diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-22 23:56:23 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-22 23:56:23 -0800 |
| commit | 7778f103c16f63e2b726e43f02987360f5e6a325 (patch) | |
| tree | bd8059f51fb7492d10e98fe3f12169811f6cb4d0 | |
| parent | 24f01a44d031ea5a33de9ffce4ef3bf5985472b9 (diff) | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/65517-0.txt | 15321 | ||||
| -rw-r--r-- | old/65517-0.zip | bin | 253866 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65517-h.zip | bin | 1226256 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65517-h/65517-h.htm | 14955 | ||||
| -rw-r--r-- | old/65517-h/images/frontispiece.jpg | bin | 113947 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65517-h/images/new-cover.jpg | bin | 69021 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65517-h/images/p067.jpg | bin | 99452 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65517-h/images/p092.jpg | bin | 122235 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65517-h/images/p130.jpg | bin | 101022 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65517-h/images/p181.jpg | bin | 122387 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65517-h/images/p203.jpg | bin | 112624 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65517-h/images/p230.jpg | bin | 104699 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65517-h/images/p251.jpg | bin | 97731 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65517-h/images/titlepage.png | bin | 7633 -> 0 bytes |
17 files changed, 17 insertions, 30276 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..ba1cde9 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #65517 (https://www.gutenberg.org/ebooks/65517) diff --git a/old/65517-0.txt b/old/65517-0.txt deleted file mode 100644 index 4442553..0000000 --- a/old/65517-0.txt +++ /dev/null @@ -1,15321 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of De graaf de Lhorailles, by Gustave Aimard - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: De graaf de Lhorailles - -Author: Gustave Aimard - -Illustrator: Ch. Rochussen - -Release Date: June 5, 2021 [eBook #65517] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book - was produced from scanned images of public domain material - from the Google Books project.) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GRAAF DE LHORAILLES *** - - - - AIMARD’S Indiaansche Verhalen - - DE GRAAF - DE LHORAILLES - - DOOR - GUSTAVE AIMARD - - MET 8 ILLUSTRATIEN VAN - CHS ROCHUSSEN - - DERDE DRUK - - ROTTERDAM - UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ „ELSEVIER” - 1884 - - - - - - - - - -DE GRAAF DE LHORAILLES - - -I. - -FERIA DE PLATA. - - -Reeds sedert de eerste dagen der ontdekking van Amerika, werden zijne -afgelegene kusten het toevluchtsoord en de verzamelplaats voor -avonturiers van allerlei soort, wier ontembare geest, warsch van de -boeien der oude Europeesche beschaving, elders een goed heenkomen -zocht. - -Eenigen van hen vroegen der Nieuwe Wereld vrijheid van geweten, en het -recht om God te dienen naar eigen keus en overtuiging; anderen -verwisselden den degen met den moordenaarsdolk, om gansche volken te -verdelgen ter wille van hun goed en zich te verrijken met den bloedigen -roof; nog anderen eindelijk, onrustige gemoederen met leeuwenharten en -ijzeren lichamen, die geen teugel of wet eerbiedigden en het woord -vrijheid met het woord losbandigheid verwarden, vormden schier zonder -het zelf te weten, dat geduchte bondgenootschap der zoogenaamde -»Broeders van de Kust,” dat het machtige Spanje een oogenblik voor -zijne overzeesche bezittingen deed beven en waarmede zelfs Lodewijk de -Veertiende, de zonne-koning, zich niet ontzag verdragen te sluiten. - -De afstammelingen dezer buitengewone menschen bestaan nog altijd in -Amerika, en zoo vaak eene mislukte omwenteling, na een kortstondigen -strijd, de woelgeesten, die de volksbeweging plotseling uit de diepte -deed voortkomen, aan deze stranden werpt scharen zij zich instinctmatig -rondom de naneven der eerste avonturiers, op hoop van, even als zij, -buitengewone daden te doen. - -Tijdens mijn verblijf in Amerika, werd ik bij toeval getuige van een -der stoutste ondernemingen, welke ooit door deze vermetele gelukzoekers -zijn beraamd of uitgevoerd. De aanslag dien ik bedoel maakte zulk een -ophef, dat zij gedurende eenige maanden de drukpers bezig hield en de -belangstelling zoo wel als de nieuwsgierigheid der geheele wereld -wekte. - -Om redenen die de bescheiden lezer wel zal weten te waardeeren, hebben -wij met opzet de namen der personen veranderd, die in dit zonderling -drama de voornaamste rollen speelden, ofschoon wij overigens de -historische feiten met de meeste nauwkeurigheid zullen wedergeven. - -Het is nu omtrent twintig jaar geleden, dat de ontdekking der rijke -goudmijnen in Californië plotseling den prikkel der hebzucht in het -hart van alle gelukzoekers deed ontwaken en verscheidene jonge, -schrandere, voortvarende menschen vaderland en familie deed verlaten, -om zich vol geestdrift en gouden droomen, te begeven naar het nieuwe -Eldorado, dat hun van de andere zijde des oceaans zoo verleidelijk -toelachte, doch waar de meeste hunner helaas! niets dan ellende vonden, -of den dood na het doorstaan van tallooze jammeren en ontberingen. - -De weg van Europa naar Californië is lang. Vele gelukzoekers bleven -halverwege terug, sommigen te Valparaiso, anderen te Callao, nog -anderen te Mazatlan of te San Blas; de meesten echter bereikten San -Francisco. - -Het ligt te ver buiten ons tegenwoordig bestek, om de trouwens van -elders bekende bijzonderheden te vermelden der velerlei teleurstelling -en tegenspoed, die de ongelukkige emigranten trof van het eerste -oogenblik af, dat zij den voet zetten in dit veelbelovende -luilekkerland, waar zij zich verbeeld hadden dat zij slechts behoefden -te bukken om er het goud, zoo als men zegt, met volle handen op te -grabbelen. - -Het is te Guaymas zes maanden na de ontdekking der goudmijnen, dat wij -den lezer verzoeken ons te volgen. - -Reeds in een vorig werk hebben wij van Sonora gesproken [1], doch daar -de geschiedenis die wij thans voornemens zijn te vertellen geheel en al -in deze afgelegen provincie van Mexico voorvalt, zullen wij hier de -beschrijving voltooien die wij toen slechts als ter loops hebben -aangestipt. - -Mexico is ontegenzeggelijk het schoonste land van de wereld, alle -klimaten zijn er als het ware broederlijk vereenigd. In uitgestrektheid -heeft het inderdaad bijna geene grenzen, daar het niet minder dan -575,080 vierkante mijlen oppervlakte beslaat. - -Jammer slechts dat de bevolking in verhouding tot de grootte van het -land uiterst gering is en niet meer dan 7,200,000 zielen bedraagt, van -welke ongeveer 5,000,000 tot de Indiaansche rassen of kleurlingen -behooren. - -Het Mexicaansche bondgenootschap omvat het district Mexico en een en -twintig staten, behalve drie gewesten of provinciën die geen inwendig -onafhankelijk bestuur hebben. - -Wij zeggen hier niets van de regeering, om de eenvoudige reden dat de -toestand van dat heerlijke maar ongelukkige land tot dusver in den -regel nagenoeg volslagen regeeringloos is geweest [2]. - -Intusschen is Mexico een bondgenootschappelijke republiek, althans het -heeft er den naam van, ofschoon er inderdaad geen andere macht bestaat -dan die van het zwaard. - -De eerste der zeven aan den Atlantischen Oceaan gelegen staten is -Sonora. Deze staat strekt zich uit van het noorden naar het zuiden, -tusschen de Rio Gila en de Rio Mayo; ten oosten scheidt de Sierra-Verde -het van den staat Chihua-hua en ten westen wordt het bespoeld door de -Vermiljoen-zee, of de zee van Cortez, zooals de meeste Spaansche -landkaarten haar nog altoos blijven noemen. - -De staat Sonora is een der rijkste van Mexico uithoofde van zijne -talrijke goudmijnen, waarmede de bodem als het ware dooraderd is; -gelukkiger- of ongelukkigerwijs, al naar het oogpunt waaruit men de -zaak beschouwen wil, wordt de Sonora gestadig door talrijke Indiaansche -volksstammen doorkruist, tegen welke de inwoners zich onophoudelijk -moeten wapenen; ook hebben de gedurige oorlogen met deze woeste horden, -de onrust en doodsverachting die daarvan het gevolg zijn, en de -gewoonte om bij de minste aanleiding menschen-bloed te vergieten, aan -het karakter der Sonoreezen een stempel van fierheid en voortvarendheid -gegeven, die reeds dadelijk in hunne edele en stoutmoedige houding -zichtbaar is en hen geheel van de inwoners der andere staten -onderscheidt. - -Ondanks zijn uitgestrekt grondgebied en de lange reeks zijner kusten, -bezit Mexico slechts twee eigenlijk gezegd bruikbare havens aan de -Stille Zuidzee. - -Die twee havens zijn Guaymas en Acapulco. - -De overige zijn inderdaad slechts buitenhavens of opene reeden, waar de -zeevaarders ongaarne eene schuilplaats zoeken, inzonderheid wanneer de -geduchte cordonazo uit het zuidwesten buldert en de golf van Californië -onstuimig in beweging zet. - -Wij zullen hier alleen van Guaymas spreken. - -De stad van dien naam, eerst sedert weinige jaren aan den mond der -rivier San José gebouwd, schijnt geroepen om eerlang een der -voornaamste havens aan de Stille Zuidzee te worden. - -De krijgskundige ligging van Guaymas is uitmuntend. - -Gelijk in alle steden van Spaansch-Amerika zijn er de huizen laag, met -platte daken en geheel wit geverfd; alleen het kasteel, op den top -eener rots aangelegd, in hetwelk eenige oude kanonnen op verweerde -affuiten trots regen en zonneschijn liggen te roesten, heeft eene gele -tint die zeer goed nuanceert met het okerkleurige zand van den oever. -Op het vlakke strand komen de rozenroode baren der Vermiljoen-zee -sterven tusschen de krachtige en dicht opgeschoten mangiums of -waterwilgen, wier warrige wortels en twijgen zij verkwikken. Achter de -stad verheffen zich als ontzaglijke burchttransen de kantelige toppen -van hemelhooge bergen, wier steile hellingen, vol diepe ravijnen, door -de wateren der zondvloedstijdperken zijn uitgehoold, en wier sombere -klipgevaarten zich in de wolken verliezen. - -Tot ons leedwezen moeten wij zeggen dat deze havenplaats, al draagt zij -reeds den trotschen naam van stad, nog niets meer is dan eene ellendige -buurt zonder kerk en zonder herberg, in den goeden zin namelijk, want -het ontbreekt er helaas niet aan kroegen, die er integendeel—en dat is -licht te begrijpen, zoo dicht bij Francisco,—in menigte voorkomen. - -Guaymas heeft een treurig aanzien; men voelt er bij iederen stap, dat -ondanks alle de pogingen der Europeanen en avonturiers om de bevolking -te galvaniseeren, de Spaansche dwinglandij, die haar gedurende drie -eeuwen heeft onderdrukt, haar zoo al niet geheel verlamd, dan toch in -een staat van zedelijke gezonkenheid en geesteloosheid heeft gebracht, -waaruit zij zich eerst na verloop van jaren zal kunnen verheffen. - -Op den dag waarmede onze historie begint, ofschoon tegen twee ure na -den middag, terwijl de zon hare brandende stralen loodrecht op de stad -liet vallen, het uur wanneer de bevolking, overstelpt door de hitte, -gewoon is zich in de huizen op te sluiten en aan den slaap over te -geven, bood Guaymas een zoo levendig schouwspel, dat een vreemdeling -die bij geval hare poorten binnentrad, zich verbeeld zou hebben een der -duizend pronunciamento’s of omwentelingen te zullen bijwonen, die van -jaar tot jaar dit ongelukkige land verontrusten. - -Dit was echter geenszins het geval. - -Het militaire bewind, vertegenwoordigd door den generaal San Benito, -gouverneur van Guaymas, was of scheen althans met het hoofdbestuur op -den besten voet en met den gang der zaken tevreden. - -De smokkelaars, leperos, en kaailoopers, waren het onderling tamelijk -goed eens, en klaagden niet bijzonder over de regeering. - -Vanwaar dan de buitengewone opschudding in de stad? - -Welke drangreden was machtig genoeg om de anders zoo trage bevolking te -doen ontwaken en haar de gewone siesta te doen vergeten? - -Sedert drie dagen was de stad ten prooi aan de goudkoorts. - -De gouverneur had, op dringend aanzoek van eenige aanzienlijke -bankiers, verlof gegeven tot het houden eener feria de plata, of -zoogenaamde geldkermis, gedurende vijf dagen. - -In de voornaamste huizen werden door aanzienlijke personen ten gevalle -van het publiek hazard-spelen gehouden. - -Wat echter aan dit feest een allerzonderlingst karakter gaf, dat men -elders te vergeefs zou zoeken, was dat er op alle pleinen en alle -straten onder den blooten hemel monté-tafels waren opgericht, waar het -om zoo te zeggen goud stroomde, en ieder zonder onderscheid van rang of -kleur, die een reaal bezat, het recht had om hem aan de speelbank te -wagen. - -In Mexico geschiedt alles anders dan ergens elders en gaan de zaken -tegen den gewonen regel. De inwoners in dat land denken aan geen -voorleden, dat zij liefst willen vergeten, gelooven aan geen toekomst, -daar zij niets van verwachten, en leven in den roes van het -tegenwoordige, met de koortsachtige drift van een volk, dat zijn einde -voelt naderen en met het volle besef dat het zoo niet lang meer duren -kan. - -De Mexicanen staan onder de heerschappij van twee sterk sprekende -neigingen: het spel en de liefde. - -Wij zeggen met opzet neigingen en niet hartstochten, want de Mexicaan -kent ze niet die geweldige drijfveeren der ziel die al onze vermogens -in werking roepen, den wil beheerschen en het gansche menschelijke -samenstel beroeren door de macht eener onweerstaanbare drift tot -handelen, hetzij goed of kwaad. - -Rondom de monté-tafels hadden zich talrijke groepen verzameld en was -ieder druk in de weer. - -Intusschen ging alles met eene orde en bedaardheid die zich door niets -scheen te laten verstoren en de tegenwoordigheid der openbare macht -overbodig maakte, zoodat er geen enkele politie-agent op de straat was -om de rust te bewaren of op den geregelden gang van het spel toezicht -te houden. - -Ongeveer in het midden der calle de la Merced, een der voornaamste -straten van Guaymas stond, tegenover een fraai huis, eene langwerpige -met een groen kleed bedekte tafel, beladen met stapeltjes goudstukken, -en daarachter een man van omtrent dertig jaar, sluw en geslepen van -uitzicht, die met een spel kaarten in de hand en een vroolijken lach om -de lippen, in uitlokkende bewoordingen de talrijke toeschouwers op de -dringendste wijs uitnoodigde om hun fortuin te beproeven. - -»Komaan, caballeros,” riep hij op zoetsappigen toon en met een -uitdagenden blik op de ellendelingen, die in hunne schitterende maar -gescheurde plunjes hem in fiere, bijna onverschillige houding -aangaapten, »ik kan immers niet altijd winnen, de kans moet keeren, -daar ben ik zeker van; ziet hier heb ik honderd oncen; wie moet er mede -gaan strijken?” - -Hij zweeg. - -Niemand die antwoord gaf. - -De bankier, zonder zich te laten ontmoedigen, liet met edelen zwier een -stapel goudstukken, wier fonkelende gloed den standvastigste kon doen -wankelen, als een ruischende straal van de eene hand in de andere -rinkelen. - -»’t Is een mooie som, caballeros, honderd oncen; daarmede kan de -leelijkste man de schoonste der schoonen overhalen. Kijk maar! wie moet -ze van mij winnen?” - -»Bah!” riep een der leperos met een verachtelijken grijns. »’t Wil wat -zeggen, honderd oncen? Als gij mijn laatsten piaster niet afgewonnen -hadt, Tio-Lucas, zou ik hem tegen u opzetten.” - -»Het spijt mij in mijn ziel, señor Cuchares,” hernam de bankhouder met -eene eerbiedige buiging, »dat het geluk u niet gediend heeft; het zou -mij aangenaam zijn, als gij mij de vrijheid wildet geven u een ons te -leenen.” - -»Spot gij er mede?” zeide de lepero op een toon van gekwetste majesteit -zich zoo trotsch mogelijk in postuur stellende. »Bewaar uw goud, voor u -zelven, Tio-Lucas, ik weet wel middel om het te krijgen, zooveel ik wil -en zoodra het mij goeddunkt; maar,” vervolgde hij met eene -allerwellevendste buiging, »ik ben u daarom niet minder dankbaar voor -uw edelmoedig aanbod.” - -En hij stak den bankier, over de tafel, zijne hand toe, die deze met -warmte drukte. - -De lepero maakte van deze gelegenheid gebruik om met de andere hand, -die vrij was, een stapeltje van twintig oncen, dat onder zijn bereik -stond, weg te kapen. - -Tio-Lucas bedwong een grimas en hield zich alsof hij niets gezien had. - -Op deze uitwisseling van wederzijdsche toegenegenheid volgde groote -stilte. - -De toeschouwers hadden niets van hetgeen er gebeurd was onopgemerkt -gelaten, en wachtten met nieuwsgierigheid den afloop van dit tooneel. - -Señor Cuchares was de eerste die weder sprak. - -»O!” riep hij eensklaps, zich met de vuist op het voorhoofd kloppende, -»bij Nuestra Señora de la Merced, ik geloof waarlijk dat ik mijn -verstand verlies!” - -»Hoedat, caballero?” vroeg Tio-Lucas blijkbaar verontrust door dezen -uitroep. - -»Carai! dat is toch eenvoudig genoeg,” hernam de andere, »heb ik u -daareven niet gezegd dat gij mij al mijn geld hadt afgewonnen?” - -»Dat hebt gij mij inderdaad gezegd, deze caballeros hebben het zoowel -gehoord als ik; tot den laatsten piaster, dat waren uwe eigen woorden.” - -»Ik herinner het mij klaar en duidelijk, en dat maakt mij juist -woedend.” - -»Wat zegt gij!” riep de bankier met geveinsde verbazing. »Zijt gij -woedend omdat ik u alles heb afgewonnen?” - -»Neen, dat is het juist niet.” - -»Wat is het dan?” - -»Caramba! ’t is dat ik mij zoo deerlijk vergist heb en dat ik nog -eenige oncen over had.” - -»Dat is onmogelijk,” riep Tio-Lucas. - -»Zie maar eens.” - -De lepero grabbelde in zijn zak, haalde er het goud uit te voorschijn, -dat hij den bankier een oogenblik te voren ontstolen had, en liet het -hem zien met een onbeschaamd gezicht. - -Op het gelaat van Tio-Lucas bewoog zich geen spier. - -»’t Is onmogelijk,” herhaalde hij. - -»Is het?” riep de lepero, hem met een fonkelenden blik aankijkende. - -»Ja, ’t is inderdaad niet te gelooven, señor Cuchares, dat uw geheugen -zoo slecht zou geweest zijn.” - -»Laat dat zijn zoo het wil, maar nu ik er toch weder aan gedacht heb, -is er niets mede verloren; komaan, hervatten wij ons spel.” - -»Zeer goed: het gaat om honderd oncen dan, niet waar?” - -»Wel neen! zooveel geld bezit ik niet.” - -»Bah! zoek maar eens goed.” - -»Dat zou niet baten, ik weet zeker dat ik het niet heb.” - -»Dat is nu toch zoo jammer als het kan.” - -»Hoedat, jammer?” - -»Omdat ik gezworen heb om niet minder te spelen.” - -»Dus wilt gij mij geen twintig oncen volhouden?” - -»Ik kan niet; er mag geen enkel once aan de honderd ontbreken of ik zal -ze u niet kunnen houden.” - -»Hm!” bromde de lepero met een dreigenden blik.... »is dat een affront, -Tio-Lucas?” - -De bankhouder had den tijd niet om te antwoorden, daar een man van -ongeveer dertig jaar, op een heerlijk zwart paard gezeten en -allerprachtigst gekleed, sedert eenige oogenblikken de tafel genaderd -was, en onder het rooken van een geurigen pajillo, het gesprek tusschen -den lepero en Tio-Lucas beluisterde. - -»Top! voor uwe honderd oncen!” riep hij op eens terwijl hij met zijn -paard door de menigte heendrong om dichter bij de tafel te komen, waar -hij eene welgevulde goudbeurs op wierp. - -De beide sprekers keken verbaasd op. - -»Ziedaar de kaarten, caballero,” riep de bankier, die haastig de -ongezochte gelegenheid waarnam om zich, voorloopig althans, van een -gevaarlijken antagonist te ontslaan. - -Cuchares haalde verachtelijk de schouders op en keek den nieuwen speler -aan. - -»O!” riep hij met eene gesmoorde stem, »de Tigrero! komt hij wellicht -om Anita? Dat zal ik spoedig weten.” - -Daarop trad hij zachtjes naar den ruiter en had hem weldra bereikt. - -Laatstgenoemde was een man van trotsch voorkomen, olijfbruine -huidkleur, magnetischen oogopslag en openhartig vastberaden gelaat. - -Zijne kleeding was allerkostbaarst rijk, en ruischte van goud en -diamanten. - -Een weinig over het linkeroor gebogen, stond zijn groote vilthoed met -breeden rand, en om den bol een massief gouden golilla of lint met -diamanten gesp; onder den blauw lakenschen, rijk in zilver geborduurden -dolmantel, zag men een batisten hemdrok van schitterende witheid, aan -den hals gesloten met een das van chineesch krip, gevat in een juweelen -ring; zijne calzoneras, aan de heupen gesloten door een rood zijden -gordel met gouden franjes, rijk gegalonneerd en met twee rijen -diamanten knoopen bezet, was aan de knieën open en liet den daaronder -gedragen calzon uitfladderen; verder een paar botas vaqueras van -gestempeld leder, rijk geborduurd en onder de knie vastgemaakt met een -kousenband van zilverstof; zijn manga of korte mantel, schitterend van -goud en edelgesteenten, was zwierig aan den rechter-schouder -opgeslagen. - -Zijn paard, klein van kop en met pooten zoo fijn als weversspoelen, was -allerprachtigst uitgedost: de armas de agua (holsterkappen), de zarape -of mantel die over zijn kruis reikte en de kwistig met stalen -kettingjes en rinkels gegarneerde anquera of staartriem, voltooiden een -stel tuigen daar men zich in Europa moeielijk een idee van zou kunnen -maken. - -Als alle Mexicanen van zekere klasse wanneer zij zich op reis bevinden, -was de onbekende van top tot teen gewapend. Behalve de gewone aan zijn -zadel hangende lasso en het geweer, dat dwars over de pistoolholsters -was geplaatst, had hij een langen degen op zijde en een koppel pistolen -in zijn gordel, ongerekend het groote jachtmes, welks met zilver -ingelegden steel men uit een zijner vaqueras-laarzen zag uitsteken. - -Om kort te gaan, de man zooals hij hier door ons werd voorgesteld, was -de volmaakte type van een Mexicaansch landedelman uit de provincie -Sonora, altoos toegerust en gereed zich te verdedigen, in tijd van -oorlog zoowel als in tijd van vrede, zonder den een te vreezen of den -anderen te verachten. - -Na eene beleefde buiging voor Tio-Lucas, nam hij de kaarten over die -deze hem aanbood, en verschiffelde ze een poos tusschen zijne vingers, -terwijl hij de oogen liet rondgaan. - -»Ei! zoo!” riep hij met een vriendelijken blik op den lepero, »gij ook -hier, compadre Cuchares?” - -»Om u te dienen, don Martia,” antwoordde de andere met de hand even aan -den verhavenden rand van zijn gebulten vilthoed. - -De vreemdeling glimlachte. - -»Wees zoo goed de kaart voor mij af te nemen, terwijl ik mijn pajillo -aansteek.” - -»Met genoegen!” riep de lepero. - -El Tigrero of don Martial, hoe de lezer hem noemen wil, haalde een -gouden tondeldoos uit zijn zak en sloeg op zijn gemak vuur, terwijl de -lepero de kaarten voor hem trok. - -»Señor,” zei laatstgenoemde met eene klagende stem. - -»Wel, wat is ’t?” - -»Gij hebt verloren.” - -»Goed. Tio-Lucas, neem honderd oncen uit mijne beurs,” vervolgde hij -tegen den bankier. - -»Ik heb ze, señoria,” antwoordde deze; »behaagt het u nog verder te -spelen?” - -»Welzeker! maar geen misére meer, hoor! want ik zou de partij gaarne -animeeren.” - -»Ik zal u volhouden voor al wat gij gelieft op te zetten, señoria,” -hernam de bankier, wiens geoefende blik in de beurs van den onbekende, -onder een tamelijk groote massa oncen, een veertig stuks diamanten had -gezien van het eerste water. - -»Hm! zijt gij inderdaad mans genoeg om mij vol te houden voor alles wat -ik verlang op te zetten?” vroeg de onbekende. - -»Ja!” zei Tio-Lucas. - -De vreemdeling keek hem strak aan. - -»Zelfs al speelde ik om duizend oncen?” [3]. - -»Ik ben goed voor de dubbele som, monseñor, zoo gij het wagen durft die -te verspelen,” sprak de onverstoorbare bankier. - -Een minachtende glimlach plooide andermaal de trotsche lippen van den -cavalier. - -»Dat durf ik,” zeide hij. - -»Dus twee duizend oncen?” - -»Akkoord!” - -»Zal ik afnemen?” vroeg Cuchares bedeesd. - -»Waarom niet?” hernam de andere op luchthartigen toon. - -De lepero nam de kaarten, en beefde van ontroering toen hij ze opnam. - -Er volgde een oogenblik van koortsachtige belangstelling onder de -spelers die rondom de tafel stonden. - -Op hetzelfde oogenblik werd er in het huis waarvoor Tio-Lucas zijne -monté tafel had opgericht een venster geopend, en kwam er een -verrukkelijk schoone dame op het balkon te voorschijn, die achteloos -met den elleboog op de balustrade leunende, met een verstrooiden blik -over de straat uitkeek. - -De vreemdeling wendde zich naar het balkon en verhief zich hoog in de -stijgbeugels. - -»Mijn eerbiedige groet aan de schoone Anita,” zeide hij, zijn hoed -afnemende met eene diepe buiging. - -Het meisje kreeg een blos, wierp den cavalier uit hare lange zijden -wimpers een veelbeteekenenden blik toe, maar antwoordde niet. - -»Gij hebt verloren, monseñor,” zei Tio-Lucas op een toon van blijdschap -die hij niet geheel had kunnen ontveinzen. - -»Zeer goed,” zei de vreemdeling, zonder hem eens aan te zien, zoo -geboeid werd hij door de bekoorlijke verschijning op het balkon. - -»Gij speelt zeker niet meer?” zei Tio-Lucas. - -»Integendeel, ik verdubbel.” - -»Wat?” riep de bankier, die bij dit onverwachte voorstel onwillekeurig -een stap achterwaarts deed. - -»Ik vergis mij, ik heb u iets anders voor te stellen.” - -»Wat dan, señoria?” - -»Hoeveel hebt gij daar?” riep hij met een wenk van geringschatting naar -de tafel wijzende. - -»Daar? wel..... zoo wat zevenduizend oncen op zijn minst.” - -»Niet meer?... hm! dat is weinig.” - -De omstanders staarden met eene mengeling van stomme bewondering naar -den buitengewonen man die om oncen en diamanten speelde, als een ander -om realen. - -Het meisje op het balkon verbleekte: zij wierp den vreemden cavalier -een smeekenden blik toe. - -»Speel niet langer,” murmelde zij met eene bevende stem. - -»Ik dank u, señorita, wel verplicht!” riep hij, »uwe schoone oogen -zullen mij geluk brengen; ik zou al het goud dat daar op de tafel ligt -willen geven voor de suchilbloem, die gij daar in uwe hand hebt en die -uwe lippen heeft mogen aanroeren.” - -»Speel toch niet langer, don Martial,” herhaalde het meisje, terstond -met drift terugtredende terwijl zij het venster achter zich sloot. - -Doch, hetzij bij toeval of uit eenige andere oorzaak, de suchilbloem -ontglipte aan hare hand. - -De cavalier liet zijn paard steigeren, ving de bloem in de vlucht op en -verborg haar in zijne borst na haar vooraf gekust te hebben. - -»Cuchares,” zeide hij tegen den lepero, »keer eene kaart.” - -De lepero gehoorzaamde. - -»Seis de copas,” zeide hij. - -»Voto a brior!” riep de vreemdeling, »de kleur van het hart, wij moeten -winnen. Tio-Lucas, ik speel met u op deze kaart om al het goud dat op -uw tafel ligt.” - -De bankier werd bleek, hij aarzelde; de omstanders hielden hem scherp -in ’t oog. - -»Bah!” riep hij een minuut later, »hij kan onmogelijk winnen. Ik neem -het aan, monseñor,” zeide hij. - -»Tel eens hoeveel gij daar hebt.” - -»’t Is niet noodig, monseñor, er liggen negenduizend vierhonderdvijftig -oncen goud” [4]. - -Bij het hooren van dit ontzagwekkend cijfer slaakten de aanwezigen een -kreet van verbazing en begeerigheid tegelijk. - -»Ik hield u voor rijker,” zei de vreemdeling spotachtig. »Maar hoe dan -ook, om negenduizend vierhonderd en vijftig oncen.” - -»Dezen keer zult gij afnemen, monseñor,” zei de bankier. - -»Neen: ik voor mij ben vast overtuigd dat gij verliezen moet, -Tio-Lucas. Ik wil u wederkeerig de zekerheid geven dat ik eerlijk -gewonnen heb. Doe mij daarom het pleizier en neem zelf de kaart af; -zoodoende,” vervolgde hij ironisch, »wordt gij de smid van uw eigen -ondergang en kunt het aan niemand anders verwijten.” - -De omstanders trantelden van genot en belangstelling toen zij zagen hoe -ridderlijk de vreemdeling zich gedroeg. Binnen weinige oogenblikken was -de straat letterlijk gevuld met nieuwsgierigen, die door deze -buitengewone partij aangetrokken uit alle hoeken der stad -samenstroomden en zich rondom de tafel verdrongen. - -Weldra bedaarde het gewoel en doodstilte heerschte onder de wachtende -menigte, die met ongeduld den afloop verbeidde van het ongehoord hooge -spel en brandde van nieuwsgierigheid om te weten wie de gelukkige zou -zijn. - -De bankier wischte het zweet af dat op zijn bleek voorhoofd parelde, en -met bevende hand nam hij de eerste kaart. - -Eenige seconden lang balanceerde hij er mede, blijkbaar aarzelend voor -het oogenblik der beslissing. - -»Maak voort,” riep Cuchares ongeduldig. - -Tio-Lucas liet de kaart werktuigelijk op de tafel vallen en wendde het -hoofd om. - -»Seis de copas!” riep de lepero met eene snerpende stem. - -De bankier brulde van spijt. - -»Ik heb verloren!” mompelde hij. - -»Dat wist ik wel,” zei don Martial zoo bedaard als ooit. »Cuchares,” -vervolgde hij, »breng die tafel met al het goud dat er op is naar doña -Anita; ik wacht u heden avond, gij weet wel waar.” - -De lepero maakte eene eerbiedige buiging. Met behulp van twee sterke -kerels die zich daartoe gereedelijk lieten vinden, volvoerde hij het -zoo even ontvangen bevel en bracht de tafel het huis in, terwijl de -vreemdeling in allerijl wegreed en Tio-Lucas, reeds min of meer bekomen -van den zwaren slag die hem getroffen had, zeer pacifiek een -maïscigarette rolde en aan allen die hem hun ongevraagden troost -zochten op te dringen toeriep: - -»Ik heb verloren, dat is zoo, maar aan een zeer mooien speler en op een -zeer schoone kans. Bah! later zal ik het hem wel betaald zetten, ieder -op zijn beurt; hij op de zijne en ik op de mijne.” - -Toen hij zijn sigaar geheel klaar gemaakt had, stak de afgestapte -bankier haar aan en wandelde met rustigen tred van daar. - -De menigte had geen reden meer om langer op die plaats te blijven, en -verstrooide zich weldra door de stad. - - - - - - - - - -II. - -DON SYLVA DE TORRES. - - -Guaymas is eene geheel nieuwe stad, min of meer om zoo te zeggen met -den dag gebouwd, naarmate de grilligheid der emigranten zulks verkoos, -zonder regel of orde, daar het stadsbestuur zich niet bemoeide met hun -de rooiing voor te schrijven, hetgeen soms zoo goed als kwaad is, -wanneer de bouwmeester geen smaak of kennis genoeg heeft om een stad -aan te leggen of een goed bouwplan voor te schrijven. Ofschoon wij ons -hier haasten te zeggen, dat er te Guaymas slechts weinige gebouwen zijn -die werkelijk den naam van woonhuizen verdienen, de overige zijn niets -meer dan afzichtelijke krotten en hutten, gebouwd van klei en aarde -tusschen twee planken vastgestampt, even bouwvallig als ongeregeld, en -onrein in den hoogsten graad. - -In de calle de la Merced, de voornaamste, of liever de eenigste straat -der stad, want de overige zijn weinig meer dan moddergoten, stond een -huis met ééne verdieping en voorzien van een balkon, ondersteund door -een peristyle van vier kolommen, gelijk de meeste huizen in Mexico. De -voorgevel was met kalk van verblindende witheid bestreken en het dak -was mede naar ’s lands wijze plat. - -De eigenaar van dit huis, een der rijkste mineros in de Sonora, bezat -een tiental mijnen, allen in volle bewerking; bovendien legde hij zich -toe op de veefokkerij en bediende zich daarbij van verscheidene -hacienda’s of landhoeven, over de gansche provincie verspreid, en -waarvan de kleinste minstens even veel grond besloeg als een -departement in Frankrijk. - -Ik ben zeker dat, als don Sylva de Torres zijn fortuin had willen -liquideeren en berekenen, het eenige honderde millioenen zou hebben -bedragen. - -Don Sylva de Torres was eerst sedert een paar jaar te Guaymas komen -wonen, waar hij echter slechts nu en dan en dat nog wel bij lange -tusschenpoozen, een kortstondig verblijf hield. - -Ditmaal had hij, tegen zijne gewoonte, zijne dochter Anita -medegebracht; daarom ook was de gansche bevolking van Guaymas opgetogen -van nieuwsgierigheid en richtten aller blikken zich op het huis van don -Sylva, dewijl men begreep dat er voor dit buitengewone gedrag van den -haciendero gewichtige redenen moesten bestaan. - -Binnen zijne woning besloten, welker deuren zich alleen voor eenige -weinige bevoorrechten openden, liet don Sylva de menschen praten en -zonder zich in ’t minst om de wereld te bekommeren, scheen hij -ongestoord aan de verwezenlijking van zekere ontwerpen te arbeiden, -wier gewicht hem belette te onderzoeken wat anderen van hem spraken of -dachten. - -Ofschoon de Mexicanen geweldig rijk zijn en zich gaarne veel op hunne -schatten laten voorstaan, hebben zij geen het minste idee van gemak of -genot en leven zij doorgaans in de grootste zorgeloosheid. Hunne -weelde, zoo men haar dien naam kan geven, is woest, plomp, onverstandig -en zonder eenige levenswaarde. - -De rijken, meerendeels aan het ruwe leven der Amerikaansche wildernis -gewoon en voortdurend gehard tegen de ongemakken van een vaak doodelijk -klimaat en de gedurige invallen der Indianen, die hen van alle zijden -insluiten, kampeeren zich in de steden veel meer dan dat zij er -eigenlijk wonen, en meenen zich reeds vrij wel te hebben uitgesloofd -wanneer zij op eene onverantwoordelijke wijs oncen goud en diamanten -als dwazen hebben verkwist of weggesmeten. - -De Mexicaansche woonhuizen zijn dáár om de juistheid van dit ons -oordeel te bewijzen. Behalve de onmisbare Europeesche piano, die in een -hoek van iedere salon ongebruikt staat, ziet men er niets dan eenige -ongemakkelijke butacca’s, slecht gemaakte tafels, slecht geteekende en -bontgekleurde kunstplaten aan de wit gekalkte muren opgehangen, ziedaar -alles. - -De woning van don Sylva verschilde in geenen deele van de overigen, en -gelijk overal, moesten de paarden om van den stal naar het wed en van -daar weder naar den stal te komen, druipnat de groote voorzaal of -vestibule door, waar zij in den vloer met hunne hoeven reeds menigen -tegel gebroken en diepe sporen hadden achtergelaten. - -Op het oogenblik dat wij den lezer in het huis van Sylva de Torres -binnenleiden, zaten twee personen, een man en eene vrouw, in het salon -samen te praten, althans bij lange tusschenruimten eenige woorden te -wisselen. - -Deze twee personen waren don Sylva en zijne dochter Anita. - -De kruising van het Spaansche met het Indiaansche menschen-ras, heeft -de schoonste plastische vormen voortgebracht die men zich verbeelden -kan. - -Don Sylva, ofschoon reeds bijna vijftig jaar oud, scheen nog nauwelijks -veertig; bij eene hooge welgemaakte gestalte voegde zich eene edele -houding en gang, en een streng gelaat, maar gepaard met groote -goedwilligheid. Hij droeg de Mexicaansche kleeding in haren zuiversten -vorm, maar zoo kostbaar en zoo rijk versierd, dat slechts weinigen -zijner landgenooten hem hadden kunnen evenaren, veelmin overtreffen. - -Anita, in gemakkelijke houding op de kanapé uitgestrekt, half -verscholen in golven van zijde en gaas, als een kolibrietje in het -donzige mos, was een aanminnig kind van hoogstens zeventien of achttien -jaar; hare zwarte, door lange fluweelen wimpers zedig gesluierde oogen, -tintelden van zoete beloften, die geenszins werden gelogenstraft door -de slanke en mollige omtrekken van haar fijngevormde leest. Tot in hare -minste bewegingen bezat zij eene gratie en majesteit daar de liefelijke -glimlach van hare koralen lippen de hartveroverende kroon opzette. Haar -frissche kleur, min of meer verguld door de warme zon van -Middel-Amerika, gaf aan haar gelaat eene betooverende uitdrukking die -zich moeielijk laat beschrijven; in een woord, over haar gansche -persoon zweefde een bekoorlijk waas van onschuld, eenvoudigheid en -oprechtheid, dat harten en zinnen boeide en sympathie en liefde gebood. - -Even als alle Mexicaansche schoonen wanneer zij zich binnenshuis -bevinden, droeg zij eene lichte robe van gebrocheerd mousseline; de -gazen rebozo of sluier was achteloos over hare schouders geworpen en -eene versche tuil van zomerbloemen tooide hare blauwzwarte lokken met -een ambergeurige kroon. - -Anita scheen te droomen; somwijlen trokken de wenkbrauwbogen zich -donkerder samen onder den drang der gedachten die haar bestormden; haar -boezem golfde nu en dan bij dieper ademhaling en de kleine, fijn -geënkelde voeten, in pantoffels van zwanendons gestoken, trappelden wel -eens ongeduldig op den grond. - -Ook don Sylva de Torres scheen ontevreden; na een strengen en ernstigen -blik op zijne dochter, stond hij op, trad naar haar toe en sprak: - -»Gij zijt een dwaas kind, Anita; uwe handelwijs is buitensporig, eene -welgeboren jonge dochter mag in geen geval handelen zoo als gij -gehandeld hebt....” - -De jeugdige Mexicaansche antwoordde alleen met een veelbeteekenend -pruilend mondje en haalde bijna onmerkbaar de schouders op. - -Haar vader vervolgde. - -»Vooral niet,” zeide hij, met nadruk op iedere syllabe, »in uwe positie -tegenover den graaf de Lhorailles.” - -Het meisje richtte zich op als of zij door een adder gestoken was en -met een vragenden blik naar het onverbiddelijk gelaat van den -haciendero antwoordde zij: - -»Ik begrijp u niet, vader.” - -»Begrijpt gij mij niet, Anita? Dat kan ik kwalijk gelooven. Heb ik dan -uwe hand niet aan den graaf beloofd?” - -»Wat maakt dat uit, daar ik hem toch niet bemin. Wilt gij mij dan -doemen om mijn geheele leven ongelukkig te zijn?” - -»Integendeel, het is uw geluk dat ik met deze vereeniging beoog. Ik heb -niemand dan u, Anita, om mij te troosten over het smartelijk verlies -van uwe beminde moeder. Arm kind; gij zijt goddank nog in dien door den -hemel gezegenden leeftijd, waarin het hart bijna niets weet van zich -zelven en de woorden geluk en ongeluk nog geene beteekenis hebben. Gij -bemint den graaf niet, zegt gij; nu goed; uw hart is vrij; als gij -later in staat zult zijn de edele hoedanigheden te waardeeren van hem -dien ik u tot echtgenoot geef, dan zult gij mij dankbaar zijn dat ik u -tot een huwelijk riep, waarin gij heden zooveel reden van droefheid -ziet.” - -»Maar, vader,” riep het meisje met een verdrietig gezicht, »mijn hart -is niet vrij, dat weet gij wel.” - -»Ik weet alleen, doña Anita de Torres,” hervatte de haciendero streng, -»dat eene liefde die uwer en mijner onwaardig is in uw hart geen plaats -kan grijpen. Door mijne voorvaderen ben ik Cristiano Veyo en zoo er al -eenige droppels Indiaansch bloed in mijne aderen vloeien, heb ik des te -dieper in mijne ziel gegrift wat ik aan mijne voorouders verschuldigd -ben. Onze eerste stamvader Antonio de Sylva, luitenant van Fernando -Cortez, huwde wel is waar met eene Mexicaansche prinses uit het -geslacht van Montecuzoma, maar al onze overige stamgenooten zijn -Spanjaarden.” - -»Zijn wij dan geen Mexicanen, vader?” - -»Helaas! arm kind, wie kan zeggen wat wij zijn, of worden zullen? Ons -ongelukkig land, sedert het de Spaansche dwingelandij afschudde, -verkeert in een staat van beroering, en put zich uit onder de herhaalde -pogingen der heerschzuchtigen van de lagere klasse, die binnen korte -jaren eindigen zullen met ons zelfs de nationaliteit te ontrukken, daar -wij zoo lang naar gestreefd en die wij met zooveel moeite verworven -hebben. Deze schandelijke burgeroorlogen stellen ons ten spot voor -andere volken en zijn de vreugd van onze hebzuchtige naburen, die de -oogen onafgewend op ons gevestigd houden, en gereed staan onze schatten -onder zich te verdeelen, daar zij reeds de eerstelingen van hebben -geroofd door ons eenigen onzer rijkste provinciën te ontweldigen.” - -»Maar, vader, ik ben eene vrouw en bij gevolg weet ik niets van de -politiek; ik heb niets met de gringos te maken.” - -»Meer dan gij denkt, meisje. Ik wil niet dat na zeker tijdsverloop de -onmetelijke bezittingen, die mijne voorouders en ik door kracht van -arbeid zich verworven hebben, t’ eenigen dage de prooi worden van die -vervloekte ketters. Dit is de reden waarom ik, ten einde mijne -bezittingen te redden, besloten heb u aan den graaf de Lhorailles uit -te huwelijken. Hij is Franschman, en hij behoort tot een der eerste -familiën van dat land; bovendien is hij een schoon en krijgshaftig -ridder van nauwelijks dertig jaar; bij zijne natuurlijke gaven voegt -hij de lofwaardigste zedelijke hoedanigheden; hij behoort tot eene -machtige en geachte natie, die hare kinderen, in welken hoek der aarde -zij zich ook bevinden, weet te beschermen. Door hem te huwen is uw -fortuin tegen iederen staatkundigen rampspoed gewaarborgd.” - -»Maar ik bemin hem niet, vader.” - -»Kleingeestigheid, lief kind, spreken wij er niet langer over, ik wil u -de dwaasheid wel vergeven waaraan gij u eenige oogenblikken hebt -schuldig gemaakt, doch onder voorwaarde dat gij don Martial uit uwe -gedachten stelt.” - -»Nooit!” riep zij standvastig. - -»Nooit? dat is zoo lang, dochter, gij zult u wel bedenken, dat weet ik -zeker. En daarbij, wie is die man? Waar komt hij vandaan? Kent gij hem? -Men noemt hem Martial el Tigrero, vota a Dios! Is dat een naam! Die man -ja, heeft uw leven gered door uw paard op te houden toen het met u -doorging, maar is dat nu eene reden waarom hij op u verlieven moet, en -gij op hem? Ik heb hem een schitterende belooning aangeboden, die hij -met de meeste verontwaardiging heeft van de hand gewezen; hiermede is -alles geëindigd, hij late mij nu met vrede; ik wil niets meer met hem -te doen hebben.” - -»Hem bemin ik, vader, en geen ander,” hernam zij. - -»Hoor eens, Anita, als gij zoo voortgaat verlies ik mijn geduld, het -kost mij moeite bedaard te blijven, derhalve genoeg hiervan, en houd u -gereed om den graaf de Lhorailles naar behooren te ontvangen. Ik heb -gezworen dat hij uw echtgenoot wordt, en bij den hemel! dat zal hij, al -zou ik u met geweld naar het altaar voeren.” - -De haciendero sprak deze woorden op zulk een vastberaden en -onverzettelijken toon, dat Anita terstond begreep liever te moeten -zwichten, al was het ook in schijn, dan een redetwist voort te zetten -die slechts bitterder kon worden en misschien de ergste gevolgen zou na -zich slepen; zij boog dus het hoofd en zweeg, terwijl haar vader met -groote stappen en een ontevreden gezicht het salon op en neder trad. - -De deur ging open en een peon stak bescheiden het hoofd door de kier. - -»Wat wilt gij?” vroeg don Sylva stilstaande. - -»Señoria, antwoordde de knecht, »een caballero, gevolgd door vier -anderen met eene tafel vol goud, verlangt de señorita te spreken.” - -De haciendero wierp een onbeschrijfelijken blik op zijne dochter. - -Doña Anita boog in verwarring het hoofd. - -Don Sylva dacht een oogenblik na, en toen helderde zijn gelaat op. -»Laat hem binnenkomen,” zeide hij. - -De peon ging heen, maar keerde een paar minuten later terug ten geleide -van onzen ouden kennis Cuchares, altijd in zijn gescheurde zarapé en -gevolgd door vier leperos, die een zwaar beladen tafel droegen. - -Terwijl Cuchares de zaal binnentrad, nam hij eerbiedig den hoed af, -maakte voor den haciendero en zijne dochter eene hoffelijke buiging en -wenkte de dragers om de tafel midden in het salon te plaatsen. - -»Señorita,” zeide hij op vleienden toon, »señor don Martial, getrouw -aan het woord dat hij aan u gaf, verzoekt u nederig het goud aan te -nemen dat hij met de monté gewonnen heeft, als een gering bewijs van -zijne hulde en gehechtheid aan u.” - -»Kerel!” brulde don Sylva toornig, hem een stap te gemoet gaande, »weet -gij niet in wiens tegenwoordigheid gij u bevindt?” - -»Ja, señor, in tegenwoordigheid van doña Anita en haar eerbiedwaardigen -vader,” antwoordde de schelm zonder in ’t minst verlegen te worden, -terwijl hij zich statig in zijn geplukten mantel wikkelde, »en zooveel -ik weet heb ik jegens geen van beiden den verschuldigden eerbied -verzuimd?” - -»Vertrek oogenblikkelijk en breng dat goud weer weg, daar mijne dochter -niets mede te maken heeft.” - -»Verschoon mij, señoria, ik heb dat goud ontvangen om het hier te -brengen, en met uw verlof zal ik het hier laten; don Martial zou het -mij nooit vergeven als ik anders deed.” - -»Ik ken geen don Martial, of hoe gij hem ook noemt die u zendt, ik wil -met hem volstrekt niets te doen hebben.” - -»Dat kan wel waar zijn, señoria; maar dat gaat mij niet aan, dat moogt -gij naar goedvinden zelf met hem uitmaken; wat mij aangaat, nu ik mijn -boodschap verricht heb, kus ik u de handen en ga heen.” - -En met eene nieuwe buiging voor de beide personages, trad de lepero vol -majesteit de salon uit, met afgemeten stappen, gevolgd door zijne vier -handlangers. - -»Nu mijne dochter,” riep don Sylva buiten zich zelven van drift, »nu -ziet gij eens aan welk een hoon ik door uwe dwaasheid blootsta.” - -»Een hoon! vader?” antwoordde zij bedeesd: »integendeel, ik vind dat -don Martial zich gedraagt als een echt caballero en dat hij mij een -groot bewijs van zijne liefde geeft: het is eene onmetelijke som.” - -»Ha! zoo,” zei don Sylva toornig, »denkt gij er zoo over! welnu dan zal -ik ook doen als een caballero, voto a brios! dat zult gij zien.—Hola! -help even!” - -Er kwamen eenige peons binnen. - -»Zet de vensters open!” - -De bedienden gehoorzaamden. - -De volksverzameling had zich nog niet verstrooid, een groot aantal -menschen stonden nog altijd voor het huis of zwierven in den omtrek. - -De haciendero boog naar het venster en keek naar buiten. Hij wenkte het -volk, om stilte te verzoeken. - -Werktuigelijk zweeg de woelige menigte en trad naderbij, als gevoelde -zij dat er voor haar iets van belang zou gebeuren. - -»Señores caballeros y amigos!” riep de haciendero met luider stem, -»iemand, dien ik niet ken, heeft mijne dochter het goud durven -aanbieden, dat hij met de monté gewonnen had. Doña Anita versmaadt -zulke geschenken, bovenal wanneer zij van een persoon afkomstig zijn, -met wien zij noch door vriendschap, noch door eenige andere betrekking -verbonden is. Zij verzoekt mij dit goud, dat zij zelfs niet zou willen -aanraken, onder u te verdeelen, ten einde daardoor in het openbaar en -voor u allen te bewijzen hoe diep zij den man veracht, die haar zoo -heeft durven beleedigen.” - -Deze geïmproviseerde toespraak van den haciendero werd door de leperos -en andere voor het huis saamgeschoolde bedelaars, die hem met begeerige -blikken aanstaarden, met een daverend hoerah beantwoord. - -Anita voelde de tranen op hare oogleden branden, ondanks hare uiterste -pogingen om zich goed te houden; haar hart dreigde te bersten. - -Zonder zich echter om zijne dochter te bekommeren, gaf don Sylva zijne -bedienden order om de oncen op straat te werpen. - -Toen begon er letterlijk een gouden regen op het verbaasde volk af te -dalen: de arme schooiers stormden van alle kanten toe en wierpen zich -als razenden op het blinkend metaal als of er in tijd van hongersnood -brood uit den hemel viel. - -De calle de la Merced bood het zonderlingste schouwspel dat men zich -kan verbeelden. - -Het regende maar altoos goud, goud, goud, de gele schijven vlogen in -alle richtingen, het scheen onuitputtelijk. - -De geplukte en gelapte leperos stortten zich als uitgehongerde coyotes -op het kostelijk metaal, de sterksten verdrongen de zwakkeren, de -zwaksten geraakten onder de voet en werden vertrapt. - -Onder het hevigst van deze stortbui kwam er een ruiter in vliegenden -galop aanrijden. - -Verbaasd over hetgeen hij zag, bleef hij een oogenblik staan om rond te -kijken; toen gaf hij zijn paard opnieuw de sporen en door het uitdeelen -van karwatsslagen links en rechts, gelukte het hem de dicht -opeengepakte menigte te verdeelen, die als een onstuimige zee naar -weerszijde der straat uiteenstoof, en zoo baande hij zich een weg naar -het huis van den haciendero, dat hij terstond binnen reed. - -»Daar is de graaf de Lhorailles,” zeide don Sylva lakonisch tegen zijne -dochter. - -Werkelijk trad de graaf eenige oogenblikken later de salon binnen. - -»Hoe is het met u!” riep hij op den dorpel staan blijvende, »hoe kwaamt -gij op dien zonderlingen inval, don Sylva? Bij mijne ziel! gij schijnt -u te amuseeren met uwe millioenen het raam uit te werpen, tot groot -genoegen der leperos en andere gauwdieven van dezelfde soort.” - -»Ah! zijt gij daar, mijnheer de graaf,” antwoordde de haciendero kalm, -»ik heet u welkom, en ik ben tot uwe dienst, nog slechts weinige -handvollen en ik heb gedaan.” - -»Laat ik u niet storen” lachte de graaf, »ik moet bekennen, de grap is -recht origineel,” en zich thans tot het meisje wendende, dat hij met de -uitstekendste wellevendheid groette, vervolgde hij: »Ei—lieve, -señorita, geef mij toch de oplossing van die raadselachtige zaak, want -ik verklaar u dat ik er ten hoogste nieuwsgierig naar ben die te -hooren.” - -»Dat moet gij aan mijn vader vragen, señor,” antwoordde zij met zekere -stroefheid, die alle verdere samenspreking onmogelijk maakte. - -De graaf hield zich alsof hij deze koele ontvangst niet opmerkte, -maakte een statige buiging en wierp zich glimlachend op eene butacca. - -»Dan zal ik een weinig wachten,” zeide hij achteloos. »Ik heb geen de -minste haast.” - -Toen de haciendero aan zijne dochter zeide, dat de man dien hij voor -haar bestemde een schoone cavalier was, bleek thans, dat hij geen -vleitaal gesproken had. De graaf Maxime Gaëtan de Lhorailles was iemand -van hoogstens dertig jaar, lenig en vlug van gestalte en een weinig -boven de middelbare lengte. Zijne blonde haren teekenden hem als een -zoon van het Noorden; zijne trekken waren schoon, zijn oogopslag vol -uitdrukking, zijne handen en voeten droegen het kenmerk zijner afkomst; -alles duidde bij hem den edelman van echten stempel aan, en indien dus -don Sylva zich in hem evenmin bedroog wat het moreele als wat het -uitwendige betrof, was de graaf de Lhorailles een volmaakt cavalier. - -Eindelijk had de haciendero al het goud dat door Cuchares was -binnengebracht het raam uitgesmeten; op hare beurt vloog thans de tafel -die straat op, hij gaf order de vensters te sluiten en keerde in zijne -handen wrijvende naar den graaf terug om naast hem te gaan zitten. - -»Zie zoo!” zeide hij met een vroolijk gezicht, »dat is afgedaan, nu ben -ik geheel tot uwe dienst.” - -»Vooraf een woord.” - -»Spreek.” - -»Neem mij niet kwalijk, gij weet, ik ben vreemdeling, en als zoodanig -laat ik mij gaarne onderrichten.” - -»Ik hoor u.” - -»Sedert ik in Mexico woon heb ik al vrij wat zonderlinge gebruiken -gezien, zoo dat ik bijna onvatbaar ben om door iets nieuws getroffen te -worden; intusschen moet ik u bekennen, dat hetgeen ik hier in de -laatste oogenblikken zag, alles overtreft wat ik tot dusver heb -waargenomen. Ik zou gaarne willen weten wat dit beduidt en of het -misschien een gebruik is dat mij tot hiertoe ontsnapte.” - -»Waar spreekt gij toch van.” - -»Wel, hoe kunt gij dat nog vragen, van hetgeen ik u juist zag doen toen -ik binnenkwam, dat goud, dat gij met milde hand uitstrooidet en als een -weldadige regen over de bandieten en bedelaars van allerlei slag, die -zich voor uw huis hadden verzameld, deedt nederruischen; het zijn onder -ons gezegd leelijke planten om ze op die wijs te begieten.” - -Don Sylva begon te lachen. - -»Neen,” antwoordde hij, »dat is geen gewoonte.” - -»Zeer goed. Dus was het alleen een vorstelijke tijdkorting om zoo een -millioen voor het janhagel te smijten? Te duivel, don Sylva, men moet -zoo rijk zijn als gij, om zich zulk eene gril te veroorloven.” - -»Dat denkt gij toch niet in goeden ernst.” - -»Ik heb intusschen de oncen zien regenen.” - -»Dat is zoo, maar ze waren niet van mij.” - -»Al mooier en mooier, dat wordt ingewikkeld, gij maakt mij inderdaad -meer en meer nieuwsgierig.” - -»Ik zal u voldoening geven.” - -»Ik ben geheel oor, want het is voor mij zoo onderhoudend als eene -Arabische nachtvertelling.” - -»Hm!” riep de haciendero hoofdschuddend, »het gaat u misschien nader -aan, dan gij vermoedt.” - -»Is het mogelijk?” - -»Dat moogt gij zelf beoordeelen.” - -Doña Anita lag als op de pijnbank; zij wist niet hoe zij zich houden -moest: wel begrijpende dat haar vader alles aan den graaf zou -vertellen, had zij den moed niet om deze toelichting af te wachten en -stond zij wankelend op. - -»Mijne heeren,” zeide zij met eene zwakke stem, »ik gevoel mij -ongesteld; weest zoo goed en veroorlooft mij om heen te gaan.” - -»Inderdaad,” riep de graaf opstaande en naar haar toeloopend om haar -zijn arm te bieden en te ondersteunen, »gij zijt bleek, doña Anita, sta -mij toe u naar uwe kamer te geleiden?” - -»Ik dank u, caballero,” zeide zij; »ik gevoel mij sterk genoeg om -alleen te gaan, en ofschoon erkentelijk voor uw aanbod ben ik zoo vrij -om het af te wijzen.” - -»Zoo als u behaagt, señorita,” zei de graaf, heimelijk gebelgd over -deze weigering. - -Don Sylva stond eene enkele seconde in beraad om zijne dochter te -bevelen te blijven, maar het arme kind wierp hem zulk een wanhopigen -blik toe, dat hij den moed niet bezat haar eene langere foltering op te -leggen. - -»Ga, mijn kind,” zeide hij. - -Het meisje haastte zich van deze vergunning gebruik te maken, snelde de -zaal uit en nam de vlucht naar hare slaapkamer, waar zij zich opsloot, -op een stoel neerzonk en in tranen uitbarstte. - -»Wat schort er toch aan doña Anita?” vroeg de graaf vol belangstelling -toen zij vertrokken was. - -»Vapeurs, hoofdpijn, zenuwen, wat weet ik het?” antwoordde de -haciendero schouderophalend; »alle jonge meisjes zijn zoo; over eenige -oogenblikken zal zij het reeds vergeten zijn.” - -»Des te beter! ik moet u bekennen dat ik ongerust was.” - -»Nu wij alleen zijn, wilt gij misschien de oplossing niet meer hooren -van het raadsel dat u zooveel belang scheen in te boezemen?” - -»Neen zeker. Spreek zonder verder uitstel, ik heb u van mijn kant een -aantal gewichtige zaken mede te deelen.” - - - - - - - - - -III. - -TWEE OUDE KENNISSEN VAN DEN LEZER. - - -Op ongeveer vijf mijlen afstand van Guaymas ligt het kleine dorp San -José, in de wandeling de Rancho genaamd. - -Deze armzalige pueblo of buurtschap bestaat slechts uit een plein van -geringe grootte, rechthoekig gekruist door twee straten, met -bouwvallige steenen huizen, deels bewoond door Hiaquis-Indianen, die -jaarlijks in grooten getale naar Guaymas gaan arbeiden, als -havenwerkers, timmerlieden, commissionairs enz., deels ook door die -avonturiers en gelukzoekers zonder eer of deugd, daar het aan de oevers -der Stille Zuidzee sedert de ontdekking der goudmijnen in Californië -van wemelt. - -De weg van Guaymas naar San José loopt door een dorre zandige streek, -waar slechts enkele nopalplanten en verkreupelde cactus opschieten, -wier verdroogde en met stof overdekte takken of bladen er bij nacht -uitzien als witte spoken. - -In den avond van den dag waarmede ons verhaal begint, reed een eenzame -ruiter, tot aan de oogen in zijn mantel gewikkeld in vliegenden galop -naar de Rancho. - -De donkerblauwe hemel was met duizend fonkelende sterren bezaaid; de -maan, in haar eerste kwartier, verlichtte de zwijgende velden en -verlengde tot in ’t oneindige de schaduw van het geboomte over de kale -aarde. - -De ruiter, zonder twijfel haast hebbende om het doel eener reis te -bereiken, die in dat late uur gevaarlijk genoeg was, zette zijn paard -onophoudelijk aan met spoorslag en stem, ofschoon het moedige dier -blijkbaar geen bijzondere aansporing noodig had. - -Reeds was onze ruiter de onbebouwde landen voorbij en op het punt om -een dicht woud van Peruboomen in te rijden, dicht in de nabijheid der -Rancho, toen zijn paard eensklaps een zijsprong maakte en zich op de -vier beenen pal zette, met schuwe blikken en achterwaarts gestreken -ooren. - -Een kort en knetterend geluid bewees dat de ruiter zijne pistolen -wapende; na deze onverhoedsche voorzorg wierp hij een bespiedenden blik -om zich heen. - -»Vrees niets, caballero!” riep eene moedige vertrouwelijke stem; »en -wijk maar een weinig rechtsaf uit, als het u niet schelen kan.” - -De ruiter keek voor zich naar den grond en zag bijna onder de hoeven -van zijn draver een man geknield liggen, met den kop van een paard in -de hand, dat dwars over den weg lag. - -»Wat duivel doet gij daar?” vroeg hij. - -»Wat gij ziet,” antwoordde de andere bedrukt, »ik neem voor ’t laatst -afscheid van mijn armen reisgenoot; men moet een geruimen tijd in de -wildernis geleefd hebben om te begrijpen hoe veel zulk een vriend waard -is.” - -»Dat stem ik u toe,” riep de vreemdeling, en hij steeg terstond af. -»Maar is hij dan dood?” vervolgde hij. - -»Neen, nog niet; maar ongelukkigerwijze is hij er daarom niet te beter -aan toe.” - -Hier zuchtte hij. - -De onbekende bukte over het paard, dat aan al zijne leden lag te -stuiptrekken, schoof het de oogleden open en bekeek het aandachtig. - -»Uw paard heeft eene ophooping van bloed in de hersenen,” zeide hij -kort daarna; »laat mij even begaan.” - -»O!” riep de andere, »ziet gij nog kans hem te redden?” - -»Ik hoop ja,” antwoordde de eerste lakoniek. - -»Caraï! als gij dat kondt, zijn wij vrienden in leven en sterven. Die -arme Negro! mijn oude kameraad op zoo menige reis.” - -De ruiter wiesch de slapen van het paard met een mengsel van water en -rum; na verloop van eenige minuten scheen het beest weer bij te komen, -zijn dof en beneveld oog schitterde weder en het deed eene poging om op -de beenen te komen. - -»Houd hem goed vast,” zei de onverhoopte paardenarts. - -»Wees maar niet bang, mijn beest. Stil, stil, Negro! stil, beste -jongen! quieto, quieto, het is tot uw bestwil,” riep hij, zijn paard -streelende. - -Het schrandere dier scheen het wel te begrijpen, het stak den kop naar -zijn meester op en gaf hem antwoord met een klagend gehinnik. - -Intusschen had de ruiter iets uit zijn gordel gehaald, en boog hij -opnieuw over het paard. - -»Houd hem vooral goed vast,” waarschuwde hij opnieuw. - -»Wat gaat gij doen?” - -»Ik zal hem aderlaten.” - -»Ja, dat is het, dat wist ik wel, maar ik dorst het alleen niet wagen, -uit vrees dat ik hem zou dooden door hem te willen redden.” - -»Hebt gij hem goed vast?” - -»Ja. Ga uw gang.” - -Plotseling maakte het dier eene felle beweging toen hij het koude staal -en den prik voelde, maar zijn meester hield hem zoo ferm vast dat hij -zich niet verroeren kon. - -Er volgde voor de beide mannen eene angstvolle minuut; het bloed kwam -niet te voorschijn, eindelijk verscheen op de plek van het priksel een -zwarte droppel, daarna een tweede weldra gevolgd door een derde en -opeens sprong er een straal zwart en schuimend bloed naar buiten. - -»Hij is behouden!” riep de ruiter terwijl hij zijn lancet afveegde en -weder in zijn foudraal borg. - -»Dat zal ik u vergelden, zoo waar als ik Goedsmoeds heet!” riep de -eigenaar van het geredde paard; »gij hebt mij een van die diensten -bewezen die men nooit weder vergeet.” - -En met onweerstaanbare drift greep hij de hand van den man, dien hij -zoo ter goeder ure op zijn pad ontmoet had. Deze beantwoordde zijn -handdruk met gelijke warmte. Voortaan hadden zij elkander trouw -gezworen; deze twee mannen, die nauwelijks eenige minuten te voren -elkaar niet kenden, en niet wisten dat de andere in de wereld was, -waren voor altijd vrienden geworden, door een van die kleine maar -gewichtige diensten, die in de Amerikaansche wildernissen zoo oneindig -veel waarde hebben. - -Intusschen werd het bloed allengs minder zwart, het werd purperrood en -vloeide mild, de adem van het paard, eerst hijgend en schokkend, werd -gemakkelijk en regelmatig. De onbekende zette de lating nog een poos -voort; eerst toen hij dacht, dat het paard op den goeden weg was, -stopte hij den bloedstraal. - -»Wat denkt gij thans te doen?” vroeg hij aan den andere. - -»Waarachtig als ik het weet, uwe hulp heeft mij zooveel dienst gedaan, -dat ik niets beter kan doen dan hetgeen gij mij raden zult.” - -»Waarheen was uw weg toen u dit ongeval overkwam?” - -»Naar de Rancho.” - -»Dat was ook de mijne; wij zijn er niet ver meer vandaan, gij stijgt -achter mij te paard, wij nemen uw paard aan den teugel mede, en -vertrekken zoodra gij wilt.” - -»Ik kan niets beter wenschen. Denkt gij dat mijn paard mij niet zou -kunnen dragen?” - -»Misschien zou hij het wel doen kunnen, want het is een flink beest; -maar dat ware niet voorzichtig, gij zoudt gevaar loopen het te -verliezen; het is beter dat gij het middel te baat neemt dat ik u -aanwees.” - -»Ja, maar ik vrees nu....” - -»Wat vreest gij?” viel de andere hem met drift in de rede, »wij zijn -immers vrienden?” - -»Dat is waar. Ik neem het aan.” - -Het kranke paard stond uit eigen beweging op, en de twee mannen, die -elkander zoo zonderling hadden ontmoet, namen de reis aan zooals gezegd -was, gezeten op hetzelfde paard. - -Geen twintig minuten waren er noodig, of zij bereikten de eerste huizen -der Rancho. - -Aan den ingang van het dorp hield de man die het paard bestuurde stil -en wendde zich tot zijn tochtgenoot. - -»Waar wilt gij afstijgen?” vroeg hij. - -»Dat is mij onverschillig,” antwoordde de andere; »ik vind mij overal -thuis; laten wij samen gaan waar gij gaat?” - -»Ja!” riep de ruiter zich het oor krabbende, »ik ga eigenlijk niet -bepaald ergens heen.” - -»Hoedat! nergens heen?” - -»Mijn hemel, neen. Ik zal u dit aanstonds verklaren. Ik ben eerst heden -morgen te Guaymas ontscheept; de Rancho is mijn eerste pleisterplaats -op eene reis die ik naar de wildernis onderneem, en die waarschijnlijk -van langen duur zal zijn.” - -In het heldere maanlicht, dat den vreemdeling op dit oogenblik juist in -het aangezicht scheen, lette zijn kameraad eenige seconden op diens -edel en nadenkend gelaat, waarop de smart of de tegenspoed reeds diepe -voren schenen geploegd te hebben. - -»Gij wilt dus zeggen,” sprak hij eindelijk, »dat alle logementen u even -welkom zijn?” - -»Een enkele nacht is spoedig voorbij. Ik verlang alleen huisvesting -voor mij en mijn paard.” - -»Welnu, als gij mij dan vergunt u op mijne beurt als gids te dienen, -zal ik u binnen tien minuten daarvan voorzien.” - -»Dat neem ik aan.” - -»Ik beloof u wel is waar geen paleis, maar ik zal u brengen in eene -pulqueria, waar ik zelf gewoonlijk mijn intrek neem als het geval wil -dat ik deze streek uitkom. Gij zult er een min of meer gemengd -gezelschap aantreffen; maar wat geeft gij daar om, er zit niets anders -op en, zoo als gij wel zegt, het is maar om één kwaden nacht te doen.” - -»Zoo als ’t God b’lieft! laten wij gaan.” - -Thans zijne armen onder die van zijn kameraad doorstekende, nam de -nieuwe gids de teugels, en wendde het paard naar een huis, dat ongeveer -in de helft der straat lag waar zij zich bevonden, en uit welks half -gesloten vensters het fakkellicht in de nachtelijke duisternis blonk -als uit de gaten van een oven, terwijl het gejoel, gelach en gezang, -vermengd met het hortend gekras der jarabes, hun tegenklonk, ten -bewijze dat, ofschoon in het dorp alles sliep, daar ten minste nog -alles wakker en in vollen gang was. - -Voor de deur dezer herberg van lager allooi hielden de beide -vreemdelingen stil en stegen af. - -»Is uw besluit stellig genomen?” vroeg de eerste aan zijn kameraad. - -»Stellig en zeker,” antwoordde deze. - -De gids klopte nu met de hand op de vermolsemde deur. - -Het duurde vrij lang eer men antwoord gaf; eindelijk riep eene rauwe -stem aan de binnenzijde, terwijl het geraas en getier dat tot dusver -daar binnen heerschte als op een tooverslag zweeg, en door de diepste -stilte werd afgewisseld. - -»Quien vive?” - -»Gente de paz!” antwoordde de vreemdeling. - -»Hm!” riep de stem, »dat is geen naam. Hoe is het weer buiten?” - -»Eens voor al en alles voor één! de cormuel [5] blaast dat de buffels -van de Cerro-del-Huerfano afwaaien.” - -Oogenblikkelijk werd de deur geopend, en de reizigers traden binnen. - -In ’t eerst konden zij in de zaal niets onderscheiden vanwege den -dikken rook, en stapten zij op den tast voort. - -De gids scheen echter in dit berenhol goed bekend te zijn, want zoowel -de kastelein als verscheidene der gasten drongen zich om strijd om hem -heen. - -»Caballeros,” zeide hij op den persoon wijzende die hem volgde, »deze -señor is mijn vriend, ik verzoek u hem met de meeste onderscheiding te -behandelen.” - -»Hij zal op gelijke wijze ontvangen worden als gij zelf, Goedsmoeds,” -antwoordde de man die in de herberg kastelein scheen te zijn, »uwe -paarden zijn reeds naar de corral gebracht, waar men hun ieder een -schoof haver heeft gegeven. Wat u zelven betreft is het huis tot uwe -dienst, gij kunt er naar welgevallen over beschikken.” - -Onder het wisselen dezer komplimenten, hadden de vreemdelingen zich -door de menigte een weg weten te banen; zij waren de zaal doorgegaan en -met veel moeite was het hun gelukt zich in een hoek neder te zetten, -aan eene tafel waarop de kastelein zelf de noodige pulque, mezcal, -chinguirito, catalonische refino en xeres-wijn geplaatst had. - -»Caramba! señor Huespad (hospes),” riep de eene vreemdeling, dien men -reeds eenige malen Goedsmoeds had genoemd, »gij zijt mild vandaag.” - -»Ziet gij dan niet dat ik een angelito (engeltje) heb,” antwoordde de -kastelein ernstig. - -»Alzoo is uw zoontje Pedrito....” - -»Hij is gestorven! ik tracht mijne vrienden zoo goed mogelijk te -ontvangen, opdat mijn arme kind des te feestelijker in den hemel zal -ontvangen worden, het heeft nog nooit zonde gedaan en is nu een -engeltje bij God.” - -»Dat is waar,” zei Goedsmoeds, terwijl hij zijn glas aansloeg met dat -van den vader, die zoo weinig zieletroost scheen te behoeven. - -Deze dronk zijn glas refino in een enkele teug ledig en verwijderde -zich. - -De vreemdelingen, bereids aan den hen omgevenden atmospheer gewoon, -wierpen thans een blik in het rond. - -De gelagkamer der pulqueria bood een allerzonderlingst, ja een -aanstootelijk schouwspel. - -In het midden stond eene tafel, aan welke een tien- of twaalftal -personen met schelmengezichten, in geplukte costumen en tot aan de -tanden gewapend, druk monté speelden. - -Als eene vreemde bijzonderheid, die echter geen der aanwezige spelers -scheen te verwonderen, dient te worden vermeld, dat er rechts van den -bankhouder, een ponjaard in de tafel was geplant, terwijl er twee -pistolen aan zijne linkerzijde lagen. Eenige stappen van daar waren een -troep mannen en vrouwen meer dan half beschonken aan ’t zingen en -dansen, met walgelijke gebaren en woeste kreten, op de ruwe muziek van -twee of drie vihuelas en jarabes. In een minder luidruchtigen hoek der -zaal stond een dertigtal personen om eene andere tafel verzameld, in -het midden waarvan, op een kleinen stoel van bamboes, een kind van -hoogstens vijf jaar gezeten was. Dit kind presideerde als ’t ware de -vergadering, het had zijne beste kleertjes aan, een krans bloemen om -het hoofd, terwijl een menigte bloemen rondom hem op de tafel gestrooid -lagen. - -Maar helaas het voorhoofd van dit kind was verbleekt, de oogen stonden -verglaasd, de wangen waren loodblauw, hier en daar met violetkleurige -vlekken, en het gansche lichaam zoo koud en stijf als een lijk, want -het kind was dood: dat was nu het engeltje, welks intrede in den hemel -door den pulquero zoo feestelijk gevierd werd. - -Zoowel vrouwen als mannen en kinderen dronken en lachten, terwijl zij -aan de arme moeder, die de heldhaftigste pogingen deed om niet in -tranen uit te barsten, als om strijd herinnerden hoe voorspoedig, -schrander en goedaardig het lieve kind geweest was dat zij verloren -had. - -»Ik vind dat ergerlijk en akelig,” mompelde de eerste reiziger met een -beweging van afschuw. - -»Niet waar?” antwoordde de andere, »laten wij er ons niet langer mede -ophouden, maar zonderen wij ons af van dit gespuis, dat toch niet meer -aan ons denkt; laten wij liever samen wat praten.” - -»Ik wil wel, maar ongelukkig hebben wij elkaar niets te vertellen.” - -»Misschien; vooreerst moeten wij elkander nog nader leeren kennen.” - -»Dat is waar.” - -»Ziet gij nu wel? Om te beginnen, wil ik u het eerst een voorbeeld van -vertrouwen en openhartigheid geven.” - -»Goed! daarna zal het mijne beurt zijn.” - -Goedsmoeds wierp een zijdelingschen blik op het gezelschap; de -ongepaste drukte en vroolijkheid was met nieuwe kracht aan den gang; -het was duidelijk dat niemand der aanwezigen acht op hen gaf. Hij ging -met de ellebogen op tafel liggen, schoof dichter bij zijn kameraad en -begon: - -»Zoo als gij weten zult, daar gij mijn naam reeds meermalen hebt hooren -uitspreken, waarde vriend, heet ik Goedsmoeds [6]; ik ben een Canadees, -dat wil zeggen, bijna een Franschman. Omstandigheden, teveel om op dit -oogenblik te vertellen, maar die ik u later wel zal mededeelen, hebben -mij reeds vroeg in dit land gevoerd. Twintig levensjaren heb ik besteed -met de woestijn in alle richtingen te doorkruisen; er is geen verloren -beek, of vergeten voetpad dat ik niet ken. Als ik dit wilde, zou ik -gerust en onbezorgd kunnen leven bij een dierbaren vriend, een ouden -kameraad van mij, op eene heerlijke landhoeve, die hij eenige mijlen -ver van Harmosillo bezit en bewoont; maar het woudloopersleven heeft -zijne onweerstaanbare bekoorlijkheid, dat begrijpen alleen zij die er -in gedeeld hebben; het trekt hen aan tegen wil en dank om het te -hervatten. - -»Ik ben nog jong, nauwelijks vijf en veertig jaar. Een ander oud vriend -van mij, een Indiaansch Opperhoofd met name Arendskop, stelde mij -onlangs voor om met hem een uitstapje naar Apacheria te maken; ik liet -er mij toe overhalen, nam afscheid van mijne vrienden die mij -vruchteloos poogden te weerhouden, en vrij van alle banden, zonder -spijt over het verledene en onbezorgd voor het toekomende, ging ik -vroolijk op weg, de onwaardeerbare schatten van een vrijen jager met -mij voerende, namelijk een moedig hart, een opgeruimd gemoed, goede -wapenen en een paard even als zijn meester gehard tegen voor- en -tegenspoed, en hier zit ik nu. Ziedaar, kameraad, thans kent gij mij -zoo goed als of wij reeds tien jaar samen verbonden waren geweest.” - -De andere had dit verhaal aandachtig aangehoord, met den blik -onafgewend op den stoutmoedigen jager gericht, die glimlachend -tegenover hem zat; hij beschouwde met innige belangstelling den man, -wiens open en sterksprekend gelaat ruwe maar ronde oprechtheid ademde -en alle kenteekenen droeg van ware goedheid en grootheid. - -Toen Goedsmoeds zweeg, zat de andere, blijkbaar in diep en ernstig -nadenken verzonken, eenige oogenblikken zonder te antwoorden; daarop -strekte hij hem over de tafel zijne blanke fijngevormde hand toe, en -zeide met eene bewogen stem in het beste Fransch dat ooit in deze ver -verwijderde gewesten gesproken werd: - -»Ik dank u voor het in mij gestelde vertrouwen, Goedsmoeds; mijne -geschiedenis is niet veel langer dan de uwe, maar zij is veel -treuriger; ik geef u die in weinige woorden.” - -»Ei!” riep de Canadees, terwijl hij de hem toegestoken hand met warmte -drukte, »zijt gij misschien een Franschman?” - -»Ja, die eer heb ik.” - -»Pardi! dat had ik reeds kunnen vermoeden,” hervatte hij vroolijk; »als -ik zoo naga hoe wij nu sedert een uur lang gebrekkig Spaansch hebben -gesproken in plaats van onze eigene taal te gebruiken, want, om kort te -gaan, ik ben uit Canada, en de Canadeezen zoo als gij weet zijn de -Franschen uit Amerika, niet waar?” - -»Gij hebt gelijk.” - -»Dus, dat is afgesproken, voortaan geen Spaansch meer tusschen ons?” - -»Neen Fransch, altijd Fransch.” - -»Bravo! op uw welzijn, brave landgenoot; en nu,” vervolgde hij, na zijn -glas geledigd te hebben, en het met kracht weder op de tafel zettende, -»nu wil ik uwe geschiedenis hooren, ik luister met aandacht.” - -»Zooals ik u reeds gezegd heb, is zij niet lang.” - -»Dat doet er niets toe, vertel maar, ik ben zeker dat zij mij zeer veel -belang inboezemt.” - -De Franschman smoorde een zucht. - -»Ook ik heb het leven van een woudlooper geleid,” begon hij, »ook ik -heb de wegslepende bekoorlijkheid van dat koortsachtig bestaan -ondervonden, zoo vol treffende, altoos afwisselende en verrassende -gebeurtenissen. Ver van het land waar wij ons thans bevinden, heb ik -uitgestrekte wildernissen en ongerepte natuurwouden doorloopen, waar -vóór mij geen sterfelijk mensch ooit zijn voet had afgedrukt. Evenals -gij, op mijne avontuurlijke tochten vergezeld door een trouwen vriend, -die mijn moed steunde en mijne zielskracht door zijne onuitputtelijke -vroolijkheid en wel beproefde vriendschap wist te verheffen. Helaas! -die tijd was de gelukkigste mijns levens! - -»Ik werd verliefd op eene vrouw en ik huwde haar. Doch nauwelijks had -mijn vriend gezien dat ik rijk was en een familie bezat, of hij verliet -mij. »Ik kon nu maar gerust voortleven,” zeide hij, »en had hem niet -meer noodig.” Zijn vertrek was mijn eerste verdriet, een verdriet, dat -ik nooit goed heb kunnen verzetten, dat van jaar tot jaar drukkender -werd en dat mij tot op dezen dag foltert als een zelfverwijt. Helaas! -waar is thans dat moedige hart, die trouwe ziel, die ik altijd gereed -zag mij in den nood bij te staan, die mij lief had als een broeder en -dien ik wederkeerig een broederlijke genegenheid toedroeg? Helaas! -misschien is hij dood!” - -Bij het uiten dezer laatste woorden liet de Franschman het hoofd -tusschen de beide handen zinken, en gaf hij zich over aan een stroom -van bittere gedachten, die met iedere nieuwe herinnering als uit zijn -hart opkwamen. - -Goedsmoeds keek hem zwaarmoedig aan en drukte hem hartelijk de hand. - -»Houd moed, broeder,” zeide hij op vertrouwelijken toon. - -»Ja,” hervatte de Franschman. »Juist zoo sprak hij altijd, als ik door -droefheid verslagen den moed liet zinken. - -»Schep moed, broeder,” zeide hij dan met zijne ruwe maar hartige stem -en met de hand op mijn schouder, en dan voelde ik mij inderdaad als -geëlectriseerd; ik herleefde op het hooren van die hartelijke -krachtvolle stem, ik was inderdaad opnieuw sterk en opnieuw gereed om -den strijd te hervatten. Verscheidene jaren verliepen er voor mij onder -het genot van ongestoord huiselijk geluk, dat door niets gestoord werd. -Ik had eene beminnelijke vrouw, die ik aanbad: lieve kinderen van welke -ik mij de schoonste toekomst beloofde, kortom, niets ontbrak mij, dan -mijn boezemvriend, van wien ik, sedert hij mij verliet, ondanks al -mijne nasporingen nooit weder iets heb mogen vernemen. Thans is mijn -geluk voor altijd vervlogen, mijne lieve vrouw en mijne kinderen zijn -dood, lafhartig in hun slaap vermoord door de Indianen die zich van -mijne hacienda hadden meester gemaakt. Ik was de eenige die levend -overbleef te midden der rookende puinhoopen eener woning waar ik -zoovele gelukkige dagen had doorgebracht. Alles wat ik had lief gehad -was onder bouwvallen begraven; mijn hart barstte, ik besloot mijn -verloren lievelingen niet te overleven; maar een enkele vriend, de -eenige die mij getrouw bleef, redde mij; hij voerde mij met geweld naar -zijn stam; want hij was een Indiaan. Aldaar, dank zij de trouwe zorg -die hij aan mij besteedde, riep hij mij tot het leven terug en wekte in -mij, zoo al niet de hoop op een voor mij onmogelijk geworden geluk, -tenminste den moed om met mijn lot te kampen dat mij zulke harde slagen -had toegebracht. Nu nauwelijks drie maanden geleden is hij gestorven. - -»Eer hij voor altijd de oogen sloot, heeft hij mij laten bezweren te -zullen doen wat hij mij vragen zou; en ik beloofde het hem. »Broeder,” -zeide hij toen, »ieder heeft in het leven een doel noodig, wat het ook -zij, als het maar een edel en goed is. Ik wil er u een geven; mijn -wensch is dat gij zoodra ik dood ben op reis gaat, om den vriend te -zoeken daar gij zoo lang van gescheiden waart; dat gij hem vinden zult -daarvan ben ik overtuigd. Laat dit het doel in uw leven zijn.” Twee -uren later stierf het eerwaardige opperhoofd in mijne armen. Zoodra was -zijn lijk niet ter aarde besteld, of ik ging op weg. Heden juist, -zooals ik u gezegd heb, ben ik te Guaymas aangekomen. Mijn voornemen is -om onmiddellijk de woestijn in te trekken; zoo mijn vriend nog leeft -moet ik hem daar alleen terugvinden.” - -Er volgde een lange stilte. - -Eindelijk nam Goedsmoeds het woord weder op. - -»Waarlijk, uw lot is allertreurigst, vriend, dat moet ik bekennen,” -riep hij hoofdschuddend; »en nu, bovendien, begeeft gij u in eene -hopelooze onderneming, die weinig kans heeft te zullen slagen: een -eenig mensch in de woestijn is als een verloren zandkorrel. Gesteld dat -uw vriend nog leeft, wie weet in welk oord hij zich dan op dit -oogenblik bevindt, en terwijl gij hem aan den eenen kant der wildernis -zoekt, is hij misschien juist aan den anderen. Intusschen wil ik u een -voorstel doen, dat ik niet twijfel of het zal voor u aannemelijk en -voordeelig zijn.” - -»Dat voorstel, vriend, weet ik reeds eer gij het mij zegt. Ik dank er u -voor en neem het dadelijk aan,” antwoordde de Franschman schielijk. - -»Dus toegestemd en afgesproken,” zei Goedsmoeds, »wij vertrekken samen -en gij gaat met mij naar Apacheria, niet waar?” - -»Ja.” - -»Te weêrga! dat noem ik geluk. Nauwelijks ben ik van mijn vriend -Edelhart gescheiden of de goede voorzienigheid voert mij een anderen, -even dierbaren tegemoet.” - -»Wie is die Edelhart daar gij van spreekt?” [7] - -»Een vriend daar ik jaren lang mede samen geleefd heb en dien gij -eenmaal zult leeren kennen. Welaan dan op Gods genade! Met het -aanbreken van den dag gaan wij op weg.” - -»Zoo vroeg gij maar wilt.” - -»Ik heb met Arendskop afgesproken om hem drie dagreizen van hier te -ontmoeten. Ik zou mij zeer moeten bedriegen als hij mij niet reeds -wachtte.” - -»Maar wat gaat gij in Apacheria doen?” - -»Dat weet ik niet; Arendskop heeft mij verzocht hem te vergezellen, en -ik ga; een mijner stellingen is: nooit meer te willen weten dan mijne -vrienden mij van hunne geheimen zelf gelieven te zeggen; dat geeft de -meeste vrijheid zoowel voor hen als voor mij.” - -»Zeer goed geredeneerd, mijn waarde Goedsmoeds; maar als wij nu toch -zoo lang samen zullen leven, dat hoop ik tenminste.....” - -»Ik ook.” - -»Zal het niet kwaad zijn,” vervolgde de Franschman, »dat gij mijn naam -weet, dien ik tot nog toe vergat u op te geven.” - -»Laat u dat niet verontrusten, ik zelf zal er u wel een geven, zoo gij -wellicht reden hebt om uw incognito te bewaren.” - -»Daar heb ik volstrekt geen reden toe; ik ben de graaf Louis de Prébois -Crancé.” [8] - -Goedsmoeds sprong op als een losgelaten veer die zich ontspant, hij nam -zijn bonten muts af en maakte een eerbiedige buiging. - -»Duid mij niet ten kwade, mijnheer de graaf,” zeide hij, »dat ik een -weinig vrij tot u gesproken heb; had ik geweten met wien ik de eer had -samen te zijn, dan zou ik mij zoo veel vrijheid niet hebben -veroorloofd.” - -»Goedsmoeds, Goedsmoeds,” riep de graaf met een ernstigen glimlach -terwijl hij driftig zijne hand greep, »moeten wij zoo onze verbintenis -aanvangen? Er staan twee mannen gereed hetzelfde leven te leiden, -dezelfde gevaren te trotseeren, dezelfde vijanden te bestrijden, laten -wij voor de zotten in de steden de dwaze onderscheidingen over die voor -ons geenerlei waarde of beteekenis hebben. Ik wil voor u niets anders -zijn dan Louis, uw goede reisgezel, en uw trouwe vriend, even als gij -voor mij niets anders zijt dan Goedsmoeds, de beproefde onversaagde -woudlooper.” - -Bij deze woorden kwam er op het gelaat van den Canadees een glans van -genoegen. - -»Goed gesproken, bij mijne ziel, mooi gesproken,” riep hij uit. »Ik ben -maar een arme onwetende jager, waarom zou ik dit verbergen? Maar -hetgeen gij mij daar gezegd hebt, was mij recht naar het hart -gesproken. Bij den hemel! Louis, ik ben geheel de uwe, in leven en -dood, en ik hoop u weldra te bewijzen, vriend, dat ik zekere waarde -heb,” - -»Daar ben ik meer dan van overtuigd; en hiermede hebben wij elkander -thans goed begrepen, niet waar?” - -»Pardi! ja.” - -Op dit oogenblik klonk er op de straat zulk een geweldig leven, dat het -in de zaal duidelijk gehoord werd. - -Gelijk gewoonlijk in dergelijke gevallen, zwegen de luidruchtige gasten -in de pulqueria opeens doodstil om te luisteren. Men hoorde duidelijk -schreeuwen en vloeken, gekletter van sabels, en getrappel van paarden, -bij tusschenpoozen overstemd door het losbranden van vuurwapenen. - -»Carai!” riep Goedsmoeds, »ik geloof dat er op straat gevochten wordt.” - -»Dat vrees ik ook,” antwoordde de pulquero flegmatiek en meer dan half -beschonken, terwijl hij nog een glas refino ledigde. - -Eensklaps werd er, hetzij met het gevest van een sabel of met de kolf -van een pistool, heftig op de zwakke deur der pulqueria geklopt, en -riep eene krachtige stem op barschen toon: - -»Doe open voor den duivel! anders trap ik de ellendige deur aan -spaanders.” - - - - - - - - - -IV. - -DE GRAAF MAXIMA GAËTAN DE LHORAILLES. - - -Alvorens onze lezers de oorzaak op te helderen van het geweldige rumoer -dat den rustigen gang der zaken in de pulqueria zoo plotseling kwam -storen, zijn wij verplicht eenige stappen terug te treden. - -Drie jaren ongeveer voor het tijdstip waarop ons verhaal begint, in een -kouden regenachtigen Decembernacht, hadden acht personen, zoo als -genoegzaam uit hunne kleeding en manieren bleek, tot de hoogste klasse -der Parijsche samenleving behoorende, zich vereenigd in een elegant -kabinet van het Engelsche koffiehuis te Parijs. - -Het was reeds diep in den nacht; de waskaarsen, meer dan twee derden -verbrand, verspreidden haar zedig maar somber licht, de regen kletterde -tegen de vensters en de wind blies daar buiten met naargeestig gehuil. - -De gasten zaten rondom eene tafel, waarop het overschot van een -schitterend souper nog aanwezig was; zij schenen zich tegen wil en dank -door de sombere weersgesteldheid te laten beheerschen, en met de ruggen -in de gemakkelijke leuningstoelen weggezonken waren sommigen -ingesluimerd, terwijl anderen, in hunne gedachten verdiept, evenmin -acht sloegen op hetgeen er rondom hen gebeurde. - -De pendule op den schoorsteenmantel sloeg langzaam drie ure; nauwelijks -had de laatste slag uitgegalmd, of het herhaald geklipklap van een -postiljonszweep en het vroolijk gerinkel van paardenbellentuig liet -zich hooren onder de vensters van het vertrek, die op den Boulevard -uitzagen. - -De deur werd weldra geopend en een garçon kwam binnen. - -»De postchais voor mijnheer den graaf de Lhorailles is voor,” zei de -knecht. - -»Dank u,” zei een der gasten en wenkte den garçon dat hij heen kon -gaan. - -Deze boog en verwijderde zich, de deur achter zich sluitende. - -De weinige woorden, zoo even door den knecht gesproken, hadden de -bekoring gebroken die de gasten tot hiertoe geketend hield; allen -vlogen op alsof zij met schrik ontwaakten, en wendden zich tot een jong -heer van omtrent dertig jaar, die in hun midden zat. - -»Het is dus waar dat gij vertrekt?” riepen allen uit eenen mond. - -»Ja, ik vertrek,” antwoordde hij kalm met een toestemmenden hoofdknik. - -»Maar waar gaat gij dan toch heen? Men verlaat zijne vrienden maar zoo -niet zonder waarschuwen en zonder adres,” hervatte een der gasten. - -De man, dien deze vraag gold, glimlachte zwaarmoedig. - -De graaf de Lhorailles was een schoon en welgemaakt edelman, met -sprekende gelaatstrekken, krachtvollen blik, trotsche lippen; hij -behoorde tot een der oudste adellijke geslachten en genoot een bepaald -gevestigden roem onder de lions van dien tijd. - -Hij stond op en liet zijn blik over de gasten rondgaan. - -»Mijne heeren,” zeide hij, »ik begrijp al het zonderlinge van mijn -gedrag; gij hebt het recht om eene verklaring van mijne zijde te -verwachten; en die verklaring wil ik u gaarne geven. Bovendien is het -alleen met dit doel dat ik u heden bij mij heb genoodigd om met u het -laatste maal te gebruiken; het uur van mijn vertrek is geslagen, de -postchais staat mij te wachten: morgen ben ik reeds ver van Parijs, -binnen acht dagen zal ik Frankrijk hebben verlaten; hoort mij voor ’t -laatst.” - -De gasten waren blijkbaar getroffen en staarden den graaf aandachtig -aan. - -»Weest niet ongerust, mijne heeren,” zeide hij, »ik zal niet te veel -van uw geduld vergen, de historie die ik u te vertellen heb is niet -lang, het is de mijne. Hier is zij in weinige woorden, aldus: Ik ben -geheel geruïneerd; van alles wat ik bezat heb ik slechts eenige -biljetten van 100 francs over, waarmede ik, zoo ik te Parijs bleef, van -honger zou kunnen sterven of binnen eene maand genoodzaakt zou zijn mij -voor den kop te schieten, een vooruitzicht verzeker ik u, dat al te -treurig is om mij aan te lokken. Ongelukkigerwijs heb ik geen de minste -kans om bij het leger geplaatst te worden, want geheel buiten mijne -schuld heb ik te recht of te onrecht den naam van een overgegeven -duëllist, dat mij zeer in den weg staat, vooral sedert die treurige -zaak met den armen burggraaf de Morseus, dien ik tegen wil en dank -verplicht was te dooden, om hem den mond te stoppen en een einde te -maken aan zijne lasterlijke beweringen. Kortom wegens de redenen die ik -de eer heb gehad u op te geven en om een aantal andere, die gij niet -behoeft te weten en die ik zeker ben dat, zoo gij ze wist, u geen het -minste belang zouden inboezemen, is mij Frankrijk onverdragelijk -geworden, en dat wel zoo erg dat ik het met allen spoed ga verlaten. Nu -nog een glas champagne voor ’t laatst en daarmede adieu aan u allen!” - -»Een oogenblik, graaf!” antwoordde een der gasten, dezelfde die vroeger -reeds gesproken had, »gij hebt ons nog niet gezegd naar welk land gij -voornemens zijt te vertrekken.” - -»Kunt gij dat niet raden? Naar Amerika. Men zegt vrij algemeen dat het -mij niet aan moed of verstand ontbreekt, welnu, ik ga naar een land, -waar deze twee hoedanigheden, als ik de loopende geruchten gelooven -mag, voldoende zijn om fortuin te maken voor dengene die ze bezit. Hebt -gij mij nog iets te vragen, baron?” vervolgde hij zich tot den laatsten -spreker wendende. - -Deze stond alvorens te antwoorden eenige minuten in ernstige gedachten -verdiept en scheen zich te beraden. Eindelijk keek hij op en zag den -graaf met een koelen doordringenden blik aan. - -»Is het u inderdaad ernst, vriend, met uw vertrek,” zeide hij. - -»Volkomen ernst.” - -»Zweert gij mij dat op uwe eer?” - -»Ja, op mijne eer zweer ik het u.” - -»En zijt gij waarlijk besloten om u in Amerika een plaats te verwerven, -ten minste gelijk staande met die welke gij hier hebt ingenomen?” - -»Ja,” riep de graaf schielijk, »door alle mogelijke middelen.” - -»Goed zoo. Hoor dan op uwe beurt naar mij, graaf, en als gij uw -voordeel wilt doen met hetgeen ik u heb mede te deelen, zal het u -misschien met Gods hulp gelukken de dolzinnige plannen te volvoeren die -gij u hebt voorgenomen.” - -Al de aanwezigen traden belangstellend nader, zelfs de graaf scheen -tegen wil en dank nieuwsgierig te worden. - -De baron de Spurtzheim was een man van omtrent vijf en veertig jaar; -zijne vale kleur, scherp geteekende trekken en de onbeschrijfelijke -uitdrukking van zijn oogopslag gaven hem een zweem van zonderlingheid, -daar het gewone publiek zich geen recht denkbeeld van kon maken en die -hem zelfs bij de lieden van bekende scherpzinnigheid voor een inderdaad -merkwaardig man deden doorgaan. - -Men kende den baron algemeen aan zijn kolossaal vermogen, dat hij -koninklijk verteerde; wat echter zijne antecedenten betreft, daarvan -wist niemand, ofschoon hij in de hoogste kringen den vrijen toegang -had. - -Alleen zeide men algemeen dat hij verre reizen gedaan en verscheidene -jaren in Amerika gewoond had; maar niets is onzekerder dan loopende -geruchten en op dien grond zou het hem zeker nooit gelukt zijn in de -salons van den hoogsten adel voet te krijgen, zoo niet de -Oostenrijksche ambassadeur, zonder zich nochtans op dat punt ten zijnen -opzichte ooit duidelijk uit te laten, hem niet, buiten zijn weten, meer -dan eens in verscheidene netelige gevallen, met krachtdadige warmte in -zijne bescherming had genomen. - -De baron was meer intiem met den graaf gelieerd dan met zijne overige -vroolijke vrienden; hij scheen zeker bijzonder veel belang in hem te -stellen, en had hem meer dan eens in moeielijke omstandigheden, wanneer -hij vermoedde dat zijn vriend in verlegenheid was, langs bedekte wegen -uit den brand trachten te helpen. - -De graaf de Lhorailles, ofschoon te trotsch om deze offers aan te -nemen, had den baron deswege niet te min steeds een erkentelijk hart -blijven toedragen en dezen onbedacht zeker overwicht bij hem laten -verwerven. - -»Spreek, waarde baron, maar wees kort,” zei de graaf de Lhorailles; -»gij weet dat de postkoets op mij wacht.” - -Zonder te antwoorden greep de baron het schelkoord en trok aan de bel. - -De knecht kwam binnen. - -»Zend den postiljon weg en zeg hem dat hij morgen ochtend tegen vijf -ure terugkomt, gauw, gauw.” - -De knecht boog en vertrok. - -De graaf, hoezeer hoogelijk verwonderd over deze vrijheid van zijn -vriend, maakte echter geen de minste aanmerking; hij schonk zich een -glas champagne-wijn, dat hij in een teug ledigde, kruiste de armen op -de borst, wierp zich met den rug in zijn stoel en wachtte. - -»Welaan, mijne heeren,” begon de baron van Spurtzheim op zijn gewonen -schertsenden en pikanten toon, »terwijl onze vriend de Lhorailles ons -zijne geschiedenis verteld heeft en wij hier zoo fideel bij elkander -zitten, waarom zou ik u dan de mijne ook niet vertellen? Het is -vreeselijk weer, het stormt en stortregent daar buiten, hier zitten wij -warm en op ons gemak, wij hebben regalias en champagne, twee -uitmuntende zaken als men er zich niet in te buiten gaat. Wat zouden -wij beter doen kunnen? Niets immers? Wilt mij dus hooren, want ik meen -dat hetgeen ik u zeggen zal u wel belang zal inboezemen, te meer daar -ik zeker ben dat sommigen onder u gaarne hooren zullen waaraan zij zich -ten mijnen opzichte te houden hebben, en wat zij eigenlijk van mij -denken moeten.” - -De meeste barstten los in een schaterend gelach, bij deze stoute -verklaring. Toen hunne vroolijkheid weder bedaard was, nam de baron het -woord en begon: - -»Wat het eerste gedeelte mijner geschiedenis betreft, mijne heeren: zal -ik even kort zijn als de graaf. In de eeuw die wij beleven zijn de -edelen, ten gevolge van onze vooroordeelen en van onze opvoeding, zoo -geheel natuurlijk buiten den regel en de wet geplaatst, dat wij allen -een goede les in de school des levens noodig hebben en als het ware -genoodzaakt zijn, om zonder bijna te weten hoe, in weinige jaren ons -vaderlijk erfgoed door te brengen. Zoo ging het ook mij, gelijk de -meesten van u, mijne heeren. Mijne voorouders waren in de middeleeuwen -zoo wat roofzieke baronnen geweest, het echte bloed verloochent zich -niet licht. Toen nu mijne laatste hulpbronnen bijna waren uitgeput, -begon mijn aangeboren instinct wakker te worden en vestigden mijne -blikken zich op Amerika. Ik ging er heen; en in minder dan tien jaren -had ik het kolossaal fortuin verzameld, dat ik thans bezit en dat ik -thans het onuitsprekelijk geluk heb, niet te verkwisten, daarvoor had -ik niet te vergeefs eene harde les geleerd, maar te verteren en in uw -onschatbaar bijzijn te genieten, wel zorg dragende mijn kapitaal -onaangeroerd te laten.” - -»Maar mijn hemel!” riep de graaf ongeduldig, »hoe hebt gij het kunnen -verzamelen dat kolossale fortuin zoo als gij zelf het noemt?” - -»Veertig millioenen ongeveer,” antwoordde de baron droogjes. - -Eene begeerlijke huivering liep de aanwezigen door de aderen. - -»Wel een kolossaal vermogen, inderdaad,” riep de graaf; »maar ik -herhaal mijne vraag hoe hebt gij dat verzameld?” - -»Als ik niet bepaald voornemens was geweest het u te openbaren, geloof -mij, mijn waarde, ik zou uw geduld niet hebben misbruikt om u iets van -mijne armoede te zeggen dat gij zoo aanstonds hooren zult.” - -»Wij zijn geheel oor!” riepen allen. - -De baron liet zijn blik langzaam over de aanwezigen rondgaan. - -»Drinken wij eerst nog een glas champagne op het succes van onzen -vriend,” zei de baron sarcastisch. De glazen werden gevuld, geklonken, -en in een oogwenk geledigd, zoo groot was de nieuwsgierigheid die allen -bezielde. - -Na zijn glas voor zich op de tafel te hebben gezet, stak de baron een -regalia aan en wendde zich tot den graaf. - -»Het is inzonderheid tot u, mijn vriend,” zeide hij, »dat ik mij thans -richten zal, gij zijt jong, ondernemend, in het bezit van een vasten -wil en een ijzeren gezondheid: het staat bij mij onwederlegbaar vast -dat gij, tenzij de dood uwe plannen in duigen werpt, slagen moet in -alles wat gij onderneemt en welk doel gij ook beoogt. Op de baan die -gij u zelven gekozen hebt is de voornaamste, ja de eenige grond van -welslagen, dat men door en door bekend zij met het terrein waarop gij -moet werken en den kring waarin gij zult binnen treden. Had ik bij mijn -eerste optreden in het avontuurlijk leven dat gij begint, even als gij -dadelijk een vriend gevonden zoo als gij, om mij in de geheimen van -mijn nieuw bestaan te leiden, dan zou ik mijn fortuin reeds vijf jaar -vroeger gemaakt hebben. Wat niemand voor mij gedaan heeft wil ik thans -voor u doen, misschien zult gij mij later nog dank zeggen over de -aanwijzingen, die ik geven zal en die u leeren zullen den weg te vinden -in den verwarden doolhof, dien gij gereed zijt binnen te treden. -Vooreerst moet gij dit u ten beginsel stellen: dat de volken in wier -midden gij leven zult uwe natuurlijke vijanden zijn, gij gaat dus een -onophoudelijken strijd te gemoet, van dag tot dag en van uur tot uur; -alle middelen moeten u welkom zijn die u helpen kunnen om de zege te -behalen: zet al uwe grondregels van eer en kieschheid ter zijde, in -Amerika zijn dat niet dan ijdele woorden, die zelfs de kracht niet -hebben om er iemand mede te misleiden, om de eenvoudige reden dat -niemand er aan gelooft. De eenige God van Amerika is het goud; om goud -te verkrijgen is de Amerikaan tot alles in staat; en dat niet zoo als -in het oude Europa, onder een eerlijken schijn of met bedekte middelen, -maar open en bloot en zonder schaamte of berouw. Dit eenmaal tot regel -gesteld zijnde, is u de weg aangewezen, geen plan zoo dwaas en -buitensporig of het heeft in Amerika kans op welslagen, daar de -middelen om het uit te voeren in ruimen overvloed en schier onbeperkt -voorhanden zijn. Geen volk ter wereld heeft beter begrepen dan de -Amerikaan, wat associatie vermag: dat is de machtige hefboom waarmede -hij al zijne plannen tot stand brengt. Als men daar ginds, alleen, -zonder vrienden, zonder kennis of ervaring aankomt, moge men zoo -verstandig of zoo vastberaden zijn als men wil, maar men is verloren, -omdat men alleen staat tegenover de macht van allen.” - -»Dat is waar,” mompelde de graaf overtuigd en somber. - -»Geduld!” hervatte de baron met een glimlach, »of denkt gij dat ik u -zonder harnas ten strijd zou willen voeren? Neen, neen, ik zal er u een -geven van het kostelijkste staal, dat verzeker ik u.” - -Al de aanwezigen staarden vol verbazing den man aan, die in hun oog -binnen weinige minuten honderd ellen grooter was geworden. De baron -hield zich echter alsof hij den door hem gemaakten indruk niet -opmerkte, en vervolgde een oogenblik later, met nadruk op ieder woord -en als zocht hij zijne lessen in het geheugen van den graaf te willen -graveeren: - -»Onthoud wel wat ik u zeggen zal; het is van de grootste -aangelegenheid, vriend, dat er u geen woord van ontgaat; want de -uitslag uwer reis naar de Nieuwe Wereld hangt er bepaald van af.” - -»Spreek, ik zal er geen syllabe van verliezen,” riep de graaf met -koortsachtig ongeduld. - -De baron ging voort. - -»In den eersten tijd der landverhuizing, toen de toestroom der -vreemdelingen naar Amerika begon, vormde zich een maatschappij van -stoute gezellen zonder eer of trouw, zonder genade en zonder zwakheid, -die met terzijdestelling van alle nationaliteiten, vermits zij uit -allerlei volken afkomstig waren, geen andere regeering erkenden dan die -zij zelven instelden op het zoogenaamd Schildpaddeneiland, een schier -onmerkbare rots in het midden van den grooten Oceaan; die regeering was -monsterachtig, daar zij alleen op geweld was gegrond, en geen andere -wet erkende dan het recht van den sterkste. Die stoute gezellen, -onderling saamverbonden door eene drakonische wet, of schriftelijke -overeenkomst, gaven zich den naam van Broeders der Kust en waren in -twee klassen verdeeld, namelijk, de boekaniers en de vrijbuiters. - -»De boekaniers zwierven in de onmetelijke wouden, jacht makende op -buffelstieren, terwijl de vrijbuiters de zeeën afschuimden, alle -vlaggen aanvielen, en schepen van alle natiën plunderden, onder -voorwendsel van den Spanjaarden afbreuk te doen, maar inderdaad om de -rijken te bestelen ten voordeele der armen, als het eenigst hun bekende -middel om het evenwicht tusschen de beide klassen te herstellen. De -Broeders van de Kust namen gedurig al het gespuis in zich op dat uit de -oude wereld tot hen overkwam, zij werden steeds machtiger en machtiger, -zoo zelfs dat de Spanjaarden beefden voor hunne Amerikaansche -bezittingen en een roemrijk Koning van Frankrijk zich verwaardigde met -hen verdragen te sluiten en hun een ambassadeur te zenden. Later, door -de onverbiddelijke kracht der omstandigheden, zijn ook de Broeders van -de Kust, gelijk alle uit regeeringloosheid voortgesproten -staatsmachten, die bijgevolg geen beginsel van levensvatbaarheid in -zich zelven bezitten, allengs verminderd en eindelijk geheel verdwenen. -Toen men hen gedwongen had in de duisternis terug te treden, meende men -hen niet slechts overwonnen, maar totaal vernietigd te hebben; het was -er echter verre vandaan, zooals gij weldra met eigen oogen zien zult. -Ik vraag u verschooning voor deze lange en vervelende inleiding, maar -zij was onvermijdelijk noodig om u wel te doen verstaan wat ik u nog -verder te zeggen heb.” - -»Het is reeds half vijf, baron,” merkte de graaf aan, »wij hebben nog -maar veertig minuten tijd.” - -»Die tijd, hoe kort ook, zal mij voldoende zijn” antwoordde de baron; -»ik hervat dus: de Broeders der Kust waren niet verdelgd. Zij waren -slechts van gedaante verwisseld—zich met meesterlijke buigzaamheid -schikkende naar de eischen van eene macht die hen dreigde te -overtreffen; zij waren van huid veranderd, en in plaats van tijgers -vossen geworden. De Broeders der Kust waren thans de Dauph’yeers; in -plaats van even stout als voorheen met den dolk in de eene en de -enterbijl in de andere hand de vijandelijke schepen te bespringen, -hielden zij zich klein en groeven onderaardsche holen; tegenwoordig -zijn de Dauph’yeers de meesters der Nieuwe Wereld, zij zijn nergens en -zij zijn overal; zij regeeren overal; hun invloed doet zich onder alle -rangen en standen der maatschappij in Amerika gevoelen en opmerken, -zonder dat men hen zelven ooit te zien krijgt. Zij zijn het die de -Vereenigde Staten aan Engeland; Peru, Chili en Mexico aan Spanje hebben -ontrukt. Hunne macht is onbegrensd, des te geduchter naarmate zij meer -in het duister werkt, meer verloochend en geïgnoreerd wordt, daarin -juist ligt hunne kracht. Verloochend en ontkend te worden is voor eene -geheime maatschappij de onmisbare voorwaarde harer macht; er heeft in -Amerika geen omwenteling plaats, zonder den invloed der Dauph’yeers, -hetzij door haar te doen zegevieren of haar te doen mislukken. Zij -vermogen alles, zij zijn alles; buiten hunnen kring is niets mogelijk, -daar binnen alles; ziedaar wat in den voortgang des tijds in minder dan -twee eeuwen de Broeders der Kust, thans de Dauph’yeers, geworden -zijn!.... namelijk de ontwijfelbare spil waar in de Nieuwe Wereld alles -op draait; wel een jammerlijk lot voor dit schoon gewest om zoo ten -allen tijde, van zijne ontdekking af aan gedoemd te zijn onder de -dwingelandij te zuchten van de veelsoortige bandieten, die zich tot -taak schijnen gesteld te hebben het te beheeren en er hun voordeel mede -te doen, onder allerlei vormen, zonder dat het ooit in staat zal zijn -er zich van te ontslaan!” - -Er volgde eene vrij langdurige stilte; allen dachten na over hetgeen -zij gehoord hadden, dat, hoe overdreven ook, in allen deele ten minste -een schijn van waarheid bezat; de baron zelf liet het hoofd op de beide -handen zinken en scheen zich te verliezen in den maalstroom van ideeën, -die hij in zich had wakker gemaakt en die hem in massa bestormden met -de vele smartelijke en bittere herinneringen, welke zij in hem te -voorschijn riepen. - -Het rollen van een rijtuig in de verte, maar dat snel scheen te -naderen, riep den graaf de Lhorailles tot den zakelijken ernst van zijn -tegenwoordigen toestand terug. - -»Daar is mijne postchais!” riep hij, »ik vertrek, en ik weet nog -niets.” - -»Geduld,” antwoordde de baron, »neem afscheid van uwe vrienden en -vertrekken wij.” - -Tegen wil en dank gedwee, door het overwicht van dezen zonderlingen -man, gehoorzaamde de graaf zonder zelfs de minste aanmerking te maken. - -Hij stond op, omhelsde zijne oude vrienden, wisselde met hen de warmste -handdrukken, ontving hunne wenschen voor zijn welslagen en verliet het -vertrek, gevolgd door den baron. - -De postchais wachtte hem voor de deur van het koffiehuis. - -De andere heeren hadden de vensters van de kamer geopend en wenkten -hunnen vriend opnieuw vaarwel. - -De graaf wierp een langen blik op den Boulevard; de nacht was donker, -ofschoon de regen had opgehouden, de hemel was zwart als inkt, en de -gasvlammen schitterden flauw in de verte als sterren die zich verloren -in een nevel. - -»Vaarwel!” mompelde de edelman met eene gesmoorde stem, »vaarwel! wie -weet of ik ooit wederkom.” - -»Schep moed!” klonk eene strenge stem aan zijn oor. - -De jonkman sidderde; de baron stond naast hem. - -»Kom vriend,” zeide hij hem in het rijtuig helpende, »ik ga met u tot -aan de barrière.” - -De graaf steeg waggelend in het rijtuig en zonk op een der kussens -neêr. - -»Naar Normandië!” riep de baron tegen den postiljon en sloot het -portier. - -De postiljon klapte met de zweep, de chais zette zich in beweging en -vertrok in galop. - -»Adieu! adieu!” riepen de jongelieden uit de vensters van het Café -Anglais. - -Een geruimen tijd zaten de twee mannen zonder te spreken, eindelijk nam -de baron het woord. - -»Gaëtan!” zeide hij. - -»Wat wilt gij?” antwoordde de graaf. - -»Ik heb u mijne geschiedenis nog niet uitverteld.” - -»Dat’s waar,” mompelde hij verstrooid. - -»Verlangt gij het slot niet te hooren?” - -»Spreek, vriend.” - -»De toon waarop gij mij dit zegt, mijn waarde, bewijst dat uw geest in -de denkbeeldige wereld omzwerft; gij denkt zeker aan hen die gij -verlaten hebt.” - -»Helaas!” zuchtte de graaf, »ik ben alleen op de wereld. Om wie zou ik -treuren? ik heb noch magen noch vrienden.” - -»Ondankbare!” riep de baron op een toon van verwijt. - -»’t Is waar; vergeef mij, waarde vriend, ik wist zelfs niet wat ik -zeide.” - -»Ik vergeef het u, maar alleen op voorwaarde dat gij naar mij -luistert.” - -»Dat beloof ik u.” - -»Welaan dan, vriend, om op die Dauph’yeers daar ik u van sprak terug te -komen, zoo gij in uw plannen slagen wilt zijn hunne vriendschap en -bescherming voor u onmisbaar.” - -»Helaas! hoe zal ik, als vreemdeling mij die vriendschap en die -bescherming verwerven? Nu eerst beef ik van angst als ik aan dat land -denk daar ik mij zulk eene schoone toekomst droomde te zullen scheppen; -de blinddoek is mij van de oogen gevallen, ik zie thans hoe -buitensporig mijne plannen zijn; de moed ontzinkt mij.” - -»Nu reeds?” riep de baron streng. »Kind zonder geestkracht, die den -strijd reeds opgeeft eer gij hem aanvaard hebt! Man zonder kracht en -zonder moed! De vriendschap en de bescherming die voor u zoo onmisbaar -zijn, kunt gij verwerven, zoo gij wilt, ik zal er u de middelen toe -verschaffen.” - -»Gij!” riep de graaf tintelend van nieuwe hoop. - -»Ja, ik. Wat denkt gij, dat ik mij zou kunnen vermaken met u twee uren -lang te folteren, en met u te spelen als de jaguar met een lam, alleen -uit baldadige scherts? Neen, Gaëtan, als gij dat denkt dan vergist gij -u wel zeer; ik bemin u, vriend. Toen ik uw besluit hoorde, heb ik het -uit grond van mijn hart toegejuicht: het heeft u in mijne schatting -hersteld; toen gij ons dezen nacht ronduit uw toestand te kennen gaaft -en uwe plannen ontwikkeldet, was het als vond ik mij zelven in u terug, -mijn hart beefde van blijdschap, wel eene minuut lang was ik gelukkig, -en toen heb ik in mij zelven gezworen dat ik u den breeden en schoonen -weg zou openen, op welken gij zeker slagen moet, of het zal uw eigen -schuld zijn, omdat gij niet hebt gewild.” - -»O!” riep de graaf met drift, »ik zou kunnen omkomen in den strijd die -op dit oogenblik tusschen mij en het gansche menschdom begint; maar -vrees niet, vriend, ik zal ridderlijk vallen als een man van moed. - -»Daar ben ik van overtuigd, vriend; ik heb u nog maar weinige woorden -te zeggen. Ook ik ben Dauph’yeer geweest, ik ben het nog; het vermogen -dat ik bezit heb ik alleen aan mijne broeders te danken. Neem deze -portefeuille, doe dit kettinkje met het kleine medaillon dat er -aanhangt om uw hals; straks, als gij alleen zijt, leest gij de -voorschriften die de portefeuille bevat, en zij zullen u den weg wijzen -hoe gij handelen moet. Zoo gij ze stipt van punt tot punt opvolgt, sta -ik u borg voor uw succes: dat is het cadeau dat ik voor u bestemd had -en dat ik u niet heb willen geven voor dat wij alleen waren.” - -»Is het mogelijk!” riep de graaf in vervoering. - -»Hier zijn wij aan de barrière,” zei de baron, terwijl het rijtuig stil -hield; »wij moeten scheiden. Vaarwel, vriend, moed en standvastigheid! -omhels mij. Bovenal denk om de portefeuille en het medaillon.” - -De beide mannen omarmden elkander lang: eindelijk rukte de baron zich -met geweld los, opende het portier en sprong op de trottoir. - -»Adieu;” riep hij voor ’t laatst, »adieu, Gaëtan! denk er om.” - -De postchais reed in snellen draf den straatweg op. - -Het was zonderling maar de beide mannen mompelden moedeloos hetzelfde -woord zoodra zij zich alleen bevonden, de een met driftigen stap den -trottoir afgaande, de andere half verscholen in de kussens der -postkoets. - -Dat woord was: - -»Misschien”! - -Ondanks alle moeite die zij deden om zich zelven te bedriegen, hoopten -zij geen van beiden. - - - - - - - - - -V. - -DE DAUPH’YEERS. - - -Thans verlaten wij de oude wereld en maken een geweldigen overstap, die -ons met een enkelen sprong in de nieuwe wereld overbrengt. - -Er is in Amerika eene stad die zich misschien met geen andere op den -ganschen aardbol laat vergelijken. - -Die stad is Valparaiso. - -Valparaiso! de naam alleen reeds klinkt in ons betooverd gehoor als de -zoetluidende tonen van een minnezang. - -Behaagziek, glimlachend en schalksch, als eene dartele kreolin op de -mollige sofa, uitgestrekt op den oever eener bekoorlijke baai aan het -hangen van drie majestueuze bergen, de kleine rozenvoeten badend in de -azuren golfjes der Stille Zuidzee, en het gedachtenvolle hoofd -omsluierend met de witte nevelwolken die de zuiderwind van kaap Hoorn -aanblaast en met somber gehuil heenvoert naar de hoogste toppen der -Cordilleras, om haar als te kronen met een schitterende diadeem. - -Al ligt zij op Chiliaanschen bodem, toch behoort deze zonderlinge stad -inderdaad tot geen land en erkent zij geen bijzondere nationaliteiten, -of liever, om juister te spreken, neemt zij ze allen op in haar schoot. - -Te Valparaiso verzamelen zich de gelukzoekers uit alle landen; alle -talen worden er gesproken, iedere tak van koophandel wordt er gedreven; -hare bevolking is een bonte mengeling van de vreemdsoortigste en -zonderlingste personaliteiten, samengevloeid uit de verste vijf hoeken -der werelddeelen om op den windval der fortuin te loeren in deze -afgelegen stad, als op den uitersten voorpost der transatlantische -beschaving, welks geheime invloed de Spaansch-Amerikaansche -gemeenebesten beheerscht. - -Valparaiso is even als alle groote handelplaatsen van Zuid-Amerika, -eene verzameling van wanstaltige hutten en prachtige paleizen, de een -als boven op den ander gestapeld en in lange trossen of risten -opgehangen aan de klippige steilten der drie bovengenoemde bergen. - -Op het tijdstip waarmede ons verhaal aanvangt waren de straten nauw, -morsig en donker, bij gebrek aan zonneschijn. Geheel of gedeeltelijk -van plaveisel beroofd, worden het ware moddergoten, waarin de -voetganger tot aan de knieën wegzinkt, wanneer de stortregens in het -wintersaizoen of het afvlietende water van de bergen den grond -doorweekt, zoodat het gebruik van rijpaarden er onvermijdelijk is zelfs -voor de kortste afstanden. - -Uit deze slijkpoelen, nog verergerd door het vuilnis van allerlei soort -dat de dagelijksche afval bij het schoonhouden der huizen er aan -toevoegt, wasemt gedurig een stinkende rotlucht, de vruchtbare moeder -van kwaadaardige koortsen, zonder dat iemand er ooit aan dacht om deze -ergernis uit den weg te ruimen en voor de publieke gezondheid te waken. - -Tegenwoordig, zegt men, is de staat van zaken er merkelijk veranderd en -herkent Valparaiso zich zelven niet meer; wij willen het wenschen en -zouden het gaarne gelooven, ofschoon de welbekende zorgeloosheid der -Zuid-Amerikanen ons veel reden geeft om er grootendeels aan te -twijfelen. - -In een der morsigste en kwalijkst beruchte straten van Valparaiso stond -een huis, dat wij den lezer verlof vragen om in weinige woorden te -beschrijven. - -Wij zijn reeds dadelijk genoopt te bekennen dat de bouwmeester die het -samenstelde, al was hij ook bijzonder karig met het aanbrengen van -overtollige sieraden, het volmaakt wel had ingericht voor de industrie -der verschillende eigenaars, die er achtervolgens hun bedrijf in zouden -uitoefenen. Het was eene groote van kalk en stroo gebouwde kavalje, -welks voorgevel op de straat de la Merced uitzag; terwijl de -achterzijde aan de zee uitkwam, over welke het met behulp van stevig -paalwerk tot op zekere diepte vooruitsprong. - -Dit huis werd bewoond door een herbergier. Geheel in strijd met de -gebouwen in Europa, die naarmate men hooger komt doorgaans smaller en -lichter worden, werd dit integendeel hoe hooger hoe breeder, zoodat het -bovenste gedeelte zeer ruim en goed verlicht mocht heeten, terwijl de -winkel en de overige vertrekken gelijkvloers klein en donker waren. - -De tegenwoordige eigenaar had van dezen bouwkunstigen aanleg handig -gebruik gemaakt, om in de ruimte tusschen de eerste en tweede -verdieping een afzonderlijk vertrek te bouwen, dat men langs een in den -muur verborgen wenteltrap bereiken moest. - -Dit vertrek was derwijze gelegen dat het minste gedruisch van de straat -er zeer duidelijk kon gehoord worden, en soms zoo geweldig klonk dat de -personen die er zich bevonden niets merkten van het leven dat zij -zelven maakten, ja nauwelijks elkanders woorden konden verstaan. - -De eerzame herbergier, dien het huis toekwam, had natuurlijk een min of -meer gemengde clientèle van allerlei slag: makelaars, kapers, -rateros—gauwdieven—en anderen, wier gedragingen hem in gevaar brachten, -om met de Chiliaansche politie in moeielijkheid te geraken; bij gevolg -lag er, aan een ring onder een der vensters die aan de zee uitkwamen, -doorgaans een walvischvaarder vastgemeerd, om een voorloopige toevlucht -te bieden aan de gasten uit de herberg, wanneer de politieagenten soms -waakzaam genoeg waren om dit dievenhol te onderzoeken en hun te dicht -achter de hielen zaten. - -Dit huis heette destijds, en waarschijnlijk nu nog, zoo het ten minste -later niet door een brand of een aardbeving verwoest en van -Valparaiso’s grond verdwenen is—de Locanda del Sol. - -Op een ijzeren plaat, die boven de deur aan een driehoek bij den -minsten wind hing te slingeren en te kraken, had een kladschilder zijne -kunst getoond met een groot vuurrood aangezicht te schilderen, omringd -van gouden stralen, dat waarschijnlijk den bovengemelden titel moest -toelichten. - -Señor Benito Sarzuela, kastelein uit de Locanda del Sol (logement de -Zon), was een groote, stuursche, magere vent, met een hoekig gelaat en -gluipenden blik, een mesties van gekruist Araucaansch-, Neger-, en -Spaansch bloed, wiens moraal volmaakt overeenstemde met zijn physiek, -in zoover namelijk dat hij de ondeugden der drie—roode, zwarte en -blanke rassen in zich vereenigde, zonder een enkele hunner deugden te -bezitten, terwijl hij onder bedekking van één openbaar beroep, er een -twintig andere heimelijk uitoefende, van welke het onschuldigste, zoo -men er achter ware gekomen, voldoende zou zijn geweest om hem voor -levenslang naar de presidios—de galeien—te sturen. - -Ongeveer twee maanden na de in het vorige hoofdstuk vermelde -gebeurtenissen, des avonds tegen elf ure, in een kouden, mistigen -winternacht, zat señor Benito Sarzuela druilig achter zijne toonbank, -en staarde met hopeloozen blik op de ledige zaal van zijn -établissement. - -De wind woei met hevige rukken en deed het uithangbord der Meson met -klagend geluid kraken op zijne hengsels. Zwarte, laaghangende wolken -uit het zuiden dreven zwaar door het luchtruim en ontlastten zich nu en -dan met groote droppels op den door vroegere onweersbuien doorweekten -grond. - -»Waar moet dat heen?” mompelde de ongelukkige kastelein met een -weemoedig gezicht half binnenmonds; »al weder een dag als zoo vele -vorigen, sangre de Dios! Sedert vele dagen heb ik geen kans meer, en -als dat nog eene week zoo duurt ben ik geruïneerd.” - -Werkelijk scheen de Locanda del Sol sedert eene maand ongeveer onder -een samenloop van omstandigheden, ook van weêr en wind, zijn ouden -luister geheel verloren te hebben, zonder dat de kastelein zich -begrijpen kon waar hij dezen ongelukkigen ommekeer aan toe moest -schrijven. - -In de ruime gelagkamer was alles doodstil en ledig. Men hoorde er geen -gezang of gevloek, veel min het rinkelen der gebroken glasruiten of het -kletteren der drinkglazen, kannen of flesschen, die de luidruchtige -gasten bij opkomenden twist of in een uitgelaten roes elkander vaak -naar ’t hoofd in stukken smeten of door de zaal keilden. - -Treurige wisselkeer der menschelijke zaken! Het topvolle fortuin was -eensklaps door het volkomen ledige vervangen. Al had de pest in het -huis geregeerd, kon het niet eenzamer en meer verlaten zijn geweest: de -flesschen bleven ordelijk in de rakken geschaard, en in den loop van -dien dag waren er slechts twee voorbijgangers binnen gekomen om een -glaasje pisco [9] te drinken,—dat zij dadelijk betaald hadden, zich -haastende om het buffet te verlaten, ondanks de spraakzaamheid en de -dringende vriendelijkheid van den kastelein, die hen vruchteloos poogde -te houden om met hen over de nieuwtjes van den dag te praten en vooral -om zijn vervelende eenzaamheid te breken. - -Na de weinige woorden die wij hem zoo even hoorden mompelen, was de -eerzame don Benito opgestaan en maakte hij zich al brommende gereed om -zijn hotel te sluiten, om ten minste bij gebrek van andere winsten het -licht uit te sparen, toen er op eens een man binnen kwam, weldra -gevolgd door een tweede, een derde, vierde—zesde, tiende,—eindelijk -kwamen er zoo veel dat de locandero het opgaf ze te tellen. - -Al deze mannen waren in ruime mantels gewikkeld, en hadden groote -hoeden op, wier breede rand, met zorg over de oogen neergeslagen, hen -geheel onkenbaar maakte. - -Weldra was de zaal eivol met gasten, die rookten en dronken, maar geen -woord spraken. - -Zonderling verschijnsel! ofschoon al de tafels en tafeltjes bezet waren -met drinkers, heerschte er onder hen zulk eene diepe stilte, dat men -duidelijk daar buiten den regen kon hooren ruischen en de paarden der -serenos kletteren over de keien, of klotsen in de modderplassen die -hier en daar den grond bedekten. - -De kastelein, door dezen onverwachten terugkeer der fortuin op het -aangenaamst verrast, deed zijn uiterste best om de welkome klanten te -bedienen. Nu echter gebeurde er iets dat señor Sarzuela wel verre was -van te verwachten; want ofschoon het spreekwoord zegt: »dat overmaat -van goede zaken geen kwaad kan,” en de spreekwoorden de dragers zijn -van de wijsheid der volken, werd de toevloed der onbekenden, die met -elkander schenen te hebben afgesproken om in de Locanda del Sol eene -bijeenkomst te houden, binnen weinige minuten zoo ongeëvenredigd groot, -dat de kastelein er eindelijk zelf bang voor begon te worden, want de -Locanda, straks nog zoo ledig en doodsch, werd weldra zoo vol dat hij -niet meer wist waar hij de onophoudelijk binnenkomenden plaatsen zou. -Wat meer zegt, toen de groote zaai propvol was en, om zoo te zeggen -overliep, vond de altoos klimmende toevloed een uitweg naar de -belendende vertrekken, vervolgens steeg hij de trappen op en -verspreidde zich in de bovenkamers, die alweder spoedig gevuld waren. - -Kortom, met den eersten slag van elven hadden zich meer dan twee -honderd gasten in de Locanda del Sol verzameld. - -De locandero, overigens een welberekenende kerel dien het niet aan de -noodige schranderheid ontbrak, begreep spoedig dat er iets -buitengewoons moest gebeuren, en dat zijne meson er -allerwaarschijnlijkst de schouwplaats, van zijn zou. Hij beefde -inwendig voor de gevolgen en eene huivering van vrees deed zijne haren -stoppelen, terwijl hij in zijn hoofd naar een geschikt middel zocht om -zich van deze gevaarlijke en stilzwijgende gasten te kunnen ontslaan. - -In den uitersten nood en niet wetende wat hij beter zou doen, stond hij -op met een brutaal gezicht en in eene houding zoo ferm mogelijk trad -hij naar de deur, als of bij zich gereed maakte om zijne herberg te -sluiten. - -De gasten bleven echter zoo stom als visschen, verroerden geen vin om -hem tegen te houden of om heen te gaan, integendeel deden zij als zagen -zij niets. - -Don Benito huiverde opnieuw en tweemaal zoo erg. Plotseling klonk er in -de roerlooze stille eene stem die hem een ongezocht voorwendsel gaf, -daar hij vergeefs naar zocht, het was de nachtwacht die juist de deur -der locanda voorbijging en op de gewone wijs riep: - -»Ave Maria purissima! Las onze han dado ylluve!” [10]. Ofschoon de -bewegelijke toon waarop deze antieke volzin door den sereno werd -uitgebalkt schier in staat was om een kater tranen af te persen, maakte -zij geen den minsten indruk op de handelingen van den kastelein. - -Door overmaat van angst vatte señor Sarzuela eindelijk weder moeds -genoeg om zich onmiddellijk tot zijne stijfhoofdige gasten te wenden en -hen op eene krachtige wijs te interpelleeren; hij plaatste zich daartoe -midden in de zaal met de vuist op de linkerheup en een fier opgericht -hoofd. - -»Señores caballeros!” riep hij met een bevende stem, die hij te -vergeefs de noodige fermeteit trachtte te geven, »het is elf uur -geslagen; de politieverordening verbiedt mij om langer te tappen; weest -dus als ik u verzoeken mag zoo goed van onverwijld te vertrekken, daar -ik verplicht ben om mijn huis te sluiten.” - -Deze toespraak, waar hij zich de beste gevolgen van had durven beloven, -had juist een tegenovergestelde uitwerking dan hetgeen hij verwachtte. - -De onbekende gasten sloegen met hunne bekers op de tafels en riepen als -uit eenen mond: - -»Drank!” - -De kastelein deed een sprong achteruit van schrik, bij zijne geweldige -misrekening. - -»Maar, met uw welnemen, caballeros,” waagde hij opnieuw het volgend -oogenblik te hervatten, »de politieverordening is streng, het is elf -ure, en...!” - -Hier kon hij niet verder; het leven begon opnieuw en sterker dan te -voren, en de gasten riepen met donderende stem: - -»Drank!” - -Nu greep er in het gemoed van den kastelein eene reactie plaats, die -zich licht laat begrijpen; in den waan dat men het persoonlijk op hem -gemunt had en dat zijn eigen belangen op het spel stonden, geraakte de -vrees bij hem op den achtergrond om plaats te maken voor de gierigheid, -bedreigd in hetgeen bij hem boven alles ging, namelijk zijne bezitting. - -»Ha?” riep hij sidderend van gramschap, »gaat het hier zoo toe, dan -zullen wij zien of ik in mijn eigen huis meester ben of niet. Ik ga -terstond naar den alcade!” - -Deze bedreiging met het gerecht, in den mond van een man als Sarzuela, -scheen inderdaad zoo ongerijmd en bespottelijk; dat het gansche -gezelschap eenparig in een homerischen lach uitbarstte en den armen -kerel uitjouwde daar hij bijstond. Dit was de genadeslag; de maat liep -over, de gramschap van den armen kastelein klom tot razende woede en -hij stormde naar de deur als een dolleman onder het oorverdoovend gegil -en geschater zijner vervolgers. - -Doch nauwelijks had hij een voet over den drempel van zijn huis, of een -nieuw aankomende gast hield hem tegen, greep hem bij den arm en drong -hem met een ruk in de zaal terug, hem op snaakschen toon toevoegende: - -»Welke vlieg heeft u gestoken, kastelein? Zijt gij gek om in zulk een -weêr blootshoofd de deur uit te loopen, ’t is goed om een pleuris te -krijgen.” - -Terwijl de locandero, door dezen ruwen schok verschrikt en schier van -de been geraakt, beide zijn physiek en moreel evenwicht poogde te -herstellen om zijne gedachten weder in orde te brengen, had de -onbekende gedaan alsof hij thuis was; met behulp van een paar andere -gasten, die hij wenkte hem te helpen, werden de blinden in de vensters -gezet, en de deur gesloten, gegrendeld en geketend, met even veel -behendigheid en zorg als Sarzuela zelf gewoon was aan dat fijne werk te -besteden. - -»Ziedaar, dat is alweder gedaan,” zeide de onbekende tegen den -verbluften kastelein, »nu zullen wij samen praten, compadre, als gij -wilt. Maar, à propos, kent gij mij niet?” vervolgde hij zijn hoed -afzettende, zoodat zijn fijne en schrander hoofd te voorschijn kwam en -een gelaat waarop in dit oogenblik een glimlach vol scherts en goede -luim schitterde. - -»O! el señor don Gaëtan,” zei Sarzuela voor wien deze ontmoeting alles -behalve aangenaam was, en die moeite had om geen allerleelijkst gezicht -te trekken. - -»Stil!” riep de andere, »kom mede.” - -En met een wenk voerde hij den kastelein naar een hoek der zaal, bukte -aan zijn oor en vroeg hem zoo zacht mogelijk: - -»Hebt gij vreemdelingen in uw huis?” - -»Zie maar eens!” antwoordde de kastelein met een benauwd gezicht naar -zijne gasten wijzende die lustig zaten te drinken, »dit legio duivels -heeft sedert het laatste uur mijn hôtel ingenomen, ze drinken goed, dat -is waar; maar hun meer dan verdacht voorkomen is voor een fatsoenlijk -man gansch niet geruststellend.” - -»Zooveel te beter, dan hebt gij ten minste niets te vreezen. Bovendien, -over hen loopt thans de kwestie niet, ik vraag u alleen of gij vreemde -logee’s in huis hebt; wat deze heeren betreft, die kent gij misschien -even goed, zoo niet beter dan ik.” - -»Ik heb in mijn gansche huis, van den zolder tot aan den kelder geen -andere gasten dan deze caballeros, die gij beweert dat ik wel zou -kennen. ’t Is mogelijk, maar zoolang als ze nu reeds hier zijn hebben -zij goedgevonden zich zoo dicht in te pakken, dat ik nauwelijks de punt -hunner neuzen heb gezien, zoodat ik niet in staat was hen te -herkennen.” - -»Gij zijt een onnoozele hals, waarde vriend; deze lieden, die u zoo erg -schijnen te mishagen, zijn allen Dauph’yeers.” - -»Inderdaad!” riep de verbaasde kastelein, »maar waarom verbergen zij -dan hun aangezicht?” - -»Waarom, meester Sarzuela? ik denk voor het naaste dat het is omdat zij -zich niet gaarne laten zien.” - -Terwijl hij den bedremmelden kastelein in zijn aangezicht uitlachte, -gaf hij de anderen een wenk. - -Twee personen stonden op, pakten den armen drommel beet en eer hij tijd -had om te gissen wat er met hem gebeurde, was hij reeds zoo handig en -wel vastgekneveld dat hij geen lid meer verroeren kon. - -»Heb geen vrees, meester Sarzuela, men zal u geen leed doen,” vervolgde -de onbekende. »’t Is maar dat wij zonder getuigen spreken willen, en -daar gij een weinig babbelachtig van aard zijt, nemen wij onze -voorzorgen; anders niets. Wees derhalve gerust, binnen weinige uren -zijt gij weder vrij. Kom, haast u een beetje, gij daar!” vervolgde hij -tegen zijne handlangers; »steekt hem een prop in den mond, brengt hem -naar zijne kamer in bed, en draait de deur op het nachtslot. Tot -weêrziens, brave kastelein, heb vooreerst maar een beetje geduld.” - -De orders van den onbekende werden stipt ten uitvoer gebracht; de -ongelukkige Sarzuela, gekneveld en den mond gestopt, werd door twee man -op de schouders genomen, de zaal uitgedragen, naar zijne kamer -gebracht, in een ommezien in zijn bed gelegd en in een ommezien -opgesloten; dit alles ging zoo snel in zijn werk dat hij er zelfs niet -aan dacht om den minsten tegenstand te bieden. - -Wij zullen hem een poos aan zijne alles behalve rooskleurige -beschouwingen overlaten, die hem zeker zoodra hij zich met zijne -wanhoop alleen bevond in massa bestormden, en keeren naar de groote -zaal der herberg terug, waar wij voor ons vrij wat belangrijker -personen te beschouwen hebben, dan den armen hospes. - -De Dauph’yeers zagen zich nauwelijks meester in de gelagkamer, of -eensklaps werden de tafels op elkander tegen den muur gestapeld om -midden in de zaal meer ruimte te krijgen, vervolgens zette men de -banken in rijen, waarop eindelijk allen plaats namen. - -De Locanda del Sol was zoodoende binnen weinige minuten geheel van -gedaante veranderd en in eene clubzaal herschapen. - -De laatstaangekomen gast van Sarzuela, op wiens order men hem den mond -gestopt en armen en beenen gebonden had, scheen op het uitgelezen -gezelschap thans in de gelagkamer verzameld zekeren invloed of gezag -uit te oefenen. Zoodra toch was de kastelein niet uit den weg geruimd, -of de bevelvoerder deed zijn mantel af, gaf de vergadering een wenk om -stilte te verzoeken en nam het woord op in zuiver Fransch: - -»Broeders,” begon hij met eene heldere welluidende stem, »ik dank u -voor uwe stipte gehoorzaamheid.” - -De Dauph’yeers bogen wederkeerig beleefd. - -»Mijne heeren,” vervolgde hij, »onze plannen marcheeren goed, weldra, -zoo ik hoop, bereiken wij het doel dat wij zoolang reeds beoogd hebben, -en treden wij uit de duisternis, in welke wij thans nog voortkruipen, -te voorschijn om plaats te nemen in het volle zonlicht. Amerika is een -wonderbaar land, waar aller eerzucht bevrediging kan vinden; zooals ik -veertien dagen geleden, toen ik de eer had u voor de eerste maal bijeen -te roepen, mij verbonden heb, heb ik alle noodige maatregelen genomen -en wij zijn geslaagd. Gij lieden, mijne vrienden, hebt mij wel tot -directeur der Mexicaansche beweging willen benoemen; en ik zeg er u -dank voor, mijne broeders. Eene aanvraag van drieduizend acres land is -mij toegestaan, te Guetzalli, in Opper-Sonora. De eerste stap is -gedaan. Mijn luitenant de la Ville is gisteren naar Mexico vertrokken -om het afgestane land in bezit te nemen. Heden heb ik u een verzoek te -doen. Gij allen die mij hier hoort, zijt Europeanen of -Noord-Amerikanen; gij zult mij dus begrijpen. - -»Reeds sedert lang in schijn onverschillig voor hetgeen er in de -Amerikaansche republieken omgaat, zijn de Dauph’yeers, de wettige -opvolgers der Kust-Broeders, tot hiertoe werkelooze toeschouwers -gebleven bij de woelige tooneelen, plotselinge veranderingen en -onbeschaamde omwentelingen, die de oude Spaansche koloniën -onophoudelijk teisteren. - -»Het uur is voor ons gekomen om aan den strijd deel te nemen: ik heb -honderd vijftig getrouwe mannen noodig. Guetzalli zal hun voorloopig -toevluchtsoord zijn. Spoedig zal ik hun zeggen wat ik van hunnen moed -verlang; tracht slechts te doen wat ik wil wagen. De onderneming die ik -beraamd heb en in welke ik wellicht zal omkomen is geheel ten voordeele -van ons bondgenootschap; zoo ik slagen mag, is elk die er deel aan -heeft genomen eene rijke belooning en eene aanzienlijke plaats -verzekerd. Gij kent den man die mij bij u heeft ingeleid, hij bezat uw -aller vertrouwen; de gedenkpenning dien hij mij gaf, bewijst dadelijk -dat hij volkomen voor mij borg staat: en nu vraag ik u of gij op uwe -beurt mij vertrouwen schenkt, gelijk hij mij vertrouwde; zonder u kan -ik niets uitrichten. Ik wacht uw antwoord.” - -Hier zweeg hij. - -Onder de aanwezigen ontstond thans ofschoon met gesmoorde stem eene -levendige woordenwisseling, die een geruimen tijd aanhield. Eindelijk -werden allen weder stil en stond een van hen op. - -»Mijnheer de graaf Gaëtan de Lhorailles,” zeide hij, »mijne broederen -gelasten mij u in hunnen naam te antwoorden. Gij hebt u aan ons -voorgesteld, ondersteund door de krachtige aanbeveling van een man die -ons volste vertrouwen bezit; uw eigen gedrag schijnt ons toe deze -aanbeveling in allen deele te bevestigen; de honderd vijftig mannen die -gij vraagt zijn bereid u te volgen, onverschillig waarheen gij hen -leiden zult, en wel overtuigd dat zij niet anders dan winnen kunnen -door uwe plannen te ondersteunen. Ik, Diego Leon, schrijf mijn naam -bovenaan op de lijst.” - -»En ik!” - -»En ik!” - -»En ik!” riepen de Dauph’yeers om strijd. - -De graaf wenkte met de hand en het werd weder stil. - -»Broeders, ik dank u,” zeide hij. »Te Valparaiso zal ik, wanneer alles -goed gaat, de dappere mannen kiezen, die ik in ’t vervolg zal noodig -hebben. Heden heb ik aan honderd vijftig mannen genoeg. Zoo mijn plan -gelukt, wie weet wat ons dan in de toekomst nog wacht. Ik heb -eigenhandig een contract opgemaakt, welks voorwaarden ik niet twijfel -dat stipt door u zoowel als door mij zullen worden nagekomen. Leest het -eerst en teekent het daarna: binnen twee dagen vertrek ik naar Talca; -maar over zes weken ben ik weder hier om mij te verstaan met diegenen -onder u, die bereid zijn mij te volgen, en alsdan zal ik hun mijne -plannen tot in de kleinste bijzonderheden mededeelen.” - -»Kapitein de Lhorailles,” hernam Diego Leon; »gij zegt dat gij niet -meer dan honderd vijftig mannen noodig hebt. Laten wij er dan om loten, -want allen willen u volgen.” - -»Ik zeg u wederom dank, brave kameraden,” zei de graaf, »gelooft mij, -ieder van u zal zijne beurt krijgen; het door mij ontworpen plan is -grootsch en uwer waardig; onder ulieden eene keus te doen zou te veel -naijver wekken, tusschen mannen die allen verdienstelijk zijn; ik -gelast u derhalve, Diego Leon, om door het lot te beslissen, wie van -onze eerste onderneming deel moeten uitmaken.” - -»Dat zal geschieden,” antwoordde Diego Leon, een stijve en regelmatige -Bearnees, voormalig brigadier der Spahis, een oud soldaat, ten volle -bekend met de dienst; strenge krijgstucht was zijn stokpaardje. - -»Nu, mijne vrienden, nog een enkel woord: denkt er om dat ik u heden -over drie maanden wacht te Guetzalli, van daar met Gods hulp zal de -ster der Dauph’yeers heerlijk voor ons opgaan. Drinken wij, mijne -broeders, op het welslagen onzer onderneming.” - -»Drinken wij!” riepen al de Kust-Broeders in blakende geestdrift. - -De kastelein werd uit zijn bed gehaald om de gasten te bedienen. - -Nu werd er wijn en brandewijn bij volle stroomen gelapt en gedronken. - -De gansche nacht ging om in eene slemppartij, die tegen den morgen haar -volle hoogte bereikte, toen de vergadering met het krieken van den dag -onder de beste verwachtingen uiteen ging. - -Zoo had de graaf de Lhorailles, dank zij den talisman dien de baron hem -voor zijn vertrek uit Europa gegeven had, zich terstond na zijn -aankomst in Amerika aan het hoofd gesteld van een troep bondgenooten, -bestaande uit ondernemende en vastberaden mannen, met wier behulp een -man van zooveel verstand en aanleg als hij, wel in staat was groote -dingen uit te voeren. - -Ongeveer twee maanden na de hierboven door ons beschreven vergadering, -waren de graaf en zijne honderd vijftig Dauph’yeers vereenigd in de -kolonie te Guetzalli, welke heerlijke bezitting hij zich door den -geheimen invloed van den baron Spurtzheim had weten te verschaffen. - -Zonder dat iemand gissen kon waaraan men zulk een opgang moest -toeschrijven, genoot de graaf een ongehoorden voorspoed, alles gelukte -hem, de schijnbaar dolzinnigste ondernemingen werden door hem tot een -goed einde gebracht, zijne kolonie bloeide meer en meer en breidde zich -uit op een wijze die een ieder bewonderde, en zelfs het Mexicaansche -gouvernement met de schoonste verwachtingen vervulde. - -Met de grondige wereld- en menschenkennis, die de graaf in de hoogste -mate bezat, had hij de afgunst zijner benijders tot zwijgen weten te -brengen en zich een kring van trouwe vrienden en nuttige helpers -verworven, die hem in honderd omstandigheden met hunne voorspraak -begunstigden en met hun crediet ondersteunden. - -Om onze lezers terstond te doen zien, welke vorderingen hij in -betrekkelijk korten tijd, nauwelijks drie jaren, maakte, zal het genoeg -zijn te zeggen, dat hij op het oogenblik toen wij hem in ons verhaal -lieten optreden, bijna het doel zijner standvastige pogingen had -bereikt; hij had zich inderdaad in de publieke opinie weten te vestigen -en was op het punt zich een eervollen rang in de maatschappij te -verwerven door zijn aanstaande echtverbintenis met de dochter van don -Sylva de Torres, een der rijkste hacienderas in Sonora; en dank zij den -invloed van zijn aanstaanden schoonvader, had hij een aanstelling -ontvangen als kapitein van een vrij-kompagnie, bestemd om de invallen -der Apachen en Comanchen op het Mexicaansche grondgebied af te weren, -met het recht om deze kompagnie naar verkiezing geheel uit Europeanen -samen te stellen. - -Keeren wij thans terug naar het huis van don Sylva de Torres, dat wij -verlaten hebben weinige oogenblikken nadat de graaf de Lhorailles het -was binnen getreden. - - - - - - - - - -VI. - -DOOR HET VENSTER. - - -Toen doña Anita de salon verliet om zich naar hare slaapkamer te -begeven, oogde de graaf haar zoo lang mogelijk na, daar hij niets -scheen te begrijpen van haar zonderling gedrag jegens hem, vooral uit -hoofde der bijzondere betrekking waarin zij tegenover elkander waren -geplaatst, ter zake van het huwelijk dat hen weldra voor levenslang zou -verbinden. Na echter eenige minuten te hebben nagedacht, schudde bij -eindelijk het hoofd, als wilde hij de treurige gedachten verdrijven die -hem bestormden, en wendde zich tot zijn toekomstigen schoonvader. - -»Spreken wij over onze zaken,” zeide hij; »zoo gij immers wilt.” - -»Hebt gij mij dan iets nieuws mede te deelen?” - -»Een aantal zaken.” - -»Gewichtige?” - -»Dat zult gij zelf beoordeelen.” - -»Laat hooren dan. Ik ben ongeduldig om ze te vernemen.” - -»Gaan wij ordelijk voort. Gij weet, vriend, waarom ik Guetzalli -verlaten had.” - -»Volkomen. Zijt gij goed geslaagd?” - -»Geheel naar mijne verwachting. Dank zij zekere brieven, die ik had -medegebracht en vooral ten gevolge uwer welwillende aanbeveling, heeft -de generaal Marcos zich jegens mij zeer genegen getoond. De wijze -waarop hij mij ontving was allerminzaamst, kortom, hij verleende mij -zijn naam in blanko, met volmacht niet alleen om honderd vijftig man -aan te werven, maar zelfs dubbel zoo veel als ik dit noodig oordeelde.” - -»O! dat is heerlijk, inderdaad.” - -»Niet waar? Bovendien heeft hij mij gezegd, dat hij in een oorlog als -die welken ik thans ging ondernemen, want een jacht op de Apachen is -niets minder dan een oorlog, mij volkomen vrijheid liet om naar eigen -goedvinden te handelen, en keurde bij voorbaat alles goed wat door mij -gedaan zou worden, wel overtuigd, voegde hij er bij, dat het alleszins -strekken zou tot roem en voordeel van Mexico.” - -»Wel, dat hoor ik met veel genoegen, vriend. Maar hoe zijt gij thans -voornemens te handelen na zulk een gelukkigen afloop?” - -»Ik ben vooreerst besloten om van hier onmiddellijk naar Guetzalli te -vertrekken, dat ik reeds sedert drie weken verlaten heb. Ik moet -noodzakelijk naar mijne kolonie terug, om te zien of alles geregeld -gaat en mijn volk gelukkig is. Bovendien zou ik, alvorens mij, -misschien voor langen tijd, met het grootste gedeelte mijner -manschappen te verwijderen, de kolonisten gaarne tegen eene -overrompeling beveiligen, door rondom mijne bezittingen eenige werken -aan te leggen, zoodat de achterblijvenden in staat zijn iederen aanval -der wilden met kracht af te weren. Dit is van des te meer belang, omdat -Guetzalli in zekeren zin altijd mijn hoofdkwartier blijven moet.” - -»Dat is zoo. En wanneer denkt gij te vertrekken?” - -»Heden avond.” - -»Zoo spoedig reeds?” - -»Ik moet wel. Gij zelf weet hoe zeer de tijd dringt.” - -»Inderdaad. Hebt gij mij niets anders meer te zeggen?” - -»Vergeef mij, ik heb u nog eene andere vraag te doen, die ik met opzet -voor het laatst bewaard heb.” - -»Is zij dan zoo belangrijk?” - -»Van het hoogste belang.” - -»O, dan moet ik haar hooren, vriend, spreek op, dadelijk.” - -»Bij mijne komst hier te lande,” hervatte de graaf, »toen de -onderneming, die ik thans God zij dank! tot een goed einde heb -gebracht, nog slechts op het papier bestond, waart gij zoo welwillend, -señor don Sylva, om niet alleen uw onmetelijk crediet, maar ook uwe -onberekenbare rijkdommen te mijner beschikking te stellen.” - -»Dat is zoo,” zei de Mexicaan glimlachend. - -»Welnu, ik heb van uw aanbod ruimschoots gebruik gemaakt, menigmaal uit -uw geldkist geput en over uw crediet zoo dikwijls beschikt als de -gelegenheid het vorderde; vergun mij thans het eene gedeelte mijner -verplichting aan u te kwijten, terwijl ik erken dat ik het andere -gedeelte u vooreerst zal moeten schuldig blijven. Zie hier,” vervolgde -hij, een papier uit zijne portefeuille nemende, »hier is een -wisselbrief, ten bedrage van honderd duizend piasters, betaalbaar op -zicht en getrokken op Walter Blount en Comp. bankiers te Mexico. Ik -acht mij gelukkig, don Sylva, in staat te zijn deze schuld zoo -gereedelijk af te doen, niet omdat....” - -»Met uw welnemen,” viel de haciendero hem in de rede, terwijl hij den -wissel, dien de graaf hem aanbood, met drift afwees, »maar ik geloof -dat wij elkander op dit oogenblik niet goed begrijpen.” - -»Hoezoo niet?” - -»Tot opheldering zal ik u zeggen: bij uwe komst te Guaymas, mijnheer de -graaf, kwaamt gij bij mij met een dringenden aanbevelingsbrief van wege -een man met wien ik, zonder daarom ooit intiem aan hem verbonden te -zijn, nochtans eenige jaren geleden zeer groote geldelijke betrekkingen -heb gehad. De baron van Spurtzheim stelde u aan mij voor, meer als een -beminden zoon dan als een vriend voor wien men zich partij stelt. Ik -heb mijn huis wagenwijd voor u opengezet. Ik was verplicht zulks te -doen. Later, toen ik u leerde kennen en het grootsche en edele in uw -karakter heb kunnen waardeeren, zijn onze aanvankelijk koele -betrekkingen nauwer geworden en bood ik u de hand mijner dochter, die -gij hebt aangenomen.” - -»Tot mijn onuitsprekelijk geluk!” riep de graaf. - -»Zeer goed,” hernam de haciendero glimlachend, »het geld dus dat ik van -een onbekende zou kunnen terug ontvangen, en dat hij mij als zoodanig -wettig verschuldigd was, dat geld behoort aan mijn schoonzoon. -Verscheur dus, bid ik u, dien wisselbrief, waarde graaf, en denken wij -niet verder om dat bagatel.” - -»Juist!” riep de graaf schielijk en op verdrietigen toon, »dat is juist -wat mij hindert; ik ben uw schoonzoon nog niet en, als ik het u zeggen -moet, ik vrees dat ik het nooit worden zal.” - -»En wat geeft u aanleiding om daarvoor te vreezen? Hebt gij niet mijne -belofte? Het woord van don Sylva de Torres, waarde heer graaf de -Lhorailles, is een waarborg, dien nog nooit iemand heeft durven in -twijfel trekken.” - -»Daar twijfel ik ook in ’t minst niet aan, don Sylva; het is niet voor -u dat ik vrees.” - -»Voor wie dan?” - -»Voor doña Anita.” - -»Voor mijne dochter?” - -»Ja.” - -»Wat zegt gij, vriend! dat vereischt nadere opheldering, want ik zweer -u dat ik het volstrekt niet begrijp” riep don Sylva, terwijl hij -driftig opstond en onrustig het salon op en neder trad. - -»Mijn hemel, don Sylva!” riep de graaf, »het spijt mij waarlijk dat ik -dit bezwaar bij u heb ter sprake moeten brengen, want ik bemin doña -Anita; maar de liefde, zooals gij weet, is ergdenkend; en ofschoon uwe -dochter altijd lief en goed voor mij geweest is, heb ik haar sedert -onze verloving gadegeslagen en als ik het u bekennen moet geloof ik -stellig dat zij mij niet bemint.” - -»Gij zijt dwaas, don Gaëtano; de meisjes weten zoo min wie zij beminnen -als wie zij niet beminnen. Bekommer u niet over die kinderachtige -grillen; ik heb u beloofd dat zij uwe vrouw zal worden, en dat zal -zij.” - -»Maar zoo zij nu evenwel een ander beminde, zou ik u niet willen....” - -»Kom, loop heen! dat is nu toch wat al te gek. Anita bemint geen ander -dan u, dat weet ik zeker; en ziedaar, ik zal er u op eens van -verzekeren; gij vertrekt heden avond hebt gij gezegd naar Guetzalli?” - -»Ja, nog dezen avond.” - -»Zeer goed; laat dan kamers in gereedheid brengen voor mij en mijne -dochter, en binnen weinige dagen komen wij bij u in de hacienda -logeeren.” - -»Zou dat mogelijk zijn?” riep de graaf verheugd. - -»Morgen met het krieken van den dag vertrekken wij; dus haast u.” - -»O! duizendmaal dank.” - -»Goed, zijt gij nu gerustgesteld?” - -»Niemand kan gelukkiger zijn dan ik.” - -Na nog eenige woorden te hebben gewisseld namen de twee mannen -afscheid, met de belofte dat zij elkander spoedig weêr zouden zien. - -Don Sylva was gewoon om in zijn huis door niemand tegengesproken te -worden of zijne bevelen in omvraag te brengen; wel overtuigd van -Anita’s gehoorzaamheid, liet hij haar met de kamenier zeggen, dat zij -zich den volgenden morgen tegen zonsopgang voor eene tamelijk verre -reis moest gereed maken. - -Dit bericht klonk het meisje als een donderslag in de ooren. - -Half flauw van den schrik zeeg zij op een stoel neder en smolt weg in -tranen; zij gevoelde maar al te duidelijk dat deze reis niets dan een -voorwendsel was, om haar van haren beminde te scheiden en haar weêrloos -over te leveren aan den man dien zij verfoeide, en aan wien men haar -ongevraagd ongeweigerd dacht uit te huwelijken. - -Zoo bleef zij eenige uren lang zitten, geheel in zich zelve verzonken, -aan de wanhoop ten prooi, zonder te denken aan de welkome rust, die zij -toch niet zou gevonden hebben, want zij wist dat de slaap hare -gezwollen en roodgeweende oogleden niet zou sluiten. - -Allengs waren alle geluiden in de stad verdoofd, alles sliep of althans -scheen te slapen; ook het huis van don Sylva was geheel donker, slechts -een enkel flauw licht blonk als eene eenzame ster door de glasruiten -van Anita’s venster, en bewees dat zij ten minste nog waakte. - -Op dit oogenblik vertoonden zich twee onzekere en vreesachtige schimmen -op den muur tegenover het huis van den haciendero; twee mannen in lange -mantels gehuld, bleven staan en keken naar het flauw verlichte venster, -met eene oplettendheid zoo strak als alleen aan dieven of aan -verliefden eigen is. - -De twee door ons genoemde mannen behoorden ongetwijfeld tot de -laatstgenoemde kategorie. - -»Hm!” riep de een met eene halfgesmoorde stem, »dus zijt gij zeker van -hetgeen gij beweert, Cuchares?” - -»Zoo zeker als ik hoop zalig te worden, señor don Martial,” antwoordde -de andere op denzelfden toon, »ik heb dien verwenschten Engelschman in -huis zien komen juist toen ik er was; en don Sylva scheen op den besten -voet met zoo’n duivelschen ketter.” - -Wij moeten in ’t voorbijgaan aanmerken, dat de Mexicanen eenige jaren -geleden en wellicht ook nu nog alle vreemdelingen, ongevraagd tot welke -natie zij behooren, voor Engelschen houden en bij gevolg als ketters -aanmerken; de vreemdelingen zagen zich dus, zelfs buiten hun weten -gerangschikt onder de lieden die men zonder misdadig te zijn kon -dooden, ja wier vermoording integendeel bijna als een verdienstelijk -werk werd beschouwd. - -Tot lof van de Mexicanen moeten wij er dan ook bijvoegen, dat zij bij -elke voorkomende gelegenheid de zoogenaamde Engelschen omhals brachten, -met eenen ijver die van hunne welbegrepen vroomheid alleszins -getuigenis gaf. - -Don Martial antwoordde: - -»Op mijn woord als Tigrero, die kerel is mij reeds tweemaal in den weg -gekomen en tweemaal heb ik hem gespaard, maar laat hij zich wachten -voor den derden keer.” - -»O!” riep Cuchares, »de eerwaarde pater Becchio heeft mij gezegd dat ik -altijd een goeden aflaat kon verdienen met een Engelschman te snijden -[11] (cortar). Ik heb het voordeel nog niet gehad om er een te -ontmoeten, al ben ik er ongeveer acht schuldig op mijne rekening met -pater Becchio. Ik heb grooten lust om met dezen een begin te maken, dat -ware ten minste zooveel gewonnen.” - -»Wees gewaarschuwd, om uw leven, picaro, die man hoort mij toe.” - -»Dan spreken wij er niet meer van,” antwoordde Cuchares met een -gesmoorden zucht; »ik laat hem voor u. Maar in allen geval het spijt -mij, ofschoon de niña hem hartelijk schijnt te verfoeien.” - -»Hebt gij bewijs voor hetgeen gij daar zegt?” - -»Is er beter bewijs dan de afkeer dien zij hem betoont als hij komt, ik -heb haar bij deze gelegenheid zien verbleeken als een doek, zonder dat -er eenige andere denkbare reden voor kon bestaan.” - -»O! ik zou duizend oncen willen missen om te weten wat er van is?” - -»Wie belet u dat? de heele wereld slaapt, niemand zal u zien: vijftien -voet! hooger is het niet. Ik ben zeker dat Anita blijde zou zijn als -zij eens met u kon praten.” - -»O! als ik dat kon denken,” mompelde hij aarzelend met een -zijdelingschen blik naar het altijd verlichte venster. - -»Misschien! wie weet of zij niet op u wacht!” - -»Zwijg, ellendeling.” - -»Wat weêrga! luister toch; als het waar is wat ik heb hooren vertellen, -moet het arme kind erg in de verknijping zitten, om er niet meer van te -zeggen; zij heeft dringend hulp noodig.” - -»Wat zegt men van haar? laat hooren, maar kort.” - -»Eenvoudig dit: dat doña Anita de Torres vandaag over acht dagen -trouwen zal met den Engelschman don Gaëtano.” - -»Gij liegt, deugniet,” riep de Tigrero met kwalijk verholen woede; »als -ik mij niet weêrhield, zou ik u met mijn ponjaard de woorden teruggeven -die gij daar gesproken hebt.” - -»Daar zoudt gij verkeerd aan doen,” hervatte de andere zonder zijne -bedaardheid te verliezen; »ik ben slechts de echo, die herhaalt wat hij -heeft hooren zeggen, meer niet. Gij zijt de eenigste in Guaymas die van -dat nieuws niets weet. In allen geval is dat niet te verwonderen, daar -gij eerst heden avond in de stad terug zijt gekomen na eene maand -afwezigheid.” - -»Dat is waar, wat dan gedaan?” - -»Caraï! naar goeden raad luisteren en doen wat ik u zeg.” - -De Tigrero keek een geruime poos naar het venster, en liet het hoofd -besluiteloos hangen. - -»Wat zal ze wel zeggen, als zij mij ziet?” mompelde hij. - -»Caramba!” riep de lepero op sarcastischen toon, »wat zij zal zeggen? -Wees welkom, alma mia (beste vriend) dat is klaar, carai! Gij zijt toch -geen kind, don Martial, om voor een vrouwenblik te beven? De -gelegenheid heeft slechts drie haren, in de liefde zoowel als in den -oorlog; men moet haar aangrijpen als zij zich voordoet, of men loopt -gevaar dat zij nooit weêrkomt.” - -De Mexicaan naderde den lepero tot hij hem bijna aanraakte, en staarde -hem diep in de groene kattenoogen. - -»Cuchares,” zeide hij met eene zware nadrukkelijke stem, »ik verlaat -mij op u. Gij kent mij; ik heb u zoo menigmaal geholpen maar als gij nu -mijn vertrouwen teleurstelt, dood ik u als een coyote.” - -De Tigrero sprak deze woorden op zulk een toon van stille woede, dat de -lepero, die zeer wel wist met welk een man hij te doen had, tegen wil -en dank bleek werd en beefde als een riet. - -»Ik ben in alles tot uw dienst, don Martial,” antwoordde hij met eene -stem die hij vruchteloos poogde ferm te houden; »wat er ook gebeure, -gij kunt op mij rekenen: wat moet ik voor u doen?” - -»Niets, wachten, opletten en bij het minste geluid dat u als onraad -voorkomt of bij den eersten zweem van vijand dien gij in de duisternis -ziet mij onmiddellijk waarschuwen.” - -»Reken op mij, doe uwe zaken; ik ben stom en doof, en zal gedurende uwe -afwezigheid voor u waken als een zoon voor zijnen vader.” - -»Goed!” riep de Tigrero. - -Hij trad eenige stappen terug, maakte de reata los die om zijn middel -geslagen was, hield haar in de rechterhand gereed, sloeg de oogen op, -berekende den afstand en toen de reata eenige malen met kracht boven -zijn hoofd slingerende wierp hij haar naar het balkon van doña Anita. - -De strik hechtte zich aan een der ijzeren punten der balustrade en -bleef stevig vast zitten. - -»Denk om uwe belofte!” zei de Tigrero zich tot Cuchares wendende. - -»Ga uw gang,” antwoordde deze terwijl hij tegen den muur aan de -overzijde post vatte en de beenen over elkander kruiste, »ik sta borg -voor alles.” - -De Mexicaan nam genoegen of scheen althans genoegen te nemen met deze -verzekering; hij greep de reata, en van zijne plaats opspringende als -een van die panters die hij zoo vaak had vervolgd in de savane, palmde -hij zich met de vuisten naar boven en bereikte na eenige seconden het -balkon. - -Hij stapte over de balustrade en naderde het venster. - -Doña Anita zat in halfliggende houding op haar armstoel te slapen. - -Het arme kind, bleek en ontdaan, de oogen door tranen gezwollen, was -eindelijk overmeesterd door den slaap die zijne rechten op jeugdige en -krachtvolle naturen nimmer verliest. Hare marmerbleeke wangen -vertoonden nog de sporen der pas geweende tranen. Martial begluurde met -verteederden blik zijne beminde, zonder haar te durven naderen. Zoo in -haar slaap verrast, kwam het meisje hem bekoorlijker voor dan ooit, een -aureool van reinheid en onschuld scheen te zweven boven haar hoofd, als -om hare rust heilig en onschendbaar te bewaken. - -Na eene lange en onverzaadbare beschouwing, besloot de Tigrero -eindelijk nader te treden. - -Het venster, dat slechts op een kier stond, daar Anita zeker niet -gedacht had op die wijze in te slapen, week terug voor den minsten -stoot van don Martial; hij deed nog een stap en stond in de slaapkamer -van doña Anita. - -De indruk van dit vertrek, waar alles zoo kalm, zoo maagdelijk rein en -ordelijk was, boezemde den Tigrero een ongewoon gevoel van eerbied in, -zijn hart klopte in zijne borst als of het zou barsten, en in zijne -hartstochtelijke opwinding tusschen liefde en vrees waggelde hij voort -en zonk op de knieën naast zijne beminde. - -Het meisje opende de oogen. - -»O!” riep zij, toen zij don Martial zag, »Gode zij dank die u te mijner -hulpe zendt.” - -De Tigrero keek tot haar op, met vochtigen blik en hijgende borst. - -Maar plotseling rees Anita overeind, zij kwam tot bezinning en daarmede -tot de schuchtere vrees die alle vrouwen is aangeboren. - -»Ga heen!” riep zij terwijl zij zich in den versten hoek der kamer -terugtrok, »ga heen, caballero. Hoe komt gij hier? wie heeft u bij mij -ingeleid? Antwoord, antwoord mij dadelijk!” - -De Tigrero boog deemoedig het hoofd. - -»God alleen heeft mij hier gebracht, señorita,” riep hij met een -nauwelijks hoorbare stem, »zooals gij zelf hebt gezegd, señorita. O! -vergeef mij dat ik u aldus heb durven verrassen. Ik heb een groven -misslag begaan, dat weet ik; maar een ongeluk bedreigt u, dat heb ik -gevoeld en geraden; gij zijt alleen, zonder hulp en ik kwam hier om het -u te zeggen; señorita, ik ben wel zeer gering en zeer onwaard u te -dienen, doch gij hebt een trouw en vastberaden hart noodig, dat bied ik -u aan; neem mijn bloed, neem mijn leven, ik zou mij gelukkig achten -voor u te mogen sterven. In ’s hemels naam, señorita, in naam van al -wat u lief is op de wereld! wijs mijn verzoek niet van de hand; mijn -arm en mijn hart zijn tot uwe beschikking.” - -Deze woorden werden met eene door hartstocht bewogen stem uitgesproken, -terwijl don Martial midden in de kamer geknield lag, met de handen -gevouwen en de oogen op doña Anita gericht, met een smachtenden blik, -waarin zijne gansche ziel zich uitdrukte. - -Doña Anita keek den jongman wederkeerig strak aan, als om zich van -zijne oprechte bedoeling te verzekeren, en zonder het hoofd af te -wenden naderde zij hem langzaam, aarzelend en bevend, tegen wil en -dank. Toen zij dicht bij hem kwam stond zij een oogenblik besluiteloos, -maar legde hem eindelijk hare kleine blanke hand op de schouders en -bracht haar gelaat zoo dicht bij het zijne dat hij haar frisschen adem -op zijn voorhoofd voelde en hare geparfumeerde lokken zijne wangen -streelden. - -»Gij bemint mij dus, don Martial?” vroeg zij met een welluidende stem. - -»O!” prevelde de jongman schier tot waanzinnigheid verliefd door deze -zoete gewaarwording. - -De Mexicaansche boog zich over den Tigrero en raakte met hare -rozenlippen zijn klam voorhoofd. - -»Welaan,” zeide zij, oogenblikkelijk terugspringende als eene -verschrikte hinde, terwijl een purperen blos hare wangen kleurde uit -schaamte over den stap dien zij had gewaagd, »nu moogt gij mij -verdedigen, don Martial, want voor God, die ons ziet en hoort, ben ik -uwe vrouw.” - -De Tigrero vloog op als geëlectriseerd door dezen gloeienden kus. Met -een fier voorhoofd en tintelenden blik, sloot hij het meisje in zijne -armen, leidde haar in een hoek van de kamer naar een zilveren statuet -van de heilige Maagd, voor hetwelk eene welriekende lamp brandde. - -»Kniel, señora!” zeide hij met bezielde stem terwijl hij zelf de knie -reeds boog. - -Doña Anita gehoorzaamde. - -»Heilige Mater dolorosa!” hervatte don Martial, »Nuestra Señora de la -Soledad, troosteres der bedroefden. Gij die de harten beproeft, gij -ziet de reinheid onzer wenschen en de heiligheid onzer liefde. In uwe -tegenwoordigheid neem ik doña Anita de Torres tot vrouwe. Ik zweer haar -te zullen verdedigen en beschermen tegen en voor allen, met mijn goed -en leven in den strijd dien ik heden aanga voor het heil van haar die -ik bemin en die ik van heden af beschouw als mijne echte en deugdelijke -bruid.” - -Na deze gelofte met eene duidelijke en krachtvolle stem te hebben -uitgesproken, wendde de Tigrero zich naar het meisje. - -»Nu is het uwe beurt, señorita,” zeide hij. - -Doña Anita vouwde de handen en sloeg de oogen vol tranen op naar het -heilige beeld. - -»Nuestra Señora de la Soledad,” stamelde zij met eene diepe, door -aandoening geschokte stem, »gij, mijne eenige beschermster van den dag -mijner geboorte af, gij weet of ik u getrouw was, ik zweer dat alles -wat deze man heeft gezegd waarheid is; ik neem hem tot echtgenoot voor -u, en zal nooit een anderen nemen.” - -Zij stonden op. - -Doña Anita trok den Tigrero naar het balkon. - -»Vertrek!” zeide zij, »de vrouw van don Martial moet niet verdacht -worden: vertrek, mijn echtgenoot en mijn broeder; de man aan wien men -mij wil overleveren heet de graaf de Lhorailles. Morgen eer de zon -opgaat, gaan wij waarschijnlijk op reis naar zijne hacienda.” - -»En hij?” - -»Is dezen nacht reeds vertrokken.” - -»Waarheen?” - -»Dat weet ik niet?” - -»Ik zal hem dooden?” - -»Tot weerziens, don Martial, tot weerziens!” - -»Tot weerziens! doña Anita, houd moed, ik waak over u.” - -En na haar een kus op het voorhoofd te hebben gedrukt, stapte hij over -de balustrade, greep de reata en liet zich in de straat afglijden. - -»Helaas! helaas!” murmelde zij met een gesmoorden zucht, »wat heb ik -gedaan! ... Heilige Maagd, gij alleen kunt mij den moed wedergeven die -mij ontzinkt!” - -Zij liet het gordijn neder dat voor het venster hing en keerde terug om -voor het Madonnabeeld te knielen, maar deinsde oogenblikkelijk -achterwaarts met een uitroep van schrik. - -Op twee passen afstand stond don Sylva de Torres met gefronste -wenkbrauwen en een streng gelaat. - -»Doña Anita, mijne dochter,” zeide hij met een langzame, hortende stem, -»ik heb alles gezien en gehoord; spaar dus, verzoek ik u, eene -nuttelooze ontkenning.” - -»Vader!....” stamelde het arme kind met een gebroken stem. - -»Zwijg!” hervatte don Sylva, »het is thans drie ure. Wij vertrekken met -zonsopgang, en binnen veertien dagen wordt gij de vrouw van den graaf -don Gaëtano de Lhorailles.” - -Zonder er verder een woord bij te voegen stapte hij langzaam de kamer -uit en sloot de deur achter zich toe. - -Alleen achtergebleven, stond doña Anita in gebogen houding bij de deur -als om te luisteren, zij wierp een verwilderden blik om zich heen, deed -eenige wankelende stappen voorwaarts, sloeg de beide handen krampachtig -naar de benauwde toegeschroefde keel, gaf een verscheurenden gil en -stortte op den vloer neder. - -Zij lag in onmacht. - - - - - - - - - -VII. - -EEN TWEEGEVECHT. - - -Het was omtrent acht ure des avonds toen de graaf de Lhorailles de -woning van don Sylva de Torres verliet. De feria de Plata was toen in -haar vollen luister: de straten van Guaymas waren met eene vroolijk -woelende menigte bedekt: aan alle kanten verhief zich het gejuich, -gezang en gelach; stapels goud blonken op de monté-tafels, en -verspreidden hun geelachtigen verleidelijken gloed in het heldere -schijnsel der talrijke aan alle deuren en vensters schitterende -lichten; hier en daar hoorde men de vihuelas en jarabes strijken en -tokkelen uit de met drinkers en dansers opgevulde pulquerias. De graaf -werkte zich met schouders en ellebogen zoo snel mogelijk door de dichte -groepen die hem ieder oogenblik den doortocht versperden; maar zijn pas -gehouden gesprek met don Sylva had hem in een te gelukkige luim -gebracht dan dat hij er aan zou gedacht hebben om boos te worden over -de tallooze stooten die hij ieder oogenblik ontving. - -Eindelijk, na ontelbare moeielijkheden en met verlies van dubbel ja -driemaal zooveel tijd als hij onder andere omstandigheden noodig zou -hebben gehad, gelukte het hem tegen tien uren des avonds zijn logement -te bereiken. - -Hij had bijna een uur noodig gehad om ongeveer zes honderd passen ver -te gaan. - -In de meson komende, ging de graaf onmiddellijk naar de corral om zijn -paard te verzorgen, dat hij twee schoven alfalfa (spurrie) gaf; na -vervolgens te hebben last gegeven dat men hem ten een ure wekken zou, -zoo hij, dat wel niet waarschijnlijk was, nog niet op mocht zijn, begaf -hij zich naar zijn cuarto (kamer) ten einde eenige uren rust te nemen. - -De graaf was voornemens ten een ure des morgens te vertrekken, om de -hitte van den dag te vermijden en meer op zijn gemak te reizen. - -Bovendien, na zijn gewichtig onderhoud met don Sylva, verlangde de -edele avonturier zeer om alleen te zijn, ten einde nog eens het geluk -te overdenken dat hem in den afgeloopen avond was te beurt gevallen en -zulk eene schoone toekomst beloofde. - -Sedert zijne komst in Amerika had de graaf de Lhorailles—om hier een -gemeenzame uitdrukking te bezigen—met ongehoord geluk gespeeld; alles -liep hem mede, alles kwam zijne wenschen en plannen te gemoet; binnen -weinige maanden stond de balans van zijn fortuin als volgt: het bezit -van eene kolonie, onder de gunstigste vooruitzichten gegrondvest en -bereid, op den weg van vooruitgang en bloei; daarbij in het volle genot -zijner nationaliteit, met volkomen vrijheid van handelen, onafhankelijk -en meester van alle partijen, was hij in dienst bij het Mexicaansch -gouvernement, als kapitein eener vrij-kompagnie van honderd vijftig -man, hem geheel toegedaan en met wier behulp hij alles, zelfs de -buitensporigste ondernemingen, zoo al niet uitvoeren dan ten minste -wagen kon; ten slotte op het punt van te huwen met de eenige dochter -van een man, die zooveel hij kon nagaan twintig maal millionair moest -zijn, en wat de zaak zeker niet erger maakte, zijne aanstaande bruid -was eene allerbekoorlijkste vrouw: ziedaar in korte trekken de stand -van zijn tegenwoordig fortuin. - -Ongelukkig of gelukkig, al naar het oogpunt waaruit de lezer verkiest -onzen held te bezien, had de voorspoedige man geen gevoel of hart meer -voor iets: geblaseerd door de bedwelmende buitensporigheden van het -leven in Parijs, klopte zijn boezem niet meer onder de afwisselingen -van vreugde, droefheid of vrees; alles in hem was gestorven. Zoo was -hij juist de man om te slagen in het land waar het toeval hem geworpen -had. In den grooten levensstrijd door hem in Amerika begonnen, had hij -een groot voordeel op zijne mededingers, namelijk dat hij zich nooit -door zijne hartstochten liet regeeren en, dank zijne onverstoorbare -koelbloedigheid, in staat was om telkens de strikken te verijdelen die -gedurig voor zijne voeten gespannen werden en waarover hij wist te -triomfeeren zonder dat hij het zelf scheen te gevoelen. - -Na het boven gezegde zal het niet noodig zijn er bij te voegen dat hij -de vrouw wier hand hij zocht, niet beminde; was zij jong en schoon, -zooveel te beter; maar al ware zij oud en leelijk geweest, zou hij haar -toch genomen hebben. Wat kon het hem schelen? hij zocht in dit huwelijk -niets anders dan eene schitterende en benijdenswaardige partij. - -Kortom, bij den graaf de Lhorailles was alles berekening. - -Maar neen, wij vergissen ons in een enkel opzicht, de graaf de -Lhorailles had ééne zwakke zijde, hij was eerzuchtig. - -Deze drift, een der hevigste roerselen die het menschelijk hart in -beweging brengen, was misschien het eenige dat den graaf aan de -maatschappij verbond. - -Die eerzucht was bij hem, vooral sedert de laatste maanden, tot zulk -eene hoogte ontwikkeld dat hij er alles voor zou hebben opgeofferd. - -Maar wat was nu het doel van zijne eerzucht? wat was de eigenlijke -droom zijner toekomst? - -Deze vraag zullen wij den lezer later waarschijnlijk tot in de kleinste -bijzonderheden kunnen beantwoorden. - -De graaf, na zich ontkleed te hebben, ging naar bed, dat wil zeggen, -wikkelde zich in zijn zarape en strekte zich op de brits, of liever het -raam met lederen overtrek, dat in gansch Mexico dienen moet om onze -bedden te vervangen, een meubel dat in Europa geheel onbekend is. - -Nauwelijks was hij gaan liggen of hij sliep in met de gerustheid van -een ijverig werkzaam man, voor wien ieder uur kostbaar is en die, daar -hij slechts over weinige oogenblikken te beschikken heeft, zich haast -om ze waar te nemen en slaapt, zoo als de Spanjaarden zeggen: a pierna -suelta, hetgeen wij zouden kunnen vertalen door slapen »met gesloten -vuisten.” - -Ten één ure des morgens, gelijk hij zich beloofd had, werd de graaf -wakker, hij stak de eenige cebo aan die hem tot verlichting diende, -bracht zijn toilet een weinig in orde, bekeek met zorg zijne pistolen -en zijne karabijn, voelde of zijn zwaard wel vlug uit de scheede ging, -en na de verdere voor iederen reiziger die op zijne veiligheid bedacht -is onvermijdelijke voorzorgen, opende hij de deur der cuarto en begaf -zich regelrecht naar de corral. - -Zijn paard vrat nog volmondig en lustig zijn laatste hapje spurrie; de -graaf gaf het een maat haver toe, die het met een zacht gehinnik -genoot; vervolgens legde hij zijn viervoetigen vriend den zadel op. - -In Mexico zal geen echt ruiter, tot welke klasse der maatschappij hij -ook behoort, ooit aan anderen toevertrouwen om zijn paard te verzorgen, -want in deze nog half wilde streken van Mexico hangt het lijfsbehoud -van den ruiter grootendeels af van de kracht en vlugheid van zijn -paard. - -De deur der herberg stond slechts op de klink, om den reizigers -vrijheid te laten van komen of gaan naar verkiezing, zonder iemand -anders in huis te verontrusten. - -De graaf stak een sigaar op, steeg in den zadel en reed in gestrekten -draf den weg op van Guaymas naar de Rancho. - -Niets is aangenamer dan het reizen in Mexico bij nacht of in den -vroegen morgen. De aarde, door de nachtelijke koelte met overvloedigen -dauw besproeid, wasemt er de verkwikkendste en welriekendste geuren, -wier heilzame invloed aan het lichaam al zijne kracht en aan den geest -al zijne helderheid geeft. - -De maan, die weldra onder zou gaan, verlengde met haar bijna -horizontaal invallend licht de schaduw der hier en daar langs den weg -staande boomen, en gaf hun in de nachtelijke duisternis het aanzien van -spoken. - -De donkerblauwe hemel was met een talloos heir van tintelende sterren -bezaaid, te midden waarvan het Zuidelijk Kruis, aan hetwelk de Indianen -den naam van Poron Chayké hebben gegeven, schitterde met onverdoofbaren -glans. De wind schuifelde zacht door de takken, tusschen welke de -blauwe nachtuil nu en dan zijn melodisch maar klagend gezang hooren -liet, en waarmede zich in de diepten der wildernis het ernstig gebrul -van puma en cougouar, of het hortend gemauw van panter en boschkat -vermengde, of het schorre geblaf der op buit loerende coyotes. - -Bij zijn vertrek van Guaymas had de graaf zijn paard sterk aangezet, -maar in weerwil van zich zelven, door den onweerstaanbaren indruk van -dezen verrukkelijken herfstnacht medegesleept, vertraagde hij ongemerkt -den pas van zijn paard en gaf zich van lieverlede over aan den vollen -stroom der gedachten, die gedurig in zijn brein opkwamen en hem weldra -deden zinken in zoete mijmeringen. - -De afstammeling van een oud en hooghartig Fransch geslacht, hier in de -woestijn alleen, liet in zijn geest den verdwenen luister van zijn -sedert lang verduisterden naam voorbijgaan en zijn hart zwol van vreugd -en van trots bij de gedachte, dat voor hem wellicht de taak was -weggelegd, om, zoo niet den roem zijner voorzaten te herstellen, ten -minste ditmaal voor altijd het fortuin zijner familie te vestigen, dat -hij tot hiertoe zoozeer veronachtzaamd, althans zoo slecht had weten te -bewaren. - -De grond, dien hij nu betrad, moest hem honderdvoudig teruggeven wat -hij zoo dwaselijk verloren en verkwist had; het oogenblik was gekomen, -waarop hij eindelijk vrij van alle banden de plannen zijner toekomst -zou verwezenlijken, die hij zoo lang in zijn hoofd had ontworpen. - -Zoo reed hij stapvoets voort, midden in de wildernis en zoodanig in -zijne eigene beschouwingen verdiept, dat hij geen acht sloeg op hetgeen -er rondom hem gebeurde. - -De sterren aan den hemel begonnen te verbleeken en de een na de ander -te verdwijnen. De dageraad teekende reeds een witte streep aan den -uitersten horizont, die zich van lieverlede kleurde met roodachtige -tinten; met de aannadering van den dag, werd de lucht koeler en -frisscher, terwijl de graaf door het koude gevoel van den rijkelijk -gevallen dauw der woestijn zoo te zeggen uit zijne sluimering gewekt, -huiverend de plooien van zijn zarape om zijne schouders trok en zijn -paard op nieuw in galop zette, met een verstoorden blik op den -veranderden hemel en een wreveligen uitroep: - -»O! ik zal slagen, in weerwil van alles!” - -Verwaten uitdaging, op welke de hemel onmiddellijk scheen te willen -antwoorden. - -Ofschoon de dag op het punt stond van aan te breken, was het alsof -juist daarom de nacht, in zijne worsteling met de ochtendschemering, -des te duisterder wilde worden, gelijk dit trouwens na het ondergaan -der volle maan meermalen gebeurt, gedurende de weinige minuten die de -verschijning der zon voorafgingen. - -De eerste huizen der rancho van San José begonnen zich reeds in de -verte te vertoonen en hunne witte gevels in den dikken morgennevel op -te steken, toen de graaf op eens kort achter zich op de keien van den -weg den haastigen hoefslag van verscheidene paarden hoorde klinken, of -althans meende te hooren weergalmen. - -In Amerika, bij nacht en op een eenzamen weg, is de ontmoeting van -menschen altijd, of ten minste bijna altijd een teeken van dreigend -gevaar. - -De graaf bleef staan om te luisteren, het geluid naderde snel. - -De Franschman was dapper, dit had hij bij menige gelegenheid getoond; -intusschen gevoelde hij weinig lust om ergens op weg onverhoeds -overvallen en wellicht jammerlijk vermoord te worden. - -Hij keek in het rond, om zich te vergewissen hoeveel kans er was om -zich te redden, in geval de aankomende ruiters vijanden mochten zijn. - -Het terrein was geheel kaal en effen, geen enkele boom, of kuil, of -heuvel achter welke hij zich zou kunnen verschansen. - -Op twee honderd passen afstands verhieven zich, zooals wij reeds gezegd -hebben, de eerste huizen der Rancho. - -De graaf nam dadelijk zijn besluit. Hij gaf zijn paard de sporen en -reed in vliegenden galop in de richting van San José. - -Het bleek weldra dat de vreemdelingen zijn voornemen hadden geraden, -want ook zij versnelden den gang hunner paarden merkelijk. - -Zoo verliepen een paar minuten, terwijl het gedruisch van den galop al -meer en meer duidelijk werd. - -De Franschman begreep dus dat het op hem gemunt was, en dat de vreemde -ruiters, wie zij ook wezen mochten, hem zochten in te halen. - -Hij wierp een blik achterwaarts, en bemerkte in de donkere verte twee -schaduwen, die recht op hem aanhielden en in onbeteugelde vaart -naderden. - -Intusschen had de graaf de Rancho bereikt; door de nabijheid der huizen -gerustgesteld en niet gaarne voor een wellicht ingebeeld gevaar -willende vluchten, wendde hij zijn paard plotseling om en posteerde -zich dwars in de straat met een pistool in iedere hand. - -De vreemdelingen renden aan met onverpoosde snelheid; weldra waren zij -geen twintig passen meer van den graaf verwijderd. - -»Wie daar?” riep hij met een luide en ferme stem. - -De onbekenden antwoordden niet, maar schenen nog harder door te zetten. - -»Wie daar?” herhaalde de graaf, »houdt op, of ik schiet.” - -Hij sprak dit op zulk een beslisten toon en met een zoo onverschrokken -houding, dat de onbekenden, na een oogenblik aarzelens bleven staan. - -Zij waren met hun beiden. - -De dag, die meer en meer begon aan te breken, veroorloofde den graaf -hen volkomen te onderscheiden. Zij waren gekleed als Mexicanen, maar -vreemd voor dit land, waar de bandieten zich weinig bekommeren hun -gelaat te vertoonen, waren zij gemaskerd. - -»Heila! bazen,” riep de graaf, »wat beduidt die hardnekkige -vervolging?” - -»Dat is waarschijnlijk omdat wij u gaarne wilden inhalen,” antwoordde -eene holle stem sarcastisch. - -»Hebt gij het dan op mij gemunt?” - -»Ja, zoo gij de vreemdeling zijt die zich de graaf de Lhorailles -noemt.” - -»Juist; ik ben de graaf de Lhorailles,” zeide hij onverschrokken. - -»Goed, dan hebben wij elkander een woordje te zeggen.” - -»Daar heb ik niets tegen, al moet ik uit uw voorkomen opmaken dat gij -bandieten zijt; zoo het u misschien om mijn beurs te doen is, neemt die -en gaat uws weegs, ik heb niet veel tijd.” - -»Uw beurs moogt gij behouden, caballero: het is uw leven, niet uw geld -dat wij u willen ontnemen.” - -»Ah zoo! dat is hier dan eene aanranding vooraf en een moord daarna?” - -»Niet geraden: wij stellen u een eerlijken strijd voor.” - -»Hm! een eerlijken strijd,” riep de graaf, »van twee tegen een, dat is -mijns inziens toch wel een weinig ongelijk.” - -»Daarin zoudt gij gelijk hebben, wanneer het zoo was,” antwoordde -degene die tot dusver het woord had gedaan, »maar mijn kameraad is hier -alleen om het gevecht aan te zien, niet om er deel aan te nemen.” - -De graaf bedacht zich een oogenblik. - -»Pardi!” riep hij ten slotte, »het is wel een raar avontuur! een duël -in Mexico en met een Mexicaan!..... dat is tot hiertoe nog nooit -gezien.” - -»Dat is waar, caballero, maar er is een begin voor alles.” - -»Al scherts genoeg; ik heb er niets tegen om te strijden en hoop u te -bewijzen dat ik wel durf; maar eer ik uw voorstel aanneem, zou ik -gaarne weten waarom gij mij noodzaakt met u te vechten.” - -»Waartoe zou dat dienen?” - -»Waartoe zou dat dienen? Caspita! omdat ik het weten wil. Gij begrijpt -wel, dat ik hier mijn tijd niet kan verspillen met al de slechthoofden -den hals te breken die mij op weg ontmoeten en goedvinden om zich met -mij te meten.” - -»Laat het u dan voldoende zijn te weten dat ik u haat.” - -»Caramba! daar was ik genoegzaam zeker van, maar dewijl gij er op staat -om uw aangezicht voor mij te bedekken, zou ik u toch gaarne eenmaal -willen herkennen.” - -»Al woorden genoeg,” hervatte de onbekende, »de tijd vliegt heen; wij -hebben reeds veel te lang geredekaveld.” - -»Welnu, meester, als het er zoo mede gelegen is, houd u dan gereed ik -zeg u vooruit, dat ik voornemens ben op u beiden te schieten: een -Franschman is niet verlegen om twee Mexicaansche bandieten het hoofd te -bieden.” - -»Zoo als gij goedvindt,” - -»Voorwaarts!” - -»Voorwaarts!” - -De drie ruiters spoorden hunne paarden en reden op elkander in; toen -zij elkander ontmoetten schoten zij hunne pistolen op elkander af, -daarop trokken zij hunne sabels. - -De strijd was kort, maar hevig; een der onbekenden, licht gewond, werd -door zijn paard weggevoerd en verdween in een wolk van stof. De graaf, -even door een kogel geraakt, voelde zijn woede ten top gestegen en -verdubbelde zijne pogingen om zijn vijand meester te worden of althans -buiten gevecht te stellen; maar hij had met een moeielijken -tegenstander te doen, een man van verbazende behendigheid en in kracht -ten minste met hem gelijk. - -Hij zag zijne oogen als gloeiende kolen schitteren door de gaten van -zijn masker, terwijl hij met ongelooflijke snelheid om hem heen reed en -zijn paard de stoutste sprongen en wendingen deed maken, hem gedurig -aanvallende, nu met de spits en dan met het scherp van zijn sabel, en -tegelijk zorg dragende dat hij buiten het bereik der slagen van zijn -tegenpartij bleef. - -De graaf verspilde tegen zijn onvermoeiden vijand zijn kracht te -vergeefs; zijne bewegingen begonnen aan vaardigheid en juistheid te -verliezen, zijn gezicht werd beneveld, het zweet gudste van zijne -slapen. De aanvallen zijner stilzwijgende tegenpartij daarentegen -werden des te sneller; de uitslag van den strijd was niet meer te -betwijfelen, toen de Franschman plotseling een strik op zijne schouders -voelde, en eer hij er aan dacht om er zich van te ontdoen, zoo onzacht -uit den zadel gerukt en op den grond werd geworpen, dat hij bijna -bewusteloos bleef liggen, zonder zich te kunnen bewegen. - -Den tweeden onbekende was het, na een dollen rit van eenige minuten, -eindelijk gelukt zijn paard weder meester te worden; en toen met allen -spoed naar de plaats van het gevecht terug gereden, zonder dat de twee -verbitterde kampioenen door de hitte des strijds zijne tegenwoordigheid -opmerkten, had hij het noodig geoordeeld den strijd te doen eindigen en -zijn reata nemende had hij den graaf gelasseerd. - -Zoodra de onbekende zijn vijand zag vallen, steeg hij van zijn paard en -liep naar hem toe. - -Zijne eerste zorg was den Franschman van den strik te bevrijden, die -hem bijna worgde, vervolgens poogde hij hem weer tot bewustzijn te -brengen, hetgeen niet veel tijd vorderde. - -»Ha!” riep de graaf met een bitteren glimlach, terwijl hij opstond en -de armen op de borst kruiste, »durft gij dat een eerlijken strijd -noemen?” - -»Gij alleen hebt de schuld van hetgeen er gebeurd is,” antwoordde de -andere, »daar gij mijne voorstellen niet hebt willen aannemen.” - -De Franschman verwaardigde zich niet hierover te redeneeren, hij -vergenoegde zich met verachtelijk de schouders op te halen. - -»Uw leven heb ik gewonnen,” vervolgde zijn weerpartij. - -»Ja, door een schelmstuk; maar wat kan het mij schelen! vermoord mij en -maak er een eind aan.” - -»Ik wil u niet dooden.” - -»Wat wilt gij dan?” - -»U een raad geven.” - -»Mij?” - -»Ja, u.” - -De graaf grinnikte. - -»Gij zijt een gek, waarde heer.” - -»Niet zoo erg als gij denkt. Luister aandachtig naar hetgeen ik u te -zeggen heb.” - -»Zoo ik hopen mocht daardoor des te eerder van uwe tegenwoordigheid -ontslagen te worden, zou ik het doen.” - -»Hoor dan, señor conde de Lhorailles, uwe komst hier te lande heeft -twee personen in ’t ongeluk gestort.” - -»Loop heen, gij houdt mij voor den gek.” - -»Ik spreek in vollen ernst. Don Sylva de Torres heeft u de hand zijner -dochter beloofd.” - -»Wat gaat u dat aan?” - -»Antwoord.” - -»Het is zoo, waarom zoude ik het loochenen?” - -»Doña Anita bemint u niet.” - -»Hoe kunt gij dat weten?” riep de graaf met een schamperen lach. - -»Ik weet het, en ik weet bovendien dat zij een ander bemint.” - -»Welnu en wat nog meer?” - -»En dat die andere haar bemint.” - -»Des te gekker voor hem, want ik zal haar nooit afstaan, dat zweer ik -u.” - -»Gij hebt ongelijk, señor conde, gij zult haar afstaan, of gij sterft.” - -»Het een zoo min als het ander!” riep de onstuimige Franschman, die -thans van zijn val geheel hersteld was. »Ik herzeg u dat ik Anita zal -huwen. Bemint zij mij niet, hetgeen ik echter betwijfel, welnu dat is -een ongeluk; ik hoop dat zij later te mijnen opzichte wel van meening -zal veranderen; ik wil dat huwelijk, en niemand is in staat het te -verhinderen.” - -De gemaskerde had hem met de hevigste ontroering aangehoord, zijne -oogen fonkelden van woede, hij stampvoette van spijt; het gelukte hem -echter zijn gevoel te overmeesteren en hij antwoordde met eene kalme en -bedaarde stem: - -»Zie wel toe wat gij doet, caballero; ik heb gezworen u te waarschuwen, -en ik waarschuw u eerlijk en trouw, de Hemel geve dat mijne woorden in -uw hart weerklank vinden en dat gij den raad volgen zult dien ik u -geef!.... De eerste keer dat het lot ons weer bij elkander brengt, moet -een van ons beiden sterven.” - -»Ik zal de noodige voorzorgen nemen, wees daar gerust op; intusschen -doet gij verkeerd dat gij de tegenwoordige gelegenheid niet waarneemt -om mij te dooden; want die zult gij nooit terug vinden.” - -De twee gemaskerden waren weder te paard gestegen. - -»Graaf de Lhorailles,” zei de eene, zich nogmaals tot den Franschman -wendende, »wees op uwe hoede, ik heb op u een groot voordeel; ik ken u -en gij kent mij niet, het zal mij dus altijd gemakkelijk zijn u te -bereiken, als ik dat wil. Wij Mexicanen zijn van Indiaansch en Spaansch -bloed, wij zijn vurig in het haten, wees gewaarschuwd!” - -Na eene beleefde buiging voor den graaf barstte hij los in een -spotachtigen schaterlach, gaf zijn paard de sporen en vertrok in -duizelingwekkende vaart, gevolgd door zijn zwijgenden kameraad. - -De graaf oogde hem na met een peinzenden blik tot zij in de schemering -verdwenen waren; hij schudde eenige malen het hoofd als of hij er de -sombere gedachten wilde wegschudden die hem tegen wil en dank -bestormden; toen raapte hij zijn sabel en hier en daar verstrooide -pistolen op, nam zijn paard bij den teugel en stapte langzaam naar de -pulqueria in welker nabijheid de strijd was voorgevallen. - -Het licht dat door de slecht gevoegde planken der deur scheen en het -gezang en gelach, dat hij daar binnen hoorde deden hem veronderstellen, -dat hij in de herberg nog wel een tijdelijk nachtverblijf zou vinden. - -»Hm!” mompelde hij half overluid terwijl hij voorttrad, »de bandiet -heeft gelijk, hij kent mij, en ik zal hem onmogelijk weer kunnen -vinden. Vive Dios! daar heb ik mij een mooien haat op den hals gehaald! -Bah!” vervolgde hij, »wat geef ik er om! Ik was al te gelukkig, ik had -een vijand noodig. Bij mijn ziel! laat men doen wat men wil, al zou de -duivel zelf tegen mij samenspannen, zweer ik, dat niets mij bewegen zal -de hand van doña Anita af te staan,” - -Op dit oogenblik bevond hij zich voor de pulqueria, waar hij op de deur -klopte. - -Van nature niet zeer geduldig en bovendien vergramd door hetgeen hem -overkomen was en door den vreeselijken kamp dien hij had moeten -verduren, was de graaf op het punt van zijne bedreiging uit te voeren -en de deur aan spaanders te breken toen zij eindelijk geopend werd. - -»Valge me dios?” riep hij verbolgen, »laat gij de menschen voor uw huis -vermoorden zonder hun te hulp te komen.” - -»Zoo!” riep de pulquero levendig met zekere nieuwsgierigheid, »is er -iemand vermoord?” - -»Neen, Goddank!” hervatte de graaf, »maar het scheelde weinig, of ik -was dood.” - -»O!” riep de pulquero onverschillig, »als men zich wilde storen aan -allen die bij nacht om hulp roepen, dan zou men de handen vol hebben, -en daarbij, als de politie er achter komt, heeft men er maar last van.” - -De graaf haalde de schouders op en trad binnen, met zijn paard aan den -toom achter zich; terwijl de deur onmiddellijk gesloten werd. - -De graaf de Lhorailles wist nog niet dat al wie in Mexico een lijk -opneemt, of zich tegen den moordenaar civiele partij stelt, verplicht -is om de kosten van het gerecht, die soms enorm hoog loopen te betalen, -en ten slotte toch geen verhaal of recht voor het slachtoffer kan -krijgen. - -Men is in geheel Mexico hiervan zoo vast overtuigd, dat als er een -manslag plaats heeft, iedereen zich uit de voeten maakt zonder het -slachtoffer hulp te verlenen, daar dit, ingeval er de dood op volgt, -voor hem die er zich mede bemoeid heeft de grootste onaangenaamheden -veroorzaakt. - -In Sonora doet men nog erger, zoodra er een oploop is, en een doode -valt, sluit iedereen zijne deur. - - - - - - - - - -VIII. - -HET VERTREK. - - -Zoo als don Sylva de Torres aan zijne dochter gezegd had, was tegen -zonsopgang alles gereed om te vertrekken. - -In Mexico en bovenal in Sonora, waar de wegen gewoonlijk het beste -zijn, als zij ten eenenmale ontbreken, gaat het reizen geheel anders -dan in Europa. - -Daar zijn geen openbare vracht- of postdiensten, geen pleisterplaatsen -of paardenposterijen, veel min spoorwegen. Eene reis van eenige dagen -kost oneindig veel zorg en beweging, men is dan verplicht alles bij -zich te hebben, daar men niet zeker is iets onder weg te zullen vinden: -bedden, tenten, levensmiddelen en water wel het meest; alles moet op -muilezels gepakt en weggesleept worden; zonder deze voorzorgen, zou men -gevaar loopen van honger of dorst om te komen of onder den blooten -hemel te moeten overnachten. - -Daarbij moet men zich van een aanzienlijk, goed gewapend geleide -voorzien, om den aanval van wilde beesten niet slechts, maar ook der -Indianen en vooral der struikroovers af te weren, daar het dank zij de -regeeringloosheid van dat ongelukkige land op alle wegen van Mexico van -wemelt. - -Diensvolgens zal de lezer gemakkelijk begrijpen, dat don Sylva -reikhalzend verlangde om Guaymas zoodra mogelijk te verlaten, toen, zoo -als wij gezegd hebben, in den vroegen morgen alles voor zijn vertrek -gereed was. - -De opene plaats voor het huis had veel van eene groote pleisterplaats; -vijftien muildieren met pakken en balen beladen stonden te wachten tot -dat men gereed was met de palankijn, in welke doña Anita de reis mede -zou maken. - -Een veertigtal paarden, getuigd en gezadeld, met het vliegennet over -den neus, en pistolen in de holsters, stonden in ringen aan den muur -vastgemaakt, en een enkele peon afzonderlijk met een heerlijken, -kostbaar getuigden draver aan de hand, die voor don Sylva bestemd, -ongeduldig stond te wuiven en te stampvoeten, knabbelende op het -zilveren gebit, dat met schuim overdekt was. - -Kortom het was om doof te worden van al het geschreeuw, gelach en -gedruisch. - -In de straat stond eene menigte volks te gapen, waaronder zich ook -Cuchares en don Martial bevonden, die van hun toer naar de Rancho -teruggekomen, met nieuwsgierigheid dit vertrek gadesloegen, daar zij -niets van begrepen in dit vergevorderde jaargetij, zoo weinig geschikt -voor een verblijf op het land, en zich verdiepten in allerlei gissingen -die kant noch wal raakten, over deze zoo geheel buitengewone reis. - -Onder den hoop hier, hetzij toevallig of uit nieuwsgierigheid -samengevloeid, bevond zich een man, blijkbaar een Indiaan, die -schijnbaar achteloos tegen den muur geleund, evenwel het huis van don -Sylva niet uit het oog verloor en met de meeste belangstelling al de -bewegingen der talrijke bedienden van den haciendero gadesloeg. - -Deze persoon, nog jong, scheen een zoogenaamde Hiaqui-Indiaan, ofschoon -een nauwlettend opmerker bij nader onderzoek het tegendeel zou gezegd -hebben; in het breede voorhoofd van den man, zoowel als in zijn -moeielijk te bedwingen fonkelend oog, en in den fieren mond, maar -vooral in zijne forsche ledematen, die naar het model van den -Griekschen Hercules schenen gevormd te zijn, was iets edels, -vastberadens en onafhankelijks, dat veeleer den trotschen Comanch of -den woesten Apache aanduidde, dan den meestal dommen Hiaqui. Onder de -talrijke schaar dacht echter niemand zich met dezen Indiaan bezig te -houden, die van zijnen kant wel zorg droeg de aandacht niet te trekken, -maar zich zooveel mogelijk te verbergen. - -De Hiaquis komen zich gewoonlijk te Guaymas als werklieden of als -lastdragers verhuren: daarom heeft de tegenwoordigheid van zulk een -Indiaan niets vreemds. - -Eindelijk, tegen acht uren in den morgen, verscheen don Sylva de Torres -met zijne dochter aan de hand, gekleed in een keurig reisgewaad, onder -de peristyle van het huis. - -Doña Anita was zoo bleek als kwam zij uit het graf; haar betrokken -gelaat en gezwollen oogen bewezen maar al te zeer, hoeveel zij dien -nacht geleden en welk een zelfbedwang zij op dit oogenblik noodig had, -om niet voor aller oog in tranen uit te breken. Bij hare verschijning -wisselden don Martial en Cuchares een snellen blik, terwijl op de -lippen van den Indiaan een glimlach trilde van onbeschrijfelijke -uitdrukking. - -De tegenwoordigheid van den haciendero herstelde als met een tooverslag -de stilte; de arrieros plaatsten zich terstond aan het hoofd hunner -muildieren; de peons, tot aan de tanden gewapend, stegen in den zadel -en don Sylva, na zich met een oogopslag verzekerd te hebben dat zijne -bevelen stipt waren uitgevoerd, liet zijne dochter in de palankijn -stappen, waar zij zich terstond in de kussens verborg als een bengali -[12] in een bed van rozeblaren. - -Op een wenk van den haciendero, begonnen de muilezels, kop aan staart -achter elkander gebonden, achter de nana of moederezelin, die de bel -aanhad, en onder geleide der peons, het huis uit te komen. - -Alvorens te paard te stijgen wendde don Sylva zich tot een zijner -oudste bedienden, die met den stroohoed in de hand eerbiedig voor hem -stond. - -»Adieu, no Pelucho,” zeide hij, »ik vertrouw u het huis toe, houd goed -de wacht en draag zorg voor al wat er in is. Overigens laat ik u -Pedrito en Florentio, die u kunnen helpen en aan wie gij de noodige -orders zult geven, zoodat alles gedurende mijne afwezigheid goed gaat.” - -»Gij kunt volkomen gerust zijn, mi amo (meester),” antwoordde de -grijsaard met een nederige buiging voor zijn meester, »het is Goddank -niet voor het eerst dat gij mij hier alleen laat, ik geloof dat ik mij -altijd goed van mijn plicht gekweten heb.” - -»Gij zijt een goed dienaar, no Pelucho,” antwoordde don Sylva met een -vriendelijken lach, »ik kan u niet anders dan prijzen, ook ga ik ten -volle gerust van hier.” - -»Dat God u zegene! mi amo, even als de Niña,” antwoordde de oude man, -een kruis makende. - -»Tot weêrziens, no Pelucho,” zei nu het meisje terwijl zij even het -hoofd uit de palankijn stak, »ik weet dat gij zorgen zult voor al wat -van mij is.” - -De grijsaard boog, zichtbaar vergenoegd. - -Don Sylva gaf bevel om te vertrekken en de gansche karavaan zette zich -in beweging naar de Rancho de San José. Het was een van die heerlijke -ochtenden zooals men alleen in deze rijk gezegende streken vindt; het -onweder gedurende den afgeloopen nacht had den hemel geheel schoon -geveegd, die zich thans voordeed in een zacht blauw; de zon, die reeds -vrij hoog boven den gezichteinder stond, verspreidde hare warme -stralen, min of meer getemperd door de welriekende dampen die uit den -grond opstegen; de atmospheer met frissche en versterkende geuren -bezwangerd, was bijzonder doorzichtig en werd van tijd tot tijd door -eene lichte koelte verfrischt; gansche scharen van vogels, van -duizenderlei kleur en pluimaadje vlogen in alle richtingen, en de -muildieren die achter de bellen der nana madrina—de -moederezelin—aankwamen, draafden luchtig voort, onder het opwekkend -gezang der arrieros. - -Zoo marcheerde de karavaan in opgeruimde stemming over de zandige -vlakte, wolken van stof opjagende, terwijl zij als eene lange -kronkelende slang zich voortbewoog in de eindelooze bochten van den -weg. - -Eene voorhoede uit tien peons bestaande nam de omstreken op en -bespiedde hier en daar de struiken en heuvels van het golvende terrein. -Don Sylva rookte eene sigaar en praatte met zijne dochter, terwijl eene -achterhoede van twintig kloeke peons den trein sloot en voor de -veiligheid van het convooi waakte. - -Wij herhalen hier, in dit land waar geen politie en bij gevolg geen -openbaar toezicht bestaat, is eene reis van vier mijlen—want verder -ligt de Rancho de San José niet van Guaymas—een even ernstige en -zorgvereischende zaak als eene reis van honderd mijlen elders; de -vijanden die men zou kunnen ontmoeten en met welke men ieder oogenblik -te doen kan krijgen, hetzij roofzieke Indianen of verscheurende dieren, -zijn te talrijk, te stoutmoedig en te tuk op roof en moord om te hunnen -aanzien zijn leven alleen aan de vlugheid van zijn paard toe te -vertrouwen. - -Men had Guaymas reeds ver achter zich, en de witte huizen waren sinds -lang in de oneffenheden van het terrein verdwenen, toen de capataz, die -zich tot hiertoe rustig aan het hoofd der karavaan had gehouden, op -eens van daar terugkwam en in galop naar de palankijn reed, waar don -Sylva de Torres zich nog steeds bevond. - -»Wel, Blas,” riep deze, »wat nieuws hebt gij? Onraad gezien voor ons -uit?” - -»Nog niets, señoria, antwoordde de capataz, »alles gaat goed en binnen -een uurtje komen wij aan de Rancho.” - -»Hoe komt gij dan zoo haastig naar mij toe?” - -»O, mijn hemel, señoria, het beteekent niet zoo veel, maar er loopt mij -een idee door het hoofd, er is iets dat ik wilde aanwijzen.” - -»Ah zoo,” riep don Sylva, »wat, brave jongen?” - -»Kijk eens, señoria,” hervatte de capataz met de hand naar het -zuidwesten wijzende. - -»Hé! wat zou dat beduiden? Daar is een vuur, als ik het wel heb.” - -»’t Is inderdaad een vuur, señoria; maar kijk eens hier,” en hij wees -nu naar het zuid-oosten. - -»Dat is er nog een. Wie duivel toch stookt hier vuur op zulke hooge -steilten, met welk oogmerk kan men dat gedaan hebben?” - -»O! maar dat is zoo moeielijk niet te begrijpen, señoria.” - -»Vindt gij dat, mijn jongen? wel, dan moest gij mij de zaak eens -ophelderen.” - -»Met alle genoegen. Zie daar ginds,” zeide hij, met de hand naar den -berg wijzende daar hij het eerste vuur gezien had, »die heuvel is de -Cerro del Gigante.” - -»Werkelijk.” - -»En deze,” vervolgde de capataz naar het tweede vuur wijzende, »is de -Cerro de San Xavier.” - -»Dat meen ik ook.” - -»ik weet het zeker.” - -»Welnu?” - -»Welnu, daar het eene bewezen waarheid is, dat een vuur niet van zelve -kan ontstaan en dat bij eene hitte van veertig graden niemand lust zal -hebben om voor aardigheid een vuur boven op den berg te gaan -stoken.....” - -»Wat besluit gij er dan uit?” - -»Ik denk dat die vuren hetzij door roovers of door Indianen zijn -aangelegd die de lucht hebben van onzen uittocht.” - -»Ja, ja, ja! wat gij daar zegt, is bondig geredeneerd, vriend; ga voort -met uw verklaring, zij wekt mijne hoogste belangstelling.” - -De capataz of majordomo van don Sylva, was een kloeke borst van omtrent -veertig jaren, een vent als een Herkules, en met hart en ziel aan zijn -meester gehecht die wederkeerig in hem het grootste vertrouwen stelde. -Op de minzame woorden van den haciendero boog de eerlijke man met een -glimlach van zelfvoldoening. - -»O, maar ik heb zooveel niet meer te zeggen” riep hij, »niets anders -dan dat de ladrones (dieven), of wie het ook wezen mogen die op ons -loeren, door dit signaal gewaarschuwd zijn dat don Sylva de Torres en -zijne dochter van Guaymas op weg zijn naar de Rancho de San José.” - -»Waarlijk, gij hebt gelijk, ik heb dat alles over het hoofd gezien: ik -dacht het minst niet aan de roofvogels van allerlei soort die op ons -pad loeren. Maar alles wel ingezien, wat geven wij er om of de -bandieten ons op de hielen zitten, wij zijn immers onder duizend -getuigen op reis gegaan, zoo dat niemand er onkundig van behoeft te -zijn, en bovendien wij zijn talrijk genoeg om voor geen aanranding te -vreezen, maar zoo het mocht gebeuren dat eenige dier schelmen ons -durven aanvallen, carcaras! dan zullen ze weten met wien ze te doen -hebben, dat beloof ik u; trekken wij dus onbezorgd voort, beste vriend; -ik zie niet in dat ons iets onaangenaams kan overkomen.” - -De capataz boog voor zijn meester en reed in galop naar zijne plaats -aan het hoofd der karavaan terug. - -Een uur later bereikten zij zonder tegenspoed de Rancho. - -Don Sylva reed aan het rechter portier der palankijn en sprak tegen -zijne dochter die hem slechts karige antwoorden gaf, al trachtte zij -hare droefheid zoo veel mogelijk voor den scherpzienden blik van haren -vader te verbergen, toen de haciendero zich op eens bij herhaling -hoorde roepen: hij keek dadelijk om en was niet weinig verbaasd, daar -hij in den man die hem zoo onverwachts tot verantwoording riep den -graaf de Lhorailles herkende. - -»Hoe, señor graaf, gij hier!” riep hij uit, »door welk zonderling -toeval ontmoet ik u hier zoo dicht bij de haven, daar gij dezen nacht -mij reeds zoover vooruit had moeten zijn?” - -Zoodra doña Anita den graaf zag kreeg zij een blos, zij trok zich -schielijk terug en liet de gordijnen der palankijn neer. - -»O!” antwoordde de graaf met eene beleefde buiging, »tusschen nu en -gisteren avond zijn er zekere dingen gebeurd die ik u vertellen zal, -Don Sylva, dingen daar gij verwonderd van zult opkijken, ik verzeker u; -maar het tegenwoordig oogenblik is niet geschikt om zulk eene historie -te beginnen.” - -»Zooals gij gepast oordeelt, mijn vriend. Maar hoe is ’t met u, -vertrekt gij, of blijft gij hier?” - -»Ik vertrek, ik vertrek! Ik ben alleen hier gebleven met oogmerk om u -op te wachten; en zoo gij het goedvindt reizen wij samen; in plaats van -u naar Guetzalli vooruit te gaan, komen wij er dan gezamenlijk aan.” - -»Met alle genoegen. Op marsch!” vervolgde hij met een wenk tegen den -capataz. - -Laatstgenoemde had toen hij zijn meester met den graaf zag spreken, de -karavaan halt laten maken. Thans trok zij weder op weg. - -De Rancho de San José was weldra achter den rug en nu eerst begon de -eigenlijk gezegde reis. - -Voor de reizigers uit strekte zich de woestijn met hare onafzienbare -zandvlakte, op wier geelachtigen bodem eene bochtige lijn, gevormd door -het wit gebleekt gebeente der paarden en muildieren, die in de woestijn -waren bezweken, het pad aanwees dat men te volgen had om niet te -verdwalen. - -Omtrent twee honderd passen voor de karavaan uit, reed op een kreupelen -ezel in sukkeldraf een man, hij zwaaide telkens links en rechts, en -scheen half in slaap geraakt door de brandende zonnestralen die -loodrecht op zijn bloot hoofd vielen. - -»Hei! Blas!” riep don Sylva tegen zijn majordomo, toen hij den eenzamen -ruiter in ’t oog kreeg, »gij moest dien Indiaan daar voor ons uit eens -gaan roepen; die weergasche Roodhuiden kennen de woestijn op hun duim, -hij zou ons als gids kunnen dienen; dan loopen wij minder gevaar van -verdwalen, want als wij ons soms mochten vergissen, zal hij ons zeker -wel weder op den rechten weg brengen.” - -»Gij hebt gelijk,” zei de graaf, »in deze verduivelde zandvlakte is men -nooit zeker van het rechte spoor.” - -»Ga hem roepen!” hervatte don Sylva. - -De capataz zette zijn paard in galop. Op eenigen afstand van den -eenzamen reiziger gekomen bracht hij de handen aan zijn mond bij wijze -van roeper: - -»Heila, José!” schreeuwde hij. - -In Mexico heeten al de mansos of geciviliseerde Indianen José, zoodat -deze naam voor hen een soort van geslachtsnaam is geworden. - -De Indiaan keek om. - -»Wat moet gij hebben?” vroeg hij onverschillig. - -Het was dezelfde persoon dien wij te Guaymas met zoo veel aandacht de -reisaanstalten van den haciendero hebben zien beschouwen. - -Was hij toevallig dezen weg uitgereden, of met opzet? - -Dit is eene vraag die niemand had kunnen beantwoorden. - -Blas Velazquez was wat men in Mexico een hombre de a caballo, wij -zouden zeggen een geboren ridder, noemt, sedert lang op de hoogte van -al de listen der Indianen, zoowel als met de jacht op wilde dieren. Hij -wierp den reiziger een doordringenden blik toe, dien deze met volmaakte -onverschilligheid doorstond. Het hoofd eenigszins verlegen gebukt, de -handen op den hals van zijn ezel en de naakte beenen er links en rechts -af hangende, was hij de volslagen type van een manso Indiaan, die door -de vernederende en slaafsche behandeling der blanken bijna tot een -redeloos dier is geworden. - -De capataz schudde onvoldaan het hoofd, zijn onderzoek was alles -behalve naar wensch; intusschen, na eene minuut aarzelens, hervatte hij -zijn verhoor. - -»Wat maakt gij hier zoo alleen op den weg, José?” vroeg hij. - -»Ik kom van del Puerto, waar ik mij als timmermansknecht had verhuurd; -ik ben er omtrent eene maand gebleven, en toen ik er de kleine som daar -het mij alleen om te doen was had overgewonnen, ben ik gisteren weder -vertrokken en keer naar mijn dorp terug.” - -Dit alles klonk zoo waarschijnlijk als men verlangen kon; de meeste -Hiaqui Indianen deden zoo; en bovendien, wat reden kon deze man hebben -om te liegen? Hij was alleen, en ongewapend; de karavaan daarentegen -was talrijk en bestond uit dappere mannen; er was dus geen het minste -gevaar te vreezen. - -»En hebt gij braaf geld gewonnen?” hervatte de capataz. - -»Ja,” zei de Indiaan met een zegevierend gezicht, »vijf piasters en nog -drie meer.” - -»Oho! José, gij zijt rijk.” - -De Hiaqui glimlachte dubbelzinnig. - -»Ja,” zeide hij, »de Tiburon [13] heeft geld.” - -»Heet gij de Tiburon?” hernam de capataz wantrouwig, »dat is geen mooie -naam.” - -»He! waarom niet? De bleekgezichten hebben dien aan hun rooden zoon -gegeven, hij vindt hem mooi, omdat hij van hen afkomstig is en hij zal -hem houden.” - -»Ligt uw dorp nog ver van hier?” - -»Als ik een goed paard had, zou ik er in drie dagen kunnen zijn, mijn -stamdorp ligt tusschen de Gila en Guetzalli.” - -»Zijt gij bekend te Guetzalli?” - -De Indiaan trok minachtend de schouders op. - -»De Roodhuiden kennen al de jachtgronden aan de Gila,” zeide hij. - -Op dit oogenblik had de karavaan de beide sprekers ingehaald. - -»Wel, Blas,” vroeg don Sylva, »wat is dat voor een man?” - -»Een Hiaqui-Indiaan, die eene kleine som geld te Puerto heeft -overgewonnen en naar zijn dorp terugkeert.” - -»Zou hij ons van dienst kunnen zijn? - -»Ik denk het wel, zijn stam, zegt hij, ligt tusschen de Gila en de -kolonie te Guetzalli.” - -»Ah zoo!” riep de graaf die thans naderbij kwam, »behoort hij dan -misschien tot den stam van het Witte Paard?” - -»Ja,” zei de Indiaan. - -»O! dan sta ik borg voor den man,” riep de graaf levendig, »dat zijn -zeer zachtzinnige Indianen, het zijn ellendige arme drommels, die bijna -van honger sterven; ik gebruik hen dikwijls op de hacienda.” - -»Hoor eens,” hervatte don Sylva, den Roodhuid vriendelijk op den -schouder kloppende, »wij moeten naar Guetzalli.” - -»Goed.” - -»En wij hebben een trouwen en eerlijken gids noodig.” - -»De Tiburon is arm, hij heeft niets dan een zwakken ezel, zoodat hij de -bleekgezichten niet zal kunnen bijhouden.” - -»Maak u daar niet ongerust over,” liet er de haciendero op volgen; »ik -zal u een paard laten geven zoo als gij er nog nooit een bereden hebt; -en als gij ons eerlijk dient, zal ik bij onze komst aan de hacienda nog -tien piasters voegen bij die gij reeds hebt. Bevalt u dat?” - -De oogen van den Indiaan schitterden van begeerlijkheid bij dit -voorstel. - -»Waar is het paard?” vroeg hij. - -»Daar is het,” antwoordde de capataz terwijl hij hem een heerlijken -draver aanwees die een der peons hem bracht. - -De Roodhuid beschouwde het paard met het oog van een kenner. - -»Gij aanvaardt dus den koop?” vroeg de haciendero. - -»Ja,” antwoordde de Roodhuid. - -»Kom dan maar gezwind van uw ezel en wij vertrekken dadelijk.” - -»Ik kan mijn ezel niet verlaten; hij is een goed dier, dat mij lang -dienst heeft gedaan.” - -»Wees daar niet bezorgd over, hij komt met de pakezels achteraan.” - -De Indiaan gaf een wenk van toestemming en antwoordde niets; eenige -oogenblikken daarna zat hij behoorlijk op zijn paard en ging de -karavaan weder op weg. - -Alleen de capataz scheen niet veel vertrouwen te stellen in den zoo -zonderling aangetroffen gids. - -»Ik zal hem in het oog houden,” mompelde hij in zich zelven. - -De tocht werd dien ganschen dag zonder verdere stoornis voortgezet, en -den volgenden dag bereikte men de Rio Gila. - -De oevers der Rio Gila maken door hunne vruchtbaarheid een sterk -contrast met de dorre vlakten in hare nabijheid; de reis van don Sylva, -ofschoon hervat op het oogenblik toen de zon in het toppunt stond en -hare stralen loodrecht nederschoot, was nu niets anders dan een -aangename wandelrit van weinige uren, onder de schaduw van het -loofrijkst geboomte dat hier met een in ons klimaat onbekenden wasdom -opschiet. - -Het was ongeveer drie uren in den namiddag toen onze reizigers -nauwelijks vijftig passen voor zich uit de kolonie Guetzalli zagen -liggen, welke door den graaf de Lhorailles gesticht en ofschoon nog -geen drie jaren tellende, reeds eene aanzienlijke uitbreiding had -bekomen en tot in hooge mate ontwikkeld was. - -Deze kolonie bestond uit eene hacienda of landhoeve, rondom welke de -arbeiderswoningen in groepen verspreid lagen; wij zullen haar in -weinige woorden beschrijven. - -De hacienda verhief zich op een schiereiland van drie mijlen in den -omtrek, met bosschen, akkers en weidevelden, in welke laatsten meer dan -vier duizend stuks vee vrijelijk liepen grazen, die des avonds in -parken dicht bij het huis werden samengebracht. Aan drie zijden door de -rivier omgeven, diende deze haar als een natuurlijke schans; de smalle -landtong van nauwelijks acht ellen breedte, die haar met het vaste land -verbond, werd bestreken door eene batterij van vijf stukken grof -geschut, behoorlijk gedekt door aardewerken en versterkt door eene -diepe met water gevulde gracht. - -Het heerenhuis, door hooge gecreneleerde muren omringd en aan de vier -hoeken met torens versterkt, was een soort van vesting, op zich zelf -reeds voldoende in staat om een geregeld beleg te verduren, dank zij de -acht kanonnen op de vier hoektorens, die al de toegangen verdedigden. -Het bestond uit een hoofdgebouw, twee verdiepingen hoog en met een plat -dak; in den voorgevel waren tien vensters, en links en rechts stonden -twee andere gebouwen met den rug naar voren gekeerd; het een dienende -tot bergplaats voor granen en hooi en het ander tot woonhuis voor den -capataz of hofmeester en de talrijke bedienden der hacienda. - -Eene breede stoep, voorzien van eene dubbele ijzeren balie, sierlijk -bewerkt en bekroond met eene veranda, geleidde naar de vertrekken van -den graaf, die op de wijze der landhoeven in Spaansch-Amerika even -eenvoudig als smaakvol en schilderachtig waren gemeubeld. - -Tusschen het woonhuis en den ringmuur, waarin tegenover de stoep een -cederhouten deur was van vijf duim dik en met sterke ijzeren platen -beslagen, lag een groote welonderhouden Engelsche tuin zeer fraai -aangelegd en zoo dicht beplant dat men geen tien passen er doorheen kon -zien. De ruimte achter het huis was voor stallen en parken bestemd, -waar men iederen avond het vee in opsloot, en verder eene groote open -plaats, waar men op zekeren tijd des jaars gewoon was de matanza del -ganado—de slacht voor den wintervoorraad te houden. - -Geen schilderachtiger gezicht laat zich denken dan de aanblik van dit -witte huis, dat men reeds in de verte kon zien liggen, half verscholen -achter de welige bosschages als achter een gordijn van groen daar het -oog met welgevallen op bleef rusten. - -Uit de vensters der bovenverdieping had men aan de eene zijde het -onbelemmerde uitzicht over de ruime vlakte en aan de andere over de Rio -Gila, die als een breed zilver lint in de grilligste bochten -voortkronkelde en zich in onafzienbare verte verloor in het nevelig -verschiet van den blauwenden horizont. - -Sedert de Apachen bijna op het punt waren geweest van de hacienda te -bemachtigen, was er op het dak van het hoofdgebouw een mirador of -wachttoren geplaatst, in welken nacht en dag een schildwacht op den -uitkijk stond om de omstreken te bewaken, en dadelijk door middel van -een koehoorn moest waarschuwen als hij een vreemdeling de kolonie zag -naderen. - -Bovendien werd de batterij aan de landengte door een post van zes man -bewaakt, terwijl de kanonnen altijd geladen stonden om bij den minsten -onraad los te branden. - -Zoo was de karavaan nog ver van de hacienda verwijderd, toen hare komst -aldaar werd opgemerkt en een der luitenants van den graaf, een oud -soldaat uit Afrika met name Martin Leroux, volgens order, te paard -achter de verschansing zich gereed hield om de nieuw aankomenden te -ondervragen zoodra zij onder het bereik zijner stem zouden zijn. - -Don Sylva was intusschen met de wachtorde der hacienda ten volle -bekend, eene dienstregeling trouwens die op alle buitenbezittingen der -blanken gevolgd werd; want op de posten aan de grenzen, waar men voor -de aanvallen en strooptochten der Indianen onophoudelijk blootstond, -was men wel genoodzaakt om gedurig op zijne hoede te zijn. - -Eén ding echter begreep de Mexicaan niet recht, namelijk dat de eigen -luitenant van den graaf, die hem ongetwijfeld moest hebben herkend, hem -niet dadelijk de deuren had geopend. - -Hij deed dit terstond aan den graaf opmerken. - -»Daar zou hij verkeerd aan hebben gedaan,” zeide deze, »de kolonie -Guetzalli is een gewapende post en altoos in staat van oorlog; de -wachtorde moet dus stipt gevolgd worden voor ieder die zich aanmeldt, -wie dan ook; van deze stipte waarneming hangt het algemeen welzijn af. -Martin heeft mij reeds lang herkend, dat weet ik zeker, maar hij -vooronderstelt dat ik door de Indianen gevangen zou kunnen zijn, en dat -zij mij in schijn vrij lieten, om de kolonie des te beter te kunnen -overrompelen. Ik verzeker u, dat mijn brave luitenant ons niet door zal -laten, alvorens hij overtuigd is dat er onder onze Europeesche -kleederen geen Roodhuiden schuilen.” - -»Ja,” mompelde don Sylva in zich zelven, »dat is maar al te juist; die -Europeanen denken om alles, zij zijn ons ver vooruit.” - -De karavaan was thans nauwelijks twintig passen ver van de hacienda. - -»Ik geloof” zeide de graaf, »als wij ten minste geen hagelbui van -kogels op het lijf willen krijgen, dat wij wijs zullen doen van hier -stil te houden.” - -»Hoe dat!” riep don Sylva verschrikt, »zouden zij schieten?” - -»Zonder twijfel.” - -De beide mannen hielden hunne paarden in en bleven staan wachten tot -men hen ondervroeg. - -»Wiedaar!” riep eene krachtvolle stem in ’t Fransch van achter de -batterij. - -»Wel, wat vindt gij er nu van, don Sylva?” vroeg hij den haciendero. - -»’t Is iets ongehoords?” mompelde don Sylva. - -»Vrienden!” riep nu de graaf in antwoord op de vraag van den -schildwacht, »Lhorailles en de vrijheid.” - -»Alles wel! De poort open!” kommandeerde de stem, »het zijn vrienden, -zoo als ik hoop dat de Hemel ons nog dikwijls zenden zal.” - -De peons lieten de brug neêr, de eenige toegang om in de hacienda te -komen. - -De karavaan trok nu binnen, en de brug werd onmiddellijk achter hem -weder opgehaald. - -»Gij zult het mij niet kwalijk nemen, kapitein,” zeide Martin Leroux -terwijl hij den graaf eerbiedig te gemoet trad, »maar ofschoon ik u -zeer goed herkende, wij leven in een land waar men mijns bedunkens niet -te voorzichtig kan zijn.” - -»Gij hebt uw plicht gedaan, luitenant, ik kan u niet anders dan geluk -wenschen. Wat is er voor nieuws?” - -»Niet veel bijzonders: een troep jagers, door mij in de wildernis -gevonden, heeft mij bericht dat zij een verlaten vuur op de vlakte -hebben ontdekt; ik denk dat er weer Indianen om ons heen zwerven.” - -»Wij zullen een wakend oog op hen houden.” - -»O, ik houd goed de wacht, vooral tegenwoordig nu wij de maand naderen -die de Comanchen zoo brutaal zijn de Maan van Mexico te noemen; ik zou -er niets tegen hebben als zij eens bij ons kwamen, om hun een les te -kunnen geven die zij in ’t vervolg konden onthouden.” - -»Ik ben het volkomen met u eens; verdubbelen wij dus onze waakzaamheid -en alles zal wel gaan.” - -»Hebt gij mij geen andere orders te geven?” - -»Neen.” - -»Dan wil ik gaan, kapitein; gij weet dat gij mij het algemeen toezicht -hebt opgedragen, ik moet dus een weinig overal zijn.” - -»Ga, luitenant, laat ik u niet langer ophouden.” - -De oude soldaat boog voor zijn kommandant en verwijderde zich, terwijl -hij onder de hand den capataz minzaam groette, die hem volgde met de -peons van don Sylva en de pakezels. - -De graaf zelf geleidde zijne vrienden naar dat gedeelte van het -hoofdgebouw, dat voor de vreemde gasten bestemd was, en waar een -appartement met alle noodige gemakken voor hen was ingericht. - -»Neem nu een weinig rust, don Sylva,” zeide hij tegen den haciendero, -»gij zult wel vermoeid zijn van de reis zoo wel als doña Anita; morgen -met uw goedvinden, spreken wij wel over onze zaken.” - -»Zoo als gij verlangt, vriend.” - -De graaf boog voor zijne gasten. Sedert hij het meisje ontmoet had was -er nog geen woord tusschen hem en haar gewisseld. - -Op het voorplein ontmoette de graaf den Hiaqui, die een pijp rookte en -op zijn gemak rondslenterde; hij trad naar hem toe. - -»Ziedaar de tien piasters die ik u beloofd heb,” zeide hij. - -»Dank u,” zeide de Indiaan terwijl hij ze aannam. - -»Wat gaat gij nu doen?” - -»Rusten tot morgen, en dan keer ik tot mijne broeders terug.” - -»Hebt gij zoo veel haast hen weder te zien?” - -»Ik! o neen.” - -»Blijf dan hier.” - -»Om wat te doen?” - -»Dat zal ik u zeggen: misschien zal ik u binnen een paar dagen noodig -hebben.” - -»Krijg ik daar geld voor?” - -»Volop; zijt gij nu tevreden?” - -»Ja.” - -»Dus blijft gij?” - -»Ja, ik blijf.” - -De graaf verwijderde zich, zonder den vreemden blik op te merken dien -de Indiaan hem toewierp. - - - - - - - - - -IX. - -DE LEGERSCHANS IN DE WILDERNIS. - - -Op ongeveer drie geweerschoten afstands van de hacienda, in een dicht -bosch van lentisken, nopals en inktboomen, doormengd met eenige -acajou-ceders, wilde katoen- en Peruboomen, steeg een uur voor -zonsondergang een ruiter af, en kluisterde zijn paard—een heerlijken -mustang met fonkelend oog, fieren hals en golvende manen. Nadat de -ruiter een bespiedenden blik in het rond had geworpen, blijkbaar -welvoldaan over de diepe heerschende stilte, maakte hij zich gereed om -te kampeeren. - -De onbekende had de helft van zijne levensbaan reeds afgelegd: het was -een Indiaansch krijgsman, lang en forsch van gestalte, en gekleed in -het kostuum der Comanchen in zijne grootste zuiverheid. Ofschoon reeds -meer dan zestig jaar oud was hij nog vol levendigheid en kracht en -vertoonde zich geen spoor van ouderdom of verval in zijne gespierde -leden; de arendsveer die midden uit zijn oorlogskuif opstak deed hem -kennen als een opperhoofd of sachem. - -Deze man was de Arendskop, het Comanchenhoofd, waarmede de lezer reeds -in een vorig werk kennis heeft gemaakt [14]. - -Na zijne wapens afgedaan en zijn geweer te hebben in rust gebracht, -verzamelde hij een hoop droog hout en stak het in brand. Vervolgens -legde hij eenige ellen tasajo, een stuk hertebout en een half dozijn -maïskoeken op de kolen. Onder het maken van deze toebereidsels voor een -stevig souper, vulde hij zijne calumet en toen hij er mede klaar was -ging hij bij het vuur zitten; en begon te rooken met al de bedaardheid -die den Indianen eigen is en hen in geenerlei omstandigheden verlegen -laat. - -Zoo gingen er twee uren vreedzaam voorbij, zonder dat de rust van het -Indiaansch hoofd in het minst gestoord werd. - -De nacht was op den dag gevolgd, de duisternis had de wildernis -ingenomen, en met haar begon het rijk der stilte en der eenzaamheid in -de geheimzinnige diepte der prairiën. - -De Indiaan bleef steeds onbeweeglijk zitten en vergenoegde zich met nu -en dan naar zijn paard om te zien, dat lustig zijne wilde doperwten en -jonge bladrijzen knabbelde. - -Op eens echter stak de Arendskop het hoofd op, boog het lijf naar voren -en zonder zich verder te verroeren greep hij naar zijn geweer, terwijl -de mustang ophield met vreten, de ooren spitste en een krachtig -gehinnik aanhief. - -Het bosch bleef intusschen even kalm: er was al de scherpte van een -Indiaansch gehoor toe noodig om in deze stilte nog eenig verdacht -geluid op te merken. - -Een oogenblik daarna werden de samengetrokken wenkbrauwen van het -opperhoofd weder effen, hij hernam zijne onbezorgde houding en de beide -voorvingers aan den mond brengende, bootste hij met zonderlinge -juistheid, gedurende twee of drie minuten het welluidend gezang der -centzontle of Mexicaanschen nachtegaal na; ook het paard had zijn -afgebroken maaltijd weder hervat. - -Er verliep nauwelijks een minuut, of het geschrei van den watersperwer -klonk tweemaal aan de zijde der rivier. - -Weldra hoorde men een gedruisch van paarden, vermengd met het kraken -van takken en geschuifel van bladeren, en er verschenen twee ruiters. - -Het opperhoofd keek niet eens op om te zien wie het waren; hij had hen -waarschijnlijk reeds herkend en wist dat zij, hetzij beiden of althans -een van hen, bij hem zouden komen. - -Deze twee ruiters waren don Louis en Goedsmoeds. - -Zij kluisterden hunne paarden bij dat van het opperhoofd, gingen op een -stilzwijgenden wenk van den Indiaan bij het vuur zitten en vielen met -kracht aan op het souper dat te hunnen gerieve was gereed gemaakt. - -Den vorigen dag van de Rancho vertrokken zijnde, hadden zij -onafgebroken doorgereisd zonder een oogenblik te verliezen om bij den -Arendskop te komen. - -De graaf de Lhorailles had hun in de pulqueria aangeboden om samen te -reizen, maar dat aanbod was door Goedsmoeds geweigerd. - -Niet wetende met welk oogmerk de Indiaan hem in de woestijn had -afgesproken, wilde hij niet gaarne een vreemdeling in de zaken van zijn -vriend opening geven. - -Evenwel waren de drie mannen op den besten voet van elkander gescheiden -en had de graaf don Louis en den Canadees uitgenoodigd om hem te -Guetzalli te komen opzoeken, eene beleefdheid die zij min of meer -uitwijkend beantwoordden. - -De sympathie is soms wonderlijk in hare uitwerkselen: de indruk door -den graaf op de twee avonturiers gemaakt was voor hem zoo ongunstig -geweest, dat deze, ofschoon zijn verzoek met welwillendheid ontvangende -het niet raadzaam vonden, zich te laten kennen, maar te zijnen aanzien -de meeste terughouding in acht te nemen, hunne voorzichtigheid zelfs -zoo ver drijvende dat zij hunnen landaard voor hem verborgen hielden, -en het gesprek bleven voortzetten in het Spaansch, ofschoon zij hem -reeds bij zijn eerste woord voor een Franschman hadden herkend. - -Toen het souper geëindigd was, stopte Goedsmoeds zijne pijp en strekte -de hand naar het vuur om er een brandhout uit te grijpen. - -»Wacht!” riep de Arendskop met drift. - -Dit was het eerste woord dat de Indiaan sprak; tot op dit oogenblik -hadden de drie vrienden nog geen syllabe gewisseld. - -Goedsmoeds keek hem aan. - -»Wel!” riep hij, »wat is er dan nu weer voor nieuws?” - -»Ik weet het nog niet,” antwoordde het opperhoofd, »maar ik heb een -verdacht geritsel in de bladeren gehoord, en op verren afstand van ons, -onder den wind, zijn verscheidene buffels die vreedzaam liepen grazen, -op eens op de vlucht gegaan, zonder dat ik er eenige reden voor zie.” - -»Zoo!” hernam de Canadees, »dat wordt ernstig; wat denkt gij er van, -Louis?” - -»In de wildernis,” antwoordde deze bedaard, »heeft alles zijne oorzaak, -en geschiedt er niets bij toeval; ik denk, onder verbetering, dat wij -wel zullen doen, op onze hoede te zijn. Ei zie,” vervolgde hij -opkijkende en zijnen vrienden een troep vogels wijzende, die snel boven -hunne hoofden voorbij vlogen, »hebt gij ooit een troep condors op dit -uur en zoo laag in de lucht zien vliegen?” - -De Indiaan schudde het hoofd. - -»Er is iets aan de hand,” mompelde hij, »de Apachenhonden zijn op de -jacht.” - -»’t Is mogelijk,” zei Goedsmoeds. - -»Voor alles,” merkte de Franschman aan, »laten wij het vuur uitdoen; -het schijnsel, hoe zwak ook, zou ons kunnen verraden.” - -Zijne kameraden volgden zijn raad, het vuur werd oogenblikkelijk -uitgedoofd. - -»Mijn bleeke broeder is voorzichtig,” zei het opperhoofd beleefd; »hij -kent de woestijn, ik ben blijde dat ik hem bij mij zie.” - -Don Louis dankte den Indiaan met eene buiging. - -»Thans zijn wij nagenoeg onzichtbaar,” vervolgde Goedsmoeds, »dreigend -gevaar hebben wij vooreerst niet te duchten, laten wij samen raad -houden. Het opperhoofd was de eerste die onraad heeft bespeurd, hij -moet ons uitleggen wat hij er van denkt.” - -De Indiaan wikkelde zich in zijn mantel en de drie mannen gingen zoo -dicht bijeen zitten dat het gesprek fluisterend kon worden voortgezet. - -»Reeds dezen morgen met zonsopgang ben ik op reis gegaan,” zei de -Arendskop; »en daar ik haast had om het afgesproken punt te bereiken, -reed ik dwars door de prairie om de reis te bekorten. Maar den geheelen -weg over zag ik duidelijke sporen van een talrijken troep ruiters, die -sporen waren breed en vol, als gewoonlijk van een detachement dat sterk -genoeg is om voor geen onverhoedsche aanranding te vreezen; ik heb die -sporen een geruimen tijd kunnen waarnemen en volgen, tot zij op eens -verdwenen waren, zonder dat ik ze bij mogelijkheid heb kunnen -terugvinden.” - -»Te duivel!” mompelde de Canadees, »dat ziet er gek uit.” - -»In ’t eerst dacht ik mij met die sporen niet bezig te houden, maar -later begon ik er ongerust over te worden en daarom heb ik gemeend er u -van te moeten spreken.” - -»Om welke reden werdt gij ongerust?” - -»Ik denk, en als het wezen moet, durf ik wel zeggen ik weet het zeker, -dat het door mij ontdekte spoor gericht is naar de groote hut der -bleekgezichten te Guetzalli.” - -»Welken grond hebt gij voor die veronderstelling?” vroeg Louis. - -»Deze: op het uur dat de alligator den modderigen oever verlaat om zich -weder in de Gila te dompelen, hoorde ik op korten afstand van mij een -gedruisch van paarden, zoodat ik uit vrees van ontdekt te worden -genoodzaakt was mij achter een boschje van wortelboomen en -floripondio’s te verbergen; toen ik daar veilig zat keek ik uit en nu -reed er geen boogschot ver van mij af een troep bleekgezichten voorbij, -in de richting van Guetzalli.” - -»Ik begrijp er niets van,” riep Goedsmoeds, »ga voort.” - -»Ondanks al de zorg waarmede hij zich onkenbaar had zoeken te maken, -herkende ik den man die de karavaan als gids diende, en toen begreep ik -terstond welk een helsch komplot die Apachen-honden hebben gesmeed.” - -»En wie is die man?” - -»O mijn broeder kent hem wel: het is Wahsho chegora—de Zwarte-Beer—het -voornaamste opperhoofd van den stam der Witte Raven.” - -»Als gij u daarin niet vergist hebt, hoofdman, dan zullen hier binnen -kort vreeselijke dingen gebeuren; de Zwarte-Beer is de onverzoenlijkste -vijand der blanken.” - -»Dat is de eenige reden waarom ik mijn broeder heb willen spreken. -Overigens gaat het ons niet aan; in de wildernis hebben wij genoeg met -onze eigene zaken te doen, zonder dat wij ons met die van anderen -bemoeien.” - -De Canadees schudde het hoofd. - -»Wat gij daar zegt is wel waar,” antwoordde hij, »wij zouden misschien -wijs doen als wij de bewoners der hacienda aan hun lot overlaten en ons -niet steken in zaken daar wij grooten last van kunnen hebben.” - -»Zijt gij dan voornemens werkelijk zoo te handelen,” vroeg de -Franschman met drift. - -»Dat wil ik niet stellig zeggen,” hernam de Canadees, »maar het is een -moeielijk geval; wij zullen met een talrijken vijand te doen krijgen.” - -»Ja, maar die men wil overrompelen zijn uwe landgenooten.” - -»Dat is waar, en dat maakt de zaak inderdaad zeer netelig, ik zou die -ongelukkigen niet gaarne zien scalpeeren. Aan den anderen kant, als wij -ons onbedacht in den strijd werpen, loopen wij gevaar om zelven er het -slachtoffer van te worden.” - -»Waarom bedenkt gij er u zoo lang over?” - -»Pardi! om het voor en tegen goed na te gaan; ik aarzel altijd om mij -in eene onderneming te wagen, daar ik te voren niet al de gevolgen van -heb berekend; ben ik er eenmaal in, dan geef ik er minder om.” - -Don Louis kon zich moeielijk zonder lachen houden bij deze zonderlinge -redeneering, en staarde zijn vriend aan. - -»Mijn besluit is genomen,” hervatte de Canadees een oogenblik later. -»Eer de nacht voorbij is zullen wij zeker wat nieuws zien gebeuren; -gaan wij dichter bij de rivier, ik twijfel niet of wij krijgen daar -weldra de noodige aanwijzing om er ons plan naar te regelen. Onze -paarden staan hier veilig, wij kunnen ze gerust achter laten, zij -zouden ons bovendien maar belemmeren.” - -De drie mannen gingen plat op den grond liggen en kropen stil naar de -rivier, in de door Goedsmoeds aangewezen richting. - -De nacht was heerlijk, de maan scheen in vollen luister en de dampkring -was zoo doorzichtig dat men het kleinste voorwerp op grooten afstand -kon onderscheiden. - -De drie avonturiers kwamen eindelijk uit de struiken tevoorschijn, maar -verborgen zich aan den rand der rivier, in een ondoordringbaar boschje, -waar zij bleven wachten met al het geduld dat den woudloopers eigen is. - -De heerschende stilte in de woestijn was zoo diep, dat ook het zwakste -geluid merkbaar werd; een vallend blad in het water, een keitje dat -zich aan den oever loswoelde, het zacht en eentonig gemurmel van den -stroom over zijn zandige bedding, de ritselende vleugelslag van een -uil, die van tak tot tak sprong, was het eenige dat zich hooren liet. - -Zoo zaten de drie avonturiers reeds verscheidene uren onverdroten te -waken, met open oog en ooren, met den vinger aan de gespannen buks, uit -vrees van overrompeling en nog was er niets gebeurd dat de vermoedens -van den Arendskop of de voorspellingen van Goedsmoeds kon versterken, -toen Louis de hand van den Indiaan zacht aan zijn schouder voelde -drukken, hem naar de rivier wijzende; de Franschman richtte zich op de -knieën en keek uit. - -Eene bijna onmerkbare beweging beroerde de oppervlakte van het water, -als zwom er een alligator voorbij. - -»Ha ha!” mompelde Goedsmoeds, »daar komt eindelijk wat wij zoo lang -gewacht hebben, denk ik.” - -Een zwarte massa verscheen weldra, meer drijvend dan zwemmend, op de -rivier en naderde van lieverlede de plaats waar de jagers zich -verscholen hielden. - -Na verloop van eenige minuten hield de donkere massa, wat zij dan ook -wezen mocht, stil en hoorde men verscheidene malen achtereen het gejank -van den hond der prairiën. - -Weldra klonk het gehuil van den coyote met kracht en zoo dicht in de -nabijheid, dat de drie wakers huns ondanks er van schrikten. -Oogenblikkelijk zagen zij een man met beide handen van een acajou-eik -afhangen en eensklaps op den grond vallen, geen zes passen ver van de -plek waar zij zich bevonden. - -Die man was in Mexicaansche kleeding. - -»Kom hier, hoofdman,” zeide hij, half overluid tegen de zwarte massa in -het water, zonder zich te dicht aan den oever te wagen. »Kom vrij, wij -zijn alleen.” - -De toegesprokene zwarte massa, blijkbaar een Indiaan, kwam uit het -water en kroop op handen en voeten naar den man uit den boom. - -»Mijn broeder spreekt te hard,” zeide hij; »in de woestijn is men nooit -alleen; de bladeren hebben oogen en de boomen ooren.” - -»Bah! wat gij mij daar zegt is al te gek; wie duivel zou ons hier -bespieden. Uwe krijgslieden er buiten gerekend, die waarschijnlijk in -den omtrek verborgen zijn, kan niemand ons hier zien of hooren.” - -De Indiaan schudde bedenkelijk het hoofd. - -Nu deze op vasten bodem was, nauwelijks tien passen van onze -avonturiers, moest Goedsmoeds bekennen dat de Arendskop zich niet -bedrogen had en dat de bedoelde man werkelijk niemand anders was dan de -Zwarte-Beer. - -De beide mannen stonden een poosje zwijgend tegenover elkander. - -Eindelijk vatte de Mexicaan het woord weder op. - -»Gij hebt goed gemanoeuvreerd, hoofdman,” zeide hij op vleienden toon; -»ik weet niet hoe gij het gedaan hebt gekregen, maar ik veronderstel -dat het u gelukt is om binnen de hacienda te komen?” - -»Dat is het,” antwoordde de Indiaan. - -»Dan hebben wij nu niets meer te doen dan onze laatste maatregelen te -beramen; gij zijt een groot opperhoofd, in wien ik het onbepaaldste -vertrouwen stel; ziedaar wat ik u beloofd heb; ik behoefde u eerst -later te betalen, maar ik wil dat er niet de minste reden van verwijt -tusschen ons besta.” - -De Indiaan wees de hem aangeboden goudbeurs met weerzin terug. - -»De Zwarte-Beer heeft zich bedacht,” zeide hij koel. - -»In welk opzicht, als ik u vragen mag?” - -»Een krijgsman is geen vrouw dat hij noodeloos woorden zou verspillen; -wat mijn broeder den Zwarten-Beer had aangeboden, weigert de Apache -stellig.” - -»Dat wil zeggen?” - -»Dat alles tusschen ons verbroken is.” - -De Mexicaan onderdrukte met moeite zijne teleurstelling. - -»Derhalve hebt gij uwe krijgslieden niet gewaarschuwd; en zult gij -wanneer ik het u beveel de hacienda niet aantasten?” - -»De Zwarte-Beer heeft zijne krijgers gewaarschuwd, hij zal de -bleekgezichten aantasten.” - -»En wat zegt gij mij dan daar even? Ik moet u verklaren dat ik u niet -begrijp, hoofdman.” - -»Dat komt omdat het bleekgezicht mij niet begrijpen wil: de Zwarte-Beer -zal de hacienda wel aantasten, maar voor zijn eigen rekening.” - -»Dat was immers tusschen ons afgesproken, zoo ik meen?” - -»Ja, maar de Zwarte-Beer heeft de zingende vogel gezien, zijne tent is -ledig, hij wil er de jonge bleeke maagd in huisvesten.” - -»Ellendeling!” riep de Mexicaan verbolgen, »moet gij mij aldus -verraden?” - -»Waarin verraad ik het bleekgezicht?” antwoordde de Indiaan altijd -onverstoord; »hij heeft mij een koop aangeboden, en ik heb dien -geweigerd, daarin zie ik niets dan volkomen trouw en eerlijkheid.” - -De Mexicaan verbeet zich de lippen van woede; hij zag zich gevangen, en -had niets meer te antwoorden. - -»Ik zal mij wreken!” riep hij stampvoetend. - -»De Zwarte-Beer is een machtig opperhoofd: hij lacht met het gekras der -raven; het bleekgezicht kan niets tegen hem doen.” - -Met een sprong sneller dan eene gedachte wierp de Mexicaan zich op den -Apache, greep hem bij de keel, trok zijn mes en hief het reeds op om -hem te treffen. - -Maar de Indiaan had de bewegingen van zijn tegenpartij te goed in ’t -oog gehouden; met een niet minder snellen wrong, ontrukte hij zich aan -diens vuist en stond met een sprong buiten zijn bereik. - -»De bleekmuil heeft een sachem durven aantasten,” zeide hij met eene -heesche stem, »hij zal sterven.” - -De Mexicaan haalde de schouders op en greep de pistolen in zijn gordel. - -Het is moeielijk te gissen hoe dit tooneel zou zijn afgeloopen, zoo er -geen nieuw geval tusschen beide gekomen ware, dat de geheele toedracht -van gedaante deed veranderen. - -Uit den zelfden boom, daar weinige minuten te voren de Mexicaan in -verborgen had gezeten, kwam plotseling een tweede persoon te -voorschijn, en viel juist op den Apache, dien hij op den grond wierp en -volkomen weerloos maakte, eer hij door dezen onverhoedschen aanval -verschrikt er aan denken kon zich te verdedigen. - -»Wat is dat?” fluisterde Goedsmoeds met een gesmoorden lach, tegen -zijne vrienden, »hoe veel duivels zitten er toch in dien acajou-ceder?” - -De Mexicaan en de man die hem zoo in tijds ter hulp kwam, hadden den -Apache binnen weinige oogenblikken met eene reata zoo stijf vast -gebonden, dat hij geen lid meer verroeren kon. - -»Nu zijt gij in mijne macht, hoofdman,” zei de Mexicaan, »en nu zult -gij wel moeten toestemmen in hetgeen ik verlang.” - -De Apache meesmuilde en maakte een scherp gefluit. - -Op dit signaal kwamen eensklaps alsof zij uit den grond oprezen een -vijftigtal Indiaansche krijgslieden van alle kanten toeschieten, en wel -met zooveel spoed, dat de twee Mexicanen zich oogenblikkelijk binnen -een ondoordringbaren kring van vijanden zagen opgesloten. - -»Te duivel!” riep Goedsmoeds bij zich zelven, »dat begint ingewikkelder -te worden; hoe zullen zij zich daaruit redden?” - -»En wij dan?” lispelde don Louis hem in ’t oor. - -De Canadees beantwoordde hem met dat veelbeteekenend schouderophalen, -dat in alle talen, zoo veel wil zeggen als »in vredesnaam, als het God -behaagt!” en begon opnieuw met de meeste belangstelling te turen hoe -dit ingewikkelde tooneel zou afloopen. - -»Cuchares,” hoorde hij den Mexicaan tegen zijn kameraad zeggen, »houd -dien kerel goed vast, en dood hem als een hond bij de minste beweging, -die hij maakt.” - -»Wees maar gerust, don Martial, antwoordde de lepero terwijl hij uit -zijn jachtlaars een mes te voorschijn bracht, welks blauwe lemmer in -het maanlicht glinsterde. - -»Waartoe besluit de Zwarte-Beer?” hervatte don Martial tegen den -sachem, die weerloos aan zijne voeten lag. - -»Het leven van een opperhoofd is in uwe macht, hond van een bleekmuil; -neem het zoo gij durft!” antwoordde de Apache met een minachtenden -grijns. - -»Ik zal u niet dooden; niet omdat ik bang ben, want dat gevoel ken ik -niet,” riep de Mexicaan, »maar omdat ik het beneden mij acht het bloed -te storten van een vijand die weerloos is, al is die vijand een onreine -hond en een valsche coyote zoo als gij.” - -»Dood mij, zeg ik u, als gij kunt, maar scheld mij niet uit. Haast u, -want als mijne krijgslieden hun geduld verliezen zullen zij u aan hunne -woede opofferen, en dan sterft gij ongewroken.” - -»Gij schertst, uwe krijgslieden zullen zich niet verroeren zoo lang ik -u hier vast heb, dat weet gij wel. Ik wil u liever den vrede -aanbieden.” - -»Vrede!” riep de sachem en er fonkelde een heldere blik uit zijn oog, -»op welke voorwaarden?” - -»Op twee voorwaarden.” - -»Goed.” - -»Cuchares, ontdoe dien man van de lasso; maar houd hem altijd in het -oog.” - -De lepero gehoorzaamde. - -»Dank u,” zeide de Zwarte-Beer zich op de knieën oprichtende; »spreek, -mijne ooren zijn geopend. Welke zijn uwe voorwaarden?” - -»Vooreerst dat het mij en mijn kameraad vrij zal staan ons te -verwijderen waarheen wij willen,” - -»Goed, ten tweede.” - -»Ten tweede dat gij u verbindt om bij uwe krijgslieden te blijven en -niet weder onder dezelfde vermomming naar de hacienda te gaan, ten -minste niet in de eerste vier en twintig uren.” - -»Is dat alles?” - -»Dat is alles.” - -»Hoor mij op mijne beurt, bleekgezicht. Ik neem uwe voorwaarden aan, -maar ik wil u de mijne zeggen.” - -»Spreek.” - -»Ik zal de hacienda niet weder binnentrekken dan met de arendsveer in -mijn oorlogskuif, en aan het hoofd van mijne krijgslieden, en dat zal -zijn eer de zon driemaal achter de hooge bergtoppen van het westen -geslapen heeft.” - -»Gij pocht, Apache; ’t is onmogelijk dat gij de hacienda binnenkomt -anders dan door verraad.” - -»Wij zullen zien,” zeide hij, en liet er met een dreigenden glimlach op -volgen: »de vogel die zingt zal in de hut van een Apachenhoofd wonen en -er het wild voor hem braden.” - -De Mexicaan haalde minachtend de schouders op. - -»Beproef het om de hacienda te nemen en u van het meisje meester te -maken,” zeide hij. - -»Ik zal het beproeven. Geef mij uwe hand!” - -»Ziedaar.” - -De Zwarte-Beer wendde zich naar zijne krijgslieden en met de hand van -den Tigrero in de zijne, sprak hij met luider stem en op een toon van -de hoogste majesteit: - -»Broeders, dit bleekgezicht is de vriend van den Zwarte-Beer, dat -niemand hem lastig zij.” - -De krijgslieden bogen eerbiedig en verwijderden zich links en rechts, -om de twee blanken door te laten. - -»Vaarwel,” zeide de Zwarte-Beer zijn vijand groetende, »binnen vier en -twintig uren volg ik uw spoor.” - -»Gij vergist u, Apachenhond,” antwoordde don Martial trotsch, »ik -integendeel zal het uwe volgen.” - -»Goed! dan zijn wij in ieder geval zeker dat wij elkander weer -ontmoeten,” hernam de Zwarte-Beer. - -Hij verwijderde zich langzaam met fieren en vasten tred, gevolgd door -zijne krijgslieden, terwijl hunne stappen weldra in de diepte van het -bosch verdwenen. - -»Bij mijne ziel, don Martial,” sprak de lepero, »ik geloof dat gij -verkeerd hebt gedaan met den Indiaanschen rekel zoo gemakkelijk te -laten ontsnappen.” - -De Tigrero haalde de schouders op. - -»Moest ik mij dan niet uit de klem zoeken te redden daar wij in waren,” -zeide hij. »Bah! de partij is remise. Zoeken wij onze paarden.” - -»Wacht nog even, als gij er niets tegen hebt,” riep nu op eens -Goedsmoeds, zijn schuilhoek verlatende en ongedwongen te voorschijn -tredende, gevolgd door zijne twee kameraden. - -»Wat is dat?” riep Cuchares, onmiddellijk zijn mes grijpende, terwijl -don Martial bedaard de hand aan zijne pistolen sloeg. - -»Wat het is, caballero?” hernam Goedsmoeds op vredelievenden toon, »dat -ziet gij wel, zou ik denken.” - -»Ik zie drie mannen.” - -»Juist, daar hebt gij gelijk in, drie mannen die ongezien het tooneel -hebben aanschouwd, dat gij zoo braaf hebt afgespeeld; drie mannen die -zich gereed hielden om u bij te springen in geval van nood en die u -thans nog aanbieden gemeene zaak met u te maken, om met u de plundering -der hacienda te helpen beletten daar de Apachen stellig het voornemen -toe hebben: komt u dat gelegen?” - -»Dat hangt er van af,” meesmuilde de Tigrero, »ik moet eerst nog weten -wat u beweegt om aldus te handelen.” - -»Vooreerst om u een genoegen te doen,” hernam Goedsmoeds beleefd, »ten -tweede omdat ik die arme kolonisten voor het scalpeermes dier -vervloekte Roodhuiden wil bewaren.” - -»In dat geval neem ik uw voorstel van ganscher harte aan.” - -»Volg ons dan naar ons kamp, daar kunnen wij samen ons plan van den -veldtocht bespreken.” - -Zoodra Cuchares begreep dat de lieden die hier op zulk eene zonderlinge -wijs verschenen, bepaaldelijk vrienden waren, had hij zich gehaast zijn -mes weder in zijne laars te steken en was hij de paarden gaan halen, -die zij op korten afstand hadden gelaten. Hij kwam juist terug, de -beide paarden aan de hand leidende, en nu gingen de vijf mannen -gezamenlijk naar het kampement. - -»Neem u in acht,” zei Goedsmoeds tegen don Martial, »gij hebt u dezen -nacht een onverzoenlijken vijand gemaakt, zoo gij u niet haast den -Zwarte-Beer te dooden zal hij zich bij de een of andere gelegenheid op -u wreken; de Apachen vergeven nimmer eene beleediging.” - -»Dat weet ik; en ik zal er mijne maatregelen naar nemen, stel u -gerust.” - -»Dat is uwe zaak. Misschien hadt gij beter gedaan hem uit den weg te -ruimen toen hij in uwe macht was, onverschillig wat er het gevolg van -zou geweest zijn.” - -»Kon ik dan raden dat ik zoo dicht bij mij vrienden had? O! had ik dat -maar geweten.” - -»Geen nazorgen, wat gedaan is is gedaan, daar kan men niet meer op -terugkomen.” - -»Zoudt gij denken dat die man zijne voorwaarden stipt zal nakomen?” - -»Gij schijnt den Zwarte-Beer niet te kennen; die man is hooghartig, hij -heeft zijne vaste begrippen van trouw en riddereer. Hebt gij niet -gezien hoe hij bij zijne onderhandeling met u geen list heeft willen -gebruiken; wat hij sprak was altijd rond en oprecht.” - -»Dat is zoo.” - -»Wees daarom verzekerd dat hij zijne belofte zal houden.” - -Hier bleef het gesprek steken. Don Martial was op eens nadenkend -geworden, de bedreigingen van den Apache gaven hem nu des te meer stof -tot bezorgdheid. - -Zij bereikten het kamp. - -De Arendskop ging dadelijk aan ’t werk om een vuur aan te leggen. - -»Wat doet gij?” riep Goedsmoeds terstond, »zoo zult gij immers onze -tegenwoordigheid verraden.” - -»Neen,” antwoordde de Indiaan hoofdschuddend, »de Zwarte-Beer is met -zijn volk vertrokken; zij zijn thans reeds ver van hier; waarom zouden -wij onnoodige voorzorgen gebruiken?” - -Weldra vlamde het vuur knappend omhoog. De vijf mannen gingen er bij -zitten, staken hunne pijpen aan en begonnen deftig te rooken. - -»Ik moet bekennen,” hervatte de Canadees een oogenblik later, »zonder -de door u betoonde koelbloedigheid, weet ik niet hoe gij u uit den nood -zoudt hebben gered.” - -»Laten wij thans zien hoe wij het voornemen van die duivelsche kerels -het best zullen verijdelen,” riep de Mexicaan. - -»O! dat is eenvoudig genoeg,” zei Louis, »een van ons gaat morgen naar -de hacienda en verwittigt den eigenaar van hetgeen er dezen nacht -gebeurd is, dan kan hij op zijne hoede zijn en alles is in orde.” - -»Ja, ik denk wel dat dit het beste middel is en dat wij het moeten -gebruiken,” zei Goedsmoeds. - -»Vijf mannen zijn niets tegen vijfhonderd,” merkte de Arendskop aan; -»wij moeten de bleekgezichten waarschuwen.” - -»Dat is juist wat wij voornemens zijn te doen, hoofdman,” zei de -Tigrero; »maar wie van ons zal zich nu met die taak belasten en naar de -hacienda gaan? Mijn kameraad en ik kunnen er ons niet aanmelden.” - -»Waarom niet! ik zou nu haast denken dat er een liefdehistorie onder -loopt,” riep de Canadees schalks, »en dan begrijp ik wel dat het u -moeielijk valt, om....” - -»Laten wij er niet langer over haspelen,” viel Louis hem in de rede; -»morgen, met zonsopgang ga ik naar de hacienda, ik neem die taak op mij -en hoop den eigenaar in allen deele behoorlijk in te lichten omtrent -het gevaar dat hem boven het hoofd hangt.” - -»Goed; dat is afgesproken en daarmede is alles gezegd,” riep -Goedsmoeds. - -»Zeer goed,” zei don Martial, »dan zeggen mijn kameraad en ik, zoodra -onze paarden hebben uitgerust, u hier vaarwel en keeren naar Guaymas -terug,” - -»Toch niet, met uw welnemen,” zei de Franschman schielijk, »ik geloof -dat gij beter zult doen, hier zoo lang te wachten tot ik van de -hacienda terugkom, om te weten hoe het met mijn boodschap afloopt, dat -gaat u nog meer aan dan ons, zou ik denken.” - -De Mexicaan onderdrukte met moeite een opkomend gevoel van tegenzin. - -»Gij hebt gelijk,” zeide hij, »daar dacht ik niet aan. Ik zal wachten -tot gij terugkomt.” - -De jagers wisselden nog eenige woorden samen, toen wikkelden zij zich -in hunne dekens, legden zich op den grond neder en waren weldra in -slaap. - -De diepste stilte heerschte thans in het sombere boschkamp, dat slechts -flauw verlicht werd door den rooden gloed van het uitstervende vuur. - -Reeds twee uren ongeveer hadden de avonturiers geslapen, toen de -struiken zachtjes werden uiteengeschoven, en een man verscheen. - -Hij bleef een oogenblik staan, zoo het scheen om te luisteren; daarop -kroop hij zonder het minste gedruisch te maken voort naar de plek waar -de Tigrero gerust sliep. - -Dichter bij gekomen, en in het schijnsel van het vuur, had men hem -duidelijk genoeg als den Zwarte-Beer kunnen onderkennen. Het -Apachenhoofd haalde zijn scalpeermes uit zijn gordel en legde het zacht -op de borst van den Tigrero; toen nog eens rondkijkende om zich te -verzekeren dat de vijf mannen gerust sliepen, verwijderde hij zich met -dezelfde voorzichtigheid als hij gekomen was en verdween weldra in de -struiken, die zich achter hem sloten. - - - - - - - - - -X. - -VOOR DEN AANVAL. - - -Op het eerste gefluit van den maukawis, dat wil zeggen, met het opgaan -der zon, werden de avonturiers wakker. - -De nacht was rustig voorbijgegaan en hun slaap was door niets gestoord -geworden; slechts een weinig verkleumd door den overvloedigen dauw, die -hunne dekens geheel doortrokken had, haastten zij zich om op te staan, -en eenige keeren het kamp op en neer te stappen, ten einde bij zich den -bloedsomloop te herstellen en hunne verdoofde leden te ontgloeien. - -Met de eerste beweging die don Martial bij het opstaan maakte, viel er -een mes van hem af op den grond. De Mexicaan raapte het op en slaakte -een kreet van verbazing, bijna van schrik, terwijl hij het aan zijne -kameraden liet zien. - -Het zoo onverwacht gevonden wapen was een scalpeermes, op het lemmer -vertoonden zich nog sporen van bloed. - -Wij weten reeds wie het mes op de borst van den Tigrero gelegd had. - -»Wat beteekent dat?” riep hij, terwijl hij het wapen verontwaardigd -omhoog hield. - -De Arendskop nam het en bekeek het nauwkeurig. - -»Ooah!” riep hij verwonderd, »de Zwarte-Beer is hier geweest terwijl -wij sliepen.” - -De jagers konden hun schrik niet verbergen. - -»Dat is onmogelijk,” beweerde Goedsmoeds. - -De Indiaan schudde van neen en liet hem het mes zien. - -»Ziedaar,” zeide hij, »’t is het scalpeermes van den Apache, het totem -van zijn stam staat er op den steel ingesneden.” - -»Ja, waarlijk!” - -»De Zwarte-Beer is een vermaard krijgshoofd, zijn hart is groot genoeg -om eene wereld te bevatten. Daar hij zich gedwongen zag de hem -opgelegde voorwaarden te vervullen, heeft hij zijnen vijand willen -bewijzen dat diens leven in zijne macht was en dat hij het hem ontnemen -kon wanneer het hem goeddacht; dat is eenvoudig de beteekenis van het -mes, nedergelegd op de borst van een slapenden Yori—Spanjaard.” - -De avonturiers waren alles behalve op hun gemak over dezen trek van -stoutmoedigheid; zij beefden bij de gedachte dat hun leven in de macht -had gestaan van den Apache, die zich niet verwaardigd had hen te -dooden, maar alleen had willen toonen dat hij hen durfde trotseeren; -den Mexicaan vooral ging bij dat idee eene rilling over het lijf. - -De Canadees was de eerste die zijne gewone bedaardheid terugkreeg. - -»Canario!” riep hij, »die Apachenhond heeft wel gedaan dat hij ons -waarschuwde; nu zullen wij voortaan beter oppassen.” - -»Hm,” riep Cuchares met de handen in zijn dik en kroesig haar, »ik zou -niet gaarne gescalpeerd worden.” - -»Bah!” antwoordde Goedsmoeds, »men komt er niet altijd even kaal af.” - -»Dat kan waar zijn, maar ik zou er niet gaarne de proef van nemen.” - -»Daar het intusschen geheel dag is geworden,” merkte don Louis aan, -»geloof ik dat het voor mij tijd wordt om naar de hacienda te -vertrekken, wat dunkt u?” - -»Wij hebben geen oogenblik te verliezen om de plannen des vijands te -verijdelen,” drong don Martial nader aan. - -»Des te minder daar wij nog zekere maatregelen moeten nemen, waarover -wij elkander hoe eer hoe beter dienen te verstaan,” zei Goedsmoeds. - -De Indiaan en de lepero gaven hunne toestemming alleen met een -hoofdknik te kennen. - -»Bepalen wij vooraf onze eerste samenkomst,” hervatte Louis. - -»Gij kunt mij hier niet blijven wachten, waar de Indianen ons veel te -gemakkelijk vinden zouden.” - -»Ja,” antwoordde Goedsmoeds zich bedenkend, »maar ik ben met deze -streek niet goed bekend en ik zou zeer verlegen staan als ik een -geschikt punt moest aanwijzen.” - -»Ik weet er wel een,” zei nu de Arendskop, »ik zal er u zelf brengen; -onze bleeke broeder kan daar bij ons komen.” - -»Zeer goed, maar dan dien ik vooraf te weten welke plaats gij bedoelt.” - -»Laat mijn broeder zich daar niet over verontrusten, zoodra hij de -groote hut uitkomt ben ik bij hem.” - -»Dan is alles in orde. Tot weerziens.” - -Louis zadelde zijn paard en reed weg in gestrekten draf in de richting -der hacienda, die trouwens niet verder dan drie geweerschoten -verwijderd lag van de plaats waar de avonturiers zich thans bevonden. - -Laten wij thans de jagers een poos alleen en zien wij wat er inmiddels -in de hacienda gebeurd was. - -De graaf de Lhorailles stapte met een bezorgd gelaat op en neder in de -benedenzaal, die tevens als vestibule voor het hoofdgebouw diende. - -Tegen wil en dank hield zijne ontmoeting met den Mexicaan hem levendig -bezig; hij wenschte gaarne met doña Anita in het bijzijn van haar vader -een ronde verklaring te hooren, die alle onzekerheid zou opheffen, of -althans den sleutel van het ten haren opzichte bestaande geheim zou aan -de hand geven. - -Nog een andere omstandigheid had hem uit zijn humeur gebracht en -verdubbelde zijne onrust: - -Met het aanbreken van den dag was Diego Leon, een zijner luitenants, -bij hem gekomen met bericht, dat de Indiaan, dien hij den vorigen dag -als gids had medegenomen, dien nacht spoorloos verdwenen was. - -De staat van zaken begon ernstig te worden; de Mexicaansche Maan was -ophanden; de gids was blijkbaar een Indiaansche spion die zich van de -sterkte der hacienda had willen verzekeren en van de beste middelen om -haar te overrompelen. - -De Apachen en Comanchen konden niet veraf wezen, misschien zaten zij -reeds in het hooge gras te loeren op een gunstig oogenblik om hunne -onverzoenlijke vijanden te bestormen. - -De graaf ontveinsde zich daarbij niet, dat zoo zijn toestand moeielijk -was, hij dit grootendeels aan zich zelven te wijten had. - -Van gouvernementswege met een gewichtig kommando belast, inzonderheid -ten doel hebbende om de grenzen tegen de invallen der Indianen te -beschermen, had hij nog hoegenaamd geen aanstalten gemaakt of -maatregelen genomen om het mandaat te vervullen dat hem niet alleen was -opgedragen, maar wat meer zegt, daar hij zelf om gevraagd had. - -De zoogenaamde Maan van Mexico zou binnen eene maand intreden; voor -dien tijd was het volstrekt noodig om een beslissenden slag te slaan, -die den Indianen een heilzamen schrik zou inboezemen en hen beletten -zich te vereenigen, en alzoo hunne plannen te verijdelen. - -De graaf had hierover reeds een geruimen tijd nagedacht en was er zoo -diep mede bezig, dat hij vergat naar zijne gasten te laten vragen, die -hij den vorigen avond onder zijn dak had ontvangen. - -Op eens stond zijn oude luitenant voor hem. - -»Wat wilt gij, Martin?” vroeg hij hem. - -»Met uw verlof, kapitein, ik hoop niet dat ik u stoor of ongelegen kom, -maar Diego Leon, die met acht man op de batterij aan de landtong de -wacht heeft, heeft mij laten zeggen dat een ruiter verzoekt om binnen -te komen, daar hij u over ernstige zaken spreken moet.” - -»Wie is die man?” - -»Een blanke, goed gekleed, en bereden op een uitmuntend paard.” - -»Heeft hij niets anders meer gezegd?” - -»Verschooning; nog dit: zeg aan uw kommandant dat ik een van de twee -personen ben die hij in de Rancho van José heeft gesproken.” - -Het gelaat van den graaf helderde op. - -»Laat hem binnen komen, het is een vriend.” - -De luitenant ging heen. - -Zoodra de graaf weder alleen was hervatte hij zijne wandeling. - -»Wat kan die man mij te zeggen hebben?” prevelde hij, »toen ik in de -Rancho hem en zijn vriend aanbood om met mij mede te gaan, hebben zij -beiden geweigerd. Wat kan hen zoo spoedig van besluit hebben doen -veranderen? Bah! waartoe langer te gissen,” vervolgde hij, terwijl hij -het trappelen van een paard op het patio hoorde; »ik zal het dadelijk -weten.” - -Bijna op hetzelfde oogenblik verscheen don Louis, binnengeleid door den -luitenant, die op een wenk van den graaf zich terstond verwijderde. - -»Aan welk gelukkig toeval,” zei de graaf de Lhorailles beleefd, »dank -ik de eer van een bezoek dat ik zoo weinig durfde verwachten?” - -Don Louis gaf hem zijne buiging even wellevend terug en antwoordde: - -»Het is geen gelukkig toeval dat mij herwaarts voer, integendeel de -Hemel geve dat ik geen ongeluksbode moge zijn.” - -»Wat bedoelt gij daarmede, señor?” vroeg hij ongerust, »ik begrijp u -niet.” - -»Ik zal het u dadelijk ophelderen. Maar laten wij Fransch spreken, als -gij dat goedvindt; dan verstaan wij elkander beter,” zeide hij, -terstond het Spaansch latende varen daar hij zich tot hiertoe van -bediend had. - -»Wat!” riep de graaf verwonderd, »spreekt gij Fransch, mijnheer.” - -»Ja, mijnheer,” hernam Louis, »wat meer is, ik heb de eer uw landgenoot -te zijn, en al ben ik,” vervolgde hij, »sinds bijna tien jaren -uitlandig geweest, is het mij altijd een onbeschrijfelijk genoegen als -ik mijne eigen taal mag spreken.” - -Toen de graaf hem dit hoorde zeggen, scheen hij dezelfde man niet meer. - -»O!” riep hij in vervoering, »laat ik u de hand drukken, mijnheer; twee -Franschen, die elkander in dit verre land ontmoeten, zijn broeders: -vergeten wij voor een poos de plaats waar wij zijn en spreken wij over -Frankrijk, dat dierbare vaderland, dat ons zoo na aan het hart ligt en -daar wij zoo ver af zijn.” - -»Helaas! mijnheer,” antwoordde Louis, die zijne ontroering bedwingen -moest. »Ik gevoel mij gelukkig dat ik voor eenige oogenblikken mijne -omgeving kan vergeten om de herinneringen van ons gemeenschappelijk -vaderland te verlevendigen. Jammer slechts is het oogenblik ernstig en -zijn de gevaren die u bedreigen zoo groot, dat de tijd dien wij dus met -praten zouden verliezen, voor u de vreeselijkste gevolgen zou kunnen -hebben.” - -»Gij doet mij schrikken, mijnheer. Wat is er dan gaande? welk -vreeselijk nieuws hebt gij mij mede te deelen?” - -»Ik heb u immers reeds gezegd, mijnheer, dat ik een Jobsbode was, en -kwade tijding kwam brengen.” - -»Laat u dat niet bezwaren; wat het ook zij, door u gesproken zal het -mij welkom zijn; wat kan ik op mijn tegenwoordigen post in de woestijn -anders verwachten dan nu en dan een ongeluk?” - -»Ik hoop dat ik u het gevaar zal kunnen helpen afwenden, dat u thans -boven het hoofd zweeft.” - -»Ik dank u voorshands voor uw broederlijke belangstelling, mijnheer; -spreek nu vrij uit, wat gij mij ook moogt te vertellen hebben, ik zal u -rustig aanhooren, ik verlang het te weten en luister met aandacht.” - -Zonder van zijne ontmoeting met den Tigrero te reppen, verhaalde don -Louis thans den graaf, hoe hij toevallig een gesprek tusschen den gids -en verscheidene Apachenhoofden had afgeluisterd, die in den omtrek der -hacienda verscholen zaten en welk plan zij hadden gevormd om de kolonie -te overrompelen. - -»Ziedaar, mijnheer,” zeide hij ten slotte, »oordeel nu zelf over het -gewicht der tijding en over de maatregelen die gij zult moeten nemen om -het plan uwer vijanden te verijdelen.” - -»Ik zeg u dank, mijnheer; reeds eenige minuten voor uwe komst, toen -mijn luitenant mij kwam zeggen dat de gids verdwenen was, heb ik -begrepen dat ik met een spion te doen had; wat gij mij meldt brengt dit -vermoeden tot zekerheid. Zoo als gij wel zegt is er geen oogenblik te -verliezen; ik zal mij onmiddellijk beraden om de noodige maatregelen te -beramen.” - -Hij klopte op de tafel. - -Er kwam een peon binnen. - -»Roep den eersten luitenant,” zeide hij. - -Na een paar minuten verscheen Martin Leroux. - -»Luitenant,” zei de graaf, »gij moet met twintig ruiters al de -omstreken drie mijlen in ’t rond gaan verkennen, want ik hoor daareven -dat er Indianen in de nabijheid zijn die op ons loeren.” - -De oude soldaat boog zonder te antwoorden en verwijderde zich om te -gehoorzamen. - -»Wacht even!” riep don Louis in ’t Fransch, hem met een wenk -tegenhoudende; »nog een woord.” - -»Hé!” riep Martin Leroux met verwondering terugkeerende, »spreekt gij -nu toch Fransch?” - -»Zoo als ge hoort,” antwoordde don Louis glimlachend. - -»Hadt gij het een of ander op te merken?” vroeg de graaf. - -»Ik woon reeds sinds lang in Amerika en in de woestijn, zoodat ik de -Indianen heb leeren kennen en met hen in list kan wedijveren. Met uw -verlof zal ik u eenigen raad geven dien ik meen dat u in de -tegenwoordige omstandigheden niet ondienstig zal zijn.” - -»Pardi!” riep de graaf, »spreek op, waarde landsman, uw raad kon ons -niet anders dan nuttig zijn, daar ben ik van overtuigd.” - -Op dit oogenblik trad don Sylva de kamer binnen. - -»Zoo, beste vriend!” vervolgde de graaf, toen hij hem zag, »gij komt -juist van pas, wij hebben u zeer noodig; uwe kennis van de zeden der -Indianen zal ons zeer te stade komen.” - -»Wat is er toch gaande?” vroeg de haciendero met een hoffelijken groet -tegen de aanwezigen. - -»Er is gaande, dat de Apachen ons met eenen aanval bedreigen.” - -»O! dat is erg, vriend; wat denkt gij te doen?” - -»Dat weet ik nog niet. Ik had mijn luitenant Martin reeds gelast om de -omstreken te gaan opnemen, maar deze heer, in wien ik de eer heb u een -mijner landgenooten voor te stellen, schijnt van een ander gevoelen.” - -»De caballero heeft gelijk,” antwoordde de Mexicaan met eene buiging -voor don Louis;—»maar vooreerst, zijt gij wel zoo zeker van dien -aanval?” - -»Mijnheer is opzettelijk herwaarts gekomen om mij te waarschuwen.” - -»Dan valt er niet meer aan te twijfelen, en moeten de noodige -voorzorgen onverwijld genomen worden. En hoe denkt de caballero er -over?” - -»Dat wilde hij mij juist opgeven toen gij binnen kwaamt.” - -»Laat ik dan uw onderhoud niet langer storen; ik luister, spreek, -mijnheer.” - -Don Louis boog en nam het woord. - -»Caballero,” sprak hij, zich tot don Sylva wendende; »wat ik zeggen -zal, is inzonderheid voor de Fransche señores bestemd, die te veel aan -de oorlogen der blanken in Europa gewoon, niets begrijpen van de wijze -waarop de Indianen hier te werk gaan.” - -»Dat is waar,” merkte de graaf aan. - -»Bah!” riep Leroux, terwijl hij met zeker gevoel van eigenwaarde zijn -knevelbaard opstreek, »dan zullen wij hooren.” - -»Pas maar op dat het niet tot uw nadeel zij!” vervolgde don Louis. »De -Indiaansche oorlog is een krijg van listen en hinderlagen. Geen vijand -zal u ooit in het open veld aantasten; hij houdt zich altijd schuil en -zoo hij slechts overwinnaar blijft is ieder middel hem welkom, bovenal -verraad. Vijf honderd Apachen, onder aanvoering van een stoutmoedig -opperhoofd, zouden het in de prairie tegen uwe beste soldaten -volhouden, hen afmatten en decimeeren, zonder dat deze ooit tot een -bepaald treffen konden komen.” - -»Zoo?” mompelde de graaf. »Is dit hun eenige manier van strijdvoeren?” - -»De eenige,” bevestigde de haciendero. - -»Hm!” riep Leroux, »dat heeft dunkt mij veel van den oorlog in Afrika.” - -»Niet zoo veel als gij denkt. De Arabieren vertoonen zich nog, terwijl -de Apachen, zooals ik u reeds gezegd heb, zich niet dan in de uiterste -noodzakelijkheid bloot geven.” - -»Dus is mijn plan om eene verkenning naar buiten te -bewerkstelligen....” - -»Onuitvoerbaar om twee redenen: òf uwe ruiters, hoezeer door tal van -vijanden omgeven, zouden er niet een van te zien krijgen; òf zij zouden -in een hinderlaag worden gelokt, waar zij ondanks wonderen van -dapperheid tot den laatsten man zouden sneuvelen.” - -»Al wat deze heer zegt is volkomen juist; het laat zich wel hooren dat -hij met den Indiaanschen oorlog grondig bekend is en zich menigmaal met -de Indios bravos zal gemeten hebben.” - -»Die ondervinding heb ik met mijn aardsch geluk moeten betalen, mijne -geliefden zijn door deze woeste vijanden vermoord,” antwoordde don -Louis treurig; »bereid u op een gelijk lot zoo gij niet op uwe hoede -zijt. Ik weet hoe veel het aan uw ridderlijken volksaard kost om zulk -een gedragslijn te volgen; maar als ik u raden mag is het uwe eenige -kans op behoud.” - -»Wij hebben hier verscheidene vrouwen en kinderen, uwe dochter, don -Sylva, bovenal: wij moeten haar niet alleen volstrekt buiten gevaar -stellen, maar zelfs voor den minsten schrik behoeden. Ik vereenig mij -dus geheel met het gevoelen van mijnheer Louis en ben voornemens om met -de meeste omzichtigheid te werk te gaan.” - -»Ik zeg u dank, zoo voor mij als voor mijne dochter.” - -»Maar nu, mijnheer, daar wij reeds zoo veel goeden raad van u gehoord -hebben moet gij het er niet bij laten, maar uw werk de kroon opzetten -door mij te zeggen wat gij in mijne plaats doen zoudt?” - -»Mijnheer,” antwoordde Louis ernstig, »wat ik zou doen is dit: de -Apachen zullen u stellig aanvallen, om zekere reden, die ik wel weet -maar te beuzelachtig reken om er ons thans mede op te houden; zij maken -het welgelukken van dezen aanval tot een punt van eer; versterk u dus -hier zoo veel gij maar kunt. Gij hebt een aanzienlijk garnizoen, uit -beproefde mannen samengesteld; bij gevolg zijn alle kansen bijna in uw -voordeel.” - -»Ik heb zeventig dappere Franschen, allen oud-gedienden, die weten wat -oorlogvoeren is.” - -»Achter goede muren en wel gewapend is dat meer dan gij er noodig -hebt.” - -»Behalve nog de veertig peons, op de Indianenjacht afgericht, die ik -heb medegebracht,” zei don Sylva. - -»Zijn die mannen op dit oogenblik hier?” vroeg don Louis met drift. - -»Ja, mijnheer.” - -»O, dat vereenvoudigt de zaak aanmerkelijk; geloof mij, mijne heeren, -nu zijn het de Indianen die het meeste te duchten hebben.” - -»Verklaar u nader.” - -»Allerwaarschijnlijkst zult gij aan de zijde der rivier worden -aangetast; misschien zullen de Indianen om uwe krachten te verdeelen -een gewaanden aanval op het fort aan de landengte doen, maar dat punt -is te goed versterkt dan dat zij in ernst zouden beproeven het te -veroveren; ik herhaal u dus dat de vijand zijne hoofdmacht aan den -rivierkant zal samentrekken.” - -»Ik moet u doen opmerken, mijnheer,” zei de luitenant, »dat de rivier -op dit oogenblik onbevaarbaar is, door de duizende boomstammen die de -jongste onweders in de bergen hebben losgerukt en die zij op haar -stroom medevoert.” - -»Ik weet niet of de rivier al dan niet bevaarbaar is,” antwoordde don -Louis beslissend; »maar daarvan ben ik overtuigd, dat de Apachen u van -die zijde zullen aantasten.” - -»In ieder geval, en om niet onvoorziens overrompeld te worden, zal ik -twee stukken van de batterij aan de landengte laten nemen; daar blijven -er dan nog vier over, hetgeen meer dan voldoende is; ik zal die twee -stukken zoo laten stellen dat zij de rivier bestrijken en ze tevens -maskeeren zoodat zij niet kunnen gezien worden. Gij hebt mij verstaan, -Leroux? laat vervolgens een der lange veldstukken op het plat der -mirador in batterij stellen, dan bestrijken wij den loop der Gila ook -van dien kant. Ga nu, en zorg dat mijne orders onmiddellijk worden -uitgevoerd.” - -De oude soldaat ging heen zonder te antwoorden, om de bevelen van zijn -chef uit te voeren. - -»Gij ziet, mijne heeren,” vervolgde de graaf zoodra zijn luitenant weg -was, »dat ik mij den raad dien gij mij geeft dadelijk ten nutte maak; -ik beken dat ik van den Indiaanschen oorlog volstrekt geen ondervinding -heb en zeg u nogmaals, dat ik mij gelukkig reken door u zoo goed -geholpen te worden.” - -»Mijnheer Louis heeft alles vooruit gezien,” zeide de haciendero, »even -als hij, denk ik dat de kolonie aan de rivierzijde het meest bloot -ligt.” - -»Nog een woord,” hervatte de Franschman. - -»Spreek, mijnheer.” - -»Hebt gij niet gezegd, caballero, dat gij veertig peons hadt -medegebracht, allen in den krijg welervaren mannen en dat zij op dit -oogenblik hier zijn?” - -»Ja, dat heb ik gezegd, en het is de zuivere waarheid.” - -»Zeer goed. Laat ik u dan ook daarin raden, mijne heeren; wat ik hier -zeggen zal is maar eene eenvoudige opmerking, maar ik geloof dat gij -van de peons meesterlijk partij zoudt kunnen trekken en u van de -overwinning verzekeren door uwe vijanden tusschen twee vuren te -brengen.” - -»Dat zou het ook. Maar hoe meent gij het dan? gij hebt zelf daar zoo -even nog gezegd, dat het eene onvergeeflijke onvoorzichtigheid zou zijn -om een detachement van ons volk op verkenning uit te zenden.” - -»Dat heb ik ook gezegd en dat zeg ik nog. In de bosschen en struiken -namelijk zijn, terwijl wij hier spreken, duizend oogen op de hacienda -gevestigd, zoodat er niemand in of uit kan gaan zonder dat zij het -zien.” - -»Welnu?” - -»Maar heb ik u dan ook niet gezegd dat deze oorlog een oorlog van -listen en hinderlagen was?” - -»Dat hebt gij zeker; en toch moet ik u bekennen dat ik niet begrijp -waar gij heen wilt.” - -»Dat is toch zoo moeielijk niet om te begrijpen; ik zal het u in twee -woorden zeggen.” - -»Alles wat ik verlang,” zei don Sylva. - -»Señor caballero,” hervatte don Louis zich tot don Sylva wendende, -»denkt gij hier te blijven?” - -»Ja, om zekere gewichtige redenen zal ik hier vrij lang moeten -vertoeven.” - -»Ik heb voor het minst geen oogmerk, señor, mij in uwe intieme zaken te -mengen, geloof mij, señor, als ik maar weet of gij hier blijft.” - -»Ja.” - -»Perfect. Hebt gij onder uwe peons een getrouw man, op wien gij kunt -rekenen zoo goed als op u zelven?” - -»Cascaras! dat zou ik denken: ik heb Blas Vasquez.” - -»Zonder onbescheiden te zijn, señor, moet ik u vragen wie is deze Blas -Vasquez, zooals gij hem noemt, daar ik de eer niet heb hem te kennen.” - -»Blas Vasquez is mijn capataz of majordomo (hofmeester) een flinke -vent, daar ik des noods op kan rekenen zoo goed als op mij zelven.” - -»Nu, dan is alles in orde, dat maakt de zaak zoo eenvoudig mogelijk.” - -»Ik zie nog volstrekt niet hoe,” riep de graaf. - -»Gij zult het aanstonds zien,” hernam don Louis. - -»Hoe eer hoe liever, vriend.” - -»Uw capataz zal zich, onder bepaalde instructiën, eer wij een uur -verder zijn aan het hoofd der peons stellen en openlijk uittrekken op -weg naar Guaymas; doch twee of drie uren van hier, op eene plaats die -wij nader zullen bepalen moet hij post vatten: het overige gaat ons aan -en zal door mijne vrienden en mij worden geregeld.” - -»Ja, ik begrijp uw plan: de peons door u met overleg verborgen, zullen -de Indianen in den rug aantasten zoodra de strijd tusschen hen en ons -hier begint.” - -»Dat is werkelijk mijn plan.” - -»Maar de Apachen?” - -»Welnu?” - -»Denkt gij, dat zij een troep blanken ongemoeid van hier zullen laten -vertrekken?” - -»De Indianen zijn te slim om er zich tegen te verzetten. Wat zouden zij -er bij winnen, een troep aan te tasten die geen bagage bij zich heeft -en daar dus niets van te halen is? Zulk een strijd zou alleen hunne -stelling kunnen verraden, en daar zullen zij zich wel voor wachten. -Neen, neen, wees gerust, caballero, zij zullen zich niet verroeren; zij -hebben er te veel belang bij om onzichtbaar te blijven, of verbeelden -het zich althans, daar zij niet weten dat gij voor hen gewaarschuwd -zijt.” - -»En gij, wat denkt gij te doen?” - -»Ik? de Indianen hebben mij ongetwijfeld herwaarts zien komen; zij -weten dat ik hier ben; als ik tegelijk met u vertrok zou ik alles -verklappen. Ik ga dus alleen weg, zoo als ik gekomen ben, en dat wel -oogenblikkelijk.” - -»Uw plan is zoo eenvoudig en zoo goed overlegd, dat het wel slagen -moet. Ontvang onzen dank, mijnheer, en noem ons uw naam, opdat wij den -man mogen kennen aan wien wij zoo veel verplichting hebben.” - -»Waartoe zou dat dienen, mijnheer?” - -»Ik voeg mijn verzoek bij dat van mijn vriend Gaëtano, caballero, om u -te dringen, den naam te openbaren van een man wiens aandenken zoo diep -in onze harten staat gegrift.” - -Don Louis aarzelde. Zonder recht te weten waarom, voelde hij zich -ongenegen om tegenover den graaf de Lhorailles zijn incognito te -verbreken. - -De beide heeren hielden echter zoo dringend en zoo beleefd bij hem aan, -dat hij, bij gebreke van stellingen en redelijken grond om onbekend te -blijven, zich liet overhalen zijn naam bekend te maken. - -»Caballeros,” zeide hij eindelijk, »ik ben de graaf Louis Edouard -Maxime de Prébois Crancé.” - -»Wij zijn vrienden, niet waar, mijnheer de graaf?” zeide de Lhorailles -hem de hand toestekende. - -»Wat ik voor u doe, strekt dunkt mij daarvan tot bewijs,” antwoordde -hij met een hoffelijke buiging, maar zonder de hand te drukken die hem -werd aangeboden. - -»Ik dank u,” zei de graaf zonder naar ’t scheen de teruggetrokken -houding van don Louis op te merken. »Denkt gij ons spoedig te -verlaten?” - -»Ik moet u, met uwe dringende bezigheden alleen laten. Zoo gij er niets -tegen hebt, neem ik dadelijk mijn afscheid.” - -»Toch niet zonder ten minste vooraf met ons ontbeten te hebben?” - -»Gij zult mij verschoonen, de tijd dringt ons. Mijne vrienden, die ik -reeds sedert een paar uren verlaten heb, zullen zich over mijn lang -uitblijven zeer ongerust maken.” - -»Daar zij weten dat gij bij mij zijt, mijnheer, is zoo iets toch -onmogelijk,” zei de graaf min of meer geraakt. - -»Zij weten niet dat ik hier zonder letsel ben aangekomen.” - -»Dat verandert de zaak, dan wil ik u niet langer ophouden, nogmaals -dank, mijnheer.” - -»Ik heb volgens mijn geweten gehandeld, mijnheer, gij hebt mij voor -niets te danken.” - -De drie heeren gingen nu de zaal uit en wandelden samen naar de -landengte, al pratende over onverschillige zaken. Nauwelijks waren zij -half op weg, of zij ontmoetten don Blas, den capataz. Don Sylva wenkte -hem te naderen en gaf hem toen in weinige woorden te kennen op welke -gebeurtenissen men zich voorbereidde en welke rol hij daarbij zou -moeten spelen. - -»Voto a Dios!” riep de wakkere hofmeester vroolijk, »ik dank u, don -Sylva, voor dat goede nieuws. Wij zullen dus eindelijk met die -verwenschte Apachen aan den slag komen. Caraï! zij zullen wat zien, dat -zweer ik u.” - -»Dat is u wel toevertrouwd, Blas, ik verlaat mij geheel op u.” - -»Maar op welke hoogte moet ik dezen caballero afwachten!” - -»Inderdaad! wij hebben de plaats nog niet bepaald.” - -»Inderdaad!” herhaalde don Louis. »Ongeveer drie mijlen van hier in de -richting van Guaymas waar de weg een bocht maakt, ligt een eenzame -heuvel, zoo ik meen heet hij el Pan de Azucar; daar kunt gij u gerust -verbergen zonder vrees van ontdekt te worden. Ik zal daar met mijne -vrienden bij u komen.” - -»Dat is afgesproken. Tegen hoe laat zoo wat?” - -»Dat kan ik u nog niet bepaald zeggen; het hangt van omstandigheden -af.” - -Eenige minuten later keerde don Louis naar de prairie terug terwijl de -graaf de Lhorailles en de beide Mexicanen zich bezig hielden met de -noodige toebereidsels voor eene ernstige verdediging der hacienda. - -»’t Is toch zonderling,” mompelde don Louis in zich zelven terwijl hij -in snellen galop wegreed, »al is die man mijn landgenoot en al zal ik -eerlang misschien mijn leven voor hem wagen, gevoel ik voor hem geen de -minste sympathie.” - -Op eens maakte zijn paard een zijsprong, en de Franschman, zoo -plotseling in zijne beschouwingen gestoord, hield op. - -De Arendskop stond voor hem. - - - - - - - - - -XI. - -DE MEXICAANSCHE MAAN. - - -Na zijn nachtelijk bezoek in het jagerskamp was de Zwarte-Beer met -zijne ruiterschaar onmiddellijk op marsch gegaan naar zeker niet -verafgelegen eiland, Chole-Heckel genaamd, een der uiterste posten van -den stam der Apachen op de grenzen van Mexico. - -De Sachem met zijn troep bereikte dit eiland tegen het krieken van den -dag. Daar ter plaatse heeft de Rio Gila hare grootste breedte, -beslaande elk der beide rivierarmen die het eiland insluiten, meer dan -twee mijlen van den eenen oever tot den anderen. - -Chole-Heckel, dat zich midden in den stroom verheft en, uit de verte -gezien, als een trotsche bloemenmand schijnt te drijven op het -spiegelend watervlak, heeft ongeveer drie mijlen lengte bij eene mijl -breedte, en is om zoo te zeggen eene reusachtige bouquet van bloeiende -boomen en gewassen, die de welriekendste geuren uitwasemt en in wier -welige takken eene ontelbare menigte vogels onder lustig gekweel en -gesnater zich paart tot een melodisch natuurconcert. - -Onder de luisterrijke stralen der opgaande zon bood het eiland op dit -oogenblik bovendien een ander, ongewoon en allerzonderlingst -schouwspel, dat wel in staat was den blik van iederen reiziger te -treffen, en geen Europeaan, zonder het gezien te hebben, zich ooit naar -waarde zou kunnen verbeelden. - -Zoover het oog reikte, zoowel op het eiland zelf als aan de beide -oevers der Rio Gila, zag men honderden tenten van bisonshuid of hutten -van groene takken gevlochten, in geregelde orde, dicht aan elkander -geplaatst en uitwendig met allerlei opzichtige stoffen versierd of met -schreeuwende kleuren beschilderd, zoodat de bonte mengeling, thans door -de gloeiende morgenzon beschenen, het oog deed schemeren. - -Tallooze kleine prauwen rond van vorm, uit samengenaaide paardenhuiden -of meer rank en spits, uit holle boomstammen vervaardigd, doorkliefden -de rivier in alle richtingen. - -De krijgslieden van den Zwarte-Beer stegen af en gaven hunnen paarden -de vrijheid, die weldra begonnen te grazen en zich onder eene menigte -anderen verstrooiden. - -Het opperhoofd begaf zich onmiddellijk naar de hutten en tenten, voor -welke behalve wimpels van doek en vederbossen eene menigte haarschedels -van beroemde in den krijg gedoode vijanden op de morgenkoelte -wapperden, en ging tusschen de vrouwen door, die reeds druk bezig waren -met het ochtendmaal te bereiden. - -De Zwarte-Beer werd echter bij zijne komst dadelijk herkend; iedereen -haastte zich dus hem te gemoet te gaan en zich op zijn weg te scharen, -om hem met een eerbiedige buiging te begroeten. Wat een Europeaan -misschien moeielijk zou gelooven, is het diep ontzag dat alle Indianen, -zonder uitzondering, hunnen opperhoofden toedragen. Vooral bij die -Indianen, welke aan de voorvaderlijke gewoonten getrouw gebleven, de -Europeesche beschaving met verachting hebben afgewezen om als vrije -mannen in de onbeperkte savanen te kunnen omzwerven, is dit ontzag tot -dweepzuchtige en schier tot afgodische vereering overgeslagen. - -De gouden met twee bisonshoorns versierde haarband die op het voorhoofd -van den Zwarte-Beer prijkte, maakte hem terstond bij allen kenbaar en -deed alom op zijn pad een levendig vreugdegejuich opgaan. - -Eindelijk bereikte hij den oever der rivier; daar komende wenkte hij -een man, die op korten afstand met zijne prauw lag te visschen; deze -haastte zich te gehoorzamen, en de sachem stak den stroom over naar het -eiland. - -Eene hut van takken stond aldaar voor hem gereed. Waarschijnlijk hadden -de hier en daar verborgen schildwachts hem reeds uit de verte -gadegeslagen, want op het oogenblik dat hij voet aan wal zette, trad -een der opperhoofden met name de Kleine-Panter hem te gemoet. - -»Het groote opperhoofd is welkom bij zijne kinderen,” zeide hij met -eene hoffelijke buiging voor den Zwarte-Beer; »o! heeft mijn vader eene -goede reis gehad?” - -»Ik heb eene goede reis gehad, ik dank mijn broeder.” - -»Zoo mijn vader het goed vindt zal ik hem naar de jacal [15] geleiden -die wij gebouwd hebben om hem te ontvangen.” - -»Laten wij gaan,” zei de sachem. - -De Kleine-Panter boog ten tweeden male en geleidde thans het opperhoofd -langs een smal pad dat door de struiken gebaand was; weldra kwamen zij -aan eene jacal die naar de wijze der Indianen, zoowel door hare grootte -als door hare netheid en de schitterende kleuren waarmede zij -beschilderd was, uitmuntte en aan hun ideaal van gemak of weelde -beantwoordde. - -»Hier is mijns vaders huis,” zeide de Kleine-Panter terwijl hij -eerbiedig de fressada—wollen deken—ophief, die de jacal als een gordijn -sloot, en toen een weinig ter zijde trad om den Zwarte-Beer door te -laten. - -Deze trad binnen. - -»Mijn broeder volge mij,” zeide de Zwarte-Beer. - -De Kleine-Panter trad achter hem binnen en liet het gordijn weder -vallen. - -De jacal, ofschoon buitengewoon groot, verschilde overigens niet van -die der andere Indianen; in het midden brandde een vuur; de Zwarte-Beer -wenkte den anderen sachem om naast hem op een bisonsschedel te gaan -zitten; nam er zelf een en beiden namen plaats bij het vuur. - -Na een poosje stilzwijgens, dat de sachems besteedden om deftig hunne -pijp te rooken, richtte de Zwarte-Beer het woord tot den Kleine-Panter. - -»Zijn al de hoofden onzer volksstammen op het eiland Chole-Heckel -vereenigd, zoo als ik bevolen had?” - -»Allen zijn er vereenigd.” - -»Wanneer zullen zij in mijne jacal komen?” - -»Dat hangt van mijn vader af; zij wachten op zijn welbehagen.” - -De Zwarte-Beer begon weder stilzwijgend te rooken en op deze wijze -verliep er een geruime tijd. - -»Is er gedurende den tijd, dat ik afwezig was, niets nieuws -voorgevallen?” vroeg de Zwarte-Beer terwijl hij de asch uit zijn -calumet op den nagel van den duim zijner linkerhand schudde. - -»Drie opperhoofden van de Comanchen der prairiën zijn hier gekomen, om -als afgezanten van hun volk met de Apachen te onderhandelen.” - -»Ooah!” riep de Zwarte-Beer; »zijn het beroemde opperhoofden?” - -»Zij hebben tal van wolvenstaarten aan hunne mocksens [16]. Zij moeten -dus wel dapper zijn.” - -De Zwarte-Beer boog toestemmend. - -»De een,” zegt men, »is de Spotvogel,” vervolgde de Kleine-Panter. - -»Is mijn broeder zeker van hetgeen hij mij zegt?” vroeg de sachem met -belangstelling. - -»De Comanchenhoofden hebben geweigerd hun naam te zeggen, toen zij -hoorden dat mijn vader afwezig was. Zij antwoordden dat zij zouden -wachten tot hij terugkwam.” - -»Goed! Het zijn opperhoofden. Waar houden zij hun verblijf?” - -»Zij hebben een vuur ontstoken en er zich bij gelegerd.” - -»Zeer goed. De tijd is kostbaar: mijn broeder ga de Apachenhoofden -zeggen dat ik hen rondom het raadsvuur wensch te vereenigen.” - -De Kleine-Panter stond op zonder te antwoorden en ging de jacal uit. - -Een uur lang ongeveer zat het opperhoofd alleen en in diepe gepeinzen -verzonken; na verloop van dien tijd hoorde men daarbuiten de -voetstappen van verscheidene mannen naderen: het gordijn der jacal werd -opgeheven en de Kleine-Panter verscheen. - -»Wel?” zei de Zwarte-Beer. - -»De hoofden wachten op u.” - -»Laat hen binnenkomen.” - -De opperhoofden stonden reeds voor de hut. - -Zij waren tien in getal, allen in hun beste kostuum, op het schoonst -versierd, beschilderd en gewapend als ten oorlog. - -Zij stapten zwijgend binnen, en namen plaats bij het vuur, na voor het -opperhoofd gebogen en den zoom van zijn mantel gekust te hebben. - -Nauwelijks hadden zich al de opperhoofden in de toldo (raadshut) -verzameld, of een troep Apachen-krijgslieden schaarde er zich omheen, -ten einde de nieuwsgierigen te verwijderen en het geheim van de -beraadslaging der sachems te verzekeren. - -Ondanks zijne zelfbeheersching kon de Zwarte-Beer zijne vreugde niet -bedwingen, toen hij zoo vele mannen bijeen zag die hem geheel waren -toegedaan en met wier hulp hij zich zeker waande zijne dwaze plannen te -kunnen uitvoeren. - -»Ik heet mijne broeders welkom!” zeide hij, hen met een wenk -uitnoodigend op de bisonsschedels plaats te nemen, die rondom het vuur -geschaard stonden, »ik heb hen met ongeduld verbeid.” - -De opperhoofden maakten eene buiging en gingen zitten. Het volgende -oogenblik kwam de pijpdrager binnen met de groote calumet, die hij aan -al de sachems rondpresenteerde, om er elk op zijn beurt een paar -trekken uit te laten doen. Toen deze ceremonie was afgeloopen en de -pijpdrager zich verwijderd had, werd de beraadslaging geopend. - -»Voor alle dingen,” zoo begon de Zwarte-Beer, »moet ik u van mijne -zending verslag doen. De Zwarte-Beer heeft haar volkomen vervuld, hij -is in de groote hut der blanken geweest, en heeft haar tot in de -kleinste bijzonderheden onderzocht, hij kent het aantal bleekgezichten -die haar verdedigen en als het uur komt om er mijne krijgslieden binnen -te leiden zal de Zwarte-Beer overal den weg weten te vinden.” - -De hoofden bogen ten teeken van goedkeuring. - -»Die groote hut der blanken,” vervolgde de Zwarte-Beer, »is het eenige -ernstige bezwaar dat onze onderneming in den weg staat.” - -»De Yoris zijn honden zonder moed, de Apachen zullen hen van -vrouwenrokken voorzien en hen ons wildbraad laten gereed maken,” zei de -Kleine-Panter met een schamperen grijns. - -De Zwarte-Beer schudde het hoofd. - -»De bleekgezichten der groote hut van Guetzalli zijn geene Yoris,” riep -hij; »een sachem heeft hen gezien, het zijn wel degelijk mannen. Zij -hebben meerendeels blauwe oogen en de kleur van hun haar is als die van -het rijpe maïs, zij komen mij zeer dapper voor: laten mijne broeders -zich niet vergissen!” - -»En weet mijn vader ook wie deze zijn?” vroeg een der sachems. - -»Dat weet de Zwarte-Beer niet, doch daar ginds bij het groote Zoutmeer, -is hem gezegd dat zij een land bewonen zeer ver van hier tegen de -opgaande zon: dat is alles.” - -»Die mannen hebben dus zeker geen boomen, noch vruchten, noch bisons in -hun land, dat zij zoo ver komen om de onze te stelen.” - -»De bleekgezichten zijn onverzadelijk,” hernam de Zwarte-Beer; »zij -vergeten dat de Groote Geest hun even als andere menschen slechts één -mond en twee handen gegeven heeft; alles wat zij zien willen zij -bezitten; de Wacondah, die zijne roode kinderen bemint, heeft ons in -een rijk land doen geboren worden en ons met zijne gaven overstelpt, -daarop zijn de bleekgezichten jaloersch en daarom zoeken zij ons -gedurig te bestelen en er ons uit te verdrijven; maar de Apachen zijn -dappere krijgslieden, zij zullen de jachtgronden weten te verdedigen en -te beschermen, die zij van hunne vaderen geërfd hebben, en beletten dat -zij betreden worden door de voeten der vagebonden die van de overzijde -van het groote Zoutmeer zijn gekomen, op hunne drijvende hutten van de -groote medicijn.” [17] - -De opperhoofden juichten deze rede met geestdrift toe, daar zij hunne -gevoelens zoo juist wedergaf en den bitteren haat uitdrukte die hen -bezielde tegen de blanken, dat alles overwinnend en veroverend ras, dat -gedurig voorwaarts dringt en de Roodhuiden steeds verder en verder in -de wildernis terugdrijft en hun weldra niet langer de noodige ruimte -zal laten om vrij te ademen, veelmin rustig naar hun zin en wijze te -leven. - -»De groote natie der Comanchen van het Meer, die zich de Koningin der -Prairiën noemt, heeft naar ons volk drie beroemde krijgslieden -afgevaardigd. Het doel dezer ambassade is mij onbekend, maar mijns -bedunkens kan het niet anders dan vredelievend zijn. Behaagt het u, -hoofden mijns volks, hen onder u te ontvangen en te vergunnen met ons -de vredespijp te rooken rondom het vuur van den raad?” - -»Mijn vader is een zeer wijze sachem,” antwoordde de Kleine-Panter; -»hij weet, wanneer hij dit wil, de verborgenste gedachten zijner -vijanden te raden; wat hij doet zal welgedaan zijn; de hoofden van zijn -volk zullen zich gelukkig rekenen zich te gedragen naar den raad dien -hij hun zal gelieven te geven.” - -De Zwarte-Beer liet zijn blik over de vergadering weiden om zich te -verzekeren of de Kleine-Panter wel het algemeene gevoelen had -uitgesproken. - -Al de leden van den raad bogen zwijgend het hoofd, ten teeken van -goedkeuring. - -De sachem glimlachte hoogmoedig, toen hij zag dat zijne -mede-opperhoofden hem zoo wel begrepen hadden en wendde zich -onmiddellijk tot den Kleine-Panter: - -»Dat mijne broeders de opperhoofden der Comanchen binnengeleid worden,” -zeide hij. - -Deze woorden werden uitgesproken op een toon van majesteit, daar een -Europeesch vorst die in zijn parlement voorzit zich aan kon spiegelen. - -De Kleine-Panter ging de hut uit om het ontvangen bevel ten uitvoer te -brengen. - -Gedurende zijne afwezigheid, die vrij lang aanhield, werd er geen woord -tusschen de sachems gewisseld; daar zaten zij op hunne bisonsschedels, -met de ellebogen op de knieën, de kin op de handpalmen, onbewegelijk en -zwijgend, strak voor zich te kijken, en naar het scheen in het diepste -nadenken verzonken. - -De Kleine-Panter kwam eindelijk terug, met de drie Comanchenhoofden in -zijn gevolg. - -Bij hunne komst stonden de Apachenhoofden op en begroetten hen met eene -plechtstatige buiging. De Comanchen gaven hunne begroeting niet minder -plechtstatig terug, doch namen een diep stilzwijgen in acht en bleven -staan wachten tot men hen het eerst zou toespreken. - -Het waren drie kloeke, jonge mannen, rank van gestalte, krijgshaftig -van houding, met vrijen blik en nadenkend voorhoofd. Terwijl zij daar -zoo stonden in hun nationaal kostuum, met opgeheven hoofd, de hand fier -op de rechterheup, hadden zij iets edels en oprechts, dat terstond -belangstelling wekte en vertrouwen inboezemde. Inzonderheid een van -hen, de jongste der drie—hij kon nauwelijks vijf en twintig jaar -geweest zijn—was, naar zijn uiterlijk voorkomen te oordeelen, iemand -van hoogeren aanleg en rang; zijne strenge gelaatstrekken, de glans van -zijn schitterenden oogopslag, zijne houding vol zwier en majesteit, -alles deed hem reeds dadelijk kennen als een man uit duizend. - -Hij heette de Spot-Vogel en zooals de bos condorsveeren in zijn -oorlogskuif aanduidde, was hij een der voornaamste krijgshoofden van -zijn stam. - -Zonder zich daarom aan onbescheiden nieuwsgierigheid schuldig te maken, -vestigden de Apachen op hunne nieuwe gasten dien doordringenden blik -van onderzoek, dien de Indianen in zulk eene hooge mate bezitten. - -De Comanchen, ofschoon zij gevoelden dat aller oog op hen gericht was -en zij het mikpunt waren der algemeene belangstelling, hielden zich -alsof zij hiervan niets bemerkten en geen spier bewoog zich op hun -strak gelaat. - -Machiavelli, de schrijver van den Vorst, was, bij de Roodhuiden -vergeleken, slechts een kind in zake van politiek en staatslist. Deze -arme ongeleerde wildemannen, zooals men ze uit onkunde vaak noemt, zijn -de leepste en geslepenste diplomaten die er bestaan kunnen. - -Na eenige oogenblikken stilte, deed de Zwarte-Beer een stap voorwaarts -en naderde hij de Comanchen, de rechterhand uitstrekkende met de palm -naar voren. - -»Ik acht mij gelukkig,” zeide hij, »de Comanchen van het Meer te -ontvangen onder mijn totem, en hen te begroeten te midden van mijn -volk. Dat zij plaats nemen aan het vuur van onzen raad en de -vredescalumet rooken met hunne broederen.” - -»Zoo zij het,” antwoordde de Spotvogel op strengen toon; »zijn wij niet -allen kinderen van den Wacondah?” - -En zonder er verder een woord bij te voegen nam hij, gevolgd door de -andere opperhoofden, plaats bij het vuur van den raad in gelijken rang -met de Apachen. - -Het gesprek bleef andermaal steken. Ieder rookte in stilte. - -Eindelijk, toen in de calumets niets meer was overgebleven dan de asch, -wendde de Zwarte-Beer zich met een glimlach tot den Spotvogel. - -»Mijne broeders de Comanchen van het Meer waren zeker niet ver van hier -op de bisonsjacht: en toen hebben zij gedacht hunnen broeders de -Apachen een bezoek te brengen. Ik zeg hun hiervoor dank.” - -De Spotvogel boog en antwoordde: - -»De Comanchen van het Meer zijn nog ver weg, op het jachtveld der -antilopen aan de Rio del Norte, alleen de Spotvogel en weinige getrouwe -krijgslieden van zijn stam liggen hier in den omtrek gekampeerd.” - -»De Spotvogel is een beroemd opperhoofd in de prairie,” antwoordde de -Apache vleiend; »de Zwarte-Beer acht zich gelukkig hem te zien. Een zoo -groot krijgsman als mijn broeder doet zulk een verren tocht niet zonder -een bepaald en gewichtig doel.” - -»De Zwarte-Beer heeft wel geraden: de Spotvogel is herwaarts gekomen om -de banden der vriendschap tusschen hem en zijne broeders de Apachen -nader toe te halen. Waarom toch zouden wij elkander een grondgebied -betwisten daar wij beiden gelijk recht op hebben? Zouden wij niet -wijzer doen met het tusschen ons te verdeelen? Moeten de Roode menschen -elkander nog langer onderling verdelgen? Zou het niet beter zijn bij -het vuur van den raad, de oorlogsbijl zoo diep te begraven, dat -voortaan wanneer een Apache een Comanch ontmoet, deze in hem niets -anders ziet dan een welbeminden broeder? De bleekgezichten, die met -iedere maan meer en meer onze bezittingen innemen, voeren immers tegen -ons een te bitteren oorlog, dan dat wij door onze inwendige geschillen -hun overmoed zouden in de hand werken?” - -De Zwarte-Beer stond op en strekte den arm gezagvoerend uit. - -»Mijn broeder de Spotvogel heeft gelijk,” zeide hij, »slechts één -gevoel behoort ons voortaan te leiden, vaderlandsliefde; stellen wij -dus onze kleine hatelijkheden ter zijde, om aan niets anders te denken -dan aan de vrijheid! De bleekgezichten weten volstrekt niets van onze -plannen; gedurende de weinige dagen, door mij te Guaymas doorgebracht, -was ik in staat mij hiervan te overtuigen; onze onverhoedsche inval zal -dus voor hen een bliksemstraal zijn, die hen van schrik doet -verstijven; onze enkele aannadering reeds maakt hen half overwonnen.” - -Er volgde eene diepe stilte. - -De Spotvogel liet nu zijn blik kalm en fier over de vergadering -rondgaan, en riep: - -»Binnen twee maal vier en twintig uren begint de Mexicaansche Maan. -Roodhuiden en krijgslieden, zouden wij haar laten voorbijgaan zonder -een van die stoutmoedige invallen te hebben gewaagd, welke wij in dezen -tijd des jaars gewoon zijn te doen? Bovenal is er eene bezitting daar -wij als een orkaan op moeten losstormen; die bezitting, nog kort -geleden door bleekgezichten gevestigd, die geen Yoris zijn, is voor ons -eene voortdurende bedreiging. Ik wil niet met u dingen, hoofden der -Apachen, maar ik kom u, zoo gij de kolonie Guetzalli wilt aantasten, -ronduit een onderstand van vier honderd uitgelezen -Comanchen-krijgslieden aanbieden, aan welks hoofd ik mij stellen zal.” - -Dit voorstel deed de aanwezigen van vreugde sidderen. - -»Ik neem met vreugde het voorstel mijns broeders aan,” riep de -Zwarte-Beer. »Ook ik heb nagenoeg een gelijk aantal krijgslieden onder -mijn bevel; onze beide troepen zullen, naar ik hoop, genoeg zijn om de -kolonie der bleekgezichten geheel te vernietigen. Morgen, met het -opkomen der maan, zetten wij ons in beweging.” - -De sachems verwijderden zich. - -De Zwarte-Beer en de Spotvogel bleven alleen. - -Deze twee opperhoofden genoten bij hun stam eene gelijke vermaardheid, -beiden werden door hunne onderhoorigen schier aangebeden. - -Zij beschouwden elkander eene poos met zwijgende belangstelling. Tot -dusver waren zij altijd vijanden geweest en hadden nimmer gelegenheid -gehad elkander te zien dan met de wapenen in de hand. - -»Ik zeg mijn broeder dank, voor zijn vriendelijk aanbod,” zei de -Zwarte-Beer eindelijk. »In de tegenwoordige omstandigheden zal zijne -hulp ons zeer te stade komen, maar als de overwinning eenmaal beslist -is, zullen de voordeelen gelijkelijk tusschen de twee natiën verdeeld -worden.” - -De Spotvogel boog. - -»Welk plan heeft mijn broeder zich voorgesteld?” vroeg hij. - -»Een zeer eenvoudig plan. De Comanchen zijn geachte ruiters; met mijn -broeder als aanvoerder moeten zij onverwinnelijk zijn. Zoodra de maan -aan den hemel schijnt, zal de Spotvogel met zijne krijgslieden opbreken -naar Guetzalli en al het land voor zich uit afbranden, om een zwart -gordijn van rook tusschen hem en den vijand op te halen, dat dezen -beletten zal hen te zien aankomen of hunne sterkte te tellen. Indien de -bleekgezichten, hetgeen echter niet waarschijnlijk is, vedetten buiten -hunne groote hut hebben geplaatst om onze nadering te bespieden, zal -mijn broeder trachten deze vedetten op te lichten en hen terstond laten -dooden, om te beletten dat zij hunne vrienden waarschuwen. In de -tegenwoordige onderneming, even als zulks bij vorige gelegenheden -telken jare plaats had, moet alles wat den bleekgezichten behoort, -huizen, hutten en jacals, met vuur worden verbrand, alsmede het vee -geroofd en naar achteren worden vervoerd. Voor Guetzalli komende, zal -mijn broeder zich zoo geschikt mogelijk in hinderlaag stellen en het -sein afwachten dat ik hem geven zal om de bleekgezichten aan te -vallen.” - -»Goed. Mijn broeder is een opperhoofd vol beleid; hij zal zeker slagen; -alles wat mijn broeder mij bevolen heeft, zal ik stipt uitvoeren. Maar -wat zal mijn broeder zelf intusschen doen, terwijl ik mij met dit -gedeelte van ons plan belast?” - -De Zwarte-Beer begon te glimlachen op eene wijze die zich niet laat -beschrijven. - -»Dat zal mijn broeder zien,” zeide hij den Comanch met de hand op den -schouder kloppende, »hij late het opperhoofd vrij begaan, ik beloof -mijn broeder eene schoone overwinning.” - -»Goed,” antwoordde de Comanch; »mijn broeder is de eerste man van zijn -stam, hij weet hoe hij zich gedragen moet; de Apachen zijn geene -vrouwen. Ik ga terstond naar mijne krijgslieden.” - -»Goed, mijn broeder heeft mij begrepen, morgen als de maan opkomt.” - -De Spotvogel boog en de twee opperhoofden scheidden, naar het scheen op -den meest vriendschappelijken voet. - -Eenige minuten later kwam in den kamp der Apachen alles in beweging. De -vrouwen braken de tenten af, laadden de muildieren op, de kinderen -hielpen de paarden opvangen en zadelen, kortom, men maakte met allen -spoed aanstalten voor een onverwijld vertrek. - - - - - - - - - -XII. - -VROUWENLIST. - - -Tegen den avond van den volgenden dag, met het opkomen der maan, -volgens afspraak, gaf ook de Spotvogel zijn troep order om op te breken -en den tocht te beginnen. - -Weldra had een kleine afdeeling ruiters, die als verspieders vooruit -waren gezonden om de velden in vlam te zetten, brandende houten in de -struiken geworpen, en na verloop van eenige minuten steeg er als een -gordijn van vlammen ten hemel, dat den ganschen horizont bedekte. - -De Comanchen hadden de bevelen van het Apachenhoofd zoo snel en met -zooveel overleg uitgevoerd, dat in minder dan een half uur al het -omliggende land in de asch was gelegd. - -De Zwarte-Beer, die zich met de zijnen op het eiland verschanst had, -was nog niet opgebroken. De sporen door de Comanchen achtergelaten, -waren helaas! overal zichtbaar, want dit landschap, den vorigen morgen -nog zoo schoon, zoo rijk en zoo bloeiend, geleek thans eene treurige -dorre en eenzame woestijn; geen groen was er meer te zien, geen bloemen -geurden er meer, geen vogeltjes zongen er meer als om strijd tusschen -de takken! - -Het plan der Indianen was tot hiertoe volkomen gelukt en de kolonisten -te Guetzalli zouden ontwijfelbaar overrompeld zijn geworden, zoo -Goedsmoeds en diens vrienden elkander niet op den weg der Indianen -hadden aangetroffen. - -De Canadees was op zijne hoede. - -Bij het gezicht der eerste rookwolk die hij in de verte zag opgaan, had -hij het voornemen der Roodhuiden begrepen en zonder een oogenblik te -verliezen, den Arendskop naar de kolonie gezonden om don Louis te -waarschuwen, dien de Indiaan, gelijk wij reeds gezien hebben, dicht bij -de hacienda ontmoette. - -Intusschen kwamen achter den brand de Comanchen in vollen galop -aanrennen, alles vertrappende en vernielende wat door het vuur mocht -gespaard zijn. - -De nacht was volkomen gedaald toen de Spotvogel in het gezicht der -kolonie kwam. In de veronderstelling dat de snelheid van zijn marsch -den blanken geen tijd zou hebben gelaten om zich in staat van tegenweer -te stellen, plaatste hij een gedeelte van zijn troep in hinderlaag en -trok aan ’t hoofd der overigen, met al de in dergelijke gevallen -gebruikelijke voorzorgen, langzaam voortkruipend naar de batterij aan -de landengte. - -Niemand vertoonde zich daar; de taluds en de verschansingen schenen -verlaten; de Spotvogel verhief zijn oorlogskreet, sprong plotseling te -voorschijn en klauterde met zijne krijgslieden vlug als tijgerkatten -tegen de verschansingen op; doch op het oogenblik dat de Comanchen aan -de binnenschans meenden te kunnen afdalen, werd er een volle laag uit -grof en klein geschut op de aanvallers gelost, die er bijna de helft -van wegmaaide; de overblijvenden trokken ijlings terug en namen de -vlucht. - -De Comanchen hadden een groot nadeel tegenover de blanken, daar zij van -geen vuurwapenen voorzien waren. Het klein geweervuur decimeerde hen, -terwijl zij niets anders hadden om het te beantwoorden dan hunne pijlen -en werpspiesen, of ook steenen die zij met den slinger wierpen. - -Weldra, doch een weinig te laat, inziende dat de Franschen op hunne -hoede waren, wilde de Spotvogel het door de geleden verliezen reeds -merkelijk geschokte vertrouwen zijner krijgslieden niet verder door -nuttelooze pogingen verzwakken. Hij trok dus met zijn detachement terug -onder bedekking van het bosch, waar hij besloot het signaal van den -Zwarte-Beer af te wachten eer hij zich opnieuw in beweging zette. - -Intusschen was don Louis met den Arendskop naar Goedsmoeds -teruggekeerd. De Indiaan moest hierbij de geleider zijn en bracht hem, -na verscheidene omwegen, bijna tegenover de batterij aan de landengte -naar een dicht boschje cactus, aloë’s en floripondio’s. - -»Hier kan mijn broeder afstijgen,” zeide hij tot den Franschman, »wij -zijn er.” - -»Wij zijn er! waarzoo dan?” vroeg don Louis vruchteloos de oogen -opslaande. - -Zonder te antwoorden nam de Indiaan het paard reeds bij den teugel, en -bracht het weg; terwijl Louis naar alle zijden bleef uitkijken, maar al -zijne pogingen waren vergeefs. - -»Wel,” vroeg hem de Arendskop toen hij zonder paard terugkwam, »heeft -mijn broeder zich kunnen thuis vinden?” - -»Carai! neen hoofdman, ik geef het op.” - -De Indiaan lachte. - -»De bleekgezichten hebben mollenoogen,” zeide hij. - -»Dat is wel mogelijk; maar hoe dit wezen mag, zal ik u dankbaar zijn -als gij mij de uwe wilt leenen.” - -»Goed, mijn broeder zal zien.” - -De Arendskop ging zoo lang als hij was op den grond liggen. Louis deed -het zelfde, en beiden slopen nu op handen en voeten het boschje in. Na -dit vermoeiende werk een kwartier te hebben voortgezet hield de Indiaan -stil. - -»Laat mijn broeder nu eens zien,” zeide hij. - -Zij bevonden zich op een klein open grasveld van alle zijden door -boomen en struiken ingesloten, die zoo volkomen door lianen en andere -slingerplanten waren samengeweven, dat het zonder welervaren en scherp -onderzoek onmogelijk was deze wijkplaats te ontdekken of zelfs te -vermoeden. - -Hier zaten Goedsmoeds en de twee Mexicanen met philosofisch geduld, al -rookende, op de terugkomst van hun uitgezonden vriend te wachten. - -»Welkom binnen,” riep de Canadees zoodra hij hen gewaar werd; »hoe -vindt gij ons schuilhoekje? Charmant, niet waar? dat heeft de Arendskop -voor ons uitgevonden, die weêrgasche Indianen hebben een bijzonderen -neus om hinderlagen te zoeken, wij zijn hier zoo veilig als in de -kathedraal te Quebec.” - -Gedurende dezen woordenvloed, dien Louis niet anders beantwoordde dan -met een warmen handdruk, had de Franschman zich reeds bij zijne -kameraden nedergezet en was hij met goeden eetlust begonnen de noodige -eer te bewijzen aan het ontbijt dat deze voor hem bewaard hadden. - -»Maar waar zijn onze paarden?” vroeg hij. - -»Geen tien passen van hier en door niemand te vinden dan door ons -zelf,” was het antwoord. - -»Zeer goed; en kunnen wij deze dadelijk krijgen als wij ze noodig -hebben?” - -»Nu! dat zou ik denken.” - -»’t Is maar dat wij ze waarschijnlijk spoedig noodig zullen hebben.” - -»Maar laat ik u niet storen,” vervolgde hij zich zelven in de rede -vallende, »ik doe niets dan babbelen, en denk er niet om dat gij wel -grooten honger moet hebben; eet liever eerst, wij zullen straks wel -praten.” - -»O! ik kan u zeer goed antwoord geven, al eet ik.” - -»Neen, alles op zijn tijd; ontbijt maar eerst, wij zullen u straks wel -hooren.” - -Nauwelijks had don Louis met eten gedaan of hij deed een uitvoerig -verslag van de wijze waarop hij zijne zending volvoerd had. - -»Dat gaat alles naar wensch,” zei Goedsmoeds toen de Franschman zijn -verhaal eindigde; »ik geloof dat wij vooreerst over het lot onzer -landgenooten niet bezorgd behoeven te zijn, vooral met behulp der -veertig peons van den capataz die den vijand tusschen twee vuren zullen -brengen.” - -»Maar waar willen zij zich versteken?” - -»Dat gaat den Arendskop aan. Het opperhoofd is met deze streek door en -door bekend, hij heeft hier lang gejaagd, ik ben zeker dat hij een -geschikt punt voor de Mexicanen zal vinden; wat zegt gij er van, -hoofdman?” - -»In de prairie kan men zich gemakkelijk verbergen,” zei de Indiaan -lakoniek. - -»Ja,” merkte don Martial hierop aan, »maar één ding vergeet gij.” - -»Wat dan?” - -»Ik heb lang op de grenzen gewoond en ben dus met de taktiek der -Indianen zeer goed bekend; als de Apachen eene vesting naderen laten -zij zich altijd voorafgaan door een gordijn van rook; daartoe steken -zij de vlakte in brand, die weldra niets anders zal zijn dan een zee -van vlammen, tegen welke wij ons vruchteloos zullen verweren en die ons -ten slotte zullen verslinden, zoo wij niet in tijds de noodige -voorzorgen nemen.” - -»Dat is waar, het is een ernstig geval. Ongelukkig zie ik maar één -middel om ons aan het dreigend gevaar te onttrekken, maar dat middel -kunnen wij dan ook gebruiken.” - -»Welk middel bedoelt gij?” - -»Pardi! dat wij op de vlucht gaan.” - -»Dan weet ik wel een beter,” zei de Arendskop. - -»Gij, hoofdman? Dan zult gij toch wel zoo goed zijn het ons mede te -deelen.” - -»Zoo de bleekgezichten slechts gelieven te luisteren. De Rio Gila, -gelijk alle andere rivieren, voert op haar stroom doode boomen mede en -somwijlen in zulk eene groote menigte, dat zij haar op zekere plaatsen -verstoppen en blijven liggen; door den tijd schuiven die boomen zich -dichter aaneen en vlechten de takken zich samen; vervolgens groeien er -waterplanten tusschen, die ze nog nauwer verbinden; zand en aarde -verzamelen er zich op, er groeit gras en riet en weldra andere kruiden -op, zoodat deze ontzaglijk groote houtvlotten in de verte er als -wezenlijke eilanden uitzien, tot eindelijk een hevige storm of een -hooggezwollen vloed het vlottende eiland losrukt, den stroom afvoert en -langzamerhand vaneen scheurt of geheel vernietigt.” - -»Ja, dat weet ik, hoofdman, daarvan heb ik meer dan eens voorbeelden -gezien,” antwoordde Goedsmoeds, »zulke vlottende eilanden gelijken vaak -zoo zeer naar vaste, dat iemand, al is hij aan het leven in de -wildernis en aan de grootsche tooneelen aldaar gewoon, er toch door -bedrogen wordt. Ik begrijp wel waar gij heen wilt en welk voordeel wij -van uw idee zouden kunnen trekken, als ik maar eenige kans zag om dat -middel te gebruiken, maar dat is ongelukkigerwijs niet het geval.” - -»Ooah! dat is gemakkelijk genoeg,” hervatte de Arendskop, »het oog van -een Indiaan is goed, hij ziet op drie boogschot afstand alles. Even -boven de groote hut der bleekgezichten ligt een van die kleine -vloteilanden, geen vijftig passen van den oever; heeft mijn broeder dat -niet opgemerkt?” - -»Inderdaad!” riep Goedsmoeds »wat gij zegt is volkomen waar. Ik -herinner mij thans dat eiland, daar had ik volstrekt niet aan gedacht.” - -»Wat de plaatselijke ligging betreft heeft het niets van den brand te -duchten,” merkte Louis aan; »als het groot genoeg is om ons allen te -bergen, zou het ons bij uitstek van dienst kunnen zijn als voorpost.” - -»Wij hebben geen oogenblik te verliezen, maar moeten er dadelijk heen -om het te onderzoeken, en als wij zeker zijn dat het ons de noodige -veiligheid aanbiedt, zullen wij er dadelijk gebruik van maken en er de -peons heenbrengen.” - -»Op weg dus en niet langer geaarzeld,” riep de Tigrero opstaande. - -De anderen deden hetzelfde, en de vijf mannen verlieten het boschkamp. - -Na hunne paarden te hebben teruggevonden, namen zij hunne richting naar -het eiland onder geleide van den Arendskop. - -De Sachem had zich niet bedrogen; met den onfeilbaren blik die zijnen -landgenooten eigen is, had hij alles gezien en herkend en het -welgekozen punt met de meeste juistheid beoordeeld. - -Een ander voordeel kwam den avonturiers te stade: een dichte strook van -zoogenaamde wortelboomen, die den oever omzoomde, stak ver genoeg in -den stroom uit om den afstand tusschen het eiland en het vaste land -merkelijk te verminderen en tevens eene natuurlijke bedekking te vormen -voor de peons, die in het lange gras verscholen zaten; terwijl de -Indianen zich onmogelijk in de wortelboomen zouden kunnen nestelen om -van daar hunne vijanden te bestoken, maar integendeel door dezen zonder -gevaar zouden worden gedecimeerd. - -Het eiland zelf, dat wij zoo zullen blijven noemen, ofschoon het -eigenlijk een vlot moest heeten, was met een dichte massa droog, sterk -en ongeveer twee ellen hoog rietgras bedekt, waarachter mannen en -paarden geheel onzichtbaar waren. Na de volbrachte verkenning vestigden -Goedsmoeds en de beide Mexicanen hun kamp in het centrum, terwijl don -Louis en de Arendskop weder naar den anderen oever terugkeerden om den -capataz en zijne peons te gemoet te gaan. - -Don Martial had weinig lust hen te vergezellen, hij vreesde, zoo dicht -in de nabijheid der kolonie zijnde, door don Sylva herkend te worden en -wenschte liever zoo lang mogelijk zijn incognito te bewaren, dat ter -bevordering zijner latere plannen volstrekt noodig was. - -Louis, die hem eerst gevraagd had of hij mede wilde gaan, drong niet -verder bij hem aan, en scheen zijne weigering stilzwijgend goed te -keuren. - -Het eigenlijke van de zaak was dat de graaf Prébois, zonder te kunnen -zeggen waarom, een heimelijken afkeer gevoelde van den Tigrero, wiens -sluwe en gedurig aarzelende houding hem zeer tegen de borst hadden -gestuit. - -De Arendskop en Louis, overtuigd dat de Zwarte-Beer zich stellig met -zijn detachement verwijderd had, zonder spionnen in de prairie achter -te laten, achtten het onnoodig om de peons eerst een langen en -vermoeienden omweg te laten maken alvorens hunne bestemming te -bereiken; bij gevolg verborgen zij zich in een boschje dicht bij de -landengte, ten einde hen daar af te wachten en regelrecht naar het -afgesproken punt te geleiden. - -Intusschen had het bericht van den graaf de Prébois Crancé in de -kolonie Guetzalli alles op stelten gezet. Want ofschoon de Indianen -sedert de grondvesting der hacienda reeds meermalen getracht hadden de -Franschen te verontrusten, waren hunne pogingen van weinig beteekenis -geweest, eerst nu zouden de kolonisten voor den eersten keer tot een -ernstigen strijd met hunne woeste geburen worden geroepen. - -De graaf de Lhorailles had ongeveer over twee honderd Dauph’yeers te -beschikken, afkomstig uit Valparaiso, Guyaquil, Callao en andere havens -aan de stille Zuidzee, waar het van gelukzoekers van allerlei soort -wemelt. - -Zijn troep was een zonderling samenraapsel van alle nationaliteiten uit -de twee halfronden des aardbols; meerendeels, echter waren het -Franschen, half bandieten, half soldaten, losbollen of vagebonden, die -in den chef hunner eigen vrije keus onbepaald vertrouwen stelden. - -Het bericht van den voorgenomen aanval der Apachen werd door het -garnizoen met een vroolijken juichkreet ontvangen. Schieten en vechten -was voor deze avonturiers zoo veel als een pleizierpartij, of, zoo als -zij het in hunne schilderachtige taal noemden, een geschikte -gelegenheid om zich op te frisschen, en voor schimmelen of roesten te -bewaren. - -Wat meer is wenschten zij den Apachen een lesje te geven en te laten -zien welk onderscheid er bestond tusschen de Kreolen en kolonisten, -daar zij van eeuwen her mede te kampen hadden gehad en de Europeanen, -die zij nog niet kenden. - -De graaf behoefde hun dus niet aan te bevelen zich ferm te houden, -integendeel was hij verplicht hun ijver te matigen en tot -voorzichtigheid te vermanen, hun belovende dat hij hun spoedig -gelegenheid zou verschaffen zich met de Roodhuiden in open kamp te -meten. - -De lezer herinnert zich zonder twijfel, dat het Mexicaansche -gouvernement de kolonie Guetzalli aan den graaf de Lhorailles had -afgestaan, onder beding dat hij de Apachen en Comanchen nadrukkelijk -zou bestrijden, ten einde hen van de Mexicaansche grenzen te -verwijderen, die zij reeds lang gewoon waren op zekeren tijd des jaars -te verwoesten. - -Op deze voorwaarde van het verdrag maakte hij zijne soldaten -inzonderheid opmerkzaam. - -Zoodra dus de noodige maatregelen van verdediging genomen waren, -namelijk aan ieder zijn post aangewezen en de wapenen en -krijgsbehoeften rondgedeeld, verliet de graaf zich op zijne twee -luitenants, den Biskayer Diego Leon en Martin Leroux, twee oude -krijgsmannen, op welke hij meende te kunnen vertrouwen; vervolgens -rekende hij op Blas Vasquez en diens peons. - -Daar het wel waarschijnlijk was dat de Indianen spionnen in den omtrek -der kolonie gelaten hadden, trachtte hij dezen in den waan te brengen -dat de peons werkelijk vertrokken waren; dientengevolge werden er -verscheidene muilezels geladen met leeftocht als voor eene verre reis; -vervolgens stelde de wel onderrichte capataz zich aan het hoofd van -zijn troep en vertrok uit de kolonie met de karabijn op de heup. - -De Lhorailles, don Sylva en de andere bewoners oogden met licht -verklaarbare belangstelling het kleine detachement na, zich gereed -houdende het te ondersteunen zoo het mocht worden aangevallen. - -Maar geen muis bewoog zich in de prairie, alles bleef kalm en rustig en -weldra waren de Mexicanen in het hooge gras verdwenen. - -»Ik begrijp de taktiek der Indianen niet,” mompelde don Sylva in zich -zelven. »Er schuilt zeker weder een fijne streek onder, dat zij dien -kleinen troep zoo stil laten vertrekken, die hun zulk een schoone kans -op voordeel scheen te beloven.” - -»Wij zullen spoedig weten wat er van is,” antwoordde de graaf; -»overigens zijn wij gereed hen te ontvangen; het spijt mij slechts dat -doña Anita zich hier bevindt, niet dat zij eenig persoonlijk gevaar -loopt, maar het tumult van den strijd mocht haar verschrikken.” - -»Gij vergist u, heer graaf,” zei doña Anita die op dit oogenblik het -huis uitkwam; »wees voor mij maar niet bevreesd, ik ben eene echte -Mexicaansche en geen van die kleine teere Europeesche poppetjes, die -bij het geringste alarm eene flauwte krijgen of in onmacht vallen. Ik -heb zoo vaak in veel moeielijker omstandigheden dan de tegenwoordige -den oorlogskreet der Apachen in mijn oor hooren weergalmen, zonder iets -van dien angst te gevoelen dien gij thans voor mij schijnt te duchten.” - -Na deze woorden op fieren en minachtenden toon te hebben uitgesproken, -daar de vrouwen zich tegen den man dien zij niet beminnen zoo behendig -van weten te bedienen, trad doña Anita den graaf voorbij zonder hem aan -te zien en nam zij haar vader bij den arm. - -De Franschman antwoordde niet; hij verbeet zich de lippen dat er het -bloed voorstond, maakte eene beleefde buiging en deed alsof hij van den -scherpen zet niets begrepen had, zich voorbehoudende om dit verschil -nader te vereffenen; want, ofschoon hij zijne bruid eigenlijk niet -beminde, kon hij toch, gelijk meestal onder dergelijke omstandigheden, -niet dulden dat zij door een ander bemind wierd, en allerminst dat zij -zich jegens hem zoo trotsch en onverschillig toonde. - -De snelle gang der jongste gebeurtenissen hadden hem echter tot dusver -belet om met doña Anita tot eene beslissende verklaring te komen. - -De rijke mijnhoudersdochter, in Mexico geboren en in de nabuurschap der -Indianen opgevoed, was een Andalusische van top tot teen, vurig en -hartstochtelijk, en alleen handelend op den snellen indruk van haar -hart en gevoel. Innig verliefd en door hare liefde voor don Martial -gevrijwaard, had zij den graaf de Lhorailles in koelen bloede -beoordeeld en onder den oppervlakkigen schijn zijner galante -ridderlijkheid aldra den speculant ontdekt, die haar terstond een -onverbiddelijken afkeer inboezemde. Zoo werd haar besluit onmiddellijk -genomen om zich zonder voorbehoud buiten de mogelijkheid te stellen -ooit zijne vrouw te kunnen worden. Maar een openlijken strijd tegen -haar vader te beginnen .... daar zag zij tegen op .... om zich daaraan -te wagen, kende zij te goed het oude Spaansche bloed dat in zijne -aderen bruiste. De kracht der vrouwen, is hare schijnbare zwakheid; -haar middel van verdediging is de list. Evenzeer Indiaansch als -Spaansch van karakter, koos zij de list als het geduchte wapen der -vrouwen dat haar soms zoo gevaarlijk maakt. - -Blas Vasquez, de oude hofmeester van don Sylva, had doña Anita zien -geboren worden; zijne vrouw had haar gezoogd, met andere woorden hij -was zoo innig aan het meisje verknocht dat hij op een wenk van haar, ja -zijne ziel aan den duivel zou hebben verpand. - -Toen de graaf de Prébois Crancé op de hacienda was gekomen, had zijne -verschijning hare belangstelling zeer gaande gemaakt en nauwelijks was -hij weder vertrokken of zij sprak er den capataz over en vroeg hem met -een onverschillig gezicht opheldering, die haar oude vriend natuurlijk -geen bezwaar vond haar te geven, des te minder, daar weldra ieder in de -kolonie weten zou, en weten moest, welk nieuws de graaf Louis had -aangebracht; wat echter niemand kon weten en wat door doña Anita alleen -bij onbedriegelijk instinct geraden werd, was dat don Martial zich -onder de jagers bevond die in de nabijheid der kolonie verscholen -lagen. - -Toen don Martial haar te Guaymas verliet, had hij haar gezegd dat hij -over haar zou waken en haar aan het haar dreigende lot zou weten te -onttrekken; het lag dus in de reden dat hij haar gevolgd zou zijn, en -hieraan twijfelde zij geen oogenblik. Volgens haar begrip, moest hij -ontegenzeggelijk deel uitmaken van de heldhaftige vriendenschaar die in -dezen stond, terwijl zij de kolonie zochten te redden, tevens voor haar -behoud werkzaam waren. - -De eenige logika die stellig spreekt en nimmer bedriegt, is die van het -hart; wij althans hebben gezien dat doña Anita, door haar gevoel -geleid, juist had geredeneerd. - -Toen zij van den capataz al de inlichtingen bekomen had die zij -verlangde, zeide zij: - -»Don Blas, het is wel waarschijnlijk, als gij bij dezen aanval op de -kolonie de gevorderde diensten hebt bewezen, dat mijn vader of don -Gaëtano u, daar zij uw volk dan niet meer noodig hebben, order zullen -geven om naar Guaymas terug te keeren.” - -»Ja, waarschijnlijk wel, señorita,” antwoordde de brave capataz. - -»Dan zult gij mij ook wel een kleinen dienst willen bewijzen, niet -waar?” vroeg zij, hem op het vriendelijkst toelachende. - -»Gij weet immers wel, señorita, dat ik voor u door een vuur zou -loopen?” - -»Nu, zoo zwaar zal ik uwe vriendschap niet op de proef stellen, waarde -don Blas; intusschen dank ik u wel voor uwe goede gevoelens jegens -mij.” - -»Wat kan ik doen om u aangenaam te zijn?” - -»O! een heel gemakkelijk ding.” - -»Zoo!” - -»Och hemel! ja,” riep zij op luchthartigen toon; »gij weet wel dat ik -sedert lang de gekheid heb gehad om met alle geweld een voetkleedje van -tijgervellen in mijne slaapkamer te verlangen.” - -»Neen,” antwoordde hij oprecht, »dat wist ik niet.” - -»Hé!.... welnu, dan zeg ik het u thans; dus weet gij het nu.” - -»En ik zal het niet meer vergeten, señorita, dat beloof ik u.” - -»Dank u, don Blas; maar dat is eigenlijk niet wat ik verlang.” - -»Wat dan?” - -»Wel, dat gij hier twee tijgervellen bezorgdet, bedoel ik.” - -»Zeer goed; welnu, zoodra ik een dag vrij heb, kunt gij er op rekenen -dat ik ze u bezorg.” - -»O, maar het is niet noodig dat gij u om een gril van mij in gevaar -zoudt begeven en misschien met die schrikkelijke beesten een ongeluk -krijgen.” - -»Kom, señorita!” riep hij een weinig geaffronteerd. - -»Neen, dat wil ik volstrekt niet; ik weet een goed middel om ze -gemakkelijk te bekomen.” - -»Nu, des te beter dan; en wat is dat?” - -»Er is sedert eenige dagen te Guaymas een vermaarde tijgerjager -gekomen....” - -»Don Martial Asuzena?” viel hij haar met drift in de rede. - -»Kent gij hem?” - -»Wie zou don Martial den Tigrero niet kennen?” - -»Dat valt dan goed meê.” - -»Hoedat meê.” - -»Wel, van zijne laatste jacht in de prairiën van het Westen heeft de -Tigrero naar ik hoor een aantal prachtige jaguarsvellen medegebracht, -die hij zeker voor een goeden prijs wel zal willen afstaan.” - -»Daar twijfel ik niet aan.” - -»Nu,” riep zij, een klein verzegeld briefje uit haar boezem voor den -dag halende, »hier heb ik een paar woorden die gij den Tigrero moet -overhandigen. Ik schrijf hem dat ik de vellen bereid wil hebben en wat -ik er hem voor betalen wil. Ziedaar is geld;” vervolgde zij hem eene -beurs ter hand stellende, »gij zult dat wel voor mij regelen zoo als -gij denkt dat goed is.” - -»Gij hadt hem zelfs niet eens behoeven te schrijven, señorita,” merkte -de capataz aan. - -»Met uw welnemen, vriend, maar gij hebt aan zooveel zaken te denken, -dat ik niet weet of zulk eene kleinigheid niet licht uit het hoofd zou -kunnen gaan.” - -»Alles is mogelijk, señorita, dus dat ook; maar zooals gij het wilt is -het altijd beter.” - -»Niet waar? dat is dus afgesproken, gij zult mijne boodschap doen?” - -»Kunt gij daaraan twijfelen?” - -»Neen, don Blas. Wacht! nog iets: zeg geen woord aan mijn vader; gij -weet hoe goed hij is; hij zou ze mij cadeau willen maken en ik wil deze -kleinigheid volstrekt uit mijn eigen beurs betalen.” - -De capataz lachte met een gezicht alsof hij het wel met haar wist. De -goede man gevoelde zich gelukkig dat hij in een geheim mocht deelen, -hoe gering dan ook, van zijn troetelkind, zooals hij zijne jonge -meesteres gewoonlijk noemde. - -»Het blijft onder ons,” zeide hij, »ik ben zoo stom als een visch.” - -Doña Anita knipoogde hem vriendelijk toe, en verwijderde zich met een -vergenoegd lachje. - -Wat beduidde die brief? en waarom had zij dien geschreven? - -Dat zullen wij straks zien. - -Dien geheelen dag viel er op de hacienda niets bijzonders voor; alleen -zocht de graaf de Lhorailles doña Anita verscheidene keeren te zien en -tot een ernstig gesprek over te halen, dat deze echter telkens wist te -ontwijken. - -Blas Vasquez vertrok in de richting van Guaymas en stelde zich aan het -hoofd van zijn troep, die het terstond in vollen galop zette uit vrees -van overrompeld te worden. - -Nauwelijks was hij buiten het gezicht der kolonie en omtrent twintig -minuten ver in het hooge prairiegras verdwenen, of plotseling sprongen -er twee mannen op zijn pad te voorschijn, die de paarden tegenhielden -en vlak voor hem bleven staan. - -Van deze twee mannen was de eene, zooals uit alles bleek een Indiaan; -in den anderen herkende de capataz dadelijk denzelfden persoon dien hij -des morgens op de hacienda gezien had. - -Blas Vasquez wenkte zijn troep om halt te maken en reed de beide -vreemdelingen alleen te gemoet. - -»Door welk toeval ontmoet ik u hier, señor Frances?” zeide hij, »wij -zijn hier nog ver van het punt dat gij mij als standplaats hebt -aangewezen.” - -Hierop boog hij beleefd. - -Don Louis boog insgelijks. - -»Wij zijn wel is waar ver van ons punt van afspraak,” antwoordde hij, -»doch daar wij geen spoor van Apachen in de prairie hebben gevonden, -achtten wij het onnoodig u zulk een langen omweg te laten maken; ik ben -dus afgezonden om u naar de hinderlaag te geleiden die wij voor u -gekozen hebben.” - -»Gij hebt welgedaan. Moeten wij nu nog lang marcheeren?” - -»Neen, geen kwartier ver meer; wij gaan naar een eilandje dat gij van -hier reeds kunt zien, als gij u een weinig in de stijgbeugels opheft,” -voegde hij er bij, met de hand in de richting van het bedoelde eiland -wijzende. - -»Ei zoo!” riep de capataz, »dat punt is goed gekozen; van daar -bestrijken wij de heele rivier.” - -»Juist daarom hebben wij ons bij dat punt bepaald.” - -»Wil dan onze gids maar zijn, señor Frances; wij zullen u volgen.” - -Het detachement hervatte den marsch. Gelijk don Louis gezegd had, -werden de capataz en zijne veertig peons thans bij de vijf avonturiers -op het eiland gekampeerd en zoo goed door het lange gras en de -wortelboomen gedekt, dat men van de beide rivieroevers onmogelijk iets -van hen kon bemerken. - -Zoodra de capataz zijn plicht als hoofdman van het detachement had -volbracht, nam hij plaats aan het bivakvuur bij zijne nieuwe vrienden, -aan welke don Louis hem voorstelde. - -De eerste persoon dien don Blas hier vond was don Martial de Tigrero. - -Bij deze ontmoeting kon hij zijne verrassing kwalijk verbergen. - -»Caspita!” riep hij met een hartelijken lach, »wat zonderlinge -ontmoeting!” - -»Hoedat?” vroeg de Mexicaan tamelijk onthutst over deze herkenning, die -hij gansch niet verwachtte, daar hij meende bij den capataz niet bekend -te zijn. - -»Is u niet don Martial Asuzena, de Tigrero?” vervolgde Blas Vasquez. - -»Die ben ik,” antwoordde don Martial meer en meer ongerust. - -»Mijn hemel! het zou mij vrij wat moeite gekost hebben u te Guaymas te -vinden, en ik dacht waarlijk niet dat ik zoo gelukkig zou zijn u hier -reeds aan te treffen.” - -»Verklaar u nader als ik u verzoeken mag, ik begrijp niets van hetgeen -gij zegt.” - -»Ik heb eene boodschap voor u van wege mijne jonge meesteres.” - -»Wat zegt gij!” riep de Tigrero, wiens hart klopte van verrassing. - -»Niets anders dan hetgeen ik zeg; doña Anita wil naar het schijnt een -paar tijgervellen van u koopen.” - -»Van mij?” - -»Welzeker.” - -Don Martial keek hem met zulk een verwezen blik aan, dat de ronde -capataz begon te schateren van lachen. Dit gelach bracht den jongman -tot bezinning en deed hem bevroeden dat er misschien een geheim achter -verscholen lag en dat hij, wanneer hij nog langer vreemd opkeek, bij -den eenvoudigen hofmeester licht andere vermoedens zou opwekken die -deze thans niet bezat, daar hij niets van het groote geheim wist. - -»Inderdaad,” zeide hij alsof hij zich iets herinnerde, »ik geloof dat -ik eenigen tijd geleden...” - -»Ha!” viel hem de capataz in de rede, »dat dacht ik wel half; welnu, -zij heeft mij met een brief belast, dien ik u bij mijne eerste -ontmoeting zou overhandigen.” - -»Een brief! van wie?” - -»Wel, van mijne jonge meesteres zelve, denk ik.” - -»Van doña Anita?” - -»Ja, van wie anders?” - -»Geef hem mij dadelijk!” riep de Tigrero in vervoering. - -De capataz haalde den brief uit zijn zak, en don Martial ontrukte hem -dien meer dan hij die aannam, brak het zegel met bevende hand open en -las den inhoud. - -Toen hij hem gelezen had stak hij hem in zijne borst. - -»Wel, wat schrijft nu mijne meesteres?” - -»Niets anders dan hetgeen gij mij gezegd hebt,” antwoordde de Tigrero -min of meer stotterend. - -Blas Vasquez schudde het hoofd. - -»Hm! die man heeft zeker iets dat hij voor mij niet wil weten,” -mompelde hij. »Zou doña Anita mij soms gefopt hebben?” - -Intusschen was de Tigrero opgestaan en stapte driftig op en neer, alsof -er een belangrijk ontwerp bij hem omging; eindelijk trad hij naar -Goedsmoeds, die stil zat te rooken, bukte aan zijn oor en fluisterde -hem eenige woorden in, die de Canadees toestemmend beantwoordde. Een -lichtstraal van vreugde blonk op het sombere gelaat van den Tigrero en -terwijl hij Cuchares een wenk gaf verlieten zij samen het bivak. - -Eenige minuten daarna zaten don Martial en de lepero reeds te paard, en -staken de rivier over die het eiland van het vaste land afscheidde. - -De capataz bemerkte hen eerst toen zij aan de overzijde aan land -stapten. - -Hij slaakte een kreet van verbazing. - -»Caspita,” riep hij, »de Tigrero schijnt ons te verlaten; waar of hij -heen gaat?” - -Goedsmoeds keek don Blas aan met een schalksch gezicht, half zuur, half -zoet, en antwoordde op schertsenden toon: - -»Wie weet? misschien gaat hij een antwoord brengen op den brief dien -hij van u ontvangen heeft.” - -»Dat zou niet onmogelijk zijn,” hernam de capataz nadenkend, daar hij -niet recht wist wat hij er op zeggen zou. - -Op dit oogenblik ging de zon majestueus onder, in een zee van gouden en -purperen dampen, achter de besneeuwde toppen van de hooge bergen der -Sierra Madre; de nacht zou weldra zijn zwarten mantel over het -sluimerende aardrijk uitspreiden. - - - - - - - - - -XIII. - -EEN WEDLOOP BIJ NACHT. - - -De gebeurtenissen wisselden elkander in dezen nacht zoo snel af, dat -wij, ten einde het front der hoofdzaken op eene lijn te houden, -genoodzaakt zijn om gedurig van den eenen persoon tot den anderen over -te gaan. - -Don Martial was rijk, zelfs buitengewoon rijk. Daarbij eergierig van -aard en even krijgshaftig als ongestadig, had hij het vak van Tigrero, -of tijgerjager, alleen bij de hand genomen om een gepast voorwendsel of -ernstig doel te vinden voor zijne onophoudelijke omzwerving door de -wildernissen, daar hij het grootste gedeelte van zijn onrustig leven -had doorgebracht. - -De tigreros zijn gewoonlijk verdienstelijke woudloopers of jagers, die -zich voor een zeker dagloon, en een premie voor elke huid bovendien, -bij de hacienderos verhuren om de wilde beesten te schieten, die vaak -de weerlooze kudden aanranden. - -Wat andere tigreros voor geld doen, deed hij voor zijn eigen genoegen -of voor tijdverdrijf; aan de grenzen was hij zeer bemind en gezien, -vooral bij de hacienderos, die in hem behalve den afgerichten en -onverschrokken jager tevens een goed tafelvriend en volmaakt edelman -wisten te waardeeren. - -Don Martial had doña Anita voor de eerste maal gezien toen zijn -wisselvallig beroep hem bij toeval op een aan don Sylva toebehoorende -hacienda bracht, waar hij in minder dan eene maand tijd een tiental -jaguars en andere verscheurende dieren had gedood. - -Daar de Tigrero de schoone Anita, die hij niet leerde kennen zonder er -smoorlijk op te verlieven, gedurig naging en bespiedde, had hij eens -het geluk of ongeluk haar te ontmoeten juist op het oogenblik dat haar -paard aan het hollen geraakte, en hij in de gelegenheid was haar te -redden bijna ten koste van zijn eigen leven. - -Het was ten gevolge dezer gebeurtenis dat het meisje hem voor het eerst -opmerkte en toesprak, het overige is den lezer bekend. - -Na den brief van doña Anita gelezen te hebben had don Martial het -eiland verlaten, vergezeld van Cuchares. - -Dit besluit had den lepero bitter teleurgesteld; hij verwenschte in -zijn binnenste dat hij zoo dwaas was geweest om zich aan den man te -verbinden, dien hij thans als met hangende ooren volgde en die hem van -oogenblik tot oogenblik blootstelde om met een Indiaansche pijl -doorschoten te worden, zonder eenig voordeel of zelfs prijswaardige -reden. Intusschen was Cuchares de man niet om den Tigrero zijn kwade -luim te toonen. - -Hij begreep dat er wel zeer geldige redenen moesten bestaan om tegen -het vallen van den nacht een bivak te verlaten, waar men zoo goed tegen -den aanval der wilde dieren beveiligd was en den bijstand der jagers op -te geven, om zonder blijkbaar doel door de wildernis te gaan zwerven. -Hij brandde van verlangen om deze redenen te leeren kennen, maar hij -wist dat don Martial weinig sprak en vooral niet kon dulden dat men -zijne geheimen zocht uit te vorschen, en daar de lepero ondanks al zijn -hollebolligheid den Tigrero inwendig grooten eerbied, ja zelfs een -goede dosis vrees toedroeg, stelde hij de talrijke vragen die hij hem -te doen had uit tot gelegener oogenblik. - -De beide mannen reden dus stil naast elkander en vervolgden hun weg, -terwijl zij den teugel achteloos op den hals hunner paarden lieten -rusten en ieder voor zich zelven nadacht; Cuchares bemerkte echter -weldra dat de Tigrero in plaats van zich dieper in het bosch te -begeven, veeleer met opzet den rand van het water verkoos te volgen en -zijn paard zoo dicht mogelijk bij de rivier te houden. - -Inmiddels nam de duisternis hand over hand toe; de meer verwijderde -voorwerpen begonnen met de donkere massas aan den horizont samen te -smelten, en weldra bevonden de beide ruiters zich in volslagen -duisternis. - -Sinds eenigen tijd reeds had de lepero, hetzij door hoesten of door nu -en dan een uitroep de aandacht van zijn tochtgenoot pogen gaande te -maken; doch toen hij zag dat de nacht zoo donker als pik was geworden, -terwijl de Tigrero er niet om scheen te geven maar steeds in den -zelfden galop voortreed, verstoutte hij zich eindelijk het woord tot -hem te richten. - -»Don Martial!” begon hij. - -»Wel?” antwoordde deze onverschillig. - -»Vindt gij niet dat het tijd wordt een weinig stil te houden?” - -»Om welke reden?” - -»Om welke reden?” herhaalde de lepero op een toon van verbazing. - -»Ja, wij zijn immers nog niet waar wij wezen moeten?” - -»Gaan wij dan ergens heen?” - -»Waartoe zouden wij anders onze vrienden verlaten hebben?” - -»Dat is waar. Maar waar gaan wij dan heen? Dat zou ik wel willen -weten.” - -»Gij zult het spoedig weten.” - -»Ik moet u zeggen dat ik er zeer naar verlang.” - -Er volgde weder een poos stilte en zij reden steeds verder. - -Zij hadden den heuvel van Guetzalli reeds ver achter zich en bereikten -eene soort van kreek, die door hare sterke kromming bijna evenwijdig -liep met het achtergedeelte der hacienda, wier donkere massa zich recht -voor hen verhief en hen met hare schaduw verborg. - -Don Martial bleef staan. - -»Wij zijn er,” zeide hij. - -»Eindelijk!” bromde de lepero met een zucht van genoegen. - -»Dat wil zeggen,” hervatte de Tigrero; »dat de gemakkelijkste helft van -onze onderneming voorbij is.” - -»Wij hebben dus eene onderneming.” - -»Pardi! denkt gij dan, mijn waarde, dat ik louter voor pleizier zoo -laat in den nacht langs den oever der Rio Gila loop dwalen?” - -»Dat verwonderde mij ook al.” - -»Thans zal onze onderneming eigenlijk pas beginnen.” - -»Goed.” - -»Alleen moet ik u zeggen dat zij vrij gevaarlijk is; in allen gevalle -reken ik op u.” - -»Ik dank u,” antwoordde Cuchares, terwijl hij een leelijk gezicht trok, -dat voor een glimlach moest doorgaan. - -Ronduit gezegd, had de lepero liever gewild dat zijn vriend hem dit -blijk van vertrouwen niet gegeven had. - -Don Martial vervolgde. - -»Dáár moeten wij heen,” zeide hij met de hand naar de rivier wijzende. - -»Wat! daar heen? naar de hacienda?” - -»Ja!” - -»Wilt gij u dan in de pan laten hakken?” - -»Hoezoo?” - -»Denkt gij dat wij de hacienda bereiken kunnen zonder ontdekt te -worden?” - -»Daar zullen wij de proef van nemen.” - -»Ja, en als het ons niet gelukt, zullen die duivelsche Franschen, die -zoo scherp op de loer liggen, ons voor wilden aanzien en kort en goed -doodschieten.” - -»Daar is wel eenige kans op.” - -»Ik dank u hartelijk! ik blijf liever hier; want om u de waarheid te -zeggen ben ik nog niet gek genoeg om met een vroolijk hart den leeuw in -den muil te loopen; ga gij maar alleen, zoo gij er lust toe hebt; maar -ik blijf hier.” - -De Tigrero kon zijn lach niet langer bedwingen. - -»Het gevaar is niet zoo groot als gij u verbeeldt, wij worden op de -hacienda verwacht, door iemand, die zonder twijfel den schildwacht zal -weten te verwijderen van het punt waar wij aan land komen.” - -»Dat is wel mogelijk, maar ik verkies er liever niet de proef van te -nemen, want een kogel weet van geen medelijden; en bovendien, die -duivelsche Franschen schieten raak om van te beven.” - -De Tigrero antwoordde niet, hij scheen zelfs de aanmerking van zijn -kameraad niet gehoord te hebben, zijne gedachten zwierven elders. In -gebogen houding stond hij te luisteren. - -Sedert eenige minuten had de wildernis een zonderlinge gedaante -bekomen, zij scheen te ontwaken: geluiden zonder naam rezen op uit de -diepte der bosschen en struiken; dieren van allerlei soort sprongen -verschrikt te voorschijn en snelden de avonturiers voorbij zonder hen -te zien; de vogels uit hun eersten slaap opgewekt, vlogen op onder -scherp krijschend geschreeuw en verhieven zich hoog in de lucht; op de -rivier zag men de schimmen der wilde dieren, die haar met drift -overzwommen om den anderen oever te bereiken. Ongetwijfeld ging er iets -buitengewoons om in de prairiën. - -Van tijd tot tijd hoorde men in de verte geknetter en gekraak, gevolgd -door een dof geloei als van een opkomenden vloed, dat van oogenblik tot -oogenblik duidelijker werd. - -Aan den uitersten horizont vertoonde zich een breede roode band, die -zich van minuut tot minuut uitbreidde, en het landschap kleurde met een -glans van purper en goud en er een fantastisch voorkomen aan leende, -omtrent als een toovertooneel met bengaalsche vuren. - -Reeds tweemaal waren er verbazende rookwolken, hier en daar met vonken -besprenkeld, als rollende bergen over hunne hoofden voorbijgedreven. - -»Zeg, wat zou dat zijn?” riep de lepero; »zie toch onze paarden eens, -don Martial.” - -Werkelijk stonden de edele dieren, met gerekte halzen en gestreken -ooren, te hijgen van angst en te stampvoeten als zochten zij hunne -meesters te ontsnappen. - -»Wat hun schort, caspita!” antwoordde de Tigrero bedaard, »zij ruiken -den brand, anders niets.” - -»Hoedat den brand! denkt gij dan dat er brand is in de prairie?” - -»Ik denk het niet, maar ik weet het zeker, het hangt alleen van u -zelven af om het te zien, even goed als ik.” - -»En wat moet dat beduiden?” - -»Niet veel bijzonders, het is maar zoo’n gewone streek van de Indianen, -wij zijn immers in de Maan van Mexico, weet gij dat nog niet?” - -»Neem mij niet kwalijk; ik ben geen woudlooper; ik wil u wel zeggen dat -mij dit alles zeer ongerust maakt en dat ik een goed ding zou willen -geven als ik er uit was.” - -De lepero gaf alle blijken van angst. - -»Gij lijkt wel een kind,” lachte don Martial; »weet gij dan niet dat -het de Indianen zijn, die, om hun aantal te verbergen de prairie in -brand hebben gestoken; zij volgen onmiddellijk op het vuur, zoo -aanstonds zult gij hun oorlogskreet hooren weergalmen; achter dat -gordijn van rook en vlammen, dat gedurig al nader komt, rukken zij op -en zullen zij u weldra van alle kanten omsingelen. Als gij hier blijft, -loopt gij op drieërlei wijze gevaar: hetzij om gebraden, gescalpeerd of -gedood te worden, alle drie zeer onaangename zaken, die u als ik mij -niet vergis maar half moeten bevallen. Geloof mij toch en doe wat ik u -zeg, ga met mij mede; of wilt gij liever gedood worden, zeg het dan -maar ronduit, er zit niets anders op. Hoe is ’t? wilt gij in de rivier -afdalen? het vuur nadert: over drie minuten hebt gij geen tijd meer. -Wat wilt gij?” - -»Ik volg u,” antwoordde de lepero met een bedrukte stem; »ik moet -immers wel! Ik was dwaas, of de duivel heeft mij verleid om Guaymas te -verlaten, waar ik zoo gelukkig was, waar ik niets behoefde te doen; en -mij dan hier in zulke voetangels en klemmen te steken! Ik wil u wel -zeggen, als ik er ooit levend afkom, dat het een knap man zal moeten -zijn die mij hier ooit weer ziet.” - -»Ba, ba! dat zeggen ze altijd; laten wij ons haasten, de tijd dringt.” - -Werkelijk stond de wildernis over een uitgestrektheid van verscheidene -mijlen in brand als de krater van een onmetelijken vulkaan, de vlammen -golfden en rolden voort als de baren der zee; de dikste boomen -wegmaaiend en verdelgend als stroohalmen. - -Uit het dikke koperroode rookgordijn dat den brand voorafging, sprongen -nog gedurig gansche troepen wolven, bisons of jaguars te voorschijn, en -stortten zich in de Rio Gila onder angstig gehuil, geloei en gebrul. - -Don Martial en de lepero daalden met hunne paarden in de rivier af. - -De schrandere dieren, door hun instinct geleid, drongen haastig -voorwaarts naar den anderen oever. - -Dit gedeelte van de woestijn maakte wel een zonderling contrast met -hetgeen zij verlaten hadden, dat veel had van een onmetelijk fornuis, -vol onbestemde geluiden, schrik en jammerkreten en noodgeschrei; een -zee van vuur wier grootsche en onverbiddelijke baren alles verzwolgen -en verslonden wat haar in den weg stond; het ging over heuvels en -dalen, rotsen en wildernissen en deed binnen weinige minuten alle -voortbrengsels zoo planten als dieren verschroeien of in rook opgaan of -in asch verstuiven. - -De Rio Gila, omstreeks dezen tijd des jaars door de gevallen regens in -de Sierra Madre gezwollen, was dubbel zoo breed als gedurende den -zomer, en uithoofde harer snelheid een gevaarlijke stroom; op het -oogenblik echter dat onze twee avonturiers haar overzwommen, hadden de -menigte dieren die haar in dichte troepen tegelijkertijd zochten te -passeeren hare kracht zoo zeer gebroken, dat zij den overtocht van den -eenen oever naar den anderen in betrekkelijk korten tijd volbrachten. - -»Hé!” riep Cuchares op het oogenblik dat de paarden vasten grond onder -de voeten kregen, en tegen den steilen kant opklauterden, »hebt gij mij -niet gezegd, don Martial, dat wij naar de hacienda moesten? dan zijn -wij dunkt mij niet op den rechten weg.” - -»Uw dunk is verkeerd, kameraad,” antwoordde don Martial; »onthoud deze -les: als gij in de woestijn reist moet gij altijd doen of gij het doel -ontwijkt dat gij bereiken wilt, anders komt gij er nooit.” - -»Dat wil zeggen....?” - -»Dat wij vooreerst onze paarden in dit boschje dennen en acajou-ceders -zullen vastmaken, waar zij volkomen veilig zullen zijn en daarna gaan -wij naar de hacienda.” - -De Tigrero stapte terstond af, bracht zijn paard onder het lommer der -hooge boomen, nam het den hoofdstel af om het vrij te laten grazen, -deed het de kluisters aan en keerde naar den oever terug. - -Cuchares met de kracht der wanhoop gewapend, die in zekere -omstandigheden den schijn aanneemt van waren heldenmoed, had het -voorbeeld van zijn tochtgenoot in allen deele stiptelijk gevolgd. De -eerzame lepero eindelijk besloten hebbende een dapper man te zijn, wel -overtuigd dat hij anders verloren was, gaf zich over aan de luimen van -zijne goede of kwade gesternte met het dwepende optimisme der -mestiezen, die op dit punt voor de oosterlingen niet behoeven onder te -doen. - -Wij hebben hierboven reeds te kennen gegeven, dat aan deze zijde der -rivier alles in de diepste rust gedompeld lag; de avonturiers bevonden -zich dus voor alle gevaar beveiligd. - -»Hoor eens,” riep de lepero opnieuw, »het rek is een beetje lang van -hier naar de hacienda; ik geloof nooit dat ik zoo ver zal kunnen -zwemmen.” - -»Geduld; als gij niet tegen een weinig moeite opziet, zullen wij zonder -twijfel wel een middeltje vinden om ons den weg te bekorten. Ah! wacht, -wat heb ik u gezegd,” riep hij een oogenblik later, hem met den vinger -een kleine prauw aanwijzende, die in een smalle kreek aan een paal vast -lag. - -»De kolonisten komen hier vaak visschen,” vervolgde hij, »zij hebben -zoo een aantal prauwen van afstand tot afstand in de biezen verborgen. -Wij zullen deze maar nemen, dan zijn wij binnen weinig minuten waar wij -wezen moeten; kunt gij met de pagaaien omgaan?” - -»Ja, als ik niet bang behoef te wezen.” - -Don Martial keek hem eenige seconden strak aan en legde hem toen -onzacht de hand op den schouder. - -»Hoor eens, vriend Cuchares,” zeide hij op een drogen, bijtenden toon, -»ik heb geen tijd om lang met u te praten, maar ik heb zeer ernstige -redenen om te doen wat ik doe en ik eisch van u volkomen vertrouwen, -zonder aarzeling of argwaan hoe ook genaamd; houd u dus voor -gewaarschuwd. Gij kent mij, op de eerste verdachte beweging die gij -maakt schiet ik u een kogel door den kop als een coyote. Kom, help mij -nu de prauw los maken en wij gaan dadelijk op weg.” - -De lepero had het begrepen, hij onderwierp zich. Binnen een paar -minuten was de prauw gereed en de twee mannen er in. - -De tocht dien zij te maken hadden om het achtergedeelte der hacienda te -bereiken was niet bijzonder ver, maar met hindernissen bezaaid, en in -vele opzichten gevaarlijk; vooreerst uithoofde van den sterken stroom, -die wat meer zegt, een groot aantal doode boomen medesleepte, de -meesten nog in hun volle gewei van takken en wortels, die half boven -water drijvende, telkens dreigden de zwakke boot omver te werpen; -vervolgens de menigte wilde dieren die uit vrees voor brand de rivier -in dichte troepen overzwommen, zoodat de prauw wanneer zij in zulk eene -als verdwaasd vluchtende manade bezet raakte, ontwijfelbaar zou worden -verpletterd met al wat er in was; een derde gevaar dat de avonturiers -liepen, was nog, dat de schildwachten, die hier en daar in het dichte -hakhout verscholen zaten om de toegangen der kolonie aan den rivierkant -te verdedigen, hun een kogel toezonden. - -Dit gevaar was echter niets in vergelijking der andere door ons -opgenoemde, daar het zich liet aanzien dat de Franschen, door het -schijnsel van den naderenden brand opgewekt, al hunne blikken naar het -vaste land zouden richten. Voor het overige meende don Martial zeker te -zijn dat hij van de schildwachts niets te vreezen had, daar men deze -wel zou verwijderd hebben. - -Op een wenk van don Martial greep de lepero de pagaaien en zij staken -van wal. - -De brand breidde zich snel uit in de richting van het westen en zette -zijne verwoestingen met kracht voort. - -De prauw kon slechts langzaam en niet dan met de meeste voorzichtigheid -vorderen, uithoofde van den sterken stroom en de menigte voorwerpen die -de vaart belemmerden. - -Bleek als een lijk van angst, met stoppelende haren en van schrik -uitpuilende oogen, hanteerde Cuchares de pagaaien en beval zijne ziel -aan al de heiligen der vergulde legende van Spanje, meer dan ooit -overtuigd dat hij niet goed af zou komen van de onderneming, waarin hij -zich zoo onhandig gestoken had. - -Overigens schenen de omstandigheden zoo ernstig, dat zelfs de Tigrero -al zijne onversaagdheid en vooral de opgewondenheid noodig had, waartoe -zijn beoogde doel hem aanvuurde, om niet in den zelfden schrik te -deelen die zijn kameraad bezielde. - -Hoe verder zij kwamen, hoe talrijker de hindernissen werden; gedurig -verplicht om de boomen te mijden, die in menigte op den stroom dreven -en hun telkens den doortocht beletten, draaiden zij om zoo te zeggen -als in een cirkel rond, kwamen wel tienmaal op hetzelfde punt terug en -moesten schier aan alle kanten tegelijk acht geven, om niet omgeworpen -te worden of door een warnet van onzichtbare of zichtbare wortels en -takken te worden medegesleept. - -Zoo hadden zij reeds bijna twee uren met de grootste inspanning -gevaren, en naderden zij eindelijk van lieverlede de hacienda, die zich -als eene donkere massa tegen den helderen sterrenhemel afteekende. -Plotseling klonk er een vervaarlijke kreet uit eenige honderd woeste -kelen door de nachtelijke ruimte, onmiddellijk gevolgd door een -donderende losbranding van grof geschut en klein geweer. - -»Santa Virgo!” riep Cuchares terwijl hij de pagaaien losliet en de -handen samenvouwde, »wij zijn verloren.” - -»Carai!” zei de Tigrero, »integendeel, nu zijn wij behouden, de -Indianen bestormen de kolonie, al de Franschen zijn dus op de wallen en -niemand denkt meer aan ons. Wakker op! jongen, nog een paar riemslagen -en wij zijn er.” - -»God geeft dat gij waarheid spreekt!” mompelde de lepero en hij begon -weder te pagaaien, al was het ook met bevende hand. - -»Caramba! dat schijnt daar een ernstige aanval,” vervolgde de Tigrero. -»Des te beter! hoe meer ze daar ginder vechten, hoe minder men hier op -ons zal letten; maken wij intusschen voort.” - -Aan de zijde der landengte hoorde men het rumoer van den strijd, die -met ieder oogenblik heviger scheen te worden. - -De twee avonturiers, in de schaduw onzichtbaar, pagaaiden stil voort en -naderden meer en meer de hacienda. - -Don Martial wierp een bespiedenden blik in het rond; aan dit gedeelte -van den oever, ofschoon nauwelijks een half pistoolschot ver van de -hacienda, was alles doodstil en roerloos. Niets deed vermoeden dat men -hen bemerkt had. - -De Tigrero bukte naar zijn kameraad. - -»Houd op,” zeide hij zacht, »wij zijn aan.” - -»Hoedat! aan?” herhaalde de lepero met een ontsteld gezicht, »wij zijn -nog veraf.” - -»Neen; op de plaats waar wij thans zijn hebt gij hoegenaamd niets te -vreezen; blijf hier in de prauw, leg haar vast aan een boomstam in de -nabijheid, om hier op mij te wachten.” - -»En gij dan?” - -»Ik? ik ga weg en laat u voor een paar uren alleen; houd vooral goed de -wacht. Als gij iets bijzonders bespeurt, waarschuw mij dan door -tweemaal op verschillende wijze te roepen als een waterhoen; hebt gij -mij begrepen?” - -»Opperbest. Maar als ons eens onmiddellijk gevaar dreigde, wat moet ik -dan doen?” - -De Tigrero bedacht zich een oogenblik. - -»Welk gevaar zou u hier kunnen dreigen?” vroeg hij toen. - -»Dat weet ik niet,” zei Cuchares, »maar de Indianen zijn zulke -kwaadaardige duivels; met hen moet men op alles bedacht zijn.” - -»Gij hebt gelijk. Welnu, als u eenig ernstig gevaar mocht bedreigen, -maar alleen in dat enkele geval, hoor! moet gij nadat gij een signaal -hebt gegeven, de prauw voortstuwen naar dat punt dat gij van hier zien -kunt; die wortelboomen daar