summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-22 23:56:23 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-22 23:56:23 -0800
commit7778f103c16f63e2b726e43f02987360f5e6a325 (patch)
treebd8059f51fb7492d10e98fe3f12169811f6cb4d0
parent24f01a44d031ea5a33de9ffce4ef3bf5985472b9 (diff)
NormalizeHEADmain
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/65517-0.txt15321
-rw-r--r--old/65517-0.zipbin253866 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65517-h.zipbin1226256 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65517-h/65517-h.htm14955
-rw-r--r--old/65517-h/images/frontispiece.jpgbin113947 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65517-h/images/new-cover.jpgbin69021 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65517-h/images/p067.jpgbin99452 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65517-h/images/p092.jpgbin122235 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65517-h/images/p130.jpgbin101022 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65517-h/images/p181.jpgbin122387 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65517-h/images/p203.jpgbin112624 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65517-h/images/p230.jpgbin104699 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65517-h/images/p251.jpgbin97731 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65517-h/images/titlepage.pngbin7633 -> 0 bytes
17 files changed, 17 insertions, 30276 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..ba1cde9
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #65517 (https://www.gutenberg.org/ebooks/65517)
diff --git a/old/65517-0.txt b/old/65517-0.txt
deleted file mode 100644
index 4442553..0000000
--- a/old/65517-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,15321 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of De graaf de Lhorailles, by Gustave Aimard
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: De graaf de Lhorailles
-
-Author: Gustave Aimard
-
-Illustrator: Ch. Rochussen
-
-Release Date: June 5, 2021 [eBook #65517]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book
- was produced from scanned images of public domain material
- from the Google Books project.)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GRAAF DE LHORAILLES ***
-
-
-
- AIMARD’S Indiaansche Verhalen
-
- DE GRAAF
- DE LHORAILLES
-
- DOOR
- GUSTAVE AIMARD
-
- MET 8 ILLUSTRATIEN VAN
- CHS ROCHUSSEN
-
- DERDE DRUK
-
- ROTTERDAM
- UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ „ELSEVIER”
- 1884
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE GRAAF DE LHORAILLES
-
-
-I.
-
-FERIA DE PLATA.
-
-
-Reeds sedert de eerste dagen der ontdekking van Amerika, werden zijne
-afgelegene kusten het toevluchtsoord en de verzamelplaats voor
-avonturiers van allerlei soort, wier ontembare geest, warsch van de
-boeien der oude Europeesche beschaving, elders een goed heenkomen
-zocht.
-
-Eenigen van hen vroegen der Nieuwe Wereld vrijheid van geweten, en het
-recht om God te dienen naar eigen keus en overtuiging; anderen
-verwisselden den degen met den moordenaarsdolk, om gansche volken te
-verdelgen ter wille van hun goed en zich te verrijken met den bloedigen
-roof; nog anderen eindelijk, onrustige gemoederen met leeuwenharten en
-ijzeren lichamen, die geen teugel of wet eerbiedigden en het woord
-vrijheid met het woord losbandigheid verwarden, vormden schier zonder
-het zelf te weten, dat geduchte bondgenootschap der zoogenaamde
-»Broeders van de Kust,” dat het machtige Spanje een oogenblik voor
-zijne overzeesche bezittingen deed beven en waarmede zelfs Lodewijk de
-Veertiende, de zonne-koning, zich niet ontzag verdragen te sluiten.
-
-De afstammelingen dezer buitengewone menschen bestaan nog altijd in
-Amerika, en zoo vaak eene mislukte omwenteling, na een kortstondigen
-strijd, de woelgeesten, die de volksbeweging plotseling uit de diepte
-deed voortkomen, aan deze stranden werpt scharen zij zich instinctmatig
-rondom de naneven der eerste avonturiers, op hoop van, even als zij,
-buitengewone daden te doen.
-
-Tijdens mijn verblijf in Amerika, werd ik bij toeval getuige van een
-der stoutste ondernemingen, welke ooit door deze vermetele gelukzoekers
-zijn beraamd of uitgevoerd. De aanslag dien ik bedoel maakte zulk een
-ophef, dat zij gedurende eenige maanden de drukpers bezig hield en de
-belangstelling zoo wel als de nieuwsgierigheid der geheele wereld
-wekte.
-
-Om redenen die de bescheiden lezer wel zal weten te waardeeren, hebben
-wij met opzet de namen der personen veranderd, die in dit zonderling
-drama de voornaamste rollen speelden, ofschoon wij overigens de
-historische feiten met de meeste nauwkeurigheid zullen wedergeven.
-
-Het is nu omtrent twintig jaar geleden, dat de ontdekking der rijke
-goudmijnen in Californië plotseling den prikkel der hebzucht in het
-hart van alle gelukzoekers deed ontwaken en verscheidene jonge,
-schrandere, voortvarende menschen vaderland en familie deed verlaten,
-om zich vol geestdrift en gouden droomen, te begeven naar het nieuwe
-Eldorado, dat hun van de andere zijde des oceaans zoo verleidelijk
-toelachte, doch waar de meeste hunner helaas! niets dan ellende vonden,
-of den dood na het doorstaan van tallooze jammeren en ontberingen.
-
-De weg van Europa naar Californië is lang. Vele gelukzoekers bleven
-halverwege terug, sommigen te Valparaiso, anderen te Callao, nog
-anderen te Mazatlan of te San Blas; de meesten echter bereikten San
-Francisco.
-
-Het ligt te ver buiten ons tegenwoordig bestek, om de trouwens van
-elders bekende bijzonderheden te vermelden der velerlei teleurstelling
-en tegenspoed, die de ongelukkige emigranten trof van het eerste
-oogenblik af, dat zij den voet zetten in dit veelbelovende
-luilekkerland, waar zij zich verbeeld hadden dat zij slechts behoefden
-te bukken om er het goud, zoo als men zegt, met volle handen op te
-grabbelen.
-
-Het is te Guaymas zes maanden na de ontdekking der goudmijnen, dat wij
-den lezer verzoeken ons te volgen.
-
-Reeds in een vorig werk hebben wij van Sonora gesproken [1], doch daar
-de geschiedenis die wij thans voornemens zijn te vertellen geheel en al
-in deze afgelegen provincie van Mexico voorvalt, zullen wij hier de
-beschrijving voltooien die wij toen slechts als ter loops hebben
-aangestipt.
-
-Mexico is ontegenzeggelijk het schoonste land van de wereld, alle
-klimaten zijn er als het ware broederlijk vereenigd. In uitgestrektheid
-heeft het inderdaad bijna geene grenzen, daar het niet minder dan
-575,080 vierkante mijlen oppervlakte beslaat.
-
-Jammer slechts dat de bevolking in verhouding tot de grootte van het
-land uiterst gering is en niet meer dan 7,200,000 zielen bedraagt, van
-welke ongeveer 5,000,000 tot de Indiaansche rassen of kleurlingen
-behooren.
-
-Het Mexicaansche bondgenootschap omvat het district Mexico en een en
-twintig staten, behalve drie gewesten of provinciën die geen inwendig
-onafhankelijk bestuur hebben.
-
-Wij zeggen hier niets van de regeering, om de eenvoudige reden dat de
-toestand van dat heerlijke maar ongelukkige land tot dusver in den
-regel nagenoeg volslagen regeeringloos is geweest [2].
-
-Intusschen is Mexico een bondgenootschappelijke republiek, althans het
-heeft er den naam van, ofschoon er inderdaad geen andere macht bestaat
-dan die van het zwaard.
-
-De eerste der zeven aan den Atlantischen Oceaan gelegen staten is
-Sonora. Deze staat strekt zich uit van het noorden naar het zuiden,
-tusschen de Rio Gila en de Rio Mayo; ten oosten scheidt de Sierra-Verde
-het van den staat Chihua-hua en ten westen wordt het bespoeld door de
-Vermiljoen-zee, of de zee van Cortez, zooals de meeste Spaansche
-landkaarten haar nog altoos blijven noemen.
-
-De staat Sonora is een der rijkste van Mexico uithoofde van zijne
-talrijke goudmijnen, waarmede de bodem als het ware dooraderd is;
-gelukkiger- of ongelukkigerwijs, al naar het oogpunt waaruit men de
-zaak beschouwen wil, wordt de Sonora gestadig door talrijke Indiaansche
-volksstammen doorkruist, tegen welke de inwoners zich onophoudelijk
-moeten wapenen; ook hebben de gedurige oorlogen met deze woeste horden,
-de onrust en doodsverachting die daarvan het gevolg zijn, en de
-gewoonte om bij de minste aanleiding menschen-bloed te vergieten, aan
-het karakter der Sonoreezen een stempel van fierheid en voortvarendheid
-gegeven, die reeds dadelijk in hunne edele en stoutmoedige houding
-zichtbaar is en hen geheel van de inwoners der andere staten
-onderscheidt.
-
-Ondanks zijn uitgestrekt grondgebied en de lange reeks zijner kusten,
-bezit Mexico slechts twee eigenlijk gezegd bruikbare havens aan de
-Stille Zuidzee.
-
-Die twee havens zijn Guaymas en Acapulco.
-
-De overige zijn inderdaad slechts buitenhavens of opene reeden, waar de
-zeevaarders ongaarne eene schuilplaats zoeken, inzonderheid wanneer de
-geduchte cordonazo uit het zuidwesten buldert en de golf van Californië
-onstuimig in beweging zet.
-
-Wij zullen hier alleen van Guaymas spreken.
-
-De stad van dien naam, eerst sedert weinige jaren aan den mond der
-rivier San José gebouwd, schijnt geroepen om eerlang een der
-voornaamste havens aan de Stille Zuidzee te worden.
-
-De krijgskundige ligging van Guaymas is uitmuntend.
-
-Gelijk in alle steden van Spaansch-Amerika zijn er de huizen laag, met
-platte daken en geheel wit geverfd; alleen het kasteel, op den top
-eener rots aangelegd, in hetwelk eenige oude kanonnen op verweerde
-affuiten trots regen en zonneschijn liggen te roesten, heeft eene gele
-tint die zeer goed nuanceert met het okerkleurige zand van den oever.
-Op het vlakke strand komen de rozenroode baren der Vermiljoen-zee
-sterven tusschen de krachtige en dicht opgeschoten mangiums of
-waterwilgen, wier warrige wortels en twijgen zij verkwikken. Achter de
-stad verheffen zich als ontzaglijke burchttransen de kantelige toppen
-van hemelhooge bergen, wier steile hellingen, vol diepe ravijnen, door
-de wateren der zondvloedstijdperken zijn uitgehoold, en wier sombere
-klipgevaarten zich in de wolken verliezen.
-
-Tot ons leedwezen moeten wij zeggen dat deze havenplaats, al draagt zij
-reeds den trotschen naam van stad, nog niets meer is dan eene ellendige
-buurt zonder kerk en zonder herberg, in den goeden zin namelijk, want
-het ontbreekt er helaas niet aan kroegen, die er integendeel—en dat is
-licht te begrijpen, zoo dicht bij Francisco,—in menigte voorkomen.
-
-Guaymas heeft een treurig aanzien; men voelt er bij iederen stap, dat
-ondanks alle de pogingen der Europeanen en avonturiers om de bevolking
-te galvaniseeren, de Spaansche dwinglandij, die haar gedurende drie
-eeuwen heeft onderdrukt, haar zoo al niet geheel verlamd, dan toch in
-een staat van zedelijke gezonkenheid en geesteloosheid heeft gebracht,
-waaruit zij zich eerst na verloop van jaren zal kunnen verheffen.
-
-Op den dag waarmede onze historie begint, ofschoon tegen twee ure na
-den middag, terwijl de zon hare brandende stralen loodrecht op de stad
-liet vallen, het uur wanneer de bevolking, overstelpt door de hitte,
-gewoon is zich in de huizen op te sluiten en aan den slaap over te
-geven, bood Guaymas een zoo levendig schouwspel, dat een vreemdeling
-die bij geval hare poorten binnentrad, zich verbeeld zou hebben een der
-duizend pronunciamento’s of omwentelingen te zullen bijwonen, die van
-jaar tot jaar dit ongelukkige land verontrusten.
-
-Dit was echter geenszins het geval.
-
-Het militaire bewind, vertegenwoordigd door den generaal San Benito,
-gouverneur van Guaymas, was of scheen althans met het hoofdbestuur op
-den besten voet en met den gang der zaken tevreden.
-
-De smokkelaars, leperos, en kaailoopers, waren het onderling tamelijk
-goed eens, en klaagden niet bijzonder over de regeering.
-
-Vanwaar dan de buitengewone opschudding in de stad?
-
-Welke drangreden was machtig genoeg om de anders zoo trage bevolking te
-doen ontwaken en haar de gewone siesta te doen vergeten?
-
-Sedert drie dagen was de stad ten prooi aan de goudkoorts.
-
-De gouverneur had, op dringend aanzoek van eenige aanzienlijke
-bankiers, verlof gegeven tot het houden eener feria de plata, of
-zoogenaamde geldkermis, gedurende vijf dagen.
-
-In de voornaamste huizen werden door aanzienlijke personen ten gevalle
-van het publiek hazard-spelen gehouden.
-
-Wat echter aan dit feest een allerzonderlingst karakter gaf, dat men
-elders te vergeefs zou zoeken, was dat er op alle pleinen en alle
-straten onder den blooten hemel monté-tafels waren opgericht, waar het
-om zoo te zeggen goud stroomde, en ieder zonder onderscheid van rang of
-kleur, die een reaal bezat, het recht had om hem aan de speelbank te
-wagen.
-
-In Mexico geschiedt alles anders dan ergens elders en gaan de zaken
-tegen den gewonen regel. De inwoners in dat land denken aan geen
-voorleden, dat zij liefst willen vergeten, gelooven aan geen toekomst,
-daar zij niets van verwachten, en leven in den roes van het
-tegenwoordige, met de koortsachtige drift van een volk, dat zijn einde
-voelt naderen en met het volle besef dat het zoo niet lang meer duren
-kan.
-
-De Mexicanen staan onder de heerschappij van twee sterk sprekende
-neigingen: het spel en de liefde.
-
-Wij zeggen met opzet neigingen en niet hartstochten, want de Mexicaan
-kent ze niet die geweldige drijfveeren der ziel die al onze vermogens
-in werking roepen, den wil beheerschen en het gansche menschelijke
-samenstel beroeren door de macht eener onweerstaanbare drift tot
-handelen, hetzij goed of kwaad.
-
-Rondom de monté-tafels hadden zich talrijke groepen verzameld en was
-ieder druk in de weer.
-
-Intusschen ging alles met eene orde en bedaardheid die zich door niets
-scheen te laten verstoren en de tegenwoordigheid der openbare macht
-overbodig maakte, zoodat er geen enkele politie-agent op de straat was
-om de rust te bewaren of op den geregelden gang van het spel toezicht
-te houden.
-
-Ongeveer in het midden der calle de la Merced, een der voornaamste
-straten van Guaymas stond, tegenover een fraai huis, eene langwerpige
-met een groen kleed bedekte tafel, beladen met stapeltjes goudstukken,
-en daarachter een man van omtrent dertig jaar, sluw en geslepen van
-uitzicht, die met een spel kaarten in de hand en een vroolijken lach om
-de lippen, in uitlokkende bewoordingen de talrijke toeschouwers op de
-dringendste wijs uitnoodigde om hun fortuin te beproeven.
-
-»Komaan, caballeros,” riep hij op zoetsappigen toon en met een
-uitdagenden blik op de ellendelingen, die in hunne schitterende maar
-gescheurde plunjes hem in fiere, bijna onverschillige houding
-aangaapten, »ik kan immers niet altijd winnen, de kans moet keeren,
-daar ben ik zeker van; ziet hier heb ik honderd oncen; wie moet er mede
-gaan strijken?”
-
-Hij zweeg.
-
-Niemand die antwoord gaf.
-
-De bankier, zonder zich te laten ontmoedigen, liet met edelen zwier een
-stapel goudstukken, wier fonkelende gloed den standvastigste kon doen
-wankelen, als een ruischende straal van de eene hand in de andere
-rinkelen.
-
-»’t Is een mooie som, caballeros, honderd oncen; daarmede kan de
-leelijkste man de schoonste der schoonen overhalen. Kijk maar! wie moet
-ze van mij winnen?”
-
-»Bah!” riep een der leperos met een verachtelijken grijns. »’t Wil wat
-zeggen, honderd oncen? Als gij mijn laatsten piaster niet afgewonnen
-hadt, Tio-Lucas, zou ik hem tegen u opzetten.”
-
-»Het spijt mij in mijn ziel, señor Cuchares,” hernam de bankhouder met
-eene eerbiedige buiging, »dat het geluk u niet gediend heeft; het zou
-mij aangenaam zijn, als gij mij de vrijheid wildet geven u een ons te
-leenen.”
-
-»Spot gij er mede?” zeide de lepero op een toon van gekwetste majesteit
-zich zoo trotsch mogelijk in postuur stellende. »Bewaar uw goud, voor u
-zelven, Tio-Lucas, ik weet wel middel om het te krijgen, zooveel ik wil
-en zoodra het mij goeddunkt; maar,” vervolgde hij met eene
-allerwellevendste buiging, »ik ben u daarom niet minder dankbaar voor
-uw edelmoedig aanbod.”
-
-En hij stak den bankier, over de tafel, zijne hand toe, die deze met
-warmte drukte.
-
-De lepero maakte van deze gelegenheid gebruik om met de andere hand,
-die vrij was, een stapeltje van twintig oncen, dat onder zijn bereik
-stond, weg te kapen.
-
-Tio-Lucas bedwong een grimas en hield zich alsof hij niets gezien had.
-
-Op deze uitwisseling van wederzijdsche toegenegenheid volgde groote
-stilte.
-
-De toeschouwers hadden niets van hetgeen er gebeurd was onopgemerkt
-gelaten, en wachtten met nieuwsgierigheid den afloop van dit tooneel.
-
-Señor Cuchares was de eerste die weder sprak.
-
-»O!” riep hij eensklaps, zich met de vuist op het voorhoofd kloppende,
-»bij Nuestra Señora de la Merced, ik geloof waarlijk dat ik mijn
-verstand verlies!”
-
-»Hoedat, caballero?” vroeg Tio-Lucas blijkbaar verontrust door dezen
-uitroep.
-
-»Carai! dat is toch eenvoudig genoeg,” hernam de andere, »heb ik u
-daareven niet gezegd dat gij mij al mijn geld hadt afgewonnen?”
-
-»Dat hebt gij mij inderdaad gezegd, deze caballeros hebben het zoowel
-gehoord als ik; tot den laatsten piaster, dat waren uwe eigen woorden.”
-
-»Ik herinner het mij klaar en duidelijk, en dat maakt mij juist
-woedend.”
-
-»Wat zegt gij!” riep de bankier met geveinsde verbazing. »Zijt gij
-woedend omdat ik u alles heb afgewonnen?”
-
-»Neen, dat is het juist niet.”
-
-»Wat is het dan?”
-
-»Caramba! ’t is dat ik mij zoo deerlijk vergist heb en dat ik nog
-eenige oncen over had.”
-
-»Dat is onmogelijk,” riep Tio-Lucas.
-
-»Zie maar eens.”
-
-De lepero grabbelde in zijn zak, haalde er het goud uit te voorschijn,
-dat hij den bankier een oogenblik te voren ontstolen had, en liet het
-hem zien met een onbeschaamd gezicht.
-
-Op het gelaat van Tio-Lucas bewoog zich geen spier.
-
-»’t Is onmogelijk,” herhaalde hij.
-
-»Is het?” riep de lepero, hem met een fonkelenden blik aankijkende.
-
-»Ja, ’t is inderdaad niet te gelooven, señor Cuchares, dat uw geheugen
-zoo slecht zou geweest zijn.”
-
-»Laat dat zijn zoo het wil, maar nu ik er toch weder aan gedacht heb,
-is er niets mede verloren; komaan, hervatten wij ons spel.”
-
-»Zeer goed: het gaat om honderd oncen dan, niet waar?”
-
-»Wel neen! zooveel geld bezit ik niet.”
-
-»Bah! zoek maar eens goed.”
-
-»Dat zou niet baten, ik weet zeker dat ik het niet heb.”
-
-»Dat is nu toch zoo jammer als het kan.”
-
-»Hoedat, jammer?”
-
-»Omdat ik gezworen heb om niet minder te spelen.”
-
-»Dus wilt gij mij geen twintig oncen volhouden?”
-
-»Ik kan niet; er mag geen enkel once aan de honderd ontbreken of ik zal
-ze u niet kunnen houden.”
-
-»Hm!” bromde de lepero met een dreigenden blik.... »is dat een affront,
-Tio-Lucas?”
-
-De bankhouder had den tijd niet om te antwoorden, daar een man van
-ongeveer dertig jaar, op een heerlijk zwart paard gezeten en
-allerprachtigst gekleed, sedert eenige oogenblikken de tafel genaderd
-was, en onder het rooken van een geurigen pajillo, het gesprek tusschen
-den lepero en Tio-Lucas beluisterde.
-
-»Top! voor uwe honderd oncen!” riep hij op eens terwijl hij met zijn
-paard door de menigte heendrong om dichter bij de tafel te komen, waar
-hij eene welgevulde goudbeurs op wierp.
-
-De beide sprekers keken verbaasd op.
-
-»Ziedaar de kaarten, caballero,” riep de bankier, die haastig de
-ongezochte gelegenheid waarnam om zich, voorloopig althans, van een
-gevaarlijken antagonist te ontslaan.
-
-Cuchares haalde verachtelijk de schouders op en keek den nieuwen speler
-aan.
-
-»O!” riep hij met eene gesmoorde stem, »de Tigrero! komt hij wellicht
-om Anita? Dat zal ik spoedig weten.”
-
-Daarop trad hij zachtjes naar den ruiter en had hem weldra bereikt.
-
-Laatstgenoemde was een man van trotsch voorkomen, olijfbruine
-huidkleur, magnetischen oogopslag en openhartig vastberaden gelaat.
-
-Zijne kleeding was allerkostbaarst rijk, en ruischte van goud en
-diamanten.
-
-Een weinig over het linkeroor gebogen, stond zijn groote vilthoed met
-breeden rand, en om den bol een massief gouden golilla of lint met
-diamanten gesp; onder den blauw lakenschen, rijk in zilver geborduurden
-dolmantel, zag men een batisten hemdrok van schitterende witheid, aan
-den hals gesloten met een das van chineesch krip, gevat in een juweelen
-ring; zijne calzoneras, aan de heupen gesloten door een rood zijden
-gordel met gouden franjes, rijk gegalonneerd en met twee rijen
-diamanten knoopen bezet, was aan de knieën open en liet den daaronder
-gedragen calzon uitfladderen; verder een paar botas vaqueras van
-gestempeld leder, rijk geborduurd en onder de knie vastgemaakt met een
-kousenband van zilverstof; zijn manga of korte mantel, schitterend van
-goud en edelgesteenten, was zwierig aan den rechter-schouder
-opgeslagen.
-
-Zijn paard, klein van kop en met pooten zoo fijn als weversspoelen, was
-allerprachtigst uitgedost: de armas de agua (holsterkappen), de zarape
-of mantel die over zijn kruis reikte en de kwistig met stalen
-kettingjes en rinkels gegarneerde anquera of staartriem, voltooiden een
-stel tuigen daar men zich in Europa moeielijk een idee van zou kunnen
-maken.
-
-Als alle Mexicanen van zekere klasse wanneer zij zich op reis bevinden,
-was de onbekende van top tot teen gewapend. Behalve de gewone aan zijn
-zadel hangende lasso en het geweer, dat dwars over de pistoolholsters
-was geplaatst, had hij een langen degen op zijde en een koppel pistolen
-in zijn gordel, ongerekend het groote jachtmes, welks met zilver
-ingelegden steel men uit een zijner vaqueras-laarzen zag uitsteken.
-
-Om kort te gaan, de man zooals hij hier door ons werd voorgesteld, was
-de volmaakte type van een Mexicaansch landedelman uit de provincie
-Sonora, altoos toegerust en gereed zich te verdedigen, in tijd van
-oorlog zoowel als in tijd van vrede, zonder den een te vreezen of den
-anderen te verachten.
-
-Na eene beleefde buiging voor Tio-Lucas, nam hij de kaarten over die
-deze hem aanbood, en verschiffelde ze een poos tusschen zijne vingers,
-terwijl hij de oogen liet rondgaan.
-
-»Ei! zoo!” riep hij met een vriendelijken blik op den lepero, »gij ook
-hier, compadre Cuchares?”
-
-»Om u te dienen, don Martia,” antwoordde de andere met de hand even aan
-den verhavenden rand van zijn gebulten vilthoed.
-
-De vreemdeling glimlachte.
-
-»Wees zoo goed de kaart voor mij af te nemen, terwijl ik mijn pajillo
-aansteek.”
-
-»Met genoegen!” riep de lepero.
-
-El Tigrero of don Martial, hoe de lezer hem noemen wil, haalde een
-gouden tondeldoos uit zijn zak en sloeg op zijn gemak vuur, terwijl de
-lepero de kaarten voor hem trok.
-
-»Señor,” zei laatstgenoemde met eene klagende stem.
-
-»Wel, wat is ’t?”
-
-»Gij hebt verloren.”
-
-»Goed. Tio-Lucas, neem honderd oncen uit mijne beurs,” vervolgde hij
-tegen den bankier.
-
-»Ik heb ze, señoria,” antwoordde deze; »behaagt het u nog verder te
-spelen?”
-
-»Welzeker! maar geen misére meer, hoor! want ik zou de partij gaarne
-animeeren.”
-
-»Ik zal u volhouden voor al wat gij gelieft op te zetten, señoria,”
-hernam de bankier, wiens geoefende blik in de beurs van den onbekende,
-onder een tamelijk groote massa oncen, een veertig stuks diamanten had
-gezien van het eerste water.
-
-»Hm! zijt gij inderdaad mans genoeg om mij vol te houden voor alles wat
-ik verlang op te zetten?” vroeg de onbekende.
-
-»Ja!” zei Tio-Lucas.
-
-De vreemdeling keek hem strak aan.
-
-»Zelfs al speelde ik om duizend oncen?” [3].
-
-»Ik ben goed voor de dubbele som, monseñor, zoo gij het wagen durft die
-te verspelen,” sprak de onverstoorbare bankier.
-
-Een minachtende glimlach plooide andermaal de trotsche lippen van den
-cavalier.
-
-»Dat durf ik,” zeide hij.
-
-»Dus twee duizend oncen?”
-
-»Akkoord!”
-
-»Zal ik afnemen?” vroeg Cuchares bedeesd.
-
-»Waarom niet?” hernam de andere op luchthartigen toon.
-
-De lepero nam de kaarten, en beefde van ontroering toen hij ze opnam.
-
-Er volgde een oogenblik van koortsachtige belangstelling onder de
-spelers die rondom de tafel stonden.
-
-Op hetzelfde oogenblik werd er in het huis waarvoor Tio-Lucas zijne
-monté tafel had opgericht een venster geopend, en kwam er een
-verrukkelijk schoone dame op het balkon te voorschijn, die achteloos
-met den elleboog op de balustrade leunende, met een verstrooiden blik
-over de straat uitkeek.
-
-De vreemdeling wendde zich naar het balkon en verhief zich hoog in de
-stijgbeugels.
-
-»Mijn eerbiedige groet aan de schoone Anita,” zeide hij, zijn hoed
-afnemende met eene diepe buiging.
-
-Het meisje kreeg een blos, wierp den cavalier uit hare lange zijden
-wimpers een veelbeteekenenden blik toe, maar antwoordde niet.
-
-»Gij hebt verloren, monseñor,” zei Tio-Lucas op een toon van blijdschap
-die hij niet geheel had kunnen ontveinzen.
-
-»Zeer goed,” zei de vreemdeling, zonder hem eens aan te zien, zoo
-geboeid werd hij door de bekoorlijke verschijning op het balkon.
-
-»Gij speelt zeker niet meer?” zei Tio-Lucas.
-
-»Integendeel, ik verdubbel.”
-
-»Wat?” riep de bankier, die bij dit onverwachte voorstel onwillekeurig
-een stap achterwaarts deed.
-
-»Ik vergis mij, ik heb u iets anders voor te stellen.”
-
-»Wat dan, señoria?”
-
-»Hoeveel hebt gij daar?” riep hij met een wenk van geringschatting naar
-de tafel wijzende.
-
-»Daar? wel..... zoo wat zevenduizend oncen op zijn minst.”
-
-»Niet meer?... hm! dat is weinig.”
-
-De omstanders staarden met eene mengeling van stomme bewondering naar
-den buitengewonen man die om oncen en diamanten speelde, als een ander
-om realen.
-
-Het meisje op het balkon verbleekte: zij wierp den vreemden cavalier
-een smeekenden blik toe.
-
-»Speel niet langer,” murmelde zij met eene bevende stem.
-
-»Ik dank u, señorita, wel verplicht!” riep hij, »uwe schoone oogen
-zullen mij geluk brengen; ik zou al het goud dat daar op de tafel ligt
-willen geven voor de suchilbloem, die gij daar in uwe hand hebt en die
-uwe lippen heeft mogen aanroeren.”
-
-»Speel toch niet langer, don Martial,” herhaalde het meisje, terstond
-met drift terugtredende terwijl zij het venster achter zich sloot.
-
-Doch, hetzij bij toeval of uit eenige andere oorzaak, de suchilbloem
-ontglipte aan hare hand.
-
-De cavalier liet zijn paard steigeren, ving de bloem in de vlucht op en
-verborg haar in zijne borst na haar vooraf gekust te hebben.
-
-»Cuchares,” zeide hij tegen den lepero, »keer eene kaart.”
-
-De lepero gehoorzaamde.
-
-»Seis de copas,” zeide hij.
-
-»Voto a brior!” riep de vreemdeling, »de kleur van het hart, wij moeten
-winnen. Tio-Lucas, ik speel met u op deze kaart om al het goud dat op
-uw tafel ligt.”
-
-De bankier werd bleek, hij aarzelde; de omstanders hielden hem scherp
-in ’t oog.
-
-»Bah!” riep hij een minuut later, »hij kan onmogelijk winnen. Ik neem
-het aan, monseñor,” zeide hij.
-
-»Tel eens hoeveel gij daar hebt.”
-
-»’t Is niet noodig, monseñor, er liggen negenduizend vierhonderdvijftig
-oncen goud” [4].
-
-Bij het hooren van dit ontzagwekkend cijfer slaakten de aanwezigen een
-kreet van verbazing en begeerigheid tegelijk.
-
-»Ik hield u voor rijker,” zei de vreemdeling spotachtig. »Maar hoe dan
-ook, om negenduizend vierhonderd en vijftig oncen.”
-
-»Dezen keer zult gij afnemen, monseñor,” zei de bankier.
-
-»Neen: ik voor mij ben vast overtuigd dat gij verliezen moet,
-Tio-Lucas. Ik wil u wederkeerig de zekerheid geven dat ik eerlijk
-gewonnen heb. Doe mij daarom het pleizier en neem zelf de kaart af;
-zoodoende,” vervolgde hij ironisch, »wordt gij de smid van uw eigen
-ondergang en kunt het aan niemand anders verwijten.”
-
-De omstanders trantelden van genot en belangstelling toen zij zagen hoe
-ridderlijk de vreemdeling zich gedroeg. Binnen weinige oogenblikken was
-de straat letterlijk gevuld met nieuwsgierigen, die door deze
-buitengewone partij aangetrokken uit alle hoeken der stad
-samenstroomden en zich rondom de tafel verdrongen.
-
-Weldra bedaarde het gewoel en doodstilte heerschte onder de wachtende
-menigte, die met ongeduld den afloop verbeidde van het ongehoord hooge
-spel en brandde van nieuwsgierigheid om te weten wie de gelukkige zou
-zijn.
-
-De bankier wischte het zweet af dat op zijn bleek voorhoofd parelde, en
-met bevende hand nam hij de eerste kaart.
-
-Eenige seconden lang balanceerde hij er mede, blijkbaar aarzelend voor
-het oogenblik der beslissing.
-
-»Maak voort,” riep Cuchares ongeduldig.
-
-Tio-Lucas liet de kaart werktuigelijk op de tafel vallen en wendde het
-hoofd om.
-
-»Seis de copas!” riep de lepero met eene snerpende stem.
-
-De bankier brulde van spijt.
-
-»Ik heb verloren!” mompelde hij.
-
-»Dat wist ik wel,” zei don Martial zoo bedaard als ooit. »Cuchares,”
-vervolgde hij, »breng die tafel met al het goud dat er op is naar doña
-Anita; ik wacht u heden avond, gij weet wel waar.”
-
-De lepero maakte eene eerbiedige buiging. Met behulp van twee sterke
-kerels die zich daartoe gereedelijk lieten vinden, volvoerde hij het
-zoo even ontvangen bevel en bracht de tafel het huis in, terwijl de
-vreemdeling in allerijl wegreed en Tio-Lucas, reeds min of meer bekomen
-van den zwaren slag die hem getroffen had, zeer pacifiek een
-maïscigarette rolde en aan allen die hem hun ongevraagden troost
-zochten op te dringen toeriep:
-
-»Ik heb verloren, dat is zoo, maar aan een zeer mooien speler en op een
-zeer schoone kans. Bah! later zal ik het hem wel betaald zetten, ieder
-op zijn beurt; hij op de zijne en ik op de mijne.”
-
-Toen hij zijn sigaar geheel klaar gemaakt had, stak de afgestapte
-bankier haar aan en wandelde met rustigen tred van daar.
-
-De menigte had geen reden meer om langer op die plaats te blijven, en
-verstrooide zich weldra door de stad.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-DON SYLVA DE TORRES.
-
-
-Guaymas is eene geheel nieuwe stad, min of meer om zoo te zeggen met
-den dag gebouwd, naarmate de grilligheid der emigranten zulks verkoos,
-zonder regel of orde, daar het stadsbestuur zich niet bemoeide met hun
-de rooiing voor te schrijven, hetgeen soms zoo goed als kwaad is,
-wanneer de bouwmeester geen smaak of kennis genoeg heeft om een stad
-aan te leggen of een goed bouwplan voor te schrijven. Ofschoon wij ons
-hier haasten te zeggen, dat er te Guaymas slechts weinige gebouwen zijn
-die werkelijk den naam van woonhuizen verdienen, de overige zijn niets
-meer dan afzichtelijke krotten en hutten, gebouwd van klei en aarde
-tusschen twee planken vastgestampt, even bouwvallig als ongeregeld, en
-onrein in den hoogsten graad.
-
-In de calle de la Merced, de voornaamste, of liever de eenigste straat
-der stad, want de overige zijn weinig meer dan moddergoten, stond een
-huis met ééne verdieping en voorzien van een balkon, ondersteund door
-een peristyle van vier kolommen, gelijk de meeste huizen in Mexico. De
-voorgevel was met kalk van verblindende witheid bestreken en het dak
-was mede naar ’s lands wijze plat.
-
-De eigenaar van dit huis, een der rijkste mineros in de Sonora, bezat
-een tiental mijnen, allen in volle bewerking; bovendien legde hij zich
-toe op de veefokkerij en bediende zich daarbij van verscheidene
-hacienda’s of landhoeven, over de gansche provincie verspreid, en
-waarvan de kleinste minstens even veel grond besloeg als een
-departement in Frankrijk.
-
-Ik ben zeker dat, als don Sylva de Torres zijn fortuin had willen
-liquideeren en berekenen, het eenige honderde millioenen zou hebben
-bedragen.
-
-Don Sylva de Torres was eerst sedert een paar jaar te Guaymas komen
-wonen, waar hij echter slechts nu en dan en dat nog wel bij lange
-tusschenpoozen, een kortstondig verblijf hield.
-
-Ditmaal had hij, tegen zijne gewoonte, zijne dochter Anita
-medegebracht; daarom ook was de gansche bevolking van Guaymas opgetogen
-van nieuwsgierigheid en richtten aller blikken zich op het huis van don
-Sylva, dewijl men begreep dat er voor dit buitengewone gedrag van den
-haciendero gewichtige redenen moesten bestaan.
-
-Binnen zijne woning besloten, welker deuren zich alleen voor eenige
-weinige bevoorrechten openden, liet don Sylva de menschen praten en
-zonder zich in ’t minst om de wereld te bekommeren, scheen hij
-ongestoord aan de verwezenlijking van zekere ontwerpen te arbeiden,
-wier gewicht hem belette te onderzoeken wat anderen van hem spraken of
-dachten.
-
-Ofschoon de Mexicanen geweldig rijk zijn en zich gaarne veel op hunne
-schatten laten voorstaan, hebben zij geen het minste idee van gemak of
-genot en leven zij doorgaans in de grootste zorgeloosheid. Hunne
-weelde, zoo men haar dien naam kan geven, is woest, plomp, onverstandig
-en zonder eenige levenswaarde.
-
-De rijken, meerendeels aan het ruwe leven der Amerikaansche wildernis
-gewoon en voortdurend gehard tegen de ongemakken van een vaak doodelijk
-klimaat en de gedurige invallen der Indianen, die hen van alle zijden
-insluiten, kampeeren zich in de steden veel meer dan dat zij er
-eigenlijk wonen, en meenen zich reeds vrij wel te hebben uitgesloofd
-wanneer zij op eene onverantwoordelijke wijs oncen goud en diamanten
-als dwazen hebben verkwist of weggesmeten.
-
-De Mexicaansche woonhuizen zijn dáár om de juistheid van dit ons
-oordeel te bewijzen. Behalve de onmisbare Europeesche piano, die in een
-hoek van iedere salon ongebruikt staat, ziet men er niets dan eenige
-ongemakkelijke butacca’s, slecht gemaakte tafels, slecht geteekende en
-bontgekleurde kunstplaten aan de wit gekalkte muren opgehangen, ziedaar
-alles.
-
-De woning van don Sylva verschilde in geenen deele van de overigen, en
-gelijk overal, moesten de paarden om van den stal naar het wed en van
-daar weder naar den stal te komen, druipnat de groote voorzaal of
-vestibule door, waar zij in den vloer met hunne hoeven reeds menigen
-tegel gebroken en diepe sporen hadden achtergelaten.
-
-Op het oogenblik dat wij den lezer in het huis van Sylva de Torres
-binnenleiden, zaten twee personen, een man en eene vrouw, in het salon
-samen te praten, althans bij lange tusschenruimten eenige woorden te
-wisselen.
-
-Deze twee personen waren don Sylva en zijne dochter Anita.
-
-De kruising van het Spaansche met het Indiaansche menschen-ras, heeft
-de schoonste plastische vormen voortgebracht die men zich verbeelden
-kan.
-
-Don Sylva, ofschoon reeds bijna vijftig jaar oud, scheen nog nauwelijks
-veertig; bij eene hooge welgemaakte gestalte voegde zich eene edele
-houding en gang, en een streng gelaat, maar gepaard met groote
-goedwilligheid. Hij droeg de Mexicaansche kleeding in haren zuiversten
-vorm, maar zoo kostbaar en zoo rijk versierd, dat slechts weinigen
-zijner landgenooten hem hadden kunnen evenaren, veelmin overtreffen.
-
-Anita, in gemakkelijke houding op de kanapé uitgestrekt, half
-verscholen in golven van zijde en gaas, als een kolibrietje in het
-donzige mos, was een aanminnig kind van hoogstens zeventien of achttien
-jaar; hare zwarte, door lange fluweelen wimpers zedig gesluierde oogen,
-tintelden van zoete beloften, die geenszins werden gelogenstraft door
-de slanke en mollige omtrekken van haar fijngevormde leest. Tot in hare
-minste bewegingen bezat zij eene gratie en majesteit daar de liefelijke
-glimlach van hare koralen lippen de hartveroverende kroon opzette. Haar
-frissche kleur, min of meer verguld door de warme zon van
-Middel-Amerika, gaf aan haar gelaat eene betooverende uitdrukking die
-zich moeielijk laat beschrijven; in een woord, over haar gansche
-persoon zweefde een bekoorlijk waas van onschuld, eenvoudigheid en
-oprechtheid, dat harten en zinnen boeide en sympathie en liefde gebood.
-
-Even als alle Mexicaansche schoonen wanneer zij zich binnenshuis
-bevinden, droeg zij eene lichte robe van gebrocheerd mousseline; de
-gazen rebozo of sluier was achteloos over hare schouders geworpen en
-eene versche tuil van zomerbloemen tooide hare blauwzwarte lokken met
-een ambergeurige kroon.
-
-Anita scheen te droomen; somwijlen trokken de wenkbrauwbogen zich
-donkerder samen onder den drang der gedachten die haar bestormden; haar
-boezem golfde nu en dan bij dieper ademhaling en de kleine, fijn
-geënkelde voeten, in pantoffels van zwanendons gestoken, trappelden wel
-eens ongeduldig op den grond.
-
-Ook don Sylva de Torres scheen ontevreden; na een strengen en ernstigen
-blik op zijne dochter, stond hij op, trad naar haar toe en sprak:
-
-»Gij zijt een dwaas kind, Anita; uwe handelwijs is buitensporig, eene
-welgeboren jonge dochter mag in geen geval handelen zoo als gij
-gehandeld hebt....”
-
-De jeugdige Mexicaansche antwoordde alleen met een veelbeteekenend
-pruilend mondje en haalde bijna onmerkbaar de schouders op.
-
-Haar vader vervolgde.
-
-»Vooral niet,” zeide hij, met nadruk op iedere syllabe, »in uwe positie
-tegenover den graaf de Lhorailles.”
-
-Het meisje richtte zich op als of zij door een adder gestoken was en
-met een vragenden blik naar het onverbiddelijk gelaat van den
-haciendero antwoordde zij:
-
-»Ik begrijp u niet, vader.”
-
-»Begrijpt gij mij niet, Anita? Dat kan ik kwalijk gelooven. Heb ik dan
-uwe hand niet aan den graaf beloofd?”
-
-»Wat maakt dat uit, daar ik hem toch niet bemin. Wilt gij mij dan
-doemen om mijn geheele leven ongelukkig te zijn?”
-
-»Integendeel, het is uw geluk dat ik met deze vereeniging beoog. Ik heb
-niemand dan u, Anita, om mij te troosten over het smartelijk verlies
-van uwe beminde moeder. Arm kind; gij zijt goddank nog in dien door den
-hemel gezegenden leeftijd, waarin het hart bijna niets weet van zich
-zelven en de woorden geluk en ongeluk nog geene beteekenis hebben. Gij
-bemint den graaf niet, zegt gij; nu goed; uw hart is vrij; als gij
-later in staat zult zijn de edele hoedanigheden te waardeeren van hem
-dien ik u tot echtgenoot geef, dan zult gij mij dankbaar zijn dat ik u
-tot een huwelijk riep, waarin gij heden zooveel reden van droefheid
-ziet.”
-
-»Maar, vader,” riep het meisje met een verdrietig gezicht, »mijn hart
-is niet vrij, dat weet gij wel.”
-
-»Ik weet alleen, doña Anita de Torres,” hervatte de haciendero streng,
-»dat eene liefde die uwer en mijner onwaardig is in uw hart geen plaats
-kan grijpen. Door mijne voorvaderen ben ik Cristiano Veyo en zoo er al
-eenige droppels Indiaansch bloed in mijne aderen vloeien, heb ik des te
-dieper in mijne ziel gegrift wat ik aan mijne voorouders verschuldigd
-ben. Onze eerste stamvader Antonio de Sylva, luitenant van Fernando
-Cortez, huwde wel is waar met eene Mexicaansche prinses uit het
-geslacht van Montecuzoma, maar al onze overige stamgenooten zijn
-Spanjaarden.”
-
-»Zijn wij dan geen Mexicanen, vader?”
-
-»Helaas! arm kind, wie kan zeggen wat wij zijn, of worden zullen? Ons
-ongelukkig land, sedert het de Spaansche dwingelandij afschudde,
-verkeert in een staat van beroering, en put zich uit onder de herhaalde
-pogingen der heerschzuchtigen van de lagere klasse, die binnen korte
-jaren eindigen zullen met ons zelfs de nationaliteit te ontrukken, daar
-wij zoo lang naar gestreefd en die wij met zooveel moeite verworven
-hebben. Deze schandelijke burgeroorlogen stellen ons ten spot voor
-andere volken en zijn de vreugd van onze hebzuchtige naburen, die de
-oogen onafgewend op ons gevestigd houden, en gereed staan onze schatten
-onder zich te verdeelen, daar zij reeds de eerstelingen van hebben
-geroofd door ons eenigen onzer rijkste provinciën te ontweldigen.”
-
-»Maar, vader, ik ben eene vrouw en bij gevolg weet ik niets van de
-politiek; ik heb niets met de gringos te maken.”
-
-»Meer dan gij denkt, meisje. Ik wil niet dat na zeker tijdsverloop de
-onmetelijke bezittingen, die mijne voorouders en ik door kracht van
-arbeid zich verworven hebben, t’ eenigen dage de prooi worden van die
-vervloekte ketters. Dit is de reden waarom ik, ten einde mijne
-bezittingen te redden, besloten heb u aan den graaf de Lhorailles uit
-te huwelijken. Hij is Franschman, en hij behoort tot een der eerste
-familiën van dat land; bovendien is hij een schoon en krijgshaftig
-ridder van nauwelijks dertig jaar; bij zijne natuurlijke gaven voegt
-hij de lofwaardigste zedelijke hoedanigheden; hij behoort tot eene
-machtige en geachte natie, die hare kinderen, in welken hoek der aarde
-zij zich ook bevinden, weet te beschermen. Door hem te huwen is uw
-fortuin tegen iederen staatkundigen rampspoed gewaarborgd.”
-
-»Maar ik bemin hem niet, vader.”
-
-»Kleingeestigheid, lief kind, spreken wij er niet langer over, ik wil u
-de dwaasheid wel vergeven waaraan gij u eenige oogenblikken hebt
-schuldig gemaakt, doch onder voorwaarde dat gij don Martial uit uwe
-gedachten stelt.”
-
-»Nooit!” riep zij standvastig.
-
-»Nooit? dat is zoo lang, dochter, gij zult u wel bedenken, dat weet ik
-zeker. En daarbij, wie is die man? Waar komt hij vandaan? Kent gij hem?
-Men noemt hem Martial el Tigrero, vota a Dios! Is dat een naam! Die man
-ja, heeft uw leven gered door uw paard op te houden toen het met u
-doorging, maar is dat nu eene reden waarom hij op u verlieven moet, en
-gij op hem? Ik heb hem een schitterende belooning aangeboden, die hij
-met de meeste verontwaardiging heeft van de hand gewezen; hiermede is
-alles geëindigd, hij late mij nu met vrede; ik wil niets meer met hem
-te doen hebben.”
-
-»Hem bemin ik, vader, en geen ander,” hernam zij.
-
-»Hoor eens, Anita, als gij zoo voortgaat verlies ik mijn geduld, het
-kost mij moeite bedaard te blijven, derhalve genoeg hiervan, en houd u
-gereed om den graaf de Lhorailles naar behooren te ontvangen. Ik heb
-gezworen dat hij uw echtgenoot wordt, en bij den hemel! dat zal hij, al
-zou ik u met geweld naar het altaar voeren.”
-
-De haciendero sprak deze woorden op zulk een vastberaden en
-onverzettelijken toon, dat Anita terstond begreep liever te moeten
-zwichten, al was het ook in schijn, dan een redetwist voort te zetten
-die slechts bitterder kon worden en misschien de ergste gevolgen zou na
-zich slepen; zij boog dus het hoofd en zweeg, terwijl haar vader met
-groote stappen en een ontevreden gezicht het salon op en neder trad.
-
-De deur ging open en een peon stak bescheiden het hoofd door de kier.
-
-»Wat wilt gij?” vroeg don Sylva stilstaande.
-
-»Señoria, antwoordde de knecht, »een caballero, gevolgd door vier
-anderen met eene tafel vol goud, verlangt de señorita te spreken.”
-
-De haciendero wierp een onbeschrijfelijken blik op zijne dochter.
-
-Doña Anita boog in verwarring het hoofd.
-
-Don Sylva dacht een oogenblik na, en toen helderde zijn gelaat op.
-»Laat hem binnenkomen,” zeide hij.
-
-De peon ging heen, maar keerde een paar minuten later terug ten geleide
-van onzen ouden kennis Cuchares, altijd in zijn gescheurde zarapé en
-gevolgd door vier leperos, die een zwaar beladen tafel droegen.
-
-Terwijl Cuchares de zaal binnentrad, nam hij eerbiedig den hoed af,
-maakte voor den haciendero en zijne dochter eene hoffelijke buiging en
-wenkte de dragers om de tafel midden in het salon te plaatsen.
-
-»Señorita,” zeide hij op vleienden toon, »señor don Martial, getrouw
-aan het woord dat hij aan u gaf, verzoekt u nederig het goud aan te
-nemen dat hij met de monté gewonnen heeft, als een gering bewijs van
-zijne hulde en gehechtheid aan u.”
-
-»Kerel!” brulde don Sylva toornig, hem een stap te gemoet gaande, »weet
-gij niet in wiens tegenwoordigheid gij u bevindt?”
-
-»Ja, señor, in tegenwoordigheid van doña Anita en haar eerbiedwaardigen
-vader,” antwoordde de schelm zonder in ’t minst verlegen te worden,
-terwijl hij zich statig in zijn geplukten mantel wikkelde, »en zooveel
-ik weet heb ik jegens geen van beiden den verschuldigden eerbied
-verzuimd?”
-
-»Vertrek oogenblikkelijk en breng dat goud weer weg, daar mijne dochter
-niets mede te maken heeft.”
-
-»Verschoon mij, señoria, ik heb dat goud ontvangen om het hier te
-brengen, en met uw verlof zal ik het hier laten; don Martial zou het
-mij nooit vergeven als ik anders deed.”
-
-»Ik ken geen don Martial, of hoe gij hem ook noemt die u zendt, ik wil
-met hem volstrekt niets te doen hebben.”
-
-»Dat kan wel waar zijn, señoria; maar dat gaat mij niet aan, dat moogt
-gij naar goedvinden zelf met hem uitmaken; wat mij aangaat, nu ik mijn
-boodschap verricht heb, kus ik u de handen en ga heen.”
-
-En met eene nieuwe buiging voor de beide personages, trad de lepero vol
-majesteit de salon uit, met afgemeten stappen, gevolgd door zijne vier
-handlangers.
-
-»Nu mijne dochter,” riep don Sylva buiten zich zelven van drift, »nu
-ziet gij eens aan welk een hoon ik door uwe dwaasheid blootsta.”
-
-»Een hoon! vader?” antwoordde zij bedeesd: »integendeel, ik vind dat
-don Martial zich gedraagt als een echt caballero en dat hij mij een
-groot bewijs van zijne liefde geeft: het is eene onmetelijke som.”
-
-»Ha! zoo,” zei don Sylva toornig, »denkt gij er zoo over! welnu dan zal
-ik ook doen als een caballero, voto a brios! dat zult gij zien.—Hola!
-help even!”
-
-Er kwamen eenige peons binnen.
-
-»Zet de vensters open!”
-
-De bedienden gehoorzaamden.
-
-De volksverzameling had zich nog niet verstrooid, een groot aantal
-menschen stonden nog altijd voor het huis of zwierven in den omtrek.
-
-De haciendero boog naar het venster en keek naar buiten. Hij wenkte het
-volk, om stilte te verzoeken.
-
-Werktuigelijk zweeg de woelige menigte en trad naderbij, als gevoelde
-zij dat er voor haar iets van belang zou gebeuren.
-
-»Señores caballeros y amigos!” riep de haciendero met luider stem,
-»iemand, dien ik niet ken, heeft mijne dochter het goud durven
-aanbieden, dat hij met de monté gewonnen had. Doña Anita versmaadt
-zulke geschenken, bovenal wanneer zij van een persoon afkomstig zijn,
-met wien zij noch door vriendschap, noch door eenige andere betrekking
-verbonden is. Zij verzoekt mij dit goud, dat zij zelfs niet zou willen
-aanraken, onder u te verdeelen, ten einde daardoor in het openbaar en
-voor u allen te bewijzen hoe diep zij den man veracht, die haar zoo
-heeft durven beleedigen.”
-
-Deze geïmproviseerde toespraak van den haciendero werd door de leperos
-en andere voor het huis saamgeschoolde bedelaars, die hem met begeerige
-blikken aanstaarden, met een daverend hoerah beantwoord.
-
-Anita voelde de tranen op hare oogleden branden, ondanks hare uiterste
-pogingen om zich goed te houden; haar hart dreigde te bersten.
-
-Zonder zich echter om zijne dochter te bekommeren, gaf don Sylva zijne
-bedienden order om de oncen op straat te werpen.
-
-Toen begon er letterlijk een gouden regen op het verbaasde volk af te
-dalen: de arme schooiers stormden van alle kanten toe en wierpen zich
-als razenden op het blinkend metaal als of er in tijd van hongersnood
-brood uit den hemel viel.
-
-De calle de la Merced bood het zonderlingste schouwspel dat men zich
-kan verbeelden.
-
-Het regende maar altoos goud, goud, goud, de gele schijven vlogen in
-alle richtingen, het scheen onuitputtelijk.
-
-De geplukte en gelapte leperos stortten zich als uitgehongerde coyotes
-op het kostelijk metaal, de sterksten verdrongen de zwakkeren, de
-zwaksten geraakten onder de voet en werden vertrapt.
-
-Onder het hevigst van deze stortbui kwam er een ruiter in vliegenden
-galop aanrijden.
-
-Verbaasd over hetgeen hij zag, bleef hij een oogenblik staan om rond te
-kijken; toen gaf hij zijn paard opnieuw de sporen en door het uitdeelen
-van karwatsslagen links en rechts, gelukte het hem de dicht
-opeengepakte menigte te verdeelen, die als een onstuimige zee naar
-weerszijde der straat uiteenstoof, en zoo baande hij zich een weg naar
-het huis van den haciendero, dat hij terstond binnen reed.
-
-»Daar is de graaf de Lhorailles,” zeide don Sylva lakonisch tegen zijne
-dochter.
-
-Werkelijk trad de graaf eenige oogenblikken later de salon binnen.
-
-»Hoe is het met u!” riep hij op den dorpel staan blijvende, »hoe kwaamt
-gij op dien zonderlingen inval, don Sylva? Bij mijne ziel! gij schijnt
-u te amuseeren met uwe millioenen het raam uit te werpen, tot groot
-genoegen der leperos en andere gauwdieven van dezelfde soort.”
-
-»Ah! zijt gij daar, mijnheer de graaf,” antwoordde de haciendero kalm,
-»ik heet u welkom, en ik ben tot uwe dienst, nog slechts weinige
-handvollen en ik heb gedaan.”
-
-»Laat ik u niet storen” lachte de graaf, »ik moet bekennen, de grap is
-recht origineel,” en zich thans tot het meisje wendende, dat hij met de
-uitstekendste wellevendheid groette, vervolgde hij: »Ei—lieve,
-señorita, geef mij toch de oplossing van die raadselachtige zaak, want
-ik verklaar u dat ik er ten hoogste nieuwsgierig naar ben die te
-hooren.”
-
-»Dat moet gij aan mijn vader vragen, señor,” antwoordde zij met zekere
-stroefheid, die alle verdere samenspreking onmogelijk maakte.
-
-De graaf hield zich alsof hij deze koele ontvangst niet opmerkte,
-maakte een statige buiging en wierp zich glimlachend op eene butacca.
-
-»Dan zal ik een weinig wachten,” zeide hij achteloos. »Ik heb geen de
-minste haast.”
-
-Toen de haciendero aan zijne dochter zeide, dat de man dien hij voor
-haar bestemde een schoone cavalier was, bleek thans, dat hij geen
-vleitaal gesproken had. De graaf Maxime Gaëtan de Lhorailles was iemand
-van hoogstens dertig jaar, lenig en vlug van gestalte en een weinig
-boven de middelbare lengte. Zijne blonde haren teekenden hem als een
-zoon van het Noorden; zijne trekken waren schoon, zijn oogopslag vol
-uitdrukking, zijne handen en voeten droegen het kenmerk zijner afkomst;
-alles duidde bij hem den edelman van echten stempel aan, en indien dus
-don Sylva zich in hem evenmin bedroog wat het moreele als wat het
-uitwendige betrof, was de graaf de Lhorailles een volmaakt cavalier.
-
-Eindelijk had de haciendero al het goud dat door Cuchares was
-binnengebracht het raam uitgesmeten; op hare beurt vloog thans de tafel
-die straat op, hij gaf order de vensters te sluiten en keerde in zijne
-handen wrijvende naar den graaf terug om naast hem te gaan zitten.
-
-»Zie zoo!” zeide hij met een vroolijk gezicht, »dat is afgedaan, nu ben
-ik geheel tot uwe dienst.”
-
-»Vooraf een woord.”
-
-»Spreek.”
-
-»Neem mij niet kwalijk, gij weet, ik ben vreemdeling, en als zoodanig
-laat ik mij gaarne onderrichten.”
-
-»Ik hoor u.”
-
-»Sedert ik in Mexico woon heb ik al vrij wat zonderlinge gebruiken
-gezien, zoo dat ik bijna onvatbaar ben om door iets nieuws getroffen te
-worden; intusschen moet ik u bekennen, dat hetgeen ik hier in de
-laatste oogenblikken zag, alles overtreft wat ik tot dusver heb
-waargenomen. Ik zou gaarne willen weten wat dit beduidt en of het
-misschien een gebruik is dat mij tot hiertoe ontsnapte.”
-
-»Waar spreekt gij toch van.”
-
-»Wel, hoe kunt gij dat nog vragen, van hetgeen ik u juist zag doen toen
-ik binnenkwam, dat goud, dat gij met milde hand uitstrooidet en als een
-weldadige regen over de bandieten en bedelaars van allerlei slag, die
-zich voor uw huis hadden verzameld, deedt nederruischen; het zijn onder
-ons gezegd leelijke planten om ze op die wijs te begieten.”
-
-Don Sylva begon te lachen.
-
-»Neen,” antwoordde hij, »dat is geen gewoonte.”
-
-»Zeer goed. Dus was het alleen een vorstelijke tijdkorting om zoo een
-millioen voor het janhagel te smijten? Te duivel, don Sylva, men moet
-zoo rijk zijn als gij, om zich zulk eene gril te veroorloven.”
-
-»Dat denkt gij toch niet in goeden ernst.”
-
-»Ik heb intusschen de oncen zien regenen.”
-
-»Dat is zoo, maar ze waren niet van mij.”
-
-»Al mooier en mooier, dat wordt ingewikkeld, gij maakt mij inderdaad
-meer en meer nieuwsgierig.”
-
-»Ik zal u voldoening geven.”
-
-»Ik ben geheel oor, want het is voor mij zoo onderhoudend als eene
-Arabische nachtvertelling.”
-
-»Hm!” riep de haciendero hoofdschuddend, »het gaat u misschien nader
-aan, dan gij vermoedt.”
-
-»Is het mogelijk?”
-
-»Dat moogt gij zelf beoordeelen.”
-
-Doña Anita lag als op de pijnbank; zij wist niet hoe zij zich houden
-moest: wel begrijpende dat haar vader alles aan den graaf zou
-vertellen, had zij den moed niet om deze toelichting af te wachten en
-stond zij wankelend op.
-
-»Mijne heeren,” zeide zij met eene zwakke stem, »ik gevoel mij
-ongesteld; weest zoo goed en veroorlooft mij om heen te gaan.”
-
-»Inderdaad,” riep de graaf opstaande en naar haar toeloopend om haar
-zijn arm te bieden en te ondersteunen, »gij zijt bleek, doña Anita, sta
-mij toe u naar uwe kamer te geleiden?”
-
-»Ik dank u, caballero,” zeide zij; »ik gevoel mij sterk genoeg om
-alleen te gaan, en ofschoon erkentelijk voor uw aanbod ben ik zoo vrij
-om het af te wijzen.”
-
-»Zoo als u behaagt, señorita,” zei de graaf, heimelijk gebelgd over
-deze weigering.
-
-Don Sylva stond eene enkele seconde in beraad om zijne dochter te
-bevelen te blijven, maar het arme kind wierp hem zulk een wanhopigen
-blik toe, dat hij den moed niet bezat haar eene langere foltering op te
-leggen.
-
-»Ga, mijn kind,” zeide hij.
-
-Het meisje haastte zich van deze vergunning gebruik te maken, snelde de
-zaal uit en nam de vlucht naar hare slaapkamer, waar zij zich opsloot,
-op een stoel neerzonk en in tranen uitbarstte.
-
-»Wat schort er toch aan doña Anita?” vroeg de graaf vol belangstelling
-toen zij vertrokken was.
-
-»Vapeurs, hoofdpijn, zenuwen, wat weet ik het?” antwoordde de
-haciendero schouderophalend; »alle jonge meisjes zijn zoo; over eenige
-oogenblikken zal zij het reeds vergeten zijn.”
-
-»Des te beter! ik moet u bekennen dat ik ongerust was.”
-
-»Nu wij alleen zijn, wilt gij misschien de oplossing niet meer hooren
-van het raadsel dat u zooveel belang scheen in te boezemen?”
-
-»Neen zeker. Spreek zonder verder uitstel, ik heb u van mijn kant een
-aantal gewichtige zaken mede te deelen.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-TWEE OUDE KENNISSEN VAN DEN LEZER.
-
-
-Op ongeveer vijf mijlen afstand van Guaymas ligt het kleine dorp San
-José, in de wandeling de Rancho genaamd.
-
-Deze armzalige pueblo of buurtschap bestaat slechts uit een plein van
-geringe grootte, rechthoekig gekruist door twee straten, met
-bouwvallige steenen huizen, deels bewoond door Hiaquis-Indianen, die
-jaarlijks in grooten getale naar Guaymas gaan arbeiden, als
-havenwerkers, timmerlieden, commissionairs enz., deels ook door die
-avonturiers en gelukzoekers zonder eer of deugd, daar het aan de oevers
-der Stille Zuidzee sedert de ontdekking der goudmijnen in Californië
-van wemelt.
-
-De weg van Guaymas naar San José loopt door een dorre zandige streek,
-waar slechts enkele nopalplanten en verkreupelde cactus opschieten,
-wier verdroogde en met stof overdekte takken of bladen er bij nacht
-uitzien als witte spoken.
-
-In den avond van den dag waarmede ons verhaal begint, reed een eenzame
-ruiter, tot aan de oogen in zijn mantel gewikkeld in vliegenden galop
-naar de Rancho.
-
-De donkerblauwe hemel was met duizend fonkelende sterren bezaaid; de
-maan, in haar eerste kwartier, verlichtte de zwijgende velden en
-verlengde tot in ’t oneindige de schaduw van het geboomte over de kale
-aarde.
-
-De ruiter, zonder twijfel haast hebbende om het doel eener reis te
-bereiken, die in dat late uur gevaarlijk genoeg was, zette zijn paard
-onophoudelijk aan met spoorslag en stem, ofschoon het moedige dier
-blijkbaar geen bijzondere aansporing noodig had.
-
-Reeds was onze ruiter de onbebouwde landen voorbij en op het punt om
-een dicht woud van Peruboomen in te rijden, dicht in de nabijheid der
-Rancho, toen zijn paard eensklaps een zijsprong maakte en zich op de
-vier beenen pal zette, met schuwe blikken en achterwaarts gestreken
-ooren.
-
-Een kort en knetterend geluid bewees dat de ruiter zijne pistolen
-wapende; na deze onverhoedsche voorzorg wierp hij een bespiedenden blik
-om zich heen.
-
-»Vrees niets, caballero!” riep eene moedige vertrouwelijke stem; »en
-wijk maar een weinig rechtsaf uit, als het u niet schelen kan.”
-
-De ruiter keek voor zich naar den grond en zag bijna onder de hoeven
-van zijn draver een man geknield liggen, met den kop van een paard in
-de hand, dat dwars over den weg lag.
-
-»Wat duivel doet gij daar?” vroeg hij.
-
-»Wat gij ziet,” antwoordde de andere bedrukt, »ik neem voor ’t laatst
-afscheid van mijn armen reisgenoot; men moet een geruimen tijd in de
-wildernis geleefd hebben om te begrijpen hoe veel zulk een vriend waard
-is.”
-
-»Dat stem ik u toe,” riep de vreemdeling, en hij steeg terstond af.
-»Maar is hij dan dood?” vervolgde hij.
-
-»Neen, nog niet; maar ongelukkigerwijze is hij er daarom niet te beter
-aan toe.”
-
-Hier zuchtte hij.
-
-De onbekende bukte over het paard, dat aan al zijne leden lag te
-stuiptrekken, schoof het de oogleden open en bekeek het aandachtig.
-
-»Uw paard heeft eene ophooping van bloed in de hersenen,” zeide hij
-kort daarna; »laat mij even begaan.”
-
-»O!” riep de andere, »ziet gij nog kans hem te redden?”
-
-»Ik hoop ja,” antwoordde de eerste lakoniek.
-
-»Caraï! als gij dat kondt, zijn wij vrienden in leven en sterven. Die
-arme Negro! mijn oude kameraad op zoo menige reis.”
-
-De ruiter wiesch de slapen van het paard met een mengsel van water en
-rum; na verloop van eenige minuten scheen het beest weer bij te komen,
-zijn dof en beneveld oog schitterde weder en het deed eene poging om op
-de beenen te komen.
-
-»Houd hem goed vast,” zei de onverhoopte paardenarts.
-
-»Wees maar niet bang, mijn beest. Stil, stil, Negro! stil, beste
-jongen! quieto, quieto, het is tot uw bestwil,” riep hij, zijn paard
-streelende.
-
-Het schrandere dier scheen het wel te begrijpen, het stak den kop naar
-zijn meester op en gaf hem antwoord met een klagend gehinnik.
-
-Intusschen had de ruiter iets uit zijn gordel gehaald, en boog hij
-opnieuw over het paard.
-
-»Houd hem vooral goed vast,” waarschuwde hij opnieuw.
-
-»Wat gaat gij doen?”
-
-»Ik zal hem aderlaten.”
-
-»Ja, dat is het, dat wist ik wel, maar ik dorst het alleen niet wagen,
-uit vrees dat ik hem zou dooden door hem te willen redden.”
-
-»Hebt gij hem goed vast?”
-
-»Ja. Ga uw gang.”
-
-Plotseling maakte het dier eene felle beweging toen hij het koude staal
-en den prik voelde, maar zijn meester hield hem zoo ferm vast dat hij
-zich niet verroeren kon.
-
-Er volgde voor de beide mannen eene angstvolle minuut; het bloed kwam
-niet te voorschijn, eindelijk verscheen op de plek van het priksel een
-zwarte droppel, daarna een tweede weldra gevolgd door een derde en
-opeens sprong er een straal zwart en schuimend bloed naar buiten.
-
-»Hij is behouden!” riep de ruiter terwijl hij zijn lancet afveegde en
-weder in zijn foudraal borg.
-
-»Dat zal ik u vergelden, zoo waar als ik Goedsmoeds heet!” riep de
-eigenaar van het geredde paard; »gij hebt mij een van die diensten
-bewezen die men nooit weder vergeet.”
-
-En met onweerstaanbare drift greep hij de hand van den man, dien hij
-zoo ter goeder ure op zijn pad ontmoet had. Deze beantwoordde zijn
-handdruk met gelijke warmte. Voortaan hadden zij elkander trouw
-gezworen; deze twee mannen, die nauwelijks eenige minuten te voren
-elkaar niet kenden, en niet wisten dat de andere in de wereld was,
-waren voor altijd vrienden geworden, door een van die kleine maar
-gewichtige diensten, die in de Amerikaansche wildernissen zoo oneindig
-veel waarde hebben.
-
-Intusschen werd het bloed allengs minder zwart, het werd purperrood en
-vloeide mild, de adem van het paard, eerst hijgend en schokkend, werd
-gemakkelijk en regelmatig. De onbekende zette de lating nog een poos
-voort; eerst toen hij dacht, dat het paard op den goeden weg was,
-stopte hij den bloedstraal.
-
-»Wat denkt gij thans te doen?” vroeg hij aan den andere.
-
-»Waarachtig als ik het weet, uwe hulp heeft mij zooveel dienst gedaan,
-dat ik niets beter kan doen dan hetgeen gij mij raden zult.”
-
-»Waarheen was uw weg toen u dit ongeval overkwam?”
-
-»Naar de Rancho.”
-
-»Dat was ook de mijne; wij zijn er niet ver meer vandaan, gij stijgt
-achter mij te paard, wij nemen uw paard aan den teugel mede, en
-vertrekken zoodra gij wilt.”
-
-»Ik kan niets beter wenschen. Denkt gij dat mijn paard mij niet zou
-kunnen dragen?”
-
-»Misschien zou hij het wel doen kunnen, want het is een flink beest;
-maar dat ware niet voorzichtig, gij zoudt gevaar loopen het te
-verliezen; het is beter dat gij het middel te baat neemt dat ik u
-aanwees.”
-
-»Ja, maar ik vrees nu....”
-
-»Wat vreest gij?” viel de andere hem met drift in de rede, »wij zijn
-immers vrienden?”
-
-»Dat is waar. Ik neem het aan.”
-
-Het kranke paard stond uit eigen beweging op, en de twee mannen, die
-elkander zoo zonderling hadden ontmoet, namen de reis aan zooals gezegd
-was, gezeten op hetzelfde paard.
-
-Geen twintig minuten waren er noodig, of zij bereikten de eerste huizen
-der Rancho.
-
-Aan den ingang van het dorp hield de man die het paard bestuurde stil
-en wendde zich tot zijn tochtgenoot.
-
-»Waar wilt gij afstijgen?” vroeg hij.
-
-»Dat is mij onverschillig,” antwoordde de andere; »ik vind mij overal
-thuis; laten wij samen gaan waar gij gaat?”
-
-»Ja!” riep de ruiter zich het oor krabbende, »ik ga eigenlijk niet
-bepaald ergens heen.”
-
-»Hoedat! nergens heen?”
-
-»Mijn hemel, neen. Ik zal u dit aanstonds verklaren. Ik ben eerst heden
-morgen te Guaymas ontscheept; de Rancho is mijn eerste pleisterplaats
-op eene reis die ik naar de wildernis onderneem, en die waarschijnlijk
-van langen duur zal zijn.”
-
-In het heldere maanlicht, dat den vreemdeling op dit oogenblik juist in
-het aangezicht scheen, lette zijn kameraad eenige seconden op diens
-edel en nadenkend gelaat, waarop de smart of de tegenspoed reeds diepe
-voren schenen geploegd te hebben.
-
-»Gij wilt dus zeggen,” sprak hij eindelijk, »dat alle logementen u even
-welkom zijn?”
-
-»Een enkele nacht is spoedig voorbij. Ik verlang alleen huisvesting
-voor mij en mijn paard.”
-
-»Welnu, als gij mij dan vergunt u op mijne beurt als gids te dienen,
-zal ik u binnen tien minuten daarvan voorzien.”
-
-»Dat neem ik aan.”
-
-»Ik beloof u wel is waar geen paleis, maar ik zal u brengen in eene
-pulqueria, waar ik zelf gewoonlijk mijn intrek neem als het geval wil
-dat ik deze streek uitkom. Gij zult er een min of meer gemengd
-gezelschap aantreffen; maar wat geeft gij daar om, er zit niets anders
-op en, zoo als gij wel zegt, het is maar om één kwaden nacht te doen.”
-
-»Zoo als ’t God b’lieft! laten wij gaan.”
-
-Thans zijne armen onder die van zijn kameraad doorstekende, nam de
-nieuwe gids de teugels, en wendde het paard naar een huis, dat ongeveer
-in de helft der straat lag waar zij zich bevonden, en uit welks half
-gesloten vensters het fakkellicht in de nachtelijke duisternis blonk
-als uit de gaten van een oven, terwijl het gejoel, gelach en gezang,
-vermengd met het hortend gekras der jarabes, hun tegenklonk, ten
-bewijze dat, ofschoon in het dorp alles sliep, daar ten minste nog
-alles wakker en in vollen gang was.
-
-Voor de deur dezer herberg van lager allooi hielden de beide
-vreemdelingen stil en stegen af.
-
-»Is uw besluit stellig genomen?” vroeg de eerste aan zijn kameraad.
-
-»Stellig en zeker,” antwoordde deze.
-
-De gids klopte nu met de hand op de vermolsemde deur.
-
-Het duurde vrij lang eer men antwoord gaf; eindelijk riep eene rauwe
-stem aan de binnenzijde, terwijl het geraas en getier dat tot dusver
-daar binnen heerschte als op een tooverslag zweeg, en door de diepste
-stilte werd afgewisseld.
-
-»Quien vive?”
-
-»Gente de paz!” antwoordde de vreemdeling.
-
-»Hm!” riep de stem, »dat is geen naam. Hoe is het weer buiten?”
-
-»Eens voor al en alles voor één! de cormuel [5] blaast dat de buffels
-van de Cerro-del-Huerfano afwaaien.”
-
-Oogenblikkelijk werd de deur geopend, en de reizigers traden binnen.
-
-In ’t eerst konden zij in de zaal niets onderscheiden vanwege den
-dikken rook, en stapten zij op den tast voort.
-
-De gids scheen echter in dit berenhol goed bekend te zijn, want zoowel
-de kastelein als verscheidene der gasten drongen zich om strijd om hem
-heen.
-
-»Caballeros,” zeide hij op den persoon wijzende die hem volgde, »deze
-señor is mijn vriend, ik verzoek u hem met de meeste onderscheiding te
-behandelen.”
-
-»Hij zal op gelijke wijze ontvangen worden als gij zelf, Goedsmoeds,”
-antwoordde de man die in de herberg kastelein scheen te zijn, »uwe
-paarden zijn reeds naar de corral gebracht, waar men hun ieder een
-schoof haver heeft gegeven. Wat u zelven betreft is het huis tot uwe
-dienst, gij kunt er naar welgevallen over beschikken.”
-
-Onder het wisselen dezer komplimenten, hadden de vreemdelingen zich
-door de menigte een weg weten te banen; zij waren de zaal doorgegaan en
-met veel moeite was het hun gelukt zich in een hoek neder te zetten,
-aan eene tafel waarop de kastelein zelf de noodige pulque, mezcal,
-chinguirito, catalonische refino en xeres-wijn geplaatst had.
-
-»Caramba! señor Huespad (hospes),” riep de eene vreemdeling, dien men
-reeds eenige malen Goedsmoeds had genoemd, »gij zijt mild vandaag.”
-
-»Ziet gij dan niet dat ik een angelito (engeltje) heb,” antwoordde de
-kastelein ernstig.
-
-»Alzoo is uw zoontje Pedrito....”
-
-»Hij is gestorven! ik tracht mijne vrienden zoo goed mogelijk te
-ontvangen, opdat mijn arme kind des te feestelijker in den hemel zal
-ontvangen worden, het heeft nog nooit zonde gedaan en is nu een
-engeltje bij God.”
-
-»Dat is waar,” zei Goedsmoeds, terwijl hij zijn glas aansloeg met dat
-van den vader, die zoo weinig zieletroost scheen te behoeven.
-
-Deze dronk zijn glas refino in een enkele teug ledig en verwijderde
-zich.
-
-De vreemdelingen, bereids aan den hen omgevenden atmospheer gewoon,
-wierpen thans een blik in het rond.
-
-De gelagkamer der pulqueria bood een allerzonderlingst, ja een
-aanstootelijk schouwspel.
-
-In het midden stond eene tafel, aan welke een tien- of twaalftal
-personen met schelmengezichten, in geplukte costumen en tot aan de
-tanden gewapend, druk monté speelden.
-
-Als eene vreemde bijzonderheid, die echter geen der aanwezige spelers
-scheen te verwonderen, dient te worden vermeld, dat er rechts van den
-bankhouder, een ponjaard in de tafel was geplant, terwijl er twee
-pistolen aan zijne linkerzijde lagen. Eenige stappen van daar waren een
-troep mannen en vrouwen meer dan half beschonken aan ’t zingen en
-dansen, met walgelijke gebaren en woeste kreten, op de ruwe muziek van
-twee of drie vihuelas en jarabes. In een minder luidruchtigen hoek der
-zaal stond een dertigtal personen om eene andere tafel verzameld, in
-het midden waarvan, op een kleinen stoel van bamboes, een kind van
-hoogstens vijf jaar gezeten was. Dit kind presideerde als ’t ware de
-vergadering, het had zijne beste kleertjes aan, een krans bloemen om
-het hoofd, terwijl een menigte bloemen rondom hem op de tafel gestrooid
-lagen.
-
-Maar helaas het voorhoofd van dit kind was verbleekt, de oogen stonden
-verglaasd, de wangen waren loodblauw, hier en daar met violetkleurige
-vlekken, en het gansche lichaam zoo koud en stijf als een lijk, want
-het kind was dood: dat was nu het engeltje, welks intrede in den hemel
-door den pulquero zoo feestelijk gevierd werd.
-
-Zoowel vrouwen als mannen en kinderen dronken en lachten, terwijl zij
-aan de arme moeder, die de heldhaftigste pogingen deed om niet in
-tranen uit te barsten, als om strijd herinnerden hoe voorspoedig,
-schrander en goedaardig het lieve kind geweest was dat zij verloren
-had.
-
-»Ik vind dat ergerlijk en akelig,” mompelde de eerste reiziger met een
-beweging van afschuw.
-
-»Niet waar?” antwoordde de andere, »laten wij er ons niet langer mede
-ophouden, maar zonderen wij ons af van dit gespuis, dat toch niet meer
-aan ons denkt; laten wij liever samen wat praten.”
-
-»Ik wil wel, maar ongelukkig hebben wij elkaar niets te vertellen.”
-
-»Misschien; vooreerst moeten wij elkander nog nader leeren kennen.”
-
-»Dat is waar.”
-
-»Ziet gij nu wel? Om te beginnen, wil ik u het eerst een voorbeeld van
-vertrouwen en openhartigheid geven.”
-
-»Goed! daarna zal het mijne beurt zijn.”
-
-Goedsmoeds wierp een zijdelingschen blik op het gezelschap; de
-ongepaste drukte en vroolijkheid was met nieuwe kracht aan den gang;
-het was duidelijk dat niemand der aanwezigen acht op hen gaf. Hij ging
-met de ellebogen op tafel liggen, schoof dichter bij zijn kameraad en
-begon:
-
-»Zoo als gij weten zult, daar gij mijn naam reeds meermalen hebt hooren
-uitspreken, waarde vriend, heet ik Goedsmoeds [6]; ik ben een Canadees,
-dat wil zeggen, bijna een Franschman. Omstandigheden, teveel om op dit
-oogenblik te vertellen, maar die ik u later wel zal mededeelen, hebben
-mij reeds vroeg in dit land gevoerd. Twintig levensjaren heb ik besteed
-met de woestijn in alle richtingen te doorkruisen; er is geen verloren
-beek, of vergeten voetpad dat ik niet ken. Als ik dit wilde, zou ik
-gerust en onbezorgd kunnen leven bij een dierbaren vriend, een ouden
-kameraad van mij, op eene heerlijke landhoeve, die hij eenige mijlen
-ver van Harmosillo bezit en bewoont; maar het woudloopersleven heeft
-zijne onweerstaanbare bekoorlijkheid, dat begrijpen alleen zij die er
-in gedeeld hebben; het trekt hen aan tegen wil en dank om het te
-hervatten.
-
-»Ik ben nog jong, nauwelijks vijf en veertig jaar. Een ander oud vriend
-van mij, een Indiaansch Opperhoofd met name Arendskop, stelde mij
-onlangs voor om met hem een uitstapje naar Apacheria te maken; ik liet
-er mij toe overhalen, nam afscheid van mijne vrienden die mij
-vruchteloos poogden te weerhouden, en vrij van alle banden, zonder
-spijt over het verledene en onbezorgd voor het toekomende, ging ik
-vroolijk op weg, de onwaardeerbare schatten van een vrijen jager met
-mij voerende, namelijk een moedig hart, een opgeruimd gemoed, goede
-wapenen en een paard even als zijn meester gehard tegen voor- en
-tegenspoed, en hier zit ik nu. Ziedaar, kameraad, thans kent gij mij
-zoo goed als of wij reeds tien jaar samen verbonden waren geweest.”
-
-De andere had dit verhaal aandachtig aangehoord, met den blik
-onafgewend op den stoutmoedigen jager gericht, die glimlachend
-tegenover hem zat; hij beschouwde met innige belangstelling den man,
-wiens open en sterksprekend gelaat ruwe maar ronde oprechtheid ademde
-en alle kenteekenen droeg van ware goedheid en grootheid.
-
-Toen Goedsmoeds zweeg, zat de andere, blijkbaar in diep en ernstig
-nadenken verzonken, eenige oogenblikken zonder te antwoorden; daarop
-strekte hij hem over de tafel zijne blanke fijngevormde hand toe, en
-zeide met eene bewogen stem in het beste Fransch dat ooit in deze ver
-verwijderde gewesten gesproken werd:
-
-»Ik dank u voor het in mij gestelde vertrouwen, Goedsmoeds; mijne
-geschiedenis is niet veel langer dan de uwe, maar zij is veel
-treuriger; ik geef u die in weinige woorden.”
-
-»Ei!” riep de Canadees, terwijl hij de hem toegestoken hand met warmte
-drukte, »zijt gij misschien een Franschman?”
-
-»Ja, die eer heb ik.”
-
-»Pardi! dat had ik reeds kunnen vermoeden,” hervatte hij vroolijk; »als
-ik zoo naga hoe wij nu sedert een uur lang gebrekkig Spaansch hebben
-gesproken in plaats van onze eigene taal te gebruiken, want, om kort te
-gaan, ik ben uit Canada, en de Canadeezen zoo als gij weet zijn de
-Franschen uit Amerika, niet waar?”
-
-»Gij hebt gelijk.”
-
-»Dus, dat is afgesproken, voortaan geen Spaansch meer tusschen ons?”
-
-»Neen Fransch, altijd Fransch.”
-
-»Bravo! op uw welzijn, brave landgenoot; en nu,” vervolgde hij, na zijn
-glas geledigd te hebben, en het met kracht weder op de tafel zettende,
-»nu wil ik uwe geschiedenis hooren, ik luister met aandacht.”
-
-»Zooals ik u reeds gezegd heb, is zij niet lang.”
-
-»Dat doet er niets toe, vertel maar, ik ben zeker dat zij mij zeer veel
-belang inboezemt.”
-
-De Franschman smoorde een zucht.
-
-»Ook ik heb het leven van een woudlooper geleid,” begon hij, »ook ik
-heb de wegslepende bekoorlijkheid van dat koortsachtig bestaan
-ondervonden, zoo vol treffende, altoos afwisselende en verrassende
-gebeurtenissen. Ver van het land waar wij ons thans bevinden, heb ik
-uitgestrekte wildernissen en ongerepte natuurwouden doorloopen, waar
-vóór mij geen sterfelijk mensch ooit zijn voet had afgedrukt. Evenals
-gij, op mijne avontuurlijke tochten vergezeld door een trouwen vriend,
-die mijn moed steunde en mijne zielskracht door zijne onuitputtelijke
-vroolijkheid en wel beproefde vriendschap wist te verheffen. Helaas!
-die tijd was de gelukkigste mijns levens!
-
-»Ik werd verliefd op eene vrouw en ik huwde haar. Doch nauwelijks had
-mijn vriend gezien dat ik rijk was en een familie bezat, of hij verliet
-mij. »Ik kon nu maar gerust voortleven,” zeide hij, »en had hem niet
-meer noodig.” Zijn vertrek was mijn eerste verdriet, een verdriet, dat
-ik nooit goed heb kunnen verzetten, dat van jaar tot jaar drukkender
-werd en dat mij tot op dezen dag foltert als een zelfverwijt. Helaas!
-waar is thans dat moedige hart, die trouwe ziel, die ik altijd gereed
-zag mij in den nood bij te staan, die mij lief had als een broeder en
-dien ik wederkeerig een broederlijke genegenheid toedroeg? Helaas!
-misschien is hij dood!”
-
-Bij het uiten dezer laatste woorden liet de Franschman het hoofd
-tusschen de beide handen zinken, en gaf hij zich over aan een stroom
-van bittere gedachten, die met iedere nieuwe herinnering als uit zijn
-hart opkwamen.
-
-Goedsmoeds keek hem zwaarmoedig aan en drukte hem hartelijk de hand.
-
-»Houd moed, broeder,” zeide hij op vertrouwelijken toon.
-
-»Ja,” hervatte de Franschman. »Juist zoo sprak hij altijd, als ik door
-droefheid verslagen den moed liet zinken.
-
-»Schep moed, broeder,” zeide hij dan met zijne ruwe maar hartige stem
-en met de hand op mijn schouder, en dan voelde ik mij inderdaad als
-geëlectriseerd; ik herleefde op het hooren van die hartelijke
-krachtvolle stem, ik was inderdaad opnieuw sterk en opnieuw gereed om
-den strijd te hervatten. Verscheidene jaren verliepen er voor mij onder
-het genot van ongestoord huiselijk geluk, dat door niets gestoord werd.
-Ik had eene beminnelijke vrouw, die ik aanbad: lieve kinderen van welke
-ik mij de schoonste toekomst beloofde, kortom, niets ontbrak mij, dan
-mijn boezemvriend, van wien ik, sedert hij mij verliet, ondanks al
-mijne nasporingen nooit weder iets heb mogen vernemen. Thans is mijn
-geluk voor altijd vervlogen, mijne lieve vrouw en mijne kinderen zijn
-dood, lafhartig in hun slaap vermoord door de Indianen die zich van
-mijne hacienda hadden meester gemaakt. Ik was de eenige die levend
-overbleef te midden der rookende puinhoopen eener woning waar ik
-zoovele gelukkige dagen had doorgebracht. Alles wat ik had lief gehad
-was onder bouwvallen begraven; mijn hart barstte, ik besloot mijn
-verloren lievelingen niet te overleven; maar een enkele vriend, de
-eenige die mij getrouw bleef, redde mij; hij voerde mij met geweld naar
-zijn stam; want hij was een Indiaan. Aldaar, dank zij de trouwe zorg
-die hij aan mij besteedde, riep hij mij tot het leven terug en wekte in
-mij, zoo al niet de hoop op een voor mij onmogelijk geworden geluk,
-tenminste den moed om met mijn lot te kampen dat mij zulke harde slagen
-had toegebracht. Nu nauwelijks drie maanden geleden is hij gestorven.
-
-»Eer hij voor altijd de oogen sloot, heeft hij mij laten bezweren te
-zullen doen wat hij mij vragen zou; en ik beloofde het hem. »Broeder,”
-zeide hij toen, »ieder heeft in het leven een doel noodig, wat het ook
-zij, als het maar een edel en goed is. Ik wil er u een geven; mijn
-wensch is dat gij zoodra ik dood ben op reis gaat, om den vriend te
-zoeken daar gij zoo lang van gescheiden waart; dat gij hem vinden zult
-daarvan ben ik overtuigd. Laat dit het doel in uw leven zijn.” Twee
-uren later stierf het eerwaardige opperhoofd in mijne armen. Zoodra was
-zijn lijk niet ter aarde besteld, of ik ging op weg. Heden juist,
-zooals ik u gezegd heb, ben ik te Guaymas aangekomen. Mijn voornemen is
-om onmiddellijk de woestijn in te trekken; zoo mijn vriend nog leeft
-moet ik hem daar alleen terugvinden.”
-
-Er volgde een lange stilte.
-
-Eindelijk nam Goedsmoeds het woord weder op.
-
-»Waarlijk, uw lot is allertreurigst, vriend, dat moet ik bekennen,”
-riep hij hoofdschuddend; »en nu, bovendien, begeeft gij u in eene
-hopelooze onderneming, die weinig kans heeft te zullen slagen: een
-eenig mensch in de woestijn is als een verloren zandkorrel. Gesteld dat
-uw vriend nog leeft, wie weet in welk oord hij zich dan op dit
-oogenblik bevindt, en terwijl gij hem aan den eenen kant der wildernis
-zoekt, is hij misschien juist aan den anderen. Intusschen wil ik u een
-voorstel doen, dat ik niet twijfel of het zal voor u aannemelijk en
-voordeelig zijn.”
-
-»Dat voorstel, vriend, weet ik reeds eer gij het mij zegt. Ik dank er u
-voor en neem het dadelijk aan,” antwoordde de Franschman schielijk.
-
-»Dus toegestemd en afgesproken,” zei Goedsmoeds, »wij vertrekken samen
-en gij gaat met mij naar Apacheria, niet waar?”
-
-»Ja.”
-
-»Te weêrga! dat noem ik geluk. Nauwelijks ben ik van mijn vriend
-Edelhart gescheiden of de goede voorzienigheid voert mij een anderen,
-even dierbaren tegemoet.”
-
-»Wie is die Edelhart daar gij van spreekt?” [7]
-
-»Een vriend daar ik jaren lang mede samen geleefd heb en dien gij
-eenmaal zult leeren kennen. Welaan dan op Gods genade! Met het
-aanbreken van den dag gaan wij op weg.”
-
-»Zoo vroeg gij maar wilt.”
-
-»Ik heb met Arendskop afgesproken om hem drie dagreizen van hier te
-ontmoeten. Ik zou mij zeer moeten bedriegen als hij mij niet reeds
-wachtte.”
-
-»Maar wat gaat gij in Apacheria doen?”
-
-»Dat weet ik niet; Arendskop heeft mij verzocht hem te vergezellen, en
-ik ga; een mijner stellingen is: nooit meer te willen weten dan mijne
-vrienden mij van hunne geheimen zelf gelieven te zeggen; dat geeft de
-meeste vrijheid zoowel voor hen als voor mij.”
-
-»Zeer goed geredeneerd, mijn waarde Goedsmoeds; maar als wij nu toch
-zoo lang samen zullen leven, dat hoop ik tenminste.....”
-
-»Ik ook.”
-
-»Zal het niet kwaad zijn,” vervolgde de Franschman, »dat gij mijn naam
-weet, dien ik tot nog toe vergat u op te geven.”
-
-»Laat u dat niet verontrusten, ik zelf zal er u wel een geven, zoo gij
-wellicht reden hebt om uw incognito te bewaren.”
-
-»Daar heb ik volstrekt geen reden toe; ik ben de graaf Louis de Prébois
-Crancé.” [8]
-
-Goedsmoeds sprong op als een losgelaten veer die zich ontspant, hij nam
-zijn bonten muts af en maakte een eerbiedige buiging.
-
-»Duid mij niet ten kwade, mijnheer de graaf,” zeide hij, »dat ik een
-weinig vrij tot u gesproken heb; had ik geweten met wien ik de eer had
-samen te zijn, dan zou ik mij zoo veel vrijheid niet hebben
-veroorloofd.”
-
-»Goedsmoeds, Goedsmoeds,” riep de graaf met een ernstigen glimlach
-terwijl hij driftig zijne hand greep, »moeten wij zoo onze verbintenis
-aanvangen? Er staan twee mannen gereed hetzelfde leven te leiden,
-dezelfde gevaren te trotseeren, dezelfde vijanden te bestrijden, laten
-wij voor de zotten in de steden de dwaze onderscheidingen over die voor
-ons geenerlei waarde of beteekenis hebben. Ik wil voor u niets anders
-zijn dan Louis, uw goede reisgezel, en uw trouwe vriend, even als gij
-voor mij niets anders zijt dan Goedsmoeds, de beproefde onversaagde
-woudlooper.”
-
-Bij deze woorden kwam er op het gelaat van den Canadees een glans van
-genoegen.
-
-»Goed gesproken, bij mijne ziel, mooi gesproken,” riep hij uit. »Ik ben
-maar een arme onwetende jager, waarom zou ik dit verbergen? Maar
-hetgeen gij mij daar gezegd hebt, was mij recht naar het hart
-gesproken. Bij den hemel! Louis, ik ben geheel de uwe, in leven en
-dood, en ik hoop u weldra te bewijzen, vriend, dat ik zekere waarde
-heb,”
-
-»Daar ben ik meer dan van overtuigd; en hiermede hebben wij elkander
-thans goed begrepen, niet waar?”
-
-»Pardi! ja.”
-
-Op dit oogenblik klonk er op de straat zulk een geweldig leven, dat het
-in de zaal duidelijk gehoord werd.
-
-Gelijk gewoonlijk in dergelijke gevallen, zwegen de luidruchtige gasten
-in de pulqueria opeens doodstil om te luisteren. Men hoorde duidelijk
-schreeuwen en vloeken, gekletter van sabels, en getrappel van paarden,
-bij tusschenpoozen overstemd door het losbranden van vuurwapenen.
-
-»Carai!” riep Goedsmoeds, »ik geloof dat er op straat gevochten wordt.”
-
-»Dat vrees ik ook,” antwoordde de pulquero flegmatiek en meer dan half
-beschonken, terwijl hij nog een glas refino ledigde.
-
-Eensklaps werd er, hetzij met het gevest van een sabel of met de kolf
-van een pistool, heftig op de zwakke deur der pulqueria geklopt, en
-riep eene krachtige stem op barschen toon:
-
-»Doe open voor den duivel! anders trap ik de ellendige deur aan
-spaanders.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-DE GRAAF MAXIMA GAËTAN DE LHORAILLES.
-
-
-Alvorens onze lezers de oorzaak op te helderen van het geweldige rumoer
-dat den rustigen gang der zaken in de pulqueria zoo plotseling kwam
-storen, zijn wij verplicht eenige stappen terug te treden.
-
-Drie jaren ongeveer voor het tijdstip waarop ons verhaal begint, in een
-kouden regenachtigen Decembernacht, hadden acht personen, zoo als
-genoegzaam uit hunne kleeding en manieren bleek, tot de hoogste klasse
-der Parijsche samenleving behoorende, zich vereenigd in een elegant
-kabinet van het Engelsche koffiehuis te Parijs.
-
-Het was reeds diep in den nacht; de waskaarsen, meer dan twee derden
-verbrand, verspreidden haar zedig maar somber licht, de regen kletterde
-tegen de vensters en de wind blies daar buiten met naargeestig gehuil.
-
-De gasten zaten rondom eene tafel, waarop het overschot van een
-schitterend souper nog aanwezig was; zij schenen zich tegen wil en dank
-door de sombere weersgesteldheid te laten beheerschen, en met de ruggen
-in de gemakkelijke leuningstoelen weggezonken waren sommigen
-ingesluimerd, terwijl anderen, in hunne gedachten verdiept, evenmin
-acht sloegen op hetgeen er rondom hen gebeurde.
-
-De pendule op den schoorsteenmantel sloeg langzaam drie ure; nauwelijks
-had de laatste slag uitgegalmd, of het herhaald geklipklap van een
-postiljonszweep en het vroolijk gerinkel van paardenbellentuig liet
-zich hooren onder de vensters van het vertrek, die op den Boulevard
-uitzagen.
-
-De deur werd weldra geopend en een garçon kwam binnen.
-
-»De postchais voor mijnheer den graaf de Lhorailles is voor,” zei de
-knecht.
-
-»Dank u,” zei een der gasten en wenkte den garçon dat hij heen kon
-gaan.
-
-Deze boog en verwijderde zich, de deur achter zich sluitende.
-
-De weinige woorden, zoo even door den knecht gesproken, hadden de
-bekoring gebroken die de gasten tot hiertoe geketend hield; allen
-vlogen op alsof zij met schrik ontwaakten, en wendden zich tot een jong
-heer van omtrent dertig jaar, die in hun midden zat.
-
-»Het is dus waar dat gij vertrekt?” riepen allen uit eenen mond.
-
-»Ja, ik vertrek,” antwoordde hij kalm met een toestemmenden hoofdknik.
-
-»Maar waar gaat gij dan toch heen? Men verlaat zijne vrienden maar zoo
-niet zonder waarschuwen en zonder adres,” hervatte een der gasten.
-
-De man, dien deze vraag gold, glimlachte zwaarmoedig.
-
-De graaf de Lhorailles was een schoon en welgemaakt edelman, met
-sprekende gelaatstrekken, krachtvollen blik, trotsche lippen; hij
-behoorde tot een der oudste adellijke geslachten en genoot een bepaald
-gevestigden roem onder de lions van dien tijd.
-
-Hij stond op en liet zijn blik over de gasten rondgaan.
-
-»Mijne heeren,” zeide hij, »ik begrijp al het zonderlinge van mijn
-gedrag; gij hebt het recht om eene verklaring van mijne zijde te
-verwachten; en die verklaring wil ik u gaarne geven. Bovendien is het
-alleen met dit doel dat ik u heden bij mij heb genoodigd om met u het
-laatste maal te gebruiken; het uur van mijn vertrek is geslagen, de
-postchais staat mij te wachten: morgen ben ik reeds ver van Parijs,
-binnen acht dagen zal ik Frankrijk hebben verlaten; hoort mij voor ’t
-laatst.”
-
-De gasten waren blijkbaar getroffen en staarden den graaf aandachtig
-aan.
-
-»Weest niet ongerust, mijne heeren,” zeide hij, »ik zal niet te veel
-van uw geduld vergen, de historie die ik u te vertellen heb is niet
-lang, het is de mijne. Hier is zij in weinige woorden, aldus: Ik ben
-geheel geruïneerd; van alles wat ik bezat heb ik slechts eenige
-biljetten van 100 francs over, waarmede ik, zoo ik te Parijs bleef, van
-honger zou kunnen sterven of binnen eene maand genoodzaakt zou zijn mij
-voor den kop te schieten, een vooruitzicht verzeker ik u, dat al te
-treurig is om mij aan te lokken. Ongelukkigerwijs heb ik geen de minste
-kans om bij het leger geplaatst te worden, want geheel buiten mijne
-schuld heb ik te recht of te onrecht den naam van een overgegeven
-duëllist, dat mij zeer in den weg staat, vooral sedert die treurige
-zaak met den armen burggraaf de Morseus, dien ik tegen wil en dank
-verplicht was te dooden, om hem den mond te stoppen en een einde te
-maken aan zijne lasterlijke beweringen. Kortom wegens de redenen die ik
-de eer heb gehad u op te geven en om een aantal andere, die gij niet
-behoeft te weten en die ik zeker ben dat, zoo gij ze wist, u geen het
-minste belang zouden inboezemen, is mij Frankrijk onverdragelijk
-geworden, en dat wel zoo erg dat ik het met allen spoed ga verlaten. Nu
-nog een glas champagne voor ’t laatst en daarmede adieu aan u allen!”
-
-»Een oogenblik, graaf!” antwoordde een der gasten, dezelfde die vroeger
-reeds gesproken had, »gij hebt ons nog niet gezegd naar welk land gij
-voornemens zijt te vertrekken.”
-
-»Kunt gij dat niet raden? Naar Amerika. Men zegt vrij algemeen dat het
-mij niet aan moed of verstand ontbreekt, welnu, ik ga naar een land,
-waar deze twee hoedanigheden, als ik de loopende geruchten gelooven
-mag, voldoende zijn om fortuin te maken voor dengene die ze bezit. Hebt
-gij mij nog iets te vragen, baron?” vervolgde hij zich tot den laatsten
-spreker wendende.
-
-Deze stond alvorens te antwoorden eenige minuten in ernstige gedachten
-verdiept en scheen zich te beraden. Eindelijk keek hij op en zag den
-graaf met een koelen doordringenden blik aan.
-
-»Is het u inderdaad ernst, vriend, met uw vertrek,” zeide hij.
-
-»Volkomen ernst.”
-
-»Zweert gij mij dat op uwe eer?”
-
-»Ja, op mijne eer zweer ik het u.”
-
-»En zijt gij waarlijk besloten om u in Amerika een plaats te verwerven,
-ten minste gelijk staande met die welke gij hier hebt ingenomen?”
-
-»Ja,” riep de graaf schielijk, »door alle mogelijke middelen.”
-
-»Goed zoo. Hoor dan op uwe beurt naar mij, graaf, en als gij uw
-voordeel wilt doen met hetgeen ik u heb mede te deelen, zal het u
-misschien met Gods hulp gelukken de dolzinnige plannen te volvoeren die
-gij u hebt voorgenomen.”
-
-Al de aanwezigen traden belangstellend nader, zelfs de graaf scheen
-tegen wil en dank nieuwsgierig te worden.
-
-De baron de Spurtzheim was een man van omtrent vijf en veertig jaar;
-zijne vale kleur, scherp geteekende trekken en de onbeschrijfelijke
-uitdrukking van zijn oogopslag gaven hem een zweem van zonderlingheid,
-daar het gewone publiek zich geen recht denkbeeld van kon maken en die
-hem zelfs bij de lieden van bekende scherpzinnigheid voor een inderdaad
-merkwaardig man deden doorgaan.
-
-Men kende den baron algemeen aan zijn kolossaal vermogen, dat hij
-koninklijk verteerde; wat echter zijne antecedenten betreft, daarvan
-wist niemand, ofschoon hij in de hoogste kringen den vrijen toegang
-had.
-
-Alleen zeide men algemeen dat hij verre reizen gedaan en verscheidene
-jaren in Amerika gewoond had; maar niets is onzekerder dan loopende
-geruchten en op dien grond zou het hem zeker nooit gelukt zijn in de
-salons van den hoogsten adel voet te krijgen, zoo niet de
-Oostenrijksche ambassadeur, zonder zich nochtans op dat punt ten zijnen
-opzichte ooit duidelijk uit te laten, hem niet, buiten zijn weten, meer
-dan eens in verscheidene netelige gevallen, met krachtdadige warmte in
-zijne bescherming had genomen.
-
-De baron was meer intiem met den graaf gelieerd dan met zijne overige
-vroolijke vrienden; hij scheen zeker bijzonder veel belang in hem te
-stellen, en had hem meer dan eens in moeielijke omstandigheden, wanneer
-hij vermoedde dat zijn vriend in verlegenheid was, langs bedekte wegen
-uit den brand trachten te helpen.
-
-De graaf de Lhorailles, ofschoon te trotsch om deze offers aan te
-nemen, had den baron deswege niet te min steeds een erkentelijk hart
-blijven toedragen en dezen onbedacht zeker overwicht bij hem laten
-verwerven.
-
-»Spreek, waarde baron, maar wees kort,” zei de graaf de Lhorailles;
-»gij weet dat de postkoets op mij wacht.”
-
-Zonder te antwoorden greep de baron het schelkoord en trok aan de bel.
-
-De knecht kwam binnen.
-
-»Zend den postiljon weg en zeg hem dat hij morgen ochtend tegen vijf
-ure terugkomt, gauw, gauw.”
-
-De knecht boog en vertrok.
-
-De graaf, hoezeer hoogelijk verwonderd over deze vrijheid van zijn
-vriend, maakte echter geen de minste aanmerking; hij schonk zich een
-glas champagne-wijn, dat hij in een teug ledigde, kruiste de armen op
-de borst, wierp zich met den rug in zijn stoel en wachtte.
-
-»Welaan, mijne heeren,” begon de baron van Spurtzheim op zijn gewonen
-schertsenden en pikanten toon, »terwijl onze vriend de Lhorailles ons
-zijne geschiedenis verteld heeft en wij hier zoo fideel bij elkander
-zitten, waarom zou ik u dan de mijne ook niet vertellen? Het is
-vreeselijk weer, het stormt en stortregent daar buiten, hier zitten wij
-warm en op ons gemak, wij hebben regalias en champagne, twee
-uitmuntende zaken als men er zich niet in te buiten gaat. Wat zouden
-wij beter doen kunnen? Niets immers? Wilt mij dus hooren, want ik meen
-dat hetgeen ik u zeggen zal u wel belang zal inboezemen, te meer daar
-ik zeker ben dat sommigen onder u gaarne hooren zullen waaraan zij zich
-ten mijnen opzichte te houden hebben, en wat zij eigenlijk van mij
-denken moeten.”
-
-De meeste barstten los in een schaterend gelach, bij deze stoute
-verklaring. Toen hunne vroolijkheid weder bedaard was, nam de baron het
-woord en begon:
-
-»Wat het eerste gedeelte mijner geschiedenis betreft, mijne heeren: zal
-ik even kort zijn als de graaf. In de eeuw die wij beleven zijn de
-edelen, ten gevolge van onze vooroordeelen en van onze opvoeding, zoo
-geheel natuurlijk buiten den regel en de wet geplaatst, dat wij allen
-een goede les in de school des levens noodig hebben en als het ware
-genoodzaakt zijn, om zonder bijna te weten hoe, in weinige jaren ons
-vaderlijk erfgoed door te brengen. Zoo ging het ook mij, gelijk de
-meesten van u, mijne heeren. Mijne voorouders waren in de middeleeuwen
-zoo wat roofzieke baronnen geweest, het echte bloed verloochent zich
-niet licht. Toen nu mijne laatste hulpbronnen bijna waren uitgeput,
-begon mijn aangeboren instinct wakker te worden en vestigden mijne
-blikken zich op Amerika. Ik ging er heen; en in minder dan tien jaren
-had ik het kolossaal fortuin verzameld, dat ik thans bezit en dat ik
-thans het onuitsprekelijk geluk heb, niet te verkwisten, daarvoor had
-ik niet te vergeefs eene harde les geleerd, maar te verteren en in uw
-onschatbaar bijzijn te genieten, wel zorg dragende mijn kapitaal
-onaangeroerd te laten.”
-
-»Maar mijn hemel!” riep de graaf ongeduldig, »hoe hebt gij het kunnen
-verzamelen dat kolossale fortuin zoo als gij zelf het noemt?”
-
-»Veertig millioenen ongeveer,” antwoordde de baron droogjes.
-
-Eene begeerlijke huivering liep de aanwezigen door de aderen.
-
-»Wel een kolossaal vermogen, inderdaad,” riep de graaf; »maar ik
-herhaal mijne vraag hoe hebt gij dat verzameld?”
-
-»Als ik niet bepaald voornemens was geweest het u te openbaren, geloof
-mij, mijn waarde, ik zou uw geduld niet hebben misbruikt om u iets van
-mijne armoede te zeggen dat gij zoo aanstonds hooren zult.”
-
-»Wij zijn geheel oor!” riepen allen.
-
-De baron liet zijn blik langzaam over de aanwezigen rondgaan.
-
-»Drinken wij eerst nog een glas champagne op het succes van onzen
-vriend,” zei de baron sarcastisch. De glazen werden gevuld, geklonken,
-en in een oogwenk geledigd, zoo groot was de nieuwsgierigheid die allen
-bezielde.
-
-Na zijn glas voor zich op de tafel te hebben gezet, stak de baron een
-regalia aan en wendde zich tot den graaf.
-
-»Het is inzonderheid tot u, mijn vriend,” zeide hij, »dat ik mij thans
-richten zal, gij zijt jong, ondernemend, in het bezit van een vasten
-wil en een ijzeren gezondheid: het staat bij mij onwederlegbaar vast
-dat gij, tenzij de dood uwe plannen in duigen werpt, slagen moet in
-alles wat gij onderneemt en welk doel gij ook beoogt. Op de baan die
-gij u zelven gekozen hebt is de voornaamste, ja de eenige grond van
-welslagen, dat men door en door bekend zij met het terrein waarop gij
-moet werken en den kring waarin gij zult binnen treden. Had ik bij mijn
-eerste optreden in het avontuurlijk leven dat gij begint, even als gij
-dadelijk een vriend gevonden zoo als gij, om mij in de geheimen van
-mijn nieuw bestaan te leiden, dan zou ik mijn fortuin reeds vijf jaar
-vroeger gemaakt hebben. Wat niemand voor mij gedaan heeft wil ik thans
-voor u doen, misschien zult gij mij later nog dank zeggen over de
-aanwijzingen, die ik geven zal en die u leeren zullen den weg te vinden
-in den verwarden doolhof, dien gij gereed zijt binnen te treden.
-Vooreerst moet gij dit u ten beginsel stellen: dat de volken in wier
-midden gij leven zult uwe natuurlijke vijanden zijn, gij gaat dus een
-onophoudelijken strijd te gemoet, van dag tot dag en van uur tot uur;
-alle middelen moeten u welkom zijn die u helpen kunnen om de zege te
-behalen: zet al uwe grondregels van eer en kieschheid ter zijde, in
-Amerika zijn dat niet dan ijdele woorden, die zelfs de kracht niet
-hebben om er iemand mede te misleiden, om de eenvoudige reden dat
-niemand er aan gelooft. De eenige God van Amerika is het goud; om goud
-te verkrijgen is de Amerikaan tot alles in staat; en dat niet zoo als
-in het oude Europa, onder een eerlijken schijn of met bedekte middelen,
-maar open en bloot en zonder schaamte of berouw. Dit eenmaal tot regel
-gesteld zijnde, is u de weg aangewezen, geen plan zoo dwaas en
-buitensporig of het heeft in Amerika kans op welslagen, daar de
-middelen om het uit te voeren in ruimen overvloed en schier onbeperkt
-voorhanden zijn. Geen volk ter wereld heeft beter begrepen dan de
-Amerikaan, wat associatie vermag: dat is de machtige hefboom waarmede
-hij al zijne plannen tot stand brengt. Als men daar ginds, alleen,
-zonder vrienden, zonder kennis of ervaring aankomt, moge men zoo
-verstandig of zoo vastberaden zijn als men wil, maar men is verloren,
-omdat men alleen staat tegenover de macht van allen.”
-
-»Dat is waar,” mompelde de graaf overtuigd en somber.
-
-»Geduld!” hervatte de baron met een glimlach, »of denkt gij dat ik u
-zonder harnas ten strijd zou willen voeren? Neen, neen, ik zal er u een
-geven van het kostelijkste staal, dat verzeker ik u.”
-
-Al de aanwezigen staarden vol verbazing den man aan, die in hun oog
-binnen weinige minuten honderd ellen grooter was geworden. De baron
-hield zich echter alsof hij den door hem gemaakten indruk niet
-opmerkte, en vervolgde een oogenblik later, met nadruk op ieder woord
-en als zocht hij zijne lessen in het geheugen van den graaf te willen
-graveeren:
-
-»Onthoud wel wat ik u zeggen zal; het is van de grootste
-aangelegenheid, vriend, dat er u geen woord van ontgaat; want de
-uitslag uwer reis naar de Nieuwe Wereld hangt er bepaald van af.”
-
-»Spreek, ik zal er geen syllabe van verliezen,” riep de graaf met
-koortsachtig ongeduld.
-
-De baron ging voort.
-
-»In den eersten tijd der landverhuizing, toen de toestroom der
-vreemdelingen naar Amerika begon, vormde zich een maatschappij van
-stoute gezellen zonder eer of trouw, zonder genade en zonder zwakheid,
-die met terzijdestelling van alle nationaliteiten, vermits zij uit
-allerlei volken afkomstig waren, geen andere regeering erkenden dan die
-zij zelven instelden op het zoogenaamd Schildpaddeneiland, een schier
-onmerkbare rots in het midden van den grooten Oceaan; die regeering was
-monsterachtig, daar zij alleen op geweld was gegrond, en geen andere
-wet erkende dan het recht van den sterkste. Die stoute gezellen,
-onderling saamverbonden door eene drakonische wet, of schriftelijke
-overeenkomst, gaven zich den naam van Broeders der Kust en waren in
-twee klassen verdeeld, namelijk, de boekaniers en de vrijbuiters.
-
-»De boekaniers zwierven in de onmetelijke wouden, jacht makende op
-buffelstieren, terwijl de vrijbuiters de zeeën afschuimden, alle
-vlaggen aanvielen, en schepen van alle natiën plunderden, onder
-voorwendsel van den Spanjaarden afbreuk te doen, maar inderdaad om de
-rijken te bestelen ten voordeele der armen, als het eenigst hun bekende
-middel om het evenwicht tusschen de beide klassen te herstellen. De
-Broeders van de Kust namen gedurig al het gespuis in zich op dat uit de
-oude wereld tot hen overkwam, zij werden steeds machtiger en machtiger,
-zoo zelfs dat de Spanjaarden beefden voor hunne Amerikaansche
-bezittingen en een roemrijk Koning van Frankrijk zich verwaardigde met
-hen verdragen te sluiten en hun een ambassadeur te zenden. Later, door
-de onverbiddelijke kracht der omstandigheden, zijn ook de Broeders van
-de Kust, gelijk alle uit regeeringloosheid voortgesproten
-staatsmachten, die bijgevolg geen beginsel van levensvatbaarheid in
-zich zelven bezitten, allengs verminderd en eindelijk geheel verdwenen.
-Toen men hen gedwongen had in de duisternis terug te treden, meende men
-hen niet slechts overwonnen, maar totaal vernietigd te hebben; het was
-er echter verre vandaan, zooals gij weldra met eigen oogen zien zult.
-Ik vraag u verschooning voor deze lange en vervelende inleiding, maar
-zij was onvermijdelijk noodig om u wel te doen verstaan wat ik u nog
-verder te zeggen heb.”
-
-»Het is reeds half vijf, baron,” merkte de graaf aan, »wij hebben nog
-maar veertig minuten tijd.”
-
-»Die tijd, hoe kort ook, zal mij voldoende zijn” antwoordde de baron;
-»ik hervat dus: de Broeders der Kust waren niet verdelgd. Zij waren
-slechts van gedaante verwisseld—zich met meesterlijke buigzaamheid
-schikkende naar de eischen van eene macht die hen dreigde te
-overtreffen; zij waren van huid veranderd, en in plaats van tijgers
-vossen geworden. De Broeders der Kust waren thans de Dauph’yeers; in
-plaats van even stout als voorheen met den dolk in de eene en de
-enterbijl in de andere hand de vijandelijke schepen te bespringen,
-hielden zij zich klein en groeven onderaardsche holen; tegenwoordig
-zijn de Dauph’yeers de meesters der Nieuwe Wereld, zij zijn nergens en
-zij zijn overal; zij regeeren overal; hun invloed doet zich onder alle
-rangen en standen der maatschappij in Amerika gevoelen en opmerken,
-zonder dat men hen zelven ooit te zien krijgt. Zij zijn het die de
-Vereenigde Staten aan Engeland; Peru, Chili en Mexico aan Spanje hebben
-ontrukt. Hunne macht is onbegrensd, des te geduchter naarmate zij meer
-in het duister werkt, meer verloochend en geïgnoreerd wordt, daarin
-juist ligt hunne kracht. Verloochend en ontkend te worden is voor eene
-geheime maatschappij de onmisbare voorwaarde harer macht; er heeft in
-Amerika geen omwenteling plaats, zonder den invloed der Dauph’yeers,
-hetzij door haar te doen zegevieren of haar te doen mislukken. Zij
-vermogen alles, zij zijn alles; buiten hunnen kring is niets mogelijk,
-daar binnen alles; ziedaar wat in den voortgang des tijds in minder dan
-twee eeuwen de Broeders der Kust, thans de Dauph’yeers, geworden
-zijn!.... namelijk de ontwijfelbare spil waar in de Nieuwe Wereld alles
-op draait; wel een jammerlijk lot voor dit schoon gewest om zoo ten
-allen tijde, van zijne ontdekking af aan gedoemd te zijn onder de
-dwingelandij te zuchten van de veelsoortige bandieten, die zich tot
-taak schijnen gesteld te hebben het te beheeren en er hun voordeel mede
-te doen, onder allerlei vormen, zonder dat het ooit in staat zal zijn
-er zich van te ontslaan!”
-
-Er volgde eene vrij langdurige stilte; allen dachten na over hetgeen
-zij gehoord hadden, dat, hoe overdreven ook, in allen deele ten minste
-een schijn van waarheid bezat; de baron zelf liet het hoofd op de beide
-handen zinken en scheen zich te verliezen in den maalstroom van ideeën,
-die hij in zich had wakker gemaakt en die hem in massa bestormden met
-de vele smartelijke en bittere herinneringen, welke zij in hem te
-voorschijn riepen.
-
-Het rollen van een rijtuig in de verte, maar dat snel scheen te
-naderen, riep den graaf de Lhorailles tot den zakelijken ernst van zijn
-tegenwoordigen toestand terug.
-
-»Daar is mijne postchais!” riep hij, »ik vertrek, en ik weet nog
-niets.”
-
-»Geduld,” antwoordde de baron, »neem afscheid van uwe vrienden en
-vertrekken wij.”
-
-Tegen wil en dank gedwee, door het overwicht van dezen zonderlingen
-man, gehoorzaamde de graaf zonder zelfs de minste aanmerking te maken.
-
-Hij stond op, omhelsde zijne oude vrienden, wisselde met hen de warmste
-handdrukken, ontving hunne wenschen voor zijn welslagen en verliet het
-vertrek, gevolgd door den baron.
-
-De postchais wachtte hem voor de deur van het koffiehuis.
-
-De andere heeren hadden de vensters van de kamer geopend en wenkten
-hunnen vriend opnieuw vaarwel.
-
-De graaf wierp een langen blik op den Boulevard; de nacht was donker,
-ofschoon de regen had opgehouden, de hemel was zwart als inkt, en de
-gasvlammen schitterden flauw in de verte als sterren die zich verloren
-in een nevel.
-
-»Vaarwel!” mompelde de edelman met eene gesmoorde stem, »vaarwel! wie
-weet of ik ooit wederkom.”
-
-»Schep moed!” klonk eene strenge stem aan zijn oor.
-
-De jonkman sidderde; de baron stond naast hem.
-
-»Kom vriend,” zeide hij hem in het rijtuig helpende, »ik ga met u tot
-aan de barrière.”
-
-De graaf steeg waggelend in het rijtuig en zonk op een der kussens
-neêr.
-
-»Naar Normandië!” riep de baron tegen den postiljon en sloot het
-portier.
-
-De postiljon klapte met de zweep, de chais zette zich in beweging en
-vertrok in galop.
-
-»Adieu! adieu!” riepen de jongelieden uit de vensters van het Café
-Anglais.
-
-Een geruimen tijd zaten de twee mannen zonder te spreken, eindelijk nam
-de baron het woord.
-
-»Gaëtan!” zeide hij.
-
-»Wat wilt gij?” antwoordde de graaf.
-
-»Ik heb u mijne geschiedenis nog niet uitverteld.”
-
-»Dat’s waar,” mompelde hij verstrooid.
-
-»Verlangt gij het slot niet te hooren?”
-
-»Spreek, vriend.”
-
-»De toon waarop gij mij dit zegt, mijn waarde, bewijst dat uw geest in
-de denkbeeldige wereld omzwerft; gij denkt zeker aan hen die gij
-verlaten hebt.”
-
-»Helaas!” zuchtte de graaf, »ik ben alleen op de wereld. Om wie zou ik
-treuren? ik heb noch magen noch vrienden.”
-
-»Ondankbare!” riep de baron op een toon van verwijt.
-
-»’t Is waar; vergeef mij, waarde vriend, ik wist zelfs niet wat ik
-zeide.”
-
-»Ik vergeef het u, maar alleen op voorwaarde dat gij naar mij
-luistert.”
-
-»Dat beloof ik u.”
-
-»Welaan dan, vriend, om op die Dauph’yeers daar ik u van sprak terug te
-komen, zoo gij in uw plannen slagen wilt zijn hunne vriendschap en
-bescherming voor u onmisbaar.”
-
-»Helaas! hoe zal ik, als vreemdeling mij die vriendschap en die
-bescherming verwerven? Nu eerst beef ik van angst als ik aan dat land
-denk daar ik mij zulk eene schoone toekomst droomde te zullen scheppen;
-de blinddoek is mij van de oogen gevallen, ik zie thans hoe
-buitensporig mijne plannen zijn; de moed ontzinkt mij.”
-
-»Nu reeds?” riep de baron streng. »Kind zonder geestkracht, die den
-strijd reeds opgeeft eer gij hem aanvaard hebt! Man zonder kracht en
-zonder moed! De vriendschap en de bescherming die voor u zoo onmisbaar
-zijn, kunt gij verwerven, zoo gij wilt, ik zal er u de middelen toe
-verschaffen.”
-
-»Gij!” riep de graaf tintelend van nieuwe hoop.
-
-»Ja, ik. Wat denkt gij, dat ik mij zou kunnen vermaken met u twee uren
-lang te folteren, en met u te spelen als de jaguar met een lam, alleen
-uit baldadige scherts? Neen, Gaëtan, als gij dat denkt dan vergist gij
-u wel zeer; ik bemin u, vriend. Toen ik uw besluit hoorde, heb ik het
-uit grond van mijn hart toegejuicht: het heeft u in mijne schatting
-hersteld; toen gij ons dezen nacht ronduit uw toestand te kennen gaaft
-en uwe plannen ontwikkeldet, was het als vond ik mij zelven in u terug,
-mijn hart beefde van blijdschap, wel eene minuut lang was ik gelukkig,
-en toen heb ik in mij zelven gezworen dat ik u den breeden en schoonen
-weg zou openen, op welken gij zeker slagen moet, of het zal uw eigen
-schuld zijn, omdat gij niet hebt gewild.”
-
-»O!” riep de graaf met drift, »ik zou kunnen omkomen in den strijd die
-op dit oogenblik tusschen mij en het gansche menschdom begint; maar
-vrees niet, vriend, ik zal ridderlijk vallen als een man van moed.
-
-»Daar ben ik van overtuigd, vriend; ik heb u nog maar weinige woorden
-te zeggen. Ook ik ben Dauph’yeer geweest, ik ben het nog; het vermogen
-dat ik bezit heb ik alleen aan mijne broeders te danken. Neem deze
-portefeuille, doe dit kettinkje met het kleine medaillon dat er
-aanhangt om uw hals; straks, als gij alleen zijt, leest gij de
-voorschriften die de portefeuille bevat, en zij zullen u den weg wijzen
-hoe gij handelen moet. Zoo gij ze stipt van punt tot punt opvolgt, sta
-ik u borg voor uw succes: dat is het cadeau dat ik voor u bestemd had
-en dat ik u niet heb willen geven voor dat wij alleen waren.”
-
-»Is het mogelijk!” riep de graaf in vervoering.
-
-»Hier zijn wij aan de barrière,” zei de baron, terwijl het rijtuig stil
-hield; »wij moeten scheiden. Vaarwel, vriend, moed en standvastigheid!
-omhels mij. Bovenal denk om de portefeuille en het medaillon.”
-
-De beide mannen omarmden elkander lang: eindelijk rukte de baron zich
-met geweld los, opende het portier en sprong op de trottoir.
-
-»Adieu;” riep hij voor ’t laatst, »adieu, Gaëtan! denk er om.”
-
-De postchais reed in snellen draf den straatweg op.
-
-Het was zonderling maar de beide mannen mompelden moedeloos hetzelfde
-woord zoodra zij zich alleen bevonden, de een met driftigen stap den
-trottoir afgaande, de andere half verscholen in de kussens der
-postkoets.
-
-Dat woord was:
-
-»Misschien”!
-
-Ondanks alle moeite die zij deden om zich zelven te bedriegen, hoopten
-zij geen van beiden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-DE DAUPH’YEERS.
-
-
-Thans verlaten wij de oude wereld en maken een geweldigen overstap, die
-ons met een enkelen sprong in de nieuwe wereld overbrengt.
-
-Er is in Amerika eene stad die zich misschien met geen andere op den
-ganschen aardbol laat vergelijken.
-
-Die stad is Valparaiso.
-
-Valparaiso! de naam alleen reeds klinkt in ons betooverd gehoor als de
-zoetluidende tonen van een minnezang.
-
-Behaagziek, glimlachend en schalksch, als eene dartele kreolin op de
-mollige sofa, uitgestrekt op den oever eener bekoorlijke baai aan het
-hangen van drie majestueuze bergen, de kleine rozenvoeten badend in de
-azuren golfjes der Stille Zuidzee, en het gedachtenvolle hoofd
-omsluierend met de witte nevelwolken die de zuiderwind van kaap Hoorn
-aanblaast en met somber gehuil heenvoert naar de hoogste toppen der
-Cordilleras, om haar als te kronen met een schitterende diadeem.
-
-Al ligt zij op Chiliaanschen bodem, toch behoort deze zonderlinge stad
-inderdaad tot geen land en erkent zij geen bijzondere nationaliteiten,
-of liever, om juister te spreken, neemt zij ze allen op in haar schoot.
-
-Te Valparaiso verzamelen zich de gelukzoekers uit alle landen; alle
-talen worden er gesproken, iedere tak van koophandel wordt er gedreven;
-hare bevolking is een bonte mengeling van de vreemdsoortigste en
-zonderlingste personaliteiten, samengevloeid uit de verste vijf hoeken
-der werelddeelen om op den windval der fortuin te loeren in deze
-afgelegen stad, als op den uitersten voorpost der transatlantische
-beschaving, welks geheime invloed de Spaansch-Amerikaansche
-gemeenebesten beheerscht.
-
-Valparaiso is even als alle groote handelplaatsen van Zuid-Amerika,
-eene verzameling van wanstaltige hutten en prachtige paleizen, de een
-als boven op den ander gestapeld en in lange trossen of risten
-opgehangen aan de klippige steilten der drie bovengenoemde bergen.
-
-Op het tijdstip waarmede ons verhaal aanvangt waren de straten nauw,
-morsig en donker, bij gebrek aan zonneschijn. Geheel of gedeeltelijk
-van plaveisel beroofd, worden het ware moddergoten, waarin de
-voetganger tot aan de knieën wegzinkt, wanneer de stortregens in het
-wintersaizoen of het afvlietende water van de bergen den grond
-doorweekt, zoodat het gebruik van rijpaarden er onvermijdelijk is zelfs
-voor de kortste afstanden.
-
-Uit deze slijkpoelen, nog verergerd door het vuilnis van allerlei soort
-dat de dagelijksche afval bij het schoonhouden der huizen er aan
-toevoegt, wasemt gedurig een stinkende rotlucht, de vruchtbare moeder
-van kwaadaardige koortsen, zonder dat iemand er ooit aan dacht om deze
-ergernis uit den weg te ruimen en voor de publieke gezondheid te waken.
-
-Tegenwoordig, zegt men, is de staat van zaken er merkelijk veranderd en
-herkent Valparaiso zich zelven niet meer; wij willen het wenschen en
-zouden het gaarne gelooven, ofschoon de welbekende zorgeloosheid der
-Zuid-Amerikanen ons veel reden geeft om er grootendeels aan te
-twijfelen.
-
-In een der morsigste en kwalijkst beruchte straten van Valparaiso stond
-een huis, dat wij den lezer verlof vragen om in weinige woorden te
-beschrijven.
-
-Wij zijn reeds dadelijk genoopt te bekennen dat de bouwmeester die het
-samenstelde, al was hij ook bijzonder karig met het aanbrengen van
-overtollige sieraden, het volmaakt wel had ingericht voor de industrie
-der verschillende eigenaars, die er achtervolgens hun bedrijf in zouden
-uitoefenen. Het was eene groote van kalk en stroo gebouwde kavalje,
-welks voorgevel op de straat de la Merced uitzag; terwijl de
-achterzijde aan de zee uitkwam, over welke het met behulp van stevig
-paalwerk tot op zekere diepte vooruitsprong.
-
-Dit huis werd bewoond door een herbergier. Geheel in strijd met de
-gebouwen in Europa, die naarmate men hooger komt doorgaans smaller en
-lichter worden, werd dit integendeel hoe hooger hoe breeder, zoodat het
-bovenste gedeelte zeer ruim en goed verlicht mocht heeten, terwijl de
-winkel en de overige vertrekken gelijkvloers klein en donker waren.
-
-De tegenwoordige eigenaar had van dezen bouwkunstigen aanleg handig
-gebruik gemaakt, om in de ruimte tusschen de eerste en tweede
-verdieping een afzonderlijk vertrek te bouwen, dat men langs een in den
-muur verborgen wenteltrap bereiken moest.
-
-Dit vertrek was derwijze gelegen dat het minste gedruisch van de straat
-er zeer duidelijk kon gehoord worden, en soms zoo geweldig klonk dat de
-personen die er zich bevonden niets merkten van het leven dat zij
-zelven maakten, ja nauwelijks elkanders woorden konden verstaan.
-
-De eerzame herbergier, dien het huis toekwam, had natuurlijk een min of
-meer gemengde clientèle van allerlei slag: makelaars, kapers,
-rateros—gauwdieven—en anderen, wier gedragingen hem in gevaar brachten,
-om met de Chiliaansche politie in moeielijkheid te geraken; bij gevolg
-lag er, aan een ring onder een der vensters die aan de zee uitkwamen,
-doorgaans een walvischvaarder vastgemeerd, om een voorloopige toevlucht
-te bieden aan de gasten uit de herberg, wanneer de politieagenten soms
-waakzaam genoeg waren om dit dievenhol te onderzoeken en hun te dicht
-achter de hielen zaten.
-
-Dit huis heette destijds, en waarschijnlijk nu nog, zoo het ten minste
-later niet door een brand of een aardbeving verwoest en van
-Valparaiso’s grond verdwenen is—de Locanda del Sol.
-
-Op een ijzeren plaat, die boven de deur aan een driehoek bij den
-minsten wind hing te slingeren en te kraken, had een kladschilder zijne
-kunst getoond met een groot vuurrood aangezicht te schilderen, omringd
-van gouden stralen, dat waarschijnlijk den bovengemelden titel moest
-toelichten.
-
-Señor Benito Sarzuela, kastelein uit de Locanda del Sol (logement de
-Zon), was een groote, stuursche, magere vent, met een hoekig gelaat en
-gluipenden blik, een mesties van gekruist Araucaansch-, Neger-, en
-Spaansch bloed, wiens moraal volmaakt overeenstemde met zijn physiek,
-in zoover namelijk dat hij de ondeugden der drie—roode, zwarte en
-blanke rassen in zich vereenigde, zonder een enkele hunner deugden te
-bezitten, terwijl hij onder bedekking van één openbaar beroep, er een
-twintig andere heimelijk uitoefende, van welke het onschuldigste, zoo
-men er achter ware gekomen, voldoende zou zijn geweest om hem voor
-levenslang naar de presidios—de galeien—te sturen.
-
-Ongeveer twee maanden na de in het vorige hoofdstuk vermelde
-gebeurtenissen, des avonds tegen elf ure, in een kouden, mistigen
-winternacht, zat señor Benito Sarzuela druilig achter zijne toonbank,
-en staarde met hopeloozen blik op de ledige zaal van zijn
-établissement.
-
-De wind woei met hevige rukken en deed het uithangbord der Meson met
-klagend geluid kraken op zijne hengsels. Zwarte, laaghangende wolken
-uit het zuiden dreven zwaar door het luchtruim en ontlastten zich nu en
-dan met groote droppels op den door vroegere onweersbuien doorweekten
-grond.
-
-»Waar moet dat heen?” mompelde de ongelukkige kastelein met een
-weemoedig gezicht half binnenmonds; »al weder een dag als zoo vele
-vorigen, sangre de Dios! Sedert vele dagen heb ik geen kans meer, en
-als dat nog eene week zoo duurt ben ik geruïneerd.”
-
-Werkelijk scheen de Locanda del Sol sedert eene maand ongeveer onder
-een samenloop van omstandigheden, ook van weêr en wind, zijn ouden
-luister geheel verloren te hebben, zonder dat de kastelein zich
-begrijpen kon waar hij dezen ongelukkigen ommekeer aan toe moest
-schrijven.
-
-In de ruime gelagkamer was alles doodstil en ledig. Men hoorde er geen
-gezang of gevloek, veel min het rinkelen der gebroken glasruiten of het
-kletteren der drinkglazen, kannen of flesschen, die de luidruchtige
-gasten bij opkomenden twist of in een uitgelaten roes elkander vaak
-naar ’t hoofd in stukken smeten of door de zaal keilden.
-
-Treurige wisselkeer der menschelijke zaken! Het topvolle fortuin was
-eensklaps door het volkomen ledige vervangen. Al had de pest in het
-huis geregeerd, kon het niet eenzamer en meer verlaten zijn geweest: de
-flesschen bleven ordelijk in de rakken geschaard, en in den loop van
-dien dag waren er slechts twee voorbijgangers binnen gekomen om een
-glaasje pisco [9] te drinken,—dat zij dadelijk betaald hadden, zich
-haastende om het buffet te verlaten, ondanks de spraakzaamheid en de
-dringende vriendelijkheid van den kastelein, die hen vruchteloos poogde
-te houden om met hen over de nieuwtjes van den dag te praten en vooral
-om zijn vervelende eenzaamheid te breken.
-
-Na de weinige woorden die wij hem zoo even hoorden mompelen, was de
-eerzame don Benito opgestaan en maakte hij zich al brommende gereed om
-zijn hotel te sluiten, om ten minste bij gebrek van andere winsten het
-licht uit te sparen, toen er op eens een man binnen kwam, weldra
-gevolgd door een tweede, een derde, vierde—zesde, tiende,—eindelijk
-kwamen er zoo veel dat de locandero het opgaf ze te tellen.
-
-Al deze mannen waren in ruime mantels gewikkeld, en hadden groote
-hoeden op, wier breede rand, met zorg over de oogen neergeslagen, hen
-geheel onkenbaar maakte.
-
-Weldra was de zaal eivol met gasten, die rookten en dronken, maar geen
-woord spraken.
-
-Zonderling verschijnsel! ofschoon al de tafels en tafeltjes bezet waren
-met drinkers, heerschte er onder hen zulk eene diepe stilte, dat men
-duidelijk daar buiten den regen kon hooren ruischen en de paarden der
-serenos kletteren over de keien, of klotsen in de modderplassen die
-hier en daar den grond bedekten.
-
-De kastelein, door dezen onverwachten terugkeer der fortuin op het
-aangenaamst verrast, deed zijn uiterste best om de welkome klanten te
-bedienen. Nu echter gebeurde er iets dat señor Sarzuela wel verre was
-van te verwachten; want ofschoon het spreekwoord zegt: »dat overmaat
-van goede zaken geen kwaad kan,” en de spreekwoorden de dragers zijn
-van de wijsheid der volken, werd de toevloed der onbekenden, die met
-elkander schenen te hebben afgesproken om in de Locanda del Sol eene
-bijeenkomst te houden, binnen weinige minuten zoo ongeëvenredigd groot,
-dat de kastelein er eindelijk zelf bang voor begon te worden, want de
-Locanda, straks nog zoo ledig en doodsch, werd weldra zoo vol dat hij
-niet meer wist waar hij de onophoudelijk binnenkomenden plaatsen zou.
-Wat meer zegt, toen de groote zaai propvol was en, om zoo te zeggen
-overliep, vond de altoos klimmende toevloed een uitweg naar de
-belendende vertrekken, vervolgens steeg hij de trappen op en
-verspreidde zich in de bovenkamers, die alweder spoedig gevuld waren.
-
-Kortom, met den eersten slag van elven hadden zich meer dan twee
-honderd gasten in de Locanda del Sol verzameld.
-
-De locandero, overigens een welberekenende kerel dien het niet aan de
-noodige schranderheid ontbrak, begreep spoedig dat er iets
-buitengewoons moest gebeuren, en dat zijne meson er
-allerwaarschijnlijkst de schouwplaats, van zijn zou. Hij beefde
-inwendig voor de gevolgen en eene huivering van vrees deed zijne haren
-stoppelen, terwijl hij in zijn hoofd naar een geschikt middel zocht om
-zich van deze gevaarlijke en stilzwijgende gasten te kunnen ontslaan.
-
-In den uitersten nood en niet wetende wat hij beter zou doen, stond hij
-op met een brutaal gezicht en in eene houding zoo ferm mogelijk trad
-hij naar de deur, als of bij zich gereed maakte om zijne herberg te
-sluiten.
-
-De gasten bleven echter zoo stom als visschen, verroerden geen vin om
-hem tegen te houden of om heen te gaan, integendeel deden zij als zagen
-zij niets.
-
-Don Benito huiverde opnieuw en tweemaal zoo erg. Plotseling klonk er in
-de roerlooze stille eene stem die hem een ongezocht voorwendsel gaf,
-daar hij vergeefs naar zocht, het was de nachtwacht die juist de deur
-der locanda voorbijging en op de gewone wijs riep:
-
-»Ave Maria purissima! Las onze han dado ylluve!” [10]. Ofschoon de
-bewegelijke toon waarop deze antieke volzin door den sereno werd
-uitgebalkt schier in staat was om een kater tranen af te persen, maakte
-zij geen den minsten indruk op de handelingen van den kastelein.
-
-Door overmaat van angst vatte señor Sarzuela eindelijk weder moeds
-genoeg om zich onmiddellijk tot zijne stijfhoofdige gasten te wenden en
-hen op eene krachtige wijs te interpelleeren; hij plaatste zich daartoe
-midden in de zaal met de vuist op de linkerheup en een fier opgericht
-hoofd.
-
-»Señores caballeros!” riep hij met een bevende stem, die hij te
-vergeefs de noodige fermeteit trachtte te geven, »het is elf uur
-geslagen; de politieverordening verbiedt mij om langer te tappen; weest
-dus als ik u verzoeken mag zoo goed van onverwijld te vertrekken, daar
-ik verplicht ben om mijn huis te sluiten.”
-
-Deze toespraak, waar hij zich de beste gevolgen van had durven beloven,
-had juist een tegenovergestelde uitwerking dan hetgeen hij verwachtte.
-
-De onbekende gasten sloegen met hunne bekers op de tafels en riepen als
-uit eenen mond:
-
-»Drank!”
-
-De kastelein deed een sprong achteruit van schrik, bij zijne geweldige
-misrekening.
-
-»Maar, met uw welnemen, caballeros,” waagde hij opnieuw het volgend
-oogenblik te hervatten, »de politieverordening is streng, het is elf
-ure, en...!”
-
-Hier kon hij niet verder; het leven begon opnieuw en sterker dan te
-voren, en de gasten riepen met donderende stem:
-
-»Drank!”
-
-Nu greep er in het gemoed van den kastelein eene reactie plaats, die
-zich licht laat begrijpen; in den waan dat men het persoonlijk op hem
-gemunt had en dat zijn eigen belangen op het spel stonden, geraakte de
-vrees bij hem op den achtergrond om plaats te maken voor de gierigheid,
-bedreigd in hetgeen bij hem boven alles ging, namelijk zijne bezitting.
-
-»Ha?” riep hij sidderend van gramschap, »gaat het hier zoo toe, dan
-zullen wij zien of ik in mijn eigen huis meester ben of niet. Ik ga
-terstond naar den alcade!”
-
-Deze bedreiging met het gerecht, in den mond van een man als Sarzuela,
-scheen inderdaad zoo ongerijmd en bespottelijk; dat het gansche
-gezelschap eenparig in een homerischen lach uitbarstte en den armen
-kerel uitjouwde daar hij bijstond. Dit was de genadeslag; de maat liep
-over, de gramschap van den armen kastelein klom tot razende woede en
-hij stormde naar de deur als een dolleman onder het oorverdoovend gegil
-en geschater zijner vervolgers.
-
-Doch nauwelijks had hij een voet over den drempel van zijn huis, of een
-nieuw aankomende gast hield hem tegen, greep hem bij den arm en drong
-hem met een ruk in de zaal terug, hem op snaakschen toon toevoegende:
-
-»Welke vlieg heeft u gestoken, kastelein? Zijt gij gek om in zulk een
-weêr blootshoofd de deur uit te loopen, ’t is goed om een pleuris te
-krijgen.”
-
-Terwijl de locandero, door dezen ruwen schok verschrikt en schier van
-de been geraakt, beide zijn physiek en moreel evenwicht poogde te
-herstellen om zijne gedachten weder in orde te brengen, had de
-onbekende gedaan alsof hij thuis was; met behulp van een paar andere
-gasten, die hij wenkte hem te helpen, werden de blinden in de vensters
-gezet, en de deur gesloten, gegrendeld en geketend, met even veel
-behendigheid en zorg als Sarzuela zelf gewoon was aan dat fijne werk te
-besteden.
-
-»Ziedaar, dat is alweder gedaan,” zeide de onbekende tegen den
-verbluften kastelein, »nu zullen wij samen praten, compadre, als gij
-wilt. Maar, à propos, kent gij mij niet?” vervolgde hij zijn hoed
-afzettende, zoodat zijn fijne en schrander hoofd te voorschijn kwam en
-een gelaat waarop in dit oogenblik een glimlach vol scherts en goede
-luim schitterde.
-
-»O! el señor don Gaëtan,” zei Sarzuela voor wien deze ontmoeting alles
-behalve aangenaam was, en die moeite had om geen allerleelijkst gezicht
-te trekken.
-
-»Stil!” riep de andere, »kom mede.”
-
-En met een wenk voerde hij den kastelein naar een hoek der zaal, bukte
-aan zijn oor en vroeg hem zoo zacht mogelijk:
-
-»Hebt gij vreemdelingen in uw huis?”
-
-»Zie maar eens!” antwoordde de kastelein met een benauwd gezicht naar
-zijne gasten wijzende die lustig zaten te drinken, »dit legio duivels
-heeft sedert het laatste uur mijn hôtel ingenomen, ze drinken goed, dat
-is waar; maar hun meer dan verdacht voorkomen is voor een fatsoenlijk
-man gansch niet geruststellend.”
-
-»Zooveel te beter, dan hebt gij ten minste niets te vreezen. Bovendien,
-over hen loopt thans de kwestie niet, ik vraag u alleen of gij vreemde
-logee’s in huis hebt; wat deze heeren betreft, die kent gij misschien
-even goed, zoo niet beter dan ik.”
-
-»Ik heb in mijn gansche huis, van den zolder tot aan den kelder geen
-andere gasten dan deze caballeros, die gij beweert dat ik wel zou
-kennen. ’t Is mogelijk, maar zoolang als ze nu reeds hier zijn hebben
-zij goedgevonden zich zoo dicht in te pakken, dat ik nauwelijks de punt
-hunner neuzen heb gezien, zoodat ik niet in staat was hen te
-herkennen.”
-
-»Gij zijt een onnoozele hals, waarde vriend; deze lieden, die u zoo erg
-schijnen te mishagen, zijn allen Dauph’yeers.”
-
-»Inderdaad!” riep de verbaasde kastelein, »maar waarom verbergen zij
-dan hun aangezicht?”
-
-»Waarom, meester Sarzuela? ik denk voor het naaste dat het is omdat zij
-zich niet gaarne laten zien.”
-
-Terwijl hij den bedremmelden kastelein in zijn aangezicht uitlachte,
-gaf hij de anderen een wenk.
-
-Twee personen stonden op, pakten den armen drommel beet en eer hij tijd
-had om te gissen wat er met hem gebeurde, was hij reeds zoo handig en
-wel vastgekneveld dat hij geen lid meer verroeren kon.
-
-»Heb geen vrees, meester Sarzuela, men zal u geen leed doen,” vervolgde
-de onbekende. »’t Is maar dat wij zonder getuigen spreken willen, en
-daar gij een weinig babbelachtig van aard zijt, nemen wij onze
-voorzorgen; anders niets. Wees derhalve gerust, binnen weinige uren
-zijt gij weder vrij. Kom, haast u een beetje, gij daar!” vervolgde hij
-tegen zijne handlangers; »steekt hem een prop in den mond, brengt hem
-naar zijne kamer in bed, en draait de deur op het nachtslot. Tot
-weêrziens, brave kastelein, heb vooreerst maar een beetje geduld.”
-
-De orders van den onbekende werden stipt ten uitvoer gebracht; de
-ongelukkige Sarzuela, gekneveld en den mond gestopt, werd door twee man
-op de schouders genomen, de zaal uitgedragen, naar zijne kamer
-gebracht, in een ommezien in zijn bed gelegd en in een ommezien
-opgesloten; dit alles ging zoo snel in zijn werk dat hij er zelfs niet
-aan dacht om den minsten tegenstand te bieden.
-
-Wij zullen hem een poos aan zijne alles behalve rooskleurige
-beschouwingen overlaten, die hem zeker zoodra hij zich met zijne
-wanhoop alleen bevond in massa bestormden, en keeren naar de groote
-zaal der herberg terug, waar wij voor ons vrij wat belangrijker
-personen te beschouwen hebben, dan den armen hospes.
-
-De Dauph’yeers zagen zich nauwelijks meester in de gelagkamer, of
-eensklaps werden de tafels op elkander tegen den muur gestapeld om
-midden in de zaal meer ruimte te krijgen, vervolgens zette men de
-banken in rijen, waarop eindelijk allen plaats namen.
-
-De Locanda del Sol was zoodoende binnen weinige minuten geheel van
-gedaante veranderd en in eene clubzaal herschapen.
-
-De laatstaangekomen gast van Sarzuela, op wiens order men hem den mond
-gestopt en armen en beenen gebonden had, scheen op het uitgelezen
-gezelschap thans in de gelagkamer verzameld zekeren invloed of gezag
-uit te oefenen. Zoodra toch was de kastelein niet uit den weg geruimd,
-of de bevelvoerder deed zijn mantel af, gaf de vergadering een wenk om
-stilte te verzoeken en nam het woord op in zuiver Fransch:
-
-»Broeders,” begon hij met eene heldere welluidende stem, »ik dank u
-voor uwe stipte gehoorzaamheid.”
-
-De Dauph’yeers bogen wederkeerig beleefd.
-
-»Mijne heeren,” vervolgde hij, »onze plannen marcheeren goed, weldra,
-zoo ik hoop, bereiken wij het doel dat wij zoolang reeds beoogd hebben,
-en treden wij uit de duisternis, in welke wij thans nog voortkruipen,
-te voorschijn om plaats te nemen in het volle zonlicht. Amerika is een
-wonderbaar land, waar aller eerzucht bevrediging kan vinden; zooals ik
-veertien dagen geleden, toen ik de eer had u voor de eerste maal bijeen
-te roepen, mij verbonden heb, heb ik alle noodige maatregelen genomen
-en wij zijn geslaagd. Gij lieden, mijne vrienden, hebt mij wel tot
-directeur der Mexicaansche beweging willen benoemen; en ik zeg er u
-dank voor, mijne broeders. Eene aanvraag van drieduizend acres land is
-mij toegestaan, te Guetzalli, in Opper-Sonora. De eerste stap is
-gedaan. Mijn luitenant de la Ville is gisteren naar Mexico vertrokken
-om het afgestane land in bezit te nemen. Heden heb ik u een verzoek te
-doen. Gij allen die mij hier hoort, zijt Europeanen of
-Noord-Amerikanen; gij zult mij dus begrijpen.
-
-»Reeds sedert lang in schijn onverschillig voor hetgeen er in de
-Amerikaansche republieken omgaat, zijn de Dauph’yeers, de wettige
-opvolgers der Kust-Broeders, tot hiertoe werkelooze toeschouwers
-gebleven bij de woelige tooneelen, plotselinge veranderingen en
-onbeschaamde omwentelingen, die de oude Spaansche koloniën
-onophoudelijk teisteren.
-
-»Het uur is voor ons gekomen om aan den strijd deel te nemen: ik heb
-honderd vijftig getrouwe mannen noodig. Guetzalli zal hun voorloopig
-toevluchtsoord zijn. Spoedig zal ik hun zeggen wat ik van hunnen moed
-verlang; tracht slechts te doen wat ik wil wagen. De onderneming die ik
-beraamd heb en in welke ik wellicht zal omkomen is geheel ten voordeele
-van ons bondgenootschap; zoo ik slagen mag, is elk die er deel aan
-heeft genomen eene rijke belooning en eene aanzienlijke plaats
-verzekerd. Gij kent den man die mij bij u heeft ingeleid, hij bezat uw
-aller vertrouwen; de gedenkpenning dien hij mij gaf, bewijst dadelijk
-dat hij volkomen voor mij borg staat: en nu vraag ik u of gij op uwe
-beurt mij vertrouwen schenkt, gelijk hij mij vertrouwde; zonder u kan
-ik niets uitrichten. Ik wacht uw antwoord.”
-
-Hier zweeg hij.
-
-Onder de aanwezigen ontstond thans ofschoon met gesmoorde stem eene
-levendige woordenwisseling, die een geruimen tijd aanhield. Eindelijk
-werden allen weder stil en stond een van hen op.
-
-»Mijnheer de graaf Gaëtan de Lhorailles,” zeide hij, »mijne broederen
-gelasten mij u in hunnen naam te antwoorden. Gij hebt u aan ons
-voorgesteld, ondersteund door de krachtige aanbeveling van een man die
-ons volste vertrouwen bezit; uw eigen gedrag schijnt ons toe deze
-aanbeveling in allen deele te bevestigen; de honderd vijftig mannen die
-gij vraagt zijn bereid u te volgen, onverschillig waarheen gij hen
-leiden zult, en wel overtuigd dat zij niet anders dan winnen kunnen
-door uwe plannen te ondersteunen. Ik, Diego Leon, schrijf mijn naam
-bovenaan op de lijst.”
-
-»En ik!”
-
-»En ik!”
-
-»En ik!” riepen de Dauph’yeers om strijd.
-
-De graaf wenkte met de hand en het werd weder stil.
-
-»Broeders, ik dank u,” zeide hij. »Te Valparaiso zal ik, wanneer alles
-goed gaat, de dappere mannen kiezen, die ik in ’t vervolg zal noodig
-hebben. Heden heb ik aan honderd vijftig mannen genoeg. Zoo mijn plan
-gelukt, wie weet wat ons dan in de toekomst nog wacht. Ik heb
-eigenhandig een contract opgemaakt, welks voorwaarden ik niet twijfel
-dat stipt door u zoowel als door mij zullen worden nagekomen. Leest het
-eerst en teekent het daarna: binnen twee dagen vertrek ik naar Talca;
-maar over zes weken ben ik weder hier om mij te verstaan met diegenen
-onder u, die bereid zijn mij te volgen, en alsdan zal ik hun mijne
-plannen tot in de kleinste bijzonderheden mededeelen.”
-
-»Kapitein de Lhorailles,” hernam Diego Leon; »gij zegt dat gij niet
-meer dan honderd vijftig mannen noodig hebt. Laten wij er dan om loten,
-want allen willen u volgen.”
-
-»Ik zeg u wederom dank, brave kameraden,” zei de graaf, »gelooft mij,
-ieder van u zal zijne beurt krijgen; het door mij ontworpen plan is
-grootsch en uwer waardig; onder ulieden eene keus te doen zou te veel
-naijver wekken, tusschen mannen die allen verdienstelijk zijn; ik
-gelast u derhalve, Diego Leon, om door het lot te beslissen, wie van
-onze eerste onderneming deel moeten uitmaken.”
-
-»Dat zal geschieden,” antwoordde Diego Leon, een stijve en regelmatige
-Bearnees, voormalig brigadier der Spahis, een oud soldaat, ten volle
-bekend met de dienst; strenge krijgstucht was zijn stokpaardje.
-
-»Nu, mijne vrienden, nog een enkel woord: denkt er om dat ik u heden
-over drie maanden wacht te Guetzalli, van daar met Gods hulp zal de
-ster der Dauph’yeers heerlijk voor ons opgaan. Drinken wij, mijne
-broeders, op het welslagen onzer onderneming.”
-
-»Drinken wij!” riepen al de Kust-Broeders in blakende geestdrift.
-
-De kastelein werd uit zijn bed gehaald om de gasten te bedienen.
-
-Nu werd er wijn en brandewijn bij volle stroomen gelapt en gedronken.
-
-De gansche nacht ging om in eene slemppartij, die tegen den morgen haar
-volle hoogte bereikte, toen de vergadering met het krieken van den dag
-onder de beste verwachtingen uiteen ging.
-
-Zoo had de graaf de Lhorailles, dank zij den talisman dien de baron hem
-voor zijn vertrek uit Europa gegeven had, zich terstond na zijn
-aankomst in Amerika aan het hoofd gesteld van een troep bondgenooten,
-bestaande uit ondernemende en vastberaden mannen, met wier behulp een
-man van zooveel verstand en aanleg als hij, wel in staat was groote
-dingen uit te voeren.
-
-Ongeveer twee maanden na de hierboven door ons beschreven vergadering,
-waren de graaf en zijne honderd vijftig Dauph’yeers vereenigd in de
-kolonie te Guetzalli, welke heerlijke bezitting hij zich door den
-geheimen invloed van den baron Spurtzheim had weten te verschaffen.
-
-Zonder dat iemand gissen kon waaraan men zulk een opgang moest
-toeschrijven, genoot de graaf een ongehoorden voorspoed, alles gelukte
-hem, de schijnbaar dolzinnigste ondernemingen werden door hem tot een
-goed einde gebracht, zijne kolonie bloeide meer en meer en breidde zich
-uit op een wijze die een ieder bewonderde, en zelfs het Mexicaansche
-gouvernement met de schoonste verwachtingen vervulde.
-
-Met de grondige wereld- en menschenkennis, die de graaf in de hoogste
-mate bezat, had hij de afgunst zijner benijders tot zwijgen weten te
-brengen en zich een kring van trouwe vrienden en nuttige helpers
-verworven, die hem in honderd omstandigheden met hunne voorspraak
-begunstigden en met hun crediet ondersteunden.
-
-Om onze lezers terstond te doen zien, welke vorderingen hij in
-betrekkelijk korten tijd, nauwelijks drie jaren, maakte, zal het genoeg
-zijn te zeggen, dat hij op het oogenblik toen wij hem in ons verhaal
-lieten optreden, bijna het doel zijner standvastige pogingen had
-bereikt; hij had zich inderdaad in de publieke opinie weten te vestigen
-en was op het punt zich een eervollen rang in de maatschappij te
-verwerven door zijn aanstaande echtverbintenis met de dochter van don
-Sylva de Torres, een der rijkste hacienderas in Sonora; en dank zij den
-invloed van zijn aanstaanden schoonvader, had hij een aanstelling
-ontvangen als kapitein van een vrij-kompagnie, bestemd om de invallen
-der Apachen en Comanchen op het Mexicaansche grondgebied af te weren,
-met het recht om deze kompagnie naar verkiezing geheel uit Europeanen
-samen te stellen.
-
-Keeren wij thans terug naar het huis van don Sylva de Torres, dat wij
-verlaten hebben weinige oogenblikken nadat de graaf de Lhorailles het
-was binnen getreden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-DOOR HET VENSTER.
-
-
-Toen doña Anita de salon verliet om zich naar hare slaapkamer te
-begeven, oogde de graaf haar zoo lang mogelijk na, daar hij niets
-scheen te begrijpen van haar zonderling gedrag jegens hem, vooral uit
-hoofde der bijzondere betrekking waarin zij tegenover elkander waren
-geplaatst, ter zake van het huwelijk dat hen weldra voor levenslang zou
-verbinden. Na echter eenige minuten te hebben nagedacht, schudde bij
-eindelijk het hoofd, als wilde hij de treurige gedachten verdrijven die
-hem bestormden, en wendde zich tot zijn toekomstigen schoonvader.
-
-»Spreken wij over onze zaken,” zeide hij; »zoo gij immers wilt.”
-
-»Hebt gij mij dan iets nieuws mede te deelen?”
-
-»Een aantal zaken.”
-
-»Gewichtige?”
-
-»Dat zult gij zelf beoordeelen.”
-
-»Laat hooren dan. Ik ben ongeduldig om ze te vernemen.”
-
-»Gaan wij ordelijk voort. Gij weet, vriend, waarom ik Guetzalli
-verlaten had.”
-
-»Volkomen. Zijt gij goed geslaagd?”
-
-»Geheel naar mijne verwachting. Dank zij zekere brieven, die ik had
-medegebracht en vooral ten gevolge uwer welwillende aanbeveling, heeft
-de generaal Marcos zich jegens mij zeer genegen getoond. De wijze
-waarop hij mij ontving was allerminzaamst, kortom, hij verleende mij
-zijn naam in blanko, met volmacht niet alleen om honderd vijftig man
-aan te werven, maar zelfs dubbel zoo veel als ik dit noodig oordeelde.”
-
-»O! dat is heerlijk, inderdaad.”
-
-»Niet waar? Bovendien heeft hij mij gezegd, dat hij in een oorlog als
-die welken ik thans ging ondernemen, want een jacht op de Apachen is
-niets minder dan een oorlog, mij volkomen vrijheid liet om naar eigen
-goedvinden te handelen, en keurde bij voorbaat alles goed wat door mij
-gedaan zou worden, wel overtuigd, voegde hij er bij, dat het alleszins
-strekken zou tot roem en voordeel van Mexico.”
-
-»Wel, dat hoor ik met veel genoegen, vriend. Maar hoe zijt gij thans
-voornemens te handelen na zulk een gelukkigen afloop?”
-
-»Ik ben vooreerst besloten om van hier onmiddellijk naar Guetzalli te
-vertrekken, dat ik reeds sedert drie weken verlaten heb. Ik moet
-noodzakelijk naar mijne kolonie terug, om te zien of alles geregeld
-gaat en mijn volk gelukkig is. Bovendien zou ik, alvorens mij,
-misschien voor langen tijd, met het grootste gedeelte mijner
-manschappen te verwijderen, de kolonisten gaarne tegen eene
-overrompeling beveiligen, door rondom mijne bezittingen eenige werken
-aan te leggen, zoodat de achterblijvenden in staat zijn iederen aanval
-der wilden met kracht af te weren. Dit is van des te meer belang, omdat
-Guetzalli in zekeren zin altijd mijn hoofdkwartier blijven moet.”
-
-»Dat is zoo. En wanneer denkt gij te vertrekken?”
-
-»Heden avond.”
-
-»Zoo spoedig reeds?”
-
-»Ik moet wel. Gij zelf weet hoe zeer de tijd dringt.”
-
-»Inderdaad. Hebt gij mij niets anders meer te zeggen?”
-
-»Vergeef mij, ik heb u nog eene andere vraag te doen, die ik met opzet
-voor het laatst bewaard heb.”
-
-»Is zij dan zoo belangrijk?”
-
-»Van het hoogste belang.”
-
-»O, dan moet ik haar hooren, vriend, spreek op, dadelijk.”
-
-»Bij mijne komst hier te lande,” hervatte de graaf, »toen de
-onderneming, die ik thans God zij dank! tot een goed einde heb
-gebracht, nog slechts op het papier bestond, waart gij zoo welwillend,
-señor don Sylva, om niet alleen uw onmetelijk crediet, maar ook uwe
-onberekenbare rijkdommen te mijner beschikking te stellen.”
-
-»Dat is zoo,” zei de Mexicaan glimlachend.
-
-»Welnu, ik heb van uw aanbod ruimschoots gebruik gemaakt, menigmaal uit
-uw geldkist geput en over uw crediet zoo dikwijls beschikt als de
-gelegenheid het vorderde; vergun mij thans het eene gedeelte mijner
-verplichting aan u te kwijten, terwijl ik erken dat ik het andere
-gedeelte u vooreerst zal moeten schuldig blijven. Zie hier,” vervolgde
-hij, een papier uit zijne portefeuille nemende, »hier is een
-wisselbrief, ten bedrage van honderd duizend piasters, betaalbaar op
-zicht en getrokken op Walter Blount en Comp. bankiers te Mexico. Ik
-acht mij gelukkig, don Sylva, in staat te zijn deze schuld zoo
-gereedelijk af te doen, niet omdat....”
-
-»Met uw welnemen,” viel de haciendero hem in de rede, terwijl hij den
-wissel, dien de graaf hem aanbood, met drift afwees, »maar ik geloof
-dat wij elkander op dit oogenblik niet goed begrijpen.”
-
-»Hoezoo niet?”
-
-»Tot opheldering zal ik u zeggen: bij uwe komst te Guaymas, mijnheer de
-graaf, kwaamt gij bij mij met een dringenden aanbevelingsbrief van wege
-een man met wien ik, zonder daarom ooit intiem aan hem verbonden te
-zijn, nochtans eenige jaren geleden zeer groote geldelijke betrekkingen
-heb gehad. De baron van Spurtzheim stelde u aan mij voor, meer als een
-beminden zoon dan als een vriend voor wien men zich partij stelt. Ik
-heb mijn huis wagenwijd voor u opengezet. Ik was verplicht zulks te
-doen. Later, toen ik u leerde kennen en het grootsche en edele in uw
-karakter heb kunnen waardeeren, zijn onze aanvankelijk koele
-betrekkingen nauwer geworden en bood ik u de hand mijner dochter, die
-gij hebt aangenomen.”
-
-»Tot mijn onuitsprekelijk geluk!” riep de graaf.
-
-»Zeer goed,” hernam de haciendero glimlachend, »het geld dus dat ik van
-een onbekende zou kunnen terug ontvangen, en dat hij mij als zoodanig
-wettig verschuldigd was, dat geld behoort aan mijn schoonzoon.
-Verscheur dus, bid ik u, dien wisselbrief, waarde graaf, en denken wij
-niet verder om dat bagatel.”
-
-»Juist!” riep de graaf schielijk en op verdrietigen toon, »dat is juist
-wat mij hindert; ik ben uw schoonzoon nog niet en, als ik het u zeggen
-moet, ik vrees dat ik het nooit worden zal.”
-
-»En wat geeft u aanleiding om daarvoor te vreezen? Hebt gij niet mijne
-belofte? Het woord van don Sylva de Torres, waarde heer graaf de
-Lhorailles, is een waarborg, dien nog nooit iemand heeft durven in
-twijfel trekken.”
-
-»Daar twijfel ik ook in ’t minst niet aan, don Sylva; het is niet voor
-u dat ik vrees.”
-
-»Voor wie dan?”
-
-»Voor doña Anita.”
-
-»Voor mijne dochter?”
-
-»Ja.”
-
-»Wat zegt gij, vriend! dat vereischt nadere opheldering, want ik zweer
-u dat ik het volstrekt niet begrijp” riep don Sylva, terwijl hij
-driftig opstond en onrustig het salon op en neder trad.
-
-»Mijn hemel, don Sylva!” riep de graaf, »het spijt mij waarlijk dat ik
-dit bezwaar bij u heb ter sprake moeten brengen, want ik bemin doña
-Anita; maar de liefde, zooals gij weet, is ergdenkend; en ofschoon uwe
-dochter altijd lief en goed voor mij geweest is, heb ik haar sedert
-onze verloving gadegeslagen en als ik het u bekennen moet geloof ik
-stellig dat zij mij niet bemint.”
-
-»Gij zijt dwaas, don Gaëtano; de meisjes weten zoo min wie zij beminnen
-als wie zij niet beminnen. Bekommer u niet over die kinderachtige
-grillen; ik heb u beloofd dat zij uwe vrouw zal worden, en dat zal
-zij.”
-
-»Maar zoo zij nu evenwel een ander beminde, zou ik u niet willen....”
-
-»Kom, loop heen! dat is nu toch wat al te gek. Anita bemint geen ander
-dan u, dat weet ik zeker; en ziedaar, ik zal er u op eens van
-verzekeren; gij vertrekt heden avond hebt gij gezegd naar Guetzalli?”
-
-»Ja, nog dezen avond.”
-
-»Zeer goed; laat dan kamers in gereedheid brengen voor mij en mijne
-dochter, en binnen weinige dagen komen wij bij u in de hacienda
-logeeren.”
-
-»Zou dat mogelijk zijn?” riep de graaf verheugd.
-
-»Morgen met het krieken van den dag vertrekken wij; dus haast u.”
-
-»O! duizendmaal dank.”
-
-»Goed, zijt gij nu gerustgesteld?”
-
-»Niemand kan gelukkiger zijn dan ik.”
-
-Na nog eenige woorden te hebben gewisseld namen de twee mannen
-afscheid, met de belofte dat zij elkander spoedig weêr zouden zien.
-
-Don Sylva was gewoon om in zijn huis door niemand tegengesproken te
-worden of zijne bevelen in omvraag te brengen; wel overtuigd van
-Anita’s gehoorzaamheid, liet hij haar met de kamenier zeggen, dat zij
-zich den volgenden morgen tegen zonsopgang voor eene tamelijk verre
-reis moest gereed maken.
-
-Dit bericht klonk het meisje als een donderslag in de ooren.
-
-Half flauw van den schrik zeeg zij op een stoel neder en smolt weg in
-tranen; zij gevoelde maar al te duidelijk dat deze reis niets dan een
-voorwendsel was, om haar van haren beminde te scheiden en haar weêrloos
-over te leveren aan den man dien zij verfoeide, en aan wien men haar
-ongevraagd ongeweigerd dacht uit te huwelijken.
-
-Zoo bleef zij eenige uren lang zitten, geheel in zich zelve verzonken,
-aan de wanhoop ten prooi, zonder te denken aan de welkome rust, die zij
-toch niet zou gevonden hebben, want zij wist dat de slaap hare
-gezwollen en roodgeweende oogleden niet zou sluiten.
-
-Allengs waren alle geluiden in de stad verdoofd, alles sliep of althans
-scheen te slapen; ook het huis van don Sylva was geheel donker, slechts
-een enkel flauw licht blonk als eene eenzame ster door de glasruiten
-van Anita’s venster, en bewees dat zij ten minste nog waakte.
-
-Op dit oogenblik vertoonden zich twee onzekere en vreesachtige schimmen
-op den muur tegenover het huis van den haciendero; twee mannen in lange
-mantels gehuld, bleven staan en keken naar het flauw verlichte venster,
-met eene oplettendheid zoo strak als alleen aan dieven of aan
-verliefden eigen is.
-
-De twee door ons genoemde mannen behoorden ongetwijfeld tot de
-laatstgenoemde kategorie.
-
-»Hm!” riep de een met eene halfgesmoorde stem, »dus zijt gij zeker van
-hetgeen gij beweert, Cuchares?”
-
-»Zoo zeker als ik hoop zalig te worden, señor don Martial,” antwoordde
-de andere op denzelfden toon, »ik heb dien verwenschten Engelschman in
-huis zien komen juist toen ik er was; en don Sylva scheen op den besten
-voet met zoo’n duivelschen ketter.”
-
-Wij moeten in ’t voorbijgaan aanmerken, dat de Mexicanen eenige jaren
-geleden en wellicht ook nu nog alle vreemdelingen, ongevraagd tot welke
-natie zij behooren, voor Engelschen houden en bij gevolg als ketters
-aanmerken; de vreemdelingen zagen zich dus, zelfs buiten hun weten
-gerangschikt onder de lieden die men zonder misdadig te zijn kon
-dooden, ja wier vermoording integendeel bijna als een verdienstelijk
-werk werd beschouwd.
-
-Tot lof van de Mexicanen moeten wij er dan ook bijvoegen, dat zij bij
-elke voorkomende gelegenheid de zoogenaamde Engelschen omhals brachten,
-met eenen ijver die van hunne welbegrepen vroomheid alleszins
-getuigenis gaf.
-
-Don Martial antwoordde:
-
-»Op mijn woord als Tigrero, die kerel is mij reeds tweemaal in den weg
-gekomen en tweemaal heb ik hem gespaard, maar laat hij zich wachten
-voor den derden keer.”
-
-»O!” riep Cuchares, »de eerwaarde pater Becchio heeft mij gezegd dat ik
-altijd een goeden aflaat kon verdienen met een Engelschman te snijden
-[11] (cortar). Ik heb het voordeel nog niet gehad om er een te
-ontmoeten, al ben ik er ongeveer acht schuldig op mijne rekening met
-pater Becchio. Ik heb grooten lust om met dezen een begin te maken, dat
-ware ten minste zooveel gewonnen.”
-
-»Wees gewaarschuwd, om uw leven, picaro, die man hoort mij toe.”
-
-»Dan spreken wij er niet meer van,” antwoordde Cuchares met een
-gesmoorden zucht; »ik laat hem voor u. Maar in allen geval het spijt
-mij, ofschoon de niña hem hartelijk schijnt te verfoeien.”
-
-»Hebt gij bewijs voor hetgeen gij daar zegt?”
-
-»Is er beter bewijs dan de afkeer dien zij hem betoont als hij komt, ik
-heb haar bij deze gelegenheid zien verbleeken als een doek, zonder dat
-er eenige andere denkbare reden voor kon bestaan.”
-
-»O! ik zou duizend oncen willen missen om te weten wat er van is?”
-
-»Wie belet u dat? de heele wereld slaapt, niemand zal u zien: vijftien
-voet! hooger is het niet. Ik ben zeker dat Anita blijde zou zijn als
-zij eens met u kon praten.”
-
-»O! als ik dat kon denken,” mompelde hij aarzelend met een
-zijdelingschen blik naar het altijd verlichte venster.
-
-»Misschien! wie weet of zij niet op u wacht!”
-
-»Zwijg, ellendeling.”
-
-»Wat weêrga! luister toch; als het waar is wat ik heb hooren vertellen,
-moet het arme kind erg in de verknijping zitten, om er niet meer van te
-zeggen; zij heeft dringend hulp noodig.”
-
-»Wat zegt men van haar? laat hooren, maar kort.”
-
-»Eenvoudig dit: dat doña Anita de Torres vandaag over acht dagen
-trouwen zal met den Engelschman don Gaëtano.”
-
-»Gij liegt, deugniet,” riep de Tigrero met kwalijk verholen woede; »als
-ik mij niet weêrhield, zou ik u met mijn ponjaard de woorden teruggeven
-die gij daar gesproken hebt.”
-
-»Daar zoudt gij verkeerd aan doen,” hervatte de andere zonder zijne
-bedaardheid te verliezen; »ik ben slechts de echo, die herhaalt wat hij
-heeft hooren zeggen, meer niet. Gij zijt de eenigste in Guaymas die van
-dat nieuws niets weet. In allen geval is dat niet te verwonderen, daar
-gij eerst heden avond in de stad terug zijt gekomen na eene maand
-afwezigheid.”
-
-»Dat is waar, wat dan gedaan?”
-
-»Caraï! naar goeden raad luisteren en doen wat ik u zeg.”
-
-De Tigrero keek een geruime poos naar het venster, en liet het hoofd
-besluiteloos hangen.
-
-»Wat zal ze wel zeggen, als zij mij ziet?” mompelde hij.
-
-»Caramba!” riep de lepero op sarcastischen toon, »wat zij zal zeggen?
-Wees welkom, alma mia (beste vriend) dat is klaar, carai! Gij zijt toch
-geen kind, don Martial, om voor een vrouwenblik te beven? De
-gelegenheid heeft slechts drie haren, in de liefde zoowel als in den
-oorlog; men moet haar aangrijpen als zij zich voordoet, of men loopt
-gevaar dat zij nooit weêrkomt.”
-
-De Mexicaan naderde den lepero tot hij hem bijna aanraakte, en staarde
-hem diep in de groene kattenoogen.
-
-»Cuchares,” zeide hij met eene zware nadrukkelijke stem, »ik verlaat
-mij op u. Gij kent mij; ik heb u zoo menigmaal geholpen maar als gij nu
-mijn vertrouwen teleurstelt, dood ik u als een coyote.”
-
-De Tigrero sprak deze woorden op zulk een toon van stille woede, dat de
-lepero, die zeer wel wist met welk een man hij te doen had, tegen wil
-en dank bleek werd en beefde als een riet.
-
-»Ik ben in alles tot uw dienst, don Martial,” antwoordde hij met eene
-stem die hij vruchteloos poogde ferm te houden; »wat er ook gebeure,
-gij kunt op mij rekenen: wat moet ik voor u doen?”
-
-»Niets, wachten, opletten en bij het minste geluid dat u als onraad
-voorkomt of bij den eersten zweem van vijand dien gij in de duisternis
-ziet mij onmiddellijk waarschuwen.”
-
-»Reken op mij, doe uwe zaken; ik ben stom en doof, en zal gedurende uwe
-afwezigheid voor u waken als een zoon voor zijnen vader.”
-
-»Goed!” riep de Tigrero.
-
-Hij trad eenige stappen terug, maakte de reata los die om zijn middel
-geslagen was, hield haar in de rechterhand gereed, sloeg de oogen op,
-berekende den afstand en toen de reata eenige malen met kracht boven
-zijn hoofd slingerende wierp hij haar naar het balkon van doña Anita.
-
-De strik hechtte zich aan een der ijzeren punten der balustrade en
-bleef stevig vast zitten.
-
-»Denk om uwe belofte!” zei de Tigrero zich tot Cuchares wendende.
-
-»Ga uw gang,” antwoordde deze terwijl hij tegen den muur aan de
-overzijde post vatte en de beenen over elkander kruiste, »ik sta borg
-voor alles.”
-
-De Mexicaan nam genoegen of scheen althans genoegen te nemen met deze
-verzekering; hij greep de reata, en van zijne plaats opspringende als
-een van die panters die hij zoo vaak had vervolgd in de savane, palmde
-hij zich met de vuisten naar boven en bereikte na eenige seconden het
-balkon.
-
-Hij stapte over de balustrade en naderde het venster.
-
-Doña Anita zat in halfliggende houding op haar armstoel te slapen.
-
-Het arme kind, bleek en ontdaan, de oogen door tranen gezwollen, was
-eindelijk overmeesterd door den slaap die zijne rechten op jeugdige en
-krachtvolle naturen nimmer verliest. Hare marmerbleeke wangen
-vertoonden nog de sporen der pas geweende tranen. Martial begluurde met
-verteederden blik zijne beminde, zonder haar te durven naderen. Zoo in
-haar slaap verrast, kwam het meisje hem bekoorlijker voor dan ooit, een
-aureool van reinheid en onschuld scheen te zweven boven haar hoofd, als
-om hare rust heilig en onschendbaar te bewaken.
-
-Na eene lange en onverzaadbare beschouwing, besloot de Tigrero
-eindelijk nader te treden.
-
-Het venster, dat slechts op een kier stond, daar Anita zeker niet
-gedacht had op die wijze in te slapen, week terug voor den minsten
-stoot van don Martial; hij deed nog een stap en stond in de slaapkamer
-van doña Anita.
-
-De indruk van dit vertrek, waar alles zoo kalm, zoo maagdelijk rein en
-ordelijk was, boezemde den Tigrero een ongewoon gevoel van eerbied in,
-zijn hart klopte in zijne borst als of het zou barsten, en in zijne
-hartstochtelijke opwinding tusschen liefde en vrees waggelde hij voort
-en zonk op de knieën naast zijne beminde.
-
-Het meisje opende de oogen.
-
-»O!” riep zij, toen zij don Martial zag, »Gode zij dank die u te mijner
-hulpe zendt.”
-
-De Tigrero keek tot haar op, met vochtigen blik en hijgende borst.
-
-Maar plotseling rees Anita overeind, zij kwam tot bezinning en daarmede
-tot de schuchtere vrees die alle vrouwen is aangeboren.
-
-»Ga heen!” riep zij terwijl zij zich in den versten hoek der kamer
-terugtrok, »ga heen, caballero. Hoe komt gij hier? wie heeft u bij mij
-ingeleid? Antwoord, antwoord mij dadelijk!”
-
-De Tigrero boog deemoedig het hoofd.
-
-»God alleen heeft mij hier gebracht, señorita,” riep hij met een
-nauwelijks hoorbare stem, »zooals gij zelf hebt gezegd, señorita. O!
-vergeef mij dat ik u aldus heb durven verrassen. Ik heb een groven
-misslag begaan, dat weet ik; maar een ongeluk bedreigt u, dat heb ik
-gevoeld en geraden; gij zijt alleen, zonder hulp en ik kwam hier om het
-u te zeggen; señorita, ik ben wel zeer gering en zeer onwaard u te
-dienen, doch gij hebt een trouw en vastberaden hart noodig, dat bied ik
-u aan; neem mijn bloed, neem mijn leven, ik zou mij gelukkig achten
-voor u te mogen sterven. In ’s hemels naam, señorita, in naam van al
-wat u lief is op de wereld! wijs mijn verzoek niet van de hand; mijn
-arm en mijn hart zijn tot uwe beschikking.”
-
-Deze woorden werden met eene door hartstocht bewogen stem uitgesproken,
-terwijl don Martial midden in de kamer geknield lag, met de handen
-gevouwen en de oogen op doña Anita gericht, met een smachtenden blik,
-waarin zijne gansche ziel zich uitdrukte.
-
-Doña Anita keek den jongman wederkeerig strak aan, als om zich van
-zijne oprechte bedoeling te verzekeren, en zonder het hoofd af te
-wenden naderde zij hem langzaam, aarzelend en bevend, tegen wil en
-dank. Toen zij dicht bij hem kwam stond zij een oogenblik besluiteloos,
-maar legde hem eindelijk hare kleine blanke hand op de schouders en
-bracht haar gelaat zoo dicht bij het zijne dat hij haar frisschen adem
-op zijn voorhoofd voelde en hare geparfumeerde lokken zijne wangen
-streelden.
-
-»Gij bemint mij dus, don Martial?” vroeg zij met een welluidende stem.
-
-»O!” prevelde de jongman schier tot waanzinnigheid verliefd door deze
-zoete gewaarwording.
-
-De Mexicaansche boog zich over den Tigrero en raakte met hare
-rozenlippen zijn klam voorhoofd.
-
-»Welaan,” zeide zij, oogenblikkelijk terugspringende als eene
-verschrikte hinde, terwijl een purperen blos hare wangen kleurde uit
-schaamte over den stap dien zij had gewaagd, »nu moogt gij mij
-verdedigen, don Martial, want voor God, die ons ziet en hoort, ben ik
-uwe vrouw.”
-
-De Tigrero vloog op als geëlectriseerd door dezen gloeienden kus. Met
-een fier voorhoofd en tintelenden blik, sloot hij het meisje in zijne
-armen, leidde haar in een hoek van de kamer naar een zilveren statuet
-van de heilige Maagd, voor hetwelk eene welriekende lamp brandde.
-
-»Kniel, señora!” zeide hij met bezielde stem terwijl hij zelf de knie
-reeds boog.
-
-Doña Anita gehoorzaamde.
-
-»Heilige Mater dolorosa!” hervatte don Martial, »Nuestra Señora de la
-Soledad, troosteres der bedroefden. Gij die de harten beproeft, gij
-ziet de reinheid onzer wenschen en de heiligheid onzer liefde. In uwe
-tegenwoordigheid neem ik doña Anita de Torres tot vrouwe. Ik zweer haar
-te zullen verdedigen en beschermen tegen en voor allen, met mijn goed
-en leven in den strijd dien ik heden aanga voor het heil van haar die
-ik bemin en die ik van heden af beschouw als mijne echte en deugdelijke
-bruid.”
-
-Na deze gelofte met eene duidelijke en krachtvolle stem te hebben
-uitgesproken, wendde de Tigrero zich naar het meisje.
-
-»Nu is het uwe beurt, señorita,” zeide hij.
-
-Doña Anita vouwde de handen en sloeg de oogen vol tranen op naar het
-heilige beeld.
-
-»Nuestra Señora de la Soledad,” stamelde zij met eene diepe, door
-aandoening geschokte stem, »gij, mijne eenige beschermster van den dag
-mijner geboorte af, gij weet of ik u getrouw was, ik zweer dat alles
-wat deze man heeft gezegd waarheid is; ik neem hem tot echtgenoot voor
-u, en zal nooit een anderen nemen.”
-
-Zij stonden op.
-
-Doña Anita trok den Tigrero naar het balkon.
-
-»Vertrek!” zeide zij, »de vrouw van don Martial moet niet verdacht
-worden: vertrek, mijn echtgenoot en mijn broeder; de man aan wien men
-mij wil overleveren heet de graaf de Lhorailles. Morgen eer de zon
-opgaat, gaan wij waarschijnlijk op reis naar zijne hacienda.”
-
-»En hij?”
-
-»Is dezen nacht reeds vertrokken.”
-
-»Waarheen?”
-
-»Dat weet ik niet?”
-
-»Ik zal hem dooden?”
-
-»Tot weerziens, don Martial, tot weerziens!”
-
-»Tot weerziens! doña Anita, houd moed, ik waak over u.”
-
-En na haar een kus op het voorhoofd te hebben gedrukt, stapte hij over
-de balustrade, greep de reata en liet zich in de straat afglijden.
-
-»Helaas! helaas!” murmelde zij met een gesmoorden zucht, »wat heb ik
-gedaan! ... Heilige Maagd, gij alleen kunt mij den moed wedergeven die
-mij ontzinkt!”
-
-Zij liet het gordijn neder dat voor het venster hing en keerde terug om
-voor het Madonnabeeld te knielen, maar deinsde oogenblikkelijk
-achterwaarts met een uitroep van schrik.
-
-Op twee passen afstand stond don Sylva de Torres met gefronste
-wenkbrauwen en een streng gelaat.
-
-»Doña Anita, mijne dochter,” zeide hij met een langzame, hortende stem,
-»ik heb alles gezien en gehoord; spaar dus, verzoek ik u, eene
-nuttelooze ontkenning.”
-
-»Vader!....” stamelde het arme kind met een gebroken stem.
-
-»Zwijg!” hervatte don Sylva, »het is thans drie ure. Wij vertrekken met
-zonsopgang, en binnen veertien dagen wordt gij de vrouw van den graaf
-don Gaëtano de Lhorailles.”
-
-Zonder er verder een woord bij te voegen stapte hij langzaam de kamer
-uit en sloot de deur achter zich toe.
-
-Alleen achtergebleven, stond doña Anita in gebogen houding bij de deur
-als om te luisteren, zij wierp een verwilderden blik om zich heen, deed
-eenige wankelende stappen voorwaarts, sloeg de beide handen krampachtig
-naar de benauwde toegeschroefde keel, gaf een verscheurenden gil en
-stortte op den vloer neder.
-
-Zij lag in onmacht.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-EEN TWEEGEVECHT.
-
-
-Het was omtrent acht ure des avonds toen de graaf de Lhorailles de
-woning van don Sylva de Torres verliet. De feria de Plata was toen in
-haar vollen luister: de straten van Guaymas waren met eene vroolijk
-woelende menigte bedekt: aan alle kanten verhief zich het gejuich,
-gezang en gelach; stapels goud blonken op de monté-tafels, en
-verspreidden hun geelachtigen verleidelijken gloed in het heldere
-schijnsel der talrijke aan alle deuren en vensters schitterende
-lichten; hier en daar hoorde men de vihuelas en jarabes strijken en
-tokkelen uit de met drinkers en dansers opgevulde pulquerias. De graaf
-werkte zich met schouders en ellebogen zoo snel mogelijk door de dichte
-groepen die hem ieder oogenblik den doortocht versperden; maar zijn pas
-gehouden gesprek met don Sylva had hem in een te gelukkige luim
-gebracht dan dat hij er aan zou gedacht hebben om boos te worden over
-de tallooze stooten die hij ieder oogenblik ontving.
-
-Eindelijk, na ontelbare moeielijkheden en met verlies van dubbel ja
-driemaal zooveel tijd als hij onder andere omstandigheden noodig zou
-hebben gehad, gelukte het hem tegen tien uren des avonds zijn logement
-te bereiken.
-
-Hij had bijna een uur noodig gehad om ongeveer zes honderd passen ver
-te gaan.
-
-In de meson komende, ging de graaf onmiddellijk naar de corral om zijn
-paard te verzorgen, dat hij twee schoven alfalfa (spurrie) gaf; na
-vervolgens te hebben last gegeven dat men hem ten een ure wekken zou,
-zoo hij, dat wel niet waarschijnlijk was, nog niet op mocht zijn, begaf
-hij zich naar zijn cuarto (kamer) ten einde eenige uren rust te nemen.
-
-De graaf was voornemens ten een ure des morgens te vertrekken, om de
-hitte van den dag te vermijden en meer op zijn gemak te reizen.
-
-Bovendien, na zijn gewichtig onderhoud met don Sylva, verlangde de
-edele avonturier zeer om alleen te zijn, ten einde nog eens het geluk
-te overdenken dat hem in den afgeloopen avond was te beurt gevallen en
-zulk eene schoone toekomst beloofde.
-
-Sedert zijne komst in Amerika had de graaf de Lhorailles—om hier een
-gemeenzame uitdrukking te bezigen—met ongehoord geluk gespeeld; alles
-liep hem mede, alles kwam zijne wenschen en plannen te gemoet; binnen
-weinige maanden stond de balans van zijn fortuin als volgt: het bezit
-van eene kolonie, onder de gunstigste vooruitzichten gegrondvest en
-bereid, op den weg van vooruitgang en bloei; daarbij in het volle genot
-zijner nationaliteit, met volkomen vrijheid van handelen, onafhankelijk
-en meester van alle partijen, was hij in dienst bij het Mexicaansch
-gouvernement, als kapitein eener vrij-kompagnie van honderd vijftig
-man, hem geheel toegedaan en met wier behulp hij alles, zelfs de
-buitensporigste ondernemingen, zoo al niet uitvoeren dan ten minste
-wagen kon; ten slotte op het punt van te huwen met de eenige dochter
-van een man, die zooveel hij kon nagaan twintig maal millionair moest
-zijn, en wat de zaak zeker niet erger maakte, zijne aanstaande bruid
-was eene allerbekoorlijkste vrouw: ziedaar in korte trekken de stand
-van zijn tegenwoordig fortuin.
-
-Ongelukkig of gelukkig, al naar het oogpunt waaruit de lezer verkiest
-onzen held te bezien, had de voorspoedige man geen gevoel of hart meer
-voor iets: geblaseerd door de bedwelmende buitensporigheden van het
-leven in Parijs, klopte zijn boezem niet meer onder de afwisselingen
-van vreugde, droefheid of vrees; alles in hem was gestorven. Zoo was
-hij juist de man om te slagen in het land waar het toeval hem geworpen
-had. In den grooten levensstrijd door hem in Amerika begonnen, had hij
-een groot voordeel op zijne mededingers, namelijk dat hij zich nooit
-door zijne hartstochten liet regeeren en, dank zijne onverstoorbare
-koelbloedigheid, in staat was om telkens de strikken te verijdelen die
-gedurig voor zijne voeten gespannen werden en waarover hij wist te
-triomfeeren zonder dat hij het zelf scheen te gevoelen.
-
-Na het boven gezegde zal het niet noodig zijn er bij te voegen dat hij
-de vrouw wier hand hij zocht, niet beminde; was zij jong en schoon,
-zooveel te beter; maar al ware zij oud en leelijk geweest, zou hij haar
-toch genomen hebben. Wat kon het hem schelen? hij zocht in dit huwelijk
-niets anders dan eene schitterende en benijdenswaardige partij.
-
-Kortom, bij den graaf de Lhorailles was alles berekening.
-
-Maar neen, wij vergissen ons in een enkel opzicht, de graaf de
-Lhorailles had ééne zwakke zijde, hij was eerzuchtig.
-
-Deze drift, een der hevigste roerselen die het menschelijk hart in
-beweging brengen, was misschien het eenige dat den graaf aan de
-maatschappij verbond.
-
-Die eerzucht was bij hem, vooral sedert de laatste maanden, tot zulk
-eene hoogte ontwikkeld dat hij er alles voor zou hebben opgeofferd.
-
-Maar wat was nu het doel van zijne eerzucht? wat was de eigenlijke
-droom zijner toekomst?
-
-Deze vraag zullen wij den lezer later waarschijnlijk tot in de kleinste
-bijzonderheden kunnen beantwoorden.
-
-De graaf, na zich ontkleed te hebben, ging naar bed, dat wil zeggen,
-wikkelde zich in zijn zarape en strekte zich op de brits, of liever het
-raam met lederen overtrek, dat in gansch Mexico dienen moet om onze
-bedden te vervangen, een meubel dat in Europa geheel onbekend is.
-
-Nauwelijks was hij gaan liggen of hij sliep in met de gerustheid van
-een ijverig werkzaam man, voor wien ieder uur kostbaar is en die, daar
-hij slechts over weinige oogenblikken te beschikken heeft, zich haast
-om ze waar te nemen en slaapt, zoo als de Spanjaarden zeggen: a pierna
-suelta, hetgeen wij zouden kunnen vertalen door slapen »met gesloten
-vuisten.”
-
-Ten één ure des morgens, gelijk hij zich beloofd had, werd de graaf
-wakker, hij stak de eenige cebo aan die hem tot verlichting diende,
-bracht zijn toilet een weinig in orde, bekeek met zorg zijne pistolen
-en zijne karabijn, voelde of zijn zwaard wel vlug uit de scheede ging,
-en na de verdere voor iederen reiziger die op zijne veiligheid bedacht
-is onvermijdelijke voorzorgen, opende hij de deur der cuarto en begaf
-zich regelrecht naar de corral.
-
-Zijn paard vrat nog volmondig en lustig zijn laatste hapje spurrie; de
-graaf gaf het een maat haver toe, die het met een zacht gehinnik
-genoot; vervolgens legde hij zijn viervoetigen vriend den zadel op.
-
-In Mexico zal geen echt ruiter, tot welke klasse der maatschappij hij
-ook behoort, ooit aan anderen toevertrouwen om zijn paard te verzorgen,
-want in deze nog half wilde streken van Mexico hangt het lijfsbehoud
-van den ruiter grootendeels af van de kracht en vlugheid van zijn
-paard.
-
-De deur der herberg stond slechts op de klink, om den reizigers
-vrijheid te laten van komen of gaan naar verkiezing, zonder iemand
-anders in huis te verontrusten.
-
-De graaf stak een sigaar op, steeg in den zadel en reed in gestrekten
-draf den weg op van Guaymas naar de Rancho.
-
-Niets is aangenamer dan het reizen in Mexico bij nacht of in den
-vroegen morgen. De aarde, door de nachtelijke koelte met overvloedigen
-dauw besproeid, wasemt er de verkwikkendste en welriekendste geuren,
-wier heilzame invloed aan het lichaam al zijne kracht en aan den geest
-al zijne helderheid geeft.
-
-De maan, die weldra onder zou gaan, verlengde met haar bijna
-horizontaal invallend licht de schaduw der hier en daar langs den weg
-staande boomen, en gaf hun in de nachtelijke duisternis het aanzien van
-spoken.
-
-De donkerblauwe hemel was met een talloos heir van tintelende sterren
-bezaaid, te midden waarvan het Zuidelijk Kruis, aan hetwelk de Indianen
-den naam van Poron Chayké hebben gegeven, schitterde met onverdoofbaren
-glans. De wind schuifelde zacht door de takken, tusschen welke de
-blauwe nachtuil nu en dan zijn melodisch maar klagend gezang hooren
-liet, en waarmede zich in de diepten der wildernis het ernstig gebrul
-van puma en cougouar, of het hortend gemauw van panter en boschkat
-vermengde, of het schorre geblaf der op buit loerende coyotes.
-
-Bij zijn vertrek van Guaymas had de graaf zijn paard sterk aangezet,
-maar in weerwil van zich zelven, door den onweerstaanbaren indruk van
-dezen verrukkelijken herfstnacht medegesleept, vertraagde hij ongemerkt
-den pas van zijn paard en gaf zich van lieverlede over aan den vollen
-stroom der gedachten, die gedurig in zijn brein opkwamen en hem weldra
-deden zinken in zoete mijmeringen.
-
-De afstammeling van een oud en hooghartig Fransch geslacht, hier in de
-woestijn alleen, liet in zijn geest den verdwenen luister van zijn
-sedert lang verduisterden naam voorbijgaan en zijn hart zwol van vreugd
-en van trots bij de gedachte, dat voor hem wellicht de taak was
-weggelegd, om, zoo niet den roem zijner voorzaten te herstellen, ten
-minste ditmaal voor altijd het fortuin zijner familie te vestigen, dat
-hij tot hiertoe zoozeer veronachtzaamd, althans zoo slecht had weten te
-bewaren.
-
-De grond, dien hij nu betrad, moest hem honderdvoudig teruggeven wat
-hij zoo dwaselijk verloren en verkwist had; het oogenblik was gekomen,
-waarop hij eindelijk vrij van alle banden de plannen zijner toekomst
-zou verwezenlijken, die hij zoo lang in zijn hoofd had ontworpen.
-
-Zoo reed hij stapvoets voort, midden in de wildernis en zoodanig in
-zijne eigene beschouwingen verdiept, dat hij geen acht sloeg op hetgeen
-er rondom hem gebeurde.
-
-De sterren aan den hemel begonnen te verbleeken en de een na de ander
-te verdwijnen. De dageraad teekende reeds een witte streep aan den
-uitersten horizont, die zich van lieverlede kleurde met roodachtige
-tinten; met de aannadering van den dag, werd de lucht koeler en
-frisscher, terwijl de graaf door het koude gevoel van den rijkelijk
-gevallen dauw der woestijn zoo te zeggen uit zijne sluimering gewekt,
-huiverend de plooien van zijn zarape om zijne schouders trok en zijn
-paard op nieuw in galop zette, met een verstoorden blik op den
-veranderden hemel en een wreveligen uitroep:
-
-»O! ik zal slagen, in weerwil van alles!”
-
-Verwaten uitdaging, op welke de hemel onmiddellijk scheen te willen
-antwoorden.
-
-Ofschoon de dag op het punt stond van aan te breken, was het alsof
-juist daarom de nacht, in zijne worsteling met de ochtendschemering,
-des te duisterder wilde worden, gelijk dit trouwens na het ondergaan
-der volle maan meermalen gebeurt, gedurende de weinige minuten die de
-verschijning der zon voorafgingen.
-
-De eerste huizen der rancho van San José begonnen zich reeds in de
-verte te vertoonen en hunne witte gevels in den dikken morgennevel op
-te steken, toen de graaf op eens kort achter zich op de keien van den
-weg den haastigen hoefslag van verscheidene paarden hoorde klinken, of
-althans meende te hooren weergalmen.
-
-In Amerika, bij nacht en op een eenzamen weg, is de ontmoeting van
-menschen altijd, of ten minste bijna altijd een teeken van dreigend
-gevaar.
-
-De graaf bleef staan om te luisteren, het geluid naderde snel.
-
-De Franschman was dapper, dit had hij bij menige gelegenheid getoond;
-intusschen gevoelde hij weinig lust om ergens op weg onverhoeds
-overvallen en wellicht jammerlijk vermoord te worden.
-
-Hij keek in het rond, om zich te vergewissen hoeveel kans er was om
-zich te redden, in geval de aankomende ruiters vijanden mochten zijn.
-
-Het terrein was geheel kaal en effen, geen enkele boom, of kuil, of
-heuvel achter welke hij zich zou kunnen verschansen.
-
-Op twee honderd passen afstands verhieven zich, zooals wij reeds gezegd
-hebben, de eerste huizen der Rancho.
-
-De graaf nam dadelijk zijn besluit. Hij gaf zijn paard de sporen en
-reed in vliegenden galop in de richting van San José.
-
-Het bleek weldra dat de vreemdelingen zijn voornemen hadden geraden,
-want ook zij versnelden den gang hunner paarden merkelijk.
-
-Zoo verliepen een paar minuten, terwijl het gedruisch van den galop al
-meer en meer duidelijk werd.
-
-De Franschman begreep dus dat het op hem gemunt was, en dat de vreemde
-ruiters, wie zij ook wezen mochten, hem zochten in te halen.
-
-Hij wierp een blik achterwaarts, en bemerkte in de donkere verte twee
-schaduwen, die recht op hem aanhielden en in onbeteugelde vaart
-naderden.
-
-Intusschen had de graaf de Rancho bereikt; door de nabijheid der huizen
-gerustgesteld en niet gaarne voor een wellicht ingebeeld gevaar
-willende vluchten, wendde hij zijn paard plotseling om en posteerde
-zich dwars in de straat met een pistool in iedere hand.
-
-De vreemdelingen renden aan met onverpoosde snelheid; weldra waren zij
-geen twintig passen meer van den graaf verwijderd.
-
-»Wie daar?” riep hij met een luide en ferme stem.
-
-De onbekenden antwoordden niet, maar schenen nog harder door te zetten.
-
-»Wie daar?” herhaalde de graaf, »houdt op, of ik schiet.”
-
-Hij sprak dit op zulk een beslisten toon en met een zoo onverschrokken
-houding, dat de onbekenden, na een oogenblik aarzelens bleven staan.
-
-Zij waren met hun beiden.
-
-De dag, die meer en meer begon aan te breken, veroorloofde den graaf
-hen volkomen te onderscheiden. Zij waren gekleed als Mexicanen, maar
-vreemd voor dit land, waar de bandieten zich weinig bekommeren hun
-gelaat te vertoonen, waren zij gemaskerd.
-
-»Heila! bazen,” riep de graaf, »wat beduidt die hardnekkige
-vervolging?”
-
-»Dat is waarschijnlijk omdat wij u gaarne wilden inhalen,” antwoordde
-eene holle stem sarcastisch.
-
-»Hebt gij het dan op mij gemunt?”
-
-»Ja, zoo gij de vreemdeling zijt die zich de graaf de Lhorailles
-noemt.”
-
-»Juist; ik ben de graaf de Lhorailles,” zeide hij onverschrokken.
-
-»Goed, dan hebben wij elkander een woordje te zeggen.”
-
-»Daar heb ik niets tegen, al moet ik uit uw voorkomen opmaken dat gij
-bandieten zijt; zoo het u misschien om mijn beurs te doen is, neemt die
-en gaat uws weegs, ik heb niet veel tijd.”
-
-»Uw beurs moogt gij behouden, caballero: het is uw leven, niet uw geld
-dat wij u willen ontnemen.”
-
-»Ah zoo! dat is hier dan eene aanranding vooraf en een moord daarna?”
-
-»Niet geraden: wij stellen u een eerlijken strijd voor.”
-
-»Hm! een eerlijken strijd,” riep de graaf, »van twee tegen een, dat is
-mijns inziens toch wel een weinig ongelijk.”
-
-»Daarin zoudt gij gelijk hebben, wanneer het zoo was,” antwoordde
-degene die tot dusver het woord had gedaan, »maar mijn kameraad is hier
-alleen om het gevecht aan te zien, niet om er deel aan te nemen.”
-
-De graaf bedacht zich een oogenblik.
-
-»Pardi!” riep hij ten slotte, »het is wel een raar avontuur! een duël
-in Mexico en met een Mexicaan!..... dat is tot hiertoe nog nooit
-gezien.”
-
-»Dat is waar, caballero, maar er is een begin voor alles.”
-
-»Al scherts genoeg; ik heb er niets tegen om te strijden en hoop u te
-bewijzen dat ik wel durf; maar eer ik uw voorstel aanneem, zou ik
-gaarne weten waarom gij mij noodzaakt met u te vechten.”
-
-»Waartoe zou dat dienen?”
-
-»Waartoe zou dat dienen? Caspita! omdat ik het weten wil. Gij begrijpt
-wel, dat ik hier mijn tijd niet kan verspillen met al de slechthoofden
-den hals te breken die mij op weg ontmoeten en goedvinden om zich met
-mij te meten.”
-
-»Laat het u dan voldoende zijn te weten dat ik u haat.”
-
-»Caramba! daar was ik genoegzaam zeker van, maar dewijl gij er op staat
-om uw aangezicht voor mij te bedekken, zou ik u toch gaarne eenmaal
-willen herkennen.”
-
-»Al woorden genoeg,” hervatte de onbekende, »de tijd vliegt heen; wij
-hebben reeds veel te lang geredekaveld.”
-
-»Welnu, meester, als het er zoo mede gelegen is, houd u dan gereed ik
-zeg u vooruit, dat ik voornemens ben op u beiden te schieten: een
-Franschman is niet verlegen om twee Mexicaansche bandieten het hoofd te
-bieden.”
-
-»Zoo als gij goedvindt,”
-
-»Voorwaarts!”
-
-»Voorwaarts!”
-
-De drie ruiters spoorden hunne paarden en reden op elkander in; toen
-zij elkander ontmoetten schoten zij hunne pistolen op elkander af,
-daarop trokken zij hunne sabels.
-
-De strijd was kort, maar hevig; een der onbekenden, licht gewond, werd
-door zijn paard weggevoerd en verdween in een wolk van stof. De graaf,
-even door een kogel geraakt, voelde zijn woede ten top gestegen en
-verdubbelde zijne pogingen om zijn vijand meester te worden of althans
-buiten gevecht te stellen; maar hij had met een moeielijken
-tegenstander te doen, een man van verbazende behendigheid en in kracht
-ten minste met hem gelijk.
-
-Hij zag zijne oogen als gloeiende kolen schitteren door de gaten van
-zijn masker, terwijl hij met ongelooflijke snelheid om hem heen reed en
-zijn paard de stoutste sprongen en wendingen deed maken, hem gedurig
-aanvallende, nu met de spits en dan met het scherp van zijn sabel, en
-tegelijk zorg dragende dat hij buiten het bereik der slagen van zijn
-tegenpartij bleef.
-
-De graaf verspilde tegen zijn onvermoeiden vijand zijn kracht te
-vergeefs; zijne bewegingen begonnen aan vaardigheid en juistheid te
-verliezen, zijn gezicht werd beneveld, het zweet gudste van zijne
-slapen. De aanvallen zijner stilzwijgende tegenpartij daarentegen
-werden des te sneller; de uitslag van den strijd was niet meer te
-betwijfelen, toen de Franschman plotseling een strik op zijne schouders
-voelde, en eer hij er aan dacht om er zich van te ontdoen, zoo onzacht
-uit den zadel gerukt en op den grond werd geworpen, dat hij bijna
-bewusteloos bleef liggen, zonder zich te kunnen bewegen.
-
-Den tweeden onbekende was het, na een dollen rit van eenige minuten,
-eindelijk gelukt zijn paard weder meester te worden; en toen met allen
-spoed naar de plaats van het gevecht terug gereden, zonder dat de twee
-verbitterde kampioenen door de hitte des strijds zijne tegenwoordigheid
-opmerkten, had hij het noodig geoordeeld den strijd te doen eindigen en
-zijn reata nemende had hij den graaf gelasseerd.
-
-Zoodra de onbekende zijn vijand zag vallen, steeg hij van zijn paard en
-liep naar hem toe.
-
-Zijne eerste zorg was den Franschman van den strik te bevrijden, die
-hem bijna worgde, vervolgens poogde hij hem weer tot bewustzijn te
-brengen, hetgeen niet veel tijd vorderde.
-
-»Ha!” riep de graaf met een bitteren glimlach, terwijl hij opstond en
-de armen op de borst kruiste, »durft gij dat een eerlijken strijd
-noemen?”
-
-»Gij alleen hebt de schuld van hetgeen er gebeurd is,” antwoordde de
-andere, »daar gij mijne voorstellen niet hebt willen aannemen.”
-
-De Franschman verwaardigde zich niet hierover te redeneeren, hij
-vergenoegde zich met verachtelijk de schouders op te halen.
-
-»Uw leven heb ik gewonnen,” vervolgde zijn weerpartij.
-
-»Ja, door een schelmstuk; maar wat kan het mij schelen! vermoord mij en
-maak er een eind aan.”
-
-»Ik wil u niet dooden.”
-
-»Wat wilt gij dan?”
-
-»U een raad geven.”
-
-»Mij?”
-
-»Ja, u.”
-
-De graaf grinnikte.
-
-»Gij zijt een gek, waarde heer.”
-
-»Niet zoo erg als gij denkt. Luister aandachtig naar hetgeen ik u te
-zeggen heb.”
-
-»Zoo ik hopen mocht daardoor des te eerder van uwe tegenwoordigheid
-ontslagen te worden, zou ik het doen.”
-
-»Hoor dan, señor conde de Lhorailles, uwe komst hier te lande heeft
-twee personen in ’t ongeluk gestort.”
-
-»Loop heen, gij houdt mij voor den gek.”
-
-»Ik spreek in vollen ernst. Don Sylva de Torres heeft u de hand zijner
-dochter beloofd.”
-
-»Wat gaat u dat aan?”
-
-»Antwoord.”
-
-»Het is zoo, waarom zoude ik het loochenen?”
-
-»Doña Anita bemint u niet.”
-
-»Hoe kunt gij dat weten?” riep de graaf met een schamperen lach.
-
-»Ik weet het, en ik weet bovendien dat zij een ander bemint.”
-
-»Welnu en wat nog meer?”
-
-»En dat die andere haar bemint.”
-
-»Des te gekker voor hem, want ik zal haar nooit afstaan, dat zweer ik
-u.”
-
-»Gij hebt ongelijk, señor conde, gij zult haar afstaan, of gij sterft.”
-
-»Het een zoo min als het ander!” riep de onstuimige Franschman, die
-thans van zijn val geheel hersteld was. »Ik herzeg u dat ik Anita zal
-huwen. Bemint zij mij niet, hetgeen ik echter betwijfel, welnu dat is
-een ongeluk; ik hoop dat zij later te mijnen opzichte wel van meening
-zal veranderen; ik wil dat huwelijk, en niemand is in staat het te
-verhinderen.”
-
-De gemaskerde had hem met de hevigste ontroering aangehoord, zijne
-oogen fonkelden van woede, hij stampvoette van spijt; het gelukte hem
-echter zijn gevoel te overmeesteren en hij antwoordde met eene kalme en
-bedaarde stem:
-
-»Zie wel toe wat gij doet, caballero; ik heb gezworen u te waarschuwen,
-en ik waarschuw u eerlijk en trouw, de Hemel geve dat mijne woorden in
-uw hart weerklank vinden en dat gij den raad volgen zult dien ik u
-geef!.... De eerste keer dat het lot ons weer bij elkander brengt, moet
-een van ons beiden sterven.”
-
-»Ik zal de noodige voorzorgen nemen, wees daar gerust op; intusschen
-doet gij verkeerd dat gij de tegenwoordige gelegenheid niet waarneemt
-om mij te dooden; want die zult gij nooit terug vinden.”
-
-De twee gemaskerden waren weder te paard gestegen.
