-misschien zelfs met nog meer hartelijkheid en liefde, om de eerste
-oogenblikken makkelijker voor hem te maken. Maar Guillaume lachte hem
-vriendelijk toe. Hij zag daarin zijn werk. De genezing kwam, zooals hij
-gehoopt had, door hem en bij hem, in de volle zon, in het leven, dat de
-groote glazen deur in breede stroomen binnen vallen liet.
-
-Ook Marie had opgekeken en zag Pierre aan. Zij wist niet wat haar zoo
-logisch woord: “Waarom trek je die niet uit?” hem had doen lijden. Dat
-hij zijn soutane afgelegd had, vond zij eenvoudig makkelijker voor het
-werk.
-
-“Kom eens kijken, Pierre... Toen ik kwam, zat ik juist te kijken, hoe
-de wind al die rookwolken naar het Oosten drijft. Je zoudt ze voor
-schepen kunnen aanzien, voor een niet te tellen eskader, dat de zon
-purper kleurt. Ja, ja, het zijn gouden schepen, duizenden gouden
-schepen, die uit den oceaan van Parijs uitloopen, om de aarde
-beschaving en vrede te brengen!”
-
-
-
-
-III.
-
-Twee dagen later was Pierre al aan zijn nieuwe kleedij gewend; en hij
-dacht er zelfs niet meer aan, toen hij op een morgen op weg naar
-Montmartre abbé Rose voor de basilica van den Sacré-Cœur ontmoette.
-
-De oude priester schrikte eerst en herkende hem nauwlijks in die
-kleeding; dan greep hij zijn beide handen en keek hem lang aan.
-
-“O mijn zoon, dus ben je toch in de vreeselijke ellende gevallen,
-waarvoor ik altijd zoo bang geweest ben!” zeide hij met tranen in zijn
-oogen. “Ik heb er nooit met je over willen spreken, maar ik voelde wel,
-dat God je ziel verlaten had. Een diepere wond in mijn hart kon mij
-door niets toegebracht worden!”
-
-Bevend nam hij hem wat ter zijde, als om hem te onttrekken aan de
-verontwaardiging der enkele voorbijgangers. Zijn krachten begaven hem
-en hij liet zich neervallen op een stapel steenen, die vergeten in het
-gras was blijven staan.
-
-Deze diepe, echte smart van zijn ouden, hartelijken vriend trof Pierre
-meer dan heftige verwijten en vervloekingen gedaan zouden hebben. De
-plotselinge, onvoorziene pijn, welke deze ontmoeting, die hij toch had
-moeten voorzien, veroorzaakte, bracht ook Pierre de tranen in de oogen:
-deze breuk met den vromen man, wiens droom van naastenliefde—de hoop om
-door goedheid de wereld te redden—hij zoo lang gedeeld had, bracht hem
-een wonde toe, waaruit het beste van zijn bloed wegstroomde. Zij
-hadden, in hun verlangen om den gelukkigen oogst der toekomst te
-bespoedigen, samen zooveel goddelijke illusies gehad, zoo gestreefd
-naar het betere, zooveel vergiffenis geschonken. En nu scheidden zich
-hun wegen: hij, de jongere, keerde tot het leven terug en liet den oude
-alleen verder droomen en vergeefs wachten.
-
-“O mijn vriend, mijn vader, het eenige wat mij spijt, nu ik al deze
-martelingen van mij schud, is u alleen achter te laten Ik dacht reeds
-genezen te zijn, maar mijn arm hart breekt nu ik u weer zie... Ween
-niet over mij, wat ik u smeeken mag, doe mij geen verwijten. Wat ik
-gedaan heb, moest ik doen—u zelf zoudt, wanneer ik uw raad gevraagd
-had, mij gezegd hebben, dat het beter is geen priester meer te zijn dan
-een priester zonder geloof en zonder eer.”
-
-“Ja, ja,” herhaalde abbé Rose zacht; “je hadt geen geloof meer, dat
-vermoedde ik maar al te zeer, en ik maakte me erg ongerust over je
-strakheid en je heiligheid, waarin ik zooveel wanhoop raadde. Hoevele
-uren heb ik niet getracht je te kalmeeren! En ook nu moet je naar mij
-luisteren, want ik moet je redden... Helaas ik ben geen theologische
-geleerde, om met je te discussieeren, om je met bijbelteksten en
-dogma’s tot ons terug te brengen. Maar in naam der naastenliefde, mijn
-kind, alleen in naam der naastenliefde, denk na, vat je taak, om troost
-en hoop te geven, weer op.”
-
-Pierre, die naast hem was gaan zitten, begon zich op te winden.
-
-“De naastenliefde, de naastenliefde! Juist de zekerheid, dat zij niets
-beteekent, dat zij onmiddellijk bankroet slaan moet, heeft ten slotte
-den priester in mij gedood... Hoe kunt u gelooven, dat geven voldoende
-is, waar gij uw heele leven niets anders gedaan hebt dan geven, zonder
-dat gij voor de anderen en voor u zelf iets anders geoogst hebt dan de
-eeuwige, ja zelfs steeds erger wordende onrechtvaardige ellende, zonder
-dat gij ooit den dag bepalen kunt, waarop die afschuwelijke schande zal
-ophouden?... De belooning na den dood, zult u zeggen, de
-rechtvaardigheid in het paradijs! O, dat is geen gerechtigheid, dat is
-een fopperij, waaronder de wereld reeds eeuwen lijdt.”
-
-En hij herinnerde hem aan hun leven in de wijk Charonne, toen zij samen
-de kleine dakloozen van de straat opraapten, toen zij den ouders in de
-krotten hulp brachten; hij herinnerde hem aan zijn bewonderenswaardige
-krachtsinspanning, die, wat hem zelf betrof, op een verwijt van zijn
-superieuren, op een soort verbanning ver van zijn armen uitgeloopen
-was. En had men hem niet met nog strengere straffen bedreigd, wanneer
-hij weer begon den godsdienst door in den blinde gegeven en doellooze
-aalmoezen in gevaar te brengen. Nu werden zijn gangen nagegaan, met
-argwaan aangezien; werd hij als het ware niet ondergedompeld door de
-voortdurend stijgende ellende, waar hij toch wist, dat hij nooit genoeg
-zou kunnen geven, zelfs wanneer hij over millioenen beschikte, dat hij
-niets deed dan het lijden der armen verlengen, die, wanneer zij vandaag
-aten, toch morgen niets te eten hebben zouden? Hij was machteloos; de
-wonde, die hij meende te verbinden, brak op hetzelfde oogenblik aan
-alle kanten open; het geheele maatschappelijke lichaam zou door dit
-gezwel aangegrepen en vernietigd worden. Maar de oude priester
-luisterde bevend toe en schudde zijn wit hoofd.
-
-“Wat komt het erop aan? Wat komt het erop aan, mijn kind? Je moet
-geven, altijd geven, ondanks alles geven. Een andere vreugde bestaat
-niet... Houd je, ook al mogen de dogma’s je hinderen, aan dat
-Evangelie, blijf je heil zoeken in naastenliefde.”
-
-Toen raakte Pierre in opwinding en vergat, dat hij tegen dezen
-eenvoudige van geest sprak, die niets was dan menschenliefde, niet in
-staat om hem te volgen.
-
-“De proef is genomen; met barmhartigheid is het heil der menschheid
-niet te bereiken; het kan slechts uit gerechtigheid geboren worden. Dat
-is de langzamerhand steeds luider en luider wordende kreet, die uit
-alle volkeren opstijgt. Nu reeds bijna twee duizend jaar is het
-Evangelie een mislukking gebleven. Jezus heeft geen verlossing
-gebracht; het lijden der menschheid is even groot, even onrechtvaardig
-gebleven. Het Evangelie is niets meer dan een verouderde codex
-geworden, waaruit de volkeren niets dan verwarring en nadeel zullen
-trekken... Wij moeten ons daarvan bevrijden.”
-
-Dat was zijn vaststaande overtuiging. Welk een vreemde dwaling was het
-als socialen wetgever Jezus te nemen, die te midden van een andere
-maatschappij, in een andere wereld, in een anderen tijd geleefd had. En
-zelfs wanneer men van zijn moraal en van zijn leer slechts het
-menschelijke en het eeuwige wilde bewaren, dat zij bevatten—welk een
-gevaar lag dan nog niet in de toepassing van onveranderlijke
-voorschriften op alle tijden. Geen enkele maatschappij zou onder de
-strikte toepassing van het Evangelie kunnen leven, Jezus is de
-vernietiger van alle natuurlijke orde, van alle werk, van alle leven;
-hij heeft de vrouw en de wereld, de eeuwige natuur, de eeuwige
-vruchtbaarheid van dingen en wezens verloochend. Toen kwam het
-Katholicisme en richtte op hem zijn vreeselijk gebouw van
-schrikaanjaging en onderdrukking op. De erfzonde is de
-verschrikkelijke, bij ieder schepsel terugkeerende herediteit, die
-niet, zooals de wetenschap, de correctieven van opvoeding,
-omstandigheden en omgeving toelaat.
-
-Er is geen pessimistischer opvatting denkbaar dan dat de mensch op die
-wijze reeds bij zijn geboorte aan den duivel gewijd, tot zijn dood aan
-een eeuwigen strijd met zichzelf ten prooi is. Een onmogelijke en
-absurde strijd, want het gaat er daarbij om den geheelen mensch te
-veranderen, het vleesch en de rede te dooden, den duivel in de diepte
-der wateren, der bergen en der wouden te vervolgen, om hem daar met sap
-der aarde te vernietigen. De wereld is niets meer dan één zonde, een
-hel van verleidingen en lijden, die men doortrekt, om den hemel te
-verdienen. Deze godsdienst van den dood, welken alleen de idee der
-naastenliefde in stand heeft kunnen houden, maar die door het verlangen
-naar gerechtigheid onvermijdelijk zal weggevaagd worden, is een
-prachtig werktuig voor het absolute despotisme. De arme, de ongelukkige
-bedrogene, die niet meer aan het Paradijs gelooft, wil, dat de
-verdiensten van een ieder hier op aarde beloond worden; het eeuwige
-leven wordt weer de goede godin, het werk is de wet der wereld, de
-vruchtbare vrouw komt weer in eere, het dwaze schrikbeeld der hel maakt
-plaats voor de glorierijke, steeds voortbrengende natuur. De oude
-Semietische droom van het leven wordt weggevaagd door de heldere, op de
-moderne wetenschap steunende Latijnsche rede.
-
-“Sedert achttienhonderd jaar belemmert het Christendom het
-voortschrijden der menschheid naar waarheid en gerechtigheid,” besloot
-Pierre. “Eerst op den dag, dat zij het afschaft door het Evangelie te
-plaatsen bij de boeken der wijzen, zonder daarin een absoluten en alles
-beslissenden codex te zien, zal zij haar evolutie weder kunnen
-voortzetten.”
-
-Abbé Rose hief zijn bevende handen op.
-
-“Zwijg toch, mijn zoon, zwijg toch! Je lastert!... Ik wist, dat je
-gekweld werd door twijfel; maar ik hield je voor zoo geduldig en zoo
-bereid om te lijden, dat ik op je verzaking en berusting rekende! Wat
-is er toch gebeurd, dat je zoo plotseling de Kerk den rug toekeert? Ik
-herken je niet meer; een passie is in je opgestoken, een onoverwinlijke
-kracht sleurt je mede... Wat is er toch? Wie heeft je zoo veranderd?”
-
-Verwonderd luisterde Pierre naar hem.
-
-“Maar ik verzeker u heusch, dat ik dezelfde ben, dien u altijd gekend
-hebt—dat is slechts de onvermijdelijke ontknooping, het onvermijdelijke
-resultaat! Wie zou zijn invloed op mij hebben kunnen doen gelden, daar
-niemand in mijn leven gekomen is? Welke nieuwe gevoelens zouden mij
-kunnen veranderen, waar ik geen nieuwe vind, wanneer ik mijzelf
-ondervraag. Ik ben dezelfde, precies dezelfde gebleven.”
-
-Toch was er een weifeling in zijn stem. Was het werkelijk waar, dat er
-niets nieuws in hem gekomen was? Hij onderzocht zijn geweten nogmaals,
-maar hij kon niets vinden. Het was slechts een heerlijk ontwaken, een
-onmetelijke begeerte om te leven, een drang zijn armen wijd genoeg te
-kunnen openen, ten einde al wat bestond aan zijn hart te kunnen
-drukken. Een storm van jubel hief hem op en sleurde hem mede.
-
-Hoewel abbé Rose veel te onschuldig was, om hem te kunnen begrijpen,
-schudde hij weer zijn hoofd en dacht aan de valstrikken van den duivel.
-Deze afval van zijn kind, zooals hij Pierre noemde, sloeg hem terneer.
-Hij sprak nog en kreeg de ongelukkige ingeving hem den raad te geven
-met monseigneur Martha te gaan spreken, want hij hoopte, dat een
-geestelijke van zulk een autoriteit de juiste woorden zou weten te
-vinden, om hem tot het geloof terug te brengen. Maar Pierre had den
-moed te zeggen, dat hij uit de Kerk ging, juist omdat hij daarin zoo’n
-leugenaar en despoot aangetroffen had, die van den godsdienst een
-verderf aanbrengende diplomatie maakte en ervan droomde de menschen
-door list tot God terug te brengen. Toen stond abbé Rose wanhopig op;
-hij vond geen argument meer en wees slechts met een gebaar op de
-basilica, die met zijn reusachtige, onvoltooide, vierkante massa stond
-te wachten op den koepel, welke haar bekronen moest.
-
-“Dit is het huis Gods, mijn kind, het monument van verzoening en van
-triomf, van boete en vergiffenis. Je hebt er de mis gelezen en je
-verlaat het als een heiligschennende meineedige.”
-
-Pierre was ook opgestaan en in een exaltatie van kracht en gezondheid
-antwoordde hij:
-
-“Neen, neen, ik verlaat de Kerk vrijwillig, zooals men een kelder
-verlaat, om in de vrije lucht, naar de zon terug te keeren. God is daar
-niet, het is daar slechts een uitdaging van de rede, van de waarheid en
-van de gerechtigheid, een reusachtig gebouw, dat men zoo hoog mogelijk
-opgericht heeft als een citadel van het absurde, die Parijs, dat hij
-beleedigt en bedreigt, beheerschen moet.”
-
-En toen hij zag, dat de oogen van den ouden priester zich weer met
-tranen vulden, en daar hij zelf wanhopig was over hun breuk, wilde hij
-vluchten.
-
-“Vaarwel! Vaarwel!”
-
-Maar abbé Rose had hem reeds in zijn armen genomen en kuste hem als het
-verdoolde schaap, dat den herder het liefst is.
-
-“Niet vaarwel, niet vaarwel, mijn kind! Zeg: tot ziens! Zeg dat we
-elkaar nog terug zullen vinden, tenminste onder hen, die weenen en
-honger hebben. Al geloof je ook, dat de naastenliefde bankroet gemaakt
-heeft, toch zullen we elkander altijd in onze armen blijven
-liefhebben!”
-
-
-
-Pierre, die de kameraad van zijn drie groote neven geworden was, had
-van hen in enkele lessen leeren fietsen, om hen op hun ochtendritjes te
-kunnen vergezellen; reeds was hij een paar maal met hen en met Marie
-over de hard geplaveide wegen in de richting van het meer van Enghien
-gereden. Op een ochtend, dat Marie zich voornam met hem en Antoine naar
-het bosch van Saint-Germain te gaan, kreeg deze laatste plotseling een
-verhindering. Zij had haar fietskostuum al aan: een korten rok van
-zwarte serge en een jakje van dezelfde stof op een écru zijden
-overhemdje—en de Aprilochtend was zoo helder en zacht, dat zij vroolijk
-uitriep:
-
-“Dat hindert niet, ik neem je mede, dan zijn we met ons beiden! Ik wil,
-dat je het genot leert kennen om op een goeden weg tusschen mooie
-boomen te rijden.”
-
-Maar daar hij nog niet zoo erg getraind was, besloten zij dat zij met
-hun fietsen den trein tot Maisons-Laffitte nemen zouden, om vandaar
-door het bosch te rijden en dan weer met den trein terug te komen.
-
-“Zijn jullie weer vóór het déjeuner terug?” vroeg Guillaume, die pret
-had in dit uitstapje, en zijn broer, die ook geheel in het zwart was,
-glimlachend aankeek.
-
-“Natuurlijk,” antwoordde Marie. “Het is net acht uur, we hebben dus
-allen tijd. Maar ga in ieder geval maar dejeuneeren, wij zullen wel
-invallen, als het noodig is.”
-
-Het was een heerlijke ochtend. Bij het weggaan dacht Pierre, dat hij
-met een goeden kameraad was, wat dit uitstapje met hun tweeën in de
-lekkere lentezon heel natuurlijk maakte. De bijna gelijke kostuums
-werkten door de vrijheid van beweging, die zij veroorloofden,
-ongetwijfeld tot die vroolijke, rustige en gemoedelijke stemming mede.
-Maar er was ook nog iets anders: de gezonde, vrije lucht, het genot van
-de gemeenschappelijke lichaamsbeweging, de vreugde zich vrij te
-gevoelen in de vrije natuur.
-
-In den coupé, waar zij alleen waren, kwam Marie op haar
-lyceumherinneringen terug.
-
-“O, je hebt er geen idee van hoe heerlijk we krijgertje konden spelen!
-Om harder te kunnen loopen, bonden wij onze rokken met touwtjes vast,
-want toen durfden ze ons niet zooals nu in een broek te laten loopen.
-Het was een geschreeuw, een geloop, een geren, onze haren vlogen in den
-wind en we hadden kleuren als boeien!... En dat belette je niet om te
-werken, integendeel! Wanneer we eenmaal aan het studeeren waren,
-hielden we ook een wedloop wie het meest weten en de eerste van de klas
-zijn zou.”
-
-Zij lachte er nog hartelijk om, terwijl Pierre haar verwonderd
-aankeek—zoo blozend en gezond zag zij er uit onder den zwart vilten
-hoed, dien een lange zilveren haarpen op haar dikken wrong vasthield.
-Haar prachtig bruin haar, dat hoog opgenomen was, liet haar frisschen
-nek, die kinderlijk teer gebleven was, vrij, en nog nooit had hij haar
-in al haar kracht zoo lenig gezien; haar heupen waren krachtig, haar
-borst breed, maar tevens fijn en bekoorlijk. Wanneer zij zoo lachte,
-schitterden haar oogen van genot, terwijl het onderste gedeelte van
-haar gelaat, haar ietwat krachtige mond en kin, een uitdrukking van
-eindelooze goedheid kregen.
-
-“Ja, die broek!” ging zij schertsend voort. “En dan te denken, dat
-sommige vrouwen zoo eigenzinnig blijven, om met een rok te fietsen.”
-
-En toen hij, zonder aan galanterie te denken, maar alleen om het feit
-te constateeren, zeide, dat zij er in haar costuum heel goed uitzag:
-
-“O, ik tel niet mede... Ik ben niet mooi, ik ben alleen maar gezond,
-dat is alles... Maar kan jij je begrijpen, dat vrouwen, die hier zoo’n
-prachtige gelegenheid hebben, om het zich makkelijk te maken, als een
-vogel te vliegen en eindelijk haar beenen uit hun gevangenis te
-bevrijden, dat gewoonweg weigeren? Als ze denken, dat zij met haar
-korte schoolmeisjesrokken mooier zijn, dan vergissen zij zich leelijk.
-En wat het kieschheidsgevoel betreft, ik vind, dat je beter je kuiten
-dan je schouders kunt laten zien. En bovendien, wie denkt aan zoo iets,
-als je fietst... Er bestaat niets dan de broek, de rok is ketterij.”
-
-Zij keek nu op haar beurt hem aan en zij werd op dat oogenblik
-blijkbaar getroffen door de buitengewone verandering, welke in hem had
-plaats gevonden sedert zij hem voor het eerst zoo somber in zijn lange
-soutane en met zijn mager, vaal, door het lijden verwoest gezicht
-gezien had. Daarachter had zij een eindelooze wanhoop, de leegte van
-een graf, waaruit de wind zelfs de asch verstrooid had, gevoeld. En nu
-was het als het ware een herrijzenis, een opstanding: zijn gezicht
-leefde op, het voorhoofd had weer de kalmte der hoop gekregen, terwijl
-de oogen en de mond, in zijn eeuwigen honger naar liefde, overgave en
-leven, iets van hun vroegere vertrouwelijke teederheid teruggevonden
-hadden. Alleen de minder lange haren op de plaats der tonsuur, die
-trouwens niet zoo zichtbaar meer was als vroeger, verrieden nog den
-priester.
-
-“Waarom kijk je me zoo aan?” vroeg hij.
-
-“Ik kijk ernaar hoeveel goed het werken en de buitenlucht ook jou
-doen,” zeide zij openhartig. “Zoo mag ik je veel liever zien. Je zag er
-zoo slecht uit, dat ik heusch dacht, dat je ziek was.”
-
-“Dat was ik ook,” zeide hij eenvoudig.
-
-Maar de trein stopte bij Maisons-Laffitte. Zij stapten uit en sloegen
-dadelijk den weg naar het bosch in.
-
-“Ik zal maar voorop rijden, hè?” riep Marie vroolijk. “Je bent immers
-altijd nog wat bang voor rijtuigen.”
-
-Slank en recht in het zadel reed zij voorop; dikwijls keek zij
-vriendelijk glimlachend om, om te zien of hij haar volgde. Bij ieder
-rijtuig, dat zij voorbij reden, stelde zij hem gerust en somde de
-verdiensten van hun fietsen, die beide uit de fabriek Grandidier
-kwamen, op. Het waren Lisette’s, het populaire merk, waaraan Thomas
-medegewerkt had en dat in den Bon Marché grifweg voor honderdvijftig
-francs verkocht werd. Misschien zagen zij er een beetje log uit, maar
-zij waren sterk en tegen een stootje bestand. Echte fietsen om te
-toeren, zeide zij.
-
-“Ha, daar is het bosch! Nu behoeven wij niet meer de helling op te
-trappen en zal je eens prachtige lanen zien. Je rijdt er als op
-fluweel.”
-
-Pierre bleef nu niet langer achter en beiden reden zij nu in denzelfden
-regelmatigen gang naast elkaar over den breeden, rechten weg tusschen
-het dubbele, majestueuze gordijn der groote boomen. En zij praatten
-heel amicaal.
-
-“Nu ben ik zeker van mijn zaak. Je zult zien, dat je leerling je eer
-aandoet.”
-
-“Daar twijfel ik niet aan. Je zit heel goed in je zadel. Binnenkort zal
-je me in den steek laten, want een vrouw kan in zulke dingen niet tegen
-een man op. En toch, wat een goede opvoeding is het fietsen voor een
-vrouw.”
-
-“Hoe zoo?”
-
-“O, daar heb ik zoo mijn eigen ideeën over... Als ik ooit een dochter
-krijg, dan zet ik haar op haar tiende jaar op de fiets, om haar te
-leeren, hoe ze leven moet.”
-
-“Dus een opvoeding door ervaring?”
-
-“Natuurlijk. Kijk nu die groote meisjes eens, die de moeders in haar
-rokken opvoeden. Men maakt haar voor alles bang, verbiedt haar ieder
-initiatief, oefent noch haar wil noch haar oordeel, zoodat ze zelfs,
-door de gedachte aan een mogelijken hinderpaal verlamd, de straat niet
-over durven steken... Maar zet haar heel jong op de fiets en laat ze
-aan haar lot over: dan moeten zij wel uitkijken naar een steentje,
-zorgen, dat zij tijdig en in de goede richting uitwijken, als het
-noodig is. Een wagen komt in vollen draf aan, het een of ander gevaar
-doemt op en zij moet dadelijk beslissen, met vaste hand sturen, als zij
-geen ongeluk krijgen wil... Is het niet een voortdurend trainen van je
-wilskracht, een uitstekende les in de kunst, om te weten wat je doen
-moet om je te verdedigen?”
-
-“Jullie zult allemaal te gezond worden,” zeide hij lachend.
-
-“O, gezond zijn, dat spreekt van zelf. Om goed en gelukkig te wezen,
-moet je in de eerste plaats zoo gezond mogelijk zijn. Maar ik geloof,
-dat zij, die steenen weten te vermijden en op het juiste oogenblik
-kunnen omkeeren, ook beter in staat zullen zijn in het maatschappelijke
-en gevoelsleven de moeilijkheden te overwinnen en met een vrij, eerlijk
-en krachtig oordeel de beste besluiten te nemen... Weten en willen,
-daarin bestaat de geheele opvoeding.”
-
-“Dus de emancipatie der vrouw door de fiets?”
-
-“Lieve Hemel, waarom niet?... Het klinkt grappig, en toch, kijk eens
-wat een heelen weg we al afgelegd hebben: de broek, die de beenen
-bevrijdt; de gemeenschappelijke uitstapjes, die de geslachten gelijk
-maken; vrouw en kind volgen den man overal heen; kameraden als wij
-tweeën kunnen door veld en bosch rijden, zonder dat men er aanstoot aan
-neemt. En dan bestaat vooral de gelukkige verovering hierin: in de
-lucht- en zonnebaden, die je in de vrije natuur neemt; in den terugkeer
-tot onze gemeenschappelijke moeder, de aarde; in de nieuwe kracht en in
-de nieuwe vreugde, die je weer uit haar begint te scheppen! Is dit
-bosch, waarin we nu samen rijden, niet heerlijk? En wat een frissche
-lucht krijg je weer in je longen. Hoe kalmeert je dat en wat een
-nieuwen moed geeft het je!”
-
-Inderdaad was het in de week stille bosch met zijn diep en zonnig
-kreupelhout rechts en links onzegbaar heerlijk. De nog schuin vallende
-zon wierp haar stralen slechts op een kant van den weg en verguldde de
-hooge, groene draperieën der boomen, terwijl aan de andere zijde het
-loof in de schaduw bijna zwart leek. Welk een genot was het, als langs
-den grond strijkende zwaluwen, in de frissche lucht en in den adem der
-kruiden en bladeren, welker krachtige geur je in het gezicht slaat,
-door die koninklijke laan te vliegen! Zij raakten nauwlijks den grond
-aan—vleugels waren hun aangegroeid, die hen in eenzelfde vlucht door de
-zonnestralen en door de schaduwen, door het leven van het groote,
-huivrend bosch met zijn mossen en zijn bronnen, zijn geuren en zijn
-insecten droegen.
-
-Bij het kruispunt Croix-de-Noailles wilde Marie niet ophouden. ’s
-Zondags heerschte hier altijd een groote drukte en bovendien kende zij
-stille, behoorlijk-rustige plekjes. Later, op de helling naar Poissy,
-spoorde zij Pierre aan en lieten zij hun fietsen in volle vaart gaan.
-En nu volgde die heerlijke roes der snelheid, het bedwelmende gevoel
-van het evenwicht, hoewel men in zulk een vaart voortsnelt, dat men
-bijna buiten adem raakt, terwijl de grijze weg onder de voeten
-wegvlucht en de boomen aan beide kanten draaien als de baleinen van een
-waaier, dien men openslaat. De bries waait als een storm, en men vliegt
-als het ware den horizont, de oneindigheid, die echter steeds weer
-terugwijkt, tegemoet. Het is de grenzenlooze hoop, de bevrijding van te
-zware banden in de ruimte. Er bestaat geen betere lichaamsbeweging; de
-harten kloppen sneller in de vrije natuur.
-
-“Zeg, we moesten niet naar Poissy rijden, maar links afslaan!” riep
-zij.
-
-Zij namen den weg van Achères naar Loges, die smaller en schaduwrijk
-steeg, en minderden, daar zij nu flink aan moesten trappen, hun vaart.
-De weg was minder goed, zandig en door de laatste stortregens wat
-omgewoeld. Maar was die krachtsinspanning ook niet een genot?
-
-“Je zult er wel aan wennen, het overwinnen van hindernissen is zoo
-prettig... Ik voor mij heb het land aan wegen, die te lang glad en mooi
-blijven. Een kleine stijging, die je beenen niet al te veel vermoeit,
-geeft weer eens een afwisseling, die je aanzweept en wakker maakt... En
-dan het is zoo goed om sterk te zijn en ondanks regen, storm en helling
-vooruit te komen.”
-
-Haar opgewektheid en haar moed verrukten hem.
-
-“Dus zijn we eigenlijk op een tocht door heel Frankrijk?” vroeg hij
-lachend.
-
-“Neen, neen, we zijn al waar we wezen moeten. Nou, je zult er zeker
-niets tegen hebben, om wat te rusten. Maar zeg eens eerlijk, was het
-niet de moeite waard tot hier te rijden, om op dit heerlijke, rustige
-en frissche plekje wat uit te rusten?”
-
-Lenig sprong zij van haar fiets en sloeg een voetpad in, terwijl zij
-hem riep haar te volgen. Na een pas of vijftig zetten zij hun machines
-tegen een boomstam en waren zij op een kleine open plek. Het was
-inderdaad het bekoorlijkste bladerennestje, dat men zich droomen kon.
-Het bosch had daar een eenzame en verheven schoonheid en grootschheid.
-De lente gaf het de eeuwige jeugd, het bladerdak was rein en licht als
-groene, fijne kant, die de zon met goud bestrooide. De adem van het
-leven steeg op uit het gras, kwam uit het door den krachtigen geur der
-aarde doorbalsemde kreupelhout.
-
-“Het is gelukkig nog niet al te warm,” zeide zij, terwijl zij aan den
-voet van een jongen eik ging zitten. “In Juli hebben de dames een
-beetje te roode kleur en gaat de poudre-de-riz gauw weg... Je kan niet
-altijd even mooi zijn.”
-
-“Ik kan niet zeggen, dat ik het koud heb,” zeide Pierre, die naast haar
-kwam zitten en zijn voorhoofd afveegde.
-
-Zij lachte en zeide, dat zij hem nog nooit met zoo’n kleur gezien had.
-Eindelijk kon je merken, dat hij bloed onder zijn huid had. En zij
-begonnen te praten als twee kinderen, als twee kameraden, vonden de
-kinderlijkste dingen grappig. Zij was bang, dat hij koude zou vatten,
-wilde niet, dat hij in de schaduw bleef, omdat hij het zoo warm had,
-zoodat hij, om haar haar zin te geven, met zijn rug in de zon moest
-gaan zitten. Dan bevrijdde hij op zijn beurt haar van een spin, een
-groote zwarte spin, die met haar pooten in haar kroezende nekhaartjes
-verward raakte. In het schrikgilletje, dat zij uitstiet, kwam de vrouw
-in haar weer te voorschijn. Het was toch eigenlijk dwaas om zoo bang te
-zijn voor spinnen! Maar het lukte haar niet om zich te beheerschen, zij
-bleef bleek en beefde.
-
-Een zwijgen volgde, zij keken elkaar glimlachend aan en voelden te
-midden van dit heerlijke bosch een teedere vriendschap voor elkaar, die
-beiden broederlijk waanden. Zij was gelukkig, dat zij zich voor hem was
-gaan interesseeren, hij dankbaar voor de genezing en de gezondheid, die
-grootendeels haar werk waren. Maar zij sloegen hun oogen niet neer, hun
-handen raakten elkaar zelfs niet aan, terwijl zij door het gras
-streken, want zij waren zoo onschuldig en zoo rein als de groote eiken
-om hen heen. Toen zij hem in haar afkeer voor alle vernietiging belet
-had de spin te dooden, begon zij weer verstandig over allerlei dingen
-te spreken als een meisje, dat alles wist en door het leven niet
-verlegen gemaakt wordt, zoo zeker was zij ervan nooit iets te doen dan
-wat zij doen wilde.
-
-“Zeg eens,” riep zij eindelijk; “laten we erom denken, dat ze ons met
-het dejeuner thuis verwachten.”
-
-Zij stonden op en duwden hun fietsen naar den straatweg. In flinke
-vaart gingen zij weer terug en reden door de prachtige laan, die bij
-het kasteel uitkomt, over les Loges naar Saint-Germain. Ze vonden het
-heerlijk weer zoo naast elkander voort te snellen. En vertrouwelijk
-zetten zij hun gesprek voort.
-
-In den trein, die hen van Saint-Germain naar Parijs terugbracht, zag
-Pierre, dat Marie plotseling een hoogroode kleur kreeg. Twee dames
-zaten met hen in dezelfde coupé.
-
-“Nou heb jij het warm!”
-
-Zij protesteerde, maar alsof een gevoel van schaamte haar aangreep,
-werd haar gezicht nog rooder.
-
-“Ik heb het heelemaal niet warm, voel mijn handen maar... Is het niet
-belachelijk om zonder eenige reden een kleur te krijgen!”
-
-Hij begreep het: het was weer een van die onwillekeurige opwellingen
-van haar jonkvrouwelijk hart, welke het bloed naar haar wangen joegen
-en waarover zij zich zoo ergerde. Zonder eenige reden, zeide zij. Maar
-het hart, dat daar in de eenzaamheid van het woud onschuldig sliep,
-klopte thans, zonder dat zij het zelf wist.
-
-Intusschen was Guillaume na het vertrek van de kinderen, zooals hij ze
-noemde, weer begonnen aan het vervaardigen van zijn geheimzinnig kruit,
-waarvan hij de patronen boven in de kamer van Grootmoeder bewaarde. De
-vervaardiging was buitengewoon gevaarlijk, de minste onachtzaamheid
-gedurende het werk, het te laat sluiten van een kraan, kon een
-vreeselijke ontploffing veroorzaken, die het huis en zijn bewoners in
-de lucht zou doen vliegen. Hij wachtte daarom liever tot hij alleen was
-en geen gevaar voor anderen of afleiding voor zichzelf behoefde te
-vreezen. Maar ditmaal werkten zijn drie zoons toch in het groote
-atelier. Zooals gewoonlijk zat Grootmoeder rustig bij de kachel te
-naaien. Maar zij telde niet mede; zij was dapper, verliet nooit haar
-plaats, zat rustig te midden van het gevaar; ja zij hielp zelfs
-Guillaume bij zijn werk, kende even goed als hij de verschillende
-phases van de moeilijke bewerking met al haar vreeselijke bedreigingen.
-
-Toen zij zag, hoe afgetrokken hij dien ochtend was, keek zij dikwijls
-op van het linnengoed, dat zij ondanks haar zeventig jaar noch steeds
-zonder bril verstelde. Met één oogopslag vergewiste zij zich, dat hij
-niets vergat, en ging dan weer aan haar werk. Gewoonlijk sprak zij
-weinig, discussieerde nooit, handelde en leidde, en opende haar mond
-slechts om een verstandigen, flinken, dapperen raad te geven. Wat zij
-dacht en wat zij wilde kon men slechts uit haar antwoorden te weten
-komen, korte woorden, waaruit haar rechtvaardige en dappere ziel sprak.
-
-Vooral in den laatsten tijd scheen zij nog stiller te worden, terwijl
-zij in het huis, waarin zij de onbeperkte heerscheres was, druk bezig
-was en met haar mooie, peinzende oogen haar klein volkje, de drie
-zoons, Guillaume, Marie en Pierre, die haar allen als een erkende
-koningin gehoorzaamden, gadesloeg. Had zij veranderingen gezien, feiten
-opgemerkt, die niemand om haar heen nog zag of opmerkte? Zij was nog
-ernstiger geworden, als verwachtte zij, dat het oogenblik nabij was,
-waarop men haar wijsheid en autoriteit noodig hebben zou.
-
-“Let wat beter op, Guillaume, je bent zoo verstrooid vanochtend,” zeide
-zij eindelijk. “Is er iets, dat je hindert?”
-
-“Niets hoor,” antwoordde hij, terwijl hij haar glimlachend aankeek. “Ik
-dacht aan onze goede Marie, die zoo blij was, dat zij op dezen mooien,
-zonnigen dag naar het bosch kon.”
-
-Antoine had opgekeken, terwijl de beide andere broers in hun werk
-verdiept bleven.
-
-“Jammer dat ik juist vandaag die houtsnede af moest hebben. Ik zou zoo
-graag met haar meegegaan zijn.”
-
-“Kom,” zeide de vader met zijn kalme stem, “Pierre is bij haar; Pierre
-is heel voorzichtig.”
-
-Een oogenblik nog nam Grootmoeder hem onderzoekend op; dan ging zij
-weer aan haar werk. Haar heerschappij over het huishouden, waaraan
-ouden en jongen zich onderwierpen, vond haar oorzaak in de lange
-toewijding, in den takt, in de goedheid, waarmede zij regeerde. Van
-geboorte Protestant, had zij zich later van alle godsdienstige
-geloofsbelijdenissen bevrijd, paste zij op alles slechts die idee van
-menschelijke gerechtigheid toe, welke zij zichzelf, na zooveel geleden
-te hebben door de onrechtvaardigheid, waaraan haar man gestorven was,
-had gevormd. Zij was daarbij buitengewoon dapper, kende geen
-vooroordeelen, deed volkomen haar plicht, zooals zij dien opvatte. En
-zooals zij zich aan haar echtgenoot en dan aan haar dochter Marguerite
-gewijd had, zoo wijdde zij zich thans aan den man van haar dochter en
-aan haar kleinzoons, aan Guillaume en zijn kinderen. Nu was ook Pierre,
-dien zij eerst vol onrust gadegeslagen had, in haar familie gekomen en
-maakte deel uit van het kleine, gelukkige wereldje, waarover zij
-heerschte. Ongetwijfeld had zij hem die eer waardig gekeurd. Zij
-vertelde nooit gaarne de diepere oorzaken, die haar tot een besluit
-brachten. Na eenige dagen van zwijgen had zij op een avond aan
-Guillaume slechts gezegd, dat hij er goed aan gedaan had zijn broer
-mede te brengen.
-
-Tegen twaalven riep Guillaume, die nog steeds aan zijn werk was, uit:
-
-“Nou zijn de kinderen nog niet thuis; wij zullen nog maar even wachten
-voor we aan tafel gaan.”
-
-Een kwartier nog verliep. De drie jongens legden hun werk neer en
-gingen in den tuin hun handen wasschen.
-
-“Marie blijft lang weg,” zeide Grootmoeder. “Als er maar niets met haar
-gebeurd is.”
-
-“O, zij rijdt goed, zij is zeker van zichzelf,” antwoordde Guillaume.
-“Ik maak mij meer ongerust over Pierre.”
-
-Weer keek zij hem aan.
-
-“Zij zal wel voor hem gezorgd hebben; ze rijden samen al heel goed.”
-
-“O zeker, maar ik wou toch liever maar, dat zij thuis waren.”
-
-Dan meende hij plotseling de bellen der fietsen te hooren; hij riep,
-dat zij het waren en in zijn blijdschap vergat hij alles, liet zijn
-werk in den steek, om hen in den tuin tegemoet te gaan.
-
-Grootmoeder bleef kalm doornaaien, zonder er zelf ook aan te denken,
-dat vlak naast haar stoel het kruit bijna klaar was. En toen twee
-minuten later Guillaume terugkwam en zeide, dat hij zich vergist had,
-werd hij doodsbleek en staarde naar den oven. Het juiste oogenblik,
-waarop het sluiten van een kraan alle mogelijke gevaar voor een
-ontploffing voorkwam, was gedurende zijn korte afwezigheid
-voorbijgegaan; nu zou ieder oogenblik de vreeselijke explosie kunnen
-volgen, wanneer niet een dappere hand de kraan durfde gaan
-dichtdraaien. Het moest reeds te laat zijn, de dappere, die dat deed,
-zou verpletterd worden.
-
-Dikwijls had Guillaume den dood op die wijze met volmaakte
-onverschrokkenheid onder de oogen gezien. Maar ditmaal bleef hij als
-aan den grond vastgenageld; hij durfde geen stap voorwaarts te doen,
-zijn geheele wezen kwam door dien angst voor vernietiging in verzet.
-Hij klappertandde, stamelde in afwachting van de catastrophe, die het
-huis in de lucht dreigde te doen vliegen:
-
-“Grootmoeder, Grootmoeder!... Het apparaat, de kraan!... Uit, uit,
-uit...”
-
-De oude vrouw had opgekeken zonder nog te begrijpen.
-
-“Wat is er? Wat heb je toch?”
-
-Maar hij zag er zoo door angst vertrokken uit, hij week, van schrik
-krankzinnig, zoo achteruit, dat zij naar den oven keek en het
-verschrikkelijke gevaar bemerkte.
-
-En zonder overhaasting, alsof het de eenvoudigste zaak ter wereld was,
-legde zij haar werk op het tafeltje, stond op en sloot met een hand,
-die zelfs niet beefde, de kraan.
-
-“Ziezoo, dat is alweer klaar. Maar waarom heb je het zelf niet gedaan,
-beste jongen?”
-
-Met open mond en verstijfd als was hij door de hand des doods
-aangeraakt, had hij haar met zijn oogen gevolgd. Toen het bloed weer
-naar zijn wangen kwam en hij weer levend voor het nu ongevaarlijke
-toestel stond, stootte hij, nog steeds rillend en verschrikt, een
-diepen zucht uit:
-
-“Waarom ik de kraan niet dichtgedraaid heb?... Omdat ik bang was!”
-
-Op dat oogenblik kwamen Marie en Pierre, verrukt over hun fietstocht,
-terug; zij praatten, lachten en brachten de vroolijkheid van den
-helderen zonnedag mee in huis. De drie broers, die uit den tuin
-terugkwamen, plaagden hen, wilden met alle geweld, dat zij bekennen
-zouden, dat Pierre met een koe gevochten had en dwars door een veld met
-haver gereden was. Maar toen zij het vertrokken gelaat van hun vader
-zagen, maakte een plotselinge ongerustheid zich van hen meester.
-
-“Kinderen, ik ben laf geweest... Vreemd hè, lafheid is een gevoel, dat
-ik tot nog toe niet gekend heb.”
-
-En hij vertelde zijn vrees voor het ongeluk, zijn schrik, de kalme
-manier, waarop Grootmoeder hen allen van een wissen dood gered had. Zij
-maakte een klein gebaar, als wilde zij zeggen, dat het omdraaien van
-een kraan zoo’n groote heldendaad niet was; maar de oogen van de drie
-jongens schoten vol tranen en de een na den ander gingen zij haar een
-kus geven, waarin zij de dankbaarheid, de vereering legden, die zij
-voor haar hadden. Sedert hun jeugd had zij hun alles gegeven, en nu gaf
-zij hun ook het leven. Marie had zich ook in haar armen geworpen en
-kuste haar vol dankbaarheid en ontroering. Alleen Grootmoeder weende
-niet; zij kalmeerde hen allen: men moest niet overdrijven en altijd
-verstandig blijven.
-
-“Neen, nu moet u mij ook nog toestaan u een zoen te geven, want dat ben
-ik u wel schuldig,” zeide Guillaume, die zijn zelfbeheersching
-terugkreeg. “En Pierre zal dat ook doen; u bent net zoo goed voor hem
-als u altijd voor ons geweest is.”
-
-Toen zij eindelijk aan tafel zaten, kwam hij op dien angst, dien hij
-nog niet begreep en waarvoor hij zich schaamde, terug. Sedert eenigen
-tijd had hij, die vroeger nooit aan den dood dacht, gemerkt, dat hij
-voorzichtig begon te worden. Tweemaal reeds had hij voor de
-mogelijkheid van een catastrophe gebeefd. Hoe kwam het, dat hij thans
-zoo aan het leven hechtte?
-
-“Ik geloof eigenlijk, Marie, dat de gedachte aan jou mij laf maakt,”
-zeide hij eindelijk vroolijk en met iets van ontroerde teederheid in
-zijn stem. “Dat ik minder dapper ben, komt zeker, omdat ik tegenwoordig
-wat kostbaars op het spel heb te zetten. Ik moet het geluk behoeden...
-Daareven, toen ik geloofde, dat wij allen sterven moesten, zag ik jou
-voor mij; de angst jou te verliezen verstijfde en verlamde mij.”
-
-Marie begon vriendelijk te lachen. Toespelingen op hun aanstaand
-huwelijk kwamen niet veel voor, maar zij nam ze steeds met een
-gelukkig, liefdevol gezicht op.
-
-“Zes weken nog,” zeide zij eenvoudig.
-
-Grootmoeder, die naar hen gekeken had, wendde nu haar blikken naar
-Pierre. Deze luisterde eveneens glimlachend.
-
-“Het is waar, over zes weken zijn jullie getrouwd,” zeide zij. “Ik heb
-er dus maar goed aan gedaan het huis niet in de lucht te laten
-vliegen.”
-
-Op hun beurt begonnen nu ook Thomas, François en Antoine te lachen,
-zoodat het dejeuner in een vroolijke stemming eindigde.
-
-’s Middags voelde Pierre hoe langzamerhand een zwaar gewicht op zijn
-hart begon te drukken. Het woord van Marie: “Zes weken nog” kwam
-telkens in zijn geest terug. Ja, binnen zes weken zou zij getrouwd
-zijn. En het scheen hem toe, alsof hij dat vroeger nooit geweten, alsof
-hij daar nooit aan gedacht had. ’s Avonds in zijn kamer te Neuilly werd
-het een ondragelijke smart. Het woord martelde, doodde hem. Waarom had
-hij niet dadelijk geleden, toen hij het glimlachend hoorde? Waarom was
-de smart zoo langzaam, zoo hardnekkig, zoo wreed over hem gekomen?
-Plotseling werd hem de waarheid in al haar verplettering duidelijk. Hij
-had Marie lief, had haar lief met echte liefde, tot stervens toe.
-
-En deze plotselinge openbaring wierp op alles een helder licht. Hij
-zag, hoe hij sedert de eerste ontmoeting onweerstaanbaar deze liefde
-tegemoet gegaan was, hoe hij zich eerst gekwetst gevoeld en de
-opwinding, waarin het jonge meisje hem had gebracht, voor vijandigheid
-aangezien had, om dan door de goddelijke zachtmoedigheid van haar
-overwonnen te worden. Tot haar werd hij na zooveel marteling en zooveel
-strijd gevoerd; in haar vond hij eindelijk slechts rust. Maar vooral
-die heerlijke fietstocht van vandaag verscheen hem nu in het ware licht
-als een verlovingsochtend in den schoot van het gelukkige en
-medeplichtige bosch. De natuur had hem weer in haar armen genomen, hem
-van zijn marteling bevrijd en hem, gezond en krachtig, aan de vrouw,
-die hij aanbad, gegeven.
-
-Zijn huivering, zijn gevoel van geluk, zijn volkomen zich één voelen
-met de boomen, de dieren en den hemel, alles, wat hij zich niet
-verklaren kon, kreeg nu een zeer duidelijke beteekenis. Slechts Marie
-was zijn genezing, zijn hoop, de zekerheid, dat hij herboren en
-eindelijk gelukkig worden zou. Reeds had hij in haar gezelschap de
-angstaanjagende problemen, alles wat hem vervolgde en verpletterde,
-vergeten; ja, sedert een week was de gedachte aan den dood, die zoo
-lang zijn makker van ieder uur geweest was, niet meer bij hem
-opgekomen. De strijd tusschen geloof en twijfel, de wanhoop van het
-Niet in hem, zijn toorn tegen het onrechtvaardige lijden, dat alles had
-zij met haar frissche handen weggenomen; zij zelf was zoo gezond, zoo
-levenslustig, dat zij hem den levenslust teruggegeven had. Dat was het:
-zij maakte van hem den man, den werker, den minnaar en den vader.
-
-Plotseling dacht hij aan het pijnlijke en smartelijke gesprek, dat hij
-op een ochtend met den goeden abbé Rose gehad had. Dit onschuldige, in
-liefdeszaken zoo onwetende hart was dus het eenige geweest, dat alles
-had doorzien en begrepen. Hij had hem gezegd, dat hij veranderd, dat er
-een ander mensch in hem gevormd was. En hij was als een dwaas blijven
-zweren, dat hij dezelfde was, nadat Marie hem reeds geheel veranderd
-had door de geheele natuur aan zijn borst te leggen: de zonnige velden,
-de bevruchtende winden, den wijden hemel, die de oogsten rijpen doet.
-Dat was de reden, waarom het Katholicisme, de godsdienst van den dood,
-hem tot zoo’n wanhoop gebracht, waarom hij het uitgeschreeuwd had, dat
-het Evangelie uitgediend had en de wereld een anderen codex, een
-wetboek van aardsch geluk, van menschelijke rechtvaardigheid, van
-levende liefde en vruchtbaarheid verwachtte!
-
-Maar Guillaume? Hij zag plotseling het beeld van zijn broeder voor zich
-oprijzen, van zijn broeder, die hem in zijn werkzaam, vreedzaam en
-liefderijk huis gebracht had, om hem te genezen. Dat hij Marie kende
-had hij aan Guillaume te danken. “Zes weken nog” klonk het hem weer in
-de ooren. Over zes weken zou zijn broer met het jongemeisje trouwen.
-Het was alsof een dolk in zijn hart gestooten werd! Geen seconde
-aarzelde hij: als hij erdoor sterven moest, zou hij erdoor sterven,
-maar niemand zou zijn liefde kennen; hij zou zich overwinnen, vluchten,
-ver weg, als hij zich laf worden voelde. Zijn broeder, die zijn
-opstanding gewild had, die de bewerker van zijn vurigen hartstocht was,
-die zijn vertrouwen zoo ver uitgestrekt had hem alles van zijn hart en
-van de zijnen te geven! Neen, neen, liever dan hem één uur verdriet te
-veroorzaken zou hij zichzelf tot een eeuwige marteling veroordeelen. En
-inderdaad begon zijn marteling opnieuw, want als hij Marie verloor, zou
-hij weer in de wanhoop van het Niet terugvallen. Reeds begon op zijn
-bed, waarin hij slapeloos woelde, het verschrikkelijke: de negatie van
-alles, de nutteloosheid van alles, het geloochende en vervloekte leven.
-Weer kwam de angst voor den dood. Sterven, sterven zonder geleefd te
-hebben!
-
-O, welk een vreeselijke strijd! Tot het aanbreken van den dag martelde
-hij zich en steunde. Waarom had hij zijn soutane afgelegd? Een woord
-van Marie had hem er toe gebracht haar uit te trekken; een woord van
-Marie gaf hem de wanhopige gedachte het priesterkleed weer aan te
-nemen. Zijn kerker kan men niet ontsnappen. Dat zwarte kleed plakte aan
-zijn huid; hij verbeeldde zich het niet meer te dragen, maar het
-brandde nog op zijn schouders: het eenige verstandige was zich er voor
-altijd in te begraven! Op die wijze zou hij tenminste rouw dragen over
-zijn manlijkheid!
-
-Nog een andere gedachte bracht hem geheel van streek. Waarom streed hij
-zoo? Marie had hem niet lief. Gedurende hun fietstocht was er niets
-gebeurd, dat hem kon doen gelooven, dat zij anders van hem hield dan
-als een goede, lieve zuster. Ongetwijfeld had zij Guillaume lief. Hij
-verstikte zijn luide snikken in zijn kussen en zwoer weer zichzelf te
-overwinnen en glimlachend getuige te zijn van hun geluk.
-
-
-
-
-IV.
-
-Pierre ging den volgenden dag weer naar Montmartre, maar leed daar zóó,
-dat hij de twee volgende dagen niet ging. Hij sloot zich in zijn huisje
-op, waar niemand zijn koortsachtige opwinding zien kon. Op een ochtend,
-dat hij nog wanhopig en moedeloos in bed lag, zag hij tot zijn
-verbazing zijn broer Guillaume binnenkomen.
-
-“Ik moet me wel de moeite geven naar jou te gaan, nu jij ons zoo alleen
-laat zitten... Ik kom je halen voor de zaak-Salvat; het proces komt
-vandaag voor. Ik heb met groote moeite twee plaatsen kunnen krijgen...
-Allo, sta op, wij zullen in een restaurant dejeuneeren en zorgen
-vroegtijdig in de zaal te zijn.”
-
-Hij zelf scheen gepreoccupeerd en onrustig, en toen Pierre zich aan het
-kleeden was, vroeg hij:
-
-“Heb je ons iets te verwijten?”
-
-“Wel neen! Hoe kom je op het idee?”
-
-“Waarom kom je dan niet meer? We zagen je iederen dag en nou blijf je
-eensklaps weg!”