ginds bedoel ik: daar tusschen zijt gij -volkomen beschut en daar kom ik onmiddellijk bij u.” - -»Goed, dat is afgesproken; maar dan, hoe zal ik weten waar ik u vinden -moet.” - -»Ik zal tweemaal het geluid van den prairiehond nabootsen. Pas nu op, -en wees voorzichtig.” - -»Gij kunt op mij rekenen.” - -De Tigrero ontdeed zich van de kleederen die hem hadden kunnen -belemmeren, zooals zijn zarape, en zijne botas vaqueras, en hield niet -anders aan dan zijn broek en vest, stak zijn mes in zijn gordel, hing -zijne pistolen, zijne buks en zijn patroontasch om, en bootste op eene -bedriegelijke wijze het gefluit van den maukawis na. Weldra klonk -hetzelfde geluid van den oever; en de Tigrero, na zijn kameraad voor de -laatste maal waakzaamheid te hebben aanbevolen, nam zijne wapens -zorgvuldig op zijn hoofd en liet zich zacht in het water glijden. De -lepero zag hem weldra rustig en met kracht wegzwemmen, koers houdende -naar de hacienda; maar allengs begon de Tigrero in de verte te -verdwijnen tot hij eindelijk in de schaduw van den oever onzichtbaar -werd. - -Zoodra Cuchares alleen was, bekeek hij, zonder bepaald te weten waarom, -zorgvuldig zijne wapens om te zien of ze wel goed in orde waren en deed -nieuw kruit op de pan, ten einde gereed te zijn en niet weerloos -overrompeld te worden; vervolgens gerustgesteld door de kalmte die in -den omtrek bleef heerschen ging hij ondanks de waarschuwing van den -Tigrero op den bodem der prauw liggen en schikte zich om te slapen. - -Het rumoer van den strijd was langzamerhand verminderd en had eindelijk -geheel opgehouden, men hoorde niet meer schreeuwen noch schieten; de -Indianen, door de kolonisten teruggeslagen, hadden van hun aanval -afgezien. Ook de brand in de prairie was merkelijk verflauwd, kortom, -de woestijn scheen tot hare gewone stilte en eenzaamheid teruggekeerd. - -De lepero lag op zijn rug op den bodem der prauw en keek naar de -heldere sterren, die in het blauwe hemelruim schitterden en fonkelden. -Zacht wiegelend op den schommelenden stroom gaf hij zich over aan -onbezorgde droomen, en sloot nu en dan de oogen; eindelijk kwam hij op -het geheimzinnige punt dat geen waken noch slapen meer heeten mag, en -zou hij waarschijnlijk spoedig zijn ingedommeld, zoo hij niet even -voordat hij bepaald de oogen zou sluiten, gewetenshalve zijn reeds door -slaap benevelden blik voor het laatst had rondgeslagen—wat zag hij? hij -ontroerde er van, zou bijna een schreeuw hebben gegeven van angst en -stond zoo haastig op, dat het weinig scheelde of hij had de prauw doen -omslaan. - -Cuchares had een ontzettend visioen gehad, hij wreef zich de oogen om -zich te verzekeren dat hij wakker was, en keek opnieuw rond. - -Wat hij voor een visioen had gehouden, was inderdaad iets wezenlijks; -hij had wel goed gezien. - -Gelijk wij straks gezegd hebben dreven er een menigte doode boomen met -takken en wortels op den stroom. Sedert eenigen tijd had zich een groot -aantal dezer boomen in de nabijheid der prauw verzameld: zonder dat de -lepero er eene voldoende reden voor kon vinden, te minder daar deze -boomen terwijl zij natuurlijkerwijs den stroom van het water hadden -moeten volgen, integendeel in allerlei richtingen dreven en in plaats -van midden in de rivier te blijven veeleer den oever waar de hacienda -op lag meer en meer naderden. - -Wat nog zonderlinger scheen, was dat de gang dezer vlottende stammen -zich bepaald naar hetzelfde punt richtte, namelijk het uiteinde der -landtong, juist achter de hacienda; voorts—het was inderdaad om van te -huiveren—zag Cuchares te midden van al deze stammen, takken en wortels, -vurige oogen schitteren, en akelige hoofden met afschuwelijke -aangezichten opsteken. - -Er viel niet langer aan te twijfelen, in iederen boom zaten zes of meer -Apachen; de Roodhuiden, na in hun eerste poging aan de landzijde -gefaald te hebben, trachtten nu de kolonie aan den rivierkant te -naderen en haar onder bedekking der boomen daar zij zich achter -verscholen hielden, te overrompelen. - -De positie van den lepero was hachelijk. - -Tot dusver hadden de Indianen, te veel met het uitvoeren van hun plan -bezig, zeker niet op de prauw gelet of zoo zij die al hadden gezien, er -zich niet om bekreund, in den waan dat zij aan een der hunnen -toebehoorde; met ieder oogenblik echter kon deze dwaling ontdekt en de -lepero herkend worden, en dan wist hij maar al te goed dat hij verloren -was. - -Reeds twee of drie malen was er voor een oogenblik eene hand aan het -boord der ranke boot geslagen, maar als door bijzondere bewaring had de -Indiaan die dit deed niet goedgevonden even in de prauw te kijken. - -Al deze en nog vele andere beschouwingen gingen den armen Cuchares door -het hoofd, terwijl hij schijnbaar zoo gemakkelijk op zijn rug in de -prauw lag, zacht wiegende op de hobbelende baren en terwijl hij boven -zijn hoofd de heldere sterren aan het firmament zag blinken. Met een -door schrik vertrokken aangezicht, bleek als de dood, in iedere hand -een pistool krampachtig vastklemmend, en zich in stilte aan zijn -bijzonderen beschermheilige aanbevelende, wachtte hij de schrikkelijke -uitkomst af die met iedere verloopende minuut dreigender werd. - -Hij behoefde niet lang te wachten. - - - - - - - - - -XIV. - -EEN INDIAANSCHE LIST. - - -Onder de ongetemde natiën die in de onmetelijke wildernissen der delta -door de Rio Gila, de Rio del Norte en de Rio Colorado gevormd -rondzwerven, zijn er twee die zich de heerschappij boven de overigen -willen aanmatigen, deze twee natiën zijn de Apachen en de Comanchen. - -Onverzoenlijke vijanden en gedurig in oorlog met elkander, slaan deze -natiën vaak de handen ineen en vereenigen zij zich in -gemeenschappelijken haat tegen de blanken en tegen al wat tot dit -verafschuwde ras behoort. - -Als voortreffelijke ruiters, onverschrokken jagers en woeste krijgers -zonder genade, zijn de Comanchen en Apachen geduchte vijanden voor de -ingezetenen van Nieuw-Mexico. Jaar op jaar in de zelfde maand verlaten -deze woeste krijgslieden bij duizenden hunne savanen, doorwaden zij de -stroomen, trekken op verschillende punten over de grenzen van Mexico, -plunderen en branden alles wat hun voorkomt, voeren vrouwen en kinderen -weg in slavernij, en verspreiden schrik en verwoesting tot meer dan -tien ja soms twintig mijlen ver over het meer beschaafde grondgebied -der blanken. - -Tijdens de Spaansche heerschappij was dit anders. De talrijke -zendingsposten, versterkte plaatsen (presidio’s) en van afstand tot -afstand uitsluitend voor dezen dienst bestemde en langs de geheele -grenzen gekantonneerde legerkorpsen weerden de aanvallen der Indianen -krachtdadig af, dreven hen naar de wildernis terug en hielden hen -binnen de perken van hunne jachtgronden. Sedert het uitroepen der -onafhankelijkheid echter hebben de Mexicanen de handen zoo vol met zich -onderling te dooden en door omwentelingen zonder doel of redelijkheid -het land te verscheuren, dat de troepencordons zijn ingetrokken, de -zendingsposten geplunderd, de presidio’s verlaten en de grenzen -beschermd geworden, zoo als zij best konden, dat wil zeggen in ’t -geheel niet. Natuurlijk zijn de wilde Indianen toen allengs weder -genaderd en de rivieren opnieuw overgetrokken, zonder noemenswaardigen -weerstand te vinden daar de Mexicaansche regeering onder strenge -straffen verbiedt den beschaafden Indiaan vuurwapenen in handen te -geven, waarmede zij alleen in staat zouden zijn de woeste indringers -met goed gevolg te helpen bestrijden; zoo hebben laatstgenoemden binnen -weinige jaren heroverd wat Spanje met zijn gansche macht, gedurende -meer dan drie eeuwen nauwelijks in staat was hun te ontweldigen. - -Een gevolg van dit alles is dat de vruchtbaarste en heerlijkste landen -van de wereld onbebouwd liggen, dat men in dat ongelukkige gewest geen -stap voorwaarts doen kan zonder overal schier rookende puinhoopen te -ontmoeten, en de stoutheid der wilde Roodhuiden zoodanig is toegenomen -dat zij thans hunne strooptochten en invallen niet eens meer geheim -houden, maar ze jaarlijks in dezelfde maand en vaak op denzelfden dag -herhalen; welke maand door hen met den spotnaam van Mexicaansche Maan -wordt bestempeld, dat wil zeggen de maand gedurende welke zij de -Mexicanen plunderen. - -Al de hier door ons aangevoerde feiten zouden voor eene kolossale -tooneelklucht kunnen doorgaan, zoo zij niet gepaard gingen met de -gruwzaamste barbaarschheid en wreedheid. - -De Zwarte-Beer had het groote verbond, waarvan wij vroeger gewaagden, -alleen gesloten met het doel om zich in de oogen zijner landgenooten te -verheffen, daar hij door verscheiden mislukte ondernemingen werkelijk -in hunne achting was gedaald. Even als alle voorname Indiaansche -opperhoofden, bezielde hem eene ontembare eerzucht; reeds was het hem -gelukt eenige zwakkere volksstammen uit te delgen of met zijne natie -ineen te smelten, en nu beoogde hij niets minder dan om ook de -Comanchen te verplichten zijne opperheerschappij te erkennen; dit was -echter eene zeer moeilijke om niet te zeggen onmogelijke onderneming, -want de Comanchennatie staat te recht beroemd als de krijgshaftigste en -meest geduchte der woestijn; in haren hoogmoed geeft zij zich zelve den -titel van Koningin der Prairiën en duldt te nauwernood de -tegenwoordigheid der Apachen op het terrein dat zij als de haar -erfelijk toekomende jachtgronden beschouwt. De Comanchen hebben op de -andere Roodhuiden een groot voordeel, dat hunne eigenlijke sterkte -uitmaakt en de basis hunner onafhankelijkheid is, zoodat zij door al -hunne vijanden gevreesd worden, namelijk hunne matigheid. Dank zij de -loffelijke standvastigheid waarmede zij zich van het gebruik van -geestrijke dranken hebben weten te onthouden, zijn zij bewaard voor de -algemeene verdierlijking en voor de menigte kwalen die de andere -Indianenstammen zoo deerlijk teisteren en blijven zij tot hiertoe nog -even krachtig en verstandig als ooit. - -De Spotvogel geloofde evenmin als de Zwarte-Beer aan de duurzaamheid -van het verbond, dat thans tusschen de beide natiën bezworen was; de -haat dien hij de Apachen toedroeg had bij hem te diepe wortels -geschoten om dit zelfs ernstig te verlangen; maar de stichting der -Fransche kolonie te Guetzalli, waardoor de blanken vasten voet kregen -op een terrein dat zij als hun wettig eigendom beschouwden, was voor de -Comanchen en andere Indios bravos eene te ernstige bedreiging, dan dat -zij niet elk middel zouden hebben te baat genomen om zich van deze -geduchte geburen te ontslaan. Zij hadden dus voor het oogenblik hun -ouden wrok en bijzondere veeten doen zwijgen voor de eischen van het -algemeen belang en zich daarvoor vereenigd, maar ook daarvoor alleen. -Ieder behield zich stilzwijgend voor, om zoodra de gehate vreemdelingen -verdreven waren, weder naar eigen goedvinden te handelen. - -Wij hebben reeds gezien hoe de Spotvogel de vijandelijkheden begonnen -was; de Zwarte-Beer had sinds lang een plan gevormd dat hij tot dusver -nog niet had kunnen uitvoeren; niet wetende waar hij de noodige -inlichting en middelen zou vinden was hij naar Guaymas gegaan, en toen -de Tigrero hem voorsloeg om zich als gids in de kolonie in te dringen, -had hij ongezocht aanleiding gevonden om zijn lang gewenscht doel te -bereiken; ook had hij de weinige uren, door hem in de hacienda -doorgebracht, niet ongebruikt gelaten en met de gewone geslepenheid van -een Indiaan al de zwakke punten der plaats tot in de kleinste -bijzonderheden opgenomen. - -Bovendien bestond er nog eene reden die hem aanspoorde zich van de -hacienda meester te maken; gelijk alle Roodhuiden, droomde hij van -niets liever dan van eene blanke vrouw in zijne hut te hebben; nu had -het toeval hem doña Anita doen aantreffen en daar door was zijn sedert -lang heimelijk gekoesterde wensch op eens verlevendigd, door de -veronderstelling, dat hij in haar eindelijk de vrouw gevonden had die -zijn droom zou verwezenlijken. - -Men moet zich daarom niet verbeelden dat de Zwarte-Beer zoo bijzonder -op doña Anita verliefd was; hij verlangde alleen eene blanke vrouw te -bezitten, dit was alles; hij voelde zich gekrenkt dat de andere hoofden -zijns volks, slavinnen van die kleur hadden, en hij er nog geene bezat. - -Ware doña Anita leelijk geweest, dan zou hij toch beproefd hebben haar -meester te worden, maar nu zij schoon was, zooveel te beter; en wij -moeten hier ten slotte nog doen opmerken dat het Apachenhoofd haar -eigenlijk niet zoo bijzonder mooi vond; volgens den maatstaf van zijn -Indiaansch schoonheidsgevoel was de jonge vrouw hoogstens maar een -dagelijksch gezicht; het eenige wat hij in haar op prijs stelde was -hare kleur. - -De Zwarte-Beer had zijne voornaamste krijgers op de uiterste punt van -het eiland bijeengeroepen en stond in hun midden, met de armen op de -borst gekruist, zwijgend en met de oogen naar de vlakte gericht, tot op -het oogenblik toen het eerste bloedige rood van den brand door den -Spotvogel ontstoken, zich aan den horizont begon te vertoonen. - -»Mijn broeder de Spotvogel is een welervaren opperhoofd,” zeide hij, -»en een trouw bondgenoot; hij heeft de zending die ik hem opdroeg naar -behooren volbracht; hij is reeds bezig met de bleekmuilen te berooken; -wat de Comanchen begonnen zullen de Apachen voleinden.” - -»De Zwarte-Beer is de eerste krijgsman van zijn stam,” antwoordde de -Kleine-Panter; »wie zou hem durven bestrijden?” - -De sachem glimlachte bij deze vleierij en sprak: - -»Zijn de Comanchen antilopen, de Apachen zijn otters; zij weten, -wanneer het noodig is, te zwemmen in het water zoo wel als te loopen op -de aarde en te vliegen door de lucht; de bleekgezichten hebben geleefd; -de Groote Geest is in mij, hij blaast mij de woorden in die mijne borst -uitblaast.” - -De krijgslieden bogen eerbiedig, en een oogenblik later vervolgde hij: - -»Wat geven de Apachen om de vlammende donderpijpen der bleekgezichten! -Hebben zij geen gekartelde pijlen en onverschrokken harten? Mijne zonen -zullen mij volgen, wij zullen die bleeke honden hunne haarschedels -aftrekken, om ze aan den hals onzer paarden te hechten, en hunne -vrouwen zullen onze slavinnen zijn.” - -De krijgslieden beantwoordden deze grootspraak met uitbundig gejuich. - -»Op den stroom drijft een tal van boomen,” vervolgde hij; »mijne zonen -zijn geene vrouwen die rasch moede worden, zij zullen zich op die doode -boomen zetten en er de rivier mede afdrijven, tot aan de hut der -bleekgezichten. Dat mijne zonen zich gereed maken; de Zwarte-Beer -vertrekt tegen zestien ure, zoodra de blauwe uil tweemaal gezongen en -de walkon tweemaal gefloten heeft. Twee honderd krijgslieden zullen den -Zwarte-Beer volgen. Ik heb gezegd.” - -De opperhoofden bogen eerbiedig voor den sachem en lieten hem alleen. - -Hij wikkelde zich in zijn bisonsvellen mantel, hurkte neder bij een -vuurpot met glimmende kolen die voor hem stond, stak zijn calumet aan -met behulp van een toovertangetje, dat aardig met kleine chelletjes en -bonte veeren versierd was, en bleef toen stil zitten rooken met de -oogen onafgewend op den rooden gloed gericht, die aan den gezichteinder -steeds uitgebreider en duidelijker werd. - -Het eiland waar het opperhoofd zijn kamp had opgeslagen lag slechts op -korten afstand van de Fransche kolonie; het plan om zich met den stroom -te laten afdrijven had dus niets gevaarlijks voor menschen die, aan -alle lichaamsoefeningen gewoon, zwommen als visschen; hij had daarbij -het groote voordeel om de naderende krijgslieden in het water en -tusschen de takken verborgen te houden, die dan op een bepaald -oogenblik als een troep uitgehongerde gieren plotseling op de kolonie -zouden losgaan. - -De Zwarte-Beer hield zich van het welslagen dezer buitensporige -krijgslist, die alleen in het brein van een Indiaan kon opkomen, zoo -sterk overtuigd, dat hij niet meer dan twee honderd man van zijn volk -wilde medenemen, het overbodig oordeelende om grooter macht aan te -voeren tegen vijanden, die men onvoorziens dacht te overrompelen en die -reeds verplicht om zich tegen den Spotvogel te verweren, door hem -zelven in den rug aangetast en verpletterd moesten worden, eer zij den -noodigen tijd hadden gehad om tot bezinning te komen. - -De nacht valt snel in en bijna plotseling in deze streken, waar de -schemering nauwelijks eenige seconden duurt; weldra was het volkomen -duister geworden; alleen in de verte teekende een breede koperroode -streep den voortgang van den brand, achter welken over den nog -gloeienden grond de Comanchen volgden als een troep akelige wolven, -terwijl hunne galoppeerende paarden de nauwelijks uitgedoofde en -bekoelde asch en houtskolen met de hoeven vertrapten of voortschopten. - -Toen de Zwarte-Beer oordeelde dat het beslissende oogenblik gekomen -was, doofde hij zijn calumet uit, schudde bedaard de asch op het vuur -van den haard en wenkte den Kleine-Panter, die reeds op den sprong -stond om de bevelen van het opperhoofd dadelijk uit te voeren. - -Bijna onmiddellijk kwamen de twee honderd krijgslieden te voorschijn om -de hun opgelegde taak te beginnen. - -Het waren allen uitgelezen mannen; met knodsen en pieken gewapend, en -met het oorlogsschild op den rug. - -Na een oogenblik stilte, dat de sachem besteedde om over hen eene soort -van inspectie te houden, zeide hij met eene diepe stem: - -»Wij gaan vertrekken, mijne kinderen; de bleekgezichten die wij te -bestrijden hebben zijn geene Yoris; men zegt dat zij zeer dapper zijn; -maar de Apachen zijn de dapperste krijgslieden der wereld; niemand kan -het tegen hen volhouden. Mijne zonen zullen zich laten dooden, maar zij -zullen overwinnaars zijn.” - -»De krijgslieden zullen zich laten dooden,” antwoordden allen uit éénen -mond. - -»Ooah!” hervatte de Zwarte-Beer, »mijne zonen hebben goed gesproken, de -Zwarte-Beer stelt in hen zijn volle vertrouwen. De Wacondah—de Groote -Geest—zal hen niet verlaten; hij bemint de roode menschen. Gaat nu, -mijne zonen, en verzamelt de doode boomstammen die drijven op de rivier -en begeeft u met dezelve op den stroom. Het gekrijsch van den condor -zal het signaal zijn om op de bleekgezichten in te stormen.” - -De Indianen gingen dadelijk aan ’t werk om de bevelen van het -opperhoofd uit te voeren; zij wedijverden onderling om de boomstammen -bij elkander te brengen en eenige minuten later hadden zij er reeds een -aantal aan de punt van het eiland vereenigd. De Zwarte-Beer wierp een -laatsten blik om zich heen, gaf een wenk om te vertrekken, en was zelf -de eerste die te water ging om zich op een boom te plaatsen; al de -anderen volgden terstond zijn voorbeeld. - -De Apachen hadden bij het verzamelen der boomstammen aan den rand van -het eiland hunne stelling zoo wel gekozen, dat, toen zij er plaats op -namen, en ze van wal stieten, de stammen oogenblikkelijk weder op gang -kwamen en den gewonen loop volgende als van zelf en ongemerkt den -stroom afdreven, juist in de richting der kolonie waar zij dachten te -landen. - -Intusschen had deze zonderlinge scheepvaart haar eigenaardige -moeielijkheden en was zij niet zonder ernstige gevaren voor de -ondernemers. - -De Indianen die los op de boomen zaten en geen pagaaien hadden om hen -te besturen, moesten zich klakkeloos door den stroom laten medevoeren -en slaagden niet zonder geweldige inspanning om in eene behoorlijke -positie te blijven: gelijk alle vlottend hout dat op de genade der -grilzieke baren dobbert behielden de stammen steeds hun eigen manier -van beweging en kantelden van tijd tot tijd om, zoodat degenen die er -op zaten telkens gedwongen werden van plaats te veranderen om in balans -te blijven en niet met iedere omwenteling in het water te vallen; -voorts waren zij toch menigmaal verplicht zich te water te begeven, -wanneer de stammen eene verkeerde richting dreigden te nemen en in -plaats van naar de kolonie naar het midden der rivier wilden afdrijven. -Een derde bezwaar, nog het lastigste van allen, was dat de boomen onder -het afzakken soms tegen elkander stieten en met hunne takken of wortels -zoo vast in elkander verward raakten, dat het bepaald onmogelijk was ze -weder los te krijgen, zoo dat men hen goedschiks kwaadschiks moest -laten begaan en men ze na verloop van een half uur gezamenlijk op -stroom zag drijven als een enkel groot vlot, dat bijna de gansche -breedte besloeg. - -De Indianen zijn volhardend in hun doen; als zij iets ondernemen geven -zij hun plan niet op voor dat het volstrekt onmogelijk wordt er mede -voort te gaan; is dat niet het geval, dan houden zij tot het uiterste -vol. Dat gebeurde ook thans; sommige Indianen verdronken, andere werden -zoo ernstig gekwetst, dat zij genoodzaakt waren om met levensgevaar aan -land te zwemmen. Evenwel, verre de meesten hielden zich goed en onder -aanvoering van hun opperhoofd, die hen gedurig met voorbeeld en stem -aanmoedigde, zakten zij ordelijk stroomafwaarts. - -Reeds sedert lang was het eiland, vanwaar zij vertrokken waren, ver -achter hen in de kronkelingen van de rivier verdwenen en kregen zij het -punt waar de gebouwen der kolonie zich verhieven voor zich uit in ’t -gezicht. Reeds teekende zich op een pijlschot afstand van de plaats -waar zij zich bevonden, de donkere gestalte der hacienda zwart en -somber tegen het nachtelijke blauw des hemels, toen de Zwarte-Beer, die -zich aan het hoofd der vloot gereed hield en wiens scherpziende blik -gedurig in ’t rond spiedde om den stand der zaken op te nemen, op eens -eenige vadems lengte van zich af eene kleine prauw aan een boom -vastgemaakt op den stroom zag schommelen. - -Deze prauw was terstond een verdacht voorwerp voor den argwanenden -Roodhuid, het scheen hem niet natuurlijk op zulk een laat uur in den -nacht een vaartuig van welken aard ook op deze wijs vastgelegd en aan -den stroom overgelaten te vinden; maar de Zwarte-Beer was een man van -kloeke besluiten die niet licht verlegen werd en in alle voorkomende -zaken wijselijk partij koos. Na de raadselachtige altoos stil voor hem -liggende prauw met aandacht te hebben bespied, bukte hij naar den -Kleine-Panter, die naast hem op denzelfden boom zat om zijne gereede -orders uit te voeren, en het mes tusschen de tanden nemende verliet het -opperhoofd zijn steunpunt en dompelde hij onder water. - -Dicht bij de prauw kwam hij weder boven, greep haar met forsche hand -aan boord, zoodat zij overhelde, en sprong er in eens in, vlak op de -borst van Cuchares, dien hij terstond bij den strot vatte. - -Deze manoeuvre was zoo gezwind uitgevoerd, dat de lepero geen gebruik -kon maken van zijne wapenen en geheel in de macht van zijn vijand was, -eer hij nog wist wat hem overkwam. - -»Ooah!” riep de Indiaan toen hij hem met verrassing herkende. »Wat -maakt mijn broeder daar?” - -Van zijnen kant had ook de lepero den sachem herkend, en zonder recht -te weten waarom, gaf hem dit weder een weinig moed. - -»Dat ziet gij wel,” was zijn antwoord, »ik slaap.” - -»Ooah! mijn broeder is bang voor den brand en daarom heeft hij zich -zeker op de rivier begeven.” - -»Juist!” zei Cuchares, »dat hebt gij eens knap geraden, hoofdman, ik -ben bang voor den brand.” - -»Goed,” hervatte de Apache met een boertenden glimlach, die hem anders -niet eigen was, »mijn broeder is zeker niet alleen, waar is de -Groote-Bison?” - -»Wat! de Groote-Bison, dien ken ik niet, hoofdman, ik weet zelfs niet -van wien gij spreekt.” - -»Alle bleekhuiden hebben eene leugenachtige tong,” riep de sachem, -»waarom zegt mijn broeder de waarheid niet?” - -»Dat zou ik gaarne doen, als ik u maar begreep.” - -»De Zwarte-Beer is een groot krijgsman der Apachen; hij spreekt de taal -van zijn eigen volk, maar verstaat slecht die der Yoris.” - -»Dat is niet wat ik meen te zeggen, gij hebt zeer goed in ’t Spaansch -gesproken, ik bedoel alleen dat gij van een persoon spreekt dien ik -niet ken.” - -»Ooah! kan dat mogelijk zijn?” antwoordde de Indiaan met geveinsde -verwondering, »zou mijn broeder den krijgsman niet kennen die twee -dagen geleden bij hem was?” - -»Ah ja! nu begrijp ik u, gij spreekt van don Martial; ja zeker, dien -ken ik wel.” - -»Goed,” hernam het opperhoofd, »ik wist wel dat ik mij niet vergiste, -waarom is mijn broeder op dit oogenblik niet bij hem?” - -»Dat zal waarschijnlijk zijn omdat ik hier alleen ben,” riep de lepero -spottenderwijs. - -»Dat is waar, maar daar ik haast heb en mijn broeder mij niet -antwoorden wil, zal ik hem dooden.” - -Dit zeggende op een toon die voor geen dubbelzinnige uitlegging vatbaar -was, hief de Zwarte-Beer zijn ponjaard reeds op om er gevolg aan te -geven. De lepero begreep, dat als hij den Indiaan zijn zin niet gaf, -hij onvermijdelijk verloren zou zijn, zijne aarzeling hield dus -oogenblikkelijk op. - -»Wat wilt gij van mij?” vroeg hij. - -»De waarheid.” - -»Vraag dan.” - -»Zal mijn broeder antwoorden?” - -»Ja.” - -»Goed, waar is de Groote-Bison?” - -»Daar,” riep de lepero terwijl hij den arm in de richting der hacienda -uitstak. - -»Sedert lang?” - -»Sedert een uur reeds.” - -»Om welke reden is hij daar?” - -»Dat kunt gij licht raden.” - -»Ja. Zijn zij daar samen?” - -»Zij moeten er wel zijn, daar zij hem geroepen heeft.” - -»Ooah! En wanneer moet hij terugkomen?” - -»Dat weet ik niet.” - -»Heeft hij niets aan mijn broeder gezegd?” - -»Neen.” - -»Zou hij alleen terugkomen?” - -»Dat weet ik niet.” - -De Indiaan schoot hem een blik toe als of hij tot op den bodem van zijn -hart had willen zien; de lepero bleef kalm als het graf, hij had -eerlijk gezegd alles wat hij wist. - -»Goed,” hervatte de Indiaan een oogenblik daarna, »maar heeft de -Groote-Bison met mijn broeder geen signaal afgesproken, zoodat hij bij -hem kan komen wanneer hij dit verkiest?” - -»Dat heeft hij.” - -»En welk is dat signaal?” - -Bij deze vraag kwam Cuchares een zonderling idee te binnen. De leperos -zijn een wonderlijk slag van menschen, die in de wereld huns gelijken -niet hebben, dan met de bekende Lazzaroni te Napels. - -Even spilziek als gierig, hebzuchtig als belangloos en vermetel als -lafhartig, zijn deze menschen het vreemdsoortigst en monsterachtigst -samenstel van al wat men zich goed en kwaad verbeelden kan; bij hen -gaat alles zoo als men zegt met horten en stooten, gebrekkig en -gezwind, zij doen niets dan op den sprong en op den indruk van het -oogenblik, evenzeer zonder hartstocht als nadenken; eeuwige spotters en -grondelooze loshoofden gelooven zij aan niets en aan alles; in een -woord hun leven is een gedurige tegenspraak, en voor een guitenstreek -die hun eigen leven zou kunnen kosten, offeren zij het leven of de -belangen op van hun besten vriend, even gereed en vroolijk als zij hem -zouden redden. - -Cuchares was de volmaakte type van dit buitensporig misgewas der -Mexicaansche maatschappij. Ofschoon de dolk van den Apache geen twee -duim boven zijn hart glinsterde en hij stellig wist, dat zijn woeste -vijand hem geen genade zou bewijzen, besloot hij toch om hem een trek -te spelen en hem het kostte wat het kostte een staaltje te geven van -zijne behendigheid. Wij voegen er hier op eigen gezag bij, dat -misschien zijne vriendschap voor don Martial ofschoon onbewust min of -meer in ’t spel kwam, want wij herhalen de lepero heeft geen -vriendschap voor iemand ter wereld, zelfs niet voor zijn trouwsten -beschermer, zijn hart is inderdaad niets meer dan een onmisbaar, -koudbloedig en lillend ingewand. - -»Verlangt de hoofdman dat signaal te kennen?” vroeg hij. - -»Ja,” antwoordde de Apache. - -Cuchares bootste thans met de grootste bedaardheid het geschreeuw na -van een waterhoen. - -»Houd u stil,” bromde de Zwarte-Beer, »dat is het niet.” - -»Neem mij niet kwalijk,” hernam de lepero, »dan heb ik het misschien -niet goed gedaan,” en hij herhaalde nog eens denzelfden schreeuw. - -De Indiaan, ontzet door de verregaande onbeschaamdheid van zijn vijand, -wierp zich op hem om hem met een enkelen stoot af te maken. - -Maar door woede verblind had hij zijn stoot slecht berekend, en deelde -hij aan de prauw zulk eene felle beweging mede, dat het lichte schuitje -zijn evenwicht verloor en omkantelde, zoodat de vijanden beiden in het -water geraakten. - -Eenmaal in het water zijnde verzuimde de lepero, die zwemmen kon als -een otter, zijne kans niet; hij dook onder en zwom blindelings in de -richting der hacienda, zoo snel als zijne krachten gedoogden. - -Maar zwom de lepero goed, de Zwarte-Beer zwom ten minste even zoo goed -als hij, en nadat de eerste strubbeling over was had de Indiaan spoedig -gezien waar hij heen moest en volgde hij zijn vijand onmiddellijk op -het spoor. - -Nu begon er tusschen deze twee een wedstrijd van kracht en -behendigheid, en misschien zou het voordeel zich aan de zijde van den -blanke verklaard hebben, die op zijn tegenstander reeds een goed eind -gewonnen had, zoo niet verscheidene Apachen, getuigen van het gebeurde, -zich in de rivier hadden geworpen om den vluchteling den pas af te -snijden. - -Cuchares zag weldra dat vluchten onmogelijk was, zonder dus een strijd -langer voort te zetten dien hij begreep dat doelloos was geworden, -zette hij koers naar een boomstam, daar hij zich aan vast klemde en -wachtte toen bedaard af wat er verder gebeuren zou. - -De Zwarte-Beer had hem spoedig ingehaald. De Indiaan toonde zich -volstrekt niet gebelgd over den trek dien de lepero hem gespeeld had. - -»Ooah!” zeide hij almede een tak van den boom grijpende, »mijn broeder -is een krijgsman, hij is zoo listig als een opossum.” - -»Wat zal het mij baten?” antwoordde Cuchares onverschillig, »daar ik -toch mijne haren niet kan redden.” - -»Wie weet?” hernam de Indiaan; »als mijn broeder mij maar zegt waar de -Groote-Bison is.” - -»Dat heb ik al gezegd, hoofdman.” - -»Ja: mijn broeder heeft mij wel gezegd dat zijn vriend in de groote hut -der bleekmuilen is, maar niet in welk gedeelte.” - -»Hm! en als ik u die plaats aanwijs, zal ik dan vrij zijn?” - -»Ja, als mijn broeder geen dubbele tong heeft en mij de waarheid zegt, -zal hij zoodra wij aan land komen vrij zijn om te gaan waar hij -goedvindt.” - -»Dat is ook een gunst!” mompelde de lepero hoofdschuddend. - -»Hoe is ’t?” hervatte de Zwarte-Beer, »wat doet mijn broeder?” - -»Wat duivel!” antwoordde Cuchares op eens tot een besluit komende, »ik -heb voor don Martial alles gedaan wat menschelijkerwijs mogelijk was; -nu hij gewaarschuwd is mag hij zelf zien hoe hij te recht komt; ieder -voor zich, ik moet mijne huid redden. Geef acht, hoofdman, ik zal het u -met de hand aanwijzen waar hij is: ziet gij die wortelboomen, daar -ginds, op dat vooruitspringend punt?” - -»Ja, die zie ik.” - -»Welnu, achter die wortelboomen zult gij den man vinden, dien gij den -Groote-Bison noemt.” - -»Goed, de Zwarte-Beer is een sachem, hij heeft maar één woord, het -bleekgezicht zal vrij zijn.” - -»Dank u.” - -Hier werd hun gesprek, dat voortaan noodeloos was geworden, plotseling -afgebroken; te meer daar de Apachen snel den oever naderden. Zij hadden -de meeste boomen daar zij op verdeeld waren laten drijven en zaten -thans bij ploegen van tien of twaalf op een gering aantal der dikste -stammen vereenigd. - -Op de hacienda was alles doodstil, er brandde zelfs geen licht, men zou -gezegd hebben dat het huis geheel verlaten was. - -Deze diepe stilte kwam den Zwarte-Beer zeer verdacht voor; hij meende -er de voorbode van een aanstaanden storm in te zien. Alvorens zich nu -aan eene ontscheping te wagen, wilde hij zich met eigen oog van den -stand der zaken gaan verzekeren. Hij bootste dus het geschreeuw van den -hagedis na, sprong in de rivier en zwom naar de kolonie. - -De Apachen begrepen terstond wat hun opperhoofd bedoelde en hielden -zich stil. - -Na verloop van een paar minuten zagen zij hem tegen den zandigen oever -opkruipen; hij deed eenige stappen het land in en bleef staan. Hij zag -of hoorde niets; daardoor gerustgesteld, keerde hij naar den oever -terug en gaf het sein voor de landing. - -De Apachen verlieten de boomen en zwommen naar wal. Cuchares maakte -zich deze gelegenheid ten nutte om weg te komen, dat hij gemakkelijk -doen kon, daar op dat oogenblik van verwarring niemand aan hem dacht. - -Intusschen hadden de Apachen een rechte lijn geformeerd en zwommen zij -met kracht voort. Binnen weinige minuten bereikten zij den oever en -stapten aan land. Onmiddellijk liepen zij naar den wal daar zij snel -tegen opklauterden. - -»Vuur!” klonk op eens eene stentorstem. - -Er volgde eene vreeselijke losbranding, bijna met de tromp op de borst. - -De Apachen beantwoordden haar met een gehuil van woede en verrast door -degenen die zij meenden te verrassen, stormden zij er op in met blank -geweer. - - - - - - - - - -XV. - -SCHERP TEGEN SCHERP. - - -Wij moeten thans naar de jagers terugkeeren, die wij maar al te lang -uit het oog hebben verloren, want gedurende de boven door ons vermelde -gebeurtenissen hadden ook zij, zoo veel noodig en doenlijk was, niet -stil gezeten. - -Na het vertrek der twee Mexicanen, zaten Goedsmoeds en zijne vrienden -eene poos stilzwijgend te peinzen. - -De Canadees speelde voor tijdverdrijf met de punt van zijn laars met de -halfgedoofde houtskolen, die uit het langzaam inzakkend haardvuur op -den grond waren gerold; werkelijk wist hij nauwelijks wat hij deed, zoo -diep was zijn gepeins. De graaf Prébois Crancé, anders gezegd don -Louis, zat met den elleboog op de knie en de hand onder de kin, even -afgetrokken te staren op de tintelende kolen die beurtelings uitgingen -en weder aanglimden; alleen de Arendskop, dicht in zijn bisonsmantel -gewikkeld, rookte deftig zijn calumet, met het kalme en onverstoorde -gelaat dat het Indiaansche ras zoo bijzonder kenmerkt. - -»Wat er ook van wezen mag,” zei de Canadees op eens, meer in antwoord -op de gedachten die hem inwendig bezig hielden, dan met oogmerk om het -gesprek weder aan te knoopen, »het gedrag dezer twee mannen komt mij -zeer buitengewoon voor, om er niets anders van te zeggen.” - -»Zoudt gij van hunnen kant eenig verraad vreezen?” vroeg don Louis -opkijkende. - -»In de woestijn kan men altoos aan verraad denken,” zei Goedsmoeds -beslissend, »vooral wat nieuwe kameraden aangaat die men toevallig -heeft opgedaan.” - -»Die Tigrero, of don Martial—zooals ik meen dat hij heet—ziet er toch -te rond en oprecht uit, om een verrader te zijn.” - -»Dat is zoo; en toch zult gij mij toestemmen dat zijn gedrag sedert wij -hem ontmoetten vrij zonderling geweest is.” - -»Dat geef ik u toe; maar gij weet even goed als ik hoe de hartstocht -een mensch soms verblinden kan. Ik geloof dat hij verliefd is.” - -»Dat geloof ik ook. Ik verzoek u intusschen op te merken, dat hij in -die gansche zaak, die hem als ik het zeggen moet zoo bijzonder aangaat, -en daar wij ons met verzuim onzer eigen bezigheden in begeven hebben -alleen om hem een dienst te bewijzen, zich steeds heeft teruggetrokken, -alsof hij bang was om er mede voor den dag te komen.” - -Op dit oogenblik kwam Blas Vasquez, na eerst de peons op korten afstand -en derwijze geplaatst te hebben dat zij geheel buiten het gezicht -stonden, terug en ging nevens de jagers bij het vuur zitten. - -»Ziedaar,” zeide hij, »alles is gereed; nu mogen de Apachen ons -aanvallen als zij het goedvinden.” - -»Een woordje, capataz,” zei Goedsmoeds. - -»Twee zelfs zoo het u behaagt.” - -»Kent gij dien man, daar gij straks dien brief aan overhandigd hebt?” - -»Waarom vraagt gij dat?” - -»Omdat ik gaarne door u nader omtrent hem zou worden ingelicht.” - -»Persoonlijk ken ik hem al zeer weinig; alles wat ik er u van zeggen -kan is, dat hij in de gansche provincie ter goeder naam en faam staat, -en men hem algemeen voor een caballero en fatsoenlijk edelman houdt.” - -»Dat is zeker veel,” mompelde de Canadees hoofdschuddend; »maar met dat -al, ik weet niet waarom, maakt zijn overhaast vertrek mij zeer -ongerust.” - -»Ooah!” riep op eens de Arendskop, terwijl hij haastig de calumet uit -zijn mond nam, het hoofd vooruitstak en de anderen wenkte zich stil te -houden. - -Allen zaten onbeweeglijk met de oogen op den Indiaan gericht. - -»Wat gebeurt er?” vroeg Goedsmoeds eindelijk. - -»Er is brand!” antwoordde hij kalm. »De Apachen komen, zij hebben de -prairie voor zich uit in brand gestoken.” - -»Wat zegt gij?” riep Goedsmoeds opstaande en naar alle kanten -rondziende, »ik zie nog niets dat naar vuur gelijkt.” - -»Nog niet; maar het vuur is er, ik ruik het.” - -»O! als de sachem het zegt, zal het wel waar zijn, een krijgsman van -zoo veel ondervinding bedriegt zich niet; wat nu gedaan?” - -»Wij hebben hier niets van den brand te vreezen,” merkte de capataz -aan. - -»O, neen,” riep de graaf de Prébois; »maar de bewoners der hacienda?” - -»Evenmin,” hernam Goedsmoeds; »zoo als gij weet zijn al de boomen tot -op goeden afstand van de kolonie omgehouwen en uitgeroeid zoodat het -vuur daar niet komen kan; het is slechts een krijgslist der Indianen, -om haar te kunnen naderen zonder hunne getalsterkte te doen blijken.” - -»Ik ben het toch met den caballero eens,” zei de capataz, »dat het niet -kwaad zou zijn als wij de kolonie gingen waarschuwen.” - -»Er is nog iets anders te doen, dat misschien wel zoo noodig is,” zei -don Louis, »wij moeten een bekwaam veldontdekker uitzenden, om stellig -te weten wie onze vijanden zijn en hoe sterk hun aantal is.” - -»Beiden kan evenzeer geschieden,” hervatte Goedsmoeds, »in de gegeven -omstandigheden zijn twee voorzorgen beter dan een. Mijn raad is deze, -dat de Arendskop den vijand zal gaan verkennen, terwijl wij ons naar de -hacienda zullen begeven.” - -»Wij allen?” vroeg de capataz. - -»Neen, gij niet, gij zijt hier veilig en gij kunt ons, als wij soms -wierden aangevallen, goede diensten bewijzen. Don Louis en ik gaan -alleen naar de kolonie en gij, onthoud dit wel, moogt u volstrekt niet -vertoonen of verroeren. Wat er ook gebeure, in ieder geval wacht gij -onze bevelen af: is dit afgesproken?” - -»Ja, caballero, ga gerust heen, ik zal uw vertrouwen niet te leur -stellen.” - -»Goed, thans aan ’t werk; u, hoofdman, heb ik niets aan te bevelen; gij -kunt ons op de hacienda vinden als gij ons iets van belang te melden -hebt.” - -Hierop scheidden deze krachtvolle mannen; van ouds gewoon om te -handelen zonder den kostelijken tijd met nuttelooze woorden te -verspillen, gingen zij na korte afspraak uiteen, don Louis en -Goedsmoeds staken de rivier over naar de hacienda, de Indiaan -insgelijks, maar in tegenovergestelde richting. - -Blas Vasquez bleef met zijne peons alleen op het eiland achter. - -Intusschen begreep de capataz, die den oorlog met de Indianen bij -ondervinding had leeren kennen, welk eene verantwoordelijkheid er van -nu af aan op hem rustte en gevoelde hij dat het noodig was zijne -waakzaamheid te verdubbelen; bijgevolg zette hij op alle punten -schildwachten uit; hun aanbevelende om zorgvuldig acht te geven op -alles wat aan de vaste kust omging; toen keerde hij naar zijn vuur -terug, wikkelde zich in zijne fressada en sliep gerust in, daar hij -zeker kon zijn dat de peons hem bij den minsten onraad terstond zouden -wekken. - -Wij zullen thans hem zoo wel als don Louis en Goedsmoeds een poosje -verlaten om den Arendskop te volgen. - -De taak die hij op zich genomen, of liever daar zijne vrienden hem mede -belast hadden, was alles behalve gemakkelijk; maar de Arendskop was een -man van ondervinding, op de hoogte der sluwe Indianenstreken en begaafd -met de stoorlooze bedaardheid die in groote levensaangelegenheden -schier de hoofdvoorwaarde is om wel te slagen. Na van zijne vrienden -afscheid te hebben genomen, reed hij met zijn paard stapvoets naar de -rivier en eer hij het punt bereikte waar hij haar wilde overgaan, had -hij zijn gansche plan reeds helder in zijn hoofd. - -In plaats van de rivier over te steken in de richting waar de Indianen -achter hun vuurstroom snel naderden, koos hij den tegenovergestelden -kant. Nauwelijks was hij er over of hij steeg af om zijn paard eenige -minuten te laten uithijgen, wreef het zorgvuldig met een stroowisch af, -zette zich met een enkelen sprong op het pantervel, dat hem tot zadel -diende en reed oogenblikkelijk in vliegenden galop naar het vijandelijk -kamp. - -Deze woedende rid duurde twee volle uren. De nacht was reeds lang -gedaald en het onzekere schijnsel van den brand strekte hem tot baken -om hem in de duisternis het rechte spoor te wijzen. - -Na verloop van die twee uren bevond de Arendskop zich tegenover het -meest vooruitspringende punt des eilands, waar de Apachen juist bezig -waren met de drijvende boomstammen te vergaderen, om als -vervoermiddelen te dienen voor de overrompeling die zij tegen de -kolonie in den zin hadden. - -De Arendskop bleef staan. - -Aan zijne rechterhand, ofschoon vrij ver achter hem, lichtte de -prairiebrand aan den gezichteinder; rondom hem was alles eenzaamheid en -duisternis. - -Lang nam de Indiaan het eiland in oogenschouw; een heimelijk voorgevoel -waarschuwde hem dat daar voor hem het gevaar gelegen was. - -Evenwel, na de zaak rijpelijk overwogen te hebben, besloot hij nog -eenige passen verder te gaan, om dan opnieuw de rivier over te steken, -ten einde het eiland te onderzoeken, dat hem wegens zijne bijzondere -kalmte des te meer verdacht voorkwam. - -Eer hij echter dit plan ten uitvoer bracht, rees eene andere gedachte -bij hem op; hij stapte af, verborg zijn paard ergens in het houtgewas, -ontdeed zich van zijn geweer en zijn mantel; en na een doordringenden -blik in de hem omringende duisternis, ging hij op den grond liggen en -kroop dwars door het hooge gras tot dicht aan de rivier: hij liet er -zich zacht in afglijden en zwom met de grootste voorzorg nu eens -onderduikend en dan weder boven water naar het eiland, dat hij weldra -bereikte. - -Maar op het oogenblik toen hij den voet op het oeverzand zette om zich -op te richten hoorde hij een schier onmerkbaar geluid, en meende hij -dicht in zijne nabijheid eene beweging in het water te bespeuren; hij -dook opnieuw onder en verwijderde zich van den oever, dien hij reeds op -het punt was te beklimmen. - -Op eens, toen hij weer boven water kwam om even versche lucht te -scheppen, zag hij vlak voor zich twee gloeiende oogen schitteren; op -hetzelfde oogenblik ontving hij een hevigen slag op de borst, die hem -deed omkantelen en ofschoon half door dezen onverhoedschen aanval -bedwelmd, voelde hij eene krachtige hand die hem als met een ijzeren -nijptang de keel toekneep. - -Het oogenblik was hachelijk; de Arendskop begreep dadelijk dat hij -zonder eene wanhopige poging verloren was; hij waagde die poging. - -Op zijne beurt den onbekenden vijand aangrijpende omklemde hij hem met -de kracht der wanhoop. - -Nu begon er tusschen deze twee in den stroom eene vreeselijke en -noodlottige worsteling, waarbij elke strijder zijn tegenstander poogde -te verstikken, zonder om eigen lijfsbehoud of bepaalde zelfverdediging -te denken. Het water door de felle beweging der beide worstelaars -geschokt en geteisterd, kookte en schuimde alsof er twee alligators aan -’t vechten waren. Eindelijk kwam er een bloedig en misvormd lichaam -boven water dat bewegingsloos wegdreef; en weinige seconden later -vertoonde zich niet ver van daar een bleek en verwilderd hoofd, dat -door de vreeselijke inspanning van den strijd ontkleurd en gezwollen, -bijna onmenschelijk scheen en naar alle zijden schuw rondkeek. - -Bij het zien van het lijk zijns vijands slaakte de overwinnaar een -duivelschen lach; zwom er naar toe, greep het bij de haren en sleepte -het, niet naar het eiland maar naar de vaste kust. - -De Arendskop had den Apache overwonnen die hem zoo onverwachts had -aangerand. - -De Comanch bereikte weldra den anderen oever, maar liet het lijk niet -los voor dat hij het geheel veilig op het droge had gehaald, toen sneed -hij het gezwind den haarschedel af, hechtte dien als een afschuwelijke -trofee aan zijn gordel en steeg weder te paard. - -Hij had de taktiek der Apachen volkomen begrepen; de aanval van welke -hij bijna het slachtoffer was geworden, had hem de krijgslist ontdekt -dien zij in den zin hadden. Hij behoefde dus zijn onderzoek op het -eiland niet verder door te zetten. Wat het lijk van zijn vijand -betreft, als hij het in den stroom had gelaten, dan zou het spoedig -door zijne kameraden ontdekt zijn geworden en hun de tegenwoordigheid -van een spion verraden hebben; daarom gaf hij zich de moeite om het -naar den anderen oever te brengen, waar niemand het, althans niet dan -bij zeldzame toevalligheid, ontdekken zou eer dat de zon was opgekomen. - -De weinige minuten rust die zijn paard had genoten, waren genoeg -geweest om het al zijne kracht weder te geven. De Arendskop had nu naar -zijne vrienden kunnen terugkeeren, want hetgeen hij ontdekt had was -voor hen belangrijk genoeg; maar Goedsmoeds had hem vooral opgedragen -om de getalsterkte en samenstelling van het vijandelijk detachement te -verkennen dat tegen de kolonie oprukte, en deze last zou de Indiaan -voor niets hebben willen verzuimen; bovendien had de pas doorgestane -strijd, daar hij zoo wonderwel als overwinnaar was afgekomen, hem in -zekere mate opgewonden, zoodat hij bijzonderen lust gevoelde om het -uiterste te wagen. - -Daar hij een lichte wond aan den linkerarm had bekomen nam hij een paar -oregonbladeren, bond ze met een stukje boomschors op de wond en dreef -toen zijn paard andermaal de rivier in. - -Daar hij thans niets te onderzoeken had en hij niet gaarne ontdekt -wilde worden, droeg hij wel zorg om zijn overgang op vrij verren -afstand van het eiland te doen. - -Op den anderen oever, waar de Indianen alles hadden platgebrand, was -het spoor breed genoeg en duidelijk zichtbaar, zoo dat de sachem het -ondanks de duisternis zonder moeite kon volgen. - -De brand door de Indianen gesticht had echter in deze streek niet -zooveel verwoesting aangericht als elders. Het geheele terrein was -hier, met uitzondering van enkele verspreide groepjes populierboomen, -met het gewone hooge, door de felle zomerzon reeds half verschroeide -prairiegras bedekt. - -Dit gras dat weinig brandstof bevatte was snel ontvlamd en had, wat de -Indianen liefst verlangden, des te meer rook veroorzaakt, maar den -grond bijna niet verhit, zoodat zij er dadelijk over konden marcheeren -naar de kolonie. - -Dank zij de snelheid waarmede de Arendskop doorzette en de paar uren -die de Indianen met het afbranden der prairie verloren hadden, kwam hij -bijna gelijktijdig met hen aan de hacienda; hij haalde hen juist in op -het oogenblik toen zij, na een nutteloozen aanval op de batterij aan de -landtong te hebben beproefd, waren teruggeslagen en in allerijl de -vlucht namen, vervolgd door het schrootvuur der batterij, dat hen des -te meer afbreuk deed, daar zij ten gevolge van hun eigen brandstichting -geen boomen meer hadden om zich achter te verschuilen; evenwel was het -hun, dank zij de vlugheid hunner paarden, voor het grootste gedeelte -gelukt aan de slachting te ontkomen. De Arendskop bevond zich zonder -het te willen en toen hij er het minst aan dacht op eens te midden der -vluchtenden. In de eerste oogenblikken was ieder te zeer op lijfsbehoud -bedacht om op hem te letten en hem te herkennen; hij maakte hiervan -gebruik om ter zijde te gaan en zich achter een rots te begeven, waar -hij zich schuil hield. - -Thans echter had er iets zonderlings plaats. Nauwelijks had de sachem -zich aan het oog der vluchtelingen onttrokken en hen een poosje in -stilte gadegeslagen, of een onbeschrijfelijke glimlach krulde zijne -lippen; op eens gaf hij zijn paard de sporen en rende in hun midden, -onder het aanheffen van een doordringenden, tweemaal op verschillende -wijze herhaalden rauwen kreet. - -Op dit bekende geroep staakten de Indianen terstond hunne vlucht, -snelden zij van alle kanten naar hem toe, en schaarden zich onstuimig -rondom het opperhoofd met alle blijken van bijgeloovigen eerbied en -lijdelijke gehoorzaamheid. - -De Arendskop liet zijn blik fier en ontzagwekkend weiden over de -menigte die zich rondom hem verdrong en daar hij een hoofd hoog boven -uitstak. - -»Ooah!” riep hij eindelijk met een krakende stem vol bitter verwijt: -»zijn de Comanchen dan nu vreesachtige antilopen geworden, dat zij als -Apachenhonden vluchten voor de kogels der bleekhuiden?” - -»De Arendskop! de Arendskop!” riepen al de krijgslieden uit éénen mond -met gemengde blijdschap en schaamte, terwijl zij de oogen neersloegen -voor den vlammenden blik van hun opperhoofd. - -»Waarom hebben mijne zonen zonder het bevel van hun sachem de -jachtgronden der Rio del Norte verlaten? Zijn zij dan de rastrero’s -(speurhonden) der Apachen geworden?” - -Een dof gemompel doorliep de gelederen op dit scherpe verwijt. - -»Een sachem heeft gesproken,” hervatte de Arendskop streng, »is hier -niemand om hem te beantwoorden? Hebben de Comanchen van het Meer geen -opperhoofden die hun voorgaan en bevelen geven?” - -Onmiddellijk na dezen eisch openden zich de gelederen der Comanchen. -Een enkele ruiter kwam te voorschijn, naderde den Arendskop, en maakte -eene eerbiedige buiging met het voorhoofd tot op den hals van zijn -paard. - -»De Spotvogel is een opperhoofd,” antwoordde hij met eene zachte en -welluidende stem. - -Het gelaat van den Arendskop helderde zichtbaar op, zijne trekken -verloren oogenblikkelijk hunne woeste uitdrukking, hij wierp den -jeugdigen krijgsman die voor hem stond een minzamen blik toe en strekte -de hand naar hem uit met de palm naar voren. - -»Och!” zeide hij, »mijn hart verheugt zich u te zien, mijn zoon de -Spotvogel: De krijgslieden zullen hier kampeeren terwijl de twee -sachems samen raad houden.” - -En met een vorstelijken wenk gebood hij het opperhoofd hem te volgen. -Zij gingen samen heen, nageoogd door de Roodhuiden, die zich haastten -om het bevel dat zoo stellig gegeven was uit te voeren. - -De Arendskop en de Spotvogel verwijderden zich op genoegzamen afstand -van het kamp, om bij hun gesprek niet beluisterd te kunnen worden. - -»Laten wij hier raad houden,” zei het opperhoofd terwijl hij op een -heuveltje ging zitten en den Spotvogel een wenk gaf, om naast hem -plaats te nemen. - -De jonge sachem gehoorzaamde zonder tegenspraak. - -Er volgde eene vrij lange poos stilte tusschen de twee Indianen, die -ondanks hunne geveinsde onverschilligheid elkander nauwlettend opnamen. - -Eindelijk nam de Arendskop het woord en begon langzaam en met eene -nadrukkelijke stem: - -»De Arendskop is een beroemd krijgsman in zijn stam,” zeide hij, »hij -is de eerste sachem der Comanchen van het Meer; onder de gezegende en -beschermende schaduw van zijn machtige totem verschuilen zich ontelbare -zonen van den grooten geheiligden schildpad Chemin-Antou, wiens -luisterrijk schild de wereld draagt, sedert de Wacondah den eersten man -en de eerste vrouw na hunne overtreding in de onbegrensde ruimte wierp. -De woorden die de borst van den Arendskop uitblaast zijn die van een -Sagamore; zijne tong is niet dubbel. De logen heeft nooit zijne lippen -bezoedeld. De Arendskop is den Spotvogel tot vader geweest, hij was het -die hem geleerd heeft zijn paard te temmen, den snellen antilope met de -pijl te treffen, of den monsterachtigen beer in zijne armen te -verstikken. De Arendskop bemint den Spotvogel, die de zoon is van de -zuster zijner derde vrouw; de Arendskop heeft den Spotvogel eene plaats -bij het vuur van den raad verleend; hij heeft hem tot sachem gemaakt, -en toen hij de dorpen van zijn stam verliet heeft hij tot hem gezegd: -»Mijn zoon zal mijne krijgslieden kommandeeren, hij zal hen ter jacht, -ter vischvangst en ten oorlog voeren.” Zijn deze woorden waarheid? en -kan de Arendskop liegen?” - -»De woorden van mijn vader zijn waarheid,” antwoordde de jonge sachem -met een eerbiedige buiging, »de wijsheid spreekt uit zijn mond.” - -»Waarom heeft mijn zoon zich dan met de vijanden van zijn volk -verbonden om de vrienden van zijn vader den grooten sachem te -bestrijden?” - -De Spotvogel neigde verlegen het hoofd. - -»Waarom?” vervolgde de Arendskop, »waarom heeft hij zonder zijn vader -te raadplegen, die hem altijd met zijn raad geholpen en gesterkt heeft, -een onrechtvaardigen oorlog ondernomen?” - -»Een onrechtvaardigen oorlog,” herhaalde het jonge opperhoofd min of -meer gevoelig. - -»Ja, want hij wordt gevoerd in gemeenschap met de vijanden van ons -volk.” - -»De Apachen zijn Roodhuiden.” - -»De Apachen zijn lafhartige en diefachtige honden, dien ik de -leugensprekende tong zal uitrukken.” - -»Maar de bleekgezichten zijn de vijanden der Indianen!” - -»De bleekgezichten die mijn zoon heden nacht heeft aangevallen zijn -geen Yoris; het zijn vrienden van den Arendskop.” - -»Mijn vader zal het den Spotvogel vergeven; hij heeft het niet -geweten.” - -»Heeft de Spotvogel het inderdaad niet geweten, zou hij dan werkelijk -voornemens zijn om den door hem beganen misslag te herstellen?” - -»De Spotvogel heeft drie honderd strijders onder zijn totem; de -Arendskop is gekomen; zij zijn tot zijnen dienst.” - -»Goed, ik zie dat de Spotvogel nog altijd mijn beminde zoon is. Met -welk opperhoofd heeft hij een verbond gemaakt? het kan toch de -Zwarte-Beer niet zijn, den onverbiddelijken vijand der Comanchen die -nog geen vier manen geleden, twee dorpen van mijn stam heeft verbrand.” - -»Een wolk had het verstand van den Spotvogel beneveld; zijn haat tegen -de blanken heeft hem verblind, de wijsheid heeft hem ontbroken; hij -heeft zich werkelijk aan den Zwarte-Beer verbonden.” - -»Ooah! de Arendskop had wel gelijk dat hij naar de dorpen zijner -vaderen wenschte terug te keeren. Zal mijn zoon den sachem -gehoorzamen?” - -»Wat hij ook bevele, ik zal gehoorzamen.” - -»Goed! dat mijn zoon mij dan volge.” - -De beide opperhoofden stonden op. - -De Arendskop begaf zich dadelijk naar de landengte, reeds van verre met -de rechterhand zijn bisonsmantel zwaaiende ten teeken van vrede, -terwijl de Spotvogel eenige passen achter hem volgde. - -De Comanchen zagen met verbazing dat hunne sachems een mondgesprek met -de Yoris gingen vragen, maar gewoon om hunne opperhoofden blindelings -te gehoorzamen in alles wat deze hun geliefden te bevelen, toonden zij -zich over dit bedrijf geenszins gebelgd, al begrepen zij er het doel -niet van. - -De Mexicaansche schildwachten, achter de batterij verscholen, konden in -het heldere maanlicht de vredelievende houding der Indianen gemakkelijk -onderscheiden en lieten hen vrijelijk tot aan den rand der gracht -naderen. - -»Een sachem verlangt een mondgesprek met het opperhoofd der -bleekgezichten,” riep de Arendskop. - -»Goed,” antwoordde eene stem in het Spaansch, »wacht een oogenblik, men -zal het opperhoofd waarschuwen.” - -De beide Comanchen maakten eene statige buiging, kruisten de armen op -de borst en bleven staan wachten. - -De graaf Prébois Crancé, anders gezegd don Louis, en Goedsmoeds, die, -zooals wij weten, rechtstreeks naar de hacienda waren gegaan, en er dus -eenige uren vroeger aankwamen, hadden daar met don Sylva de Torres en -den graaf de Lhorailles reeds een langdurig gesprek gehad, waarin zij -hem mededeelden door wien en op welke wijs zij te weten waren gekomen -dat de Indianen een aanval op de kolonie zouden doen, hoe de zelfde man -die hen hiervan zoo goed onderricht had, na hen eerst in zekeren zin -gedwongen te hebben zich in eene gevaarlijke onderneming te mengen, -welke hun volstrekt niet aanging, hen zonder eenige blijkbaar geldige -reden eensklaps verlaten had, onder het nietige voorwendsel dat hij -even naar Guaymas terug moest, waar, zoo hij zeide, allergewichtigste -zaken zijne tegenwoordigheid voor een oogenblik vereischten. - -Deze nieuwtjes hadden op de beide heeren een levendigen indruk gemaakt; -vooral don Sylva kon zijn toorn niet bedwingen, toen hij hoorde dat die -persoon niemand anders was dan don Martial; hij kwam reeds dadelijk op -het vermoeden dat de Tigrero zeker plan had gevormd om van de -verwarring gebruik te maken en doña Anita op te lichten. De haciendero -wilde echter zijn aanstaanden schoonzoon niets van dezen argwaan doen -blijken, zich voorbehoudende om hem zoo het noodig was, op het juiste -oogenblik te waarschuwen, daar hij vreesde dat er onder het overhaast -vertrek van don Martial een krijgslist verscholen lag. - -Goedsmoeds berichtte hem bovendien in welke stelling hij den capataz en -zijne peons had geplaatst, en welke taak de Arendskop had op zich -genomen, waarvan hij waarschijnlijk den uitslag weldra aan de hacienda -zelf zou komen melden. - -De graaf de Lhorailles betuigde zijn warmen dank aan deze twee mannen, -die zonder hem te kennen hem zulke gewichtige diensten kwamen bewijzen; -hij liet hun terstond de noodige ververschingen voorzetten, en -verwijderde zich om aan zijn luitenant order te geven hem te -waarschuwen, zoodra zich een Indiaan als parlementair zou aanmelden. - -Ook don Sylva verwijderde zich, schijnbaar met oogmerk om zijne dochter -gerust te stellen, maar eigenlijk om zich met eigen oog van de -waakzaamheid der wachtposten aan de achterzijde der hacienda te -overtuigen. - -Toen de Indianen een half uur later een aanval op de landengte deden, -waren de Franschen dus op hunne hoede en werden zij door de bezetting -zoo warm ontvangen, dat zij reeds bij den eersten stoot genoeg hadden -en de dwaasheid hunner onderneming inziende, met groot verlies en in -wanorde terugtrokken, gelijk wij den lezer reeds in een vorig hoofdstuk -beschreven hebben. - -De graaf de Lhorailles zat nog met don Louis en Goedsmoeds te praten -over de bijzonderheden van het gevecht en verwonderde zich over het -lang uitblijven van don Sylva, die sedert een uur reeds verdwenen was, -zonder dat men wist waarheen, toen de luitenant Leroux de zaal -binnentrad. - -»Wat wilt gij?” vroeg hem de graaf. - -»Kapitein,” antwoordde hij, »er staan twee Indianen aan den buitenwal, -met verzoek om binnengelaten te worden.” - -»Twee?” riep Goedsmoeds. - -»Ja, twee.” - -»Dat is vreemd,” zei de Canadees. - -»Hoe zouden wij doen?” vroeg de graaf. - -»Zelf gaan, om te zien wie zij zijn.” - -Zij gingen terstond naar de batterij. - -»Welnu, Goedsmoeds, wat dunkt u,” zei de graaf. - -»Wel, mijnheer de graaf, een van de twee is zonder twijfel de -Arendskop; maar den andere ken ik niet.” - -»En wat denkt gij er van?” - -»Dat wij ze binnen zullen laten. Daar die tweede Indiaan, die een -opperhoofd schijnt te zijn, met den Arendskop mede komt, kan hij niets -anders zijn dan een vriend.” - -»Goed dan.” - -De graaf gaf de wacht een wenk; de valbrug werd nedergelaten en de twee -Indianen kwamen binnen. - -De sachems groetten de aanwezigen met de natuurlijke waardigheid die -hun ras en hun rang onderscheidt, daarna, op verzoek van Goedsmoeds, -deed de Arendskop verslag van zijne volbrachte taak. - -De Franschen hoorden hem met aandacht en bewondering aan, niet alleen -wegens de behendigheid waarmede hij was te werk gegaan maar ook wegens -zijn daarbij betoonden moed. - -»Intusschen,” vervolgde het opperhoofd ten slotte, »heeft de Spotvogel -den misslag erkend waartoe hij zich door blinden haat had laten -vervoeren; hij heeft het verbond dat hij met de Apachen gesloten had -reeds verbroken om zijn vader den Arendskop te volgen, en zijne fout -weder goed te maken. De Arendskop is een sachem, zijn woord is als -graniet; hij stelt drie honderd Comanchen-krijgslieden ter beschikking -van zijn blanken broeder.” - -De graaf de Lhorailles keek den Canadees weifelend aan; daar hij de -listige streken der Indianen kende, huiverde hij zich aan hen toe te -vertrouwen. - -Goedsmoeds haalde even de schouders op. - -»De groote hoofdman der blanken zegt zijn broeder den Arendskop dank,” -zeide hij, »hij neemt diens aanbod met blijdschap aan. Zijne hand zal -steeds open en zijn hart rein zijn voor de Comanchen. Het -oorlogsdetachement dat mijn broeder mij aanbiedt zal in twee -afdeelingen worden gesplitst, de eene onder het kommando van den -Spotvogel, zal zich aan gene zijde der rivier in hinderlaag stellen om -de Apachen den aftocht af te snijden, de andere gaat met den Arendskop -naar de hacienda om de bleekgezichten te ondersteunen; op het eiland, -op twee boogschot afstand van de groote hut, zijn gewapende Yoris -verscholen; deze zullen den Spotvogel vergezellen.” - -»Goed,” antwoordde de Arendskop; »het zal geschieden zooals mijn -broeder verlangt.” - -De beide opperhoofden namen afscheid en vertrokken. - -Goedsmoeds legde nu den graaf uit, welke schikkingen hij met den sachem -der Comanchen getroffen had. - -»Duivelsch!” riep de Lhorailles, »ik moet u bekennen dat ik in die -Indianen geen het minste vertrouwen stel. Zooals gij weet is verraad -hun geliefkoosd wapen.” - -»Gij kent de Comanchen nog niet, vooral kent gij den Arendskop niet. Ik -neem de verantwoordelijkheid van alles op mij.” - -»Handel dan naar uw goeddunken; ik ben u te veel verschuldigd om uwe -plannen tegen te werken, vooral daar ik weet dat gij mijn voordeel -zoekt.” - -Goedsmoeds ging den capataz zelf verwittigen van de verandering die in -het verdedigingsplan was gekomen. - -De Spotvogel en zijne honderd en vijftig krijgslieden, thans met de -veertig peons vereenigd, trokken dadelijk de rivier over en verscholen -zich in hinderlaag achter de wortelboomen op den anderen oever, gereed -om op het eerste signaal te voorschijn te komen. - -Een tiental Franschen met den Arendskop en den tweeden troep Indianen -werden ter verdediging bij de landengte gelaten, aan welke zijde men -het minste gevaar van aanval vreesde: al de overige kolonisten -verspreidden zich in de dichte boschjes achter de hacienda, met bevel -om tot het eerste uur onzichtbaar te blijven. Voorts, toen alles -geregeld en overal de noodige schikkingen genomen waren, wachtten de -graaf de Lhorailles en zijne kameraden met kloppende harten den storm -der Apachen af. - -Zij behoefden niet lang te wachten. Wij hebben hierboven reeds gezien -hoe de Zwarte-Beer zou ontvangen worden. - -Het Apachenhoofd was moedig als een leeuw: zijn volk bestond uit -uitgelezen strijders. De schok der bestorming was vreeselijk; de -Roodhuiden gaven geen duim breed kamp. - -Ofschoon krachtdadig afgeslagen keerden zij telkens tot den aanval -terug, en streden met den moed der vertwijfeling man tegen man tegen de -Franschen, die ondanks hunne dapperheid, krijgstucht en de meerdere -voortreffelijkheid hunner wapenen, niet in staat waren om hen te doen -wijken. - -De strijd ontaardde weldra in een vreeselijke slachting; men greep -elkander aan met blank geweer, met dolken, messen en sabels zonder kamp -of kwartier te geven. Goedsmoeds begreep nu dat het tijd werd om een -beslissenden slag te wagen, ten einde het met die duivels uit te maken, -die onoverwinnelijk en onkwetsbaar schenen. Hij wendde zich tot Louis, -die aan zijne zijde streed, en fluisterde hem eenige woorden in. - -De Franschman maakte zich van den bijzonderen vijand af, daar hij mede -vocht, en liep hard weg. - -Eenige minuten later hoorde men den ontzettenden oorlogskreet der -Comanchen en vielen laatstgenoemden, die als een bergstroom kwamen -aanrollen, met gedrilde lans en zwaaiende strijdbijl als tijgers op de -Apachen aan. - -In het eerste oogenblik meende de Zwarte-Beer dat zij hem ter hulp -kwamen, hij beschouwde dus de kolonie zoo goed als genomen en in de -macht zijner bondgenooten; maar weldra had hij zijne dwaling ingezien, -en nu werd de moed der Apachen dadelijk geknakt; er ontstond verwarring -in hunne gelederen; zij aarzelden en wankelden; eindelijk gaven zij den -storm op, keerden de hacienda den rug toe, wierpen zich in den stroom -en lieten meer dan twee derden der hunnen dood op het slagveld achter. - -De kolonisten vergenoegden zich met den vluchtelingen eenige ladingen -schroot achterna te zenden; wel overtuigd dat zij niet aan de -hinderlaag zouden ontsnappen die hen op den terugweg den pas moest -afsnijden. - -Werkelijk hoorde men binnen weinige minuten, in de verte het -kleingeweervuur der peons, vermengd met den oorlogskreet der Comanchen. - -In deze mislukte onderneming had de Zwarte-Beer in minder dan een uur -de bloem zijner vermaardste strijders verloren: het opperhoofd zelf, -met wonden overdekt en slechts van een tiental der zijnen vergezeld, -ontkwam te nauwernood aan de slachting. - -De overwinning der Franschen was volkomen. Dank zij dit glorierijk -wapenfeit, was de kolonie voor langen tijd tegen de aanvallen der -Roodhuiden beveiligd. - -Eerst nadat de strijd op alle punten geëindigd was en de daardoor -ontstane verwarring had opgehouden, miste men don Sylva en zijne -dochter, en zocht men hen overal te vergeefs; beiden waren spoorloos -verdwenen, zonder dat iemand vermoeden kon hoe of waarheen. Dit -geheimzinnig en onverklaarbaar feit bracht alle gemoederen in de -kolonie in beweging en deed de vreugde der overwinning in rouw -verkeeren, want eene enkele gedachte bezielde allen: - -»Don Sylva en zijne dochter zijn door den Zwarte-Beer opgelicht.” - -Toen de graaf de Lhorailles na het nauwkeurigst onderzoek zich -gedwongen zag te erkennen, dat de haciendero en zijne dochter inderdaad -verdwenen waren zonder het minste spoor achter te laten, ontstak hij -met al de drift van zijn onstuimig karakter in woede tegen de Apachen, -en zwoer met een duren eed, dat hij hen onmiddellijk zou nazetten en -ten bloedigste vervolgen, tot het meisje terug zou zijn gevonden, dat -hij reeds als zijne vrouw beschouwde en wier verlies met een enkelen -slag de schitterende toekomst vernietigde die hij zich gedroomd had. - - - - - - - - - -XVI. - -DE CASA GRANDE DE MONTECUZOMA. - - -In een verwijderd tijdperk, misschien duizend en meer jaren geleden, -toen de aloude Azteken, als door eene onzichtbare hand geleid, zonder -bijna zelf te weten waarheen, uit het verre noorden zuidwaarts trokken, -naar de hooge bergvlakte van Anahuac, waar zij later het machtige rijk -van Mexico hebben gesticht, hielden zij wel is waar dat onbekende zoo -vurig door hen begeerde land standvastig in ’t oog, maar vonden zij nu -en dan goed hunnen tocht te staken, alsof zij door vermoeienis en -ontberingen uitgeput op eens de hoop lieten varen het doel hunner reis -immer te zullen bereiken. - -Alsdan, in plaats van op de plek waar deze vermoeidheid hen overviel -eenvoudig hun kamp op te slaan, vestigden zij er zich als hadden zij -geen plan meer om verder te trekken en bouwden er vaak steden en -dorpen. - -Thans, na verloop van zoo vele eeuwen, terwijl het volk zelf dat deze -steden heeft gesticht reeds sedert lang van den aardbodem verdwenen is, -wekken hare bouwvallen, die over eene ruimte van meer dan duizend -mijlen verspreid liggen, nog altijd de bewondering van den vermetelen -reiziger die trots tallooze gevaren het waagt deze afgelegen streken te -bezoeken. - -Een der merkwaardigste van deze bouwvallen is ontegenzeggelijk die, -welke bekend onder den naam van de Casa Grande de Montecuzoma zich op -ongeveer twee kilometers afstand van de slijkerige oevers der Rio Gila -verheft, in eene woeste onherbergzame streek, aan de grens der -vreeselijke zandwoestijn, de zoogenaamde del Norta. - -De grond waarop dit gebouw werd gesticht, is aan alle zijden open en -vlak. - -De ruïnen der stad, die er om heen liggen, strekken zich zuidwaarts -meer dan vier kilometers ver uit, en in de overige richtingen is het -terrein allerwege met gebroken aardewerk van allerlei soort: vazen, -kannen, borden enz. als bezaaid; eene menigte dezer scherven zijn met -verschillende kleuren beschilderd, hetzij wit en blauw, of geel en -rood, hetgeen in ’t voorbijgaan gezegd, duidelijk bewijst niet alleen -dat die stad in zekere mate beschaafd was, maar tevens dat zij bewoond -werd door Indianen van gansch ander ras dan die welke thans in deze -streken rondzwerven, bij welke de kunst van pottenbakken geheel -onbekend is. - -De Casa Grande vormt een langwerpig vierkant, juist in de richting der -vier hoofdstreken van het kompas. - -Het geheel is omgeven door een muur, die niet alleen dit huis maar ook -andere gebouwen insluit, waarvan nog duidelijke sporen zijn -overgebleven, want achter het hoofdgebouw ligt eene ruïne van eene -verdieping hoog en in verscheidene kamers verdeeld. - -De Casa Grande is deels van aarde gebouwd en de muren zoo veel men zien -kan van pleisterklei, in blokken van verschillende grootte: zij schijnt -drie verdiepingen te hebben gehad boven den grond, maar de inwendige -betimmering is sedert lang verdwenen. - -De zalen, vijf in getal op elke verdieping, werden, althans naar de -overblijfsels te oordeelen, alleen verlicht door de deur en eenige -ronde gaten in de muren die op het oosten en westen uitzien. - -Door deze openingen keek, volgens de overlevering, de mensch Amer—el -hombre Amargo—zoo als de Indianen den souverein der Azteken noemen, -naar de zon uit, om haar des morgens en des avonds bij op- en ondergang -te begroeten. - -Een kanaal, dat thans bijna geheel droog ligt, stond in verband met de -rivier en diende om de stad van water te voorzien. - -De bouwvallen der Casa Grande liggen doorgaans eenzaam en verlaten en -bieden een tooneel van akelige doodstilte. Zij brokkelen langzamerhand -weg voor den gloed der tropische zon die ze verteert en verkoolt, en -strekken tot een ongestoord verblijf voor afschuwelijke roofvogels, -gieren en urubus. - -De Indiaan vermijdt met opzet deze sombere streek te bezoeken, -afgeschrikt door zekere bijgeloovige vrees, daar hij zich geen reden -van weet te geven. - -Maar wat hier ook van wezen mag, zooveel is zeker, dat een Indiaansch -krijgsman, Comanch, Sioux, Apache, of Pawnie, wanneer hij toevallig -hetzij op de jacht of door eenige andere aanleiding, in den nacht van -den vierden op den vijfden der zoogenaamde -Champasciasoni—kersenmaan—dat is ongeveer eene maand na de boven door -ons verhaalde gebeurtenissen, deze geheimzinnige ruïne genaderd ware, -hij ongetwijfeld door schrik overstelpt, zoo snel als zijn paard hem -dragen kon het vreemde schouwspel zou ontvloden hebben dat hij er in -dien nacht te zien kreeg. - -Verbeeldt u een helder blauwen, door de volle maan verlichten en met -sterren bezaaiden hemel, waartegen het aloude paleis der Azteken -koningen zijn reusachtige schaduw scherp afteekende. Uit al de gaten en -scheuren, hetzij door de hand des tijds of der menschen in zijne -vervallen muren ontstaan, straalt een gloed van roodachtig licht, -terwijl uit de spookachtig verlichte kamers het luidruchtig gezang, -geschreeuw en gelach onophoudelijk opgaat, zoodat de wilde dieren, door -het ongewone verschijnsel uit hunne holen opgeschrikt of op hunne -nachtelijke rooftochten gestoord, huilend en brullend in alle -richtingen de vlucht nemen. Binnen den ringmuur, tusschen de -bouwvallen, zag men in het bleeke maanlicht eene menigte donkere -gestalten van menschen en paarden zich bewegen, of rondom groote hier -en daar verspreide vuren gegroepeerd, terwijl een tiental welgewapende -ruiters, op lange lansen geleund, als bronzen standbeelden onbeweeglijk -voor de poorten van den ringmuur op post stonden. - -Was het inwendige der ruïne licht en leven, daar buiten was alles -stilte en duisternis. - -Intusschen verliep de nacht, de maan had haar loop reeds voor twee -derden volbracht, de niet langer aangehouden vuren gingen het een na -het andere uit; alleen in het oude huis bleef het licht branden als een -sombere vuurbaak in de duisternis. - -Op dit oogenblik hoorde men in de verte den snellen en regelmatigen -galop van een paard op de zandvlakte dof weergalmen. - -De schildwachts, die als vedetten aan den ingang stonden, hieven hunne -door slaap bezwaarde of door de koelheid der eerste morgenuren bevangen -hoofden op en wendden den blik naar dien kant waar het gedruisch -vandaan kwam. - -Weldra verscheen er een ruiter aan den hoek van het pad dat naar de -ruïne leidde. - -De onbekende, zonder zich om het vreemde schouwspel te bekommeren, reed -recht op het huis aan. - -Hij overschreed den buitensten kring der bouwvallen en ongeveer binnen -tien passen de schildwachts genaderd, bleef hij staan, steeg af, wierp -de teugels op den hals van zijn paard, en zonder er zich verder mede op -te houden stapte hij met een vasten tred naar de schildwachts, die -altijd stom en roerloos stonden. - -Nauwelijks echter was hij hen tot op twee sabellengten genaderd, of al -de lansen daalden tegelijk en vereenigden zich op zijne borst, terwijl -een ruwe stem riep: - -»Halt!” - -De onbekende bleef staan zonder te antwoorden. - -»Wie zijt gij? en wat wilt gij?” hervatte de schildwacht. - -»Ik ben een costeno [18]; ik heb een verre reis gemaakt om uw chef te -zien, dien ik gaarne zou willen spreken,” antwoordde de onbekende. - -In het flauwe en onzekere maanlicht was het den ruiter reeds moeielijk -de trekken van den spreker te onderscheiden, maar het werd hem geheel -onmogelijk gemaakt door dat deze zich tot over de ooren in zijn mantel -had gewikkeld. - -»Hoe is uw naam?” vroeg hij hem wrevelig, toen hij zag dat al zijne -pogingen vruchteloos bleven. - -»Waar zou dat toe dienen? Uw chef kent mij niet, mijn naam zou hem dus -weinig baten.” - -»Wie weet? maar dat is uwe zaak; bewaar uw incognito als gij dat -goedvindt; alleen moet gij u dan getroosten dat ik u niet bij den -kapitein toelaat; hij zit op dit oogenblik met zijne officieren aan het -souper en zal zich dus zoo diep in den nacht niet laten storen om een -onbekende te spreken.” - -»Wie weet? zeg ik u op mijne beurt,” hernam de andere gevat; »hoor -eens, gij zijt een oud soldaat, niet waar?” - -»Ik ben het nog,” antwoordde de kavalerist, zich fier in den zadel -zettende. - -»Ofschoon gij zeer goed Spaansch spreekt, meen ik toch een Franschman -te herkennen.” - -»Ik heb de eer het te zijn.” - -De onbekende lachte in zijn vuist. Hij gevoelde zijn man beet te -hebben, daar hij zijne zwakke zijde gevonden had. - -»Ik ben alleen,” hervatte hij; »gij zijt ik weet niet met hoevele -kameraden, laat mij den kapitein spreken; waar zoudt gij voor vreezen?” - -»Voor niets; maar mijne orders zijn stellig, ik kan ze niet breken.” - -»Wij zijn hier in het hartje van de wildernis, meer dan honderd mijlen -ver van iedere beschaafde woning,” zei de onbekende volhoudend; »gij -kunt wel begrijpen dat ik ernstige drangredenen gehad heb om de gevaren -van zulk een verren tocht te trotseeren, voor een onderhoud van weinige -oogenblikken met den graaf de Lhorailles. Zoudt gij mij nu in het -gezicht der haven laten schipbreuk lijden, nu er slechts een weinig -beleefdheid van uwen kant noodig is om mij het beoogde doel te doen -bereiken?” - -De schildwacht aarzelde: de redenen door den onbekende aangevoerd -hadden hem reeds half overtuigd, maar na eenige seconden beraad -antwoordde hij hoofdschuddend: - -»Neen, ’t kan onmogelijk; de kapitein is zoo streng: ik zou niet gaarne -mijne wachtmeestersstrepen verbeuren; al wat ik voor u kan doen, is u -verlof geven, hier met de kameraden onder den blauwen hemel te -kampeeren tot morgen. Zoodra de dag aanbreekt, komt de kapitein zelf -naar buiten, dien kunt gij dan zelf spreken en uw eigen zaken met hem -regelen, dan gaat het mij niet meer aan.” - -»Hm!” zei de vreemdeling, »dat is nog zoo lang.” - -»Bah!” riep de wachtmeester onbekommerd, »de nacht is spoedig voorbij; -daarbij is het uw eigen schuld; gij hebt zulke geheimzinnige manieren, -dat men wel een beetje huiverig zou worden; wat duivel! men dient toch -zijn naam te zeggen.” - -»Maar ik herhaal u, dat uw kapitein hem nooit heeft hooren noemen.” - -»Bah! wat kan u dat schelen? Een naam is altijd een naam.” - -»Wacht!” riep de onbekende; »ik geloof dat ik er een middel op gevonden -heb.” - -»Laat hooren uw middel; als het goed is zal ik er gebruik van maken.” - -»’t Is uitmuntend,” - -»Zooveel te beter! spreek op.” - -»Zeg aan uw kapitein, dat de man die een maand geleden in de Rancho te -Guaymas een pistool op hem gelost heeft, hier is en hem verlangt te -spreken.” - -»Wat zegt gij?” - -»Hebt gij mij niet verstaan?” - -»Integendeel, al te goed.” - -»Welnu, waar wacht gij dan op?” - -»Te duivel! onder ons gezegd, vind ik uwe aanbeveling alles behalve -voldoende.” - -»Zoudt gij dat denken?” - -»Parbleu! het scheelde maar weinig of hij was toen door u vermoord. Ei, -ei! waart gij dat?” - -»Ja, ik, en nog iemand.” - -»Ik maak u mijn kompliment, waarlijk.” - -»Dank u; nu, gaat gij nog al niet?” - -»Ik moet u bekennen dat ik aarzel.” - -»Gij doet verkeerd; de graaf de Lhorailles is een kordaat man, aan -wiens gevoel van eer niet te twijfelen valt. Hij kan onze ontmoeting -niet anders dan in gunstig aandenken hebben gehouden.” - -»Alles wel overwogen is het mogelijk dat gij gelijk hebt, en daar gij -een vreemdeling zijt, zou ik het mij zelven kwalijk nemen als ik u zulk -een kleinen dienst weigerde; ik ga dus. Blijf hier staan wachten, maar -wees niet ongeduldig, want ik beloof u niet stellig dat ik slagen zal.” - -»Ik ben er zeker van.” - -»Ik mag het lijden.” - -De oude knevelbaard steeg af, haalde de schouders op en stapte het huis -in. - -Hij bleef vrij lang weg. - -De vreemdeling scheen aan het gelukken van zijne boodschap niet te -twijfelen, want zoodra de wachtmeester verdwenen was, naderde hij de -deur reeds. - -Na verloop van tien minuten kwam de onderofficier terug. - -»Wel,” vroeg de onbekende, »wat heeft de kapitein u geantwoord?” - -»Hij heeft gelachen en mij gelast u binnen te leiden.” - -»Ziet gij nu wel dat ik gelijk had.” - -»’t Is waar! maar dat doet er niet toe, het was altijd een wonderlijk -soort van aanbeveling, eene poging tot moord!” - -»Een eerlijke ontmoeting,” verbeterde de onbekende. - -»Ik weet niet hoe gij die dingen hier noemt, maar in Frankrijk noemen -wij zoo iets een schelmstuk. Wilt gij medegaan?” - -De vreemdeling antwoordde niet, hij bepaalde zich bij schouder ophalen -en volgde den eerlijken soldaat. - -In een verbazend ruime zaal, welker ontkalkte muren in puin dreigden te -storten terwijl het blauwe sterrendak haar tot zoldering diende, zaten -vier mannen met krachtige gelaatstrekken en fonkelende blikken, rondom -eene tafel, waarop een luisterrijk souper was aangericht, voorzien van -alles wat weelde en gemak tot streeling der zinnen kan opleveren. - -Deze vier mannen waren de graaf de Lhorailles en de officieren van zijn -staf, namelijk de luitenants Diego Leon, Martin Leroux, en de oude -capataz van don Sylva de Torres, Blas Vasquez. - -De graaf de Lhorailles kampeerde met zijne vrijcompagnie sinds vijf -dagen in de Casa Grande van Montecuzoma. - -Na den aanval der Apachen op de kolonie had de graaf, in de hoop van -zijne bruid terug te vinden, die op zoo geheimzinnige wijze gedurende -het gevecht verdwenen en waarschijnlijk door de Indianen was opgelicht, -onmiddellijk besloten om den last te volbrengen dien hij sedert lang -van de regeering ontvangen en tot hiertoe had uitgesteld, onder min of -meer geldige voorwendsels, maar eigenlijk omdat hij zich, hoe dapper -hij anders wezen mocht, ongaarne met de Roodhuiden wilde meten, die zoo -geducht en zoo moeielijk te overwinnen zijn, vooral als men ze op hun -eigen grondgebied aantast. - -De graaf had twee honderd twintig Franschen uit de kolonie vereenigd, -waarbij de capataz, die almede brandde van verlangen om zijn meester en -diens dochter te bevrijden, dertig kloeke peons voegde, zoodat de -getalsterkte thans twee honderdvijftig welgewapende en strijdlustige -mannen bedroeg. - -Met het oog op de onberekenbare diensten vroeger door hen bewezen, had -de graaf de drie jagers verzocht hem te willen vergezellen; en het zou -hem zeer aangenaam zijn geweest zulke onverschrokken kameraden, maar -vooral zulke veilige gidsen tot opsporing der Indianen in de hem -onbekende wildernis bij zich te hebben; maar don Louis en zijne twee -vrienden hadden dit vereerend verzoek zoowel als de daarbij toegezegde -schitterende belooningen stellig van de hand gewezen, zonder andere -redenen voor hunne weigering op te geven dan dat zij hunne reis -noodzakelijk moesten vervolgen, zoodat er niet verder van gesproken -werd en zij nog denzelfden dag van den graaf afscheid namen. - -Diensvolgens moest de graaf zich met den capataz en zijne peons -vergenoegen; ongelukkigerwijs waren al deze mannen costenos, dat is -kustbewoners, en dus weinig of in ’t geheel niet bekend met het -zoogenoemde terra a dentro of binnenland. - -Onder geleide dezer onervaren gidsen was de graaf uit Guetzalli -vertrokken den weg inslaande naar het onmetelijk Apacheria. - -De onderneming was aanvankelijk niet ongelukkig geweest; binnen de drie -eerste dagen werden de Apachen tweemaal door de Franschen achterhaald, -overrompeld en geslagen en zonder genade zooveel zij onder hun bereik -kwamen in de pan gehakt. - -De graaf had daarbij geen gevangenen willen maken, en om den barbaren -schrik in te boezemen, al de Indianen die levend in handen der -Franschen vielen, onbarmhartig laten doodschieten of aan boomen -ophangen. - -Evenwel, na deze twee voor hen zoo noodlottige ontmoetingen hadden de -Indianen er zoo ’t scheen den schrik van gekregen, en was het den -Franschen ondanks al hunne pogingen niet gelukt hen andermaal tot staan -te brengen. De onverbiddelijke tucht door den graaf op hen toegepast -scheen niet alleen doel te hebben getroffen, maar zelfs verder te zijn -gegaan dan hij wenschte, daar de Apachen zich niet meer lieten zien. - -Ongeveer drie weken lang had de graaf hun spoor gezocht zonder het te -kunnen ontdekken. - -Eindelijk echter, midden op den dag vóór dien waarmede, dit hoofdstuk -begint, vertoonde zich in de verte op eens een troep van zeven of acht -honderd paarden, schijnbaar geheel los en onbereden, want volgens een -niet ongewone Indiaansche list lieten de ruiters zich bijna geheel -onzichtbaar aan de eene zijde van hun paard afhangen; de troep naderde -snel, bereikte binnen weinige minuten de bouwvallen der stad en kwam in -vliegenden galop op de Casa Grande af. - -Eene losbranding uit klein geweer van achter de in der haast opgeworpen -barrikaden, bracht wel is waar wanorde in de gelederen der aanstormende -kolonne, maar kon haar onbeteugelde vaart niet stuiten, zoodat de schok -voor de Franschen vreeselijk zou zijn. - -In een oogwenk had zich daarbij het aanzien der gansche bende -veranderd. Al de Apachen hadden zich met bliksemsnelheid opgericht, en -nu zag men hen, het half naakte lijf met blauwe en gele strepen -beschilderd, het hoofd met de groote vederbossen bekroond, de lange -bisonsmantels van hun schouder golvend op den wind, de gespannen boog -in de hand, en hunne paarden met de knieën besturende, komen aanrennen, -inderdaad in eene houding vol heldenzwier en met een vertoon van -krijgshaftigheid die wel in staat was om den dapperste te doen -vervaren. - -De Franschen wachtten hen echter onverschrokken af, al werden zij -schier doof door den vreeselijken oorlogskreet, dien hunne vijanden -aanhieven en blind door een wolk van pijlen, die dicht als hagel rondom -hen nederkletterden. - -Maar de Apachen verlangden evenmin als de Franschen eene bloote -schermutseling, het was hun om een beslissenden strijd te doen. Als bij -onderlinge afspraak vielen zij op elkander aan met blank geweer. - -Te midden dier Indiaansche krijgers was de Zwarte-Beer gemakkelijk te -onderkennen aan zijne hooge vederbos en de prachtige arendspennen die -er uit opstaken. Het opperhoofd vuurde de zijnen aan om over de jongst -geleden nederlagen wraak te nemen door zich van de Casa Grande meester -te maken. Alsnu volgde er een van die vreeselijke Amerikaansche -grensgevechten, in welke met zooveel verbittering gestreden wordt dat -niemand gevangenen maakt of kwartier geeft, en de beide partijen -wreedheden begaan die alle beschrijving tarten. De bolas perdidas [19], -de bajonet en de lans waren de eenigste wapenen die men bezigde. Dit -gevecht, daar de Indianen gedurig versterking kregen, had reeds bijna -twee uren geduurd en de verdedigers achter de barrikaden lieten zich -liever dooden dan een duimbreed te wijken. - -In de hoop dat de Indianen door zulk een langen en hardnekkigen -wederstand vermoeid, weldra zouden aftrekken, daar zij reeds schenen te -verslappen, verdubbelden de Franschen hunne pogingen, toen zij achter -zich op eens den kreet hoorden opgaan: - -»Verraad! verraad!” - -De graaf en de capataz, die in de voorste gelederen der vrijwilligers -en peons vochten als leeuwen, keken om. - -Hun toestand werd inderdaad hachelijk, de Franschen zagen zich -letterlijk tusschen twee vuren gebracht, daar de Kleine-Panter met een -vijftigtal ruiters de stelling was omgetrokken en achter de barrikaden -naar binnen drong. Dronken van vreugde dat alles hun zoo goed gelukte, -hieven de Roodhuiden een triumfkreet aan die de lucht deed weergalmen. - -De graaf liet den blik beslissend over het slagveld rondgaan, zijn plan -was onmiddellijk vastgesteld. - -Hij sprak eenige woorden met den capataz, die zich weder aan het hoofd -der strijders stelde, hun voorschreef wat zij te doen hadden en het -gunstig oogenblik afwachtte om ten uitvoer te brengen wat hij met den -graaf had afgesproken. - -Deze liet intusschen zijn tijd niet ongebruikt voorbijgaan, hij nam een -vaatje kruid, stak er een brandende lont in en wierp het midden in den -dichtsten drom der Indianen, waar het bijna oogenblikkelijk ontplofte -en eene vreeselijke verwoesting aanrichtte. - -De Apachen stoven uit elkander en vloden in alle richtingen om door -deze nieuwe soort van bommen niet verder verpletterd te worden. - -Van dit gunstig oogenblik maakten de belegerden behendig gebruik; op -order van den capataz keerden zij zich om en rukten in den stormpas op -de Apachen van den Kleine-Panter los, die slechts weinige ellen van hen -verwijderd waren, en met hunne vreeselijke knodsen alles neerbeukten -wat hun in den weg kwam. - -Het terrein was niet gunstig voor de Indianen, die in een nauw slop -tusschen muren samengedrongen, met hunne paarden niet geschikt konden -manoeuvreeren; maar toch, de Kleine-Panter en zijne Apachen stormden -voorwaarts met een huilenden oorlogskreet. - -De Franschen, even behendig en dapper als hunne tegenstanders maakten -halt en wachtten met gevelde bajonet onversaagd den verpletterenden -ruiterdrom af die in vliegenden galop op hen aankwam. - -De schok was vreeselijk, maar de Roodhuiden werden overhoop geworpen. -Weldra geraakten zij geheel in verwarring, en namen zij in alle -richtingen de vlucht. - -De graaf liet hen door eenige peons te paard nazetten, die hen dicht op -de hielen vervolgden en niet voor den avond terugkeerden. - -De Apachen hadden zich eerst eenige mijlen verder weder kunnen -vereenigen en waren toen rustig naar de woestijn afgetrokken. - -De graaf ofschoon wel voldaan over de behaalde overwinning, want het -verlies des vijands was ontzettend groot, beschouwde haar echter niet -als beslissend, vooral daar de Zwarte-Beer hem ontsnapt was, en wat -meer zegt, daar hij zijn doel niet had bereikt, namelijk het -terugvinden van don Sylva en zijne dochter, die hij gezworen had te -zullen redden. - -Hij gaf zijne cuadrilla (bende) order zich gereed te houden om op te -breken, en liet de noodige maatregelen nemen tot het verzekeren van -zijn aanstaanden tocht door de wildernis. - -Reeds den volgenden morgen zouden de Franschen bepaald hunne stelling -in de Casa Grande verlaten. - -De graaf vierde met zijne officieren de luisterrijke overwinning van -den vorigen dag, en stelde juist een dronk in op het welslagen der -onderneming op den volgenden. - -Opgewonden door de menigte toasten die hij gedronken had en -inzonderheid door de hoop op een goeden uitslag eerlang te voorzien, -was de graaf in de allerbeste luim om den zonderlingen gast te -ontvangen, dien de oude onderofficier op zijn eigen verantwoording -gewaagd had bij hem aan te dienen. - -»En wat is dat voor een slag van een man?” vroeg hij, toen de andere -zijn boodschap zoo goed of kwaad mogelijk had voorgedragen. - -»In ernst, kapitein,” antwoordde de wachtmeester, »zoo veel ik heb -kunnen zien, schijnt de kerel nog tamelijk jong, welgemaakt van lijf en -leden en vooral begaafd met eene zeldzame vrijpostigheid, om er niets -meer van te zeggen.” - -De graaf de Lhorailles dacht een oogenblik na. - -»Zal ik hem maar laten doodschieten, kapitein,” vroeg de soldaat, die -dit stilzwijgen voor eene veroordeeling aanzag. - -»Peste! wat slaat gij door, Boilaud,” riep de graaf terwijl hij lachend -opkeek. »Volstrekt niet, wij mogen van geluk spreken dat die kerel bij -ons kwam. Breng hem integendeel hier, en met de meest mogelijke -beleefdheid.” - -De wachtmeester boog en verwijderde zich. - -»Mijne heeren,” zei de graaf, »gij herinnert u zeker die aanranding wel -te Guaymas, daar ik bijna het slachtoffer van werd; die geheimzinnige -zaak is mij altijd een raadsel geweest, dat ik niet heb kunnen -ontsluieren. De man die mij thans verlangt te spreken komt mij zeker, -dat voel ik vooruit, eenige ophelderingen geven over dat tot hiertoe -zoo onverklaarbaar feit.” - -»Señor conde, neem u in acht,” zeide de capataz, »gij kent de lieden in -dit land nog niet; die man komt misschien veeleer om u een nieuwen -strik te spannen.” - -»Waarom zou hij dat?” - -»Quien sabe!”—wie weet,—antwoordde Blas Vasquez met eene gewone -Spaansche spreekwijs, die alles beteekenen kan en zich onmogelijk in -onze taal laat weêrgeven. - -»Ba, ba!” riep de graaf, »laat het gerust aan mij over dien spitsboef -te ontmaskeren, als hij, wat ik niet denk, soms een spion is.” - -De capataz vergenoegde zich met even de schouders op te halen; de graaf -was een van die menschen, wier stellige en hooggestemde manier van -spreken geen tegenwerping duldt en alle redeneering onmogelijk maakt. - -De Europeanen en vooral de Franschen, nemen in Amerika tegenover de -inboorlingen, zoo blanken als mestiezen en Roodhuiden, een toon van -hooghartigheid en minachting aan die in al hunne daden en woorden -doorstraalt; bewust van hunne verstandelijke meerderheid boven de -inwoners des lands, toonen zij hun een beleedigend soort van medelijden -en scheppen behagen om hen gedurig belachelijk te maken, te spotten met -hunne gewoonten of denkwijzen, en hun ten slotte slechts een min of -meer ontwikkeld instinct toe te kennen dan de dieren bezitten. - -Dit gevoelen is niet alleen onbillijk, maar tevens geheel bezijden de -waarheid. De Spaansch-Amerikanen zijn wel is waar zeer achterlijk wat -wetenschappelijke beschaving, nijverheid, werktuigkunde enz. betreft; -de ontwikkeling der maatschappij gaat bij hen traag vooruit, daar zij -gedurig belemmerd wordt door het veelsoortig bijgeloof dat nevens en -met hun geloof opschiet, maar men kan deze lieden niet aansprakelijk -stellen voor een staat van zaken die hun zelven mishaagt en waarvan -alleen de Spanjaarden de schuld zijn, door het heillooze stelsel van -onderdrukking en vernedering, in één woord de looden dwingelandij, die -meer dan drie eeuwen op de bevolking heeft gewogen en haar zwoegende -onder het juk van trotsche en onverbiddelijke meesters, het karakter -van listige, bedriegelijke en lafhartige slaven heeft ingedrukt. - -Op enkele zeldzame en loffelijke uitzonderingen na betreft dit -inzonderheid de Indianen, want de blanken zijn sedert de laatste jaren -op den weg der beschaving met reuzenschreden vooruitgegaan, maar de -massa der Indiaansche bevolking, is bepaald listig, oneerlijk en -slecht. - -Om die reden wordt dan ook de Europeaan wanneer hij zich tegenover een -kleurling bevindt, ondanks de verstandelijke meerderheid waarmede hij -zich vleit, steeds onvermijdelijk het slachtoffer der list en ontrouw -van laatstgenoemden. - -Intusschen geldt het in Spaansch-Amerika schier als een geloofsartikel, -dat de Indianen en mestiezen arme stumpers zijn, zonder redelijk begrip -en alleen begaafd met het noodige verstand om van den eenen dag op den -anderen te leven, terwijl de hoogmoedige blanken zich bij uitsluiting -den titel geven van gente de razon—redelijke menschen. - -Wij moeten hier bijvoegen dat deze hooge dunk bij den Europeaan, na -eenige jaren in Amerika te hebben vertoefd merkelijk wordt gewijzigd en -dat hij eindelijk geheel anders over de kleurlingen leert denken, -naarmate hij beter met den landaard bekend wordt en dagelijks met de -mestiezen in aanraking komt. Maar de graaf de Lhorailles was nog zoo -ver niet; hij zag in een Indiaan of mesties nog altoos weinig meer dan -een redeloos dier, en ging met hen naar dit valsche oogpunt te werk. - -Deze dwaling zou later voor hem zeer ernstige en schadelijke gevolgen -hebben, gelijk wij nader zien zullen. - -De graaf de Lhorailles had het schouderophalen van den capataz niet -onopgemerkt gelaten; en was juist gereed hem te antwoorden toen de -wachtmeester binnenkwam, gevolgd door den vreemdeling, op wien zich -terstond aller oogen vestigden. - -De onbekende stond dit kruisvuur van blikken ongehinderd door, en -zonder zich van den mantel te ontdoen in welks ruime plooien hij bijna -geheel verborgen was, groette hij de aanwezigen met onbetaalbare -koelzinnigheid en zwier. - -De onverwachte komst van dezen man in de feestzaal maakte bij de gasten -een alleronaangenaamsten indruk, daar zij zich geen rekenschap van -wisten te geven maar die hen plotseling deed verstommen. - - - - - - - - - -XVII. - -DE MESTIES. - - -Het stilzwijgen, dat al te lang dreigde te zullen duren, begon voor al -de aanwezigen lastig te worden. De graaf de Lhorailles begreep zulks. -Edelman door merg en been, dat wil zeggen, gewoon om de meest -bijzondere en moeielijkste toestanden dadelijk te beheerschen, stond -hij op, naderde met een glimlach op de lippen den vreemdeling, reikte -hem de hand, en zich toen tot zijne officieren wendende, zeide hij met -een allerhoffelijkste buiging en op een toon die zich onmogelijk laat -beschrijven: - -»Mijne heeren, mag ik zoo vrij zijn u dezen caballero voor te stellen, -wiens naam mij tot dusver onbekend is, maar die volgens zijne eigene -verklaring een mijner intiemste vijanden moet zijn.” - -»O! mijnheer de graaf,” riep de onbekende met eene half gesmoorde stem. - -»Vive Dios! ik ben er van gecharmeerd,” riep de graaf, »zoek u toch -niet te verdedigen, mijn allerwaardste vijand, en neem hier nevens mij -plaats, als ik u verzoeken mag.” - -»Uw vijand,” herhaalde de vreemdeling, »die ben ik nooit geweest, -mijnheer de graaf; en het beste bewijs is, dat ik twee honderd mijlen -ver heb gereisd om u een dienst te komen verzoeken.” - -»Zij is u bij voorraad toegestaan,” zei de graaf. »Dus de ernstige -zaken tot morgen; neem vooreerst deze champagne, als ’t u b’lieft.” - -De onbekende boog, nam het glas, groette de aanwezigen en zei: - -»Señores, ik drink het welslagen uwer onderneming.” - -Hij zette het glas aan zijne lippen en ledigde het in een enkelen teug. - -»Gij zijt een uitmuntende kameraad, caballero, ik dank u voor uw toast, -zij belooft ons alles goeds.” - -»Wees toch zoo goed, heer kapitein,” riep de luitenant, »en breng ons -hoe eerder hoe liever op de hoogte van uwe charmante betrekkingen met -dezen caballero.” - -»Dat zou ik volgaarne doen, señores, maar dan moet ik dezen caballero, -daar hij toch zoo dringend heeft verlangd mij te spreken, vooraf -verzoeken zijn incognito te breken, dat, dunkt mij, reeds al te lang -geduurd heeft, en hem in de gelegenheid stellen ons zijn naam te -zeggen, opdat wij weten wien wij de eer hebben te ontvangen.” - -De onbekende begon te lachen, liet de slip van zijn mantel vallen, die -tot hiertoe zijn gelaat bedekt had, en antwoordde: - -»Met alle genoegen, caballeros, maar ik geloof dat mijn naam evenmin -als mijn gelaat u iets leeren zal. Wij hebben elkaar slechts eenmaal -ontmoet, señor conde, en toen was het donkere nacht, en het gesprek -tusschen u en mijn kameraad zoo levendig dat mijne trekken, zoo gij ze -al hebt kunnen zien, u niet diep in het geheugen zullen zijn geprent.” - -»Inderdaad, señor,” hernam de graaf, die hem intusschen even -nieuwsgierig als nauwlettend had opgenomen, »ik moet bekennen dat ik -mij niet kan herinneren u reeds vroeger gezien te hebben.” - -»Dat wist ik wel.” - -»En waarom,” riep de graaf met drift, »waarom hebt gij dan uw -aangezicht zoo zorgvuldig zoeken te verbergen?” - -»Ja! mijnheer de graaf, daarvoor had ik misschien mijne goede redenen; -wie weet of het u niet te eeniger tijd berouwen zal mij een incognito -te hebben doen breken, dat ik waarschijnlijk uit belangstelling in u, -liever had willen bewaren.” - -Deze ingewikkelde verklaring werd op een gemengden toon van sarcasme en -bedreiging uitgesproken, dien niemand ontgaan kon, ondanks de -schijnbare onverschilligheid van den onbekende. - -»Het maakt weinig uit, señor,” zei de graaf hooghartig, »ik ben een van -die menschen, die hun woord met den degen durven gestand doen; zeg mij -dus zonder verdere omwegen en uitvluchten uw naam.” - -»Welken naam wilt gij van mij weten, caballero? mijn naam als -krijgsman, mijn naam als avonturier, mijn naam als.....?” - -»Noem dien gij wilt!” riep de graaf ongeduldig, »als wij maar een naam -van u mogen hooren.” - -De onbekende stond op en wierp een trotschen blik in het rond. - -»Toen ik deze zaal binnentrad, caballero,” begon hij met een ferme -stem, »heb ik u gezegd dat ik twee honderd uren ver had gereisd om u -een dienst of eene gunst te verzoeken, maar ik heb u bedrogen; ik -verwacht niets van u, noch dienst noch gunst, integendeel ben ik het -die u een dienst wil bewijzen, daarvoor kwam ik hier, en nergens anders -om. Waartoe zou het dan dienen dat gij weet wie ik ben, of hoe ik heet, -daar ik aan u geene verplichting zal hebben maar gij integendeel aan -mij?” - -»Zooveel te meer reden, caballero, om u het masker af te lichten; ik -wil uwe hoedanigheid als gast, die gij u hier eigendunkelijk aanmatigt, -wel in zoover ontzien dat ik u niet met geweld zal dwingen tot hetgeen -ik van u verlang, maar onthoud dit: dat ik vast besloten heb u niet aan -te hooren en u verzoeken zal onmiddellijk heen te gaan, zoo gij nog -langer weigert aan mijne billijke vordering te voldoen, en uw naam te -zeggen.” - -»Gij zult er berouw van hebben, señor conde,” hervatte de vreemdeling -met een spottenden grijns. »Een enkel woord nog; ik ben bereid om mij -zelven bekend te maken; maar aan u afzonderlijk, daar hetgeen ik u te -zeggen heb door niemand gehoord mag worden dan door u.” - -»Wel duivelsch!” riep de luitenant Martin, »dat is bijna niet om te -gelooven, zulk volhouden heb ik nog nooit bijgewoond.” - -»Ik weet niet of ik mij bedrieg,” beweerde de capataz slim, »maar ik -ben zeker dat ik de ontdekking van het gewichtige geheim van dezen -caballero grootelijks in den weg sta, en als hij voor iemand hier -vreest, dan is het voor mij.” - -»Juist geraden, señor don Blas,” hervatte de vreemdeling met eene -buiging; »zoo als gij ziet ken ik u. Overigens kent gij mij ook zeer -goed, al is het op dit oogenblik, gelukkig voor mij, niet van aanzien, -maar bij naam en faam. Welnu, te recht of ten onrechte ben ik -overtuigd, dat als ik mijn naam in uwe tegenwoordigheid noemde, gij uw -vriend zoudt zoeken over te halen mij niet aan te hooren.” - -»En wat zou er dan gebeuren?” vroeg de capataz hem in de rede vallende. - -»Een groot ongeluk waarschijnlijk” zei de vreemdeling met eene ferme -stem; »wat gij er ook van zeggen of denken moogt, ik ga rond met u te -werk, dat ziet gij. Ik wensch den heer graaf niet langer dan tien -minuten alleen te spreken; daarna kan hij met het geheim dat ik hem -mededeel en met het nieuws dat ik hem breng, doen wat hij goedvindt.” - -Er volgde een poosje stilte. - -De graaf de Lhorailles bespiedde met scherpzinnigen blik het -onverstoorbaar gelaat van den onbekende en stond een poos in beraad. - -Eindelijk scheen de onbekende ongeduldig te worden; hij stond op, boog -voor den graaf en vroeg: - -»Wat moet ik doen, señor, blijven of vertrekken?” - -De graaf wierp hem een doorborenden blik toe, dien de ander zonder de -minste verlegenheid doorstond. - -»Blijf,” zei de graaf. - -»Goed,” hernam de onbekende en zette zich weder op zijne butacca. - -»Mijne heeren,” vervolgde de Lhorailles tegen zijne gasten, »gij hebt -het gehoord; ik neem de vrijheid u eenige minuten belet te geven.” - -De officieren stonden op en verwijderden zich zonder een woord te -spreken. De capataz ging daarbij het laatste de zaal uit, na den -onbekende een van die blikken te hebben toegeworpen, waarmede men -iemands hart tot in de diepste plooien zoekt te bespieden. Maar even -als vroeger bij den blik van den graaf, bleef het gelaat van den -vreemdeling koud en onbewogen. - -»Welaan, señor,” hervatte de graaf de Lhorailles tegen zijn gast zoodra -de deur gesloten was, »nu zijn wij alleen en wacht ik de vervulling -uwer belofte.” - -»Ik ben gereed u te voldoen.” - -»Wie zijt gij dan en hoe heet gij?” - -»Met uw verlof, monseñor,” antwoordde de vreemdeling op een toon van -luchtige scherts, »als wij zoo voortgaan zullen wij veel tijd verliezen -en zult gij ten slotte niets of althans zeer weinig van mij vernemen.” - -De graaf onderdrukte met moeite zijn opkomend ongeduld. - -»Vervolg dan maar zoo als gij zelf goedvindt,” zeide hij. - -»Goed, op die wijs zullen wij elkander spoedig verstaan.” - -»Ik luister al.” - -»Hoor dan, señor. Gij zijt in dit land vreemd; nauwelijks een paar jaar -in Mexico kent gij weinig of niets van het karakter, de zeden of -gebruiken der inwoners. Sterk door de meerdere kennis, die gij in uw -eigen vaderland hebt opgedaan, dacht gij bij uwe komst in het onze dat -hier alles naar uwe wenschen en begrippen moest geschieden, omdat zoo -gij meent uw verstand het onze ver overtreft; volgens dit beginsel zijt -gij te werk gegaan.” - -»Ter zake, señor, ter zake,” viel de graaf hem met ongeduld in de rede. - -»Zachtjes aan, señor, ik vervolg. Voortgeholpen door veelvermogende -beschermers werdt gij reeds dadelijk in een allervoordeeligsten -toestand geplaatst. Gij hebt een heerlijke kolonie gesticht in de -rijkste provincie van Mexico aan de grenzen der woestijn; daarop hebt -gij van de regeering den rang van kapitein gekregen, met het recht om -eene vrij-kompagnie op te richten, samengesteld uit uwe eigene -landgenooten en bijzonder bestemd om jacht te maken op de Apachen, -Comanchen enz.; dat laat zich begrijpen, wij Mexicanen zijn daartoe -veel te lafhartig.” - -»Señor, señor, ik moet u onder het oog brengen dat al wat gij mij daar -zegt minstens overbodig is,” riep de graaf gebelgd. - -»Niet zoo overbodig als gij wel denkt;” hernam de andere altoos -onverstoord; »maar houd u bedaard, ik heb gedaan, en ik kom eindelijk -op het punt dat u bijzonder aanbelangt; ik heb u alleen willen doen -zien dat, al kent gij mij niet, ik u daarentegen veel beter ken dan gij -wel dacht.” - -Om niet in drift uit te breken sloeg de graaf met de vuist op de tafel -en wiegelde onrustig met het rechter been over het linker. - -»Ik hervat,” vervolgde de onbekende. »Toen gij in Mexico aanlanddet -hebt gij zeker hoe groot uwe eerzucht ook was, niet kunnen denken dat -gij binnen zoo korten tijd zulk eene schitterende positie zoudt -verwerven. Gemakkelijk verkregen fortuin is gevaarlijk; het te veel van -gisteren is niet genoeg voor heden, en zoodra gij gezien hadt dat alles -u zoo vlotte, hebt gij met een enkelen meesterlijken zet uw werk willen -bekroonen en u voor altijd in veiligheid willen stellen tegen de nukken -der fortuin, die heden uwe slavin is, maar morgen u wellicht den rug -toekeert. Ik misprijs u niet, verre van daar, gij hebt meesterlijk -gespeeld en daar ik zelf een trage speler ben, weet ik in anderen een -talent te waardeeren dat ik zelf niet bezit.” - -»O!” riep de graaf bijna opvliegend. - -»Geduld! nu ben ik er; toen hebt gij rondgezien en rustten uwe oogen -natuurlijk op don Sylva de Torres. Die caballero was nu genegen en -bezat al de hoedanigheden die gij in een schoonvader zocht, want uw -eerste wensch was het sluiten van een rijk huwelijk. Wat dunkt u! valt -gij mij nu nog wel in de rede? ik geloof dat uw eigen historie, die ik -u vertel, u thans belang begint in te boezemen. Don Sylva is goed, is -lichtgeloovig; wat meer zegt, is ontzaglijk rijk, zelfs voor dit land, -waar de fortuinen zoo onmetelijk zijn; bovendien is zijne dochter doña -Anita zeer schoon; kortom, gij hebt u bij don Sylva als vriend laten -voorstellen, gij hebt hem om de hand zijner dochter gevraagd, en hij -heeft u die toegestaan; het huwelijk had zelfs reeds eene maand geleden -moeten gesloten zijn. Verdubbel thans uwe aandacht, caballero, want ik -kom aan het belangrijkste gedeelte van mijn verhaal.” - -»Ga voort, señor, gij ziet wel dat ik voor uw verslag het noodige -geduld overheb.” - -»Deze beleefdheid zal niet onbeloond blijven, caballero, stel u -gerust,” riep de onbekende met een nauwelijks merkbaren zweem van -spotternij. - -»Ik heb haast om het slot te vernemen, señor.” - -»Hier is het: ongelukkig voor uwe plannen, was doña Anita door haar -vader op de keus van haar aanstaanden echtgenoot niet gehoord; sinds -lang reeds beminde zij in ’t geheim een jongman die haar bij eene -zekere gelegenheid een grooten dienst had bewezen.” - -»De naam van dien jongman is u zeer zeker bekend, niet waar?” - -»Ja, señor.” - -»Zeg hem mij.” - -»Nog niet; die man beminde haar wederkeerig. De beide jongelieden -ontmoetten elkander buiten weten van don Sylva en zwoeren elkaar eene -eeuwige liefde. Toen doña Anita door haars vaders bevel gedwongen werd -u als haar verloofde te beschouwen, veinsde zij te gehoorzamen, daar -zij haar vader geen openlijken weêrstand durfde bieden; doch zij gaf er -haar minnaar kennis van en na elkander opnieuw trouw te hebben -gezworen, waren zij op een middel bedacht om dat noodlottige huwelijk -te verbreken.” - -De graaf was intusschen reeds opgestaan en stapte met groote schreden -de zaal op en neer; toen hij de laatste woorden hoorde, trad hij naar -den onbekende. - -»Derhalve,” zeide hij op somberen toon, »was de aanranding in de -Rancho....” - -»Een middel door uw medeminnaar beraamd om zich van u te ontslaan, ja, -señor, zoo is het,” antwoordde de vreemdeling bedaard. - -»Die man is dus niets dan een ellendige moordenaar!” hernam de graaf -met minachting. - -»Gij vergist u, caballero, hij wilde u alleen dwingen om hem het veld -ruim te laten, een bewijs daarvan is dat hij, toen uw leven in zijne -hand was, u niet heeft gedood.” - -»Enfin, moordenaar of geen moordenaar,” riep de graaf, »gij zult mij -toch nu zijn naam wel willen noemen, want gij hebt uw verhaal uit, zoo -ik meen.” - -»Nog niet. Na de ontmoeting in de Rancho zijt gij naar uwe hacienda -vertrokken, vergezeld van uw aanstaanden schoonvader en zijne dochter; -ook daar heeft de verloofde van doña Anita u geen rust gelaten, en -hebben de Apachen u aangevallen.” - -»Wat meer?” - -»Nog meer? moet ik u dan alles uitleggen? Begrijpt gij dan niet dat die -man met de Roodhuiden in verband stond?” - -»En wist doña Anita daarvan?” - -»Dat durf ik niet verzekeren, maar waarschijnlijk wel.” - -»O!” - -»Het was fijn gespeeld, niet waar?” - -De graaf verbeet zich de lippen dat er het bloed voorstond om niet uit -te varen. - -»En gij weet door wie doña Anita is opgelicht?” - -»Dat weet ik.” - -»Niet door de Roodhuiden?” - -»Neen.” - -»Door dien man zeker?” - -»Ja, door hem.” - -»Maar haar vader don Sylva de Torres is ook opgelicht.” - -»Dat weet ik; maar dat was geheel tegen zijn zin, ik verzeker het u.” - -»Waar is don Sylva op dit oogenblik?” - -»Veilig en wel in zijn huis te Guaymas.” - -»Is zijne dochter bij hem?” - -»Neen.” - -»Dan is zij bij dezen man, niet waar?” - -»Gij gist als een waarzegger.” - -»En weet gij waar zij thans zijn?” - -»Dat weet ik.” - -Snel als een bliksemstraal sprong de graaf op den onbekende, greep hem -met de linkerhand bij den kraag en zette hem met de rechter een pistool -op de borst. - -»Thans, ellendeling,” brulde hij met eene rauwe stem, »zult gij mij -zeggen waar zij zijn.” - -»Moeten wij dat soort van spel spelen!” riep de onbekende; »ga dan -gerust uw gang, caballero.” - -Oogenblikkelijk zijn mantel openrukkende, zette hij den graaf met -iedere hand een pistool op de borst. - -Deze beweging van den onbekende was zoo snel, dat de graaf haar -onmogelijk had kunnen beletten. Buitendien was deze reeds tot andere -gedachten gekomen. Hij trok zijn wapen terug en stak het weder in zijn -gordel. - -»Ik was dwaas,” prevelde hij, »vergeef mij die opwelling van toorn.” - -»Van ganscher harte,” antwoordde de onbekende terwijl hij de pistolen -bedaard naast zich op de tafel legde. - -»Nogmaals verschooning,” hervatte de graaf; »nu ik nadenk over hetgeen -gij mij gezegd hebt begin ik werkelijk te gelooven dat gij mij eene -dienst wil bewijzen.” - -De onbekende boog toestemmend. - -»Maar één ding is er dat ik niet begrijp.” - -»Wat begrijpt gij niet?” - -»De wijze hoe gij dit alles zijt te weten gekomen.” - -»Dood eenvoudig.” - -»Gij zult mij verplichten door mij te zeggen hoe.” - -»Met genoegen, caballero. Twee mannen vielen u aan in de Rancho.” - -»Ja.” - -»Ik ben het die u op den grond wierp.” - -»Zoo,” zei de graaf op zonderlingen toon. - -»In één woord, ik heet Cuchares; ik ben lepero, dat wil zeggen ik hou -meer van de zon dan van de schaduw, van de rust dan van den arbeid en -van een dolksteek nu en dan, mits ik er voor betaald word, dan van een -goede daad die mij niets opbrengt; begrijpt gij mij?” - -»Zeer goed.” - -»Dus verstaan wij elkander nu?” - -»Dat denk ik wel.” - -»Ik ook, en daarom ben ik juist hier gekomen.” - -»Nog eene vraag.” - -»Toegestaan.” - -»Maar op dit oogenblik verraadt gij immers uwe vrienden?” - -»Ik! Welke?” - -»Degenen die gij tot dusver gediend hebt.” - -»Een man als ik, caballero, heeft geene vrienden, hij heeft slechts -cliënten.” - -»Cliënten of vrienden, gij speelt verraad met hen.” - -»Poeh! Wij hebben onze rekening gesloten; zij zijn mij niets meer -schuldig en ik hun evenmin; wij zijn quit. Zoo als gij weet, caballero, -iedere zaak heeft twee kanten, daar een bekwaam man gelijkelijk zijn -voordeel mede weet te doen. Van den eenen heb ik alles gehaald wat ik -kon, en nu wil ik eens zien wat mij de andere zal opleveren.” - -De graaf hoorde met gemengden schrik en verbazing deze zonderlinge -theorie van den lepero; zulk eene ruwe en onbeschaamde hondsvotterij -deed hem tegen wil en dank huiveren, ofschoon de graaf de Lhorailles -anders niet zeer gevoelig was. - -»Wij stellen dus dat gij hier komt om mij een dienst te bewijzen.” - -De lepero glimlachte. - -»Laten wij elkander wel verstaan: ik heb dat maar zoo gezegd, om het -geweten te sparen van de caballeros die zich hier bevonden toen ik -inkwam; maar tusschen u en mij zal ik openhartiger zijn.” - -»Dat wil zeggen?”