-
-»Graaf de Lhorailles,” zei de eene, zich nogmaals tot den Franschman
-wendende, »wees op uwe hoede, ik heb op u een groot voordeel; ik ken u
-en gij kent mij niet, het zal mij dus altijd gemakkelijk zijn u te
-bereiken, als ik dat wil. Wij Mexicanen zijn van Indiaansch en Spaansch
-bloed, wij zijn vurig in het haten, wees gewaarschuwd!”
-
-Na eene beleefde buiging voor den graaf barstte hij los in een
-spotachtigen schaterlach, gaf zijn paard de sporen en vertrok in
-duizelingwekkende vaart, gevolgd door zijn zwijgenden kameraad.
-
-De graaf oogde hem na met een peinzenden blik tot zij in de schemering
-verdwenen waren; hij schudde eenige malen het hoofd als of hij er de
-sombere gedachten wilde wegschudden die hem tegen wil en dank
-bestormden; toen raapte hij zijn sabel en hier en daar verstrooide
-pistolen op, nam zijn paard bij den teugel en stapte langzaam naar de
-pulqueria in welker nabijheid de strijd was voorgevallen.
-
-Het licht dat door de slecht gevoegde planken der deur scheen en het
-gezang en gelach, dat hij daar binnen hoorde deden hem veronderstellen,
-dat hij in de herberg nog wel een tijdelijk nachtverblijf zou vinden.
-
-»Hm!” mompelde hij half overluid terwijl hij voorttrad, »de bandiet
-heeft gelijk, hij kent mij, en ik zal hem onmogelijk weer kunnen
-vinden. Vive Dios! daar heb ik mij een mooien haat op den hals gehaald!
-Bah!” vervolgde hij, »wat geef ik er om! Ik was al te gelukkig, ik had
-een vijand noodig. Bij mijn ziel! laat men doen wat men wil, al zou de
-duivel zelf tegen mij samenspannen, zweer ik, dat niets mij bewegen zal
-de hand van doña Anita af te staan,”
-
-Op dit oogenblik bevond hij zich voor de pulqueria, waar hij op de deur
-klopte.
-
-Van nature niet zeer geduldig en bovendien vergramd door hetgeen hem
-overkomen was en door den vreeselijken kamp dien hij had moeten
-verduren, was de graaf op het punt van zijne bedreiging uit te voeren
-en de deur aan spaanders te breken toen zij eindelijk geopend werd.
-
-»Valge me dios?” riep hij verbolgen, »laat gij de menschen voor uw huis
-vermoorden zonder hun te hulp te komen.”
-
-»Zoo!” riep de pulquero levendig met zekere nieuwsgierigheid, »is er
-iemand vermoord?”
-
-»Neen, Goddank!” hervatte de graaf, »maar het scheelde weinig, of ik
-was dood.”
-
-»O!” riep de pulquero onverschillig, »als men zich wilde storen aan
-allen die bij nacht om hulp roepen, dan zou men de handen vol hebben,
-en daarbij, als de politie er achter komt, heeft men er maar last van.”
-
-De graaf haalde de schouders op en trad binnen, met zijn paard aan den
-toom achter zich; terwijl de deur onmiddellijk gesloten werd.
-
-De graaf de Lhorailles wist nog niet dat al wie in Mexico een lijk
-opneemt, of zich tegen den moordenaar civiele partij stelt, verplicht
-is om de kosten van het gerecht, die soms enorm hoog loopen te betalen,
-en ten slotte toch geen verhaal of recht voor het slachtoffer kan
-krijgen.
-
-Men is in geheel Mexico hiervan zoo vast overtuigd, dat als er een
-manslag plaats heeft, iedereen zich uit de voeten maakt zonder het
-slachtoffer hulp te verlenen, daar dit, ingeval er de dood op volgt,
-voor hem die er zich mede bemoeid heeft de grootste onaangenaamheden
-veroorzaakt.
-
-In Sonora doet men nog erger, zoodra er een oploop is, en een doode
-valt, sluit iedereen zijne deur.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-HET VERTREK.
-
-
-Zoo als don Sylva de Torres aan zijne dochter gezegd had, was tegen
-zonsopgang alles gereed om te vertrekken.
-
-In Mexico en bovenal in Sonora, waar de wegen gewoonlijk het beste
-zijn, als zij ten eenenmale ontbreken, gaat het reizen geheel anders
-dan in Europa.
-
-Daar zijn geen openbare vracht- of postdiensten, geen pleisterplaatsen
-of paardenposterijen, veel min spoorwegen. Eene reis van eenige dagen
-kost oneindig veel zorg en beweging, men is dan verplicht alles bij
-zich te hebben, daar men niet zeker is iets onder weg te zullen vinden:
-bedden, tenten, levensmiddelen en water wel het meest; alles moet op
-muilezels gepakt en weggesleept worden; zonder deze voorzorgen, zou men
-gevaar loopen van honger of dorst om te komen of onder den blooten
-hemel te moeten overnachten.
-
-Daarbij moet men zich van een aanzienlijk, goed gewapend geleide
-voorzien, om den aanval van wilde beesten niet slechts, maar ook der
-Indianen en vooral der struikroovers af te weren, daar het dank zij de
-regeeringloosheid van dat ongelukkige land op alle wegen van Mexico van
-wemelt.
-
-Diensvolgens zal de lezer gemakkelijk begrijpen, dat don Sylva
-reikhalzend verlangde om Guaymas zoodra mogelijk te verlaten, toen, zoo
-als wij gezegd hebben, in den vroegen morgen alles voor zijn vertrek
-gereed was.
-
-De opene plaats voor het huis had veel van eene groote pleisterplaats;
-vijftien muildieren met pakken en balen beladen stonden te wachten tot
-dat men gereed was met de palankijn, in welke doña Anita de reis mede
-zou maken.
-
-Een veertigtal paarden, getuigd en gezadeld, met het vliegennet over
-den neus, en pistolen in de holsters, stonden in ringen aan den muur
-vastgemaakt, en een enkele peon afzonderlijk met een heerlijken,
-kostbaar getuigden draver aan de hand, die voor don Sylva bestemd,
-ongeduldig stond te wuiven en te stampvoeten, knabbelende op het
-zilveren gebit, dat met schuim overdekt was.
-
-Kortom het was om doof te worden van al het geschreeuw, gelach en
-gedruisch.
-
-In de straat stond eene menigte volks te gapen, waaronder zich ook
-Cuchares en don Martial bevonden, die van hun toer naar de Rancho
-teruggekomen, met nieuwsgierigheid dit vertrek gadesloegen, daar zij
-niets van begrepen in dit vergevorderde jaargetij, zoo weinig geschikt
-voor een verblijf op het land, en zich verdiepten in allerlei gissingen
-die kant noch wal raakten, over deze zoo geheel buitengewone reis.
-
-Onder den hoop hier, hetzij toevallig of uit nieuwsgierigheid
-samengevloeid, bevond zich een man, blijkbaar een Indiaan, die
-schijnbaar achteloos tegen den muur geleund, evenwel het huis van don
-Sylva niet uit het oog verloor en met de meeste belangstelling al de
-bewegingen der talrijke bedienden van den haciendero gadesloeg.
-
-Deze persoon, nog jong, scheen een zoogenaamde Hiaqui-Indiaan, ofschoon
-een nauwlettend opmerker bij nader onderzoek het tegendeel zou gezegd
-hebben; in het breede voorhoofd van den man, zoowel als in zijn
-moeielijk te bedwingen fonkelend oog, en in den fieren mond, maar
-vooral in zijne forsche ledematen, die naar het model van den
-Griekschen Hercules schenen gevormd te zijn, was iets edels,
-vastberadens en onafhankelijks, dat veeleer den trotschen Comanch of
-den woesten Apache aanduidde, dan den meestal dommen Hiaqui. Onder de
-talrijke schaar dacht echter niemand zich met dezen Indiaan bezig te
-houden, die van zijnen kant wel zorg droeg de aandacht niet te trekken,
-maar zich zooveel mogelijk te verbergen.
-
-De Hiaquis komen zich gewoonlijk te Guaymas als werklieden of als
-lastdragers verhuren: daarom heeft de tegenwoordigheid van zulk een
-Indiaan niets vreemds.
-
-Eindelijk, tegen acht uren in den morgen, verscheen don Sylva de Torres
-met zijne dochter aan de hand, gekleed in een keurig reisgewaad, onder
-de peristyle van het huis.
-
-Doña Anita was zoo bleek als kwam zij uit het graf; haar betrokken
-gelaat en gezwollen oogen bewezen maar al te zeer, hoeveel zij dien
-nacht geleden en welk een zelfbedwang zij op dit oogenblik noodig had,
-om niet voor aller oog in tranen uit te breken. Bij hare verschijning
-wisselden don Martial en Cuchares een snellen blik, terwijl op de
-lippen van den Indiaan een glimlach trilde van onbeschrijfelijke
-uitdrukking.
-
-De tegenwoordigheid van den haciendero herstelde als met een tooverslag
-de stilte; de arrieros plaatsten zich terstond aan het hoofd hunner
-muildieren; de peons, tot aan de tanden gewapend, stegen in den zadel
-en don Sylva, na zich met een oogopslag verzekerd te hebben dat zijne
-bevelen stipt waren uitgevoerd, liet zijne dochter in de palankijn
-stappen, waar zij zich terstond in de kussens verborg als een bengali
-[12] in een bed van rozeblaren.
-
-Op een wenk van den haciendero, begonnen de muilezels, kop aan staart
-achter elkander gebonden, achter de nana of moederezelin, die de bel
-aanhad, en onder geleide der peons, het huis uit te komen.
-
-Alvorens te paard te stijgen wendde don Sylva zich tot een zijner
-oudste bedienden, die met den stroohoed in de hand eerbiedig voor hem
-stond.
-
-»Adieu, no Pelucho,” zeide hij, »ik vertrouw u het huis toe, houd goed
-de wacht en draag zorg voor al wat er in is. Overigens laat ik u
-Pedrito en Florentio, die u kunnen helpen en aan wie gij de noodige
-orders zult geven, zoodat alles gedurende mijne afwezigheid goed gaat.”
-
-»Gij kunt volkomen gerust zijn, mi amo (meester),” antwoordde de
-grijsaard met een nederige buiging voor zijn meester, »het is Goddank
-niet voor het eerst dat gij mij hier alleen laat, ik geloof dat ik mij
-altijd goed van mijn plicht gekweten heb.”
-
-»Gij zijt een goed dienaar, no Pelucho,” antwoordde don Sylva met een
-vriendelijken lach, »ik kan u niet anders dan prijzen, ook ga ik ten
-volle gerust van hier.”
-
-»Dat God u zegene! mi amo, even als de Niña,” antwoordde de oude man,
-een kruis makende.
-
-»Tot weêrziens, no Pelucho,” zei nu het meisje terwijl zij even het
-hoofd uit de palankijn stak, »ik weet dat gij zorgen zult voor al wat
-van mij is.”
-
-De grijsaard boog, zichtbaar vergenoegd.
-
-Don Sylva gaf bevel om te vertrekken en de gansche karavaan zette zich
-in beweging naar de Rancho de San José. Het was een van die heerlijke
-ochtenden zooals men alleen in deze rijk gezegende streken vindt; het
-onweder gedurende den afgeloopen nacht had den hemel geheel schoon
-geveegd, die zich thans voordeed in een zacht blauw; de zon, die reeds
-vrij hoog boven den gezichteinder stond, verspreidde hare warme
-stralen, min of meer getemperd door de welriekende dampen die uit den
-grond opstegen; de atmospheer met frissche en versterkende geuren
-bezwangerd, was bijzonder doorzichtig en werd van tijd tot tijd door
-eene lichte koelte verfrischt; gansche scharen van vogels, van
-duizenderlei kleur en pluimaadje vlogen in alle richtingen, en de
-muildieren die achter de bellen der nana madrina—de
-moederezelin—aankwamen, draafden luchtig voort, onder het opwekkend
-gezang der arrieros.
-
-Zoo marcheerde de karavaan in opgeruimde stemming over de zandige
-vlakte, wolken van stof opjagende, terwijl zij als eene lange
-kronkelende slang zich voortbewoog in de eindelooze bochten van den
-weg.
-
-Eene voorhoede uit tien peons bestaande nam de omstreken op en
-bespiedde hier en daar de struiken en heuvels van het golvende terrein.
-Don Sylva rookte eene sigaar en praatte met zijne dochter, terwijl eene
-achterhoede van twintig kloeke peons den trein sloot en voor de
-veiligheid van het convooi waakte.
-
-Wij herhalen hier, in dit land waar geen politie en bij gevolg geen
-openbaar toezicht bestaat, is eene reis van vier mijlen—want verder
-ligt de Rancho de San José niet van Guaymas—een even ernstige en
-zorgvereischende zaak als eene reis van honderd mijlen elders; de
-vijanden die men zou kunnen ontmoeten en met welke men ieder oogenblik
-te doen kan krijgen, hetzij roofzieke Indianen of verscheurende dieren,
-zijn te talrijk, te stoutmoedig en te tuk op roof en moord om te hunnen
-aanzien zijn leven alleen aan de vlugheid van zijn paard toe te
-vertrouwen.
-
-Men had Guaymas reeds ver achter zich, en de witte huizen waren sinds
-lang in de oneffenheden van het terrein verdwenen, toen de capataz, die
-zich tot hiertoe rustig aan het hoofd der karavaan had gehouden, op
-eens van daar terugkwam en in galop naar de palankijn reed, waar don
-Sylva de Torres zich nog steeds bevond.
-
-»Wel, Blas,” riep deze, »wat nieuws hebt gij? Onraad gezien voor ons
-uit?”
-
-»Nog niets, señoria, antwoordde de capataz, »alles gaat goed en binnen
-een uurtje komen wij aan de Rancho.”
-
-»Hoe komt gij dan zoo haastig naar mij toe?”
-
-»O, mijn hemel, señoria, het beteekent niet zoo veel, maar er loopt mij
-een idee door het hoofd, er is iets dat ik wilde aanwijzen.”
-
-»Ah zoo,” riep don Sylva, »wat, brave jongen?”
-
-»Kijk eens, señoria,” hervatte de capataz met de hand naar het
-zuidwesten wijzende.
-
-»Hé! wat zou dat beduiden? Daar is een vuur, als ik het wel heb.”
-
-»’t Is inderdaad een vuur, señoria; maar kijk eens hier,” en hij wees
-nu naar het zuid-oosten.
-
-»Dat is er nog een. Wie duivel toch stookt hier vuur op zulke hooge
-steilten, met welk oogmerk kan men dat gedaan hebben?”
-
-»O! maar dat is zoo moeielijk niet te begrijpen, señoria.”
-
-»Vindt gij dat, mijn jongen? wel, dan moest gij mij de zaak eens
-ophelderen.”
-
-»Met alle genoegen. Zie daar ginds,” zeide hij, met de hand naar den
-berg wijzende daar hij het eerste vuur gezien had, »die heuvel is de
-Cerro del Gigante.”
-
-»Werkelijk.”
-
-»En deze,” vervolgde de capataz naar het tweede vuur wijzende, »is de
-Cerro de San Xavier.”
-
-»Dat meen ik ook.”
-
-»ik weet het zeker.”
-
-»Welnu?”
-
-»Welnu, daar het eene bewezen waarheid is, dat een vuur niet van zelve
-kan ontstaan en dat bij eene hitte van veertig graden niemand lust zal
-hebben om voor aardigheid een vuur boven op den berg te gaan
-stoken.....”
-
-»Wat besluit gij er dan uit?”
-
-»Ik denk dat die vuren hetzij door roovers of door Indianen zijn
-aangelegd die de lucht hebben van onzen uittocht.”
-
-»Ja, ja, ja! wat gij daar zegt, is bondig geredeneerd, vriend; ga voort
-met uw verklaring, zij wekt mijne hoogste belangstelling.”
-
-De capataz of majordomo van don Sylva, was een kloeke borst van omtrent
-veertig jaren, een vent als een Herkules, en met hart en ziel aan zijn
-meester gehecht die wederkeerig in hem het grootste vertrouwen stelde.
-Op de minzame woorden van den haciendero boog de eerlijke man met een
-glimlach van zelfvoldoening.
-
-»O, maar ik heb zooveel niet meer te zeggen” riep hij, »niets anders
-dan dat de ladrones (dieven), of wie het ook wezen mogen die op ons
-loeren, door dit signaal gewaarschuwd zijn dat don Sylva de Torres en
-zijne dochter van Guaymas op weg zijn naar de Rancho de San José.”
-
-»Waarlijk, gij hebt gelijk, ik heb dat alles over het hoofd gezien: ik
-dacht het minst niet aan de roofvogels van allerlei soort die op ons
-pad loeren. Maar alles wel ingezien, wat geven wij er om of de
-bandieten ons op de hielen zitten, wij zijn immers onder duizend
-getuigen op reis gegaan, zoo dat niemand er onkundig van behoeft te
-zijn, en bovendien wij zijn talrijk genoeg om voor geen aanranding te
-vreezen, maar zoo het mocht gebeuren dat eenige dier schelmen ons
-durven aanvallen, carcaras! dan zullen ze weten met wien ze te doen
-hebben, dat beloof ik u; trekken wij dus onbezorgd voort, beste vriend;
-ik zie niet in dat ons iets onaangenaams kan overkomen.”
-
-De capataz boog voor zijn meester en reed in galop naar zijne plaats
-aan het hoofd der karavaan terug.
-
-Een uur later bereikten zij zonder tegenspoed de Rancho.
-
-Don Sylva reed aan het rechter portier der palankijn en sprak tegen
-zijne dochter die hem slechts karige antwoorden gaf, al trachtte zij
-hare droefheid zoo veel mogelijk voor den scherpzienden blik van haren
-vader te verbergen, toen de haciendero zich op eens bij herhaling
-hoorde roepen: hij keek dadelijk om en was niet weinig verbaasd, daar
-hij in den man die hem zoo onverwachts tot verantwoording riep den
-graaf de Lhorailles herkende.
-
-»Hoe, señor graaf, gij hier!” riep hij uit, »door welk zonderling
-toeval ontmoet ik u hier zoo dicht bij de haven, daar gij dezen nacht
-mij reeds zoover vooruit had moeten zijn?”
-
-Zoodra doña Anita den graaf zag kreeg zij een blos, zij trok zich
-schielijk terug en liet de gordijnen der palankijn neer.
-
-»O!” antwoordde de graaf met eene beleefde buiging, »tusschen nu en
-gisteren avond zijn er zekere dingen gebeurd die ik u vertellen zal,
-Don Sylva, dingen daar gij verwonderd van zult opkijken, ik verzeker u;
-maar het tegenwoordig oogenblik is niet geschikt om zulk eene historie
-te beginnen.”
-
-»Zooals gij gepast oordeelt, mijn vriend. Maar hoe is ’t met u,
-vertrekt gij, of blijft gij hier?”
-
-»Ik vertrek, ik vertrek! Ik ben alleen hier gebleven met oogmerk om u
-op te wachten; en zoo gij het goedvindt reizen wij samen; in plaats van
-u naar Guetzalli vooruit te gaan, komen wij er dan gezamenlijk aan.”
-
-»Met alle genoegen. Op marsch!” vervolgde hij met een wenk tegen den
-capataz.
-
-Laatstgenoemde had toen hij zijn meester met den graaf zag spreken, de
-karavaan halt laten maken. Thans trok zij weder op weg.
-
-De Rancho de San José was weldra achter den rug en nu eerst begon de
-eigenlijk gezegde reis.
-
-Voor de reizigers uit strekte zich de woestijn met hare onafzienbare
-zandvlakte, op wier geelachtigen bodem eene bochtige lijn, gevormd door
-het wit gebleekt gebeente der paarden en muildieren, die in de woestijn
-waren bezweken, het pad aanwees dat men te volgen had om niet te
-verdwalen.
-
-Omtrent twee honderd passen voor de karavaan uit, reed op een kreupelen
-ezel in sukkeldraf een man, hij zwaaide telkens links en rechts, en
-scheen half in slaap geraakt door de brandende zonnestralen die
-loodrecht op zijn bloot hoofd vielen.
-
-»Hei! Blas!” riep don Sylva tegen zijn majordomo, toen hij den eenzamen
-ruiter in ’t oog kreeg, »gij moest dien Indiaan daar voor ons uit eens
-gaan roepen; die weergasche Roodhuiden kennen de woestijn op hun duim,
-hij zou ons als gids kunnen dienen; dan loopen wij minder gevaar van
-verdwalen, want als wij ons soms mochten vergissen, zal hij ons zeker
-wel weder op den rechten weg brengen.”
-
-»Gij hebt gelijk,” zei de graaf, »in deze verduivelde zandvlakte is men
-nooit zeker van het rechte spoor.”
-
-»Ga hem roepen!” hervatte don Sylva.
-
-De capataz zette zijn paard in galop. Op eenigen afstand van den
-eenzamen reiziger gekomen bracht hij de handen aan zijn mond bij wijze
-van roeper:
-
-»Heila, José!” schreeuwde hij.
-
-In Mexico heeten al de mansos of geciviliseerde Indianen José, zoodat
-deze naam voor hen een soort van geslachtsnaam is geworden.
-
-De Indiaan keek om.
-
-»Wat moet gij hebben?” vroeg hij onverschillig.
-
-Het was dezelfde persoon dien wij te Guaymas met zoo veel aandacht de
-reisaanstalten van den haciendero hebben zien beschouwen.
-
-Was hij toevallig dezen weg uitgereden, of met opzet?
-
-Dit is eene vraag die niemand had kunnen beantwoorden.
-
-Blas Velazquez was wat men in Mexico een hombre de a caballo, wij
-zouden zeggen een geboren ridder, noemt, sedert lang op de hoogte van
-al de listen der Indianen, zoowel als met de jacht op wilde dieren. Hij
-wierp den reiziger een doordringenden blik toe, dien deze met volmaakte
-onverschilligheid doorstond. Het hoofd eenigszins verlegen gebukt, de
-handen op den hals van zijn ezel en de naakte beenen er links en rechts
-af hangende, was hij de volslagen type van een manso Indiaan, die door
-de vernederende en slaafsche behandeling der blanken bijna tot een
-redeloos dier is geworden.
-
-De capataz schudde onvoldaan het hoofd, zijn onderzoek was alles
-behalve naar wensch; intusschen, na eene minuut aarzelens, hervatte hij
-zijn verhoor.
-
-»Wat maakt gij hier zoo alleen op den weg, José?” vroeg hij.
-
-»Ik kom van del Puerto, waar ik mij als timmermansknecht had verhuurd;
-ik ben er omtrent eene maand gebleven, en toen ik er de kleine som daar
-het mij alleen om te doen was had overgewonnen, ben ik gisteren weder
-vertrokken en keer naar mijn dorp terug.”
-
-Dit alles klonk zoo waarschijnlijk als men verlangen kon; de meeste
-Hiaqui Indianen deden zoo; en bovendien, wat reden kon deze man hebben
-om te liegen? Hij was alleen, en ongewapend; de karavaan daarentegen
-was talrijk en bestond uit dappere mannen; er was dus geen het minste
-gevaar te vreezen.
-
-»En hebt gij braaf geld gewonnen?” hervatte de capataz.
-
-»Ja,” zei de Indiaan met een zegevierend gezicht, »vijf piasters en nog
-drie meer.”
-
-»Oho! José, gij zijt rijk.”
-
-De Hiaqui glimlachte dubbelzinnig.
-
-»Ja,” zeide hij, »de Tiburon [13] heeft geld.”
-
-»Heet gij de Tiburon?” hernam de capataz wantrouwig, »dat is geen mooie
-naam.”
-
-»He! waarom niet? De bleekgezichten hebben dien aan hun rooden zoon
-gegeven, hij vindt hem mooi, omdat hij van hen afkomstig is en hij zal
-hem houden.”
-
-»Ligt uw dorp nog ver van hier?”
-
-»Als ik een goed paard had, zou ik er in drie dagen kunnen zijn, mijn
-stamdorp ligt tusschen de Gila en Guetzalli.”
-
-»Zijt gij bekend te Guetzalli?”
-
-De Indiaan trok minachtend de schouders op.
-
-»De Roodhuiden kennen al de jachtgronden aan de Gila,” zeide hij.
-
-Op dit oogenblik had de karavaan de beide sprekers ingehaald.
-
-»Wel, Blas,” vroeg don Sylva, »wat is dat voor een man?”
-
-»Een Hiaqui-Indiaan, die eene kleine som geld te Puerto heeft
-overgewonnen en naar zijn dorp terugkeert.”
-
-»Zou hij ons van dienst kunnen zijn?
-
-»Ik denk het wel, zijn stam, zegt hij, ligt tusschen de Gila en de
-kolonie te Guetzalli.”
-
-»Ah zoo!” riep de graaf die thans naderbij kwam, »behoort hij dan
-misschien tot den stam van het Witte Paard?”
-
-»Ja,” zei de Indiaan.
-
-»O! dan sta ik borg voor den man,” riep de graaf levendig, »dat zijn
-zeer zachtzinnige Indianen, het zijn ellendige arme drommels, die bijna
-van honger sterven; ik gebruik hen dikwijls op de hacienda.”
-
-»Hoor eens,” hervatte don Sylva, den Roodhuid vriendelijk op den
-schouder kloppende, »wij moeten naar Guetzalli.”
-
-»Goed.”
-
-»En wij hebben een trouwen en eerlijken gids noodig.”
-
-»De Tiburon is arm, hij heeft niets dan een zwakken ezel, zoodat hij de
-bleekgezichten niet zal kunnen bijhouden.”
-
-»Maak u daar niet ongerust over,” liet er de haciendero op volgen; »ik
-zal u een paard laten geven zoo als gij er nog nooit een bereden hebt;
-en als gij ons eerlijk dient, zal ik bij onze komst aan de hacienda nog
-tien piasters voegen bij die gij reeds hebt. Bevalt u dat?”
-
-De oogen van den Indiaan schitterden van begeerlijkheid bij dit
-voorstel.
-
-»Waar is het paard?” vroeg hij.
-
-»Daar is het,” antwoordde de capataz terwijl hij hem een heerlijken
-draver aanwees die een der peons hem bracht.
-
-De Roodhuid beschouwde het paard met het oog van een kenner.
-
-»Gij aanvaardt dus den koop?” vroeg de haciendero.
-
-»Ja,” antwoordde de Roodhuid.
-
-»Kom dan maar gezwind van uw ezel en wij vertrekken dadelijk.”
-
-»Ik kan mijn ezel niet verlaten; hij is een goed dier, dat mij lang
-dienst heeft gedaan.”
-
-»Wees daar niet bezorgd over, hij komt met de pakezels achteraan.”
-
-De Indiaan gaf een wenk van toestemming en antwoordde niets; eenige
-oogenblikken daarna zat hij behoorlijk op zijn paard en ging de
-karavaan weder op weg.
-
-Alleen de capataz scheen niet veel vertrouwen te stellen in den zoo
-zonderling aangetroffen gids.
-
-»Ik zal hem in het oog houden,” mompelde hij in zich zelven.
-
-De tocht werd dien ganschen dag zonder verdere stoornis voortgezet, en
-den volgenden dag bereikte men de Rio Gila.
-
-De oevers der Rio Gila maken door hunne vruchtbaarheid een sterk
-contrast met de dorre vlakten in hare nabijheid; de reis van don Sylva,
-ofschoon hervat op het oogenblik toen de zon in het toppunt stond en
-hare stralen loodrecht nederschoot, was nu niets anders dan een
-aangename wandelrit van weinige uren, onder de schaduw van het
-loofrijkst geboomte dat hier met een in ons klimaat onbekenden wasdom
-opschiet.
-
-Het was ongeveer drie uren in den namiddag toen onze reizigers
-nauwelijks vijftig passen voor zich uit de kolonie Guetzalli zagen
-liggen, welke door den graaf de Lhorailles gesticht en ofschoon nog
-geen drie jaren tellende, reeds eene aanzienlijke uitbreiding had
-bekomen en tot in hooge mate ontwikkeld was.
-
-Deze kolonie bestond uit eene hacienda of landhoeve, rondom welke de
-arbeiderswoningen in groepen verspreid lagen; wij zullen haar in
-weinige woorden beschrijven.
-
-De hacienda verhief zich op een schiereiland van drie mijlen in den
-omtrek, met bosschen, akkers en weidevelden, in welke laatsten meer dan
-vier duizend stuks vee vrijelijk liepen grazen, die des avonds in
-parken dicht bij het huis werden samengebracht. Aan drie zijden door de
-rivier omgeven, diende deze haar als een natuurlijke schans; de smalle
-landtong van nauwelijks acht ellen breedte, die haar met het vaste land
-verbond, werd bestreken door eene batterij van vijf stukken grof
-geschut, behoorlijk gedekt door aardewerken en versterkt door eene
-diepe met water gevulde gracht.
-
-Het heerenhuis, door hooge gecreneleerde muren omringd en aan de vier
-hoeken met torens versterkt, was een soort van vesting, op zich zelf
-reeds voldoende in staat om een geregeld beleg te verduren, dank zij de
-acht kanonnen op de vier hoektorens, die al de toegangen verdedigden.
-Het bestond uit een hoofdgebouw, twee verdiepingen hoog en met een plat
-dak; in den voorgevel waren tien vensters, en links en rechts stonden
-twee andere gebouwen met den rug naar voren gekeerd; het een dienende
-tot bergplaats voor granen en hooi en het ander tot woonhuis voor den
-capataz of hofmeester en de talrijke bedienden der hacienda.
-
-Eene breede stoep, voorzien van eene dubbele ijzeren balie, sierlijk
-bewerkt en bekroond met eene veranda, geleidde naar de vertrekken van
-den graaf, die op de wijze der landhoeven in Spaansch-Amerika even
-eenvoudig als smaakvol en schilderachtig waren gemeubeld.
-
-Tusschen het woonhuis en den ringmuur, waarin tegenover de stoep een
-cederhouten deur was van vijf duim dik en met sterke ijzeren platen
-beslagen, lag een groote welonderhouden Engelsche tuin zeer fraai
-aangelegd en zoo dicht beplant dat men geen tien passen er doorheen kon
-zien. De ruimte achter het huis was voor stallen en parken bestemd,
-waar men iederen avond het vee in opsloot, en verder eene groote open
-plaats, waar men op zekeren tijd des jaars gewoon was de matanza del
-ganado—de slacht voor den wintervoorraad te houden.
-
-Geen schilderachtiger gezicht laat zich denken dan de aanblik van dit
-witte huis, dat men reeds in de verte kon zien liggen, half verscholen
-achter de welige bosschages als achter een gordijn van groen daar het
-oog met welgevallen op bleef rusten.
-
-Uit de vensters der bovenverdieping had men aan de eene zijde het
-onbelemmerde uitzicht over de ruime vlakte en aan de andere over de Rio
-Gila, die als een breed zilver lint in de grilligste bochten
-voortkronkelde en zich in onafzienbare verte verloor in het nevelig
-verschiet van den blauwenden horizont.
-
-Sedert de Apachen bijna op het punt waren geweest van de hacienda te
-bemachtigen, was er op het dak van het hoofdgebouw een mirador of
-wachttoren geplaatst, in welken nacht en dag een schildwacht op den
-uitkijk stond om de omstreken te bewaken, en dadelijk door middel van
-een koehoorn moest waarschuwen als hij een vreemdeling de kolonie zag
-naderen.
-
-Bovendien werd de batterij aan de landengte door een post van zes man
-bewaakt, terwijl de kanonnen altijd geladen stonden om bij den minsten
-onraad los te branden.
-
-Zoo was de karavaan nog ver van de hacienda verwijderd, toen hare komst
-aldaar werd opgemerkt en een der luitenants van den graaf, een oud
-soldaat uit Afrika met name Martin Leroux, volgens order, te paard
-achter de verschansing zich gereed hield om de nieuw aankomenden te
-ondervragen zoodra zij onder het bereik zijner stem zouden zijn.
-
-Don Sylva was intusschen met de wachtorde der hacienda ten volle
-bekend, eene dienstregeling trouwens die op alle buitenbezittingen der
-blanken gevolgd werd; want op de posten aan de grenzen, waar men voor
-de aanvallen en strooptochten der Indianen onophoudelijk blootstond,
-was men wel genoodzaakt om gedurig op zijne hoede te zijn.
-
-Eén ding echter begreep de Mexicaan niet recht, namelijk dat de eigen
-luitenant van den graaf, die hem ongetwijfeld moest hebben herkend, hem
-niet dadelijk de deuren had geopend.
-
-Hij deed dit terstond aan den graaf opmerken.
-
-»Daar zou hij verkeerd aan hebben gedaan,” zeide deze, »de kolonie
-Guetzalli is een gewapende post en altoos in staat van oorlog; de
-wachtorde moet dus stipt gevolgd worden voor ieder die zich aanmeldt,
-wie dan ook; van deze stipte waarneming hangt het algemeen welzijn af.
-Martin heeft mij reeds lang herkend, dat weet ik zeker, maar hij
-vooronderstelt dat ik door de Indianen gevangen zou kunnen zijn, en dat
-zij mij in schijn vrij lieten, om de kolonie des te beter te kunnen
-overrompelen. Ik verzeker u, dat mijn brave luitenant ons niet door zal
-laten, alvorens hij overtuigd is dat er onder onze Europeesche
-kleederen geen Roodhuiden schuilen.”
-
-»Ja,” mompelde don Sylva in zich zelven, »dat is maar al te juist; die
-Europeanen denken om alles, zij zijn ons ver vooruit.”
-
-De karavaan was thans nauwelijks twintig passen ver van de hacienda.
-
-»Ik geloof” zeide de graaf, »als wij ten minste geen hagelbui van
-kogels op het lijf willen krijgen, dat wij wijs zullen doen van hier
-stil te houden.”
-
-»Hoe dat!” riep don Sylva verschrikt, »zouden zij schieten?”
-
-»Zonder twijfel.”
-
-De beide mannen hielden hunne paarden in en bleven staan wachten tot
-men hen ondervroeg.
-
-»Wiedaar!” riep eene krachtvolle stem in ’t Fransch van achter de
-batterij.
-
-»Wel, wat vindt gij er nu van, don Sylva?” vroeg hij den haciendero.
-
-»’t Is iets ongehoords?” mompelde don Sylva.
-
-»Vrienden!” riep nu de graaf in antwoord op de vraag van den
-schildwacht, »Lhorailles en de vrijheid.”
-
-»Alles wel! De poort open!” kommandeerde de stem, »het zijn vrienden,
-zoo als ik hoop dat de Hemel ons nog dikwijls zenden zal.”
-
-De peons lieten de brug neêr, de eenige toegang om in de hacienda te
-komen.
-
-De karavaan trok nu binnen, en de brug werd onmiddellijk achter hem
-weder opgehaald.
-
-»Gij zult het mij niet kwalijk nemen, kapitein,” zeide Martin Leroux
-terwijl hij den graaf eerbiedig te gemoet trad, »maar ofschoon ik u
-zeer goed herkende, wij leven in een land waar men mijns bedunkens niet
-te voorzichtig kan zijn.”
-
-»Gij hebt uw plicht gedaan, luitenant, ik kan u niet anders dan geluk
-wenschen. Wat is er voor nieuws?”
-
-»Niet veel bijzonders: een troep jagers, door mij in de wildernis
-gevonden, heeft mij bericht dat zij een verlaten vuur op de vlakte
-hebben ontdekt; ik denk dat er weer Indianen om ons heen zwerven.”
-
-»Wij zullen een wakend oog op hen houden.”
-
-»O, ik houd goed de wacht, vooral tegenwoordig nu wij de maand naderen
-die de Comanchen zoo brutaal zijn de Maan van Mexico te noemen; ik zou
-er niets tegen hebben als zij eens bij ons kwamen, om hun een les te
-kunnen geven die zij in ’t vervolg konden onthouden.”
-
-»Ik ben het volkomen met u eens; verdubbelen wij dus onze waakzaamheid
-en alles zal wel gaan.”
-
-»Hebt gij mij geen andere orders te geven?”
-
-»Neen.”
-
-»Dan wil ik gaan, kapitein; gij weet dat gij mij het algemeen toezicht
-hebt opgedragen, ik moet dus een weinig overal zijn.”
-
-»Ga, luitenant, laat ik u niet langer ophouden.”
-
-De oude soldaat boog voor zijn kommandant en verwijderde zich, terwijl
-hij onder de hand den capataz minzaam groette, die hem volgde met de
-peons van don Sylva en de pakezels.
-
-De graaf zelf geleidde zijne vrienden naar dat gedeelte van het
-hoofdgebouw, dat voor de vreemde gasten bestemd was, en waar een
-appartement met alle noodige gemakken voor hen was ingericht.
-
-»Neem nu een weinig rust, don Sylva,” zeide hij tegen den haciendero,
-»gij zult wel vermoeid zijn van de reis zoo wel als doña Anita; morgen
-met uw goedvinden, spreken wij wel over onze zaken.”
-
-»Zoo als gij verlangt, vriend.”
-
-De graaf boog voor zijne gasten. Sedert hij het meisje ontmoet had was
-er nog geen woord tusschen hem en haar gewisseld.
-
-Op het voorplein ontmoette de graaf den Hiaqui, die een pijp rookte en
-op zijn gemak rondslenterde; hij trad naar hem toe.
-
-»Ziedaar de tien piasters die ik u beloofd heb,” zeide hij.
-
-»Dank u,” zeide de Indiaan terwijl hij ze aannam.
-
-»Wat gaat gij nu doen?”
-
-»Rusten tot morgen, en dan keer ik tot mijne broeders terug.”
-
-»Hebt gij zoo veel haast hen weder te zien?”
-
-»Ik! o neen.”
-
-»Blijf dan hier.”
-
-»Om wat te doen?”
-
-»Dat zal ik u zeggen: misschien zal ik u binnen een paar dagen noodig
-hebben.”
-
-»Krijg ik daar geld voor?”
-
-»Volop; zijt gij nu tevreden?”
-
-»Ja.”
-
-»Dus blijft gij?”
-
-»Ja, ik blijf.”
-
-De graaf verwijderde zich, zonder den vreemden blik op te merken dien
-de Indiaan hem toewierp.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-DE LEGERSCHANS IN DE WILDERNIS.
-
-
-Op ongeveer drie geweerschoten afstands van de hacienda, in een dicht
-bosch van lentisken, nopals en inktboomen, doormengd met eenige
-acajou-ceders, wilde katoen- en Peruboomen, steeg een uur voor
-zonsondergang een ruiter af, en kluisterde zijn paard—een heerlijken
-mustang met fonkelend oog, fieren hals en golvende manen. Nadat de
-ruiter een bespiedenden blik in het rond had geworpen, blijkbaar
-welvoldaan over de diepe heerschende stilte, maakte hij zich gereed om
-te kampeeren.
-
-De onbekende had de helft van zijne levensbaan reeds afgelegd: het was
-een Indiaansch krijgsman, lang en forsch van gestalte, en gekleed in
-het kostuum der Comanchen in zijne grootste zuiverheid. Ofschoon reeds
-meer dan zestig jaar oud was hij nog vol levendigheid en kracht en
-vertoonde zich geen spoor van ouderdom of verval in zijne gespierde
-leden; de arendsveer die midden uit zijn oorlogskuif opstak deed hem
-kennen als een opperhoofd of sachem.
-
-Deze man was de Arendskop, het Comanchenhoofd, waarmede de lezer reeds
-in een vorig werk kennis heeft gemaakt [14].
-
-Na zijne wapens afgedaan en zijn geweer te hebben in rust gebracht,
-verzamelde hij een hoop droog hout en stak het in brand. Vervolgens
-legde hij eenige ellen tasajo, een stuk hertebout en een half dozijn
-maïskoeken op de kolen. Onder het maken van deze toebereidsels voor een
-stevig souper, vulde hij zijne calumet en toen hij er mede klaar was
-ging hij bij het vuur zitten; en begon te rooken met al de bedaardheid
-die den Indianen eigen is en hen in geenerlei omstandigheden verlegen
-laat.
-
-Zoo gingen er twee uren vreedzaam voorbij, zonder dat de rust van het
-Indiaansch hoofd in het minst gestoord werd.
-
-De nacht was op den dag gevolgd, de duisternis had de wildernis
-ingenomen, en met haar begon het rijk der stilte en der eenzaamheid in
-de geheimzinnige diepte der prairiën.
-
-De Indiaan bleef steeds onbeweeglijk zitten en vergenoegde zich met nu
-en dan naar zijn paard om te zien, dat lustig zijne wilde doperwten en
-jonge bladrijzen knabbelde.
-
-Op eens echter stak de Arendskop het hoofd op, boog het lijf naar voren
-en zonder zich verder te verroeren greep hij naar zijn geweer, terwijl
-de mustang ophield met vreten, de ooren spitste en een krachtig
-gehinnik aanhief.
-
-Het bosch bleef intusschen even kalm: er was al de scherpte van een
-Indiaansch gehoor toe noodig om in deze stilte nog eenig verdacht
-geluid op te merken.
-
-Een oogenblik daarna werden de samengetrokken wenkbrauwen van het
-opperhoofd weder effen, hij hernam zijne onbezorgde houding en de beide
-voorvingers aan den mond brengende, bootste hij met zonderlinge
-juistheid, gedurende twee of drie minuten het welluidend gezang der
-centzontle of Mexicaanschen nachtegaal na; ook het paard had zijn
-afgebroken maaltijd weder hervat.
-
-Er verliep nauwelijks een minuut, of het geschrei van den watersperwer
-klonk tweemaal aan de zijde der rivier.
-
-Weldra hoorde men een gedruisch van paarden, vermengd met het kraken
-van takken en geschuifel van bladeren, en er verschenen twee ruiters.
-
-Het opperhoofd keek niet eens op om te zien wie het waren; hij had hen
-waarschijnlijk reeds herkend en wist dat zij, hetzij beiden of althans
-een van hen, bij hem zouden komen.
-
-Deze twee ruiters waren don Louis en Goedsmoeds.
-
-Zij kluisterden hunne paarden bij dat van het opperhoofd, gingen op een
-stilzwijgenden wenk van den Indiaan bij het vuur zitten en vielen met
-kracht aan op het souper dat te hunnen gerieve was gereed gemaakt.
-
-Den vorigen dag van de Rancho vertrokken zijnde, hadden zij
-onafgebroken doorgereisd zonder een oogenblik te verliezen om bij den
-Arendskop te komen.
-
-De graaf de Lhorailles had hun in de pulqueria aangeboden om samen te
-reizen, maar dat aanbod was door Goedsmoeds geweigerd.
-
-Niet wetende met welk oogmerk de Indiaan hem in de woestijn had
-afgesproken, wilde hij niet gaarne een vreemdeling in de zaken van zijn
-vriend opening geven.
-
-Evenwel waren de drie mannen op den besten voet van elkander gescheiden
-en had de graaf don Louis en den Canadees uitgenoodigd om hem te
-Guetzalli te komen opzoeken, eene beleefdheid die zij min of meer
-uitwijkend beantwoordden.
-
-De sympathie is soms wonderlijk in hare uitwerkselen: de indruk door
-den graaf op de twee avonturiers gemaakt was voor hem zoo ongunstig
-geweest, dat deze, ofschoon zijn verzoek met welwillendheid ontvangende
-het niet raadzaam vonden, zich te laten kennen, maar te zijnen aanzien
-de meeste terughouding in acht te nemen, hunne voorzichtigheid zelfs
-zoo ver drijvende dat zij hunnen landaard voor hem verborgen hielden,
-en het gesprek bleven voortzetten in het Spaansch, ofschoon zij hem
-reeds bij zijn eerste woord voor een Franschman hadden herkend.
-
-Toen het souper geëindigd was, stopte Goedsmoeds zijne pijp en strekte
-de hand naar het vuur om er een brandhout uit te grijpen.
-
-»Wacht!” riep de Arendskop met drift.
-
-Dit was het eerste woord dat de Indiaan sprak; tot op dit oogenblik
-hadden de drie vrienden nog geen syllabe gewisseld.
-
-Goedsmoeds keek hem aan.
-
-»Wel!” riep hij, »wat is er dan nu weer voor nieuws?”
-
-»Ik weet het nog niet,” antwoordde het opperhoofd, »maar ik heb een
-verdacht geritsel in de bladeren gehoord, en op verren afstand van ons,
-onder den wind, zijn verscheidene buffels die vreedzaam liepen grazen,
-op eens op de vlucht gegaan, zonder dat ik er eenige reden voor zie.”
-
-»Zoo!” hernam de Canadees, »dat wordt ernstig; wat denkt gij er van,
-Louis?”
-
-»In de wildernis,” antwoordde deze bedaard, »heeft alles zijne oorzaak,
-en geschiedt er niets bij toeval; ik denk, onder verbetering, dat wij
-wel zullen doen, op onze hoede te zijn. Ei zie,” vervolgde hij
-opkijkende en zijnen vrienden een troep vogels wijzende, die snel boven
-hunne hoofden voorbij vlogen, »hebt gij ooit een troep condors op dit
-uur en zoo laag in de lucht zien vliegen?”
-
-De Indiaan schudde het hoofd.
-
-»Er is iets aan de hand,” mompelde hij, »de Apachenhonden zijn op de
-jacht.”
-
-»’t Is mogelijk,” zei Goedsmoeds.
-
-»Voor alles,” merkte de Franschman aan, »laten wij het vuur uitdoen;
-het schijnsel, hoe zwak ook, zou ons kunnen verraden.”
-
-Zijne kameraden volgden zijn raad, het vuur werd oogenblikkelijk
-uitgedoofd.
-
-»Mijn bleeke broeder is voorzichtig,” zei het opperhoofd beleefd; »hij
-kent de woestijn, ik ben blijde dat ik hem bij mij zie.”
-
-Don Louis dankte den Indiaan met eene buiging.
-
-»Thans zijn wij nagenoeg onzichtbaar,” vervolgde Goedsmoeds, »dreigend
-gevaar hebben wij vooreerst niet te duchten, laten wij samen raad
-houden. Het opperhoofd was de eerste die onraad heeft bespeurd, hij
-moet ons uitleggen wat hij er van denkt.”
-
-De Indiaan wikkelde zich in zijn mantel en de drie mannen gingen zoo
-dicht bijeen zitten dat het gesprek fluisterend kon worden voortgezet.
-
-»Reeds dezen morgen met zonsopgang ben ik op reis gegaan,” zei de
-Arendskop; »en daar ik haast had om het afgesproken punt te bereiken,
-reed ik dwars door de prairie om de reis te bekorten. Maar den geheelen
-weg over zag ik duidelijke sporen van een talrijken troep ruiters, die
-sporen waren breed en vol, als gewoonlijk van een detachement dat sterk
-genoeg is om voor geen onverhoedsche aanranding te vreezen; ik heb die
-sporen een geruimen tijd kunnen waarnemen en volgen, tot zij op eens
-verdwenen waren, zonder dat ik ze bij mogelijkheid heb kunnen
-terugvinden.”
-
-»Te duivel!” mompelde de Canadees, »dat ziet er gek uit.”
-
-»In ’t eerst dacht ik mij met die sporen niet bezig te houden, maar
-later begon ik er ongerust over te worden en daarom heb ik gemeend er u
-van te moeten spreken.”
-
-»Om welke reden werdt gij ongerust?”
-
-»Ik denk, en als het wezen moet, durf ik wel zeggen ik weet het zeker,
-dat het door mij ontdekte spoor gericht is naar de groote hut der
-bleekgezichten te Guetzalli.”
-
-»Welken grond hebt gij voor die veronderstelling?” vroeg Louis.
-
-»Deze: op het uur dat de alligator den modderigen oever verlaat om zich
-weder in de Gila te dompelen, hoorde ik op korten afstand van mij een
-gedruisch van paarden, zoodat ik uit vrees van ontdekt te worden
-genoodzaakt was mij achter een boschje van wortelboomen en
-floripondio’s te verbergen; toen ik daar veilig zat keek ik uit en nu
-reed er geen boogschot ver van mij af een troep bleekgezichten voorbij,
-in de richting van Guetzalli.”
-
-»Ik begrijp er niets van,” riep Goedsmoeds, »ga voort.”
-
-»Ondanks al de zorg waarmede hij zich onkenbaar had zoeken te maken,
-herkende ik den man die de karavaan als gids diende, en toen begreep ik
-terstond welk een helsch komplot die Apachen-honden hebben gesmeed.”
-
-»En wie is die man?”
-
-»O mijn broeder kent hem wel: het is Wahsho chegora—de Zwarte-Beer—het
-voornaamste opperhoofd van den stam der Witte Raven.”
-
-»Als gij u daarin niet vergist hebt, hoofdman, dan zullen hier binnen
-kort vreeselijke dingen gebeuren; de Zwarte-Beer is de onverzoenlijkste
-vijand der blanken.”
-
-»Dat is de eenige reden waarom ik mijn broeder heb willen spreken.
-Overigens gaat het ons niet aan; in de wildernis hebben wij genoeg met
-onze eigene zaken te doen, zonder dat wij ons met die van anderen
-bemoeien.”
-
-De Canadees schudde het hoofd.
-
-»Wat gij daar zegt is wel waar,” antwoordde hij, »wij zouden misschien
-wijs doen als wij de bewoners der hacienda aan hun lot overlaten en ons
-niet steken in zaken daar wij grooten last van kunnen hebben.”
-
-»Zijt gij dan voornemens werkelijk zoo te handelen,” vroeg de
-Franschman met drift.
-
-»Dat wil ik niet stellig zeggen,” hernam de Canadees, »maar het is een
-moeielijk geval; wij zullen met een talrijken vijand te doen krijgen.”
-
-»Ja, maar die men wil overrompelen zijn uwe landgenooten.”
-
-»Dat is waar, en dat maakt de zaak inderdaad zeer netelig, ik zou die
-ongelukkigen niet gaarne zien scalpeeren. Aan den anderen kant, als wij
-ons onbedacht in den strijd werpen, loopen wij gevaar om zelven er het
-slachtoffer van te worden.”
-
-»Waarom bedenkt gij er u zoo lang over?”
-
-»Pardi! om het voor en tegen goed na te gaan; ik aarzel altijd om mij
-in eene onderneming te wagen, daar ik te voren niet al de gevolgen van
-heb berekend; ben ik er eenmaal in, dan geef ik er minder om.”
-
-Don Louis kon zich moeielijk zonder lachen houden bij deze zonderlinge
-redeneering, en staarde zijn vriend aan.
-
-»Mijn besluit is genomen,” hervatte de Canadees een oogenblik later.
-»Eer de nacht voorbij is zullen wij zeker wat nieuws zien gebeuren;
-gaan wij dichter bij de rivier, ik twijfel niet of wij krijgen daar
-weldra de noodige aanwijzing om er ons plan naar te regelen. Onze
-paarden staan hier veilig, wij kunnen ze gerust achter laten, zij
-zouden ons bovendien maar belemmeren.”
-
-De drie mannen gingen plat op den grond liggen en kropen stil naar de
-rivier, in de door Goedsmoeds aangewezen richting.
-
-De nacht was heerlijk, de maan scheen in vollen luister en de dampkring
-was zoo doorzichtig dat men het kleinste voorwerp op grooten afstand
-kon onderscheiden.
-
-De drie avonturiers kwamen eindelijk uit de struiken tevoorschijn, maar
-verborgen zich aan den rand der rivier, in een ondoordringbaar boschje,
-waar zij bleven wachten met al het geduld dat den woudloopers eigen is.
-
-De heerschende stilte in de woestijn was zoo diep, dat ook het zwakste
-geluid merkbaar werd; een vallend blad in het water, een keitje dat
-zich aan den oever loswoelde, het zacht en eentonig gemurmel van den
-stroom over zijn zandige bedding, de ritselende vleugelslag van een
-uil, die van tak tot tak sprong, was het eenige dat zich hooren liet.
-
-Zoo zaten de drie avonturiers reeds verscheidene uren onverdroten te
-waken, met open oog en ooren, met den vinger aan de gespannen buks, uit
-vrees van overrompeling en nog was er niets gebeurd dat de vermoedens
-van den Arendskop of de voorspellingen van Goedsmoeds kon versterken,
-toen Louis de hand van den Indiaan zacht aan zijn schouder voelde
-drukken, hem naar de rivier wijzende; de Franschman richtte zich op de
-knieën en keek uit.
-
-Eene bijna onmerkbare beweging beroerde de oppervlakte van het water,
-als zwom er een alligator voorbij.
-
-»Ha ha!” mompelde Goedsmoeds, »daar komt eindelijk wat wij zoo lang
-gewacht hebben, denk ik.”
-
-Een zwarte massa verscheen weldra, meer drijvend dan zwemmend, op de
-rivier en naderde van lieverlede de plaats waar de jagers zich
-verscholen hielden.
-
-Na verloop van eenige minuten hield de donkere massa, wat zij dan ook
-wezen mocht, stil en hoorde men verscheidene malen achtereen het gejank
-van den hond der prairiën.
-
-Weldra klonk het gehuil van den coyote met kracht en zoo dicht in de
-nabijheid, dat de drie wakers huns ondanks er van schrikten.
-Oogenblikkelijk zagen zij een man met beide handen van een acajou-eik
-afhangen en eensklaps op den grond vallen, geen zes passen ver van de
-plek waar zij zich bevonden.
-
-Die man was in Mexicaansche kleeding.
-
-»Kom hier, hoofdman,” zeide hij, half overluid tegen de zwarte massa in
-het water, zonder zich te dicht aan den oever te wagen. »Kom vrij, wij
-zijn alleen.”
-
-De toegesprokene zwarte massa, blijkbaar een Indiaan, kwam uit het
-water en kroop op handen en voeten naar den man uit den boom.
-
-»Mijn broeder spreekt te hard,” zeide hij; »in de woestijn is men nooit
-alleen; de bladeren hebben oogen en de boomen ooren.”
-
-»Bah! wat gij mij daar zegt is al te gek; wie duivel zou ons hier
-bespieden. Uwe krijgslieden er buiten gerekend, die waarschijnlijk in
-den omtrek verborgen zijn, kan niemand ons hier zien of hooren.”
-
-De Indiaan schudde bedenkelijk het hoofd.
-
-Nu deze op vasten bodem was, nauwelijks tien passen van onze
-avonturiers, moest Goedsmoeds bekennen dat de Arendskop zich niet
-bedrogen had en dat de bedoelde man werkelijk niemand anders was dan de
-Zwarte-Beer.
-
-De beide mannen stonden een poosje zwijgend tegenover elkander.
-
-Eindelijk vatte de Mexicaan het woord weder op.
-
-»Gij hebt goed gemanoeuvreerd, hoofdman,” zeide hij op vleienden toon;
-»ik weet niet hoe gij het gedaan hebt gekregen, maar ik veronderstel
-dat het u gelukt is om binnen de hacienda te komen?”
-
-»Dat is het,” antwoordde de Indiaan.
-
-»Dan hebben wij nu niets meer te doen dan onze laatste maatregelen te
-beramen; gij zijt een groot opperhoofd, in wien ik het onbepaaldste
-vertrouwen stel; ziedaar wat ik u beloofd heb; ik behoefde u eerst
-later te betalen, maar ik wil dat er niet de minste reden van verwijt
-tusschen ons besta.”
-
-De Indiaan wees de hem aangeboden goudbeurs met weerzin terug.
-
-»De Zwarte-Beer heeft zich bedacht,” zeide hij koel.
-
-»In welk opzicht, als ik u vragen mag?”
-
-»Een krijgsman is geen vrouw dat hij noodeloos woorden zou verspillen;
-wat mijn broeder den Zwarten-Beer had aangeboden, weigert de Apache
-stellig.”
-
-»Dat wil zeggen?”
-
-»Dat alles tusschen ons verbroken is.”
-
-De Mexicaan onderdrukte met moeite zijne teleurstelling.
-
-»Derhalve hebt gij uwe krijgslieden niet gewaarschuwd; en zult gij
-wanneer ik het u beveel de hacienda niet aantasten?”
-
-»De Zwarte-Beer heeft zijne krijgers gewaarschuwd, hij zal de
-bleekgezichten aantasten.”
-
-»En wat zegt gij mij dan daar even? Ik moet u verklaren dat ik u niet
-begrijp, hoofdman.”
-
-»Dat komt omdat het bleekgezicht mij niet begrijpen wil: de Zwarte-Beer
-zal de hacienda wel aantasten, maar voor zijn eigen rekening.”
-
-»Dat was immers tusschen ons afgesproken, zoo ik meen?”
-
-»Ja, maar de Zwarte-Beer heeft de zingende vogel gezien, zijne tent is
-ledig, hij wil er de jonge bleeke maagd in huisvesten.”
-
-»Ellendeling!” riep de Mexicaan verbolgen, »moet gij mij aldus
-verraden?”
-
-»Waarin verraad ik het bleekgezicht?” antwoordde de Indiaan altijd
-onverstoord; »hij heeft mij een koop aangeboden, en ik heb dien
-geweigerd, daarin zie ik niets dan volkomen trouw en eerlijkheid.”
-
-De Mexicaan verbeet zich de lippen van woede; hij zag zich gevangen, en
-had niets meer te antwoorden.
-
-»Ik zal mij wreken!” riep hij stampvoetend.
-
-»De Zwarte-Beer is een machtig opperhoofd: hij lacht met het gekras der
-raven; het bleekgezicht kan niets tegen hem doen.”
-
-Met een sprong sneller dan eene gedachte wierp de Mexicaan zich op den
-Apache, greep hem bij de keel, trok zijn mes en hief het reeds op om
-hem te treffen.
-
-Maar de Indiaan had de bewegingen van zijn tegenpartij te goed in ’t
-oog gehouden; met een niet minder snellen wrong, ontrukte hij zich aan
-diens vuist en stond met een sprong buiten zijn bereik.
-
-»De bleekmuil heeft een sachem durven aantasten,” zeide hij met eene
-heesche stem, »hij zal sterven.”
-
-De Mexicaan haalde de schouders op en greep de pistolen in zijn gordel.
-
-Het is moeielijk te gissen hoe dit tooneel zou zijn afgeloopen, zoo er
-geen nieuw geval tusschen beide gekomen ware, dat de geheele toedracht
-van gedaante deed veranderen.
-
-Uit den zelfden boom, daar weinige minuten te voren de Mexicaan in
-verborgen had gezeten, kwam plotseling een tweede persoon te
-voorschijn, en viel juist op den Apache, dien hij op den grond wierp en
-volkomen weerloos maakte, eer hij door dezen onverhoedschen aanval
-verschrikt er aan denken kon zich te verdedigen.
-
-»Wat is dat?” fluisterde Goedsmoeds met een gesmoorden lach, tegen
-zijne vrienden, »hoe veel duivels zitten er toch in dien acajou-ceder?”
-
-De Mexicaan en de man die hem zoo in tijds ter hulp kwam, hadden den
-Apache binnen weinige oogenblikken met eene reata zoo stijf vast
-gebonden, dat hij geen lid meer verroeren kon.
-
-»Nu zijt gij in mijne macht, hoofdman,” zei de Mexicaan, »en nu zult
-gij wel moeten toestemmen in hetgeen ik verlang.”
-
-De Apache meesmuilde en maakte een scherp gefluit.
-
-Op dit signaal kwamen eensklaps alsof zij uit den grond oprezen een
-vijftigtal Indiaansche krijgslieden van alle kanten toeschieten, en wel
-met zooveel spoed, dat de twee Mexicanen zich oogenblikkelijk binnen
-een ondoordringbaren kring van vijanden zagen opgesloten.
-
-»Te duivel!” riep Goedsmoeds bij zich zelven, »dat begint ingewikkelder
-te worden; hoe zullen zij zich daaruit redden?”
-
-»En wij dan?” lispelde don Louis hem in ’t oor.
-
-De Canadees beantwoordde hem met dat veelbeteekenend schouderophalen,
-dat in alle talen, zoo veel wil zeggen als »in vredesnaam, als het God
-behaagt!” en begon opnieuw met de meeste belangstelling te turen hoe
-dit ingewikkelde tooneel zou afloopen.
-
-»Cuchares,” hoorde hij den Mexicaan tegen zijn kameraad zeggen, »houd
-dien kerel goed vast, en dood hem als een hond bij de minste beweging,
-die hij maakt.”
-
-»Wees maar gerust, don Martial, antwoordde de lepero terwijl hij uit
-zijn jachtlaars een mes te voorschijn bracht, welks blauwe lemmer in
-het maanlicht glinsterde.
-
-»Waartoe besluit de Zwarte-Beer?” hervatte don Martial tegen den
-sachem, die weerloos aan zijne voeten lag.
-
-»Het leven van een opperhoofd is in uwe macht, hond van een bleekmuil;
-neem het zoo gij durft!” antwoordde de Apache met een minachtenden
-grijns.
-
-»Ik zal u niet dooden; niet omdat ik bang ben, want dat gevoel ken ik
-niet,” riep de Mexicaan, »maar omdat ik het beneden mij acht het bloed
-te storten van een vijand die weerloos is, al is die vijand een onreine
-hond en een valsche coyote zoo als gij.”
-
-»Dood mij, zeg ik u, als gij kunt, maar scheld mij niet uit. Haast u,
-want als mijne krijgslieden hun geduld verliezen zullen zij u aan hunne
-woede opofferen, en dan sterft gij ongewroken.”
-
-»Gij schertst, uwe krijgslieden zullen zich niet verroeren zoo lang ik
-u hier vast heb, dat weet gij wel. Ik wil u liever den vrede
-aanbieden.”
-
-»Vrede!” riep de sachem en er fonkelde een heldere blik uit zijn oog,
-»op welke voorwaarden?”
-
-»Op twee voorwaarden.”
-
-»Goed.”
-
-»Cuchares, ontdoe dien man van de lasso; maar houd hem altijd in het
-oog.”
-
-De lepero gehoorzaamde.
-
-»Dank u,” zeide de Zwarte-Beer zich op de knieën oprichtende; »spreek,
-mijne ooren zijn geopend. Welke zijn uwe voorwaarden?”
-
-»Vooreerst dat het mij en mijn kameraad vrij zal staan ons te
-verwijderen waarheen wij willen,”
-
-»Goed, ten tweede.”
-
-»Ten tweede dat gij u verbindt om bij uwe krijgslieden te blijven en
-niet weder onder dezelfde vermomming naar de hacienda te gaan, ten
-minste niet in de eerste vier en twintig uren.”
-
-»Is dat alles?”
-
-»Dat is alles.”
-
-»Hoor mij op mijne beurt, bleekgezicht. Ik neem uwe voorwaarden aan,
-maar ik wil u de mijne zeggen.”
-
-»Spreek.”
-
-»Ik zal de hacienda niet weder binnentrekken dan met de arendsveer in
-mijn oorlogskuif, en aan het hoofd van mijne krijgslieden, en dat zal
-zijn eer de zon driemaal achter de hooge bergtoppen van het westen
-geslapen heeft.”
-
-»Gij pocht, Apache; ’t is onmogelijk dat gij de hacienda binnenkomt
-anders dan door verraad.”
-
-»Wij zullen zien,” zeide hij, en liet er met een dreigenden glimlach op
-volgen: »de vogel die zingt zal in de hut van een Apachenhoofd wonen en
-er het wild voor hem braden.”
-
-De Mexicaan haalde minachtend de schouders op.
-
-»Beproef het om de hacienda te nemen en u van het meisje meester te
-maken,” zeide hij.
-
-»Ik zal het beproeven. Geef mij uwe hand!”
-
-»Ziedaar.”
-
-De Zwarte-Beer wendde zich naar zijne krijgslieden en met de hand van
-den Tigrero in de zijne, sprak hij met luider stem en op een toon van
-de hoogste majesteit:
-
-»Broeders, dit bleekgezicht is de vriend van den Zwarte-Beer, dat
-niemand hem lastig zij.”
-
-De krijgslieden bogen eerbiedig en verwijderden zich links en rechts,
-om de twee blanken door te laten.
-
-»Vaarwel,” zeide de Zwarte-Beer zijn vijand groetende, »binnen vier en
-twintig uren volg ik uw spoor.”
-
-»Gij vergist u, Apachenhond,” antwoordde don Martial trotsch, »ik
-integendeel zal het uwe volgen.”
-
-»Goed! dan zijn wij in ieder geval zeker dat wij elkander weer
-ontmoeten,” hernam de Zwarte-Beer.
-
-Hij verwijderde zich langzaam met fieren en vasten tred, gevolgd door
-zijne krijgslieden, terwijl hunne stappen weldra in de diepte van het
-bosch verdwenen.
-
-»Bij mijne ziel, don Martial,” sprak de lepero, »ik geloof dat gij
-verkeerd hebt gedaan met den Indiaanschen rekel zoo gemakkelijk te
-laten ontsnappen.”
-
-De Tigrero haalde de schouders op.
-
-»Moest ik mij dan niet uit de klem zoeken te redden daar wij in waren,”
-zeide hij. »Bah! de partij is remise. Zoeken wij onze paarden.”
-
-»Wacht nog even, als gij er niets tegen hebt,” riep nu op eens
-Goedsmoeds, zijn schuilhoek verlatende en ongedwongen te voorschijn
-tredende, gevolgd door zijne twee kameraden.
-
-»Wat is dat?” riep Cuchares, onmiddellijk zijn mes grijpende, terwijl
-don Martial bedaard de hand aan zijne pistolen sloeg.
-
-»Wat het is, caballero?” hernam Goedsmoeds op vredelievenden toon, »dat
-ziet gij wel, zou ik denken.”
-
-»Ik zie drie mannen.”
-
-»Juist, daar hebt gij gelijk in, drie mannen die ongezien het tooneel
-hebben aanschouwd, dat gij zoo braaf hebt afgespeeld; drie mannen die
-zich gereed hielden om u bij te springen in geval van nood en die u
-thans nog aanbieden gemeene zaak met u te maken, om met u de plundering
-der hacienda te helpen beletten daar de Apachen stellig het voornemen
-toe hebben: komt u dat gelegen?”
-
-»Dat hangt er van af,” meesmuilde de Tigrero, »ik moet eerst nog weten
-wat u beweegt om aldus te handelen.”
-
-»Vooreerst om u een genoegen te doen,” hernam Goedsmoeds beleefd, »ten
-tweede omdat ik die arme kolonisten voor het scalpeermes dier
-vervloekte Roodhuiden wil bewaren.”
-
-»In dat geval neem ik uw voorstel van ganscher harte aan.”
-
-»Volg ons dan naar ons kamp, daar kunnen wij samen ons plan van den
-veldtocht bespreken.”
-
-Zoodra Cuchares begreep dat de lieden die hier op zulk eene zonderlinge
-wijs verschenen, bepaaldelijk vrienden waren, had hij zich gehaast zijn
-mes weder in zijne laars te steken en was hij de paarden gaan halen,
-die zij op korten afstand hadden gelaten. Hij kwam juist terug, de
-beide paarden aan de hand leidende, en nu gingen de vijf mannen
-gezamenlijk naar het kampement.
-
-»Neem u in acht,” zei Goedsmoeds tegen don Martial, »gij hebt u dezen
-nacht een onverzoenlijken vijand gemaakt, zoo gij u niet haast den
-Zwarte-Beer te dooden zal hij zich bij de een of andere gelegenheid op
-u wreken; de Apachen vergeven nimmer eene beleediging.”
-
-»Dat weet ik; en ik zal er mijne maatregelen naar nemen, stel u
-gerust.”
-
-»Dat is uwe zaak. Misschien hadt gij beter gedaan hem uit den weg te
-ruimen toen hij in uwe macht was, onverschillig wat er het gevolg van
-zou geweest zijn.”
-
-»Kon ik dan raden dat ik zoo dicht bij mij vrienden had? O! had ik dat
-maar geweten.”
-
-»Geen nazorgen, wat gedaan is is gedaan, daar kan men niet meer op
-terugkomen.”
-
-»Zoudt gij denken dat die man zijne voorwaarden stipt zal nakomen?”
-
-»Gij schijnt den Zwarte-Beer niet te kennen; die man is hooghartig, hij
-heeft zijne vaste begrippen van trouw en riddereer. Hebt gij niet
-gezien hoe hij bij zijne onderhandeling met u geen list heeft willen
-gebruiken; wat hij sprak was altijd rond en oprecht.”
-
-»Dat is zoo.”
-
-»Wees daarom verzekerd dat hij zijne belofte zal houden.”
-
-Hier bleef het gesprek steken. Don Martial was op eens nadenkend
-geworden, de bedreigingen van den Apache gaven hem nu des te meer stof
-tot bezorgdheid.
-
-Zij bereikten het kamp.
-
-De Arendskop ging dadelijk aan ’t werk om een vuur aan te leggen.
-
-»Wat doet gij?” riep Goedsmoeds terstond, »zoo zult gij immers onze
-tegenwoordigheid verraden.”
-
-»Neen,” antwoordde de Indiaan hoofdschuddend, »de Zwarte-Beer is met
-zijn volk vertrokken; zij zijn thans reeds ver van hier; waarom zouden
-wij onnoodige voorzorgen gebruiken?”
-
-Weldra vlamde het vuur knappend omhoog. De vijf mannen gingen er bij
-zitten, staken hunne pijpen aan en begonnen deftig te rooken.
-
-»Ik moet bekennen,” hervatte de Canadees een oogenblik later, »zonder
-de door u betoonde koelbloedigheid, weet ik niet hoe gij u uit den nood
-zoudt hebben gered.”
-
-»Laten wij thans zien hoe wij het voornemen van die duivelsche kerels
-het best zullen verijdelen,” riep de Mexicaan.
-
-»O! dat is eenvoudig genoeg,” zei Louis, »een van ons gaat morgen naar
-de hacienda en verwittigt den eigenaar van hetgeen er dezen nacht
-gebeurd is, dan kan hij op zijne hoede zijn en alles is in orde.”
-
-»Ja, ik denk wel dat dit het beste middel is en dat wij het moeten
-gebruiken,” zei Goedsmoeds.
-
-»Vijf mannen zijn niets tegen vijfhonderd,” merkte de Arendskop aan;
-»wij moeten de bleekgezichten waarschuwen.”
-
-»Dat is juist wat wij voornemens zijn te doen, hoofdman,” zei de
-Tigrero; »maar wie van ons zal zich nu met die taak belasten en naar de
-hacienda gaan? Mijn kameraad en ik kunnen er ons niet aanmelden.”
-
-»Waarom niet! ik zou nu haast denken dat er een liefdehistorie onder
-loopt,” riep de Canadees schalks, »en dan begrijp ik wel dat het u
-moeielijk valt, om....”
-
-»Laten wij er niet langer over haspelen,” viel Louis hem in de rede;
-»morgen, met zonsopgang ga ik naar de hacienda, ik neem die taak op mij
-en hoop den eigenaar in allen deele behoorlijk in te lichten omtrent
-het gevaar dat hem boven het hoofd hangt.”
-
-»Goed; dat is afgesproken en daarmede is alles gezegd,” riep
-Goedsmoeds.
-
-»Zeer goed,” zei don Martial, »dan zeggen mijn kameraad en ik, zoodra
-onze paarden hebben uitgerust, u hier vaarwel en keeren naar Guaymas
-terug,”
-
-»Toch niet, met uw welnemen,” zei de Franschman schielijk, »ik geloof
-dat gij beter zult doen, hier zoo lang te wachten tot ik van de
-hacienda terugkom, om te weten hoe het met mijn boodschap afloopt, dat
-gaat u nog meer aan dan ons, zou ik denken.”
-
-De Mexicaan onderdrukte met moeite een opkomend gevoel van tegenzin.
-
-»Gij hebt gelijk,” zeide hij, »daar dacht ik niet aan. Ik zal wachten
-tot gij terugkomt.”
-
-De jagers wisselden nog eenige woorden samen, toen wikkelden zij zich
-in hunne dekens, legden zich op den grond neder en waren weldra in
-slaap.
-
-De diepste stilte heerschte thans in het sombere boschkamp, dat slechts
-flauw verlicht werd door den rooden gloed van het uitstervende vuur.
-
-Reeds twee uren ongeveer hadden de avonturiers geslapen, toen de
-struiken zachtjes werden uiteengeschoven, en een man verscheen.
-
-Hij bleef een oogenblik staan, zoo het scheen om te luisteren; daarop
-kroop hij zonder het minste gedruisch te maken voort naar de plek waar
-de Tigrero gerust sliep.
-
-Dichter bij gekomen, en in het schijnsel van het vuur, had men hem
-duidelijk genoeg als den Zwarte-Beer kunnen onderkennen. Het
-Apachenhoofd haalde zijn scalpeermes uit zijn gordel en legde het zacht
-op de borst van den Tigrero; toen nog eens rondkijkende om zich te
-verzekeren dat de vijf mannen gerust sliepen, verwijderde hij zich met
-dezelfde voorzichtigheid als hij gekomen was en verdween weldra in de
-struiken, die zich achter hem sloten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-VOOR DEN AANVAL.
-
-
-Op het eerste gefluit van den maukawis, dat wil zeggen, met het opgaan
-der zon, werden de avonturiers wakker.
-
-De nacht was rustig voorbijgegaan en hun slaap was door niets gestoord
-geworden; slechts een weinig verkleumd door den overvloedigen dauw, die
-hunne dekens geheel doortrokken had, haastten zij zich om op te staan,
-en eenige keeren het kamp op en neer te stappen, ten einde bij zich den
-bloedsomloop te herstellen en hunne verdoofde leden te ontgloeien.
-
-Met de eerste beweging die don Martial bij het opstaan maakte, viel er
-een mes van hem af op den grond. De Mexicaan raapte het op en slaakte
-een kreet van verbazing, bijna van schrik, terwijl hij het aan zijne
-kameraden liet zien.
-
-Het zoo onverwacht gevonden wapen was een scalpeermes, op het lemmer
-vertoonden zich nog sporen van bloed.
-
-Wij weten reeds wie het mes op de borst van den Tigrero gelegd had.
-
-»Wat beteekent dat?” riep hij, terwijl hij het wapen verontwaardigd
-omhoog hield.
-
-De Arendskop nam het en bekeek het nauwkeurig.
-
-»Ooah!” riep hij verwonderd, »de Zwarte-Beer is hier geweest terwijl
-wij sliepen.”
-
-De jagers konden hun schrik niet verbergen.
-
-»Dat is onmogelijk,” beweerde Goedsmoeds.
-
-De Indiaan schudde van neen en liet hem het mes zien.
-
-»Ziedaar,” zeide hij, »’t is het scalpeermes van den Apache, het totem
-van zijn stam staat er op den steel ingesneden.”
-
-»Ja, waarlijk!”
-
-»De Zwarte-Beer is een vermaard krijgshoofd, zijn hart is groot genoeg
-om eene wereld te bevatten. Daar hij zich gedwongen zag de hem
-opgelegde voorwaarden te vervullen, heeft hij zijnen vijand willen
-bewijzen dat diens leven in zijne macht was en dat hij het hem ontnemen
-kon wanneer het hem goeddacht; dat is eenvoudig de beteekenis van het
-mes, nedergelegd op de borst van een slapenden Yori—Spanjaard.”
-
-De avonturiers waren alles behalve op hun gemak over dezen trek van
-stoutmoedigheid; zij beefden bij de gedachte dat hun leven in de macht
-had gestaan van den Apache, die zich niet verwaardigd had hen te
-dooden, maar alleen had willen toonen dat hij hen durfde trotseeren;
-den Mexicaan vooral ging bij dat idee eene rilling over het lijf.
-
-De Canadees was de eerste die zijne gewone bedaardheid terugkreeg.
-
-»Canario!” riep hij, »die Apachenhond heeft wel gedaan dat hij ons
-waarschuwde; nu zullen wij voortaan beter oppassen.”
-
-»Hm,” riep Cuchares met de handen in zijn dik en kroesig haar, »ik zou
-niet gaarne gescalpeerd worden.”
-
-»Bah!” antwoordde Goedsmoeds, »men komt er niet altijd even kaal af.”
-
-»Dat kan waar zijn, maar ik zou er niet gaarne de proef van nemen.”
-
-»Daar het intusschen geheel dag is geworden,” merkte don Louis aan,
-»geloof ik dat het voor mij tijd wordt om naar de hacienda te
-vertrekken, wat dunkt u?”
-
-»Wij hebben geen oogenblik te verliezen om de plannen des vijands te
-verijdelen,” drong don Martial nader aan.
-
-»Des te minder daar wij nog zekere maatregelen moeten nemen, waarover
-wij elkander hoe eer hoe beter dienen te verstaan,” zei Goedsmoeds.
-
-De Indiaan en de lepero gaven hunne toestemming alleen met een
-hoofdknik te kennen.
-
-»Bepalen wij vooraf onze eerste samenkomst,” hervatte Louis.
-
-»Gij kunt mij hier niet blijven wachten, waar de Indianen ons veel te
-gemakkelijk vinden zouden.”
-
-»Ja,” antwoordde Goedsmoeds zich bedenkend, »maar ik ben met deze
-streek niet goed bekend en ik zou zeer verlegen staan als ik een
-geschikt punt moest aanwijzen.”
-
-»Ik weet er wel een,” zei nu de Arendskop, »ik zal er u zelf brengen;
-onze bleeke broeder kan daar bij ons komen.”
-
-»Zeer goed, maar dan dien ik vooraf te weten welke plaats gij bedoelt.”
-
-»Laat mijn broeder zich daar niet over verontrusten, zoodra hij de
-groote hut uitkomt ben ik bij hem.”
-
-»Dan is alles in orde. Tot weerziens.”
-
-Louis zadelde zijn paard en reed weg in gestrekten draf in de richting
-der hacienda, die trouwens niet verder dan drie geweerschoten
-verwijderd lag van de plaats waar de avonturiers zich thans bevonden.
-
-Laten wij thans de jagers een poos alleen en zien wij wat er inmiddels
-in de hacienda gebeurd was.
-
-De graaf de Lhorailles stapte met een bezorgd gelaat op en neder in de
-benedenzaal, die tevens als vestibule voor het hoofdgebouw diende.
-
-Tegen wil en dank hield zijne ontmoeting met den Mexicaan hem levendig
-bezig; hij wenschte gaarne met doña Anita in het bijzijn van haar vader
-een ronde verklaring te hooren, die alle onzekerheid zou opheffen, of
-althans den sleutel van het ten haren opzichte bestaande geheim zou aan
-de hand geven.
-
-Nog een andere omstandigheid had hem uit zijn humeur gebracht en
-verdubbelde zijne onrust:
-
-Met het aanbreken van den dag was Diego Leon, een zijner luitenants,
-bij hem gekomen met bericht, dat de Indiaan, dien hij den vorigen dag
-als gids had medegenomen, dien nacht spoorloos verdwenen was.
-
-De staat van zaken begon ernstig te worden; de Mexicaansche Maan was
-ophanden; de gids was blijkbaar een Indiaansche spion die zich van de
-sterkte der hacienda had willen verzekeren en van de beste middelen om
-haar te overrompelen.
-
-De Apachen en Comanchen konden niet veraf wezen, misschien zaten zij
-reeds in het hooge gras te loeren op een gunstig oogenblik om hunne
-onverzoenlijke vijanden te bestormen.
-
-De graaf ontveinsde zich daarbij niet, dat zoo zijn toestand moeielijk
-was, hij dit grootendeels aan zich zelven te wijten had.
-
-Van gouvernementswege met een gewichtig kommando belast, inzonderheid
-ten doel hebbende om de grenzen tegen de invallen der Indianen te
-beschermen, had hij nog hoegenaamd geen aanstalten gemaakt of
-maatregelen genomen om het mandaat te vervullen dat hem niet alleen was
-opgedragen, maar wat meer zegt, daar hij zelf om gevraagd had.
-
-De zoogenaamde Maan van Mexico zou binnen eene maand intreden; voor
-dien tijd was het volstrekt noodig om een beslissenden slag te slaan,
-die den Indianen een heilzamen schrik zou inboezemen en hen beletten
-zich te vereenigen, en alzoo hunne plannen te verijdelen.
-
-De graaf had hierover reeds een geruimen tijd nagedacht en was er zoo
-diep mede bezig, dat hij vergat naar zijne gasten te laten vragen, die
-hij den vorigen avond onder zijn dak had ontvangen.
-
-Op eens stond zijn oude luitenant voor hem.
-
-»Wat wilt gij, Martin?” vroeg hij hem.
-
-»Met uw verlof, kapitein, ik hoop niet dat ik u stoor of ongelegen kom,
-maar Diego Leon, die met acht man op de batterij aan de landtong de
-wacht heeft, heeft mij laten zeggen dat een ruiter verzoekt om binnen
-te komen, daar hij u over ernstige zaken spreken moet.”
-
-»Wie is die man?”
-
-»Een blanke, goed gekleed, en bereden op een uitmuntend paard.”
-
-»Heeft hij niets anders meer gezegd?”
-
-»Verschooning; nog dit: zeg aan uw kommandant dat ik een van de twee
-personen ben die hij in de Rancho van José heeft gesproken.”
-
-Het gelaat van den graaf helderde op.
-
-»Laat hem binnen komen, het is een vriend.”
-
-De luitenant ging heen.
-
-Zoodra de graaf weder alleen was hervatte hij zijne wandeling.
-
-»Wat kan die man mij te zeggen hebben?” prevelde hij, »toen ik in de
-Rancho hem en zijn vriend aanbood om met mij mede te gaan, hebben zij
-beiden geweigerd. Wat kan hen zoo spoedig van besluit hebben doen
-veranderen? Bah! waartoe langer te gissen,” vervolgde hij, terwijl hij
-het trappelen van een paard op het patio hoorde; »ik zal het dadelijk
-weten.”
-
-Bijna op hetzelfde oogenblik verscheen don Louis, binnengeleid door den
-luitenant, die op een wenk van den graaf zich terstond verwijderde.
-
-»Aan welk gelukkig toeval,” zei de graaf de Lhorailles beleefd, »dank
-ik de eer van een bezoek dat ik zoo weinig durfde verwachten?”
-
-Don Louis gaf hem zijne buiging even wellevend terug en antwoordde:
-
-»Het is geen gelukkig toeval dat mij herwaarts voer, integendeel de
-Hemel geve dat ik geen ongeluksbode moge zijn.”
-
-»Wat bedoelt gij daarmede, señor?” vroeg hij ongerust, »ik begrijp u
-niet.”
-
-»Ik zal het u dadelijk ophelderen. Maar laten wij Fransch spreken, als
-gij dat goedvindt; dan verstaan wij elkander beter,” zeide hij,
-terstond het Spaansch latende varen daar hij zich tot hiertoe van
-bediend had.
-
-»Wat!” riep de graaf verwonderd, »spreekt gij Fransch, mijnheer.”
-
-»Ja, mijnheer,” hernam Louis, »wat meer is, ik heb de eer uw landgenoot
-te zijn, en al ben ik,” vervolgde hij, »sinds bijna tien jaren
-uitlandig geweest, is het mij altijd een onbeschrijfelijk genoegen als
-ik mijne eigen taal mag spreken.”
-
-Toen de graaf hem dit hoorde zeggen, scheen hij dezelfde man niet meer.
-
-»O!” riep hij in vervoering, »laat ik u de hand drukken, mijnheer; twee
-Franschen, die elkander in dit verre land ontmoeten, zijn broeders:
-vergeten wij voor een poos de plaats waar wij zijn en spreken wij over
-Frankrijk, dat dierbare vaderland, dat ons zoo na aan het hart ligt en
-daar wij zoo ver af zijn.”
-
-»Helaas! mijnheer,” antwoordde Louis, die zijne ontroering bedwingen
-moest. »Ik gevoel mij gelukkig dat ik voor eenige oogenblikken mijne
-omgeving kan vergeten om de herinneringen van ons gemeenschappelijk
-vaderland te verlevendigen. Jammer slechts is het oogenblik ernstig en
-zijn de gevaren die u bedreigen zoo groot, dat de tijd dien wij dus met
-praten zouden verliezen, voor u de vreeselijkste gevolgen zou kunnen
-hebben.”
-
-»Gij doet mij schrikken, mijnheer. Wat is er dan gaande? welk
-vreeselijk nieuws hebt gij mij mede te deelen?”
-
-»Ik heb u immers reeds gezegd, mijnheer, dat ik een Jobsbode was, en
-kwade tijding kwam brengen.”
-
-»Laat u dat niet bezwaren; wat het ook zij, door u gesproken zal het
-mij welkom zijn; wat kan ik op mijn tegenwoordigen post in de woestijn
-anders verwachten dan nu en dan een ongeluk?”
-
-»Ik hoop dat ik u het gevaar zal kunnen helpen afwenden, dat u thans
-boven het hoofd zweeft.”
-
-»Ik dank u voorshands voor uw broederlijke belangstelling, mijnheer;
-spreek nu vrij uit, wat gij mij ook moogt te vertellen hebben, ik zal u
-rustig aanhooren, ik verlang het te weten en luister met aandacht.”
-
-Zonder van zijne ontmoeting met den Tigrero te reppen, verhaalde don
-Louis thans den graaf, hoe hij toevallig een gesprek tusschen den gids
-en verscheidene Apachenhoofden had afgeluisterd, die in den omtrek der
-hacienda verscholen zaten en welk plan zij hadden gevormd om de kolonie
-te overrompelen.
-
-»Ziedaar, mijnheer,” zeide hij ten slotte, »oordeel nu zelf over het
-gewicht der tijding en over de maatregelen die gij zult moeten nemen om
-het plan uwer vijanden te verijdelen.”
-
-»Ik zeg u dank, mijnheer; reeds eenige minuten voor uwe komst, toen
-mijn luitenant mij kwam zeggen dat de gids verdwenen was, heb ik
-begrepen dat ik met een spion te doen had; wat gij mij meldt brengt dit
-vermoeden tot zekerheid. Zoo als gij wel zegt is er geen oogenblik te
-verliezen; ik zal mij onmiddellijk beraden om de noodige maatregelen te
-beramen.”
-
-Hij klopte op de tafel.
-
-Er kwam een peon binnen.
-
-»Roep den eersten luitenant,” zeide hij.
-
-Na een paar minuten verscheen Martin Leroux.
-
-»Luitenant,” zei de graaf, »gij moet met twintig ruiters al de
-omstreken drie mijlen in ’t rond gaan verkennen, want ik hoor daareven
-dat er Indianen in de nabijheid zijn die op ons loeren.”
-
-De oude soldaat boog zonder te antwoorden en verwijderde zich om te
-gehoorzamen.
-
-»Wacht even!” riep don Louis in ’t Fransch, hem met een wenk
-tegenhoudende; »nog een woord.”
-
-»Hé!” riep Martin Leroux met verwondering terugkeerende, »spreekt gij
-nu toch Fransch?”
-
-»Zoo als ge hoort,” antwoordde don Louis glimlachend.
-
-»Hadt gij het een of ander op te merken?” vroeg de graaf.
-
-»Ik woon reeds sinds lang in Amerika en in de woestijn, zoodat ik de
-Indianen heb leeren kennen en met hen in list kan wedijveren. Met uw
-verlof zal ik u eenigen raad geven dien ik meen dat u in de
-tegenwoordige omstandigheden niet ondienstig zal zijn.”
-
-»Pardi!” riep de graaf, »spreek op, waarde landsman, uw raad kon ons
-niet anders dan nuttig zijn, daar ben ik van overtuigd.”
-
-Op dit oogenblik trad don Sylva de kamer binnen.
-
-»Zoo, beste vriend!” vervolgde de graaf, toen hij hem zag, »gij komt
-juist van pas, wij hebben u zeer noodig; uwe kennis van de zeden der
-Indianen zal ons zeer te stade komen.”
-
-»Wat is er toch gaande?” vroeg de haciendero met een hoffelijken groet
-tegen de aanwezigen.
-
-»Er is gaande, dat de Apachen ons met eenen aanval bedreigen.”
-
-»O! dat is erg, vriend; wat denkt gij te doen?”
-
-»Dat weet ik nog niet. Ik had mijn luitenant Martin reeds gelast om de
-omstreken te gaan opnemen, maar deze heer, in wien ik de eer heb u een
-mijner landgenooten voor te stellen, schijnt van een ander gevoelen.”
-
-»De caballero heeft gelijk,” antwoordde de Mexicaan met eene buiging
-voor don Louis;—»maar vooreerst, zijt gij wel zoo zeker van dien
-aanval?”
-
-»Mijnheer is opzettelijk herwaarts gekomen om mij te waarschuwen.”
-
-»Dan valt er niet meer aan te twijfelen, en moeten de noodige
-voorzorgen onverwijld genomen worden. En hoe denkt de caballero er
-over?”
-
-»Dat wilde hij mij juist opgeven toen gij binnen kwaamt.”
-
-»Laat ik dan uw onderhoud niet langer storen; ik luister, spreek,
-mijnheer.”
-
-Don Louis boog en nam het woord.
-
-»Caballero,” sprak hij, zich tot don Sylva wendende; »wat ik zeggen
-zal, is inzonderheid voor de Fransche señores bestemd, die te veel aan
-de oorlogen der blanken in Europa gewoon, niets begrijpen van de wijze
-waarop de Indianen hier te werk gaan.”
-
-»Dat is waar,” merkte de graaf aan.
-
-»Bah!” riep Leroux, terwijl hij met zeker gevoel van eigenwaarde zijn
-knevelbaard opstreek, »dan zullen wij hooren.”
-
-»Pas maar op dat het niet tot uw nadeel zij!” vervolgde don Louis. »De
-Indiaansche oorlog is een krijg van listen en hinderlagen. Geen vijand
-zal u ooit in het open veld aantasten; hij houdt zich altijd schuil en
-zoo hij slechts overwinnaar blijft is ieder middel hem welkom, bovenal
-verraad. Vijf honderd Apachen, onder aanvoering van een stoutmoedig
-opperhoofd, zouden het in de prairie tegen uwe beste soldaten
-volhouden, hen afmatten en decimeeren, zonder dat deze ooit tot een
-bepaald treffen konden komen.”
-
-»Zoo?” mompelde de graaf. »Is dit hun eenige manier van strijdvoeren?”
-
-»De eenige,” bevestigde de haciendero.
-
-»Hm!” riep Leroux, »dat heeft dunkt mij veel van den oorlog in Afrika.”
-
-»Niet zoo veel als gij denkt. De Arabieren vertoonen zich nog, terwijl
-de Apachen, zooals ik u reeds gezegd heb, zich niet dan in de uiterste
-noodzakelijkheid bloot geven.”
-
-»Dus is mijn plan om eene verkenning naar buiten te
-bewerkstelligen....”
-
-»Onuitvoerbaar om twee redenen: òf uwe ruiters, hoezeer door tal van
-vijanden omgeven, zouden er niet een van te zien krijgen; òf zij zouden
-in een hinderlaag worden gelokt, waar zij ondanks wonderen van
-dapperheid tot den laatsten man zouden sneuvelen.”
-
-»Al wat deze heer zegt is volkomen juist; het laat zich wel hooren dat
-hij met den Indiaanschen oorlog grondig bekend is en zich menigmaal met
-de Indios bravos zal gemeten hebben.”
-
-»Die ondervinding heb ik met mijn aardsch geluk moeten betalen, mijne
-geliefden zijn door deze woeste vijanden vermoord,” antwoordde don
-Louis treurig; »bereid u op een gelijk lot zoo gij niet op uwe hoede
-zijt. Ik weet hoe veel het aan uw ridderlijken volksaard kost om zulk
-een gedragslijn te volgen; maar als ik u raden mag is het uwe eenige
-kans op behoud.”
-
-»Wij hebben hier verscheidene vrouwen en kinderen, uwe dochter, don
-Sylva, bovenal: wij moeten haar niet alleen volstrekt buiten gevaar
-stellen, maar zelfs voor den minsten schrik behoeden. Ik vereenig mij
-dus geheel met het gevoelen van mijnheer Louis en ben voornemens om met
-de meeste omzichtigheid te werk te gaan.”
-
-»Ik zeg u dank, zoo voor mij als voor mijne dochter.”
-
-»Maar nu, mijnheer, daar wij reeds zoo veel goeden raad van u gehoord
-hebben moet gij het er niet bij laten, maar uw werk de kroon opzetten
-door mij te zeggen wat gij in mijne plaats doen zoudt?”
-
-»Mijnheer,” antwoordde Louis ernstig, »wat ik zou doen is dit: de
-Apachen zullen u stellig aanvallen, om zekere reden, die ik wel weet
-maar te beuzelachtig reken om er ons thans mede op te houden; zij maken
-het welgelukken van dezen aanval tot een punt van eer; versterk u dus
-hier zoo veel gij maar kunt. Gij hebt een aanzienlijk garnizoen, uit
-beproefde mannen samengesteld; bij gevolg zijn alle kansen bijna in uw
-voordeel.”
-
-»Ik heb zeventig dappere Franschen, allen oud-gedienden, die weten wat
-oorlogvoeren is.”
-
-»Achter goede muren en wel gewapend is dat meer dan gij er noodig
-hebt.”
-
-»Behalve nog de veertig peons, op de Indianenjacht afgericht, die ik
-heb medegebracht,” zei don Sylva.
-
-»Zijn die mannen op dit oogenblik hier?” vroeg don Louis met drift.
-
-»Ja, mijnheer.”
-
-»O, dat vereenvoudigt de zaak aanmerkelijk; geloof mij, mijne heeren,
-nu zijn het de Indianen die het meeste te duchten hebben.”
-
-»Verklaar u nader.”
-
-»Allerwaarschijnlijkst zult gij aan de zijde der rivier worden
-aangetast; misschien zullen de Indianen om uwe krachten te verdeelen
-een gewaanden aanval op het fort aan de landengte doen, maar dat punt
-is te goed versterkt dan dat zij in ernst zouden beproeven het te
-veroveren; ik herhaal u dus dat de vijand zijne hoofdmacht aan den
-rivierkant zal samentrekken.”
-
-»Ik moet u doen opmerken, mijnheer,” zei de luitenant, »dat de rivier
-op dit oogenblik onbevaarbaar is, door de duizende boomstammen die de
-jongste onweders in de bergen hebben losgerukt en die zij op haar
-stroom medevoert.”
-
-»Ik weet niet of de rivier al dan niet bevaarbaar is,” antwoordde don
-Louis beslissend; »maar daarvan ben ik overtuigd, dat de Apachen u van
-die zijde zullen aantasten.”
-
-»In ieder geval, en om niet onvoorziens overrompeld te worden, zal ik
-twee stukken van de batterij aan de landengte laten nemen; daar blijven
-er dan nog vier over, hetgeen meer dan voldoende is; ik zal die twee
-stukken zoo laten stellen dat zij de rivier bestrijken en ze tevens
-maskeeren zoodat zij niet kunnen gezien worden. Gij hebt mij verstaan,
-Leroux? laat vervolgens een der lange veldstukken op het plat der
-mirador in batterij stellen, dan bestrijken wij den loop der Gila ook
-van dien kant. Ga nu, en zorg dat mijne orders onmiddellijk worden
-uitgevoerd.”
-
-De oude soldaat ging heen zonder te antwoorden, om de bevelen van zijn
-chef uit te voeren.
-
-»Gij ziet, mijne heeren,” vervolgde de graaf zoodra zijn luitenant weg
-was, »dat ik mij den raad dien gij mij geeft dadelijk ten nutte maak;
-ik beken dat ik van den Indiaanschen oorlog volstrekt geen ondervinding
-heb en zeg u nogmaals, dat ik mij gelukkig reken door u zoo goed
-geholpen te worden.”
-
-»Mijnheer Louis heeft alles vooruit gezien,” zeide de haciendero, »even
-als hij, denk ik dat de kolonie aan de rivierzijde het meest bloot
-ligt.”
-
-»Nog een woord,” hervatte de Franschman.
-
-»Spreek, mijnheer.”
-
-»Hebt gij niet gezegd, caballero, dat gij veertig peons hadt
-medegebracht, allen in den krijg welervaren mannen en dat zij op dit
-oogenblik hier zijn?”
-
-»Ja, dat heb ik gezegd, en het is de zuivere waarheid.”
-
-»Zeer goed. Laat ik u dan ook daarin raden, mijne heeren; wat ik hier
-zeggen zal is maar eene eenvoudige opmerking, maar ik geloof dat gij
-van de peons meesterlijk partij zoudt kunnen trekken en u van de
-overwinning verzekeren door uwe vijanden tusschen twee vuren te
-brengen.”
-
-»Dat zou het ook. Maar hoe meent gij het dan? gij hebt zelf daar zoo
-even nog gezegd, dat het eene onvergeeflijke onvoorzichtigheid zou zijn
-om een detachement van ons volk op verkenning uit te zenden.”
-
-»Dat heb ik ook gezegd en dat zeg ik nog. In de bosschen en struiken
-namelijk zijn, terwijl wij hier spreken, duizend oogen op de hacienda
-gevestigd, zoodat er niemand in of uit kan gaan zonder dat zij het
-zien.”
-
-»Welnu?”
-
-»Maar heb ik u dan ook niet gezegd dat deze oorlog een oorlog van
-listen en hinderlagen was?”
-
-»Dat hebt gij zeker; en toch moet ik u bekennen dat ik niet begrijp
-waar gij heen wilt.”
-
-»Dat is toch zoo moeielijk niet om te begrijpen; ik zal het u in twee
-woorden zeggen.”
-
-»Alles wat ik verlang,” zei don Sylva.
-
-»Señor caballero,” hervatte don Louis zich tot don Sylva wendende,
-»denkt gij hier te blijven?”
-
-»Ja, om zekere gewichtige redenen zal ik hier vrij lang moeten
-vertoeven.”
-
-»Ik heb voor het minst geen oogmerk, señor, mij in uwe intieme zaken te
-mengen, geloof mij, señor, als ik maar weet of gij hier blijft.”
-
-»Ja.”
-
-»Perfect. Hebt gij onder uwe peons een getrouw man, op wien gij kunt
-rekenen zoo goed als op u zelven?”
-
-»Cascaras! dat zou ik denken: ik heb Blas Vasquez.”
-
-»Zonder onbescheiden te zijn, señor, moet ik u vragen wie is deze Blas
-Vasquez, zooals gij hem noemt, daar ik de eer niet heb hem te kennen.”
-
-»Blas Vasquez is mijn capataz of majordomo (hofmeester) een flinke
-vent, daar ik des noods op kan rekenen zoo goed als op mij zelven.”
-
-»Nu, dan is alles in orde, dat maakt de zaak zoo eenvoudig mogelijk.”
-
-»Ik zie nog volstrekt niet hoe,” riep de graaf.
-
-»Gij zult het aanstonds zien,” hernam don Louis.
-
-»Hoe eer hoe liever, vriend.”
-
-»Uw capataz zal zich, onder bepaalde instructiën, eer wij een uur
-verder zijn aan het hoofd der peons stellen en openlijk uittrekken op
-weg naar Guaymas; doch twee of drie uren van hier, op eene plaats die
-wij nader zullen bepalen moet hij post vatten: het overige gaat ons aan
-en zal door mijne vrienden en mij worden geregeld.”
-
-»Ja, ik begrijp uw plan: de peons door u met overleg verborgen, zullen
-de Indianen in den rug aantasten zoodra de strijd tusschen hen en ons
-hier begint.”
-
-»Dat is werkelijk mijn plan.”
-
-»Maar de Apachen?”
-
-»Welnu?”
-
-»Denkt gij, dat zij een troep blanken ongemoeid van hier zullen laten
-vertrekken?”
-
-»De Indianen zijn te slim om er zich tegen te verzetten. Wat zouden zij
-er bij winnen, een troep aan te tasten die geen bagage bij zich heeft
-en daar dus niets van te halen is? Zulk een strijd zou alleen hunne
-stelling kunnen verraden, en daar zullen zij zich wel voor wachten.
-Neen, neen, wees gerust, caballero, zij zullen zich niet verroeren; zij
-hebben er te veel belang bij om onzichtbaar te blijven, of verbeelden
-het zich althans, daar zij niet weten dat gij voor hen gewaarschuwd
-zijt.”
-
-»En gij, wat denkt gij te doen?”
-
-»Ik? de Indianen hebben mij ongetwijfeld herwaarts zien komen; zij
-weten dat ik hier ben; als ik tegelijk met u vertrok zou ik alles
-verklappen. Ik ga dus alleen weg, zoo als ik gekomen ben, en dat wel
-oogenblikkelijk.”
-
-»Uw plan is zoo eenvoudig en zoo goed overlegd, dat het wel slagen
-moet. Ontvang onzen dank, mijnheer, en noem ons uw naam, opdat wij den
-man mogen kennen aan wien wij zoo veel verplichting hebben.”
-
-»Waartoe zou dat dienen, mijnheer?”
-
-»Ik voeg mijn verzoek bij dat van mijn vriend Gaëtano, caballero, om u
-te dringen, den naam te openbaren van een man wiens aandenken zoo diep
-in onze harten staat gegrift.”
-
-Don Louis aarzelde. Zonder recht te weten waarom, voelde hij zich
-ongenegen om tegenover den graaf de Lhorailles zijn incognito te
-verbreken.
-
-De beide heeren hielden echter zoo dringend en zoo beleefd bij hem aan,
-dat hij, bij gebreke van stellingen en redelijken grond om onbekend te
-blijven, zich liet overhalen zijn naam bekend te maken.
-
-»Caballeros,” zeide hij eindelijk, »ik ben de graaf Louis Edouard
-Maxime de Prébois Crancé.”
-
-»Wij zijn vrienden, niet waar, mijnheer de graaf?” zeide de Lhorailles
-hem de hand toestekende.
-
-»Wat ik voor u doe, strekt dunkt mij daarvan tot bewijs,” antwoordde
-hij met een hoffelijke buiging, maar zonder de hand te drukken die hem
-werd aangeboden.
-
-»Ik dank u,” zei de graaf zonder naar ’t scheen de teruggetrokken
-houding van don Louis op te merken. »Denkt gij ons spoedig te
-verlaten?”
-
-»Ik moet u, met uwe dringende bezigheden alleen laten. Zoo gij er niets
-tegen hebt, neem ik dadelijk mijn afscheid.”
-
-»Toch niet zonder ten minste vooraf met ons ontbeten te hebben?”
-
-»Gij zult mij verschoonen, de tijd dringt ons. Mijne vrienden, die ik
-reeds sedert een paar uren verlaten heb, zullen zich over mijn lang
-uitblijven zeer ongerust maken.”
-
-»Daar zij weten dat gij bij mij zijt, mijnheer, is zoo iets toch
-onmogelijk,” zei de graaf min of meer geraakt.
-
-»Zij weten niet dat ik hier zonder letsel ben aangekomen.”
-
-»Dat verandert de zaak, dan wil ik u niet langer ophouden, nogmaals
-dank, mijnheer.”
-
-»Ik heb volgens mijn geweten gehandeld, mijnheer, gij hebt mij voor
-niets te danken.”
-
-De drie heeren gingen nu de zaal uit en wandelden samen naar de
-landengte, al pratende over onverschillige zaken. Nauwelijks waren zij
-half op weg, of zij ontmoetten don Blas, den capataz. Don Sylva wenkte
-hem te naderen en gaf hem toen in weinige woorden te kennen op welke
-gebeurtenissen men zich voorbereidde en welke rol hij daarbij zou
-moeten spelen.
-
-»Voto a Dios!” riep de wakkere hofmeester vroolijk, »ik dank u, don
-Sylva, voor dat goede nieuws. Wij zullen dus eindelijk met die
-verwenschte Apachen aan den slag komen. Caraï! zij zullen wat zien, dat
-zweer ik u.”
-
-»Dat is u wel toevertrouwd, Blas, ik verlaat mij geheel op u.”
-
-»Maar op welke hoogte moet ik dezen caballero afwachten!”
-
-»Inderdaad! wij hebben de plaats nog niet bepaald.”
-
-»Inderdaad!” herhaalde don Louis. »Ongeveer drie mijlen van hier in de
-richting van Guaymas waar de weg een bocht maakt, ligt een eenzame
-heuvel, zoo ik meen heet hij el Pan de Azucar; daar kunt gij u gerust
-verbergen zonder vrees van ontdekt te worden. Ik zal daar met mijne
-vrienden bij u komen.”
-
-»Dat is afgesproken. Tegen hoe laat zoo wat?”
-
-»Dat kan ik u nog niet bepaald zeggen; het hangt van omstandigheden
-af.”
-
-Eenige minuten later keerde don Louis naar de prairie terug terwijl de
-graaf de Lhorailles en de beide Mexicanen zich bezig hielden met de
-noodige toebereidsels voor eene ernstige verdediging der hacienda.
-
-»’t Is toch zonderling,” mompelde don Louis in zich zelven terwijl hij
-in snellen galop wegreed, »al is die man mijn landgenoot en al zal ik
-eerlang misschien mijn leven voor hem wagen, gevoel ik voor hem geen de
-minste sympathie.”
-
-Op eens maakte zijn paard een zijsprong, en de Franschman, zoo
-plotseling in zijne beschouwingen gestoord, hield op.
-
-De Arendskop stond voor hem.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XI.
-
-DE MEXICAANSCHE MAAN.
-
-
-Na zijn nachtelijk bezoek in het jagerskamp was de Zwarte-Beer met
-zijne ruiterschaar onmiddellijk op marsch gegaan naar zeker niet
-verafgelegen eiland, Chole-Heckel genaamd, een der uiterste posten van
-den stam der Apachen op de grenzen van Mexico.
-
-De Sachem met zijn troep bereikte dit eiland tegen het krieken van den
-dag. Daar ter plaatse heeft de Rio Gila hare grootste breedte,
-beslaande elk der beide rivierarmen die het eiland insluiten, meer dan
-twee mijlen van den eenen oever tot den anderen.
-
-Chole-Heckel, dat zich midden in den stroom verheft en, uit de verte
-gezien, als een trotsche bloemenmand schijnt te drijven op het
-spiegelend watervlak, heeft ongeveer drie mijlen lengte bij eene mijl
-breedte, en is om zoo te zeggen eene reusachtige bouquet van bloeiende
-boomen en gewassen, die de welriekendste geuren uitwasemt en in wier
-welige takken eene ontelbare menigte vogels onder lustig gekweel en
-gesnater zich paart tot een melodisch natuurconcert.
-
-Onder de luisterrijke stralen der opgaande zon bood het eiland op dit
-oogenblik bovendien een ander, ongewoon en allerzonderlingst
-schouwspel, dat wel in staat was den blik van iederen reiziger te
-treffen, en geen Europeaan, zonder het gezien te hebben, zich ooit naar
-waarde zou kunnen verbeelden.
-
-Zoover het oog reikte, zoowel op het eiland zelf als aan de beide
-oevers der Rio Gila, zag men honderden tenten van bisonshuid of hutten
-van groene takken gevlochten, in geregelde orde, dicht aan elkander
-geplaatst en uitwendig met allerlei opzichtige stoffen versierd of met
-schreeuwende kleuren beschilderd, zoodat de bonte mengeling, thans door
-de gloeiende morgenzon beschenen, het oog deed schemeren.
-
-Tallooze kleine prauwen rond van vorm, uit samengenaaide paardenhuiden
-of meer rank en spits, uit holle boomstammen vervaardigd, doorkliefden
-de rivier in alle richtingen.
-
-De krijgslieden van den Zwarte-Beer stegen af en gaven hunnen paarden
-de vrijheid, die weldra begonnen te grazen en zich onder eene menigte
-anderen verstrooiden.
-
-Het opperhoofd begaf zich onmiddellijk naar de hutten en tenten, voor
-welke behalve wimpels van doek en vederbossen eene menigte haarschedels
-van beroemde in den krijg gedoode vijanden op de morgenkoelte
-wapperden, en ging tusschen de vrouwen door, die reeds druk bezig waren
-met het ochtendmaal te bereiden.
-
-De Zwarte-Beer werd echter bij zijne komst dadelijk herkend; iedereen
-haastte zich dus hem te gemoet te gaan en zich op zijn weg te scharen,
-om hem met een eerbiedige buiging te begroeten. Wat een Europeaan
-misschien moeielijk zou gelooven, is het diep ontzag dat alle Indianen,
-zonder uitzondering, hunnen opperhoofden toedragen. Vooral bij die
-Indianen, welke aan de voorvaderlijke gewoonten getrouw gebleven, de
-Europeesche beschaving met verachting hebben afgewezen om als vrije
-mannen in de onbeperkte savanen te kunnen omzwerven, is dit ontzag tot
-dweepzuchtige en schier tot afgodische vereering overgeslagen.
-
-De gouden met twee bisonshoorns versierde haarband die op het voorhoofd
-van den Zwarte-Beer prijkte, maakte hem terstond bij allen kenbaar en
-deed alom op zijn pad een levendig vreugdegejuich opgaan.
-
-Eindelijk bereikte hij den oever der rivier; daar komende wenkte hij
-een man, die op korten afstand met zijne prauw lag te visschen; deze
-haastte zich te gehoorzamen, en de sachem stak den stroom over naar het
-eiland.
-
-Eene hut van takken stond aldaar voor hem gereed. Waarschijnlijk hadden
-de hier en daar verborgen schildwachts hem reeds uit de verte
-gadegeslagen, want op het oogenblik dat hij voet aan wal zette, trad
-een der opperhoofden met name de Kleine-Panter hem te gemoet.
-
-»Het groote opperhoofd is welkom bij zijne kinderen,” zeide hij met
-eene hoffelijke buiging voor den Zwarte-Beer; »o! heeft mijn vader eene
-goede reis gehad?”
-
-»Ik heb eene goede reis gehad, ik dank mijn broeder.”
-
-»Zoo mijn vader het goed vindt zal ik hem naar de jacal [15] geleiden
-die wij gebouwd hebben om hem te ontvangen.”
-
-»Laten wij gaan,” zei de sachem.
-
-De Kleine-Panter boog ten tweeden male en geleidde thans het opperhoofd
-langs een smal pad dat door de struiken gebaand was; weldra kwamen zij
-aan eene jacal die naar de wijze der Indianen, zoowel door hare grootte
-als door hare netheid en de schitterende kleuren waarmede zij
-beschilderd was, uitmuntte en aan hun ideaal van gemak of weelde
-beantwoordde.
-
-»Hier is mijns vaders huis,” zeide de Kleine-Panter terwijl hij
-eerbiedig de fressada—wollen deken—ophief, die de jacal als een gordijn
-sloot, en toen een weinig ter zijde trad om den Zwarte-Beer door te
-laten.
-
-Deze trad binnen.
-
-»Mijn broeder volge mij,” zeide de Zwarte-Beer.
-
-De Kleine-Panter trad achter hem binnen en liet het gordijn weder
-vallen.
-
-De jacal, ofschoon buitengewoon groot, verschilde overigens niet van
-die der andere Indianen; in het midden brandde een vuur; de Zwarte-Beer
-wenkte den anderen sachem om naast hem op een bisonsschedel te gaan
-zitten; nam er zelf een en beiden namen plaats bij het vuur.
-
-Na een poosje stilzwijgens, dat de sachems besteedden om deftig hunne
-pijp te rooken, richtte de Zwarte-Beer het woord tot den Kleine-Panter.
-
-»Zijn al de hoofden onzer volksstammen op het eiland Chole-Heckel
-vereenigd, zoo als ik bevolen had?”
-
-»Allen zijn er vereenigd.”
-
-»Wanneer zullen zij in mijne jacal komen?”
-
-»Dat hangt van mijn vader af; zij wachten op zijn welbehagen.”
-
-De Zwarte-Beer begon weder stilzwijgend te rooken en op deze wijze
-verliep er een geruime tijd.
-
-»Is er gedurende den tijd, dat ik afwezig was, niets nieuws
-voorgevallen?” vroeg de Zwarte-Beer terwijl hij de asch uit zijn
-calumet op den nagel van den duim zijner linkerhand schudde.
-
-»Drie opperhoofden van de Comanchen der prairiën zijn hier gekomen, om
-als afgezanten van hun volk met de Apachen te onderhandelen.”
-
-»Ooah!” riep de Zwarte-Beer; »zijn het beroemde opperhoofden?”
-
-»Zij hebben tal van wolvenstaarten aan hunne mocksens [16]. Zij moeten
-dus wel dapper zijn.”
-
-De Zwarte-Beer boog toestemmend.
-
-»De een,” zegt men, »is de Spotvogel,” vervolgde de Kleine-Panter.
-
-»Is mijn broeder zeker van hetgeen hij mij zegt?” vroeg de sachem met
-belangstelling.
-
-»De Comanchenhoofden hebben geweigerd hun naam te zeggen, toen zij
-hoorden dat mijn vader afwezig was. Zij antwoordden dat zij zouden
-wachten tot hij terugkwam.”
-
-»Goed! Het zijn opperhoofden. Waar houden zij hun verblijf?”
-
-»Zij hebben een vuur ontstoken en er zich bij gelegerd.”
-
-»Zeer goed. De tijd is kostbaar: mijn broeder ga de Apachenhoofden
-zeggen dat ik hen rondom het raadsvuur wensch te vereenigen.”
-
-De Kleine-Panter stond op zonder te antwoorden en ging de jacal uit.
-
-Een uur lang ongeveer zat het opperhoofd alleen en in diepe gepeinzen
-verzonken; na verloop van dien tijd hoorde men daarbuiten de
-voetstappen van verscheidene mannen naderen: het gordijn der jacal werd
-opgeheven en de Kleine-Panter verscheen.
-
-»Wel?” zei de Zwarte-Beer.
-
-»De hoofden wachten op u.”
-
-»Laat hen binnenkomen.”
-
-De opperhoofden stonden reeds voor de hut.
-
-Zij waren tien in getal, allen in hun beste kostuum, op het schoonst
-versierd, beschilderd en gewapend als ten oorlog.
-
-Zij stapten zwijgend binnen, en namen plaats bij het vuur, na voor het
-opperhoofd gebogen en den zoom van zijn mantel gekust te hebben.
-
-Nauwelijks hadden zich al de opperhoofden in de toldo (raadshut)
-verzameld, of een troep Apachen-krijgslieden schaarde er zich omheen,
-ten einde de nieuwsgierigen te verwijderen en het geheim van de
-beraadslaging der sachems te verzekeren.
-
-Ondanks zijne zelfbeheersching kon de Zwarte-Beer zijne vreugde niet
-bedwingen, toen hij zoo vele mannen bijeen zag die hem geheel waren
-toegedaan en met wier hulp hij zich zeker waande zijne dwaze plannen te
-kunnen uitvoeren.
-
-»Ik heet mijne broeders welkom!” zeide hij, hen met een wenk
-uitnoodigend op de bisonsschedels plaats te nemen, die rondom het vuur
-geschaard stonden, »ik heb hen met ongeduld verbeid.”
-
-De opperhoofden maakten eene buiging en gingen zitten. Het volgende
-oogenblik kwam de pijpdrager binnen met de groote calumet, die hij aan
-al de sachems rondpresenteerde, om er elk op zijn beurt een paar
-trekken uit te laten doen. Toen deze ceremonie was afgeloopen en de
-pijpdrager zich verwijderd had, werd de beraadslaging geopend.
-
-»Voor alle dingen,” zoo begon de Zwarte-Beer, »moet ik u van mijne
-zending verslag doen. De Zwarte-Beer heeft haar volkomen vervuld, hij
-is in de groote hut der blanken geweest, en heeft haar tot in de
-kleinste bijzonderheden onderzocht, hij kent het aantal bleekgezichten
-die haar verdedigen en als het uur komt om er mijne krijgslieden binnen
-te leiden zal de Zwarte-Beer overal den weg weten te vinden.”
-
-De hoofden bogen ten teeken van goedkeuring.
-
-»Die groote hut der blanken,” vervolgde de Zwarte-Beer, »is het eenige
-ernstige bezwaar dat onze onderneming in den weg staat.”
-
-»De Yoris zijn honden zonder moed, de Apachen zullen hen van
-vrouwenrokken voorzien en hen ons wildbraad laten gereed maken,” zei de
-Kleine-Panter met een schamperen grijns.
-
-De Zwarte-Beer schudde het hoofd.
-
-»De bleekgezichten der groote hut van Guetzalli zijn geene Yoris,” riep
-hij; »een sachem heeft hen gezien, het zijn wel degelijk mannen. Zij
-hebben meerendeels blauwe oogen en de kleur van hun haar is als die van
-het rijpe maïs, zij komen mij zeer dapper voor: laten mijne broeders
-zich niet vergissen!”
-
-»En weet mijn vader ook wie deze zijn?” vroeg een der sachems.
-
-»Dat weet de Zwarte-Beer niet, doch daar ginds bij het groote Zoutmeer,
-is hem gezegd dat zij een land bewonen zeer ver van hier tegen de
-opgaande zon: dat is alles.”
-
-»Die mannen hebben dus zeker geen boomen, noch vruchten, noch bisons in
-hun land, dat zij zoo ver komen om de onze te stelen.”
-
-»De bleekgezichten zijn onverzadelijk,” hernam de Zwarte-Beer; »zij
-vergeten dat de Groote Geest hun even als andere menschen slechts één
-mond en twee handen gegeven heeft; alles wat zij zien willen zij
-bezitten; de Wacondah, die zijne roode kinderen bemint, heeft ons in
-een rijk land doen geboren worden en ons met zijne gaven overstelpt,
-daarop zijn de bleekgezichten jaloersch en daarom zoeken zij ons
-gedurig te bestelen en er ons uit te verdrijven; maar de Apachen zijn
-dappere krijgslieden, zij zullen de jachtgronden weten te verdedigen en
-te beschermen, die zij van hunne vaderen geërfd hebben, en beletten dat
-zij betreden worden door de voeten der vagebonden die van de overzijde
-van het groote Zoutmeer zijn gekomen, op hunne drijvende hutten van de
-groote medicijn.” [17]
-
-De opperhoofden juichten deze rede met geestdrift toe, daar zij hunne
-gevoelens zoo juist wedergaf en den bitteren haat uitdrukte die hen
-bezielde tegen de blanken, dat alles overwinnend en veroverend ras, dat
-gedurig voorwaarts dringt en de Roodhuiden steeds verder en verder in
-de wildernis terugdrijft en hun weldra niet langer de noodige ruimte
-zal laten om vrij te ademen, veelmin rustig naar hun zin en wijze te
-leven.
-
-»De groote natie der Comanchen van het Meer, die zich de Koningin der
-Prairiën noemt, heeft naar ons volk drie beroemde krijgslieden
-afgevaardigd. Het doel dezer ambassade is mij onbekend, maar mijns
-bedunkens kan het niet anders dan vredelievend zijn. Behaagt het u,
-hoofden mijns volks, hen onder u te ontvangen en te vergunnen met ons
-de vredespijp te rooken rondom het vuur van den raad?”
-
-»Mijn vader is een zeer wijze sachem,” antwoordde de Kleine-Panter;
-»hij weet, wanneer hij dit wil, de verborgenste gedachten zijner
-vijanden te raden; wat hij doet zal welgedaan zijn; de hoofden van zijn
-volk zullen zich gelukkig rekenen zich te gedragen naar den raad dien
-hij hun zal gelieven te geven.”
-
-De Zwarte-Beer liet zijn blik over de vergadering weiden om zich te
-verzekeren of de Kleine-Panter wel het algemeene gevoelen had
-uitgesproken.
-
-Al de leden van den raad bogen zwijgend het hoofd, ten teeken van
-goedkeuring.
-
-De sachem glimlachte hoogmoedig, toen hij zag dat zijne
-mede-opperhoofden hem zoo wel begrepen hadden en wendde zich
-onmiddellijk tot den Kleine-Panter:
-
-»Dat mijne broeders de opperhoofden der Comanchen binnengeleid worden,”
-zeide hij.
-
-Deze woorden werden uitgesproken op een toon van majesteit, daar een
-Europeesch vorst die in zijn parlement voorzit zich aan kon spiegelen.
-
-De Kleine-Panter ging de hut uit om het ontvangen bevel ten uitvoer te
-brengen.
-
-Gedurende zijne afwezigheid, die vrij lang aanhield, werd er geen woord
-tusschen de sachems gewisseld; daar zaten zij op hunne bisonsschedels,
-met de ellebogen op de knieën, de kin op de handpalmen, onbewegelijk en
-zwijgend, strak voor zich te kijken, en naar het scheen in het diepste
-nadenken verzonken.
-
-De Kleine-Panter kwam eindelijk terug, met de drie Comanchenhoofden in
-zijn gevolg.
-
-Bij hunne komst stonden de Apachenhoofden op en begroetten hen met eene
-plechtstatige buiging. De Comanchen gaven hunne begroeting niet minder
-plechtstatig terug, doch namen een diep stilzwijgen in acht en bleven
-staan wachten tot men hen het eerst zou toespreken.
-
-Het waren drie kloeke, jonge mannen, rank van gestalte, krijgshaftig
-van houding, met vrijen blik en nadenkend voorhoofd. Terwijl zij daar
-zoo stonden in hun nationaal kostuum, met opgeheven hoofd, de hand fier
-op de rechterheup, hadden zij iets edels en oprechts, dat terstond
-belangstelling wekte en vertrouwen inboezemde. Inzonderheid een van
-hen, de jongste der drie—hij kon nauwelijks vijf en twintig jaar
-geweest zijn—was, naar zijn uiterlijk voorkomen te oordeelen, iemand
-van hoogeren aanleg en rang; zijne strenge gelaatstrekken, de glans van
-zijn schitterenden oogopslag, zijne houding vol zwier en majesteit,
-alles deed hem reeds dadelijk kennen als een man uit duizend.
-
-Hij heette de Spot-Vogel en zooals de bos condorsveeren in zijn
-oorlogskuif aanduidde, was hij een der voornaamste krijgshoofden van
-zijn stam.
-
-Zonder zich daarom aan onbescheiden nieuwsgierigheid schuldig te maken,
-vestigden de Apachen op hunne nieuwe gasten dien doordringenden blik
-van onderzoek, dien de Indianen in zulk eene hooge mate bezitten.
-
-De Comanchen, ofschoon zij gevoelden dat aller oog op hen gericht was
-en zij het mikpunt waren der algemeene belangstelling, hielden zich
-alsof zij hiervan niets bemerkten en geen spier bewoog zich op hun
-strak gelaat.
-
-Machiavelli, de schrijver van den Vorst, was, bij de Roodhuiden
-vergeleken, slechts een kind in zake van politiek en staatslist. Deze
-arme ongeleerde wildemannen, zooals men ze uit onkunde vaak noemt, zijn
-de leepste en geslepenste diplomaten die er bestaan kunnen.
-
-Na eenige oogenblikken stilte, deed de Zwarte-Beer een stap voorwaarts
-en naderde hij de Comanchen, de rechterhand uitstrekkende met de palm
-naar voren.
-
-»Ik acht mij gelukkig,” zeide hij, »de Comanchen van het Meer te
-ontvangen onder mijn totem, en hen te begroeten te midden van mijn
-volk. Dat zij plaats nemen aan het vuur van onzen raad en de
-vredescalumet rooken met hunne broederen.”
-
-»Zoo zij het,” antwoordde de Spotvogel op strengen toon; »zijn wij niet
-allen kinderen van den Wacondah?”
-
-En zonder er verder een woord bij te voegen nam hij, gevolgd door de
-andere opperhoofden, plaats bij het vuur van den raad in gelijken rang
-met de Apachen.
-
-Het gesprek bleef andermaal steken. Ieder rookte in stilte.
-
-Eindelijk, toen in de calumets niets meer was overgebleven dan de asch,
-wendde de Zwarte-Beer zich met een glimlach tot den Spotvogel.
-
-»Mijne broeders de Comanchen van het Meer waren zeker niet ver van hier
-op de bisonsjacht: en toen hebben zij gedacht hunnen broeders de
-Apachen een bezoek te brengen. Ik zeg hun hiervoor dank.”
-
-De Spotvogel boog en antwoordde:
-
-»De Comanchen van het Meer zijn nog ver weg, op het jachtveld der
-antilopen aan de Rio del Norte, alleen de Spotvogel en weinige getrouwe
-krijgslieden van zijn stam liggen hier in den omtrek gekampeerd.”
-
-»De Spotvogel is een beroemd opperhoofd in de prairie,” antwoordde de
-Apache vleiend; »de Zwarte-Beer acht zich gelukkig hem te zien. Een zoo
-groot krijgsman als mijn broeder doet zulk een verren tocht niet zonder
-een bepaald en gewichtig doel.”
-
-»De Zwarte-Beer heeft wel geraden: de Spotvogel is herwaarts gekomen om
-de banden der vriendschap tusschen hem en zijne broeders de Apachen
-nader toe te halen. Waarom toch zouden wij elkander een grondgebied
-betwisten daar wij beiden gelijk recht op hebben? Zouden wij niet
-wijzer doen met het tusschen ons te verdeelen? Moeten de Roode menschen
-elkander nog langer onderling verdelgen? Zou het niet beter zijn bij
-het vuur van den raad, de oorlogsbijl zoo diep te begraven, dat
-voortaan wanneer een Apache een Comanch ontmoet, deze in hem niets
-anders ziet dan een welbeminden broeder? De bleekgezichten, die met
-iedere maan meer en meer onze bezittingen innemen, voeren immers tegen
-ons een te bitteren oorlog, dan dat wij door onze inwendige geschillen
-hun overmoed zouden in de hand werken?”
-
-De Zwarte-Beer stond op en strekte den arm gezagvoerend uit.
-
-»Mijn broeder de Spotvogel heeft gelijk,” zeide hij, »slechts één
-gevoel behoort ons voortaan te leiden, vaderlandsliefde; stellen wij
-dus onze kleine hatelijkheden ter zijde, om aan niets anders te denken
-dan aan de vrijheid! De bleekgezichten weten volstrekt niets van onze
-plannen; gedurende de weinige dagen, door mij te Guaymas doorgebracht,
-was ik in staat mij hiervan te overtuigen; onze onverhoedsche inval zal
-dus voor hen een bliksemstraal zijn, die hen van schrik doet
-verstijven; onze enkele aannadering reeds maakt hen half overwonnen.”
-
-Er volgde eene diepe stilte.
-
-De Spotvogel liet nu zijn blik kalm en fier over de vergadering
-rondgaan, en riep:
-
-»Binnen twee maal vier en twintig uren begint de Mexicaansche Maan.
-Roodhuiden en krijgslieden, zouden wij haar laten voorbijgaan zonder
-een van die stoutmoedige invallen te hebben gewaagd, welke wij in dezen
-tijd des jaars gewoon zijn te doen? Bovenal is er eene bezitting daar
-wij als een orkaan op moeten losstormen; die bezitting, nog kort
-geleden door bleekgezichten gevestigd, die geen Yoris zijn, is voor ons
-eene voortdurende bedreiging. Ik wil niet met u dingen, hoofden der
-Apachen, maar ik kom u, zoo gij de kolonie Guetzalli wilt aantasten,
-ronduit een onderstand van vier honderd uitgelezen
-Comanchen-krijgslieden aanbieden, aan welks hoofd ik mij stellen zal.”
-
-Dit voorstel deed de aanwezigen van vreugde sidderen.
-
-»Ik neem met vreugde het voorstel mijns broeders aan,” riep de
-Zwarte-Beer. »Ook ik heb nagenoeg een gelijk aantal krijgslieden onder
-mijn bevel; onze beide troepen zullen, naar ik hoop, genoeg zijn om de
-kolonie der bleekgezichten geheel te vernietigen. Morgen, met het
-opkomen der maan, zetten wij ons in beweging.”
-
-De sachems verwijderden zich.
-
-De Zwarte-Beer en de Spotvogel bleven alleen.
-
-Deze twee opperhoofden genoten bij hun stam eene gelijke vermaardheid,
-beiden werden door hunne onderhoorigen schier aangebeden.
-
-Zij beschouwden elkander eene poos met zwijgende belangstelling. Tot
-dusver waren zij altijd vijanden geweest en hadden nimmer gelegenheid
-gehad elkander te zien dan met de wapenen in de hand.
-
-»Ik zeg mijn broeder dank, voor zijn vriendelijk aanbod,” zei de
-Zwarte-Beer eindelijk. »In de tegenwoordige omstandigheden zal zijne
-hulp ons zeer te stade komen, maar als de overwinning eenmaal beslist
-is, zullen de voordeelen gelijkelijk tusschen de twee natiën verdeeld
-worden.”
-
-De Spotvogel boog.
-
-»Welk plan heeft mijn broeder zich voorgesteld?” vroeg hij.
-
-»Een zeer eenvoudig plan. De Comanchen zijn geachte ruiters; met mijn
-broeder als aanvoerder moeten zij onverwinnelijk zijn. Zoodra de maan
-aan den hemel schijnt, zal de Spotvogel met zijne krijgslieden opbreken
-naar Guetzalli en al het land voor zich uit afbranden, om een zwart
-gordijn van rook tusschen hem en den vijand op te halen, dat dezen
-beletten zal hen te zien aankomen of hunne sterkte te tellen. Indien de
-bleekgezichten, hetgeen echter niet waarschijnlijk is, vedetten buiten
-hunne groote hut hebben geplaatst om onze nadering te bespieden, zal
-mijn broeder trachten deze vedetten op te lichten en hen terstond laten
-dooden, om te beletten dat zij hunne vrienden waarschuwen. In de
-tegenwoordige onderneming, even als zulks bij vorige gelegenheden
-telken jare plaats had, moet alles wat den bleekgezichten behoort,
-huizen, hutten en jacals, met vuur worden verbrand, alsmede het vee
-geroofd en naar achteren worden vervoerd. Voor Guetzalli komende, zal
-mijn broeder zich zoo geschikt mogelijk in hinderlaag stellen en het
-sein afwachten dat ik hem geven zal om de bleekgezichten aan te
-vallen.”
-
-»Goed. Mijn broeder is een opperhoofd vol beleid; hij zal zeker slagen;
-alles wat mijn broeder mij bevolen heeft, zal ik stipt uitvoeren. Maar
-wat zal mijn broeder zelf intusschen doen, terwijl ik mij met dit
-gedeelte van ons plan belast?”
-
-De Zwarte-Beer begon te glimlachen op eene wijze die zich niet laat
-beschrijven.
-
-»Dat zal mijn broeder zien,” zeide hij den Comanch met de hand op den
-schouder kloppende, »hij late het opperhoofd vrij begaan, ik beloof
-mijn broeder eene schoone overwinning.”
-
-»Goed,” antwoordde de Comanch; »mijn broeder is de eerste man van zijn
-stam, hij weet hoe hij zich gedragen moet; de Apachen zijn geene
-vrouwen. Ik ga terstond naar mijne krijgslieden.”
-
-»Goed, mijn broeder heeft mij begrepen, morgen als de maan opkomt.”
-
-De Spotvogel boog en de twee opperhoofden scheidden, naar het scheen op
-den meest vriendschappelijken voet.
-
-Eenige minuten later kwam in den kamp der Apachen alles in beweging. De
-vrouwen braken de tenten af, laadden de muildieren op, de kinderen
-hielpen de paarden opvangen en zadelen, kortom, men maakte met allen
-spoed aanstalten voor een onverwijld vertrek.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XII.
-
-VROUWENLIST.
-
-
-Tegen den avond van den volgenden dag, met het opkomen der maan,
-volgens afspraak, gaf ook de Spotvogel zijn troep order om op te breken
-en den tocht te beginnen.
-
-Weldra had een kleine afdeeling ruiters, die als verspieders vooruit
-waren gezonden om de velden in vlam te zetten, brandende houten in de
-struiken geworpen, en na verloop van eenige minuten steeg er als een
-gordijn van vlammen ten hemel, dat den ganschen horizont bedekte.
-
-De Comanchen hadden de bevelen van het Apachenhoofd zoo snel en met
-zooveel overleg uitgevoerd, dat in minder dan een half uur al het
-omliggende land in de asch was gelegd.
-
-De Zwarte-Beer, die zich met de zijnen op het eiland verschanst had,
-was nog niet opgebroken. De sporen door de Comanchen achtergelaten,
-waren helaas! overal zichtbaar, want dit landschap, den vorigen morgen
-nog zoo schoon, zoo rijk en zoo bloeiend, geleek thans eene treurige
-dorre en eenzame woestijn; geen groen was er meer te zien, geen bloemen
-geurden er meer, geen vogeltjes zongen er meer als om strijd tusschen
-de takken!
-
-Het plan der Indianen was tot hiertoe volkomen gelukt en de kolonisten
-te Guetzalli zouden ontwijfelbaar overrompeld zijn geworden, zoo
-Goedsmoeds en diens vrienden elkander niet op den weg der Indianen
-hadden aangetroffen.
-
-De Canadees was op zijne hoede.
-
-Bij het gezicht der eerste rookwolk die hij in de verte zag opgaan, had
-hij het voornemen der Roodhuiden begrepen en zonder een oogenblik te
-verliezen, den Arendskop naar de kolonie gezonden om don Louis te
-waarschuwen, dien de Indiaan, gelijk wij reeds gezien hebben, dicht bij
-de hacienda ontmoette.
-
-Intusschen kwamen achter den brand de Comanchen in vollen galop
-aanrennen, alles vertrappende en vernielende wat door het vuur mocht
-gespaard zijn.
-
-De nacht was volkomen gedaald toen de Spotvogel in het gezicht der
-kolonie kwam. In de veronderstelling dat de snelheid van zijn marsch
-den blanken geen tijd zou hebben gelaten om zich in staat van tegenweer
-te stellen, plaatste hij een gedeelte van zijn troep in hinderlaag en
-trok aan ’t hoofd der overigen, met al de in dergelijke gevallen
-gebruikelijke voorzorgen, langzaam voortkruipend naar de batterij aan
-de landengte.
-
-Niemand vertoonde zich daar; de taluds en de verschansingen schenen
-verlaten; de Spotvogel verhief zijn oorlogskreet, sprong plotseling te
-voorschijn en klauterde met zijne krijgslieden vlug als tijgerkatten
-tegen de verschansingen op; doch op het oogenblik dat de Comanchen aan
-de binnenschans meenden te kunnen afdalen, werd er een volle laag uit
-grof en klein geschut op de aanvallers gelost, die er bijna de helft
-van wegmaaide; de overblijvenden trokken ijlings terug en namen de
-vlucht.
-
-De Comanchen hadden een groot nadeel tegenover de blanken, daar zij van
-geen vuurwapenen voorzien waren. Het klein geweervuur decimeerde hen,
-terwijl zij niets anders hadden om het te beantwoorden dan hunne pijlen
-en werpspiesen, of ook steenen die zij met den slinger wierpen.
-
-Weldra, doch een weinig te laat, inziende dat de Franschen op hunne
-hoede waren, wilde de Spotvogel het door de geleden verliezen reeds
-merkelijk geschokte vertrouwen zijner krijgslieden niet verder door
-nuttelooze pogingen verzwakken. Hij trok dus met zijn detachement terug
-onder bedekking van het bosch, waar hij besloot het signaal van den
-Zwarte-Beer af te wachten eer hij zich opnieuw in beweging zette.
-
-Intusschen was don Louis met den Arendskop naar Goedsmoeds
-teruggekeerd. De Indiaan moest hierbij de geleider zijn en bracht hem,
-na verscheidene omwegen, bijna tegenover de batterij aan de landengte
-naar een dicht boschje cactus, aloë’s en floripondio’s.
-
-»Hier kan mijn broeder afstijgen,” zeide hij tot den Franschman, »wij
-zijn er.”
-
-»Wij zijn er! waarzoo dan?” vroeg don Louis vruchteloos de oogen
-opslaande.
-
-Zonder te antwoorden nam de Indiaan het paard reeds bij den teugel, en
-bracht het weg; terwijl Louis naar alle zijden bleef uitkijken, maar al
-zijne pogingen waren vergeefs.
-
-»Wel,” vroeg hem de Arendskop toen hij zonder paard terugkwam, »heeft
-mijn broeder zich kunnen thuis vinden?”
-
-»Carai! neen hoofdman, ik geef het op.”
-
-De Indiaan lachte.
-
-»De bleekgezichten hebben mollenoogen,” zeide hij.
-
-»Dat is wel mogelijk; maar hoe dit wezen mag, zal ik u dankbaar zijn
-als gij mij de uwe wilt leenen.”
-
-»Goed, mijn broeder zal zien.”
-
-De Arendskop ging zoo lang als hij was op den grond liggen. Louis deed
-het zelfde, en beiden slopen nu op handen en voeten het boschje in. Na
-dit vermoeiende werk een kwartier te hebben voortgezet hield de Indiaan
-stil.
-
-»Laat mijn broeder nu eens zien,” zeide hij.
-
-Zij bevonden zich op een klein open grasveld van alle zijden door
-boomen en struiken ingesloten, die zoo volkomen door lianen en andere
-slingerplanten waren samengeweven, dat het zonder welervaren en scherp
-onderzoek onmogelijk was deze wijkplaats te ontdekken of zelfs te
-vermoeden.
-
-Hier zaten Goedsmoeds en de twee Mexicanen met philosofisch geduld, al
-rookende, op de terugkomst van hun uitgezonden vriend te wachten.
-
-»Welkom binnen,” riep de Canadees zoodra hij hen gewaar werd; »hoe
-vindt gij ons schuilhoekje? Charmant, niet waar? dat heeft de Arendskop
-voor ons uitgevonden, die weêrgasche Indianen hebben een bijzonderen
-neus om hinderlagen te zoeken, wij zijn hier zoo veilig als in de
-kathedraal te Quebec.”
-
-Gedurende dezen woordenvloed, dien Louis niet anders beantwoordde dan
-met een warmen handdruk, had de Franschman zich reeds bij zijne
-kameraden nedergezet en was hij met goeden eetlust begonnen de noodige
-eer te bewijzen aan het ontbijt dat deze voor hem bewaard hadden.
-
-»Maar waar zijn onze paarden?” vroeg hij.
-
-»Geen tien passen van hier en door niemand te vinden dan door ons
-zelf,” was het antwoord.
-
-»Zeer goed; en kunnen wij deze dadelijk krijgen als wij ze noodig
-hebben?”
-
-»Nu! dat zou ik denken.”
-
-»’t Is maar dat wij ze waarschijnlijk spoedig noodig zullen hebben.”
-
-»Maar laat ik u niet storen,” vervolgde hij zich zelven in de rede
-vallende, »ik doe niets dan babbelen, en denk er niet om dat gij wel
-grooten honger moet hebben; eet liever eerst, wij zullen straks wel
-praten.”
-
-»O! ik kan u zeer goed antwoord geven, al eet ik.”
-
-»Neen, alles op zijn tijd; ontbijt maar eerst, wij zullen u straks wel
-hooren.”
-
-Nauwelijks had don Louis met eten gedaan of hij deed een uitvoerig
-verslag van de wijze waarop hij zijne zending volvoerd had.
-
-»Dat gaat alles naar wensch,” zei Goedsmoeds toen de Franschman zijn
-verhaal eindigde; »ik geloof dat wij vooreerst over het lot onzer
-landgenooten niet bezorgd behoeven te zijn, vooral met behulp der
-veertig peons van den capataz die den vijand tusschen twee vuren zullen
-brengen.”
-
-»Maar waar willen zij zich versteken?”
-
-»Dat gaat den Arendskop aan. Het opperhoofd is met deze streek door en
-door bekend, hij heeft hier lang gejaagd, ik ben zeker dat hij een
-geschikt punt voor de Mexicanen zal vinden; wat zegt gij er van,
-hoofdman?”
-
-»In de prairie kan men zich gemakkelijk verbergen,” zei de Indiaan
-lakoniek.
-
-»Ja,” merkte don Martial hierop aan, »maar één ding vergeet gij.”
-
-»Wat dan?”
-
-»Ik heb lang op de grenzen gewoond en ben dus met de taktiek der
-Indianen zeer goed bekend; als de Apachen eene vesting naderen laten
-zij zich altijd voorafgaan door een gordijn van rook; daartoe steken
-zij de vlakte in brand, die weldra niets anders zal zijn dan een zee
-van vlammen, tegen welke wij ons vruchteloos zullen verweren en die ons
-ten slotte zullen verslinden, zoo wij niet in tijds de noodige
-voorzorgen nemen.”
-
-»Dat is waar, het is een ernstig geval. Ongelukkig zie ik maar één
-middel om ons aan het dreigend gevaar te onttrekken, maar dat middel
-kunnen wij dan ook gebruiken.”
-
-»Welk middel bedoelt gij?”
-
-»Pardi! dat wij op de vlucht gaan.”
-
-»Dan weet ik wel een beter,” zei de Arendskop.
-
-»Gij, hoofdman? Dan zult gij toch wel zoo goed zijn het ons mede te
-deelen.”
-
-»Zoo de bleekgezichten slechts gelieven te luisteren. De Rio Gila,
-gelijk alle andere rivieren, voert op haar stroom doode boomen mede en
-somwijlen in zulk eene groote menigte, dat zij haar op zekere plaatsen
-verstoppen en blijven liggen; door den tijd schuiven die boomen zich
-dichter aaneen en vlechten de takken zich samen; vervolgens groeien er
-waterplanten tusschen, die ze nog nauwer verbinden; zand en aarde
-verzamelen er zich op, er groeit gras en riet en weldra andere kruiden
-op, zoodat deze ontzaglijk groote houtvlotten in de verte er als
-wezenlijke eilanden uitzien, tot eindelijk een hevige storm of een
-hooggezwollen vloed het vlottende eiland losrukt, den stroom afvoert en
-langzamerhand vaneen scheurt of geheel vernietigt.”
-
-»Ja, dat weet ik, hoofdman, daarvan heb ik meer dan eens voorbeelden
-gezien,” antwoordde Goedsmoeds, »zulke vlottende eilanden gelijken vaak
-zoo zeer naar vaste, dat iemand, al is hij aan het leven in de
-wildernis en aan de grootsche tooneelen aldaar gewoon, er toch door
-bedrogen wordt. Ik begrijp wel waar gij heen wilt en welk voordeel wij
-van uw idee zouden kunnen trekken, als ik maar eenige kans zag om dat
-middel te gebruiken, maar dat is ongelukkigerwijs niet het geval.”
-
-»Ooah! dat is gemakkelijk genoeg,” hervatte de Arendskop, »het oog van
-een Indiaan is goed, hij ziet op drie boogschot afstand alles. Even
-boven de groote hut der bleekgezichten ligt een van die kleine
-vloteilanden, geen vijftig passen van den oever; heeft mijn broeder dat
-niet opgemerkt?”
-
-»Inderdaad!” riep Goedsmoeds »wat gij zegt is volkomen waar. Ik
-herinner mij thans dat eiland, daar had ik volstrekt niet aan gedacht.”
-
-»Wat de plaatselijke ligging betreft heeft het niets van den brand te
-duchten,” merkte Louis aan; »als het groot genoeg is om ons allen te
-bergen, zou het ons bij uitstek van dienst kunnen zijn als voorpost.”
-
-»Wij hebben geen oogenblik te verliezen, maar moeten er dadelijk heen
-om het te onderzoeken, en als wij zeker zijn dat het ons de noodige
-veiligheid aanbiedt, zullen wij er dadelijk gebruik van maken en er de
-peons heenbrengen.”
-
-»Op weg dus en niet langer geaarzeld,” riep de Tigrero opstaande.
-
-De anderen deden hetzelfde, en de vijf mannen verlieten het boschkamp.
-
-Na hunne paarden te hebben teruggevonden, namen zij hunne richting naar
-het eiland onder geleide van den Arendskop.
-
-De Sachem had zich niet bedrogen; met den onfeilbaren blik die zijnen
-landgenooten eigen is, had hij alles gezien en herkend en het
-welgekozen punt met de meeste juistheid beoordeeld.
-
-Een ander voordeel kwam den avonturiers te stade: een dichte strook van
-zoogenaamde wortelboomen, die den oever omzoomde, stak ver genoeg in
-den stroom uit om den afstand tusschen het eiland en het vaste land
-merkelijk te verminderen en tevens eene natuurlijke bedekking te vormen
-voor de peons, die in het lange gras verscholen zaten; terwijl de
-Indianen zich onmogelijk in de wortelboomen zouden kunnen nestelen om
-van daar hunne vijanden te bestoken, maar integendeel door dezen zonder
-gevaar zouden worden gedecimeerd.
-
-Het eiland zelf, dat wij zoo zullen blijven noemen, ofschoon het
-eigenlijk een vlot moest heeten, was met een dichte massa droog, sterk
-en ongeveer twee ellen hoog rietgras bedekt, waarachter mannen en
-paarden geheel onzichtbaar waren. Na de volbrachte verkenning vestigden
-Goedsmoeds en de beide Mexicanen hun kamp in het centrum, terwijl don
-Louis en de Arendskop weder naar den anderen oever terugkeerden om den
-capataz en zijne peons te gemoet te gaan.
-
-Don Martial had weinig lust hen te vergezellen, hij vreesde, zoo dicht
-in de nabijheid der kolonie zijnde, door don Sylva herkend te worden en
-wenschte liever zoo lang mogelijk zijn incognito te bewaren, dat ter
-bevordering zijner latere plannen volstrekt noodig was.
-
-Louis, die hem eerst gevraagd had of hij mede wilde gaan, drong niet
-verder bij hem aan, en scheen zijne weigering stilzwijgend goed te
-keuren.
-
-Het eigenlijke van de zaak was dat de graaf Prébois, zonder te kunnen
-zeggen waarom, een heimelijken afkeer gevoelde van den Tigrero, wiens
-sluwe en gedurig aarzelende houding hem zeer tegen de borst hadden
-gestuit.
-
-De Arendskop en Louis, overtuigd dat de Zwarte-Beer zich stellig met
-zijn detachement verwijderd had, zonder spionnen in de prairie achter
-te laten, achtten het onnoodig om de peons eerst een langen en
-vermoeienden omweg te laten maken alvorens hunne bestemming te
-bereiken; bij gevolg verborgen zij zich in een boschje dicht bij de
-landengte, ten einde hen daar af te wachten en regelrecht naar het
-afgesproken punt te geleiden.
-
-Intusschen had het bericht van den graaf de Prébois Crancé in de
-kolonie Guetzalli alles op stelten gezet. Want ofschoon de Indianen
-sedert de grondvesting der hacienda reeds meermalen getracht hadden de
-Franschen te verontrusten, waren hunne pogingen van weinig beteekenis
-geweest, eerst nu zouden de kolonisten voor den eersten keer tot een
-ernstigen strijd met hunne woeste geburen worden geroepen.
-
-De graaf de Lhorailles had ongeveer over twee honderd Dauph’yeers te
-beschikken, afkomstig uit Valparaiso, Guyaquil, Callao en andere havens
-aan de stille Zuidzee, waar het van gelukzoekers van allerlei soort
-wemelt.
-
-Zijn troep was een zonderling samenraapsel van alle nationaliteiten uit
-de twee halfronden des aardbols; meerendeels, echter waren het
-Franschen, half bandieten, half soldaten, losbollen of vagebonden, die
-in den chef hunner eigen vrije keus onbepaald vertrouwen stelden.
-
-Het bericht van den voorgenomen aanval der Apachen werd door het
-garnizoen met een vroolijken juichkreet ontvangen. Schieten en vechten
-was voor deze avonturiers zoo veel als een pleizierpartij, of, zoo als
-zij het in hunne schilderachtige taal noemden, een geschikte
-gelegenheid om zich op te frisschen, en voor schimmelen of roesten te
-bewaren.
-
-Wat meer is wenschten zij den Apachen een lesje te geven en te laten
-zien welk onderscheid er bestond tusschen de Kreolen en kolonisten,
-daar zij van eeuwen her mede te kampen hadden gehad en de Europeanen,
-die zij nog niet kenden.
-
-De graaf behoefde hun dus niet aan te bevelen zich ferm te houden,
-integendeel was hij verplicht hun ijver te matigen en tot
-voorzichtigheid te vermanen, hun belovende dat hij hun spoedig
-gelegenheid zou verschaffen zich met de Roodhuiden in open kamp te
-meten.
-
-De lezer herinnert zich zonder twijfel, dat het Mexicaansche
-gouvernement de kolonie Guetzalli aan den graaf de Lhorailles had
-afgestaan, onder beding dat hij de Apachen en Comanchen nadrukkelijk
-zou bestrijden, ten einde hen van de Mexicaansche grenzen te
-verwijderen, die zij reeds lang gewoon waren op zekeren tijd des jaars
-te verwoesten.
-
-Op deze voorwaarde van het verdrag maakte hij zijne soldaten
-inzonderheid opmerkzaam.
-
-Zoodra dus de noodige maatregelen van verdediging genomen waren,
-namelijk aan ieder zijn post aangewezen en de wapenen en
-krijgsbehoeften rondgedeeld, verliet de graaf zich op zijne twee
-luitenants, den Biskayer Diego Leon en Martin Leroux, twee oude
-krijgsmannen, op welke hij meende te kunnen vertrouwen; vervolgens
-rekende hij op Blas Vasquez en diens peons.
-
-Daar het wel waarschijnlijk was dat de Indianen spionnen in den omtrek
-der kolonie gelaten hadden, trachtte hij dezen in den waan te brengen
-dat de peons werkelijk vertrokken waren; dientengevolge werden er
-verscheidene muilezels geladen met leeftocht als voor eene verre reis;
-vervolgens stelde de wel onderrichte capataz zich aan het hoofd van
-zijn troep en vertrok uit de kolonie met de karabijn op de heup.
-
-De Lhorailles, don Sylva en de andere bewoners oogden met licht
-verklaarbare belangstelling het kleine detachement na, zich gereed
-houdende het te ondersteunen zoo het mocht worden aangevallen.
-
-Maar geen muis bewoog zich in de prairie, alles bleef kalm en rustig en
-weldra waren de Mexicanen in het hooge gras verdwenen.
-
-»Ik begrijp de taktiek der Indianen niet,” mompelde don Sylva in zich
-zelven. »Er schuilt zeker weder een fijne streek onder, dat zij dien
-kleinen troep zoo stil laten vertrekken, die hun zulk een schoone kans
-op voordeel scheen te beloven.”
-
-»Wij zullen spoedig weten wat er van is,” antwoordde de graaf;
-»overigens zijn wij gereed hen te ontvangen; het spijt mij slechts dat
-doña Anita zich hier bevindt, niet dat zij eenig persoonlijk gevaar
-loopt, maar het tumult van den strijd mocht haar verschrikken.”
-
-»Gij vergist u, heer graaf,” zei doña Anita die op dit oogenblik het
-huis uitkwam; »wees voor mij maar niet bevreesd, ik ben eene echte
-Mexicaansche en geen van die kleine teere Europeesche poppetjes, die
-bij het geringste alarm eene flauwte krijgen of in onmacht vallen. Ik
-heb zoo vaak in veel moeielijker omstandigheden dan de tegenwoordige
-den oorlogskreet der Apachen in mijn oor hooren weergalmen, zonder iets
-van dien angst te gevoelen dien gij thans voor mij schijnt te duchten.”
-
-Na deze woorden op fieren en minachtenden toon te hebben uitgesproken,
-daar de vrouwen zich tegen den man dien zij niet beminnen zoo behendig
-van weten te bedienen, trad doña Anita den graaf voorbij zonder hem aan
-te zien en nam zij haar vader bij den arm.
-
-De Franschman antwoordde niet; hij verbeet zich de lippen dat er het
-bloed voorstond, maakte eene beleefde buiging en deed alsof hij van den
-scherpen zet niets begrepen had, zich voorbehoudende om dit verschil
-nader te vereffenen; want, ofschoon hij zijne bruid eigenlijk niet
-beminde, kon hij toch, gelijk meestal onder dergelijke omstandigheden,
-niet dulden dat zij door een ander bemind wierd, en allerminst dat zij
-zich jegens hem zoo trotsch en onverschillig toonde.
-
-De snelle gang der jongste gebeurtenissen hadden hem echter tot dusver
-belet om met doña Anita tot eene beslissende verklaring te komen.
-
-De rijke mijnhoudersdochter, in Mexico geboren en in de nabuurschap der
-Indianen opgevoed, was een Andalusische van top tot teen, vurig en
-hartstochtelijk, en alleen handelend op den snellen indruk van haar
-hart en gevoel. Innig verliefd en door hare liefde voor don Martial
-gevrijwaard, had zij den graaf de Lhorailles in koelen bloede
-beoordeeld en onder den oppervlakkigen schijn zijner galante
-ridderlijkheid aldra den speculant ontdekt, die haar terstond een
-onverbiddelijken afkeer inboezemde. Zoo werd haar besluit onmiddellijk
-genomen om zich zonder voorbehoud buiten de mogelijkheid te stellen
-ooit zijne vrouw te kunnen worden. Maar een openlijken strijd tegen
-haar vader te beginnen .... daar zag zij tegen op .... om zich daaraan
-te wagen, kende zij te goed het oude Spaansche bloed dat in zijne
-aderen bruiste. De kracht der vrouwen, is hare schijnbare zwakheid;
-haar middel van verdediging is de list. Evenzeer Indiaansch als
-Spaansch van karakter, koos zij de list als het geduchte wapen der
-vrouwen dat haar soms zoo gevaarlijk maakt.
-
-Blas Vasquez, de oude hofmeester van don Sylva, had doña Anita zien
-geboren worden; zijne vrouw had haar gezoogd, met andere woorden hij
-was zoo innig aan het meisje verknocht dat hij op een wenk van haar, ja
-zijne ziel aan den duivel zou hebben verpand.
-
-Toen de graaf de Prébois Crancé op de hacienda was gekomen, had zijne
-verschijning hare belangstelling zeer gaande gemaakt en nauwelijks was
-hij weder vertrokken of zij sprak er den capataz over en vroeg hem met
-een onverschillig gezicht opheldering, die haar oude vriend natuurlijk
-geen bezwaar vond haar te geven, des te minder, daar weldra ieder in de
-kolonie weten zou, en weten moest, welk nieuws de graaf Louis had
-aangebracht; wat echter niemand kon weten en wat door doña Anita alleen
-bij onbedriegelijk instinct geraden werd, was dat don Martial zich
-onder de jagers bevond die in de nabijheid der kolonie verscholen
-lagen.
-
-Toen don Martial haar te Guaymas verliet, had hij haar gezegd dat hij
-over haar zou waken en haar aan het haar dreigende lot zou weten te
-onttrekken; het lag dus in de reden dat hij haar gevolgd zou zijn, en
-hieraan twijfelde zij geen oogenblik. Volgens haar begrip, moest hij
-ontegenzeggelijk deel uitmaken van de heldhaftige vriendenschaar die in
-dezen stond, terwijl zij de kolonie zochten te redden, tevens voor haar
-behoud werkzaam waren.
-
-De eenige logika die stellig spreekt en nimmer bedriegt, is die van het
-hart; wij althans hebben gezien dat doña Anita, door haar gevoel
-geleid, juist had geredeneerd.
-
-Toen zij van den capataz al de inlichtingen bekomen had die zij
-verlangde, zeide zij:
-
-»Don Blas, het is wel waarschijnlijk, als gij bij dezen aanval op de
-kolonie de gevorderde diensten hebt bewezen, dat mijn vader of don
-Gaëtano u, daar zij uw volk dan niet meer noodig hebben, order zullen
-geven om naar Guaymas terug te keeren.”
-
-»Ja, waarschijnlijk wel, señorita,” antwoordde de brave capataz.
-
-»Dan zult gij mij ook wel een kleinen dienst willen bewijzen, niet
-waar?” vroeg zij, hem op het vriendelijkst toelachende.
-
-»Gij weet immers wel, señorita, dat ik voor u door een vuur zou
-loopen?”
-
-»Nu, zoo zwaar zal ik uwe vriendschap niet op de proef stellen, waarde
-don Blas; intusschen dank ik u wel voor uwe goede gevoelens jegens
-mij.”
-
-»Wat kan ik doen om u aangenaam te zijn?”
-
-»O! een heel gemakkelijk ding.”
-
-»Zoo!”
-
-»Och hemel! ja,” riep zij op luchthartigen toon; »gij weet wel dat ik
-sedert lang de gekheid heb gehad om met alle geweld een voetkleedje van
-tijgervellen in mijne slaapkamer te verlangen.”
-
-»Neen,” antwoordde hij oprecht, »dat wist ik niet.”
-
-»Hé!.... welnu, dan zeg ik het u thans; dus weet gij het nu.”
-
-»En ik zal het niet meer vergeten, señorita, dat beloof ik u.”
-
-»Dank u, don Blas; maar dat is eigenlijk niet wat ik verlang.”
-
-»Wat dan?”
-
-»Wel, dat gij hier twee tijgervellen bezorgdet, bedoel ik.”
-
-»Zeer goed; welnu, zoodra ik een dag vrij heb, kunt gij er op rekenen
-dat ik ze u bezorg.”
-
-»O, maar het is niet noodig dat gij u om een gril van mij in gevaar
-zoudt begeven en misschien met die schrikkelijke beesten een ongeluk
-krijgen.”
-
-»Kom, señorita!” riep hij een weinig geaffronteerd.
-
-»Neen, dat wil ik volstrekt niet; ik weet een goed middel om ze
-gemakkelijk te bekomen.”
-
-»Nu, des te beter dan; en wat is dat?”
-
-»Er is sedert eenige dagen te Guaymas een vermaarde tijgerjager
-gekomen....”
-
-»Don Martial Asuzena?” viel hij haar met drift in de rede.
-
-»Kent gij hem?”
-
-»Wie zou don Martial den Tigrero niet kennen?”
-
-»Dat valt dan goed meê.”
-
-»Hoedat meê.”
-
-»Wel, van zijne laatste jacht in de prairiën van het Westen heeft de
-Tigrero naar ik hoor een aantal prachtige jaguarsvellen medegebracht,
-die hij zeker voor een goeden prijs wel zal willen afstaan.”
-
-»Daar twijfel ik niet aan.”
-
-»Nu,” riep zij, een klein verzegeld briefje uit haar boezem voor den
-dag halende, »hier heb ik een paar woorden die gij den Tigrero moet
-overhandigen. Ik schrijf hem dat ik de vellen bereid wil hebben en wat
-ik er hem voor betalen wil. Ziedaar is geld;” vervolgde zij hem eene
-beurs ter hand stellende, »gij zult dat wel voor mij regelen zoo als
-gij denkt dat goed is.”
-
-»Gij hadt hem zelfs niet eens behoeven te schrijven, señorita,” merkte
-de capataz aan.
-
-»Met uw welnemen, vriend, maar gij hebt aan zooveel zaken te denken,
-dat ik niet weet of zulk eene kleinigheid niet licht uit het hoofd zou
-kunnen gaan.”
-
-»Alles is mogelijk, señorita, dus dat ook; maar zooals gij het wilt is
-het altijd beter.”
-
-»Niet waar? dat is dus afgesproken, gij zult mijne boodschap doen?”
-
-»Kunt gij daaraan twijfelen?”
-
-»Neen, don Blas. Wacht! nog iets: zeg geen woord aan mijn vader; gij
-weet hoe goed hij is; hij zou ze mij cadeau willen maken en ik wil deze
-kleinigheid volstrekt uit mijn eigen beurs betalen.”
-
-De capataz lachte met een gezicht alsof hij het wel met haar wist. De
-goede man gevoelde zich gelukkig dat hij in een geheim mocht deelen,
-hoe gering dan ook, van zijn troetelkind, zooals hij zijne jonge
-meesteres gewoonlijk noemde.
-
-»Het blijft onder ons,” zeide hij, »ik ben zoo stom als een visch.”
-
-Doña Anita knipoogde hem vriendelijk toe, en verwijderde zich met een
-vergenoegd lachje.
-
-Wat beduidde die brief? en waarom had zij dien geschreven?
-
-Dat zullen wij straks zien.
-
-Dien geheelen dag viel er op de hacienda niets bijzonders voor; alleen
-zocht de graaf de Lhorailles doña Anita verscheidene keeren te zien en
-tot een ernstig gesprek over te halen, dat deze echter telkens wist te
-ontwijken.
-
-Blas Vasquez vertrok in de richting van Guaymas en stelde zich aan het
-hoofd van zijn troep, die het terstond in vollen galop zette uit vrees
-van overrompeld te worden.
-
-Nauwelijks was hij buiten het gezicht der kolonie en omtrent twintig
-minuten ver in het hooge prairiegras verdwenen, of plotseling sprongen
-er twee mannen op zijn pad te voorschijn, die de paarden tegenhielden
-en vlak voor hem bleven staan.
-
-Van deze twee mannen was de eene, zooals uit alles bleek een Indiaan;
-in den anderen herkende de capataz dadelijk denzelfden persoon dien hij
-des morgens op de hacienda gezien had.
-
-Blas Vasquez wenkte zijn troep om halt te maken en reed de beide
-vreemdelingen alleen te gemoet.
-
-»Door welk toeval ontmoet ik u hier, señor Frances?” zeide hij, »wij
-zijn hier nog ver van het punt dat gij mij als standplaats hebt
-aangewezen.”
-
-Hierop boog hij beleefd.
-
-Don Louis boog insgelijks.
-
-»Wij zijn wel is waar ver van ons punt van afspraak,” antwoordde hij,
-»doch daar wij geen spoor van Apachen in de prairie hebben gevonden,
-achtten wij het onnoodig u zulk een langen omweg te laten maken; ik ben
-dus afgezonden om u naar de hinderlaag te geleiden die wij voor u
-gekozen hebben.”
-
-»Gij hebt welgedaan. Moeten wij nu nog lang marcheeren?”
-
-»Neen, geen kwartier ver meer; wij gaan naar een eilandje dat gij van
-hier reeds kunt zien, als gij u een weinig in de stijgbeugels opheft,”
-voegde hij er bij, met de hand in de richting van het bedoelde eiland
-wijzende.
-
-»Ei zoo!” riep de capataz, »dat punt is goed gekozen; van daar
-bestrijken wij de heele rivier.”
-
-»Juist daarom hebben wij ons bij dat punt bepaald.”
-
-»Wil dan onze gids maar zijn, señor Frances; wij zullen u volgen.”
-
-Het detachement hervatte den marsch. Gelijk don Louis gezegd had,
-werden de capataz en zijne veertig peons thans bij de vijf avonturiers
-op het eiland gekampeerd en zoo goed door het lange gras en de
-wortelboomen gedekt, dat men van de beide rivieroevers onmogelijk iets
-van hen kon bemerken.
-
-Zoodra de capataz zijn plicht als hoofdman van het detachement had
-volbracht, nam hij plaats aan het bivakvuur bij zijne nieuwe vrienden,
-aan welke don Louis hem voorstelde.
-
-De eerste persoon dien don Blas hier vond was don Martial de Tigrero.
-
-Bij deze ontmoeting kon hij zijne verrassing kwalijk verbergen.
-
-»Caspita!” riep hij met een hartelijken lach, »wat zonderlinge
-ontmoeting!”
-
-»Hoedat?” vroeg de Mexicaan tamelijk onthutst over deze herkenning, die
-hij gansch niet verwachtte, daar hij meende bij den capataz niet bekend
-te zijn.
-
-»Is u niet don Martial Asuzena, de Tigrero?” vervolgde Blas Vasquez.
-
-»Die ben ik,” antwoordde don Martial meer en meer ongerust.
-
-»Mijn hemel! het zou mij vrij wat moeite gekost hebben u te Guaymas te
-vinden, en ik dacht waarlijk niet dat ik zoo gelukkig zou zijn u hier
-reeds aan te treffen.”
-
-»Verklaar u nader als ik u verzoeken mag, ik begrijp niets van hetgeen
-gij zegt.”
-
-»Ik heb eene boodschap voor u van wege mijne jonge meesteres.”
-
-»Wat zegt gij!” riep de Tigrero, wiens hart klopte van verrassing.
-
-»Niets anders dan hetgeen ik zeg; doña Anita wil naar het schijnt een
-paar tijgervellen van u koopen.”
-
-»Van mij?”
-
-»Welzeker.”
-
-Don Martial keek hem met zulk een verwezen blik aan, dat de ronde
-capataz begon te schateren van lachen. Dit gelach bracht den jongman
-tot bezinning en deed hem bevroeden dat er misschien een geheim achter
-verscholen lag en dat hij, wanneer hij nog langer vreemd opkeek, bij
-den eenvoudigen hofmeester licht andere vermoedens zou opwekken die
-deze thans niet bezat, daar hij niets van het groote geheim wist.
-
-»Inderdaad,” zeide hij alsof hij zich iets herinnerde, »ik geloof dat
-ik eenigen tijd geleden...”
-
-»Ha!” viel hem de capataz in de rede, »dat dacht ik wel half; welnu,
-zij heeft mij met een brief belast, dien ik u bij mijne eerste
-ontmoeting zou overhandigen.”
-
-»Een brief! van wie?”
-
-»Wel, van mijne jonge meesteres zelve, denk ik.”
-
-»Van doña Anita?”
-
-»Ja, van wie anders?”
-
-»Geef hem mij dadelijk!” riep de Tigrero in vervoering.
-
-De capataz haalde den brief uit zijn zak, en don Martial ontrukte hem
-dien meer dan hij die aannam, brak het zegel met bevende hand open en
-las den inhoud.
-
-Toen hij hem gelezen had stak hij hem in zijne borst.
-
-»Wel, wat schrijft nu mijne meesteres?”
-
-»Niets anders dan hetgeen gij mij gezegd hebt,” antwoordde de Tigrero
-min of meer stotterend.
-
-Blas Vasquez schudde het hoofd.
-
-»Hm! die man heeft zeker iets dat hij voor mij niet wil weten,”
-mompelde hij. »Zou doña Anita mij soms gefopt hebben?”
-
-Intusschen was de Tigrero opgestaan en stapte driftig op en neer, alsof
-er een belangrijk ontwerp bij hem omging; eindelijk trad hij naar
-Goedsmoeds, die stil zat te rooken, bukte aan zijn oor en fluisterde
-hem eenige woorden in, die de Canadees toestemmend beantwoordde. Een
-lichtstraal van vreugde blonk op het sombere gelaat van den Tigrero en
-terwijl hij Cuchares een wenk gaf verlieten zij samen het bivak.
-
-Eenige minuten daarna zaten don Martial en de lepero reeds te paard, en
-staken de rivier over die het eiland van het vaste land afscheidde.
-
-De capataz bemerkte hen eerst toen zij aan de overzijde aan land
-stapten.
-
-Hij slaakte een kreet van verbazing.
-
-»Caspita,” riep hij, »de Tigrero schijnt ons te verlaten; waar of hij
-heen gaat?”
-
-Goedsmoeds keek don Blas aan met een schalksch gezicht, half zuur, half
-zoet, en antwoordde op schertsenden toon:
-
-»Wie weet? misschien gaat hij een antwoord brengen op den brief dien
-hij van u ontvangen heeft.”
-
-»Dat zou niet onmogelijk zijn,” hernam de capataz nadenkend, daar hij
-niet recht wist wat hij er op zeggen zou.
-
-Op dit oogenblik ging de zon majestueus onder, in een zee van gouden en
-purperen dampen, achter de besneeuwde toppen van de hooge bergen der
-Sierra Madre; de nacht zou weldra zijn zwarten mantel over het
-sluimerende aardrijk uitspreiden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIII.
-
-EEN WEDLOOP BIJ NACHT.
-
-
-De gebeurtenissen wisselden elkander in dezen nacht zoo snel af, dat
-wij, ten einde het front der hoofdzaken op eene lijn te houden,
-genoodzaakt zijn om gedurig van den eenen persoon tot den anderen over
-te gaan.
-
-Don Martial was rijk, zelfs buitengewoon rijk. Daarbij eergierig van
-aard en even krijgshaftig als ongestadig, had hij het vak van Tigrero,
-of tijgerjager, alleen bij de hand genomen om een gepast voorwendsel of
-ernstig doel te vinden voor zijne onophoudelijke omzwerving door de
-wildernissen, daar hij het grootste gedeelte van zijn onrustig leven
-had doorgebracht.
-
-De tigreros zijn gewoonlijk verdienstelijke woudloopers of jagers, die
-zich voor een zeker dagloon, en een premie voor elke huid bovendien,
-bij de hacienderos verhuren om de wilde beesten te schieten, die vaak
-de weerlooze kudden aanranden.
-
-Wat andere tigreros voor geld doen, deed hij voor zijn eigen genoegen
-of voor tijdverdrijf; aan de grenzen was hij zeer bemind en gezien,
-vooral bij de hacienderos, die in hem behalve den afgerichten en
-onverschrokken jager tevens een goed tafelvriend en volmaakt edelman
-wisten te waardeeren.
-
-Don Martial had doña Anita voor de eerste maal gezien toen zijn
-wisselvallig beroep hem bij toeval op een aan don Sylva toebehoorende
-hacienda bracht, waar hij in minder dan eene maand tijd een tiental
-jaguars en andere verscheurende dieren had gedood.
-
-Daar de Tigrero de schoone Anita, die hij niet leerde kennen zonder er
-smoorlijk op te verlieven, gedurig naging en bespiedde, had hij eens
-het geluk of ongeluk haar te ontmoeten juist op het oogenblik dat haar
-paard aan het hollen geraakte, en hij in de gelegenheid was haar te
-redden bijna ten koste van zijn eigen leven.
-
-Het was ten gevolge dezer gebeurtenis dat het meisje hem voor het eerst
-opmerkte en toesprak, het overige is den lezer bekend.
-
-Na den brief van doña Anita gelezen te hebben had don Martial het
-eiland verlaten, vergezeld van Cuchares.
-
-Dit besluit had den lepero bitter teleurgesteld; hij verwenschte in
-zijn binnenste dat hij zoo dwaas was geweest om zich aan den man te
-verbinden, dien hij thans als met hangende ooren volgde en die hem van
-oogenblik tot oogenblik blootstelde om met een Indiaansche pijl
-doorschoten te worden, zonder eenig voordeel of zelfs prijswaardige
-reden. Intusschen was Cuchares de man niet om den Tigrero zijn kwade
-luim te toonen.
-
-Hij begreep dat er wel zeer geldige redenen moesten bestaan om tegen
-het vallen van den nacht een bivak te verlaten, waar men zoo goed tegen
-den aanval der wilde dieren beveiligd was en den bijstand der jagers op
-te geven, om zonder blijkbaar doel door de wildernis te gaan zwerven.
-Hij brandde van verlangen om deze redenen te leeren kennen, maar hij
-wist dat don Martial weinig sprak en vooral niet kon dulden dat men
-zijne geheimen zocht uit te vorschen, en daar de lepero ondanks al zijn
-hollebolligheid den Tigrero inwendig grooten eerbied, ja zelfs een
-goede dosis vrees toedroeg, stelde hij de talrijke vragen die hij hem
-te doen had uit tot gelegener oogenblik.
-
-De beide mannen reden dus stil naast elkander en vervolgden hun weg,
-terwijl zij den teugel achteloos op den hals hunner paarden lieten
-rusten en ieder voor zich zelven nadacht; Cuchares bemerkte echter
-weldra dat de Tigrero in plaats van zich dieper in het bosch te
-begeven, veeleer met opzet den rand van het water verkoos te volgen en
-zijn paard zoo dicht mogelijk bij de rivier te houden.
-
-Inmiddels nam de duisternis hand over hand toe; de meer verwijderde
-voorwerpen begonnen met de donkere massas aan den horizont samen te
-smelten, en weldra bevonden de beide ruiters zich in volslagen
-duisternis.
-
-Sinds eenigen tijd reeds had de lepero, hetzij door hoesten of door nu
-en dan een uitroep de aandacht van zijn tochtgenoot pogen gaande te
-maken; doch toen hij zag dat de nacht zoo donker als pik was geworden,
-terwijl de Tigrero er niet om scheen te geven maar steeds in den
-zelfden galop voortreed, verstoutte hij zich eindelijk het woord tot
-hem te richten.
-
-»Don Martial!” begon hij.
-
-»Wel?” antwoordde deze onverschillig.
-
-»Vindt gij niet dat het tijd wordt een weinig stil te houden?”
-
-»Om welke reden?”
-
-»Om welke reden?” herhaalde de lepero op een toon van verbazing.
-
-»Ja, wij zijn immers nog niet waar wij wezen moeten?”
-
-»Gaan wij dan ergens heen?”
-
-»Waartoe zouden wij anders onze vrienden verlaten hebben?”
-
-»Dat is waar. Maar waar gaan wij dan heen? Dat zou ik wel willen
-weten.”
-
-»Gij zult het spoedig weten.”
-
-»Ik moet u zeggen dat ik er zeer naar verlang.”
-
-Er volgde weder een poos stilte en zij reden steeds verder.
-
-Zij hadden den heuvel van Guetzalli reeds ver achter zich en bereikten
-eene soort van kreek, die door hare sterke kromming bijna evenwijdig
-liep met het achtergedeelte der hacienda, wier donkere massa zich recht
-voor hen verhief en hen met hare schaduw verborg.
-
-Don Martial bleef staan.
-
-»Wij zijn er,” zeide hij.
-
-»Eindelijk!” bromde de lepero met een zucht van genoegen.
-
-»Dat wil zeggen,” hervatte de Tigrero; »dat de gemakkelijkste helft van
-onze onderneming voorbij is.”
-
-»Wij hebben dus eene onderneming.”
-
-»Pardi! denkt gij dan, mijn waarde, dat ik louter voor pleizier zoo
-laat in den nacht langs den oever der Rio Gila loop dwalen?”
-
-»Dat verwonderde mij ook al.”
-
-»Thans zal onze onderneming eigenlijk pas beginnen.”
-
-»Goed.”
-
-»Alleen moet ik u zeggen dat zij vrij gevaarlijk is; in allen gevalle
-reken ik op u.”
-
-»Ik dank u,” antwoordde Cuchares, terwijl hij een leelijk gezicht trok,
-dat voor een glimlach moest doorgaan.
-
-Ronduit gezegd, had de lepero liever gewild dat zijn vriend hem dit
-blijk van vertrouwen niet gegeven had.
-
-Don Martial vervolgde.
-
-»Dáár moeten wij heen,” zeide hij met de hand naar de rivier wijzende.
-
-»Wat! daar heen? naar de hacienda?”
-
-»Ja!”
-
-»Wilt gij u dan in de pan laten hakken?”
-
-»Hoezoo?”
-
-»Denkt gij dat wij de hacienda bereiken kunnen zonder ontdekt te
-worden?”
-
-»Daar zullen wij de proef van nemen.”
-
-»Ja, en als het ons niet gelukt, zullen die duivelsche Franschen, die
-zoo scherp op de loer liggen, ons voor wilden aanzien en kort en goed
-doodschieten.”
-
-»Daar is wel eenige kans op.”
-
-»Ik dank u hartelijk! ik blijf liever hier; want om u de waarheid te
-zeggen ben ik nog niet gek genoeg om met een vroolijk hart den leeuw in
-den muil te loopen; ga gij maar alleen, zoo gij er lust toe hebt; maar
-ik blijf hier.”
-
-De Tigrero kon zijn lach niet langer bedwingen.
-
-»Het gevaar is niet zoo groot als gij u verbeeldt, wij worden op de
-hacienda verwacht, door iemand, die zonder twijfel den schildwacht zal
-weten te verwijderen van het punt waar wij aan land komen.”
-
-»Dat is wel mogelijk, maar ik verkies er liever niet de proef van te
-nemen, want een kogel weet van geen medelijden; en bovendien, die
-duivelsche Franschen schieten raak om van te beven.”
-
-De Tigrero antwoordde niet, hij scheen zelfs de aanmerking van zijn
-kameraad niet gehoord te hebben, zijne gedachten zwierven elders. In
-gebogen houding stond hij te luisteren.
-
-Sedert eenige minuten had de wildernis een zonderlinge gedaante
-bekomen, zij scheen te ontwaken: geluiden zonder naam rezen op uit de
-diepte der bosschen en struiken; dieren van allerlei soort sprongen
-verschrikt te voorschijn en snelden de avonturiers voorbij zonder hen
-te zien; de vogels uit hun eersten slaap opgewekt, vlogen op onder
-scherp krijschend geschreeuw en verhieven zich hoog in de lucht; op de
-rivier zag men de schimmen der wilde dieren, die haar met drift
-overzwommen om den anderen oever te bereiken. Ongetwijfeld ging er iets
-buitengewoons om in de prairiën.
-
-Van tijd tot tijd hoorde men in de verte geknetter en gekraak, gevolgd
-door een dof geloei als van een opkomenden vloed, dat van oogenblik tot
-oogenblik duidelijker werd.
-
-Aan den uitersten horizont vertoonde zich een breede roode band, die
-zich van minuut tot minuut uitbreidde, en het landschap kleurde met een
-glans van purper en goud en er een fantastisch voorkomen aan leende,
-omtrent als een toovertooneel met bengaalsche vuren.
-
-Reeds tweemaal waren er verbazende rookwolken, hier en daar met vonken
-besprenkeld, als rollende bergen over hunne hoofden voorbijgedreven.
-
-»Zeg, wat zou dat zijn?” riep de lepero; »zie toch onze paarden eens,
-don Martial.”
-
-Werkelijk stonden de edele dieren, met gerekte halzen en gestreken
-ooren, te hijgen van angst en te stampvoeten als zochten zij hunne
-meesters te ontsnappen.
-
-»Wat hun schort, caspita!” antwoordde de Tigrero bedaard, »zij ruiken
-den brand, anders niets.”
-
-»Hoedat den brand! denkt gij dan dat er brand is in de prairie?”
-
-»Ik denk het niet, maar ik weet het zeker, het hangt alleen van u
-zelven af om het te zien, even goed als ik.”
-
-»En wat moet dat beduiden?”
-
-»Niet veel bijzonders, het is maar zoo’n gewone streek van de Indianen,
-wij zijn immers in de Maan van Mexico, weet gij dat nog niet?”
-
-»Neem mij niet kwalijk; ik ben geen woudlooper; ik wil u wel zeggen dat
-mij dit alles zeer ongerust maakt en dat ik een goed ding zou willen
-geven als ik er uit was.”
-
-De lepero gaf alle blijken van angst.
-
-»Gij lijkt wel een kind,” lachte don Martial; »weet gij dan niet dat
-het de Indianen zijn, die, om hun aantal te verbergen de prairie in
-brand hebben gestoken; zij volgen onmiddellijk op het vuur, zoo
-aanstonds zult gij hun oorlogskreet hooren weergalmen; achter dat
-gordijn van rook en vlammen, dat gedurig al nader komt, rukken zij op
-en zullen zij u weldra van alle kanten omsingelen. Als gij hier blijft,
-loopt gij op drieërlei wijze gevaar: hetzij om gebraden, gescalpeerd of
-gedood te worden, alle drie zeer onaangename zaken, die u als ik mij
-niet vergis maar half moeten bevallen. Geloof mij toch en doe wat ik u
-zeg, ga met mij mede; of wilt gij liever gedood worden, zeg het dan
-maar ronduit, er zit niets anders op. Hoe is ’t? wilt gij in de rivier
-afdalen? het vuur nadert: over drie minuten hebt gij geen tijd meer.
-Wat wilt gij?”
-
-»Ik volg u,” antwoordde de lepero met een bedrukte stem; »ik moet
-immers wel! Ik was dwaas, of de duivel heeft mij verleid om Guaymas te
-verlaten, waar ik zoo gelukkig was, waar ik niets behoefde te doen; en
-mij dan hier in zulke voetangels en klemmen te steken! Ik wil u wel
-zeggen, als ik er ooit levend afkom, dat het een knap man zal moeten
-zijn die mij hier ooit weer ziet.”
-
-»Ba, ba! dat zeggen ze altijd; laten wij ons haasten, de tijd dringt.”
-
-Werkelijk stond de wildernis over een uitgestrektheid van verscheidene
-mijlen in brand als de krater van een onmetelijken vulkaan, de vlammen
-golfden en rolden voort als de baren der zee; de dikste boomen
-wegmaaiend en verdelgend als stroohalmen.
-
-Uit het dikke koperroode rookgordijn dat den brand voorafging, sprongen
-nog gedurig gansche troepen wolven, bisons of jaguars te voorschijn, en
-stortten zich in de Rio Gila onder angstig gehuil, geloei en gebrul.
-
-Don Martial en de lepero daalden met hunne paarden in de rivier af.
-
-De schrandere dieren, door hun instinct geleid, drongen haastig
-voorwaarts naar den anderen oever.
-
-Dit gedeelte van de woestijn maakte wel een zonderling contrast met
-hetgeen zij verlaten hadden, dat veel had van een onmetelijk fornuis,
-vol onbestemde geluiden, schrik en jammerkreten en noodgeschrei; een
-zee van vuur wier grootsche en onverbiddelijke baren alles verzwolgen
-en verslonden wat haar in den weg stond; het ging over heuvels en
-dalen, rotsen en wildernissen en deed binnen weinige minuten alle
-voortbrengsels zoo planten als dieren verschroeien of in rook opgaan of
-in asch verstuiven.
-
-De Rio Gila, omstreeks dezen tijd des jaars door de gevallen regens in
-de Sierra Madre gezwollen, was dubbel zoo breed als gedurende den
-zomer, en uithoofde harer snelheid een gevaarlijke stroom; op het
-oogenblik echter dat onze twee avonturiers haar overzwommen, hadden de
-menigte dieren die haar in dichte troepen tegelijkertijd zochten te
-passeeren hare kracht zoo zeer gebroken, dat zij den overtocht van den
-eenen oever naar den anderen in betrekkelijk korten tijd volbrachten.
-
-»Hé!” riep Cuchares op het oogenblik dat de paarden vasten grond onder
-de voeten kregen, en tegen den steilen kant opklauterden, »hebt gij mij
-niet gezegd, don Martial, dat wij naar de hacienda moesten? dan zijn
-wij dunkt mij niet op den rechten weg.”
-
-»Uw dunk is verkeerd, kameraad,” antwoordde don Martial; »onthoud deze
-les: als gij in de woestijn reist moet gij altijd doen of gij het doel
-ontwijkt dat gij bereiken wilt, anders komt gij er nooit.”
-
-»Dat wil zeggen....?”
-
-»Dat wij vooreerst onze paarden in dit boschje dennen en acajou-ceders
-zullen vastmaken, waar zij volkomen veilig zullen zijn en daarna gaan
-wij naar de hacienda.”
-
-De Tigrero stapte terstond af, bracht zijn paard onder het lommer der
-hooge boomen, nam het den hoofdstel af om het vrij te laten grazen,
-deed het de kluisters aan en keerde naar den oever terug.
-
-Cuchares met de kracht der wanhoop gewapend, die in zekere
-omstandigheden den schijn aanneemt van waren heldenmoed, had het
-voorbeeld van zijn tochtgenoot in allen deele stiptelijk gevolgd. De
-eerzame lepero eindelijk besloten hebbende een dapper man te zijn, wel
-overtuigd dat hij anders verloren was, gaf zich over aan de luimen van
-zijne goede of kwade gesternte met het dwepende optimisme der
-mestiezen, die op dit punt voor de oosterlingen niet behoeven onder te
-doen.
-
-Wij hebben hierboven reeds te kennen gegeven, dat aan deze zijde der
-rivier alles in de diepste rust gedompeld lag; de avonturiers bevonden
-zich dus voor alle gevaar beveiligd.
-
-»Hoor eens,” riep de lepero opnieuw, »het rek is een beetje lang van
-hier naar de hacienda; ik geloof nooit dat ik zoo ver zal kunnen
-zwemmen.”
-
-»Geduld; als gij niet tegen een weinig moeite opziet, zullen wij zonder
-twijfel wel een middeltje vinden om ons den weg te bekorten. Ah! wacht,
-wat heb ik u gezegd,” riep hij een oogenblik later, hem met den vinger
-een kleine prauw aanwijzende, die in een smalle kreek aan een paal vast
-lag.
-
-»De kolonisten komen hier vaak visschen,” vervolgde hij, »zij hebben
-zoo een aantal prauwen van afstand tot afstand in de biezen verborgen.
-Wij zullen deze maar nemen, dan zijn wij binnen weinig minuten waar wij
-wezen moeten; kunt gij met de pagaaien omgaan?”
-
-»Ja, als ik niet bang behoef te wezen.”
-
-Don Martial keek hem eenige seconden strak aan en legde hem toen
-onzacht de hand op den schouder.
-
-»Hoor eens, vriend Cuchares,” zeide hij op een drogen, bijtenden toon,
-»ik heb geen tijd om lang met u te praten, maar ik heb zeer ernstige
-redenen om te doen wat ik doe en ik eisch van u volkomen vertrouwen,
-zonder aarzeling of argwaan hoe ook genaamd; houd u dus voor
-gewaarschuwd. Gij kent mij, op de eerste verdachte beweging die gij
-maakt schiet ik u een kogel door den kop als een coyote. Kom, help mij
-nu de prauw los maken en wij gaan dadelijk op weg.”
-
-De lepero had het begrepen, hij onderwierp zich. Binnen een paar
-minuten was de prauw gereed en de twee mannen er in.
-
-De tocht dien zij te maken hadden om het achtergedeelte der hacienda te
-bereiken was niet bijzonder ver, maar met hindernissen bezaaid, en in
-vele opzichten gevaarlijk; vooreerst uithoofde van den sterken stroom,
-die wat meer zegt, een groot aantal doode boomen medesleepte, de
-meesten nog in hun volle gewei van takken en wortels, die half boven
-water drijvende, telkens dreigden de zwakke boot omver te werpen;
-vervolgens de menigte wilde dieren die uit vrees voor brand de rivier
-in dichte troepen overzwommen, zoodat de prauw wanneer zij in zulk eene
-als verdwaasd vluchtende manade bezet raakte, ontwijfelbaar zou worden
-verpletterd met al wat er in was; een derde gevaar dat de avonturiers
-liepen, was nog, dat de schildwachten, die hier en daar in het dichte
-hakhout verscholen zaten om de toegangen der kolonie aan den rivierkant
-te verdedigen, hun een kogel toezonden.
-
-Dit gevaar was echter niets in vergelijking der andere door ons
-opgenoemde, daar het zich liet aanzien dat de Franschen, door het
-schijnsel van den naderenden brand opgewekt, al hunne blikken naar het
-vaste land zouden richten. Voor het overige meende don Martial zeker te
-zijn dat hij van de schildwachts niets te vreezen had, daar men deze
-wel zou verwijderd hebben.
-
-Op een wenk van don Martial greep de lepero de pagaaien en zij staken
-van wal.
-
-De brand breidde zich snel uit in de richting van het westen en zette
-zijne verwoestingen met kracht voort.
-
-De prauw kon slechts langzaam en niet dan met de meeste voorzichtigheid
-vorderen, uithoofde van den sterken stroom en de menigte voorwerpen die
-de vaart belemmerden.
-
-Bleek als een lijk van angst, met stoppelende haren en van schrik
-uitpuilende oogen, hanteerde Cuchares de pagaaien en beval zijne ziel
-aan al de heiligen der vergulde legende van Spanje, meer dan ooit
-overtuigd dat hij niet goed af zou komen van de onderneming, waarin hij
-zich zoo onhandig gestoken had.
-
-Overigens schenen de omstandigheden zoo ernstig, dat zelfs de Tigrero
-al zijne onversaagdheid en vooral de opgewondenheid noodig had, waartoe
-zijn beoogde doel hem aanvuurde, om niet in den zelfden schrik te
-deelen die zijn kameraad bezielde.
-
-Hoe verder zij kwamen, hoe talrijker de hindernissen werden; gedurig
-verplicht om de boomen te mijden, die in menigte op den stroom dreven
-en hun telkens den doortocht beletten, draaiden zij om zoo te zeggen
-als in een cirkel rond, kwamen wel tienmaal op hetzelfde punt terug en
-moesten schier aan alle kanten tegelijk acht geven, om niet omgeworpen
-te worden of door een warnet van onzichtbare of zichtbare wortels en
-takken te worden medegesleept.
-
-Zoo hadden zij reeds bijna twee uren met de grootste inspanning
-gevaren, en naderden zij eindelijk van lieverlede de hacienda, die zich
-als eene donkere massa tegen den helderen sterrenhemel afteekende.
-Plotseling klonk er een vervaarlijke kreet uit eenige honderd woeste
-kelen door de nachtelijke ruimte, onmiddellijk gevolgd door een
-donderende losbranding van grof geschut en klein geweer.
-
-»Santa Virgo!” riep Cuchares terwijl hij de pagaaien losliet en de
-handen samenvouwde, »wij zijn verloren.”
-
-»Carai!” zei de Tigrero, »integendeel, nu zijn wij behouden, de
-Indianen bestormen de kolonie, al de Franschen zijn dus op de wallen en
-niemand denkt meer aan ons. Wakker op! jongen, nog een paar riemslagen
-en wij zijn er.”
-
-»God geeft dat gij waarheid spreekt!” mompelde de lepero en hij begon
-weder te pagaaien, al was het ook met bevende hand.
-
-»Caramba! dat schijnt daar een ernstige aanval,” vervolgde de Tigrero.
-»Des te beter! hoe meer ze daar ginder vechten, hoe minder men hier op
-ons zal letten; maken wij intusschen voort.”
-
-Aan de zijde der landengte hoorde men het rumoer van den strijd, die
-met ieder oogenblik heviger scheen te worden.
-
-De twee avonturiers, in de schaduw onzichtbaar, pagaaiden stil voort en
-naderden meer en meer de hacienda.
-
-Don Martial wierp een bespiedenden blik in het rond; aan dit gedeelte
-van den oever, ofschoon nauwelijks een half pistoolschot ver van de
-hacienda, was alles doodstil en roerloos. Niets deed vermoeden dat men
-hen bemerkt had.
-
-De Tigrero bukte naar zijn kameraad.
-
-»Houd op,” zeide hij zacht, »wij zijn aan.”
-
-»Hoedat! aan?” herhaalde de lepero met een ontsteld gezicht, »wij zijn
-nog veraf.”
-
-»Neen; op de plaats waar wij thans zijn hebt gij hoegenaamd niets te
-vreezen; blijf hier in de prauw, leg haar vast aan een boomstam in de
-nabijheid, om hier op mij te wachten.”
-
-»En gij dan?”
-
-»Ik? ik ga weg en laat u voor een paar uren alleen; houd vooral goed de
-wacht. Als gij iets bijzonders bespeurt, waarschuw mij dan door
-tweemaal op verschillende wijze te roepen als een waterhoen; hebt gij
-mij begrepen?”
-
-»Opperbest. Maar als ons eens onmiddellijk gevaar dreigde, wat moet ik
-dan doen?”
-
-De Tigrero bedacht zich een oogenblik.
-
-»Welk gevaar zou u hier kunnen dreigen?” vroeg hij toen.
-
-»Dat weet ik niet,” zei Cuchares, »maar de Indianen zijn zulke
-kwaadaardige duivels; met hen moet men op alles bedacht zijn.”
-
-»Gij hebt gelijk. Welnu, als u eenig ernstig gevaar mocht bedreigen,
-maar alleen in dat enkele geval, hoor! moet gij nadat gij een signaal
-hebt gegeven, de prauw voortstuwen naar dat punt dat gij van hier zien
-kunt; die wortelboomen daar ginds bedoel ik: daar tusschen zijt gij
-volkomen beschut en daar kom ik onmiddellijk bij u.”
-
-»Goed, dat is afgesproken; maar dan, hoe zal ik weten waar ik u vinden
-moet.”
-
-»Ik zal tweemaal het geluid van den prairiehond nabootsen. Pas nu op,
-en wees voorzichtig.”
-
-»Gij kunt op mij rekenen.”
-
-De Tigrero ontdeed zich van de kleederen die hem hadden kunnen
-belemmeren, zooals zijn zarape, en zijne botas vaqueras, en hield niet
-anders aan dan zijn broek en vest, stak zijn mes in zijn gordel, hing
-zijne pistolen, zijne buks en zijn patroontasch om, en bootste op eene
-bedriegelijke wijze het gefluit van den maukawis na. Weldra klonk
-hetzelfde geluid van den oever; en de Tigrero, na zijn kameraad voor de
-laatste maal waakzaamheid te hebben aanbevolen, nam zijne wapens
-zorgvuldig op zijn hoofd en liet zich zacht in het water glijden. De
-lepero zag hem weldra rustig en met kracht wegzwemmen, koers houdende
-naar de hacienda; maar allengs begon de Tigrero in de verte te
-verdwijnen tot hij eindelijk in de schaduw van den oever onzichtbaar
-werd.
-
-Zoodra Cuchares alleen was, bekeek hij, zonder bepaald te weten waarom,
-zorgvuldig zijne wapens om te zien of ze wel goed in orde waren en deed
-nieuw kruit op de pan, ten einde gereed te zijn en niet weerloos
-overrompeld te worden; vervolgens gerustgesteld door de kalmte die in
-den omtrek bleef heerschen ging hij ondanks de waarschuwing van den
-Tigrero op den bodem der prauw liggen en schikte zich om te slapen.
-
-Het rumoer van den strijd was langzamerhand verminderd en had eindelijk
-geheel opgehouden, men hoorde niet meer schreeuwen noch schieten; de
-Indianen, door de kolonisten teruggeslagen, hadden van hun aanval
-afgezien. Ook de brand in de prairie was merkelijk verflauwd, kortom,
-de woestijn scheen tot hare gewone stilte en eenzaamheid teruggekeerd.
-
-De lepero lag op zijn rug op den bodem der prauw en keek naar de
-heldere sterren, die in het blauwe hemelruim schitterden en fonkelden.
-Zacht wiegelend op den schommelenden stroom gaf hij zich over aan
-onbezorgde droomen, en sloot nu en dan de oogen; eindelijk kwam hij op
-het geheimzinnige punt dat geen waken noch slapen meer heeten mag, en
-zou hij waarschijnlijk spoedig zijn ingedommeld, zoo hij niet even
-voordat hij bepaald de oogen zou sluiten, gewetenshalve zijn reeds door
-slaap benevelden blik voor het laatst had rondgeslagen—wat zag hij? hij
-ontroerde er van, zou bijna een schreeuw hebben gegeven van angst en
-stond zoo haastig op, dat het weinig scheelde of hij had de prauw doen
-omslaan.
-
-Cuchares had een ontzettend visioen gehad, hij wreef zich de oogen om
-zich te verzekeren dat hij wakker was, en keek opnieuw rond.
-
-Wat hij voor een visioen had gehouden, was inderdaad iets wezenlijks;
-hij had wel goed gezien.
-
-Gelijk wij straks gezegd hebben dreven er een menigte doode boomen met
-takken en wortels op den stroom. Sedert eenigen tijd had zich een groot
-aantal dezer boomen in de nabijheid der prauw verzameld: zonder dat de
-lepero er eene voldoende reden voor kon vinden, te minder daar deze
-boomen terwijl zij natuurlijkerwijs den stroom van het water hadden
-moeten volgen, integendeel in allerlei richtingen dreven en in plaats
-van midden in de rivier te blijven veeleer den oever waar de hacienda
-op lag meer en meer naderden.
-
-Wat nog zonderlinger scheen, was dat de gang dezer vlottende stammen
-zich bepaald naar hetzelfde punt richtte, namelijk het uiteinde der
-landtong, juist achter de hacienda; voorts—het was inderdaad om van te
-huiveren—zag Cuchares te midden van al deze stammen, takken en wortels,
-vurige oogen schitteren, en akelige hoofden met afschuwelijke
-aangezichten opsteken.
-
-Er viel niet langer aan te twijfelen, in iederen boom zaten zes of meer
-Apachen; de Roodhuiden, na in hun eerste poging aan de landzijde
-gefaald te hebben, trachtten nu de kolonie aan den rivierkant te
-naderen en haar onder bedekking der boomen daar zij zich achter
-verscholen hielden, te overrompelen.
-
-De positie van den lepero was hachelijk.
-
-Tot dusver hadden de Indianen, te veel met het uitvoeren van hun plan
-bezig, zeker niet op de prauw gelet of zoo zij die al hadden gezien, er
-zich niet om bekreund, in den waan dat zij aan een der hunnen
-toebehoorde; met ieder oogenblik echter kon deze dwaling ontdekt en de
-lepero herkend worden, en dan wist hij maar al te goed dat hij verloren
-was.
-
-Reeds twee of drie malen was er voor een oogenblik eene hand aan het
-boord der ranke boot geslagen, maar als door bijzondere bewaring had de
-Indiaan die dit deed niet goedgevonden even in de prauw te kijken.
-
-Al deze en nog vele andere beschouwingen gingen den armen Cuchares door
-het hoofd, terwijl hij schijnbaar zoo gemakkelijk op zijn rug in de
-prauw lag, zacht wiegende op de hobbelende baren en terwijl hij boven
-zijn hoofd de heldere sterren aan het firmament zag blinken. Met een
-door schrik vertrokken aangezicht, bleek als de dood, in iedere hand
-een pistool krampachtig vastklemmend, en zich in stilte aan zijn
-bijzonderen beschermheilige aanbevelende, wachtte hij de schrikkelijke
-uitkomst af die met iedere verloopende minuut dreigender werd.
-
-Hij behoefde niet lang te wachten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIV.
-
-EEN INDIAANSCHE LIST.
-
-
-Onder de ongetemde natiën die in de onmetelijke wildernissen der delta
-door de Rio Gila, de Rio del Norte en de Rio Colorado gevormd
-rondzwerven, zijn er twee die zich de heerschappij boven de overigen
-willen aanmatigen, deze twee natiën zijn de Apachen en de Comanchen.
-
-Onverzoenlijke vijanden en gedurig in oorlog met elkander, slaan deze
-natiën vaak de handen ineen en vereenigen zij zich in
-gemeenschappelijken haat tegen de blanken en tegen al wat tot dit
-verafschuwde ras behoort.
-
-Als voortreffelijke ruiters, onverschrokken jagers en woeste krijgers
-zonder genade, zijn de Comanchen en Apachen geduchte vijanden voor de
-ingezetenen van Nieuw-Mexico. Jaar op jaar in de zelfde maand verlaten
-deze woeste krijgslieden bij duizenden hunne savanen, doorwaden zij de
-stroomen, trekken op verschillende punten over de grenzen van Mexico,
-plunderen en branden alles wat hun voorkomt, voeren vrouwen en kinderen
-weg in slavernij, en verspreiden schrik en verwoesting tot meer dan
-tien ja soms twintig mijlen ver over het meer beschaafde grondgebied
-der blanken.
-
-Tijdens de Spaansche heerschappij was dit anders. De talrijke
-zendingsposten, versterkte plaatsen (presidio’s) en van afstand tot
-afstand uitsluitend voor dezen dienst bestemde en langs de geheele
-grenzen gekantonneerde legerkorpsen weerden de aanvallen der Indianen
-krachtdadig af, dreven hen naar de wildernis terug en hielden hen
-binnen de perken van hunne jachtgronden. Sedert het uitroepen der
-onafhankelijkheid echter hebben de Mexicanen de handen zoo vol met zich
-onderling te dooden en door omwentelingen zonder doel of redelijkheid
-het land te verscheuren, dat de troepencordons zijn ingetrokken, de
-zendingsposten geplunderd, de presidio’s verlaten en de grenzen
-beschermd geworden, zoo als zij best konden, dat wil zeggen in ’t
-geheel niet. Natuurlijk zijn de wilde Indianen toen allengs weder
-genaderd en de rivieren opnieuw overgetrokken, zonder noemenswaardigen
-weerstand te vinden daar de Mexicaansche regeering onder strenge
-straffen verbiedt den beschaafden Indiaan vuurwapenen in handen te
-geven, waarmede zij alleen in staat zouden zijn de woeste indringers
-met goed gevolg te helpen bestrijden; zoo hebben laatstgenoemden binnen
-weinige jaren heroverd wat Spanje met zijn gansche macht, gedurende
-meer dan drie eeuwen nauwelijks in staat was hun te ontweldigen.
-
-Een gevolg van dit alles is dat de vruchtbaarste en heerlijkste landen
-van de wereld onbebouwd liggen, dat men in dat ongelukkige gewest geen
-stap voorwaarts doen kan zonder overal schier rookende puinhoopen te
-ontmoeten, en de stoutheid der wilde Roodhuiden zoodanig is toegenomen
-dat zij thans hunne strooptochten en invallen niet eens meer geheim
-houden, maar ze jaarlijks in dezelfde maand en vaak op denzelfden dag
-herhalen; welke maand door hen met den spotnaam van Mexicaansche Maan
-wordt bestempeld, dat wil zeggen de maand gedurende welke zij de
-Mexicanen plunderen.
-
-Al de hier door ons aangevoerde feiten zouden voor eene kolossale
-tooneelklucht kunnen doorgaan, zoo zij niet gepaard gingen met de
-gruwzaamste barbaarschheid en wreedheid.
-
-De Zwarte-Beer had het groote verbond, waarvan wij vroeger gewaagden,
-alleen gesloten met het doel om zich in de oogen zijner landgenooten te
-verheffen, daar hij door verscheiden mislukte ondernemingen werkelijk
-in hunne achting was gedaald. Even als alle voorname Indiaansche
-opperhoofden, bezielde hem eene ontembare eerzucht; reeds was het hem
-gelukt eenige zwakkere volksstammen uit te delgen of met zijne natie
-ineen te smelten, en nu beoogde hij niets minder dan om ook de
-Comanchen te verplichten zijne opperheerschappij te erkennen; dit was
-echter eene zeer moeilijke om niet te zeggen onmogelijke onderneming,
-want de Comanchennatie staat te recht beroemd als de krijgshaftigste en
-meest geduchte der woestijn; in haren hoogmoed geeft zij zich zelve den
-titel van Koningin der Prairiën en duldt te nauwernood de
-tegenwoordigheid der Apachen op het terrein dat zij als de haar
-erfelijk toekomende jachtgronden beschouwt. De Comanchen hebben op de
-andere Roodhuiden een groot voordeel, dat hunne eigenlijke sterkte
-uitmaakt en de basis hunner onafhankelijkheid is, zoodat zij door al
-hunne vijanden gevreesd worden, namelijk hunne matigheid. Dank zij de
-loffelijke standvastigheid waarmede zij zich van het gebruik van
-geestrijke dranken hebben weten te onthouden, zijn zij bewaard voor de
-algemeene verdierlijking en voor de menigte kwalen die de andere
-Indianenstammen zoo deerlijk teisteren en blijven zij tot hiertoe nog
-even krachtig en verstandig als ooit.
-
-De Spotvogel geloofde evenmin als de Zwarte-Beer aan de duurzaamheid
-van het verbond, dat thans tusschen de beide natiën bezworen was; de
-haat dien hij de Apachen toedroeg had bij hem te diepe wortels
-geschoten om dit zelfs ernstig te verlangen; maar de stichting der
-Fransche kolonie te Guetzalli, waardoor de blanken vasten voet kregen
-op een terrein dat zij als hun wettig eigendom beschouwden, was voor de
-Comanchen en andere Indios bravos eene te ernstige bedreiging, dan dat
-zij niet elk middel zouden hebben te baat genomen om zich van deze
-geduchte geburen te ontslaan. Zij hadden dus voor het oogenblik hun
-ouden wrok en bijzondere veeten doen zwijgen voor de eischen van het
-algemeen belang en zich daarvoor vereenigd, maar ook daarvoor alleen.
-Ieder behield zich stilzwijgend voor, om zoodra de gehate vreemdelingen
-verdreven waren, weder naar eigen goedvinden te handelen.
-
-Wij hebben reeds gezien hoe de Spotvogel de vijandelijkheden begonnen
-was; de Zwarte-Beer had sinds lang een plan gevormd dat hij tot dusver
-nog niet had kunnen uitvoeren; niet wetende waar hij de noodige
-inlichting en middelen zou vinden was hij naar Guaymas gegaan, en toen
-de Tigrero hem voorsloeg om zich als gids in de kolonie in te dringen,
-had hij ongezocht aanleiding gevonden om zijn lang gewenscht doel te
-bereiken; ook had hij de weinige uren, door hem in de hacienda
-doorgebracht, niet ongebruikt gelaten en met de gewone geslepenheid van
-een Indiaan al de zwakke punten der plaats tot in de kleinste
-bijzonderheden opgenomen.
-
-Bovendien bestond er nog eene reden die hem aanspoorde zich van de
-hacienda meester te maken; gelijk alle Roodhuiden, droomde hij van
-niets liever dan van eene blanke vrouw in zijne hut te hebben; nu had
-het toeval hem doña Anita doen aantreffen en daar door was zijn sedert
-lang heimelijk gekoesterde wensch op eens verlevendigd, door de
-veronderstelling, dat hij in haar eindelijk de vrouw gevonden had die
-zijn droom zou verwezenlijken.
-
-Men moet zich daarom niet verbeelden dat de Zwarte-Beer zoo bijzonder
-op doña Anita verliefd was; hij verlangde alleen eene blanke vrouw te
-bezitten, dit was alles; hij voelde zich gekrenkt dat de andere hoofden
-zijns volks, slavinnen van die kleur hadden, en hij er nog geene bezat.
-
-Ware doña Anita leelijk geweest, dan zou hij toch beproefd hebben haar
-meester te worden, maar nu zij schoon was, zooveel te beter; en wij
-moeten hier ten slotte nog doen opmerken dat het Apachenhoofd haar
-eigenlijk niet zoo bijzonder mooi vond; volgens den maatstaf van zijn
-Indiaansch schoonheidsgevoel was de jonge vrouw hoogstens maar een
-dagelijksch gezicht; het eenige wat hij in haar op prijs stelde was
-hare kleur.