-
-Pierre zocht vergeefs naar een leugen.
-
-“Ik moest hier werken... En bovendien, die melancholieke buien zijn ook
-weer teruggekomen, zoodat ik jullie ook maar treurig gestemd zou
-hebben.”
-
-“Geloof je soms, dat je wegblijven ons vroolijk maakt?” vroeg Guillaume
-met een bruusk gebaar. “Marie, die altijd zoo gezond en opgewekt is,
-had eergisteren zoo’n migraine, dat zij haar kamer heeft moeten houden.
-Ook gisteren voelde zij zich nog alles behalve goed, zenuwachtig en
-stil. We hebben een beroerden dag gehad.”
-
-Hij keek hem recht in zijn gelaat met zijn open oogen, waarin de
-ontwakende argwaan, dien hij niet uitspreken wilde, duidelijk te lezen
-was.
-
-Verschrikt door het denkbeeld, dat hij zichzelf zou kunnen verraden,
-slaagde Pierre er ditmaal in te liegen; met kalme stem antwoordde hij:
-
-“Ja, ze voelde zich al niet lekker, toen we samen dien fietstocht
-maakten... En wat mij betreft, ik heb het erg druk gehad. Ik wou juist
-opstaan, om weer naar jullie te komen.”
-
-Een oogenblik nog keek Guillaume hem aan; dan begon hij, blijkbaar
-gerustgesteld of het tot later uitstellend, om achter de waarheid te
-komen, over andere dingen te praten; maar ondanks deze in hem zoo
-krachtige broederlijke teederheid bleef zulk een rilling van niet
-bekende en misschien onbewuste smart in hem achter, dat zijn broeder nu
-op zijn beurt vroeg:
-
-“Maar ben jij soms ziek? Het is alsof je niet de gewone kalme rust van
-altijd hebt!”
-
-“Ik? Neen, ik mankeer niets, hoor! Maar mijn gewone kalme rust wordt
-wel in gevaar gebracht. Dat proces van Salvat brengt me heelemaal uit
-mijn gewone doen. Zij zullen me met hun schandelijke
-onrechtvaardigheid, waarmede zij allen dien ongelukkige verpletteren
-willen, nog razend maken.”
-
-Van af dat oogenblik sprak hij nog slechts over Salvat, wond hij zich
-op, als wilde hij in deze zaak een verklaring zoeken voor al zijn
-woede, voor al zijn lijden. Onder het dejeuner in een restaurant op den
-boulevard du Palais zeide hij, hoezeer hij getroffen was door het
-zwijgen van Salvat zoowel wat betreft den aard van het kruit, waarmede
-hij de bom gevuld had, als wat de enkele dagen aangaat, die hij bij hem
-gewerkt had. Dank zij dat zwijgen had men hem met rust gelaten en zelfs
-niet als getuige opgeroepen. Vol ontroering kwam hij weer op zijn
-uitvinding terug, die vreeselijke machine, welke aan het bevrijdende
-Frankrijk de almacht verzekeren moest. De resultaten van zijn
-onderzoekingen der laatste tien jaar waren nu buiten alle gevaar,
-gereed en definitief, zoodat zij iederen dag aan de Fransche regeering
-gegeven konden worden. Maar afgezien van sommige heimelijke
-gewetensbezwaren, die hij tegenover de schaamteloosheid der financieele
-en politieke wereld voelde, wilde hij nog slechts op zijn huwelijk met
-Marie wachten, om haar met een roerende galanterie deel te laten nemen
-aan het prachtige geschenk, dat hij de wereld geven wilde: den
-wereldvrede.
-
-Door bemiddeling van Bertheroy had Guillaume met groote moeite twee
-plaatsen gekregen; maar toen hij om elf uur, het uur, waarop de deuren
-geopend werden, met Pierre kwam, geloofden zij niet meer binnen te
-zullen komen. Alle hekken waren gesloten, de corridors door middel van
-planken afgezet, een storm van schrik en angst loeide door het ledige
-Paleis, als waren de magistraten bang voor een invasie van met bommen
-gewapende anarchisten. Men vond er weer de rilling van den ontzettenden
-angst, die Parijs sedert drie maanden doorschokte. De twee broers
-moesten bij alle door militairen bewaakte deuren en gangen
-onderhandelen, en toen zij eindelijk in de zaal kwamen, was deze reeds
-propvol met het opgehoopte publiek, dat zich daar een uur lang voor het
-binnenkomen van het Hof verdrong en er zich in schikte zich daar acht
-of negen uur niet te kunnen verroeren, want het gerucht ging, dat men
-het proces in één zitting wilde doen afloopen. In het zoo kleine, voor
-het publiek gereserveerde deel verdrong zich een dichte menigte
-nieuwsgierigen, waaronder enkele vrienden en kameraden van Salvat, aan
-wie het ondanks alle voorzorgsmaatregelen gelukt was binnen te komen.
-In het andere gedeelte, waarin de getuigen samengeperst werden, zaten
-op de eikenhouten banken de genoodigden, zij, die door de een of andere
-gunst binnen mochten komen; er waren er echter te veel, zoodat men
-bijna op elkaars schoot zat. In het praetorium waren als in een
-schouwburg stoelen gezet, die de open ruimte tot achter het Hof
-innamen. Daar zat de bevoorrechte beau monde, politici, journalisten,
-terwijl de groote stroom advocaten in toga op goed geluk af in alle
-hoekjes ondergebracht was.
-
-Pierre en Guillaume konden nog juist twee plaatsen vinden op de laatste
-bank der getuigenafdeeling tegen het schot van de publieke tribune.
-Toen Guillaume ging zitten, zag hij den kleinen Victor Mathis, die, met
-zijn ellebogen op het beschot leunende, zijn kin in zijn gevouwen
-handen liet rusten; zijn oogen in het bleeke gezicht met de magere
-lippen brandden. De twee mannen herkenden elkaar, maar Victor verroerde
-zich niet en Guillaume begreep, dat het niet raadzaam was elkander hier
-te groeten.
-
-Intusschen had Pierre den afgevaardigde Dutheil en de kleine prinses
-Rosemonde, die voor hem zaten, herkend. Te midden van het vreeselijke
-lawaai der menigte, die, om den tijd te verdrijven, praatte en lachte,
-klonken hun stemmen het vroolijkst en verrieden hoe blij zij waren dit
-schouwspel, dat zooveel menschen trok, bij te kunnen wonen. Hij legde
-haar de zaal uit; alle banken, de kleine houten hokjes van de jury, den
-beklaagde, den verdediger, den ambtenaar van het openbaar ministerie,
-den griffier, de tafel met de overtuigingsstukken, en het
-getuigenbankje. Alles was nog ledig: een bediende wierp nog een
-laatsten onderzoekenden blik op alles; advocaten liepen vlug door de
-zaal. Men had kunnen gelooven in een schouwburg te zijn, waarvan het
-tooneel nog leeg was, terwijl de op hun plaatsen samengeperste menigte
-op het begin van het stuk wachtte. Om den tijd wat te bekorten, zocht
-de kleine prinses naar kennissen.
-
-“Zeg, zit daar achter het Hof mijnheer Fonsègue niet naast die dikke
-dame in het geel? En daar aan den anderen kant onze vriend generaal de
-Bozonnet?... Is baron Duvillard er niet?”
-
-“Neen,” antwoordde Dutheil; “dat zou moeilijk gaan. Het zou den schijn
-hebben, alsof hij hier wraak kwam eischen.”
-
-Dan vroeg hij haar op zijn beurt.
-
-“Hebt u onaangenaamheden gehad met uw mooien vriend Hyacinthe, dat u
-mij het groote genoegen gedaan hebt mij als cavalier te kiezen?”
-
-Met een lichte schouderbeweging gaf zij te kennen, dat de dichters haar
-begonnen te vervelen. In een nieuwe gril was zij naar de politiek
-overgegaan en in de laatste acht dagen interesseerde zij zich
-hartstochtelijk voor de ministerieele crisis. De jonge afgevaardigde
-van Angoulême wijdde haar in de geheimen in.
-
-“Ach, mijn waarde,” zeide zij; “de Duvillards zijn allemaal aan den
-overspannen kant... U weet natuurlijk, dat het huwelijk tusschen
-Camille en Gérard een uitgemaakte zaak is. De barones heeft er zich bij
-neergelegd en ik heb uit goede bron vernomen, dat madame de Quinsac,
-Gérard’s moeder, haar toestemming gegeven heeft.”
-
-Dutheil lachte als wilde hij bewijzen, dat hij ook op de hoogte was.
-
-“Ja, ja, ik weet het. Het huwelijk zal binnenkort in de Madeleine
-ingezegend worden—een huwelijk, waarvan de pracht de menschen nog lang
-zal doen praten... Een betere oplossing was bijna niet te vinden. In
-den grond der zaak is de barones de goedheid zelve; ik heb altijd
-gezegd, dat zij zich zou opofferen, om het geluk van haar dochter en
-Gérard te verzekeren... In het kort, dit huwelijk maakt alles weer
-goed, brengt alles weer in orde!”
-
-“En wat zegt de baron ervan?” vroeg Rosemonde.
-
-“De baron is in den zevenden hemel. U hebt vanochtend toch zeker wel
-gelezen dat Dauvergne de portefeuille van Openbaar Onderwijs gekregen
-heeft. Dat beteekent: Silviane in de Comédie-Française. Dat is de
-eenige reden, waarom Dauvergne minister geworden is.”
-
-Hij schertste nog verder, maar op dat oogenblik zag de kleine Massot,
-die ruzie had met een bode, uit de verte een ledige plaats naast de
-prinses, en toen hij een vragend gebaar maakte, knikte zij toestemmend.
-
-“Ja, het ging niet makkelijk,” zeide hij, terwijl hij naast haar plaats
-nam. “De journalistenbank is propvol, en bovendien moet ik nog een
-kroniek schrijven... Prinses, u bent de beminnelijkste van alle
-vrouwen, om wel een klein plaatsje in te ruimen voor uw zeer trouwen
-bewonderaar.”
-
-Dan gaf hij Dutheil een hand en ging zonder eenigen overgang voort.
-
-“Het ministerie is dus gevormd, mijnheer de afgevaardigde?... Het heeft
-lang geduurd, maar het is nu ook een prachtstuk!”
-
-Inderdaad waren de besluiten dien ochtend in den Officiel verschenen.
-Na een lange crisis was, toen Vignon voor de tweede maal door
-onontwarbare moeilijkheden zijn combinatie had zien mislukken,
-Monferrand, dien men uit wanhoop op het Elysée geroepen had, op het
-tooneel verschenen. Binnen vier-en-twintig uur had hij de portefeuilles
-verdeeld en zijn lijst laten goedkeuren, zoodat hij nu triomphantelijk
-terugkeerde tot de macht, van welker hoogte hij met Barroux zoo
-jammerlijk gevallen was. Hij verwisselde als minister-president de
-portefeuille van Binnenlandsche Zaken met die van Financiën, wat van
-oudsher af zijn grootste eerzucht geweest was. Nu kwam de schoonheid
-van zijn heimelijk intrigeeren in het volle daglicht; de meesterlijke
-manier, waarop hij zichzelf weer opgevischt had door de arrestatie van
-Salvat, dan de buitengewone ondergrondsche campagne tegen Vignon, de
-tallooze hinderpalen, waarmede hij hem tot tweemaal toe den weg
-versperd had, en tenslotte de bliksemsnelle oplossing, die geheel
-gereed zijnde lijst, het in één dag in elkaar gezette ministerie.
-
-“Een kranig stukje werk, mijn compliment,” herhaalde Massot spottend.
-
-“Maar ik heb er niets aan gedaan,” zeide Dutheil bescheiden.
-
-“Wat, niets aan gedaan? Maar dat kan iedereen u anders vertellen!”
-
-De afgevaardigde glimlachte gevleid en de andere bleef dan ook met zijn
-toespelingen en sous-entendu’s doorgaan. Hij sprak van de bende van
-Monferrand, van de protégé’s, die hem, omdat zij zijn overwinning
-noodig hadden, zoo krachtig hadden gesteund. Hoe meedoogenloos had
-Fonsègue zijn ouden, lastig geworden vriend Barroux in den Globe laten
-afmaken! Een maand lang nu al verscheen er iederen ochtend een artikel,
-dat Barroux en Vignon vernietigde en den terugkeer van den redder,
-wiens naam niet genoemd werd, voorbereidde. Verder hadden de millioenen
-van Duvillard in het geheim den oorlog medegestreden en waren de
-creaturen van den baron in grooten getale als een leger in een geregeld
-gevecht ten strijde getrokken, afgezien nog van Dutheil, den pijper en
-den tamboer, en van Chaigneux, die zich nederig geschikt had in
-allerlei vuile opdrachten, waarmede niemand anders zich belasten wilde.
-En daarom zou het debuut van den triomphator Monferrand zeker hierin
-bestaan, dat hij de ergerlijke zaak der Afrikaansche sporen door het
-benoemen van een enquête-commissie in den doofpot stoppen zou.
-
-Dutheil zette een gewichtig gezicht.
-
-“Wat zal ik je zeggen, mijn waarde? In ernstige uren, wanneer de
-maatschappij in gevaar geraakt, zijn er sterke mannen, staatslieden,
-die vanzelf op den voorgrond komen... Monferrand had onze vriendschap
-niet noodig; de toestand eischte gebiedend, dat hij aan het bewind
-kwam. Hij is de eenige vuist, die ons redden kan.”
-
-“Ik weet het,” zeide Massot spottend. “Men heeft mij zelfs verzekerd,
-dat men het ministerie zoo vlug in elkaar gezet heeft, zoodat de
-benoemingen vanochtend nog in den Officiel kwamen, om de jury en den
-rechters moed te geven; nu Monferrand met zijn vuist achter hen staat,
-kunnen zij gerust vanavond het doodvonnis uitspreken.”
-
-“Zeker, mijn waarde, een doodvonnis is in het openbaar belang; degenen,
-die voor onze sociale veiligheid zorgen moeten, behooren te weten, dat
-het ministerie aan hun zijde staat en hen, als het noodig is, zal weten
-te beschermen.”
-
-“Zeg eens,” viel de prinses hen met een vriendelijk lachje in de rede,
-“is die dame, die naast Fonsègue is komen zitten, Silviane niet?”
-
-“Het ministerie Silviane,” prevelde Massot. “Als Dauvergne met de
-actrices op goeden voet staat, zal je je bij hem niet vervelen.”
-
-Guillaume en Pierre luisterden en hoorden, zonder het zelf te willen.
-Vooral de eerste werd door die mondaine kletspraatjes en politieke
-indiscreties zeer onaangenaam getroffen. Salvat ter dood veroordeeld
-nog voor hij gehoord was! Salvat moest boeten voor de fouten van allen,
-was niet meer dan een gunstige gelegenheid voor den triomf van een
-bende eerzuchtige genotzoekers! Moest eigenlijk niet alles instorten?
-Was deze plechtige zitting van menschelijke gerechtigheid niet een
-belachelijke parodie, waar hier slechts gelukkige bevoorrechten waren,
-die het in ruïne vallende gebouw, dat hen beschermde, verdedigden en de
-reusachtige macht, waarover zij nog beschikten, ontplooiden om een
-vlieg te verpletteren, een armen, half ontoerekenbaren drommel, dien
-zijn heftige en bedwelmende droom van een andere, hoogere en wrekende
-gerechtigheid hier gebracht had?
-
-Maar er ging een huivering door de zaal: het sloeg twaalf uur, de jury
-trad binnen en ging als een onordelijke kudde op haar bank zitten. Het
-waren goedige gezichten, dikke mannen in hun Zondagsche pakjes, anderen
-weer mager met levendige oogen, baarden en kale hoofden; maar alles
-grijs en als uitgewischt, bijna niet te onderscheiden in de donkerte,
-waarin dat gedeelte der zaal gehuld was. Dan verscheen het Hof.
-Mijnheer de Larombardière, een der vice-presidenten van het Cour
-d’appèl, had dien dag het gevaarlijke eere-ambt van voorzitter. Hij
-overdreef nog de majestueuze uitdrukking van zijn lang, smal gezicht en
-zag er nog strenger uit, nu rechts en links van hem twee kleine
-bijzitters met roode wangen zaten, de een bruin en de ander blond.
-Reeds had mijnheer Lehmann, een der meest bekende en handige
-advocaten-generaal, een Elzasser met breede schouders en sluwe oogen,
-plaats genomen op de bank van het Openbaar Ministerie, wat wel bewees,
-welk een groot gewicht men aan de zaak hechtte. En eindelijk werd
-Salvat door de zwaar stappende gendarmes binnengebracht. Hij verwekte
-een zoo groote nieuwsgierigheid, dat de geheele zaal opstond. Hij droeg
-nog de muts en den zwaren, wijden paletot, dien hij van Victor gekregen
-had. Maar de aanblik van dat lange, vleeschlooze, teere, melancholieke
-gezicht met de enkele rossige en reeds grijzende haren en de mooie,
-zacht droomerige, brandende, blauwe oogen was voor allen een
-verrassing. Hij wierp een blik op het publiek en glimlachte tegen
-iemand, dien hij kende—Victor misschien of mogelijk Guillaume. Maar dan
-bewoog hij zich niet meer.
-
-De president wachtte tot er weer een stilte ingetreden was, waarna al
-de formaliteiten, die de opening van een zitting vereischen, volgen
-konden. Vervolgens werd door een griffier met schelle stem de
-eindelooze acte van beschuldiging voorgelezen. Het aspect van de zaal
-was geheel veranderd; het publiek luisterde met een eenigszins
-ongeduldige moeheid, want sedert weken vertelden de couranten deze
-geschiedenis. Thans was er geen plaats leeg meer, voor het tribunaal
-was nog nauwlijks een kleine ruimte vrij voor de getuigen, die gehoord
-moesten worden. In deze saamgedrongen massa vormden de lichte toiletten
-der dames en de zwarte toga’s der advocaten bonte vlekken, waaronder de
-drie roode toga’s der rechters verdwenen. De estrade, waarop zij zaten,
-was zoo laag, dat men boven de andere hoofden het lange gezicht van den
-president nauwlijks onderscheiden kon. Velen keken vol belangstelling
-naar de jury, trachtten die in het duister gehulde, uitdrukkingslooze
-gezichten te ontcijferen. Anderen hadden geen oog af van den
-beschuldigde, verwonderden zich over zijn moe, onverschillig gezicht.
-Hij antwoordde nauwlijks op de vragen, welke zijn advocaat, een jong,
-talentvol man met een opgewekte stem, die zenuwachtig op de gelegenheid
-wachtte, om zich met roem te overdekken, hem halfluid deed. Maar de
-grootste belangstelling gold de tafel met de overtuigingsstukken,
-waarop alle mogelijke overblijfselen lagen: een splinter uit de
-koetspoort van het hôtel Duvillard, stukken kalk van het gewelf, een
-straatsteen, die door de kracht der ontploffing in tweeën gescheurd
-was. Doch de harten werden vooral getroffen door de intact gebleven
-kartonnen hoedendoos en in een met spiritus gevulde bokaal iets vaags
-en wits, het kleine, afgerukte handje van het loopmeisje, dat men op
-die wijze geconserveerd had, daar men het jammerlijke lichaam met de
-door de bom opengereten buik niet had kunnen bewaren of op de tafel
-leggen.
-
-Eindelijk stond Salvat op en begon de president het verhoor, waarbij
-hij onmiddellijk een minachtenden toon aansloeg. Hij was over het
-algemeen een man met een eerlijk karakter, een der laatste
-vertegenwoordigers van de oude, nauwgezette en rechtschapen
-magistratuur; maar hij begreep niets van den nieuweren tijd en
-behandelde de beklaagden met de strengheid van den Bijbelschen God. Het
-kleine gebrek, dat de wanhoop van zijn leven uitmaakte, een lispelen,
-dat hem volgens zijn meening belet had als advocaat zijn geniale
-redenaarsgaven te ontwikkelen, maakte hem prikkelbaar, knorrig, deed
-hem onvatbaar zijn voor zachtheid. Toen zijn dun, scherp stemmetje de
-eerste vragen deed, werd er in de zaal geglimlacht, en hij voelde dat.
-De zoo grappige stem nam nog het beetje majesteit weg, dat overbleef in
-deze rechtszitting, waarvan het leven van een mensch afhing. Salvat
-beantwoordde de eerste vragen op zijn moede en beleefde manier. Toen de
-president hem trachtte te vernederen, hem de antecedenten van zijn
-ongelukkige jeugd voor de voeten wierp, zijn gebreken vergrootte en
-zijn leven met madame Théodore en de kleine Céline voor zedeloos
-uitmaakte, zeide hij kalm ja of neen als iemand, die niets te verbergen
-heeft en de volle verantwoordelijkheid voor zijn daden aanvaardt.
-
-Hij had een volledige bekentenis afgelegd en herhaalde die in alle
-kalmte, zonder er een woord aan te veranderen. Hij had, zoo legde hij
-uit, het hôtel Duvillard uitgekozen om zijn bom neer te leggen, omdat
-hij aan zijn daad haar volle beteekenis wilde geven, de rijken, de
-geldmenschen, die zich door diefstal en leugen op een schandelijke
-wijze verrijkt hadden, aanmanen onmiddellijk aan de armen, aan de
-arbeiders, aan hun vrouwen en kinderen, die van honger crepeerden, hun
-aandeel in den gemeenschappelijken rijkdom terug te geven. Nu eerst
-kwam er leven in hem; al de geleden ellende steeg als een koorts naar
-het verwarde brein van den half-ontwikkelde, waarin zich de theorieën,
-de overprikkelde theorieën van onbeperkte gerechtigheid en algemeen
-geluk opgehoopt hadden. Van dat oogenblik leek hij wat hij in
-werkelijkheid was: een gevoelsmensch, een door het lijden geëxalteerde
-droomer, een nuchtere, trotsche, eigenzinnige man, die de wereld
-volgens zijn sectariërslogica herscheppen wilde.
-
-“Maar je bent gevlucht,” zeide de president met zijn stem als een
-ratel. “Zeg dus niet, dat je je leven voor de goede zaak gaf en tot den
-martelaarsdood bereid was!”
-
-Het eenige, waar Salvat bitter berouw over had, was, dat hij aan zijn
-drang om te vluchten in het Bois de Boulogne toegegeven had.
-
-“Ik vrees den dood niet,” zeide hij, boos wordend; “dat zult u wel
-zien... O, mochten allen mijn moed hebben, dan zou morgen uw verrotte
-maatschappij weggevaagd zijn en het geluk eindelijk komen.”
-
-Nu volgde een eindeloos verhoor over de vervaardiging van de bom zelf.
-Terecht merkte de president op, dat dit het eenige duistere punt in de
-zaak was.
-
-“Dus je blijft er bij, dat het kruit, dat je gebruikt hebt, dynamiet
-is. Je zult straks de deskundigen hooren, die het weliswaar niet eens
-zijn, maar die aldus geconcludeerd hebben, dat er een andere
-springstof, die zij verder niet kunnen preciseeren, gebruikt moet
-zijn... Verberg dus niets voor ons, waar je er een eer in stelt verder
-alles te zeggen.”
-
-Plotseling was Salvat kalm geworden; uiterst voorzichtig antwoordde hij
-nog slechts met monosyllaben.
-
-“Zoek, als u mij niet gelooft... Ik heb mijn bom heelemaal alleen
-gemaakt en wel op de manier, die ik reeds honderdmaal herhaald heb... U
-verwacht toch zeker niet, dat ik namen noemen, dat ik kameraden
-verraden zal.”
-
-En van die verklaring week hij niet af. Eerst tegen het einde maakte
-een onoverwinlijke ontroering zich van hem meester, toen de president
-terugkwam op het ongelukkige slachtoffer, het zoo blonde en knappe
-loopmeisje, dat het wreede noodlot daar gebracht had, om er een
-afschuwelijken dood te vinden.
-
-“Een uit je eigen kringen heb je getroffen, een arm kind, dat haar oude
-grootmoeder met haar enkele sous loon ondersteunde.”
-
-“Dat is het eenige, waar ik spijt van heb,” zeide Salvat met verstikte
-stem. “Zeker was mijn bom niet voor haar bestemd; mogen alle arbeiders,
-alle hongerlijders zich herinneren, dat zij haar bloed gegeven heeft,
-zooals ik het mijne geven zal.”
-
-Zoo eindigde het verhoor te midden van een diepe ontroering. Pierre had
-Guillaume naast zich voelen beven, terwijl de aangeklaagde zoo kalm en
-hardnekkig bleef zwijgen over de gebruikte springstof en de geheele
-verantwoordelijkheid voor de daad, die hem zijn hoofd kosten kon, op
-zich nam. En toen Guillaume zich met een niet te bedwingen beweging
-omgekeerd had, zag hij den kleinen Victor Mathis, die zich niet bewoog,
-maar nog steeds met zijn elleboog op het schot en zijn kin in zijn
-handen, met zwijgenden hartstocht stond te luisteren. Maar zijn gezicht
-was nog bleeker, zijn vurige oogen geleken op twee groote gaten,
-waardoor men den wrekenden brand zag, welks vlammen niet meer uitgaan
-zouden.
-
-In de zaal heerschte eenige minuten een geroezemoes van stemmen.
-
-“Die Salvat ziet er heel goed uit,” zeide de prinses; “hij heeft zulke
-liefdevolle oogen... Neen, neen, mijnheer de afgevaardigde, u mag geen
-kwaad van hem zeggen. U weet, dat ik ook anarchistisch aangelegd ben.”
-
-“Ik zeg heelemaal geen kwaad van hem,” antwoordde Dutheil vroolijk,
-“evenmin als onze vriend Amadieu recht heeft dat te doen, want deze
-zaak heeft hem op het toppunt van zijn roem gebracht... Nooit heeft men
-zooveel over hem gesproken, en dat vindt hij heerlijk. Nu is hij de
-meest bekende en beroemde rechter van instructie, die doen en worden
-kan wat hij wil.”
-
-Massot vatte met zijn ironische onbeschaamdheid den toestand samen.
-
-“Ja, als het de anarchie goed gaat, gaat alles goed... Deze bom heeft
-de zaken van verscheidene personen, die ik de eer heb te kennen, weer
-in het reine gebracht... Gelooft u bijvoorbeeld, dat mijn patroon
-Fonsègue, die zijn buurvrouw zoo galant het hof maakt, zich te beklagen
-heeft? En gelooft u, dat Sanier, die zoo’n hooge borst zet achter den
-president en die veel meer zou thuis hooren tusschen de vier gendarmes,
-Salvat niet uiterst dankbaar zijn moet voor de reclame, die hij op den
-rug van dien ongelukkige heeft kunnen slaan. En nu spreek ik nog niet
-eens van de politici of van de geldmannen of van al degenen, die in
-troebel water visschen...”
-
-“Maar zeg eens,” viel Dutheil hem in de rede; “ik geloof, dat u ook een
-aardig voordeeltje uit het geval geslagen hebt... Dat interview van de
-kleine Céline zal u wel een aardigen duit opgeleverd hebben.”
-
-Inderdaad was Massot op het geniale denkbeeld gekomen madame Théodore
-en de kleine Céline op te zoeken en zijn bezoek met allerlei roerende
-en intieme bijzonderheden in den Globe te vertellen. Het artikel had
-een buitengewoon succes gehad; de aardige antwoorden, die Céline over
-haar gevangen genomen vader gegeven had, troffen alle gevoelige zielen
-zoo zeer, dat dames in equipages naar de beide arme schepsels kwamen,
-de aalmoezen toestroomden en zelfs de menschen, die het hoofd van den
-vader eischten, voor het kind de grootste sympathie hadden.
-
-“Maar ik klaag heelemaal niet over het voordeeltje,” antwoordde de
-journalist. “Ieder verdient wat hij kan en zooals hij kan.”
-
-Op dat oogenblik herkende Rosemonde achter zich Guillaume en Pierre, en
-haar verbazing, toen zij den laatste in een gewone jas zag, was zóó
-groot, dat zij hem niet durfde aanspreken. Zij boog zich wat voorover
-en deelde ongetwijfeld haar verbazing aan Dutheil en Massot mede, want
-zij keerden zich beiden om; maar uit discretie deden beiden ook of zij
-niets zagen. De hitte werd onverdragelijk; een dame was flauw gevallen.
-En weer verkreeg de lispelende stem van den president stilte.
-
-Salvat stond met enkele blaadjes papier in zijn hand en wist met moeite
-te kennen te geven, dat hij zijn verhoor wilde aanvullen door een
-verklaring, die hij van te voren gereed gemaakt had en waarin hij de
-redenen, die hem tot zijn daad hadden gebracht, uiteenzette. Verbaasd
-en heimelijk boos aarzelde mijnheer de Larombardière en trachtte een
-dergelijke verklaring te beletten, maar daar hij begreep, dat hij den
-beschuldigde den mond niet snoeren kon, gaf hij hem met een geprikkeld
-en tevens minachtend gebaar verlof zijn verklaring voor te lezen.
-Salvat begon; eerst stotterde hij, vergiste hij zich en legde hij
-enkele malen een buitengewonen nadruk op woorden, waarover hij
-zichtbaar zeer voldaan was. Het was de kreet van lijden en opstand,
-dien reeds zoovele onterfden uitgestooten hadden: de vreeselijke
-ellende in de laagste klassen, de arbeider kon van zijn werk niet
-leven, een geheele klasse, en nog wel de talrijkste en de meest
-waardige, stierf van honger, terwijl anderzijds de bevoorrechten, de
-met rijkdom volgepropten, zelfs de kruimels van hun tafel weigerden en
-niets van het gestolen fortuin wilden teruggeven. Men moest hun dus
-alles weer ontnemen, hen door vreeselijke waarschuwingen uit hun
-egoïsme wekken, hun met bomaanslagen aankondigen, dat de dag der
-gerechtigheid gekomen was.
-
-En dit woord gerechtigheid stiet de ongelukkige uit met een donderende
-stem, die de geheele zaal vulde. Maar de grootste ontroering verwekte
-de prophetie, waarmede hij eindigde, nadat hij zijn leven ten offer
-gebracht had, terwijl hij den gezworenen toeriep, dat hij van hen niets
-anders dan den dood verwachtte: andere martelaars zouden uit zijn bloed
-geboren worden. Men kon hem naar het schavot zenden, hij wist, dat zijn
-voorbeeld andere helden zou verwekken. Na hem een andere wreker, en nog
-een, steeds weer andere, totdat de oude verrotte maatschappij instorten
-zou, om plaats te maken voor de maatschappij van gerechtigheid en
-geluk, waarvan hij de apostel was.
-
-Tot tweemaal toe was de ongeduldig wordende president hem in de rede
-gevallen, maar Salvat bleef met de onverstoorbaarheid van een dweper,
-die bang is de belangrijke woorden slecht te zeggen, doorlezen. Aan
-deze verklaring had hij blijkbaar, sedert hij in de gevangenis zat,
-gewerkt. Hij bezegelde daarmede zijn zelfmoord, hij gaf daarmede zijn
-leven in ruil voor den roem voor de menschheid gestorven te zijn. Toen
-hij klaar was, ging hij weer met schitterende oogen, roodgekleurde
-wangen en een uitdrukking van groote, innerlijke vreugde tusschen de
-gendarmen zitten.
-
-Om het effect van deze verklaring te niet te doen, ging de president
-onmiddellijk tot het hooren der getuigen over. Het was een eindelooze
-reeks, die slechts matig belang inboezemde, daar geen van allen
-opzienbarende onthullingen te doen had. De fabrikant Grandidier
-vertelde eenvoudig, dat hij Salvat wegens anarchistische propaganda had
-moeten ontslaan, terwijl Toussaint, Salvat’s zwager, zonder te liegen,
-alles zoo gunstig mogelijk voorstelde. Een lange discussie had plaats
-tusschen de deskundigen, die het nu in het openbaar evenmin eens worden
-konden als in hun rapporten, want, al stemden zij allen overeen in hun
-verklaring, dat het gebruikte kruit geen dynamiet kon zijn, over de
-samenstelling daarvan gaven zij de meest uiteenloopende en
-tegenstrijdige meeningen te kennen.
-
-Vervolgens werd een rapport van den beroemden geleerde Bertheroy
-voorgelezen, die alles zeer juist resumeerde door te concludeeren, dat
-men hier te doen had met een nieuwe, buitengewoon krachtige springstof,
-waarvan hij zelf de formule niet kende. Na Mondésir en Dupot, die van
-de klopjacht in het Bois de Boulogne vertelden, en de grootmoeder van
-het jonge loopmeisje, die men de wreedheid gehad had als getuige te
-dagvaarden, volgde een groot aantal getuigen à décharge, een eindelooze
-rij meesterknechts, kameraden en vrienden van Salvat, die allen
-verklaarden, dat hij een fatsoenlijke man, een knap en dapper werkman
-was, die nooit dronk, zijn dochtertje aanbad en niet in staat was, om
-een laagheid te begaan.
-
-Het was reeds vier uur vóór het getuigenverhoor ten einde liep. In de
-brandend-heete zaal heerschte een koortsachtige uitputting, die het
-bloed naar het gelaat dreef, terwijl een soort roodachtig stof het door
-de ramen binnenvallende, verbleekende licht verduisterde. Vrouwen
-bewogen haar waaiers op en neer, mannen veegden hun voorhoofd af. Maar
-de hartstocht, dien het schouwspel opwekte, deed in aller oogen een
-harde vreugde ontvlammen.
-
-“Ik had zoo gehoopt om vijf uur bij een vriendin een kop thee te
-drinken,” zuchtte Rosemonde. “Ik zal nog omkomen van honger.”
-
-“We zullen minstens tot zeven uur blijven moeten,” zeide Massot; “maar
-ik durf u niet aanbieden een broodje voor u te halen, want ze zouden
-mij niet meer binnenlaten.”
-
-Onder de voorlezing van Salvat’s verklaring had Dutheil ieder oogenblik
-zijn schouders opgehaald.
-
-“Alles wat hij zegt, is zoo vreeselijk kinderachtig! Om voor zoo iets
-te willen sterven! Rijken en armen zullen er altijd zijn! En het staat
-ook vast, dat men, als men arm is, niets anders wil dan rijk worden.
-Dat hij hier op deze bank zit, komt alleen, omdat het hem niet gelukt
-is rijk te worden.”
-
-Pierre was zeer ontroerd en maakte zich ongerust over zijn broeder, die
-bleek en zwijgend naast hem zat. Hij zocht zijn hand, drukte die
-heimelijk en vroeg zacht:
-
-“Voel je je niet goed? Willen we liever weggaan?”
-
-Maar Guillaume beantwoordde zijn handdruk; hij had niets, hij zou,
-niettegenstaande alles hem bitter stemde, blijven tot het einde.
-
-Nu nam de procureur-generaal Lehmann streng het woord. Men wist, dat
-hij, ondanks zijn stijfhoofdig Jodengezicht in alle politieke kringen
-relaties had en zich door zijn soepelheid steeds wist aan te sluiten
-bij hen, die aan het bewind waren, wat zijn vlugge carrière en de
-gunsten, waarmede hij overladen werd, zeer goed verklaarde. Het was
-algemeen bekend, dat hij de advocaat der regeering was, en inderdaad
-maakte hij dadelijk bij de eerste zinnen een toespeling op het dien
-ochtend benoemde nieuwe ministerie, op den sterken man, die het op zich
-genomen had de goeden gerust te stellen en de slechten te doen beven.
-Dan viel hij met een buitengewone heftigheid op Salvat aan, herhaalde
-de geheele geschiedenis, schilderde hem als een bandiet, een geboren
-misdadiger, een monster, dat eindelijk wel tot den lafst denkbaren
-aanslag komen moest.
-
-Vervolgens werd de anarchie gegeeseld; de anarchisten waren slechts een
-troep vagebonden en dieven. Men had bij de plundering van het hôtel de
-Hardt gezien wat die apostelen der ware leer eigenlijk waren. Ziedaar,
-waarop de toepassing van die theorieën uitliep: op geplunderde en
-bevuilde huizen, tot eindelijk de groote plunderingen en moordpartijen
-komen zouden. Bijna twee uur sprak hij op die wijze door, waarbij hij
-weinig lette op waarheid en logica, doch vooral trachtte te werken op
-de phantasie, den schrik, die Parijs reeds drie maanden lang
-doorschokte, uitbuitte en het arme kleine slachtoffer als een bloedig
-vaandel zwaaide. En hij eindigde, zooals hij begonnen was: hij sprak
-den gezworenen moed in, zeide hun, dat zij hun plicht doen en den
-moordenaar veroordeelen konden, nu de regeering vast besloten was niet
-terug te wijken voor bedreigingen.
-
-Nu sprak op zijn beurt de met de verdediging belaste advocaat. Wat hij
-te zeggen had, zeide hij met een werkelijk volmaakte juistheid en
-helderheid. Hij behoorde tot een andere school, was zeer eenvoudig,
-alleen geestdriftig voor de waarheid. Hij bepaalde er zich toe de
-geschiedenis van Salvat in het ware licht te plaatsen, aan te toonen,
-hoe hij van zijn jeugd af aan onder den druk van de sociale
-verhoudingen gestaan had, uit te leggen hoe deze laatste daad samenhing
-met alles wat hij geleden had, met alles, wat in zijn dwepersbrein
-ontkiemd was. Was zijn misdaad niet de misdaad van allen? Voelde een
-ieder zich niet eenigszins mede-verantwoordelijk voor deze bom, die een
-arme, van honger omkomende werkman was gaan werpen in de woning van een
-rijke, wiens naam voor hem de onrechtvaardige verdeeling: aan de eene
-zijde zooveel genot, aan de andere zooveel ontberingen, beteekende?
-Wanneer in onze onrustige en woelige tijden te midden van de brandende
-problemen, die opgeworpen waren, een van ons het hoofd verliest en het
-geluk op weldadige wijze verhaasten wil, moeten wij hem dan in naam der
-gerechtigheid uit den weg ruimen, terwijl toch ook geen onzer zweren
-kan, dat hij niet medeplichtig is aan dien dood van waanzin? Lang
-weidde hij uit over het historische oogenblik, waarop deze zaak zich
-afspeelde: zooveel schandalen, zulk een ineenstorting van alles, nu
-onder zoo vreeselijk lijden en strijden een nieuwe wereld zoo pijnlijk
-uit de oude geboren werd. En ten slotte bezwoer hij de gezworenen hun
-menschelijk hart te laten spreken, zich niet te laten medesleepen door
-de hartstochten van de straat, de verschillende klassen te verzoenen
-door een wijs oordeel in plaats van den strijd tot in het oneindige te
-rekken door den hongerlijders een nieuwen martelaar te geven, die
-gewroken moest worden.
-
-Het was reeds over zessen, toen mijnheer de Larombardière met zijn
-scherp en zoo grappig stemmetje aan de jury de talrijke vragen, die
-haar gesteld werden, voorlas. Dan trok het Hof zich weer terug en begaf
-de jury zich weer naar de zaal, waar zij moest beraadslagen, terwijl
-men den aangeklaagde wegleidde. Onder het publiek heerschte een
-lawaaierige spanning, een koortsachtig-ongeduldig geroezemoes. Weer
-waren dames flauw gevallen; ook een heer, die niet tegen de benauwde
-hitte bestand was, had men uit de zaal moeten brengen. De anderen
-echter bleven hardnekkig wachten; geen enkele ging weg.
-
-“Het zal niet lang duren,” zeide Massot. “De gezworenen hebben het
-doodvonnis in hun zak medegebracht. Ik heb naar hen gekeken, toen die
-kleine advocaat zoo flink tegen hen sprak. Je kon ze nauwlijks zien,
-maar hun in het donker gedompelde gezichten hadden een slaperige
-uitdrukking. Ik zou wel eens willen weten, wat er in hun hersens
-omging?”
-
-“En hebt u nog altijd honger?” vroeg Dutheil aan de prinses.
-
-“O, ik verga... Ik zal onmogelijk eerst naar huis kunnen gaan. U zult
-ergens iets met me moeten gaan gebruiken!... Maar het is toch wel
-interessant om te zien hoe met een Ja en een Neen over het leven van
-een mensch beslist wordt.”
-
-Toen Pierre merkte hoe koortsachtig opgewonden en wanhopig Guillaume
-was, had hij diens hand weer in de zijne genomen. Geen van beiden sprak
-een woord in de diepe troosteloosheid, welke zich om tallooze redenen,
-die zij zelf niet precies zouden hebben kunnen omschrijven, van hen
-meester maakte. Het kwam hun voor alsof al de menschelijke ellende, hun
-eigen ellende, de liefde, de hoop, de smart, waaronder zij leden, in
-deze zaal zweefden, die doorhuiverd werd door het drama, dat de
-zelfzucht van sommigen en de lafheid van anderen hier zouden afspelen.
-
-“Heb ik niet gezegd, dat het niet lang zou duren,” vroeg Massot.
-
-En inderdaad kwam na een beraadslaging van een kwartier de jury weer
-binnen en schuifelde met luid schoenenlawaai langs de eikenhouten bank.
-Dan verscheen ook het Hof weer. De spanning in de zaal was verdubbeld.
-Sommigen waren opgestaan, anderen stootten onwillekeurig lichte kreten
-uit. De voorzitter der jury, een dikke man met een rood, breed gezicht,
-moest wachten voor hij het woord nemen kon. Dan zeide hij met een
-scherpe, eenigszins stotterende stem:
-
-“Op eer en geweten, voor God en de menschen, het antwoord der jury
-luidt op de vraag: Moord? Ja, met meerderheid van stemmen.”
-
-De avond was bijna gevallen, toen Salvat weer binnengeleid werd.
-Terwijl hij zich, eveneens staande, tegenover de half in het donker
-gehulde jury bevond, werd zijn gelaat door de laatste zonnestralen
-verlicht. De rechters zelf verdwenen, hun roode toga’s schenen zwart.
-Welk een aanblik bood dit magere, vleeschlooze gezicht van Salvat, die
-met droomerige oogen luisterde, terwijl de griffier de beslissing der
-jury voorlas!
-
-Toen het weer stil werd, zonder dat er van verzachtende omstandigheden
-sprake was, begreep hij alles en lichtte zijn gelaat, dat een
-kinderlijke uitdrukking behield, op.
-
-“Dus de dood? Dank u, heeren!”
-
-Dan wendde hij zich naar het publiek en trachtte in het toenemend
-donker de gezichten van zijn kameraden, die hij wist, dat daar waren,
-te zien. Ditmaal had Guillaume den beslisten indruk, dat hij hem
-herkend had, hem nog eenmaal een liefdevollen groet toezond, waarin hij
-nogmaals zijn dankbaarheid uitdrukte voor het stuk brood, dat hij op
-een dag van ellende van hem gekregen had. Maar blijkbaar had hij ook
-Victor Mathis gegroet, want weer zag Guillaume achter zich den jongen
-man met wijd opengesperde, starre oogen en een verschrikkelijke
-uitdrukking om zijn mond.
-
-Het overige, de laatste vragen, de overwegingen van het Hof, de
-uitspraak van het vonnis, alles werd bedekt door de deining, die de
-zaal in beweging bracht. Onbewust had men eenig medelijden gekregen en
-aan de bevrediging, waarmede het doodvonnis opgenomen werd, paarde zich
-eenige verbijstering.
-
-Toen Salvat tusschen de gendarmen werd weggeleid, stiet hij met
-doordringende stem den kreet uit:
-
-“Leve de anarchie!”
-
-Niemand nam aanstoot aan dien kreet. Het publiek verspreidde zich in
-een gevoel van malaise, als had de overmatige inspanning de
-hartstochten afgestompt. Werkelijk het schouwspel was te lang en te
-afmattend geweest. Het deed goed weer frissche lucht in te ademen.
-
-In de salle des Pas-Perdus kwamen Guillaume en Pierre langs Dutheil en
-de prinses, die aangesproken waren door generaal de Bozonnet en
-Fonsègue. Alle vier spraken luid, klaagden over hitte en honger, maar
-waren het er ten slotte over eens, dat de zaak niet bijzonder
-interessant was geweest. Maar eind goed, al goed. De veroordeeling van
-Salvat was, zooals Fonsègue zeide, een politieke en sociale
-noodzakelijkheid.
-
-Op den Pont-Neuf leunde Guillaume een oogenblik tegen de borstwering,
-terwijl Pierre eveneens keek naar den breeden, grijzen stroom der
-Seine, dien de weerkaatsingen der eerste lantaarns vlammen deed. Een
-frissche ademtocht steeg op uit de rivier: het was het heerlijk uur,
-waarop de zachte nacht het zich ontspannende Parijs bedekken komt.
-Zwijgend ademden de beide broers dezen troost in. Pierre’s wond brak
-weer open: hij had immers moeten beloven weer naar Montmartre terug te
-gaan ondanks de marteling, die hem daar wachtte. Ook Guillaume voelde
-zijn argwaan weder ontwaken, zijn onrust, dat hij Marie zoo
-koortsachtig en door een nieuw gevoel, dat zij zelf niet kende,
-veranderd had gezien. Stonden dien twee mannen, die elkander zoo
-hartelijk lief hadden, weer nieuw lijden, nieuw strijden, nieuwe
-hinderpalen voor hun geluk te wachten?
-
-Toen zij op de kade kwamen, zag Guillaume Victor Mathis alleen in het
-donker voor zich uitloopen. Hij sprak hem aan en begon over zijn
-moeder. Maar de jonge man luisterde niet, doch zeide met een stem, die
-scherp en snijdend was als een mes:
-
-“Zij willen bloed... Zij kunnen hem een kopje kleiner maken, hij zal
-gewroken worden.”
-
-
-
-
-V.
-
-In het gewoonlijk zoo lichte en zoo vroolijke atelier te Montmartre
-leken de eerstvolgende dagen somber, als had het groote vertrek zich
-met droefheid en zwijgen gevuld. Toevallig waren ook de drie zoons niet
-thuis. Thomas ging ’s ochtends vroeg reeds naar de fabriek om proeven
-te nemen met zijn motor; François studeerde hard voor zijn examen en
-was bijna altijd in de École Normale; Antoine werd geheel in beslag
-genomen door een werk bij Jahan, waar de vreugde zijn kleine vriendin
-Lise tot het leven te zien ontwaken hem langer hield dan noodig was.
-Guillaume was dus zoo goed als alleen met Grootmoeder, die steeds met
-het een of ander naaiwerk bij het raam zat, terwijl Marie door het huis
-op- en neerliep en slechts in het atelier was te vinden, wanneer Pierre
-zelf er was.
-
-In deze droefgeestige stemming van hun vader zagen allen niets anders
-dan de heimelijke woede, het wanhopige verzet, waartoe de veroordeeling
-van Salvat hem gebracht had. Na zijn terugkeer uit de rechtzaal had hij
-zich vreeselijk opgewonden, gezegd, dat het een sociale moord, een
-uitdaging van den klassenstrijd was, wanneer men dien ongelukkige
-terechtstelde; en allen hadden eerbiedig het hoofd gebogen voor de
-smartelijke heftigheid van dien kreet, stoorden den vader niet in zijn
-gedachten, die hem uren lang zwijgend en bleek voor zich uit deden
-staren. Zijn oogen bleven koud, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds
-laat deed hij niets anders dan de plannen en dossiers van zijn nieuwe
-uitvindingen bestudeeren: de nieuwe springstof, de vreeselijke machine,
-die hij zoo lang gedroomd had aan Frankrijk te schenken, opdat het,
-heerschend over de naties, eenmaal de wereld de overwinning van
-waarheid en gerechtigheid op zou kunnen leggen. Maar gedurende de
-eindelooze uren, die hij zoo voor zijn op de tafel verspreid liggende
-papieren zat, hield hij op ernaar te kijken, staarden zijn blikken in
-de verte, gingen allerlei gedachten door zijn brein: twijfel misschien
-omtrent de deugdelijkheid van zijn plan, angst, dat zijn verlangen om
-de volkeren te verzoenen hen in een eindeloozen verdelgingsoorlog
-werpen zou. O, hij had oprecht geloofd, dat dit groote Parijs het brein
-van de wereld was, tot taak had de toekomst te verwekken—en zie, welk
-een afschuwelijk schouwspel bood het hem nu: zooveel domheid, zooveel
-schande, zooveel onrechtvaardigheid! Was het werkelijk rijp genoeg voor
-de taak, die hij het wilde toevertrouwen, de taak, om de menschheid
-geluk te brengen? Wanneer hij zijn formules weer begon te lezen en te
-verifieeren, vond hij zijn oude energie niet terug en slechts de
-gedachte aan zijn aanstaand huwelijk deed hem zijn plan weer opvatten;
-hij zeide tot zichzelf, dat alles reeds sedert te lang geregeld was dan
-dat hij het nu nog veranderen kon.
-
-Zijn huwelijk! Was dat niet de gedachte, die Guillaume vervolgde, die
-hem nog meer verontrustte dan zijn werk als geleerde, dan zijn
-hartstocht van vrij burger? Onder al de zorgen, die hij zich bekende,
-was nog een andere verborgen, die hij zichzelf niet durfde bekennen en
-die hem angst aanjoeg. Iederen dag herhaalde hij tot zichzelf, dat hij
-zijn geheim aan den minister van Oorlog zou mededeelen, zoodra hij met
-Marie getrouwd was, om haar in zijn roem te laten deelen. Met Marie
-trouwen! Met Marie trouwen! De gedachte vervulde hem telkens met een
-brandende koorts en een heimelijke onrust. Dat hij nu zweeg, dat hij
-zijn kalme vroolijkheid verloren had, vond zijn reden daarin, dat hij
-een geheel nieuw, hem onbekend leven van haar voelde uitstroomen. Zij
-werd ongetwijfeld anders; hij voelde, dat zij als het ware verder van
-hem afstond, en begon daarom, wanneer Pierre er was, hen beiden gade te
-slaan.
-
-Pierre kwam zelden, en dan was hij verlegen, eveneens anders geworden.
-De ochtenden echter, dat hij kwam, was het alsof er in Marie een
-geheele metamorphose plaats greep, scheen het huis als het ware een
-andere ziel te krijgen. Toch viel er tusschen hen niets voor, dat niet
-onschuldig en broederlijk was. Zij schenen slechts goede kameraden te
-zijn, hun vingers raakten elkaar zelfs niet aan, en zij praatten zonder
-een kleur te krijgen. Een beven ging onwillekeurig van hen uit—een
-ademtocht, die fijner was dan een lichtstraal of een geur. Na verloop
-van enkele dagen kon Guillaume niet langer twijfelen. Hij had niets
-gezien, maar hij was overtuigd, dat de twee kinderen, zooals hij ze
-vaderlijk genoemd had, elkander liefhadden.
-
-Toen hij op den ochtend van een prachtigen dag geheel alleen met
-Grootmoeder tegenover het bezonde Parijs zat, verviel hij in een nog
-angstiger gepeins dan gewoonlijk. Hij keek haar strak aan, terwijl zij
-in haar koninklijke rust op haar gewone plaats, zonder bril nog steeds,
-naaide. Misschien zag hij haar heelemaal niet. Van tijd tot tijd
-richtte zij haar hoofd op en keek hem aan, alsof zij een biecht
-verwacht had, die niet kwam.
-
-“Guillaume, wat heb je toch in den laatsten tijd?” vroeg zij eindelijk,
-toen het zwijgen eindeloos voort bleef duren. “Waarom zeg je me niet,
-wat je me te zeggen hebt?”
-
-Het was alsof hij weer op de aarde nederdaalde.
-
-“Wat ik u te zeggen heb?” antwoordde hij verwonderd.
-
-“Ja, ik weet wat jij weet, en omdat je toch hier in huis niets doen
-wilt, zonder mij te raadplegen, dacht ik, dat je er met mij over zoudt
-spreken.”
-
-Hij was zeer bleek geworden en begon te beven: hij had zich dus niet
-vergist, nu Grootmoeder zelf het blijkbaar ook wist? Daarover te
-spreken zou gelijk staan met een lichamelijken vorm aan zijn vermoedens
-te geven, datgene wat tot nog toe slechts in zijn idee bestaan kon, tot
-iets wezenlijks te maken.