.... - -»Dat ik hier ben gekomen om er u een te verkoopen.” - -»Goed.” - -»En duur te verkoopen.” - -»Goed.” - -»Heel duur.” - -»Dat maakt weinig uit, als het maar de moeite waard is.” - -»Komaan!” riep de lepero vroolijk, »gij zijt een man zoo als ik er -juist een dacht te zullen vinden. Welnu, laat het dan maar aan mij -over.” - -»Ik moet wel, omdat ik niet anders kan.” - -»Wat zoudt gij anders willen? Zoo gaat het in de wereld, vandaag is het -mijne beurt, morgen de uwe. Bah! om eenige duizend piasters moet men -niet knijzen.” - -»Dan vooreerst de naam van mijn mededinger.” - -»Die naam zal u vijftig oncen kosten, dat zeker niets te veel is.” - -»Daar zijn ze,” zei de graaf terwijl hij hem de goudstukken over de -tafel toeschoof. - -De lepero deed ze oogenblikkelijk in een zijner diepe zakken -verdwijnen. - -»Uw mededinger, caballero, heet don Martial; hij is -Tigrero—tijgerjager—en, wat meer zegt, zeer rijk.” - -»Ik meen dien naam door don Sylva te hebben hooren noemen?” - -»Wel waarschijnlijk; don Sylva mag hem niet lijden, vooral niet omdat -don Martial eens zijne dochter Anita het leven heeft gered.” - -»Inderdaad, ik herinner mij deze bijzonderheid; don Sylva heeft er mij -meermalen van gesproken. Maar hoe heeft don Martial dat meisje ooit -kunnen oplichten?” - -»Zeer gemakkelijk, te meer daar zij zelve verlangde hem te volgen. -Terwijl gij met de Apachen aan ’t vechten waart bracht hij doña Anita -in eene prauw, waarin ik haar vader bereids, gebonden en den mond -gestopt, geborgen had; toen zijn wij met ons vieren vertrokken; wij -hebben den ganschen nacht op de rivier gezwalkt om geen spoor van onze -vlucht achter te laten, en met het krieken van den dag hadden wij ruim -vijftien mijlen gemaakt. Wij vreesden toen niet meer ontdekt te zullen -worden en gingen aan land; wij kochten paarden van de mansos [20] -Indianen. Don Martial gelastte mij den vader van het meisje naar -Guaymas te brengen, van welken plicht ik mij met eere gekweten heb. Don -Sylva wilde mij niet goedschiks volgen, maar eindelijk kreeg ik hem -toch behouden in zijn huis, waar ik hem gelaten heb, om mij weder bij -don Martial te voegen die mij gelast had eenige dingen mede te brengen -en mij daartoe op zeker afgesproken punt wachten zou.” - -»Zoo!” riep de graaf, »en waarom zijt gij dan van hem gescheiden?” - -»Mijn hemel! caballero, wij zijn gescheiden zoo als dat vaak met de -beste vrienden gebeurt, door een nietig misverstand.” - -»Zeer goed; en hij heeft u weggejaagd.” - -»Zoo veel als weggejaagd, dat moet ik bekennen.” - -»Is het reeds lang sedert gij hem verlaten hebt?” - -De lepero kneep het rechteroog dicht. - -»Neen,” antwoordde hij. - -»Zoudt gij mij kunnen brengen waar hij zich thans bevindt?” - -»Ja, zoodra gij wilt.” - -»Zeer goed. Is het ver?” - -»Neen; maar met uw welnemen, caballero, eerst het een en dan het ander; -wilt gij? vraag ik u.” - -»Wij zullen zien.” - -»Hoe veel geeft gij mij als ik u zeg waar don Martial en doña Anita -heen gevlucht zijn?” - -»Twee honderd oncen.” - -»Geef.” - -»Daar zijn ze.” - -De graaf nam eenige handen vol goud uit een ijzeren kistje dat in een -hoek van de zaal stond en gaf ze aan den lepero. - -»Het is pleizierig om met zulke menschen te doen te hebben,” zei -Cuchares terwijl hij met ongewone handigheid de nieuwe oncen bij de -vorige stak. »Had ik geen gelijk toen ik u zeide dat ik u een dienst -kwam bewijzen?” - -»’t Is waar, ik zeg u dank; waar zijn nu don Martial en doña Anita?” - -»Zij zijn aan den zendingspost San Francisco.. en nu zal ik zoo vrij -zijn om afscheid van u te nemen.” - -»Nog niet.” - -»Waarom niet?” - -»Om twee redenen: vooreerst omdat ik ondanks al het vertrouwen dat ik -in u stel, volstrekt geen bewijs heb dat gij mij de waarheid hebt -gezegd.” - -»O!” riep de lepero met eene afwijzende beweging. - -»Ik weet wel ik heb ongelijk, maar wat zal ik er tegen doen, ik ben nu -eenmaal zoo wantrouwig van aard.” - -»Goed, dan blijf ik; maar uwe tweede reden.” - -»Luister, ik heb u nog een dienst te verzoeken.” - -»Tegen betaling?” - -»Dat verstaat zich.” - -»Ik luister.” - -»Ik geef u honderd oncen als gij mij bij mijn mededinger wilt brengen.” - -»Canarios!” riep de lepero. - -»Honderd oncen,” herhaalde de graaf. - -»Ik versta u wel. Honderd oncen, ’t is een aardig bod! maar gij moet -weten, caballero, ik ben een costeno, en daarbij een lepero. Het leven -in de prairie deugt niet voor mijn gestel, het bederft mijn gezondheid. -Ik heb gezworen het niet langer voort te zetten; de reis van hier naar -San Francisco is moeielijk, wij moeten de groote woestijn door. Neen, -caballero, alles wel ingezien is het onmogelijk.” - -»Dat spijt mij,” antwoordde de graaf onverschillig. - -»Ja?” - -»Omdat ik u,” vervolgde hij, »in plaats van honderd oncen twee honderd -oncen zou gegeven hebben.” - -»Zoo!” riep Cuchares de ooren spitsend. - -»Maar, daar gij weigert, want gij weigert immers? zal ik tot mijn -leedwezen verplicht zijn u te doen doodschieten.” - -»Wat b’lieft u?” schreeuwde de lepero bijna van schrik. - -»Mijn hemel!” hervatte de graaf goedhalzig, »hoor toch eens, mijn -waarde, gij zijt zoo knap in zaken, wie weet, daar gij reeds twee -kanten aan deze gevonden hebt, ben ik maar bang dat gij er misschien -nog een derden aan zoudt ontdekken.” - -En eer Cuchares tijd had om het te beletten, maakte de graaf zich met -een gezwinden greep meester van de twee pistolen die op de tafel lagen. - -De lepero ontstelde zichtbaar. - -»Met uw verlof, met uw geachte verlof, caballero,” riep hij met een -haperende stem, »daar gij het zoo bepaald schijnt te verlangen, zou het -mij razend veel leed doen als ik u teleurstelde, ik neem de twee -honderd oncen aan.” - -»Mooi zoo!” riep de graaf. »Ja, ik wist ook wel dat wij het eindelijk -samen eens zouden worden.” - -Hij ging naar het koffertje om het geld te krijgen, en moest daarbij -den lepero den rug toekeeren, zoodat hij den zonderlingen spotlach niet -zag die zich op diens lippen bewoog; ware dit anders geweest dan zou -hij minder luid victorie gekraaid hebben. - - - - - - - - - -XVIII. - -EEN STAP ACHTERWAARTS. - - -Het verhaal van den lepero, ofschoon in den grond waarheid bevattende, -was wat den vorm en de inkleeding betreft geheel valsch en logenachtig. -Had hij misschien zijne redenen om den graaf de Lhorailles te -misleiden? Dit zal de lezer zelf kunnen beoordeelen wanneer hij ons -nieuwe hoofdstuk heeft ten einde gebracht. - -Wij zijn dus andermaal genoodzaakt den draad onzer historie te breken -en eenige passen terug te keeren. - -Na, zooals wij in een der vorige hoofdstukken gezien hebben, als door -een wonder aan de handen der Apachen te zijn ontsnapt daar hij zoo -ongelukkig in vervallen was, had Cuchares door onder water te duiken, -al zwemmende het midden der rivier kunnen bereiken. Toen hij het hoofd -weder boven stak om adem te scheppen, zag hij rond; hij was alleen. - -De lepero smoorde een vreugdekreet en na een minuut van rijp overleg -zwom hij uit al zijn macht naar de wortelboomen, waar don Martial -ingevolge het afgesproken signaal, dat hij door den nood gedrongen -reeds had gegeven, hem zonder twijfel stond te wachten. - -Met eenige krachtige armslagen bereikte hij de wortelboomen, tusschen -welke hij zich onmiddellijk onzichtbaar maakte; maar hier wachtte hem -eene nieuwe verrassing, de omgekantelde en aan zich zelve overgelaten -prauw was met eenige andere stukken drijfhout tegen een boomstam -aangedreven en daar blijven steken. - -Cuchares, die reeds aan land was gestapt, hoosde de prauw leeg en -bracht haar weder te water. Deze kleine vaartuigen, meestal uit -berkenschors vervaardigd, die de Indianen met behulp van heet water van -den stam weten te scheiden, zijn uiterst licht en laten zich zeer -gemakkelijk behandelen. - -Nauwelijks was de lepero er mede klaar of er kwam eene schaduw naar hem -toe en fluisterde hem in ’t oor: - -»Wat komt gij laat.” - -De lepero deed een sprong van schrik, maar herkende don Martial; met -een paar woorden deelde hij hem mede wat er gebeurd was. - -»Alles gaat opperbest, er is niets meê verloren, nu gij weder hier -zijt,” antwoordde de Tigrero; »verberg u maar in de wortelboomen en kom -onder geen beding te voorschijn, voor dat ik weer hier ben.” - -Hij verwijderde zich snel. - -Cuchares maakte des te meer haast om te gehoorzamen, daar hij niet ver -van hem af het rumoer van den hevigen strijd hoorde die op dit -oogenblik tusschen de Franschen en Apachen gestreden werd en in vollen -gang was. - -Don Martial was intusschen, met een dolk in de hand om op alles gereed -te zijn, als een spook naar een dicht boschje van floripondio’s -geslopen, waar doña Anita hem bevend verbeidde. - -Op het punt van de takken uiteen te schuiven die hem van het meisje -afzonderden bleef hij staan, met hijgenden adem en gefronste -wenkbrauwen: zij was niet alleen! - -Hare stem, hetzij door aandoening of door toorn bewogen, klonk scherp -en gebiedend; zij scheen met iemand in gesprek. - -Maar met wie? Wie zou haar op deze plek, waar zij zich zoo goed -geborgen waande, hebben weten te vinden en naar alle waarschijnlijkheid -haar willen overhalen of desnoods dwingen hem te volgen? - -De Tigrero luisterde scherp toe. - -Weldra bewoog hij zich toornig en dreigend, hij had de stem herkend van -den man die met doña Anita sprak: het was haar vader. - -Alles was verloren. - -De haciendero trachtte zijne dochter te bewegen naar den kant der -gebouwen terug te keeren en gebruikte daartoe alle middelen van -overreding. Zoo het scheen vermoedde hij iets van de reden waarom zijne -dochter zich op deze plaats bevond. - -Doña Anita weigerde stellig mede te gaan, verklarende dat zij liever in -handen van een Indiaanschen strooper zou willen vallen, dan zich aan -het gevaar bloot te stellen dat zij tot iederen prijs wilde vermijden. - -Don Martial sloeg zich met de hand op het voorhoofd, een zonderlinge -glimlach plooide zijne lippen, zijn oog fonkelde en hij verwijderde -zich snel in de richting der rivier. - -Inmiddels woedde de strijd steeds voort; nu eens scheen het rumoer -nader te komen en hoorde men vloekkreten en verwenschingen, dan eens -flikkerde er als bliksemlicht door de lucht en hoorde men de kogels -tegen muren of boomen neerkomen, met dat eigenaardig gekletter, dat -voor nieuwelingen in den krijg zoo verontrustend is. - -»In ’s hemels naam! lieve dochter,” hervatte don Sylva dringender dan -ooit, »kom toch, wij hebben geen oogenblik te verliezen, binnen weinige -seconden wellicht wordt ons de terugtocht afgesneden; kom toch bid ik -u.” - -»Neen, vader,” antwoordde zij hoofdschuddend, »ik wacht mijn lot af; -wat er ook gebeure, ik zeg u nog eens, ik ga hier niet vandaan.” - -»Maar dat is dwaasheid,” riep de haciendero, »wilt gij dan sterven?” - -»Wat geef ik om sterven,” riep zij treurig, »ben ik niet op alle -manieren veroordeeld? God is mijn getuige, vader, dat ik om het voor -mij bestemde huwelijk te ontgaan liever zou willen sterven!” - -»Anita, in ’s hemels naam!” - -»Wat kan het u schelen, vader, of ik heden den woesten heidenen in -handen val, daar gij mij morgen met eigen hand aan een man zult -overleveren dien ik verafschuw?” - -»Spreek toch zoo niet, meisje. Buitendien, het oogenblik is dunkt mij -voor het bespreken van zulk eene zaak zeer slecht gekozen, kom toch -meê, het rumoer neemt toe; weldra zal het te laat zijn.” - -»Ga maar gerust heen, vader, als gij dat goedvindt,” antwoordde zij -ronduit; »maar ik blijf hier, wat er ook moge gebeuren.” - -»In dat geval en als gij volstandig weigert mij te gehoorzamen, zal ik -de macht gebruiken die ik bezit en u met geweld wegvoeren.” - -Het meisje sloeg den linkerarm om een jongen acajou-ceder en keek haar -vader aan met een blik van onverzettelijken onwil. - -»Waag het maar niet, vader, om het te doen!” riep zij, »want ik zeg u -vooruit dat bij den eersten stap dien gij mij nadert gebeuren zal wat -gij zoo zeer vreest; ik zal zoo hard schreeuwen dat de heidensche -Roodhuiden het hooren en terstond hier zullen komen.” - -Don Sylva bleef aarzelend staan; hij kende het vastberaden karakter -zijner dochter en wist dat zij in staat was hare bedreiging -onmiddellijk ten uitvoer te brengen. - -Er verliepen eenige minuten, gedurende welke vader en dochter tegenover -elkander stonden, met strakke blikken elkander aankijkend, maar zonder -een woord te spreken of een spier te verroeren. - -Op eens ontstond er een hevig gekraak in het floripondioboschje, de -takken werden met woest geweld uit elkander gebogen, om twee mannen, of -liever twee duivels door te laten, die als met tijgersprongen op den -haciendero aanvielen en hem op den grond wierpen. Eer nog don Sylva in -het schemerende sterrenlicht in staat was zijne onverwachte aanvallers -te herkennen, hadden zij hem reeds gekneveld, een prop in den mond -gestopt en een doek over het hoofd geknoopt, zoodat hij niets meer zien -kon van hetgeen er rondom hem gebeurde, noch weten wat er niet alleen -met hem maar ook wat er met zijne dochter gebeuren zou. - -Laatstgenoemde door deze plotselinge overrompeling onthutst had een -schreeuw gedaan van schrik, maar voorzichtigheidshalve terstond weder -gezwegen, daar zij don Martial herkende. - -»Stil,” zeide de Tigrero schielijk en zacht, »ik wist geen ander middel -om het gedaan te krijgen, maar kom dadelijk mede; uw vader, weet gij, -is mij heilig, om uwentwil zal hem geen leed geschieden.” - -Doña Anita antwoordde niet. - -Op een wenk van don Martial had Cuchares den haciendero op zijne -schouders genomen en hem naar de wortelboomen gedragen. - -»Waar gaan wij heen?” vroeg doña Anita met eene bevende stem. - -»Waar wij zoo ik hoop samen gelukkig zullen zijn,” fluisterde de -Tigrero teergevoelig, terwijl hij haar gezwind opnam en op een drafje -naar de prauw droeg. - -Doña Anita bood geen weerstand, integendeel, zij glimlachte, sloeg haar -rechter arm om den hals van den drager, om het evenwicht beter te -bewaren, dat bij deze harddraverij over de wortelboomen wel noodig was -terwijl don Martial van tak tot tak stapte of sprong, of zich aan de -lianen vasthield, met stem en gebaar zijn kostbaren last aanmoedigende. - -Cuchares had don Sylva op den bodem der prauw gelegd, en met de pagaai -in de hand wachtte hij vol ongeduld de komst van don Martial, daar het -gedruisch van den strijd nog scheen toe te nemen, ofschoon uit het wel -onderhouden geweervuur en uit de verschillende kreten die men nu en dan -hoorde, gemakkelijk was op te maken dat de overwinning aan de zijde der -Franschen verbleef. - -»Wat zullen wij doen?” vroeg Cuchares. - -»Naar het midden der rivier roeien en den stroom afzakken.” - -»Maar onze paarden?” vroeg de lepero. - -»Redden wij eerst ons zelven, de paarden zullen wij later wel vinden. -Het blijkt duidelijk dat de blanken het winnen. Zoodra het gevecht over -is, zal de graaf de Lhorailles overal zijne bruid en zijn schoonvader -laten zoeken; het is van belang geen sporen achter te laten, anders -zijn wij verloren. De Franschen zijn duivels, zij zouden ons zeker -terugvinden.” - -»Intusschen geloof ik....” begon Cuchares. - -»Van wal, zeg ik u,” riep de Tigrero op gebiedenden toon terwijl hij de -prauw met een krachtigen schop in het ruime sop duwde. - -Zij vertrokken. - -De eerste oogenblikken der reis gingen zwijgend voorbij, ieder dacht -voor zich zelve na over den zonderlingen toestand waarin zij zich -bevonden. - -Don Martial had een onmetelijke verantwoordelijkheid op zich genomen -door, om zoo te zeggen, op een enkele kaart het geluk zijner beminde en -van hem zelven te wagen. Wat hem nog het meeste stof tot bezwaar gaf, -daar op den bodem der prauw lag de haciendero; zijn toestand was -inderdaad ernstig en de uitkomst moeielijk te vinden. - -Doña Anita zat met het hoofd gebogen en met afgetrokken blik; in -gedachten verdiept liet zij hare kleine hand over den rand der prauw in -het water hangen dat snel langs het boord voorbij schoot. - -Cuchares, die uit al zijn macht roeide, dacht ook bij zich zelven na en -vond het leven dat hij tegenwoordig leidde alles behalve aangenaam; te -Guaymas was hij veel gelukkiger, als hij met het hoofd in de schaduw en -de beenen in de zon onder het portiek eener kerk kon liggen en zijn -middagslaapje doen, gestreeld door den verfrisschenden zeewind of zacht -indommelend onder het geheimzinnig murmelen der branding tegen de keien -op het rotsige zeestrand. - -Wat don Sylva betreft, men kon niet zeggen dat hij dacht; aan eene -stille woede ten prooi, die als zij te lang duurde ontwijfelbaar in -razernij moest eindigen, beet hij kwaadaardig op de prop die hem den -mond sloot en kromde zich in zijne banden, zonder ze te kunnen -verbreken. - -De verschillende geluiden van den strijd werden al zwakker en zwakker -en hielden eindelijk geheel op. - -De reizigers bleven nog een geruimen tijd zwijgen, niet zoozeer -verdiept in hun eigen gedachten dan wel weggesleept door de streelende -gewaarwordingen eener droomende zwaarmoedigheid, die zoo vaak bij -krachtige maar geschokte gemoederen opkomt onder den indruk der -roerloos plechtige stilte, ontzagwekkende eenzaamheid en aangrijpende -harmonie der Amerikaansche wildernis, wier beschrijving geen -menschelijke pen in staat is in al hare grootheid en majesteit weêr te -geven. - -De sterren begonnen aan den hemel allengs te verbleeken, een opalen -lichtstreep teekende zich flauw aan den horizont; de logge alligators -woelden zich los uit de modder en gingen uit om hun morgenmaal te -zoeken; de uil in de boomen aan den rivierkant verscholen, begroette de -naderende komst van de zon; de coyotes zwierven in schichtige troepen -aan den zandigen oever en verhieven nu en dan hun heesch gekef; de -wilde dieren keerden naar hunne holen terug, met haastigen stap, -ofschoon na hun gewone maal bezwaard door den slaap; de dag zou weldra -aanbreken. Doña Anita neigde behaagziek het hoofd aan den schouder van -don Martial. - -»Waar gaan wij zoo heen?” vroeg zij met eene zachte stem en op een toon -van gedweeheid. - -»Wij vluchten,” antwoordde hij lakonisch. - -»Wij zijn nu reeds zes uren lang de rivier afgevaren, gedragen door den -stroom en gestuurd door uwe vier krachtig gehanteerde pagaaien; zijn -wij nu nog niet buiten het bereik?” - -»Ja, sinds lang reeds; maar het is de vrees voor de Franschen niet die -mij dit oogenblik drijft.” - -»Wat is het dan?” - -De Tigrero wees haar met een veelbeduidenden wenk op don Sylva, die na -uitputting van toorn en kracht, eindelijk stilzwijgend zijn onvermogen -erkend had en geëindigd was met op den bodem der prauw in te slapen. - -»Helaas!” zeide zij, »gij hebt gelijk, dat kan zoo niet blijven, die -toestand is onverdragelijk.” - -»Zoo gij mij naar eigen goedvinden laat begaan, zal uw vader mij eer -wij een kwartieruurs verder zijn nog bedanken.” - -»Gij weet immers dat ik mij geheel op u verlaat?” - -»Dank u,” zeide hij, en zich tot Cuchares wendende, fluisterde hij hem -eenige woorden in ’t oor. - -»Ha ha! dat is een gelukkige inval,” grinnikte de lepero. - -Vijf minuten later kwam de prauw aan wal. - -Don Sylva werd met de uiterste voorzichtigheid door de beide mannen -opgenomen en aan land gedragen, zonder dat hij ontwaakte. - -»Nu is de beurt aan u,” zei don Martial tegen het meisje; »gij dient -eene kleine rol te spelen; om de list die ik er op verzonnen heb wel te -doen gelukken, moet gij mij toestaan u voor een paar minuten aan dien -inktboom vast te binden.” - -»Ga uw gang, vriend.” - -De Tigrero nam haar in zijne forsche armen, droeg haar aan land en in -een oogenblik had hij haar met een riem aan den boomstam gebonden. - -»Houd nu dit in het oog,” zeide hij schielijk, »de vertooning is, dat -uw vader en gij door de Apachen uit de hacienda zijn opgelicht, dat wij -u bij toeval hier ontmoeten en....” - -»Ons komt redden, niet waar?” riep zij lachende. - -»Juist; alleen moet gij nu nog een paar keeren, hoe harder hoe beter -schreeuwen en gillen, als of gij erg bang en verschrikt waart. Dat -begrijpt gij, niet waar?” - -»O! zeer goed.” - -Volgens bovenstaand programma werd de komedie gespeeld. Doña Anita -begon geweldig te gillen, waarop de twee avonturiers uit de verte -antwoordden, hunne geweren en pistolen afschoten alsof er gevochten -werd en toen naar den haciendero liepen, dien zij gezwind van zijne -banden bevrijdden en niet alleen het vrije gebruik zijner ledematen -teruggaven, maar ook dat van zijne spraak en van zijn gezicht. - -Don Sylva richtte zich eerst half op, wierp een verwezen blik om zich -heen, en zag zijne dochter met hangende haren aan een boom gebonden, -terwijl twee mannen zich haastten haar te hulp te komen en los te -maken. De haciendero sloeg de oogen op en dankte den hemel in stilte -voor zijne bevrijding. - -Zoodra ook Anita weder vrij was ijlde zij naar haar vader, viel hem om -den hals en na hem gekust te hebben verborg zij haar gelaat, wellicht -uit schaamte over de verregaande wijs waarop zij den edelen grijsaard -had helpen bedriegen, blozend aan zijne borst. - -»Mijn arm, dierbaar kind,” riep hij tot tranen bewogen; »voor u, voor u -alleen, heb ik gebeefd in dezen langen, vreeselijken nacht.” - -Doña Anita antwoordde niet, haar hart klopte hevig bij dit grievend -verwijt. - -Don Martial en Cuchares, het oogenblik gunstig achtende, traden thans -naderbij met de nog rookende buksen in hunne handen. - -Toen de haciendero hen zag en herkende, kwam er een wolk op zijn -gezicht, een donker vermoeden bekroop zijne ziel. Hij keek de beide -mannen en zijne dochter beurtelings aan met een uitvorschenden blik, -stond op met gefronste wenkbrauwen en bevende lippen, zonder nochtans -een woord te uiten. - -De Tigrero werd tegen wil en dank ongerust over dit stilzwijgen, dat -hij wel verre was van te verwachten. Na den dienst, die hij had -voorgewend den haciendero bewezen te hebben, gevoelde hij zich -verplicht het eerst te spreken. - -»Ik acht mij gelukkig,” begon hij min of meer stotterend, »dat ik hier -zoo toevallig op den aanslag kwam, don Sylva, om u aan de handen der -Roodhuiden te ontrukken.” - -»Ik zeg u dank, señor don Martial,” antwoordde de haciendero droog, -»van uwe bekende rechtschapenheid kon ik niets minder verwachten. Het -heeft zoo moeten wezen; het schijnt wel, dat gij na de dochter te -hebben gered, ook haar vader hebt moeten redden. Gij schijnt -voorbestemd om de bevrijder van mijne geheele familie te zijn; ontvang -daarvoor mijne oprechte dankbetuiging.” - -Deze woorden werden op een toon van spotternij uitgesproken, die den -Tigrero als een pijl in het hart trof; hij kon geen gepast antwoord -vinden en maakte eene onhandige buiging om zijne verlegenheid te -verbergen. - -»Vader,” zij doña Anita op vleienden toon, »don Martial heeft zijn -leven voor ons gewaagd.” - -»Ik heb er hem immers reeds voor bedankt,” zeide hij. »Het is zoo, het -schijnt een heete strijd geweest; maar de heidenen hebben wel spoedig -het hazenpad gekozen; is er niemand van hen gedood?” - -Dit zeggende deed de haciendero alsof hij rondkeek. - -Don Martial herstelde zich. - -»Señor don Sylva de Torres,” riep hij met eene vaste stem, »dit voorval -bracht ons weder tegenover elkander, geef mij dus de vrijheid u te -zeggen dat slechts weinige menschen u zoo genegen en getrouw zijn als -ik.” - -»Dat hebt gij mij zoo even bewezen, caballero.” - -»Spreken wij daar niet meer van,” zei don Martial, »nu gij weder uw -eigen meester zijt en vrij kunt handelen, hebt gij slechts te spreken -en te bevelen. Ik ben bereid om te beproeven wat gij van mij eischt, -ten einde u te kunnen bewijzen, hoe gelukkig ik mij acht alles te doen -wat u aangenaam is.” - -»Dat is ronde taal, die ik begrijp, caballero, en daar ik u even rond -op zal antwoorden. Gewichtige redenen nopen mij om naar de kolonie -Guetzalli terug te keeren, waar ik was toen de heidenen mij zoo -verraderlijk hebben opgelicht.” - -»Wanneer wilt gij vertrekken.” - -»Dadelijk, zoo dit mogelijk is.” - -»Alles is mogelijk, caballero, alleen moet ik u doen opmerken, dat wij -hier dertig mijlen van die hacienda verwijderd zijn, dat het land waar -wij ons bevinden eene eenzame wildernis is, zoodat wij uiterst -moeielijk paarden zullen krijgen en dat wij met den besten wil van de -wereld die reis niet te voet kunnen afleggen.” - -»Vooral mijne dochter niet, niet waar?” hervatte hij met een bitteren -glimlach. - -»Ja,” herhaalde de Tigrero, »vooral de señorita.” - -»Wat dan gedaan? want ik ben volstrekt verplicht om derwaarts terug te -keeren, vooral om mijne dochter,” voegde hij er bij met nadruk op de -laatste woorden, »en dat wel zoo spoedig mogelijk.” - -De Tigrero loog een weinig toen hij don Sylva verzekerde dat zij dertig -mijlen van de kolonie af waren; de afstand bedroeg niet meer dan -achttien mijlen; maar in zulk een onherbergzame streek, waar geene -wegen bestaan, zijn zestien of achttien mijlen bijna onoverkomelijk -voor iemand die, aan het ruwe woestijnleven ongewoon, tegen de daarvan -onafscheidelijke vermoeienis niet gehard is. Don Sylva, ofschoon hij de -prairie nooit doorreisd had dan op den weelderigsten voet en voorzien -van al de gemakken, die men zich in deze verre streken met mogelijkheid -verschaffen kan, wist ten minste, zoo al niet bij ondervinding dan toch -bij geruchte, hoevele moeielijkheden er bij iederen stap konden -oprijzen en welke belemmeringen hij op zijn weg ontmoeten kon. Zijn -besluit was dus dadelijk genomen. - -Gelijk velen zijner landgenooten bezat don Sylva eene groote mate van -stijfhoofdigheid; wanneer hij eenmaal een plan gevormd of een doel zich -voor oogen had gesteld, onverschillig wat het ook wezen mocht, zou hij -er alles aan gewaagd hebben en werd iedere hindernis die hem in den weg -kwam een nieuwe prikkel om het te bereiken. - -»Hoor mij dan, don Martial,” zeide hij tegen den Tigrero, »ik wil rond -met u te werk gaan: ik behoef u niet voor nieuws te vertellen, dat -mijne dochter op het punt staat van met den graaf de Lhorailles te -huwen; dat huwelijk moet gesloten worden, ik heb het gezworen en het -zal geschieden, trots al wat men zegge of doe om het te beletten. En -nu, na deze verklaring, zal ik uwe trouw jegens mij, daar gij zoo hoog -van opgeeft, op de proef stellen.” - -»Spreek, señor,” zei don Martial. - -»Zend dan uw kameraad naar de graaf de Lhorailles; ik zal hem een brief -medegeven om zijne ongerustheid te doen bedaren en hem mijne aanstaande -komst aan te kondigen.” - -»Goed.” - -»Zal hij het doen?” - -»Oogenblikkelijk.” - -»Dank u. Wat thans u zelven aangaat, geef ik u vrijheid ons te verlaten -of te volgen, zoo als gij verkiest, maar vooreerst hebben wij paarden -en wapenen en bovenal een goed eskorte noodig. Ik zou niet gaarne weder -in handen der heidenen vallen; misschien zou ik dezen keer het geluk -niet hebben om er zoo goed af te komen.” - -»Blijf hier, binnen twee uren kom ik met paarden terug; wat een eskorte -betreft, daar zal ik u aan zien te helpen, maar dat durf ik u niet -stellig verzekeren. Daar gij er niets tegen hebt dat ik medega, zal ik -u verzellen tot gij den graaf ontmoet. Gedurende den tijd dien ik het -geluk zal hebben met u op reis door te brengen, hoop ik u te bewijzen -dat gij u in mij vergist hebt.” - -Deze woorden werden op zulk een ondubbelzinnigen toon uitgesproken, dat -de haciendero er zich door getroffen gevoelde. - -»Wat er ook gebeure,” zeide hij, »ik zeg u dank, gij zult mij in ieder -geval een onuitsprekelijken dienst hebben bewezen, daar ik u eeuwig -erkentelijk voor zal zijn.” - -Don Sylva scheurde een blad papier uit zijn zakboekje, schreef er met -potlood eenige woorden op, vouwde het toe en gaf het den Tigrero. - -»Zijt gij zeker van dien man?” vroeg hij. - -»Zoo goed als van mij zelven,” antwoordde don Martial uitwijkend; »wees -gerust dat hij den graaf zien zal.” - -De haciendero wees met de hand dat hij voldaan was, en de Tigrero -naderde Cuchares. - -»Ziedaar,” zeide hij met eene luide stem terwijl hij hem het briefje -ter hand stelde, »breng dat binnen twee uren bij den kommandant van -Guetzalli. Hebt gij mij verstaan?” - -»Ja,” antwoordde de lepero. - -»Vertrek, en de hemel beware u voor kwade ontmoetingen. Over een -kwartier achter dien heuvel daar;” liet hij schielijk en fluisterend er -op volgen. - -»Afgesproken,” riep de andere met eene buiging. - -»Neem deze prauw,” vervolgde de Tigrero. - -Zoo de haciendero al eenigen argwaan had kunnen koesteren, thans -verdween deze geheel, nu hij zag dat Cuchares in de prauw sprong, de -pagaaien greep en dadelijk van wal stak, zonder taal of teeken met den -Tigrero te wisselen en zelfs zonder het hoofd om te wenden. - -»Dat is het eerste gedeelte uwer beschikkingen, die gij in vervulling -ziet overgaan,” zei de Tigrero toen hij bij don Sylva terugkwam; »nu -zal ik mij met het tweede belasten; neem mijne pistolen en mijne -machete, dan kunt gij u althans te weer stellen in geval van nood, want -ik laat u hier achter, maar vooral verwijder u niet, binnen twee uren -op zijn langst ben ik weder bij u.” - -»Weet gij dan een middel om hier paarden te vinden?” vroeg don Sylva. - -»Weet gij nog niet dat de woestijn mijne dagelijksche woonplaats is?” -antwoordde hij met een somberen glimlach. »Ik ben hier thuis; weldra -zult gij er het bewijs van zien. Tot wederziens?” - -En hij verwijderde zich snel in tegenovergestelde richting als de -prauw. - -Toen hij een poos geloopen had en achter een dicht boschje van -acajou-boomen en kreupelhout voor don Sylva onzichtbaar was geworden, -maakte hij op eens een scherpen hoek rechts, van de rivier af en liep -hard terug tot hij de andere zijde van den heuvel bereikte. - -Daar zat Cuchares bedaard zijne cigarette rookend op hem te wachten. - -»Geen woorden, maar daden,” zei de Tigrero, »de tijd dringt.” - -»Ik wacht uwe bevelen.” - -»Ziet gij dezen diamant?” en hij wees den lepero op den ring aan zijn -das. - -»Hij is duizend piasters waard,” zei de lepero die hem met het oog van -een kenner bekeek. - -Don Martial bood hem den ring aan. - -»Dien geef ik u,” zeide hij. - -De andere nam hem aan en stak hem bij zich. - -»Wat moet ik er voor doen?” - -»Mij dadelijk den brief geven.” - -»Daar is hij.” - -Don Martial nam hem en scheurde hem in duizend stukjes. - -»Wat volgt?” vroeg Cuchares. - -»Wat volgt,” herhaalde de Tigrero, »ik heb nog een diamant van gelijke -waarde ter uwer beschikking; gij verstaat mij?” - -»Ja, ik neem het aan.” - -»Maar op eene voorwaarde.” - -»Die ken ik,” zeide de lepero met een veelbeteekenenden wenk. - -»Gij neemt het stellig aan, zegt gij?” - -»Stellig.” - -»Dat is afgesproken.” - -»Gij zult nooit weêr verdriet van hem hebben.” - -»Goed; maar gij begrijpt, ik verwacht bewijzen.” - -»Die zult gij hebben.” - -»Dan tot weerziens.” - -»Tot weerziens.” - -De beide medeplichtigen scheidden ten hoogste voldaan, zij hadden -elkander met een enkel woord begrepen. - -Wij hebben reeds gezien op welke wijs Cuchares zich kweet van de -zending daar don Sylva hem mede belast had. - -Na zijn kort gesprek met Cuchares ging don Martial er op uit om ergens -paarden te zoeken. - -Twee uren later keerde hij terug; niet alleen had hij uitmuntende -paarden medegebracht, maar tevens twee peons of die er voor moesten -doorgaan om tot geleide te dienen. - -De haciendero waardeerde in allen deele de kieschheid waarmede don -Martial te zijnen opzichte te werk ging, en ofschoon het uitzicht en de -manieren zijner nieuwe beschermers niet van de echte soort waren, -bedankte hij den Tigrero toch hartelijk voor de moeite die deze zich -gegeven had om aan zijn verlangen te voldoen, en thans omtrent den -afloop zijner reis volkomen gerustgesteld, nam hij met goeden eetlust -deel aan het ontbijt, een gebraden hertebout met een dronk pulque, die -don Martial hem mede had weten te bezorgen. - -Toen de maaltijd geëindigd was ging de kleine troep, wel gewapend en -vol moed op marsch in de richting naar de kolonie Guetzalli, waar don -Sylva, op zijn gemak reizende, en zoo er ten minste niets in den weg -kwam, berekende binnen drie dagen te zullen aankomen. - - - - - - - - - -XIX. - -IN DE PRAIRIE. - - -De noordoostelijke grens van Mexico tot aan de oude thans verlaten en -in puin vallende zendelingsposten der Jezuïeten, vormt den rand der -groote prairie van de Rio Gila, of Apacheria, die zich uitstrekt tot -aan de onvruchtbare woestijn del Norte. - -In dit gedeelte der prairie spreidt de natuur om zoo te zeggen met -verkwistende praalzucht, een rijkdom van groeikracht en vruchtbaarheid -ten toon die men elders te vergeefs zou zoeken. - -Guetzalli was aangelegd op de bouwvallen van een der bovengenoemde, -voorheen zoo bloeiende zendelingsposten der paters Jezuïeten, die -sedert het decreet der uitdrijving uit deze streek verdwenen zijn. - -Zonder hier in eenige beschouwingen hetzij voor of tegen de -Jezuïetenorde te treden, zullen wij alleen in ’t voorbijgaan zeggen, -dat zij in dit gedeelte van Amerika groote diensten heeft bewezen; dat -al de zendingsposten, door de paters in de wildernis gesticht, -bloeiden; dat de Indianen van alle kanten toestroomden om zich onder -hunne vaderlijke wetten te stellen, en dat sommige missiën, die wij bij -name zouden kunnen noemen, niet minder dan zestig duizend bekeerlingen -telden; ten bewijze van de deugd hunner instellingen kan men aanvoeren, -dat toen de Jezuïeten van hooger hand bevel kregen hunne posten aan -andere geestelijke broeders over te geven, de proselieten hun uit eigen -beweging en met vele tranen smeekten om dit willekeurig bevel niet te -gehoorzamen, hun aanbiedende om hen desnoods tegen alles te zullen -verdedigen. - -Tot staving van dezen lof dien wij den Jezuïeten hoezeer spade -toekennen, kan verder dienen, dat na hun vertrek de zendingsposten -spoedig zijn vervallen, en de proselieten die zij met zooveel moeite in -den schoot der Kerk hadden gebracht, allen tot het wilde leven zijn -teruggekeerd; ofschoon na verloop van zoo vele jaren de geheugenis der -weldaden hun door de zendelingen bewezen, nog altijd in het hart der -Indianen leeft en een hoofdonderwerp uitmaakt hunner gesprekken, -wanneer zij des avonds rondom hunne kampvuren samen keuvelen, over den -goeden ouden tijd, toen de blanke vaders nog voor hen zorgden en -waakten. - -Don Sylva de Torres wenschte zoo spoedig mogelijk en langs den kortsten -weg de kolonie Guetzalli te bereiken; ongelukkig moest hij daartoe, om -zoo te zeggen als een vogel door de lucht, eene uitgebreide landstreek -doortrekken, waar geen spoor van pad of weg te vinden was; bovendien -was hij door zijn gemis van plaatselijke kennis genoodzaakt zich geheel -op don Martial te verlaten, een uitmuntende gids ongetwijfeld waar het -op schranderheid of kennis van de wildernis aankwam, maar in wien hij -om andere redenen, daar hij zich niet recht rekenschap van wist te -geven, niet veel vertrouwen stelde. - -Evenwel gaf de Tigrero, in schijn althans, bewijs van de meeste -voorkomendheid en zorg voor den haciendero, voerde hem zooveel mogelijk -langs begaanbare wegen, deed hem de moeielijkste plaatsen vermijden of -omtrekken en waakte met voorbeeldigen ijver voor de veiligheid der -kleine karavaan. - -Iederen avond kampeerde de troep op de kruin van een heuvel, vanwaar -men tot op verren afstand kon uitzien, ten einde eene overrompeling te -vermijden. - -Op den avond van den vierden dag, na een vermoeienden marsch over een -verbrokkeld terrein, bereikten zij een heuvel, waar don Martial hun -weder voorstelde te kampeeren. - -De haciendero nam dit voorstel des te gretiger aan, daar hij weinig aan -deze manier van reizen gewoon, zich uiterst vermoeid gevoelde. Na een -sober maal, uit gebraden maïskoeken en gestoofde, met piment gekruide -en met pulque gedoopte peren bestaande, wikkelde don Sylva, zonder -zelfs aan zijne vaste gewoonte te denken om na den maaltijd een -cigarette te rooken, zich zorgvuldig in zijn mantel, strekte zich op -den grond uit, met de voeten aan het vuur en het hoofd op een stapeltje -zoden en zonk bijna onmiddellijk in een diepen slaap. - -Don Martial en Anita bleven eene poos stilzwijgend bij het vuur zitten -met de oogen op den slapende gericht en met aandacht zijne ademhaling -bespiedende. Eindelijk, toen de Tigrero overtuigd was dat de haciendero -werkelijk sliep, wendde hij zich tot het meisje en fluisterde haar met -eene zachte stem in ’t oor: - -»Vergeving, doña Anita, vergeving!” - -»Vergeving! en waarom?” vroeg zij verwonderd. - -»Helaas! het is voor mij dat gij zooveel moet lijden.” - -»Egoïst,” riep zij met een bekoorlijken lach, »is het dan ook niet -tevens voor mij, omdat ik u zoo bemin?” - -»O! dank!” riep hij, »gij geeft mij den moed terug dien ik in mijn hart -voelde wegzinken. Maar o! hoe zal dit alles nog afloopen?” - -»Goed, daarvan ben ik overtuigd,” riep zij levendig, »wij hebben -slechts een weinig geduld noodig; mijn vader, denk dat maar, zal -spoedig voor u gewonnen zijn.” - -De Tigrero glimlachte droevig. - -»Ik kan u toch niet zoo eindeloos in de prairie laten zwerven.” - -»Dat is zoo,” hervatte zij bezorgd. »Wat zullen wij doen?” - -»Ik weet het niet. Sedert twee dagen doen wij niets anders dan om de -kolonie heen zwerven, daar wij nauwelijks drie uren ver van verwijderd -zijn, zonder dat ik den moed heb om er binnen te trekken.” - -»Helaas!” mompelde het meisje. - -»Ach! doña Anita!” vervolgde hij op zekeren toon van moedeloosheid, -»waarom hebt gij toch zulk een vader?” - -»O spreek zoo niet,” riep zij hem schielijk de hand op den mond -leggende als om hem te doen zwijgen, »waarom zoudt gij wanhopen? God is -goed. Hij zal ons niet verlaten; wie weet hoe zich alles nog ten beste -keert, laten wij op Hem vertrouwen?” - -»Maar, mijne lieve,” riep hij hoofdschuddend, »onze toestand is -onhoudbaar. Langer zonder doel voorttrekken is onmogelijk. Uw vader, -hoe weinig hij ook met dit land bekend is, zal eindelijk zien dat ik -hem misleid, en dan kan ik niets meer bij hem uitrichten. Aan den -anderen kant, als ik de kolonie binnen trok, zou ik u terugbrengen -onder het juk van den man met wien men u dwingen wil te trouwen; tot -zulke eene schandelijke dwaasheid kan ik niet besluiten. O! ik zou -gaarne tien van mijne levensjaren geven om te weten wat ik doen moet.” - -Op dit oogenblik als had de hemel zijnen wensch gehoord en er -onmiddellijk op willen antwoorden zag de Tigrero, wiens oogen -werktuigelijk over de prairie weidden, waar alles thans in de diepste -duisternis gedompeld lag, op korten afstand tusschen de hooge -grashalmen een licht, op verschillende wijze herhaald, opsteken en -bepaalde telegraphische figuren in de lucht beschrijven. En op -hetzelfde oogenblik hoorde zijn geoefend oor zoo hij meende in de verte -het gehinnik van een paard. - -»Dat is iets buitengewoons,” mompelde hij in zich zelven. »Wat zou dat -beteekenen? Zou het een signaal zijn? Intusschen zijn wij hier alleen; -ik heb den ganschen dag geen spoor of teeken van menschelijk leven -ontdekt. En toch, dat licht en dat gehinnik, zoo onmiddellijk achter -elkander...?” - -»Wat schort u, mijn vriend!” vroeg doña Anita bezorgd. »Gij schijnt -ongerust; welk gevaar bedreigt ons? Zeg het vrij. Gij weet, ik ben -moedig, en bovendien wat zou ik vreezen daar ik u bij mij heb! Verzwijg -mij niets. Er is zeker iets buitengewoons, is het niet?” - -»Nu ja,” antwoordde hij ronduit, daar hij het toch niet voor haar kon -verbergen, »er gebeurt iets ongewoons; maar verontrust u niet, ik -geloof niet dat gij iets te vreezen hebt.” - -»Maar wat is het dan? Ik heb niets gezien.” - -»Kijk eens, daar ginds,” zeide hij, de hand uitstrekkende. - -Het meisje keek scherp uit, en zag nu wat de Tigrero reeds eenige -oogenblikken vroeger gezien had, een licht in de verte, dat als een -roode stip in de duisternis schitterde en zeer bepaalde lijnen -beschreef. - -»Dat is blijkbaar een signaal,” hernam de Tigrero, »daar moet iemand -verscholen zijn.” - -»Wacht gij dan iemand?” vroeg zij. - -»Bepaald niemand, en toch, ik weet niet waarom, geloof ik dat dit -signaal voor mij bestemd is.” - -»Ja, maar gij weet wel wij zijn in de prairie en worden waarschijnlijk -door een aantal Indiaansche jagers omringd; dus kan dat licht wel een -signaal zijn dat zij elkander geven.” - -»Neen, doña Anita, gij vergist u, wij worden althans op dit oogenblik -niet door Indiaansche jagers omringd; ik weet zeker dat wij hier alleen -zijn.” - -»Hoe kunt gij dat weten, vriend, daar gij geen oogenblik hier vandaan -zijt geweest om het te onderzoeken?” - -»Mijn lieve doña Anita,” antwoordde hij op ernstig nadrukkelijken toon, -»de prairie is een open boek, waarin Gods hand duizend geheimen heeft -opgeteekend, die de mensch, aan het leven der woestijn gewoon, er op -iedere bladzijde leest: de wind die door de takken ruischt, het water -dat over de keien der beek murmelt, de vogel die de lucht doorvliegt, -het hert of de bison die in de vlakte graast, de alligator die zich -omwentelt in het oeverslijk, zijn voor mij zoovele teekenen daar ik mij -nooit in vergissen zal. Sedert twee dagen hebben wij geen spoor of -teeken van de Roodhuiden ontdekt, de bisons en andere dieren die wij -ontmoetten graasden rustig en zonder mistrouwen; de vogels vlogen -ongestoord, en de alligators waren zoo diep onder het slib weggedoken -dat men ze bijna niet zien kon. Al deze dieren ruiken de nadering van -den mensch, vooral van den Indiaan reeds op verren afstand, en -nauwelijks hebben zij er de lucht van, of zij vluchten met allen spoed, -zoo groot is de vrees die de koning der schepping hun inboezemt. Ik -herhaal u, wij zijn alleen, gansch alleen; dat signaal is dus zeker -voor mij. En ziedaar, het begint op nieuw.” - -»’t Is waar, ik zie het duidelijk,” riep doña Anita. - -»Ik moet weten wat dit beduidt,” zeide hij, zijn geweer nemende. - -»O! don Martial; ik bid u, pas toch op! en wees voorzichtig. Denk om -mij,” vervolgde zij angstig. - -»Maak u niet ongerust, doña Anita, ik ben te lang woudlooper geweest om -mij door zulk een grove list te laten beet nemen; tot flusjes! ik kom -dadelijk weêr bij u.” - -Zonder verder naar het meisje te luisteren, dat hem met tranen en beden -zocht te weêrhouden, liep hij snel ofschoon behoedzaam den heuvel af. - -In de vlakte komende bleef hij staan, om te zien waar hij was en wat -hij verder doen moest. - -Zijn kamp lag op twee pijlschoten afstands van de Rio Gila bijna recht -tegenover een groot eiland, dat inderdaad uit eene enkele rots bestaat, -die ongeveer de gedaante van een mensch heeft en bijgevolg door de -Apachen de Meester des levens van den mensch is genoemd. - -Bij hunne invallen op Mexicaansch grondgebied zullen de Roodhuiden -nooit verzuimen dit eiland te bezoeken om er hunne offeranden te -brengen, eene ceremonie die hoofdzakelijk bestaat in dansen en daarbij -in het water werpen van tabak, dieren- of menschenhaar en vederen van -vogels. - -De bovengenoemde rots, die er in de verte zeer wonderlijk en -ontzagwekkend uitziet, is met twee holen doorboord, elk van twaalf -honderd schreden lang en veertig breed, en de kruin heeft den vorm van -een boog. - -Wat de opmerkzaamheid van den Tigrero bijzonder getroffen en hem -terstond had doen besluiten het vermeende signaal nader te gaan -onderzoeken, was dat het van dit eiland was uitgegaan, een ongewoon -verschijnsel, des te meer daar hij wist dat de Indianen voor dit eiland -eene bijgeloovige vrees koesteren, zoodat geen Roodhuid hoe dapper hij -ook wezen mocht gewaagd zou hebben er den nacht door te brengen. Zijne -bekendheid met die vrees had hem terstond bewogen om het geheimzinnig -signaal nader te onderzoeken. - -Er groeide hoog en dicht gras tot aan den rand der rivier. Daar komende -onder bedekking van dichte tot een ondoordringbaar warnet in elkander -gegroeide wortelboomen en waterwilgen, sloop de Tigrero behoedzaam naar -den vrij steilen oever, en toen hij dezen bereikt had, greep hij een -overhangenden tak en liet zich in het water zakken, zoodat zijne -indompeling geen het minste geplas maakte. - -Toen zijn geweer met de eene hand boven water houdende, om het voor nat -worden te bewaren, zwom hij met de andere hand de rivier over naar het -eiland. - -De afstand was kort, de Tigrero was een goed zwemmer, weldra bereikte -hij het punt waar hij wilde aanlanden. - -Nauwelijks was hij aan wal of hij ging op zijn buik liggen en kroop -door de struiken, zorgvuldig achtgevend op het minste geluid en zoo -scherp mogelijk rondziende in de duisternis. - -Hij zag of hoorde niets; nu stond hij op en liep naar een der holen en -grotten, aan welks ingang hij het schijnsel van een vuur zag blinken. -Bij dat vuur zat een man, met het hoofd op de beide handpalmen geleund, -zoo rustig te rooken alsof hij in een pulqueria te Guaymas gezeten was. - -Na dezen man eene minuut lang te hebben bespied, kon hij nauwelijks een -vroolijken uitroep bedwingen en trad hij zonder zich langer te -verbergen regelrecht naar hem toe. - -Hij had zijn ouden vertrouweling, Cuchares den lepero herkend. - -Het gedruisch der voetstappen van den Tigrero deed Cuchares opkijken. - -»Wel, wel! komt gij eindelijk, don Martial!” riep hij, »ik heb mij een -uur lang vermoeid met alle seinen te geven die ik bedenken kon, zonder -dat gij u verwaardigd hebt mij te antwoorden.” - -»Ja, mijn waarde,” zei de Tigrero vroolijk, »als ik had kunnen -vermoeden dat gij het waart, zou ik reeds lang hier zijn geweest; maar -ik was zoo ver van u te verwachten.” - -»Wel ingezien hebt gij gelijk, en in eene streek als hier kan men niet -te voorzichtig zijn.” - -»Maar zeg mij, is er wat nieuws?” hervatte de Tigrero terwijl hij dicht -bij het vuur plaats nam, om zijne druipnatte kleeren te drogen. - -»Caspita! of er wat nieuws is! anders zaagt gij mij zeker niet hier.” - -»Dat’s waar; gij zijt een goede kameraad, ik dank u dat gij gekomen -zijt; gij weet wel dat ik goed onthouden kan?” - -»Dat weet ik.” - -»Ter zake, zeg mij wat hebt gij mij mede te deelen; ik heb haast om uw -nieuws te hooren, en vooraf nog eene vraag.” - -»Welke?” - -»Is het goed?” - -»Onverbeterlijk; gij zult het zelf kunnen beoordeelen.” - -»Carai! als dat zoo is, neem dan dezen ring, dien ik niet verplicht was -u te geven voordat onze zaken geheel waren afgedaan; maar wees -verzekerd, als wij onze rekening sluiten, zal ik nog wel iets vinden -dat u bevallen zal.” - -De oogen van den lepero schitterden van blijdschap en begeerigheid; hij -nam den ring en borg hem bij den anderen dien hij eenige dagen te voren -ontvangen had. - -»Ik dank u,” zeide hij, »Vive Dios! Het is een pleizier om zaken met u -te doen: gij knibbelt ten minste niet.” - -»Thans uw nieuws.” - -»Hier is het, kort, maar goed. El señor conde, radeloos over het -verdwijnen zijner bruid, die hij meent dat door de Apachen is -opgelicht, heeft zich aan ’t hoofd zijner kompagnie gesteld, is van de -hacienda vertrokken en doorkruist thans de prairie in alle richtingen -om den Zwarte-Beer na te zetten.” - -»Carai! dat is de gelukkigste tijding die gij mij ooit brengen kondt. -En wat denkt gij nu te doen?” - -»Wel, wij zijn immers afgesproken dat el conde....” - -»Zonder twijfel!” viel de Tigrero hem in de rede; »maar dan moeten wij -hem eerst aantreffen, hetgeen naar ik meen thans niet gemakkelijk gaan -zal.” - -»Integendeel.” - -»Hoe dan?” - -»Wel, señor don Martial, zoudt gij mij nu de oneer willen aandoen van -te zeggen dat ik een pavo—een kalkoen—ben.” - -»Wel neen, compadre, maar....” - -»Maar gij denkt het toch; dan moet ik u tot mijn genoegen zeggen dat -gij u bedriegt; gedurende de weinige oogenblikken die ik in de hacienda -was, heb ik zooveel mogelijk navraag gedaan en mij goed laten -inlichten, en daar ik mij in mijn geleende kwaliteit als boodschapper -aanmeldde, heeft niemand eenig bezwaar gemaakt mij te antwoorden. Het -schijnt dat de Apachen in plaats van veld te winnen, door de Franschen, -daar zij in parenthesis den schrik van hebben gezet, zoo dapper zijn -afgeslagen dat zij zich naar de woestijn del Norte hebben -teruggetrokken, om hunne dorpen te bereiken; el conde zet hen na, niet -waar?” - -»Ja, dat hebt gij mij gezegd.” - -»Welnu, naar alle waarschijnlijkheid zal hij zich niet in die woestijn -durven wagen.” - -»Natuurlijk niet,” riep de Tigrero huiverend, »hoe dapper hij ook wezen -mag.” - -»Zeer goed! en dan kan hij slechts op één punt post vatten.” - -»Aan de Casa Grande!” riep don Martial schielijk. - -»Juist! Ik ben dus zeker dat ik hem daar ontmoeten zal.” - -»Slapperment! dan moet gij daar dadelijk heen.” - -»Ik ga op weg zoodra gij vertrokken zijt.” - -De Tigrero staarde hem met zekere verbazing aan. - -»Diablo! Cuchares,” riep hij een oogenblik later, »gij zijt een kordaat -man, ik acht mij gelukkig dat ik mij in u niet bedrogen heb.” - -»Wat belieft u,” antwoordde de schelm zedig terwijl hij met zijne -grijze oogen kwaadaardig knipte, »de betrekkingen die ik met u heb -aangegaan zijn zoo aangenaam dat ik de macht niet heb u iets te -weigeren.” - -Beiden schoten in een lach over dezen tamelijk dubbelzinnigen -kwinkslag. - -»Welnu, daar alles tusschen ons is afgesproken,” hervatte don Martial, -»kunnen wij scheiden.” - -»Hoe zijt gij hier gekomen?” vroeg de lepero. - -»Dat kunt gij dunkt mij wel zien, al zwemmende.... En gij?” - -»Op mijn paard. Ik zou u wel aanbieden u weder aan wal te brengen, maar -wij moeten elk een anderen kant uit.” - -»Voor het oogenblik nog niet.” - -»Denkt gij dan spoedig naar ginds te gaan?” - -»Waarschijnlijk,” riep hij met een dubbelzinnigen glimlach. - -»O! dan zullen wij elkander spoedig weêrzien.” - -»Ik hoop ja.” - -»Hoor eens, don Martial, daar ik zie dat uwe kleederen volkomen droog -zijn, zou het mij spijten als gij u voor de tweede maal moest nat -maken, ik geloof dat er eene prauw in de nabijheid is; gij weet dat de -Indianen die overal gereed hebben en ergens verbergen.” - -De Tigrero trad de grot in, keek rond en zag werkelijk een prauw, -ordelijk met de daarbij behoorende pagaaien tegen den wand geplaatst; -hij nam haar onbeschroomd op, en droeg haar op zijne schouders naar den -rivierkant. - -»Maar eer wij verder gaan, zeg eens, waarom hebt gij deze plaats -gekozen om bij mij te komen?” - -»Om niet gestoord te worden; of zou het u bevallen zijn, dat iemand ons -gesprek had beluisterd!” - -»Neen, dat stem ik u toe. Kom, tot weêrziens dan.” - -»Tot weêrziens!” - -De twee mannen scheidden, Cuchares om een verren tocht te beginnen, en -don Martial om naar zijn kampement terug te keeren. - -Zij hadden zich intusschen bedrogen, toen zij meenden door niemand -beluisterd te worden. - -Nauwelijks hadden zij het eiland verlaten en zich in verschillende -richting verwijderd, of er stak uit eene dichte massa dahlia’s en -floripondio’s aan den ingang der grot een leelijk hoofd op, dat -omzichtig links en rechts rondkeek; vervolgens, een oogenblik later, -werden de takken meer en meer uit elkander geduwd en volgde op het -hoofd het geheele lichaam, en weldra trad een Apache-Indiaan, als -oorlogsman beschilderd en gewapend te voorschijn. - -Die Indiaan was de Zwarte-Beer. - -»Ooah!” mompelde hij met een dreigend gebaar, »de bleekgezichten zijn -honden, de Apachen-krijgslieden zullen hen op den voet volgen.” - -Nadat hij nog een poosje den helderen sterrenhemel had aangekeken ging -hij de grot in. - -Intusschen had de Tigrero zijn kamp weder bereikt. - -Doña Anita, ongerust over zijn lang uitblijven, wachtte hem met -angstige bezorgdheid. - -»Wel?” vroeg zij, hem te gemoet snellende, zoodra zij hem zag aankomen. - -»Goed nieuws,” antwoordde hij. - -»O, wat heb ik in angst gezeten.” - -»Ik zeg u dank, het is juist gegaan zoo als ik verwacht had; het -signaal was werkelijk voor mij.” - -»Dat....” - -»Ik heb een vriend ontmoet die mij de middelen heeft verschaft om uit -de valsche stelling te geraken waarin wij ons bevinden.” - -»Op welke wijs?” - -»Verontrust u over niets, zeg ik u en laat mij begaan.” - -Het meisje gehoorzaamde stilzwijgend en ondanks hare nieuwsgierigheid, -verwijderde zij zich in de jacal,—eene hut van samengevlochten -takken—die voor haar was gereed gemaakt, zonder don Martial verder te -vragen wat er van was. - -In plaats van te slapen vlijde de Tigrero zich onder een boom neer, -kruiste de armen op de borst en bleef onbeweeglijk zitten, in sombere -gepeinzen verzonken tot de dag aankwam. - -Met het opgaan der zon stond hij op, stapte eenige malen op en neder om -de stramme vadsigheid van den nacht te verdrijven en riep zijne -kameraden. - -Tien minuten later hervatte de kleine troep weder den marsch. - -»O ho! don Martial, wat zijt gij er vroeg bij, dezen morgen,” riep de -haciendero. - -»Hebt gij dan niet opgemerkt dat wij vooraf niet ontbeten hebben, zoo -als wij anders alle dagen deden?” - -»Caramba, neen!” - -»Weet gij waarom? ’t Is omdat wij heden te Guetzalli zullen ontbijten, -daar wij over twee uren aankomen.” - -»Ah! te weerga!” riep de haciendero, »dat hoor ik met bijzonder -genoegen.” - -»Niet waar?” - -»Ik verzeker u van ja.” - -Doña Anita had toen zij dit gesprek hoorde don Martial een ongerusten -blik toegeworpen, maar zijn gelaat stond zoo kalm en hij glimlachte zoo -vroolijk, dat zij onmiddellijk tot bedaren kwam, wel vermoedende dat de -stilzwijgendheid van den Tigrero te haren opzichte haar eene aangename -verrassing wilde bereiden. - -Zooals don Martial gezegd had, kwam de karavaan twee uren later -werkelijk aan de kolonie. - -Nauwelijks waren zij door de schildwachts herkend, of de valbrug aan de -landengte werd neergelaten en zij reden de hacienda binnen, waar zij -met al de vereischte eerbewijzen ontvangen werden. - -Doña Anita, die geen oog van den Tigrero af had, werd beurtelings bleek -en rood, daar zij zijne volkomen bedaardheid volstrekt niet begreep. - -Zij stapten af op de tweede binnenplaats, voor de groote deur. - -»Waar is toch de graaf de Lhorailles?” vroeg don Sylva, ten hoogste -verwonderd dat hij zijn aanstaanden schoonzoon niet zag verschijnen om -hem naar behooren te ontvangen. - -»Mijnheer de graaf zal wanhopig zijn als hij hoort dat gij zijt -teruggekomen terwijl hij afwezig is,” antwoordde de majordomo met een -stroom van verontschuldigingen. - -»Is hij dan van huis?” - -»Ja, señoria.” - -»Maar komt hij spoedig terug?” - -»Dat denk ik niet; de kapitein is vertrokken aan het hoofd van zijne -gansche compagnie, om de Roodhuiden te vervolgen.” - -Dat bericht klonk don Sylva als een donderslag. - -De Tigrero en doña Anita wisselden een blik van genoegen. - - - - - - - - - -XX. - -IN DEN ZADEL. - - -De groote zandwoestijn del Norte is de Sahara van Amerika, misschien -minder uitgestrekt, maar veel doodscher en akeliger dan die van Afrika. - -Daar vindt men nog lachende oasen, door prachtige boomgroepen -overschaduwd en door koele bronnen verfrischt. Maar in del Norte niets -van dat alles. Onder een hemel als van geel koper strekken zich -onmetelijke vlakten uit van vaalgrijs zand, van horizont tot horizont, -in iedere richting zand, niets dan zand; een fijn ontastbaar zand of -veeleer fijn stof, dat de wind in groote wolken opjaagt, verplaatst en -er mede voortwervelt, zoodat de gedaante der woestijn gedurig verandert -en telkens nieuwe valleien gegraven en nieuwe heuvels worden opgehoopt, -zoo vaak de ontzaglijke cordonazo er den mullen grond omwoelt. - -Grauwe rotsen, met een schraal en verschroeid mos bedekt, steken hier -en daar de kale kruinen omhoog te midden van dezen chaos, die sinds het -uur der schepping nog niet van gedaante veranderd is. - -De bison, de asshata, de snelle antilope ontvluchten deze woestijn, -waar de mulle bodem hunne pooten weigert te dragen; de gieren alleen, -met hun bloedig en loerend oog, vliegen bij troepen in dit -onherbergzaam gewest om er een zeldzamen maar zekeren buit te zoeken; -want deze woestenij is zoo vreeselijk, dat de Indianen zelven er zich -niet dan sidderend in wagen en haar zoo snel mogelijk doortrekken, -wanneer zij naar hunne dorpen terug moeten na eenen rooftocht op -Mexicaansch grondgebied; maar ondanks hunnen ongelooflijk snellen loop -teekent zich hun spoor in eene onuitwischbare reeks van geraamten van -muildieren en paarden, die zij bij gebrek aan voedsel verplicht zijn -aan hun lot over te laten, en wier gebeente op den naakten bodem ligt -te verbleeken en te verkalken, tot de van nieuws ontboeide storm het -als met een doodskleed van zand bedekt. - -En toch, als had de hand des Scheppers, gelijk overal, ook in de dorre -woestijn hare zorgende almacht willen ten toon spreiden, ziet men, bij -zeer groote tusschenruimten,—o wonderbare verschijning! half in het -zand begraven, te midden der ordeloos daarheen geworpen rotsen, een -krachtigen boom oprijzen, met vervaarlijk dikken stam, die wellicht den -storm van 10 à 20 eeuwen heeft getrotseerd en wiens dicht gebladerte -den matten reiziger onder zijne schaduw eenige rust schijnt te willen -bieden. - -Zulke boomen echter verlevendigen de doodelijke vlakte niet dan mijlen -ver van elkander, en nooit of althans zeer zelden zal men er twee op -dezelfde plaats bijeen vinden. - -Deze patriarchen der woestijn, eerwaardig door ouderdom en majestueuze -eenzaamheid, worden door de jagers en woudloopers op hoogen prijs -gesteld, en door de Indianen schier afgodisch vereerd. - -Doch wij herhalen het, behalve deze weinige mijlpalen, als onmerkbare -stippen in de onmetelijke ruimte verloren, ziet men geen planten noch -dieren in de gansche del Norte, niets dan zand, altoos zand. - -De Casa Grande van Montecuzoma, waar in dezen oogenblik de -vrijcompagnie van den graaf de Lhorailles gekantonneerd lag, verhief -zich, en verheft zich waarschijnlijk thans nog, aan de uiterste grens -der prairie, hoogstens twee mijlen van de zandwoestijn. - -De lijn van afscheiding tusschen deze twee gewesten is scherp en stout -afgeteekend. - -Aan de eene zijde eene weelderig rijke en door overvloed van sap en -groeikracht gekenmerkte plantenwereld; vroolijk groenende vlakten, -bedekt met hoog en dicht gras, waarop dieren van allerlei soort weide -en voedsel vinden; het zingen der vogels, het geschuifel der slangen, -het loeien der bisons, het gonzen van duizende insekten, in een woord, -het groote, krachtige, bovenal lustig werkzame leven dat door al de -poriën dezer gezegende natuur heendringt en ademt. - -Aan de andere zijde eene eeuwige stilte des doods, een grauwe horizont, -een oceaan van zand, welks onrustige golven van alle kanten -voortdringen om de prairie te veroveren; maar geen struik of grashalm -hoe gering ook, geen wortel, geen mos, niets dan stuivend zand! - -In de Casa Grande, na zijn gesprek met Cuchares, had de graaf zijne -officieren teruggeroepen, en zich weder met hen vereenigd in vroolijk -gezwets, gedrink en gelach. - -Eerst laat in den nacht stond men van tafel op om zich ter rust te -begeven. - -Cuchares alleen sliep niet, hij lag te denken. Wij weten reeds, -nagenoeg althans, met welk doel hij den graaf in de Casa Grande was -komen bezoeken. - -Met zonsopgang klonk de trompet voor de morgenwaak. - -De soldaten rezen op van den bedauwden grond, waar zij geslapen hadden, -rekten hunne stramme leden en haastten zich om de nachtkoude te -verdrijven, door het verzorgen der paarden en het maken der noodige -toebereidselen voor den ochtendmaaltijd. - -Binnen weinige minuten had het kamp dien levendigen en vroolijken toon -aangenomen, die alle soldaten en inzonderheid de Fransche kenmerkt -wanneer zij te velde zijn getrokken. - -In de ruime zaal der Casa Grande zaten de graaf en zijne luitenants op -uitgedroogde bisonsschedels en hielden samen raad; de beraadslaging -werd bijzonder levendig. - -»Binnen een uur,” zei de graaf, »gaan wij weder op marsch, wij hebben -twintig muildieren beladen met levensmiddelen, tien met drinkwater, en -acht met oorlogsbehoeften; derhalve hebben wij niets te vreezen.” - -»Dat is in zooverre waar, señor conde,” merkte de capataz aan, -»maar....” - -»Wat bedoelt gij daarmede?” - -»Wij hebben geen gidsen.” - -»Wat zouden wij met gidsen doen?” riep de graaf driftig, »wij behoeven -het spoor der Apachen slechts te volgen, dat is dunkt mij voldoende.” - -Blas Vasquez schudde het hoofd. - -»Gij kent de del Norte niet, señoria,” sprak hij ronduit. - -»Dat doe ik ook niet; het is de eerste maal dat de omstandigheden er -mij heen voeren.” - -»Gij moogt den hemel bidden dat het niet tevens de laatste zij.” - -»Wat zegt gij daar?” riep de graaf inwendig huiverend. - -»Heer graaf, de del Norte is geen wildernis maar een draaikolk van -wielend zand; de minste windvlaag in deze doodsche vlakte jaagt het -zand in wolken omhoog en verzwelgt menschen en paarden, zonder een -spoor van hen over te laten; alles verdwijnt er en wordt voor eeuwig -als onder een doodkleed van zand begraven.” - -»Wel, wel!” riep de graaf nadenkend. - -»Geloof mij, heer graaf,” vervolgde de capataz, »ik raad u stellig af u -met uw dappere kompagnie in die onverbiddelijke woestijn te wagen; -niemand van u zou er weder uitkomen.” - -»Ondertusschen, de Apachen zijn ook menschen; zij zijn immers niets -dapperder, noch beter gewapend dan wij?” - -»Dat geef ik toe.” - -»Welnu, en die trekken de del Norte wel door, van het noorden naar het -zuiden en van het oosten naar het westen, en dat niet eens in het jaar -maar tienmaal, ja zoo dikwijls het hun in den zin komt.” - -»Weet gij tot welken prijs dit geschiedt, heer graaf? hebt gij de -lijken geteld die zij langs den weg achterlaten, als treurige -merkteekens waar zij geweest zijn? En buitendien, gij kunt u niet met -de Roodhuiden gelijk stellen, voor wie de woestijn geene geheimen meer -heeft, zij kennen haar in volle lengte en breedte.” - -»Dus beweert gij,” riep de graaf ongeduldig, »dat....” - -»Dat de Apachen door u herwaarts te lokken en door u twee dagen geleden -aan te vallen, u een strik zoeken te spannen; zij willen u verleiden om -hen in de woestijn te volgen, wel verzekerd niet alleen dat gij hen -nooit zult inhalen, maar dat gij en al uw volk er uw gebeente zult -laten.” - -»Gij zult mij intusschen moeten toestemmen, mijn waarde don Blas, dat -het al zeer vreemd zou zijn, als er van al uwe peons geen enkele te -vinden was die ons door de woestijn den weg kan wijzen. Wat duivel! het -zijn toch Mexicanen.” - -»Ja señoria, maar ik heb naar ik meen reeds meermalen de eer gehad u te -doen opmerken, dat al deze lieden costenos, dat wil zeggen kustbewoners -zijn, die vroeger nooit zoo diep in het binnenland zijn gedrongen.” - -»Wat moeten wij dan doen?” riep de graaf weifelend. - -»Naar de kolonie terugkeeren,” hernam de capataz; »ik zie er niets -anders op.” - -»En don Sylva dan en doña Anita, moeten wij die maar laten varen?” - -Blas Vasquez fronste de wenkbrauwen, zijn gelaat betrok zichtbaar, -terwijl hij met een bewogen stem en op ernstigen toon antwoordde: - -»Señoria, ik ben op het erf van de familie de Torres geboren, niemand -kan sterker met lijf en ziel aan de beide door u genoemde personen -verknocht zijn, dan ik. Maar niemand is tot het onmogelijke verplicht. -De woestijn in te trekken, onder zulke omstandigheden als waarin wij -ons bevinden, zou zijn God te verzoeken; wij mogen op geen wonderen -rekenen en een wonderwerk alleen zou ons kunnen redden.” - -Er volgde een poos stilte, de woorden van den eerlijken capataz hadden -op den graaf een indruk gemaakt, dien hij te vergeefs zocht meester te -worden. - -De lepero bemerkte zijne aarzeling en trad terstond naderbij. - -»Waarom,” vroeg hij op fleemenden toon, »hebt gij mij niet gezegd dat -gij een gids noodig hadt, señor conde?” - -»Waarom zou ik u dat gezegd hebben?” - -»’t Is waar ook, het was eigenlijk niet noodig, daar ik mij reeds als -gids verbonden had om u naar don Sylva te geleiden, dat waart gij zeker -vergeten.” - -»Weet gij dan den weg?” - -»Ja! ten minste zoo goed als iemand hem kennen kan die hem slechts -tweemaal gegaan is.” - -»Vive Dios!” riep de graaf, »dan kunnen wij voorwaarts en er is geen -reden meer om ons langer op te houden.” - -»Diego Leon, laat onmiddellijk in den zadel blazen, en gij, mijn brave -kameraad, wees onze gids, gij zult ondervinden dat ik niet ondankbaar -ben.” - -»O, Señor conde, gij kunt u gerust op mij verlaten,” antwoordde de -lepero met een dubbelzinnigen lach, »ik verzeker u dat ik u brengen zal -waar gij wezen moet.” - -»Dat is al wat ik van u verlang.” - -Blas Vasquez, met het gewone instinkt van wantrouwen dat alle eerlijke -zielen is aangeboren en terstond spreekt wanneer zij met slechte -karakters in aanraking komen, gevoelde voor den lepero onwillekeurig -een onverwinnelijken afkeer. Deze afkeer bezielde hem reeds van het -eerste oogenblik dat Cuchares den vorigen avond in de zaal verscheen. -Hij hield hem dus scherp in ’t oog terwijl hij met den graaf de -Lhorailles sprak, en zoodra de lepero zweeg gaf hij den graaf een wenk. -Deze kwam ongemerkt naar hem toe. - -De capataz ging met hem naar een afgelegen hoek der zaal en fluisterde -hem in ’t oor: - -»Wees op uwe hoede, kapitein, die kerel bedriegt u.” - -»Weet gij dat zeker?” - -»Neen, maar ik ben er van overtuigd.” - -»Hoe dat?” - -»Eene inwendige stem zegt het mij.” - -»Hebt gij er het bewijs voor?” - -»Geen het minste.” - -»Loop heen dan, gij zijt dwaas, de vrees benevelt uw verstand.” - -»De hemel geve dat ik mij niet bedrieg!” - -»Hoor eens, vriend, gij zijt niet verplicht ons te volgen. Blijf hier -gerust op ons wachten, dan kunt gij de gevaren ontgaan die gij meent -dat ons bedreigen.” - -De capataz richtte zich fier op in zijne volle lengte, en zei met een -blik vol majesteit maar zoo koel en bedaard mogelijk: - -»Het is genoeg, don Gaëtan. Ik heb het mijne gedaan door u te -waarschuwen zooals mijn geweten dat gebood. Gij wilt mijn raad niet -aannemen, dat staat u vrij, ik heb mijn plicht naar behooren gedaan. -Gij wilt voorwaarts trekken; ik zal u volgen en hoop u weldra te -bewijzen, dat terwijl ik voorzichtig was, ik tevens wanneer het wezen -moet zoo dapper ben als de dapperste.” - -»Ik zeg u dank,” antwoordde de graaf, hem met warmte de hand drukkende, -»ik dacht wel dat gij mij niet verlaten zoudt.” - -Op dit oogenblik verhief zich buiten de zaal een geweldig leven, en -stormde de luitenant Diego Leon driftig de zaal binnen. - -»Wat is dat, luitenant?” vroeg hem de graaf gestreng, »hoe zijt gij zoo -verschrikt en waarom komt gij zoo onstuimig binnen?” - -»Kapitein,” antwoordde de luitenant met eene hijgende stem, »de -kompagnie is in opstand.” - -»Wat! wat zegt gij daar, luitenant, zijn mijne ruiters oproerig?” - -»Ja, kapitein.” - -»Ha!” riep hij op zijn knevel bijtende, »en waarom zijn zij oproerig, -als ik verzoeken mag?” - -»Omdat zij de woestijn niet in willen.” - -»Willen zij niet,” herhaalde de graaf met nadruk op ieder syllabe, -»weet gij wel zeker wat gij daar zegt, luitenant?” - -»Ik zweer het u, kapitein, hoor maar hoe zij te werk gaan.” - -Werkelijk hoorde men daar buiten vloeken, razen en tieren en werd het -rumoer met ieder oogenblik sterker zoo dat het eindelijk hoogst -bedenkelijk scheen. - -»O ho! dat wordt dunkt mij ernstig,” hervatte don Gaëtan. - -»Ernstiger dan gij denkt, kapitein; ik zweer u, de gansche kompagnie -slaat aan ’t muiten, de rebellen hebben hunne geweren geladen, zij -omsingelen het huis en doen niets dan schreeuwen en dreigen, zij zeggen -dat zij u spreken willen en zweren dat zij goedschiks of kwaadschiks -verkrijgen zullen wat zij verlangen.” - -»Dat zou ik wel eens zien willen,” zei de graaf altoos bedaard terwijl -hij reeds naar de deur trad. - -»Blijf hier, kapitein!” riepen de officieren hem vooruitsnellend om hem -tegen te houden; »de manschappen kennen zich zelven niet, het zou u een -ongeluk kunnen kosten.” - -»Loop heen, mijne heeren!” antwoordde hij, hen met een koelzinnigen -wenk terugwijzend, »gij zijt dwaas: zij kennen mij nog niet, ik zal die -bandieten toonen dat ik waard ben hen te kommandeeren.” - -Zonder naar verdere afmaning te hooren, trad hij bedaard en met fermen -tred de zaal door en naar buiten. - -Wat er gebeurd was laten wij hier volgen. - -De peons van Blas Vasquez hadden sedert de laatste dagen, terwijl zij -met de kompagnie van don Gaëtan in de ruïnen bivakkeerden, aan de -Franschen, niet zonder de noodige overdrijving, allerlei sombere en -akelige historie’s nopens de woestijn del Norte verteld en over dit -verwenscht gewest bijzonderheden aan ’t licht gebracht, die wel in -staat waren om den stoutsten het haar te doen stoppelen. -Ongelukkigerwijs kampeerde de kompagnie zoo als wij reeds gezegd hebben -nauwelijks twee mijlen ver van de del Norte; zoo dat bij het maken van -kleine uitstappen, de sombere aanblik der woestijn aan de akelige -voorstelling die hun door de peons gegeven was niet weinig kracht -bijzette. - -Al de soldaten van den graaf de Lhorailles waren fransche Dauph’yeers, -meerendeels lieden zonder eer of geweten, onverlaten door merg en been, -maar dapper en, even als alle andere Franschen, gemakkelijk op te -winden of op te ruien en even gereed ten kwade als ten goede. Sedert -zij zich onder het kommando van den graaf de Lhorailles bevonden, had -hij hen bij meer dan eene gelegenheid onversaagd tegen den vijand zien -aanrukken, en toch gehoorzaamden zij hem niet dan met zekeren weerzin. - -De graaf de Lhorailles bezat in hun oog groote gebreken: vooreerst dat -hij graaf, ten tweede dat hij te beschaafd was, zijne stem was hun te -zacht, zijne manieren waren te kiesch en te verwijfd; zij konden zich -niet verbeelden dat zulk een fijn edelman, zoo keurig gekleed, gedast -en gehandschoend in staat was hen groote dingen te doen uitrichten, zij -hadden liever een kommandant gezien van krachtigen bouw, ruwe stem, en -brutale manieren, met wien zij alzoo meer op zekeren voet van -gelijkheid stonden. - -Vroeg in den morgen was onder hen het gerucht verspreid, dat het kamp -zou worden opgebroken en dat de kompagnie met allen spoed de woestijn -zou intrekken om de Apachen te vervolgen. - -Reeds dadelijk waren er samenscholingen gevormd, scherpe aanmerkingen -gemaakt en de hoofden warm geworden; weldra begon de weêrstand zich in -stilte te organiseeren, en toen de luitenant Diego Leon werkelijk order -kwam brengen om het kamp op te breken werd hij met gelach, gefluit en -spotternij ontvangen, men had hem zotte vragen gedaan en beschimpt, -kortom hij zag zich eindelijk genoodzaakt voor de onlusten en -opschudding te wijken en naar den kapitein terug te keeren, om van den -verkeerden loop der zaken verslag te doen. - -In zulke omstandigheden zijne kalmte of zelfbeheersching te verliezen -of voor het oproer plaats te ruimen, is het grootste gebrek dat een -officier bezitten kan: hij moet zich desnoods liever laten dooden dan -een duim breed uit den weg te gaan. - -Bij oproer voert de eerste inwilliging gereedelijk tot meerdere en dan -moet onvermijdelijk het volgende gebeuren: dat de rebellen hun eigen -sterkte beginnen op te nemen en tegelijkertijd hunne officieren gaan -schatten; zij gevoelen welk een overwicht de brutale kracht hen voor -het oogenblik reeds geeft en maken onmiddellijk misbruik van de -zwakheid of werkeloosheid hunner chefs, niet om een eenvoudige -wijziging ten gunste hunner grieven te bewerken maar veeleer om een -radicale verandering te vorderen. - -Dit was ook werkelijk hier het geval: nauwelijks had de luitenant zich -verwijderd, of men beschouwde zijn vertrek reeds als een overwinning. -De soldaten begonnen voort te redeneeren, onder opruiing, zoo als -gewoonlijk, door diegenen onder hen, die het vlugste babbelen of het -hardste schreeuwen konden; het was nu niet langer weigeren om de -woestijn in te trekken, maar men zou andere officieren benoemen en -dadelijk naar de kolonie terugkeeren; de geheele staf moest worden -veranderd, en de officieren gekozen bij stemming, door de soldaten -zelf, en vooral dezulken die bij hunne kameraden het meeste vertrouwen -genoten, dat is, vaak de meest partijdige, waanwijze en verwardste -stijfhoofden. - -De gisting had thans haar hoogste punt bereikt: de soldaten zwaaiden -woest met de wapens, en voeren uit in de grofste bedreigingen tegen den -graaf en zijne luitenants. - -Op eens ging de deur der Casa Grande open en de graaf trad naar buiten. - -Hij was bleek maar kalm, en liet zijn vasten blik rondgaan over de -muitende menigte, die om hem heen tierde en bulderde. - -»De kapitein! daar is de kapitein!” riepen eenigen der soldaten. - -»Laten wij hem een kop kleiner maken!” riepen anderen. - -»Weg met hem! dood hem!” brulden sommigen. - -Allen stormden met blanke wapens en onder het uitbraken van -dreigementen en verwenschingen op hem af. - -De graaf deinsde niet terug, integendeel deed hij een stap vooruit. - -Hij had een fijne sigaar van maïsstroo in den mond en rookte met al de -regelmatigheid van een saletjonker die gereed is zijn middagslaapje te -doen. - -Er is niets dat de oproerige massa meer ontzag inboezemt dan -koelbloedigheid en moed zonder praalvertooning. - -Er volgde een tempo in den opstand. - -De muitende menigte kwam voor een oogenblik tot staan. - -De kapitein en zijne soldaten beschouwden elkander als twee tijgers, -die hunne wederzijdsche krachten meten, alvorens den sprong te wagen om -elkander te verscheuren. - -De graaf maakte zich het oogenblik der door hem te weeg gebrachte -stilte ten nutte om het woord te nemen. - -»Wat wilt gij?” vroeg hij met een kalme stem, terwijl hij bedaard de -sigaar uit zijn mond nam, en met helderen blik het blauwe rookzuiltje -volgde dat krullend omhoog steeg. - -Bij deze vraag van hun kapitein was de eerste indruk der begoocheling -gebroken; het geschreeuw en getier begon met verdubbelde woede, de -muiters waren over zich zelven verontwaardigd dat zij zich een -oogenblik door de ferme houding van den kapitein hadden laten -beteugelen. - -Allen spraken te gelijk; zij bestormden den graaf aan alle kanten, -trokken hem links en rechts, om het eerst gehoor te krijgen. - -Ingesloten, gedrongen, gesleurd door zoo vele kerels, die alle -krijgstucht vergetende zich zeker waanden van straffeloosheid, in een -land waar geen openbare gerechtigheid bestaat anders dan in naam, -verloor de graaf nochtans zijne zelfstandigheid niet en bleef zijne -koelbloedigheid zich volkomen gelijk. - -Hij liet de soldaten eenige minuten met vlammende blikken en schuimende -lippen naar hartelust schreeuwen en uitrazen; eerst toen hij dacht dat -het lang genoeg had geduurd hervatte hij met een even kalme en bedaarde -stem als den vorigen keer: - -»Mijne vrienden, ’t is niet mogelijk om langer op deze wijs gesprek te -voeren; ik begrijp geen woord van al wat gij zegt. Laat een uwer -kameraden zich belasten met mij uit aller naam uwe grieven voor te -stellen; en indien ik ze billijk en gegrond vind zal ik er recht op -doen, weest daarvan verzekerd.” - -Na deze woorden luid en krachtig te hebben uitgesproken, plaatste de -graaf zich met den schouder tegen den deurpost geleund, kruiste de -armen op de borst en begon weder rustig zijne sigaar te rooken, in -schijn onverschillig voor al wat er omging. - -De koelbloedigheid en fermiteit door den graaf de Lhorailles van het -begin af aan den dag gelegd, had reeds goede vruchten gedragen; hij had -een aantal harten onder zijne beste soldaten gewonnen; wel is waar -durfden deze nog niet openlijk voor hun chef partij kiezen, maar -ondersteunden toch met warmte het door hem gedane voorstel. - -»De kapitein heeft gelijk,” zeiden zij; »als wij zoo voortgaan hem -allen te gelijk een hoop zotteklap in de ooren te toeten, is het niet -mogelijk dat hij er een woord van begrijpt.” - -»Wat de kapitein eischt is niet meer dan billijk,” herhaalden anderen, -»hoe kan hij ons recht doen als wij hem niet klaar en duidelijk -uiteenzetten wat wij willen.” - -Het oproer had dus een grooten stap achterwaarts gedaan, het sprak -reeds niet meer van het afzetten der officieren, maar bepaalde zich met -aan den kapitein om recht te vragen. - -Eindelijk, na veel over en weder sprekens tusschen de muiters -onderling, werd een van hen aangewezen om voor allen het woord te -voeren. - -Dit individu, kort en gezet van gestalte, vierkant van schouders, -forsch gespierd van leden, met een schelmachtig gezicht, opgeluisterd -door twee kleine grijze oogen, die fonkelden van list en -kwaadaardigheid, kortom, een slecht sujet door en door, de type van een -avonturier der laagste klasse bij wien alles zich oploste in moord en -plundering. - -Deze man, bekend onder den naam van Curtius, was Parijzenaar van -geboorte, een gewezen straatjongen uit de voorstad Saint-Marceau. Oud -soldaat, oud matroos, kende hij alle vakken, behalve misschien dat van -eerlijk man. Sedert zijne komst in de kolonie had hij zich steeds -onderscheiden door zijne oproerigheid, brutaalheid en vooral door zijne -pochende grootspraak. Hij beroemde zich dat hij acht dooden schuldig -was, met andere woorden, dat hij acht maal een manslag had begaan. -Onwillekeurig waren zijne kameraden bang voor hem. - -Toen zij hem hadden aangewezen om voor allen het woord te voeren, wierp -hij met een vuiststoot zijn hoed op een oor en riep tegen zijne -kameraden op schamperen toon: - -»Gij zult eens zien hoe ik dat varken zal wasschen!” en hiermede stapte -de ploert half dansend, half sluipend naar den kapitein, die hem zag -naderen en in het oog hield met een onbeschrijfelijken glimlach op de -lippen. - -Plotseling was de woelige menigte doodstil geworden, alle harten -klopten sterker, de aangezichten stonden angstig, ieder gevoelde -werktuigelijk dat er iets buitengewoons en beslissends gebeuren zou. - -Toen Curtius den kapitein tot op twee passen genaderd was, bleef hij -staan en nam hij zijn kommandant op van het hoofd tot de voeten op een -alleronbeschaamdste manier. - -»Als ik het zeggen moet, kapitein,” begon hij, »is dit de zaak....” - -De graaf liet hem den tijd niet om voort te gaan; maar trok op eens een -pistool uit zijn gordel, en schoot er hem mede door het hoofd. - -De bandiet rolde in het stof met een gebroken schedel. - -De graaf stak zijn revolver weder weg en keek koelbloedig rond. - -»Is er nog iemand die iets te zeggen heeft,” vroeg hij met eene ferme -stem. - -Geen van hen durfde bijna te ademen, de bandieten waren op eens -lammeren geworden. - -Zij bleven zwijgend staan voor hun chef als boetelingen voor hun -meester; zij hadden hem begrepen. - -De graaf meesmuilde minachtend. - -»Neem dat kreng weg,” zeide hij terwijl hij met den voet tegen het lijk -schopte, »wij zijn Dauph’yeers; wee! die de termen van ons contract -durft schenden, ik dood hem als een hond; hangt dezen ellendeling op -met de beenen aan een boom, dan mogen de gieren hem verslinden. Binnen -tien minuten geef ik het sein om op te zitten, wee hem die niet gereed -is!” - -Na deze verpletterende toespraak ging de graaf weder in huis met -denzelfden vasten tred als hij er uit was gekomen. - -Het oproer was gestild, de woeste bandieten hadden den ijzeren klauw -gevoeld die onder den fluweelen handschoen verborgen zat, thans waren -zij voor altijd getemd en zouden zij zich laten dooden zonder een -klacht te durven uiten. - -»Het moet gezegd worden,” mompelden de soldaten onder elkander, »de -kommandant is een ruwe gast, zijne oogen zullen niet licht overloopen.” - -Ieder haastte zich nu om voor het vertrek gereed te zijn. - -Tien minuten daarna, zoo als hij had aangekondigd, verscheen de -kapitein weder; de kompagnie zat reeds in den zadel en stond in orde -geschaard en gereed om op marsch te gaan. - -De kapitein glimlachte en gaf order om te vertrekken. - -»Hm!” bromde Cuchares in zich zelven, »’t is wel jammer dat don Martial -zulke schoone diamanten heeft. Anders zou ik hem, na hetgeen ik hier -gezien heb, gaarne zijn woord teruggeven.” - -Weldra was de gansche vrijkompagnie, met den kapitein aan het hoofd, -verdwenen in de stofwolken van de woestijn del Norte. - - - - - - - - - -XXI. - -DE BEKENTENIS. - - -De haciendero en zijne dochter hadden de kolonie verlaten onder eskorte -van don Martial en de vier peons die laatstgenoemde in dienst had -genomen. - -De kleine troep reed westwaarts, in dezelfde richting als de -vrijkompagnie van den graaf de Lhorailles, toen deze de Apachen op hun -spoor ging vervolgen. - -Don Sylva maakte des te meer spoed om bij de Franschen te komen, daar -hij wist dat hun tocht geen ander doel had dan hem en zijne dochter uit -de macht der Roodhuiden te verlossen. - -De reis ging treurig en zwijgend. Naarmate de karavaan de woestijn -naderde, kreeg het landschap allengs dat voorkomen van somberen ernst -en eenzame grootheid, dat onwillekeurig op het gemoed van den reiziger -werkt en hem in eene soort van neerslachtigheid dompelt daar hij zich -niet boven weet te verheffen. - -Geen lachende weiden of bebouwde akkers meer, geen pachthoeven, hutten -of jacals, geen reizigers zelfs op den weg die u met toegenegen blik of -vriendelijken groet in ’t voorbijgaan eene goede reis wenschten, maar -integendeel een woest en oneffen terrein, afgebrokkelde rotsgronden, -holle wegen, diepe donkere valleien, en ondoordringbare bosschen, met -wilde dieren bevolkt, wier fonkelende blik u als een vurige kool van -achter de dicht ineengestrengelde lianen of uit het warrige -kreupelbosch en het hooge prairiegras tegenloert. - -Van tijd tot tijd zagen de reizigers het breede spoor door de Franschen -nagelaten, kenbaar aan de menigte paardenhoeven in het vochtige zand of -in het plat getreden gras; maar dan veranderde het terrein plotseling -van gedaante en ieder spoor was onherroepelijk verdwenen. - -Iederen avond, nadat de Tigrero een mijl in het rond in de bosschen en -struiken eene soort van klopjacht had gehouden om het verscheurende -gedierte te verdrijven, werd het kamp hetzij op een heuvel of aan den -oever eener beek opgeslagen, de vuren ontstoken, een hut van takken -gebouwd om doña Anita tegen de nachtkoude te beschutten; en dan, na een -sober avondmaal, wikkelde ieder zich in zijne fressada of zarape en -sliep in tot den volgenden morgen. - -Het eenige wat nu en dan in dit eentonige leven eenige afwisseling -bracht, was het voorbijspringen van een eland of damhert, dat dan door -don Martial en zijne vier peons in vliegenden galop werd vervolgd tot -het arme dier, soms eerst na eene jacht van twee of drie uren, -achterhaald en gedood werd. - -Maar vroolijke gesprekken of vertrouwelijke mededeelingen die zoo -geschikt zijn om eene verre en vervelende reis te bekorten, waren niet -meer aan de orde. - -De reizigers bewaarden jegens elkander een somber en achterhoudend -stilzwijgen, dat niet slechts alle gemeenzaamheid maar zelfs alle -vertrouwen den pas afsneed. Zij spraken niet tot elkander dan in geval -van volstrekte noodzakelijkheid, en dan nog werden slechts eenige -karige woorden gewisseld. - -De reden hiervan was niet ver te zoeken, elk dezer drie personen had -voor den anderen een geheim te bewaren dat hun zwaar op het hart woog -en daar zij zich inwendig over schaamden. - -De mensch is van nature een onvolmaakt en zondig schepsel, niet geheel -en al slecht, en nog veel minder volkomen goed, maar eene wonderlijke -mengeling van beiden; de verkeerde daden die hij onder den ijzeren -dwang van hartstocht of van eigenbelang begaat, worden later, zoodra -zijne drift bekoeld is en hij den afgrond ziet waarin zijne dwaasheid -hem gestort heeft of dreigt te storten, eene bron van bitter berouw, -vooral wanneer zijn leven, zonder daarom onberispelijk te zijn geweest, -uit een oogpunt van gewone zedelijkheid zich tot hiertoe gelukkig voor -grove misslagen heeft weten te bewaren. - -Zoo was ongeveer, op dit oogenblik de toestand van don Martial en doña -Anita. Beiden hadden zich, door wederkeerigen hartstocht verblind, tot -een misslag laten vervoeren dien zij thans bitter betreurden; want om -onze lezers aangaande het karakter dezer twee personen niet langer in -’t onzekere te laten, moeten wij hier zeggen, dat het hart dezer twee -gelieven betrekkelijk goed was en dat zij op het oogenblik hunner -dwaselijk beraamde en uitgevoerde vlucht geenszins de noodlottige -gevolgen berekenden, die dit hopeloos bedrijf na zich zou slepen. - -Don Martial inzonderheid, na de bevelen die hij aan Cuchares gegeven -had en tegenover het hardnekkig besluit van don Sylva, om zich naar den -graaf de Lhorailles te begeven, begreep duidelijk dat zijn toestand met -ieder oogenblik hachelijker werd, en dat hij zich in eene engte had -gedreven daar hij niet licht weder uit zou komen. - -De beide gelieven, door het geheim hunner vlucht op eene zoo -noodlottige wijs saamverbonden, bewaarden echter tegenover elkander een -ander geheim, namelijk dat van spijt en berouw die hen inwendig -folterden; zij gevoelden bij iederen stap dat de grond onder hunne -voeten als ondermijnd was, en dat het oogenblik met rassche schreden -naderde waarop de mijn zou moeten springen. - -In zulk eenen toestand werd het leven ondragelijk, daar alle -gemeenschap van gedachten en gevoelens tusschen de drie personen -verbroken was. Dat het eindelijk tusschen hen tot eene botsing zou -moeten komen was blijkbaar, maar de schok volgde wellicht spoediger dan -een van hen verwachtte, en zulks door den loop der omstandigheden -zelve, waarin zij zich zoo geweldig verwikkeld hadden. Na eene reis van -omtrent veertien dagen, gedurende welke er met hen niets meldenswaardig -gebeurd was, bereikten don Martial en zijn gezelschap, nu eens afgaande -op de inlichtingen door hem op de hacienda bekomen, dan op het spoor -zelf door den graaf en diens talrijke bende achtergelaten, eindelijk de -beruchte bouwvallen in welks midden de Casa Grande van Montecuzoma zich -verheft, aan de uiterste grens tusschen het bewoonbare land en de -woestijn Del Norte. - -Het was ongeveer zeven uren des avonds toen de kleine karavaan de -ruïnen binnenreed; de zon, juist aan de kimmen weggezonken, verlichtte -de aarde nog slechts door de snel afwisselende kleuren van het -hemelsche prisma, waarin de laatste weerglans van hare stralen nog een -poos blijft schitteren nadat de koningin des dags zelve reeds verdwenen -is. - -Terwijl zij op eenigen afstand achter elkander reden wierpen don Sylva -en de Tigrero bespiedende blikken in het rond, en trokken niet dan met -de meeste behoedzaamheid en met de hand aan den trekker van hun geweer, -voort in dit verwarde doolhof van kreupelbosschen en puinhoopen, zoo -gunstig voor de Indiaansche hinderlagen en waar zooveel gevaren zich -konden verschuilen. - -Eindelijk kwamen zij aan de Casa Grande, zonder dat zij iets -buitengewoons hadden gezien. - -De nacht was reeds bijna gedaald, en de voorwerpen begonnen in de -schemering als weg te smelten. Don Martial, die zich gereed maakte om -af te stijgen, bleef op eens staan en slaakte een kreet van verbazing, -bijna van schrik. - -»Wat is er?” vroeg don Sylva met drift, terwijl hij zich omkeerde en -den Tigrero naderde. - -»Zie eens,” antwoordde de laatste, met de hand naar een groep knoestige -boomen wijzende, die eenige passen van hen af allerwonderlijkst -tusschen de puinhoopen waren opgeschoten. - -De menschelijke stem bezit een zonderbaar vermogen op de dieren, -namelijk dat zij hun een onverwinnelijke vrees en ontzag inboezemt. De -weinige woorden tusschen de beide mannen gewisseld, werden onmiddellijk -beantwoord door zeven of acht wolkoppige arenden, die in hun maaltijd -gestoord met wild en krassend geschreeuw opvlogen, en uit de zooeven -genoemde boomgroep zich met zwaren wiekslag in de lucht verheffend, -boven het hoofd der reizigers groote kringen beschreven en bleven -rondgieren onder het aanhoudend getier hunner helsche muziek. - -»Zie toch!” herhaalde don Martial. - -»Maar ik zie volstrekt niets,” zei don Sylva; »het is daar zoo donker -als de nacht.” - -»Dat is waar; maar kijk eens scherp toe en let op het punt dat ik u -aanwijs, dan zult gij weldra zien wat ik bedoel.” - -Zonder te antwoorden deed de haciendero zijn paard eenige stappen -voortgaan. - -»Hu! Een man, aan de beenen opgehangen!” riep hij op een toon van -schrik en afgrijzen, terwijl hij op eens staan bleef. »Wat is hier -gebeurd?” - -»Wie weet? Die man is geen Indiaan, zijne kleur en zijne kleeding laten -daaromtrent geen twijfel over. Maar hij heeft zijn haar nog, hij is dus -niet door de Apachen gedood; wat kan dat beteekenen?” - -»Een oproer misschien,” opperde de haciendero. - -Don Martial bedacht zich een poos; zijn wenkbrauwen trokken zich samen. - -»Dat is niet mogelijk!” prevelde hij half in zich zelven. - -Een oogenblik later hervatte hij: - -»Laten wij eerst in huis gaan, en doña Anita niet langer alleen laten; -ons achterblijven zal haar reeds verwonderen en als het langer duurt -zal zij er zich over verontrusten. Zoodra het kamp gereed is ga ik die -zaak eens nader onderzoeken, en ik zou mij zeer vergissen als ik het -noodlottige raadsel niet oplos dat zich hier aan ons zoo wonderlijk -voordoet.” - -De beide mannen reden weêr voort en kwamen weldra bij doña Anita, die -eenige passen verder onder bescherming der peons op hen wachtte. - -Nadat de reizigers afgestegen en de Casa Grande waren binnengetreden, -ontstak don Martial eenige fakkels van ocote-hout om in de duisternis -licht te maken en bracht toen zijne gezellen naar de groote zaal, waar -wij onze lezers reeds eenmaal hebben binnengeleid. - -Ook de Tigrero had meermalen deze ruïnen bezocht; gedurende zijne -langdurige jachten in de prairie hadden zij hem vaak tot verblijf -gestrekt; hij was dus met de plaatselijke gelegenheid zeer goed bekend. -Daarom had hij er zoo sterk op aangedrongen dat de karavaan den weg -naar de Casa Grande zou nemen, wel overtuigd dat de graaf de Lhorailles -aldaar voor zich en zijne kompagnie een gemakkelijk en veilig bivak zou -hebben gezocht. - -De groote zaal, in wier midden een tafel stond, droeg de duidelijke -sporen dat er nog kort geleden een aantal personen waren geweest en er -tamelijk lang verblijf hadden gehouden. - -»Gij ziet wel dat ik mij niet bedrogen heb,” zei don Martial tegen den -haciendero; »de lieden die ons zoeken hebben zich hier opgehouden.” - -»Dat is zoo; en denkt gij dat zij reeds lang vertrokken zijn.” - -»Dat zou ik nog niet durven zeggen, maar terwijl gij bezig zijt u hier -te vestigen en het avondmaal wordt gereed gemaakt, zal ik daar buiten -den boel eens opnemen; zoodra ik terugkom hoop ik het genoegen te -hebben uwe nieuwsgierigheid te kunnen bevredigen.” - -En met deze woorden stak hij de toorts, die hij in zijne hand had, in -een kram aan den muur en ging het huis uit. - -Doña Anita had reeds plaats genomen op een toevallig aanwezige ruw -houten tabouret, en zat bij de tafel diep in gedachten verzonken. - -Geholpen door de peons, hield de haciendero zich ijverig bezig met -alles voor den nacht in orde te brengen; de paarden werden ontzadeld en -in eene soort van corral—open stal tusschen vier muren—geplaatst, daar -ze niet uit weg konden loopen, en ruim van haver voorzien; de muilezels -werden afgeladen en de pakken in de groote zaal gebracht, waar men ze -op een hoop stapelde, na er een geopend te hebben om er den noodigen -mondvoorraad uit te nemen; vervolgens werd er een groot vuur ontstoken, -boven hetwelk weldra een hertebout te braden hing. - -Nadat al deze toebereidsels waren afgeloopen, ging de haciendero op een -der in de zaal voorhanden bisonsschedels zitten, stak een maïssigaar -aan en begon te rooken, nu en dan een smartelijken blik werpende naar -zijne dochter, die nog altijd in hare treurige beschouwingen verdiept -zat. - -Don Martial bleef vrij lang uit: eerst na twee uren afwezigheid hoorde -men het getrappel van zijn paard op den steenachtigen bodem der ruïne -en trad hij onverwijld binnen. - -»Wel?” vroeg hem don Sylva. - -»Laten wij eerst eten,” antwoordde de Tigrero met een wenk naar doña -Anita, dien de haciendero begreep. - -Het maal was zooals dat van bekommerde en vermoeide lieden na een lange -dagreis wezen moest, dat wil zeggen zeer kort. Overigens bestond het, -behalve uit de hertenbout, uit niets dan maïskoeken en gebraden peren -met peper. - -Doña Anita gebruikte nauwelijks een paar lepels ingelegde tamarinde; -daarna de aanwezigen gegroet hebbende, stond zij op en verwijderde zich -naar een klein in de zaal uitkomend vertrekje, waar men voor haar van -bisonsmantels en pelterijen een soort van bed had gereed gemaakt, en -dat bij gebrek van deur zoo goed mogelijk was afgesloten met een -paardendek aan een paar spijkers in den muur opgehangen. - -»Wat u betreft,” zei de Tigrero tegen de peons zoodra doña Anita weg -was, »gij moogt wel goed wachthouden als gij uwe haren behouden wilt. -Ik ben verplicht u te waarschuwen dat wij hier in een land vol vijanden -zijn, en als gij zorgeloos inslaapt, het waarschijnlijk duur zullen -moeten bekoopen.” - -De peons verzekerden den Tigrero dat zij dubbel waakzaam zouden zijn, -en gingen naar buiten om de ontvangen bevelen uit te voeren. - -De beide heeren bleven dus alleen en zaten een oogenblik zwijgend -tegenover elkander. - -»Welnu, wat is het?” begon don Sylva, de vraag herhalende die hij reeds -even te voren gedaan had, »hebt gij iets bijzonders ontdekt of -vernomen?” - -»Al wat er met mogelijkheid te ontdekken of te vernemen is, don Sylva,” -antwoordde de Tigrero min of meer onstuimig; »zoo het anders ware, zou -ik een armzalige jager zijn en de wilde dieren, tijgers en jaguars mij -reeds lang verslonden hebben.” - -»Zijn de inlichtingen die gij hebt opgedaan gunstig te noemen?” - -»Dat is naar dat gij ze nemen wilt; de Franschen zijn hier geweest en -hebben er een paar weken gekampeerd; gedurende hun verblijf in de -ruïnen zijn zij door de Apachen hevig aangevallen, doch het is hun -gelukt hen af te slaan. Intusschen schijnt het, ofschoon ik het niet -zou kunnen bevestigen, dat de soldaten om een of andere reden aan ’t -muiten geslagen zijn, ten gevolge waarvan die arme duivel, dien wij tot -aas voor de gieren aan den boom zagen hangen, misschien als de -belhamel, misschien ook, zooals het wel eens meer gegaan is, als het -ongelukkige slachtoffer voor allen het gelag heeft moeten betalen.” - -»Ik zeg u dank voor uwe toelichting, die ons buitendien bewijst dat wij -ons niet vergist hebben maar het rechte spoor zijn gevolgd; kunt gij -mij nu deze toelichting nog aanvullen, in zoover dat gij mij weet te -zeggen of de Franschen de ruïnen sinds lang verlaten hebben en in welke -richting zij vertrokken zijn?” - -»Deze vragen zijn gemakkelijk op te lossen; de vrijkompagnie heeft -gisteren morgen even na zonsopgang haar kamp opgebroken om de woestijn -in te trekken.” - -»De woestijn?” herhaalde de haciendero, terwijl hij moedeloos de armen -bij het lijf liet hangen. - -Er volgde eenige minuten stilte, gedurende welke de beide mannen over -het gesprokene nadachten. Eindelijk nam don Sylva het woord weder op. - -»Dat is niet mogelijk,” riep hij. - -»En toch is het zoo.” - -»Maar dat is eene onvoorzichtigheid zoo groot als er een zijn kan, ja -het is dollemanswerk!” - -»Dat zal ik niet tegenspreken.” - -»O! die ongelukkigen!” - -»Het is zoo met hen gelegen, dat er een wonder zal moeten gebeuren als -zij er goed afkomen.” - -»Dat ben ik volkomen met u eens; maar wat nu gedaan?” - -»De zaak ligt er toe, en met al ons gejammer is er niets aan te -veranderen; ik geloof dus, don Sylva, dat wij de wijste partij zullen -kiezen door er niet meer aan te denken; zij moeten zelf maar zien hoe -zij er goed afkomen.” - -»Is dat uwe gedachte?” - -»Volkomen,” antwoordde de Tigrero luchthartig. - -»Uw plan is dus?” - -»Mijn plan is,” antwoordde hij met drift, »om twee of drie dagen hier -te vertoeven en te zien wat er misschien gebeuren kan; hebben wij na -verloop van drie dagen niets nieuws gezien of gehoord, dan stijgen wij -te paard en keeren langs denzelfden weg dien wij gekomen zijn naar -Guetzalli terug, zonder zelfs de moeite te nemen van om te zien, want -hoe eer wij deze verschrikkelijke streek uit zijn, hoe beter.” - -De haciendero schudde van neen, als iemand die op eens zijn vaste -besluit had genomen. - -»Dan zult gij alleen vertrekken, don Martial,” zeide hij droog. - -»Wat zegt gij!” riep de andere hem strak aanziende. - -»Ik zeg u, dat ik denzelfden weg niet terugga dien ik gekomen ben; ik -doe geen stap achteruit, in één woord ik vlucht niet.” - -Don Martial was door dit antwoord als verbluft. - -»Wat denkt gij dan te doen?” - -»Kunt gij dat niet begrijpen? Om welke reden zijn wij hier gekomen; en -met welk doel hebben wij tot hiertoe gereisd?” - -»Maar, don Sylva, bedenk toch, de zaken zijn nu geheel veranderd. Gij -zult hoop ik redelijk genoeg zijn te erkennen dat ik u zonder -tegenspreken gehoorzaamd heb en gedurende deze reis een trouwe gids -voor u geweest ben.” - -»Dat erken ik inderdaad; maar zeg mij dan hoe gij er over denkt.” - -»Hoe ik er over denk, don Sylva; dat zult gij hooren. Zoolang wij in de -prairie waren, in dagelijksch gevaar van door de wilde beesten -verscheurd te worden, heb ik gedwee voor u gebogen en mij geenszins -tegen uwe plannen verzet, omdat ik stilzwijgend bekennen moest dat gij -plichtmatig handeldet; zelfs nu nog, zou ik mij, als wij alleen waren, -zonder morren aan uw vaste besluit onderwerpen. Maar bedenk doch, bid -ik u, dat gij uwe dochter bij u hebt en dat zij duizend angsten zal -moeten uitstaan, zoo gij haar verplicht om u te volgen in een woestijn -die u beiden zal verslinden.” - -Don Sylva antwoordde niet. - -De Tigrero vervolgde: - -»Onze troep is zwak; wij hebben slechts voor weinige dagen -levensmiddelen bij ons, en gij weet, als wij eens in de del Norte zijn, -is er geen water of wild meer te krijgen. Worden wij daarbij nog door -een storm overvallen, dan zijn wij verloren, reddeloos verloren.” - -»Al wat gij mij daar zegt is waar, dat weet ik, en toch kan ik uw raad -niet volgen. Hoor mij op uwe beurt, don Martial: de graaf de Lhorailles -is mijn vriend, weldra zal hij mijn schoonzoon zijn; ik zeg dat niet om -u te krenken, maar om u te doen beseffen in welke verhouding ik -tegenover hem sta. Om mijnentwil, om mij te verlossen uit de macht van -hen die hij meent dat mij en mijne dochter hadden opgelicht, is hij -zonder aarzelen of baatzuchtige berekening en alleen door zijn edele -hart gedreven, de zandwoestijn ingetrokken; kan ik hem daar nu laten -omkomen, zonder hem hulp toe te brengen? Is hij niet vreemdeling in -Mexico, mijn gast en mijn vriend? neen, don Martial, het is mijn plicht -hem te redden, en ik zal het beproeven, hoe het ook gaan mag.” - -»Nu ik zie dat gij er zoo over denkt, don Sylva, zal ik niet langer een -besluit zoeken te keeren dat bij u zoo onherroepelijk vaststaat. Ik zal -u niet zeggen dat de man dien gij uwe dochter ter vrouwe wilt geven een -gelukzoeker, een verloopen edelman is, die ter zake van wangedrag zijn -land heeft moeten verlaten en die door het huwelijk dat hij met uwe -dochter hoopt te sluiten niets anders bedoelt dan uw onmetelijk fortuin -in zijn bezit te krijgen. Al deze dingen en nog veel meer bovendien zou -ik u vergeefs trachten te bewijzen, gij zoudt mij toch niet gelooven, -want gij zoudt in de feiten die ik u opnoemde niets anders willen zien -dan nietswaardige pogingen van een mededinger; spreken wij er dus niet -verder over. Wilt gij de zandwoestijn in, goed, ik zal u volgen; en wat -er ook gebeurt zult gij mij aan uwe zijde vinden, gereed om u te -beschermen en u te helpen. Maar nu het uur eindelijk daar is om tot -ronde verklaringen te komen, wil ik niet langer dat er een wolk van -ongenoegen tusschen ons blijve bestaan; gij moet den man kennen, met -wien gij de wanhopige onderneming gaat wagen die gij u hebt -voorgenomen, opdat gij in hem uw volle vertrouwen moogt stellen.” - -De haciendero keek hem verwonderd aan. - -Op dit oogenblik werd het gordijn voor het vertrekje daar doña Anita -zich bevond opgeheven, het meisje verscheen, trad langzaam de zaal -door, knielde voor haar vader neder en wendde zich tot den Tigrero. - -»Nu moogt gij vrij spreken, don Martial,” zeide zij; »misschien zal -mijn vader mij vergeven, als hij ziet dat ik hem dus om vergeving -vraag.” - -»Vergeving?” riep de haciendero, terwijl hij beurtelings zijne dochter -en den man aanstaarde, die met een beschaamd gelaat en gebogen hoofd -voor hem stond; »wat moet dat beteekenen? welk misdrijf hebt gij -begaan?” - -»Een misdrijf, daar ik alleen schuld aan heb, don Sylva, en daar ik -alleen de straf voor ondergaan moet; ik heb u schandelijk bedrogen, ik -ben de man die uwe dochter uit de kolonie heeft weggevoerd.” - -»Gij!” riep de haciendero met een blik van woede, »ben ik dus uw -speelbal, uw bedrogene geweest?” - -»De hartstocht redeneert niet; ik zal maar een woord ter mijner -verdediging zeggen: ik bemin uwe dochter. Helaas, don Sylva, ik gevoel -eerst nu hoe schuldig ik was; het nadenken, hoe laat ook, is eindelijk -gekomen, en terwijl doña Anita aan uwe voeten weent, verneder ik mij -voor u en bid ik u om vergeving.” - -»Vergeving, vader!” herhaalde het meisje zacht. - -De haciendero gaf een wenk van onwil. - -»O!” hervatte de Tigrero met drift, »wees grootmoedig, don Sylva; stoot -ons niet terug! Ons berouw is waar en oprecht. Ik heb het vaste -voornemen om het gedane kwaad te herstellen; ik ben dwaas geweest, de -hartstocht had mij verblind, verguis mij niet.” - -»Vader,” snikte doña Anita met tranen op de wangen en eene gesmoorde -stem, »ik bemin hem! Evenwel, toen wij uit de kolonie vertrokken, -hadden wij kunnen vluchten en u verlaten; dit hebben wij niet gewild, -wij hebben er zelfs geen oogenblik aan gedacht, wij hebben ons -geschaamd over onzen misstap. Nu zijn wij hier beiden gereed om u te -gehoorzamen en zonder tegenspraak alles te doen wat gij ons gebieden -zult; wees dus niet onverbiddelijk, vader, vergeef ons!” - -De haciendero richtte zich op. - -»Gij ziet het, ik kan niet langer aarzelen,” zeide hij streng; »ik moet -den graaf de Lhorailles redden, tot iederen prijs; deed ik het niet, -dan was ik uw medeplichtige.” - -De Tigrero stapte met innige ontroering de zaal door in de -vreeselijkste spanning, zijne wenkbrauwen waren samengetrokken, zijn -gelaat doodsbleek. - -»Ja,” riep hij eindelijk met eene geschokte stem, »ja, wij moeten hem -redden; wat geef ik er om hoe het daarna met mij gaat? Geen lafhartige -zwakheid! Ik heb een misslag begaan, ik moet en zal er de gevolgen van -boeten.” - -»Als gij mij oprecht en trouw in mijne nasporingen helpt, zal ik u -vergeven;” zei don Sylva met eene ernstige stem; »mijn eer is in uw -misslag betrokken, ik stel die in uwe handen.” - -»Dank u, don Sylva, gij zult er geen berouw van hebben dat gij u op mij -verlaat,” antwoordde de Tigrero edelmoedig. - -De haciendero hief zijne dochter minzaam op, sloot haar in zijne armen -en kuste haar bij herhaling. - -»Mijn arm kind!” zeide hij, »ik vergeef u. Helaas! wie weet of ik niet -binnen weinige dagen op mijne beurt uwe vergeving zal moeten inroepen -voor al het leed dat ik u heb aangebracht? Ga nu een weinig slapen, het -is diep in den nacht, gij hebt rust noodig.” - -»O hoe goed zijt gij, vader, en hoe lief heb ik u,” riep zij geroerd, -»vrees niets, welk lot mij in de toekomst ook verbeidt, ik zal het -dragen zonder morren, nu ben ik gelukkig, nu gij mij vergeven hebt.” - -Don Martial volgde het meisje met de oogen terwijl zij zich -verwijderde. - -»Wanneer denkt gij op marsch te gaan, don Sylva,” vroeg hij met een -gesmoorden zucht. - -»Morgen, zoo dat mogelijk is.” - -»Goed, morgen dan op Gods genade.” - -Na nog een poosje gesproken te hebben om de noodige zaken te regelen, -wikkelde don Sylva zich in zijne dekens en sliep weldra in. Wat den -Tigrero betreft, deze ging het huis uit, om te zien of de peons wel -goed voor de algemeene veiligheid waakten. - -»O, als die verwenschte Cuchares mijne orders maar niet heeft -uitgevoerd!” mompelde hij. - - - - - - - - - -XXII. - -EEN MENSCHENJACHT. - - -Den volgenden dag met het eerste morgenkrieken trok de kleine karavaan -uit de Casa Grande van Montecuzoma; twee uren later waren zij reeds in -de woestijn del Norte. - -Bij het gezicht der woestijn kromp het hart van doña Anita samen van -angst, het was alsof een heimelijk voorgevoel haar voorspelde dat de -tocht voor haar noodlottig zou zijn. Zij keerde zich om en wierp een -treurigen terugblik op de donkere wouden, die achter haar groenden aan -den horizont, en slaakte een onwillekeurigen zucht. - -De luchtsgesteldheid was heet, de hemel van het zuiverste blauw, geen -tochtje verkoelde den dampkring; op het mulle zand zag men nog de diepe -sporen der paarden waar de vrijkompagnie van den graaf de Lhorailles er -doorgetrokken was. - -»Wij zijn op den goeden weg,” merkte de haciendero aan, »hunne sporen -zijn duidelijk zichtbaar.” - -»Ja,” mompelde de Tigrero, »en dat zullen ze blijven zoo lang tot er -een stormwind losbreekt.” - -»O! dan moge God ons helpen!” riep doña Anita. - -»Amen!” riepen al de reizigers een kruis makende in antwoord op de -heimelijke stem in hun binnenste, die hun niets dan ongeluk voorspelde. - -Er verliepen eenige uren. - -Het weêr bleef verrukkelijk schoon; van tijd tot tijd, hoog in de -lucht, zagen de reizigers tallooze zwermen vogels voorbijvliegen, die -naar het warme land trokken—of de terres calientes zoo als men hier -zegt, en zich haastten om de woestijn over te komen. - -Maar overal elders zag men niets dan grauw en dof zand, of sombere -rotsen, grillig op een gestapeld als naamlooze ruïnen van eene -onbekende voormenschelijke wereld, zoo als men die vaak in hoogere -bergstreken aantreft. - -Tegen het vallen van den avond kampeerde de karavaan onder beschutting -van een groot granietblok, en een sober vuur werd ontstoken, dat -nauwelijks voldoende was om de reizigers tegen de koude te beschutten -die des nachts in deze streken heerscht. - -Don Martial galoppeerde gedurig aan de zijden van den troep, nu links -dan rechts, dan voor dan achter en waakte met broederlijke zorg voor -alle veiligheid; noch door de verzoeken van don Sylva noch door de -gebeden van doña Anita was hij te bewegen om eenige rust te nemen. - -»Neen,” riep hij telkens, »van mijne waakzaamheid hangt uw behoud af. -Laat mij handelen naar eigen goedvinden, ik zou het mij zelven nooit -vergeven, als ik u had laten overrompelen.” - -Intusschen waren de sporen, door de vrijkompagnie achtergelaten, van -tijd tot tijd minder zichtbaar geworden en eindelijk geheel verdwenen. - -Op zekeren avond, terwijl de reizigers hun kamp onder een vervaarlijk -overhangende rots hadden opgeslagen, die boven hun hoofd een soort van -beschermend dak vormde, wees de haciendero don Martial in de verte op -een witten damp, die zich vrij sterk tegen het donkere blauw des hemels -afteekende. - -»Het luchtazuur begint te verschieten,” zeide hij, »wij krijgen -waarschijnlijk spoedig verandering van weer. Geve God dat hetgeen -orkaan zij die ons bedreigt.” - -De Tigrero schudde het hoofd. - -»Neen,” zeide hij, »gij vergist u, uwe oogen zijn minder gewoon dan de -mijne om den hemel te raadplegen; dat is daar ginds geen wolk.” - -»Wat is het dan?” - -»Rook van bisonsmest, door reizigers aangestoken; wij zijn dus niet -zonder buren.” - -»O!” riep de haciendero, »zouden wij onze vrienden dan weder op het -spoor zijn, die wij reeds uit het oog hadden verloren?” - -Don Martial bewaarde de stilte; hij bespiedde nauwkeurig de wolk, die -als flauwe damp weldra in het blauw des hemels wegsmolt. Eindelijk -antwoordde hij: - -»Die rook voorspelt weinig goeds. Onze vrienden, zoo als gij ze noemt, -zijn Franschen, met andere woorden geheel onbekend met de gewoonten der -woestijn; als zij zoo dicht bij ons waren, zouden wij hen even -gemakkelijk zien als deze rots hier; zij zouden dan niet één klein vuur -hebben ontstoken, maar tien ja twintig groote vuren, wier vlammen en -rook ons onmiddellijk hunne tegenwoordigheid hadden bewezen. Zij zijn -zoo keurig niet op hunne brandstof, zij nemen hout, nat of droog is hun -onverschillig, daar zij niet weten van hoeveel belang het is in de -woestijn zijne tegenwoordigheid voor den vijand te verbergen.” - -»Wat maakt gij daaruit op?” - -»Daaruit maak ik op, dat de rook dien wij thans zien, afkomstig is van -een vuur door Roodhuiden of ten minste door ervaren woudloopers -gestookt die met de gebruiken der Indianen zeer goed bekend zijn. Dat -blijkt aan alles; daar zijt gij zelf, ofschoon min of meer met de -wildernis bekend, hebt gij het voor een wolk aangezien; ieder -oppervlakkig beschouwer zou met u dezelfde fout begaan hebben, zoo -fijn, zachtgolvend en doorzichtig als deze rook is en zoo weinig als -hij verschilt van de gewone dampen die de zon onophoudelijk uit de -aarde optrekt. De lieden die dit vuur ontstoken hebben, wie het ook -zijn mogen, hebben niets bij geval gedaan maar alles berekend en alles -voorzien, en ik zou mij zeer bedriegen als het geen vijanden zijn.” - -»Hoe ver zijn zij van ons af, denkt gij?” - -»Vier mijlen op zijn verst; maar wat zegt vier mijlen in de woestijn, -waar men zoo gemakkelijk in eene rechte lijn overal heen kan.” - -»Dus zoudt gij denken”.... riep de haciendero. - -»Overweeg mijne woorden wel, don Sylva, en vooral bid ik u, geef er -geen andere beteekenis aan dan die ik er mede bedoel. ’t Is eene -ongehoorde bijzonderheid in de jaarboeken van del Norte, dat wij de -woestijn bijna drie weken lang hebben doorkruist zonder door iets -gestoord te worden; terwijl wij nu reeds sedert acht dagen op goed -geluk rondzwerven om een spoor te zoeken dat wij onmogelijk schijnen te -kunnen wedervinden.” - -»’t Is waar.” - -»Ik ben dus met mijne redeneering tot eene slotsom gekomen die ik meen -dat ontegenzeggelijk is en zonder twijfel door u zal worden beaamd. Gij -zult mij toestemmen dat de Franschen niet bij verkiezing de woestijn -zijn ingetrokken, en er alleen toe overgegaan zijn om de Apachen te -vervolgen, niet waar?” - -»Ja.” - -»Goed. Zij zullen haar dus in een rechte lijn doortrekken. Den tijd -dien wij hadden, hadden zij ook; hun doel, hun belang noopte hen om -geen tijd te verliezen, maar bij hun marsch de hoogst mogelijke -snelheid in acht te nemen. Eene vervolging, dat weet gij zoo goed als -ik, is als een wedren, een rid om het hardst, waarbij ieder de eerste -tracht te zijn....” - -»Gij veronderstelt dus....,” viel don Sylva hem in de rede. - -»Ik veronderstel niet, ik ben ten volle overtuigd dat de Franschen zich -reeds sedert lang niet meer in de woestijn bevinden, maar thans de -vlakte van Apacheria doorkruisen; het vuur dat wij straks gezien hebben -is er een afdoend bewijs van.” - -»Hoedat?” - -»Ik zal het u duidelijk maken: de Apachen hebben er het grootste belang -bij om de Franschen van hunne jachtgronden te verwijderen. Geen raad -wetende nu zij hen reeds daar zien, zijn zij zelven de woestijn weder -ingetrokken en hebben waarschijnlijk daar dat vuur ontstoken, ten einde -hen te misleiden en te verplichten er weder terug te komen.” - -De haciendero stond een poos in gedachten. De redenen hem door don -Martial gegeven kwamen hem zoo gegrond voor, dat hij niet wist waartoe -te besluiten. - -»Ter zake!” riep hij eenige oogenblikken later, »wat oordeelt gij zelf -van dat alles?” - -»Dat wij dwaas zouden doen,” antwoordde don Martial beslissend, »nog -langer onzen tijd te verspillen, met hier te zoeken naar lieden die er -niet meer te vinden zijn, en daarbij gevaar te loopen door een -temporale overvallen te worden, een dier verschrikkelijke orkanen die -in deze streek ieder oogenblik kunnen opkomen en alles wat er zich -bevindt onder het zand begraven.” - -»Dus wilt gij op uwe stappen terugkeeren?” - -»Integendeel; ik wil vooruit en de woestijn recht doortrekken, om zoo -spoedig mogelijk naar Apacheria te komen, waar ik zeker ben, dat ik -weldra het spoor onzer vrienden ontdekken zal.” - -»O! dat vind ik zeer goed; maar wij zijn immers hier nog al te ver van -de prairie?” - -»Niet zoo ver als gij denkt; doch voor het oogenblik zullen wij ons -gesprek hierbij laten; ik wil op verkenning uit, dat vuur daar is mij -een doorn in ’t oog, het wekt al mijne nieuwsgierigheid, ik moet het -van nabij gaan onderzoeken.” - -»Wees toch voorzichtig.” - -»Het is immers om uw en ons aller behoud te doen,” hernam de Tigrero -met een treurigen blik op doña Anita. - -Hij stond op, zadelde zijn paard en na even te hebben rondgezien reed -hij weg. - -»Moedige ziel!” prevelde doña Anita terwijl zij hem in den avondnevel -zag verdwijnen. - -De haciendero zuchtte en liet het hoofd vol gedachten op de borst -zakken. Don Martial verwijderde zich snel in het bleeke maanlicht, dat -de eenzame woestijn overgoot met haar sidderend en fantastisch -schijnsel. Telkens ontmoette hij kale en steile rotsen, die op haar -voetstuk schenen te waggelen, als sombere en sluimerende schildwachts -wier reusachtige schaduw zich ver over de grauwe zandvlakte uitbreidde; -of nu en dan een ontzaglijken ahuehuelt [21], welks kale takken met -zoogenaamd spaansche baard waren beladen, zeker dik mos dat er in lange -en gepruikte trossen bij neerhing en bij het minste geblaas van den -wind zich beweegt. - -Na ongeveer een uur lang gereden te hebben, bracht de Tigrero zijn -paard tot staan, steeg af en keek opmerkzaam rond. - -Weldra had hij gevonden wat hij zocht; niet ver van hem af was een vrij -diepe, hetzij door den wind of door den regen uitgeholde ravijn, waar -hij zijn paard in liet afdalen; hij maakte het met de lasso stevig aan -een groot steenblok vast, bond het de neusgaten dicht, opdat het niet -zou brieschen, nam zijn geweer op schouder en verwijderde zich. - -Van de plaats waar hij zich thans bevond was het vuur duidelijk -zichtbaar en teekende de roode gloed zich scherp af in de duisternis. - -Rondom het vuur zag hij een aantal gestalten onbeweeglijk nedergehurkt, -die hij bij den eersten oogopslag reeds voor Indianen herkende. - -De Tigrero had zich niet bedrogen, zijne ondervinding als jager was hem -zeer goed te stade gekomen; het waren wel degelijk Roodhuiden die daar -zoo dicht bij zijne karavaan in de woestijn gekampeerd lagen. - -Doch wie waren deze Roodhuiden, waren het vrienden of vijanden? Ziedaar -eene vraag die hij volstrekt wilde opgelost zien. - -Het was geen gemakkelijke taak op zulk een effen en geheel open terrein -hen ongemerkt te naderen, want de Indianen zijn als de wilde dieren, -zij hebben het voorrecht van even scherp te zien, als te hooren en te -ruiken: hunne glasachtige oogappels hebben het vermogen zich te -verwijden als die van tijgers en, zoo kunnen zij hunne vijanden even -goed zien in de dikste duisternis als in het meest verblindende -zonlicht. - -Intusschen gaf don Martial zijn plan niet op. - -Niet ver van het kamp der Roodhuiden lag een groot blok graniet, aan -welks voet drie of vier ahuehuelts waren opgeschoten, die door verloop -van tijd hunne takken zoo dicht in elkander hadden gevlochten, dat zij -op zekere hoogte aan den eenen kant van de rots een ondoordringbaar -warbosch vormden. - -De Mexicaan ging plat op den grond liggen en schoof zich met behulp van -knieën en ellebogen, duim voor duim en streep voor streep, zachtkens -vooruit naar de rots, daarbij behendig gebruik makende van de schaduw -die de rots zelve en de daarnevenstaande boomen op een gedeelte van het -terrein wierpen. - -De Tigrero besteedde bijna een half uur om de weinig meer dan veertig -ellen gronds die hem van de rots scheidden, af te leggen. - -Eindelijk had hij haar bereikt; en toen hield hij even stil om adem te -scheppen en slaakte een zucht van voldoening. - -Het overige was niets meer; hij vreesde niet langer, gezien te zullen -worden, dank zij het dichte gordijn van takken dat hem voor het oog der -Indianen verborg, maar daarentegen des te meer dat men hem mocht -hooren. - -Na eenige oogenblikken uitgerust te hebben begon hij opnieuw te -kruipen, en zich van lieverlede langs de steilte der rotshelling naar -boven te werken: eindelijk bevond hij zich op gelijke hoogte met het -warbosch, waar hij dadelijk inkroop en verdween, zonder dat iemand -zijne aanwezigheid aan die plaats kon vermoeden. - -Uit dit schuilhoekje, dat hij zoo gelukkig ontdekt en bereikt had, -overzag hij niet alleen het gansche kamp der Roodhuiden, maar kon hij -duidelijk hooren wat zij onderling spraken. - -Het zal niet noodig zijn hier aan te merken, dat don Martial de -verschillende taaleigens der talrijke, in de uitgestrekte wildernissen -verspreide Indianen-stammen even goed verstond als sprak. - -De hier aanwezige Roodhuiden herkende hij onmiddellijk als Apachen. - -Dus waren al zijne vermoedens verwezenlijkt. - -Rondom een vuur van bisonsmest, dat hoog opvlamde zonder eenigen -althans noemenswaardigen rook te verspreiden, zaten een aantal -Indianenhoofden deftig nedergehurkt, in allen ernst hunne calumet te -rooken en zich tevens te warmen, want de nacht was fijn koud. - -Onder hen herkende don Martial den Zwarte-Beer. - -De sachem zag er somber en norsch uit, hij scheen aan eene kwalijk -verkropte gramschap ten prooi; nu en dan hief hij onrustig het hoofd op -en richtte zijn blik beurtelings naar den helderen sterrenhemel en de -hem omringende ruimte, als wilde hij de duisternis doorboren. Een dof -en aansnellend gedruisch liet zich hooren, en weldra verscheen er een -Indiaan te paard in het verlichte gedeelte van het kamp. - -Na te zijn afgestegen, naderde de nieuw aankomende het vuur, hurkte -neder bij zijne kameraden, stak zijn calumet aan en begon te rooken, -met een strak en ongevoelig gezicht, ofschoon men aan het stof waarmede -hij bedekt was en aan de snelheid zijner ademhaling, wel bemerken kon -dat hij een verren en moeielijken tocht gemaakt had. - -Bij zijne komst had de Zwarte-Beer hem tamelijk lang en bespiedend -aangestaard, maar was toen weder gaan rooken zonder hem een woord toe -te voegen, daar de Indiaansche etiquette verbiedt, dat de eene sachem -den anderen ondervraagt, eer deze de asch uit zijn uitgerookte pijp in -den haard heeft geschud. - -In het ongeduld van den Zwarte-Beer werd blijkbaar door de overige -Indianen gedeeld. Intusschen bewaarden allen een deftig stilzwijgen. -Eindelijk trok de nieuwgekomene een laatste teug rook uit zijne pijp, -dien hij door mond en neusgaten weder uitblies, schudde haar leeg en -stak haar bedaard in zijn gordel. - -De Zwarte-Beer richtte thans het woord tot hem. - -»De Kleine-Panter komt wel laat terug,” zeide hij. - -Dit was geen rechtstreeksche vraag; de Indiaan bepaalde zich dus hij -eene buiging maar antwoordde niet. - -»De gieren trekken met groote troepen over de woestijn,” hervatte de -sachem een poos later, »de coyotes scherpen hunne spitse klauwen, de -Apachen rieken een geur van bloed, die het hart in hunne borst van -vreugde doet opspringen; heeft mijn zoon ook iets gezien?” - -»De Kleine-Panter is een vermaard krijgsman in zijn stam,” antwoordde -de Indiaan, »als de eerste bladeren komen zal hij ook een opperhoofd -zijn; hij heeft de zending volbracht die zijn vader hem opdroeg.” - -»Ooah! wat doen de Lang-Messen?” - -»De Lang-Messen zijn honden, die huilen zonder te kunnen bijten, een -Apachen krijgsman heeft hen verschrikt.” - -De sachems glimlachten hoogmoedig bij deze zotte grootspraak, die zij -eenvoudig in goeden ernst opnamen. - -»De Kleine-Panter heeft hun kamp gezien,” hervatte de Indiaan, »hij -heeft hen geteld, zij zuchten als vrouwen en huilen als kleine kinderen -zonder moed of kracht; twee van hen zullen dezen nacht geen plaats meer -nemen aan het raadvuur hunner broederen.” - -En met zekeren, niet van krijgsadel ontblooten zwier sloeg de Indiaan -de katoenen kiel op, die hem van den hals tot aan de knieën reikte, en -liet hem een paar versche haarschedels zien die aan zijn gordel hingen. - -»Ooah!” juichten de opperhoofden met geestdrift, »de Kleine-Panter -heeft dapper gestreden!” - -De Zwarte-Beer wenkte den Indiaan hem de twee bloedige trofeën te -overhandigen. - -De Kleine-Panter maakte ze los en reikte ze hem over. - -De Zwarte-Beer bekeek ze met alle aandacht. Al de andere hoofden -wachtten met belangstelling op zijn oordeel. - -»Asch’het!” (Zeer goed) riep hij onmiddellijk, »mijn zoon heeft een -Lang-Mes gedood en een Yori.” - -En hiermede gaf hij de bloedige trofeën aan den eigenaar terug, die ze -weder aan zijn gordel hechtte. - -»Hebben de bleekmuilen het spoor der Apachen ontdekt?” vroeg hij. - -»De bleekmuilen zijn blinde mollen. Zij deugen nergens dan in hunne -steenen dorpen.” - -»Wat heeft mijn zoon gedaan?” - -»De Panter heeft de bevelen die hij van zijn vader ontvangen had, stipt -uitgevoerd; toen de krijgsman begreep dat de bleekgezichten hem niet -wilden zien, is hij stout op hen ingetreden en heeft hen gesard, en -toen hebben zij hem drie uren lang vervolgd tot in het hart der -woestijn.” - -»Goed: mijn zoon heeft zich braaf gedragen. Wat heeft hij nog meer -gedaan?” - -»Toen hij de Lang-Messen ver genoeg had gebracht, heeft hij hen -verlaten, na eerst twee van hen gedood te hebben tot een aandenken van -zijne ontmoeting; daarop is hij naar het kamp zijner broederen -teruggereden.” - -»Mijn zoon zal wel moede zijn; het uur der rust is voor hem gekomen.” - -»Nog niet,” antwoordde de Indiaan ernstig. - -»Ooah! dat mijn zoon zich verklare.” - -Zonder te weten waarom, maar bij dit woord voelde de Tigrero, die alles -stipt had afgeluisterd, zijn hart beven van angst. - -De Indiaan vervolgde: - -»Er zijn niet alleen Lang-Messen in de woestijn, de Kleine-Panter heeft -een tweede spoor ontdekt.” - -»Een tweede spoor?” - -»Ja. Dat spoor is weinig zichtbaar: het telt maar zeven paarden en drie -muildieren in ’t geheel; ik heb den stap van een dezer paarden -herkend.” - -»Ooah! ik verwacht dat mijn zoon mij alles zal mededeelen.” - -»Zes gewapende Yoris te paard, met eene vrouw bij zich, zijn de -woestijn binnen getrokken.” - -Het oog van den Zwarte-Beer fonkelde. - -»Eene bleeke vrouw?” vroeg hij. - -De Indiaan knikte toestemmend. - -De sachem dacht een oogenblik na, maar spoedig hernam zijn gelaat het -masker van onverschilligheid dat hem eigen was. - -»De Zwarte-Beer heeft zich niet vergist,” zeide hij, »hij rook den geur -des bloeds, ik beloof mijne zonen eene goede jacht. Morgen met de -endit-ha [22] zullen de krijgslieden te paard stijgen. De hut van den -sachem is eenzaam; dat zij onze eerste zorg. Laten wij dus de -Lang-Messen aan hun lot over,” vervolgde hij de oogen naar den hemel -richtende. »Nyang, de geest des kwaads, zal zich wel met de taak -belasten hen onder het zand te begraven, de Meester des levens roept -den storm reeds; ons werk is afgedaan, volgen wij liever de Yoris en -keeren wij dan naar onze jachtvelden terug; de orkaan zal weldra over -de woestijn losbreken en haar omkeeren. Mijne zonen kunnen zich aan den -slaap overgeven, een opperhoofd zal over hen waken; ik heb gesproken.” - -De krijgslieden bogen stilzwijgend, stonden de een na den ander op en -vlijden zich eenige stappen verder op den zandbodem neêr. - -Na verloop van een paar minuten waren allen in diepen slaap. - -Alleen de Zwarte-Beer waakte. Met het hoofd in de beide handpalmen, en -de ellebogen op de knieën, zat hij strak in den met sterren bezaaiden -hemel te staren. Somwijlen werd zijn oog minder streng, scheen zijn -gelaat te verteederen en trilde er een vluchtige glimlach op zijne -lippen. - -Welke gedachten hielden hem bezig? waarover peinsde de sachem? - -Don Martial had alles beluisterd en geraden, en een heimelijke schrik -deed hem huiveren van afgrijzen. - -Hij bleef nog bijna een half uur onbeweeglijk in zijn schuilhoek, uit -vrees van ontdekt te worden; daarna begon hij de rots af te klimmen -gelijk hij haar was opgeklauterd, maar met nog grooter zorgvuldigheid: -want in deze oogenblikken, nu eene roerlooze stilte de natuur -beheerschte, zou het minste geritsel zijne tegenwoordigheid voor het -scherpe gehoor van den Indiaan hebben verraden. - -Na alles wat hij zoo ongedacht had afgeluisterd vreesde hij meer dan -ooit om ontdekt te worden. - -Eindelijk gelukte het hem veilig de plek te bereiken waar hij zijn -paard had achtergelaten. - -Onmiddellijk steeg hij in den zadel, maar liet een geruimen tijd den -teugel achteloos op den hals van zijn trouwe dier rusten en terwijl hij -stapvoets voortreed, riep hij zich nog eens al het gehoorde voor den -geest, en begon hij op middelen te peinzen om het vreeselijk gevaar af -te wenden, dat hem en zijne tochtgenooten bedreigde. - -Zijne verlegenheid kende geene grenzen, hij zag geen kans om het -raadsel op te lossen en wist niet waartoe te besluiten. Hij kende don -Sylva de Torres te goed om te veronderstellen dat deze ooit om redenen -van persoonlijk behoud zijn plan op zou geven en zijne vrienden in den -steek laten, zonder het uiterste te beproeven om hen te helpen. Maar -moest of mocht hij dan doña Anita opofferen aan deze overdreven -nauwgezetheid, aan dit kwalijk begrepen punt van eer, ten gevalle van -een man die in geenerlei opzicht zooveel belang verdiende als de -haciendero in hem stelde? - -Nog altijd was er kans om met inspanning van kracht en beleid de -Apachen te ontwijken en aan hunnen overmoed te ontsnappen;—maar hoe zou -men ontsnappen aan den temporal, dien gevreesden storm! die wellicht -reeds binnen weinige uren over de woestijn zou losbreken, alle -plaatselijke kenmerken zou doen verdwijnen, alle sporen uitwisschen en -zoodoende iedere vlucht onmogelijk maken? - -Doch hoe het ook gaan mocht, boven alles, het meisje moest hij redden -tot iederen prijs! Deze gedachte kwam bij den Tigrero telkens met -nieuwe kracht weder boven en brandde hem als gloeiend staal op het -hart. Het klamme zweet parelde op zijn voorhoofd en hij verzonk als het -ware in stomme razernij tegenover de stoffelijke onmogelijkheid, die -hier zoo onverbiddelijk voor hem oprees. - -Hoe zou hij haar redden? Dit was nu de alles beheerschende vraag, en op -deze vraag wist hij geen antwoord. - -Zoo reed hij een geruimen tijd stapvoets voort met het hoofd op de -borst gebogen, en pijnigde zijn geest af om een middel te vinden en -zich uit dien moeielijken toestand te redden, die hem meer en meer -beknelde. Eindelijk ging er in zijne gedachten een licht op; hij hief -het hoofd fier omhoog en met een uitdagenden blik naar den kant zijner -vijanden, die zich reeds zeker waanden hem en zijne reisgenooten te -zullen meester worden, gaf hij zijn paard de sporen en zette door in -vliegenden galop. - -Toen hij de plaats bereikte waar de karavaan gekampeerd lag, vond hij, -behalve den peon die op wacht stond, alles in diepen slaap. - -Het was reeds laat geworden, ongeveer een uur na middernacht, de -hoogstaande maan verspreidde een schitterend licht over de zandvlakte, -zoodat men alles bijna even goed zien kon als op den vollen middag. De -Apachen zouden volgens hun plan niet opbreken voor dat de zon opging; -hij had dus nog vier volle uren te zijner beschikking om vrij te -handelen, en hij besloot om zich die ten nutte te maken. Vier uren -welbesteed, zijn onberekenbaar veel bij eene vlucht. - -De Tigrero begon met zijn paard zorgvuldig af te rossen, om het de zoo -noodige lenigheid weêr te geven, want hij zou dien dag van zijne -vlugheid en kracht het uiterste moeten vergen. Daarna, geholpen door de -peons, laadde hij de muildieren op en zadelde de paarden. - -Alles gereed zijnde, bedacht hij zich een oogenblik en nu maakte hij -haastig een aantal kleine zakken van schapenvellen met zand gevuld, om -er de pooten der paarden in te steken. Deze list moest naar zijne -berekening dienen om de Roodhuiden te misleiden, die het door hen -verwachte spoor niet langer herkennende, aan vervalsching zouden denken -en hen dus niet rechtstreeks zouden vervolgen. - -Tot overmaat van veiligheid, liet hij drie of vier lederen zakken met -mezcal onder de rots achter, wel verzekerd dat de Apachen met hunnen -bekenden lust naar sterken drank niet zouden nalaten zich te bedrinken. - -Toen dit alles gedaan was, wekte hij don Sylva en zijne dochter. - -»Te paard!” riep hij op een toon die geen tegenspraak gedoogde. - -»Wat is het?” vroeg de haciendero nog half slapende. - -»Wat het is?