-
-De Zwarte-Beer had zijne voornaamste krijgers op de uiterste punt van
-het eiland bijeengeroepen en stond in hun midden, met de armen op de
-borst gekruist, zwijgend en met de oogen naar de vlakte gericht, tot op
-het oogenblik toen het eerste bloedige rood van den brand door den
-Spotvogel ontstoken, zich aan den horizont begon te vertoonen.
-
-»Mijn broeder de Spotvogel is een welervaren opperhoofd,” zeide hij,
-»en een trouw bondgenoot; hij heeft de zending die ik hem opdroeg naar
-behooren volbracht; hij is reeds bezig met de bleekmuilen te berooken;
-wat de Comanchen begonnen zullen de Apachen voleinden.”
-
-»De Zwarte-Beer is de eerste krijgsman van zijn stam,” antwoordde de
-Kleine-Panter; »wie zou hem durven bestrijden?”
-
-De sachem glimlachte bij deze vleierij en sprak:
-
-»Zijn de Comanchen antilopen, de Apachen zijn otters; zij weten,
-wanneer het noodig is, te zwemmen in het water zoo wel als te loopen op
-de aarde en te vliegen door de lucht; de bleekgezichten hebben geleefd;
-de Groote Geest is in mij, hij blaast mij de woorden in die mijne borst
-uitblaast.”
-
-De krijgslieden bogen eerbiedig, en een oogenblik later vervolgde hij:
-
-»Wat geven de Apachen om de vlammende donderpijpen der bleekgezichten!
-Hebben zij geen gekartelde pijlen en onverschrokken harten? Mijne zonen
-zullen mij volgen, wij zullen die bleeke honden hunne haarschedels
-aftrekken, om ze aan den hals onzer paarden te hechten, en hunne
-vrouwen zullen onze slavinnen zijn.”
-
-De krijgslieden beantwoordden deze grootspraak met uitbundig gejuich.
-
-»Op den stroom drijft een tal van boomen,” vervolgde hij; »mijne zonen
-zijn geene vrouwen die rasch moede worden, zij zullen zich op die doode
-boomen zetten en er de rivier mede afdrijven, tot aan de hut der
-bleekgezichten. Dat mijne zonen zich gereed maken; de Zwarte-Beer
-vertrekt tegen zestien ure, zoodra de blauwe uil tweemaal gezongen en
-de walkon tweemaal gefloten heeft. Twee honderd krijgslieden zullen den
-Zwarte-Beer volgen. Ik heb gezegd.”
-
-De opperhoofden bogen eerbiedig voor den sachem en lieten hem alleen.
-
-Hij wikkelde zich in zijn bisonsvellen mantel, hurkte neder bij een
-vuurpot met glimmende kolen die voor hem stond, stak zijn calumet aan
-met behulp van een toovertangetje, dat aardig met kleine chelletjes en
-bonte veeren versierd was, en bleef toen stil zitten rooken met de
-oogen onafgewend op den rooden gloed gericht, die aan den gezichteinder
-steeds uitgebreider en duidelijker werd.
-
-Het eiland waar het opperhoofd zijn kamp had opgeslagen lag slechts op
-korten afstand van de Fransche kolonie; het plan om zich met den stroom
-te laten afdrijven had dus niets gevaarlijks voor menschen die, aan
-alle lichaamsoefeningen gewoon, zwommen als visschen; hij had daarbij
-het groote voordeel om de naderende krijgslieden in het water en
-tusschen de takken verborgen te houden, die dan op een bepaald
-oogenblik als een troep uitgehongerde gieren plotseling op de kolonie
-zouden losgaan.
-
-De Zwarte-Beer hield zich van het welslagen dezer buitensporige
-krijgslist, die alleen in het brein van een Indiaan kon opkomen, zoo
-sterk overtuigd, dat hij niet meer dan twee honderd man van zijn volk
-wilde medenemen, het overbodig oordeelende om grooter macht aan te
-voeren tegen vijanden, die men onvoorziens dacht te overrompelen en die
-reeds verplicht om zich tegen den Spotvogel te verweren, door hem
-zelven in den rug aangetast en verpletterd moesten worden, eer zij den
-noodigen tijd hadden gehad om tot bezinning te komen.
-
-De nacht valt snel in en bijna plotseling in deze streken, waar de
-schemering nauwelijks eenige seconden duurt; weldra was het volkomen
-duister geworden; alleen in de verte teekende een breede koperroode
-streep den voortgang van den brand, achter welken over den nog
-gloeienden grond de Comanchen volgden als een troep akelige wolven,
-terwijl hunne galoppeerende paarden de nauwelijks uitgedoofde en
-bekoelde asch en houtskolen met de hoeven vertrapten of voortschopten.
-
-Toen de Zwarte-Beer oordeelde dat het beslissende oogenblik gekomen
-was, doofde hij zijn calumet uit, schudde bedaard de asch op het vuur
-van den haard en wenkte den Kleine-Panter, die reeds op den sprong
-stond om de bevelen van het opperhoofd dadelijk uit te voeren.
-
-Bijna onmiddellijk kwamen de twee honderd krijgslieden te voorschijn om
-de hun opgelegde taak te beginnen.
-
-Het waren allen uitgelezen mannen; met knodsen en pieken gewapend, en
-met het oorlogsschild op den rug.
-
-Na een oogenblik stilte, dat de sachem besteedde om over hen eene soort
-van inspectie te houden, zeide hij met eene diepe stem:
-
-»Wij gaan vertrekken, mijne kinderen; de bleekgezichten die wij te
-bestrijden hebben zijn geene Yoris; men zegt dat zij zeer dapper zijn;
-maar de Apachen zijn de dapperste krijgslieden der wereld; niemand kan
-het tegen hen volhouden. Mijne zonen zullen zich laten dooden, maar zij
-zullen overwinnaars zijn.”
-
-»De krijgslieden zullen zich laten dooden,” antwoordden allen uit éénen
-mond.
-
-»Ooah!” hervatte de Zwarte-Beer, »mijne zonen hebben goed gesproken, de
-Zwarte-Beer stelt in hen zijn volle vertrouwen. De Wacondah—de Groote
-Geest—zal hen niet verlaten; hij bemint de roode menschen. Gaat nu,
-mijne zonen, en verzamelt de doode boomstammen die drijven op de rivier
-en begeeft u met dezelve op den stroom. Het gekrijsch van den condor
-zal het signaal zijn om op de bleekgezichten in te stormen.”
-
-De Indianen gingen dadelijk aan ’t werk om de bevelen van het
-opperhoofd uit te voeren; zij wedijverden onderling om de boomstammen
-bij elkander te brengen en eenige minuten later hadden zij er reeds een
-aantal aan de punt van het eiland vereenigd. De Zwarte-Beer wierp een
-laatsten blik om zich heen, gaf een wenk om te vertrekken, en was zelf
-de eerste die te water ging om zich op een boom te plaatsen; al de
-anderen volgden terstond zijn voorbeeld.
-
-De Apachen hadden bij het verzamelen der boomstammen aan den rand van
-het eiland hunne stelling zoo wel gekozen, dat, toen zij er plaats op
-namen, en ze van wal stieten, de stammen oogenblikkelijk weder op gang
-kwamen en den gewonen loop volgende als van zelf en ongemerkt den
-stroom afdreven, juist in de richting der kolonie waar zij dachten te
-landen.
-
-Intusschen had deze zonderlinge scheepvaart haar eigenaardige
-moeielijkheden en was zij niet zonder ernstige gevaren voor de
-ondernemers.
-
-De Indianen die los op de boomen zaten en geen pagaaien hadden om hen
-te besturen, moesten zich klakkeloos door den stroom laten medevoeren
-en slaagden niet zonder geweldige inspanning om in eene behoorlijke
-positie te blijven: gelijk alle vlottend hout dat op de genade der
-grilzieke baren dobbert behielden de stammen steeds hun eigen manier
-van beweging en kantelden van tijd tot tijd om, zoodat degenen die er
-op zaten telkens gedwongen werden van plaats te veranderen om in balans
-te blijven en niet met iedere omwenteling in het water te vallen;
-voorts waren zij toch menigmaal verplicht zich te water te begeven,
-wanneer de stammen eene verkeerde richting dreigden te nemen en in
-plaats van naar de kolonie naar het midden der rivier wilden afdrijven.
-Een derde bezwaar, nog het lastigste van allen, was dat de boomen onder
-het afzakken soms tegen elkander stieten en met hunne takken of wortels
-zoo vast in elkander verward raakten, dat het bepaald onmogelijk was ze
-weder los te krijgen, zoo dat men hen goedschiks kwaadschiks moest
-laten begaan en men ze na verloop van een half uur gezamenlijk op
-stroom zag drijven als een enkel groot vlot, dat bijna de gansche
-breedte besloeg.
-
-De Indianen zijn volhardend in hun doen; als zij iets ondernemen geven
-zij hun plan niet op voor dat het volstrekt onmogelijk wordt er mede
-voort te gaan; is dat niet het geval, dan houden zij tot het uiterste
-vol. Dat gebeurde ook thans; sommige Indianen verdronken, andere werden
-zoo ernstig gekwetst, dat zij genoodzaakt waren om met levensgevaar aan
-land te zwemmen. Evenwel, verre de meesten hielden zich goed en onder
-aanvoering van hun opperhoofd, die hen gedurig met voorbeeld en stem
-aanmoedigde, zakten zij ordelijk stroomafwaarts.
-
-Reeds sedert lang was het eiland, vanwaar zij vertrokken waren, ver
-achter hen in de kronkelingen van de rivier verdwenen en kregen zij het
-punt waar de gebouwen der kolonie zich verhieven voor zich uit in ’t
-gezicht. Reeds teekende zich op een pijlschot afstand van de plaats
-waar zij zich bevonden, de donkere gestalte der hacienda zwart en
-somber tegen het nachtelijke blauw des hemels, toen de Zwarte-Beer, die
-zich aan het hoofd der vloot gereed hield en wiens scherpziende blik
-gedurig in ’t rond spiedde om den stand der zaken op te nemen, op eens
-eenige vadems lengte van zich af eene kleine prauw aan een boom
-vastgemaakt op den stroom zag schommelen.
-
-Deze prauw was terstond een verdacht voorwerp voor den argwanenden
-Roodhuid, het scheen hem niet natuurlijk op zulk een laat uur in den
-nacht een vaartuig van welken aard ook op deze wijs vastgelegd en aan
-den stroom overgelaten te vinden; maar de Zwarte-Beer was een man van
-kloeke besluiten die niet licht verlegen werd en in alle voorkomende
-zaken wijselijk partij koos. Na de raadselachtige altoos stil voor hem
-liggende prauw met aandacht te hebben bespied, bukte hij naar den
-Kleine-Panter, die naast hem op denzelfden boom zat om zijne gereede
-orders uit te voeren, en het mes tusschen de tanden nemende verliet het
-opperhoofd zijn steunpunt en dompelde hij onder water.
-
-Dicht bij de prauw kwam hij weder boven, greep haar met forsche hand
-aan boord, zoodat zij overhelde, en sprong er in eens in, vlak op de
-borst van Cuchares, dien hij terstond bij den strot vatte.
-
-Deze manoeuvre was zoo gezwind uitgevoerd, dat de lepero geen gebruik
-kon maken van zijne wapenen en geheel in de macht van zijn vijand was,
-eer hij nog wist wat hem overkwam.
-
-»Ooah!” riep de Indiaan toen hij hem met verrassing herkende. »Wat
-maakt mijn broeder daar?”
-
-Van zijnen kant had ook de lepero den sachem herkend, en zonder recht
-te weten waarom, gaf hem dit weder een weinig moed.
-
-»Dat ziet gij wel,” was zijn antwoord, »ik slaap.”
-
-»Ooah! mijn broeder is bang voor den brand en daarom heeft hij zich
-zeker op de rivier begeven.”
-
-»Juist!” zei Cuchares, »dat hebt gij eens knap geraden, hoofdman, ik
-ben bang voor den brand.”
-
-»Goed,” hervatte de Apache met een boertenden glimlach, die hem anders
-niet eigen was, »mijn broeder is zeker niet alleen, waar is de
-Groote-Bison?”
-
-»Wat! de Groote-Bison, dien ken ik niet, hoofdman, ik weet zelfs niet
-van wien gij spreekt.”
-
-»Alle bleekhuiden hebben eene leugenachtige tong,” riep de sachem,
-»waarom zegt mijn broeder de waarheid niet?”
-
-»Dat zou ik gaarne doen, als ik u maar begreep.”
-
-»De Zwarte-Beer is een groot krijgsman der Apachen; hij spreekt de taal
-van zijn eigen volk, maar verstaat slecht die der Yoris.”
-
-»Dat is niet wat ik meen te zeggen, gij hebt zeer goed in ’t Spaansch
-gesproken, ik bedoel alleen dat gij van een persoon spreekt dien ik
-niet ken.”
-
-»Ooah! kan dat mogelijk zijn?” antwoordde de Indiaan met geveinsde
-verwondering, »zou mijn broeder den krijgsman niet kennen die twee
-dagen geleden bij hem was?”
-
-»Ah ja! nu begrijp ik u, gij spreekt van don Martial; ja zeker, dien
-ken ik wel.”
-
-»Goed,” hernam het opperhoofd, »ik wist wel dat ik mij niet vergiste,
-waarom is mijn broeder op dit oogenblik niet bij hem?”
-
-»Dat zal waarschijnlijk zijn omdat ik hier alleen ben,” riep de lepero
-spottenderwijs.
-
-»Dat is waar, maar daar ik haast heb en mijn broeder mij niet
-antwoorden wil, zal ik hem dooden.”
-
-Dit zeggende op een toon die voor geen dubbelzinnige uitlegging vatbaar
-was, hief de Zwarte-Beer zijn ponjaard reeds op om er gevolg aan te
-geven. De lepero begreep, dat als hij den Indiaan zijn zin niet gaf,
-hij onvermijdelijk verloren zou zijn, zijne aarzeling hield dus
-oogenblikkelijk op.
-
-»Wat wilt gij van mij?” vroeg hij.
-
-»De waarheid.”
-
-»Vraag dan.”
-
-»Zal mijn broeder antwoorden?”
-
-»Ja.”
-
-»Goed, waar is de Groote-Bison?”
-
-»Daar,” riep de lepero terwijl hij den arm in de richting der hacienda
-uitstak.
-
-»Sedert lang?”
-
-»Sedert een uur reeds.”
-
-»Om welke reden is hij daar?”
-
-»Dat kunt gij licht raden.”
-
-»Ja. Zijn zij daar samen?”
-
-»Zij moeten er wel zijn, daar zij hem geroepen heeft.”
-
-»Ooah! En wanneer moet hij terugkomen?”
-
-»Dat weet ik niet.”
-
-»Heeft hij niets aan mijn broeder gezegd?”
-
-»Neen.”
-
-»Zou hij alleen terugkomen?”
-
-»Dat weet ik niet.”
-
-De Indiaan schoot hem een blik toe als of hij tot op den bodem van zijn
-hart had willen zien; de lepero bleef kalm als het graf, hij had
-eerlijk gezegd alles wat hij wist.
-
-»Goed,” hervatte de Indiaan een oogenblik daarna, »maar heeft de
-Groote-Bison met mijn broeder geen signaal afgesproken, zoodat hij bij
-hem kan komen wanneer hij dit verkiest?”
-
-»Dat heeft hij.”
-
-»En welk is dat signaal?”
-
-Bij deze vraag kwam Cuchares een zonderling idee te binnen. De leperos
-zijn een wonderlijk slag van menschen, die in de wereld huns gelijken
-niet hebben, dan met de bekende Lazzaroni te Napels.
-
-Even spilziek als gierig, hebzuchtig als belangloos en vermetel als
-lafhartig, zijn deze menschen het vreemdsoortigst en monsterachtigst
-samenstel van al wat men zich goed en kwaad verbeelden kan; bij hen
-gaat alles zoo als men zegt met horten en stooten, gebrekkig en
-gezwind, zij doen niets dan op den sprong en op den indruk van het
-oogenblik, evenzeer zonder hartstocht als nadenken; eeuwige spotters en
-grondelooze loshoofden gelooven zij aan niets en aan alles; in een
-woord hun leven is een gedurige tegenspraak, en voor een guitenstreek
-die hun eigen leven zou kunnen kosten, offeren zij het leven of de
-belangen op van hun besten vriend, even gereed en vroolijk als zij hem
-zouden redden.
-
-Cuchares was de volmaakte type van dit buitensporig misgewas der
-Mexicaansche maatschappij. Ofschoon de dolk van den Apache geen twee
-duim boven zijn hart glinsterde en hij stellig wist, dat zijn woeste
-vijand hem geen genade zou bewijzen, besloot hij toch om hem een trek
-te spelen en hem het kostte wat het kostte een staaltje te geven van
-zijne behendigheid. Wij voegen er hier op eigen gezag bij, dat
-misschien zijne vriendschap voor don Martial ofschoon onbewust min of
-meer in ’t spel kwam, want wij herhalen de lepero heeft geen
-vriendschap voor iemand ter wereld, zelfs niet voor zijn trouwsten
-beschermer, zijn hart is inderdaad niets meer dan een onmisbaar,
-koudbloedig en lillend ingewand.
-
-»Verlangt de hoofdman dat signaal te kennen?” vroeg hij.
-
-»Ja,” antwoordde de Apache.
-
-Cuchares bootste thans met de grootste bedaardheid het geschreeuw na
-van een waterhoen.
-
-»Houd u stil,” bromde de Zwarte-Beer, »dat is het niet.”
-
-»Neem mij niet kwalijk,” hernam de lepero, »dan heb ik het misschien
-niet goed gedaan,” en hij herhaalde nog eens denzelfden schreeuw.
-
-De Indiaan, ontzet door de verregaande onbeschaamdheid van zijn vijand,
-wierp zich op hem om hem met een enkelen stoot af te maken.
-
-Maar door woede verblind had hij zijn stoot slecht berekend, en deelde
-hij aan de prauw zulk eene felle beweging mede, dat het lichte schuitje
-zijn evenwicht verloor en omkantelde, zoodat de vijanden beiden in het
-water geraakten.
-
-Eenmaal in het water zijnde verzuimde de lepero, die zwemmen kon als
-een otter, zijne kans niet; hij dook onder en zwom blindelings in de
-richting der hacienda, zoo snel als zijne krachten gedoogden.
-
-Maar zwom de lepero goed, de Zwarte-Beer zwom ten minste even zoo goed
-als hij, en nadat de eerste strubbeling over was had de Indiaan spoedig
-gezien waar hij heen moest en volgde hij zijn vijand onmiddellijk op
-het spoor.
-
-Nu begon er tusschen deze twee een wedstrijd van kracht en
-behendigheid, en misschien zou het voordeel zich aan de zijde van den
-blanke verklaard hebben, die op zijn tegenstander reeds een goed eind
-gewonnen had, zoo niet verscheidene Apachen, getuigen van het gebeurde,
-zich in de rivier hadden geworpen om den vluchteling den pas af te
-snijden.
-
-Cuchares zag weldra dat vluchten onmogelijk was, zonder dus een strijd
-langer voort te zetten dien hij begreep dat doelloos was geworden,
-zette hij koers naar een boomstam, daar hij zich aan vast klemde en
-wachtte toen bedaard af wat er verder gebeuren zou.
-
-De Zwarte-Beer had hem spoedig ingehaald. De Indiaan toonde zich
-volstrekt niet gebelgd over den trek dien de lepero hem gespeeld had.
-
-»Ooah!” zeide hij almede een tak van den boom grijpende, »mijn broeder
-is een krijgsman, hij is zoo listig als een opossum.”
-
-»Wat zal het mij baten?” antwoordde Cuchares onverschillig, »daar ik
-toch mijne haren niet kan redden.”
-
-»Wie weet?” hernam de Indiaan; »als mijn broeder mij maar zegt waar de
-Groote-Bison is.”
-
-»Dat heb ik al gezegd, hoofdman.”
-
-»Ja: mijn broeder heeft mij wel gezegd dat zijn vriend in de groote hut
-der bleekmuilen is, maar niet in welk gedeelte.”
-
-»Hm! en als ik u die plaats aanwijs, zal ik dan vrij zijn?”
-
-»Ja, als mijn broeder geen dubbele tong heeft en mij de waarheid zegt,
-zal hij zoodra wij aan land komen vrij zijn om te gaan waar hij
-goedvindt.”
-
-»Dat is ook een gunst!” mompelde de lepero hoofdschuddend.
-
-»Hoe is ’t?” hervatte de Zwarte-Beer, »wat doet mijn broeder?”
-
-»Wat duivel!” antwoordde Cuchares op eens tot een besluit komende, »ik
-heb voor don Martial alles gedaan wat menschelijkerwijs mogelijk was;
-nu hij gewaarschuwd is mag hij zelf zien hoe hij te recht komt; ieder
-voor zich, ik moet mijne huid redden. Geef acht, hoofdman, ik zal het u
-met de hand aanwijzen waar hij is: ziet gij die wortelboomen, daar
-ginds, op dat vooruitspringend punt?”
-
-»Ja, die zie ik.”
-
-»Welnu, achter die wortelboomen zult gij den man vinden, dien gij den
-Groote-Bison noemt.”
-
-»Goed, de Zwarte-Beer is een sachem, hij heeft maar één woord, het
-bleekgezicht zal vrij zijn.”
-
-»Dank u.”
-
-Hier werd hun gesprek, dat voortaan noodeloos was geworden, plotseling
-afgebroken; te meer daar de Apachen snel den oever naderden. Zij hadden
-de meeste boomen daar zij op verdeeld waren laten drijven en zaten
-thans bij ploegen van tien of twaalf op een gering aantal der dikste
-stammen vereenigd.
-
-Op de hacienda was alles doodstil, er brandde zelfs geen licht, men zou
-gezegd hebben dat het huis geheel verlaten was.
-
-Deze diepe stilte kwam den Zwarte-Beer zeer verdacht voor; hij meende
-er de voorbode van een aanstaanden storm in te zien. Alvorens zich nu
-aan eene ontscheping te wagen, wilde hij zich met eigen oog van den
-stand der zaken gaan verzekeren. Hij bootste dus het geschreeuw van den
-hagedis na, sprong in de rivier en zwom naar de kolonie.
-
-De Apachen begrepen terstond wat hun opperhoofd bedoelde en hielden
-zich stil.
-
-Na verloop van een paar minuten zagen zij hem tegen den zandigen oever
-opkruipen; hij deed eenige stappen het land in en bleef staan. Hij zag
-of hoorde niets; daardoor gerustgesteld, keerde hij naar den oever
-terug en gaf het sein voor de landing.
-
-De Apachen verlieten de boomen en zwommen naar wal. Cuchares maakte
-zich deze gelegenheid ten nutte om weg te komen, dat hij gemakkelijk
-doen kon, daar op dat oogenblik van verwarring niemand aan hem dacht.
-
-Intusschen hadden de Apachen een rechte lijn geformeerd en zwommen zij
-met kracht voort. Binnen weinige minuten bereikten zij den oever en
-stapten aan land. Onmiddellijk liepen zij naar den wal daar zij snel
-tegen opklauterden.
-
-»Vuur!” klonk op eens eene stentorstem.
-
-Er volgde eene vreeselijke losbranding, bijna met de tromp op de borst.
-
-De Apachen beantwoordden haar met een gehuil van woede en verrast door
-degenen die zij meenden te verrassen, stormden zij er op in met blank
-geweer.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XV.
-
-SCHERP TEGEN SCHERP.
-
-
-Wij moeten thans naar de jagers terugkeeren, die wij maar al te lang
-uit het oog hebben verloren, want gedurende de boven door ons vermelde
-gebeurtenissen hadden ook zij, zoo veel noodig en doenlijk was, niet
-stil gezeten.
-
-Na het vertrek der twee Mexicanen, zaten Goedsmoeds en zijne vrienden
-eene poos stilzwijgend te peinzen.
-
-De Canadees speelde voor tijdverdrijf met de punt van zijn laars met de
-halfgedoofde houtskolen, die uit het langzaam inzakkend haardvuur op
-den grond waren gerold; werkelijk wist hij nauwelijks wat hij deed, zoo
-diep was zijn gepeins. De graaf Prébois Crancé, anders gezegd don
-Louis, zat met den elleboog op de knie en de hand onder de kin, even
-afgetrokken te staren op de tintelende kolen die beurtelings uitgingen
-en weder aanglimden; alleen de Arendskop, dicht in zijn bisonsmantel
-gewikkeld, rookte deftig zijn calumet, met het kalme en onverstoorde
-gelaat dat het Indiaansche ras zoo bijzonder kenmerkt.
-
-»Wat er ook van wezen mag,” zei de Canadees op eens, meer in antwoord
-op de gedachten die hem inwendig bezig hielden, dan met oogmerk om het
-gesprek weder aan te knoopen, »het gedrag dezer twee mannen komt mij
-zeer buitengewoon voor, om er niets anders van te zeggen.”
-
-»Zoudt gij van hunnen kant eenig verraad vreezen?” vroeg don Louis
-opkijkende.
-
-»In de woestijn kan men altoos aan verraad denken,” zei Goedsmoeds
-beslissend, »vooral wat nieuwe kameraden aangaat die men toevallig
-heeft opgedaan.”
-
-»Die Tigrero, of don Martial—zooals ik meen dat hij heet—ziet er toch
-te rond en oprecht uit, om een verrader te zijn.”
-
-»Dat is zoo; en toch zult gij mij toestemmen dat zijn gedrag sedert wij
-hem ontmoetten vrij zonderling geweest is.”
-
-»Dat geef ik u toe; maar gij weet even goed als ik hoe de hartstocht
-een mensch soms verblinden kan. Ik geloof dat hij verliefd is.”
-
-»Dat geloof ik ook. Ik verzoek u intusschen op te merken, dat hij in
-die gansche zaak, die hem als ik het zeggen moet zoo bijzonder aangaat,
-en daar wij ons met verzuim onzer eigen bezigheden in begeven hebben
-alleen om hem een dienst te bewijzen, zich steeds heeft teruggetrokken,
-alsof hij bang was om er mede voor den dag te komen.”
-
-Op dit oogenblik kwam Blas Vasquez, na eerst de peons op korten afstand
-en derwijze geplaatst te hebben dat zij geheel buiten het gezicht
-stonden, terug en ging nevens de jagers bij het vuur zitten.
-
-»Ziedaar,” zeide hij, »alles is gereed; nu mogen de Apachen ons
-aanvallen als zij het goedvinden.”
-
-»Een woordje, capataz,” zei Goedsmoeds.
-
-»Twee zelfs zoo het u behaagt.”
-
-»Kent gij dien man, daar gij straks dien brief aan overhandigd hebt?”
-
-»Waarom vraagt gij dat?”
-
-»Omdat ik gaarne door u nader omtrent hem zou worden ingelicht.”
-
-»Persoonlijk ken ik hem al zeer weinig; alles wat ik er u van zeggen
-kan is, dat hij in de gansche provincie ter goeder naam en faam staat,
-en men hem algemeen voor een caballero en fatsoenlijk edelman houdt.”
-
-»Dat is zeker veel,” mompelde de Canadees hoofdschuddend; »maar met dat
-al, ik weet niet waarom, maakt zijn overhaast vertrek mij zeer
-ongerust.”
-
-»Ooah!” riep op eens de Arendskop, terwijl hij haastig de calumet uit
-zijn mond nam, het hoofd vooruitstak en de anderen wenkte zich stil te
-houden.
-
-Allen zaten onbeweeglijk met de oogen op den Indiaan gericht.
-
-»Wat gebeurt er?” vroeg Goedsmoeds eindelijk.
-
-»Er is brand!” antwoordde hij kalm. »De Apachen komen, zij hebben de
-prairie voor zich uit in brand gestoken.”
-
-»Wat zegt gij?” riep Goedsmoeds opstaande en naar alle kanten
-rondziende, »ik zie nog niets dat naar vuur gelijkt.”
-
-»Nog niet; maar het vuur is er, ik ruik het.”
-
-»O! als de sachem het zegt, zal het wel waar zijn, een krijgsman van
-zoo veel ondervinding bedriegt zich niet; wat nu gedaan?”
-
-»Wij hebben hier niets van den brand te vreezen,” merkte de capataz
-aan.
-
-»O, neen,” riep de graaf de Prébois; »maar de bewoners der hacienda?”
-
-»Evenmin,” hernam Goedsmoeds; »zoo als gij weet zijn al de boomen tot
-op goeden afstand van de kolonie omgehouwen en uitgeroeid zoodat het
-vuur daar niet komen kan; het is slechts een krijgslist der Indianen,
-om haar te kunnen naderen zonder hunne getalsterkte te doen blijken.”
-
-»Ik ben het toch met den caballero eens,” zei de capataz, »dat het niet
-kwaad zou zijn als wij de kolonie gingen waarschuwen.”
-
-»Er is nog iets anders te doen, dat misschien wel zoo noodig is,” zei
-don Louis, »wij moeten een bekwaam veldontdekker uitzenden, om stellig
-te weten wie onze vijanden zijn en hoe sterk hun aantal is.”
-
-»Beiden kan evenzeer geschieden,” hervatte Goedsmoeds, »in de gegeven
-omstandigheden zijn twee voorzorgen beter dan een. Mijn raad is deze,
-dat de Arendskop den vijand zal gaan verkennen, terwijl wij ons naar de
-hacienda zullen begeven.”
-
-»Wij allen?” vroeg de capataz.
-
-»Neen, gij niet, gij zijt hier veilig en gij kunt ons, als wij soms
-wierden aangevallen, goede diensten bewijzen. Don Louis en ik gaan
-alleen naar de kolonie en gij, onthoud dit wel, moogt u volstrekt niet
-vertoonen of verroeren. Wat er ook gebeure, in ieder geval wacht gij
-onze bevelen af: is dit afgesproken?”
-
-»Ja, caballero, ga gerust heen, ik zal uw vertrouwen niet te leur
-stellen.”
-
-»Goed, thans aan ’t werk; u, hoofdman, heb ik niets aan te bevelen; gij
-kunt ons op de hacienda vinden als gij ons iets van belang te melden
-hebt.”
-
-Hierop scheidden deze krachtvolle mannen; van ouds gewoon om te
-handelen zonder den kostelijken tijd met nuttelooze woorden te
-verspillen, gingen zij na korte afspraak uiteen, don Louis en
-Goedsmoeds staken de rivier over naar de hacienda, de Indiaan
-insgelijks, maar in tegenovergestelde richting.
-
-Blas Vasquez bleef met zijne peons alleen op het eiland achter.
-
-Intusschen begreep de capataz, die den oorlog met de Indianen bij
-ondervinding had leeren kennen, welk eene verantwoordelijkheid er van
-nu af aan op hem rustte en gevoelde hij dat het noodig was zijne
-waakzaamheid te verdubbelen; bijgevolg zette hij op alle punten
-schildwachten uit; hun aanbevelende om zorgvuldig acht te geven op
-alles wat aan de vaste kust omging; toen keerde hij naar zijn vuur
-terug, wikkelde zich in zijne fressada en sliep gerust in, daar hij
-zeker kon zijn dat de peons hem bij den minsten onraad terstond zouden
-wekken.
-
-Wij zullen thans hem zoo wel als don Louis en Goedsmoeds een poosje
-verlaten om den Arendskop te volgen.
-
-De taak die hij op zich genomen, of liever daar zijne vrienden hem mede
-belast hadden, was alles behalve gemakkelijk; maar de Arendskop was een
-man van ondervinding, op de hoogte der sluwe Indianenstreken en begaafd
-met de stoorlooze bedaardheid die in groote levensaangelegenheden
-schier de hoofdvoorwaarde is om wel te slagen. Na van zijne vrienden
-afscheid te hebben genomen, reed hij met zijn paard stapvoets naar de
-rivier en eer hij het punt bereikte waar hij haar wilde overgaan, had
-hij zijn gansche plan reeds helder in zijn hoofd.
-
-In plaats van de rivier over te steken in de richting waar de Indianen
-achter hun vuurstroom snel naderden, koos hij den tegenovergestelden
-kant. Nauwelijks was hij er over of hij steeg af om zijn paard eenige
-minuten te laten uithijgen, wreef het zorgvuldig met een stroowisch af,
-zette zich met een enkelen sprong op het pantervel, dat hem tot zadel
-diende en reed oogenblikkelijk in vliegenden galop naar het vijandelijk
-kamp.
-
-Deze woedende rid duurde twee volle uren. De nacht was reeds lang
-gedaald en het onzekere schijnsel van den brand strekte hem tot baken
-om hem in de duisternis het rechte spoor te wijzen.
-
-Na verloop van die twee uren bevond de Arendskop zich tegenover het
-meest vooruitspringende punt des eilands, waar de Apachen juist bezig
-waren met de drijvende boomstammen te vergaderen, om als
-vervoermiddelen te dienen voor de overrompeling die zij tegen de
-kolonie in den zin hadden.
-
-De Arendskop bleef staan.
-
-Aan zijne rechterhand, ofschoon vrij ver achter hem, lichtte de
-prairiebrand aan den gezichteinder; rondom hem was alles eenzaamheid en
-duisternis.
-
-Lang nam de Indiaan het eiland in oogenschouw; een heimelijk voorgevoel
-waarschuwde hem dat daar voor hem het gevaar gelegen was.
-
-Evenwel, na de zaak rijpelijk overwogen te hebben, besloot hij nog
-eenige passen verder te gaan, om dan opnieuw de rivier over te steken,
-ten einde het eiland te onderzoeken, dat hem wegens zijne bijzondere
-kalmte des te meer verdacht voorkwam.
-
-Eer hij echter dit plan ten uitvoer bracht, rees eene andere gedachte
-bij hem op; hij stapte af, verborg zijn paard ergens in het houtgewas,
-ontdeed zich van zijn geweer en zijn mantel; en na een doordringenden
-blik in de hem omringende duisternis, ging hij op den grond liggen en
-kroop dwars door het hooge gras tot dicht aan de rivier: hij liet er
-zich zacht in afglijden en zwom met de grootste voorzorg nu eens
-onderduikend en dan weder boven water naar het eiland, dat hij weldra
-bereikte.
-
-Maar op het oogenblik toen hij den voet op het oeverzand zette om zich
-op te richten hoorde hij een schier onmerkbaar geluid, en meende hij
-dicht in zijne nabijheid eene beweging in het water te bespeuren; hij
-dook opnieuw onder en verwijderde zich van den oever, dien hij reeds op
-het punt was te beklimmen.
-
-Op eens, toen hij weer boven water kwam om even versche lucht te
-scheppen, zag hij vlak voor zich twee gloeiende oogen schitteren; op
-hetzelfde oogenblik ontving hij een hevigen slag op de borst, die hem
-deed omkantelen en ofschoon half door dezen onverhoedschen aanval
-bedwelmd, voelde hij eene krachtige hand die hem als met een ijzeren
-nijptang de keel toekneep.
-
-Het oogenblik was hachelijk; de Arendskop begreep dadelijk dat hij
-zonder eene wanhopige poging verloren was; hij waagde die poging.
-
-Op zijne beurt den onbekenden vijand aangrijpende omklemde hij hem met
-de kracht der wanhoop.
-
-Nu begon er tusschen deze twee in den stroom eene vreeselijke en
-noodlottige worsteling, waarbij elke strijder zijn tegenstander poogde
-te verstikken, zonder om eigen lijfsbehoud of bepaalde zelfverdediging
-te denken. Het water door de felle beweging der beide worstelaars
-geschokt en geteisterd, kookte en schuimde alsof er twee alligators aan
-’t vechten waren. Eindelijk kwam er een bloedig en misvormd lichaam
-boven water dat bewegingsloos wegdreef; en weinige seconden later
-vertoonde zich niet ver van daar een bleek en verwilderd hoofd, dat
-door de vreeselijke inspanning van den strijd ontkleurd en gezwollen,
-bijna onmenschelijk scheen en naar alle zijden schuw rondkeek.
-
-Bij het zien van het lijk zijns vijands slaakte de overwinnaar een
-duivelschen lach; zwom er naar toe, greep het bij de haren en sleepte
-het, niet naar het eiland maar naar de vaste kust.
-
-De Arendskop had den Apache overwonnen die hem zoo onverwachts had
-aangerand.
-
-De Comanch bereikte weldra den anderen oever, maar liet het lijk niet
-los voor dat hij het geheel veilig op het droge had gehaald, toen sneed
-hij het gezwind den haarschedel af, hechtte dien als een afschuwelijke
-trofee aan zijn gordel en steeg weder te paard.
-
-Hij had de taktiek der Apachen volkomen begrepen; de aanval van welke
-hij bijna het slachtoffer was geworden, had hem de krijgslist ontdekt
-dien zij in den zin hadden. Hij behoefde dus zijn onderzoek op het
-eiland niet verder door te zetten. Wat het lijk van zijn vijand
-betreft, als hij het in den stroom had gelaten, dan zou het spoedig
-door zijne kameraden ontdekt zijn geworden en hun de tegenwoordigheid
-van een spion verraden hebben; daarom gaf hij zich de moeite om het
-naar den anderen oever te brengen, waar niemand het, althans niet dan
-bij zeldzame toevalligheid, ontdekken zou eer dat de zon was opgekomen.
-
-De weinige minuten rust die zijn paard had genoten, waren genoeg
-geweest om het al zijne kracht weder te geven. De Arendskop had nu naar
-zijne vrienden kunnen terugkeeren, want hetgeen hij ontdekt had was
-voor hen belangrijk genoeg; maar Goedsmoeds had hem vooral opgedragen
-om de getalsterkte en samenstelling van het vijandelijk detachement te
-verkennen dat tegen de kolonie oprukte, en deze last zou de Indiaan
-voor niets hebben willen verzuimen; bovendien had de pas doorgestane
-strijd, daar hij zoo wonderwel als overwinnaar was afgekomen, hem in
-zekere mate opgewonden, zoodat hij bijzonderen lust gevoelde om het
-uiterste te wagen.
-
-Daar hij een lichte wond aan den linkerarm had bekomen nam hij een paar
-oregonbladeren, bond ze met een stukje boomschors op de wond en dreef
-toen zijn paard andermaal de rivier in.
-
-Daar hij thans niets te onderzoeken had en hij niet gaarne ontdekt
-wilde worden, droeg hij wel zorg om zijn overgang op vrij verren
-afstand van het eiland te doen.
-
-Op den anderen oever, waar de Indianen alles hadden platgebrand, was
-het spoor breed genoeg en duidelijk zichtbaar, zoo dat de sachem het
-ondanks de duisternis zonder moeite kon volgen.
-
-De brand door de Indianen gesticht had echter in deze streek niet
-zooveel verwoesting aangericht als elders. Het geheele terrein was
-hier, met uitzondering van enkele verspreide groepjes populierboomen,
-met het gewone hooge, door de felle zomerzon reeds half verschroeide
-prairiegras bedekt.
-
-Dit gras dat weinig brandstof bevatte was snel ontvlamd en had, wat de
-Indianen liefst verlangden, des te meer rook veroorzaakt, maar den
-grond bijna niet verhit, zoodat zij er dadelijk over konden marcheeren
-naar de kolonie.
-
-Dank zij de snelheid waarmede de Arendskop doorzette en de paar uren
-die de Indianen met het afbranden der prairie verloren hadden, kwam hij
-bijna gelijktijdig met hen aan de hacienda; hij haalde hen juist in op
-het oogenblik toen zij, na een nutteloozen aanval op de batterij aan de
-landtong te hebben beproefd, waren teruggeslagen en in allerijl de
-vlucht namen, vervolgd door het schrootvuur der batterij, dat hen des
-te meer afbreuk deed, daar zij ten gevolge van hun eigen brandstichting
-geen boomen meer hadden om zich achter te verschuilen; evenwel was het
-hun, dank zij de vlugheid hunner paarden, voor het grootste gedeelte
-gelukt aan de slachting te ontkomen. De Arendskop bevond zich zonder
-het te willen en toen hij er het minst aan dacht op eens te midden der
-vluchtenden. In de eerste oogenblikken was ieder te zeer op lijfsbehoud
-bedacht om op hem te letten en hem te herkennen; hij maakte hiervan
-gebruik om ter zijde te gaan en zich achter een rots te begeven, waar
-hij zich schuil hield.
-
-Thans echter had er iets zonderlings plaats. Nauwelijks had de sachem
-zich aan het oog der vluchtelingen onttrokken en hen een poosje in
-stilte gadegeslagen, of een onbeschrijfelijke glimlach krulde zijne
-lippen; op eens gaf hij zijn paard de sporen en rende in hun midden,
-onder het aanheffen van een doordringenden, tweemaal op verschillende
-wijze herhaalden rauwen kreet.
-
-Op dit bekende geroep staakten de Indianen terstond hunne vlucht,
-snelden zij van alle kanten naar hem toe, en schaarden zich onstuimig
-rondom het opperhoofd met alle blijken van bijgeloovigen eerbied en
-lijdelijke gehoorzaamheid.
-
-De Arendskop liet zijn blik fier en ontzagwekkend weiden over de
-menigte die zich rondom hem verdrong en daar hij een hoofd hoog boven
-uitstak.
-
-»Ooah!” riep hij eindelijk met een krakende stem vol bitter verwijt:
-»zijn de Comanchen dan nu vreesachtige antilopen geworden, dat zij als
-Apachenhonden vluchten voor de kogels der bleekhuiden?”
-
-»De Arendskop! de Arendskop!” riepen al de krijgslieden uit éénen mond
-met gemengde blijdschap en schaamte, terwijl zij de oogen neersloegen
-voor den vlammenden blik van hun opperhoofd.
-
-»Waarom hebben mijne zonen zonder het bevel van hun sachem de
-jachtgronden der Rio del Norte verlaten? Zijn zij dan de rastrero’s
-(speurhonden) der Apachen geworden?”
-
-Een dof gemompel doorliep de gelederen op dit scherpe verwijt.
-
-»Een sachem heeft gesproken,” hervatte de Arendskop streng, »is hier
-niemand om hem te beantwoorden? Hebben de Comanchen van het Meer geen
-opperhoofden die hun voorgaan en bevelen geven?”
-
-Onmiddellijk na dezen eisch openden zich de gelederen der Comanchen.
-Een enkele ruiter kwam te voorschijn, naderde den Arendskop, en maakte
-eene eerbiedige buiging met het voorhoofd tot op den hals van zijn
-paard.
-
-»De Spotvogel is een opperhoofd,” antwoordde hij met eene zachte en
-welluidende stem.
-
-Het gelaat van den Arendskop helderde zichtbaar op, zijne trekken
-verloren oogenblikkelijk hunne woeste uitdrukking, hij wierp den
-jeugdigen krijgsman die voor hem stond een minzamen blik toe en strekte
-de hand naar hem uit met de palm naar voren.
-
-»Och!” zeide hij, »mijn hart verheugt zich u te zien, mijn zoon de
-Spotvogel: De krijgslieden zullen hier kampeeren terwijl de twee
-sachems samen raad houden.”
-
-En met een vorstelijken wenk gebood hij het opperhoofd hem te volgen.
-Zij gingen samen heen, nageoogd door de Roodhuiden, die zich haastten
-om het bevel dat zoo stellig gegeven was uit te voeren.
-
-De Arendskop en de Spotvogel verwijderden zich op genoegzamen afstand
-van het kamp, om bij hun gesprek niet beluisterd te kunnen worden.
-
-»Laten wij hier raad houden,” zei het opperhoofd terwijl hij op een
-heuveltje ging zitten en den Spotvogel een wenk gaf, om naast hem
-plaats te nemen.
-
-De jonge sachem gehoorzaamde zonder tegenspraak.
-
-Er volgde eene vrij lange poos stilte tusschen de twee Indianen, die
-ondanks hunne geveinsde onverschilligheid elkander nauwlettend opnamen.
-
-Eindelijk nam de Arendskop het woord en begon langzaam en met eene
-nadrukkelijke stem:
-
-»De Arendskop is een beroemd krijgsman in zijn stam,” zeide hij, »hij
-is de eerste sachem der Comanchen van het Meer; onder de gezegende en
-beschermende schaduw van zijn machtige totem verschuilen zich ontelbare
-zonen van den grooten geheiligden schildpad Chemin-Antou, wiens
-luisterrijk schild de wereld draagt, sedert de Wacondah den eersten man
-en de eerste vrouw na hunne overtreding in de onbegrensde ruimte wierp.
-De woorden die de borst van den Arendskop uitblaast zijn die van een
-Sagamore; zijne tong is niet dubbel. De logen heeft nooit zijne lippen
-bezoedeld. De Arendskop is den Spotvogel tot vader geweest, hij was het
-die hem geleerd heeft zijn paard te temmen, den snellen antilope met de
-pijl te treffen, of den monsterachtigen beer in zijne armen te
-verstikken. De Arendskop bemint den Spotvogel, die de zoon is van de
-zuster zijner derde vrouw; de Arendskop heeft den Spotvogel eene plaats
-bij het vuur van den raad verleend; hij heeft hem tot sachem gemaakt,
-en toen hij de dorpen van zijn stam verliet heeft hij tot hem gezegd:
-»Mijn zoon zal mijne krijgslieden kommandeeren, hij zal hen ter jacht,
-ter vischvangst en ten oorlog voeren.” Zijn deze woorden waarheid? en
-kan de Arendskop liegen?”
-
-»De woorden van mijn vader zijn waarheid,” antwoordde de jonge sachem
-met een eerbiedige buiging, »de wijsheid spreekt uit zijn mond.”
-
-»Waarom heeft mijn zoon zich dan met de vijanden van zijn volk
-verbonden om de vrienden van zijn vader den grooten sachem te
-bestrijden?”
-
-De Spotvogel neigde verlegen het hoofd.
-
-»Waarom?” vervolgde de Arendskop, »waarom heeft hij zonder zijn vader
-te raadplegen, die hem altijd met zijn raad geholpen en gesterkt heeft,
-een onrechtvaardigen oorlog ondernomen?”
-
-»Een onrechtvaardigen oorlog,” herhaalde het jonge opperhoofd min of
-meer gevoelig.
-
-»Ja, want hij wordt gevoerd in gemeenschap met de vijanden van ons
-volk.”
-
-»De Apachen zijn Roodhuiden.”
-
-»De Apachen zijn lafhartige en diefachtige honden, dien ik de
-leugensprekende tong zal uitrukken.”
-
-»Maar de bleekgezichten zijn de vijanden der Indianen!”
-
-»De bleekgezichten die mijn zoon heden nacht heeft aangevallen zijn
-geen Yoris; het zijn vrienden van den Arendskop.”
-
-»Mijn vader zal het den Spotvogel vergeven; hij heeft het niet
-geweten.”
-
-»Heeft de Spotvogel het inderdaad niet geweten, zou hij dan werkelijk
-voornemens zijn om den door hem beganen misslag te herstellen?”
-
-»De Spotvogel heeft drie honderd strijders onder zijn totem; de
-Arendskop is gekomen; zij zijn tot zijnen dienst.”
-
-»Goed, ik zie dat de Spotvogel nog altijd mijn beminde zoon is. Met
-welk opperhoofd heeft hij een verbond gemaakt? het kan toch de
-Zwarte-Beer niet zijn, den onverbiddelijken vijand der Comanchen die
-nog geen vier manen geleden, twee dorpen van mijn stam heeft verbrand.”
-
-»Een wolk had het verstand van den Spotvogel beneveld; zijn haat tegen
-de blanken heeft hem verblind, de wijsheid heeft hem ontbroken; hij
-heeft zich werkelijk aan den Zwarte-Beer verbonden.”
-
-»Ooah! de Arendskop had wel gelijk dat hij naar de dorpen zijner
-vaderen wenschte terug te keeren. Zal mijn zoon den sachem
-gehoorzamen?”
-
-»Wat hij ook bevele, ik zal gehoorzamen.”
-
-»Goed! dat mijn zoon mij dan volge.”
-
-De beide opperhoofden stonden op.
-
-De Arendskop begaf zich dadelijk naar de landengte, reeds van verre met
-de rechterhand zijn bisonsmantel zwaaiende ten teeken van vrede,
-terwijl de Spotvogel eenige passen achter hem volgde.
-
-De Comanchen zagen met verbazing dat hunne sachems een mondgesprek met
-de Yoris gingen vragen, maar gewoon om hunne opperhoofden blindelings
-te gehoorzamen in alles wat deze hun geliefden te bevelen, toonden zij
-zich over dit bedrijf geenszins gebelgd, al begrepen zij er het doel
-niet van.
-
-De Mexicaansche schildwachten, achter de batterij verscholen, konden in
-het heldere maanlicht de vredelievende houding der Indianen gemakkelijk
-onderscheiden en lieten hen vrijelijk tot aan den rand der gracht
-naderen.
-
-»Een sachem verlangt een mondgesprek met het opperhoofd der
-bleekgezichten,” riep de Arendskop.
-
-»Goed,” antwoordde eene stem in het Spaansch, »wacht een oogenblik, men
-zal het opperhoofd waarschuwen.”
-
-De beide Comanchen maakten eene statige buiging, kruisten de armen op
-de borst en bleven staan wachten.
-
-De graaf Prébois Crancé, anders gezegd don Louis, en Goedsmoeds, die,
-zooals wij weten, rechtstreeks naar de hacienda waren gegaan, en er dus
-eenige uren vroeger aankwamen, hadden daar met don Sylva de Torres en
-den graaf de Lhorailles reeds een langdurig gesprek gehad, waarin zij
-hem mededeelden door wien en op welke wijs zij te weten waren gekomen
-dat de Indianen een aanval op de kolonie zouden doen, hoe de zelfde man
-die hen hiervan zoo goed onderricht had, na hen eerst in zekeren zin
-gedwongen te hebben zich in eene gevaarlijke onderneming te mengen,
-welke hun volstrekt niet aanging, hen zonder eenige blijkbaar geldige
-reden eensklaps verlaten had, onder het nietige voorwendsel dat hij
-even naar Guaymas terug moest, waar, zoo hij zeide, allergewichtigste
-zaken zijne tegenwoordigheid voor een oogenblik vereischten.
-
-Deze nieuwtjes hadden op de beide heeren een levendigen indruk gemaakt;
-vooral don Sylva kon zijn toorn niet bedwingen, toen hij hoorde dat die
-persoon niemand anders was dan don Martial; hij kwam reeds dadelijk op
-het vermoeden dat de Tigrero zeker plan had gevormd om van de
-verwarring gebruik te maken en doña Anita op te lichten. De haciendero
-wilde echter zijn aanstaanden schoonzoon niets van dezen argwaan doen
-blijken, zich voorbehoudende om hem zoo het noodig was, op het juiste
-oogenblik te waarschuwen, daar hij vreesde dat er onder het overhaast
-vertrek van don Martial een krijgslist verscholen lag.
-
-Goedsmoeds berichtte hem bovendien in welke stelling hij den capataz en
-zijne peons had geplaatst, en welke taak de Arendskop had op zich
-genomen, waarvan hij waarschijnlijk den uitslag weldra aan de hacienda
-zelf zou komen melden.
-
-De graaf de Lhorailles betuigde zijn warmen dank aan deze twee mannen,
-die zonder hem te kennen hem zulke gewichtige diensten kwamen bewijzen;
-hij liet hun terstond de noodige ververschingen voorzetten, en
-verwijderde zich om aan zijn luitenant order te geven hem te
-waarschuwen, zoodra zich een Indiaan als parlementair zou aanmelden.
-
-Ook don Sylva verwijderde zich, schijnbaar met oogmerk om zijne dochter
-gerust te stellen, maar eigenlijk om zich met eigen oog van de
-waakzaamheid der wachtposten aan de achterzijde der hacienda te
-overtuigen.
-
-Toen de Indianen een half uur later een aanval op de landengte deden,
-waren de Franschen dus op hunne hoede en werden zij door de bezetting
-zoo warm ontvangen, dat zij reeds bij den eersten stoot genoeg hadden
-en de dwaasheid hunner onderneming inziende, met groot verlies en in
-wanorde terugtrokken, gelijk wij den lezer reeds in een vorig hoofdstuk
-beschreven hebben.
-
-De graaf de Lhorailles zat nog met don Louis en Goedsmoeds te praten
-over de bijzonderheden van het gevecht en verwonderde zich over het
-lang uitblijven van don Sylva, die sedert een uur reeds verdwenen was,
-zonder dat men wist waarheen, toen de luitenant Leroux de zaal
-binnentrad.
-
-»Wat wilt gij?” vroeg hem de graaf.
-
-»Kapitein,” antwoordde hij, »er staan twee Indianen aan den buitenwal,
-met verzoek om binnengelaten te worden.”
-
-»Twee?” riep Goedsmoeds.
-
-»Ja, twee.”
-
-»Dat is vreemd,” zei de Canadees.
-
-»Hoe zouden wij doen?” vroeg de graaf.
-
-»Zelf gaan, om te zien wie zij zijn.”
-
-Zij gingen terstond naar de batterij.
-
-»Welnu, Goedsmoeds, wat dunkt u,” zei de graaf.
-
-»Wel, mijnheer de graaf, een van de twee is zonder twijfel de
-Arendskop; maar den andere ken ik niet.”
-
-»En wat denkt gij er van?”
-
-»Dat wij ze binnen zullen laten. Daar die tweede Indiaan, die een
-opperhoofd schijnt te zijn, met den Arendskop mede komt, kan hij niets
-anders zijn dan een vriend.”
-
-»Goed dan.”
-
-De graaf gaf de wacht een wenk; de valbrug werd nedergelaten en de twee
-Indianen kwamen binnen.
-
-De sachems groetten de aanwezigen met de natuurlijke waardigheid die
-hun ras en hun rang onderscheidt, daarna, op verzoek van Goedsmoeds,
-deed de Arendskop verslag van zijne volbrachte taak.
-
-De Franschen hoorden hem met aandacht en bewondering aan, niet alleen
-wegens de behendigheid waarmede hij was te werk gegaan maar ook wegens
-zijn daarbij betoonden moed.
-
-»Intusschen,” vervolgde het opperhoofd ten slotte, »heeft de Spotvogel
-den misslag erkend waartoe hij zich door blinden haat had laten
-vervoeren; hij heeft het verbond dat hij met de Apachen gesloten had
-reeds verbroken om zijn vader den Arendskop te volgen, en zijne fout
-weder goed te maken. De Arendskop is een sachem, zijn woord is als
-graniet; hij stelt drie honderd Comanchen-krijgslieden ter beschikking
-van zijn blanken broeder.”
-
-De graaf de Lhorailles keek den Canadees weifelend aan; daar hij de
-listige streken der Indianen kende, huiverde hij zich aan hen toe te
-vertrouwen.
-
-Goedsmoeds haalde even de schouders op.
-
-»De groote hoofdman der blanken zegt zijn broeder den Arendskop dank,”
-zeide hij, »hij neemt diens aanbod met blijdschap aan. Zijne hand zal
-steeds open en zijn hart rein zijn voor de Comanchen. Het
-oorlogsdetachement dat mijn broeder mij aanbiedt zal in twee
-afdeelingen worden gesplitst, de eene onder het kommando van den
-Spotvogel, zal zich aan gene zijde der rivier in hinderlaag stellen om
-de Apachen den aftocht af te snijden, de andere gaat met den Arendskop
-naar de hacienda om de bleekgezichten te ondersteunen; op het eiland,
-op twee boogschot afstand van de groote hut, zijn gewapende Yoris
-verscholen; deze zullen den Spotvogel vergezellen.”
-
-»Goed,” antwoordde de Arendskop; »het zal geschieden zooals mijn
-broeder verlangt.”
-
-De beide opperhoofden namen afscheid en vertrokken.
-
-Goedsmoeds legde nu den graaf uit, welke schikkingen hij met den sachem
-der Comanchen getroffen had.
-
-»Duivelsch!” riep de Lhorailles, »ik moet u bekennen dat ik in die
-Indianen geen het minste vertrouwen stel. Zooals gij weet is verraad
-hun geliefkoosd wapen.”
-
-»Gij kent de Comanchen nog niet, vooral kent gij den Arendskop niet. Ik
-neem de verantwoordelijkheid van alles op mij.”
-
-»Handel dan naar uw goeddunken; ik ben u te veel verschuldigd om uwe
-plannen tegen te werken, vooral daar ik weet dat gij mijn voordeel
-zoekt.”
-
-Goedsmoeds ging den capataz zelf verwittigen van de verandering die in
-het verdedigingsplan was gekomen.
-
-De Spotvogel en zijne honderd en vijftig krijgslieden, thans met de
-veertig peons vereenigd, trokken dadelijk de rivier over en verscholen
-zich in hinderlaag achter de wortelboomen op den anderen oever, gereed
-om op het eerste signaal te voorschijn te komen.
-
-Een tiental Franschen met den Arendskop en den tweeden troep Indianen
-werden ter verdediging bij de landengte gelaten, aan welke zijde men
-het minste gevaar van aanval vreesde: al de overige kolonisten
-verspreidden zich in de dichte boschjes achter de hacienda, met bevel
-om tot het eerste uur onzichtbaar te blijven. Voorts, toen alles
-geregeld en overal de noodige schikkingen genomen waren, wachtten de
-graaf de Lhorailles en zijne kameraden met kloppende harten den storm
-der Apachen af.
-
-Zij behoefden niet lang te wachten. Wij hebben hierboven reeds gezien
-hoe de Zwarte-Beer zou ontvangen worden.
-
-Het Apachenhoofd was moedig als een leeuw: zijn volk bestond uit
-uitgelezen strijders. De schok der bestorming was vreeselijk; de
-Roodhuiden gaven geen duim breed kamp.
-
-Ofschoon krachtdadig afgeslagen keerden zij telkens tot den aanval
-terug, en streden met den moed der vertwijfeling man tegen man tegen de
-Franschen, die ondanks hunne dapperheid, krijgstucht en de meerdere
-voortreffelijkheid hunner wapenen, niet in staat waren om hen te doen
-wijken.
-
-De strijd ontaardde weldra in een vreeselijke slachting; men greep
-elkander aan met blank geweer, met dolken, messen en sabels zonder kamp
-of kwartier te geven. Goedsmoeds begreep nu dat het tijd werd om een
-beslissenden slag te wagen, ten einde het met die duivels uit te maken,
-die onoverwinnelijk en onkwetsbaar schenen. Hij wendde zich tot Louis,
-die aan zijne zijde streed, en fluisterde hem eenige woorden in.
-
-De Franschman maakte zich van den bijzonderen vijand af, daar hij mede
-vocht, en liep hard weg.
-
-Eenige minuten later hoorde men den ontzettenden oorlogskreet der
-Comanchen en vielen laatstgenoemden, die als een bergstroom kwamen
-aanrollen, met gedrilde lans en zwaaiende strijdbijl als tijgers op de
-Apachen aan.
-
-In het eerste oogenblik meende de Zwarte-Beer dat zij hem ter hulp
-kwamen, hij beschouwde dus de kolonie zoo goed als genomen en in de
-macht zijner bondgenooten; maar weldra had hij zijne dwaling ingezien,
-en nu werd de moed der Apachen dadelijk geknakt; er ontstond verwarring
-in hunne gelederen; zij aarzelden en wankelden; eindelijk gaven zij den
-storm op, keerden de hacienda den rug toe, wierpen zich in den stroom
-en lieten meer dan twee derden der hunnen dood op het slagveld achter.
-
-De kolonisten vergenoegden zich met den vluchtelingen eenige ladingen
-schroot achterna te zenden; wel overtuigd dat zij niet aan de
-hinderlaag zouden ontsnappen die hen op den terugweg den pas moest
-afsnijden.
-
-Werkelijk hoorde men binnen weinige minuten, in de verte het
-kleingeweervuur der peons, vermengd met den oorlogskreet der Comanchen.
-
-In deze mislukte onderneming had de Zwarte-Beer in minder dan een uur
-de bloem zijner vermaardste strijders verloren: het opperhoofd zelf,
-met wonden overdekt en slechts van een tiental der zijnen vergezeld,
-ontkwam te nauwernood aan de slachting.
-
-De overwinning der Franschen was volkomen. Dank zij dit glorierijk
-wapenfeit, was de kolonie voor langen tijd tegen de aanvallen der
-Roodhuiden beveiligd.
-
-Eerst nadat de strijd op alle punten geëindigd was en de daardoor
-ontstane verwarring had opgehouden, miste men don Sylva en zijne
-dochter, en zocht men hen overal te vergeefs; beiden waren spoorloos
-verdwenen, zonder dat iemand vermoeden kon hoe of waarheen. Dit
-geheimzinnig en onverklaarbaar feit bracht alle gemoederen in de
-kolonie in beweging en deed de vreugde der overwinning in rouw
-verkeeren, want eene enkele gedachte bezielde allen:
-
-»Don Sylva en zijne dochter zijn door den Zwarte-Beer opgelicht.”
-
-Toen de graaf de Lhorailles na het nauwkeurigst onderzoek zich
-gedwongen zag te erkennen, dat de haciendero en zijne dochter inderdaad
-verdwenen waren zonder het minste spoor achter te laten, ontstak hij
-met al de drift van zijn onstuimig karakter in woede tegen de Apachen,
-en zwoer met een duren eed, dat hij hen onmiddellijk zou nazetten en
-ten bloedigste vervolgen, tot het meisje terug zou zijn gevonden, dat
-hij reeds als zijne vrouw beschouwde en wier verlies met een enkelen
-slag de schitterende toekomst vernietigde die hij zich gedroomd had.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVI.
-
-DE CASA GRANDE DE MONTECUZOMA.
-
-
-In een verwijderd tijdperk, misschien duizend en meer jaren geleden,
-toen de aloude Azteken, als door eene onzichtbare hand geleid, zonder
-bijna zelf te weten waarheen, uit het verre noorden zuidwaarts trokken,
-naar de hooge bergvlakte van Anahuac, waar zij later het machtige rijk
-van Mexico hebben gesticht, hielden zij wel is waar dat onbekende zoo
-vurig door hen begeerde land standvastig in ’t oog, maar vonden zij nu
-en dan goed hunnen tocht te staken, alsof zij door vermoeienis en
-ontberingen uitgeput op eens de hoop lieten varen het doel hunner reis
-immer te zullen bereiken.
-
-Alsdan, in plaats van op de plek waar deze vermoeidheid hen overviel
-eenvoudig hun kamp op te slaan, vestigden zij er zich als hadden zij
-geen plan meer om verder te trekken en bouwden er vaak steden en
-dorpen.
-
-Thans, na verloop van zoo vele eeuwen, terwijl het volk zelf dat deze
-steden heeft gesticht reeds sedert lang van den aardbodem verdwenen is,
-wekken hare bouwvallen, die over eene ruimte van meer dan duizend
-mijlen verspreid liggen, nog altijd de bewondering van den vermetelen
-reiziger die trots tallooze gevaren het waagt deze afgelegen streken te
-bezoeken.
-
-Een der merkwaardigste van deze bouwvallen is ontegenzeggelijk die,
-welke bekend onder den naam van de Casa Grande de Montecuzoma zich op
-ongeveer twee kilometers afstand van de slijkerige oevers der Rio Gila
-verheft, in eene woeste onherbergzame streek, aan de grens der
-vreeselijke zandwoestijn, de zoogenaamde del Norta.
-
-De grond waarop dit gebouw werd gesticht, is aan alle zijden open en
-vlak.
-
-De ruïnen der stad, die er om heen liggen, strekken zich zuidwaarts
-meer dan vier kilometers ver uit, en in de overige richtingen is het
-terrein allerwege met gebroken aardewerk van allerlei soort: vazen,
-kannen, borden enz. als bezaaid; eene menigte dezer scherven zijn met
-verschillende kleuren beschilderd, hetzij wit en blauw, of geel en
-rood, hetgeen in ’t voorbijgaan gezegd, duidelijk bewijst niet alleen
-dat die stad in zekere mate beschaafd was, maar tevens dat zij bewoond
-werd door Indianen van gansch ander ras dan die welke thans in deze
-streken rondzwerven, bij welke de kunst van pottenbakken geheel
-onbekend is.
-
-De Casa Grande vormt een langwerpig vierkant, juist in de richting der
-vier hoofdstreken van het kompas.
-
-Het geheel is omgeven door een muur, die niet alleen dit huis maar ook
-andere gebouwen insluit, waarvan nog duidelijke sporen zijn
-overgebleven, want achter het hoofdgebouw ligt eene ruïne van eene
-verdieping hoog en in verscheidene kamers verdeeld.
-
-De Casa Grande is deels van aarde gebouwd en de muren zoo veel men zien
-kan van pleisterklei, in blokken van verschillende grootte: zij schijnt
-drie verdiepingen te hebben gehad boven den grond, maar de inwendige
-betimmering is sedert lang verdwenen.
-
-De zalen, vijf in getal op elke verdieping, werden, althans naar de
-overblijfsels te oordeelen, alleen verlicht door de deur en eenige
-ronde gaten in de muren die op het oosten en westen uitzien.
-
-Door deze openingen keek, volgens de overlevering, de mensch Amer—el
-hombre Amargo—zoo als de Indianen den souverein der Azteken noemen,
-naar de zon uit, om haar des morgens en des avonds bij op- en ondergang
-te begroeten.
-
-Een kanaal, dat thans bijna geheel droog ligt, stond in verband met de
-rivier en diende om de stad van water te voorzien.
-
-De bouwvallen der Casa Grande liggen doorgaans eenzaam en verlaten en
-bieden een tooneel van akelige doodstilte. Zij brokkelen langzamerhand
-weg voor den gloed der tropische zon die ze verteert en verkoolt, en
-strekken tot een ongestoord verblijf voor afschuwelijke roofvogels,
-gieren en urubus.
-
-De Indiaan vermijdt met opzet deze sombere streek te bezoeken,
-afgeschrikt door zekere bijgeloovige vrees, daar hij zich geen reden
-van weet te geven.
-
-Maar wat hier ook van wezen mag, zooveel is zeker, dat een Indiaansch
-krijgsman, Comanch, Sioux, Apache, of Pawnie, wanneer hij toevallig
-hetzij op de jacht of door eenige andere aanleiding, in den nacht van
-den vierden op den vijfden der zoogenaamde
-Champasciasoni—kersenmaan—dat is ongeveer eene maand na de boven door
-ons verhaalde gebeurtenissen, deze geheimzinnige ruïne genaderd ware,
-hij ongetwijfeld door schrik overstelpt, zoo snel als zijn paard hem
-dragen kon het vreemde schouwspel zou ontvloden hebben dat hij er in
-dien nacht te zien kreeg.
-
-Verbeeldt u een helder blauwen, door de volle maan verlichten en met
-sterren bezaaiden hemel, waartegen het aloude paleis der Azteken
-koningen zijn reusachtige schaduw scherp afteekende. Uit al de gaten en
-scheuren, hetzij door de hand des tijds of der menschen in zijne
-vervallen muren ontstaan, straalt een gloed van roodachtig licht,
-terwijl uit de spookachtig verlichte kamers het luidruchtig gezang,
-geschreeuw en gelach onophoudelijk opgaat, zoodat de wilde dieren, door
-het ongewone verschijnsel uit hunne holen opgeschrikt of op hunne
-nachtelijke rooftochten gestoord, huilend en brullend in alle
-richtingen de vlucht nemen. Binnen den ringmuur, tusschen de
-bouwvallen, zag men in het bleeke maanlicht eene menigte donkere
-gestalten van menschen en paarden zich bewegen, of rondom groote hier
-en daar verspreide vuren gegroepeerd, terwijl een tiental welgewapende
-ruiters, op lange lansen geleund, als bronzen standbeelden onbeweeglijk
-voor de poorten van den ringmuur op post stonden.
-
-Was het inwendige der ruïne licht en leven, daar buiten was alles
-stilte en duisternis.
-
-Intusschen verliep de nacht, de maan had haar loop reeds voor twee
-derden volbracht, de niet langer aangehouden vuren gingen het een na
-het andere uit; alleen in het oude huis bleef het licht branden als een
-sombere vuurbaak in de duisternis.
-
-Op dit oogenblik hoorde men in de verte den snellen en regelmatigen
-galop van een paard op de zandvlakte dof weergalmen.
-
-De schildwachts, die als vedetten aan den ingang stonden, hieven hunne
-door slaap bezwaarde of door de koelheid der eerste morgenuren bevangen
-hoofden op en wendden den blik naar dien kant waar het gedruisch
-vandaan kwam.
-
-Weldra verscheen er een ruiter aan den hoek van het pad dat naar de
-ruïne leidde.
-
-De onbekende, zonder zich om het vreemde schouwspel te bekommeren, reed
-recht op het huis aan.
-
-Hij overschreed den buitensten kring der bouwvallen en ongeveer binnen
-tien passen de schildwachts genaderd, bleef hij staan, steeg af, wierp
-de teugels op den hals van zijn paard, en zonder er zich verder mede op
-te houden stapte hij met een vasten tred naar de schildwachts, die
-altijd stom en roerloos stonden.
-
-Nauwelijks echter was hij hen tot op twee sabellengten genaderd, of al
-de lansen daalden tegelijk en vereenigden zich op zijne borst, terwijl
-een ruwe stem riep:
-
-»Halt!”
-
-De onbekende bleef staan zonder te antwoorden.
-
-»Wie zijt gij? en wat wilt gij?” hervatte de schildwacht.
-
-»Ik ben een costeno [18]; ik heb een verre reis gemaakt om uw chef te
-zien, dien ik gaarne zou willen spreken,” antwoordde de onbekende.
-
-In het flauwe en onzekere maanlicht was het den ruiter reeds moeielijk
-de trekken van den spreker te onderscheiden, maar het werd hem geheel
-onmogelijk gemaakt door dat deze zich tot over de ooren in zijn mantel
-had gewikkeld.
-
-»Hoe is uw naam?” vroeg hij hem wrevelig, toen hij zag dat al zijne
-pogingen vruchteloos bleven.
-
-»Waar zou dat toe dienen? Uw chef kent mij niet, mijn naam zou hem dus
-weinig baten.”
-
-»Wie weet? maar dat is uwe zaak; bewaar uw incognito als gij dat
-goedvindt; alleen moet gij u dan getroosten dat ik u niet bij den
-kapitein toelaat; hij zit op dit oogenblik met zijne officieren aan het
-souper en zal zich dus zoo diep in den nacht niet laten storen om een
-onbekende te spreken.”
-
-»Wie weet? zeg ik u op mijne beurt,” hernam de andere gevat; »hoor
-eens, gij zijt een oud soldaat, niet waar?”
-
-»Ik ben het nog,” antwoordde de kavalerist, zich fier in den zadel
-zettende.
-
-»Ofschoon gij zeer goed Spaansch spreekt, meen ik toch een Franschman
-te herkennen.”
-
-»Ik heb de eer het te zijn.”
-
-De onbekende lachte in zijn vuist. Hij gevoelde zijn man beet te
-hebben, daar hij zijne zwakke zijde gevonden had.
-
-»Ik ben alleen,” hervatte hij; »gij zijt ik weet niet met hoevele
-kameraden, laat mij den kapitein spreken; waar zoudt gij voor vreezen?”
-
-»Voor niets; maar mijne orders zijn stellig, ik kan ze niet breken.”
-
-»Wij zijn hier in het hartje van de wildernis, meer dan honderd mijlen
-ver van iedere beschaafde woning,” zei de onbekende volhoudend; »gij
-kunt wel begrijpen dat ik ernstige drangredenen gehad heb om de gevaren
-van zulk een verren tocht te trotseeren, voor een onderhoud van weinige
-oogenblikken met den graaf de Lhorailles. Zoudt gij mij nu in het
-gezicht der haven laten schipbreuk lijden, nu er slechts een weinig
-beleefdheid van uwen kant noodig is om mij het beoogde doel te doen
-bereiken?”
-
-De schildwacht aarzelde: de redenen door den onbekende aangevoerd
-hadden hem reeds half overtuigd, maar na eenige seconden beraad
-antwoordde hij hoofdschuddend:
-
-»Neen, ’t kan onmogelijk; de kapitein is zoo streng: ik zou niet gaarne
-mijne wachtmeestersstrepen verbeuren; al wat ik voor u kan doen, is u
-verlof geven, hier met de kameraden onder den blauwen hemel te
-kampeeren tot morgen. Zoodra de dag aanbreekt, komt de kapitein zelf
-naar buiten, dien kunt gij dan zelf spreken en uw eigen zaken met hem
-regelen, dan gaat het mij niet meer aan.”
-
-»Hm!” zei de vreemdeling, »dat is nog zoo lang.”
-
-»Bah!” riep de wachtmeester onbekommerd, »de nacht is spoedig voorbij;
-daarbij is het uw eigen schuld; gij hebt zulke geheimzinnige manieren,
-dat men wel een beetje huiverig zou worden; wat duivel! men dient toch
-zijn naam te zeggen.”
-
-»Maar ik herhaal u, dat uw kapitein hem nooit heeft hooren noemen.”
-
-»Bah! wat kan u dat schelen? Een naam is altijd een naam.”
-
-»Wacht!” riep de onbekende; »ik geloof dat ik er een middel op gevonden
-heb.”
-
-»Laat hooren uw middel; als het goed is zal ik er gebruik van maken.”
-
-»’t Is uitmuntend,”
-
-»Zooveel te beter! spreek op.”
-
-»Zeg aan uw kapitein, dat de man die een maand geleden in de Rancho te
-Guaymas een pistool op hem gelost heeft, hier is en hem verlangt te
-spreken.”
-
-»Wat zegt gij?”
-
-»Hebt gij mij niet verstaan?”
-
-»Integendeel, al te goed.”
-
-»Welnu, waar wacht gij dan op?”
-
-»Te duivel! onder ons gezegd, vind ik uwe aanbeveling alles behalve
-voldoende.”
-
-»Zoudt gij dat denken?”
-
-»Parbleu! het scheelde maar weinig of hij was toen door u vermoord. Ei,
-ei! waart gij dat?”
-
-»Ja, ik, en nog iemand.”
-
-»Ik maak u mijn kompliment, waarlijk.”
-
-»Dank u; nu, gaat gij nog al niet?”
-
-»Ik moet u bekennen dat ik aarzel.”
-
-»Gij doet verkeerd; de graaf de Lhorailles is een kordaat man, aan
-wiens gevoel van eer niet te twijfelen valt. Hij kan onze ontmoeting
-niet anders dan in gunstig aandenken hebben gehouden.”
-
-»Alles wel overwogen is het mogelijk dat gij gelijk hebt, en daar gij
-een vreemdeling zijt, zou ik het mij zelven kwalijk nemen als ik u zulk
-een kleinen dienst weigerde; ik ga dus. Blijf hier staan wachten, maar
-wees niet ongeduldig, want ik beloof u niet stellig dat ik slagen zal.”
-
-»Ik ben er zeker van.”
-
-»Ik mag het lijden.”
-
-De oude knevelbaard steeg af, haalde de schouders op en stapte het huis
-in.
-
-Hij bleef vrij lang weg.
-
-De vreemdeling scheen aan het gelukken van zijne boodschap niet te
-twijfelen, want zoodra de wachtmeester verdwenen was, naderde hij de
-deur reeds.
-
-Na verloop van tien minuten kwam de onderofficier terug.
-
-»Wel,” vroeg de onbekende, »wat heeft de kapitein u geantwoord?”
-
-»Hij heeft gelachen en mij gelast u binnen te leiden.”
-
-»Ziet gij nu wel dat ik gelijk had.”
-
-»’t Is waar! maar dat doet er niet toe, het was altijd een wonderlijk
-soort van aanbeveling, eene poging tot moord!”
-
-»Een eerlijke ontmoeting,” verbeterde de onbekende.
-
-»Ik weet niet hoe gij die dingen hier noemt, maar in Frankrijk noemen
-wij zoo iets een schelmstuk. Wilt gij medegaan?”
-
-De vreemdeling antwoordde niet, hij bepaalde zich bij schouder ophalen
-en volgde den eerlijken soldaat.
-
-In een verbazend ruime zaal, welker ontkalkte muren in puin dreigden te
-storten terwijl het blauwe sterrendak haar tot zoldering diende, zaten
-vier mannen met krachtige gelaatstrekken en fonkelende blikken, rondom
-eene tafel, waarop een luisterrijk souper was aangericht, voorzien van
-alles wat weelde en gemak tot streeling der zinnen kan opleveren.
-
-Deze vier mannen waren de graaf de Lhorailles en de officieren van zijn
-staf, namelijk de luitenants Diego Leon, Martin Leroux, en de oude
-capataz van don Sylva de Torres, Blas Vasquez.
-
-De graaf de Lhorailles kampeerde met zijne vrijcompagnie sinds vijf
-dagen in de Casa Grande van Montecuzoma.
-
-Na den aanval der Apachen op de kolonie had de graaf, in de hoop van
-zijne bruid terug te vinden, die op zoo geheimzinnige wijze gedurende
-het gevecht verdwenen en waarschijnlijk door de Indianen was opgelicht,
-onmiddellijk besloten om den last te volbrengen dien hij sedert lang
-van de regeering ontvangen en tot hiertoe had uitgesteld, onder min of
-meer geldige voorwendsels, maar eigenlijk omdat hij zich, hoe dapper
-hij anders wezen mocht, ongaarne met de Roodhuiden wilde meten, die zoo
-geducht en zoo moeielijk te overwinnen zijn, vooral als men ze op hun
-eigen grondgebied aantast.
-
-De graaf had twee honderd twintig Franschen uit de kolonie vereenigd,
-waarbij de capataz, die almede brandde van verlangen om zijn meester en
-diens dochter te bevrijden, dertig kloeke peons voegde, zoodat de
-getalsterkte thans twee honderdvijftig welgewapende en strijdlustige
-mannen bedroeg.
-
-Met het oog op de onberekenbare diensten vroeger door hen bewezen, had
-de graaf de drie jagers verzocht hem te willen vergezellen; en het zou
-hem zeer aangenaam zijn geweest zulke onverschrokken kameraden, maar
-vooral zulke veilige gidsen tot opsporing der Indianen in de hem
-onbekende wildernis bij zich te hebben; maar don Louis en zijne twee
-vrienden hadden dit vereerend verzoek zoowel als de daarbij toegezegde
-schitterende belooningen stellig van de hand gewezen, zonder andere
-redenen voor hunne weigering op te geven dan dat zij hunne reis
-noodzakelijk moesten vervolgen, zoodat er niet verder van gesproken
-werd en zij nog denzelfden dag van den graaf afscheid namen.
-
-Diensvolgens moest de graaf zich met den capataz en zijne peons
-vergenoegen; ongelukkigerwijs waren al deze mannen costenos, dat is
-kustbewoners, en dus weinig of in ’t geheel niet bekend met het
-zoogenoemde terra a dentro of binnenland.
-
-Onder geleide dezer onervaren gidsen was de graaf uit Guetzalli
-vertrokken den weg inslaande naar het onmetelijk Apacheria.
-
-De onderneming was aanvankelijk niet ongelukkig geweest; binnen de drie
-eerste dagen werden de Apachen tweemaal door de Franschen achterhaald,
-overrompeld en geslagen en zonder genade zooveel zij onder hun bereik
-kwamen in de pan gehakt.
-
-De graaf had daarbij geen gevangenen willen maken, en om den barbaren
-schrik in te boezemen, al de Indianen die levend in handen der
-Franschen vielen, onbarmhartig laten doodschieten of aan boomen
-ophangen.
-
-Evenwel, na deze twee voor hen zoo noodlottige ontmoetingen hadden de
-Indianen er zoo ’t scheen den schrik van gekregen, en was het den
-Franschen ondanks al hunne pogingen niet gelukt hen andermaal tot staan
-te brengen. De onverbiddelijke tucht door den graaf op hen toegepast
-scheen niet alleen doel te hebben getroffen, maar zelfs verder te zijn
-gegaan dan hij wenschte, daar de Apachen zich niet meer lieten zien.
-
-Ongeveer drie weken lang had de graaf hun spoor gezocht zonder het te
-kunnen ontdekken.
-
-Eindelijk echter, midden op den dag vóór dien waarmede, dit hoofdstuk
-begint, vertoonde zich in de verte op eens een troep van zeven of acht
-honderd paarden, schijnbaar geheel los en onbereden, want volgens een
-niet ongewone Indiaansche list lieten de ruiters zich bijna geheel
-onzichtbaar aan de eene zijde van hun paard afhangen; de troep naderde
-snel, bereikte binnen weinige minuten de bouwvallen der stad en kwam in
-vliegenden galop op de Casa Grande af.
-
-Eene losbranding uit klein geweer van achter de in der haast opgeworpen
-barrikaden, bracht wel is waar wanorde in de gelederen der aanstormende
-kolonne, maar kon haar onbeteugelde vaart niet stuiten, zoodat de schok
-voor de Franschen vreeselijk zou zijn.
-
-In een oogwenk had zich daarbij het aanzien der gansche bende
-veranderd. Al de Apachen hadden zich met bliksemsnelheid opgericht, en
-nu zag men hen, het half naakte lijf met blauwe en gele strepen
-beschilderd, het hoofd met de groote vederbossen bekroond, de lange
-bisonsmantels van hun schouder golvend op den wind, de gespannen boog
-in de hand, en hunne paarden met de knieën besturende, komen aanrennen,
-inderdaad in eene houding vol heldenzwier en met een vertoon van
-krijgshaftigheid die wel in staat was om den dapperste te doen
-vervaren.
-
-De Franschen wachtten hen echter onverschrokken af, al werden zij
-schier doof door den vreeselijken oorlogskreet, dien hunne vijanden
-aanhieven en blind door een wolk van pijlen, die dicht als hagel rondom
-hen nederkletterden.
-
-Maar de Apachen verlangden evenmin als de Franschen eene bloote
-schermutseling, het was hun om een beslissenden strijd te doen. Als bij
-onderlinge afspraak vielen zij op elkander aan met blank geweer.
-
-Te midden dier Indiaansche krijgers was de Zwarte-Beer gemakkelijk te
-onderkennen aan zijne hooge vederbos en de prachtige arendspennen die
-er uit opstaken. Het opperhoofd vuurde de zijnen aan om over de jongst
-geleden nederlagen wraak te nemen door zich van de Casa Grande meester
-te maken. Alsnu volgde er een van die vreeselijke Amerikaansche
-grensgevechten, in welke met zooveel verbittering gestreden wordt dat
-niemand gevangenen maakt of kwartier geeft, en de beide partijen
-wreedheden begaan die alle beschrijving tarten. De bolas perdidas [19],
-de bajonet en de lans waren de eenigste wapenen die men bezigde. Dit
-gevecht, daar de Indianen gedurig versterking kregen, had reeds bijna
-twee uren geduurd en de verdedigers achter de barrikaden lieten zich
-liever dooden dan een duimbreed te wijken.
-
-In de hoop dat de Indianen door zulk een langen en hardnekkigen
-wederstand vermoeid, weldra zouden aftrekken, daar zij reeds schenen te
-verslappen, verdubbelden de Franschen hunne pogingen, toen zij achter
-zich op eens den kreet hoorden opgaan:
-
-»Verraad! verraad!”
-
-De graaf en de capataz, die in de voorste gelederen der vrijwilligers
-en peons vochten als leeuwen, keken om.
-
-Hun toestand werd inderdaad hachelijk, de Franschen zagen zich
-letterlijk tusschen twee vuren gebracht, daar de Kleine-Panter met een
-vijftigtal ruiters de stelling was omgetrokken en achter de barrikaden
-naar binnen drong. Dronken van vreugde dat alles hun zoo goed gelukte,
-hieven de Roodhuiden een triumfkreet aan die de lucht deed weergalmen.
-
-De graaf liet den blik beslissend over het slagveld rondgaan, zijn plan
-was onmiddellijk vastgesteld.
-
-Hij sprak eenige woorden met den capataz, die zich weder aan het hoofd
-der strijders stelde, hun voorschreef wat zij te doen hadden en het
-gunstig oogenblik afwachtte om ten uitvoer te brengen wat hij met den
-graaf had afgesproken.
-
-Deze liet intusschen zijn tijd niet ongebruikt voorbijgaan, hij nam een
-vaatje kruid, stak er een brandende lont in en wierp het midden in den
-dichtsten drom der Indianen, waar het bijna oogenblikkelijk ontplofte
-en eene vreeselijke verwoesting aanrichtte.
-
-De Apachen stoven uit elkander en vloden in alle richtingen om door
-deze nieuwe soort van bommen niet verder verpletterd te worden.
-
-Van dit gunstig oogenblik maakten de belegerden behendig gebruik; op
-order van den capataz keerden zij zich om en rukten in den stormpas op
-de Apachen van den Kleine-Panter los, die slechts weinige ellen van hen
-verwijderd waren, en met hunne vreeselijke knodsen alles neerbeukten
-wat hun in den weg kwam.
-
-Het terrein was niet gunstig voor de Indianen, die in een nauw slop
-tusschen muren samengedrongen, met hunne paarden niet geschikt konden
-manoeuvreeren; maar toch, de Kleine-Panter en zijne Apachen stormden
-voorwaarts met een huilenden oorlogskreet.
-
-De Franschen, even behendig en dapper als hunne tegenstanders maakten
-halt en wachtten met gevelde bajonet onversaagd den verpletterenden
-ruiterdrom af die in vliegenden galop op hen aankwam.
-
-De schok was vreeselijk, maar de Roodhuiden werden overhoop geworpen.
-Weldra geraakten zij geheel in verwarring, en namen zij in alle
-richtingen de vlucht.
-
-De graaf liet hen door eenige peons te paard nazetten, die hen dicht op
-de hielen vervolgden en niet voor den avond terugkeerden.
-
-De Apachen hadden zich eerst eenige mijlen verder weder kunnen
-vereenigen en waren toen rustig naar de woestijn afgetrokken.
-
-De graaf ofschoon wel voldaan over de behaalde overwinning, want het
-verlies des vijands was ontzettend groot, beschouwde haar echter niet
-als beslissend, vooral daar de Zwarte-Beer hem ontsnapt was, en wat
-meer zegt, daar hij zijn doel niet had bereikt, namelijk het
-terugvinden van don Sylva en zijne dochter, die hij gezworen had te
-zullen redden.
-
-Hij gaf zijne cuadrilla (bende) order zich gereed te houden om op te
-breken, en liet de noodige maatregelen nemen tot het verzekeren van
-zijn aanstaanden tocht door de wildernis.
-
-Reeds den volgenden morgen zouden de Franschen bepaald hunne stelling
-in de Casa Grande verlaten.
-
-De graaf vierde met zijne officieren de luisterrijke overwinning van
-den vorigen dag, en stelde juist een dronk in op het welslagen der
-onderneming op den volgenden.
-
-Opgewonden door de menigte toasten die hij gedronken had en
-inzonderheid door de hoop op een goeden uitslag eerlang te voorzien,
-was de graaf in de allerbeste luim om den zonderlingen gast te
-ontvangen, dien de oude onderofficier op zijn eigen verantwoording
-gewaagd had bij hem aan te dienen.
-
-»En wat is dat voor een slag van een man?” vroeg hij, toen de andere
-zijn boodschap zoo goed of kwaad mogelijk had voorgedragen.
-
-»In ernst, kapitein,” antwoordde de wachtmeester, »zoo veel ik heb
-kunnen zien, schijnt de kerel nog tamelijk jong, welgemaakt van lijf en
-leden en vooral begaafd met eene zeldzame vrijpostigheid, om er niets
-meer van te zeggen.”
-
-De graaf de Lhorailles dacht een oogenblik na.
-
-»Zal ik hem maar laten doodschieten, kapitein,” vroeg de soldaat, die
-dit stilzwijgen voor eene veroordeeling aanzag.
-
-»Peste! wat slaat gij door, Boilaud,” riep de graaf terwijl hij lachend
-opkeek. »Volstrekt niet, wij mogen van geluk spreken dat die kerel bij
-ons kwam. Breng hem integendeel hier, en met de meest mogelijke
-beleefdheid.”
-
-De wachtmeester boog en verwijderde zich.
-
-»Mijne heeren,” zei de graaf, »gij herinnert u zeker die aanranding wel
-te Guaymas, daar ik bijna het slachtoffer van werd; die geheimzinnige
-zaak is mij altijd een raadsel geweest, dat ik niet heb kunnen
-ontsluieren. De man die mij thans verlangt te spreken komt mij zeker,
-dat voel ik vooruit, eenige ophelderingen geven over dat tot hiertoe
-zoo onverklaarbaar feit.”
-
-»Señor conde, neem u in acht,” zeide de capataz, »gij kent de lieden in
-dit land nog niet; die man komt misschien veeleer om u een nieuwen
-strik te spannen.”
-
-»Waarom zou hij dat?”
-
-»Quien sabe!”—wie weet,—antwoordde Blas Vasquez met eene gewone
-Spaansche spreekwijs, die alles beteekenen kan en zich onmogelijk in
-onze taal laat weêrgeven.
-
-»Ba, ba!” riep de graaf, »laat het gerust aan mij over dien spitsboef
-te ontmaskeren, als hij, wat ik niet denk, soms een spion is.”
-
-De capataz vergenoegde zich met even de schouders op te halen; de graaf
-was een van die menschen, wier stellige en hooggestemde manier van
-spreken geen tegenwerping duldt en alle redeneering onmogelijk maakt.
-
-De Europeanen en vooral de Franschen, nemen in Amerika tegenover de
-inboorlingen, zoo blanken als mestiezen en Roodhuiden, een toon van
-hooghartigheid en minachting aan die in al hunne daden en woorden
-doorstraalt; bewust van hunne verstandelijke meerderheid boven de
-inwoners des lands, toonen zij hun een beleedigend soort van medelijden
-en scheppen behagen om hen gedurig belachelijk te maken, te spotten met
-hunne gewoonten of denkwijzen, en hun ten slotte slechts een min of
-meer ontwikkeld instinct toe te kennen dan de dieren bezitten.
-
-Dit gevoelen is niet alleen onbillijk, maar tevens geheel bezijden de
-waarheid. De Spaansch-Amerikanen zijn wel is waar zeer achterlijk wat
-wetenschappelijke beschaving, nijverheid, werktuigkunde enz. betreft;
-de ontwikkeling der maatschappij gaat bij hen traag vooruit, daar zij
-gedurig belemmerd wordt door het veelsoortig bijgeloof dat nevens en
-met hun geloof opschiet, maar men kan deze lieden niet aansprakelijk
-stellen voor een staat van zaken die hun zelven mishaagt en waarvan
-alleen de Spanjaarden de schuld zijn, door het heillooze stelsel van
-onderdrukking en vernedering, in één woord de looden dwingelandij, die
-meer dan drie eeuwen op de bevolking heeft gewogen en haar zwoegende
-onder het juk van trotsche en onverbiddelijke meesters, het karakter
-van listige, bedriegelijke en lafhartige slaven heeft ingedrukt.
-
-Op enkele zeldzame en loffelijke uitzonderingen na betreft dit
-inzonderheid de Indianen, want de blanken zijn sedert de laatste jaren
-op den weg der beschaving met reuzenschreden vooruitgegaan, maar de
-massa der Indiaansche bevolking, is bepaald listig, oneerlijk en
-slecht.
-
-Om die reden wordt dan ook de Europeaan wanneer hij zich tegenover een
-kleurling bevindt, ondanks de verstandelijke meerderheid waarmede hij
-zich vleit, steeds onvermijdelijk het slachtoffer der list en ontrouw
-van laatstgenoemden.
-
-Intusschen geldt het in Spaansch-Amerika schier als een geloofsartikel,
-dat de Indianen en mestiezen arme stumpers zijn, zonder redelijk begrip
-en alleen begaafd met het noodige verstand om van den eenen dag op den
-anderen te leven, terwijl de hoogmoedige blanken zich bij uitsluiting
-den titel geven van gente de razon—redelijke menschen.
-
-Wij moeten hier bijvoegen dat deze hooge dunk bij den Europeaan, na
-eenige jaren in Amerika te hebben vertoefd merkelijk wordt gewijzigd en
-dat hij eindelijk geheel anders over de kleurlingen leert denken,
-naarmate hij beter met den landaard bekend wordt en dagelijks met de
-mestiezen in aanraking komt. Maar de graaf de Lhorailles was nog zoo
-ver niet; hij zag in een Indiaan of mesties nog altoos weinig meer dan
-een redeloos dier, en ging met hen naar dit valsche oogpunt te werk.
-
-Deze dwaling zou later voor hem zeer ernstige en schadelijke gevolgen
-hebben, gelijk wij nader zien zullen.
-
-De graaf de Lhorailles had het schouderophalen van den capataz niet
-onopgemerkt gelaten; en was juist gereed hem te antwoorden toen de
-wachtmeester binnenkwam, gevolgd door den vreemdeling, op wien zich
-terstond aller oogen vestigden.
-
-De onbekende stond dit kruisvuur van blikken ongehinderd door, en
-zonder zich van den mantel te ontdoen in welks ruime plooien hij bijna
-geheel verborgen was, groette hij de aanwezigen met onbetaalbare
-koelzinnigheid en zwier.
-
-De onverwachte komst van dezen man in de feestzaal maakte bij de gasten
-een alleronaangenaamsten indruk, daar zij zich geen rekenschap van
-wisten te geven maar die hen plotseling deed verstommen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVII.
-
-DE MESTIES.
-
-
-Het stilzwijgen, dat al te lang dreigde te zullen duren, begon voor al
-de aanwezigen lastig te worden. De graaf de Lhorailles begreep zulks.
-Edelman door merg en been, dat wil zeggen, gewoon om de meest
-bijzondere en moeielijkste toestanden dadelijk te beheerschen, stond
-hij op, naderde met een glimlach op de lippen den vreemdeling, reikte
-hem de hand, en zich toen tot zijne officieren wendende, zeide hij met
-een allerhoffelijkste buiging en op een toon die zich onmogelijk laat
-beschrijven:
-
-»Mijne heeren, mag ik zoo vrij zijn u dezen caballero voor te stellen,
-wiens naam mij tot dusver onbekend is, maar die volgens zijne eigene
-verklaring een mijner intiemste vijanden moet zijn.”
-
-»O! mijnheer de graaf,” riep de onbekende met eene half gesmoorde stem.
-
-»Vive Dios! ik ben er van gecharmeerd,” riep de graaf, »zoek u toch
-niet te verdedigen, mijn allerwaardste vijand, en neem hier nevens mij
-plaats, als ik u verzoeken mag.”
-
-»Uw vijand,” herhaalde de vreemdeling, »die ben ik nooit geweest,
-mijnheer de graaf; en het beste bewijs is, dat ik twee honderd mijlen
-ver heb gereisd om u een dienst te komen verzoeken.”
-
-»Zij is u bij voorraad toegestaan,” zei de graaf. »Dus de ernstige
-zaken tot morgen; neem vooreerst deze champagne, als ’t u b’lieft.”
-
-De onbekende boog, nam het glas, groette de aanwezigen en zei:
-
-»Señores, ik drink het welslagen uwer onderneming.”
-
-Hij zette het glas aan zijne lippen en ledigde het in een enkelen teug.
-
-»Gij zijt een uitmuntende kameraad, caballero, ik dank u voor uw toast,
-zij belooft ons alles goeds.”
-
-»Wees toch zoo goed, heer kapitein,” riep de luitenant, »en breng ons
-hoe eerder hoe liever op de hoogte van uwe charmante betrekkingen met
-dezen caballero.”
-
-»Dat zou ik volgaarne doen, señores, maar dan moet ik dezen caballero,
-daar hij toch zoo dringend heeft verlangd mij te spreken, vooraf
-verzoeken zijn incognito te breken, dat, dunkt mij, reeds al te lang
-geduurd heeft, en hem in de gelegenheid stellen ons zijn naam te
-zeggen, opdat wij weten wien wij de eer hebben te ontvangen.”
-
-De onbekende begon te lachen, liet de slip van zijn mantel vallen, die
-tot hiertoe zijn gelaat bedekt had, en antwoordde:
-
-»Met alle genoegen, caballeros, maar ik geloof dat mijn naam evenmin
-als mijn gelaat u iets leeren zal. Wij hebben elkaar slechts eenmaal
-ontmoet, señor conde, en toen was het donkere nacht, en het gesprek
-tusschen u en mijn kameraad zoo levendig dat mijne trekken, zoo gij ze
-al hebt kunnen zien, u niet diep in het geheugen zullen zijn geprent.”
-
-»Inderdaad, señor,” hernam de graaf, die hem intusschen even
-nieuwsgierig als nauwlettend had opgenomen, »ik moet bekennen dat ik
-mij niet kan herinneren u reeds vroeger gezien te hebben.”
-
-»Dat wist ik wel.”
-
-»En waarom,” riep de graaf met drift, »waarom hebt gij dan uw
-aangezicht zoo zorgvuldig zoeken te verbergen?”
-
-»Ja! mijnheer de graaf, daarvoor had ik misschien mijne goede redenen;
-wie weet of het u niet te eeniger tijd berouwen zal mij een incognito
-te hebben doen breken, dat ik waarschijnlijk uit belangstelling in u,
-liever had willen bewaren.”
-
-Deze ingewikkelde verklaring werd op een gemengden toon van sarcasme en
-bedreiging uitgesproken, dien niemand ontgaan kon, ondanks de
-schijnbare onverschilligheid van den onbekende.
-
-»Het maakt weinig uit, señor,” zei de graaf hooghartig, »ik ben een van
-die menschen, die hun woord met den degen durven gestand doen; zeg mij
-dus zonder verdere omwegen en uitvluchten uw naam.”
-
-»Welken naam wilt gij van mij weten, caballero? mijn naam als
-krijgsman, mijn naam als avonturier, mijn naam als.....?”
-
-»Noem dien gij wilt!” riep de graaf ongeduldig, »als wij maar een naam
-van u mogen hooren.”
-
-De onbekende stond op en wierp een trotschen blik in het rond.
-
-»Toen ik deze zaal binnentrad, caballero,” begon hij met een ferme
-stem, »heb ik u gezegd dat ik twee honderd uren ver had gereisd om u
-een dienst of eene gunst te verzoeken, maar ik heb u bedrogen; ik
-verwacht niets van u, noch dienst noch gunst, integendeel ben ik het
-die u een dienst wil bewijzen, daarvoor kwam ik hier, en nergens anders
-om. Waartoe zou het dan dienen dat gij weet wie ik ben, of hoe ik heet,
-daar ik aan u geene verplichting zal hebben maar gij integendeel aan
-mij?”
-
-»Zooveel te meer reden, caballero, om u het masker af te lichten; ik
-wil uwe hoedanigheid als gast, die gij u hier eigendunkelijk aanmatigt,
-wel in zoover ontzien dat ik u niet met geweld zal dwingen tot hetgeen
-ik van u verlang, maar onthoud dit: dat ik vast besloten heb u niet aan
-te hooren en u verzoeken zal onmiddellijk heen te gaan, zoo gij nog
-langer weigert aan mijne billijke vordering te voldoen, en uw naam te
-zeggen.”
-
-»Gij zult er berouw van hebben, señor conde,” hervatte de vreemdeling
-met een spottenden grijns. »Een enkel woord nog; ik ben bereid om mij
-zelven bekend te maken; maar aan u afzonderlijk, daar hetgeen ik u te
-zeggen heb door niemand gehoord mag worden dan door u.”
-
-»Wel duivelsch!” riep de luitenant Martin, »dat is bijna niet om te
-gelooven, zulk volhouden heb ik nog nooit bijgewoond.”
-
-»Ik weet niet of ik mij bedrieg,” beweerde de capataz slim, »maar ik
-ben zeker dat ik de ontdekking van het gewichtige geheim van dezen
-caballero grootelijks in den weg sta, en als hij voor iemand hier
-vreest, dan is het voor mij.”
-
-»Juist geraden, señor don Blas,” hervatte de vreemdeling met eene
-buiging; »zoo als gij ziet ken ik u. Overigens kent gij mij ook zeer
-goed, al is het op dit oogenblik, gelukkig voor mij, niet van aanzien,
-maar bij naam en faam. Welnu, te recht of ten onrechte ben ik
-overtuigd, dat als ik mijn naam in uwe tegenwoordigheid noemde, gij uw
-vriend zoudt zoeken over te halen mij niet aan te hooren.”
-
-»En wat zou er dan gebeuren?” vroeg de capataz hem in de rede vallende.
-
-»Een groot ongeluk waarschijnlijk” zei de vreemdeling met eene ferme
-stem; »wat gij er ook van zeggen of denken moogt, ik ga rond met u te
-werk, dat ziet gij. Ik wensch den heer graaf niet langer dan tien
-minuten alleen te spreken; daarna kan hij met het geheim dat ik hem
-mededeel en met het nieuws dat ik hem breng, doen wat hij goedvindt.”
-
-Er volgde een poosje stilte.
-
-De graaf de Lhorailles bespiedde met scherpzinnigen blik het
-onverstoorbaar gelaat van den onbekende en stond een poos in beraad.
-
-Eindelijk scheen de onbekende ongeduldig te worden; hij stond op, boog
-voor den graaf en vroeg:
-
-»Wat moet ik doen, señor, blijven of vertrekken?”
-
-De graaf wierp hem een doorborenden blik toe, dien de ander zonder de
-minste verlegenheid doorstond.
-
-»Blijf,” zei de graaf.
-
-»Goed,” hernam de onbekende en zette zich weder op zijne butacca.
-
-»Mijne heeren,” vervolgde de Lhorailles tegen zijne gasten, »gij hebt
-het gehoord; ik neem de vrijheid u eenige minuten belet te geven.”
-
-De officieren stonden op en verwijderden zich zonder een woord te
-spreken. De capataz ging daarbij het laatste de zaal uit, na den
-onbekende een van die blikken te hebben toegeworpen, waarmede men
-iemands hart tot in de diepste plooien zoekt te bespieden. Maar even
-als vroeger bij den blik van den graaf, bleef het gelaat van den
-vreemdeling koud en onbewogen.
-
-»Welaan, señor,” hervatte de graaf de Lhorailles tegen zijn gast zoodra
-de deur gesloten was, »nu zijn wij alleen en wacht ik de vervulling
-uwer belofte.”
-
-»Ik ben gereed u te voldoen.”
-
-»Wie zijt gij dan en hoe heet gij?”
-
-»Met uw verlof, monseñor,” antwoordde de vreemdeling op een toon van
-luchtige scherts, »als wij zoo voortgaan zullen wij veel tijd verliezen
-en zult gij ten slotte niets of althans zeer weinig van mij vernemen.”
-
-De graaf onderdrukte met moeite zijn opkomend ongeduld.
-
-»Vervolg dan maar zoo als gij zelf goedvindt,” zeide hij.
-
-»Goed, op die wijs zullen wij elkander spoedig verstaan.”
-
-»Ik luister al.”
-
-»Hoor dan, señor. Gij zijt in dit land vreemd; nauwelijks een paar jaar
-in Mexico kent gij weinig of niets van het karakter, de zeden of
-gebruiken der inwoners. Sterk door de meerdere kennis, die gij in uw
-eigen vaderland hebt opgedaan, dacht gij bij uwe komst in het onze dat
-hier alles naar uwe wenschen en begrippen moest geschieden, omdat zoo
-gij meent uw verstand het onze ver overtreft; volgens dit beginsel zijt
-gij te werk gegaan.”
-
-»Ter zake, señor, ter zake,” viel de graaf hem met ongeduld in de rede.
-
-»Zachtjes aan, señor, ik vervolg. Voortgeholpen door veelvermogende
-beschermers werdt gij reeds dadelijk in een allervoordeeligsten
-toestand geplaatst. Gij hebt een heerlijke kolonie gesticht in de
-rijkste provincie van Mexico aan de grenzen der woestijn; daarop hebt
-gij van de regeering den rang van kapitein gekregen, met het recht om
-eene vrij-kompagnie op te richten, samengesteld uit uwe eigene
-landgenooten en bijzonder bestemd om jacht te maken op de Apachen,
-Comanchen enz.; dat laat zich begrijpen, wij Mexicanen zijn daartoe
-veel te lafhartig.”
-
-»Señor, señor, ik moet u onder het oog brengen dat al wat gij mij daar
-zegt minstens overbodig is,” riep de graaf gebelgd.
-
-»Niet zoo overbodig als gij wel denkt;” hernam de andere altoos
-onverstoord; »maar houd u bedaard, ik heb gedaan, en ik kom eindelijk
-op het punt dat u bijzonder aanbelangt; ik heb u alleen willen doen
-zien dat, al kent gij mij niet, ik u daarentegen veel beter ken dan gij
-wel dacht.”
-
-Om niet in drift uit te breken sloeg de graaf met de vuist op de tafel
-en wiegelde onrustig met het rechter been over het linker.
-
-»Ik hervat,” vervolgde de onbekende. »Toen gij in Mexico aanlanddet
-hebt gij zeker hoe groot uwe eerzucht ook was, niet kunnen denken dat
-gij binnen zoo korten tijd zulk eene schitterende positie zoudt
-verwerven. Gemakkelijk verkregen fortuin is gevaarlijk; het te veel van
-gisteren is niet genoeg voor heden, en zoodra gij gezien hadt dat alles
-u zoo vlotte, hebt gij met een enkelen meesterlijken zet uw werk willen
-bekroonen en u voor altijd in veiligheid willen stellen tegen de nukken
-der fortuin, die heden uwe slavin is, maar morgen u wellicht den rug
-toekeert. Ik misprijs u niet, verre van daar, gij hebt meesterlijk
-gespeeld en daar ik zelf een trage speler ben, weet ik in anderen een
-talent te waardeeren dat ik zelf niet bezit.”
-
-»O!” riep de graaf bijna opvliegend.
-
-»Geduld! nu ben ik er; toen hebt gij rondgezien en rustten uwe oogen
-natuurlijk op don Sylva de Torres. Die caballero was nu genegen en
-bezat al de hoedanigheden die gij in een schoonvader zocht, want uw
-eerste wensch was het sluiten van een rijk huwelijk. Wat dunkt u! valt
-gij mij nu nog wel in de rede? ik geloof dat uw eigen historie, die ik
-u vertel, u thans belang begint in te boezemen. Don Sylva is goed, is
-lichtgeloovig; wat meer zegt, is ontzaglijk rijk, zelfs voor dit land,
-waar de fortuinen zoo onmetelijk zijn; bovendien is zijne dochter doña
-Anita zeer schoon; kortom, gij hebt u bij don Sylva als vriend laten
-voorstellen, gij hebt hem om de hand zijner dochter gevraagd, en hij
-heeft u die toegestaan; het huwelijk had zelfs reeds eene maand geleden
-moeten gesloten zijn. Verdubbel thans uwe aandacht, caballero, want ik
-kom aan het belangrijkste gedeelte van mijn verhaal.”
-
-»Ga voort, señor, gij ziet wel dat ik voor uw verslag het noodige
-geduld overheb.”
-
-»Deze beleefdheid zal niet onbeloond blijven, caballero, stel u
-gerust,” riep de onbekende met een nauwelijks merkbaren zweem van
-spotternij.
-
-»Ik heb haast om het slot te vernemen, señor.”
-
-»Hier is het: ongelukkig voor uwe plannen, was doña Anita door haar
-vader op de keus van haar aanstaanden echtgenoot niet gehoord; sinds
-lang reeds beminde zij in ’t geheim een jongman die haar bij eene
-zekere gelegenheid een grooten dienst had bewezen.”
-
-»De naam van dien jongman is u zeer zeker bekend, niet waar?”
-
-»Ja, señor.”
-
-»Zeg hem mij.”
-
-»Nog niet; die man beminde haar wederkeerig. De beide jongelieden
-ontmoetten elkander buiten weten van don Sylva en zwoeren elkaar eene
-eeuwige liefde. Toen doña Anita door haars vaders bevel gedwongen werd
-u als haar verloofde te beschouwen, veinsde zij te gehoorzamen, daar
-zij haar vader geen openlijken weêrstand durfde bieden; doch zij gaf er
-haar minnaar kennis van en na elkander opnieuw trouw te hebben
-gezworen, waren zij op een middel bedacht om dat noodlottige huwelijk
-te verbreken.”
-
-De graaf was intusschen reeds opgestaan en stapte met groote schreden
-de zaal op en neer; toen hij de laatste woorden hoorde, trad hij naar
-den onbekende.
-
-»Derhalve,” zeide hij op somberen toon, »was de aanranding in de
-Rancho....”
-
-»Een middel door uw medeminnaar beraamd om zich van u te ontslaan, ja,
-señor, zoo is het,” antwoordde de vreemdeling bedaard.
-
-»Die man is dus niets dan een ellendige moordenaar!” hernam de graaf
-met minachting.
-
-»Gij vergist u, caballero, hij wilde u alleen dwingen om hem het veld
-ruim te laten, een bewijs daarvan is dat hij, toen uw leven in zijne
-hand was, u niet heeft gedood.”
-
-»Enfin, moordenaar of geen moordenaar,” riep de graaf, »gij zult mij
-toch nu zijn naam wel willen noemen, want gij hebt uw verhaal uit, zoo
-ik meen.”
-
-»Nog niet. Na de ontmoeting in de Rancho zijt gij naar uwe hacienda
-vertrokken, vergezeld van uw aanstaanden schoonvader en zijne dochter;
-ook daar heeft de verloofde van doña Anita u geen rust gelaten, en
-hebben de Apachen u aangevallen.”
-
-»Wat meer?”
-
-»Nog meer? moet ik u dan alles uitleggen? Begrijpt gij dan niet dat die
-man met de Roodhuiden in verband stond?”
-
-»En wist doña Anita daarvan?”
-
-»Dat durf ik niet verzekeren, maar waarschijnlijk wel.”
-
-»O!”
-
-»Het was fijn gespeeld, niet waar?”
-
-De graaf verbeet zich de lippen dat er het bloed voorstond om niet uit
-te varen.
-
-»En gij weet door wie doña Anita is opgelicht?”
-
-»Dat weet ik.”
-
-»Niet door de Roodhuiden?”
-
-»Neen.”
-
-»Door dien man zeker?”
-
-»Ja, door hem.”
-
-»Maar haar vader don Sylva de Torres is ook opgelicht.”
-
-»Dat weet ik; maar dat was geheel tegen zijn zin, ik verzeker het u.”
-
-»Waar is don Sylva op dit oogenblik?”
-
-»Veilig en wel in zijn huis te Guaymas.”
-
-»Is zijne dochter bij hem?”
-
-»Neen.”
-
-»Dan is zij bij dezen man, niet waar?”
-
-»Gij gist als een waarzegger.”
-
-»En weet gij waar zij thans zijn?”
-
-»Dat weet ik.”
-
-Snel als een bliksemstraal sprong de graaf op den onbekende, greep hem
-met de linkerhand bij den kraag en zette hem met de rechter een pistool
-op de borst.
-
-»Thans, ellendeling,” brulde hij met eene rauwe stem, »zult gij mij
-zeggen waar zij zijn.”
-
-»Moeten wij dat soort van spel spelen!” riep de onbekende; »ga dan
-gerust uw gang, caballero.”
-
-Oogenblikkelijk zijn mantel openrukkende, zette hij den graaf met
-iedere hand een pistool op de borst.
-
-Deze beweging van den onbekende was zoo snel, dat de graaf haar
-onmogelijk had kunnen beletten. Buitendien was deze reeds tot andere
-gedachten gekomen. Hij trok zijn wapen terug en stak het weder in zijn
-gordel.
-
-»Ik was dwaas,” prevelde hij, »vergeef mij die opwelling van toorn.”
-
-»Van ganscher harte,” antwoordde de onbekende terwijl hij de pistolen
-bedaard naast zich op de tafel legde.
-
-»Nogmaals verschooning,” hervatte de graaf; »nu ik nadenk over hetgeen
-gij mij gezegd hebt begin ik werkelijk te gelooven dat gij mij eene
-dienst wil bewijzen.”
-
-De onbekende boog toestemmend.
-
-»Maar één ding is er dat ik niet begrijp.”
-
-»Wat begrijpt gij niet?”
-
-»De wijze hoe gij dit alles zijt te weten gekomen.”
-
-»Dood eenvoudig.”
-
-»Gij zult mij verplichten door mij te zeggen hoe.”
-
-»Met genoegen, caballero. Twee mannen vielen u aan in de Rancho.”
-
-»Ja.”
-
-»Ik ben het die u op den grond wierp.”
-
-»Zoo,” zei de graaf op zonderlingen toon.
-
-»In één woord, ik heet Cuchares; ik ben lepero, dat wil zeggen ik hou
-meer van de zon dan van de schaduw, van de rust dan van den arbeid en
-van een dolksteek nu en dan, mits ik er voor betaald word, dan van een
-goede daad die mij niets opbrengt; begrijpt gij mij?”
-
-»Zeer goed.”
-
-»Dus verstaan wij elkander nu?”
-
-»Dat denk ik wel.”
-
-»Ik ook, en daarom ben ik juist hier gekomen.”
-
-»Nog eene vraag.”
-
-»Toegestaan.”
-
-»Maar op dit oogenblik verraadt gij immers uwe vrienden?”
-
-»Ik! Welke?”
-
-»Degenen die gij tot dusver gediend hebt.”
-
-»Een man als ik, caballero, heeft geene vrienden, hij heeft slechts
-cliënten.”
-
-»Cliënten of vrienden, gij speelt verraad met hen.”
-
-»Poeh! Wij hebben onze rekening gesloten; zij zijn mij niets meer
-schuldig en ik hun evenmin; wij zijn quit. Zoo als gij weet, caballero,
-iedere zaak heeft twee kanten, daar een bekwaam man gelijkelijk zijn
-voordeel mede weet te doen. Van den eenen heb ik alles gehaald wat ik
-kon, en nu wil ik eens zien wat mij de andere zal opleveren.”
-
-De graaf hoorde met gemengden schrik en verbazing deze zonderlinge
-theorie van den lepero; zulk eene ruwe en onbeschaamde hondsvotterij
-deed hem tegen wil en dank huiveren, ofschoon de graaf de Lhorailles
-anders niet zeer gevoelig was.
-
-»Wij stellen dus dat gij hier komt om mij een dienst te bewijzen.”
-
-De lepero glimlachte.
-
-»Laten wij elkander wel verstaan: ik heb dat maar zoo gezegd, om het
-geweten te sparen van de caballeros die zich hier bevonden toen ik
-inkwam; maar tusschen u en mij zal ik openhartiger zijn.”
-
-»Dat wil zeggen?”....
-
-»Dat ik hier ben gekomen om er u een te verkoopen.”
-
-»Goed.”
-
-»En duur te verkoopen.”
-
-»Goed.”
-
-»Heel duur.”
-
-»Dat maakt weinig uit, als het maar de moeite waard is.”
-
-»Komaan!” riep de lepero vroolijk, »gij zijt een man zoo als ik er
-juist een dacht te zullen vinden. Welnu, laat het dan maar aan mij
-over.”
-
-»Ik moet wel, omdat ik niet anders kan.”
-
-»Wat zoudt gij anders willen? Zoo gaat het in de wereld, vandaag is het
-mijne beurt, morgen de uwe. Bah! om eenige duizend piasters moet men
-niet knijzen.”
-
-»Dan vooreerst de naam van mijn mededinger.”
-
-»Die naam zal u vijftig oncen kosten, dat zeker niets te veel is.”
-
-»Daar zijn ze,” zei de graaf terwijl hij hem de goudstukken over de
-tafel toeschoof.
-
-De lepero deed ze oogenblikkelijk in een zijner diepe zakken
-verdwijnen.
-
-»Uw mededinger, caballero, heet don Martial; hij is
-Tigrero—tijgerjager—en, wat meer zegt, zeer rijk.”
-
-»Ik meen dien naam door don Sylva te hebben hooren noemen?”
-
-»Wel waarschijnlijk; don Sylva mag hem niet lijden, vooral niet omdat
-don Martial eens zijne dochter Anita het leven heeft gered.”
-
-»Inderdaad, ik herinner mij deze bijzonderheid; don Sylva heeft er mij
-meermalen van gesproken. Maar hoe heeft don Martial dat meisje ooit
-kunnen oplichten?”
-
-»Zeer gemakkelijk, te meer daar zij zelve verlangde hem te volgen.
-Terwijl gij met de Apachen aan ’t vechten waart bracht hij doña Anita
-in eene prauw, waarin ik haar vader bereids, gebonden en den mond
-gestopt, geborgen had; toen zijn wij met ons vieren vertrokken; wij
-hebben den ganschen nacht op de rivier gezwalkt om geen spoor van onze
-vlucht achter te laten, en met het krieken van den dag hadden wij ruim
-vijftien mijlen gemaakt. Wij vreesden toen niet meer ontdekt te zullen
-worden en gingen aan land; wij kochten paarden van de mansos [20]
-Indianen. Don Martial gelastte mij den vader van het meisje naar
-Guaymas te brengen, van welken plicht ik mij met eere gekweten heb. Don
-Sylva wilde mij niet goedschiks volgen, maar eindelijk kreeg ik hem
-toch behouden in zijn huis, waar ik hem gelaten heb, om mij weder bij
-don Martial te voegen die mij gelast had eenige dingen mede te brengen
-en mij daartoe op zeker afgesproken punt wachten zou.”
-
-»Zoo!” riep de graaf, »en waarom zijt gij dan van hem gescheiden?”
-
-»Mijn hemel! caballero, wij zijn gescheiden zoo als dat vaak met de
-beste vrienden gebeurt, door een nietig misverstand.”
-
-»Zeer goed; en hij heeft u weggejaagd.”
-
-»Zoo veel als weggejaagd, dat moet ik bekennen.”
-
-»Is het reeds lang sedert gij hem verlaten hebt?”
-
-De lepero kneep het rechteroog dicht.
-
-»Neen,” antwoordde hij.
-
-»Zoudt gij mij kunnen brengen waar hij zich thans bevindt?”
-
-»Ja, zoodra gij wilt.”
-
-»Zeer goed. Is het ver?”
-
-»Neen; maar met uw welnemen, caballero, eerst het een en dan het ander;
-wilt gij? vraag ik u.”
-
-»Wij zullen zien.”
-
-»Hoe veel geeft gij mij als ik u zeg waar don Martial en doña Anita
-heen gevlucht zijn?”
-
-»Twee honderd oncen.”
-
-»Geef.”
-
-»Daar zijn ze.”
-
-De graaf nam eenige handen vol goud uit een ijzeren kistje dat in een
-hoek van de zaal stond en gaf ze aan den lepero.
-
-»Het is pleizierig om met zulke menschen te doen te hebben,” zei
-Cuchares terwijl hij met ongewone handigheid de nieuwe oncen bij de
-vorige stak. »Had ik geen gelijk toen ik u zeide dat ik u een dienst
-kwam bewijzen?”
-
-»’t Is waar, ik zeg u dank; waar zijn nu don Martial en doña Anita?”
-
-»Zij zijn aan den zendingspost San Francisco.. en nu zal ik zoo vrij
-zijn om afscheid van u te nemen.”
-
-»Nog niet.”
-
-»Waarom niet?”
-
-»Om twee redenen: vooreerst omdat ik ondanks al het vertrouwen dat ik
-in u stel, volstrekt geen bewijs heb dat gij mij de waarheid hebt
-gezegd.”
-
-»O!” riep de lepero met eene afwijzende beweging.
-
-»Ik weet wel ik heb ongelijk, maar wat zal ik er tegen doen, ik ben nu
-eenmaal zoo wantrouwig van aard.”
-
-»Goed, dan blijf ik; maar uwe tweede reden.”
-
-»Luister, ik heb u nog een dienst te verzoeken.”
-
-»Tegen betaling?”
-
-»Dat verstaat zich.”
-
-»Ik luister.”
-
-»Ik geef u honderd oncen als gij mij bij mijn mededinger wilt brengen.”
-
-»Canarios!” riep de lepero.
-
-»Honderd oncen,” herhaalde de graaf.
-
-»Ik versta u wel. Honderd oncen, ’t is een aardig bod! maar gij moet
-weten, caballero, ik ben een costeno, en daarbij een lepero. Het leven
-in de prairie deugt niet voor mijn gestel, het bederft mijn gezondheid.
-Ik heb gezworen het niet langer voort te zetten; de reis van hier naar
-San Francisco is moeielijk, wij moeten de groote woestijn door. Neen,
-caballero, alles wel ingezien is het onmogelijk.”
-
-»Dat spijt mij,” antwoordde de graaf onverschillig.
-
-»Ja?”
-
-»Omdat ik u,” vervolgde hij, »in plaats van honderd oncen twee honderd
-oncen zou gegeven hebben.”
-
-»Zoo!” riep Cuchares de ooren spitsend.
-
-»Maar, daar gij weigert, want gij weigert immers? zal ik tot mijn
-leedwezen verplicht zijn u te doen doodschieten.”
-
-»Wat b’lieft u?” schreeuwde de lepero bijna van schrik.
-
-»Mijn hemel!” hervatte de graaf goedhalzig, »hoor toch eens, mijn
-waarde, gij zijt zoo knap in zaken, wie weet, daar gij reeds twee
-kanten aan deze gevonden hebt, ben ik maar bang dat gij er misschien
-nog een derden aan zoudt ontdekken.”
-
-En eer Cuchares tijd had om het te beletten, maakte de graaf zich met
-een gezwinden greep meester van de twee pistolen die op de tafel lagen.
-
-De lepero ontstelde zichtbaar.
-
-»Met uw verlof, met uw geachte verlof, caballero,” riep hij met een
-haperende stem, »daar gij het zoo bepaald schijnt te verlangen, zou het
-mij razend veel leed doen als ik u teleurstelde, ik neem de twee
-honderd oncen aan.”
-
-»Mooi zoo!” riep de graaf. »Ja, ik wist ook wel dat wij het eindelijk
-samen eens zouden worden.”
-
-Hij ging naar het koffertje om het geld te krijgen, en moest daarbij
-den lepero den rug toekeeren, zoodat hij den zonderlingen spotlach niet
-zag die zich op diens lippen bewoog; ware dit anders geweest dan zou
-hij minder luid victorie gekraaid hebben.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVIII.
-
-EEN STAP ACHTERWAARTS.
-
-
-Het verhaal van den lepero, ofschoon in den grond waarheid bevattende,
-was wat den vorm en de inkleeding betreft geheel valsch en logenachtig.
-Had hij misschien zijne redenen om den graaf de Lhorailles te
-misleiden? Dit zal de lezer zelf kunnen beoordeelen wanneer hij ons
-nieuwe hoofdstuk heeft ten einde gebracht.
-
-Wij zijn dus andermaal genoodzaakt den draad onzer historie te breken
-en eenige passen terug te keeren.
-
-Na, zooals wij in een der vorige hoofdstukken gezien hebben, als door
-een wonder aan de handen der Apachen te zijn ontsnapt daar hij zoo
-ongelukkig in vervallen was, had Cuchares door onder water te duiken,
-al zwemmende het midden der rivier kunnen bereiken. Toen hij het hoofd
-weder boven stak om adem te scheppen, zag hij rond; hij was alleen.
-
-De lepero smoorde een vreugdekreet en na een minuut van rijp overleg
-zwom hij uit al zijn macht naar de wortelboomen, waar don Martial
-ingevolge het afgesproken signaal, dat hij door den nood gedrongen
-reeds had gegeven, hem zonder twijfel stond te wachten.
-
-Met eenige krachtige armslagen bereikte hij de wortelboomen, tusschen
-welke hij zich onmiddellijk onzichtbaar maakte; maar hier wachtte hem
-eene nieuwe verrassing, de omgekantelde en aan zich zelve overgelaten
-prauw was met eenige andere stukken drijfhout tegen een boomstam
-aangedreven en daar blijven steken.
-
-Cuchares, die reeds aan land was gestapt, hoosde de prauw leeg en
-bracht haar weder te water. Deze kleine vaartuigen, meestal uit
-berkenschors vervaardigd, die de Indianen met behulp van heet water van
-den stam weten te scheiden, zijn uiterst licht en laten zich zeer
-gemakkelijk behandelen.
-
-Nauwelijks was de lepero er mede klaar of er kwam eene schaduw naar hem
-toe en fluisterde hem in ’t oor:
-
-»Wat komt gij laat.”
-
-De lepero deed een sprong van schrik, maar herkende don Martial; met
-een paar woorden deelde hij hem mede wat er gebeurd was.
-
-»Alles gaat opperbest, er is niets meê verloren, nu gij weder hier
-zijt,” antwoordde de Tigrero; »verberg u maar in de wortelboomen en kom
-onder geen beding te voorschijn, voor dat ik weer hier ben.”
-
-Hij verwijderde zich snel.
-
-Cuchares maakte des te meer haast om te gehoorzamen, daar hij niet ver
-van hem af het rumoer van den hevigen strijd hoorde die op dit
-oogenblik tusschen de Franschen en Apachen gestreden werd en in vollen
-gang was.
-
-Don Martial was intusschen, met een dolk in de hand om op alles gereed
-te zijn, als een spook naar een dicht boschje van floripondio’s
-geslopen, waar doña Anita hem bevend verbeidde.
-
-Op het punt van de takken uiteen te schuiven die hem van het meisje
-afzonderden bleef hij staan, met hijgenden adem en gefronste
-wenkbrauwen: zij was niet alleen!
-
-Hare stem, hetzij door aandoening of door toorn bewogen, klonk scherp
-en gebiedend; zij scheen met iemand in gesprek.
-
-Maar met wie? Wie zou haar op deze plek, waar zij zich zoo goed
-geborgen waande, hebben weten te vinden en naar alle waarschijnlijkheid
-haar willen overhalen of desnoods dwingen hem te volgen?
-
-De Tigrero luisterde scherp toe.
-
-Weldra bewoog hij zich toornig en dreigend, hij had de stem herkend van
-den man die met doña Anita sprak: het was haar vader.
-
-Alles was verloren.
-
-De haciendero trachtte zijne dochter te bewegen naar den kant der
-gebouwen terug te keeren en gebruikte daartoe alle middelen van
-overreding. Zoo het scheen vermoedde hij iets van de reden waarom zijne
-dochter zich op deze plaats bevond.
-
-Doña Anita weigerde stellig mede te gaan, verklarende dat zij liever in
-handen van een Indiaanschen strooper zou willen vallen, dan zich aan
-het gevaar bloot te stellen dat zij tot iederen prijs wilde vermijden.
-
-Don Martial sloeg zich met de hand op het voorhoofd, een zonderlinge
-glimlach plooide zijne lippen, zijn oog fonkelde en hij verwijderde
-zich snel in de richting der rivier.
-
-Inmiddels woedde de strijd steeds voort; nu eens scheen het rumoer
-nader te komen en hoorde men vloekkreten en verwenschingen, dan eens
-flikkerde er als bliksemlicht door de lucht en hoorde men de kogels
-tegen muren of boomen neerkomen, met dat eigenaardig gekletter, dat
-voor nieuwelingen in den krijg zoo verontrustend is.
-
-»In ’s hemels naam! lieve dochter,” hervatte don Sylva dringender dan
-ooit, »kom toch, wij hebben geen oogenblik te verliezen, binnen weinige
-seconden wellicht wordt ons de terugtocht afgesneden; kom toch bid ik
-u.”
-
-»Neen, vader,” antwoordde zij hoofdschuddend, »ik wacht mijn lot af;
-wat er ook gebeure, ik zeg u nog eens, ik ga hier niet vandaan.”
-
-»Maar dat is dwaasheid,” riep de haciendero, »wilt gij dan sterven?”
-
-»Wat geef ik om sterven,” riep zij treurig, »ben ik niet op alle
-manieren veroordeeld? God is mijn getuige, vader, dat ik om het voor
-mij bestemde huwelijk te ontgaan liever zou willen sterven!”
-
-»Anita, in ’s hemels naam!”
-
-»Wat kan het u schelen, vader, of ik heden den woesten heidenen in
-handen val, daar gij mij morgen met eigen hand aan een man zult
-overleveren dien ik verafschuw?”
-
-»Spreek toch zoo niet, meisje. Buitendien, het oogenblik is dunkt mij
-voor het bespreken van zulk eene zaak zeer slecht gekozen, kom toch
-meê, het rumoer neemt toe; weldra zal het te laat zijn.”
-
-»Ga maar gerust heen, vader, als gij dat goedvindt,” antwoordde zij
-ronduit; »maar ik blijf hier, wat er ook moge gebeuren.”
-
-»In dat geval en als gij volstandig weigert mij te gehoorzamen, zal ik
-de macht gebruiken die ik bezit en u met geweld wegvoeren.”
-
-Het meisje sloeg den linkerarm om een jongen acajou-ceder en keek haar
-vader aan met een blik van onverzettelijken onwil.
-
-»Waag het maar niet, vader, om het te doen!” riep zij, »want ik zeg u
-vooruit dat bij den eersten stap dien gij mij nadert gebeuren zal wat
-gij zoo zeer vreest; ik zal zoo hard schreeuwen dat de heidensche
-Roodhuiden het hooren en terstond hier zullen komen.”
-
-Don Sylva bleef aarzelend staan; hij kende het vastberaden karakter
-zijner dochter en wist dat zij in staat was hare bedreiging
-onmiddellijk ten uitvoer te brengen.
-
-Er verliepen eenige minuten, gedurende welke vader en dochter tegenover
-elkander stonden, met strakke blikken elkander aankijkend, maar zonder
-een woord te spreken of een spier te verroeren.
-
-Op eens ontstond er een hevig gekraak in het floripondioboschje, de
-takken werden met woest geweld uit elkander gebogen, om twee mannen, of
-liever twee duivels door te laten, die als met tijgersprongen op den
-haciendero aanvielen en hem op den grond wierpen. Eer nog don Sylva in
-het schemerende sterrenlicht in staat was zijne onverwachte aanvallers
-te herkennen, hadden zij hem reeds gekneveld, een prop in den mond
-gestopt en een doek over het hoofd geknoopt, zoodat hij niets meer zien
-kon van hetgeen er rondom hem gebeurde, noch weten wat er niet alleen
-met hem maar ook wat er met zijne dochter gebeuren zou.
-
-Laatstgenoemde door deze plotselinge overrompeling onthutst had een
-schreeuw gedaan van schrik, maar voorzichtigheidshalve terstond weder
-gezwegen, daar zij don Martial herkende.
-
-»Stil,” zeide de Tigrero schielijk en zacht, »ik wist geen ander middel
-om het gedaan te krijgen, maar kom dadelijk mede; uw vader, weet gij,
-is mij heilig, om uwentwil zal hem geen leed geschieden.”
-
-Doña Anita antwoordde niet.
-
-Op een wenk van don Martial had Cuchares den haciendero op zijne
-schouders genomen en hem naar de wortelboomen gedragen.
-
-»Waar gaan wij heen?” vroeg doña Anita met eene bevende stem.
-
-»Waar wij zoo ik hoop samen gelukkig zullen zijn,” fluisterde de
-Tigrero teergevoelig, terwijl hij haar gezwind opnam en op een drafje
-naar de prauw droeg.
-
-Doña Anita bood geen weerstand, integendeel, zij glimlachte, sloeg haar
-rechter arm om den hals van den drager, om het evenwicht beter te
-bewaren, dat bij deze harddraverij over de wortelboomen wel noodig was
-terwijl don Martial van tak tot tak stapte of sprong, of zich aan de
-lianen vasthield, met stem en gebaar zijn kostbaren last aanmoedigende.
-
-Cuchares had don Sylva op den bodem der prauw gelegd, en met de pagaai
-in de hand wachtte hij vol ongeduld de komst van don Martial, daar het
-gedruisch van den strijd nog scheen toe te nemen, ofschoon uit het wel
-onderhouden geweervuur en uit de verschillende kreten die men nu en dan
-hoorde, gemakkelijk was op te maken dat de overwinning aan de zijde der
-Franschen verbleef.
-
-»Wat zullen wij doen?” vroeg Cuchares.
-
-»Naar het midden der rivier roeien en den stroom afzakken.”
-
-»Maar onze paarden?” vroeg de lepero.
-
-»Redden wij eerst ons zelven, de paarden zullen wij later wel vinden.
-Het blijkt duidelijk dat de blanken het winnen. Zoodra het gevecht over
-is, zal de graaf de Lhorailles overal zijne bruid en zijn schoonvader
-laten zoeken; het is van belang geen sporen achter te laten, anders
-zijn wij verloren. De Franschen zijn duivels, zij zouden ons zeker
-terugvinden.”
-
-»Intusschen geloof ik....” begon Cuchares.
-
-»Van wal, zeg ik u,” riep de Tigrero op gebiedenden toon terwijl hij de
-prauw met een krachtigen schop in het ruime sop duwde.
-
-Zij vertrokken.
-
-De eerste oogenblikken der reis gingen zwijgend voorbij, ieder dacht
-voor zich zelve na over den zonderlingen toestand waarin zij zich
-bevonden.
-
-Don Martial had een onmetelijke verantwoordelijkheid op zich genomen
-door, om zoo te zeggen, op een enkele kaart het geluk zijner beminde en
-van hem zelven te wagen. Wat hem nog het meeste stof tot bezwaar gaf,
-daar op den bodem der prauw lag de haciendero; zijn toestand was
-inderdaad ernstig en de uitkomst moeielijk te vinden.
-
-Doña Anita zat met het hoofd gebogen en met afgetrokken blik; in
-gedachten verdiept liet zij hare kleine hand over den rand der prauw in
-het water hangen dat snel langs het boord voorbij schoot.
-
-Cuchares, die uit al zijn macht roeide, dacht ook bij zich zelven na en
-vond het leven dat hij tegenwoordig leidde alles behalve aangenaam; te
-Guaymas was hij veel gelukkiger, als hij met het hoofd in de schaduw en
-de beenen in de zon onder het portiek eener kerk kon liggen en zijn
-middagslaapje doen, gestreeld door den verfrisschenden zeewind of zacht
-indommelend onder het geheimzinnig murmelen der branding tegen de keien
-op het rotsige zeestrand.
-
-Wat don Sylva betreft, men kon niet zeggen dat hij dacht; aan eene
-stille woede ten prooi, die als zij te lang duurde ontwijfelbaar in
-razernij moest eindigen, beet hij kwaadaardig op de prop die hem den
-mond sloot en kromde zich in zijne banden, zonder ze te kunnen
-verbreken.
-
-De verschillende geluiden van den strijd werden al zwakker en zwakker
-en hielden eindelijk geheel op.
-
-De reizigers bleven nog een geruimen tijd zwijgen, niet zoozeer
-verdiept in hun eigen gedachten dan wel weggesleept door de streelende
-gewaarwordingen eener droomende zwaarmoedigheid, die zoo vaak bij
-krachtige maar geschokte gemoederen opkomt onder den indruk der
-roerloos plechtige stilte, ontzagwekkende eenzaamheid en aangrijpende
-harmonie der Amerikaansche wildernis, wier beschrijving geen
-menschelijke pen in staat is in al hare grootheid en majesteit weêr te
-geven.
-
-De sterren begonnen aan den hemel allengs te verbleeken, een opalen
-lichtstreep teekende zich flauw aan den horizont; de logge alligators
-woelden zich los uit de modder en gingen uit om hun morgenmaal te
-zoeken; de uil in de boomen aan den rivierkant verscholen, begroette de
-naderende komst van de zon; de coyotes zwierven in schichtige troepen
-aan den zandigen oever en verhieven nu en dan hun heesch gekef; de
-wilde dieren keerden naar hunne holen terug, met haastigen stap,
-ofschoon na hun gewone maal bezwaard door den slaap; de dag zou weldra
-aanbreken. Doña Anita neigde behaagziek het hoofd aan den schouder van
-don Martial.
-
-»Waar gaan wij zoo heen?” vroeg zij met eene zachte stem en op een toon
-van gedweeheid.
-
-»Wij vluchten,” antwoordde hij lakonisch.
-
-»Wij zijn nu reeds zes uren lang de rivier afgevaren, gedragen door den
-stroom en gestuurd door uwe vier krachtig gehanteerde pagaaien; zijn
-wij nu nog niet buiten het bereik?”
-
-»Ja, sinds lang reeds; maar het is de vrees voor de Franschen niet die
-mij dit oogenblik drijft.”
-
-»Wat is het dan?”
-
-De Tigrero wees haar met een veelbeduidenden wenk op don Sylva, die na
-uitputting van toorn en kracht, eindelijk stilzwijgend zijn onvermogen
-erkend had en geëindigd was met op den bodem der prauw in te slapen.
-
-»Helaas!” zeide zij, »gij hebt gelijk, dat kan zoo niet blijven, die
-toestand is onverdragelijk.”
-
-»Zoo gij mij naar eigen goedvinden laat begaan, zal uw vader mij eer
-wij een kwartieruurs verder zijn nog bedanken.”
-
-»Gij weet immers dat ik mij geheel op u verlaat?”
-
-»Dank u,” zeide hij, en zich tot Cuchares wendende, fluisterde hij hem
-eenige woorden in ’t oor.
-
-»Ha ha! dat is een gelukkige inval,” grinnikte de lepero.
-
-Vijf minuten later kwam de prauw aan wal.
-
-Don Sylva werd met de uiterste voorzichtigheid door de beide mannen
-opgenomen en aan land gedragen, zonder dat hij ontwaakte.
-
-»Nu is de beurt aan u,” zei don Martial tegen het meisje; »gij dient
-eene kleine rol te spelen; om de list die ik er op verzonnen heb wel te
-doen gelukken, moet gij mij toestaan u voor een paar minuten aan dien
-inktboom vast te binden.”
-
-»Ga uw gang, vriend.”
-
-De Tigrero nam haar in zijne forsche armen, droeg haar aan land en in
-een oogenblik had hij haar met een riem aan den boomstam gebonden.
-
-»Houd nu dit in het oog,” zeide hij schielijk, »de vertooning is, dat
-uw vader en gij door de Apachen uit de hacienda zijn opgelicht, dat wij
-u bij toeval hier ontmoeten en....”
-
-»Ons komt redden, niet waar?” riep zij lachende.
-
-»Juist; alleen moet gij nu nog een paar keeren, hoe harder hoe beter
-schreeuwen en gillen, als of gij erg bang en verschrikt waart. Dat
-begrijpt gij, niet waar?”
-
-»O! zeer goed.”
-
-Volgens bovenstaand programma werd de komedie gespeeld. Doña Anita
-begon geweldig te gillen, waarop de twee avonturiers uit de verte
-antwoordden, hunne geweren en pistolen afschoten alsof er gevochten
-werd en toen naar den haciendero liepen, dien zij gezwind van zijne
-banden bevrijdden en niet alleen het vrije gebruik zijner ledematen
-teruggaven, maar ook dat van zijne spraak en van zijn gezicht.
-
-Don Sylva richtte zich eerst half op, wierp een verwezen blik om zich
-heen, en zag zijne dochter met hangende haren aan een boom gebonden,
-terwijl twee mannen zich haastten haar te hulp te komen en los te
-maken. De haciendero sloeg de oogen op en dankte den hemel in stilte
-voor zijne bevrijding.
-
-Zoodra ook Anita weder vrij was ijlde zij naar haar vader, viel hem om
-den hals en na hem gekust te hebben verborg zij haar gelaat, wellicht
-uit schaamte over de verregaande wijs waarop zij den edelen grijsaard
-had helpen bedriegen, blozend aan zijne borst.
-
-»Mijn arm, dierbaar kind,” riep hij tot tranen bewogen; »voor u, voor u
-alleen, heb ik gebeefd in dezen langen, vreeselijken nacht.”
-
-Doña Anita antwoordde niet, haar hart klopte hevig bij dit grievend
-verwijt.
-
-Don Martial en Cuchares, het oogenblik gunstig achtende, traden thans
-naderbij met de nog rookende buksen in hunne handen.
-
-Toen de haciendero hen zag en herkende, kwam er een wolk op zijn
-gezicht, een donker vermoeden bekroop zijne ziel. Hij keek de beide
-mannen en zijne dochter beurtelings aan met een uitvorschenden blik,
-stond op met gefronste wenkbrauwen en bevende lippen, zonder nochtans
-een woord te uiten.
-
-De Tigrero werd tegen wil en dank ongerust over dit stilzwijgen, dat
-hij wel verre was van te verwachten. Na den dienst, die hij had
-voorgewend den haciendero bewezen te hebben, gevoelde hij zich
-verplicht het eerst te spreken.
-
-»Ik acht mij gelukkig,” begon hij min of meer stotterend, »dat ik hier
-zoo toevallig op den aanslag kwam, don Sylva, om u aan de handen der
-Roodhuiden te ontrukken.”
-
-»Ik zeg u dank, señor don Martial,” antwoordde de haciendero droog,
-»van uwe bekende rechtschapenheid kon ik niets minder verwachten. Het
-heeft zoo moeten wezen; het schijnt wel, dat gij na de dochter te
-hebben gered, ook haar vader hebt moeten redden. Gij schijnt
-voorbestemd om de bevrijder van mijne geheele familie te zijn; ontvang
-daarvoor mijne oprechte dankbetuiging.”
-
-Deze woorden werden op een toon van spotternij uitgesproken, die den
-Tigrero als een pijl in het hart trof; hij kon geen gepast antwoord
-vinden en maakte eene onhandige buiging om zijne verlegenheid te
-verbergen.
-
-»Vader,” zij doña Anita op vleienden toon, »don Martial heeft zijn
-leven voor ons gewaagd.”
-
-»Ik heb er hem immers reeds voor bedankt,” zeide hij. »Het is zoo, het
-schijnt een heete strijd geweest; maar de heidenen hebben wel spoedig
-het hazenpad gekozen; is er niemand van hen gedood?”
-
-Dit zeggende deed de haciendero alsof hij rondkeek.
-
-Don Martial herstelde zich.
-
-»Señor don Sylva de Torres,” riep hij met eene vaste stem, »dit voorval
-bracht ons weder tegenover elkander, geef mij dus de vrijheid u te
-zeggen dat slechts weinige menschen u zoo genegen en getrouw zijn als
-ik.”
-
-»Dat hebt gij mij zoo even bewezen, caballero.”
-
-»Spreken wij daar niet meer van,” zei don Martial, »nu gij weder uw
-eigen meester zijt en vrij kunt handelen, hebt gij slechts te spreken
-en te bevelen. Ik ben bereid om te beproeven wat gij van mij eischt,
-ten einde u te kunnen bewijzen, hoe gelukkig ik mij acht alles te doen
-wat u aangenaam is.”
-
-»Dat is ronde taal, die ik begrijp, caballero, en daar ik u even rond
-op zal antwoorden. Gewichtige redenen nopen mij om naar de kolonie
-Guetzalli terug te keeren, waar ik was toen de heidenen mij zoo
-verraderlijk hebben opgelicht.”
-
-»Wanneer wilt gij vertrekken.”
-
-»Dadelijk, zoo dit mogelijk is.”
-
-»Alles is mogelijk, caballero, alleen moet ik u doen opmerken, dat wij
-hier dertig mijlen van die hacienda verwijderd zijn, dat het land waar
-wij ons bevinden eene eenzame wildernis is, zoodat wij uiterst
-moeielijk paarden zullen krijgen en dat wij met den besten wil van de
-wereld die reis niet te voet kunnen afleggen.”
-
-»Vooral mijne dochter niet, niet waar?” hervatte hij met een bitteren
-glimlach.
-
-»Ja,” herhaalde de Tigrero, »vooral de señorita.”
-
-»Wat dan gedaan? want ik ben volstrekt verplicht om derwaarts terug te
-keeren, vooral om mijne dochter,” voegde hij er bij met nadruk op de
-laatste woorden, »en dat wel zoo spoedig mogelijk.”
-
-De Tigrero loog een weinig toen hij don Sylva verzekerde dat zij dertig
-mijlen van de kolonie af waren; de afstand bedroeg niet meer dan
-achttien mijlen; maar in zulk een onherbergzame streek, waar geene
-wegen bestaan, zijn zestien of achttien mijlen bijna onoverkomelijk
-voor iemand die, aan het ruwe woestijnleven ongewoon, tegen de daarvan
-onafscheidelijke vermoeienis niet gehard is. Don Sylva, ofschoon hij de
-prairie nooit doorreisd had dan op den weelderigsten voet en voorzien
-van al de gemakken, die men zich in deze verre streken met mogelijkheid
-verschaffen kan, wist ten minste, zoo al niet bij ondervinding dan toch
-bij geruchte, hoevele moeielijkheden er bij iederen stap konden
-oprijzen en welke belemmeringen hij op zijn weg ontmoeten kon. Zijn
-besluit was dus dadelijk genomen.
-
-Gelijk velen zijner landgenooten bezat don Sylva eene groote mate van
-stijfhoofdigheid; wanneer hij eenmaal een plan gevormd of een doel zich
-voor oogen had gesteld, onverschillig wat het ook wezen mocht, zou hij
-er alles aan gewaagd hebben en werd iedere hindernis die hem in den weg
-kwam een nieuwe prikkel om het te bereiken.
-
-»Hoor mij dan, don Martial,” zeide hij tegen den Tigrero, »ik wil rond
-met u te werk gaan: ik behoef u niet voor nieuws te vertellen, dat
-mijne dochter op het punt staat van met den graaf de Lhorailles te
-huwen; dat huwelijk moet gesloten worden, ik heb het gezworen en het
-zal geschieden, trots al wat men zegge of doe om het te beletten. En
-nu, na deze verklaring, zal ik uwe trouw jegens mij, daar gij zoo hoog
-van opgeeft, op de proef stellen.”
-
-»Spreek, señor,” zei don Martial.
-
-»Zend dan uw kameraad naar de graaf de Lhorailles; ik zal hem een brief
-medegeven om zijne ongerustheid te doen bedaren en hem mijne aanstaande
-komst aan te kondigen.”
-
-»Goed.”
-
-»Zal hij het doen?”
-
-»Oogenblikkelijk.”
-
-»Dank u. Wat thans u zelven aangaat, geef ik u vrijheid ons te verlaten
-of te volgen, zoo als gij verkiest, maar vooreerst hebben wij paarden
-en wapenen en bovenal een goed eskorte noodig. Ik zou niet gaarne weder
-in handen der heidenen vallen; misschien zou ik dezen keer het geluk
-niet hebben om er zoo goed af te komen.”
-
-»Blijf hier, binnen twee uren kom ik met paarden terug; wat een eskorte
-betreft, daar zal ik u aan zien te helpen, maar dat durf ik u niet
-stellig verzekeren. Daar gij er niets tegen hebt dat ik medega, zal ik
-u verzellen tot gij den graaf ontmoet. Gedurende den tijd dien ik het
-geluk zal hebben met u op reis door te brengen, hoop ik u te bewijzen
-dat gij u in mij vergist hebt.”
-
-Deze woorden werden op zulk een ondubbelzinnigen toon uitgesproken, dat
-de haciendero er zich door getroffen gevoelde.
-
-»Wat er ook gebeure,” zeide hij, »ik zeg u dank, gij zult mij in ieder
-geval een onuitsprekelijken dienst hebben bewezen, daar ik u eeuwig
-erkentelijk voor zal zijn.”
-
-Don Sylva scheurde een blad papier uit zijn zakboekje, schreef er met
-potlood eenige woorden op, vouwde het toe en gaf het den Tigrero.
-
-»Zijt gij zeker van dien man?” vroeg hij.
-
-»Zoo goed als van mij zelven,” antwoordde don Martial uitwijkend; »wees
-gerust dat hij den graaf zien zal.”
-
-De haciendero wees met de hand dat hij voldaan was, en de Tigrero
-naderde Cuchares.
-
-»Ziedaar,” zeide hij met eene luide stem terwijl hij hem het briefje
-ter hand stelde, »breng dat binnen twee uren bij den kommandant van
-Guetzalli. Hebt gij mij verstaan?”
-
-»Ja,” antwoordde de lepero.
-
-»Vertrek, en de hemel beware u voor kwade ontmoetingen. Over een
-kwartier achter dien heuvel daar;” liet hij schielijk en fluisterend er
-op volgen.
-
-»Afgesproken,” riep de andere met eene buiging.
-
-»Neem deze prauw,” vervolgde de Tigrero.
-
-Zoo de haciendero al eenigen argwaan had kunnen koesteren, thans
-verdween deze geheel, nu hij zag dat Cuchares in de prauw sprong, de
-pagaaien greep en dadelijk van wal stak, zonder taal of teeken met den
-Tigrero te wisselen en zelfs zonder het hoofd om te wenden.
-
-»Dat is het eerste gedeelte uwer beschikkingen, die gij in vervulling
-ziet overgaan,” zei de Tigrero toen hij bij don Sylva terugkwam; »nu
-zal ik mij met het tweede belasten; neem mijne pistolen en mijne
-machete, dan kunt gij u althans te weer stellen in geval van nood, want
-ik laat u hier achter, maar vooral verwijder u niet, binnen twee uren
-op zijn langst ben ik weder bij u.”
-
-»Weet gij dan een middel om hier paarden te vinden?” vroeg don Sylva.
-
-»Weet gij nog niet dat de woestijn mijne dagelijksche woonplaats is?”
-antwoordde hij met een somberen glimlach. »Ik ben hier thuis; weldra
-zult gij er het bewijs van zien. Tot wederziens?”
-
-En hij verwijderde zich snel in tegenovergestelde richting als de
-prauw.
-
-Toen hij een poos geloopen had en achter een dicht boschje van
-acajou-boomen en kreupelhout voor don Sylva onzichtbaar was geworden,
-maakte hij op eens een scherpen hoek rechts, van de rivier af en liep
-hard terug tot hij de andere zijde van den heuvel bereikte.
-
-Daar zat Cuchares bedaard zijne cigarette rookend op hem te wachten.
-
-»Geen woorden, maar daden,” zei de Tigrero, »de tijd dringt.”
-
-»Ik wacht uwe bevelen.”
-
-»Ziet gij dezen diamant?” en hij wees den lepero op den ring aan zijn
-das.
-
-»Hij is duizend piasters waard,” zei de lepero die hem met het oog van
-een kenner bekeek.
-
-Don Martial bood hem den ring aan.
-
-»Dien geef ik u,” zeide hij.
-
-De andere nam hem aan en stak hem bij zich.
-
-»Wat moet ik er voor doen?”
-
-»Mij dadelijk den brief geven.”
-
-»Daar is hij.”
-
-Don Martial nam hem en scheurde hem in duizend stukjes.
-
-»Wat volgt?” vroeg Cuchares.
-
-»Wat volgt,” herhaalde de Tigrero, »ik heb nog een diamant van gelijke
-waarde ter uwer beschikking; gij verstaat mij?”
-
-»Ja, ik neem het aan.”
-
-»Maar op eene voorwaarde.”
-
-»Die ken ik,” zeide de lepero met een veelbeteekenenden wenk.
-
-»Gij neemt het stellig aan, zegt gij?”
-
-»Stellig.”
-
-»Dat is afgesproken.”
-
-»Gij zult nooit weêr verdriet van hem hebben.”
-
-»Goed; maar gij begrijpt, ik verwacht bewijzen.”
-
-»Die zult gij hebben.”
-
-»Dan tot weerziens.”
-
-»Tot weerziens.”
-
-De beide medeplichtigen scheidden ten hoogste voldaan, zij hadden
-elkander met een enkel woord begrepen.
-
-Wij hebben reeds gezien op welke wijs Cuchares zich kweet van de
-zending daar don Sylva hem mede belast had.
-
-Na zijn kort gesprek met Cuchares ging don Martial er op uit om ergens
-paarden te zoeken.
-
-Twee uren later keerde hij terug; niet alleen had hij uitmuntende
-paarden medegebracht, maar tevens twee peons of die er voor moesten
-doorgaan om tot geleide te dienen.
-
-De haciendero waardeerde in allen deele de kieschheid waarmede don
-Martial te zijnen opzichte te werk ging, en ofschoon het uitzicht en de
-manieren zijner nieuwe beschermers niet van de echte soort waren,
-bedankte hij den Tigrero toch hartelijk voor de moeite die deze zich
-gegeven had om aan zijn verlangen te voldoen, en thans omtrent den
-afloop zijner reis volkomen gerustgesteld, nam hij met goeden eetlust
-deel aan het ontbijt, een gebraden hertebout met een dronk pulque, die
-don Martial hem mede had weten te bezorgen.
-
-Toen de maaltijd geëindigd was ging de kleine troep, wel gewapend en
-vol moed op marsch in de richting naar de kolonie Guetzalli, waar don
-Sylva, op zijn gemak reizende, en zoo er ten minste niets in den weg
-kwam, berekende binnen drie dagen te zullen aankomen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIX.
-
-IN DE PRAIRIE.
-
-
-De noordoostelijke grens van Mexico tot aan de oude thans verlaten en
-in puin vallende zendelingsposten der Jezuïeten, vormt den rand der
-groote prairie van de Rio Gila, of Apacheria, die zich uitstrekt tot
-aan de onvruchtbare woestijn del Norte.
-
-In dit gedeelte der prairie spreidt de natuur om zoo te zeggen met
-verkwistende praalzucht, een rijkdom van groeikracht en vruchtbaarheid
-ten toon die men elders te vergeefs zou zoeken.
-
-Guetzalli was aangelegd op de bouwvallen van een der bovengenoemde,
-voorheen zoo bloeiende zendelingsposten der paters Jezuïeten, die
-sedert het decreet der uitdrijving uit deze streek verdwenen zijn.
-
-Zonder hier in eenige beschouwingen hetzij voor of tegen de
-Jezuïetenorde te treden, zullen wij alleen in ’t voorbijgaan zeggen,
-dat zij in dit gedeelte van Amerika groote diensten heeft bewezen; dat
-al de zendingsposten, door de paters in de wildernis gesticht,
-bloeiden; dat de Indianen van alle kanten toestroomden om zich onder
-hunne vaderlijke wetten te stellen, en dat sommige missiën, die wij bij
-name zouden kunnen noemen, niet minder dan zestig duizend bekeerlingen
-telden; ten bewijze van de deugd hunner instellingen kan men aanvoeren,
-dat toen de Jezuïeten van hooger hand bevel kregen hunne posten aan
-andere geestelijke broeders over te geven, de proselieten hun uit eigen
-beweging en met vele tranen smeekten om dit willekeurig bevel niet te
-gehoorzamen, hun aanbiedende om hen desnoods tegen alles te zullen
-verdedigen.
-
-Tot staving van dezen lof dien wij den Jezuïeten hoezeer spade
-toekennen, kan verder dienen, dat na hun vertrek de zendingsposten
-spoedig zijn vervallen, en de proselieten die zij met zooveel moeite in
-den schoot der Kerk hadden gebracht, allen tot het wilde leven zijn
-teruggekeerd; ofschoon na verloop van zoo vele jaren de geheugenis der
-weldaden hun door de zendelingen bewezen, nog altijd in het hart der
-Indianen leeft en een hoofdonderwerp uitmaakt hunner gesprekken,
-wanneer zij des avonds rondom hunne kampvuren samen keuvelen, over den
-goeden ouden tijd, toen de blanke vaders nog voor hen zorgden en
-waakten.
-
-Don Sylva de Torres wenschte zoo spoedig mogelijk en langs den kortsten
-weg de kolonie Guetzalli te bereiken; ongelukkig moest hij daartoe, om
-zoo te zeggen als een vogel door de lucht, eene uitgebreide landstreek
-doortrekken, waar geen spoor van pad of weg te vinden was; bovendien
-was hij door zijn gemis van plaatselijke kennis genoodzaakt zich geheel
-op don Martial te verlaten, een uitmuntende gids ongetwijfeld waar het
-op schranderheid of kennis van de wildernis aankwam, maar in wien hij
-om andere redenen, daar hij zich niet recht rekenschap van wist te
-geven, niet veel vertrouwen stelde.
-
-Evenwel gaf de Tigrero, in schijn althans, bewijs van de meeste
-voorkomendheid en zorg voor den haciendero, voerde hem zooveel mogelijk
-langs begaanbare wegen, deed hem de moeielijkste plaatsen vermijden of
-omtrekken en waakte met voorbeeldigen ijver voor de veiligheid der
-kleine karavaan.
-
-Iederen avond kampeerde de troep op de kruin van een heuvel, vanwaar
-men tot op verren afstand kon uitzien, ten einde eene overrompeling te
-vermijden.
-
-Op den avond van den vierden dag, na een vermoeienden marsch over een
-verbrokkeld terrein, bereikten zij een heuvel, waar don Martial hun
-weder voorstelde te kampeeren.
-
-De haciendero nam dit voorstel des te gretiger aan, daar hij weinig aan
-deze manier van reizen gewoon, zich uiterst vermoeid gevoelde. Na een
-sober maal, uit gebraden maïskoeken en gestoofde, met piment gekruide
-en met pulque gedoopte peren bestaande, wikkelde don Sylva, zonder
-zelfs aan zijne vaste gewoonte te denken om na den maaltijd een
-cigarette te rooken, zich zorgvuldig in zijn mantel, strekte zich op
-den grond uit, met de voeten aan het vuur en het hoofd op een stapeltje
-zoden en zonk bijna onmiddellijk in een diepen slaap.
-
-Don Martial en Anita bleven eene poos stilzwijgend bij het vuur zitten
-met de oogen op den slapende gericht en met aandacht zijne ademhaling
-bespiedende. Eindelijk, toen de Tigrero overtuigd was dat de haciendero
-werkelijk sliep, wendde hij zich tot het meisje en fluisterde haar met
-eene zachte stem in ’t oor:
-
-»Vergeving, doña Anita, vergeving!”
-
-»Vergeving! en waarom?” vroeg zij verwonderd.
-
-»Helaas! het is voor mij dat gij zooveel moet lijden.”
-
-»Egoïst,” riep zij met een bekoorlijken lach, »is het dan ook niet
-tevens voor mij, omdat ik u zoo bemin?”
-
-»O! dank!” riep hij, »gij geeft mij den moed terug dien ik in mijn hart
-voelde wegzinken. Maar o! hoe zal dit alles nog afloopen?”
-
-»Goed, daarvan ben ik overtuigd,” riep zij levendig, »wij hebben
-slechts een weinig geduld noodig; mijn vader, denk dat maar, zal
-spoedig voor u gewonnen zijn.”
-
-De Tigrero glimlachte droevig.
-
-»Ik kan u toch niet zoo eindeloos in de prairie laten zwerven.”
-
-»Dat is zoo,” hervatte zij bezorgd. »Wat zullen wij doen?”
-
-»Ik weet het niet. Sedert twee dagen doen wij niets anders dan om de
-kolonie heen zwerven, daar wij nauwelijks drie uren ver van verwijderd
-zijn, zonder dat ik den moed heb om er binnen te trekken.”
-
-»Helaas!” mompelde het meisje.
-
-»Ach! doña Anita!” vervolgde hij op zekeren toon van moedeloosheid,
-»waarom hebt gij toch zulk een vader?”
-
-»O spreek zoo niet,” riep zij hem schielijk de hand op den mond
-leggende als om hem te doen zwijgen, »waarom zoudt gij wanhopen? God is
-goed. Hij zal ons niet verlaten; wie weet hoe zich alles nog ten beste
-keert, laten wij op Hem vertrouwen?”
-
-»Maar, mijne lieve,” riep hij hoofdschuddend, »onze toestand is
-onhoudbaar. Langer zonder doel voorttrekken is onmogelijk. Uw vader,
-hoe weinig hij ook met dit land bekend is, zal eindelijk zien dat ik
-hem misleid, en dan kan ik niets meer bij hem uitrichten. Aan den
-anderen kant, als ik de kolonie binnen trok, zou ik u terugbrengen
-onder het juk van den man met wien men u dwingen wil te trouwen; tot
-zulke eene schandelijke dwaasheid kan ik niet besluiten. O! ik zou
-gaarne tien van mijne levensjaren geven om te weten wat ik doen moet.”
-
-Op dit oogenblik als had de hemel zijnen wensch gehoord en er
-onmiddellijk op willen antwoorden zag de Tigrero, wiens oogen
-werktuigelijk over de prairie weidden, waar alles thans in de diepste
-duisternis gedompeld lag, op korten afstand tusschen de hooge
-grashalmen een licht, op verschillende wijze herhaald, opsteken en
-bepaalde telegraphische figuren in de lucht beschrijven. En op
-hetzelfde oogenblik hoorde zijn geoefend oor zoo hij meende in de verte
-het gehinnik van een paard.
-
-»Dat is iets buitengewoons,” mompelde hij in zich zelven. »Wat zou dat
-beteekenen? Zou het een signaal zijn? Intusschen zijn wij hier alleen;
-ik heb den ganschen dag geen spoor of teeken van menschelijk leven
-ontdekt. En toch, dat licht en dat gehinnik, zoo onmiddellijk achter
-elkander...?”
-
-»Wat schort u, mijn vriend!” vroeg doña Anita bezorgd. »Gij schijnt
-ongerust; welk gevaar bedreigt ons? Zeg het vrij. Gij weet, ik ben
-moedig, en bovendien wat zou ik vreezen daar ik u bij mij heb! Verzwijg
-mij niets. Er is zeker iets buitengewoons, is het niet?”
-
-»Nu ja,” antwoordde hij ronduit, daar hij het toch niet voor haar kon
-verbergen, »er gebeurt iets ongewoons; maar verontrust u niet, ik
-geloof niet dat gij iets te vreezen hebt.”
-
-»Maar wat is het dan? Ik heb niets gezien.”
-
-»Kijk eens, daar ginds,” zeide hij, de hand uitstrekkende.
-
-Het meisje keek scherp uit, en zag nu wat de Tigrero reeds eenige
-oogenblikken vroeger gezien had, een licht in de verte, dat als een
-roode stip in de duisternis schitterde en zeer bepaalde lijnen
-beschreef.
-
-»Dat is blijkbaar een signaal,” hernam de Tigrero, »daar moet iemand
-verscholen zijn.”
-
-»Wacht gij dan iemand?” vroeg zij.
-
-»Bepaald niemand, en toch, ik weet niet waarom, geloof ik dat dit
-signaal voor mij bestemd is.”
-
-»Ja, maar gij weet wel wij zijn in de prairie en worden waarschijnlijk
-door een aantal Indiaansche jagers omringd; dus kan dat licht wel een
-signaal zijn dat zij elkander geven.”
-
-»Neen, doña Anita, gij vergist u, wij worden althans op dit oogenblik
-niet door Indiaansche jagers omringd; ik weet zeker dat wij hier alleen
-zijn.”
-
-»Hoe kunt gij dat weten, vriend, daar gij geen oogenblik hier vandaan
-zijt geweest om het te onderzoeken?”
-
-»Mijn lieve doña Anita,” antwoordde hij op ernstig nadrukkelijken toon,
-»de prairie is een open boek, waarin Gods hand duizend geheimen heeft
-opgeteekend, die de mensch, aan het leven der woestijn gewoon, er op
-iedere bladzijde leest: de wind die door de takken ruischt, het water
-dat over de keien der beek murmelt, de vogel die de lucht doorvliegt,
-het hert of de bison die in de vlakte graast, de alligator die zich
-omwentelt in het oeverslijk, zijn voor mij zoovele teekenen daar ik mij
-nooit in vergissen zal. Sedert twee dagen hebben wij geen spoor of
-teeken van de Roodhuiden ontdekt, de bisons en andere dieren die wij
-ontmoetten graasden rustig en zonder mistrouwen; de vogels vlogen
-ongestoord, en de alligators waren zoo diep onder het slib weggedoken
-dat men ze bijna niet zien kon. Al deze dieren ruiken de nadering van
-den mensch, vooral van den Indiaan reeds op verren afstand, en
-nauwelijks hebben zij er de lucht van, of zij vluchten met allen spoed,
-zoo groot is de vrees die de koning der schepping hun inboezemt. Ik
-herhaal u, wij zijn alleen, gansch alleen; dat signaal is dus zeker
-voor mij. En ziedaar, het begint op nieuw.”
-
-»’t Is waar, ik zie het duidelijk,” riep doña Anita.
-
-»Ik moet weten wat dit beduidt,” zeide hij, zijn geweer nemende.
-
-»O! don Martial; ik bid u, pas toch op! en wees voorzichtig. Denk om
-mij,” vervolgde zij angstig.
-
-»Maak u niet ongerust, doña Anita, ik ben te lang woudlooper geweest om
-mij door zulk een grove list te laten beet nemen; tot flusjes! ik kom
-dadelijk weêr bij u.”
-
-Zonder verder naar het meisje te luisteren, dat hem met tranen en beden
-zocht te weêrhouden, liep hij snel ofschoon behoedzaam den heuvel af.
-
-In de vlakte komende bleef hij staan, om te zien waar hij was en wat
-hij verder doen moest.
-
-Zijn kamp lag op twee pijlschoten afstands van de Rio Gila bijna recht
-tegenover een groot eiland, dat inderdaad uit eene enkele rots bestaat,
-die ongeveer de gedaante van een mensch heeft en bijgevolg door de
-Apachen de Meester des levens van den mensch is genoemd.
-
-Bij hunne invallen op Mexicaansch grondgebied zullen de Roodhuiden
-nooit verzuimen dit eiland te bezoeken om er hunne offeranden te
-brengen, eene ceremonie die hoofdzakelijk bestaat in dansen en daarbij
-in het water werpen van tabak, dieren- of menschenhaar en vederen van
-vogels.
-
-De bovengenoemde rots, die er in de verte zeer wonderlijk en
-ontzagwekkend uitziet, is met twee holen doorboord, elk van twaalf
-honderd schreden lang en veertig breed, en de kruin heeft den vorm van
-een boog.
-
-Wat de opmerkzaamheid van den Tigrero bijzonder getroffen en hem
-terstond had doen besluiten het vermeende signaal nader te gaan
-onderzoeken, was dat het van dit eiland was uitgegaan, een ongewoon
-verschijnsel, des te meer daar hij wist dat de Indianen voor dit eiland
-eene bijgeloovige vrees koesteren, zoodat geen Roodhuid hoe dapper hij
-ook wezen mocht gewaagd zou hebben er den nacht door te brengen. Zijne
-bekendheid met die vrees had hem terstond bewogen om het geheimzinnig
-signaal nader te onderzoeken.
-
-Er groeide hoog en dicht gras tot aan den rand der rivier. Daar komende
-onder bedekking van dichte tot een ondoordringbaar warnet in elkander
-gegroeide wortelboomen en waterwilgen, sloop de Tigrero behoedzaam naar
-den vrij steilen oever, en toen hij dezen bereikt had, greep hij een
-overhangenden tak en liet zich in het water zakken, zoodat zijne
-indompeling geen het minste geplas maakte.
-
-Toen zijn geweer met de eene hand boven water houdende, om het voor nat
-worden te bewaren, zwom hij met de andere hand de rivier over naar het
-eiland.
-
-De afstand was kort, de Tigrero was een goed zwemmer, weldra bereikte
-hij het punt waar hij wilde aanlanden.
-
-Nauwelijks was hij aan wal of hij ging op zijn buik liggen en kroop
-door de struiken, zorgvuldig achtgevend op het minste geluid en zoo
-scherp mogelijk rondziende in de duisternis.
-
-Hij zag of hoorde niets; nu stond hij op en liep naar een der holen en
-grotten, aan welks ingang hij het schijnsel van een vuur zag blinken.
-Bij dat vuur zat een man, met het hoofd op de beide handpalmen geleund,
-zoo rustig te rooken alsof hij in een pulqueria te Guaymas gezeten was.
-
-Na dezen man eene minuut lang te hebben bespied, kon hij nauwelijks een
-vroolijken uitroep bedwingen en trad hij zonder zich langer te
-verbergen regelrecht naar hem toe.
-
-Hij had zijn ouden vertrouweling, Cuchares den lepero herkend.
-
-Het gedruisch der voetstappen van den Tigrero deed Cuchares opkijken.
-
-»Wel, wel! komt gij eindelijk, don Martial!” riep hij, »ik heb mij een
-uur lang vermoeid met alle seinen te geven die ik bedenken kon, zonder
-dat gij u verwaardigd hebt mij te antwoorden.”
-
-»Ja, mijn waarde,” zei de Tigrero vroolijk, »als ik had kunnen
-vermoeden dat gij het waart, zou ik reeds lang hier zijn geweest; maar
-ik was zoo ver van u te verwachten.”
-
-»Wel ingezien hebt gij gelijk, en in eene streek als hier kan men niet
-te voorzichtig zijn.”
-
-»Maar zeg mij, is er wat nieuws?” hervatte de Tigrero terwijl hij dicht
-bij het vuur plaats nam, om zijne druipnatte kleeren te drogen.
-
-»Caspita! of er wat nieuws is! anders zaagt gij mij zeker niet hier.”
-
-»Dat’s waar; gij zijt een goede kameraad, ik dank u dat gij gekomen
-zijt; gij weet wel dat ik goed onthouden kan?”
-
-»Dat weet ik.”
-
-»Ter zake, zeg mij wat hebt gij mij mede te deelen; ik heb haast om uw
-nieuws te hooren, en vooraf nog eene vraag.”
-
-»Welke?”
-
-»Is het goed?”
-
-»Onverbeterlijk; gij zult het zelf kunnen beoordeelen.”
-
-»Carai! als dat zoo is, neem dan dezen ring, dien ik niet verplicht was
-u te geven voordat onze zaken geheel waren afgedaan; maar wees
-verzekerd, als wij onze rekening sluiten, zal ik nog wel iets vinden
-dat u bevallen zal.”
-
-De oogen van den lepero schitterden van blijdschap en begeerigheid; hij
-nam den ring en borg hem bij den anderen dien hij eenige dagen te voren
-ontvangen had.
-
-»Ik dank u,” zeide hij, »Vive Dios! Het is een pleizier om zaken met u
-te doen: gij knibbelt ten minste niet.”
-
-»Thans uw nieuws.”
-
-»Hier is het, kort, maar goed. El señor conde, radeloos over het
-verdwijnen zijner bruid, die hij meent dat door de Apachen is
-opgelicht, heeft zich aan ’t hoofd zijner kompagnie gesteld, is van de
-hacienda vertrokken en doorkruist thans de prairie in alle richtingen
-om den Zwarte-Beer na te zetten.”
-
-»Carai! dat is de gelukkigste tijding die gij mij ooit brengen kondt.
-En wat denkt gij nu te doen?”
-
-»Wel, wij zijn immers afgesproken dat el conde....”
-
-»Zonder twijfel!” viel de Tigrero hem in de rede; »maar dan moeten wij
-hem eerst aantreffen, hetgeen naar ik meen thans niet gemakkelijk gaan
-zal.”
-
-»Integendeel.”
-
-»Hoe dan?”
-
-»Wel, señor don Martial, zoudt gij mij nu de oneer willen aandoen van
-te zeggen dat ik een pavo—een kalkoen—ben.”
-
-»Wel neen, compadre, maar....”
-
-»Maar gij denkt het toch; dan moet ik u tot mijn genoegen zeggen dat
-gij u bedriegt; gedurende de weinige oogenblikken die ik in de hacienda
-was, heb ik zooveel mogelijk navraag gedaan en mij goed laten
-inlichten, en daar ik mij in mijn geleende kwaliteit als boodschapper
-aanmeldde, heeft niemand eenig bezwaar gemaakt mij te antwoorden. Het
-schijnt dat de Apachen in plaats van veld te winnen, door de Franschen,
-daar zij in parenthesis den schrik van hebben gezet, zoo dapper zijn
-afgeslagen dat zij zich naar de woestijn del Norte hebben
-teruggetrokken, om hunne dorpen te bereiken; el conde zet hen na, niet
-waar?”
-
-»Ja, dat hebt gij mij gezegd.”
-
-»Welnu, naar alle waarschijnlijkheid zal hij zich niet in die woestijn
-durven wagen.”
-
-»Natuurlijk niet,” riep de Tigrero huiverend, »hoe dapper hij ook wezen
-mag.”
-
-»Zeer goed! en dan kan hij slechts op één punt post vatten.”
-
-»Aan de Casa Grande!” riep don Martial schielijk.
-
-»Juist! Ik ben dus zeker dat ik hem daar ontmoeten zal.”
-
-»Slapperment! dan moet gij daar dadelijk heen.”
-
-»Ik ga op weg zoodra gij vertrokken zijt.”
-
-De Tigrero staarde hem met zekere verbazing aan.
-
-»Diablo! Cuchares,” riep hij een oogenblik later, »gij zijt een kordaat
-man, ik acht mij gelukkig dat ik mij in u niet bedrogen heb.”
-
-»Wat belieft u,” antwoordde de schelm zedig terwijl hij met zijne
-grijze oogen kwaadaardig knipte, »de betrekkingen die ik met u heb
-aangegaan zijn zoo aangenaam dat ik de macht niet heb u iets te
-weigeren.”
-
-Beiden schoten in een lach over dezen tamelijk dubbelzinnigen
-kwinkslag.
-
-»Welnu, daar alles tusschen ons is afgesproken,” hervatte don Martial,
-»kunnen wij scheiden.”
-
-»Hoe zijt gij hier gekomen?” vroeg de lepero.
-
-»Dat kunt gij dunkt mij wel zien, al zwemmende.... En gij?”
-
-»Op mijn paard. Ik zou u wel aanbieden u weder aan wal te brengen, maar
-wij moeten elk een anderen kant uit.”
-
-»Voor het oogenblik nog niet.”
-
-»Denkt gij dan spoedig naar ginds te gaan?”
-
-»Waarschijnlijk,” riep hij met een dubbelzinnigen glimlach.
-
-»O! dan zullen wij elkander spoedig weêrzien.”
-
-»Ik hoop ja.”
-
-»Hoor eens, don Martial, daar ik zie dat uwe kleederen volkomen droog
-zijn, zou het mij spijten als gij u voor de tweede maal moest nat
-maken, ik geloof dat er eene prauw in de nabijheid is; gij weet dat de
-Indianen die overal gereed hebben en ergens verbergen.”
-
-De Tigrero trad de grot in, keek rond en zag werkelijk een prauw,
-ordelijk met de daarbij behoorende pagaaien tegen den wand geplaatst;
-hij nam haar onbeschroomd op, en droeg haar op zijne schouders naar den
-rivierkant.
-
-»Maar eer wij verder gaan, zeg eens, waarom hebt gij deze plaats
-gekozen om bij mij te komen?”
-
-»Om niet gestoord te worden; of zou het u bevallen zijn, dat iemand ons
-gesprek had beluisterd!”
-
-»Neen, dat stem ik u toe. Kom, tot weêrziens dan.”
-
-»Tot weêrziens!”
-
-De twee mannen scheidden, Cuchares om een verren tocht te beginnen, en
-don Martial om naar zijn kampement terug te keeren.
-
-Zij hadden zich intusschen bedrogen, toen zij meenden door niemand
-beluisterd te worden.
-
-Nauwelijks hadden zij het eiland verlaten en zich in verschillende
-richting verwijderd, of er stak uit eene dichte massa dahlia’s en
-floripondio’s aan den ingang der grot een leelijk hoofd op, dat
-omzichtig links en rechts rondkeek; vervolgens, een oogenblik later,
-werden de takken meer en meer uit elkander geduwd en volgde op het
-hoofd het geheele lichaam, en weldra trad een Apache-Indiaan, als
-oorlogsman beschilderd en gewapend te voorschijn.
-
-Die Indiaan was de Zwarte-Beer.
-
-»Ooah!” mompelde hij met een dreigend gebaar, »de bleekgezichten zijn
-honden, de Apachen-krijgslieden zullen hen op den voet volgen.”
-
-Nadat hij nog een poosje den helderen sterrenhemel had aangekeken ging
-hij de grot in.
-
-Intusschen had de Tigrero zijn kamp weder bereikt.
-
-Doña Anita, ongerust over zijn lang uitblijven, wachtte hem met
-angstige bezorgdheid.
-
-»Wel?” vroeg zij, hem te gemoet snellende, zoodra zij hem zag aankomen.
-
-»Goed nieuws,” antwoordde hij.
-
-»O, wat heb ik in angst gezeten.”
-
-»Ik zeg u dank, het is juist gegaan zoo als ik verwacht had; het
-signaal was werkelijk voor mij.”
-
-»Dat....”
-
-»Ik heb een vriend ontmoet die mij de middelen heeft verschaft om uit
-de valsche stelling te geraken waarin wij ons bevinden.”
-
-»Op welke wijs?”
-
-»Verontrust u over niets, zeg ik u en laat mij begaan.”
-
-Het meisje gehoorzaamde stilzwijgend en ondanks hare nieuwsgierigheid,
-verwijderde zij zich in de jacal,—eene hut van samengevlochten
-takken—die voor haar was gereed gemaakt, zonder don Martial verder te
-vragen wat er van was.
-
-In plaats van te slapen vlijde de Tigrero zich onder een boom neer,
-kruiste de armen op de borst en bleef onbeweeglijk zitten, in sombere
-gepeinzen verzonken tot de dag aankwam.
-
-Met het opgaan der zon stond hij op, stapte eenige malen op en neder om
-de stramme vadsigheid van den nacht te verdrijven en riep zijne
-kameraden.
-
-Tien minuten later hervatte de kleine troep weder den marsch.
-
-»O ho! don Martial, wat zijt gij er vroeg bij, dezen morgen,” riep de
-haciendero.
-
-»Hebt gij dan niet opgemerkt dat wij vooraf niet ontbeten hebben, zoo
-als wij anders alle dagen deden?”
-
-»Caramba, neen!”
-
-»Weet gij waarom? ’t Is omdat wij heden te Guetzalli zullen ontbijten,
-daar wij over twee uren aankomen.”
-
-»Ah! te weerga!” riep de haciendero, »dat hoor ik met bijzonder
-genoegen.”
-
-»Niet waar?”
-
-»Ik verzeker u van ja.”
-
-Doña Anita had toen zij dit gesprek hoorde don Martial een ongerusten
-blik toegeworpen, maar zijn gelaat stond zoo kalm en hij glimlachte zoo
-vroolijk, dat zij onmiddellijk tot bedaren kwam, wel vermoedende dat de
-stilzwijgendheid van den Tigrero te haren opzichte haar eene aangename
-verrassing wilde bereiden.
-
-Zooals don Martial gezegd had, kwam de karavaan twee uren later
-werkelijk aan de kolonie.
-
-Nauwelijks waren zij door de schildwachts herkend, of de valbrug aan de
-landengte werd neergelaten en zij reden de hacienda binnen, waar zij
-met al de vereischte eerbewijzen ontvangen werden.
-
-Doña Anita, die geen oog van den Tigrero af had, werd beurtelings bleek
-en rood, daar zij zijne volkomen bedaardheid volstrekt niet begreep.
-
-Zij stapten af op de tweede binnenplaats, voor de groote deur.
-
-»Waar is toch de graaf de Lhorailles?” vroeg don Sylva, ten hoogste
-verwonderd dat hij zijn aanstaanden schoonzoon niet zag verschijnen om
-hem naar behooren te ontvangen.
-
-»Mijnheer de graaf zal wanhopig zijn als hij hoort dat gij zijt
-teruggekomen terwijl hij afwezig is,” antwoordde de majordomo met een
-stroom van verontschuldigingen.
-
-»Is hij dan van huis?”
-
-»Ja, señoria.”
-
-»Maar komt hij spoedig terug?”
-
-»Dat denk ik niet; de kapitein is vertrokken aan het hoofd van zijne
-gansche compagnie, om de Roodhuiden te vervolgen.”
-
-Dat bericht klonk don Sylva als een donderslag.
-
-De Tigrero en doña Anita wisselden een blik van genoegen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XX.
-
-IN DEN ZADEL.
-
-
-De groote zandwoestijn del Norte is de Sahara van Amerika, misschien
-minder uitgestrekt, maar veel doodscher en akeliger dan die van Afrika.
-
-Daar vindt men nog lachende oasen, door prachtige boomgroepen
-overschaduwd en door koele bronnen verfrischt. Maar in del Norte niets
-van dat alles. Onder een hemel als van geel koper strekken zich
-onmetelijke vlakten uit van vaalgrijs zand, van horizont tot horizont,
-in iedere richting zand, niets dan zand; een fijn ontastbaar zand of
-veeleer fijn stof, dat de wind in groote wolken opjaagt, verplaatst en
-er mede voortwervelt, zoodat de gedaante der woestijn gedurig verandert
-en telkens nieuwe valleien gegraven en nieuwe heuvels worden opgehoopt,
-zoo vaak de ontzaglijke cordonazo er den mullen grond omwoelt.
-
-Grauwe rotsen, met een schraal en verschroeid mos bedekt, steken hier
-en daar de kale kruinen omhoog te midden van dezen chaos, die sinds het
-uur der schepping nog niet van gedaante veranderd is.
-
-De bison, de asshata, de snelle antilope ontvluchten deze woestijn,
-waar de mulle bodem hunne pooten weigert te dragen; de gieren alleen,
-met hun bloedig en loerend oog, vliegen bij troepen in dit
-onherbergzaam gewest om er een zeldzamen maar zekeren buit te zoeken;
-want deze woestenij is zoo vreeselijk, dat de Indianen zelven er zich
-niet dan sidderend in wagen en haar zoo snel mogelijk doortrekken,
-wanneer zij naar hunne dorpen terug moeten na eenen rooftocht op
-Mexicaansch grondgebied; maar ondanks hunnen ongelooflijk snellen loop
-teekent zich hun spoor in eene onuitwischbare reeks van geraamten van
-muildieren en paarden, die zij bij gebrek aan voedsel verplicht zijn
-aan hun lot over te laten, en wier gebeente op den naakten bodem ligt
-te verbleeken en te verkalken, tot de van nieuws ontboeide storm het
-als met een doodskleed van zand bedekt.
-
-En toch, als had de hand des Scheppers, gelijk overal, ook in de dorre
-woestijn hare zorgende almacht willen ten toon spreiden, ziet men, bij
-zeer groote tusschenruimten,—o wonderbare verschijning! half in het
-zand begraven, te midden der ordeloos daarheen geworpen rotsen, een
-krachtigen boom oprijzen, met vervaarlijk dikken stam, die wellicht den
-storm van 10 à 20 eeuwen heeft getrotseerd en wiens dicht gebladerte
-den matten reiziger onder zijne schaduw eenige rust schijnt te willen
-bieden.
-
-Zulke boomen echter verlevendigen de doodelijke vlakte niet dan mijlen
-ver van elkander, en nooit of althans zeer zelden zal men er twee op
-dezelfde plaats bijeen vinden.
-
-Deze patriarchen der woestijn, eerwaardig door ouderdom en majestueuze
-eenzaamheid, worden door de jagers en woudloopers op hoogen prijs
-gesteld, en door de Indianen schier afgodisch vereerd.
-
-Doch wij herhalen het, behalve deze weinige mijlpalen, als onmerkbare
-stippen in de onmetelijke ruimte verloren, ziet men geen planten noch
-dieren in de gansche del Norte, niets dan zand, altoos zand.
-
-De Casa Grande van Montecuzoma, waar in dezen oogenblik de
-vrijcompagnie van den graaf de Lhorailles gekantonneerd lag, verhief
-zich, en verheft zich waarschijnlijk thans nog, aan de uiterste grens
-der prairie, hoogstens twee mijlen van de zandwoestijn.
-
-De lijn van afscheiding tusschen deze twee gewesten is scherp en stout
-afgeteekend.
-
-Aan de eene zijde eene weelderig rijke en door overvloed van sap en
-groeikracht gekenmerkte plantenwereld; vroolijk groenende vlakten,
-bedekt met hoog en dicht gras, waarop dieren van allerlei soort weide
-en voedsel vinden; het zingen der vogels, het geschuifel der slangen,
-het loeien der bisons, het gonzen van duizende insekten, in een woord,
-het groote, krachtige, bovenal lustig werkzame leven dat door al de
-poriën dezer gezegende natuur heendringt en ademt.
-
-Aan de andere zijde eene eeuwige stilte des doods, een grauwe horizont,
-een oceaan van zand, welks onrustige golven van alle kanten
-voortdringen om de prairie te veroveren; maar geen struik of grashalm
-hoe gering ook, geen wortel, geen mos, niets dan stuivend zand!
-
-In de Casa Grande, na zijn gesprek met Cuchares, had de graaf zijne
-officieren teruggeroepen, en zich weder met hen vereenigd in vroolijk
-gezwets, gedrink en gelach.
-
-Eerst laat in den nacht stond men van tafel op om zich ter rust te
-begeven.
-
-Cuchares alleen sliep niet, hij lag te denken. Wij weten reeds,
-nagenoeg althans, met welk doel hij den graaf in de Casa Grande was
-komen bezoeken.
-
-Met zonsopgang klonk de trompet voor de morgenwaak.
-
-De soldaten rezen op van den bedauwden grond, waar zij geslapen hadden,
-rekten hunne stramme leden en haastten zich om de nachtkoude te
-verdrijven, door het verzorgen der paarden en het maken der noodige
-toebereidselen voor den ochtendmaaltijd.
-
-Binnen weinige minuten had het kamp dien levendigen en vroolijken toon
-aangenomen, die alle soldaten en inzonderheid de Fransche kenmerkt
-wanneer zij te velde zijn getrokken.
-
-In de ruime zaal der Casa Grande zaten de graaf en zijne luitenants op
-uitgedroogde bisonsschedels en hielden samen raad; de beraadslaging
-werd bijzonder levendig.
-
-»Binnen een uur,” zei de graaf, »gaan wij weder op marsch, wij hebben
-twintig muildieren beladen met levensmiddelen, tien met drinkwater, en
-acht met oorlogsbehoeften; derhalve hebben wij niets te vreezen.”
-
-»Dat is in zooverre waar, señor conde,” merkte de capataz aan,
-»maar....”
-
-»Wat bedoelt gij daarmede?”
-
-»Wij hebben geen gidsen.”
-
-»Wat zouden wij met gidsen doen?” riep de graaf driftig, »wij behoeven
-het spoor der Apachen slechts te volgen, dat is dunkt mij voldoende.”
-
-Blas Vasquez schudde het hoofd.
-
-»Gij kent de del Norte niet, señoria,” sprak hij ronduit.
-
-»Dat doe ik ook niet; het is de eerste maal dat de omstandigheden er
-mij heen voeren.”
-
-»Gij moogt den hemel bidden dat het niet tevens de laatste zij.”
-
-»Wat zegt gij daar?” riep de graaf inwendig huiverend.
-
-»Heer graaf, de del Norte is geen wildernis maar een draaikolk van
-wielend zand; de minste windvlaag in deze doodsche vlakte jaagt het
-zand in wolken omhoog en verzwelgt menschen en paarden, zonder een
-spoor van hen over te laten; alles verdwijnt er en wordt voor eeuwig
-als onder een doodkleed van zand begraven.”
-
-»Wel, wel!” riep de graaf nadenkend.
-
-»Geloof mij, heer graaf,” vervolgde de capataz, »ik raad u stellig af u
-met uw dappere kompagnie in die onverbiddelijke woestijn te wagen;
-niemand van u zou er weder uitkomen.”
-
-»Ondertusschen, de Apachen zijn ook menschen; zij zijn immers niets
-dapperder, noch beter gewapend dan wij?”
-
-»Dat geef ik toe.”
-
-»Welnu, en die trekken de del Norte wel door, van het noorden naar het
-zuiden en van het oosten naar het westen, en dat niet eens in het jaar
-maar tienmaal, ja zoo dikwijls het hun in den zin komt.”
-
-»Weet gij tot welken prijs dit geschiedt, heer graaf? hebt gij de
-lijken geteld die zij langs den weg achterlaten, als treurige
-merkteekens waar zij geweest zijn? En buitendien, gij kunt u niet met
-de Roodhuiden gelijk stellen, voor wie de woestijn geene geheimen meer
-heeft, zij kennen haar in volle lengte en breedte.”
-
-»Dus beweert gij,” riep de graaf ongeduldig, »dat....”
-
-»Dat de Apachen door u herwaarts te lokken en door u twee dagen geleden
-aan te vallen, u een strik zoeken te spannen; zij willen u verleiden om
-hen in de woestijn te volgen, wel verzekerd niet alleen dat gij hen
-nooit zult inhalen, maar dat gij en al uw volk er uw gebeente zult
-laten.”
-
-»Gij zult mij intusschen moeten toestemmen, mijn waarde don Blas, dat
-het al zeer vreemd zou zijn, als er van al uwe peons geen enkele te
-vinden was die ons door de woestijn den weg kan wijzen. Wat duivel! het
-zijn toch Mexicanen.”
-
-»Ja señoria, maar ik heb naar ik meen reeds meermalen de eer gehad u te
-doen opmerken, dat al deze lieden costenos, dat wil zeggen kustbewoners
-zijn, die vroeger nooit zoo diep in het binnenland zijn gedrongen.”
-
-»Wat moeten wij dan doen?” riep de graaf weifelend.
-
-»Naar de kolonie terugkeeren,” hernam de capataz; »ik zie er niets
-anders op.”
-
-»En don Sylva dan en doña Anita, moeten wij die maar laten varen?”
-
-Blas Vasquez fronste de wenkbrauwen, zijn gelaat betrok zichtbaar,
-terwijl hij met een bewogen stem en op ernstigen toon antwoordde:
-
-»Señoria, ik ben op het erf van de familie de Torres geboren, niemand
-kan sterker met lijf en ziel aan de beide door u genoemde personen
-verknocht zijn, dan ik. Maar niemand is tot het onmogelijke verplicht.
-De woestijn in te trekken, onder zulke omstandigheden als waarin wij
-ons bevinden, zou zijn God te verzoeken; wij mogen op geen wonderen
-rekenen en een wonderwerk alleen zou ons kunnen redden.”
-
-Er volgde een poos stilte, de woorden van den eerlijken capataz hadden
-op den graaf een indruk gemaakt, dien hij te vergeefs zocht meester te
-worden.
-
-De lepero bemerkte zijne aarzeling en trad terstond naderbij.
-
-»Waarom,” vroeg hij op fleemenden toon, »hebt gij mij niet gezegd dat
-gij een gids noodig hadt, señor conde?”
-
-»Waarom zou ik u dat gezegd hebben?”
-
-»’t Is waar ook, het was eigenlijk niet noodig, daar ik mij reeds als
-gids verbonden had om u naar don Sylva te geleiden, dat waart gij zeker
-vergeten.”
-
-»Weet gij dan den weg?”
-
-»Ja! ten minste zoo goed als iemand hem kennen kan die hem slechts
-tweemaal gegaan is.”
-
-»Vive Dios!” riep de graaf, »dan kunnen wij voorwaarts en er is geen
-reden meer om ons langer op te houden.”
-
-»Diego Leon, laat onmiddellijk in den zadel blazen, en gij, mijn brave
-kameraad, wees onze gids, gij zult ondervinden dat ik niet ondankbaar
-ben.”
-
-»O, Señor conde, gij kunt u gerust op mij verlaten,” antwoordde de
-lepero met een dubbelzinnigen lach, »ik verzeker u dat ik u brengen zal
-waar gij wezen moet.”
-
-»Dat is al wat ik van u verlang.”
-
-Blas Vasquez, met het gewone instinkt van wantrouwen dat alle eerlijke
-zielen is aangeboren en terstond spreekt wanneer zij met slechte
-karakters in aanraking komen, gevoelde voor den lepero onwillekeurig
-een onverwinnelijken afkeer. Deze afkeer bezielde hem reeds van het
-eerste oogenblik dat Cuchares den vorigen avond in de zaal verscheen.
-Hij hield hem dus scherp in ’t oog terwijl hij met den graaf de
-Lhorailles sprak, en zoodra de lepero zweeg gaf hij den graaf een wenk.
-Deze kwam ongemerkt naar hem toe.
-
-De capataz ging met hem naar een afgelegen hoek der zaal en fluisterde
-hem in ’t oor:
-
-»Wees op uwe hoede, kapitein, die kerel bedriegt u.”
-
-»Weet gij dat zeker?”
-
-»Neen, maar ik ben er van overtuigd.”
-
-»Hoe dat?”
-
-»Eene inwendige stem zegt het mij.”
-
-»Hebt gij er het bewijs voor?”
-
-»Geen het minste.”
-
-»Loop heen dan, gij zijt dwaas, de vrees benevelt uw verstand.”
-
-»De hemel geve dat ik mij niet bedrieg!”
-
-»Hoor eens, vriend, gij zijt niet verplicht ons te volgen. Blijf hier
-gerust op ons wachten, dan kunt gij de gevaren ontgaan die gij meent
-dat ons bedreigen.”
-
-De capataz richtte zich fier op in zijne volle lengte, en zei met een
-blik vol majesteit maar zoo koel en bedaard mogelijk:
-
-»Het is genoeg, don Gaëtan. Ik heb het mijne gedaan door u te
-waarschuwen zooals mijn geweten dat gebood. Gij wilt mijn raad niet
-aannemen, dat staat u vrij, ik heb mijn plicht naar behooren gedaan.
-Gij wilt voorwaarts trekken; ik zal u volgen en hoop u weldra te
-bewijzen, dat terwijl ik voorzichtig was, ik tevens wanneer het wezen
-moet zoo dapper ben als de dapperste.”
-
-»Ik zeg u dank,” antwoordde de graaf, hem met warmte de hand drukkende,
-»ik dacht wel dat gij mij niet verlaten zoudt.”
-
-Op dit oogenblik verhief zich buiten de zaal een geweldig leven, en
-stormde de luitenant Diego Leon driftig de zaal binnen.
-
-»Wat is dat, luitenant?” vroeg hem de graaf gestreng, »hoe zijt gij zoo
-verschrikt en waarom komt gij zoo onstuimig binnen?”
-
-»Kapitein,” antwoordde de luitenant met eene hijgende stem, »de
-kompagnie is in opstand.”
-
-»Wat! wat zegt gij daar, luitenant, zijn mijne ruiters oproerig?”
-
-»Ja, kapitein.”
-
-»Ha!” riep hij op zijn knevel bijtende, »en waarom zijn zij oproerig,
-als ik verzoeken mag?”
-
-»Omdat zij de woestijn niet in willen.”
-
-»Willen zij niet,” herhaalde de graaf met nadruk op ieder syllabe,
-»weet gij wel zeker wat gij daar zegt, luitenant?”
-
-»Ik zweer het u, kapitein, hoor maar hoe zij te werk gaan.”
-
-Werkelijk hoorde men daar buiten vloeken, razen en tieren en werd het
-rumoer met ieder oogenblik sterker zoo dat het eindelijk hoogst
-bedenkelijk scheen.
-
-»O ho! dat wordt dunkt mij ernstig,” hervatte don Gaëtan.
-
-»Ernstiger dan gij denkt, kapitein; ik zweer u, de gansche kompagnie
-slaat aan ’t muiten, de rebellen hebben hunne geweren geladen, zij
-omsingelen het huis en doen niets dan schreeuwen en dreigen, zij zeggen
-dat zij u spreken willen en zweren dat zij goedschiks of kwaadschiks
-verkrijgen zullen wat zij verlangen.”
-
-»Dat zou ik wel eens zien willen,” zei de graaf altoos bedaard terwijl
-hij reeds naar de deur trad.
-
-»Blijf hier, kapitein!” riepen de officieren hem vooruitsnellend om hem
-tegen te houden; »de manschappen kennen zich zelven niet, het zou u een
-ongeluk kunnen kosten.”
-
-»Loop heen, mijne heeren!” antwoordde hij, hen met een koelzinnigen
-wenk terugwijzend, »gij zijt dwaas: zij kennen mij nog niet, ik zal die
-bandieten toonen dat ik waard ben hen te kommandeeren.”
-
-Zonder naar verdere afmaning te hooren, trad hij bedaard en met fermen
-tred de zaal door en naar buiten.
-
-Wat er gebeurd was laten wij hier volgen.
-
-De peons van Blas Vasquez hadden sedert de laatste dagen, terwijl zij
-met de kompagnie van don Gaëtan in de ruïnen bivakkeerden, aan de
-Franschen, niet zonder de noodige overdrijving, allerlei sombere en
-akelige historie’s nopens de woestijn del Norte verteld en over dit
-verwenscht gewest bijzonderheden aan ’t licht gebracht, die wel in
-staat waren om den stoutsten het haar te doen stoppelen.
-Ongelukkigerwijs kampeerde de kompagnie zoo als wij reeds gezegd hebben
-nauwelijks twee mijlen ver van de del Norte; zoo dat bij het maken van
-kleine uitstappen, de sombere aanblik der woestijn aan de akelige
-voorstelling die hun door de peons gegeven was niet weinig kracht
-bijzette.
-
-Al de soldaten van den graaf de Lhorailles waren fransche Dauph’yeers,
-meerendeels lieden zonder eer of geweten, onverlaten door merg en been,
-maar dapper en, even als alle andere Franschen, gemakkelijk op te
-winden of op te ruien en even gereed ten kwade als ten goede. Sedert
-zij zich onder het kommando van den graaf de Lhorailles bevonden, had
-hij hen bij meer dan eene gelegenheid onversaagd tegen den vijand zien
-aanrukken, en toch gehoorzaamden zij hem niet dan met zekeren weerzin.
-
-De graaf de Lhorailles bezat in hun oog groote gebreken: vooreerst dat
-hij graaf, ten tweede dat hij te beschaafd was, zijne stem was hun te
-zacht, zijne manieren waren te kiesch en te verwijfd; zij konden zich
-niet verbeelden dat zulk een fijn edelman, zoo keurig gekleed, gedast
-en gehandschoend in staat was hen groote dingen te doen uitrichten, zij
-hadden liever een kommandant gezien van krachtigen bouw, ruwe stem, en
-brutale manieren, met wien zij alzoo meer op zekeren voet van
-gelijkheid stonden.
-
-Vroeg in den morgen was onder hen het gerucht verspreid, dat het kamp
-zou worden opgebroken en dat de kompagnie met allen spoed de woestijn
-zou intrekken om de Apachen te vervolgen.
-
-Reeds dadelijk waren er samenscholingen gevormd, scherpe aanmerkingen
-gemaakt en de hoofden warm geworden; weldra begon de weêrstand zich in
-stilte te organiseeren, en toen de luitenant Diego Leon werkelijk order
-kwam brengen om het kamp op te breken werd hij met gelach, gefluit en
-spotternij ontvangen, men had hem zotte vragen gedaan en beschimpt,
-kortom hij zag zich eindelijk genoodzaakt voor de onlusten en
-opschudding te wijken en naar den kapitein terug te keeren, om van den
-verkeerden loop der zaken verslag te doen.
-
-In zulke omstandigheden zijne kalmte of zelfbeheersching te verliezen
-of voor het oproer plaats te ruimen, is het grootste gebrek dat een
-officier bezitten kan: hij moet zich desnoods liever laten dooden dan
-een duim breed uit den weg te gaan.
-
-Bij oproer voert de eerste inwilliging gereedelijk tot meerdere en dan
-moet onvermijdelijk het volgende gebeuren: dat de rebellen hun eigen
-sterkte beginnen op te nemen en tegelijkertijd hunne officieren gaan
-schatten; zij gevoelen welk een overwicht de brutale kracht hen voor
-het oogenblik reeds geeft en maken onmiddellijk misbruik van de
-zwakheid of werkeloosheid hunner chefs, niet om een eenvoudige
-wijziging ten gunste hunner grieven te bewerken maar veeleer om een
-radicale verandering te vorderen.
-
-Dit was ook werkelijk hier het geval: nauwelijks had de luitenant zich
-verwijderd, of men beschouwde zijn vertrek reeds als een overwinning.
-De soldaten begonnen voort te redeneeren, onder opruiing, zoo als
-gewoonlijk, door diegenen onder hen, die het vlugste babbelen of het
-hardste schreeuwen konden; het was nu niet langer weigeren om de
-woestijn in te trekken, maar men zou andere officieren benoemen en
-dadelijk naar de kolonie terugkeeren; de geheele staf moest worden
-veranderd, en de officieren gekozen bij stemming, door de soldaten
-zelf, en vooral dezulken die bij hunne kameraden het meeste vertrouwen
-genoten, dat is, vaak de meest partijdige, waanwijze en verwardste
-stijfhoofden.
-
-De gisting had thans haar hoogste punt bereikt: de soldaten zwaaiden
-woest met de wapens, en voeren uit in de grofste bedreigingen tegen den
-graaf en zijne luitenants.
-
-Op eens ging de deur der Casa Grande open en de graaf trad naar buiten.
-
-Hij was bleek maar kalm, en liet zijn vasten blik rondgaan over de
-muitende menigte, die om hem heen tierde en bulderde.
-
-»De kapitein! daar is de kapitein!” riepen eenigen der soldaten.
-
-»Laten wij hem een kop kleiner maken!” riepen anderen.
-
-»Weg met hem! dood hem!” brulden sommigen.
-
-Allen stormden met blanke wapens en onder het uitbraken van
-dreigementen en verwenschingen op hem af.
-
-De graaf deinsde niet terug, integendeel deed hij een stap vooruit.
-
-Hij had een fijne sigaar van maïsstroo in den mond en rookte met al de
-regelmatigheid van een saletjonker die gereed is zijn middagslaapje te
-doen.
-
-Er is niets dat de oproerige massa meer ontzag inboezemt dan
-koelbloedigheid en moed zonder praalvertooning.
-
-Er volgde een tempo in den opstand.
-
-De muitende menigte kwam voor een oogenblik tot staan.
-
-De kapitein en zijne soldaten beschouwden elkander als twee tijgers,
-die hunne wederzijdsche krachten meten, alvorens den sprong te wagen om
-elkander te verscheuren.
-
-De graaf maakte zich het oogenblik der door hem te weeg gebrachte
-stilte ten nutte om het woord te nemen.
-
-»Wat wilt gij?” vroeg hij met een kalme stem, terwijl hij bedaard de
-sigaar uit zijn mond nam, en met helderen blik het blauwe rookzuiltje
-volgde dat krullend omhoog steeg.
-
-Bij deze vraag van hun kapitein was de eerste indruk der begoocheling
-gebroken; het geschreeuw en getier begon met verdubbelde woede, de
-muiters waren over zich zelven verontwaardigd dat zij zich een
-oogenblik door de ferme houding van den kapitein hadden laten
-beteugelen.
-
-Allen spraken te gelijk; zij bestormden den graaf aan alle kanten,
-trokken hem links en rechts, om het eerst gehoor te krijgen.
-
-Ingesloten, gedrongen, gesleurd door zoo vele kerels, die alle
-krijgstucht vergetende zich zeker waanden van straffeloosheid, in een
-land waar geen openbare gerechtigheid bestaat anders dan in naam,
-verloor de graaf nochtans zijne zelfstandigheid niet en bleef zijne
-koelbloedigheid zich volkomen gelijk.
-
-Hij liet de soldaten eenige minuten met vlammende blikken en schuimende
-lippen naar hartelust schreeuwen en uitrazen; eerst toen hij dacht dat
-het lang genoeg had geduurd hervatte hij met een even kalme en bedaarde
-stem als den vorigen keer:
-
-»Mijne vrienden, ’t is niet mogelijk om langer op deze wijs gesprek te
-voeren; ik begrijp geen woord van al wat gij zegt. Laat een uwer
-kameraden zich belasten met mij uit aller naam uwe grieven voor te
-stellen; en indien ik ze billijk en gegrond vind zal ik er recht op
-doen, weest daarvan verzekerd.”
-
-Na deze woorden luid en krachtig te hebben uitgesproken, plaatste de
-graaf zich met den schouder tegen den deurpost geleund, kruiste de
-armen op de borst en begon weder rustig zijne sigaar te rooken, in
-schijn onverschillig voor al wat er omging.
-
-De koelbloedigheid en fermiteit door den graaf de Lhorailles van het
-begin af aan den dag gelegd, had reeds goede vruchten gedragen; hij had
-een aantal harten onder zijne beste soldaten gewonnen; wel is waar
-durfden deze nog niet openlijk voor hun chef partij kiezen, maar
-ondersteunden toch met warmte het door hem gedane voorstel.
-
-»De kapitein heeft gelijk,” zeiden zij; »als wij zoo voortgaan hem
-allen te gelijk een hoop zotteklap in de ooren te toeten, is het niet
-mogelijk dat hij er een woord van begrijpt.”
-
-»Wat de kapitein eischt is niet meer dan billijk,” herhaalden anderen,
-»hoe kan hij ons recht doen als wij hem niet klaar en duidelijk
-uiteenzetten wat wij willen.”
-
-Het oproer had dus een grooten stap achterwaarts gedaan, het sprak
-reeds niet meer van het afzetten der officieren, maar bepaalde zich met
-aan den kapitein om recht te vragen.
-
-Eindelijk, na veel over en weder sprekens tusschen de muiters
-onderling, werd een van hen aangewezen om voor allen het woord te
-voeren.
-
-Dit individu, kort en gezet van gestalte, vierkant van schouders,
-forsch gespierd van leden, met een schelmachtig gezicht, opgeluisterd
-door twee kleine grijze oogen, die fonkelden van list en
-kwaadaardigheid, kortom, een slecht sujet door en door, de type van een
-avonturier der laagste klasse bij wien alles zich oploste in moord en
-plundering.
-
-Deze man, bekend onder den naam van Curtius, was Parijzenaar van
-geboorte, een gewezen straatjongen uit de voorstad Saint-Marceau. Oud
-soldaat, oud matroos, kende hij alle vakken, behalve misschien dat van
-eerlijk man. Sedert zijne komst in de kolonie had hij zich steeds
-onderscheiden door zijne oproerigheid, brutaalheid en vooral door zijne
-pochende grootspraak. Hij beroemde zich dat hij acht dooden schuldig
-was, met andere woorden, dat hij acht maal een manslag had begaan.