-
-“Het was onvermijdelijk, beste jongen. Van af de eerste dagen heb ik
-het zien aankomen, en de eenige reden, waarom ik niets gezegd heb, is
-dat ik dacht, dat jij een diepe bedoeling met alles hadt... Maar sedert
-ik je zoo zie lijden, begrijp ik heel goed, dat ik mij vergist heb.”
-
-En toen hij haar nog steeds verward en bevend aan bleef kijken:
-
-“Ja, ik dacht, dat je dat zelf wilde, dat je door je broer hier in huis
-te brengen wilde weten of Marie een andere liefde voor je bezat dan als
-voor een vader... Er bestond daar een zeer goede reden voor: het groote
-verschil in leeftijd, voor jou gaat het leven ten einde en voor haar
-begint het, geheel afgezien nog van je werk, van de taak, die je jezelf
-gesteld hebt.”
-
-Dan kwam hij met smeekend opgeheven handen naar haar toe en riep uit:
-
-“O, spreek duidelijk, zeg mij wat u denkt. Ik begrijp het niet, mijn
-arm hart wordt zoo gemarteld, en ik zou zoo gaarne weten, handelen, een
-besluit nemen!... U heb ik lief, u vereer ik als een moeder, ik ken uw
-groot verstand, ik heb uw raad altijd opgevolgd. En u hebt dit
-vreeselijke zien aankomen, u hebt alles zijn gang laten gaan op gevaar
-af mij daaraan te zullen zien sterven? Waarom, waarom hebt u dat
-gedaan?”
-
-Over het algemeen hield zij er niet van veel te spreken, als souvereine
-koningin leidde zij het huis, zonder rekenschap van haar daden te
-moeten geven. Dat zij wat zij dacht en wat zij wilde nooit geheel
-uitsprak, vond zijn reden hierin, dat de vader en de zoons, van haar
-volmaakte wijsheid overtuigd, alles geheel aan haar overlieten. En deze
-eenigszins raadselachtige zijde van haar karakter deed haar nog grooter
-schijnen.
-
-“Waartoe zijn woorden noodig, wanneer de feiten spreken?” zeide zij
-zacht zonder met werken op te houden. “Zeker, ik heb je huwelijksplan
-goedgekeurd, want ik begreep, dat Marie, om hier te kunnen blijven, met
-je trouwen moest; en bovendien waren er nog vele andere redenen,
-waarover we nu niet verder behoeven te praten... Maar de komst van
-Pierre heeft alles veranderd en alles weer in zijn natuurlijke orde
-teruggebracht. Is dat niet beter?”
-
-Hij durfde haar nog steeds niet begrijpen.
-
-“Beter, terwijl ik de hevigste martelingen lijd, terwijl mijn leven
-verwoest is?”
-
-Nu stond zij op, kwam strak, hoogopgericht, in haar zwarte japon, met
-haar bleek, streng en energiek gelaat naar hem toe.
-
-“Jongen, je weet, dat ik je liefheb, dat ik je groot en edel zien
-wil... Een paar maanden geleden ben je bang geweest en is dit huis
-bijna in de lucht gevlogen. En nu zit je deze heele week al verstrooid
-achter je dossiers, en je plannen, als iemand die door zwakte overmand
-is, die twijfelt en niet meer weet waarheen hij gaan moet... Geloof me,
-je bent op den slechten weg; het is beter, dat Pierre met Marie trouwt,
-voor hen en voor jou.”
-
-“Voor mij? O, neen, neen!... Wat moet er van mij worden?”
-
-“Jij, mijn jongen, zult kalm worden en nadenken. De rol, die je nog te
-spelen hebt, is zoo zwaar—je staat op het punt je ontdekking
-wereldkundig te maken. Het schijnt mij toe alsof je blik niet zoo
-helder meer is, alsof je verkeerd zult handelen, wanneer je geen
-rekenschap houdt met de omstandigheden van het probleem... Ik voel, dat
-je iets anders te doen hebt. In het kort lijd, als het zijn moet, maar
-blijf de man van je denkbeeld!”
-
-Dan verliet zij de kamer, terwijl zij er met een moederlijken glimlach,
-om haar strengheid wat te verzachten, aan toevoegde:
-
-“Je dwingt me tot noodelooze praatjes, want ik weet veel te goed, dat
-jij te hoog staat, om niet in alles het eenige goede te doen, dat
-niemand anders doen zou.”
-
-Toen Guillaume alleen gebleven was, verzonk hij weer in een
-koortsachtig nadenken. Wat had zij met haar weinige, half-geheimzinnige
-woorden willen zeggen? Hij wist, dat zij hing aan alles wat goed,
-natuurlijk en noodzakelijk was. Maar zij dreef hem tot een hooger
-heroïsme, zij had een helder licht geworpen op het onduidelijke
-onbehagelijke gevoel, dat zijn oud plan, om zijn geheim aan den een of
-anderen minister van Oorlog—het kwam er niet op aan welken, dengenen,
-die toevallig aan het bewind was mede te deelen,—hem gaf. Terwijl hij
-haar met haar ernstige stem hoorde herhalen, dat hij iets anders, iets
-beters te doen had, werd zijn aarzeling grooter, zijn tegenzin sterker.
-En plotseling rees het beeld van Marie voor hem; zijn arm hart brak bij
-de gedachte, dat men hem vroeg van haar af te zien. Marie niet meer de
-zijne te noemen, haar aan een ander te geven, neen, neen, dat ging
-boven zijn menschelijke kracht! Nooit zou hij dien afschuwelijken moed
-hebben, om deze laatste liefdevreugde, die hij zich beloofd had, op te
-geven.
-
-Twee dagen lang streed hij een vreeselijken strijd, waarin hij de zes
-jaren, die het jonge meisje reeds in het kleine gelukkige huisje
-geleefd had, herleefde. In den beginne was zij als het ware zijn
-aangenomen dochter geweest, en later, toen de gedachte aan een huwelijk
-met haar opkwam, had hij die met een kalme vreugde aanvaard, in de
-hoop, dat een dergelijke verbintenis een geluk voor allen in zijn
-omgeving zijn zou. Hij had tot nog toe alleen geweigerd te hertrouwen,
-omdat hij er tegen opzag zijn kinderen een nieuwe, onbekende moeder op
-te dringen; hij gaf aan de bekoring nog eenmaal lief te hebben en niet
-meer alleen te leven slechts toe, toen hij aan zijn haard zelf deze
-jeugdige bloem vond, deze vriendin, die ondanks het groote verschil in
-leeftijd de zijne wilde worden. Dan waren maanden verstreken, ernstige
-gebeurtenissen hadden hen gedwongen den datum te verschuiven, zonder
-dat hij daaronder te zeer leed. De zekerheid, dat zij op hem wachtte,
-was voor hem voldoende geweest. En thans, nu plotseling het gevaar
-dreigde, dat hij haar zou verliezen, brak en bloedde zijn zoo kalm
-hart. Nooit zou hij geloofd hebben, dat de band zoo vast toegeknoopt
-was, dat zij zoo diep in zijn hart wortelde. Voor dezen bijna
-vijftigjarigen man beteekende dit het losrukken zelf van de vrouw, van
-de laatste, die hij lief had en begeerde, en die des te begeerlijker
-was, omdat zij als het ware de jeugd verpersoonlijkte, welker geur hij
-niet meer inademen zou, als hij haar verloor.
-
-Een waanzinnige, met toorn vermengde begeerte vlamde in hem op: hij
-wilde haar bezitten, en de gedachte, dat een ander hem haar was komen
-ontnemen, maakte zijn marteling nog erger.
-
-Een nacht vooral, toen hij alleen in zijn kamer was, werd zijn kwelling
-bijna ondragelijk. Om de anderen niet wakker te maken, smoorde hij zijn
-snikken in zijn kussen. En toch was alles zoo eenvoudig: daar Marie
-zich gegeven had, zou hij haar houden. Hij had haar woord; hij zou haar
-dwingen het te houden, dat was alles! Dan zou hij haar tenminste alleen
-bezitten, zonder dat een ander eraan denken kon haar hem te ontstelen.
-En plotseling rees het beeld van dien ander in hem op, zijn broeder,
-den vergetene, dien hij uit liefde zelf gedwongen had in zijn familie
-te komen. Maar zijn smart was te groot: hij zou dien broeder wegjagen,
-een woede tegen hem greep hem aan, waarvan de heftigheid hem geheel
-krankzinnig maakte. Zijn broeder, zijn geliefde broeder! Het was dus
-uit met hun liefde, zij zouden elkaar met haat en toorn vergiftigen.
-Uren lang ijlde hij en zocht naar een middel, om Pierre te verwijderen,
-opdat wat gekomen was, niet verder geschieden zou. Nu en dan kreeg hij
-zijn zelfbeheersching terug en verwonderde zich, dat ondanks zijn hooge
-rede, ondanks de langjarige ervaring van den arbeid een dergelijke
-storm in hem losbreken kon. Maar in zijn kinderziel, die hij altijd
-bewaard had, woedde altijd zoo’n storm; naast de onverbiddelijke logica
-en zijn eenig geloof aan het waarneembare was in hem steeds een hoekje
-voor teedere gevoelens en droomerij gebleven. Zijn genie zelf had dit
-dualisme: de chemicus verbond zich op die wijze met den naar
-gerechtigheid hongerenden socialen dweper, die tot een groote liefde in
-staat was. De hartstocht sleepte hem mede; hij beweende Marie, zooals
-hij de ineenstorting van zijn droom, om den oorlog door den oorlog te
-dooden, het heil der menschheid, waaraan hij sedert tien jaar werkte,
-beweend zou hebben.
-
-Dan kwam hij in zijn uitputting tot een besluit, dat hem kalmeerde. Hij
-schaamde zich op die wijze, zonder een zekere oorzaak, wanhopig te
-zijn. Hij wilde de waarheid weten; hij zou het jonge meisje
-ondervragen: zij was eerlijk genoeg, om hem een oprecht antwoord te
-geven. Was dat niet een hen beiden waardige oplossing, die hen in staat
-zou stellen daarna een besluit te nemen. Hij sliep in en stond den
-volgenden ochtend gebroken, maar rustiger op, als had zich na dien
-heftigen storm gedurende die enkele uren van slaap een stil werk
-voltrokken.
-
-Juist dien ochtend was Marie heel vroolijk. Den vorigen dag had zij met
-Pierre en Antoine een heerlijken fietstocht gemaakt, waarvan zij
-opgewekt en verrukt thuis gekomen waren. Toen Guillaume haar in den
-tuin aansprak, kwam zij juist zingend en met bloote armen uit het
-waschhuis, waar de groote wasch gedaan werd.
-
-“Wou je me spreken, lieve vriend?”
-
-“Ja, beste meid, ik heb ernstige dingen met je te bespreken!”
-
-Zij begreep, dat het om hun huwelijk ging, en werd ernstig. Vroeger had
-zij dit huwelijk beschouwd als het eenige verstandige besluit, dat zij
-nemen kon, zonder dat zij de plichten, die zij daardoor op zich nam,
-geheel overzag. Zeker, zij trouwde met een man, die twintig jaar ouder
-was dan zij; maar zoo iets gebeurde zoo dikwijls en kwam gewoonlijk
-goed uit. Zij had niemand lief; zij kon dus over zichzelf beschikken en
-zij gaf zich in een opwelling van dankbaarheid, van zóó’n warme
-toegenegenheid, dat zij die voor liefde zelf hield. Deze verbintenis,
-die de familie nog nauwer zou toehalen, maakte allen om haar heen zoo
-gelukkig! En bij de gedachte zulk een geluk te scheppen, hadden haar
-dapperheid en haar levenslust, die haar groote bekoring uitmaakten,
-haar als het ware bedwelmd.
-
-“Wat is er?” vroeg zij eenigszins ongerust. “Toch niets slechts?”
-
-“Neen, ik heb je alleen wat te zeggen.”
-
-Hij nam haar mede onder de twee pruimeboomen, het eenige groene hoekje,
-dat in den tuin overgebleven was. Een half vermolmde bank stond nog
-tegen de seringen. En tegenover hen breidde het groote Parijs de
-eindelooze zee van zijn daken uit, die frisch en licht in de ochtendzon
-lagen.
-
-Beiden gingen zij zitten. Maar op het oogenblik, dat hij spreken, haar
-vragen wilde, voelde hij een plotselinge verlegenheid in zich opkomen,
-terwijl zijn arm hart heftig begon te kloppen, nu hij haar zoo jong,
-zoo aanbiddelijk met haar bloote armen naast zich zag.
-
-“De datum voor ons huwelijk nadert!” zeide hij eindelijk.
-
-En toen zij bij dit woord—onbewust misschien—ietwat bleek werd, voelde
-hij zich koud worden. Was er geen pijnlijke trek om haar mond gekomen?
-Was er geen sluier voor haar zoo heldere, openhartige oogen gekomen?
-
-“O, we hebben nog allen tijd voor ons!”
-
-“Zeker,” ging hij op langzamen, liefdevollen toon voort; “maar we
-moeten toch voor de formaliteiten zorgen. Dat zijn van die vervelende
-dingen, waarover ik liever vandaag met je spreken wil, dan behoeven we
-er niet meer op terug te komen.”
-
-Zonder zijn blik van haar af te wenden, sprak hij zacht verder, bleef
-stilstaan bij alles wat er gedaan moest worden, terwijl hij op haar
-gezicht naar de gevoelens keek, die de naderende beslissing daarop te
-voorschijn roepen kon. Zij was stil geworden, zat met een onbeweeglijk
-gezicht met haar handen in haar schoot, zonder het minste teeken van
-spijt of verdriet te geven. Toch was zij gedrukt. “Waarom blijf je zoo
-zwijgen, Marie?... Is er iets, dat je hindert?”
-
-“Mij? Geen quaestie van?”
-
-“Je weet, dat je vrijuit spreken kunt. Wij zullen wachten, als je
-misschien de een of andere persoonlijke reden hebt den datum nogmaals
-uit te stellen.”
-
-“Daar heb ik geen enkele reden voor. Welke reden zou ik kunnen hebben?
-Ik laat de heele regeling aan jou over.”
-
-Een zwijgen volgde. Zij had hem openhartig in zijn gelaat gekeken, maar
-een licht beven bewoog haar lippen, terwijl een onbewuste droefheid in
-haar op te stijgen en haar gezicht, dat gewoonlijk zoo helder en frisch
-als bronwater was, te verduisteren scheen. Zou zij vroeger niet
-gezongen en gelachen hebben bij de aankondiging van dit nabije
-huwelijksfeest?
-
-Dan vermande Guillaume zich tot een krachtsinspanning, die zijn stem
-beven deed.
-
-“Neem me niet kwalijk, lieve Marie, dat ik je een vraag doe?... Het is
-nog tijd mij je woord terug te geven? Ben je er zeker van, dat je mij
-liefhebt?”
-
-Zonder te begrijpen waar hij heen wilde, keek zij hem werkelijk
-verbijsterd aan.
-
-“Onderzoek je hart,” ging hij voort, toen zij met een antwoord
-aarzelde. “Heb je je ouden vriend nog wel lief, is het niet een ander?”
-
-“Ik? Guillaume, Guillaume! Waarom zeg je me dat? Wat heb ik gedaan, dat
-je er recht toe geeft zoo tegen mij te spreken?”
-
-Een echt gemeend verzet kwam in haar op; uitdagend en vrijmoedig
-richtte zij haar van oprechtheid schitterende oogen op hem.
-
-“En toch moet ik tot het bittere einde toe spreken,” ging hij moeilijk
-voort; “het gaat om het geluk van ons allen.—Ga je hart eens na, Marie.
-Je hebt mijn broer lief, je hebt Pierre lief.”
-
-“Ik, ik heb Pierre lief!... Natuurlijk houd ik van hem; ik houd van hem
-zooals ik van jullie allemaal houd; ik houd van hem, omdat hij een der
-onzen geworden is, omdat hij nu deel uitmaakt van ons leven en van onze
-vreugde... Wanneer hij hier is, voel ik mij gelukkig, en ik zou willen,
-dat hij altijd bij ons was. Ik vind het heerlijk hem te zien, hem te
-hooren, met hem uit te gaan. En laatst, toen het was, alsof zijn
-vroegere melancholie weer terugkwam, was ik daar erg verdrietig over...
-Dat is toch heel natuurlijk, niet? Ik geloof, dat ik alleen maar gedaan
-heb wat jij graag wilde, en begrijp niet hoe mijn vriendschap voor
-Pierre invloed hebben kan op ons huwelijk.”
-
-Deze woorden, die volgens haar meening Guillaume moesten overtuigen,
-lieten een smartelijk licht voor hem opgaan—zij kwam zoo vurig op tegen
-de bewering, dat zij den jongen man liefhad.
-
-“Maar je verraadt jezelf zonder het te willen, ongelukkige!... Het is
-zoo duidelijk mogelijk, je hebt mij niet lief, maar mijn broer.”
-
-Hij had haar bloote polsen genomen en drukte die met een wanhopige
-teederheid, als wilde hij haar dwingen duidelijk in zichzelf te zien.
-Maar zij bleef het ontkennen, het werd een liefdevolle, tragische
-strijd: hij wilde haar overtuigen door de duidelijkheid der feiten; zij
-bleef hardnekkig haar oogen sluiten. Vergeefs haalde hij de geheele
-geschiedenis van het begin af op, legde hij haar uit wat in haar plaats
-gegrepen had: eerst de onbewuste vijandige stemming, dan de
-nieuwsgierigheid voor dien vreemden jongen, eindelijk haar sympathie,
-toen zij zag hoe ongelukkig hij was en langzamerhand door haar van zijn
-martelingen genezen werd. Zij waren beiden jong; de natuur had het
-overige gedaan. Maar bij ieder nieuw bewijs, bij iedere nieuwe
-zekerheid, die hij haar gaf, maakte zich slechts een toenemende
-ontroering van haar meester, doorhuiverde een rilling haar geheele
-lichaam, zonder dat zij zichzelf wilde ondervragen.
-
-“Neen, neen, ik heb hem niet lief... Indien ik hem liefhad, zou ik het
-weten, zou ik het je zeggen; je kent me, ik ben niet in staat om te
-liegen.”
-
-Als een heldhaftig chirurg, die nog meer in zijn eigen vleesch dan in
-dat van anderen snijdt, bleef hij wreed aandringen, om de waarheid aan
-het licht te brengen en het geluk van allen te verzekeren.
-
-“Neen, Marie, je hebt mij niet lief. Je voelt voor mij slechts eerbied,
-dankbaarheid, een kinderlijke toegenegenheid. Herinner je je gevoelens
-uit den tijd, waarop ons huwelijk vastgesteld werd. Toen hield je van
-niemand, heb je als een onverstandig meisje mijn voorstel aangenomen,
-omdat je overtuigd was, dat ik je gelukkig maken zou, en je dat
-heerlijk, goed en juist vond... Toen kwam mijn broeder en de liefde
-ontwaakte zeer natuurlijk. Pierre en Pierre alleen heb je lief met een
-echte liefde, met de liefde die men voor een minnaar, voor een
-echtgenoot hebben moet.”
-
-Haar weerstand was uitgeput; het licht, dat tegen haar wil in haar
-opging, maakte haar bang en zij bleef hem tegenspreken.
-
-“Maar waarom verzet je je zoo, lieve kind? Ik doe je geen enkel
-verwijt. Ik zelf heb het gewild... ik, oude gek! Wat gebeuren moest, is
-gebeurd, en ongetwijfeld is het zoo goed... Ik wilde slechts de
-waarheid van je weten, om een besluit te nemen en als eerlijk man te
-kunnen handelen.”
-
-Nu was zij overwonnen; tranen sprongen in haar oogen. Zulk een scheur
-was in haar geheele wezen ontstaan, dat zij zich gebroken en
-verpletterd gevoelde als onder het gewicht van een nieuwe, tot nog toe
-niet gekende waarheid.
-
-“Het is slecht van je me te dwingen zoo in mijzelf te lezen. Ik zweer
-je nogmaals, dat ik niet wist, dat ik voor Pierre die liefde voelde,
-waarvan je spreekt. Jij hebt mijn hart geopend en de vlam, die erin
-sluimerde, aangewakkerd!... Het is zoo, ik heb Pierre lief, ik heb
-Pierre lief op de manier zooals jij zegt. Jij hebt het gewild—wat
-zullen we allen ongelukkig worden!”
-
-Zij snikte en trok in een plotseling gevoel van schaamte haar polsen
-terug. Maar hij zag, dat geen blos—die blos, waarover zij zich zoo
-ergerde—haar wangen kleurde; dat kwam, omdat haar maagdelijke eer hier
-niet bij betrokken was, want zij had zich inderdaad geen enkel verraad
-te verwijten; hij alleen had haar gedwongen tot de liefde te ontwaken.
-Een oogenblik keken zij elkaar door hun tranen heen aan: zij, zoo
-gezond, zoo krachtig met haar breeden, door het luide kloppen van haar
-hart opzwellenden boezem, met haar tot den schouder bloote, mooie en
-stevige armen; hij, nog zoo levenskrachtig met zijn dicht, dik, grijs
-haar, zijn zwart gebleven snor, die aan zijn trekken een zoo energieke,
-krachtige uitdrukking gaven. Ja, het was uit, het onvermijdelijke was
-geschied, had hun leven veranderd.
-
-“Je hebt mij niet lief, Marie; ik geef je je woord terug,” zeide hij
-eindelijk edelmoedig.
-
-Maar zij weigerde met dezelfde edelmoedigheid:
-
-“Nooit zal ik het terugnemen, want ik heb het je in volle bewustheid
-gegeven en ik heb niet opgehouden dezelfde liefde, dezelfde bewondering
-voor je te gevoelen.”
-
-Maar met zijn gebroken stem, die van lieverlede weer sterker werd, ging
-hij door:
-
-“Je hebt Pierre lief, je moet met Pierre trouwen.”
-
-“Neen, ik behoor jou toe: een uur kan niet losmaken wat jaren
-vastgeknoopt hebben... Nogmaals ik zweer je, dat ik, wanneer ik Pierre
-liefheb, het vanochtend nog niet wist. Laat alles blijven zooals het
-is, martel me niet langer, dat zou te wreed zijn.”
-
-Met het gebaar van een vrouw, die zich tot haar schrik plotseling naakt
-ziet, sloeg zij haar mouwen neer en trok die over haar armen, als om
-zich geheel te verbergen. Dan stond zij op en ging, zonder een woord te
-zeggen, weg.
-
-Guillaume bleef alleen op de bank in het groene hoekje tegenover het
-onmetelijke Parijs, dat de zachte ochtendzon in een bevende droomstad
-veranderde. Een zwaar gewicht drukte hem neer; hij had een gevoel alsof
-hij nooit meer van deze bank op zou kunnen staan. De verzekering van
-Marie, dat zij ’s ochtends nog niet wist, dat zij Pierre werkelijk lief
-had, bleef als een open wond in hem achter. Zij wist het niet en hij
-had haar gedwongen die liefde in zich te ontdekken. Hij had haar die
-zelf in haar hart geplant en die, door haar te onthullen, nog sterker
-gemaakt. Welk een ellende, welk een lijden, om zoo de oorzaak van zijn
-eigen martelingen te zijn! Nu had hij zekerheid: zijn gevoelsleven was
-uit; zijn arm, naar liefde snakkend hart bloedde en was vermorzeld.
-Maar ondanks die ramp, ondanks de wanhoop, waarmede hij zijn ouderdom
-en de noodzakelijkheid van verzaking voelde, smaakte hij een bittere
-vreugde bij de gedachte de waarheid aan het licht gebracht te hebben.
-Het was een harde, slechts voor een heldenziel mogelijke troost; maar
-toch vond hij er een opbeuring, een soort trotsche voldoening in. Van
-nu af aan was hij slechts vervuld met de gedachte aan het offer, die
-zich langzamerhand met een buitengewone kracht aan hem opdrong. Hij
-moest zijn kinderen laten trouwen—dat was zijn plicht, de eenige
-wijsheid, het eenige rechtvaardige, ja zelfs het eenige geluk van het
-huis. En toen zijn hart weer in opstand klopte en van angst schreeuwde,
-drukte hij zijn krachtige handen op zijn borst en smoorde den kreet.
-
-Den volgenden dag had Guillaume—niet in het kleine tuintje, maar in het
-groote atelier—het beslissende onderhoud met Pierre. Ook hier breidde
-de reusachtige horizont van Parijs zich uit—een geheele menschheid aan
-den arbeid, de groote kuip, waarin de wijn der toekomst gistte. Hij had
-het zoo ingericht, dat hij met zijn broer alleen was, en dadelijk bij
-diens binnenkomen ging hij zonder een van de voorzorgsmaatregelen, die
-hij tegenover Marie in acht genomen had, recht op zijn doel af.
-
-“Heb je me niets te zeggen, Pierre? Waarom vertrouw je niet alles aan
-mij toe?”
-
-Onmiddellijk begreep deze laatste alles; hij begon te beven, vond geen
-woorden, maar verried alles door de wanhopig smeekende uitdrukking van
-zijn gelaat.
-
-“Je hebt Marie lief, waarom heb je mij die liefde niet bekend?”
-
-Dan kreeg Pierre zijn zelfbeheersching terug.
-
-“Ik heb Marie lief, het is zoo, en ik voelde heel goed, dat ik het niet
-voor je kon verbergen, dat je het zelf merkte... Maar ik behoefde je
-het niet te zeggen, ik was zeker van mijzelf, ik zou desnoods gevlucht
-zijn, zonder dat er een woord over mijn lippen gekomen was... Ik leed
-alleen... o je weet niet wat voor martelingen ik ondergaan heb... Het
-is zelfs wreed van je met mij daarover te spreken, want nu ben ik
-genoodzaakt weg te gaan... Reeds meermalen had ik daartoe besloten. Ik
-kwam hier alleen nog maar uit zwakheid, dat is buiten twijfel—maar ook
-toch uit liefde voor jullie allen. Wat hinderde mijn aanwezigheid?
-Marie liep geen gevaar. Zij heeft mij niet lief.”
-
-“Marie heeft je lief,” antwoordde Guillaume beslist. “Ik heb haar
-gisteren de biecht afgenomen, en zij heeft moeten bekennen, dat zij je
-lief had.”
-
-Pierre greep hem bij zijn schouders en keek hem recht in zijn oogen.
-
-“Wat zeg je daar, Guillaume? Waarom zeg je iets, dat voor ons allen een
-vreeselijk ongeluk zijn zou?... Ik zou meer verdriet dan vreugde voelen
-over deze liefde, die voor mij altijd een niet te verwezenlijken droom
-geweest is, want ik wil niet, dat jij lijdt... Marie is de jouwe. Zij
-is mij heilig als een zuster. Wanneer alleen mijn waanzin jullie
-scheidt—die zal gauw voorbij zijn, ik zal dien weten te overwinnen!”
-
-“Marie heeft je lief,” herhaalde Guillaume zacht en koppig. “Ik verwijt
-je niets; ik weet heel goed, dat je gestreden, dat je je nooit noch
-door een woord noch door een blik verraden hebt... Zelfs gisteren wist
-zij nog niet, dat zij je lief had; ik heb haar oogen moeten openen. Ik
-constateer slechts een feit: zij heeft je lief.”
-
-Nu maakte Pierre een verschrikt, maar tevens verheven gebaar, alsof een
-goddelijk, lang verwacht wonder, welks komst hem verpletterde, uit den
-hemel viel.
-
-“Het is goed, dan is alles uit. Geef me een kus, Guillaume; ik ga weg.”
-
-“Je gaat weg? En waarom?... Je blijft bij ons. Het is zoo eenvoudig
-mogelijk: jij hebt Marie lief en zij jou. Ik geef je haar.”
-
-Pierre stootte een luiden gil uit en hief met een gebaar van angstige
-verrukking zijn handen op.
-
-“Jij geeft mij Marie? Jij, die al maanden lang op haar wacht en haar
-aanbidt? Neen, neen, dat zou mij verpletteren, zou mij angst aanjagen,
-alsof je mij je hart zelf gaf, je bloedend, uit je borst gerukt hart...
-Neen, neen, ik neem je offer niet aan.”
-
-“Maar wil je dan, dat, waar Marie voor mij niets dan dankbaarheid en
-toegenegenheid voelt en slechts jou lief heeft, ik misbruik maak van
-het woord, dat zij mij onbewust gegeven heeft, en dat ik haar dwingen
-zou tot een huwelijk, waarin ik haar niet geheel bezitten zou?... Maar
-ik vergis mij, niet ik geef je haar; zij heeft zich zelf gegeven, en ik
-ken mij het recht niet toe, die gave te verhinderen.”
-
-“Neen, neen, ik zal die gave nooit aannemen, nooit zal ik je dat
-verdriet aandoen... Geef mij een kus, ik ga weg.”
-
-Nu hield Guillaume hem vast, dwong hem naast hem te komen zitten op een
-ouden canapé, die in een hoek stond, en begon hem, eindelijk boos
-wordend, met een pijnlijk lachje een standje te geven.
-
-“Zeg eens eventjes, we zullen toch niet gaan vechten; je zult nu toch
-niet willen, dat ik je hier vast bind, zoodat je niet weg kan... Ik
-weet voor den duivel toch wel wat ik doe! Ik heb ernstig nagedacht,
-alvorens ik met jou sprak. Het zou natuurlijk te dwaas zijn, als ik
-zei, dat ik erg vroolijk ben. O, eerst heb ik gedacht, dat ik maar
-sterven zou en heb ik je ergens op de Mookerheide gewenscht. Maar ten
-slotte moest ik toch verstandig worden, niet waar? Ik heb ingezien, dat
-alles zoo op de beste en natuurlijkste wijze geregeld was.”
-
-Pierre, wiens weerstand uitgeput was, begon zacht tusschen zijn
-gevouwen handen te weenen.
-
-“Kom, jongen, maak het je zelf en mij niet moeilijk... Herinner je je
-de gelukkige dagen nog, die we onlangs samen in het kleine huisje te
-Neuilly doorgebracht hebben? Al onze vroegere liefde bloeide weer in
-ons op en wij zaten uren en uren hand in hand ons in oude herinneringen
-vol liefde te verdiepen... En welk een vreeselijke bekentenis heb je
-toen op een avond gedaan, de bekentenis van je ongeloof, van je
-martelingen, van het Niet, waarin je wegzonk? En van dat oogenblik af
-is mijn eenige wensch geweest je te genezen; ik heb je aangeraden te
-werken, lief te hebben, te gelooven in het leven, overtuigd als ik was,
-dat het leven alleen je vrede en gezondheid terug kon geven. Daarom heb
-ik je hierheen mede genomen. Je streedt, wilde niet terugkomen en ik
-heb je hier gehouden. En toen je levenslust weer terugkwam en je weer
-eenvoudig een mensch werdt, die werkte, was ik zoo gelukkig. Ik zou
-mijn bloed gegeven hebben, om de genezing volkomen te maken... En zie,
-nu is het zoover. Ik heb je alles gegeven wat ik had, omdat Marie zelf
-alleen je geheel redden kan.”
-
-En toen Pierre weer trachtte te protesteeren:
-
-“Neen, zeg niet neen. Dat is zoo waar, dat, als zij het door mij
-begonnen werk niet voltooit, alles wat ik gedaan heb, vergeefsch is: je
-zult weer in je ellende, in je negatie van alles terugvallen. Je hebt
-haar noodig. Wil je dan, dat ik je niet meer lief hebben kan, dat ik,
-na je terugkeer tot het leven zoo vurig gewenscht te hebben, je den
-adem, de ziel zelf, haar, die van jou weer een man maken zal, zou
-weigeren? Ik houd genoeg van jullie beiden om jullie liefde te kunnen
-verdragen. Zijn liefde te geven is ook liefde, beste jongen!... En
-bovendien, ik zeg het je nogmaals, de natuur weet heel goed wat zij
-doet... Het instinct is iets zekers, want het zoekt altijd het nuttige
-en het ware. Ik zou maar een treurige echtgenoot zijn, het is veel
-beter, dat ik als oude geleerde bij mijn werk blijf. Met jou echter,
-die jong bent, is het de toekomst, het kind, het vruchtbare en
-gelukkige leven!”
-
-Een rilling doorhuiverde Pierre; de angst voor impotentie, dien hij
-steeds gehad had, maakte zich weer van hem meester. Had zijn
-priester-zijn hem niet afgesneden uit de gemeenschap der levenden? Was
-zijn manlijke kracht gedurende zijn lange kuischheid niet verwelkt?
-
-“Een gelukkig, vruchtbaar leven?” herhaalde hij zacht. “Ben ik dat
-waard? Ben ik daartoe nog in staat!... O, als je wist welk een onrust,
-welk een smart ik voel bij de gedachte, dat ik dit aanbiddelijke
-schepsel, dit koninklijke geschenk, dat zij mij zoo liefdevol geeft,
-misschien niet verdien! Jij bent beter dan ik, jij zoudt voor haar een
-grooter hart, een krachtiger brein—en misschien ook een jongere en
-flinkere echtgenoot geweest zijn... Het is nog tijd, Guillaume, geef
-haar mij niet, behoud haar voor jezelf, indien zij met jou gelukkiger
-en vruchtbaarder zijn kan, indien jij haar een hoogere liefde schenken
-kunt... Bedenk, dat ik door twijfel verzwakt ben. Alleen haar geluk
-moet hier den doorslag geven. Laat zij aan hem behooren, die haar het
-best liefhebben kan.”
-
-Een onzegbare ontroering had zich van de beide mannen meester gemaakt.
-Toen Guillaume die gebroken woorden hoorde, die liefde, welke bang was
-niet sterk genoeg te zijn, begon zijn wilskracht even te wankelen. Een
-vreeselijke smart verscheurde zijn hart; een stamelende wanhoopsklacht
-ontsnapte aan zijn lippen:
-
-“O, Marie, die ik zoo liefheb! Marie, die ik zoo gelukkig gemaakt zou
-hebben!”
-
-Wanhopig sprong Pierre op en riep:
-
-“Zie je wel, dat je haar altijd nog aanbidt en dat je geen afstand van
-haar kan doen... Laat mij gaan! Laat mij gaan!”
-
-Maar reeds had Guillaume zijn armen om hem heen geslagen en drukte hem
-met al zijn broederliefde, die door zijn verzaking nog sterker werd,
-tegen zich aan.
-
-“Blijf!... Niet ik heb daar gesproken, maar de andere, die sterven zal,
-die gestorven is. Ik zweer je bij onzen vader en bij onze moeder, dat
-mijn offer reeds geheel volbracht is. Ik kan nog slechts lijden,
-wanneer jij en zij blijft weigeren mij jullie geluk te danken te
-hebben.”
-
-Weenend bleven de beide mannen in elkanders armen rusten. Reeds vroeger
-hadden zij elkander zoo omvat gehouden, maar nog nooit waren hun harten
-zoo samengesmolten. De oudere gaf zijn leven aan den jongere en de
-jongere gaf hem daaruit alles terug wat hij er rein en liefdevol in
-vinden kon. Het oogenblik kwam hun eindeloos en kostelijk voor. Alle
-ellende, alle smart waren verdwenen; niets was meer over dan hun
-gloeiende liefde, die voor hen de eeuwige liefde schiep, zooals de zon
-het licht schept. En die minuut was een compensatie voor al hun
-gestorte en nog te storten tranen, terwijl aan den verren horizont het
-onmetelijke Parijs als een reusachtige, bruisende ketel aan de
-onbekende toekomst werkte.
-
-Op dat oogenblik kwam Marie binnen. Alles ging geheel eenvoudig.
-Guillaume maakte zich uit de armen van zijn broeder los, nam hem mede
-en dwong hen elkander de hand te geven. Eerst maakte zij nog een
-weigerend gebaar, wilde zij in haar eerlijkheid haar woord niet terug
-nemen. Maar wat moest zij tegen die beide weenende mannen zeggen, die
-zij arm in arm, zoo één in hun broederlijke liefde, vond? Vaagden deze
-tranen, deze omarming niet alle gewone redenen, niet alle argumenten,
-die zij gereed had, weg? Zelfs het pijnlijke van den toestand verdween;
-zij kreeg een gevoel alsof zij reeds lang tot een beslissende
-verklaring met Pierre gekomen was, alsof zij het eens geworden waren om
-dit geschenk der liefde, dat Guillaume hun met een zoo heldhaftig hart
-gaf, aan te nemen. De adem van het verhevene streek over hen heen,
-niets scheen hun natuurlijker dan dit buitengewoon tooneel. Toch bleef
-zij zwijgen, durfde zij niet te antwoorden, maar zij keek hen beiden
-aan met haar groote, liefdevolle oogen, die zich op hun beurt ook met
-tranen vulden.
-
-Toen kreeg Guillaume een ingeving. Hij liep naar de kleine trap, die
-naar de slaapkamers leidde, en riep:
-
-“Grootmoeder, grootmoeder, kom eens gauw beneden; wij hebben u noodig!”
-
-En toen zij, slank en bleek, in haar zwarte japon met het trotsche
-uiterlijk van een wijze, door allen gehoorzaamde koningin-moeder,
-beneden was:
-
-“Zeg toch eens aan die twee kinderen, dat zij niets beters kunnen doen
-dan met elkaar trouwen. Zeg hun, dat wij er samen over gesproken
-hebben, en dat het uw meening, uw wil is.”
-
-Langzaam en zacht knikte zij.
-
-“Het is zoo, op die manier is het veel verstandiger.”
-
-Toen wierp Marie zich in haar armen. Zij stond toe, zij gaf zich
-gewonnen aan die hoogere krachten, aan de machten van het leven, die
-haar leven veranderd hadden. Guillaume wilde, dat de huwelijksdag
-dadelijk vastgesteld zou worden en dat men boven zoo gauw mogelijk een
-woning voor het jonge paar maken zou. En toen Pierre hem nogmaals
-ongerust aankeek en ervan sprak te gaan reizen, daar hij bang was, dat
-hun aanwezigheid hem zou doen lijden, voegde hij eraan toe:
-
-“Neen, neen, ik houd jullie hier. Ik laat jullie alleen maar trouwen,
-om je beiden bij mij te hebben... Maak je geen zorgen over mij. Ik heb
-zooveel werk, ik zal werken.”
-
-Toen Thomas en François ’s avonds het nieuws hoorden, schenen zij niet
-al te zeer verrast te worden. Zij hadden die ontknooping ongetwijfeld
-voelen komen, en legden zich, nu hun vader zelf hun op zijn gewone
-kalme manier zijn beslissing mededeelde, zich erbij neder, zonder zich
-een opmerking te veroorloven. Maar Antoine, in wien de liefde voor de
-vrouw beefde, keek den vader, die den moed gehad had zich op die wijze
-het hart uit te rukken, met blikken vol twijfel en angst aan. Zou hij
-werkelijk niet onder dat offer sterven? Hij omarmde zijn vader
-hartstochtelijk en ook zijn beide broeders kusten hem in hun ontroering
-uit het volst van hun hart. Bij deze liefkoozing van zijn drie groote
-zoons kwam een glimlachje om zijn lippen spelen, werden zijn oogen
-vochtig; na de overwinning, die hij op zijn vreeselijke marteling
-behaald had, kon hij geen hartelijker belooning bedenken.
-
-
-
-Maar dien avond wachtte hem nog een andere emotie. Bij het invallen van
-de duisternis, toen hij zichzelf weer geheel meester geworden was, zag
-hij, terwijl hij bezig was aan de groote tafel de dossiers en de
-plannen van zijn uitvinding te rangschikken, tot zijn verbazing
-Bertheroy, zijn leermeester en vriend, binnenkomen. De beroemde
-scheikundige kwam wel een enkele maal zoo eens oploopen, en Guillaume
-begreep de eer, die de met roem en eeretitels en decoraties overladen
-zeventigjarige hem door zulke bezoeken bewees, volkomen, te meer daar
-het voor dezen officieelen geleerde, dit lid van het Institut, moed
-vereischte zich te wagen bij een gedeclasseerde en paria als Guillaume.
-Ditmaal echter begreep deze dadelijk, dat hij uit nieuwsgierigheid
-kwam; hij was verlegen en durfde de papieren en plannen, die op de
-tafel uitgespreid lagen, niet weg te nemen.
-
-“Wees maar niet bang,” riep Bertheroy, die ondanks zijn eenigszins ruw
-en onverschillig optreden zeer fijngevoelig was, “ik kom je je geheim
-niet ontstelen.... Laat maar gerust liggen, ik beloof je dat ik niets
-zal lezen.”
-
-En vrijmoedig bracht hij het gesprek op de springstoffen, die hij ook
-nog steeds met een waren hartstocht bestudeerde. Hij had nieuwe
-ontdekkingen gedaan, die hij in het geheel niet verborgen hield.
-Terloops sprak hij zelfs over het rapport, dat men bij het proces
-Salvat van hem gevraagd had. Zijn droom was een springstof van
-buitengewone kracht te vinden, om dan te trachten die te beperken tot
-de eenvoudige rol van een gehoorzamende kracht.
-
-“Ik weet waarachtig niet waar die dwaas de formule van zijn kruit
-vandaan gehaald heeft,” eindigde hij glimlachend en niet zonder
-bedoeling. “Wanneer jij die nog eens vindt, dan kan je tegen jezelf
-zeggen, dat de toekomst misschien ligt in het gebruik van springstoffen
-als beweegkrachten.”
-
-En dan plotseling:
-
-“Tusschen twee haakjes, die Salvat wordt overmorgenochtend
-terechtgesteld. Ik heb het daareven van een vriend van me, die op het
-ministerie van Justitie is, gehoord.”
-
-Tot dat oogenblik had Guillaume met een soort wantrouwen, waarom hij
-zelf lachen moest, geluisterd; maar nu deed die mededeeling van
-Salvat’s terechtstelling hem in woede en toorn ontsteken. Toch wist hij
-sedert eenige dagen, dat zij ondanks de wel wat erg laat komende
-bewijzen van sympathie, welke den veroordeelde van alle kanten
-toestroomden, onvermijdelijk was.
-
-“Dat zal een moord zijn,” riep hij heftig uit.
-
-“Wat zal ik je zeggen? Er bestaat nu eenmaal een maatschappij en die
-verdedigt zich, als men haar aanvalt... En bovendien die anarchisten
-zijn werkelijk idioot, als zij denken, dat zij de wereld met hun bommen
-zullen veranderen. Je kent mijn meening; de wetenschap alleen is
-revolutionnair, de wetenschap zal voldoende zijn om niet alleen de
-waarheid te scheppen, maar ook de gerechtigheid, als gerechtigheid hier
-beneden tenminste bestaanbaar is. Daarom jongen, kan ik zoo
-verdraagzaam en rustig leven.”
-
-Weer zag Guillaume dezen zonderlingen revolutionnair voor zich
-opdoemen: overtuigd, dat hij in zijn laboratorium aan den ondergang der
-oude en afschuwelijke hedendaagsche maatschappij met haar God, haar
-dogma’s en haar wetten werkte, maar te zeer verlangend naar rust, te
-minachtend neerziend op de feiten, om zich met de dagelijksche dingen
-bezig te houden. Hij gaf er de voorkeur aan rustig, makkelijk en in
-vrede met de regeering, welke die ook wezen mocht, te leven, hoewel hij
-de vreeselijke geboorte van morgen voorzag en voorbereidde.
-
-En met een gebaar op Parijs, waarover de overwinnende zon onderging,
-zeide hij:
-
-“Hoor je het grommen en brommen en bruisen?... Wij onderhouden de vlam,
-wij brengen steeds brandstof onder den ketel. Geen oogenblik laat de
-wetenschap haar werk rusten; zij schept Parijs, dat, naar wij hopen, de
-toekomst scheppen zal.... De rest is bijzaak.”
-
-Guillaume luisterde niet; hij dacht aan Salvat, dacht aan die
-vreeselijke machine, welke hij uitgevonden had en die morgen steden
-verwoesten zou. Een nieuwe gedachte ontstond en bloeide in hem op. Hij
-had zooeven den laatsten band losgemaakt, had om zich heen al het geluk
-geschapen, dat hij scheppen kon. O, kon hij zijn moed maar terugvinden,
-meester over zichzelf zijn en tenminste van het offer van zijn hart de
-trotsche vreugde hebben vrij te zijn, zijn leven te geven, wanneer hij
-het noodig oordeelde het te geven!
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE BOEK
-
-
-I.
-
-Guillaume wilde ook de executie van Salvat bijwonen; en Pierre, die
-zich niet gerust gevoelde, omdat hij hem niet van dat plan af had
-kunnen brengen, bleef ’s avonds in Montmartre, om er met hem heen te
-gaan. Vroeger, toen hij abbé Rose op zijn liefdadigheidsbezoeken
-vergezelde, had hij meermalen gehoord, dat men uit een huis op den hoek
-van de rue Merlin, waarin de socialistische afgevaardigde Mège woonde,
-de guillotine zien kon. Hij had zich dus als gids aangeboden, en daar
-de terechtstelling ’s ochtends tegen half vijf plaats zou hebben,
-gingen de beide broeders niet naar bed, maar bleven, half dommelend en
-slechts enkele woorden wisselend, in het groote atelier zitten. Tegen
-twee uur gingen zij weg.
-
-De nacht was wonderlijk kalm en helder. In den wijden, lichten hemel
-scheen de volle maan als een zilveren lamp en goot haar stil
-droomachtig licht over het slapende Parijs, dat zich in onmetelijke
-verten scheen te verliezen. Men had kunnen denken het visioen van een
-betooverde stad van den slaap voor zich te hebben, waaruit in de
-uitputting van haar moeheid geen gemurmel meer opsteeg. Een meer van
-zachtheid en rust bedekte haar, wiegde haar in slaap en dempte tot aan
-het opgaan der zon het bruisen van haar arbeid en haar lijdenskreet,
-terwijl men in een afgelegen voorstad druk en in het geheim bezig was
-een guillotine op te richten, om een mensch te dooden.
-
-In de rue Saint-Eleuthère bleven Pierre en Guillaume staan kijken naar
-het droomerige, nevelige, bevende, als door een sprookjesachtige
-schemering overgoten Parijs. Toen zij zich omdraaiden, zagen zij in het
-licht der volle maan de, hoewel de koepel haar nog niet kroonde, toch
-reeds reusachtige massa der basilica van den Sacré-Cœur. Zij scheen in
-dit heldere witte licht, dat de scherpe kanten tegen de groote zwarte
-schaduwen afteekende en daardoor accentueerde, nog grooter te worden.
-Zoo gezien, was zij onder den bleeken, nachtelijken hemel als een
-reusachtige, trotsche, uitdagende bloem. Nog nooit was zij Guillaume
-zoo geweldig voorgekomen, nog nooit had zij Parijs, zelfs niet in zijn
-sluimering, met een zoo hardnekkige en verpletterende macht beheerscht.
-
-En dit gevoel was zóó sterk en zóó pijnlijk, dat Guillaume hardop
-zeide:
-
-“Ja, zij hebben hun plaats goed gekozen! Hoe stom, dat men hen die
-heeft laten nemen... Ik ken geen grooteren onzin: Parijs gekroond en
-beheerscht door dezen tot verheerlijking van het absurde gebouwden
-afgodentempel! Welk een onbeschaamdheid, welk een klap in het
-aangezicht van de rede na zooveel arbeid, zooveel eeuwen van wetenschap
-en strijd! En dat juist tegenover, boven ons groot Parijs, de eenige
-stad in de wereld, wier voorhoofd men niet met deze vlek had mogen
-bezoedelen!... Te Lourdes of te Rome, à la bonne heure! Maar in Parijs,
-in dit zoo diep omgeploegde veld der intelligentie, waarin de toekomst
-kiemt! Dat is de oorlogsverklaring, dat is de brutaal erkende hoop op
-verovering!”
-
-Gewoonlijk was hij zoo verdraagzaam als een geleerde, voor wien de
-godsdiensten niet meer dan maatschappelijke verschijnselen zijn. Zelfs
-erkende hij gaarne de grootschheid of de lieflijkheden der Katholieke
-legenden. Maar het beruchte visioen van Maria Macoque [11], dat
-aanleiding gegeven had tot de instelling van het Heilige Hart,
-prikkelde hem, vervulde hem met een soort physieken afkeer. Hoe
-afschuwelijk was deze open, bloedende borst van Jezus, het reusachtige
-hart, dat de heilige in de diepe wond had zien kloppen, waarin Jezus
-het andere, het kleine vrouwenhart gelegd had, om het brandend van
-liefde terug te geven. Welke een lage en weerzinwekkende
-stoffelijkheid! Een slagerswinkel met ingewanden, spieren en bloed!
-Vooral hinderde hem de gravure, die deze afschuwelijkheid voorstelde en
-welke hij overal als een naïeve anatomische plaat terugvond.
-
-Pierre zweeg en keek eveneens naar de door de maan beschenen basilica,
-welke als een reusachtige sprookjesvesting oprees om de aan haar voeten
-sluimerende stad te verpletteren en te veroveren. Toen hij er in den
-laatsten tijd als met zijn marteling strijdend ongeloovig priester zijn
-mis las, had zij hem zooveel pijn gedaan. En op zijn beurt begon hij:
-
-“Het nationale geloftegeschenk, ja, het nationale geloftegeschenk van
-arbeid, gezondheid, kracht en zedelijke verheffing!... Maar zoo vatten
-zij het niet op. Frankrijk heeft de nederlaag geleden, omdat het
-verdiende gestraft te worden. Het was schuldig en moet heden boete
-doen. Waarvoor? Voor de Revolutie, voor een eeuw van vrij onderzoek en
-wetenschap, voor zijn bevrijde rede, voor zijn arbeid van initiatief en
-bevrijding, dat zich naar de vier hoeken der wereld verspreid heeft...
-Daarin bestond de ware schuld, en slechts om ons voor onzen grooten
-arbeid, voor al de veroverde waarheden, voor onze grooter geworden
-kennis, voor de nu nabije gerechtigheid te laten boeten, hebben zij
-daar dien reusachtigen grenssteen gezet, welken Parijs van alle kanten
-zien zal, maar niet zien kan zonder zich in zijn werk en in zijn roem
-miskend en beleedigd te gevoelen.”
-
-Met een breed gebaar wees hij op het in het maanlicht als in een
-zilveren laken slapende Parijs en liep dan met zijn broeder verder de
-heuvels af naar de nog zwarte en verlaten straten.
-
-Tot den buitenboulevard toe ontmoetten zij geen levende ziel; maar daar
-hield het leven nooit op; de wijnrestaurants, de café’s, de danshuizen
-hadden hun deuren nauwlijks gesloten of de op de straat geworpen
-ontucht en ellende zetten daar haar nachtelijk leven voort. Daar vond
-men allen, die geen woning hadden, de snollen, die op zoek waren naar
-de een of andere slaapstee, de vagebonden, die op de banken sliepen, de
-zwervers, die hun slag trachtten te slaan. Dank zij het medeplichtig
-duister borrelde de modder, en daarmede het geheele lijden, uit de
-onderste lagen van Parijs naar de oppervlakte. De ledige straten
-behoorden aan de brood- en daklooze hongerlijders, voor wie in het
-volle daglicht geen plaats is, behoorden aan deze wriemelende,
-verwarde, wanhopige massa, die alleen maar ’s nachts te voorschijn
-kwam. Welk een spoken van de vreeselijkste ontbering; welk een ver
-gesteun als van een doodsstrijd rees uit Parijs op in dezen ochtend,
-waarop men bij het aanbreken van den dag een mensch zou guillotineeren,
-ook een van dezen, een arme dus een lijdende!
-
-Toen Guillaume en Pierre de rue des Martyrs afliepen, zag de eerste op
-een bank een ouden man liggen, wiens bloote voeten uit smerige, gapende
-schoenen staken; met een zwijgend gebaar wees hij ernaar. Enkele passen
-verder maakte Pierre een zelfde gebaar naar een jong meisje, dat, in
-lompen gehuld, met open mond tegen een deur zat te slapen. Zij
-behoefden elkander niet te zeggen welk medelijden, welke woede hun hart
-in opstand bracht. Nu en dan kwamen twee politieagenten voorbij:
-schudden de ongelukkigen wakker, dwongen ze op te staan en weer verder
-te loopen. Ook wel namen zij, wanneer ze hun verdacht voorkwamen of
-niet gauw genoeg gehoorzaamden, hen mede naar een politiepost. En dan
-ontstond naast de ellende van deze onterfden de wrok, de besmetting der
-cachotten, die dikwijls van een eenvoudigen vagebond een dief of een
-moordenaar maakte.