—als wij niet oogenblikkelijk vertrekken, zijn wij -verloren.” - -»Wat? wat zegt gij, verloren?” - -»Te paard! te paard!” hervatte hij, »iedere minuut die wij hier -verspillen brengt ons nader bij onzen dood! Later zal ik u alles -ophelderen.” - -»Maar in ’s hemels naam! wat is er dan toch gebeurd?” - -»Gij zult het spoedig weten, kom meê, kom meê!” - -Zonder verder op zijne vragen acht te slaan, noopte hij den haciendero -tegen wil en dank dadelijk te paard te stijgen; doña Anita zat reeds in -den zadel, de Tigrero wierp een laatsten blik rugwaarts en gaf toen het -sein om te vertrekken. - -De kleine karavaan zette zich in beweging en stoof onmiddellijk -voorwaarts, zoo snel de paarden en muildieren maar loopen konden. - - - - - - - - - -XXIII. - -DE APACHEN. - - -Niets is akeliger dan een tocht door de woestijn bij nacht, en onder -zulke omstandigheden als die onze reizigers noodzaakten tot eene -overhaaste vlucht. - -De nacht is de vader der spoken; in de schemering wordt het vroolijkste -landschap somber en zwart; al het wezenlijke schijnt van gedaante te -wisselen, en het onwezenlijke krijgt eene gestalte om den reiziger te -verschrikken; zelfs de maan, hoe helder zij schijnen mag, geeft aan de -voorwerpen een spookachtig aanzien en een nog spookachtiger schaduw, -die wel in staat is den stoutste te doen sidderen. - -De doodsche stilte der woestijn, hare onbegrensde eenzaamheid, die den -armen reiziger van alle kanten omgeeft, drukt en benauwt, en door zijne -kranke verbeelding met schrikgestalten bevolkt wordt; de tastbare -duisternis, die hem opsluit als in een looden doodkist: alles spant -samen om zijn brein te ontstellen en hem, om het zoo eens te noemen, -een angstkoorts aan te jagen, die de levenwekkende luister der opgaande -zon alleen in staat is weder te verdrijven. - -Onwillekeurig ondergingen onze reizigers den druk van al deze -verschrikkingen, die hun geschokte hersengestel te voorschijn riep; zij -renden voort in den tastbaren nacht, zonder—althans de meesten -hunner—te weten waarom of waarheen; zij bekommerden er zich ook niet -om; met een bezwaard hoofd, benevelde zinnen, door sluimerzucht -bevangen blik, en de oogen half gesloten, hadden zij slechts ééne -gedachte: slapen. Zwaaiend en dommelend door hunne voortstormende -paarden gedragen en met duizelingwekkende snelheid weggevoerd, schenen -de dorre rotsen en enkele hier en daar verspreide boomen hun als in een -satanischen wedren voorbij te vliegen, tot zij eindelijk de oogen -geheel sloten en zich zoo vast mogelijk in den zadel zetteden om zich -over te geven aan den slaap, dien zij de macht niet hadden om te -weêrstaan. - -De slaap is voor den mensch wellicht een der sterkste en -onverbiddelijkste behoeften, die hem alles doet verachten, alles doet -vergeten. - -Wie door slaap overvallen wordt, geeft er zich aan over, ongevraagd hoe -of waar, en onverschillig hoe groot het gevaar is dat hem bedreigt. -Honger of dorst kan men, ten minste een tijdlang, door moed en -wilskracht bedwingen, maar den slaap, neen, tegen hem is niemand -opgewassen en de strijd onmogelijk; hij omklemt als met fluweelen maar -ijzeren hand en werpt zijn tegenstander binnen weinige minuten hijgend -en overwonnen ter neder. - -Behalve don Martial, die altijd wakker van blik en helder van geest was -gebleven, hadden de overige leden der karavaan veel van somnambulen; -aan hunne paarden als vastgeketend, met gesloten oogen, zonder nadenken -of zelfbewustheid reden zij voort als in een droom, en in een soort van -nachtmerrie, dien benauwenden toestand zonder naam, die noch slapen -noch waken mag heeten, maar slechts eene verdooving is der zinnen en -een kluistering der ziel. - -Dat duurde den geheelen nacht door. - -De karavaan had twintig mijlen gemaakt; de reizigers waren doodaf. - -Met het opgaan der zon en onder den invloed van hare koesterende -stralen kwamen zij weder een weinig tot verademing; de spanning die hen -beknelde hield op, zij openden de oogen, richtten zich op en keken -nieuwsgierig rond; en gelijk het in zulke omstandigheden gewoonlijk -gaat, volgde er een vloed van uitroepingen en vragen. - -De kleine karavaan had de boorden der Rio del Norte bereikt, wier -troebele wateren aan deze zijde de grens der woestijn uitmaken. - -Don Martial, na de plaats waar zij zich bevonden nauwkeurig te hebben -opgenomen, maakte op den oever der rivier zelve halt. - -De paarden werden van voeder voorzien, en hunne hoeven van de met zand -gevulde sokken ontdaan. Wat de menschen betreft, deze moesten zich -vooreerst met een teug refino vergenoegen, om nieuwe krachten te -bekomen. - -Het landschap had hier een gansch ander aanzien; aan de overzijde der -rivier was de grond met stug en sterk gras bedekt, terwijl uitgestrekte -bosschen den horizont omzoomden. - -»Oef!” riep don Sylva zich met een onbeschrijfelijk gevoel van genot op -den grond nedervlijende, »wat een rid! ik ben geheel af; als dat zoo -nog een dag duren moest, voto a brios! dan hield ik het niet vol. Ik -heb noch honger noch dorst, ik ga slapen.” - -En met dat zeggen schikte de haciendero zich zoo zacht mogelijk tot een -verkwikkelijk slaapje. - -»Nog niet, don Sylva,” riep de Tigrero met drift terwijl hij hem -duchtig bij den arm schudde, »of hebt gij lust om hier uw gebeente -achter te laten?” - -»Loop naar den drommel! ik wil slapen, zeg ik u.” - -»Zeer goed,” antwoordde don Martial koelzinnig, »maar als doña Anita -dan in handen der Apachen valt, moet gij het mij niet wijten.” - -»Wat!” riep de haciendero opstaande en hem strak in de oogen ziende, -»spreekt gij mij weêr van de Apachen?” - -»Ik herhaal u dat de Apachen ons nazetten; wij hebben nauwelijks eenige -uren op hen voor, zoo wij ons niet haasten zijn wij verloren.” - -»Canarios! dan moeten wij vluchten!” riep don Sylva thans geheel -wakker, »ik wil mijne dochter niet in handen van die duivels zien -vallen.” - -Wat doña Anita betreft, die wist op dit oogenblik weinig van zorg, zij -sliep, zoo als de Spanjaarden zeggen, met gesloten vuisten. - -»Laten wij de paarden dubbel voer geven, wij vertrekken onmiddellijk, -en wij hebben een langen toer te maken; zij moeten in staat zijn om ons -zoo ver te brengen; die weinige minuten toevens zullen doña Anita ten -goede komen om hare krachten te herstellen.” - -»Dat arme schaap!” zuchtte de haciendero, »van al wat er gebeurt ben ik -de schuld, het is mijne vervloekte stijfhoofdigheid die haar hier -gebracht heeft.” - -»Waartoe dat zelfverwijt, don Sylva,” zei don Martial, »wij allen -hebben er schuld aan; laten wij het gebeurde vergeten, en alleen aan -het tegenwoordige denken.” - -»Ach ja! gij hebt gelijk, waarom langer gepraat over gedane zaken? Nu -ik weder geheel wakker ben, moest gij mij liever eens vertellen wat gij -dezen nacht gedaan hebt en waarom gij ons zoo plotseling gedrongen hebt -om te vertrekken.” - -»Mijn hemel! don Sylva, dat verhaal zal zeer kort zijn, maar toch -geloof ik dat gij het zeer belangrijk zult vinden. Oordeel zelf. Gij -zult het hooren. Nadat ik u gisteren verlaten had om op verkenning uit -te gaan, gij herinnert het u immers....?” - -»Zeer goed! gij zoudt het vuur gaan onderzoeken dat u zoo verdacht -voorkwam.” - -»Juist. Welnu, ik had mij niet bedrogen, dat vuur was zooals ik wel -vermoedde een kampvuur van wilden. Het was door Apachen aangelegd. Het -gelukte mij ongemerkt tot hen door te dringen en hun gesprek af te -luisteren. Weet gij wat zij zeiden?” - -»Caramba! hoe kan ik weten wat zulke domkoppen elkander te vertellen -hebben?” - -»Niet zoo dom als gij wellicht een weinig te lichtvaardig denkt, don -Sylva, een renbode bracht den sachem van den stam verslag van eene door -hem volbrachte zending; onder meer andere belangrijke zaken, zeide hij -een spoor van bleekgezichten te hebben ontdekt, en dat zich onder hen -eene vrouw bevond.” - -»Caspita!” riep de haciendero met schrik, »zijt gij daar zeker van, don -Martial?” - -»Zoo zeker zelfs, dat ik door het opperhoofd letterlijk het volgende -hoorde antwoorden; luister nu wel toe, don Sylva.” - -»Ik ben geheel oor, vriend, ga voort.” - -»Met zonsopgang trekken wij snel op weg om de bleekhuiden te vervolgen; -de hut van den sachem is eenzaam, hij heeft eene blanke vrouw noodig om -haar te verlevendigen.” - -»Caramba!” - -»Ja. Toen wist ik genoeg van de onderneming die de Roodhuiden in den -zin hebben; ik sloop even stil weg als ik gekomen was en keerde zoo -spoedig mogelijk naar ons kamp terug. Het overige weet gij.” - -»O! o!” antwoordde don Sylva blijkbaar ontroerd en met warme -belangstelling. - -»Ja, ik weet het overige, don Martial, en ik zeg u oprechtelijk dank -niet alleen voor het goed overleg waarmede gij bij deze gelegenheid -zijt te werk gegaan, maar ook voor den ijver waarmede gij, zonder u aan -onze tegenstribbeling te storen, ons gedwongen hebt u te volgen.” - -»Ik heb niet anders gedaan dan mijn plicht mij gebood, don Sylva. Heb -ik u niet gezworen dat ik u getrouw zou blijven?” - -»Ja, mijn vriend, en gij doet uw eed ridderlijk gestand.” - -Sedert de haciendero don Martial had leeren kennen, was dit de eerste -maal dat hij werkelijk rond en oprecht met hem sprak en hem den titel -van vriend schonk. - -De Tigrero was er door getroffen, deze ontboezeming ging hem door de -ziel, en zoo hij tot hiertoe jegens don Sylva eenige vooroordeelen was -blijven koesteren, werden zij op dit oogenblik geheel bij hem -uitgewischt, om in zijn hart niets dan een innig gevoel van -dankbaarheid over te laten. - -Intusschen was doña Anita gedurende dit gesprek wakker geworden, en nu -hoorde zij met onbeschrijfelijk genoegen hoe vriendschappelijk zij -samen spraken. - -Toen haar vader haar nu de reden vertelde waarom don Martial hen -gedrongen had in het holst van den nacht zulk een vermoeienden tocht te -ondernemen, bedankte zij den Tigrero van harte en beloonde hem met een -van die teedere blikken, daar de vrouwen alleen het geheim van bezitten -en in welke zij als het ware haar geheele ziel doen spreken. - -Toen de Tigrero zag dat zijn getrouwe ijver naar waarde geschat werd, -vergat hij al zijne vermoeienis en kende hij geen ander verlangen, dan -om zijne wel begonnen taak gelukkig ten einde te brengen. - -Zoodra de paarden gevoederd waren werd er opnieuw opgestegen. - -»Ik verlaat mij op u, don Martial,” zei de haciendero, »gij alleen kunt -ons redden.” - -»En met Gods hulp zal ik het doen,” antwoordde de Tigrero -hartstochtelijk. - -Men daalde in de rivier af, die op dit punt vrij breed was. In plaats -van haar in eene rechte lijn over te steken, verkoos don Martial, ten -einde de Roodhuiden beter van ’t spoor te helpen, liever eene poos den -stroom van het water te volgen, en stuurde hij de karavaan met menige -wending en kronkeling in eene schuinsche richting naar den overkant. - -Eindelijk aan een plek komende waar de rivier tusschen oevers van -kalksteen besloten was, en dus de hoeven der paarden en muilezels geen -zichtbare indruksels op het natte zand of de vochtige klei konden -achterlaten, steeg hij aan wal. - -De karavaan had thans de woestijn verlaten. Voor haar uit lag de -onmetelijke prairie, wier golvende bodem zich langzaam verheft tot de -eerste heuveltrappen der Sierra Madre en der Sierra de los Comanchos. -Hier was het geen woeste onvruchtbare vlakte meer, zonder bosch of gras -of water. Eene overdadig welige natuur, rijk bedeeld met -onvergelijkelijke groeikracht, van boomen, bloemen en kruiden, tallooze -vogels die vroolijk kwinkeleerden tusschen het gebladerte, dieren van -allerlei soort die in deze natuurlijke weiden liepen grazen of -rondhuppelden en zich verlustigden. - -De mensch, waar en wanneer ook, en onder welke zorgen en bemoeiingen -zijn geest ook gebukt gaat, ondervindt onwillekeurig den invloed der -uitwendige voorwerpen die hem omringen; eene lachende natuur maakt hem -vroolijk, zoowel als een somber en dor of verlaten landschap hem tot -treurigheid stemt. - -De reizigers gaven zich werktuigelijk over aan den weldadigen indruk -der groote verandering, die het gezicht van het prachtig en heerlijk -schouwspel dat de prairie hun bood bij hen teweegbracht, in -vergelijking met de eenzame, dorre woestijn die zij pas verlaten en -daar zij zoo lang op goed geluk in rondgedoold hadden. Deze -tegenstelling was voor hen vol bekoorlijkheid en zij gevoelden daarbij -den moed en de hoop in hunne harten herleven. - -Tegen elf ure des voormiddags echter, waren de paarden zoo moê -geloopen, dat men zich genoodzaakt zag te kampeeren om hun eenige uren -rust te gunnen en de grootste hitte van den dag te laten voorbijgaan. - -Don Martial koos daartoe de kruin van een boschrijken heuvel, van waar -men den ganschen omtrek kon overzien, terwijl men zelf tusschen het -geboomte onzichtbaar bleef. - -Toen men echter een vuur wilde aanleggen om spijzen te koken, verzette -de Tigrero er zich tegen, daar de rook alleen genoeg zou zijn geweest -om hunnen schuilhoek kenbaar te maken, en in de tegenwoordige -oogenblikken konden zij niet te voorzichtig zijn; want dat de Apachen -met zonsopgang waren opgebroken om hen te vervolgen was maar al te -zeker; en deze fijne windhonden het spoor bijster te maken, was eene -volstrekte noodzakelijkheid. Ondanks al zijne voorzorgen, twijfelde de -Tigrero nog altijd of het hem gelukken zou de in dit opzicht zoo slimme -Roodhuiden te verschalken. - -Na in der haast een paar maïskoekjes gegeten te hebben liet hij zijne -kameraden de weinige rust genieten, die zij zoo grootelijks behoefden, -en stond op om den omtrek te bespieden en te zien of hij ook iets -ontdekken kon dat hun veiliger uitweg of althans zekerder schuilplaats -aanbood. - -De Tigrero was een man als van ijzer, de vermoeienis had geen vat op -hem; zijn wilskracht was zoo vast dat zij aan alles weêrstand bood, en -de zucht om de vrouw die hij lief had voor onheil te behoeden verleende -hem schier bovennatuurlijke sterkte. - -Langzaam daalde hij den heuvel af, lettende op iederen struik, -rondziende ieder oogenblik, en niet dan met de uiterste behoedzaamheid, -met de hand aan den trekker van zijn geweer en met het oor gespitst op -het minste geluid. - -Toen hij in de vlakte kwam, waar hij, dank zij het hooge prairiegras, -door niemand gezien kon worden, stapte hij haastig voort in de richting -van een donker en dicht bosch, welks eerste geboomte zich bijna tot aan -den voet des heuvels uitstrekte. - -Dit bosch bleek inderdaad te zijn wat hij reeds vermoedde, namelijk een -ongerept natuurwoud; de boomen waren door de menigte lianen en -slingerplanten zoo vast aan elkander geweven dat zij een -ondoordringbaar net vormden, waar men zich alleen met de hakbijl of -door middel van vuur een doortocht had kunnen banen. - -Als hij alleen ware geweest zou de Tigrero tegen dit schijnbaar -onoverkomelijk bezwaar niet hebben opgezien; of anders met zijne gewone -behendigheid en kracht den weg tusschen hemel en aarde gekozen en zich -van tak tot tak of over de toppen der boomen hebben gewaagd, zoo als -hij wel meer gedaan had. Maar wat een man zoo onvervaard en sterk als -hij had kunnen doen, daaraan viel voor eene zwakke, vreesachtige vrouw -niet te denken. - -Hij was geheel buiten raad. Een oogenblik voelde de Tigrero den moed -hem ontzinken, maar dit duurde ook slechts een oogenblik. Met fierheid -verhief hij zich weder en kreeg terstond al zijne zielskracht terug; -hij stapte voort naar het bosch, dat hij voor een gedeelte langs ging, -speurend en spiedend als een roofdier dat zijn prooi zoekt. - -Op eens slaakte hij een half gesmoorden kreet van verrassing. - -Hij had gevonden wat hij bijna niet durfde hopen te zullen ontdekken. - -Voor hem uit, onder een dicht gewelf van groene takken en bladen, -kronkelde een dier smalle, donkere paden of loopsporen, door het wild -gedierte reeds sedert eeuwen getrokken om bij nacht naar de rivier te -gaan drinken, en die alleen een geoefend oog als dat van den Tigrero in -staat was te ontdekken; onverschrokken waagde hij er zich in en stapte -een geruimen tijd voort. - -Gelijk alle door roofdieren getrokken sporen, liep ook dit met tallooze -omwegen en keerde menigmaal op zich zelve terug. Na het een tijd lang -gevolgd te zijn, had de Tigrero genoeg gezien en besloot hij dadelijk -naar den heuvel terug te keeren. - -Zijne kameraden, niet weinig ongerust over zijn lang uitblijven -verwachtten hem reeds met ongeduld en ontvingen hem met groote -blijdschap. Hij gaf hun verslag van het door hem gevonden spoor en van -hetgeen hij verder gezien had. - -Intusschen, terwijl don Martial alzoo op verkenning uit was geweest, -had ook een der peons niet stil gezeten, maar aan de eene zijde van den -heuvel daar de karavaan kampeerde eene ontdekking gedaan, die in de -gegeven omstandigheden voor de reizigers onwaardeerbaar was. - -Voor tijdverblijf en zonder bepaald doel in den omtrek ronddolende, had -hij den ingang eener grot ontdekt, in welke hij echter niet durfde -binnengaan, uit vrees dat hij misschien onverwachts door een of ander -roofdier zou overvallen worden. - -Don Martial trilde van blijdschap bij dit bericht, hij nam een -ocote-fakkel en gelastte den peon hem naar de grot te brengen. - -Zij lag slechts weinige schreden ver, aan de zijde des heuvels die op -de rivier uitzag. - -De toegang was zoodanig met struiken en woekerplanten bezet, dat er -blijkbaar sinds lange jaren geen levend schepsel was binnengedrongen. - -De Tigrero boog de struiken met de meeste behendigheid en zorg uit -elkander, ten einde ze niet te beschadigen, en sloop de spelonk binnen. -De ingang was tamelijk hoog, ofschoon dan ook nauw. Alvorens verder te -gaan, sloeg hij vuur en ontstak zijn toorts. - -De spelonk was een door de natuur gevormde onderaardsche gang, zooals -men er in deze streken meerdere aantreft, de wanden waren steil en -droog, de grond bestond uit fijn zand. Zij ontving waarschijnlijk -versche lucht door onzichtbare spleten, want geen dierlijke of -verstikkende uitwasemingen lieten er zich in bespeuren, en men haalde -er onbelemmerd adem, kortom, ofschoon vrij donker, was zij wel geschikt -om te bewonen. Met een zacht afglooienden bodem, terwijl het gewelf -langzamerhand lager werd, liep zij uit in een groote zaal, in welks -midden een diepe kolk was, daar don Martial ondanks het heldere licht -van zijn fakkel onmogelijk den bodem van kon zien. Hij keek hier een -oogenblik rond en zag een stuk steen liggen dat waarschijnlijk van het -gewelf was gevallen, nam het en wierp het in den afgrond. - -Vrij lang hoorde men den steen, langs de wanden kaatsend naar beneden -vallen en eindelijk klotsen, als een zwaar voorwerp dat in het water -stort. - -Don Martial wist nu al wat hij verlangde te weten. Hij ging om de kolk -heen en vervolgde zijn weg in een vrij engen tunnel, die snel afwaarts -daalde. Na op deze wijs omtrent tien minuten te zijn voortgestapt, -bespeurde hij in de verte daglicht. De grot had twee uitgangen! - -Nu haastte hij zich terug te keeren. - -»Wij zijn gered!” riep hij vroolijk tegen zijn gezellen; »kom, haast u -en volg mij, wij hebben geen oogenblik te verliezen, om de schuilplaats -te bereiken die de Voorzienigheid ons zoo gunstig aanbiedt.” - -Allen stonden op om hem te volgen. - -»Maar,” merkte don Sylva aan, »onze paarden, wat zullen wij daarmede -doen?” - -»Maak u daar niet ongerust over, ik weet waar ik ze verbergen moet. -Laten wij onze levensmiddelen naar de grot brengen, want naar alle -waarschijnlijkheid zullen wij genoodzaakt zijn er eenigen tijd te -blijven, bewaren wij dus hier ook de zadels en tuigen, daar ik buiten -de grot geen plaats voor zou weten. Wat de paarden aangaat, dat is -mijne zaak.” - -Allen gingen thans aan ’t werk met dien koortsachtigen ijver dien de -hoop op ontsnapping aan een dreigend gevaar gewoonlijk inboezemt, en na -verloop van een uur op zijn langst waren de pakgoederen, de -levensmiddelen en de menschen in de grot verborgen en in veiligheid. - -Don Martial bracht de struiken weder in orde, om de sporen waar zijne -kameraden waren doorgegaan, te doen verdwijnen; daarop haalde hij -ruimer adem, met het zoete gevoel van welvoldaanheid dat steeds op het -gelukken van een stout, schier onuitvoerlijk plan volgt, en beklom den -top van den heuvel. - -Hij koppelde de paarden met behulp van een lasso en leidde hen den berg -af naar de vlakte, in de richting van het bosch, waar hij weldra in de -kronkelingen van het vroeger door hem gevonden loopspoor verdween. - -Het pad was smal, zoodat de paarden er niet dan achter elkander en dan -nog met groote moeite door konden. Eindelijk bereikte hij een klein -open kamp, waar hij de arme dieren aan hun lot overliet, hun al den -voorraad boonen en klaver achterlatende, die hij uit voorzorg met de -muildieren had medegenomen. - -De Tigrero wist vooruit wel dat de paarden en muilezels zich uit eigen -beweging niet ver van de plaats zouden verwijderen waar hij hen moest -achterlaten, en dat hij hen, zoodra hij ze weder noodig had, -gemakkelijk zou terugvinden. - -Al deze bemoeiingen namen veel tijd weg; de dag spoedde reeds ten einde -eer don Martial voor goed het bosch verliet. - -De zon, tot dicht aan de kimmen gedaald, vertoonde zich als een -schitterende vuurbol bijna met de oppervlakte der aarde gelijk. De -schaduw der boomen verlengde zich tot in het oneindige; de avondkoelte -verhief zich met zacht geblaas tusschen de hoogste toppen van het -geboomte; reeds hoorde men van tijd tot tijd in de diepte der bosschen -eenige rauwe kreten opgaan, ten bewijze dat de roofdieren ontwaakten, -die gevreesde gasten der wildernis! wier ongestoorde heerschappij over -de prairie een aanvang nam om er gedurende den nacht als onbeperkte -koningen te regeeren. - -Nogmaals naar den top des heuvels teruggekeerd, eer hij zich naar de -grot zou begeven, bespiedde don Martial den gezichteinder in het -laatste licht der stervende zonnestralen. - -Op eens verbleekte hij, eene zenuwachtige huivering liep hem door de -leden; zijne oogen, door schrik wijder geopend, bleven onafgewend op de -rivier gericht, en stampvoetend mompelde hij met eene half gesmoorde -stem: - -»Reeds daar!.... die duivels!” - -Wat de Tigrero gezien had was werkelijk om van te beven. - -Eene troep Indiaansche ruiters trok den stroom over, juist op het -zelfde punt waar hij er met zijne reismakkers eenige uren vroeger was -overgegaan. - -De Tigrero volgde hunne bewegingen met klimmende ongerustheid. Aan den -anderen oever komende, zetten zij zonder zich op te houden hun tocht -voort juist langs denzelfden weg dien hij met zijne kameraden gekozen -had. - -Er viel niet meer aan te twijfelen; de Apachen hadden zich door de -listige voorbehoedmiddelen van den Tigrero niet laten bedriegen, maar -waren de karavaan rechtstreeks gevolgd en kwamen nu met allen spoed -opzetten. In minder dan een uur konden zij den heuvel bereiken, en als -dat gebeurde, met hunne duivelsche behendigheid in het ontdekken van -sporen, was het ergste te vreezen! - -Den Tigrero klopte het hart in den boezem alsof het dreigde te barsten. -Hij klom ijlings den heuvel af en half waanzinnig van teleurstelling -stormde hij de grot in. - -Toen de anderen hem zoo bleek en verwilderd zagen binnenkomen, snelden -zij hem verschrikt te gemoet. - -»Wat schort u?” vroegen allen. - -»Wij zijn verloren!” riep hij wanhopig, »daar zijn de Apachen!” - -»De Apachen!” herhaalden zij met schrik. - -»O, mijn God! red mij, red mij!....” riep doña Anita op de knieën -zinkend en de handen angstig samenvouwend. - -De Tigrero snelde naar het meisje, richtte haar op en nam haar met de -kracht van een razende in zijne armen en zich tot den haciendero -wendende, riep hij: - -»Kom! Kom! volg mij! misschien blijft ons nog eene kans op behoud -over!” - -Hiermede ijlde hij de diepte der grot in; al de anderen volgden hem. - -Zoo liepen zij een geruimen tijd voort. Doña Anita, die half in onmacht -lag, liet haar schoone maar doodsbleeke hoofd op den schouder van den -Tigrero rusten. - -Deze spoedde zich altoos verder. - -»Kijk! kijk! daar ginds,” riep hij in de verte wijzende, »weldra zijn -wij behouden!” - -Zijne kameraden slaakten een kreet van blijde verrassing; zij hadden, -voor zich uit, de tweede opening der grot gezien. - -Plotseling, juist op het oogenblik toen don Martial den uitgang -bereikte, en naar buiten meende te snellen, stond er een man voor hem. - -Die man was de Zwarte-Beer. - -De Tigrero sprong met een brullenden kreet als een wild dier terug. - -»Ooah!” riep de Apache op spottenden toon, »mijn broeder weet wel dat -ik die vrouw bemin; en om mij te behagen haast hij zich mij haar zelf -te brengen.” - -»Gij hebt haar nog niet, demon!” krijschte don Martial, terwijl hij -doña Anita nederzette en voor haar ging staan met een pistool in elke -hand; »kom haar halen.” - -Achter zich in de diepte der grot hoorde hij voetstappen, die snel -naderden. - -De Mexicanen werden dus tusschen twee vuren gebracht! - -De Zwarte-Beer, met het oog op den Tigrero gericht, bespiedde al diens -bewegingen; plotseling nam hij zijne kans waar en sprong als een -tijgerkat vooruit met een woesten aanvalskreet. - -Don Martial loste zijne pistolen op den Apache en greep hem met de -armen om het lijf. - -De beide mannen rolden over den grond, elkaâr omstrengelend als twee -slangen. - -Don Sylva en de peons vochten als wanhopigen tegen de andere Indianen. - - - - - - - - - -XXIV. - -DE WOUDLOOPERS. - - -Wij moeten thans tot sommige personen uit ons verhaal terugkeeren, die -wij maar al te lang uit het oog hebben verloren, en verplaatsen ons -naar het slot van het vijftiende hoofdstuk. - -Ofschoon de Franschen, bij de bestorming der kolonie door de Apachen, -meester waren gebleven van het slagveld en het hun gelukt was hunne -woeste vijanden in de Rio Gila terug te werpen, ontveinsden zij zich -geenszins dat zij deze onverwachte zegepraal niet enkel aan hun moed te -danken hadden; de laatste aanval der Comanchen onder aanvoering van den -Arendskop had eigenlijk de overwinning beslist. Zoodra dus de vijanden -verdwenen waren, had dan ook de graaf de Lhorailles, met eene grootheid -van ziel en eene rondborstigheid die men van een man van zijn stempel -niet zou hebben verwacht, de Comanchen bedankt en aan de jagers de -prachtigste geschenken aangeboden. - -Laatstgenoemden ontvingen de vleiende loftuitingen van den graaf met -gepaste zedigheid, maar wezen al zijne aanbiedingen en voorstellen -bepaald van de hand. - -Even als Goedsmoeds, hadden zij voor hun gehouden gedrag geen andere -beweegredenen gehad dan de drift om hunne landgenooten te hulp te -komen; toen dus alles geëindigd was en de Franschen voor langen tijd -van de aanvallen der wilden bevrijd waren, hadden zij niets meer te -doen dan van den graaf zoo spoedig mogelijk afscheid te nemen en hunne -reis te vervolgen. - -De graaf de Lhorailles wist echter zoo veel bij hen uit te werken, dat -zij nog twee dagen in de kolonie zouden vertoeven. - -Doña Anita en haar vader waren op zulk eene geheimzinnige wijs -verdwenen, dat de Franschen, te weinig met de listen der Roodhuiden -bekend en geheel onkundig van de wijze waarop men een spoor in de -wildernis moest uitvinden, buiten staat waren om de twee vermiste -personen te gaan zoeken. - -De graaf de Lhorailles had intusschen stilzwijgend gehoopt, dat hij -hierin door de ondervinding van den Arendskop en de schranderheid -zijner krijgslieden zou worden geholpen. - -Hij verklaarde dus onbewimpeld aan de jagers en de Comanchen, welke -goede diensten hij van hunne welwillendheid verwachtte, zoodat zij hem -die niet langer durfden weigeren. - -Den volgenden morgen, met het krieken van den dageraad, splitste de -Arendskop zijne ruiterschaar in vier afdeelingen, elk onder kommando -van een beroemd krijgsman, en na hun de noodige voorschriften gegeven -te hebben, verspreidde hij hen in vier verschillende richtingen. - -De Comanchen begonnen terstond hunne nasporingen en onderzochten de -omringende wildernis met al de bekwaamheid die den Roodhuiden eigen is, -maar alles was vergeefs. - -De vier afdeelingen kwamen de eene na de andere op de hacienda terug -zonder iets ontdekt te hebben, ofschoon zij de wildernis twintig mijlen -in het rond hadden afgeloopen en daarbij zoo te zeggen geen struik of -grashalm onopgemerkt hadden gelaten; van don Sylva en zijne dochter was -geen spoor of teeken te vinden; wij weten reeds om welke reden: doña -Anita was met haar vader de Rio Gila afgevoerd, en het water laat geen -spoor over. - -»Gij ziet het,” zeide Goedsmoeds tegen den graaf, »wij hebben alles -gedaan wat menschelijkerwijs mogelijk was, om de twee na het gevecht -vermiste personen op te sporen; het blijkt duidelijk dat de oplichters -hen langs de rivier tot op verren afstand hebben weggevoerd alvorens -weder aan land te gaan. Wie weet waar zij zich thans bevinden? De -Roodhuiden zijn snel in hunne bewegingen, vooral wanneer zij vluchten; -zij hebben een verbazend eind op ons vooruit; het mislukken onzer -pogingen bewijst dit; het zou eene dwaasheid zijn hen weder te willen -bereiken. Vergun ons dus te vertrekken; wellicht dat wij op onze reis -door de prairie in staat zijn nadere inlichtingen op te doen, die u -later van dienst kunnen zijn.” - -»Ik wil niet langer van uwe beleefdheid jegens mij misbruik maken,” -antwoordde de graaf minzaam; »vertrekt wanneer het u goeddunkt, -caballeros; maar neemt de betuiging mijner dankbaarheid met u, en -gelooft dat ik mij gelukkig zal rekenen u die eenmaal met meer dan -louter woorden te kunnen bewijzen. Bovendien verlaat ik zelf de -kolonie, misschien dat wij elkander in de woestijn nog ontmoeten -zullen.” - -Den volgenden dag met zonsopgang vertrokken de jagers en Comanchen uit -de hacienda en begaven zich naar de prairie. - -Tegen den avond liet de Arendskop het kamp opslaan en de nachtvuren -ontsteken. - -Even na het souper, op het oogenblik dat ieder op slapen bedacht was, -liet de sachem door den hachesto (omroeper) afkondigen dat de hoofden -zich aan het raadvuur zouden vereenigen. - -»Mijne bleeke broeders zullen daar nevens de sachems plaats nemen,” zei -de Arendskop tegen den Franschman en den Canadees. - -Dezen namen met eene buiging het voorstel aan en schaarden zich mede -rondom den haard, waar de Comanchenhoofden reeds in deftige stilte -zaten te verbeiden wat de sachem hun zou mededeelen. - -Toen ook de Arendskop had plaats genomen, wenkte hij den pijpdrager. - -Deze verwijderde zich en kwam weldra terug, eerbiedig de groote -toovercalumet dragende, wier vijf voet lange roer met prachtige vederen -en eene menigte kleine rinkels versierd was, terwijl de kop uit een -fijnen witten steen bestond, dien men alleen in de Rotsbergen vindt. - -De pijp was reeds gevuld en ontstoken. - -Zoodra de pijpdrager zich binnen den kring bevond, wees hij met den kop -in de richting der vier windstreken, onder het murmelen van eenige -geheimzinnige spreuken of gebeden, om de gunst van Wacondah, den -Meester des Levens, over den raad in te roepen en den boozen invloed -van den »eersten mensch” op het gemoed der sachems, af te wenden. - -Vervolgens den kop van de pijp in de hand nemende, bood hij den steel -met het mondstuk het eerst aan den Arendskop, roepende met plechtige en -luide stem: - -»Mijn vader is de eerste sachem van het dappere volk der Comanchen; de -wijsheid woont in zijn hoofd, al heeft de sneeuw des ouderdoms het nog -niet vergrijsd. Maar even als alle andere menschen is hij vatbaar om te -dwalen, dat mijn vader dus overwege alvorens te spreken; de woorden die -uit zijne borst over zijne lippen zullen komen, moeten zoodanig zijn -dat de Comanchen ze kunnen gehoorzamen.” - -»Mijn zoon heeft goed gesproken,” antwoordde de sachem. - -Hij nam het roer en deed zwijgend eenige trekken, toen nam hij het -mondstuk uit zijne lippen en bood het aan den sachem die naast hem zat. - -Zoo ging de vredespijp den kring rond, zonder dat een der opperhoofden -een woord sprak. - -Toen allen gerookt hadden en de tabak in den kop was opgebrand, schudde -de pijpdrager de asch in zijne rechterhand en wierp ze in den haard met -den uitroep: - -»Hier zijn de hoofden vereenigd in den raad; hunne woorden zijn -geheiligd. Wacondah heeft ons gebed gehoord en zal het verhooren. Wee -hem, die vergeet dat het geweten zijn eenigste richtsnoer zijn moet!” - -Na deze weinige woorden met de meeste plechtigheid te hebben -uitgesproken, trad de pijpdrager buiten den kring en wierp den sachems, -die onbewegelijk rondom het vuur zaten, een laatsten blik toe, onder -het mompelen met zachte en bijna onhoorbare stem: - -»Gelijk de asch die ik in het vuur wierp, heilig en voor altijd -verdwenen is, mogen ook de woorden, die de sachems spreken zullen, -heilig zijn en niet buiten den kring des raads gehoord worden. Dat -mijne vaderen nu spreken; de raad is begonnen.” - -Na deze vermaning, die bijna voor een openbare bestraffing kon gelden, -verwijderde de pijpdrager zich. - -Toen stond de Arendskop op, liet zijn blik over de raadsleden rondgaan -en nam het woord. - -»Hoofden en krijgslieden der Comanchen,” begon hij, »reeds zijn er vele -manen verloopen, sedert ik het dorp mijner natie verliet, en nog vele -manen zullen voorbijgaan eer de Wacondah mij vergunnen zal, mij aan het -groote raadvuur met de opperste sachems der Comanchen neder te zetten. -Het bloed heeft altijd rood in mijne aderen gevloeid en geen huid heeft -mijn hart voor mijne broederen bedekt. De woorden die mijne borst -uitblaast komen mij op de lippen door den wil van den Grooten Geest; -Hij weet hoe ik mijne liefde voor u allen bewaard heb. - -»De natie der Comanchen is machtig, zij is de koningin der prairiën. -Hare jachtgronden dekken de gansche aarde, wat behoeft zij zich met -andere natiën te verbinden om hunne grieven te wreken? Keert de onreine -coyote in tot het hol van den trotschen jaguar? Legt de uil zijne -eieren in het nest van den arend? Waarom zou dan de Comanch op het -oorlogspad uittrekken met de honden der Apachen? De Apachen zijn -bloohartige vrouwen en verraders. - -»Ik zeg mijne broeders dank, niet alleen dat zij met de Apachen hebben -gebroken, maar dat zij mij geholpen hebben hen te verslaan; nu is mijn -hart treurig en dekt een nevel mijnen geest, omdat ik van mijne -broeders scheiden moet. Behage het hun mijn vaarwel, aan te nemen; dat -de Spotvogel mij beklage, daar ik ver van hen verwijderd in de schaduw -zal wandelen, de stralen der zon hoe vurig zij schijnen mogen zullen -mij niet kunnen verwarmen. Ik heb gezegd. Heb ik goed gesproken, -machtige mannen?” - -De Arendskop ging weder zitten te midden van een algemeen gemompel van -smart, en bedekte zijn gelaat met een slip van zijn bisonsmantel. - -Er volgde in de vergadering eene diepe stilte. De Spotvogel scheen de -andere hoofden met zijne blikken te ondervragen; eindelijk stond hij -op, en nam op zijne beurt het woord om den Arendskop te beantwoorden. - -»De Spotvogel is jong,” zeide hij, »en zijn hoofd is goed, ofschoon het -de wijsheid van zijn vader nog niet bezit. De Arendskop is een sachem -dien de Wacondah lief heeft: waarom heeft de Meester des levens het -opperhoofd onder de krijgslieden van zijn volk teruggebracht? Was dit -opdat hij hen schier onmiddellijk weder verlaten zou? Neen! de Meester -des levens bemint zijne kinderen de Comanchen; hij heeft dit dus niet -kunnen willen! De krijgslieden hebben een wijs en welervaren voorganger -noodig om hen op het oorlogspad te geleiden en aan het vuur van den -raad te onderrichten; het hoofd van mijn vader is grijs, hij behoort de -krijgslieden te onderwijzen en aan te voeren; de Spotvogel kan zulks -niet, hij is nog te jong en te onervaren. Waar mijn vader dus heengaat, -zullen zijne zonen hem volgen, wat mijn vader wil zullen zijne zonen -willen; doch hij spreke niet van hen te verlaten; laat hij de wolk -verdrijven die zijn geest verduistert, zijne zonen smeeken het hem bij -monde van den Spotvogel, het kind dat hij zelf opgevoed, dat hij zoo -wel bemind en tot een man gemaakt heeft. Ik heb gesproken. Ziedaar -mijne wampum! heb ik goed gesproken, machtige mannen?” - -Na die laatste woorden gezegd te hebben, nam de Spotvogel zijn -halsketen van wampum-kralen, wierp haar voor de voeten van den -Arendskop en ging weder zitten. - -»Dat de groote sachem bij zijne kinderen blijve!” riepen alle -krijgslieden tegelijk, terwijl ieder zijn wampum-ketting bij dien van -den Spotvogel wierp. - -De Arendskop richtte zich op met een houding vol fierheid en adeldom, -hij liet de slip van zijn bisonsmantel vallen en sprak tot de -aandachtige en belangstellende vergadering: - -»Ik heb het lied van den walkon, den geliefden vogel van Wacondah, in -mijn oor hooren weergalmen,” zeide hij; »zijne welluidende stem is in -mijn hart doorgedrongen en heeft het van vreugde doen sidderen. Mijne -zonen zijn goed, ik bemin hen; de Spotvogel en tien krijgslieden, door -hem zelven te kiezen, zullen mij vergezellen; de overigen zullen naar -de groote dorpen van mijn volk terugkeeren, om den sachems te -verkondigen dat de Arendskop weder bij zijne kinderen is; ik heb -gezegd.” - -De Spotvogel vroeg thans om de groote calumet, die de pijpdrager hem -onmiddellijk bracht, de pijp werd opnieuw ontstoken, en ging onder de -sachems rond zonder dat er een woord gewisseld werd. - -Toen de laatste mondvol rook in de lucht verdwenen was riep de -hachesto, nadat de Spotvogel hem eenige woorden zacht in het oor -gesproken had, met luider stem de namen af der tien krijgslieden die -gekozen waren om den Arendskop te vergezellen. - -De hoofden stonden op, bogen diep voor den Arendskop, stegen -stilzwijgend in den zadel en reden weg in galop. - -Gedurende een geruimen tijd bleven de Spotvogel en de Arendskop samen -praten of liever fluisteren. - -Toen hun gesprek uit was, steeg ook de Spotvogel te paard en reed op -zijne beurt met zijne krijgslieden weg. - -De Arendskop, Goedsmoeds en don Louis bleven thans alleen achter. - -De Canadees keek met verstrooiden blik de Indianen na, die zich snel -verwijderden; toen zij verdwenen waren wendde hij zich tot den sachem. - -»Ziedaar, hoofdman,” zeide hij, »nu zijn wij eindelijk vrij om elkander -de noodige ophelderingen te geven, of acht gij het uur nog niet gekomen -om ronduit te spreken en onze zaken af te doen? Sedert wij ons gewone -verblijf verlieten, hebben wij ons dunkt mij te veel met anderen en al -zeer weinig met ons zelven beziggehouden; zou het niet haast tijd -worden om aan onze eigene zaken te denken?” - -»De Arendskop vergeet niets, hij denkt er reeds aan om zijnen bleeken -broeders groot genoegen te geven.” - -Goedsmoeds begon hartelijk te lachen. - -»Met uw verlof, hoofdman,” zeide hij; »maar mijne zaken zijn zoo -eenvoudig, en wat genoegen betreft ben ik al zeer spoedig voldaan; gij -hebt mij beloofd mij op reis te vergezellen en dat doet gij immers. Ik -mag een Apachen-hond wezen als ik meer van u verlang. Met don Louis is -het iets anders, die zoekt naar een dierbaren vriend van hem; gij weet -wel dat wij hem beloofd hebben hem hierin behulpzaam te zijn.” - -»O! zeker,” hernam het opperhoofd; »de Arendskop heeft zijn hart -tusschen zijne twee bleeke broeders verdeeld; zij hebben er ieder de -helft van. De weg dien wij moeten afleggen is lang en kan nog -verscheidene manen duren. Wij moeten door de groote woestijn. De -Spotvogel is met zijn troep reeds vooruitgegaan om bisons te dooden en -voor den noodigen mondkost te zorgen op de reis. Ik denk mijne broeders -naar eene plaats te brengen, die ik eenige manen geleden ontdekte en -die aan niemand bekend is dan aan mij. De Wacondah, toen hij den mensch -schiep, heeft hem kracht en moed en vele jachtvelden geschonken en tot -hem gezegd: Wees vrij en gelukkig. Aan de bleekgezichten gaf hij -wijsheid en wetenschap om de waarde der blinkende steenen en gele -bikkels te kennen; Roodhuiden en Bleekgezichten volgen ieder den weg -dien de Groote Geest hun aanwees; ik zal mijne broeders naar een placer -(zilver- of goudmijn) geleiden.” - -»Naar een placer!” riepen de twee anderen verwonderd. - -»Ja, wat zou een Indiaansch overste met zoovele schatten doen, daar hij -toch niets mede kan uitrichten? Het goud is alleen voor de blanken; -laten mijne broeders er gelukkig mede zijn, de Arendskop zal er hun -meer van verschaffen, dan zij ooit dachten te zullen bezitten.” - -»Met uw welnemen! niet zoo voorbarig, hoofdman,” riep Goedsmoeds. »Wat -drommel meent gij dat ik met al uw goud zou doen? ik ben niets anders -dan een jager, die aan zijn paard en zijne buks genoeg heeft. In -vroeger tijd, toen ik nog met Edelhart samen de prairie doorkruiste, -hebben wij zoo menigmaal een klompje gouderts met voeten geschopt of -vertreden, maar het altijd onaangeroerd laten liggen, zonder ons te -verwaardigen het op te rapen.” - -»Wat zouden wij met goud doen?” voegde don Louis er bij: »laten wij die -goudmijn, hoe rijk zij ook wezen mag, maar uit onze gedachten stellen -en haar bestaan zelfs aan niemand openbaren, er gebeuren tegenwoordig -reeds wandaden genoeg om het lieve goud; dat is geene zaak voor ons, -hoofdman. Geef uw plan maar op. Wij zeggen u dank voor uw edelmoedig -aanbod, maar wij kunnen het onmogelijk aannemen.” - -»Goed gesproken!” riep Goedsmoeds vroolijk; »wat zouden wij met dat -duivelsche goud beginnen, daar hebben wij niets aan, wij willen leven -als vrije jagers zoo als wij werkelijk zijn. Caspita! hoofdman, ik -verzeker u, als gij mij te la Noria gezegd hadt met welk oogmerk gij -verlangdet dat ik u vergezellen zou, dan had ik u liever alleen laten -vertrekken.” - -De Arendskop glimlachte. - -»Dat antwoord heb ik juist van mijne broeders verwacht, en ik ben -blijde te zien dat ik mij hierin niet bedrogen heb. Ja, goud is voor -hen geheel nutteloos, zij hebben gelijk; maar dat is nog geen bewijs -dat zij het moeten verachten; gelijk alle andere dingen door den -grooten Geest op aarde geschapen, heeft ook het goud zijne waarde. -Mijne broeders moeten dus met mij medegaan naar de goudmijn; niet -zooals zij veronderstellen, om er de goudkorrels groot of klein op te -zamelen, maar om te weten waar zij is en haar des noods te kunnen -wedervinden. Ongeluk, behoefte en armoede komen altijd onverwacht, en -de gelukkigen die de Groote Geest heden het meest begunstigt, worden -morgen vaak door Hem het zwaarst bezocht. Nu dan, zoo het goud uit die -placer het geluk mijner broeders niet kan vergrooten, wie zegt hun dat -zij niet nog eenmaal dienen zal om er een of ander hunner vrienden mede -uit dringenden nood te redden.” - -»Dat is waar,” riep don Louis die de juistheid dezer redeneering moest -erkennen, »wat gij daar zegt is zeer verstandig en laat zich wel -hooren. Wij kunnen voor ons zelven het bezit van rijkdommen wel -verachten, maar wij mogen ze niet verwerpen als middelen om er -misschien anderen mede te helpen.” - -»Zoo dit bepaald uw gevoelen is,” zei Goedsmoeds, »kan ik er mij wel -mede vereenigen; daarbij, wij zijn nu eenmaal op weg, en kunnen onzen -tocht wel ten einde toe voortzetten. Wel wel! wie had dat ooit -gedacht,” vervolgde hij, »als mij iemand voorspeld had dat ik nog eens -een goudzoeker worden zou, zou ik wel vreemd hebben opgekeken. -Intusschen ga ik eens zien of ik een hert kan schieten.” - -Met deze woorden nam Goedsmoeds zijn geweer en verwijderde zich al -fluitende. - -Wat den Spotvogel betreft, deze bleef twee dagen afwezig; tegen het -midden van den derden dag kwam hij terug; zes paarden, door hem in de -prairie achtergelaten, waren met levensmiddelen beladen, zes anderen -droegen zakken vol water. - -De Arendskop was uiterst voldaan over de wijze waarop hij zich van -zijne taak gekweten had, doch daar zij een langen tocht te maken hadden -en de woestijn del Norte in hare volle lengte moesten doortrekken, -gelastte hij dat elke ruiter uit voorzorg, behalve de haver voor de -paarden, twee kleine zakken met water aan zijn zadel zou mede dragen. - -Nadat deze maatregelen wijselijk genomen, de paarden en ruiters wel -uitgerust, en verfrischt waren, brak de kleine troep den volgenden -morgen met het eerste krieken van den dageraad op, en trok op marsch in -de richting der woestijn del Norte. - -Wij zullen deze reis hier niet nader beschrijven, dan dat zij gelukkig -en onder de beste omstandigheden volbracht werd. Geen enkel ongeval -stoorde hare kalme eentonigheid. - -De Comanchen en hunne twee blanke vrienden doorreden de woestijn als -een voortstuivende wervelwind, met die duizelingwekkende snelheid, waar -zij alleen het geheim van bezitten en die de Roodhuiden bij hunne -invallen aan de Mexicaansche grenzen zoo geducht maakt. - -In de prairiën der Sierra de los Comanchos aangekomen zijnde, gaf de -Arendskop den Spotvogel en diens krijgslieden bevel om te kampeeren, -aan den rand van een groot natuurwoud, op een tamelijk ruim grasveld, -aan den oever van eene onbekende beek of kleine rivier, die zich eenige -mijlen verder in de Rio del Norte uitstort, en verwijderde zich met -zijne twee vrienden Goedsmoeds en don Louis. - -De sachem was voorzichtig in alles; ofschoon de Spotvogel zijn volste -vertrouwen bezat, achtte hij het echter ongeraden hem met de ligging -der goudmijn bekend te maken; en later had hij reden genoeg om zich met -dezen wijzen maatregel geluk te wenschen. - -De drie jagers reden rechtstreeks naar de bergen, die zich voor hen uit -verhieven, zoo ’t scheen als onverbiddelijke en ontoegankelijke muren -graniet. - -Doch naarmate zij dezelve naderden werden de kanten en hellingen -allengs minder steil en ontoegankelijk. Weldra trokken zij een engen -bergpas binnen, aan welks ingang zij reeds genoodzaakt waren af te -stijgen en hunne paarden achter te laten. Waarschijnlijk was het alleen -aan deze bijzonderheid te danken, dat de Indianen deze goudmijn nooit -ontdekt hadden; de Roodhuiden toch zullen bij geene gelegenheid -afstijgen anders dan om te kampeeren; men zou met recht van hen kunnen -zeggen wat men van de Gauchos der oostelijke pampas en in Patagonië -zegt: dat zij te paard leven en sterven. - -Geheel toevallig, had de Arendskop eenige maanden geleden, terwijl hij -op de jacht was en een door hem gekwetst damhert vervolgde, deze -goudmijn ontdekt. Het damhert, dat hij sedert een paar uren had -nagezeten en niet gaarne wilde laten ontsnappen, was in den bergpas -gevlucht om er te sterven, en de moedige jager had niet geaarzeld, het -ook daar te volgen. Na den woesten bergpas in zijne geheele lengte te -zijn doorgegaan bereikte hij een kleine vallei of dalkom, diep tusschen -steile bergen ingesloten, en behalve van dezen kant, bezwaarlijk zoo al -niet geheel onmogelijk te naderen. Daar had hij het arme dier -zieltogend vinden liggen op een zandigen met goudkorrels bezaaiden -bodem, die in het felle zonlicht glinsterde als duizend diamanten. - -Toen onze beide jagers in deze vallei afdaalden, konden zij een kreet -van verbazing niet bedwingen. - -Hoe sterk een mensch ook zij en hoeveel zelfbeheersching hij bezitten -mag, toch trekt het goud hem met onweerstaanbare toovermacht en is wel -in staat om hem, althans voor eenige oogenblikken, te verbijsteren. - -Goedsmoeds was de eerste die zijne gewone koelbloedigheid terugkreeg. - -»O!” riep hij terwijl hij het zweet afwischte dat hem van het gelaat -gudste, »er liggen in dit afgesloten hoekje wat schatten verborgen. God -geef dat zij er nog lang verborgen blijven! daar zal het menschdom -niets aan verliezen.” - -»Wat zullen wij er mede doen?” vroeg Louis hijgend en met fonkelende -blikken. - -De Arendskop was de eenige die deze onberekenbare schatten -onverschillig aanzag. - -»Hm!” hervatte de Canadees, »dit goud is ontegenzeggelijk ons eigendom, -daar de sachem het aan ons overlaat.” - -De Arendskop knikte toestemmend. - -»Wat ik u wilde voorstellen,” vervolgde Goedsmoeds, »is dit: wij hebben -dat goud niet noodig, op dit oogenblik zou het ons zelfs meer schaden -dan voordeel doen. Evenwel, daar niemand weet wat de toekomst baren -zal, moeten wij ons eigendomsrecht verzekeren; laten wij dezen -zandgrond met takken en bladeren bedekken, zoodat geen jager, wanneer -hij bij geval op een der omliggende hoogten komt en van daar -nederblikt, dit goud in de diepte ziet schitteren. Vervolgens zullen -wij zoo veel mogelijk steenen verzamelen en er den ingang der bergkloof -mede verstoppen; het toeval dat eenmaal den Arendskop begunstigde, zou -ook wel een ander kunnen gebeuren. Wat dunkt u hiervan?” - -»Dadelijk aan ’t werk!” riep don Louis; »ik wil dat goud niet langer -zien schitteren, hoe eer het bedekt is hoe beter; dat duivelsche metaal -zou mij anders nog geheel duizelig maken.” - -»Aan ’t werk dan!” herhaalde Goedsmoeds. - -De drie mannen hieuwen takken van de boomen en maakten er een dik -tapijt van, onder hetwelk de goudklompen weldra geheel onzichtbaar -werden. - -»Wilt gij niet een staaltje van die goudklompjes bij u steken?” vroeg -Goedsmoeds aan don Louis, »misschien was het niet kwaad om er een paar -van mede te nemen.” - -»O neen ik niet, wat zou ik er mede doen?” antwoordde deze de schouders -ophalend, »ik stel er geen den minsten prijs op; neem gij er maar wat -van meê, als gij wilt; wat mij aangaat, ik zal er geen hand naar -uitsteken.” - -Goedsmoeds begon te lachen, raapte twee of drie gouden bikkels op, zoo -groot als hazelnoten, en stak ze in zijn kogeltasch. - -»Sakkerloot!” riep hij, »als ik daar een paar Apachen mede doodschiet, -hebben ze waarlijk geen reden zich te beklagen.” - -De drie jagers gingen de bergkloof door, wier mond zij met rotsblokken -toestopten en onkenbaar maakten; daarop stegen zij te paard en keerden -naar het kamp terug, na vooraf eenige merken aan de boomen gemaakt te -hebben om de plaats te kunnen wedervinden, zoo de omstandigheden hen -ooit dwongen er later op terug te komen, hetgeen wij tot hun eer moeten -zeggen dat zij geen van allen verlangden. - -De Spotvogel wachtte zijne vrienden met het grootste ongeduld. - -Er was onraad in de prairie. Sedert dien morgen hadden de voorloopers -een kleinen troep blanken de Rio del Norte zien overtrekken, naar een -heuvel, op welks top zij hun kamp hadden opgeslagen. Een poosje later -was er een talrijk detachement Apachen-krijgslieden op hetzelfde punt -over de rivier gegaan, zoo het scheen, op het spoor der bovengenoemde -blanken. - -»O!” riep Goedsmoeds, »het is duidelijk dat die duivelsche Roodhuiden -onze broeders vervolgen.” - -»Zullen wij hen onder ons oog laten vermoorden?” riep graaf Louis -verontwaardigd. - -»Bij mijne ziel! neen, zooveel wij er tegen doen kunnen,” antwoordde de -Canadees, »misschien kunnen wij met deze goede daad de dwaze -begeerlijkheid weder goed maken die wij straks deden blijken, en die -ons bijna verleid had. Zeg, Arendskop, wat denkt gij er van?” - -»Wij moeten de bleekgezichten redden,” antwoordde het opperhoofd zonder -aarzelen. - -Onmiddellijk werden door den sachem de noodige bevelen gegeven en door -zijne onderhebbenden uitgevoerd, met al de vaardigheid en juistheid die -den uitgelezen krijgslieden der Roodhuiden op het oorlogspad kenmerkt. - -De paarden werden onder het opzicht van een Comanch achtergelaten; het -detachement verdeelde zich in twee partijen, en zoo trok men behoedzaam -de prairie in. - -Alleen de Spotvogel, de Arendskop, don Louis en Goedsmoeds hadden -jachtgeweren, al de anderen waren met pieken en met pijl en boog -gewapend. - -»List tegen list,” fluisterde de Canadees tegen de anderen; »wij zullen -ze overrompelen die anderen zoeken te overrompelen.” - -Op hetzelfde oogenblik vielen er twee geweerschoten, weldra door -meerderen gevolgd; daarop hoorde men den aanvalskreet der Apachen, die -de lucht deed weêrgalmen. - -»Oho!” riep Goedsmoeds sneller voortmakend, »zij weten niet dat wij zoo -dicht in de nabijheid zijn.” - -Allen ijlden hem na. - -Intusschen was het gevecht in de grot op eene vreeselijke wijs aan den -gang: don Sylva en de peons boden moedig weêrstand; maar wat vermochten -zij tegen de schaar van vijanden die hen van twee zijden bestormde! - -De Tigrero en de Zwarte-Beer, gelijk wij straks reeds gezegd hebben, -lagen als twee saamgekronkelde slangen te worstelen en zochten elkander -met den ponjaard af te maken. - -Op eens knalden er verscheidene geweerschoten, en in de verte klonk de -donderende oorlogskreet der Comanchen. - -De Zwarte-Beer liet don Martial los, sprong op en ijlde naar doña -Anita, om haar te grijpen. - -Het doodelijk verschrikte meisje stiet hem terug en vluchtte als een -gejaagde hinde de gang door tot aan de zaal, in welker midden zich de -vroeger beschreven kolk bevond. - -De Zwarte-Beer snelde haar na om haar andermaal te grijpen, maar reeds -door een pistoolschot van den Tigrero gewond, was hij minder vlug dan -anders. - -Aan de kolk komende, deinsde hij terug, wankelde en verloor het -evenwicht. Hij voelde dat hij vallen zou, strekte werktuigelijk de hand -uit om zich vast te houden, en greep don Martial, die intusschen weder -opgestaan en hem na was geijld; maar nog half bedwelmd van de -worsteling en het harde loopen, op zijne beurt wankelde, en beiden -tuimelden met een vervaarlijken kreet in den afgrond. - -Doña Anita, die er niet ver af stond, snelde toe; zij was verloren. - -Plotseling voelde zij zich door een krachtige hand aangrijpen, opheffen -en achterwaarts trekken. Zij viel in onmacht. - -De Comanchen waren te laat gekomen. - -Van de zeven personen die de karavaan uitmaakten waren er vijf gedood. - -Een zwaar gekwetste peon en doña Anita, waren alleen levend -overgebleven. - -Het ongelukkige meisje was door Goedsmoeds gered. - -Toen zij de oogen weder opende, glimlachte zij zacht, en begon als een -onnoozel kind, met eene stem zoo helder als een vogel, eene -Mexicaansche seguedilla (ballade) te zingen. - -De jagers deinsden met smart terug. - -Doña Anita was krankzinnig! - - - - - - - - - -XXV. - -EL AHUEHUELT. - - -Wij gaan andermaal een stap terug, naar de groote woestijn del Norte, -waar de graaf de Lhorailles was binnengetrokken, onder geleide van -Cuchares. - -Gedurende de eerste dagen der reis ging alles goed, het weêr was -heerlijk schoon, en aan leeftocht geen gebrek. Met de hun aangeboren -luchthartigheid vergaten de Franschen al hun geleden leed, en lachten -luidkeels om de gedurige vrees der Mexicaansche peons, die beter met de -gevaren der woestijn bekend, hunne bezorgdheid niet verheelden over het -lang gerekt verblijf der vrijcompagnie in deze onherbergzame, vaak -doodelijke streek. - -Onder de beschaafde volken bezitten de Franschen een zonderlinge -eigenschap, die hen, wellicht zonder dat zij het weten, meer dan andere -in staat stelt om in zeer vele dingen de eerste te zijn; die eigenschap -is hunne blijkbare, door andere volken, misschien uit nijd maar toch -vaak niet zonder grond, voor lichtzinnigheid uitgekreten onbezorgdheid -en wispelturigheid; ofschoon die volken overigens niet ongenegen zijn -om zelfs de dwaaste grillen der Parijsche mode, zoo in de politiek als -kleederdracht, tot in de kleinste bijzonderheden slaafs te volgen. - -Niets is echter onbillijker dan het verwijt van lichtzinnigheid of -zorgeloosheid, dat den Franschen door hunne naburen onophoudelijk en in -alles wordt naar het hoofd gesmeten. Onbezorgde moed en luchthartigheid -maken de Franschen misschien tot de beste soldaten van de wereld, -zoodat zij zich gereedelijk, zelfs voor allerlei dwaze ondernemingen -van veroveringszucht en dolende ridderschap laten gebruiken, alle -ontberingen zich getroosten en met geestdrift hun leven zouden wagen -als er maar een weinig roem te behalen is. - -Maar achter die soldaten bevindt zich eene schrandere en werkzame -bevolking, die vooral in tijden van rust en onder een wijs en krachtig -bewind, zeker niet zoo dwaas is dat zij hare beste belangen zou -verwaarloozen. Gelijk alle beschaafde volken die den vooruitgang -beheerschen en helpen bevorderen, houden ook de Franschen het oog -steeds op de toekomst gevestigd, en het oor geopend voor ieder gerucht -dat de wereld beweegt. Wellicht zijn zij voortvarender dan anderen, het -verledene vergeten zij, het heden bekommert hen niet veel, maar het -morgen is alles voor hen, omdat in dat morgen de toekomst besloten -ligt, namelijk de oplossing van het groote vraagstuk der beschaving. -Wel is waar brengt hun vurig en onbedachtzaam karakter hen niet zelden -van het spoor, en dan is er een krachtig bestuur noodig om het hollende -span tot staan te brengen. Vandaar de groote tegenstrijdigheden die de -geschiedschrijver vaak in hen opmerkt en hun te last legt en die niet -weinig studie vereischen om hen naar waarde en billijkheid te -beoordeelen. - -Maar hoe dit ook zij, wat wij hier willen beweren blijft -ontegenzeggelijk waar, de Franschen zijn eene strijdlustige en -veroveringszuchtige natie en hun leger beschouwt zich zoo gaarne als de -voorhoede der beschaving, bestemd om de wereld op de baan der vrijheid -en der verlichting voor te gaan en Frankrijk tot de eerste der natiën -te verheffen. Vandaar dat de oogen der naburige volken zich staag op -Frankrijk richten, om hetzij in hoop of in vrees te zien wat aldaar -omgaat, ten einde het na te volgen of er zich tegen te wapenen. - -Wat onze Fransche vrijcompagnie betreft, zij bracht haar tijd door met -de woestijn te doorkruisen om er de Apachen te zoeken, die zich sedert -eenige dagen bepaald onzichtbaar hadden gemaakt. Slechts nu en dan bij -lange tusschenpoozen zagen zij een enkelen Indiaanschen ruiter, die op -korten afstand van hunne voorposten, als om hen te sarren, rijtoeren en -manegekunsten kwam vertoonen. - -Dan werd er »in den zadel” geblazen, allen stegen te paard, men stormde -den vrijpostigen ruiter te gemoet, die na zich lang genoeg te hebben -laten vervolgen, eensklaps weder verdween gelijk hij gekomen was. - -Dit doelloos en eentonig leven begon hun echter te vervelen en -eindelijk onverdragelijk te worden. Niets anders te zien dan zand, -altijd zand, geen vogels, geen wild, geen verscheurend dier zelfs; -niets dan grauwe en verbrokkelde rotsen; en eenige reusachtige -Ahuehuelten, een soort van ceders, met lange, soms bladerlooze doch -zwaar met een grijsachtig mos bedekte takken, dat er in groote -festonnen bij nederhing; dit alles had weinig vermakelijks, en nadat de -compagnie er het eerste nieuws had afgezien begon het haar spoedig te -walgen. - -De weêrkaatsing der zonnestralen op het barre zand, verwekte -oogziekten; het water door de hitte bedorven, werd ondrinkbaar; de -verdere levensmiddelen werden oneetbaar, het scorbut begon onder de -soldaten te heerschen, weldra door het heimwee gevolgd, dat menigeen -ten grave sleepte. - -Deze staat van zaken was ondragelijk, men moest op middelen bedacht -zijn om er zoo spoedig mogelijk een eind aan te maken. - -De graaf riep dus zijne officieren bijeen om met hen raad te houden. - -Deze raad bestond uit de luitenants Diego Leon, en Martin Leroux, den -sergeant Boileau, Blas Vasquez en Cuchares. - -Deze vijf personen, voorgezeten door den graaf de Lhorailles, plaatsten -zich op de pakbalen terwijl de soldaten niet ver van hen af op den -grond liggende, een schuilhoek zochten in de schaduw der paarden, die -aan piketten gekoppeld stonden. - -Het werd dringend noodig den raad te beleggen, want de krijgstucht -onder de compagnie was snel aan ’t afnemen, er was oproer in den wind, -men klaagde reeds nu en dan overluid. De strafoefening aan de Casa -Grande was reeds geheel vergeten en als men niet spoedig middelen vond -om het kwaad te keer te gaan, kon niemand zeggen op welke vreeselijke -uitersten het algemeene ongenoegen zou uitloopen. - -»Mijne heeren,” zei de graaf de Lhorailles, »ik heb u bijeengeroepen om -met u de middelen te beramen, ten einde den moedeloozen ja slechten -geest te doen ophouden, die bij de compagnie sedert eenige dagen -heerscht. De omstandigheden zijn zoo ernstig, dat ik u danken zal voor -elken goeden raad dien gij mij oprecht en onbewimpeld geeft; ons aller -welzijn is er in betrokken, en in zulk een staat van zaken heeft ieder -het recht om zijn gevoelen uit te brengen, zonder vrees dat hij de -eigenliefde zou kwetsen van wien ook. Spreekt dus, mijne heeren, ik zal -u aanhooren. Gij het eerst, sergeant Boileau; als de minste in rang -moet gij het eerste woord hebben.” - -Sergeant Boileau was een voormalig spahis uit Afrika, die de -soldatenschool op zijn duimpje kende, trouw als staal en in allen -opzichte wat men in het leger een oud-gediende noemt; alleen moeten wij -hier zeggen dat hij geen meester in de redekunst was. - -Bij de rechtstreeksche interpellatie van zijn kommandant begon hij te -glimlachen, daarop te blozen als een jong meisje, toen liet hij het -hoofd hangen en opende den mond, om reeds bij het eerste woord te -blijven steken. - -De graaf de Lhorailles, zijne verlegenheid bemerkende, spoorde hem op -goedwilligen toon aan om te spreken. Eindelijk, na menige vergeefsche -poging, gelukte het den sergeant met eene heesche stem en tamelijk -verward zijn woord te doen. - -»Pardi! kapitein,” begon hij, »ik begrijp dat de toestand alles behalve -vroolijk is; maar oorlog is oorlog, en op marsch gaat het niet anders. -Als men soldaat is, is men soldaat. Ik wil dus maar zeggen, kapitein, -naar mijn begrip, dat gij maar doen moet wat gij denkt dat goed is, en -dat wij hier zijn om u in alles te gehoorzamen; dat is strikt genomen -niet meer dan een staaltje van onzen plicht, zonder onnoodige -napraatjes.” - -De overige raadsleden konden zich moeielijk zonder lachen houden over -deze gulle bekentenis van den eerlijken sergeant, die opnieuw verlegen -werd en zweeg. - -»Uw beurt, Blas Vasquez,” zei de graaf, »wat is uw advies?” - -De capataz richtte zijn vurigen blik op den graaf. - -»Vraagt gij mij dat wel ronduit, kapitein?” antwoordde hij. - -»Zonder twijfel.” - -»Hoort dan gij allen,” hernam de capataz met eene vaste stem en op een -toon van volle overtuiging. »Mijn advies is, dat wij verkocht en -verraden worden; dat wij nooit uit deze woestijn zullen komen, maar -hier allen den dood zullen vinden zoo wij nog langer volhouden die -onbereikbare vijanden te vervolgen; men heeft ons in een strik gelokt -daar wij niet weder uit kunnen.” - -Deze verklaring bracht op de aanwezigen een diepen indruk te weeg, daar -men al de juistheid er van begreep. - -De kapitein schudde twijfelmoedig het hoofd. - -»Don Blas,” zeide hij, »wat gij daar gezegd hebt behelst eene zware -beschuldiging. Hebt gij de beteekenis uwer woorden wel nauwkeurig -overwogen?” - -»Ja,” antwoordde hij. »Alleen....” - -»Bedenk wel wat gij zegt, don Blas. Wij kunnen hier geen onbestemde -vermoedens toelaten; de zaken zijn tot zulk een uiterste gekomen, dat -wij u het overigens welverdiende vertrouwen niet kunnen verleenen, -tenzij gij uwe beschuldiging nader bepaalt en, desnoods, niet -terugdeinst om namen te noemen.” - -»Ik deins voor niets of voor niemand terug, heer graaf; ik weet al de -verantwoordelijkheid die ik op mij neem; geene overweging, van welken -aard ook, zal mij doen afwijken van hetgeen ik als heiligen plicht -beschouw.” - -»Spreek dan in ’s hemels naam, en geve God dat uwe ophelderende -verklaring mij niet andermaal noodzake een onzer kameraden op een -voorbeeldige wijze te straffen.” - -De capataz bedacht zich een poos, en iedereen wachtte met ongeduld op -zijne nadere toelichting; Cuchares inzonderheid, was derwijze in ’t -nauw gebracht, dat hij zijne ongerustheid moeielijk wist te verbergen. - -Eindelijk nam de capataz het woord en vestigde daarbij zulk een -zonderlingen blik op den graaf de Lhorailles, dat deze tegen wil en -dank eindelijk begon te begrijpen, dat hij en de zijnen de slachtoffers -waren van het schandelijkst verraad. - -»Heer graaf,” zei Blas Vasquez, »wij Mexicanen hebben eene wet daar wij -nimmer van afwijken, eene wet trouwens die in het hart van alle -eerlijke lieden geschreven staat, namelijk deze: dat, gelijk de loods -verantwoordelijk is voor het schip dat hij op zich neemt in de veilige -haven te brengen, evenzoo de gids met zijn leven verantwoordelijk is -voor het behoud der reizigers die hij aanneemt door de woestijn te -geleiden. Hierover komt geene verdere redeneering te pas; van tweeën -een: of de gids is onkundig, of hij is het niet; is hij onkundig, dan -had hij ons niet tegen ons aller gevoelen moeten dwingen de woestijn in -te trekken, noch daarbij de geheele verantwoordelijkheid onzer reis -mogen op zich nemen. Is hij daarentegen der zake kundig, dan had hij -ons de woestijn moeten doorvoeren, waartoe hij zich verbonden heeft, in -plaats van ons op goed geluk te laten rondzwerven om naar vijanden te -zoeken, die hij even goed weet als wij het weten, dat niet in de -woestijn del Norte wonen, maar ze slechts nu en dan in geval van -noodzakelijkheid doortrekken, zoo snel als hunne paarden loopen kunnen. -Op onzen gids alleen werp ik dus de schuld van alles wat ons overkomt; -want hij is de man, die meester was van de gebeurtenissen en ze naar -zijn goedvinden heeft geregeld.” - -Cuchares, meer en meer in verwarring gebracht, wist niet meer hoe hij -zich keeren of wenden zou, zijne ontsteltenis was voor iedereen -zichtbaar. - -»Wat hebt gij hierop te antwoorden, Cuchares?” vroeg de kapitein. - -In omstandigheden als de tegenwoordige, heeft een beschuldigde slechts -twee middelen van verdediging: of geveinsde verontwaardiging of -minachting. - -Cuchares koos het laatste: de minachting. - -Al zijne stoutmoedigheid en onbeschaamdheid te hulp roepende, zorgde -hij eerst zijne stem te verzekeren, haalde verachtelijk de schouders op -en antwoordde op sarcastischen toon: - -»Ik zal señor don Blas de eer niet doen van zijne woorden te bespreken; -er zijn van die beschuldigingen waarop een eerlijk man het stilzwijgen -bewaart. Ik heb mij in alles moeten gedragen aan den kapitein, die hier -alleen te bevelen heeft. Sedert wij ons in de woestijn bevinden hebben -wij twintig man hetzij door de moordbijl der Indianen, of door ziekte -verloren; kan men mij redelijk- en billijkerwijs verantwoordelijk -stellen voor deze grieven? Sta ik niet even zeer als de anderen klaar -om in de woestijn om te komen? Heb ik het in mijne macht om het gevaar -te ontsnappen dat ulieden bedreigt? Zoo de kapitein mij bevolen had om -de woestijn del Norte slechts door te trekken, zouden wij er reeds lang -uit zijn; maar hij heeft mij gezegd dat hij de Apachen wilde -achterhalen, ik heb mij naar zijn last moeten gedragen.” - -Deze redeneering, hoe listig gesponnen en spitsvondig zij wezen mocht, -werd nochtans door de officieren voor goede munt opgenomen; Cuchares -haalde weder adem, maar hij had het met den capataz nog niet afgemaakt. - -»Goed,” zeide deze; »strikt genomen hebt gij misschien gelijk dat gij -zoo spreekt, en ik zou geloof kunnen hechten aan uw voorgeven, zoo ik -geen andere en veel ernstiger zaken tegen u had in te brengen.” - -De lepero haalde de schouders op. - -»Ik weet,” vervolgde de capataz, »en ik kan er dadelijk het bewijs van -leveren, dat gij door uwe gesprekken en zijdelingsche beschuldigingen -oproer onder de peons en soldaten der compagnie hebt gezaaid. Heden -morgen vóór de revelje, terwijl gij dacht dat niemand u zag, zijt gij -opgestaan en hebt met uw ponjaard tien van de vijftien zakken water -doorgestoken die wij nog over hebben; alleen het gerucht, dat ik -onwillekeurig maakte terwijl ik naar u toekwam om het u te beletten, -heeft u teruggehouden uw misdadig opzet ten einde te brengen. Op het -oogenblik toen de kapitein ons bijeen liet roepen om raad te houden, -was ik juist gereed om hem van uw bedrijf kennis te geven en u aan te -klagen. Wat hebt gij daarop te antwoorden? Verdedig u als gij er kans -toe ziet.” - -Aller oogen richtten zich nu op den lepero; hij was doodsbleek, zijne -oogen stonden rood en wild; eer iemand met mogelijkheid gissen kon wat -hij voornemens was, greep hij een pistool en schoot het rakelings af op -de borst van den capataz, die ter aarde stortte zonder een woord of -zucht meer te slaken; daarop steeg de moordenaar met een tijgersprong -te paard, en reed in vliegenden galop weg. - -Nu volgde er een onbeschrijfelijke opschudding, allen stegen te paard -om den lepero na te zetten. - -»Voort! voort! den moordenaar na! den moordenaar na!” schreeuwde de -kapitein, zijne manschappen aansporende met stem en voorbeeld om den -onverlaat te vervolgen. - -De Franschen, door dezen afloop der zaak woedend geworden, vervolgden -den lepero en schoten op hem als op een verscheurend dier; een geruimen -tijd wist hij in alle richtingen te ontwijken en zag men hem nu hier -dan daar heen rennen, om uit den cirkel te geraken dien het den -kavaleristen gelukt was rondom hem te sluiten; eindelijk zag men hem -waggelen in den zadel, poogde hij zich nog aan de manen van zijn paard -vast te klemmen, maar tuimelde hij op het zand als een machtelooze -klomp onder het uiten van een laatsten kreet. - -Hij was dood. - -Deze gebeurtenis voerde de ontsteltenis onder de soldaten ten top, van -dit oogenblik af gevoelden zij dat men hen verraden had en begonnen zij -te begrijpen dat hun toestand inderdaad hopeloos was. - -Te vergeefs poogde de kapitein hun een weinig moed in te spreken, zij -wilden naar niets meer hooren, maar gaven zich prijs aan eene -radeloosheid die alle maatregelen verlamt en alle krijgstucht oplost. - -Als een laatste middel om gehoor te krijgen, gaf de graaf order om op -te breken, en men trok op marsch. - -Maar waarheen? in welke richting, en waar was uitkomst? geen spoor of -pad was er te zien. Intusschen trok men toch voort, veeleer om van -plaats te veranderen, dan om weg te komen, of met eenige hoop om uit -het onmetelijk zandgraf te geraken, daar men niet anders voorzag dan -voor altijd en onherroepelijk in bedolven te zullen worden. - -Acht dagen verliepen, acht eeuwen van jammer, gedurende welke de -vrijcompagnisten met de vreeselijkste kwellingen van honger en dorst te -kampen hadden. - -De compagnie als zoodanig bestond niet langer, er waren geen chefs, -geen soldaten meer; het was een legioen afschuwelijk uitgemergelde -spookgestalten, een troep uitgehongerde roofdieren, gereed om elkander -bij de eerste gelegenheid te verscheuren en te verslinden. - -Het was er eindelijk zoo ver mede gekomen, dat men de weinige paarden -of muildieren die nog overbleven, de ooren opensneed om het bloed uit -te zuigen, ten einde honger en dorst te lesschen. - -In ’t onzekere rondzwervende, nu eens naar dezen dan naar genen kant, -door luchtspiegeling misleid, door den fellen zonnegloed geblakerd, -door het mulle zand afgemat en uitgeput, waren zij ten prooi aan eene -vertwijfeling, die sommigen met een stompzinnig gelaat en een hollen -lach verdroegen; dat waren nog de gelukkigsten, zij hadden geen gevoel -meer van hun leed, want zij waren krankzinnig; anderen zwaaiden woest -met de wapenen, vloekten en dreigden en staken de vuisten naar den -hemel op, die als een onmetelijke tombe van koper, hunne zandige -grafstede scheen te overwelven; enkelen door het ongeluk razend -geworden schoten zich voor het hoofd, met een spottenden glimlach -jegens hunne kameraden, die te zwak waren of den moed niet hadden hun -voorbeeld te volgen. - -De Franschen zijn misschien het moedigste volk dat er bestaat, maar -daarentegen zijn zij de eerste om alle tucht of zelfbeheersching te -verliezen. Is hun aandrift onweêrstaanbaar zoo lang zij voorwaarts -rukken, even onweêrstaanbaar zijn zij ook als zij terug moeten; dan -zijn zij door niets, door dwang noch door redeneering noch door -bedreiging tot staan te brengen; overdreven in alles, is de Franschman -soms sterker dan een mensch, of zwakker dan een kind! - -De graaf de Lhorailles was geen kwaad overste, hij staarde zwijgend en -somber op den ondergang van al zijne verwachtingen, maar bleef zijnen -rang en zijn karakter getrouw. Altoos de eerste om te marcheeren, en de -laatste om te rusten, zou hij geen brok genuttigd hebben eer hij wist -dat ieder man zijn aandeel had gehad, troostte hij ieder die naar hem -hooren wilde en waakte met voorbeeldelooze zorg en zelfverloochening -voor zijne arme soldaten, die, zonderling genoeg, te midden van al hun -jammer en dreigenden ondergang er niet aan dachten hun overste eenig -verwijt toe te voegen. - -De peons van Blas Vasquez waren meest allen bezweken, of hadden na zijn -dood een goed heenkomen gezocht, dat wil zeggen, een weinig verder een -onbekend graf gevonden. Die den graaf nog getrouw bleven, waren allen -Europeanen, meerendeels Franschen, brave Dauph’yeers, geheel onkundig -hoe zij den onverbiddelijken vijand zouden bekampen met welken zij hier -te doen hadden, de doodelijke del Norte. - -Van de twee honderd vijf en veertig man, die de compagnie bij hare -intrede in de woestijn sterk was, leefden er nog nauwelijks honderd -dertig, zoo het leven mocht heeten dat deze verbleekte en vermagerde -spoken bezielde. - -De ergste ramp die iemand in de woestijn kan overkomen is zeker de -akelige kwaal, door de Mexicanen de calentura genoemd. - -De calentura! - -Deze tusschenpoozende waanzin spiegelt den lijder gedurende den -korteren of langeren aanval, visioenen voor van de lekkerste en -keurigste spijzen, de helderste waterbronnen, de uitmuntendste wijnen, -die hem, zoo hij zich verbeeldt, volop verzadigen maar tevens -ontzenuwen, want na den afloop der zinsverbijstering gevoelt hij zich -zwakker en verslagener dan ooit, door de herinnering van al wat hij in -den droom gezien en genoten had. - -Op zekeren dag eindelijk, toen de ongelukkige vrijcompagnie door jammer -en ellende overstelpt, weigerde om verder te gaan en allen reikhalsden -om te sterven waar het toeval hen gebracht had, legerden zij zich op -het gloeiende zand, in de schaduw van eenige Ahuehuelten, met het vaste -besluit om daar onbeweeglijk te blijven liggen, tot de dood, dien zij -reeds zoolang overluid hadden ingeroepen, hen eindelijk van hunne -kwalen zou komen verlossen. - -De zon hulde zich in een onheilspellenden nevel en ging onder in eene -zee van purperen en gouden wolken. Alles in de woestijn was doodstil en -men hoorde niets dan hier en daar eene verwensching of een zucht van de -ongelukkigen, die niets meer verwachtten, niets meer hoopten, en niets -meer overhielden dan het instinct van woeste of redelooze dieren. - -Intusschen volgde de nacht op den dag, en langzamerhand kwam ook de -vrijcompagnie tot rust en stilte. De slaap, die groote vertrooster der -lijdende menschheid, bezwaarde de oogleden der rampzaligen, en zoo zij -al niet sliepen, genoten zij toch eene soort van sluimering, die hun, -voor een poos althans, hunne ondragelijke folteringen deed vergeten. - -Op eens, tegen middernacht, klonk er een vervaarlijk geluid, dat allen -verschrikt deed ontwaken; een verstikkend lauwe wervelwind ging over -hen heen, en de donder boven hunne hoofden barstte klaterend los. - -De hemel was zwart als inkt, geen maan of ster was er te zien, niets -dan tastbare duisternis, die zelfs niet toeliet de meest nabijzijnde -voorwerpen te onderscheiden, dan nu en dan bij het flikkeren van een -bliksemstraal welke slechts diende om de daarop volgende duisternis nog -dikker te maken. - -De arme drommels sprongen vol ontzetting op en slopen waggelend naar -elkander, als een troep schapen bij onweder en als wilden zij bij de -laatste vonk van hun ingeschapen menschelijk instinct, te zamen -sterven. - -»De temporal! de temporal!” schreeuwden allen op een toon van angst die -zich niet laat beschrijven. - -Werkelijk was het de temporal, die ontzettende plaag, die al hare woede -ontketende en over de woestijn deed losbreken om er de gedaante van om -te keeren. - -De stormwind loeide met ontzettende kracht, en joeg wolken stof omhoog -die in de lucht ronddwarrelden en zandhoozen vormden, die met groote -snelheid voortwervelden tot zij op eens met een vreeselijk gekraak -uiteenspatteden. - -Menschen of dieren, of steenen door deze wervelende zuilen -medegesleept, werden als stroobossen in de ruimte weggeslingerd. - -»Plat op den grond!” riep de graaf met eene krachtige stem, »plat op -den grond liggen! het is als de Afrikaansche Simoun, plat op den buik -liggen! zoo gij uw leven lief hebt!” - -Vreemd als het schijnen mag, maar al deze mannen, ofschoon door -hopeloos lijden overstelpt, gehoorzaamden als kinderen het bevel van -hun overste, zoo groot is de schrik dien de dood, wanneer hij op het -oogenblik onherroepelijk schijnt te naderen, inboezemt. - -Zij vielen met hun aangezicht in het zand, en groeven met hunne handen -kuilen om de heete lucht te ontgaan, die hen dreigde te verstikken. De -paarden, met gerekten hals op den grond uitgestrekt, volgden bij -instinct het voorbeeld hunner meesters. - -Bij tusschenpoozen, als plotselinge windstilte den rampzaligen soms een -oogenblik verademing schonk, om hen daarna des te erbarmloozer te -benauwen, hoorde men het gekerm of het doodsgereutel vermengd met -vloeken of vurige gebeden, uit de menigte opgaan, die bevreesd of -stervend op den grond lag uitgestrekt. - -De orkaan bulderde den geheelen nacht door met onverpoosde woede; tegen -den morgen begon hij allengs te bedaren, en met het opgaan der zon was -zijne kracht uitgeput of naar andere streken verplaatst. - -Het aanzien der woestijn was geheel veranderd; waar den vorigen dag -heuvels stonden, waren nu dalen; de weinige boomen hier en daar, waren -door den wind geknot, omgeworpen of verzengd, en vertoonden niets dan -zwarte en kaalgestroopte geraamten; geen spoor meer van pad of -voetstap, alles was effen en plat gewaaid of met golven gerimpeld als -een plotselinge bevroren zee. - -Van de vrijcompagnie waren niet meer dan zestig man levend -overgebleven, de overigen waren hetzij door den wind opgenomen of onder -den grond bedolven, zonder dat er een spoor van overbleef; het zand had -alles begraven en bedekte hen als met een onmetelijk grauwe doodwaâ. - -Het eerste gevoel dat de levend overgeblevenen bezielde, was schrik; -het tweede, wanhoop, en daarop begon het gejammer en beklag met -vernieuwde, altoos toenemende kracht. - -De graaf staarde op het overschot zijner vrijcompagnie met treurig -somberen blik en eene uitdrukking van onbeschrijfelijken weemoed. - -Op eens barstte hij los in een stuipachtigen schaterlach, hij trad naar -zijn paard, het eenig overgeblevene en als door een wonder aan den -algemeenen jammer ontsnapte, zadelde het, streelde het met de hand, -onder het binnensmonds neuriën eener treurige melodie van eigen -vinding. - -Zijne kameraden zagen hem aan met stommen schrik en een gevoel van -verbazing daar zij zich geen rekenschap van konden geven; hoe gezonken -en moedeloos van geest zij zelven ook mochten geweest zijn, de kapitein -had tot hiertoe steeds zijne meerderheid van verstand en vastheid van -wil weten te behouden, twee hoedanigheden die op minder beschaafde en -geschokte gemoederen zoo veel vermogen, zelfs wanneer de omstandigheden -hun aanleiding gaven er zich tegen te verzetten. Hoe ellendig zij ook -waren groepeerden zij zich rondom hun overste, als kinderen zouden -gedaan hebben rondom hun stervenden of plotseling krankzinnig geworden -vader of moeder; hij had hen altijd getroost, hun het voorbeeld van -moed en zelfverloochening gegeven, en nu, terwijl zij hem zagen te werk -gaan gelijk hij deed, hadden zij een voorgevoel van een nieuw en nog -grooter ongeluk. - -Nadat de graaf zijn paard gezadeld had, steeg hij voorzichtig in den -zadel en liet het eenige minuten lang springen en zwenken, ofschoon het -arme dier nauwelijks in staat was zich op de bevende beenen te houden. - -»Haha! mijne braven!” riep hij op eens, »komt allen hier, komt bij mij -en hoort den goeden raad dien ik u geven wil eer ik vertrekken ga.” - -De soldaten sleepten zich zooveel zij konden voort en verzamelden zich -rondom hun chef. - -De graaf wierp een zonderlingen blik van zelfvoldoening om zich heen. - -»Het leven is een jammerlijk apenspel, niet waar,” sprak hij met een -schaterenden lach, »en daarbij dikwijls een keten die zwaar valt om te -dragen. Hoe menigmaal zult gij in het helsche verblijf daar wij zonder -uitkomst in rondzwerven, deze opmerking niet in stilte hebben gemaakt, -die ik onbewimpeld voor u uitspreek! Welnu, ik moet u bekennen, zoolang -ik hoop had u te redden heb ik met moed tegen het ongeluk gestreden; -die hoop heb ik niet meer. En daar wij hier nu binnen eenige dagen, -misschien binnen weinige uren reeds, van kommer en gebrek moeten -vergaan, wil ik liever dadelijk sterven. Gelooft mij, volgt mijn -voorbeeld; het is spoedig gedaan, gij zult het zien.” - -Bij het uitspreken dezer woorden trok hij een pistool uit zijn gordel. - -Op dit oogenblik hoorde men in de verte schreeuwen. - -»Wat is het? wat is het, wat gebeurt er nog?” - -»Zie eens! kapitein, men komt ons te hulp; wij zijn gered!” riep de -sergeant Boileau, die als een schim aan zijne zijde stond en hem bij -den arm greep. - -De graaf rukte zijn arm los en zei met een glimlach, terwijl hij in de -aangewezen richting uitkeek, waar zich werkelijk een wolk van stof -verhief, die snel naderde. - -»Gij zijt dwaas, mijn arme kameraad. Men kan ons hier niet komen -helpen. Wij hebben hier zelfs minder hoop dan de schipbreukelingen der -Medusa,” vervolgde hij met bittere ironie; »wij zijn gedoemd om in deze -helsche woestijn te sterven. Vaartwel, allen! vaartwel!” - -Hij hief zijn pistool op. - -»Kapitein?” riep de sergeant op verwijtenden toon, »denk om uwe -verantwoording, gij hebt het recht niet om u zelven te dooden, gij zijt -onze overste, gij behoort het laatst van allen te sterven of anders -zijt gij een lafaard!” - -De graaf sprong op in den zadel alsof hem een adder gebeten had, en -dreigde zich op den sergeant te werpen; zijn uitzicht was daarbij zoo -woest en zijne beweging zoo verschrikkelijk, dat Boileau er bang van -werd en terugdeinsde. - -De kapitein maakte van dit vrije oogenblik gebruik, zette zich het -pistool voor het hoofd, en drukte af; hij stortte ter aarde met een -verbrijzelde hersenpan. - -De avonturiers waren nog niet van den schrik bekomen dien dit -vreeselijk ongeluk bij hen teweegbracht, toen de stofwolk die zij -hadden zien naderen reeds dicht in hunne nabijheid was en plotseling -als vaneen scheurde, en nu ontwaarden zij een troep Indiaansche -ruiters, in welks midden eene vrouw en twee of drie blanken, die in -vollen ren op hen afkwamen. - -Vast overtuigd dat de Apachen hen, als roofvogels op dood aas, zouden -overvallen en den genadeslag komen geven, beproefden zij het zelfs niet -om een oogenblik weêrstand te bieden. - -»O!” riep op eens een der jagers snel afstijgende en naar hen -toeloopende, »arme menschen!” - -De nieuw aankomenden waren Goedsmoeds, don Louis en hunne vrienden de -Comanchen. - -Weinige woorden waren genoeg om hun het gebeurde mede te deelen en hun -met den gruwzamen nood bekend te maken dien de Franschen hadden moeten -verduren. - -»Maar,” riep Goedsmoeds, »al heeft het u aan de noodige spijzen -ontbroken, water hadt gij toch in overvloed, hoe kunt gij u zoozeer -beklagen over dorst?” - -Zonder iets te zeggen begonnen de Arendskop en de Spotvogel met hunne -machetes reeds een kuil te delven aan den voet van een Ahuehuelt. Na -verloop van tien minuten sprong het water te voorschijn en weldra -vloeide er een milde en heldere bron over het zand. - -De Franschen stortten zich als razenden op het water. - -»Arme menschen!” mompelde don Louis; »zullen wij ze hier niet vandaan -helpen?” - -»Denkt gij dan dat ik hen zou laten omkomen nu ik hun weder moed heb -gegeven?” zei Goedsmoeds. »Arm meisje,” vervolgde hij, half in zich -zelven met een weemoedigen blik op doña Anita, die er bij stond te -lachen en hare vingers deed klappen als castagnetten, »waarom kan ik -haar niet even gemakkelijk het verstand teruggeven?” - -Don Louis zuchtte zonder te antwoorden. - -De Franschen hoorden met stomme verbazing een feit vermelden, dat hen -waarschijnlijk zou hebben gered zoo zij het maar eerder geweten hadden; -namelijk dat de Ahuehuelt, welke naam in de taal der Comanchen »heer -der wateren” beteekent, een boom is die wel is waar alleen op dorre en -zandige plaatsen opschiet, maar onder zijne wortels steeds een -waterader verbergt, waaraan hij zijn wasdom en sappen ontleent, en om -deze reden dragen de Roodhuiden dezen boom een bijgeloovigen eerbied -toe en noemen zij hem, daar hij vooral in de zandwoestijn voorkomt en -van onberekenbaar nut is de groote medicijn der reizigers. - - - -Twee dagen later waren de avonturiers, onder geleide der jagers en der -Comanchen, buiten de zandwoestijn. Weldra hadden zij de Casa Grande de -Montecuzoma bereikt, waar hunne redders, na hen van de noodige -levensmiddelen te hebben voorzien, hen voor goed verlieten, nauwelijks -wetende hoe zij zich aan hunne warme dankbetuigingen en zegenwenschen -zouden onttrekken. - - - - - - - - - -INHOUD. - - - Bladz. - 1. Feria de Plata 1 - 2. Don Sylva de Torres 12 - 3. Twee oude kennissen van den lezer 21 - 4. De graaf Maxima Gaëtan de Lhorailles 31 - 5. De Dauph’yeers 40 - 6. Door het venster 51 - 7. Een tweegevecht 60 - 8. Het vertrek 69 - 9. De legerschans in de wildernis 80 - 10. Vóór den aanval 92 - 11. De Mexicaansche maan 102 - 12. Vrouwenlist 111 - 13. Een wedloop bij nacht 123 - 14. Een Indiaansche list 133 - 15. Scherp tegen scherp 143 - 16. De Casa Grande de Montecuzoma 155 - 17. De Mesties 166 - 18. Een stap achterwaarts 175 - 19. In de Prairie 186 - 20. In den zadel 194 - 21. De bekentenis 204 - 22. Een menschenjacht 213 - 23. De Apachen 223 - 24. De woudloopers 232 - 25. El Ahuehuelt 243 - - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Zie de Pelsjagers van de Arkansas. - -[2] Aimard schreef dit in 1860. - -[3] Ongeveer 40.000 gulden. - -[4] Ongeveer ƒ 375.000 (Historisch). - -[5] Zekere stormwind - -[6] Zie de Pelsjagers van de Arkansas. - -[7] Zie de Pelsjagers van de Arkansas. - -[8] Zie het Opperhoofd der Aucas. - -[9] Korenbrandewijn, gestookt in de stad Pisco. - -[10] Wees gegroet, zuivere Maria! Elf ure heeft de klok, het regent! - -[11] Gemeenzame term onder het volk in Mexico, voor omhalsbrengen. - -[12] Bengaalsche vink. - -[13] De haas. - -[14] Zie de Pelsjagers van de Arkansas. - -[15] Takkenhut - -[16] Sandalen. - -[17] Dezen term gebruiken de Indianen voor alles wat hun onbegrijpelijk -voorkomt. - -[18] Een kustlander, in onderscheiding van de inwoners in het -binnenland. - -[19] Zeker oorlogstuig uit een lederen riem bestaande, aan ieder eind -met een looden kogel. - -[20] Half beschaafde Indianen. - -[21] Water of bronboom. - -[22] Zonsopgang. - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GRAAF DE LHORAILLES *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/65517-0.zip b/old/65517-0.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 4368c0e..0000000 --- a/old/65517-0.zip +++ /dev/null diff --git a/old/65517-h.zip b/old/65517-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 85248ec..0000000 --- a/old/65517-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/65517-h/65517-h.htm b/old/65517-h/65517-h.htm deleted file mode 100644 index 0d5f33a..0000000 --- a/old/65517-h/65517-h.htm +++ /dev/null @@ -1,14955 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html -PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> -<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2021-05-29T19:43:13Z using SAXON HE 9.9.1.8 . --> -<html lang="nl"> -<head> -<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8"> -<title>De graaf de Lhorailles</title> -<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> -<meta name="author" content="Gustave Aimard (1818–1883)"> -<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg"> -<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> -<meta name="DC.Creator" content="Gustave Aimard (1818–1883)"> -<meta name="DC.Title" content="De graaf de Lhorailles"> -<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> -<meta name="DC.Format" content="text/html"> -<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> -<meta name="DC:Subject" content="#####"> -<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */ -html { -line-height: 1.3; -} -body { -margin: 0; -} -main { -display: block; -} -h1 { -font-size: 2em; -margin: 0.67em 0; -} -hr { -height: 0; -overflow: visible; -} -pre { -font-family: monospace, monospace; -font-size: 1em; -} -a { -background-color: transparent; -} -abbr[title] { -border-bottom: none; -text-decoration: underline; -text-decoration: underline dotted; -} -b, strong { -font-weight: bolder; -} -code, kbd, samp { -font-family: monospace, monospace; -font-size: 1em; -} -small { -font-size: 80%; -} -sub, sup { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -} -sub { -bottom: -0.25em; -} -sup { -top: -0.5em; -} -img { -border-style: none; -} -body { -font-family: serif; -font-size: 100%; -text-align: left; -margin-top: 2.4em; -} -div.front, div.body { -margin-bottom: 7.2em; -} -div.back { -margin-bottom: 2.4em; -} -.div0 { -margin-top: 7.2em; -margin-bottom: 7.2em; -} -.div1 { -margin-top: 5.6em; -margin-bottom: 5.6em; -} -.div2 { -margin-top: 4.8em; -margin-bottom: 4.8em; -} -.div3 { -margin-top: 3.6em; -margin-bottom: 3.6em; -} -.div4 { -margin-top: 2.4em; -margin-bottom: 2.4em; -} -.div5, .div6, .div7 { -margin-top: 1.44em; -margin-bottom: 1.44em; -} -.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child, -.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child { -margin-bottom: 0; -} -blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child, -.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child { -margin-top: 0; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 { -clear: both; -font-style: normal; -text-transform: none; -} -h3, .h3 { -font-size: 1.2em; -} -h3.label { -font-size: 1em; -margin-bottom: 0; -} -h4, .h4 { -font-size: 1em; -} -.alignleft { -text-align: left; -} -.alignright { -text-align: right; -} -.alignblock { -text-align: justify; -} -p.tb, hr.tb, .par.tb { -margin: 1.6em auto; -text-align: center; -} -p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { -font-size: 0.9em; -text-indent: 0; -} -p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { -margin: 1.58em 10%; -} -td.tocDivNum { -vertical-align: top; -} -td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -.opener, .address { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -} -.addrline { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.dateline { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -text-align: right; -} -.salute { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.signed { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.epigraph { -font-size: 0.9em; -width: 60%; -margin-left: auto; -} -.epigraph span.bibl { -display: block; -text-align: right; -} -.trailer { -clear: both; -margin-top: 3.6em; -} -span.abbr, abbr { -white-space: nowrap; -} -span.parnum { -font-weight: bold; -} -span.corr, span.gap { -border-bottom: 1px dotted red; -} -span.num, span.trans, span.trans { -border-bottom: 1px dotted gray; -} -span.measure { -border-bottom: 1px dotted green; -} -.ex { -letter-spacing: 0.2em; -} -.sc { -font-variant: small-caps; -} -.asc { -font-variant: small-caps; -text-transform: lowercase; -} -.uc { -text-transform: uppercase; -} -.tt { -font-family: monospace; -} -.underline { -text-decoration: underline; -} -.overline, .overtilde { -text-decoration: overline; -} -.rm { -font-style: normal; -} -.red { -color: red; -} -hr { -clear: both; -border: none; -border-bottom: 1px solid black; -width: 45%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -margin-top: 1em; -text-align: center; -} -hr.dotted { -border-bottom: 2px dotted black; -} -hr.dashed { -border-bottom: 2px dashed black; -} -.aligncenter { -text-align: center; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -font-size: 1.44em; -line-height: 1.5; -} -h1.label, h2.label { -font-size: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h5, h6 { -font-size: 1em; -font-style: italic; -} -p, .par { -text-indent: 0; -} -p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { -text-transform: uppercase; -} -.hangq { -text-indent: -0.32em; -} -.hangqq { -text-indent: -0.42em; -} -.hangqqq { -text-indent: -0.84em; -} -p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { -float: left; -clear: left; -margin: 0 0.05em 0 0; -padding: 0; -line-height: 0.8; -font-size: 420%; -vertical-align: super; -} -blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { -font-size: 0.9em; -margin: 1.58em 5%; -} -.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden { -text-decoration: none; -} -.advertisement, .advertisements { -background-color: #FFFEE0; -border: black 1px dotted; -color: #000; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.footnotes .body, .footnotes .div1 { -padding: 0; -} -.fnarrow { -color: #AAAAAA; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -} -.fnarrow:hover, .fnreturn:hover { -color: #660000; -} -.fnreturn { -color: #AAAAAA; -font-size: 80%; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -a { -text-decoration: none; -} -a:hover { -text-decoration: underline; -background-color: #e9f5ff; -} -a.noteRef, a.pseudoNoteRef { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -top: -0.5em; -text-decoration: none; -margin-left: 0.1em; -} -.displayfootnote { -display: none; -} -div.footnotes { -font-size: 80%; -margin-top: 1em; -padding: 0; -} -hr.fnsep { -margin-left: 0; -margin-right: 0; -text-align: left; -width: 25%; -} -p.footnote, .par.footnote { -margin-bottom: 0.5em; -margin-top: 0.5em; -} -p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel { -float: left; -min-width: 1.0em; -margin-left: -0.1em; -padding-top: 0.9em; -padding-right: 0.4em; -} -.apparatusnote { -text-decoration: none; -} -table.tocList { -width: 100%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -border-width: 0; -border-collapse: collapse; -} -td.tocPageNum, td.tocDivNum { -text-align: right; -min-width: 10%; -border-width: 0; -white-space: nowrap; -} -td.tocDivNum { -padding-left: 0; -padding-right: 0.5em; -} -td.tocPageNum { -padding-left: 0.5em; -padding-right: 0; -} -td.tocDivTitle { -width: auto; -} -p.tocPart, .par.tocPart { -margin: 1.58em 0; -font-variant: small-caps; -} -p.tocChapter, .par.tocChapter { -margin: 1.58em 0; -} -p.tocSection, .par.tocSection { -margin: 0.7em 5%; -} -table.tocList td { -vertical-align: top; -} -table.tocList td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -table.inner { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -width: 100%; -} -td.itemNum { -text-align: right; -min-width: 5%; -padding-right: 0.8em; -} -td.innerContainer { -padding: 0; -margin: 0; -} -.index { -font-size: 80%; -} -.index p { -text-indent: -1em; -margin-left: 1em; -} -.indexToc { -text-align: center; -} -.transcriberNote { -background-color: #DDE; -border: black 1px dotted; -color: #000; -font-family: sans-serif; -font-size: 80%; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.missingTarget { -text-decoration: line-through; -color: red; -} -.correctionTable { -width: 75%; -} -.width20 { -width: 20%; -} -.width40 { -width: 40%; -} -p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { -color: #666666; -font-size: 80%; -} -span.musictime { -vertical-align: middle; -display: inline-block; -text-align: center; -} -span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { -padding: 1px 0.5px; -font-size: xx-small; -font-weight: bold; -line-height: 0.7em; -} -span.musictime span.bottom { -display: block; -} -ul { -list-style-type: none; -} -.splitListTable { -margin-left: 0; -} -.numberedItem { -text-indent: -3em; -margin-left: 3em; -} -.numberedItem .itemNumber { -float: left; -position: relative; -left: -3.5em; -width: 3em; -display: inline-block; -text-align: right; -} -.itemGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.itemGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.itemGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -.titlePage { -border: #DDDDDD 2px solid; -margin: 3em 0 7em 0; -padding: 5em 10% 6em 10%; -text-align: center; -} -.titlePage .docTitle { -line-height: 1.7; -margin: 2em 0 2em 0; -font-weight: bold; -} -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 1.8em; -} -.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, -.titlePage .docTitle .volumeTitle { -font-size: 1.44em; -} -.titlePage .byline { -margin: 2em 0 2em 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .byline .docAuthor { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -.titlePage .figure { -margin: 2em auto; -} -.titlePage .docImprint { -margin: 4em 0 0 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .docImprint .docDate { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -div.figure { -text-align: center; -} -.figure { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.floatLeft { -float: left; -margin: 10px 10px 10px 0; -} -.floatRight { -float: right; -margin: 10px 0 10px 10px; -} -p.figureHead, .par.figureHead { -font-size: 100%; -text-align: center; -} -.figAnnotation { -font-size: 80%; -position: relative; -margin: 0 auto; -} -.figTopLeft, .figBottomLeft { -float: left; -} -.figTopRight, .figBottomRight { -float: right; -} -.figure p, .figure .par { -font-size: 80%; -margin-top: 0; -text-align: center; -} -img { -border-width: 0; -} -td.galleryFigure { -text-align: center; -vertical-align: middle; -} -td.galleryCaption { -text-align: center; -vertical-align: top; -} -body { -padding: 1.58em 16%; -} -.pageNum { -display: inline; -font-size: 70%; -font-style: normal; -margin: 0; -padding: 0; -position: absolute; -right: 1%; -text-align: right; -} -.marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -left: 1%; -position: absolute; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -} -.right-marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -right: 3%; -position: absolute; -text-indent: 0; -text-align: right; -width: 11% -} -.cut-in-left-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: left; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; -} -.cut-in-right-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: right; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: right; -padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; -} -span.tocPageNum, span.flushright { -position: absolute; -right: 16%; -top: auto; -text-indent: 0; -} -.pglink::after { -content: "\0000A0\01F4D8"; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.catlink::after { -content: "\0000A0\01F4C7"; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after { -content: "\0000A0\002197\00FE0F"; -color: blue; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.pglink:hover { -background-color: #DCFFDC; -} -.catlink:hover { -background-color: #FFFFDC; -} -.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover { -background-color: #FFDCDC; -} -body { -background: #FFFFFF; -font-family: serif; -} -body, a.hidden { -color: black; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -text-align: center; -font-variant: small-caps; -font-weight: normal; -} -p.byline { -text-align: center; -font-style: italic; -margin-bottom: 2em; -} -.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline { -text-align: left; -} -.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum { -color: #660000; -} -.