-Onwillekeurig waren zijne kameraden bang voor hem.
-
-Toen zij hem hadden aangewezen om voor allen het woord te voeren, wierp
-hij met een vuiststoot zijn hoed op een oor en riep tegen zijne
-kameraden op schamperen toon:
-
-»Gij zult eens zien hoe ik dat varken zal wasschen!” en hiermede stapte
-de ploert half dansend, half sluipend naar den kapitein, die hem zag
-naderen en in het oog hield met een onbeschrijfelijken glimlach op de
-lippen.
-
-Plotseling was de woelige menigte doodstil geworden, alle harten
-klopten sterker, de aangezichten stonden angstig, ieder gevoelde
-werktuigelijk dat er iets buitengewoons en beslissends gebeuren zou.
-
-Toen Curtius den kapitein tot op twee passen genaderd was, bleef hij
-staan en nam hij zijn kommandant op van het hoofd tot de voeten op een
-alleronbeschaamdste manier.
-
-»Als ik het zeggen moet, kapitein,” begon hij, »is dit de zaak....”
-
-De graaf liet hem den tijd niet om voort te gaan; maar trok op eens een
-pistool uit zijn gordel, en schoot er hem mede door het hoofd.
-
-De bandiet rolde in het stof met een gebroken schedel.
-
-De graaf stak zijn revolver weder weg en keek koelbloedig rond.
-
-»Is er nog iemand die iets te zeggen heeft,” vroeg hij met eene ferme
-stem.
-
-Geen van hen durfde bijna te ademen, de bandieten waren op eens
-lammeren geworden.
-
-Zij bleven zwijgend staan voor hun chef als boetelingen voor hun
-meester; zij hadden hem begrepen.
-
-De graaf meesmuilde minachtend.
-
-»Neem dat kreng weg,” zeide hij terwijl hij met den voet tegen het lijk
-schopte, »wij zijn Dauph’yeers; wee! die de termen van ons contract
-durft schenden, ik dood hem als een hond; hangt dezen ellendeling op
-met de beenen aan een boom, dan mogen de gieren hem verslinden. Binnen
-tien minuten geef ik het sein om op te zitten, wee hem die niet gereed
-is!”
-
-Na deze verpletterende toespraak ging de graaf weder in huis met
-denzelfden vasten tred als hij er uit was gekomen.
-
-Het oproer was gestild, de woeste bandieten hadden den ijzeren klauw
-gevoeld die onder den fluweelen handschoen verborgen zat, thans waren
-zij voor altijd getemd en zouden zij zich laten dooden zonder een
-klacht te durven uiten.
-
-»Het moet gezegd worden,” mompelden de soldaten onder elkander, »de
-kommandant is een ruwe gast, zijne oogen zullen niet licht overloopen.”
-
-Ieder haastte zich nu om voor het vertrek gereed te zijn.
-
-Tien minuten daarna, zoo als hij had aangekondigd, verscheen de
-kapitein weder; de kompagnie zat reeds in den zadel en stond in orde
-geschaard en gereed om op marsch te gaan.
-
-De kapitein glimlachte en gaf order om te vertrekken.
-
-»Hm!” bromde Cuchares in zich zelven, »’t is wel jammer dat don Martial
-zulke schoone diamanten heeft. Anders zou ik hem, na hetgeen ik hier
-gezien heb, gaarne zijn woord teruggeven.”
-
-Weldra was de gansche vrijkompagnie, met den kapitein aan het hoofd,
-verdwenen in de stofwolken van de woestijn del Norte.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXI.
-
-DE BEKENTENIS.
-
-
-De haciendero en zijne dochter hadden de kolonie verlaten onder eskorte
-van don Martial en de vier peons die laatstgenoemde in dienst had
-genomen.
-
-De kleine troep reed westwaarts, in dezelfde richting als de
-vrijkompagnie van den graaf de Lhorailles, toen deze de Apachen op hun
-spoor ging vervolgen.
-
-Don Sylva maakte des te meer spoed om bij de Franschen te komen, daar
-hij wist dat hun tocht geen ander doel had dan hem en zijne dochter uit
-de macht der Roodhuiden te verlossen.
-
-De reis ging treurig en zwijgend. Naarmate de karavaan de woestijn
-naderde, kreeg het landschap allengs dat voorkomen van somberen ernst
-en eenzame grootheid, dat onwillekeurig op het gemoed van den reiziger
-werkt en hem in eene soort van neerslachtigheid dompelt daar hij zich
-niet boven weet te verheffen.
-
-Geen lachende weiden of bebouwde akkers meer, geen pachthoeven, hutten
-of jacals, geen reizigers zelfs op den weg die u met toegenegen blik of
-vriendelijken groet in ’t voorbijgaan eene goede reis wenschten, maar
-integendeel een woest en oneffen terrein, afgebrokkelde rotsgronden,
-holle wegen, diepe donkere valleien, en ondoordringbare bosschen, met
-wilde dieren bevolkt, wier fonkelende blik u als een vurige kool van
-achter de dicht ineengestrengelde lianen of uit het warrige
-kreupelbosch en het hooge prairiegras tegenloert.
-
-Van tijd tot tijd zagen de reizigers het breede spoor door de Franschen
-nagelaten, kenbaar aan de menigte paardenhoeven in het vochtige zand of
-in het plat getreden gras; maar dan veranderde het terrein plotseling
-van gedaante en ieder spoor was onherroepelijk verdwenen.
-
-Iederen avond, nadat de Tigrero een mijl in het rond in de bosschen en
-struiken eene soort van klopjacht had gehouden om het verscheurende
-gedierte te verdrijven, werd het kamp hetzij op een heuvel of aan den
-oever eener beek opgeslagen, de vuren ontstoken, een hut van takken
-gebouwd om doña Anita tegen de nachtkoude te beschutten; en dan, na een
-sober avondmaal, wikkelde ieder zich in zijne fressada of zarape en
-sliep in tot den volgenden morgen.
-
-Het eenige wat nu en dan in dit eentonige leven eenige afwisseling
-bracht, was het voorbijspringen van een eland of damhert, dat dan door
-don Martial en zijne vier peons in vliegenden galop werd vervolgd tot
-het arme dier, soms eerst na eene jacht van twee of drie uren,
-achterhaald en gedood werd.
-
-Maar vroolijke gesprekken of vertrouwelijke mededeelingen die zoo
-geschikt zijn om eene verre en vervelende reis te bekorten, waren niet
-meer aan de orde.
-
-De reizigers bewaarden jegens elkander een somber en achterhoudend
-stilzwijgen, dat niet slechts alle gemeenzaamheid maar zelfs alle
-vertrouwen den pas afsneed. Zij spraken niet tot elkander dan in geval
-van volstrekte noodzakelijkheid, en dan nog werden slechts eenige
-karige woorden gewisseld.
-
-De reden hiervan was niet ver te zoeken, elk dezer drie personen had
-voor den anderen een geheim te bewaren dat hun zwaar op het hart woog
-en daar zij zich inwendig over schaamden.
-
-De mensch is van nature een onvolmaakt en zondig schepsel, niet geheel
-en al slecht, en nog veel minder volkomen goed, maar eene wonderlijke
-mengeling van beiden; de verkeerde daden die hij onder den ijzeren
-dwang van hartstocht of van eigenbelang begaat, worden later, zoodra
-zijne drift bekoeld is en hij den afgrond ziet waarin zijne dwaasheid
-hem gestort heeft of dreigt te storten, eene bron van bitter berouw,
-vooral wanneer zijn leven, zonder daarom onberispelijk te zijn geweest,
-uit een oogpunt van gewone zedelijkheid zich tot hiertoe gelukkig voor
-grove misslagen heeft weten te bewaren.
-
-Zoo was ongeveer, op dit oogenblik de toestand van don Martial en doña
-Anita. Beiden hadden zich, door wederkeerigen hartstocht verblind, tot
-een misslag laten vervoeren dien zij thans bitter betreurden; want om
-onze lezers aangaande het karakter dezer twee personen niet langer in
-’t onzekere te laten, moeten wij hier zeggen, dat het hart dezer twee
-gelieven betrekkelijk goed was en dat zij op het oogenblik hunner
-dwaselijk beraamde en uitgevoerde vlucht geenszins de noodlottige
-gevolgen berekenden, die dit hopeloos bedrijf na zich zou slepen.
-
-Don Martial inzonderheid, na de bevelen die hij aan Cuchares gegeven
-had en tegenover het hardnekkig besluit van don Sylva, om zich naar den
-graaf de Lhorailles te begeven, begreep duidelijk dat zijn toestand met
-ieder oogenblik hachelijker werd, en dat hij zich in eene engte had
-gedreven daar hij niet licht weder uit zou komen.
-
-De beide gelieven, door het geheim hunner vlucht op eene zoo
-noodlottige wijs saamverbonden, bewaarden echter tegenover elkander een
-ander geheim, namelijk dat van spijt en berouw die hen inwendig
-folterden; zij gevoelden bij iederen stap dat de grond onder hunne
-voeten als ondermijnd was, en dat het oogenblik met rassche schreden
-naderde waarop de mijn zou moeten springen.
-
-In zulk eenen toestand werd het leven ondragelijk, daar alle
-gemeenschap van gedachten en gevoelens tusschen de drie personen
-verbroken was. Dat het eindelijk tusschen hen tot eene botsing zou
-moeten komen was blijkbaar, maar de schok volgde wellicht spoediger dan
-een van hen verwachtte, en zulks door den loop der omstandigheden
-zelve, waarin zij zich zoo geweldig verwikkeld hadden. Na eene reis van
-omtrent veertien dagen, gedurende welke er met hen niets meldenswaardig
-gebeurd was, bereikten don Martial en zijn gezelschap, nu eens afgaande
-op de inlichtingen door hem op de hacienda bekomen, dan op het spoor
-zelf door den graaf en diens talrijke bende achtergelaten, eindelijk de
-beruchte bouwvallen in welks midden de Casa Grande van Montecuzoma zich
-verheft, aan de uiterste grens tusschen het bewoonbare land en de
-woestijn Del Norte.
-
-Het was ongeveer zeven uren des avonds toen de kleine karavaan de
-ruïnen binnenreed; de zon, juist aan de kimmen weggezonken, verlichtte
-de aarde nog slechts door de snel afwisselende kleuren van het
-hemelsche prisma, waarin de laatste weerglans van hare stralen nog een
-poos blijft schitteren nadat de koningin des dags zelve reeds verdwenen
-is.
-
-Terwijl zij op eenigen afstand achter elkander reden wierpen don Sylva
-en de Tigrero bespiedende blikken in het rond, en trokken niet dan met
-de meeste behoedzaamheid en met de hand aan den trekker van hun geweer,
-voort in dit verwarde doolhof van kreupelbosschen en puinhoopen, zoo
-gunstig voor de Indiaansche hinderlagen en waar zooveel gevaren zich
-konden verschuilen.
-
-Eindelijk kwamen zij aan de Casa Grande, zonder dat zij iets
-buitengewoons hadden gezien.
-
-De nacht was reeds bijna gedaald, en de voorwerpen begonnen in de
-schemering als weg te smelten. Don Martial, die zich gereed maakte om
-af te stijgen, bleef op eens staan en slaakte een kreet van verbazing,
-bijna van schrik.
-
-»Wat is er?” vroeg don Sylva met drift, terwijl hij zich omkeerde en
-den Tigrero naderde.
-
-»Zie eens,” antwoordde de laatste, met de hand naar een groep knoestige
-boomen wijzende, die eenige passen van hen af allerwonderlijkst
-tusschen de puinhoopen waren opgeschoten.
-
-De menschelijke stem bezit een zonderbaar vermogen op de dieren,
-namelijk dat zij hun een onverwinnelijke vrees en ontzag inboezemt. De
-weinige woorden tusschen de beide mannen gewisseld, werden onmiddellijk
-beantwoord door zeven of acht wolkoppige arenden, die in hun maaltijd
-gestoord met wild en krassend geschreeuw opvlogen, en uit de zooeven
-genoemde boomgroep zich met zwaren wiekslag in de lucht verheffend,
-boven het hoofd der reizigers groote kringen beschreven en bleven
-rondgieren onder het aanhoudend getier hunner helsche muziek.
-
-»Zie toch!” herhaalde don Martial.
-
-»Maar ik zie volstrekt niets,” zei don Sylva; »het is daar zoo donker
-als de nacht.”
-
-»Dat is waar; maar kijk eens scherp toe en let op het punt dat ik u
-aanwijs, dan zult gij weldra zien wat ik bedoel.”
-
-Zonder te antwoorden deed de haciendero zijn paard eenige stappen
-voortgaan.
-
-»Hu! Een man, aan de beenen opgehangen!” riep hij op een toon van
-schrik en afgrijzen, terwijl hij op eens staan bleef. »Wat is hier
-gebeurd?”
-
-»Wie weet? Die man is geen Indiaan, zijne kleur en zijne kleeding laten
-daaromtrent geen twijfel over. Maar hij heeft zijn haar nog, hij is dus
-niet door de Apachen gedood; wat kan dat beteekenen?”
-
-»Een oproer misschien,” opperde de haciendero.
-
-Don Martial bedacht zich een poos; zijn wenkbrauwen trokken zich samen.
-
-»Dat is niet mogelijk!” prevelde hij half in zich zelven.
-
-Een oogenblik later hervatte hij:
-
-»Laten wij eerst in huis gaan, en doña Anita niet langer alleen laten;
-ons achterblijven zal haar reeds verwonderen en als het langer duurt
-zal zij er zich over verontrusten. Zoodra het kamp gereed is ga ik die
-zaak eens nader onderzoeken, en ik zou mij zeer vergissen als ik het
-noodlottige raadsel niet oplos dat zich hier aan ons zoo wonderlijk
-voordoet.”
-
-De beide mannen reden weêr voort en kwamen weldra bij doña Anita, die
-eenige passen verder onder bescherming der peons op hen wachtte.
-
-Nadat de reizigers afgestegen en de Casa Grande waren binnengetreden,
-ontstak don Martial eenige fakkels van ocote-hout om in de duisternis
-licht te maken en bracht toen zijne gezellen naar de groote zaal, waar
-wij onze lezers reeds eenmaal hebben binnengeleid.
-
-Ook de Tigrero had meermalen deze ruïnen bezocht; gedurende zijne
-langdurige jachten in de prairie hadden zij hem vaak tot verblijf
-gestrekt; hij was dus met de plaatselijke gelegenheid zeer goed bekend.
-Daarom had hij er zoo sterk op aangedrongen dat de karavaan den weg
-naar de Casa Grande zou nemen, wel overtuigd dat de graaf de Lhorailles
-aldaar voor zich en zijne kompagnie een gemakkelijk en veilig bivak zou
-hebben gezocht.
-
-De groote zaal, in wier midden een tafel stond, droeg de duidelijke
-sporen dat er nog kort geleden een aantal personen waren geweest en er
-tamelijk lang verblijf hadden gehouden.
-
-»Gij ziet wel dat ik mij niet bedrogen heb,” zei don Martial tegen den
-haciendero; »de lieden die ons zoeken hebben zich hier opgehouden.”
-
-»Dat is zoo; en denkt gij dat zij reeds lang vertrokken zijn.”
-
-»Dat zou ik nog niet durven zeggen, maar terwijl gij bezig zijt u hier
-te vestigen en het avondmaal wordt gereed gemaakt, zal ik daar buiten
-den boel eens opnemen; zoodra ik terugkom hoop ik het genoegen te
-hebben uwe nieuwsgierigheid te kunnen bevredigen.”
-
-En met deze woorden stak hij de toorts, die hij in zijne hand had, in
-een kram aan den muur en ging het huis uit.
-
-Doña Anita had reeds plaats genomen op een toevallig aanwezige ruw
-houten tabouret, en zat bij de tafel diep in gedachten verzonken.
-
-Geholpen door de peons, hield de haciendero zich ijverig bezig met
-alles voor den nacht in orde te brengen; de paarden werden ontzadeld en
-in eene soort van corral—open stal tusschen vier muren—geplaatst, daar
-ze niet uit weg konden loopen, en ruim van haver voorzien; de muilezels
-werden afgeladen en de pakken in de groote zaal gebracht, waar men ze
-op een hoop stapelde, na er een geopend te hebben om er den noodigen
-mondvoorraad uit te nemen; vervolgens werd er een groot vuur ontstoken,
-boven hetwelk weldra een hertebout te braden hing.
-
-Nadat al deze toebereidsels waren afgeloopen, ging de haciendero op een
-der in de zaal voorhanden bisonsschedels zitten, stak een maïssigaar
-aan en begon te rooken, nu en dan een smartelijken blik werpende naar
-zijne dochter, die nog altijd in hare treurige beschouwingen verdiept
-zat.
-
-Don Martial bleef vrij lang uit: eerst na twee uren afwezigheid hoorde
-men het getrappel van zijn paard op den steenachtigen bodem der ruïne
-en trad hij onverwijld binnen.
-
-»Wel?” vroeg hem don Sylva.
-
-»Laten wij eerst eten,” antwoordde de Tigrero met een wenk naar doña
-Anita, dien de haciendero begreep.
-
-Het maal was zooals dat van bekommerde en vermoeide lieden na een lange
-dagreis wezen moest, dat wil zeggen zeer kort. Overigens bestond het,
-behalve uit de hertenbout, uit niets dan maïskoeken en gebraden peren
-met peper.
-
-Doña Anita gebruikte nauwelijks een paar lepels ingelegde tamarinde;
-daarna de aanwezigen gegroet hebbende, stond zij op en verwijderde zich
-naar een klein in de zaal uitkomend vertrekje, waar men voor haar van
-bisonsmantels en pelterijen een soort van bed had gereed gemaakt, en
-dat bij gebrek van deur zoo goed mogelijk was afgesloten met een
-paardendek aan een paar spijkers in den muur opgehangen.
-
-»Wat u betreft,” zei de Tigrero tegen de peons zoodra doña Anita weg
-was, »gij moogt wel goed wachthouden als gij uwe haren behouden wilt.
-Ik ben verplicht u te waarschuwen dat wij hier in een land vol vijanden
-zijn, en als gij zorgeloos inslaapt, het waarschijnlijk duur zullen
-moeten bekoopen.”
-
-De peons verzekerden den Tigrero dat zij dubbel waakzaam zouden zijn,
-en gingen naar buiten om de ontvangen bevelen uit te voeren.
-
-De beide heeren bleven dus alleen en zaten een oogenblik zwijgend
-tegenover elkander.
-
-»Welnu, wat is het?” begon don Sylva, de vraag herhalende die hij reeds
-even te voren gedaan had, »hebt gij iets bijzonders ontdekt of
-vernomen?”
-
-»Al wat er met mogelijkheid te ontdekken of te vernemen is, don Sylva,”
-antwoordde de Tigrero min of meer onstuimig; »zoo het anders ware, zou
-ik een armzalige jager zijn en de wilde dieren, tijgers en jaguars mij
-reeds lang verslonden hebben.”
-
-»Zijn de inlichtingen die gij hebt opgedaan gunstig te noemen?”
-
-»Dat is naar dat gij ze nemen wilt; de Franschen zijn hier geweest en
-hebben er een paar weken gekampeerd; gedurende hun verblijf in de
-ruïnen zijn zij door de Apachen hevig aangevallen, doch het is hun
-gelukt hen af te slaan. Intusschen schijnt het, ofschoon ik het niet
-zou kunnen bevestigen, dat de soldaten om een of andere reden aan ’t
-muiten geslagen zijn, ten gevolge waarvan die arme duivel, dien wij tot
-aas voor de gieren aan den boom zagen hangen, misschien als de
-belhamel, misschien ook, zooals het wel eens meer gegaan is, als het
-ongelukkige slachtoffer voor allen het gelag heeft moeten betalen.”
-
-»Ik zeg u dank voor uwe toelichting, die ons buitendien bewijst dat wij
-ons niet vergist hebben maar het rechte spoor zijn gevolgd; kunt gij
-mij nu deze toelichting nog aanvullen, in zoover dat gij mij weet te
-zeggen of de Franschen de ruïnen sinds lang verlaten hebben en in welke
-richting zij vertrokken zijn?”
-
-»Deze vragen zijn gemakkelijk op te lossen; de vrijkompagnie heeft
-gisteren morgen even na zonsopgang haar kamp opgebroken om de woestijn
-in te trekken.”
-
-»De woestijn?” herhaalde de haciendero, terwijl hij moedeloos de armen
-bij het lijf liet hangen.
-
-Er volgde eenige minuten stilte, gedurende welke de beide mannen over
-het gesprokene nadachten. Eindelijk nam don Sylva het woord weder op.
-
-»Dat is niet mogelijk,” riep hij.
-
-»En toch is het zoo.”
-
-»Maar dat is eene onvoorzichtigheid zoo groot als er een zijn kan, ja
-het is dollemanswerk!”
-
-»Dat zal ik niet tegenspreken.”
-
-»O! die ongelukkigen!”
-
-»Het is zoo met hen gelegen, dat er een wonder zal moeten gebeuren als
-zij er goed afkomen.”
-
-»Dat ben ik volkomen met u eens; maar wat nu gedaan?”
-
-»De zaak ligt er toe, en met al ons gejammer is er niets aan te
-veranderen; ik geloof dus, don Sylva, dat wij de wijste partij zullen
-kiezen door er niet meer aan te denken; zij moeten zelf maar zien hoe
-zij er goed afkomen.”
-
-»Is dat uwe gedachte?”
-
-»Volkomen,” antwoordde de Tigrero luchthartig.
-
-»Uw plan is dus?”
-
-»Mijn plan is,” antwoordde hij met drift, »om twee of drie dagen hier
-te vertoeven en te zien wat er misschien gebeuren kan; hebben wij na
-verloop van drie dagen niets nieuws gezien of gehoord, dan stijgen wij
-te paard en keeren langs denzelfden weg dien wij gekomen zijn naar
-Guetzalli terug, zonder zelfs de moeite te nemen van om te zien, want
-hoe eer wij deze verschrikkelijke streek uit zijn, hoe beter.”
-
-De haciendero schudde van neen, als iemand die op eens zijn vaste
-besluit had genomen.
-
-»Dan zult gij alleen vertrekken, don Martial,” zeide hij droog.
-
-»Wat zegt gij!” riep de andere hem strak aanziende.
-
-»Ik zeg u, dat ik denzelfden weg niet terugga dien ik gekomen ben; ik
-doe geen stap achteruit, in één woord ik vlucht niet.”
-
-Don Martial was door dit antwoord als verbluft.
-
-»Wat denkt gij dan te doen?”
-
-»Kunt gij dat niet begrijpen? Om welke reden zijn wij hier gekomen; en
-met welk doel hebben wij tot hiertoe gereisd?”
-
-»Maar, don Sylva, bedenk toch, de zaken zijn nu geheel veranderd. Gij
-zult hoop ik redelijk genoeg zijn te erkennen dat ik u zonder
-tegenspreken gehoorzaamd heb en gedurende deze reis een trouwe gids
-voor u geweest ben.”
-
-»Dat erken ik inderdaad; maar zeg mij dan hoe gij er over denkt.”
-
-»Hoe ik er over denk, don Sylva; dat zult gij hooren. Zoolang wij in de
-prairie waren, in dagelijksch gevaar van door de wilde beesten
-verscheurd te worden, heb ik gedwee voor u gebogen en mij geenszins
-tegen uwe plannen verzet, omdat ik stilzwijgend bekennen moest dat gij
-plichtmatig handeldet; zelfs nu nog, zou ik mij, als wij alleen waren,
-zonder morren aan uw vaste besluit onderwerpen. Maar bedenk doch, bid
-ik u, dat gij uwe dochter bij u hebt en dat zij duizend angsten zal
-moeten uitstaan, zoo gij haar verplicht om u te volgen in een woestijn
-die u beiden zal verslinden.”
-
-Don Sylva antwoordde niet.
-
-De Tigrero vervolgde:
-
-»Onze troep is zwak; wij hebben slechts voor weinige dagen
-levensmiddelen bij ons, en gij weet, als wij eens in de del Norte zijn,
-is er geen water of wild meer te krijgen. Worden wij daarbij nog door
-een storm overvallen, dan zijn wij verloren, reddeloos verloren.”
-
-»Al wat gij mij daar zegt is waar, dat weet ik, en toch kan ik uw raad
-niet volgen. Hoor mij op uwe beurt, don Martial: de graaf de Lhorailles
-is mijn vriend, weldra zal hij mijn schoonzoon zijn; ik zeg dat niet om
-u te krenken, maar om u te doen beseffen in welke verhouding ik
-tegenover hem sta. Om mijnentwil, om mij te verlossen uit de macht van
-hen die hij meent dat mij en mijne dochter hadden opgelicht, is hij
-zonder aarzelen of baatzuchtige berekening en alleen door zijn edele
-hart gedreven, de zandwoestijn ingetrokken; kan ik hem daar nu laten
-omkomen, zonder hem hulp toe te brengen? Is hij niet vreemdeling in
-Mexico, mijn gast en mijn vriend? neen, don Martial, het is mijn plicht
-hem te redden, en ik zal het beproeven, hoe het ook gaan mag.”
-
-»Nu ik zie dat gij er zoo over denkt, don Sylva, zal ik niet langer een
-besluit zoeken te keeren dat bij u zoo onherroepelijk vaststaat. Ik zal
-u niet zeggen dat de man dien gij uwe dochter ter vrouwe wilt geven een
-gelukzoeker, een verloopen edelman is, die ter zake van wangedrag zijn
-land heeft moeten verlaten en die door het huwelijk dat hij met uwe
-dochter hoopt te sluiten niets anders bedoelt dan uw onmetelijk fortuin
-in zijn bezit te krijgen. Al deze dingen en nog veel meer bovendien zou
-ik u vergeefs trachten te bewijzen, gij zoudt mij toch niet gelooven,
-want gij zoudt in de feiten die ik u opnoemde niets anders willen zien
-dan nietswaardige pogingen van een mededinger; spreken wij er dus niet
-verder over. Wilt gij de zandwoestijn in, goed, ik zal u volgen; en wat
-er ook gebeurt zult gij mij aan uwe zijde vinden, gereed om u te
-beschermen en u te helpen. Maar nu het uur eindelijk daar is om tot
-ronde verklaringen te komen, wil ik niet langer dat er een wolk van
-ongenoegen tusschen ons blijve bestaan; gij moet den man kennen, met
-wien gij de wanhopige onderneming gaat wagen die gij u hebt
-voorgenomen, opdat gij in hem uw volle vertrouwen moogt stellen.”
-
-De haciendero keek hem verwonderd aan.
-
-Op dit oogenblik werd het gordijn voor het vertrekje daar doña Anita
-zich bevond opgeheven, het meisje verscheen, trad langzaam de zaal
-door, knielde voor haar vader neder en wendde zich tot den Tigrero.
-
-»Nu moogt gij vrij spreken, don Martial,” zeide zij; »misschien zal
-mijn vader mij vergeven, als hij ziet dat ik hem dus om vergeving
-vraag.”
-
-»Vergeving?” riep de haciendero, terwijl hij beurtelings zijne dochter
-en den man aanstaarde, die met een beschaamd gelaat en gebogen hoofd
-voor hem stond; »wat moet dat beteekenen? welk misdrijf hebt gij
-begaan?”
-
-»Een misdrijf, daar ik alleen schuld aan heb, don Sylva, en daar ik
-alleen de straf voor ondergaan moet; ik heb u schandelijk bedrogen, ik
-ben de man die uwe dochter uit de kolonie heeft weggevoerd.”
-
-»Gij!” riep de haciendero met een blik van woede, »ben ik dus uw
-speelbal, uw bedrogene geweest?”
-
-»De hartstocht redeneert niet; ik zal maar een woord ter mijner
-verdediging zeggen: ik bemin uwe dochter. Helaas, don Sylva, ik gevoel
-eerst nu hoe schuldig ik was; het nadenken, hoe laat ook, is eindelijk
-gekomen, en terwijl doña Anita aan uwe voeten weent, verneder ik mij
-voor u en bid ik u om vergeving.”
-
-»Vergeving, vader!” herhaalde het meisje zacht.
-
-De haciendero gaf een wenk van onwil.
-
-»O!” hervatte de Tigrero met drift, »wees grootmoedig, don Sylva; stoot
-ons niet terug! Ons berouw is waar en oprecht. Ik heb het vaste
-voornemen om het gedane kwaad te herstellen; ik ben dwaas geweest, de
-hartstocht had mij verblind, verguis mij niet.”
-
-»Vader,” snikte doña Anita met tranen op de wangen en eene gesmoorde
-stem, »ik bemin hem! Evenwel, toen wij uit de kolonie vertrokken,
-hadden wij kunnen vluchten en u verlaten; dit hebben wij niet gewild,
-wij hebben er zelfs geen oogenblik aan gedacht, wij hebben ons
-geschaamd over onzen misstap. Nu zijn wij hier beiden gereed om u te
-gehoorzamen en zonder tegenspraak alles te doen wat gij ons gebieden
-zult; wees dus niet onverbiddelijk, vader, vergeef ons!”
-
-De haciendero richtte zich op.
-
-»Gij ziet het, ik kan niet langer aarzelen,” zeide hij streng; »ik moet
-den graaf de Lhorailles redden, tot iederen prijs; deed ik het niet,
-dan was ik uw medeplichtige.”
-
-De Tigrero stapte met innige ontroering de zaal door in de
-vreeselijkste spanning, zijne wenkbrauwen waren samengetrokken, zijn
-gelaat doodsbleek.
-
-»Ja,” riep hij eindelijk met eene geschokte stem, »ja, wij moeten hem
-redden; wat geef ik er om hoe het daarna met mij gaat? Geen lafhartige
-zwakheid! Ik heb een misslag begaan, ik moet en zal er de gevolgen van
-boeten.”
-
-»Als gij mij oprecht en trouw in mijne nasporingen helpt, zal ik u
-vergeven;” zei don Sylva met eene ernstige stem; »mijn eer is in uw
-misslag betrokken, ik stel die in uwe handen.”
-
-»Dank u, don Sylva, gij zult er geen berouw van hebben dat gij u op mij
-verlaat,” antwoordde de Tigrero edelmoedig.
-
-De haciendero hief zijne dochter minzaam op, sloot haar in zijne armen
-en kuste haar bij herhaling.
-
-»Mijn arm kind!” zeide hij, »ik vergeef u. Helaas! wie weet of ik niet
-binnen weinige dagen op mijne beurt uwe vergeving zal moeten inroepen
-voor al het leed dat ik u heb aangebracht? Ga nu een weinig slapen, het
-is diep in den nacht, gij hebt rust noodig.”
-
-»O hoe goed zijt gij, vader, en hoe lief heb ik u,” riep zij geroerd,
-»vrees niets, welk lot mij in de toekomst ook verbeidt, ik zal het
-dragen zonder morren, nu ben ik gelukkig, nu gij mij vergeven hebt.”
-
-Don Martial volgde het meisje met de oogen terwijl zij zich
-verwijderde.
-
-»Wanneer denkt gij op marsch te gaan, don Sylva,” vroeg hij met een
-gesmoorden zucht.
-
-»Morgen, zoo dat mogelijk is.”
-
-»Goed, morgen dan op Gods genade.”
-
-Na nog een poosje gesproken te hebben om de noodige zaken te regelen,
-wikkelde don Sylva zich in zijne dekens en sliep weldra in. Wat den
-Tigrero betreft, deze ging het huis uit, om te zien of de peons wel
-goed voor de algemeene veiligheid waakten.
-
-»O, als die verwenschte Cuchares mijne orders maar niet heeft
-uitgevoerd!” mompelde hij.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXII.
-
-EEN MENSCHENJACHT.
-
-
-Den volgenden dag met het eerste morgenkrieken trok de kleine karavaan
-uit de Casa Grande van Montecuzoma; twee uren later waren zij reeds in
-de woestijn del Norte.
-
-Bij het gezicht der woestijn kromp het hart van doña Anita samen van
-angst, het was alsof een heimelijk voorgevoel haar voorspelde dat de
-tocht voor haar noodlottig zou zijn. Zij keerde zich om en wierp een
-treurigen terugblik op de donkere wouden, die achter haar groenden aan
-den horizont, en slaakte een onwillekeurigen zucht.
-
-De luchtsgesteldheid was heet, de hemel van het zuiverste blauw, geen
-tochtje verkoelde den dampkring; op het mulle zand zag men nog de diepe
-sporen der paarden waar de vrijkompagnie van den graaf de Lhorailles er
-doorgetrokken was.
-
-»Wij zijn op den goeden weg,” merkte de haciendero aan, »hunne sporen
-zijn duidelijk zichtbaar.”
-
-»Ja,” mompelde de Tigrero, »en dat zullen ze blijven zoo lang tot er
-een stormwind losbreekt.”
-
-»O! dan moge God ons helpen!” riep doña Anita.
-
-»Amen!” riepen al de reizigers een kruis makende in antwoord op de
-heimelijke stem in hun binnenste, die hun niets dan ongeluk voorspelde.
-
-Er verliepen eenige uren.
-
-Het weêr bleef verrukkelijk schoon; van tijd tot tijd, hoog in de
-lucht, zagen de reizigers tallooze zwermen vogels voorbijvliegen, die
-naar het warme land trokken—of de terres calientes zoo als men hier
-zegt, en zich haastten om de woestijn over te komen.
-
-Maar overal elders zag men niets dan grauw en dof zand, of sombere
-rotsen, grillig op een gestapeld als naamlooze ruïnen van eene
-onbekende voormenschelijke wereld, zoo als men die vaak in hoogere
-bergstreken aantreft.
-
-Tegen het vallen van den avond kampeerde de karavaan onder beschutting
-van een groot granietblok, en een sober vuur werd ontstoken, dat
-nauwelijks voldoende was om de reizigers tegen de koude te beschutten
-die des nachts in deze streken heerscht.
-
-Don Martial galoppeerde gedurig aan de zijden van den troep, nu links
-dan rechts, dan voor dan achter en waakte met broederlijke zorg voor
-alle veiligheid; noch door de verzoeken van don Sylva noch door de
-gebeden van doña Anita was hij te bewegen om eenige rust te nemen.
-
-»Neen,” riep hij telkens, »van mijne waakzaamheid hangt uw behoud af.
-Laat mij handelen naar eigen goedvinden, ik zou het mij zelven nooit
-vergeven, als ik u had laten overrompelen.”
-
-Intusschen waren de sporen, door de vrijkompagnie achtergelaten, van
-tijd tot tijd minder zichtbaar geworden en eindelijk geheel verdwenen.
-
-Op zekeren avond, terwijl de reizigers hun kamp onder een vervaarlijk
-overhangende rots hadden opgeslagen, die boven hun hoofd een soort van
-beschermend dak vormde, wees de haciendero don Martial in de verte op
-een witten damp, die zich vrij sterk tegen het donkere blauw des hemels
-afteekende.
-
-»Het luchtazuur begint te verschieten,” zeide hij, »wij krijgen
-waarschijnlijk spoedig verandering van weer. Geve God dat hetgeen
-orkaan zij die ons bedreigt.”
-
-De Tigrero schudde het hoofd.
-
-»Neen,” zeide hij, »gij vergist u, uwe oogen zijn minder gewoon dan de
-mijne om den hemel te raadplegen; dat is daar ginds geen wolk.”
-
-»Wat is het dan?”
-
-»Rook van bisonsmest, door reizigers aangestoken; wij zijn dus niet
-zonder buren.”
-
-»O!” riep de haciendero, »zouden wij onze vrienden dan weder op het
-spoor zijn, die wij reeds uit het oog hadden verloren?”
-
-Don Martial bewaarde de stilte; hij bespiedde nauwkeurig de wolk, die
-als flauwe damp weldra in het blauw des hemels wegsmolt. Eindelijk
-antwoordde hij:
-
-»Die rook voorspelt weinig goeds. Onze vrienden, zoo als gij ze noemt,
-zijn Franschen, met andere woorden geheel onbekend met de gewoonten der
-woestijn; als zij zoo dicht bij ons waren, zouden wij hen even
-gemakkelijk zien als deze rots hier; zij zouden dan niet één klein vuur
-hebben ontstoken, maar tien ja twintig groote vuren, wier vlammen en
-rook ons onmiddellijk hunne tegenwoordigheid hadden bewezen. Zij zijn
-zoo keurig niet op hunne brandstof, zij nemen hout, nat of droog is hun
-onverschillig, daar zij niet weten van hoeveel belang het is in de
-woestijn zijne tegenwoordigheid voor den vijand te verbergen.”
-
-»Wat maakt gij daaruit op?”
-
-»Daaruit maak ik op, dat de rook dien wij thans zien, afkomstig is van
-een vuur door Roodhuiden of ten minste door ervaren woudloopers
-gestookt die met de gebruiken der Indianen zeer goed bekend zijn. Dat
-blijkt aan alles; daar zijt gij zelf, ofschoon min of meer met de
-wildernis bekend, hebt gij het voor een wolk aangezien; ieder
-oppervlakkig beschouwer zou met u dezelfde fout begaan hebben, zoo
-fijn, zachtgolvend en doorzichtig als deze rook is en zoo weinig als
-hij verschilt van de gewone dampen die de zon onophoudelijk uit de
-aarde optrekt. De lieden die dit vuur ontstoken hebben, wie het ook
-zijn mogen, hebben niets bij geval gedaan maar alles berekend en alles
-voorzien, en ik zou mij zeer bedriegen als het geen vijanden zijn.”
-
-»Hoe ver zijn zij van ons af, denkt gij?”
-
-»Vier mijlen op zijn verst; maar wat zegt vier mijlen in de woestijn,
-waar men zoo gemakkelijk in eene rechte lijn overal heen kan.”
-
-»Dus zoudt gij denken”.... riep de haciendero.
-
-»Overweeg mijne woorden wel, don Sylva, en vooral bid ik u, geef er
-geen andere beteekenis aan dan die ik er mede bedoel. ’t Is eene
-ongehoorde bijzonderheid in de jaarboeken van del Norte, dat wij de
-woestijn bijna drie weken lang hebben doorkruist zonder door iets
-gestoord te worden; terwijl wij nu reeds sedert acht dagen op goed
-geluk rondzwerven om een spoor te zoeken dat wij onmogelijk schijnen te
-kunnen wedervinden.”
-
-»’t Is waar.”
-
-»Ik ben dus met mijne redeneering tot eene slotsom gekomen die ik meen
-dat ontegenzeggelijk is en zonder twijfel door u zal worden beaamd. Gij
-zult mij toestemmen dat de Franschen niet bij verkiezing de woestijn
-zijn ingetrokken, en er alleen toe overgegaan zijn om de Apachen te
-vervolgen, niet waar?”
-
-»Ja.”
-
-»Goed. Zij zullen haar dus in een rechte lijn doortrekken. Den tijd
-dien wij hadden, hadden zij ook; hun doel, hun belang noopte hen om
-geen tijd te verliezen, maar bij hun marsch de hoogst mogelijke
-snelheid in acht te nemen. Eene vervolging, dat weet gij zoo goed als
-ik, is als een wedren, een rid om het hardst, waarbij ieder de eerste
-tracht te zijn....”
-
-»Gij veronderstelt dus....,” viel don Sylva hem in de rede.
-
-»Ik veronderstel niet, ik ben ten volle overtuigd dat de Franschen zich
-reeds sedert lang niet meer in de woestijn bevinden, maar thans de
-vlakte van Apacheria doorkruisen; het vuur dat wij straks gezien hebben
-is er een afdoend bewijs van.”
-
-»Hoedat?”
-
-»Ik zal het u duidelijk maken: de Apachen hebben er het grootste belang
-bij om de Franschen van hunne jachtgronden te verwijderen. Geen raad
-wetende nu zij hen reeds daar zien, zijn zij zelven de woestijn weder
-ingetrokken en hebben waarschijnlijk daar dat vuur ontstoken, ten einde
-hen te misleiden en te verplichten er weder terug te komen.”
-
-De haciendero stond een poos in gedachten. De redenen hem door don
-Martial gegeven kwamen hem zoo gegrond voor, dat hij niet wist waartoe
-te besluiten.
-
-»Ter zake!” riep hij eenige oogenblikken later, »wat oordeelt gij zelf
-van dat alles?”
-
-»Dat wij dwaas zouden doen,” antwoordde don Martial beslissend, »nog
-langer onzen tijd te verspillen, met hier te zoeken naar lieden die er
-niet meer te vinden zijn, en daarbij gevaar te loopen door een
-temporale overvallen te worden, een dier verschrikkelijke orkanen die
-in deze streek ieder oogenblik kunnen opkomen en alles wat er zich
-bevindt onder het zand begraven.”
-
-»Dus wilt gij op uwe stappen terugkeeren?”
-
-»Integendeel; ik wil vooruit en de woestijn recht doortrekken, om zoo
-spoedig mogelijk naar Apacheria te komen, waar ik zeker ben, dat ik
-weldra het spoor onzer vrienden ontdekken zal.”
-
-»O! dat vind ik zeer goed; maar wij zijn immers hier nog al te ver van
-de prairie?”
-
-»Niet zoo ver als gij denkt; doch voor het oogenblik zullen wij ons
-gesprek hierbij laten; ik wil op verkenning uit, dat vuur daar is mij
-een doorn in ’t oog, het wekt al mijne nieuwsgierigheid, ik moet het
-van nabij gaan onderzoeken.”
-
-»Wees toch voorzichtig.”
-
-»Het is immers om uw en ons aller behoud te doen,” hernam de Tigrero
-met een treurigen blik op doña Anita.
-
-Hij stond op, zadelde zijn paard en na even te hebben rondgezien reed
-hij weg.
-
-»Moedige ziel!” prevelde doña Anita terwijl zij hem in den avondnevel
-zag verdwijnen.
-
-De haciendero zuchtte en liet het hoofd vol gedachten op de borst
-zakken. Don Martial verwijderde zich snel in het bleeke maanlicht, dat
-de eenzame woestijn overgoot met haar sidderend en fantastisch
-schijnsel. Telkens ontmoette hij kale en steile rotsen, die op haar
-voetstuk schenen te waggelen, als sombere en sluimerende schildwachts
-wier reusachtige schaduw zich ver over de grauwe zandvlakte uitbreidde;
-of nu en dan een ontzaglijken ahuehuelt [21], welks kale takken met
-zoogenaamd spaansche baard waren beladen, zeker dik mos dat er in lange
-en gepruikte trossen bij neerhing en bij het minste geblaas van den
-wind zich beweegt.
-
-Na ongeveer een uur lang gereden te hebben, bracht de Tigrero zijn
-paard tot staan, steeg af en keek opmerkzaam rond.
-
-Weldra had hij gevonden wat hij zocht; niet ver van hem af was een vrij
-diepe, hetzij door den wind of door den regen uitgeholde ravijn, waar
-hij zijn paard in liet afdalen; hij maakte het met de lasso stevig aan
-een groot steenblok vast, bond het de neusgaten dicht, opdat het niet
-zou brieschen, nam zijn geweer op schouder en verwijderde zich.
-
-Van de plaats waar hij zich thans bevond was het vuur duidelijk
-zichtbaar en teekende de roode gloed zich scherp af in de duisternis.
-
-Rondom het vuur zag hij een aantal gestalten onbeweeglijk nedergehurkt,
-die hij bij den eersten oogopslag reeds voor Indianen herkende.
-
-De Tigrero had zich niet bedrogen, zijne ondervinding als jager was hem
-zeer goed te stade gekomen; het waren wel degelijk Roodhuiden die daar
-zoo dicht bij zijne karavaan in de woestijn gekampeerd lagen.
-
-Doch wie waren deze Roodhuiden, waren het vrienden of vijanden? Ziedaar
-eene vraag die hij volstrekt wilde opgelost zien.
-
-Het was geen gemakkelijke taak op zulk een effen en geheel open terrein
-hen ongemerkt te naderen, want de Indianen zijn als de wilde dieren,
-zij hebben het voorrecht van even scherp te zien, als te hooren en te
-ruiken: hunne glasachtige oogappels hebben het vermogen zich te
-verwijden als die van tijgers en, zoo kunnen zij hunne vijanden even
-goed zien in de dikste duisternis als in het meest verblindende
-zonlicht.
-
-Intusschen gaf don Martial zijn plan niet op.
-
-Niet ver van het kamp der Roodhuiden lag een groot blok graniet, aan
-welks voet drie of vier ahuehuelts waren opgeschoten, die door verloop
-van tijd hunne takken zoo dicht in elkander hadden gevlochten, dat zij
-op zekere hoogte aan den eenen kant van de rots een ondoordringbaar
-warbosch vormden.
-
-De Mexicaan ging plat op den grond liggen en schoof zich met behulp van
-knieën en ellebogen, duim voor duim en streep voor streep, zachtkens
-vooruit naar de rots, daarbij behendig gebruik makende van de schaduw
-die de rots zelve en de daarnevenstaande boomen op een gedeelte van het
-terrein wierpen.
-
-De Tigrero besteedde bijna een half uur om de weinig meer dan veertig
-ellen gronds die hem van de rots scheidden, af te leggen.
-
-Eindelijk had hij haar bereikt; en toen hield hij even stil om adem te
-scheppen en slaakte een zucht van voldoening.
-
-Het overige was niets meer; hij vreesde niet langer, gezien te zullen
-worden, dank zij het dichte gordijn van takken dat hem voor het oog der
-Indianen verborg, maar daarentegen des te meer dat men hem mocht
-hooren.
-
-Na eenige oogenblikken uitgerust te hebben begon hij opnieuw te
-kruipen, en zich van lieverlede langs de steilte der rotshelling naar
-boven te werken: eindelijk bevond hij zich op gelijke hoogte met het
-warbosch, waar hij dadelijk inkroop en verdween, zonder dat iemand
-zijne aanwezigheid aan die plaats kon vermoeden.
-
-Uit dit schuilhoekje, dat hij zoo gelukkig ontdekt en bereikt had,
-overzag hij niet alleen het gansche kamp der Roodhuiden, maar kon hij
-duidelijk hooren wat zij onderling spraken.
-
-Het zal niet noodig zijn hier aan te merken, dat don Martial de
-verschillende taaleigens der talrijke, in de uitgestrekte wildernissen
-verspreide Indianen-stammen even goed verstond als sprak.
-
-De hier aanwezige Roodhuiden herkende hij onmiddellijk als Apachen.
-
-Dus waren al zijne vermoedens verwezenlijkt.
-
-Rondom een vuur van bisonsmest, dat hoog opvlamde zonder eenigen
-althans noemenswaardigen rook te verspreiden, zaten een aantal
-Indianenhoofden deftig nedergehurkt, in allen ernst hunne calumet te
-rooken en zich tevens te warmen, want de nacht was fijn koud.
-
-Onder hen herkende don Martial den Zwarte-Beer.
-
-De sachem zag er somber en norsch uit, hij scheen aan eene kwalijk
-verkropte gramschap ten prooi; nu en dan hief hij onrustig het hoofd op
-en richtte zijn blik beurtelings naar den helderen sterrenhemel en de
-hem omringende ruimte, als wilde hij de duisternis doorboren. Een dof
-en aansnellend gedruisch liet zich hooren, en weldra verscheen er een
-Indiaan te paard in het verlichte gedeelte van het kamp.
-
-Na te zijn afgestegen, naderde de nieuw aankomende het vuur, hurkte
-neder bij zijne kameraden, stak zijn calumet aan en begon te rooken,
-met een strak en ongevoelig gezicht, ofschoon men aan het stof waarmede
-hij bedekt was en aan de snelheid zijner ademhaling, wel bemerken kon
-dat hij een verren en moeielijken tocht gemaakt had.
-
-Bij zijne komst had de Zwarte-Beer hem tamelijk lang en bespiedend
-aangestaard, maar was toen weder gaan rooken zonder hem een woord toe
-te voegen, daar de Indiaansche etiquette verbiedt, dat de eene sachem
-den anderen ondervraagt, eer deze de asch uit zijn uitgerookte pijp in
-den haard heeft geschud.
-
-In het ongeduld van den Zwarte-Beer werd blijkbaar door de overige
-Indianen gedeeld. Intusschen bewaarden allen een deftig stilzwijgen.
-Eindelijk trok de nieuwgekomene een laatste teug rook uit zijne pijp,
-dien hij door mond en neusgaten weder uitblies, schudde haar leeg en
-stak haar bedaard in zijn gordel.
-
-De Zwarte-Beer richtte thans het woord tot hem.
-
-»De Kleine-Panter komt wel laat terug,” zeide hij.
-
-Dit was geen rechtstreeksche vraag; de Indiaan bepaalde zich dus hij
-eene buiging maar antwoordde niet.
-
-»De gieren trekken met groote troepen over de woestijn,” hervatte de
-sachem een poos later, »de coyotes scherpen hunne spitse klauwen, de
-Apachen rieken een geur van bloed, die het hart in hunne borst van
-vreugde doet opspringen; heeft mijn zoon ook iets gezien?”
-
-»De Kleine-Panter is een vermaard krijgsman in zijn stam,” antwoordde
-de Indiaan, »als de eerste bladeren komen zal hij ook een opperhoofd
-zijn; hij heeft de zending volbracht die zijn vader hem opdroeg.”
-
-»Ooah! wat doen de Lang-Messen?”
-
-»De Lang-Messen zijn honden, die huilen zonder te kunnen bijten, een
-Apachen krijgsman heeft hen verschrikt.”
-
-De sachems glimlachten hoogmoedig bij deze zotte grootspraak, die zij
-eenvoudig in goeden ernst opnamen.
-
-»De Kleine-Panter heeft hun kamp gezien,” hervatte de Indiaan, »hij
-heeft hen geteld, zij zuchten als vrouwen en huilen als kleine kinderen
-zonder moed of kracht; twee van hen zullen dezen nacht geen plaats meer
-nemen aan het raadvuur hunner broederen.”
-
-En met zekeren, niet van krijgsadel ontblooten zwier sloeg de Indiaan
-de katoenen kiel op, die hem van den hals tot aan de knieën reikte, en
-liet hem een paar versche haarschedels zien die aan zijn gordel hingen.
-
-»Ooah!” juichten de opperhoofden met geestdrift, »de Kleine-Panter
-heeft dapper gestreden!”
-
-De Zwarte-Beer wenkte den Indiaan hem de twee bloedige trofeën te
-overhandigen.
-
-De Kleine-Panter maakte ze los en reikte ze hem over.
-
-De Zwarte-Beer bekeek ze met alle aandacht. Al de andere hoofden
-wachtten met belangstelling op zijn oordeel.
-
-»Asch’het!” (Zeer goed) riep hij onmiddellijk, »mijn zoon heeft een
-Lang-Mes gedood en een Yori.”
-
-En hiermede gaf hij de bloedige trofeën aan den eigenaar terug, die ze
-weder aan zijn gordel hechtte.
-
-»Hebben de bleekmuilen het spoor der Apachen ontdekt?” vroeg hij.
-
-»De bleekmuilen zijn blinde mollen. Zij deugen nergens dan in hunne
-steenen dorpen.”
-
-»Wat heeft mijn zoon gedaan?”
-
-»De Panter heeft de bevelen die hij van zijn vader ontvangen had, stipt
-uitgevoerd; toen de krijgsman begreep dat de bleekgezichten hem niet
-wilden zien, is hij stout op hen ingetreden en heeft hen gesard, en
-toen hebben zij hem drie uren lang vervolgd tot in het hart der
-woestijn.”
-
-»Goed: mijn zoon heeft zich braaf gedragen. Wat heeft hij nog meer
-gedaan?”
-
-»Toen hij de Lang-Messen ver genoeg had gebracht, heeft hij hen
-verlaten, na eerst twee van hen gedood te hebben tot een aandenken van
-zijne ontmoeting; daarop is hij naar het kamp zijner broederen
-teruggereden.”
-
-»Mijn zoon zal wel moede zijn; het uur der rust is voor hem gekomen.”
-
-»Nog niet,” antwoordde de Indiaan ernstig.
-
-»Ooah! dat mijn zoon zich verklare.”
-
-Zonder te weten waarom, maar bij dit woord voelde de Tigrero, die alles
-stipt had afgeluisterd, zijn hart beven van angst.
-
-De Indiaan vervolgde:
-
-»Er zijn niet alleen Lang-Messen in de woestijn, de Kleine-Panter heeft
-een tweede spoor ontdekt.”
-
-»Een tweede spoor?”
-
-»Ja. Dat spoor is weinig zichtbaar: het telt maar zeven paarden en drie
-muildieren in ’t geheel; ik heb den stap van een dezer paarden
-herkend.”
-
-»Ooah! ik verwacht dat mijn zoon mij alles zal mededeelen.”
-
-»Zes gewapende Yoris te paard, met eene vrouw bij zich, zijn de
-woestijn binnen getrokken.”
-
-Het oog van den Zwarte-Beer fonkelde.
-
-»Eene bleeke vrouw?” vroeg hij.
-
-De Indiaan knikte toestemmend.
-
-De sachem dacht een oogenblik na, maar spoedig hernam zijn gelaat het
-masker van onverschilligheid dat hem eigen was.
-
-»De Zwarte-Beer heeft zich niet vergist,” zeide hij, »hij rook den geur
-des bloeds, ik beloof mijne zonen eene goede jacht. Morgen met de
-endit-ha [22] zullen de krijgslieden te paard stijgen. De hut van den
-sachem is eenzaam; dat zij onze eerste zorg. Laten wij dus de
-Lang-Messen aan hun lot over,” vervolgde hij de oogen naar den hemel
-richtende. »Nyang, de geest des kwaads, zal zich wel met de taak
-belasten hen onder het zand te begraven, de Meester des levens roept
-den storm reeds; ons werk is afgedaan, volgen wij liever de Yoris en
-keeren wij dan naar onze jachtvelden terug; de orkaan zal weldra over
-de woestijn losbreken en haar omkeeren. Mijne zonen kunnen zich aan den
-slaap overgeven, een opperhoofd zal over hen waken; ik heb gesproken.”
-
-De krijgslieden bogen stilzwijgend, stonden de een na den ander op en
-vlijden zich eenige stappen verder op den zandbodem neêr.
-
-Na verloop van een paar minuten waren allen in diepen slaap.
-
-Alleen de Zwarte-Beer waakte. Met het hoofd in de beide handpalmen, en
-de ellebogen op de knieën, zat hij strak in den met sterren bezaaiden
-hemel te staren. Somwijlen werd zijn oog minder streng, scheen zijn
-gelaat te verteederen en trilde er een vluchtige glimlach op zijne
-lippen.
-
-Welke gedachten hielden hem bezig? waarover peinsde de sachem?
-
-Don Martial had alles beluisterd en geraden, en een heimelijke schrik
-deed hem huiveren van afgrijzen.
-
-Hij bleef nog bijna een half uur onbeweeglijk in zijn schuilhoek, uit
-vrees van ontdekt te worden; daarna begon hij de rots af te klimmen
-gelijk hij haar was opgeklauterd, maar met nog grooter zorgvuldigheid:
-want in deze oogenblikken, nu eene roerlooze stilte de natuur
-beheerschte, zou het minste geritsel zijne tegenwoordigheid voor het
-scherpe gehoor van den Indiaan hebben verraden.
-
-Na alles wat hij zoo ongedacht had afgeluisterd vreesde hij meer dan
-ooit om ontdekt te worden.
-
-Eindelijk gelukte het hem veilig de plek te bereiken waar hij zijn
-paard had achtergelaten.
-
-Onmiddellijk steeg hij in den zadel, maar liet een geruimen tijd den
-teugel achteloos op den hals van zijn trouwe dier rusten en terwijl hij
-stapvoets voortreed, riep hij zich nog eens al het gehoorde voor den
-geest, en begon hij op middelen te peinzen om het vreeselijk gevaar af
-te wenden, dat hem en zijne tochtgenooten bedreigde.
-
-Zijne verlegenheid kende geene grenzen, hij zag geen kans om het
-raadsel op te lossen en wist niet waartoe te besluiten. Hij kende don
-Sylva de Torres te goed om te veronderstellen dat deze ooit om redenen
-van persoonlijk behoud zijn plan op zou geven en zijne vrienden in den
-steek laten, zonder het uiterste te beproeven om hen te helpen. Maar
-moest of mocht hij dan doña Anita opofferen aan deze overdreven
-nauwgezetheid, aan dit kwalijk begrepen punt van eer, ten gevalle van
-een man die in geenerlei opzicht zooveel belang verdiende als de
-haciendero in hem stelde?
-
-Nog altijd was er kans om met inspanning van kracht en beleid de
-Apachen te ontwijken en aan hunnen overmoed te ontsnappen;—maar hoe zou
-men ontsnappen aan den temporal, dien gevreesden storm! die wellicht
-reeds binnen weinige uren over de woestijn zou losbreken, alle
-plaatselijke kenmerken zou doen verdwijnen, alle sporen uitwisschen en
-zoodoende iedere vlucht onmogelijk maken?
-
-Doch hoe het ook gaan mocht, boven alles, het meisje moest hij redden
-tot iederen prijs! Deze gedachte kwam bij den Tigrero telkens met
-nieuwe kracht weder boven en brandde hem als gloeiend staal op het
-hart. Het klamme zweet parelde op zijn voorhoofd en hij verzonk als het
-ware in stomme razernij tegenover de stoffelijke onmogelijkheid, die
-hier zoo onverbiddelijk voor hem oprees.
-
-Hoe zou hij haar redden? Dit was nu de alles beheerschende vraag, en op
-deze vraag wist hij geen antwoord.
-
-Zoo reed hij een geruimen tijd stapvoets voort met het hoofd op de
-borst gebogen, en pijnigde zijn geest af om een middel te vinden en
-zich uit dien moeielijken toestand te redden, die hem meer en meer
-beknelde. Eindelijk ging er in zijne gedachten een licht op; hij hief
-het hoofd fier omhoog en met een uitdagenden blik naar den kant zijner
-vijanden, die zich reeds zeker waanden hem en zijne reisgenooten te
-zullen meester worden, gaf hij zijn paard de sporen en zette door in
-vliegenden galop.
-
-Toen hij de plaats bereikte waar de karavaan gekampeerd lag, vond hij,
-behalve den peon die op wacht stond, alles in diepen slaap.
-
-Het was reeds laat geworden, ongeveer een uur na middernacht, de
-hoogstaande maan verspreidde een schitterend licht over de zandvlakte,
-zoodat men alles bijna even goed zien kon als op den vollen middag. De
-Apachen zouden volgens hun plan niet opbreken voor dat de zon opging;
-hij had dus nog vier volle uren te zijner beschikking om vrij te
-handelen, en hij besloot om zich die ten nutte te maken. Vier uren
-welbesteed, zijn onberekenbaar veel bij eene vlucht.
-
-De Tigrero begon met zijn paard zorgvuldig af te rossen, om het de zoo
-noodige lenigheid weêr te geven, want hij zou dien dag van zijne
-vlugheid en kracht het uiterste moeten vergen. Daarna, geholpen door de
-peons, laadde hij de muildieren op en zadelde de paarden.
-
-Alles gereed zijnde, bedacht hij zich een oogenblik en nu maakte hij
-haastig een aantal kleine zakken van schapenvellen met zand gevuld, om
-er de pooten der paarden in te steken. Deze list moest naar zijne
-berekening dienen om de Roodhuiden te misleiden, die het door hen
-verwachte spoor niet langer herkennende, aan vervalsching zouden denken
-en hen dus niet rechtstreeks zouden vervolgen.
-
-Tot overmaat van veiligheid, liet hij drie of vier lederen zakken met
-mezcal onder de rots achter, wel verzekerd dat de Apachen met hunnen
-bekenden lust naar sterken drank niet zouden nalaten zich te bedrinken.
-
-Toen dit alles gedaan was, wekte hij don Sylva en zijne dochter.
-
-»Te paard!” riep hij op een toon die geen tegenspraak gedoogde.
-
-»Wat is het?” vroeg de haciendero nog half slapende.
-
-»Wat het is?—als wij niet oogenblikkelijk vertrekken, zijn wij
-verloren.”
-
-»Wat? wat zegt gij, verloren?”
-
-»Te paard! te paard!” hervatte hij, »iedere minuut die wij hier
-verspillen brengt ons nader bij onzen dood! Later zal ik u alles
-ophelderen.”
-
-»Maar in ’s hemels naam! wat is er dan toch gebeurd?”
-
-»Gij zult het spoedig weten, kom meê, kom meê!”
-
-Zonder verder op zijne vragen acht te slaan, noopte hij den haciendero
-tegen wil en dank dadelijk te paard te stijgen; doña Anita zat reeds in
-den zadel, de Tigrero wierp een laatsten blik rugwaarts en gaf toen het
-sein om te vertrekken.
-
-De kleine karavaan zette zich in beweging en stoof onmiddellijk
-voorwaarts, zoo snel de paarden en muildieren maar loopen konden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXIII.
-
-DE APACHEN.
-
-
-Niets is akeliger dan een tocht door de woestijn bij nacht, en onder
-zulke omstandigheden als die onze reizigers noodzaakten tot eene
-overhaaste vlucht.
-
-De nacht is de vader der spoken; in de schemering wordt het vroolijkste
-landschap somber en zwart; al het wezenlijke schijnt van gedaante te
-wisselen, en het onwezenlijke krijgt eene gestalte om den reiziger te
-verschrikken; zelfs de maan, hoe helder zij schijnen mag, geeft aan de
-voorwerpen een spookachtig aanzien en een nog spookachtiger schaduw,
-die wel in staat is den stoutste te doen sidderen.
-
-De doodsche stilte der woestijn, hare onbegrensde eenzaamheid, die den
-armen reiziger van alle kanten omgeeft, drukt en benauwt, en door zijne
-kranke verbeelding met schrikgestalten bevolkt wordt; de tastbare
-duisternis, die hem opsluit als in een looden doodkist: alles spant
-samen om zijn brein te ontstellen en hem, om het zoo eens te noemen,
-een angstkoorts aan te jagen, die de levenwekkende luister der opgaande
-zon alleen in staat is weder te verdrijven.
-
-Onwillekeurig ondergingen onze reizigers den druk van al deze
-verschrikkingen, die hun geschokte hersengestel te voorschijn riep; zij
-renden voort in den tastbaren nacht, zonder—althans de meesten
-hunner—te weten waarom of waarheen; zij bekommerden er zich ook niet
-om; met een bezwaard hoofd, benevelde zinnen, door sluimerzucht
-bevangen blik, en de oogen half gesloten, hadden zij slechts ééne
-gedachte: slapen. Zwaaiend en dommelend door hunne voortstormende
-paarden gedragen en met duizelingwekkende snelheid weggevoerd, schenen
-de dorre rotsen en enkele hier en daar verspreide boomen hun als in een
-satanischen wedren voorbij te vliegen, tot zij eindelijk de oogen
-geheel sloten en zich zoo vast mogelijk in den zadel zetteden om zich
-over te geven aan den slaap, dien zij de macht niet hadden om te
-weêrstaan.
-
-De slaap is voor den mensch wellicht een der sterkste en
-onverbiddelijkste behoeften, die hem alles doet verachten, alles doet
-vergeten.
-
-Wie door slaap overvallen wordt, geeft er zich aan over, ongevraagd hoe
-of waar, en onverschillig hoe groot het gevaar is dat hem bedreigt.
-Honger of dorst kan men, ten minste een tijdlang, door moed en
-wilskracht bedwingen, maar den slaap, neen, tegen hem is niemand
-opgewassen en de strijd onmogelijk; hij omklemt als met fluweelen maar
-ijzeren hand en werpt zijn tegenstander binnen weinige minuten hijgend
-en overwonnen ter neder.
-
-Behalve don Martial, die altijd wakker van blik en helder van geest was
-gebleven, hadden de overige leden der karavaan veel van somnambulen;
-aan hunne paarden als vastgeketend, met gesloten oogen, zonder nadenken
-of zelfbewustheid reden zij voort als in een droom, en in een soort van
-nachtmerrie, dien benauwenden toestand zonder naam, die noch slapen
-noch waken mag heeten, maar slechts eene verdooving is der zinnen en
-een kluistering der ziel.
-
-Dat duurde den geheelen nacht door.
-
-De karavaan had twintig mijlen gemaakt; de reizigers waren doodaf.
-
-Met het opgaan der zon en onder den invloed van hare koesterende
-stralen kwamen zij weder een weinig tot verademing; de spanning die hen
-beknelde hield op, zij openden de oogen, richtten zich op en keken
-nieuwsgierig rond; en gelijk het in zulke omstandigheden gewoonlijk
-gaat, volgde er een vloed van uitroepingen en vragen.
-
-De kleine karavaan had de boorden der Rio del Norte bereikt, wier
-troebele wateren aan deze zijde de grens der woestijn uitmaken.
-
-Don Martial, na de plaats waar zij zich bevonden nauwkeurig te hebben
-opgenomen, maakte op den oever der rivier zelve halt.
-
-De paarden werden van voeder voorzien, en hunne hoeven van de met zand
-gevulde sokken ontdaan. Wat de menschen betreft, deze moesten zich
-vooreerst met een teug refino vergenoegen, om nieuwe krachten te
-bekomen.
-
-Het landschap had hier een gansch ander aanzien; aan de overzijde der
-rivier was de grond met stug en sterk gras bedekt, terwijl uitgestrekte
-bosschen den horizont omzoomden.
-
-»Oef!” riep don Sylva zich met een onbeschrijfelijk gevoel van genot op
-den grond nedervlijende, »wat een rid! ik ben geheel af; als dat zoo
-nog een dag duren moest, voto a brios! dan hield ik het niet vol. Ik
-heb noch honger noch dorst, ik ga slapen.”
-
-En met dat zeggen schikte de haciendero zich zoo zacht mogelijk tot een
-verkwikkelijk slaapje.
-
-»Nog niet, don Sylva,” riep de Tigrero met drift terwijl hij hem
-duchtig bij den arm schudde, »of hebt gij lust om hier uw gebeente
-achter te laten?”
-
-»Loop naar den drommel! ik wil slapen, zeg ik u.”
-
-»Zeer goed,” antwoordde don Martial koelzinnig, »maar als doña Anita
-dan in handen der Apachen valt, moet gij het mij niet wijten.”
-
-»Wat!” riep de haciendero opstaande en hem strak in de oogen ziende,
-»spreekt gij mij weêr van de Apachen?”
-
-»Ik herhaal u dat de Apachen ons nazetten; wij hebben nauwelijks eenige
-uren op hen voor, zoo wij ons niet haasten zijn wij verloren.”
-
-»Canarios! dan moeten wij vluchten!” riep don Sylva thans geheel
-wakker, »ik wil mijne dochter niet in handen van die duivels zien
-vallen.”
-
-Wat doña Anita betreft, die wist op dit oogenblik weinig van zorg, zij
-sliep, zoo als de Spanjaarden zeggen, met gesloten vuisten.
-
-»Laten wij de paarden dubbel voer geven, wij vertrekken onmiddellijk,
-en wij hebben een langen toer te maken; zij moeten in staat zijn om ons
-zoo ver te brengen; die weinige minuten toevens zullen doña Anita ten
-goede komen om hare krachten te herstellen.”
-
-»Dat arme schaap!” zuchtte de haciendero, »van al wat er gebeurt ben ik
-de schuld, het is mijne vervloekte stijfhoofdigheid die haar hier
-gebracht heeft.”
-
-»Waartoe dat zelfverwijt, don Sylva,” zei don Martial, »wij allen
-hebben er schuld aan; laten wij het gebeurde vergeten, en alleen aan
-het tegenwoordige denken.”
-
-»Ach ja! gij hebt gelijk, waarom langer gepraat over gedane zaken? Nu
-ik weder geheel wakker ben, moest gij mij liever eens vertellen wat gij
-dezen nacht gedaan hebt en waarom gij ons zoo plotseling gedrongen hebt
-om te vertrekken.”
-
-»Mijn hemel! don Sylva, dat verhaal zal zeer kort zijn, maar toch
-geloof ik dat gij het zeer belangrijk zult vinden. Oordeel zelf. Gij
-zult het hooren. Nadat ik u gisteren verlaten had om op verkenning uit
-te gaan, gij herinnert het u immers....?”
-
-»Zeer goed! gij zoudt het vuur gaan onderzoeken dat u zoo verdacht
-voorkwam.”
-
-»Juist. Welnu, ik had mij niet bedrogen, dat vuur was zooals ik wel
-vermoedde een kampvuur van wilden. Het was door Apachen aangelegd. Het
-gelukte mij ongemerkt tot hen door te dringen en hun gesprek af te
-luisteren. Weet gij wat zij zeiden?”
-
-»Caramba! hoe kan ik weten wat zulke domkoppen elkander te vertellen
-hebben?”
-
-»Niet zoo dom als gij wellicht een weinig te lichtvaardig denkt, don
-Sylva, een renbode bracht den sachem van den stam verslag van eene door
-hem volbrachte zending; onder meer andere belangrijke zaken, zeide hij
-een spoor van bleekgezichten te hebben ontdekt, en dat zich onder hen
-eene vrouw bevond.”
-
-»Caspita!” riep de haciendero met schrik, »zijt gij daar zeker van, don
-Martial?”
-
-»Zoo zeker zelfs, dat ik door het opperhoofd letterlijk het volgende
-hoorde antwoorden; luister nu wel toe, don Sylva.”
-
-»Ik ben geheel oor, vriend, ga voort.”
-
-»Met zonsopgang trekken wij snel op weg om de bleekhuiden te vervolgen;
-de hut van den sachem is eenzaam, hij heeft eene blanke vrouw noodig om
-haar te verlevendigen.”
-
-»Caramba!”
-
-»Ja. Toen wist ik genoeg van de onderneming die de Roodhuiden in den
-zin hebben; ik sloop even stil weg als ik gekomen was en keerde zoo
-spoedig mogelijk naar ons kamp terug. Het overige weet gij.”
-
-»O! o!” antwoordde don Sylva blijkbaar ontroerd en met warme
-belangstelling.
-
-»Ja, ik weet het overige, don Martial, en ik zeg u oprechtelijk dank
-niet alleen voor het goed overleg waarmede gij bij deze gelegenheid
-zijt te werk gegaan, maar ook voor den ijver waarmede gij, zonder u aan
-onze tegenstribbeling te storen, ons gedwongen hebt u te volgen.”
-
-»Ik heb niet anders gedaan dan mijn plicht mij gebood, don Sylva. Heb
-ik u niet gezworen dat ik u getrouw zou blijven?”
-
-»Ja, mijn vriend, en gij doet uw eed ridderlijk gestand.”
-
-Sedert de haciendero don Martial had leeren kennen, was dit de eerste
-maal dat hij werkelijk rond en oprecht met hem sprak en hem den titel
-van vriend schonk.
-
-De Tigrero was er door getroffen, deze ontboezeming ging hem door de
-ziel, en zoo hij tot hiertoe jegens don Sylva eenige vooroordeelen was
-blijven koesteren, werden zij op dit oogenblik geheel bij hem
-uitgewischt, om in zijn hart niets dan een innig gevoel van
-dankbaarheid over te laten.
-
-Intusschen was doña Anita gedurende dit gesprek wakker geworden, en nu
-hoorde zij met onbeschrijfelijk genoegen hoe vriendschappelijk zij
-samen spraken.
-
-Toen haar vader haar nu de reden vertelde waarom don Martial hen
-gedrongen had in het holst van den nacht zulk een vermoeienden tocht te
-ondernemen, bedankte zij den Tigrero van harte en beloonde hem met een
-van die teedere blikken, daar de vrouwen alleen het geheim van bezitten
-en in welke zij als het ware haar geheele ziel doen spreken.
-
-Toen de Tigrero zag dat zijn getrouwe ijver naar waarde geschat werd,
-vergat hij al zijne vermoeienis en kende hij geen ander verlangen, dan
-om zijne wel begonnen taak gelukkig ten einde te brengen.
-
-Zoodra de paarden gevoederd waren werd er opnieuw opgestegen.
-
-»Ik verlaat mij op u, don Martial,” zei de haciendero, »gij alleen kunt
-ons redden.”
-
-»En met Gods hulp zal ik het doen,” antwoordde de Tigrero
-hartstochtelijk.
-
-Men daalde in de rivier af, die op dit punt vrij breed was. In plaats
-van haar in eene rechte lijn over te steken, verkoos don Martial, ten
-einde de Roodhuiden beter van ’t spoor te helpen, liever eene poos den
-stroom van het water te volgen, en stuurde hij de karavaan met menige
-wending en kronkeling in eene schuinsche richting naar den overkant.
-
-Eindelijk aan een plek komende waar de rivier tusschen oevers van
-kalksteen besloten was, en dus de hoeven der paarden en muilezels geen
-zichtbare indruksels op het natte zand of de vochtige klei konden
-achterlaten, steeg hij aan wal.
-
-De karavaan had thans de woestijn verlaten. Voor haar uit lag de
-onmetelijke prairie, wier golvende bodem zich langzaam verheft tot de
-eerste heuveltrappen der Sierra Madre en der Sierra de los Comanchos.
-Hier was het geen woeste onvruchtbare vlakte meer, zonder bosch of gras
-of water. Eene overdadig welige natuur, rijk bedeeld met
-onvergelijkelijke groeikracht, van boomen, bloemen en kruiden, tallooze
-vogels die vroolijk kwinkeleerden tusschen het gebladerte, dieren van
-allerlei soort die in deze natuurlijke weiden liepen grazen of
-rondhuppelden en zich verlustigden.
-
-De mensch, waar en wanneer ook, en onder welke zorgen en bemoeiingen
-zijn geest ook gebukt gaat, ondervindt onwillekeurig den invloed der
-uitwendige voorwerpen die hem omringen; eene lachende natuur maakt hem
-vroolijk, zoowel als een somber en dor of verlaten landschap hem tot
-treurigheid stemt.
-
-De reizigers gaven zich werktuigelijk over aan den weldadigen indruk
-der groote verandering, die het gezicht van het prachtig en heerlijk
-schouwspel dat de prairie hun bood bij hen teweegbracht, in
-vergelijking met de eenzame, dorre woestijn die zij pas verlaten en
-daar zij zoo lang op goed geluk in rondgedoold hadden. Deze
-tegenstelling was voor hen vol bekoorlijkheid en zij gevoelden daarbij
-den moed en de hoop in hunne harten herleven.
-
-Tegen elf ure des voormiddags echter, waren de paarden zoo moê
-geloopen, dat men zich genoodzaakt zag te kampeeren om hun eenige uren
-rust te gunnen en de grootste hitte van den dag te laten voorbijgaan.
-
-Don Martial koos daartoe de kruin van een boschrijken heuvel, van waar
-men den ganschen omtrek kon overzien, terwijl men zelf tusschen het
-geboomte onzichtbaar bleef.
-
-Toen men echter een vuur wilde aanleggen om spijzen te koken, verzette
-de Tigrero er zich tegen, daar de rook alleen genoeg zou zijn geweest
-om hunnen schuilhoek kenbaar te maken, en in de tegenwoordige
-oogenblikken konden zij niet te voorzichtig zijn; want dat de Apachen
-met zonsopgang waren opgebroken om hen te vervolgen was maar al te
-zeker; en deze fijne windhonden het spoor bijster te maken, was eene
-volstrekte noodzakelijkheid. Ondanks al zijne voorzorgen, twijfelde de
-Tigrero nog altijd of het hem gelukken zou de in dit opzicht zoo slimme
-Roodhuiden te verschalken.
-
-Na in der haast een paar maïskoekjes gegeten te hebben liet hij zijne
-kameraden de weinige rust genieten, die zij zoo grootelijks behoefden,
-en stond op om den omtrek te bespieden en te zien of hij ook iets
-ontdekken kon dat hun veiliger uitweg of althans zekerder schuilplaats
-aanbood.
-
-De Tigrero was een man als van ijzer, de vermoeienis had geen vat op
-hem; zijn wilskracht was zoo vast dat zij aan alles weêrstand bood, en
-de zucht om de vrouw die hij lief had voor onheil te behoeden verleende
-hem schier bovennatuurlijke sterkte.
-
-Langzaam daalde hij den heuvel af, lettende op iederen struik,
-rondziende ieder oogenblik, en niet dan met de uiterste behoedzaamheid,
-met de hand aan den trekker van zijn geweer en met het oor gespitst op
-het minste geluid.
-
-Toen hij in de vlakte kwam, waar hij, dank zij het hooge prairiegras,
-door niemand gezien kon worden, stapte hij haastig voort in de richting
-van een donker en dicht bosch, welks eerste geboomte zich bijna tot aan
-den voet des heuvels uitstrekte.
-
-Dit bosch bleek inderdaad te zijn wat hij reeds vermoedde, namelijk een
-ongerept natuurwoud; de boomen waren door de menigte lianen en
-slingerplanten zoo vast aan elkander geweven dat zij een
-ondoordringbaar net vormden, waar men zich alleen met de hakbijl of
-door middel van vuur een doortocht had kunnen banen.
-
-Als hij alleen ware geweest zou de Tigrero tegen dit schijnbaar
-onoverkomelijk bezwaar niet hebben opgezien; of anders met zijne gewone
-behendigheid en kracht den weg tusschen hemel en aarde gekozen en zich
-van tak tot tak of over de toppen der boomen hebben gewaagd, zoo als
-hij wel meer gedaan had. Maar wat een man zoo onvervaard en sterk als
-hij had kunnen doen, daaraan viel voor eene zwakke, vreesachtige vrouw
-niet te denken.
-
-Hij was geheel buiten raad. Een oogenblik voelde de Tigrero den moed
-hem ontzinken, maar dit duurde ook slechts een oogenblik. Met fierheid
-verhief hij zich weder en kreeg terstond al zijne zielskracht terug;
-hij stapte voort naar het bosch, dat hij voor een gedeelte langs ging,
-speurend en spiedend als een roofdier dat zijn prooi zoekt.
-
-Op eens slaakte hij een half gesmoorden kreet van verrassing.
-
-Hij had gevonden wat hij bijna niet durfde hopen te zullen ontdekken.
-
-Voor hem uit, onder een dicht gewelf van groene takken en bladen,
-kronkelde een dier smalle, donkere paden of loopsporen, door het wild
-gedierte reeds sedert eeuwen getrokken om bij nacht naar de rivier te
-gaan drinken, en die alleen een geoefend oog als dat van den Tigrero in
-staat was te ontdekken; onverschrokken waagde hij er zich in en stapte
-een geruimen tijd voort.
-
-Gelijk alle door roofdieren getrokken sporen, liep ook dit met tallooze
-omwegen en keerde menigmaal op zich zelve terug. Na het een tijd lang
-gevolgd te zijn, had de Tigrero genoeg gezien en besloot hij dadelijk
-naar den heuvel terug te keeren.
-
-Zijne kameraden, niet weinig ongerust over zijn lang uitblijven
-verwachtten hem reeds met ongeduld en ontvingen hem met groote
-blijdschap. Hij gaf hun verslag van het door hem gevonden spoor en van
-hetgeen hij verder gezien had.
-
-Intusschen, terwijl don Martial alzoo op verkenning uit was geweest,
-had ook een der peons niet stil gezeten, maar aan de eene zijde van den
-heuvel daar de karavaan kampeerde eene ontdekking gedaan, die in de
-gegeven omstandigheden voor de reizigers onwaardeerbaar was.
-
-Voor tijdverblijf en zonder bepaald doel in den omtrek ronddolende, had
-hij den ingang eener grot ontdekt, in welke hij echter niet durfde
-binnengaan, uit vrees dat hij misschien onverwachts door een of ander
-roofdier zou overvallen worden.
-
-Don Martial trilde van blijdschap bij dit bericht, hij nam een
-ocote-fakkel en gelastte den peon hem naar de grot te brengen.
-
-Zij lag slechts weinige schreden ver, aan de zijde des heuvels die op
-de rivier uitzag.
-
-De toegang was zoodanig met struiken en woekerplanten bezet, dat er
-blijkbaar sinds lange jaren geen levend schepsel was binnengedrongen.
-
-De Tigrero boog de struiken met de meeste behendigheid en zorg uit
-elkander, ten einde ze niet te beschadigen, en sloop de spelonk binnen.
-De ingang was tamelijk hoog, ofschoon dan ook nauw. Alvorens verder te
-gaan, sloeg hij vuur en ontstak zijn toorts.
-
-De spelonk was een door de natuur gevormde onderaardsche gang, zooals
-men er in deze streken meerdere aantreft, de wanden waren steil en
-droog, de grond bestond uit fijn zand. Zij ontving waarschijnlijk
-versche lucht door onzichtbare spleten, want geen dierlijke of
-verstikkende uitwasemingen lieten er zich in bespeuren, en men haalde
-er onbelemmerd adem, kortom, ofschoon vrij donker, was zij wel geschikt
-om te bewonen. Met een zacht afglooienden bodem, terwijl het gewelf
-langzamerhand lager werd, liep zij uit in een groote zaal, in welks
-midden een diepe kolk was, daar don Martial ondanks het heldere licht
-van zijn fakkel onmogelijk den bodem van kon zien. Hij keek hier een
-oogenblik rond en zag een stuk steen liggen dat waarschijnlijk van het
-gewelf was gevallen, nam het en wierp het in den afgrond.
-
-Vrij lang hoorde men den steen, langs de wanden kaatsend naar beneden
-vallen en eindelijk klotsen, als een zwaar voorwerp dat in het water
-stort.
-
-Don Martial wist nu al wat hij verlangde te weten. Hij ging om de kolk
-heen en vervolgde zijn weg in een vrij engen tunnel, die snel afwaarts
-daalde. Na op deze wijs omtrent tien minuten te zijn voortgestapt,
-bespeurde hij in de verte daglicht. De grot had twee uitgangen!
-
-Nu haastte hij zich terug te keeren.
-
-»Wij zijn gered!” riep hij vroolijk tegen zijn gezellen; »kom, haast u
-en volg mij, wij hebben geen oogenblik te verliezen, om de schuilplaats
-te bereiken die de Voorzienigheid ons zoo gunstig aanbiedt.”
-
-Allen stonden op om hem te volgen.
-
-»Maar,” merkte don Sylva aan, »onze paarden, wat zullen wij daarmede
-doen?”
-
-»Maak u daar niet ongerust over, ik weet waar ik ze verbergen moet.
-Laten wij onze levensmiddelen naar de grot brengen, want naar alle
-waarschijnlijkheid zullen wij genoodzaakt zijn er eenigen tijd te
-blijven, bewaren wij dus hier ook de zadels en tuigen, daar ik buiten
-de grot geen plaats voor zou weten. Wat de paarden aangaat, dat is
-mijne zaak.”
-
-Allen gingen thans aan ’t werk met dien koortsachtigen ijver dien de
-hoop op ontsnapping aan een dreigend gevaar gewoonlijk inboezemt, en na
-verloop van een uur op zijn langst waren de pakgoederen, de
-levensmiddelen en de menschen in de grot verborgen en in veiligheid.
-
-Don Martial bracht de struiken weder in orde, om de sporen waar zijne
-kameraden waren doorgegaan, te doen verdwijnen; daarop haalde hij
-ruimer adem, met het zoete gevoel van welvoldaanheid dat steeds op het
-gelukken van een stout, schier onuitvoerlijk plan volgt, en beklom den
-top van den heuvel.
-
-Hij koppelde de paarden met behulp van een lasso en leidde hen den berg
-af naar de vlakte, in de richting van het bosch, waar hij weldra in de
-kronkelingen van het vroeger door hem gevonden loopspoor verdween.
-
-Het pad was smal, zoodat de paarden er niet dan achter elkander en dan
-nog met groote moeite door konden. Eindelijk bereikte hij een klein
-open kamp, waar hij de arme dieren aan hun lot overliet, hun al den
-voorraad boonen en klaver achterlatende, die hij uit voorzorg met de
-muildieren had medegenomen.
-
-De Tigrero wist vooruit wel dat de paarden en muilezels zich uit eigen
-beweging niet ver van de plaats zouden verwijderen waar hij hen moest
-achterlaten, en dat hij hen, zoodra hij ze weder noodig had,
-gemakkelijk zou terugvinden.
-
-Al deze bemoeiingen namen veel tijd weg; de dag spoedde reeds ten einde
-eer don Martial voor goed het bosch verliet.
-
-De zon, tot dicht aan de kimmen gedaald, vertoonde zich als een
-schitterende vuurbol bijna met de oppervlakte der aarde gelijk. De
-schaduw der boomen verlengde zich tot in het oneindige; de avondkoelte
-verhief zich met zacht geblaas tusschen de hoogste toppen van het
-geboomte; reeds hoorde men van tijd tot tijd in de diepte der bosschen
-eenige rauwe kreten opgaan, ten bewijze dat de roofdieren ontwaakten,
-die gevreesde gasten der wildernis! wier ongestoorde heerschappij over
-de prairie een aanvang nam om er gedurende den nacht als onbeperkte
-koningen te regeeren.
-
-Nogmaals naar den top des heuvels teruggekeerd, eer hij zich naar de
-grot zou begeven, bespiedde don Martial den gezichteinder in het
-laatste licht der stervende zonnestralen.
-
-Op eens verbleekte hij, eene zenuwachtige huivering liep hem door de
-leden; zijne oogen, door schrik wijder geopend, bleven onafgewend op de
-rivier gericht, en stampvoetend mompelde hij met eene half gesmoorde
-stem:
-
-»Reeds daar!.... die duivels!”
-
-Wat de Tigrero gezien had was werkelijk om van te beven.
-
-Eene troep Indiaansche ruiters trok den stroom over, juist op het
-zelfde punt waar hij er met zijne reismakkers eenige uren vroeger was
-overgegaan.
-
-De Tigrero volgde hunne bewegingen met klimmende ongerustheid. Aan den
-anderen oever komende, zetten zij zonder zich op te houden hun tocht
-voort juist langs denzelfden weg dien hij met zijne kameraden gekozen
-had.
-
-Er viel niet meer aan te twijfelen; de Apachen hadden zich door de
-listige voorbehoedmiddelen van den Tigrero niet laten bedriegen, maar
-waren de karavaan rechtstreeks gevolgd en kwamen nu met allen spoed
-opzetten. In minder dan een uur konden zij den heuvel bereiken, en als
-dat gebeurde, met hunne duivelsche behendigheid in het ontdekken van
-sporen, was het ergste te vreezen!
-
-Den Tigrero klopte het hart in den boezem alsof het dreigde te barsten.
-Hij klom ijlings den heuvel af en half waanzinnig van teleurstelling
-stormde hij de grot in.
-
-Toen de anderen hem zoo bleek en verwilderd zagen binnenkomen, snelden
-zij hem verschrikt te gemoet.
-
-»Wat schort u?” vroegen allen.
-
-»Wij zijn verloren!” riep hij wanhopig, »daar zijn de Apachen!”
-
-»De Apachen!” herhaalden zij met schrik.
-
-»O, mijn God! red mij, red mij!....” riep doña Anita op de knieën
-zinkend en de handen angstig samenvouwend.
-
-De Tigrero snelde naar het meisje, richtte haar op en nam haar met de
-kracht van een razende in zijne armen en zich tot den haciendero
-wendende, riep hij:
-
-»Kom! Kom! volg mij! misschien blijft ons nog eene kans op behoud
-over!”
-
-Hiermede ijlde hij de diepte der grot in; al de anderen volgden hem.
-
-Zoo liepen zij een geruimen tijd voort. Doña Anita, die half in onmacht
-lag, liet haar schoone maar doodsbleeke hoofd op den schouder van den
-Tigrero rusten.
-
-Deze spoedde zich altoos verder.
-
-»Kijk! kijk! daar ginds,” riep hij in de verte wijzende, »weldra zijn
-wij behouden!”
-
-Zijne kameraden slaakten een kreet van blijde verrassing; zij hadden,
-voor zich uit, de tweede opening der grot gezien.
-
-Plotseling, juist op het oogenblik toen don Martial den uitgang
-bereikte, en naar buiten meende te snellen, stond er een man voor hem.
-
-Die man was de Zwarte-Beer.
-
-De Tigrero sprong met een brullenden kreet als een wild dier terug.
-
-»Ooah!” riep de Apache op spottenden toon, »mijn broeder weet wel dat
-ik die vrouw bemin; en om mij te behagen haast hij zich mij haar zelf
-te brengen.”
-
-»Gij hebt haar nog niet, demon!” krijschte don Martial, terwijl hij
-doña Anita nederzette en voor haar ging staan met een pistool in elke
-hand; »kom haar halen.”
-
-Achter zich in de diepte der grot hoorde hij voetstappen, die snel
-naderden.
-
-De Mexicanen werden dus tusschen twee vuren gebracht!
-
-De Zwarte-Beer, met het oog op den Tigrero gericht, bespiedde al diens
-bewegingen; plotseling nam hij zijne kans waar en sprong als een
-tijgerkat vooruit met een woesten aanvalskreet.
-
-Don Martial loste zijne pistolen op den Apache en greep hem met de
-armen om het lijf.
-
-De beide mannen rolden over den grond, elkaâr omstrengelend als twee
-slangen.
-
-Don Sylva en de peons vochten als wanhopigen tegen de andere Indianen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXIV.
-
-DE WOUDLOOPERS.
-
-
-Wij moeten thans tot sommige personen uit ons verhaal terugkeeren, die
-wij maar al te lang uit het oog hebben verloren, en verplaatsen ons
-naar het slot van het vijftiende hoofdstuk.
-
-Ofschoon de Franschen, bij de bestorming der kolonie door de Apachen,
-meester waren gebleven van het slagveld en het hun gelukt was hunne
-woeste vijanden in de Rio Gila terug te werpen, ontveinsden zij zich
-geenszins dat zij deze onverwachte zegepraal niet enkel aan hun moed te
-danken hadden; de laatste aanval der Comanchen onder aanvoering van den
-Arendskop had eigenlijk de overwinning beslist. Zoodra dus de vijanden
-verdwenen waren, had dan ook de graaf de Lhorailles, met eene grootheid
-van ziel en eene rondborstigheid die men van een man van zijn stempel
-niet zou hebben verwacht, de Comanchen bedankt en aan de jagers de
-prachtigste geschenken aangeboden.
-
-Laatstgenoemden ontvingen de vleiende loftuitingen van den graaf met
-gepaste zedigheid, maar wezen al zijne aanbiedingen en voorstellen
-bepaald van de hand.
-
-Even als Goedsmoeds, hadden zij voor hun gehouden gedrag geen andere
-beweegredenen gehad dan de drift om hunne landgenooten te hulp te
-komen; toen dus alles geëindigd was en de Franschen voor langen tijd
-van de aanvallen der wilden bevrijd waren, hadden zij niets meer te
-doen dan van den graaf zoo spoedig mogelijk afscheid te nemen en hunne
-reis te vervolgen.
-
-De graaf de Lhorailles wist echter zoo veel bij hen uit te werken, dat
-zij nog twee dagen in de kolonie zouden vertoeven.
-
-Doña Anita en haar vader waren op zulk eene geheimzinnige wijs
-verdwenen, dat de Franschen, te weinig met de listen der Roodhuiden
-bekend en geheel onkundig van de wijze waarop men een spoor in de
-wildernis moest uitvinden, buiten staat waren om de twee vermiste
-personen te gaan zoeken.
-
-De graaf de Lhorailles had intusschen stilzwijgend gehoopt, dat hij
-hierin door de ondervinding van den Arendskop en de schranderheid
-zijner krijgslieden zou worden geholpen.
-
-Hij verklaarde dus onbewimpeld aan de jagers en de Comanchen, welke
-goede diensten hij van hunne welwillendheid verwachtte, zoodat zij hem
-die niet langer durfden weigeren.
-
-Den volgenden morgen, met het krieken van den dageraad, splitste de
-Arendskop zijne ruiterschaar in vier afdeelingen, elk onder kommando
-van een beroemd krijgsman, en na hun de noodige voorschriften gegeven
-te hebben, verspreidde hij hen in vier verschillende richtingen.
-
-De Comanchen begonnen terstond hunne nasporingen en onderzochten de
-omringende wildernis met al de bekwaamheid die den Roodhuiden eigen is,
-maar alles was vergeefs.
-
-De vier afdeelingen kwamen de eene na de andere op de hacienda terug
-zonder iets ontdekt te hebben, ofschoon zij de wildernis twintig mijlen
-in het rond hadden afgeloopen en daarbij zoo te zeggen geen struik of
-grashalm onopgemerkt hadden gelaten; van don Sylva en zijne dochter was
-geen spoor of teeken te vinden; wij weten reeds om welke reden: doña
-Anita was met haar vader de Rio Gila afgevoerd, en het water laat geen
-spoor over.
-
-»Gij ziet het,” zeide Goedsmoeds tegen den graaf, »wij hebben alles
-gedaan wat menschelijkerwijs mogelijk was, om de twee na het gevecht
-vermiste personen op te sporen; het blijkt duidelijk dat de oplichters
-hen langs de rivier tot op verren afstand hebben weggevoerd alvorens
-weder aan land te gaan. Wie weet waar zij zich thans bevinden? De
-Roodhuiden zijn snel in hunne bewegingen, vooral wanneer zij vluchten;
-zij hebben een verbazend eind op ons vooruit; het mislukken onzer
-pogingen bewijst dit; het zou eene dwaasheid zijn hen weder te willen
-bereiken. Vergun ons dus te vertrekken; wellicht dat wij op onze reis
-door de prairie in staat zijn nadere inlichtingen op te doen, die u
-later van dienst kunnen zijn.”
-
-»Ik wil niet langer van uwe beleefdheid jegens mij misbruik maken,”
-antwoordde de graaf minzaam; »vertrekt wanneer het u goeddunkt,
-caballeros; maar neemt de betuiging mijner dankbaarheid met u, en
-gelooft dat ik mij gelukkig zal rekenen u die eenmaal met meer dan
-louter woorden te kunnen bewijzen. Bovendien verlaat ik zelf de
-kolonie, misschien dat wij elkander in de woestijn nog ontmoeten
-zullen.”
-
-Den volgenden dag met zonsopgang vertrokken de jagers en Comanchen uit
-de hacienda en begaven zich naar de prairie.
-
-Tegen den avond liet de Arendskop het kamp opslaan en de nachtvuren
-ontsteken.
-
-Even na het souper, op het oogenblik dat ieder op slapen bedacht was,
-liet de sachem door den hachesto (omroeper) afkondigen dat de hoofden
-zich aan het raadvuur zouden vereenigen.
-
-»Mijne bleeke broeders zullen daar nevens de sachems plaats nemen,” zei
-de Arendskop tegen den Franschman en den Canadees.
-
-Dezen namen met eene buiging het voorstel aan en schaarden zich mede
-rondom den haard, waar de Comanchenhoofden reeds in deftige stilte
-zaten te verbeiden wat de sachem hun zou mededeelen.
-
-Toen ook de Arendskop had plaats genomen, wenkte hij den pijpdrager.
-
-Deze verwijderde zich en kwam weldra terug, eerbiedig de groote
-toovercalumet dragende, wier vijf voet lange roer met prachtige vederen
-en eene menigte kleine rinkels versierd was, terwijl de kop uit een
-fijnen witten steen bestond, dien men alleen in de Rotsbergen vindt.
-
-De pijp was reeds gevuld en ontstoken.
-
-Zoodra de pijpdrager zich binnen den kring bevond, wees hij met den kop
-in de richting der vier windstreken, onder het murmelen van eenige
-geheimzinnige spreuken of gebeden, om de gunst van Wacondah, den
-Meester des Levens, over den raad in te roepen en den boozen invloed
-van den »eersten mensch” op het gemoed der sachems, af te wenden.
-
-Vervolgens den kop van de pijp in de hand nemende, bood hij den steel
-met het mondstuk het eerst aan den Arendskop, roepende met plechtige en
-luide stem:
-
-»Mijn vader is de eerste sachem van het dappere volk der Comanchen; de
-wijsheid woont in zijn hoofd, al heeft de sneeuw des ouderdoms het nog
-niet vergrijsd. Maar even als alle andere menschen is hij vatbaar om te
-dwalen, dat mijn vader dus overwege alvorens te spreken; de woorden die
-uit zijne borst over zijne lippen zullen komen, moeten zoodanig zijn
-dat de Comanchen ze kunnen gehoorzamen.”
-
-»Mijn zoon heeft goed gesproken,” antwoordde de sachem.
-
-Hij nam het roer en deed zwijgend eenige trekken, toen nam hij het
-mondstuk uit zijne lippen en bood het aan den sachem die naast hem zat.
-
-Zoo ging de vredespijp den kring rond, zonder dat een der opperhoofden
-een woord sprak.
-
-Toen allen gerookt hadden en de tabak in den kop was opgebrand, schudde
-de pijpdrager de asch in zijne rechterhand en wierp ze in den haard met
-den uitroep:
-
-»Hier zijn de hoofden vereenigd in den raad; hunne woorden zijn
-geheiligd. Wacondah heeft ons gebed gehoord en zal het verhooren. Wee
-hem, die vergeet dat het geweten zijn eenigste richtsnoer zijn moet!”
-
-Na deze weinige woorden met de meeste plechtigheid te hebben
-uitgesproken, trad de pijpdrager buiten den kring en wierp den sachems,
-die onbewegelijk rondom het vuur zaten, een laatsten blik toe, onder
-het mompelen met zachte en bijna onhoorbare stem:
-
-»Gelijk de asch die ik in het vuur wierp, heilig en voor altijd
-verdwenen is, mogen ook de woorden, die de sachems spreken zullen,
-heilig zijn en niet buiten den kring des raads gehoord worden. Dat
-mijne vaderen nu spreken; de raad is begonnen.”
-
-Na deze vermaning, die bijna voor een openbare bestraffing kon gelden,
-verwijderde de pijpdrager zich.
-
-Toen stond de Arendskop op, liet zijn blik over de raadsleden rondgaan
-en nam het woord.
-
-»Hoofden en krijgslieden der Comanchen,” begon hij, »reeds zijn er vele
-manen verloopen, sedert ik het dorp mijner natie verliet, en nog vele
-manen zullen voorbijgaan eer de Wacondah mij vergunnen zal, mij aan het
-groote raadvuur met de opperste sachems der Comanchen neder te zetten.
-Het bloed heeft altijd rood in mijne aderen gevloeid en geen huid heeft
-mijn hart voor mijne broederen bedekt. De woorden die mijne borst
-uitblaast komen mij op de lippen door den wil van den Grooten Geest;
-Hij weet hoe ik mijne liefde voor u allen bewaard heb.
-
-»De natie der Comanchen is machtig, zij is de koningin der prairiën.
-Hare jachtgronden dekken de gansche aarde, wat behoeft zij zich met
-andere natiën te verbinden om hunne grieven te wreken? Keert de onreine
-coyote in tot het hol van den trotschen jaguar? Legt de uil zijne
-eieren in het nest van den arend? Waarom zou dan de Comanch op het
-oorlogspad uittrekken met de honden der Apachen? De Apachen zijn
-bloohartige vrouwen en verraders.
-
-»Ik zeg mijne broeders dank, niet alleen dat zij met de Apachen hebben
-gebroken, maar dat zij mij geholpen hebben hen te verslaan; nu is mijn
-hart treurig en dekt een nevel mijnen geest, omdat ik van mijne
-broeders scheiden moet. Behage het hun mijn vaarwel, aan te nemen; dat
-de Spotvogel mij beklage, daar ik ver van hen verwijderd in de schaduw
-zal wandelen, de stralen der zon hoe vurig zij schijnen mogen zullen
-mij niet kunnen verwarmen. Ik heb gezegd. Heb ik goed gesproken,
-machtige mannen?”
-
-De Arendskop ging weder zitten te midden van een algemeen gemompel van
-smart, en bedekte zijn gelaat met een slip van zijn bisonsmantel.
-
-Er volgde in de vergadering eene diepe stilte. De Spotvogel scheen de
-andere hoofden met zijne blikken te ondervragen; eindelijk stond hij
-op, en nam op zijne beurt het woord om den Arendskop te beantwoorden.
-
-»De Spotvogel is jong,” zeide hij, »en zijn hoofd is goed, ofschoon het
-de wijsheid van zijn vader nog niet bezit. De Arendskop is een sachem
-dien de Wacondah lief heeft: waarom heeft de Meester des levens het
-opperhoofd onder de krijgslieden van zijn volk teruggebracht? Was dit
-opdat hij hen schier onmiddellijk weder verlaten zou? Neen! de Meester
-des levens bemint zijne kinderen de Comanchen; hij heeft dit dus niet
-kunnen willen! De krijgslieden hebben een wijs en welervaren voorganger
-noodig om hen op het oorlogspad te geleiden en aan het vuur van den
-raad te onderrichten; het hoofd van mijn vader is grijs, hij behoort de
-krijgslieden te onderwijzen en aan te voeren; de Spotvogel kan zulks
-niet, hij is nog te jong en te onervaren. Waar mijn vader dus heengaat,
-zullen zijne zonen hem volgen, wat mijn vader wil zullen zijne zonen
-willen; doch hij spreke niet van hen te verlaten; laat hij de wolk
-verdrijven die zijn geest verduistert, zijne zonen smeeken het hem bij
-monde van den Spotvogel, het kind dat hij zelf opgevoed, dat hij zoo
-wel bemind en tot een man gemaakt heeft. Ik heb gesproken. Ziedaar
-mijne wampum! heb ik goed gesproken, machtige mannen?”
-
-Na die laatste woorden gezegd te hebben, nam de Spotvogel zijn
-halsketen van wampum-kralen, wierp haar voor de voeten van den
-Arendskop en ging weder zitten.
-
-»Dat de groote sachem bij zijne kinderen blijve!” riepen alle
-krijgslieden tegelijk, terwijl ieder zijn wampum-ketting bij dien van
-den Spotvogel wierp.
-
-De Arendskop richtte zich op met een houding vol fierheid en adeldom,
-hij liet de slip van zijn bisonsmantel vallen en sprak tot de
-aandachtige en belangstellende vergadering:
-
-»Ik heb het lied van den walkon, den geliefden vogel van Wacondah, in
-mijn oor hooren weergalmen,” zeide hij; »zijne welluidende stem is in
-mijn hart doorgedrongen en heeft het van vreugde doen sidderen. Mijne
-zonen zijn goed, ik bemin hen; de Spotvogel en tien krijgslieden, door
-hem zelven te kiezen, zullen mij vergezellen; de overigen zullen naar
-de groote dorpen van mijn volk terugkeeren, om den sachems te
-verkondigen dat de Arendskop weder bij zijne kinderen is; ik heb
-gezegd.”
-
-De Spotvogel vroeg thans om de groote calumet, die de pijpdrager hem
-onmiddellijk bracht, de pijp werd opnieuw ontstoken, en ging onder de
-sachems rond zonder dat er een woord gewisseld werd.
-
-Toen de laatste mondvol rook in de lucht verdwenen was riep de
-hachesto, nadat de Spotvogel hem eenige woorden zacht in het oor
-gesproken had, met luider stem de namen af der tien krijgslieden die
-gekozen waren om den Arendskop te vergezellen.
-
-De hoofden stonden op, bogen diep voor den Arendskop, stegen
-stilzwijgend in den zadel en reden weg in galop.
-
-Gedurende een geruimen tijd bleven de Spotvogel en de Arendskop samen
-praten of liever fluisteren.
-
-Toen hun gesprek uit was, steeg ook de Spotvogel te paard en reed op
-zijne beurt met zijne krijgslieden weg.
-
-De Arendskop, Goedsmoeds en don Louis bleven thans alleen achter.
-
-De Canadees keek met verstrooiden blik de Indianen na, die zich snel
-verwijderden; toen zij verdwenen waren wendde hij zich tot den sachem.
-
-»Ziedaar, hoofdman,” zeide hij, »nu zijn wij eindelijk vrij om elkander
-de noodige ophelderingen te geven, of acht gij het uur nog niet gekomen
-om ronduit te spreken en onze zaken af te doen? Sedert wij ons gewone
-verblijf verlieten, hebben wij ons dunkt mij te veel met anderen en al
-zeer weinig met ons zelven beziggehouden; zou het niet haast tijd
-worden om aan onze eigene zaken te denken?”
-
-»De Arendskop vergeet niets, hij denkt er reeds aan om zijnen bleeken
-broeders groot genoegen te geven.”
-
-Goedsmoeds begon hartelijk te lachen.
-
-»Met uw verlof, hoofdman,” zeide hij; »maar mijne zaken zijn zoo
-eenvoudig, en wat genoegen betreft ben ik al zeer spoedig voldaan; gij
-hebt mij beloofd mij op reis te vergezellen en dat doet gij immers. Ik
-mag een Apachen-hond wezen als ik meer van u verlang. Met don Louis is
-het iets anders, die zoekt naar een dierbaren vriend van hem; gij weet
-wel dat wij hem beloofd hebben hem hierin behulpzaam te zijn.”
-
-»O! zeker,” hernam het opperhoofd; »de Arendskop heeft zijn hart
-tusschen zijne twee bleeke broeders verdeeld; zij hebben er ieder de
-helft van. De weg dien wij moeten afleggen is lang en kan nog
-verscheidene manen duren. Wij moeten door de groote woestijn. De
-Spotvogel is met zijn troep reeds vooruitgegaan om bisons te dooden en
-voor den noodigen mondkost te zorgen op de reis. Ik denk mijne broeders
-naar eene plaats te brengen, die ik eenige manen geleden ontdekte en
-die aan niemand bekend is dan aan mij. De Wacondah, toen hij den mensch
-schiep, heeft hem kracht en moed en vele jachtvelden geschonken en tot
-hem gezegd: Wees vrij en gelukkig. Aan de bleekgezichten gaf hij
-wijsheid en wetenschap om de waarde der blinkende steenen en gele
-bikkels te kennen; Roodhuiden en Bleekgezichten volgen ieder den weg
-dien de Groote Geest hun aanwees; ik zal mijne broeders naar een placer
-(zilver- of goudmijn) geleiden.”
-
-»Naar een placer!” riepen de twee anderen verwonderd.
-
-»Ja, wat zou een Indiaansch overste met zoovele schatten doen, daar hij
-toch niets mede kan uitrichten? Het goud is alleen voor de blanken;
-laten mijne broeders er gelukkig mede zijn, de Arendskop zal er hun
-meer van verschaffen, dan zij ooit dachten te zullen bezitten.”
-
-»Met uw welnemen! niet zoo voorbarig, hoofdman,” riep Goedsmoeds. »Wat
-drommel meent gij dat ik met al uw goud zou doen? ik ben niets anders
-dan een jager, die aan zijn paard en zijne buks genoeg heeft. In
-vroeger tijd, toen ik nog met Edelhart samen de prairie doorkruiste,
-hebben wij zoo menigmaal een klompje gouderts met voeten geschopt of
-vertreden, maar het altijd onaangeroerd laten liggen, zonder ons te
-verwaardigen het op te rapen.”
-
-»Wat zouden wij met goud doen?” voegde don Louis er bij: »laten wij die
-goudmijn, hoe rijk zij ook wezen mag, maar uit onze gedachten stellen
-en haar bestaan zelfs aan niemand openbaren, er gebeuren tegenwoordig
-reeds wandaden genoeg om het lieve goud; dat is geene zaak voor ons,
-hoofdman. Geef uw plan maar op. Wij zeggen u dank voor uw edelmoedig
-aanbod, maar wij kunnen het onmogelijk aannemen.”
-
-»Goed gesproken!” riep Goedsmoeds vroolijk; »wat zouden wij met dat
-duivelsche goud beginnen, daar hebben wij niets aan, wij willen leven
-als vrije jagers zoo als wij werkelijk zijn. Caspita! hoofdman, ik
-verzeker u, als gij mij te la Noria gezegd hadt met welk oogmerk gij
-verlangdet dat ik u vergezellen zou, dan had ik u liever alleen laten
-vertrekken.”
-
-De Arendskop glimlachte.
-
-»Dat antwoord heb ik juist van mijne broeders verwacht, en ik ben
-blijde te zien dat ik mij hierin niet bedrogen heb. Ja, goud is voor
-hen geheel nutteloos, zij hebben gelijk; maar dat is nog geen bewijs
-dat zij het moeten verachten; gelijk alle andere dingen door den
-grooten Geest op aarde geschapen, heeft ook het goud zijne waarde.
-Mijne broeders moeten dus met mij medegaan naar de goudmijn; niet
-zooals zij veronderstellen, om er de goudkorrels groot of klein op te
-zamelen, maar om te weten waar zij is en haar des noods te kunnen
-wedervinden. Ongeluk, behoefte en armoede komen altijd onverwacht, en
-de gelukkigen die de Groote Geest heden het meest begunstigt, worden
-morgen vaak door Hem het zwaarst bezocht. Nu dan, zoo het goud uit die
-placer het geluk mijner broeders niet kan vergrooten, wie zegt hun dat
-zij niet nog eenmaal dienen zal om er een of ander hunner vrienden mede
-uit dringenden nood te redden.”
-
-»Dat is waar,” riep don Louis die de juistheid dezer redeneering moest
-erkennen, »wat gij daar zegt is zeer verstandig en laat zich wel
-hooren. Wij kunnen voor ons zelven het bezit van rijkdommen wel
-verachten, maar wij mogen ze niet verwerpen als middelen om er
-misschien anderen mede te helpen.”
-
-»Zoo dit bepaald uw gevoelen is,” zei Goedsmoeds, »kan ik er mij wel
-mede vereenigen; daarbij, wij zijn nu eenmaal op weg, en kunnen onzen
-tocht wel ten einde toe voortzetten. Wel wel! wie had dat ooit
-gedacht,” vervolgde hij, »als mij iemand voorspeld had dat ik nog eens
-een goudzoeker worden zou, zou ik wel vreemd hebben opgekeken.
-Intusschen ga ik eens zien of ik een hert kan schieten.”
-
-Met deze woorden nam Goedsmoeds zijn geweer en verwijderde zich al
-fluitende.
-
-Wat den Spotvogel betreft, deze bleef twee dagen afwezig; tegen het
-midden van den derden dag kwam hij terug; zes paarden, door hem in de
-prairie achtergelaten, waren met levensmiddelen beladen, zes anderen
-droegen zakken vol water.
-
-De Arendskop was uiterst voldaan over de wijze waarop hij zich van
-zijne taak gekweten had, doch daar zij een langen tocht te maken hadden
-en de woestijn del Norte in hare volle lengte moesten doortrekken,
-gelastte hij dat elke ruiter uit voorzorg, behalve de haver voor de
-paarden, twee kleine zakken met water aan zijn zadel zou mede dragen.
-
-Nadat deze maatregelen wijselijk genomen, de paarden en ruiters wel
-uitgerust, en verfrischt waren, brak de kleine troep den volgenden
-morgen met het eerste krieken van den dageraad op, en trok op marsch in
-de richting der woestijn del Norte.
-
-Wij zullen deze reis hier niet nader beschrijven, dan dat zij gelukkig
-en onder de beste omstandigheden volbracht werd. Geen enkel ongeval
-stoorde hare kalme eentonigheid.
-
-De Comanchen en hunne twee blanke vrienden doorreden de woestijn als
-een voortstuivende wervelwind, met die duizelingwekkende snelheid, waar
-zij alleen het geheim van bezitten en die de Roodhuiden bij hunne
-invallen aan de Mexicaansche grenzen zoo geducht maakt.
-
-In de prairiën der Sierra de los Comanchos aangekomen zijnde, gaf de
-Arendskop den Spotvogel en diens krijgslieden bevel om te kampeeren,
-aan den rand van een groot natuurwoud, op een tamelijk ruim grasveld,
-aan den oever van eene onbekende beek of kleine rivier, die zich eenige
-mijlen verder in de Rio del Norte uitstort, en verwijderde zich met
-zijne twee vrienden Goedsmoeds en don Louis.
-
-De sachem was voorzichtig in alles; ofschoon de Spotvogel zijn volste
-vertrouwen bezat, achtte hij het echter ongeraden hem met de ligging
-der goudmijn bekend te maken; en later had hij reden genoeg om zich met
-dezen wijzen maatregel geluk te wenschen.
-
-De drie jagers reden rechtstreeks naar de bergen, die zich voor hen uit
-verhieven, zoo ’t scheen als onverbiddelijke en ontoegankelijke muren
-graniet.
-
-Doch naarmate zij dezelve naderden werden de kanten en hellingen
-allengs minder steil en ontoegankelijk. Weldra trokken zij een engen
-bergpas binnen, aan welks ingang zij reeds genoodzaakt waren af te
-stijgen en hunne paarden achter te laten. Waarschijnlijk was het alleen
-aan deze bijzonderheid te danken, dat de Indianen deze goudmijn nooit
-ontdekt hadden; de Roodhuiden toch zullen bij geene gelegenheid
-afstijgen anders dan om te kampeeren; men zou met recht van hen kunnen
-zeggen wat men van de Gauchos der oostelijke pampas en in Patagonië
-zegt: dat zij te paard leven en sterven.
-
-Geheel toevallig, had de Arendskop eenige maanden geleden, terwijl hij
-op de jacht was en een door hem gekwetst damhert vervolgde, deze
-goudmijn ontdekt. Het damhert, dat hij sedert een paar uren had
-nagezeten en niet gaarne wilde laten ontsnappen, was in den bergpas
-gevlucht om er te sterven, en de moedige jager had niet geaarzeld, het
-ook daar te volgen. Na den woesten bergpas in zijne geheele lengte te
-zijn doorgegaan bereikte hij een kleine vallei of dalkom, diep tusschen
-steile bergen ingesloten, en behalve van dezen kant, bezwaarlijk zoo al
-niet geheel onmogelijk te naderen. Daar had hij het arme dier
-zieltogend vinden liggen op een zandigen met goudkorrels bezaaiden
-bodem, die in het felle zonlicht glinsterde als duizend diamanten.
-
-Toen onze beide jagers in deze vallei afdaalden, konden zij een kreet
-van verbazing niet bedwingen.
-
-Hoe sterk een mensch ook zij en hoeveel zelfbeheersching hij bezitten
-mag, toch trekt het goud hem met onweerstaanbare toovermacht en is wel
-in staat om hem, althans voor eenige oogenblikken, te verbijsteren.
-
-Goedsmoeds was de eerste die zijne gewone koelbloedigheid terugkreeg.
-
-»O!” riep hij terwijl hij het zweet afwischte dat hem van het gelaat
-gudste, »er liggen in dit afgesloten hoekje wat schatten verborgen. God
-geef dat zij er nog lang verborgen blijven! daar zal het menschdom
-niets aan verliezen.”
-
-»Wat zullen wij er mede doen?” vroeg Louis hijgend en met fonkelende
-blikken.
-
-De Arendskop was de eenige die deze onberekenbare schatten
-onverschillig aanzag.
-
-»Hm!” hervatte de Canadees, »dit goud is ontegenzeggelijk ons eigendom,
-daar de sachem het aan ons overlaat.”
-
-De Arendskop knikte toestemmend.
-
-»Wat ik u wilde voorstellen,” vervolgde Goedsmoeds, »is dit: wij hebben
-dat goud niet noodig, op dit oogenblik zou het ons zelfs meer schaden
-dan voordeel doen. Evenwel, daar niemand weet wat de toekomst baren
-zal, moeten wij ons eigendomsrecht verzekeren; laten wij dezen
-zandgrond met takken en bladeren bedekken, zoodat geen jager, wanneer
-hij bij geval op een der omliggende hoogten komt en van daar
-nederblikt, dit goud in de diepte ziet schitteren. Vervolgens zullen
-wij zoo veel mogelijk steenen verzamelen en er den ingang der bergkloof
-mede verstoppen; het toeval dat eenmaal den Arendskop begunstigde, zou
-ook wel een ander kunnen gebeuren. Wat dunkt u hiervan?”
-
-»Dadelijk aan ’t werk!” riep don Louis; »ik wil dat goud niet langer
-zien schitteren, hoe eer het bedekt is hoe beter; dat duivelsche metaal
-zou mij anders nog geheel duizelig maken.”
-
-»Aan ’t werk dan!” herhaalde Goedsmoeds.
-
-De drie mannen hieuwen takken van de boomen en maakten er een dik
-tapijt van, onder hetwelk de goudklompen weldra geheel onzichtbaar
-werden.
-
-»Wilt gij niet een staaltje van die goudklompjes bij u steken?” vroeg
-Goedsmoeds aan don Louis, »misschien was het niet kwaad om er een paar
-van mede te nemen.”
-
-»O neen ik niet, wat zou ik er mede doen?” antwoordde deze de schouders
-ophalend, »ik stel er geen den minsten prijs op; neem gij er maar wat
-van meê, als gij wilt; wat mij aangaat, ik zal er geen hand naar
-uitsteken.”
-
-Goedsmoeds begon te lachen, raapte twee of drie gouden bikkels op, zoo
-groot als hazelnoten, en stak ze in zijn kogeltasch.
-
-»Sakkerloot!” riep hij, »als ik daar een paar Apachen mede doodschiet,
-hebben ze waarlijk geen reden zich te beklagen.”
-
-De drie jagers gingen de bergkloof door, wier mond zij met rotsblokken
-toestopten en onkenbaar maakten; daarop stegen zij te paard en keerden
-naar het kamp terug, na vooraf eenige merken aan de boomen gemaakt te
-hebben om de plaats te kunnen wedervinden, zoo de omstandigheden hen
-ooit dwongen er later op terug te komen, hetgeen wij tot hun eer moeten
-zeggen dat zij geen van allen verlangden.
-
-De Spotvogel wachtte zijne vrienden met het grootste ongeduld.
-
-Er was onraad in de prairie. Sedert dien morgen hadden de voorloopers
-een kleinen troep blanken de Rio del Norte zien overtrekken, naar een
-heuvel, op welks top zij hun kamp hadden opgeslagen. Een poosje later
-was er een talrijk detachement Apachen-krijgslieden op hetzelfde punt
-over de rivier gegaan, zoo het scheen, op het spoor der bovengenoemde
-blanken.
-
-»O!” riep Goedsmoeds, »het is duidelijk dat die duivelsche Roodhuiden
-onze broeders vervolgen.”
-
-»Zullen wij hen onder ons oog laten vermoorden?” riep graaf Louis
-verontwaardigd.
-
-»Bij mijne ziel! neen, zooveel wij er tegen doen kunnen,” antwoordde de
-Canadees, »misschien kunnen wij met deze goede daad de dwaze
-begeerlijkheid weder goed maken die wij straks deden blijken, en die
-ons bijna verleid had. Zeg, Arendskop, wat denkt gij er van?”
-
-»Wij moeten de bleekgezichten redden,” antwoordde het opperhoofd zonder
-aarzelen.
-
-Onmiddellijk werden door den sachem de noodige bevelen gegeven en door
-zijne onderhebbenden uitgevoerd, met al de vaardigheid en juistheid die
-den uitgelezen krijgslieden der Roodhuiden op het oorlogspad kenmerkt.
-
-De paarden werden onder het opzicht van een Comanch achtergelaten; het
-detachement verdeelde zich in twee partijen, en zoo trok men behoedzaam
-de prairie in.
-
-Alleen de Spotvogel, de Arendskop, don Louis en Goedsmoeds hadden
-jachtgeweren, al de anderen waren met pieken en met pijl en boog
-gewapend.
-
-»List tegen list,” fluisterde de Canadees tegen de anderen; »wij zullen
-ze overrompelen die anderen zoeken te overrompelen.”
-
-Op hetzelfde oogenblik vielen er twee geweerschoten, weldra door
-meerderen gevolgd; daarop hoorde men den aanvalskreet der Apachen, die
-de lucht deed weêrgalmen.
-
-»Oho!” riep Goedsmoeds sneller voortmakend, »zij weten niet dat wij zoo
-dicht in de nabijheid zijn.”
-
-Allen ijlden hem na.
-
-Intusschen was het gevecht in de grot op eene vreeselijke wijs aan den
-gang: don Sylva en de peons boden moedig weêrstand; maar wat vermochten
-zij tegen de schaar van vijanden die hen van twee zijden bestormde!
-
-De Tigrero en de Zwarte-Beer, gelijk wij straks reeds gezegd hebben,
-lagen als twee saamgekronkelde slangen te worstelen en zochten elkander
-met den ponjaard af te maken.
-
-Op eens knalden er verscheidene geweerschoten, en in de verte klonk de
-donderende oorlogskreet der Comanchen.
-
-De Zwarte-Beer liet don Martial los, sprong op en ijlde naar doña
-Anita, om haar te grijpen.
-
-Het doodelijk verschrikte meisje stiet hem terug en vluchtte als een
-gejaagde hinde de gang door tot aan de zaal, in welker midden zich de
-vroeger beschreven kolk bevond.
-
-De Zwarte-Beer snelde haar na om haar andermaal te grijpen, maar reeds
-door een pistoolschot van den Tigrero gewond, was hij minder vlug dan
-anders.
-
-Aan de kolk komende, deinsde hij terug, wankelde en verloor het
-evenwicht. Hij voelde dat hij vallen zou, strekte werktuigelijk de hand
-uit om zich vast te houden, en greep don Martial, die intusschen weder
-opgestaan en hem na was geijld; maar nog half bedwelmd van de
-worsteling en het harde loopen, op zijne beurt wankelde, en beiden
-tuimelden met een vervaarlijken kreet in den afgrond.
-
-Doña Anita, die er niet ver af stond, snelde toe; zij was verloren.
-
-Plotseling voelde zij zich door een krachtige hand aangrijpen, opheffen
-en achterwaarts trekken. Zij viel in onmacht.
-
-De Comanchen waren te laat gekomen.
-
-Van de zeven personen die de karavaan uitmaakten waren er vijf gedood.
-
-Een zwaar gekwetste peon en doña Anita, waren alleen levend
-overgebleven.
-
-Het ongelukkige meisje was door Goedsmoeds gered.
-
-Toen zij de oogen weder opende, glimlachte zij zacht, en begon als een
-onnoozel kind, met eene stem zoo helder als een vogel, eene
-Mexicaansche seguedilla (ballade) te zingen.
-
-De jagers deinsden met smart terug.
-
-Doña Anita was krankzinnig!
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXV.
-
-EL AHUEHUELT.
-
-
-Wij gaan andermaal een stap terug, naar de groote woestijn del Norte,
-waar de graaf de Lhorailles was binnengetrokken, onder geleide van
-Cuchares.
-
-Gedurende de eerste dagen der reis ging alles goed, het weêr was
-heerlijk schoon, en aan leeftocht geen gebrek. Met de hun aangeboren
-luchthartigheid vergaten de Franschen al hun geleden leed, en lachten
-luidkeels om de gedurige vrees der Mexicaansche peons, die beter met de
-gevaren der woestijn bekend, hunne bezorgdheid niet verheelden over het
-lang gerekt verblijf der vrijcompagnie in deze onherbergzame, vaak
-doodelijke streek.
-
-Onder de beschaafde volken bezitten de Franschen een zonderlinge
-eigenschap, die hen, wellicht zonder dat zij het weten, meer dan andere
-in staat stelt om in zeer vele dingen de eerste te zijn; die eigenschap
-is hunne blijkbare, door andere volken, misschien uit nijd maar toch
-vaak niet zonder grond, voor lichtzinnigheid uitgekreten onbezorgdheid
-en wispelturigheid; ofschoon die volken overigens niet ongenegen zijn
-om zelfs de dwaaste grillen der Parijsche mode, zoo in de politiek als
-kleederdracht, tot in de kleinste bijzonderheden slaafs te volgen.
-
-Niets is echter onbillijker dan het verwijt van lichtzinnigheid of
-zorgeloosheid, dat den Franschen door hunne naburen onophoudelijk en in
-alles wordt naar het hoofd gesmeten. Onbezorgde moed en luchthartigheid
-maken de Franschen misschien tot de beste soldaten van de wereld,
-zoodat zij zich gereedelijk, zelfs voor allerlei dwaze ondernemingen
-van veroveringszucht en dolende ridderschap laten gebruiken, alle
-ontberingen zich getroosten en met geestdrift hun leven zouden wagen
-als er maar een weinig roem te behalen is.
-
-Maar achter die soldaten bevindt zich eene schrandere en werkzame
-bevolking, die vooral in tijden van rust en onder een wijs en krachtig
-bewind, zeker niet zoo dwaas is dat zij hare beste belangen zou
-verwaarloozen. Gelijk alle beschaafde volken die den vooruitgang
-beheerschen en helpen bevorderen, houden ook de Franschen het oog
-steeds op de toekomst gevestigd, en het oor geopend voor ieder gerucht
-dat de wereld beweegt. Wellicht zijn zij voortvarender dan anderen, het
-verledene vergeten zij, het heden bekommert hen niet veel, maar het
-morgen is alles voor hen, omdat in dat morgen de toekomst besloten
-ligt, namelijk de oplossing van het groote vraagstuk der beschaving.
-Wel is waar brengt hun vurig en onbedachtzaam karakter hen niet zelden
-van het spoor, en dan is er een krachtig bestuur noodig om het hollende
-span tot staan te brengen. Vandaar de groote tegenstrijdigheden die de
-geschiedschrijver vaak in hen opmerkt en hun te last legt en die niet
-weinig studie vereischen om hen naar waarde en billijkheid te
-beoordeelen.
-
-Maar hoe dit ook zij, wat wij hier willen beweren blijft
-ontegenzeggelijk waar, de Franschen zijn eene strijdlustige en
-veroveringszuchtige natie en hun leger beschouwt zich zoo gaarne als de
-voorhoede der beschaving, bestemd om de wereld op de baan der vrijheid
-en der verlichting voor te gaan en Frankrijk tot de eerste der natiën
-te verheffen. Vandaar dat de oogen der naburige volken zich staag op
-Frankrijk richten, om hetzij in hoop of in vrees te zien wat aldaar
-omgaat, ten einde het na te volgen of er zich tegen te wapenen.
-
-Wat onze Fransche vrijcompagnie betreft, zij bracht haar tijd door met
-de woestijn te doorkruisen om er de Apachen te zoeken, die zich sedert
-eenige dagen bepaald onzichtbaar hadden gemaakt. Slechts nu en dan bij
-lange tusschenpoozen zagen zij een enkelen Indiaanschen ruiter, die op
-korten afstand van hunne voorposten, als om hen te sarren, rijtoeren en
-manegekunsten kwam vertoonen.
-
-Dan werd er »in den zadel” geblazen, allen stegen te paard, men stormde
-den vrijpostigen ruiter te gemoet, die na zich lang genoeg te hebben
-laten vervolgen, eensklaps weder verdween gelijk hij gekomen was.
-
-Dit doelloos en eentonig leven begon hun echter te vervelen en
-eindelijk onverdragelijk te worden. Niets anders te zien dan zand,
-altijd zand, geen vogels, geen wild, geen verscheurend dier zelfs;
-niets dan grauwe en verbrokkelde rotsen; en eenige reusachtige
-Ahuehuelten, een soort van ceders, met lange, soms bladerlooze doch
-zwaar met een grijsachtig mos bedekte takken, dat er in groote
-festonnen bij nederhing; dit alles had weinig vermakelijks, en nadat de
-compagnie er het eerste nieuws had afgezien begon het haar spoedig te
-walgen.
-
-De weêrkaatsing der zonnestralen op het barre zand, verwekte
-oogziekten; het water door de hitte bedorven, werd ondrinkbaar; de
-verdere levensmiddelen werden oneetbaar, het scorbut begon onder de
-soldaten te heerschen, weldra door het heimwee gevolgd, dat menigeen
-ten grave sleepte.
-
-Deze staat van zaken was ondragelijk, men moest op middelen bedacht
-zijn om er zoo spoedig mogelijk een eind aan te maken.
-
-De graaf riep dus zijne officieren bijeen om met hen raad te houden.
-
-Deze raad bestond uit de luitenants Diego Leon, en Martin Leroux, den
-sergeant Boileau, Blas Vasquez en Cuchares.
-
-Deze vijf personen, voorgezeten door den graaf de Lhorailles, plaatsten
-zich op de pakbalen terwijl de soldaten niet ver van hen af op den
-grond liggende, een schuilhoek zochten in de schaduw der paarden, die
-aan piketten gekoppeld stonden.
-
-Het werd dringend noodig den raad te beleggen, want de krijgstucht
-onder de compagnie was snel aan ’t afnemen, er was oproer in den wind,
-men klaagde reeds nu en dan overluid. De strafoefening aan de Casa
-Grande was reeds geheel vergeten en als men niet spoedig middelen vond
-om het kwaad te keer te gaan, kon niemand zeggen op welke vreeselijke
-uitersten het algemeene ongenoegen zou uitloopen.
-
-»Mijne heeren,” zei de graaf de Lhorailles, »ik heb u bijeengeroepen om
-met u de middelen te beramen, ten einde den moedeloozen ja slechten
-geest te doen ophouden, die bij de compagnie sedert eenige dagen
-heerscht. De omstandigheden zijn zoo ernstig, dat ik u danken zal voor
-elken goeden raad dien gij mij oprecht en onbewimpeld geeft; ons aller
-welzijn is er in betrokken, en in zulk een staat van zaken heeft ieder
-het recht om zijn gevoelen uit te brengen, zonder vrees dat hij de
-eigenliefde zou kwetsen van wien ook. Spreekt dus, mijne heeren, ik zal
-u aanhooren. Gij het eerst, sergeant Boileau; als de minste in rang
-moet gij het eerste woord hebben.”
-
-Sergeant Boileau was een voormalig spahis uit Afrika, die de
-soldatenschool op zijn duimpje kende, trouw als staal en in allen
-opzichte wat men in het leger een oud-gediende noemt; alleen moeten wij
-hier zeggen dat hij geen meester in de redekunst was.
-
-Bij de rechtstreeksche interpellatie van zijn kommandant begon hij te
-glimlachen, daarop te blozen als een jong meisje, toen liet hij het
-hoofd hangen en opende den mond, om reeds bij het eerste woord te
-blijven steken.
-
-De graaf de Lhorailles, zijne verlegenheid bemerkende, spoorde hem op
-goedwilligen toon aan om te spreken. Eindelijk, na menige vergeefsche
-poging, gelukte het den sergeant met eene heesche stem en tamelijk
-verward zijn woord te doen.
-
-»Pardi! kapitein,” begon hij, »ik begrijp dat de toestand alles behalve
-vroolijk is; maar oorlog is oorlog, en op marsch gaat het niet anders.
-Als men soldaat is, is men soldaat. Ik wil dus maar zeggen, kapitein,
-naar mijn begrip, dat gij maar doen moet wat gij denkt dat goed is, en
-dat wij hier zijn om u in alles te gehoorzamen; dat is strikt genomen
-niet meer dan een staaltje van onzen plicht, zonder onnoodige
-napraatjes.”
-
-De overige raadsleden konden zich moeielijk zonder lachen houden over
-deze gulle bekentenis van den eerlijken sergeant, die opnieuw verlegen
-werd en zweeg.
-
-»Uw beurt, Blas Vasquez,” zei de graaf, »wat is uw advies?”
-
-De capataz richtte zijn vurigen blik op den graaf.
-
-»Vraagt gij mij dat wel ronduit, kapitein?” antwoordde hij.
-
-»Zonder twijfel.”
-
-»Hoort dan gij allen,” hernam de capataz met eene vaste stem en op een
-toon van volle overtuiging. »Mijn advies is, dat wij verkocht en
-verraden worden; dat wij nooit uit deze woestijn zullen komen, maar
-hier allen den dood zullen vinden zoo wij nog langer volhouden die
-onbereikbare vijanden te vervolgen; men heeft ons in een strik gelokt
-daar wij niet weder uit kunnen.”
-
-Deze verklaring bracht op de aanwezigen een diepen indruk te weeg, daar
-men al de juistheid er van begreep.
-
-De kapitein schudde twijfelmoedig het hoofd.
-
-»Don Blas,” zeide hij, »wat gij daar gezegd hebt behelst eene zware
-beschuldiging. Hebt gij de beteekenis uwer woorden wel nauwkeurig
-overwogen?”
-
-»Ja,” antwoordde hij. »Alleen....”
-
-»Bedenk wel wat gij zegt, don Blas. Wij kunnen hier geen onbestemde
-vermoedens toelaten; de zaken zijn tot zulk een uiterste gekomen, dat
-wij u het overigens welverdiende vertrouwen niet kunnen verleenen,
-tenzij gij uwe beschuldiging nader bepaalt en, desnoods, niet
-terugdeinst om namen te noemen.”
-
-»Ik deins voor niets of voor niemand terug, heer graaf; ik weet al de
-verantwoordelijkheid die ik op mij neem; geene overweging, van welken
-aard ook, zal mij doen afwijken van hetgeen ik als heiligen plicht
-beschouw.”
-
-»Spreek dan in ’s hemels naam, en geve God dat uwe ophelderende
-verklaring mij niet andermaal noodzake een onzer kameraden op een
-voorbeeldige wijze te straffen.”
-
-De capataz bedacht zich een poos, en iedereen wachtte met ongeduld op
-zijne nadere toelichting; Cuchares inzonderheid, was derwijze in ’t
-nauw gebracht, dat hij zijne ongerustheid moeielijk wist te verbergen.
-
-Eindelijk nam de capataz het woord en vestigde daarbij zulk een
-zonderlingen blik op den graaf de Lhorailles, dat deze tegen wil en
-dank eindelijk begon te begrijpen, dat hij en de zijnen de slachtoffers
-waren van het schandelijkst verraad.
-
-»Heer graaf,” zei Blas Vasquez, »wij Mexicanen hebben eene wet daar wij
-nimmer van afwijken, eene wet trouwens die in het hart van alle
-eerlijke lieden geschreven staat, namelijk deze: dat, gelijk de loods
-verantwoordelijk is voor het schip dat hij op zich neemt in de veilige
-haven te brengen, evenzoo de gids met zijn leven verantwoordelijk is
-voor het behoud der reizigers die hij aanneemt door de woestijn te
-geleiden. Hierover komt geene verdere redeneering te pas; van tweeën
-een: of de gids is onkundig, of hij is het niet; is hij onkundig, dan
-had hij ons niet tegen ons aller gevoelen moeten dwingen de woestijn in
-te trekken, noch daarbij de geheele verantwoordelijkheid onzer reis
-mogen op zich nemen. Is hij daarentegen der zake kundig, dan had hij
-ons de woestijn moeten doorvoeren, waartoe hij zich verbonden heeft, in
-plaats van ons op goed geluk te laten rondzwerven om naar vijanden te
-zoeken, die hij even goed weet als wij het weten, dat niet in de
-woestijn del Norte wonen, maar ze slechts nu en dan in geval van
-noodzakelijkheid doortrekken, zoo snel als hunne paarden loopen kunnen.
-Op onzen gids alleen werp ik dus de schuld van alles wat ons overkomt;
-want hij is de man, die meester was van de gebeurtenissen en ze naar
-zijn goedvinden heeft geregeld.”
-
-Cuchares, meer en meer in verwarring gebracht, wist niet meer hoe hij
-zich keeren of wenden zou, zijne ontsteltenis was voor iedereen
-zichtbaar.
-
-»Wat hebt gij hierop te antwoorden, Cuchares?” vroeg de kapitein.
-
-In omstandigheden als de tegenwoordige, heeft een beschuldigde slechts
-twee middelen van verdediging: of geveinsde verontwaardiging of
-minachting.
-
-Cuchares koos het laatste: de minachting.
-
-Al zijne stoutmoedigheid en onbeschaamdheid te hulp roepende, zorgde
-hij eerst zijne stem te verzekeren, haalde verachtelijk de schouders op
-en antwoordde op sarcastischen toon:
-
-»Ik zal señor don Blas de eer niet doen van zijne woorden te bespreken;
-er zijn van die beschuldigingen waarop een eerlijk man het stilzwijgen
-bewaart. Ik heb mij in alles moeten gedragen aan den kapitein, die hier
-alleen te bevelen heeft. Sedert wij ons in de woestijn bevinden hebben
-wij twintig man hetzij door de moordbijl der Indianen, of door ziekte
-verloren; kan men mij redelijk- en billijkerwijs verantwoordelijk
-stellen voor deze grieven? Sta ik niet even zeer als de anderen klaar
-om in de woestijn om te komen? Heb ik het in mijne macht om het gevaar
-te ontsnappen dat ulieden bedreigt? Zoo de kapitein mij bevolen had om
-de woestijn del Norte slechts door te trekken, zouden wij er reeds lang
-uit zijn; maar hij heeft mij gezegd dat hij de Apachen wilde
-achterhalen, ik heb mij naar zijn last moeten gedragen.”
-
-Deze redeneering, hoe listig gesponnen en spitsvondig zij wezen mocht,
-werd nochtans door de officieren voor goede munt opgenomen; Cuchares
-haalde weder adem, maar hij had het met den capataz nog niet afgemaakt.
-
-»Goed,” zeide deze; »strikt genomen hebt gij misschien gelijk dat gij
-zoo spreekt, en ik zou geloof kunnen hechten aan uw voorgeven, zoo ik
-geen andere en veel ernstiger zaken tegen u had in te brengen.”
-
-De lepero haalde de schouders op.
-
-»Ik weet,” vervolgde de capataz, »en ik kan er dadelijk het bewijs van
-leveren, dat gij door uwe gesprekken en zijdelingsche beschuldigingen
-oproer onder de peons en soldaten der compagnie hebt gezaaid. Heden
-morgen vóór de revelje, terwijl gij dacht dat niemand u zag, zijt gij
-opgestaan en hebt met uw ponjaard tien van de vijftien zakken water
-doorgestoken die wij nog over hebben; alleen het gerucht, dat ik
-onwillekeurig maakte terwijl ik naar u toekwam om het u te beletten,
-heeft u teruggehouden uw misdadig opzet ten einde te brengen. Op het
-oogenblik toen de kapitein ons bijeen liet roepen om raad te houden,
-was ik juist gereed om hem van uw bedrijf kennis te geven en u aan te
-klagen. Wat hebt gij daarop te antwoorden? Verdedig u als gij er kans
-toe ziet.”
-
-Aller oogen richtten zich nu op den lepero; hij was doodsbleek, zijne
-oogen stonden rood en wild; eer iemand met mogelijkheid gissen kon wat
-hij voornemens was, greep hij een pistool en schoot het rakelings af op
-de borst van den capataz, die ter aarde stortte zonder een woord of
-zucht meer te slaken; daarop steeg de moordenaar met een tijgersprong
-te paard, en reed in vliegenden galop weg.
-
-Nu volgde er een onbeschrijfelijke opschudding, allen stegen te paard
-om den lepero na te zetten.
-
-»Voort! voort! den moordenaar na! den moordenaar na!” schreeuwde de
-kapitein, zijne manschappen aansporende met stem en voorbeeld om den
-onverlaat te vervolgen.
-
-De Franschen, door dezen afloop der zaak woedend geworden, vervolgden
-den lepero en schoten op hem als op een verscheurend dier; een geruimen
-tijd wist hij in alle richtingen te ontwijken en zag men hem nu hier
-dan daar heen rennen, om uit den cirkel te geraken dien het den
-kavaleristen gelukt was rondom hem te sluiten; eindelijk zag men hem
-waggelen in den zadel, poogde hij zich nog aan de manen van zijn paard
-vast te klemmen, maar tuimelde hij op het zand als een machtelooze
-klomp onder het uiten van een laatsten kreet.
-
-Hij was dood.
-
-Deze gebeurtenis voerde de ontsteltenis onder de soldaten ten top, van
-dit oogenblik af gevoelden zij dat men hen verraden had en begonnen zij
-te begrijpen dat hun toestand inderdaad hopeloos was.
-
-Te vergeefs poogde de kapitein hun een weinig moed in te spreken, zij
-wilden naar niets meer hooren, maar gaven zich prijs aan eene
-radeloosheid die alle maatregelen verlamt en alle krijgstucht oplost.
-
-Als een laatste middel om gehoor te krijgen, gaf de graaf order om op
-te breken, en men trok op marsch.
-
-Maar waarheen? in welke richting, en waar was uitkomst? geen spoor of
-pad was er te zien. Intusschen trok men toch voort, veeleer om van
-plaats te veranderen, dan om weg te komen, of met eenige hoop om uit
-het onmetelijk zandgraf te geraken, daar men niet anders voorzag dan
-voor altijd en onherroepelijk in bedolven te zullen worden.
-
-Acht dagen verliepen, acht eeuwen van jammer, gedurende welke de
-vrijcompagnisten met de vreeselijkste kwellingen van honger en dorst te
-kampen hadden.
-
-De compagnie als zoodanig bestond niet langer, er waren geen chefs,
-geen soldaten meer; het was een legioen afschuwelijk uitgemergelde
-spookgestalten, een troep uitgehongerde roofdieren, gereed om elkander
-bij de eerste gelegenheid te verscheuren en te verslinden.
-
-Het was er eindelijk zoo ver mede gekomen, dat men de weinige paarden
-of muildieren die nog overbleven, de ooren opensneed om het bloed uit
-te zuigen, ten einde honger en dorst te lesschen.
-
-In ’t onzekere rondzwervende, nu eens naar dezen dan naar genen kant,
-door luchtspiegeling misleid, door den fellen zonnegloed geblakerd,
-door het mulle zand afgemat en uitgeput, waren zij ten prooi aan eene
-vertwijfeling, die sommigen met een stompzinnig gelaat en een hollen
-lach verdroegen; dat waren nog de gelukkigsten, zij hadden geen gevoel
-meer van hun leed, want zij waren krankzinnig; anderen zwaaiden woest
-met de wapenen, vloekten en dreigden en staken de vuisten naar den
-hemel op, die als een onmetelijke tombe van koper, hunne zandige
-grafstede scheen te overwelven; enkelen door het ongeluk razend
-geworden schoten zich voor het hoofd, met een spottenden glimlach
-jegens hunne kameraden, die te zwak waren of den moed niet hadden hun
-voorbeeld te volgen.
-
-De Franschen zijn misschien het moedigste volk dat er bestaat, maar
-daarentegen zijn zij de eerste om alle tucht of zelfbeheersching te
-verliezen. Is hun aandrift onweêrstaanbaar zoo lang zij voorwaarts
-rukken, even onweêrstaanbaar zijn zij ook als zij terug moeten; dan
-zijn zij door niets, door dwang noch door redeneering noch door
-bedreiging tot staan te brengen; overdreven in alles, is de Franschman
-soms sterker dan een mensch, of zwakker dan een kind!
-
-De graaf de Lhorailles was geen kwaad overste, hij staarde zwijgend en
-somber op den ondergang van al zijne verwachtingen, maar bleef zijnen
-rang en zijn karakter getrouw. Altoos de eerste om te marcheeren, en de
-laatste om te rusten, zou hij geen brok genuttigd hebben eer hij wist
-dat ieder man zijn aandeel had gehad, troostte hij ieder die naar hem
-hooren wilde en waakte met voorbeeldelooze zorg en zelfverloochening
-voor zijne arme soldaten, die, zonderling genoeg, te midden van al hun
-jammer en dreigenden ondergang er niet aan dachten hun overste eenig
-verwijt toe te voegen.
-
-De peons van Blas Vasquez waren meest allen bezweken, of hadden na zijn
-dood een goed heenkomen gezocht, dat wil zeggen, een weinig verder een
-onbekend graf gevonden. Die den graaf nog getrouw bleven, waren allen
-Europeanen, meerendeels Franschen, brave Dauph’yeers, geheel onkundig
-hoe zij den onverbiddelijken vijand zouden bekampen met welken zij hier
-te doen hadden, de doodelijke del Norte.
-
-Van de twee honderd vijf en veertig man, die de compagnie bij hare
-intrede in de woestijn sterk was, leefden er nog nauwelijks honderd
-dertig, zoo het leven mocht heeten dat deze verbleekte en vermagerde
-spoken bezielde.
-
-De ergste ramp die iemand in de woestijn kan overkomen is zeker de
-akelige kwaal, door de Mexicanen de calentura genoemd.
-
-De calentura!
-
-Deze tusschenpoozende waanzin spiegelt den lijder gedurende den
-korteren of langeren aanval, visioenen voor van de lekkerste en
-keurigste spijzen, de helderste waterbronnen, de uitmuntendste wijnen,
-die hem, zoo hij zich verbeeldt, volop verzadigen maar tevens
-ontzenuwen, want na den afloop der zinsverbijstering gevoelt hij zich
-zwakker en verslagener dan ooit, door de herinnering van al wat hij in
-den droom gezien en genoten had.
-
-Op zekeren dag eindelijk, toen de ongelukkige vrijcompagnie door jammer
-en ellende overstelpt, weigerde om verder te gaan en allen reikhalsden
-om te sterven waar het toeval hen gebracht had, legerden zij zich op
-het gloeiende zand, in de schaduw van eenige Ahuehuelten, met het vaste
-besluit om daar onbeweeglijk te blijven liggen, tot de dood, dien zij
-reeds zoolang overluid hadden ingeroepen, hen eindelijk van hunne
-kwalen zou komen verlossen.
-
-De zon hulde zich in een onheilspellenden nevel en ging onder in eene
-zee van purperen en gouden wolken. Alles in de woestijn was doodstil en
-men hoorde niets dan hier en daar eene verwensching of een zucht van de
-ongelukkigen, die niets meer verwachtten, niets meer hoopten, en niets
-meer overhielden dan het instinct van woeste of redelooze dieren.
-
-Intusschen volgde de nacht op den dag, en langzamerhand kwam ook de
-vrijcompagnie tot rust en stilte. De slaap, die groote vertrooster der
-lijdende menschheid, bezwaarde de oogleden der rampzaligen, en zoo zij
-al niet sliepen, genoten zij toch eene soort van sluimering, die hun,
-voor een poos althans, hunne ondragelijke folteringen deed vergeten.
-
-Op eens, tegen middernacht, klonk er een vervaarlijk geluid, dat allen
-verschrikt deed ontwaken; een verstikkend lauwe wervelwind ging over
-hen heen, en de donder boven hunne hoofden barstte klaterend los.
-
-De hemel was zwart als inkt, geen maan of ster was er te zien, niets
-dan tastbare duisternis, die zelfs niet toeliet de meest nabijzijnde
-voorwerpen te onderscheiden, dan nu en dan bij het flikkeren van een
-bliksemstraal welke slechts diende om de daarop volgende duisternis nog
-dikker te maken.
-
-De arme drommels sprongen vol ontzetting op en slopen waggelend naar
-elkander, als een troep schapen bij onweder en als wilden zij bij de
-laatste vonk van hun ingeschapen menschelijk instinct, te zamen
-sterven.
-
-»De temporal! de temporal!” schreeuwden allen op een toon van angst die
-zich niet laat beschrijven.
-
-Werkelijk was het de temporal, die ontzettende plaag, die al hare woede
-ontketende en over de woestijn deed losbreken om er de gedaante van om
-te keeren.
-
-De stormwind loeide met ontzettende kracht, en joeg wolken stof omhoog
-die in de lucht ronddwarrelden en zandhoozen vormden, die met groote
-snelheid voortwervelden tot zij op eens met een vreeselijk gekraak
-uiteenspatteden.
-
-Menschen of dieren, of steenen door deze wervelende zuilen
-medegesleept, werden als stroobossen in de ruimte weggeslingerd.
-
-»Plat op den grond!” riep de graaf met eene krachtige stem, »plat op
-den grond liggen! het is als de Afrikaansche Simoun, plat op den buik
-liggen! zoo gij uw leven lief hebt!”
-
-Vreemd als het schijnen mag, maar al deze mannen, ofschoon door
-hopeloos lijden overstelpt, gehoorzaamden als kinderen het bevel van
-hun overste, zoo groot is de schrik dien de dood, wanneer hij op het
-oogenblik onherroepelijk schijnt te naderen, inboezemt.
-
-Zij vielen met hun aangezicht in het zand, en groeven met hunne handen
-kuilen om de heete lucht te ontgaan, die hen dreigde te verstikken. De
-paarden, met gerekten hals op den grond uitgestrekt, volgden bij
-instinct het voorbeeld hunner meesters.
-
-Bij tusschenpoozen, als plotselinge windstilte den rampzaligen soms een
-oogenblik verademing schonk, om hen daarna des te erbarmloozer te
-benauwen, hoorde men het gekerm of het doodsgereutel vermengd met
-vloeken of vurige gebeden, uit de menigte opgaan, die bevreesd of
-stervend op den grond lag uitgestrekt.
-
-De orkaan bulderde den geheelen nacht door met onverpoosde woede; tegen
-den morgen begon hij allengs te bedaren, en met het opgaan der zon was
-zijne kracht uitgeput of naar andere streken verplaatst.
-
-Het aanzien der woestijn was geheel veranderd; waar den vorigen dag
-heuvels stonden, waren nu dalen; de weinige boomen hier en daar, waren
-door den wind geknot, omgeworpen of verzengd, en vertoonden niets dan
-zwarte en kaalgestroopte geraamten; geen spoor meer van pad of
-voetstap, alles was effen en plat gewaaid of met golven gerimpeld als
-een plotselinge bevroren zee.
-
-Van de vrijcompagnie waren niet meer dan zestig man levend
-overgebleven, de overigen waren hetzij door den wind opgenomen of onder
-den grond bedolven, zonder dat er een spoor van overbleef; het zand had
-alles begraven en bedekte hen als met een onmetelijk grauwe doodwaâ.
-
-Het eerste gevoel dat de levend overgeblevenen bezielde, was schrik;
-het tweede, wanhoop, en daarop begon het gejammer en beklag met
-vernieuwde, altoos toenemende kracht.
-
-De graaf staarde op het overschot zijner vrijcompagnie met treurig
-somberen blik en eene uitdrukking van onbeschrijfelijken weemoed.
-
-Op eens barstte hij los in een stuipachtigen schaterlach, hij trad naar
-zijn paard, het eenig overgeblevene en als door een wonder aan den
-algemeenen jammer ontsnapte, zadelde het, streelde het met de hand,
-onder het binnensmonds neuriën eener treurige melodie van eigen
-vinding.
-
-Zijne kameraden zagen hem aan met stommen schrik en een gevoel van
-verbazing daar zij zich geen rekenschap van konden geven; hoe gezonken
-en moedeloos van geest zij zelven ook mochten geweest zijn, de kapitein
-had tot hiertoe steeds zijne meerderheid van verstand en vastheid van
-wil weten te behouden, twee hoedanigheden die op minder beschaafde en
-geschokte gemoederen zoo veel vermogen, zelfs wanneer de omstandigheden
-hun aanleiding gaven er zich tegen te verzetten. Hoe ellendig zij ook
-waren groepeerden zij zich rondom hun overste, als kinderen zouden
-gedaan hebben rondom hun stervenden of plotseling krankzinnig geworden
-vader of moeder; hij had hen altijd getroost, hun het voorbeeld van
-moed en zelfverloochening gegeven, en nu, terwijl zij hem zagen te werk
-gaan gelijk hij deed, hadden zij een voorgevoel van een nieuw en nog
-grooter ongeluk.
-
-Nadat de graaf zijn paard gezadeld had, steeg hij voorzichtig in den
-zadel en liet het eenige minuten lang springen en zwenken, ofschoon het
-arme dier nauwelijks in staat was zich op de bevende beenen te houden.
-
-»Haha! mijne braven!” riep hij op eens, »komt allen hier, komt bij mij
-en hoort den goeden raad dien ik u geven wil eer ik vertrekken ga.”
-
-De soldaten sleepten zich zooveel zij konden voort en verzamelden zich
-rondom hun chef.
-
-De graaf wierp een zonderlingen blik van zelfvoldoening om zich heen.
-
-»Het leven is een jammerlijk apenspel, niet waar,” sprak hij met een
-schaterenden lach, »en daarbij dikwijls een keten die zwaar valt om te
-dragen. Hoe menigmaal zult gij in het helsche verblijf daar wij zonder
-uitkomst in rondzwerven, deze opmerking niet in stilte hebben gemaakt,
-die ik onbewimpeld voor u uitspreek! Welnu, ik moet u bekennen, zoolang
-ik hoop had u te redden heb ik met moed tegen het ongeluk gestreden;
-die hoop heb ik niet meer. En daar wij hier nu binnen eenige dagen,
-misschien binnen weinige uren reeds, van kommer en gebrek moeten
-vergaan, wil ik liever dadelijk sterven. Gelooft mij, volgt mijn
-voorbeeld; het is spoedig gedaan, gij zult het zien.”
-
-Bij het uitspreken dezer woorden trok hij een pistool uit zijn gordel.
-
-Op dit oogenblik hoorde men in de verte schreeuwen.
-
-»Wat is het? wat is het, wat gebeurt er nog?”
-
-»Zie eens! kapitein, men komt ons te hulp; wij zijn gered!” riep de
-sergeant Boileau, die als een schim aan zijne zijde stond en hem bij
-den arm greep.
-
-De graaf rukte zijn arm los en zei met een glimlach, terwijl hij in de
-aangewezen richting uitkeek, waar zich werkelijk een wolk van stof
-verhief, die snel naderde.
-
-»Gij zijt dwaas, mijn arme kameraad. Men kan ons hier niet komen
-helpen. Wij hebben hier zelfs minder hoop dan de schipbreukelingen der
-Medusa,” vervolgde hij met bittere ironie; »wij zijn gedoemd om in deze
-helsche woestijn te sterven. Vaartwel, allen! vaartwel!”
-
-Hij hief zijn pistool op.
-
-»Kapitein?” riep de sergeant op verwijtenden toon, »denk om uwe
-verantwoording, gij hebt het recht niet om u zelven te dooden, gij zijt
-onze overste, gij behoort het laatst van allen te sterven of anders
-zijt gij een lafaard!”
-
-De graaf sprong op in den zadel alsof hem een adder gebeten had, en
-dreigde zich op den sergeant te werpen; zijn uitzicht was daarbij zoo
-woest en zijne beweging zoo verschrikkelijk, dat Boileau er bang van
-werd en terugdeinsde.
-
-De kapitein maakte van dit vrije oogenblik gebruik, zette zich het
-pistool voor het hoofd, en drukte af; hij stortte ter aarde met een
-verbrijzelde hersenpan.
-
-De avonturiers waren nog niet van den schrik bekomen dien dit
-vreeselijk ongeluk bij hen teweegbracht, toen de stofwolk die zij
-hadden zien naderen reeds dicht in hunne nabijheid was en plotseling
-als vaneen scheurde, en nu ontwaarden zij een troep Indiaansche
-ruiters, in welks midden eene vrouw en twee of drie blanken, die in
-vollen ren op hen afkwamen.
-
-Vast overtuigd dat de Apachen hen, als roofvogels op dood aas, zouden
-overvallen en den genadeslag komen geven, beproefden zij het zelfs niet
-om een oogenblik weêrstand te bieden.
-
-»O!” riep op eens een der jagers snel afstijgende en naar hen
-toeloopende, »arme menschen!”
-
-De nieuw aankomenden waren Goedsmoeds, don Louis en hunne vrienden de
-Comanchen.
-
-Weinige woorden waren genoeg om hun het gebeurde mede te deelen en hun
-met den gruwzamen nood bekend te maken dien de Franschen hadden moeten
-verduren.
-
-»Maar,” riep Goedsmoeds, »al heeft het u aan de noodige spijzen
-ontbroken, water hadt gij toch in overvloed, hoe kunt gij u zoozeer
-beklagen over dorst?”
-
-Zonder iets te zeggen begonnen de Arendskop en de Spotvogel met hunne
-machetes reeds een kuil te delven aan den voet van een Ahuehuelt. Na
-verloop van tien minuten sprong het water te voorschijn en weldra
-vloeide er een milde en heldere bron over het zand.
-
-De Franschen stortten zich als razenden op het water.
-
-»Arme menschen!” mompelde don Louis; »zullen wij ze hier niet vandaan
-helpen?”
-
-»Denkt gij dan dat ik hen zou laten omkomen nu ik hun weder moed heb
-gegeven?” zei Goedsmoeds. »Arm meisje,” vervolgde hij, half in zich
-zelven met een weemoedigen blik op doña Anita, die er bij stond te
-lachen en hare vingers deed klappen als castagnetten, »waarom kan ik
-haar niet even gemakkelijk het verstand teruggeven?”
-
-Don Louis zuchtte zonder te antwoorden.
-
-De Franschen hoorden met stomme verbazing een feit vermelden, dat hen
-waarschijnlijk zou hebben gered zoo zij het maar eerder geweten hadden;
-namelijk dat de Ahuehuelt, welke naam in de taal der Comanchen »heer
-der wateren” beteekent, een boom is die wel is waar alleen op dorre en
-zandige plaatsen opschiet, maar onder zijne wortels steeds een
-waterader verbergt, waaraan hij zijn wasdom en sappen ontleent, en om
-deze reden dragen de Roodhuiden dezen boom een bijgeloovigen eerbied
-toe en noemen zij hem, daar hij vooral in de zandwoestijn voorkomt en
-van onberekenbaar nut is de groote medicijn der reizigers.
-
-
-
-Twee dagen later waren de avonturiers, onder geleide der jagers en der
-Comanchen, buiten de zandwoestijn. Weldra hadden zij de Casa Grande de
-Montecuzoma bereikt, waar hunne redders, na hen van de noodige
-levensmiddelen te hebben voorzien, hen voor goed verlieten, nauwelijks
-wetende hoe zij zich aan hunne warme dankbetuigingen en zegenwenschen
-zouden onttrekken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- Bladz.
- 1. Feria de Plata 1
- 2. Don Sylva de Torres 12
- 3. Twee oude kennissen van den lezer 21
- 4. De graaf Maxima Gaëtan de Lhorailles 31
- 5. De Dauph’yeers 40
- 6. Door het venster 51
- 7. Een tweegevecht 60
- 8. Het vertrek 69
- 9. De legerschans in de wildernis 80
- 10. Vóór den aanval 92
- 11. De Mexicaansche maan 102
- 12. Vrouwenlist 111
- 13. Een wedloop bij nacht 123
- 14. Een Indiaansche list 133
- 15. Scherp tegen scherp 143
- 16. De Casa Grande de Montecuzoma 155
- 17. De Mesties 166
- 18. Een stap achterwaarts 175
- 19. In de Prairie 186
- 20. In den zadel 194
- 21. De bekentenis 204
- 22. Een menschenjacht 213
- 23. De Apachen 223
- 24. De woudloopers 232
- 25. El Ahuehuelt 243
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Zie de Pelsjagers van de Arkansas.
-
-[2] Aimard schreef dit in 1860.
-
-[3] Ongeveer 40.000 gulden.
-
-[4] Ongeveer ƒ 375.000 (Historisch).
-
-[5] Zekere stormwind
-
-[6] Zie de Pelsjagers van de Arkansas.
-
-[7] Zie de Pelsjagers van de Arkansas.
-
-[8] Zie het Opperhoofd der Aucas.
-
-[9] Korenbrandewijn, gestookt in de stad Pisco.
-
-[10] Wees gegroet, zuivere Maria! Elf ure heeft de klok, het regent!
-
-[11] Gemeenzame term onder het volk in Mexico, voor omhalsbrengen.
-
-[12] Bengaalsche vink.
-
-[13] De haas.
-
-[14] Zie de Pelsjagers van de Arkansas.
-
-[15] Takkenhut
-
-[16] Sandalen.
-
-[17] Dezen term gebruiken de Indianen voor alles wat hun onbegrijpelijk
-voorkomt.
-
-[18] Een kustlander, in onderscheiding van de inwoners in het
-binnenland.
-
-[19] Zeker oorlogstuig uit een lederen riem bestaande, aan ieder eind
-met een looden kogel.
-
-[20] Half beschaafde Indianen.
-
-[21] Water of bronboom.
-
-[22] Zonsopgang.
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GRAAF DE LHORAILLES ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/65517-0.zip b/old/65517-0.zip
deleted file mode 100644
index 4368c0e..0000000
--- a/old/65517-0.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65517-h.zip b/old/65517-h.zip
deleted file mode 100644
index 85248ec..0000000
--- a/old/65517-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65517-h/65517-h.htm b/old/65517-h/65517-h.htm
deleted file mode 100644
index 0d5f33a..0000000
--- a/old/65517-h/65517-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,14955 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html
-PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2021-05-29T19:43:13Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8">
-<title>De graaf de Lhorailles</title>
-<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
-<meta name="author" content="Gustave Aimard (1818&#x2013;1883)">
-<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg">
-<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
-<meta name="DC.Creator" content="Gustave Aimard (1818&#x2013;1883)">
-<meta name="DC.Title" content="De graaf de Lhorailles">
-<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
-<meta name="DC.Format" content="text/html">
-<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
-<meta name="DC:Subject" content="#####">
-<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */
-html {
-line-height: 1.3;
-}
-body {
-margin: 0;
-}
-main {
-display: block;
-}
-h1 {
-font-size: 2em;
-margin: 0.67em 0;
-}
-hr {
-height: 0;
-overflow: visible;
-}
-pre {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-a {
-background-color: transparent;
-}
-abbr[title] {
-border-bottom: none;
-text-decoration: underline;
-text-decoration: underline dotted;
-}
-b, strong {
-font-weight: bolder;
-}
-code, kbd, samp {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-small {
-font-size: 80%;
-}
-sub, sup {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-}
-sub {
-bottom: -0.25em;
-}
-sup {
-top: -0.5em;
-}
-img {
-border-style: none;
-}
-body {
-font-family: serif;
-font-size: 100%;
-text-align: left;
-margin-top: 2.4em;
-}
-div.front, div.body {
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-div.back {
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div0 {
-margin-top: 7.2em;
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-.div1 {
-margin-top: 5.6em;
-margin-bottom: 5.6em;
-}
-.div2 {
-margin-top: 4.8em;
-margin-bottom: 4.8em;
-}
-.div3 {
-margin-top: 3.6em;
-margin-bottom: 3.6em;
-}
-.div4 {
-margin-top: 2.4em;
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div5, .div6, .div7 {
-margin-top: 1.44em;
-margin-bottom: 1.44em;
-}
-.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
-.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
-margin-bottom: 0;
-}
-blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
-.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
-margin-top: 0;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin: 1.6em auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
-font-size: 0.9em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-td.tocDivNum {
-vertical-align: top;
-}
-td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-margin-top: 3.6em;
-}
-span.abbr, abbr {
-white-space: nowrap;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.num, span.trans, span.trans {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.asc {
-font-variant: small-caps;
-text-transform: lowercase;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-border: none;
-border-bottom: 1px solid black;
-width: 45%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-}
-hr.dotted {
-border-bottom: 2px dotted black;
-}
-hr.dashed {
-border-bottom: 2px dashed black;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.42em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.84em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0 0.05em 0 0;
-padding: 0;
-line-height: 0.8;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-.advertisement, .advertisements {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
-color: #660000;
-}
-.fnreturn {
-color: #AAAAAA;
-font-size: 80%;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-a {
-text-decoration: none;
-}
-a:hover {
-text-decoration: underline;
-background-color: #e9f5ff;
-}
-a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-top: -0.5em;
-text-decoration: none;
-margin-left: 0.1em;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
-float: left;
-min-width: 1.0em;
-margin-left: -0.1em;
-padding-top: 0.9em;
-padding-right: 0.4em;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-white-space: nowrap;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.index p {
-text-indent: -1em;
-margin-left: 1em;
-}
-.indexToc {
-text-align: center;
-}
-.transcriberNote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.missingTarget {
-text-decoration: line-through;
-color: red;
-}
-.correctionTable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-span.musictime {
-vertical-align: middle;
-display: inline-block;
-text-align: center;
-}
-span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
-padding: 1px 0.5px;
-font-size: xx-small;
-font-weight: bold;
-line-height: 0.7em;
-}
-span.musictime span.bottom {
-display: block;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.splitListTable {
-margin-left: 0;
-}
-.numberedItem {
-text-indent: -3em;
-margin-left: 3em;
-}
-.numberedItem .itemNumber {
-float: left;
-position: relative;
-left: -3.5em;
-width: 3em;
-display: inline-block;
-text-align: right;
-}
-.itemGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.itemGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.itemGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0 7em 0;
-padding: 5em 10% 6em 10%;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 1.7;
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0 0 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-.pageNum {
-display: inline;
-font-size: 70%;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-}
-.right-marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-right: 3%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-text-align: right;
-width: 11%
-}
-.cut-in-left-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: left;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
-}
-.cut-in-right-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: right;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: right;
-padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-text-indent: 0;
-}
-.pglink::after {
-content: "\0000A0\01F4D8";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.catlink::after {
-content: "\0000A0\01F4C7";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
-content: "\0000A0\002197\00FE0F";
-color: blue;
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.pglink:hover {
-background-color: #DCFFDC;
-}
-.catlink:hover {
-background-color: #FFFFDC;
-}
-.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover {
-background-color: #FFDCDC;
-}
-body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
-text-align: left;
-}
-.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tablecaption {
-text-align: center;
-}
-.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
-.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
-.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
-.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
-.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.cover-imagewidth {
-width:480px;
-}
-.xd30e90 {
-text-align:center; font-size:large;
-}
-.frontispiecewidth {
-width:489px;
-}
-.titlepage-imagewidth {
-width:484px;
-}
-.xd30e142 {
-text-align:center; font-size:small;
-}
-.p067width {
-width:490px;
-}
-.p092width {
-width:491px;
-}
-.p130width {
-width:496px;
-}
-.p181width {
-width:493px;
-}
-.p203width {
-width:493px;
-}
-.p230width {
-width:494px;
-}
-.p251width {
-width:720px;
-}
-@media handheld {
-}
-/* ]]> */ </style>
-</head>
-<body>
-
-<div style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of De graaf de Lhorailles, by Gustave Aimard</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
-at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
-are not located in the United States, you will have to check the laws of the
-country where you are located before using this eBook.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: De graaf de Lhorailles</div>
-
-<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Gustave Aimard</div>
-
-<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Illustrator: Ch. Rochussen</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Release Date: June 5, 2021 [eBook #65517]</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Language: Dutch</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Character set encoding: UTF-8</div>
-
-<div style='display:block; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Books project.)</div>
-
-<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GRAAF DE LHORAILLES ***</div>
-<div class="front">
-<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first xd30e90">DE<br>
-GRAAF DE LHORAILLES
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frontispiece"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure frontispiecewidth"><img src="images/frontispiece.jpg" alt="De vreemdeling wendde zich naar het balkon. Bladz. 9." width="489" height="720"><p class="figureHead">De vreemdeling wendde zich naar het balkon. Bladz. 9.</p>
-</div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="484" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="seriesTitle">AIMARD&#x2019;S <span class="sc">Indiaansche Verhalen</span></div>
-<div class="mainTitle">DE GRAAF<br>
-DE LHORAILLES</div>
-</div>
-<div class="byline">DOOR
-<br>
-<span class="docAuthor">GUSTAVE AIMARD</span>
-<br>
-MET 8 ILLUSTRATIEN VAN
-<br>
-<span class="docAuthor">CH<sup>S</sup> ROCHUSSEN</span></div>
-<div class="docImprint">DERDE DRUK
-<br>
-ROTTERDAM<br>
-UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ &#x201e;ELSEVIER&#x201d;<br>
-<span class="docDate">1884</span></div>
-</div>
-<p></p>
-<div class="div1 imprint"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first xd30e142">Snelpersdruk van H.&nbsp;C.&nbsp;A. Thieme, te Nijmegen.
-<span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="body">
-<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6823">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="super">DE GRAAF DE LHORAILLES</h2>
-<h2 class="label">I.</h2>
-<h2 class="main">FERIA DE PLATA.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Reeds sedert de eerste dagen der ontdekking van Amerika, werden zijne afgelegene kusten
-het toevluchtsoord en de verzamelplaats voor avonturiers van allerlei soort, wier
-ontembare geest, warsch van de boeien der oude Europeesche beschaving, elders een
-goed heenkomen zocht.
-</p>
-<p>Eenigen van hen vroegen der Nieuwe Wereld vrijheid van geweten, en het recht om God
-te dienen naar eigen keus en overtuiging; anderen verwisselden den degen met den moordenaarsdolk,
-om gansche volken te verdelgen ter wille van hun goed en zich te verrijken met den
-bloedigen roof; nog anderen eindelijk, onrustige gemoederen met leeuwenharten en ijzeren
-lichamen, die geen teugel of wet eerbiedigden en het woord vrijheid met het woord
-losbandigheid verwarden, vormden schier zonder het zelf te weten, dat geduchte bondgenootschap
-der zoogenaamde »Broeders van de Kust,&#x201d; dat het machtige Spanje een oogenblik voor
-zijne overzeesche bezittingen deed beven en waarmede zelfs Lodewijk de Veertiende,
-de zonne-koning, zich niet ontzag verdragen te sluiten.
-</p>
-<p>De afstammelingen dezer buitengewone menschen bestaan nog altijd in Amerika, en zoo
-vaak eene mislukte omwenteling, na een kortstondigen strijd, de woelgeesten, die de
-volksbeweging plotseling uit de diepte deed voortkomen, aan deze stranden werpt scharen
-zij zich instinctmatig rondom de naneven der eerste avonturiers, op hoop van, even
-als zij, buitengewone daden te doen.
-</p>
-<p>Tijdens mijn verblijf in Amerika, werd ik bij toeval getuige van een der stoutste
-ondernemingen, welke ooit door deze vermetele gelukzoekers zijn beraamd of uitgevoerd.
-De aanslag dien ik bedoel maakte zulk een ophef, dat zij gedurende eenige maanden
-de drukpers bezig <span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span>hield en de belangstelling zoo wel als de nieuwsgierigheid der geheele wereld wekte.
-</p>
-<p>Om redenen die de bescheiden lezer wel zal weten te waardeeren, hebben wij met opzet
-de namen der personen veranderd, die in dit zonderling drama de voornaamste rollen
-speelden, ofschoon wij overigens de historische feiten met de meeste nauwkeurigheid
-zullen wedergeven.
-</p>
-<p>Het is nu omtrent twintig jaar geleden, dat de ontdekking der rijke goudmijnen in
-Californië plotseling den prikkel der hebzucht in het hart van alle gelukzoekers deed
-ontwaken en verscheidene jonge, schrandere, voortvarende menschen vaderland en familie
-deed verlaten, om zich vol geestdrift en gouden droomen, te begeven naar het nieuwe
-Eldorado, dat hun van de andere zijde des oceaans zoo verleidelijk toelachte, doch
-waar de meeste hunner helaas! niets dan ellende vonden, of den dood na het doorstaan
-van tallooze jammeren en ontberingen.
-</p>
-<p>De weg van Europa naar Californië is lang. Vele gelukzoekers bleven halverwege terug,
-sommigen te Valparaiso, anderen te Callao, nog anderen te Mazatlan of te <span class="corr" id="xd30e163" title="Bron: San-Blas">San Blas</span>; de meesten echter bereikten <span class="corr" id="xd30e166" title="Bron: San-Francisco">San Francisco</span>.
-</p>
-<p>Het ligt te ver buiten ons tegenwoordig bestek, om de trouwens van elders bekende
-bijzonderheden te vermelden der velerlei teleurstelling en tegenspoed, die de ongelukkige
-emigranten trof van het eerste oogenblik af, dat zij den voet zetten in dit veelbelovende
-luilekkerland, waar zij zich verbeeld hadden dat zij slechts behoefden te bukken om
-er het goud, zoo als men zegt, met volle handen op te grabbelen.
-</p>
-<p>Het is te Guaymas zes maanden na de ontdekking der goudmijnen, dat wij den lezer verzoeken
-ons te volgen.
-</p>
-<p>Reeds in een vorig werk hebben wij van Sonora gesproken<a class="noteRef" id="xd30e174src" href="#xd30e174">1</a>, doch daar de geschiedenis die wij thans voornemens zijn te vertellen geheel en al
-in deze afgelegen provincie van Mexico voorvalt, zullen wij hier de beschrijving voltooien
-die wij toen slechts als ter loops hebben aangestipt.
-</p>
-<p>Mexico is ontegenzeggelijk het schoonste land van de wereld, alle klimaten zijn er
-als het ware broederlijk vereenigd. In uitgestrektheid heeft het inderdaad bijna geene
-grenzen, daar het niet minder dan 575,080 vierkante mijlen oppervlakte beslaat.
-</p>
-<p>Jammer slechts dat de bevolking in verhouding tot de grootte van het land uiterst
-gering is en niet meer dan 7,200,000 zielen bedraagt, van welke ongeveer 5,000,000
-tot de Indiaansche rassen of kleurlingen behooren.
-</p>
-<p>Het Mexicaansche bondgenootschap omvat het district Mexico en een en twintig staten,
-behalve drie gewesten of provinciën die geen inwendig onafhankelijk bestuur hebben.
-<span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span></p>
-<p>Wij zeggen hier niets van de regeering, om de eenvoudige reden dat de toestand van
-dat heerlijke maar ongelukkige land tot dusver in den regel nagenoeg volslagen regeeringloos
-is geweest<a class="noteRef" id="xd30e186src" href="#xd30e186">2</a>.
-</p>
-<p>Intusschen is <span class="corr" id="xd30e191" title="Bron: Mexio">Mexico</span> een bondgenootschappelijke republiek, althans het heeft er den naam van, ofschoon
-er inderdaad geen andere macht bestaat dan die van het zwaard.
-</p>
-<p>De eerste der zeven aan den Atlantischen Oceaan gelegen staten is Sonora. Deze staat
-strekt zich uit van het noorden naar het zuiden, tusschen de Rio Gila en de <span class="corr" id="xd30e196" title="Bron: Rio-Mayo">Rio Mayo</span>; ten oosten scheidt de Sierra-Verde het van den staat Chihua-hua en ten westen wordt
-het bespoeld door de Vermiljoen-zee, of de zee van Cortez, zooals de meeste Spaansche
-landkaarten haar nog altoos blijven noemen.
-</p>
-<p>De staat Sonora is een der rijkste van Mexico uithoofde van zijne talrijke goudmijnen,
-waarmede de bodem als het ware dooraderd is; gelukkiger- of ongelukkigerwijs, al naar
-het oogpunt waaruit men de zaak beschouwen wil, wordt de Sonora gestadig door talrijke
-Indiaansche volksstammen doorkruist, tegen welke de inwoners zich onophoudelijk moeten
-wapenen; ook hebben de gedurige oorlogen met deze woeste horden, de onrust en doodsverachting
-die daarvan het gevolg zijn, en de gewoonte om bij de minste aanleiding menschen-bloed
-te vergieten, aan het karakter der Sonoreezen een stempel van fierheid en voortvarendheid
-gegeven, die reeds dadelijk in hunne edele en stoutmoedige houding zichtbaar is en
-hen geheel van de inwoners der andere staten onderscheidt.
-</p>
-<p>Ondanks zijn uitgestrekt grondgebied en de lange reeks zijner kusten, bezit Mexico
-slechts twee eigenlijk gezegd bruikbare havens aan de Stille Zuidzee.
-</p>
-<p>Die twee havens zijn Guaymas en Acapulco.
-</p>
-<p>De overige zijn inderdaad slechts buitenhavens of opene reeden, waar de zeevaarders
-ongaarne eene schuilplaats zoeken, inzonderheid wanneer de geduchte <i lang="es">cordonazo</i> uit het zuidwesten buldert en de golf van Californië onstuimig in beweging zet.
-</p>
-<p>Wij zullen hier alleen van Guaymas spreken.
-</p>
-<p>De stad van dien naam, eerst sedert weinige jaren aan den mond der rivier <span class="corr" id="xd30e211" title="Bron: San-José">San José</span> gebouwd, schijnt geroepen om eerlang een der voornaamste havens aan de Stille Zuidzee
-te worden.
-</p>
-<p>De krijgskundige ligging van Guaymas is uitmuntend.
-</p>
-<p>Gelijk in alle steden van Spaansch-Amerika zijn er de huizen laag, met platte daken
-en geheel wit geverfd; alleen het kasteel, op den top eener rots aangelegd, in hetwelk
-eenige oude kanonnen op verweerde affuiten trots regen en zonneschijn liggen te roesten,
-heeft eene gele tint die zeer goed nuanceert met het okerkleurige zand van den oever.
-Op het vlakke strand komen de rozenroode baren der Vermiljoen-zee sterven tusschen
-de krachtige en dicht opgeschoten <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>mangiums of waterwilgen, wier warrige wortels en twijgen zij verkwikken. Achter de
-stad verheffen zich als ontzaglijke burchttransen de kantelige toppen van hemelhooge
-bergen, wier steile hellingen, vol diepe ravijnen, door de wateren der zondvloedstijdperken
-zijn uitgehoold, en wier sombere klipgevaarten zich in de wolken verliezen.
-</p>
-<p>Tot ons leedwezen moeten wij zeggen dat deze havenplaats, al draagt zij reeds den
-trotschen naam van stad, nog niets meer is dan eene ellendige buurt zonder kerk en
-zonder herberg, in den goeden zin namelijk, want het ontbreekt er helaas niet aan
-kroegen, die er integendeel&#x2014;en dat is licht te begrijpen, zoo dicht bij Francisco,&#x2014;in
-menigte voorkomen.
-</p>
-<p>Guaymas heeft een treurig aanzien; men voelt er bij iederen stap, dat ondanks alle
-de pogingen der Europeanen en avonturiers om de bevolking te galvaniseeren, de Spaansche
-dwinglandij, die haar gedurende drie eeuwen heeft onderdrukt, haar zoo al niet geheel
-verlamd, dan toch in een staat van zedelijke gezonkenheid en geesteloosheid heeft
-gebracht, waaruit zij zich eerst na verloop van jaren zal kunnen verheffen.
-</p>
-<p>Op den dag waarmede onze historie begint, ofschoon tegen twee ure na den middag, terwijl
-de zon hare brandende stralen loodrecht op de stad liet vallen, het uur wanneer de
-bevolking, overstelpt door de hitte, gewoon is zich in de huizen op te sluiten en
-aan den slaap over te geven, bood Guaymas een zoo levendig schouwspel, dat een vreemdeling
-die bij geval hare poorten binnentrad, zich verbeeld zou hebben een der duizend pronunciamento&#x2019;s
-of omwentelingen te zullen bijwonen, die van jaar tot jaar dit ongelukkige land verontrusten.
-</p>
-<p>Dit was echter geenszins het geval.
-</p>
-<p>Het militaire bewind, vertegenwoordigd door den generaal San Benito, gouverneur van
-Guaymas, was of scheen althans met het hoofdbestuur op den besten voet en met den
-gang der zaken tevreden.
-</p>
-<p>De smokkelaars, leperos, en kaailoopers, waren het onderling tamelijk goed eens, en
-klaagden niet bijzonder over de regeering.
-</p>
-<p>Vanwaar dan de buitengewone opschudding in de stad?
-</p>
-<p>Welke drangreden was machtig genoeg om de anders zoo trage bevolking te doen ontwaken
-en haar de gewone siesta te doen vergeten?
-</p>
-<p>Sedert drie dagen was de stad ten prooi aan de goudkoorts.
-</p>
-<p>De gouverneur had, op dringend aanzoek van eenige aanzienlijke bankiers, verlof gegeven
-tot het houden eener <i lang="es">feria de plata</i>, of zoogenaamde geldkermis, gedurende vijf dagen.
-</p>
-<p>In de voornaamste huizen werden door aanzienlijke personen ten gevalle van het publiek
-hazard-spelen gehouden.
-</p>
-<p>Wat echter aan dit feest een allerzonderlingst karakter gaf, dat men <span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span>elders te vergeefs zou zoeken, was dat er op alle pleinen en alle straten onder den
-blooten hemel <i>monté</i>-tafels waren opgericht, waar het om zoo te zeggen goud stroomde, en ieder zonder
-onderscheid van rang of kleur, die een reaal bezat, het recht had om hem aan de speelbank
-te wagen.
-</p>
-<p>In Mexico geschiedt alles anders dan ergens elders en gaan de zaken tegen den gewonen
-regel. De inwoners in dat land denken aan geen voorleden, dat zij liefst willen vergeten,
-gelooven aan geen toekomst, daar zij niets van verwachten, en leven in den roes van
-het tegenwoordige, met de koortsachtige drift van een volk, dat zijn einde voelt naderen
-en met het volle besef dat het zoo niet lang meer duren kan.
-</p>
-<p>De Mexicanen staan onder de heerschappij van twee sterk sprekende neigingen: het spel
-en de liefde.
-</p>
-<p>Wij zeggen met opzet neigingen en niet hartstochten, want de Mexicaan kent ze niet
-die geweldige drijfveeren der ziel die al onze vermogens in werking roepen, den wil
-beheerschen en het gansche menschelijke samenstel beroeren door de macht eener onweerstaanbare
-drift tot handelen, hetzij goed of kwaad.
-</p>
-<p>Rondom de monté-tafels hadden zich talrijke groepen verzameld en was ieder druk in
-de weer.
-</p>
-<p>Intusschen ging alles met eene orde en bedaardheid die zich door niets scheen te laten
-verstoren en de tegenwoordigheid der openbare macht overbodig maakte, zoodat er geen
-enkele politie-agent op de straat was om de rust te bewaren of op den geregelden gang
-van het spel toezicht te houden.
-</p>
-<p>Ongeveer in het midden der calle de la Merced, een der voornaamste straten van Guaymas
-stond, tegenover een fraai huis, eene langwerpige met een groen kleed bedekte tafel,
-beladen met stapeltjes goudstukken, en daarachter een man van omtrent dertig jaar,
-sluw en geslepen van uitzicht, die met een spel kaarten in de hand en een vroolijken
-lach om de lippen, in uitlokkende bewoordingen de talrijke toeschouwers op de dringendste
-wijs uitnoodigde om hun fortuin te beproeven.
-</p>
-<p>»Komaan, caballeros,&#x201d; riep hij op zoetsappigen toon en met een uitdagenden blik op
-de ellendelingen, die in hunne schitterende maar gescheurde plunjes hem in fiere,
-bijna onverschillige houding aangaapten, »ik kan immers niet altijd winnen, de kans
-moet keeren, daar ben ik zeker van; ziet hier heb ik honderd oncen; wie moet er mede
-gaan strijken?&#x201d;
-</p>
-<p>Hij zweeg.
-</p>
-<p>Niemand die antwoord gaf.
-</p>
-<p>De bankier, zonder zich te laten ontmoedigen, liet met edelen zwier een stapel goudstukken,
-wier fonkelende gloed den standvastigste kon doen wankelen, als een ruischende straal
-van de eene hand in de andere rinkelen.
-<span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span></p>
-<p>»&#x2019;t Is een mooie som, caballeros, honderd oncen; daarmede kan de leelijkste man de
-schoonste der schoonen overhalen. Kijk maar! wie moet ze van mij winnen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Bah!&#x201d; riep een der leperos met een verachtelijken grijns. »&#x2019;t Wil wat zeggen, honderd
-oncen? Als gij mijn laatsten piaster niet afgewonnen hadt, Tio-Lucas, zou ik hem tegen
-u opzetten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Het spijt mij in mijn ziel, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> Cuchares,&#x201d; hernam de bankhouder met eene eerbiedige buiging, »dat het geluk u niet
-gediend heeft; het zou mij aangenaam zijn, als gij mij de vrijheid wildet geven u
-een ons te leenen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Spot gij er mede?&#x201d; zeide de lepero op een toon van gekwetste majesteit zich zoo trotsch
-mogelijk in postuur stellende. »Bewaar uw goud, voor u zelven, Tio-Lucas, ik weet
-wel middel om het te krijgen, zooveel ik wil en zoodra het mij goeddunkt; maar,&#x201d; vervolgde
-hij met eene allerwellevendste buiging, »ik ben u daarom niet minder dankbaar voor
-uw edelmoedig aanbod.&#x201d;
-</p>
-<p>En hij stak den bankier, over de tafel, zijne hand toe, die deze met warmte drukte.
-</p>
-<p>De lepero maakte van deze gelegenheid gebruik om met de andere hand, die vrij was,
-een stapeltje van twintig oncen, dat onder zijn bereik stond, weg te kapen.
-</p>
-<p>Tio-Lucas bedwong een grimas en hield zich alsof hij niets gezien had.
-</p>
-<p>Op deze uitwisseling van wederzijdsche toegenegenheid volgde groote stilte.
-</p>
-<p>De toeschouwers hadden niets van hetgeen er gebeurd was onopgemerkt gelaten, en wachtten
-met nieuwsgierigheid den afloop van dit tooneel.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd30e269" title="Bron: Senor">Señor</span> Cuchares was de eerste die weder sprak.
-</p>
-<p>»O!&#x201d; riep hij eensklaps, zich met de vuist op het voorhoofd kloppende, »bij <span lang="es"><span class="corr" id="xd30e275" title="Bron: Nueetro">Nuestra</span> <span class="corr" id="xd30e278" title="Bron: Senora">Señora</span></span> de la Merced, ik geloof waarlijk dat ik mijn verstand verlies!&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoedat, caballero?&#x201d; vroeg Tio-Lucas blijkbaar verontrust door dezen uitroep.
-</p>
-<p>»Carai! dat is toch eenvoudig genoeg,&#x201d; hernam de andere, »heb ik u daareven niet gezegd
-dat gij mij al mijn geld hadt afgewonnen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat hebt gij mij inderdaad gezegd, deze caballeros hebben het zoowel gehoord als
-ik; tot den laatsten piaster, dat waren uwe eigen woorden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik herinner het mij klaar en duidelijk, en dat maakt mij juist woedend.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat zegt gij!&#x201d; riep de bankier met geveinsde verbazing. »Zijt gij woedend omdat ik
-u alles heb afgewonnen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen, dat is het juist niet.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat is het dan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Caramba! &#x2019;t is dat ik mij zoo deerlijk vergist heb en dat ik nog eenige oncen over
-had.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span></p>
-<p>»Dat is onmogelijk,&#x201d; riep Tio-Lucas.
-</p>
-<p>»Zie maar eens.&#x201d;
-</p>
-<p>De lepero grabbelde in zijn zak, haalde er het goud uit te voorschijn, dat hij den
-bankier een oogenblik te voren ontstolen had, en liet het hem zien met een onbeschaamd
-gezicht.
-</p>
-<p>Op het gelaat van Tio-Lucas bewoog zich geen spier.
-</p>
-<p>»&#x2019;t Is onmogelijk,&#x201d; herhaalde hij.
-</p>
-<p>»Is het?&#x201d; riep de lepero, hem met een fonkelenden blik aankijkende.
-</p>
-<p>»Ja, &#x2019;t is inderdaad niet te gelooven, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> Cuchares, dat uw geheugen zoo slecht zou geweest zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Laat dat zijn zoo het wil, maar nu ik er toch weder aan gedacht heb, is er niets
-mede verloren; komaan, hervatten wij ons spel.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeer goed: het gaat om honderd oncen dan, niet waar?&#x201d;
-</p>
-<p>»Wel neen! zooveel geld bezit ik niet.&#x201d;
-</p>
-<p>»Bah! zoek maar eens goed.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat zou niet baten, ik weet zeker dat ik het niet heb.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is nu toch zoo jammer als het kan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoedat, jammer?&#x201d;
-</p>
-<p>»Omdat ik gezworen heb om niet minder te spelen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dus wilt gij mij geen twintig oncen volhouden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik kan niet; er mag geen enkel once aan de honderd ontbreken of ik zal ze u niet
-kunnen houden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hm!&#x201d; bromde de lepero met een dreigenden blik.&#x2026; »is dat een affront, Tio-Lucas?&#x201d;
-</p>
-<p>De bankhouder had den tijd niet om te antwoorden, daar een man van ongeveer dertig
-jaar, op een heerlijk zwart paard gezeten en allerprachtigst gekleed, sedert eenige
-oogenblikken de tafel genaderd was, en onder het rooken van een geurigen pajillo,
-het gesprek tusschen den lepero en Tio-Lucas beluisterde.
-</p>
-<p>»Top! voor uwe honderd oncen!&#x201d; riep hij op eens terwijl hij met zijn paard door de
-menigte heendrong om dichter bij de tafel te komen, waar hij eene welgevulde goudbeurs
-op wierp.
-</p>
-<p>De beide sprekers keken verbaasd op.
-</p>
-<p>»Ziedaar de kaarten, caballero,&#x201d; riep de bankier, die haastig de ongezochte gelegenheid
-waarnam om zich, voorloopig althans, van een gevaarlijken antagonist te ontslaan.
-</p>
-<p>Cuchares haalde verachtelijk de schouders op en keek den nieuwen speler aan.
-</p>
-<p>»O!&#x201d; riep hij met eene gesmoorde stem, »<i lang="es">de Tigrero</i>! komt hij wellicht om Anita? Dat zal ik spoedig weten.&#x201d;
-</p>
-<p>Daarop trad hij zachtjes naar den ruiter en had hem weldra bereikt.
-</p>
-<p>Laatstgenoemde was een man van trotsch voorkomen, olijfbruine huidkleur, magnetischen
-oogopslag en openhartig vastberaden gelaat.
-</p>
-<p>Zijne kleeding was allerkostbaarst rijk, en ruischte van goud en diamanten.
-<span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span></p>
-<p>Een weinig over het linkeroor gebogen, stond zijn groote vilthoed met breeden rand,
-en om den bol een massief gouden <i lang="es">golilla</i> of lint met diamanten gesp; onder den blauw lakenschen, rijk in zilver geborduurden
-dolmantel, zag men een batisten hemdrok van schitterende witheid, aan den hals gesloten
-met een das van chineesch krip, gevat in een juweelen ring; zijne <i lang="es">calzoneras</i>, aan de heupen gesloten door een rood zijden gordel met gouden franjes, rijk gegalonneerd
-en met twee rijen diamanten knoopen bezet, was aan de knieën open en liet den daaronder
-gedragen <i lang="es">calzon</i> uitfladderen; verder een paar <i lang="es">botas vaqueras</i> van gestempeld leder, rijk geborduurd en onder de knie vastgemaakt met een kousenband
-van zilverstof; zijn <i lang="es">manga</i> of korte mantel, schitterend van goud en edelgesteenten, was zwierig aan den rechter-schouder
-opgeslagen.
-</p>
-<p>Zijn paard, klein van kop en met pooten zoo fijn als weversspoelen, was allerprachtigst
-uitgedost: de <i lang="es">armas de agua</i> (holsterkappen), de <i lang="es">zarape</i> of mantel die over zijn kruis reikte en de kwistig met stalen kettingjes en rinkels
-gegarneerde <i lang="es">anquera</i> of staartriem, voltooiden een stel tuigen daar men zich in Europa moeielijk een idee
-van zou kunnen maken.
-</p>
-<p>Als alle Mexicanen van zekere klasse wanneer zij zich op reis bevinden, was de onbekende
-van top tot teen gewapend. Behalve de gewone aan zijn zadel hangende lasso en het
-geweer, dat dwars over de pistoolholsters was geplaatst, had hij een langen degen
-op zijde en een koppel pistolen in zijn gordel, ongerekend het groote jachtmes, welks
-met zilver ingelegden steel men uit een zijner vaqueras-laarzen zag uitsteken.
-</p>
-<p>Om kort te gaan, de man zooals hij hier door ons werd voorgesteld, was de volmaakte
-type van een Mexicaansch landedelman uit de provincie Sonora, altoos toegerust en
-gereed zich te verdedigen, in tijd van oorlog zoowel als in tijd van vrede, zonder
-den een te vreezen of den anderen te verachten.
-</p>
-<p>Na eene beleefde buiging voor Tio-Lucas, nam hij de kaarten over die deze hem aanbood,
-en verschiffelde ze een poos tusschen zijne vingers, terwijl hij de oogen liet rondgaan.
-</p>
-<p>»Ei! zoo!&#x201d; riep hij met een vriendelijken blik op den lepero, »gij ook hier, compadre
-Cuchares?&#x201d;
-</p>
-<p>»Om u te dienen, don Martia,&#x201d; antwoordde de andere met de hand even aan den verhavenden
-rand van zijn gebulten vilthoed.
-</p>
-<p>De vreemdeling glimlachte.
-</p>
-<p>»Wees zoo goed de kaart voor mij af te nemen, terwijl ik mijn pajillo aansteek.&#x201d;
-</p>
-<p>»Met genoegen!&#x201d; riep de lepero.
-</p>
-<p><i lang="es">El Tigrero</i> of don Martial, hoe de lezer hem noemen wil, haalde een gouden tondeldoos uit zijn
-zak en sloeg op zijn gemak vuur, terwijl de lepero de kaarten voor hem trok.
-</p>
-<p>»<span class="corr" id="xd30e374" title="Bron: Senor">Señor</span>,&#x201d; zei laatstgenoemde met eene klagende stem.
-<span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span></p>
-<p>»Wel, wat is &#x2019;t?&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij hebt verloren.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed. Tio-Lucas, neem honderd oncen uit mijne beurs,&#x201d; vervolgde hij tegen den bankier.
-</p>
-<p>»Ik heb ze, <span class="corr" id="xd30e384" title="Bron: senoria">señoria</span>,&#x201d; antwoordde deze; »behaagt het u nog verder te spelen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Welzeker! maar geen misére meer, hoor! want ik zou de partij gaarne animeeren.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zal u volhouden voor al wat gij gelieft op te zetten, <span class="corr" id="xd30e390" title="Bron: senoria">señoria</span>,&#x201d; hernam de bankier, wiens geoefende blik in de beurs van den onbekende, onder een
-tamelijk groote massa oncen, een veertig stuks diamanten had gezien van het eerste
-water.
-</p>
-<p>»Hm! zijt gij inderdaad mans genoeg om mij vol te houden voor alles wat ik verlang
-op te zetten?&#x201d; vroeg de onbekende.
-</p>
-<p>»Ja!&#x201d; zei Tio-Lucas.
-</p>
-<p>De vreemdeling keek hem strak aan.
-</p>
-<p>»Zelfs al speelde ik om duizend oncen?&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e398src" href="#xd30e398">3</a>.
-</p>
-<p>»Ik ben goed voor de dubbele som, <span class="corr" id="xd30e403" title="Bron: monsenor">monseñor</span>, zoo gij het wagen durft die te verspelen,&#x201d; sprak de onverstoorbare bankier.
-</p>
-<p>Een minachtende glimlach plooide andermaal de trotsche lippen van den cavalier.
-</p>
-<p>»Dat durf ik,&#x201d; zeide hij.
-</p>
-<p>»Dus twee duizend oncen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Akkoord!&#x201d;
-</p>
-<p>»Zal ik afnemen?&#x201d; vroeg Cuchares bedeesd.
-</p>
-<p>»Waarom niet?&#x201d; hernam de andere op luchthartigen toon.
-</p>
-<p>De lepero nam de kaarten, en beefde van ontroering toen hij ze opnam.
-</p>
-<p>Er volgde een oogenblik van koortsachtige belangstelling onder de spelers die rondom
-de tafel stonden.
-</p>
-<p>Op hetzelfde oogenblik werd er in het huis waarvoor Tio-Lucas zijne monté tafel had
-opgericht een venster geopend, en kwam er een verrukkelijk schoone dame op het balkon
-te voorschijn, die achteloos met den elleboog op de balustrade leunende, met een verstrooiden
-blik over de straat uitkeek.
-</p>
-<p>De vreemdeling wendde zich naar het balkon en verhief zich hoog in de stijgbeugels.
-</p>
-<p>»Mijn eerbiedige groet aan de schoone Anita,&#x201d; zeide hij, zijn hoed afnemende met eene
-diepe buiging.
-</p>
-<p>Het meisje kreeg een blos, wierp den cavalier uit hare lange zijden wimpers een veelbeteekenenden
-blik toe, maar antwoordde niet.
-</p>
-<p>»Gij hebt verloren, <span class="corr" id="xd30e421" title="Bron: monsenor">monseñor</span>,&#x201d; zei Tio-Lucas op een toon van blijdschap die hij niet geheel had kunnen ontveinzen.
-</p>
-<p>»Zeer goed,&#x201d; zei de vreemdeling, zonder hem eens aan te zien, <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>zoo geboeid werd hij door de bekoorlijke verschijning op het balkon.
-</p>
-<p>»Gij speelt zeker niet meer?&#x201d; zei Tio-Lucas.
-</p>
-<p>»Integendeel, ik verdubbel.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat?&#x201d; riep de bankier, die bij dit onverwachte voorstel onwillekeurig een stap achterwaarts
-deed.
-</p>
-<p>»Ik vergis mij, ik heb u iets anders voor te stellen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat dan, <span class="corr" id="xd30e435" title="Bron: senoria">señoria</span>?&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoeveel hebt gij daar?&#x201d; riep hij met een wenk van geringschatting naar de tafel wijzende.
-</p>
-<p>»Daar? wel.&#x2026;. zoo wat zevenduizend oncen op zijn minst.&#x201d;
-</p>
-<p>»Niet meer?&#x2026; hm! dat is weinig.&#x201d;
-</p>
-<p>De omstanders staarden met eene mengeling van stomme bewondering naar den buitengewonen
-man die om oncen en diamanten speelde, als een ander om realen.
-</p>
-<p>Het meisje op het balkon verbleekte: zij wierp den vreemden cavalier een smeekenden
-blik toe.
-</p>
-<p>»Speel niet langer,&#x201d; murmelde zij met eene bevende stem.
-</p>
-<p>»Ik dank u, <span class="corr" id="xd30e447" title="Bron: senorita">señorita</span>, wel verplicht!&#x201d; riep hij, »uwe schoone oogen zullen mij geluk brengen; ik zou al
-het goud dat daar op de tafel ligt willen geven voor de suchilbloem, die gij daar
-in uwe hand hebt en die uwe lippen heeft mogen aanroeren.&#x201d;
-</p>
-<p>»Speel toch niet langer, don Martial,&#x201d; herhaalde het meisje, terstond met drift terugtredende
-terwijl zij het venster achter zich sloot.
-</p>
-<p>Doch, hetzij bij toeval of uit eenige andere oorzaak, de suchilbloem ontglipte aan
-hare hand.
-</p>
-<p>De cavalier liet zijn paard steigeren, ving de bloem in de vlucht op en verborg haar
-in zijne borst na haar vooraf gekust te hebben.
-</p>
-<p>»Cuchares,&#x201d; zeide hij tegen den lepero, »keer eene kaart.&#x201d;
-</p>
-<p>De lepero gehoorzaamde.
-</p>
-<p>»<i lang="es">Seis de copas</i>,&#x201d; zeide hij.
-</p>
-<p>»<span lang="es">Voto a brior!</span>&#x201d; riep de vreemdeling, »de kleur van het hart, wij moeten winnen. Tio-Lucas, ik speel
-met u op deze kaart om al het goud dat op uw tafel ligt.&#x201d;
-</p>
-<p>De bankier werd bleek, hij aarzelde; de omstanders hielden hem scherp in &#x2019;t oog.
-</p>
-<p>»Bah!<span class="corr" id="xd30e468" title="Bron: &#x2019;">&#x201d;</span> riep hij een minuut later, »hij kan onmogelijk winnen. Ik neem het aan, <span class="corr" id="xd30e471" title="Bron: monsenor">monseñor</span>,&#x201d; zeide hij.
-</p>
-<p>»Tel eens hoeveel gij daar hebt.&#x201d;
-</p>
-<p>»&#x2019;t Is niet noodig, <span class="corr" id="xd30e478" title="Bron: monsenor">monseñor</span>, er liggen negenduizend <span class="corr" id="xd30e481" title="Bron: vier honderd vijftig">vierhonderdvijftig</span> oncen goud&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e484src" href="#xd30e484">4</a>.
-</p>
-<p>Bij het hooren van dit ontzagwekkend cijfer slaakten de aanwezigen een kreet van verbazing
-en begeerigheid tegelijk.
-</p>
-<p>»Ik hield u voor rijker,&#x201d; zei de vreemdeling spotachtig. »Maar hoe dan ook, om <span class="corr" id="xd30e490" title="Bron: negen duizend vier honderd">negenduizend vierhonderd</span> en vijftig oncen.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span></p>
-<p>»Dezen keer zult gij afnemen, <span class="corr" id="xd30e496" title="Bron: monsenor">monseñor</span>,&#x201d; zei de bankier.
-</p>
-<p>»Neen: ik voor mij ben vast overtuigd dat gij verliezen moet, Tio-Lucas. Ik wil u
-wederkeerig de zekerheid geven dat ik eerlijk gewonnen heb. Doe mij daarom het pleizier
-en neem zelf de kaart af; zoodoende,&#x201d; vervolgde hij ironisch, »wordt gij de smid van
-uw eigen ondergang en kunt het aan niemand anders verwijten.&#x201d;
-</p>
-<p>De omstanders trantelden van genot en belangstelling toen zij zagen hoe ridderlijk
-de vreemdeling zich gedroeg. Binnen weinige oogenblikken was de straat letterlijk
-gevuld met nieuwsgierigen, die door deze buitengewone partij aangetrokken uit alle
-hoeken der stad samenstroomden en zich rondom de tafel verdrongen.
-</p>
-<p>Weldra bedaarde het gewoel en doodstilte heerschte onder de wachtende menigte, die
-met ongeduld den afloop verbeidde van het ongehoord hooge spel en brandde van nieuwsgierigheid
-om te weten wie de gelukkige zou zijn.
-</p>
-<p>De bankier wischte het zweet af dat op zijn bleek voorhoofd parelde, en met bevende
-hand nam hij de eerste kaart.
-</p>
-<p>Eenige seconden lang balanceerde hij er mede, blijkbaar aarzelend voor het oogenblik
-der beslissing.
-</p>
-<p>»Maak voort,&#x201d; riep Cuchares ongeduldig.
-</p>
-<p>Tio-Lucas liet de kaart werktuigelijk op de tafel vallen en wendde het hoofd om.
-</p>
-<p>»<i>Seis de copas!</i>&#x201d; riep de lepero met eene snerpende stem.
-</p>
-<p>De bankier brulde van spijt.
-</p>
-<p>»Ik heb verloren!&#x201d; mompelde hij.
-</p>
-<p>»Dat wist ik wel,&#x201d; zei don Martial zoo bedaard als ooit. »Cuchares,&#x201d; vervolgde hij,
-»breng die tafel met al het goud dat er op is naar <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita; ik wacht u heden avond, gij weet wel waar.&#x201d;
-</p>
-<p>De lepero maakte eene eerbiedige buiging. Met behulp van twee sterke kerels die zich
-daartoe gereedelijk lieten vinden, volvoerde hij het zoo even ontvangen bevel en bracht
-de tafel het huis in, terwijl de vreemdeling in allerijl wegreed en Tio-Lucas, reeds
-min of meer bekomen van den zwaren slag die hem getroffen had, zeer pacifiek een maïscigarette
-rolde en aan allen die hem hun ongevraagden troost zochten op te dringen toeriep:
-</p>
-<p>»Ik heb verloren, dat is zoo, maar aan een zeer mooien speler en op een zeer schoone
-kans. Bah! later zal ik het hem wel betaald zetten, ieder op zijn beurt; hij op de
-zijne en ik op de mijne.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen hij zijn <span class="corr" id="xd30e522" title="Bron: cigaar">sigaar</span> geheel klaar gemaakt had, stak de afgestapte bankier haar aan en wandelde met rustigen
-tred van daar.
-</p>
-<p>De menigte had geen reden meer om langer op die plaats te blijven, en verstrooide
-zich weldra door de stad.
-<span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e174">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e174src">1</a></span> Zie <i>de Pelsjagers van de Arkansas</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e174src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e186">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e186src">2</a></span> Aimard schreef dit in 1860.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e186src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e398">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e398src">3</a></span> Ongeveer 40.000 gulden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e398src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e484">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e484src">4</a></span> Ongeveer &#x192;&nbsp;375.000 (Historisch).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e484src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6832">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">II.</h2>
-<h2 class="main">DON SYLVA DE TORRES.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Guaymas is eene geheel nieuwe stad, min of meer om zoo te zeggen met den dag gebouwd,
-naarmate de grilligheid der emigranten zulks verkoos, zonder regel of orde, daar het
-stadsbestuur zich niet bemoeide met hun de rooiing voor te schrijven, hetgeen soms
-zoo goed als kwaad is, wanneer de bouwmeester geen smaak of kennis genoeg heeft om
-een stad aan te leggen of een goed bouwplan voor te schrijven. Ofschoon wij ons hier
-haasten te zeggen, dat er te Guaymas slechts weinige gebouwen zijn die werkelijk den
-naam van woonhuizen verdienen, de overige zijn niets meer dan afzichtelijke krotten
-en hutten, gebouwd van klei en aarde tusschen twee planken vastgestampt, even bouwvallig
-als ongeregeld, en onrein in den hoogsten graad.
-</p>
-<p>In de calle de la Merced, de voornaamste, of liever de eenigste straat der stad, want
-de overige zijn weinig meer dan moddergoten, stond een huis met ééne verdieping en
-voorzien van een balkon, ondersteund door een peristyle van vier kolommen, gelijk
-de meeste huizen in Mexico. De voorgevel was met kalk van verblindende witheid bestreken
-en het dak was mede naar &#x2019;s lands wijze plat.
-</p>
-<p>De eigenaar van dit huis, een der rijkste <i lang="es">mineros</i> in de Sonora, bezat een tiental mijnen, allen in volle bewerking; bovendien legde
-hij zich toe op de veefokkerij en bediende zich daarbij van verscheidene hacienda&#x2019;s
-of landhoeven, over de gansche provincie verspreid, en waarvan de kleinste minstens
-even veel grond besloeg als een departement in Frankrijk.
-</p>
-<p>Ik ben zeker dat, als don Sylva de Torres zijn fortuin had willen liquideeren en berekenen,
-het eenige honderde millioenen zou hebben bedragen.