-
-In de rue des Martyrs en in de rue du Faubourg-Montmartre veranderde
-het beeld der nachtelijke bevolking, en de beide broeders kwamen nu nog
-slechts late nachtwandelaars tegen, vrouwen, die langs de huizen
-slopen, mannen en vrouwen, die elkander sloegen. Verder op de groote
-boulevards zag men mannen, die uit de clubs kwamen; heeren staken op
-den drempel van hooge, zwarte huizen, waarin slechts de vensters van
-één verdieping den nacht verlichtten, hun sigaar aan. Een dame in
-avondtoilet en met een grooten mantel aan, liep langzaam met een
-vriendin voort. Enkele rijtuigen reden nog rond; andere stonden al uren
-lang als dood, terwijl de koetsier en het paard sliepen. Naarmate zij
-verder op de boulevards kwamen—de boulevard Bonne-Nouvelle na den
-boulevard Poissonnière en de andere, de boulevard Saint-Denis, de
-boulevard Saint-Martin tot de Place de la République—begon de ellende
-en het lijden weer: verlatenen en hongerlijders, al het afval van de
-menschheid, die in den nacht op straat geworpen waren; maar reeds
-verscheen het leger der straatvegers, om het vuil van den vorigen dag
-weg te nemen en te maken, dat Parijs zich niet over al de op één dag
-opgehoopte onreinheid zou behoeven te schamen.
-
-Maar vooral toen de broers na den boulevard Voltaire de wijken la
-Roquette en Charonne naderden, voelden zij, dat zij weer in een
-omgeving van den arbeid kwamen, waarin dikwijls gebrek was aan brood en
-het leven een smart is. Pierre voelde zich hier dadelijk weer heelemaal
-thuis, want van die lange, volkrijke straten was er niet één, die hij
-niet honderdmaal doorloopen had, wanneer hij met den goeden abbé Rose
-de radeloozen bezocht, zijn aalmoezen bracht en de kleinen uit de goot
-opraapte. Al de drama’s, die hij medegemaakt had, alle kreten, tranen
-en al het bloed, al de vaders, moeders en kinderen, die van gebrek,
-onreinheid en verwaarloozing stierven, rezen als een vreeselijk visioen
-voor hem op. In die vreeselijke sociale hel had hij ten slotte zijn
-laatste hoop achtergelaten, was hij zelf snikkend gevlucht, overtuigd,
-dat barmhartigheid niets meer dan een tijdpasseering der rijken,
-belachelijk en nutteloos is. En nu hij dezen ochtend de nog even
-treurige, de nog eeuwig aan de ellende gewijde wijk terugzag, kwam
-datzelfde gevoel met buitengewone kracht weer in hem terug. Was de oude
-man, dien abbé Rose op een avond weer tot het leven teruggeroepen had,
-niet den vorigen dag van honger gestorven? Was hij het meisje, dat hij
-zelf na den dood van haar ouders in zijn armen had medegenomen, later
-niet eens tegengekomen, toen zij gilde onder de vuist van een
-souteneur? Met legioenen waren de ongelukkigen, die niet meer gered
-konden worden, te tellen! Welk een benauwend zwijgen, welk een diepe
-duisternis heerschte in deze arbeidersstraten, waarin de slaap de
-trouwe makker van den dood schijnt te zijn! De honger sluipt door de
-straten, het ongeluk jammert, spookachtige, onduidelijke gestalten
-loopen voorbij en verliezen zich in de donkerte.
-
-Hoe verder Guillaume en Pierre kwamen, des te meer stootten zij op
-donkere menschengroepen. De geheele kudde nieuwsgierigen bewoog zich
-stampvoetend in de richting van de guillotine. Zij stroomden uit alle
-hoeken van Parijs samen, als voortgestuwd door een koortsachtigen drang
-naar dood en bloed. Maar ondanks het doffe stampen van deze menigte
-bleven de straten donker, werd geen enkel venster aan de voorzijde
-verlicht, hoorde men zelfs niet het ademen van de door uitputting
-gebroken arbeiders, die eerst later bij de ochtendschemering van hun
-jammerlijke lijdenssponden zouden opstaan.
-
-Toen zij op de place Voltaire kwamen en Pierre de menigte zag, die zich
-daar reeds verdrong, begreep hij, dat het onmogelijk was in de rue de
-la Roquette te komen. Bovendien zou die straat natuurlijk afgezet zijn.
-Toen kwam hij op het denkbeeld om verderop de achter de gevangenis om
-loopende rue de la Folie-Regnault te nemen, ten einde van daaruit op
-den hoek van de rue Merlin te komen.
-
-En inderdaad was het daar eenzaam en donker. De ontzaglijke massa der
-gevangenis met haar groote, kale, door de maan beschenen muurvlakten
-scheen niet meer dan een koude, sedert eeuwen doode steenhoop. Aan het
-einde van de straat kwamen zij weder in een menigte, in een dichte,
-wriemelende menigte, waarin slechts de bleeke vlekken der gezichten te
-onderscheiden waren. Met groote moeite drongen zij door tot het huis,
-dat Mège op den hoek van de rue Merlin bewoonde. Maar de luiken op de
-vierde verdieping—Mège’s etage—waren hermetisch gesloten, terwijl voor
-al de andere ramen, die wijd openstonden, zich hoofden bewogen en
-beneden het wijnrestaurant propvol met menschen zat, die in afwachting
-van het schouwspel een lawaai als een oordeel maakten.
-
-“Ik durf niet aankloppen bij Mège,” zeide Pierre.
-
-“Neen, neen, geen quaestie van!” riep Guillaume. “Laten we hier maar
-binnengaan. We zullen van het balkon af wel kunnen zien.”
-
-De zaal op de eerste verdieping had een groot balkon, dat reeds dicht
-met dames en heeren bezet was. Toch gelukte het den broers zich
-ertusschen te dringen en zij bleven daar eenige oogenblikken staan en
-trachtten het donker in de verte te doorboren. Tusschen de twee
-gevangenissen, de groote en de kleine Roquette, verbreedde de
-oploopende straat zich tot een soort vierkant plein, dat door vier
-platanengroepen, die naast de trottoirs geplant waren, beschaduwd werd.
-De lage gebouwen, de kwijnende boomen, de geheele armzalige, leelijke
-omgeving scheen zich op gelijke hoogte met de aarde uit te strekken
-onder den onmetelijken hemel, waarin, nu de maan ter kimme ging, de
-sterren weer verschenen. Het plein was geheel ledig; slechts meer naar
-achteren was een zwakke, onduidelijke beweging waar te nemen, terwijl
-twee rijen gardes de menigte in bedwang hielden en in alle zijstraten
-terugdreven. Vijf verdiepingen hooge huizen waren er aan de eene zijde
-slechts op den hoek van de veel te ver verwijderde rue Saint-Maur en
-aan de andere zijde alleen op de hoeken van de rue Merlin en de rue de
-la Folie-Regnault, zoodat het zelfs uit de best gelegen vensters bijna
-onmogelijk was iets van de terechtstelling te zien. De nieuwsgierigen
-op de straat zagen slechts de ruggen der gardes, wat echter het steeds
-grooter worden van den menschenstroom, waaruit men het toenemend lawaai
-hoorde opstijgen, niet belette.
-
-Dank zij de gesprekken van de dames, die reeds lang over den rand van
-het balkon lagen te loeren, konden de twee broeders eindelijk toch iets
-zien. Het was half vier en de guillotine moest reeds opgericht zijn.
-Die flauwe, onduidelijk zich bewegende gestalten voor de gevangenis
-onder de boomen waren de beulsknechten, die de valbijl vastmaakten. Een
-lantaarn ging langzaam op en neer, vijf of zes schaduwen dansten op den
-grond. Verder echter was er niets te zien; het plein geleek op een
-groot, donker gat, waartegen van alle kanten de onophoudelijk sterker
-wordende golfslag der bruisende, onzichtbare menigte sloeg. Aan den
-anderen kant zag men niets dan de als vuurtorens hel verlichte
-wijnrestaurants. De armzalige arbeiderswijk sliep nog, de werkplaatsen
-en stellingen bleven donker, uit de hooge, koud geworden
-fabrieksschoorsteenen pluimde nog geen rook.
-
-“Wij zullen niets zien,” zeide Guillaume.
-
-Maar Pierre gaf hem een teeken om te zwijgen. Hij had in een eleganten
-heer, die dicht naast hem stond, den vriendelijken afgevaardigde
-Dutheil herkend en meende vast, dat hij in gezelschap was van de kleine
-prinses de Hardt, die, daar hij haar medegenomen had naar het proces,
-nu ook heel goed bij de terechtstelling kon zijn. Doch weldra zag hij,
-dat de dicht tegen hem aan gedrukte, warm ingestopte jonge vrouw de
-mooie Silviane met haar madonnagezichtje was. Trouwens zij verborg zich
-heelemaal niet, maar zij begon hardop te praten, zoodat de beide
-broeders al heel gauw op de hoogte waren. Blijkbaar was zij dronken.
-Duvillard, Dutheil en andere vrienden zaten met haar aan het souper,
-toen zij plotseling om een uur hoorde, dat Salvat terechtgesteld zou
-worden en den inval kreeg, om daarnaar te gaan kijken. Vergeefs had
-Duvillard getracht haar van haar plan af te brengen, en daar hij
-ditmaal woedend wegging, daar het hem tegen de borst stuitte getuige te
-zijn van de terechtstelling van den man, die zijn hôtel in de lucht had
-willen laten vliegen, had zij Dutheil alles beloofd wat hij zou willen,
-indien hij haar luim bevredigde. Hoewel hij een afschuw had van alle
-akelige tooneelen, had zijn vurige, steeds weer teleurgestelde begeerte
-naar Silviane de overwinning behaald.
-
-“Hij snapt niet, dat je zoo iets aardig vindt,” zeide zij, sprekend
-over den baron. “Maar enfin, morgen ligt hij toch weer aan mijn
-voeten.”
-
-“De vrede is dus weer gesloten?” vroeg Dutheil. “Heb je hem, sedert je
-verbintenis aan de Comédie geteekend is, zijn rechten als heer en
-meester weer teruggegeven?”
-
-“Wat, de vrede?” riep zij uit. “Geen quaestie van, versta je? Ik heb
-eenmaal gezworen: niet zóóveel, alvorens mijn debuut plaats gehad
-heeft... Wanneer ik ’s avonds van het tooneel af kom, zullen we verder
-zien.”
-
-Beiden lachten zij. Om haar het hof te maken, vertelde Dutheil hoe
-Dauvergne, de nieuwe minister van Openbaar Onderwijs en Schoone Kunsten
-dadelijk alles in het werk gesteld had om de moeilijkheden, welke tot
-nog toe de deuren van de Comédie voor haar luim en de wanhopige
-pogingen van Duvillard gesloten hielden, uit den weg te ruimen. Een
-charmant iemand, die Dauvergne, een hand als fluweel, het sieraad en de
-bloem zelf van dit zeer populaire ministerie, welks ijzeren vuist de
-vreeselijke Monferrand was.
-
-“Hij zeide, lieve vriendin, dat een mooi meisje overal op haar plaats
-is.”
-
-En toen zij zich gevleid tegen hem aan drukte:
-
-“En overmorgenavond dus de reprise van Polyeucte, waarin je zult
-triompheeren... Wij komen je allemaal toejuichen.”
-
-“Ja, overmorgen, juist op denzelfden dag, dat de baron zijn dochter
-uithuwelijkt. Dat zal een dag vol emoties worden.”
-
-“Waarachtig, dat is zoo, dien dag trouwt onze vriend Gérard met
-mademoiselle Camille Duvillard. De menschen zullen zich eerst in de
-Madeleinekerk verdringen en dan in de Comédie. Ja, je hebt gelijk, er
-zullen dien dag in de rue Godot-de-Mauroy heel wat hartkloppingen
-zijn.”
-
-Weer begonnen zij te lachen en met een afschuwelijke ruwheid en
-meedoogenlooze toespelingen grappen te maken over den vader, de moeder,
-den minnaar en de dochter.
-
-“Zeg beste jongen, het begint me hier aardig te vervelen. Ik zie niets
-en ik zou vlak bij willen zijn, om goed te kunnen zien... Je moest me
-naar de guillotine brengen.”
-
-Dat bracht hem in verlegenheid, te meer daar zij op dat oogenblik
-Massot op straat zag en hem met gebaren en luide woorden riep. Van het
-balcon naar het trottoir ontwikkelde zich een heel gesprek.
-
-“Niet waar Massot, een afgevaardigde heeft overal toegang en kan een
-dame brengen waar hij wil?”
-
-“Geen quaestie van! Massot weet heel goed, dat een afgevaardigde zich
-meer nog dan een ander voor de wet buigen moet.”
-
-Bij dien uitroep van Dutheil begreep de journalist, dat hij het balkon
-niet verlaten wilde.
-
-“Neen, u hadt een uitnoodiging moeten hebben, mevrouw. Dan had men u
-een plaatsje gegeven voor een der ramen van de Petite-Roquette. Een
-vrouw mag nergens anders komen... Maar u behoeft u heusch niet te
-beklagen; u hebt daar een prachtig plaatsje.”
-
-“Maar ik zie heelemaal niets, beste Massot.”
-
-“U zult in ieder geval meer zien dan prinses de Hardt, die ik in haar
-rijtuig in de rue du Chemin-Vert gezien heb, dat de politie niet door
-wil laten.”
-
-Dit nieuwtje bracht Silviane weer in een goede luim, terwijl Dutheil
-nog beefde om de netelige positie, waarin hij zich bevonden had; want
-Rosemonde zou, als zij hem met een andere vrouw gezien had,
-ongetwijfeld een vreeselijke scène gemaakt hebben. Plotseling kreeg hij
-den inval om voor zijn mooie vriendin, zooals hij haar noemde, een
-flesch champagne en gebak te laten komen. Zij verging van den dorst en
-vond het heerlijk, dat zij zich, toen een kellner erin geslaagd was een
-tafeltje naast haar neer te zetten, verder kon bedrinken. Nu was alles
-even aardig en chic! Weer opnieuw te kunnen drinken en eten in
-afwachting van den dood van den man, die strakjes geguillotineerd zou
-worden.
-
-Guillaume en Pierre konden niet langer blijven. Wat zij hoorden en
-zagen, vervulde hen met walging. Langzamerhand had de verveling van
-wachten alle nieuwsgierigen in de zaal en op het balkon in drinkers
-veranderd. De kellner had geen handen genoeg om bier, wijn, biscuits,
-ja zelfs koud vleesch rond te dienen. En toch waren er slechts rijke
-heeren uit de bezittende klasse, het gewone elegante publiek. Maar men
-moet den tijd, wanneer hij lang valt, wel dooden; vroolijk gelach,
-flauwe en wreede grappen, een heel koortsachtig lawaai steeg in den
-sigarenrook op. Toen de twee broers het lokaal op den rez-de-chaussée
-doorliepen, vonden zij daar hetzelfde gedrang, hetzelfde tumult terug,
-dat nog erger werd door de kerels in arbeiderspakken, die aan de als
-zilver glanzende toonbank wijn met liters tegelijk dronken. De kleine
-tafeltjes waren ook bezet; het was een voortdurend komen en gaan van
-mannen uit de lagere klassen, die hun dorst kwamen lesschen. En wat
-voor mannen waren het! Het schuim, het plebs, al de werkeloozen, die op
-zoek naar wat werk van af den morgenstond rondzwerven!
-
-Buiten op de straat leden Guillaume en Pierre nog meer. In de door de
-gardes in bedwang gehouden menigte zag men hier slechts de opgewoelde
-modder van het uitschot van Parijs: de prostitutie en de misdaad, de
-toekomstige moordenaars, die zien wilden hoe men sterven moet. Vuile
-snollen met loshangende haren renden door de menigte heen onder het
-zingen van de liederlijkste refreinen. Andere bandieten stonden in
-groepjes te praten en twistten over de glorierijke wijze, waarop
-beroemde geguillotineerden gestorven waren.
-
-Omtrent één waren zij het allen volkomen eens; zij spraken over hem als
-over een groot veldheer, als een held van onsterfelijken moed. In het
-voorbijgaan vingen de broeders brokstukken van vreeselijke zinnen,
-schandelijke fanfaronnades, van bloed druipende vuilheden op. En over
-dat alles lag een bestiale koorts, een bronstigheid van den dood, die
-dit volk tot razernij bracht: het warme, roode bloed moest nu toch maar
-gauw vloeien, opdat men het op den grond kon zien stroomen, erin
-rondtrappelen kon. Maar bij deze terechtstelling, welke niet die van
-een gewoon man was, kwamen ook zwijgende mannen met koortsachtig
-brandende oogen, die in een zichtbare overprikkeldheid, waarin men den
-besmettelijken waanzin van de wraak in het martelaarschap grooter
-voelde worden, rondslopen.
-
-Guillaume dacht juist aan Victor Mathis, toen hij hem onder
-nieuwsgierigen, die het cordon der gardes in bedwang hield, meende te
-ontdekken. Hij stond daar in de eerste rij met zijn mager, baardeloos,
-bleek gezicht naast een groot, rossig, druk gesticuleerend meisje; hij
-bewoog zich niet, zeide geen woord en hield zijn ronde, vurige, de
-duisternis doordringende, strakke nachtvogeloogen op de gevangenis
-gericht. Een garde duwde hem ruw weg, maar geduldig en als met haat
-verzadigd drong hij weer naar voren, daar hij ondanks alles wilde zien,
-om te trachten nog meer te haten.
-
-Toen Massot ditmaal Pierre zonder soutane zag, verwonderde hij zich in
-het geheel niet, maar zeide heel vroolijk:
-
-“Zoo, mijnheer Froment, ook nieuwsgierig om het te zien?”
-
-“Ja, ik ben met mijn broer medegekomen, maar ik ben bang, dat we niet
-veel zullen zien.”
-
-“Zeker, als u hier blijft.”
-
-En onmiddellijk voegde hij er als bekend journalist, voor wien alle
-consignes niet gelden en die graag zijn macht laat zien, welwillend aan
-toe:
-
-“Wilt u met mij mede gaan? Ik ken toevallig den commissaris heel goed.”
-
-Zonder het antwoord af te wachten, sprak hij dezen laatste aan en
-vertelde hem levendig en met drukke gebaren, dat het twee collega’s
-waren, die hij medegebracht had. Eerst aarzelde de commissaris, wilde
-weigeren. Dan maakte hij in de heimelijke vrees, welke de politie
-altijd voor de pers heeft, een moe, toestemmend gebaar.
-
-“Komt gauw mede,” zeide Massot en trok de beide broeders voort.
-
-Verbaasd zagen dezen, dat het politiecordon zich plotseling voor hen
-opende; zij waren nu op de groote, vrij gehouden ruimte. Het was voor
-hen, die uit de lawaaierige menigte kwamen, alsof er onder die kleine
-platanen een doodsche stilte en eenzaamheid heerschte. De nacht
-verbleekte, de schemering van het morgenrood begon als een fijne asch
-van den hemel te regenen.
-
-Nadat Massot de broeders dwars over het plein gebracht had, bleef hij
-met hen voor de gevangenis staan en ging voort:
-
-“Ik ga nu naar binnen, want ik wil het opstaan en het toilet maken
-zien. Gaat u beiden maar wat rondloopen en kijken; niemand zal u iets
-vragen. Straks ben ik weer bij u.”
-
-In de schaduw stonden ongeveer een honderd personen, journalisten en
-nieuwsgierigen. Aan beide zijden van den korten, geplaveiden weg, die
-van de poort der Roquette naar de guillotine leidde, had men palen
-geslagen, zooals men ze in den schouwburg voor een queue neerzet. Er
-stonden reeds menschen tegen aan geleund, om zoo dicht mogelijk bij den
-veroordeelde te zijn, wanneer hij langs zou komen. Anderen liepen
-langzaam op en neer, terwijl zij fluisterend spraken. De beide broers
-kwamen dichterbij.
-
-Onder de takken stond onder het teere groen van de eerste bladeren de
-guillotine. Eerst zagen zij niets dan deze; zij werd verlicht door een
-gaslantaarn, waarvan de vlam geel leek in den ontwakenden dag. Men was
-juist klaar gekomen met het opslaan, zonder dat iets anders te hooren
-was dan de doffe hamerslagen. De beulsknechten liepen in zwarte
-gekleede jassen en met hooge hoeden geduldig op en neer. Maar zij
-zelf—hoe gemeen en schandelijk zag zij eruit, zooals zij daar als een
-vuil dier plat op den grond lag, alsof zij zelf walgde van het werk,
-dat zij straks verrichten moest. Was dat het toestel, dat de
-maatschappij wreken, een voorbeeld stellen moest! Deze enkele balken
-vlak bij den grond, waarop twee andere korte, drie meter hooge balken,
-welke de valbijl tegenhielden, zich verhieven. Waar was dan het rood
-geschilderde schavot, waarheen een trap van tien treden leidde, dat een
-paar reusachtige, bloedige armen uitstrekte, de toegestroomde menigte
-beheerschte en het volk den afschrik van de kastijding durfde laten
-zien. Maar in den laatsten tijd was het dier ter aarde geworpen en
-daardoor gemeen, gluiperig en laf geworden. Den dag, waarop de
-menschelijke gerechtigheid in de armzalige rechtzaal een mensch ter
-dood veroordeelde, was zij zonder eenige majesteit geweest; thans op
-den verschrikkelijken dag, waarop zij hem terechtstelde, was het niet
-meer dan een afschuwelijke slachterij met behulp van de meest
-barbaarsche en afstootelijke werktuigen.
-
-Guillaume en Pierre keken ernaar, terwijl afschuw en walging hun
-geheele wezen opwoelden. Langzamerhand werd het lichter en kwam de
-omgeving duidelijk uit: eerst het plein met de twee lage en grijze
-gevangenissen tegenover elkander, dan de verder af gelegen huizen, de
-wijnrestaurants, de grafsteen- en bloemenwinkels, welke hier door de
-nabijheid van Père-Lachaise in grooten getale gevonden werden. Men
-begon nu in een breeder geworden kring duidelijk de zwarte lijn der
-menigte te zien, de vensters en de balkons, waarop het wriemelde van
-hoofden; ja tot op de daken toe zaten de menschen. De kleine Roquette
-was in een soort tribune voor de genoodigden veranderd. In het midden
-van de groote, vrij gehouden ruimte bewogen zich langzaam bereden
-gardes. Maar de hemel werd hoe langer hoe lichter en aan gene zijde der
-menigte, in de geheele wijk langs de breede, eindelooze straten
-ontwaakte de arbeid. Langzamerhand begon men een snuiven te hooren; de
-machines in de gebouwen hervatten hun werk en uit het woud der hooge
-schoorsteenen, welke overal uit de duisternis oprezen, kronkelde reeds
-de rook.
-
-Toen voelde Guillaume, dat de guillotine in dat stadsdeel der ellende
-volkomen op haar plaats was als een eindpunt en een bedreiging. Leidden
-de onwetendheid, de armoede en het lijden niet tot haar? Had zij niet
-ieder maal, dat zij te midden van deze werkstraten opgeslagen werd, tot
-taak de onterfden, de door de eeuwige ongerechtigheid verbitterde en de
-tot verzet steeds bereide hongerlijders in toom te houden? Men zag haar
-niet in de wijken van rijkdom en genietingen; dezen behoefde men geen
-schrik aan te jagen; daar zou zij in al haar vreeselijke
-afzichtelijkheid nutteloos en bezoedelend voorkomen. Het tragische, het
-verschrikkelijke was, dat deze man, die, van ellende krankzinnig, de
-bom geslingerd had, nu hier op dit plein der ellende geguillotineerd
-zou worden.
-
-Nu was de dag geboren; het moest tegen half vijf zijn. De opgewonden
-menigte daar in de verte voelde de minuut naderen. Een rilling huiverde
-door de lucht.
-
-“Hij komt dadelijk,” zeide de kleine Massot, die weer uit de gevangenis
-kwam. “Hij houdt zich buitengewoon flink.”
-
-Hij schilderde het ontwaken, het binnenkomen in de cel van den
-directeur der gevangenis, van den rechter van instructie Amadieu, van
-den geestelijke en van enkele andere personen, de manier, waarop
-Salvat, die in een diepen slaap lag, bij den eersten oogopslag dadelijk
-alles begreep en, hoewel bleek, onmiddellijk zichzelf volkomen meester
-was. Hij had zich zonder hulp aangekleed en het glas cognac en de
-sigaret, die de geestelijke hem aangeboden had, geweigerd, evenals hij
-het crucifix met een zacht, maar beslist gebaar ter zijde had
-geschoven. Zonder dat er een woord gesproken werd, had men vlug zijn
-handen achter zijn rug gebonden, zijn beenen met een los touw gebonden
-en zijn hemd tot aan zijn schouders uitgesneden. Hij glimlachte, toen
-men hem moed insprak, en richtte zich, alleen uit vrees voor een
-nerveuze zwakte, in zijn volle lengte op. Hij had nog slechts één
-verlangen, waarin zijn geheele wezen zich spande: hij wilde als held
-sterven, de martelaar blijven van het vurige geloof aan waarheid en
-gerechtigheid, waarvoor hij stierf.
-
-“Zij zijn nu bezig het protocol op te maken,” vertelde Massot verder.
-“Kom wat dichter bij en ga tegen de palen staan, wanneer u hem van
-dichtbij wilt zien... Wilt u wel gelooven, dat ik bleeker ben en meer
-beef dan hij. Ik geloof, dat ik nergens meer gevoelig voor ben; maar
-enfin, een mensch, die sterven gaat, is niet zoo’n heel vroolijke
-aanblik... U weet niet wat voor pogingen men gedaan heeft, om hem te
-redden. Een deel der pers heeft gratie gevraagd. Maar het heeft niet
-mogen gelukken; de terechtstelling scheen onvermijdelijk te zijn, zelfs
-in de oogen van degenen, die haar als een fout beschouwden. En toch had
-men een zoo roerende gelegenheid hem genade te verleenen, toen zijn
-dochtertje, de kleine Céline, aan den president der Republiek den
-mooien brief geschreven heeft, welken ik het eerst in den Globe
-gepubliceerd heb... Dat is een brief, die er zich op beroemen kan mij
-bekend gemaakt te hebben.”
-
-Bij het hooren van den naam van Céline voelde Pierre, die door het
-wachten op het vreeselijke schouwspel van streek was, de tranen in zijn
-oogen komen. Hij zag het kleine meisje met de berustende en
-melancholieke madame Théodore weer voor zich in het koude, kleine
-kamertje, waarin de vader niet meer terugkomen zou. Daaruit was hij op
-een ochtend vol woede met een ledige maag en brandende hersenen
-weggegaan en nu was hij hier aangekomen—tusschen de beide balken onder
-de valbijl.
-
-Massot bleef bijzonderheden mededeelen en vertelde nu hoe woedend de
-doktoren waren, dat men het lijk niet onmiddellijk na de
-terechtstelling aan hen geven zou. Maar Guillaume luisterde niet meer
-naar hem. Op de houten palen leunend wachtte hij en staarde steeds door
-naar de gevangenisdeur. Een beven bewoog zijn handen, zijn gezicht had
-een zoo angstige uitdrukking, als moest hij zelf terechtgesteld worden.
-De beul was te voorschijn gekomen, een klein mannetje met een boos
-gezicht, die eruit zag als had hij haast. In een groep van andere
-heeren wezen de omstanders elkaar den chef van den Veiligheidsdienst
-Gascogne met zijn streng ambtenaarsgezicht en den rechter van
-instructie Amadieu, die glimlachte en ondanks het vroege uur reeds zeer
-zorgvuldig toilet gemaakt had. Hij kwam uit plicht en
-gewichtigdoenerij, als na het vijfde bedrijf van een beroemd drama,
-waarvan hij zich den schrijver waande. Uit de menigte steeg een luid
-lawaai op, en toen Guillaume een oogenblik opkeek, zag hij onder den
-bleekblauwen hemel, waaraan de zon weer triomphantelijk opstijgen zou,
-de beide grijze gevangenissen, de platanen in haar voorjaarskleed, de
-met menschen volgepropte huizen.
-
-“Daar heb je hem! Let op!”
-
-Wie had het geroepen? Een zacht, dof geluid, het knarsen van een
-opengaande deur, deed alle harten beven. Men zag niets meer dan zich
-uitrekkende halzen en starre blikken. Alles ademde moeilijk. Salvat
-stond op den drempel. Toen de geestelijke, achterwaarts loopend, voor
-hem uitging, om de guillotine aan zijn blik te onttrekken, bleef hij
-staan, want hij wilde haar zien, haar leeren kennen voor er naar toe te
-loopen. Rechtopstaande liet hij nu zijn naakten hals zien, zijn lang,
-oud geworden, door het al te ruwe leven doorgroefd gezicht, waarin zijn
-vlammende, droomerige oogen brandden. Een geestdrift hief hem als het
-ware op; hij stierf voor zijn ideaal. Toen de beulsknechten naar hem
-toekwamen, om hem te steunen, weigerde hij dit opnieuw. Met kleine
-pasjes en zoo vlug en zoo hoog opgericht als het touw, waarmede zijn
-beenen gebonden waren, het toeliet, liep hij voort.
-
-Plotseling voelde Guillaume de oogen van Salvat op de zijne rusten.
-Onder het voortloopen had de veroordeelde hem gezien en herkend; toen
-hij op nauwlijks twee meter afstand langs hem ging, glimlachte hij
-flauwtjes en boorde zijn blik zóó diep in hem, dat Guillaume het
-branden daarvan steeds voelen zou. Wat voor een laatste gedachte, wat
-voor een uiterste wilsbeschikking liet hij hem ter overpeinzing, ter
-uitvoering misschien, na? Het was zoo pijnlijk, dat Pierre, bang, dat
-zijn broer het onwillekeurig uit zou schreeuwen, zijn hand op diens arm
-legde.
-
-“Leve de anarchie!”
-
-Salvat had het uitgeschreeuwd, maar de veranderde, verstikte stem
-verklonk in de diepe stilte. De enkele aanwezigen verbleekten, de verre
-menigte was als gestorven. Midden in de groote, vrij gehouden ruimte
-hoorde men het paard van een garde hinniken.
-
-Nu volgde een voorbeeldeloos ruw en schandelijk tooneel. De
-beulsknechten stortten zich op Salvat, die langzaam en met opgeheven
-hoofd voortschreed. Twee pakten hem bij zijn hoofd, vonden echter
-slechts weinige haren en konden dat slechts in de laagte krijgen door
-aan zijn nek te gaan hangen; intusschen grepen twee anderen zijn beenen
-en wierpen hem ruw op de plank die begon te wankelen. Met stooten werd
-het hoofd in het gat gedrongen. Dan viel de bijl met een zwaren en
-doffen schok. Twee bloedstralen sprongen uit de doorgesneden aderen,
-terwijl de beenen zich krampachtig bewogen. Anders zag men niets. De
-beul wreef zich werktuigelijk in zijn handen, terwijl een knecht het
-afgesneden, van bloed druipende hoofd uit de kleine mand nam, om het in
-de groote te leggen, waarin het lichaam reeds door een ruk geworpen
-was.
-
-O, die doffe, die zware schok van de bijl! Guillaume had hem in de
-verte, in de geheele wijk der ellende en van den arbeid hooren
-weerklinken tot in de armzalige kamers, waarin op dat oogenblik
-duizenden arbeiders opstonden voor hun harde dagtaak. Die schok kreeg
-hier een vreeselijke beteekenis, sprak de verbittering over de
-ongerechtigheid uit, den waanzin van het martelaarschap, de smartelijke
-hoop, dat het vergoten bloed de overwinning der onterfden zou
-verhaasten.
-
-Boven het plein, boven de menigte hing de wijde stilte van den helderen
-hemel. Hoe lang had het vreeselijke geduurd? Een eeuwigheid misschien,
-twee of drie minuten in werkelijkheid. Eindelijk ontwaakten de
-menschen, schudden met bevende handen, bleeke gezichten en oogen vol
-medelijden, afschuw en vrees de nachtmerrie van zich af.
-
-“Dus weer een... Dat is de vierde, wien ik een kopje kleiner maken
-zie,” zeide Massot, die zich allesbehalve op zijn gemak gevoelde. “Ik
-houd per slot van rekening toch meer van huwelijksplechtigheden...
-Laten we gaan; ik kan nu mijn artikel schrijven.”
-
-Werktuigelijk volgden Guillaume en Pierre hem, staken het plein over en
-bevonden zich weer op den hoek van de rue Merlin. Dan zagen zij precies
-op dezelfde plek Victor Mathis met zijn vlammende oogen in zijn bleek
-en zwijgend gelaat staan. Hij kon niets duidelijk gezien hebben; maar
-de schok van de bijl weerklonk nog in zijn hersens. Een agent duwde hem
-weg en schreeuwde hem toe door te loopen; door een plotselinge woede
-geschokt, keek hij hem een oogenblik aan, als wilde hij hem naar de
-keel vliegen. Dan verwijderde hij zich kalm en ging de rue de la
-Roquette in, aan het einde waarvan men in het licht der opgaande zon de
-groote boomen van Père-Lachaise zag.
-
-De twee broeders echter vielen midden in een scène, die zij tegen hun
-zin bijwoonden. Prinses de Hardt kwam eindelijk, nu het schouwspel ten
-einde was; haar woede was des te grooter, nu zij bij de deur van het
-wijnrestaurant haar nieuwen vriend Dutheil in gezelschap van een vrouw
-zag.
-
-“Jij bent ook een mooie, om me zoo in den steek te laten! Het is
-onmogelijk om met je rijtuig erbij te komen; ik moest te voet door al
-dat plebs gaan en me laten beleedigen en uitjouwen.”
-
-Wel wetend, wat hij deed, stelde hij haar onmiddellijk aan Silviane
-voor en fluisterde haar daarna in, dat hij een vriend een dienst bewees
-door met haar mede te gaan. Rosemonde, die reeds lang van verlangen
-brandde om de actrice te leeren kennen—de over haar loopende geruchten
-van haar beruchte liefdesavonturen hadden haar waarschijnlijk
-geprikkeld—werd dadelijk kalm en buitengewoon vriendelijk.
-
-“Ik had zoo gaarne dat schouwspel met een artiste van uw gaven gezien;
-ik bewonder u zoo, zonder dat ik het u nog ooit heb kunnen zeggen.”
-
-“U hebt niet veel verloren door uw late komst! We stonden boven op het
-balcon en ik heb niets gezien dan mannen, die een anderen
-voortduwden... Het was de moeite niet waard ervoor te komen.”
-
-“Enfin, nu wij eenmaal kennis gemaakt hebben, hoop ik, dat u mij toe
-zult staan uw vriendin te zijn.”
-
-“Zeker, ook mij zal het een genoegen en een eer zijn de uwe te mogen
-zijn!”
-
-Hand in hand glimlachten zij tegen elkaar. Silviane dronken, maar toch
-haar rein Madonnagezichtje terugvindend, terwijl Rosemonde koortsachtig
-was door een nieuwe nieuwsgierigheid, want zij wilde alles, zelfs dat,
-proeven.
-
-Dutheil, nu weer geheel opgelucht, had nog slechts het verlangen, om
-Silviane naar huis te brengen, ten einde te trachten beloond te worden
-voor zijn welwillendheid. Hij hield Massot, die juist aankwam, staande
-en vroeg hem, of hij een standplaats voor rijtuigen wist. Maar reeds
-bood Rosemonde het hare aan, zeide, dat de koetsier in een zijstraat
-wachtte, en stond er op eerst de actrice en daarna den afgevaardigde
-thuis te brengen. Ondanks zijn wanhoop moest hij het wel goed vinden.
-
-“Dus tot morgen in de Madeleine,” zeide Massot vroolijk weer, terwijl
-hij de prinses de hand gaf.
-
-“Ja, tot morgen, in de Madeleine en in de Comédie.”
-
-“Dat is waar ook,” riep hij uit, terwijl hij Silviane’s hand kuste, “’s
-Morgens in de Madeleine en ’s avonds in de Comédie... Wij zullen voor
-een groot succes zorgen.”
-
-“Daar reken ik op... Tot morgen.”
-
-“Tot morgen.”
-
-De menigte verspreidde zich roezemoezig, moe, met een soort
-teleurstelling en onbehaaglijk gevoel. Enkele geestdriftigen bleven nog
-om den wagen, die het lijk van den terechtgestelde weg zou brengen, te
-zien vertrekken, terwijl de in het volle daglicht weggeteerd uitziende
-zwervers en snollen floten en elkaar nog een laatste liederlijkheid
-toeriepen. Vlug takelden de beulsknechten de guillotine af. Weldra zou
-het plein weer zijn gewone aanzien hebben.
-
-Nu wilde Pierre ook Guillaume, die, door den doffen bijlslag als
-verdoofd, nog geen woord gezegd had, medenemen. Vergeefs wees hij met
-zijn hand naar de luiken van Mège’s woning, die te midden van al de
-andere wijd geopende ramen in den gevel van het hooge huis hardnekkig
-gesloten waren gebleven. Dit was, hoewel hij de anarchisten vervloekte,
-ongetwijfeld een protest van den socialistischen afgevaardigde tegen de
-doodstraf. Terwijl de menigte naar het vreeselijke schouwspel
-toestroomde, lag hij met zijn gezicht naar den muur gekeerd te droomen
-op welke wijze hij ten slotte de menschheid dwingen zou onder de
-gebiedende wet van het collectivisme gelukkig te zijn. Het verlies van
-een kind had zijn arm vaderhart een zwaren slag toegebracht. Hij
-hoestte veel, maar wilde toch leven. Wanneer hij nu door een
-interpellatie het ministerie-Monferrand ten val gebracht had, zou hij
-aan het bewind komen, de guillotine afschaffen en volkomen
-gerechtigheid en volkomen geluk decreteeren.
-
-“Zie je wel, Guillaume,” herhaalde Pierre zacht, “Mège heeft zijn ramen
-niet opengemaakt. Toch een flinke kerel, al mogen onze vrienden Bache
-en Morin hem niet.”
-
-En toen zijn broeder, geheel in gedachten verdiept, niet antwoordde:
-
-“Kom, wij moeten naar huis.”
-
-Beiden sloegen nu de rue de la Folie-Regnault in en kwamen door de rue
-du Chemin-Vert op de buitenboulevards. Op dit uur was in het heldere
-licht van de opgaande zon eindelijk de geheele wijk aan het werk; de
-lange, aan beide zijden met lage werkplaatsen en fabrieken begrensde
-straten leefden op in het lawaai der stoomketels, terwijl de
-rookpluimen der hooge, door de eerste zonnestralen vergulde
-schoorsteenen rose werden. Vooral op den boulevard Ménilmontant kregen
-zij een indruk van de exodus der arbeiders naar Parijs, die voortduurde
-op den boulevard de la Belleville, op den boulevard de la Villette, den
-boulevard de la Chapelle tot den heuvel van Montmartre en den boulevard
-Rochechouart. Steeds en steeds weer nieuwe scharen arbeiders en
-arbeidsters. Later kwamen de kleine ambtenaren, de fatsoenlijke armoede
-in jas en broek, heeren, die onder het harde voortloopen hun stukje
-brood opaten, vervolgd werden door den angst, dat zij hun huur niet
-zouden kunnen betalen, en niet wisten waarvan vrouw en kinderen tot aan
-het laatst der maand moesten eten. De zon steeg aan den horizont; de
-geheele mierenhoop was naar buiten gekomen, de werkdag begon weer met
-zijn voortdurende verspilling van energie, moed en lijden.
-
-Nooit had Pierre de noodzakelijkheid van den verzoenenden en reddenden
-arbeid zoo duidelijk beseft. Reeds bij zijn bezoek aan de fabriek
-Grandidier en later toen hij zelf behoefte aan bezig zijn voelde, had
-hij al tegen zichzelf gezegd, dat daarin de wereldwet moest liggen.
-Maar welk een straal van hoop was het na dezen verschrikkelijken nacht,
-na dit vergoten bloed van den in den waanzin van zijn droom vermoorden
-arbeider de zon weer te zien opkomen en den eeuwigen arbeid zijn taak
-te zien opnemen. Zou, hoe verpletterend deze arbeid, hoe monsterachtig
-de onrechtvaardige verdeeling zijn mocht, toch die arbeid niet eenmaal
-gerechtigheid en geluk scheppen?
-
-Plotseling zagen de beide broeders, toen zij de steile helling
-opgingen, boven hun hoofden tegenover zich de verheven en
-triomphantelijke basilica van den Sacré-Cœur. Het was niet meer een
-door de maan beschenen sprookjesverschijning, een spook der
-heerschappij, dat zich voor het nachtelijk Parijs verhief. De zon
-baadde haar in een gouden, trotschen, overwinnenden glans en deed haar
-in onsterfelijken roem opvlammen.
-
-Guillaume, die nog steeds zwijgend verder liep en nog den laatsten blik
-van Salvat in zich voelde, scheen plotseling tot een definitief besluit
-te komen: hij keek haar met zijn brandende oogen aan en sprak het
-doodvonnis over haar uit.
-
-
-
-
-II.
-
-De inzegening van het huwelijk zou om twaalf uur plaats vinden, maar
-reeds een half uur te voren hadden de uitgenoodigden de met een
-buitengewone luxe gedecoreerde, met groene planten versierde en met
-bloemengeur doorbalsemde kerk gevuld. Op het hoofdaltaar brandden
-duizend kaarsen, terwijl de wijd openstaande deurvleugels in het felle
-zonlicht het met palmen vol staande voorportaal, de met een breeden
-looper belegde treden en de nieuwsgierige menigte, die zich op het
-plein tot in de rue Royale opgehoopt had, lieten zien.
-
-Dutheil, die nog drie stoelen voor laatkomende dames gevonden had,
-zeide tegen Massot, die de namen in zijn reportersboekje opschreef:
-
-“Wie nu nog verder komen, zullen moeten blijven staan.”
-
-“Wie zijn die drie dames?” vroeg de journalist.
-
-“Hertogin de Boisemont met haar twee dochters.”
-
-“Bliksems, het geheele wapenboek van Frankrijk, de heele financieele en
-de heele politieke wereld schijnt hier te zijn. Het is nog mooier dan
-een echt Parijsch huwelijk.”
-
-Inderdaad waren alle maatschappelijke kringen hier vertegenwoordigd.
-Terwijl de Duvillards de geldkoningen en de politici hier brachten,
-waren madame de Quinsac en haar zoon vergezeld door de grootste namen
-der aristocratie. De keuze der getuigen alleen reeds drukte dezen
-wonderbaarlijken mélange uit: voor Gérard zijn oom, generaal de
-Bozonnet en markies de Morigny; voor Camille, de groote bankier
-Louvard, haar neef, en Monferrand, minister van Financiën en
-minister-president. De rustige uittarting van dezen laatste, die zich
-onlangs in de zaken van den baron gecompromitteerd had en nu getuige
-van zijn dochter wilde zijn, omgaf zijn triomf met den glans van
-onbeschaamdheid. Om de nieuwsgierigheid als het ware nog meer te
-prikkelen, zou de huwelijksinzegening geschieden door monseigneur
-Martha, bisschop van Persepolis, agent van de pauselijke politiek in
-Frankrijk, apostel van het ralliement, de voor het Katholicisme
-veroverde Republiek.
-
-“Wat zeg ik, een echt Parijsch huwelijk!” herhaalde Massot met een
-spotlachje. “Dat huwelijk is een symbool. Ja, waarde heer, de apotheose
-der bourgeoisie: de oude adel offert een van haar zonen op het altaar
-van het gouden kalf, opdat de goede God en de gendarmen, die weer de
-meesters van Frankrijk geworden zijn, ons van die schoften van
-socialisten bevrijden. Trouwens, er zijn geen socialisten meer,”
-verbeterde hij zich zelf. “Dien hebben ze gisterenavond een kopje
-kleiner gemaakt.”
-
-Dutheil vond de opmerking heel grappig.
-
-“Maar het is niet makkelijk gegaan,” zeide hij vertrouwelijk. “Heb je
-vanochtend dat smerige artikel van Sanier gelezen?”
-
-“Ja, ja, maar ik wist het van te voren, iedereen wist het.”
-
-En fluisterend, elkander met een half woord begrijpend, spraken zij
-verder. Wat de Duvillards betreft, de moeder had den minnaar slechts
-onder tranen en na een wanhopigen strijd aan haar dochter gegeven,
-alleen omdat zij Gérard gelukkig en rijk wilde zien, terwijl zij
-tegenover Camille haar vreeselijken haat van overwonnen mededingster
-koesteren bleef. Ook madame de Quinsac had een smartelijken tweestrijd
-moeten voeren; de gravin had in het huwelijk slechts toegestemd, om
-haar zoon te redden uit het gevaar, waarin hij, zooals zij wist, reeds
-vanaf zijn jeugd verkeerde. Zij was in haar moederlijke verzaking zóó
-ontroerend, dat markies de Morigny er zich ondanks zijn
-verontwaardiging bij neergelegd had getuige te zijn, zoodoende aan de
-vrouw, die hij steeds lief gehad had, het grootste offer, het offer van
-zijn geweten, brengend. En deze verschrikkelijke geschiedenis had
-Sanier dien ochtend onder doorzichtige schuilnamen in de Voix du Peuple
-verteld—ja, zooals altijd slecht ingelicht en tot leugens steeds
-bereid, had hij zelfs het middel gevonden, om nog meer vuiligheid eraan
-toe te voegen, want voor het succes van zijn verkoop was het noodig,
-dat de dagelijks door hem geopende goot een onophoudelijk zich
-verdikkende en steeds vergiftigde modder uitdruipen liet. Sedert de
-overwinning van Monferrand hem gedwongen had het schandaal der
-Afrikaansche sporen te laten rusten, wierp hij zich op particuliere
-schandalen, bezoedelde hij families, die hij tot op het hemd toe
-uitkleedde.
-
-Plotseling vloog Chaigneux op hen af; zijn half versleten rok was
-nauwelijks toegeknoopt.
-
-“En hoe staat het met uw artikel over Silviane, mijnheer Massot? Het is
-nu toch goed afgesproken, dat het in de courant komt?”
-
-Duvillard was op het denkbeeld gekomen Chaigneux, die altijd te koop en
-altijd bereid was als lakei dienst te doen, te gebruiken als een
-drijver voor het aanstaande succes van Silviane. Hij had hem tot haar
-beschikking gesteld en zij droeg hem allerlei vernederende werkjes op,
-dwong hem heel Parijs af te loopen om een claque aan te werven en
-triompheerende kritieken te krijgen. Zijn oudste dochter was nog niet
-getrouwd; nog nooit hadden zijn vier vrouwen zoo zwaar op hem gedrukt;
-het was een ware hel—ja, hij werd zelfs geslagen, wanneer hij den
-eersten van iedere maand geen duizend francs thuis bracht.
-
-“Mijn artikel,” antwoordde Massot, “zal niet in de courant komen,
-waarde afgevaardigde. Fonsègue vindt, dat er voor den Globe te veel
-ophemeling in voorkomt. Hij heeft mij gevraagd of ik wel wist voor welk
-blad ik het geschreven had.”
-
-Chaigneux werd doodsbleek. Het was een van te voren, uit een mondain
-oogpunt geschreven artikel over het succes, dat Silviane ’s avonds in
-Polyeucte in de Comédie zou behalen. Om haar een pleizier te doen, had
-de journalist het haar zelf voorgelezen; zij was erover in de wolken en
-rekende er vast op het nu gedrukt in een van de meest ernstige bladen
-van Parijs te lezen.
-
-“Lieve Hemel, wat moet er van ons worden?” mompelde de ongelukkige
-afgevaardigde. “Het artikel moet in de courant komen.”
-
-“Ik zou niets liever zien. Maar spreek er zelf met den patroon over...
-Kijk daar staat hij tusschen Vignon en Dauvergne, den minister van
-Onderwijs.”
-
-“Dat zal ik zeker... Maar niet hier. Strakjes in de sacristie, bij de
-gelukwenschen... Dan zal ik ook Dauvergne zien te spreken, want
-Silviane staat erop, dat hij vanavond in de ministersloge zit.
-Monferrand komt ook, hij heeft het aan Duvillard beloofd.”
-
-Massot begon te lachen en herhaalde de grap, die na het engagement der
-actrice de rondte door geheel Parijs gemaakt had.
-
-“Het ministerie Silviane... Dat is hij zijn peet wel schuldig.”
-
-Maar op dat oogenblik vloog de kleine prinses de Hardt als een
-wervelstorm naar hen toe.
-
-“Weet u, dat ik geen plaats heb?” riep zij.
-
-Dutheil dacht, dat zij hier een goeden stoel wilde hebben.
-
-“Reken niet op mij. Ik kan er niets meer aan doen. Ik heb de grootste
-moeite gehad hertogin de Boisemont en haar twee dochters een plaats te
-geven.”
-
-“Neen ik spreek over de voorstelling van vanavond... Je moet me, het
-koste wat het wil, een hoekje in een loge geven. Het zou beslist mijn
-dood zijn, als ik onze onvergelijkelijke, onze heerlijke vriendin niet
-zou kunnen toejuichen.”
-
-Sedert zij Silviane na de terechtstelling van Salvat thuis gebracht
-had, legde zij een onstuimige bewondering voor haar aan den dag.
-
-“U zult geen enkele plaats meer vinden,” verklaarde Chaigneux
-gewichtig. “Alles is uitverkocht. Ze hebben me tot driehonderd francs
-voor een fauteuil geboden.”
-
-“Dat is zoo, tot zelfs om de klapstoeltjes is gevochten,” voegde
-Dutheil eraan toe. “Het spijt mij vreeselijk, maar reken niet op mij...
-Alleen Duvillard zou u een plaatsje in zijn loge kunnen geven. Hij
-heeft mij gezegd, dat hij er een voor mij zou reserveeren. Maar ik
-geloof, dat wij maar met ons drieën zijn, zijn zoon inbegrepen... Vraag
-dadelijk aan Hyacinthe of hij u laat inviteeren.”
-
-Rosemonde, die op een avond, dat Hyacinthe haar doodelijk verveelde, in
-de armen van den afgevaardigde gevallen was, begreep de ironische
-bedoeling heel goed, maar riep toch verrukt uit:
-
-“Ja, dat kan Hyacinthe mij niet weigeren! Dank je wel voor de
-inlichting, beste jongen. Je bent een aardig ventje, je weet op alles
-raad!... En vergeet niet, dat je mij beloofd hebt mij de politiek te
-leeren. O, ik voel, dat ik mij nooit voor iets zoo hartstochtelijk
-geïnteresseerd heb als voor de politiek.”
-
-Zij ging weg, drong door de menigte heen en wist ondanks alles ten
-slotte nog een plaatsje op de eerste rij te bemachtigen.
-
-“Een leuke wildzang!” mompelde Massot.
-
-Toen Chaigneux den rechter van instructie Amadieu tegemoet vloog, om
-hem onderdanig te vragen of hij zijn fauteuil ontvangen had, fluisterde
-de journalist den afgevaardigde in:
-
-“Zeg, is het waar, dat Duvillard beginnen wil met dien beruchten
-spoorweg door de Sahara? Een reusachtige onderneming: het gaat ditmaal
-over honderden en nogmaals honderden millioenen... Gisterenavond haalde
-op de courant Fonsègue zijn schouders ervoor op, zeide, dat het
-krankzinnigenwerk was, dat hij er niet aan geloofde.”
-
-“Dat zaakje komt in orde. Voor we acht-en-veertig uur verder zijn, zal
-Fonsègue de voeten van den baron kussen,” zeide Dutheil met een
-schertsend knipoogje.
-
-En vroolijk gaf hij te verstaan welk een gouden manna weer neer zou
-vallen op de trouwe vrienden, op alle mannen van goeden wil. Wanneer de
-storm voorbij is, schudt de vogel zijn vleugels. En in de vroolijke
-zekerheid van het te verwachten geschenk was hij opgewekt en
-spraakzaam, als had de affaire met de Afrikaansche sporen hem nooit
-wanhopig gemaakt.