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a { -color: #AAAAAA; -} -a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover { -color: red; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6 { -font-weight: normal; -} -table { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.tablecaption { -text-align: center; -} -.arab { font-family: Scheherazade, serif; } -.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } -.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } -.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } -.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } -/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ -.cover-imagewidth { -width:480px; -} -.xd30e90 { -text-align:center; font-size:large; -} -.frontispiecewidth { -width:489px; -} -.titlepage-imagewidth { -width:484px; -} -.xd30e142 { -text-align:center; font-size:small; -} -.p067width { -width:490px; -} -.p092width { -width:491px; -} -.p130width { -width:496px; -} -.p181width { -width:493px; -} -.p203width { -width:493px; -} -.p230width { -width:494px; -} -.p251width { -width:720px; -} -@media handheld { -} -/* ]]> */ </style> -</head> -<body> - -<div style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of De graaf de Lhorailles, by Gustave Aimard</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online -at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you -are not located in the United States, you will have to check the laws of the -country where you are located before using this eBook. -</div> - -<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: De graaf de Lhorailles</div> - -<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Gustave Aimard</div> - -<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Illustrator: Ch. Rochussen</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'>Release Date: June 5, 2021 [eBook #65517]</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'>Language: Dutch</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'>Character set encoding: UTF-8</div> - -<div style='display:block; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Books project.)</div> - -<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GRAAF DE LHORAILLES ***</div> -<div class="front"> -<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd30e90">DE<br> -GRAAF DE LHORAILLES -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 frontispiece"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure frontispiecewidth"><img src="images/frontispiece.jpg" alt="De vreemdeling wendde zich naar het balkon. Bladz. 9." width="489" height="720"><p class="figureHead">De vreemdeling wendde zich naar het balkon. Bladz. 9.</p> -</div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="484" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="seriesTitle">AIMARD’S <span class="sc">Indiaansche Verhalen</span></div> -<div class="mainTitle">DE GRAAF<br> -DE LHORAILLES</div> -</div> -<div class="byline">DOOR -<br> -<span class="docAuthor">GUSTAVE AIMARD</span> -<br> -MET 8 ILLUSTRATIEN VAN -<br> -<span class="docAuthor">CH<sup>S</sup> ROCHUSSEN</span></div> -<div class="docImprint">DERDE DRUK -<br> -ROTTERDAM<br> -UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ „ELSEVIER”<br> -<span class="docDate">1884</span></div> -</div> -<p></p> -<div class="div1 imprint"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd30e142">Snelpersdruk van H. C. A. Thieme, te Nijmegen. -<span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="body"> -<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6823">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="super">DE GRAAF DE LHORAILLES</h2> -<h2 class="label">I.</h2> -<h2 class="main">FERIA DE PLATA.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Reeds sedert de eerste dagen der ontdekking van Amerika, werden zijne afgelegene kusten -het toevluchtsoord en de verzamelplaats voor avonturiers van allerlei soort, wier -ontembare geest, warsch van de boeien der oude Europeesche beschaving, elders een -goed heenkomen zocht. -</p> -<p>Eenigen van hen vroegen der Nieuwe Wereld vrijheid van geweten, en het recht om God -te dienen naar eigen keus en overtuiging; anderen verwisselden den degen met den moordenaarsdolk, -om gansche volken te verdelgen ter wille van hun goed en zich te verrijken met den -bloedigen roof; nog anderen eindelijk, onrustige gemoederen met leeuwenharten en ijzeren -lichamen, die geen teugel of wet eerbiedigden en het woord vrijheid met het woord -losbandigheid verwarden, vormden schier zonder het zelf te weten, dat geduchte bondgenootschap -der zoogenaamde »Broeders van de Kust,” dat het machtige Spanje een oogenblik voor -zijne overzeesche bezittingen deed beven en waarmede zelfs Lodewijk de Veertiende, -de zonne-koning, zich niet ontzag verdragen te sluiten. -</p> -<p>De afstammelingen dezer buitengewone menschen bestaan nog altijd in Amerika, en zoo -vaak eene mislukte omwenteling, na een kortstondigen strijd, de woelgeesten, die de -volksbeweging plotseling uit de diepte deed voortkomen, aan deze stranden werpt scharen -zij zich instinctmatig rondom de naneven der eerste avonturiers, op hoop van, even -als zij, buitengewone daden te doen. -</p> -<p>Tijdens mijn verblijf in Amerika, werd ik bij toeval getuige van een der stoutste -ondernemingen, welke ooit door deze vermetele gelukzoekers zijn beraamd of uitgevoerd. -De aanslag dien ik bedoel maakte zulk een ophef, dat zij gedurende eenige maanden -de drukpers bezig <span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span>hield en de belangstelling zoo wel als de nieuwsgierigheid der geheele wereld wekte. -</p> -<p>Om redenen die de bescheiden lezer wel zal weten te waardeeren, hebben wij met opzet -de namen der personen veranderd, die in dit zonderling drama de voornaamste rollen -speelden, ofschoon wij overigens de historische feiten met de meeste nauwkeurigheid -zullen wedergeven. -</p> -<p>Het is nu omtrent twintig jaar geleden, dat de ontdekking der rijke goudmijnen in -Californië plotseling den prikkel der hebzucht in het hart van alle gelukzoekers deed -ontwaken en verscheidene jonge, schrandere, voortvarende menschen vaderland en familie -deed verlaten, om zich vol geestdrift en gouden droomen, te begeven naar het nieuwe -Eldorado, dat hun van de andere zijde des oceaans zoo verleidelijk toelachte, doch -waar de meeste hunner helaas! niets dan ellende vonden, of den dood na het doorstaan -van tallooze jammeren en ontberingen. -</p> -<p>De weg van Europa naar Californië is lang. Vele gelukzoekers bleven halverwege terug, -sommigen te Valparaiso, anderen te Callao, nog anderen te Mazatlan of te <span class="corr" id="xd30e163" title="Bron: San-Blas">San Blas</span>; de meesten echter bereikten <span class="corr" id="xd30e166" title="Bron: San-Francisco">San Francisco</span>. -</p> -<p>Het ligt te ver buiten ons tegenwoordig bestek, om de trouwens van elders bekende -bijzonderheden te vermelden der velerlei teleurstelling en tegenspoed, die de ongelukkige -emigranten trof van het eerste oogenblik af, dat zij den voet zetten in dit veelbelovende -luilekkerland, waar zij zich verbeeld hadden dat zij slechts behoefden te bukken om -er het goud, zoo als men zegt, met volle handen op te grabbelen. -</p> -<p>Het is te Guaymas zes maanden na de ontdekking der goudmijnen, dat wij den lezer verzoeken -ons te volgen. -</p> -<p>Reeds in een vorig werk hebben wij van Sonora gesproken<a class="noteRef" id="xd30e174src" href="#xd30e174">1</a>, doch daar de geschiedenis die wij thans voornemens zijn te vertellen geheel en al -in deze afgelegen provincie van Mexico voorvalt, zullen wij hier de beschrijving voltooien -die wij toen slechts als ter loops hebben aangestipt. -</p> -<p>Mexico is ontegenzeggelijk het schoonste land van de wereld, alle klimaten zijn er -als het ware broederlijk vereenigd. In uitgestrektheid heeft het inderdaad bijna geene -grenzen, daar het niet minder dan 575,080 vierkante mijlen oppervlakte beslaat. -</p> -<p>Jammer slechts dat de bevolking in verhouding tot de grootte van het land uiterst -gering is en niet meer dan 7,200,000 zielen bedraagt, van welke ongeveer 5,000,000 -tot de Indiaansche rassen of kleurlingen behooren. -</p> -<p>Het Mexicaansche bondgenootschap omvat het district Mexico en een en twintig staten, -behalve drie gewesten of provinciën die geen inwendig onafhankelijk bestuur hebben. -<span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span></p> -<p>Wij zeggen hier niets van de regeering, om de eenvoudige reden dat de toestand van -dat heerlijke maar ongelukkige land tot dusver in den regel nagenoeg volslagen regeeringloos -is geweest<a class="noteRef" id="xd30e186src" href="#xd30e186">2</a>. -</p> -<p>Intusschen is <span class="corr" id="xd30e191" title="Bron: Mexio">Mexico</span> een bondgenootschappelijke republiek, althans het heeft er den naam van, ofschoon -er inderdaad geen andere macht bestaat dan die van het zwaard. -</p> -<p>De eerste der zeven aan den Atlantischen Oceaan gelegen staten is Sonora. Deze staat -strekt zich uit van het noorden naar het zuiden, tusschen de Rio Gila en de <span class="corr" id="xd30e196" title="Bron: Rio-Mayo">Rio Mayo</span>; ten oosten scheidt de Sierra-Verde het van den staat Chihua-hua en ten westen wordt -het bespoeld door de Vermiljoen-zee, of de zee van Cortez, zooals de meeste Spaansche -landkaarten haar nog altoos blijven noemen. -</p> -<p>De staat Sonora is een der rijkste van Mexico uithoofde van zijne talrijke goudmijnen, -waarmede de bodem als het ware dooraderd is; gelukkiger- of ongelukkigerwijs, al naar -het oogpunt waaruit men de zaak beschouwen wil, wordt de Sonora gestadig door talrijke -Indiaansche volksstammen doorkruist, tegen welke de inwoners zich onophoudelijk moeten -wapenen; ook hebben de gedurige oorlogen met deze woeste horden, de onrust en doodsverachting -die daarvan het gevolg zijn, en de gewoonte om bij de minste aanleiding menschen-bloed -te vergieten, aan het karakter der Sonoreezen een stempel van fierheid en voortvarendheid -gegeven, die reeds dadelijk in hunne edele en stoutmoedige houding zichtbaar is en -hen geheel van de inwoners der andere staten onderscheidt. -</p> -<p>Ondanks zijn uitgestrekt grondgebied en de lange reeks zijner kusten, bezit Mexico -slechts twee eigenlijk gezegd bruikbare havens aan de Stille Zuidzee. -</p> -<p>Die twee havens zijn Guaymas en Acapulco. -</p> -<p>De overige zijn inderdaad slechts buitenhavens of opene reeden, waar de zeevaarders -ongaarne eene schuilplaats zoeken, inzonderheid wanneer de geduchte <i lang="es">cordonazo</i> uit het zuidwesten buldert en de golf van Californië onstuimig in beweging zet. -</p> -<p>Wij zullen hier alleen van Guaymas spreken. -</p> -<p>De stad van dien naam, eerst sedert weinige jaren aan den mond der rivier <span class="corr" id="xd30e211" title="Bron: San-José">San José</span> gebouwd, schijnt geroepen om eerlang een der voornaamste havens aan de Stille Zuidzee -te worden. -</p> -<p>De krijgskundige ligging van Guaymas is uitmuntend. -</p> -<p>Gelijk in alle steden van Spaansch-Amerika zijn er de huizen laag, met platte daken -en geheel wit geverfd; alleen het kasteel, op den top eener rots aangelegd, in hetwelk -eenige oude kanonnen op verweerde affuiten trots regen en zonneschijn liggen te roesten, -heeft eene gele tint die zeer goed nuanceert met het okerkleurige zand van den oever. -Op het vlakke strand komen de rozenroode baren der Vermiljoen-zee sterven tusschen -de krachtige en dicht opgeschoten <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>mangiums of waterwilgen, wier warrige wortels en twijgen zij verkwikken. Achter de -stad verheffen zich als ontzaglijke burchttransen de kantelige toppen van hemelhooge -bergen, wier steile hellingen, vol diepe ravijnen, door de wateren der zondvloedstijdperken -zijn uitgehoold, en wier sombere klipgevaarten zich in de wolken verliezen. -</p> -<p>Tot ons leedwezen moeten wij zeggen dat deze havenplaats, al draagt zij reeds den -trotschen naam van stad, nog niets meer is dan eene ellendige buurt zonder kerk en -zonder herberg, in den goeden zin namelijk, want het ontbreekt er helaas niet aan -kroegen, die er integendeel—en dat is licht te begrijpen, zoo dicht bij Francisco,—in -menigte voorkomen. -</p> -<p>Guaymas heeft een treurig aanzien; men voelt er bij iederen stap, dat ondanks alle -de pogingen der Europeanen en avonturiers om de bevolking te galvaniseeren, de Spaansche -dwinglandij, die haar gedurende drie eeuwen heeft onderdrukt, haar zoo al niet geheel -verlamd, dan toch in een staat van zedelijke gezonkenheid en geesteloosheid heeft -gebracht, waaruit zij zich eerst na verloop van jaren zal kunnen verheffen. -</p> -<p>Op den dag waarmede onze historie begint, ofschoon tegen twee ure na den middag, terwijl -de zon hare brandende stralen loodrecht op de stad liet vallen, het uur wanneer de -bevolking, overstelpt door de hitte, gewoon is zich in de huizen op te sluiten en -aan den slaap over te geven, bood Guaymas een zoo levendig schouwspel, dat een vreemdeling -die bij geval hare poorten binnentrad, zich verbeeld zou hebben een der duizend pronunciamento’s -of omwentelingen te zullen bijwonen, die van jaar tot jaar dit ongelukkige land verontrusten. -</p> -<p>Dit was echter geenszins het geval. -</p> -<p>Het militaire bewind, vertegenwoordigd door den generaal San Benito, gouverneur van -Guaymas, was of scheen althans met het hoofdbestuur op den besten voet en met den -gang der zaken tevreden. -</p> -<p>De smokkelaars, leperos, en kaailoopers, waren het onderling tamelijk goed eens, en -klaagden niet bijzonder over de regeering. -</p> -<p>Vanwaar dan de buitengewone opschudding in de stad? -</p> -<p>Welke drangreden was machtig genoeg om de anders zoo trage bevolking te doen ontwaken -en haar de gewone siesta te doen vergeten? -</p> -<p>Sedert drie dagen was de stad ten prooi aan de goudkoorts. -</p> -<p>De gouverneur had, op dringend aanzoek van eenige aanzienlijke bankiers, verlof gegeven -tot het houden eener <i lang="es">feria de plata</i>, of zoogenaamde geldkermis, gedurende vijf dagen. -</p> -<p>In de voornaamste huizen werden door aanzienlijke personen ten gevalle van het publiek -hazard-spelen gehouden. -</p> -<p>Wat echter aan dit feest een allerzonderlingst karakter gaf, dat men <span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span>elders te vergeefs zou zoeken, was dat er op alle pleinen en alle straten onder den -blooten hemel <i>monté</i>-tafels waren opgericht, waar het om zoo te zeggen goud stroomde, en ieder zonder -onderscheid van rang of kleur, die een reaal bezat, het recht had om hem aan de speelbank -te wagen. -</p> -<p>In Mexico geschiedt alles anders dan ergens elders en gaan de zaken tegen den gewonen -regel. De inwoners in dat land denken aan geen voorleden, dat zij liefst willen vergeten, -gelooven aan geen toekomst, daar zij niets van verwachten, en leven in den roes van -het tegenwoordige, met de koortsachtige drift van een volk, dat zijn einde voelt naderen -en met het volle besef dat het zoo niet lang meer duren kan. -</p> -<p>De Mexicanen staan onder de heerschappij van twee sterk sprekende neigingen: het spel -en de liefde. -</p> -<p>Wij zeggen met opzet neigingen en niet hartstochten, want de Mexicaan kent ze niet -die geweldige drijfveeren der ziel die al onze vermogens in werking roepen, den wil -beheerschen en het gansche menschelijke samenstel beroeren door de macht eener onweerstaanbare -drift tot handelen, hetzij goed of kwaad. -</p> -<p>Rondom de monté-tafels hadden zich talrijke groepen verzameld en was ieder druk in -de weer. -</p> -<p>Intusschen ging alles met eene orde en bedaardheid die zich door niets scheen te laten -verstoren en de tegenwoordigheid der openbare macht overbodig maakte, zoodat er geen -enkele politie-agent op de straat was om de rust te bewaren of op den geregelden gang -van het spel toezicht te houden. -</p> -<p>Ongeveer in het midden der calle de la Merced, een der voornaamste straten van Guaymas -stond, tegenover een fraai huis, eene langwerpige met een groen kleed bedekte tafel, -beladen met stapeltjes goudstukken, en daarachter een man van omtrent dertig jaar, -sluw en geslepen van uitzicht, die met een spel kaarten in de hand en een vroolijken -lach om de lippen, in uitlokkende bewoordingen de talrijke toeschouwers op de dringendste -wijs uitnoodigde om hun fortuin te beproeven. -</p> -<p>»Komaan, caballeros,” riep hij op zoetsappigen toon en met een uitdagenden blik op -de ellendelingen, die in hunne schitterende maar gescheurde plunjes hem in fiere, -bijna onverschillige houding aangaapten, »ik kan immers niet altijd winnen, de kans -moet keeren, daar ben ik zeker van; ziet hier heb ik honderd oncen; wie moet er mede -gaan strijken?” -</p> -<p>Hij zweeg. -</p> -<p>Niemand die antwoord gaf. -</p> -<p>De bankier, zonder zich te laten ontmoedigen, liet met edelen zwier een stapel goudstukken, -wier fonkelende gloed den standvastigste kon doen wankelen, als een ruischende straal -van de eene hand in de andere rinkelen. -<span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span></p> -<p>»’t Is een mooie som, caballeros, honderd oncen; daarmede kan de leelijkste man de -schoonste der schoonen overhalen. Kijk maar! wie moet ze van mij winnen?” -</p> -<p>»Bah!” riep een der leperos met een verachtelijken grijns. »’t Wil wat zeggen, honderd -oncen? Als gij mijn laatsten piaster niet afgewonnen hadt, Tio-Lucas, zou ik hem tegen -u opzetten.” -</p> -<p>»Het spijt mij in mijn ziel, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> Cuchares,” hernam de bankhouder met eene eerbiedige buiging, »dat het geluk u niet -gediend heeft; het zou mij aangenaam zijn, als gij mij de vrijheid wildet geven u -een ons te leenen.” -</p> -<p>»Spot gij er mede?” zeide de lepero op een toon van gekwetste majesteit zich zoo trotsch -mogelijk in postuur stellende. »Bewaar uw goud, voor u zelven, Tio-Lucas, ik weet -wel middel om het te krijgen, zooveel ik wil en zoodra het mij goeddunkt; maar,” vervolgde -hij met eene allerwellevendste buiging, »ik ben u daarom niet minder dankbaar voor -uw edelmoedig aanbod.” -</p> -<p>En hij stak den bankier, over de tafel, zijne hand toe, die deze met warmte drukte. -</p> -<p>De lepero maakte van deze gelegenheid gebruik om met de andere hand, die vrij was, -een stapeltje van twintig oncen, dat onder zijn bereik stond, weg te kapen. -</p> -<p>Tio-Lucas bedwong een grimas en hield zich alsof hij niets gezien had. -</p> -<p>Op deze uitwisseling van wederzijdsche toegenegenheid volgde groote stilte. -</p> -<p>De toeschouwers hadden niets van hetgeen er gebeurd was onopgemerkt gelaten, en wachtten -met nieuwsgierigheid den afloop van dit tooneel. -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e269" title="Bron: Senor">Señor</span> Cuchares was de eerste die weder sprak. -</p> -<p>»O!” riep hij eensklaps, zich met de vuist op het voorhoofd kloppende, »bij <span lang="es"><span class="corr" id="xd30e275" title="Bron: Nueetro">Nuestra</span> <span class="corr" id="xd30e278" title="Bron: Senora">Señora</span></span> de la Merced, ik geloof waarlijk dat ik mijn verstand verlies!” -</p> -<p>»Hoedat, caballero?” vroeg Tio-Lucas blijkbaar verontrust door dezen uitroep. -</p> -<p>»Carai! dat is toch eenvoudig genoeg,” hernam de andere, »heb ik u daareven niet gezegd -dat gij mij al mijn geld hadt afgewonnen?” -</p> -<p>»Dat hebt gij mij inderdaad gezegd, deze caballeros hebben het zoowel gehoord als -ik; tot den laatsten piaster, dat waren uwe eigen woorden.” -</p> -<p>»Ik herinner het mij klaar en duidelijk, en dat maakt mij juist woedend.” -</p> -<p>»Wat zegt gij!” riep de bankier met geveinsde verbazing. »Zijt gij woedend omdat ik -u alles heb afgewonnen?” -</p> -<p>»Neen, dat is het juist niet.” -</p> -<p>»Wat is het dan?” -</p> -<p>»Caramba! ’t is dat ik mij zoo deerlijk vergist heb en dat ik nog eenige oncen over -had.” -<span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span></p> -<p>»Dat is onmogelijk,” riep Tio-Lucas. -</p> -<p>»Zie maar eens.” -</p> -<p>De lepero grabbelde in zijn zak, haalde er het goud uit te voorschijn, dat hij den -bankier een oogenblik te voren ontstolen had, en liet het hem zien met een onbeschaamd -gezicht. -</p> -<p>Op het gelaat van Tio-Lucas bewoog zich geen spier. -</p> -<p>»’t Is onmogelijk,” herhaalde hij. -</p> -<p>»Is het?” riep de lepero, hem met een fonkelenden blik aankijkende. -</p> -<p>»Ja, ’t is inderdaad niet te gelooven, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> Cuchares, dat uw geheugen zoo slecht zou geweest zijn.” -</p> -<p>»Laat dat zijn zoo het wil, maar nu ik er toch weder aan gedacht heb, is er niets -mede verloren; komaan, hervatten wij ons spel.” -</p> -<p>»Zeer goed: het gaat om honderd oncen dan, niet waar?” -</p> -<p>»Wel neen! zooveel geld bezit ik niet.” -</p> -<p>»Bah! zoek maar eens goed.” -</p> -<p>»Dat zou niet baten, ik weet zeker dat ik het niet heb.” -</p> -<p>»Dat is nu toch zoo jammer als het kan.” -</p> -<p>»Hoedat, jammer?” -</p> -<p>»Omdat ik gezworen heb om niet minder te spelen.” -</p> -<p>»Dus wilt gij mij geen twintig oncen volhouden?” -</p> -<p>»Ik kan niet; er mag geen enkel once aan de honderd ontbreken of ik zal ze u niet -kunnen houden.” -</p> -<p>»Hm!” bromde de lepero met een dreigenden blik.… »is dat een affront, Tio-Lucas?” -</p> -<p>De bankhouder had den tijd niet om te antwoorden, daar een man van ongeveer dertig -jaar, op een heerlijk zwart paard gezeten en allerprachtigst gekleed, sedert eenige -oogenblikken de tafel genaderd was, en onder het rooken van een geurigen pajillo, -het gesprek tusschen den lepero en Tio-Lucas beluisterde. -</p> -<p>»Top! voor uwe honderd oncen!” riep hij op eens terwijl hij met zijn paard door de -menigte heendrong om dichter bij de tafel te komen, waar hij eene welgevulde goudbeurs -op wierp. -</p> -<p>De beide sprekers keken verbaasd op. -</p> -<p>»Ziedaar de kaarten, caballero,” riep de bankier, die haastig de ongezochte gelegenheid -waarnam om zich, voorloopig althans, van een gevaarlijken antagonist te ontslaan. -</p> -<p>Cuchares haalde verachtelijk de schouders op en keek den nieuwen speler aan. -</p> -<p>»O!” riep hij met eene gesmoorde stem, »<i lang="es">de Tigrero</i>! komt hij wellicht om Anita? Dat zal ik spoedig weten.” -</p> -<p>Daarop trad hij zachtjes naar den ruiter en had hem weldra bereikt. -</p> -<p>Laatstgenoemde was een man van trotsch voorkomen, olijfbruine huidkleur, magnetischen -oogopslag en openhartig vastberaden gelaat. -</p> -<p>Zijne kleeding was allerkostbaarst rijk, en ruischte van goud en diamanten. -<span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span></p> -<p>Een weinig over het linkeroor gebogen, stond zijn groote vilthoed met breeden rand, -en om den bol een massief gouden <i lang="es">golilla</i> of lint met diamanten gesp; onder den blauw lakenschen, rijk in zilver geborduurden -dolmantel, zag men een batisten hemdrok van schitterende witheid, aan den hals gesloten -met een das van chineesch krip, gevat in een juweelen ring; zijne <i lang="es">calzoneras</i>, aan de heupen gesloten door een rood zijden gordel met gouden franjes, rijk gegalonneerd -en met twee rijen diamanten knoopen bezet, was aan de knieën open en liet den daaronder -gedragen <i lang="es">calzon</i> uitfladderen; verder een paar <i lang="es">botas vaqueras</i> van gestempeld leder, rijk geborduurd en onder de knie vastgemaakt met een kousenband -van zilverstof; zijn <i lang="es">manga</i> of korte mantel, schitterend van goud en edelgesteenten, was zwierig aan den rechter-schouder -opgeslagen. -</p> -<p>Zijn paard, klein van kop en met pooten zoo fijn als weversspoelen, was allerprachtigst -uitgedost: de <i lang="es">armas de agua</i> (holsterkappen), de <i lang="es">zarape</i> of mantel die over zijn kruis reikte en de kwistig met stalen kettingjes en rinkels -gegarneerde <i lang="es">anquera</i> of staartriem, voltooiden een stel tuigen daar men zich in Europa moeielijk een idee -van zou kunnen maken. -</p> -<p>Als alle Mexicanen van zekere klasse wanneer zij zich op reis bevinden, was de onbekende -van top tot teen gewapend. Behalve de gewone aan zijn zadel hangende lasso en het -geweer, dat dwars over de pistoolholsters was geplaatst, had hij een langen degen -op zijde en een koppel pistolen in zijn gordel, ongerekend het groote jachtmes, welks -met zilver ingelegden steel men uit een zijner vaqueras-laarzen zag uitsteken. -</p> -<p>Om kort te gaan, de man zooals hij hier door ons werd voorgesteld, was de volmaakte -type van een Mexicaansch landedelman uit de provincie Sonora, altoos toegerust en -gereed zich te verdedigen, in tijd van oorlog zoowel als in tijd van vrede, zonder -den een te vreezen of den anderen te verachten. -</p> -<p>Na eene beleefde buiging voor Tio-Lucas, nam hij de kaarten over die deze hem aanbood, -en verschiffelde ze een poos tusschen zijne vingers, terwijl hij de oogen liet rondgaan. -</p> -<p>»Ei! zoo!” riep hij met een vriendelijken blik op den lepero, »gij ook hier, compadre -Cuchares?” -</p> -<p>»Om u te dienen, don Martia,” antwoordde de andere met de hand even aan den verhavenden -rand van zijn gebulten vilthoed. -</p> -<p>De vreemdeling glimlachte. -</p> -<p>»Wees zoo goed de kaart voor mij af te nemen, terwijl ik mijn pajillo aansteek.” -</p> -<p>»Met genoegen!” riep de lepero. -</p> -<p><i lang="es">El Tigrero</i> of don Martial, hoe de lezer hem noemen wil, haalde een gouden tondeldoos uit zijn -zak en sloeg op zijn gemak vuur, terwijl de lepero de kaarten voor hem trok. -</p> -<p>»<span class="corr" id="xd30e374" title="Bron: Senor">Señor</span>,” zei laatstgenoemde met eene klagende stem. -<span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span></p> -<p>»Wel, wat is ’t?” -</p> -<p>»Gij hebt verloren.” -</p> -<p>»Goed. Tio-Lucas, neem honderd oncen uit mijne beurs,” vervolgde hij tegen den bankier. -</p> -<p>»Ik heb ze, <span class="corr" id="xd30e384" title="Bron: senoria">señoria</span>,” antwoordde deze; »behaagt het u nog verder te spelen?” -</p> -<p>»Welzeker! maar geen misére meer, hoor! want ik zou de partij gaarne animeeren.” -</p> -<p>»Ik zal u volhouden voor al wat gij gelieft op te zetten, <span class="corr" id="xd30e390" title="Bron: senoria">señoria</span>,” hernam de bankier, wiens geoefende blik in de beurs van den onbekende, onder een -tamelijk groote massa oncen, een veertig stuks diamanten had gezien van het eerste -water. -</p> -<p>»Hm! zijt gij inderdaad mans genoeg om mij vol te houden voor alles wat ik verlang -op te zetten?” vroeg de onbekende. -</p> -<p>»Ja!” zei Tio-Lucas. -</p> -<p>De vreemdeling keek hem strak aan. -</p> -<p>»Zelfs al speelde ik om duizend oncen?”<a class="noteRef" id="xd30e398src" href="#xd30e398">3</a>. -</p> -<p>»Ik ben goed voor de dubbele som, <span class="corr" id="xd30e403" title="Bron: monsenor">monseñor</span>, zoo gij het wagen durft die te verspelen,” sprak de onverstoorbare bankier. -</p> -<p>Een minachtende glimlach plooide andermaal de trotsche lippen van den cavalier. -</p> -<p>»Dat durf ik,” zeide hij. -</p> -<p>»Dus twee duizend oncen?” -</p> -<p>»Akkoord!” -</p> -<p>»Zal ik afnemen?” vroeg Cuchares bedeesd. -</p> -<p>»Waarom niet?” hernam de andere op luchthartigen toon. -</p> -<p>De lepero nam de kaarten, en beefde van ontroering toen hij ze opnam. -</p> -<p>Er volgde een oogenblik van koortsachtige belangstelling onder de spelers die rondom -de tafel stonden. -</p> -<p>Op hetzelfde oogenblik werd er in het huis waarvoor Tio-Lucas zijne monté tafel had -opgericht een venster geopend, en kwam er een verrukkelijk schoone dame op het balkon -te voorschijn, die achteloos met den elleboog op de balustrade leunende, met een verstrooiden -blik over de straat uitkeek. -</p> -<p>De vreemdeling wendde zich naar het balkon en verhief zich hoog in de stijgbeugels. -</p> -<p>»Mijn eerbiedige groet aan de schoone Anita,” zeide hij, zijn hoed afnemende met eene -diepe buiging. -</p> -<p>Het meisje kreeg een blos, wierp den cavalier uit hare lange zijden wimpers een veelbeteekenenden -blik toe, maar antwoordde niet. -</p> -<p>»Gij hebt verloren, <span class="corr" id="xd30e421" title="Bron: monsenor">monseñor</span>,” zei Tio-Lucas op een toon van blijdschap die hij niet geheel had kunnen ontveinzen. -</p> -<p>»Zeer goed,” zei de vreemdeling, zonder hem eens aan te zien, <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>zoo geboeid werd hij door de bekoorlijke verschijning op het balkon. -</p> -<p>»Gij speelt zeker niet meer?” zei Tio-Lucas. -</p> -<p>»Integendeel, ik verdubbel.” -</p> -<p>»Wat?” riep de bankier, die bij dit onverwachte voorstel onwillekeurig een stap achterwaarts -deed. -</p> -<p>»Ik vergis mij, ik heb u iets anders voor te stellen.” -</p> -<p>»Wat dan, <span class="corr" id="xd30e435" title="Bron: senoria">señoria</span>?” -</p> -<p>»Hoeveel hebt gij daar?” riep hij met een wenk van geringschatting naar de tafel wijzende. -</p> -<p>»Daar? wel.…. zoo wat zevenduizend oncen op zijn minst.” -</p> -<p>»Niet meer?… hm! dat is weinig.” -</p> -<p>De omstanders staarden met eene mengeling van stomme bewondering naar den buitengewonen -man die om oncen en diamanten speelde, als een ander om realen. -</p> -<p>Het meisje op het balkon verbleekte: zij wierp den vreemden cavalier een smeekenden -blik toe. -</p> -<p>»Speel niet langer,” murmelde zij met eene bevende stem. -</p> -<p>»Ik dank u, <span class="corr" id="xd30e447" title="Bron: senorita">señorita</span>, wel verplicht!” riep hij, »uwe schoone oogen zullen mij geluk brengen; ik zou al -het goud dat daar op de tafel ligt willen geven voor de suchilbloem, die gij daar -in uwe hand hebt en die uwe lippen heeft mogen aanroeren.” -</p> -<p>»Speel toch niet langer, don Martial,” herhaalde het meisje, terstond met drift terugtredende -terwijl zij het venster achter zich sloot. -</p> -<p>Doch, hetzij bij toeval of uit eenige andere oorzaak, de suchilbloem ontglipte aan -hare hand. -</p> -<p>De cavalier liet zijn paard steigeren, ving de bloem in de vlucht op en verborg haar -in zijne borst na haar vooraf gekust te hebben. -</p> -<p>»Cuchares,” zeide hij tegen den lepero, »keer eene kaart.” -</p> -<p>De lepero gehoorzaamde. -</p> -<p>»<i lang="es">Seis de copas</i>,” zeide hij. -</p> -<p>»<span lang="es">Voto a brior!</span>” riep de vreemdeling, »de kleur van het hart, wij moeten winnen. Tio-Lucas, ik speel -met u op deze kaart om al het goud dat op uw tafel ligt.” -</p> -<p>De bankier werd bleek, hij aarzelde; de omstanders hielden hem scherp in ’t oog. -</p> -<p>»Bah!<span class="corr" id="xd30e468" title="Bron: ’">”</span> riep hij een minuut later, »hij kan onmogelijk winnen. Ik neem het aan, <span class="corr" id="xd30e471" title="Bron: monsenor">monseñor</span>,” zeide hij. -</p> -<p>»Tel eens hoeveel gij daar hebt.” -</p> -<p>»’t Is niet noodig, <span class="corr" id="xd30e478" title="Bron: monsenor">monseñor</span>, er liggen negenduizend <span class="corr" id="xd30e481" title="Bron: vier honderd vijftig">vierhonderdvijftig</span> oncen goud”<a class="noteRef" id="xd30e484src" href="#xd30e484">4</a>. -</p> -<p>Bij het hooren van dit ontzagwekkend cijfer slaakten de aanwezigen een kreet van verbazing -en begeerigheid tegelijk. -</p> -<p>»Ik hield u voor rijker,” zei de vreemdeling spotachtig. »Maar hoe dan ook, om <span class="corr" id="xd30e490" title="Bron: negen duizend vier honderd">negenduizend vierhonderd</span> en vijftig oncen.” -<span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span></p> -<p>»Dezen keer zult gij afnemen, <span class="corr" id="xd30e496" title="Bron: monsenor">monseñor</span>,” zei de bankier. -</p> -<p>»Neen: ik voor mij ben vast overtuigd dat gij verliezen moet, Tio-Lucas. Ik wil u -wederkeerig de zekerheid geven dat ik eerlijk gewonnen heb. Doe mij daarom het pleizier -en neem zelf de kaart af; zoodoende,” vervolgde hij ironisch, »wordt gij de smid van -uw eigen ondergang en kunt het aan niemand anders verwijten.” -</p> -<p>De omstanders trantelden van genot en belangstelling toen zij zagen hoe ridderlijk -de vreemdeling zich gedroeg. Binnen weinige oogenblikken was de straat letterlijk -gevuld met nieuwsgierigen, die door deze buitengewone partij aangetrokken uit alle -hoeken der stad samenstroomden en zich rondom de tafel verdrongen. -</p> -<p>Weldra bedaarde het gewoel en doodstilte heerschte onder de wachtende menigte, die -met ongeduld den afloop verbeidde van het ongehoord hooge spel en brandde van nieuwsgierigheid -om te weten wie de gelukkige zou zijn. -</p> -<p>De bankier wischte het zweet af dat op zijn bleek voorhoofd parelde, en met bevende -hand nam hij de eerste kaart. -</p> -<p>Eenige seconden lang balanceerde hij er mede, blijkbaar aarzelend voor het oogenblik -der beslissing. -</p> -<p>»Maak voort,” riep Cuchares ongeduldig. -</p> -<p>Tio-Lucas liet de kaart werktuigelijk op de tafel vallen en wendde het hoofd om. -</p> -<p>»<i>Seis de copas!</i>” riep de lepero met eene snerpende stem. -</p> -<p>De bankier brulde van spijt. -</p> -<p>»Ik heb verloren!” mompelde hij. -</p> -<p>»Dat wist ik wel,” zei don Martial zoo bedaard als ooit. »Cuchares,” vervolgde hij, -»breng die tafel met al het goud dat er op is naar <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita; ik wacht u heden avond, gij weet wel waar.” -</p> -<p>De lepero maakte eene eerbiedige buiging. Met behulp van twee sterke kerels die zich -daartoe gereedelijk lieten vinden, volvoerde hij het zoo even ontvangen bevel en bracht -de tafel het huis in, terwijl de vreemdeling in allerijl wegreed en Tio-Lucas, reeds -min of meer bekomen van den zwaren slag die hem getroffen had, zeer pacifiek een maïscigarette -rolde en aan allen die hem hun ongevraagden troost zochten op te dringen toeriep: -</p> -<p>»Ik heb verloren, dat is zoo, maar aan een zeer mooien speler en op een zeer schoone -kans. Bah! later zal ik het hem wel betaald zetten, ieder op zijn beurt; hij op de -zijne en ik op de mijne.” -</p> -<p>Toen hij zijn <span class="corr" id="xd30e522" title="Bron: cigaar">sigaar</span> geheel klaar gemaakt had, stak de afgestapte bankier haar aan en wandelde met rustigen -tred van daar. -</p> -<p>De menigte had geen reden meer om langer op die plaats te blijven, en verstrooide -zich weldra door de stad. -<span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e174"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e174src">1</a></span> Zie <i>de Pelsjagers van de Arkansas</i>. <a class="fnarrow" href="#xd30e174src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e186"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e186src">2</a></span> Aimard schreef dit in 1860. <a class="fnarrow" href="#xd30e186src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e398"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e398src">3</a></span> Ongeveer 40.000 gulden. <a class="fnarrow" href="#xd30e398src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e484"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e484src">4</a></span> Ongeveer ƒ 375.000 (Historisch). <a class="fnarrow" href="#xd30e484src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6832">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">II.</h2> -<h2 class="main">DON SYLVA DE TORRES.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Guaymas is eene geheel nieuwe stad, min of meer om zoo te zeggen met den dag gebouwd, -naarmate de grilligheid der emigranten zulks verkoos, zonder regel of orde, daar het -stadsbestuur zich niet bemoeide met hun de rooiing voor te schrijven, hetgeen soms -zoo goed als kwaad is, wanneer de bouwmeester geen smaak of kennis genoeg heeft om -een stad aan te leggen of een goed bouwplan voor te schrijven. Ofschoon wij ons hier -haasten te zeggen, dat er te Guaymas slechts weinige gebouwen zijn die werkelijk den -naam van woonhuizen verdienen, de overige zijn niets meer dan afzichtelijke krotten -en hutten, gebouwd van klei en aarde tusschen twee planken vastgestampt, even bouwvallig -als ongeregeld, en onrein in den hoogsten graad. -</p> -<p>In de calle de la Merced, de voornaamste, of liever de eenigste straat der stad, want -de overige zijn weinig meer dan moddergoten, stond een huis met ééne verdieping en -voorzien van een balkon, ondersteund door een peristyle van vier kolommen, gelijk -de meeste huizen in Mexico. De voorgevel was met kalk van verblindende witheid bestreken -en het dak was mede naar ’s lands wijze plat. -</p> -<p>De eigenaar van dit huis, een der rijkste <i lang="es">mineros</i> in de Sonora, bezat een tiental mijnen, allen in volle bewerking; bovendien legde -hij zich toe op de veefokkerij en bediende zich daarbij van verscheidene hacienda’s -of landhoeven, over de gansche provincie verspreid, en waarvan de kleinste minstens -even veel grond besloeg als een departement in Frankrijk. -</p> -<p>Ik ben zeker dat, als don Sylva de Torres zijn fortuin had willen liquideeren en berekenen, -het eenige honderde millioenen zou hebben bedragen. -</p> -<p>Don Sylva de Torres was eerst sedert een paar jaar te Guaymas komen wonen, waar hij -echter slechts nu en dan en dat nog wel bij lange tusschenpoozen, een kortstondig -verblijf hield. -</p> -<p>Ditmaal had hij, tegen zijne gewoonte, zijne dochter Anita medegebracht; daarom ook -was de gansche bevolking van Guaymas opgetogen van nieuwsgierigheid en richtten aller -blikken zich op het huis van don Sylva, dewijl men begreep dat er voor dit buitengewone -gedrag van den <i lang="es">haciendero</i> gewichtige redenen moesten bestaan. -</p> -<p>Binnen zijne woning besloten, welker deuren zich alleen voor eenige weinige bevoorrechten -openden, liet don Sylva de menschen praten en zonder zich in ’t minst om de wereld -te bekommeren, scheen hij ongestoord aan de verwezenlijking van zekere ontwerpen te -arbeiden, wier gewicht hem belette te onderzoeken wat anderen van hem spraken of dachten. -<span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span></p> -<p>Ofschoon de Mexicanen geweldig rijk zijn en zich gaarne veel op hunne schatten laten -voorstaan, hebben zij geen het minste idee van gemak of genot en leven zij doorgaans -in de grootste zorgeloosheid. Hunne weelde, zoo men haar dien naam kan geven, is woest, -plomp, onverstandig en zonder eenige levenswaarde. -</p> -<p>De rijken, meerendeels aan het ruwe leven der Amerikaansche wildernis gewoon en voortdurend -gehard tegen de ongemakken van een vaak doodelijk klimaat en de gedurige invallen -der Indianen, die hen van alle zijden insluiten, kampeeren zich in de steden <span class="corr" id="xd30e552" title="Bron: veelmeer">veel meer</span> dan dat zij er eigenlijk wonen, en meenen zich reeds vrij wel te hebben uitgesloofd -wanneer zij op eene onverantwoordelijke wijs oncen goud en diamanten als dwazen hebben -verkwist of weggesmeten. -</p> -<p>De Mexicaansche woonhuizen zijn dáár om de juistheid van dit ons oordeel te bewijzen. -Behalve de onmisbare Europeesche piano, die in een hoek van iedere salon ongebruikt -staat, ziet men er niets dan eenige ongemakkelijke butacca’s, slecht gemaakte tafels, -slecht geteekende en bontgekleurde kunstplaten aan de wit gekalkte muren opgehangen, -ziedaar alles. -</p> -<p>De woning van don Sylva verschilde in geenen deele van de overigen, en gelijk overal, -moesten de paarden om van den stal naar het wed en van daar weder naar den stal te -komen, druipnat de groote voorzaal of vestibule door, waar zij in den vloer met hunne -hoeven reeds menigen tegel gebroken en diepe sporen hadden achtergelaten. -</p> -<p>Op het oogenblik dat wij den lezer in het huis van Sylva de Torres binnenleiden, zaten -twee personen, een man en eene vrouw, in het salon samen te praten, althans bij lange -tusschenruimten eenige woorden te wisselen. -</p> -<p>Deze twee personen waren don Sylva en zijne dochter Anita. -</p> -<p>De kruising van het Spaansche met het Indiaansche menschen-ras, heeft de schoonste -plastische vormen voortgebracht die men zich verbeelden kan. -</p> -<p>Don Sylva, ofschoon reeds bijna vijftig jaar oud, scheen nog nauwelijks veertig; bij -eene hooge welgemaakte gestalte voegde zich eene edele houding en gang, en een streng -gelaat, maar gepaard met groote goedwilligheid. Hij droeg de Mexicaansche kleeding -in haren zuiversten vorm, maar zoo kostbaar en zoo rijk versierd, dat slechts weinigen -zijner landgenooten hem hadden kunnen evenaren, veelmin overtreffen. -</p> -<p>Anita, in gemakkelijke houding op de kanapé uitgestrekt, half verscholen in golven -van zijde en gaas, als een kolibrietje in het donzige mos, was een aanminnig kind -van hoogstens zeventien of achttien jaar; hare zwarte, door lange fluweelen wimpers -zedig gesluierde oogen, tintelden van zoete beloften, die geenszins werden gelogenstraft -door de slanke en mollige omtrekken van haar <span class="corr" id="xd30e564" title="Bron: fijn gevormde">fijngevormde</span> leest. Tot in hare minste bewegingen bezat zij eene <span class="corr" id="xd30e567" title="Bron: ratie">gratie</span> <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>en majesteit daar de liefelijke glimlach van hare koralen lippen de hartveroverende -kroon opzette. Haar frissche kleur, min of meer verguld door de warme zon van Middel-Amerika, -gaf aan haar gelaat eene betooverende uitdrukking die zich moeielijk laat beschrijven; -in een woord, over haar gansche persoon zweefde een bekoorlijk waas van onschuld, -eenvoudigheid en oprechtheid, dat harten en zinnen boeide en sympathie en liefde gebood. -</p> -<p>Even als alle Mexicaansche schoonen wanneer zij zich binnenshuis bevinden, droeg zij -eene lichte robe van gebrocheerd mousseline; de gazen rebozo of sluier was achteloos -over hare schouders geworpen en eene versche tuil van zomerbloemen tooide hare blauwzwarte -lokken met een ambergeurige kroon. -</p> -<p>Anita scheen te droomen; somwijlen trokken de wenkbrauwbogen zich donkerder samen -onder den drang der gedachten die haar bestormden; haar boezem golfde nu en dan bij -dieper ademhaling en de kleine, fijn geënkelde voeten, in pantoffels van zwanendons -gestoken, trappelden wel eens ongeduldig op den grond. -</p> -<p>Ook don Sylva de Torres scheen ontevreden; na een strengen en ernstigen blik op zijne -dochter, stond hij op, trad naar haar toe en sprak: -</p> -<p>»Gij zijt een dwaas kind, Anita; uwe handelwijs is buitensporig, eene welgeboren jonge -dochter mag in geen geval handelen zoo als gij gehandeld hebt.…” -</p> -<p>De jeugdige Mexicaansche antwoordde alleen met een veelbeteekenend pruilend mondje -en haalde bijna onmerkbaar de schouders op. -</p> -<p>Haar vader vervolgde. -</p> -<p>»Vooral niet,” zeide hij, met nadruk op iedere syllabe, »in uwe positie tegenover -den graaf de Lhorailles.” -</p> -<p>Het meisje richtte zich op als of zij door een adder gestoken was en met een vragenden -blik naar het onverbiddelijk gelaat van den haciendero antwoordde zij: -</p> -<p>»Ik begrijp u niet, vader.” -</p> -<p>»Begrijpt gij mij niet, Anita? Dat kan ik kwalijk gelooven. Heb ik dan uwe hand niet -aan den graaf beloofd?” -</p> -<p>»Wat maakt dat uit, daar ik hem toch niet bemin. Wilt gij mij dan doemen om mijn geheele -leven ongelukkig te zijn?” -</p> -<p>»Integendeel, het is uw geluk dat ik met deze vereeniging beoog. Ik heb niemand dan -u, Anita, om mij te troosten over het smartelijk verlies van uwe beminde moeder. Arm -kind; gij zijt goddank nog in dien door den hemel gezegenden leeftijd, waarin het -hart bijna niets weet van zich zelven en de woorden geluk en ongeluk nog geene beteekenis -hebben. Gij bemint den graaf niet, zegt gij; nu goed; uw hart is vrij; als gij later -in staat zult zijn de edele hoedanigheden te waardeeren van hem dien ik u tot echtgenoot -geef, dan zult gij mij dankbaar zijn dat ik u tot een huwelijk riep, waarin gij heden -zooveel reden van droefheid ziet.” -<span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span></p> -<p>»Maar, vader,” riep het meisje met een verdrietig gezicht, »mijn hart is niet vrij, -dat weet gij wel.” -</p> -<p>»Ik weet alleen, <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita de Torres,” hervatte de haciendero streng, »dat eene liefde die uwer en mijner -onwaardig is in uw hart geen plaats kan grijpen. Door mijne voorvaderen ben ik Cristiano -Veyo en zoo er al eenige droppels Indiaansch bloed in mijne aderen vloeien, heb ik -des te dieper in mijne ziel gegrift wat ik aan mijne voorouders verschuldigd ben. -Onze eerste stamvader Antonio de Sylva, luitenant van Fernando Cortez, huwde wel is -waar met eene Mexicaansche prinses uit het geslacht van Montecuzoma, maar al onze -overige stamgenooten zijn Spanjaarden.” -</p> -<p>»Zijn wij dan geen Mexicanen, vader?” -</p> -<p>»Helaas! arm kind, wie kan zeggen wat wij zijn, of worden zullen? Ons ongelukkig land, -sedert het de Spaansche dwingelandij afschudde, verkeert in een staat van beroering, -en put zich uit onder de herhaalde pogingen der heerschzuchtigen van de lagere klasse, -die binnen korte jaren eindigen zullen met ons zelfs de nationaliteit te ontrukken, -daar wij zoo lang naar gestreefd en die wij met zooveel moeite verworven hebben. Deze -schandelijke burgeroorlogen stellen ons ten spot voor andere volken en zijn de vreugd -van onze hebzuchtige naburen, die de oogen onafgewend op ons gevestigd houden, en -gereed staan onze schatten onder zich te verdeelen, daar zij reeds de eerstelingen -van hebben geroofd door ons eenigen onzer rijkste provinciën te ontweldigen.” -</p> -<p>»Maar, vader, ik ben eene vrouw en bij gevolg weet ik niets van de politiek; ik heb -niets met de <i>gringos</i> te maken.” -</p> -<p>»Meer dan gij denkt, meisje. Ik wil niet dat na zeker tijdsverloop de onmetelijke -bezittingen, die mijne voorouders en ik door kracht van arbeid zich verworven hebben, -t’ eenigen dage de prooi worden van die vervloekte ketters. Dit is de reden waarom -ik, ten einde mijne bezittingen te redden, besloten heb u aan den graaf de Lhorailles -uit te huwelijken. Hij is Franschman, en hij behoort tot een der eerste familiën van -dat land; bovendien is hij een schoon en krijgshaftig ridder van <span class="corr" id="xd30e602" title="Bron: nauwlijks">nauwelijks</span> dertig jaar; bij zijne natuurlijke gaven voegt hij de lofwaardigste zedelijke hoedanigheden; -hij behoort tot eene machtige en geachte natie, die hare kinderen, in welken hoek -der aarde zij zich ook bevinden, weet te beschermen. Door hem te huwen is uw fortuin -tegen iederen staatkundigen rampspoed gewaarborgd.” -</p> -<p>»Maar ik bemin hem niet, vader.” -</p> -<p>»Kleingeestigheid, lief kind, spreken wij er niet langer over, ik wil u de dwaasheid -wel vergeven waaraan gij u eenige oogenblikken hebt schuldig gemaakt, doch onder voorwaarde -dat gij don Martial uit uwe gedachten stelt.” -</p> -<p>»Nooit!” riep zij standvastig. -</p> -<p>»Nooit? dat is zoo lang, dochter, gij zult u wel bedenken, dat <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>weet ik zeker. En daarbij, wie is die man? Waar komt hij <span class="corr" id="xd30e612" title="Bron: van daan">vandaan</span>? Kent gij hem? Men noemt hem Martial el Tigrero, <i lang="es">vota a Dios</i>! Is dat een naam! Die man ja, heeft uw leven gered door uw paard op te houden toen -het met u doorging, maar is dat nu eene reden waarom hij op u verlieven moet, en gij -op hem? Ik heb hem een schitterende belooning aangeboden, die hij met de meeste verontwaardiging -heeft van de hand gewezen; hiermede is alles geëindigd, hij late mij nu met vrede; -ik wil niets meer met hem te doen hebben.” -</p> -<p>»Hem bemin ik, vader, en geen ander,” hernam zij. -</p> -<p>»Hoor eens, Anita, als gij zoo voortgaat verlies ik mijn geduld, het kost mij moeite -bedaard te blijven, derhalve genoeg hiervan, en houd u gereed om den graaf de Lhorailles -naar behooren te ontvangen. Ik heb gezworen dat hij uw echtgenoot wordt, en bij den -hemel! dat zal hij, al zou ik u met geweld naar het altaar voeren.” -</p> -<p>De haciendero sprak deze woorden op zulk een vastberaden en onverzettelijken toon, -dat Anita terstond begreep liever te moeten zwichten, al was het ook in schijn, dan -een redetwist voort te zetten die slechts bitterder kon worden en misschien de ergste -gevolgen zou na zich slepen; zij boog dus het hoofd en zweeg, terwijl haar vader met -groote stappen en een ontevreden gezicht het salon op en neder trad. -</p> -<p>De deur ging open en een peon stak bescheiden het hoofd door de kier. -</p> -<p>»Wat wilt gij?” vroeg don Sylva stilstaande. -</p> -<p>»<span class="corr" id="xd30e626" title="Bron: Senoria">Señoria</span>, antwoordde de knecht, »een caballero, gevolgd door vier anderen met eene tafel vol -goud, verlangt de <span class="corr" id="xd30e629" title="Bron: senorita">señorita</span> te spreken.” -</p> -<p>De haciendero wierp een onbeschrijfelijken blik op zijne dochter. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita boog in verwarring het hoofd. -</p> -<p>Don Sylva dacht een oogenblik na, en toen helderde zijn gelaat op. »Laat hem binnenkomen,” -zeide hij. -</p> -<p>De peon ging heen, maar keerde een paar minuten later terug ten geleide van onzen -ouden kennis Cuchares, altijd in zijn gescheurde zarapé en gevolgd door vier leperos, -die een zwaar beladen tafel droegen. -</p> -<p>Terwijl Cuchares de zaal binnentrad, nam hij eerbiedig den hoed af, maakte voor den -haciendero en zijne dochter eene hoffelijke buiging en wenkte de dragers om de tafel -midden in het salon te plaatsen. -</p> -<p>»<span class="corr" id="xd30e642" title="Bron: Senorita">Señorita</span>,” zeide hij op vleienden toon, »<span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> don Martial, getrouw aan het woord dat hij aan u gaf, verzoekt u nederig het goud -aan te nemen dat hij met de monté gewonnen heeft, als een gering bewijs van zijne -hulde en gehechtheid aan u.” -</p> -<p>»Kerel!” brulde don Sylva toornig, hem een stap te gemoet gaande, »weet gij niet in -wiens tegenwoordigheid gij u bevindt?” -</p> -<p>»Ja, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>, in tegenwoordigheid van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita en haar eerbiedwaardigen vader,” antwoordde de schelm zonder in ’t minst verlegen -te worden, terwijl hij zich statig in zijn geplukten mantel wikkelde, »en zooveel -ik weet heb ik jegens geen van beiden den verschuldigden eerbied verzuimd?” -<span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span></p> -<p>»Vertrek oogenblikkelijk en breng dat goud weer weg, daar mijne dochter niets mede -te maken heeft.” -</p> -<p>»Verschoon mij, <span class="corr" id="xd30e662" title="Bron: senoria">señoria</span>, ik heb dat goud ontvangen om het hier te brengen, en met uw verlof zal ik het hier -laten; don Martial zou het mij nooit vergeven als ik anders deed.” -</p> -<p>»Ik ken geen don Martial, of hoe gij hem ook noemt die u zendt, ik wil met hem volstrekt -niets te doen hebben.” -</p> -<p>»Dat kan wel waar zijn, <span class="corr" id="xd30e668" title="Bron: senoria">señoria</span>; maar dat gaat mij niet aan, dat moogt gij naar goedvinden zelf met hem uitmaken; -wat mij aangaat, nu ik mijn boodschap verricht heb, kus ik u de handen en ga heen.” -</p> -<p>En met eene nieuwe buiging voor de beide personages, trad de lepero vol majesteit -de salon uit, met afgemeten stappen, gevolgd door zijne vier handlangers. -</p> -<p>»Nu mijne dochter,” riep don Sylva buiten zich zelven van drift, <span class="corr" id="xd30e674" title="Niet in bron">»</span>nu ziet gij eens aan welk een hoon ik door uwe dwaasheid blootsta.” -</p> -<p>»Een hoon! vader?” antwoordde zij bedeesd: »integendeel, ik vind dat don Martial zich -gedraagt als een echt caballero en dat hij mij een groot bewijs van zijne liefde geeft: -het is eene onmetelijke som.” -</p> -<p>»Ha! zoo,” zei don Sylva toornig, »denkt gij er zoo over! welnu dan zal ik ook doen -als een caballero, <i lang="es">voto a brios</i>! dat zult gij zien.—Hola! help even!” -</p> -<p>Er kwamen eenige peons binnen. -</p> -<p>»Zet de vensters open!” -</p> -<p>De bedienden gehoorzaamden. -</p> -<p>De volksverzameling had zich nog niet verstrooid, een groot aantal menschen stonden -nog altijd voor het huis of zwierven in den omtrek. -</p> -<p>De haciendero boog naar het venster en keek naar buiten. Hij wenkte het volk, om stilte -te verzoeken. -</p> -<p>Werktuigelijk zweeg de woelige menigte en trad naderbij, als gevoelde zij dat er voor -haar iets van belang zou gebeuren. -</p> -<p>»<i lang="es"><span class="corr" id="xd30e692" title="Bron: Senores">Señores</span> caballeros y amigos!</i>” riep de haciendero met luider stem, »iemand, dien ik niet ken, heeft mijne dochter -het goud durven aanbieden, dat hij met de monté gewonnen had. <span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita versmaadt zulke geschenken, bovenal wanneer zij van een persoon afkomstig zijn, -met wien zij noch door vriendschap, noch door eenige andere betrekking verbonden is. -Zij verzoekt mij dit goud, dat zij zelfs niet zou willen aanraken, onder u te verdeelen, -ten einde daardoor in het openbaar en voor u allen te bewijzen hoe diep zij den man -veracht, die haar zoo heeft durven beleedigen.” -</p> -<p>Deze geïmproviseerde toespraak van den haciendero werd door de leperos en andere voor -het huis saamgeschoolde bedelaars, die hem met begeerige blikken aanstaarden, met -een daverend hoerah beantwoord. -</p> -<p>Anita voelde de tranen op hare oogleden branden, ondanks hare uiterste pogingen om -zich goed te houden; haar hart dreigde te bersten. -<span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span></p> -<p>Zonder zich echter om zijne dochter te bekommeren, gaf don Sylva zijne bedienden order -om de oncen op straat te werpen. -</p> -<p>Toen begon er letterlijk een gouden regen op het verbaasde volk af te dalen: de arme -schooiers stormden van alle kanten toe en wierpen zich als razenden op het blinkend -metaal als of er in tijd van hongersnood brood uit den hemel viel. -</p> -<p>De calle de la Merced bood het zonderlingste schouwspel dat men zich kan verbeelden. -</p> -<p>Het regende maar altoos goud, goud, goud, de gele schijven vlogen in alle richtingen, -het scheen onuitputtelijk. -</p> -<p>De geplukte en gelapte leperos stortten zich als uitgehongerde coyotes op het kostelijk -metaal, de sterksten verdrongen de zwakkeren, de zwaksten geraakten onder de voet -en werden vertrapt. -</p> -<p>Onder het hevigst van deze stortbui kwam er een ruiter in vliegenden galop aanrijden. -</p> -<p>Verbaasd over hetgeen hij zag, bleef hij een oogenblik staan om rond te kijken; toen -gaf hij zijn paard opnieuw de sporen en door het uitdeelen van karwatsslagen links -en rechts, gelukte het hem de dicht opeengepakte menigte te verdeelen, die als een -onstuimige zee naar weerszijde der straat uiteenstoof, en zoo baande hij zich een -weg naar het huis van den haciendero, dat hij terstond binnen reed. -</p> -<p>»Daar is de graaf de Lhorailles,” zeide don Sylva lakonisch tegen zijne dochter. -</p> -<p>Werkelijk trad de graaf eenige oogenblikken later de salon binnen. -</p> -<p>»Hoe is het met u!” riep hij op den dorpel staan blijvende, »hoe kwaamt gij op dien -zonderlingen inval, don Sylva? Bij mijne ziel! gij schijnt u te amuseeren met uwe -millioenen het raam uit te werpen, tot groot genoegen der leperos en andere gauwdieven -van dezelfde soort.” -</p> -<p>»Ah! zijt gij daar, mijnheer de graaf,” antwoordde de haciendero kalm, »ik heet u -welkom, en ik ben tot uwe dienst, nog slechts weinige handvollen en ik heb gedaan.” -</p> -<p>»Laat ik u niet storen” lachte de graaf, »ik moet bekennen, de grap is recht origineel,” -en zich thans tot het meisje wendende, dat hij met de uitstekendste wellevendheid -groette, vervolgde hij: »Ei—lieve, <span class="corr" id="xd30e717" title="Bron: senorita">señorita</span>, geef mij toch de oplossing van die raadselachtige zaak, want ik verklaar u dat ik -er ten hoogste nieuwsgierig naar ben die te hooren.” -</p> -<p>»Dat moet gij aan mijn vader vragen, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>,” antwoordde zij met zekere stroefheid, die alle verdere samenspreking onmogelijk -maakte. -</p> -<p>De graaf hield zich alsof hij deze koele ontvangst niet opmerkte, maakte een statige -buiging en wierp zich glimlachend op eene butacca. -</p> -<p>»Dan zal ik een weinig wachten,” zeide hij achteloos. »Ik heb geen de minste haast.” -</p> -<p>Toen de haciendero aan zijne dochter zeide, dat de man dien hij <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>voor haar bestemde een schoone cavalier was, bleek thans, dat hij geen vleitaal gesproken -had. De graaf Maxime <span class="corr" id="xd30e731" title="Bron: Gaetan">Gaëtan</span> de Lhorailles was iemand van hoogstens dertig jaar, lenig en vlug van gestalte en -een weinig boven de middelbare lengte. Zijne blonde haren teekenden hem als een zoon -van het Noorden; zijne trekken waren schoon, zijn oogopslag vol uitdrukking, zijne -handen en voeten droegen het kenmerk zijner afkomst; alles duidde bij hem den edelman -van echten stempel aan, en indien dus don Sylva zich in hem evenmin bedroog wat het -moreele als wat het uitwendige betrof, was de graaf de Lhorailles een volmaakt cavalier. -</p> -<p>Eindelijk had de haciendero al het goud dat door Cuchares was binnengebracht het raam -uitgesmeten; op hare beurt vloog thans de tafel die straat op, hij gaf order de vensters -te sluiten en keerde in zijne handen wrijvende naar den graaf terug om naast hem te -gaan zitten. -</p> -<p>»Zie zoo!” zeide hij met een vroolijk gezicht, »dat is afgedaan, nu ben ik geheel -tot uwe dienst.” -</p> -<p>»Vooraf een woord.” -</p> -<p>»Spreek.” -</p> -<p>»Neem mij niet kwalijk, gij weet, ik ben vreemdeling, en als zoodanig laat ik mij -gaarne onderrichten.” -</p> -<p>»Ik hoor u.” -</p> -<p>»Sedert ik in Mexico woon heb ik al vrij wat zonderlinge gebruiken gezien, zoo dat -ik bijna onvatbaar ben om door iets nieuws getroffen te worden; intusschen moet ik -u bekennen, dat hetgeen ik hier in de laatste oogenblikken zag, alles overtreft wat -ik tot dusver heb waargenomen. Ik zou gaarne willen weten wat dit beduidt en of het -misschien een gebruik is dat mij tot hiertoe ontsnapte.” -</p> -<p>»Waar spreekt gij toch van.” -</p> -<p>»Wel, hoe kunt gij dat nog vragen, van hetgeen ik u juist zag doen toen ik binnenkwam, -dat goud, dat gij met milde hand uitstrooidet en als een weldadige regen over de bandieten -en bedelaars van allerlei slag, die zich voor uw huis hadden verzameld, deedt nederruischen; -het zijn onder ons gezegd leelijke planten om ze op die wijs te begieten.” -</p> -<p>Don Sylva begon te lachen. -</p> -<p>»Neen,” antwoordde hij, »dat is geen gewoonte.” -</p> -<p>»Zeer goed. Dus was het alleen een vorstelijke tijdkorting om zoo een millioen voor -het janhagel te smijten? Te duivel, don Sylva, men moet zoo rijk zijn als gij, om -zich zulk eene gril te veroorloven.” -</p> -<p>»Dat denkt gij toch niet in goeden ernst.” -</p> -<p>»Ik heb intusschen de oncen zien regenen.” -</p> -<p>»Dat is zoo, maar ze waren niet van mij.” -</p> -<p>»Al mooier en mooier, dat wordt ingewikkeld, gij maakt mij inderdaad meer en meer -nieuwsgierig.” -<span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span></p> -<p>»Ik zal u voldoening geven.” -</p> -<p>»Ik ben geheel oor, want het is voor mij zoo onderhoudend als eene Arabische nachtvertelling.” -</p> -<p>»Hm!” riep de haciendero hoofdschuddend, »het gaat u misschien nader aan, dan gij -vermoedt.” -</p> -<p>»Is het mogelijk?” -</p> -<p>»Dat moogt gij zelf beoordeelen.” -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita lag als op de pijnbank; zij wist niet hoe zij zich houden moest: wel begrijpende -dat haar vader alles aan den graaf zou vertellen, had zij den moed niet om deze toelichting -af te wachten en stond zij wankelend op. -</p> -<p>»Mijne heeren,” zeide zij met eene zwakke stem, »ik gevoel mij ongesteld; weest zoo -goed en veroorlooft mij om heen te gaan.” -</p> -<p>»Inderdaad,” riep de graaf opstaande en naar haar toeloopend om haar zijn arm te bieden -en te ondersteunen, »gij zijt bleek, <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita, sta mij toe u naar uwe kamer te geleiden?” -</p> -<p>»Ik dank u, caballero,” zeide zij; »ik gevoel mij sterk genoeg om alleen te gaan, -en ofschoon erkentelijk voor uw aanbod ben ik zoo vrij om het af te wijzen.” -</p> -<p>»Zoo als u behaagt, <span class="corr" id="xd30e773" title="Bron: senorita">señorita</span>,” zei de graaf, heimelijk gebelgd over deze weigering. -</p> -<p>Don Sylva stond eene enkele <span class="corr" id="xd30e778" title="Bron: sekonde">seconde</span> in beraad om zijne dochter te bevelen te blijven, maar het arme kind wierp hem zulk -een wanhopigen blik toe, dat hij den moed niet bezat haar eene langere foltering op -te leggen. -</p> -<p>»Ga, mijn kind,” zeide hij. -</p> -<p>Het meisje haastte zich van deze vergunning gebruik te maken, snelde de zaal uit en -nam de vlucht naar hare slaapkamer, waar zij zich opsloot, op een stoel neerzonk en -in tranen uitbarstte. -</p> -<p>»Wat schort er toch aan <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita?” vroeg de graaf vol belangstelling toen zij vertrokken was. -</p> -<p>»Vapeurs, hoofdpijn, zenuwen, wat weet ik het?” antwoordde de haciendero schouderophalend; -»alle jonge meisjes zijn zoo; over eenige oogenblikken zal zij het reeds vergeten -zijn.” -</p> -<p>»Des te beter! ik moet u bekennen dat ik ongerust was.” -</p> -<p>»Nu wij alleen zijn, wilt gij misschien de oplossing niet meer hooren van het raadsel -dat u zooveel belang scheen in te boezemen?” -</p> -<p>»Neen zeker. Spreek zonder verder uitstel, ik heb u van mijn kant een aantal gewichtige -zaken mede te deelen.” -<span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6841">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">III.</h2> -<h2 class="main">TWEE OUDE KENNISSEN VAN DEN LEZER.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Op ongeveer vijf mijlen afstand van Guaymas ligt het kleine dorp <span class="corr" id="xd30e800" title="Bron: San-Jose">San José</span>, in de wandeling de <i>Rancho</i> genaamd. -</p> -<p>Deze armzalige <i>pueblo</i> of buurtschap bestaat slechts uit een plein van geringe grootte, rechthoekig gekruist -door twee straten, met bouwvallige steenen huizen, deels bewoond door Hiaquis-Indianen, -die jaarlijks in grooten getale naar Guaymas gaan arbeiden, als havenwerkers, timmerlieden, -commissionairs enz., deels ook door die avonturiers en gelukzoekers zonder eer of -deugd, daar het aan de oevers der <span class="corr" id="xd30e809" title="Bron: Stille-Zuidzee">Stille Zuidzee</span> sedert de ontdekking der goudmijnen in Californië van wemelt. -</p> -<p>De weg van Guaymas naar <span class="corr" id="xd30e814" title="Bron: San-Jose">San José</span> loopt door een dorre zandige streek, waar slechts enkele nopalplanten en verkreupelde -cactus opschieten, wier verdroogde en met stof overdekte takken of bladen er bij nacht -uitzien als witte spoken. -</p> -<p>In den avond van den dag waarmede ons verhaal begint, reed een eenzame ruiter, tot -aan de oogen in zijn mantel gewikkeld in vliegenden galop naar de Rancho. -</p> -<p>De donkerblauwe hemel was met duizend fonkelende sterren bezaaid; de maan, in haar -eerste kwartier, verlichtte de zwijgende velden en verlengde tot in ’t oneindige de -schaduw van het geboomte over de kale aarde. -</p> -<p>De ruiter, zonder twijfel haast hebbende om het doel eener reis te bereiken, die in -dat late uur gevaarlijk genoeg was, zette zijn paard onophoudelijk aan met spoorslag -en stem, ofschoon het moedige dier blijkbaar geen bijzondere aansporing noodig had. -</p> -<p>Reeds was onze ruiter de onbebouwde landen voorbij en op het punt om een dicht woud -van Peruboomen in te rijden, dicht in de nabijheid der Rancho, toen zijn paard eensklaps -een zijsprong maakte en zich op de vier beenen pal zette, met schuwe blikken en achterwaarts -gestreken ooren. -</p> -<p>Een kort en knetterend geluid bewees dat de ruiter zijne pistolen wapende; na deze -onverhoedsche voorzorg wierp hij een bespiedenden blik om zich heen. -</p> -<p>»Vrees niets, caballero!” riep eene moedige vertrouwelijke stem; »en wijk maar een -weinig rechtsaf uit, als het u niet schelen kan.” -</p> -<p>De ruiter keek voor zich naar den grond en zag bijna onder de hoeven van zijn draver -een man geknield liggen, met den kop van een paard in de hand, dat dwars over den -weg lag. -</p> -<p>»Wat duivel doet gij daar?” vroeg hij. -</p> -<p>»Wat gij ziet,” antwoordde de andere bedrukt, »ik neem voor ’t laatst afscheid van -mijn armen reisgenoot; men moet een geruimen <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>tijd in de wildernis geleefd hebben om te begrijpen hoe veel zulk een vriend waard -is.” -</p> -<p>»Dat stem ik u toe,” riep de vreemdeling, en hij steeg terstond af. »Maar is hij dan -dood?” vervolgde hij. -</p> -<p>»Neen, nog niet; maar ongelukkigerwijze is hij er daarom niet te beter aan toe.” -</p> -<p>Hier zuchtte hij. -</p> -<p>De onbekende bukte over het paard, dat aan al zijne leden lag te stuiptrekken, schoof -het de oogleden open en bekeek het aandachtig. -</p> -<p>»Uw paard heeft eene ophooping van bloed in de hersenen,” zeide hij kort daarna; »laat -mij even begaan.” -</p> -<p>»O!” riep de andere, »ziet gij nog kans hem te redden?” -</p> -<p>»Ik hoop ja,” antwoordde de eerste lakoniek. -</p> -<p>»<i>Caraï!</i> als gij dat kondt, zijn wij vrienden in leven en sterven. Die arme Negro! mijn oude -kameraad op zoo menige reis.” -</p> -<p>De ruiter wiesch de slapen van het paard met een mengsel van water en rum; na verloop -van eenige minuten scheen het beest weer bij te komen, zijn dof en beneveld oog schitterde -weder en het deed eene poging om op de beenen te komen. -</p> -<p>»Houd hem goed vast,” zei de onverhoopte paardenarts. -</p> -<p>»Wees maar niet bang, mijn beest. Stil, stil, Negro! stil, beste jongen! <i>quieto</i>, <i>quieto</i>, het is tot uw bestwil,” riep hij, zijn paard streelende. -</p> -<p>Het schrandere dier scheen het wel te begrijpen, het stak den kop naar zijn meester -op en gaf hem antwoord met een klagend gehinnik. -</p> -<p>Intusschen had de ruiter iets uit zijn gordel gehaald, en boog hij opnieuw over het -paard. -</p> -<p>»Houd hem vooral goed vast,” waarschuwde hij opnieuw. -</p> -<p>»Wat gaat gij doen?” -</p> -<p>»Ik zal hem aderlaten.” -</p> -<p>»Ja, dat is het, dat wist ik wel, maar ik dorst het alleen niet wagen, uit vrees dat -ik hem zou dooden door hem te willen redden.” -</p> -<p>»Hebt gij hem goed vast?” -</p> -<p>»Ja. Ga uw gang.” -</p> -<p>Plotseling maakte het dier eene felle beweging toen hij het koude staal en den prik -voelde, maar zijn meester hield hem zoo ferm vast dat hij zich niet verroeren kon. -</p> -<p>Er volgde voor de beide mannen eene angstvolle minuut; het bloed kwam niet te voorschijn, -eindelijk verscheen op de plek van het priksel een zwarte droppel, daarna een tweede -weldra gevolgd door een derde en opeens sprong er een straal zwart en schuimend bloed -naar buiten. -</p> -<p>»Hij is behouden!” riep de ruiter terwijl hij zijn lancet afveegde en weder in zijn -foudraal borg. -</p> -<p>»Dat zal ik u vergelden, zoo waar als ik Goedsmoeds heet!” riep de eigenaar van het -geredde paard; »gij hebt mij een van die diensten bewezen die men nooit weder vergeet.” -<span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span></p> -<p>En met onweerstaanbare drift greep hij de hand van den man, dien hij zoo ter goeder -ure op zijn pad ontmoet had. Deze beantwoordde zijn handdruk met gelijke warmte. Voortaan -hadden zij elkander trouw gezworen; deze twee mannen, die <span class="corr" id="xd30e867" title="Bron: nauwlijks">nauwelijks</span> eenige minuten te voren elkaar niet kenden, en niet wisten dat de andere in de wereld -was, waren voor altijd vrienden geworden, door een van die kleine maar gewichtige -diensten, die in de Amerikaansche wildernissen zoo oneindig veel waarde hebben. -</p> -<p>Intusschen werd het bloed allengs minder zwart, het werd purperrood en vloeide mild, -de adem van het paard, eerst hijgend en schokkend, werd gemakkelijk en regelmatig. -De onbekende zette de lating nog een poos voort; eerst toen hij dacht, dat het paard -op den goeden weg was, stopte hij den bloedstraal. -</p> -<p>»Wat denkt gij thans te doen?” vroeg hij aan den andere. -</p> -<p>»Waarachtig als ik het weet, uwe hulp heeft mij zooveel dienst gedaan, dat ik niets -beter kan doen dan hetgeen gij mij raden zult.” -</p> -<p>»Waarheen was uw weg toen u dit ongeval overkwam?” -</p> -<p>»Naar de Rancho.” -</p> -<p>»Dat was ook de mijne; wij zijn er niet ver meer <span class="corr" id="xd30e877" title="Bron: van daan">vandaan</span>, gij stijgt achter mij te paard, wij nemen uw paard aan den teugel mede, en vertrekken -zoodra gij wilt.” -</p> -<p>»Ik kan niets beter wenschen. Denkt gij dat mijn paard mij niet zou kunnen dragen?” -</p> -<p>»Misschien zou hij het wel doen kunnen, want het is een flink beest; maar dat ware -niet voorzichtig, gij zoudt gevaar loopen het te verliezen; het is beter dat gij het -middel te baat neemt dat ik u aanwees.” -</p> -<p>»Ja, maar ik vrees nu.…” -</p> -<p>»Wat vreest gij?” viel de andere hem met drift in de rede, »wij zijn immers vrienden?” -</p> -<p>»Dat is waar. Ik neem het aan.” -</p> -<p>Het kranke paard stond uit eigen beweging op, en de twee mannen, die elkander zoo -zonderling hadden ontmoet, namen de reis aan zooals gezegd was, gezeten op hetzelfde -paard. -</p> -<p>Geen twintig minuten waren er noodig, of zij bereikten de eerste huizen der Rancho. -</p> -<p>Aan den ingang van het dorp hield de man die het paard bestuurde stil en wendde zich -tot zijn tochtgenoot. -</p> -<p>»Waar wilt gij afstijgen?” vroeg hij. -</p> -<p>»Dat is mij onverschillig,” antwoordde de andere; »ik vind mij overal thuis; laten -wij samen gaan waar gij gaat?” -</p> -<p>»Ja!” riep de ruiter zich het oor krabbende, »ik ga eigenlijk niet bepaald ergens -heen.” -</p> -<p>»Hoedat! nergens heen?” -</p> -<p>»Mijn hemel, neen. Ik zal u dit aanstonds verklaren. Ik ben eerst heden morgen te -Guaymas ontscheept; de Rancho is mijn eerste <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>pleisterplaats op eene reis die ik naar de wildernis onderneem, en die waarschijnlijk -van langen duur zal zijn.” -</p> -<p>In het heldere maanlicht, dat den vreemdeling op dit oogenblik juist in het aangezicht -scheen, lette zijn kameraad eenige <span class="corr" id="xd30e900" title="Bron: sekonden">seconden</span> op diens edel en nadenkend gelaat, waarop de smart of de tegenspoed reeds diepe voren -schenen geploegd te hebben. -</p> -<p>»Gij wilt dus zeggen,” sprak hij eindelijk, »dat alle logementen u even welkom zijn?” -</p> -<p>»Een enkele nacht is spoedig voorbij. Ik verlang alleen huisvesting voor mij en mijn -paard.” -</p> -<p>»Welnu, als gij mij dan vergunt u op mijne beurt als gids te dienen, zal ik u binnen -tien minuten daarvan voorzien.” -</p> -<p>»Dat neem ik aan.” -</p> -<p>»Ik beloof u wel is waar geen paleis, maar ik zal u brengen in eene <i lang="es">pulqueria</i>, waar ik zelf gewoonlijk mijn intrek neem als het geval wil dat ik deze streek uitkom. -Gij zult er een min of meer gemengd gezelschap aantreffen; maar wat geeft gij daar -om, er zit niets anders op en, zoo als gij wel zegt, het is maar om één kwaden nacht -te doen.” -</p> -<p>»Zoo als ’t God b’lieft! laten wij gaan.” -</p> -<p>Thans zijne armen onder die van zijn kameraad doorstekende, nam de nieuwe gids de -teugels, en wendde het paard naar een huis, dat ongeveer in de helft der straat lag -waar zij zich bevonden, en uit welks half gesloten vensters het fakkellicht in de -nachtelijke duisternis blonk als uit de gaten van een oven, terwijl het gejoel, gelach -en gezang, vermengd met het hortend gekras der <i lang="es">jarabes</i>, hun tegenklonk, ten bewijze dat, ofschoon in het dorp alles sliep, daar ten minste -nog alles wakker en in vollen gang was. -</p> -<p>Voor de deur dezer herberg van lager allooi hielden de beide vreemdelingen stil en -stegen af. -</p> -<p>»Is uw besluit stellig genomen?” vroeg de eerste aan zijn kameraad. -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e922" title="Bron: «">»</span>Stellig en zeker,” antwoordde deze. -</p> -<p>De gids klopte nu met de hand op de vermolsemde deur. -</p> -<p>Het duurde vrij lang eer men antwoord gaf; eindelijk riep eene rauwe stem aan de binnenzijde, -terwijl het geraas en getier dat tot dusver daar binnen heerschte als op een tooverslag -zweeg, en door de diepste stilte werd afgewisseld. -</p> -<p>»<i lang="es">Quien vive?</i>” -</p> -<p>»<i lang="es">Gente de paz!</i>” antwoordde de vreemdeling. -</p> -<p>»Hm!” riep de stem, »dat is geen naam. Hoe is het weer buiten?” -</p> -<p>»Eens voor al en alles voor één! de <i lang="es">cormuel</i><a class="noteRef" id="xd30e942src" href="#xd30e942">1</a> blaast dat de buffels van de Cerro-del-Huerfano afwaaien.” -</p> -<p>Oogenblikkelijk werd de deur geopend, en de reizigers traden binnen. -<span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span></p> -<p>In ’t eerst konden zij in de zaal niets onderscheiden vanwege den dikken rook, en -stapten zij op den tast voort. -</p> -<p>De gids scheen echter in dit berenhol goed bekend te zijn, want zoowel de kastelein -als verscheidene der gasten drongen zich om strijd om hem heen. -</p> -<p>»Caballeros,” zeide hij op den persoon wijzende die hem volgde, »deze <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> is mijn vriend, ik verzoek u hem met de meeste onderscheiding te behandelen.” -</p> -<p>»Hij zal op gelijke wijze ontvangen worden als gij zelf, Goedsmoeds,” antwoordde de -man die in de herberg kastelein scheen te zijn, »uwe paarden zijn reeds naar de corral -gebracht, waar men hun ieder een schoof haver heeft gegeven. Wat u zelven betreft -is het huis tot uwe dienst, gij kunt er naar welgevallen over beschikken.” -</p> -<p>Onder het wisselen dezer komplimenten, hadden de vreemdelingen zich door de menigte -een weg weten te banen; zij waren de zaal doorgegaan en met veel moeite was het hun -gelukt zich in een hoek neder te zetten, aan eene tafel waarop de kastelein zelf de -noodige pulque, mezcal, chinguirito, catalonische refino en xeres-wijn geplaatst had. -</p> -<p>»Caramba! <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> Huespad (hospes),” riep de eene vreemdeling, dien men reeds eenige malen Goedsmoeds -had genoemd, »gij zijt mild vandaag.” -</p> -<p>»Ziet gij dan niet dat ik een angelito (engeltje) heb,” antwoordde de kastelein ernstig. -</p> -<p>»Alzoo is uw zoontje Pedrito.…” -</p> -<p>»Hij is gestorven! ik tracht mijne vrienden zoo goed mogelijk te ontvangen, opdat -mijn arme kind des te feestelijker in den hemel zal ontvangen worden, het heeft nog -nooit zonde gedaan en is nu een engeltje bij God.” -</p> -<p>»Dat is waar,” zei Goedsmoeds, terwijl hij zijn glas aansloeg met dat van den vader, -die zoo weinig zieletroost scheen te behoeven. -</p> -<p>Deze dronk zijn glas refino in een enkele teug ledig en verwijderde zich. -</p> -<p>De vreemdelingen, bereids aan den hen omgevenden atmospheer gewoon, wierpen thans -een blik in het rond. -</p> -<p>De gelagkamer der pulqueria bood een allerzonderlingst, ja een aanstootelijk schouwspel. -</p> -<p>In het midden stond eene tafel, aan welke een tien- of twaalftal personen met schelmengezichten, -in geplukte costumen en tot aan de tanden gewapend, druk monté speelden. -</p> -<p>Als eene vreemde bijzonderheid, die echter geen der aanwezige spelers scheen te verwonderen, -dient te worden vermeld, dat er rechts van den bankhouder, een ponjaard in de tafel -was geplant, terwijl er twee pistolen aan zijne linkerzijde lagen. Eenige stappen -van daar waren een troep mannen en vrouwen meer dan half beschonken aan ’t zingen -en dansen, met walgelijke gebaren en woeste kreten, <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>op de ruwe muziek van twee of drie <i lang="es">vihuelas</i> en <i lang="es">jarabes</i>. In een minder luidruchtigen hoek der zaal stond een dertigtal personen om eene andere -tafel verzameld, in het midden waarvan, op een kleinen stoel van bamboes, een kind -van hoogstens vijf jaar gezeten was. Dit kind presideerde als ’t ware de vergadering, -het had zijne beste kleertjes aan, een krans bloemen om het hoofd, terwijl een menigte -bloemen rondom hem op de tafel gestrooid lagen. -</p> -<p>Maar helaas het voorhoofd van dit kind was verbleekt, de oogen stonden verglaasd, -de wangen waren loodblauw, hier en daar met violetkleurige vlekken, en het gansche -lichaam zoo koud en stijf als een lijk, want het kind was dood: dat was nu het engeltje, -welks intrede in den hemel door den pulquero zoo feestelijk gevierd werd. -</p> -<p>Zoowel vrouwen als mannen en kinderen dronken en lachten, terwijl zij aan de arme -moeder, die de heldhaftigste pogingen deed om niet in tranen uit te barsten, als om -strijd herinnerden hoe voorspoedig, schrander en goedaardig het lieve kind geweest -was dat zij verloren had. -</p> -<p>»Ik vind dat ergerlijk en akelig,” mompelde de eerste reiziger met een beweging van -afschuw. -</p> -<p>»Niet waar?” antwoordde de andere, »laten wij er ons niet langer mede ophouden, maar -zonderen wij ons af van dit gespuis, dat toch niet meer aan ons denkt; laten wij liever -samen wat praten.” -</p> -<p>»Ik wil wel, maar ongelukkig hebben wij elkaar niets te vertellen.” -</p> -<p>»Misschien; vooreerst moeten wij elkander nog nader leeren kennen.” -</p> -<p>»Dat is waar.” -</p> -<p>»Ziet gij nu wel? Om te beginnen, wil ik u het eerst een voorbeeld van vertrouwen -en openhartigheid geven.” -</p> -<p>»Goed! daarna zal het mijne beurt zijn.” -</p> -<p>Goedsmoeds wierp een zijdelingschen blik op het gezelschap; de ongepaste drukte en -vroolijkheid was met nieuwe kracht aan den gang; het was duidelijk dat niemand der -aanwezigen acht op hen gaf. Hij ging met de ellebogen op tafel liggen, schoof dichter -bij zijn kameraad en begon: -</p> -<p>»Zoo als gij weten zult, daar gij mijn naam reeds meermalen hebt hooren uitspreken, -waarde vriend, heet ik Goedsmoeds<a class="noteRef" id="xd30e995src" href="#xd30e995">2</a>; ik ben een Canadees, dat wil zeggen, bijna een Franschman. Omstandigheden, teveel -om op dit oogenblik te vertellen, maar die ik u later wel zal mededeelen, hebben mij -reeds vroeg in dit land gevoerd. Twintig levensjaren heb ik besteed met de woestijn -in alle richtingen te doorkruisen; er is geen verloren beek, of vergeten voetpad dat -ik niet ken. Als ik dit wilde, zou ik gerust en onbezorgd kunnen leven bij een dierbaren -vriend, een ouden kameraad van mij, op eene heerlijke landhoeve, die hij eenige mijlen -ver van Harmosillo <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>bezit en bewoont; maar het woudloopersleven heeft zijne onweerstaanbare bekoorlijkheid, -dat begrijpen alleen zij die er in gedeeld hebben; het trekt hen aan tegen wil en -dank om het te hervatten. -</p> -<p>»Ik ben nog jong, nauwelijks vijf en veertig jaar. Een ander oud vriend van mij, een -Indiaansch Opperhoofd met name Arendskop, stelde mij onlangs voor om met hem een uitstapje -naar Apacheria te maken; ik liet er mij toe overhalen, nam afscheid van mijne vrienden -die mij vruchteloos poogden te weerhouden, en vrij van alle banden, zonder spijt over -het verledene en onbezorgd voor het toekomende, ging ik vroolijk op weg, de onwaardeerbare -schatten van een vrijen jager met mij voerende, namelijk een moedig hart, een opgeruimd -gemoed, goede wapenen en een paard even als zijn meester gehard tegen voor- en tegenspoed, -en hier zit ik nu. Ziedaar, kameraad, thans kent gij mij zoo goed als of wij reeds -tien jaar samen verbonden waren geweest.” -</p> -<p>De andere had dit verhaal aandachtig aangehoord, met den blik onafgewend op den stoutmoedigen -jager gericht, die glimlachend tegenover hem zat; hij beschouwde met innige belangstelling -den man, wiens open en sterksprekend gelaat ruwe maar ronde oprechtheid ademde en -alle kenteekenen droeg van ware goedheid en grootheid. -</p> -<p>Toen Goedsmoeds zweeg, zat de andere, blijkbaar in diep en ernstig nadenken verzonken, -eenige oogenblikken zonder te antwoorden; daarop strekte hij hem over de tafel zijne -blanke fijngevormde hand toe, en zeide met eene bewogen stem in het beste Fransch -dat ooit in deze ver verwijderde gewesten gesproken werd: -</p> -<p>»Ik dank u voor het in mij gestelde vertrouwen, Goedsmoeds; mijne geschiedenis is -niet veel langer dan de uwe, maar zij is veel treuriger; ik geef u die in weinige -woorden.” -</p> -<p>»Ei!” riep de Canadees, terwijl hij de hem toegestoken hand met warmte drukte, »zijt -gij misschien een Franschman?” -</p> -<p>»Ja, die eer heb ik.” -</p> -<p>»Pardi! dat had ik reeds kunnen vermoeden,” hervatte hij vroolijk; »als ik zoo naga -hoe wij nu sedert een uur lang gebrekkig Spaansch hebben gesproken in plaats van onze -eigene taal te gebruiken, want, om kort te gaan, ik ben uit Canada, en de Canadeezen -zoo als gij weet zijn de Franschen uit Amerika, niet waar?” -</p> -<p>»Gij hebt gelijk.” -</p> -<p>»Dus, dat is afgesproken, voortaan geen Spaansch meer tusschen ons?” -</p> -<p>»Neen Fransch, altijd Fransch.” -</p> -<p>»Bravo! op uw welzijn, brave landgenoot; en nu,” vervolgde hij, na zijn glas geledigd -te hebben, en het met kracht weder op de tafel zettende, »nu wil ik uwe geschiedenis -hooren, ik luister met aandacht.” -</p> -<p>»Zooals ik u reeds gezegd heb, is zij niet lang.” -</p> -<p>»Dat doet er niets toe, vertel maar, ik ben zeker dat zij mij zeer veel belang inboezemt.” -<span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span></p> -<p>De Franschman smoorde een zucht. -</p> -<p>»Ook ik heb het leven van een woudlooper geleid,” begon hij, »ook ik heb de wegslepende -bekoorlijkheid van dat koortsachtig bestaan ondervonden, zoo vol treffende, altoos -afwisselende en verrassende gebeurtenissen. Ver van het land waar wij ons thans bevinden, -heb ik uitgestrekte wildernissen en ongerepte natuurwouden doorloopen, waar vóór mij -geen sterfelijk mensch ooit zijn voet had afgedrukt. Evenals gij, op mijne avontuurlijke -tochten vergezeld door een trouwen vriend, die mijn moed steunde en mijne zielskracht -door zijne onuitputtelijke vroolijkheid en wel beproefde vriendschap wist te verheffen. -Helaas! die tijd was de gelukkigste mijns levens! -</p> -<p>»Ik werd verliefd op eene vrouw en ik huwde haar. Doch nauwelijks had mijn vriend -gezien dat ik rijk was en een familie bezat, of hij verliet mij. »Ik kon nu maar gerust -voortleven,” zeide hij, »en had hem niet meer noodig.” Zijn vertrek was mijn eerste -verdriet, een verdriet, dat ik nooit goed heb kunnen verzetten, dat van jaar tot jaar -drukkender werd en dat mij tot op dezen dag foltert als een zelfverwijt. Helaas! waar -is thans dat moedige hart, die trouwe ziel, die ik altijd gereed zag mij in den nood -bij te staan, die mij lief had als een broeder en dien ik wederkeerig een broederlijke -genegenheid toedroeg? Helaas! misschien is hij dood!” -</p> -<p>Bij het uiten dezer laatste woorden liet de Franschman het hoofd tusschen de beide -handen zinken, en gaf hij zich over aan een stroom van bittere gedachten, die met -iedere nieuwe herinnering als uit zijn hart opkwamen. -</p> -<p>Goedsmoeds keek hem zwaarmoedig aan en drukte hem hartelijk de hand. -</p> -<p>»Houd moed, broeder,” zeide hij op vertrouwelijken toon. -</p> -<p>»Ja,” hervatte de Franschman. »Juist zoo sprak hij altijd, als ik door droefheid verslagen -den moed liet zinken. -</p> -<p>»Schep moed, broeder,” zeide hij dan met zijne ruwe maar hartige stem en met de hand -op mijn schouder, en dan voelde ik mij inderdaad als geëlectriseerd; ik herleefde -op het hooren van die hartelijke krachtvolle stem, ik was inderdaad opnieuw sterk -en opnieuw gereed om den strijd te hervatten. Verscheidene jaren verliepen er voor -mij onder het genot van ongestoord huiselijk geluk, dat door niets gestoord werd. -Ik had eene beminnelijke vrouw, die ik aanbad: lieve kinderen van welke ik mij de -schoonste toekomst beloofde, kortom, niets ontbrak mij, dan mijn boezemvriend, van -wien ik, sedert hij mij verliet, ondanks al mijne nasporingen nooit weder iets heb -mogen vernemen. Thans is mijn geluk voor altijd vervlogen, mijne lieve vrouw en mijne -kinderen zijn dood, lafhartig in hun slaap vermoord door de Indianen die zich van -mijne hacienda hadden meester gemaakt. Ik was de eenige die levend overbleef te midden -der rookende puinhoopen eener woning waar ik zoovele gelukkige dagen had doorgebracht. -Alles wat ik had lief gehad was onder bouwvallen <span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span>begraven; mijn hart barstte, ik besloot mijn verloren lievelingen niet te overleven; -maar een enkele vriend, de eenige die mij getrouw bleef, redde mij; hij voerde mij -met geweld naar zijn stam; want hij was een Indiaan. Aldaar, dank zij de trouwe zorg -die hij aan mij besteedde, riep hij mij tot het leven terug en wekte in mij, zoo al -niet de hoop op een voor mij onmogelijk geworden geluk, tenminste den moed om met -mijn lot te kampen dat mij zulke harde slagen had toegebracht. Nu nauwelijks drie -maanden geleden is hij gestorven. -</p> -<p>»Eer hij voor altijd de oogen sloot, heeft hij mij laten bezweren te zullen doen wat -hij mij vragen zou; en ik beloofde het hem. »Broeder,” zeide hij toen, »ieder heeft -in het leven een doel noodig, wat het ook zij, als het maar een edel en goed is. Ik -wil er u een geven; mijn wensch is dat gij zoodra ik dood ben op reis gaat, om den -vriend te zoeken daar gij zoo lang van gescheiden waart; dat gij hem vinden zult daarvan -ben ik overtuigd. Laat dit het doel in uw leven zijn.” Twee uren later stierf het -eerwaardige opperhoofd in mijne armen. Zoodra was zijn lijk niet ter aarde besteld, -of ik ging op weg. Heden juist, zooals ik u gezegd heb, ben ik te Guaymas aangekomen. -Mijn voornemen is om onmiddellijk de woestijn in te trekken; zoo mijn vriend nog leeft -moet ik hem daar alleen terugvinden.” -</p> -<p>Er volgde een lange stilte. -</p> -<p>Eindelijk nam Goedsmoeds het woord weder op. -</p> -<p>»Waarlijk, uw lot is allertreurigst, vriend, dat moet ik bekennen,” riep hij hoofdschuddend; -»en nu, bovendien, begeeft gij u in eene hopelooze onderneming, die weinig kans heeft -te zullen slagen: een eenig mensch in de woestijn is als een verloren zandkorrel. -Gesteld dat uw vriend nog leeft, wie weet in welk oord hij zich dan op dit oogenblik -bevindt, en terwijl gij hem aan den eenen kant der wildernis zoekt, is hij misschien -juist aan den anderen. Intusschen wil ik u een voorstel doen, dat ik niet twijfel -of het zal voor u aannemelijk en voordeelig zijn.” -</p> -<p>»Dat voorstel, vriend, weet ik reeds eer gij het mij zegt. Ik dank er u voor en neem -het dadelijk aan,” antwoordde de Franschman schielijk. -</p> -<p>»Dus toegestemd en afgesproken,” zei Goedsmoeds, »wij vertrekken samen en gij gaat -met mij naar Apacheria, niet waar?” -</p> -<p>»Ja.” -</p> -<p>»Te weêrga! dat noem ik geluk. Nauwelijks ben ik van mijn vriend Edelhart gescheiden -of de goede voorzienigheid voert mij een anderen, even dierbaren tegemoet.” -</p> -<p>»Wie is die Edelhart daar gij van spreekt?”<a class="noteRef" id="xd30e1040src" href="#xd30e1040">3</a> -</p> -<p>»Een vriend daar ik jaren lang mede samen geleefd heb en dien <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>gij eenmaal zult leeren kennen. Welaan dan op Gods genade! Met het aanbreken van den -dag gaan wij op weg.” -</p> -<p>»Zoo vroeg gij maar wilt.” -</p> -<p>»Ik heb met Arendskop afgesproken om hem drie dagreizen van hier te ontmoeten. Ik -zou mij zeer moeten bedriegen als hij mij niet reeds wachtte.” -</p> -<p>»Maar wat gaat gij in Apacheria doen?” -</p> -<p>»Dat weet ik niet; Arendskop heeft mij verzocht hem te vergezellen, en ik ga; een -mijner stellingen is: nooit meer te willen weten dan mijne vrienden mij van hunne -geheimen zelf gelieven te zeggen; dat geeft de meeste vrijheid zoowel voor hen als -voor mij.” -</p> -<p>»Zeer goed geredeneerd, mijn waarde Goedsmoeds; maar als wij nu toch zoo lang samen -zullen leven, dat hoop ik tenminste.….” -</p> -<p>»Ik ook.” -</p> -<p>»Zal het niet kwaad zijn,” vervolgde de Franschman, »dat gij mijn naam weet, dien -ik tot nog toe vergat u op te geven.” -</p> -<p>»Laat u dat niet verontrusten, ik zelf zal er u wel een geven, zoo gij wellicht reden -hebt om uw incognito te bewaren.” -</p> -<p>»Daar heb ik volstrekt geen reden toe; ik ben de graaf Louis de Prébois Crancé.”<a class="noteRef" id="xd30e1060src" href="#xd30e1060">4</a> -</p> -<p>Goedsmoeds sprong op als een losgelaten veer die zich ontspant, hij nam zijn bonten -muts af en maakte een eerbiedige buiging. -</p> -<p>»Duid mij niet ten kwade, mijnheer de graaf,” zeide hij, »dat ik een weinig vrij tot -u gesproken heb; had ik geweten met wien ik de eer had samen te zijn, dan zou ik mij -zoo veel vrijheid niet hebben veroorloofd.” -</p> -<p>»Goedsmoeds, Goedsmoeds,” riep de graaf met een ernstigen glimlach terwijl hij driftig -zijne hand greep, »moeten wij zoo onze verbintenis aanvangen? Er staan twee mannen -gereed hetzelfde leven te leiden, dezelfde gevaren te trotseeren, dezelfde vijanden -te bestrijden, laten wij voor de zotten in de steden de dwaze onderscheidingen over -die voor ons geenerlei waarde of beteekenis hebben. Ik wil voor u niets anders zijn -dan Louis, uw goede reisgezel, en uw trouwe vriend, even als gij voor mij niets anders -zijt dan Goedsmoeds, de beproefde onversaagde woudlooper.” -</p> -<p>Bij deze woorden kwam er op het gelaat van den Canadees een glans van genoegen. -</p> -<p>»Goed gesproken, bij mijne ziel, mooi gesproken,” riep hij uit. »Ik ben maar een arme -onwetende jager, waarom zou ik dit verbergen? Maar hetgeen gij mij daar gezegd hebt, -was mij recht naar het hart gesproken. Bij den hemel! Louis, ik ben geheel de uwe, -in leven en dood, en ik hoop u weldra te bewijzen, vriend, dat ik zekere waarde heb,” -<span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span></p> -<p>»Daar ben ik meer dan van overtuigd; en hiermede hebben wij elkander thans goed begrepen, -niet waar?” -</p> -<p>»Pardi! ja.” -</p> -<p>Op dit oogenblik klonk er op de straat zulk een geweldig leven, dat het in de zaal -duidelijk gehoord werd. -</p> -<p>Gelijk gewoonlijk in dergelijke gevallen, zwegen de luidruchtige gasten in de pulqueria -opeens doodstil om te luisteren. Men hoorde duidelijk schreeuwen en vloeken, gekletter -van sabels, en getrappel van paarden, bij tusschenpoozen overstemd door het losbranden -van vuurwapenen. -</p> -<p>»<i>Carai!</i>” riep Goedsmoeds, »ik geloof dat er op straat gevochten wordt.” -</p> -<p>»Dat vrees ik ook,” antwoordde de pulquero flegmatiek en meer dan half beschonken, -terwijl hij nog een glas refino ledigde. -</p> -<p>Eensklaps werd er, hetzij met het gevest van een sabel of met de kolf van een pistool, -heftig op de zwakke deur der pulqueria geklopt, en riep eene krachtige stem op barschen -toon: -</p> -<p>»Doe open voor den duivel! anders trap ik de ellendige deur aan spaanders.” -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e942"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e942src">1</a></span> Zekere stormwind <a class="fnarrow" href="#xd30e942src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e995"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e995src">2</a></span> Zie <i>de Pelsjagers van de Arkansas</i>. <a class="fnarrow" href="#xd30e995src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1040"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1040src">3</a></span> Zie <i>de Pelsjagers van de Arkansas</i>. <a class="fnarrow" href="#xd30e1040src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1060"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1060src">4</a></span> Zie <i>het Opperhoofd der Aucas</i>. <a class="fnarrow" href="#xd30e1060src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6850">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">IV.</h2> -<h2 class="main">DE GRAAF MAXIMA GAËTAN DE LHORAILLES.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Alvorens onze lezers de oorzaak op te helderen van het geweldige rumoer dat den rustigen -gang der zaken in de pulqueria zoo plotseling kwam storen, zijn wij verplicht eenige -stappen terug te treden. -</p> -<p>Drie jaren ongeveer voor het tijdstip waarop ons verhaal begint, in een kouden regenachtigen -Decembernacht, hadden acht personen, zoo als genoegzaam uit hunne kleeding en manieren -bleek, tot de hoogste klasse der Parijsche samenleving behoorende, zich vereenigd -in een elegant kabinet van het Engelsche koffiehuis te Parijs. -</p> -<p>Het was reeds diep in den nacht; de waskaarsen, meer dan twee derden verbrand, verspreidden -haar zedig maar somber licht, de regen kletterde tegen de vensters en de wind blies -daar buiten met naargeestig gehuil. -</p> -<p>De gasten zaten rondom eene tafel, waarop het overschot van een schitterend souper -nog aanwezig was; zij schenen zich tegen wil en dank door de sombere weersgesteldheid -te laten beheerschen, en met de ruggen in de gemakkelijke leuningstoelen weggezonken -waren sommigen ingesluimerd, terwijl anderen, in hunne gedachten verdiept, evenmin -acht sloegen op hetgeen er rondom hen gebeurde. -</p> -<p>De pendule op den schoorsteenmantel sloeg langzaam drie ure; nauwelijks had de laatste -slag uitgegalmd, of het herhaald geklipklap <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>van een postiljonszweep en het vroolijk gerinkel van paardenbellentuig liet zich hooren -onder de vensters van het vertrek, die op den Boulevard uitzagen. -</p> -<p>De deur werd weldra geopend en een <i>garçon</i> kwam binnen. -</p> -<p>»De postchais voor mijnheer den graaf de Lhorailles is voor,” zei de knecht. -</p> -<p>»Dank u,” zei een der gasten en wenkte den garçon dat hij heen kon gaan. -</p> -<p>Deze boog en verwijderde zich, de deur achter zich sluitende. -</p> -<p>De weinige woorden, zoo even door den knecht gesproken, hadden de bekoring gebroken -die de gasten tot hiertoe geketend hield; allen vlogen op alsof zij met schrik ontwaakten, -en wendden zich tot een jong heer van omtrent dertig jaar, die in hun midden zat. -</p> -<p>»Het is dus waar dat gij vertrekt?” riepen allen uit eenen mond. -</p> -<p>»Ja, ik vertrek,” antwoordde hij kalm met een toestemmenden hoofdknik. -</p> -<p>»Maar waar gaat gij dan toch heen? Men verlaat zijne vrienden maar zoo niet zonder -waarschuwen en zonder adres,” hervatte een der gasten. -</p> -<p>De man, dien deze vraag gold, glimlachte zwaarmoedig. -</p> -<p>De graaf de Lhorailles was een schoon en welgemaakt edelman, met sprekende gelaatstrekken, -krachtvollen blik, trotsche lippen; hij behoorde tot een der oudste adellijke geslachten -en genoot een bepaald gevestigden roem onder de lions van dien tijd. -</p> -<p>Hij stond op en liet zijn blik over de gasten rondgaan. -</p> -<p>»Mijne heeren,” zeide hij, »ik begrijp al het zonderlinge van mijn gedrag; gij hebt -het recht om eene verklaring van mijne zijde te verwachten; en die verklaring wil -ik u gaarne geven. Bovendien is het alleen met dit doel dat ik u heden bij mij heb -genoodigd om met u het laatste maal te gebruiken; het uur van mijn vertrek is geslagen, -de postchais staat mij te wachten: morgen ben ik reeds ver van Parijs, binnen acht -dagen zal ik Frankrijk hebben verlaten; hoort mij voor ’t laatst.” -</p> -<p>De gasten waren blijkbaar getroffen en staarden den graaf aandachtig aan. -</p> -<p>»Weest niet ongerust, mijne heeren,” zeide hij, »ik zal niet te veel van uw geduld -vergen, de historie die ik u te vertellen heb is niet lang, het is de mijne. Hier -is zij in weinige woorden, aldus: Ik ben geheel geruïneerd; van alles wat ik bezat -heb ik slechts eenige biljetten van 100 francs over, waarmede ik, zoo ik te Parijs -bleef, van honger zou kunnen sterven of binnen eene maand genoodzaakt zou zijn mij -voor den kop te schieten, een vooruitzicht verzeker ik u, dat al te treurig is om -mij aan te lokken. Ongelukkigerwijs heb ik geen de minste kans om bij het leger geplaatst -te worden, want geheel buiten mijne schuld heb ik te recht of te onrecht den naam -van een overgegeven duëllist, dat mij zeer in den weg staat, vooral sedert die treurige -zaak met den armen burggraaf de Morseus, <span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span>dien ik tegen wil en dank verplicht was te dooden, om hem den mond te stoppen en een -einde te maken aan zijne lasterlijke beweringen. Kortom wegens de redenen die ik de -eer heb gehad u op te geven en om een aantal andere, die gij niet behoeft te weten -en die ik zeker ben dat, zoo gij ze wist, u geen het minste belang zouden inboezemen, -is mij Frankrijk onverdragelijk geworden, en dat wel zoo erg dat ik het met allen -spoed ga verlaten. Nu nog een glas champagne voor ’t laatst en daarmede adieu aan -u allen!” -</p> -<p>»Een oogenblik, graaf!” antwoordde een der gasten, dezelfde die vroeger reeds gesproken -had, »gij hebt ons nog niet gezegd naar welk land gij voornemens zijt te vertrekken.” -</p> -<p>»Kunt gij dat niet raden? Naar Amerika. Men zegt vrij algemeen dat het mij niet aan -moed of verstand ontbreekt, welnu, ik ga naar een land, waar deze twee hoedanigheden, -als ik de loopende geruchten gelooven mag, voldoende zijn om fortuin te maken voor -dengene die ze bezit. Hebt gij mij nog iets te vragen, baron?” vervolgde hij zich -tot den laatsten spreker wendende. -</p> -<p>Deze stond alvorens te antwoorden eenige minuten in ernstige gedachten verdiept en -scheen zich te beraden. Eindelijk keek hij op en zag den graaf met een koelen doordringenden -blik aan. -</p> -<p>»Is het u inderdaad ernst, vriend, met uw vertrek,” zeide hij. -</p> -<p>»Volkomen ernst.” -</p> -<p>»Zweert gij mij dat op uwe eer?” -</p> -<p>»Ja, op mijne eer zweer ik het u.” -</p> -<p>»En zijt gij waarlijk besloten om u in Amerika een plaats te verwerven, ten minste -gelijk staande met die welke gij hier hebt ingenomen?” -</p> -<p>»Ja,” riep de graaf schielijk, »door alle mogelijke middelen.” -</p> -<p>»Goed zoo. Hoor dan op uwe beurt naar mij, graaf, en als gij uw voordeel wilt doen -met hetgeen ik u heb mede te deelen, zal het u misschien met Gods hulp gelukken de -dolzinnige plannen te volvoeren die gij u hebt voorgenomen.” -</p> -<p>Al de aanwezigen traden belangstellend nader, zelfs de graaf scheen tegen wil en dank -nieuwsgierig te worden. -</p> -<p>De baron de Spurtzheim was een man van omtrent vijf en veertig jaar; zijne vale kleur, -scherp geteekende trekken en de onbeschrijfelijke uitdrukking van zijn oogopslag gaven -hem een zweem van zonderlingheid, daar het gewone publiek zich geen recht denkbeeld -van kon maken en die hem zelfs bij de lieden van bekende scherpzinnigheid voor een -inderdaad merkwaardig man deden doorgaan. -</p> -<p>Men kende den baron algemeen aan zijn kolossaal vermogen, dat hij koninklijk verteerde; -wat echter zijne antecedenten betreft, daarvan wist niemand, ofschoon hij in de hoogste -kringen den vrijen toegang had. -</p> -<p>Alleen zeide men algemeen dat hij verre reizen gedaan en verscheidene jaren in Amerika -gewoond had; maar niets is onzekerder <span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span>dan loopende geruchten en op dien grond zou het hem zeker nooit gelukt zijn in de -salons van den hoogsten adel voet te krijgen, zoo niet de Oostenrijksche ambassadeur, -zonder zich nochtans op dat punt ten zijnen opzichte ooit duidelijk uit te laten, -hem niet, buiten zijn weten, meer dan eens in verscheidene netelige gevallen, met -krachtdadige warmte in zijne bescherming had genomen. -</p> -<p>De baron was meer intiem met den graaf gelieerd dan met zijne overige vroolijke vrienden; -hij scheen zeker bijzonder veel belang in hem te stellen, en had hem meer dan eens -in moeielijke omstandigheden, wanneer hij vermoedde dat zijn vriend in verlegenheid -was, langs bedekte wegen uit den brand trachten te helpen. -</p> -<p>De graaf de Lhorailles, ofschoon te trotsch om deze offers aan te nemen, had den baron -deswege niet te min steeds een erkentelijk hart blijven toedragen en dezen onbedacht -zeker overwicht bij hem laten verwerven. -</p> -<p>»Spreek, waarde baron, maar wees kort,” zei de graaf de Lhorailles; »gij weet dat -de postkoets op mij wacht.” -</p> -<p>Zonder te antwoorden greep de baron het schelkoord en trok aan de bel. -</p> -<p>De knecht kwam binnen. -</p> -<p>»Zend den postiljon weg en zeg hem dat hij morgen ochtend tegen vijf ure terugkomt, -gauw, gauw.” -</p> -<p>De knecht boog en vertrok. -</p> -<p>De graaf, hoezeer hoogelijk verwonderd over deze vrijheid van zijn vriend, maakte -echter geen de minste aanmerking; hij schonk zich een glas champagne-wijn, dat hij -in een teug ledigde, kruiste de armen op de borst, wierp zich met den rug in zijn -stoel en wachtte. -</p> -<p>»Welaan, mijne heeren,” begon de baron van Spurtzheim op zijn gewonen schertsenden -en pikanten toon, »terwijl onze vriend de Lhorailles ons zijne geschiedenis verteld -heeft en wij hier zoo fideel bij elkander zitten, waarom zou ik u dan de mijne ook -niet vertellen? Het is vreeselijk weer, het stormt en stortregent daar buiten, hier -zitten wij warm en op ons gemak, wij hebben regalias en champagne, twee uitmuntende -zaken als men er zich niet in te buiten gaat. Wat zouden wij beter doen kunnen? Niets -immers? Wilt mij dus hooren, want ik meen dat hetgeen ik u zeggen zal u wel belang -zal inboezemen, te meer daar ik zeker ben dat sommigen onder u gaarne hooren zullen -waaraan zij zich ten mijnen opzichte te houden hebben, en wat zij eigenlijk van mij -denken moeten.” -</p> -<p>De meeste barstten los in een schaterend gelach, bij deze stoute verklaring. Toen -hunne vroolijkheid weder bedaard was, nam de baron het woord en begon: -</p> -<p>»Wat het eerste gedeelte mijner geschiedenis betreft, mijne heeren: zal ik even kort -zijn als de graaf. In de eeuw die wij beleven zijn de edelen, ten gevolge van onze -vooroordeelen en van onze opvoeding, zoo geheel natuurlijk buiten den regel en de -wet geplaatst, dat wij <span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span>allen een goede les in de school des levens noodig hebben en als het ware genoodzaakt -zijn, om zonder bijna te weten hoe, in weinige jaren ons vaderlijk erfgoed door te -brengen. Zoo ging het ook mij, gelijk de meesten van u, mijne heeren. Mijne voorouders -waren in de middeleeuwen zoo wat roofzieke baronnen geweest, het echte bloed verloochent -zich niet licht. Toen nu mijne laatste hulpbronnen bijna waren uitgeput, begon mijn -aangeboren instinct wakker te worden en vestigden mijne blikken zich op Amerika. Ik -ging er heen; en in minder dan tien jaren had ik het kolossaal fortuin verzameld, -dat ik thans bezit en dat ik thans het onuitsprekelijk geluk heb, niet te verkwisten, -daarvoor had ik niet te vergeefs eene harde les geleerd, maar te verteren en in uw -onschatbaar bijzijn te genieten, wel zorg dragende mijn kapitaal onaangeroerd te laten.” -</p> -<p>»Maar mijn hemel!” riep de graaf ongeduldig, »hoe hebt gij het kunnen verzamelen dat -kolossale fortuin zoo als gij zelf het noemt?” -</p> -<p>»Veertig millioenen ongeveer,” antwoordde de baron droogjes. -</p> -<p>Eene begeerlijke huivering liep de aanwezigen door de aderen. -</p> -<p>»Wel een kolossaal vermogen, inderdaad,” riep de graaf; »maar ik herhaal mijne vraag -hoe hebt gij dat verzameld?” -</p> -<p>»Als ik niet bepaald voornemens was geweest het u te openbaren, geloof mij, mijn waarde, -ik zou uw geduld niet hebben misbruikt om u iets van mijne armoede te zeggen dat gij -zoo aanstonds hooren zult.” -</p> -<p>»Wij zijn geheel oor!” riepen allen. -</p> -<p>De baron liet zijn blik langzaam over de aanwezigen rondgaan. -</p> -<p>»Drinken wij eerst nog een glas champagne op het succes van onzen vriend,<span class="corr" id="xd30e1160" title="Niet in bron">”</span> zei de baron <span class="corr" id="xd30e1162" title="Bron: sarkastisch">sarcastisch</span>. De glazen werden gevuld, geklonken, en in een oogwenk geledigd, zoo groot was de -nieuwsgierigheid die allen bezielde. -</p> -<p>Na zijn glas voor zich op de tafel te hebben gezet, stak de baron een regalia aan -en wendde zich tot den graaf. -</p> -<p>»Het is inzonderheid tot u, mijn vriend,” zeide hij, »dat ik mij thans richten zal, -gij zijt jong, ondernemend, in het bezit van een vasten wil en een ijzeren gezondheid: -het staat bij mij onwederlegbaar vast dat gij, tenzij de dood uwe plannen in duigen -werpt, slagen moet in alles wat gij onderneemt en welk doel gij ook beoogt. Op de -baan die gij u zelven gekozen hebt is de voornaamste, ja de eenige grond van welslagen, -dat men door en door bekend zij met het terrein waarop gij moet werken en den kring -waarin gij zult binnen treden. Had ik bij mijn eerste optreden in het avontuurlijk -leven dat gij begint, even als gij dadelijk een vriend gevonden zoo als gij, om mij -in de geheimen van mijn nieuw bestaan te leiden, dan zou ik mijn fortuin reeds vijf -jaar vroeger gemaakt hebben. Wat niemand voor mij gedaan heeft wil ik thans voor u -doen, misschien zult gij mij later nog dank zeggen over de aanwijzingen, die ik geven -zal en die u leeren zullen den weg te vinden in den verwarden <span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span>doolhof, dien gij gereed zijt binnen te treden. Vooreerst moet gij dit u ten beginsel -stellen: dat de volken in wier midden gij leven zult uwe natuurlijke vijanden zijn, -gij gaat dus een onophoudelijken strijd te gemoet, van dag tot dag en van uur tot -uur; alle middelen moeten u welkom zijn die u helpen kunnen om de zege te behalen: -zet al uwe grondregels van eer en kieschheid ter zijde, in Amerika zijn dat niet dan -ijdele woorden, die zelfs de kracht niet hebben om er iemand mede te misleiden, om -de eenvoudige reden dat niemand er aan gelooft. De eenige God van Amerika is het goud; -om goud te verkrijgen is de Amerikaan tot alles in staat; en dat niet zoo als in het -oude Europa, onder een eerlijken schijn of met bedekte middelen, maar open en bloot -en zonder schaamte of berouw. Dit eenmaal tot regel gesteld zijnde, is u de weg aangewezen, -geen plan zoo dwaas en buitensporig of het heeft in Amerika kans op welslagen, daar -de middelen om het uit te voeren in ruimen overvloed en schier onbeperkt voorhanden -zijn. Geen volk ter wereld heeft beter begrepen dan de Amerikaan, wat associatie vermag: -dat is de machtige hefboom waarmede hij al zijne plannen tot stand brengt. Als men -daar ginds, alleen, zonder vrienden, zonder kennis of ervaring aankomt, moge men zoo -verstandig of zoo vastberaden zijn als men wil, maar men is verloren, omdat men alleen -staat tegenover de macht van allen.” -</p> -<p>»Dat is waar,” mompelde de graaf overtuigd en somber. -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e1173" title="Bron: «">»</span>Geduld!” hervatte de baron met een glimlach, »of denkt gij dat ik u zonder harnas -ten strijd zou willen voeren? Neen, neen, ik zal er u een geven van het kostelijkste -staal, dat verzeker ik u.” -</p> -<p>Al de aanwezigen staarden vol verbazing den man aan, die in hun oog binnen weinige -minuten honderd ellen grooter was geworden. De baron hield zich echter alsof hij den -door hem gemaakten indruk niet opmerkte, en vervolgde een oogenblik later, met nadruk -op ieder woord en als zocht hij zijne lessen in het geheugen van den graaf te willen -graveeren: -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e1178" title="Bron: «">»</span>Onthoud wel wat ik u zeggen zal; het is van de grootste aangelegenheid, vriend, dat -er u geen woord van ontgaat; want de uitslag uwer reis naar de Nieuwe Wereld hangt -er bepaald van af.” -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e1182" title="Bron: «">»</span>Spreek, ik zal er geen syllabe van verliezen,” riep de graaf met koortsachtig ongeduld. -</p> -<p>De baron ging voort. -</p> -<p>»In den eersten tijd der landverhuizing, toen de toestroom der vreemdelingen naar -Amerika begon, vormde zich een maatschappij van stoute gezellen zonder eer of trouw, -zonder genade en zonder zwakheid, die met terzijdestelling van alle nationaliteiten, -vermits zij uit allerlei volken afkomstig waren, geen andere regeering erkenden dan -die zij zelven instelden op het zoogenaamd Schildpaddeneiland, een schier onmerkbare -rots in het midden van den grooten Oceaan; die regeering was monsterachtig, daar zij -alleen op <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>geweld was gegrond, en geen andere wet erkende dan het recht van den sterkste. Die -stoute gezellen, onderling saamverbonden door eene drakonische wet, of schriftelijke -overeenkomst, gaven zich den naam van Broeders der Kust en waren in twee klassen verdeeld, -namelijk, de boekaniers en de vrijbuiters. -</p> -<p>»De boekaniers zwierven in de onmetelijke wouden, jacht makende op buffelstieren, -terwijl de vrijbuiters de zeeën afschuimden, alle vlaggen aanvielen, en schepen van -alle natiën plunderden, onder voorwendsel van den Spanjaarden afbreuk te doen, maar -inderdaad om de rijken te bestelen ten voordeele der armen, als het eenigst hun bekende -middel om het evenwicht tusschen de beide klassen te herstellen. De Broeders van de -Kust namen gedurig al het gespuis in zich op dat uit de oude wereld tot hen overkwam, -zij werden steeds machtiger en machtiger, zoo zelfs dat de Spanjaarden beefden voor -hunne Amerikaansche bezittingen en een roemrijk Koning van Frankrijk zich verwaardigde -met hen verdragen te sluiten en hun een ambassadeur te zenden. Later, door de onverbiddelijke -kracht der omstandigheden, zijn ook de Broeders van de Kust, gelijk alle uit regeeringloosheid -voortgesproten staatsmachten, die bijgevolg geen beginsel van levensvatbaarheid in -zich zelven bezitten, allengs verminderd en eindelijk geheel verdwenen. Toen men hen -gedwongen had in de duisternis terug te treden, meende men hen niet slechts overwonnen, -maar totaal vernietigd te hebben; het was er echter verre <span class="corr" id="xd30e1192" title="Bron: van daan">vandaan</span>, zooals gij weldra met eigen oogen zien zult. Ik vraag u verschooning voor deze lange -en vervelende inleiding, maar zij was onvermijdelijk noodig om u wel te doen verstaan -wat ik u nog verder te zeggen heb.” -</p> -<p>»Het is reeds half vijf, baron,” merkte de graaf aan, »wij hebben nog maar veertig -minuten tijd.” -</p> -<p>»Die tijd, hoe kort ook, zal mij voldoende zijn” antwoordde de baron; »ik hervat dus: -de Broeders der Kust waren niet verdelgd. Zij waren slechts van gedaante verwisseld—zich -met meesterlijke buigzaamheid schikkende naar de eischen van eene macht die hen dreigde -te overtreffen; zij waren van huid veranderd, en in plaats van tijgers vossen geworden. -De Broeders der Kust waren thans de Dauph’yeers; in plaats van even stout als voorheen -met den dolk in de eene en de enterbijl in de andere hand de vijandelijke schepen -te bespringen, hielden zij zich klein en groeven onderaardsche holen; tegenwoordig -zijn de Dauph’yeers de meesters der Nieuwe Wereld, zij zijn nergens en zij zijn overal; -zij regeeren overal; hun invloed doet zich onder alle rangen en standen der maatschappij -in Amerika gevoelen en opmerken, zonder dat men hen zelven ooit te zien krijgt. Zij -zijn het die de Vereenigde Staten aan Engeland; Peru, Chili en Mexico aan Spanje hebben -ontrukt. Hunne macht is onbegrensd, des te geduchter naarmate zij meer in het duister -werkt, meer verloochend en geïgnoreerd wordt, daarin juist ligt hunne kracht. Verloochend -<span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>en ontkend te worden is voor eene geheime maatschappij de onmisbare voorwaarde harer -macht; er heeft in Amerika geen omwenteling plaats, zonder den invloed der Dauph’yeers, -hetzij door haar te doen zegevieren of haar te doen mislukken. Zij vermogen alles, -zij zijn alles; buiten hunnen kring is niets mogelijk, daar binnen alles; ziedaar -wat in den voortgang des tijds in minder dan twee eeuwen de Broeders der Kust, thans -de Dauph’yeers, geworden zijn!.