-</p>
-<p>Don Sylva de Torres was eerst sedert een paar jaar te Guaymas komen wonen, waar hij
-echter slechts nu en dan en dat nog wel bij lange tusschenpoozen, een kortstondig
-verblijf hield.
-</p>
-<p>Ditmaal had hij, tegen zijne gewoonte, zijne dochter Anita medegebracht; daarom ook
-was de gansche bevolking van Guaymas opgetogen van nieuwsgierigheid en richtten aller
-blikken zich op het huis van don Sylva, dewijl men begreep dat er voor dit buitengewone
-gedrag van den <i lang="es">haciendero</i> gewichtige redenen moesten bestaan.
-</p>
-<p>Binnen zijne woning besloten, welker deuren zich alleen voor eenige weinige bevoorrechten
-openden, liet don Sylva de menschen praten en zonder zich in &#x2019;t minst om de wereld
-te bekommeren, scheen hij ongestoord aan de verwezenlijking van zekere ontwerpen te
-arbeiden, wier gewicht hem belette te onderzoeken wat anderen van hem spraken of dachten.
-<span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span></p>
-<p>Ofschoon de Mexicanen geweldig rijk zijn en zich gaarne veel op hunne schatten laten
-voorstaan, hebben zij geen het minste idee van gemak of genot en leven zij doorgaans
-in de grootste zorgeloosheid. Hunne weelde, zoo men haar dien naam kan geven, is woest,
-plomp, onverstandig en zonder eenige levenswaarde.
-</p>
-<p>De rijken, meerendeels aan het ruwe leven der Amerikaansche wildernis gewoon en voortdurend
-gehard tegen de ongemakken van een vaak doodelijk klimaat en de gedurige invallen
-der Indianen, die hen van alle zijden insluiten, kampeeren zich in de steden <span class="corr" id="xd30e552" title="Bron: veelmeer">veel meer</span> dan dat zij er eigenlijk wonen, en meenen zich reeds vrij wel te hebben uitgesloofd
-wanneer zij op eene onverantwoordelijke wijs oncen goud en diamanten als dwazen hebben
-verkwist of weggesmeten.
-</p>
-<p>De Mexicaansche woonhuizen zijn dáár om de juistheid van dit ons oordeel te bewijzen.
-Behalve de onmisbare Europeesche piano, die in een hoek van iedere salon ongebruikt
-staat, ziet men er niets dan eenige ongemakkelijke butacca&#x2019;s, slecht gemaakte tafels,
-slecht geteekende en bontgekleurde kunstplaten aan de wit gekalkte muren opgehangen,
-ziedaar alles.
-</p>
-<p>De woning van don Sylva verschilde in geenen deele van de overigen, en gelijk overal,
-moesten de paarden om van den stal naar het wed en van daar weder naar den stal te
-komen, druipnat de groote voorzaal of vestibule door, waar zij in den vloer met hunne
-hoeven reeds menigen tegel gebroken en diepe sporen hadden achtergelaten.
-</p>
-<p>Op het oogenblik dat wij den lezer in het huis van Sylva de Torres binnenleiden, zaten
-twee personen, een man en eene vrouw, in het salon samen te praten, althans bij lange
-tusschenruimten eenige woorden te wisselen.
-</p>
-<p>Deze twee personen waren don Sylva en zijne dochter Anita.
-</p>
-<p>De kruising van het Spaansche met het Indiaansche menschen-ras, heeft de schoonste
-plastische vormen voortgebracht die men zich verbeelden kan.
-</p>
-<p>Don Sylva, ofschoon reeds bijna vijftig jaar oud, scheen nog nauwelijks veertig; bij
-eene hooge welgemaakte gestalte voegde zich eene edele houding en gang, en een streng
-gelaat, maar gepaard met groote goedwilligheid. Hij droeg de Mexicaansche kleeding
-in haren zuiversten vorm, maar zoo kostbaar en zoo rijk versierd, dat slechts weinigen
-zijner landgenooten hem hadden kunnen evenaren, veelmin overtreffen.
-</p>
-<p>Anita, in gemakkelijke houding op de kanapé uitgestrekt, half verscholen in golven
-van zijde en gaas, als een kolibrietje in het donzige mos, was een aanminnig kind
-van hoogstens zeventien of achttien jaar; hare zwarte, door lange fluweelen wimpers
-zedig gesluierde oogen, tintelden van zoete beloften, die geenszins werden gelogenstraft
-door de slanke en mollige omtrekken van haar <span class="corr" id="xd30e564" title="Bron: fijn gevormde">fijngevormde</span> leest. Tot in hare minste bewegingen bezat zij eene <span class="corr" id="xd30e567" title="Bron: ratie">gratie</span> <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>en majesteit daar de liefelijke glimlach van hare koralen lippen de hartveroverende
-kroon opzette. Haar frissche kleur, min of meer verguld door de warme zon van Middel-Amerika,
-gaf aan haar gelaat eene betooverende uitdrukking die zich moeielijk laat beschrijven;
-in een woord, over haar gansche persoon zweefde een bekoorlijk waas van onschuld,
-eenvoudigheid en oprechtheid, dat harten en zinnen boeide en sympathie en liefde gebood.
-</p>
-<p>Even als alle Mexicaansche schoonen wanneer zij zich binnenshuis bevinden, droeg zij
-eene lichte robe van gebrocheerd mousseline; de gazen rebozo of sluier was achteloos
-over hare schouders geworpen en eene versche tuil van zomerbloemen tooide hare blauwzwarte
-lokken met een ambergeurige kroon.
-</p>
-<p>Anita scheen te droomen; somwijlen trokken de wenkbrauwbogen zich donkerder samen
-onder den drang der gedachten die haar bestormden; haar boezem golfde nu en dan bij
-dieper ademhaling en de kleine, fijn geënkelde voeten, in pantoffels van zwanendons
-gestoken, trappelden wel eens ongeduldig op den grond.
-</p>
-<p>Ook don Sylva de Torres scheen ontevreden; na een strengen en ernstigen blik op zijne
-dochter, stond hij op, trad naar haar toe en sprak:
-</p>
-<p>»Gij zijt een dwaas kind, Anita; uwe handelwijs is buitensporig, eene welgeboren jonge
-dochter mag in geen geval handelen zoo als gij gehandeld hebt.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>De jeugdige Mexicaansche antwoordde alleen met een veelbeteekenend pruilend mondje
-en haalde bijna onmerkbaar de schouders op.
-</p>
-<p>Haar vader vervolgde.
-</p>
-<p>»Vooral niet,&#x201d; zeide hij, met nadruk op iedere syllabe, »in uwe positie tegenover
-den graaf de Lhorailles.&#x201d;
-</p>
-<p>Het meisje richtte zich op als of zij door een adder gestoken was en met een vragenden
-blik naar het onverbiddelijk gelaat van den haciendero antwoordde zij:
-</p>
-<p>»Ik begrijp u niet, vader.&#x201d;
-</p>
-<p>»Begrijpt gij mij niet, Anita? Dat kan ik kwalijk gelooven. Heb ik dan uwe hand niet
-aan den graaf beloofd?&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat maakt dat uit, daar ik hem toch niet bemin. Wilt gij mij dan doemen om mijn geheele
-leven ongelukkig te zijn?&#x201d;
-</p>
-<p>»Integendeel, het is uw geluk dat ik met deze vereeniging beoog. Ik heb niemand dan
-u, Anita, om mij te troosten over het smartelijk verlies van uwe beminde moeder. Arm
-kind; gij zijt goddank nog in dien door den hemel gezegenden leeftijd, waarin het
-hart bijna niets weet van zich zelven en de woorden geluk en ongeluk nog geene beteekenis
-hebben. Gij bemint den graaf niet, zegt gij; nu goed; uw hart is vrij; als gij later
-in staat zult zijn de edele hoedanigheden te waardeeren van hem dien ik u tot echtgenoot
-geef, dan zult gij mij dankbaar zijn dat ik u tot een huwelijk riep, waarin gij heden
-zooveel reden van droefheid ziet.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span></p>
-<p>»Maar, vader,&#x201d; riep het meisje met een verdrietig gezicht, »mijn hart is niet vrij,
-dat weet gij wel.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik weet alleen, <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita de Torres,&#x201d; hervatte de haciendero streng, »dat eene liefde die uwer en mijner
-onwaardig is in uw hart geen plaats kan grijpen. Door mijne voorvaderen ben ik Cristiano
-Veyo en zoo er al eenige droppels Indiaansch bloed in mijne aderen vloeien, heb ik
-des te dieper in mijne ziel gegrift wat ik aan mijne voorouders verschuldigd ben.
-Onze eerste stamvader Antonio de Sylva, luitenant van Fernando Cortez, huwde wel is
-waar met eene Mexicaansche prinses uit het geslacht van Montecuzoma, maar al onze
-overige stamgenooten zijn Spanjaarden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zijn wij dan geen Mexicanen, vader?&#x201d;
-</p>
-<p>»Helaas! arm kind, wie kan zeggen wat wij zijn, of worden zullen? Ons ongelukkig land,
-sedert het de Spaansche dwingelandij afschudde, verkeert in een staat van beroering,
-en put zich uit onder de herhaalde pogingen der heerschzuchtigen van de lagere klasse,
-die binnen korte jaren eindigen zullen met ons zelfs de nationaliteit te ontrukken,
-daar wij zoo lang naar gestreefd en die wij met zooveel moeite verworven hebben. Deze
-schandelijke burgeroorlogen stellen ons ten spot voor andere volken en zijn de vreugd
-van onze hebzuchtige naburen, die de oogen onafgewend op ons gevestigd houden, en
-gereed staan onze schatten onder zich te verdeelen, daar zij reeds de eerstelingen
-van hebben geroofd door ons eenigen onzer rijkste provinciën te ontweldigen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar, vader, ik ben eene vrouw en bij gevolg weet ik niets van de politiek; ik heb
-niets met de <i>gringos</i> te maken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Meer dan gij denkt, meisje. Ik wil niet dat na zeker tijdsverloop de onmetelijke
-bezittingen, die mijne voorouders en ik door kracht van arbeid zich verworven hebben,
-t&#x2019; eenigen dage de prooi worden van die vervloekte ketters. Dit is de reden waarom
-ik, ten einde mijne bezittingen te redden, besloten heb u aan den graaf de Lhorailles
-uit te huwelijken. Hij is Franschman, en hij behoort tot een der eerste familiën van
-dat land; bovendien is hij een schoon en krijgshaftig ridder van <span class="corr" id="xd30e602" title="Bron: nauwlijks">nauwelijks</span> dertig jaar; bij zijne natuurlijke gaven voegt hij de lofwaardigste zedelijke hoedanigheden;
-hij behoort tot eene machtige en geachte natie, die hare kinderen, in welken hoek
-der aarde zij zich ook bevinden, weet te beschermen. Door hem te huwen is uw fortuin
-tegen iederen staatkundigen rampspoed gewaarborgd.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar ik bemin hem niet, vader.&#x201d;
-</p>
-<p>»Kleingeestigheid, lief kind, spreken wij er niet langer over, ik wil u de dwaasheid
-wel vergeven waaraan gij u eenige oogenblikken hebt schuldig gemaakt, doch onder voorwaarde
-dat gij don Martial uit uwe gedachten stelt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nooit!&#x201d; riep zij standvastig.
-</p>
-<p>»Nooit? dat is zoo lang, dochter, gij zult u wel bedenken, dat <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>weet ik zeker. En daarbij, wie is die man? Waar komt hij <span class="corr" id="xd30e612" title="Bron: van daan">vandaan</span>? Kent gij hem? Men noemt hem Martial el Tigrero, <i lang="es">vota a Dios</i>! Is dat een naam! Die man ja, heeft uw leven gered door uw paard op te houden toen
-het met u doorging, maar is dat nu eene reden waarom hij op u verlieven moet, en gij
-op hem? Ik heb hem een schitterende belooning aangeboden, die hij met de meeste verontwaardiging
-heeft van de hand gewezen; hiermede is alles geëindigd, hij late mij nu met vrede;
-ik wil niets meer met hem te doen hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hem bemin ik, vader, en geen ander,&#x201d; hernam zij.
-</p>
-<p>»Hoor eens, Anita, als gij zoo voortgaat verlies ik mijn geduld, het kost mij moeite
-bedaard te blijven, derhalve genoeg hiervan, en houd u gereed om den graaf de Lhorailles
-naar behooren te ontvangen. Ik heb gezworen dat hij uw echtgenoot wordt, en bij den
-hemel! dat zal hij, al zou ik u met geweld naar het altaar voeren.&#x201d;
-</p>
-<p>De haciendero sprak deze woorden op zulk een vastberaden en onverzettelijken toon,
-dat Anita terstond begreep liever te moeten zwichten, al was het ook in schijn, dan
-een redetwist voort te zetten die slechts bitterder kon worden en misschien de ergste
-gevolgen zou na zich slepen; zij boog dus het hoofd en zweeg, terwijl haar vader met
-groote stappen en een ontevreden gezicht het salon op en neder trad.
-</p>
-<p>De deur ging open en een peon stak bescheiden het hoofd door de kier.
-</p>
-<p>»Wat wilt gij?&#x201d; vroeg don Sylva stilstaande.
-</p>
-<p>»<span class="corr" id="xd30e626" title="Bron: Senoria">Señoria</span>, antwoordde de knecht, »een caballero, gevolgd door vier anderen met eene tafel vol
-goud, verlangt de <span class="corr" id="xd30e629" title="Bron: senorita">señorita</span> te spreken.&#x201d;
-</p>
-<p>De haciendero wierp een onbeschrijfelijken blik op zijne dochter.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita boog in verwarring het hoofd.
-</p>
-<p>Don Sylva dacht een oogenblik na, en toen helderde zijn gelaat op. »Laat hem binnenkomen,&#x201d;
-zeide hij.
-</p>
-<p>De peon ging heen, maar keerde een paar minuten later terug ten geleide van onzen
-ouden kennis Cuchares, altijd in zijn gescheurde zarapé en gevolgd door vier leperos,
-die een zwaar beladen tafel droegen.
-</p>
-<p>Terwijl Cuchares de zaal binnentrad, nam hij eerbiedig den hoed af, maakte voor den
-haciendero en zijne dochter eene hoffelijke buiging en wenkte de dragers om de tafel
-midden in het salon te plaatsen.
-</p>
-<p>»<span class="corr" id="xd30e642" title="Bron: Senorita">Señorita</span>,&#x201d; zeide hij op vleienden toon, »<span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> don Martial, getrouw aan het woord dat hij aan u gaf, verzoekt u nederig het goud
-aan te nemen dat hij met de monté gewonnen heeft, als een gering bewijs van zijne
-hulde en gehechtheid aan u.&#x201d;
-</p>
-<p>»Kerel!&#x201d; brulde don Sylva toornig, hem een stap te gemoet gaande, »weet gij niet in
-wiens tegenwoordigheid gij u bevindt?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>, in tegenwoordigheid van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita en haar eerbiedwaardigen vader,&#x201d; antwoordde de schelm zonder in &#x2019;t minst verlegen
-te worden, terwijl hij zich statig in zijn geplukten mantel wikkelde, »en zooveel
-ik weet heb ik jegens geen van beiden den verschuldigden eerbied verzuimd?&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span></p>
-<p>»Vertrek oogenblikkelijk en breng dat goud weer weg, daar mijne dochter niets mede
-te maken heeft.&#x201d;
-</p>
-<p>»Verschoon mij, <span class="corr" id="xd30e662" title="Bron: senoria">señoria</span>, ik heb dat goud ontvangen om het hier te brengen, en met uw verlof zal ik het hier
-laten; don Martial zou het mij nooit vergeven als ik anders deed.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik ken geen don Martial, of hoe gij hem ook noemt die u zendt, ik wil met hem volstrekt
-niets te doen hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat kan wel waar zijn, <span class="corr" id="xd30e668" title="Bron: senoria">señoria</span>; maar dat gaat mij niet aan, dat moogt gij naar goedvinden zelf met hem uitmaken;
-wat mij aangaat, nu ik mijn boodschap verricht heb, kus ik u de handen en ga heen.&#x201d;
-</p>
-<p>En met eene nieuwe buiging voor de beide personages, trad de lepero vol majesteit
-de salon uit, met afgemeten stappen, gevolgd door zijne vier handlangers.
-</p>
-<p>»Nu mijne dochter,&#x201d; riep don Sylva buiten zich zelven van drift, <span class="corr" id="xd30e674" title="Niet in bron">»</span>nu ziet gij eens aan welk een hoon ik door uwe dwaasheid blootsta.&#x201d;
-</p>
-<p>»Een hoon! vader?&#x201d; antwoordde zij bedeesd: »integendeel, ik vind dat don Martial zich
-gedraagt als een echt caballero en dat hij mij een groot bewijs van zijne liefde geeft:
-het is eene onmetelijke som.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ha! zoo,&#x201d; zei don Sylva toornig, »denkt gij er zoo over! welnu dan zal ik ook doen
-als een caballero, <i lang="es">voto a brios</i>! dat zult gij zien.&#x2014;Hola! help even!&#x201d;
-</p>
-<p>Er kwamen eenige peons binnen.
-</p>
-<p>»Zet de vensters open!&#x201d;
-</p>
-<p>De bedienden gehoorzaamden.
-</p>
-<p>De volksverzameling had zich nog niet verstrooid, een groot aantal menschen stonden
-nog altijd voor het huis of zwierven in den omtrek.
-</p>
-<p>De haciendero boog naar het venster en keek naar buiten. Hij wenkte het volk, om stilte
-te verzoeken.
-</p>
-<p>Werktuigelijk zweeg de woelige menigte en trad naderbij, als gevoelde zij dat er voor
-haar iets van belang zou gebeuren.
-</p>
-<p>»<i lang="es"><span class="corr" id="xd30e692" title="Bron: Senores">Señores</span> caballeros y amigos!</i>&#x201d; riep de haciendero met luider stem, »iemand, dien ik niet ken, heeft mijne dochter
-het goud durven aanbieden, dat hij met de monté gewonnen had. <span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita versmaadt zulke geschenken, bovenal wanneer zij van een persoon afkomstig zijn,
-met wien zij noch door vriendschap, noch door eenige andere betrekking verbonden is.
-Zij verzoekt mij dit goud, dat zij zelfs niet zou willen aanraken, onder u te verdeelen,
-ten einde daardoor in het openbaar en voor u allen te bewijzen hoe diep zij den man
-veracht, die haar zoo heeft durven beleedigen.&#x201d;
-</p>
-<p>Deze geïmproviseerde toespraak van den haciendero werd door de leperos en andere voor
-het huis saamgeschoolde bedelaars, die hem met begeerige blikken aanstaarden, met
-een daverend hoerah beantwoord.
-</p>
-<p>Anita voelde de tranen op hare oogleden branden, ondanks hare uiterste pogingen om
-zich goed te houden; haar hart dreigde te bersten.
-<span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span></p>
-<p>Zonder zich echter om zijne dochter te bekommeren, gaf don Sylva zijne bedienden order
-om de oncen op straat te werpen.
-</p>
-<p>Toen begon er letterlijk een gouden regen op het verbaasde volk af te dalen: de arme
-schooiers stormden van alle kanten toe en wierpen zich als razenden op het blinkend
-metaal als of er in tijd van hongersnood brood uit den hemel viel.
-</p>
-<p>De calle de la Merced bood het zonderlingste schouwspel dat men zich kan verbeelden.
-</p>
-<p>Het regende maar altoos goud, goud, goud, de gele schijven vlogen in alle richtingen,
-het scheen onuitputtelijk.
-</p>
-<p>De geplukte en gelapte leperos stortten zich als uitgehongerde coyotes op het kostelijk
-metaal, de sterksten verdrongen de zwakkeren, de zwaksten geraakten onder de voet
-en werden vertrapt.
-</p>
-<p>Onder het hevigst van deze stortbui kwam er een ruiter in vliegenden galop aanrijden.
-</p>
-<p>Verbaasd over hetgeen hij zag, bleef hij een oogenblik staan om rond te kijken; toen
-gaf hij zijn paard opnieuw de sporen en door het uitdeelen van karwatsslagen links
-en rechts, gelukte het hem de dicht opeengepakte menigte te verdeelen, die als een
-onstuimige zee naar weerszijde der straat uiteenstoof, en zoo baande hij zich een
-weg naar het huis van den haciendero, dat hij terstond binnen reed.
-</p>
-<p>»Daar is de graaf de Lhorailles,&#x201d; zeide don Sylva lakonisch tegen zijne dochter.
-</p>
-<p>Werkelijk trad de graaf eenige oogenblikken later de salon binnen.
-</p>
-<p>»Hoe is het met u!&#x201d; riep hij op den dorpel staan blijvende, »hoe kwaamt gij op dien
-zonderlingen inval, don Sylva? Bij mijne ziel! gij schijnt u te amuseeren met uwe
-millioenen het raam uit te werpen, tot groot genoegen der leperos en andere gauwdieven
-van dezelfde soort.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ah! zijt gij daar, mijnheer de graaf,&#x201d; antwoordde de haciendero kalm, »ik heet u
-welkom, en ik ben tot uwe dienst, nog slechts weinige handvollen en ik heb gedaan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Laat ik u niet storen&#x201d; lachte de graaf, »ik moet bekennen, de grap is recht origineel,&#x201d;
-en zich thans tot het meisje wendende, dat hij met de uitstekendste wellevendheid
-groette, vervolgde hij: »Ei&#x2014;lieve, <span class="corr" id="xd30e717" title="Bron: senorita">señorita</span>, geef mij toch de oplossing van die raadselachtige zaak, want ik verklaar u dat ik
-er ten hoogste nieuwsgierig naar ben die te hooren.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat moet gij aan mijn vader vragen, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>,&#x201d; antwoordde zij met zekere stroefheid, die alle verdere samenspreking onmogelijk
-maakte.
-</p>
-<p>De graaf hield zich alsof hij deze koele ontvangst niet opmerkte, maakte een statige
-buiging en wierp zich glimlachend op eene butacca.
-</p>
-<p>»Dan zal ik een weinig wachten,&#x201d; zeide hij achteloos. »Ik heb geen de minste haast.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen de haciendero aan zijne dochter zeide, dat de man dien hij <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>voor haar bestemde een schoone cavalier was, bleek thans, dat hij geen vleitaal gesproken
-had. De graaf Maxime <span class="corr" id="xd30e731" title="Bron: Gaetan">Gaëtan</span> de Lhorailles was iemand van hoogstens dertig jaar, lenig en vlug van gestalte en
-een weinig boven de middelbare lengte. Zijne blonde haren teekenden hem als een zoon
-van het Noorden; zijne trekken waren schoon, zijn oogopslag vol uitdrukking, zijne
-handen en voeten droegen het kenmerk zijner afkomst; alles duidde bij hem den edelman
-van echten stempel aan, en indien dus don Sylva zich in hem evenmin bedroog wat het
-moreele als wat het uitwendige betrof, was de graaf de Lhorailles een volmaakt cavalier.
-</p>
-<p>Eindelijk had de haciendero al het goud dat door Cuchares was binnengebracht het raam
-uitgesmeten; op hare beurt vloog thans de tafel die straat op, hij gaf order de vensters
-te sluiten en keerde in zijne handen wrijvende naar den graaf terug om naast hem te
-gaan zitten.
-</p>
-<p>»Zie zoo!&#x201d; zeide hij met een vroolijk gezicht, »dat is afgedaan, nu ben ik geheel
-tot uwe dienst.&#x201d;
-</p>
-<p>»Vooraf een woord.&#x201d;
-</p>
-<p>»Spreek.&#x201d;
-</p>
-<p>»Neem mij niet kwalijk, gij weet, ik ben vreemdeling, en als zoodanig laat ik mij
-gaarne onderrichten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik hoor u.&#x201d;
-</p>
-<p>»Sedert ik in Mexico woon heb ik al vrij wat zonderlinge gebruiken gezien, zoo dat
-ik bijna onvatbaar ben om door iets nieuws getroffen te worden; intusschen moet ik
-u bekennen, dat hetgeen ik hier in de laatste oogenblikken zag, alles overtreft wat
-ik tot dusver heb waargenomen. Ik zou gaarne willen weten wat dit beduidt en of het
-misschien een gebruik is dat mij tot hiertoe ontsnapte.&#x201d;
-</p>
-<p>»Waar spreekt gij toch van.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wel, hoe kunt gij dat nog vragen, van hetgeen ik u juist zag doen toen ik binnenkwam,
-dat goud, dat gij met milde hand uitstrooidet en als een weldadige regen over de bandieten
-en bedelaars van allerlei slag, die zich voor uw huis hadden verzameld, deedt nederruischen;
-het zijn onder ons gezegd leelijke planten om ze op die wijs te begieten.&#x201d;
-</p>
-<p>Don Sylva begon te lachen.
-</p>
-<p>»Neen,&#x201d; antwoordde hij, »dat is geen gewoonte.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeer goed. Dus was het alleen een vorstelijke tijdkorting om zoo een millioen voor
-het janhagel te smijten? Te duivel, don Sylva, men moet zoo rijk zijn als gij, om
-zich zulk eene gril te veroorloven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat denkt gij toch niet in goeden ernst.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik heb intusschen de oncen zien regenen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is zoo, maar ze waren niet van mij.&#x201d;
-</p>
-<p>»Al mooier en mooier, dat wordt ingewikkeld, gij maakt mij inderdaad meer en meer
-nieuwsgierig.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span></p>
-<p>»Ik zal u voldoening geven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik ben geheel oor, want het is voor mij zoo onderhoudend als eene Arabische nachtvertelling.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hm!&#x201d; riep de haciendero hoofdschuddend, »het gaat u misschien nader aan, dan gij
-vermoedt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Is het mogelijk?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat moogt gij zelf beoordeelen.&#x201d;
-</p>
-<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita lag als op de pijnbank; zij wist niet hoe zij zich houden moest: wel begrijpende
-dat haar vader alles aan den graaf zou vertellen, had zij den moed niet om deze toelichting
-af te wachten en stond zij wankelend op.
-</p>
-<p>»Mijne heeren,&#x201d; zeide zij met eene zwakke stem, »ik gevoel mij ongesteld; weest zoo
-goed en veroorlooft mij om heen te gaan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Inderdaad,&#x201d; riep de graaf opstaande en naar haar toeloopend om haar zijn arm te bieden
-en te ondersteunen, »gij zijt bleek, <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita, sta mij toe u naar uwe kamer te geleiden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik dank u, caballero,&#x201d; zeide zij; »ik gevoel mij sterk genoeg om alleen te gaan,
-en ofschoon erkentelijk voor uw aanbod ben ik zoo vrij om het af te wijzen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo als u behaagt, <span class="corr" id="xd30e773" title="Bron: senorita">señorita</span>,&#x201d; zei de graaf, heimelijk gebelgd over deze weigering.
-</p>
-<p>Don Sylva stond eene enkele <span class="corr" id="xd30e778" title="Bron: sekonde">seconde</span> in beraad om zijne dochter te bevelen te blijven, maar het arme kind wierp hem zulk
-een wanhopigen blik toe, dat hij den moed niet bezat haar eene langere foltering op
-te leggen.
-</p>
-<p>»Ga, mijn kind,&#x201d; zeide hij.
-</p>
-<p>Het meisje haastte zich van deze vergunning gebruik te maken, snelde de zaal uit en
-nam de vlucht naar hare slaapkamer, waar zij zich opsloot, op een stoel neerzonk en
-in tranen uitbarstte.
-</p>
-<p>»Wat schort er toch aan <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita?&#x201d; vroeg de graaf vol belangstelling toen zij vertrokken was.
-</p>
-<p>»Vapeurs, hoofdpijn, zenuwen, wat weet ik het?&#x201d; antwoordde de haciendero schouderophalend;
-»alle jonge meisjes zijn zoo; over eenige oogenblikken zal zij het reeds vergeten
-zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Des te beter! ik moet u bekennen dat ik ongerust was.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu wij alleen zijn, wilt gij misschien de oplossing niet meer hooren van het raadsel
-dat u zooveel belang scheen in te boezemen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen zeker. Spreek zonder verder uitstel, ik heb u van mijn kant een aantal gewichtige
-zaken mede te deelen.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6841">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">III.</h2>
-<h2 class="main">TWEE OUDE KENNISSEN VAN DEN LEZER.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Op ongeveer vijf mijlen afstand van Guaymas ligt het kleine dorp <span class="corr" id="xd30e800" title="Bron: San-Jose">San José</span>, in de wandeling de <i>Rancho</i> genaamd.
-</p>
-<p>Deze armzalige <i>pueblo</i> of buurtschap bestaat slechts uit een plein van geringe grootte, rechthoekig gekruist
-door twee straten, met bouwvallige steenen huizen, deels bewoond door Hiaquis-Indianen,
-die jaarlijks in grooten getale naar Guaymas gaan arbeiden, als havenwerkers, timmerlieden,
-commissionairs enz., deels ook door die avonturiers en gelukzoekers zonder eer of
-deugd, daar het aan de oevers der <span class="corr" id="xd30e809" title="Bron: Stille-Zuidzee">Stille Zuidzee</span> sedert de ontdekking der goudmijnen in Californië van wemelt.
-</p>
-<p>De weg van Guaymas naar <span class="corr" id="xd30e814" title="Bron: San-Jose">San José</span> loopt door een dorre zandige streek, waar slechts enkele nopalplanten en verkreupelde
-cactus opschieten, wier verdroogde en met stof overdekte takken of bladen er bij nacht
-uitzien als witte spoken.
-</p>
-<p>In den avond van den dag waarmede ons verhaal begint, reed een eenzame ruiter, tot
-aan de oogen in zijn mantel gewikkeld in vliegenden galop naar de Rancho.
-</p>
-<p>De donkerblauwe hemel was met duizend fonkelende sterren bezaaid; de maan, in haar
-eerste kwartier, verlichtte de zwijgende velden en verlengde tot in &#x2019;t oneindige de
-schaduw van het geboomte over de kale aarde.
-</p>
-<p>De ruiter, zonder twijfel haast hebbende om het doel eener reis te bereiken, die in
-dat late uur gevaarlijk genoeg was, zette zijn paard onophoudelijk aan met spoorslag
-en stem, ofschoon het moedige dier blijkbaar geen bijzondere aansporing noodig had.
-</p>
-<p>Reeds was onze ruiter de onbebouwde landen voorbij en op het punt om een dicht woud
-van Peruboomen in te rijden, dicht in de nabijheid der Rancho, toen zijn paard eensklaps
-een zijsprong maakte en zich op de vier beenen pal zette, met schuwe blikken en achterwaarts
-gestreken ooren.
-</p>
-<p>Een kort en knetterend geluid bewees dat de ruiter zijne pistolen wapende; na deze
-onverhoedsche voorzorg wierp hij een bespiedenden blik om zich heen.
-</p>
-<p>»Vrees niets, caballero!&#x201d; riep eene moedige vertrouwelijke stem; »en wijk maar een
-weinig rechtsaf uit, als het u niet schelen kan.&#x201d;
-</p>
-<p>De ruiter keek voor zich naar den grond en zag bijna onder de hoeven van zijn draver
-een man geknield liggen, met den kop van een paard in de hand, dat dwars over den
-weg lag.
-</p>
-<p>»Wat duivel doet gij daar?&#x201d; vroeg hij.
-</p>
-<p>»Wat gij ziet,&#x201d; antwoordde de andere bedrukt, »ik neem voor &#x2019;t laatst afscheid van
-mijn armen reisgenoot; men moet een geruimen <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>tijd in de wildernis geleefd hebben om te begrijpen hoe veel zulk een vriend waard
-is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat stem ik u toe,&#x201d; riep de vreemdeling, en hij steeg terstond af. »Maar is hij dan
-dood?&#x201d; vervolgde hij.
-</p>
-<p>»Neen, nog niet; maar ongelukkigerwijze is hij er daarom niet te beter aan toe.&#x201d;
-</p>
-<p>Hier zuchtte hij.
-</p>
-<p>De onbekende bukte over het paard, dat aan al zijne leden lag te stuiptrekken, schoof
-het de oogleden open en bekeek het aandachtig.
-</p>
-<p>»Uw paard heeft eene ophooping van bloed in de hersenen,&#x201d; zeide hij kort daarna; »laat
-mij even begaan.&#x201d;
-</p>
-<p>»O!&#x201d; riep de andere, »ziet gij nog kans hem te redden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik hoop ja,&#x201d; antwoordde de eerste lakoniek.
-</p>
-<p>»<i>Caraï!</i> als gij dat kondt, zijn wij vrienden in leven en sterven. Die arme Negro! mijn oude
-kameraad op zoo menige reis.&#x201d;
-</p>
-<p>De ruiter wiesch de slapen van het paard met een mengsel van water en rum; na verloop
-van eenige minuten scheen het beest weer bij te komen, zijn dof en beneveld oog schitterde
-weder en het deed eene poging om op de beenen te komen.
-</p>
-<p>»Houd hem goed vast,&#x201d; zei de onverhoopte paardenarts.
-</p>
-<p>»Wees maar niet bang, mijn beest. Stil, stil, Negro! stil, beste jongen! <i>quieto</i>, <i>quieto</i>, het is tot uw bestwil,&#x201d; riep hij, zijn paard streelende.
-</p>
-<p>Het schrandere dier scheen het wel te begrijpen, het stak den kop naar zijn meester
-op en gaf hem antwoord met een klagend gehinnik.
-</p>
-<p>Intusschen had de ruiter iets uit zijn gordel gehaald, en boog hij opnieuw over het
-paard.
-</p>
-<p>»Houd hem vooral goed vast,&#x201d; waarschuwde hij opnieuw.
-</p>
-<p>»Wat gaat gij doen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zal hem aderlaten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, dat is het, dat wist ik wel, maar ik dorst het alleen niet wagen, uit vrees dat
-ik hem zou dooden door hem te willen redden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hebt gij hem goed vast?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja. Ga uw gang.&#x201d;
-</p>
-<p>Plotseling maakte het dier eene felle beweging toen hij het koude staal en den prik
-voelde, maar zijn meester hield hem zoo ferm vast dat hij zich niet verroeren kon.
-</p>
-<p>Er volgde voor de beide mannen eene angstvolle minuut; het bloed kwam niet te voorschijn,
-eindelijk verscheen op de plek van het priksel een zwarte droppel, daarna een tweede
-weldra gevolgd door een derde en opeens sprong er een straal zwart en schuimend bloed
-naar buiten.
-</p>
-<p>»Hij is behouden!&#x201d; riep de ruiter terwijl hij zijn lancet afveegde en weder in zijn
-foudraal borg.
-</p>
-<p>»Dat zal ik u vergelden, zoo waar als ik Goedsmoeds heet!&#x201d; riep de eigenaar van het
-geredde paard; »gij hebt mij een van die diensten bewezen die men nooit weder vergeet.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span></p>
-<p>En met onweerstaanbare drift greep hij de hand van den man, dien hij zoo ter goeder
-ure op zijn pad ontmoet had. Deze beantwoordde zijn handdruk met gelijke warmte. Voortaan
-hadden zij elkander trouw gezworen; deze twee mannen, die <span class="corr" id="xd30e867" title="Bron: nauwlijks">nauwelijks</span> eenige minuten te voren elkaar niet kenden, en niet wisten dat de andere in de wereld
-was, waren voor altijd vrienden geworden, door een van die kleine maar gewichtige
-diensten, die in de Amerikaansche wildernissen zoo oneindig veel waarde hebben.
-</p>
-<p>Intusschen werd het bloed allengs minder zwart, het werd purperrood en vloeide mild,
-de adem van het paard, eerst hijgend en schokkend, werd gemakkelijk en regelmatig.
-De onbekende zette de lating nog een poos voort; eerst toen hij dacht, dat het paard
-op den goeden weg was, stopte hij den bloedstraal.
-</p>
-<p>»Wat denkt gij thans te doen?&#x201d; vroeg hij aan den andere.
-</p>
-<p>»Waarachtig als ik het weet, uwe hulp heeft mij zooveel dienst gedaan, dat ik niets
-beter kan doen dan hetgeen gij mij raden zult.&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarheen was uw weg toen u dit ongeval overkwam?&#x201d;
-</p>
-<p>»Naar de Rancho.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat was ook de mijne; wij zijn er niet ver meer <span class="corr" id="xd30e877" title="Bron: van daan">vandaan</span>, gij stijgt achter mij te paard, wij nemen uw paard aan den teugel mede, en vertrekken
-zoodra gij wilt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik kan niets beter wenschen. Denkt gij dat mijn paard mij niet zou kunnen dragen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Misschien zou hij het wel doen kunnen, want het is een flink beest; maar dat ware
-niet voorzichtig, gij zoudt gevaar loopen het te verliezen; het is beter dat gij het
-middel te baat neemt dat ik u aanwees.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, maar ik vrees nu.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat vreest gij?&#x201d; viel de andere hem met drift in de rede, »wij zijn immers vrienden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is waar. Ik neem het aan.&#x201d;
-</p>
-<p>Het kranke paard stond uit eigen beweging op, en de twee mannen, die elkander zoo
-zonderling hadden ontmoet, namen de reis aan zooals gezegd was, gezeten op hetzelfde
-paard.
-</p>
-<p>Geen twintig minuten waren er noodig, of zij bereikten de eerste huizen der Rancho.
-</p>
-<p>Aan den ingang van het dorp hield de man die het paard bestuurde stil en wendde zich
-tot zijn tochtgenoot.
-</p>
-<p>»Waar wilt gij afstijgen?&#x201d; vroeg hij.
-</p>
-<p>»Dat is mij onverschillig,&#x201d; antwoordde de andere; »ik vind mij overal thuis; laten
-wij samen gaan waar gij gaat?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja!&#x201d; riep de ruiter zich het oor krabbende, »ik ga eigenlijk niet bepaald ergens
-heen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoedat! nergens heen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Mijn hemel, neen. Ik zal u dit aanstonds verklaren. Ik ben eerst heden morgen te
-Guaymas ontscheept; de Rancho is mijn eerste <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>pleisterplaats op eene reis die ik naar de wildernis onderneem, en die waarschijnlijk
-van langen duur zal zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>In het heldere maanlicht, dat den vreemdeling op dit oogenblik juist in het aangezicht
-scheen, lette zijn kameraad eenige <span class="corr" id="xd30e900" title="Bron: sekonden">seconden</span> op diens edel en nadenkend gelaat, waarop de smart of de tegenspoed reeds diepe voren
-schenen geploegd te hebben.
-</p>
-<p>»Gij wilt dus zeggen,&#x201d; sprak hij eindelijk, »dat alle logementen u even welkom zijn?&#x201d;
-</p>
-<p>»Een enkele nacht is spoedig voorbij. Ik verlang alleen huisvesting voor mij en mijn
-paard.&#x201d;
-</p>
-<p>»Welnu, als gij mij dan vergunt u op mijne beurt als gids te dienen, zal ik u binnen
-tien minuten daarvan voorzien.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat neem ik aan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik beloof u wel is waar geen paleis, maar ik zal u brengen in eene <i lang="es">pulqueria</i>, waar ik zelf gewoonlijk mijn intrek neem als het geval wil dat ik deze streek uitkom.
-Gij zult er een min of meer gemengd gezelschap aantreffen; maar wat geeft gij daar
-om, er zit niets anders op en, zoo als gij wel zegt, het is maar om één kwaden nacht
-te doen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo als &#x2019;t God b&#x2019;lieft! laten wij gaan.&#x201d;
-</p>
-<p>Thans zijne armen onder die van zijn kameraad doorstekende, nam de nieuwe gids de
-teugels, en wendde het paard naar een huis, dat ongeveer in de helft der straat lag
-waar zij zich bevonden, en uit welks half gesloten vensters het fakkellicht in de
-nachtelijke duisternis blonk als uit de gaten van een oven, terwijl het gejoel, gelach
-en gezang, vermengd met het hortend gekras der <i lang="es">jarabes</i>, hun tegenklonk, ten bewijze dat, ofschoon in het dorp alles sliep, daar ten minste
-nog alles wakker en in vollen gang was.
-</p>
-<p>Voor de deur dezer herberg van lager allooi hielden de beide vreemdelingen stil en
-stegen af.
-</p>
-<p>»Is uw besluit stellig genomen?&#x201d; vroeg de eerste aan zijn kameraad.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd30e922" title="Bron: «">»</span>Stellig en zeker,&#x201d; antwoordde deze.
-</p>
-<p>De gids klopte nu met de hand op de vermolsemde deur.
-</p>
-<p>Het duurde vrij lang eer men antwoord gaf; eindelijk riep eene rauwe stem aan de binnenzijde,
-terwijl het geraas en getier dat tot dusver daar binnen heerschte als op een tooverslag
-zweeg, en door de diepste stilte werd afgewisseld.
-</p>
-<p>»<i lang="es">Quien vive?</i>&#x201d;
-</p>
-<p>»<i lang="es">Gente de paz!</i>&#x201d; antwoordde de vreemdeling.
-</p>
-<p>»Hm!&#x201d; riep de stem, »dat is geen naam. Hoe is het weer buiten?&#x201d;
-</p>
-<p>»Eens voor al en alles voor één! de <i lang="es">cormuel</i><a class="noteRef" id="xd30e942src" href="#xd30e942">1</a> blaast dat de buffels van de Cerro-del-Huerfano afwaaien.&#x201d;
-</p>
-<p>Oogenblikkelijk werd de deur geopend, en de reizigers traden binnen.
-<span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span></p>
-<p>In &#x2019;t eerst konden zij in de zaal niets onderscheiden vanwege den dikken rook, en
-stapten zij op den tast voort.
-</p>
-<p>De gids scheen echter in dit berenhol goed bekend te zijn, want zoowel de kastelein
-als verscheidene der gasten drongen zich om strijd om hem heen.
-</p>
-<p>»Caballeros,&#x201d; zeide hij op den persoon wijzende die hem volgde, »deze <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> is mijn vriend, ik verzoek u hem met de meeste onderscheiding te behandelen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hij zal op gelijke wijze ontvangen worden als gij zelf, Goedsmoeds,&#x201d; antwoordde de
-man die in de herberg kastelein scheen te zijn, »uwe paarden zijn reeds naar de corral
-gebracht, waar men hun ieder een schoof haver heeft gegeven. Wat u zelven betreft
-is het huis tot uwe dienst, gij kunt er naar welgevallen over beschikken.&#x201d;
-</p>
-<p>Onder het wisselen dezer komplimenten, hadden de vreemdelingen zich door de menigte
-een weg weten te banen; zij waren de zaal doorgegaan en met veel moeite was het hun
-gelukt zich in een hoek neder te zetten, aan eene tafel waarop de kastelein zelf de
-noodige pulque, mezcal, chinguirito, catalonische refino en xeres-wijn geplaatst had.
-</p>
-<p>»Caramba! <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> Huespad (hospes),&#x201d; riep de eene vreemdeling, dien men reeds eenige malen Goedsmoeds
-had genoemd, »gij zijt mild vandaag.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ziet gij dan niet dat ik een angelito (engeltje) heb,&#x201d; antwoordde de kastelein ernstig.
-</p>
-<p>»Alzoo is uw zoontje Pedrito.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Hij is gestorven! ik tracht mijne vrienden zoo goed mogelijk te ontvangen, opdat
-mijn arme kind des te feestelijker in den hemel zal ontvangen worden, het heeft nog
-nooit zonde gedaan en is nu een engeltje bij God.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is waar,&#x201d; zei Goedsmoeds, terwijl hij zijn glas aansloeg met dat van den vader,
-die zoo weinig zieletroost scheen te behoeven.
-</p>
-<p>Deze dronk zijn glas refino in een enkele teug ledig en verwijderde zich.
-</p>
-<p>De vreemdelingen, bereids aan den hen omgevenden atmospheer gewoon, wierpen thans
-een blik in het rond.
-</p>
-<p>De gelagkamer der pulqueria bood een allerzonderlingst, ja een aanstootelijk schouwspel.
-</p>
-<p>In het midden stond eene tafel, aan welke een tien- of twaalftal personen met schelmengezichten,
-in geplukte costumen en tot aan de tanden gewapend, druk monté speelden.
-</p>
-<p>Als eene vreemde bijzonderheid, die echter geen der aanwezige spelers scheen te verwonderen,
-dient te worden vermeld, dat er rechts van den bankhouder, een ponjaard in de tafel
-was geplant, terwijl er twee pistolen aan zijne linkerzijde lagen. Eenige stappen
-van daar waren een troep mannen en vrouwen meer dan half beschonken aan &#x2019;t zingen
-en dansen, met walgelijke gebaren en woeste kreten, <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>op de ruwe muziek van twee of drie <i lang="es">vihuelas</i> en <i lang="es">jarabes</i>. In een minder luidruchtigen hoek der zaal stond een dertigtal personen om eene andere
-tafel verzameld, in het midden waarvan, op een kleinen stoel van bamboes, een kind
-van hoogstens vijf jaar gezeten was. Dit kind presideerde als &#x2019;t ware de vergadering,
-het had zijne beste kleertjes aan, een krans bloemen om het hoofd, terwijl een menigte
-bloemen rondom hem op de tafel gestrooid lagen.
-</p>
-<p>Maar helaas het voorhoofd van dit kind was verbleekt, de oogen stonden verglaasd,
-de wangen waren loodblauw, hier en daar met violetkleurige vlekken, en het gansche
-lichaam zoo koud en stijf als een lijk, want het kind was dood: dat was nu het engeltje,
-welks intrede in den hemel door den pulquero zoo feestelijk gevierd werd.
-</p>
-<p>Zoowel vrouwen als mannen en kinderen dronken en lachten, terwijl zij aan de arme
-moeder, die de heldhaftigste pogingen deed om niet in tranen uit te barsten, als om
-strijd herinnerden hoe voorspoedig, schrander en goedaardig het lieve kind geweest
-was dat zij verloren had.
-</p>
-<p>»Ik vind dat ergerlijk en akelig,&#x201d; mompelde de eerste reiziger met een beweging van
-afschuw.
-</p>
-<p>»Niet waar?&#x201d; antwoordde de andere, »laten wij er ons niet langer mede ophouden, maar
-zonderen wij ons af van dit gespuis, dat toch niet meer aan ons denkt; laten wij liever
-samen wat praten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik wil wel, maar ongelukkig hebben wij elkaar niets te vertellen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Misschien; vooreerst moeten wij elkander nog nader leeren kennen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is waar.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ziet gij nu wel? Om te beginnen, wil ik u het eerst een voorbeeld van vertrouwen
-en openhartigheid geven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed! daarna zal het mijne beurt zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>Goedsmoeds wierp een zijdelingschen blik op het gezelschap; de ongepaste drukte en
-vroolijkheid was met nieuwe kracht aan den gang; het was duidelijk dat niemand der
-aanwezigen acht op hen gaf. Hij ging met de ellebogen op tafel liggen, schoof dichter
-bij zijn kameraad en begon:
-</p>
-<p>»Zoo als gij weten zult, daar gij mijn naam reeds meermalen hebt hooren uitspreken,
-waarde vriend, heet ik Goedsmoeds<a class="noteRef" id="xd30e995src" href="#xd30e995">2</a>; ik ben een Canadees, dat wil zeggen, bijna een Franschman. Omstandigheden, teveel
-om op dit oogenblik te vertellen, maar die ik u later wel zal mededeelen, hebben mij
-reeds vroeg in dit land gevoerd. Twintig levensjaren heb ik besteed met de woestijn
-in alle richtingen te doorkruisen; er is geen verloren beek, of vergeten voetpad dat
-ik niet ken. Als ik dit wilde, zou ik gerust en onbezorgd kunnen leven bij een dierbaren
-vriend, een ouden kameraad van mij, op eene heerlijke landhoeve, die hij eenige mijlen
-ver van Harmosillo <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>bezit en bewoont; maar het woudloopersleven heeft zijne onweerstaanbare bekoorlijkheid,
-dat begrijpen alleen zij die er in gedeeld hebben; het trekt hen aan tegen wil en
-dank om het te hervatten.
-</p>
-<p>»Ik ben nog jong, nauwelijks vijf en veertig jaar. Een ander oud vriend van mij, een
-Indiaansch Opperhoofd met name Arendskop, stelde mij onlangs voor om met hem een uitstapje
-naar Apacheria te maken; ik liet er mij toe overhalen, nam afscheid van mijne vrienden
-die mij vruchteloos poogden te weerhouden, en vrij van alle banden, zonder spijt over
-het verledene en onbezorgd voor het toekomende, ging ik vroolijk op weg, de onwaardeerbare
-schatten van een vrijen jager met mij voerende, namelijk een moedig hart, een opgeruimd
-gemoed, goede wapenen en een paard even als zijn meester gehard tegen voor- en tegenspoed,
-en hier zit ik nu. Ziedaar, kameraad, thans kent gij mij zoo goed als of wij reeds
-tien jaar samen verbonden waren geweest.&#x201d;
-</p>
-<p>De andere had dit verhaal aandachtig aangehoord, met den blik onafgewend op den stoutmoedigen
-jager gericht, die glimlachend tegenover hem zat; hij beschouwde met innige belangstelling
-den man, wiens open en sterksprekend gelaat ruwe maar ronde oprechtheid ademde en
-alle kenteekenen droeg van ware goedheid en grootheid.
-</p>
-<p>Toen Goedsmoeds zweeg, zat de andere, blijkbaar in diep en ernstig nadenken verzonken,
-eenige oogenblikken zonder te antwoorden; daarop strekte hij hem over de tafel zijne
-blanke fijngevormde hand toe, en zeide met eene bewogen stem in het beste Fransch
-dat ooit in deze ver verwijderde gewesten gesproken werd:
-</p>
-<p>»Ik dank u voor het in mij gestelde vertrouwen, Goedsmoeds; mijne geschiedenis is
-niet veel langer dan de uwe, maar zij is veel treuriger; ik geef u die in weinige
-woorden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ei!&#x201d; riep de Canadees, terwijl hij de hem toegestoken hand met warmte drukte, »zijt
-gij misschien een Franschman?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, die eer heb ik.&#x201d;
-</p>
-<p>»Pardi! dat had ik reeds kunnen vermoeden,&#x201d; hervatte hij vroolijk; »als ik zoo naga
-hoe wij nu sedert een uur lang gebrekkig Spaansch hebben gesproken in plaats van onze
-eigene taal te gebruiken, want, om kort te gaan, ik ben uit Canada, en de Canadeezen
-zoo als gij weet zijn de Franschen uit Amerika, niet waar?&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij hebt gelijk.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dus, dat is afgesproken, voortaan geen Spaansch meer tusschen ons?&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen Fransch, altijd Fransch.&#x201d;
-</p>
-<p>»Bravo! op uw welzijn, brave landgenoot; en nu,&#x201d; vervolgde hij, na zijn glas geledigd
-te hebben, en het met kracht weder op de tafel zettende, »nu wil ik uwe geschiedenis
-hooren, ik luister met aandacht.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zooals ik u reeds gezegd heb, is zij niet lang.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat doet er niets toe, vertel maar, ik ben zeker dat zij mij zeer veel belang inboezemt.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span></p>
-<p>De Franschman smoorde een zucht.
-</p>
-<p>»Ook ik heb het leven van een woudlooper geleid,&#x201d; begon hij, »ook ik heb de wegslepende
-bekoorlijkheid van dat koortsachtig bestaan ondervonden, zoo vol treffende, altoos
-afwisselende en verrassende gebeurtenissen. Ver van het land waar wij ons thans bevinden,
-heb ik uitgestrekte wildernissen en ongerepte natuurwouden doorloopen, waar vóór mij
-geen sterfelijk mensch ooit zijn voet had afgedrukt. Evenals gij, op mijne avontuurlijke
-tochten vergezeld door een trouwen vriend, die mijn moed steunde en mijne zielskracht
-door zijne onuitputtelijke vroolijkheid en wel beproefde vriendschap wist te verheffen.
-Helaas! die tijd was de gelukkigste mijns levens!
-</p>
-<p>»Ik werd verliefd op eene vrouw en ik huwde haar. Doch nauwelijks had mijn vriend
-gezien dat ik rijk was en een familie bezat, of hij verliet mij. »Ik kon nu maar gerust
-voortleven,&#x201d; zeide hij, »en had hem niet meer noodig.&#x201d; Zijn vertrek was mijn eerste
-verdriet, een verdriet, dat ik nooit goed heb kunnen verzetten, dat van jaar tot jaar
-drukkender werd en dat mij tot op dezen dag foltert als een zelfverwijt. Helaas! waar
-is thans dat moedige hart, die trouwe ziel, die ik altijd gereed zag mij in den nood
-bij te staan, die mij lief had als een broeder en dien ik wederkeerig een broederlijke
-genegenheid toedroeg? Helaas! misschien is hij dood!&#x201d;
-</p>
-<p>Bij het uiten dezer laatste woorden liet de Franschman het hoofd tusschen de beide
-handen zinken, en gaf hij zich over aan een stroom van bittere gedachten, die met
-iedere nieuwe herinnering als uit zijn hart opkwamen.
-</p>
-<p>Goedsmoeds keek hem zwaarmoedig aan en drukte hem hartelijk de hand.
-</p>
-<p>»Houd moed, broeder,&#x201d; zeide hij op vertrouwelijken toon.
-</p>
-<p>»Ja,&#x201d; hervatte de Franschman. »Juist zoo sprak hij altijd, als ik door droefheid verslagen
-den moed liet zinken.
-</p>
-<p>»Schep moed, broeder,&#x201d; zeide hij dan met zijne ruwe maar hartige stem en met de hand
-op mijn schouder, en dan voelde ik mij inderdaad als geëlectriseerd; ik herleefde
-op het hooren van die hartelijke krachtvolle stem, ik was inderdaad opnieuw sterk
-en opnieuw gereed om den strijd te hervatten. Verscheidene jaren verliepen er voor
-mij onder het genot van ongestoord huiselijk geluk, dat door niets gestoord werd.
-Ik had eene beminnelijke vrouw, die ik aanbad: lieve kinderen van welke ik mij de
-schoonste toekomst beloofde, kortom, niets ontbrak mij, dan mijn boezemvriend, van
-wien ik, sedert hij mij verliet, ondanks al mijne nasporingen nooit weder iets heb
-mogen vernemen. Thans is mijn geluk voor altijd vervlogen, mijne lieve vrouw en mijne
-kinderen zijn dood, lafhartig in hun slaap vermoord door de Indianen die zich van
-mijne hacienda hadden meester gemaakt. Ik was de eenige die levend overbleef te midden
-der rookende puinhoopen eener woning waar ik zoovele gelukkige dagen had doorgebracht.
-Alles wat ik had lief gehad was onder bouwvallen <span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span>begraven; mijn hart barstte, ik besloot mijn verloren lievelingen niet te overleven;
-maar een enkele vriend, de eenige die mij getrouw bleef, redde mij; hij voerde mij
-met geweld naar zijn stam; want hij was een Indiaan. Aldaar, dank zij de trouwe zorg
-die hij aan mij besteedde, riep hij mij tot het leven terug en wekte in mij, zoo al
-niet de hoop op een voor mij onmogelijk geworden geluk, tenminste den moed om met
-mijn lot te kampen dat mij zulke harde slagen had toegebracht. Nu nauwelijks drie
-maanden geleden is hij gestorven.
-</p>
-<p>»Eer hij voor altijd de oogen sloot, heeft hij mij laten bezweren te zullen doen wat
-hij mij vragen zou; en ik beloofde het hem. »Broeder,&#x201d; zeide hij toen, »ieder heeft
-in het leven een doel noodig, wat het ook zij, als het maar een edel en goed is. Ik
-wil er u een geven; mijn wensch is dat gij zoodra ik dood ben op reis gaat, om den
-vriend te zoeken daar gij zoo lang van gescheiden waart; dat gij hem vinden zult daarvan
-ben ik overtuigd. Laat dit het doel in uw leven zijn.&#x201d; Twee uren later stierf het
-eerwaardige opperhoofd in mijne armen. Zoodra was zijn lijk niet ter aarde besteld,
-of ik ging op weg. Heden juist, zooals ik u gezegd heb, ben ik te Guaymas aangekomen.
-Mijn voornemen is om onmiddellijk de woestijn in te trekken; zoo mijn vriend nog leeft
-moet ik hem daar alleen terugvinden.&#x201d;
-</p>
-<p>Er volgde een lange stilte.
-</p>
-<p>Eindelijk nam Goedsmoeds het woord weder op.
-</p>
-<p>»Waarlijk, uw lot is allertreurigst, vriend, dat moet ik bekennen,&#x201d; riep hij hoofdschuddend;
-»en nu, bovendien, begeeft gij u in eene hopelooze onderneming, die weinig kans heeft
-te zullen slagen: een eenig mensch in de woestijn is als een verloren zandkorrel.
-Gesteld dat uw vriend nog leeft, wie weet in welk oord hij zich dan op dit oogenblik
-bevindt, en terwijl gij hem aan den eenen kant der wildernis zoekt, is hij misschien
-juist aan den anderen. Intusschen wil ik u een voorstel doen, dat ik niet twijfel
-of het zal voor u aannemelijk en voordeelig zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat voorstel, vriend, weet ik reeds eer gij het mij zegt. Ik dank er u voor en neem
-het dadelijk aan,&#x201d; antwoordde de Franschman schielijk.
-</p>
-<p>»Dus toegestemd en afgesproken,&#x201d; zei Goedsmoeds, »wij vertrekken samen en gij gaat
-met mij naar Apacheria, niet waar?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja.&#x201d;
-</p>
-<p>»Te weêrga! dat noem ik geluk. Nauwelijks ben ik van mijn vriend Edelhart gescheiden
-of de goede voorzienigheid voert mij een anderen, even dierbaren tegemoet.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wie is die Edelhart daar gij van spreekt?&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e1040src" href="#xd30e1040">3</a>
-</p>
-<p>»Een vriend daar ik jaren lang mede samen geleefd heb en dien <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>gij eenmaal zult leeren kennen. Welaan dan op Gods genade! Met het aanbreken van den
-dag gaan wij op weg.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo vroeg gij maar wilt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik heb met Arendskop afgesproken om hem drie dagreizen van hier te ontmoeten. Ik
-zou mij zeer moeten bedriegen als hij mij niet reeds wachtte.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar wat gaat gij in Apacheria doen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat weet ik niet; Arendskop heeft mij verzocht hem te vergezellen, en ik ga; een
-mijner stellingen is: nooit meer te willen weten dan mijne vrienden mij van hunne
-geheimen zelf gelieven te zeggen; dat geeft de meeste vrijheid zoowel voor hen als
-voor mij.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeer goed geredeneerd, mijn waarde Goedsmoeds; maar als wij nu toch zoo lang samen
-zullen leven, dat hoop ik tenminste.&#x2026;.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik ook.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zal het niet kwaad zijn,&#x201d; vervolgde de Franschman, »dat gij mijn naam weet, dien
-ik tot nog toe vergat u op te geven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Laat u dat niet verontrusten, ik zelf zal er u wel een geven, zoo gij wellicht reden
-hebt om uw incognito te bewaren.&#x201d;
-</p>
-<p>»Daar heb ik volstrekt geen reden toe; ik ben de graaf Louis de Prébois Crancé.&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e1060src" href="#xd30e1060">4</a>
-</p>
-<p>Goedsmoeds sprong op als een losgelaten veer die zich ontspant, hij nam zijn bonten
-muts af en maakte een eerbiedige buiging.
-</p>
-<p>»Duid mij niet ten kwade, mijnheer de graaf,&#x201d; zeide hij, »dat ik een weinig vrij tot
-u gesproken heb; had ik geweten met wien ik de eer had samen te zijn, dan zou ik mij
-zoo veel vrijheid niet hebben veroorloofd.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goedsmoeds, Goedsmoeds,&#x201d; riep de graaf met een ernstigen glimlach terwijl hij driftig
-zijne hand greep, »moeten wij zoo onze verbintenis aanvangen? Er staan twee mannen
-gereed hetzelfde leven te leiden, dezelfde gevaren te trotseeren, dezelfde vijanden
-te bestrijden, laten wij voor de zotten in de steden de dwaze onderscheidingen over
-die voor ons geenerlei waarde of beteekenis hebben. Ik wil voor u niets anders zijn
-dan Louis, uw goede reisgezel, en uw trouwe vriend, even als gij voor mij niets anders
-zijt dan Goedsmoeds, de beproefde onversaagde woudlooper.&#x201d;
-</p>
-<p>Bij deze woorden kwam er op het gelaat van den Canadees een glans van genoegen.
-</p>
-<p>»Goed gesproken, bij mijne ziel, mooi gesproken,&#x201d; riep hij uit. »Ik ben maar een arme
-onwetende jager, waarom zou ik dit verbergen? Maar hetgeen gij mij daar gezegd hebt,
-was mij recht naar het hart gesproken. Bij den hemel! Louis, ik ben geheel de uwe,
-in leven en dood, en ik hoop u weldra te bewijzen, vriend, dat ik zekere waarde heb,&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span></p>
-<p>»Daar ben ik meer dan van overtuigd; en hiermede hebben wij elkander thans goed begrepen,
-niet waar?&#x201d;
-</p>
-<p>»Pardi! ja.&#x201d;
-</p>
-<p>Op dit oogenblik klonk er op de straat zulk een geweldig leven, dat het in de zaal
-duidelijk gehoord werd.
-</p>
-<p>Gelijk gewoonlijk in dergelijke gevallen, zwegen de luidruchtige gasten in de pulqueria
-opeens doodstil om te luisteren. Men hoorde duidelijk schreeuwen en vloeken, gekletter
-van sabels, en getrappel van paarden, bij tusschenpoozen overstemd door het losbranden
-van vuurwapenen.
-</p>
-<p>»<i>Carai!</i>&#x201d; riep Goedsmoeds, »ik geloof dat er op straat gevochten wordt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat vrees ik ook,&#x201d; antwoordde de pulquero flegmatiek en meer dan half beschonken,
-terwijl hij nog een glas refino ledigde.
-</p>
-<p>Eensklaps werd er, hetzij met het gevest van een sabel of met de kolf van een pistool,
-heftig op de zwakke deur der pulqueria geklopt, en riep eene krachtige stem op barschen
-toon:
-</p>
-<p>»Doe open voor den duivel! anders trap ik de ellendige deur aan spaanders.&#x201d;
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e942">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e942src">1</a></span> Zekere stormwind&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e942src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e995">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e995src">2</a></span> Zie <i>de Pelsjagers van de Arkansas</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e995src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1040">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1040src">3</a></span> Zie <i>de Pelsjagers van de Arkansas</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1040src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1060">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1060src">4</a></span> Zie <i>het Opperhoofd der Aucas</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1060src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6850">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">IV.</h2>
-<h2 class="main">DE GRAAF MAXIMA GAËTAN DE LHORAILLES.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Alvorens onze lezers de oorzaak op te helderen van het geweldige rumoer dat den rustigen
-gang der zaken in de pulqueria zoo plotseling kwam storen, zijn wij verplicht eenige
-stappen terug te treden.
-</p>
-<p>Drie jaren ongeveer voor het tijdstip waarop ons verhaal begint, in een kouden regenachtigen
-Decembernacht, hadden acht personen, zoo als genoegzaam uit hunne kleeding en manieren
-bleek, tot de hoogste klasse der Parijsche samenleving behoorende, zich vereenigd
-in een elegant kabinet van het Engelsche koffiehuis te Parijs.
-</p>
-<p>Het was reeds diep in den nacht; de waskaarsen, meer dan twee derden verbrand, verspreidden
-haar zedig maar somber licht, de regen kletterde tegen de vensters en de wind blies
-daar buiten met naargeestig gehuil.
-</p>
-<p>De gasten zaten rondom eene tafel, waarop het overschot van een schitterend souper
-nog aanwezig was; zij schenen zich tegen wil en dank door de sombere weersgesteldheid
-te laten beheerschen, en met de ruggen in de gemakkelijke leuningstoelen weggezonken
-waren sommigen ingesluimerd, terwijl anderen, in hunne gedachten verdiept, evenmin
-acht sloegen op hetgeen er rondom hen gebeurde.
-</p>
-<p>De pendule op den schoorsteenmantel sloeg langzaam drie ure; nauwelijks had de laatste
-slag uitgegalmd, of het herhaald geklipklap <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>van een postiljonszweep en het vroolijk gerinkel van paardenbellentuig liet zich hooren
-onder de vensters van het vertrek, die op den Boulevard uitzagen.
-</p>
-<p>De deur werd weldra geopend en een <i>garçon</i> kwam binnen.
-</p>
-<p>»De postchais voor mijnheer den graaf de Lhorailles is voor,&#x201d; zei de knecht.
-</p>
-<p>»Dank u,&#x201d; zei een der gasten en wenkte den garçon dat hij heen kon gaan.
-</p>
-<p>Deze boog en verwijderde zich, de deur achter zich sluitende.
-</p>
-<p>De weinige woorden, zoo even door den knecht gesproken, hadden de bekoring gebroken
-die de gasten tot hiertoe geketend hield; allen vlogen op alsof zij met schrik ontwaakten,
-en wendden zich tot een jong heer van omtrent dertig jaar, die in hun midden zat.
-</p>
-<p>»Het is dus waar dat gij vertrekt?&#x201d; riepen allen uit eenen mond.
-</p>
-<p>»Ja, ik vertrek,&#x201d; antwoordde hij kalm met een toestemmenden hoofdknik.
-</p>
-<p>»Maar waar gaat gij dan toch heen? Men verlaat zijne vrienden maar zoo niet zonder
-waarschuwen en zonder adres,&#x201d; hervatte een der gasten.
-</p>
-<p>De man, dien deze vraag gold, glimlachte zwaarmoedig.
-</p>
-<p>De graaf de Lhorailles was een schoon en welgemaakt edelman, met sprekende gelaatstrekken,
-krachtvollen blik, trotsche lippen; hij behoorde tot een der oudste adellijke geslachten
-en genoot een bepaald gevestigden roem onder de lions van dien tijd.
-</p>
-<p>Hij stond op en liet zijn blik over de gasten rondgaan.
-</p>
-<p>»Mijne heeren,&#x201d; zeide hij, »ik begrijp al het zonderlinge van mijn gedrag; gij hebt
-het recht om eene verklaring van mijne zijde te verwachten; en die verklaring wil
-ik u gaarne geven. Bovendien is het alleen met dit doel dat ik u heden bij mij heb
-genoodigd om met u het laatste maal te gebruiken; het uur van mijn vertrek is geslagen,
-de postchais staat mij te wachten: morgen ben ik reeds ver van Parijs, binnen acht
-dagen zal ik Frankrijk hebben verlaten; hoort mij voor &#x2019;t laatst.&#x201d;
-</p>
-<p>De gasten waren blijkbaar getroffen en staarden den graaf aandachtig aan.
-</p>
-<p>»Weest niet ongerust, mijne heeren,&#x201d; zeide hij, »ik zal niet te veel van uw geduld
-vergen, de historie die ik u te vertellen heb is niet lang, het is de mijne. Hier
-is zij in weinige woorden, aldus: Ik ben geheel geruïneerd; van alles wat ik bezat
-heb ik slechts eenige biljetten van 100 francs over, waarmede ik, zoo ik te Parijs
-bleef, van honger zou kunnen sterven of binnen eene maand genoodzaakt zou zijn mij
-voor den kop te schieten, een vooruitzicht verzeker ik u, dat al te treurig is om
-mij aan te lokken. Ongelukkigerwijs heb ik geen de minste kans om bij het leger geplaatst
-te worden, want geheel buiten mijne schuld heb ik te recht of te onrecht den naam
-van een overgegeven duëllist, dat mij zeer in den weg staat, vooral sedert die treurige
-zaak met den armen burggraaf de Morseus, <span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span>dien ik tegen wil en dank verplicht was te dooden, om hem den mond te stoppen en een
-einde te maken aan zijne lasterlijke beweringen. Kortom wegens de redenen die ik de
-eer heb gehad u op te geven en om een aantal andere, die gij niet behoeft te weten
-en die ik zeker ben dat, zoo gij ze wist, u geen het minste belang zouden inboezemen,
-is mij Frankrijk onverdragelijk geworden, en dat wel zoo erg dat ik het met allen
-spoed ga verlaten. Nu nog een glas champagne voor &#x2019;t laatst en daarmede adieu aan
-u allen!&#x201d;
-</p>
-<p>»Een oogenblik, graaf!&#x201d; antwoordde een der gasten, dezelfde die vroeger reeds gesproken
-had, »gij hebt ons nog niet gezegd naar welk land gij voornemens zijt te vertrekken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Kunt gij dat niet raden? Naar Amerika. Men zegt vrij algemeen dat het mij niet aan
-moed of verstand ontbreekt, welnu, ik ga naar een land, waar deze twee hoedanigheden,
-als ik de loopende geruchten gelooven mag, voldoende zijn om fortuin te maken voor
-dengene die ze bezit. Hebt gij mij nog iets te vragen, baron?&#x201d; vervolgde hij zich
-tot den laatsten spreker wendende.
-</p>
-<p>Deze stond alvorens te antwoorden eenige minuten in ernstige gedachten verdiept en
-scheen zich te beraden. Eindelijk keek hij op en zag den graaf met een koelen doordringenden
-blik aan.
-</p>
-<p>»Is het u inderdaad ernst, vriend, met uw vertrek,&#x201d; zeide hij.
-</p>
-<p>»Volkomen ernst.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zweert gij mij dat op uwe eer?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, op mijne eer zweer ik het u.&#x201d;
-</p>
-<p>»En zijt gij waarlijk besloten om u in Amerika een plaats te verwerven, ten minste
-gelijk staande met die welke gij hier hebt ingenomen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja,&#x201d; riep de graaf schielijk, »door alle mogelijke middelen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed zoo. Hoor dan op uwe beurt naar mij, graaf, en als gij uw voordeel wilt doen
-met hetgeen ik u heb mede te deelen, zal het u misschien met Gods hulp gelukken de
-dolzinnige plannen te volvoeren die gij u hebt voorgenomen.&#x201d;
-</p>
-<p>Al de aanwezigen traden belangstellend nader, zelfs de graaf scheen tegen wil en dank
-nieuwsgierig te worden.
-</p>
-<p>De baron de Spurtzheim was een man van omtrent vijf en veertig jaar; zijne vale kleur,
-scherp geteekende trekken en de onbeschrijfelijke uitdrukking van zijn oogopslag gaven
-hem een zweem van zonderlingheid, daar het gewone publiek zich geen recht denkbeeld
-van kon maken en die hem zelfs bij de lieden van bekende scherpzinnigheid voor een
-inderdaad merkwaardig man deden doorgaan.
-</p>
-<p>Men kende den baron algemeen aan zijn kolossaal vermogen, dat hij koninklijk verteerde;
-wat echter zijne antecedenten betreft, daarvan wist niemand, ofschoon hij in de hoogste
-kringen den vrijen toegang had.
-</p>
-<p>Alleen zeide men algemeen dat hij verre reizen gedaan en verscheidene jaren in Amerika
-gewoond had; maar niets is onzekerder <span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span>dan loopende geruchten en op dien grond zou het hem zeker nooit gelukt zijn in de
-salons van den hoogsten adel voet te krijgen, zoo niet de Oostenrijksche ambassadeur,
-zonder zich nochtans op dat punt ten zijnen opzichte ooit duidelijk uit te laten,
-hem niet, buiten zijn weten, meer dan eens in verscheidene netelige gevallen, met
-krachtdadige warmte in zijne bescherming had genomen.
-</p>
-<p>De baron was meer intiem met den graaf gelieerd dan met zijne overige vroolijke vrienden;
-hij scheen zeker bijzonder veel belang in hem te stellen, en had hem meer dan eens
-in moeielijke omstandigheden, wanneer hij vermoedde dat zijn vriend in verlegenheid
-was, langs bedekte wegen uit den brand trachten te helpen.
-</p>
-<p>De graaf de Lhorailles, ofschoon te trotsch om deze offers aan te nemen, had den baron
-deswege niet te min steeds een erkentelijk hart blijven toedragen en dezen onbedacht
-zeker overwicht bij hem laten verwerven.
-</p>
-<p>»Spreek, waarde baron, maar wees kort,&#x201d; zei de graaf de Lhorailles; »gij weet dat
-de postkoets op mij wacht.&#x201d;
-</p>
-<p>Zonder te antwoorden greep de baron het schelkoord en trok aan de bel.
-</p>
-<p>De knecht kwam binnen.
-</p>
-<p>»Zend den postiljon weg en zeg hem dat hij morgen ochtend tegen vijf ure terugkomt,
-gauw, gauw.&#x201d;
-</p>
-<p>De knecht boog en vertrok.
-</p>
-<p>De graaf, hoezeer hoogelijk verwonderd over deze vrijheid van zijn vriend, maakte
-echter geen de minste aanmerking; hij schonk zich een glas champagne-wijn, dat hij
-in een teug ledigde, kruiste de armen op de borst, wierp zich met den rug in zijn
-stoel en wachtte.
-</p>
-<p>»Welaan, mijne heeren,&#x201d; begon de baron van Spurtzheim op zijn gewonen schertsenden
-en pikanten toon, »terwijl onze vriend de Lhorailles ons zijne geschiedenis verteld
-heeft en wij hier zoo fideel bij elkander zitten, waarom zou ik u dan de mijne ook
-niet vertellen? Het is vreeselijk weer, het stormt en stortregent daar buiten, hier
-zitten wij warm en op ons gemak, wij hebben regalias en champagne, twee uitmuntende
-zaken als men er zich niet in te buiten gaat. Wat zouden wij beter doen kunnen? Niets
-immers? Wilt mij dus hooren, want ik meen dat hetgeen ik u zeggen zal u wel belang
-zal inboezemen, te meer daar ik zeker ben dat sommigen onder u gaarne hooren zullen
-waaraan zij zich ten mijnen opzichte te houden hebben, en wat zij eigenlijk van mij
-denken moeten.&#x201d;
-</p>
-<p>De meeste barstten los in een schaterend gelach, bij deze stoute verklaring. Toen
-hunne vroolijkheid weder bedaard was, nam de baron het woord en begon:
-</p>
-<p>»Wat het eerste gedeelte mijner geschiedenis betreft, mijne heeren: zal ik even kort
-zijn als de graaf. In de eeuw die wij beleven zijn de edelen, ten gevolge van onze
-vooroordeelen en van onze opvoeding, zoo geheel natuurlijk buiten den regel en de
-wet geplaatst, dat wij <span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span>allen een goede les in de school des levens noodig hebben en als het ware genoodzaakt
-zijn, om zonder bijna te weten hoe, in weinige jaren ons vaderlijk erfgoed door te
-brengen. Zoo ging het ook mij, gelijk de meesten van u, mijne heeren. Mijne voorouders
-waren in de middeleeuwen zoo wat roofzieke baronnen geweest, het echte bloed verloochent
-zich niet licht. Toen nu mijne laatste hulpbronnen bijna waren uitgeput, begon mijn
-aangeboren instinct wakker te worden en vestigden mijne blikken zich op Amerika. Ik
-ging er heen; en in minder dan tien jaren had ik het kolossaal fortuin verzameld,
-dat ik thans bezit en dat ik thans het onuitsprekelijk geluk heb, niet te verkwisten,
-daarvoor had ik niet te vergeefs eene harde les geleerd, maar te verteren en in uw
-onschatbaar bijzijn te genieten, wel zorg dragende mijn kapitaal onaangeroerd te laten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar mijn hemel!&#x201d; riep de graaf ongeduldig, »hoe hebt gij het kunnen verzamelen dat
-kolossale fortuin zoo als gij zelf het noemt?&#x201d;
-</p>
-<p>»Veertig millioenen ongeveer,&#x201d; antwoordde de baron droogjes.
-</p>
-<p>Eene begeerlijke huivering liep de aanwezigen door de aderen.
-</p>
-<p>»Wel een kolossaal vermogen, inderdaad,&#x201d; riep de graaf; »maar ik herhaal mijne vraag
-hoe hebt gij dat verzameld?&#x201d;
-</p>
-<p>»Als ik niet bepaald voornemens was geweest het u te openbaren, geloof mij, mijn waarde,
-ik zou uw geduld niet hebben misbruikt om u iets van mijne armoede te zeggen dat gij
-zoo aanstonds hooren zult.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wij zijn geheel oor!&#x201d; riepen allen.
-</p>
-<p>De baron liet zijn blik langzaam over de aanwezigen rondgaan.
-</p>
-<p>»Drinken wij eerst nog een glas champagne op het succes van onzen vriend,<span class="corr" id="xd30e1160" title="Niet in bron">&#x201d;</span> zei de baron <span class="corr" id="xd30e1162" title="Bron: sarkastisch">sarcastisch</span>. De glazen werden gevuld, geklonken, en in een oogwenk geledigd, zoo groot was de
-nieuwsgierigheid die allen bezielde.
-</p>
-<p>Na zijn glas voor zich op de tafel te hebben gezet, stak de baron een regalia aan
-en wendde zich tot den graaf.
-</p>
-<p>»Het is inzonderheid tot u, mijn vriend,&#x201d; zeide hij, »dat ik mij thans richten zal,
-gij zijt jong, ondernemend, in het bezit van een vasten wil en een ijzeren gezondheid:
-het staat bij mij onwederlegbaar vast dat gij, tenzij de dood uwe plannen in duigen
-werpt, slagen moet in alles wat gij onderneemt en welk doel gij ook beoogt. Op de
-baan die gij u zelven gekozen hebt is de voornaamste, ja de eenige grond van welslagen,
-dat men door en door bekend zij met het terrein waarop gij moet werken en den kring
-waarin gij zult binnen treden. Had ik bij mijn eerste optreden in het avontuurlijk
-leven dat gij begint, even als gij dadelijk een vriend gevonden zoo als gij, om mij
-in de geheimen van mijn nieuw bestaan te leiden, dan zou ik mijn fortuin reeds vijf
-jaar vroeger gemaakt hebben. Wat niemand voor mij gedaan heeft wil ik thans voor u
-doen, misschien zult gij mij later nog dank zeggen over de aanwijzingen, die ik geven
-zal en die u leeren zullen den weg te vinden in den verwarden <span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span>doolhof, dien gij gereed zijt binnen te treden. Vooreerst moet gij dit u ten beginsel
-stellen: dat de volken in wier midden gij leven zult uwe natuurlijke vijanden zijn,
-gij gaat dus een onophoudelijken strijd te gemoet, van dag tot dag en van uur tot
-uur; alle middelen moeten u welkom zijn die u helpen kunnen om de zege te behalen:
-zet al uwe grondregels van eer en kieschheid ter zijde, in Amerika zijn dat niet dan
-ijdele woorden, die zelfs de kracht niet hebben om er iemand mede te misleiden, om
-de eenvoudige reden dat niemand er aan gelooft. De eenige God van Amerika is het goud;
-om goud te verkrijgen is de Amerikaan tot alles in staat; en dat niet zoo als in het
-oude Europa, onder een eerlijken schijn of met bedekte middelen, maar open en bloot
-en zonder schaamte of berouw. Dit eenmaal tot regel gesteld zijnde, is u de weg aangewezen,
-geen plan zoo dwaas en buitensporig of het heeft in Amerika kans op welslagen, daar
-de middelen om het uit te voeren in ruimen overvloed en schier onbeperkt voorhanden
-zijn. Geen volk ter wereld heeft beter begrepen dan de Amerikaan, wat associatie vermag:
-dat is de machtige hefboom waarmede hij al zijne plannen tot stand brengt. Als men
-daar ginds, alleen, zonder vrienden, zonder kennis of ervaring aankomt, moge men zoo
-verstandig of zoo vastberaden zijn als men wil, maar men is verloren, omdat men alleen
-staat tegenover de macht van allen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is waar,&#x201d; mompelde de graaf overtuigd en somber.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd30e1173" title="Bron: «">»</span>Geduld!&#x201d; hervatte de baron met een glimlach, »of denkt gij dat ik u zonder harnas
-ten strijd zou willen voeren? Neen, neen, ik zal er u een geven van het kostelijkste
-staal, dat verzeker ik u.&#x201d;
-</p>
-<p>Al de aanwezigen staarden vol verbazing den man aan, die in hun oog binnen weinige
-minuten honderd ellen grooter was geworden. De baron hield zich echter alsof hij den
-door hem gemaakten indruk niet opmerkte, en vervolgde een oogenblik later, met nadruk
-op ieder woord en als zocht hij zijne lessen in het geheugen van den graaf te willen
-graveeren:
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd30e1178" title="Bron: «">»</span>Onthoud wel wat ik u zeggen zal; het is van de grootste aangelegenheid, vriend, dat
-er u geen woord van ontgaat; want de uitslag uwer reis naar de Nieuwe Wereld hangt
-er bepaald van af.&#x201d;
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd30e1182" title="Bron: «">»</span>Spreek, ik zal er geen syllabe van verliezen,&#x201d; riep de graaf met koortsachtig ongeduld.
-</p>
-<p>De baron ging voort.
-</p>
-<p>»In den eersten tijd der landverhuizing, toen de toestroom der vreemdelingen naar
-Amerika begon, vormde zich een maatschappij van stoute gezellen zonder eer of trouw,
-zonder genade en zonder zwakheid, die met terzijdestelling van alle nationaliteiten,
-vermits zij uit allerlei volken afkomstig waren, geen andere regeering erkenden dan
-die zij zelven instelden op het zoogenaamd Schildpaddeneiland, een schier onmerkbare
-rots in het midden van den grooten Oceaan; die regeering was monsterachtig, daar zij
-alleen op <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>geweld was gegrond, en geen andere wet erkende dan het recht van den sterkste. Die
-stoute gezellen, onderling saamverbonden door eene drakonische wet, of schriftelijke
-overeenkomst, gaven zich den naam van Broeders der Kust en waren in twee klassen verdeeld,
-namelijk, de boekaniers en de vrijbuiters.
-</p>
-<p>»De boekaniers zwierven in de onmetelijke wouden, jacht makende op buffelstieren,
-terwijl de vrijbuiters de zeeën afschuimden, alle vlaggen aanvielen, en schepen van
-alle natiën plunderden, onder voorwendsel van den Spanjaarden afbreuk te doen, maar
-inderdaad om de rijken te bestelen ten voordeele der armen, als het eenigst hun bekende
-middel om het evenwicht tusschen de beide klassen te herstellen. De Broeders van de
-Kust namen gedurig al het gespuis in zich op dat uit de oude wereld tot hen overkwam,
-zij werden steeds machtiger en machtiger, zoo zelfs dat de Spanjaarden beefden voor
-hunne Amerikaansche bezittingen en een roemrijk Koning van Frankrijk zich verwaardigde
-met hen verdragen te sluiten en hun een ambassadeur te zenden. Later, door de onverbiddelijke
-kracht der omstandigheden, zijn ook de Broeders van de Kust, gelijk alle uit regeeringloosheid
-voortgesproten staatsmachten, die bijgevolg geen beginsel van levensvatbaarheid in
-zich zelven bezitten, allengs verminderd en eindelijk geheel verdwenen. Toen men hen
-gedwongen had in de duisternis terug te treden, meende men hen niet slechts overwonnen,
-maar totaal vernietigd te hebben; het was er echter verre <span class="corr" id="xd30e1192" title="Bron: van daan">vandaan</span>, zooals gij weldra met eigen oogen zien zult. Ik vraag u verschooning voor deze lange
-en vervelende inleiding, maar zij was onvermijdelijk noodig om u wel te doen verstaan
-wat ik u nog verder te zeggen heb.&#x201d;
-</p>
-<p>»Het is reeds half vijf, baron,&#x201d; merkte de graaf aan, »wij hebben nog maar veertig
-minuten tijd.&#x201d;
-</p>
-<p>»Die tijd, hoe kort ook, zal mij voldoende zijn&#x201d; antwoordde de baron; »ik hervat dus:
-de Broeders der Kust waren niet verdelgd. Zij waren slechts van gedaante verwisseld&#x2014;zich
-met meesterlijke buigzaamheid schikkende naar de eischen van eene macht die hen dreigde
-te overtreffen; zij waren van huid veranderd, en in plaats van tijgers vossen geworden.
-De Broeders der Kust waren thans de Dauph&#x2019;yeers; in plaats van even stout als voorheen
-met den dolk in de eene en de enterbijl in de andere hand de vijandelijke schepen
-te bespringen, hielden zij zich klein en groeven onderaardsche holen; tegenwoordig
-zijn de Dauph&#x2019;yeers de meesters der Nieuwe Wereld, zij zijn nergens en zij zijn overal;
-zij regeeren overal; hun invloed doet zich onder alle rangen en standen der maatschappij
-in Amerika gevoelen en opmerken, zonder dat men hen zelven ooit te zien krijgt. Zij
-zijn het die de Vereenigde Staten aan Engeland; Peru, Chili en Mexico aan Spanje hebben
-ontrukt. Hunne macht is onbegrensd, des te geduchter naarmate zij meer in het duister
-werkt, meer verloochend en geïgnoreerd wordt, daarin juist ligt hunne kracht. Verloochend
-<span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>en ontkend te worden is voor eene geheime maatschappij de onmisbare voorwaarde harer
-macht; er heeft in Amerika geen omwenteling plaats, zonder den invloed der Dauph&#x2019;yeers,
-hetzij door haar te doen zegevieren of haar te doen mislukken. Zij vermogen alles,
-zij zijn alles; buiten hunnen kring is niets mogelijk, daar binnen alles; ziedaar
-wat in den voortgang des tijds in minder dan twee eeuwen de Broeders der Kust, thans
-de Dauph&#x2019;yeers, geworden zijn!.&#x2026; namelijk de ontwijfelbare spil waar in de Nieuwe
-Wereld alles op draait; wel een jammerlijk lot voor dit schoon gewest om zoo ten allen
-tijde, van zijne ontdekking af aan gedoemd te zijn onder de dwingelandij te zuchten
-van de veelsoortige bandieten, die zich tot taak schijnen gesteld te hebben het te
-beheeren en er hun voordeel mede te doen, onder allerlei vormen, zonder dat het ooit
-in staat zal zijn er zich van te ontslaan!&#x201d;
-</p>
-<p>Er volgde eene vrij langdurige stilte; allen dachten na over hetgeen zij gehoord hadden,
-dat, hoe overdreven ook, in allen deele ten minste een schijn van waarheid bezat;
-de baron zelf liet het hoofd op de beide handen zinken en scheen zich te verliezen
-in den maalstroom van ideeën, die hij in zich had wakker gemaakt en die hem in massa
-bestormden met de vele smartelijke en bittere herinneringen, welke zij in hem te voorschijn
-riepen.
-</p>
-<p>Het rollen van een rijtuig in de verte, maar dat snel scheen te naderen, riep den
-graaf de Lhorailles tot den zakelijken ernst van zijn tegenwoordigen toestand terug.
-</p>
-<p>»Daar is mijne postchais!&#x201d; riep hij, »ik vertrek, en ik weet nog niets.&#x201d;
-</p>
-<p>»Geduld,&#x201d; antwoordde de baron, <span class="corr" id="xd30e1206" title="Niet in bron">»</span>neem afscheid van uwe vrienden en vertrekken wij.&#x201d;
-</p>
-<p>Tegen wil en dank gedwee, door het overwicht van dezen zonderlingen man, gehoorzaamde
-de graaf zonder zelfs de minste aanmerking te maken.
-</p>
-<p>Hij stond op, omhelsde zijne oude vrienden, wisselde met hen de warmste handdrukken,
-ontving hunne wenschen voor zijn welslagen en verliet het vertrek, gevolgd door den
-baron.
-</p>
-<p>De postchais wachtte hem voor de deur van het koffiehuis.
-</p>
-<p>De andere heeren hadden de vensters van de kamer geopend en wenkten hunnen vriend
-opnieuw vaarwel.
-</p>
-<p>De graaf wierp een langen blik op den Boulevard; de nacht was donker, ofschoon de
-regen had opgehouden, de hemel was zwart als inkt, en de gasvlammen schitterden flauw
-in de verte als sterren die zich verloren in een nevel.
-</p>
-<p>»Vaarwel!&#x201d; mompelde de edelman met eene gesmoorde stem, »vaarwel! wie weet of ik ooit
-wederkom.&#x201d;
-</p>
-<p>»Schep moed!&#x201d; klonk eene strenge stem aan zijn oor.
-</p>
-<p>De jonkman sidderde; de baron stond naast hem.
-</p>
-<p>»Kom vriend,&#x201d; zeide hij hem in het rijtuig helpende, »ik ga met u tot aan de barrière.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span></p>
-<p>De graaf steeg waggelend in het rijtuig en zonk op een der kussens neêr.
-</p>
-<p>»Naar Normandië!&#x201d; riep de baron tegen den postiljon en sloot het portier.
-</p>
-<p>De postiljon klapte met de zweep, de chais zette zich in beweging en vertrok in galop.
-</p>
-<p>»Adieu! adieu!&#x201d; riepen de jongelieden uit de vensters van het Café Anglais.
-</p>
-<p>Een geruimen tijd zaten de twee mannen zonder te spreken, eindelijk nam de baron het
-woord.
-</p>
-<p>»Gaëtan!&#x201d; zeide hij.
-</p>
-<p>»Wat wilt gij?&#x201d; antwoordde de graaf.
-</p>
-<p>»Ik heb u mijne geschiedenis nog niet uitverteld.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat&#x2019;s waar,&#x201d; mompelde hij verstrooid.
-</p>
-<p>»Verlangt gij het slot niet te hooren?&#x201d;
-</p>
-<p>»Spreek, vriend.&#x201d;
-</p>
-<p>»De toon waarop gij mij dit zegt, mijn waarde, bewijst dat uw geest in de denkbeeldige
-wereld omzwerft; gij denkt zeker aan hen die gij verlaten hebt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Helaas!&#x201d; zuchtte de graaf, »ik ben alleen op de wereld. Om wie zou ik treuren? ik
-heb noch magen noch vrienden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ondankbare!&#x201d; riep de baron op een toon van verwijt.
-</p>
-<p>»&#x2019;t Is waar; vergeef mij, waarde vriend, ik wist zelfs niet wat ik zeide.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik vergeef het u, maar alleen op voorwaarde dat gij naar mij luistert.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat beloof ik u.&#x201d;
-</p>
-<p>»Welaan dan, vriend, om op die Dauph&#x2019;yeers daar ik u van sprak terug te komen, zoo
-gij in uw plannen slagen wilt zijn hunne vriendschap en bescherming voor u onmisbaar.&#x201d;
-</p>
-<p>»Helaas! hoe zal ik, als vreemdeling mij die vriendschap en die bescherming verwerven?
-Nu eerst beef ik van angst als ik aan dat land denk daar ik mij zulk eene schoone
-toekomst droomde te zullen scheppen; de blinddoek is mij van de oogen gevallen, ik
-zie thans hoe buitensporig mijne plannen zijn; de moed ontzinkt mij.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu reeds?&#x201d; riep de baron streng. »Kind zonder geestkracht, die den strijd reeds opgeeft
-eer gij hem aanvaard hebt! Man zonder kracht en zonder moed! De vriendschap en de
-bescherming die voor u zoo onmisbaar zijn, kunt gij verwerven, zoo gij wilt, ik zal
-er u de middelen toe verschaffen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij!&#x201d; riep de graaf tintelend van nieuwe hoop.
-</p>
-<p>»Ja, ik. Wat denkt gij, dat ik mij zou kunnen vermaken met u twee uren lang te folteren,
-en met u te spelen als de jaguar met een lam, alleen uit baldadige scherts? Neen,
-Gaëtan, als gij dat denkt dan vergist gij u wel zeer; ik bemin u, vriend. Toen ik
-uw besluit hoorde, heb ik het uit grond van mijn hart toegejuicht: het heeft <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>u in mijne schatting hersteld; toen gij ons dezen nacht ronduit uw toestand te kennen
-gaaft en uwe plannen ontwikkeldet, was het als vond ik mij zelven in u terug, mijn
-hart beefde van blijdschap, wel eene minuut lang was ik gelukkig, en toen heb ik in
-mij zelven gezworen dat ik u den breeden en schoonen weg zou openen, op welken gij
-zeker slagen moet, of het zal uw eigen schuld zijn, omdat gij niet hebt gewild.&#x201d;
-</p>
-<p>»O!&#x201d; riep de graaf met drift, »ik zou kunnen omkomen in den strijd die op dit oogenblik
-tusschen mij en het gansche menschdom begint; maar vrees niet, vriend, ik zal ridderlijk
-vallen als een man van moed.
-</p>
-<p>»Daar ben ik van overtuigd, vriend; ik heb u nog maar weinige woorden te zeggen. Ook
-ik ben Dauph&#x2019;yeer geweest, ik ben het nog; het vermogen dat ik bezit heb ik alleen
-aan mijne broeders te danken. Neem deze portefeuille, doe dit <span class="corr" id="xd30e1250" title="Bron: kettingje">kettinkje</span> met het kleine medaillon dat er aanhangt om uw hals; straks, als gij alleen zijt,
-leest gij de voorschriften die de portefeuille bevat, en zij zullen u den weg wijzen
-hoe gij handelen moet. Zoo gij ze stipt van punt tot punt opvolgt, sta ik u borg voor
-uw succes: dat is het cadeau dat ik voor u bestemd had en dat ik u niet heb willen
-geven voor dat wij alleen waren.&#x201d;
-</p>
-<p>»Is het mogelijk!&#x201d; riep de graaf in vervoering.
-</p>
-<p>»Hier zijn wij aan de barrière,&#x201d; zei de baron, terwijl het rijtuig stil hield; »wij
-moeten scheiden. Vaarwel, vriend, moed en standvastigheid! omhels mij. Bovenal denk
-om de portefeuille en het medaillon.&#x201d;
-</p>
-<p>De beide mannen omarmden elkander lang: eindelijk rukte de baron zich met geweld los,
-opende het portier en sprong op de trottoir.
-</p>
-<p>»Adieu;&#x201d; riep hij voor &#x2019;t laatst, »adieu, Gaëtan! denk er om.&#x201d;
-</p>
-<p>De postchais reed in snellen draf den straatweg op.
-</p>
-<p>Het was zonderling maar de beide mannen mompelden moedeloos hetzelfde woord zoodra
-zij zich alleen bevonden, de een met driftigen stap den trottoir afgaande, de andere
-half verscholen in de kussens der postkoets.
-</p>
-<p>Dat woord was:
-</p>
-<p>»Misschien&#x201d;!
-</p>
-<p>Ondanks alle moeite die zij deden om zich zelven te bedriegen, hoopten zij geen van
-beiden.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6859">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">V.</h2>
-<h2 class="main">DE DAUPH&#x2019;YEERS.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Thans verlaten wij de oude wereld en maken een geweldigen overstap, die ons met een
-enkelen sprong in de nieuwe wereld overbrengt.
-<span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span></p>
-<p>Er is in Amerika eene stad die zich misschien met geen andere op den ganschen aardbol
-laat vergelijken.
-</p>
-<p>Die stad is Valparaiso.
-</p>
-<p>Valparaiso! de naam alleen reeds klinkt in ons betooverd gehoor als de zoetluidende
-tonen van een minnezang.
-</p>
-<p>Behaagziek, glimlachend en schalksch, als eene dartele kreolin op de mollige sofa,
-uitgestrekt op den oever eener bekoorlijke baai aan het hangen van drie majestueuze
-bergen, de kleine rozenvoeten badend in de azuren golfjes der Stille Zuidzee, en het
-gedachtenvolle hoofd omsluierend met de witte nevelwolken die de zuiderwind van kaap
-Hoorn aanblaast en met somber gehuil heenvoert naar de hoogste toppen der Cordilleras,
-om haar als te kronen met een schitterende diadeem.
-</p>
-<p>Al ligt zij op Chiliaanschen bodem, toch behoort deze zonderlinge stad inderdaad tot
-geen land en erkent zij geen bijzondere nationaliteiten, of liever, om juister te
-spreken, neemt zij ze allen op in haar schoot.
-</p>
-<p>Te Valparaiso verzamelen zich de gelukzoekers uit alle landen; alle talen worden er
-gesproken, iedere tak van koophandel wordt er gedreven; hare bevolking is een bonte
-mengeling van de vreemdsoortigste en zonderlingste personaliteiten, samengevloeid
-uit de verste vijf hoeken der werelddeelen om op den windval der fortuin te loeren
-in deze afgelegen stad, als op den uitersten voorpost der transatlantische beschaving,
-welks geheime invloed de Spaansch-Amerikaansche gemeenebesten beheerscht.
-</p>
-<p>Valparaiso is even als alle groote handelplaatsen van Zuid-Amerika, eene verzameling
-van wanstaltige hutten en prachtige paleizen, de een als boven op den ander gestapeld
-en in lange trossen of risten opgehangen aan de klippige steilten der drie bovengenoemde
-bergen.
-</p>
-<p>Op het tijdstip waarmede ons verhaal aanvangt waren de straten nauw, morsig en donker,
-bij gebrek aan zonneschijn. Geheel of gedeeltelijk van plaveisel beroofd, worden het
-ware moddergoten, waarin de voetganger tot aan de knieën wegzinkt, wanneer de stortregens
-in het wintersaizoen of het afvlietende water van de bergen den grond doorweekt, zoodat
-het gebruik van rijpaarden er onvermijdelijk is zelfs voor de kortste afstanden.
-</p>
-<p>Uit deze slijkpoelen, nog verergerd door het vuilnis van allerlei soort dat de dagelijksche
-afval bij het schoonhouden der huizen er aan toevoegt, wasemt gedurig een stinkende
-rotlucht, de vruchtbare moeder van kwaadaardige koortsen, zonder dat iemand er ooit
-aan dacht om deze ergernis uit den weg te ruimen en voor de publieke gezondheid te
-waken.
-</p>
-<p>Tegenwoordig, zegt men, is de staat van zaken er merkelijk veranderd en herkent Valparaiso
-zich zelven niet meer; wij willen het wenschen en zouden het gaarne gelooven, ofschoon
-de welbekende <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>zorgeloosheid der Zuid-Amerikanen ons veel reden geeft om er grootendeels aan te twijfelen.
-</p>
-<p>In een der morsigste en kwalijkst beruchte straten van Valparaiso stond een huis,
-dat wij den lezer verlof vragen om in weinige woorden te beschrijven.
-</p>
-<p>Wij zijn reeds dadelijk genoopt te bekennen dat de bouwmeester die het samenstelde,
-al was hij ook bijzonder karig met het aanbrengen van overtollige sieraden, het volmaakt
-wel had ingericht voor de industrie der verschillende eigenaars, die er achtervolgens
-hun bedrijf in zouden uitoefenen. Het was eene groote van kalk en stroo gebouwde kavalje,
-welks voorgevel op de straat de la Merced uitzag; terwijl de achterzijde aan de zee
-uitkwam, over welke het met behulp van stevig paalwerk tot op zekere diepte vooruitsprong.
-</p>
-<p>Dit huis werd bewoond door een herbergier. Geheel in strijd met de gebouwen in Europa,
-die <span class="corr" id="xd30e1288" title="Bron: naar mate">naarmate</span> men hooger komt doorgaans smaller en lichter worden, werd dit integendeel hoe hooger
-hoe breeder, zoodat het bovenste gedeelte zeer ruim en goed verlicht mocht heeten,
-terwijl de winkel en de overige vertrekken gelijkvloers klein en donker waren.
-</p>
-<p>De tegenwoordige eigenaar had van dezen bouwkunstigen aanleg handig gebruik gemaakt,
-om in de ruimte tusschen de eerste en tweede verdieping een afzonderlijk vertrek te
-bouwen, dat men langs een in den muur verborgen wenteltrap bereiken moest.
-</p>
-<p>Dit vertrek was derwijze gelegen dat het minste gedruisch van de straat er zeer duidelijk
-kon gehoord worden, en soms zoo geweldig klonk dat de personen die er zich bevonden
-niets merkten van het leven dat zij zelven maakten, ja <span class="corr" id="xd30e1294" title="Bron: nauwlijks">nauwelijks</span> elkanders woorden konden verstaan.
-</p>
-<p>De eerzame herbergier, dien het huis toekwam, had natuurlijk een min of meer gemengde
-clientèle van allerlei slag: makelaars, kapers, <i lang="es">rateros</i>&#x2014;gauwdieven&#x2014;en anderen, wier gedragingen hem in gevaar brachten, om met de Chiliaansche
-politie in moeielijkheid te geraken; bij gevolg lag er, aan een ring onder een der
-vensters die aan de zee uitkwamen, doorgaans een walvischvaarder vastgemeerd, om een
-voorloopige toevlucht te bieden aan de gasten uit de herberg, wanneer de politieagenten
-soms waakzaam genoeg waren om dit dievenhol te onderzoeken en hun te dicht achter
-de hielen zaten.
-</p>
-<p>Dit huis heette destijds, en waarschijnlijk nu nog, zoo het ten minste later niet
-door een brand of een aardbeving verwoest en van Valparaiso&#x2019;s grond verdwenen is&#x2014;de
-<i lang="es">Locanda del Sol</i>.
-</p>
-<p>Op een ijzeren plaat, die boven de deur aan een driehoek bij den minsten wind hing
-te slingeren en te kraken, had een kladschilder zijne kunst getoond met een groot
-vuurrood aangezicht te schilderen, omringd van gouden stralen, dat waarschijnlijk
-den bovengemelden titel moest toelichten.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd30e1309" title="Bron: Senor">Señor</span> Benito Sarzuela, kastelein uit de Locanda del Sol (logement <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>de Zon), was een groote, stuursche, magere vent, met een hoekig gelaat en gluipenden
-blik, een mesties van gekruist Araucaansch-, Neger-, en Spaansch bloed, wiens moraal
-volmaakt overeenstemde met zijn physiek, in zoover namelijk dat hij de ondeugden der
-drie&#x2014;roode, zwarte en blanke rassen in zich vereenigde, zonder een enkele hunner deugden
-te bezitten, terwijl hij onder bedekking van één openbaar beroep, er een twintig andere
-heimelijk uitoefende, van welke het onschuldigste, zoo men er achter ware gekomen,
-voldoende zou zijn geweest om hem voor levenslang naar de <i lang="es">presidios</i>&#x2014;de galeien&#x2014;te sturen.
-</p>
-<p>Ongeveer twee maanden na de in het vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen, des avonds
-tegen elf ure, in een kouden, mistigen winternacht, zat <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> Benito Sarzuela druilig achter zijne toonbank, en staarde met hopeloozen blik op
-de ledige zaal van zijn établissement.
-</p>
-<p>De wind woei met hevige rukken en deed het uithangbord der Meson met klagend geluid
-kraken op zijne hengsels. Zwarte, laaghangende wolken uit het zuiden dreven zwaar
-door het luchtruim en ontlastten zich nu en dan met groote droppels op den door vroegere
-onweersbuien doorweekten grond.
-</p>
-<p>»Waar moet dat heen?&#x201d; mompelde de ongelukkige kastelein met een weemoedig gezicht
-half binnenmonds; »al weder een dag als zoo vele vorigen, <i lang="es">sangre de Dios</i>! Sedert vele dagen heb ik geen kans meer, en als dat nog eene week zoo duurt ben
-ik geruïneerd.&#x201d;
-</p>
-<p>Werkelijk scheen de Locanda del Sol sedert eene maand ongeveer onder een samenloop
-van omstandigheden, ook van weêr en wind, zijn ouden luister geheel verloren te hebben,
-zonder dat de kastelein zich begrijpen kon waar hij dezen ongelukkigen ommekeer aan
-toe moest schrijven.
-</p>
-<p>In de ruime gelagkamer was alles doodstil en ledig. Men hoorde er geen gezang of gevloek,
-veel min het rinkelen der gebroken glasruiten of het kletteren der drinkglazen, kannen
-of flesschen, die de luidruchtige gasten bij opkomenden twist of in een uitgelaten
-roes elkander vaak naar &#x2019;t hoofd in stukken smeten of door de zaal keilden.
-</p>
-<p>Treurige wisselkeer der menschelijke zaken! <span class="corr" id="xd30e1333" title="Bron: het">Het</span> topvolle fortuin was eensklaps door het volkomen ledige vervangen. Al had de pest
-in het huis geregeerd, kon het niet eenzamer en meer verlaten zijn geweest: de flesschen
-bleven ordelijk in de rakken geschaard, en in den loop van dien dag waren er slechts
-twee voorbijgangers binnen gekomen om een glaasje <i lang="es">pisco</i><a class="noteRef" id="xd30e1338src" href="#xd30e1338">1</a> te drinken,&#x2014;dat zij dadelijk betaald hadden, zich haastende om het buffet te verlaten,
-ondanks de spraakzaamheid en de dringende vriendelijkheid van den kastelein, die hen
-vruchteloos poogde te houden om met hen over <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>de nieuwtjes van den dag te praten en vooral om zijn vervelende eenzaamheid te breken.
-</p>
-<p>Na de weinige woorden die wij hem zoo even hoorden mompelen, was de eerzame don Benito
-opgestaan en maakte hij zich al brommende gereed om zijn hotel te sluiten, om ten
-minste bij gebrek van andere winsten het licht uit te sparen, toen er op eens een
-man binnen kwam, weldra gevolgd door een tweede, een derde, vierde&#x2014;zesde, tiende,&#x2014;eindelijk
-kwamen er zoo veel dat de locandero het opgaf ze te tellen.
-</p>
-<p>Al deze mannen waren in ruime mantels gewikkeld, en hadden groote hoeden op, wier
-breede rand, met zorg over de oogen neergeslagen, hen geheel onkenbaar maakte.
-</p>
-<p>Weldra was de zaal eivol met gasten, die rookten en dronken, maar geen woord spraken.
-</p>
-<p>Zonderling verschijnsel! ofschoon al de tafels en tafeltjes bezet waren met drinkers,
-heerschte er onder hen zulk eene diepe stilte, dat men duidelijk daar buiten den regen
-kon hooren ruischen en de paarden der serenos kletteren over de keien, of klotsen
-in de modderplassen die hier en daar den grond bedekten.
-</p>
-<p>De kastelein, door dezen onverwachten terugkeer der fortuin op het aangenaamst verrast,
-deed zijn uiterste best om de welkome klanten te bedienen. Nu echter gebeurde er iets
-dat <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> Sarzuela wel verre was van te verwachten; want ofschoon het spreekwoord zegt: »dat
-overmaat van goede zaken geen kwaad kan,&#x201d; en de spreekwoorden de dragers zijn van
-de wijsheid der volken, werd de toevloed der onbekenden, die met elkander schenen
-te hebben afgesproken om in de Locanda del Sol eene bijeenkomst te houden, binnen
-weinige minuten zoo ongeëvenredigd groot, dat de kastelein er eindelijk zelf bang
-voor begon te worden, want de Locanda, straks nog zoo ledig en doodsch, werd weldra
-zoo vol dat hij niet meer wist waar hij de onophoudelijk binnenkomenden plaatsen zou.
-Wat meer zegt, toen de groote zaai propvol was en, om zoo te zeggen overliep, vond
-de altoos klimmende toevloed een uitweg naar de belendende vertrekken, vervolgens
-steeg hij de trappen op en verspreidde zich in de bovenkamers, die alweder spoedig
-gevuld waren.
-</p>
-<p>Kortom, met den eersten slag van elven hadden zich meer dan twee honderd gasten in
-de Locanda del Sol verzameld.
-</p>
-<p>De locandero, overigens een <span class="corr" id="xd30e1356" title="Bron: welberekende">welberekenende</span> kerel dien het niet aan de noodige schranderheid ontbrak, begreep spoedig dat er
-iets buitengewoons moest gebeuren, en dat zijne meson er allerwaarschijnlijkst de
-schouwplaats, van zijn zou. Hij beefde inwendig voor de gevolgen en eene huivering
-van vrees deed zijne haren stoppelen, terwijl hij in zijn hoofd naar een geschikt
-middel zocht om zich van deze gevaarlijke en stilzwijgende gasten te kunnen ontslaan.
-</p>
-<p>In den uitersten nood en niet wetende wat hij beter zou doen, stond hij op met een
-brutaal gezicht en in eene houding zoo ferm <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>mogelijk trad hij naar de deur, als of bij zich gereed maakte om zijne herberg te
-sluiten.
-</p>
-<p>De gasten bleven echter zoo stom als visschen, verroerden geen vin om hem tegen te
-houden of om heen te gaan, integendeel deden zij als zagen zij niets.
-</p>
-<p>Don Benito huiverde opnieuw en tweemaal zoo erg. Plotseling klonk er in de roerlooze
-stille eene stem die hem een ongezocht voorwendsel gaf, daar hij vergeefs naar zocht,
-het was de nachtwacht die juist de deur der locanda voorbijging en op de gewone wijs
-riep:
-</p>
-<p>»<i lang="es">Ave Maria purissima! Las onze han dado ylluve!</i>&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e1370src" href="#xd30e1370">2</a>. Ofschoon de bewegelijke toon waarop deze antieke volzin door den sereno werd uitgebalkt
-schier in staat was om een kater tranen af te persen, maakte zij geen den minsten
-indruk op de handelingen van den kastelein.
-</p>
-<p>Door overmaat van angst vatte <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> Sarzuela eindelijk weder moeds genoeg om zich onmiddellijk tot zijne stijfhoofdige
-gasten te wenden en hen op eene krachtige wijs te interpelleeren; hij plaatste zich
-daartoe midden in de zaal met de vuist op de linkerheup en een fier opgericht hoofd.
-</p>
-<p>»<span lang="es"><span class="corr" id="xd30e1381" title="Bron: Senores">Señores</span> caballeros!</span>&#x201d; riep hij met een bevende stem, die hij te vergeefs de noodige fermeteit trachtte
-te geven, »het is elf uur geslagen; de politieverordening verbiedt mij om langer te
-tappen; weest dus als ik u verzoeken mag zoo goed van onverwijld te vertrekken, daar
-ik verplicht ben om mijn huis te sluiten.&#x201d;
-</p>
-<p>Deze toespraak, waar hij zich de beste gevolgen van had durven beloven, had juist
-een tegenovergestelde uitwerking dan hetgeen hij verwachtte.
-</p>
-<p>De onbekende gasten sloegen met hunne bekers op de tafels en riepen als uit eenen
-mond:
-</p>
-<p>»Drank!&#x201d;
-</p>
-<p>De kastelein deed een sprong achteruit van schrik, bij zijne geweldige misrekening.
-</p>
-<p>»Maar, met uw welnemen, caballeros,&#x201d; waagde hij opnieuw het volgend oogenblik te hervatten,
-»de politieverordening is streng, het is elf ure, en&#x200a;&#x2026;!&#x201d;
-</p>
-<p>Hier kon hij niet verder; het leven begon opnieuw en sterker dan te voren, en de gasten
-riepen met donderende stem:
-</p>
-<p>»Drank!&#x201d;
-</p>
-<p>Nu greep er in het gemoed van den kastelein eene reactie plaats, die zich licht laat
-begrijpen; in den waan dat men het persoonlijk op hem gemunt had en dat zijn eigen
-belangen op het spel stonden, geraakte de vrees bij hem op den achtergrond om plaats
-te maken voor de gierigheid, bedreigd in hetgeen bij hem boven alles ging, namelijk
-zijne bezitting.
-</p>
-<p>»Ha?&#x201d; riep hij sidderend van gramschap, »gaat het hier zoo toe, dan <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>zullen wij zien of ik in mijn eigen huis meester ben of niet. Ik ga terstond naar
-den alcade!&#x201d;
-</p>
-<p>Deze bedreiging met het gerecht, in den mond van een man als Sarzuela, scheen inderdaad
-zoo ongerijmd en bespottelijk; dat het gansche gezelschap eenparig in een homerischen
-lach uitbarstte en den armen kerel uitjouwde daar hij bijstond. Dit was de genadeslag;
-de maat liep over, de gramschap van den armen kastelein klom tot razende woede en
-hij stormde naar de deur als een dolleman onder het oorverdoovend gegil en geschater
-zijner vervolgers.
-</p>
-<p>Doch nauwelijks had hij een voet over den drempel van zijn huis, of een nieuw aankomende
-gast hield hem tegen, greep hem bij den arm en drong hem met een ruk in de zaal terug,
-hem op snaakschen toon toevoegende:
-</p>
-<p>»Welke vlieg heeft u gestoken, kastelein? Zijt gij gek om in zulk een weêr blootshoofd
-de deur uit te loopen, &#x2019;t is goed om een pleuris te krijgen.&#x201d;
-</p>
-<p>Terwijl de locandero, door dezen ruwen schok verschrikt en schier van de been geraakt,
-beide zijn physiek en moreel evenwicht poogde te herstellen om zijne gedachten weder
-in orde te brengen, had de onbekende gedaan alsof hij thuis was; met behulp van een
-paar andere gasten, die hij wenkte hem te helpen, werden de blinden in de vensters
-gezet, en de deur gesloten, gegrendeld en geketend, met even veel behendigheid en
-zorg als Sarzuela zelf gewoon was aan dat fijne werk te besteden.
-</p>
-<p>»Ziedaar, dat is alweder gedaan,&#x201d; zeide de onbekende tegen den verbluften kastelein,
-»nu zullen wij samen praten, compadre, als gij wilt. Maar, à propos, kent gij mij
-niet?&#x201d; vervolgde hij zijn hoed afzettende, zoodat zijn fijne en schrander hoofd te
-voorschijn kwam en een gelaat waarop in dit oogenblik een glimlach vol scherts en
-goede luim schitterde.
-</p>
-<p>»O! el <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> don Gaëtan,&#x201d; zei Sarzuela voor wien deze ontmoeting alles behalve aangenaam was,
-en die moeite had om geen allerleelijkst gezicht te trekken.
-</p>
-<p>»Stil!&#x201d; riep de andere, »kom mede.&#x201d;
-</p>
-<p>En met een wenk voerde hij den kastelein naar een hoek der zaal, bukte aan zijn oor
-en vroeg hem zoo zacht mogelijk:
-</p>
-<p>»Hebt gij vreemdelingen in uw huis?&#x201d;
-</p>
-<p>»Zie maar eens!&#x201d; antwoordde de kastelein met een benauwd gezicht naar zijne gasten
-wijzende die lustig zaten te drinken, »dit legio duivels heeft sedert het laatste
-uur mijn hôtel ingenomen, ze drinken goed, dat is waar; maar hun meer dan verdacht
-voorkomen is voor een fatsoenlijk man gansch niet geruststellend.<span class="corr" id="xd30e1414" title="Niet in bron">&#x201d;</span>
-</p>
-<p>»Zooveel te beter, dan hebt gij ten minste niets te vreezen. Bovendien, over hen loopt
-thans de kwestie niet, ik vraag u alleen of gij vreemde logee&#x2019;s in huis hebt; wat
-deze heeren betreft, die kent gij misschien even goed, zoo niet beter dan ik.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span></p>
-<p>»Ik heb in mijn gansche huis, van den zolder tot aan den kelder geen andere gasten
-dan deze caballeros, die gij beweert dat ik wel zou kennen. &#x2019;t Is mogelijk, maar zoolang
-als ze nu reeds hier zijn hebben zij goedgevonden zich zoo dicht in te pakken, dat
-ik nauwelijks de punt hunner neuzen heb gezien, zoodat ik niet in staat was hen te
-herkennen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij zijt een onnoozele hals, waarde vriend; deze lieden, die u zoo erg schijnen te
-mishagen, zijn allen Dauph&#x2019;yeers.&#x201d;
-</p>
-<p>»Inderdaad!&#x201d; riep de verbaasde kastelein, »maar waarom verbergen zij dan hun aangezicht?&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarom, meester Sarzuela? ik denk voor het naaste dat het is omdat zij zich niet
-gaarne laten zien.&#x201d;
-</p>
-<p>Terwijl hij den bedremmelden kastelein in zijn aangezicht uitlachte, gaf hij de anderen
-een wenk.
-</p>
-<p>Twee personen stonden op, pakten den armen drommel beet en eer hij tijd had om te
-gissen wat er met hem gebeurde, was hij reeds zoo handig en wel vastgekneveld dat
-hij geen lid meer verroeren kon.
-</p>
-<p>»Heb geen vrees, meester Sarzuela, men zal u geen leed doen,&#x201d; vervolgde de onbekende.
-»&#x2019;t Is maar dat wij zonder getuigen spreken willen, en daar gij een weinig babbelachtig
-van aard zijt, nemen wij onze voorzorgen; anders niets. Wees derhalve gerust, binnen
-weinige uren zijt gij weder vrij. Kom, haast u een beetje, gij daar!&#x201d; vervolgde hij
-tegen zijne handlangers; »steekt hem een prop in den mond, brengt hem naar zijne kamer
-in bed, en draait de deur op het nachtslot. Tot weêrziens, brave kastelein, heb vooreerst
-maar een beetje geduld.&#x201d;
-</p>
-<p>De orders van den onbekende werden stipt ten uitvoer gebracht; de ongelukkige Sarzuela,
-gekneveld en den mond gestopt, werd door twee man op de schouders genomen, de zaal
-uitgedragen, naar zijne kamer gebracht, in een ommezien in zijn bed gelegd en in een
-ommezien opgesloten; dit alles ging zoo snel in zijn werk dat hij er zelfs niet aan
-dacht om den minsten tegenstand te bieden.
-</p>
-<p>Wij zullen hem een poos aan zijne alles behalve rooskleurige beschouwingen overlaten,
-die hem zeker zoodra hij zich met zijne wanhoop alleen bevond in massa bestormden,
-en keeren naar de groote zaal der herberg terug, waar wij voor ons vrij wat belangrijker
-personen te beschouwen hebben, dan den armen hospes.
-</p>
-<p>De Dauph&#x2019;yeers zagen zich <span class="corr" id="xd30e1431" title="Bron: nauwlijks">nauwelijks</span> meester in de gelagkamer, of eensklaps werden de tafels op elkander tegen den muur
-gestapeld om midden in de zaal meer ruimte te krijgen, vervolgens zette men de banken
-in rijen, waarop eindelijk allen plaats namen.
-</p>
-<p>De Locanda del Sol was zoodoende binnen weinige minuten geheel van gedaante veranderd
-en in eene clubzaal herschapen.
-</p>
-<p>De laatstaangekomen gast van Sarzuela, op wiens order men hem den mond gestopt en
-armen en beenen gebonden had, scheen <span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span>op het uitgelezen gezelschap thans in de gelagkamer verzameld zekeren invloed of gezag
-uit te oefenen. Zoodra toch was de kastelein niet uit den weg geruimd, of de bevelvoerder
-deed zijn mantel af, gaf de vergadering een wenk om stilte te verzoeken en nam het
-woord op in zuiver Fransch:
-</p>
-<p>»Broeders,&#x201d; begon hij met eene heldere welluidende stem, »ik dank u voor uwe stipte
-gehoorzaamheid.&#x201d;
-</p>
-<p>De Dauph&#x2019;yeers bogen wederkeerig beleefd.
-</p>
-<p>»Mijne heeren,&#x201d; vervolgde hij, »onze plannen marcheeren goed, weldra, zoo ik hoop,
-bereiken wij het doel dat wij zoolang reeds beoogd hebben, en treden wij uit de duisternis,
-in welke wij thans nog voortkruipen, te voorschijn om plaats te nemen in het volle
-zonlicht. Amerika is een wonderbaar land, waar aller eerzucht bevrediging kan vinden;
-zooals ik veertien dagen geleden, toen ik de eer had u voor de eerste maal bijeen
-te roepen, mij verbonden heb, heb ik alle noodige maatregelen genomen en wij zijn
-geslaagd. Gij lieden, mijne vrienden, hebt mij wel tot directeur der Mexicaansche
-beweging willen benoemen; en ik zeg er u dank voor, mijne broeders. Eene aanvraag
-van drieduizend acres land is mij toegestaan, te Guetzalli, in Opper-Sonora. De eerste
-stap is gedaan. Mijn luitenant de la Ville is gisteren naar Mexico vertrokken om het
-afgestane land in bezit te nemen. Heden heb ik u een verzoek te doen. Gij allen die
-mij hier hoort, zijt Europeanen <span class="corr" id="xd30e1443" title="Bron: af">of</span> Noord-Amerikanen; gij zult mij dus begrijpen.
-</p>
-<p>»Reeds sedert lang in schijn onverschillig voor hetgeen er in de Amerikaansche republieken
-omgaat, zijn de Dauph&#x2019;yeers, de wettige opvolgers der Kust-Broeders, tot hiertoe werkelooze
-toeschouwers gebleven bij de woelige tooneelen, plotselinge veranderingen en onbeschaamde
-omwentelingen, die de oude Spaansche koloniën onophoudelijk teisteren.
-</p>
-<p>»Het uur is voor ons gekomen om aan den strijd deel te nemen: ik heb honderd vijftig
-getrouwe mannen noodig. Guetzalli zal hun voorloopig toevluchtsoord zijn. Spoedig
-zal ik hun zeggen wat ik van hunnen moed verlang; tracht slechts te doen wat ik wil
-wagen. De onderneming die ik beraamd heb en in welke ik wellicht zal omkomen is geheel
-ten voordeele van ons bondgenootschap; zoo ik slagen mag, is elk die er deel aan heeft
-genomen eene rijke belooning en eene aanzienlijke plaats verzekerd. Gij kent den man
-die mij bij u heeft ingeleid, hij bezat uw aller vertrouwen; de gedenkpenning dien
-hij mij gaf, bewijst dadelijk dat hij volkomen voor mij borg staat: en nu vraag ik
-u of gij op uwe beurt mij vertrouwen schenkt, gelijk hij mij vertrouwde; zonder u
-kan ik niets uitrichten. Ik wacht uw antwoord.&#x201d;
-</p>
-<p>Hier zweeg hij.
-</p>
-<p>Onder de aanwezigen ontstond thans ofschoon met gesmoorde stem eene levendige woordenwisseling,
-die een geruimen tijd aanhield. <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>Eindelijk werden allen weder stil en stond een van hen op.
-</p>
-<p>»Mijnheer de graaf Gaëtan de Lhorailles,&#x201d; zeide hij, »mijne broederen <span class="corr" id="xd30e1456" title="Bron: ge asten">gelasten</span> mij u in hunnen naam te antwoorden. Gij hebt u aan ons voorgesteld, ondersteund door
-de krachtige aanbeveling van een man die ons volste vertrouwen bezit; uw eigen gedrag
-schijnt ons toe deze aanbeveling in allen deele te bevestigen; de honderd vijftig
-mannen die gij vraagt zijn bereid u te volgen, onverschillig waarheen gij hen leiden
-zult, en wel overtuigd dat zij niet anders dan winnen kunnen door uwe plannen te ondersteunen.
-Ik, Diego Leon, schrijf mijn naam bovenaan op de lijst.&#x201d;
-</p>
-<p>»En ik!&#x201d;
-</p>
-<p>»En ik!&#x201d;
-</p>
-<p>»En ik!&#x201d; riepen de Dauph&#x2019;yeers om strijd.
-</p>
-<p>De graaf wenkte met de hand en het werd weder stil.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd30e1464" title="Bron: «">»</span>Broeders, ik dank u,&#x201d; zeide hij. »Te Valparaiso zal ik, wanneer alles goed gaat, de
-dappere mannen kiezen, die ik in &#x2019;t vervolg zal noodig hebben. Heden heb ik aan honderd
-vijftig mannen genoeg. Zoo mijn plan gelukt, wie weet wat ons dan in de toekomst nog
-wacht. Ik heb eigenhandig een contract opgemaakt, welks voorwaarden ik niet twijfel
-dat stipt door u zoowel als door mij zullen worden nagekomen. Leest het eerst en teekent
-het daarna: binnen twee dagen vertrek ik naar Talca; maar over zes weken ben ik weder
-hier om mij te verstaan met diegenen onder u, die bereid zijn mij te volgen, en alsdan
-zal ik hun mijne plannen tot in de kleinste bijzonderheden mededeelen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Kapitein de Lhorailles,&#x201d; hernam Diego Leon; »gij zegt dat gij niet meer dan honderd
-vijftig mannen noodig hebt. Laten wij er dan om loten, want allen willen u volgen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zeg u wederom dank, brave kameraden,&#x201d; zei de graaf, »gelooft mij, ieder van u
-zal zijne beurt krijgen; het door mij ontworpen plan is grootsch en uwer waardig;
-onder ulieden eene keus te doen zou te veel naijver wekken, tusschen mannen die allen
-verdienstelijk zijn; ik gelast u derhalve, Diego Leon, om door het lot te beslissen,
-wie van onze eerste onderneming deel moeten uitmaken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat zal geschieden,&#x201d; antwoordde Diego Leon, een stijve en regelmatige Bearnees, voormalig
-brigadier der Spahis, een oud soldaat, ten volle bekend met de dienst; strenge krijgstucht
-was zijn stokpaardje.
-</p>
-<p>»Nu, mijne vrienden, nog een enkel woord: denkt er om dat ik u heden over drie maanden
-wacht te Guetzalli, van daar met Gods hulp zal de ster der Dauph&#x2019;yeers heerlijk voor
-ons opgaan. Drinken wij, mijne broeders, op het welslagen onzer onderneming.&#x201d;
-</p>
-<p>»Drinken wij!&#x201d; riepen al de Kust-Broeders in blakende geestdrift.
-</p>
-<p>De kastelein werd uit zijn bed gehaald om de gasten te bedienen.
-<span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span></p>
-<p>Nu werd er wijn en brandewijn bij volle stroomen gelapt en gedronken.
-</p>
-<p>De gansche nacht ging om in eene slemppartij, die tegen den morgen haar volle hoogte
-bereikte, toen de vergadering met het krieken van den dag onder de beste verwachtingen
-uiteen ging.
-</p>
-<p>Zoo had de graaf de Lhorailles, dank zij den talisman dien de baron hem voor zijn
-vertrek uit Europa gegeven had, zich terstond na zijn aankomst in Amerika aan het
-hoofd gesteld van een troep bondgenooten, bestaande uit ondernemende en vastberaden
-mannen, met wier behulp een man van zooveel verstand en aanleg als hij, wel in staat
-was groote dingen uit te voeren.
-</p>
-<p>Ongeveer twee maanden na de hierboven door ons beschreven vergadering, waren de graaf
-en zijne honderd vijftig Dauph&#x2019;yeers vereenigd in de kolonie te Guetzalli, welke heerlijke
-bezitting hij zich door den geheimen invloed van den baron <span class="corr" id="xd30e1481" title="Bron: Spurzheim">Spurtzheim</span> had weten te verschaffen.
-</p>
-<p>Zonder dat iemand gissen kon waaraan men zulk een opgang moest toeschrijven, genoot
-de graaf een ongehoorden voorspoed, alles gelukte hem, de schijnbaar dolzinnigste
-ondernemingen werden door hem tot een goed einde gebracht, zijne kolonie bloeide meer
-en meer en breidde zich uit op een wijze die een ieder bewonderde, en zelfs het Mexicaansche
-gouvernement met de schoonste verwachtingen vervulde.
-</p>
-<p>Met de grondige wereld- en menschenkennis, die de graaf in de hoogste mate bezat,
-had hij de afgunst zijner benijders tot zwijgen weten te brengen en zich een kring
-van trouwe vrienden en nuttige helpers verworven, die hem in honderd omstandigheden
-met hunne voorspraak begunstigden en met hun crediet ondersteunden.
-</p>
-<p>Om onze lezers terstond te doen zien, welke vorderingen hij in betrekkelijk korten
-tijd, nauwelijks drie jaren, maakte, zal het genoeg zijn te zeggen, dat hij op het
-oogenblik toen wij hem in ons verhaal lieten optreden, bijna het doel zijner standvastige
-pogingen had bereikt; hij had zich inderdaad in de publieke opinie weten te vestigen
-en was op het punt zich een eervollen rang in de maatschappij te verwerven door zijn
-aanstaande echtverbintenis met de dochter van don Sylva de Torres, een der rijkste
-hacienderas in Sonora; en dank zij den invloed van zijn aanstaanden schoonvader, had
-hij een aanstelling ontvangen als kapitein van een vrij-kompagnie, bestemd om de invallen
-der Apachen en Comanchen op het Mexicaansche grondgebied af te weren, met het recht
-om deze kompagnie naar verkiezing geheel uit Europeanen samen te stellen.
-</p>
-<p>Keeren wij thans terug naar het huis van don Sylva de Torres, dat wij verlaten hebben
-weinige oogenblikken nadat de graaf de Lhorailles het was binnen getreden.
-<span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e1338">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1338src">1</a></span> Korenbrandewijn, gestookt in de stad Pisco.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1338src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1370">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1370src">2</a></span> Wees gegroet, zuivere Maria! Elf ure heeft de klok, het regent!&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1370src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6868">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VI.</h2>
-<h2 class="main">DOOR HET VENSTER.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Toen <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita de salon verliet om zich naar hare slaapkamer te begeven, oogde de graaf haar
-zoo lang mogelijk na, daar hij niets scheen te begrijpen van haar zonderling gedrag
-jegens hem, vooral uit hoofde der bijzondere betrekking waarin zij tegenover elkander
-waren geplaatst, ter zake van het huwelijk dat hen weldra voor levenslang zou verbinden.
-Na echter eenige minuten te hebben nagedacht, schudde bij eindelijk het hoofd, als
-wilde hij de treurige gedachten verdrijven die hem bestormden, en wendde zich tot
-zijn toekomstigen schoonvader.
-</p>
-<p>»Spreken wij over onze zaken,&#x201d; zeide hij; »zoo gij immers wilt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hebt gij mij dan iets nieuws mede te deelen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Een aantal zaken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gewichtige?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat zult gij zelf beoordeelen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Laat hooren dan. Ik ben ongeduldig om ze te vernemen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gaan wij ordelijk voort. Gij weet, vriend, waarom ik Guetzalli verlaten had.&#x201d;
-</p>
-<p>»Volkomen. Zijt gij goed geslaagd?&#x201d;
-</p>
-<p>»Geheel naar mijne verwachting. Dank zij zekere brieven, die ik had medegebracht en
-vooral ten gevolge uwer welwillende aanbeveling, heeft de generaal Marcos zich jegens
-mij zeer genegen getoond. De wijze waarop hij mij ontving was allerminzaamst, kortom,
-hij verleende mij zijn naam in blanko, met volmacht niet alleen om honderd vijftig
-man aan te werven, maar zelfs dubbel zoo veel als ik dit noodig oordeelde.&#x201d;
-</p>
-<p>»O! dat is heerlijk, inderdaad.&#x201d;
-</p>
-<p>»Niet waar? Bovendien heeft hij mij gezegd, dat hij in een oorlog als die welken ik
-thans ging ondernemen, want een jacht op de Apachen is niets minder dan een oorlog,
-mij volkomen vrijheid liet om naar eigen goedvinden te handelen, en keurde bij voorbaat
-alles goed wat door mij gedaan zou worden, wel overtuigd, voegde hij er bij, dat het
-alleszins strekken zou tot roem en voordeel van Mexico.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wel, dat hoor ik met veel genoegen, vriend. Maar hoe zijt gij thans voornemens te
-handelen na zulk een gelukkigen afloop?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik ben vooreerst besloten om van hier onmiddellijk naar Guetzalli te vertrekken,
-dat ik reeds sedert drie weken verlaten heb. Ik moet noodzakelijk naar mijne kolonie
-terug, om te zien of alles geregeld gaat en mijn volk gelukkig is. Bovendien zou ik,
-alvorens mij, misschien voor langen tijd, met het grootste gedeelte mijner manschappen
-te verwijderen, de kolonisten gaarne tegen eene overrompeling beveiligen, door rondom
-mijne bezittingen eenige werken aan te leggen, <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>zoodat de achterblijvenden in staat zijn iederen aanval der wilden met kracht af te
-weren. Dit is van des te meer belang, omdat Guetzalli in zekeren zin altijd mijn hoofdkwartier
-blijven moet.&#x201d;
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd30e1518" title="Niet in bron">»</span>Dat is zoo. En wanneer denkt gij te vertrekken?&#x201d;
-</p>
-<p>»Heden avond.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo spoedig reeds?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik moet wel. Gij zelf weet hoe zeer de tijd dringt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Inderdaad. Hebt gij mij niets anders meer te zeggen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Vergeef mij, ik heb u nog eene andere vraag te doen, die ik met opzet voor het laatst
-bewaard heb.&#x201d;
-</p>
-<p>»Is zij dan zoo belangrijk?&#x201d;
-</p>
-<p>»Van het hoogste belang.&#x201d;
-</p>
-<p>»O, dan moet ik haar hooren, vriend, spreek op, dadelijk.&#x201d;
-</p>
-<p>»Bij mijne komst hier te lande,&#x201d; hervatte de graaf, »toen de onderneming, die ik thans
-God zij dank! tot een goed einde heb gebracht, nog slechts op het papier bestond,
-waart gij zoo welwillend, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> don Sylva, om niet alleen uw onmetelijk crediet, maar ook uwe onberekenbare rijkdommen
-te mijner beschikking te stellen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is zoo,&#x201d; zei de Mexicaan glimlachend.
-</p>
-<p>»Welnu, ik heb van uw aanbod ruimschoots gebruik gemaakt, menigmaal uit uw geldkist
-geput en over uw crediet zoo dikwijls beschikt als de gelegenheid het vorderde; vergun
-mij thans het eene gedeelte mijner verplichting aan u te kwijten, terwijl ik erken
-dat ik het andere gedeelte u vooreerst zal moeten schuldig blijven. Zie hier,&#x201d; vervolgde
-hij, een papier uit zijne portefeuille nemende, »hier is een wisselbrief, ten bedrage
-van honderd duizend piasters, betaalbaar op zicht en getrokken op Walter Blount en
-Comp. bankiers te Mexico. Ik acht mij gelukkig, don Sylva, in staat te zijn deze schuld
-zoo gereedelijk af te doen, niet omdat.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Met uw welnemen,&#x201d; viel de haciendero hem in de rede, terwijl hij den wissel, dien
-de graaf hem aanbood, met drift afwees, »maar ik geloof dat wij elkander op dit oogenblik
-niet goed begrijpen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoezoo niet?&#x201d;
-</p>
-<p>»Tot opheldering zal ik u zeggen: bij uwe komst te Guaymas, mijnheer de graaf, kwaamt
-gij bij mij met een dringenden aanbevelingsbrief van wege een man met wien ik, zonder
-daarom ooit intiem aan hem verbonden te zijn, nochtans eenige jaren geleden zeer groote
-geldelijke betrekkingen heb gehad. De baron van Spurtzheim stelde u aan mij voor,
-meer als een beminden zoon dan als een vriend voor wien men zich partij stelt. Ik
-heb mijn huis wagenwijd voor u opengezet. Ik was verplicht zulks te doen. Later, toen
-ik u leerde kennen en het grootsche en edele in uw karakter heb kunnen waardeeren,
-zijn onze aanvankelijk koele betrekkingen nauwer geworden en bood ik u de hand mijner
-dochter, die gij hebt aangenomen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Tot mijn onuitsprekelijk geluk!&#x201d; riep de graaf.
-<span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span></p>
-<p>»Zeer goed,&#x201d; hernam de haciendero glimlachend, »het geld dus dat ik van een onbekende
-zou kunnen terug ontvangen, en dat hij mij als zoodanig wettig verschuldigd was, dat
-geld behoort aan mijn schoonzoon. Verscheur dus, bid ik u, dien wisselbrief, waarde
-graaf, en denken wij niet verder om dat bagatel.&#x201d;
-</p>
-<p>»Juist!&#x201d; riep de graaf schielijk en op verdrietigen toon, »dat is juist wat mij hindert;
-ik ben uw schoonzoon nog niet en, als ik het u zeggen moet, ik vrees dat ik het nooit
-worden zal.&#x201d;
-</p>
-<p>»En wat geeft u aanleiding om daarvoor te vreezen? Hebt gij niet mijne belofte? Het
-woord van don Sylva de Torres, waarde heer graaf de Lhorailles, is een waarborg, dien
-nog nooit iemand heeft durven in twijfel trekken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Daar twijfel ik ook in &#x2019;t minst niet aan, don Sylva; het is niet voor u dat ik vrees.&#x201d;
-</p>
-<p>»Voor wie dan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Voor <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita.&#x201d;
-</p>
-<p>»Voor mijne dochter?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat zegt gij, vriend! dat vereischt nadere opheldering, want ik zweer u dat ik het
-volstrekt niet begrijp&#x201d; riep don Sylva, terwijl hij driftig opstond en onrustig het
-salon op en neder trad.
-</p>
-<p>»Mijn hemel, don Sylva!&#x201d; riep de graaf, »het spijt mij waarlijk dat ik dit bezwaar
-bij u heb ter sprake moeten brengen, want ik bemin <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita; maar de liefde, zooals gij weet, is ergdenkend; en ofschoon uwe dochter altijd
-lief en goed voor mij geweest is, heb ik haar sedert onze verloving gadegeslagen en
-als ik het u bekennen moet geloof ik stellig dat zij mij niet bemint.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij zijt dwaas, don Gaëtano; de meisjes weten zoo min wie zij beminnen als wie zij
-niet beminnen. Bekommer u niet over die kinderachtige grillen; ik heb u beloofd dat
-zij uwe vrouw zal worden, en dat zal zij.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar zoo zij nu evenwel een ander beminde, zou ik u niet willen.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Kom, loop heen! dat is nu toch wat al te gek. Anita bemint geen ander dan u, dat
-weet ik zeker; en ziedaar, ik zal er u op eens van verzekeren; gij vertrekt heden
-avond hebt gij gezegd naar Guetzalli?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, nog dezen avond.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeer goed; laat dan kamers in gereedheid brengen voor mij en mijne dochter, en binnen
-weinige dagen komen wij bij u in de hacienda logeeren.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zou dat mogelijk zijn?&#x201d; riep de graaf verheugd.
-</p>
-<p>»Morgen met het krieken van den dag vertrekken wij; dus haast u.&#x201d;
-</p>
-<p>»O! duizendmaal dank.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed, zijt gij nu gerustgesteld?&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span></p>
-<p>»Niemand kan gelukkiger zijn dan ik.&#x201d;
-</p>
-<p>Na nog eenige woorden te hebben gewisseld namen de twee mannen afscheid, met de belofte
-dat zij elkander spoedig weêr zouden zien.
-</p>
-<p>Don Sylva was gewoon om in zijn huis door niemand tegengesproken te worden of zijne
-bevelen in omvraag te brengen; wel overtuigd van Anita&#x2019;s gehoorzaamheid, liet hij
-haar met de kamenier zeggen, dat zij zich den volgenden morgen tegen zonsopgang voor
-eene <span class="corr" id="xd30e1577" title="Bron: amelijk">tamelijk</span> verre reis moest gereed maken.
-</p>
-<p>Dit bericht klonk het meisje als een donderslag in de ooren.
-</p>
-<p>Half flauw van den schrik zeeg zij op een stoel neder en smolt weg in tranen; zij
-gevoelde maar al te duidelijk dat deze reis niets dan een voorwendsel was, om haar
-van haren beminde te scheiden en haar weêrloos over te leveren aan den man dien zij
-verfoeide, en aan wien men haar ongevraagd ongeweigerd dacht uit te huwelijken.
-</p>
-<p>Zoo bleef zij eenige uren lang zitten, geheel in zich zelve verzonken, aan de wanhoop
-ten prooi, zonder te denken aan de welkome rust, die zij toch niet zou gevonden hebben,
-want zij wist dat de slaap hare gezwollen en roodgeweende oogleden niet zou sluiten.
-</p>
-<p>Allengs waren alle geluiden in de stad verdoofd, alles sliep of althans scheen te
-slapen; ook het huis van don Sylva was geheel donker, slechts een enkel flauw licht
-blonk als eene eenzame ster door de glasruiten van Anita&#x2019;s venster, en bewees dat
-<i>zij</i> ten minste nog waakte.
-</p>
-<p>Op dit oogenblik vertoonden zich twee onzekere en vreesachtige schimmen op den muur
-tegenover het huis van den haciendero; twee mannen in lange mantels gehuld, bleven
-staan en keken naar het flauw verlichte venster, met eene oplettendheid zoo strak
-als alleen aan dieven of aan verliefden eigen is.
-</p>
-<p>De twee door ons genoemde mannen behoorden ongetwijfeld tot de laatstgenoemde kategorie.
-</p>
-<p>»Hm!&#x201d; riep de een met eene halfgesmoorde stem, »dus zijt gij zeker van hetgeen gij
-beweert, Cuchares?&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo zeker als ik hoop zalig te worden, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> don Martial,&#x201d; antwoordde de andere op denzelfden toon, »ik heb dien verwenschten
-Engelschman in huis zien komen juist toen ik er was; en don Sylva scheen op den besten
-voet met zoo&#x2019;n duivelschen ketter.&#x201d;
-</p>
-<p>Wij moeten in &#x2019;t voorbijgaan aanmerken, dat de Mexicanen eenige jaren geleden en wellicht
-ook nu nog alle vreemdelingen, ongevraagd tot welke natie zij behooren, voor Engelschen
-houden en bij gevolg als ketters aanmerken; de vreemdelingen zagen zich dus, zelfs
-buiten hun weten gerangschikt onder de lieden die men zonder misdadig te zijn kon
-dooden, ja wier vermoording integendeel bijna als een verdienstelijk werk werd beschouwd.
-</p>
-<p>Tot lof van de Mexicanen moeten wij er dan ook bijvoegen, dat <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span>zij bij elke voorkomende gelegenheid de zoogenaamde Engelschen omhals brachten, met
-eenen ijver die van hunne welbegrepen vroomheid alleszins getuigenis gaf.
-</p>
-<p>Don Martial antwoordde:
-</p>
-<p>»Op mijn woord als Tigrero, die kerel is mij reeds tweemaal in den weg gekomen en
-tweemaal heb ik hem gespaard, maar laat hij zich wachten voor den derden keer.&#x201d;
-</p>
-<p>»O!&#x201d; riep Cuchares, »de eerwaarde pater Becchio heeft mij gezegd dat ik altijd een
-goeden aflaat kon verdienen met een Engelschman te <i>snijden</i><a class="noteRef" id="xd30e1607src" href="#xd30e1607">1</a> (<span lang="es">cortar</span>). Ik heb het voordeel nog niet gehad om er een te ontmoeten, al ben ik er ongeveer
-acht schuldig op mijne rekening met pater Becchio. Ik heb grooten lust om met dezen
-een begin te maken, dat ware ten minste zooveel gewonnen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wees gewaarschuwd, om uw leven, picaro, die man hoort mij toe.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dan spreken wij er niet meer van,&#x201d; antwoordde Cuchares met een gesmoorden zucht;
-»ik laat hem voor u. Maar in allen geval het spijt mij, ofschoon de <span class="corr" id="xd30e1616" title="Bron: nina">niña</span> hem hartelijk schijnt te verfoeien.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hebt gij bewijs voor hetgeen gij daar zegt?&#x201d;
-</p>
-<p>»Is er beter bewijs dan de afkeer dien zij hem betoont als hij komt<span class="corr" id="xd30e1622" title="Niet in bron">,</span> ik heb haar bij deze gelegenheid zien verbleeken als een doek, zonder dat er eenige
-andere denkbare reden voor kon bestaan.&#x201d;
-</p>
-<p>»O! ik zou duizend oncen willen missen om te weten wat er van is?&#x201d;
-</p>
-<p>»Wie belet u dat? de heele wereld slaapt, niemand zal u zien: vijftien voet! hooger
-is het niet. Ik ben zeker dat Anita blijde zou zijn als zij eens met u kon praten.&#x201d;
-</p>
-<p>»O! als ik dat kon denken,&#x201d; mompelde hij aarzelend met een zijdelingschen blik naar
-het altijd verlichte venster.
-</p>
-<p>»Misschien! wie weet of zij niet op u wacht!&#x201d;
-</p>
-<p>»Zwijg, ellendeling.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat weêrga! luister toch; als het waar is wat ik heb hooren vertellen, moet het arme
-kind erg in de verknijping zitten, om er niet meer van te zeggen; zij heeft dringend
-hulp noodig.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat zegt men van haar? laat hooren, maar kort.&#x201d;
-</p>
-<p>»Eenvoudig dit: dat <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita de Torres <span class="corr" id="xd30e1637" title="Bron: van daag">vandaag</span> over acht dagen trouwen zal met den Engelschman don Gaëtano.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij liegt, deugniet,&#x201d; riep de Tigrero met kwalijk verholen woede; »als ik mij niet
-weêrhield, zou ik u met mijn ponjaard de woorden teruggeven die gij daar gesproken
-hebt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Daar zoudt gij verkeerd aan doen,&#x201d; hervatte de andere zonder zijne bedaardheid te
-verliezen; »ik ben slechts de echo, die herhaalt wat hij heeft hooren zeggen, meer
-niet. Gij zijt de eenigste in Guaymas die van dat nieuws niets weet. In allen geval
-is dat niet te verwonderen, daar gij eerst heden avond in de stad terug zijt gekomen
-na eene maand afwezigheid.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span></p>
-<p>»Dat is waar, wat dan gedaan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Caraï! naar goeden raad luisteren en doen wat ik u zeg.&#x201d;
-</p>
-<p>De Tigrero keek een geruime poos naar het venster, en liet het hoofd besluiteloos
-hangen.
-</p>
-<p>»Wat zal ze wel zeggen, als zij mij ziet?&#x201d; mompelde hij.
-</p>
-<p>»Caramba!&#x201d; riep de lepero op <span class="corr" id="xd30e1650" title="Bron: sarkastischen">sarcastischen</span> toon, »wat zij zal zeggen? Wees welkom, <span lang="es">alma mia</span> (beste vriend) dat is klaar, carai! Gij zijt toch geen kind, don Martial, om voor
-een vrouwenblik te beven? De gelegenheid heeft slechts drie haren, in de liefde zoowel
-als in den oorlog; men moet haar aangrijpen als zij zich voordoet, of men loopt gevaar
-dat zij nooit weêrkomt.&#x201d;
-</p>
-<p>De Mexicaan naderde den lepero tot hij hem bijna aanraakte, en staarde hem diep in
-de groene kattenoogen.
-</p>
-<p>»Cuchares,&#x201d; zeide hij met eene zware nadrukkelijke stem, »ik verlaat mij op u. Gij
-kent mij; ik heb u zoo menigmaal geholpen maar als gij nu mijn vertrouwen teleurstelt,
-dood ik u als een coyote.&#x201d;
-</p>
-<p>De Tigrero sprak deze woorden op zulk een toon van stille woede, dat de lepero, die
-zeer wel wist met welk een man hij te doen had, tegen wil en dank bleek werd en beefde
-als een riet.
-</p>
-<p>»Ik ben in alles tot uw dienst, don Martial,&#x201d; antwoordde hij met eene stem die hij
-vruchteloos poogde ferm te houden; »wat er ook gebeure, gij kunt op mij rekenen: wat
-moet ik voor u doen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Niets, wachten, opletten en bij het minste geluid dat u als onraad voorkomt of bij
-den eersten zweem van vijand dien gij in de duisternis ziet mij onmiddellijk waarschuwen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Reken op mij, doe uwe zaken; ik ben stom en doof, en zal gedurende uwe afwezigheid
-voor u waken als een zoon voor zijnen vader.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed!&#x201d; riep de Tigrero.
-</p>
-<p>Hij trad eenige stappen terug, maakte de reata los die om zijn middel geslagen was,
-hield haar in de rechterhand gereed, sloeg de oogen op, berekende den afstand en toen
-de reata eenige malen met kracht boven zijn hoofd slingerende wierp hij haar naar
-het balkon van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita.
-</p>
-<p>De strik hechtte zich aan een der ijzeren punten der balustrade en bleef stevig vast
-zitten.
-</p>
-<p>»Denk om uwe belofte!&#x201d; zei de Tigrero zich tot Cuchares wendende.
-</p>
-<p>»Ga uw gang,&#x201d; antwoordde deze terwijl hij tegen den muur aan de overzijde post vatte
-en de beenen over elkander kruiste, »ik sta borg voor alles.&#x201d;
-</p>
-<p>De Mexicaan nam genoegen of scheen althans genoegen te nemen met deze verzekering;
-hij greep de reata, en van zijne plaats opspringende als een van die <span class="corr" id="xd30e1674" title="Bron: panthers">panters</span> die hij zoo vaak had vervolgd in de savane, palmde hij zich met de vuisten naar boven
-en bereikte na eenige <span class="corr" id="xd30e1677" title="Bron: sekonden">seconden</span> het balkon.
-<span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span></p>
-<p>Hij stapte over de balustrade en naderde het venster.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita zat in halfliggende houding op haar armstoel te slapen.
-</p>
-<p>Het arme kind, bleek en ontdaan, de oogen door tranen gezwollen, was eindelijk overmeesterd
-door den slaap die zijne rechten op jeugdige en krachtvolle naturen nimmer verliest.
-Hare marmerbleeke wangen vertoonden nog de sporen der pas geweende tranen. Martial
-begluurde met verteederden blik zijne beminde, zonder haar te durven naderen. Zoo
-in haar slaap verrast, kwam het meisje hem bekoorlijker voor dan ooit, een aureool
-van reinheid en onschuld scheen te zweven boven haar hoofd, als om hare rust heilig
-en onschendbaar te bewaken.
-</p>
-<p>Na eene lange en onverzaadbare beschouwing, besloot de Tigrero eindelijk nader te
-treden.
-</p>
-<p>Het venster, dat slechts op een kier stond, daar Anita zeker niet gedacht had op die
-wijze in te slapen, week terug voor den minsten stoot van don Martial; hij deed nog
-een stap en stond in de slaapkamer van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita.
-</p>
-<p>De indruk van dit vertrek, waar alles zoo kalm, zoo maagdelijk rein en ordelijk was,
-boezemde den Tigrero een ongewoon gevoel van eerbied in, zijn hart klopte in zijne
-borst als of het zou barsten, en in zijne hartstochtelijke opwinding tusschen liefde
-en vrees waggelde hij voort en zonk op de knieën naast zijne beminde.
-</p>
-<p>Het meisje opende de oogen.
-</p>
-<p>»O!&#x201d; riep zij, toen zij don Martial zag, »Gode zij dank die u te mijner hulpe zendt.&#x201d;
-</p>
-<p>De Tigrero keek tot haar op, met vochtigen blik en hijgende borst.
-</p>
-<p>Maar plotseling rees Anita overeind, zij kwam tot bezinning en daarmede tot de schuchtere
-vrees die alle vrouwen is aangeboren.
-</p>
-<p>»Ga heen!&#x201d; riep zij terwijl zij zich in den versten hoek der kamer terugtrok, »ga
-heen, caballero. Hoe komt gij hier? wie heeft u bij mij ingeleid? Antwoord, antwoord
-mij dadelijk!&#x201d;
-</p>
-<p>De Tigrero boog deemoedig het hoofd.
-</p>
-<p>»God alleen heeft mij hier gebracht, <span class="corr" id="xd30e1704" title="Bron: senorita">señorita</span>,&#x201d; riep hij met een <span class="corr" id="xd30e1707" title="Bron: nauwlijks">nauwelijks</span> hoorbare stem, »zooals gij zelf hebt gezegd, <span class="corr" id="xd30e1710" title="Bron: senorita">señorita</span>. O! vergeef mij dat ik u aldus heb durven verrassen. Ik heb een groven misslag begaan,
-dat weet ik; maar een ongeluk bedreigt u, dat heb ik gevoeld en geraden; gij zijt
-alleen, zonder hulp en ik kwam hier om het u te zeggen; <span class="corr" id="xd30e1713" title="Bron: senorita">señorita</span>, ik ben wel zeer gering en zeer onwaard u te dienen, doch gij hebt een trouw en vastberaden
-hart noodig, dat bied ik u aan; neem mijn bloed, neem mijn leven, ik zou mij gelukkig
-achten voor u te mogen sterven. In &#x2019;s hemels naam, <span class="corr" id="xd30e1716" title="Bron: senorita">señorita</span>, in naam van al wat u lief is op de wereld! wijs mijn verzoek niet van de hand; mijn
-arm en mijn hart zijn tot uwe beschikking.&#x201d;
-</p>
-<p>Deze woorden werden met eene door hartstocht bewogen stem uitgesproken, <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>terwijl don Martial midden in de kamer geknield lag, met de handen gevouwen en de
-oogen op <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita gericht, met een smachtenden blik, waarin zijne gansche ziel zich uitdrukte.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita keek den jongman wederkeerig strak aan, als om zich van zijne oprechte bedoeling
-te verzekeren, en zonder het hoofd af te wenden naderde zij hem langzaam, aarzelend
-en bevend, tegen wil en dank. Toen zij dicht bij hem kwam stond zij een oogenblik
-besluiteloos, maar legde hem eindelijk hare kleine blanke hand op de schouders en
-bracht haar gelaat zoo dicht bij het zijne dat hij haar frisschen adem op zijn voorhoofd
-voelde en hare geparfumeerde lokken zijne wangen streelden.
-</p>
-<p>»Gij bemint mij dus, don Martial?&#x201d; vroeg zij met een welluidende stem.
-</p>
-<p>»O!&#x201d; prevelde de jongman schier tot waanzinnigheid verliefd door deze zoete gewaarwording.
-</p>
-<p>De Mexicaansche boog zich over den Tigrero en raakte met hare rozenlippen zijn klam
-voorhoofd.
-</p>
-<p>»Welaan,&#x201d; zeide zij, oogenblikkelijk terugspringende als eene verschrikte hinde, terwijl
-een purperen blos hare wangen kleurde uit schaamte over den stap dien zij had gewaagd,
-»nu moogt gij mij verdedigen, don Martial, want voor God, die ons ziet en hoort, ben
-ik uwe vrouw.&#x201d;
-</p>
-<p>De Tigrero vloog op als geëlectriseerd door dezen gloeienden kus. Met een fier voorhoofd
-en tintelenden blik, sloot hij het meisje in zijne armen, leidde haar in een hoek
-van de kamer naar een zilveren statuet van de heilige Maagd, voor hetwelk eene welriekende
-lamp brandde.
-</p>
-<p>»Kniel, <span class="corr" id="xd30e1737" title="Bron: senora">señora</span>!&#x201d; zeide hij met bezielde stem terwijl hij zelf de knie reeds boog.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita gehoorzaamde.
-</p>
-<p>»Heilige Mater dolorosa!&#x201d; hervatte don Martial, »<i lang="es">Nuestra <span class="corr" id="xd30e1748" title="Bron: Senora">Señora</span> de la Soledad</i>, troosteres der bedroefden. Gij die de harten beproeft, gij ziet de reinheid onzer
-wenschen en de heiligheid onzer liefde. In uwe tegenwoordigheid neem ik <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita de Torres tot vrouwe. Ik zweer haar te zullen verdedigen en beschermen tegen
-en voor allen, met mijn goed en leven in den strijd dien ik heden aanga voor het heil
-van haar die ik bemin en die ik van heden af beschouw als mijne echte en deugdelijke
-bruid.&#x201d;
-</p>
-<p>Na deze gelofte met eene duidelijke en krachtvolle stem te hebben uitgesproken, wendde
-de Tigrero zich naar het meisje.
-</p>
-<p>»Nu is het uwe beurt, <span class="corr" id="xd30e1759" title="Bron: senorita">señorita</span>,&#x201d; zeide hij.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita vouwde de handen en sloeg de oogen vol tranen op naar het heilige beeld.
-</p>
-<p>»<span lang="es">Nuestra <span class="corr" id="xd30e1770" title="Bron: Senora">Señora</span> de la Soledad</span>,&#x201d; stamelde zij met eene diepe, door aandoening geschokte stem, »gij, mijne eenige
-beschermster van den dag mijner geboorte af, gij weet of ik u getrouw was, ik zweer
-dat <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>alles wat deze man heeft gezegd waarheid is; ik neem hem tot echtgenoot voor u, en
-zal nooit een anderen nemen.&#x201d;
-</p>
-<p>Zij stonden op.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita trok den Tigrero naar het balkon.
-</p>
-<p>»Vertrek!&#x201d; zeide zij, »de vrouw van don Martial moet niet verdacht worden: vertrek,
-mijn echtgenoot en mijn broeder; de man aan wien men mij wil overleveren heet de graaf
-de Lhorailles. Morgen eer de zon opgaat, gaan wij waarschijnlijk op reis naar zijne
-hacienda.&#x201d;
-</p>
-<p>»En hij?&#x201d;
-</p>
-<p>»Is dezen nacht reeds vertrokken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarheen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat weet ik niet?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zal hem dooden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Tot weerziens, don Martial, tot weerziens!&#x201d;
-</p>
-<p>»Tot weerziens! <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita, houd moed, ik waak over u.&#x201d;
-</p>
-<p>En na haar een kus op het voorhoofd te hebben gedrukt, stapte hij over de balustrade,
-greep de reata en liet zich in de straat afglijden.
-</p>
-<p>»Helaas! helaas!&#x201d; murmelde zij met een gesmoorden zucht, »wat heb ik gedaan! &#x2026; Heilige
-Maagd, gij alleen kunt mij den moed wedergeven die mij ontzinkt!&#x201d;
-</p>
-<p>Zij liet het gordijn neder dat voor het venster hing en keerde terug om voor het Madonnabeeld
-te knielen, maar deinsde oogenblikkelijk achterwaarts met een uitroep van schrik.
-</p>
-<p>Op twee passen afstand stond don Sylva de Torres met gefronste wenkbrauwen en een
-streng gelaat.
-</p>
-<p>»<span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita, mijne dochter,&#x201d; zeide hij met een langzame, hortende stem, »ik heb alles gezien
-en gehoord; spaar dus, verzoek ik u, eene nuttelooze ontkenning.&#x201d;
-</p>
-<p>»Vader!.&#x2026;&#x201d; stamelde het arme kind met een gebroken stem.
-</p>
-<p>»Zwijg!&#x201d; hervatte don Sylva, »het is thans drie ure. Wij vertrekken met zonsopgang,
-en binnen veertien dagen wordt gij de vrouw van den graaf don Gaëtano de Lhorailles.&#x201d;
-</p>
-<p>Zonder er verder een woord bij te voegen stapte hij langzaam de kamer uit en sloot
-de deur achter zich toe.
-</p>
-<p>Alleen achtergebleven, stond <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita in gebogen houding bij de deur als om te luisteren, zij wierp een verwilderden
-blik om zich heen, deed eenige wankelende stappen voorwaarts, sloeg de beide handen
-krampachtig naar de benauwde toegeschroefde keel, gaf een verscheurenden gil en stortte
-op den vloer neder.
-</p>
-<p>Zij lag in onmacht.
-<span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e1607">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1607src">1</a></span> Gemeenzame term onder het volk in Mexico, voor omhalsbrengen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1607src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6877">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VII.</h2>
-<h2 class="main">EEN TWEEGEVECHT.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het was omtrent acht ure des avonds toen de graaf de Lhorailles de woning van don
-Sylva de Torres verliet. De feria de Plata was toen in haar vollen luister: de straten
-van Guaymas waren met eene vroolijk woelende menigte bedekt: aan alle kanten verhief
-zich het gejuich, gezang en gelach; stapels goud blonken op de monté-tafels, en verspreidden
-hun geelachtigen verleidelijken gloed in het heldere schijnsel der talrijke aan alle
-deuren en vensters schitterende lichten; hier en daar hoorde men de <i lang="es">vihuelas</i> en <i lang="es">jarabes</i> strijken en tokkelen uit de met drinkers en dansers opgevulde pulquerias. De graaf
-werkte zich met schouders en ellebogen zoo snel mogelijk door de dichte groepen die
-hem ieder oogenblik den doortocht versperden; maar zijn pas gehouden gesprek met don
-Sylva had hem in een te gelukkige luim gebracht dan dat hij er aan zou gedacht hebben
-om boos te worden over de tallooze stooten die hij ieder oogenblik ontving.
-</p>
-<p>Eindelijk, na ontelbare moeielijkheden en met verlies van dubbel ja driemaal zooveel
-tijd als hij onder andere omstandigheden noodig zou hebben gehad, gelukte het hem
-tegen tien uren des avonds zijn logement te bereiken.
-</p>
-<p>Hij had bijna een uur noodig gehad om ongeveer zes honderd passen ver te gaan.
-</p>
-<p>In de meson komende, ging de graaf onmiddellijk naar de corral om zijn paard te verzorgen,
-dat hij twee schoven alfalfa (spurrie) gaf; na vervolgens te hebben last gegeven dat
-men hem ten een ure wekken zou, zoo hij, dat wel niet waarschijnlijk was, nog niet
-op mocht zijn, begaf hij zich naar zijn <i>cuarto</i> (kamer) ten einde eenige uren rust te nemen.
-</p>
-<p>De graaf was voornemens ten een ure des morgens te vertrekken, om de hitte van den
-dag te vermijden en meer op zijn gemak te reizen.
-</p>
-<p>Bovendien, na zijn gewichtig onderhoud met don Sylva, verlangde de edele avonturier
-zeer om alleen te zijn, ten einde nog eens het geluk te overdenken dat hem in den
-afgeloopen avond was te beurt gevallen en zulk eene schoone toekomst beloofde.
-</p>
-<p>Sedert zijne komst in Amerika had de graaf de Lhorailles&#x2014;om hier een gemeenzame uitdrukking
-te bezigen&#x2014;met ongehoord geluk gespeeld; alles liep hem mede, alles kwam zijne wenschen
-en plannen te gemoet; binnen weinige maanden stond de balans van zijn fortuin als
-volgt: het bezit van eene kolonie, onder de gunstigste vooruitzichten gegrondvest
-en bereid, op den weg van vooruitgang en bloei; daarbij in het volle genot zijner
-nationaliteit, met volkomen vrijheid van handelen, onafhankelijk en meester van alle
-partijen, was hij in dienst bij het Mexicaansch gouvernement, als kapitein <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>eener vrij-kompagnie van honderd vijftig man, hem geheel toegedaan en met wier behulp
-hij alles, zelfs de buitensporigste ondernemingen, zoo al niet uitvoeren dan ten minste
-wagen kon; ten slotte op het punt van te huwen met de eenige dochter van een man,
-die zooveel hij kon nagaan twintig maal millionair moest zijn, en wat de zaak zeker
-niet erger maakte, zijne aanstaande bruid was eene allerbekoorlijkste vrouw: ziedaar
-in korte trekken de stand van zijn tegenwoordig fortuin.
-</p>
-<p>Ongelukkig of gelukkig, al naar het oogpunt waaruit de lezer verkiest onzen held te
-bezien, had de voorspoedige man geen gevoel of hart meer voor iets: <i>geblaseerd</i> door de bedwelmende buitensporigheden van het leven in Parijs, klopte zijn boezem
-niet meer onder de afwisselingen van vreugde, droefheid of vrees; alles in hem was
-gestorven. Zoo was hij juist de man om te slagen in het land waar het toeval hem geworpen
-had. In den grooten levensstrijd door hem in Amerika begonnen, had hij een groot voordeel
-op zijne mededingers, namelijk dat hij zich nooit door zijne hartstochten liet regeeren
-en, dank zijne onverstoorbare koelbloedigheid, in staat was om telkens de strikken
-te verijdelen die gedurig voor zijne voeten gespannen werden en waarover hij wist
-te triomfeeren zonder dat hij het zelf scheen te gevoelen.
-</p>
-<p>Na het boven gezegde zal het niet noodig zijn er bij te voegen dat hij de vrouw wier
-hand hij zocht, niet beminde; was zij jong en schoon, zooveel te beter; maar al ware
-zij oud en leelijk geweest, zou hij haar toch genomen hebben. Wat kon het hem schelen?
-hij zocht in dit huwelijk niets anders dan eene schitterende en benijdenswaardige
-partij.
-</p>
-<p>Kortom, bij den graaf de Lhorailles was alles berekening.
-</p>
-<p>Maar neen, wij vergissen ons in een enkel opzicht, de graaf de Lhorailles had ééne
-zwakke zijde, hij was eerzuchtig.
-</p>
-<p>Deze drift, een der hevigste roerselen die het menschelijk hart in beweging brengen,
-was misschien het eenige dat den graaf aan de maatschappij verbond.
-</p>
-<p>Die eerzucht was bij hem, vooral sedert de laatste maanden, tot zulk eene hoogte ontwikkeld
-dat hij er alles voor zou hebben opgeofferd.
-</p>
-<p>Maar wat was nu het doel van zijne eerzucht? wat was de eigenlijke droom zijner toekomst?
-</p>
-<p>Deze vraag zullen wij den lezer later waarschijnlijk tot in de kleinste bijzonderheden
-kunnen beantwoorden.
-</p>
-<p>De graaf, na zich ontkleed te hebben, ging naar bed, dat wil zeggen, wikkelde zich
-in zijn zarape en strekte zich op de brits, of liever het raam met lederen overtrek,
-dat in gansch Mexico dienen moet om onze bedden te vervangen, een meubel dat in Europa
-geheel onbekend is.
-</p>
-<p>Nauwelijks was hij gaan liggen of hij sliep in met de gerustheid <span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>van een ijverig werkzaam man, voor wien ieder uur kostbaar is en die, daar hij slechts
-over weinige oogenblikken te beschikken heeft, zich haast om ze waar te nemen en slaapt,
-zoo als de Spanjaarden zeggen: <i lang="es">a pierna suelta</i>, hetgeen wij zouden kunnen vertalen door slapen »met gesloten vuisten.&#x201d;
-</p>
-<p>Ten één ure des morgens, gelijk hij zich beloofd had, werd de graaf wakker, hij stak
-de eenige <i lang="es">cebo</i> aan die hem tot verlichting diende, bracht zijn toilet een weinig in orde, bekeek
-met zorg zijne pistolen en zijne karabijn, voelde of zijn zwaard wel vlug uit de scheede
-ging, en na de verdere voor iederen reiziger die op zijne veiligheid bedacht is onvermijdelijke
-voorzorgen, opende hij de deur der cuarto en begaf zich regelrecht naar de corral.
-</p>
-<p>Zijn paard vrat nog volmondig en lustig zijn laatste hapje spurrie; de graaf gaf het
-een maat haver toe, die het met een zacht gehinnik genoot; vervolgens legde hij zijn
-viervoetigen vriend den zadel op.
-</p>
-<p>In Mexico zal geen echt ruiter, tot welke klasse <span class="corr" id="xd30e1867" title="Bron: de">der</span> maatschappij hij ook behoort, ooit aan anderen toevertrouwen om zijn paard te verzorgen,
-want in deze nog half wilde streken van Mexico hangt het lijfsbehoud van den ruiter
-grootendeels af van de kracht en vlugheid van zijn paard.
-</p>
-<p>De deur der herberg stond slechts op de klink, om den reizigers vrijheid te laten
-van komen of gaan naar verkiezing, zonder iemand anders in huis te verontrusten.
-</p>
-<p>De graaf stak een <span class="corr" id="xd30e1874" title="Bron: cigaar">sigaar</span> op, steeg in den zadel en reed in gestrekten draf den weg op van Guaymas naar de
-Rancho.
-</p>
-<p>Niets is aangenamer dan het reizen in Mexico bij nacht of in den vroegen morgen. De
-aarde, door de nachtelijke koelte met overvloedigen dauw besproeid, wasemt er de verkwikkendste
-en welriekendste geuren, wier heilzame invloed aan het lichaam al zijne kracht en
-aan den geest al zijne helderheid geeft.
-</p>
-<p>De maan, die weldra onder zou gaan, verlengde met haar bijna horizontaal invallend
-licht de schaduw der hier en daar langs den weg staande boomen, en gaf hun in de nachtelijke
-duisternis het aanzien van spoken.
-</p>
-<p>De donkerblauwe hemel was met een talloos heir van tintelende sterren bezaaid, te
-midden waarvan het Zuidelijk Kruis, aan hetwelk de Indianen den naam van Poron Chayké
-hebben gegeven, schitterde met onverdoofbaren glans. De wind schuifelde zacht door
-de takken, tusschen welke de blauwe nachtuil nu en dan zijn melodisch maar klagend
-gezang hooren liet, en waarmede zich in de diepten der wildernis het ernstig gebrul
-van puma en cougouar, of het hortend gemauw van <span class="corr" id="xd30e1881" title="Bron: panther">panter</span> en boschkat vermengde, of het schorre geblaf der op buit loerende coyotes.
-</p>
-<p>Bij zijn vertrek van Guaymas had de graaf zijn paard sterk aangezet, maar in weerwil
-van zich zelven, door den onweerstaanbaren <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>indruk van dezen verrukkelijken herfstnacht medegesleept, vertraagde hij ongemerkt
-den pas van zijn paard en gaf zich van lieverlede over aan den vollen stroom der gedachten,
-die gedurig in zijn brein opkwamen en hem weldra deden zinken in zoete mijmeringen.
-</p>
-<p>De afstammeling van een oud en hooghartig Fransch geslacht, hier in de woestijn alleen,
-liet in zijn geest den verdwenen luister van zijn sedert lang verduisterden naam voorbijgaan
-en zijn hart zwol van vreugd en van trots bij de gedachte, dat voor hem wellicht de
-taak was weggelegd, om, zoo niet den roem zijner voorzaten te herstellen, ten minste
-ditmaal voor altijd het fortuin zijner familie te vestigen, dat hij tot hiertoe zoozeer
-veronachtzaamd, althans zoo slecht had weten te bewaren.
-</p>
-<p>De grond, dien hij nu betrad, moest hem honderdvoudig teruggeven wat hij zoo dwaselijk
-verloren en verkwist had; het oogenblik was gekomen, waarop hij eindelijk vrij van
-alle banden de plannen zijner toekomst zou verwezenlijken, die hij zoo lang in zijn
-hoofd had ontworpen.
-</p>
-<p>Zoo reed hij stapvoets voort, midden in de wildernis en zoodanig in zijne eigene beschouwingen
-verdiept, dat hij geen acht sloeg op hetgeen er rondom hem gebeurde.
-</p>
-<p>De sterren aan den hemel begonnen te verbleeken en de een na de ander te verdwijnen.
-De dageraad teekende reeds een witte streep aan den uitersten horizont, die zich van
-lieverlede kleurde met roodachtige tinten; met de aannadering van den dag, werd de
-lucht koeler en frisscher, terwijl de graaf door het koude gevoel van den rijkelijk
-gevallen dauw der woestijn zoo te zeggen uit zijne sluimering gewekt, huiverend de
-plooien van zijn zarape om zijne schouders trok en zijn paard op nieuw in galop zette,
-met een verstoorden blik op den veranderden hemel en een wreveligen uitroep:
-</p>
-<p>»O! ik zal slagen, in weerwil van alles!&#x201d;
-</p>
-<p>Verwaten uitdaging, op welke de hemel onmiddellijk scheen te willen antwoorden.
-</p>
-<p>Ofschoon de dag op het punt stond van aan te breken, was het alsof juist daarom de
-nacht, in zijne worsteling met de ochtendschemering, des te duisterder wilde worden,
-gelijk dit trouwens na het ondergaan der volle maan meermalen gebeurt, gedurende de
-weinige minuten die de verschijning der zon voorafgingen.
-</p>
-<p>De eerste huizen der rancho van San José begonnen zich reeds in de verte te vertoonen
-en hunne witte gevels in den dikken morgennevel op te steken, toen de graaf op eens
-kort achter zich op de keien van den weg den haastigen hoefslag van verscheidene paarden
-hoorde klinken, of althans meende te hooren weergalmen.
-</p>
-<p>In Amerika, bij nacht en op een eenzamen weg, is de ontmoeting van menschen altijd,
-of ten minste bijna altijd een teeken van dreigend gevaar.
-</p>
-<p>De graaf bleef staan om te luisteren, het geluid naderde snel.
-<span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span></p>
-<p>De Franschman was dapper, dit had hij bij menige gelegenheid getoond; intusschen gevoelde
-hij weinig lust om ergens op weg onverhoeds overvallen en wellicht jammerlijk vermoord
-te worden.
-</p>
-<p>Hij keek in het rond, om zich te vergewissen hoeveel kans er was om zich te redden,
-in geval de aankomende ruiters vijanden mochten zijn.
-</p>
-<p>Het terrein was geheel kaal en effen, geen enkele boom, of kuil, of heuvel achter
-welke hij zich zou kunnen verschansen.
-</p>
-<p>Op twee honderd passen afstands verhieven zich, zooals wij reeds gezegd hebben, de
-eerste huizen der Rancho.
-</p>
-<p>De graaf nam dadelijk zijn besluit. Hij gaf zijn paard de sporen en reed in vliegenden
-galop in de richting van San José.
-</p>
-<p>Het bleek weldra dat de vreemdelingen zijn voornemen hadden geraden, want ook zij
-versnelden den gang hunner paarden merkelijk.
-</p>
-<p>Zoo verliepen een paar minuten, terwijl het gedruisch van den galop al meer en meer
-duidelijk werd.
-</p>
-<p>De Franschman begreep dus dat het op hem gemunt was, en dat de vreemde ruiters, wie
-zij ook wezen mochten, hem zochten in te halen.
-</p>
-<p>Hij wierp een blik achterwaarts, en bemerkte in de donkere verte twee schaduwen, die
-recht op hem aanhielden en in onbeteugelde vaart naderden.
-</p>
-<p>Intusschen had de graaf de Rancho bereikt; door de nabijheid der huizen gerustgesteld
-en niet gaarne voor een wellicht ingebeeld gevaar willende vluchten, wendde hij zijn
-paard plotseling om en posteerde zich dwars in de straat met een pistool in iedere
-hand.
-</p>
-<p>De vreemdelingen renden aan met onverpoosde snelheid; weldra waren zij geen twintig
-passen meer van den graaf verwijderd.
-</p>
-<p>»Wie daar?&#x201d; riep hij met een luide en ferme stem.
-</p>
-<p>De onbekenden antwoordden niet, maar schenen nog harder door te zetten.
-</p>
-<p>»Wie daar?&#x201d; herhaalde de graaf, »houdt op, of ik schiet.&#x201d;
-</p>
-<p>Hij sprak dit op zulk een beslisten toon en met een zoo onverschrokken houding, dat
-de onbekenden, na een oogenblik aarzelens bleven staan.
-</p>
-<p>Zij waren met hun beiden.
-</p>
-<p>De dag, die meer en meer begon aan te breken, veroorloofde den graaf hen volkomen
-te onderscheiden. Zij waren gekleed als Mexicanen, maar vreemd voor dit land, waar
-de bandieten zich weinig bekommeren hun gelaat te vertoonen, waren zij gemaskerd.
-</p>
-<p>»Heila! bazen,&#x201d; riep de graaf, »wat beduidt die hardnekkige vervolging?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is waarschijnlijk omdat wij u gaarne wilden inhalen,&#x201d; antwoordde eene holle stem
-<span class="corr" id="xd30e1923" title="Bron: sarkastisch">sarcastisch</span>.
-</p>
-<p>»Hebt gij het dan op mij gemunt?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, zoo gij de vreemdeling zijt die zich de graaf de Lhorailles noemt.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span></p>
-<p>»Juist; ik ben de graaf de Lhorailles,&#x201d; zeide hij onverschrokken.
-</p>
-<p>»Goed, dan hebben wij elkander een woordje te zeggen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Daar heb ik niets tegen, al moet ik uit uw voorkomen opmaken dat gij bandieten zijt;
-zoo het u misschien om mijn beurs te doen is, neemt die en gaat uws weegs, ik heb
-niet veel tijd.&#x201d;
-</p>
-<p>»Uw beurs moogt gij behouden, caballero: het is uw leven, niet uw geld dat wij u willen
-ontnemen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ah zoo! dat is hier dan eene aanranding vooraf en een moord daarna?&#x201d;
-</p>
-<p>»Niet geraden: wij stellen u een eerlijken strijd voor.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hm! een eerlijken strijd,&#x201d; riep de graaf, »van twee tegen een, dat is mijns inziens
-toch wel een weinig ongelijk.&#x201d;
-</p>
-<p>»Daarin zoudt gij gelijk hebben, wanneer het zoo was,&#x201d; antwoordde degene die tot dusver
-het woord had gedaan, »maar mijn kameraad is hier alleen om het gevecht aan te zien,
-niet om er deel aan te nemen.&#x201d;
-</p>
-<p>De graaf bedacht zich een oogenblik.
-</p>
-<p>»Pardi!&#x201d; riep hij ten slotte, »het is wel een raar avontuur! een duël in Mexico en
-met een Mexicaan!.&#x2026;. dat is tot hiertoe nog nooit gezien.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is waar, caballero, maar er is een begin voor alles.&#x201d;
-</p>
-<p>»Al scherts genoeg; ik heb er niets tegen om te strijden en hoop u te bewijzen dat
-ik wel durf; maar eer ik uw voorstel aanneem, zou ik gaarne weten waarom gij mij noodzaakt
-met u te vechten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Waartoe zou dat dienen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Waartoe zou dat dienen? Caspita! omdat ik het weten wil. Gij begrijpt wel, dat ik
-hier mijn tijd niet kan verspillen met al de slechthoofden den hals te breken die
-mij op weg ontmoeten en goedvinden om zich met mij te meten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Laat het u dan voldoende zijn te weten dat ik u haat.&#x201d;
-</p>
-<p>»Caramba! daar was ik genoegzaam zeker van, maar dewijl gij er op staat om uw aangezicht
-voor mij te bedekken, zou ik u toch gaarne eenmaal willen herkennen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Al woorden genoeg,&#x201d; hervatte de onbekende, »de tijd vliegt heen; wij hebben reeds
-veel te lang geredekaveld.&#x201d;
-</p>
-<p>»Welnu, meester, als het er zoo mede gelegen is, houd u dan gereed ik zeg u vooruit,
-dat ik voornemens ben op u beiden te schieten: een Franschman is niet verlegen om
-twee Mexicaansche bandieten het hoofd te bieden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo als gij goedvindt,&#x201d;
-</p>
-<p>»Voorwaarts!&#x201d;
-</p>
-<p>»Voorwaarts!&#x201d;
-</p>
-<p>De drie ruiters spoorden hunne paarden en reden op elkander in; toen zij elkander
-ontmoetten schoten zij hunne pistolen op elkander af, daarop trokken zij hunne sabels.
-</p>
-<p>De strijd was kort, maar hevig; een der onbekenden, licht gewond, <span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>werd door zijn paard weggevoerd en verdween in een wolk van stof. De graaf, even door
-een kogel geraakt, voelde zijn woede ten top gestegen en verdubbelde zijne pogingen
-om zijn vijand meester te worden of althans buiten gevecht te stellen; maar hij had
-met een moeielijken tegenstander te doen, een man van verbazende behendigheid en in
-kracht ten minste met hem gelijk.
-</p>
-<p>Hij zag zijne oogen als gloeiende kolen schitteren door de gaten van zijn masker,
-terwijl hij met ongelooflijke snelheid om hem heen reed en zijn paard de stoutste
-sprongen en wendingen deed maken, hem gedurig aanvallende, nu met de spits en dan
-met het scherp van zijn sabel, en tegelijk zorg dragende dat hij buiten het bereik
-der slagen van zijn tegenpartij bleef.
-</p>
-<p>De graaf verspilde tegen zijn onvermoeiden vijand zijn kracht te vergeefs; zijne bewegingen
-begonnen aan vaardigheid en juistheid te verliezen, zijn gezicht werd beneveld, het
-zweet gudste van zijne slapen. De aanvallen zijner stilzwijgende tegenpartij daarentegen
-werden des te sneller; de uitslag van den strijd was niet meer te betwijfelen, toen
-de Franschman plotseling een strik op zijne schouders voelde, en eer hij er aan dacht
-om er zich van te ontdoen, zoo onzacht uit den zadel gerukt en op den grond werd geworpen,
-dat hij bijna bewusteloos bleef liggen, zonder zich te kunnen bewegen.
-</p>
-<p>Den tweeden onbekende was het, na een dollen rit van eenige minuten, eindelijk gelukt
-zijn paard weder meester te worden; en toen met allen spoed naar de plaats van het
-gevecht terug gereden, zonder dat de twee verbitterde kampioenen door de hitte des
-strijds zijne tegenwoordigheid opmerkten, had hij het noodig geoordeeld den strijd
-te doen eindigen en zijn reata nemende had hij den graaf gelasseerd.
-</p>
-<p>Zoodra de onbekende zijn vijand zag vallen, steeg hij van zijn paard en liep naar
-hem toe.
-</p>
-<p>Zijne eerste zorg was den Franschman van den strik te bevrijden, die hem bijna worgde,
-vervolgens poogde hij hem weer tot bewustzijn te brengen, hetgeen niet veel tijd vorderde.
-</p>
-<p>»Ha!&#x201d; riep de graaf met een bitteren glimlach, terwijl hij opstond en de armen op
-de borst kruiste, »durft gij dat een eerlijken strijd noemen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij alleen hebt de schuld van hetgeen er gebeurd is,&#x201d; antwoordde de andere, »daar
-gij mijne voorstellen niet hebt willen aannemen.&#x201d;
-</p>
-<p>De Franschman verwaardigde zich niet hierover te redeneeren, hij vergenoegde zich
-met verachtelijk de schouders op te halen.
-</p>
-<p>»Uw leven heb ik gewonnen,&#x201d; vervolgde zijn weerpartij.
-</p>
-<p>»Ja, door een schelmstuk; maar wat kan het mij schelen! vermoord mij en maak er een
-eind aan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik wil u niet dooden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat wilt gij dan?&#x201d;
-</p>
-<p>»U een raad geven.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span></p>
-<p>»Mij?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, u.&#x201d;
-</p>
-<p>De graaf grinnikte.
-</p>
-<p>»Gij zijt een gek, waarde heer.&#x201d;
-</p>
-<p>»Niet zoo erg als gij denkt. Luister aandachtig naar hetgeen ik u te zeggen heb.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo ik hopen mocht daardoor des te eerder van uwe tegenwoordigheid ontslagen te worden,
-zou ik het doen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoor dan, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> conde de Lhorailles, uwe komst hier te lande heeft twee personen in &#x2019;t ongeluk gestort.&#x201d;
-</p>
-<p>»Loop heen, gij houdt mij voor den gek.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik spreek in vollen ernst. Don Sylva de Torres heeft u de hand zijner dochter beloofd.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat gaat u dat aan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Antwoord.&#x201d;
-</p>
-<p>»Het is zoo, waarom zoude ik het loochenen?&#x201d;
-</p>
-<p>»<span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita bemint u niet.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoe kunt gij dat weten?&#x201d; riep de graaf met een schamperen lach.
-</p>
-<p>»Ik weet het, en ik weet bovendien dat zij een ander bemint.&#x201d;
-</p>
-<p>»Welnu en wat nog meer?&#x201d;
-</p>
-<p>»En dat die andere haar bemint.&#x201d;
-</p>
-<p>»Des te gekker voor hem, want ik zal haar nooit afstaan, dat zweer ik u.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij hebt ongelijk, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> conde, gij zult haar afstaan, of gij sterft.&#x201d;
-</p>
-<p>»Het een zoo min als het ander!&#x201d; riep de onstuimige Franschman, die thans van zijn
-val geheel hersteld was. »Ik herzeg u dat ik Anita zal huwen. Bemint zij mij niet,
-hetgeen ik echter betwijfel, welnu dat is een ongeluk; ik hoop dat zij later te mijnen
-opzichte wel van meening zal veranderen; ik wil dat huwelijk, en niemand is in staat
-het te verhinderen.&#x201d;
-</p>
-<p>De gemaskerde had hem met de hevigste ontroering aangehoord, zijne oogen fonkelden
-van woede, hij stampvoette van spijt; het gelukte hem echter zijn gevoel te overmeesteren
-en hij antwoordde met eene kalme en bedaarde stem:
-</p>
-<p>»Zie wel toe wat gij doet, caballero; ik heb gezworen u te waarschuwen, en ik waarschuw
-u eerlijk en trouw, de Hemel geve dat mijne woorden in uw hart weerklank vinden en
-dat gij den raad volgen zult dien ik u geef!.&#x2026; De eerste keer dat het lot ons weer
-bij elkander brengt, moet een van ons beiden sterven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zal de noodige voorzorgen nemen, wees daar gerust op; intusschen doet gij verkeerd
-dat gij de tegenwoordige gelegenheid niet waarneemt om mij te dooden; want die zult
-gij nooit terug vinden.&#x201d;
-</p>
-<p>De twee gemaskerden waren weder te paard gestegen.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p067width"><img src="images/p067.jpg" alt="«Graaf de Lhorailles,» zei de eene, «wees op uw hoede.» Bladz. 67." width="490" height="720"><p class="figureHead">«Graaf de Lhorailles,» zei de eene, <span class="corr" id="xd30e2016" title="Niet in bron">«</span>wees op uw hoede.<span class="corr" id="xd30e2018" title="Niet in bron">»</span> Bladz. 67.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>»Graaf de Lhorailles,&#x201d; zei de eene, zich nogmaals tot den Franschman wendende, »wees
-op uwe hoede, ik heb op u een groot voordeel; <span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span>ik ken u en gij kent mij niet, het zal mij dus altijd gemakkelijk zijn u te bereiken,
-als ik dat wil. Wij Mexicanen zijn van Indiaansch en Spaansch bloed, wij zijn vurig
-in het haten, wees gewaarschuwd!&#x201d;
-</p>
-<p>Na eene beleefde buiging voor den graaf barstte hij los in een spotachtigen schaterlach,
-gaf zijn paard de sporen en vertrok in duizelingwekkende vaart, gevolgd door zijn
-zwijgenden kameraad.
-</p>
-<p>De graaf oogde hem na met een peinzenden blik tot zij in de schemering verdwenen waren;
-hij schudde eenige malen het hoofd als of hij er de sombere gedachten wilde wegschudden
-die hem tegen wil en dank bestormden; toen raapte hij zijn sabel en hier en daar verstrooide
-pistolen op, nam zijn paard bij den teugel en stapte langzaam naar de pulqueria in
-welker nabijheid de strijd was voorgevallen.
-</p>
-<p>Het licht dat door de slecht gevoegde planken der deur scheen en het gezang en gelach,
-dat hij daar binnen hoorde deden hem veronderstellen, dat hij in de herberg nog wel
-een tijdelijk nachtverblijf zou vinden.
-</p>
-<p>»Hm!&#x201d; mompelde hij half overluid terwijl hij voorttrad, »de bandiet heeft gelijk,
-hij kent mij, en ik zal hem onmogelijk weer kunnen vinden. Vive Dios! daar heb ik
-mij een mooien haat op den hals gehaald! Bah!&#x201d; vervolgde hij, »wat geef ik er om!
-Ik was al te gelukkig, ik had een vijand noodig. Bij mijn ziel! laat men doen wat
-men wil, al zou de duivel zelf tegen mij samenspannen, zweer ik, dat niets mij bewegen
-zal de hand van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita af te staan,&#x201d;
-</p>
-<p>Op dit oogenblik bevond hij zich voor de pulqueria, waar hij op de deur klopte.
-</p>
-<p>Van nature niet zeer geduldig en bovendien vergramd door hetgeen hem overkomen was
-en door den vreeselijken kamp dien hij had moeten verduren, was de graaf op het punt
-van zijne bedreiging uit te voeren en de deur aan spaanders te breken toen zij eindelijk
-geopend werd.
-</p>
-<p>»<span lang="es">Valge me dios?</span>&#x201d; riep hij verbolgen, »laat gij de menschen voor uw huis vermoorden zonder hun te
-hulp te komen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo!&#x201d; riep de pulquero levendig met zekere nieuwsgierigheid, »is er iemand vermoord?&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen, Goddank!&#x201d; hervatte de graaf, »maar het scheelde weinig, of ik was dood.&#x201d;
-</p>
-<p>»O!&#x201d; riep de pulquero onverschillig, »als men zich wilde storen aan allen die bij
-nacht om hulp roepen, dan zou men de handen vol hebben, en daarbij, als de politie
-er achter komt, heeft men er maar last van.&#x201d;
-</p>
-<p>De graaf haalde de schouders op en trad binnen, met zijn paard aan den toom achter
-zich; terwijl de deur onmiddellijk gesloten werd.
-</p>
-<p>De graaf de Lhorailles wist nog niet dat al wie in Mexico een lijk opneemt, of zich
-tegen den moordenaar civiele partij stelt, verplicht <span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span>is om de kosten van het gerecht, die soms enorm hoog loopen te betalen, en ten slotte
-toch geen verhaal of recht voor het slachtoffer kan krijgen.
-</p>
-<p>Men is in geheel Mexico hiervan zoo vast overtuigd, dat als er een manslag plaats
-heeft, iedereen zich uit de voeten maakt zonder het slachtoffer hulp te verlenen,
-daar dit, ingeval er de dood op volgt, voor hem die er zich mede bemoeid heeft de
-grootste onaangenaamheden veroorzaakt.
-</p>
-<p>In Sonora doet men nog erger, zoodra er een oploop is, en een doode valt, sluit iedereen
-zijne deur.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6886">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VIII.</h2>
-<h2 class="main">HET VERTREK.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Zoo als don Sylva de Torres aan zijne dochter gezegd had, was tegen zonsopgang alles
-gereed om te vertrekken.
-</p>
-<p>In Mexico en bovenal in Sonora, waar de wegen gewoonlijk het beste zijn, als zij ten
-eenenmale ontbreken, gaat het reizen geheel anders dan in Europa.
-</p>
-<p>Daar zijn geen openbare vracht- of postdiensten, geen pleisterplaatsen of paardenposterijen,
-veel min spoorwegen. Eene reis van eenige dagen kost oneindig veel zorg en beweging,
-men is dan verplicht alles bij zich te hebben, daar men niet zeker is iets onder weg
-te zullen vinden: bedden, tenten, levensmiddelen en water wel het meest; alles moet
-op muilezels gepakt en weggesleept worden; zonder deze voorzorgen, zou men gevaar
-loopen van honger of dorst om te komen of onder den blooten hemel te moeten overnachten.
-</p>
-<p>Daarbij moet men zich van een aanzienlijk, goed gewapend geleide voorzien, om den
-aanval van wilde beesten niet slechts, maar ook der Indianen en vooral der struikroovers
-af te weren, daar het dank zij de regeeringloosheid van dat ongelukkige land op alle
-wegen van Mexico van wemelt.
-</p>
-<p>Diensvolgens zal de lezer gemakkelijk begrijpen, dat don Sylva reikhalzend verlangde
-om Guaymas zoodra mogelijk te verlaten, toen, zoo als wij gezegd hebben, in den vroegen
-morgen alles voor zijn vertrek gereed was.
-</p>
-<p>De opene plaats voor het huis had veel van eene groote pleisterplaats; vijftien muildieren
-met pakken en balen beladen stonden te wachten tot dat men gereed was met de palankijn,
-in welke <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita de reis mede zou maken.
-</p>
-<p>Een veertigtal paarden, getuigd en gezadeld, met het vliegennet over den neus, en
-pistolen in de holsters, stonden in ringen aan den muur vastgemaakt, en een enkele
-peon afzonderlijk met een heerlijken, <span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span>kostbaar getuigden draver aan de hand, die voor don Sylva bestemd, ongeduldig stond
-te wuiven en te stampvoeten, knabbelende op het zilveren gebit, dat met schuim overdekt
-was.
-</p>
-<p>Kortom het was om doof te worden van al het geschreeuw, gelach en gedruisch.
-</p>
-<p>In de straat stond eene menigte volks te gapen, waaronder zich ook Cuchares en don
-Martial bevonden, die van hun toer naar de Rancho teruggekomen, met nieuwsgierigheid
-dit vertrek gadesloegen, daar zij niets van begrepen in dit vergevorderde jaargetij,
-zoo weinig geschikt voor een verblijf op het land, en zich verdiepten in allerlei
-gissingen die kant noch wal raakten, over deze zoo geheel buitengewone reis.
-</p>
-<p>Onder den hoop hier, hetzij toevallig of uit nieuwsgierigheid samengevloeid, bevond
-zich een man, blijkbaar een Indiaan, die schijnbaar achteloos tegen den muur geleund,
-evenwel het huis van don Sylva niet uit het oog verloor en met de meeste belangstelling
-al de bewegingen der talrijke bedienden van den haciendero gadesloeg.
-</p>
-<p>Deze persoon, nog jong, scheen een zoogenaamde Hiaqui-Indiaan, ofschoon een nauwlettend
-opmerker bij nader onderzoek het tegendeel zou gezegd hebben; in het breede voorhoofd
-van den man, zoowel als in zijn moeielijk te bedwingen fonkelend oog, en in den fieren
-mond, maar vooral in zijne forsche ledematen, die naar het model van den Griekschen
-Hercules schenen gevormd te zijn, was iets edels, vastberadens en onafhankelijks,
-dat veeleer den trotschen Comanch of den woesten Apache aanduidde, dan den meestal
-dommen Hiaqui. Onder de talrijke schaar dacht echter niemand zich met dezen Indiaan
-bezig te houden, die van zijnen kant wel zorg droeg de aandacht niet te trekken, maar
-zich zooveel mogelijk te verbergen.
-</p>
-<p>De Hiaquis komen zich gewoonlijk te Guaymas als werklieden of als lastdragers verhuren:
-daarom heeft de tegenwoordigheid van zulk een Indiaan niets vreemds.
-</p>
-<p>Eindelijk, tegen acht uren in den morgen, verscheen don Sylva de Torres met zijne
-dochter aan de hand, gekleed in een keurig reisgewaad, onder de peristyle van het
-huis.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita was zoo bleek als kwam zij uit het graf; haar betrokken gelaat en gezwollen
-oogen bewezen maar al te zeer, hoeveel zij dien nacht geleden en welk een zelfbedwang
-zij op dit oogenblik noodig had, om niet voor aller oog in tranen uit te breken. Bij
-hare verschijning wisselden don Martial en Cuchares een snellen blik, terwijl op de
-lippen van den Indiaan een glimlach trilde van onbeschrijfelijke uitdrukking.
-</p>
-<p>De tegenwoordigheid van den haciendero herstelde als met een tooverslag de stilte;
-de <i lang="es">arrieros</i> plaatsten zich terstond aan het hoofd hunner muildieren; de peons, tot aan de tanden
-gewapend, stegen in den zadel en don Sylva, na zich met een oogopslag verzekerd te
-<span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>hebben dat zijne bevelen stipt waren uitgevoerd, liet zijne dochter in de palankijn
-stappen, waar zij zich terstond in de kussens verborg als een <i>bengali</i><a class="noteRef" id="xd30e2089src" href="#xd30e2089">1</a> in een bed van rozeblaren.
-</p>
-<p>Op een wenk van den haciendero, begonnen de muilezels, kop aan staart achter elkander
-gebonden, achter de <i lang="es">nana</i> of moederezelin, die de bel aanhad, en onder geleide der peons, het huis uit te komen.
-</p>
-<p>Alvorens te paard te stijgen wendde don Sylva zich tot een zijner oudste bedienden,
-die met den stroohoed in de hand eerbiedig voor hem stond.
-</p>
-<p>»Adieu, no Pelucho,&#x201d; zeide hij, »ik vertrouw u het huis toe, houd goed de wacht en
-draag zorg voor al wat er in is. Overigens laat ik u Pedrito en Florentio, die u kunnen
-helpen en aan wie gij de noodige orders zult geven, zoodat alles gedurende mijne afwezigheid
-goed gaat.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij kunt volkomen gerust zijn, <span lang="es">mi amo</span> (meester),&#x201d; antwoordde de grijsaard met een nederige buiging voor zijn meester, »het
-is Goddank niet voor het eerst dat gij mij hier alleen laat, ik geloof dat ik mij
-altijd goed van mijn plicht gekweten heb.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij zijt een goed dienaar, no Pelucho,&#x201d; antwoordde don Sylva met een vriendelijken
-lach, »ik kan u niet anders dan prijzen, ook ga ik ten volle gerust van hier.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat God u zegene! <span lang="es">mi amo</span>, even als de <span class="corr" id="xd30e2111" title="Bron: Nina">Niña</span>,&#x201d; antwoordde de oude man, een kruis makende.
-</p>
-<p>»Tot weêrziens, no Pelucho,&#x201d; zei nu het meisje terwijl zij even het hoofd uit de palankijn
-stak, »ik weet dat gij zorgen zult voor al wat van mij is.&#x201d;
-</p>
-<p>De grijsaard boog, zichtbaar vergenoegd.
-</p>
-<p>Don Sylva gaf bevel om te vertrekken en de gansche karavaan zette zich in beweging
-naar de Rancho de San José. Het was een van die heerlijke ochtenden zooals men alleen
-in deze rijk gezegende streken vindt; het onweder gedurende den afgeloopen nacht had
-den hemel geheel schoon geveegd, die zich thans voordeed in een zacht blauw; de zon,
-die reeds vrij hoog boven den gezichteinder stond, verspreidde hare warme stralen,
-min of meer getemperd door de welriekende dampen die uit den grond opstegen; de atmospheer
-met frissche en versterkende geuren bezwangerd, was bijzonder doorzichtig en werd
-van tijd tot tijd door eene lichte koelte verfrischt; gansche scharen van vogels,
-van duizenderlei kleur en pluimaadje vlogen in alle richtingen, en de muildieren die
-achter de bellen der <i lang="es">nana madrina</i>&#x2014;de moederezelin&#x2014;aankwamen, draafden luchtig voort, onder het opwekkend gezang der
-arrieros.
-</p>
-<p>Zoo marcheerde de karavaan in opgeruimde stemming over de zandige <span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span>vlakte, wolken van stof opjagende, terwijl zij als eene lange kronkelende slang zich
-voortbewoog in de eindelooze bochten van den weg.
-</p>
-<p>Eene voorhoede uit tien peons bestaande nam de omstreken op en bespiedde hier en daar
-de struiken en heuvels van het golvende terrein. Don Sylva rookte eene <span class="corr" id="xd30e2127" title="Bron: cigaar">sigaar</span> en praatte met zijne dochter, terwijl eene achterhoede van twintig kloeke peons den
-trein sloot en voor de veiligheid van het convooi waakte.
-</p>
-<p>Wij herhalen hier, in dit land waar geen politie en bij gevolg geen openbaar toezicht
-bestaat, is eene reis van vier mijlen&#x2014;want verder ligt de Rancho de San José niet
-van Guaymas&#x2014;een even ernstige en zorgvereischende zaak als eene reis van honderd mijlen
-elders; de vijanden die men zou kunnen ontmoeten en met welke men ieder oogenblik
-te doen kan krijgen, hetzij roofzieke Indianen of verscheurende dieren, zijn te talrijk,
-te stoutmoedig en te tuk op roof en moord om te hunnen aanzien zijn leven alleen aan
-de vlugheid van zijn paard toe te vertrouwen.
-</p>
-<p>Men had Guaymas reeds ver achter zich, en de witte huizen waren sinds lang in de oneffenheden
-van het terrein verdwenen, toen de <i lang="es">capataz</i>, die zich tot hiertoe rustig aan het hoofd der karavaan had gehouden, op eens van
-daar terugkwam en in galop naar de palankijn reed, waar don Sylva de Torres zich nog
-steeds bevond.
-</p>
-<p>»Wel, Blas,&#x201d; riep deze, »wat nieuws hebt gij? Onraad gezien voor ons uit?&#x201d;
-</p>
-<p>»Nog niets, <span class="corr" id="xd30e2139" title="Bron: senoria">señoria</span>, antwoordde de capataz, »alles gaat goed en binnen een uurtje komen wij aan de Rancho.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoe komt gij dan zoo haastig naar mij toe?&#x201d;
-</p>
-<p>»O, mijn hemel, <span class="corr" id="xd30e2146" title="Bron: senoria">señoria</span>, het beteekent niet zoo veel, maar er loopt mij een idee door het hoofd, er is iets
-dat ik wilde aanwijzen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ah zoo,&#x201d; riep don Sylva, »wat, brave jongen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Kijk eens, <span class="corr" id="xd30e2152" title="Bron: senoria">señoria</span>,&#x201d; hervatte de capataz met de hand naar het zuidwesten wijzende.
-</p>
-<p>»Hé! wat zou dat beduiden? Daar is een vuur, als ik het wel heb.&#x201d;
-</p>
-<p>»&#x2019;t Is inderdaad een vuur, <span class="corr" id="xd30e2158" title="Bron: senoria">señoria</span>; maar kijk eens hier,&#x201d; en hij wees nu naar het zuid-oosten.
-</p>
-<p>»Dat is er nog een. Wie duivel toch stookt hier vuur op zulke hooge steilten, met
-welk oogmerk kan men dat gedaan hebben?&#x201d;
-</p>
-<p>»O! maar dat is zoo moeielijk niet te begrijpen, <span class="corr" id="xd30e2164" title="Bron: senoria">señoria</span>.&#x201d;
-</p>
-<p>»Vindt gij dat, mijn jongen? wel, dan moest gij mij de zaak eens ophelderen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Met alle genoegen. Zie daar ginds,&#x201d; zeide hij, met de hand naar den berg wijzende
-daar hij het eerste vuur gezien had, »die heuvel is de <span lang="es">Cerro del Gigante</span>.&#x201d;
-</p>
-<p>»Werkelijk.&#x201d;
-</p>
-<p>»En deze,&#x201d; vervolgde de capataz naar het tweede vuur wijzende, »is de Cerro de San
-Xavier.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span></p>
-<p>»Dat meen ik ook.&#x201d;
-</p>
-<p>»ik weet het zeker.&#x201d;
-</p>
-<p>»Welnu?&#x201d;
-</p>
-<p>»Welnu, daar het eene bewezen waarheid is, dat een vuur niet van zelve kan ontstaan
-en dat bij eene hitte van veertig graden niemand lust zal hebben om voor aardigheid
-een vuur boven op den berg te gaan stoken.&#x2026;.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat besluit gij er dan uit?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik denk dat die vuren hetzij door roovers of door Indianen zijn aangelegd die de
-lucht hebben van onzen uittocht.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, ja, ja! wat gij daar zegt, is bondig geredeneerd, vriend; ga voort met uw verklaring,
-zij wekt mijne hoogste belangstelling.&#x201d;
-</p>
-<p>De capataz of majordomo van don Sylva, was een kloeke borst van omtrent veertig jaren,
-een vent als een Herkules, en met hart en ziel aan zijn meester gehecht die wederkeerig
-in hem het grootste vertrouwen stelde. Op de minzame woorden van den haciendero boog
-de eerlijke man met een glimlach van zelfvoldoening.
-</p>
-<p>»O, maar ik heb zooveel niet meer te zeggen&#x201d; riep hij, »niets anders dan dat de <span lang="es">ladrones</span> (dieven), of wie het ook wezen mogen die op ons loeren, door dit signaal gewaarschuwd
-zijn dat don Sylva de Torres en zijne dochter van Guaymas op weg zijn naar de Rancho
-de San José.&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarlijk, gij hebt gelijk, ik heb dat alles over het hoofd gezien: ik dacht het minst
-niet aan de roofvogels van allerlei soort die op ons pad loeren. Maar alles wel ingezien,
-wat geven wij er om of de bandieten ons op de hielen zitten, wij zijn immers onder
-duizend getuigen op reis gegaan, zoo dat niemand er onkundig van behoeft te zijn,
-en bovendien wij zijn talrijk genoeg om voor geen aanranding te vreezen, maar zoo
-het mocht gebeuren dat eenige dier schelmen ons durven aanvallen, carcaras! dan zullen
-ze weten met wien ze te doen hebben, dat beloof ik u; trekken wij dus onbezorgd voort,
-beste vriend; ik zie niet in dat ons iets onaangenaams kan overkomen.&#x201d;
-</p>
-<p>De capataz boog voor zijn meester en reed in galop naar zijne plaats aan het hoofd
-der karavaan terug.
-</p>
-<p>Een uur later bereikten zij zonder tegenspoed de Rancho.
-</p>
-<p>Don Sylva reed aan het rechter portier der palankijn en sprak tegen zijne dochter
-die hem slechts karige antwoorden gaf, al trachtte zij hare droefheid zoo veel mogelijk
-voor den scherpzienden blik van haren vader te verbergen, toen de haciendero zich
-op eens bij herhaling hoorde roepen: hij keek dadelijk om en was niet weinig verbaasd,
-daar hij in den man die hem zoo onverwachts tot verantwoording riep den graaf de Lhorailles
-herkende.
-</p>
-<p>»Hoe, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> graaf, gij hier!&#x201d; riep hij uit, »door welk zonderling toeval ontmoet ik u hier zoo
-dicht bij de haven, daar gij dezen nacht mij reeds zoover vooruit had moeten zijn?&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span></p>
-<p>Zoodra <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita den graaf zag kreeg zij een blos, zij trok zich schielijk terug en liet de
-gordijnen der palankijn neer.
-</p>
-<p>»O!&#x201d; antwoordde de graaf met eene beleefde buiging, »tusschen nu en gisteren avond
-zijn er zekere dingen gebeurd die ik u vertellen zal, Don Sylva, dingen daar gij verwonderd
-van zult opkijken, ik verzeker u; maar het tegenwoordig oogenblik is niet geschikt
-om zulk eene historie te beginnen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zooals gij gepast oordeelt, mijn vriend. Maar hoe is &#x2019;t met u, vertrekt gij, of blijft
-gij hier?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik vertrek, ik vertrek! Ik ben alleen hier gebleven met oogmerk om u op te wachten;
-en zoo gij het goedvindt reizen wij samen; in plaats van u naar Guetzalli vooruit
-te gaan, komen wij er dan gezamenlijk aan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Met alle genoegen. Op marsch!&#x201d; vervolgde hij met een wenk tegen den capataz.