-
-“Bliksems,” zeide Massot, nu ernstig geworden; “dit is dus meer dan een
-triomf; het is de belofte van een nieuwe oogst. Dan is het ook niet te
-verwonderen, dat men hier elkaar half dood dringt.”
-
-Op dat oogenblik hief het orgel een triomphantelijk begroetingslied
-aan. Eindelijk betrad de stoet de kerk. Terwijl deze plechtig in het
-heldere zonlicht de treden besteeg, ontstond onder de menigte, die tot
-in de rue Royale stond en het rijtuig- en omnibusverkeer stremde, een
-luid lawaai. Nu trad hij onder de hooge, echoënde gewelven en schreed
-tusschen de twee dicht op elkander gedrukte rijen genoodigden naar het
-hoofdaltaar. Allen waren opgestaan, allen rekten, glimlachend en
-brandend van nieuwsgierigheid, hun halzen uit.
-
-Eerst schreed, achter den prachtig uitgedosten kerkdienaar, Camille aan
-den arm van haar vader, baron Duvillard, die trotsch en hoogmoedig als
-een overwinnaar liep. Zij, gehuld in een sluier van bewonderenswaardige
-Alençon-kant, welke vastgehouden werd door een diadeem van
-oranjebloesem, in een japon van geplisseerde zijden mousseline op een
-onderkleed van wit satijn, was zóó gelukkig, straalde zóó in het
-bewustzijn van haar overwinning, dat zij bijna knap leek. Zij liep
-rechtop; het was nauwelijks zichtbaar, dat haar linkerschouder hooger
-was dan haar rechter. Dan volgde Gérard met zijn moeder, gravin de
-Quinsac, aan zijn arm: hij zeer mooi en correct, zij voornaam en
-waardig in haar pauwblauw met staal- en goudparelen bestikt zijden
-kleed. Maar vooral was het wachten op Eve; iedereen rekte zich uit,
-toen zij aan den arm van generaal de Bozonnet, een der getuigen en den
-naasten bloedverwant van den bruidegom, verscheen. Zij droeg een kleed
-van vieux rose taffetas met Valenciennes-kant van onschatbare waarde;
-nooit had zij er jonger en blonder uitgezien. Toch zeiden haar oogen,
-dat zij geweend had, ofschoon zij zich tot een lachje dwong. Met de
-lijdende gratie van haar geheele persoonlijkheid deed zij aan een
-weduwe denken, verried zij het smartelijke offer, dat zij met het
-opgeven van den geliefden man gebracht had. Hierop kwamen de drie
-andere getuigen, ieder met een dame aan hun arm. Monferrand vooral, die
-zeer vroolijk en zonder eenige majesteit met zijn dame, een kleine,
-lichtzinnig uitziende brunette, lachte, werd opgemerkt. In den
-eindeloozen, plechtigen stoet liep ook nog Hyacinthe, wiens kostuum met
-de symmetrisch geplooide rokspanden bijzonder in het oog viel.
-
-Nadat het bruidspaar voor de voor hen bestemde bidstoelen en de beide
-families op de groote, roodfluweelen en vergulde fauteuils plaats
-genomen hadden, begon de ceremonie met buitengewone pracht. De pastoor
-der Madeleine officieerde zelf; zangers van de Opera versterkten het
-koor voor de gezongen mis, die het orgel met een voortdurend jubellied
-begeleidde. Al de luxe, alle mogelijke mondaine en kerkelijke pracht
-werd ten toon gespreid, als had men van dit huwelijk een openbaar
-feest, een overwinning, de apotheose van een klasse willen maken. Ja,
-zelfs de onbeschaamdheid en het uittartende van dit verschrikkelijke,
-aan iedereen bekende en op deze wijze geafficheerde huiselijke drama
-gaf aan de plechtigheid den glans van een afschuwelijke grootschheid.
-Doch vooral voelde men dit, toen monseigneur Martha, in koorhemd en
-stola, zelf het huwelijk kwam inzegenen.
-
-Hoog opgericht, blozend en frisch, glimlachte hij half en sprak de
-sacramenteele woorden met de verheven zalving van een hoogepriester,
-die gelukkig is de twee groote rijken, wier erfgenamen hij vereenigde,
-te verzoenen. Met ongeduld verbeidde men zijn toespraak tot de
-jonggehuwden. Hij overtrof er zichzelf in; zij werd een triomf voor
-hem. Had hij in deze kerk niet de moeder gedoopt, de nog zoo mooie
-blonde Eve, de door hem tot het Katholieke geloof bekeerde Jodin? Had
-hij niet in deze kerk zijn drie beroemde causerieën over den nieuwen
-geest gehouden, waarvan, naar zijn meening, het bankroet der
-wetenschap, het ontwaken van het Christelijk spiritualisme, de
-verzoeningspolitiek, die uitloopen moest op de verovering der
-Republiek, het gevolg was. Hij mocht zich wel de vrijheid veroorlooven
-zich met fijne toespelingen met zijn werk geluk te wenschen, nu hij een
-armen zoon der aristocratie verbond met de vijf millioen van deze
-burgerlijke erfgename, in wie de overwinnaars van 1789, die thans
-meesters der macht waren, triompheerden. Alleen de bedrogen, bestolen
-vierde stand, het volk, maakte het feest niet mede.
-
-Monseigneur Martha bezegelde in deze echtgenooten het nieuwe verbond,
-verwezenlijkte de politiek van den paus, den heimelijken drang van het
-Jezuïtische opportunisme, dat de democratie, de macht en het geld
-verbindt, om er zich dan meester van te maken. In zijn peroratie wendde
-hij zich tot den glimlachenden Monferrand en scheen het woord tot hem
-te richten, toen hij het jonge paar een geheel in de vrees van God
-opgaand leven van Christelijken deemoed en Christelijke gehoorzaamheid
-toewenschte. Hij bezwoer de ijzeren hand Gods, de ijzeren vuist, als
-die van den gendarm, welke belast is met de handhaving van den
-wereldvrede. Iedereen was op de hoogte van de diplomatieke
-verstandhouding tusschen den bisschop en den minister; er moest het een
-of ander geheim verdrag bestaan, waardoor beiden hun autoritairen
-hartstocht, hun heerschzucht bevredigen konden.
-
-“Wat zou de oude Justus Steinberger pleizier hebben, als hij zag, dat
-zijn kleindochter trouwde met den laatsten de Quinsac!” fluisterde
-Massot, die bij Dutheil was blijven staan.
-
-“Maar zulke huwelijken zijn juist goed,” antwoordde de afgevaardigde.
-“Het is de mode. Joden, Christenen, bourgeoisie en adel hebben alle
-reden om zich te vereenigen, ten einde de nieuwe aristocratie te
-vormen. We hebben er een noodig, anders zou het volk ons boven het
-hoofd groeien.”
-
-Massot moest desniettemin lachen om het gezicht, dat Justus Steinberger
-gezet zou hebben, als hij monseigneur Martha gehoord had. Inderdaad
-liep het gerucht, dat de oude Joodsche bankier sedert de bekeering van
-zijn dochter Eve, met wie hij niet meer omging, zich voor alles, wat
-zij zeide of deed, interesseerde, als zag hij in haar meer dan ooit een
-wapen van wraak en verovering tegen deze Christenen, van wier
-verwoesting zijn ras, naar men zeide, droomde. Nu hij Duvillard, door
-haar aan hem tot vrouw te geven, niet, zooals hij gehoopt had, had
-kunnen veroveren, troostte hij zich blijkbaar met het buitengewone
-geluk van zijn bloed, dat zich nu vereenigde met dat van zijn vroegere
-hardvochtige meesters, welke daardoor geheel ten gronde gericht werden.
-Was dat niet de definitieve overwinning der Joden, waarover men sprak?
-
-Een laatste triomflied van het orgel besloot de plechtigheid. De beide
-families en de getuigen gingen naar de sacristie, waar de trouwacte
-geteekend werd en de gelukwenschen in ontvangst genomen werden.
-
-Intusschen bleven de menschen staan en vormden zich opgewekt pratende
-groepjes. Monferrand werd dadelijk door velen omringd. Massot maakte er
-Dutheil op opmerkzaam hoe onderdanig de advocaat-generaal Lehmann hen
-kwam begroeten. Bijna onmiddellijk daarna verschenen de rechter van
-instructie Amadieu en ook de vice-president van het Hof de
-Larombardière, hoewel deze laatste een der laatste getrouwen van den
-salon der gravin was. Zij waren de vleiende en gehoorzame leenmannen
-der regeering, die bevordert, benoemt en afzet. Men beweerde, dat
-Lehmann in de zaak der Afrikaansche spoorwegen Monferrand een grooten
-dienst bewezen had, door sommige dossiers te laten verdwijnen. En had
-men den glimlachenden, door en door Parijschen Amadieu niet het hoofd
-van Salvat te danken?
-
-“Die drie komen hun bedankje halen voor hun geguillotineerde van
-gisteren,” prevelde Massot. “Monferrand is dien ongelukkige wel grooten
-dank verschuldigd, want eerst heeft hij met zijn bom den val van het
-ministerie verhinderd, en later, toen het er om ging een man te vinden,
-wiens vuist sterk genoeg was om het anarchisme te worgen, heeft hij hem
-het voorzitterschap van den ministerraad verschaft. Wat een strijd, hè:
-Monferrand aan den eenen en Salvat aan den anderen kant! Een hoofd
-moest ten slotte vallen! Hoor, zij praten er nu over!”
-
-Inderdaad werden de drie magistraten, die den almachtigen minister
-gingen begroeten, door dames, wier nieuwsgierigheid door de verslagen
-in de bladen koortsachtig geprikkeld was, uitgevraagd. Amadieu, die
-qualitate qua de terechtstelling bijgewoond had, gaf antwoord, blij,
-dat hij nog eenmaal gewichtig doen kon, en vastbesloten, dat, wat hij
-de legende van den heldenmoed van Salvat noemde, te vernietigen.
-Volgens hem had die misdadiger volstrekt geen waren moed getoond;
-slechts trots had hem staande gehouden; maar hij was zoo bang en
-angstig geweest, dat hij reeds dood was alvorens hij onder de bijl
-kwam.
-
-“Ja, dat is de waarheid,” riep Dutheil. “Ik was er bij.”
-
-Massot trok hem aan zijn arm, verontwaardigd, hoewel hij altijd met
-alles spotte.
-
-“Jij hebt er niets van gezien. Salvat is zeer dapper gestorven; het is
-gemeen dezen armen drommel tot in den dood te bezoedelen.”
-
-Maar deze voorstelling van Salvat’s laffen dood was veel te vleiend
-voor de ijdelheid van vele menschen. Het was als het ware het laatste
-brandoffer, dat men, om Monferrand aangenaam te zijn, aan diens voeten
-legde. Hij bleef kalm lachen als een dapper man, die slechts wijkt voor
-de noodzakelijkheid. Zeer vriendelijk toonde hij zich ten opzichte van
-de drie magistraten, die hij bedanken wilde voor de dapperheid,
-waarmede zij hun taak tot het einde toe vervuld hadden. Den vorigen dag
-had hij, na de terechtstelling, in de Kamer een overweldigende
-meerderheid verkregen. Overal heerschte orde, alles ging in Frankrijk
-zoo goed als het maar gaan kon. Toen Vignon, die als kalm speler de
-huwelijksplechtigheid bij had willen wonen, naderbij kwam, sprak de
-minister hem aan en fêteerde hem, deels uit coquetterie, deels uit
-taktiek, daar hij ondanks alles nog steeds bang was, dat de naaste
-toekomst aan dezen zoo intelligenten jongen man zou toebehooren. Toen
-een gemeenschappelijke vriend hun mede kwam deelen, dat het met
-Barroux’ gezondheid heel slecht stond en de doktoren aan zijn herstel
-wanhoopten, deden zij heel meewarig. Die arme Barroux! Sedert de
-zitting, waarin hij gevallen was, nam hij van dag tot dag af: de
-ondankbaarheid van het land trof hem midden in zijn hart; hij stierf
-aan de afschuwelijke beschuldiging van geschacher en diefstal—hij, die
-zoo rechtschapen, zoo eerlijk was, die zijn leven voor de Republiek
-gegeven had!
-
-“Maar wie bekent ook?” herhaalde Monferrand. “Het publiek begrijpt dat
-niet.”
-
-Op dat oogenblik kwam Duvillard, zijn vaderrol in den steek latend,
-naar hen toe; van nu af aan werd de triomf van den minister nog grooter
-door den zijne. Was hij niet de meester, was hij niet het geld, de
-eenige vaste, eeuwige macht, die boven deze ééndaagsche macht, boven
-die zoo snel van hand tot hand gaande ministerportefeuilles stond?
-Monferrand regeerde en zou verdwijnen; Vignon zou regeeren en
-verdwijnen—Vignon, die reeds aan zijn voeten lag, daar hij zeer goed
-wist, dat men zonder de millioenen der financieele mannen niet regeeren
-kan. Was hij dus niet de eenige triomphator, die voor vijf millioen een
-zoon der aristocratie kocht, die als het ware de belichaming van de
-almachtig geworden bourgeoisie geworden was, die heerschte als
-onbeperkt koning, als meester van den algemeenen rijkdom en niets
-daarvan wilde prijsgeven, zelfs niet onder het springen van bommen. Dit
-feest was zijn feest; hij alleen zette zich aan het festijn, weigerde
-toe te stemmen in een nieuwe deeling, nu hij alles veroverd had, alles
-bezat en nog slechts tegen zijn zin aan de arme drommels van arbeiders,
-die de Revolutie vroeger bedrogen had, de kruimels van zijn tafel
-overliet.
-
-Van dit oogenblik af was de zaak der Afrikaansche spoorwegen nog
-slechts een oude, in een commissie begraven, weggegoochelde zaak. Al
-degenen, die erin gecompromitteerd waren, de Dutheils, de Chaigneux, de
-Fonsègue’s lachten in hun vuistje, nu zij bevrijd waren door de ijzeren
-vuist van Monferrand en mede omhoog geheven werden door den triomf van
-Duvillard. Het gemeene artikel van Sanier, dat de Voix du Peuple dien
-ochtend gepubliceerd had, die vuile onthullingen, telde zelfs niet meer
-mede; men haalde er slechts zijn schouders voor op, zoo moe was het met
-modder gevoede, met onthullingen en laster oververzadigde publiek al
-die sensatie-schandalen geworden. Nog slechts één koortsachtige
-gruweling maakte zich van de menigte meester; het gerucht van het
-eerstdaags tot stand komen van de beroemde Trans-Sahara-baan, die
-millioenen op de trouwe vrienden zou doen regenen.
-
-Terwijl Duvillard amicaal met Monferrand en Dauvergne, die zich bij hen
-gevoegd had stond te praten, zeide Massot fluisterend tegen zijn
-hoofdredacteur Fonsègue:
-
-“Dutheil heeft mij daareven verteld, dat hun Trans-Sahara-baan klaar is
-en ze de zaak in de Kamer zullen wagen. Zij zeggen zeker te zijn van
-het succes.”
-
-Maar Fonsègue was skeptisch gestemd.
-
-“Onmogelijk; zij zullen niet zoo gauw opnieuw durven beginnen.”
-
-Toch had de tijding hem ernstig gemaakt. Ten gevolge van zijn
-onvoorzichtigheid met de Afrikaansche sporen was hij zoo bang geworden,
-dat hij zichzelf gezworen had in den vervolge zijn voorzorgsmaatregelen
-te nemen. Maar dat behoefde niet zoo ver te gaan, om zich buiten alle
-zaken te houden. Men moest wachten, ze bestudeeren, maar mededoen, aan
-alles mededoen.
-
-Juist toen hij naar den groep van Duvillard en de twee ministers keek,
-zag hij een ronselen van Chaigneux, die in de sacristie recruten werven
-bleef voor de tooneelvoorstelling van dien avond. Hij stak den
-loftrompet over Silviane, wakkerde de nieuwsgierigheid aan, voorspelde
-een enorm succes. Dan ging hij naar Dauvergne en zeide, terwijl zijn
-lange ruggegraat in tweeën boog:
-
-“Waarde minister, ik moet u een verzoek doen uit naam van een schoone
-dame, wier overwinning vanavond niet volkomen zijn zou, wanneer u u
-niet verwaardigt uw goedkeuring daaraan te hechten.”
-
-Dauvergne, een mooie, groote, blonde man met achter een lorgnet
-glimlachende blauwe oogen luisterde met de grootste welwillendheid. Hij
-had als minister van Openbaar Onderwijs veel succes, hoewel hij
-absoluut niets wist van de universiteit; maar als echt Parijzenaar uit
-Dijon was hij, naar men zeide, uiterst taktvol en handig, gaf feesten,
-waarop zijn jonge en zeer bekoorlijke vrouw schitterde, en ging als een
-verlicht vriend van schrijvers en kunstenaars door. Het engagement van
-Silviane aan de Comédie, tot nog toe zijn voornaamste werk, dat iederen
-anderen minister ten val gebracht zou hebben, had hem door een
-zeldzamen samenloop van omstandigheden populair gemaakt. Men vond dat
-iets onverwachts en amusants.
-
-Toen hij begrepen had, dat Chaigneux alleen maar zekerheid wilde
-hebben, dat hij ’s avonds in zijn loge in de Comédie zou zitten, werd
-hij dubbel vriendelijk.
-
-“Maar dat spreekt van zelf, waarde heer. Wanneer je een zoo bekoorlijk
-petekind hebt, laat je haar in de ure des gevaars niet in den steek.”
-
-Monferrand, die met één oor geluisterd had, draaide zich plotseling om.
-
-“Zeg haar, dat ik ook van plan ben te komen, zoodat zij twee vrienden
-meer in de zaal zal hebben.”
-
-Duvillard boog verrukt en met van ontroering en dankbaarheid
-schitterende oogen, alsof de ministers hem persoonlijk een
-onvergetelijken dienst bewezen.
-
-Nu eerst kreeg Chaigneux, die zelf eveneens hartelijk bedankt had,
-Fonsègue in het oog. Hij vloog naar hem toe en nam hem wat ter zijde.
-
-“O, waarde collega, die zaak moest beslist in orde komen. Zij is van
-het allerhoogste belang.”
-
-“Maar wat dan?” vroeg Fonsègue verbaasd.
-
-“Dat artikel van Massot natuurlijk, dat je niet wilt opnemen.”
-
-Ronduit verklaarde de directeur van den Globe, dat het artikel niet
-opgenomen zou worden. Hij verdedigde de waardigheid en den ernst van
-zijn blad: voor een courant, waarvan hij met zooveel moeite een
-voornaam orgaan van onaanvechtbare moraliteit gemaakt had, zouden
-dergelijke loftuitingen op een snol, ja een gewone snol, bezoedelend en
-bevuilend schijnen. Overigens lachte hij om de heele zaak, sprak in
-ruwe termen over Silviane, zeide, dat zij gerust in het openbaar haar
-rokken op mocht lichten, daar had hij niets tegen. Maar de Globe was
-iets heiligs.
-
-“Kom, waarde collega, doe het alleen maar om mij een genoegen te doen,”
-drong Chaigneux wanhopig aan. “Als het artikel niet in de courant komt,
-zal Duvillard denken, dat het mijn schuld is. En u weet, dat ik hem
-noodig heb. Het huwelijk van mijn dochter zal er weer door uitgesteld
-worden—ik weet waarachtig niet meer wat ik doen moet.”
-
-En toen hij zag, dat zijn persoonlijk ongeluk Fonsègue volkomen koud
-liet:
-
-“Maar in uw eigen belang dan, waarde collega, in uw eigen belang.
-Duvillard heeft het artikel gelezen en juist omdat het zoo ophemelend
-is, staat hij erop, dat het in den Globe verschijnt. Bedenk toch, dat
-hij zeker met u breken zal.”
-
-Een oogenblik bleef Fonsègue zwijgen. Dacht hij aan den
-Trans-Sahara-spoorweg? Zeide hij tot zichzelf, dat het hard zou zijn op
-dit oogenblik oneenigheid te krijgen, zijn deel niet te ontvangen bij
-de aanstaande verdeeling onder de trouwe vrienden? Maar de gedachte,
-dat hij voorzichtig moest zijn en afwachten, behaalde blijkbaar de
-overwinning.
-
-“Neen, neen, ik kan niet, het is een gewetensquaestie.”
-
-Intusschen bleven de gelukwenschen toestroomen. Het leek wel, alsof
-geheel Parijs defileerde. En steeds weer dezelfde glimlachende
-gezichten, dezelfde handdrukken. Het jonge paar en de beide families
-moesten, hoewel doodmoede, een verrukt gezicht blijven zetten. De hitte
-werd ondragelijk, een fijn stof steeg op van den bodem als bij het
-voorbijtrekken van groote kudden.
-
-De kleine prinses de Hardt, die God weet waar en God weet waarmede zich
-verlaat had, sprong plotseling te voorschijn, viel Camille om den hals,
-gaf ook Eve een zoen en hield Gérard’s handen in de hare, terwijl zij
-hem overdreven complimenten maakte. Dan zag zij Hyacinthe, maakte zich
-van hem meester en nam hem mede in een hoek.
-
-“Ik heb je iets te vragen.”
-
-Hyacinthe zeide dien dag geen woord. Het huwelijk van zijn zuster vond
-hij een verachtelijke, onzegbaar vulgaire ceremonie. Weer eene en weer
-een, die deze vuile en gemeene wet der geslachten erkenden en de
-menschelijke absurditeit der wereld vereeuwigden. Hij had dan ook
-besloten het huwelijk zwijgend en met een hautain, afkeurend uiterlijk
-bij te wonen.
-
-Ongerust keek hij Rosemonde aan, want hij was blij met haar gebroken te
-hebben, vreesde, dat de een of andere luim haar weer tot hem
-terugbrengen zou. Voor de eerste maal zeide hij dien dag iets.
-
-“Als vriend wil ik alles voor u doen.”
-
-Zij begon te lachen en zeide, dat het haar dood zou zijn, als zij het
-debuut van Silviane, wier vriendin en hartstochtelijke bewonderaarster
-zij was, niet zou kunnen bijwonen; zij bezwoer hem aan zijn vader te
-vragen haar uit te noodigen in zijn loge, waarin, zooals zij wist, nog
-een plaatsje vrij was.
-
-Nu begon hij bij de gedachte, dat dit een einde van zeldzame en
-symbolische aesthetiek zou zijn, zelf te glimlachen. Die Silviane zou
-hem van Rosemonde bevrijden; deze beide vrouwen zouden de onvruchtbare
-liefde belichamen. Hij was—in naam der schoonheid—voor het
-éénslachtelijke huwelijk, dat geen kinderen voortbrengt.
-
-“Afgesproken. Ik zal het tegen papa zeggen; er zal een plaats voor je
-zijn.”
-
-Daar het défilé eindelijk verminderde en de sacristie wat leeggeloopen
-was, konden het jonge paar en de twee families eindelijk tusschen de
-roezemoezige menigte, die gedeeltelijk staan bleef, om hen nog eenmaal
-te zien, ontsnappen.
-
-Gérard en Camille zouden dadelijk na de lunch naar een landgoed, dat
-Duvillard in Eure bezat, vertrekken. Deze lunch in het op enkele
-schreden van de Madeleine gelegen koninklijke hôtel in de rue
-Godot-de-Mauroy gegeven werd, was een nieuwe verrukking. De eetzaal op
-de eerste verdieping was herschapen in een buffet van wonderbaren
-overvloed en weelde, terwijl de groote roode salon, de kleine salon in
-blauw en zilver en al de openstaande luxueuze vertrekken een grootsche
-receptie mogelijk maakten. Hoewel men gezegd had, dat slechts de
-intieme vrienden der beide families uitgenoodigd waren, waren meer dan
-driehonderd personen aanwezig. De ministers hadden zich wegens drukke
-ambtelijke bezigheden verontschuldigd, maar men zag de journalisten, de
-magistraten en de afgevaardigden, kortom een groot gedeelte van den
-stroom, die door de sacristie gevloeid was, terug. Onder de
-uitgehongerden, die op den aanstaanden buit afkwamen, voelden de enkele
-gasten van madame de Quinsac zich het allerminst thuis; generaal de
-Bozonnet en markies de Morigny hadden haar naar een canapé in den
-grooten rooden salon gebracht en verlieten haar geen oogenblik.
-
-Eve, die gebroken was van moeheid en wier physieke en moreele kracht
-zoo goed als uitgeput was, had plaats genomen In den kleinen blauwen
-salon, welken haar hartstocht voor bloemen in een grooten ruiker rozen
-veranderd had. Zij viel bijna, zij voelde den vloer onder haar voeten
-beven; maar toch glimlachte zij, zag zij er mooi en bekoorlijk uit, zoo
-dikwijls een gast haar begroeten kwam. Een onverwachte hulp kreeg zij,
-toen zij monseigneur Martha zag, die zich verwaardigde de lunch met
-zijn tegenwoordigheid te vereeren. Hij schoof een fauteuil naast haar
-en begon op zijn gewone vriendelijke en innemende manier met haar te
-praten. Ongetwijfeld kende hij het afschuwelijk drama, den vergeefs
-bestreden zielsangst, die dit arme schepsel verteerde, want hij was vol
-vaderlijke zorg en troost voor haar. Zij sprak als een ontroostbare
-weduwe, die van de wereld afstand doet, en liet doorschemeren, dat God
-alleen nog haar toeverlaat kon zijn. Dan kwam het gesprek op het Oeuvre
-des Invalides du Travail, en zij zeide vast besloten te zijn haar rol
-als presidente in den vervolge zeer ernstig op te vatten en zich
-daaraan geheel te zullen wijden.
-
-“Ik zou u in dit opzicht gaarne een raad vragen, monseigneur... Ik heb
-iemand noodig, om mij daarbij ter zijde te staan, en ik had gedacht
-daarvoor een priester te nemen, dien ik bewonder, een echten heilige,
-abbé Pierre Froment.”
-
-De bisschop werd ernstig en keek verlegen voor zich, toen de kleine
-prinses, die met Dutheil voorbij kwam, den naam hoorde. Met haar gewone
-onstuimigheid trad zij op het tweetal toe.
-
-“Abbé Pierre Froment... O ja, dat heb ik u nog niet eens verteld; ik
-ben hem in jacquet en broek tegengekomen. En zij hebben me verteld, dat
-hij met een meisje in het Bois de Boulogne fietst... Niet waar Dutheil,
-we hebben hem gezien.”
-
-De afgevaardigde boog glimlachend, terwijl Eve verschrikt haar handen
-vouwde.
-
-“Maar dat is niet mogelijk! Zoo’n vurige naastenliefde, zoo’n
-apostelgeloof!”
-
-Eindelijk kwam de bisschop tusschenbeide:
-
-“Ja, de Kerk wordt dikwijls door diepen rouw getroffen. Ik heb van den
-waanzin van den ongelukkige, over wien u spreekt, gehoord; ik heb het
-zelfs mijn plicht geacht hem te schrijven, maar hij heeft mijn brief
-onbeantwoord gelaten. Ik had zoo gaarne een dergelijk schandaal willen
-vermijden. Maar er bestaan nu eenmaal van die afschuwelijke krachten,
-die wij niet overwinnen kunnen. De aartsbisschop heeft dezer dagen het
-interdict over hem moeten uitspreken... U zult een ander moeten kiezen,
-madame.”
-
-Het was verschrikkelijk. Eve keek Rosemonde en Dutheil aan, maar durfde
-geen bijzonderheden vragen; zij kon zich een schepsel, dat het gewaagd
-had een priester afvallig te maken, niet voorstellen. Zeker de een of
-andere schaamtelooze deerne, een van die wulpsche schepsels! En het
-scheen haar toe, dat een dergelijke misdaad haar eigen ongeluk
-voltooide.
-
-En met een gebaar, dat haar groote luxe, de geurige rozen, waarin zij
-zich baadde, en de menigte gasten, die zich bij het buffet verdrongen,
-tot getuigen nam, prevelde zij:
-
-“Ja, overal heerscht bederf. Men kan zich op niemand meer verlaten.”
-
-Op dat zelfde oogenblik was Camille, op het punt met Gérard te
-vertrekken, alleen in haar jonge meisjeskamer, toen haar broer
-Hyacinthe bij haar kwam.
-
-“Zoo ben je daar, jongen?... Je moet je haasten, als je me nog een zoen
-wilt geven... Ik ga dadelijk weg.”
-
-Hij gaf haar een zoen en zeide dan heel pedant:
-
-“Ik had je voor sterker aangezien. Sinds vanochtend toon je een
-vreugde, die mij tegen de borst stuit.”
-
-Zij bleef hem met een kalme minachting aankijken.
-
-“Je weet heel goed,” ging hij voort, “dat zij je Gérard, dien jij met
-je oogen verslindt, toch weer ontneemt, zoodra je terug bent.”
-
-Haar wangen werden bleek, haar oogen schoten vuur en met gebalde
-vuisten kwam zij naar haar broeder toe.
-
-“Zij! Zij zal hem mij weer ontnemen, zeg je?”
-
-Zij spraken over hun moeder.
-
-“Eerder vermoord ik haar, versta je? Laat zij op die vuiligheid niet
-rekenen, want den man, dien ik eenmaal heb, houd ik... En jou zou ik
-aanraden je gemeene praatjes voor je te houden, want je weet, dat ik je
-ken; je bent niet meer dan een snol en een domkop.”
-
-Hij week achteruit, als had een adder haar scherp, zwart kopje voor hem
-opgericht. En in zijn gewone bangheid voor haar vond hij het beter den
-terugtocht te aanvaarden.
-
-Terwijl de laatste gasten het buffet bleven plunderen, kwam het jonge
-paar afscheid nemen alvorens naar het station te vertrekken. Generaal
-de Bozonnet had een vrij grooten kring om zich verzameld en was weer
-over den militairen dienstplicht, die hem wanhopig maakte, begonnen;
-markies de Morigny moest hem terughalen op het oogenblik, dat gravin de
-Quinsac met bevende handen en zoo ontroerd, dat de markies de vrijheid
-nam haar te steunen, haar zoon en haar schoondochter Camille omhelsde.
-Hyacinthe was zijn vader gaan zoeken, dien men nergens vinden kon.
-Eindelijk ontdekte hij hem in een vensternis in een druk gesprek met
-Chaigneux, tegen wien hij op een heftige manier tekeer ging; hij was
-woedend toen hij de gewetensbezwaren van Fonsègue hoorde, want wanneer
-het artikel niet verscheen, was Silviane in staat het hem alleen te
-wijten en als straf haar deur weer voor hem te sluiten. Onmiddellijk
-had hij zijn triomphantelijk uiterlijk weer teruggevonden en snelde
-toe, om zijn dochter een kus op haar voorhoofd te geven, zijn
-schoonzoon de hand te drukken en hun beiden op schertsenden toon
-prettige dagen toe te wenschen. Eindelijk kwam het afscheid van Eve,
-naast wie monseigneur Martha glimlachend was blijven staan. Zij toonde
-een ontroerende dapperheid en putte uit haar wil, om tot het einde toe
-mooi te zijn, een kracht, die haar in staat stelde vroolijk en
-moederlijk te wezen.
-
-Vol goedheid en waarlijk heldhaftige verzaking nam zij de eenigszins
-bevende hand van Gérard in de hare en hield die een oogenblik vast.
-
-“Tot ziens, Gérard, blijf gezond en wees gelukkig!”
-
-Dan wendde zij zich tot Camille en kuste haar op beide wangen, terwijl
-de bisschop met toegeeflijke sympathie naar haar beiden keek.
-
-“Tot ziens, kind!”
-
-“Tot ziens, moeder!”
-
-Maar haar stemmen beefden, haar blikken hadden elkaar als flikkerende
-zwaarden gekruist, en toen zij elkaar kusten, hadden zij elkaars tanden
-gevoeld. O, die woede van Camille haar ondanks haar jaren en haar
-tranen nog altijd mooi en begeerlijk te zien. En welk een marteling
-voor de moeder te moeten aanschouwen, hoe dat jonge meisje, dat ten
-slotte overwonnen had, voor eeuwig haar liefde medenam! Wederzijdsche
-vergiffenis was onmogelijk; zij zouden elkaar haten tot in het
-familiegraf, waarin zij eenmaal naast elkander rusten zouden.
-
-
-
-’s Avonds echter verontschuldigde barones Duvillard zich, om naar de
-opvoering van Polyeucte te gaan. Zij was moe, wilde vroeg naar bed gaan
-en huilde den geheelen nacht met haar hoofd in haar kussen.
-
-In de loge van Duvillard, een avant-scène de balcon, zaten dus alleen
-de baron, Hyacinthe, Dutheil en de kleine prinses de Hardt.
-
-Reeds om negen uur was de zaal gevuld met het gewone roezemoezige,
-schitterende publiek, dat groote tooneelgebeurtenissen bezoekt. Geheel
-Parijs, dat ’s ochtends in de sacristie van de Madeleine gedefileerd
-had, vond men hier terug met dezelfde koortsachtige nieuwsgierigheid,
-hetzelfde verlangen naar het ongewone en buitenissige; men zag dezelfde
-gezichten, dezelfde glimlachjes, vrouwen, die elkaar met kleine knikjes
-van verstandhouding groetten, mannen, die elkander met een woord of een
-gebaar begrepen. Fonsègue zat met twee bevriende echtparen in de loge
-van den Globe. In de stalles had de kleine Massot zijn gewonen
-fauteuil. Ook zag men den rechter van instructie Amadieu, een der
-trouwe habitués der Comédie, generaal de Bozonnet en advocaat-generaal
-Lehmann. Maar vooral werd de aanwezigheid van Sanier, den
-verschrikkelijken Sanier met zijn dikken, apoplectischen kop,
-opgemerkt, waar hij dienzelfden ochtend nog zoo’n schandelijk artikel
-geschreven had. Chaigneux, die voor zichzelf slechts een bescheiden
-klapstoeltje gereserveerd had, liep door alle gangen, vertoonde zich op
-alle verdiepingen en wakkerde nog voor de laatste maal de geestdrift
-aan. Toen in de loge tegenover die van Duvillard de twee ministers
-Monferrand en Dauvergne hun plaatsen innamen, ging er een zacht
-huiveren door de zaal, kwam er een glimlachje op alle gezichten, want
-iedereen kende de rol, die zij bij het succes der debutante spelen
-zouden.
-
-Toch hadden den vorigen dag nog booze praatjes de rondte gedaan: Sanier
-had verklaard, dat het debuut van Silviane, een algemeen bekende hoer,
-in de Comédie-Française, en nog wel in de zeer moreele rol van Pauline,
-een openlijke uittarting van het algemeen schaamtegevoel was. De
-buitensporige gril van het mooie meisje had trouwens al heel wat stof
-in de pers opgeworpen. Maar men sprak er nu al een half jaar over en
-Parijs, dat er al aan gewend was, stroomde in zijn behoefte, om
-verstrooid te worden, toe. Nog voor het gordijn opging, merkte men aan
-de stemming in de zaal, dat het publiek vriendelijk gezind en
-goedlachsch was, bereid om te applaudisseeren, als het vermaakt werd.
-
-En werkelijk was het een buitengewoon schouwspel. Toen Silviane, kuisch
-gedrapeerd, in de eerste acte optrad, verbaasde zij het publiek door
-het zuivere ovaal van haar madonnagezichtje met den onschuldigen mond
-en de vlekkeloos reine oogen. Maar in het bijzonder de manier, waarop
-zij de rol opgevat had, verbijsterde eerst, maar bekoorde vervolgens.
-Van af haar vertrouwlijke bekentenis aan Stratonice en haar verhaal van
-den droom maakte zij van Pauline een mystieke droomgestalte, een soort
-kerkraamheilige, die de door de wolken rijdende Brünnhilde van Wagner
-op haar zadel medegenomen hebben zou. Het was volmaakt idioot, tegen
-alle rede en waarheid in, maar het publiek scheen er zich daardoor des
-te meer voor te interesseeren. Het volgde daardoor de mode, maar werd
-bovendien nog meer geprikkeld door het scherpe contrast tusschen deze
-reine lelie en de deerne met haar ignobele neigingen. Van af dat
-oogenblik werd het succes van bedrijf tot bedrijf grooter, in het
-tweede gedurende haar verklaring met Sévère, in het derde in haar scène
-met Félix, in het vierde in haar tooneel met Polyeucte, om het toppunt
-te bereiken in de zoo verheven tragische en hartverscheurende scène met
-Sévère. Een zacht gefluit, waarvan men Sanier verdacht, verzekerde de
-overwinning. Monferrand en Dauvergne gaven, zooals de couranten
-berichtten, het sein tot toejuichingen; de geheele zaal geraakte in
-vuur, Parijs klapte in zijn handen, half uit amusement, half uit
-ironie. Het huldigde daarbij ook Duvillard en de sterke vuist van het
-ministerie-Silviane, waarover men in de entr’actes gelachen had.
-
-In de avant-scène van den baron heerschte een koortsachtig gedrang.
-
-“Zeg,” kwam Dutheil vertellen; “die invloedrijke criticus, met wien we
-eens gesoupeerd hebben, is woedend. Hij blijft volhouden, dat Pauline
-een burgermeisje is, dat slechts op het laatste oogenblik door het
-wonder aangeraakt wordt, en dat het een moord is op de rol door haar
-dadelijk als heilige maagd op te vatten.”
-
-“Laat hij maar kletsen,” zeide Duvillard hoogmoedig, “dan wordt erover
-gepraat... De hoofdzaak is, dat morgen het artikel van Massot in den
-Globe komt.”
-
-Maar op dat punt waren de berichten allesbehalve gunstig. Chaigneux,
-die weer naar Fonsègue gegaan was, vertelde, dat deze ondanks het
-succes, dat hij belachelijk vond, nog aarzelde. De baron werd boos.
-
-“Ga aan Fonsègue zeggen, dat ik het wil en dat ik een goed geheugen
-heb.”
-
-Achter in de loge delireerde Rosemonde van enthousiasme.
-
-“Ik smeek je erom, Hyacinthe, breng mij naar de loge van Silviane. Ik
-kan niet wachten. Ik moet haar een zoen geven.”
-
-“Maar wij gaan er allen heen,” riep Duvillard, die het gehoord had,
-uit.
-
-De couloirs waren propvol, men verdrong zich tot bij het tooneel. Doch
-dan deed zich een hinderpaal voor: de deur der loge was gesloten; en
-toen de baron klopte, antwoordde de kleedster, dat mevrouw den heeren
-verzocht te wachten.
-
-“O, een vrouw komt er niet op aan,” zeide Rosemonde. en gleed vlug naar
-binnen. “En jij kan ook binnenkomen, Hyacinthe, dat komt er even weinig
-op aan.”
-
-Silviane, half naakt, liet haar schouders en haar borst afvegen, zoo
-warm had zij het. Vol geestdrift vloog Rosemonde op haar af, kuste
-haar, en in den gloed der vlammende gaslichten en den bedwelmenden geur
-der bloemen, waarmede het kleine vertrek gevuld was, praatten zij bijna
-mond tegen mond. Hyacinthe hoorde, hoe zij met van bewondering en
-hartstocht brandende woorden afspraken elkaar bij den uitgang te zien
-en dat Silviane ten slotte Rosemonde uitnoodigde een kop thee bij haar
-te komen drinken.
-
-“Je rijtuig wacht op den hoek van de rue Montpensier, niet?” zeide hij
-met een welwillend glimlachje tegen de actrice. “Welnu, dan zal ik de
-prinses daarheen brengen. Dat is wel zoo eenvoudig, dan kunnen jullie
-samen naar huis rijden.”
-
-“Hoe schattig van je,” riep Rosemonde uit. “Afgesproken.”
-
-De deur ging open; de mannen traden binnen en putten zich uit in
-loftuitingen. Maar men moest weer gauw terug naar de zaal voor het
-vijfde bedrijf. Het werd een triomf. Het publiek juichte, toen Silviane
-het beroemde: “Je vois, je sais, je suis désabusée” met de
-zielsverrukking van een heilige martelares declameerde. Toen men de
-artisten terugriep, bracht Parijs aan deze theatermadonna, die volgens
-Sanier zoo goed de rol van hoer speelde, een laatste ovatie.
-
-Onmiddellijk ging Duvillard met Dutheil achter de coulissen, om
-Silviane te halen, terwijl Hyacinthe Rosemonde naar het op den hoek van
-de rue Montpensier staande rijtuig bracht. Dan bleef de jonge man
-wachten en scheen het heel aardig te vinden, toen zijn vader met
-Silviane kwam en deze hem met een gebaar tegenhield, toen hij ook wilde
-instappen.
-
-“Neen, vanavond niet. Ik heb bezoek van een vriendin.”
-
-Het lachende gezichtje van Rosemonde was achter in het rijtuig
-opgedoken. Hij bleef met open mond staan, toen het rijtuig met de beide
-vrouwen wegreed. Hij, die sedert zooveel dagen in de weer was, om in
-genade aangenomen te worden.
-
-“Wat zal ik je zeggen!” zeide Hyacinthe tegen Dutheil, die zelf wat
-gechoqueerd was. “Zij hing mij de keel uit en toen heb ik haar aan
-Silviane gegeven.”
-
-Verbijsterd stond Duvillard nog steeds op het trottoir; toen Chaigneux,
-die uitgeput naar huis ging, hem herkende; hij vloog op hem toe en
-zeide, dat Fonsègue zich bedacht had en het artikel van Massot opnemen
-zou.
-
-Hyacinthe nam zijn vader mede en troostte hem als een verstandig
-kameraad, voor wien de vrouw een onrein dier is.
-
-“Ga mee naar huis... Nu dat artikel verschijnt, kan je het haar
-morgenochtend brengen. Ze zal dan zeker open doen.”
-
-De beide mannen, die loopen wilden, wandelden rookend en slechts nu en
-dan een woord wisselend, de op dat uur verlaten en droefgeestige avenue
-de l’Opéra op, terwijl over het ingeslapen Parijs een eindelooze
-weeklacht streek, de doodsstrijd van een wereld.
-
-
-
-
-III.
-
-Sedert de executie van Salvat was Guillaume buitengewoon stil gebleven.
-Hij scheen gepreoccupeerd, verstrooid. Uren achter elkaar werkte hij,
-maakte hij het zoo gevaarlijke kruit, waarvan hij alleen de formule
-kende, en waarbij hij door niemand geholpen wilde worden. Andere malen
-ging hij uit, om na lange eenzame wandelingen uitgeput thuis te komen.
-In den familiekring bleef hij ook verder zeer vriendelijk, dwong hij
-zich tot een glimlachen, maar wanneer men iets tot hem zeide, scheen
-hij, plotseling opschrikkend, als uit een verre gedachtenwereld te
-komen.
-
-Pierre haalde zich in het hoofd, dat zijn broer te veel gerekend had op
-de heldhaftigheid van zijn verzaking en het verlies van Marie hem
-ondragelijk was. Was het niet de gedachte aan hem, die hem geen
-oogenblik losliet; verlangde hij niet naar haar, hoe meer de voor het
-huwelijk vastgestelde datum naderde? Op een avond waagde hij het uiting
-te geven aan zijn vrees, hem nogmaals aan te bieden op reis te gaan, te
-verdwijnen.
-
-Reeds bij de eerste woorden viel Guillaume hem in de rede:
-
-“Pierre, beste jongen! Ik houd te veel van jou, ik houd te veel van
-jou, om berouw te hebben over mijn daad... Neen, nu ik jullie samen
-gelukkig zie, ben ik zelf gelukkig, geven jullie mij moed en kracht...
-En heusch, je vergist je, ik heb niets; mijn werk neemt zeker mijn
-gedachten heelemaal in beslag.”
-
-Dien avond was hij buitengewoon vroolijk en opgewekt. Onder het
-middagmaal vroeg hij of de behanger gauw de beide kamertjes, die Marie
-boven het laboratorium had, in orde zou komen maken voor het jonge
-paar. Marie, die, sedert de datum voor het huwelijk bepaald was, kalm
-en glimlachend, zonder overhaasting of verlegenheid wachtte, begon hem
-nu vroolijk te vertellen wat zij wilde: een met rood katoen van twintig
-sous per meter behangen kamer; meubelen van verlakt vurenhout, zoodat
-zij zou kunnen denken buiten te zijn; en eindelijk een tapijt, want een
-tapijt was voor haar het toppunt van luxe. Zij lachte en hij lachte
-vroolijk en vaderlijk mede, zoodat Pierre tot de overtuiging kwam, dat
-hij zich vergist had.
-
-Maar reeds den volgenden dag viel Guillaume in zijn droomerijen terug
-en Pierre’s ongerustheid begon opnieuw, toen hij opgemerkt had, dat ook
-Grootmoeder nooit zoo stil geweest was. Daar hij haar er niet naar
-vragen durfde, kwam hij eerst op de nuttelooze gedachte de drie zoons
-aan het praten te krijgen, want noch Thomas, noch François noch Antoine
-wisten iets of wilden iets weten. Alle drie deden met een glimlachende
-opgewektheid en in grooten eerbied en vereering voor hun vader hun
-werk. Naast hem levend, vroegen zij hem nooit iets over zijn werk of
-over zijn plannen, vonden zij, dat wat hij deed slechts rechtvaardig en
-goed kon zijn, en waren bereid het, zonder nader onderzoek, op de
-eerste vraag met hem te doen. Maar blijkbaar hield hij hen ver van
-ieder gevaar verwijderd, wilde hij het offer alleen brengen, was
-Grootmoeder zijn eenige vertrouwde, de eenige, die hij om raad vroeg en
-naar wie hij luisterde. Pierre zag er dan ook van af, om te trachten
-iets van de kinderen te weten te komen, hij maakte zich nog slechts
-ongerust over haar ernst, vooral sedert hij meende gemerkt te hebben,
-dat zij en Guillaume ieder oogenblik in haar kamer langdurige
-conferenties hielden. Zij sloten zich daarin op en gaven zich daar
-blijkbaar over aan ingewikkelde bezigheden, gedurende welke de kamer
-als uitgestorven scheen.
-
-Op een dag zag Pierre Guillaume met een schijnbaar zeer zwaren
-handkoffer uit de kamer komen. Onmiddellijk herinnerde hij zich de
-vertrouwelijke mededeeling van zijn broeder: het kruit, waarvan een
-pond genoeg was om een kathedraal in de lucht te laten vliegen, de
-verschrikkelijke machine, die hij aan Frankrijk wilde geven, om het de
-overwinning over andere naties te verzekeren. En hij herinnerde zich
-ook, dat Grootmoeder alleen in het geheim ingewijd was, dat zij langen
-tijd, toen Guillaume bang was voor een huiszoeking der politie, op de
-patronen van de vreeselijke springstof geslapen had. Waarom bracht hij
-de hoeveelheid kruit, die hij sedert eenigen tijd fabriceerde, nu weg?
-Een vermoeden, een heimelijke vrees gaf hem de kracht zijn broer
-plotseling te vragen:
-
-“Ben je ergens bang voor, dat je hier niets bewaren wilt? Wanneer je in
-moeilijkheden verkeert, kan je alles in mijn huis brengen, waar toch
-niemand komt zoeken?”
-
-Verwonderd keek Guillaume hem aan.
-
-“Ja... Ik weet, dat de arrestaties en huiszoekingen, sedert zij dien
-ongelukkige geguillotineerd hebben, weer opnieuw begonnen zijn. Zij
-schijnen te vreezen, dat de een of andere wanhopige hem wreken zal.
-Bovendien is het heel gevaarlijk kruit, dat zulk een verwoestende
-kracht heeft, hier te houden. Ik breng het liever op een veilige
-plaats... In Neuilly, jongen, neen, neen, dat zou niet veilig genoeg
-zijn!”
-
-Hij sprak heel kalm, nauwlijks beefde hij even.
-
-“Is alles nu klaar?” vroeg Pierre verder. “Ben je van plan eerstdaags
-je machine aan den minister van Oorlog te geven?”
-
-In zijn openhartige oogen verscheen een aarzeling; hij stond op het
-punt te liegen. Dan kalm:
-
-“Neen, daar heb ik van afgezien. Ik ben op een andere gedachte
-gekomen.”
-
-Hij zeide het met een zoo vreeselijke vastberadenheid, dat Pierre niet
-durfde vragen, wat die andere gedachte was. Maar van af dat oogenblik
-huiverde hij onder een heimelijke onrust; van uur tot uur voelde hij
-uit het zwijgen van Grootmoeder en uit de steeds heldhaftiger en vrijer
-wordende gelaatstrekken van Guillaume, dat iets ontzaglijks, iets
-verschrikkelijks geboren werd, grooter werd en geheel Parijs
-overstroomen zou.
-
-Op een middag, dat Thomas naar de fabriek Grandidier gaan zou, hoorden
-zij, dat Toussaint, de oude werkman, weer een beroerte gehad had.
-Thomas beloofde, dat hij in het voorbijgaan bij den armen man aan zou
-loopen, om te zien, of ze hem misschien met iets konden helpen. Pierre
-wilde medegaan, en zoo gingen zij beiden tegen vier uur weg.
-
-In het eenige vertrek, waarin de Toussaint’s woonden, aten en sliepen,
-vonden zij den werkman als verpletterd op een lagen stoel bij de tafel
-zitten. Het was een verlamming aan één zijde van het lichaam, die
-behalve den arm en het been, ook het rechtergedeelte van het gezicht
-had getroffen, zoodat hij zijn spraak zoo goed als verloren had. Hij
-stiet nog slechts onverstaanbare keelklanken uit. Op zijn vijftigste
-jaar geleek hij wel een grijsaard, tot geen werken meer in staat.
-Alleen zijn oogen leefden nog, keken de kamer rond, gingen van den een
-naar den ander, terwijl zijn vrouw, die, hoewel zij niet genoeg eten
-kon, toch steeds dik bleef, in het ongeluk het hoofd omhoog hield en
-zoo goed mogelijk voor hem zorgde.
-
-“Een prettig bezoek, Toussaint; mijnheer Thomas met mijnheer den
-abbé...”
-
-En dan zich kalm verbeterend:
-
-“Met mijnheer Pierre, zijn oom... Je ziet wel, dat ze je nog niet
-vergeten.”
-
-Toussaint wilde spreken, maar zijn machtelooze poging bracht slechts
-twee dikke tranen in zijn oogen. Hij keek de bezoekers met een
-uitdrukking van onbeschrijfelijke troosteloosheid aan; zijn kaken
-beefden.
-
-“Wind je toch niet zoo op,” zeide zijn vrouw. “De dokter zegt, dat dat
-heelemaal niet goed voor je is.”
-
-Bij het binnenkomen had Pierre gezien, dat twee personen opstonden en
-achter in het vertrek waren gaan zitten. Tot zijn groote verbazing
-herkende hij nu madame Théodore en de kleine Céline, beiden netjes
-gekleed en er flink uitziende. Toen zij het ongeluk vernomen hadden,
-waren zij met de goedhartigheid van arme schepsels, die het ergste
-lijden hadden leeren kennen, onmiddellijk naar haar zwager en oom komen
-kijken. Zij schenen nu voor de ellende gevrijwaard te zijn; Pierre
-herinnerde zich nu hoe men hem verteld had van de algemeene sympathie,
-die zich, na de terechtstelling van haar vader, voor het arme meisje
-geopenbaard had, de talrijke geschenken, den strijd, wie haar tot zich
-nemen zou, totdat eindelijk een oud vriend van Salvat haar als het
-zijne aangenomen had en haar weer op school liet gaan, om haar later
-ergens in de leer te doen. Madame Théodore zelf was als verpleegster in
-een ziekenhuis aangesteld. Daarmede waren beiden gered.
-
-Toen Pierre naar het jonge meisje ging, om haar een zoen te geven,
-zeide madame Théodore tegen haar, dat zij mijnheer den abbé—zoo bleef
-zij hem eerbiedig noemen—nogmaals hartelijk moest bedanken.
-
-“Ja, u hebt ons geluk aangebracht, mijnheer de abbé. Zoo iets vergeet
-je niet, en ik zeg haar steeds weer, dat zij u in haar gebeden niet
-vergeten mag.”
-
-“En ga je weer naar school, beste meid?”
-
-“Ja, mijnheer de abbé, en ik vind het heel prettig. We hebben nu aan
-niets gebrek meer.”
-
-Een ontroering belette haar verder te spreken en met een snik stamelde
-zij:
-
-“Als die arme papa ons nog eens kon zien!”
-
-Madame Théodore nam nu afscheid.
-
-“Nu gaan we maar weer... Ik vind het vreeselijk treurig wat jullie nu
-weer overkomen is... Céline, geef je oom een zoen... Beste kerel, ik
-hoop, dat je weer gauw op de been zult zijn.”
-
-Zij kusten den lamme op zijn wangen en gingen weg. Toussaint, die
-geluisterd en rondgekeken had, volgde haar met zijn nog zoo levendige
-en intelligente oogen, als brandde hij van verlangen, om ook in het
-leven terug te keeren.
-
-Ondanks haar gewone opgeruimdheid kon madame Toussaint een jaloersche
-gedachte niet onderdrukken.
-
-“Ja, oude jongen,” zeide zij, na een kussen in zijn rug gelegd te
-hebben, “die twee hebben meer geluk gehad dan wij. Sedert zij dien
-idioot van een Salvat een kopje kleiner gemaakt hebben, lukt haar
-alles. Zij hebben nu altijd wat te eten.”
-
-En zich dan tot Pierre en Thomas wendend:
-
-“Maar wij, arme bliksems, zijn voor de haaien. Wat zal ik u zeggen? Wij
-zullen van honger omkomen; mijn arme man is niet geguillotineerd, hij
-heeft alleen maar zijn heele leven lang gewerkt, en nu is het gedaan
-met hem als met een oud beest, dat nergens goed meer voor is.”
-
-Zij bood hun stoelen aan en antwoordde op hun medelijdende vragen. De
-dokter was reeds tweemaal geweest en had beloofd den zieke zijn spraak
-te zullen teruggeven, ja misschien het zóó ver te brengen, dat hij met
-een stok in de kamer zou kunnen loopen. Maar er was geen sprake van,
-dat hij ooit weer aan het werk zou kunnen gaan. Doch waartoe dienden
-dan die andere beloften? De oogen van Toussaint zeiden duidelijk, dat
-hij liever dadelijk wilde sterven. Wanneer een werkman niet meer werken
-en zijn vrouw niet meer onderhouden kan, is hij rijp voor de aarde.
-
-“Er zijn menschen,” ging zij voort, “die me vragen, of we geen
-spaarduitjes hebben... We hadden bijna duizend francs op de spaarbank,
-toen Toussaint zijn eerste beroerte kreeg... Je kan je niet voorstellen
-hoe je sparen moet, om zoo’n som op zijde te leggen, want van tijd tot
-tijd wil je toch wel eens een extraatje hebben, een lekker hapje of een
-goede flesch wijn. En in de vijf maanden, dat hij niet werken kon, zijn
-met de geneesmiddelen en de versterkende middelen de duizend francs
-opgegaan. En nu het weer begint, zullen we niet zoo gauw weer goeden
-wijn of een schapenbout proeven.”
-
-De goede vrouw, die altijd dol geweest was op een lekker hapje, verried
-haar angst voor de toekomst nog meer door dien uitroep dan door haar
-ingehouden tranen. Toch bleef zij flink en dapper; maar welk een ramp
-zou het voor haar zijn, wanneer zij haar kamer niet netjes meer houden,
-’s Zondags niet een stuk kalfsvleesch op schotel hebben kon! Het was
-veel beter als men hen beiden in de goot wierp en de vuilniswagen hen
-medenam!
-
-“Bestaat er niet een Asile des Invalides du Travail en zou men uw man
-daar geen plaatsje kunnen geven?” vroeg Thomas. “Dat is de goede plaats
-voor hem.”
-
-“Och ja,” antwoordde de arme vrouw; “daar heb ik al over gehoord en ik
-heb er al naar geïnformeerd ook. Zij nemen geen zieken in die
-inrichting op. Als je er naar toe gaat, antwoorden ze, dat er voor de
-zieken ziekenhuizen zijn.”
-
-Met een ontmoedigd gebaar bevestigde Pierre, dat zulk een stap
-nutteloos was. In een plotseling visioen zag hij zich weer door Parijs
-loopen van barones Duvillard, de presidente, naar den algemeenen
-administrateur Fonsègue, om eerst na zijn dood den armen Laveuve
-opgenomen te krijgen.
-
-Maar op dat oogenblik hoorden zij het huilen van een heel jong kind, en
-de beide bezoekers zagen tot hun verbazing hoe madame Toussaint in het
-kleine kabinetje ging, waarin haar zoon Charles zoo lang geslapen had,
-en er met een kind van een maand of twintig uitkwam.
-
-“Lieve hemel, ja, dat is de kleine van Charles. Hij sliep in het bed
-van zijn vader en nou is hij wakker geworden. Stelt u voor, dat ik hem
-juist verleden week Woensdag, een dag voordat Toussaint die beroerte
-kreeg, van de min gehaald had, omdat zij dreigde hem op straat te
-zetten, daar Charles, die den verkeerden weg op gaat, haar niet meer
-betaalt. Ik dacht zoo, dat, nu Toussaint weer aan het werk was, één
-mondje meer er niet op aan kwam. En nu hij eenmaal hier is, kan ik hem
-toch moeilijk op straat zetten.”
-
-Al pratend liep zij sussend met het kind heen en weer, om het tot
-bedaren te brengen. En zij kwam weer terug op die beroerde geschiedenis
-met het dienstmeisje van den wijnhandelaar aan de overzijde, dat hij
-zoo stom geweest was met jong te schoppen en dat nu als de eerste de
-beste lichtekooi er met een anderen man vandoor gegaan was. En als
-Charles nu nog maar werkte zooals vroeger, voordat hij in dienst
-geweest was! Toen verzuimde hij geen uur en bracht hij zijn volle loon
-thuis! Maar nu had hij het land aan het werk, had hij zijn eigen ideeën
-en zat hij, al ging hij nog niet zoover als die idiote Salvat om bommen
-te werpen, den halven dag bij socialisten en anarchisten, die zijn
-hoofd op hol brachten. Het was werkelijk jammer te moeten zien, dat een
-zoo flinke en sterke jongen zoo den verkeerden kant opging! Maar in de
-buurt werd beweerd, dat er veel zoo waren, dat de beste en meest
-intelligente arbeiders genoeg hadden van de ellende, van het werk, dat
-hun niet genoeg opleverde, om te eten, en dat zij ten slotte liever
-alles zouden verwoesten, dan oud te worden zonder de zekerheid, dat zij
-tot hun dood hun brood zouden hebben.
-
-“Ja, de zoons lijken niet veel meer op hun vaders. De jongens van
-tegenwoordig zullen niet meer het geduld van mijn armen, ouden
-Toussaint hebben, die zich gewoon doodgewerkt zou hebben. Weet u wat
-Charles zeide, toen hij dezer dagen zijn vader met verlamde armen en
-beenen en tong op dien stoel zag zitten? Hij werd boos en schreeuwde,
-dat hij zijn heele leven een idioot geweest was, om zich zoo voor de
-bourgeoisie af te jakkeren, die hem nu zelfs geen glas water voor
-belooning geven zou... En toen is hij, want zijn hart is goed, gaan
-huilen als een kind.”
-
-Het kind huilde niet meer, maar toch bleef zij er mede op en neer
-loopen en drukte het tegen haar goed grootmoederhart. Haar zoon Charles
-zou niets voor hen kunnen doen; hoogstens nu en dan een paar francs, en
-dan nog moeilijk. Vastgeroest als zij in haar gewoonten was, wilde zij
-niet probeeren haar oud beroep van linnennaaister weer op te vatten;
-trouwens het zou al moeilijk zijn om buitenshuis het huishouden te gaan
-doen, nu zij behalve dit kleine kind ook dit groote nog had, dat zij
-zou moeten voeren en verschoonen. Wat zou er nu van hun drieën moeten
-worden? Zij wist het niet en beefde, hoe moederlijk-dapper zij ook
-schijnen wilde!
-
-Pierre en Thomas voelden hoe een diep medelijden zich van hen meester
-maakte, toen zij in dit zoo zindelijke vertrek van arbeid en ellende
-dikke tranen over de wangen van den verpletterden, onbeweeglijk op zijn
-stoel zittenden Toussaint zagen stroomen. Hij had naar zijn vrouw
-geluisterd, keek naar haar en naar het arme kleine wezentje, dat op
-haar armen sliep; nu hij niet meer spreken kon, ontlastte hij zijn hart
-in tranen.
-
-“Kom, wind je toch niet zoo op,” zeide madame Toussaint. “Nu het
-eenmaal zoo is, is het zoo.”
-
-Zij was den kleine weer op bed gaan leggen; toen zij terugkwam, wilden
-Thomas en Pierre haar over mijnheer Grandidier, den werkgever van
-Toussaint, spreken, toen er een nieuw bezoek kwam. Zij wachtten een
-oogenblik.
-
-Het was madame Chrétiennot, de vrouw van den kleinen ambtenaar, de
-tweede, achttien jaar jongere zuster van Toussaint. De mooie Hortense,
-die van de ramp gehoord had, kwam nu haar sympathie betuigen, ofschoon
-haar man haar genoodzaakt had bijna geheel met haar familie, waarvoor
-hij zich schaamde, te breken. Zij had een goedkoop zijden japon aan en
-een hoed met roode papavers op, dien zij reeds driemaal vermaakt had;
-maar ondanks dien luxe voelde men het gebrek, hield zij haar voeten om
-haar afgeloopen schoenen onder haar rokken verborgen. Een miskraam had
-haar leelijk gemaakt en het verwelken van haar blonde schoonheid
-verhaast.
-
-Reeds op den drempel scheen het angstaanjagende uiterlijk van haar
-broeder, de kaalheid van het lijdensvertrek, dat zij betrad, haar te
-verstijven. Na hem een zoen gegeven te hebben, begon zij dadelijk over
-haar eigen lot te jammeren, bang als zij was, dat men haar iets vragen
-zou.
-
-“Je bent zeker vreeselijk te beklagen, beste meid. Maar als je eens
-wist... Iedereen heeft zijn zorgen... Zoo ben ik door de positie van
-mijn man genoodzaakt een hoed te dragen en fatsoenlijk gekleed te gaan,
-maar je kunt je niet voorstellen hoeveel moeite het mij kost rond te
-komen... Met drie duizend francs inkomen doe je niet veel, vooral als
-er dadelijk zevenhonderd francs voor huur afgaat. Je zult zeggen, dat
-we goedkooper zouden kunnen wonen, maar dat gaat niet, want ik heb een
-salon noodig voor de visites, die ik krijg. Reken nu zelf maar... En
-dan heb ik mijn twee dochters nog; Lucienne is onlangs met pianospelen
-begonnen en Marcelle heeft veel aanleg voor teekenen... Tusschen twee
-haakjes, ik zou ze graag medegebracht hebben, maar ik was bang, dat het
-een te groote ernst voor haar zijn zou. Je neemt het toch niet kwalijk,
-wel?”
-
-En zij vertelde nog van andere onaangenaamheden, welke zij door het
-treurige einde van Salvat met haar man gehad had. Deze, een ijdele,
-kleinzielige, opvliegende man, was woedend, dat hij nu een
-geguillotineerde in de familie van zijn vrouw had; hij werd hard
-tegenover de ongelukkige vrouw, door haar de schuld te geven van hun
-financieele moeilijkheden, haar verantwoordelijk te stellen voor zijn
-eigen middelmatigheid. Het bekrompen bureauleven maakte hem dagelijks
-“zuurder”; verschillende avonden kwam het tot heftige
-woordenwisselingen, maakte zij hem woedend, door hem te vertellen, dat
-zij, toen zij nog winkeljuffrouw bij een confiseur in de rue de Martyrs
-was, had kunnen trouwen met een dokter, die haar mooi genoeg vond. Nu
-de vrouw leelijk werd en de man zich zelfs met zijn gedroomde vier
-duizend francs salaris tot eeuwige zorgen veroordeeld zag, heerschte er
-in het huishouden voortdurend een onaangename, knorrige, twistzieke
-stemming, die, ondanks den zoo duur betaalden roem “een fijne mijnheer
-en een fijne dame” te zijn, even ondraaglijk was als de diepste ellende
-van de arbeidershuisgezinnen.
-
-“Enfin,” zeide eindelijk madame Toussaint, die genoeg kreeg van de
-jeremiades van haar schoonzuster, “je hebt toch het geluk gehad geen
-derde kind te krijgen.”
-
-Hortense zuchtte opgelucht.
-
-“Ja, dat is zoo, want ik weet waarachtig niet, hoe we het groot hadden
-moeten krijgen. Afgezien nog van het feit, dat Chrétiennot mij de
-vreeselijkste scènes maakte en zeide, dat hij, wanneer ik zwanger was,
-daaraan onschuldig was en mij, als er een derde kind kwam, zou laten
-zitten en ergens anders gaan wonen. Je weet, dat ik bij die miskraam
-bijna gestorven ben. Het was iets vreeselijks; ik ben er nog niet
-heelemaal boven op. De dokter zegt, dat ik te weinig eet en dat ik mij
-sterk voeden moet. Maar dat geeft allemaal niets, ik was er erg blij
-om.”
-
-“Dat begrijp ik, want je wou niets liever.”
-
-“Natuurlijk wilden we niets liever... Chrétiennot riep steeds, dat hij
-van vreugde zou dansen... En toch... en toch...”
-
-Een plotselinge ontroering deed Hortense’s stem beven.
-
-“Toen de dokter ons aankeek en zeide, dat het een jongen was, deed het
-mij zoo’n pijn, dat ik bijna stikte; en ik heb heel goed gezien, dat
-Chrétiennot zich omkeerde om zijn gezicht niet te laten zien... We
-hebben twee meisjes... het zou dus een genot geweest zijn een zoon te
-hebben...”
-
-Tranen stroomden uit haar oogen en stamelend ging zij voort:
-
-“Maar daar we ons nu eenmaal niet de weelde veroorloven kunnen er een
-te hebben, is het beter, dat hij niet gekomen is. Voor zichzelf en voor
-ons heeft hij er goed aan gedaan terug te keeren vanwaar hij kwam...
-Maar toch blijft het diep treurig, er is werkelijk te veel
-beroerdigheid in het leven!”
-
-Zij stond op en wilde, na haar broer nogmaals omhelsd te hebben,
-weggaan, daar zij bang was voor een nieuwe scène, wanneer haar man haar
-bij zijn thuiskomst niet vond. Maar zij bleef nog een oogenblik staan
-en vertelde, dat zij ook haar zuster, madame Théodore, en de kleine
-Céline gezien had. En met iets van jaloezie in haar stem zeide zij:
-
-“Mijn man stelt er zich mede tevreden zich iederen ochtend op zijn
-bureau te gaan afbeulen. Hij zal zich nooit een kopje kleiner laten
-maken en het zal niemand ooit invallen Lucienne en Marcelle een
-lijfrente na te laten... Enfin, verlies den moed maar niet; laten we
-hopen, dat alles nog terecht komt.”
-
-Toen zij weg was, wilden Pierre en Thomas, alvorens zelf naar de
-fabriek te gaan, weten, of mijnheer Grandidier, de eigenaar van de
-fabriek, op zich genomen had Toussaint te helpen. Hij had nog slechts
-een vrij vage belofte gedaan, waarom zij besloten voor den ouden
-werkman, die vijf-en-twintig jaar de firma gediend had, een goed
-woordje te doen. Ongelukkigerwijze was het reeds lang bestaande plan
-van een hulp- of pensioenfonds, waartoe vóór de crisis, waarvan de
-fabriek zich nu herstelde, voorbereidende maatregelen genomen waren,
-door allerlei complicaties en hindernissen mislukt. Anders zou
-Toussaint misschien het recht gehad hebben invalide te zijn zonder
-heelemaal van honger te sterven. Voor den door ziekte getroffen
-arbeider bestond er behalve in den rechtvaardigheidszin van zijn
-patroon alleen hoop in de barmhartigheid.
-
-Daar de kleine van Charles opnieuw begon te huilen, nam madame
-Toussaint hem weer in haar armen en liep met hem op en neer.
-
-Thomas drukte de gezonde hand van den verlamde in de zijne.
-
-“Wij komen terug, we zullen je niet aan je lot overlaten. Je weet, dat
-we je graag mogen lijden, omdat je een flink, dapper werkman bent...
-Reken op ons, we zullen alles doen wat we kunnen.”
-
-Zij lieten den ongelukkigen, huilenden man, die alleen nog goed was
-voor het abattoir, in de sombere kamer achter met zijn vrouw, die het
-huilende kind wiegde—een ongelukkige meer, die nu zoo zwaar op het oude
-echtpaar drukte en later eveneens in ellende aan den onrechtvaardigen
-arbeid crepeeren zou.
-
-Dien arbeid, den inspannenden, hijgenden en morrenden handenarbeid
-vonden Pierre en Thomas in de fabriek terug. De dunne schoorsteenen op
-de daken bliezen hun rhythmischen stoomadem uit, als regelden zij de
-ademhaling zelf van den gemeenschappelijken arbeid. In de verschillende
-werkplaatsen heerschte een voortdurend druk bezig zijn, smeedde,
-vijlde, perforeerde een heel volk van arbeiders te midden van de
-vliegende drijfriemen en de stampende machines. De dagtaak eindigde in
-de koortsachtige krachtsinspanning, die gewoonlijk aan het luiden van
-de bel voorafgaat.
-
-Toen Thomas naar mijnheer Grandidier vroeg, antwoordde men hem, dat de
-patroon na het dejeuner niet meer geweest was, waaruit hij dadelijk
-begreep, dat zich in het paviljoen met de altijd gesloten luiken,
-waarin de fabrikant sedert twee jaar met zijn krankzinnige vrouw
-leefde, weer een vreeselijke scène afspeelde. Van uit de kleine, bijna
-geheel uit glas gebouwde werkplaats, waar Thomas gewoonlijk arbeidde en
-waarheen hij nu zijn oom medenam, om zoo lang te wachten, kon men dat
-uiterlijk zoo rustige paviljoen zien. Plotseling meenden zij een
-luiden, hartverscheurenden kreet te hooren; dan klonk het als het
-janken van een geslagen dier. Pierre en Thomas luisterden met bleeke
-gezichten en keken elkaar bevend aan. Dan hielden de kreten plotseling
-op en zonk het paviljoen in zijn diepe grafstilte terug.
-
-“Gewoonlijk is zij, naar het schijnt, heel kalm,” zeide Thomas op
-fluisterenden toon, “en zit zij dagen lang als een klein kind op het
-tapijt. Hij houdt van haar, brengt haar naar bed, helpt ze opstaan,
-liefkoost ze en maakt ze aan het lachen! Welk een diep treurig
-bestaan!... Maar heel zelden heeft zij aanvallen; dan wordt zij woest,
-wil bijten en zich dooden door zich tegen den muur te gooien, moet hij
-met haar vechten, want niemand anders dan hij raakt haar aan. Hij
-tracht dan haar in bedwang te houden, neemt haar in zijn armen, om haar
-te kalmeeren.... Maar vandaag is het al heel erg. Zoo’n aanval heeft
-zij, geloof ik, nog nooit gehad.”
-
-Na verloop van een kwartier kwam, toen het heelemaal stil geworden was,
-Grandidier blootshoofds en nog doodsbleek uit het paviljoen. Toen hij
-langs de glazen werkplaats ging en Thomas en Pierre daar zag, kwam hij
-naar binnen en leunde, als iemand, die door een duizeling overvallen
-wordt, tegen een aambeeld. Zijn zacht, energiek gelaat had een
-angstige, lijdende uitdrukking behouden; naast zijn linkeroor bloedde
-een diepe schram.
-
-Onmiddellijk wilde hij spreken, strijden, in zijn werkzaam leven
-terugkeeren.
-
-“Ik ben erg blij, dat ik je zie, Thomas. Ik heb over wat je me omtrent
-onzen motor verteld hebt, nagedacht. We moeten er nog eens over
-praten.”
-
-Toen de jonge man zijn diepe droefheid zag, kreeg hij een barmhartige
-ingeving: hij dacht, dat een plotselinge afleiding, het ongeluk van een
-ander, hem misschien uit zijn verdooving zou rukken.
-
-“Daarvoor ben ik juist gekomen... Maar laat ik u eerst vertellen, dat
-we van dien ongelukkigen Toussaint komen, die weer een beroerte gehad
-heeft. Het is verschrikkelijk om te zien in welk een ontbering die man
-na zooveel jaren van arbeid achterblijft.”
-
-Hij legde den nadruk op de vijf-en-twintig jaar, die de oude arbeider
-in de fabriek gewerkt had, sprak over de rechtvaardigheid, die gebood
-rekening te houden met alles wat die man van zijn leven gegeven had, en
-eischte, dat de fabriek hem zoowel uit een oogpunt van billijkheid als
-uit medelijden helpen zou.
-
-“O, mijnheer,” veroorloofde Pierre zich op zijn beurt te zeggen; “wat
-zou ik u gaarne een oogenblik medenemen naar de trieste kamer, naar
-dien armzaligen, ouden, afgetobden, verpletterden man, die zelfs geen
-woorden meer vinden kan, om zijn lijden uit te schreeuwen. Er bestaat
-niets rampzaligers dan zoo, aan alle goedheid en gerechtigheid
-wanhopend, te moeten sterven.”
-
-Grandidier had zwijgend naar hen geluisterd. Dan kwamen dikke tranen in
-zijn oogen en zijn stem beefde, toen hij fluisterend zeide:
-
-“Weet men eigenlijk wel wat het rampzaligste is? Wie kan van het ergste
-ongeluk spreken, als hij het ongeluk van anderen niet mede geleden
-heeft?... Ja zeker, het is vreeselijk voor dien armen Toussaint op zijn
-leeftijd niet meer te weten of er morgen nog eten voor hem zijn zal.
-Maar ik ken even groote ellende, verschrikkingen, die het leven nog
-meer vergiftigen... O, het dagelijksch brood! Welk een dwaze hoop te
-gelooven, dat het geluk heerschen zal, wanneer iedereen zijn
-dagelijksch brood hebben zal!”
-
-Zijn beven verried het zoo smartelijke drama van zijn leven. Hij was
-het hoofd der fabriek, een man, die op het punt stond rijk te worden,
-die over het kapitaal beschikte en op wien zijn arbeiders naijverig
-waren; hij had een fabriek, waarin het geluk teruggekeerd was, waarvan
-de machines geld sloegen, zonder dat hij schijnbaar iets anders te doen
-had dan het in zijn zak te steken—en toch was hij de ongelukkigste van
-alle stervelingen, ging er geen dag voorbij, die niet door den
-hevigsten zielsangst bedorven werd. Voor alles moet men boeten. Deze
-triomphator, deze gunsteling van het geld snikte van wanhoop op zijn
-steeds grooter wordenden goudhoop.
-
-Hij was zeer welwillend en beloofde Toussaint te zullen helpen. Maar
-wat kon hij doen? Nooit zou hij het pensioen-principe erkennen, omdat
-dat de negatie zelf was van het thans vigeerende loonstelsel. Hij
-verdedigde zijn rechten als patroon zeer krachtig en herhaalde, dat de
-scherpe concurrentie hem dwong die onverbiddelijk te handhaven, zoolang
-het tegenwoordige stelsel bestond. Het was zijn plicht op eerlijke
-wijze goede zaken te maken. Hij betreurde het, dat zijn arbeiders hun
-plan om een pensioenfonds op te richten niet uitgevoerd hadden, en gaf
-zelfs te kennen, dat hij ze zou aansporen het weer op te vatten.
-
-Op zijn wangen was weer een kleur gekomen, hij ging weer geheel op in
-zijn leven van dagelijkschen strijd.
-
-“Ik wou je naar aanleiding van onzen kleinen motor zeggen...”
-
-En hij praatte lang met Thomas, terwijl Pierre intusschen wachtte. Hij
-ving sommige woorden op, maar kon al die technische uitdrukkingen niet
-begrijpen. Vroeger had de fabriek kleine stoommotoren vervaardigd, maar
-deze schenen in de praktijk niet te voldoen, waarom men naar een andere
-kracht zocht. De electriciteit, de koningin der toekomst, was door het
-gewicht van de toestellen, die zij vereischte, nog niet mogelijk. Er
-bleef dus niets anders over dan petroleum, die echter zulke
-inconveniënten opleverde, dat hij, die dezen door een nieuwe, tot nog
-toe onbekende beweegkracht vervangen zou, ongetwijfeld een rijk man
-worden zou. In het vinden en toepassen van die kracht lag de oplossing
-van het probleem.
-
-“Ik heb nu haast,” zeide Grandidier. “Ik heb je kalm laten zoeken
-zonder je lastig te vallen met nieuwsgierige vragen, maar nu wordt een
-oplossing noodzakelijk.”
-
-Thomas glimlachte.
-
-“Heb nog een beetje geduld; ik geloof, dat ik op den goeden weg ben.”
-
-Grandidier gaf hun beiden de hand en ging dan zijn gewone tournée door
-de drukke werkplaatsen maken, terwijl het gesloten paviljoen zwijgend
-en doorhuiverd door de ongeneeslijke smart, waarin hij dagelijks
-terugkeerde, op hem lag te wachten.
-
-
-
-De zon ging reeds onder, toen Pierre en Thomas, na den heuvel van
-Montmartre weer beklommen te hebben, naar het groote glazen atelier
-gingen, dat de beeldhouwer Jahan te midden van de loodsen, werkplaatsen
-en barakken, die noodig waren voor de voltooiing van de basilica van
-den Sacré-Cœur, had, om den grooten engel, waarvoor hij een opdracht
-had gekregen, uit te voeren. Hier lagen groote, woeste bouwterreinen,
-die met alle mogelijke materiaal, met een chaos van gehouwen steenen,
-balken en machines bedekt waren. Tot de grondwerkers het laatste toilet
-aan de omgeving zouden komen maken, bleven de fundeeringsgaten open
-liggen, voerden gebroken trappen nog naar beneden, leidden deuren, die
-door enkele palen afgesloten waren, nog naar den onderbouw der kerk.
-
-Thomas, die voor het atelier van Jahan was blijven staan, wees met zijn
-vinger naar een van die deuren, waardoor men tot bij de
-fundeeringswerken kon komen.
-
-“Bent u nog nooit op het denkbeeld gekomen naar de fundeeringen van de
-basilica te gaan kijken? Het is een wereld op zichzelf en buitengewoon
-interessant. Ze hebben er millioenen aan verwerkt. Men moest den vasten
-grond onder in den heuvel zoeken en ze hebben meer dan tachtig
-schachten gegraven, die met beton gevuld zijn, om de kerk op die
-tachtig onderaardsche zuilen te bouwen... Je ziet ze niet, maar zij
-dragen boven Parijs dit monument van dwaasheid en hoon.”
-
-Pierre was naar het staketsel gegaan en keek, in gedachten verzonken,
-naar een open deur, een soort donker portaal, vanwaar een trap naar
-beneden ging. Droomend dacht hij aan die onzichtbare zuilen, aan die
-onzichtbare energie, aan dien wil om te heerschen, welke het gebouw
-staande hield.
-
-Thomas moest hem terugroepen.
-
-“We moeten ons haasten. Het wordt donker. Wij zullen niets meer kunnen
-zien.”
-
-Antoine zou op hen wachten bij Jahan, die hun een nieuwe maquette wilde
-laten zien. Toen zij binnentraden, waren zijn beide helpers nog bezig
-aan den monumentalen engel, welks vleugels zij boven op een stelling
-aan het uithouwen waren; Jahan zat met half-bloote en met klei bedekte
-handen op een laag stoeltje naar een meter hooge figuur, waaraan hij
-gewerkt had, te kijken.
-
-“Zoo, zijn jullie daar? Antoine heeft al meer dan een half uur gewacht.
-Ik geloof, dat hij met Lise naar buiten gegaan is, om de zon over
-Parijs te zien ondergaan. Zij zullen dadelijk wel terug zijn.”
-
-Dan verzonk hij, onbeweeglijk, weer in zijn zwijgende beschouwing.
-
-Het was een naakte, staande, trotsche vrouwenfiguur van een ondanks den
-eenvoud der lijnen zoo verheven majesteit, dat zij reusachtig groot
-scheen. Haar loshangend, weelderig haar straalde als haar gezicht,
-welks verheven schoonheid glansde als de zon. Met haar beide
-uitgestrekte armen maakte zij een verwelkomend gebaar; haar beide
-handen openden zich voor alle menschen.
-
-Langzaam en als in een droom verzonken begon Jahan weer te spreken:
-
-“Herinner je je nog, dat ik een pendant wilde maken van de
-Vruchtbaarheid, die je indertijd gezien hebt met haar krachtige heupen,
-in staat, om een wereld te dragen. Ik had een Barmhartigheid, die ik
-heb laten indrogen, zoo banaal en afgezaagd vond ik die... Toen ben ik
-op het denkbeeld gekomen een Gerechtigheid te maken. Maar niet met
-zwaard en weegschaal! Niet de Gerechtigheid in toga en met baret kan
-mij in geestdrift brengen; neen, ik werd hartstochtelijk bezeten door
-die andere, die, waarop de armen en lijdenden wachten, die, welke
-alleen wat orde en geluk onder ons brengen kan... En toen zag ik haar
-zoo voor mij, naakt, eenvoudig, groot. Zij is de zon, een zon van
-schoonheid, harmonie en kracht, want de zon is de eenige gerechtigheid.
-Zij straalt aan den hemel voor allen, geeft met hetzelfde gebaar aan
-armen en rijken haar pracht, haar licht, haar warmte, die de bron van
-alle leven zijn. O, mooi, sterk, rechtvaardig zijn—dat is het geheele
-ideaal.”
-
-Hij stak zijn pijp weer aan en begon hartelijk te lachen.
-
-“Nou, ik geloof, dat de goede vrouw flink op haar beenen staat... Hoe
-vind je haar?”
-
-Pierre en Thomas putten zich uit in loftuitingen. De eerste was diep
-ontroerd in deze kunstenaarsphantasie de gedachte terug te vinden,
-waarmede hij reeds zoo lang rondliep: de nabije aëra der Gerechtigheid
-op de puinhoopen dezer wereld, die de Barmhartigheid na zoovele eeuwen
-van ervaring niet voor ondergang had kunnen behoeden.
-
-Vroolijk vertelde de beeldhouwer, dat hij hier aan deze maquette
-werkte, om zich wat te troosten over dien grooten poppenengel, welks
-banaliteit hem tot wanhoop bracht. Men had hem weer aanmerkingen
-gemaakt over de plooien van het kleed, die de dijen te zeer verrieden;
-hij had de geheele draperie moeten veranderen.
-
-“Alles wat zij willen,” riep hij uit. “Dit is mijn werk niet meer, het
-is een opdracht, die ik uitvoer, zooals een metselaar een muur maakt.
-Er bestaat geen kerkelijke kunst meer; het ongeloof en de domheid
-hebben haar gedood. Maar als de sociale kunst, de echt-menschelijke
-kunst weer kon ontstaan—hoe heerlijk zou het wezen een van haar
-verkondigers te zijn!”
-
-Hij viel zichzelf in de rede. “Waar bleven die twee kinderen, Antoine
-en Lise, toch.” Hij zette de deur van het atelier wijd open en nu zagen
-zij op het woeste bouwterrein tusschen de puinhoopen de fijne profielen
-van den grooten Antoine en de tengere, kleine Lise, die zich tegen het
-onmetelijke, door de afscheid nemende zon vergulde Parijs afteekenden.
-De jonge kolos steunde haar met zijn krachtigen arm, zoodat zij zonder
-moe te worden loopen kon, terwijl zij, met de teedere gratie van een
-eindelijk ontbloeide, eindelijk vrouw geworden vrouw, haar oogen met
-een eindeloos dankbaar glimlachje, naar de zijne opsloeg om zich geheel
-te geven, voor eeuwig.
-
-“Ha, daar komen zij terug!... Het wonder heeft zich nu heelemaal
-voltrokken. Ik kan je niet zeggen, hoe blij ik ben. Ik was wanhopig, ik
-had het al opgegeven haar ooit te leeren lezen, ik liet haar dagen lang
-als een halve idioot onbeweeglijk en zwijgend in een hoek zitten. Toen
-is je broer gekomen en heeft het, ik weet waarachtig niet hoe, klaar
-gespeeld. Zij luisterde naar hem, begreep hem, begon met hem te lezen,
-te schrijven, intelligent en vroolijk te zijn. Daar haar voeten echter
-nog steeds dood bleven en zij haar lijdende trekken van ziekelijk
-dwergje behield, heeft hij haar eerst in zijn armen hier gebracht en
-haar gedwongen te loopen, waarbij hij haar steunde, totdat ze eindelijk
-loopen kon. In enkele weken is zij beslist grooter geworden, slank en
-bekoorlijk. Ja, waarachtig het is een tweede geboorte, een ware
-schepping. Kijk ze eens aan!”
-
-Antoine en Lise kwamen langzaam naderbij. Met welk leven baadde hen de
-avondwind, die uit de groote, door de zon bestraalde en verwarmde stad
-oprees! De reden, waarom hij deze plek met den verheven horizont, met
-de vrije, zooveel kiemen met zich voerende lucht gekozen had, om haar
-te onderwijzen, was ongetwijfeld, dat hij haar nergens ter wereld meer
-ziel, meer kracht had kunnen inblazen. Hij had de sluimerende,
-beweging- en gedachtelooze vrouw in zijn armen genomen, haar gewekt,
-geschapen, lief gehad, om op zijn beurt bemind te worden. Zij was zijn
-werk, zij was hij.
-
-“Ben jij nu niet moe meer, zusje?”
-
-Een hemelsch glimlachje kwam om haar lippen spelen.
-
-“O, neen; het is zoo heerlijk te loopen... Met Antoine wil ik altijd
-wel doorloopen!”
-
-De anderen lachten en Jahan zeide met zijn gewone opgewektheid:
-
-“Laten we hopen, dat hij je niet te ver weg brengt. Maar ik zal jullie
-niet beletten gelukkig te zijn.”
-
-Antoine was voor het beeld der Gerechtigheid gaan staan, waaraan de
-ondergaande zon een huivering van leven scheen te geven. Tranen kwamen
-in zijn kunstenaarsoogen.
-
-“Goddelijke eenvoud, goddelijke schoonheid!” prevelde hij.
-
-Zelf had hij onlangs een houtsnede, die de tot begrip en liefde
-ontwaakte Lise met een boek in haar hand voorstelde, voltooid, een
-meesterwerk van ontroerende waarheid. Ditmaal had hij zijn ideaal
-bereikt door het model direct in hout te snijden, en hoopte nu groote
-en oorspronkelijke werken te kunnen maken, waarin hij den geheelen
-tijd, waarin hij leefde, zou doen herleven.
-
-Maar Thomas wilde naar huis terug. Zij namen afscheid van Jahan, die,
-nu zijn dagwerk afgeloopen was, zijn overjas aantrok, om zijn zuster
-naar de rue du Calvaire, waar zij woonden, te brengen.
-
-“Tot morgen, Lise,” zeide Antoine, die zich vooroverboog, om haar een
-zoen te geven.
-
-Zij ging op haar teenen staan en bood hem haar oogen, die hij voor het
-leven geopend had, aan.
-
-“Tot morgen, Antoine.”
-
-Buiten viel de schemering. Pierre, die het eerst naar buiten gegaan
-was, had in dit onbestemde licht een onverwacht visioen, dat hem eerst
-verbijsterde. Hij zag duidelijk zijn broer Guillaume uit de deur, uit
-het naar den onderbouw van de basilica leidende gat komen. Hij kon nog
-zien hoe hij vlug over het staketsel stapte, en dan deed, alsof hij
-toevallig hier was en uit de rue Lamarck kwam. Toen hij naar zijn beide
-zoons toeging en zeide, dat hij van Parijs kwam, vroeg Pierre zich af,
-of hij gedroomd had. Maar een ongeruste blik, dien zijn broer op hem
-wierp, gaf hem de zekerheid terug. Een zeer onbehagelijk gevoel, een
-angstaanjagende argwaan, dat hij nu eindelijk op het spoor was van al
-het vreeselijke, dat hij sedert eenigen tijd in het kleine, vredige en
-werkzame huisje voelde, maakte zich van hem meester bij het zien van
-den man, die anders nooit loog.
-
-Toen Guillaume, zijn beide zoons en zijn broer dien avond in het
-groote, op Parijs uitziende atelier kwamen, was het zoo in donker
-gehuld, dat zij het voor ledig hielden. De lampen waren nog niet
-aangestoken.
-
-“Zoo,” zeide Guillaume; “er is niemand.”
-
-Dan klonk de kalme, ietwat zachte stem van François uit het donker:
-
-“Zeker, ik ben er!”
-
-Hij was aan zijn tafel blijven zitten; en daar het niet licht genoeg
-meer was om te lezen, hief hij zijn oogen van het boek op en droomde
-met zijn kin in zijn hand, den blik in de verte, op het in donker
-gedompelde Parijs gericht. Den heelen middag had hij met zijn hoofd in
-de boeken gezeten. De tijd van zijn examen naderde; hij leefde in een
-voortdurenden, ingespannen hersenarbeid.
-
-“Wat zit je daar nog te werken?” vroeg de vader. “Waarom heb je geen
-lamp gevraagd?”
-
-“Neen, ik keek naar Parijs,” antwoordde François langzaam. “Het is
-vreemd, hoe geleidelijk en als het ware begrijpend de avond erop
-nederdaalt. Het laatste verlichte deel was de berg Sainte-Geneviève,
-het plateau van het Pantheon, waarop alle kennis en wetenschap
-opgegroeid zijn. De scholen, de bibliotheken, de laboratoria worden nog
-door een zonnestraal verguld, wanneer de lager gelegen wijken, waarin
-de kooplieden wonen, reeds in het donker liggen. Ik wil niet zeggen,
-dat de zon speciaal van ons op de École Normale houdt, maar ik beweer,
-dat zij nog op onze daken schijnt, wanneer zij nergens anders meer is.”
-
-Hij begon om zijn scherts te lachen, maar toch voelde men uit zijn
-woorden zijn vurig geloof aan den hersenarbeid, die volgens hem alleen
-waarheid brengen, gerechtigheid maken, geluk scheppen kon.
-
-Een zwijgen volgde. Donker, onmetelijk, geheimzinnig zonk Parijs steeds
-meer in den nacht weg. Nu hier, dan daar, vlamden lichtjes op.
-
-“De lampen worden aangestoken, het werk overal hervat,” zeide François.
-
-“Zeker, de arbeid, zeker!” riep Guillaume uit. “Maar wil hij zijn
-vollen oogst leveren, dan moet een wil dien bevruchten... Er bestaat
-iets hoogers dan arbeid.”
-
-Thomas en Antoine waren bij hem komen staan. En François vroeg als uit
-aller naam:
-
-“Wat dan, vader?”
-
-“De daad.”
-
-De drie broeders zwegen een oogenblik, overweldigd door de plechtigheid
-van het oogenblik en huiverend onder de groote, donkere golven, die uit
-den onduidelijken oceaan der stad oprezen. Dan antwoordde een jonge
-stem, zonder dat men kon onderscheiden welke:
-
-“Ook de daad is slechts arbeid.”
-
-Maar Pierre, die den eerbiedigen vrede, het zwijgende geloof der drie
-zoons niet bezat, voelde zijn ongerustheid nog grooter worden. Weer
-richtte het verschrikkelijke, angstaanjagende iets zich raadselachtig
-voor hem op. En een groote huivering streek voorbij in het nu
-ingetreden duister tegenover dit donkere Parijs, waarin de lampen
-aangestoken werden voor een geheelen hartstochtelijken nacht van
-arbeid.
-
-
-
-
-IV.
-
-Dien dag zou er in de basilica van den Sacré-Cœur een groote
-plechtigheid plaats vinden: tien duizend pelgrims zouden de zegening
-van het Heilig Sacrament bijwonen. Tot het vastgestelde uur—vier
-uur—zouden de hellingen van Montmartre zwart van menschen zijn, de
-winkels van religieuze artikelen belegerd, de restauraties bestormd
-worden, in het kort een heel kermisfeest, terwijl de zware klok, de
-Savoyarde, over dit vroolijk gestemde volk beieren zou.
-
-Toen Pierre dien ochtend in het groote atelier kwam, vond hij daar
-Guillaume en Grootmoeder alleen; een woord, dat hij opving, deed hem
-staan blijven en zich achter een hoogen, draaibaren boekenmolen
-verbergen, om verder te luisteren. Grootmoeder zat op haar gewone
-plaatsje voor het raam te werken. Guillaume stond voor haar.
-
-“Alles is klaar, moeder; vandaag gebeurt het,” zeide hij zacht.
-
-Zij liet haar werk in haar schoot vallen en keek, heel bleek, naar hem.
-
-“Zoo!... Ben je besloten?”
-
-“Ja, onherroepelijk. Om vier uur ben ik beneden, zal alles uit zijn.”
-
-“Het is goed. Doe wat je wilt.”
-
-Er volgde een angstwekkende stilte. De stem van Guillaume scheen uit de
-verte, als reeds van buiten de wereld, te komen. Men voelde, dat hij
-niet meer aan het wankelen was te brengen, geheel opging in zijn
-tragischen droom, in zijn idée fixe van martelaar. Grootmoeder keek hem
-met haar bleeke, heldhaftige oogen aan. Zij was in het lijden van
-anderen, in de verzaking en toewijding van een onverschrokken hart, dat
-nog slechts door de idee van plicht tot geestdrift gebracht werd, oud
-geworden; zij had hem geholpen de kleinste bijzonderheden te regelen,
-kende dus zijn vreeselijk plan. Maar al mocht de rechtdoenster in haar
-na de vele ongerechtigheden, die zij gezien en waaronder zij geleden
-had, het denkbeeld van een vreeselijke boetedoening, van een reiniging
-der wereld door de vlammen van den vulkaan aanvaarden, toch geloofde
-zij te zeer aan de noodzakelijkheid om het leven tot aan het einde toe
-dapper onder de oogen te zien, dan dat zij den dood ooit goed en
-vruchtbaar zou kunnen vinden.
-
-“Beste jongen,” ging zij zacht verder; “ik heb je plan zien rijpen; het
-heeft me noch verbaasd noch tot verzet geprikkeld; ik heb het beschouwd
-als den bliksem, als het hemelvuur zelf, verheven-rein en
-verheven-krachtig. Sedert heb ik je geholpen; ik wilde je geweten en je
-wil zijn... Maar ik zeg je nogmaals: men mag het leven niet in den
-steek laten.”
-
-“Het is nutteloos er verder over te spreken, moeder! Ik heb mijn leven
-gegeven, ik kan het niet terugnemen... Wilt u dus niet meer mijn wil
-zijn, zooals u dat noemt, mijn wil, die achterblijven en handelen
-moet?”
-
-Zij antwoordde niet, maar vroeg langzaam ernstig op haar beurt:
-
-“Het geeft dus niets, dat ik van de kinderen, van mij, van het
-huishouden spreek? Je hebt alles goed overwogen en bent vast besloten?”
-
-En toen hij eenvoudig ja zeide, herhaalde zij:
-
-“Het is goed... Doe wat je wilt... Ik zal achterblijven en handelen.
-Wees niet bang, je testament is in goede handen. Alles wat we samen
-vastgesteld hebben, zal uitgevoerd worden.”
-
-Weer zwegen zij. Dan vroeg zij nog:
-
-“Om vier uur dus, op het oogenblik der inzegening?”
-
-“Ja, om vier uur.”
-
-Zij keek hem nog steeds met haar bleeke oogen aan. En deze blik vol
-oneindige dapperheid, maar ook vol diepe droefheid, vervulde hem met
-een plotselinge ontroering. Zijn handen beefden, toen hij vroeg:
-
-“Mag ik u een zoen geven, moeder?”
-
-“Graag jongen! Al beschouw ik de plicht anders dan jij, toch zie je,
-dat ik je respecteer en dat ik van je houd.”
-
-Zij omhelsden elkaar en toen Pierre achter den molen te voorschijn
-kwam, zat Grootmoeder al weer kalm te werken, terwijl Guillaume heen en
-weer liep en een plank van zijn laboratorium in orde maakte.
-
-’s Middags moesten zij voor het dejeuner een oogenblik op Thomas
-wachten, die te laat was. De beide andere zoons, François en Antoine,
-die reeds lang thuis waren, maakten zich lachend boos en zeiden, dat
-zij van honger vergingen. Marie had juist slagroom gemaakt, waarop zij
-heel trotsch was; zij riep, dat ze alles zouden opeten en dat
-laatkomers niets kregen. Toen Thomas eindelijk kwam, werd hij met
-hoongelach ontvangen.
-
-“Maar het is mijn schuld niet,” legde hij uit. “Ik ben zoo dom geweest
-door de rue de la Barre terug te komen. Je weet niet hoe propvol het
-daar is. Het lijkt wel, alsof al de tien duizend pelgrims daar
-gekampeerd hebben. Ik heb hooren vertellen, dat er zooveel als mogelijk
-was in het asyl Saint-Joseph ondergebracht zijn. De anderen hebben
-onder den blooten hemel moeten slapen. Nu zitten ze zoowat overal en
-nergens te eten. Je durft bijna je voet niet neer te zetten uit vrees,
-dat je er een zult dood trappen.”
-
-Het dejeuner was zóó opgewekt, dat Pierre het overdreven, ja bijna
-gekunsteld vond. De kinderen wisten blijkbaar niets van het vreeselijke
-íets, dat in de schitterende zon van dien middag steeds onzichtbaar
-tegenwoordig was. Guillaume glimlachte als alle dagen; hij was
-misschien alleen wat bleeker en zijn stem had een liefkoozend zachten
-klank. Grootmoeder echter had nog nooit zoo zwijgend en ernstig aan
-deze broederlijke tafel gezeten, aan het hoofd waarvan zij als vereerde
-en gehoorzaamde koningin-moeder zat. De slagroom van Marie had een
-groot succes; ze overlaadden haar met complimentjes en deden haar
-blozen. Plotseling viel weer een diepe stilte in; een doodelijke koude
-blies over de gezichten en deed hen verbleeken, terwijl de kleine
-lepels de borden ledigden.
-
-“O, die klok!” riep François uit. “Het is als een obsessie!”
-
-De Savoyard was begonnen te luiden, een zwaar gebeier, welks golven
-zich hardnekkig over het reusachtige Parijs uitbreidden. Allen
-luisterden.
-
-“Duurt dat tot vier uur zoo?” vroeg Marie.
-
-“Om vier uur zal je nog wel anders hooren. Dan is het een gejubel, een
-triomfgezang!”
-
-Guillaume glimlachte nog steeds.
-
-“Ja, als je niet wilt, dat je trommelvlies springt, zal je de ramen
-moeten sluiten. Het ergste is, dat Parijs het hooren moet of het wil of
-niet.”
-
-Grootmoeder bleef zwijgend en onbeweeglijk zitten. Antoine hinderde het
-meest de afschuwelijke handel in religieuze plaatjes, die de pelgrims
-elkaar ontrukten, die bonbonnière-Jezusvoorstellingen met open borst en
-bloedend hart. Er was niets afstootelijkers te bedenken. Toen zij van
-tafel opstonden, moesten zij hard praten, om elkaar te kunnen verstaan.
-
-Dan gingen allen weer aan het werk. Grootmoeder begon weer aan haar
-eeuwig naaiwerk, terwijl Marie naast haar zat te borduren. De drie
-zoons hadden weer plaats genomen aan hun tafel en verdiepten zich in
-hun arbeid, waarvan zij nu en dan opkeken, om een enkel woord te
-wisselen. Tot half drie scheen Guillaume ook geheel in zijn werk op te
-gaan. Pierre alleen liep op en neer en zag hen allen als in een boozen
-droom; de meest onschuldige woorden kregen voor hem een
-verschrikkelijke beteekenis. Gedurende het dejeuner had hij moeten
-zeggen, dat hij wat hoofdpijn had, om zijn gedruktheid te verklaren; nu
-wachtte hij, keek hij, luisterde hij met een toenemenden angst.
-
-Even voor drie uur nam Guillaume, na op zijn horloge gekeken te hebben,
-zijn hoed.
-
-“Ik ga eens uit.”
-
-De drie zoons, Grootmoeder en Marie keken op.
-
-“Ik ga uit... Tot ziens.”
-
-Toch ging hij niet. Pierre voelde, hoe hij zich, door een vreeselijken
-innerlijken strijd geschokt, vermande en al zijn krachten inspande om
-niet te beven en niet bleek te worden. Wat moest het hem kosten, dat
-hij zijn drie zoons nog niet een laatste maal omhelzen kon, als hij
-geen vermoedens wilde opwekken, zij zouden hem beletten zich op te
-offeren! En hij overwon met een uitersten heldenmoed.
-
-“Tot straks, kinderen!”
-
-“Tot straks, vader... Komt u weer gauw terug?”
-
-“Ja, ja... Maak je maar niet ongerust om mij! Werk maar rustig door.”
-
-Grootmoeder bleef hem in haar verheven zwijgen met haar strakke oogen
-aanstaren. Maar haar had hij een zoen gegeven. Hij keek haar aan; hun
-blikken smolten een oogenblik samen; zij herhaalden voor elkaar
-nogmaals alles wat hij gewild, wat zij beloofd had, hun
-gemeenschappelijken droom van waarheid en gerechtigheid.
-
-“Zeg, Guillaume,” riep Marie vroolijk; “wil je, als je door de rue des
-Martyrs komt, een boodschap voor mij doen?”
-
-“Natuurlijk.”
-
-“Ga dan even bij de naaister zeggen, dat ik morgenochtend mijn japon
-kom passen.”
-
-Zij bedoelde haar trouwjapon, een grijszijden japon, over de groote
-luxe waarvan zij dikwijls grapjes maakte. Als zij erover sprak,
-begonnen zij en al de anderen te lachen.
-
-“Afgesproken, beste meid,” antwoordde Guillaume, eveneens lachend.
-“Asschepoesters hofjapon, het brokaat en de kant van de fee, om heel
-mooi en gelukkig te zijn.”
-
-Maar het lachen verstomde, en in de plotselinge stilte scheen nogmaals
-met luiden vleugelslag de dood te strijken, een vreeselijke koude,
-waarvan de huivering de harten der achterblijvenden deed verstijven.
-
-“Maar nou ga ik toch heusch... Tot ziens kinderen!”
-
-Pierre verzon een voorwendsel om ook uit te gaan en volgde hem na twee
-minuten. Om hem niet uit het oog te verliezen, behoefde hij hem slechts
-op de hielen te volgen, want hij wist waarheen hij ging. Een
-innerlijke, volkomen zekerheid zeide hem, dat hij hem terug zou vinden
-bij de deur, die naar de basilica leidde en waaruit hij hem den vorigen
-dag had zien komen. Hij trachtte dan ook niet hem onder de menigte
-pelgrims, die naar de kerk stroomden, terug te vinden, maar ging zoo
-gauw mogelijk naar het atelier van Jahan. Toen hij daar kwam, zag hij,
-zooals hij verwacht had, Guillaume door het staketsel sluipen en
-verdwijnen. Het gedrang van de groote menigte stelde hem in staat zijn
-broeder te volgen en ongezien door de deur te gaan. Een oogenblik moest
-hij blijven staan, om adem te halen, zoo benauwde hem het heftige
-kloppen van zijn hart.
-
-Van het smalle portaal leidde een dadelijk donker wordende trap steil
-naar beneden. Pierre waagde zich met de grootste voorzichtigheid in
-dezen steeds dieper wordenden nacht en zette zijn voeten zacht neer, om
-geen leven te maken. Met zijn hand tegen den muur tastend, draaide hij
-rond en liet zich afdalen als in een put. Het afdalen duurde echter
-niet lang. Toen hij weer vasten grond onder zijn voeten voelde, bleef
-hij staan, durfde zich niet bewegen uit vrees zijn aanwezigheid te
-verraden. De duisternis was zwart als inkt. Een zware stilte, geen
-geluid, geen ademtocht. Welken kant moest hij uitgaan?
-
-Hij aarzelde nog, toen hij plotseling een twintig passen voor zich een
-lichtstraaltje zag, een lucifer, die afgestreken werd. Het was
-Guillaume, die een kaars aanstak. Hij herkende zijn breede schouders en
-behoefde slechts door een soort gemetselde, overwelfde, onderaardsche
-gang het lichtje te volgen. De weg leek eindeloos en het kwam Pierre
-voor, dat hij in Noordelijke richting, onder het schip der basilica,
-liep.