-</p>
-<p>Laatstgenoemde had toen hij zijn meester met den graaf zag spreken, de karavaan halt
-laten maken. Thans trok zij weder op weg.
-</p>
-<p>De Rancho de San José was weldra achter den rug en nu eerst begon de eigenlijk gezegde
-reis.
-</p>
-<p>Voor de reizigers uit strekte zich de woestijn met hare onafzienbare zandvlakte, op
-wier geelachtigen bodem eene bochtige lijn, gevormd door het wit gebleekt gebeente
-der paarden en muildieren, die in de woestijn waren bezweken, het pad aanwees dat
-men te volgen had om niet te verdwalen.
-</p>
-<p>Omtrent twee honderd passen voor de karavaan uit, reed op een kreupelen ezel in sukkeldraf
-een man, hij zwaaide telkens links en rechts, en scheen half in slaap geraakt door
-de brandende zonnestralen die loodrecht op zijn bloot hoofd vielen.
-</p>
-<p>»Hei! Blas!&#x201d; riep don Sylva tegen zijn majordomo, toen hij den eenzamen ruiter in
-&#x2019;t oog kreeg, »gij moest dien Indiaan daar voor ons uit eens gaan roepen; die weergasche
-Roodhuiden kennen de woestijn op hun duim, hij zou ons als gids kunnen dienen; dan
-loopen wij minder gevaar van verdwalen, want als wij ons soms mochten vergissen, zal
-hij ons zeker wel weder op den rechten weg brengen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij hebt gelijk,&#x201d; zei de graaf, »in deze verduivelde zandvlakte is men nooit zeker
-van het rechte spoor.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ga hem roepen!&#x201d; hervatte don Sylva.
-</p>
-<p>De capataz zette zijn paard in galop. Op eenigen afstand van den eenzamen reiziger
-gekomen bracht hij de handen aan zijn mond bij wijze van roeper:
-</p>
-<p>»Heila, José!&#x201d; schreeuwde hij.
-</p>
-<p>In Mexico heeten al de mansos of geciviliseerde Indianen José, zoodat deze naam voor
-hen een soort van geslachtsnaam is geworden.
-</p>
-<p>De Indiaan keek om.
-<span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span></p>
-<p>»Wat moet gij hebben?&#x201d; vroeg hij onverschillig.
-</p>
-<p>Het was dezelfde persoon dien wij te Guaymas met zoo veel aandacht de reisaanstalten
-van den haciendero hebben zien beschouwen.
-</p>
-<p>Was hij toevallig dezen weg uitgereden, of met opzet?
-</p>
-<p>Dit is eene vraag die niemand had kunnen beantwoorden.
-</p>
-<p>Blas Velazquez was wat men in Mexico een <i lang="es">hombre de a caballo</i>, wij zouden zeggen een geboren ridder, noemt, sedert lang op de hoogte van al de
-listen der Indianen, zoowel als met de jacht op wilde dieren. Hij wierp den reiziger
-een doordringenden blik toe, dien deze met volmaakte onverschilligheid doorstond.
-Het hoofd eenigszins verlegen gebukt, de handen op den hals van zijn ezel en de naakte
-beenen er links en rechts af hangende, was hij de volslagen type van een <i>manso</i> Indiaan, die door de vernederende en slaafsche behandeling der blanken bijna tot
-een redeloos dier is geworden.
-</p>
-<p>De capataz schudde onvoldaan het hoofd, zijn onderzoek was alles behalve naar wensch;
-intusschen, na eene minuut aarzelens, hervatte hij zijn verhoor.
-</p>
-<p>»Wat maakt gij hier zoo alleen op den weg, José?&#x201d; vroeg hij.
-</p>
-<p>»Ik kom van del Puerto, waar ik mij als timmermansknecht had verhuurd; ik ben er omtrent
-eene maand gebleven, en toen ik er de kleine som daar het mij alleen om te doen was
-had overgewonnen, ben ik gisteren weder vertrokken en keer naar mijn dorp terug.&#x201d;
-</p>
-<p>Dit alles klonk zoo waarschijnlijk als men verlangen kon; de meeste Hiaqui Indianen
-deden zoo; en bovendien, wat reden kon deze man hebben om te liegen? Hij was alleen,
-en ongewapend; de karavaan daarentegen was talrijk en bestond uit dappere mannen;
-er was dus geen het minste gevaar te vreezen.
-</p>
-<p>»En hebt gij braaf geld gewonnen?&#x201d; hervatte de capataz.
-</p>
-<p>»Ja,&#x201d; zei de Indiaan met een zegevierend gezicht, »vijf piasters en nog drie meer.&#x201d;
-</p>
-<p>»Oho! José, gij zijt rijk.&#x201d;
-</p>
-<p>De Hiaqui glimlachte dubbelzinnig.
-</p>
-<p>»Ja,&#x201d; zeide hij, »de Tiburon<a class="noteRef" id="xd30e2247src" href="#xd30e2247">2</a> heeft geld.&#x201d;
-</p>
-<p>»Heet gij de Tiburon?&#x201d; hernam de capataz wantrouwig, »dat is geen mooie naam.&#x201d;
-</p>
-<p>»He! waarom niet? De bleekgezichten hebben dien aan hun rooden zoon gegeven, hij vindt
-hem mooi, omdat hij van hen afkomstig is en hij zal hem houden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ligt uw dorp nog ver van hier?&#x201d;
-</p>
-<p>»Als ik een goed paard had, zou ik er in drie dagen kunnen zijn, mijn stamdorp ligt
-tusschen de Gila en Guetzalli.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zijt gij bekend te Guetzalli?&#x201d;
-</p>
-<p>De Indiaan trok minachtend de schouders op.
-</p>
-<p>»De Roodhuiden kennen al de jachtgronden aan de Gila,&#x201d; zeide hij.
-<span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span></p>
-<p>Op dit oogenblik had de karavaan de beide sprekers ingehaald.
-</p>
-<p>»Wel, Blas,&#x201d; vroeg don Sylva, »wat is dat voor een man?&#x201d;
-</p>
-<p>»Een Hiaqui-Indiaan, die eene kleine som geld te Puerto heeft overgewonnen en naar
-zijn dorp terugkeert.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zou hij ons van dienst kunnen zijn?
-</p>
-<p>»Ik denk het wel, zijn stam, zegt hij, ligt tusschen de Gila en de kolonie te Guetzalli.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ah zoo!&#x201d; riep de graaf die thans naderbij kwam, »behoort hij dan misschien tot den
-stam van het Witte Paard?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja,&#x201d; zei de Indiaan.
-</p>
-<p>»O! dan sta ik borg voor den man,&#x201d; riep de graaf levendig, »dat zijn zeer zachtzinnige
-Indianen, het zijn ellendige arme drommels, die bijna van honger sterven; ik gebruik
-hen dikwijls op de hacienda.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoor eens,&#x201d; hervatte don Sylva, den Roodhuid vriendelijk op den schouder kloppende,
-<span class="corr" id="xd30e2271" title="Niet in bron">»</span>wij moeten naar Guetzalli.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed.&#x201d;
-</p>
-<p>»En wij hebben een trouwen en eerlijken gids noodig.&#x201d;
-</p>
-<p>»De Tiburon is arm, hij heeft niets dan een zwakken ezel, zoodat hij de bleekgezichten
-niet zal kunnen bijhouden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maak u daar niet ongerust over,&#x201d; liet er de haciendero op volgen; »ik zal u een paard
-laten geven zoo als gij er nog nooit een bereden hebt; en als gij ons eerlijk dient,
-zal ik bij onze komst aan de hacienda nog tien piasters voegen bij die gij reeds hebt.
-Bevalt u dat?&#x201d;
-</p>
-<p>De oogen van den Indiaan schitterden van begeerlijkheid bij dit voorstel.
-</p>
-<p>»Waar is het paard?&#x201d; vroeg hij.
-</p>
-<p>»Daar is het,&#x201d; antwoordde de capataz terwijl hij hem een heerlijken draver aanwees
-die een der peons hem bracht.
-</p>
-<p>De Roodhuid beschouwde het paard met het oog van een kenner.
-</p>
-<p>»Gij aanvaardt dus den koop?&#x201d; vroeg de haciendero.
-</p>
-<p>»Ja,&#x201d; antwoordde de Roodhuid.
-</p>
-<p>»Kom dan maar gezwind van uw ezel en wij vertrekken dadelijk.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik kan mijn ezel niet verlaten; hij is een goed dier, dat mij lang dienst heeft gedaan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wees daar niet bezorgd over, hij komt met de pakezels achteraan.&#x201d;
-</p>
-<p>De Indiaan gaf een wenk van toestemming en antwoordde niets; eenige oogenblikken daarna
-zat hij behoorlijk op zijn paard en ging de karavaan weder op weg.
-</p>
-<p>Alleen de capataz scheen niet veel vertrouwen te stellen in den zoo zonderling aangetroffen
-gids.
-</p>
-<p>»Ik zal hem in het oog houden,&#x201d; mompelde hij in zich zelven.
-</p>
-<p>De tocht werd dien ganschen dag zonder verdere stoornis voortgezet, en den volgenden
-dag bereikte men de Rio Gila.
-<span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span></p>
-<p>De oevers der Rio Gila maken door hunne vruchtbaarheid een sterk contrast met de dorre
-vlakten in hare nabijheid; de reis van don Sylva, ofschoon hervat op het oogenblik
-toen de zon in het toppunt stond en hare stralen loodrecht nederschoot, was nu niets
-anders dan een aangename wandelrit van weinige uren, onder de schaduw van het loofrijkst
-geboomte dat hier met een in ons klimaat onbekenden wasdom opschiet.
-</p>
-<p>Het was ongeveer drie uren in den namiddag toen onze reizigers nauwelijks vijftig
-passen voor zich uit de kolonie Guetzalli zagen liggen, welke door den graaf de Lhorailles
-gesticht en ofschoon nog geen drie jaren tellende, reeds eene aanzienlijke uitbreiding
-had bekomen en tot in hooge mate ontwikkeld was.
-</p>
-<p>Deze kolonie bestond uit eene hacienda of landhoeve, rondom welke de arbeiderswoningen
-in groepen verspreid lagen; wij zullen haar in weinige woorden beschrijven.
-</p>
-<p>De hacienda verhief zich op een schiereiland van drie mijlen in den omtrek, met bosschen,
-akkers en weidevelden, in welke laatsten meer dan vier duizend stuks vee vrijelijk
-liepen grazen, die des avonds in parken dicht bij het huis werden samengebracht. Aan
-drie zijden door de rivier omgeven, diende deze haar als een natuurlijke schans; de
-smalle landtong van nauwelijks acht ellen breedte, die haar met het vaste land verbond,
-werd bestreken door eene batterij van vijf stukken grof geschut, behoorlijk gedekt
-door aardewerken en versterkt door eene diepe met water gevulde gracht.
-</p>
-<p>Het heerenhuis, door hooge gecreneleerde muren omringd en aan de vier hoeken met torens
-versterkt, was een soort van vesting, op zich zelf reeds voldoende in staat om een
-geregeld beleg te verduren, dank zij de acht kanonnen op de vier hoektorens, die al
-de toegangen verdedigden. Het bestond uit een hoofdgebouw, twee verdiepingen hoog
-en met een plat dak; in den voorgevel waren tien vensters, en links en rechts stonden
-twee andere gebouwen met den rug naar voren gekeerd; het een dienende tot bergplaats
-voor granen en hooi en het ander tot woonhuis voor den capataz of hofmeester en de
-talrijke bedienden der hacienda.
-</p>
-<p>Eene breede stoep, voorzien van eene dubbele ijzeren balie, sierlijk bewerkt en bekroond
-met eene veranda, geleidde naar de vertrekken van den graaf, die op de wijze der landhoeven
-in <span class="corr" id="xd30e2301" title="Bron: Spaansch Amerika">Spaansch-Amerika</span> even eenvoudig als smaakvol en schilderachtig waren gemeubeld.
-</p>
-<p>Tusschen het woonhuis en den ringmuur, waarin tegenover de stoep een cederhouten deur
-was van vijf duim dik en met sterke ijzeren platen beslagen, lag een groote welonderhouden
-Engelsche tuin zeer fraai aangelegd en zoo dicht beplant dat men geen tien passen
-er doorheen kon zien. De ruimte achter het huis was voor stallen en parken bestemd,
-waar men iederen avond het vee in opsloot, en verder eene groote open plaats, waar
-men op zekeren <span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span>tijd des jaars gewoon was de <i lang="es">matanza del ganado</i>&#x2014;de slacht voor den wintervoorraad te houden.
-</p>
-<p>Geen schilderachtiger gezicht laat zich denken dan de aanblik van dit witte huis,
-dat men reeds in de verte kon zien liggen, half verscholen achter de welige bosschages
-als achter een gordijn van groen daar het oog met welgevallen op bleef rusten.
-</p>
-<p>Uit de vensters der bovenverdieping had men aan de eene zijde het onbelemmerde uitzicht
-over de ruime vlakte en aan de andere over de Rio Gila, die als een breed zilver lint
-in de grilligste bochten voortkronkelde en zich in onafzienbare verte verloor in het
-nevelig verschiet van den blauwenden horizont.
-</p>
-<p>Sedert de Apachen bijna op het punt waren geweest van de hacienda te bemachtigen,
-was er op het dak van het hoofdgebouw een mirador of wachttoren geplaatst, in welken
-nacht en dag een schildwacht op den uitkijk stond om de omstreken te bewaken, en dadelijk
-door middel van een koehoorn moest waarschuwen als hij een vreemdeling de kolonie
-zag naderen.
-</p>
-<p>Bovendien werd de batterij aan de landengte door een post van zes man bewaakt, terwijl
-de kanonnen altijd geladen stonden om bij den minsten onraad los te branden.
-</p>
-<p>Zoo was de karavaan nog ver van de hacienda verwijderd, toen hare komst aldaar werd
-opgemerkt en een der luitenants van den graaf, een oud soldaat uit Afrika met name
-Martin Leroux, volgens order, te paard achter de verschansing zich gereed hield om
-de nieuw aankomenden te ondervragen zoodra zij onder het bereik zijner stem zouden
-zijn.
-</p>
-<p>Don Sylva was intusschen met de wachtorde der hacienda ten volle bekend, eene dienstregeling
-trouwens die op alle buitenbezittingen der blanken gevolgd werd; want op de posten
-aan de grenzen, waar men voor de aanvallen en strooptochten der Indianen onophoudelijk
-blootstond, was men wel genoodzaakt om gedurig op zijne hoede te zijn.
-</p>
-<p>Eén ding echter begreep de Mexicaan niet recht, namelijk dat de eigen luitenant van
-den graaf, die hem ongetwijfeld moest hebben herkend, hem niet dadelijk de deuren
-had geopend.
-</p>
-<p>Hij deed dit terstond aan den graaf opmerken.
-</p>
-<p>»Daar zou hij verkeerd aan hebben gedaan,&#x201d; zeide deze, »de kolonie Guetzalli is een
-gewapende post en altoos in staat van oorlog; de wachtorde moet dus stipt gevolgd
-worden voor ieder die zich aanmeldt, wie dan ook; van deze stipte waarneming hangt
-het algemeen welzijn af. Martin heeft mij reeds lang herkend, dat weet ik zeker, maar
-hij vooronderstelt dat ik door de Indianen gevangen zou kunnen zijn, en dat zij mij
-in schijn vrij lieten, om de kolonie des te beter te kunnen overrompelen. Ik verzeker
-u, dat mijn brave luitenant ons niet door zal laten, alvorens hij overtuigd is dat
-er onder onze Europeesche kleederen geen Roodhuiden schuilen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja,&#x201d; mompelde don Sylva in zich zelven, »dat is maar al te <span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>juist; die Europeanen denken om alles, zij zijn ons ver vooruit.&#x201d;
-</p>
-<p>De karavaan was thans nauwelijks twintig passen ver van de hacienda.
-</p>
-<p>»Ik geloof&#x201d; zeide de graaf, »als wij ten minste geen hagelbui van kogels op het lijf
-willen krijgen, dat wij wijs zullen doen van hier stil te houden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoe dat!&#x201d; riep don Sylva verschrikt, »zouden zij schieten?&#x201d;
-</p>
-<p>»Zonder twijfel.&#x201d;
-</p>
-<p>De beide mannen hielden hunne paarden in en bleven staan wachten tot men hen ondervroeg.
-</p>
-<p>»Wiedaar!&#x201d; riep eene krachtvolle stem in &#x2019;t Fransch van achter de batterij.
-</p>
-<p>»Wel, wat vindt gij er nu van, don Sylva?&#x201d; vroeg hij den haciendero.
-</p>
-<p>»&#x2019;t Is iets ongehoords?&#x201d; mompelde don Sylva.
-</p>
-<p>»Vrienden!&#x201d; riep nu de graaf in antwoord op de vraag van den schildwacht, »Lhorailles
-en de vrijheid.&#x201d;
-</p>
-<p>»Alles wel! De poort open!&#x201d; kommandeerde de stem, »het zijn vrienden, zoo als ik hoop
-dat de Hemel ons nog dikwijls zenden zal.&#x201d;
-</p>
-<p>De peons lieten de brug neêr, de eenige toegang om in de hacienda te komen.
-</p>
-<p>De karavaan trok nu binnen, en de brug werd onmiddellijk achter hem weder opgehaald.
-</p>
-<p>»Gij zult het mij niet kwalijk nemen, kapitein,&#x201d; zeide Martin Leroux terwijl hij den
-graaf eerbiedig te gemoet trad, »maar ofschoon ik u zeer goed herkende, wij leven
-in een land waar men mijns bedunkens niet te voorzichtig kan zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij hebt uw plicht gedaan, luitenant, ik kan u niet anders dan geluk wenschen. Wat
-is er voor nieuws?&#x201d;
-</p>
-<p>»Niet veel bijzonders: een troep jagers, door mij in de wildernis gevonden, heeft
-mij bericht dat zij een verlaten vuur op de vlakte hebben ontdekt; ik denk dat er
-weer Indianen om ons heen zwerven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wij zullen een wakend oog op hen houden.&#x201d;
-</p>
-<p>»O, ik houd goed de wacht, vooral tegenwoordig nu wij de maand naderen die de Comanchen
-zoo brutaal zijn de Maan van Mexico te noemen; ik zou er niets tegen hebben als zij
-eens bij ons kwamen, om hun een les te kunnen geven die zij in &#x2019;t vervolg konden onthouden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik ben het volkomen met u eens; verdubbelen wij dus onze waakzaamheid en alles zal
-wel gaan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hebt gij mij geen andere orders te geven<span class="corr" id="xd30e2347" title="Bron: .">?</span>&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dan wil ik gaan, kapitein; gij weet dat gij mij het algemeen toezicht hebt opgedragen,
-ik moet dus een weinig overal zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ga, luitenant, laat ik u niet langer ophouden.&#x201d;
-</p>
-<p>De oude soldaat boog voor zijn kommandant en verwijderde zich, terwijl hij onder de
-hand den capataz minzaam groette, die hem volgde met de peons van don Sylva en de
-pakezels.
-<span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span></p>
-<p>De graaf zelf geleidde zijne vrienden naar dat gedeelte van het hoofdgebouw, dat voor
-de vreemde gasten bestemd was, en waar een appartement met alle noodige gemakken voor
-hen was ingericht.
-</p>
-<p>»Neem nu een weinig rust, don Sylva,&#x201d; zeide hij tegen den haciendero, »gij zult wel
-vermoeid zijn van de reis zoo wel als <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita; morgen met uw goedvinden, spreken wij wel over onze zaken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo als gij verlangt, vriend.&#x201d;
-</p>
-<p>De graaf boog voor zijne gasten. Sedert hij het meisje ontmoet had was er nog geen
-woord tusschen hem en haar gewisseld.
-</p>
-<p>Op het voorplein ontmoette de graaf den Hiaqui, die een pijp rookte en op zijn gemak
-rondslenterde; hij trad naar hem toe.
-</p>
-<p>»Ziedaar de tien piasters die ik u beloofd heb,&#x201d; zeide hij.
-</p>
-<p>»Dank u,&#x201d; zeide de Indiaan terwijl hij ze aannam.
-</p>
-<p>»Wat gaat gij nu doen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Rusten tot morgen, en dan keer ik tot mijne broeders terug.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hebt gij zoo veel haast hen weder te zien?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik! o neen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Blijf dan hier.&#x201d;
-</p>
-<p>»Om wat te doen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat zal ik u zeggen: misschien zal ik u binnen een paar dagen noodig hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>»Krijg ik daar geld voor?&#x201d;
-</p>
-<p>»Volop; zijt gij nu tevreden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dus blijft gij?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, ik blijf.&#x201d;
-</p>
-<p>De graaf verwijderde zich, zonder den vreemden blik op te merken dien de Indiaan hem
-toewierp.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e2089">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2089src">1</a></span> Bengaalsche vink.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2089src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2247">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2247src">2</a></span> De haas.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2247src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6895">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">IX.</h2>
-<h2 class="main">DE LEGERSCHANS IN DE WILDERNIS.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Op ongeveer drie geweerschoten afstands van de hacienda, in een dicht bosch van lentisken,
-nopals en inktboomen, doormengd met eenige acajou-ceders, wilde katoen- en Peruboomen,
-steeg een uur voor zonsondergang een ruiter af, en kluisterde zijn paard&#x2014;een heerlijken
-mustang met fonkelend oog, fieren hals en golvende manen. Nadat de ruiter een bespiedenden
-blik in het rond had geworpen, blijkbaar welvoldaan over de diepe heerschende stilte,
-maakte hij zich gereed om te kampeeren.
-</p>
-<p>De onbekende had de helft van zijne levensbaan reeds afgelegd: het was een Indiaansch
-krijgsman, lang en forsch van gestalte, en <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>gekleed in het kostuum der Comanchen in zijne grootste zuiverheid. Ofschoon reeds
-meer dan zestig jaar oud was hij nog vol levendigheid en kracht en vertoonde zich
-geen spoor van ouderdom of verval in zijne gespierde leden; de arendsveer die midden
-uit zijn oorlogskuif opstak deed hem kennen als een opperhoofd of sachem.
-</p>
-<p>Deze man was de Arendskop, het Comanchenhoofd, waarmede de lezer reeds in een vorig
-werk kennis heeft gemaakt<a class="noteRef" id="xd30e2393src" href="#xd30e2393">1</a>.
-</p>
-<p>Na zijne wapens afgedaan en zijn geweer te hebben in rust gebracht, verzamelde hij
-een hoop droog hout en stak het in brand. Vervolgens legde hij eenige ellen tasajo,
-een stuk hertebout en een half dozijn maïskoeken op de kolen. Onder het maken van
-deze toebereidsels voor een stevig souper, vulde hij zijne calumet en toen hij er
-mede klaar was ging hij bij het vuur zitten; en begon te rooken met al de bedaardheid
-die den Indianen eigen is en hen in geenerlei omstandigheden verlegen laat.
-</p>
-<p>Zoo gingen er twee uren vreedzaam voorbij, zonder dat de rust van het Indiaansch hoofd
-in het minst gestoord werd.
-</p>
-<p>De nacht was op den dag gevolgd, de duisternis had de wildernis ingenomen, en met
-haar begon het rijk der stilte en der eenzaamheid in de geheimzinnige diepte der prairiën.
-</p>
-<p>De Indiaan bleef steeds onbeweeglijk zitten en vergenoegde zich met nu en dan naar
-zijn paard om te zien, dat lustig zijne wilde doperwten en jonge bladrijzen knabbelde.
-</p>
-<p>Op eens echter stak de Arendskop het hoofd op, boog het lijf naar voren en zonder
-zich verder te verroeren greep hij naar zijn geweer, terwijl de mustang ophield met
-vreten, de ooren spitste en een krachtig gehinnik aanhief.
-</p>
-<p>Het bosch bleef intusschen even kalm: er was al de scherpte van een Indiaansch gehoor
-toe noodig om in deze stilte nog eenig verdacht geluid op te merken.
-</p>
-<p>Een oogenblik daarna werden de samengetrokken wenkbrauwen van het opperhoofd weder
-effen, hij hernam zijne onbezorgde houding en de beide voorvingers aan den mond brengende,
-bootste hij met zonderlinge juistheid, gedurende twee of drie minuten het welluidend
-gezang der centzontle of Mexicaanschen nachtegaal na; ook het paard had zijn afgebroken
-maaltijd weder hervat.
-</p>
-<p>Er verliep nauwelijks een minuut, of het geschrei van den watersperwer klonk tweemaal
-aan de zijde der rivier.
-</p>
-<p>Weldra hoorde men een gedruisch van paarden, vermengd met het kraken van takken en
-geschuifel van bladeren, en er verschenen twee ruiters.
-</p>
-<p>Het opperhoofd keek niet eens op om te zien wie het waren; hij had hen waarschijnlijk
-reeds herkend en wist dat zij, hetzij beiden of althans een van hen, bij hem zouden
-komen.
-<span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span></p>
-<p>Deze twee ruiters waren don Louis en Goedsmoeds.
-</p>
-<p>Zij kluisterden hunne paarden bij dat van het opperhoofd, gingen op een stilzwijgenden
-wenk van den Indiaan bij het vuur zitten en vielen met kracht aan op het souper dat
-te hunnen gerieve was gereed gemaakt.
-</p>
-<p>Den vorigen dag van de Rancho vertrokken zijnde, hadden zij onafgebroken doorgereisd
-zonder een oogenblik te verliezen om bij den Arendskop te komen.
-</p>
-<p>De graaf de Lhorailles had hun in de pulqueria aangeboden om samen te reizen, maar
-dat aanbod was door Goedsmoeds geweigerd.
-</p>
-<p>Niet wetende met welk oogmerk de Indiaan hem in de woestijn had afgesproken, wilde
-hij niet gaarne een vreemdeling in de zaken van zijn vriend opening geven.
-</p>
-<p>Evenwel waren de drie mannen op den besten voet van elkander gescheiden en had de
-graaf don Louis en den Canadees uitgenoodigd om hem te Guetzalli te komen opzoeken,
-eene beleefdheid die zij min of meer uitwijkend beantwoordden.
-</p>
-<p>De sympathie is soms wonderlijk in hare uitwerkselen: de indruk door den graaf op
-de twee avonturiers gemaakt was voor hem zoo ongunstig geweest, dat deze, ofschoon
-zijn verzoek met welwillendheid ontvangende het niet raadzaam vonden, zich te laten
-kennen, maar te zijnen aanzien de meeste terughouding in acht te nemen, hunne voorzichtigheid
-zelfs zoo ver drijvende dat zij hunnen landaard voor hem verborgen hielden, en het
-gesprek bleven voortzetten in het Spaansch, ofschoon zij hem reeds bij zijn eerste
-woord voor een Franschman hadden herkend.
-</p>
-<p>Toen het souper geëindigd was, stopte Goedsmoeds zijne pijp en strekte de hand naar
-het vuur om er een brandhout uit te grijpen.
-</p>
-<p>»Wacht!&#x201d; riep de Arendskop met drift.
-</p>
-<p>Dit was het eerste woord dat de Indiaan sprak; tot op dit oogenblik hadden de drie
-vrienden nog geen syllabe gewisseld.
-</p>
-<p>Goedsmoeds keek hem aan.
-</p>
-<p>»Wel!&#x201d; riep hij, »wat is er dan nu weer voor nieuws?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik weet het nog niet,&#x201d; antwoordde het opperhoofd, »maar ik heb een verdacht geritsel
-in de bladeren gehoord, en op verren afstand van ons, onder den wind, zijn verscheidene
-buffels die vreedzaam liepen grazen, op eens op de vlucht gegaan, zonder dat ik er
-eenige reden voor zie.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo!&#x201d; hernam de Canadees, »dat wordt ernstig; wat denkt gij er van, Louis?&#x201d;
-</p>
-<p>»In de wildernis,&#x201d; antwoordde deze bedaard, »heeft alles zijne oorzaak, en geschiedt
-er niets bij toeval; ik denk, onder verbetering, dat wij wel zullen doen, op onze
-hoede te zijn. Ei zie,&#x201d; vervolgde hij opkijkende en zijnen vrienden een troep vogels
-wijzende, die snel boven hunne hoofden voorbij vlogen, »hebt gij ooit een troep condors
-op dit uur en zoo laag in de lucht zien vliegen?&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span></p>
-<p>De Indiaan schudde het hoofd.
-</p>
-<p>»Er is iets aan de hand,&#x201d; mompelde hij, »de Apachenhonden zijn op de jacht.&#x201d;
-</p>
-<p>»&#x2019;t Is mogelijk,&#x201d; zei Goedsmoeds.
-</p>
-<p>»Voor alles,&#x201d; merkte de Franschman aan, »laten wij het vuur uitdoen; het schijnsel,
-hoe zwak ook, zou ons kunnen verraden.&#x201d;
-</p>
-<p>Zijne kameraden volgden zijn raad, het vuur werd oogenblikkelijk uitgedoofd.
-</p>
-<p>»Mijn bleeke broeder is voorzichtig,&#x201d; zei het opperhoofd beleefd; »hij kent de woestijn,
-ik ben blijde dat ik hem bij mij zie.&#x201d;
-</p>
-<p>Don Louis dankte den Indiaan met eene buiging.
-</p>
-<p>»Thans zijn wij nagenoeg onzichtbaar,&#x201d; vervolgde Goedsmoeds, »dreigend gevaar hebben
-wij vooreerst niet te duchten, laten wij samen raad houden. Het opperhoofd was de
-eerste die onraad heeft bespeurd, hij moet ons uitleggen wat hij er van denkt.&#x201d;
-</p>
-<p>De Indiaan wikkelde zich in zijn mantel en de drie mannen gingen zoo dicht bijeen
-zitten dat het gesprek fluisterend kon worden voortgezet.
-</p>
-<p>»Reeds dezen morgen met zonsopgang ben ik op reis gegaan,&#x201d; zei de Arendskop; »en daar
-ik haast had om het afgesproken punt te bereiken, reed ik dwars door de prairie om
-de reis te bekorten. Maar den geheelen weg over zag ik duidelijke sporen van een talrijken
-troep ruiters, die sporen waren breed en vol, als gewoonlijk van een detachement dat
-sterk genoeg is om voor geen onverhoedsche aanranding te vreezen; ik heb die sporen
-een geruimen tijd kunnen waarnemen en volgen, tot zij op eens verdwenen waren, zonder
-dat ik ze bij mogelijkheid heb kunnen terugvinden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Te duivel!&#x201d; mompelde de Canadees, »dat ziet er gek uit.&#x201d;
-</p>
-<p>»In &#x2019;t eerst dacht ik mij met die sporen niet bezig te houden, maar later begon ik
-er ongerust over te worden en daarom heb ik gemeend er u van te moeten spreken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Om welke reden werdt gij ongerust?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik denk, en als het wezen moet, durf ik wel zeggen ik weet het zeker, dat het door
-mij ontdekte spoor gericht is naar de groote hut der bleekgezichten te Guetzalli.&#x201d;
-</p>
-<p>»Welken grond hebt gij voor die veronderstelling?&#x201d; vroeg Louis.
-</p>
-<p>»Deze: op het uur dat de alligator den modderigen oever verlaat om zich weder in de
-Gila te dompelen, hoorde ik op korten afstand van mij een gedruisch van paarden, zoodat
-ik uit vrees van ontdekt te worden genoodzaakt was mij achter een boschje van wortelboomen
-en floripondio&#x2019;s te verbergen; toen ik daar veilig zat keek ik uit en nu reed er geen
-boogschot ver van mij af een troep bleekgezichten voorbij, in de richting van Guetzalli.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik begrijp er niets van,&#x201d; riep Goedsmoeds, »ga voort.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ondanks al de zorg waarmede hij zich onkenbaar had zoeken te maken, herkende ik den
-man die de karavaan als gids diende, en <span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>toen begreep ik terstond welk een helsch komplot die Apachen-honden hebben gesmeed.&#x201d;
-</p>
-<p>»En wie is die man?&#x201d;
-</p>
-<p>»O mijn broeder kent hem wel: het is Wahsho chegora&#x2014;de <span class="corr" id="xd30e2455" title="Bron: Zwarte Beer">Zwarte-Beer</span>&#x2014;het voornaamste opperhoofd van den stam der Witte Raven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Als gij u daarin niet vergist hebt, hoofdman, dan zullen hier binnen kort vreeselijke
-dingen gebeuren; de <span class="corr" id="xd30e2460" title="Bron: Zwarte Beer">Zwarte-Beer</span> is de onverzoenlijkste vijand der blanken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is de eenige reden waarom ik mijn broeder heb willen spreken. Overigens gaat
-het ons niet aan; in de wildernis hebben wij genoeg met onze eigene zaken te doen,
-zonder dat wij ons met die van anderen bemoeien.&#x201d;
-</p>
-<p>De Canadees schudde het hoofd.
-</p>
-<p>»Wat gij daar zegt is wel waar,&#x201d; antwoordde hij, »wij zouden misschien wijs doen als
-wij de bewoners der hacienda aan hun lot overlaten en ons niet steken in zaken daar
-wij grooten last van kunnen hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zijt gij dan voornemens werkelijk zoo te handelen,&#x201d; vroeg de Franschman met drift.
-</p>
-<p>»Dat wil ik niet stellig zeggen,&#x201d; hernam de Canadees, »maar het is een moeielijk geval;
-wij zullen met een talrijken vijand te doen krijgen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, maar die men wil overrompelen zijn uwe landgenooten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is waar, en dat maakt de zaak inderdaad zeer netelig, ik zou die ongelukkigen
-niet gaarne zien scalpeeren. Aan den anderen kant, als wij ons onbedacht in den strijd
-werpen, loopen wij gevaar om zelven er het slachtoffer van te worden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarom bedenkt gij er u zoo lang over?&#x201d;
-</p>
-<p>»Pardi! om het voor en tegen goed na te gaan; ik aarzel altijd om mij in eene onderneming
-te wagen, daar ik te voren niet al de gevolgen van heb berekend; ben ik er eenmaal
-in, dan geef ik er minder om.&#x201d;
-</p>
-<p>Don Louis kon zich moeielijk zonder lachen houden bij deze zonderlinge redeneering,
-en staarde zijn vriend aan.
-</p>
-<p>»Mijn besluit is genomen,&#x201d; hervatte de Canadees een oogenblik later. »Eer de nacht
-voorbij is zullen wij zeker wat nieuws zien gebeuren; gaan wij dichter bij de rivier,
-ik twijfel niet of wij krijgen daar weldra de noodige aanwijzing om er ons plan naar
-te regelen. Onze paarden staan hier veilig, wij kunnen ze gerust achter laten, zij
-zouden ons bovendien maar belemmeren.&#x201d;
-</p>
-<p>De drie mannen gingen plat op den grond liggen en kropen stil naar de rivier, in de
-door Goedsmoeds aangewezen richting.
-</p>
-<p>De nacht was heerlijk, de maan scheen in vollen luister en de dampkring was zoo doorzichtig
-dat men het kleinste voorwerp op grooten afstand kon onderscheiden.
-<span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span></p>
-<p>De drie avonturiers kwamen eindelijk uit de struiken tevoorschijn, maar verborgen
-zich aan den rand der rivier, in een ondoordringbaar boschje, waar zij bleven wachten
-met al het geduld dat den woudloopers eigen is.
-</p>
-<p>De heerschende stilte in de woestijn was zoo diep, dat ook het zwakste geluid merkbaar
-werd; een vallend blad in het water, een keitje dat zich aan den oever loswoelde,
-het zacht en eentonig gemurmel van den stroom over zijn zandige bedding, de ritselende
-vleugelslag van een uil, die van tak tot tak sprong, was het eenige dat zich hooren
-liet.
-</p>
-<p>Zoo zaten de drie avonturiers reeds verscheidene uren onverdroten te waken, met open
-oog en ooren, met den vinger aan de gespannen buks, uit vrees van overrompeling en
-nog was er niets gebeurd dat de vermoedens van den Arendskop of de voorspellingen
-van Goedsmoeds kon versterken, toen Louis de hand van den Indiaan zacht aan zijn schouder
-voelde drukken, hem naar de rivier wijzende; de Franschman richtte zich op de knieën
-en keek uit.
-</p>
-<p>Eene bijna onmerkbare beweging beroerde de oppervlakte van het water, als zwom er
-een alligator voorbij.
-</p>
-<p>»Ha ha!&#x201d; mompelde Goedsmoeds, »daar komt eindelijk wat wij zoo lang gewacht hebben,
-denk ik.&#x201d;
-</p>
-<p>Een zwarte massa verscheen weldra, meer drijvend dan zwemmend, op de rivier en naderde
-van lieverlede de plaats waar de jagers zich verscholen hielden.
-</p>
-<p>Na verloop van eenige minuten hield de donkere massa, wat zij dan ook wezen mocht,
-stil en hoorde men verscheidene malen achtereen het gejank van den hond der prairiën.
-</p>
-<p>Weldra klonk het gehuil van den coyote met kracht en zoo dicht in de nabijheid, dat
-de drie wakers huns ondanks er van schrikten. Oogenblikkelijk zagen zij een man met
-beide handen van een acajou-eik afhangen en eensklaps op den grond vallen, geen zes
-passen ver van de plek waar zij zich bevonden.
-</p>
-<p>Die man was in Mexicaansche kleeding.
-</p>
-<p>»Kom hier, hoofdman,&#x201d; zeide hij, half overluid tegen de zwarte massa in het water,
-zonder zich te dicht aan den oever te wagen. »Kom vrij, wij zijn alleen.&#x201d;
-</p>
-<p>De toegesprokene zwarte massa, blijkbaar een Indiaan, kwam uit het water en kroop
-op handen en voeten naar den man uit den boom.
-</p>
-<p>»Mijn broeder spreekt te hard,&#x201d; zeide hij; »in de woestijn is men nooit alleen; de
-bladeren hebben oogen en de boomen ooren.&#x201d;
-</p>
-<p>»Bah! wat gij mij daar zegt is al te gek; wie duivel zou ons hier bespieden. Uwe krijgslieden
-er buiten gerekend, die waarschijnlijk in den omtrek verborgen zijn, kan niemand ons
-hier zien of hooren.&#x201d;
-</p>
-<p>De Indiaan schudde bedenkelijk het hoofd.
-</p>
-<p>Nu deze op vasten bodem was, nauwelijks tien passen van onze <span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>avonturiers, moest Goedsmoeds bekennen dat de Arendskop zich niet bedrogen had en
-dat de bedoelde man werkelijk niemand anders was dan de Zwarte-Beer.
-</p>
-<p>De beide mannen stonden een poosje zwijgend tegenover elkander.
-</p>
-<p>Eindelijk vatte de Mexicaan het woord weder op.
-</p>
-<p>»Gij hebt goed gemanoeuvreerd, hoofdman,&#x201d; zeide hij op vleienden toon; »ik weet niet
-hoe gij het gedaan hebt gekregen, maar ik veronderstel dat het u gelukt is om binnen
-de hacienda te komen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is het,&#x201d; antwoordde de Indiaan.
-</p>
-<p>»Dan hebben wij nu niets meer te doen dan onze laatste maatregelen te beramen; gij
-zijt een groot opperhoofd, in wien ik het onbepaaldste vertrouwen stel; ziedaar wat
-ik u beloofd heb; ik behoefde u eerst later te betalen, maar ik wil dat er niet de
-minste reden van verwijt tusschen ons besta.&#x201d;
-</p>
-<p>De Indiaan wees de hem aangeboden goudbeurs met weerzin terug.
-</p>
-<p>»De Zwarte-Beer heeft zich bedacht,&#x201d; zeide hij koel.
-</p>
-<p>»In welk opzicht, als ik u vragen mag?&#x201d;
-</p>
-<p>»Een krijgsman is geen vrouw dat hij noodeloos woorden zou verspillen; wat mijn broeder
-den Zwarten-Beer had aangeboden, weigert de Apache stellig.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat wil zeggen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat alles tusschen ons verbroken is.&#x201d;
-</p>
-<p>De Mexicaan onderdrukte met moeite zijne teleurstelling.
-</p>
-<p>»Derhalve hebt gij uwe krijgslieden niet gewaarschuwd; en zult gij wanneer ik het
-u beveel de hacienda niet aantasten?&#x201d;
-</p>
-<p>»De Zwarte-Beer heeft zijne krijgers gewaarschuwd, hij zal de bleekgezichten aantasten.&#x201d;
-</p>
-<p>»En wat zegt gij mij dan daar even? Ik moet u verklaren dat ik u niet begrijp, hoofdman.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat komt omdat het bleekgezicht mij niet begrijpen wil: de Zwarte-Beer zal de hacienda
-wel aantasten, maar voor zijn eigen rekening.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat was immers tusschen ons afgesproken, zoo ik meen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, maar de Zwarte-Beer heeft de zingende vogel gezien, zijne tent is ledig, hij
-wil er de jonge bleeke maagd in huisvesten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ellendeling!&#x201d; riep de Mexicaan verbolgen, »moet gij mij aldus verraden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarin verraad ik het bleekgezicht?&#x201d; antwoordde de Indiaan altijd onverstoord; »hij
-heeft mij een koop aangeboden, en ik heb dien geweigerd, daarin zie ik niets dan volkomen
-trouw en eerlijkheid.&#x201d;
-</p>
-<p>De Mexicaan verbeet zich de lippen van woede; hij zag zich gevangen, en had niets
-meer te antwoorden.
-</p>
-<p>»Ik zal mij wreken!&#x201d; riep hij stampvoetend.
-</p>
-<p>»De Zwarte-Beer is een machtig opperhoofd: hij lacht met het gekras der raven; het
-bleekgezicht kan niets tegen hem doen.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span></p>
-<p>Met een sprong sneller dan eene gedachte wierp de Mexicaan zich op den Apache, greep
-hem bij de keel, trok zijn mes en hief het reeds op om hem te treffen.
-</p>
-<p>Maar de Indiaan had de bewegingen van zijn tegenpartij te goed in &#x2019;t oog gehouden;
-met een niet minder snellen wrong, ontrukte hij zich aan diens vuist en stond met
-een sprong buiten zijn bereik.
-</p>
-<p>»De bleekmuil heeft een sachem durven aantasten,&#x201d; zeide hij met eene heesche stem,
-»hij zal sterven.&#x201d;
-</p>
-<p>De Mexicaan haalde de schouders op en greep de pistolen in zijn gordel.
-</p>
-<p>Het is moeielijk te gissen hoe dit tooneel zou zijn afgeloopen, zoo er geen nieuw
-geval tusschen beide gekomen ware, dat de geheele toedracht van gedaante deed veranderen.
-</p>
-<p>Uit den zelfden boom, daar weinige minuten te voren de Mexicaan in verborgen had gezeten,
-kwam plotseling een tweede persoon te voorschijn, en viel juist op den Apache, dien
-hij op den grond wierp en volkomen weerloos maakte, eer hij door dezen onverhoedschen
-aanval verschrikt er aan denken kon zich te verdedigen.
-</p>
-<p>»Wat is dat?&#x201d; fluisterde Goedsmoeds met een gesmoorden lach, tegen zijne vrienden,
-»hoe veel duivels zitten er toch in dien <span class="corr" id="xd30e2534" title="Bron: acajouceder">acajou-ceder</span>?&#x201d;
-</p>
-<p>De Mexicaan en de man die hem zoo in tijds ter hulp kwam, hadden den Apache binnen
-weinige oogenblikken met eene reata zoo stijf vast gebonden, dat hij geen lid meer
-verroeren kon.
-</p>
-<p>»Nu zijt gij in mijne macht, hoofdman,&#x201d; zei de Mexicaan, »en nu zult gij wel moeten
-toestemmen in hetgeen ik verlang.&#x201d;
-</p>
-<p>De Apache meesmuilde en maakte een scherp gefluit.
-</p>
-<p>Op dit signaal kwamen eensklaps alsof zij uit den grond oprezen een vijftigtal Indiaansche
-krijgslieden van alle kanten toeschieten, en wel met zooveel spoed, dat de twee Mexicanen
-zich oogenblikkelijk binnen een ondoordringbaren kring van vijanden zagen opgesloten.
-</p>
-<p>»Te duivel!&#x201d; riep Goedsmoeds bij zich zelven, »dat begint ingewikkelder te worden;
-hoe zullen zij zich daaruit redden?&#x201d;
-</p>
-<p>»En wij dan?&#x201d; lispelde don Louis hem in &#x2019;t oor.
-</p>
-<p>De Canadees beantwoordde hem met dat veelbeteekenend schouderophalen, dat in alle
-talen, zoo veel wil zeggen als »in vredesnaam, als het God behaagt!&#x201d; en begon opnieuw
-met de meeste belangstelling te turen hoe dit ingewikkelde tooneel zou afloopen.
-</p>
-<p>»Cuchares,&#x201d; hoorde hij den Mexicaan tegen zijn kameraad zeggen, »houd dien kerel goed
-vast, en dood hem als een hond bij de minste beweging, die hij maakt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wees maar gerust, don Martial, antwoordde de lepero terwijl hij uit zijn jachtlaars
-een mes te voorschijn bracht, welks blauwe lemmer in het maanlicht glinsterde.
-</p>
-<p>»Waartoe besluit de Zwarte-Beer?&#x201d; hervatte don Martial tegen den sachem, die weerloos
-aan zijne voeten lag.
-<span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span></p>
-<p>»Het leven van een opperhoofd is in uwe macht, hond van een bleekmuil; neem het zoo
-gij durft!&#x201d; antwoordde de Apache met een minachtenden grijns.
-</p>
-<p>»Ik zal u niet dooden; niet omdat ik bang ben, want dat gevoel ken ik niet,&#x201d; riep
-de Mexicaan, »maar omdat ik het beneden mij acht het bloed te storten van een vijand
-die weerloos is, al is die vijand een onreine hond en een valsche coyote zoo als gij.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dood mij, zeg ik u, als gij kunt, maar scheld mij niet uit. Haast u, want als mijne
-krijgslieden hun geduld verliezen zullen zij u aan hunne woede opofferen, en dan sterft
-gij ongewroken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij schertst, uwe krijgslieden zullen zich niet verroeren zoo lang ik u hier vast
-heb, dat weet gij wel. Ik wil u liever den vrede aanbieden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Vrede!&#x201d; riep de sachem en er fonkelde een heldere blik uit zijn oog, »op welke voorwaarden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Op twee voorwaarden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed.&#x201d;
-</p>
-<p>»Cuchares, ontdoe dien man van de lasso; maar houd hem altijd in het oog.&#x201d;
-</p>
-<p>De lepero gehoorzaamde.
-</p>
-<p>»Dank u,&#x201d; zeide de Zwarte-Beer zich op de knieën oprichtende; »spreek, mijne ooren
-zijn geopend. Welke zijn uwe voorwaarden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Vooreerst dat het mij en mijn kameraad vrij zal staan ons te verwijderen waarheen
-wij willen,&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed, ten tweede.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ten tweede dat gij u verbindt om bij uwe krijgslieden te blijven en niet weder onder
-dezelfde vermomming naar de hacienda te gaan, ten minste niet in de eerste vier en
-twintig uren.&#x201d;
-</p>
-<p>»Is dat alles?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is alles.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoor mij op mijne beurt, bleekgezicht. Ik neem uwe voorwaarden aan, maar ik wil u
-de mijne zeggen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Spreek.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zal de hacienda niet weder binnentrekken dan met de arendsveer in mijn oorlogskuif,
-en aan het hoofd van mijne krijgslieden, en dat zal zijn eer de zon driemaal achter
-de hooge bergtoppen van het westen geslapen heeft.<span class="corr" id="xd30e2571" title="Niet in bron">&#x201d;</span>
-</p>
-<p>»Gij pocht, Apache; &#x2019;t is onmogelijk dat gij de hacienda binnenkomt anders dan door
-verraad.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wij zullen zien,&#x201d; zeide hij, en liet er met een dreigenden glimlach op volgen: »de
-vogel die zingt zal in de hut van een Apachenhoofd wonen en er het wild voor hem braden.&#x201d;
-</p>
-<p>De Mexicaan haalde minachtend de schouders op.
-</p>
-<p>»Beproef het om de hacienda te nemen en u van het meisje meester te maken,&#x201d; zeide
-hij.
-</p>
-<p>»Ik zal het beproeven. Geef mij uwe hand!&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span></p>
-<p>»Ziedaar.&#x201d;
-</p>
-<p>De Zwarte-Beer wendde zich naar zijne krijgslieden en met de hand van den Tigrero
-in de zijne, sprak hij met luider stem en op een toon van de hoogste majesteit:
-</p>
-<p>»Broeders, dit bleekgezicht is de vriend van den Zwarte-Beer, dat niemand hem lastig
-zij.&#x201d;
-</p>
-<p>De krijgslieden bogen eerbiedig en verwijderden zich links en rechts, om de twee blanken
-door te laten.
-</p>
-<p>»Vaarwel,&#x201d; zeide de Zwarte-Beer zijn vijand groetende, »binnen vier en twintig uren
-volg ik uw spoor.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij vergist u, Apachenhond,&#x201d; antwoordde don Martial trotsch, »ik integendeel zal
-het uwe volgen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed!<span id="xd30e2589"></span> dan zijn wij in ieder geval zeker dat wij elkander weer ontmoeten,&#x201d; hernam de Zwarte-Beer.
-</p>
-<p>Hij verwijderde zich langzaam met fieren en vasten tred, gevolgd door zijne krijgslieden,
-terwijl hunne stappen weldra in de diepte van het bosch verdwenen.
-</p>
-<p>»Bij mijne ziel, don Martial,&#x201d; sprak de lepero, »ik geloof dat gij verkeerd hebt gedaan
-met den Indiaanschen rekel zoo gemakkelijk te laten ontsnappen.&#x201d;
-</p>
-<p>De Tigrero haalde de schouders op.
-</p>
-<p>»Moest ik mij dan niet uit de klem zoeken te redden daar wij in waren,&#x201d; zeide hij.
-»Bah! de partij is remise. Zoeken wij onze paarden.<span class="corr" id="xd30e2596" title="Niet in bron">&#x201d;</span>
-</p>
-<p>»Wacht nog even, als gij er niets tegen hebt,&#x201d; riep nu op eens Goedsmoeds, zijn schuilhoek
-verlatende en ongedwongen te voorschijn tredende, gevolgd door zijne twee kameraden.
-</p>
-<p>»Wat is dat?&#x201d; riep Cuchares, onmiddellijk zijn mes grijpende, terwijl don Martial
-bedaard de hand aan zijne pistolen sloeg.
-</p>
-<p>»Wat het is, caballero?&#x201d; hernam Goedsmoeds op vredelievenden toon, »dat ziet gij wel,
-zou ik denken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zie drie mannen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Juist, daar hebt gij gelijk in, drie mannen die ongezien het tooneel hebben aanschouwd,
-dat gij zoo braaf hebt afgespeeld; drie mannen die zich gereed hielden om u bij te
-springen in geval van nood en die u thans nog aanbieden gemeene zaak met u te maken,
-om met u de plundering der hacienda te helpen beletten daar de Apachen stellig het
-voornemen toe hebben: komt u dat gelegen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat hangt er van af,&#x201d; meesmuilde de Tigrero, »ik moet eerst nog weten wat u beweegt
-om aldus te handelen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Vooreerst om u een genoegen te doen,&#x201d; hernam Goedsmoeds beleefd, »ten tweede omdat
-ik die arme kolonisten voor het scalpeermes dier vervloekte Roodhuiden wil bewaren.<span class="corr" id="xd30e2607" title="Niet in bron">&#x201d;</span>
-</p>
-<p>»In dat geval neem ik uw voorstel van ganscher harte aan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Volg ons dan naar ons kamp, daar kunnen wij samen ons plan van den veldtocht bespreken.&#x201d;
-</p>
-<p>Zoodra Cuchares begreep dat de lieden die hier op zulk eene zonderlinge <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>wijs verschenen, bepaaldelijk vrienden waren, had hij zich gehaast zijn mes weder
-in zijne laars te steken en was hij de paarden gaan halen, die zij op korten afstand
-hadden gelaten. Hij kwam juist terug, de beide paarden aan de hand leidende, en nu
-gingen de vijf mannen gezamenlijk naar het kampement.
-</p>
-<p>»Neem u in acht,&#x201d; zei Goedsmoeds tegen don Martial, »gij hebt u dezen nacht een onverzoenlijken
-vijand gemaakt, zoo gij u niet haast den Zwarte-Beer te dooden zal hij zich bij de
-een of andere gelegenheid op u wreken; de Apachen vergeven nimmer eene beleediging.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat weet ik; en ik zal er mijne maatregelen naar nemen, stel u gerust.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is uwe zaak. Misschien hadt gij beter gedaan hem uit den weg te ruimen toen hij
-in uwe macht was, onverschillig wat er het gevolg van zou geweest zijn.<span class="corr" id="xd30e2620" title="Niet in bron">&#x201d;</span>
-</p>
-<p>»Kon ik dan raden dat ik zoo dicht bij mij vrienden had? O! had ik dat maar geweten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Geen nazorgen, wat gedaan is is gedaan, daar kan men niet meer op terugkomen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoudt gij denken dat die man zijne voorwaarden stipt zal nakomen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij schijnt den Zwarte-Beer niet te kennen; die man is hooghartig, hij heeft zijne
-vaste begrippen van trouw en riddereer. Hebt gij niet gezien hoe hij bij zijne onderhandeling
-met u geen list heeft willen gebruiken; wat hij sprak was altijd rond en oprecht.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is zoo.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wees daarom verzekerd dat hij zijne belofte zal houden.&#x201d;
-</p>
-<p>Hier bleef het gesprek steken. Don Martial was op eens nadenkend geworden, de bedreigingen
-van den Apache gaven hem nu des te meer stof tot bezorgdheid.
-</p>
-<p>Zij bereikten het kamp.
-</p>
-<p>De Arendskop ging dadelijk aan &#x2019;t werk om een vuur aan te leggen.
-</p>
-<p>»Wat doet gij?&#x201d; riep Goedsmoeds terstond, »zoo zult gij immers onze tegenwoordigheid
-verraden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen,&#x201d; antwoordde de Indiaan hoofdschuddend, »de Zwarte-Beer is met zijn volk vertrokken;
-zij zijn thans reeds ver van hier; waarom zouden wij onnoodige voorzorgen gebruiken?&#x201d;
-</p>
-<p>Weldra vlamde het vuur knappend omhoog. De vijf mannen gingen er bij zitten, staken
-hunne pijpen aan en begonnen deftig te rooken.
-</p>
-<p>»Ik moet bekennen,&#x201d; hervatte de Canadees een oogenblik later, <span class="corr" id="xd30e2637" title="Bron: «">»</span>zonder de door u betoonde koelbloedigheid, weet ik niet hoe gij u uit den nood zoudt
-hebben gered.&#x201d;
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd30e2641" title="Bron: «">»</span>Laten wij thans zien hoe wij het voornemen van die duivelsche kerels het best zullen
-verijdelen,&#x201d; riep de Mexicaan.
-<span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span></p>
-<p>»O! dat is eenvoudig genoeg,&#x201d; zei Louis, »een van ons gaat morgen naar de hacienda
-en verwittigt den eigenaar van hetgeen er dezen nacht gebeurd is, dan kan hij op zijne
-hoede zijn en alles is in orde.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, ik denk wel dat dit het beste middel is en dat wij het moeten gebruiken,&#x201d; zei
-Goedsmoeds.
-</p>
-<p>»Vijf mannen zijn niets tegen vijfhonderd,&#x201d; merkte de Arendskop aan; »wij moeten de
-bleekgezichten waarschuwen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is juist wat wij voornemens zijn te doen, hoofdman,&#x201d; zei de Tigrero; »maar wie
-van ons zal zich nu met die taak belasten en naar de hacienda gaan? Mijn kameraad
-en ik kunnen er ons niet aanmelden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarom niet! ik zou nu haast denken dat er een liefdehistorie onder loopt,&#x201d; riep
-de Canadees schalks, »en dan begrijp ik wel dat het u moeielijk valt, om.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Laten wij er niet langer over haspelen,&#x201d; viel Louis hem in de rede; <span class="corr" id="xd30e2652" title="Bron: «">»</span>morgen, met zonsopgang ga ik naar de hacienda, ik neem die taak op mij en hoop den
-eigenaar in allen deele behoorlijk in te lichten omtrent het gevaar dat hem boven
-het hoofd hangt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed; dat is afgesproken en daarmede is alles gezegd,&#x201d; riep Goedsmoeds.
-</p>
-<p>»Zeer goed,&#x201d; zei don Martial, »dan zeggen mijn kameraad en ik, zoodra onze paarden
-hebben uitgerust, u hier vaarwel en keeren naar Guaymas terug,&#x201d;
-</p>
-<p>»Toch niet, met uw welnemen,&#x201d; zei de Franschman schielijk, »ik geloof dat gij beter
-zult doen, hier zoo lang te wachten tot ik van de hacienda terugkom, om te weten hoe
-het met mijn boodschap afloopt, dat gaat u nog meer aan dan ons, zou ik denken.&#x201d;
-</p>
-<p>De Mexicaan onderdrukte met moeite een opkomend gevoel van tegenzin.
-</p>
-<p>»Gij hebt gelijk,&#x201d; zeide hij, »daar dacht ik niet aan. Ik zal wachten tot gij terugkomt.&#x201d;
-</p>
-<p>De jagers wisselden nog eenige woorden samen, toen wikkelden zij zich in hunne dekens,
-legden zich op den grond neder en waren weldra in slaap.
-</p>
-<p>De diepste stilte heerschte thans in het sombere boschkamp, dat slechts flauw verlicht
-werd door den rooden gloed van het uitstervende vuur.
-</p>
-<p>Reeds twee uren ongeveer hadden de avonturiers geslapen, toen de struiken zachtjes
-werden uiteengeschoven, en een man verscheen.
-</p>
-<p>Hij bleef een oogenblik staan, zoo het scheen om te luisteren; daarop kroop hij zonder
-het minste gedruisch te maken voort naar de plek waar de Tigrero gerust sliep.
-</p>
-<p>Dichter bij gekomen, en in het schijnsel van het vuur, had men hem duidelijk genoeg
-als den Zwarte-Beer kunnen onderkennen. Het Apachenhoofd haalde zijn scalpeermes uit
-zijn gordel en legde het <span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span>zacht op de borst van den Tigrero; toen nog eens rondkijkende om zich te verzekeren
-dat de vijf mannen gerust sliepen, verwijderde hij zich met dezelfde voorzichtigheid
-als hij gekomen was en verdween weldra in de struiken, die zich achter hem sloten.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e2393">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2393src">1</a></span> Zie <i>de Pelsjagers van de Arkansas</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2393src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6904">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">X.</h2>
-<h2 class="main">VOOR DEN AANVAL.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Op het eerste gefluit van den maukawis, dat wil zeggen, met het opgaan der zon, werden
-de avonturiers wakker.
-</p>
-<p>De nacht was rustig voorbijgegaan en hun slaap was door niets gestoord geworden; slechts
-een weinig verkleumd door den overvloedigen dauw, die hunne dekens geheel doortrokken
-had, haastten zij zich om op te staan, en eenige keeren het kamp op en neer te stappen,
-ten einde bij zich den bloedsomloop te herstellen en hunne verdoofde leden te ontgloeien.
-</p>
-<p>Met de eerste beweging die don Martial bij het opstaan maakte, viel er een mes van
-hem af op den grond. De Mexicaan raapte het op en slaakte een kreet van verbazing,
-bijna van schrik, terwijl hij het aan zijne kameraden liet zien.
-</p>
-<p>Het zoo onverwacht gevonden wapen was een scalpeermes, op het lemmer vertoonden zich
-nog sporen van bloed.
-</p>
-<p>Wij weten reeds wie het mes op de borst van den Tigrero gelegd had.
-</p>
-<p>»Wat beteekent dat?&#x201d; riep hij, terwijl hij het wapen verontwaardigd omhoog hield.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p092width"><img src="images/p092.jpg" alt="De Arendskop nam het en bekeek het nauwkeurig. Bladz. 92." width="491" height="720"><p class="figureHead">De Arendskop nam het en bekeek het nauwkeurig. Bladz. 92.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>De Arendskop nam het en bekeek het nauwkeurig.
-</p>
-<p>»Ooah!&#x201d; riep hij verwonderd, »de Zwarte-Beer is hier geweest terwijl wij sliepen.&#x201d;
-</p>
-<p>De jagers konden hun schrik niet verbergen.
-</p>
-<p>»Dat is onmogelijk,&#x201d; beweerde Goedsmoeds.
-</p>
-<p>De Indiaan schudde van neen en liet hem het mes zien.
-</p>
-<p>»Ziedaar,&#x201d; zeide hij, »&#x2019;t is het scalpeermes van den Apache, het totem van zijn stam
-staat er op den steel ingesneden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, waarlijk!&#x201d;
-</p>
-<p>»De Zwarte-Beer is een vermaard krijgshoofd, zijn hart is groot genoeg om eene wereld
-te bevatten. Daar hij zich gedwongen zag de hem opgelegde voorwaarden te vervullen,
-heeft hij zijnen vijand willen bewijzen dat diens leven in zijne macht was en dat
-hij het hem ontnemen kon wanneer het hem goeddacht; dat is eenvoudig de beteekenis
-van het mes, nedergelegd op de borst van een slapenden <i>Yori</i>&#x2014;Spanjaard.&#x201d;
-</p>
-<p>De avonturiers waren alles behalve op hun gemak over dezen <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>trek van stoutmoedigheid; zij beefden bij de gedachte dat hun leven in de macht had
-gestaan van den Apache, die zich niet verwaardigd had hen te dooden, maar alleen had
-willen toonen dat hij hen durfde trotseeren; den Mexicaan vooral ging bij dat idee
-eene rilling over het lijf.
-</p>
-<p>De Canadees was de eerste die zijne gewone bedaardheid terugkreeg.
-</p>
-<p>»Canario!&#x201d; riep hij, »die Apachenhond heeft wel gedaan dat hij ons waarschuwde; nu
-zullen wij voortaan beter oppassen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hm,&#x201d; riep Cuchares met de handen in zijn dik en kroesig haar, »ik zou niet gaarne
-gescalpeerd worden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Bah!&#x201d; antwoordde Goedsmoeds, »men komt er niet altijd even kaal af.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat kan waar zijn, maar ik zou er niet gaarne de proef van nemen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Daar het intusschen geheel dag is geworden,&#x201d; merkte don Louis aan, »geloof ik dat
-het voor mij tijd wordt om naar de hacienda te vertrekken, wat dunkt u?&#x201d;
-</p>
-<p>»Wij hebben geen oogenblik te verliezen om de plannen des vijands te verijdelen,&#x201d;
-drong don Martial nader aan.
-</p>
-<p>»Des te minder daar wij nog zekere maatregelen moeten nemen, waarover wij elkander
-hoe eer hoe beter dienen te verstaan,&#x201d; zei Goedsmoeds.
-</p>
-<p>De Indiaan en de lepero gaven hunne toestemming alleen met een hoofdknik te kennen.
-</p>
-<p>»Bepalen wij vooraf onze eerste samenkomst,&#x201d; hervatte Louis.
-</p>
-<p>»Gij kunt mij hier niet blijven wachten, waar de Indianen ons veel te gemakkelijk
-vinden zouden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja,&#x201d; antwoordde Goedsmoeds zich bedenkend, »maar ik ben met deze streek niet goed
-bekend en ik zou zeer verlegen staan als ik een geschikt punt moest aanwijzen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik weet er wel een,&#x201d; zei nu de Arendskop, »ik zal er u zelf brengen; onze bleeke
-broeder kan daar bij ons komen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeer goed, maar dan dien ik vooraf te weten welke plaats gij bedoelt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Laat mijn broeder zich daar niet over verontrusten, zoodra hij de groote hut uitkomt
-ben ik bij hem.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dan is alles in orde. Tot weerziens.&#x201d;
-</p>
-<p>Louis zadelde zijn paard en reed weg in gestrekten draf in de richting der hacienda,
-die trouwens niet verder dan drie geweerschoten verwijderd lag van de plaats waar
-de avonturiers zich thans bevonden.
-</p>
-<p>Laten wij thans de jagers een poos alleen en zien wij wat er inmiddels in de hacienda
-gebeurd was.
-</p>
-<p>De graaf de Lhorailles stapte met een bezorgd gelaat op en neder in de benedenzaal,
-die tevens als vestibule voor het hoofdgebouw diende.
-</p>
-<p>Tegen wil en dank hield zijne ontmoeting met den Mexicaan hem <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>levendig bezig; hij wenschte gaarne met <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita in het bijzijn van haar vader een ronde verklaring te hooren, die alle onzekerheid
-zou opheffen, of althans den sleutel van het ten haren opzichte bestaande geheim zou
-aan de hand geven.
-</p>
-<p>Nog een andere omstandigheid had hem uit zijn humeur gebracht en verdubbelde zijne
-onrust:
-</p>
-<p>Met het aanbreken van den dag was Diego Leon, een zijner luitenants, bij hem gekomen
-met bericht, dat de Indiaan, dien hij den vorigen dag als gids had medegenomen, dien
-nacht spoorloos verdwenen was.
-</p>
-<p>De staat van zaken begon ernstig te worden; de Mexicaansche Maan was ophanden; de
-gids was blijkbaar een Indiaansche spion die zich van de sterkte der hacienda had
-willen verzekeren en van de beste middelen om haar te overrompelen.
-</p>
-<p>De Apachen en Comanchen konden niet veraf wezen, <span class="corr" id="xd30e2732" title="Bron: mischiens">misschien</span> zaten zij reeds in het hooge gras te loeren op een gunstig oogenblik om hunne onverzoenlijke
-vijanden te bestormen.
-</p>
-<p>De graaf ontveinsde zich daarbij niet, dat zoo zijn toestand moeielijk was, hij dit
-grootendeels aan zich zelven te wijten had.
-</p>
-<p>Van gouvernementswege met een gewichtig kommando belast, inzonderheid ten doel hebbende
-om de grenzen tegen de invallen der Indianen te beschermen, had hij nog hoegenaamd
-geen aanstalten gemaakt of maatregelen genomen om het mandaat te vervullen dat hem
-niet alleen was opgedragen, maar wat meer zegt, daar hij zelf om gevraagd had.
-</p>
-<p>De zoogenaamde Maan van Mexico zou binnen eene maand intreden; voor dien tijd was
-het volstrekt noodig om een beslissenden slag te slaan, die den Indianen een heilzamen
-schrik zou inboezemen en hen beletten zich te vereenigen, en alzoo hunne plannen te
-verijdelen.
-</p>
-<p>De graaf had hierover reeds een geruimen tijd nagedacht en was er zoo diep mede bezig,
-dat hij vergat naar zijne gasten te laten vragen, die hij den vorigen avond onder
-zijn dak had ontvangen.
-</p>
-<p>Op eens stond zijn oude luitenant voor hem.
-</p>
-<p>»Wat wilt gij, Martin?&#x201d; vroeg hij hem.
-</p>
-<p>»Met uw verlof, kapitein, ik hoop niet dat ik u stoor of ongelegen kom, maar Diego
-Leon, die met acht man op de batterij aan de landtong de wacht heeft, heeft mij laten
-zeggen dat een ruiter verzoekt om binnen te komen, daar hij u over ernstige zaken
-spreken moet.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wie is die man?&#x201d;
-</p>
-<p>»Een blanke, goed gekleed, en bereden op een uitmuntend paard.&#x201d;
-</p>
-<p>»Heeft hij niets anders meer gezegd?&#x201d;
-</p>
-<p>»Verschooning; nog dit: zeg aan uw kommandant dat ik een van de twee personen ben
-die hij in de Rancho van José heeft gesproken.&#x201d;
-</p>
-<p>Het gelaat van den graaf helderde op.
-<span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span></p>
-<p>»Laat hem binnen komen, het is een vriend.&#x201d;
-</p>
-<p>De luitenant ging heen.
-</p>
-<p>Zoodra de graaf weder alleen was hervatte hij zijne wandeling.
-</p>
-<p>»Wat kan die man mij te zeggen hebben?&#x201d; prevelde hij, »toen ik in de Rancho hem en
-zijn vriend aanbood om met mij mede te gaan, hebben zij beiden geweigerd. Wat kan
-hen zoo spoedig van besluit hebben doen veranderen? Bah! waartoe langer te gissen,&#x201d;
-vervolgde hij, terwijl hij het trappelen van een paard op het patio hoorde; »ik zal
-het dadelijk weten.&#x201d;
-</p>
-<p>Bijna op hetzelfde oogenblik verscheen don Louis, <span class="corr" id="xd30e2757" title="Bron: binnen geleid">binnengeleid</span> door den luitenant, die op een wenk van den graaf zich terstond verwijderde.
-</p>
-<p>»Aan welk gelukkig toeval,&#x201d; zei de graaf de Lhorailles beleefd, »dank ik de eer van
-een bezoek dat ik zoo weinig durfde verwachten?&#x201d;
-</p>
-<p>Don Louis gaf hem zijne buiging even wellevend terug en antwoordde:
-</p>
-<p>»Het is geen gelukkig toeval dat mij herwaarts voer, integendeel de Hemel geve dat
-ik geen ongeluksbode moge zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat bedoelt gij daarmede, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>?&#x201d; vroeg hij ongerust, »ik begrijp u niet.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zal het u dadelijk ophelderen. Maar laten wij Fransch spreken, als gij dat goedvindt;
-dan verstaan wij elkander beter,&#x201d; zeide hij, terstond het Spaansch latende varen daar
-hij zich tot hiertoe van bediend had.
-</p>
-<p>»Wat!&#x201d; riep de graaf verwonderd, »spreekt gij Fransch, mijnheer.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, mijnheer,&#x201d; hernam Louis, »wat meer is, ik heb de eer uw landgenoot te zijn, en
-al ben ik,&#x201d; vervolgde hij, »sinds bijna tien jaren uitlandig geweest, is het mij altijd
-een onbeschrijfelijk genoegen als ik mijne eigen taal mag spreken.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen de graaf hem dit hoorde zeggen, scheen hij dezelfde man niet meer.
-</p>
-<p>»O!&#x201d; riep hij in vervoering, »laat ik u de hand drukken, mijnheer; twee Franschen,
-die elkander in dit verre land ontmoeten, zijn broeders: vergeten wij voor een poos
-de plaats waar wij zijn en spreken wij over Frankrijk, dat dierbare vaderland, dat
-ons zoo na aan het hart ligt en daar wij zoo ver af zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Helaas! mijnheer,&#x201d; antwoordde Louis, die zijne ontroering bedwingen moest. »Ik gevoel
-mij gelukkig dat ik voor eenige oogenblikken mijne omgeving kan vergeten om de herinneringen
-van ons gemeenschappelijk vaderland te verlevendigen. Jammer slechts is het oogenblik
-ernstig en zijn de gevaren die u bedreigen zoo groot, dat de tijd dien wij dus met
-praten zouden verliezen, voor u de vreeselijkste gevolgen zou kunnen hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij doet mij schrikken, mijnheer. Wat is er dan gaande? welk vreeselijk nieuws hebt
-gij mij mede te deelen?&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span></p>
-<p>»Ik heb u immers reeds gezegd, mijnheer, dat ik een Jobsbode was, en kwade tijding
-kwam brengen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Laat u dat niet bezwaren; wat het ook zij, door u gesproken zal het mij welkom zijn;
-wat kan ik op mijn tegenwoordigen post in de woestijn anders verwachten dan nu en
-dan een ongeluk?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik hoop dat ik u het gevaar zal kunnen helpen afwenden, dat u thans boven het hoofd
-zweeft.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik dank u voorshands voor uw broederlijke belangstelling, mijnheer; spreek nu vrij
-uit, wat gij mij ook moogt te vertellen hebben, ik zal u rustig aanhooren, ik verlang
-het te weten en luister met aandacht.&#x201d;
-</p>
-<p>Zonder van zijne ontmoeting met den Tigrero te reppen, verhaalde don Louis thans den
-graaf, hoe hij toevallig een gesprek tusschen den gids en verscheidene Apachenhoofden
-had afgeluisterd, die in den omtrek der hacienda verscholen zaten en welk plan zij
-hadden gevormd om de kolonie te overrompelen.
-</p>
-<p>»Ziedaar, mijnheer,&#x201d; zeide hij ten slotte, »oordeel nu zelf over het gewicht der tijding
-en over de maatregelen die gij zult moeten nemen om het plan uwer vijanden te verijdelen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zeg u dank, mijnheer; reeds eenige minuten voor uwe komst, toen mijn luitenant
-mij kwam zeggen dat de gids verdwenen was, heb ik begrepen dat ik met een spion te
-doen had; wat gij mij meldt brengt dit vermoeden tot zekerheid. Zoo als gij wel zegt
-is er geen oogenblik te verliezen; ik zal mij onmiddellijk beraden om de noodige maatregelen
-te beramen.&#x201d;
-</p>
-<p>Hij klopte op de tafel.
-</p>
-<p>Er kwam een peon binnen.
-</p>
-<p>»Roep den eersten luitenant,&#x201d; zeide hij.
-</p>
-<p>Na een paar minuten verscheen Martin Leroux.
-</p>
-<p>»Luitenant,&#x201d; zei de graaf, »gij moet met twintig ruiters al de omstreken drie mijlen
-in &#x2019;t rond gaan verkennen, want ik hoor daareven dat er Indianen in de nabijheid zijn
-die op ons loeren.&#x201d;
-</p>
-<p>De oude soldaat boog zonder te antwoorden en verwijderde zich om te gehoorzamen.
-</p>
-<p>»Wacht even!&#x201d; riep don Louis in &#x2019;t Fransch, hem met een wenk tegenhoudende; »nog een
-woord.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hé!&#x201d; riep Martin Leroux met verwondering terugkeerende, »spreekt gij nu toch Fransch?&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo als ge hoort,&#x201d; antwoordde don Louis glimlachend.
-</p>
-<p>»Hadt gij het een of ander op te merken?&#x201d; vroeg de graaf.
-</p>
-<p>»Ik woon reeds sinds lang in Amerika en in de woestijn, zoodat ik de Indianen heb
-leeren kennen en met hen in list kan wedijveren. Met uw verlof zal ik u eenigen raad
-geven dien ik meen dat u in de tegenwoordige omstandigheden niet ondienstig zal zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Pardi!&#x201d; riep de graaf, »spreek op, waarde landsman, uw raad kon ons niet anders dan
-nuttig zijn, daar ben ik van overtuigd.&#x201d;
-</p>
-<p>Op dit oogenblik trad don Sylva de kamer binnen.
-<span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span></p>
-<p>»Zoo, beste vriend!&#x201d; vervolgde de graaf, toen hij hem zag, »gij komt juist van pas,
-wij hebben u zeer noodig; uwe kennis van de zeden der Indianen zal ons zeer te stade
-komen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat is er toch gaande?&#x201d; vroeg de haciendero met een hoffelijken groet tegen de aanwezigen.
-</p>
-<p>»Er is gaande, dat de Apachen ons met eenen aanval bedreigen.&#x201d;
-</p>
-<p>»O! dat is erg, vriend; wat denkt gij te doen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat weet ik nog niet. Ik had mijn luitenant Martin reeds gelast om de omstreken te
-gaan opnemen, maar deze heer, in wien ik de eer heb u een mijner landgenooten voor
-te stellen, schijnt van een ander gevoelen.&#x201d;
-</p>
-<p>»De caballero heeft gelijk,&#x201d; antwoordde de Mexicaan met eene buiging voor don Louis;&#x2014;»maar
-vooreerst, zijt gij wel zoo zeker van dien aanval?&#x201d;
-</p>
-<p>»Mijnheer is opzettelijk herwaarts gekomen om mij te waarschuwen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dan valt er niet meer aan te twijfelen, en moeten de noodige voorzorgen onverwijld
-genomen worden. En hoe denkt de caballero er over?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat wilde hij mij juist opgeven toen gij binnen kwaamt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Laat ik dan uw onderhoud niet langer storen; ik luister, spreek, mijnheer.&#x201d;
-</p>
-<p>Don Louis boog en nam het woord.
-</p>
-<p>»Caballero,&#x201d; sprak hij, zich tot don Sylva wendende; »wat ik zeggen zal, is inzonderheid
-voor de Fransche <span class="corr" id="xd30e2816" title="Bron: senores">señores</span> bestemd, die te veel aan de oorlogen der blanken in Europa gewoon, niets begrijpen
-van de wijze waarop de Indianen hier te werk gaan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is waar,&#x201d; merkte de graaf aan.
-</p>
-<p>»Bah!&#x201d; riep Leroux, terwijl hij met zeker gevoel van eigenwaarde zijn knevelbaard
-opstreek, »dan zullen wij hooren.&#x201d;
-</p>
-<p>»Pas maar op dat het niet tot uw nadeel zij!&#x201d; vervolgde don Louis. »De Indiaansche
-oorlog is een krijg van listen en hinderlagen. Geen vijand zal u ooit in het open
-veld aantasten; hij houdt zich altijd schuil en zoo hij slechts overwinnaar blijft
-is ieder middel hem welkom, bovenal verraad. Vijf honderd Apachen, onder aanvoering
-van een stoutmoedig opperhoofd, zouden het in de prairie tegen uwe beste soldaten
-volhouden, hen afmatten en decimeeren, zonder dat deze ooit tot een bepaald treffen
-konden komen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo?&#x201d; mompelde de graaf. »Is dit hun eenige manier van strijdvoeren?&#x201d;
-</p>
-<p>»De eenige,&#x201d; bevestigde de haciendero.
-</p>
-<p>»Hm!&#x201d; riep Leroux, »dat heeft dunkt mij veel van den oorlog in Afrika.&#x201d;
-</p>
-<p>»Niet zoo veel als gij denkt. De Arabieren vertoonen zich nog, terwijl de Apachen,
-zooals ik u reeds gezegd heb, zich niet dan in de uiterste noodzakelijkheid bloot
-geven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dus is mijn plan om eene verkenning naar buiten te bewerkstelligen.&#x2026;&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span></p>
-<p>»Onuitvoerbaar om twee redenen: òf uwe ruiters, hoezeer door tal van vijanden omgeven,
-zouden er niet een van te zien krijgen; òf zij zouden in een hinderlaag worden gelokt,
-waar zij ondanks wonderen van dapperheid tot den laatsten man zouden sneuvelen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Al wat deze heer zegt is volkomen juist; het laat zich wel hooren dat hij met den
-Indiaanschen oorlog grondig bekend is en zich menigmaal met de <i lang="es">Indios bravos</i> zal gemeten hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>»Die ondervinding heb ik met mijn aardsch geluk moeten betalen, mijne geliefden zijn
-door deze woeste vijanden vermoord,&#x201d; antwoordde don Louis treurig; »bereid u op een
-gelijk lot zoo gij niet op uwe hoede zijt. Ik weet hoe veel het aan uw ridderlijken
-volksaard kost om zulk een gedragslijn te volgen; maar als ik u raden mag is het uwe
-eenige kans op behoud.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wij hebben hier verscheidene vrouwen en kinderen, uwe dochter, don Sylva, bovenal:
-wij moeten haar niet alleen volstrekt buiten gevaar stellen, maar zelfs voor den minsten
-schrik behoeden. Ik vereenig mij dus geheel met het gevoelen van mijnheer Louis en
-ben voornemens om met de meeste omzichtigheid te werk te gaan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zeg u dank, zoo voor mij als voor mijne dochter.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar nu, mijnheer, daar wij reeds zoo veel goeden raad van u gehoord hebben moet
-gij het er niet bij laten, maar uw werk de kroon opzetten door mij te zeggen wat gij
-in mijne plaats doen zoudt?&#x201d;
-</p>
-<p>»Mijnheer,&#x201d; antwoordde Louis ernstig, »wat ik zou doen is dit: de Apachen zullen u
-stellig aanvallen, om zekere reden, die ik wel weet maar te beuzelachtig reken om
-er ons thans mede op te houden; zij maken het welgelukken van dezen aanval tot een
-punt van eer; versterk u dus hier zoo veel gij maar kunt. Gij hebt een aanzienlijk
-garnizoen, uit beproefde mannen samengesteld; bij gevolg zijn alle kansen bijna in
-uw voordeel.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik heb zeventig dappere Franschen, allen oud-gedienden, die weten wat oorlogvoeren
-is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Achter goede muren en wel gewapend is dat meer dan gij er noodig hebt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Behalve nog de veertig peons, op de Indianenjacht afgericht, die ik heb medegebracht,<span class="corr" id="xd30e2845" title="Niet in bron">&#x201d;</span> zei don Sylva.
-</p>
-<p>»Zijn die mannen op dit oogenblik hier?&#x201d; vroeg don Louis met drift.
-</p>
-<p>»Ja, mijnheer.&#x201d;
-</p>
-<p>»O, dat vereenvoudigt de zaak aanmerkelijk; geloof mij, mijne heeren, nu zijn het
-de Indianen die het meeste te duchten hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>»Verklaar u nader.&#x201d;
-</p>
-<p>»Allerwaarschijnlijkst zult gij aan de zijde der rivier worden aangetast; misschien
-zullen de Indianen om uwe krachten te verdeelen een gewaanden aanval op het fort aan
-de landengte doen, maar dat punt is te goed versterkt dan dat zij in ernst zouden
-beproeven het <span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span>te veroveren; ik herhaal u dus dat de vijand zijne hoofdmacht aan den rivierkant zal
-samentrekken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik moet u doen opmerken, mijnheer,&#x201d; zei de luitenant, »dat de rivier op dit oogenblik
-onbevaarbaar is, door de duizende boomstammen die de jongste onweders in de bergen
-hebben losgerukt en die zij op haar stroom medevoert.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik weet niet of de rivier al dan niet bevaarbaar is,&#x201d; antwoordde don Louis beslissend;
-»maar daarvan ben ik overtuigd, dat de Apachen u van die zijde zullen aantasten.&#x201d;
-</p>
-<p>»In ieder geval, en om niet onvoorziens overrompeld te worden, zal ik twee stukken
-van de batterij aan de landengte laten nemen; daar blijven er dan nog vier over, hetgeen
-meer dan voldoende is; ik zal die twee stukken zoo laten stellen dat zij de rivier
-bestrijken en ze tevens maskeeren zoodat zij niet kunnen gezien worden. Gij hebt mij
-verstaan, Leroux? laat vervolgens een der lange veldstukken op het plat der mirador
-in batterij stellen, dan bestrijken wij den loop der Gila ook van dien kant. Ga nu,
-en zorg dat mijne orders onmiddellijk worden uitgevoerd.&#x201d;
-</p>
-<p>De oude soldaat ging heen zonder te antwoorden, om de bevelen van zijn chef uit te
-voeren.
-</p>
-<p>»Gij ziet, mijne heeren,&#x201d; vervolgde de graaf zoodra zijn luitenant weg was, »dat ik
-mij den raad dien gij mij geeft dadelijk ten nutte maak; ik beken dat ik van den Indiaanschen
-oorlog volstrekt geen ondervinding heb en zeg u nogmaals, dat ik mij gelukkig reken
-door u zoo goed geholpen te worden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Mijnheer Louis heeft alles vooruit gezien,&#x201d; zeide de haciendero, »even als hij, denk
-ik dat de kolonie aan de rivierzijde het meest bloot ligt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nog een woord,&#x201d; hervatte de Franschman.
-</p>
-<p>»Spreek, mijnheer.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hebt gij niet gezegd, caballero, dat gij veertig peons hadt medegebracht, allen in
-den krijg welervaren mannen en dat zij op dit oogenblik hier zijn?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, dat heb ik gezegd, en het is de zuivere waarheid.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeer goed. Laat ik u dan ook daarin raden, mijne heeren; wat ik hier zeggen zal is
-maar eene eenvoudige opmerking, maar ik geloof dat gij van de peons meesterlijk partij
-zoudt kunnen trekken en u van de overwinning verzekeren door uwe vijanden tusschen
-twee vuren te brengen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat zou het ook. Maar hoe meent gij het dan? gij hebt zelf daar zoo even nog gezegd,
-dat het eene onvergeeflijke onvoorzichtigheid zou zijn om een detachement van ons
-volk op verkenning uit te zenden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat heb ik ook gezegd en dat zeg ik nog. In de bosschen en struiken namelijk zijn,
-terwijl wij hier spreken, duizend oogen op de hacienda gevestigd, zoodat er niemand
-in of uit kan gaan zonder dat zij het zien.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span></p>
-<p>»Welnu?&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar heb ik u dan ook niet gezegd dat deze oorlog een oorlog van listen en hinderlagen
-was?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat hebt gij zeker; en toch moet ik u bekennen dat ik niet begrijp waar gij heen
-wilt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is toch zoo moeielijk niet om te begrijpen; ik zal het u in twee woorden zeggen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Alles wat ik verlang,&#x201d; zei don Sylva.
-</p>
-<p>»<span class="corr" id="xd30e2880" title="Bron: Senor">Señor</span> caballero,&#x201d; hervatte don Louis zich tot don Sylva wendende, »denkt gij hier te blijven?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, om zekere gewichtige redenen zal ik hier vrij lang moeten vertoeven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik heb voor het minst geen oogmerk, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>, mij in uwe intieme zaken te mengen, geloof mij, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>, als ik maar weet of gij hier blijft.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja.&#x201d;
-</p>
-<p>»Perfect. Hebt gij onder uwe peons een getrouw man, op wien gij kunt rekenen zoo goed
-als op u zelven?&#x201d;
-</p>
-<p>»<i>Cascaras!</i> dat zou ik denken: ik heb Blas Vasquez.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zonder onbescheiden te zijn, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>, moet ik u vragen wie is deze Blas Vasquez, zooals gij hem noemt, daar ik de eer
-niet heb hem te kennen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Blas Vasquez is mijn capataz of majordomo (hofmeester) een flinke vent, daar ik des
-noods op kan rekenen zoo goed als op mij zelven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu, dan is alles in orde, dat maakt de zaak zoo eenvoudig mogelijk.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zie nog volstrekt niet hoe,&#x201d; riep de graaf.
-</p>
-<p>»Gij zult het aanstonds zien,&#x201d; hernam don Louis.
-</p>
-<p>»Hoe eer hoe liever, vriend.&#x201d;
-</p>
-<p>»Uw capataz zal zich, onder bepaalde instructiën, eer wij een uur verder zijn aan
-het hoofd der peons stellen en openlijk uittrekken op weg naar Guaymas; doch twee
-of drie uren van hier<span class="corr" id="xd30e2911" title="Bron: .">,</span> op eene plaats die wij nader zullen bepalen moet hij post vatten: het overige gaat
-ons aan en zal door mijne vrienden en mij worden geregeld.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, ik begrijp uw plan: de peons door u met overleg verborgen, zullen de Indianen
-in den rug aantasten zoodra de strijd tusschen hen en ons hier begint.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is werkelijk mijn plan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar de Apachen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Welnu?&#x201d;
-</p>
-<p>»Denkt gij, dat zij een troep blanken ongemoeid van hier zullen laten vertrekken?&#x201d;
-</p>
-<p>»De Indianen zijn te slim om er zich tegen te verzetten. Wat zouden zij er bij winnen,
-een troep aan te tasten die geen bagage bij zich heeft en daar dus niets van te halen
-is? Zulk een strijd <span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span>zou alleen hunne stelling kunnen verraden, en daar zullen zij zich wel voor wachten.
-Neen, neen, wees gerust, caballero, zij zullen zich niet verroeren; zij hebben er
-te veel belang bij om onzichtbaar te blijven, of verbeelden het zich althans, daar
-zij niet weten dat gij voor hen gewaarschuwd zijt.&#x201d;
-</p>
-<p>»En gij, wat denkt gij te doen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik? de Indianen hebben mij ongetwijfeld herwaarts zien komen; zij weten dat ik hier
-ben; als ik tegelijk met u vertrok zou ik alles verklappen. Ik ga dus alleen weg,
-zoo als ik gekomen ben, en dat wel oogenblikkelijk.&#x201d;
-</p>
-<p>»Uw plan is zoo eenvoudig en zoo goed overlegd, dat het wel slagen moet. Ontvang onzen
-dank, mijnheer, en noem ons uw naam, opdat wij den man mogen kennen aan wien wij zoo
-veel verplichting hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>»Waartoe zou dat dienen, mijnheer?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik voeg mijn verzoek bij dat van mijn vriend <span class="corr" id="xd30e2930" title="Bron: Gaetano">Gaëtano</span>, caballero, om u te dringen, den naam te openbaren van een man wiens aandenken zoo
-diep in onze harten staat gegrift.&#x201d;
-</p>
-<p>Don Louis aarzelde. Zonder recht te weten waarom, voelde hij zich ongenegen om tegenover
-den graaf de Lhorailles zijn incognito te verbreken.
-</p>
-<p>De beide heeren hielden echter zoo dringend en zoo beleefd bij hem aan, dat hij, bij
-gebreke van stellingen en redelijken grond om onbekend te blijven, zich liet overhalen
-zijn naam bekend te maken.
-</p>
-<p>»Caballeros,&#x201d; zeide hij eindelijk, »ik ben de graaf Louis Edouard Maxime de Prébois
-Crancé.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wij zijn vrienden, niet waar, mijnheer de graaf?&#x201d; zeide de Lhorailles hem de hand
-toestekende.
-</p>
-<p>»Wat ik voor u doe, strekt dunkt mij daarvan tot bewijs,&#x201d; antwoordde hij met een hoffelijke
-buiging, maar zonder de hand te drukken die hem werd aangeboden.
-</p>
-<p>»Ik dank u,&#x201d; zei de graaf zonder naar &#x2019;t scheen de teruggetrokken houding van don
-Louis op te merken. »Denkt gij ons spoedig te verlaten?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik moet u, met uwe dringende bezigheden alleen laten. Zoo gij er niets tegen hebt,
-neem ik dadelijk mijn afscheid.&#x201d;
-</p>
-<p>»Toch niet zonder ten minste vooraf met ons ontbeten te hebben?&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij zult mij verschoonen, de tijd dringt ons. Mijne vrienden, die ik reeds sedert
-een paar uren verlaten heb, zullen zich over mijn lang uitblijven zeer ongerust maken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Daar zij weten dat gij bij mij zijt, mijnheer, is zoo iets toch onmogelijk,&#x201d; zei
-de graaf min of meer geraakt.
-</p>
-<p>»Zij weten niet dat ik hier zonder letsel ben aangekomen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat verandert de zaak, dan wil ik u niet langer ophouden, nogmaals dank, mijnheer.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span></p>
-<p>»Ik heb volgens mijn geweten gehandeld, mijnheer, gij hebt mij voor niets te danken.&#x201d;
-</p>
-<p>De drie heeren gingen nu de zaal uit en wandelden samen naar de landengte, al pratende
-over onverschillige zaken. Nauwelijks waren zij half op weg, of zij ontmoetten don
-Blas, den capataz. Don Sylva wenkte hem te naderen en gaf hem toen in weinige woorden
-te kennen op welke gebeurtenissen men zich voorbereidde en welke rol hij daarbij zou
-moeten spelen.
-</p>
-<p>»<span lang="es">Voto a Dios!</span>&#x201d; riep de wakkere hofmeester vroolijk, »ik dank u, don Sylva, voor dat goede nieuws.
-Wij zullen dus eindelijk met die verwenschte Apachen aan den slag komen. Caraï! zij
-zullen wat zien, dat zweer ik u.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is u wel toevertrouwd, Blas, ik verlaat mij geheel op u<span class="corr" id="xd30e2957" title="Niet in bron">.</span>&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar op welke hoogte moet ik dezen caballero afwachten!&#x201d;
-</p>
-<p>»Inderdaad! wij hebben de plaats nog niet bepaald.&#x201d;
-</p>
-<p>»Inderdaad!&#x201d; herhaalde don Louis. »Ongeveer drie mijlen van hier in de richting van
-Guaymas waar de weg een bocht maakt, ligt een eenzame heuvel, zoo ik meen heet hij
-<i lang="es">el Pan de Azucar</i>; daar kunt gij u gerust verbergen zonder vrees van ontdekt te worden. Ik zal daar
-met mijne vrienden bij u komen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is afgesproken. Tegen hoe laat zoo wat?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat kan ik u nog niet bepaald zeggen; het hangt van omstandigheden af.&#x201d;
-</p>
-<p>Eenige minuten later keerde don Louis naar de prairie terug terwijl de graaf de Lhorailles
-en de beide Mexicanen zich bezig hielden met de noodige toebereidsels voor eene ernstige
-verdediging der hacienda.
-</p>
-<p>»&#x2019;t Is toch zonderling,&#x201d; <span class="corr" id="xd30e2972" title="Bron: momdelde">mompelde</span> don Louis in zich zelven terwijl hij in snellen galop wegreed, »al is die man mijn
-landgenoot en al zal ik eerlang misschien mijn leven voor hem wagen, gevoel ik voor
-hem geen de minste sympathie.&#x201d;
-</p>
-<p>Op eens maakte zijn paard een zijsprong, en de Franschman, zoo plotseling in zijne
-beschouwingen gestoord, hield op.
-</p>
-<p>De Arendskop stond voor hem.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6914">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XI.</h2>
-<h2 class="main">DE MEXICAANSCHE MAAN.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Na zijn nachtelijk bezoek in het jagerskamp was de Zwarte-Beer met zijne ruiterschaar
-onmiddellijk op marsch gegaan naar zeker niet verafgelegen eiland, Chole-Heckel genaamd,
-een der uiterste posten van den stam der Apachen op de grenzen van Mexico.
-</p>
-<p>De Sachem met zijn troep bereikte dit eiland tegen het krieken van den dag. Daar ter
-plaatse heeft de Rio Gila hare grootste breedte, <span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span>beslaande elk der beide rivierarmen die het eiland insluiten, meer dan twee mijlen
-van den eenen oever tot den anderen.
-</p>
-<p>Chole-Heckel, dat zich midden in den stroom verheft en, uit de verte gezien, als een
-trotsche bloemenmand schijnt te drijven op het spiegelend watervlak, heeft ongeveer
-drie mijlen lengte bij eene mijl breedte, en is om zoo te zeggen eene reusachtige
-bouquet van bloeiende boomen en gewassen, die de welriekendste geuren uitwasemt en
-in wier welige takken eene ontelbare menigte vogels onder lustig gekweel en gesnater
-zich paart tot een melodisch natuurconcert.
-</p>
-<p>Onder de luisterrijke stralen der opgaande zon bood het eiland op dit oogenblik bovendien
-een ander, ongewoon en allerzonderlingst schouwspel, dat wel in staat was den blik
-van iederen reiziger te treffen, en geen Europeaan, zonder het gezien te hebben, zich
-ooit naar waarde zou kunnen verbeelden.
-</p>
-<p>Zoover het oog reikte, zoowel op het eiland zelf als aan de beide oevers der Rio Gila,
-zag men honderden tenten van bisonshuid of hutten van groene takken gevlochten, in
-geregelde orde, dicht aan elkander geplaatst en uitwendig met allerlei opzichtige
-stoffen versierd of met schreeuwende kleuren beschilderd, zoodat de bonte mengeling,
-thans door de gloeiende morgenzon beschenen, het oog deed schemeren.
-</p>
-<p>Tallooze kleine prauwen rond van vorm, uit samengenaaide paardenhuiden of meer rank
-en spits, uit holle boomstammen vervaardigd, doorkliefden de rivier in alle richtingen.
-</p>
-<p>De krijgslieden van den Zwarte-Beer stegen af en gaven hunnen paarden de vrijheid,
-die weldra begonnen te grazen en zich onder eene menigte anderen verstrooiden.
-</p>
-<p>Het opperhoofd begaf zich onmiddellijk naar de hutten en tenten, voor welke behalve
-wimpels van doek en vederbossen eene menigte haarschedels van beroemde in den krijg
-gedoode vijanden op de morgenkoelte wapperden, en ging tusschen de vrouwen door, die
-reeds druk bezig waren met het ochtendmaal te bereiden.
-</p>
-<p>De Zwarte-Beer werd echter bij zijne komst dadelijk herkend; iedereen haastte zich
-dus hem te gemoet te gaan en zich op zijn weg te scharen, om hem met een eerbiedige
-buiging te begroeten. Wat een Europeaan misschien moeielijk zou gelooven, is het diep
-ontzag dat alle Indianen, zonder uitzondering, hunnen opperhoofden toedragen. Vooral
-bij die Indianen, welke aan de voorvaderlijke gewoonten getrouw gebleven, de Europeesche
-beschaving met verachting hebben afgewezen om als vrije mannen in de onbeperkte savanen
-te kunnen omzwerven, is dit ontzag tot dweepzuchtige en schier tot afgodische vereering
-overgeslagen.
-</p>
-<p>De gouden met twee bisonshoorns versierde haarband die op het voorhoofd van den Zwarte-Beer
-prijkte, maakte hem terstond bij allen kenbaar en deed alom op zijn pad een levendig
-vreugdegejuich opgaan.
-<span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span></p>
-<p>Eindelijk bereikte hij den oever der rivier; daar komende wenkte hij een man, die
-op korten afstand met zijne prauw lag te visschen; deze haastte zich te gehoorzamen,
-en de sachem stak den stroom over naar het eiland.
-</p>
-<p>Eene hut van takken stond aldaar voor hem gereed. Waarschijnlijk hadden de hier en
-daar verborgen schildwachts hem reeds uit de verte gadegeslagen, want op het oogenblik
-dat hij voet aan wal zette, trad een der opperhoofden met name de Kleine-Panter hem
-te gemoet.
-</p>
-<p>»Het groote opperhoofd is welkom bij zijne kinderen,&#x201d; zeide hij met eene hoffelijke
-buiging voor den Zwarte-Beer; »o! heeft mijn vader eene goede reis gehad?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik heb eene goede reis gehad, ik dank mijn broeder.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo mijn vader het goed vindt zal ik hem naar de <i>jacal</i><a class="noteRef" id="xd30e3004src" href="#xd30e3004">1</a> geleiden die wij gebouwd hebben om hem te ontvangen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Laten wij gaan,&#x201d; zei de sachem.
-</p>
-<p>De Kleine-Panter boog ten tweeden male en geleidde thans het opperhoofd langs een
-smal pad dat door de struiken gebaand was; weldra kwamen zij aan eene jacal die naar
-de wijze der Indianen, zoowel door hare grootte als door hare netheid en de schitterende
-kleuren waarmede zij beschilderd was, uitmuntte en aan hun ideaal van gemak of weelde
-beantwoordde.
-</p>
-<p>»Hier is mijns vaders huis,&#x201d; zeide de Kleine-Panter terwijl hij eerbiedig de <i>fressada</i>&#x2014;wollen deken&#x2014;ophief, die de jacal als een gordijn sloot, en toen een weinig ter zijde
-trad om den Zwarte-Beer door te laten.
-</p>
-<p>Deze trad binnen.
-</p>
-<p>»Mijn broeder volge mij,&#x201d; zeide de Zwarte-Beer.
-</p>
-<p>De <span class="corr" id="xd30e3018" title="Bron: kleine-Panter">Kleine-Panter</span> trad achter hem binnen en liet het gordijn weder vallen.
-</p>
-<p>De jacal, ofschoon buitengewoon groot, verschilde overigens niet van die der andere
-Indianen; in het midden brandde een vuur; de Zwarte-Beer wenkte den anderen sachem
-om naast hem op een bisonsschedel te gaan zitten; nam er zelf een en beiden namen
-plaats bij het vuur.
-</p>
-<p>Na een poosje stilzwijgens, dat de sachems besteedden om deftig hunne pijp te rooken,
-richtte de Zwarte-Beer het woord tot den Kleine-Panter.
-</p>
-<p>»Zijn al de hoofden onzer volksstammen op het eiland Chole-Heckel vereenigd, zoo als
-ik bevolen had?&#x201d;
-</p>
-<p>»Allen zijn er vereenigd.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wanneer zullen zij in mijne jacal komen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat hangt van mijn vader af; zij wachten op zijn welbehagen.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span></p>
-<p>De Zwarte-Beer begon weder stilzwijgend te rooken en op deze wijze verliep er een
-geruime tijd.
-</p>
-<p>»Is er gedurende den tijd, dat ik afwezig was, niets nieuws voorgevallen?&#x201d; vroeg de
-Zwarte-Beer terwijl hij de asch uit zijn calumet op den nagel van den duim zijner
-linkerhand schudde.
-</p>
-<p>»Drie opperhoofden van de Comanchen der prairiën zijn hier gekomen, om als afgezanten
-van hun volk met de Apachen te onderhandelen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ooah!&#x201d; riep de Zwarte-Beer; »zijn het beroemde opperhoofden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Zij hebben tal van wolvenstaarten aan hunne <i>mocksens</i><a class="noteRef" id="xd30e3037src" href="#xd30e3037">2</a>. Zij moeten dus wel dapper zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>De Zwarte-Beer boog toestemmend.
-</p>
-<p>»De een,&#x201d; zegt men, »is de Spotvogel,&#x201d; vervolgde de Kleine-Panter.
-</p>
-<p>»Is mijn broeder zeker van hetgeen hij mij zegt?&#x201d; vroeg de sachem met belangstelling.
-</p>
-<p>»De Comanchenhoofden hebben geweigerd hun naam te zeggen, toen zij hoorden dat mijn
-vader afwezig was. Zij antwoordden dat zij zouden wachten tot hij terugkwam.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed! Het zijn opperhoofden. Waar houden zij hun verblijf<span class="corr" id="xd30e3046" title="Bron: &#x201d;.">?&#x201d;</span>
-</p>
-<p>»Zij hebben een vuur ontstoken en er zich bij gelegerd.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeer goed. De tijd is kostbaar: mijn broeder ga de Apachenhoofden zeggen dat ik hen
-rondom het raadsvuur wensch te vereenigen.&#x201d;
-</p>
-<p>De Kleine-Panter stond op zonder te antwoorden en ging de jacal uit.
-</p>
-<p>Een uur lang ongeveer zat het opperhoofd alleen en in diepe gepeinzen verzonken; na
-verloop van dien tijd hoorde men daarbuiten de voetstappen van verscheidene mannen
-naderen: het gordijn der jacal werd opgeheven en de Kleine-Panter verscheen.
-</p>
-<p>»Wel?&#x201d; zei de Zwarte-Beer.
-</p>
-<p>»De hoofden wachten op u.&#x201d;
-</p>
-<p>»Laat hen binnenkomen.&#x201d;
-</p>
-<p>De opperhoofden stonden reeds voor de hut.
-</p>
-<p>Zij waren tien in getal, allen in hun beste kostuum, op het schoonst versierd, beschilderd
-en gewapend als ten oorlog.
-</p>
-<p>Zij stapten zwijgend binnen, en namen plaats bij het vuur, na voor het opperhoofd
-gebogen en den zoom van zijn mantel gekust te hebben.
-</p>
-<p>Nauwelijks hadden zich al de opperhoofden in de <i lang="es">toldo</i> (raadshut) verzameld, of een troep Apachen-krijgslieden schaarde er zich omheen,
-ten einde de nieuwsgierigen te verwijderen en het geheim van de beraadslaging der
-sachems te verzekeren.
-</p>
-<p>Ondanks zijne zelfbeheersching kon de Zwarte-Beer zijne vreugde <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>niet bedwingen, toen hij zoo vele mannen bijeen zag die hem geheel waren toegedaan
-en met wier hulp hij zich zeker waande zijne dwaze plannen te kunnen uitvoeren.
-</p>
-<p>»Ik heet mijne broeders welkom!&#x201d; zeide hij, hen met een wenk uitnoodigend op de bisonsschedels
-plaats te nemen, die rondom het vuur geschaard stonden, »ik heb hen met ongeduld verbeid.&#x201d;
-</p>
-<p>De opperhoofden maakten eene buiging en gingen zitten. Het volgende oogenblik kwam
-de pijpdrager binnen met de groote calumet, die hij aan al de sachems rondpresenteerde,
-om er elk op zijn beurt een paar trekken uit te laten doen. Toen deze ceremonie was
-afgeloopen en de pijpdrager zich verwijderd had, werd de beraadslaging geopend.
-</p>
-<p>»Voor alle dingen,&#x201d; zoo begon de Zwarte-Beer, »moet ik u van mijne zending verslag
-doen. De Zwarte-Beer heeft haar volkomen vervuld, hij is in de groote hut der blanken
-geweest, en heeft haar tot in de kleinste bijzonderheden onderzocht, hij kent het
-aantal bleekgezichten die haar verdedigen en als het uur komt om er mijne krijgslieden
-binnen te leiden zal de Zwarte-Beer overal den weg weten te vinden.&#x201d;
-</p>
-<p>De hoofden bogen ten teeken van goedkeuring.
-</p>
-<p>»Die groote hut der blanken,&#x201d; vervolgde de Zwarte-Beer, »is het eenige ernstige bezwaar
-dat onze onderneming in den weg staat.&#x201d;
-</p>
-<p>»De Yoris zijn honden zonder moed, de Apachen zullen hen van vrouwenrokken voorzien
-en hen ons wildbraad laten gereed maken,&#x201d; zei de Kleine-Panter met een schamperen
-grijns.
-</p>
-<p><span id="xd30e3077"></span>De Zwarte-Beer schudde het hoofd.
-</p>
-<p>»De bleekgezichten der groote hut van Guetzalli zijn geene Yoris,&#x201d; riep hij; »een
-sachem heeft hen gezien, het zijn wel degelijk mannen. Zij hebben meerendeels blauwe
-oogen en de kleur van hun haar is als die van het rijpe maïs, zij komen mij zeer dapper
-voor: laten mijne broeders zich niet vergissen!&#x201d;
-</p>
-<p>»En weet mijn vader ook wie deze zijn?&#x201d; vroeg een der sachems.
-</p>
-<p>»Dat weet de Zwarte-Beer niet, doch daar ginds bij het groote Zoutmeer, is hem gezegd
-dat zij een land bewonen zeer ver van hier tegen de opgaande zon: dat is alles.&#x201d;
-</p>
-<p>»Die mannen hebben dus zeker geen boomen, noch vruchten, noch bisons in hun land,
-dat zij zoo ver komen om de onze te stelen.<span class="corr" id="xd30e3084" title="Niet in bron">&#x201d;</span>
-</p>
-<p>»De bleekgezichten zijn onverzadelijk,&#x201d; hernam de Zwarte-Beer; »zij vergeten dat de
-Groote Geest hun even als andere menschen slechts één mond en twee handen gegeven
-heeft; alles wat zij zien willen zij bezitten; de Wacondah, die zijne roode kinderen
-bemint, heeft ons in een rijk land doen geboren worden en ons met zijne gaven overstelpt,
-daarop zijn de bleekgezichten jaloersch en daarom zoeken zij ons gedurig te bestelen
-en er ons uit te verdrijven; maar de Apachen zijn dappere krijgslieden, zij zullen
-de jachtgronden weten <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>te verdedigen en te beschermen, die zij van hunne vaderen geërfd hebben, en beletten
-dat zij betreden worden door de voeten der vagebonden die van de overzijde van het
-groote Zoutmeer zijn gekomen, op hunne drijvende hutten van de <i>groote medicijn</i>.&#x201d;<a class="noteRef" id="xd30e3092src" href="#xd30e3092">3</a>
-</p>
-<p>De opperhoofden juichten deze rede met geestdrift toe, daar zij hunne gevoelens zoo
-juist wedergaf en den bitteren haat uitdrukte die hen bezielde tegen de blanken, dat
-alles overwinnend en veroverend ras, dat gedurig voorwaarts dringt en de Roodhuiden
-steeds verder en verder in de wildernis terugdrijft en hun weldra niet langer de noodige
-ruimte zal laten om vrij te ademen, veelmin rustig naar hun zin en wijze te leven.
-</p>
-<p>»De groote natie der Comanchen van het Meer, die zich de Koningin der Prairiën noemt,
-heeft naar ons volk drie beroemde krijgslieden afgevaardigd. Het doel dezer ambassade
-is mij onbekend, maar mijns bedunkens kan het niet anders dan vredelievend zijn. Behaagt
-het u, hoofden mijns volks, hen onder u te ontvangen en te vergunnen met ons de vredespijp
-te rooken rondom het vuur van den raad?&#x201d;
-</p>
-<p>»Mijn vader is een zeer wijze sachem,&#x201d; antwoordde de Kleine-Panter; »hij weet, wanneer
-hij dit wil, de verborgenste gedachten zijner vijanden te raden; wat hij doet zal
-welgedaan zijn; de hoofden van zijn volk zullen zich gelukkig rekenen zich te gedragen
-naar den raad dien hij hun zal gelieven te geven.&#x201d;
-</p>
-<p>De Zwarte-Beer liet zijn blik over de vergadering weiden om zich te verzekeren of
-de Kleine-Panter wel het algemeene gevoelen had uitgesproken.
-</p>
-<p>Al de leden van den raad bogen zwijgend het hoofd, ten teeken van goedkeuring.
-</p>
-<p>De sachem glimlachte hoogmoedig, toen hij zag dat zijne mede-opperhoofden hem zoo
-wel begrepen hadden en wendde zich onmiddellijk tot den Kleine-Panter:
-</p>
-<p>»Dat mijne broeders de opperhoofden der Comanchen binnengeleid worden,&#x201d; zeide hij.
-</p>
-<p>Deze woorden werden uitgesproken op een toon van majesteit, daar een Europeesch vorst
-die in zijn parlement voorzit zich aan kon spiegelen.
-</p>
-<p>De Kleine-Panter ging de hut uit om het ontvangen bevel ten uitvoer te brengen.
-</p>
-<p>Gedurende zijne afwezigheid, die vrij lang aanhield, werd er geen woord tusschen de
-sachems gewisseld; daar zaten zij op hunne bisonsschedels, met de ellebogen op de
-knieën, de kin op de handpalmen, onbewegelijk en zwijgend, strak voor zich te kijken,
-en naar het scheen in het diepste nadenken verzonken.
-<span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span></p>
-<p>De Kleine-Panter kwam eindelijk terug, met de drie Comanchenhoofden in zijn gevolg.
-</p>
-<p>Bij hunne komst stonden de Apachenhoofden op en begroetten hen met eene plechtstatige
-buiging. De Comanchen gaven hunne begroeting niet minder plechtstatig terug, doch
-namen een diep stilzwijgen in acht en bleven staan wachten tot men hen het eerst zou
-toespreken.
-</p>
-<p>Het waren drie kloeke, jonge mannen, rank van gestalte, krijgshaftig van houding,
-met vrijen blik en nadenkend voorhoofd. Terwijl zij daar zoo stonden in hun nationaal
-kostuum, met opgeheven hoofd, de hand fier op de rechterheup, hadden zij iets edels
-en oprechts, dat terstond belangstelling wekte en vertrouwen inboezemde. Inzonderheid
-een van hen, de jongste der drie&#x2014;hij kon nauwelijks vijf en twintig jaar geweest zijn&#x2014;was,
-naar zijn uiterlijk voorkomen te oordeelen, iemand van hoogeren aanleg en rang; zijne
-strenge gelaatstrekken, de glans van zijn schitterenden oogopslag, zijne houding vol
-zwier en majesteit, alles deed hem reeds dadelijk kennen als een man uit duizend.
-</p>
-<p>Hij heette de Spot-Vogel en zooals de bos condorsveeren in zijn oorlogskuif aanduidde,
-was hij een der voornaamste krijgshoofden van zijn stam.
-</p>
-<p>Zonder zich daarom aan onbescheiden nieuwsgierigheid schuldig te maken, vestigden
-de Apachen op hunne nieuwe gasten dien doordringenden blik van onderzoek, dien de
-Indianen in zulk eene hooge mate bezitten.
-</p>
-<p>De Comanchen, ofschoon zij gevoelden dat aller oog op hen gericht was en zij het mikpunt
-waren der algemeene belangstelling, hielden zich alsof zij hiervan niets bemerkten
-en geen spier bewoog zich op hun strak gelaat.
-</p>
-<p>Machiavelli, de schrijver van den <i>Vorst</i>, was, bij de Roodhuiden vergeleken, slechts een kind in zake van politiek en staatslist.
-Deze arme ongeleerde wildemannen, zooals men ze uit onkunde vaak noemt, zijn de leepste
-en geslepenste diplomaten die er bestaan kunnen.
-</p>
-<p>Na eenige oogenblikken stilte, deed de Zwarte-Beer een stap voorwaarts en naderde
-hij de Comanchen, de rechterhand uitstrekkende met de palm naar voren.
-</p>
-<p>»Ik acht mij gelukkig,&#x201d; zeide hij, »de Comanchen van het Meer te ontvangen onder mijn
-totem, en hen te begroeten te midden van mijn volk. Dat zij plaats nemen aan het vuur
-van onzen raad en de vredescalumet rooken met hunne broederen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo zij het,&#x201d; antwoordde de Spotvogel op strengen toon; »zijn wij niet allen kinderen
-van den Wacondah?&#x201d;
-</p>
-<p>En zonder er verder een woord bij te voegen nam hij, gevolgd door de andere opperhoofden,
-plaats bij het vuur van den raad in gelijken rang met de Apachen<span class="corr" id="xd30e3124" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>Het gesprek bleef andermaal steken. Ieder rookte in stilte.
-<span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span></p>
-<p>Eindelijk, toen in de calumets niets meer was overgebleven dan de asch, wendde de
-Zwarte-Beer zich met een glimlach tot den Spotvogel.
-</p>
-<p>»Mijne broeders de Comanchen van het Meer waren zeker niet ver van hier op de bisonsjacht:
-en toen hebben zij gedacht hunnen broeders de Apachen een bezoek te brengen. Ik zeg
-hun hiervoor dank.&#x201d;
-</p>
-<p>De Spotvogel boog en antwoordde:
-</p>
-<p>»De Comanchen van het Meer zijn nog ver weg, op het jachtveld der antilopen aan de
-Rio del Norte, alleen de Spotvogel en weinige getrouwe krijgslieden van zijn stam
-liggen hier in den omtrek gekampeerd.&#x201d;
-</p>
-<p>»De Spotvogel is een beroemd opperhoofd in de prairie,&#x201d; antwoordde de Apache vleiend;
-»de Zwarte-Beer acht zich gelukkig hem te zien. Een zoo groot krijgsman als mijn broeder
-doet zulk een verren tocht niet zonder een bepaald en gewichtig doel.&#x201d;
-</p>
-<p>»De Zwarte-Beer heeft wel geraden: de Spotvogel is herwaarts gekomen om de banden
-der vriendschap tusschen hem en zijne broeders de Apachen nader toe te halen. Waarom
-toch zouden wij elkander een grondgebied betwisten daar wij beiden gelijk recht op
-hebben? Zouden wij niet wijzer doen met het tusschen ons te verdeelen? Moeten de Roode
-menschen elkander nog langer onderling verdelgen? Zou het niet beter zijn bij het
-vuur van den raad, de oorlogsbijl zoo diep te begraven, dat voortaan wanneer een Apache
-een Comanch ontmoet, deze in hem niets anders ziet dan een welbeminden broeder? De
-bleekgezichten, die met iedere maan meer en meer onze bezittingen innemen, voeren
-immers tegen ons een te bitteren oorlog, dan dat wij door onze inwendige geschillen
-hun overmoed zouden in de hand werken?&#x201d;
-</p>
-<p>De Zwarte-Beer stond op en strekte den arm gezagvoerend uit.
-</p>
-<p>»Mijn broeder de Spotvogel heeft gelijk,&#x201d; zeide hij, »slechts één gevoel behoort ons
-voortaan te leiden, vaderlandsliefde; stellen wij dus onze kleine hatelijkheden ter
-zijde, om aan niets anders te denken dan aan de vrijheid! De bleekgezichten weten
-volstrekt niets van onze plannen; gedurende de weinige dagen, door mij te Guaymas
-doorgebracht, was ik in staat mij hiervan te overtuigen; onze onverhoedsche inval
-zal dus voor hen een bliksemstraal zijn, die hen van schrik doet verstijven; onze
-enkele aannadering reeds maakt hen half overwonnen.&#x201d;
-</p>
-<p>Er volgde eene diepe stilte.
-</p>
-<p>De Spotvogel liet nu zijn blik kalm en fier over de vergadering rondgaan, en riep:
-</p>
-<p>»Binnen twee maal vier en twintig uren begint de Mexicaansche Maan. Roodhuiden en
-krijgslieden, zouden wij haar laten voorbijgaan zonder een van die stoutmoedige invallen
-te hebben gewaagd, welke wij in dezen tijd des jaars gewoon zijn te doen? Bovenal
-is er eene bezitting <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>daar wij als een orkaan op moeten losstormen; die bezitting, nog kort geleden door
-bleekgezichten gevestigd, die geen Yoris zijn, is voor ons eene voortdurende bedreiging.
-Ik wil niet met u dingen, hoofden der Apachen, maar ik kom u, zoo gij de kolonie Guetzalli
-wilt aantasten, ronduit een onderstand van vier honderd uitgelezen Comanchen-krijgslieden
-aanbieden, aan welks hoofd ik mij stellen zal.&#x201d;
-</p>
-<p>Dit voorstel deed de aanwezigen van vreugde sidderen.
-</p>
-<p>»Ik neem met vreugde het voorstel mijns broeders aan,&#x201d; riep de Zwarte-Beer. »Ook ik
-heb nagenoeg een gelijk aantal krijgslieden onder mijn bevel; onze beide troepen zullen,
-naar ik hoop, genoeg zijn om de kolonie der bleekgezichten geheel te vernietigen.
-Morgen, met het opkomen der maan, zetten wij ons in beweging.&#x201d;
-</p>
-<p>De sachems verwijderden zich.
-</p>
-<p>De Zwarte-Beer en de Spotvogel bleven alleen.
-</p>
-<p>Deze twee opperhoofden genoten bij hun stam eene gelijke vermaardheid, beiden werden
-door hunne onderhoorigen schier aangebeden.
-</p>
-<p>Zij beschouwden elkander eene poos met zwijgende belangstelling. Tot dusver waren
-zij altijd vijanden geweest en hadden nimmer gelegenheid gehad elkander te zien dan
-met de wapenen in de hand.
-</p>
-<p>»Ik zeg mijn broeder dank, voor zijn vriendelijk aanbod,&#x201d; zei de Zwarte-Beer eindelijk.
-»In de tegenwoordige omstandigheden zal zijne hulp ons zeer te stade komen, maar als
-de overwinning eenmaal beslist is, zullen de voordeelen gelijkelijk tusschen de twee
-natiën verdeeld worden.&#x201d;
-</p>
-<p>De Spotvogel boog.
-</p>
-<p>»Welk plan heeft mijn broeder zich voorgesteld?&#x201d; vroeg hij.
-</p>
-<p>»Een zeer eenvoudig plan. De Comanchen zijn geachte ruiters; met mijn broeder als
-aanvoerder moeten zij onverwinnelijk zijn. Zoodra de maan aan den hemel schijnt, zal
-de Spotvogel met zijne krijgslieden opbreken naar Guetzalli en al het land voor zich
-uit afbranden, om een zwart gordijn van rook tusschen hem en den vijand op te halen,
-dat dezen beletten zal hen te zien aankomen of hunne sterkte te tellen. Indien de
-bleekgezichten, hetgeen echter niet waarschijnlijk is, vedetten buiten hunne groote
-hut hebben geplaatst om onze nadering te bespieden, zal mijn broeder trachten deze
-vedetten op te lichten en hen terstond laten dooden, om te beletten dat zij hunne
-vrienden waarschuwen. In de tegenwoordige onderneming, even als zulks bij vorige gelegenheden
-telken jare plaats had, moet alles wat den bleekgezichten behoort, huizen, hutten
-en jacals, met vuur worden verbrand, alsmede het vee geroofd en naar achteren worden
-vervoerd. Voor Guetzalli komende, zal mijn broeder zich zoo geschikt mogelijk in hinderlaag
-stellen en het sein afwachten dat ik hem geven zal om de bleekgezichten aan te vallen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed. Mijn broeder is een opperhoofd vol beleid; hij zal zeker slagen; alles wat
-mijn broeder mij bevolen heeft, zal ik stipt uitvoeren. <span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>Maar wat zal mijn broeder zelf intusschen doen, terwijl ik mij met dit gedeelte van
-ons plan belast?&#x201d;
-</p>
-<p>De Zwarte-Beer begon te glimlachen op eene wijze die zich niet laat beschrijven.
-</p>
-<p>»Dat zal mijn broeder zien,&#x201d; zeide hij den Comanch met de hand op den schouder kloppende,
-»hij late het opperhoofd vrij begaan, ik beloof mijn broeder eene schoone overwinning.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed,&#x201d; antwoordde de Comanch; »mijn broeder is de eerste man van zijn stam, hij weet
-hoe hij zich gedragen moet; de Apachen zijn geene vrouwen. Ik ga terstond naar mijne
-krijgslieden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed, mijn broeder heeft mij begrepen, morgen als de maan opkomt.&#x201d;
-</p>
-<p>De Spotvogel boog en de twee opperhoofden scheidden, naar het scheen op den meest
-vriendschappelijken voet.
-</p>
-<p>Eenige minuten later kwam in den kamp der Apachen alles in beweging. De vrouwen braken
-de tenten af, laadden de muildieren op, de kinderen hielpen de paarden opvangen en
-zadelen, kortom, men maakte met allen spoed aanstalten voor een onverwijld vertrek.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e3004">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3004src">1</a></span> Takkenhut&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3004src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3037">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3037src">2</a></span> Sandalen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3037src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3092">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3092src">3</a></span> Dezen term gebruiken de Indianen voor alles wat hun onbegrijpelijk voorkomt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3092src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6923">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XII.</h2>
-<h2 class="main">VROUWENLIST.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Tegen den avond van den volgenden dag, met het opkomen der maan, volgens afspraak,
-gaf ook de Spotvogel zijn troep order om op te breken en den tocht te beginnen.
-</p>
-<p>Weldra had een kleine afdeeling ruiters, die als verspieders vooruit waren gezonden
-om de velden in vlam te zetten, brandende houten in de struiken geworpen, en na verloop
-van eenige minuten steeg er als een gordijn van vlammen ten hemel, dat den ganschen
-horizont bedekte.
-</p>
-<p>De Comanchen hadden de bevelen van het Apachenhoofd zoo snel en met zooveel overleg
-uitgevoerd, dat in minder dan een half uur al het omliggende land in de asch was gelegd.
-</p>
-<p>De Zwarte-Beer, die zich met de zijnen op het eiland verschanst had, was nog niet
-opgebroken. De sporen door de Comanchen achtergelaten, waren helaas! overal zichtbaar,
-want dit landschap, den vorigen morgen nog zoo schoon, zoo rijk en zoo bloeiend, geleek
-thans eene treurige dorre en eenzame woestijn; geen groen was er meer te zien, geen
-bloemen geurden er meer, geen vogeltjes zongen er meer als om strijd tusschen de takken!
-</p>
-<p>Het plan der Indianen was tot hiertoe volkomen gelukt en de kolonisten te Guetzalli
-zouden ontwijfelbaar overrompeld zijn geworden, <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>zoo Goedsmoeds en diens vrienden elkander niet op den weg der Indianen hadden aangetroffen.
-</p>
-<p>De Canadees was op zijne hoede.
-</p>
-<p>Bij het gezicht der eerste rookwolk die hij in de verte zag opgaan, had hij het voornemen
-der Roodhuiden begrepen en zonder een oogenblik te verliezen, den Arendskop naar de
-kolonie gezonden om don Louis te waarschuwen, dien de Indiaan, gelijk wij reeds gezien
-hebben, dicht bij de hacienda ontmoette.
-</p>
-<p>Intusschen kwamen achter den brand de Comanchen in vollen galop aanrennen, alles vertrappende
-en vernielende wat door het vuur mocht gespaard zijn.
-</p>
-<p>De nacht was volkomen gedaald toen de Spotvogel in het gezicht der kolonie kwam. In
-de veronderstelling dat de snelheid van zijn marsch den blanken geen tijd zou hebben
-gelaten om zich in staat van tegenweer te stellen, plaatste hij een gedeelte van zijn
-troep in hinderlaag en trok aan &#x2019;t hoofd der overigen, met al de in dergelijke gevallen
-gebruikelijke voorzorgen, langzaam voortkruipend naar de batterij aan de landengte.
-</p>
-<p>Niemand vertoonde zich daar; de taluds en de verschansingen schenen verlaten; de Spotvogel
-verhief zijn oorlogskreet, sprong plotseling te voorschijn en klauterde met zijne
-krijgslieden vlug als tijgerkatten tegen de verschansingen op; doch op het oogenblik
-dat de Comanchen aan de binnenschans meenden te kunnen afdalen, werd er een volle
-laag uit grof en klein geschut op de aanvallers gelost, die er bijna de helft van
-wegmaaide; de overblijvenden trokken ijlings terug en namen de vlucht.
-</p>
-<p>De Comanchen hadden een groot nadeel tegenover de blanken, daar zij van geen vuurwapenen
-voorzien waren. Het klein geweervuur decimeerde hen, terwijl zij niets anders hadden
-om het te beantwoorden dan hunne pijlen en werpspiesen, of ook steenen die zij met
-den slinger wierpen.
-</p>
-<p>Weldra, doch een weinig te laat, inziende dat de Franschen op hunne hoede waren, wilde
-de Spotvogel het door de geleden verliezen reeds merkelijk geschokte vertrouwen zijner
-krijgslieden niet verder door nuttelooze pogingen verzwakken. Hij trok dus met zijn
-detachement terug onder bedekking van het bosch, waar hij besloot het signaal van
-den Zwarte-Beer af te wachten eer hij zich opnieuw in beweging zette.
-</p>
-<p>Intusschen was don Louis met den Arendskop naar Goedsmoeds teruggekeerd. De Indiaan
-moest hierbij de geleider zijn en bracht hem, na verscheidene omwegen, bijna tegenover
-de batterij aan de landengte naar een dicht boschje cactus, aloë&#x2019;s en floripondio&#x2019;s.
-</p>
-<p>»Hier kan mijn broeder afstijgen,<span class="corr" id="xd30e3190" title="Niet in bron">&#x201d;</span> zeide hij tot den Franschman, »wij zijn er.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wij zijn er! waarzoo dan?&#x201d; vroeg don Louis vruchteloos de oogen opslaande.
-<span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span></p>
-<p>Zonder te antwoorden nam de Indiaan het paard reeds bij den teugel, en bracht het
-weg; terwijl Louis naar alle zijden bleef uitkijken, maar al zijne pogingen waren
-vergeefs.
-</p>
-<p>»Wel,&#x201d; vroeg hem de Arendskop toen hij zonder paard terugkwam, »heeft mijn broeder
-zich kunnen thuis vinden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Carai! neen hoofdman, ik geef het op.&#x201d;
-</p>
-<p>De Indiaan lachte.
-</p>
-<p>»De bleekgezichten hebben mollenoogen,&#x201d; zeide hij.
-</p>
-<p>»Dat is wel mogelijk; maar hoe dit wezen mag, zal ik u dankbaar zijn als gij mij de
-uwe wilt leenen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed, mijn broeder zal zien.&#x201d;
-</p>
-<p>De Arendskop ging zoo lang als hij was op den grond liggen. Louis deed het zelfde,
-en beiden slopen nu op handen en voeten het boschje in. Na dit vermoeiende werk een
-kwartier te hebben voortgezet hield de Indiaan stil.
-</p>
-<p>»Laat mijn broeder nu eens zien,&#x201d; zeide hij.
-</p>
-<p>Zij bevonden zich op een klein open grasveld van alle zijden door boomen en struiken
-ingesloten, die zoo volkomen door lianen en andere slingerplanten waren samengeweven,
-dat het zonder welervaren en scherp onderzoek onmogelijk was deze wijkplaats te ontdekken
-of zelfs te vermoeden.
-</p>
-<p>Hier zaten Goedsmoeds en de twee Mexicanen met philosofisch geduld, al rookende, op
-de terugkomst van hun uitgezonden vriend te wachten.
-</p>
-<p>»Welkom binnen,&#x201d; riep de Canadees zoodra hij hen gewaar werd; »hoe vindt gij ons schuilhoekje?
-Charmant, niet waar? dat heeft de Arendskop voor ons uitgevonden, die weêrgasche Indianen
-hebben een bijzonderen neus om hinderlagen te zoeken, wij zijn hier zoo veilig als
-in de kathedraal te Quebec.&#x201d;
-</p>
-<p>Gedurende dezen woordenvloed, dien Louis niet anders beantwoordde dan met een warmen
-handdruk, had de Franschman zich reeds bij zijne kameraden nedergezet en was hij met
-goeden eetlust begonnen de noodige eer te bewijzen aan het ontbijt dat deze voor hem
-bewaard hadden.
-</p>
-<p>»Maar waar zijn onze paarden?&#x201d; vroeg hij.
-</p>
-<p>»Geen tien passen van hier en door niemand te vinden dan door ons zelf,&#x201d; was het antwoord.
-</p>
-<p>»Zeer goed; en kunnen wij deze dadelijk krijgen als wij ze noodig hebben?&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu! dat zou ik denken.&#x201d;
-</p>
-<p>»&#x2019;t Is maar dat wij ze waarschijnlijk spoedig noodig zullen hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar laat ik u niet storen,&#x201d; vervolgde hij zich zelven in de rede vallende, »ik doe
-niets dan babbelen, en denk er niet om dat gij wel grooten honger moet hebben; eet
-liever eerst, wij zullen straks wel praten.&#x201d;
-</p>
-<p>»O! ik kan u zeer goed antwoord geven, al eet ik.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span></p>
-<p>»Neen, alles op zijn tijd; ontbijt maar eerst, wij zullen u straks wel hooren.&#x201d;
-</p>
-<p>Nauwelijks had don Louis met eten gedaan of hij deed een uitvoerig verslag van de
-wijze waarop hij zijne zending volvoerd had.
-</p>
-<p>»Dat gaat alles naar wensch,&#x201d; zei Goedsmoeds toen de Franschman zijn verhaal eindigde;
-»ik geloof dat wij vooreerst over het lot onzer landgenooten niet bezorgd behoeven
-te zijn, vooral met behulp der veertig peons van den capataz die den vijand tusschen
-twee vuren zullen brengen.<span class="corr" id="xd30e3223" title="Niet in bron">&#x201d;</span>
-</p>
-<p>»Maar waar willen zij zich versteken?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat gaat den Arendskop aan. Het opperhoofd is met deze streek door en door bekend,
-hij heeft hier lang gejaagd, ik ben zeker dat hij een geschikt punt voor de Mexicanen
-zal vinden; wat zegt gij er van, hoofdman?&#x201d;
-</p>
-<p>»In de prairie kan men zich gemakkelijk verbergen,&#x201d; zei de Indiaan lakoniek.
-</p>
-<p>»Ja,&#x201d; merkte don Martial hierop aan, »maar één ding vergeet gij.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat dan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik heb lang op de grenzen gewoond en ben dus met de taktiek der Indianen zeer goed
-bekend; als de Apachen eene vesting naderen laten zij zich altijd voorafgaan door
-een gordijn van rook; daartoe steken zij de vlakte in brand, die weldra niets anders
-zal zijn dan een zee van vlammen, tegen welke wij ons vruchteloos zullen verweren
-en die ons ten slotte zullen verslinden, zoo wij niet in tijds de noodige voorzorgen
-nemen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is waar, het is een ernstig geval. Ongelukkig zie ik maar één middel om ons aan
-het dreigend gevaar te onttrekken, maar dat middel kunnen wij dan ook gebruiken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Welk middel bedoelt gij?&#x201d;
-</p>
-<p>»Pardi! dat wij op de vlucht gaan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dan weet ik wel een beter,&#x201d; zei de Arendskop.
-</p>
-<p>»Gij, hoofdman? Dan zult gij toch wel zoo goed zijn het ons mede te deelen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo de bleekgezichten slechts gelieven te luisteren. De Rio Gila, gelijk alle andere
-rivieren, voert op haar stroom doode boomen mede en somwijlen in zulk eene groote
-menigte, dat zij haar op zekere plaatsen verstoppen en blijven liggen; door den tijd
-schuiven die boomen zich dichter aaneen en vlechten de takken zich samen; vervolgens
-groeien er waterplanten tusschen, die ze nog nauwer verbinden; zand en aarde verzamelen
-er zich op, er groeit gras en riet en weldra andere kruiden op, zoodat deze ontzaglijk
-groote houtvlotten in de verte er als wezenlijke eilanden uitzien, tot eindelijk een
-hevige storm of een hooggezwollen vloed het vlottende eiland losrukt, den stroom afvoert
-en langzamerhand vaneen scheurt of geheel vernietigt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, dat weet ik, hoofdman, daarvan heb ik meer dan eens voorbeelden gezien,&#x201d; antwoordde
-Goedsmoeds, »zulke vlottende eilanden <span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span>gelijken vaak zoo zeer naar vaste, dat iemand, al is hij aan het leven in de wildernis
-en aan de grootsche tooneelen aldaar gewoon, er toch door bedrogen wordt. Ik begrijp
-wel waar gij heen wilt en welk voordeel wij van uw idee zouden kunnen trekken, als
-ik maar eenige kans zag om dat middel te gebruiken, maar dat is ongelukkigerwijs niet
-het geval.&#x201d;
-</p>
-<p>»<i>Ooah!</i> dat is gemakkelijk genoeg,&#x201d; hervatte de Arendskop, »het oog van een Indiaan is goed,
-hij ziet op drie boogschot afstand alles. Even boven de groote hut der bleekgezichten
-ligt een van die kleine vloteilanden, geen vijftig passen van den oever; heeft mijn
-broeder dat niet opgemerkt?&#x201d;
-</p>
-<p>»Inderdaad!&#x201d; riep Goedsmoeds »wat gij zegt is volkomen waar. Ik herinner mij thans
-dat eiland, daar had ik volstrekt niet aan gedacht.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat de plaatselijke ligging betreft heeft het niets van den brand te duchten,&#x201d; merkte
-Louis aan; »als het groot genoeg is om ons allen te bergen, zou het ons bij uitstek
-van dienst kunnen zijn als voorpost.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wij hebben geen oogenblik te verliezen, maar moeten er dadelijk heen om het te onderzoeken,
-en als wij zeker zijn dat het ons de noodige veiligheid aanbiedt, zullen wij er dadelijk
-gebruik van maken en er de peons heenbrengen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Op weg dus en niet langer geaarzeld,&#x201d; riep de Tigrero opstaande.
-</p>
-<p>De anderen deden hetzelfde, en de vijf mannen verlieten het boschkamp.
-</p>
-<p>Na hunne paarden te hebben teruggevonden, namen zij hunne richting naar het eiland
-onder geleide van den Arendskop.
-</p>
-<p>De Sachem had zich niet bedrogen; met den onfeilbaren blik die zijnen landgenooten
-eigen is, had hij alles gezien en herkend en het welgekozen punt met de meeste juistheid
-beoordeeld.
-</p>
-<p>Een ander voordeel kwam den avonturiers te stade: een dichte strook van zoogenaamde
-wortelboomen, die den oever omzoomde, stak ver genoeg in den stroom uit om den afstand
-tusschen het eiland en het vaste land merkelijk te verminderen en tevens eene natuurlijke
-bedekking te vormen voor de peons, die in het lange gras verscholen zaten; terwijl
-de Indianen zich onmogelijk in de wortelboomen zouden kunnen nestelen om van daar
-hunne vijanden te bestoken, maar integendeel door dezen zonder gevaar zouden worden
-gedecimeerd.
-</p>
-<p>Het eiland zelf, dat wij zoo zullen blijven noemen, ofschoon het eigenlijk een vlot
-moest heeten, was met een dichte massa droog, sterk en ongeveer twee ellen hoog rietgras
-bedekt, waarachter mannen en paarden geheel onzichtbaar waren. Na de volbrachte verkenning
-vestigden Goedsmoeds en de beide Mexicanen hun kamp in het centrum, terwijl don Louis
-en de Arendskop weder naar den anderen oever terugkeerden om den capataz en zijne
-peons te gemoet te gaan.
-</p>
-<p>Don Martial had weinig lust hen te vergezellen, hij vreesde, zoo <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>dicht in de nabijheid der kolonie zijnde, door don Sylva <span class="corr" id="xd30e3260" title="Bron: herkende">herkend</span> te worden en wenschte liever zoo lang mogelijk zijn incognito te bewaren, dat ter
-bevordering zijner latere plannen volstrekt noodig was.
-</p>
-<p>Louis, die hem eerst gevraagd had of hij mede wilde gaan, drong niet verder bij hem
-aan, en scheen zijne weigering stilzwijgend goed te keuren.
-</p>
-<p>Het eigenlijke van de zaak was dat de graaf Prébois, zonder te kunnen zeggen waarom,
-een heimelijken afkeer gevoelde van den Tigrero, wiens sluwe en gedurig aarzelende
-houding hem zeer tegen de borst hadden gestuit.
-</p>
-<p>De Arendskop en Louis, overtuigd dat de Zwarte-Beer zich stellig met zijn detachement
-verwijderd had, zonder spionnen in de prairie achter te laten, achtten het onnoodig
-om de peons eerst een langen en vermoeienden omweg te laten maken alvorens hunne bestemming
-te bereiken; bij gevolg verborgen zij zich in een boschje dicht bij de landengte,
-ten einde hen daar af te wachten en regelrecht naar het afgesproken punt te geleiden.
-</p>
-<p>Intusschen had het bericht van den graaf de Prébois Crancé in de kolonie Guetzalli
-alles op stelten gezet. Want ofschoon de Indianen sedert de grondvesting der hacienda
-reeds meermalen getracht hadden de Franschen te verontrusten, waren hunne pogingen
-van weinig beteekenis geweest, eerst nu zouden de kolonisten voor den eersten keer
-tot een ernstigen strijd met hunne woeste geburen worden geroepen.
-</p>
-<p>De graaf de Lhorailles had ongeveer over twee honderd <span class="corr" id="xd30e3270" title="Bron: Dauphyeers">Dauph&#x2019;yeers</span> te beschikken, afkomstig uit Valparaiso, Guyaquil, Callao en andere havens aan de
-stille Zuidzee, waar het van gelukzoekers van allerlei soort wemelt.
-</p>
-<p>Zijn troep was een zonderling samenraapsel van alle nationaliteiten uit de twee halfronden
-des aardbols; meerendeels, echter waren het Franschen, half bandieten, half soldaten,
-losbollen of vagebonden, die in den chef hunner eigen vrije keus onbepaald vertrouwen
-stelden.
-</p>
-<p>Het bericht van den voorgenomen aanval der Apachen werd door het garnizoen met een
-vroolijken juichkreet ontvangen. Schieten en vechten was voor deze avonturiers zoo
-veel als een pleizierpartij, of, zoo als zij het in hunne schilderachtige taal noemden,
-een geschikte gelegenheid om zich op te frisschen, en voor schimmelen of roesten te
-bewaren.
-</p>
-<p>Wat meer is wenschten zij den Apachen een lesje te geven en te laten zien welk onderscheid
-er bestond tusschen de Kreolen en kolonisten, daar zij van eeuwen her mede te kampen
-hadden gehad en de Europeanen, die zij nog niet kenden.
-</p>
-<p>De graaf behoefde hun dus niet aan te bevelen zich ferm te houden, integendeel was
-hij verplicht hun ijver te matigen en tot voorzichtigheid te vermanen, hun belovende
-dat hij hun spoedig gelegenheid zou verschaffen zich met de Roodhuiden in open kamp
-te meten.
-<span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span></p>
-<p>De lezer herinnert zich zonder twijfel, dat het Mexicaansche gouvernement de kolonie
-Guetzalli aan den graaf de Lhorailles had <span class="corr" id="xd30e3281" title="Bron: afgegestaan">afgestaan</span>, onder beding dat hij de Apachen en Comanchen nadrukkelijk zou bestrijden, ten einde
-hen van de Mexicaansche grenzen te verwijderen, die zij reeds lang gewoon waren op
-zekeren tijd des jaars te verwoesten.
-</p>
-<p>Op deze voorwaarde van het verdrag maakte hij zijne soldaten inzonderheid opmerkzaam.
-</p>
-<p>Zoodra dus de noodige maatregelen van verdediging genomen waren, namelijk aan ieder
-zijn post aangewezen en de wapenen en krijgsbehoeften rondgedeeld, verliet de graaf
-zich op zijne twee luitenants, den Biskayer Diego Leon en Martin Leroux, twee oude
-krijgsmannen, op welke hij meende te kunnen vertrouwen; vervolgens rekende hij op
-Blas Vasquez en diens peons.
-</p>
-<p>Daar het wel waarschijnlijk was dat de Indianen spionnen in den omtrek der kolonie
-gelaten hadden, trachtte hij dezen in den waan te brengen dat de peons werkelijk vertrokken
-waren; dientengevolge werden er verscheidene muilezels geladen met leeftocht als voor
-eene verre reis; vervolgens stelde de wel onderrichte capataz zich aan het hoofd van
-zijn troep en vertrok uit de kolonie met de karabijn op de heup.
-</p>
-<p>De Lhorailles, don Sylva en de andere bewoners oogden met licht verklaarbare belangstelling
-het kleine detachement na, zich gereed houdende het te ondersteunen zoo het mocht
-worden aangevallen.
-</p>
-<p>Maar geen muis bewoog zich in de prairie, alles bleef kalm en rustig en weldra waren
-de Mexicanen in het hooge gras verdwenen.
-</p>
-<p>»Ik begrijp de taktiek der Indianen niet,&#x201d; mompelde don Sylva in zich zelven. »Er
-schuilt zeker weder een fijne streek onder, dat zij dien kleinen troep zoo stil laten
-vertrekken, die hun zulk een schoone kans op voordeel scheen te beloven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wij zullen spoedig weten wat er van is,&#x201d; antwoordde de graaf; »overigens zijn wij
-gereed hen te ontvangen; het spijt mij slechts dat <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita zich hier bevindt, niet dat zij eenig persoonlijk gevaar loopt, maar het tumult
-van den strijd mocht haar verschrikken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij vergist u, heer graaf,&#x201d; zei <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita die op dit oogenblik het huis uitkwam; »wees voor mij maar niet bevreesd, ik
-ben eene echte Mexicaansche en geen van die kleine teere Europeesche poppetjes, die
-bij het geringste alarm eene flauwte krijgen of in onmacht vallen. Ik heb zoo vaak
-in veel moeielijker omstandigheden dan de tegenwoordige den oorlogskreet der Apachen
-in mijn oor hooren weergalmen, zonder iets van dien angst te gevoelen dien gij thans
-voor mij schijnt te duchten.&#x201d;
-</p>
-<p>Na deze woorden op fieren en minachtenden toon te hebben uitgesproken, daar de vrouwen
-zich tegen den man dien zij niet beminnen zoo behendig van weten te bedienen, trad
-<span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita den graaf voorbij zonder hem aan te zien en nam zij haar vader bij den arm.
-<span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span></p>
-<p>De Franschman antwoordde niet; hij verbeet zich de lippen dat er het bloed voorstond,
-maakte eene beleefde buiging en deed alsof hij van den scherpen zet niets begrepen
-had, zich voorbehoudende om dit verschil nader te vereffenen; want, ofschoon hij zijne
-bruid eigenlijk niet beminde, kon hij toch, gelijk meestal onder dergelijke omstandigheden,
-niet dulden dat zij door een ander bemind wierd, en allerminst dat zij zich jegens
-hem zoo trotsch en onverschillig toonde.
-</p>
-<p>De snelle gang der jongste gebeurtenissen hadden hem echter tot dusver belet om met
-<span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita tot eene beslissende verklaring te komen.
-</p>
-<p>De rijke mijnhoudersdochter, in Mexico geboren en in de nabuurschap der Indianen opgevoed,
-was een Andalusische van top tot teen, vurig en hartstochtelijk, en alleen handelend
-op den snellen indruk van haar hart en gevoel. Innig verliefd en door hare liefde
-voor don Martial gevrijwaard, had zij den graaf de Lhorailles in koelen bloede beoordeeld
-en onder den oppervlakkigen schijn zijner galante ridderlijkheid aldra den speculant
-ontdekt, die haar terstond een onverbiddelijken afkeer inboezemde. Zoo werd haar besluit
-onmiddellijk genomen om zich zonder voorbehoud buiten de mogelijkheid te stellen ooit
-zijne vrouw te kunnen worden. Maar een openlijken strijd tegen haar vader te beginnen
-.&#x2026; daar zag zij tegen op .&#x2026; om zich daaraan te wagen, kende zij te goed het oude Spaansche
-bloed dat in zijne aderen bruiste. De kracht der vrouwen, is hare schijnbare zwakheid;
-haar middel van verdediging is de list. Evenzeer Indiaansch als Spaansch van karakter,
-koos zij de list als het geduchte wapen der vrouwen dat haar soms zoo gevaarlijk maakt.
-</p>
-<p>Blas Vasquez, de oude hofmeester van don Sylva, had <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita zien geboren worden; zijne vrouw had haar gezoogd, met andere woorden hij was
-zoo innig aan het meisje verknocht dat hij op een wenk van haar, ja zijne ziel aan
-den duivel zou hebben verpand.
-</p>
-<p>Toen de graaf de Prébois Crancé op de hacienda was gekomen, had zijne verschijning
-hare belangstelling zeer gaande gemaakt en nauwelijks was hij weder vertrokken of
-zij sprak er den capataz over en vroeg hem met een onverschillig gezicht opheldering,
-die haar oude vriend natuurlijk geen bezwaar vond haar te geven, des te minder, daar
-weldra ieder in de kolonie weten zou, en weten moest, welk nieuws de graaf Louis had
-aangebracht; wat echter niemand kon weten en wat door <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita alleen bij onbedriegelijk instinct geraden werd, was dat don Martial zich onder
-de jagers bevond die in de nabijheid der kolonie verscholen lagen.
-</p>
-<p>Toen don Martial haar te Guaymas verliet, had hij haar gezegd dat hij over haar zou
-waken en haar aan het haar dreigende lot zou weten te onttrekken; het lag dus in de
-reden dat hij haar gevolgd zou zijn, en hieraan twijfelde zij geen oogenblik. Volgens
-haar begrip, moest hij ontegenzeggelijk deel uitmaken van de heldhaftige vriendenschaar
-die in dezen stond, terwijl zij de kolonie zochten te redden, tevens voor haar behoud
-werkzaam waren.
-<span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span></p>
-<p>De eenige logika die stellig spreekt en nimmer bedriegt, is die van het hart; wij
-althans hebben gezien dat <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita, door haar gevoel geleid, juist had geredeneerd.
-</p>
-<p>Toen zij van den capataz al de inlichtingen bekomen had die zij verlangde, zeide zij:
-</p>
-<p>»Don Blas, het is wel waarschijnlijk, als gij bij dezen aanval op de kolonie de gevorderde
-diensten hebt bewezen, dat mijn vader of don <span class="corr" id="xd30e3336" title="Bron: Gaetano">Gaëtano</span> u, daar zij uw volk dan niet meer noodig hebben, order zullen geven om naar Guaymas
-terug te keeren.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, waarschijnlijk wel, <span class="corr" id="xd30e3341" title="Bron: senorita">señorita</span>,&#x201d; antwoordde de brave capataz.
-</p>
-<p>»Dan zult gij mij ook wel een kleinen dienst willen bewijzen, niet waar?&#x201d; vroeg zij,
-hem op het vriendelijkst toelachende.
-</p>
-<p>»Gij weet immers wel, <span class="corr" id="xd30e3347" title="Bron: senorita">señorita</span>, dat ik voor u door een vuur <span class="corr" id="xd30e3350" title="Bron: zouloopen">zou loopen</span>?&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu, zoo zwaar zal ik uwe vriendschap niet op de proef stellen, waarde don Blas; intusschen
-dank ik u wel voor uwe goede gevoelens jegens mij.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat kan ik doen om u aangenaam te zijn?&#x201d;
-</p>
-<p>»O! een heel gemakkelijk ding.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo!&#x201d;
-</p>
-<p>»Och hemel! ja,&#x201d; riep zij op luchthartigen toon; »gij weet wel dat ik sedert lang
-de gekheid heb gehad om met alle geweld een voetkleedje van tijgervellen in mijne
-slaapkamer te verlangen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen,&#x201d; antwoordde hij oprecht, »dat wist ik niet.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hé!.&#x2026; welnu, dan zeg ik het u thans; dus weet gij het nu.&#x201d;
-</p>
-<p>»En ik zal het niet meer vergeten, <span class="corr" id="xd30e3363" title="Bron: senorita">señorita</span>, dat beloof ik u.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dank u, don Blas; maar dat is eigenlijk niet wat ik verlang.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat dan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Wel, dat gij hier twee tijgervellen bezorgdet, bedoel ik.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeer goed; welnu, zoodra ik een dag vrij heb, kunt gij er op rekenen dat ik ze u
-bezorg.&#x201d;
-</p>
-<p>»O, maar het is niet noodig dat gij u om een gril van mij in gevaar zoudt begeven
-en misschien met die schrikkelijke beesten een ongeluk krijgen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Kom, <span class="corr" id="xd30e3373" title="Bron: senorita">señorita</span>!&#x201d; riep hij een weinig geaffronteerd.
-</p>
-<p>»Neen, dat wil ik volstrekt niet; ik weet een goed middel om ze gemakkelijk te bekomen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu, des te beter dan; en wat is dat?&#x201d;
-</p>
-<p>»Er is sedert eenige dagen te Guaymas een vermaarde tijgerjager gekomen.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Don Martial Asuzena?&#x201d; viel hij haar met drift in de rede.
-</p>
-<p>»Kent gij hem?&#x201d;
-</p>
-<p>»Wie zou don Martial den Tigrero niet kennen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat valt dan goed meê.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoedat meê.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wel, van zijne laatste jacht in de prairiën van het Westen heeft de Tigrero naar
-ik hoor een aantal prachtige jaguarsvellen medegebracht, <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>die hij zeker voor een goeden prijs wel zal willen afstaan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Daar twijfel ik niet aan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu,&#x201d; riep zij, een klein verzegeld briefje uit haar boezem voor den dag halende,
-»hier heb ik een paar woorden die gij den Tigrero moet overhandigen. Ik schrijf hem
-dat ik de vellen bereid wil hebben en wat ik er hem voor betalen wil. Ziedaar is geld;&#x201d;
-vervolgde zij hem eene beurs ter hand stellende, »gij zult dat wel voor mij regelen
-zoo als gij denkt dat goed is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij hadt hem zelfs niet eens behoeven te schrijven, <span class="corr" id="xd30e3393" title="Bron: senorita">señorita</span>,&#x201d; merkte de capataz aan.
-</p>
-<p>»Met uw welnemen, vriend, maar gij hebt aan zooveel zaken te denken, dat ik niet weet
-of zulk eene kleinigheid niet licht uit het hoofd zou kunnen gaan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Alles is mogelijk, <span class="corr" id="xd30e3400" title="Bron: senorita">señorita</span>, dus dat ook; maar zooals gij het wilt is het altijd beter.&#x201d;
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd30e3404" title="Niet in bron">»</span>Niet waar? dat is dus afgesproken, gij zult mijne <span class="corr" id="xd30e3406" title="Bron: boodschapdoen">boodschap doen</span>?&#x201d;
-</p>
-<p>»Kunt gij daaraan twijfelen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen, don Blas. Wacht! nog iets: zeg geen woord aan mijn vader; gij weet hoe goed
-hij is; hij zou ze mij cadeau willen maken en ik wil deze kleinigheid volstrekt uit
-mijn eigen beurs betalen.&#x201d;
-</p>
-<p>De capataz lachte met een gezicht alsof hij het wel met haar wist. De goede man gevoelde
-zich gelukkig dat hij in een geheim mocht deelen, hoe gering dan ook, van zijn troetelkind,
-zooals hij zijne jonge meesteres gewoonlijk noemde.
-</p>
-<p>»Het blijft onder ons,&#x201d; zeide hij, »ik ben zoo stom als een visch.&#x201d;
-</p>
-<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita knipoogde hem vriendelijk toe, en verwijderde zich met een vergenoegd lachje.
-</p>
-<p>Wat beduidde die brief? en waarom had zij dien geschreven?
-</p>
-<p>Dat zullen wij straks zien.
-</p>
-<p>Dien geheelen dag viel er op de hacienda niets bijzonders voor; alleen zocht de graaf
-de Lhorailles <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita verscheidene keeren te zien en tot een ernstig gesprek over te halen, dat deze
-echter telkens wist te ontwijken.
-</p>
-<p>Blas Vasquez vertrok in de richting van Guaymas en stelde zich aan het hoofd van zijn
-troep, die het terstond in vollen galop zette uit vrees van overrompeld te worden.
-</p>
-<p>Nauwelijks was hij buiten het gezicht der kolonie en omtrent twintig minuten ver in
-het hooge prairiegras verdwenen, of plotseling sprongen er twee mannen op zijn pad
-te voorschijn, die de paarden tegenhielden en vlak voor hem bleven staan.
-</p>
-<p>Van deze twee mannen was de eene, zooals uit alles bleek een Indiaan; in den anderen
-herkende de capataz dadelijk denzelfden persoon dien hij des morgens op de hacienda
-gezien had.
-</p>
-<p>Blas Vasquez wenkte zijn troep om halt te maken en reed de beide vreemdelingen alleen
-te gemoet.
-<span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span></p>
-<p>»Door welk toeval ontmoet ik u hier, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> Frances?&#x201d; zeide hij, »wij zijn hier nog ver van het punt dat gij mij als standplaats
-hebt aangewezen.&#x201d;
-</p>
-<p>Hierop boog hij beleefd.
-</p>
-<p>Don Louis boog insgelijks.
-</p>
-<p>»Wij zijn wel is waar ver van ons punt van afspraak,&#x201d; antwoordde hij, »doch daar wij
-geen spoor van Apachen in de prairie hebben gevonden, achtten wij het onnoodig u zulk
-een langen omweg te laten maken; ik ben dus afgezonden om u naar de hinderlaag te
-geleiden die wij voor u gekozen hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij hebt welgedaan. Moeten wij nu nog lang marcheeren?&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen, geen kwartier ver meer; wij gaan naar een eilandje dat gij van hier reeds kunt
-zien, als gij u een weinig in de stijgbeugels opheft,&#x201d; voegde hij er bij, met de hand
-in de richting van het bedoelde eiland wijzende.
-</p>
-<p>»Ei zoo!&#x201d; riep de capataz, »dat punt is goed gekozen; van daar bestrijken wij de heele
-rivier.&#x201d;
-</p>
-<p>»Juist daarom hebben wij ons bij dat punt bepaald.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wil dan onze gids maar zijn, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> Frances; wij zullen u volgen.&#x201d;
-</p>
-<p>Het detachement hervatte den marsch. Gelijk don Louis gezegd had, werden de capataz
-en zijne veertig peons thans bij de vijf avonturiers op het eiland gekampeerd en zoo
-goed door het lange gras en de wortelboomen gedekt, dat men van de beide rivieroevers
-onmogelijk iets van hen kon bemerken.
-</p>
-<p>Zoodra de capataz zijn plicht als hoofdman van het detachement had volbracht, nam
-hij plaats aan het bivakvuur bij zijne nieuwe vrienden, aan welke don Louis hem voorstelde.
-</p>
-<p>De eerste persoon dien don Blas hier vond was don Martial de Tigrero.
-</p>
-<p>Bij deze ontmoeting kon hij zijne verrassing kwalijk verbergen.
-</p>
-<p>»Caspita!&#x201d; riep hij met een hartelijken lach, »wat zonderlinge ontmoeting!&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoedat?&#x201d; vroeg de Mexicaan tamelijk onthutst over deze herkenning, die hij gansch
-niet verwachtte, daar hij meende bij den capataz niet bekend te zijn.
-</p>
-<p>»Is u niet don Martial Asuzena, de Tigrero?&#x201d; vervolgde Blas Vasquez.
-</p>
-<p>»Die ben ik,&#x201d; antwoordde don Martial meer en meer ongerust.
-</p>
-<p>»Mijn hemel! het zou mij vrij wat moeite gekost hebben u te Guaymas te vinden, en
-ik dacht waarlijk niet dat ik zoo gelukkig zou zijn u hier reeds aan te treffen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Verklaar u nader als ik u verzoeken mag, ik begrijp niets van hetgeen gij zegt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik heb eene boodschap voor u van wege mijne jonge meesteres.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat zegt gij!&#x201d; riep de Tigrero, wiens hart klopte van verrassing.
-<span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span></p>
-<p>»Niets anders dan hetgeen ik zeg; <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita wil naar het schijnt een paar tijgervellen van u koopen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Van mij?&#x201d;
-</p>
-<p>»Welzeker.&#x201d;
-</p>
-<p>Don Martial keek hem met zulk een verwezen blik aan, dat de ronde capataz begon te
-schateren van lachen. Dit gelach bracht den jongman tot bezinning en deed hem bevroeden
-dat er misschien een geheim achter verscholen lag en dat hij, wanneer hij nog langer
-vreemd opkeek, bij den eenvoudigen hofmeester licht andere vermoedens zou opwekken
-die deze thans niet bezat, daar hij niets van het groote geheim wist.
-</p>
-<p>»Inderdaad,&#x201d; zeide hij alsof hij zich iets herinnerde, »ik geloof dat ik eenigen tijd
-geleden&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Ha!&#x201d; viel hem de capataz in de rede, »dat dacht ik wel half; welnu, zij heeft mij
-met een brief belast, dien ik u bij mijne eerste ontmoeting zou overhandigen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Een brief! van wie?&#x201d;
-</p>
-<p>»Wel, van mijne jonge meesteres zelve, denk ik.&#x201d;
-</p>
-<p>»Van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, van wie anders?&#x201d;
-</p>
-<p>»Geef hem mij dadelijk!&#x201d; riep de Tigrero in vervoering.
-</p>
-<p>De capataz haalde den brief uit zijn zak, en don Martial ontrukte hem dien meer dan
-hij die aannam, brak het zegel met bevende hand open en las den inhoud.
-</p>
-<p>Toen hij hem gelezen had stak hij hem in zijne borst.
-</p>
-<p>»Wel, wat schrijft nu mijne meesteres?&#x201d;
-</p>
-<p>»Niets anders dan hetgeen gij mij gezegd hebt,&#x201d; antwoordde de Tigrero min of meer
-stotterend.
-</p>
-<p>Blas Vasquez schudde het hoofd.
-</p>
-<p>»Hm! die man heeft zeker iets dat hij voor mij niet wil weten,&#x201d; mompelde hij. »Zou
-<span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita mij soms gefopt hebben?&#x201d;
-</p>
-<p>Intusschen was de Tigrero opgestaan en stapte driftig op en neer, alsof er een belangrijk
-ontwerp bij hem omging; eindelijk trad hij naar Goedsmoeds, die stil zat te rooken,
-bukte aan zijn oor en fluisterde hem eenige woorden in, die de Canadees toestemmend
-beantwoordde. Een lichtstraal van vreugde blonk op het sombere gelaat van den Tigrero
-en terwijl hij Cuchares een wenk gaf verlieten zij samen het bivak.
-</p>
-<p>Eenige minuten daarna zaten don Martial en de lepero reeds te paard, en staken de
-rivier over die het eiland van het vaste land afscheidde.
-</p>
-<p>De capataz bemerkte hen eerst toen zij aan de overzijde aan land stapten.
-</p>
-<p>Hij slaakte een kreet van verbazing.
-</p>
-<p>»Caspita,&#x201d; riep hij, »de Tigrero schijnt ons te verlaten; waar of hij heen gaat?&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span></p>
-<p>Goedsmoeds keek don Blas aan met een schalksch gezicht, half zuur, half zoet, en antwoordde
-op schertsenden toon:
-</p>
-<p>»Wie weet? misschien gaat hij een antwoord brengen op den brief dien hij van u ontvangen
-heeft.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat zou niet onmogelijk zijn,&#x201d; hernam de capataz nadenkend, daar hij niet recht wist
-wat hij er op zeggen zou.
-</p>
-<p>Op dit oogenblik ging de zon majestueus onder, in een zee van gouden en purperen dampen,
-achter de besneeuwde toppen van de hooge bergen der Sierra Madre; de nacht zou weldra
-zijn zwarten mantel over het sluimerende aardrijk uitspreiden.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6932">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XIII.</h2>
-<h2 class="main">EEN WEDLOOP BIJ NACHT.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De gebeurtenissen wisselden elkander in dezen nacht zoo snel af, dat wij, ten einde
-het front der hoofdzaken op eene lijn te houden, genoodzaakt zijn om gedurig van den
-eenen persoon tot den anderen over te gaan.
-</p>
-<p>Don Martial was rijk, zelfs buitengewoon rijk. Daarbij eergierig van aard en even
-krijgshaftig als ongestadig, had hij het vak van Tigrero, of tijgerjager, alleen bij
-de hand genomen om een gepast voorwendsel of ernstig doel te vinden voor zijne onophoudelijke
-omzwerving door de wildernissen, daar hij het grootste gedeelte van zijn onrustig
-leven had doorgebracht.
-</p>
-<p>De tigreros zijn gewoonlijk verdienstelijke woudloopers of jagers, die zich voor een
-zeker dagloon, en een premie voor elke huid bovendien, bij de hacienderos verhuren
-om de wilde beesten te schieten, die vaak de weerlooze kudden aanranden.
-</p>
-<p>Wat andere tigreros voor geld doen, deed hij voor zijn eigen genoegen of voor tijdverdrijf;
-aan de grenzen was hij zeer bemind en gezien, vooral bij de hacienderos, die in hem
-behalve den afgerichten en onverschrokken jager tevens een goed tafelvriend en volmaakt
-edelman wisten te waardeeren.
-</p>
-<p>Don Martial had <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita voor de eerste maal gezien toen zijn wisselvallig beroep hem bij toeval op
-een aan don Sylva toebehoorende hacienda bracht, waar hij in minder dan eene maand
-tijd een tiental jaguars en andere verscheurende dieren had gedood.
-</p>
-<p>Daar de Tigrero de schoone Anita, die hij niet leerde kennen zonder er smoorlijk op
-te verlieven, gedurig naging en bespiedde, had hij eens het geluk of ongeluk haar
-te ontmoeten juist op het oogenblik dat haar paard aan het hollen geraakte, en hij
-in de gelegenheid was haar te redden bijna ten koste van zijn eigen leven.
-</p>
-<p>Het was ten gevolge dezer gebeurtenis dat het meisje hem voor <span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span>het eerst opmerkte en toesprak, het overige is den lezer bekend.
-</p>
-<p>Na den brief van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita gelezen te hebben had don Martial het eiland verlaten, vergezeld van Cuchares.
-</p>
-<p>Dit besluit had den lepero bitter teleurgesteld; hij verwenschte in zijn binnenste
-dat hij zoo dwaas was geweest om zich aan den man te verbinden, dien hij thans als
-met hangende ooren volgde en die hem van oogenblik tot oogenblik blootstelde om met
-een Indiaansche pijl doorschoten te worden, zonder eenig voordeel of zelfs prijswaardige
-reden. Intusschen was Cuchares de man niet om den Tigrero zijn kwade luim te toonen.
-</p>
-<p>Hij begreep dat er wel zeer geldige redenen moesten bestaan om tegen het vallen van
-den nacht een bivak te verlaten, waar men zoo goed tegen den aanval der wilde dieren
-beveiligd was en den bijstand der jagers op te geven, om zonder blijkbaar doel door
-de wildernis te gaan zwerven. Hij brandde van verlangen om deze redenen te leeren
-kennen, maar hij wist dat don Martial weinig sprak en vooral niet kon dulden dat men
-zijne geheimen zocht uit te vorschen, en daar de lepero ondanks al zijn hollebolligheid
-den Tigrero inwendig grooten eerbied, ja zelfs een goede dosis vrees toedroeg, stelde
-hij de talrijke vragen die hij hem te doen had uit tot gelegener oogenblik.
-</p>
-<p>De beide mannen reden dus stil naast elkander en vervolgden hun weg, terwijl zij den
-teugel achteloos op den hals hunner paarden lieten rusten en ieder voor zich zelven
-nadacht; Cuchares bemerkte echter weldra dat de Tigrero in plaats van zich dieper
-in het bosch te begeven, veeleer met opzet den rand van het water verkoos te volgen
-en zijn paard zoo dicht mogelijk bij de rivier te houden.
-</p>
-<p>Inmiddels nam de duisternis hand over hand toe; de meer verwijderde voorwerpen begonnen
-met de donkere massas aan den horizont samen te smelten, en weldra bevonden de beide
-ruiters zich in volslagen duisternis.
-</p>
-<p>Sinds eenigen tijd reeds had de lepero, hetzij door hoesten of door nu en dan een
-uitroep de aandacht van zijn tochtgenoot pogen gaande te maken; doch toen hij zag
-dat de nacht zoo donker als pik was geworden, terwijl de Tigrero er niet om scheen
-te geven maar steeds in den zelfden galop voortreed, verstoutte hij zich eindelijk
-het woord tot hem te richten.
-</p>
-<p>»Don Martial!&#x201d; begon hij.
-</p>
-<p>»Wel?&#x201d; antwoordde deze onverschillig.
-</p>
-<p>»Vindt gij niet dat het tijd wordt een weinig stil te houden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Om welke reden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Om welke reden?&#x201d; herhaalde de lepero op een toon van verbazing.
-</p>
-<p>»Ja, wij zijn immers nog niet waar wij wezen moeten?&#x201d;
-</p>
-<p>»Gaan wij dan ergens heen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Waartoe zouden wij anders onze vrienden verlaten hebben?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is waar. Maar waar gaan wij dan heen? Dat zou ik wel willen weten.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span></p>
-<p>»Gij zult het spoedig weten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik moet u zeggen dat ik er zeer naar verlang.&#x201d;
-</p>
-<p>Er volgde weder een poos stilte en zij reden steeds verder.
-</p>
-<p>Zij hadden den heuvel van Guetzalli reeds ver achter zich en bereikten eene soort
-van kreek, die door hare sterke kromming bijna evenwijdig liep met het achtergedeelte
-der hacienda, wier donkere massa zich recht voor hen verhief en hen met hare schaduw
-verborg.
-</p>
-<p>Don Martial bleef staan.
-</p>
-<p>»Wij zijn er,&#x201d; zeide hij.
-</p>
-<p>»Eindelijk!&#x201d; bromde de lepero met een zucht van genoegen.
-</p>
-<p>»Dat wil zeggen,&#x201d; hervatte de Tigrero; »dat de gemakkelijkste helft van onze onderneming
-voorbij is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wij hebben dus eene onderneming.&#x201d;
-</p>
-<p>»Pardi! denkt gij dan, mijn waarde, dat ik louter voor pleizier zoo laat in den nacht
-langs den oever der Rio Gila loop dwalen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat verwonderde mij ook al.&#x201d;
-</p>
-<p>»Thans zal onze onderneming eigenlijk pas beginnen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed.&#x201d;
-</p>
-<p>»Alleen moet ik u zeggen dat zij vrij gevaarlijk is; in allen gevalle reken ik op
-u.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik dank u,&#x201d; antwoordde Cuchares, terwijl hij een leelijk gezicht trok, dat voor een
-glimlach moest doorgaan.
-</p>
-<p>Ronduit gezegd, had de lepero liever gewild dat zijn vriend hem dit blijk van vertrouwen
-niet gegeven had.
-</p>
-<p>Don Martial vervolgde.
-</p>
-<p>»Dáár moeten wij heen,&#x201d; zeide hij met de hand naar de rivier wijzende.
-</p>
-<p>»Wat! daar heen? naar de hacienda?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja!&#x201d;
-</p>
-<p>»Wilt gij u dan in de pan laten hakken?&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoezoo?&#x201d;
-</p>
-<p>»Denkt gij dat wij de hacienda bereiken kunnen zonder ontdekt te worden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Daar zullen wij de proef van nemen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, en als het ons niet gelukt, zullen die duivelsche Franschen, die zoo scherp op
-de loer liggen, ons voor wilden aanzien en kort en goed doodschieten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Daar is wel eenige kans op.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik dank u hartelijk! ik blijf liever hier; want om u de waarheid te zeggen ben ik
-nog niet gek genoeg om met een vroolijk hart den leeuw in den muil te loopen; ga gij
-maar alleen, zoo gij er lust toe hebt; maar ik blijf hier.&#x201d;
-</p>
-<p>De Tigrero kon zijn lach niet langer bedwingen.
-</p>
-<p>»Het gevaar is niet zoo groot als gij u verbeeldt, wij worden op <span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span>de hacienda verwacht, door iemand, die zonder twijfel den schildwacht zal weten te
-verwijderen van het punt waar wij aan land komen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is wel mogelijk, maar ik verkies er liever niet de proef van te nemen, want een
-kogel weet van geen medelijden; en bovendien, die duivelsche Franschen schieten raak
-om van te beven.&#x201d;
-</p>
-<p>De Tigrero antwoordde niet, hij scheen zelfs de aanmerking van zijn kameraad niet
-gehoord te hebben, zijne gedachten zwierven elders. In gebogen houding stond hij te
-luisteren.
-</p>
-<p>Sedert eenige minuten had de wildernis een zonderlinge gedaante bekomen, zij scheen
-te ontwaken: geluiden zonder naam rezen op uit de diepte der bosschen en struiken;
-dieren van allerlei soort sprongen verschrikt te voorschijn en snelden de avonturiers
-voorbij zonder hen te zien; de vogels uit hun eersten slaap opgewekt, vlogen op onder
-scherp krijschend geschreeuw en verhieven zich hoog in de lucht; op de rivier zag
-men de schimmen der wilde dieren, die haar met drift overzwommen om den anderen oever
-te bereiken. Ongetwijfeld ging er iets buitengewoons om in de prairiën.
-</p>
-<p>Van tijd tot tijd hoorde men in de verte geknetter en gekraak, gevolgd door een dof
-geloei als van een opkomenden vloed, dat van oogenblik tot oogenblik duidelijker werd.
-</p>
-<p>Aan den uitersten horizont vertoonde zich een breede roode band, die zich van minuut
-tot minuut uitbreidde, en het landschap kleurde met een glans van purper en goud en
-er een fantastisch voorkomen aan leende, omtrent als een toovertooneel met bengaalsche
-vuren.
-</p>
-<p>Reeds tweemaal waren er verbazende rookwolken, hier en daar met vonken besprenkeld,
-als rollende bergen over hunne hoofden voorbijgedreven.
-</p>
-<p>»Zeg, wat zou dat zijn?&#x201d; riep de lepero; »zie toch onze paarden eens, don Martial.&#x201d;
-</p>
-<p>Werkelijk stonden de edele dieren, met gerekte halzen en gestreken ooren, te hijgen
-van angst en te stampvoeten als zochten zij hunne meesters te ontsnappen.
-</p>
-<p>»Wat hun schort, caspita!&#x201d; antwoordde de Tigrero bedaard, »zij ruiken den brand, anders
-niets.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoedat den brand! denkt gij dan dat er brand is in de prairie?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik denk het niet, maar ik weet het zeker, het hangt alleen van u zelven af om het
-te zien, even goed als ik.&#x201d;
-</p>
-<p>»En wat moet dat beduiden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Niet veel bijzonders, het is maar zoo&#x2019;n gewone streek van de Indianen, wij zijn immers
-in de Maan van Mexico, weet gij dat nog niet?&#x201d;
-</p>
-<p>»Neem mij niet kwalijk; ik ben geen woudlooper; ik wil u wel zeggen dat mij dit alles
-zeer ongerust maakt en dat ik een goed ding zou willen geven als ik er uit was.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span></p>
-<p>De lepero gaf alle blijken van angst.
-</p>
-<p>»Gij lijkt wel een kind,&#x201d; lachte don Martial; »weet gij dan niet dat het de Indianen
-zijn, die, om hun aantal te verbergen de prairie in brand hebben gestoken; zij volgen
-onmiddellijk op het vuur, zoo aanstonds zult gij hun oorlogskreet hooren weergalmen;
-achter dat gordijn van rook en vlammen, dat gedurig al nader komt, rukken zij op en
-zullen zij u weldra van alle kanten omsingelen. Als gij hier blijft, loopt gij op
-drieërlei wijze gevaar: hetzij om gebraden, gescalpeerd of gedood te worden, alle
-drie zeer onaangename zaken, die u als ik mij niet vergis maar half moeten bevallen.
-Geloof mij toch en doe wat ik u zeg, ga met mij mede; of wilt gij liever gedood worden,
-zeg het dan maar ronduit, er zit niets anders op. Hoe is &#x2019;t? wilt gij in de rivier
-afdalen? het vuur nadert: over drie minuten hebt gij geen tijd meer. Wat wilt gij?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik volg u,&#x201d; antwoordde de lepero met een bedrukte stem; »ik moet immers wel! Ik was
-dwaas, of de duivel heeft mij verleid om Guaymas te verlaten, waar ik zoo gelukkig
-was, waar ik niets behoefde te doen; en mij dan hier in zulke voetangels en klemmen
-te steken! Ik wil u wel zeggen, als ik er ooit levend afkom, dat het een knap man
-zal moeten zijn die mij hier ooit weer ziet.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ba, ba! dat zeggen ze altijd; laten wij ons haasten, de tijd dringt.&#x201d;
-</p>
-<p>Werkelijk stond de wildernis over een uitgestrektheid van verscheidene mijlen in brand
-als de krater van een onmetelijken vulkaan, de vlammen golfden en rolden voort als
-de baren der zee; de dikste boomen wegmaaiend en verdelgend als stroohalmen.
-</p>
-<p>Uit het dikke koperroode rookgordijn dat den brand voorafging, sprongen nog gedurig
-gansche troepen wolven, bisons of jaguars te voorschijn, en stortten zich in de Rio
-Gila onder angstig gehuil, geloei en gebrul.
-</p>
-<p>Don Martial en de lepero daalden met hunne paarden in de rivier af.
-</p>
-<p>De schrandere dieren, door hun instinct geleid, drongen haastig voorwaarts naar den
-anderen oever.
-</p>
-<p>Dit gedeelte van de woestijn maakte wel een zonderling contrast met hetgeen zij verlaten
-hadden, dat veel had van een onmetelijk fornuis, vol onbestemde geluiden, schrik en
-jammerkreten en noodgeschrei; een zee van vuur wier grootsche en onverbiddelijke baren
-alles verzwolgen en verslonden wat haar in den weg stond; het ging over heuvels en
-dalen, rotsen en wildernissen en deed binnen weinige minuten alle voortbrengsels zoo
-planten als dieren verschroeien of in rook opgaan of in asch verstuiven.
-</p>
-<p>De Rio Gila, omstreeks dezen tijd des jaars door de gevallen regens in de Sierra Madre
-gezwollen, was dubbel zoo breed als gedurende den zomer, en uithoofde harer snelheid
-een gevaarlijke stroom; op het oogenblik echter dat onze twee avonturiers haar <span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span>overzwommen, hadden de menigte dieren die haar in dichte troepen tegelijkertijd zochten
-te passeeren hare kracht zoo zeer gebroken, dat zij den overtocht van den eenen oever
-naar den anderen in betrekkelijk korten tijd volbrachten.
-</p>
-<p>»Hé!&#x201d; riep Cuchares op het oogenblik dat de paarden vasten grond onder de voeten kregen,
-en tegen den steilen kant opklauterden, »hebt gij mij niet gezegd, don Martial, dat
-wij naar de hacienda moesten? dan zijn wij dunkt mij niet op den rechten weg.&#x201d;
-</p>
-<p>»Uw dunk is verkeerd, kameraad,&#x201d; antwoordde don Martial; »onthoud deze les: als gij
-in de woestijn reist moet gij altijd doen of gij het doel ontwijkt dat gij bereiken
-wilt, anders komt gij er nooit.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat wil zeggen.&#x2026;?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat wij vooreerst onze paarden in dit boschje dennen en acajou-ceders zullen vastmaken,
-waar zij volkomen veilig zullen zijn en daarna gaan wij naar de hacienda.&#x201d;
-</p>
-<p>De Tigrero stapte terstond af, bracht zijn paard onder het lommer der hooge boomen,
-nam het den hoofdstel af om het vrij te laten grazen, deed het de kluisters aan en
-keerde naar den oever terug.
-</p>
-<p>Cuchares met de kracht der wanhoop gewapend, die in zekere omstandigheden den schijn
-aanneemt van waren heldenmoed, had het voorbeeld van zijn tochtgenoot in allen deele
-stiptelijk gevolgd. De eerzame lepero eindelijk besloten hebbende een dapper man te
-zijn, wel overtuigd dat hij anders verloren was, gaf zich over aan de luimen van zijne
-goede of kwade gesternte met het dwepende optimisme der mestiezen, die op dit punt
-voor de oosterlingen niet behoeven onder te doen.
-</p>
-<p>Wij hebben hierboven reeds te kennen gegeven, dat aan deze zijde der rivier alles
-in de diepste rust gedompeld lag; de avonturiers bevonden zich dus voor alle gevaar
-beveiligd.
-</p>
-<p>»Hoor eens,&#x201d; riep de lepero opnieuw, »het rek is een beetje lang van hier naar de
-hacienda; ik geloof nooit dat ik zoo ver zal kunnen zwemmen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Geduld; als gij niet tegen een weinig moeite opziet, zullen wij zonder twijfel wel
-een middeltje vinden om ons den weg te bekorten. Ah! wacht, wat heb ik u gezegd,&#x201d;
-riep hij een oogenblik later, hem met den vinger een kleine prauw aanwijzende, die
-in een smalle kreek aan een paal vast lag.
-</p>
-<p>»De kolonisten komen hier vaak visschen,&#x201d; vervolgde hij, »zij hebben zoo een aantal
-prauwen van afstand tot afstand in de biezen verborgen. Wij zullen deze maar nemen,
-dan zijn wij binnen weinig minuten waar wij wezen moeten; kunt gij met de pagaaien
-omgaan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, als ik niet bang behoef te wezen.&#x201d;
-</p>
-<p>Don Martial keek hem eenige <span class="corr" id="xd30e3627" title="Bron: sekonden">seconden</span> strak aan en legde hem toen <span class="corr" id="xd30e3630" title="Bron: ontzacht">onzacht</span> de hand op den schouder.
-</p>
-<p>»Hoor eens, vriend Cuchares,&#x201d; zeide hij op een drogen, bijtenden <span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span>toon, »ik heb geen tijd om lang met u te praten, maar ik heb zeer ernstige redenen
-om te doen wat ik doe en ik eisch van u volkomen vertrouwen, zonder aarzeling of argwaan
-hoe ook genaamd; houd u dus voor gewaarschuwd. Gij kent mij, op de eerste verdachte
-beweging die gij maakt schiet ik u een kogel door den kop als een coyote. Kom, help
-mij nu de prauw los maken en wij gaan dadelijk op weg.&#x201d;
-</p>
-<p>De lepero had het begrepen, hij onderwierp zich. Binnen een paar minuten was de prauw
-gereed en de twee mannen er in.
-</p>
-<p>De tocht dien zij te maken hadden om het achtergedeelte der hacienda te bereiken was
-niet bijzonder ver, maar met hindernissen bezaaid, en in vele opzichten gevaarlijk;
-vooreerst uithoofde van den sterken stroom, die wat meer zegt, een groot aantal doode
-boomen medesleepte, de meesten nog in hun volle gewei van takken en wortels, die half
-boven water drijvende, telkens dreigden de zwakke boot omver te werpen; vervolgens
-de menigte wilde dieren die uit vrees voor brand de rivier in dichte troepen overzwommen,
-zoodat de prauw wanneer zij in zulk eene als verdwaasd vluchtende manade bezet raakte,
-ontwijfelbaar zou worden verpletterd met al wat er in was; een derde gevaar dat de
-avonturiers liepen, was nog, dat de schildwachten, die hier en daar in het dichte
-hakhout verscholen zaten om de toegangen der kolonie aan den rivierkant te verdedigen,
-hun een kogel toezonden.
-</p>
-<p>Dit gevaar was echter niets in vergelijking der andere door ons opgenoemde, daar het
-zich liet aanzien dat de Franschen, door het schijnsel van den naderenden brand opgewekt,
-al hunne blikken naar het vaste land zouden richten. Voor het overige meende don Martial
-zeker te zijn dat hij van de schildwachts niets te vreezen had, daar men deze wel
-zou verwijderd hebben.
-</p>
-<p>Op een wenk van don Martial greep de lepero de pagaaien en zij staken van wal.
-</p>
-<p>De brand breidde zich snel uit in de richting van het westen en zette zijne verwoestingen
-met kracht voort.
-</p>
-<p>De prauw kon slechts langzaam en niet dan met de meeste voorzichtigheid vorderen,
-uithoofde van den sterken stroom en de menigte voorwerpen die de vaart belemmerden.
-</p>
-<p>Bleek als een lijk van angst, met stoppelende haren en van schrik uitpuilende oogen,
-hanteerde Cuchares de pagaaien en beval zijne ziel aan al de heiligen der vergulde
-legende van Spanje, meer dan ooit overtuigd dat hij niet goed af zou komen van de
-onderneming, waarin hij zich zoo onhandig gestoken had.
-</p>
-<p>Overigens schenen de omstandigheden zoo ernstig, dat zelfs de Tigrero al zijne onversaagdheid
-en vooral de opgewondenheid noodig had, waartoe zijn beoogde doel hem aanvuurde, om
-niet in den zelfden schrik te deelen die zijn kameraad bezielde.
-</p>
-<p>Hoe verder zij kwamen, hoe talrijker de hindernissen werden; <span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span>gedurig verplicht om de boomen te mijden, die in menigte op den stroom dreven en hun
-telkens den doortocht beletten, draaiden zij om zoo te zeggen als in een cirkel rond,
-kwamen wel tienmaal op hetzelfde punt terug en moesten schier aan alle kanten tegelijk
-acht geven, om niet omgeworpen te worden of door een warnet van onzichtbare of zichtbare
-wortels en takken te worden medegesleept.
-</p>
-<p>Zoo hadden zij reeds bijna twee uren met de grootste inspanning gevaren, en naderden
-zij eindelijk van lieverlede de hacienda, die zich als eene donkere massa tegen den
-helderen sterrenhemel afteekende. Plotseling klonk er een vervaarlijke kreet uit eenige
-honderd woeste kelen door de nachtelijke ruimte, onmiddellijk gevolgd door een donderende
-losbranding van grof geschut en klein geweer.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p130width"><img src="images/p130.jpg" alt="«Santa Virgo!» riep Cuchares terwijl hij de pagaaien losliet en de handen samenvouwde, «wij zijn verloren.» Bladz. 130." width="496" height="720"><p class="figureHead">«Santa Virgo!» riep Cuchares terwijl hij de pagaaien losliet en de handen samenvouwde,
-«wij zijn verloren.» Bladz. 130.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>»<i>Santa Virgo!</i>&#x201d; riep Cuchares terwijl hij de pagaaien losliet en de handen samenvouwde, »wij zijn
-verloren.&#x201d;
-</p>
-<p>»<i>Carai!</i>&#x201d; zei de Tigrero, »integendeel, nu zijn wij behouden, de Indianen bestormen de kolonie,
-al de Franschen zijn dus op de wallen en niemand denkt meer aan ons<span class="corr" id="xd30e3663" title="Niet in bron">.</span> Wakker op! jongen, nog een paar riemslagen en wij zijn er.&#x201d;
-</p>
-<p>»God geeft dat gij waarheid spreekt!&#x201d; mompelde de lepero en hij begon weder te pagaaien,
-al was het ook met bevende hand.
-</p>
-<p>»Caramba! dat schijnt daar een ernstige aanval,&#x201d; vervolgde de Tigrero. »Des te beter!
-hoe meer ze daar ginder vechten, hoe minder men hier op ons zal letten; maken wij
-intusschen voort.&#x201d;
-</p>
-<p>Aan de zijde der landengte hoorde men het rumoer van den strijd, die met ieder oogenblik
-heviger scheen te worden.
-</p>
-<p>De twee avonturiers, in de schaduw onzichtbaar, pagaaiden stil voort en naderden meer
-en meer de hacienda.
-</p>
-<p>Don Martial wierp een bespiedenden blik in het rond; aan dit gedeelte van den oever,
-ofschoon <span class="corr" id="xd30e3671" title="Bron: nauwlijks">nauwelijks</span> een half pistoolschot ver van de hacienda, was alles doodstil en roerloos. Niets
-deed vermoeden dat men hen bemerkt had.
-</p>
-<p>De Tigrero bukte naar zijn kameraad.
-</p>
-<p>»Houd op,&#x201d; zeide hij zacht, »wij zijn aan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoedat! aan?&#x201d; herhaalde de lepero met een ontsteld gezicht, »wij zijn nog veraf.&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen; op de plaats waar wij thans zijn hebt gij hoegenaamd niets te vreezen; blijf
-hier in de prauw, leg haar vast aan een boomstam in de nabijheid, om hier op mij te
-wachten.&#x201d;
-</p>
-<p>»En gij dan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik? ik ga weg en laat u voor een paar uren alleen; houd vooral goed de wacht. Als
-gij iets bijzonders bespeurt, waarschuw mij dan door tweemaal op verschillende wijze
-te roepen als een waterhoen; hebt gij mij begrepen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Opperbest. Maar als ons eens onmiddellijk gevaar dreigde, wat moet ik dan doen?&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span></p>
-<p>De Tigrero bedacht zich een oogenblik.
-</p>
-<p>»Welk gevaar zou u hier kunnen dreigen?&#x201d; vroeg hij toen.
-</p>
-<p>»Dat weet ik niet,&#x201d; zei Cuchares, »maar de Indianen zijn zulke kwaadaardige duivels;
-met hen moet men op alles bedacht zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij hebt gelijk. Welnu, als u eenig ernstig gevaar mocht bedreigen, maar alleen in
-dat enkele geval, hoor! moet gij nadat gij een signaal hebt gegeven, de prauw voortstuwen
-naar dat punt dat gij van hier zien kunt; die wortelboomen daar ginds bedoel ik: daar
-tusschen zijt gij volkomen beschut en daar kom ik onmiddellijk bij u.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed, dat is afgesproken; maar dan, hoe zal ik weten waar ik u vinden moet.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zal tweemaal het geluid van den prairiehond nabootsen. Pas nu op, en wees voorzichtig.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij kunt op mij rekenen.&#x201d;
-</p>
-<p>De Tigrero ontdeed zich van de kleederen die hem hadden kunnen belemmeren, zooals
-zijn <i lang="es">zarape</i>, en zijne <i lang="es">botas vaqueras</i>, en hield niet anders aan dan zijn broek en vest, stak zijn mes in zijn gordel, hing
-zijne pistolen, zijne buks en zijn patroontasch om, en bootste op eene bedriegelijke
-wijze het gefluit van den <i>maukawis</i> na. Weldra klonk hetzelfde geluid van den oever; en de Tigrero, na zijn kameraad
-voor de laatste maal waakzaamheid te hebben aanbevolen, nam zijne wapens zorgvuldig
-op zijn hoofd en liet zich zacht in het water glijden. De lepero zag hem weldra rustig
-en met kracht wegzwemmen, koers houdende naar de hacienda; maar allengs begon de Tigrero
-in de verte te verdwijnen tot hij eindelijk in de schaduw van den oever onzichtbaar
-werd.
-</p>
-<p>Zoodra Cuchares alleen was, bekeek hij, zonder bepaald te weten waarom, zorgvuldig
-zijne wapens om te zien of ze wel goed in orde waren en deed nieuw kruit op de pan,
-ten einde gereed te zijn en niet weerloos overrompeld te worden; vervolgens gerustgesteld
-door de kalmte die in den omtrek bleef heerschen ging hij ondanks de waarschuwing
-van den Tigrero op den bodem der prauw liggen en schikte zich om te slapen.
-</p>
-<p>Het rumoer van den strijd was langzamerhand verminderd en had eindelijk geheel opgehouden,
-men hoorde niet meer <span class="corr" id="xd30e3705" title="Bron: scheeuwen">schreeuwen</span> noch schieten; de Indianen, door de kolonisten teruggeslagen, hadden van hun aanval
-afgezien. Ook de brand in de prairie was merkelijk verflauwd, kortom, de woestijn
-scheen tot hare gewone stilte en eenzaamheid teruggekeerd.
-</p>
-<p>De lepero lag op zijn rug op den bodem der prauw en keek naar de heldere sterren,
-die in het blauwe hemelruim schitterden en fonkelden. Zacht wiegelend op den schommelenden
-stroom gaf hij zich over aan onbezorgde droomen, en sloot nu en dan de oogen; eindelijk
-kwam hij op het geheimzinnige punt dat geen waken noch slapen meer heeten mag, en
-zou hij waarschijnlijk spoedig zijn ingedommeld, zoo hij niet even voordat hij bepaald
-de oogen zou sluiten, <span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span>gewetenshalve zijn reeds door slaap benevelden blik voor het laatst had rondgeslagen&#x2014;wat
-zag hij? hij ontroerde er van, zou bijna een schreeuw hebben gegeven van angst en
-stond zoo haastig op, dat het weinig scheelde of hij had de prauw doen omslaan.
-</p>
-<p>Cuchares had een ontzettend visioen gehad, hij wreef zich de oogen om zich te verzekeren
-dat hij wakker was, en keek opnieuw rond.
-</p>
-<p>Wat hij voor een visioen had gehouden, was inderdaad iets wezenlijks; hij had wel
-goed gezien.
-</p>
-<p>Gelijk wij straks gezegd hebben dreven er een menigte doode boomen met takken en wortels
-op den stroom. Sedert eenigen tijd had zich een groot aantal dezer boomen in de nabijheid
-der prauw verzameld: zonder dat de lepero er eene voldoende reden voor kon vinden,
-te minder daar deze boomen terwijl zij natuurlijkerwijs den stroom van het water hadden
-moeten volgen, integendeel in allerlei richtingen dreven en in plaats van midden in
-de rivier te blijven veeleer den oever waar de hacienda op lag meer en meer naderden.
-</p>
-<p>Wat nog zonderlinger scheen, was dat de gang dezer vlottende stammen zich bepaald
-naar hetzelfde punt richtte, namelijk het uiteinde der landtong, juist achter de hacienda;
-voorts&#x2014;het was inderdaad om van te huiveren&#x2014;zag Cuchares te midden van al deze stammen,
-takken en wortels, vurige oogen schitteren, en akelige hoofden met afschuwelijke aangezichten
-opsteken.
-</p>
-<p>Er viel niet langer aan te twijfelen, in iederen boom zaten zes of meer Apachen; de
-Roodhuiden, na in hun eerste poging aan de landzijde gefaald te hebben, trachtten
-nu de kolonie aan den rivierkant te naderen en haar onder bedekking der boomen daar
-zij zich achter verscholen hielden, te overrompelen.
-</p>
-<p>De positie van den lepero was hachelijk.
-</p>
-<p>Tot dusver hadden de Indianen, te veel met het uitvoeren van hun plan bezig, zeker
-niet op de prauw gelet of zoo zij die al hadden gezien, er zich niet om bekreund,
-in den waan dat zij aan een der hunnen toebehoorde; met ieder oogenblik echter kon
-deze dwaling ontdekt en de lepero herkend worden, en dan wist hij maar al te goed
-dat hij verloren was.
-</p>
-<p>Reeds twee of drie malen was er voor een oogenblik eene hand aan het boord der ranke
-boot geslagen, maar als door bijzondere bewaring had de Indiaan die dit deed niet
-goedgevonden even in de prauw te kijken.
-</p>
-<p>Al deze en nog vele andere beschouwingen gingen den armen Cuchares door het hoofd,
-terwijl hij schijnbaar zoo gemakkelijk op zijn rug in de prauw lag, zacht wiegende
-op de hobbelende baren en terwijl hij boven zijn hoofd de heldere sterren aan het
-firmament zag blinken. Met een door schrik vertrokken aangezicht, bleek als de dood,
-in iedere hand een pistool krampachtig vastklemmend, en zich in stilte aan zijn bijzonderen
-beschermheilige aanbevelende, wachtte hij <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>de schrikkelijke uitkomst af die met iedere verloopende minuut dreigender werd.
-</p>
-<p>Hij behoefde niet lang te wachten.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6941">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XIV.</h2>
-<h2 class="main">EEN INDIAANSCHE LIST.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Onder de ongetemde natiën die in de onmetelijke wildernissen der delta door de Rio
-Gila, de Rio del Norte en de Rio Colorado gevormd rondzwerven, zijn er twee die zich
-de heerschappij boven de overigen willen aanmatigen, deze twee natiën zijn de Apachen
-en de Comanchen.
-</p>
-<p>Onverzoenlijke vijanden en gedurig in oorlog met elkander, slaan deze natiën vaak
-de handen ineen en vereenigen zij zich in gemeenschappelijken haat tegen de blanken
-en tegen al wat tot dit verafschuwde ras behoort.
-</p>
-<p>Als voortreffelijke ruiters, onverschrokken jagers en woeste krijgers zonder genade,
-zijn de Comanchen en Apachen geduchte vijanden voor de ingezetenen van Nieuw-Mexico.
-Jaar op jaar in de zelfde maand verlaten deze woeste krijgslieden bij duizenden hunne
-savanen, doorwaden zij de stroomen, trekken op verschillende punten over de grenzen
-van Mexico, plunderen en branden alles wat hun voorkomt, voeren vrouwen en kinderen
-weg in slavernij, en verspreiden schrik en verwoesting tot meer dan tien ja soms twintig
-mijlen ver over het meer beschaafde grondgebied der blanken.
-</p>
-<p>Tijdens de Spaansche heerschappij was dit anders. De talrijke zendingsposten, versterkte
-plaatsen (presidio&#x2019;s) en van afstand tot afstand uitsluitend voor dezen dienst bestemde
-en langs de geheele grenzen gekantonneerde legerkorpsen weerden de aanvallen der Indianen
-krachtdadig af, dreven hen naar de wildernis terug en hielden hen binnen de perken
-van hunne jachtgronden. Sedert het uitroepen der onafhankelijkheid echter hebben de
-Mexicanen de handen zoo vol met zich onderling te dooden en door omwentelingen zonder
-doel of redelijkheid het land te verscheuren, dat de troepencordons zijn ingetrokken,
-de zendingsposten geplunderd, de presidio&#x2019;s verlaten en de grenzen beschermd geworden,
-zoo als zij best konden, dat wil zeggen in &#x2019;t geheel niet. Natuurlijk zijn de wilde
-Indianen toen allengs weder genaderd en de rivieren opnieuw overgetrokken, zonder
-noemenswaardigen weerstand te vinden daar de Mexicaansche regeering onder strenge
-straffen verbiedt den beschaafden Indiaan vuurwapenen in handen te geven, waarmede
-zij alleen in staat zouden zijn de woeste indringers met goed gevolg te helpen bestrijden;
-zoo hebben laatstgenoemden binnen weinige jaren heroverd wat Spanje met zijn gansche
-<span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span>macht, gedurende meer dan drie eeuwen nauwelijks in staat was hun te ontweldigen.
-</p>
-<p>Een gevolg van dit alles is dat de vruchtbaarste en heerlijkste landen van de wereld
-onbebouwd liggen, dat men in dat ongelukkige gewest geen stap voorwaarts doen kan
-zonder overal schier rookende puinhoopen te ontmoeten, en de stoutheid der wilde Roodhuiden
-zoodanig is toegenomen dat zij thans hunne strooptochten en invallen niet eens meer
-geheim houden, maar ze jaarlijks in dezelfde maand en vaak op denzelfden dag herhalen;
-welke maand door hen met den spotnaam van <i>Mexicaansche Maan</i> wordt bestempeld, dat wil zeggen de maand gedurende welke zij de Mexicanen plunderen.
-</p>
-<p>Al de hier door ons aangevoerde feiten zouden voor eene kolossale tooneelklucht kunnen
-doorgaan, zoo zij niet gepaard gingen met de gruwzaamste barbaarschheid en wreedheid.
-</p>
-<p>De Zwarte-Beer had het groote verbond, waarvan wij vroeger gewaagden, alleen gesloten
-met het doel om zich in de oogen zijner landgenooten te verheffen, daar hij door verscheiden
-mislukte ondernemingen werkelijk in hunne achting was gedaald. Even als alle voorname
-Indiaansche opperhoofden, bezielde hem eene ontembare eerzucht; reeds was het hem
-gelukt eenige zwakkere volksstammen uit te delgen of met zijne natie ineen te smelten,
-en nu beoogde hij niets minder dan om ook de Comanchen te verplichten zijne opperheerschappij
-te erkennen; dit was echter eene zeer moeilijke om niet te zeggen onmogelijke onderneming,
-want de Comanchennatie staat te recht beroemd als de krijgshaftigste en meest geduchte
-der woestijn; in haren hoogmoed geeft zij zich zelve den titel van Koningin der Prairiën
-en duldt te nauwernood de tegenwoordigheid der Apachen op het terrein dat zij als
-de haar erfelijk toekomende jachtgronden beschouwt. De Comanchen hebben op de andere
-Roodhuiden een groot voordeel, dat hunne eigenlijke sterkte uitmaakt en de basis hunner
-onafhankelijkheid is, zoodat zij door al hunne vijanden gevreesd worden, namelijk
-hunne matigheid. Dank zij de loffelijke standvastigheid waarmede zij zich van het
-gebruik van geestrijke dranken hebben weten te onthouden, zijn zij bewaard voor de
-algemeene verdierlijking en voor de menigte kwalen die de andere Indianenstammen zoo
-deerlijk teisteren en blijven zij tot hiertoe nog even krachtig en verstandig als
-ooit.
-</p>
-<p>De Spotvogel geloofde evenmin als de Zwarte-Beer aan de duurzaamheid van het verbond,
-dat thans tusschen de beide natiën bezworen was; de haat dien hij de Apachen toedroeg
-had bij hem te diepe wortels geschoten om dit zelfs ernstig te verlangen; maar de
-stichting der Fransche kolonie te Guetzalli, waardoor de blanken vasten voet kregen
-op een terrein dat zij als hun wettig eigendom beschouwden, was voor de Comanchen
-en andere <span lang="es">Indios bravos</span> eene te ernstige bedreiging, dan dat zij niet elk middel zouden hebben te baat genomen
-om zich van deze geduchte geburen te ontslaan. <span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span>Zij hadden dus voor het oogenblik hun ouden wrok en bijzondere veeten doen zwijgen
-voor de eischen van het algemeen belang en zich daarvoor vereenigd, maar ook daarvoor
-alleen. Ieder behield zich stilzwijgend voor, om zoodra de gehate vreemdelingen verdreven
-waren, weder naar eigen goedvinden te handelen.
-</p>
-<p>Wij hebben reeds gezien hoe de Spotvogel de vijandelijkheden begonnen was; de Zwarte-Beer
-had sinds lang een plan gevormd dat hij tot dusver nog niet had kunnen uitvoeren;
-niet wetende waar hij de noodige inlichting en middelen zou vinden was hij naar Guaymas
-gegaan, en toen de Tigrero hem voorsloeg om zich als gids in de kolonie in te dringen,
-had hij ongezocht aanleiding gevonden om zijn lang gewenscht doel te bereiken; ook
-had hij de weinige uren, door hem in de hacienda doorgebracht, niet ongebruikt gelaten
-en met de gewone geslepenheid van een Indiaan al de zwakke punten der plaats tot in
-de kleinste bijzonderheden opgenomen.
-</p>
-<p>Bovendien bestond er nog eene reden die hem aanspoorde zich van de hacienda meester
-te maken; gelijk alle Roodhuiden, droomde hij van niets liever dan van eene blanke
-vrouw in zijne hut te hebben; nu had het toeval hem <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita doen aantreffen en daar door was zijn sedert lang heimelijk gekoesterde wensch
-op eens verlevendigd, door de veronderstelling, dat hij in haar eindelijk de vrouw
-gevonden had die zijn droom zou verwezenlijken.
-</p>
-<p>Men moet zich daarom niet verbeelden dat de Zwarte-Beer zoo bijzonder op <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita verliefd was; hij verlangde alleen eene blanke vrouw te bezitten, dit was alles;
-hij voelde zich gekrenkt dat de andere hoofden zijns volks, slavinnen van die kleur
-hadden, en hij er nog geene bezat.
-</p>
-<p>Ware <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita leelijk geweest, dan zou hij toch beproefd hebben haar meester te worden, maar
-nu zij schoon was, zooveel te beter; en wij moeten hier ten slotte nog doen opmerken
-dat het Apachenhoofd haar eigenlijk niet zoo bijzonder mooi vond; volgens den maatstaf
-van zijn Indiaansch schoonheidsgevoel was de jonge vrouw hoogstens maar een dagelijksch
-gezicht; het eenige wat hij in haar op prijs stelde was hare kleur.
-</p>
-<p>De Zwarte-Beer had zijne voornaamste krijgers op de uiterste punt van het eiland bijeengeroepen
-en stond in hun midden, met de armen op de borst gekruist, zwijgend en met de oogen
-naar de vlakte gericht, tot op het oogenblik toen het eerste bloedige rood van den
-brand door den Spotvogel ontstoken, zich aan den horizont begon te vertoonen.
-</p>
-<p>»Mijn broeder de Spotvogel is een welervaren opperhoofd,&#x201d; zeide hij, »en een trouw
-bondgenoot; hij heeft de zending die ik hem opdroeg naar behooren volbracht; hij is
-reeds bezig met de bleekmuilen te berooken; wat de Comanchen begonnen zullen de Apachen
-voleinden.&#x201d;
-</p>
-<p>»De Zwarte-Beer is de eerste krijgsman van zijn stam,&#x201d; antwoordde de Kleine-Panter;
-»wie zou hem durven bestrijden?&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span></p>
-<p>De sachem glimlachte bij deze vleierij en sprak:
-</p>
-<p>»Zijn de Comanchen antilopen, de Apachen zijn otters; zij weten, wanneer het noodig
-is, te zwemmen in het water zoo wel als te loopen op de aarde en te vliegen door de
-lucht; de bleekgezichten hebben geleefd; de Groote Geest is in mij, hij blaast mij
-de woorden in die mijne borst uitblaast.&#x201d;
-</p>
-<p>De krijgslieden bogen eerbiedig, en een oogenblik later vervolgde hij:
-</p>
-<p>»Wat geven de Apachen om de vlammende donderpijpen der bleekgezichten! Hebben zij
-geen gekartelde pijlen en onverschrokken harten? Mijne zonen zullen mij volgen, wij
-zullen die bleeke honden hunne haarschedels aftrekken, om ze aan den hals onzer paarden
-te hechten, en hunne vrouwen zullen onze slavinnen zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>De krijgslieden beantwoordden deze grootspraak met uitbundig gejuich.
-</p>
-<p>»Op den stroom drijft een tal van boomen,&#x201d; vervolgde hij; »mijne zonen zijn geene
-vrouwen die rasch moede worden, zij zullen zich op die doode boomen zetten en er de
-rivier mede afdrijven, tot aan de hut der bleekgezichten. Dat mijne zonen zich gereed
-maken; de Zwarte-Beer vertrekt tegen zestien ure, zoodra de blauwe uil tweemaal gezongen
-en de walkon tweemaal gefloten heeft. Twee honderd krijgslieden zullen den Zwarte-Beer
-volgen. Ik heb gezegd.&#x201d;
-</p>
-<p>De opperhoofden bogen eerbiedig voor den sachem en lieten hem alleen.
-</p>
-<p>Hij wikkelde zich in zijn bisonsvellen mantel, hurkte neder bij een vuurpot met glimmende
-kolen die voor hem stond, stak zijn calumet aan met behulp van een toovertangetje,
-dat aardig met kleine chelletjes en bonte veeren versierd was, en bleef toen stil
-zitten rooken met de oogen onafgewend op den rooden gloed gericht, die aan den gezichteinder
-steeds uitgebreider en duidelijker werd.
-</p>
-<p>Het eiland waar het opperhoofd zijn kamp had opgeslagen lag slechts op korten afstand
-van de Fransche kolonie; het plan om zich met den stroom te laten afdrijven had dus
-niets gevaarlijks voor menschen die, aan alle lichaamsoefeningen gewoon, zwommen als
-visschen; hij had daarbij het groote voordeel om de naderende krijgslieden in het
-water en tusschen de takken verborgen te houden, die dan op een bepaald oogenblik
-als een troep uitgehongerde gieren plotseling op de kolonie zouden losgaan.
-</p>
-<p>De Zwarte-Beer hield zich van het welslagen dezer buitensporige krijgslist, die alleen
-in het brein van een Indiaan kon opkomen, zoo sterk overtuigd, dat hij niet meer dan
-twee honderd man van zijn volk wilde medenemen, het overbodig oordeelende om grooter
-macht aan te voeren tegen vijanden, die men onvoorziens dacht te overrompelen en die
-reeds verplicht om zich tegen den Spotvogel te verweren, door hem zelven in den rug
-aangetast en verpletterd moesten worden, eer zij den noodigen tijd hadden gehad om
-tot bezinning te komen.