-
-Plotseling bleef het kleine lichtje stil staan. Pierre liep nog wat
-door, maar bleef in het donker, om te kunnen kijken. Guillaume was
-midden in een soort lage rotonde onder de crypt op zijn knieën gaan
-liggen en had het uiteinde van de kaars op den grond zelf gezet. Dan
-schoof hij een langen, platten steen, die een gat scheen af te sluiten,
-weg. De twee broers bevonden zich in de fundeeringen van de basilica,
-waar men een van die pijlers, een van die schachten zag, waarin beton
-gestort was, om het gebouw te steunen. Dicht bij dien pijler zelf
-bevond zich het gat, hetzij een natuurlijke spleet in den grond, hetzij
-een door de aardverschuiving ontstane groote scheur. In de omgeving
-waren andere pijlers, waarover de spleet zich door naar alle richtingen
-vertakkende kleine scheuren eveneens scheen uit te strekken. Toen
-Pierre zijn broer zoo gebukt zag als een mijnwerker, die voor de
-laatste maal de door hem gelegde mijn nakijkt, alvorens de lont in
-brand te steken, begreep hij plotseling het vreeselijke en ontzettende,
-dat gebeuren zou: aanzienlijke hoeveelheden van de ontzettende
-springstof waren hier bij verschillende gelegenheden heimelijk
-gebracht, het kruit in de spleet naast den pijler gestort, van waaruit
-het zich in de kleinere scheuren verspreidde, den bodem tot op groote
-diepte verzadigde en op die wijze een mijn van onberekenbare kracht
-vormde. Het kruit kwam tot onder den steen, dien Guillaume weggeschoven
-had. Hij behoefde er slechts een lucifer in te werpen en alles zou in
-de vlucht vliegen.
-
-Een verstijvende schrik nagelde Pierre een oogenblik als het ware aan
-den grond vast; hij zou niet in staat geweest zijn een stap te doen of
-een kreet te uiten. Hij zag de wriemelende menigte boven weer voor
-zich, de tien duizend pelgrims, die zich in de hooge schepen der
-basilica ophoopten voor de zegening van het Heilig Sacrament. De
-dreunende Savoyarde luidde uit alle macht, de wierook kronkelde op, de
-tien duizend stemmen hieven een lof- en jubellied aan. En plotseling
-zou een donderslag, een aardbeving volgen, een vulkaan zich openen, die
-in een vloed van vlammen en rook de geheele kerk met haar volk van
-geloovigen verslinden zou. Ongetwijfeld zou de buitengewone kracht der
-ontploffing, door de steunpijlers te breken en den nog weinig vasten
-ondergrond om te woelen, het gebouw splijten, de helft ervan op de naar
-Parijs afdalende hellingen tot aan de place du Marché slingeren,
-terwijl de rest, de koorzijde, op de plaats zelf ineenstorten zou. En
-welk een vreeselijke lawine zou dit brekende bosch van stellages, deze
-regen van reusachtige materialen op de daken beneden storten! Geheel
-Montmartre zelf dreigde door de kracht van den schok in een
-onmetelijken puinhoop veranderd te worden.
-
-Guillaume was weer opgestaan. De op den grond geplaatste kaars, die met
-een rechte, hooge vlam brandde, projecteerde zijn groote schaduw, die
-het geheele souterrain scheen te vullen. Het kleine licht leek in al
-dit donker niet meer dan een onbeweeglijk, triest sterretje. Hij kwam
-wat dichterbij om op zijn horloge te kijken. Vijf minuten over drieën.
-Hij moest dus nog bijna een uur wachten. Dus ging hij geduldig op een
-steen zitten en bewoog zich niet meer. De kaars verlichtte zijn bleek
-gezicht, zijn groot, torenvormig voorhoofd, het geheele energieke
-gezicht, dat de schitterende oogen en de bruine snor nog altijd mooi en
-jong maakten. Geen van zijn gelaatstrekken bewoog, hij staarde in het
-Niet. Welke gedachten schoten in deze laatste minuten door zijn brein?
-Geen huivering in de lucht: rondom de drukkende nacht, het eeuwige,
-diepe zwijgen der aarde.
-
-Toen ging Pierre, het kloppen van zijn hart bedwingend, naar hem toe.
-Bij dit geluid van stappen was Guillaume dreigend opgestaan, maar
-dadelijk herkende hij zijn broeder. Hij scheen in het geheel niet
-verbaasd te zijn.
-
-“Zoo, ben je mij gevolgd?... Ik voelde wel, dat je mijn geheim wist.
-Maar het is een groot verdriet voor me, dat je er misbruik van maakt
-door naar mij toe te komen... Je hadt me die laatste smart moeten
-besparen.”
-
-Pierre vouwde zijn bevende handen en wilde dadelijk smeeken.
-
-“Broeder, broeder!”
-
-“Neen, zeg nog niets. Wanneer je het met alle geweld wilt, dan zal ik
-straks naar je luisteren. Wij hebben nog bijna een uur tijd, we kunnen
-op ons gemak praten. Maar ik wil, dat je de nutteloosheid van alles,
-wat je meent me te moeten zeggen, inziet. Mijn besluit staat vast, ik
-heb het lang overwogen en zal slechts volgens mijn verstand en mijn
-geweten handelen.”
-
-En nu vertelde hij op zijn kalme manier hoe hij, eenmaal tot een groote
-daad besloten, langen tijd geaarzeld had over de keuze van het gebouw,
-dat hij verwoesten zou. Eerst had de Opéra hem aangelokt, maar dan was
-die storm van woede en gerechtigheid, welke deze kleine wereld van
-genotzoekers wegvaagde, hem zonder eenige hoogere beteekenis, als
-bevlekt met lage, ijverzuchtige gevoelens toegeschenen. Vervolgens had
-hij aan de Beurs gedacht: daar trof hij het alles bedervende geld, de
-kapitalistische maatschappij, waaronder de loonarbeiders reutelen. Maar
-was ook dat niet iets beperkts, iets speciaals? Ook de gedachte aan het
-Paleis van Justitie, in het bijzonder de zaal van het gerechtshof, had
-hem langen tijd vervolgd. Hoe verleidelijk was het gerechtigheid te
-oefenen over de menschelijke gerechtigheid, den schuldige in de lucht
-te doen vliegen met de getuigen, met den advocaat-generaal, die hem
-aanklaagt, met den advocaat, die hem verdedigt, met de magistraten, die
-hem veroordeelen, met het nieuwsgierige publiek, dat daar komt als om
-een feuilleton te lezen! En welk een bittere ironie lag er in deze
-hoogste primitieve gerechtigheid van den vulkaan, die alles verslindt,
-zonder zich met bijzonderheden op te houden!
-
-Maar het plan, dat hij het langst gekoesterd had, was den Arc de
-Triomphe in de lucht te laten vliegen. Dat was in zijn oogen het
-verdoemenswaardige monument, dat den oorlog, den haat tusschen de
-volkeren, den valschen, zoo duur en zoo bloedig gekochten roem der
-groote veroveraars vereeuwigde! Deze kolos, die opgericht was voor de
-vreeselijkste bloedbaden, waarvoor zooveel levens nutteloos opgeofferd
-waren, moest gedood worden. Wanneer hij hem in den grond had kunnen
-doen wegzinken, dan zou hij den heldhaftigen moed bezeten hebben om
-geen anderen dood te veroorzaken door den zijne, om, door den steenen
-reus verpletterd, alleen te sterven. Welk een graf! En welk een
-herinnering zou hij aan de wereld achterlaten!
-
-“Maar er was geen toegang, geen onderbouw, geen kelder,” ging hij
-voort. “Ik heb van het plan moeten afzien... Bovendien wil ik gaarne
-alleen sterven. Maar trouwens bestaat er een vreeselijker en hoogere
-les dan de onrechtvaardige dood van een onschuldige menigte? Evenals
-onze menschelijke maatschappijen door de ongerechtigheid, de ellende en
-de meedoogenlooze hardheid van haar raderwerk onschuldige slachtoffers
-maken, zoo moeten aanslagen als deze inslaan als de bliksem en op hun
-toevalligen weg met hun onverbiddelijke verwoesting menschenlevens
-vernietigen. Het is de voet van een mensch midden in een mierenhoop.”
-
-Verontwaardigd stiet Pierre een kreet van vurig protest uit.
-
-“Broeder, broeder, ben jij het die zoo spreekt?”
-
-“Dat ik ten slotte deze basilica van den Sacré-Cœur gekozen heb, is,
-omdat zij zoo dicht bij de hand, zoo makkelijk te verwoesten is. Maar
-ook omdat zij mij hindert en verbittert, heb ik haar reeds sedert lang
-ten doode opgeschreven... Ik heb het je al meer gezegd: je kan je geen
-grooteren onzin denken, Parijs, ons groot Parijs, bekroond en
-beheerscht door dezen tot verheerlijking van het absurde gebouwden
-tempel. Is na zooveel eeuwen van wetenschap deze kaakslag aan het
-gezond verstand, deze onbeschaamde triomfzucht in het volle daglicht
-niet onduldbaar? Zij willen, dat Parijs berouw heeft, boete doet, omdat
-het de bevrijdende stad van waarheid en gerechtigheid is! Neen, neen,
-het behoeft slechts alles weg te vagen wat het hindert, wat het op zijn
-weg van bevrijding belemmert!... Laat de tempel met zijn god van leugen
-en knechtschap instorten! Laat hij onder zijn puinhoop het volk van
-zijn geloovigen verpletteren, opdat de catastrophe als een der vroegere
-geologische revoluties in het hart der menschheid weerklinke en
-verandere en herscheppe!”
-
-“Broeder, broeder,” herhaalde Pierre buiten zichzelf; “ben jij het, die
-zoo spreekt? Jij, de groote geleerde met je groot hart, bent zoover
-gekomen! Welke rampzalige storm heeft zich van je meester gemaakt, dat
-je zulke afschuwelijke dingen denkt en zegt?... Op den avond, waarop
-wij in wanhopige liefde alles voor elkaar gebiecht hebben, heb je me je
-droom van een ideale anarchie verteld: de vrije harmonie van het leven,
-dat, aan zijn natuurlijke krachten overgelaten, het geluk scheppen zou.
-Maar toen kwam je in verzet tegen diefstal en moord, wierp je de daad
-ver van je, verklaarde en verontschuldigde je haar slechts... Wat is er
-toch gebeurd, dat je van het denkende brein de wreede hand, die
-handelen wil, geworden bent?”
-
-“Salvat is geguillotineerd,” zeide Guillaume eenvoudig, “en ik heb zijn
-testament in zijn laatsten blik gelezen. Ik ben slechts de uitvoerder
-van zijn laatsten wil... Wat er gebeurd is? Maar alles, waaronder ik
-lijd, alles wat ik reeds sedert vier maanden uitschreeuw, al die
-gruwelen, welke ons omringen en die een einde moeten nemen!”
-
-Een stilte volgde. In de donkerte stonden de twee broeders tegenover
-elkaar en keken elkander aan. Nu begreep Pierre de verandering, die in
-Guillaume plaats gegrepen had, dat, wat de vreeselijke ademtocht van de
-over Parijs strijkende revolutionnaire besmetting van hem gemaakt had.
-Dit vormde een deel van het dualisme, dat hem zoo tegenstrijdig deed
-lijken: aan de eene zijde de geleerde, die geheel opging in waarneming
-en ervaring, die tegenover de natuur met een voorzichtige logica te
-werk ging; aan de andere zijde de door broederschap, gelijkheid en
-rechtvaardigheid vervolgde sociale dweper, die in een vurige behoefte
-aan liefde het algemeen geluk eischte. Op die wijze was eerst de
-theoretische anarchist geboren, dat mengsel van wetenschap en
-hersenschimmen: de menschelijke maatschappij moest teruggegeven worden
-aan de wet der wereldharmonie, ieder mensch in een slechts door de
-liefde geregeerde vrije associatie vrij zijn.
-
-Théophile Morin met Proudhon en Comte, Bache met Saint-Simon en Fourier
-hadden zijn verlangen naar het absolute niet kunnen bevredigen; alle
-stelsels schenen hem onvolmaakt en chaotisch toe, vernietigden elkaar
-wederkeerig en leidden tot dezelfde levensellende. Alleen Janzen
-bevredigde hem meermalen door zijn korte woorden. Dan was het tragische
-lot van Salvat als een giststof van het hoogste verzet komen vallen in
-dit hart, dat de gedachte aan ellende in opstand bracht, het
-onrechtvaardige lijden van armen en ongelukkigen verbitterde. Weken
-lang had hij in koorts, met brandende handen en door toenemenden angst
-dichtgeknepen keel geleefd: hij dacht aan de bom van Salvat, waarvan
-hij den schok nog voelde; aan de meedoogenlooze couranten, die zich op
-den ongelukkige gestort hadden als op een dollen hond; aan den in het
-Bois de Boulogne vervolgden man, die met modder bedekt en stervend van
-honger in de handen der politie gevallen was, aan de rechters, aan de
-gendarmen, aan de getuigen, aan geheel Frankrijk, aan die allen tegen
-één, die voor aller misdaad boeten moest; eindelijk aan de guillotine,
-de monsterachtige, vuile guillotine, die in naam der menschelijke
-gerechtigheid de niet meer goed te maken ongerechtigheid voltrok.
-Slechts één gedachte bleef in hem over, de gedachte aan gerechtigheid,
-die hem krankzinnig maakte, tot zij in zijn brein alles vernietigde en
-niets overliet dan de vurige voorstelling van een rechtvaardige daad,
-waardoor hij het onrecht weer goed maken, het eeuwige heil brengen zou.
-Salvat had hem aangekeken, de besmetting had gewerkt: hij leefde nog
-slechts in de zucht om te sterven, zijn bloed te geven, het bloed van
-anderen in stroomen te laten vloeien, opdat de menschheid, door schrik
-en afschuw aangegrepen, de gouden eeuw decreteeren zou.
-
-Pierre begreep de hardnekkige verblinding van een dergelijken waanzin,
-en de gedachte, dat hij dezen niet overwinnen zou, maakte hem radeloos.
-
-“Broeder, je bent krankzinnig, ze hebben je krankzinnig gemaakt. Er
-woedt een storm van gewelddadigheid; eerst is men met al te
-meedoogenlooze onhandigheid tegen hen opgetreden, en nu zij elkander
-gaan wreken, bestaat er geen reden meer, waarom het bloed zou ophouden
-te vloeien... Ontwaak uit dezen boozen droom, Guillaume. Het is niet
-mogelijk, dat jij een Salvat wordt, die doodt, een Bergaz, die steelt.
-Denk aan het hôtel van prinses de Hardt, dat zij geplunderd hebben, aan
-het arme, blonde, lieve kind, dat we met opengereten buik hebben zien
-liggen... Je behoort niet tot hen, broeder, je kan niet tot hen
-behooren! Heb erbarmen, heb medelijden!”
-
-Met een handgebaar wees Guillaume die nuttelooze redenen af. Hij meende
-reeds in het rijk des doods te zijn. En wat bekommerde hij zich dan om
-die paar levens, welke tegelijk met het zijne in den eeuwigen
-levensstroom terugkeeren zouden? Nooit was er een nieuwe phase in de
-wereld ontstaan, zonder dat er milliarden levens door verpletterd
-werden.
-
-“Maar je hadt een grootsch doel,” riep Pierre uit, om hem, door hem op
-zijn plicht te wijzen, te redden. “Het staat je niet vrij op deze
-manier uit het leven te verdwijnen.”
-
-Koortsachtig trachtte hij den trots van den geleerde in hem te wekken.
-Hij sprak over het geheim, dat hij hem had toevertrouwd, over de
-oorlogsmachine, die in staat was legers te verwoesten en steden in stof
-te doen vallen, die hij aan Frankrijk wilde geven, opdat het, als
-overwinnaar in den nabijen oorlog, de bevrijder der wereld zou kunnen
-worden. En dat buitengewoon grootsche doel had hij opgegeven, zijn
-vreeselijke springstof wilde hij gebruiken, om onschuldigen te dooden,
-om een kerk te vernietigen, die met behulp van millioenen weer
-opgebouwd zou worden en waarvan men een heiligdom van martelaren maken
-zou!
-
-Guillaume glimlachte.
-
-“Ik heb mijn plan niet opgegeven, ik heb het eenvoudig veranderd. Heb
-ik je niet van mijn twijfel, van mijn vreeselijken tweestrijd verteld?
-O, te denken, dat men het lot van de wereld in zijn handen heeft, en
-dan te beven en te aarzelen en je af te vragen, of je ook zeker het
-begrip, de wijsheid hebt, om de goede beslissing te nemen! Tegenover de
-vlekken, die ons groot Parijs bezoedelen, tegenover al de misdaden, die
-wij in den laatsten tijd gezien hebben, weifelde ik, vroeg ik mij af,
-of het kalm, of het rein genoeg was, dat men het wagen mocht het de
-almacht toe te vertrouwen. Welk een ramp zou het worden, als een
-uitvinding als de mijne in de handen van een krankzinnig volk,
-misschien van een dictator, misschien van een usurpator vallen zou, die
-haar zou willen gebruiken, om de naties te terroriseeren en onder de
-gemeenste slavernij te doen bukken... Neen, ik wil den oorlog niet
-vereeuwigen, ik wil hem dooden.”
-
-Met vaste stem legde hij hem zijn nieuw plan uit en Pierre vond daarin
-tot zijn verbazing de denkbeelden weer terug, die generaal de Bozonnet
-hem in tegenovergestelden zin uiteengezet had. De oorlog ging, bedreigd
-door zijn eigen buitensporigheden, zijn ondergang tegemoet. Vroeger,
-ten tijde der huurlegers, later, ten tijde van de conscriptie, toen een
-klein aantal door het lot aangewezen werd, was hij een stand en een
-hartstocht. Maar van het oogenblik af, dat de geheele wereld vechten
-moet, wil niemand het meer. Alle naties onder de wapenen is door de
-logische kracht der dingen het toekomstige einde der legers. Hoe lang
-zouden zij nog op dien voet van dood brengenden vrede blijven,
-verpletterd door steeds toenemende budgetten, milliarden uitgevend om
-elkaar in bedwang te houden. Welk een kreet van verlichting zou er
-opgaan, wanneer het verschijnen van een vreeselijke machine, die met
-één streek legers en steden wegveegt, den oorlog onmogelijk maken, de
-volkeren noodzaken zou tot algemeene ontwapening over te gaan. De
-oorlog zou gedood worden—hij, die zoovelen sterven liet, zou eveneens
-sterven. Dat was zijn ideaal, de zekerheid het dadelijk te zullen
-verwezenlijken, bracht hem in geestdrift.
-
-“Alles is geregeld. Wanneer ik sterf, wanneer ik verdwijn, geschiedt
-dat, opdat de idee triompheeren zal... Je hebt gezien hoe ik mij in de
-laatste dagen geheele middagen met Grootmoeder opgesloten heb. Wij
-hebben toen alle documenten geclassificeerd en alle schikkingen
-getroffen. Zij heeft mijn aanwijzingen en zal die uitvoeren, ook al zou
-het haar haar leven kosten... Zoodra ik dood, onder deze steenen
-begraven ben, zoodra zij de explosie gehoord zal hebben, die Parijs
-doet schokken en de nieuwe aëra inluidt, zal zij aan iedere groote
-mogendheid de formule van de springstof, de teekening van de bom en van
-het speciale kanon, de complete dossiers, die zij onder haar berusting
-heeft, doen toekomen. Op die wijze geef ik aan alle volkeren het
-vreeselijke geschenk van verwoesting, van almacht, dat ik in den
-beginne slechts aan een wilde geven, opdat alle volkeren, op gelijke
-wijze met den bliksem gewapend, de wapenen neerleggen.”
-
-Met open mond luisterde Pierre naar hem, als had deze vreeselijke
-voorstelling, waarbij het kinderlijke met het geniale streed, hem als
-een drijfwerk verpletterd.
-
-“Maar waarom, nu je je geheim aan alle volkeren geeft, deze kerk in de
-lucht te doen vliegen, waarom te sterven?”
-
-“Opdat men mij gelooven zal,” riep hij met een geweldige kracht uit.
-“Het gebouw moet tegen den grond liggen en ik eronder. Wanneer de proef
-niet genomen, wanneer het ontzettende niet de vreeselijke, verwoestende
-kracht van de springstof verkondigt, zal men mij voor een visionnairen
-uitvinder uitmaken... Veel dooden, veel bloed, opdat het bloed voor
-eeuwig ophoude te vloeien.”
-
-Dan kwam hij met een groot gebaar weer op de noodzakelijkheid der daad
-terug.
-
-“En bovendien heeft Salvat mij deze daad der gerechtigheid nagelaten.
-Dat ik haar nog uitgebreid heb door er een beteekenis aan toe te
-voegen, door haar te gebruiken, om het einde van den oorlog te
-verhaasten, is, omdat ik een intellectueel, een geleerde ben. Misschien
-zou het beter geweest zijn, als ik maar een eenvoudige van geest was en
-kwam als de vulkaan, die den bodem verandert, maar de zorg, om een
-menschheid te herscheppen, aan het leven overlaat.”
-
-De kaars brandde op, en Guillaume stond op van den steen, dien hij geen
-oogenblik verlaten had. Hij keek op zijn horloge: nog tien minuten.
-Door den zwakken tocht, welken zijn bewegingen veroorzaakte, begon het
-licht te flikkeren. Het was alsof de duisternis dichter werd door het
-steeds aanwezige gevaar van de open mijn, die een vonk in de lucht kon
-doen vliegen.
-
-“Het is dadelijk tijd... Kom, Pierre, geef mij een zoen en ga weg. Je
-weet hoeveel ik van je houd, welk een liefde voor jou weer in mijn oud
-hart ontwaakt is. Heb mij dus ook lief, vind de kracht, mij genoeg lief
-te hebben, om mij naar mijn eigen zin en volgens mijn geweten te laten
-sterven... Geef mij een zoen en ga weg zonder nog om te kijken.”
-
-Zijn groote liefde deed zijn stem beven; hij streed, drong zijn tranen
-terug, en reeds buiten de menschheid, buiten de wereld staande, kon hij
-zich overwinnen.
-
-“Neen, broeder, je hebt mij niet overtuigd,” zeide Pierre, zonder zijn
-tranen te verbergen, “en juist, omdat ik zooveel van jou houd, als jij
-van mij, ga ik niet... Nogmaals het is onmogelijk, je kunt niet de gek,
-de moordenaar zijn, die je wezen wilt.”
-
-“Waarom? Ben ik niet vrij? Ik heb mijn leven van alle plichten, van
-alle banden vrij gemaakt... Mijn zoons zijn volwassen, hebben mij niet
-meer noodig. Mijn hart had nog slechts één boei: Marie en die heb ik
-aan jou gegeven.”
-
-Pierre voelde, hoe hem door die woorden een sterk argument in handen
-gegeven werd, en maakte er hartstochtelijk gebruik van.
-
-“Dus je wilt sterven, omdat je mij Marie gegeven hebt. Beken het, je
-hebt haar nog altijd lief.”
-
-“Neen,” riep Guillaume; “ik heb haar niet meer lief, ik zweer het je.
-Ik heb haar aan jou gegeven. Ik heb haar niet meer lief.”
-
-“Dat geloofde je, maar je ziet nu heel goed, dat je haar nog lief hebt;
-want nu ben je heelemaal van streek, terwijl je daareven onbewogen
-bleef onder al de verschrikkelijke dingen, die we gezegd hebben...
-Omdat je Marie verloren hebt, wil je sterven.”
-
-Guillaume rilde en op zachten toon, als ondervroeg hij zijn eigen hart,
-zeide hij:
-
-“Neen, neen, het zou een bezoedeling zijn van mijn hoog doel, wanneer
-een liefdesmart mij tot die vreeselijke daad gebracht had... Neen,
-neen, ik heb er vrijwillig toe besloten, ik voer haar uit zonder eenig
-persoonlijk belang, alleen uit naam der gerechtigheid en voor de
-menschheid, tegen den oorlog, tegen de ellende.”
-
-En dan in een kreet vol lijden:
-
-“Het is slecht van je, broeder, heel slecht om zoo mijn stervensvreugde
-te vergallen. Ik heb al het geluk, waartoe ik in staat was, om mij heen
-geschapen; ik was gelukkig, dat ik jullie allen gelukkig achterliet, en
-nu kom jij mijn dood bederven... Neen, hoe ik mijn hart ook onderzoek,
-het bloedt niet meer; ik heb Marie niet meer lief zooals ik jou lief
-heb.”
-
-Maar zijn onrust bleef: hij was als het ware bang, dat hij zichzelf
-voorloog. En langzamerhand maakte een woede zich van hem meester:
-
-“Luister, Pierre, nu is het genoeg! De tijd dringt... Voor de laatste
-maal, ga! Ik beveel het je, ik wil het!”
-
-“Ik zal je bevel niet gehoorzamen... Ik blijf. Nu mijn redeneering je
-niet van je waanzinnig plan kan afbrengen, moet je de lont maar in het
-kruit steken en zal ik met je sterven.”
-
-“Jij sterven? Jij hebt er het recht niet toe, je bent niet vrij!”
-
-“Vrij of niet, ik zweer je, dat ik met je zal sterven... En wanneer het
-alleen maar noodig is, die kaars in het gat te gooien, zal ik dat zelf
-doen.”
-
-Hij maakte een gebaar; zijn broer dacht, dat hij zijn bedreiging
-uitvoeren wilde. Heftig greep hij hem bij zijn arm.
-
-“Waarom zou jij sterven? Dat zou absurd zijn. Laten de anderen sterven!
-Maar jij? Waartoe zou die overbodige monsterachtigheid dienen? Je
-tracht mij week te maken, mijn hart te roeren.”
-
-Doch dan geloofde hij plotseling, dat er een list achter stak.
-
-“Je wilt die kaars niet nemen, om die erin te werpen, maar om haar uit
-te blazen,” mompelde hij woedend. “En je denkt, dat ik het daarna niet
-meer zal kunnen... Je bent slecht, Pierre!”
-
-Dan schreeuwde Pierre op zijn beurt:
-
-“Zeker, met alle middelen zal ik je beletten die verschrikkelijke,
-idiote daad uit te voeren.”
-
-“Je wilt mij beletten...”
-
-“Ja, ik zal aan je gaan hangen, ik zal mijn armen om je schouders
-klemmen, ik zal je handen tusschen de mijne verlammen.”
-
-“Je wilt het mij beletten, ellendeling, je denkt, dat je het mij
-beletten zult.”
-
-Stikkend van woede en bevend greep Guillaume Pierre aan en kraakte zijn
-ribben met zijn sterke spieren. Dicht tegen elkander aangedrukt, oog in
-oog, mond aan mond, stonden zij zoo in dien onderaardschen kerker, dien
-hun groote, dansende schaduwen als met woeste spookgestalten vulden. De
-dikke nacht omhulde hen; de bleeke pit was te midden van de duisternis
-niet meer dan een kleine, gele traan.
-
-Dan begon plotseling op die diepte de stilte der aarde, die zoo zwaar
-op hen drukte, te dreunen en langzaam aan door diepe, verre
-geluidgolven in beweging te komen. Het was, als luidde de dood ergens
-zijn onzichtbare klok.
-
-“Hoor je,” stamelde Guillaume; “dat is hun klok! Het uur is gekomen; ik
-heb me zelf gezworen te handelen, en je wilt het mij beletten!”
-
-“Ja, ik zal het je beletten, zoolang ik leef!”
-
-“Zoolang je leeft, wil je het mij beletten!”
-
-Daar in de hoogte hoorde hij de Savoyarde haar vreugdetonen uitjubelen;
-hij zag de triomphantelijke, met de tien duizend pelgrims gevulde, in
-den glans van het Heilig Sacrament vlammende basilica, waarin de
-wierook òpkronkelde; een blinde woede greep hem aan, nu deze
-plotselinge hindernis hem den weg naar zijn idée fixe versperde.
-
-“Zoolang je leeft, zoolang je leeft!” herhaalde hij buiten zichzelf.
-“Sterf dan, ellendeling!”
-
-Hij bukte zich vlug, raapte een steen op en zwaaide dien met beide
-vuisten als een knots door de lucht.
-
-“Ga je gang,” zeide Pierre. “Dood mij, dood je broeder eerst voor de
-anderen te dooden.”
-
-Reeds viel de steen neer, maar zijn vuisten hadden blijkbaar gebeefd,
-want hij schampte slechts den schouder, en Pierre viel in het donker op
-zijn knieën.
-
-Verwilderd, geloofde Guillaume, toen hij hem zoo op den grond zag
-liggen, dat hij hem gedood had. Wat was er toch tusschen hen
-voorgevallen? Wat had hij gedaan? Hij bleef een oogenblik met open mond
-en wijd opengesperde oogen staan. Hij keek naar zijn handen, meende te
-voelen, dat zij van bloed dropen. Dan drukte hij ze tegen zijn
-voorhoofd, dat van een vreeselijke pijn dreigde te barsten, als had het
-uitrukken van zijn idée fixe zijn schedel gespleten. En plotseling viel
-hij zelf luid snikkend op den grond.
-
-“Broeder, broeder, wat heb ik je gedaan? Ik ben een monster!”
-
-Hartstochtelijk had Pierre hem weer in zijn armen genomen.
-
-“Het is niets, Guillaume, ik heb niets, ik zweer het je! O, je huilt
-eindelijk, hoe gelukkig ben ik! Je bent gered, ik voel het, want je
-weent. Hoe heerlijk, dat je woedend werdt, dat je toorn tegen mij je
-boozen droom van geweld weggerukt heeft.”
-
-“Neen, ik heb een afschuw van mijzelf!... Jou dooden, jou! Een wild
-beest, dat zijn broeder doodt! En de anderen, al die anderen
-hierboven!... Ik heb het koud, ik heb het zoo koud!”
-
-Zijn tanden klapperden; een rilling doorhuiverde hem en deed hem
-verstijven. Als verdoofd scheen hij uit een droom te ontwaken; en in
-het nieuwe licht, waarmede zijn broedermoord alles verlichtte, scheen
-de daad, die hem vervolgd, bijna waanzinnig gemaakt had, hem een
-misdadige, door een ander ontworpen dwaasheid toe.
-
-“Jou dooden!” herhaalde hij langzaam. “Ik zal het mij nooit vergeven.
-Mijn leven is uit, ik zal nooit den moed hebben nog verder te leven.”
-
-Pierre drukte hem nog dichter tegen zich aan in zijn broederarmen.
-
-“Wat zeg je daar? Zal dit alles geen nieuwen liefdesband tusschen ons
-knoopen? O, Guillaume, laat mij jou redden, zooals jij mij gered hebt,
-dan zullen wij nog meer één zijn!... Herinner je je dien avond in
-Neuilly niet meer, toen je me aan je hart drukte en mij troostte? Ik
-had je mijn zielsangsten gebiecht en je riep mij toe, dat ik moest
-leven, moest liefhebben... En daarna, broeder, heb je nog meer gedaan,
-heb je je liefde uit je hart gerukt en die mij gegeven. Ten koste van
-jouw geluk heb je mij gelukkig willen maken. Je hebt mij gered door mij
-het geloof te geven. Welk een geluk, dat het nu mijn beurt is, om jou
-te troosten, te redden, aan het leven terug te geven.”
-
-“Neen, aan mijn hand kleeft de onuitwischbare vlek van jouw bloed. Ik
-kan niet meer hopen!”
-
-“Ja, ja! Hoop in het leven, zooals je mij toegeroepen hebt! Hoop in de
-liefde, hoop in den arbeid!”
-
-En in elkanders armen liggend bleven de twee broeders, in tranen
-badend, zacht praten. Plotseling ging de kaars uit, zonder dat zij het
-merkten. In den als inkt zwarten nacht, te midden van de stilte, die
-weer diep en verheven ingetreden was, stroomden hun liefderijke,
-bevrijdende tranen eindeloos. De een weende van vreugde, omdat hij zijn
-broederschuld betaald had, de ander van ontroering, omdat hij zich zoo
-dicht bij de misdaad gevoeld had in zijn hersenschim, in zijn liefde
-voor gerechtigheid en menschelijkheid. Maar in deze tranen, die hen
-rein waschten en louterden, lagen nog vele andere dingen: een protest
-tegen al wat lijden is, het innige gebed, dat de ellende der wereld
-eindelijk verzacht zou worden.
-
-Toen schoof Pierre met zijn voet den steen weer over het gat en nam,
-tastend, Guillaume als een klein kind mede.
-
-
-
-In het groote atelier was Grootmoeder onverstoorbaar met haar naaiwerk
-doorgegaan. Nu en dan keek zij, het slaan van vieren afwachtend, naar
-de klok, die links van haar aan den muur hing, en vervolgens naar de
-basilica, welker onvoltooide massa te midden van het reusachtige
-geraamte der stellingen zichtbaar was. Haar naald maakte langzame,
-regelmatige steken; zij zelf was bleek, stil, maar heroïsch kalm.
-Marie, die tegenover haar zat te borduren, was zenuwachtig; haar draad
-brak telkens. Zij was ten prooi aan een vreemde nervositeit, een
-onverklaarbare onrust, waarvoor zij geen reden wist, maar die haar
-benauwde. De drie zoons konden niet rustig blijven werken, als werden
-zij door een koortsachtige opwinding aangestoken. Steeds weer trachtten
-zij hun aandacht bij hun werk te bepalen, maar zij beefden bij het
-minste geluid, keken op, zagen elkaar vragend aan. Nu en dan stond er
-een op, rekte zich uit, ging dan weer zitten. Maar zij spraken niet,
-durfden niets tegen elkander zeggen in de zware stilte, die steeds
-angstaanjagender werd.
-
-Een paar minuten vóór vieren voelde Grootmoeder iets als een uitputting
-of misschien een behoefte, om tot zichzelf in te keeren. Nogmaals had
-zij op de klok gekeken, dan liet zij haar werk in haar schoot vallen en
-staarde naar de basilica. Van nu af aan voelde zij nog slechts de
-kracht in zich, om te wachten; haar oogen hield zij niet meer af van
-die reusachtige muren, van het bosch van balken, die zich
-triomphantelijk-trotsch in de blauwe lucht verhieven. Dan joeg
-plotseling het jubelen van de met alle kracht luidende Savoyarde haar,
-ondanks haar dapperheid, een huivering door de leden. Dat was de zegen:
-de tien duizend pelgrims vulden de kerk, het zou dadelijk vier uur
-slaan. Zij kon aan den aandrang, om op te staan, geen weerstand bieden
-en bleef met gevouwen handen en in spannende afwachting naar buiten
-staren.
-
-“Wat scheelt u?” riep Thomas, die het zag. “Grootmoeder, waarom beeft u
-zoo?”
-
-Ook François en Antoine waren opgestaan en vlogen naar haar toe.
-
-“Bent u ziek? Waarom ziet u zoo bleek?”
-
-Maar zij antwoordde niet. Mocht de kracht van de springstof de aarde
-toch splijten, het kleine huisje doen wegzinken in den brandenden
-krater van den vulkaan. Allen met vader gelijk sterven, de drie groote
-zoons en zij, opdat er geen tranen zouden zijn! Dat was haar zwijgend
-gebed. En zij wachtte en wachtte, terwijl een onweerstaanbare rilling
-haar doorhuiverde en haar heldere, dappere oogen in de verte staarden.
-
-“Grootmoeder! Grootmoeder!” riep Marie radeloos, “U maakt ons bang,
-wanneer u niet antwoordt, wanneer u zoo in de verte staart, alsof een
-ongeluk in galop nadert.”
-
-Plotseling stieten Thomas, François en Antoine, door denzelfden angst
-aangegrepen, denzelfden kreet uit:
-
-“Vader is in gevaar! Vader zal sterven!”
-
-Wat wisten zij? Niets zekers. Thomas had zich wel verwonderd over de
-groote hoeveelheid springstof, die zijn vader vervaardigd had, en
-zoowel François als Antoine kenden de oproerige gedachten, de brandende
-naastenliefde, die hem nooit loslieten, maar in hun eerbiedige
-vereering wilden zij niets van hem weten dan wat hij hun toevertrouwde,
-vroegen zij hem niets, bogen zij hun hoofd voor al zijn handelingen.
-Maar nu rees een voorgevoel, neen de zekerheid in hen op, dat de vader
-sterven zou: sedert den ochtend huiverde een vreeselijke catastrophe
-door de lucht, die hen zoo doorrilde, dat zij van koorts beefden, zich
-ziek en niet tot werken in staat gevoelden.
-
-“Vader zal sterven! Vader zal sterven!”
-
-De drie kolossen stonden naast elkaar; dezelfde angst deed hen
-sidderen, vervulde hen met de woeste begeerte, om het gevaar te leeren
-kennen, naar hem toe te snellen, om met hem te sterven, als zij hem
-niet redden konden. En in dit hardnekkige zwijgen van Grootmoeder
-streek weer in dat oogenblik de koude ademtocht langs hen, waarvan zij
-de aanraking reeds onder het dejeuner gevoeld hadden.
-
-Het sloeg vier uur; in een drang om voor het laatst te bidden, hief zij
-haar blanke handen op. En nu eindelijk zeide zij:
-
-“Vader zal sterven. Niets kan hem redden dan de plicht om te leven!”
-
-Alle drie wilden zij naar buiten stormen—zij wisten niet waarheen—de
-hindernissen neerwerpen, triompheeren over het Niet. Zoo wanhopig, zoo
-radeloos zagen zij er in hun onmacht, om iets te doen, uit, dat zij hen
-trachtte te kalmeeren:
-
-“Vader wilde sterven, en het is zijn wil alleen te sterven.”
-
-Zij rilden, trachtten zelf ook helden te zijn. Maar de minuten
-verstreken en het was alsof de groote koude met langzamen vleugelslag
-verdwenen was. Zoo vliegt dikwijls in de avondschemering een nachtvogel
-als een ongeluksbode het venster binnen, klappert in de donkere kamer
-rond en klapwiekt dan weer weg, den rouw met zich nemend. Zoo was het
-ook nu: de basilica bleef staan, de aarde opende zich niet, om haar te
-verzwelgen. Langzamerhand maakte de vreeselijke angst, die hun hart
-samenkneep, plaats voor de hoop, de eeuwige lente.
-
-Toen Guillaume, gevolgd door Pierre, binnentrad, klonk één kreet van
-herleving uit aller hart:
-
-“Vader!”
-
-Hun kussen, hun tranen braken zijn kracht geheel; hij moest gaan
-zitten. Met een blik, dien hij om zich heen wierp, was hij wederom in
-het leven teruggekeerd, maar als een wanhopige, dien men met geweld
-dwingt verder te leven. Grootmoeder, die begreep hoe zwaar het hem
-viel, dat zijn wil gestorven was, nam glimlachend zijn beide handen,
-als om hem te kennen te geven, dat zij gelukkig was hem terug te zien,
-nu hij had ingezien, dat het zijn plicht was niet uit het leven te
-deserteeren. Hij leed nog zeer. Zij spaarden hem iederen uitleg. Hij
-vertelde niets, maar had eenvoudig met een gebaar, met een liefdevol
-woord Pierre als zijn redder aangewezen.
-
-In een hoek viel Marie den jongen man om den hals.
-
-“Mijn lieve, beste Pierre, ik heb je nog nooit een zoen gegeven. De
-eerste maal zal het iets voor ernstigs zijn... Ik houd van je, mijn
-beste Pierre, ik houd van je met heel mijn hart.”
-
-
-
-Den avond van dienzelfden dag waren Guillaume en Pierre, toen de
-duisternis inviel, een oogenblik alleen in het groote atelier. De
-kinderen waren uitgegaan, Grootmoeder en Marie waren boven oud
-linnengoed aan het uitzoeken, terwijl madame Mathis, die verstel werk
-teruggebracht had, geduldig in een donker hoekje zat te wachten op het
-goed, dat de dames mede zouden brengen. De twee broers hadden haar
-heelemaal vergeten en praatten zacht verder.
-
-Plotseling schrokken zij door het binnenkomen van Janzen met zijn
-blonden, mageren Christuskop. Hij kwam maar heel zelden, doch men wist
-nooit vanwaar en evenmin waarheen hij terugging. Maandenlang placht hij
-te verdwijnen, om dan onverwachts weer op te duiken.
-
-“Ik vertrek vanavond,” zeide hij met zijn kalme, als een mes zoo
-scherpe stem.
-
-“Ga je naar huis, naar Rusland?” vroeg Guillaume.
-
-“O, naar huis!” antwoordde hij met een fijn, minachtend glimlachje. “Ik
-voel me overal thuis. In de eerste plaats ben ik geen Rus, en in de
-tweede plaats wil ik slechts tot de geheele wereld behooren.”
-
-En met een breed gebaar gaf hij te kennen, dat hij een vaderlandlooze
-was, die zijn ideaal van bloedige broederschap over alle grenzen met
-zich voerde. Uit enkele woorden meenden de twee broeders op te moeten
-maken, dat hij naar Spanje terugging, waar vrienden op hem wachtten. Er
-was veel werk. Hij was kalm gaan zitten en zeide op denzelfden kouden
-toon:
-
-“Ze hebben daarnet een bom in het café de l’Univers op den boulevard
-geworpen. Drie bourgeois zijn gedood.”
-
-Guillaume en Pierre wilden bijzonderheden hooren. Toen vertelde hij,
-dat hij toevallig voorbijkwam, de ontploffing gehoord en de ramen van
-het café in scherven had zien springen. Drie bezoekers waren gedood;
-van twee had men de identiteit nog niet kunnen vaststellen; de derde
-was een stamgast, een klein renteniertje, dat iederen dag zijn
-dominotje kwam leggen. In het café was het één woestenij: de marmeren
-tafeltjes waren gebroken, de kroonluchter verbogen, de spiegels met
-kogels doorboord. En een schrik en een opwinding en een gedrang! Ze
-hadden den dader dadelijk gegrepen, toen hij de rue Caumartin inslaan
-wilde, om te vluchten.
-
-“Ik ben het je maar even komen vertellen,” zeide Janzen. “Het is beter,
-dat je het weet.”
-
-En toen Pierre hem vroeg, wie de gearresteerde was, voegde hij eraan
-toe:
-
-“Dat is juist het beroerde. Jullie kent hem. Het is de kleine Victor
-Mathis.”
-
-Te laat wilde Pierre hem den naam in zijn keel terugdringen: hij
-herinnerde zich plotseling, dat de moeder in een donker hoekje achter
-hen zat. Was zij er nog? En hij zag den kleinen, bijna baardloozen
-Victor met het rechte, hardnekkige voorhoofd weer voor zich; de grijze
-oogen flikkerden vol onverzoenlijken wrok, de scherpe neus en de smalle
-lippen verrieden een krachtige energie, een meedoogenloozen haat. Hij
-was geen eenvoudige van geest, geen onterfde, maar een beschaafde,
-ontwikkelde bourgeois-zoon, die tot de École Normale toegelaten was.
-Voor zijn afschuwelijke daad bestond geen verontschuldiging, geen
-politieke hartstocht, geen humanitaire waanzin, zelfs niet eens het
-bittere leed der armen. Hij was de zuivere vernieler, de theoreticus
-der verwoesting, de krachtige, koelbloedige geest, die zijn
-ontwikkeling gebruikte, om den moord te overwegen en daaruit het
-werktuig van de sociale ontwikkeling te maken.
-
-Ook was hij een dichter, een dweper, maar de vreeselijkste, dien men
-zich denken kon, een monster, dat slechts door zijn waanzinnigen trots,
-het verlangen naar een wilde onsterfelijkheid, den droom van een uit de
-beide armen der guillotine oprijzende dageraad verklaard kon worden.
-Volgens hem bestond er niets, niets dan de blinde zeis, die de wereld
-afmaait.
-
-“O,” mompelde Guillaume heel zacht; “die heeft wel gedurfd.”
-
-Maar reeds had Pierre hem liefdevol de hand gedrukt, en hij voelde, dat
-hij even radeloos, even opstandig was als hij zelf, dat zijn
-menschelijk hart, zijn geheele solidariteit in verzet kwamen. Misschien
-was deze laatste gruweldaad noodig om hem geheel te verpletteren en te
-genezen.
-
-Ongetwijfeld was Janzen medeplichtig en hij vertelde juist, dat Victor
-Mathis Salvat gewroken had, toen er in het donker een luide, pijnlijke
-gil en dan de zware val van een lichaam op den grond weerklonk. Het was
-madame Mathis, de moeder, die, door het toevallig gehoorde nieuws
-verpletterd, als een doode massa neerviel. Op dat oogenblik kwam
-Grootmoeder met een lamp beneden. Het werd licht in het vertrek, ze
-vlogen de ongelukkige vrouw, die daar doodsbleek in haar dunne, zwarte
-japon lag, te hulp.
-
-Weer was het voor Pierre een onzegbare smart. Dat arme, ongelukkige
-schepsel! Hij herinnerde zich haar, zooals hij haar bij abbé Rose
-gezien had—een zoo bescheiden, zich op den achtergrond houdende arme,
-die nauwlijks leven kon van de armzalige rente, die het verbitterde
-ongeluk haar gelaten had. Een rijke familie uit de provincie, een
-liefdesroman, een vlucht in de armen van den geliefde, dan de
-tegenspoed, de achteruitgang van het huishouden, de dood van den man.
-En in haar weduwschap was haar, na het verlies van de enkele stuivers,
-die haar in staat gesteld hadden haar zoon op te voeden, niets
-overgebleven dan deze zoon, haar Victor, haar afgod, voor wien zij een
-schitterende toekomst droomde. En nu hoorde zij plotseling, dat die
-zoon de vloekwaardigste moordenaar was, dat hij een bom in een café
-geworpen en drie mannen gedood had.
-
-Toen madame Mathis dank zij den goeden zorgen van Grootmoeder weer tot
-bewustzijn kwam, brak zij in een eindeloos snikken uit en stiet zulke
-hartverscheurende jammerkreten uit, dat de handen van Pierre en
-Guillaume elkaar weer zochten en vonden, terwijl hun geschokte, genezen
-zielen in elkander samensmolten.
-
-
-
-
-V.
-
-Vijftien maanden later dejeuneerden op een prachtigen, gouden
-Septemberdag Bache en Théophile Morin bij Guillaume in het atelier
-tegenover het onmetelijke Parijs.
-
-Naast de tafel stond een wieg, waarvan de gordijntjes waren
-dichtgetrokken; daaronder sliep Jean, een dikke jongen van vier
-maanden, de zoon van Pierre en Marie. Dezen waren, eenvoudig om de
-maatschappelijke rechten van het kind te beschermen, op de mairie te
-Montmartre burgerlijk getrouwd, hoewel het bij hen vastgestaan had het
-daarbuiten te doen, wanneer zij geen maire zouden hebben kunnen vinden,
-die een oud-priester had willen trouwen. Dan waren zij, om Guillaume,
-die hen bij zich had willen houden, ten einde den familiekring uit te
-breiden, een genoegen te doen, in het kleine huisje blijven wonen te
-Montmartre, terwijl zij dat te Neuilly overlieten aan de hoede van
-Sophie, de oude dienstbode. En zoo vloot gedurende de bijna veertien
-maanden, dat zij elkaar toebehoorden, het leven rustig voort.
-
-Trouwens om het jonge paar had slechts vrede, liefde en arbeid
-geheerscht. François, die met alle diploma’s de École Normale verlaten
-had, zou naar een lyceum in het Westen gaan, want hij wilde zijn
-verplichten proeftijd in het onderwijs doormaken, om het dan later op
-te geven en zich geheel aan de wetenschap te wijden. Antoine had een
-groot succes gehad met een serie bewonderenswaardige houtsneden,
-gezichten op en straattooneelen uit Parijs, en zou in de volgende lente
-met Lise Jahan, die dan achttien jaar zijn zou, trouwen. Maar van de
-drie zoons triompheerde vooral Thomas, die dank zij een geniaal idee
-van zijn vader, den beroemden kleinen motor gevonden en geconstrueerd
-had. Na het ineenstorten van al zijn reusachtige en hersenschimmige
-plannen had Guillaume op een ochtend de plotselinge ingeving gekregen
-om de door hem ontdekte en nu nutteloos geworden springstof te
-gebruiken als beweegkracht en te trachten haar voor den motor, dien
-zijn oudste zoon nu al zoo lang voor de fabriek Grandidier bestudeerde,
-in de plaats van petroleum aan te wenden. Hij was met Thomas aan het
-werk gegaan en had een nieuw mechanisme uitgevonden, waarbij hij op
-tallooze moeilijkheden stuitte, die echter na een jaar van ingespannen
-arbeid overwonnen waren. Nu hadden vader en zoon het wonder
-verwezenlijkt het stond daar op een eikenhouten onderstel gereed om
-zich in beweging te zetten, zoodra men de laatste hand eraan gelegd
-had.
-
-In het nu zoo vroolijke, rustige huisje oefende Grootmoeder ondanks
-haar hoogen leeftijd nog steeds het oppergezag uit. Allen gehoorzaamden
-haar en zij was overal, zonder schijnbaar ooit haar stoel voor het
-werktafeltje te verlaten. Sedert de geboorte van Jean sprak zij erover
-hem op te voeden, zooals zij Thomas, François en Antoine opgevoed had.
-De heerlijke dapperheid der opoffering vervulde haar en zij scheen te
-gelooven, dat zij niet sterven zou, zoolang zij de haren leiden,
-liefhebben, redden moest. Marie verwonderde er zich over; zij zelf was,
-sedert zij haar kind voedde, ondanks haar goede gezondheid en
-voortdurende opgewektheid dikwijls moe. Op die wijze had Jean twee
-moeders, die naast zijn wiegje waakten, terwijl Pierre, die de hulp van
-Thomas geworden was, aan den blaasbalg trok, nu en dan reeds enkele
-onderdeelen maakte en zijn leertijd als werktuigkundige bijna te boven
-was.
-
-Dien dag had de aanwezigheid van Bache en Théophile Morin het dejeuner
-nog vroolijker gemaakt dan gewoonlijk; de tafel was reeds afgenomen en
-de koffie werd juist binnengebracht, toen een kleine jongen, de zoon
-van een conciërge uit de rue Cortot, naar mijnheer Pierre Froment kwam
-vragen. Met stamelende woorden vertelde hij, dat mijnheer de abbé Rose
-heel ziek was, op sterven lag en mijnheer Pierre Froment vragen liet,
-om dadelijk, dadelijk te komen.
-
-Diep ontroerd ging Pierre met den jongen mede. In de rue Cortot vond
-hij in den kleinen, vochtigen, op een smallen tuin uitzienden
-rez-de-chaussée abbé Rose stervend, maar nog bij zijn volle bewustzijn.
-Een non verpleegde hem en scheen door de komst van dezen bezoeker, dien
-zij niet kende, heel verbaasd en ongerust. Pierre begreep dan ook
-dadelijk, dat de stervende bewaakt werd en dat hij een list gebruikt
-had, om hem door den zoon van den conciërge te laten halen. Maar toen
-de abbé haar op zijn goedig ernstigen toon gevraagd had hen een
-oogenblik alleen te laten, waagde zij het niet zich tegen dien laatsten
-wensch te verzetten, en verwijderde zich.
-
-“O, beste jongen, wat verlangde ik ernaar, om nog eens met je te
-praten. Ga daar op dien stoel dicht bij het bed zitten, opdat je me
-kunt verstaan, want dit is het einde, vanavond zal ik er niet meer
-zijn. En ik heb je zoo’n grooten dienst te vragen.”
-
-Pierre was diep geschokt hem zoo uitgeteerd en met een zoo wit gezicht
-te vinden, waarin nog slechts zijn onschuldige, liefdevolle oogen
-glansden.
-
-“Maar ik zou veel eerder gekomen zijn als ik geweten had, dat u naar
-mij verlangde. Waarom hebt u mij niet laten halen? Wordt u bewaakt?”
-
-Om de lippen van den abbé speelde een verlegen glimlachje van schaamte
-en bekentenis.
-
-“Je moogt het gerust weten, beste jongen, ik heb weer domheden
-uitgehaald. Ja, ik heb zonder onderzoek aan menschen, die het blijkbaar
-niet verdienden, aalmoezen gegeven. Enfin een heel schandaal; in het
-aartsbisschoppelijk paleis hebben ze me verweten, dat ik den godsdienst
-in gevaar bracht. Toen zij hoorden, dat ik ziek was, hebben zij mij
-deze goede zuster gezonden, uit vrees, dat ik op het stroo zou sterven
-en de lakens van mijn bed geven zou, als ze het mij niet beletten.”
-
-Hij hield even op om adem te halen.
-
-“Je begrijpt, dat die goede zuster—o, zij is een heel vrome vrouw—hier
-is, om mij te verplegen en mij te beletten om op mijn sterfbed nog
-dwaasheden te doen. Ik moest dus door een kleine list, die God mij,
-naar ik hoop, vergeven zal, haar waakzaamheid om den tuin te leiden.
-Het gaat natuurlijk om mijn armen! Om over hen met jou te spreken,
-verlangde ik er zoo vurig naar je te zien.”
-
-“Spreek, ik sta tot uw beschikking met hart en ziel,” zeide Pierre met
-tranen in de oogen.
-
-“Ja, ja, dat weet ik, mijn jongen. Daarom heb ik ook aan jou gedacht,
-aan jou alleen. Ondanks alles wat er gebeurd is, heb ik slechts
-vertrouwen in jou, ben jij slechts in staat mij te begrijpen en mij de
-belofte te doen, die mij helpen zal rustig te sterven.”
-
-Dat was de eenige toespeling op de wreede breuk, die tusschen hen
-ontstaan was, nadat hij den jongen priester zonder soutane en in
-opstand tegen de Kerk ontmoet had. Later had hij van zijn huwelijk
-gehoord en wist, dat hij daarmede voor eeuwig zijn laatsten band met
-den godsdienst verbroken had. Maar in dit laatste uur scheen dat niet
-meer voor hem te tellen: hij kende het vurige hart van Pierre, en
-verlangde slechts naar den mensch, in wien hij een zoo mooie,
-hartstochtelijke naastenliefde had zien branden.
-
-“Lieve Hemel,” ging hij voort, terwijl hij nog de kracht vond, om te
-glimlachen; “het is heel eenvoudig, ik wil je tot mijn erfgenaam
-benoemen. O, een mooie erfenis is het niet; ik geef je mijn armen, want
-ik heb niets anders, ik laat alleen mijn armen na.”
-
-Drie vooral lagen hem na aan het hart; het denkbeeld, dat hij ze zonder
-hulp en beroofd van de enkele kruimels, die hij alleen hun gaf en
-waarvan zij leefden, achter zou laten, maakte hem wanhopig. In de
-eerste plaats de groote Oude, den ouden man, naar wien hij een avond
-vergeefs gezocht had, om hem naar het Asile des Invalides du Travail te
-brengen. Ten slotte was hij er toch opgenomen, maar drie dagen later
-was hij gevlucht, daar hij zich niet aan de regelen wilde onderwerpen.
-Hij was woest, onhandelbaar en had een onuitstaanbaar karakter, maar
-hij kon toch niet van honger sterven. Deze kwam iederen Zaterdag en
-kreeg dan twintig sous; daar had hij de geheele week genoeg aan. Dan
-was er verder nog een niet meer tot werken in staat zijnde oude vrouw
-in een krot in de rue du Mont-Cenis, voor wie hij den bakker betalen
-moest, die haar iederen dag brood bracht. Maar vooral had hij te doen
-met een arme jonge vrouw, een ongetrouwde moeder, die aan tering leed,
-niet meer in staat om te werken en wanhopig bij het denkbeeld, dat haar
-dochtertje na haar dood op straat zou staan. Hier was dus een dubbele
-erfenis; de moeder, die tot aan haar dood gesteund, en het dochtertje,
-dat later ergens fatsoenlijk ondergebracht moest worden.
-
-“Je neemt het me niet kwalijk, beste jongen, dat ik je die
-onaangenaamheden nalaat... Ik heb wel getracht de goede zuster, die mij
-verpleegt, voor mijn klein wereldje te interesseeren, maar toen ik haar
-van den grooten Oude vertelde, maakte zij verschrikt het teeken des
-kruises. Zij is precies als mijn vriend abbé Favernier, ik ken geen
-meer rechtschapen ziel en toch zou ik het hem niet durven
-toevertrouwen, want hij heeft zoo zijn ideeën... Nogmaals, beste
-jongen, ik ben alleen maar zeker van jou, je moet mijn erfenis
-aanvaarden, als je wilt, dat ik rustig heenga.”
-
-Pierre weende.
-
-“Natuurlijk, met hart en ziel. Uw wil zal mij heilig zijn.”
-
-“Goed! Ja, ik wist wel, dat je het doen zou... Dat is dus afgesproken:
-iederen Zaterdag twintig sous aan den grooten Oude, brood voor de oude
-vrouw, den dood van de jonge moeder verzachten en voor het dochtertje
-zorgen... O, als je eens wist hoeveel lichter nu mijn hart is! Nu kan
-de dood komen; hij zal zacht zijn.”
-
-Over zijn goed, rond, sneeuwwit gezicht spreidde zich een laatste
-vreugde uit. Hij nam een hand van Pierre in de zijne en hield die op
-den rand van zijn bed, om in kalme liefde afscheid van hem te nemen.
-Zijn stem werd nog zwakker, terwijl hij heel zacht zijn gedachten
-zeide.
-
-“Ja, ik ben blij heen te gaan... Ik kan niet meer, ik kan niet meer.
-Hoeveel ik ook gaf, toch voelde ik, dat het noodig was steeds meer te
-geven. Hoe treurig is die machtelooze barmhartigheid, dat geven zonder
-hoop ooit het lijden te genezen!... En ik maakte me nogal zoo boos over
-jouw denkbeelden, herinner je je nog wel? Ik zei toen tegen je, dat wij
-elkander altijd lief zouden hebben in onze armen; en dat was waar, want
-anders zou je niet hier en zoo liefdevol zijn voor mij en voor hen, die
-ik achterlaat. Maar ondanks alles, ik kan niet meer, ik kan niet meer,
-en ik ga liever heen, daar de smart van anderen mij overweldigde en ik
-ten slotte alle mogelijke domheden beging, den geloovigen ergernis gaf,
-mijn superieuren boos maakte, zonder dat het mij gelukte den altijd
-grooter wordenden drom der ellende ook maar met één ongelukkige te
-verminderen.... Vaarwel, mijn lief kind! Mijn arm, oud hart gaat
-gemarteld in het graf, mijn oude handen zijn moe en overwonnen.”
-
-Pierre omhelsde hem vol liefde en verliet hem met tranen in de oogen en
-door een diepe ontroering aangegrepen. Nooit had hij een zoo
-zwaarmoedige jammerklacht gehoord als deze bekentenis van de onmachtige
-barmhartigheid door dit reine, oude kind, dat eenvoudige hart vol
-verheven goedheid. O, welk een ramp—de menschelijke goedheid is
-nutteloos, de wereld stuwt ondanks de uit medelijden vergoten tranen,
-ondanks de uit zoovele handen gevallen aalmoezen sedert eeuwen
-denzelfden stroom van nood en ellende voort. Hier werd de dood
-gewenscht, hier was de Christen gelukkig aan de gruwelen van deze aarde
-te ontsnappen.
-
-Toen Pierre in het atelier terugkwam, was de tafel reeds lang
-afgenomen. Bache en Théophile Morin zaten met Guillaume te praten,
-terwijl de drie zoons weer aan hun gewone bezigheden gegaan waren. Ook
-Marie had haar oude plekje aan het werktafeltje tegenover Grootmoeder
-weer ingenomen, maar van tijd tot tijd stond zij op, om te kijken of de
-kleine Jean met zijn dikke knuistjes op zijn borst gedrukt wel rustig
-sliep. Pierre, die zijn ontroering in zichzelf opsloot, boog zich met
-de jonge vrouw, op wier haren hij een kus drukte, over de wieg; dan
-bond hij zich een schort voor en ging Thomas helpen, die bezig was den
-motor voor het laatst te regelen.
-
-Plotseling verdween voor Pierre het atelier, zag hij niet langer de
-personen, die er zich bevonden, hoorde ze niet meer. Alleen de geur van
-Marie bleef op zijn lippen achter. Een herinnering was voor hem
-opgerezen, die aan den ijskouden ochtend, waarop de oude priester hem
-voor den Sacré-Cœur aangesproken en hem angstig en schuw opgedragen had
-een aalmoes te brengen aan dien ouden man, dien Laveuve, die van
-ellende gestorven was als een hond op den hoek van een straat. Welk een
-treurige ochtend toen, welk een strijd en marteling in hem, en welk een
-opstanding daarna! Dien dag had hij een van zijn laatste missen gelezen
-en hij herinnerde zich met een huivering zijn afschuwelijken angst, de
-wanhoop over zijn twijfel, over zijn Niet. Het was na zijn twee
-jammerlijk mislukte proefnemingen: Lourdes, waar de verheerlijking van
-het absurde hem medelijden had doen krijgen met de poging van een
-terugkeer tot het oorspronkelijk geloof van de jonge, onder het juk van
-hun onwetendheid gebogen volkeren; Rome, dat niet in staat was tot een
-herleving, dat hij stervend tusschen zijn puinhoopen had zien liggen,
-dat weldra in het stof van gestorven godsdiensten vallen zou. In hem
-zelf had de naastenliefde bankroet geslagen; hij geloofde niet meer aan
-de genezing door de aalmoes van de oude lijdende menschheid, verwachtte
-nog slechts de vreeselijke catastrophe, brand en bloedbaden, die de
-oude schuldige en veroordeelde wereld vernietigen zouden.
-
-De trotsche leugen, waarachter hij zich verscholen had, om de soutane
-te blijven dragen, de valsche positie, waarin hij verkeerde als
-ongeloovig priester, die kuisch en eerlijk over het geloof van anderen
-blijft waken, benauwde hem. Het probleem van een nieuwen godsdienst,
-van een nieuwe, voor den vrede der toekomstige democratieën nieuwe hoop
-kwelde hem zonder dat hij een te verwezenlijken oplossing tusschen de
-zekerheden der wetenschap en de behoefte aan het goddelijke, die de
-menschheid schijnt te verteren, vinden kon. Wanneer het Christendom met
-de idee der naastenliefde ineenstortte, dan bleef er niets over dan de
-gerechtigheid, de kreet, die uit aller borst opsteeg, niets van den
-strijd der gerechtigheid tegen de barmhartigheid in het groote, door
-asch zoo verduisterde, met het vreeselijke onbekende zoo vervulde
-Parijs, de strijd, waarin zijn hart en zijn rede tegenover elkander
-zouden staan. Hier in Parijs lag het derde en beslissende experiment,
-de waarheid, die eindelijk als de zon door de wolken breken zou, de
-heroverde gezondheid, de kracht en de levensvreugde.
-
-Maar de overpeinzingen van Pierre werden onderbroken, want hij moest
-een werktuig zoeken, dat Thomas hem vroeg, en hoorde hoe Bache zeide:
-
-“Het kabinet heeft vanochtend zijn ontslag genomen. Vignon heeft er
-genoeg van. Hij bewaart zijn krachten tot later.”
-
-“Hij is meer dan een jaar aan het bewind geweest. Dat is al heel mooi,”
-zeide Morin.
-
-Na den bomaanslag van Victor Mathis, die veroordeeld was en drie weken
-later terechtgesteld werd, was Monferrand gevallen. Waarom behoefde men
-een sterken man aan het hoofd der regeering te hebben, als de bommen
-het land toch schrik aan bleven jagen? De voornaamste reden van zijn
-val was echter geweest, dat hij de Kamer door zijn wolvenhonger tegen
-zich ingenomen had en hij het deel van anderen zelf verslond. Ditmaal
-was Vignon ondanks zijn hervormingsprogramma, waarvoor men al zoo lang
-terugschrok, zijn opvolger geworden, maar, hoewel hij volkomen eerlijk
-en oprecht was, had hij slechts weinig beteekenende hervormingen tot
-stand kunnen brengen. Zijn handen waren gebonden; duizenden hinderpalen
-deden zich voor. Hij had er zich in geschikt te regeeren zooals alle
-anderen en men was tot de ontdekking gekomen, dat er tusschen Vignon en
-Monferrand slechts een verschil in nuance bestond.
-
-“Ze noemen Monferrand weer,” zeide Guillaume.
-
-“Ja, hij moet veel kans hebben. Er wordt hard voor hem gewerkt.”
-
-Dan verklaarde Bache, die zich met bitteren spot over Mège vroolijk
-maakte, dat de collectivistische afgevaardigde door het doen vallen van
-ministeries, zoo’n beetje voor gek speelde; beurtelings diende hij de
-eerzucht van iedere partij, zonder ooit de minste kans te hebben zelf
-aan het bewind te komen.
-
-“Laten zij elkander maar verslinden,” zeide Guillaume. “In hun grimmige
-eerzucht om te regeeren, om over het geld en de macht te beschikken,
-strijden zij slechts om personenquaesties. Maar dat belet niet, dat de
-revolutie voortgaat en de gebeurtenissen zich voltrekken. Boven alles
-staat de voortschrijdende menschheid.”
-
-Pierre werd door die woorden zeer getroffen en zonk weer in zijn
-herinneringen terug. Het angstaanjagende experiment begon weer; hij was
-weer midden in het onmetelijke Parijs. Parijs, dat was de reusachtige
-ketel, waarin een geheele menschheid borrelde, de slechtste en de
-beste, het vreeselijkste heksenbrouwsel, de kostbaarste poeders
-vermengd met excrementen, waaruit de drank van liefde en eeuwige jeugd
-te voorschijn moest komen. En in dien ketel zag hij in de eerste plaats
-het schuim der politieke wereld: Monferrand, die Barroux den nek
-omdraaide, geldwolven als Fonsègue, Dutheil en Chaigneux kocht,
-middelmatigheid als Taboureau en Dauvergne uitbuitte en alles, tot
-zelfs den sectarischen hartstocht van Mège en de intelligente eerzucht
-van Vignon aan zijn belangen dienstbaar maakte. Dan kwam het
-vergiftigende geld, de zaak met de Afrikaansche sporen, die het
-Parlement verrot had, die van Duvillard den triompheerenden bourgeois,
-den openbaren verleider, den kanker der financieele wereld gemaakt had.
-
-Vervolgens kwam in juiste volgorde het gezin van Duvillard, dat hij
-zelf infecteerde, de verschrikkelijke geschiedenis van Eve, die Gérard
-aan haar dochter Camille betwistte, die hem haar ontstal; de zoon
-Hyacinthe, die zijn maîtresse Rosemonde, een half krankzinnige, gaf aan
-Silviane, een bekende hoer, met wie zijn vader zich openlijk
-afficheerde. Dan kwam de oude, uitstervende aristocratie met de bleeke
-gestalten van madame de Quinsac en markies de Morigny; de oude
-militaire geest, welks begrafenis door generaal de Bozonnet geleid
-werd; de aan de regeering onderworpen magistratuur—een Amadieu, die
-zijn carrière met opzienbarende processen maakte, een Lehmann, die zijn
-requisitoir schreef in het kabinet van den minister, wiens politiek hij
-verdedigde; de hebzuchtige, leugenachtige, van schandaal levende pers,
-de eeuwige vloed van laster en vuiligheden, dien Sanier voortstuwde, de
-vroolijke onbeschaamdheid van den gewetenloozen Massot, die uit beroep
-en op bevel alles aanviel en alles verdedigde.
-
-En evenals insecten, die een ander stervend insect, dat zijn poot
-gebroken heeft, zien, dat den genadestoot geven en het opvreten, zoo
-had deze geheele woekering van begeerten, belangen en hartstochten zich
-op een ongelukkigen dwaas gestort, dien armen Salvat, wiens dolzinnige
-misdaad allen in hun gulzigen honger, om uit zijn mager karkas van
-hongerlijder hun deel te krijgen, samengebracht had. En dat alles—die
-begeerten, gewelddaden en ontketende begeerten—borrelde in den
-reusachtigen ketel van Parijs; het was het onnoembare mengsel van de
-scherpste giststoffen, waaruit de wijn der toekomst stroomen zou in
-groote, zuivere golven.
-
-Nu werd Pierre zich den wonderbaren arbeid, die zich op den bodem van
-den ketel onder de onreinheden en het afval voltrekt, bewust. Zijn
-broeder had het zoo juist gezegd: wat beteekenden in de politiek de
-gebreken der menschen, de zelfzuchtige en genotzuchtige drijfveeren,
-wanneer de menschheid met haar langzamen, maar hardnekkigen stap
-voorwaarts schrijdt. Wat beteekende die verdorven en ten onder gaande
-bourgeoisie, welke even goed op sterven ligt als de aristocratie, wier
-plaats zij ingenomen heeft, indien achter haar onophoudelijk de
-onuitputtelijke menschenreserve uit de stads- en landbevolking
-opstijgt. Wat beteekenden de ontucht, de verdorvenheid van het al te
-groote kapitalisme en van de al te groote macht, het geraffineerde,
-ontuchtige, bij sexueele afwijkingen verwijlende leven, waar het
-bewezen schijnt te zijn, dat al de hoofdsteden, al die koninginnen der
-wereld, slechts ten koste van de uiterste overbeschaving, van den
-godsdienst van schoonheid en genot, geregeerd hebben? Wat beteekenden
-zelfs de onvermijdelijke omkoopbaarheid, de gebreken en dwaasheden der
-pers, waar zij aan den anderen kant het bewonderenswaardigste
-instrument van ontwikkeling, het steeds openstaande, openbare geweten
-is en de rivier vormt, die, al stuwt zij nog zooveel vuiligheid voort,
-toch verder stroomt en alle volkeren naar de groote broederzee der
-toekomstige eeuwen brengt.
-
-De menschelijke droesem zinkt op den bodem van den ketel; men mag niet
-willen, dat het goede dagelijks zichtbaar triompheert, want dikwijls
-zijn er jaren voor noodig, dat zich uit de vuile gisting een werkelijke
-hoop losmaakt. En ook al blijft de loonarbeid in de diepte van verpeste
-fabrieken een vorm der antieke slavernij, ook al sterven de Toussaints
-nog altijd als lam geworden dieren op hun armzalige sponde van honger
-en ellende, toch is de vrijheid op een stormachtigen dag uit den
-reusachtigen ketel gekomen, om haar vlucht door de wereld te beginnen.
-Waarom zou nu ook op haar beurt niet de gerechtigheid te voorschijn
-komen, zich losmaken van de slakken en in eindelijk oplichtende
-helderheid de volkeren herscheppen?
-
-Maar weer verhieven de stemmen van Bache en Morin, die nog steeds met
-Guillaume praatten, zich en wekten Pierre uit zijn gepeins. Zij spraken
-over Janzen, die weer bij een tweeden aanslag te Barcelona betrokken
-was en naar Parijs teruggekeerd was; Bache meende hem den vorigen dag
-gezien te hebben. Een zoo heldere geest, een zoo koelbloedige energie,
-zulke gaven werden voor een zoo verfoeilijke zaak verspild!
-
-“Wanneer ik bedenk,” zeide Morin op zijn langzamen toon; “wanneer ik
-bedenk, dat de verbannen Barthès in zijn armzalig klein kamertje in
-Brussel leeft, in de bevende hoop, dat de vrijheid eindelijk zal
-heerschen! Hij, aan wiens hand geen druppel bloed kleeft en die twee
-derde gedeelten van zijn leven in de gevangenis gezeten heeft, opdat de
-volkeren vrij worden!”
-
-“Vrijheid, vrijheid, zeker! Maar die beteekent niets, als zij niet
-georganiseerd wordt!” zeide Bache, terwijl hij medelijdend zijn
-schouders ophaalde.
-
-En hun eeuwige discussie begon opnieuw. De eene hield het met
-Saint-Simon en Fourier, de ander met Proudhon en Auguste Comte. De vage
-godsdienstigheid van den vroegeren communard, die tegenwoordig lid van
-den gemeenteraad was, kwam in zijn behoefte aan een troostgevend geloof
-weer boven, terwijl daarentegen de professor, de voormalige
-Garibaldiaan, een wetenschappelijke starheid, het geloof aan den
-mathematischen vooruitgang der wereld behield.
-
-Bache beschreef het laatste herinneringsfeest ter eere van de
-nagedachtenis van Fourier. De groep van trouwe leerlingen had kransen
-gebracht en redevoeringen gehouden; het was een ontroerende bijeenkomst
-geweest van hardnekkig aan hun overtuiging hangende, van de toekomst
-zekere apostelen, die vast geloofden aan het nieuwe heilswoord. Dan
-maakte Morin zijn zakken leeg, die steeds met kleine positivistische
-vlugschriften gevuld waren, waarin de naam van Auguste Comte en zijn
-leer als de eenig mogelijke grondslag van den verwachten godsdienst
-verheerlijkt werden.
-
-En nu herinnerde Pierre zich hun vroegere disputen in zijn huisje te
-Neuilly, toen hij zelf, wanhopig en zoekende naar een zekerheid, de
-balans van de denkbeelden der eeuw trachtte op te maken. Te midden van
-de tegenspraken en onsamenhangendheden van al die voorloopers had hij
-den vasten bodem onder zijn voeten voelen wegzinken. Fourier mocht uit
-Saint-Simon voortgekomen zijn, hij verloochende hem toch gedeeltelijk,
-en terwijl de leer van dezen zich verstarde tot een soort mystiek
-sensualisme, scheen die van genen uit te loopen op een onaannemelijken
-codex van inlijving. Proudhon brak af zonder opnieuw op te bouwen.
-Comte, die het methodische in het leven riep en de wetenschap haar
-plaats aanwees door haar tot de eenige heerscheresse uit te roepen, had
-zelfs geen flauw vermoeden van de sociale crisis, welker golven alles
-dreigden mede te sleuren, en stierf, door de vrouw ter aarde geworpen,
-als een illuminaat der liefde. En ook deze twee mengden zich in den
-strijd en vochten met zoo groote verbittering en verblinding tegen de
-beide anderen, dat de door hen gemeenschappelijk aan het licht
-gebrachte waarheden verduisterd, misvormd, onherkenbaar werden.
-
-Maar thans, na de langzame evolutie, die hem zelf veranderd had,
-schenen Pierre deze gemeenschappelijke waarheden verblindend,
-onwederlegbaar toe. In de evangeliën van deze sociale Messiassen, in
-den chaos van tegenstrijdige beweringen waren gelijkluidende woorden,
-die steeds weer terugkwamen: de verdediging van den arme, de idee van
-een nieuwe en rechtvaardige verdeeling der aardsche goederen, het
-zoeken vooral naar een arbeidswet, welke deze nieuwe deeling onder de
-menschen op rechtvaardige wijze mogelijk zou maken. Vormden dus deze
-waarheden, waarover alle geniale voorloopers het eens waren, niet den
-grondslag van den toekomstigen godsdienst zelf, het noodzakelijke
-geloof, dat deze eeuw aan de volgende zou nalaten, opdat het daaruit
-den menschelijken eeredienst van vrede, gemeenschapszin en liefde
-scheppen zou?
-
-Met een plotselingen sprong van zijn gedachten zag Pierre zich terug in
-de Madeleine, waar hij luisterde naar het slot van monseigneur Martha’s
-causerie over den nieuwen geest. De bisschop verkondigde, dat het weer
-Christelijk geworden Parijs dank zij den Sacré-Cœur de meester der
-wereld zijn zou. Neen, neen! Parijs heerschte slechts door zijn vrijen
-geest; het was een leugen, dat men het met het kruis, met die mystieke
-dwaasheid van een bloedend hart overwonnen had. Ook al mochten zij
-Parijs onder de monumenten van hun trots en van hun heerschzucht willen
-verpletteren, ook al mochten zij, in de hoop de hand op de komende eeuw
-te leggen, trachten de wetenschap in den naam van een gestorven ideaal
-weg te vagen—de wetenschap zal hun oude heerschappij van den troon
-stooten en hun basilica zal door den storm der waarheid ineenstorten
-zonder dat het noodig is haar met een vinger aan te raken. De proef is
-genomen: het Evangelie van Jezus is een bouwvallige sociale codex,
-waarvan de menschheid slechts enkele moreele grondstellingen kan
-overhouden. Het oude Katholicisme valt aan alle kanten in het stof, het
-oude Katholieke Rome is nog slechts een veld met puinhoopen, de
-volkeren wenden er zich van af en willen een godsdienst, die niet een
-godsdienst van den dood is. In vroegere tijden ontsnapte de gebogen,
-door een nieuwe hoop verteerde slaaf uit zijn kerker en droomde van een
-hemel, waarin zijn ellende met eeuwige genietingen beloond zou worden.
-
-Nu de wetenschap echter dezen leugenachtigen hemel, dat bedrog van een
-leven na den dood vernietigd heeft, is de slaaf, de arbeider, het moede
-te sterven, om gelukkig te worden, eischt gerechtigheid en geluk op
-aarde. Dat is na de achttien eeuwen van onmachtige naastenliefde de
-nieuwe hoop: de gerechtigheid. O, hoe zal men, wanneer na duizend jaar
-het Katholicisme niets meer is dan een zeer oud, dood bijgeloof, zich
-verbazen, dat de voorvaderen dien godsdienst van kwelling en van het
-Niet hebben kunnen dulden: God een beul, de mensch gecastreerd,
-bedreigd, gemarteld, de natuur een vijandin, het leven vervloekt, de
-dood alleen zoet en bevrijdend! Twee duizend jaar lang zal het
-voorwaarts schrijden der menschheid belemmerd zijn geweest door de
-afschuwelijke idee, dat men den mensch al het menschelijke, dat hij
-bezit, ontnemen moet: begeerten, hartstochten, den vrijen geest, den
-wil, de daad, zijn geheele kracht. Maar welk een blij ontwaken zal het
-zijn, wanneer de maagdelijkheid geminacht, de vruchtbaarheid weer een
-deugd zal worden, wanneer onder het hosanna der bevrijde natuurkrachten
-de begeerten geëerd, de hartstochten nuttig gemaakt, de arbeid
-verheerlijkt, het leven bemind zal worden en de eeuwige schepping der
-liefde verwekken zal!
-
-Een nieuwe godsdienst! Een nieuwe godsdienst! Pierre herinnerde zich
-dezen kreet, die hem te Lourdes ontsnapt was, dien hij te Rome bij het
-zien van de ineenstorting van het oude Katholicisme herhaald had! Maar
-het was niet meer dezelfde koortsachtige haast, de kinderlijke,
-ziekelijke hardnekkigheid, waarmede hij vroeger verlangde, dat een
-nieuwe God zich dadelijk openbaren, een nieuw ideaal met zijn dogma’s
-en zijn eeredienst als het ware uit den grond oprijzen zou. Zeker, het
-goddelijke schijnt voor den mensch even onmisbaar te zijn als brood en
-water; de naar het mysterievolle smachtende mensch heeft zich daar
-steeds weer op geworpen en schijnt geen anderen troost te hebben dan in
-het onbekende onder te gaan. Maar wie zou kunnen zeggen of de
-wetenschap niet eenmaal dien dorst naar het hiernamaals lesschen zal?
-Wanneer zij de veroverde waarheid is, dan is zij en zal zij ook altijd
-de te veroveren waarheid zijn. Zal voor haar niet altijd een ruimte
-overblijven voor de begeerte om te weten, voor de zuivere, ideale
-hypothese? En is bovendien die behoefte aan het goddelijke niet
-eenvoudig de behoefte om God te zien?
-
-Maar wanneer de wetenschap dezen wensch om alles te weten en te kunnen,
-steeds meer bevredigt, kan men dan niet gelooven, dat hij eens
-bevredigd worden en samensmelten zal met de liefde voor de bevredigde
-waarheid? Een godsdienst der wetenschap, dat is de aangewezen, zekere,
-onvermijdelijke oplossing van den langen marsch der menschheid naar het
-weten. Wanneer zij eenmaal door alle verschrikking der onwetendheid
-heen gegaan is, zal zij daar als in een natuurlijke haven aankomen en
-haar vrede eindelijk in zekerheid vinden. En was het als het ware niet
-reeds een aanwijzing van dezen godsdienst, dat de idee der dualiteit,
-van God en van het heelal, op zijde gezet wordt, de idee der eenheid,
-van het monisme hoe langer men op den voorgrond treedt, de eenheid de
-solidariteit met zich brengt, de eenige levenswet door de evolutie, uit
-het eerste aetherpunt, dat zich verdicht heeft om de wereld te
-scheppen, ontstaat?
-
-Maar al hebben voorloopers, geleerden en wijsgeeren als Darwin, Fourier
-en anderen, den godsdienst van morgen gezaaid door het heilswoord toe
-te vertrouwen aan den toevallig voorbijstrijkenden wind—hoeveel eeuwen
-zullen er niet noodig zijn voor de oogst opkomt? Men vergeet altijd,
-dat het Katholicisme vier eeuwen noodig gehad heeft om zich te vormen
-en in een langdurigen, onderaardschen arbeid te ontkiemen, alvorens het
-opgroeide en in de volle zon heerschte. Laat men dan eeuwen geven aan
-dezen godsdienst der wetenschap, waarvan het kiemen overal merkbaar is,
-en men zal zien, dat de bewonderenswaardige denkbeelden van een Fourier
-zich tot een nieuw Evangelie vormen: de begeerte zal weer de hefboom
-zijn, die de wereld beweegt; de arbeid wordt weer door allen erkend,
-geëerd en als het mechanisme van het natuurlijke en wetenschappelijke
-leven geregeld; de hartstochtelijke krachten van den mensch worden
-geprikkeld, bevredigd en ten slotte voor het menschelijk geluk
-dienstbaar gemaakt.
-
-De algemeene kreet naar gerechtigheid, die steeds luider en luider uit
-den grooten Zwijgende, uit het zoo lang bedrogen en uitgezogen volk
-oprijst, is slechts een kreet naar dat geluk, waarnaar alle wezens
-streven. Het leven moet om zichzelfswille in vrede en in de expansie
-van alle krachten en alle vreugden geleefd worden. De tijden zullen
-komen, dat het koninkrijk Gods op aarde heerschen, dat het andere
-leugenachtige Paradijs dus gesloten zal zijn, zelfs wanneer de armen
-van geest een oogenblik onder den dood van hun illusie moeten lijden,
-want het is een noodzakelijkheid de blinden op wreede wijze te
-opereeren, om hen aan hun ellende, aan den langen, vreeselijken nacht
-van hun onwetendheid te ontrukken.
-
-Plotseling werd Pierre door een groote vreugde overstroomd. De zachte
-kreet van een kind, de kreet van den wakker wordenden Jean had hem uit
-zijn overpeinzingen gewekt; en plotseling had de gedachte zich van hem
-meester gemaakt, dat hij gered was, buiten de leugen stond, tot de
-goede en gezonde natuur teruggekeerd was. Met welk een huivering zeide
-hij tot zichzelf, dat hij zich verloren, weggevaagd uit het leven, in
-het Niet van den onmenschelijken God weggezonken gewaand had en dat een
-wonder der liefde hem daaruit gered had! Ondanks zijn vrees voor het
-niet te vernietigen stigma bezat hij nog zijn kracht; immers daar lag
-dat lieve, dierbare, flinke, vroolijke kind, geboren uit hem! Het leven
-had leven verwekt, de waarheid straalde triomphantelijk als de zon. Het
-derde experiment was genomen met Parijs en dat was beslissend,
-beteekende niet, zooals dat met de beide anderen, met Lourdes en Rome,
-een armzalige mislukking, met nog meer duisternis, nog meer smart.
-
-Eerst had de wet van den arbeid zich aan hem geopenbaard; hij had zich
-een taak gesteld, o zeker een zeer nederige, dit zoo laat geleerde
-handwerk, maar toch in ieder geval een taak, waarbij hij geen dag
-ontbreken mocht, die hem de rust, dat hij zijn plicht deed, geven zou.
-Want het leven zelf was niets dan arbeid, de wereld bestond slechts
-door arbeid. Daarna had hij liefgehad, zijn redding was door het kind
-volkomen geworden. O, welk een lange omweg om tot deze natuurlijke en
-eenvoudige oplossing te komen. Wat had hij geleden; hoeveel dwalingen
-en aanvallen van woede hadden hem van streek gebracht, voor hij
-eenvoudig dat deed wat alle menschen doen! Deze radelooze, met zijn
-rede strijdende liefde, die liefde, welke door de absurditeiten van de
-wondergrot gebloed had en welke door het trotsche verval van het
-Vaticaan nog meer aan het bloeden gebracht was, werd eindelijk
-bevredigd in den echtgenoot en den vader, in den man, die in den arbeid
-volgens de rechtvaardige wet van het leven vertrouwde. Daarin lag de
-onbetwistbare waarheid, de oplossing van het geluk in de zekerheid.
-
-Maar Bache en Théophile Morin, de kalme, van de verre toekomst zekere
-apostelen, waren intusschen weggegaan met de belofte weer spoedig een
-avond te zullen komen praten. Daar Jean nog harder begon te schreeuwen,
-nam Marie hem in haar armen en maakte haar onderlijfje los, om hem de
-borst te geven.
-
-“De schat! Het is zijn tijd, hij vergeet het niet!... Kijk eens,
-Pierre, ik geloof, dat hij sedert gisteren nog dikker is geworden.”
-
-Zij lachte en Pierre kwam ook lachend naar haar toe, om het kind een
-zoen te geven. Dan kuste hij, door een onweerstaanbare ontroering
-aangegrepen, nu hij dit kleine, rose en gulzige wezentje op dien
-mooien, door melk opgezwollen vrouwenboezem zag, ook de moeder. Een
-heerlijke geur van gelukkige vruchtbaarheid steeg daaruit tot hem op en
-bedwelmde hem met levensvreugde.
-
-“Maar hij zal je opeten,” zeide hij vroolijk. “Wat zuigt hij!”
-
-“Ja, hij bijt me wel wat. Maar dat hindert niets, dat bewijst, dat hij
-het lekker vindt.”
-
-Nu mengde zich ook Grootmoeder in het gesprek, terwijl een glimlachje
-haar gezicht verhelderde.
-
-“Zeg, ik heb hem vanochtend gewogen. Hij is weer honderd gram zwaarder
-geworden. En als je eens wist, hoe zoet die lieve schat is! Het zal een
-zeer verstandig, braaf kereltje worden, zooals ik ze gaarne zie. Als
-hij vijf is, zal ik hem leeren lezen en op zijn vijftiende zal ik hem
-vertellen, hoe men een man wordt... Niet waar Thomas? Niet waar
-Antoine? Niet waar François?”
-
-De drie groote zoons keken lachend op en knikten toestemmend, dankbaar
-voor de heldhaftige lessen, die zij hun gegeven had. Zij schenen er
-geen oogenblik aan te twijfelen, of zij zou nog twintig jaar leven, om
-ze ook aan Jean te geven.
-
-In verrukking over hun liefde was Pierre voor Marie blijven staan, toen
-hij voelde hoe Guillaume zijn handen op zijn schouders legde. Hij keek
-om en zag, dat ook hij straalde en zeer gelukkig was hen zoo gelukkig
-te zien. De zekerheid, dat zijn broeder genezen was, dat in het
-werkzame huis niets dan gezondheid en blijde hoop heerschte,
-verdubbelde zijn geluk.
-
-“Herinner je je nog, Pierre,” zeide Guillaume op zachten toon, “dat ik
-je zeide, dat je enkel en alleen door den strijd van je hart tegen je
-rede leedt, en dat je de rust terug zoudt vinden, wanneer je liefhadt
-en begreep? Je moest in jezelf onze moeder en onzen vader verzoenen,
-wier strijd, wier smartelijk misverstand tot in het graf voortduurde.
-Dat is nu geschied; zij rusten nu eindelijk in vrede in jouw tot rust
-gebracht hart.”
-
-Deze woorden ontroerden Pierre diep. Een blos van vreugde kleurde zijn
-thans zoo opgewekt en energiek gelaat. Wel bezat hij nog steeds zijn
-torenvormig voorhoofd, de oninneembare vesting van de rede, die hij van
-zijn vader had, evenals de teedere kin, de goede lippen en oogen, die
-zijn moeder hem gegeven had. De twee eerste mislukte proeven waren in
-hem de aanvallen der moeder, de weenende teederheid, die diep bedroefd
-was, omdat zij niet gestild kon worden; de derde had slechts tot geluk
-geleid, omdat hij dien brandenden liefdeshonger bevredigd had in de
-vrouw, in het kind, in den werkzamen en vruchtbaren arbeid, waarbij hij
-gehoorzaamde aan de souvereine rede, aan den vader, die zoo luid in hem
-sprak. De rede alleen bleef de koningin.
-
-“Je hebt daarmede,” ging Guillaume voort, “een goed en mooi werk
-gedaan, voor jou, voor ons allen, voor onze dierbare ouders, wier tot
-rust gekomen en één geworden schimmen nu zoo rustig in het kleine
-huisje van onze jeugd zijn. Ik denk zoo dikwijls aan ons lief huisje te
-Neuilly, dat de oude Sophie voor ons bewaakt, en ik stel mij voor, dat
-de veelgeliefde dooden in het duister van de groote werkkamer heerlijk
-rusten en op ons wachten. Welk een vrede voor hen in dat kleine,
-verlaten huisje! Maar al heb ik uit egoïsme jullie hier willen houden,
-omdat ik het geluk om mij heen wilde zien, toch moet Jean er eenmaal in
-gaan wonen, om het weer jong te maken.”
-
-Op zijn beurt had Pierre de handen van Guillaume in de zijne genomen.
-En oog in oog vroeg hij hem:
-
-“Ben jij gelukkig?”
-
-“Ja, ik ben gelukkig, heel gelukkig, veel gelukkiger dan ik ooit
-geweest ben—gelukkig, omdat ik je liefheb, zooals ik je liefheb, omdat
-jij mij liefhebt, zooals niemand anders mij liefhebben kan.”
-
-Hun harten vereenigden zich in deze innige broederliefde—de meest
-volkomen en heldhaftigste liefde, die den eenen mensch in den anderen
-kan doen opgaan. Zij omhelsden elkaar, terwijl Marie, haar kind aan
-haar borst houdend, glimlachend en met tranen in haar oogen naar hen
-keek.
-
-Thomas had intusschen de laatste hand aan den motor gelegd en bracht
-dien eindelijk in beweging. Het was een wonder van lichtheid en kracht
-en had, gezien de buitengewone energie, die hij ontwikkelde, zoo goed
-als geen gewicht. Hij werkte met volkomen rust, geruisch- en reukloos.
-De heele familie stond verrukt om hem heen, toen een bezoeker, de
-geleerde en steeds hartelijke Bertheroy binnenkwam. Guillaume
-verwachtte hem, want hij had hem gevraagd naar de functionneering van
-den motor te komen kijken.
-
-Onmiddellijk uitte de groote scheikundige een kreet van bewondering, en
-toen hij het mechanisme nagekeken en de toepassing van de springstof en
-beweegkracht begrepen had, wenschte hij Guillaume en Thomas
-geestdriftig geluk.
-
-“Het is een wonder, dat je daar geschapen hebt, waarvan de toepassing
-een onberekenbare sociale en menschelijke beteekenis krijgen zal. Ja,
-zeker, in afwachting van den electrischen motor, dien we nog niet
-hebben, is dit de ideale motor. Thans bezitten wij de mechanische
-trekkracht voor alle soorten voertuigen, is de luchtvaart mogelijk, het
-probleem van de op haar plaats blijvende kracht definitief opgelost.
-Welk een reuzenstap, welk een plotselinge vooruitgang! Afstanden
-bestaan nu bijna niet meer, alle wegen zijn geopend, de menschen kunnen
-eindelijk broederlijk met elkaar verkeeren... Dit is een groote
-weldaad, een mooi geschenk, dat je aan de wereld geeft.”
-
-Dan sprak hij schertsend over de nieuwe, een zoo geweldige kracht
-bezittende springstof, waarvan de ontdekking nu op deze weldadige
-toepassing uitgeloopen was.
-
-“En ik dacht nog al, Guillaume, dat jij met al je geheimdoenerij de
-formule ervan voor mij verbergen wilde, omdat je heel Parijs in de
-lucht wou laten vliegen.”
-
-Guillaume werd ernstig.
-
-“Daar heb ik ook een oogenblik aan gedacht,” zeide hij, even
-verbleekend.
-
-Maar Bertheroy bleef lachen en deed, alsof hij daarin slechts een
-scherts zag, hoewel hij een koude rilling over zijn lichaam huiveren
-voelde.
-
-“Nu beste vriend, je hebt er beter aan gedaan de menschheid dit wonder
-te schenken, waarvan de uitvoering zeker niet zonder moeite en gevaar
-geweest is. We hebben hier dus een springstof, die de menschen
-vernietigen moest en nu ten slotte hun welzijn verhoogen zal. Alles
-loopt altijd goed af, dat herhaal ik uit den treure.”
-
-Bij het hooren van deze verheven en verdraagzame gemoedelijkheid werd
-Guillaume geroerd. Het was zoo: wat vernietigen moest, diende den
-vooruitgang—de bedwongen vulkaan werd arbeid, vrede, beschaving. Hij
-had zelfs zijn oorlogs- en overwinningsmachine opgegeven en zich
-tevreden gesteld met deze laatste uitvinding, die de uitputting der
-menschheid verlichtte, haar arbeid tot de noodzakelijke en voldoende
-krachtsinspanning beperkte. Hij zag daarin een weinig meer
-gerechtigheid, al de gerechtigheid, die hij voor zijn deel had kunnen
-scheppen. En toen hij zich omkeerde en de basilica van den Sacré-Cœur
-zag, kon hij zich de besmetting van den waanzin, die zich een oogenblik
-van hem meester gemaakt had en hem van een dwaze, nuttelooze
-vernietiging had doen droomen, niet begrijpen. Een booze, uit de
-ellende, uit de verspreide giststoffen van woede en wraak ontstane
-ademtocht was langs hem gestreken. Maar welk een verblinding om te
-gelooven, dat verwoesting en moord een vruchtbare daad kon zijn, die
-den bodem bezaaide voor een rijke en gelukkige oogst! Men bereikt het
-doel der gewelddaad dadelijk en zij dient nergens anders voor dan dat
-zij zelfs bij hen, voor wie men doodt, het gevoel van solidariteit
-prikkelt. Het volk, de groote menigte komt in verzet tegen den
-enkeling, die gerechtigheid meent uit te oefenen. Een vulkaan, o zeker,
-maar de vulkaan is de geheele aardkorst, de geheele volksmassa, die
-door den onweerstaanbaren druk der inwendige vlam opgeheven wordt, om
-een vrije maatschappij opnieuw te scheppen. En hoe groot de
-heldhaftigheid van hun waanzin ook zijn mag, moordenaars zijn nooit
-iets anders dan moordenaars, wier daad afschuw zaait.
-
-En op zijn beurt lachend, verklaarde Guillaume, dat hij geheel genezen
-was.
-
-“U hebt gelijk, alles eindigt altijd goed, want alles schrijdt de
-waarheid en gerechtigheid tegemoet. Maar er zijn soms duizend jaren
-mede gemoeid. Wat mij betreft, ik zal mijn nieuwe springstof eenvoudig
-in den handel brengen, opdat zij, die het verlof daartoe krijgen, zich
-door de vervaardiging ervan rijker kunnen maken... Ik zie er van af de
-wereld te revolutionneeren.”
-
-Maar daar kwam Bertheroy tegen in verzet. Met een hartstocht, waarin de
-kracht van zijn zeventig jaar duidelijk aan het licht kwam, wees hij op
-den kleinen motor.
-
-“Maar dat is de revolutie, de ware, de eenige revolutie. Hiermede en
-niet met bommen brengt men de revolutie in de wereld! Niet door
-verwoesten, maar door scheppen heb je een revolutionnaire daad
-verricht... Hoe dikwijls heb ik het je niet gezegd, de wetenschap
-alleen is revolutionnair, de eenige, die boven de armzalige politieke
-gebeurtenissen en het ijdele drijven van partijgangers en eerzuchtigen
-uit, aan de toekomstige menschheid werkt en voor haar de waarheid, de
-gerechtigheid en den vrede voorbereidt... O beste jongen, als je aan de
-wereld wat meer geluk geven wilt, dan behoef je slechts in je
-laboratorium te blijven, want het toekomstige geluk kan slechts uit de
-ovens der geleerden geboren worden.”
-
-Hij zeide het op eenigszins schertsenden toon, maar men voelde dat hij
-tot in het diepst van zijn ziel overtuigd was van wat hij zeide; met
-minachting zag hij op alles wat geen wetenschap was, neer. Hij had zich
-zelfs niet verwonderd, toen Pierre zijn soutane afgelegd had, en nu hij
-hem hier met vrouw en kind vond, bleef hij even vriendelijk als altijd.
-
-De motor snorde ondanks zijn wonderbare snelheid nauwlijks merkbaar,
-als een bromvlieg in de zon. De geheele gelukkige familie stond er
-omheen en glimlachte vol vreugde over deze overwinning. Daar zag
-plotseling de kleine Jean, die eindelijk genoeg gedronken had en nog
-een melkbaard om zijn mondje had, de machine, het mooie, van zelf
-loopende speelgoed. Zijn oogen schitterden, in zijn wangen kwamen
-kuiltjes en met gilletjes van vreugde stak hij zijn kleine knuistjes
-uit.
-
-Marie deed lachend haar onderlijfje dicht en droeg hem erheen, opdat
-hij het speelgoed beter zou kunnen zien.
-
-“Dat is mooi, hè schat? Dat draait, dat is sterk, dat leeft, zie je
-wel?”
-
-Allen hadden schik om het verbaasde en verrukte gezicht van het kind,
-dat de machine had willen aanraken, om te begrijpen.
-
-“Ja,” herhaalde Bertheroy; “het leeft en is sterk als de zon, als de
-groote zon daar, die over het reusachtige Parijs straalt en daar
-menschen en dingen doet rijpen. Parijs zelf is ook een motor, Parijs is
-de ketel, waarin de toekomst kookt, en waaronder wij, geleerden, het
-eeuwige vuur onderhouden... Met dit wonder, dat den arbeid van ons
-groote Parijs in de geheele wereld nog uitbreiden zal, ben jij, beste
-Guillaume, de stoker, de scheppende arbeider der toekomst.”
-
-Pierre werd door die woorden zeer getroffen, en weer rees voor hem de
-voorstelling op van den reusachtigen ketel, den van den eenen rand van
-den horizont tot den anderen gevulden ketel, waarin de komende eeuw
-geboren zou worden uit de buitengewone vermenging van goed en kwaad.
-Maar nu zag hij boven de hartstochten, de eerzuchtige pogingen, de
-gebreken uit den geweldigen gepraesteerden arbeid, den heldhaftigen
-handenarbeid en de fabrieken en werkplaatsen, het glorierijke zoeken
-van de intellectueele jeugd, die hij aan het werk wist, die in stilte
-studeerde, geen enkele verovering der ouderen prijs gaf en niets liever
-wilde dan het gebied daarvan uitbreiden. Dat is de exaltatie van
-Parijs, in welks reusachtigen schoot de toekomst zich ontwikkelt,
-waaruit deze, licht als het morgenrood, zal springen. Evenals de oude
-wereld het nu in doodsstrijd liggende Rome bezeten had, zoo heerschte
-Parijs nu onbeperkt over den modernen tijd; het is het middelpunt der
-volkeren in die voortdurende beweging, welke hen met de zon van het
-Oosten naar het Westen, van beschaving tot beschaving draagt. Het is
-het brein—een geheel groot verleden heeft het voorbestemd om onder alle
-steden de inwijdster, de beschaafster, de bevrijdster te zijn. Gisteren
-riep het den naties den kreet “Vrijheid” toe, morgen zou het haar den
-godsdienst der wetenschap, de gerechtigheid, het door de democratieën
-verwachte nieuwe geloof brengen. Het was ook de goedheid, de
-vroolijkheid, de zachtmoedigheid, de hartstocht om alles te weten, de
-edelmoedigheid, om alles te geven. In de werklieden van zijn
-voorsteden, in de boeren van zijn omliggende landerijen bezit het
-onuitputtelijke hulpbronnen, oneindige reserven aan menschen, waaruit
-de toekomst zonder te tellen putten kan. De eeuw ging met Parijs ten
-einde, de volgende eeuw zou met Parijs beginnen.
-
-Marie uitte een zachten kreet van bewondering en wees met een gebaar op
-Parijs.
-
-“Kijk toch eens, kijk toch eens! Parijs geheel in goud, Parijs bedekt
-door zijn goudoogst.”
-
-Allen stonden verrukt, want werkelijk was het lichteffect buitengewoon
-prachtig. Het was het effect, dat Pierre reeds meer gezien had: de
-schuin staande zon overstroomde het onmetelijke Parijs met een
-goudstof. Maar ditmaal was het niet meer het uitzaaien, waarbij de
-chaos der daken en gebouwen op een bruinen, door den een of anderen
-reuzenploeg omgewoelden akker geleek en de goddelijke zon handenvol
-stralen uitwierp als goudkorrels, die overal heenvlogen.
-
-Het was ook niet meer de stad met haar duidelijk onderscheiden
-wijken—in het Oosten de door grauwen rook omgeven arbeiderswijk, in het
-Zuiden de rustig-vroolijke studentenwijk, in het Westen de breede wijk
-der rijken, in het midden de koopliedenwijk met haar sombere straten.
-Het scheen alsof hetzelfde kiemen van het leven, hetzelfde bloemenveld
-de geheele stad bedekt had, in harmonie bracht en er één grenzenloos,
-met dezelfde vruchtbaarheid bedekt veld van maakte. Graan, graan
-overal, een oceaan van graan, waarvan de gouden deining van het eene
-einde van den horizont naar het andere rolde. Zoo baadde de schuin
-staande zon Parijs in gelijke pracht: het was de oogst na het zaad.
-
-“Kijk toch eens, kijk toch eens!” riep Marie weer. “Geen hoekje, dat
-zijn garve niet heeft; tot zelfs de laagste daken zijn vruchtbaar. En
-overal dezelfde rijkdom van aren, alsof er niet meer dan één enkele
-verzoende en broederlijke aarde is... Jean, kleine Jean, kijk toch eens
-hoe mooi het is!”
-
-Pierre was bij haar komen staan en drukte zich bevend tegen haar aan.
-Grootmoeder en Bertheroy glimlachten over deze toekomst, die zij niet
-meer zien zouden, terwijl achter Guillaume de drie groote zoons ernstig
-en vol hoop stonden.
-
-Toen hief Marie in een mooi, geestdriftig gebaar het kind met haar
-beide armen in de hoogte, bood het aan het onmetelijke Parijs, gaf het
-hem als een verheven geschenk.
-
-“Daar Jean, kleine lieveling! Jij zult dat alles oogsten en den oogst
-in de schuur zetten!”
-
-Het door de goddelijke zon met licht bezaaide, vlammende Parijs droeg
-in haar glorie den toekomstigen oogst van waarheid en gerechtigheid.
-
-
- EINDE.
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Hospitaal te Parijs voor oude, zieke en gebrekkige vrouwen.
-
-[2] De wandelgang der Kamer.
-
-[3] Gevangenis voor gedetineerden bij Parijs.
-
-[4] Bekende mondaine schouwburg te Parijs.
-
-[5] Het type van den halven geleerde, die sterk tegen den godsdienst
-gekant is.
-
-[6] Zoo wordt in Fourier’s stelsel de kazernewoning voor een “phalanx”,
-een ongeveer zestienhonderd à tweeduizend zielen omvattende associatie
-genoemd.
-
-[7] Cabet’s communistische kolonie in Nauvoo (Illinois).
-
-[8] Een niet-officieele makelaar in effecten.
-
-[9] Secte van zieners en dwepers.
-
-[10] Wat wij gruwelkamer zouden kunnen noemen.
-
-[11] Een non (1647–1690), die door haar visioenen aanleiding gaf tot de
-invoering van de vereering van het Heilige Hart van Jezus, en in 1864
-door Pius IX heilig verklaard werd.
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE DRIE STEDEN: PARIJS ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.