-<span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span></p>
-<p>De nacht valt snel in en bijna plotseling in deze streken, waar de schemering nauwelijks
-eenige <span class="corr" id="xd30e3787" title="Bron: sekonden">seconden</span> duurt; weldra was het volkomen duister geworden; alleen in de verte teekende een
-breede koperroode streep den voortgang van den brand, achter welken over den nog gloeienden
-grond de Comanchen volgden als een troep akelige wolven, terwijl hunne galoppeerende
-paarden de <span class="corr" id="xd30e3790" title="Bron: nauwlijks">nauwelijks</span> uitgedoofde en bekoelde asch en houtskolen met de hoeven vertrapten of voortschopten.
-</p>
-<p>Toen de Zwarte-Beer oordeelde dat het beslissende oogenblik gekomen was, doofde hij
-zijn calumet uit, schudde bedaard de asch op het vuur van den haard en wenkte den
-Kleine-Panter, die reeds op den sprong stond om de bevelen van het opperhoofd dadelijk
-uit te voeren.
-</p>
-<p>Bijna onmiddellijk kwamen de twee honderd krijgslieden te voorschijn om de hun opgelegde
-taak te beginnen.
-</p>
-<p>Het waren allen uitgelezen mannen; met knodsen en pieken gewapend, en met het oorlogsschild
-op den rug.
-</p>
-<p>Na een oogenblik stilte, dat de sachem besteedde om over hen eene soort van inspectie
-te houden, zeide hij met eene diepe stem:
-</p>
-<p>»Wij gaan vertrekken, mijne kinderen; de bleekgezichten die wij te bestrijden hebben
-zijn geene Yoris; men zegt dat zij zeer dapper zijn; maar de Apachen zijn de dapperste
-krijgslieden der wereld; niemand kan het tegen hen volhouden. Mijne zonen zullen zich
-laten dooden, maar zij zullen overwinnaars zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»De krijgslieden zullen zich laten dooden,&#x201d; antwoordden allen uit éénen mond.
-</p>
-<p>»<i>Ooah!</i>&#x201d; hervatte de Zwarte-Beer, »mijne zonen hebben goed gesproken, de Zwarte-Beer stelt
-in hen zijn volle vertrouwen. De Wacondah&#x2014;de Groote Geest&#x2014;zal hen niet verlaten; hij
-bemint de roode menschen. Gaat nu, mijne zonen, en verzamelt de doode boomstammen
-die drijven op de rivier en begeeft u met dezelve op den stroom. Het gekrijsch van
-den condor zal het signaal zijn om op de bleekgezichten in te stormen.&#x201d;
-</p>
-<p>De Indianen gingen dadelijk aan &#x2019;t werk om de bevelen van het opperhoofd uit te voeren;
-zij wedijverden onderling om de boomstammen bij elkander te brengen en eenige minuten
-later hadden zij er reeds een aantal aan de punt van het eiland vereenigd. De Zwarte-Beer
-wierp een laatsten blik om zich heen, gaf een wenk om te vertrekken, en was zelf de
-eerste die te water ging om zich op een boom te plaatsen; al de anderen volgden terstond
-zijn voorbeeld.
-</p>
-<p>De Apachen hadden bij het verzamelen der boomstammen aan den rand van het eiland hunne
-stelling zoo wel gekozen, dat, toen zij er plaats op namen, en ze van wal stieten,
-de stammen oogenblikkelijk weder op gang kwamen en den gewonen loop volgende als van
-zelf en ongemerkt den stroom afdreven, juist in de richting der kolonie waar zij dachten
-te landen.
-<span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span></p>
-<p>Intusschen had deze zonderlinge scheepvaart haar eigenaardige moeielijkheden en was
-zij niet zonder ernstige gevaren voor de ondernemers.
-</p>
-<p>De Indianen die los op de boomen zaten en geen pagaaien hadden om hen te besturen,
-moesten zich klakkeloos door den stroom laten medevoeren en slaagden niet zonder geweldige
-inspanning om in eene behoorlijke positie te blijven: gelijk alle vlottend hout dat
-op de genade der grilzieke baren dobbert behielden de stammen steeds hun eigen manier
-van beweging en kantelden van tijd tot tijd om, zoodat degenen die er <span class="corr" id="xd30e3811" title="Bron: opzaten">op zaten</span> telkens gedwongen werden van plaats te veranderen om in balans te blijven en niet
-met iedere omwenteling in het water te vallen<span class="corr" id="xd30e3814" title="Bron: :">;</span> voorts waren zij toch menigmaal verplicht zich te water te begeven, wanneer de stammen
-eene verkeerde richting dreigden te nemen en in plaats van naar de kolonie naar het
-midden der rivier wilden afdrijven. Een derde bezwaar, nog het lastigste van allen,
-was dat de boomen onder het afzakken soms tegen elkander stieten en met hunne takken
-of wortels zoo vast in elkander verward raakten, dat het bepaald onmogelijk was ze
-weder los te krijgen, zoo dat men hen goedschiks kwaadschiks moest laten begaan en
-men ze na verloop van een half uur gezamenlijk op stroom zag drijven als een enkel
-groot vlot, dat bijna de gansche breedte besloeg.
-</p>
-<p>De Indianen zijn volhardend in hun doen; als zij iets ondernemen geven zij hun plan
-niet op voor dat het volstrekt onmogelijk wordt er mede voort te gaan; is dat niet
-het geval, dan houden zij tot het uiterste vol. Dat gebeurde ook thans; sommige Indianen
-verdronken, andere werden zoo ernstig gekwetst, dat zij genoodzaakt waren om met levensgevaar
-aan land te zwemmen. Evenwel, verre de meesten hielden zich goed en onder aanvoering
-van hun opperhoofd, die hen gedurig met voorbeeld en stem aanmoedigde, zakten zij
-ordelijk stroomafwaarts.
-</p>
-<p>Reeds sedert lang was het eiland, vanwaar zij vertrokken waren, ver achter hen in
-de kronkelingen van de rivier verdwenen en kregen zij het punt waar de gebouwen der
-kolonie zich verhieven voor zich uit in &#x2019;t gezicht. Reeds teekende zich op een pijlschot
-afstand van de plaats waar zij zich bevonden, de donkere gestalte der hacienda zwart
-en somber tegen het nachtelijke blauw des hemels, toen de Zwarte-Beer, die zich aan
-het hoofd der vloot gereed hield en wiens scherpziende blik gedurig in &#x2019;t rond spiedde
-om den stand der zaken op te nemen, op eens eenige vadems lengte van zich af eene
-kleine prauw aan een boom vastgemaakt op den stroom zag schommelen.
-</p>
-<p>Deze prauw was terstond een verdacht voorwerp voor den argwanenden Roodhuid, het scheen
-hem niet natuurlijk op zulk een laat uur in den nacht een vaartuig van welken aard
-ook op deze wijs vastgelegd en aan den stroom overgelaten te vinden; maar de Zwarte-Beer
-was een man van kloeke besluiten die niet licht verlegen werd <span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span>en in alle voorkomende zaken wijselijk partij koos. Na de raadselachtige altoos stil
-voor hem liggende prauw met aandacht te hebben bespied, bukte hij naar den Kleine-Panter,
-die naast hem op denzelfden boom zat om zijne gereede orders uit te voeren, en het
-mes tusschen de tanden nemende verliet het opperhoofd zijn steunpunt en dompelde hij
-onder water.
-</p>
-<p>Dicht bij de prauw kwam hij weder boven, greep haar met forsche hand aan boord, zoodat
-zij overhelde, en sprong er in eens in, vlak op de borst van Cuchares, dien hij terstond
-bij den strot vatte.
-</p>
-<p>Deze manoeuvre was zoo gezwind uitgevoerd, dat de lepero geen gebruik kon maken van
-zijne wapenen en geheel in de macht van zijn vijand was, eer hij nog wist wat hem
-overkwam.
-</p>
-<p>»<i>Ooah!</i>&#x201d; riep de Indiaan toen hij hem met verrassing herkende. »Wat maakt mijn broeder daar?&#x201d;
-</p>
-<p>Van zijnen kant had ook de lepero den sachem herkend, en zonder recht te weten waarom,
-gaf hem dit weder een weinig moed.
-</p>
-<p>»Dat ziet gij wel,&#x201d; was zijn antwoord, »ik slaap.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ooah! mijn broeder is bang voor den brand en daarom heeft hij zich zeker op de rivier
-begeven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Juist!&#x201d; zei Cuchares, »dat hebt gij eens knap geraden, hoofdman, ik ben bang voor
-den brand.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed,&#x201d; hervatte de Apache met een boertenden glimlach, die hem anders niet eigen
-was, »mijn broeder is zeker niet alleen, waar is de Groote-Bison?&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat! de Groote-Bison, dien ken ik niet, hoofdman, ik weet zelfs niet van wien gij
-spreekt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Alle bleekhuiden hebben eene leugenachtige tong,&#x201d; riep de sachem, »waarom zegt mijn
-broeder de waarheid niet?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat zou ik gaarne doen, als ik u maar begreep.&#x201d;
-</p>
-<p>»De Zwarte-Beer is een groot krijgsman der Apachen; hij spreekt de taal van zijn eigen
-volk, maar verstaat slecht die der Yoris.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is niet wat ik meen te zeggen, gij hebt zeer goed in &#x2019;t Spaansch gesproken, ik
-bedoel alleen dat gij van een persoon spreekt dien ik niet ken.&#x201d;
-</p>
-<p>»<i>Ooah!</i> kan dat mogelijk zijn?&#x201d; antwoordde de Indiaan met geveinsde verwondering, »zou mijn
-broeder den krijgsman niet kennen die twee dagen geleden bij hem was?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ah ja! nu begrijp ik u, gij spreekt van don Martial; ja zeker, dien ken ik wel.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed,&#x201d; hernam het opperhoofd, »ik wist wel dat ik mij niet vergiste, waarom is mijn
-broeder op dit oogenblik niet bij hem?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat zal waarschijnlijk zijn omdat ik hier alleen ben,&#x201d; riep de lepero spottenderwijs.
-</p>
-<p>»Dat is waar, maar daar ik haast heb en mijn broeder mij niet antwoorden wil, zal
-ik hem dooden.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span></p>
-<p>Dit zeggende op een toon die voor geen dubbelzinnige uitlegging vatbaar was, hief
-de Zwarte-Beer zijn ponjaard reeds op om er gevolg aan te geven. De lepero begreep,
-dat als hij den Indiaan zijn zin niet gaf, hij onvermijdelijk verloren zou zijn, zijne
-aarzeling hield dus oogenblikkelijk op.
-</p>
-<p>»Wat wilt gij van mij?&#x201d; vroeg hij.
-</p>
-<p>»De waarheid.&#x201d;
-</p>
-<p>»Vraag dan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zal mijn broeder antwoorden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed, waar is de Groote-Bison?&#x201d;
-</p>
-<p>»Daar,&#x201d; riep de lepero terwijl hij den arm in de richting <span class="corr" id="xd30e3861" title="Bron: derhacienda">der hacienda</span> uitstak.
-</p>
-<p>»Sedert lang?&#x201d;
-</p>
-<p>»Sedert een uur reeds.&#x201d;
-</p>
-<p>»Om welke reden is hij daar?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat kunt gij licht raden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja. Zijn zij daar samen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Zij moeten er wel zijn, daar zij hem geroepen heeft.&#x201d;
-</p>
-<p>»<i>Ooah!</i> En wanneer moet hij terugkomen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat weet ik niet.&#x201d;
-</p>
-<p>»Heeft hij niets aan mijn broeder gezegd?&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zou hij alleen terugkomen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat weet ik niet.&#x201d;
-</p>
-<p>De Indiaan schoot hem een blik toe als of hij tot op den bodem van zijn hart had willen
-zien; de lepero bleef kalm als het graf, hij had eerlijk gezegd alles wat hij wist.
-</p>
-<p>»Goed,&#x201d; hervatte de Indiaan een oogenblik daarna, »maar heeft de Groote-Bison met
-mijn broeder geen signaal afgesproken, zoodat hij bij hem kan komen wanneer hij dit
-verkiest?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat heeft hij.&#x201d;
-</p>
-<p>»En welk is dat signaal?&#x201d;
-</p>
-<p>Bij deze vraag kwam Cuchares een zonderling idee te binnen. De leperos zijn een wonderlijk
-slag van menschen, die in de wereld huns gelijken niet hebben, dan met de bekende
-Lazzaroni te Napels.
-</p>
-<p>Even spilziek als gierig, hebzuchtig als belangloos en vermetel als lafhartig, zijn
-deze menschen het vreemdsoortigst en monsterachtigst samenstel van al wat men zich
-goed en kwaad verbeelden kan; bij hen gaat alles zoo als men zegt met horten en stooten,
-gebrekkig en gezwind, zij doen niets dan op den sprong en op den indruk van het oogenblik,
-evenzeer zonder hartstocht als nadenken; eeuwige spotters en grondelooze loshoofden
-gelooven zij aan niets en aan alles; in een woord hun leven is een gedurige tegenspraak,
-en voor een guitenstreek die hun eigen leven zou kunnen kosten, offeren zij het <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>leven of de belangen op van hun besten vriend, even gereed en vroolijk als zij hem
-zouden redden.
-</p>
-<p>Cuchares was de volmaakte type van dit buitensporig misgewas der Mexicaansche maatschappij.
-Ofschoon de dolk van den Apache geen twee duim boven zijn hart glinsterde en hij stellig
-wist, dat zijn woeste vijand hem geen genade zou bewijzen, besloot hij toch om hem
-een trek te spelen en hem het kostte wat het kostte een staaltje te geven van zijne
-behendigheid. Wij voegen er hier op eigen gezag bij, dat misschien zijne vriendschap
-voor don Martial ofschoon onbewust min of meer in &#x2019;t spel kwam, want wij herhalen
-de lepero heeft geen vriendschap voor iemand ter wereld, zelfs niet voor zijn trouwsten
-beschermer, zijn hart is inderdaad niets meer dan een onmisbaar, koudbloedig en lillend
-ingewand.
-</p>
-<p>»Verlangt de hoofdman dat signaal te kennen?&#x201d; vroeg hij.
-</p>
-<p>»Ja,&#x201d; antwoordde de Apache.
-</p>
-<p>Cuchares bootste thans met de grootste bedaardheid het geschreeuw na van een waterhoen.
-</p>
-<p>»Houd u stil,&#x201d; bromde de Zwarte-Beer, »dat is het niet.&#x201d;
-</p>
-<p>»Neem mij niet kwalijk,&#x201d; hernam de lepero, »dan heb ik het misschien niet goed gedaan,&#x201d;
-en hij herhaalde nog eens denzelfden schreeuw.
-</p>
-<p>De Indiaan, ontzet door de verregaande onbeschaamdheid van zijn vijand, wierp zich
-op hem om hem met een enkelen stoot af te maken.
-</p>
-<p>Maar door woede verblind had hij zijn stoot slecht berekend, en deelde hij aan de
-prauw zulk eene felle beweging mede, dat het lichte schuitje zijn evenwicht verloor
-en omkantelde, zoodat de vijanden beiden in het water geraakten.
-</p>
-<p>Eenmaal in het water zijnde verzuimde de lepero, die zwemmen kon als een otter, zijne
-kans niet; hij dook onder en zwom blindelings in de richting der hacienda, zoo snel
-als zijne krachten gedoogden.
-</p>
-<p>Maar zwom de lepero goed, de Zwarte-Beer zwom ten minste <span class="corr" id="xd30e3901" title="Bron: evenzoo">even zoo</span> goed als hij, en nadat de eerste strubbeling over was had de Indiaan spoedig gezien
-waar hij heen moest en volgde hij zijn vijand onmiddellijk op het spoor.
-</p>
-<p>Nu begon er tusschen deze twee een wedstrijd van kracht en behendigheid, en misschien
-zou het voordeel zich aan de zijde van den blanke verklaard hebben, die op zijn tegenstander
-reeds een goed eind gewonnen had, zoo niet verscheidene Apachen, getuigen van het
-gebeurde, zich in de rivier hadden geworpen om den vluchteling den pas af te snijden.
-</p>
-<p>Cuchares zag weldra dat vluchten onmogelijk was, zonder dus een strijd langer voort
-te zetten dien hij begreep dat doelloos was geworden, zette hij koers naar een boomstam,
-daar hij zich aan vast klemde en wachtte toen bedaard af wat er verder gebeuren zou.
-<span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span></p>
-<p>De Zwarte-Beer had hem spoedig ingehaald. De Indiaan toonde zich volstrekt niet gebelgd
-over den trek dien de lepero hem gespeeld had.
-</p>
-<p>»Ooah!&#x201d; zeide hij almede een tak van den boom grijpende, »mijn broeder is een krijgsman,
-hij is zoo listig als een <span class="corr" id="xd30e3912" title="Bron: oppossum">opossum</span>.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat zal het mij baten?&#x201d; antwoordde Cuchares onverschillig, »daar ik toch mijne haren
-niet kan redden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wie weet?&#x201d; hernam de Indiaan; »als mijn broeder mij maar zegt waar de Groote-Bison
-is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat heb ik al gezegd, hoofdman.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja: mijn broeder heeft mij wel gezegd dat zijn vriend in de groote hut der bleekmuilen
-is, maar niet in welk gedeelte.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hm! en als ik u die plaats aanwijs, zal ik dan vrij zijn?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, als mijn broeder geen dubbele tong heeft en mij de waarheid zegt, zal hij zoodra
-wij aan land komen vrij zijn om te gaan waar hij goedvindt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is ook een gunst!&#x201d; mompelde de lepero hoofdschuddend.
-</p>
-<p>»Hoe is &#x2019;t?&#x201d; hervatte de <span class="corr" id="xd30e3924" title="Bron: Zwarte Beer">Zwarte-Beer</span>, »wat doet mijn broeder?&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat duivel!&#x201d; antwoordde Cuchares op eens tot een besluit komende, »ik heb voor don
-Martial alles gedaan wat menschelijkerwijs mogelijk was; nu hij gewaarschuwd is mag
-hij zelf zien hoe hij te recht komt; ieder voor zich, ik moet mijne huid redden. Geef
-acht, hoofdman, ik zal het u met de hand aanwijzen waar hij is: ziet gij die wortelboomen,
-daar ginds, op dat vooruitspringend punt?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, die zie ik.&#x201d;
-</p>
-<p>»Welnu, achter die wortelboomen zult gij den man vinden, dien gij den Groote-Bison
-noemt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed, de Zwarte-Beer is een sachem, hij heeft maar één woord, het bleekgezicht zal
-vrij zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dank u.&#x201d;
-</p>
-<p>Hier werd hun gesprek, dat voortaan noodeloos was geworden, plotseling afgebroken;
-te meer daar de Apachen snel den oever naderden. Zij hadden de meeste boomen daar
-zij op verdeeld waren laten drijven en zaten thans bij ploegen van tien of twaalf
-op een gering aantal der dikste stammen vereenigd.
-</p>
-<p>Op de hacienda was alles doodstil, er brandde zelfs geen licht, men zou gezegd hebben
-dat het huis geheel verlaten was.
-</p>
-<p>Deze diepe stilte kwam den Zwarte-Beer zeer verdacht voor; hij meende er de voorbode
-van een aanstaanden storm in te zien. Alvorens zich nu aan eene ontscheping te wagen,
-wilde hij zich met eigen oog van den stand der zaken gaan verzekeren. Hij bootste
-dus het geschreeuw van den hagedis na, sprong in de rivier en zwom naar de kolonie.
-</p>
-<p>De Apachen begrepen terstond wat hun opperhoofd bedoelde en hielden zich stil.
-</p>
-<p>Na verloop van een paar minuten zagen zij hem tegen den zandigen <span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span>oever opkruipen; hij deed eenige stappen het land in en bleef staan. Hij zag of hoorde
-niets; daardoor <span class="corr" id="xd30e3941" title="Bron: gerust gesteld">gerustgesteld</span>, keerde hij naar den oever terug en gaf het sein voor de landing.
-</p>
-<p>De Apachen verlieten de boomen en zwommen naar wal. Cuchares maakte zich deze gelegenheid
-ten nutte om weg te komen, dat hij gemakkelijk doen kon, daar op dat oogenblik van
-verwarring niemand aan hem dacht.
-</p>
-<p>Intusschen hadden de Apachen een rechte lijn geformeerd en zwommen zij met kracht
-voort. Binnen weinige minuten bereikten zij den oever en stapten aan land. Onmiddellijk
-liepen zij naar den wal daar zij snel tegen <span class="corr" id="xd30e3947" title="Bron: opklouterden">opklauterden</span>.
-</p>
-<p>»Vuur!&#x201d; klonk op eens eene stentorstem.
-</p>
-<p>Er volgde eene vreeselijke losbranding, bijna met de tromp op de borst.
-</p>
-<p>De Apachen beantwoordden haar met een gehuil van woede en verrast door degenen die
-zij meenden te verrassen, stormden zij er op in met blank geweer.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6950">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XV.</h2>
-<h2 class="main">SCHERP TEGEN SCHERP.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Wij moeten thans naar de jagers terugkeeren, die wij maar al te lang uit het oog hebben
-verloren, want gedurende de boven door ons vermelde gebeurtenissen hadden ook zij,
-zoo veel noodig en doenlijk was, niet stil gezeten.
-</p>
-<p>Na het vertrek der twee Mexicanen, zaten Goedsmoeds en zijne vrienden eene poos stilzwijgend
-te peinzen.
-</p>
-<p>De Canadees speelde voor tijdverdrijf met de punt van zijn laars met de halfgedoofde
-houtskolen, die uit het langzaam inzakkend haardvuur op den grond waren gerold; werkelijk
-wist hij nauwelijks wat hij deed, zoo diep was zijn gepeins. De graaf Prébois Crancé,
-anders gezegd don Louis, zat met den elleboog op de knie en de hand onder de kin,
-even afgetrokken te staren op de tintelende kolen die beurtelings uitgingen en weder
-aanglimden; alleen de Arendskop, dicht in zijn bisonsmantel gewikkeld, rookte deftig
-zijn calumet, met het kalme en onverstoorde gelaat dat het Indiaansche ras zoo bijzonder
-kenmerkt.
-</p>
-<p>»Wat er ook van wezen mag,&#x201d; zei de Canadees op eens, meer in antwoord op de gedachten
-die hem inwendig bezig hielden, dan met oogmerk om het gesprek weder aan te knoopen,
-»het gedrag dezer twee mannen komt mij zeer buitengewoon voor, om er niets anders
-van te zeggen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoudt gij van hunnen kant eenig verraad vreezen?&#x201d; vroeg don Louis opkijkende.
-<span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span></p>
-<p>»In de woestijn kan men altoos aan verraad denken,&#x201d; zei Goedsmoeds beslissend, »vooral
-wat nieuwe kameraden aangaat die men toevallig heeft opgedaan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Die Tigrero, of don Martial&#x2014;zooals ik meen dat hij heet&#x2014;ziet er toch te rond en oprecht
-uit, om een verrader te zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is zoo; en toch zult gij mij toestemmen dat zijn gedrag sedert wij hem ontmoetten
-vrij zonderling geweest is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat geef ik u toe; maar gij weet even goed als ik hoe de hartstocht een mensch soms
-verblinden kan. Ik geloof dat hij verliefd is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat geloof ik ook. Ik verzoek u intusschen op te merken, dat hij in die gansche zaak,
-die hem als ik het zeggen moet zoo bijzonder aangaat, en daar wij ons met verzuim
-onzer eigen bezigheden in begeven hebben alleen om hem een dienst te bewijzen, zich
-steeds heeft teruggetrokken, alsof hij bang was om er mede voor den dag te komen.&#x201d;
-</p>
-<p>Op dit oogenblik kwam Blas Vasquez, na eerst de peons op korten afstand en derwijze
-geplaatst te hebben dat zij geheel buiten het gezicht stonden, terug en ging nevens
-de jagers bij het vuur zitten.
-</p>
-<p>»Ziedaar,&#x201d; zeide hij, »alles is gereed; nu mogen de Apachen ons aanvallen als zij
-het goedvinden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Een woordje, capataz,&#x201d; zei Goedsmoeds.
-</p>
-<p>»Twee zelfs zoo het u behaagt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Kent gij dien man, daar gij straks dien brief aan overhandigd hebt?&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarom vraagt gij dat?&#x201d;
-</p>
-<p>»Omdat ik gaarne door u nader omtrent hem zou worden ingelicht.&#x201d;
-</p>
-<p>»Persoonlijk ken ik hem al zeer weinig; alles wat ik er u van zeggen kan is, dat hij
-in de gansche provincie ter goeder naam en faam staat, en men hem algemeen voor een
-caballero en fatsoenlijk edelman houdt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is zeker veel,&#x201d; mompelde de Canadees hoofdschuddend; »maar met dat al, ik weet
-niet waarom, maakt zijn overhaast vertrek mij zeer ongerust.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ooah!&#x201d; riep op eens de Arendskop, terwijl hij haastig de calumet uit zijn mond nam,
-het hoofd vooruitstak en de anderen wenkte zich stil te houden.
-</p>
-<p>Allen zaten onbeweeglijk met de oogen op den Indiaan gericht.
-</p>
-<p>»Wat gebeurt er?&#x201d; vroeg Goedsmoeds eindelijk.
-</p>
-<p>»Er is brand!&#x201d; antwoordde hij kalm. »De Apachen komen, zij hebben de prairie voor
-zich uit in brand gestoken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat zegt gij?&#x201d; riep Goedsmoeds opstaande en naar alle kanten rondziende, »ik zie
-nog niets dat naar vuur gelijkt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nog niet; maar het vuur is er, ik ruik het.&#x201d;
-</p>
-<p>»O! als de sachem het zegt, zal het wel waar zijn, een krijgsman van zoo veel ondervinding
-bedriegt zich niet; wat nu gedaan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Wij hebben hier niets van den brand te vreezen,&#x201d; merkte de capataz aan.
-<span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span></p>
-<p>»O, neen,&#x201d; riep de graaf de Prébois; »maar de bewoners der hacienda?&#x201d;
-</p>
-<p>»Evenmin,&#x201d; hernam Goedsmoeds; »zoo als gij weet zijn al de boomen tot op goeden afstand
-van de kolonie omgehouwen en uitgeroeid zoodat het vuur daar niet komen kan; het is
-slechts een krijgslist der Indianen, om haar te kunnen naderen zonder hunne getalsterkte
-te doen blijken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik ben het toch met den caballero eens,&#x201d; zei de capataz, »dat het niet kwaad zou
-zijn als wij de kolonie gingen waarschuwen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Er is nog iets anders te doen, dat misschien wel zoo noodig is,&#x201d; zei don Louis, »wij
-moeten een bekwaam veldontdekker uitzenden, om stellig te weten wie onze vijanden
-zijn en hoe sterk hun aantal is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Beiden kan evenzeer geschieden,&#x201d; hervatte Goedsmoeds, »in de gegeven omstandigheden
-zijn twee voorzorgen beter dan een. Mijn raad is deze, dat de Arendskop den vijand
-zal gaan verkennen, terwijl wij ons naar de hacienda zullen begeven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wij allen?&#x201d; vroeg de capataz.
-</p>
-<p>»Neen, gij niet, gij zijt hier veilig en gij kunt ons, als wij soms wierden aangevallen,
-goede diensten bewijzen. Don Louis en ik gaan alleen naar de kolonie en gij, onthoud
-dit wel, moogt u volstrekt niet vertoonen of verroeren. Wat er ook gebeure, in ieder
-geval wacht gij onze bevelen af: is dit afgesproken?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, caballero, ga gerust heen, ik zal uw vertrouwen niet te leur stellen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed, thans aan &#x2019;t werk; u, hoofdman, heb ik niets aan te bevelen; gij kunt ons op
-de hacienda vinden als gij ons iets van belang te melden hebt.&#x201d;
-</p>
-<p>Hierop scheidden deze krachtvolle mannen; van ouds gewoon om te handelen zonder den
-kostelijken tijd met nuttelooze woorden te verspillen, gingen zij na korte afspraak
-uiteen, don Louis en Goedsmoeds staken de rivier over naar de hacienda, de Indiaan
-insgelijks, maar in tegenovergestelde richting.
-</p>
-<p>Blas Vasquez bleef met zijne peons alleen op het eiland achter.
-</p>
-<p>Intusschen begreep de capataz, die den oorlog met de Indianen bij ondervinding had
-leeren kennen, welk eene verantwoordelijkheid er van nu af aan op hem rustte en gevoelde
-hij dat het noodig was zijne waakzaamheid te verdubbelen; bijgevolg zette hij op alle
-punten schildwachten uit; hun aanbevelende om zorgvuldig acht te geven op alles wat
-aan de vaste kust omging; toen keerde hij naar zijn vuur terug, wikkelde zich in zijne
-<i>fressada</i> en sliep gerust in, daar hij zeker kon zijn dat de peons hem bij den minsten onraad
-terstond zouden wekken.
-</p>
-<p>Wij zullen thans hem zoo wel als don Louis en Goedsmoeds een poosje verlaten om den
-Arendskop te volgen.
-</p>
-<p>De taak die hij op zich genomen, of liever daar zijne vrienden hem mede belast hadden,
-was alles behalve gemakkelijk; maar de <span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span>Arendskop was een man van ondervinding, op de hoogte der sluwe Indianenstreken en
-begaafd met de stoorlooze bedaardheid die in groote levensaangelegenheden schier de
-hoofdvoorwaarde is om wel te slagen. Na van zijne vrienden afscheid te hebben genomen,
-reed hij met zijn paard stapvoets naar de rivier en eer hij het punt bereikte waar
-hij haar wilde overgaan, had hij zijn gansche plan reeds helder in zijn hoofd.
-</p>
-<p>In plaats van de rivier over te steken in de richting waar de Indianen achter hun
-vuurstroom snel naderden, koos hij den tegenovergestelden kant. Nauwelijks was hij
-er over of hij steeg af om zijn paard eenige minuten te laten uithijgen, wreef het
-zorgvuldig met een stroowisch af, zette zich met een enkelen sprong op het pantervel,
-dat hem tot zadel diende en reed oogenblikkelijk in vliegenden galop naar het vijandelijk
-kamp.
-</p>
-<p>Deze woedende rid duurde twee volle uren. De nacht was reeds lang gedaald en het onzekere
-schijnsel van den brand strekte hem tot baken om hem in de duisternis het rechte spoor
-te wijzen.
-</p>
-<p>Na verloop van die twee uren bevond de Arendskop zich tegenover het meest vooruitspringende
-punt des eilands, waar de Apachen juist bezig waren met de drijvende boomstammen te
-vergaderen, om als vervoermiddelen te dienen voor de overrompeling die zij tegen de
-kolonie in den zin hadden.
-</p>
-<p>De Arendskop bleef staan.
-</p>
-<p>Aan zijne rechterhand, ofschoon vrij ver achter hem, lichtte de prairiebrand aan den
-gezichteinder; rondom hem was alles eenzaamheid en duisternis.
-</p>
-<p>Lang nam de Indiaan het eiland in oogenschouw; een heimelijk voorgevoel waarschuwde
-hem dat daar voor hem het gevaar gelegen was.
-</p>
-<p>Evenwel, na de zaak rijpelijk overwogen te hebben, besloot hij nog eenige passen verder
-te gaan<span class="corr" id="xd30e4021" title="Bron: .">,</span> om dan opnieuw de rivier over te steken, ten einde het eiland te onderzoeken, dat
-hem wegens zijne bijzondere kalmte des te meer verdacht voorkwam.
-</p>
-<p>Eer hij echter dit plan ten uitvoer bracht, rees eene andere gedachte bij hem op;
-hij stapte af, verborg zijn paard ergens in het houtgewas, ontdeed zich van zijn geweer
-en zijn mantel; en na een doordringenden blik in de hem omringende duisternis, ging
-hij op den grond liggen en kroop dwars door het hooge gras tot dicht aan de rivier:
-hij liet er zich zacht in afglijden en zwom met de grootste voorzorg nu eens onderduikend
-en dan weder boven water naar het eiland, dat hij weldra bereikte.
-</p>
-<p>Maar op het oogenblik toen hij den voet op het oeverzand zette om zich op te richten
-hoorde hij een schier onmerkbaar geluid, en meende hij dicht in zijne nabijheid eene
-beweging in het water te bespeuren; hij dook opnieuw onder en verwijderde zich van
-den oever, dien hij reeds op het punt was te beklimmen.
-<span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span></p>
-<p>Op eens, toen hij weer boven water kwam om even versche lucht te scheppen, zag hij
-vlak voor zich twee gloeiende oogen schitteren; op hetzelfde oogenblik ontving hij
-een hevigen slag op de borst, die hem deed omkantelen en ofschoon half door dezen
-onverhoedschen aanval bedwelmd, voelde hij eene krachtige hand die hem als met een
-ijzeren nijptang de keel toekneep.
-</p>
-<p>Het oogenblik was hachelijk; de Arendskop begreep dadelijk dat hij zonder eene wanhopige
-poging verloren was; hij waagde die poging.
-</p>
-<p>Op zijne beurt den onbekenden vijand aangrijpende omklemde hij hem met de kracht der
-wanhoop.
-</p>
-<p>Nu begon er tusschen deze twee in den stroom eene vreeselijke en noodlottige worsteling,
-waarbij elke strijder zijn tegenstander poogde te verstikken, zonder om eigen lijfsbehoud
-of bepaalde zelfverdediging te denken. Het water door de felle beweging der beide
-worstelaars geschokt en geteisterd, kookte en schuimde alsof er twee alligators aan
-&#x2019;t vechten waren. Eindelijk kwam er een bloedig en misvormd lichaam boven water dat
-<span class="corr" id="xd30e4034" title="Bron: bewegenloos">bewegingsloos</span> wegdreef; en weinige <span class="corr" id="xd30e4037" title="Bron: sekonden">seconden</span> later vertoonde zich niet ver van daar een bleek en verwilderd hoofd, dat door de
-vreeselijke inspanning van den strijd ontkleurd en gezwollen, bijna onmenschelijk
-scheen en naar alle zijden schuw rondkeek.
-</p>
-<p>Bij het zien van het lijk zijns vijands slaakte de overwinnaar een duivelschen lach;
-zwom er naar toe, greep het bij de haren en sleepte het, niet naar het eiland maar
-naar de vaste kust.
-</p>
-<p>De Arendskop had den Apache overwonnen die hem zoo onverwachts had aangerand.
-</p>
-<p>De Comanch bereikte weldra den anderen oever, maar liet het lijk niet los voor dat
-hij het geheel veilig op het droge had gehaald, toen sneed hij het gezwind den haarschedel
-af, hechtte dien als een afschuwelijke trofee aan zijn gordel en steeg weder te paard.
-</p>
-<p>Hij had de taktiek der Apachen volkomen begrepen; de aanval van welke hij bijna het
-slachtoffer was geworden, had hem de krijgslist ontdekt dien zij in den zin hadden.
-Hij behoefde dus zijn onderzoek op het eiland niet verder door te zetten. Wat het
-lijk van zijn vijand betreft, als hij het in den stroom had gelaten, dan zou het spoedig
-door zijne kameraden ontdekt zijn geworden en hun de tegenwoordigheid van een spion
-verraden hebben; daarom gaf hij zich de moeite om het naar den anderen oever te brengen,
-waar niemand het, althans niet dan bij zeldzame toevalligheid, ontdekken zou eer dat
-de zon was opgekomen.
-</p>
-<p>De weinige minuten rust die zijn paard had genoten, waren genoeg geweest om het al
-zijne kracht weder te geven. De Arendskop had nu naar zijne vrienden kunnen terugkeeren,
-want hetgeen hij ontdekt had was voor hen belangrijk genoeg; maar Goedsmoeds had hem
-vooral opgedragen om de getalsterkte en samenstelling van <span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span>het vijandelijk detachement te verkennen dat tegen de kolonie oprukte, en deze last
-zou de Indiaan voor niets hebben willen verzuimen; bovendien had de pas doorgestane
-strijd, daar hij zoo wonderwel als overwinnaar was afgekomen, hem in zekere mate opgewonden,
-zoodat hij bijzonderen lust gevoelde om het uiterste te wagen.
-</p>
-<p>Daar hij een lichte wond aan den linkerarm had bekomen nam hij een paar oregonbladeren,
-bond ze met een stukje boomschors op de wond en dreef toen zijn paard andermaal de
-rivier in.
-</p>
-<p>Daar hij thans niets te onderzoeken had en hij niet gaarne ontdekt wilde worden, droeg
-hij wel zorg om zijn overgang op vrij verren afstand van het eiland te doen.
-</p>
-<p>Op den anderen oever, waar de Indianen alles hadden platgebrand, was het spoor breed
-genoeg en duidelijk zichtbaar, zoo dat de sachem het ondanks de duisternis zonder
-moeite kon volgen.
-</p>
-<p>De brand door de Indianen gesticht had echter in deze streek niet zooveel verwoesting
-aangericht als elders. Het geheele terrein was hier, met uitzondering van enkele verspreide
-groepjes populierboomen, met het gewone hooge, door de felle zomerzon reeds half verschroeide
-prairiegras bedekt.
-</p>
-<p>Dit gras dat weinig brandstof bevatte was snel ontvlamd en had, wat de Indianen liefst
-verlangden, des te meer rook veroorzaakt, maar den grond bijna niet verhit, zoodat
-zij er dadelijk over konden marcheeren naar de kolonie.
-</p>
-<p>Dank zij de snelheid waarmede de Arendskop doorzette en de paar uren die de Indianen
-met het afbranden der prairie verloren hadden, kwam hij bijna gelijktijdig met hen
-aan de hacienda; hij haalde hen juist in op het oogenblik toen zij, na een nutteloozen
-aanval op de batterij aan de landtong te hebben beproefd, waren teruggeslagen en in
-allerijl de vlucht namen, vervolgd door het schrootvuur der batterij, dat hen des
-te meer afbreuk deed, daar zij ten gevolge van hun eigen brandstichting geen boomen
-meer hadden om zich achter te verschuilen; evenwel was het hun, dank zij de vlugheid
-hunner paarden, voor het grootste gedeelte gelukt aan de slachting te ontkomen. De
-Arendskop bevond zich zonder het te willen en toen hij er het minst aan dacht op eens
-te midden der vluchtenden. In de eerste oogenblikken was ieder te zeer op lijfsbehoud
-bedacht om op hem te letten en hem te herkennen; hij maakte hiervan gebruik om ter
-zijde te gaan en zich achter een rots te begeven, waar hij zich schuil hield.
-</p>
-<p>Thans echter had er iets zonderlings plaats. <span class="corr" id="xd30e4057" title="Bron: Nauwlijks">Nauwelijks</span> had de sachem zich aan het oog der vluchtelingen onttrokken en hen een poosje in
-stilte gadegeslagen, of een onbeschrijfelijke glimlach krulde zijne lippen; op eens
-gaf hij zijn paard de sporen en rende in hun midden, onder het aanheffen van een doordringenden,
-tweemaal op verschillende wijze herhaalden rauwen kreet.
-</p>
-<p>Op dit bekende geroep staakten de Indianen terstond hunne vlucht, <span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span>snelden zij van alle kanten naar hem toe, en schaarden zich onstuimig rondom het opperhoofd
-met alle blijken van bijgeloovigen eerbied en lijdelijke gehoorzaamheid.
-</p>
-<p>De Arendskop liet zijn blik fier en ontzagwekkend weiden over de menigte die zich
-rondom hem verdrong en daar hij een hoofd hoog boven uitstak.
-</p>
-<p>»<i>Ooah!</i>&#x201d; riep hij eindelijk met een krakende stem vol bitter verwijt: »zijn de Comanchen
-dan nu vreesachtige antilopen geworden, dat zij als Apachenhonden vluchten voor de
-kogels der bleekhuiden?&#x201d;
-</p>
-<p>»De Arendskop! de Arendskop!&#x201d; riepen al de krijgslieden uit éénen mond met gemengde
-blijdschap en schaamte, terwijl zij de oogen neersloegen voor den vlammenden blik
-van hun opperhoofd.
-</p>
-<p>»Waarom hebben mijne zonen zonder het bevel van hun sachem de jachtgronden der Rio
-del Norte verlaten? Zijn zij dan de <i>rastrero&#x2019;s</i> (speurhonden) der Apachen geworden?&#x201d;
-</p>
-<p>Een dof gemompel doorliep de gelederen op dit scherpe verwijt.
-</p>
-<p>»Een sachem heeft gesproken,&#x201d; hervatte de Arendskop streng, »is hier niemand om hem
-te beantwoorden? Hebben de Comanchen van het Meer geen opperhoofden die hun voorgaan
-en bevelen geven?&#x201d;
-</p>
-<p>Onmiddellijk na dezen eisch openden zich de gelederen der Comanchen. Een enkele ruiter
-kwam te voorschijn, naderde den Arendskop, en maakte eene eerbiedige buiging met het
-voorhoofd tot op den hals van zijn paard.
-</p>
-<p>»De Spotvogel is een opperhoofd,&#x201d; antwoordde hij met eene zachte en welluidende stem.
-</p>
-<p>Het gelaat van den Arendskop helderde zichtbaar op, zijne trekken verloren oogenblikkelijk
-hunne woeste uitdrukking, hij wierp den jeugdigen krijgsman die voor hem stond een
-minzamen blik toe en strekte de hand naar hem uit met de palm naar voren.
-</p>
-<p>»Och!&#x201d; zeide hij, »mijn hart verheugt zich u te zien, mijn zoon de Spotvogel: De krijgslieden
-zullen hier kampeeren terwijl de twee sachems samen raad houden.&#x201d;
-</p>
-<p>En met een vorstelijken wenk gebood hij het opperhoofd hem te volgen. Zij gingen samen
-heen, nageoogd door de Roodhuiden, die zich haastten om het bevel dat zoo stellig
-gegeven was uit te voeren.
-</p>
-<p>De Arendskop en de Spotvogel verwijderden zich op genoegzamen afstand van het kamp,
-om bij hun gesprek niet beluisterd te kunnen worden.
-</p>
-<p>»Laten wij hier raad houden,&#x201d; zei het opperhoofd terwijl hij op een heuveltje ging
-zitten en den Spotvogel een wenk gaf, om naast hem plaats te nemen.
-</p>
-<p>De jonge sachem gehoorzaamde zonder tegenspraak.
-</p>
-<p>Er volgde eene vrij lange poos stilte tusschen de twee Indianen, die ondanks hunne
-geveinsde onverschilligheid elkander nauwlettend opnamen.
-<span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span></p>
-<p>Eindelijk nam de Arendskop het woord en begon langzaam en met eene nadrukkelijke stem:
-</p>
-<p>»De Arendskop is een beroemd krijgsman in zijn stam,&#x201d; zeide hij, »hij is de eerste
-sachem der Comanchen van het Meer; onder de gezegende en beschermende schaduw van
-zijn machtige totem verschuilen zich ontelbare zonen van den grooten geheiligden schildpad
-<i>Chemin-Antou</i>, wiens luisterrijk schild de wereld draagt, sedert de Wacondah den eersten man en
-de eerste vrouw na hunne overtreding in de onbegrensde ruimte wierp. De woorden die
-de borst van den Arendskop uitblaast zijn die van een <i>Sagamore</i>; zijne tong is niet dubbel. De logen heeft nooit zijne lippen bezoedeld. De Arendskop is den Spotvogel tot vader geweest,
-hij was het die hem geleerd heeft zijn paard te temmen, den snellen antilope met de
-pijl te treffen, of den monsterachtigen beer in zijne armen te verstikken. De Arendskop
-bemint den Spotvogel, die de zoon is van de zuster zijner derde vrouw; de Arendskop
-heeft den Spotvogel eene plaats bij het vuur van den raad verleend; hij heeft hem
-tot sachem gemaakt, en toen hij de dorpen van zijn stam verliet heeft hij tot hem
-gezegd: »Mijn zoon zal mijne krijgslieden kommandeeren, hij zal hen ter jacht, ter
-vischvangst en ten oorlog voeren.<span class="corr" id="xd30e4097" title="Niet in bron">&#x201d;</span> Zijn deze woorden waarheid? en kan de Arendskop liegen?&#x201d;
-</p>
-<p>»De woorden van mijn vader zijn waarheid,&#x201d; antwoordde de jonge sachem met een eerbiedige
-buiging, »de wijsheid spreekt uit zijn mond.&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarom heeft mijn zoon zich dan met de vijanden van zijn volk verbonden om de vrienden
-van zijn vader den grooten sachem te bestrijden?&#x201d;
-</p>
-<p>De Spotvogel neigde verlegen het hoofd.
-</p>
-<p>»Waarom?&#x201d; vervolgde de Arendskop, »waarom heeft hij zonder zijn vader te raadplegen,
-die hem altijd met zijn raad geholpen en gesterkt heeft, een onrechtvaardigen oorlog
-ondernomen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Een onrechtvaardigen oorlog,&#x201d; herhaalde het jonge opperhoofd min of meer gevoelig.
-</p>
-<p>»Ja, want hij wordt gevoerd in gemeenschap met de vijanden van ons volk.&#x201d;
-</p>
-<p>»De Apachen zijn Roodhuiden.&#x201d;
-</p>
-<p>»De Apachen zijn lafhartige en diefachtige honden, dien ik de leugensprekende tong
-zal uitrukken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar de bleekgezichten zijn de vijanden der Indianen!&#x201d;
-</p>
-<p>»De bleekgezichten die mijn zoon heden nacht heeft aangevallen zijn geen Yoris; het
-zijn vrienden van den Arendskop.&#x201d;
-</p>
-<p>»Mijn vader zal het den Spotvogel vergeven; hij heeft het niet geweten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Heeft de Spotvogel het inderdaad niet geweten, zou hij dan werkelijk voornemens zijn
-om den door hem beganen misslag te herstellen?&#x201d;
-</p>
-<p>»De Spotvogel heeft drie honderd strijders onder zijn totem; de Arendskop is gekomen;
-zij zijn tot zijnen dienst.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span></p>
-<p>»Goed, ik zie dat de Spotvogel nog altijd mijn beminde zoon is. Met welk opperhoofd
-heeft hij een verbond gemaakt? het kan toch de Zwarte-Beer niet zijn, den onverbiddelijken
-vijand der Comanchen die nog geen vier manen geleden, twee dorpen van mijn stam heeft
-verbrand.&#x201d;
-</p>
-<p>»Een wolk had het verstand van den Spotvogel beneveld; zijn haat tegen de blanken
-heeft hem verblind, de wijsheid heeft hem ontbroken; hij heeft zich werkelijk aan
-den Zwarte-Beer verbonden.&#x201d;
-</p>
-<p>»<i>Ooah!</i> de Arendskop had wel gelijk dat hij naar de dorpen zijner vaderen wenschte terug
-te keeren. Zal mijn zoon den sachem gehoorzamen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat hij ook bevele, ik zal gehoorzamen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed! dat mijn zoon mij dan volge.&#x201d;
-</p>
-<p>De beide opperhoofden stonden op.
-</p>
-<p>De Arendskop begaf zich dadelijk naar de landengte, reeds van verre met de rechterhand
-zijn bisonsmantel zwaaiende ten teeken van vrede, terwijl de Spotvogel eenige passen
-achter hem volgde.
-</p>
-<p>De Comanchen zagen met verbazing dat hunne sachems een mondgesprek met de Yoris gingen
-vragen, maar gewoon om hunne opperhoofden blindelings te gehoorzamen in alles wat
-deze hun geliefden te bevelen, toonden zij zich over dit bedrijf geenszins gebelgd,
-al begrepen zij er het doel niet van.
-</p>
-<p>De Mexicaansche schildwachten, achter de batterij verscholen, konden in het heldere
-maanlicht de vredelievende houding der Indianen gemakkelijk onderscheiden en lieten
-hen vrijelijk tot aan den rand der gracht naderen.
-</p>
-<p>»Een sachem verlangt een mondgesprek met het opperhoofd der bleekgezichten,&#x201d; riep
-de Arendskop.
-</p>
-<p>»Goed,&#x201d; antwoordde eene stem in het Spaansch, »wacht een oogenblik, men zal het opperhoofd
-waarschuwen.&#x201d;
-</p>
-<p>De beide Comanchen maakten eene statige buiging, kruisten de armen op de borst en
-bleven staan wachten.
-</p>
-<p>De graaf Prébois Crancé, anders gezegd don Louis, en Goedsmoeds, die, zooals wij weten,
-rechtstreeks naar de hacienda waren gegaan, en er dus eenige uren vroeger aankwamen,
-hadden daar met don Sylva de Torres en den graaf de Lhorailles reeds een langdurig
-gesprek gehad, waarin zij hem mededeelden door wien en op welke wijs zij te weten
-waren gekomen dat de Indianen een aanval op de kolonie zouden doen, hoe de zelfde
-man die hen hiervan zoo goed onderricht had, na hen eerst in zekeren zin gedwongen
-te hebben zich in eene gevaarlijke onderneming te mengen, welke hun volstrekt niet
-aanging, hen zonder eenige blijkbaar geldige reden eensklaps verlaten had, onder het
-nietige voorwendsel dat hij even naar Guaymas terug moest, waar, zoo hij zeide, allergewichtigste
-zaken zijne tegenwoordigheid voor een oogenblik vereischten.
-</p>
-<p>Deze nieuwtjes hadden op de beide heeren een levendigen indruk <span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span>gemaakt; vooral don Sylva kon zijn toorn niet bedwingen, toen hij hoorde dat die persoon
-niemand anders was dan don Martial; hij kwam reeds dadelijk op het vermoeden dat de
-Tigrero zeker plan had gevormd om van de verwarring gebruik te maken en <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita op te lichten. De haciendero wilde echter zijn aanstaanden schoonzoon niets
-van dezen argwaan doen blijken, zich voorbehoudende om hem zoo het noodig was, op
-het juiste oogenblik te waarschuwen, daar hij vreesde dat er onder het overhaast vertrek
-van don Martial een krijgslist verscholen lag.
-</p>
-<p>Goedsmoeds berichtte hem bovendien in welke stelling hij den capataz en zijne peons
-had geplaatst, en welke taak de Arendskop had op zich genomen, waarvan hij waarschijnlijk
-den uitslag weldra aan de hacienda zelf zou komen melden.
-</p>
-<p>De graaf de Lhorailles betuigde zijn warmen dank aan deze twee mannen, die zonder
-hem te kennen hem zulke gewichtige diensten kwamen bewijzen; hij liet hun terstond
-de noodige ververschingen voorzetten, en verwijderde zich om aan zijn luitenant order
-te geven hem te waarschuwen, zoodra zich een Indiaan als parlementair zou aanmelden.
-</p>
-<p>Ook don Sylva verwijderde zich, schijnbaar met oogmerk om zijne dochter gerust te
-stellen, maar eigenlijk om zich met eigen oog van de waakzaamheid der wachtposten
-aan de achterzijde der hacienda te overtuigen.
-</p>
-<p>Toen de Indianen een half uur later een aanval op de landengte deden, waren de Franschen
-dus op hunne hoede en werden zij door de bezetting zoo warm ontvangen, dat zij reeds
-bij den eersten stoot genoeg hadden en de dwaasheid hunner onderneming inziende, met
-groot verlies en in wanorde terugtrokken, gelijk wij den lezer reeds in een vorig
-hoofdstuk beschreven hebben.
-</p>
-<p>De graaf de Lhorailles zat nog met don Louis en Goedsmoeds te praten over de bijzonderheden
-van het gevecht en verwonderde zich over het lang uitblijven van don Sylva, die sedert
-een uur reeds verdwenen was, zonder dat men wist waarheen, toen de luitenant Leroux
-de zaal binnentrad.
-</p>
-<p>»Wat wilt gij?&#x201d; vroeg hem de graaf.
-</p>
-<p>»Kapitein,&#x201d; antwoordde hij, »er staan twee Indianen aan den buitenwal, met verzoek
-om binnengelaten te worden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Twee?&#x201d; riep Goedsmoeds.
-</p>
-<p>»Ja, twee.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is vreemd,&#x201d; zei de Canadees.
-</p>
-<p>»Hoe zouden wij doen?&#x201d; vroeg de graaf.
-</p>
-<p>»Zelf gaan, om te zien wie zij zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>Zij gingen terstond naar de batterij.
-</p>
-<p>»Welnu, Goedsmoeds, wat dunkt u,&#x201d; zei de graaf.
-</p>
-<p>»Wel, mijnheer de graaf, een van de twee is zonder twijfel de Arendskop; maar den
-andere ken ik niet.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span></p>
-<p>»En wat denkt gij er van?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat wij ze binnen zullen laten. Daar die tweede Indiaan, die een opperhoofd schijnt
-te zijn, met den Arendskop mede komt, kan hij niets anders zijn dan een vriend.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed dan.&#x201d;
-</p>
-<p>De graaf gaf de wacht een wenk; de valbrug werd nedergelaten en de twee Indianen kwamen
-binnen.
-</p>
-<p>De sachems groetten de aanwezigen met de natuurlijke waardigheid die hun ras en hun
-rang onderscheidt, daarna, op verzoek van Goedsmoeds, deed de Arendskop verslag van
-zijne volbrachte taak.
-</p>
-<p>De Franschen hoorden hem met aandacht en bewondering aan, niet alleen wegens de behendigheid
-waarmede hij was te werk gegaan maar ook wegens zijn daarbij betoonden moed.
-</p>
-<p>»Intusschen,&#x201d; vervolgde het opperhoofd ten slotte, »heeft de Spotvogel den misslag
-erkend waartoe hij zich door blinden haat had laten vervoeren; hij heeft het verbond
-dat hij met de Apachen gesloten had reeds verbroken om zijn vader den Arendskop te
-volgen, en zijne fout weder goed te maken. De Arendskop is een sachem, zijn woord
-is als graniet; hij stelt drie honderd Comanchen-krijgslieden ter beschikking van
-zijn blanken broeder.&#x201d;
-</p>
-<p>De graaf de Lhorailles keek den Canadees weifelend aan; daar hij de listige streken
-der Indianen kende, huiverde hij zich aan hen toe te vertrouwen.
-</p>
-<p>Goedsmoeds haalde even de schouders op.
-</p>
-<p>»De groote hoofdman der blanken zegt zijn broeder den Arendskop dank,&#x201d; zeide hij,
-»hij neemt diens aanbod met blijdschap aan. Zijne hand zal steeds open en zijn hart
-rein zijn voor de Comanchen. Het oorlogsdetachement dat mijn broeder mij aanbiedt
-zal in twee afdeelingen worden gesplitst, de eene onder het kommando van den Spotvogel<span class="corr" id="xd30e4170" title="Niet in bron">,</span> zal zich aan gene zijde der rivier in hinderlaag stellen om de Apachen den aftocht
-af te snijden, de andere gaat met den Arendskop naar de hacienda om de bleekgezichten
-te ondersteunen; op het eiland, op twee boogschot afstand van de groote hut, zijn
-gewapende Yoris verscholen; deze zullen den Spotvogel vergezellen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed,&#x201d; antwoordde de Arendskop; »het zal geschieden zooals mijn broeder verlangt.&#x201d;
-</p>
-<p>De beide opperhoofden namen afscheid en vertrokken.
-</p>
-<p>Goedsmoeds legde nu den graaf uit, welke schikkingen hij met den sachem der Comanchen
-getroffen had.
-</p>
-<p>»Duivelsch!&#x201d; riep de Lhorailles, »ik moet u bekennen dat ik in die Indianen geen het minste vertrouwen stel. Zooals gij weet is verraad hun geliefkoosd wapen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij kent de Comanchen nog niet, vooral kent gij den Arendskop niet. Ik neem de verantwoordelijkheid
-van alles op mij.&#x201d;
-</p>
-<p>»Handel dan naar uw goeddunken; ik ben u te veel verschuldigd <span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span>om uwe plannen tegen te werken, vooral daar ik weet dat gij mijn voordeel zoekt.&#x201d;
-</p>
-<p>Goedsmoeds ging den capataz zelf verwittigen van de verandering die in het verdedigingsplan
-was gekomen.
-</p>
-<p>De Spotvogel en zijne honderd en vijftig krijgslieden, thans met de veertig peons
-vereenigd<span class="corr" id="xd30e4188" title="Bron: .">,</span> trokken dadelijk de rivier over en verscholen zich in hinderlaag achter de wortelboomen
-op den anderen oever, gereed om op het eerste signaal te voorschijn te komen.
-</p>
-<p>Een tiental Franschen met den Arendskop en den tweeden troep Indianen werden ter verdediging
-bij de landengte gelaten, aan welke zijde men het minste gevaar van aanval vreesde:
-al de overige kolonisten verspreidden zich in de dichte boschjes achter de hacienda,
-met bevel om tot het eerste uur onzichtbaar te blijven. Voorts, toen alles geregeld
-en overal de noodige schikkingen genomen waren, wachtten de graaf de Lhorailles en
-zijne kameraden met kloppende harten den storm der Apachen af.
-</p>
-<p>Zij behoefden niet lang te wachten. Wij hebben hierboven reeds gezien hoe de Zwarte-Beer
-zou ontvangen worden.
-</p>
-<p>Het Apachenhoofd was moedig als een leeuw: zijn volk bestond uit uitgelezen strijders.
-De schok der bestorming was vreeselijk; de Roodhuiden gaven geen duim breed kamp.
-</p>
-<p>Ofschoon krachtdadig afgeslagen keerden zij telkens tot den aanval terug, en streden
-met den moed der vertwijfeling man tegen man tegen de Franschen, die ondanks hunne
-dapperheid, krijgstucht en de meerdere voortreffelijkheid hunner wapenen, niet in
-staat waren om hen te doen wijken.
-</p>
-<p>De strijd ontaardde weldra in een vreeselijke slachting; men greep elkander aan met
-blank geweer, met dolken, messen en sabels zonder kamp of kwartier te geven. Goedsmoeds
-begreep nu dat het tijd werd om een beslissenden slag te wagen, ten einde het met
-die duivels uit te maken, die onoverwinnelijk en onkwetsbaar schenen. Hij wendde zich
-tot Louis, die aan zijne zijde streed, en fluisterde hem eenige woorden in.
-</p>
-<p>De Franschman maakte zich van den bijzonderen vijand af, daar hij mede vocht, en liep
-hard weg.
-</p>
-<p>Eenige minuten later hoorde men den ontzettenden oorlogskreet der Comanchen en vielen
-laatstgenoemden, die als een bergstroom kwamen aanrollen, met gedrilde lans en zwaaiende
-strijdbijl als tijgers op de Apachen aan.
-</p>
-<p>In het eerste oogenblik meende de Zwarte-Beer dat zij hem ter hulp kwamen, hij beschouwde
-dus de kolonie zoo goed als genomen en in de macht zijner bondgenooten; maar weldra
-had hij zijne dwaling ingezien, en nu werd de moed der Apachen dadelijk geknakt; er
-ontstond verwarring in hunne gelederen; zij aarzelden en wankelden; eindelijk gaven
-zij den storm op, keerden de hacienda den rug toe, wierpen zich in den stroom en lieten
-meer dan twee derden der hunnen dood op het slagveld achter.
-<span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span></p>
-<p>De kolonisten vergenoegden zich met den vluchtelingen eenige ladingen schroot achterna
-te zenden; wel overtuigd dat zij niet aan de hinderlaag zouden ontsnappen die hen
-op den terugweg den pas moest afsnijden.
-</p>
-<p>Werkelijk hoorde men binnen weinige minuten, in de verte het kleingeweervuur der peons,
-vermengd met den oorlogskreet der Comanchen.
-</p>
-<p>In deze mislukte onderneming had de Zwarte-Beer in minder dan een uur de bloem zijner
-vermaardste strijders verloren: het opperhoofd zelf, met wonden overdekt en slechts
-van een tiental der zijnen vergezeld, ontkwam te nauwernood aan de slachting.
-</p>
-<p>De overwinning der Franschen was volkomen. Dank zij dit glorierijk wapenfeit, was
-de kolonie voor langen tijd tegen de aanvallen der Roodhuiden beveiligd.
-</p>
-<p>Eerst nadat de strijd op alle punten geëindigd was en de daardoor ontstane verwarring
-had opgehouden, miste men don Sylva en zijne dochter, en zocht men hen overal te vergeefs;
-beiden waren spoorloos verdwenen, zonder dat iemand vermoeden kon hoe of waarheen.
-Dit geheimzinnig en onverklaarbaar feit bracht alle gemoederen in de kolonie in beweging
-en deed de vreugde der overwinning in rouw verkeeren, want eene enkele gedachte bezielde
-allen:
-</p>
-<p>»Don Sylva en zijne dochter zijn door den Zwarte-Beer opgelicht.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen de graaf de Lhorailles na het nauwkeurigst onderzoek zich gedwongen zag te erkennen,
-dat de haciendero en zijne dochter inderdaad verdwenen waren zonder het minste spoor
-achter te laten, ontstak hij met al de drift van zijn onstuimig karakter in woede
-tegen de Apachen, en zwoer met een duren eed, dat hij hen onmiddellijk zou nazetten
-en ten bloedigste vervolgen, tot het meisje terug zou zijn gevonden, dat hij reeds
-als zijne vrouw beschouwde en wier verlies met een enkelen slag de schitterende toekomst
-vernietigde die hij zich gedroomd had.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6959">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XVI.</h2>
-<h2 class="main">DE CASA GRANDE DE MONTECUZOMA.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">In een verwijderd tijdperk, misschien duizend en meer jaren geleden, toen de aloude
-Azteken, als door eene onzichtbare hand geleid, zonder bijna zelf te weten waarheen,
-uit het verre noorden zuidwaarts trokken, naar de hooge bergvlakte van Anahuac, waar
-zij later het machtige rijk van Mexico hebben gesticht, hielden zij wel is waar dat
-onbekende zoo vurig door hen begeerde land standvastig in &#x2019;t oog, maar vonden zij
-nu en dan goed hunnen tocht te staken, alsof zij door vermoeienis en ontberingen uitgeput
-op eens de hoop lieten varen het doel hunner reis immer te zullen bereiken.
-<span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span></p>
-<p>Alsdan, in plaats van op de plek waar deze vermoeidheid hen overviel eenvoudig hun
-kamp op te slaan, vestigden zij er zich als hadden zij geen plan meer om verder te
-trekken en bouwden er vaak steden en dorpen.
-</p>
-<p>Thans, na verloop van zoo vele eeuwen, terwijl het volk zelf dat deze steden heeft
-gesticht reeds sedert lang van den aardbodem verdwenen is, wekken hare bouwvallen,
-die over eene ruimte van meer dan duizend mijlen verspreid liggen, nog altijd de bewondering
-van den vermetelen reiziger die trots tallooze<span class="corr" id="xd30e4219" title="Niet in bron"> gevaren</span> het waagt deze afgelegen streken te bezoeken.
-</p>
-<p>Een der merkwaardigste van deze bouwvallen is ontegenzeggelijk die, welke bekend onder
-den naam van de <i lang="es">Casa Grande de Montecuzoma</i> zich op ongeveer twee kilometers afstand van de slijkerige oevers der <span class="corr" id="xd30e4226" title="Bron: Rio-Gila">Rio Gila</span> verheft, in eene woeste onherbergzame streek, aan de grens der vreeselijke zandwoestijn,
-de zoogenaamde del Norta.
-</p>
-<p>De grond waarop dit gebouw werd gesticht, is aan alle zijden open en vlak.
-</p>
-<p>De ruïnen der stad, die er om heen liggen, strekken zich zuidwaarts meer dan vier
-kilometers ver uit, en in de overige richtingen is het terrein allerwege met gebroken
-aardewerk van allerlei soort: vazen, kannen, borden enz. als bezaaid; eene menigte
-dezer scherven zijn met verschillende kleuren beschilderd, hetzij wit en blauw, of
-geel en rood, hetgeen in &#x2019;t voorbijgaan gezegd, duidelijk bewijst niet alleen dat
-die stad in zekere mate beschaafd was, maar tevens dat zij bewoond werd door Indianen
-van gansch ander ras dan die welke thans in deze streken rondzwerven, bij welke de
-kunst van pottenbakken geheel onbekend is.
-</p>
-<p>De Casa Grande vormt een langwerpig vierkant, juist in de richting der vier hoofdstreken
-van het kompas.
-</p>
-<p>Het geheel is omgeven door een muur, die niet alleen dit huis maar ook andere gebouwen
-insluit, waarvan nog duidelijke sporen zijn overgebleven, want achter het hoofdgebouw
-ligt eene ruïne van eene verdieping hoog en in verscheidene kamers verdeeld.
-</p>
-<p>De Casa Grande is deels van aarde gebouwd en de muren zoo veel men zien kan van pleisterklei,
-in blokken van verschillende grootte: zij schijnt drie verdiepingen te hebben gehad
-boven den grond, maar de inwendige betimmering is sedert lang verdwenen.
-</p>
-<p>De zalen, vijf in getal op elke verdieping, werden, althans naar de overblijfsels
-te oordeelen, alleen verlicht door de deur en eenige ronde gaten in de muren die op
-het oosten en westen uitzien.
-</p>
-<p>Door deze openingen keek, volgens de overlevering, de mensch Amer&#x2014;<i>el hombre Amargo</i>&#x2014;zoo als de Indianen den souverein der Azteken noemen, naar de zon uit, om haar des
-morgens en des avonds bij op- en ondergang te begroeten.
-</p>
-<p>Een kanaal, dat thans bijna geheel droog ligt, stond in verband met de rivier en diende
-om de stad van water te voorzien.
-<span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span></p>
-<p>De bouwvallen der Casa Grande liggen doorgaans eenzaam en verlaten en bieden een tooneel
-van akelige doodstilte. Zij brokkelen langzamerhand weg voor den gloed der tropische
-zon die ze verteert en verkoolt, en strekken tot een ongestoord verblijf voor afschuwelijke
-roofvogels, gieren en urubus.
-</p>
-<p>De Indiaan vermijdt met opzet deze sombere streek te bezoeken, afgeschrikt door zekere
-bijgeloovige vrees, daar hij zich geen reden van weet te geven.
-</p>
-<p>Maar wat hier ook van wezen mag, zooveel is zeker, dat een Indiaansch krijgsman, Comanch,
-Sioux, Apache, of Pawnie, wanneer hij toevallig hetzij op de jacht of door eenige
-andere aanleiding, in den nacht van den vierden op den vijfden der zoogenaamde <i>Champasciasoni</i>&#x2014;kersenmaan&#x2014;dat is ongeveer eene maand na de boven door ons verhaalde gebeurtenissen,
-deze geheimzinnige ruïne genaderd ware, hij ongetwijfeld door schrik overstelpt, zoo
-snel als zijn paard hem dragen kon het vreemde schouwspel zou ontvloden hebben dat
-hij er in dien nacht te zien kreeg.
-</p>
-<p>Verbeeldt u een helder blauwen, door de volle maan verlichten en met sterren bezaaiden
-hemel, waartegen het aloude paleis der Azteken koningen zijn reusachtige schaduw scherp
-afteekende. Uit al de gaten en scheuren, hetzij door de hand des tijds of der menschen
-in zijne vervallen muren ontstaan, straalt een gloed van roodachtig licht, terwijl
-uit de spookachtig verlichte kamers het luidruchtig gezang, geschreeuw en gelach onophoudelijk
-opgaat, zoodat de wilde dieren, door het ongewone verschijnsel uit hunne holen opgeschrikt
-of op hunne nachtelijke rooftochten gestoord, huilend en brullend in alle richtingen
-de vlucht nemen. Binnen den ringmuur, tusschen de bouwvallen, zag men in het bleeke
-maanlicht eene menigte donkere gestalten van menschen en paarden zich bewegen, of
-rondom groote hier en daar verspreide vuren gegroepeerd, terwijl een tiental welgewapende
-ruiters, op lange lansen geleund, als bronzen standbeelden onbeweeglijk voor de poorten
-van den ringmuur op post stonden.
-</p>
-<p>Was het inwendige der ruïne licht en leven, daar buiten was alles stilte en duisternis.
-</p>
-<p>Intusschen verliep de nacht, de maan had haar loop reeds voor twee derden volbracht,
-de niet langer aangehouden vuren gingen het een na het andere uit; alleen in het oude
-huis bleef het licht branden als een sombere vuurbaak in de duisternis.
-</p>
-<p>Op dit oogenblik hoorde men in de verte den snellen en regelmatigen galop van een
-paard op de zandvlakte dof weergalmen.
-</p>
-<p>De schildwachts, die als vedetten aan den ingang stonden, hieven hunne door slaap
-bezwaarde of door de koelheid der eerste morgenuren bevangen hoofden op en wendden
-den blik naar dien kant waar het gedruisch <span class="corr" id="xd30e4255" title="Bron: van daan">vandaan</span> kwam.
-</p>
-<p>Weldra verscheen er een ruiter aan den hoek van het pad dat naar de ruïne leidde.
-<span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span></p>
-<p>De onbekende, zonder zich om het vreemde schouwspel te bekommeren, reed recht op het
-huis aan.
-</p>
-<p>Hij overschreed den buitensten <span class="corr" id="xd30e4265" title="Bron: king">kring</span> der bouwvallen en ongeveer binnen tien passen de schildwachts genaderd, bleef hij
-staan, steeg af, wierp de teugels op den hals van zijn paard, en zonder er zich verder
-mede op te houden stapte hij met een vasten tred naar de schildwachts, die altijd
-stom en roerloos stonden.
-</p>
-<p>Nauwelijks echter was hij hen tot op twee sabellengten genaderd, of al de lansen daalden
-tegelijk en vereenigden zich op zijne borst, terwijl een ruwe stem riep:
-</p>
-<p>»Halt!&#x201d;
-</p>
-<p>De onbekende bleef staan zonder te antwoorden.
-</p>
-<p>»Wie zijt gij? en wat wilt gij?&#x201d; hervatte de schildwacht.
-</p>
-<p>»Ik ben een <i lang="es">costeno</i><a class="noteRef" id="xd30e4276src" href="#xd30e4276">1</a>; ik heb een verre reis gemaakt om uw chef te zien, dien ik gaarne zou willen spreken,&#x201d;
-antwoordde de onbekende.
-</p>
-<p>In het flauwe en onzekere maanlicht was het den ruiter reeds moeielijk de trekken
-van den spreker te onderscheiden, maar het werd hem geheel onmogelijk gemaakt door
-dat deze zich tot over de ooren in zijn mantel had gewikkeld.
-</p>
-<p>»Hoe is uw naam?&#x201d; vroeg hij hem wrevelig, toen hij zag dat al zijne pogingen vruchteloos
-bleven.
-</p>
-<p>»Waar zou dat toe dienen? Uw chef kent mij niet, mijn naam zou hem dus weinig baten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wie weet? maar dat is uwe zaak; bewaar uw incognito als gij dat goedvindt; alleen
-moet gij u dan getroosten dat ik u niet bij den kapitein toelaat; hij zit op dit oogenblik
-met zijne officieren aan het souper en zal zich dus zoo diep in den nacht niet laten
-storen om een onbekende te spreken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wie weet? zeg ik u op mijne beurt,&#x201d; hernam de andere gevat; »hoor eens, gij zijt
-een oud soldaat, niet waar?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik ben het nog,&#x201d; antwoordde de kavalerist, zich fier in den zadel zettende.
-</p>
-<p>»Ofschoon gij zeer goed Spaansch spreekt, meen ik toch een Franschman te herkennen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik heb de eer het te zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>De onbekende lachte in zijn vuist. Hij gevoelde zijn man beet te hebben, daar hij
-zijne zwakke zijde gevonden had.
-</p>
-<p>»Ik ben alleen,&#x201d; hervatte hij; »gij zijt ik weet niet met hoevele kameraden, laat
-mij den kapitein spreken; waar zoudt gij voor vreezen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Voor niets; maar mijne orders zijn stellig, ik kan ze niet breken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wij zijn hier in het hartje van de wildernis, meer dan honderd mijlen ver van iedere
-beschaafde woning,&#x201d; zei de onbekende volhoudend; »gij kunt wel begrijpen dat ik ernstige
-drangredenen gehad <span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span>heb om de gevaren van zulk een verren tocht te trotseeren, voor een onderhoud van
-weinige oogenblikken met den graaf de Lhorailles. Zoudt gij mij nu in het gezicht
-der haven laten schipbreuk lijden, nu er slechts een weinig beleefdheid van uwen kant
-noodig is om mij het beoogde doel te doen bereiken?&#x201d;
-</p>
-<p>De schildwacht aarzelde: de redenen door den onbekende aangevoerd hadden hem reeds
-half overtuigd, maar na eenige <span class="corr" id="xd30e4297" title="Bron: sekonden">seconden</span> beraad antwoordde hij hoofdschuddend:
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd30e4301" title="Bron: «">»</span>Neen, &#x2019;t kan onmogelijk; de kapitein is zoo streng: ik zou niet gaarne mijne wachtmeestersstrepen
-verbeuren; al wat ik voor u kan doen, is u verlof geven, hier met de kameraden onder
-den blauwen hemel te kampeeren tot morgen. Zoodra de dag aanbreekt, komt de kapitein
-zelf naar buiten, dien kunt gij dan zelf spreken en uw eigen zaken met hem regelen,
-dan gaat het mij niet meer aan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hm!&#x201d; zei de vreemdeling, »dat is nog zoo lang.&#x201d;
-</p>
-<p>»Bah!&#x201d; riep de wachtmeester onbekommerd, »de nacht is spoedig voorbij; daarbij is
-het uw eigen schuld; gij hebt zulke geheimzinnige manieren, dat men wel een beetje
-huiverig zou worden; wat duivel! men dient toch zijn naam te zeggen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar ik herhaal u, dat uw kapitein hem nooit heeft hooren noemen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Bah! wat kan u dat schelen? Een naam is altijd een naam.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wacht!&#x201d; riep de onbekende; »ik geloof dat ik er een middel op gevonden heb.&#x201d;
-</p>
-<p>»Laat hooren uw middel; als het goed is zal ik er gebruik van maken.&#x201d;
-</p>
-<p>»&#x2019;t Is uitmuntend,&#x201d;
-</p>
-<p>»Zooveel te beter! spreek op.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeg aan uw kapitein, dat de man die een maand geleden in de Rancho te Guaymas een
-pistool op hem gelost heeft, hier is en hem verlangt te spreken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat zegt gij?&#x201d;
-</p>
-<p>»Hebt gij mij niet verstaan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Integendeel, al te goed.&#x201d;
-</p>
-<p>»Welnu, waar wacht gij dan op?&#x201d;
-</p>
-<p>»Te duivel! onder ons gezegd, vind ik uwe aanbeveling alles behalve voldoende.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoudt gij dat denken?&#x201d;
-</p>
-<p>»Parbleu! het scheelde maar weinig of hij was toen door u vermoord. Ei, ei! waart
-gij dat?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, ik, en nog iemand.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik maak u mijn kompliment, waarlijk.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dank u; nu, gaat gij nog al niet?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik moet u bekennen dat ik aarzel.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij doet verkeerd; de graaf de Lhorailles is een kordaat man, aan wiens gevoel van
-eer niet te twijfelen valt. Hij kan onze ontmoeting niet anders dan in gunstig aandenken
-hebben gehouden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Alles wel overwogen is het mogelijk dat gij gelijk hebt, en <span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span>daar gij een vreemdeling zijt, zou ik het mij zelven kwalijk nemen als ik u zulk een
-kleinen dienst weigerde; ik ga dus. Blijf hier staan wachten, maar wees niet ongeduldig,
-want ik beloof u niet stellig dat ik slagen zal.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik ben er zeker van.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik mag het lijden.&#x201d;
-</p>
-<p>De oude knevelbaard steeg af, haalde de schouders op en stapte het huis in.
-</p>
-<p>Hij bleef vrij lang weg.
-</p>
-<p>De vreemdeling scheen aan het gelukken van zijne boodschap niet te twijfelen, want
-zoodra de wachtmeester verdwenen was, naderde hij de deur reeds.
-</p>
-<p>Na verloop van tien minuten kwam de onderofficier terug.
-</p>
-<p>»Wel,&#x201d; vroeg de onbekende, »wat heeft de kapitein u geantwoord?&#x201d;
-</p>
-<p>»Hij heeft gelachen en mij gelast u binnen te leiden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ziet gij nu wel dat ik gelijk had.&#x201d;
-</p>
-<p>»&#x2019;t Is waar! maar dat doet er niet toe, het was altijd een wonderlijk soort van aanbeveling,
-eene poging tot moord!&#x201d;
-</p>
-<p>»Een eerlijke ontmoeting,&#x201d; verbeterde de onbekende.
-</p>
-<p>»Ik weet niet hoe gij die dingen hier noemt, maar in Frankrijk noemen wij zoo iets
-een schelmstuk. Wilt gij medegaan?&#x201d;
-</p>
-<p>De vreemdeling antwoordde niet, hij bepaalde zich bij schouder ophalen en volgde den
-eerlijken soldaat.
-</p>
-<p>In een verbazend ruime zaal, welker ontkalkte muren in puin dreigden te storten terwijl
-het blauwe sterrendak haar tot zoldering diende, zaten vier mannen met krachtige gelaatstrekken
-en fonkelende blikken, rondom eene tafel, waarop een luisterrijk souper was aangericht,
-voorzien van alles wat weelde en gemak tot streeling der zinnen kan opleveren.
-</p>
-<p>Deze vier mannen waren de graaf de Lhorailles en de officieren van zijn staf, namelijk
-de luitenants Diego Leon, Martin Leroux, en de oude capataz van don Sylva de Torres,
-Blas Vasquez.
-</p>
-<p>De graaf de Lhorailles kampeerde met zijne vrijcompagnie sinds vijf dagen in de <span class="corr" id="xd30e4350" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> van Montecuzoma.
-</p>
-<p>Na den aanval der Apachen op de kolonie had de graaf, in de hoop van zijne bruid terug
-te vinden, die op zoo geheimzinnige wijze gedurende het gevecht verdwenen en waarschijnlijk
-door de Indianen was opgelicht, onmiddellijk besloten om den last te volbrengen dien
-hij sedert lang van de regeering ontvangen en tot hiertoe had uitgesteld, onder min
-of meer geldige voorwendsels, maar eigenlijk omdat hij zich, hoe dapper hij anders
-wezen mocht, ongaarne met de Roodhuiden wilde meten, die zoo geducht en zoo moeielijk
-te overwinnen zijn, vooral als men ze op hun eigen grondgebied aantast.
-</p>
-<p>De graaf had twee honderd twintig Franschen uit de kolonie vereenigd, waarbij de capataz,
-die almede brandde van verlangen om <span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span>zijn meester en diens dochter te bevrijden, dertig kloeke peons voegde, zoodat de
-getalsterkte thans twee honderdvijftig welgewapende en strijdlustige mannen bedroeg.
-</p>
-<p>Met het oog op de onberekenbare diensten vroeger door hen bewezen, had de graaf de
-drie jagers verzocht hem te willen vergezellen; en het zou hem zeer aangenaam zijn
-geweest zulke onverschrokken kameraden, maar vooral zulke veilige gidsen tot opsporing
-der Indianen in de hem onbekende wildernis bij zich te hebben; maar don Louis en zijne
-twee vrienden hadden dit vereerend verzoek zoowel als de daarbij toegezegde schitterende
-belooningen stellig van de hand gewezen, zonder andere redenen voor hunne weigering
-op te geven dan dat zij hunne reis noodzakelijk moesten vervolgen, zoodat er niet
-verder van gesproken werd en zij nog denzelfden dag van den graaf afscheid namen.
-</p>
-<p>Diensvolgens moest de graaf zich met den capataz en zijne peons vergenoegen; ongelukkigerwijs
-waren al deze mannen <i lang="es">costenos</i>, dat is kustbewoners, en dus weinig of in &#x2019;t geheel niet bekend met het zoogenoemde
-<i lang="es">terra a dentro</i> of binnenland.
-</p>
-<p>Onder geleide dezer onervaren gidsen was de graaf uit Guetzalli vertrokken den weg
-inslaande naar het onmetelijk Apacheria.
-</p>
-<p>De onderneming was aanvankelijk niet ongelukkig geweest; binnen de drie eerste dagen
-werden de Apachen tweemaal door de Franschen achterhaald, overrompeld en geslagen
-en zonder genade zooveel zij onder hun bereik kwamen in de pan gehakt.
-</p>
-<p>De graaf had daarbij geen gevangenen willen maken, en om den barbaren schrik in te
-boezemen, al de Indianen die levend in handen der Franschen vielen, onbarmhartig laten
-doodschieten of aan boomen ophangen.
-</p>
-<p>Evenwel, na deze twee voor hen zoo noodlottige ontmoetingen hadden de Indianen er
-zoo &#x2019;t scheen den schrik van gekregen, en was het den Franschen ondanks al hunne pogingen
-niet gelukt hen andermaal tot staan te brengen. De onverbiddelijke tucht door den
-graaf op hen toegepast scheen niet alleen doel te hebben getroffen, maar zelfs verder
-te zijn gegaan dan hij wenschte, daar de Apachen zich niet meer lieten zien.
-</p>
-<p>Ongeveer drie weken lang had de graaf hun spoor gezocht zonder het te kunnen ontdekken.
-</p>
-<p>Eindelijk echter, midden op den dag vóór dien waarmede, dit hoofdstuk begint, vertoonde
-zich in de verte op eens een troep van zeven of acht honderd paarden, schijnbaar geheel
-los en onbereden, want volgens een niet ongewone Indiaansche list lieten de ruiters
-zich bijna geheel onzichtbaar aan de eene zijde van hun paard afhangen; de troep naderde
-snel, bereikte binnen weinige minuten de bouwvallen der stad en kwam in vliegenden
-galop op de Casa Grande af.
-</p>
-<p>Eene losbranding uit klein geweer van achter de in der haast opgeworpen barrikaden,
-bracht wel is waar wanorde in de gelederen <span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span>der aanstormende kolonne, maar kon haar onbeteugelde vaart niet stuiten, zoodat de
-schok voor de Franschen vreeselijk zou zijn.
-</p>
-<p>In een oogwenk had zich daarbij het aanzien der gansche bende veranderd. Al de Apachen
-hadden zich met bliksemsnelheid opgericht, en nu zag men hen, het half naakte lijf
-met blauwe en gele strepen<span id="xd30e4380"></span> beschilderd, het hoofd met de groote vederbossen bekroond, de lange bisonsmantels
-van hun schouder golvend op den wind, de gespannen boog in de hand, en hunne paarden
-met de knieën besturende, komen aanrennen, inderdaad in eene houding vol heldenzwier
-en met een vertoon van krijgshaftigheid die wel in staat was om den dapperste te doen
-vervaren.
-</p>
-<p>De Franschen wachtten hen echter onverschrokken af, al werden zij schier doof door
-den vreeselijken oorlogskreet, dien hunne vijanden aanhieven en blind door een wolk
-van pijlen, die dicht als hagel rondom hen nederkletterden.
-</p>
-<p>Maar de Apachen verlangden evenmin als de Franschen eene bloote schermutseling, het
-was hun om een beslissenden strijd te doen. Als bij onderlinge afspraak vielen zij
-op elkander aan met blank geweer.
-</p>
-<p>Te midden dier Indiaansche krijgers was de Zwarte-Beer gemakkelijk te onderkennen
-aan zijne hooge vederbos en de prachtige arendspennen die er uit opstaken. Het opperhoofd
-vuurde de zijnen aan om over de jongst geleden nederlagen wraak te nemen door zich
-van de <span class="corr" id="xd30e4386" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> meester te maken. Alsnu volgde er een van die vreeselijke Amerikaansche grensgevechten,
-in welke met zooveel verbittering gestreden wordt dat niemand gevangenen maakt of
-kwartier geeft, en de beide partijen wreedheden begaan die alle beschrijving tarten.
-De <i lang="es">bolas perdidas</i><a class="noteRef" id="xd30e4391src" href="#xd30e4391">2</a>, de bajonet en de lans waren de eenigste wapenen die men bezigde. Dit gevecht, daar
-de Indianen gedurig versterking kregen, had reeds bijna twee uren geduurd en de verdedigers
-achter de barrikaden lieten zich liever dooden dan een duimbreed te wijken.
-</p>
-<p>In de hoop dat de Indianen door zulk een langen en hardnekkigen wederstand vermoeid,
-weldra zouden aftrekken, daar zij reeds schenen te verslappen, verdubbelden de Franschen
-hunne pogingen, toen zij achter zich op eens den kreet hoorden opgaan:
-</p>
-<p>»Verraad! verraad!&#x201d;
-</p>
-<p>De graaf en de capataz, die in de voorste gelederen der vrijwilligers en peons vochten
-als leeuwen, keken om.
-</p>
-<p>Hun toestand werd inderdaad hachelijk, de Franschen zagen zich letterlijk tusschen
-twee vuren gebracht, daar de Kleine-Panter met een vijftigtal ruiters de stelling
-was omgetrokken en achter de barrikaden naar binnen drong. Dronken van vreugde dat
-alles hun zoo goed gelukte, hieven de Roodhuiden een triumfkreet aan die de lucht
-deed weergalmen.
-<span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span></p>
-<p>De graaf liet den blik beslissend over het slagveld rondgaan, zijn plan was onmiddellijk
-vastgesteld.
-</p>
-<p>Hij sprak eenige woorden met den capataz, die zich weder aan het hoofd der strijders
-stelde, hun voorschreef wat zij te doen hadden en het gunstig oogenblik afwachtte
-om ten uitvoer te brengen wat hij met den graaf had afgesproken.
-</p>
-<p>Deze liet intusschen zijn tijd niet ongebruikt voorbijgaan, hij nam een vaatje kruid,
-stak er een brandende lont in en wierp het midden in den dichtsten drom der Indianen,
-waar het bijna oogenblikkelijk ontplofte en eene vreeselijke verwoesting aanrichtte.
-</p>
-<p>De Apachen stoven uit elkander en vloden in alle richtingen om door deze nieuwe soort
-van bommen niet verder verpletterd te worden.
-</p>
-<p>Van dit gunstig oogenblik maakten de belegerden behendig gebruik; op order van den
-capataz keerden zij zich om en rukten in den stormpas op de Apachen van den Kleine-Panter
-los, die slechts weinige ellen van hen verwijderd waren, en met hunne vreeselijke
-knodsen alles neerbeukten wat hun in den weg kwam.
-</p>
-<p>Het terrein was niet gunstig voor de Indianen, die in een nauw slop tusschen muren
-samengedrongen, met hunne paarden niet geschikt konden manoeuvreeren; maar toch, de
-Kleine-Panter en zijne Apachen stormden voorwaarts met een huilenden oorlogskreet.
-</p>
-<p>De Franschen, even behendig en dapper als hunne tegenstanders maakten halt en wachtten
-met gevelde bajonet onversaagd den verpletterenden ruiterdrom af die in vliegenden
-galop op hen aankwam.
-</p>
-<p>De schok was vreeselijk, maar de Roodhuiden werden overhoop geworpen. Weldra geraakten
-zij geheel in verwarring, en namen zij in alle richtingen de vlucht.
-</p>
-<p>De graaf liet hen door eenige peons te paard nazetten, die hen dicht op de hielen
-vervolgden en niet voor den avond terugkeerden.
-</p>
-<p>De Apachen hadden zich eerst eenige mijlen verder weder kunnen vereenigen en waren
-toen rustig naar de woestijn afgetrokken.
-</p>
-<p>De graaf ofschoon wel voldaan over de behaalde overwinning, want het verlies des vijands
-was ontzettend groot, beschouwde haar echter niet als beslissend, vooral daar de Zwarte-Beer
-hem ontsnapt was, en wat meer zegt, daar hij zijn doel niet had bereikt, namelijk
-het terugvinden van don Sylva en zijne dochter, die hij gezworen had te zullen redden.
-</p>
-<p>Hij gaf zijne <i lang="es">cuadrilla</i> (bende) order zich gereed te houden om op te breken, en liet de noodige maatregelen
-nemen tot het verzekeren van zijn aanstaanden tocht door de wildernis.
-</p>
-<p>Reeds den volgenden morgen zouden de Franschen bepaald hunne stelling in de <span class="corr" id="xd30e4420" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> verlaten.
-</p>
-<p>De graaf vierde met zijne officieren de luisterrijke overwinning van den vorigen dag,
-en stelde juist een dronk in op het welslagen der onderneming op den volgenden.
-<span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span></p>
-<p>Opgewonden door de menigte toasten die hij gedronken had en inzonderheid door de hoop
-op een goeden uitslag eerlang te voorzien, was de graaf in de allerbeste luim om den
-zonderlingen gast te ontvangen, dien de oude onderofficier op zijn eigen verantwoording
-gewaagd had bij hem aan te dienen.
-</p>
-<p>»En wat is dat voor een slag van een man?&#x201d; vroeg hij, toen de andere zijn boodschap
-zoo goed of kwaad mogelijk had voorgedragen.
-</p>
-<p>»In ernst, kapitein,&#x201d; antwoordde de wachtmeester, »zoo veel ik heb kunnen zien, schijnt
-de kerel nog tamelijk jong, welgemaakt van lijf en leden en vooral begaafd met eene
-zeldzame vrijpostigheid, om er niets meer van te zeggen.&#x201d;
-</p>
-<p>De graaf de Lhorailles dacht een oogenblik na.
-</p>
-<p>»Zal ik hem maar laten doodschieten, kapitein,&#x201d; vroeg de soldaat, die dit stilzwijgen
-voor eene veroordeeling aanzag.
-</p>
-<p>»Peste! wat slaat gij door, Boilaud,&#x201d; riep de graaf terwijl hij lachend opkeek. »Volstrekt
-niet, wij mogen van geluk spreken dat die kerel bij ons kwam. Breng hem integendeel
-hier, en met de meest mogelijke beleefdheid.&#x201d;
-</p>
-<p>De wachtmeester boog en verwijderde zich.
-</p>
-<p>»Mijne heeren,&#x201d; zei de graaf, »gij herinnert u zeker die aanranding wel te Guaymas,
-daar ik bijna het slachtoffer van werd; die geheimzinnige zaak is mij altijd een raadsel
-geweest, dat ik niet heb kunnen ontsluieren. De man die mij thans verlangt te spreken
-komt mij zeker, dat voel ik vooruit, eenige ophelderingen geven over dat tot hiertoe
-zoo onverklaarbaar feit.&#x201d;
-</p>
-<p>»<span class="corr" id="xd30e4437" title="Bron: Senor">Señor</span> conde, neem u in acht,&#x201d; zeide de capataz, »gij kent de lieden in dit land nog niet;
-die man komt misschien veeleer om u een nieuwen strik te spannen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarom zou hij dat?&#x201d;
-</p>
-<p>»<i lang="es">Quien sabe!</i>&#x201d;&#x2014;wie weet,&#x2014;antwoordde Blas Vasquez met eene gewone Spaansche spreekwijs, die alles
-beteekenen kan en zich onmogelijk in onze taal laat weêrgeven.
-</p>
-<p>»Ba, ba!&#x201d; riep de graaf, »laat het gerust aan mij over dien spitsboef te ontmaskeren,
-als hij, wat ik niet denk, soms een spion is.&#x201d;
-</p>
-<p>De capataz vergenoegde zich met even de schouders op te halen; de graaf was een van
-die menschen, wier stellige en hooggestemde manier van spreken geen tegenwerping duldt
-en alle redeneering onmogelijk maakt.
-</p>
-<p>De Europeanen en vooral de Franschen, nemen in Amerika tegenover de inboorlingen,
-zoo blanken als mestiezen en Roodhuiden, een toon van hooghartigheid en minachting
-aan die in al hunne daden en woorden doorstraalt; bewust van hunne verstandelijke
-meerderheid boven de inwoners des lands, toonen zij hun een beleedigend soort van
-medelijden en scheppen behagen om hen gedurig belachelijk te maken, te spotten met
-hunne gewoonten of denkwijzen, en hun ten slotte slechts een min of meer ontwikkeld
-instinct toe te kennen dan de dieren bezitten.
-<span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span></p>
-<p>Dit gevoelen is niet alleen onbillijk, maar tevens geheel bezijden de waarheid. De
-Spaansch-Amerikanen zijn wel is waar zeer achterlijk wat wetenschappelijke beschaving,
-nijverheid, werktuigkunde enz. betreft; de ontwikkeling der maatschappij gaat bij
-hen traag vooruit, daar zij gedurig belemmerd wordt door het veelsoortig bijgeloof
-dat nevens en met hun geloof opschiet, maar men kan deze lieden niet aansprakelijk
-stellen voor een staat van zaken die hun zelven mishaagt en waarvan alleen de Spanjaarden
-de schuld zijn, door het heillooze stelsel van onderdrukking en vernedering, in één
-woord de looden dwingelandij, die meer dan drie eeuwen op de bevolking heeft gewogen
-en haar zwoegende onder het juk van trotsche en onverbiddelijke meesters, het karakter
-van listige, bedriegelijke en lafhartige slaven heeft ingedrukt.
-</p>
-<p>Op enkele zeldzame en loffelijke uitzonderingen na betreft dit inzonderheid de Indianen,
-want de blanken zijn sedert de laatste jaren op den weg der beschaving met reuzenschreden
-vooruitgegaan, maar de massa der Indiaansche bevolking, is bepaald listig, oneerlijk
-en slecht.
-</p>
-<p>Om die reden wordt dan ook de Europeaan wanneer hij zich tegenover een kleurling bevindt,
-ondanks de verstandelijke meerderheid waarmede hij zich vleit, steeds onvermijdelijk
-het slachtoffer der list en ontrouw van laatstgenoemden.
-</p>
-<p>Intusschen geldt het in <span class="corr" id="xd30e4457" title="Bron: Spaansch Amerika">Spaansch-Amerika</span> schier als een geloofsartikel, dat de Indianen en mestiezen arme stumpers zijn, zonder
-redelijk begrip en alleen begaafd met het noodige verstand om van den eenen dag op
-den anderen te leven, terwijl de hoogmoedige blanken zich bij uitsluiting den titel
-geven van <i lang="es">gente de razon</i>&#x2014;redelijke menschen.
-</p>
-<p>Wij moeten hier bijvoegen dat deze hooge dunk bij den Europeaan, na eenige jaren in
-Amerika te hebben vertoefd merkelijk wordt gewijzigd en dat hij eindelijk geheel anders
-over de kleurlingen leert denken<span class="corr" id="xd30e4465" title="Bron: .">,</span> naarmate hij beter met den landaard bekend wordt en dagelijks met de mestiezen in
-aanraking komt. Maar de graaf de Lhorailles was nog zoo ver niet; hij zag in een Indiaan
-of mesties nog altoos weinig meer dan een redeloos dier, en ging met hen naar dit
-valsche oogpunt te werk.
-</p>
-<p>Deze dwaling zou later voor hem zeer ernstige en schadelijke gevolgen hebben, gelijk
-wij nader zien zullen.
-</p>
-<p>De graaf de Lhorailles had het schouderophalen van den capataz niet onopgemerkt gelaten;
-en was juist gereed hem te antwoorden toen de wachtmeester binnenkwam, gevolgd door
-den vreemdeling, op wien zich terstond aller oogen vestigden.
-</p>
-<p>De onbekende stond dit kruisvuur van blikken ongehinderd door, en zonder zich van
-den mantel te ontdoen in welks ruime plooien hij bijna geheel verborgen was, groette
-hij de aanwezigen met onbetaalbare koelzinnigheid en zwier.
-<span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span></p>
-<p>De onverwachte komst van dezen man in de feestzaal maakte bij de gasten een alleronaangenaamsten
-indruk, daar zij zich geen rekenschap van wisten te geven maar die hen plotseling
-deed verstommen.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e4276">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4276src">1</a></span> Een kustlander, in onderscheiding van de inwoners in het binnenland.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4276src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4391">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4391src">2</a></span> Zeker oorlogstuig uit een lederen riem bestaande, aan ieder eind met een looden kogel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4391src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch17" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6973">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XVII.</h2>
-<h2 class="main">DE MESTIES.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het stilzwijgen, dat al te lang dreigde te zullen duren, begon voor al de aanwezigen
-lastig te worden. De graaf de Lhorailles begreep zulks. Edelman door merg en been,
-dat wil zeggen, gewoon om de meest bijzondere en moeielijkste toestanden dadelijk
-te beheerschen, stond hij op, naderde met een glimlach op de lippen den vreemdeling,
-reikte hem de hand, en zich toen tot zijne officieren wendende, zeide hij met een
-allerhoffelijkste buiging en op een toon die zich onmogelijk laat beschrijven:
-</p>
-<p>»Mijne heeren, mag ik zoo vrij zijn u dezen caballero voor te stellen, wiens naam
-mij tot dusver onbekend is, maar die volgens zijne eigene verklaring een mijner intiemste
-vijanden moet zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»O! mijnheer de graaf,&#x201d; riep de onbekende met eene half gesmoorde stem.
-</p>
-<p>»Vive Dios! ik ben er van gecharmeerd,&#x201d; riep de graaf, »zoek u toch niet te verdedigen,
-mijn allerwaardste vijand, en neem hier nevens mij plaats, als ik u verzoeken mag.&#x201d;
-</p>
-<p>»Uw vijand,&#x201d; herhaalde de vreemdeling, »die ben ik nooit geweest, mijnheer de graaf;
-en het beste bewijs is, dat ik twee honderd mijlen ver heb gereisd om u een dienst
-te komen verzoeken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zij is u bij voorraad toegestaan,&#x201d; zei de graaf. »Dus de ernstige zaken tot morgen;
-neem vooreerst deze champagne, als &#x2019;t u b&#x2019;lieft.&#x201d;
-</p>
-<p>De onbekende boog, nam het glas, groette de aanwezigen en zei:
-</p>
-<p>»<span class="corr" id="xd30e4487" title="Bron: Senores">Señores</span>, ik drink het welslagen uwer onderneming.&#x201d;
-</p>
-<p>Hij zette het glas aan zijne lippen en ledigde het in een enkelen teug.
-</p>
-<p>»Gij zijt een uitmuntende kameraad, caballero, ik dank u voor uw toast, zij belooft
-ons alles goeds.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wees toch zoo goed, heer kapitein,&#x201d; riep de luitenant, »en breng ons hoe eerder hoe
-liever op de hoogte van uwe charmante betrekkingen met dezen caballero.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat zou ik volgaarne doen, <span class="corr" id="xd30e4496" title="Bron: senores">señores</span>, maar dan moet ik dezen caballero, daar hij toch zoo dringend heeft verlangd mij
-te spreken, vooraf verzoeken zijn incognito te breken, dat, dunkt mij, reeds al te
-lang geduurd heeft, en hem in de gelegenheid stellen ons zijn naam te zeggen, opdat
-wij weten wien wij de eer hebben te ontvangen.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span></p>
-<p>De onbekende begon te lachen, liet de slip van zijn mantel vallen, die tot hiertoe
-zijn gelaat bedekt had, en antwoordde:
-</p>
-<p>»Met alle genoegen, caballeros, maar ik geloof dat mijn naam evenmin als mijn gelaat
-u iets leeren zal. Wij hebben elkaar slechts eenmaal ontmoet, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> conde, en toen was het donkere nacht, en het gesprek tusschen u en mijn kameraad
-zoo levendig dat mijne trekken, zoo gij ze al hebt kunnen zien, u niet diep in het
-geheugen zullen zijn geprent.&#x201d;
-</p>
-<p>»Inderdaad, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>,&#x201d; hernam de graaf, die hem intusschen even nieuwsgierig als nauwlettend had opgenomen,
-»ik moet bekennen dat ik mij niet kan herinneren u reeds vroeger gezien te hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat wist ik wel.&#x201d;
-</p>
-<p>»En waarom,&#x201d; riep de graaf met drift, »waarom hebt gij dan uw aangezicht zoo zorgvuldig
-zoeken te verbergen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja! mijnheer de graaf, daarvoor had ik misschien mijne goede redenen; wie weet of
-het u niet te eeniger tijd berouwen zal mij een incognito te hebben doen breken, dat
-ik waarschijnlijk uit belangstelling in u, liever had willen bewaren.&#x201d;
-</p>
-<p>Deze ingewikkelde verklaring werd op een gemengden toon van sarcasme en bedreiging
-uitgesproken, dien niemand ontgaan kon, ondanks de schijnbare onverschilligheid van
-den onbekende.
-</p>
-<p>»Het maakt weinig uit, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>,&#x201d; zei de graaf hooghartig, »ik ben een van die menschen, die hun woord met den degen
-durven gestand doen; zeg mij dus zonder verdere omwegen en uitvluchten uw naam.&#x201d;
-</p>
-<p>»Welken naam wilt gij van mij weten, caballero? mijn naam als krijgsman, mijn naam
-als avonturier, mijn naam als.&#x2026;.?&#x201d;
-</p>
-<p>»Noem dien gij wilt!&#x201d; riep de graaf ongeduldig, »als wij maar een naam van u mogen
-hooren.&#x201d;
-</p>
-<p>De onbekende stond op en wierp een trotschen blik in het rond.
-</p>
-<p>»Toen ik deze zaal binnentrad, caballero,&#x201d; begon hij met een ferme stem, »heb ik u
-gezegd dat ik twee honderd uren ver had gereisd om u een dienst of eene gunst te verzoeken,
-maar ik heb u bedrogen; ik verwacht niets van u, noch dienst noch gunst, integendeel
-ben ik het die u een dienst wil bewijzen, daarvoor kwam ik hier, en nergens anders
-om. Waartoe zou het dan dienen dat gij weet wie ik ben, of hoe ik heet, daar ik aan
-u geene verplichting zal hebben maar gij integendeel aan mij?&#x201d;
-</p>
-<p>»Zooveel te meer reden, caballero, om u het masker af te lichten; ik wil uwe hoedanigheid
-als gast, die gij u hier eigendunkelijk aanmatigt, wel in zoover ontzien dat ik u
-niet met geweld zal dwingen tot hetgeen ik van u verlang, maar onthoud dit: dat ik
-vast besloten heb u niet aan te hooren en u verzoeken zal onmiddellijk heen te gaan,
-zoo gij nog langer weigert aan mijne billijke vordering te voldoen, en uw naam te
-zeggen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij zult er berouw van hebben, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> conde,&#x201d; hervatte de vreemdeling met een spottenden grijns. »Een enkel woord nog;
-ik ben <span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>bereid om mij zelven bekend te maken; maar aan u afzonderlijk, daar hetgeen ik u te
-zeggen heb door niemand gehoord mag worden dan door u.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wel duivelsch!&#x201d; riep de luitenant Martin, »dat is bijna niet om te gelooven, zulk
-volhouden heb ik nog nooit bijgewoond.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik weet niet of ik mij bedrieg,&#x201d; beweerde de capataz slim, »maar ik ben zeker dat
-ik de ontdekking van het gewichtige geheim van dezen caballero grootelijks in den
-weg sta, en als hij voor iemand hier vreest, dan is het voor mij.&#x201d;
-</p>
-<p>»Juist geraden, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> don Blas,&#x201d; hervatte de vreemdeling met eene buiging; »zoo als gij ziet ken ik u.
-Overigens kent gij mij ook zeer goed, al is het op dit oogenblik, gelukkig voor mij,
-niet van aanzien, maar bij naam en faam. Welnu, te recht of ten onrechte ben ik overtuigd,
-dat als ik mijn naam in uwe tegenwoordigheid noemde, gij uw vriend zoudt zoeken over
-te halen mij niet aan te hooren.&#x201d;
-</p>
-<p>»En wat zou er dan gebeuren?&#x201d; vroeg de capataz hem in de rede vallende.
-</p>
-<p>»Een groot ongeluk waarschijnlijk&#x201d; zei de vreemdeling met eene ferme stem; »wat gij
-er ook van zeggen of denken moogt, ik ga rond met u te werk, dat ziet gij. Ik wensch
-den heer graaf niet langer dan tien minuten alleen te spreken; daarna kan hij met
-het geheim dat ik hem mededeel en met het nieuws dat ik hem breng, doen wat hij goedvindt.&#x201d;
-</p>
-<p>Er volgde een poosje stilte.
-</p>
-<p>De graaf de Lhorailles bespiedde met<span id="xd30e4546"></span> scherpzinnigen blik het onverstoorbaar gelaat van den onbekende en stond een poos
-in beraad<span class="corr" id="xd30e4548" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>Eindelijk scheen de onbekende ongeduldig te worden; hij stond op, boog voor den graaf
-en vroeg:
-</p>
-<p>»Wat moet ik doen, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>, blijven of vertrekken?&#x201d;
-</p>
-<p>De graaf wierp hem een doorborenden blik toe, dien de ander zonder de minste verlegenheid
-doorstond.
-</p>
-<p>»Blijf,&#x201d; zei de graaf.
-</p>
-<p>»Goed,&#x201d; hernam de onbekende en zette zich weder op zijne <i>butacca</i>.
-</p>
-<p>»Mijne heeren,&#x201d; vervolgde de Lhorailles tegen zijne gasten, »gij hebt het gehoord;
-ik neem de vrijheid u eenige minuten belet te geven.&#x201d;
-</p>
-<p>De officieren stonden op en verwijderden zich zonder een woord te spreken. De capataz
-ging daarbij het laatste de zaal uit, na den onbekende een van die blikken te hebben
-toegeworpen, waarmede men iemands hart tot in de diepste plooien zoekt te bespieden.
-Maar even als vroeger bij den blik van den graaf, bleef het gelaat van den vreemdeling
-koud en onbewogen.
-</p>
-<p>»Welaan, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>,&#x201d; hervatte de graaf de Lhorailles tegen zijn gast zoodra de deur gesloten was, »nu
-zijn wij alleen en wacht ik de vervulling uwer belofte.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span></p>
-<p>»Ik ben gereed u te voldoen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wie zijt gij dan en hoe heet gij?&#x201d;
-</p>
-<p>»Met uw verlof, <span class="corr" id="xd30e4575" title="Bron: monsenor">monseñor</span>,&#x201d; antwoordde de vreemdeling op een toon van luchtige scherts, »als wij zoo voortgaan
-zullen wij veel tijd verliezen en zult gij ten slotte niets of althans zeer weinig
-van mij vernemen.&#x201d;
-</p>
-<p>De graaf onderdrukte met moeite zijn opkomend ongeduld.
-</p>
-<p>»Vervolg dan maar zoo als gij zelf goedvindt,&#x201d; zeide hij.
-</p>
-<p>»Goed, op die wijs zullen wij elkander spoedig verstaan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik luister al.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoor dan, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>. Gij zijt in dit land vreemd; nauwelijks een paar jaar in Mexico kent gij weinig
-of niets van het karakter, de zeden of gebruiken der inwoners. Sterk door de meerdere
-kennis, die gij in uw eigen vaderland hebt opgedaan, dacht gij bij uwe komst in het
-onze dat hier alles naar uwe wenschen en begrippen moest geschieden, omdat zoo gij
-meent uw verstand het onze ver overtreft; volgens dit beginsel zijt gij te werk gegaan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ter zake, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>, ter zake,&#x201d; viel de graaf hem met ongeduld in de rede.
-</p>
-<p>»Zachtjes aan, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>, ik vervolg. Voortgeholpen door veelvermogende beschermers werdt gij reeds dadelijk
-in een allervoordeeligsten toestand geplaatst. Gij hebt een heerlijke kolonie gesticht
-in de rijkste provincie van Mexico aan de grenzen der woestijn; daarop hebt gij van
-de regeering den rang van kapitein gekregen, met het recht om eene vrij-kompagnie
-op te richten, samengesteld uit uwe eigene landgenooten en bijzonder bestemd om jacht
-te maken op de Apachen, Comanchen enz.; dat laat zich begrijpen, wij Mexicanen zijn
-daartoe veel te lafhartig.&#x201d;
-</p>
-<p>»<span class="corr" id="xd30e4599" title="Bron: Senor">Señor</span>, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>, ik moet u onder het oog brengen dat al wat gij mij daar zegt minstens overbodig
-is,&#x201d; riep de graaf gebelgd.
-</p>
-<p>»Niet zoo overbodig als gij wel denkt;<span class="corr" id="xd30e4607" title="Niet in bron">&#x201d;</span> hernam de andere altoos onverstoord; »maar houd u bedaard, ik heb gedaan, en ik kom
-eindelijk op het punt dat u bijzonder aanbelangt; ik heb u alleen willen doen zien
-dat, al kent gij mij niet, ik u daarentegen veel beter ken dan gij wel dacht.&#x201d;
-</p>
-<p>Om niet in drift uit te breken sloeg de graaf met de vuist op de tafel en wiegelde
-onrustig met het rechter been over het linker.
-</p>
-<p>»Ik hervat,&#x201d; vervolgde de onbekende. »Toen gij in Mexico aanlanddet hebt gij zeker
-hoe groot uwe eerzucht ook was, niet kunnen denken dat gij binnen zoo korten tijd
-zulk eene schitterende positie zoudt verwerven. Gemakkelijk verkregen fortuin is gevaarlijk;
-het te veel van gisteren is niet genoeg voor heden, en zoodra gij gezien hadt dat
-alles u zoo vlotte, hebt gij met een enkelen meesterlijken zet uw werk willen bekroonen
-en u voor altijd in veiligheid willen stellen tegen de nukken der fortuin, die heden
-uwe slavin is, maar morgen u wellicht den rug toekeert. Ik misprijs u niet, <span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span>verre van daar, gij hebt meesterlijk gespeeld en daar ik zelf een trage speler ben,
-weet ik in anderen een talent te waardeeren dat ik zelf niet bezit.&#x201d;
-</p>
-<p>»O!&#x201d; riep de graaf bijna opvliegend.
-</p>
-<p>»Geduld! nu ben ik er; toen hebt gij rondgezien en rustten uwe oogen natuurlijk op
-don Sylva de Torres. Die caballero was nu genegen en bezat al de hoedanigheden die
-gij in een schoonvader zocht, want uw eerste wensch was het sluiten van een rijk huwelijk.
-Wat dunkt u! valt gij mij nu nog wel in de rede? ik geloof dat uw eigen historie,
-die ik u vertel, u thans belang begint in te boezemen. Don Sylva is goed, is lichtgeloovig;
-wat meer zegt, is ontzaglijk rijk, zelfs voor dit land, waar de fortuinen zoo onmetelijk
-zijn; bovendien is zijne dochter <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita zeer schoon; kortom, gij hebt u bij don Sylva als vriend laten voorstellen,
-gij hebt hem om de hand zijner dochter gevraagd, en hij heeft u die toegestaan; het
-huwelijk had zelfs reeds eene maand geleden moeten gesloten zijn. Verdubbel thans
-uwe aandacht, caballero, want ik kom aan het belangrijkste gedeelte van mijn verhaal.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ga voort, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>, gij ziet wel dat ik voor uw verslag het noodige geduld overheb.&#x201d;
-</p>
-<p>»Deze beleefdheid zal niet onbeloond blijven, caballero, stel u gerust,&#x201d; riep de onbekende
-met een <span class="corr" id="xd30e4628" title="Bron: nauwlijks">nauwelijks</span> merkbaren zweem van spotternij.
-</p>
-<p>»Ik heb haast om het slot te vernemen, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hier is het: ongelukkig voor uwe plannen, was <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita door haar vader op de keus van haar aanstaanden echtgenoot niet gehoord; sinds
-lang reeds beminde zij in &#x2019;t geheim een jongman die haar bij eene zekere gelegenheid
-een grooten dienst had bewezen.&#x201d;
-</p>
-<p>»De naam van dien jongman is u zeer zeker bekend, niet waar?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeg hem mij.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nog niet; die man beminde haar wederkeerig. De beide jongelieden ontmoetten elkander
-buiten weten van don Sylva en zwoeren elkaar eene eeuwige liefde. Toen <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita door haars vaders bevel gedwongen werd u als haar verloofde te beschouwen,
-veinsde zij te gehoorzamen, daar zij haar vader geen openlijken weêrstand durfde bieden;
-doch zij gaf er haar minnaar kennis van en na elkander opnieuw trouw te hebben gezworen,
-waren zij op een middel bedacht om dat noodlottige huwelijk te verbreken.&#x201d;
-</p>
-<p>De graaf was intusschen reeds opgestaan en stapte met groote schreden de zaal op en
-neer; toen hij de laatste woorden hoorde, trad hij naar den onbekende.
-</p>
-<p>»Derhalve,&#x201d; zeide hij op somberen toon, »was de aanranding in de Rancho.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Een middel door uw medeminnaar beraamd om zich van u te ontslaan, ja, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>, zoo is het,&#x201d; antwoordde de vreemdeling bedaard.
-<span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span></p>
-<p>»Die man is dus niets dan een ellendige moordenaar!&#x201d; hernam de graaf met minachting.
-</p>
-<p>»Gij vergist u, caballero, hij wilde u alleen dwingen om hem het veld ruim te laten,
-een bewijs daarvan is dat hij, toen uw leven in zijne hand was, u niet heeft gedood.&#x201d;
-</p>
-<p>»Enfin, moordenaar of geen moordenaar,&#x201d; riep de graaf, »gij zult mij toch nu zijn
-naam wel willen noemen, want gij hebt uw verhaal uit, zoo ik meen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nog niet. Na de ontmoeting in de Rancho zijt gij naar uwe hacienda vertrokken, vergezeld
-van uw aanstaanden schoonvader en zijne dochter; ook daar heeft de verloofde van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita u geen rust gelaten, en hebben de Apachen u aangevallen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat meer?&#x201d;
-</p>
-<p>»Nog meer? moet ik u dan alles uitleggen? Begrijpt gij dan niet dat die man met de
-Roodhuiden in verband stond?&#x201d;
-</p>
-<p>»En wist <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita daarvan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat durf ik niet verzekeren, maar waarschijnlijk wel.&#x201d;
-</p>
-<p>»O!&#x201d;
-</p>
-<p>»Het was fijn gespeeld, niet waar?&#x201d;
-</p>
-<p>De graaf verbeet zich de lippen dat er het bloed voorstond om niet uit te varen.
-</p>
-<p>»En gij weet door wie <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita is opgelicht?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat weet ik.&#x201d;
-</p>
-<p>»Niet door de Roodhuiden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Door dien man zeker?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, door hem.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar haar vader don Sylva de Torres is ook opgelicht.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat weet ik; maar dat was geheel tegen zijn zin, ik verzeker het u.&#x201d;
-</p>
-<p>»Waar is don Sylva op dit oogenblik?&#x201d;
-</p>
-<p>»Veilig en wel in zijn huis te Guaymas.&#x201d;
-</p>
-<p>»Is zijne dochter bij hem?&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dan is zij bij dezen man, niet waar?&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij gist als een waarzegger.&#x201d;
-</p>
-<p>»En weet gij waar zij thans zijn?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat weet ik.&#x201d;
-</p>
-<p>Snel als een bliksemstraal sprong de graaf op den onbekende, greep hem met de linkerhand
-bij den kraag en zette hem met de rechter een pistool op de borst.
-</p>
-<p>»Thans, ellendeling<span class="corr" id="xd30e4706" title="Bron: ?">,</span>&#x201d; brulde hij met eene rauwe stem, »zult gij mij zeggen waar zij zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Moeten wij dat soort van spel spelen!&#x201d; riep de onbekende; »ga dan gerust uw gang,
-caballero.&#x201d;
-</p>
-<p>Oogenblikkelijk zijn mantel openrukkende, zette hij den graaf met iedere hand een
-pistool op de borst.
-<span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span></p>
-<p>Deze beweging van den onbekende was zoo snel, dat de graaf haar onmogelijk had kunnen
-beletten. Buitendien was deze reeds tot andere gedachten gekomen. Hij trok zijn wapen
-terug en stak het weder in zijn gordel.
-</p>
-<p>»Ik was dwaas,&#x201d; prevelde hij, »vergeef mij die opwelling van toorn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Van ganscher harte,&#x201d; antwoordde de onbekende terwijl hij de pistolen bedaard naast
-zich op de tafel legde.
-</p>
-<p>»Nogmaals verschooning,&#x201d; hervatte de graaf; »nu ik nadenk over hetgeen gij mij gezegd
-hebt begin ik werkelijk te gelooven dat gij mij eene dienst wil bewijzen.&#x201d;
-</p>
-<p>De onbekende boog toestemmend.
-</p>
-<p>»Maar één ding is er dat ik niet begrijp.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat begrijpt gij niet?&#x201d;
-</p>
-<p>»De wijze hoe gij dit alles zijt te weten gekomen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dood eenvoudig.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij zult mij verplichten door mij te zeggen hoe.&#x201d;
-</p>
-<p>»Met genoegen, caballero. Twee mannen vielen u aan in de Rancho.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik ben het die u op den grond wierp.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo,&#x201d; zei de graaf op zonderlingen toon.
-</p>
-<p>»In één woord, ik heet Cuchares; ik ben lepero, dat wil zeggen ik hou meer van de
-zon dan van de schaduw, van de rust dan van den arbeid en van een dolksteek nu en
-dan, mits ik er voor betaald word, dan van een goede daad die mij niets opbrengt;
-begrijpt gij mij?&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeer goed.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dus verstaan wij elkander nu?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat denk ik wel.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik ook, en daarom ben ik juist hier gekomen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nog eene vraag.&#x201d;
-</p>
-<p>»Toegestaan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar op dit oogenblik verraadt gij immers uwe vrienden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik! Welke?&#x201d;
-</p>
-<p>»Degenen die gij tot dusver gediend hebt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Een man als ik, caballero, heeft geene vrienden, hij heeft slechts cliënten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Cliënten of vrienden, gij speelt verraad met hen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Poeh! Wij hebben onze rekening gesloten; zij zijn mij niets meer schuldig en ik hun
-evenmin; wij zijn quit. Zoo als gij weet, caballero, iedere zaak heeft twee kanten,
-daar een bekwaam man gelijkelijk zijn voordeel mede weet te doen. Van den eenen heb
-ik alles gehaald wat ik kon, en nu wil ik eens zien wat mij de andere zal opleveren.&#x201d;
-</p>
-<p>De graaf hoorde met gemengden schrik en verbazing deze zonderlinge <span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span>theorie van den lepero; zulk eene ruwe en onbeschaamde hondsvotterij deed hem tegen
-wil en dank huiveren, ofschoon de graaf de Lhorailles anders niet zeer gevoelig was.
-</p>
-<p>»Wij stellen dus dat gij hier komt om mij een dienst te bewijzen.&#x201d;
-</p>
-<p>De lepero glimlachte.
-</p>
-<p>»Laten wij elkander wel verstaan: ik heb dat maar zoo gezegd, om het geweten te sparen
-van de caballeros die zich hier bevonden toen ik inkwam; maar tusschen u en mij zal
-ik openhartiger zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat wil zeggen?&#x201d;.&#x2026;
-</p>
-<p>»Dat ik hier ben gekomen om er u een te verkoopen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed.&#x201d;
-</p>
-<p>»En duur te verkoopen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed.&#x201d;
-</p>
-<p>»Heel duur.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat maakt weinig uit, als het maar de moeite waard is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Komaan!&#x201d; riep de lepero vroolijk, »gij zijt een man zoo als ik er juist een dacht
-te zullen vinden. Welnu, laat het dan maar aan mij over.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik moet wel, omdat ik niet anders kan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat zoudt gij anders willen? Zoo gaat het in de wereld, <span class="corr" id="xd30e4762" title="Bron: van daag">vandaag</span> is het mijne beurt, morgen de uwe. Bah! om eenige duizend piasters moet men niet
-knijzen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dan vooreerst de naam van mijn mededinger.&#x201d;
-</p>
-<p>»Die naam zal u vijftig oncen kosten, dat zeker niets te veel is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Daar zijn ze,&#x201d; zei de graaf terwijl hij hem de goudstukken over de tafel toeschoof.
-</p>
-<p>De lepero deed ze oogenblikkelijk in een zijner diepe zakken verdwijnen.
-</p>
-<p>»Uw mededinger, caballero, heet don Martial; hij is Tigrero&#x2014;tijgerjager&#x2014;en, wat meer
-zegt, zeer rijk.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik meen dien naam door don Sylva te hebben hooren noemen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Wel waarschijnlijk; don Sylva mag hem niet lijden, vooral niet omdat don Martial
-eens zijne dochter Anita het leven heeft gered.&#x201d;
-</p>
-<p>»Inderdaad, ik herinner mij deze bijzonderheid; don Sylva heeft er mij meermalen van
-gesproken. Maar hoe heeft don Martial dat meisje ooit kunnen oplichten?&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeer gemakkelijk, te meer daar zij zelve verlangde hem te volgen. Terwijl gij met
-de Apachen aan &#x2019;t vechten waart bracht hij <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita in eene prauw, waarin ik haar vader bereids, gebonden en den mond gestopt,
-geborgen had; toen zijn wij met ons vieren vertrokken; wij hebben den ganschen nacht
-op de rivier gezwalkt om geen spoor van onze vlucht achter te laten, en met het krieken
-van den dag hadden wij ruim vijftien mijlen gemaakt. Wij vreesden toen niet meer ontdekt
-te zullen worden en gingen aan land; wij kochten paarden van de <i>mansos</i><a class="noteRef" id="xd30e4780src" href="#xd30e4780">1</a> Indianen. Don Martial gelastte mij den vader van het <span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span>meisje naar Guaymas te brengen, van welken plicht ik mij met eere gekweten heb. Don
-Sylva wilde mij niet goedschiks volgen, maar eindelijk kreeg ik hem toch behouden
-in zijn huis, waar ik hem gelaten heb, om mij weder bij don Martial te voegen die
-mij gelast had eenige dingen mede te brengen en mij daartoe op zeker afgesproken punt
-wachten zou.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo!&#x201d; riep de graaf, »en waarom zijt gij dan van hem gescheiden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Mijn hemel! caballero, wij zijn gescheiden zoo als dat vaak met de beste vrienden
-gebeurt, door een nietig misverstand.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeer goed; en hij heeft u weggejaagd.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo veel als weggejaagd, dat moet ik bekennen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Is het reeds lang sedert gij hem verlaten hebt?&#x201d;
-</p>
-<p>De lepero kneep het rechteroog dicht.
-</p>
-<p>»Neen,&#x201d; antwoordde hij.
-</p>
-<p>»Zoudt gij mij kunnen brengen waar hij zich thans bevindt?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, zoodra gij wilt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeer goed. Is het ver?&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen; maar met uw welnemen, caballero, eerst het een en dan het ander; wilt gij?
-vraag ik u.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wij zullen zien.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoe veel geeft gij mij als ik u zeg waar don Martial en <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita heen gevlucht zijn?&#x201d;
-</p>
-<p>»Twee honderd oncen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Geef.&#x201d;
-</p>
-<p>»Daar zijn ze.&#x201d;
-</p>
-<p>De graaf nam eenige handen vol goud uit een ijzeren kistje dat in een hoek van de
-zaal stond en gaf ze aan den lepero.<span id="xd30e4809"></span>
-</p>
-<p>»Het is pleizierig om met zulke menschen te doen te hebben,&#x201d; zei Cuchares terwijl
-hij met ongewone handigheid de nieuwe oncen bij de vorige stak. »Had ik geen gelijk
-toen ik u zeide dat ik u een dienst kwam bewijzen?&#x201d;
-</p>
-<p>»&#x2019;t Is waar, ik zeg u dank; waar zijn nu don Martial en <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita?&#x201d;
-</p>
-<p>»Zij zijn aan den zendingspost San Francisco.. en nu zal ik zoo vrij zijn om afscheid
-van u te nemen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nog niet.&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarom niet?&#x201d;
-</p>
-<p>»Om twee redenen: vooreerst omdat ik ondanks al het vertrouwen dat ik in u stel, volstrekt
-geen bewijs heb dat gij mij de waarheid hebt gezegd.&#x201d;
-</p>
-<p>»O!&#x201d; riep de lepero met eene afwijzende beweging.
-</p>
-<p>»Ik weet wel ik heb ongelijk, maar wat zal ik er tegen doen, ik ben nu eenmaal zoo
-wantrouwig van aard.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed, dan blijf ik; maar uwe tweede reden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Luister, ik heb u nog een dienst te verzoeken.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span></p>
-<p>»Tegen betaling?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat verstaat zich.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik luister.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik geef u honderd oncen als gij mij bij mijn mededinger wilt brengen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Canarios!&#x201d; riep de lepero.
-</p>
-<p>»Honderd oncen,&#x201d; herhaalde de graaf.
-</p>
-<p>»Ik versta u wel. Honderd oncen, &#x2019;t is een aardig bod! maar gij moet weten, caballero,
-ik ben een <i>costeno</i>, en daarbij een <i>lepero</i>. Het leven in de prairie deugt niet voor mijn gestel, het bederft mijn gezondheid.
-Ik heb gezworen het niet langer voort te zetten; de reis van hier naar San Francisco
-is moeielijk, wij moeten de groote woestijn door. Neen, caballero, alles wel ingezien
-is het onmogelijk.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat spijt mij,&#x201d; antwoordde de graaf onverschillig.
-</p>
-<p>»Ja?&#x201d;
-</p>
-<p>»Omdat ik u,&#x201d; vervolgde hij, »in plaats van honderd oncen twee honderd oncen zou gegeven
-hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo!&#x201d; riep Cuchares de ooren spitsend.
-</p>
-<p>»Maar, daar gij weigert, want gij weigert immers? zal ik tot mijn leedwezen verplicht
-zijn u te doen doodschieten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat b&#x2019;lieft u?&#x201d; schreeuwde de lepero bijna van schrik.
-</p>
-<p>»Mijn hemel!&#x201d; hervatte de graaf goedhalzig, »hoor toch eens, mijn waarde, gij zijt
-zoo knap in zaken, wie weet, daar gij reeds twee kanten aan deze gevonden hebt, ben
-ik maar bang dat gij er misschien nog een derden aan zoudt ontdekken.&#x201d;
-</p>
-<p>En eer Cuchares tijd had om het te beletten, maakte de graaf zich met een gezwinden
-greep meester van de twee pistolen die op de tafel lagen.
-</p>
-<p>De lepero ontstelde zichtbaar.
-</p>
-<p>»Met uw verlof, met uw geachte verlof, caballero,&#x201d; riep hij met een haperende stem,
-»daar gij het zoo bepaald schijnt te verlangen, zou het mij razend veel leed doen
-als ik u teleurstelde, ik neem de twee honderd oncen aan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Mooi zoo!&#x201d; riep de graaf. »Ja, ik wist ook wel dat wij het eindelijk samen eens zouden
-worden.&#x201d;
-</p>
-<p>Hij ging naar het koffertje om het geld te krijgen, en moest daarbij den lepero den
-rug toekeeren, zoodat hij den zonderlingen spotlach niet zag die zich op diens lippen
-bewoog; ware dit anders geweest dan zou hij minder luid victorie gekraaid hebben.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e4780">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4780src">1</a></span> Half beschaafde Indianen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4780src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch18" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6982">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XVIII.</h2>
-<h2 class="main">EEN STAP ACHTERWAARTS.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het verhaal van den lepero, ofschoon in den grond waarheid bevattende, was wat den
-vorm en de inkleeding betreft geheel valsch <span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span>en logenachtig. Had hij misschien zijne redenen om den graaf de Lhorailles te misleiden?
-Dit zal de lezer zelf kunnen beoordeelen wanneer hij ons nieuwe hoofdstuk heeft ten
-einde gebracht.
-</p>
-<p>Wij zijn dus andermaal genoodzaakt den draad onzer historie te breken en eenige passen
-terug te keeren.
-</p>
-<p>Na, zooals wij in een der vorige hoofdstukken gezien hebben, als door een wonder aan
-de handen der Apachen te zijn ontsnapt daar hij zoo ongelukkig in vervallen was, had
-Cuchares door onder water te duiken, al zwemmende het midden der rivier kunnen bereiken.
-Toen hij het hoofd weder boven stak om adem te scheppen, zag hij rond; hij was alleen.
-</p>
-<p>De lepero smoorde een vreugdekreet en na een minuut van rijp overleg zwom hij uit
-al zijn macht naar de wortelboomen, waar don Martial ingevolge het afgesproken signaal,
-dat hij door den nood gedrongen reeds had gegeven, hem zonder twijfel stond te wachten.
-</p>
-<p>Met eenige krachtige armslagen bereikte hij de wortelboomen, tusschen welke hij zich
-onmiddellijk onzichtbaar maakte; maar hier wachtte hem eene nieuwe verrassing, de
-omgekantelde en aan zich zelve overgelaten prauw was met eenige andere stukken drijfhout
-tegen een boomstam aangedreven en daar blijven steken.
-</p>
-<p>Cuchares, die reeds aan land was gestapt, hoosde de prauw leeg en bracht haar weder
-te water. Deze kleine vaartuigen, meestal uit berkenschors vervaardigd, die de Indianen
-met behulp van heet water van den stam weten te scheiden, zijn uiterst licht en laten
-zich zeer gemakkelijk behandelen.
-</p>
-<p>Nauwelijks was de lepero er mede klaar of er kwam eene schaduw naar hem toe en fluisterde
-hem in &#x2019;t oor:
-</p>
-<p>»Wat komt gij laat.&#x201d;
-</p>
-<p>De lepero deed een sprong van schrik, maar herkende don Martial; met een paar woorden
-deelde hij hem mede wat er gebeurd was.
-</p>
-<p>»Alles gaat opperbest, er is niets meê verloren, nu gij weder hier zijt,&#x201d; antwoordde
-de Tigrero; »verberg u maar in de wortelboomen en kom onder geen beding te voorschijn,
-voor dat ik weer hier ben.&#x201d;
-</p>
-<p>Hij verwijderde zich snel.
-</p>
-<p>Cuchares maakte des te meer haast om te gehoorzamen, daar hij niet ver van hem af
-het rumoer van den hevigen strijd hoorde die op dit oogenblik tusschen de Franschen
-en Apachen gestreden werd en in vollen gang was.
-</p>
-<p>Don Martial was intusschen, met een dolk in de hand om op alles gereed te zijn, als
-een spook naar een dicht boschje van floripondio&#x2019;s geslopen, waar <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita hem bevend verbeidde.
-</p>
-<p>Op het punt van de takken uiteen te schuiven die hem van het meisje afzonderden bleef
-hij staan, met hijgenden adem en gefronste wenkbrauwen: zij was niet alleen!
-<span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span></p>
-<p>Hare stem, hetzij door aandoening of door toorn bewogen, klonk scherp en gebiedend;
-zij scheen met iemand in gesprek.
-</p>
-<p>Maar met wie? Wie zou haar op deze plek, waar zij zich zoo goed geborgen waande, hebben
-weten te vinden en naar alle waarschijnlijkheid haar willen overhalen of desnoods
-dwingen hem te volgen?
-</p>
-<p>De Tigrero luisterde scherp toe.
-</p>
-<p>Weldra bewoog hij zich toornig en dreigend, hij had de stem herkend van den man die
-met <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita sprak: het was haar vader.
-</p>
-<p>Alles was verloren.
-</p>
-<p>De haciendero trachtte zijne dochter te bewegen naar den kant der gebouwen terug te
-keeren en gebruikte daartoe alle middelen van overreding. Zoo het scheen vermoedde
-hij iets van de reden waarom zijne dochter zich op deze plaats bevond.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita weigerde stellig mede te gaan, verklarende dat zij liever in handen van een
-Indiaanschen strooper zou willen vallen, dan zich aan het gevaar bloot te stellen
-dat zij tot iederen prijs wilde vermijden.
-</p>
-<p>Don Martial sloeg zich met de hand op het voorhoofd, een zonderlinge glimlach plooide
-zijne lippen, zijn oog fonkelde en hij verwijderde zich snel in de richting der rivier.
-</p>
-<p>Inmiddels woedde de strijd steeds voort; nu eens scheen het rumoer nader te komen
-en hoorde men vloekkreten en verwenschingen, dan eens flikkerde er als bliksemlicht
-door de lucht en hoorde men de kogels tegen muren of boomen neerkomen, met dat eigenaardig
-gekletter, dat voor nieuwelingen in den krijg zoo verontrustend is.
-</p>
-<p>»In &#x2019;s hemels naam! lieve dochter,&#x201d; hervatte don Sylva dringender dan ooit, »kom toch,
-wij hebben geen oogenblik te verliezen, binnen weinige seconden wellicht wordt ons
-de terugtocht afgesneden; kom toch bid ik u.&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen, vader,&#x201d; antwoordde zij hoofdschuddend, »ik wacht mijn lot af; wat er ook gebeure,
-ik zeg u nog eens, ik ga hier niet <span class="corr" id="xd30e4901" title="Bron: van daan">vandaan</span>.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar dat is dwaasheid,&#x201d; riep de haciendero, »wilt gij dan sterven?&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat geef ik om sterven,&#x201d; riep zij treurig, »ben ik niet op alle manieren veroordeeld?
-God is mijn getuige, vader, dat ik om het voor mij bestemde huwelijk te ontgaan liever
-zou willen sterven!&#x201d;
-</p>
-<p>»Anita, in &#x2019;s hemels naam!&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat kan het u schelen, vader, of ik heden den woesten heidenen in handen val, daar
-gij mij morgen met eigen hand aan een man zult overleveren dien ik verafschuw?&#x201d;
-</p>
-<p>»Spreek toch zoo niet, meisje. Buitendien, het oogenblik is dunkt mij voor het bespreken
-van zulk eene zaak zeer slecht gekozen, <span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span>kom toch meê, het rumoer neemt toe; weldra zal het te laat zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ga maar gerust heen, vader, als gij dat goedvindt,&#x201d; antwoordde zij ronduit; <span class="corr" id="xd30e4914" title="Niet in bron">»</span>maar ik blijf hier, wat er ook moge gebeuren.&#x201d;
-</p>
-<p>»In dat geval en als gij volstandig weigert mij te gehoorzamen, zal ik de macht gebruiken
-die ik bezit en u met geweld wegvoeren.&#x201d;
-</p>
-<p>Het meisje sloeg den linkerarm om een jongen acajou-ceder en keek haar vader aan met
-een blik van onverzettelijken onwil.
-</p>
-<p>»Waag het maar niet, vader, om het te doen!&#x201d; riep zij, »want ik zeg u vooruit dat
-bij den eersten stap dien gij mij nadert gebeuren zal wat gij zoo zeer vreest; ik
-zal zoo hard schreeuwen dat de heidensche Roodhuiden het hooren en terstond hier zullen
-komen.&#x201d;
-</p>
-<p>Don Sylva bleef aarzelend staan; hij kende het vastberaden karakter zijner dochter
-en wist dat zij in staat was hare bedreiging onmiddellijk ten uitvoer te brengen.
-</p>
-<p>Er verliepen eenige minuten, gedurende welke vader en dochter tegenover elkander stonden,
-met strakke blikken elkander aankijkend, maar zonder een woord te spreken of een spier
-te verroeren.
-</p>
-<p>Op eens ontstond er een hevig gekraak in het floripondioboschje, de takken werden
-met woest geweld uit elkander gebogen, om twee mannen, of liever twee duivels door
-te laten, die als met tijgersprongen op den haciendero aanvielen en hem op den grond
-wierpen. Eer nog don Sylva in het schemerende sterrenlicht in staat was zijne onverwachte
-aanvallers te herkennen, hadden zij hem reeds gekneveld, een prop in den mond gestopt
-en een doek over het hoofd geknoopt, zoodat hij niets meer zien kon van hetgeen er
-rondom hem gebeurde, noch weten wat er niet alleen met hem maar ook wat er met zijne
-dochter gebeuren zou.
-</p>
-<p>Laatstgenoemde door deze plotselinge overrompeling onthutst had een schreeuw gedaan
-van schrik, maar voorzichtigheidshalve terstond weder gezwegen, daar zij don Martial
-herkende.
-</p>
-<p>»Stil,&#x201d; zeide de Tigrero schielijk en zacht, »ik wist geen ander middel om het gedaan
-te krijgen, maar kom dadelijk mede; uw vader, weet gij, is mij heilig, om uwentwil
-zal hem geen leed geschieden.&#x201d;
-</p>
-<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita antwoordde niet.
-</p>
-<p>Op een wenk van don Martial had Cuchares den haciendero op zijne schouders genomen
-en hem naar de wortelboomen gedragen.
-</p>
-<p>»Waar gaan wij heen?&#x201d; vroeg <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita met eene bevende stem.
-</p>
-<p>»Waar wij zoo ik hoop samen gelukkig zullen zijn,&#x201d; fluisterde de Tigrero teergevoelig,
-terwijl hij haar gezwind opnam en op een drafje naar de prauw droeg.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita bood geen weerstand, integendeel, zij glimlachte, sloeg haar rechter arm om
-den hals van den drager, om het evenwicht beter te bewaren, dat bij deze harddraverij
-over de wortelboomen wel noodig was terwijl don Martial van tak tot tak stapte of
-sprong, of zich aan de lianen vasthield, met stem en gebaar zijn kostbaren last aanmoedigende.
-<span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span></p>
-<p>Cuchares had don Sylva op den bodem der prauw gelegd, en met de pagaai in de hand
-wachtte hij vol ongeduld de komst van don Martial, daar het gedruisch van den strijd
-nog scheen toe te nemen, ofschoon uit het wel onderhouden geweervuur en uit de verschillende
-kreten die men nu en dan hoorde, gemakkelijk was op te maken dat de overwinning aan
-de zijde der Franschen verbleef.
-</p>
-<p>»Wat zullen wij doen?&#x201d; vroeg Cuchares.
-</p>
-<p>»Naar het midden der rivier roeien en den stroom afzakken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar onze paarden?&#x201d; vroeg de lepero.
-</p>
-<p>»Redden wij eerst ons zelven, de paarden zullen wij later wel vinden. Het blijkt duidelijk
-dat de blanken het winnen. Zoodra het gevecht over is, zal de graaf de Lhorailles
-overal zijne bruid en zijn schoonvader laten zoeken; het is van belang geen sporen
-achter te laten, anders zijn wij verloren. De Franschen zijn duivels, zij zouden ons
-zeker terugvinden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Intusschen geloof ik.&#x2026;&#x201d; begon Cuchares.
-</p>
-<p>»Van wal, zeg ik u,&#x201d; riep de Tigrero op gebiedenden toon terwijl hij de prauw met
-een krachtigen schop in het ruime sop duwde.
-</p>
-<p>Zij vertrokken.
-</p>
-<p>De eerste oogenblikken der reis gingen zwijgend voorbij, ieder dacht voor zich zelve
-na over den zonderlingen toestand waarin zij zich bevonden.
-</p>
-<p>Don Martial had een onmetelijke verantwoordelijkheid op zich genomen door, om zoo
-te zeggen, op een enkele kaart het geluk zijner beminde en van hem zelven te wagen.
-Wat hem nog het meeste stof tot bezwaar gaf, daar op den bodem der prauw lag de haciendero;
-zijn toestand was inderdaad ernstig en de uitkomst moeielijk te vinden.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita zat met het hoofd gebogen en met afgetrokken blik; in gedachten verdiept liet
-zij hare kleine hand over den rand der prauw in het water hangen dat snel langs het
-boord voorbij schoot.
-</p>
-<p>Cuchares, die uit al zijn macht roeide, dacht ook bij zich zelven na en vond het leven
-dat hij tegenwoordig leidde alles behalve aangenaam; te Guaymas was hij veel gelukkiger,
-als hij met het hoofd in de schaduw en de beenen in de zon onder het portiek eener
-kerk kon liggen en zijn middagslaapje doen, gestreeld door den verfrisschenden zeewind
-of zacht indommelend onder het geheimzinnig murmelen der branding tegen de keien op
-het rotsige zeestrand.
-</p>
-<p>Wat don Sylva betreft, men kon niet zeggen dat hij dacht; aan eene stille woede ten
-prooi, die als zij te lang duurde ontwijfelbaar in razernij moest eindigen, beet hij
-kwaadaardig op de prop die hem den mond sloot en kromde zich in zijne banden, zonder
-ze te kunnen verbreken.
-</p>
-<p>De verschillende geluiden van den strijd werden al zwakker en zwakker en hielden eindelijk
-geheel op.
-</p>
-<p>De reizigers bleven nog een geruimen tijd zwijgen, niet zoozeer <span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span>verdiept in hun eigen gedachten dan wel weggesleept door de streelende gewaarwordingen
-eener droomende zwaarmoedigheid, die zoo vaak bij krachtige maar geschokte gemoederen
-opkomt onder den indruk der roerloos plechtige stilte, ontzagwekkende eenzaamheid
-en aangrijpende harmonie der Amerikaansche wildernis, wier beschrijving geen menschelijke
-pen in staat is in al hare grootheid en majesteit weêr te geven.
-</p>
-<p>De sterren begonnen aan den hemel allengs te verbleeken, een opalen lichtstreep teekende
-zich flauw aan den horizont; de logge alligators woelden zich los uit de modder en
-gingen uit om hun morgenmaal te zoeken; de uil in de boomen aan den rivierkant verscholen,
-begroette de naderende komst van de zon; de coyotes zwierven in schichtige troepen
-aan den zandigen oever en verhieven nu en dan hun heesch gekef; de wilde dieren keerden
-naar hunne holen terug, met haastigen stap, ofschoon na hun gewone maal bezwaard door
-den slaap; de dag zou weldra aanbreken. <span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita neigde behaagziek het hoofd aan den schouder van don Martial.
-</p>
-<p>»Waar gaan wij zoo heen?&#x201d; vroeg zij met eene zachte stem en op een toon van gedweeheid.
-</p>
-<p>»Wij vluchten,&#x201d; antwoordde hij lakonisch.
-</p>
-<p>»Wij zijn nu reeds zes uren lang de rivier afgevaren, gedragen door den stroom en
-gestuurd door uwe vier krachtig gehanteerde pagaaien; zijn wij nu nog niet buiten
-het bereik?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, sinds lang reeds; maar het is de vrees voor de Franschen niet die mij dit oogenblik
-drijft.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat is het dan?&#x201d;
-</p>
-<p>De Tigrero wees haar met een veelbeduidenden wenk op don Sylva, die na uitputting
-van toorn en kracht, eindelijk stilzwijgend zijn onvermogen erkend had en geëindigd
-was met op den bodem der prauw in te slapen.
-</p>
-<p>»Helaas!&#x201d; zeide zij, »gij hebt gelijk, dat kan zoo niet blijven, die toestand is onverdragelijk.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo gij mij naar eigen goedvinden laat begaan, zal uw vader mij eer wij een kwartieruurs
-verder zijn nog bedanken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij weet immers dat ik mij geheel op u verlaat?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dank u,&#x201d; zeide hij, en zich tot Cuchares wendende, fluisterde hij hem eenige woorden
-in &#x2019;t oor.
-</p>
-<p>»Ha ha! dat is een gelukkige inval,&#x201d; grinnikte de lepero.
-</p>
-<p>Vijf minuten later kwam de prauw aan wal.
-</p>
-<p>Don Sylva werd met de uiterste voorzichtigheid door de beide mannen opgenomen en aan
-land gedragen, zonder dat hij ontwaakte.
-</p>
-<p>»Nu is de beurt aan u,&#x201d; zei don Martial tegen het meisje; »gij dient eene kleine rol
-te spelen; om de list die ik er op verzonnen heb wel te doen gelukken, moet gij mij
-toestaan u voor een paar minuten aan dien inktboom vast te binden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ga uw gang, vriend.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span></p>
-<p>De Tigrero nam haar in zijne forsche armen, droeg haar aan land en in een oogenblik
-had hij haar met een riem aan den boomstam gebonden.
-</p>
-<p>»Houd nu dit in het oog,&#x201d; zeide hij schielijk, »de vertooning is, dat uw vader en
-gij door de Apachen uit de hacienda zijn opgelicht, dat wij u bij toeval hier ontmoeten
-en.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Ons komt redden, niet waar?&#x201d; riep zij lachende.
-</p>
-<p>»Juist; alleen moet gij nu nog een paar keeren, hoe harder hoe beter schreeuwen en
-gillen, als of gij erg bang en verschrikt waart. Dat begrijpt gij, niet waar?&#x201d;
-</p>
-<p>»O! zeer goed.&#x201d;
-</p>
-<p>Volgens bovenstaand programma werd de komedie gespeeld. <span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita begon geweldig te gillen, waarop de twee avonturiers uit de verte antwoordden,
-hunne geweren en pistolen afschoten alsof er gevochten werd en toen naar den haciendero
-liepen, dien zij gezwind van zijne banden bevrijdden en niet alleen het vrije gebruik
-zijner ledematen teruggaven, maar ook dat van zijne spraak en van zijn gezicht.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p181width"><img src="images/p181.jpg" alt="Don Sylva richtte zich eerst half op en zag zijne dochter met hangende haren aan een boom gebonden. Bladz. 181." width="493" height="720"><p class="figureHead">Don Sylva richtte zich eerst half op en zag zijne dochter met hangende haren aan een
-boom gebonden. Bladz. 181.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Don Sylva richtte zich eerst half op, wierp een verwezen blik om zich heen, en zag
-zijne dochter met hangende haren aan een boom gebonden, terwijl twee mannen zich haastten
-haar te hulp te komen en los te maken. De haciendero sloeg de oogen op en dankte den
-hemel in stilte voor zijne bevrijding.
-</p>
-<p>Zoodra ook Anita weder vrij was ijlde zij naar haar vader, viel hem om den hals en
-na hem gekust te hebben verborg zij haar gelaat, wellicht uit schaamte over de verregaande
-wijs waarop zij den edelen grijsaard had helpen bedriegen, blozend aan zijne borst.
-</p>
-<p>»Mijn arm, dierbaar kind,&#x201d; riep hij tot tranen bewogen; »voor u, voor u alleen, heb
-ik gebeefd in dezen langen, vreeselijken nacht.&#x201d;
-</p>
-<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita antwoordde niet, haar hart klopte hevig bij dit grievend verwijt.
-</p>
-<p>Don Martial en Cuchares, het oogenblik gunstig achtende, traden thans naderbij met
-de nog rookende buksen in hunne handen.
-</p>
-<p>Toen de haciendero hen zag en herkende, kwam er een wolk op zijn gezicht, een donker
-vermoeden bekroop zijne ziel. Hij keek de beide mannen en zijne dochter beurtelings
-aan met een uitvorschenden blik, stond op met gefronste wenkbrauwen en bevende lippen,
-zonder nochtans een woord te uiten.
-</p>
-<p>De Tigrero werd tegen wil en dank ongerust over dit stilzwijgen, dat hij wel verre
-was van te verwachten. Na den dienst, die hij had voorgewend den haciendero bewezen
-te hebben, gevoelde hij zich verplicht het eerst te spreken.
-</p>
-<p>»Ik acht mij gelukkig,&#x201d; begon hij min of meer stotterend, »dat ik hier zoo toevallig
-op den aanslag kwam, don Sylva, om u aan de handen der Roodhuiden te ontrukken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zeg u dank, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> don Martial,&#x201d; antwoordde de haciendero <span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span>droog, »van uwe bekende rechtschapenheid kon ik niets minder verwachten. Het heeft
-zoo moeten wezen; het schijnt wel, dat gij na de dochter te hebben gered, ook haar
-vader hebt moeten redden. Gij schijnt voorbestemd om de bevrijder van mijne geheele
-familie te zijn; ontvang daarvoor mijne oprechte dankbetuiging.&#x201d;
-</p>
-<p>Deze woorden werden op een toon van spotternij uitgesproken, die den Tigrero als een
-pijl in het hart trof; hij kon geen gepast antwoord vinden en maakte eene onhandige
-buiging om zijne verlegenheid te verbergen.
-</p>
-<p>»Vader,&#x201d; zij <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita op vleienden toon, »don Martial heeft zijn leven voor ons gewaagd.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik heb er hem immers reeds voor bedankt,&#x201d; zeide hij. »Het is zoo, het schijnt een
-heete strijd geweest; maar de heidenen hebben wel spoedig het hazenpad gekozen; is
-er niemand van hen gedood?&#x201d;
-</p>
-<p>Dit zeggende deed de haciendero alsof hij rondkeek.
-</p>
-<p>Don Martial herstelde zich.
-</p>
-<p>»<span class="corr" id="xd30e5032" title="Bron: Senor">Señor</span> don Sylva de Torres,&#x201d; riep hij met eene vaste stem, »dit voorval bracht ons weder
-tegenover elkander, geef mij dus de vrijheid u te zeggen dat slechts weinige menschen
-u zoo genegen en getrouw zijn als ik.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat hebt gij mij zoo even bewezen, caballero.&#x201d;
-</p>
-<p>»Spreken wij daar niet meer van,&#x201d; zei don Martial, »nu gij weder uw eigen meester
-zijt en vrij kunt handelen, hebt gij slechts te spreken en te bevelen. Ik ben bereid
-om te beproeven wat gij van mij eischt, ten einde u te kunnen bewijzen, hoe gelukkig
-ik mij acht alles te doen wat u aangenaam is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is ronde taal, die ik begrijp, caballero, en daar ik u even rond op zal antwoorden.
-Gewichtige redenen nopen mij om naar de kolonie Guetzalli terug te keeren, waar ik
-was toen de heidenen mij zoo verraderlijk hebben opgelicht.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wanneer wilt gij vertrekken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dadelijk, zoo dit mogelijk is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Alles is mogelijk, caballero, alleen moet ik u doen opmerken, dat wij hier dertig
-mijlen van die hacienda verwijderd zijn, dat het land waar wij ons bevinden eene eenzame
-wildernis is, zoodat wij uiterst moeielijk paarden zullen krijgen en dat wij met den
-besten wil van de wereld die reis niet te voet kunnen afleggen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Vooral mijne dochter niet, niet waar?&#x201d; hervatte hij met een bitteren glimlach.
-</p>
-<p>»Ja,&#x201d; herhaalde de Tigrero, »vooral de <span class="corr" id="xd30e5045" title="Bron: senorita">señorita</span>.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat dan gedaan? want ik ben volstrekt verplicht om derwaarts terug te keeren, vooral
-om mijne dochter,&#x201d; voegde hij er bij met nadruk op de laatste woorden, »en dat wel
-zoo spoedig mogelijk.&#x201d;
-</p>
-<p>De Tigrero loog een weinig toen hij don Sylva verzekerde dat zij dertig mijlen van
-de kolonie af waren; de afstand bedroeg niet meer <span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span>dan achttien mijlen; maar in zulk een onherbergzame streek, waar geene wegen bestaan,
-zijn zestien of achttien mijlen bijna onoverkomelijk voor iemand die, aan het ruwe
-woestijnleven ongewoon, tegen de daarvan onafscheidelijke vermoeienis niet gehard
-is. Don Sylva, ofschoon hij de prairie nooit doorreisd had dan op den weelderigsten
-voet en voorzien van al de gemakken, die men zich in deze verre streken met mogelijkheid
-verschaffen kan, wist ten minste, zoo al niet bij ondervinding dan toch bij geruchte,
-hoevele moeielijkheden er bij iederen stap konden oprijzen en welke belemmeringen
-hij op zijn weg ontmoeten kon. Zijn besluit was dus dadelijk genomen.
-</p>
-<p>Gelijk velen zijner landgenooten bezat don Sylva eene groote mate van stijfhoofdigheid;
-wanneer hij eenmaal een plan gevormd of een doel zich voor oogen had gesteld, onverschillig
-wat het ook wezen mocht, zou hij er alles aan gewaagd hebben en werd iedere hindernis
-die hem in den weg kwam een nieuwe prikkel om het te bereiken.
-</p>
-<p>»Hoor mij dan, don Martial,&#x201d; zeide hij tegen den Tigrero, »ik wil rond met u te werk
-gaan: ik behoef u niet voor nieuws te vertellen, dat mijne dochter op het punt staat
-van met den graaf de Lhorailles te huwen; dat huwelijk moet gesloten worden, ik heb
-het gezworen en het zal geschieden, trots al wat men zegge of doe om het te beletten.
-En nu, na deze verklaring, zal ik uwe trouw jegens mij, daar gij zoo hoog van opgeeft,
-op de proef stellen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Spreek, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>,&#x201d; zei don Martial.
-</p>
-<p>»Zend dan uw kameraad naar de graaf de Lhorailles; ik zal hem een brief medegeven
-om zijne ongerustheid te doen bedaren en hem mijne aanstaande komst aan te kondigen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zal hij het doen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Oogenblikkelijk.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dank u. Wat thans u zelven aangaat, geef ik u vrijheid ons te verlaten of te volgen,
-zoo als gij verkiest, maar vooreerst hebben wij paarden en wapenen en bovenal een
-goed eskorte noodig. Ik zou niet gaarne weder in handen der heidenen vallen; misschien
-zou ik dezen keer het geluk niet hebben om er zoo goed af te komen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Blijf hier, binnen twee uren kom ik met paarden terug; wat een eskorte betreft, daar
-zal ik u aan zien te helpen, maar dat durf ik u niet stellig verzekeren. Daar gij
-er niets tegen hebt dat ik medega, zal ik u verzellen tot gij den graaf ontmoet. Gedurende
-den tijd dien ik het geluk zal hebben met u op reis door te brengen, hoop ik u te
-bewijzen dat gij u in mij vergist hebt.&#x201d;
-</p>
-<p>Deze woorden werden op zulk een ondubbelzinnigen toon uitgesproken, dat de haciendero
-er zich door getroffen gevoelde.
-</p>
-<p>»Wat er ook gebeure,&#x201d; zeide hij, »ik zeg u dank, gij zult mij <span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span>in ieder geval een onuitsprekelijken dienst hebben bewezen, daar ik u eeuwig erkentelijk
-voor zal zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>Don Sylva scheurde een blad papier uit zijn zakboekje, schreef er met potlood eenige
-woorden op, vouwde het toe en gaf het den Tigrero.
-</p>
-<p>»Zijt gij zeker van dien man?&#x201d; vroeg hij.
-</p>
-<p>»Zoo goed als van mij zelven,&#x201d; antwoordde don Martial uitwijkend; »wees gerust dat
-hij den graaf zien zal.&#x201d;
-</p>
-<p>De haciendero wees met de hand dat hij voldaan was, en de Tigrero naderde Cuchares.
-</p>
-<p>»Ziedaar,&#x201d; zeide hij met eene luide stem terwijl hij hem het briefje ter hand stelde,
-»breng dat binnen twee uren bij den kommandant van Guetzalli. Hebt gij mij verstaan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja,&#x201d; antwoordde de lepero.
-</p>
-<p>»Vertrek, en de hemel beware u voor kwade ontmoetingen. Over een kwartier achter dien
-heuvel daar;&#x201d; liet hij schielijk en fluisterend er op volgen.
-</p>
-<p>»Afgesproken,&#x201d; riep de andere met eene buiging.
-</p>
-<p>»Neem deze prauw,&#x201d; vervolgde de Tigrero.
-</p>
-<p>Zoo de haciendero al eenigen argwaan had kunnen koesteren, thans verdween deze geheel,
-nu hij zag dat Cuchares in de prauw sprong, de pagaaien greep en dadelijk van wal
-stak, zonder taal of teeken met den Tigrero te wisselen en zelfs zonder het hoofd
-om te wenden.
-</p>
-<p>»Dat is het eerste gedeelte uwer beschikkingen, die gij in vervulling ziet overgaan,&#x201d;
-zei de Tigrero toen hij bij don Sylva terugkwam; »nu zal ik mij met het tweede belasten;
-neem mijne pistolen en mijne machete, dan kunt gij u althans te weer stellen in geval
-van nood, want ik laat u hier achter, maar vooral verwijder u niet, binnen twee uren
-op zijn langst ben ik weder bij u.&#x201d;
-</p>
-<p>»Weet gij dan een middel om hier paarden te vinden?&#x201d; vroeg don Sylva.
-</p>
-<p>»Weet gij nog niet dat de woestijn mijne dagelijksche woonplaats is?&#x201d; antwoordde hij
-met een somberen glimlach. »Ik ben hier thuis; weldra zult gij er het bewijs van zien.
-Tot wederziens?&#x201d;
-</p>
-<p>En hij verwijderde zich snel in tegenovergestelde richting als de prauw.
-</p>
-<p>Toen hij een poos geloopen had en achter een dicht boschje van acajou-boomen en kreupelhout
-voor don Sylva onzichtbaar was geworden, maakte hij op eens een scherpen hoek rechts,
-van de rivier af en liep hard terug tot hij de andere zijde van den heuvel bereikte.
-</p>
-<p>Daar zat <span class="corr" id="xd30e5091" title="Bron: Guchares">Cuchares</span> bedaard zijne cigarette rookend op hem te wachten.
-</p>
-<p>»Geen woorden, maar daden,&#x201d; zei de Tigrero, »de tijd dringt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik wacht uwe bevelen.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span></p>
-<p>»Ziet gij dezen diamant?&#x201d; en hij wees den lepero op den ring aan zijn das.
-</p>
-<p>»Hij is duizend piasters waard,&#x201d; zei de lepero die hem met het oog van een kenner
-bekeek.
-</p>
-<p>Don Martial bood hem den ring aan.
-</p>
-<p>»Dien geef ik u,&#x201d; zeide hij.
-</p>
-<p>De andere nam hem aan en stak hem bij zich.
-</p>
-<p>»Wat moet ik er voor doen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Mij dadelijk den brief geven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Daar is hij.&#x201d;
-</p>
-<p>Don Martial nam hem en scheurde hem in duizend stukjes.
-</p>
-<p>»Wat volgt?&#x201d; vroeg Cuchares.
-</p>
-<p>»Wat volgt,&#x201d; herhaalde de Tigrero, »ik heb nog een diamant van gelijke waarde ter
-uwer beschikking; gij verstaat mij?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, ik neem het aan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar op eene voorwaarde.&#x201d;
-</p>
-<p>»Die ken ik,&#x201d; zeide de lepero met een veelbeteekenenden wenk.
-</p>
-<p>»Gij neemt het stellig aan, zegt gij?&#x201d;
-</p>
-<p>»Stellig.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is afgesproken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij zult nooit weêr verdriet van hem hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed; maar gij begrijpt, ik verwacht bewijzen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Die zult gij hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dan tot weerziens.&#x201d;
-</p>
-<p>»Tot weerziens.&#x201d;
-</p>
-<p>De beide medeplichtigen scheidden ten hoogste voldaan, zij hadden elkander met een
-enkel woord begrepen.
-</p>
-<p>Wij hebben reeds gezien op welke wijs Cuchares zich kweet van de zending daar don
-Sylva hem mede belast had.
-</p>
-<p>Na zijn kort gesprek met Cuchares ging don Martial er op uit om ergens paarden te
-zoeken.
-</p>
-<p>Twee uren later keerde hij terug; niet alleen had hij uitmuntende paarden medegebracht,
-maar tevens twee peons of die er voor moesten doorgaan om tot geleide te dienen.
-</p>
-<p>De haciendero waardeerde in allen deele de kieschheid waarmede don Martial te zijnen
-opzichte te werk ging, en ofschoon het uitzicht en de manieren zijner nieuwe beschermers
-niet van de echte soort waren, bedankte hij den Tigrero toch hartelijk voor de moeite
-die deze zich gegeven had om aan zijn verlangen te voldoen, en thans omtrent den afloop
-zijner reis volkomen gerustgesteld, nam hij met goeden eetlust deel aan het ontbijt,
-een gebraden hertebout met een dronk pulque, die don Martial hem mede had weten te
-bezorgen.
-</p>
-<p>Toen de maaltijd geëindigd was ging de kleine troep, wel gewapend en vol moed op marsch
-in de richting naar de kolonie Guetzalli, waar don Sylva, op zijn gemak reizende,
-en zoo er ten minste <span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span>niets in den weg kwam, berekende binnen drie dagen te zullen aankomen.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch19" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6991">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XIX.</h2>
-<h2 class="main">IN DE PRAIRIE.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De noordoostelijke grens van Mexico tot aan de oude thans verlaten en in puin vallende
-zendelingsposten der Jezuïeten, vormt den rand der groote prairie van de <span class="corr" id="xd30e5138" title="Bron: Rio-Gila">Rio Gila</span>, of Apacheria, die zich uitstrekt tot aan de onvruchtbare woestijn del Norte.
-</p>
-<p>In dit gedeelte der prairie spreidt de natuur om zoo te zeggen met verkwistende praalzucht,
-een rijkdom van groeikracht en vruchtbaarheid ten toon die men elders te vergeefs
-zou zoeken.
-</p>
-<p>Guetzalli was aangelegd op de bouwvallen van een der bovengenoemde, voorheen zoo bloeiende
-zendelingsposten der paters Jezuïeten, die sedert het decreet der uitdrijving uit
-deze streek verdwenen zijn.
-</p>
-<p>Zonder hier in eenige beschouwingen hetzij voor of tegen de Jezuïetenorde te treden,
-zullen wij alleen in &#x2019;t voorbijgaan zeggen, dat zij in dit gedeelte van Amerika groote
-diensten heeft bewezen; dat al de zendingsposten, door de paters in de wildernis gesticht,
-bloeiden; dat de Indianen van alle kanten toestroomden om zich onder hunne vaderlijke
-wetten te stellen, en dat sommige missiën, die wij bij name zouden kunnen noemen,
-niet minder dan zestig duizend bekeerlingen telden; ten bewijze van de deugd hunner
-instellingen kan men aanvoeren, dat toen de Jezuïeten van hooger hand bevel kregen
-hunne posten aan andere geestelijke broeders over te geven, de proselieten hun uit
-eigen beweging en met vele tranen smeekten om dit willekeurig bevel niet te gehoorzamen,
-hun aanbiedende om hen desnoods tegen alles te zullen verdedigen.
-</p>
-<p>Tot staving van dezen lof dien wij den Jezuïeten hoezeer spade toekennen, kan verder
-dienen, dat na hun vertrek de zendingsposten spoedig zijn vervallen, en de proselieten
-die zij met zooveel moeite in den schoot der Kerk hadden gebracht, allen tot het wilde
-leven zijn teruggekeerd; ofschoon na verloop van zoo vele jaren de geheugenis der
-weldaden hun door de zendelingen bewezen, nog altijd in het hart der Indianen leeft
-en een hoofdonderwerp uitmaakt hunner gesprekken, wanneer zij des avonds rondom hunne
-kampvuren samen keuvelen, over den goeden ouden tijd, toen de blanke vaders nog voor
-hen zorgden en waakten.
-</p>
-<p>Don Sylva de Torres wenschte zoo spoedig mogelijk en langs den kortsten weg de kolonie
-Guetzalli te bereiken; ongelukkig moest hij daartoe, om zoo te zeggen als een vogel
-door de lucht, eene uitgebreide landstreek doortrekken, waar geen spoor van pad of
-weg te vinden was; bovendien was hij door zijn gemis van plaatselijke kennis <span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span>genoodzaakt zich geheel op don Martial te verlaten, een uitmuntende gids ongetwijfeld
-waar het op schranderheid of kennis van de wildernis aankwam, maar in wien hij om
-andere redenen, daar hij zich niet recht rekenschap van wist te geven, niet veel vertrouwen
-stelde.
-</p>
-<p>Evenwel gaf de Tigrero, in schijn althans, bewijs van de meeste <span class="corr" id="xd30e5151" title="Bron: voorkomenheid">voorkomendheid</span> en zorg voor den haciendero, voerde hem zooveel mogelijk langs begaanbare wegen,
-deed hem de moeielijkste plaatsen vermijden of omtrekken en waakte met voorbeeldigen
-ijver voor de veiligheid der kleine karavaan.
-</p>
-<p>Iederen avond kampeerde de troep op de kruin van een heuvel, vanwaar men tot op verren
-afstand kon uitzien, ten einde eene overrompeling te vermijden.
-</p>
-<p>Op den avond van den vierden dag, na een vermoeienden marsch over een verbrokkeld
-terrein, bereikten zij een heuvel, waar don Martial hun weder voorstelde te kampeeren.
-</p>
-<p>De haciendero nam dit voorstel des te gretiger aan, daar hij weinig aan deze manier
-van reizen gewoon, zich uiterst vermoeid gevoelde. Na een sober maal, uit gebraden
-maïskoeken en gestoofde, met piment gekruide en met pulque gedoopte peren bestaande,
-wikkelde don Sylva, zonder zelfs aan zijne vaste gewoonte te denken om na den maaltijd
-een cigarette te rooken, zich zorgvuldig in zijn mantel, strekte zich op den grond
-uit, met de voeten aan het vuur en het hoofd op een stapeltje zoden en zonk bijna
-onmiddellijk in een diepen slaap.
-</p>
-<p>Don Martial en Anita bleven eene poos stilzwijgend bij het vuur zitten met de oogen
-op den slapende gericht en met aandacht zijne ademhaling bespiedende. Eindelijk, toen
-de Tigrero overtuigd was dat de haciendero werkelijk sliep, wendde hij zich tot het
-meisje en fluisterde haar met eene zachte stem in &#x2019;t oor:
-</p>
-<p>»Vergeving, <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita, vergeving!&#x201d;
-</p>
-<p>»Vergeving! en waarom?&#x201d; vroeg zij verwonderd.
-</p>
-<p>»Helaas! het is voor mij dat gij zooveel moet lijden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Egoïst,&#x201d; riep zij met een bekoorlijken lach, »is het dan ook niet tevens voor mij,
-omdat ik u zoo bemin?&#x201d;
-</p>
-<p>»O! dank!&#x201d; riep hij, »gij geeft mij den moed terug dien ik in mijn hart voelde wegzinken.
-Maar o! hoe zal dit alles nog afloopen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed, daarvan ben ik overtuigd,&#x201d; riep zij levendig, »wij hebben slechts een weinig
-geduld noodig; mijn vader, denk dat maar, zal spoedig voor u gewonnen zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>De Tigrero glimlachte droevig.
-</p>
-<p>»Ik kan u toch niet zoo eindeloos in de prairie laten zwerven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is zoo,&#x201d; hervatte zij bezorgd. »Wat zullen wij doen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik weet het niet. Sedert twee dagen doen wij niets anders dan om de kolonie heen
-zwerven, daar wij nauwelijks drie uren ver van verwijderd zijn, zonder dat ik den
-moed heb om er binnen te trekken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Helaas!&#x201d; mompelde het meisje.
-<span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span></p>
-<p>»Ach! <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita!&#x201d; vervolgde hij op zekeren toon van moedeloosheid, »waarom hebt gij toch zulk
-een vader?&#x201d;
-</p>
-<p>»O spreek zoo niet,&#x201d; riep zij hem schielijk de hand op den mond leggende als om hem
-te doen zwijgen, »waarom zoudt gij wanhopen? God is goed. Hij zal ons niet verlaten;
-wie weet hoe zich alles nog ten beste keert, laten wij op Hem vertrouwen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar, mijne lieve,&#x201d; riep hij hoofdschuddend, »onze toestand is onhoudbaar. Langer
-zonder doel voorttrekken is onmogelijk. Uw vader, hoe weinig hij ook met dit land
-bekend is, zal eindelijk zien dat ik hem misleid, en dan kan ik niets meer bij hem
-uitrichten. Aan den anderen kant, als ik de kolonie binnen trok, zou ik u terugbrengen
-onder het juk van den man met wien men u dwingen wil te trouwen; tot zulke eene schandelijke
-dwaasheid kan ik niet besluiten. O! ik zou gaarne tien van mijne levensjaren geven
-om te weten wat ik doen moet.&#x201d;
-</p>
-<p>Op dit oogenblik als had de hemel zijnen wensch gehoord en er onmiddellijk op willen
-antwoorden zag de Tigrero, wiens oogen werktuigelijk over de prairie weidden, waar
-alles thans in de diepste duisternis gedompeld lag, op korten afstand tusschen de
-hooge grashalmen een licht, op verschillende wijze herhaald, opsteken en bepaalde
-telegraphische figuren in de lucht beschrijven. En op hetzelfde oogenblik hoorde zijn
-geoefend oor zoo hij meende in de verte het gehinnik van een paard.
-</p>
-<p>»Dat is iets buitengewoons,&#x201d; mompelde hij in zich zelven. »Wat zou dat beteekenen?
-Zou het een signaal zijn? Intusschen zijn wij hier alleen; ik heb den ganschen dag
-geen spoor of teeken van menschelijk leven ontdekt. En toch, dat licht en dat gehinnik,
-zoo onmiddellijk achter elkander&#x200a;&#x2026;?&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat schort u, mijn vriend!&#x201d; vroeg <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita bezorgd. »Gij schijnt ongerust; welk gevaar bedreigt ons? Zeg het vrij. Gij
-weet, ik ben moedig, en bovendien wat zou ik vreezen daar ik u bij mij heb! Verzwijg
-mij niets. Er is zeker iets buitengewoons, is het niet?&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu ja,&#x201d; antwoordde hij ronduit, daar hij het toch niet voor haar kon verbergen, »er
-gebeurt iets ongewoons; maar verontrust u niet, ik geloof niet dat gij iets te vreezen
-hebt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar wat is het dan? Ik heb niets gezien.&#x201d;
-</p>
-<p>»Kijk eens, daar ginds,&#x201d; zeide hij, de hand uitstrekkende.
-</p>
-<p>Het meisje keek scherp uit, en zag nu wat de Tigrero reeds eenige oogenblikken vroeger
-gezien had, een licht in de verte, dat als een roode stip in de duisternis schitterde
-en zeer bepaalde lijnen beschreef.
-</p>
-<p>»Dat is blijkbaar een signaal,&#x201d; hernam de Tigrero, »daar moet iemand verscholen zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wacht gij dan iemand?&#x201d; vroeg zij.
-</p>
-<p>»Bepaald niemand, en toch, ik weet niet waarom, geloof ik dat dit signaal voor mij
-bestemd is.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span></p>
-<p>»Ja, maar gij weet wel wij zijn in de prairie en worden waarschijnlijk door een aantal
-Indiaansche jagers omringd; dus kan dat licht wel een signaal zijn dat zij elkander
-geven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen, <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita, gij vergist u, wij worden althans op dit oogenblik niet door Indiaansche jagers
-omringd; ik weet zeker dat wij hier alleen zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoe kunt gij dat weten, vriend, daar gij geen oogenblik hier <span class="corr" id="xd30e5209" title="Bron: van daan">vandaan</span> zijt geweest om het te onderzoeken?&#x201d;
-</p>
-<p>»Mijn lieve <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita,&#x201d; antwoordde hij op ernstig nadrukkelijken toon, »de prairie is een open boek,
-waarin Gods hand duizend geheimen heeft opgeteekend, die de mensch, aan het leven
-der woestijn gewoon, er op iedere bladzijde leest: de wind die door de takken ruischt,
-het water dat over de keien der beek murmelt, de vogel die de lucht doorvliegt, het
-hert of de bison die in de vlakte graast, de alligator die zich omwentelt in het oeverslijk,
-zijn voor mij zoovele teekenen daar ik mij nooit in vergissen zal. Sedert twee dagen
-hebben wij geen spoor of teeken van de Roodhuiden ontdekt, de bisons en andere dieren
-die wij ontmoetten graasden rustig en zonder mistrouwen; de vogels vlogen ongestoord,
-en de alligators waren zoo diep onder het slib weggedoken dat men ze bijna niet zien
-kon. Al deze dieren ruiken de nadering van den mensch, vooral van den Indiaan reeds
-op verren afstand, en nauwelijks hebben zij er de lucht van, of zij vluchten met allen
-spoed, zoo groot is de vrees die de koning der schepping hun inboezemt. Ik herhaal
-u, wij zijn alleen, gansch alleen; dat signaal is dus zeker voor mij. En ziedaar,
-het begint op nieuw.&#x201d;
-</p>
-<p>»&#x2019;t Is waar, ik zie het duidelijk,&#x201d; riep <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita.
-</p>
-<p>»Ik moet weten wat dit beduidt,&#x201d; zeide hij, zijn geweer nemende.
-</p>
-<p>»O! don Martial; ik bid u, pas toch op! en wees voorzichtig. Denk om mij,&#x201d; vervolgde
-zij angstig.
-</p>
-<p>»Maak u niet ongerust, <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita, ik ben te lang woudlooper geweest om mij door zulk een grove list te laten
-beet nemen; tot flusjes! ik kom dadelijk weêr bij u.&#x201d;
-</p>
-<p>Zonder verder naar het meisje te luisteren, dat hem met tranen en beden zocht te weêrhouden,
-liep hij snel ofschoon behoedzaam den heuvel af.
-</p>
-<p>In de vlakte komende bleef hij staan, om te zien waar hij was en wat hij verder doen
-moest.
-</p>
-<p>Zijn kamp lag op twee pijlschoten afstands van de Rio Gila bijna recht tegenover een
-groot eiland, dat inderdaad uit eene enkele rots bestaat, die ongeveer de gedaante
-van een mensch heeft en bijgevolg door de Apachen <i>de Meester des levens van den mensch</i> is genoemd.
-</p>
-<p>Bij hunne invallen op Mexicaansch grondgebied zullen de Roodhuiden nooit verzuimen
-dit eiland te bezoeken om er hunne <span class="corr" id="xd30e5238" title="Bron: offerhanden">offeranden</span> te brengen, eene ceremonie die hoofdzakelijk bestaat in dansen en <span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span>daarbij in het water werpen van tabak, dieren- of menschenhaar en <span class="corr" id="xd30e5243" title="Bron: verderen">vederen</span> van vogels.
-</p>
-<p>De bovengenoemde rots, die er in de verte zeer wonderlijk en ontzagwekkend uitziet,
-is met twee holen doorboord, elk van twaalf honderd schreden lang en veertig breed,
-en de kruin heeft den vorm van een boog.
-</p>
-<p>Wat de opmerkzaamheid van den Tigrero bijzonder getroffen en hem terstond had doen
-besluiten het vermeende signaal nader te gaan onderzoeken, was dat het van dit eiland
-was uitgegaan, een ongewoon verschijnsel, des te meer daar hij wist dat de Indianen
-voor dit eiland eene bijgeloovige vrees koesteren, zoodat geen Roodhuid hoe dapper
-hij ook wezen mocht gewaagd zou hebben er den nacht door te brengen. Zijne bekendheid
-met die vrees had hem terstond bewogen om het geheimzinnig signaal nader te onderzoeken.
-</p>
-<p>Er groeide hoog en dicht gras tot aan den rand der rivier. Daar komende onder bedekking
-van dichte tot een ondoordringbaar warnet in elkander gegroeide wortelboomen en waterwilgen,
-sloop de Tigrero behoedzaam naar den vrij steilen oever, en toen hij dezen bereikt
-had, greep hij een overhangenden tak en liet zich in het water zakken, zoodat zijne
-indompeling geen het minste geplas maakte.
-</p>
-<p>Toen zijn geweer met de eene hand boven water houdende, om het voor nat worden te
-bewaren, zwom hij met de andere hand de rivier over naar het eiland.
-</p>
-<p>De afstand was kort, de Tigrero was een goed zwemmer, weldra bereikte hij het punt
-waar hij wilde aanlanden.
-</p>
-<p>Nauwelijks was hij aan wal of hij ging op zijn buik liggen en kroop door de struiken,
-zorgvuldig achtgevend op het minste geluid en zoo scherp mogelijk rondziende in de
-duisternis.
-</p>
-<p>Hij zag of hoorde niets; nu stond hij op en liep naar een der holen en grotten, aan
-welks ingang hij het schijnsel van een vuur zag blinken. Bij dat vuur zat een man,
-met het hoofd op de beide handpalmen geleund, zoo rustig te rooken alsof hij in een
-pulqueria te Guaymas gezeten was.
-</p>
-<p>Na dezen man eene minuut lang te hebben bespied, kon hij nauwelijks een vroolijken
-uitroep bedwingen en trad hij zonder zich langer te verbergen regelrecht naar hem
-toe.
-</p>
-<p>Hij had zijn ouden vertrouweling, Cuchares den lepero herkend.
-</p>
-<p>Het gedruisch der voetstappen van den Tigrero deed Cuchares opkijken.
-</p>
-<p>»Wel, wel! komt gij eindelijk, don Martial!&#x201d; riep hij, »ik heb mij een uur lang vermoeid
-met alle seinen te geven die ik bedenken kon, zonder dat gij u verwaardigd hebt mij
-te antwoorden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, mijn waarde,&#x201d; zei de Tigrero vroolijk, »als ik had kunnen vermoeden dat gij het
-waart, zou ik reeds lang hier zijn geweest; maar ik was zoo ver van u te verwachten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wel ingezien hebt gij gelijk, en in eene streek als hier kan men niet te voorzichtig
-zijn.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span></p>
-<p>»Maar zeg mij, is er wat nieuws?&#x201d; hervatte de Tigrero terwijl hij dicht bij het vuur
-plaats nam, om zijne druipnatte kleeren te drogen.
-</p>
-<p>»<i>Caspita!</i> of er wat nieuws is! anders zaagt gij mij zeker niet hier.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat&#x2019;s waar; gij zijt een goede kameraad, ik dank u dat gij gekomen zijt; gij weet
-wel dat ik goed onthouden kan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat weet ik.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ter zake, zeg mij wat hebt gij mij mede te deelen; ik heb haast om uw nieuws te hooren,
-en vooraf nog eene vraag.&#x201d;
-</p>
-<p>»Welke?&#x201d;
-</p>
-<p>»Is het goed?&#x201d;
-</p>
-<p>»Onverbeterlijk; gij zult het zelf kunnen beoordeelen.&#x201d;
-</p>
-<p>»<i>Carai!</i> als dat zoo is, neem dan dezen ring, dien ik niet verplicht was u te geven voordat
-onze zaken geheel waren afgedaan; maar wees verzekerd, als wij onze rekening sluiten,
-zal ik nog wel iets vinden dat u bevallen zal.&#x201d;
-</p>
-<p>De oogen van den lepero schitterden van blijdschap en begeerigheid; hij nam den ring
-en borg hem bij den anderen dien hij eenige dagen te voren ontvangen had.
-</p>
-<p>»Ik dank u,&#x201d; zeide hij, »Vive Dios! Het is een pleizier om zaken met u te doen: gij
-knibbelt ten minste niet.<span class="corr" id="xd30e5281" title="Niet in bron">&#x201d;</span>
-</p>
-<p>»Thans uw nieuws.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hier is het, kort, maar goed. El <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> conde, radeloos over het verdwijnen zijner bruid, die hij meent dat door de Apachen
-is opgelicht, heeft zich aan &#x2019;t hoofd zijner kompagnie gesteld, is van de hacienda
-vertrokken en doorkruist thans de prairie in alle richtingen om den Zwarte-Beer na
-te zetten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Carai! dat is de gelukkigste tijding die gij mij ooit brengen kondt. En wat denkt
-gij nu te doen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Wel, wij zijn immers afgesproken dat <i lang="es">el conde</i>.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Zonder twijfel!&#x201d; viel de Tigrero hem in de rede; »maar dan moeten wij hem eerst aantreffen,
-hetgeen naar ik meen thans niet gemakkelijk gaan zal.&#x201d;
-</p>
-<p>»Integendeel.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoe dan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Wel, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> don Martial, zoudt gij mij nu de oneer willen aandoen van te zeggen dat ik een <i lang="es">pavo</i>&#x2014;een kalkoen&#x2014;ben.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wel neen, compadre, maar.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar gij denkt het toch; dan moet ik u tot mijn genoegen zeggen dat gij u bedriegt;
-gedurende de weinige oogenblikken die ik in de hacienda was, heb ik zooveel mogelijk
-navraag gedaan en mij goed laten inlichten, en daar ik mij in mijn geleende kwaliteit
-als boodschapper aanmeldde, heeft niemand eenig bezwaar gemaakt mij te antwoorden.
-Het schijnt dat de Apachen in plaats van veld te winnen, door de Franschen, daar zij
-in parenthesis den schrik van <span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span>hebben gezet, zoo dapper zijn afgeslagen dat zij zich naar de woestijn del Norte hebben
-teruggetrokken, om hunne dorpen te bereiken; el conde zet hen na, niet waar?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, dat hebt gij mij gezegd.&#x201d;
-</p>
-<p>»Welnu, naar alle waarschijnlijkheid zal hij zich niet in die woestijn durven wagen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Natuurlijk niet,&#x201d; riep de Tigrero huiverend, »hoe dapper hij ook wezen mag.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeer goed! en dan kan hij slechts op één punt post vatten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Aan de <span class="corr" id="xd30e5318" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span>!&#x201d; riep don Martial schielijk.
-</p>
-<p>»Juist! Ik ben dus zeker dat ik hem daar ontmoeten zal.&#x201d;
-</p>
-<p>»Slapperment! dan moet gij daar dadelijk heen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik ga op weg zoodra gij vertrokken zijt.&#x201d;
-</p>
-<p>De Tigrero staarde hem met zekere verbazing aan.
-</p>
-<p>»Diablo! Cuchares,&#x201d; riep hij een oogenblik later, »gij zijt een <span class="corr" id="xd30e5328" title="Bron: cordaat">kordaat</span> man, ik acht mij gelukkig dat ik mij in u niet bedrogen heb.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat belieft u,&#x201d; antwoordde de schelm zedig terwijl hij met zijne grijze oogen kwaadaardig
-knipte, »de betrekkingen die ik met u heb aangegaan zijn zoo aangenaam dat ik de macht
-niet heb u iets te weigeren.&#x201d;
-</p>
-<p>Beiden schoten in een lach over dezen tamelijk dubbelzinnigen kwinkslag.
-</p>
-<p>»Welnu, daar alles tusschen ons is afgesproken,&#x201d; hervatte don Martial, »kunnen wij
-scheiden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoe zijt gij hier gekomen?&#x201d; vroeg de lepero.
-</p>
-<p>»Dat kunt gij dunkt mij wel zien, al zwemmende.&#x2026; En gij?&#x201d;
-</p>
-<p>»Op mijn paard. Ik zou u wel aanbieden u weder aan wal te brengen, maar wij moeten
-elk een anderen kant uit.&#x201d;
-</p>
-<p>»Voor het oogenblik nog niet.&#x201d;
-</p>
-<p>»Denkt gij dan spoedig naar ginds te gaan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarschijnlijk,&#x201d; riep hij met een dubbelzinnigen glimlach.
-</p>
-<p>»O! dan zullen wij elkander spoedig weêrzien.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik hoop ja.&#x201d;
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd30e5344" title="Niet in bron">»</span>Hoor eens, don Martial, daar ik zie dat uwe kleederen volkomen droog zijn, zou het
-mij spijten als gij u voor de tweede maal moest nat maken, ik geloof dat er eene prauw
-in de nabijheid is; gij weet dat de Indianen die overal gereed hebben en ergens verbergen.&#x201d;
-</p>
-<p>De Tigrero trad de grot in, keek rond en zag werkelijk een prauw, ordelijk met de
-daarbij behoorende pagaaien tegen den wand geplaatst; hij nam haar onbeschroomd op,
-en droeg haar op zijne schouders naar den rivierkant.
-</p>
-<p>»Maar eer wij verder gaan, zeg eens, waarom hebt gij deze plaats gekozen om bij mij
-te komen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Om niet gestoord te worden; of zou het u bevallen zijn, dat iemand ons gesprek had
-beluisterd!&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen, dat stem ik u toe. Kom, tot weêrziens dan.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span></p>
-<p>»Tot weêrziens!&#x201d;
-</p>
-<p>De twee mannen scheidden, Cuchares om een verren tocht te beginnen, en don Martial
-om naar zijn kampement terug te keeren.
-</p>
-<p>Zij hadden zich intusschen bedrogen, toen zij meenden door niemand beluisterd te worden.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd30e5357" title="Bron: Nauwlijks">Nauwelijks</span> hadden zij het eiland verlaten en zich in verschillende richting verwijderd, of er
-stak uit eene dichte massa dahlia&#x2019;s en floripondio&#x2019;s aan den ingang der grot een leelijk
-hoofd op, dat omzichtig links en rechts rondkeek; vervolgens, een oogenblik later,
-werden de takken meer en meer uit elkander geduwd en volgde op het hoofd het geheele
-lichaam, en weldra trad een Apache-Indiaan, als oorlogsman beschilderd en gewapend
-te voorschijn.
-</p>
-<p>Die Indiaan was de Zwarte-Beer.
-</p>
-<p>»Ooah!&#x201d; mompelde hij met een dreigend gebaar, »de bleekgezichten zijn honden, de Apachen-krijgslieden
-zullen hen op den voet volgen.&#x201d;
-</p>
-<p>Nadat hij nog een poosje den helderen sterrenhemel had aangekeken ging hij de grot
-in.
-</p>
-<p>Intusschen had de Tigrero zijn kamp weder bereikt.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita, ongerust over zijn lang uitblijven, wachtte hem met angstige bezorgdheid.
-</p>
-<p>»Wel?&#x201d; vroeg zij, hem te gemoet snellende, zoodra zij hem zag aankomen.
-</p>
-<p>»Goed nieuws,&#x201d; antwoordde hij.
-</p>
-<p>»O, wat heb ik in angst gezeten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zeg u dank, het is juist gegaan zoo als ik verwacht had; het signaal was werkelijk
-voor mij.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik heb een vriend ontmoet die mij de middelen heeft verschaft om uit de valsche stelling
-te geraken waarin wij ons bevinden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Op welke wijs?&#x201d;
-</p>
-<p>»Verontrust u over niets, zeg ik u en laat mij begaan.&#x201d;
-</p>
-<p>Het meisje gehoorzaamde stilzwijgend en ondanks hare nieuwsgierigheid, verwijderde
-zij zich in de jacal,&#x2014;eene hut van samengevlochten takken&#x2014;die voor haar was gereed
-gemaakt, zonder don Martial verder te vragen wat er van was.
-</p>
-<p>In plaats van te slapen vlijde de Tigrero zich onder een boom neer, kruiste de armen
-op de borst en bleef onbeweeglijk zitten, in sombere gepeinzen verzonken tot de dag
-aankwam.
-</p>
-<p>Met het opgaan der zon stond hij op, stapte eenige malen op en neder om de stramme
-vadsigheid van den nacht te verdrijven en riep zijne kameraden.
-</p>
-<p>Tien minuten later hervatte de kleine troep weder den marsch.
-</p>
-<p>»O ho! don Martial, wat zijt gij er vroeg bij, dezen morgen,&#x201d; riep de haciendero.
-</p>
-<p>»Hebt gij dan niet opgemerkt dat wij vooraf niet ontbeten hebben, zoo als wij anders
-alle dagen deden?&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span></p>
-<p>»Caramba, neen!&#x201d;
-</p>
-<p>»Weet gij waarom? &#x2019;t Is omdat wij heden te Guetzalli zullen ontbijten, daar wij over
-twee uren aankomen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ah! te weerga!&#x201d; riep <span class="corr" id="xd30e5390" title="Niet in bron">de </span>haciendero, »dat hoor ik met bijzonder genoegen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Niet waar?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik verzeker u van ja.&#x201d;
-</p>
-<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita had toen zij dit gesprek hoorde don Martial een ongerusten blik toegeworpen,
-maar zijn gelaat stond zoo kalm en hij glimlachte zoo vroolijk, dat zij onmiddellijk
-tot bedaren kwam, wel vermoedende dat de stilzwijgendheid van den Tigrero te haren
-opzichte haar eene aangename verrassing wilde bereiden.
-</p>
-<p>Zooals don Martial gezegd had, kwam de karavaan twee uren later werkelijk aan de kolonie.
-</p>
-<p>Nauwelijks waren zij door de schildwachts herkend, of de valbrug aan de landengte
-werd neergelaten en zij reden de hacienda binnen, waar zij met al de vereischte eerbewijzen
-ontvangen werden.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita, die geen oog van den Tigrero <span class="corr" id="xd30e5404" title="Bron: afhad">af had</span>, werd beurtelings bleek en rood, daar zij zijne volkomen bedaardheid volstrekt niet
-begreep.
-</p>
-<p>Zij stapten af op de tweede binnenplaats, voor de groote deur.
-</p>
-<p>»Waar is toch de graaf de Lhorailles?&#x201d; vroeg don Sylva, ten hoogste verwonderd dat
-hij zijn aanstaanden schoonzoon niet zag verschijnen om hem naar behooren te ontvangen.
-</p>
-<p>»Mijnheer de graaf zal wanhopig zijn als hij hoort dat gij zijt teruggekomen terwijl
-hij afwezig is,&#x201d; antwoordde de majordomo met een stroom van verontschuldigingen.
-</p>
-<p>»Is hij dan van huis?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, <span class="corr" id="xd30e5414" title="Bron: senoria">señoria</span>.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar komt hij spoedig terug?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat denk ik niet; de kapitein is vertrokken aan het hoofd van zijne gansche compagnie,
-om de Roodhuiden te vervolgen.&#x201d;
-</p>
-<p>Dat bericht klonk don Sylva als een donderslag.
-</p>
-<p>De Tigrero en <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita wisselden een blik van genoegen.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch20" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7000">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XX.</h2>
-<h2 class="main">IN DEN ZADEL.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De groote zandwoestijn del Norte is de Sahara van Amerika, misschien minder uitgestrekt,
-maar veel doodscher en akeliger dan die van Afrika.
-</p>
-<p>Daar vindt men nog lachende oasen, door prachtige boomgroepen overschaduwd en door
-koele bronnen verfrischt. Maar in del Norte niets van dat alles. Onder een hemel als
-van geel koper strekken <span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span>zich onmetelijke vlakten uit van vaalgrijs zand, van horizont tot horizont, in iedere
-richting zand, niets dan zand; een fijn ontastbaar zand of veeleer fijn stof, dat
-de wind in groote wolken opjaagt, verplaatst en er mede voortwervelt, zoodat de gedaante
-der woestijn gedurig verandert en telkens nieuwe valleien gegraven en nieuwe heuvels
-worden opgehoopt, zoo vaak de ontzaglijke <i lang="es">cordonazo</i> er den mullen grond omwoelt.
-</p>
-<p>Grauwe rotsen, met een schraal en verschroeid mos bedekt, steken hier en daar de kale
-kruinen omhoog te midden van dezen chaos, die sinds het uur der schepping nog niet
-van gedaante veranderd is.
-</p>
-<p>De bison, de asshata, de snelle antilope ontvluchten deze woestijn, waar de mulle
-bodem hunne pooten weigert te dragen; de gieren alleen, met hun bloedig en loerend
-oog, vliegen bij troepen in dit onherbergzaam gewest om er een zeldzamen maar zekeren
-buit te zoeken; want deze woestenij is zoo vreeselijk, dat de Indianen <span class="corr" id="xd30e5440" title="Bron: zee ven">zelven</span> er zich niet dan sidderend in wagen en haar zoo snel mogelijk<span id="xd30e5443"></span> doortrekken, wanneer zij naar hunne dorpen terug moeten na eenen rooftocht op Mexicaansch
-grondgebied; maar ondanks hunnen ongelooflijk snellen loop teekent zich hun spoor
-in eene onuitwischbare reeks van geraamten van muildieren en paarden, die zij bij
-gebrek aan voedsel verplicht zijn aan hun lot over te laten, en wier gebeente op den
-naakten bodem ligt te verbleeken en te verkalken, tot de van nieuws ontboeide storm
-het als met een doodskleed van zand bedekt.
-</p>
-<p>En toch, als had de hand des Scheppers, gelijk overal, ook in de dorre woestijn hare
-zorgende almacht willen ten toon spreiden, ziet men, bij zeer groote tusschenruimten,&#x2014;o
-wonderbare verschijning! half in het zand begraven, te midden der ordeloos daarheen
-geworpen rotsen, een krachtigen boom oprijzen, met vervaarlijk dikken stam, die wellicht
-den storm van 10 à 20 eeuwen heeft getrotseerd en wiens dicht gebladerte den matten
-reiziger onder zijne schaduw eenige rust schijnt te willen bieden.
-</p>
-<p>Zulke boomen echter verlevendigen de doodelijke vlakte niet dan mijlen ver van elkander,
-en nooit of althans zeer zelden zal men er twee op dezelfde plaats bijeen vinden.
-</p>
-<p>Deze patriarchen der woestijn, eerwaardig door ouderdom en majestueuze eenzaamheid,
-worden door de jagers en woudloopers op hoogen prijs gesteld, en door de Indianen
-schier afgodisch vereerd.
-</p>
-<p>Doch wij herhalen het, behalve deze weinige mijlpalen, als onmerkbare stippen in de
-onmetelijke ruimte verloren, ziet men geen planten noch dieren in de gansche del Norte,
-niets dan zand, altoos zand.
-</p>
-<p>De <span class="corr" id="xd30e5451" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> van Montecuzoma, waar in dezen oogenblik de vrijcompagnie van den graaf de Lhorailles
-gekantonneerd lag, verhief zich, en verheft zich waarschijnlijk thans nog, aan de
-uiterste grens der prairie, hoogstens twee mijlen van de zandwoestijn.
-<span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span></p>
-<p>De lijn van afscheiding tusschen deze twee gewesten is scherp en stout afgeteekend.
-</p>
-<p>Aan de eene zijde eene weelderig rijke en door overvloed van sap en groeikracht gekenmerkte
-plantenwereld; vroolijk groenende vlakten, bedekt met hoog en dicht gras, waarop dieren
-van allerlei soort weide en voedsel vinden; het zingen der vogels, het geschuifel
-der slangen, het loeien der bisons, het gonzen van duizende insekten, in een woord,
-het groote, krachtige, bovenal lustig werkzame leven dat door al de poriën dezer gezegende
-natuur heendringt en ademt.
-</p>
-<p>Aan de andere zijde eene eeuwige stilte des doods, een grauwe horizont, een oceaan
-van zand, welks onrustige golven van alle kanten voortdringen om de prairie te veroveren;
-maar geen struik of grashalm hoe gering ook, geen wortel, geen mos, niets dan stuivend
-zand!
-</p>
-<p>In de <span class="corr" id="xd30e5461" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span>, na zijn gesprek met Cuchares, had de graaf zijne officieren teruggeroepen, en zich
-weder met hen vereenigd in vroolijk gezwets, gedrink en gelach.
-</p>
-<p>Eerst laat in den nacht stond men van tafel op om zich ter rust te begeven.
-</p>
-<p>Cuchares alleen sliep niet, hij lag te denken. Wij weten reeds, nagenoeg althans,
-met welk doel hij den graaf in de <span class="corr" id="xd30e5467" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> was komen bezoeken.
-</p>
-<p>Met zonsopgang klonk de trompet voor de morgenwaak.
-</p>
-<p>De soldaten rezen op van den bedauwden grond, waar zij geslapen hadden, rekten hunne
-stramme leden en haastten zich om de nachtkoude te verdrijven, door het verzorgen
-der paarden en het maken der noodige toebereidselen voor den ochtendmaaltijd.
-</p>
-<p>Binnen weinige minuten had het kamp dien levendigen en vroolijken toon aangenomen,
-die alle soldaten en inzonderheid de Fransche kenmerkt wanneer zij te velde zijn getrokken.
-</p>
-<p>In de ruime zaal der <span class="corr" id="xd30e5475" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> zaten de graaf en zijne luitenants op uitgedroogde bisonsschedels en hielden samen
-raad; de beraadslaging werd bijzonder levendig.
-</p>
-<p>»Binnen een uur,&#x201d; zei de graaf, »gaan wij weder op marsch, wij hebben twintig muildieren
-beladen met levensmiddelen, tien met drinkwater, en acht met oorlogsbehoeften; derhalve
-hebben wij niets te vreezen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is in zooverre waar, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> conde,&#x201d; merkte de capataz aan, »maar.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat bedoelt gij daarmede?&#x201d;
-</p>
-<p>»Wij hebben geen gidsen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat zouden wij met gidsen doen?&#x201d; riep de graaf driftig, »wij behoeven het spoor der
-Apachen slechts te volgen, dat is dunkt mij voldoende.&#x201d;
-</p>
-<p>Blas Vasquez schudde het hoofd.
-</p>
-<p>»Gij kent de del Norte niet, <span class="corr" id="xd30e5491" title="Bron: senoria">señoria</span>,&#x201d; sprak hij ronduit.
-<span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span></p>
-<p>»Dat doe ik ook niet; het is de eerste maal dat de omstandigheden er mij heen voeren.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij moogt den hemel bidden dat het niet tevens de laatste zij.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat zegt gij daar?&#x201d; riep de graaf inwendig huiverend.
-</p>
-<p>»Heer graaf, de del Norte is geen wildernis maar een draaikolk van wielend zand; de
-minste windvlaag in deze doodsche vlakte jaagt het zand in wolken omhoog en verzwelgt
-menschen en paarden, zonder een spoor van hen over te laten; alles verdwijnt er en
-wordt voor eeuwig als onder een doodkleed van zand begraven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wel, wel!&#x201d; riep de graaf nadenkend.
-</p>
-<p>»Geloof mij, heer graaf,&#x201d; vervolgde de capataz, »ik raad u stellig af u met uw dappere
-kompagnie in die onverbiddelijke woestijn te wagen; niemand van u zou er weder uitkomen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ondertusschen, de Apachen zijn ook menschen; zij zijn immers niets dapperder, noch
-beter gewapend dan wij?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat geef ik toe.&#x201d;
-</p>
-<p>»Welnu, en die trekken de del Norte wel door, van het noorden naar het zuiden en van
-het oosten naar het westen, en dat niet eens in het jaar maar tienmaal, ja zoo dikwijls
-het hun in den zin komt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Weet gij tot welken prijs dit geschiedt, heer graaf? hebt gij de lijken geteld die
-zij langs den weg achterlaten, als treurige merkteekens waar zij geweest zijn? En
-buitendien, gij kunt u niet met de Roodhuiden gelijk stellen, voor wie de woestijn
-geene geheimen meer heeft, zij kennen haar in volle lengte en breedte.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dus beweert gij,&#x201d; riep de graaf ongeduldig, »dat.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat de Apachen door u herwaarts te lokken en door u twee dagen geleden aan te vallen,
-u een strik zoeken te spannen; zij willen u verleiden om hen in de woestijn te volgen,
-wel verzekerd niet alleen dat gij hen nooit zult inhalen, maar dat gij en al uw volk
-er uw gebeente zult laten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij zult mij intusschen moeten toestemmen, mijn waarde don Blas, dat het al zeer
-vreemd zou zijn, als er van al uwe peons geen enkele te vinden was die ons door de
-woestijn den weg kan wijzen. Wat duivel! het zijn toch Mexicanen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja <span class="corr" id="xd30e5511" title="Bron: senoria">señoria</span>, maar ik heb naar ik meen reeds meermalen de eer gehad u te doen opmerken, dat al
-deze lieden costenos, dat wil zeggen kustbewoners zijn, die vroeger nooit zoo diep
-in het binnenland zijn gedrongen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat moeten wij dan doen?&#x201d; riep de graaf weifelend.
-</p>
-<p>»Naar de kolonie terugkeeren,&#x201d; hernam de capataz; »ik zie er niets anders op.&#x201d;
-</p>
-<p>»En don Sylva dan en <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita, moeten wij die maar laten varen?&#x201d;
-</p>
-<p>Blas Vasquez fronste de wenkbrauwen, zijn gelaat betrok zichtbaar, terwijl hij met
-een bewogen stem en op ernstigen toon antwoordde:
-<span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span></p>
-<p>»<span class="corr" id="xd30e5527" title="Bron: Senoria">Señoria</span>, ik ben op het erf van de familie de Torres geboren, niemand kan sterker met lijf
-en ziel aan de beide door u genoemde personen verknocht zijn, dan ik. Maar niemand
-is tot het onmogelijke verplicht. De woestijn in te trekken, onder zulke omstandigheden
-als waarin wij ons bevinden, zou zijn God te verzoeken; wij mogen op geen wonderen
-rekenen en een wonderwerk alleen zou ons kunnen redden.&#x201d;
-</p>
-<p>Er volgde een poos stilte, de woorden van den eerlijken capataz hadden op den graaf
-een indruk gemaakt, dien hij te vergeefs zocht meester te worden.
-</p>
-<p>De lepero bemerkte zijne aarzeling en trad terstond naderbij.
-</p>
-<p>»Waarom,&#x201d; vroeg hij op fleemenden toon, »hebt gij mij niet gezegd dat gij een gids
-noodig hadt, <i><span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> conde</i>?&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarom zou ik u dat gezegd hebben?&#x201d;
-</p>
-<p>»&#x2019;t Is waar ook, het was eigenlijk niet noodig, daar ik mij reeds als gids verbonden
-had om u naar don Sylva te geleiden, dat waart gij zeker vergeten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Weet <i>gij</i> dan den weg?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja! ten minste zoo goed als iemand hem kennen kan die hem slechts tweemaal gegaan
-is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Vive Dios!&#x201d; riep de graaf, »dan kunnen wij voorwaarts en er is geen reden meer om
-ons langer op te houden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Diego Leon, laat onmiddellijk in den zadel blazen, en gij, mijn brave kameraad, wees
-onze gids, gij zult ondervinden dat ik niet ondankbaar ben.&#x201d;
-</p>
-<p>»O, <span class="corr" id="xd30e5551" title="Bron: Senor">Señor</span> conde, gij kunt u gerust op mij verlaten,&#x201d; antwoordde de lepero met een dubbelzinnigen
-lach, »ik verzeker u dat ik u brengen zal waar gij wezen moet.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is al wat ik van u verlang.&#x201d;
-</p>
-<p>Blas Vasquez, met het gewone instinkt van wantrouwen dat alle eerlijke zielen is aangeboren
-en terstond spreekt wanneer zij met slechte karakters in aanraking komen, gevoelde
-voor den lepero onwillekeurig een onverwinnelijken afkeer. Deze afkeer bezielde hem
-reeds van het eerste oogenblik dat Cuchares den vorigen avond in de zaal verscheen.
-Hij hield hem dus scherp in &#x2019;t oog terwijl hij met den graaf de Lhorailles sprak,
-en zoodra de lepero zweeg gaf hij den graaf een wenk. Deze kwam ongemerkt naar hem
-toe.
-</p>
-<p>De capataz ging met hem naar een afgelegen hoek der zaal en fluisterde hem in &#x2019;t oor:
-</p>
-<p>»Wees op uwe hoede, kapitein, die kerel bedriegt u.&#x201d;
-</p>
-<p>»Weet gij dat zeker?&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen, maar ik ben er van overtuigd.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoe dat?&#x201d;
-</p>
-<p>»Eene inwendige stem zegt het mij.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hebt gij er het bewijs voor?&#x201d;
-</p>
-<p>»Geen het minste.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span></p>
-<p>»Loop heen dan, gij zijt dwaas, de vrees benevelt uw verstand.&#x201d;
-</p>
-<p>»De hemel geve dat ik mij niet bedrieg!&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoor eens, vriend, gij zijt niet verplicht ons te volgen. Blijf hier gerust op ons
-wachten, dan kunt gij de gevaren ontgaan die gij meent dat ons bedreigen.&#x201d;
-</p>
-<p>De capataz richtte zich fier op in zijne volle lengte, en zei met een blik vol majesteit
-maar zoo koel en bedaard mogelijk:
-</p>
-<p>»Het is genoeg, don <span class="corr" id="xd30e5573" title="Bron: Gaetan">Gaëtan</span>. Ik heb het mijne gedaan door u te waarschuwen zooals mijn geweten dat gebood. Gij
-wilt mijn raad niet aannemen, dat staat u vrij, ik heb mijn plicht naar behooren gedaan.
-Gij wilt voorwaarts trekken; ik zal u volgen en hoop u weldra te bewijzen, dat terwijl
-ik voorzichtig was, ik tevens wanneer het wezen moet zoo dapper ben als de dapperste.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zeg u dank,&#x201d; antwoordde de graaf, hem met warmte de hand drukkende, »ik dacht
-wel dat gij mij niet verlaten zoudt.&#x201d;
-</p>
-<p>Op dit oogenblik verhief zich buiten de zaal een geweldig leven, en stormde de luitenant
-Diego Leon driftig de zaal binnen.
-</p>
-<p>»Wat is dat, luitenant?&#x201d; vroeg hem de graaf gestreng, »hoe zijt gij zoo verschrikt
-en waarom komt gij zoo onstuimig binnen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Kapitein,&#x201d; antwoordde de luitenant met eene hijgende stem, »de kompagnie is in opstand.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat! wat zegt gij daar, luitenant, zijn mijne ruiters oproerig?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, kapitein.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ha!&#x201d; riep hij op zijn knevel bijtende, »en waarom zijn zij oproerig, als ik verzoeken
-mag?&#x201d;
-</p>
-<p>»Omdat zij de woestijn niet in willen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Willen zij niet,&#x201d; herhaalde de graaf met nadruk op ieder syllabe, »weet gij wel zeker
-wat gij daar zegt, luitenant?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zweer het u, kapitein, hoor maar hoe zij te werk gaan.&#x201d;
-</p>
-<p>Werkelijk hoorde men daar buiten vloeken, razen en tieren en werd het rumoer met ieder
-oogenblik sterker zoo dat het eindelijk hoogst bedenkelijk scheen.
-</p>
-<p>»O ho! dat wordt dunkt mij ernstig,&#x201d; hervatte don <span class="corr" id="xd30e5590" title="Bron: Gaetan">Gaëtan</span>.
-</p>
-<p>»Ernstiger dan gij denkt, kapitein; ik zweer u, de gansche kompagnie slaat aan &#x2019;t
-muiten, de rebellen hebben hunne geweren geladen, zij omsingelen het huis en doen
-niets dan schreeuwen en dreigen, zij zeggen dat zij u spreken willen en zweren dat
-zij goedschiks of kwaadschiks verkrijgen zullen wat zij verlangen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat zou ik wel eens zien willen,&#x201d; zei de graaf altoos bedaard terwijl hij reeds naar
-de deur trad.
-</p>
-<p>»Blijf hier, kapitein!&#x201d; riepen de officieren hem vooruitsnellend om hem tegen te houden;
-»de manschappen kennen zich zelven niet, het zou u een ongeluk kunnen kosten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Loop heen, mijne heeren!&#x201d; antwoordde hij, hen met een koelzinnigen wenk terugwijzend,
-»gij zijt dwaas: zij kennen mij nog niet, ik zal die bandieten toonen dat ik waard
-ben hen te kommandeeren.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span></p>
-<p>Zonder naar verdere afmaning te hooren, trad hij bedaard en met fermen tred de zaal
-door en naar buiten.
-</p>
-<p>Wat er gebeurd was laten wij hier volgen.
-</p>
-<p>De peons van Blas Vasquez hadden sedert de laatste dagen, terwijl zij met de kompagnie
-van don <span class="corr" id="xd30e5604" title="Bron: Gaetan">Gaëtan</span> in de ruïnen bivakkeerden, aan de Franschen, niet zonder de noodige overdrijving,
-allerlei sombere en akelige historie&#x2019;s nopens de woestijn del Norte verteld en over
-dit verwenscht gewest bijzonderheden aan &#x2019;t licht gebracht, die wel in staat waren
-om den stoutsten het haar te doen stoppelen. Ongelukkigerwijs kampeerde de kompagnie
-zoo als wij reeds gezegd hebben nauwelijks twee mijlen ver van de del Norte; zoo dat
-bij het maken van kleine uitstappen, de sombere aanblik der woestijn aan de akelige
-voorstelling die hun door de peons gegeven was niet weinig kracht bijzette.
-</p>
-<p>Al de soldaten van den graaf de Lhorailles waren fransche Dauph&#x2019;yeers, meerendeels
-lieden zonder eer of geweten, onverlaten door merg en been, maar dapper en, even als
-alle andere Franschen, gemakkelijk op te winden of op te ruien en even gereed ten
-kwade als ten goede. Sedert zij zich onder het kommando van den graaf de Lhorailles
-bevonden, had hij hen bij meer dan eene gelegenheid onversaagd tegen den vijand zien
-aanrukken, en toch gehoorzaamden zij hem niet dan met zekeren weerzin.
-</p>
-<p>De graaf de Lhorailles bezat in hun oog groote gebreken: vooreerst dat hij graaf,
-ten tweede dat hij te beschaafd was, zijne stem was hun te zacht, zijne manieren waren
-te kiesch en te verwijfd; zij konden zich niet verbeelden dat zulk een fijn edelman,
-zoo keurig gekleed, gedast en gehandschoend in staat was hen groote dingen te doen
-uitrichten, zij hadden liever een kommandant gezien van krachtigen bouw, ruwe stem,
-en brutale manieren, met wien zij alzoo meer op zekeren voet van gelijkheid stonden.
-</p>
-<p>Vroeg in den morgen was onder hen het gerucht verspreid, dat het kamp zou worden opgebroken
-en dat de kompagnie met allen spoed de woestijn zou intrekken om de Apachen te vervolgen.
-</p>
-<p>Reeds dadelijk waren er samenscholingen gevormd, scherpe aanmerkingen gemaakt en de
-hoofden warm geworden; weldra begon de weêrstand zich in stilte te organiseeren, en
-toen de luitenant Diego Leon werkelijk order kwam brengen om het kamp op te breken
-werd hij met gelach, gefluit en spotternij ontvangen, men had hem zotte vragen gedaan
-en beschimpt, kortom hij zag zich eindelijk genoodzaakt voor de onlusten en opschudding
-te wijken en naar den kapitein terug te keeren, om van den verkeerden loop der zaken
-verslag te doen.
-</p>
-<p>In zulke omstandigheden zijne kalmte of zelfbeheersching te verliezen of voor het
-oproer plaats te ruimen, is het grootste gebrek dat een officier bezitten kan: hij
-moet zich desnoods liever laten dooden dan een duim breed uit den weg te gaan.
-<span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span></p>
-<p>Bij oproer voert de eerste inwilliging gereedelijk tot meerdere en dan moet onvermijdelijk
-het volgende gebeuren: dat de rebellen hun eigen sterkte beginnen op te nemen en tegelijkertijd
-hunne officieren gaan schatten; zij gevoelen welk een overwicht de brutale kracht
-hen voor het oogenblik reeds geeft en maken onmiddellijk misbruik van de zwakheid
-of werkeloosheid hunner chefs, niet om een eenvoudige wijziging ten gunste hunner
-grieven te bewerken maar veeleer om een radicale verandering te vorderen.
-</p>
-<p>Dit was ook werkelijk hier het geval: nauwelijks had de luitenant zich verwijderd,
-of men beschouwde zijn vertrek reeds als een overwinning. De soldaten begonnen voort
-te redeneeren, onder opruiing, zoo als gewoonlijk, door diegenen onder hen, die het
-vlugste babbelen of het hardste schreeuwen konden; het was nu niet langer weigeren
-om de woestijn in te trekken, maar men zou andere officieren benoemen en dadelijk
-naar de kolonie terugkeeren; de geheele staf moest worden veranderd, en de officieren
-gekozen bij stemming, door de soldaten zelf, en vooral dezulken die bij hunne kameraden
-het meeste vertrouwen genoten, dat is, vaak de meest partijdige, waanwijze en verwardste
-stijfhoofden.
-</p>
-<p>De gisting had thans haar hoogste punt bereikt: de soldaten zwaaiden woest met de
-wapens, en voeren uit in de grofste bedreigingen tegen den graaf en zijne luitenants.
-</p>
-<p>Op eens ging de deur der <span class="corr" id="xd30e5620" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> open en de graaf trad naar buiten.
-</p>
-<p>Hij was bleek maar kalm, en liet zijn vasten blik rondgaan over de muitende menigte,
-die om hem heen tierde en bulderde.
-</p>
-<p>»De kapitein! daar is de kapitein!&#x201d; riepen eenigen der soldaten.
-</p>
-<p>»Laten wij hem een kop kleiner maken!&#x201d; riepen anderen.
-</p>
-<p>»Weg met hem! dood hem!&#x201d; brulden sommigen.
-</p>
-<p>Allen stormden met blanke wapens en onder het uitbraken van dreigementen en verwenschingen
-op hem af.
-</p>
-<p>De graaf deinsde niet terug, integendeel deed hij een stap vooruit.
-</p>
-<p>Hij had een fijne <span class="corr" id="xd30e5631" title="Bron: cigaar">sigaar</span> van maïsstroo in den mond en rookte met al de regelmatigheid van een saletjonker
-die gereed is zijn middagslaapje te doen.
-</p>
-<p>Er is niets dat de oproerige massa meer ontzag inboezemt dan koelbloedigheid en moed
-zonder praalvertooning.
-</p>
-<p>Er volgde een tempo in den opstand.
-</p>
-<p>De muitende menigte kwam voor een oogenblik tot staan.
-</p>
-<p>De kapitein en zijne soldaten beschouwden elkander als twee tijgers, die hunne wederzijdsche
-krachten meten, alvorens den sprong te wagen om elkander te verscheuren.
-</p>
-<p>De graaf maakte zich het oogenblik der door hem te weeg gebrachte stilte ten nutte
-om het woord te nemen.
-</p>
-<p>»Wat wilt gij?&#x201d; vroeg hij met een kalme stem, terwijl hij bedaard <span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span>de sigaar uit zijn mond nam, en met helderen blik het blauwe rookzuiltje volgde dat
-krullend omhoog steeg.
-</p>
-<p>Bij deze vraag van hun kapitein was de eerste indruk der begoocheling gebroken; het
-geschreeuw en getier begon met verdubbelde woede, de muiters waren over zich zelven
-verontwaardigd dat zij zich een oogenblik door de ferme houding van den kapitein hadden
-laten beteugelen.
-</p>
-<p>Allen spraken te gelijk; zij bestormden den graaf aan alle kanten, trokken hem links
-en rechts, om het eerst gehoor te krijgen.
-</p>
-<p>Ingesloten, gedrongen, gesleurd door zoo vele kerels, die alle krijgstucht vergetende
-zich zeker waanden van straffeloosheid, in een land waar geen openbare gerechtigheid
-bestaat anders dan in naam, verloor de graaf nochtans zijne zelfstandigheid niet en
-bleef zijne koelbloedigheid zich volkomen gelijk.
-</p>
-<p>Hij liet de soldaten eenige minuten met vlammende blikken en schuimende lippen naar
-hartelust schreeuwen en uitrazen; eerst toen hij dacht dat het lang genoeg had geduurd
-hervatte hij met een even kalme en bedaarde stem als den vorigen keer:
-</p>
-<p>»Mijne vrienden, &#x2019;t is niet mogelijk om langer op deze wijs gesprek te voeren; ik
-begrijp geen woord van al wat gij zegt. Laat een uwer kameraden zich belasten met
-mij uit aller naam uwe grieven voor te stellen; en indien ik ze billijk en gegrond
-vind zal ik er recht op doen, weest daarvan verzekerd.&#x201d;
-</p>
-<p>Na deze woorden luid en krachtig te hebben uitgesproken, plaatste de graaf zich met
-den schouder tegen den deurpost geleund, kruiste de armen op de borst en begon weder
-rustig zijne sigaar te rooken, in schijn onverschillig voor al wat er omging.
-</p>
-<p>De koelbloedigheid en fermiteit door den graaf de Lhorailles van het begin af aan
-den dag gelegd, had reeds goede vruchten gedragen; hij had een aantal harten onder
-zijne beste soldaten gewonnen; wel is waar durfden deze nog niet openlijk voor hun
-chef partij kiezen, maar ondersteunden toch met warmte het door hem gedane voorstel.
-</p>
-<p>»De kapitein heeft gelijk,&#x201d; zeiden zij; »als wij zoo voortgaan hem allen te gelijk
-een hoop zotteklap in de ooren te toeten, is het niet mogelijk dat hij er een woord
-van begrijpt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat de kapitein eischt is niet meer dan billijk,&#x201d; herhaalden anderen, »hoe kan hij
-ons recht doen als wij hem niet klaar en duidelijk uiteenzetten wat wij willen.&#x201d;
-</p>
-<p>Het oproer had dus een grooten stap achterwaarts gedaan, het sprak reeds niet meer
-van het afzetten der officieren, maar bepaalde zich met aan den kapitein om recht
-te vragen.
-</p>
-<p>Eindelijk, na veel over en weder sprekens tusschen de muiters onderling, werd een
-van hen aangewezen om voor allen het woord te voeren.
-</p>
-<p>Dit individu, kort en gezet van gestalte, vierkant van schouders, <span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span>forsch gespierd van leden, met een schelmachtig gezicht, opgeluisterd door twee kleine
-grijze oogen, die fonkelden van list en kwaadaardigheid, kortom, een slecht sujet
-door en door<span class="corr" id="xd30e5663" title="Bron: .">,</span> de type van een avonturier der laagste klasse bij wien alles zich oploste in moord
-en plundering.
-</p>
-<p>Deze man, bekend onder den naam van Curtius, was Parijzenaar van geboorte, een gewezen
-straatjongen uit de voorstad Saint-Marceau. Oud soldaat, oud matroos, kende hij alle
-vakken, behalve misschien dat van eerlijk man. Sedert zijne komst in de kolonie had
-hij zich steeds onderscheiden door zijne oproerigheid, brutaalheid en vooral door
-zijne pochende grootspraak. Hij beroemde zich dat hij acht dooden schuldig was, met
-andere woorden, dat hij acht maal een manslag had begaan. Onwillekeurig waren zijne
-kameraden bang voor hem.
-</p>
-<p>Toen zij hem hadden aangewezen om voor allen het woord te voeren, wierp hij met een
-vuiststoot zijn hoed op een oor en riep tegen zijne kameraden op schamperen toon:
-</p>
-<p>»Gij zult eens zien hoe ik dat varken zal wasschen!&#x201d; en hiermede stapte de ploert
-half dansend, half sluipend naar den kapitein, die hem zag naderen en in het oog hield
-met een onbeschrijfelijken glimlach op de lippen.
-</p>
-<p>Plotseling was de woelige menigte doodstil geworden, alle harten klopten sterker,
-de aangezichten stonden angstig, ieder gevoelde werktuigelijk dat er iets buitengewoons
-en beslissends gebeuren zou.
-</p>
-<p>Toen Curtius den kapitein tot op twee passen genaderd was, bleef hij staan en nam
-hij zijn kommandant op van het hoofd tot de voeten op een alleronbeschaamdste manier.
-</p>
-<p>»Als ik het zeggen moet, kapitein,&#x201d; begon hij, »is dit de zaak.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p203width"><img src="images/p203.jpg" alt="De graaf liet hem den tijd niet om voort te gaan; maar trok op eens een pistool uit zijn gordel. Bladz. 203." width="493" height="720"><p class="figureHead">De graaf liet hem den tijd niet om voort te gaan; maar trok op eens een pistool uit
-zijn gordel. Bladz. 203.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>De graaf liet hem den tijd niet om voort te gaan; maar trok op eens een pistool uit
-zijn gordel, en schoot er hem mede door het hoofd.
-</p>
-<p>De bandiet rolde in het stof met een gebroken schedel.
-</p>
-<p>De graaf stak zijn revolver weder weg en keek koelbloedig rond.
-</p>
-<p>»Is er nog iemand die iets te zeggen heeft,&#x201d; vroeg hij met eene ferme stem.
-</p>
-<p>Geen van hen durfde bijna te ademen, de bandieten waren op eens lammeren geworden.
-</p>
-<p>Zij bleven zwijgend staan voor hun chef als boetelingen voor hun meester; zij hadden
-hem begrepen.
-</p>
-<p>De graaf meesmuilde minachtend.
-</p>
-<p>»Neem dat kreng weg,&#x201d; zeide hij terwijl hij met den voet tegen het lijk schopte, »wij
-zijn Dauph&#x2019;yeers; wee! die de termen van ons contract durft schenden, ik dood hem
-als een hond; hangt dezen ellendeling op met de beenen aan een boom, dan mogen de
-gieren hem verslinden. Binnen tien minuten geef ik het sein om op te zitten, wee hem
-die niet gereed is!&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span></p>
-<p>Na deze verpletterende toespraak ging de graaf weder in huis met denzelfden vasten
-tred als hij er uit was gekomen.
-</p>
-<p>Het oproer was gestild, de woeste bandieten hadden den ijzeren klauw gevoeld die onder
-den fluweelen handschoen verborgen zat, thans waren zij voor altijd getemd en zouden
-zij zich laten dooden zonder een klacht te durven uiten.
-</p>
-<p>»Het moet gezegd worden,&#x201d; mompelden de soldaten onder elkander, »de kommandant is
-een ruwe gast, zijne oogen zullen niet licht overloopen.&#x201d;
-</p>
-<p>Ieder haastte zich nu om voor het vertrek gereed te zijn.
-</p>
-<p>Tien minuten daarna, zoo als hij had aangekondigd, verscheen de kapitein weder; de
-kompagnie zat reeds in den zadel en stond in orde geschaard en gereed om op marsch
-te gaan.
-</p>
-<p>De kapitein glimlachte en gaf order om te vertrekken.
-</p>
-<p>»Hm!&#x201d; bromde Cuchares in zich zelven, »&#x2019;t is wel jammer dat don Martial zulke schoone
-diamanten heeft. Anders zou ik hem, na hetgeen ik hier gezien heb, gaarne zijn woord
-teruggeven.&#x201d;
-</p>
-<p>Weldra was de gansche vrijkompagnie, met den kapitein aan het hoofd, verdwenen in
-de stofwolken van de woestijn del Norte.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch21" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7009">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXI.</h2>
-<h2 class="main">DE BEKENTENIS.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De haciendero en zijne dochter hadden de kolonie verlaten onder eskorte van don Martial
-en de vier peons die laatstgenoemde in dienst had genomen.
-</p>
-<p>De kleine troep reed westwaarts, in dezelfde richting als de vrijkompagnie van den
-graaf de Lhorailles, toen deze de Apachen op hun spoor ging vervolgen.
-</p>
-<p>Don Sylva maakte des te meer spoed om bij de Franschen te komen, daar hij wist dat
-hun tocht geen ander doel had dan hem en zijne dochter uit de macht der Roodhuiden
-te verlossen.
-</p>
-<p>De reis ging treurig en zwijgend. Naarmate de karavaan de woestijn naderde, kreeg
-het landschap allengs dat voorkomen van somberen ernst en eenzame grootheid, dat onwillekeurig
-op het gemoed van den reiziger werkt en hem in eene soort van neerslachtigheid dompelt
-daar hij zich niet boven weet te verheffen.
-</p>
-<p>Geen lachende weiden of bebouwde akkers meer, geen pachthoeven, hutten of jacals,
-geen reizigers zelfs op den weg die u met toegenegen blik of vriendelijken groet in
-&#x2019;t voorbijgaan eene goede reis wenschten, maar integendeel een woest en oneffen terrein,
-afgebrokkelde rotsgronden, holle wegen, diepe donkere valleien, en ondoordringbare
-bosschen, met wilde dieren bevolkt, wier fonkelende blik <span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span>u als een vurige kool van achter de dicht ineengestrengelde lianen of uit het warrige
-kreupelbosch en het hooge prairiegras tegenloert.
-</p>
-<p>Van tijd tot tijd zagen de reizigers het breede spoor door de Franschen nagelaten,
-kenbaar aan de menigte paardenhoeven in het vochtige zand of in het plat getreden
-gras; maar dan veranderde het terrein plotseling van gedaante en ieder spoor was onherroepelijk
-verdwenen.
-</p>
-<p>Iederen avond, nadat de Tigrero een mijl in het rond in de bosschen en struiken eene
-soort van klopjacht had gehouden om het verscheurende gedierte te verdrijven, werd
-het kamp hetzij op een heuvel of aan den oever eener beek opgeslagen, de vuren ontstoken,
-een hut van takken gebouwd om <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita tegen de nachtkoude te beschutten; en dan, na een sober avondmaal, wikkelde
-ieder zich in zijne fressada of zarape en sliep in tot den volgenden morgen.
-</p>
-<p>Het eenige wat nu en dan in dit eentonige leven eenige afwisseling bracht, was het
-voorbijspringen van een eland of damhert, dat dan door don Martial en zijne vier peons
-in vliegenden galop werd vervolgd tot het arme dier, soms eerst na eene jacht van
-twee of drie uren, achterhaald en gedood werd.
-</p>
-<p>Maar vroolijke gesprekken of vertrouwelijke mededeelingen die zoo geschikt zijn om
-eene verre en vervelende reis te bekorten, waren niet meer aan de orde.
-</p>
-<p>De reizigers bewaarden jegens elkander een somber en achterhoudend stilzwijgen, dat
-niet slechts alle gemeenzaamheid maar zelfs alle vertrouwen den pas afsneed. Zij spraken
-niet tot elkander dan in geval van volstrekte noodzakelijkheid, en dan nog werden
-slechts eenige karige woorden gewisseld.
-</p>
-<p>De reden hiervan was niet ver te zoeken, elk dezer drie personen had voor den anderen
-een geheim te bewaren dat hun zwaar op het hart woog en daar zij zich inwendig over
-schaamden.
-</p>
-<p>De mensch is van nature een onvolmaakt en zondig schepsel, niet geheel en al slecht,
-en nog veel minder volkomen goed, maar eene wonderlijke mengeling van beiden; de verkeerde
-daden die hij onder den ijzeren dwang van hartstocht of van eigenbelang begaat, worden
-later, zoodra zijne drift bekoeld is en hij den afgrond ziet waarin zijne dwaasheid
-hem gestort heeft of dreigt te storten, eene bron van bitter berouw, vooral wanneer
-zijn leven, zonder daarom onberispelijk te zijn geweest, uit een oogpunt van gewone
-zedelijkheid zich tot hiertoe gelukkig voor grove misslagen heeft weten te bewaren.
-</p>
-<p>Zoo was ongeveer, op dit oogenblik de toestand van don Martial en <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita. Beiden hadden zich, door wederkeerigen hartstocht verblind, tot een misslag
-laten vervoeren dien zij thans bitter betreurden; want om onze lezers aangaande het
-karakter dezer twee personen niet langer in &#x2019;t onzekere te laten, moeten wij hier
-zeggen, dat het hart dezer twee gelieven betrekkelijk goed was en dat zij op het oogenblik
-hunner dwaselijk beraamde en uitgevoerde vlucht geenszins <span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span>de noodlottige gevolgen berekenden, die dit hopeloos bedrijf na zich zou slepen.
-</p>
-<p>Don Martial inzonderheid, na de bevelen die hij aan Cuchares gegeven had en tegenover
-het hardnekkig besluit van don Sylva, om zich naar den graaf de Lhorailles te begeven,
-begreep duidelijk dat zijn toestand met ieder oogenblik hachelijker werd, en dat hij
-zich in eene engte had gedreven daar hij niet licht weder uit zou komen.
-</p>
-<p>De beide gelieven, door het geheim hunner vlucht op eene zoo noodlottige wijs saamverbonden,
-bewaarden echter tegenover elkander een ander geheim, namelijk dat van spijt en berouw
-die hen inwendig folterden; zij gevoelden bij iederen stap dat de grond onder hunne
-voeten als ondermijnd was, en dat het oogenblik met rassche schreden naderde waarop
-de mijn zou moeten springen.
-</p>
-<p>In zulk eenen toestand werd het leven ondragelijk, daar alle gemeenschap van gedachten
-en gevoelens tusschen de drie personen verbroken was. Dat het eindelijk tusschen hen
-tot eene botsing zou moeten komen was blijkbaar, maar de schok volgde wellicht spoediger
-dan een van hen verwachtte, en zulks door den loop der omstandigheden zelve, waarin
-zij zich zoo geweldig verwikkeld hadden. Na eene reis van omtrent veertien dagen,
-gedurende welke er met hen niets meldenswaardig gebeurd was, bereikten don Martial
-en zijn gezelschap, nu eens afgaande op de inlichtingen door hem op de hacienda bekomen,
-dan op het spoor zelf door den graaf en diens talrijke bende achtergelaten, eindelijk
-de beruchte bouwvallen in welks midden de <span class="corr" id="xd30e5731" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> van <span class="corr" id="xd30e5734" title="Bron: Moctecuzoma">Montecuzoma</span> zich verheft, aan de uiterste grens tusschen het bewoonbare land en de woestijn Del
-Norte.
-</p>
-<p>Het was ongeveer zeven uren des avonds toen de kleine karavaan de ruïnen binnenreed;
-de zon, juist aan de kimmen weggezonken, verlichtte de aarde nog slechts door de snel
-afwisselende kleuren van het hemelsche prisma, waarin de laatste weerglans van hare
-stralen nog een poos blijft schitteren nadat de koningin des dags zelve reeds verdwenen
-is.
-</p>
-<p>Terwijl zij op eenigen afstand achter elkander reden wierpen don Sylva en de Tigrero
-bespiedende blikken in het rond, en trokken niet dan met de meeste behoedzaamheid
-en met de hand aan den trekker van hun geweer, voort in dit verwarde doolhof van kreupelbosschen
-en puinhoopen, zoo gunstig voor de Indiaansche hinderlagen en waar zooveel gevaren
-zich konden verschuilen.
-</p>
-<p>Eindelijk kwamen zij aan de <span class="corr" id="xd30e5741" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span>, zonder dat zij iets buitengewoons hadden gezien.
-</p>
-<p>De nacht was reeds bijna gedaald, en de voorwerpen begonnen in de schemering als weg
-te smelten. Don Martial, die zich gereed maakte om af te stijgen, bleef op eens staan
-en slaakte een kreet van verbazing, bijna van schrik.
-</p>
-<p>»Wat is er?&#x201d; vroeg don Sylva met drift, terwijl hij zich omkeerde en den Tigrero naderde.
-<span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span></p>
-<p>»Zie eens,&#x201d; antwoordde de laatste, met de hand naar een groep knoestige boomen wijzende,
-die eenige passen van hen af allerwonderlijkst tusschen de puinhoopen waren opgeschoten.
-</p>
-<p>De menschelijke stem bezit een zonderbaar vermogen op de dieren, namelijk dat zij
-hun een onverwinnelijke vrees en ontzag inboezemt. De weinige woorden tusschen de
-beide mannen gewisseld, werden onmiddellijk beantwoord door zeven of acht wolkoppige
-arenden, die in hun maaltijd gestoord met wild en krassend geschreeuw opvlogen, en
-uit de zooeven genoemde boomgroep zich met zwaren wiekslag in de lucht verheffend,
-boven het hoofd der reizigers groote kringen beschreven en bleven rondgieren onder
-het aanhoudend getier hunner helsche muziek.
-</p>
-<p>»Zie toch!&#x201d; herhaalde don Martial.
-</p>
-<p>»Maar ik zie volstrekt niets,&#x201d; zei don Sylva; »het is daar zoo donker als de nacht.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is waar; maar kijk eens scherp toe en let op het punt dat ik u aanwijs, dan zult
-gij weldra zien wat ik bedoel.&#x201d;
-</p>
-<p>Zonder te antwoorden deed de haciendero zijn paard eenige stappen voortgaan.
-</p>
-<p>»Hu! Een man, aan de beenen opgehangen!&#x201d; riep hij op een toon van schrik en afgrijzen,
-terwijl hij op eens staan bleef. »Wat is hier gebeurd?&#x201d;
-</p>
-<p>»Wie weet?<span id="xd30e5758"></span> Die man is geen Indiaan, zijne kleur en zijne kleeding laten daaromtrent geen twijfel
-over. Maar hij heeft zijn haar nog, hij is dus niet door de Apachen gedood; wat kan
-dat beteekenen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Een oproer misschien,&#x201d; opperde de haciendero.
-</p>
-<p>Don Martial bedacht zich een poos; zijn wenkbrauwen trokken zich samen.
-</p>
-<p>»Dat is niet mogelijk!&#x201d; prevelde hij half in zich zelven.
-</p>
-<p>Een oogenblik later hervatte hij:
-</p>
-<p>»Laten wij eerst in huis gaan, en <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita niet langer alleen laten; ons achterblijven zal haar reeds verwonderen en als
-het langer duurt zal zij er zich over verontrusten. Zoodra het kamp gereed is ga ik
-die zaak eens nader onderzoeken, en ik zou mij zeer vergissen als ik het noodlottige
-raadsel niet oplos dat zich hier aan ons zoo wonderlijk voordoet.&#x201d;
-</p>
-<p>De beide mannen reden weêr voort en kwamen weldra bij <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita, die eenige passen verder onder bescherming der peons op hen wachtte.
-</p>
-<p>Nadat de reizigers afgestegen en de <span class="corr" id="xd30e5777" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> waren binnengetreden, ontstak don Martial eenige fakkels van <i>ocote</i>-hout om in de duisternis licht te maken en bracht toen zijne gezellen naar de groote
-zaal, waar wij onze lezers reeds eenmaal hebben binnengeleid.
-</p>
-<p>Ook de Tigrero had meermalen deze ruïnen bezocht; gedurende zijne langdurige jachten
-in de prairie hadden zij hem vaak tot verblijf gestrekt; hij was dus met de plaatselijke
-gelegenheid zeer goed <span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span>bekend. Daarom had hij er zoo sterk op aangedrongen dat de karavaan den weg naar de
-<span class="corr" id="xd30e5786" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> zou nemen, wel overtuigd dat de graaf de Lhorailles aldaar voor zich en zijne kompagnie
-een gemakkelijk en veilig bivak zou hebben gezocht.
-</p>
-<p>De groote zaal, in wier midden een tafel stond, droeg de duidelijke sporen dat er
-nog kort geleden een aantal personen waren geweest en er tamelijk lang verblijf hadden
-gehouden.
-</p>
-<p>»Gij ziet wel dat ik mij niet bedrogen heb,&#x201d; zei don Martial tegen den haciendero;
-»de lieden die ons zoeken hebben zich hier opgehouden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is zoo; en denkt gij dat zij reeds lang vertrokken zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat zou ik nog niet durven zeggen, maar terwijl gij bezig zijt u hier te vestigen
-en het avondmaal wordt gereed gemaakt, zal ik daar buiten den boel eens opnemen; zoodra
-ik terugkom hoop ik het genoegen te hebben uwe nieuwsgierigheid te kunnen bevredigen.&#x201d;
-</p>
-<p>En met deze woorden stak hij de toorts, die hij in zijne hand had, in een kram aan
-den muur en ging het huis uit.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita had reeds plaats genomen op een toevallig aanwezige ruw houten tabouret, en
-zat bij de tafel diep in gedachten verzonken.
-</p>
-<p>Geholpen door de peons, hield de haciendero zich ijverig bezig met alles voor den
-nacht in orde te brengen; de paarden werden ontzadeld en in eene soort van corral&#x2014;open
-stal tusschen vier muren&#x2014;geplaatst, daar ze niet uit weg konden loopen, en ruim van
-haver voorzien; de muilezels werden afgeladen en de pakken in de groote zaal gebracht,
-waar men ze op een hoop stapelde, na er een geopend te hebben om er den noodigen mondvoorraad
-uit te nemen; vervolgens werd er een groot vuur ontstoken, boven hetwelk weldra een
-hertebout te braden hing.
-</p>
-<p>Nadat al deze toebereidsels waren afgeloopen, ging de haciendero op een der in de
-zaal voorhanden bisonsschedels zitten, stak een <span class="corr" id="xd30e5802" title="Bron: maïscigaar">maïssigaar</span> aan en begon te rooken, nu en dan een smartelijken blik werpende naar zijne dochter,
-die nog altijd in hare treurige beschouwingen verdiept zat.
-</p>
-<p>Don Martial bleef vrij lang uit: eerst na twee uren afwezigheid hoorde men het getrappel
-van zijn paard op den steenachtigen bodem der ruïne en trad hij onverwijld binnen.
-</p>
-<p>»Wel?&#x201d; vroeg hem don Sylva.
-</p>
-<p>»Laten wij eerst eten,&#x201d; antwoordde de Tigrero met een wenk naar <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita, dien de haciendero begreep.
-</p>
-<p>Het maal was zooals dat van bekommerde en vermoeide lieden na een lange dagreis wezen
-moest, dat wil zeggen zeer kort. Overigens bestond het, behalve uit de hertenbout,
-uit niets dan maïskoeken en gebraden peren met peper.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita gebruikte nauwelijks een paar lepels ingelegde tamarinde; daarna de aanwezigen
-gegroet hebbende, stond zij op en verwijderde zich naar een klein in de zaal uitkomend
-vertrekje, waar <span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span>men voor haar van bisonsmantels en pelterijen een soort van bed had gereed gemaakt,
-en dat bij gebrek van deur zoo goed mogelijk was afgesloten met een paardendek aan
-een paar spijkers in den muur opgehangen.
-</p>
-<p>»Wat u betreft,&#x201d; zei de Tigrero tegen de peons zoodra <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita weg was, »gij moogt wel goed wachthouden als gij uwe haren behouden wilt. Ik
-ben verplicht u te waarschuwen dat wij hier in een land vol vijanden zijn, en als
-gij zorgeloos inslaapt, het waarschijnlijk duur zullen moeten bekoopen.&#x201d;
-</p>
-<p>De peons verzekerden den Tigrero dat zij dubbel waakzaam zouden zijn, en gingen naar
-buiten om de ontvangen bevelen uit te voeren.
-</p>
-<p>De beide heeren bleven dus alleen en zaten een oogenblik zwijgend tegenover elkander.
-</p>
-<p>»Welnu, wat is het?&#x201d; begon don Sylva, de vraag herhalende die hij reeds even te voren
-gedaan had, »hebt gij iets bijzonders ontdekt of vernomen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Al wat er met mogelijkheid te ontdekken of te vernemen is, don Sylva,&#x201d; antwoordde
-de Tigrero min of meer onstuimig; »zoo het anders ware, zou ik een armzalige jager
-zijn en de wilde dieren, tijgers en jaguars mij reeds lang verslonden hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zijn de inlichtingen die gij hebt opgedaan gunstig te noemen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is naar dat gij ze nemen wilt; de Franschen zijn hier geweest en hebben er een
-paar weken gekampeerd; gedurende hun verblijf in de ruïnen zijn zij door de Apachen
-hevig aangevallen, doch het is hun gelukt hen af te slaan. Intusschen schijnt het,
-ofschoon ik het niet zou kunnen bevestigen, dat de soldaten om een of andere reden
-aan &#x2019;t muiten geslagen zijn, ten gevolge waarvan die arme duivel, dien wij tot aas
-voor de gieren aan den boom zagen hangen, misschien als de belhamel, misschien ook,
-zooals het wel eens meer gegaan is, als het ongelukkige slachtoffer voor allen het
-gelag heeft moeten betalen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zeg u dank voor uwe toelichting, die ons buitendien bewijst dat wij ons niet vergist
-hebben maar het rechte spoor zijn gevolgd; kunt gij mij nu deze toelichting nog aanvullen,
-in zoover dat gij mij weet te zeggen of de Franschen de ruïnen sinds lang verlaten
-hebben en in welke richting zij vertrokken zijn?&#x201d;
-</p>
-<p>»Deze vragen zijn gemakkelijk op te lossen; de vrijkompagnie heeft gisteren morgen
-even na zonsopgang haar kamp opgebroken om de woestijn in te trekken.&#x201d;
-</p>
-<p>»De woestijn?&#x201d; herhaalde de haciendero, terwijl hij moedeloos de armen bij het lijf
-liet hangen.
-</p>
-<p>Er volgde eenige minuten stilte, gedurende welke de beide mannen over het gesprokene
-nadachten. Eindelijk nam don Sylva het woord weder op.
-</p>
-<p>»Dat is niet mogelijk,&#x201d; riep hij.
-<span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span></p>
-<p>»En toch is het zoo.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar dat is eene onvoorzichtigheid zoo groot als er een zijn kan, ja het is dollemanswerk!&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat zal ik niet tegenspreken.&#x201d;
-</p>
-<p>»O! die ongelukkigen!&#x201d;
-</p>
-<p>»Het is zoo met hen gelegen, dat er een wonder zal moeten gebeuren als zij er goed
-afkomen.&#x201d;
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd30e5845" title="Niet in bron">»</span>Dat ben ik volkomen met u eens; maar wat nu gedaan?&#x201d;
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd30e5848" title="Niet in bron">»</span>De zaak ligt er toe, en met al ons gejammer is er niets aan te veranderen; ik geloof
-dus, don Sylva, dat wij de wijste partij zullen kiezen door er niet meer aan te denken;
-zij moeten zelf maar zien hoe zij er goed afkomen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Is dat uwe gedachte?&#x201d;
-</p>
-<p>»Volkomen,&#x201d; antwoordde de Tigrero luchthartig.
-</p>
-<p>»Uw plan is dus?&#x201d;
-</p>
-<p>»Mijn plan is,&#x201d; antwoordde hij met drift, »om twee of drie dagen hier te vertoeven
-en te zien wat er misschien gebeuren kan; hebben wij na verloop van drie dagen niets
-nieuws gezien of gehoord, dan stijgen wij te paard en keeren langs denzelfden weg
-dien wij gekomen zijn naar Guetzalli terug, zonder zelfs de moeite te nemen van om
-te zien, want hoe eer wij deze verschrikkelijke streek uit zijn, hoe beter.&#x201d;
-</p>
-<p>De haciendero schudde van neen, als iemand die op eens zijn vaste besluit had genomen.
-</p>
-<p>»Dan zult gij alleen vertrekken, don Martial,&#x201d; zeide hij droog.
-</p>
-<p>»Wat zegt gij!&#x201d; riep de andere hem strak aanziende.
-</p>
-<p>»Ik zeg u, dat ik denzelfden weg niet terugga dien ik gekomen ben; ik doe geen stap
-achteruit, in één woord ik vlucht niet.&#x201d;
-</p>
-<p>Don Martial was door dit antwoord als verbluft.
-</p>
-<p>»Wat denkt gij dan te doen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Kunt gij dat niet begrijpen? Om welke reden zijn wij hier gekomen; en met welk doel
-hebben wij tot hiertoe gereisd?&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar, don Sylva, bedenk toch, de zaken zijn nu geheel veranderd. Gij zult hoop ik
-redelijk genoeg zijn te erkennen dat ik u zonder tegenspreken gehoorzaamd heb en gedurende
-deze reis een trouwe gids voor u geweest ben.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat erken ik inderdaad; maar zeg mij dan hoe gij er over denkt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoe ik er over denk, don Sylva; dat zult gij hooren. Zoolang wij in de prairie waren,
-in dagelijksch gevaar van door de wilde beesten verscheurd te worden, heb ik gedwee
-voor u gebogen en mij geenszins tegen uwe plannen verzet, omdat ik stilzwijgend bekennen
-moest dat gij plichtmatig handeldet; zelfs nu nog, zou ik mij, als wij alleen waren,
-zonder morren aan uw vaste besluit onderwerpen. Maar bedenk doch, bid ik u, dat gij
-uwe dochter bij u hebt en dat zij duizend angsten zal moeten uitstaan, zoo gij haar
-verplicht om u te volgen in een woestijn die u beiden zal verslinden.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span></p>
-<p>Don Sylva antwoordde niet.
-</p>
-<p>De Tigrero vervolgde:
-</p>
-<p>»Onze troep is zwak; wij hebben slechts voor weinige dagen levensmiddelen bij ons,
-en gij weet, als wij eens in de del Norte zijn, is er geen water of wild meer te krijgen.
-Worden wij daarbij nog door een storm overvallen, dan zijn wij verloren, reddeloos
-verloren.&#x201d;
-</p>
-<p>»Al wat gij mij daar zegt is waar, dat weet ik, en toch kan ik uw raad niet volgen.
-Hoor mij op uwe beurt, don Martial: de graaf de Lhorailles is mijn vriend, weldra
-zal hij mijn schoonzoon zijn; ik zeg dat niet om u te krenken, maar om u te doen beseffen
-in welke verhouding ik tegenover hem sta. Om mijnentwil, om mij te verlossen uit de
-macht van hen die hij meent dat mij en mijne dochter hadden opgelicht, is hij zonder
-aarzelen of baatzuchtige berekening en alleen door zijn edele hart gedreven, de zandwoestijn
-ingetrokken; kan ik hem daar nu laten omkomen, zonder hem hulp toe te brengen? Is
-hij niet vreemdeling in Mexico, mijn gast en mijn vriend? neen, don Martial, het is
-mijn plicht hem te redden, en ik zal het beproeven, hoe het ook gaan mag.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu ik zie dat gij er zoo over denkt, don Sylva, zal ik niet langer een besluit zoeken
-te keeren dat bij u zoo onherroepelijk vaststaat. Ik zal u niet zeggen dat de man
-dien gij uwe dochter ter vrouwe wilt geven een gelukzoeker, een verloopen edelman
-is, die ter zake van wangedrag zijn land heeft moeten verlaten en die door het huwelijk
-dat hij met uwe dochter hoopt te sluiten niets anders bedoelt dan uw onmetelijk fortuin
-in zijn bezit te krijgen. Al deze dingen en nog veel meer bovendien zou ik u vergeefs
-trachten te bewijzen, gij zoudt mij toch niet gelooven, want gij zoudt in de feiten
-die ik u opnoemde niets anders willen zien dan nietswaardige pogingen van een mededinger;
-spreken wij er dus niet verder over. Wilt gij de zandwoestijn in, goed, ik zal u volgen;
-en wat er ook gebeurt zult gij mij aan uwe zijde vinden, gereed om u te beschermen
-en u te helpen. Maar nu het uur eindelijk daar is om tot ronde verklaringen te komen,
-wil ik niet langer dat er een wolk van ongenoegen tusschen ons blijve bestaan; gij
-moet den man kennen, met wien gij de wanhopige onderneming gaat wagen die gij u hebt
-voorgenomen, opdat gij in hem uw volle vertrouwen moogt stellen.&#x201d;
-</p>
-<p>De haciendero keek hem verwonderd aan.
-</p>
-<p>Op dit oogenblik werd het gordijn voor het vertrekje daar <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita zich bevond opgeheven, het meisje verscheen, trad langzaam de zaal door, knielde
-voor haar vader neder en wendde zich tot den Tigrero.
-</p>
-<p>»Nu moogt gij vrij spreken, don Martial,&#x201d; zeide zij; »misschien zal mijn vader mij
-vergeven, als hij ziet dat ik hem dus om vergeving vraag.&#x201d;
-</p>
-<p>»Vergeving?&#x201d; riep de haciendero, terwijl hij beurtelings zijne dochter en den man
-aanstaarde, die met een beschaamd gelaat en gebogen <span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span>hoofd voor hem stond; »wat moet dat beteekenen? welk misdrijf hebt gij begaan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Een misdrijf, daar ik alleen schuld aan heb, don Sylva, en daar ik alleen de straf
-voor ondergaan moet; ik heb u schandelijk bedrogen, ik ben de man die uwe dochter
-uit de kolonie heeft weggevoerd.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij!&#x201d; riep de haciendero met een blik van woede, »ben ik dus uw speelbal, uw bedrogene
-geweest?&#x201d;
-</p>
-<p>»De hartstocht redeneert niet; ik zal maar een woord ter mijner verdediging zeggen:
-ik bemin uwe dochter. Helaas, don Sylva, ik gevoel eerst nu hoe schuldig ik was; het
-nadenken, hoe laat ook, is eindelijk gekomen, en terwijl <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita aan uwe voeten weent, verneder ik mij voor u en bid ik u om vergeving.&#x201d;
-</p>
-<p>»Vergeving, vader!&#x201d; herhaalde het meisje zacht.
-</p>
-<p>De haciendero gaf een wenk van onwil.
-</p>
-<p>»O!&#x201d; hervatte de Tigrero met drift, »wees grootmoedig, don Sylva; stoot ons niet terug!
-Ons berouw is waar en oprecht. Ik heb het vaste voornemen om het gedane kwaad te herstellen;
-ik ben dwaas geweest, de hartstocht had mij verblind, verguis mij niet.&#x201d;
-</p>
-<p>»Vader,&#x201d; snikte <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita met tranen op de wangen en eene gesmoorde stem, »ik bemin hem! Evenwel, toen
-wij uit de kolonie vertrokken, hadden wij kunnen vluchten en u verlaten; dit hebben
-wij niet gewild, wij hebben er zelfs geen oogenblik aan gedacht, wij hebben ons geschaamd
-over onzen misstap. Nu zijn wij hier beiden gereed om u te gehoorzamen en zonder tegenspraak
-alles te doen wat gij ons gebieden zult; wees dus niet onverbiddelijk, vader, vergeef
-ons!&#x201d;
-</p>
-<p>De haciendero richtte zich op.
-</p>
-<p>»Gij ziet het, ik kan niet langer aarzelen,&#x201d; zeide hij streng; »ik moet den graaf
-de Lhorailles redden, tot iederen prijs; deed ik het niet, dan was ik uw medeplichtige.&#x201d;
-</p>
-<p>De Tigrero stapte met innige ontroering de zaal door in de vreeselijkste spanning,
-zijne wenkbrauwen waren samengetrokken, zijn gelaat doodsbleek.
-</p>
-<p>»Ja,&#x201d; riep hij eindelijk met eene geschokte stem, »ja, wij moeten hem redden; wat
-geef ik er om hoe het daarna met mij gaat? Geen lafhartige zwakheid! Ik heb een misslag
-begaan, ik moet en zal er de gevolgen van boeten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Als gij mij oprecht en trouw in mijne nasporingen helpt, zal ik u vergeven;&#x201d; zei
-don Sylva met eene ernstige stem; »mijn eer is in uw misslag betrokken, ik stel die
-in uwe handen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dank u, don Sylva, gij zult er geen berouw van hebben dat gij u op mij verlaat,&#x201d;
-antwoordde de Tigrero edelmoedig.
-</p>
-<p>De haciendero hief zijne dochter minzaam op, sloot haar in zijne armen en kuste haar
-bij herhaling.
-</p>
-<p>»Mijn arm kind!&#x201d; zeide hij, »ik vergeef u. Helaas! wie weet of <span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span>ik niet binnen weinige dagen op mijne beurt uwe vergeving zal moeten inroepen voor
-al het leed dat ik u heb aangebracht? Ga nu een weinig slapen, het is diep in den
-nacht, gij hebt rust noodig.&#x201d;
-</p>
-<p>»O hoe goed zijt gij, vader, en hoe lief heb ik u,&#x201d; riep zij geroerd, »vrees niets,
-welk lot mij in de toekomst ook verbeidt, ik zal het dragen zonder morren, nu ben
-ik gelukkig, nu gij mij vergeven hebt.&#x201d;
-</p>
-<p>Don Martial volgde het meisje met de oogen terwijl zij zich verwijderde.
-</p>
-<p>»Wanneer denkt gij op marsch te gaan, don Sylva,&#x201d; vroeg hij met een gesmoorden zucht.
-</p>
-<p>»Morgen, zoo dat mogelijk is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed, morgen dan op Gods genade.&#x201d;
-</p>
-<p>Na nog een poosje gesproken te hebben om de noodige zaken te regelen, wikkelde don
-Sylva zich in zijne dekens en sliep weldra in. Wat den Tigrero betreft, deze ging
-het huis uit, om te zien of de peons wel goed voor de algemeene veiligheid waakten.
-</p>
-<p>»O, als die verwenschte Cuchares mijne orders maar niet heeft uitgevoerd!&#x201d; mompelde
-hij.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch22" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7019">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXII.</h2>
-<h2 class="main">EEN MENSCHENJACHT.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Den volgenden dag met het eerste morgenkrieken trok de kleine karavaan uit de <span class="corr" id="xd30e5925" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> van <span class="corr" id="xd30e5928" title="Bron: Moctecuzoma">Montecuzoma</span>; twee uren later waren zij reeds in de woestijn del Norte.
-</p>
-<p>Bij het gezicht der woestijn kromp het hart van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita samen van angst, het was alsof een heimelijk voorgevoel haar voorspelde dat
-de tocht voor haar noodlottig zou zijn. Zij keerde zich om en wierp een treurigen
-terugblik op de donkere wouden, die achter haar groenden aan den horizont, en slaakte
-een onwillekeurigen zucht.
-</p>
-<p>De luchtsgesteldheid was heet, de hemel van het zuiverste blauw, geen tochtje verkoelde
-den dampkring; op het mulle zand zag men nog de diepe sporen der paarden waar de vrijkompagnie
-van den graaf de Lhorailles er doorgetrokken was.
-</p>
-<p>»Wij zijn op den goeden weg,&#x201d; merkte de haciendero aan, »hunne sporen zijn duidelijk
-zichtbaar.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja,&#x201d; mompelde de Tigrero, »en dat zullen ze blijven zoo lang tot er een stormwind
-losbreekt.&#x201d;
-</p>
-<p>»O! dan moge God ons helpen!&#x201d; riep <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita.
-</p>
-<p>»Amen!&#x201d; riepen al de reizigers een kruis makende in antwoord op de heimelijke stem
-in hun binnenste, die hun niets dan ongeluk voorspelde.
-<span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span></p>
-<p>Er verliepen eenige uren.
-</p>
-<p>Het weêr bleef verrukkelijk schoon; van tijd tot tijd, hoog in de lucht, zagen de
-reizigers tallooze zwermen vogels voorbijvliegen, die naar het warme land trokken&#x2014;of
-de <i lang="es">terres calientes</i> zoo als men hier zegt, en zich haastten om de woestijn over te komen.
-</p>
-<p>Maar overal elders zag men niets dan grauw en dof zand, of sombere rotsen, grillig
-op een gestapeld als naamlooze ruïnen van eene onbekende voormenschelijke wereld,
-zoo als men die vaak in hoogere bergstreken aantreft.
-</p>
-<p>Tegen het vallen van den avond kampeerde de karavaan onder beschutting van een groot
-granietblok, en een sober vuur werd ontstoken, dat nauwelijks voldoende was om de
-reizigers tegen de koude te beschutten die des nachts in deze streken heerscht.
-</p>
-<p>Don Martial galoppeerde gedurig aan de zijden van den troep, nu links dan rechts,
-dan voor dan achter en waakte met broederlijke zorg voor alle veiligheid; noch door
-de verzoeken van don Sylva noch door de gebeden van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita was hij te bewegen om eenige rust te nemen.
-</p>
-<p>»Neen,&#x201d; riep hij telkens, »van mijne waakzaamheid hangt uw behoud af. Laat mij handelen
-naar eigen goedvinden, ik zou het mij zelven nooit vergeven, als ik u had laten overrompelen.<span class="corr" id="xd30e5963" title="Niet in bron">&#x201d;</span>
-</p>
-<p>Intusschen waren de sporen, door de vrijkompagnie achtergelaten, van tijd tot tijd
-minder zichtbaar geworden en eindelijk geheel verdwenen.
-</p>
-<p>Op zekeren avond, terwijl de reizigers hun kamp onder een vervaarlijk overhangende
-rots hadden opgeslagen, die boven hun hoofd een soort van beschermend dak vormde,
-wees de haciendero don Martial in de verte op een witten damp, die zich vrij sterk
-tegen het donkere blauw des hemels afteekende.
-</p>
-<p>»Het luchtazuur begint te verschieten,&#x201d; zeide hij, »wij krijgen waarschijnlijk spoedig
-verandering van weer. Geve God dat hetgeen orkaan zij die ons bedreigt.&#x201d;
-</p>
-<p>De Tigrero schudde het hoofd.
-</p>
-<p>»Neen,&#x201d; zeide hij, »gij vergist u, uwe oogen zijn minder gewoon dan de mijne om den
-hemel te raadplegen; dat is daar ginds geen wolk.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat is het dan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Rook van bisonsmest, door reizigers aangestoken; wij zijn dus niet zonder buren.&#x201d;
-</p>
-<p>»O!&#x201d; riep de haciendero, »zouden wij onze vrienden dan weder op het spoor zijn, die
-wij reeds uit het oog hadden verloren?&#x201d;
-</p>
-<p>Don Martial bewaarde de stilte; hij bespiedde nauwkeurig de wolk, die als flauwe damp
-weldra in het blauw des hemels wegsmolt. Eindelijk antwoordde hij:
-</p>
-<p>»Die rook voorspelt weinig goeds. Onze vrienden, zoo als gij ze noemt, zijn Franschen,
-met andere woorden geheel onbekend met de gewoonten der woestijn; als zij zoo dicht
-bij ons waren, zouden wij hen even gemakkelijk zien als deze rots hier; zij zouden
-dan <span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span>niet één klein vuur hebben ontstoken, maar tien ja twintig groote vuren, wier vlammen
-en rook ons onmiddellijk hunne tegenwoordigheid hadden bewezen. Zij zijn zoo keurig
-niet op hunne brandstof, zij nemen hout, nat of droog is hun onverschillig, daar zij
-niet weten van hoeveel belang het is in de woestijn zijne tegenwoordigheid voor den
-vijand te verbergen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat maakt gij daaruit op?&#x201d;
-</p>
-<p>»Daaruit maak ik op, dat de rook dien wij thans zien, afkomstig is van een vuur door
-Roodhuiden of ten minste door ervaren woudloopers gestookt die met de gebruiken der
-Indianen zeer goed bekend zijn. Dat blijkt aan alles; daar zijt gij zelf, ofschoon
-min of meer met de wildernis bekend, hebt gij het voor een wolk aangezien; ieder oppervlakkig
-beschouwer zou met u dezelfde fout begaan hebben, zoo fijn, zachtgolvend en doorzichtig
-als deze rook is en zoo weinig als hij verschilt van de gewone dampen die de zon onophoudelijk
-uit de aarde optrekt. De lieden die dit vuur ontstoken hebben, wie het ook zijn mogen,
-hebben niets bij geval gedaan maar alles berekend en alles voorzien, en ik zou mij
-zeer bedriegen als het geen vijanden zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoe ver zijn zij van ons af, denkt gij?&#x201d;
-</p>
-<p>»Vier mijlen op zijn verst; maar wat zegt vier mijlen in de woestijn, waar men zoo
-gemakkelijk in eene rechte lijn overal heen kan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dus zoudt gij denken&#x201d;.&#x2026; riep de haciendero.
-</p>
-<p>»Overweeg mijne woorden wel, don Sylva, en vooral bid ik u, geef er geen andere beteekenis
-aan dan die ik er mede bedoel. &#x2019;t Is eene ongehoorde bijzonderheid in de jaarboeken
-van del Norte, dat wij de woestijn bijna drie weken lang hebben doorkruist zonder
-door iets gestoord te worden; terwijl wij nu reeds sedert acht dagen op goed geluk
-rondzwerven om een spoor te zoeken dat wij onmogelijk schijnen te kunnen wedervinden.&#x201d;
-</p>
-<p>»&#x2019;t Is waar.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik ben dus met mijne redeneering tot eene slotsom gekomen die ik meen dat ontegenzeggelijk
-is en zonder twijfel door u zal worden beaamd. Gij zult mij toestemmen dat de Franschen
-niet bij verkiezing de woestijn zijn ingetrokken, en er alleen toe overgegaan zijn
-om de Apachen te vervolgen, niet waar?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed. Zij zullen haar dus in een rechte lijn doortrekken. Den tijd dien wij hadden,
-hadden zij ook; hun doel, hun belang noopte hen om geen tijd te verliezen, maar bij
-hun marsch de hoogst mogelijke snelheid in acht te nemen. Eene vervolging, dat weet
-gij zoo goed als ik, is als een wedren, een rid om het hardst, waarbij ieder de eerste
-tracht te zijn.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij veronderstelt dus.&#x2026;,&#x201d; viel don Sylva hem in de rede.
-</p>
-<p>»Ik veronderstel niet, ik ben ten volle overtuigd dat de Franschen zich reeds sedert
-lang niet meer in de woestijn bevinden, maar thans <span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span>de vlakte van Apacheria doorkruisen; het vuur dat wij straks gezien hebben is er een
-afdoend bewijs van.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoedat?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zal het u duidelijk maken: de Apachen hebben er het grootste belang bij om de
-Franschen van hunne jachtgronden te verwijderen. Geen raad wetende nu zij hen reeds
-daar zien, zijn zij zelven de woestijn weder ingetrokken en hebben waarschijnlijk
-daar dat vuur ontstoken, ten einde hen te misleiden en te verplichten er weder terug
-te komen.&#x201d;
-</p>
-<p>De haciendero stond een poos in gedachten. De redenen hem door don Martial gegeven
-kwamen hem zoo gegrond voor, dat hij niet wist waartoe te besluiten.
-</p>
-<p>»Ter zake!&#x201d; riep hij eenige oogenblikken later, »wat oordeelt gij zelf van dat alles?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat wij dwaas zouden doen,&#x201d; antwoordde don Martial beslissend, »nog langer onzen
-tijd te verspillen, met hier te zoeken naar lieden die er niet meer te vinden zijn,
-en daarbij gevaar te loopen door een <i lang="es">temporale</i> overvallen te worden, een dier verschrikkelijke orkanen die in deze streek ieder
-oogenblik kunnen opkomen en alles wat er zich bevindt onder het zand begraven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dus wilt gij op uwe stappen terugkeeren?&#x201d;
-</p>
-<p>»Integendeel; ik wil vooruit en de woestijn recht doortrekken, om zoo spoedig mogelijk
-naar Apacheria te komen, waar ik zeker ben, dat ik weldra het spoor onzer vrienden
-ontdekken zal.&#x201d;
-</p>
-<p>»O! dat vind ik zeer goed; maar wij zijn immers hier nog al te ver van de prairie?&#x201d;
-</p>
-<p>»Niet zoo ver als gij denkt; doch voor het oogenblik zullen wij ons gesprek hierbij
-laten; ik wil op verkenning uit, dat vuur daar is mij een doorn in &#x2019;t oog, het wekt
-al mijne nieuwsgierigheid, ik moet het van nabij gaan onderzoeken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wees toch voorzichtig.&#x201d;
-</p>
-<p>»Het is immers om uw en ons aller behoud te doen,&#x201d; hernam de Tigrero met een treurigen
-blik op <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita.
-</p>
-<p>Hij stond op, zadelde zijn paard en na even te hebben rondgezien reed hij weg.
-</p>
-<p>»Moedige ziel!&#x201d; prevelde <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita terwijl zij hem in den avondnevel zag verdwijnen.
-</p>
-<p>De haciendero zuchtte en liet het hoofd vol gedachten op de borst zakken. Don Martial
-verwijderde zich snel in het bleeke maanlicht, dat de eenzame woestijn overgoot met
-haar sidderend en fantastisch schijnsel. Telkens ontmoette hij kale en steile rotsen,
-die op haar voetstuk schenen te waggelen, als sombere en sluimerende schildwachts
-wier reusachtige schaduw zich ver over de grauwe zandvlakte uitbreidde; of nu en dan
-een ontzaglijken <i>ahuehuelt</i><a class="noteRef" id="xd30e6024src" href="#xd30e6024">1</a>, welks kale <span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span>takken met zoogenaamd spaansche baard waren beladen, zeker dik mos dat er in lange
-en gepruikte trossen bij neerhing en bij het minste geblaas van den wind zich beweegt.
-</p>
-<p>Na ongeveer een uur lang gereden te hebben, bracht de Tigrero zijn paard tot staan,
-steeg af en keek opmerkzaam rond.
-</p>
-<p>Weldra had hij gevonden wat hij zocht; niet ver van hem af was een vrij diepe, hetzij
-door den wind of door den regen uitgeholde ravijn, waar hij zijn paard in liet afdalen;
-hij maakte het met de lasso stevig aan een groot steenblok vast, bond het de neusgaten
-dicht, opdat het niet zou brieschen, nam zijn geweer op schouder en verwijderde zich.
-</p>
-<p>Van de plaats waar hij zich thans bevond was het vuur duidelijk zichtbaar en teekende
-de roode gloed zich scherp af in de duisternis.
-</p>
-<p>Rondom het vuur zag hij een aantal gestalten onbeweeglijk nedergehurkt, die hij bij
-den eersten oogopslag reeds voor Indianen herkende.
-</p>
-<p>De Tigrero had zich niet bedrogen, zijne ondervinding als jager was hem zeer goed
-te stade gekomen; het waren wel degelijk Roodhuiden die daar zoo dicht bij zijne karavaan
-in de woestijn gekampeerd lagen.
-</p>
-<p>Doch wie waren deze Roodhuiden, waren het vrienden of vijanden? Ziedaar eene vraag
-die hij volstrekt wilde opgelost zien.
-</p>
-<p>Het was geen gemakkelijke taak op zulk een effen en geheel open terrein hen ongemerkt
-te naderen, want de Indianen zijn als de wilde dieren, zij hebben het voorrecht van
-even scherp te zien, als te hooren en te ruiken: hunne glasachtige oogappels hebben
-het vermogen zich te verwijden als die van tijgers en, zoo kunnen zij hunne vijanden
-even goed zien in de dikste duisternis als in het meest verblindende zonlicht.
-</p>
-<p>Intusschen gaf don Martial zijn plan niet op.
-</p>
-<p>Niet ver van het kamp der Roodhuiden lag een groot blok graniet, aan welks voet drie
-of vier ahuehuelts waren opgeschoten, die door verloop van tijd hunne takken zoo dicht
-in elkander hadden gevlochten, dat zij op zekere hoogte aan den eenen kant van de
-rots een ondoordringbaar warbosch vormden.
-</p>
-<p>De Mexicaan ging plat op den grond liggen en schoof zich met behulp van knieën en
-ellebogen, duim voor duim en streep voor streep, zachtkens vooruit naar de rots, daarbij
-behendig gebruik makende van de schaduw die de rots zelve en de daarnevenstaande boomen
-op een gedeelte van het terrein wierpen.
-</p>
-<p>De Tigrero besteedde bijna een half uur om de weinig meer dan veertig ellen gronds
-die hem van de rots scheidden, af te leggen.
-</p>
-<p>Eindelijk had hij haar bereikt; en toen hield hij even stil om adem te scheppen en
-slaakte een zucht van voldoening.
-</p>
-<p>Het overige was niets meer; hij vreesde niet langer, gezien te <span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span>zullen worden, dank zij het dichte gordijn van takken dat hem voor het oog der Indianen
-verborg, maar daarentegen des te meer dat men hem mocht hooren.
-</p>
-<p>Na eenige oogenblikken uitgerust te hebben begon hij opnieuw te kruipen, en zich van
-lieverlede langs de steilte der rotshelling naar boven te werken: eindelijk bevond
-hij zich op gelijke hoogte met het warbosch, waar hij dadelijk inkroop en verdween,
-zonder dat iemand zijne aanwezigheid aan die plaats kon vermoeden.
-</p>
-<p>Uit dit schuilhoekje, dat hij zoo gelukkig ontdekt en bereikt had, overzag hij niet
-alleen het gansche kamp der Roodhuiden, maar kon hij duidelijk hooren wat zij onderling
-spraken.
-</p>
-<p>Het zal niet noodig zijn hier aan te merken, dat don Martial de verschillende taaleigens
-der talrijke, in de uitgestrekte wildernissen verspreide Indianen-stammen even goed
-verstond als sprak.
-</p>
-<p>De hier aanwezige Roodhuiden herkende hij onmiddellijk als Apachen.
-</p>
-<p>Dus waren al zijne vermoedens verwezenlijkt.
-</p>
-<p>Rondom een vuur van bisonsmest, dat hoog opvlamde zonder eenigen althans noemenswaardigen
-rook te verspreiden, zaten een aantal Indianenhoofden deftig nedergehurkt, in allen
-ernst hunne calumet te rooken en zich tevens te warmen, want de nacht was fijn koud.
-</p>
-<p>Onder hen herkende don Martial den Zwarte-Beer.
-</p>
-<p>De sachem zag er somber en norsch uit, hij scheen aan eene kwalijk verkropte gramschap
-ten prooi; nu en dan hief hij onrustig het hoofd op en richtte zijn blik beurtelings
-naar den helderen sterrenhemel en de hem omringende ruimte, als wilde hij de duisternis
-doorboren. Een dof en aansnellend gedruisch liet zich hooren, en weldra verscheen
-er een Indiaan te paard in het verlichte gedeelte van het kamp.
-</p>
-<p>Na te zijn afgestegen, naderde de nieuw aankomende het vuur, hurkte neder bij zijne
-kameraden, stak zijn calumet aan en begon te rooken, met een strak en ongevoelig gezicht,
-ofschoon men aan het stof waarmede hij bedekt was en aan de snelheid zijner ademhaling,
-wel bemerken kon dat hij een verren en moeielijken tocht gemaakt had.
-</p>
-<p>Bij zijne komst had de Zwarte-Beer hem tamelijk lang en bespiedend aangestaard, maar
-was toen weder gaan rooken zonder hem een woord toe te voegen, daar de Indiaansche
-etiquette verbiedt, dat de eene sachem den anderen ondervraagt, eer deze de asch uit
-zijn uitgerookte pijp in den haard heeft geschud.
-</p>
-<p>In het ongeduld van den Zwarte-Beer werd blijkbaar door de overige Indianen gedeeld.
-Intusschen bewaarden allen een deftig stilzwijgen. Eindelijk trok de nieuwgekomene
-een laatste teug rook uit zijne pijp, dien hij door mond en neusgaten weder uitblies,
-schudde haar leeg en stak haar bedaard in zijn gordel.
-</p>
-<p>De Zwarte-Beer richtte thans het woord tot hem.
-</p>
-<p>»De Kleine-Panter komt wel laat terug,&#x201d; zeide hij.
-<span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span></p>
-<p>Dit was geen rechtstreeksche vraag; de Indiaan bepaalde zich dus hij eene buiging
-maar antwoordde niet.
-</p>
-<p>»De gieren trekken met groote troepen over de woestijn,&#x201d; hervatte de sachem een poos
-later, »de coyotes scherpen hunne spitse klauwen, de Apachen rieken een geur van bloed,
-die het hart in hunne borst van vreugde doet opspringen; heeft mijn zoon ook iets
-gezien?&#x201d;
-</p>
-<p>»De Kleine-Panter is een vermaard krijgsman in zijn stam<span class="corr" id="xd30e6067" title="Bron: .">,</span>&#x201d; antwoordde de Indiaan, »als de eerste bladeren komen zal hij ook een opperhoofd
-zijn; hij heeft de zending volbracht die zijn vader hem opdroeg.&#x201d;
-</p>
-<p>»<i>Ooah!</i> wat doen de Lang-Messen?&#x201d;
-</p>
-<p>»De Lang-Messen zijn honden, die huilen zonder te kunnen bijten, een Apachen krijgsman
-heeft hen verschrikt.&#x201d;
-</p>
-<p>De sachems glimlachten hoogmoedig bij deze zotte grootspraak, die zij eenvoudig in
-goeden ernst opnamen.
-</p>
-<p>»De Kleine-Panter heeft hun kamp gezien,&#x201d; hervatte de Indiaan, »hij heeft hen geteld,
-zij zuchten als vrouwen en huilen als kleine kinderen zonder moed of kracht; twee
-van hen zullen dezen nacht geen plaats meer nemen aan het raadvuur hunner broederen.&#x201d;
-</p>
-<p>En met zekeren, niet van krijgsadel ontblooten zwier sloeg de Indiaan de katoenen
-kiel op, die hem van den hals tot aan de knieën reikte, en liet hem een paar versche
-haarschedels zien die aan zijn gordel hingen.
-</p>
-<p>»<i>Ooah!</i><span class="corr" id="xd30e6081" title="Niet in bron">&#x201d;</span> juichten de opperhoofden met geestdrift, »de Kleine-Panter heeft dapper gestreden!&#x201d;
-</p>
-<p>De Zwarte-Beer wenkte den Indiaan hem de twee bloedige trofeën te overhandigen.
-</p>
-<p>De <span class="corr" id="xd30e6086" title="Bron: kleine Panter">Kleine-Panter</span> maakte ze los en reikte ze hem over.
-</p>
-<p>De Zwarte-Beer bekeek ze met alle aandacht. Al de andere hoofden wachtten met belangstelling
-op zijn oordeel.
-</p>
-<p>»<i>Asch&#x2019;het!</i>&#x201d; (Zeer goed) riep hij onmiddellijk, »mijn zoon heeft een Lang-Mes gedood en een Yori.&#x201d;
-</p>
-<p>En hiermede gaf hij de bloedige trofeën aan den eigenaar terug, die ze weder aan zijn
-gordel hechtte.
-</p>
-<p>»Hebben de bleekmuilen het spoor der Apachen ontdekt?&#x201d; vroeg hij.
-</p>
-<p>»De <span class="corr" id="xd30e6099" title="Bron: Bleekmuilen">bleekmuilen</span> zijn blinde mollen. Zij deugen nergens dan in hunne steenen dorpen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat heeft mijn zoon gedaan?&#x201d;
-</p>
-<p>»De Panter heeft de bevelen die hij van zijn vader ontvangen had, stipt uitgevoerd;
-toen de krijgsman begreep dat de bleekgezichten hem niet wilden zien, is hij stout
-op hen ingetreden en heeft hen gesard, en toen hebben zij hem drie uren lang vervolgd
-tot in het hart der woestijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed: mijn zoon heeft zich braaf gedragen. Wat heeft hij nog meer gedaan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Toen hij de Lang-Messen ver genoeg had gebracht, heeft hij hen <span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span>verlaten, na eerst twee van hen gedood te hebben tot een aandenken van zijne ontmoeting;
-daarop is hij naar het kamp zijner broederen teruggereden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Mijn zoon zal wel moede zijn; het uur der rust is voor hem gekomen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nog niet,&#x201d; antwoordde de Indiaan ernstig.
-</p>
-<p>»<i>Ooah!</i> dat mijn zoon zich verklare.&#x201d;
-</p>
-<p>Zonder te weten waarom, maar bij dit woord voelde de Tigrero, die alles stipt had
-afgeluisterd, zijn hart beven van angst.
-</p>
-<p>De Indiaan vervolgde:
-</p>
-<p>»Er zijn niet alleen Lang-Messen in de woestijn, de Kleine-Panter heeft een tweede
-spoor ontdekt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Een tweede spoor?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja. Dat spoor is weinig zichtbaar: het telt maar zeven paarden en drie muildieren
-in &#x2019;t geheel; ik heb den stap van een dezer paarden herkend.&#x201d;
-</p>
-<p>»<i>Ooah!</i> ik verwacht dat mijn zoon mij alles zal mededeelen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zes gewapende Yoris te paard, met eene vrouw bij zich, zijn de woestijn binnen getrokken.&#x201d;
-</p>
-<p>Het oog van den Zwarte-Beer fonkelde.
-</p>
-<p>»Eene bleeke vrouw?&#x201d; vroeg hij.
-</p>
-<p>De Indiaan knikte toestemmend.
-</p>
-<p>De sachem dacht een oogenblik na, maar spoedig hernam zijn gelaat het masker van onverschilligheid
-dat hem eigen was.
-</p>
-<p>»De Zwarte-Beer heeft zich niet vergist,&#x201d; zeide hij, »hij rook den geur des bloeds,
-ik beloof mijne zonen eene goede jacht. Morgen met de <i>endit-ha</i><a class="noteRef" id="xd30e6134src" href="#xd30e6134">2</a> zullen de krijgslieden te paard stijgen. De hut van den sachem is eenzaam; dat zij
-onze eerste zorg. Laten wij dus de Lang-Messen aan hun lot over,&#x201d; vervolgde hij de
-oogen naar den hemel richtende. »Nyang, de geest des kwaads, zal zich wel met de taak
-belasten hen onder het zand te begraven, de Meester des levens roept den storm reeds;
-ons werk is afgedaan, volgen wij liever de Yoris en keeren wij dan naar onze jachtvelden
-terug; de orkaan zal weldra over de woestijn losbreken en haar omkeeren. Mijne zonen
-kunnen zich aan den slaap overgeven, een opperhoofd zal over hen waken; ik heb gesproken.&#x201d;
-</p>
-<p>De krijgslieden bogen stilzwijgend, stonden de een na den ander op en vlijden zich
-eenige stappen verder op den zandbodem neêr.
-</p>
-<p>Na verloop van een paar minuten waren allen in diepen slaap.
-</p>
-<p>Alleen de Zwarte-Beer waakte. Met het hoofd in de beide handpalmen, en de ellebogen
-op de knieën, zat hij strak in den met sterren bezaaiden hemel te staren. Somwijlen
-werd zijn oog minder streng, scheen zijn gelaat te verteederen en trilde er een vluchtige
-glimlach op zijne lippen.
-</p>
-<p>Welke gedachten hielden hem bezig? waarover peinsde de sachem?
-<span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span></p>
-<p>Don Martial had alles beluisterd en geraden, en een heimelijke schrik deed hem huiveren
-van afgrijzen.
-</p>
-<p>Hij bleef nog bijna een half uur onbeweeglijk in zijn schuilhoek, uit vrees van ontdekt
-te worden; daarna begon hij de rots af te klimmen gelijk hij haar was opgeklauterd,
-maar met nog grooter zorgvuldigheid: want in deze oogenblikken, nu eene roerlooze
-stilte de natuur beheerschte, zou het minste geritsel zijne tegenwoordigheid voor
-het scherpe gehoor van den Indiaan hebben verraden.
-</p>
-<p>Na alles wat hij zoo ongedacht had afgeluisterd vreesde hij meer dan ooit om ontdekt
-te worden.
-</p>
-<p>Eindelijk gelukte het hem veilig de plek te bereiken waar hij zijn paard had achtergelaten.
-</p>
-<p>Onmiddellijk steeg hij in den zadel, maar liet een geruimen tijd den teugel achteloos
-op den hals van zijn trouwe dier rusten en terwijl hij stapvoets voortreed, riep hij
-zich nog eens al het gehoorde voor den geest, en begon hij op middelen te peinzen
-om het vreeselijk gevaar af te wenden, dat hem en zijne tochtgenooten bedreigde.
-</p>
-<p>Zijne verlegenheid kende geene grenzen, hij zag geen kans om het raadsel op te lossen
-en wist niet waartoe te besluiten. Hij kende don Sylva de Torres te goed om te veronderstellen
-dat deze ooit om redenen van persoonlijk behoud zijn plan op zou geven en zijne vrienden
-in den steek laten, zonder het uiterste te beproeven om hen te helpen. Maar moest
-of mocht hij dan <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita opofferen aan deze overdreven nauwgezetheid, aan dit kwalijk begrepen punt
-van eer, ten gevalle van een man die in geenerlei opzicht zooveel belang verdiende
-als de haciendero in hem stelde?
-</p>
-<p>Nog altijd was er kans om met inspanning van kracht en beleid de Apachen te ontwijken
-en aan hunnen overmoed te ontsnappen;&#x2014;maar hoe zou men ontsnappen aan den temporal,
-dien gevreesden storm! die wellicht reeds binnen weinige uren over de woestijn zou
-losbreken, alle plaatselijke kenmerken zou doen verdwijnen, alle sporen uitwisschen
-en zoodoende iedere vlucht onmogelijk maken?
-</p>
-<p>Doch hoe het ook gaan mocht, boven alles, het meisje moest hij redden tot iederen
-prijs! Deze gedachte kwam bij den Tigrero telkens met nieuwe kracht weder boven en
-brandde hem als gloeiend staal op het hart. Het klamme zweet parelde op zijn voorhoofd
-en hij verzonk als het ware in stomme razernij tegenover de stoffelijke onmogelijkheid,
-die hier zoo onverbiddelijk voor hem oprees.
-</p>
-<p>Hoe zou hij haar redden? Dit was nu de alles beheerschende vraag, en op deze vraag
-wist hij geen antwoord.
-</p>
-<p>Zoo reed hij een geruimen tijd stapvoets voort met het hoofd op de borst gebogen,
-en pijnigde zijn geest af om een middel te vinden en zich uit dien moeielijken toestand
-te redden, die hem meer en meer beknelde. Eindelijk ging er in zijne gedachten een
-licht op; hij hief het hoofd fier omhoog en met een uitdagenden blik naar <span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span>den kant zijner vijanden, die zich reeds zeker waanden hem en zijne reisgenooten te
-zullen meester worden, gaf hij zijn paard de sporen en zette door in vliegenden galop.
-</p>
-<p>Toen hij de plaats bereikte waar de karavaan gekampeerd lag, vond hij, behalve den
-peon die op wacht stond, alles in diepen slaap.
-</p>
-<p>Het was reeds laat geworden, ongeveer een uur na middernacht, de hoogstaande maan
-verspreidde een schitterend licht over de zandvlakte, zoodat men alles bijna even
-goed zien kon als op den vollen middag. De Apachen zouden volgens hun plan niet opbreken
-voor dat de zon opging; hij had dus nog vier volle uren te zijner beschikking om vrij
-te handelen, en hij besloot om zich die ten nutte te maken. Vier uren welbesteed,
-zijn onberekenbaar veel bij eene vlucht.
-</p>
-<p>De Tigrero begon met zijn paard zorgvuldig af te rossen, om het de zoo noodige lenigheid
-weêr te geven, want hij zou dien dag van zijne vlugheid en kracht het uiterste moeten
-vergen. Daarna, geholpen door de peons, laadde hij de muildieren op en zadelde de
-paarden.
-</p>
-<p>Alles gereed zijnde, bedacht hij zich een oogenblik en nu maakte hij haastig een aantal
-kleine zakken van schapenvellen met zand gevuld, om er de pooten der paarden in te
-steken. Deze list moest naar zijne berekening dienen om de Roodhuiden te misleiden,
-die het door hen verwachte spoor niet langer herkennende, aan vervalsching zouden
-denken en hen dus niet rechtstreeks zouden vervolgen.
-</p>
-<p>Tot overmaat van veiligheid, liet hij drie of vier lederen zakken met mezcal onder
-de rots achter, wel verzekerd dat de Apachen met hunnen bekenden lust naar sterken
-drank niet zouden nalaten zich te bedrinken.
-</p>
-<p>Toen dit alles gedaan was, wekte hij don Sylva en zijne dochter.
-</p>
-<p>»Te paard!&#x201d; riep hij op een toon die geen tegenspraak gedoogde.
-</p>
-<p>»Wat is het?&#x201d; vroeg de haciendero nog half slapende.
-</p>
-<p>»Wat het is?&#x2014;als wij niet oogenblikkelijk vertrekken, zijn wij verloren.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat? wat zegt gij, verloren?&#x201d;
-</p>
-<p>»Te paard! te paard!&#x201d; hervatte hij, »iedere minuut die wij hier verspillen brengt
-ons nader bij onzen dood! Later zal ik u alles ophelderen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar in &#x2019;s hemels naam! wat is er dan toch gebeurd?&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij zult het spoedig weten, kom meê, kom meê!&#x201d;
-</p>
-<p>Zonder verder op zijne vragen acht te slaan, noopte hij den haciendero tegen wil en
-dank dadelijk te paard te stijgen; <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita zat reeds in den zadel, de Tigrero wierp een laatsten blik rugwaarts en gaf
-toen het sein om te vertrekken.
-</p>
-<p>De kleine karavaan zette zich in beweging en stoof onmiddellijk voorwaarts, zoo snel
-de paarden en muildieren maar loopen konden.
-<span class="pageNum" id="pb223">[<a href="#pb223">223</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e6024">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6024src">1</a></span> Water of bronboom.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6024src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6134">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6134src">2</a></span> Zonsopgang.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6134src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch23" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7028">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXIII.</h2>
-<h2 class="main">DE APACHEN.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Niets is akeliger dan een tocht door de woestijn bij nacht, en onder zulke omstandigheden
-als die onze reizigers noodzaakten tot eene overhaaste vlucht.
-</p>
-<p>De nacht is de vader der spoken; in de schemering wordt het vroolijkste landschap
-somber en zwart; al het wezenlijke schijnt van gedaante te wisselen, en het onwezenlijke
-krijgt eene gestalte om den reiziger te verschrikken; zelfs de maan, hoe helder zij
-schijnen mag, geeft aan de voorwerpen een spookachtig aanzien en een nog spookachtiger
-schaduw, die wel in staat is den stoutste te doen sidderen.
-</p>
-<p>De doodsche stilte der woestijn, hare onbegrensde eenzaamheid, die den armen reiziger
-van alle kanten omgeeft, drukt en benauwt, en door zijne kranke verbeelding met schrikgestalten
-bevolkt wordt; de tastbare duisternis, die hem opsluit als in een looden doodkist:
-alles spant samen om zijn brein te ontstellen en hem, om het zoo eens te noemen, een
-angstkoorts aan te jagen, die de levenwekkende luister der opgaande zon alleen in
-staat is weder te verdrijven.
-</p>
-<p>Onwillekeurig ondergingen onze reizigers den druk van al deze verschrikkingen, die
-hun geschokte hersengestel te voorschijn riep; zij renden voort in den tastbaren nacht,
-zonder&#x2014;althans de meesten hunner&#x2014;te weten waarom of waarheen; zij bekommerden er zich
-ook niet om; met een bezwaard hoofd, benevelde zinnen, door sluimerzucht bevangen
-blik, en de oogen half gesloten, hadden zij slechts ééne gedachte: slapen. Zwaaiend
-en dommelend door hunne voortstormende paarden gedragen en met duizelingwekkende snelheid
-weggevoerd, schenen de dorre rotsen en enkele hier en daar verspreide boomen hun als
-in een satanischen wedren voorbij te vliegen, tot zij eindelijk de oogen geheel sloten
-en zich zoo vast mogelijk in den zadel zetteden om zich over te geven aan den slaap,
-dien zij de macht niet hadden om te weêrstaan.
-</p>
-<p>De slaap is voor den mensch wellicht een der sterkste en onverbiddelijkste behoeften,
-die hem alles doet verachten, alles doet vergeten.
-</p>
-<p>Wie door slaap overvallen wordt, geeft er zich aan over, ongevraagd hoe of waar, en
-onverschillig hoe groot het gevaar is dat hem bedreigt. Honger of dorst kan men, ten
-minste een tijdlang, door moed en wilskracht bedwingen, maar den slaap, neen, tegen
-hem is niemand opgewassen en de strijd onmogelijk; hij omklemt als met fluweelen maar
-ijzeren hand en werpt zijn tegenstander binnen weinige minuten hijgend en overwonnen
-ter neder.
-</p>
-<p>Behalve don Martial, die altijd wakker van blik en helder van geest was gebleven,
-hadden de overige leden der karavaan veel van <span class="pageNum" id="pb224">[<a href="#pb224">224</a>]</span>somnambulen; aan hunne paarden als vastgeketend, met gesloten oogen, zonder nadenken
-of zelfbewustheid reden zij voort als in een droom, en in een soort van nachtmerrie,
-dien benauwenden toestand zonder naam, die noch slapen noch waken mag heeten, maar
-slechts eene verdooving is der zinnen en een kluistering der ziel.
-</p>
-<p>Dat duurde den geheelen nacht door.
-</p>
-<p>De karavaan had twintig mijlen gemaakt; de reizigers waren doodaf.
-</p>
-<p>Met het opgaan der zon en onder den invloed van hare koesterende stralen kwamen zij
-weder een weinig tot verademing; de spanning die hen beknelde hield op, zij openden
-de oogen, richtten zich op en keken nieuwsgierig rond; en gelijk het in zulke omstandigheden
-gewoonlijk gaat, volgde er een vloed van uitroepingen en vragen.
-</p>
-<p>De kleine karavaan had de boorden der Rio del Norte bereikt, wier troebele wateren
-aan deze zijde de grens der woestijn uitmaken.
-</p>
-<p>Don Martial, na de plaats waar zij zich bevonden nauwkeurig te hebben opgenomen, maakte
-op den oever der rivier zelve halt.
-</p>
-<p>De paarden werden van voeder voorzien, en hunne hoeven van de met zand gevulde sokken
-ontdaan. Wat de menschen betreft, deze moesten zich vooreerst met een teug refino
-vergenoegen, om nieuwe krachten te bekomen.
-</p>
-<p>Het landschap had hier een gansch ander aanzien; aan de overzijde der rivier was de
-grond met stug en sterk gras bedekt, terwijl uitgestrekte bosschen den horizont omzoomden.
-</p>
-<p>»Oef!&#x201d; riep don Sylva zich met een onbeschrijfelijk gevoel van genot op den grond
-nedervlijende, »wat een rid! ik ben geheel af; als dat zoo nog een dag duren moest,
-<i lang="es">voto a brios!</i> dan hield ik het niet vol. Ik heb noch honger noch dorst, ik ga slapen.&#x201d;
-</p>
-<p>En met dat zeggen schikte de haciendero zich zoo zacht mogelijk tot een verkwikkelijk
-slaapje.
-</p>
-<p>»Nog niet, don Sylva,&#x201d; riep de Tigrero met drift terwijl hij hem duchtig bij den arm
-schudde, »of hebt gij lust om hier uw gebeente achter te laten?&#x201d;
-</p>
-<p>»Loop naar den drommel! ik wil slapen, zeg ik u.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeer goed,&#x201d; antwoordde don Martial koelzinnig, »maar als <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita dan in handen der Apachen valt, moet gij het mij niet wijten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat!&#x201d; riep de haciendero opstaande en hem strak in de oogen ziende, »spreekt gij
-mij weêr van de Apachen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik herhaal u dat de Apachen ons nazetten; wij hebben nauwelijks eenige uren op hen
-voor, zoo wij ons niet haasten zijn wij verloren.&#x201d;
-</p>
-<p>»Canarios! dan moeten wij vluchten!&#x201d; riep don Sylva thans geheel wakker, »ik wil mijne
-dochter niet in handen van die duivels zien vallen.&#x201d;
-</p>
-<p>Wat <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita betreft, die wist op dit oogenblik weinig van zorg, zij sliep, zoo als de Spanjaarden
-zeggen, met gesloten vuisten.
-</p>
-<p>»Laten wij de paarden dubbel voer geven, wij vertrekken onmiddellijk, <span class="pageNum" id="pb225">[<a href="#pb225">225</a>]</span>en wij hebben een langen toer te maken; zij moeten in staat zijn om ons zoo ver te
-brengen; die weinige minuten toevens zullen <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita ten goede komen om hare krachten te herstellen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat arme schaap!&#x201d; zuchtte de haciendero, »van al wat er gebeurt ben ik de schuld,
-het is mijne vervloekte stijfhoofdigheid die haar hier gebracht heeft.&#x201d;
-</p>
-<p>»Waartoe dat zelfverwijt, don Sylva,&#x201d; zei don Martial, »wij allen hebben er schuld
-aan; laten wij het gebeurde vergeten, en alleen aan het tegenwoordige denken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ach ja! gij hebt gelijk, waarom langer gepraat over gedane zaken? Nu ik weder geheel
-wakker ben, moest gij mij liever eens vertellen wat gij dezen nacht gedaan hebt en
-waarom gij ons zoo plotseling gedrongen hebt om te vertrekken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Mijn hemel! don Sylva, dat verhaal zal zeer kort zijn, maar toch geloof ik dat gij
-het zeer belangrijk zult vinden. Oordeel zelf. Gij zult het hooren. Nadat ik u gisteren
-verlaten had om op verkenning uit te gaan, gij herinnert het u immers.&#x2026;?&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeer goed! gij zoudt het vuur gaan onderzoeken dat u zoo verdacht voorkwam.&#x201d;
-</p>
-<p>»Juist. Welnu, ik had mij niet bedrogen, dat vuur was zooals ik wel vermoedde een
-kampvuur van wilden. Het was door Apachen aangelegd<span class="corr" id="xd30e6242" title="Niet in bron">.</span> Het gelukte mij ongemerkt tot hen door te dringen en hun gesprek af te luisteren.
-Weet gij wat zij zeiden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Caramba! hoe kan ik weten wat zulke domkoppen elkander te vertellen hebben?&#x201d;
-</p>
-<p>»Niet zoo dom als gij wellicht een weinig te lichtvaardig denkt, don Sylva, een renbode
-bracht den sachem van den stam verslag van eene door hem volbrachte zending; onder
-meer andere belangrijke zaken, zeide hij een spoor van bleekgezichten te hebben ontdekt,
-en dat zich onder hen eene vrouw bevond.&#x201d;
-</p>
-<p>»Caspita!&#x201d; riep de haciendero met schrik, »zijt gij daar zeker van, don Martial?&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo zeker zelfs, dat ik door het opperhoofd letterlijk het volgende hoorde antwoorden;
-luister nu wel toe, don Sylva.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik ben geheel oor, vriend, ga voort.&#x201d;
-</p>
-<p>»Met zonsopgang trekken wij snel op weg om de bleekhuiden te vervolgen; de hut van
-den sachem is eenzaam, hij heeft eene blanke vrouw noodig om haar te verlevendigen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Caramba!&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja. Toen wist ik genoeg van de onderneming die de Roodhuiden in den zin hebben; ik
-sloop even stil weg als ik gekomen was en keerde zoo spoedig mogelijk naar ons kamp
-terug. Het overige weet gij.&#x201d;
-</p>
-<p>»O! o!&#x201d; antwoordde don Sylva blijkbaar ontroerd en met warme belangstelling.
-</p>
-<p>»Ja, ik weet het overige, don Martial, en ik zeg u oprechtelijk dank niet alleen voor
-het goed overleg waarmede gij bij deze gelegenheid <span class="pageNum" id="pb226">[<a href="#pb226">226</a>]</span>zijt te werk gegaan, maar ook voor den ijver waarmede gij, zonder u aan onze tegenstribbeling
-te storen, ons gedwongen hebt u te volgen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik heb niet anders gedaan dan mijn plicht mij gebood, don Sylva. Heb ik u niet gezworen
-dat ik u getrouw zou blijven?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, mijn vriend, en gij doet uw eed ridderlijk gestand.&#x201d;
-</p>
-<p>Sedert de haciendero don Martial had leeren kennen, was dit de eerste maal dat hij
-werkelijk rond en oprecht met hem sprak en hem den titel van vriend schonk.
-</p>
-<p>De Tigrero was er door getroffen, deze ontboezeming ging hem door de ziel, en zoo
-hij tot hiertoe jegens don Sylva eenige vooroordeelen was blijven koesteren, werden
-zij op dit oogenblik geheel bij hem uitgewischt, om in zijn hart niets dan een innig
-gevoel van dankbaarheid over te laten.
-</p>
-<p>Intusschen was <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita gedurende dit gesprek wakker geworden, en nu hoorde zij met onbeschrijfelijk
-genoegen hoe vriendschappelijk zij samen spraken.
-</p>
-<p>Toen haar vader haar nu de reden vertelde waarom don Martial hen gedrongen had in
-het holst van den nacht zulk een vermoeienden tocht te ondernemen, bedankte zij den
-Tigrero van harte en beloonde hem met een van die teedere blikken, daar de vrouwen
-alleen het geheim van bezitten en in welke zij als het ware haar geheele ziel doen
-spreken.
-</p>
-<p>Toen de Tigrero zag dat zijn getrouwe ijver naar waarde geschat werd, vergat hij al
-zijne vermoeienis en kende hij geen ander verlangen, dan om zijne wel begonnen taak
-gelukkig ten einde te brengen.
-</p>
-<p>Zoodra de paarden gevoederd waren werd er opnieuw opgestegen.
-</p>
-<p>»Ik verlaat mij op u, don Martial,&#x201d; zei de haciendero, »gij alleen kunt ons redden.&#x201d;
-</p>
-<p>»<span class="corr" id="xd30e6274" title="Bron: Een">En</span> met Gods hulp zal ik het doen,&#x201d; antwoordde de Tigrero hartstochtelijk.
-</p>
-<p>Men daalde in de rivier af, die op dit punt vrij breed was. In plaats van haar in
-eene rechte lijn over te steken, verkoos don Martial, ten einde de Roodhuiden beter
-van &#x2019;t spoor te helpen, liever eene poos den stroom van het water te volgen, en stuurde
-hij de karavaan met menige wending en kronkeling in eene schuinsche richting naar
-den overkant.
-</p>
-<p>Eindelijk aan een plek komende waar de rivier tusschen oevers van kalksteen besloten
-was, en dus de hoeven der paarden en muilezels geen zichtbare indruksels op het natte
-zand of de vochtige klei konden achterlaten, steeg hij aan wal.
-</p>
-<p>De karavaan had thans de woestijn verlaten. Voor haar uit lag de onmetelijke prairie,
-wier golvende bodem zich langzaam verheft tot de eerste heuveltrappen der Sierra Madre
-en der Sierra de los Comanchos. Hier was het geen woeste onvruchtbare vlakte meer,
-zonder bosch of gras of water. Eene overdadig welige natuur, rijk bedeeld <span class="pageNum" id="pb227">[<a href="#pb227">227</a>]</span>met onvergelijkelijke groeikracht, van boomen, bloemen en kruiden, tallooze vogels
-die vroolijk kwinkeleerden tusschen het gebladerte, dieren van allerlei soort die
-in deze natuurlijke weiden liepen grazen of rondhuppelden en zich verlustigden.
-</p>
-<p>De mensch, waar en wanneer ook, en onder welke zorgen en bemoeiingen zijn geest ook
-gebukt gaat, ondervindt onwillekeurig den invloed der uitwendige voorwerpen die hem
-omringen; eene lachende natuur maakt hem vroolijk, zoowel als een somber en dor of
-verlaten landschap hem tot treurigheid stemt.
-</p>
-<p>De reizigers gaven zich werktuigelijk over aan den weldadigen indruk der groote verandering,
-die het gezicht van het prachtig en heerlijk schouwspel dat de prairie hun bood bij
-hen teweegbracht, in vergelijking met de eenzame, dorre woestijn die zij pas verlaten
-en daar zij zoo lang op goed geluk in rondgedoold hadden. Deze tegenstelling was voor
-hen vol bekoorlijkheid en zij gevoelden daarbij den moed en de hoop in hunne harten
-herleven.
-</p>
-<p>Tegen elf ure des voormiddags echter, waren de paarden zoo moê geloopen, dat men zich
-genoodzaakt zag te kampeeren om hun eenige uren rust te gunnen en de grootste hitte
-van den dag te laten voorbijgaan.
-</p>
-<p>Don Martial koos daartoe de kruin van een boschrijken heuvel, van waar men den ganschen
-omtrek kon overzien, terwijl men zelf tusschen het geboomte onzichtbaar bleef.
-</p>
-<p>Toen men echter een vuur wilde aanleggen om spijzen te koken, verzette de Tigrero
-er zich tegen, daar de rook alleen genoeg zou zijn geweest om hunnen schuilhoek kenbaar
-te maken, en in de tegenwoordige oogenblikken konden zij niet te voorzichtig zijn;
-want dat de Apachen met zonsopgang waren opgebroken om hen te vervolgen was maar al
-te zeker; en deze fijne windhonden het spoor bijster te maken, was eene volstrekte
-noodzakelijkheid. Ondanks al zijne voorzorgen, twijfelde de Tigrero nog altijd of
-het hem gelukken zou de in dit opzicht zoo slimme Roodhuiden te verschalken.
-</p>
-<p>Na in der haast een paar maïskoekjes gegeten te hebben liet hij zijne kameraden de
-weinige rust genieten, die zij zoo grootelijks behoefden, en stond op om den omtrek
-te bespieden en te zien of hij ook iets ontdekken kon dat hun veiliger uitweg of althans
-zekerder schuilplaats aanbood.
-</p>
-<p>De Tigrero was een man als van ijzer, de vermoeienis had geen vat op hem; zijn wilskracht
-was zoo vast dat zij aan alles weêrstand bood, en de zucht om de vrouw die hij lief
-had voor onheil te behoeden verleende hem schier bovennatuurlijke sterkte.
-</p>
-<p>Langzaam daalde hij den heuvel af, lettende op iederen struik, rondziende ieder oogenblik,
-en niet dan met de uiterste behoedzaamheid, met de hand aan den trekker van zijn geweer
-en met het oor gespitst op het minste geluid.
-</p>
-<p>Toen hij in de vlakte kwam, waar hij, dank zij het hooge prairiegras, <span class="pageNum" id="pb228">[<a href="#pb228">228</a>]</span>door niemand gezien kon worden, stapte hij haastig voort in de richting van een donker
-en dicht bosch, welks eerste geboomte zich bijna tot aan den voet des heuvels uitstrekte.
-</p>
-<p>Dit bosch bleek inderdaad te zijn wat hij reeds vermoedde, namelijk een ongerept natuurwoud;
-de boomen waren door de menigte lianen en slingerplanten zoo vast aan elkander geweven
-dat zij een ondoordringbaar net vormden, waar men zich alleen met de hakbijl of door
-middel van vuur een doortocht had kunnen banen.
-</p>
-<p>Als hij alleen ware geweest zou de Tigrero tegen dit schijnbaar onoverkomelijk bezwaar
-niet hebben opgezien; of anders met zijne gewone behendigheid en kracht den weg tusschen
-hemel en aarde gekozen en zich van tak tot tak of over de toppen der boomen hebben
-gewaagd, zoo als hij wel meer gedaan had. Maar wat een man zoo onvervaard en sterk
-als hij had kunnen doen, daaraan viel voor eene zwakke, vreesachtige vrouw niet te
-denken.
-</p>
-<p>Hij was geheel buiten raad. Een oogenblik voelde de Tigrero den moed hem ontzinken,
-maar dit duurde ook slechts een oogenblik. Met fierheid verhief hij zich weder en
-kreeg terstond al zijne zielskracht terug; hij stapte voort naar het bosch, dat hij
-voor een gedeelte langs ging, speurend en spiedend als een roofdier dat zijn prooi
-zoekt.
-</p>
-<p>Op eens slaakte hij een half gesmoorden kreet van verrassing.
-</p>
-<p>Hij had gevonden wat hij bijna niet durfde hopen te zullen ontdekken.
-</p>
-<p>Voor hem uit, onder een dicht gewelf van groene takken en bladen, kronkelde een dier
-smalle, donkere paden of loopsporen, door het wild gedierte reeds sedert eeuwen getrokken
-om bij nacht naar de rivier te gaan drinken, en die alleen een geoefend oog als dat
-van den Tigrero in staat was te ontdekken; onverschrokken waagde hij er zich in en
-stapte een geruimen tijd voort.
-</p>
-<p>Gelijk alle door roofdieren getrokken sporen, liep ook dit met tallooze omwegen en
-keerde menigmaal op zich zelve terug. Na het een tijd lang gevolgd te zijn, had de
-Tigrero genoeg gezien en besloot hij dadelijk naar den heuvel terug te keeren.
-</p>
-<p>Zijne kameraden, niet weinig ongerust over zijn lang uitblijven verwachtten hem reeds
-met ongeduld en ontvingen hem met groote blijdschap. Hij gaf hun verslag van het door
-hem gevonden spoor en van hetgeen hij verder gezien had.
-</p>
-<p>Intusschen, terwijl don Martial alzoo op verkenning uit was geweest, had ook een der
-peons niet stil gezeten, maar aan de eene zijde van den heuvel daar de karavaan kampeerde
-eene ontdekking gedaan, die in de gegeven omstandigheden voor de reizigers onwaardeerbaar
-was.
-</p>
-<p>Voor tijdverblijf en zonder bepaald doel in den omtrek ronddolende, had hij den ingang
-eener grot ontdekt, in welke hij echter niet durfde binnengaan, uit vrees dat hij
-misschien onverwachts door een of ander roofdier zou overvallen worden.
-<span class="pageNum" id="pb229">[<a href="#pb229">229</a>]</span></p>
-<p>Don Martial trilde van blijdschap bij dit bericht, hij nam een ocote-fakkel en gelastte
-den peon hem naar de grot te brengen.
-</p>
-<p>Zij lag slechts weinige schreden ver, aan de zijde des heuvels die op de rivier uitzag.
-</p>
-<p>De toegang was zoodanig met struiken en woekerplanten bezet, dat er blijkbaar sinds
-lange jaren geen levend schepsel was binnengedrongen.
-</p>
-<p>De Tigrero boog de struiken met de meeste behendigheid en zorg uit elkander, ten einde
-ze niet te beschadigen, en sloop de spelonk binnen. De ingang was tamelijk hoog, ofschoon
-dan ook nauw. Alvorens verder te gaan, sloeg hij vuur en ontstak zijn toorts.
-</p>
-<p>De spelonk was een door de natuur gevormde onderaardsche gang, zooals men er in deze
-streken meerdere aantreft, de wanden waren steil en droog, de grond bestond uit fijn
-zand. Zij ontving waarschijnlijk versche lucht door onzichtbare spleten, want geen
-dierlijke of verstikkende uitwasemingen lieten er zich in bespeuren, en men haalde
-er onbelemmerd adem, kortom, ofschoon vrij donker, was zij wel geschikt om te bewonen.
-Met een zacht afglooienden bodem, terwijl het gewelf langzamerhand lager werd, liep
-zij uit in een groote zaal, in welks midden een diepe kolk was, daar don Martial ondanks
-het heldere licht van zijn fakkel onmogelijk den bodem van kon zien. Hij keek hier
-een oogenblik rond en zag een stuk steen liggen dat waarschijnlijk van het gewelf
-was gevallen, nam het en wierp het in den afgrond.
-</p>
-<p>Vrij lang hoorde men den steen, langs de wanden kaatsend naar beneden vallen en eindelijk
-klotsen, als een zwaar voorwerp dat in het water stort.
-</p>
-<p>Don Martial wist nu al wat hij verlangde te weten. Hij ging om de kolk heen en vervolgde
-zijn weg in een vrij engen tunnel, die snel afwaarts daalde. Na op deze wijs omtrent
-tien minuten te zijn voortgestapt, bespeurde hij in de verte daglicht. De grot had
-twee uitgangen!
-</p>
-<p>Nu haastte hij zich terug te keeren.
-</p>
-<p>»Wij zijn gered!&#x201d; riep hij vroolijk tegen zijn gezellen; »kom, haast u en volg mij,
-wij hebben geen oogenblik te verliezen, om de schuilplaats te bereiken die de Voorzienigheid
-ons zoo gunstig aanbiedt.&#x201d;
-</p>
-<p>Allen stonden op om hem te volgen.
-</p>
-<p>»Maar,&#x201d; merkte don Sylva aan, »onze paarden, wat zullen wij daarmede doen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Maak u daar niet ongerust over, ik weet waar ik ze verbergen moet. Laten wij onze
-levensmiddelen naar de grot brengen, want naar alle waarschijnlijkheid zullen wij
-genoodzaakt zijn er eenigen tijd te blijven, bewaren wij dus hier ook de zadels en
-tuigen, daar ik buiten de grot geen plaats voor zou weten. Wat de paarden aangaat,
-dat is mijne zaak.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb230">[<a href="#pb230">230</a>]</span></p>
-<p>Allen gingen thans aan &#x2019;t werk met dien koortsachtigen ijver dien de hoop op ontsnapping
-aan een dreigend gevaar gewoonlijk inboezemt, en na verloop van een uur op zijn langst
-waren de pakgoederen, de levensmiddelen en de menschen in de grot verborgen en in
-veiligheid.
-</p>
-<p>Don Martial bracht de struiken weder in orde, om de sporen waar zijne kameraden waren
-doorgegaan, te doen verdwijnen; daarop haalde hij ruimer adem, met het zoete gevoel
-van welvoldaanheid dat steeds op het gelukken van een stout, schier onuitvoerlijk
-plan volgt, en beklom den top van den heuvel.
-</p>
-<p>Hij koppelde de paarden met behulp van een lasso en leidde hen den berg af naar de
-vlakte, in de richting van het bosch, waar hij weldra in de kronkelingen van het vroeger
-door hem gevonden loopspoor verdween.
-</p>
-<p>Het pad was smal, zoodat de paarden er niet dan achter elkander en dan nog met groote
-moeite door konden. Eindelijk bereikte hij een klein open kamp, waar hij de arme dieren
-aan hun lot overliet, hun al den voorraad boonen en klaver achterlatende, die hij
-uit voorzorg met de muildieren had medegenomen.
-</p>
-<p>De Tigrero wist vooruit wel dat de paarden en muilezels zich uit eigen beweging niet
-ver van de plaats zouden verwijderen waar hij hen moest achterlaten, en dat hij hen,
-zoodra hij ze weder noodig had, gemakkelijk zou terugvinden.
-</p>
-<p>Al deze bemoeiingen namen veel tijd weg; de dag spoedde reeds ten einde eer don Martial
-voor goed het bosch verliet.
-</p>
-<p>De zon, tot dicht aan de kimmen gedaald, vertoonde zich als een schitterende vuurbol
-bijna met de oppervlakte der aarde gelijk. De schaduw der boomen verlengde zich tot
-in het oneindige; de avondkoelte verhief zich met zacht geblaas tusschen de hoogste
-toppen van het geboomte; reeds hoorde men van tijd tot tijd in de diepte der bosschen
-eenige rauwe kreten opgaan, ten bewijze dat de roofdieren ontwaakten, die gevreesde
-gasten der wildernis! wier ongestoorde heerschappij over de prairie een aanvang nam
-om er gedurende den nacht als onbeperkte koningen te regeeren.
-</p>
-<p>Nogmaals naar den top des heuvels teruggekeerd, eer hij zich naar de grot zou begeven,
-bespiedde don Martial den gezichteinder in het laatste licht der stervende zonnestralen.
-</p>
-<p>Op eens verbleekte hij, eene zenuwachtige huivering liep hem door de leden; zijne
-oogen, door schrik wijder geopend, bleven onafgewend op de rivier gericht, en stampvoetend
-mompelde hij met eene half gesmoorde stem:
-</p>
-<p>»Reeds daar!.&#x2026; die duivels!&#x201d;
-</p>
-<p>Wat de Tigrero gezien had was werkelijk om van te beven.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p230width"><img src="images/p230.jpg" alt="Eene troep Indiaansche ruiters trok den stroom over. Bladz. 230." width="494" height="720"><p class="figureHead">Eene troep Indiaansche ruiters trok den stroom over. Bladz. 230.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Eene troep Indiaansche ruiters trok den stroom over, juist op het zelfde punt waar
-hij er met zijne reismakkers eenige uren vroeger was overgegaan.
-</p>
-<p>De Tigrero volgde hunne bewegingen met klimmende ongerustheid. <span class="pageNum" id="pb231">[<a href="#pb231">231</a>]</span>Aan den anderen oever komende, zetten zij zonder zich op te houden hun tocht voort
-juist langs denzelfden weg dien hij met zijne kameraden gekozen had.
-</p>
-<p>Er viel niet meer aan te twijfelen; de Apachen hadden zich door de listige voorbehoedmiddelen
-van den Tigrero niet laten bedriegen, maar waren de karavaan rechtstreeks gevolgd
-en kwamen nu met allen spoed opzetten. In minder dan een uur konden zij den heuvel
-bereiken, en als dat gebeurde, met hunne duivelsche behendigheid in het ontdekken
-van sporen, was het ergste te vreezen!
-</p>
-<p>Den Tigrero klopte het hart in den boezem alsof het dreigde te barsten. Hij klom ijlings
-den heuvel af en half waanzinnig van teleurstelling stormde hij de grot in.
-</p>
-<p>Toen de anderen hem zoo bleek en verwilderd zagen binnenkomen, snelden zij hem verschrikt
-te gemoet.
-</p>
-<p>»Wat schort u?&#x201d; vroegen allen.
-</p>
-<p>»Wij zijn verloren!&#x201d; riep hij wanhopig, »daar zijn de Apachen!&#x201d;
-</p>
-<p>»De Apachen!&#x201d; herhaalden zij met schrik.
-</p>
-<p>»O, mijn God! red mij, red mij!.&#x2026;&#x201d; riep <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita op de knieën zinkend en de handen angstig samenvouwend.
-</p>
-<p>De Tigrero snelde naar het meisje, richtte haar op en nam haar met de kracht van een
-razende in zijne armen en zich tot den haciendero wendende, riep hij:
-</p>
-<p>»Kom! Kom! volg mij! misschien blijft ons nog eene kans op behoud over!&#x201d;
-</p>
-<p>Hiermede ijlde hij de diepte der grot in; al de anderen volgden hem.
-</p>
-<p>Zoo liepen zij een geruimen tijd voort. <span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita, die half in onmacht lag, liet haar schoone maar doodsbleeke hoofd op den schouder
-van den Tigrero rusten.
-</p>
-<p>Deze spoedde zich altoos verder.
-</p>
-<p>»Kijk! kijk! daar ginds,&#x201d; riep hij in de verte wijzende, »weldra zijn wij behouden!&#x201d;
-</p>
-<p>Zijne kameraden slaakten een kreet van blijde verrassing; zij hadden, voor zich uit,
-de tweede opening der grot gezien.
-</p>
-<p>Plotseling, juist op het oogenblik toen don Martial den uitgang bereikte, en naar
-buiten meende te snellen, stond er een man voor hem.
-</p>
-<p>Die man was de Zwarte-Beer.
-</p>
-<p>De Tigrero sprong met een brullenden kreet als een wild dier terug.
-</p>
-<p>»Ooah!&#x201d; riep de Apache op spottenden toon, »mijn broeder weet wel dat ik die vrouw
-bemin; en om mij te behagen haast hij zich mij haar zelf te brengen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij hebt haar nog niet, demon!&#x201d; krijschte don Martial, terwijl hij <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita nederzette en voor haar ging staan met een pistool in elke hand; »kom haar
-halen.&#x201d;
-</p>
-<p>Achter zich in de diepte der grot hoorde hij voetstappen, die snel naderden.
-<span class="pageNum" id="pb232">[<a href="#pb232">232</a>]</span></p>
-<p>De Mexicanen werden dus tusschen twee vuren gebracht!
-</p>
-<p>De Zwarte-Beer, met het oog op den Tigrero gericht, bespiedde al diens bewegingen;
-plotseling nam hij zijne kans waar en sprong als een tijgerkat vooruit met een woesten
-aanvalskreet.
-</p>
-<p>Don Martial loste zijne pistolen op den Apache en greep hem met de armen om het lijf.
-</p>
-<p>De beide mannen rolden over den grond, elkaâr omstrengelend als twee slangen.
-</p>
-<p>Don Sylva en de peons vochten als wanhopigen tegen de andere Indianen.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch24" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7037">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXIV.</h2>
-<h2 class="main">DE WOUDLOOPERS.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Wij moeten thans tot sommige personen uit ons verhaal terugkeeren, die wij maar al
-te lang uit het oog hebben verloren, en verplaatsen ons naar het slot van het vijftiende
-hoofdstuk.
-</p>
-<p>Ofschoon de Franschen, bij de bestorming der kolonie door de Apachen, meester waren
-gebleven van het slagveld en het hun gelukt was hunne woeste vijanden in de Rio Gila
-terug te werpen, ontveinsden zij zich geenszins dat zij deze onverwachte zegepraal
-niet enkel aan hun moed te danken hadden; de laatste aanval der Comanchen onder aanvoering
-van den Arendskop had eigenlijk de overwinning beslist. Zoodra dus de vijanden verdwenen
-waren, had dan ook de graaf de Lhorailles, met eene grootheid van ziel en eene rondborstigheid
-die men van een man van zijn stempel niet zou hebben verwacht, de Comanchen bedankt
-en aan de jagers de prachtigste geschenken aangeboden.
-</p>
-<p>Laatstgenoemden ontvingen de vleiende loftuitingen van den graaf met gepaste zedigheid,
-maar wezen al zijne aanbiedingen en voorstellen bepaald van de hand.
-</p>
-<p>Even als Goedsmoeds, hadden zij voor hun gehouden gedrag geen andere beweegredenen
-gehad dan de drift om hunne landgenooten te hulp te komen; toen dus alles geëindigd
-was en de Franschen voor langen tijd van de aanvallen der wilden bevrijd waren, hadden
-zij niets meer te doen dan van den graaf zoo spoedig mogelijk afscheid te nemen en
-hunne reis te vervolgen.
-</p>
-<p>De graaf de Lhorailles wist echter zoo veel bij hen uit te werken, dat zij nog twee
-dagen in de kolonie zouden vertoeven.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita en haar vader waren op zulk eene geheimzinnige wijs verdwenen, dat de Franschen,
-te weinig met de listen der Roodhuiden <span class="pageNum" id="pb233">[<a href="#pb233">233</a>]</span>bekend en geheel onkundig van de wijze waarop men een spoor in de wildernis moest
-uitvinden, buiten staat waren om de twee vermiste personen te gaan zoeken.
-</p>
-<p>De graaf de Lhorailles had intusschen stilzwijgend gehoopt, dat hij hierin door de
-ondervinding van den Arendskop en de schranderheid zijner krijgslieden zou worden
-geholpen.
-</p>
-<p>Hij verklaarde dus onbewimpeld aan de jagers en de Comanchen, welke goede diensten
-hij van hunne welwillendheid verwachtte, zoodat zij hem die niet langer durfden weigeren.
-</p>
-<p>Den volgenden morgen, met het krieken van den dageraad, splitste de Arendskop zijne
-ruiterschaar in vier afdeelingen, elk onder kommando van een beroemd krijgsman, en
-na hun de noodige voorschriften gegeven te hebben, verspreidde hij hen in vier verschillende
-richtingen.
-</p>
-<p>De Comanchen begonnen terstond hunne nasporingen en onderzochten de omringende wildernis
-met al de bekwaamheid die den Roodhuiden eigen is, maar alles was vergeefs.
-</p>
-<p>De vier afdeelingen kwamen de eene na de andere op de hacienda terug zonder iets ontdekt
-te hebben, ofschoon zij de wildernis twintig mijlen in het rond hadden afgeloopen
-en daarbij zoo te zeggen geen struik of grashalm onopgemerkt hadden gelaten; van don
-Sylva en zijne dochter was geen spoor of teeken te vinden; wij weten reeds om welke
-reden: <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita was met haar vader de Rio Gila afgevoerd, en het water laat geen spoor over.
-</p>
-<p>»Gij ziet het,&#x201d; zeide Goedsmoeds tegen den graaf, »wij hebben alles gedaan wat menschelijkerwijs
-mogelijk was, om de twee na het gevecht vermiste personen op te sporen; het blijkt
-duidelijk dat de oplichters hen langs de rivier tot op verren afstand hebben weggevoerd
-alvorens weder aan land te gaan. Wie weet waar zij zich thans bevinden? De Roodhuiden
-zijn snel in hunne bewegingen, vooral wanneer zij vluchten; zij hebben een verbazend
-eind op ons vooruit; het mislukken onzer pogingen bewijst dit; het zou eene dwaasheid
-zijn hen weder te willen bereiken. Vergun ons dus te vertrekken; wellicht dat wij
-op onze reis door de prairie in staat zijn nadere inlichtingen op te doen, die u later
-van dienst kunnen zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik wil niet langer van uwe beleefdheid jegens mij misbruik maken,&#x201d; antwoordde de
-graaf minzaam; »vertrekt wanneer het u goeddunkt, caballeros; maar neemt de betuiging
-mijner dankbaarheid met u, en gelooft dat ik mij gelukkig zal rekenen u die eenmaal
-met meer dan louter woorden te kunnen bewijzen. Bovendien verlaat ik zelf de kolonie,
-misschien dat wij elkander in de woestijn nog ontmoeten zullen.&#x201d;
-</p>
-<p>Den volgenden dag met zonsopgang vertrokken de jagers en Comanchen uit de hacienda
-en begaven zich naar de prairie.
-</p>
-<p>Tegen den avond liet de Arendskop het kamp opslaan en de nachtvuren ontsteken.
-<span class="pageNum" id="pb234">[<a href="#pb234">234</a>]</span></p>
-<p>Even na het souper, op het oogenblik dat ieder op slapen bedacht was, liet de sachem
-door den <i>hachesto</i> (omroeper) afkondigen dat de hoofden zich aan het raadvuur zouden vereenigen.
-</p>
-<p>»Mijne bleeke broeders zullen daar nevens de sachems plaats nemen,&#x201d; zei de Arendskop
-tegen den Franschman en den Canadees.
-</p>
-<p>Dezen namen met eene buiging het voorstel aan en schaarden zich mede rondom den haard,
-waar de Comanchenhoofden reeds in deftige stilte zaten te verbeiden wat de sachem
-hun zou mededeelen.
-</p>
-<p>Toen ook de Arendskop had plaats genomen, wenkte hij den pijpdrager.
-</p>
-<p>Deze verwijderde zich en kwam weldra terug, eerbiedig de groote toovercalumet dragende,
-wier vijf voet lange roer met prachtige vederen en eene menigte kleine rinkels versierd
-was, terwijl de kop uit een fijnen witten steen bestond, dien men alleen in de Rotsbergen
-vindt.
-</p>
-<p>De pijp was reeds gevuld en ontstoken.
-</p>
-<p>Zoodra de pijpdrager zich binnen den kring bevond, wees hij met den kop in de richting
-der vier windstreken, onder het murmelen van eenige geheimzinnige spreuken of gebeden,
-om de gunst van Wacondah, den Meester des Levens, over den raad in te roepen en den
-boozen invloed van den »eersten mensch&#x201d; op het gemoed der sachems, af te wenden.
-</p>
-<p>Vervolgens den kop van de pijp in de hand nemende, bood hij den steel met het mondstuk
-het eerst aan den Arendskop, roepende met plechtige en luide stem:
-</p>
-<p>»Mijn vader is de eerste sachem van het dappere volk der Comanchen; de wijsheid woont
-in zijn hoofd, al heeft de sneeuw des ouderdoms het nog niet vergrijsd. Maar even
-als alle andere menschen is hij vatbaar om te dwalen, dat mijn vader dus overwege
-alvorens te spreken; de woorden die uit zijne borst over zijne lippen zullen komen,
-moeten zoodanig zijn dat de Comanchen ze kunnen gehoorzamen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Mijn zoon heeft goed gesproken,&#x201d; antwoordde de sachem.
-</p>
-<p>Hij nam het roer en deed zwijgend eenige trekken, toen nam hij het mondstuk uit zijne
-lippen en bood het aan den sachem die naast hem zat.
-</p>
-<p>Zoo ging de vredespijp den kring rond, zonder dat een der opperhoofden een woord sprak.
-</p>
-<p>Toen allen gerookt hadden en de tabak in den kop was opgebrand, schudde de pijpdrager
-de asch in zijne rechterhand en wierp ze in den haard met den uitroep:
-</p>
-<p>»Hier zijn de hoofden vereenigd in den raad; hunne woorden zijn geheiligd. Wacondah
-heeft ons gebed gehoord en zal het verhooren. Wee hem, die vergeet dat het geweten
-zijn eenigste richtsnoer zijn moet!&#x201d;
-</p>
-<p>Na deze weinige woorden met de meeste plechtigheid te hebben <span class="pageNum" id="pb235">[<a href="#pb235">235</a>]</span>uitgesproken, trad de pijpdrager buiten den kring en wierp den sachems, die onbewegelijk
-rondom het vuur zaten, een laatsten blik toe, onder het mompelen met zachte en bijna
-onhoorbare stem:
-</p>
-<p>»Gelijk de asch die ik in het vuur wierp, heilig en voor altijd verdwenen is, mogen
-ook de woorden, die de sachems spreken zullen, heilig zijn en niet buiten den kring
-des raads gehoord worden. Dat mijne vaderen nu spreken; de raad is begonnen.&#x201d;
-</p>
-<p>Na deze vermaning, die bijna voor een openbare bestraffing kon gelden, verwijderde
-de pijpdrager zich.
-</p>
-<p>Toen stond de Arendskop op, liet zijn blik over de raadsleden rondgaan en nam het
-woord.
-</p>
-<p>»Hoofden en krijgslieden der Comanchen,&#x201d; begon hij, »reeds zijn er vele manen verloopen,
-sedert ik het dorp mijner natie verliet, en nog vele manen zullen voorbijgaan eer
-de Wacondah mij vergunnen zal, mij aan het groote raadvuur met de opperste sachems
-der Comanchen neder te zetten. Het bloed heeft altijd rood in mijne aderen gevloeid
-en geen huid heeft mijn hart voor mijne broederen bedekt. De woorden die mijne borst
-uitblaast komen mij op de lippen door den wil van den Grooten Geest; Hij weet hoe
-ik mijne liefde voor u allen bewaard heb.
-</p>
-<p>»De natie der Comanchen is machtig, zij is de koningin der prairiën. Hare jachtgronden
-dekken de gansche aarde, wat behoeft zij zich met andere natiën te verbinden om hunne
-grieven te wreken? Keert de onreine coyote in tot het hol van den trotschen jaguar?
-Legt de uil zijne eieren in het nest van den arend? Waarom zou dan de Comanch op het
-oorlogspad uittrekken met de honden der Apachen? De Apachen zijn bloohartige vrouwen
-en verraders.
-</p>
-<p>»Ik zeg mijne broeders dank, niet alleen dat zij met de Apachen hebben gebroken, maar
-dat zij mij geholpen hebben hen te verslaan; nu is mijn hart treurig en dekt een nevel
-mijnen geest, omdat ik van mijne broeders scheiden moet. Behage het hun mijn vaarwel,
-aan te nemen; dat de Spotvogel mij beklage, daar ik ver van hen verwijderd in de schaduw
-zal wandelen, de stralen der zon hoe vurig zij schijnen mogen zullen mij niet kunnen
-verwarmen. Ik heb gezegd. Heb ik goed gesproken, machtige mannen?&#x201d;
-</p>
-<p>De Arendskop ging weder zitten te midden van een algemeen gemompel van smart, en bedekte
-zijn gelaat met een slip van zijn bisonsmantel.
-</p>
-<p>Er volgde in de vergadering eene diepe stilte. De Spotvogel scheen de andere hoofden
-met zijne blikken te ondervragen; eindelijk stond hij op, en nam op zijne beurt het
-woord om den Arendskop te beantwoorden.
-</p>
-<p>»De Spotvogel is jong,&#x201d; zeide hij, »en zijn hoofd is goed, ofschoon het de wijsheid
-van zijn vader nog niet bezit. De Arendskop is een sachem dien de Wacondah lief heeft:
-waarom heeft de Meester des levens het opperhoofd onder de krijgslieden van zijn volk
-teruggebracht? Was dit opdat hij hen schier onmiddellijk weder verlaten <span class="pageNum" id="pb236">[<a href="#pb236">236</a>]</span>zou? Neen! de Meester des levens bemint zijne kinderen de Comanchen; hij heeft dit
-dus niet kunnen willen! De krijgslieden hebben een wijs en welervaren voorganger noodig
-om hen op het oorlogspad te geleiden en aan het vuur van den raad te onderrichten;
-het hoofd van mijn vader is grijs, hij behoort de krijgslieden te onderwijzen en aan
-te voeren; de Spotvogel kan zulks niet, hij is nog te jong en te onervaren. Waar mijn
-vader dus heengaat, zullen zijne zonen hem volgen, wat mijn vader wil zullen zijne
-zonen willen; doch hij spreke niet van hen te verlaten; laat hij de wolk verdrijven
-die zijn geest verduistert, zijne zonen smeeken het hem bij monde van den Spotvogel,
-het kind dat hij zelf opgevoed, dat hij zoo wel bemind en tot een man gemaakt heeft.
-Ik heb gesproken. Ziedaar mijne wampum! heb ik goed gesproken, machtige mannen?&#x201d;
-</p>
-<p>Na die laatste woorden gezegd te hebben, nam de Spotvogel zijn halsketen van wampum-kralen,
-wierp haar voor de voeten van den Arendskop en ging weder zitten.
-</p>
-<p>»Dat de groote sachem bij zijne kinderen blijve!&#x201d; riepen alle krijgslieden tegelijk,
-terwijl ieder zijn wampum-ketting bij dien van den Spotvogel wierp.
-</p>
-<p>De Arendskop richtte zich op met een houding vol fierheid en adeldom, hij liet de
-slip van zijn bisonsmantel vallen en sprak tot de aandachtige en belangstellende vergadering:
-</p>
-<p>»Ik heb het lied van den walkon, den geliefden vogel van Wacondah, in mijn oor hooren
-weergalmen,&#x201d; zeide hij; »zijne welluidende stem is in mijn hart doorgedrongen en heeft
-het van vreugde doen sidderen. Mijne zonen zijn goed, ik bemin hen; de Spotvogel en
-tien krijgslieden, door hem zelven te kiezen, zullen mij vergezellen; de overigen
-zullen naar de groote dorpen van mijn volk terugkeeren, om den sachems te verkondigen
-dat de Arendskop weder bij zijne kinderen is; ik heb gezegd.&#x201d;
-</p>
-<p>De Spotvogel vroeg thans om de groote calumet, die de pijpdrager hem onmiddellijk
-bracht, de pijp werd opnieuw ontstoken, en ging onder de sachems rond zonder dat er
-een woord gewisseld werd.
-</p>
-<p>Toen de laatste mondvol rook in de lucht verdwenen was riep de hachesto, nadat de
-Spotvogel hem eenige woorden zacht in het oor gesproken had, met luider stem de namen
-af der tien krijgslieden die gekozen waren om den Arendskop te vergezellen.
-</p>
-<p>De hoofden stonden op, bogen diep voor den Arendskop, stegen stilzwijgend in den zadel
-en reden weg in galop.
-</p>
-<p>Gedurende een geruimen tijd bleven de Spotvogel en de Arendskop samen praten of liever
-fluisteren.
-</p>
-<p>Toen hun gesprek uit was, steeg ook de Spotvogel te paard en reed op zijne beurt met
-zijne krijgslieden weg.
-</p>
-<p>De Arendskop, Goedsmoeds en don Louis bleven thans alleen achter.
-</p>
-<p>De Canadees keek met verstrooiden blik de Indianen na, die zich <span class="pageNum" id="pb237">[<a href="#pb237">237</a>]</span>snel verwijderden; toen zij verdwenen waren wendde hij zich tot den sachem.
-</p>
-<p>»Ziedaar, hoofdman,&#x201d; zeide hij, »nu zijn wij eindelijk vrij om elkander de noodige
-ophelderingen te geven, of acht gij het uur nog niet gekomen om ronduit te spreken
-en onze zaken af te doen? Sedert wij ons gewone verblijf verlieten, hebben wij ons
-dunkt mij te veel met anderen en al zeer weinig met ons zelven beziggehouden; zou
-het niet haast tijd worden om aan onze eigene zaken te denken?&#x201d;
-</p>
-<p>»De Arendskop vergeet niets, hij denkt er reeds aan om zijnen bleeken broeders groot
-genoegen te geven.&#x201d;
-</p>
-<p>Goedsmoeds begon hartelijk te lachen.
-</p>
-<p>»Met uw verlof, hoofdman,&#x201d; zeide hij; »maar mijne zaken zijn zoo eenvoudig, en wat
-genoegen betreft ben ik al zeer spoedig voldaan; gij hebt mij beloofd mij op reis
-te vergezellen en dat doet gij immers. Ik mag een Apachen-hond wezen als ik meer van
-u verlang. Met don Louis is het iets anders, die zoekt naar een dierbaren vriend van
-hem; gij weet wel dat wij hem beloofd hebben hem hierin behulpzaam te zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»O! zeker,&#x201d; hernam het opperhoofd; »de Arendskop heeft zijn hart tusschen zijne twee
-bleeke broeders verdeeld; zij hebben er ieder de helft van. De weg dien wij moeten
-afleggen is lang en kan nog verscheidene manen duren. Wij moeten door de groote woestijn.
-De Spotvogel is met zijn troep reeds vooruitgegaan om bisons te dooden en voor den
-noodigen mondkost te zorgen op de reis. Ik denk mijne broeders naar eene plaats te
-brengen, die ik eenige manen geleden ontdekte en die aan niemand bekend is dan aan
-mij. De Wacondah, toen hij den mensch schiep, heeft hem kracht en moed en vele jachtvelden
-geschonken en tot hem gezegd: Wees vrij en gelukkig. Aan de bleekgezichten gaf hij
-wijsheid en wetenschap om de waarde der blinkende steenen en gele bikkels te kennen;
-Roodhuiden en Bleekgezichten volgen ieder den weg dien de Groote Geest hun aanwees;
-ik zal mijne broeders naar een <i lang="es">placer</i> (zilver- of goudmijn) geleiden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Naar een <i lang="es">placer</i>!&#x201d; riepen de twee anderen verwonderd.
-</p>
-<p>»Ja, wat zou een Indiaansch overste met zoovele schatten doen, daar hij toch niets
-mede kan uitrichten? Het goud is alleen voor de blanken; laten mijne broeders er gelukkig
-mede zijn, de Arendskop zal er hun meer van verschaffen, dan zij ooit dachten te zullen
-bezitten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Met uw welnemen! niet zoo voorbarig, hoofdman,&#x201d; riep Goedsmoeds. »Wat drommel meent
-gij dat ik met al uw goud zou doen? ik ben niets anders dan een jager, die aan zijn
-paard en zijne buks genoeg heeft. In vroeger tijd, toen ik nog met Edelhart samen
-de prairie doorkruiste, hebben wij zoo menigmaal een klompje gouderts met voeten geschopt
-of vertreden, maar het altijd onaangeroerd laten liggen, zonder ons te verwaardigen
-het op te rapen.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb238">[<a href="#pb238">238</a>]</span></p>
-<p>»Wat zouden wij met goud doen?&#x201d; voegde don Louis er bij: »laten wij die goudmijn,
-hoe rijk zij ook wezen mag, maar uit onze gedachten stellen en haar bestaan zelfs
-aan niemand openbaren, er gebeuren tegenwoordig reeds wandaden genoeg om het lieve
-goud; dat is geene zaak voor ons, hoofdman. Geef uw plan maar op. Wij zeggen u dank
-voor uw edelmoedig aanbod, maar wij kunnen het onmogelijk aannemen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed gesproken!&#x201d; riep Goedsmoeds vroolijk; »wat zouden wij met dat duivelsche goud
-beginnen, daar hebben wij niets aan, wij willen leven als vrije jagers zoo als wij
-werkelijk zijn. Caspita! hoofdman, ik verzeker u, als gij mij te la Noria gezegd hadt
-met welk oogmerk gij verlangdet dat ik u vergezellen zou, dan had ik u liever alleen
-laten vertrekken.&#x201d;
-</p>
-<p>De Arendskop glimlachte.
-</p>
-<p>»Dat antwoord heb ik juist van mijne broeders verwacht, en ik ben blijde te zien dat
-ik mij hierin niet bedrogen heb. Ja, goud is voor hen geheel nutteloos, zij hebben
-gelijk; maar dat is nog geen bewijs dat zij het moeten verachten; gelijk alle andere
-dingen door den grooten Geest op aarde geschapen, heeft ook het goud zijne waarde.
-Mijne broeders moeten dus met mij medegaan naar de goudmijn; niet zooals zij veronderstellen,
-om er de goudkorrels groot of klein op te zamelen, maar om te weten waar zij is en
-haar des noods te kunnen wedervinden. Ongeluk, behoefte en armoede komen altijd onverwacht,
-en de gelukkigen die de Groote Geest heden het meest begunstigt, worden morgen vaak
-door Hem het zwaarst bezocht. Nu dan, zoo het goud uit die <i lang="es">placer</i> het geluk mijner broeders niet kan vergrooten, wie zegt hun dat zij niet nog eenmaal
-dienen zal om er een of ander hunner vrienden mede uit dringenden nood te redden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is waar,&#x201d; riep don Louis die de juistheid dezer redeneering moest erkennen, »wat
-gij daar zegt is zeer verstandig en laat zich wel hooren. Wij kunnen voor ons zelven
-het bezit van rijkdommen wel verachten, maar wij mogen ze niet verwerpen als middelen
-om er misschien anderen mede te helpen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo dit bepaald uw gevoelen is,&#x201d; zei Goedsmoeds, »kan ik er mij wel mede vereenigen;
-daarbij, wij zijn nu eenmaal op weg, en kunnen onzen tocht wel ten einde toe voortzetten.
-Wel wel! wie had dat ooit gedacht,&#x201d; vervolgde hij, »als mij iemand voorspeld had dat
-ik nog eens een goudzoeker worden zou, zou ik wel vreemd hebben opgekeken. Intusschen
-ga ik eens zien of ik een hert kan schieten.&#x201d;
-</p>
-<p>Met deze woorden nam Goedsmoeds zijn geweer en verwijderde zich al fluitende.
-</p>
-<p>Wat den Spotvogel betreft, deze bleef twee dagen afwezig; tegen het midden van den
-derden dag kwam hij terug; zes paarden, door hem in de prairie achtergelaten, waren
-met levensmiddelen beladen, zes anderen droegen zakken vol water.
-<span class="pageNum" id="pb239">[<a href="#pb239">239</a>]</span></p>
-<p>De Arendskop was uiterst voldaan over de wijze waarop hij zich van zijne taak gekweten
-had, doch daar zij een langen tocht te maken hadden en de woestijn del Norte in hare
-volle lengte moesten doortrekken, gelastte hij dat elke ruiter uit voorzorg, behalve
-de haver voor de paarden, twee kleine zakken met water aan zijn zadel zou mede dragen.
-</p>
-<p>Nadat deze maatregelen wijselijk genomen, de paarden en ruiters wel uitgerust, en
-verfrischt waren, brak de kleine troep den volgenden morgen met het eerste krieken
-van den dageraad op, en trok op marsch in de richting der woestijn del Norte.
-</p>
-<p>Wij zullen deze reis hier niet nader beschrijven, dan dat zij gelukkig en onder de
-beste omstandigheden volbracht werd. Geen enkel ongeval stoorde hare kalme eentonigheid.
-</p>
-<p>De Comanchen en hunne twee blanke vrienden doorreden de woestijn als een voortstuivende
-wervelwind, met die duizelingwekkende snelheid, waar zij alleen het geheim van bezitten
-en die de Roodhuiden bij hunne invallen aan de Mexicaansche grenzen zoo geducht maakt.
-</p>
-<p>In de prairiën der Sierra de los Comanchos aangekomen zijnde, gaf de Arendskop den
-Spotvogel en diens krijgslieden bevel om te kampeeren, aan den rand van een groot
-natuurwoud, op een tamelijk ruim grasveld, aan den oever van eene onbekende beek of
-kleine rivier, die zich eenige mijlen verder in de Rio del Norte uitstort, en verwijderde
-zich met zijne twee vrienden Goedsmoeds en don Louis.
-</p>
-<p>De sachem was voorzichtig in alles; ofschoon de Spotvogel zijn volste vertrouwen bezat,
-achtte hij het echter ongeraden hem met de ligging der goudmijn bekend te maken; en
-later had hij reden genoeg om zich met dezen wijzen maatregel geluk te wenschen.
-</p>
-<p>De drie jagers reden rechtstreeks naar de bergen, die zich voor hen uit verhieven,
-zoo &#x2019;t scheen als onverbiddelijke en ontoegankelijke muren graniet.
-</p>
-<p>Doch naarmate zij dezelve naderden werden de kanten en hellingen allengs minder steil
-en ontoegankelijk. Weldra trokken zij een engen bergpas binnen, aan welks ingang zij
-reeds genoodzaakt waren af te stijgen en hunne paarden achter te laten. Waarschijnlijk
-was het alleen aan deze bijzonderheid te danken, dat de Indianen deze goudmijn nooit
-ontdekt hadden; de Roodhuiden toch zullen bij geene gelegenheid afstijgen anders dan
-om te kampeeren; men zou met recht van hen kunnen zeggen wat men van de Gauchos der
-oostelijke pampas en in Patagonië zegt: dat zij te paard leven en sterven.
-</p>
-<p>Geheel toevallig, had de Arendskop eenige maanden geleden, terwijl hij op de jacht
-was en een door hem gekwetst damhert vervolgde, deze goudmijn ontdekt. Het damhert,
-dat hij sedert een paar uren had nagezeten en niet gaarne wilde laten ontsnappen,
-was in den bergpas gevlucht om er te sterven, en de moedige jager had niet geaarzeld,
-het ook daar te volgen. Na den woesten bergpas <span class="pageNum" id="pb240">[<a href="#pb240">240</a>]</span>in zijne geheele lengte te zijn doorgegaan bereikte hij een kleine vallei of dalkom,
-diep tusschen steile bergen ingesloten, en behalve van dezen kant, bezwaarlijk zoo
-al niet geheel onmogelijk te naderen. Daar had hij het arme dier zieltogend vinden
-liggen op een zandigen met goudkorrels bezaaiden bodem, die in het felle zonlicht
-glinsterde als duizend diamanten.
-</p>
-<p>Toen onze beide jagers in deze vallei afdaalden, konden zij een kreet van verbazing
-niet bedwingen.
-</p>
-<p>Hoe sterk een mensch ook zij en hoeveel zelfbeheersching hij bezitten mag, toch trekt
-het goud hem met onweerstaanbare toovermacht en is wel in staat om hem, althans voor
-eenige oogenblikken, te verbijsteren.
-</p>
-<p>Goedsmoeds was de eerste die zijne gewone koelbloedigheid terugkreeg.
-</p>
-<p>»O!&#x201d; riep hij terwijl hij het zweet afwischte dat hem van het gelaat gudste, »er liggen
-in dit afgesloten hoekje wat schatten verborgen. God geef dat zij er nog lang verborgen
-blijven! daar zal het menschdom niets aan verliezen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat zullen wij er mede doen?&#x201d; vroeg Louis hijgend en met fonkelende blikken.
-</p>
-<p>De Arendskop was de eenige die deze onberekenbare schatten onverschillig aanzag.
-</p>
-<p>»Hm!&#x201d; hervatte de Canadees, »dit goud is ontegenzeggelijk ons eigendom, daar de sachem
-het aan ons overlaat.&#x201d;
-</p>
-<p>De Arendskop knikte toestemmend.
-</p>
-<p>»Wat ik u wilde voorstellen,&#x201d; vervolgde Goedsmoeds, »is dit: wij hebben dat goud niet
-noodig, op dit oogenblik zou het ons zelfs meer schaden dan voordeel doen. Evenwel,
-daar niemand weet wat de toekomst baren zal, moeten wij ons eigendomsrecht verzekeren;
-laten wij dezen zandgrond met takken en bladeren bedekken, zoodat geen jager, wanneer
-hij bij geval op een der omliggende hoogten komt en van daar nederblikt, dit goud
-in de diepte <span class="corr" id="xd30e6525" title="Bron: zie">ziet</span> schitteren. Vervolgens zullen wij zoo veel mogelijk steenen verzamelen en er den
-ingang der bergkloof mede verstoppen; het toeval dat eenmaal den Arendskop begunstigde,
-zou ook wel een ander kunnen gebeuren. Wat dunkt u hiervan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dadelijk aan &#x2019;t werk!&#x201d; riep don Louis; »ik wil dat goud niet langer zien schitteren,
-hoe eer het bedekt is hoe beter; dat duivelsche metaal zou mij anders nog geheel duizelig
-maken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Aan &#x2019;t werk dan!&#x201d; herhaalde Goedsmoeds.
-</p>
-<p>De drie mannen hieuwen takken van de boomen en maakten er een dik tapijt van, onder
-hetwelk de goudklompen weldra geheel onzichtbaar werden.
-</p>
-<p>»Wilt gij niet een staaltje van die goudklompjes bij u steken?&#x201d; vroeg Goedsmoeds aan
-don Louis, »misschien was het niet kwaad om er een paar van mede te nemen.&#x201d;
-<span class="pageNum" id="pb241">[<a href="#pb241">241</a>]</span></p>
-<p>»O neen ik niet, wat zou ik er mede doen?&#x201d; antwoordde deze de schouders ophalend,
-»ik stel er geen den minsten prijs op; neem gij er maar wat van meê, als gij wilt;
-wat mij aangaat, ik zal er geen hand naar uitsteken.&#x201d;
-</p>
-<p>Goedsmoeds begon te lachen, raapte twee of drie gouden bikkels op, zoo groot als hazelnoten,
-en stak ze in zijn kogeltasch.
-</p>
-<p>»Sakkerloot!&#x201d; riep hij, »als ik daar een paar Apachen mede doodschiet, hebben ze waarlijk
-geen reden zich te beklagen.&#x201d;
-</p>
-<p>De drie jagers gingen de bergkloof door, wier mond zij met rotsblokken toestopten
-en onkenbaar maakten; daarop stegen zij te paard en keerden naar het kamp terug, na
-vooraf eenige merken aan de boomen gemaakt te hebben om de plaats te kunnen wedervinden,
-zoo de omstandigheden hen ooit dwongen er later op terug te komen, hetgeen wij tot
-hun eer moeten zeggen dat zij geen van allen verlangden.
-</p>
-<p>De Spotvogel wachtte zijne vrienden met het grootste ongeduld.
-</p>
-<p>Er was onraad in de prairie. Sedert dien morgen hadden de voorloopers een kleinen
-troep blanken de Rio del Norte zien overtrekken, naar een heuvel, op welks top zij
-hun kamp hadden opgeslagen. Een poosje later was er een talrijk detachement <span class="corr" id="xd30e6542" title="Bron: Apachen krijgslieden">Apachen-krijgslieden</span> op hetzelfde punt over de rivier gegaan, zoo het scheen, op het spoor der bovengenoemde
-blanken.
-</p>
-<p>»O!&#x201d; riep Goedsmoeds, »het is duidelijk dat die duivelsche Roodhuiden onze broeders
-vervolgen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zullen wij hen onder ons oog laten vermoorden?&#x201d; riep graaf Louis verontwaardigd.
-</p>
-<p>»Bij mijne ziel! neen, zooveel wij er tegen doen kunnen,&#x201d; antwoordde de Canadees,
-»misschien kunnen wij met deze goede daad de dwaze begeerlijkheid weder goed maken
-die wij straks deden blijken, en die ons bijna verleid had. Zeg, Arendskop, wat denkt
-gij er van?&#x201d;
-</p>
-<p>»Wij moeten de bleekgezichten redden,&#x201d; antwoordde het opperhoofd zonder aarzelen.
-</p>
-<p>Onmiddellijk werden door den sachem de noodige bevelen gegeven en door zijne onderhebbenden
-uitgevoerd, met al de vaardigheid en juistheid die den uitgelezen krijgslieden der
-Roodhuiden op het oorlogspad kenmerkt.
-</p>
-<p>De paarden werden onder het opzicht van een Comanch achtergelaten; het detachement
-verdeelde zich in twee partijen, en zoo trok men behoedzaam de prairie in.
-</p>
-<p>Alleen de Spotvogel, de Arendskop, don Louis en Goedsmoeds hadden jachtgeweren, al
-de anderen waren met pieken en met pijl en boog gewapend.
-</p>
-<p>»List tegen list,&#x201d; fluisterde de Canadees tegen de anderen; »wij zullen ze overrompelen
-die anderen zoeken te overrompelen.&#x201d;
-</p>
-<p>Op hetzelfde oogenblik vielen er twee geweerschoten, weldra door meerderen gevolgd;
-daarop hoorde men den aanvalskreet der Apachen, die de lucht deed weêrgalmen.
-<span class="pageNum" id="pb242">[<a href="#pb242">242</a>]</span></p>
-<p>»Oho!&#x201d; riep Goedsmoeds sneller voortmakend, »zij weten niet dat wij zoo dicht in de
-nabijheid zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>Allen ijlden hem na.
-</p>
-<p>Intusschen was het gevecht in de grot op eene vreeselijke wijs aan den gang: don Sylva
-en de peons boden moedig weêrstand; maar wat vermochten zij tegen de schaar van vijanden
-die hen van twee zijden bestormde!
-</p>
-<p>De Tigrero en de Zwarte-Beer, gelijk wij straks reeds gezegd hebben, lagen als twee
-saamgekronkelde slangen te worstelen en zochten elkander met den ponjaard af te maken.
-</p>
-<p>Op eens knalden er verscheidene geweerschoten, en in de verte klonk de donderende
-oorlogskreet der Comanchen.
-</p>
-<p>De Zwarte-Beer liet don Martial los, sprong op en ijlde naar <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita, om haar te grijpen.
-</p>
-<p>Het doodelijk verschrikte meisje stiet hem terug en vluchtte als een gejaagde hinde
-de gang door tot aan de zaal, in welker midden zich de vroeger beschreven kolk bevond.
-</p>
-<p>De Zwarte-Beer snelde haar na om haar andermaal te grijpen, maar reeds door een pistoolschot
-van den Tigrero gewond, was hij minder vlug dan anders.
-</p>
-<p>Aan de kolk komende, deinsde hij terug, wankelde en verloor het evenwicht. Hij voelde
-dat hij vallen zou, strekte werktuigelijk de hand uit om zich vast te houden, en greep
-don Martial, die intusschen weder opgestaan en hem na was geijld; maar nog half bedwelmd
-van de worsteling en het harde loopen, op zijne beurt wankelde, en beiden tuimelden
-met een vervaarlijken kreet in den afgrond.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita, die er niet ver af stond, snelde toe; zij was verloren.
-</p>
-<p>Plotseling voelde zij zich door een krachtige hand aangrijpen, opheffen en achterwaarts
-trekken. Zij viel in onmacht.
-</p>
-<p>De Comanchen waren te laat gekomen.
-</p>
-<p>Van de zeven personen die de karavaan uitmaakten waren er vijf gedood.
-</p>
-<p>Een zwaar gekwetste peon en <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita, waren alleen levend overgebleven.
-</p>
-<p>Het ongelukkige meisje was door Goedsmoeds gered.
-</p>
-<p>Toen zij de oogen weder opende, glimlachte zij zacht, en begon als een onnoozel kind,
-met eene stem zoo helder als een vogel, eene Mexicaansche <span lang="es">seguedilla</span> (ballade) te zingen.
-</p>
-<p>De jagers deinsden met smart terug.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita was krankzinnig!
-<span class="pageNum" id="pb243">[<a href="#pb243">243</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch25" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7046">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXV.</h2>
-<h2 class="main">EL AHUEHUELT.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Wij gaan andermaal een stap terug, naar de groote woestijn del Norte, waar de graaf
-de Lhorailles was binnengetrokken, onder geleide van Cuchares.
-</p>
-<p>Gedurende de eerste dagen der reis ging alles goed, het weêr was heerlijk schoon,
-en aan leeftocht geen gebrek. Met de hun aangeboren luchthartigheid vergaten de Franschen
-al hun geleden leed, en lachten luidkeels om de gedurige vrees der Mexicaansche peons,
-die beter met de gevaren der woestijn bekend, hunne bezorgdheid niet verheelden over
-het lang gerekt verblijf der vrijcompagnie in deze onherbergzame, vaak doodelijke
-streek.
-</p>
-<p>Onder de beschaafde volken bezitten de Franschen een zonderlinge eigenschap, die hen,
-wellicht zonder dat zij het weten, meer dan andere in staat stelt om in zeer vele
-dingen de eerste te zijn; die eigenschap is hunne blijkbare, door andere volken, misschien
-uit nijd maar toch vaak niet zonder grond, voor lichtzinnigheid uitgekreten onbezorgdheid
-en wispelturigheid; ofschoon die volken overigens niet ongenegen zijn om zelfs de
-dwaaste grillen der Parijsche mode, zoo in de politiek als kleederdracht, tot in de
-kleinste bijzonderheden slaafs te volgen.
-</p>
-<p>Niets is echter onbillijker dan het verwijt van lichtzinnigheid of zorgeloosheid,
-dat den Franschen door hunne naburen onophoudelijk en in alles wordt naar het hoofd
-gesmeten. Onbezorgde moed en luchthartigheid maken de Franschen misschien tot de beste
-soldaten van de wereld, zoodat zij zich gereedelijk, zelfs voor allerlei dwaze ondernemingen
-van veroveringszucht en dolende ridderschap laten gebruiken, alle ontberingen zich
-getroosten en met geestdrift hun leven zouden wagen als er maar een weinig roem te
-behalen is.
-</p>
-<p>Maar achter die soldaten bevindt zich eene schrandere en werkzame bevolking, die vooral
-in tijden van rust en onder een wijs en krachtig bewind, zeker niet zoo dwaas is dat
-zij hare beste belangen zou verwaarloozen. Gelijk alle beschaafde volken die den vooruitgang
-beheerschen en helpen bevorderen, houden ook de Franschen het oog steeds op de toekomst
-gevestigd, en het oor geopend voor ieder gerucht dat de wereld beweegt. Wellicht zijn
-zij voortvarender dan anderen, het verledene vergeten zij, het heden bekommert hen
-niet veel, maar het morgen is alles voor hen, omdat in dat morgen de toekomst besloten
-ligt, namelijk de oplossing van het groote vraagstuk der beschaving. Wel is waar brengt
-hun vurig en onbedachtzaam karakter hen niet zelden van het spoor, en dan is er een
-krachtig bestuur noodig om het hollende span tot staan te brengen. Vandaar de groote
-tegenstrijdigheden die de geschiedschrijver vaak in hen <span class="pageNum" id="pb244">[<a href="#pb244">244</a>]</span>opmerkt en hun te last legt en die niet weinig studie vereischen om hen naar waarde
-en billijkheid te beoordeelen.
-</p>
-<p>Maar hoe dit ook zij, wat wij hier willen beweren blijft ontegenzeggelijk waar, de
-Franschen zijn eene strijdlustige en veroveringszuchtige natie en hun leger beschouwt
-zich zoo gaarne als de voorhoede der beschaving, bestemd om de wereld op de baan der
-vrijheid en der verlichting voor te gaan en Frankrijk tot de eerste der natiën te
-verheffen. Vandaar dat de oogen der naburige volken zich staag op Frankrijk richten,
-om hetzij in hoop of in vrees te zien wat aldaar omgaat, ten einde het na te volgen
-of er zich tegen te wapenen.
-</p>
-<p>Wat onze Fransche vrijcompagnie betreft, zij bracht haar tijd door met de woestijn
-te doorkruisen om er de Apachen te zoeken, die zich sedert eenige dagen bepaald onzichtbaar
-hadden gemaakt. Slechts nu en dan bij lange tusschenpoozen zagen zij een enkelen Indiaanschen
-ruiter, die op korten afstand van hunne voorposten, als om hen te sarren, rijtoeren
-en manegekunsten kwam vertoonen.
-</p>
-<p>Dan werd er »in den zadel&#x201d; geblazen, allen stegen te paard, men stormde den vrijpostigen
-ruiter te gemoet, die na zich lang genoeg te hebben laten vervolgen, eensklaps weder
-verdween gelijk hij gekomen was.
-</p>
-<p>Dit doelloos en eentonig leven begon hun echter te vervelen en eindelijk onverdragelijk
-te worden. Niets anders te zien dan zand, altijd zand, geen vogels, geen wild, geen
-verscheurend dier zelfs; niets dan grauwe en verbrokkelde rotsen; en eenige reusachtige
-Ahuehuelten, een soort van ceders, met lange, soms bladerlooze doch zwaar met een
-grijsachtig mos bedekte takken, dat er in groote festonnen bij nederhing; dit alles
-had weinig vermakelijks, en nadat de compagnie er het eerste nieuws had afgezien begon
-het haar spoedig te walgen.
-</p>
-<p>De weêrkaatsing der zonnestralen op het barre zand, verwekte oogziekten; het water
-door de hitte bedorven, werd ondrinkbaar; de verdere levensmiddelen werden oneetbaar,
-het scorbut begon onder de soldaten te heerschen, weldra door het heimwee gevolgd,
-dat menigeen ten grave sleepte.
-</p>
-<p>Deze staat van zaken was ondragelijk, men moest op middelen bedacht zijn om er zoo
-spoedig mogelijk een eind aan te maken.
-</p>
-<p>De graaf riep dus zijne officieren bijeen om met hen raad te houden.
-</p>
-<p>Deze raad bestond uit de luitenants Diego Leon, en Martin Leroux, den sergeant Boileau,
-Blas Vasquez en Cuchares.
-</p>
-<p>Deze vijf personen, voorgezeten door den graaf de Lhorailles, plaatsten zich op de
-pakbalen terwijl de soldaten niet ver van hen af op den grond liggende, een schuilhoek
-zochten in de schaduw der paarden, die aan piketten gekoppeld stonden.
-</p>
-<p>Het werd dringend noodig den raad te beleggen, want de krijgstucht <span class="pageNum" id="pb245">[<a href="#pb245">245</a>]</span>onder de compagnie was snel aan &#x2019;t afnemen, er was oproer in den wind, men klaagde
-reeds nu en dan overluid. De strafoefening aan de <span class="corr" id="xd30e6622" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> was reeds geheel vergeten en als men niet spoedig middelen vond om het kwaad te keer
-te gaan, kon niemand zeggen op welke vreeselijke uitersten het algemeene ongenoegen
-zou uitloopen.
-</p>
-<p>»Mijne heeren,&#x201d; zei de graaf de Lhorailles, »ik heb u bijeengeroepen om met u de middelen
-te beramen, ten einde den moedeloozen ja slechten geest te doen ophouden, die bij
-de compagnie sedert eenige dagen heerscht. De omstandigheden zijn zoo ernstig, dat
-ik u danken zal voor elken goeden raad dien gij mij oprecht en onbewimpeld geeft;
-ons aller welzijn is er in betrokken, en in zulk een staat van zaken heeft ieder het
-recht om zijn gevoelen uit te brengen, zonder vrees dat hij de eigenliefde zou kwetsen
-van wien ook. Spreekt dus, mijne heeren, ik zal u aanhooren. Gij het eerst, sergeant
-Boileau; als de minste in rang moet gij het eerste woord hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>Sergeant Boileau was een voormalig spahis uit Afrika, die de soldatenschool op zijn
-duimpje kende, trouw als staal en in allen opzichte wat men in het leger een oud-gediende
-noemt; alleen moeten wij hier zeggen dat hij geen meester in de redekunst was.
-</p>
-<p>Bij de rechtstreeksche interpellatie van zijn kommandant begon hij te glimlachen,
-daarop te blozen als een jong meisje, toen liet hij het hoofd hangen en opende den
-mond, om reeds bij het eerste woord te blijven steken.
-</p>
-<p>De graaf de Lhorailles, zijne verlegenheid bemerkende, spoorde hem op goedwilligen
-toon aan om te spreken. Eindelijk, na menige vergeefsche poging, gelukte het den sergeant
-met eene heesche stem en tamelijk verward zijn woord te doen.
-</p>
-<p>»Pardi! kapitein,&#x201d; begon hij, »ik begrijp dat de toestand alles behalve vroolijk is;
-maar oorlog is oorlog, en op marsch gaat het niet anders. Als men soldaat is, is men
-soldaat. Ik wil dus maar zeggen, kapitein, naar mijn begrip, dat gij maar doen moet
-wat gij denkt dat goed is, en dat wij hier zijn om u in alles te gehoorzamen; dat
-is strikt genomen niet meer dan een staaltje van onzen plicht, zonder onnoodige napraatjes.&#x201d;
-</p>
-<p>De overige raadsleden konden zich moeielijk zonder lachen houden over deze gulle bekentenis
-van den eerlijken sergeant, die opnieuw verlegen werd en zweeg.
-</p>
-<p>»Uw beurt, Blas Vasquez,&#x201d; zei de graaf, »wat is uw advies?&#x201d;
-</p>
-<p>De capataz richtte zijn vurigen blik op den graaf.
-</p>
-<p>»Vraagt gij mij dat wel ronduit, kapitein?&#x201d; antwoordde hij.
-</p>
-<p>»Zonder twijfel.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoort dan gij allen,&#x201d; hernam de capataz met eene vaste stem en op een toon van volle
-overtuiging. »Mijn advies is, dat wij verkocht en verraden worden; dat wij nooit uit
-deze woestijn zullen <span class="pageNum" id="pb246">[<a href="#pb246">246</a>]</span>komen, maar hier allen den dood zullen vinden zoo wij nog langer volhouden die onbereikbare
-vijanden te vervolgen; men heeft ons in een strik gelokt daar wij niet weder uit kunnen.&#x201d;
-</p>
-<p>Deze verklaring bracht op de aanwezigen een diepen indruk te weeg, daar men al de
-juistheid er van begreep.
-</p>
-<p>De kapitein schudde twijfelmoedig het hoofd.
-</p>
-<p>»Don Blas,&#x201d; zeide hij, »wat gij daar gezegd hebt behelst eene zware beschuldiging.
-Hebt gij de beteekenis uwer woorden wel nauwkeurig overwogen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja,&#x201d; antwoordde hij. »Alleen.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Bedenk wel wat gij zegt, don Blas. Wij kunnen hier geen onbestemde vermoedens toelaten;
-de zaken zijn tot zulk een uiterste gekomen, dat wij u het overigens welverdiende
-vertrouwen niet kunnen verleenen, tenzij gij uwe beschuldiging nader bepaalt en, desnoods,
-niet terugdeinst om namen te noemen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik deins voor niets of voor niemand terug, heer graaf; ik weet al de verantwoordelijkheid
-die ik op mij neem; geene overweging, van welken aard ook, zal mij doen afwijken van
-hetgeen ik als heiligen plicht beschouw.&#x201d;
-</p>
-<p>»Spreek dan in &#x2019;s hemels naam, en geve God dat uwe ophelderende verklaring mij niet
-andermaal noodzake een onzer kameraden op een voorbeeldige wijze te straffen.&#x201d;
-</p>
-<p>De capataz bedacht zich een poos, en iedereen wachtte met ongeduld op zijne nadere
-toelichting; Cuchares inzonderheid, was derwijze in &#x2019;t nauw gebracht, dat hij zijne
-ongerustheid moeielijk wist te verbergen.
-</p>
-<p>Eindelijk nam de capataz het woord en vestigde daarbij zulk een zonderlingen blik
-op den graaf de Lhorailles, dat deze tegen wil en dank eindelijk begon te begrijpen,
-dat hij en de zijnen de slachtoffers waren van het schandelijkst verraad.
-</p>
-<p>»Heer graaf,&#x201d; zei Blas Vasquez, »wij Mexicanen hebben eene wet daar wij nimmer van
-afwijken, eene wet trouwens die in het hart van alle eerlijke lieden geschreven staat,
-namelijk deze: dat, gelijk de loods verantwoordelijk is voor het schip dat hij op
-<span class="corr" id="xd30e6652" title="Bron: zicht">zich</span> neemt in de veilige haven te brengen, evenzoo de gids met zijn leven verantwoordelijk
-is voor het behoud der reizigers die hij aanneemt door de woestijn te geleiden. Hierover
-komt geene verdere redeneering te pas; van tweeën een: of de gids is onkundig, of
-hij is het niet; is hij onkundig, dan had hij ons niet tegen ons aller gevoelen moeten
-dwingen de woestijn in te trekken, noch daarbij de geheele verantwoordelijkheid onzer
-reis mogen op zich nemen. Is hij daarentegen der zake kundig, dan had hij ons de woestijn
-moeten doorvoeren, waartoe hij zich verbonden heeft, in plaats van ons op goed geluk
-te laten rondzwerven om naar vijanden te zoeken, die hij even goed weet als wij het
-weten, dat niet in de woestijn del Norte wonen, maar ze slechts nu en dan in geval
-van noodzakelijkheid doortrekken, <span class="pageNum" id="pb247">[<a href="#pb247">247</a>]</span>zoo snel als hunne paarden loopen kunnen. Op onzen gids alleen werp ik dus de schuld
-van alles wat ons overkomt; want hij is de man, die meester was van de gebeurtenissen
-en ze naar zijn goedvinden heeft geregeld.&#x201d;
-</p>
-<p>Cuchares, meer en meer in verwarring gebracht, wist niet meer hoe hij zich keeren
-of wenden zou, zijne ontsteltenis was voor iedereen zichtbaar.
-</p>
-<p>»Wat hebt gij hierop te antwoorden, Cuchares?&#x201d; vroeg de kapitein.
-</p>
-<p>In omstandigheden als de tegenwoordige, heeft een beschuldigde slechts twee middelen
-van verdediging: of geveinsde verontwaardiging of minachting.
-</p>
-<p>Cuchares koos het laatste: de minachting.
-</p>
-<p>Al zijne stoutmoedigheid en onbeschaamdheid te hulp roepende, zorgde hij eerst zijne
-stem te verzekeren, haalde verachtelijk de schouders op en antwoordde op sarcastischen
-toon:
-</p>
-<p>»Ik zal <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> don Blas de eer niet doen van zijne woorden te bespreken; er zijn van die beschuldigingen
-waarop een eerlijk man het stilzwijgen bewaart. Ik heb mij in alles moeten gedragen
-aan den kapitein, die hier alleen te bevelen heeft. Sedert wij ons in de woestijn
-bevinden hebben wij twintig man hetzij door de moordbijl der Indianen, of door ziekte
-verloren; kan men mij redelijk- en billijkerwijs verantwoordelijk stellen voor deze
-grieven? Sta ik niet even zeer als de anderen klaar om in de woestijn om te komen?
-Heb ik het in mijne macht om het gevaar te ontsnappen dat ulieden bedreigt? Zoo de
-kapitein mij bevolen had om de woestijn del Norte slechts door te trekken, zouden
-wij er reeds lang uit zijn; maar hij heeft mij gezegd dat hij de Apachen wilde achterhalen,
-ik heb mij naar zijn last moeten gedragen.&#x201d;
-</p>
-<p>Deze redeneering, hoe listig gesponnen en spitsvondig zij wezen mocht, werd nochtans
-door de officieren voor goede munt opgenomen; Cuchares haalde weder adem, maar hij
-had het met den capataz nog niet afgemaakt.
-</p>
-<p>»Goed,&#x201d; zeide deze; »strikt genomen hebt gij misschien gelijk dat gij zoo spreekt,
-en ik zou geloof kunnen hechten aan uw voorgeven, zoo ik geen andere en veel ernstiger
-zaken tegen u had in te brengen.&#x201d;
-</p>
-<p>De lepero haalde de schouders op.
-</p>
-<p>»Ik weet,&#x201d; vervolgde de capataz, »en ik kan er dadelijk het bewijs van leveren, dat
-gij door uwe gesprekken en zijdelingsche beschuldigingen oproer onder de peons en
-soldaten der compagnie hebt gezaaid. Heden morgen vóór de revelje, terwijl gij dacht
-dat niemand u zag, zijt gij opgestaan en hebt met uw ponjaard tien van de vijftien
-zakken water doorgestoken die wij nog over hebben; alleen het gerucht, dat ik onwillekeurig
-maakte terwijl ik naar u toekwam om het u te beletten, heeft u teruggehouden uw misdadig
-opzet ten <span class="pageNum" id="pb248">[<a href="#pb248">248</a>]</span>einde te brengen. Op het oogenblik toen de kapitein ons bijeen liet roepen om raad
-te houden, was ik juist gereed om hem van uw bedrijf kennis te geven en u aan te klagen.
-Wat hebt gij daarop te antwoorden? Verdedig u als gij er kans toe ziet.&#x201d;
-</p>
-<p>Aller oogen richtten zich nu op den lepero; hij was doodsbleek, zijne oogen stonden
-rood en wild; eer iemand met mogelijkheid gissen kon wat hij voornemens was, greep
-hij een pistool en schoot het rakelings af op de borst van den capataz, die ter aarde
-stortte zonder een woord of zucht meer te slaken; daarop steeg de moordenaar met een
-tijgersprong te paard, en reed in vliegenden galop weg.
-</p>
-<p>Nu volgde er een onbeschrijfelijke opschudding, allen stegen te paard om den lepero
-na te zetten.
-</p>
-<p>»Voort! voort! den moordenaar na! den moordenaar na!&#x201d; schreeuwde de kapitein, zijne
-manschappen aansporende met stem en voorbeeld om den onverlaat te vervolgen.
-</p>
-<p>De Franschen, door dezen afloop der zaak woedend geworden, vervolgden den lepero en
-schoten op hem als op een verscheurend dier; een geruimen tijd wist hij in alle richtingen
-te ontwijken en zag men hem nu hier dan daar heen rennen, om uit den cirkel te geraken
-dien het den kavaleristen gelukt was rondom hem te sluiten; eindelijk zag men hem
-waggelen in den zadel, poogde hij zich nog aan de manen van zijn paard vast te klemmen,
-maar tuimelde hij op het zand als een machtelooze klomp onder het uiten van een laatsten
-kreet.
-</p>
-<p>Hij was dood.
-</p>
-<p>Deze gebeurtenis voerde de ontsteltenis onder de soldaten ten top, van dit oogenblik
-af gevoelden zij dat men hen verraden had en begonnen zij te begrijpen dat hun toestand
-inderdaad hopeloos was.
-</p>
-<p>Te vergeefs poogde de kapitein hun een weinig moed in te spreken, zij wilden naar
-niets meer hooren, maar gaven zich prijs aan eene radeloosheid die alle maatregelen
-verlamt en alle krijgstucht oplost.
-</p>
-<p>Als een laatste middel om gehoor te krijgen, gaf de graaf order om op te breken, en
-men trok op marsch.
-</p>
-<p>Maar waarheen? in welke richting, en waar was uitkomst? geen spoor of pad was er te
-zien. Intusschen trok men toch voort, veeleer om van plaats te veranderen, dan om
-weg te komen, of met eenige hoop om uit het onmetelijk zandgraf te geraken, daar men
-niet anders voorzag dan voor altijd en onherroepelijk in bedolven te zullen worden.
-</p>
-<p>Acht dagen verliepen, acht eeuwen van jammer, gedurende welke de vrijcompagnisten
-met de vreeselijkste kwellingen van honger en dorst te kampen hadden.
-</p>
-<p>De compagnie als zoodanig bestond niet langer, er waren geen chefs, geen soldaten
-meer; het was een legioen afschuwelijk uitgemergelde <span class="pageNum" id="pb249">[<a href="#pb249">249</a>]</span>spookgestalten, een troep uitgehongerde roofdieren, gereed om elkander bij de eerste
-gelegenheid te verscheuren en te verslinden.
-</p>
-<p>Het was er eindelijk zoo ver mede gekomen, dat men de weinige paarden of muildieren
-die nog overbleven, de ooren opensneed om het bloed uit te zuigen, ten einde honger
-en dorst te lesschen.
-</p>
-<p>In &#x2019;t onzekere rondzwervende, nu eens naar dezen dan naar genen kant, door luchtspiegeling
-misleid, door den fellen zonnegloed geblakerd, door het mulle zand afgemat en uitgeput,
-waren zij ten prooi aan eene vertwijfeling, die sommigen met een stompzinnig gelaat
-en een hollen lach verdroegen; dat waren nog de gelukkigsten, zij hadden geen gevoel
-meer van hun leed, want zij waren krankzinnig; anderen zwaaiden woest met de wapenen,
-vloekten en dreigden en staken de vuisten naar den hemel op, die als een onmetelijke
-tombe van koper, hunne zandige grafstede scheen te overwelven; enkelen door het ongeluk
-razend geworden schoten zich voor het hoofd, met een spottenden glimlach jegens hunne
-kameraden, die te zwak waren of den moed niet hadden hun voorbeeld te volgen.
-</p>
-<p>De Franschen zijn misschien het moedigste volk dat er bestaat, maar daarentegen zijn
-zij de eerste om alle tucht of zelfbeheersching te verliezen. Is hun aandrift onweêrstaanbaar
-zoo lang zij voorwaarts rukken, even onweêrstaanbaar zijn zij ook als zij terug moeten;
-dan zijn zij door niets, door dwang noch door redeneering noch door bedreiging tot
-staan te brengen; overdreven in alles, is de Franschman soms sterker dan een mensch,
-of zwakker dan een kind!
-</p>
-<p>De graaf de Lhorailles was geen kwaad overste, hij staarde zwijgend en somber op den
-ondergang van al zijne verwachtingen, maar bleef zijnen rang en zijn karakter getrouw.
-Altoos de eerste om te marcheeren, en de laatste om te rusten, zou hij geen brok genuttigd
-hebben eer hij wist dat ieder man zijn aandeel had gehad, troostte hij ieder die naar
-hem hooren wilde en waakte met voorbeeldelooze zorg en zelfverloochening voor zijne
-arme soldaten, die, zonderling genoeg, te midden van al hun jammer en dreigenden ondergang
-er niet aan dachten hun overste eenig verwijt toe te voegen.
-</p>
-<p>De peons van Blas Vasquez waren meest allen bezweken, of hadden na zijn dood een goed
-heenkomen gezocht, dat wil zeggen, een weinig verder een onbekend graf gevonden. Die
-den graaf nog getrouw bleven, waren allen Europeanen, meerendeels Franschen, brave
-Dauph&#x2019;yeers, geheel onkundig hoe zij den onverbiddelijken vijand zouden bekampen met
-welken zij hier te doen hadden, de doodelijke del Norte.
-</p>
-<p>Van de twee honderd vijf en veertig man, die de compagnie bij hare intrede in de woestijn
-sterk was, leefden er nog nauwelijks honderd dertig, zoo het leven mocht heeten dat
-deze verbleekte en vermagerde spoken bezielde.
-<span class="pageNum" id="pb250">[<a href="#pb250">250</a>]</span></p>
-<p>De ergste ramp die iemand in de woestijn kan overkomen is zeker de akelige kwaal,
-door de Mexicanen de <i lang="es">calentura</i> genoemd.
-</p>
-<p>De <span lang="es">calentura</span>!
-</p>
-<p>Deze tusschenpoozende waanzin spiegelt den lijder gedurende den korteren of langeren
-aanval, visioenen voor van de lekkerste en keurigste spijzen, de helderste waterbronnen,
-de uitmuntendste wijnen, die hem, zoo hij zich verbeeldt, volop verzadigen maar tevens
-ontzenuwen, want na den afloop der zinsverbijstering gevoelt hij zich zwakker en verslagener
-dan ooit, door de herinnering van al wat hij in den droom gezien en genoten had.
-</p>
-<p>Op zekeren dag eindelijk, toen de ongelukkige vrijcompagnie door jammer en ellende
-overstelpt, weigerde om verder te gaan en allen reikhalsden om te sterven waar het
-toeval hen gebracht had, legerden zij zich op het gloeiende zand, in de schaduw van
-eenige Ahuehuelten, met het vaste besluit om daar onbeweeglijk te blijven liggen,
-tot de dood, dien zij reeds zoolang overluid hadden ingeroepen, hen eindelijk van
-hunne kwalen zou komen verlossen.
-</p>
-<p>De zon hulde zich in een onheilspellenden nevel en ging onder in eene zee van purperen
-en gouden wolken. Alles in de woestijn was doodstil en men hoorde niets dan hier en
-daar eene verwensching of een zucht van de ongelukkigen, die niets meer verwachtten,
-niets meer hoopten, en niets meer overhielden dan het instinct van woeste of redelooze
-dieren.
-</p>
-<p>Intusschen volgde de nacht op den dag, en langzamerhand kwam ook de vrijcompagnie
-tot rust en stilte. De slaap, die groote vertrooster der lijdende menschheid, bezwaarde
-de oogleden der rampzaligen, en zoo zij al niet sliepen, genoten zij toch eene soort
-van sluimering, die hun, voor een poos althans, hunne ondragelijke folteringen deed
-vergeten.
-</p>
-<p>Op eens, tegen middernacht, klonk er een vervaarlijk geluid, dat allen verschrikt
-deed ontwaken; een verstikkend lauwe wervelwind ging over hen heen, en de donder boven
-hunne hoofden barstte klaterend los.
-</p>
-<p>De hemel was zwart als inkt, geen maan of ster was er te zien, niets dan tastbare
-duisternis, die zelfs niet toeliet de meest nabijzijnde voorwerpen te onderscheiden,
-dan nu en dan bij het flikkeren van een bliksemstraal welke slechts diende om de daarop
-volgende duisternis nog dikker te maken.
-</p>
-<p>De arme drommels sprongen vol ontzetting op en slopen waggelend naar elkander, als
-een troep schapen bij onweder en als wilden zij bij de laatste vonk van hun ingeschapen
-menschelijk instinct, te zamen sterven.
-</p>
-<p>»De temporal!<span id="xd30e6718"></span> de temporal!&#x201d; schreeuwden allen op een toon van angst die zich niet laat beschrijven.
-</p>
-<p>Werkelijk was het de temporal, die ontzettende plaag, die al hare woede ontketende
-en over de woestijn deed losbreken om er de gedaante van om te keeren.
-<span class="pageNum" id="pb251">[<a href="#pb251">251</a>]</span></p>
-<p>De stormwind loeide met ontzettende kracht, en joeg wolken stof omhoog die in de lucht
-ronddwarrelden en zandhoozen vormden, die met groote snelheid voortwervelden tot zij
-op eens met een vreeselijk gekraak uiteenspatteden.
-</p>
-<p>Menschen of dieren, of steenen door deze wervelende zuilen medegesleept, werden als
-stroobossen in de ruimte weggeslingerd.
-</p>
-<p>»Plat op den grond!&#x201d; riep de graaf met eene krachtige stem, »plat op den grond liggen!
-het is als de Afrikaansche Simoun, plat op den buik liggen! zoo gij uw leven lief
-hebt!&#x201d;
-</p>
-<p>Vreemd als het schijnen mag, maar al deze mannen, ofschoon door hopeloos lijden overstelpt,
-gehoorzaamden als kinderen het bevel van hun overste, zoo groot is de schrik dien
-de dood, wanneer hij op het oogenblik onherroepelijk schijnt te naderen, inboezemt.
-</p>
-<p>Zij vielen met hun aangezicht in het zand, en groeven met hunne handen kuilen om de
-heete lucht te ontgaan, die hen dreigde te verstikken. De paarden, met gerekten hals
-op den grond uitgestrekt, volgden bij instinct het voorbeeld hunner meesters.
-</p>
-<p>Bij tusschenpoozen, als plotselinge windstilte den rampzaligen soms een oogenblik
-verademing schonk, om hen daarna des te erbarmloozer te benauwen, hoorde men het gekerm
-of het doodsgereutel vermengd met vloeken of vurige gebeden, uit de menigte opgaan,
-die bevreesd of stervend op den grond lag uitgestrekt.
-</p>
-<p>De orkaan bulderde den geheelen nacht door met onverpoosde woede; tegen den morgen
-begon hij allengs te bedaren, en met het opgaan der zon was zijne kracht uitgeput
-of naar andere streken verplaatst.
-</p>
-<p>Het aanzien der woestijn was geheel veranderd; waar den vorigen dag heuvels stonden,
-waren nu dalen; de weinige boomen hier en daar, waren door den wind geknot, omgeworpen
-of verzengd, en vertoonden niets dan zwarte en kaalgestroopte geraamten; geen spoor
-meer van pad of voetstap, alles was effen en plat gewaaid of met golven gerimpeld
-als een plotselinge bevroren zee.
-</p>
-<p>Van de vrijcompagnie waren niet meer dan zestig man levend overgebleven, de overigen
-waren hetzij door den wind opgenomen of onder den grond bedolven, zonder dat er een
-spoor van overbleef; het zand had alles begraven en bedekte hen als met een onmetelijk
-grauwe doodwaâ.
-</p>
-<p>Het eerste gevoel dat de levend overgeblevenen bezielde, was schrik; het tweede, wanhoop,
-en daarop begon het gejammer en beklag met vernieuwde, altoos toenemende kracht.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p251width"><img src="images/p251.jpg" alt="De graaf staarde op het overschot zijner vrijcompagnie. Bladz. 251." width="720" height="500"><p class="figureHead">De graaf staarde op het overschot zijner vrijcompagnie. Bladz. 251.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>De graaf staarde op het overschot zijner vrijcompagnie met treurig somberen blik en
-eene uitdrukking van onbeschrijfelijken weemoed.
-</p>
-<p>Op eens barstte hij los in een stuipachtigen schaterlach, hij trad naar zijn paard,
-het eenig overgeblevene en als door een wonder aan den algemeenen jammer ontsnapte,
-zadelde het, streelde het met de hand, onder het binnensmonds neuriën eener treurige
-melodie van eigen vinding.
-<span class="pageNum" id="pb252">[<a href="#pb252">252</a>]</span></p>
-<p>Zijne kameraden zagen hem aan met stommen schrik en een gevoel van verbazing daar
-zij zich geen rekenschap van konden geven; hoe gezonken en moedeloos van geest zij
-zelven ook mochten geweest zijn, de kapitein had tot hiertoe steeds zijne meerderheid
-van verstand en vastheid van wil weten te behouden, twee hoedanigheden die op minder
-beschaafde en geschokte gemoederen zoo veel vermogen, zelfs wanneer de omstandigheden
-hun aanleiding gaven er zich tegen te verzetten. Hoe ellendig zij ook waren groepeerden
-zij zich rondom hun overste, als kinderen zouden gedaan hebben rondom hun stervenden
-of plotseling krankzinnig geworden vader of moeder; hij had hen altijd getroost, hun
-het voorbeeld van moed en zelfverloochening gegeven, en nu, terwijl zij hem zagen
-te werk gaan gelijk hij deed, hadden zij een voorgevoel van een nieuw en nog grooter
-ongeluk.
-</p>
-<p>Nadat de graaf zijn paard gezadeld had, steeg hij voorzichtig in den zadel en liet
-het eenige minuten lang springen en zwenken, ofschoon het arme dier <span class="corr" id="xd30e6746" title="Bron: nauwlijks">nauwelijks</span> in staat was zich op de bevende beenen te houden.
-</p>
-<p>»Haha! mijne braven!&#x201d; riep hij op eens, »komt allen hier, komt bij mij en hoort den
-goeden raad dien ik u geven wil eer ik vertrekken ga.&#x201d;
-</p>
-<p>De soldaten sleepten zich zooveel zij konden voort en verzamelden zich rondom hun
-chef.
-</p>
-<p>De graaf wierp een zonderlingen blik van zelfvoldoening om zich heen.
-</p>
-<p>»Het leven is een jammerlijk apenspel, niet waar,&#x201d; sprak hij met een schaterenden
-lach, »en daarbij dikwijls een keten die zwaar valt om te dragen. Hoe menigmaal zult
-gij in het helsche verblijf daar wij zonder uitkomst in rondzwerven, deze opmerking
-niet in stilte hebben gemaakt, die ik onbewimpeld voor u uitspreek! Welnu, ik moet
-u bekennen, zoolang ik hoop had u te redden heb ik met moed tegen het ongeluk gestreden;
-die hoop heb ik niet meer. En daar wij hier nu binnen eenige dagen, misschien binnen
-weinige uren reeds, van kommer en gebrek moeten vergaan, wil ik liever dadelijk sterven.
-Gelooft mij, volgt mijn voorbeeld; het is spoedig gedaan, gij zult het zien.&#x201d;
-</p>
-<p>Bij het uitspreken dezer woorden trok hij een pistool uit zijn gordel.
-</p>
-<p>Op dit oogenblik hoorde men in de verte schreeuwen.
-</p>
-<p>»Wat is het? wat is het, wat gebeurt er nog?&#x201d;
-</p>
-<p>»Zie eens! kapitein, men komt ons te hulp; wij zijn gered!&#x201d; riep de sergeant Boileau,
-die als een schim aan zijne zijde stond en hem bij den arm greep.
-</p>
-<p>De graaf rukte zijn arm los en zei met een glimlach, terwijl hij in de aangewezen
-richting uitkeek, waar zich werkelijk een wolk van stof verhief, die snel naderde.
-</p>
-<p>»Gij zijt dwaas, mijn arme kameraad. Men kan ons hier niet <span class="pageNum" id="pb253">[<a href="#pb253">253</a>]</span>komen helpen. Wij hebben hier zelfs minder hoop dan de schipbreukelingen der Medusa,&#x201d;
-vervolgde hij met bittere ironie; »wij zijn gedoemd om in deze helsche woestijn te
-sterven. Vaartwel, allen! vaartwel!&#x201d;
-</p>
-<p>Hij hief zijn pistool op.
-</p>
-<p>»Kapitein?&#x201d; riep de sergeant op verwijtenden toon, »denk om uwe verantwoording, gij
-hebt het recht niet om u zelven te dooden, gij zijt onze overste, gij behoort het
-laatst van allen te sterven of anders zijt gij een lafaard!&#x201d;
-</p>
-<p>De graaf sprong op in den zadel alsof hem een adder gebeten had, en dreigde zich op
-den sergeant te werpen; zijn uitzicht was daarbij zoo woest en zijne beweging zoo
-verschrikkelijk, dat Boileau er bang van werd en terugdeinsde.
-</p>
-<p>De kapitein maakte van dit vrije oogenblik gebruik, zette zich het pistool voor het
-hoofd, en drukte af; hij stortte ter aarde met een verbrijzelde hersenpan.
-</p>
-<p>De avonturiers waren nog niet van den schrik bekomen dien dit vreeselijk ongeluk bij
-hen teweegbracht, toen de stofwolk die zij hadden zien naderen reeds dicht in hunne
-nabijheid was en plotseling als vaneen scheurde, en nu ontwaarden zij een troep Indiaansche
-ruiters, in welks midden eene vrouw en twee of drie blanken, die in vollen ren op
-hen afkwamen.
-</p>
-<p>Vast overtuigd dat de Apachen hen, als roofvogels op dood aas, zouden overvallen en
-den genadeslag komen geven, beproefden zij het zelfs niet om een oogenblik weêrstand
-te bieden.
-</p>
-<p>»O!&#x201d; riep op eens een der jagers snel afstijgende en naar hen toeloopende, »arme menschen!&#x201d;
-</p>
-<p>De nieuw aankomenden waren Goedsmoeds, don Louis en hunne vrienden de Comanchen.
-</p>
-<p>Weinige woorden waren genoeg om hun het gebeurde mede te deelen en hun met den gruwzamen
-nood bekend te maken dien de Franschen hadden moeten verduren<span class="corr" id="xd30e6773" title="Bron: ?">.</span>
-</p>
-<p>»Maar,&#x201d; riep Goedsmoeds, »al heeft het u aan de noodige spijzen ontbroken, water hadt
-gij toch in overvloed, hoe kunt gij u zoozeer beklagen over dorst?&#x201d;
-</p>
-<p>Zonder iets te zeggen begonnen de Arendskop en de Spotvogel met hunne machetes reeds
-een kuil te delven aan den voet van een Ahuehuelt. Na verloop van tien minuten sprong
-het water te voorschijn en weldra vloeide er een milde en heldere bron over het zand.
-</p>
-<p>De Franschen stortten zich als razenden op het water.
-</p>
-<p>»Arme menschen!&#x201d; mompelde don Louis; »zullen wij ze hier niet <span class="corr" id="xd30e6782" title="Bron: van daan">vandaan</span> helpen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Denkt gij dan dat ik hen zou laten omkomen nu ik hun weder moed heb gegeven?&#x201d; zei
-Goedsmoeds. »Arm meisje,&#x201d; vervolgde hij, half in zich zelven met een weemoedigen blik
-op <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita, die er bij stond te lachen en hare vingers deed klappen als castagnetten,
-<span class="pageNum" id="pb254">[<a href="#pb254">254</a>]</span>»waarom kan ik haar niet even gemakkelijk het verstand teruggeven?&#x201d;
-</p>
-<p>Don Louis zuchtte zonder te antwoorden.
-</p>
-<p>De Franschen hoorden met stomme verbazing een feit vermelden, dat hen waarschijnlijk
-zou hebben gered zoo zij het maar eerder geweten hadden; namelijk dat de Ahuehuelt,
-welke naam in de taal der Comanchen »<i>heer der wateren</i>&#x201d; beteekent, een boom is die wel is waar alleen op dorre en zandige plaatsen opschiet,
-maar onder zijne wortels steeds een waterader verbergt, waaraan hij zijn wasdom en
-sappen ontleent, en om deze reden dragen de Roodhuiden dezen boom een bijgeloovigen
-eerbied toe en noemen zij hem, daar hij vooral in de zandwoestijn voorkomt en van
-onberekenbaar nut is <i>de groote medicijn der reizigers</i>.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Twee dagen later waren de avonturiers, onder geleide der jagers en der Comanchen,
-buiten de zandwoestijn. Weldra hadden zij de <span class="corr" id="xd30e6803" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> de <span class="corr" id="xd30e6806" title="Bron: Moctecuzoma">Montecuzoma</span> bereikt, waar hunne redders, na hen van de noodige levensmiddelen te hebben voorzien,
-hen voor goed verlieten, nauwelijks wetende hoe zij zich aan hunne warme dankbetuigingen
-en zegenwenschen zouden onttrekken.
-<span class="pageNum" id="pb255">[<a href="#pb255">255</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">INHOUD.</h2>
-<table class="tocList">
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7">
-</td>
-<td class="tocPageNum">Bladz.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">1.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch1" id="xd30e6823">Feria de Plata</a> </td>
-<td class="tocPageNum">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">2.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2" id="xd30e6832">Don Sylva de Torres</a> </td>
-<td class="tocPageNum">12</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">3.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch3" id="xd30e6841">Twee oude kennissen van den lezer</a> </td>
-<td class="tocPageNum">21</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">4.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch4" id="xd30e6850">De graaf Maxima Gaëtan de Lhorailles</a> </td>
-<td class="tocPageNum">31</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">5.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch5" id="xd30e6859">De Dauph&#x2019;yeers</a> </td>
-<td class="tocPageNum">40</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">6.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch6" id="xd30e6868">Door het venster</a> </td>
-<td class="tocPageNum">51</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">7.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch7" id="xd30e6877">Een tweegevecht</a> </td>
-<td class="tocPageNum">60</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">8.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch8" id="xd30e6886">Het vertrek</a> </td>
-<td class="tocPageNum">69</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">9.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch9" id="xd30e6895">De legerschans in de wildernis</a> </td>
-<td class="tocPageNum">80</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">10.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch10" id="xd30e6904">Vóór den aanval</a> </td>
-<td class="tocPageNum">92</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">11.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch11" id="xd30e6914">De Mexicaansche maan</a> </td>
-<td class="tocPageNum">102</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">12.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch12" id="xd30e6923">Vrouwenlist</a> </td>
-<td class="tocPageNum">111</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">13.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch13" id="xd30e6932">Een wedloop bij nacht</a> </td>
-<td class="tocPageNum">123</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">14.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch14" id="xd30e6941">Een Indiaansche list</a> </td>
-<td class="tocPageNum">133</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">15.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch15" id="xd30e6950">Scherp tegen scherp</a> </td>
-<td class="tocPageNum">143</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">16.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch16" id="xd30e6959">De <span class="corr" id="xd30e6961" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> de <span class="corr" id="xd30e6964" title="Bron: Moctecuzoma">Montecuzoma</span></a> </td>
-<td class="tocPageNum">155</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">17.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch17" id="xd30e6973">De Mesties</a> </td>
-<td class="tocPageNum">166</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">18.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch18" id="xd30e6982">Een stap achterwaarts</a> </td>
-<td class="tocPageNum">175</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">19.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch19" id="xd30e6991">In de Prairie</a> </td>
-<td class="tocPageNum">186</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">20.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch20" id="xd30e7000">In den zadel</a> </td>
-<td class="tocPageNum">194</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">21.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch21" id="xd30e7009">De bekentenis</a> </td>
-<td class="tocPageNum">204</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">22.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch22" id="xd30e7019">Een menschenjacht</a> </td>
-<td class="tocPageNum">213</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">23.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch23" id="xd30e7028">De Apachen</a> </td>
-<td class="tocPageNum">223</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">24.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch24" id="xd30e7037">De woudloopers</a> </td>
-<td class="tocPageNum">232</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">25.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch25" id="xd30e7046">El Ahuehuelt</a> </td>
-<td class="tocPageNum">243</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-<div class="transcriberNote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
-<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen
-van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden
-van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd30e44" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
-</p>
-<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd30e44" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
-</p>
-<h3 class="main">Metadata</h3>
-<table class="colophonMetadata" summary="Metadata">
-<tr>
-<td><b>Titel:</b></td>
-<td>De graaf de Lhorailles</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Auteur:</b></td>
-<td>Gustave Aimard (1818&#x2013;1883)</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/9841962/" class="seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Illustrator:</b></td>
-<td>Charles Rochussen (1814&#x2013;1894)</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/37073188/" class="seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Taal:</b></td>
-<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td>
-<td>1884</td>
-<td></td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Codering</h3>
-<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
-einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
-zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
-dit boek.</p>
-<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
-<ul>
-<li>2021-05-13 Begonnen.
-</li>
-</ul>
-<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
-<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links
-voor u niet werken.</p>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-<th>Bewerkingsafstand</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e163">2</a></td>
-<td class="width40 bottom">San-Blas</td>
-<td class="width40 bottom">San Blas</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e166">2</a></td>
-<td class="width40 bottom">San-Francisco</td>
-<td class="width40 bottom">San Francisco</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e191">3</a></td>
-<td class="width40 bottom">Mexio</td>
-<td class="width40 bottom">Mexico</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e196">3</a></td>
-<td class="width40 bottom">Rio-Mayo</td>
-<td class="width40 bottom">Rio Mayo</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e211">3</a></td>
-<td class="width40 bottom">San-José</td>
-<td class="width40 bottom">San José</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><i title="44 gevallen">Passim.
-</i></td>
-<td class="width40 bottom">senor</td>
-<td class="width40 bottom">señor</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e269">6</a>, <a class="pageref" href="#xd30e374">8</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1309">42</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2880">100</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4437">164</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4599">169</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5032">182</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5551">198</a></td>
-<td class="width40 bottom">Senor</td>
-<td class="width40 bottom">Señor</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e275">6</a></td>
-<td class="width40 bottom">Nueetro</td>
-<td class="width40 bottom">Nuestra</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e278">6</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1748">58</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1770">58</a></td>
-<td class="width40 bottom">Senora</td>
-<td class="width40 bottom">Señora</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e384">9</a>, <a class="pageref" href="#xd30e390">9</a>, <a class="pageref" href="#xd30e435">10</a>, <a class="pageref" href="#xd30e662">17</a>, <a class="pageref" href="#xd30e668">17</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2139">72</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2146">72</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2152">72</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2158">72</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2164">72</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5414">194</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5491">196</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5511">197</a></td>
-<td class="width40 bottom">senoria</td>
-<td class="width40 bottom">señoria</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e403">9</a>, <a class="pageref" href="#xd30e421">9</a>, <a class="pageref" href="#xd30e471">10</a>, <a class="pageref" href="#xd30e478">10</a>, <a class="pageref" href="#xd30e496">11</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4575">169</a></td>
-<td class="width40 bottom">monsenor</td>
-<td class="width40 bottom">monseñor</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e447">10</a>, <a class="pageref" href="#xd30e629">16</a>, <a class="pageref" href="#xd30e717">18</a>, <a class="pageref" href="#xd30e773">20</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1704">57</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1710">57</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1713">57</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1716">57</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1759">58</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3341">119</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3347">119</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3363">119</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3373">119</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3393">120</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3400">120</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5045">182</a></td>
-<td class="width40 bottom">senorita</td>
-<td class="width40 bottom">señorita</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e468">10</a></td>
-<td class="width40 bottom">&#x2019;</td>
-<td class="width40 bottom">&#x201d;</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e481">10</a></td>
-<td class="width40 bottom">vier honderd vijftig</td>
-<td class="width40 bottom">vierhonderdvijftig</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e490">10</a></td>
-<td class="width40 bottom">negen duizend vier honderd</td>
-<td class="width40 bottom">negenduizend vierhonderd</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><i title="85 gevallen">Passim.
-</i></td>
-<td class="width40 bottom">dona</td>
-<td class="width40 bottom">doña</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e522">11</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1874">62</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2127">72</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5631">201</a></td>
-<td class="width40 bottom">cigaar</td>
-<td class="width40 bottom">sigaar</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e552">13</a></td>
-<td class="width40 bottom">veelmeer</td>
-<td class="width40 bottom">veel meer</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e564">13</a></td>
-<td class="width40 bottom">fijn gevormde</td>
-<td class="width40 bottom">fijngevormde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e567">13</a></td>
-<td class="width40 bottom">ratie</td>
-<td class="width40 bottom">gratie</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e602">15</a>, <a class="pageref" href="#xd30e867">23</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1294">42</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1431">47</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1707">57</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3671">130</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3790">137</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4628">170</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6746">252</a></td>
-<td class="width40 bottom">nauwlijks</td>
-<td class="width40 bottom">nauwelijks</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e612">16</a>, <a class="pageref" href="#xd30e877">23</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1192">37</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4255">157</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4901">177</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5209">189</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6782">253</a></td>
-<td class="width40 bottom">van daan</td>
-<td class="width40 bottom">vandaan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e626">16</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5527">198</a></td>
-<td class="width40 bottom">Senoria</td>
-<td class="width40 bottom">Señoria</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><i title="28 gevallen">Passim.
-</i></td>
-<td class="width40 bottom">Dona</td>
-<td class="width40 bottom">Doña</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e642">16</a></td>
-<td class="width40 bottom">Senorita</td>
-<td class="width40 bottom">Señorita</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e674">17</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1206">38</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1518">52</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2018">67</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2271">76</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3404">120</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4914">178</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5344">192</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5845">210</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5848">210</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">»</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e692">17</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1381">45</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4487">166</a></td>
-<td class="width40 bottom">Senores</td>
-<td class="width40 bottom">Señores</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e731">19</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5573">199</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5590">199</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5604">200</a></td>
-<td class="width40 bottom">Gaetan</td>
-<td class="width40 bottom">Gaëtan</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e778">20</a></td>
-<td class="width40 bottom">sekonde</td>
-<td class="width40 bottom">seconde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e800">21</a>, <a class="pageref" href="#xd30e814">21</a></td>
-<td class="width40 bottom">San-Jose</td>
-<td class="width40 bottom">San José</td>
-<td class="bottom">2 / 1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e809">21</a></td>
-<td class="width40 bottom">Stille-Zuidzee</td>
-<td class="width40 bottom">Stille Zuidzee</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e900">24</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1677">56</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3627">128</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3787">137</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4037">147</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4297">159</a></td>
-<td class="width40 bottom">sekonden</td>
-<td class="width40 bottom">seconden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e922">24</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1173">36</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1178">36</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1182">36</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1464">49</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2637">90</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2641">90</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2652">91</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4301">159</a></td>
-<td class="width40 bottom">«</td>
-<td class="width40 bottom">»</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1160">35</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1414">46</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2571">88</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2596">89</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2607">89</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2620">90</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2845">98</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3084">106</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3190">112</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3223">114</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4097">150</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4607">169</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5281">191</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5963">214</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6081">219</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">&#x201d;</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1162">35</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1923">64</a></td>
-<td class="width40 bottom">sarkastisch</td>
-<td class="width40 bottom">sarcastisch</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1250">40</a></td>
-<td class="width40 bottom">kettingje</td>
-<td class="width40 bottom">kettinkje</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1288">42</a></td>
-<td class="width40 bottom">naar mate</td>
-<td class="width40 bottom">naarmate</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1333">43</a></td>
-<td class="width40 bottom">het</td>
-<td class="width40 bottom">Het</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1356">44</a></td>
-<td class="width40 bottom">welberekende</td>
-<td class="width40 bottom">welberekenende</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1443">48</a></td>
-<td class="width40 bottom">af</td>
-<td class="width40 bottom">of</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1456">49</a></td>
-<td class="width40 bottom">ge asten</td>
-<td class="width40 bottom">gelasten</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1481">50</a></td>
-<td class="width40 bottom">Spurzheim</td>
-<td class="width40 bottom">Spurtzheim</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1577">54</a></td>
-<td class="width40 bottom">amelijk</td>
-<td class="width40 bottom">tamelijk</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1616">55</a></td>
-<td class="width40 bottom">nina</td>
-<td class="width40 bottom">niña</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1622">55</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4170">153</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1637">55</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4762">173</a></td>
-<td class="width40 bottom">van daag</td>
-<td class="width40 bottom">vandaag</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1650">56</a></td>
-<td class="width40 bottom">sarkastischen</td>
-<td class="width40 bottom">sarcastischen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1674">56</a></td>
-<td class="width40 bottom">panthers</td>
-<td class="width40 bottom">panters</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1737">58</a></td>
-<td class="width40 bottom">senora</td>
-<td class="width40 bottom">señora</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1867">62</a></td>
-<td class="width40 bottom">de</td>
-<td class="width40 bottom">der</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1881">62</a></td>
-<td class="width40 bottom">panther</td>
-<td class="width40 bottom">panter</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2016">67</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">«</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2111">71</a></td>
-<td class="width40 bottom">Nina</td>
-<td class="width40 bottom">Niña</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2301">77</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4457">165</a></td>
-<td class="width40 bottom">Spaansch Amerika</td>
-<td class="width40 bottom">Spaansch-Amerika</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2347">79</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">?</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2455">84</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2460">84</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3924">142</a></td>
-<td class="width40 bottom">Zwarte Beer</td>
-<td class="width40 bottom">Zwarte-Beer</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2534">87</a></td>
-<td class="width40 bottom">acajouceder</td>
-<td class="width40 bottom">acajou-ceder</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2589">89</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4809">174</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5758">207</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6718">250</a></td>
-<td class="width40 bottom">&#x201d;</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2732">94</a></td>
-<td class="width40 bottom">mischiens</td>
-<td class="width40 bottom">misschien</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2757">95</a></td>
-<td class="width40 bottom">binnen geleid</td>
-<td class="width40 bottom">binnengeleid</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2816">97</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4496">166</a></td>
-<td class="width40 bottom">senores</td>
-<td class="width40 bottom">señores</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2911">100</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4021">146</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4188">154</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4465">165</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5663">203</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6067">219</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2930">101</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3336">119</a></td>
-<td class="width40 bottom">Gaetano</td>
-<td class="width40 bottom">Gaëtano</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2957">102</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3124">108</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3663">130</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4548">168</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6242">225</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2972">102</a></td>
-<td class="width40 bottom">momdelde</td>
-<td class="width40 bottom">mompelde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3018">104</a></td>
-<td class="width40 bottom">kleine-Panter</td>
-<td class="width40 bottom">Kleine-Panter</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3046">105</a></td>
-<td class="width40 bottom">&#x201d;.</td>
-<td class="width40 bottom">?&#x201d;</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3077">106</a></td>
-<td class="width40 bottom">»</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3260">116</a></td>
-<td class="width40 bottom">herkende</td>
-<td class="width40 bottom">herkend</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3270">116</a></td>
-<td class="width40 bottom">Dauphyeers</td>
-<td class="width40 bottom">Dauph&#x2019;yeers</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3281">117</a></td>
-<td class="width40 bottom">afgegestaan</td>
-<td class="width40 bottom">afgestaan</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3350">119</a></td>
-<td class="width40 bottom">zouloopen</td>
-<td class="width40 bottom">zou loopen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3406">120</a></td>
-<td class="width40 bottom">boodschapdoen</td>
-<td class="width40 bottom">boodschap doen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3630">128</a></td>
-<td class="width40 bottom">ontzacht</td>
-<td class="width40 bottom">onzacht</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3705">131</a></td>
-<td class="width40 bottom">scheeuwen</td>
-<td class="width40 bottom">schreeuwen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3811">138</a></td>
-<td class="width40 bottom">opzaten</td>
-<td class="width40 bottom">op zaten</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3814">138</a></td>
-<td class="width40 bottom">:</td>
-<td class="width40 bottom">;</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3861">140</a></td>
-<td class="width40 bottom">derhacienda</td>
-<td class="width40 bottom">der hacienda</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3901">141</a></td>
-<td class="width40 bottom">evenzoo</td>
-<td class="width40 bottom">even zoo</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3912">142</a></td>
-<td class="width40 bottom">oppossum</td>
-<td class="width40 bottom">opossum</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3941">143</a></td>
-<td class="width40 bottom">gerust gesteld</td>
-<td class="width40 bottom">gerustgesteld</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3947">143</a></td>
-<td class="width40 bottom">opklouterden</td>
-<td class="width40 bottom">opklauterden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4034">147</a></td>
-<td class="width40 bottom">bewegenloos</td>
-<td class="width40 bottom">bewegingsloos</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4057">148</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5357">193</a></td>
-<td class="width40 bottom">Nauwlijks</td>
-<td class="width40 bottom">Nauwelijks</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4219">156</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom"> gevaren</td>
-<td class="bottom">8</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4226">156</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5138">186</a></td>
-<td class="width40 bottom">Rio-Gila</td>
-<td class="width40 bottom">Rio Gila</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4265">158</a></td>
-<td class="width40 bottom">king</td>
-<td class="width40 bottom">kring</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4350">160</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4386">162</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4420">163</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5318">192</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5451">195</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5461">196</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5467">196</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5475">196</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5620">201</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5731">206</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5741">206</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5777">207</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5786">208</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5925">213</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6622">245</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6803">254</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6961">255</a></td>
-<td class="width40 bottom">Casa-Grande</td>
-<td class="width40 bottom">Casa Grande</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4380">162</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4546">168</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4706">171</a></td>
-<td class="width40 bottom">?</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5091">184</a></td>
-<td class="width40 bottom">Guchares</td>
-<td class="width40 bottom">Cuchares</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5151">187</a></td>
-<td class="width40 bottom">voorkomenheid</td>
-<td class="width40 bottom">voorkomendheid</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5238">189</a></td>
-<td class="width40 bottom">offerhanden</td>
-<td class="width40 bottom">offeranden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5243">190</a></td>
-<td class="width40 bottom">verderen</td>
-<td class="width40 bottom">vederen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5328">192</a></td>
-<td class="width40 bottom">cordaat</td>
-<td class="width40 bottom">kordaat</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5390">194</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">de </td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5404">194</a></td>
-<td class="width40 bottom">afhad</td>
-<td class="width40 bottom">af had</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5440">195</a></td>
-<td class="width40 bottom">zee ven</td>
-<td class="width40 bottom">zelven</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5443">195</a></td>
-<td class="width40 bottom">-</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5734">206</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5928">213</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6806">254</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6964">255</a></td>
-<td class="width40 bottom">Moctecuzoma</td>
-<td class="width40 bottom">Montecuzoma</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5802">208</a></td>
-<td class="width40 bottom">maïscigaar</td>
-<td class="width40 bottom">maïssigaar</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6086">219</a></td>
-<td class="width40 bottom">kleine Panter</td>
-<td class="width40 bottom">Kleine-Panter</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6099">219</a></td>
-<td class="width40 bottom">Bleekmuilen</td>
-<td class="width40 bottom">bleekmuilen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6274">226</a></td>
-<td class="width40 bottom">Een</td>
-<td class="width40 bottom">En</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6525">240</a></td>
-<td class="width40 bottom">zie</td>
-<td class="width40 bottom">ziet</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6542">241</a></td>
-<td class="width40 bottom">Apachen krijgslieden</td>
-<td class="width40 bottom">Apachen-krijgslieden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6652">246</a></td>
-<td class="width40 bottom">zicht</td>
-<td class="width40 bottom">zich</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6773">253</a></td>
-<td class="width40 bottom">?</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GRAAF DE LHORAILLES ***</div>
-<div style='text-align:left'>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Updated editions will replace the previous one&#8212;the old editions will
-be renamed.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg&#8482; electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG&#8482;
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-</div>
-
-<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br>
-<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br>
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-To protect the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221;), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg&#8482; License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg&#8482;
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg&#8482; electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
-or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.B. &#8220;Project Gutenberg&#8221; is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg&#8482; electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg&#8482; electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg&#8482;
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (&#8220;the
-Foundation&#8221; or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg&#8482; electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg&#8482;
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg&#8482; name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg&#8482; License when
-you share it without charge with others.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg&#8482; work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg&#8482; License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg&#8482; work (any work
-on which the phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; appears, or with which the
-phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-</div>
-
-<blockquote>
- <div style='display:block; margin:1em 0'>
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
- other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
- whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
- of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
- at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
- are not located in the United States, you will have to check the laws
- of the country where you are located before using this eBook.
- </div>
-</blockquote>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221; associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg&#8482;
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg&#8482; License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg&#8482;
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg&#8482;.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg&#8482; License.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg&#8482; work in a format
-other than &#8220;Plain Vanilla ASCII&#8221; or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg&#8482; website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original &#8220;Plain
-Vanilla ASCII&#8221; or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg&#8482; License as specified in paragraph 1.E.1.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg&#8482; works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-provided that:
-</div>
-
-<div style='margin-left:0.7em;'>
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg&#8482; works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg&#8482; trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, &#8220;Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation.&#8221;
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg&#8482;
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg&#8482;
- works.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg&#8482; works.
- </div>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg&#8482; trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg&#8482; collection. Despite these efforts, Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain &#8220;Defects,&#8221; such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the &#8220;Right
-of Replacement or Refund&#8221; described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg&#8482; trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you &#8216;AS-IS&#8217;, WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg&#8482; work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg&#8482; work, and (c) any
-Defect you cause.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg&#8482;
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg&#8482;&#8217;s
-goals and ensuring that the Project Gutenberg&#8482; collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg&#8482; and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation&#8217;s EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state&#8217;s laws.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation&#8217;s business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation&#8217;s website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; depends upon and cannot survive without widespread
-public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
-visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 5. General Information About Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg&#8482; concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg&#8482; eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This website includes information about Project Gutenberg&#8482;,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-</div>
-
-</div>
-
-</body>
-</html>
diff --git a/old/65517-h/images/frontispiece.jpg b/old/65517-h/images/frontispiece.jpg
deleted file mode 100644
index 709c816..0000000
--- a/old/65517-h/images/frontispiece.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65517-h/images/new-cover.jpg b/old/65517-h/images/new-cover.jpg
deleted file mode 100644
index 8867fd0..0000000
--- a/old/65517-h/images/new-cover.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65517-h/images/p067.jpg b/old/65517-h/images/p067.jpg
deleted file mode 100644
index 597135a..0000000
--- a/old/65517-h/images/p067.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65517-h/images/p092.jpg b/old/65517-h/images/p092.jpg
deleted file mode 100644
index bdc78ac..0000000
--- a/old/65517-h/images/p092.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65517-h/images/p130.jpg b/old/65517-h/images/p130.jpg
deleted file mode 100644
index bbbb38a..0000000
--- a/old/65517-h/images/p130.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65517-h/images/p181.jpg b/old/65517-h/images/p181.jpg
deleted file mode 100644
index 6e9a1ca..0000000
--- a/old/65517-h/images/p181.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65517-h/images/p203.jpg b/old/65517-h/images/p203.jpg
deleted file mode 100644
index 4fafa02..0000000
--- a/old/65517-h/images/p203.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65517-h/images/p230.jpg b/old/65517-h/images/p230.jpg
deleted file mode 100644
index 5475f9f..0000000
--- a/old/65517-h/images/p230.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65517-h/images/p251.jpg b/old/65517-h/images/p251.jpg
deleted file mode 100644
index dd0ae4d..0000000
--- a/old/65517-h/images/p251.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65517-h/images/titlepage.png b/old/65517-h/images/titlepage.png
deleted file mode 100644
index abd62fb..0000000
--- a/old/65517-h/images/titlepage.png
+++ /dev/null
Binary files differ