… namelijk de ontwijfelbare spil waar in de Nieuwe -Wereld alles op draait; wel een jammerlijk lot voor dit schoon gewest om zoo ten allen -tijde, van zijne ontdekking af aan gedoemd te zijn onder de dwingelandij te zuchten -van de veelsoortige bandieten, die zich tot taak schijnen gesteld te hebben het te -beheeren en er hun voordeel mede te doen, onder allerlei vormen, zonder dat het ooit -in staat zal zijn er zich van te ontslaan!” -</p> -<p>Er volgde eene vrij langdurige stilte; allen dachten na over hetgeen zij gehoord hadden, -dat, hoe overdreven ook, in allen deele ten minste een schijn van waarheid bezat; -de baron zelf liet het hoofd op de beide handen zinken en scheen zich te verliezen -in den maalstroom van ideeën, die hij in zich had wakker gemaakt en die hem in massa -bestormden met de vele smartelijke en bittere herinneringen, welke zij in hem te voorschijn -riepen. -</p> -<p>Het rollen van een rijtuig in de verte, maar dat snel scheen te naderen, riep den -graaf de Lhorailles tot den zakelijken ernst van zijn tegenwoordigen toestand terug. -</p> -<p>»Daar is mijne postchais!” riep hij, »ik vertrek, en ik weet nog niets.” -</p> -<p>»Geduld,” antwoordde de baron, <span class="corr" id="xd30e1206" title="Niet in bron">»</span>neem afscheid van uwe vrienden en vertrekken wij.” -</p> -<p>Tegen wil en dank gedwee, door het overwicht van dezen zonderlingen man, gehoorzaamde -de graaf zonder zelfs de minste aanmerking te maken. -</p> -<p>Hij stond op, omhelsde zijne oude vrienden, wisselde met hen de warmste handdrukken, -ontving hunne wenschen voor zijn welslagen en verliet het vertrek, gevolgd door den -baron. -</p> -<p>De postchais wachtte hem voor de deur van het koffiehuis. -</p> -<p>De andere heeren hadden de vensters van de kamer geopend en wenkten hunnen vriend -opnieuw vaarwel. -</p> -<p>De graaf wierp een langen blik op den Boulevard; de nacht was donker, ofschoon de -regen had opgehouden, de hemel was zwart als inkt, en de gasvlammen schitterden flauw -in de verte als sterren die zich verloren in een nevel. -</p> -<p>»Vaarwel!” mompelde de edelman met eene gesmoorde stem, »vaarwel! wie weet of ik ooit -wederkom.” -</p> -<p>»Schep moed!” klonk eene strenge stem aan zijn oor. -</p> -<p>De jonkman sidderde; de baron stond naast hem. -</p> -<p>»Kom vriend,” zeide hij hem in het rijtuig helpende, »ik ga met u tot aan de barrière.” -<span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span></p> -<p>De graaf steeg waggelend in het rijtuig en zonk op een der kussens neêr. -</p> -<p>»Naar Normandië!” riep de baron tegen den postiljon en sloot het portier. -</p> -<p>De postiljon klapte met de zweep, de chais zette zich in beweging en vertrok in galop. -</p> -<p>»Adieu! adieu!” riepen de jongelieden uit de vensters van het Café Anglais. -</p> -<p>Een geruimen tijd zaten de twee mannen zonder te spreken, eindelijk nam de baron het -woord. -</p> -<p>»Gaëtan!” zeide hij. -</p> -<p>»Wat wilt gij?” antwoordde de graaf. -</p> -<p>»Ik heb u mijne geschiedenis nog niet uitverteld.” -</p> -<p>»Dat’s waar,” mompelde hij verstrooid. -</p> -<p>»Verlangt gij het slot niet te hooren?” -</p> -<p>»Spreek, vriend.” -</p> -<p>»De toon waarop gij mij dit zegt, mijn waarde, bewijst dat uw geest in de denkbeeldige -wereld omzwerft; gij denkt zeker aan hen die gij verlaten hebt.” -</p> -<p>»Helaas!” zuchtte de graaf, »ik ben alleen op de wereld. Om wie zou ik treuren? ik -heb noch magen noch vrienden.” -</p> -<p>»Ondankbare!” riep de baron op een toon van verwijt. -</p> -<p>»’t Is waar; vergeef mij, waarde vriend, ik wist zelfs niet wat ik zeide.” -</p> -<p>»Ik vergeef het u, maar alleen op voorwaarde dat gij naar mij luistert.” -</p> -<p>»Dat beloof ik u.” -</p> -<p>»Welaan dan, vriend, om op die Dauph’yeers daar ik u van sprak terug te komen, zoo -gij in uw plannen slagen wilt zijn hunne vriendschap en bescherming voor u onmisbaar.” -</p> -<p>»Helaas! hoe zal ik, als vreemdeling mij die vriendschap en die bescherming verwerven? -Nu eerst beef ik van angst als ik aan dat land denk daar ik mij zulk eene schoone -toekomst droomde te zullen scheppen; de blinddoek is mij van de oogen gevallen, ik -zie thans hoe buitensporig mijne plannen zijn; de moed ontzinkt mij.” -</p> -<p>»Nu reeds?” riep de baron streng. »Kind zonder geestkracht, die den strijd reeds opgeeft -eer gij hem aanvaard hebt! Man zonder kracht en zonder moed! De vriendschap en de -bescherming die voor u zoo onmisbaar zijn, kunt gij verwerven, zoo gij wilt, ik zal -er u de middelen toe verschaffen.” -</p> -<p>»Gij!” riep de graaf tintelend van nieuwe hoop. -</p> -<p>»Ja, ik. Wat denkt gij, dat ik mij zou kunnen vermaken met u twee uren lang te folteren, -en met u te spelen als de jaguar met een lam, alleen uit baldadige scherts? Neen, -Gaëtan, als gij dat denkt dan vergist gij u wel zeer; ik bemin u, vriend. Toen ik -uw besluit hoorde, heb ik het uit grond van mijn hart toegejuicht: het heeft <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>u in mijne schatting hersteld; toen gij ons dezen nacht ronduit uw toestand te kennen -gaaft en uwe plannen ontwikkeldet, was het als vond ik mij zelven in u terug, mijn -hart beefde van blijdschap, wel eene minuut lang was ik gelukkig, en toen heb ik in -mij zelven gezworen dat ik u den breeden en schoonen weg zou openen, op welken gij -zeker slagen moet, of het zal uw eigen schuld zijn, omdat gij niet hebt gewild.” -</p> -<p>»O!” riep de graaf met drift, »ik zou kunnen omkomen in den strijd die op dit oogenblik -tusschen mij en het gansche menschdom begint; maar vrees niet, vriend, ik zal ridderlijk -vallen als een man van moed. -</p> -<p>»Daar ben ik van overtuigd, vriend; ik heb u nog maar weinige woorden te zeggen. Ook -ik ben Dauph’yeer geweest, ik ben het nog; het vermogen dat ik bezit heb ik alleen -aan mijne broeders te danken. Neem deze portefeuille, doe dit <span class="corr" id="xd30e1250" title="Bron: kettingje">kettinkje</span> met het kleine medaillon dat er aanhangt om uw hals; straks, als gij alleen zijt, -leest gij de voorschriften die de portefeuille bevat, en zij zullen u den weg wijzen -hoe gij handelen moet. Zoo gij ze stipt van punt tot punt opvolgt, sta ik u borg voor -uw succes: dat is het cadeau dat ik voor u bestemd had en dat ik u niet heb willen -geven voor dat wij alleen waren.” -</p> -<p>»Is het mogelijk!” riep de graaf in vervoering. -</p> -<p>»Hier zijn wij aan de barrière,” zei de baron, terwijl het rijtuig stil hield; »wij -moeten scheiden. Vaarwel, vriend, moed en standvastigheid! omhels mij. Bovenal denk -om de portefeuille en het medaillon.” -</p> -<p>De beide mannen omarmden elkander lang: eindelijk rukte de baron zich met geweld los, -opende het portier en sprong op de trottoir. -</p> -<p>»Adieu;” riep hij voor ’t laatst, »adieu, Gaëtan! denk er om.” -</p> -<p>De postchais reed in snellen draf den straatweg op. -</p> -<p>Het was zonderling maar de beide mannen mompelden moedeloos hetzelfde woord zoodra -zij zich alleen bevonden, de een met driftigen stap den trottoir afgaande, de andere -half verscholen in de kussens der postkoets. -</p> -<p>Dat woord was: -</p> -<p>»Misschien”! -</p> -<p>Ondanks alle moeite die zij deden om zich zelven te bedriegen, hoopten zij geen van -beiden. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6859">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">V.</h2> -<h2 class="main">DE DAUPH’YEERS.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Thans verlaten wij de oude wereld en maken een geweldigen overstap, die ons met een -enkelen sprong in de nieuwe wereld overbrengt. -<span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span></p> -<p>Er is in Amerika eene stad die zich misschien met geen andere op den ganschen aardbol -laat vergelijken. -</p> -<p>Die stad is Valparaiso. -</p> -<p>Valparaiso! de naam alleen reeds klinkt in ons betooverd gehoor als de zoetluidende -tonen van een minnezang. -</p> -<p>Behaagziek, glimlachend en schalksch, als eene dartele kreolin op de mollige sofa, -uitgestrekt op den oever eener bekoorlijke baai aan het hangen van drie majestueuze -bergen, de kleine rozenvoeten badend in de azuren golfjes der Stille Zuidzee, en het -gedachtenvolle hoofd omsluierend met de witte nevelwolken die de zuiderwind van kaap -Hoorn aanblaast en met somber gehuil heenvoert naar de hoogste toppen der Cordilleras, -om haar als te kronen met een schitterende diadeem. -</p> -<p>Al ligt zij op Chiliaanschen bodem, toch behoort deze zonderlinge stad inderdaad tot -geen land en erkent zij geen bijzondere nationaliteiten, of liever, om juister te -spreken, neemt zij ze allen op in haar schoot. -</p> -<p>Te Valparaiso verzamelen zich de gelukzoekers uit alle landen; alle talen worden er -gesproken, iedere tak van koophandel wordt er gedreven; hare bevolking is een bonte -mengeling van de vreemdsoortigste en zonderlingste personaliteiten, samengevloeid -uit de verste vijf hoeken der werelddeelen om op den windval der fortuin te loeren -in deze afgelegen stad, als op den uitersten voorpost der transatlantische beschaving, -welks geheime invloed de Spaansch-Amerikaansche gemeenebesten beheerscht. -</p> -<p>Valparaiso is even als alle groote handelplaatsen van Zuid-Amerika, eene verzameling -van wanstaltige hutten en prachtige paleizen, de een als boven op den ander gestapeld -en in lange trossen of risten opgehangen aan de klippige steilten der drie bovengenoemde -bergen. -</p> -<p>Op het tijdstip waarmede ons verhaal aanvangt waren de straten nauw, morsig en donker, -bij gebrek aan zonneschijn. Geheel of gedeeltelijk van plaveisel beroofd, worden het -ware moddergoten, waarin de voetganger tot aan de knieën wegzinkt, wanneer de stortregens -in het wintersaizoen of het afvlietende water van de bergen den grond doorweekt, zoodat -het gebruik van rijpaarden er onvermijdelijk is zelfs voor de kortste afstanden. -</p> -<p>Uit deze slijkpoelen, nog verergerd door het vuilnis van allerlei soort dat de dagelijksche -afval bij het schoonhouden der huizen er aan toevoegt, wasemt gedurig een stinkende -rotlucht, de vruchtbare moeder van kwaadaardige koortsen, zonder dat iemand er ooit -aan dacht om deze ergernis uit den weg te ruimen en voor de publieke gezondheid te -waken. -</p> -<p>Tegenwoordig, zegt men, is de staat van zaken er merkelijk veranderd en herkent Valparaiso -zich zelven niet meer; wij willen het wenschen en zouden het gaarne gelooven, ofschoon -de welbekende <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>zorgeloosheid der Zuid-Amerikanen ons veel reden geeft om er grootendeels aan te twijfelen. -</p> -<p>In een der morsigste en kwalijkst beruchte straten van Valparaiso stond een huis, -dat wij den lezer verlof vragen om in weinige woorden te beschrijven. -</p> -<p>Wij zijn reeds dadelijk genoopt te bekennen dat de bouwmeester die het samenstelde, -al was hij ook bijzonder karig met het aanbrengen van overtollige sieraden, het volmaakt -wel had ingericht voor de industrie der verschillende eigenaars, die er achtervolgens -hun bedrijf in zouden uitoefenen. Het was eene groote van kalk en stroo gebouwde kavalje, -welks voorgevel op de straat de la Merced uitzag; terwijl de achterzijde aan de zee -uitkwam, over welke het met behulp van stevig paalwerk tot op zekere diepte vooruitsprong. -</p> -<p>Dit huis werd bewoond door een herbergier. Geheel in strijd met de gebouwen in Europa, -die <span class="corr" id="xd30e1288" title="Bron: naar mate">naarmate</span> men hooger komt doorgaans smaller en lichter worden, werd dit integendeel hoe hooger -hoe breeder, zoodat het bovenste gedeelte zeer ruim en goed verlicht mocht heeten, -terwijl de winkel en de overige vertrekken gelijkvloers klein en donker waren. -</p> -<p>De tegenwoordige eigenaar had van dezen bouwkunstigen aanleg handig gebruik gemaakt, -om in de ruimte tusschen de eerste en tweede verdieping een afzonderlijk vertrek te -bouwen, dat men langs een in den muur verborgen wenteltrap bereiken moest. -</p> -<p>Dit vertrek was derwijze gelegen dat het minste gedruisch van de straat er zeer duidelijk -kon gehoord worden, en soms zoo geweldig klonk dat de personen die er zich bevonden -niets merkten van het leven dat zij zelven maakten, ja <span class="corr" id="xd30e1294" title="Bron: nauwlijks">nauwelijks</span> elkanders woorden konden verstaan. -</p> -<p>De eerzame herbergier, dien het huis toekwam, had natuurlijk een min of meer gemengde -clientèle van allerlei slag: makelaars, kapers, <i lang="es">rateros</i>—gauwdieven—en anderen, wier gedragingen hem in gevaar brachten, om met de Chiliaansche -politie in moeielijkheid te geraken; bij gevolg lag er, aan een ring onder een der -vensters die aan de zee uitkwamen, doorgaans een walvischvaarder vastgemeerd, om een -voorloopige toevlucht te bieden aan de gasten uit de herberg, wanneer de politieagenten -soms waakzaam genoeg waren om dit dievenhol te onderzoeken en hun te dicht achter -de hielen zaten. -</p> -<p>Dit huis heette destijds, en waarschijnlijk nu nog, zoo het ten minste later niet -door een brand of een aardbeving verwoest en van Valparaiso’s grond verdwenen is—de -<i lang="es">Locanda del Sol</i>. -</p> -<p>Op een ijzeren plaat, die boven de deur aan een driehoek bij den minsten wind hing -te slingeren en te kraken, had een kladschilder zijne kunst getoond met een groot -vuurrood aangezicht te schilderen, omringd van gouden stralen, dat waarschijnlijk -den bovengemelden titel moest toelichten. -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e1309" title="Bron: Senor">Señor</span> Benito Sarzuela, kastelein uit de Locanda del Sol (logement <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>de Zon), was een groote, stuursche, magere vent, met een hoekig gelaat en gluipenden -blik, een mesties van gekruist Araucaansch-, Neger-, en Spaansch bloed, wiens moraal -volmaakt overeenstemde met zijn physiek, in zoover namelijk dat hij de ondeugden der -drie—roode, zwarte en blanke rassen in zich vereenigde, zonder een enkele hunner deugden -te bezitten, terwijl hij onder bedekking van één openbaar beroep, er een twintig andere -heimelijk uitoefende, van welke het onschuldigste, zoo men er achter ware gekomen, -voldoende zou zijn geweest om hem voor levenslang naar de <i lang="es">presidios</i>—de galeien—te sturen. -</p> -<p>Ongeveer twee maanden na de in het vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen, des avonds -tegen elf ure, in een kouden, mistigen winternacht, zat <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> Benito Sarzuela druilig achter zijne toonbank, en staarde met hopeloozen blik op -de ledige zaal van zijn établissement. -</p> -<p>De wind woei met hevige rukken en deed het uithangbord der Meson met klagend geluid -kraken op zijne hengsels. Zwarte, laaghangende wolken uit het zuiden dreven zwaar -door het luchtruim en ontlastten zich nu en dan met groote droppels op den door vroegere -onweersbuien doorweekten grond. -</p> -<p>»Waar moet dat heen?” mompelde de ongelukkige kastelein met een weemoedig gezicht -half binnenmonds; »al weder een dag als zoo vele vorigen, <i lang="es">sangre de Dios</i>! Sedert vele dagen heb ik geen kans meer, en als dat nog eene week zoo duurt ben -ik geruïneerd.” -</p> -<p>Werkelijk scheen de Locanda del Sol sedert eene maand ongeveer onder een samenloop -van omstandigheden, ook van weêr en wind, zijn ouden luister geheel verloren te hebben, -zonder dat de kastelein zich begrijpen kon waar hij dezen ongelukkigen ommekeer aan -toe moest schrijven. -</p> -<p>In de ruime gelagkamer was alles doodstil en ledig. Men hoorde er geen gezang of gevloek, -veel min het rinkelen der gebroken glasruiten of het kletteren der drinkglazen, kannen -of flesschen, die de luidruchtige gasten bij opkomenden twist of in een uitgelaten -roes elkander vaak naar ’t hoofd in stukken smeten of door de zaal keilden. -</p> -<p>Treurige wisselkeer der menschelijke zaken! <span class="corr" id="xd30e1333" title="Bron: het">Het</span> topvolle fortuin was eensklaps door het volkomen ledige vervangen. Al had de pest -in het huis geregeerd, kon het niet eenzamer en meer verlaten zijn geweest: de flesschen -bleven ordelijk in de rakken geschaard, en in den loop van dien dag waren er slechts -twee voorbijgangers binnen gekomen om een glaasje <i lang="es">pisco</i><a class="noteRef" id="xd30e1338src" href="#xd30e1338">1</a> te drinken,—dat zij dadelijk betaald hadden, zich haastende om het buffet te verlaten, -ondanks de spraakzaamheid en de dringende vriendelijkheid van den kastelein, die hen -vruchteloos poogde te houden om met hen over <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>de nieuwtjes van den dag te praten en vooral om zijn vervelende eenzaamheid te breken. -</p> -<p>Na de weinige woorden die wij hem zoo even hoorden mompelen, was de eerzame don Benito -opgestaan en maakte hij zich al brommende gereed om zijn hotel te sluiten, om ten -minste bij gebrek van andere winsten het licht uit te sparen, toen er op eens een -man binnen kwam, weldra gevolgd door een tweede, een derde, vierde—zesde, tiende,—eindelijk -kwamen er zoo veel dat de locandero het opgaf ze te tellen. -</p> -<p>Al deze mannen waren in ruime mantels gewikkeld, en hadden groote hoeden op, wier -breede rand, met zorg over de oogen neergeslagen, hen geheel onkenbaar maakte. -</p> -<p>Weldra was de zaal eivol met gasten, die rookten en dronken, maar geen woord spraken. -</p> -<p>Zonderling verschijnsel! ofschoon al de tafels en tafeltjes bezet waren met drinkers, -heerschte er onder hen zulk eene diepe stilte, dat men duidelijk daar buiten den regen -kon hooren ruischen en de paarden der serenos kletteren over de keien, of klotsen -in de modderplassen die hier en daar den grond bedekten. -</p> -<p>De kastelein, door dezen onverwachten terugkeer der fortuin op het aangenaamst verrast, -deed zijn uiterste best om de welkome klanten te bedienen. Nu echter gebeurde er iets -dat <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> Sarzuela wel verre was van te verwachten; want ofschoon het spreekwoord zegt: »dat -overmaat van goede zaken geen kwaad kan,” en de spreekwoorden de dragers zijn van -de wijsheid der volken, werd de toevloed der onbekenden, die met elkander schenen -te hebben afgesproken om in de Locanda del Sol eene bijeenkomst te houden, binnen -weinige minuten zoo ongeëvenredigd groot, dat de kastelein er eindelijk zelf bang -voor begon te worden, want de Locanda, straks nog zoo ledig en doodsch, werd weldra -zoo vol dat hij niet meer wist waar hij de onophoudelijk binnenkomenden plaatsen zou. -Wat meer zegt, toen de groote zaai propvol was en, om zoo te zeggen overliep, vond -de altoos klimmende toevloed een uitweg naar de belendende vertrekken, vervolgens -steeg hij de trappen op en verspreidde zich in de bovenkamers, die alweder spoedig -gevuld waren. -</p> -<p>Kortom, met den eersten slag van elven hadden zich meer dan twee honderd gasten in -de Locanda del Sol verzameld. -</p> -<p>De locandero, overigens een <span class="corr" id="xd30e1356" title="Bron: welberekende">welberekenende</span> kerel dien het niet aan de noodige schranderheid ontbrak, begreep spoedig dat er -iets buitengewoons moest gebeuren, en dat zijne meson er allerwaarschijnlijkst de -schouwplaats, van zijn zou. Hij beefde inwendig voor de gevolgen en eene huivering -van vrees deed zijne haren stoppelen, terwijl hij in zijn hoofd naar een geschikt -middel zocht om zich van deze gevaarlijke en stilzwijgende gasten te kunnen ontslaan. -</p> -<p>In den uitersten nood en niet wetende wat hij beter zou doen, stond hij op met een -brutaal gezicht en in eene houding zoo ferm <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>mogelijk trad hij naar de deur, als of bij zich gereed maakte om zijne herberg te -sluiten. -</p> -<p>De gasten bleven echter zoo stom als visschen, verroerden geen vin om hem tegen te -houden of om heen te gaan, integendeel deden zij als zagen zij niets. -</p> -<p>Don Benito huiverde opnieuw en tweemaal zoo erg. Plotseling klonk er in de roerlooze -stille eene stem die hem een ongezocht voorwendsel gaf, daar hij vergeefs naar zocht, -het was de nachtwacht die juist de deur der locanda voorbijging en op de gewone wijs -riep: -</p> -<p>»<i lang="es">Ave Maria purissima! Las onze han dado ylluve!</i>”<a class="noteRef" id="xd30e1370src" href="#xd30e1370">2</a>. Ofschoon de bewegelijke toon waarop deze antieke volzin door den sereno werd uitgebalkt -schier in staat was om een kater tranen af te persen, maakte zij geen den minsten -indruk op de handelingen van den kastelein. -</p> -<p>Door overmaat van angst vatte <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> Sarzuela eindelijk weder moeds genoeg om zich onmiddellijk tot zijne stijfhoofdige -gasten te wenden en hen op eene krachtige wijs te interpelleeren; hij plaatste zich -daartoe midden in de zaal met de vuist op de linkerheup en een fier opgericht hoofd. -</p> -<p>»<span lang="es"><span class="corr" id="xd30e1381" title="Bron: Senores">Señores</span> caballeros!</span>” riep hij met een bevende stem, die hij te vergeefs de noodige fermeteit trachtte -te geven, »het is elf uur geslagen; de politieverordening verbiedt mij om langer te -tappen; weest dus als ik u verzoeken mag zoo goed van onverwijld te vertrekken, daar -ik verplicht ben om mijn huis te sluiten.” -</p> -<p>Deze toespraak, waar hij zich de beste gevolgen van had durven beloven, had juist -een tegenovergestelde uitwerking dan hetgeen hij verwachtte. -</p> -<p>De onbekende gasten sloegen met hunne bekers op de tafels en riepen als uit eenen -mond: -</p> -<p>»Drank!” -</p> -<p>De kastelein deed een sprong achteruit van schrik, bij zijne geweldige misrekening. -</p> -<p>»Maar, met uw welnemen, caballeros,” waagde hij opnieuw het volgend oogenblik te hervatten, -»de politieverordening is streng, het is elf ure, en …!” -</p> -<p>Hier kon hij niet verder; het leven begon opnieuw en sterker dan te voren, en de gasten -riepen met donderende stem: -</p> -<p>»Drank!” -</p> -<p>Nu greep er in het gemoed van den kastelein eene reactie plaats, die zich licht laat -begrijpen; in den waan dat men het persoonlijk op hem gemunt had en dat zijn eigen -belangen op het spel stonden, geraakte de vrees bij hem op den achtergrond om plaats -te maken voor de gierigheid, bedreigd in hetgeen bij hem boven alles ging, namelijk -zijne bezitting. -</p> -<p>»Ha?” riep hij sidderend van gramschap, »gaat het hier zoo toe, dan <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>zullen wij zien of ik in mijn eigen huis meester ben of niet. Ik ga terstond naar -den alcade!” -</p> -<p>Deze bedreiging met het gerecht, in den mond van een man als Sarzuela, scheen inderdaad -zoo ongerijmd en bespottelijk; dat het gansche gezelschap eenparig in een homerischen -lach uitbarstte en den armen kerel uitjouwde daar hij bijstond. Dit was de genadeslag; -de maat liep over, de gramschap van den armen kastelein klom tot razende woede en -hij stormde naar de deur als een dolleman onder het oorverdoovend gegil en geschater -zijner vervolgers. -</p> -<p>Doch nauwelijks had hij een voet over den drempel van zijn huis, of een nieuw aankomende -gast hield hem tegen, greep hem bij den arm en drong hem met een ruk in de zaal terug, -hem op snaakschen toon toevoegende: -</p> -<p>»Welke vlieg heeft u gestoken, kastelein? Zijt gij gek om in zulk een weêr blootshoofd -de deur uit te loopen, ’t is goed om een pleuris te krijgen.” -</p> -<p>Terwijl de locandero, door dezen ruwen schok verschrikt en schier van de been geraakt, -beide zijn physiek en moreel evenwicht poogde te herstellen om zijne gedachten weder -in orde te brengen, had de onbekende gedaan alsof hij thuis was; met behulp van een -paar andere gasten, die hij wenkte hem te helpen, werden de blinden in de vensters -gezet, en de deur gesloten, gegrendeld en geketend, met even veel behendigheid en -zorg als Sarzuela zelf gewoon was aan dat fijne werk te besteden. -</p> -<p>»Ziedaar, dat is alweder gedaan,” zeide de onbekende tegen den verbluften kastelein, -»nu zullen wij samen praten, compadre, als gij wilt. Maar, à propos, kent gij mij -niet?” vervolgde hij zijn hoed afzettende, zoodat zijn fijne en schrander hoofd te -voorschijn kwam en een gelaat waarop in dit oogenblik een glimlach vol scherts en -goede luim schitterde. -</p> -<p>»O! el <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> don Gaëtan,” zei Sarzuela voor wien deze ontmoeting alles behalve aangenaam was, -en die moeite had om geen allerleelijkst gezicht te trekken. -</p> -<p>»Stil!” riep de andere, »kom mede.” -</p> -<p>En met een wenk voerde hij den kastelein naar een hoek der zaal, bukte aan zijn oor -en vroeg hem zoo zacht mogelijk: -</p> -<p>»Hebt gij vreemdelingen in uw huis?” -</p> -<p>»Zie maar eens!” antwoordde de kastelein met een benauwd gezicht naar zijne gasten -wijzende die lustig zaten te drinken, »dit legio duivels heeft sedert het laatste -uur mijn hôtel ingenomen, ze drinken goed, dat is waar; maar hun meer dan verdacht -voorkomen is voor een fatsoenlijk man gansch niet geruststellend.<span class="corr" id="xd30e1414" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>»Zooveel te beter, dan hebt gij ten minste niets te vreezen. Bovendien, over hen loopt -thans de kwestie niet, ik vraag u alleen of gij vreemde logee’s in huis hebt; wat -deze heeren betreft, die kent gij misschien even goed, zoo niet beter dan ik.” -<span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span></p> -<p>»Ik heb in mijn gansche huis, van den zolder tot aan den kelder geen andere gasten -dan deze caballeros, die gij beweert dat ik wel zou kennen. ’t Is mogelijk, maar zoolang -als ze nu reeds hier zijn hebben zij goedgevonden zich zoo dicht in te pakken, dat -ik nauwelijks de punt hunner neuzen heb gezien, zoodat ik niet in staat was hen te -herkennen.” -</p> -<p>»Gij zijt een onnoozele hals, waarde vriend; deze lieden, die u zoo erg schijnen te -mishagen, zijn allen Dauph’yeers.” -</p> -<p>»Inderdaad!” riep de verbaasde kastelein, »maar waarom verbergen zij dan hun aangezicht?” -</p> -<p>»Waarom, meester Sarzuela? ik denk voor het naaste dat het is omdat zij zich niet -gaarne laten zien.” -</p> -<p>Terwijl hij den bedremmelden kastelein in zijn aangezicht uitlachte, gaf hij de anderen -een wenk. -</p> -<p>Twee personen stonden op, pakten den armen drommel beet en eer hij tijd had om te -gissen wat er met hem gebeurde, was hij reeds zoo handig en wel vastgekneveld dat -hij geen lid meer verroeren kon. -</p> -<p>»Heb geen vrees, meester Sarzuela, men zal u geen leed doen,” vervolgde de onbekende. -»’t Is maar dat wij zonder getuigen spreken willen, en daar gij een weinig babbelachtig -van aard zijt, nemen wij onze voorzorgen; anders niets. Wees derhalve gerust, binnen -weinige uren zijt gij weder vrij. Kom, haast u een beetje, gij daar!” vervolgde hij -tegen zijne handlangers; »steekt hem een prop in den mond, brengt hem naar zijne kamer -in bed, en draait de deur op het nachtslot. Tot weêrziens, brave kastelein, heb vooreerst -maar een beetje geduld.” -</p> -<p>De orders van den onbekende werden stipt ten uitvoer gebracht; de ongelukkige Sarzuela, -gekneveld en den mond gestopt, werd door twee man op de schouders genomen, de zaal -uitgedragen, naar zijne kamer gebracht, in een ommezien in zijn bed gelegd en in een -ommezien opgesloten; dit alles ging zoo snel in zijn werk dat hij er zelfs niet aan -dacht om den minsten tegenstand te bieden. -</p> -<p>Wij zullen hem een poos aan zijne alles behalve rooskleurige beschouwingen overlaten, -die hem zeker zoodra hij zich met zijne wanhoop alleen bevond in massa bestormden, -en keeren naar de groote zaal der herberg terug, waar wij voor ons vrij wat belangrijker -personen te beschouwen hebben, dan den armen hospes. -</p> -<p>De Dauph’yeers zagen zich <span class="corr" id="xd30e1431" title="Bron: nauwlijks">nauwelijks</span> meester in de gelagkamer, of eensklaps werden de tafels op elkander tegen den muur -gestapeld om midden in de zaal meer ruimte te krijgen, vervolgens zette men de banken -in rijen, waarop eindelijk allen plaats namen. -</p> -<p>De Locanda del Sol was zoodoende binnen weinige minuten geheel van gedaante veranderd -en in eene clubzaal herschapen. -</p> -<p>De laatstaangekomen gast van Sarzuela, op wiens order men hem den mond gestopt en -armen en beenen gebonden had, scheen <span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span>op het uitgelezen gezelschap thans in de gelagkamer verzameld zekeren invloed of gezag -uit te oefenen. Zoodra toch was de kastelein niet uit den weg geruimd, of de bevelvoerder -deed zijn mantel af, gaf de vergadering een wenk om stilte te verzoeken en nam het -woord op in zuiver Fransch: -</p> -<p>»Broeders,” begon hij met eene heldere welluidende stem, »ik dank u voor uwe stipte -gehoorzaamheid.” -</p> -<p>De Dauph’yeers bogen wederkeerig beleefd. -</p> -<p>»Mijne heeren,” vervolgde hij, »onze plannen marcheeren goed, weldra, zoo ik hoop, -bereiken wij het doel dat wij zoolang reeds beoogd hebben, en treden wij uit de duisternis, -in welke wij thans nog voortkruipen, te voorschijn om plaats te nemen in het volle -zonlicht. Amerika is een wonderbaar land, waar aller eerzucht bevrediging kan vinden; -zooals ik veertien dagen geleden, toen ik de eer had u voor de eerste maal bijeen -te roepen, mij verbonden heb, heb ik alle noodige maatregelen genomen en wij zijn -geslaagd. Gij lieden, mijne vrienden, hebt mij wel tot directeur der Mexicaansche -beweging willen benoemen; en ik zeg er u dank voor, mijne broeders. Eene aanvraag -van drieduizend acres land is mij toegestaan, te Guetzalli, in Opper-Sonora. De eerste -stap is gedaan. Mijn luitenant de la Ville is gisteren naar Mexico vertrokken om het -afgestane land in bezit te nemen. Heden heb ik u een verzoek te doen. Gij allen die -mij hier hoort, zijt Europeanen <span class="corr" id="xd30e1443" title="Bron: af">of</span> Noord-Amerikanen; gij zult mij dus begrijpen. -</p> -<p>»Reeds sedert lang in schijn onverschillig voor hetgeen er in de Amerikaansche republieken -omgaat, zijn de Dauph’yeers, de wettige opvolgers der Kust-Broeders, tot hiertoe werkelooze -toeschouwers gebleven bij de woelige tooneelen, plotselinge veranderingen en onbeschaamde -omwentelingen, die de oude Spaansche koloniën onophoudelijk teisteren. -</p> -<p>»Het uur is voor ons gekomen om aan den strijd deel te nemen: ik heb honderd vijftig -getrouwe mannen noodig. Guetzalli zal hun voorloopig toevluchtsoord zijn. Spoedig -zal ik hun zeggen wat ik van hunnen moed verlang; tracht slechts te doen wat ik wil -wagen. De onderneming die ik beraamd heb en in welke ik wellicht zal omkomen is geheel -ten voordeele van ons bondgenootschap; zoo ik slagen mag, is elk die er deel aan heeft -genomen eene rijke belooning en eene aanzienlijke plaats verzekerd. Gij kent den man -die mij bij u heeft ingeleid, hij bezat uw aller vertrouwen; de gedenkpenning dien -hij mij gaf, bewijst dadelijk dat hij volkomen voor mij borg staat: en nu vraag ik -u of gij op uwe beurt mij vertrouwen schenkt, gelijk hij mij vertrouwde; zonder u -kan ik niets uitrichten. Ik wacht uw antwoord.” -</p> -<p>Hier zweeg hij. -</p> -<p>Onder de aanwezigen ontstond thans ofschoon met gesmoorde stem eene levendige woordenwisseling, -die een geruimen tijd aanhield. <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>Eindelijk werden allen weder stil en stond een van hen op. -</p> -<p>»Mijnheer de graaf Gaëtan de Lhorailles,” zeide hij, »mijne broederen <span class="corr" id="xd30e1456" title="Bron: ge asten">gelasten</span> mij u in hunnen naam te antwoorden. Gij hebt u aan ons voorgesteld, ondersteund door -de krachtige aanbeveling van een man die ons volste vertrouwen bezit; uw eigen gedrag -schijnt ons toe deze aanbeveling in allen deele te bevestigen; de honderd vijftig -mannen die gij vraagt zijn bereid u te volgen, onverschillig waarheen gij hen leiden -zult, en wel overtuigd dat zij niet anders dan winnen kunnen door uwe plannen te ondersteunen. -Ik, Diego Leon, schrijf mijn naam bovenaan op de lijst.” -</p> -<p>»En ik!” -</p> -<p>»En ik!” -</p> -<p>»En ik!” riepen de Dauph’yeers om strijd. -</p> -<p>De graaf wenkte met de hand en het werd weder stil. -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e1464" title="Bron: «">»</span>Broeders, ik dank u,” zeide hij. »Te Valparaiso zal ik, wanneer alles goed gaat, de -dappere mannen kiezen, die ik in ’t vervolg zal noodig hebben. Heden heb ik aan honderd -vijftig mannen genoeg. Zoo mijn plan gelukt, wie weet wat ons dan in de toekomst nog -wacht. Ik heb eigenhandig een contract opgemaakt, welks voorwaarden ik niet twijfel -dat stipt door u zoowel als door mij zullen worden nagekomen. Leest het eerst en teekent -het daarna: binnen twee dagen vertrek ik naar Talca; maar over zes weken ben ik weder -hier om mij te verstaan met diegenen onder u, die bereid zijn mij te volgen, en alsdan -zal ik hun mijne plannen tot in de kleinste bijzonderheden mededeelen.” -</p> -<p>»Kapitein de Lhorailles,” hernam Diego Leon; »gij zegt dat gij niet meer dan honderd -vijftig mannen noodig hebt. Laten wij er dan om loten, want allen willen u volgen.” -</p> -<p>»Ik zeg u wederom dank, brave kameraden,” zei de graaf, »gelooft mij, ieder van u -zal zijne beurt krijgen; het door mij ontworpen plan is grootsch en uwer waardig; -onder ulieden eene keus te doen zou te veel naijver wekken, tusschen mannen die allen -verdienstelijk zijn; ik gelast u derhalve, Diego Leon, om door het lot te beslissen, -wie van onze eerste onderneming deel moeten uitmaken.” -</p> -<p>»Dat zal geschieden,” antwoordde Diego Leon, een stijve en regelmatige Bearnees, voormalig -brigadier der Spahis, een oud soldaat, ten volle bekend met de dienst; strenge krijgstucht -was zijn stokpaardje. -</p> -<p>»Nu, mijne vrienden, nog een enkel woord: denkt er om dat ik u heden over drie maanden -wacht te Guetzalli, van daar met Gods hulp zal de ster der Dauph’yeers heerlijk voor -ons opgaan. Drinken wij, mijne broeders, op het welslagen onzer onderneming.” -</p> -<p>»Drinken wij!” riepen al de Kust-Broeders in blakende geestdrift. -</p> -<p>De kastelein werd uit zijn bed gehaald om de gasten te bedienen. -<span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span></p> -<p>Nu werd er wijn en brandewijn bij volle stroomen gelapt en gedronken. -</p> -<p>De gansche nacht ging om in eene slemppartij, die tegen den morgen haar volle hoogte -bereikte, toen de vergadering met het krieken van den dag onder de beste verwachtingen -uiteen ging. -</p> -<p>Zoo had de graaf de Lhorailles, dank zij den talisman dien de baron hem voor zijn -vertrek uit Europa gegeven had, zich terstond na zijn aankomst in Amerika aan het -hoofd gesteld van een troep bondgenooten, bestaande uit ondernemende en vastberaden -mannen, met wier behulp een man van zooveel verstand en aanleg als hij, wel in staat -was groote dingen uit te voeren. -</p> -<p>Ongeveer twee maanden na de hierboven door ons beschreven vergadering, waren de graaf -en zijne honderd vijftig Dauph’yeers vereenigd in de kolonie te Guetzalli, welke heerlijke -bezitting hij zich door den geheimen invloed van den baron <span class="corr" id="xd30e1481" title="Bron: Spurzheim">Spurtzheim</span> had weten te verschaffen. -</p> -<p>Zonder dat iemand gissen kon waaraan men zulk een opgang moest toeschrijven, genoot -de graaf een ongehoorden voorspoed, alles gelukte hem, de schijnbaar dolzinnigste -ondernemingen werden door hem tot een goed einde gebracht, zijne kolonie bloeide meer -en meer en breidde zich uit op een wijze die een ieder bewonderde, en zelfs het Mexicaansche -gouvernement met de schoonste verwachtingen vervulde. -</p> -<p>Met de grondige wereld- en menschenkennis, die de graaf in de hoogste mate bezat, -had hij de afgunst zijner benijders tot zwijgen weten te brengen en zich een kring -van trouwe vrienden en nuttige helpers verworven, die hem in honderd omstandigheden -met hunne voorspraak begunstigden en met hun crediet ondersteunden. -</p> -<p>Om onze lezers terstond te doen zien, welke vorderingen hij in betrekkelijk korten -tijd, nauwelijks drie jaren, maakte, zal het genoeg zijn te zeggen, dat hij op het -oogenblik toen wij hem in ons verhaal lieten optreden, bijna het doel zijner standvastige -pogingen had bereikt; hij had zich inderdaad in de publieke opinie weten te vestigen -en was op het punt zich een eervollen rang in de maatschappij te verwerven door zijn -aanstaande echtverbintenis met de dochter van don Sylva de Torres, een der rijkste -hacienderas in Sonora; en dank zij den invloed van zijn aanstaanden schoonvader, had -hij een aanstelling ontvangen als kapitein van een vrij-kompagnie, bestemd om de invallen -der Apachen en Comanchen op het Mexicaansche grondgebied af te weren, met het recht -om deze kompagnie naar verkiezing geheel uit Europeanen samen te stellen. -</p> -<p>Keeren wij thans terug naar het huis van don Sylva de Torres, dat wij verlaten hebben -weinige oogenblikken nadat de graaf de Lhorailles het was binnen getreden. -<span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e1338"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1338src">1</a></span> Korenbrandewijn, gestookt in de stad Pisco. <a class="fnarrow" href="#xd30e1338src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1370"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1370src">2</a></span> Wees gegroet, zuivere Maria! Elf ure heeft de klok, het regent! <a class="fnarrow" href="#xd30e1370src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6868">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">VI.</h2> -<h2 class="main">DOOR HET VENSTER.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Toen <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita de salon verliet om zich naar hare slaapkamer te begeven, oogde de graaf haar -zoo lang mogelijk na, daar hij niets scheen te begrijpen van haar zonderling gedrag -jegens hem, vooral uit hoofde der bijzondere betrekking waarin zij tegenover elkander -waren geplaatst, ter zake van het huwelijk dat hen weldra voor levenslang zou verbinden. -Na echter eenige minuten te hebben nagedacht, schudde bij eindelijk het hoofd, als -wilde hij de treurige gedachten verdrijven die hem bestormden, en wendde zich tot -zijn toekomstigen schoonvader. -</p> -<p>»Spreken wij over onze zaken,” zeide hij; »zoo gij immers wilt.” -</p> -<p>»Hebt gij mij dan iets nieuws mede te deelen?” -</p> -<p>»Een aantal zaken.” -</p> -<p>»Gewichtige?” -</p> -<p>»Dat zult gij zelf beoordeelen.” -</p> -<p>»Laat hooren dan. Ik ben ongeduldig om ze te vernemen.” -</p> -<p>»Gaan wij ordelijk voort. Gij weet, vriend, waarom ik Guetzalli verlaten had.” -</p> -<p>»Volkomen. Zijt gij goed geslaagd?” -</p> -<p>»Geheel naar mijne verwachting. Dank zij zekere brieven, die ik had medegebracht en -vooral ten gevolge uwer welwillende aanbeveling, heeft de generaal Marcos zich jegens -mij zeer genegen getoond. De wijze waarop hij mij ontving was allerminzaamst, kortom, -hij verleende mij zijn naam in blanko, met volmacht niet alleen om honderd vijftig -man aan te werven, maar zelfs dubbel zoo veel als ik dit noodig oordeelde.” -</p> -<p>»O! dat is heerlijk, inderdaad.” -</p> -<p>»Niet waar? Bovendien heeft hij mij gezegd, dat hij in een oorlog als die welken ik -thans ging ondernemen, want een jacht op de Apachen is niets minder dan een oorlog, -mij volkomen vrijheid liet om naar eigen goedvinden te handelen, en keurde bij voorbaat -alles goed wat door mij gedaan zou worden, wel overtuigd, voegde hij er bij, dat het -alleszins strekken zou tot roem en voordeel van Mexico.” -</p> -<p>»Wel, dat hoor ik met veel genoegen, vriend. Maar hoe zijt gij thans voornemens te -handelen na zulk een gelukkigen afloop?” -</p> -<p>»Ik ben vooreerst besloten om van hier onmiddellijk naar Guetzalli te vertrekken, -dat ik reeds sedert drie weken verlaten heb. Ik moet noodzakelijk naar mijne kolonie -terug, om te zien of alles geregeld gaat en mijn volk gelukkig is. Bovendien zou ik, -alvorens mij, misschien voor langen tijd, met het grootste gedeelte mijner manschappen -te verwijderen, de kolonisten gaarne tegen eene overrompeling beveiligen, door rondom -mijne bezittingen eenige werken aan te leggen, <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>zoodat de achterblijvenden in staat zijn iederen aanval der wilden met kracht af te -weren. Dit is van des te meer belang, omdat Guetzalli in zekeren zin altijd mijn hoofdkwartier -blijven moet.” -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e1518" title="Niet in bron">»</span>Dat is zoo. En wanneer denkt gij te vertrekken?” -</p> -<p>»Heden avond.” -</p> -<p>»Zoo spoedig reeds?” -</p> -<p>»Ik moet wel. Gij zelf weet hoe zeer de tijd dringt.” -</p> -<p>»Inderdaad. Hebt gij mij niets anders meer te zeggen?” -</p> -<p>»Vergeef mij, ik heb u nog eene andere vraag te doen, die ik met opzet voor het laatst -bewaard heb.” -</p> -<p>»Is zij dan zoo belangrijk?” -</p> -<p>»Van het hoogste belang.” -</p> -<p>»O, dan moet ik haar hooren, vriend, spreek op, dadelijk.” -</p> -<p>»Bij mijne komst hier te lande,” hervatte de graaf, »toen de onderneming, die ik thans -God zij dank! tot een goed einde heb gebracht, nog slechts op het papier bestond, -waart gij zoo welwillend, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> don Sylva, om niet alleen uw onmetelijk crediet, maar ook uwe onberekenbare rijkdommen -te mijner beschikking te stellen.” -</p> -<p>»Dat is zoo,” zei de Mexicaan glimlachend. -</p> -<p>»Welnu, ik heb van uw aanbod ruimschoots gebruik gemaakt, menigmaal uit uw geldkist -geput en over uw crediet zoo dikwijls beschikt als de gelegenheid het vorderde; vergun -mij thans het eene gedeelte mijner verplichting aan u te kwijten, terwijl ik erken -dat ik het andere gedeelte u vooreerst zal moeten schuldig blijven. Zie hier,” vervolgde -hij, een papier uit zijne portefeuille nemende, »hier is een wisselbrief, ten bedrage -van honderd duizend piasters, betaalbaar op zicht en getrokken op Walter Blount en -Comp. bankiers te Mexico. Ik acht mij gelukkig, don Sylva, in staat te zijn deze schuld -zoo gereedelijk af te doen, niet omdat.…” -</p> -<p>»Met uw welnemen,” viel de haciendero hem in de rede, terwijl hij den wissel, dien -de graaf hem aanbood, met drift afwees, »maar ik geloof dat wij elkander op dit oogenblik -niet goed begrijpen.” -</p> -<p>»Hoezoo niet?” -</p> -<p>»Tot opheldering zal ik u zeggen: bij uwe komst te Guaymas, mijnheer de graaf, kwaamt -gij bij mij met een dringenden aanbevelingsbrief van wege een man met wien ik, zonder -daarom ooit intiem aan hem verbonden te zijn, nochtans eenige jaren geleden zeer groote -geldelijke betrekkingen heb gehad. De baron van Spurtzheim stelde u aan mij voor, -meer als een beminden zoon dan als een vriend voor wien men zich partij stelt. Ik -heb mijn huis wagenwijd voor u opengezet. Ik was verplicht zulks te doen. Later, toen -ik u leerde kennen en het grootsche en edele in uw karakter heb kunnen waardeeren, -zijn onze aanvankelijk koele betrekkingen nauwer geworden en bood ik u de hand mijner -dochter, die gij hebt aangenomen.” -</p> -<p>»Tot mijn onuitsprekelijk geluk!” riep de graaf. -<span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span></p> -<p>»Zeer goed,” hernam de haciendero glimlachend, »het geld dus dat ik van een onbekende -zou kunnen terug ontvangen, en dat hij mij als zoodanig wettig verschuldigd was, dat -geld behoort aan mijn schoonzoon. Verscheur dus, bid ik u, dien wisselbrief, waarde -graaf, en denken wij niet verder om dat bagatel.” -</p> -<p>»Juist!” riep de graaf schielijk en op verdrietigen toon, »dat is juist wat mij hindert; -ik ben uw schoonzoon nog niet en, als ik het u zeggen moet, ik vrees dat ik het nooit -worden zal.” -</p> -<p>»En wat geeft u aanleiding om daarvoor te vreezen? Hebt gij niet mijne belofte? Het -woord van don Sylva de Torres, waarde heer graaf de Lhorailles, is een waarborg, dien -nog nooit iemand heeft durven in twijfel trekken.” -</p> -<p>»Daar twijfel ik ook in ’t minst niet aan, don Sylva; het is niet voor u dat ik vrees.” -</p> -<p>»Voor wie dan?” -</p> -<p>»Voor <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita.” -</p> -<p>»Voor mijne dochter?” -</p> -<p>»Ja.” -</p> -<p>»Wat zegt gij, vriend! dat vereischt nadere opheldering, want ik zweer u dat ik het -volstrekt niet begrijp” riep don Sylva, terwijl hij driftig opstond en onrustig het -salon op en neder trad. -</p> -<p>»Mijn hemel, don Sylva!” riep de graaf, »het spijt mij waarlijk dat ik dit bezwaar -bij u heb ter sprake moeten brengen, want ik bemin <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita; maar de liefde, zooals gij weet, is ergdenkend; en ofschoon uwe dochter altijd -lief en goed voor mij geweest is, heb ik haar sedert onze verloving gadegeslagen en -als ik het u bekennen moet geloof ik stellig dat zij mij niet bemint.” -</p> -<p>»Gij zijt dwaas, don Gaëtano; de meisjes weten zoo min wie zij beminnen als wie zij -niet beminnen. Bekommer u niet over die kinderachtige grillen; ik heb u beloofd dat -zij uwe vrouw zal worden, en dat zal zij.” -</p> -<p>»Maar zoo zij nu evenwel een ander beminde, zou ik u niet willen.…” -</p> -<p>»Kom, loop heen! dat is nu toch wat al te gek. Anita bemint geen ander dan u, dat -weet ik zeker; en ziedaar, ik zal er u op eens van verzekeren; gij vertrekt heden -avond hebt gij gezegd naar Guetzalli?” -</p> -<p>»Ja, nog dezen avond.” -</p> -<p>»Zeer goed; laat dan kamers in gereedheid brengen voor mij en mijne dochter, en binnen -weinige dagen komen wij bij u in de hacienda logeeren.” -</p> -<p>»Zou dat mogelijk zijn?” riep de graaf verheugd. -</p> -<p>»Morgen met het krieken van den dag vertrekken wij; dus haast u.” -</p> -<p>»O! duizendmaal dank.” -</p> -<p>»Goed, zijt gij nu gerustgesteld?” -<span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span></p> -<p>»Niemand kan gelukkiger zijn dan ik.” -</p> -<p>Na nog eenige woorden te hebben gewisseld namen de twee mannen afscheid, met de belofte -dat zij elkander spoedig weêr zouden zien. -</p> -<p>Don Sylva was gewoon om in zijn huis door niemand tegengesproken te worden of zijne -bevelen in omvraag te brengen; wel overtuigd van Anita’s gehoorzaamheid, liet hij -haar met de kamenier zeggen, dat zij zich den volgenden morgen tegen zonsopgang voor -eene <span class="corr" id="xd30e1577" title="Bron: amelijk">tamelijk</span> verre reis moest gereed maken. -</p> -<p>Dit bericht klonk het meisje als een donderslag in de ooren. -</p> -<p>Half flauw van den schrik zeeg zij op een stoel neder en smolt weg in tranen; zij -gevoelde maar al te duidelijk dat deze reis niets dan een voorwendsel was, om haar -van haren beminde te scheiden en haar weêrloos over te leveren aan den man dien zij -verfoeide, en aan wien men haar ongevraagd ongeweigerd dacht uit te huwelijken. -</p> -<p>Zoo bleef zij eenige uren lang zitten, geheel in zich zelve verzonken, aan de wanhoop -ten prooi, zonder te denken aan de welkome rust, die zij toch niet zou gevonden hebben, -want zij wist dat de slaap hare gezwollen en roodgeweende oogleden niet zou sluiten. -</p> -<p>Allengs waren alle geluiden in de stad verdoofd, alles sliep of althans scheen te -slapen; ook het huis van don Sylva was geheel donker, slechts een enkel flauw licht -blonk als eene eenzame ster door de glasruiten van Anita’s venster, en bewees dat -<i>zij</i> ten minste nog waakte. -</p> -<p>Op dit oogenblik vertoonden zich twee onzekere en vreesachtige schimmen op den muur -tegenover het huis van den haciendero; twee mannen in lange mantels gehuld, bleven -staan en keken naar het flauw verlichte venster, met eene oplettendheid zoo strak -als alleen aan dieven of aan verliefden eigen is. -</p> -<p>De twee door ons genoemde mannen behoorden ongetwijfeld tot de laatstgenoemde kategorie. -</p> -<p>»Hm!” riep de een met eene halfgesmoorde stem, »dus zijt gij zeker van hetgeen gij -beweert, Cuchares?” -</p> -<p>»Zoo zeker als ik hoop zalig te worden, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> don Martial,” antwoordde de andere op denzelfden toon, »ik heb dien verwenschten -Engelschman in huis zien komen juist toen ik er was; en don Sylva scheen op den besten -voet met zoo’n duivelschen ketter.” -</p> -<p>Wij moeten in ’t voorbijgaan aanmerken, dat de Mexicanen eenige jaren geleden en wellicht -ook nu nog alle vreemdelingen, ongevraagd tot welke natie zij behooren, voor Engelschen -houden en bij gevolg als ketters aanmerken; de vreemdelingen zagen zich dus, zelfs -buiten hun weten gerangschikt onder de lieden die men zonder misdadig te zijn kon -dooden, ja wier vermoording integendeel bijna als een verdienstelijk werk werd beschouwd. -</p> -<p>Tot lof van de Mexicanen moeten wij er dan ook bijvoegen, dat <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span>zij bij elke voorkomende gelegenheid de zoogenaamde Engelschen omhals brachten, met -eenen ijver die van hunne welbegrepen vroomheid alleszins getuigenis gaf. -</p> -<p>Don Martial antwoordde: -</p> -<p>»Op mijn woord als Tigrero, die kerel is mij reeds tweemaal in den weg gekomen en -tweemaal heb ik hem gespaard, maar laat hij zich wachten voor den derden keer.” -</p> -<p>»O!” riep Cuchares, »de eerwaarde pater Becchio heeft mij gezegd dat ik altijd een -goeden aflaat kon verdienen met een Engelschman te <i>snijden</i><a class="noteRef" id="xd30e1607src" href="#xd30e1607">1</a> (<span lang="es">cortar</span>). Ik heb het voordeel nog niet gehad om er een te ontmoeten, al ben ik er ongeveer -acht schuldig op mijne rekening met pater Becchio. Ik heb grooten lust om met dezen -een begin te maken, dat ware ten minste zooveel gewonnen.” -</p> -<p>»Wees gewaarschuwd, om uw leven, picaro, die man hoort mij toe.” -</p> -<p>»Dan spreken wij er niet meer van,” antwoordde Cuchares met een gesmoorden zucht; -»ik laat hem voor u. Maar in allen geval het spijt mij, ofschoon de <span class="corr" id="xd30e1616" title="Bron: nina">niña</span> hem hartelijk schijnt te verfoeien.” -</p> -<p>»Hebt gij bewijs voor hetgeen gij daar zegt?” -</p> -<p>»Is er beter bewijs dan de afkeer dien zij hem betoont als hij komt<span class="corr" id="xd30e1622" title="Niet in bron">,</span> ik heb haar bij deze gelegenheid zien verbleeken als een doek, zonder dat er eenige -andere denkbare reden voor kon bestaan.” -</p> -<p>»O! ik zou duizend oncen willen missen om te weten wat er van is?” -</p> -<p>»Wie belet u dat? de heele wereld slaapt, niemand zal u zien: vijftien voet! hooger -is het niet. Ik ben zeker dat Anita blijde zou zijn als zij eens met u kon praten.” -</p> -<p>»O! als ik dat kon denken,” mompelde hij aarzelend met een zijdelingschen blik naar -het altijd verlichte venster. -</p> -<p>»Misschien! wie weet of zij niet op u wacht!” -</p> -<p>»Zwijg, ellendeling.” -</p> -<p>»Wat weêrga! luister toch; als het waar is wat ik heb hooren vertellen, moet het arme -kind erg in de verknijping zitten, om er niet meer van te zeggen; zij heeft dringend -hulp noodig.” -</p> -<p>»Wat zegt men van haar? laat hooren, maar kort.” -</p> -<p>»Eenvoudig dit: dat <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita de Torres <span class="corr" id="xd30e1637" title="Bron: van daag">vandaag</span> over acht dagen trouwen zal met den Engelschman don Gaëtano.” -</p> -<p>»Gij liegt, deugniet,” riep de Tigrero met kwalijk verholen woede; »als ik mij niet -weêrhield, zou ik u met mijn ponjaard de woorden teruggeven die gij daar gesproken -hebt.” -</p> -<p>»Daar zoudt gij verkeerd aan doen,” hervatte de andere zonder zijne bedaardheid te -verliezen; »ik ben slechts de echo, die herhaalt wat hij heeft hooren zeggen, meer -niet. Gij zijt de eenigste in Guaymas die van dat nieuws niets weet. In allen geval -is dat niet te verwonderen, daar gij eerst heden avond in de stad terug zijt gekomen -na eene maand afwezigheid.” -<span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span></p> -<p>»Dat is waar, wat dan gedaan?” -</p> -<p>»Caraï! naar goeden raad luisteren en doen wat ik u zeg.” -</p> -<p>De Tigrero keek een geruime poos naar het venster, en liet het hoofd besluiteloos -hangen. -</p> -<p>»Wat zal ze wel zeggen, als zij mij ziet?” mompelde hij. -</p> -<p>»Caramba!” riep de lepero op <span class="corr" id="xd30e1650" title="Bron: sarkastischen">sarcastischen</span> toon, »wat zij zal zeggen? Wees welkom, <span lang="es">alma mia</span> (beste vriend) dat is klaar, carai! Gij zijt toch geen kind, don Martial, om voor -een vrouwenblik te beven? De gelegenheid heeft slechts drie haren, in de liefde zoowel -als in den oorlog; men moet haar aangrijpen als zij zich voordoet, of men loopt gevaar -dat zij nooit weêrkomt.” -</p> -<p>De Mexicaan naderde den lepero tot hij hem bijna aanraakte, en staarde hem diep in -de groene kattenoogen. -</p> -<p>»Cuchares,” zeide hij met eene zware nadrukkelijke stem, »ik verlaat mij op u. Gij -kent mij; ik heb u zoo menigmaal geholpen maar als gij nu mijn vertrouwen teleurstelt, -dood ik u als een coyote.” -</p> -<p>De Tigrero sprak deze woorden op zulk een toon van stille woede, dat de lepero, die -zeer wel wist met welk een man hij te doen had, tegen wil en dank bleek werd en beefde -als een riet. -</p> -<p>»Ik ben in alles tot uw dienst, don Martial,” antwoordde hij met eene stem die hij -vruchteloos poogde ferm te houden; »wat er ook gebeure, gij kunt op mij rekenen: wat -moet ik voor u doen?” -</p> -<p>»Niets, wachten, opletten en bij het minste geluid dat u als onraad voorkomt of bij -den eersten zweem van vijand dien gij in de duisternis ziet mij onmiddellijk waarschuwen.” -</p> -<p>»Reken op mij, doe uwe zaken; ik ben stom en doof, en zal gedurende uwe afwezigheid -voor u waken als een zoon voor zijnen vader.” -</p> -<p>»Goed!” riep de Tigrero. -</p> -<p>Hij trad eenige stappen terug, maakte de reata los die om zijn middel geslagen was, -hield haar in de rechterhand gereed, sloeg de oogen op, berekende den afstand en toen -de reata eenige malen met kracht boven zijn hoofd slingerende wierp hij haar naar -het balkon van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita. -</p> -<p>De strik hechtte zich aan een der ijzeren punten der balustrade en bleef stevig vast -zitten. -</p> -<p>»Denk om uwe belofte!” zei de Tigrero zich tot Cuchares wendende. -</p> -<p>»Ga uw gang,” antwoordde deze terwijl hij tegen den muur aan de overzijde post vatte -en de beenen over elkander kruiste, »ik sta borg voor alles.” -</p> -<p>De Mexicaan nam genoegen of scheen althans genoegen te nemen met deze verzekering; -hij greep de reata, en van zijne plaats opspringende als een van die <span class="corr" id="xd30e1674" title="Bron: panthers">panters</span> die hij zoo vaak had vervolgd in de savane, palmde hij zich met de vuisten naar boven -en bereikte na eenige <span class="corr" id="xd30e1677" title="Bron: sekonden">seconden</span> het balkon. -<span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span></p> -<p>Hij stapte over de balustrade en naderde het venster. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita zat in halfliggende houding op haar armstoel te slapen. -</p> -<p>Het arme kind, bleek en ontdaan, de oogen door tranen gezwollen, was eindelijk overmeesterd -door den slaap die zijne rechten op jeugdige en krachtvolle naturen nimmer verliest. -Hare marmerbleeke wangen vertoonden nog de sporen der pas geweende tranen. Martial -begluurde met verteederden blik zijne beminde, zonder haar te durven naderen. Zoo -in haar slaap verrast, kwam het meisje hem bekoorlijker voor dan ooit, een aureool -van reinheid en onschuld scheen te zweven boven haar hoofd, als om hare rust heilig -en onschendbaar te bewaken. -</p> -<p>Na eene lange en onverzaadbare beschouwing, besloot de Tigrero eindelijk nader te -treden. -</p> -<p>Het venster, dat slechts op een kier stond, daar Anita zeker niet gedacht had op die -wijze in te slapen, week terug voor den minsten stoot van don Martial; hij deed nog -een stap en stond in de slaapkamer van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita. -</p> -<p>De indruk van dit vertrek, waar alles zoo kalm, zoo maagdelijk rein en ordelijk was, -boezemde den Tigrero een ongewoon gevoel van eerbied in, zijn hart klopte in zijne -borst als of het zou barsten, en in zijne hartstochtelijke opwinding tusschen liefde -en vrees waggelde hij voort en zonk op de knieën naast zijne beminde. -</p> -<p>Het meisje opende de oogen. -</p> -<p>»O!” riep zij, toen zij don Martial zag, »Gode zij dank die u te mijner hulpe zendt.” -</p> -<p>De Tigrero keek tot haar op, met vochtigen blik en hijgende borst. -</p> -<p>Maar plotseling rees Anita overeind, zij kwam tot bezinning en daarmede tot de schuchtere -vrees die alle vrouwen is aangeboren. -</p> -<p>»Ga heen!” riep zij terwijl zij zich in den versten hoek der kamer terugtrok, »ga -heen, caballero. Hoe komt gij hier? wie heeft u bij mij ingeleid? Antwoord, antwoord -mij dadelijk!” -</p> -<p>De Tigrero boog deemoedig het hoofd. -</p> -<p>»God alleen heeft mij hier gebracht, <span class="corr" id="xd30e1704" title="Bron: senorita">señorita</span>,” riep hij met een <span class="corr" id="xd30e1707" title="Bron: nauwlijks">nauwelijks</span> hoorbare stem, »zooals gij zelf hebt gezegd, <span class="corr" id="xd30e1710" title="Bron: senorita">señorita</span>. O! vergeef mij dat ik u aldus heb durven verrassen. Ik heb een groven misslag begaan, -dat weet ik; maar een ongeluk bedreigt u, dat heb ik gevoeld en geraden; gij zijt -alleen, zonder hulp en ik kwam hier om het u te zeggen; <span class="corr" id="xd30e1713" title="Bron: senorita">señorita</span>, ik ben wel zeer gering en zeer onwaard u te dienen, doch gij hebt een trouw en vastberaden -hart noodig, dat bied ik u aan; neem mijn bloed, neem mijn leven, ik zou mij gelukkig -achten voor u te mogen sterven. In ’s hemels naam, <span class="corr" id="xd30e1716" title="Bron: senorita">señorita</span>, in naam van al wat u lief is op de wereld! wijs mijn verzoek niet van de hand; mijn -arm en mijn hart zijn tot uwe beschikking.” -</p> -<p>Deze woorden werden met eene door hartstocht bewogen stem uitgesproken, <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>terwijl don Martial midden in de kamer geknield lag, met de handen gevouwen en de -oogen op <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita gericht, met een smachtenden blik, waarin zijne gansche ziel zich uitdrukte. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita keek den jongman wederkeerig strak aan, als om zich van zijne oprechte bedoeling -te verzekeren, en zonder het hoofd af te wenden naderde zij hem langzaam, aarzelend -en bevend, tegen wil en dank. Toen zij dicht bij hem kwam stond zij een oogenblik -besluiteloos, maar legde hem eindelijk hare kleine blanke hand op de schouders en -bracht haar gelaat zoo dicht bij het zijne dat hij haar frisschen adem op zijn voorhoofd -voelde en hare geparfumeerde lokken zijne wangen streelden. -</p> -<p>»Gij bemint mij dus, don Martial?” vroeg zij met een welluidende stem. -</p> -<p>»O!” prevelde de jongman schier tot waanzinnigheid verliefd door deze zoete gewaarwording. -</p> -<p>De Mexicaansche boog zich over den Tigrero en raakte met hare rozenlippen zijn klam -voorhoofd. -</p> -<p>»Welaan,” zeide zij, oogenblikkelijk terugspringende als eene verschrikte hinde, terwijl -een purperen blos hare wangen kleurde uit schaamte over den stap dien zij had gewaagd, -»nu moogt gij mij verdedigen, don Martial, want voor God, die ons ziet en hoort, ben -ik uwe vrouw.” -</p> -<p>De Tigrero vloog op als geëlectriseerd door dezen gloeienden kus. Met een fier voorhoofd -en tintelenden blik, sloot hij het meisje in zijne armen, leidde haar in een hoek -van de kamer naar een zilveren statuet van de heilige Maagd, voor hetwelk eene welriekende -lamp brandde. -</p> -<p>»Kniel, <span class="corr" id="xd30e1737" title="Bron: senora">señora</span>!” zeide hij met bezielde stem terwijl hij zelf de knie reeds boog. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita gehoorzaamde. -</p> -<p>»Heilige Mater dolorosa!” hervatte don Martial, »<i lang="es">Nuestra <span class="corr" id="xd30e1748" title="Bron: Senora">Señora</span> de la Soledad</i>, troosteres der bedroefden. Gij die de harten beproeft, gij ziet de reinheid onzer -wenschen en de heiligheid onzer liefde. In uwe tegenwoordigheid neem ik <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita de Torres tot vrouwe. Ik zweer haar te zullen verdedigen en beschermen tegen -en voor allen, met mijn goed en leven in den strijd dien ik heden aanga voor het heil -van haar die ik bemin en die ik van heden af beschouw als mijne echte en deugdelijke -bruid.” -</p> -<p>Na deze gelofte met eene duidelijke en krachtvolle stem te hebben uitgesproken, wendde -de Tigrero zich naar het meisje. -</p> -<p>»Nu is het uwe beurt, <span class="corr" id="xd30e1759" title="Bron: senorita">señorita</span>,” zeide hij. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita vouwde de handen en sloeg de oogen vol tranen op naar het heilige beeld. -</p> -<p>»<span lang="es">Nuestra <span class="corr" id="xd30e1770" title="Bron: Senora">Señora</span> de la Soledad</span>,” stamelde zij met eene diepe, door aandoening geschokte stem, »gij, mijne eenige -beschermster van den dag mijner geboorte af, gij weet of ik u getrouw was, ik zweer -dat <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>alles wat deze man heeft gezegd waarheid is; ik neem hem tot echtgenoot voor u, en -zal nooit een anderen nemen.” -</p> -<p>Zij stonden op. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita trok den Tigrero naar het balkon. -</p> -<p>»Vertrek!” zeide zij, »de vrouw van don Martial moet niet verdacht worden: vertrek, -mijn echtgenoot en mijn broeder; de man aan wien men mij wil overleveren heet de graaf -de Lhorailles. Morgen eer de zon opgaat, gaan wij waarschijnlijk op reis naar zijne -hacienda.” -</p> -<p>»En hij?” -</p> -<p>»Is dezen nacht reeds vertrokken.” -</p> -<p>»Waarheen?” -</p> -<p>»Dat weet ik niet?” -</p> -<p>»Ik zal hem dooden?” -</p> -<p>»Tot weerziens, don Martial, tot weerziens!” -</p> -<p>»Tot weerziens! <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita, houd moed, ik waak over u.” -</p> -<p>En na haar een kus op het voorhoofd te hebben gedrukt, stapte hij over de balustrade, -greep de reata en liet zich in de straat afglijden. -</p> -<p>»Helaas! helaas!” murmelde zij met een gesmoorden zucht, »wat heb ik gedaan! … Heilige -Maagd, gij alleen kunt mij den moed wedergeven die mij ontzinkt!” -</p> -<p>Zij liet het gordijn neder dat voor het venster hing en keerde terug om voor het Madonnabeeld -te knielen, maar deinsde oogenblikkelijk achterwaarts met een uitroep van schrik. -</p> -<p>Op twee passen afstand stond don Sylva de Torres met gefronste wenkbrauwen en een -streng gelaat. -</p> -<p>»<span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita, mijne dochter,” zeide hij met een langzame, hortende stem, »ik heb alles gezien -en gehoord; spaar dus, verzoek ik u, eene nuttelooze ontkenning.” -</p> -<p>»Vader!.…” stamelde het arme kind met een gebroken stem. -</p> -<p>»Zwijg!” hervatte don Sylva, »het is thans drie ure. Wij vertrekken met zonsopgang, -en binnen veertien dagen wordt gij de vrouw van den graaf don Gaëtano de Lhorailles.” -</p> -<p>Zonder er verder een woord bij te voegen stapte hij langzaam de kamer uit en sloot -de deur achter zich toe. -</p> -<p>Alleen achtergebleven, stond <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita in gebogen houding bij de deur als om te luisteren, zij wierp een verwilderden -blik om zich heen, deed eenige wankelende stappen voorwaarts, sloeg de beide handen -krampachtig naar de benauwde toegeschroefde keel, gaf een verscheurenden gil en stortte -op den vloer neder. -</p> -<p>Zij lag in onmacht. -<span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e1607"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1607src">1</a></span> Gemeenzame term onder het volk in Mexico, voor omhalsbrengen. <a class="fnarrow" href="#xd30e1607src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6877">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">VII.</h2> -<h2 class="main">EEN TWEEGEVECHT.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het was omtrent acht ure des avonds toen de graaf de Lhorailles de woning van don -Sylva de Torres verliet. De feria de Plata was toen in haar vollen luister: de straten -van Guaymas waren met eene vroolijk woelende menigte bedekt: aan alle kanten verhief -zich het gejuich, gezang en gelach; stapels goud blonken op de monté-tafels, en verspreidden -hun geelachtigen verleidelijken gloed in het heldere schijnsel der talrijke aan alle -deuren en vensters schitterende lichten; hier en daar hoorde men de <i lang="es">vihuelas</i> en <i lang="es">jarabes</i> strijken en tokkelen uit de met drinkers en dansers opgevulde pulquerias. De graaf -werkte zich met schouders en ellebogen zoo snel mogelijk door de dichte groepen die -hem ieder oogenblik den doortocht versperden; maar zijn pas gehouden gesprek met don -Sylva had hem in een te gelukkige luim gebracht dan dat hij er aan zou gedacht hebben -om boos te worden over de tallooze stooten die hij ieder oogenblik ontving. -</p> -<p>Eindelijk, na ontelbare moeielijkheden en met verlies van dubbel ja driemaal zooveel -tijd als hij onder andere omstandigheden noodig zou hebben gehad, gelukte het hem -tegen tien uren des avonds zijn logement te bereiken. -</p> -<p>Hij had bijna een uur noodig gehad om ongeveer zes honderd passen ver te gaan. -</p> -<p>In de meson komende, ging de graaf onmiddellijk naar de corral om zijn paard te verzorgen, -dat hij twee schoven alfalfa (spurrie) gaf; na vervolgens te hebben last gegeven dat -men hem ten een ure wekken zou, zoo hij, dat wel niet waarschijnlijk was, nog niet -op mocht zijn, begaf hij zich naar zijn <i>cuarto</i> (kamer) ten einde eenige uren rust te nemen. -</p> -<p>De graaf was voornemens ten een ure des morgens te vertrekken, om de hitte van den -dag te vermijden en meer op zijn gemak te reizen. -</p> -<p>Bovendien, na zijn gewichtig onderhoud met don Sylva, verlangde de edele avonturier -zeer om alleen te zijn, ten einde nog eens het geluk te overdenken dat hem in den -afgeloopen avond was te beurt gevallen en zulk eene schoone toekomst beloofde. -</p> -<p>Sedert zijne komst in Amerika had de graaf de Lhorailles—om hier een gemeenzame uitdrukking -te bezigen—met ongehoord geluk gespeeld; alles liep hem mede, alles kwam zijne wenschen -en plannen te gemoet; binnen weinige maanden stond de balans van zijn fortuin als -volgt: het bezit van eene kolonie, onder de gunstigste vooruitzichten gegrondvest -en bereid, op den weg van vooruitgang en bloei; daarbij in het volle genot zijner -nationaliteit, met volkomen vrijheid van handelen, onafhankelijk en meester van alle -partijen, was hij in dienst bij het Mexicaansch gouvernement, als kapitein <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>eener vrij-kompagnie van honderd vijftig man, hem geheel toegedaan en met wier behulp -hij alles, zelfs de buitensporigste ondernemingen, zoo al niet uitvoeren dan ten minste -wagen kon; ten slotte op het punt van te huwen met de eenige dochter van een man, -die zooveel hij kon nagaan twintig maal millionair moest zijn, en wat de zaak zeker -niet erger maakte, zijne aanstaande bruid was eene allerbekoorlijkste vrouw: ziedaar -in korte trekken de stand van zijn tegenwoordig fortuin. -</p> -<p>Ongelukkig of gelukkig, al naar het oogpunt waaruit de lezer verkiest onzen held te -bezien, had de voorspoedige man geen gevoel of hart meer voor iets: <i>geblaseerd</i> door de bedwelmende buitensporigheden van het leven in Parijs, klopte zijn boezem -niet meer onder de afwisselingen van vreugde, droefheid of vrees; alles in hem was -gestorven. Zoo was hij juist de man om te slagen in het land waar het toeval hem geworpen -had. In den grooten levensstrijd door hem in Amerika begonnen, had hij een groot voordeel -op zijne mededingers, namelijk dat hij zich nooit door zijne hartstochten liet regeeren -en, dank zijne onverstoorbare koelbloedigheid, in staat was om telkens de strikken -te verijdelen die gedurig voor zijne voeten gespannen werden en waarover hij wist -te triomfeeren zonder dat hij het zelf scheen te gevoelen. -</p> -<p>Na het boven gezegde zal het niet noodig zijn er bij te voegen dat hij de vrouw wier -hand hij zocht, niet beminde; was zij jong en schoon, zooveel te beter; maar al ware -zij oud en leelijk geweest, zou hij haar toch genomen hebben. Wat kon het hem schelen? -hij zocht in dit huwelijk niets anders dan eene schitterende en benijdenswaardige -partij. -</p> -<p>Kortom, bij den graaf de Lhorailles was alles berekening. -</p> -<p>Maar neen, wij vergissen ons in een enkel opzicht, de graaf de Lhorailles had ééne -zwakke zijde, hij was eerzuchtig. -</p> -<p>Deze drift, een der hevigste roerselen die het menschelijk hart in beweging brengen, -was misschien het eenige dat den graaf aan de maatschappij verbond. -</p> -<p>Die eerzucht was bij hem, vooral sedert de laatste maanden, tot zulk eene hoogte ontwikkeld -dat hij er alles voor zou hebben opgeofferd. -</p> -<p>Maar wat was nu het doel van zijne eerzucht? wat was de eigenlijke droom zijner toekomst? -</p> -<p>Deze vraag zullen wij den lezer later waarschijnlijk tot in de kleinste bijzonderheden -kunnen beantwoorden. -</p> -<p>De graaf, na zich ontkleed te hebben, ging naar bed, dat wil zeggen, wikkelde zich -in zijn zarape en strekte zich op de brits, of liever het raam met lederen overtrek, -dat in gansch Mexico dienen moet om onze bedden te vervangen, een meubel dat in Europa -geheel onbekend is. -</p> -<p>Nauwelijks was hij gaan liggen of hij sliep in met de gerustheid <span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>van een ijverig werkzaam man, voor wien ieder uur kostbaar is en die, daar hij slechts -over weinige oogenblikken te beschikken heeft, zich haast om ze waar te nemen en slaapt, -zoo als de Spanjaarden zeggen: <i lang="es">a pierna suelta</i>, hetgeen wij zouden kunnen vertalen door slapen »met gesloten vuisten.” -</p> -<p>Ten één ure des morgens, gelijk hij zich beloofd had, werd de graaf wakker, hij stak -de eenige <i lang="es">cebo</i> aan die hem tot verlichting diende, bracht zijn toilet een weinig in orde, bekeek -met zorg zijne pistolen en zijne karabijn, voelde of zijn zwaard wel vlug uit de scheede -ging, en na de verdere voor iederen reiziger die op zijne veiligheid bedacht is onvermijdelijke -voorzorgen, opende hij de deur der cuarto en begaf zich regelrecht naar de corral. -</p> -<p>Zijn paard vrat nog volmondig en lustig zijn laatste hapje spurrie; de graaf gaf het -een maat haver toe, die het met een zacht gehinnik genoot; vervolgens legde hij zijn -viervoetigen vriend den zadel op. -</p> -<p>In Mexico zal geen echt ruiter, tot welke klasse <span class="corr" id="xd30e1867" title="Bron: de">der</span> maatschappij hij ook behoort, ooit aan anderen toevertrouwen om zijn paard te verzorgen, -want in deze nog half wilde streken van Mexico hangt het lijfsbehoud van den ruiter -grootendeels af van de kracht en vlugheid van zijn paard. -</p> -<p>De deur der herberg stond slechts op de klink, om den reizigers vrijheid te laten -van komen of gaan naar verkiezing, zonder iemand anders in huis te verontrusten. -</p> -<p>De graaf stak een <span class="corr" id="xd30e1874" title="Bron: cigaar">sigaar</span> op, steeg in den zadel en reed in gestrekten draf den weg op van Guaymas naar de -Rancho. -</p> -<p>Niets is aangenamer dan het reizen in Mexico bij nacht of in den vroegen morgen. De -aarde, door de nachtelijke koelte met overvloedigen dauw besproeid, wasemt er de verkwikkendste -en welriekendste geuren, wier heilzame invloed aan het lichaam al zijne kracht en -aan den geest al zijne helderheid geeft. -</p> -<p>De maan, die weldra onder zou gaan, verlengde met haar bijna horizontaal invallend -licht de schaduw der hier en daar langs den weg staande boomen, en gaf hun in de nachtelijke -duisternis het aanzien van spoken. -</p> -<p>De donkerblauwe hemel was met een talloos heir van tintelende sterren bezaaid, te -midden waarvan het Zuidelijk Kruis, aan hetwelk de Indianen den naam van Poron Chayké -hebben gegeven, schitterde met onverdoofbaren glans. De wind schuifelde zacht door -de takken, tusschen welke de blauwe nachtuil nu en dan zijn melodisch maar klagend -gezang hooren liet, en waarmede zich in de diepten der wildernis het ernstig gebrul -van puma en cougouar, of het hortend gemauw van <span class="corr" id="xd30e1881" title="Bron: panther">panter</span> en boschkat vermengde, of het schorre geblaf der op buit loerende coyotes. -</p> -<p>Bij zijn vertrek van Guaymas had de graaf zijn paard sterk aangezet, maar in weerwil -van zich zelven, door den onweerstaanbaren <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>indruk van dezen verrukkelijken herfstnacht medegesleept, vertraagde hij ongemerkt -den pas van zijn paard en gaf zich van lieverlede over aan den vollen stroom der gedachten, -die gedurig in zijn brein opkwamen en hem weldra deden zinken in zoete mijmeringen. -</p> -<p>De afstammeling van een oud en hooghartig Fransch geslacht, hier in de woestijn alleen, -liet in zijn geest den verdwenen luister van zijn sedert lang verduisterden naam voorbijgaan -en zijn hart zwol van vreugd en van trots bij de gedachte, dat voor hem wellicht de -taak was weggelegd, om, zoo niet den roem zijner voorzaten te herstellen, ten minste -ditmaal voor altijd het fortuin zijner familie te vestigen, dat hij tot hiertoe zoozeer -veronachtzaamd, althans zoo slecht had weten te bewaren. -</p> -<p>De grond, dien hij nu betrad, moest hem honderdvoudig teruggeven wat hij zoo dwaselijk -verloren en verkwist had; het oogenblik was gekomen, waarop hij eindelijk vrij van -alle banden de plannen zijner toekomst zou verwezenlijken, die hij zoo lang in zijn -hoofd had ontworpen. -</p> -<p>Zoo reed hij stapvoets voort, midden in de wildernis en zoodanig in zijne eigene beschouwingen -verdiept, dat hij geen acht sloeg op hetgeen er rondom hem gebeurde. -</p> -<p>De sterren aan den hemel begonnen te verbleeken en de een na de ander te verdwijnen. -De dageraad teekende reeds een witte streep aan den uitersten horizont, die zich van -lieverlede kleurde met roodachtige tinten; met de aannadering van den dag, werd de -lucht koeler en frisscher, terwijl de graaf door het koude gevoel van den rijkelijk -gevallen dauw der woestijn zoo te zeggen uit zijne sluimering gewekt, huiverend de -plooien van zijn zarape om zijne schouders trok en zijn paard op nieuw in galop zette, -met een verstoorden blik op den veranderden hemel en een wreveligen uitroep: -</p> -<p>»O! ik zal slagen, in weerwil van alles!” -</p> -<p>Verwaten uitdaging, op welke de hemel onmiddellijk scheen te willen antwoorden. -</p> -<p>Ofschoon de dag op het punt stond van aan te breken, was het alsof juist daarom de -nacht, in zijne worsteling met de ochtendschemering, des te duisterder wilde worden, -gelijk dit trouwens na het ondergaan der volle maan meermalen gebeurt, gedurende de -weinige minuten die de verschijning der zon voorafgingen. -</p> -<p>De eerste huizen der rancho van San José begonnen zich reeds in de verte te vertoonen -en hunne witte gevels in den dikken morgennevel op te steken, toen de graaf op eens -kort achter zich op de keien van den weg den haastigen hoefslag van verscheidene paarden -hoorde klinken, of althans meende te hooren weergalmen. -</p> -<p>In Amerika, bij nacht en op een eenzamen weg, is de ontmoeting van menschen altijd, -of ten minste bijna altijd een teeken van dreigend gevaar. -</p> -<p>De graaf bleef staan om te luisteren, het geluid naderde snel. -<span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span></p> -<p>De Franschman was dapper, dit had hij bij menige gelegenheid getoond; intusschen gevoelde -hij weinig lust om ergens op weg onverhoeds overvallen en wellicht jammerlijk vermoord -te worden. -</p> -<p>Hij keek in het rond, om zich te vergewissen hoeveel kans er was om zich te redden, -in geval de aankomende ruiters vijanden mochten zijn. -</p> -<p>Het terrein was geheel kaal en effen, geen enkele boom, of kuil, of heuvel achter -welke hij zich zou kunnen verschansen. -</p> -<p>Op twee honderd passen afstands verhieven zich, zooals wij reeds gezegd hebben, de -eerste huizen der Rancho. -</p> -<p>De graaf nam dadelijk zijn besluit. Hij gaf zijn paard de sporen en reed in vliegenden -galop in de richting van San José. -</p> -<p>Het bleek weldra dat de vreemdelingen zijn voornemen hadden geraden, want ook zij -versnelden den gang hunner paarden merkelijk. -</p> -<p>Zoo verliepen een paar minuten, terwijl het gedruisch van den galop al meer en meer -duidelijk werd. -</p> -<p>De Franschman begreep dus dat het op hem gemunt was, en dat de vreemde ruiters, wie -zij ook wezen mochten, hem zochten in te halen. -</p> -<p>Hij wierp een blik achterwaarts, en bemerkte in de donkere verte twee schaduwen, die -recht op hem aanhielden en in onbeteugelde vaart naderden. -</p> -<p>Intusschen had de graaf de Rancho bereikt; door de nabijheid der huizen gerustgesteld -en niet gaarne voor een wellicht ingebeeld gevaar willende vluchten, wendde hij zijn -paard plotseling om en posteerde zich dwars in de straat met een pistool in iedere -hand. -</p> -<p>De vreemdelingen renden aan met onverpoosde snelheid; weldra waren zij geen twintig -passen meer van den graaf verwijderd. -</p> -<p>»Wie daar?” riep hij met een luide en ferme stem. -</p> -<p>De onbekenden antwoordden niet, maar schenen nog harder door te zetten. -</p> -<p>»Wie daar?” herhaalde de graaf, »houdt op, of ik schiet.” -</p> -<p>Hij sprak dit op zulk een beslisten toon en met een zoo onverschrokken houding, dat -de onbekenden, na een oogenblik aarzelens bleven staan. -</p> -<p>Zij waren met hun beiden. -</p> -<p>De dag, die meer en meer begon aan te breken, veroorloofde den graaf hen volkomen -te onderscheiden. Zij waren gekleed als Mexicanen, maar vreemd voor dit land, waar -de bandieten zich weinig bekommeren hun gelaat te vertoonen, waren zij gemaskerd. -</p> -<p>»Heila! bazen,” riep de graaf, »wat beduidt die hardnekkige vervolging?” -</p> -<p>»Dat is waarschijnlijk omdat wij u gaarne wilden inhalen,” antwoordde eene holle stem -<span class="corr" id="xd30e1923" title="Bron: sarkastisch">sarcastisch</span>. -</p> -<p>»Hebt gij het dan op mij gemunt?” -</p> -<p>»Ja, zoo gij de vreemdeling zijt die zich de graaf de Lhorailles noemt.” -<span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span></p> -<p>»Juist; ik ben de graaf de Lhorailles,” zeide hij onverschrokken. -</p> -<p>»Goed, dan hebben wij elkander een woordje te zeggen.” -</p> -<p>»Daar heb ik niets tegen, al moet ik uit uw voorkomen opmaken dat gij bandieten zijt; -zoo het u misschien om mijn beurs te doen is, neemt die en gaat uws weegs, ik heb -niet veel tijd.” -</p> -<p>»Uw beurs moogt gij behouden, caballero: het is uw leven, niet uw geld dat wij u willen -ontnemen.” -</p> -<p>»Ah zoo! dat is hier dan eene aanranding vooraf en een moord daarna?” -</p> -<p>»Niet geraden: wij stellen u een eerlijken strijd voor.” -</p> -<p>»Hm! een eerlijken strijd,” riep de graaf, »van twee tegen een, dat is mijns inziens -toch wel een weinig ongelijk.” -</p> -<p>»Daarin zoudt gij gelijk hebben, wanneer het zoo was,” antwoordde degene die tot dusver -het woord had gedaan, »maar mijn kameraad is hier alleen om het gevecht aan te zien, -niet om er deel aan te nemen.” -</p> -<p>De graaf bedacht zich een oogenblik. -</p> -<p>»Pardi!” riep hij ten slotte, »het is wel een raar avontuur! een duël in Mexico en -met een Mexicaan!.…. dat is tot hiertoe nog nooit gezien.” -</p> -<p>»Dat is waar, caballero, maar er is een begin voor alles.” -</p> -<p>»Al scherts genoeg; ik heb er niets tegen om te strijden en hoop u te bewijzen dat -ik wel durf; maar eer ik uw voorstel aanneem, zou ik gaarne weten waarom gij mij noodzaakt -met u te vechten.” -</p> -<p>»Waartoe zou dat dienen?” -</p> -<p>»Waartoe zou dat dienen? Caspita! omdat ik het weten wil. Gij begrijpt wel, dat ik -hier mijn tijd niet kan verspillen met al de slechthoofden den hals te breken die -mij op weg ontmoeten en goedvinden om zich met mij te meten.” -</p> -<p>»Laat het u dan voldoende zijn te weten dat ik u haat.” -</p> -<p>»Caramba! daar was ik genoegzaam zeker van, maar dewijl gij er op staat om uw aangezicht -voor mij te bedekken, zou ik u toch gaarne eenmaal willen herkennen.” -</p> -<p>»Al woorden genoeg,” hervatte de onbekende, »de tijd vliegt heen; wij hebben reeds -veel te lang geredekaveld.” -</p> -<p>»Welnu, meester, als het er zoo mede gelegen is, houd u dan gereed ik zeg u vooruit, -dat ik voornemens ben op u beiden te schieten: een Franschman is niet verlegen om -twee Mexicaansche bandieten het hoofd te bieden.” -</p> -<p>»Zoo als gij goedvindt,” -</p> -<p>»Voorwaarts!” -</p> -<p>»Voorwaarts!” -</p> -<p>De drie ruiters spoorden hunne paarden en reden op elkander in; toen zij elkander -ontmoetten schoten zij hunne pistolen op elkander af, daarop trokken zij hunne sabels. -</p> -<p>De strijd was kort, maar hevig; een der onbekenden, licht gewond, <span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>werd door zijn paard weggevoerd en verdween in een wolk van stof. De graaf, even door -een kogel geraakt, voelde zijn woede ten top gestegen en verdubbelde zijne pogingen -om zijn vijand meester te worden of althans buiten gevecht te stellen; maar hij had -met een moeielijken tegenstander te doen, een man van verbazende behendigheid en in -kracht ten minste met hem gelijk. -</p> -<p>Hij zag zijne oogen als gloeiende kolen schitteren door de gaten van zijn masker, -terwijl hij met ongelooflijke snelheid om hem heen reed en zijn paard de stoutste -sprongen en wendingen deed maken, hem gedurig aanvallende, nu met de spits en dan -met het scherp van zijn sabel, en tegelijk zorg dragende dat hij buiten het bereik -der slagen van zijn tegenpartij bleef. -</p> -<p>De graaf verspilde tegen zijn onvermoeiden vijand zijn kracht te vergeefs; zijne bewegingen -begonnen aan vaardigheid en juistheid te verliezen, zijn gezicht werd beneveld, het -zweet gudste van zijne slapen. De aanvallen zijner stilzwijgende tegenpartij daarentegen -werden des te sneller; de uitslag van den strijd was niet meer te betwijfelen, toen -de Franschman plotseling een strik op zijne schouders voelde, en eer hij er aan dacht -om er zich van te ontdoen, zoo onzacht uit den zadel gerukt en op den grond werd geworpen, -dat hij bijna bewusteloos bleef liggen, zonder zich te kunnen bewegen. -</p> -<p>Den tweeden onbekende was het, na een dollen rit van eenige minuten, eindelijk gelukt -zijn paard weder meester te worden; en toen met allen spoed naar de plaats van het -gevecht terug gereden, zonder dat de twee verbitterde kampioenen door de hitte des -strijds zijne tegenwoordigheid opmerkten, had hij het noodig geoordeeld den strijd -te doen eindigen en zijn reata nemende had hij den graaf gelasseerd. -</p> -<p>Zoodra de onbekende zijn vijand zag vallen, steeg hij van zijn paard en liep naar -hem toe. -</p> -<p>Zijne eerste zorg was den Franschman van den strik te bevrijden, die hem bijna worgde, -vervolgens poogde hij hem weer tot bewustzijn te brengen, hetgeen niet veel tijd vorderde. -</p> -<p>»Ha!” riep de graaf met een bitteren glimlach, terwijl hij opstond en de armen op -de borst kruiste, »durft gij dat een eerlijken strijd noemen?” -</p> -<p>»Gij alleen hebt de schuld van hetgeen er gebeurd is,” antwoordde de andere, »daar -gij mijne voorstellen niet hebt willen aannemen.” -</p> -<p>De Franschman verwaardigde zich niet hierover te redeneeren, hij vergenoegde zich -met verachtelijk de schouders op te halen. -</p> -<p>»Uw leven heb ik gewonnen,” vervolgde zijn weerpartij. -</p> -<p>»Ja, door een schelmstuk; maar wat kan het mij schelen! vermoord mij en maak er een -eind aan.” -</p> -<p>»Ik wil u niet dooden.” -</p> -<p>»Wat wilt gij dan?” -</p> -<p>»U een raad geven.” -<span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span></p> -<p>»Mij?” -</p> -<p>»Ja, u.” -</p> -<p>De graaf grinnikte. -</p> -<p>»Gij zijt een gek, waarde heer.” -</p> -<p>»Niet zoo erg als gij denkt. Luister aandachtig naar hetgeen ik u te zeggen heb.” -</p> -<p>»Zoo ik hopen mocht daardoor des te eerder van uwe tegenwoordigheid ontslagen te worden, -zou ik het doen.” -</p> -<p>»Hoor dan, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> conde de Lhorailles, uwe komst hier te lande heeft twee personen in ’t ongeluk gestort.” -</p> -<p>»Loop heen, gij houdt mij voor den gek.” -</p> -<p>»Ik spreek in vollen ernst. Don Sylva de Torres heeft u de hand zijner dochter beloofd.” -</p> -<p>»Wat gaat u dat aan?” -</p> -<p>»Antwoord.” -</p> -<p>»Het is zoo, waarom zoude ik het loochenen?” -</p> -<p>»<span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita bemint u niet.” -</p> -<p>»Hoe kunt gij dat weten?” riep de graaf met een schamperen lach. -</p> -<p>»Ik weet het, en ik weet bovendien dat zij een ander bemint.” -</p> -<p>»Welnu en wat nog meer?” -</p> -<p>»En dat die andere haar bemint.” -</p> -<p>»Des te gekker voor hem, want ik zal haar nooit afstaan, dat zweer ik u.” -</p> -<p>»Gij hebt ongelijk, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> conde, gij zult haar afstaan, of gij sterft.” -</p> -<p>»Het een zoo min als het ander!” riep de onstuimige Franschman, die thans van zijn -val geheel hersteld was. »Ik herzeg u dat ik Anita zal huwen. Bemint zij mij niet, -hetgeen ik echter betwijfel, welnu dat is een ongeluk; ik hoop dat zij later te mijnen -opzichte wel van meening zal veranderen; ik wil dat huwelijk, en niemand is in staat -het te verhinderen.” -</p> -<p>De gemaskerde had hem met de hevigste ontroering aangehoord, zijne oogen fonkelden -van woede, hij stampvoette van spijt; het gelukte hem echter zijn gevoel te overmeesteren -en hij antwoordde met eene kalme en bedaarde stem: -</p> -<p>»Zie wel toe wat gij doet, caballero; ik heb gezworen u te waarschuwen, en ik waarschuw -u eerlijk en trouw, de Hemel geve dat mijne woorden in uw hart weerklank vinden en -dat gij den raad volgen zult dien ik u geef!.… De eerste keer dat het lot ons weer -bij elkander brengt, moet een van ons beiden sterven.” -</p> -<p>»Ik zal de noodige voorzorgen nemen, wees daar gerust op; intusschen doet gij verkeerd -dat gij de tegenwoordige gelegenheid niet waarneemt om mij te dooden; want die zult -gij nooit terug vinden.” -</p> -<p>De twee gemaskerden waren weder te paard gestegen. -</p> -<p></p> -<div class="figure p067width"><img src="images/p067.jpg" alt="«Graaf de Lhorailles,» zei de eene, «wees op uw hoede.» Bladz. 67." width="490" height="720"><p class="figureHead">«Graaf de Lhorailles,» zei de eene, <span class="corr" id="xd30e2016" title="Niet in bron">«</span>wees op uw hoede.<span class="corr" id="xd30e2018" title="Niet in bron">»</span> Bladz. 67.</p> -</div><p> -</p> -<p>»Graaf de Lhorailles,” zei de eene, zich nogmaals tot den Franschman wendende, »wees -op uwe hoede, ik heb op u een groot voordeel; <span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span>ik ken u en gij kent mij niet, het zal mij dus altijd gemakkelijk zijn u te bereiken, -als ik dat wil. Wij Mexicanen zijn van Indiaansch en Spaansch bloed, wij zijn vurig -in het haten, wees gewaarschuwd!” -</p> -<p>Na eene beleefde buiging voor den graaf barstte hij los in een spotachtigen schaterlach, -gaf zijn paard de sporen en vertrok in duizelingwekkende vaart, gevolgd door zijn -zwijgenden kameraad. -</p> -<p>De graaf oogde hem na met een peinzenden blik tot zij in de schemering verdwenen waren; -hij schudde eenige malen het hoofd als of hij er de sombere gedachten wilde wegschudden -die hem tegen wil en dank bestormden; toen raapte hij zijn sabel en hier en daar verstrooide -pistolen op, nam zijn paard bij den teugel en stapte langzaam naar de pulqueria in -welker nabijheid de strijd was voorgevallen. -</p> -<p>Het licht dat door de slecht gevoegde planken der deur scheen en het gezang en gelach, -dat hij daar binnen hoorde deden hem veronderstellen, dat hij in de herberg nog wel -een tijdelijk nachtverblijf zou vinden. -</p> -<p>»Hm!” mompelde hij half overluid terwijl hij voorttrad, »de bandiet heeft gelijk, -hij kent mij, en ik zal hem onmogelijk weer kunnen vinden. Vive Dios! daar heb ik -mij een mooien haat op den hals gehaald! Bah!” vervolgde hij, »wat geef ik er om! -Ik was al te gelukkig, ik had een vijand noodig. Bij mijn ziel! laat men doen wat -men wil, al zou de duivel zelf tegen mij samenspannen, zweer ik, dat niets mij bewegen -zal de hand van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita af te staan,” -</p> -<p>Op dit oogenblik bevond hij zich voor de pulqueria, waar hij op de deur klopte. -</p> -<p>Van nature niet zeer geduldig en bovendien vergramd door hetgeen hem overkomen was -en door den vreeselijken kamp dien hij had moeten verduren, was de graaf op het punt -van zijne bedreiging uit te voeren en de deur aan spaanders te breken toen zij eindelijk -geopend werd. -</p> -<p>»<span lang="es">Valge me dios?</span>” riep hij verbolgen, »laat gij de menschen voor uw huis vermoorden zonder hun te -hulp te komen.” -</p> -<p>»Zoo!” riep de pulquero levendig met zekere nieuwsgierigheid, »is er iemand vermoord?” -</p> -<p>»Neen, Goddank!” hervatte de graaf, »maar het scheelde weinig, of ik was dood.” -</p> -<p>»O!” riep de pulquero onverschillig, »als men zich wilde storen aan allen die bij -nacht om hulp roepen, dan zou men de handen vol hebben, en daarbij, als de politie -er achter komt, heeft men er maar last van.” -</p> -<p>De graaf haalde de schouders op en trad binnen, met zijn paard aan den toom achter -zich; terwijl de deur onmiddellijk gesloten werd. -</p> -<p>De graaf de Lhorailles wist nog niet dat al wie in Mexico een lijk opneemt, of zich -tegen den moordenaar civiele partij stelt, verplicht <span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span>is om de kosten van het gerecht, die soms enorm hoog loopen te betalen, en ten slotte -toch geen verhaal of recht voor het slachtoffer kan krijgen. -</p> -<p>Men is in geheel Mexico hiervan zoo vast overtuigd, dat als er een manslag plaats -heeft, iedereen zich uit de voeten maakt zonder het slachtoffer hulp te verlenen, -daar dit, ingeval er de dood op volgt, voor hem die er zich mede bemoeid heeft de -grootste onaangenaamheden veroorzaakt. -</p> -<p>In Sonora doet men nog erger, zoodra er een oploop is, en een doode valt, sluit iedereen -zijne deur. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6886">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">VIII.</h2> -<h2 class="main">HET VERTREK.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Zoo als don Sylva de Torres aan zijne dochter gezegd had, was tegen zonsopgang alles -gereed om te vertrekken. -</p> -<p>In Mexico en bovenal in Sonora, waar de wegen gewoonlijk het beste zijn, als zij ten -eenenmale ontbreken, gaat het reizen geheel anders dan in Europa. -</p> -<p>Daar zijn geen openbare vracht- of postdiensten, geen pleisterplaatsen of paardenposterijen, -veel min spoorwegen. Eene reis van eenige dagen kost oneindig veel zorg en beweging, -men is dan verplicht alles bij zich te hebben, daar men niet zeker is iets onder weg -te zullen vinden: bedden, tenten, levensmiddelen en water wel het meest; alles moet -op muilezels gepakt en weggesleept worden; zonder deze voorzorgen, zou men gevaar -loopen van honger of dorst om te komen of onder den blooten hemel te moeten overnachten. -</p> -<p>Daarbij moet men zich van een aanzienlijk, goed gewapend geleide voorzien, om den -aanval van wilde beesten niet slechts, maar ook der Indianen en vooral der struikroovers -af te weren, daar het dank zij de regeeringloosheid van dat ongelukkige land op alle -wegen van Mexico van wemelt. -</p> -<p>Diensvolgens zal de lezer gemakkelijk begrijpen, dat don Sylva reikhalzend verlangde -om Guaymas zoodra mogelijk te verlaten, toen, zoo als wij gezegd hebben, in den vroegen -morgen alles voor zijn vertrek gereed was. -</p> -<p>De opene plaats voor het huis had veel van eene groote pleisterplaats; vijftien muildieren -met pakken en balen beladen stonden te wachten tot dat men gereed was met de palankijn, -in welke <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita de reis mede zou maken. -</p> -<p>Een veertigtal paarden, getuigd en gezadeld, met het vliegennet over den neus, en -pistolen in de holsters, stonden in ringen aan den muur vastgemaakt, en een enkele -peon afzonderlijk met een heerlijken, <span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span>kostbaar getuigden draver aan de hand, die voor don Sylva bestemd, ongeduldig stond -te wuiven en te stampvoeten, knabbelende op het zilveren gebit, dat met schuim overdekt -was. -</p> -<p>Kortom het was om doof te worden van al het geschreeuw, gelach en gedruisch. -</p> -<p>In de straat stond eene menigte volks te gapen, waaronder zich ook Cuchares en don -Martial bevonden, die van hun toer naar de Rancho teruggekomen, met nieuwsgierigheid -dit vertrek gadesloegen, daar zij niets van begrepen in dit vergevorderde jaargetij, -zoo weinig geschikt voor een verblijf op het land, en zich verdiepten in allerlei -gissingen die kant noch wal raakten, over deze zoo geheel buitengewone reis. -</p> -<p>Onder den hoop hier, hetzij toevallig of uit nieuwsgierigheid samengevloeid, bevond -zich een man, blijkbaar een Indiaan, die schijnbaar achteloos tegen den muur geleund, -evenwel het huis van don Sylva niet uit het oog verloor en met de meeste belangstelling -al de bewegingen der talrijke bedienden van den haciendero gadesloeg. -</p> -<p>Deze persoon, nog jong, scheen een zoogenaamde Hiaqui-Indiaan, ofschoon een nauwlettend -opmerker bij nader onderzoek het tegendeel zou gezegd hebben; in het breede voorhoofd -van den man, zoowel als in zijn moeielijk te bedwingen fonkelend oog, en in den fieren -mond, maar vooral in zijne forsche ledematen, die naar het model van den Griekschen -Hercules schenen gevormd te zijn, was iets edels, vastberadens en onafhankelijks, -dat veeleer den trotschen Comanch of den woesten Apache aanduidde, dan den meestal -dommen Hiaqui. Onder de talrijke schaar dacht echter niemand zich met dezen Indiaan -bezig te houden, die van zijnen kant wel zorg droeg de aandacht niet te trekken, maar -zich zooveel mogelijk te verbergen. -</p> -<p>De Hiaquis komen zich gewoonlijk te Guaymas als werklieden of als lastdragers verhuren: -daarom heeft de tegenwoordigheid van zulk een Indiaan niets vreemds. -</p> -<p>Eindelijk, tegen acht uren in den morgen, verscheen don Sylva de Torres met zijne -dochter aan de hand, gekleed in een keurig reisgewaad, onder de peristyle van het -huis. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita was zoo bleek als kwam zij uit het graf; haar betrokken gelaat en gezwollen -oogen bewezen maar al te zeer, hoeveel zij dien nacht geleden en welk een zelfbedwang -zij op dit oogenblik noodig had, om niet voor aller oog in tranen uit te breken. Bij -hare verschijning wisselden don Martial en Cuchares een snellen blik, terwijl op de -lippen van den Indiaan een glimlach trilde van onbeschrijfelijke uitdrukking. -</p> -<p>De tegenwoordigheid van den haciendero herstelde als met een tooverslag de stilte; -de <i lang="es">arrieros</i> plaatsten zich terstond aan het hoofd hunner muildieren; de peons, tot aan de tanden -gewapend, stegen in den zadel en don Sylva, na zich met een oogopslag verzekerd te -<span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>hebben dat zijne bevelen stipt waren uitgevoerd, liet zijne dochter in de palankijn -stappen, waar zij zich terstond in de kussens verborg als een <i>bengali</i><a class="noteRef" id="xd30e2089src" href="#xd30e2089">1</a> in een bed van rozeblaren. -</p> -<p>Op een wenk van den haciendero, begonnen de muilezels, kop aan staart achter elkander -gebonden, achter de <i lang="es">nana</i> of moederezelin, die de bel aanhad, en onder geleide der peons, het huis uit te komen. -</p> -<p>Alvorens te paard te stijgen wendde don Sylva zich tot een zijner oudste bedienden, -die met den stroohoed in de hand eerbiedig voor hem stond. -</p> -<p>»Adieu, no Pelucho,” zeide hij, »ik vertrouw u het huis toe, houd goed de wacht en -draag zorg voor al wat er in is. Overigens laat ik u Pedrito en Florentio, die u kunnen -helpen en aan wie gij de noodige orders zult geven, zoodat alles gedurende mijne afwezigheid -goed gaat.” -</p> -<p>»Gij kunt volkomen gerust zijn, <span lang="es">mi amo</span> (meester),” antwoordde de grijsaard met een nederige buiging voor zijn meester, »het -is Goddank niet voor het eerst dat gij mij hier alleen laat, ik geloof dat ik mij -altijd goed van mijn plicht gekweten heb.” -</p> -<p>»Gij zijt een goed dienaar, no Pelucho,” antwoordde don Sylva met een vriendelijken -lach, »ik kan u niet anders dan prijzen, ook ga ik ten volle gerust van hier.” -</p> -<p>»Dat God u zegene! <span lang="es">mi amo</span>, even als de <span class="corr" id="xd30e2111" title="Bron: Nina">Niña</span>,” antwoordde de oude man, een kruis makende. -</p> -<p>»Tot weêrziens, no Pelucho,” zei nu het meisje terwijl zij even het hoofd uit de palankijn -stak, »ik weet dat gij zorgen zult voor al wat van mij is.” -</p> -<p>De grijsaard boog, zichtbaar vergenoegd. -</p> -<p>Don Sylva gaf bevel om te vertrekken en de gansche karavaan zette zich in beweging -naar de Rancho de San José. Het was een van die heerlijke ochtenden zooals men alleen -in deze rijk gezegende streken vindt; het onweder gedurende den afgeloopen nacht had -den hemel geheel schoon geveegd, die zich thans voordeed in een zacht blauw; de zon, -die reeds vrij hoog boven den gezichteinder stond, verspreidde hare warme stralen, -min of meer getemperd door de welriekende dampen die uit den grond opstegen; de atmospheer -met frissche en versterkende geuren bezwangerd, was bijzonder doorzichtig en werd -van tijd tot tijd door eene lichte koelte verfrischt; gansche scharen van vogels, -van duizenderlei kleur en pluimaadje vlogen in alle richtingen, en de muildieren die -achter de bellen der <i lang="es">nana madrina</i>—de moederezelin—aankwamen, draafden luchtig voort, onder het opwekkend gezang der -arrieros. -</p> -<p>Zoo marcheerde de karavaan in opgeruimde stemming over de zandige <span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span>vlakte, wolken van stof opjagende, terwijl zij als eene lange kronkelende slang zich -voortbewoog in de eindelooze bochten van den weg. -</p> -<p>Eene voorhoede uit tien peons bestaande nam de omstreken op en bespiedde hier en daar -de struiken en heuvels van het golvende terrein. Don Sylva rookte eene <span class="corr" id="xd30e2127" title="Bron: cigaar">sigaar</span> en praatte met zijne dochter, terwijl eene achterhoede van twintig kloeke peons den -trein sloot en voor de veiligheid van het convooi waakte. -</p> -<p>Wij herhalen hier, in dit land waar geen politie en bij gevolg geen openbaar toezicht -bestaat, is eene reis van vier mijlen—want verder ligt de Rancho de San José niet -van Guaymas—een even ernstige en zorgvereischende zaak als eene reis van honderd mijlen -elders; de vijanden die men zou kunnen ontmoeten en met welke men ieder oogenblik -te doen kan krijgen, hetzij roofzieke Indianen of verscheurende dieren, zijn te talrijk, -te stoutmoedig en te tuk op roof en moord om te hunnen aanzien zijn leven alleen aan -de vlugheid van zijn paard toe te vertrouwen. -</p> -<p>Men had Guaymas reeds ver achter zich, en de witte huizen waren sinds lang in de oneffenheden -van het terrein verdwenen, toen de <i lang="es">capataz</i>, die zich tot hiertoe rustig aan het hoofd der karavaan had gehouden, op eens van -daar terugkwam en in galop naar de palankijn reed, waar don Sylva de Torres zich nog -steeds bevond. -</p> -<p>»Wel, Blas,” riep deze, »wat nieuws hebt gij? Onraad gezien voor ons uit?” -</p> -<p>»Nog niets, <span class="corr" id="xd30e2139" title="Bron: senoria">señoria</span>, antwoordde de capataz, »alles gaat goed en binnen een uurtje komen wij aan de Rancho.” -</p> -<p>»Hoe komt gij dan zoo haastig naar mij toe?” -</p> -<p>»O, mijn hemel, <span class="corr" id="xd30e2146" title="Bron: senoria">señoria</span>, het beteekent niet zoo veel, maar er loopt mij een idee door het hoofd, er is iets -dat ik wilde aanwijzen.” -</p> -<p>»Ah zoo,” riep don Sylva, »wat, brave jongen?” -</p> -<p>»Kijk eens, <span class="corr" id="xd30e2152" title="Bron: senoria">señoria</span>,” hervatte de capataz met de hand naar het zuidwesten wijzende. -</p> -<p>»Hé! wat zou dat beduiden? Daar is een vuur, als ik het wel heb.” -</p> -<p>»’t Is inderdaad een vuur, <span class="corr" id="xd30e2158" title="Bron: senoria">señoria</span>; maar kijk eens hier,” en hij wees nu naar het zuid-oosten. -</p> -<p>»Dat is er nog een. Wie duivel toch stookt hier vuur op zulke hooge steilten, met -welk oogmerk kan men dat gedaan hebben?” -</p> -<p>»O! maar dat is zoo moeielijk niet te begrijpen, <span class="corr" id="xd30e2164" title="Bron: senoria">señoria</span>.” -</p> -<p>»Vindt gij dat, mijn jongen? wel, dan moest gij mij de zaak eens ophelderen.” -</p> -<p>»Met alle genoegen. Zie daar ginds,” zeide hij, met de hand naar den berg wijzende -daar hij het eerste vuur gezien had, »die heuvel is de <span lang="es">Cerro del Gigante</span>.” -</p> -<p>»Werkelijk.” -</p> -<p>»En deze,” vervolgde de capataz naar het tweede vuur wijzende, »is de Cerro de San -Xavier.” -<span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span></p> -<p>»Dat meen ik ook.” -</p> -<p>»ik weet het zeker.” -</p> -<p>»Welnu?” -</p> -<p>»Welnu, daar het eene bewezen waarheid is, dat een vuur niet van zelve kan ontstaan -en dat bij eene hitte van veertig graden niemand lust zal hebben om voor aardigheid -een vuur boven op den berg te gaan stoken.….” -</p> -<p>»Wat besluit gij er dan uit?” -</p> -<p>»Ik denk dat die vuren hetzij door roovers of door Indianen zijn aangelegd die de -lucht hebben van onzen uittocht.” -</p> -<p>»Ja, ja, ja! wat gij daar zegt, is bondig geredeneerd, vriend; ga voort met uw verklaring, -zij wekt mijne hoogste belangstelling.” -</p> -<p>De capataz of majordomo van don Sylva, was een kloeke borst van omtrent veertig jaren, -een vent als een Herkules, en met hart en ziel aan zijn meester gehecht die wederkeerig -in hem het grootste vertrouwen stelde. Op de minzame woorden van den haciendero boog -de eerlijke man met een glimlach van zelfvoldoening. -</p> -<p>»O, maar ik heb zooveel niet meer te zeggen” riep hij, »niets anders dan dat de <span lang="es">ladrones</span> (dieven), of wie het ook wezen mogen die op ons loeren, door dit signaal gewaarschuwd -zijn dat don Sylva de Torres en zijne dochter van Guaymas op weg zijn naar de Rancho -de San José.” -</p> -<p>»Waarlijk, gij hebt gelijk, ik heb dat alles over het hoofd gezien: ik dacht het minst -niet aan de roofvogels van allerlei soort die op ons pad loeren. Maar alles wel ingezien, -wat geven wij er om of de bandieten ons op de hielen zitten, wij zijn immers onder -duizend getuigen op reis gegaan, zoo dat niemand er onkundig van behoeft te zijn, -en bovendien wij zijn talrijk genoeg om voor geen aanranding te vreezen, maar zoo -het mocht gebeuren dat eenige dier schelmen ons durven aanvallen, carcaras! dan zullen -ze weten met wien ze te doen hebben, dat beloof ik u; trekken wij dus onbezorgd voort, -beste vriend; ik zie niet in dat ons iets onaangenaams kan overkomen.” -</p> -<p>De capataz boog voor zijn meester en reed in galop naar zijne plaats aan het hoofd -der karavaan terug. -</p> -<p>Een uur later bereikten zij zonder tegenspoed de Rancho. -</p> -<p>Don Sylva reed aan het rechter portier der palankijn en sprak tegen zijne dochter -die hem slechts karige antwoorden gaf, al trachtte zij hare droefheid zoo veel mogelijk -voor den scherpzienden blik van haren vader te verbergen, toen de haciendero zich -op eens bij herhaling hoorde roepen: hij keek dadelijk om en was niet weinig verbaasd, -daar hij in den man die hem zoo onverwachts tot verantwoording riep den graaf de Lhorailles -herkende. -</p> -<p>»Hoe, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> graaf, gij hier!” riep hij uit, »door welk zonderling toeval ontmoet ik u hier zoo -dicht bij de haven, daar gij dezen nacht mij reeds zoover vooruit had moeten zijn?” -<span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span></p> -<p>Zoodra <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita den graaf zag kreeg zij een blos, zij trok zich schielijk terug en liet de -gordijnen der palankijn neer. -</p> -<p>»O!” antwoordde de graaf met eene beleefde buiging, »tusschen nu en gisteren avond -zijn er zekere dingen gebeurd die ik u vertellen zal, Don Sylva, dingen daar gij verwonderd -van zult opkijken, ik verzeker u; maar het tegenwoordig oogenblik is niet geschikt -om zulk eene historie te beginnen.” -</p> -<p>»Zooals gij gepast oordeelt, mijn vriend. Maar hoe is ’t met u, vertrekt gij, of blijft -gij hier?” -</p> -<p>»Ik vertrek, ik vertrek! Ik ben alleen hier gebleven met oogmerk om u op te wachten; -en zoo gij het goedvindt reizen wij samen; in plaats van u naar Guetzalli vooruit -te gaan, komen wij er dan gezamenlijk aan.” -</p> -<p>»Met alle genoegen. Op marsch!” vervolgde hij met een wenk tegen den capataz. -</p> -<p>Laatstgenoemde had toen hij zijn meester met den graaf zag spreken, de karavaan halt -laten maken. Thans trok zij weder op weg. -</p> -<p>De Rancho de San José was weldra achter den rug en nu eerst begon de eigenlijk gezegde -reis. -</p> -<p>Voor de reizigers uit strekte zich de woestijn met hare onafzienbare zandvlakte, op -wier geelachtigen bodem eene bochtige lijn, gevormd door het wit gebleekt gebeente -der paarden en muildieren, die in de woestijn waren bezweken, het pad aanwees dat -men te volgen had om niet te verdwalen. -</p> -<p>Omtrent twee honderd passen voor de karavaan uit, reed op een kreupelen ezel in sukkeldraf -een man, hij zwaaide telkens links en rechts, en scheen half in slaap geraakt door -de brandende zonnestralen die loodrecht op zijn bloot hoofd vielen. -</p> -<p>»Hei! Blas!” riep don Sylva tegen zijn majordomo, toen hij den eenzamen ruiter in -’t oog kreeg, »gij moest dien Indiaan daar voor ons uit eens gaan roepen; die weergasche -Roodhuiden kennen de woestijn op hun duim, hij zou ons als gids kunnen dienen; dan -loopen wij minder gevaar van verdwalen, want als wij ons soms mochten vergissen, zal -hij ons zeker wel weder op den rechten weg brengen.” -</p> -<p>»Gij hebt gelijk,” zei de graaf, »in deze verduivelde zandvlakte is men nooit zeker -van het rechte spoor.” -</p> -<p>»Ga hem roepen!” hervatte don Sylva. -</p> -<p>De capataz zette zijn paard in galop. Op eenigen afstand van den eenzamen reiziger -gekomen bracht hij de handen aan zijn mond bij wijze van roeper: -</p> -<p>»Heila, José!” schreeuwde hij. -</p> -<p>In Mexico heeten al de mansos of geciviliseerde Indianen José, zoodat deze naam voor -hen een soort van geslachtsnaam is geworden. -</p> -<p>De Indiaan keek om. -<span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span></p> -<p>»Wat moet gij hebben?” vroeg hij onverschillig. -</p> -<p>Het was dezelfde persoon dien wij te Guaymas met zoo veel aandacht de reisaanstalten -van den haciendero hebben zien beschouwen. -</p> -<p>Was hij toevallig dezen weg uitgereden, of met opzet? -</p> -<p>Dit is eene vraag die niemand had kunnen beantwoorden. -</p> -<p>Blas Velazquez was wat men in Mexico een <i lang="es">hombre de a caballo</i>, wij zouden zeggen een geboren ridder, noemt, sedert lang op de hoogte van al de -listen der Indianen, zoowel als met de jacht op wilde dieren. Hij wierp den reiziger -een doordringenden blik toe, dien deze met volmaakte onverschilligheid doorstond. -Het hoofd eenigszins verlegen gebukt, de handen op den hals van zijn ezel en de naakte -beenen er links en rechts af hangende, was hij de volslagen type van een <i>manso</i> Indiaan, die door de vernederende en slaafsche behandeling der blanken bijna tot -een redeloos dier is geworden. -</p> -<p>De capataz schudde onvoldaan het hoofd, zijn onderzoek was alles behalve naar wensch; -intusschen, na eene minuut aarzelens, hervatte hij zijn verhoor. -</p> -<p>»Wat maakt gij hier zoo alleen op den weg, José?” vroeg hij. -</p> -<p>»Ik kom van del Puerto, waar ik mij als timmermansknecht had verhuurd; ik ben er omtrent -eene maand gebleven, en toen ik er de kleine som daar het mij alleen om te doen was -had overgewonnen, ben ik gisteren weder vertrokken en keer naar mijn dorp terug.” -</p> -<p>Dit alles klonk zoo waarschijnlijk als men verlangen kon; de meeste Hiaqui Indianen -deden zoo; en bovendien, wat reden kon deze man hebben om te liegen? Hij was alleen, -en ongewapend; de karavaan daarentegen was talrijk en bestond uit dappere mannen; -er was dus geen het minste gevaar te vreezen. -</p> -<p>»En hebt gij braaf geld gewonnen?” hervatte de capataz. -</p> -<p>»Ja,” zei de Indiaan met een zegevierend gezicht, »vijf piasters en nog drie meer.” -</p> -<p>»Oho! José, gij zijt rijk.” -</p> -<p>De Hiaqui glimlachte dubbelzinnig. -</p> -<p>»Ja,” zeide hij, »de Tiburon<a class="noteRef" id="xd30e2247src" href="#xd30e2247">2</a> heeft geld.” -</p> -<p>»Heet gij de Tiburon?” hernam de capataz wantrouwig, »dat is geen mooie naam.” -</p> -<p>»He! waarom niet? De bleekgezichten hebben dien aan hun rooden zoon gegeven, hij vindt -hem mooi, omdat hij van hen afkomstig is en hij zal hem houden.” -</p> -<p>»Ligt uw dorp nog ver van hier?” -</p> -<p>»Als ik een goed paard had, zou ik er in drie dagen kunnen zijn, mijn stamdorp ligt -tusschen de Gila en Guetzalli.” -</p> -<p>»Zijt gij bekend te Guetzalli?” -</p> -<p>De Indiaan trok minachtend de schouders op. -</p> -<p>»De Roodhuiden kennen al de jachtgronden aan de Gila,” zeide hij. -<span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span></p> -<p>Op dit oogenblik had de karavaan de beide sprekers ingehaald. -</p> -<p>»Wel, Blas,” vroeg don Sylva, »wat is dat voor een man?” -</p> -<p>»Een Hiaqui-Indiaan, die eene kleine som geld te Puerto heeft overgewonnen en naar -zijn dorp terugkeert.” -</p> -<p>»Zou hij ons van dienst kunnen zijn? -</p> -<p>»Ik denk het wel, zijn stam, zegt hij, ligt tusschen de Gila en de kolonie te Guetzalli.” -</p> -<p>»Ah zoo!” riep de graaf die thans naderbij kwam, »behoort hij dan misschien tot den -stam van het Witte Paard?” -</p> -<p>»Ja,” zei de Indiaan. -</p> -<p>»O! dan sta ik borg voor den man,” riep de graaf levendig, »dat zijn zeer zachtzinnige -Indianen, het zijn ellendige arme drommels, die bijna van honger sterven; ik gebruik -hen dikwijls op de hacienda.” -</p> -<p>»Hoor eens,” hervatte don Sylva, den Roodhuid vriendelijk op den schouder kloppende, -<span class="corr" id="xd30e2271" title="Niet in bron">»</span>wij moeten naar Guetzalli.” -</p> -<p>»Goed.” -</p> -<p>»En wij hebben een trouwen en eerlijken gids noodig.” -</p> -<p>»De Tiburon is arm, hij heeft niets dan een zwakken ezel, zoodat hij de bleekgezichten -niet zal kunnen bijhouden.” -</p> -<p>»Maak u daar niet ongerust over,” liet er de haciendero op volgen; »ik zal u een paard -laten geven zoo als gij er nog nooit een bereden hebt; en als gij ons eerlijk dient, -zal ik bij onze komst aan de hacienda nog tien piasters voegen bij die gij reeds hebt. -Bevalt u dat?” -</p> -<p>De oogen van den Indiaan schitterden van begeerlijkheid bij dit voorstel. -</p> -<p>»Waar is het paard?” vroeg hij. -</p> -<p>»Daar is het,” antwoordde de capataz terwijl hij hem een heerlijken draver aanwees -die een der peons hem bracht. -</p> -<p>De Roodhuid beschouwde het paard met het oog van een kenner. -</p> -<p>»Gij aanvaardt dus den koop?” vroeg de haciendero. -</p> -<p>»Ja,” antwoordde de Roodhuid. -</p> -<p>»Kom dan maar gezwind van uw ezel en wij vertrekken dadelijk.” -</p> -<p>»Ik kan mijn ezel niet verlaten; hij is een goed dier, dat mij lang dienst heeft gedaan.” -</p> -<p>»Wees daar niet bezorgd over, hij komt met de pakezels achteraan.” -</p> -<p>De Indiaan gaf een wenk van toestemming en antwoordde niets; eenige oogenblikken daarna -zat hij behoorlijk op zijn paard en ging de karavaan weder op weg. -</p> -<p>Alleen de capataz scheen niet veel vertrouwen te stellen in den zoo zonderling aangetroffen -gids. -</p> -<p>»Ik zal hem in het oog houden,” mompelde hij in zich zelven. -</p> -<p>De tocht werd dien ganschen dag zonder verdere stoornis voortgezet, en den volgenden -dag bereikte men de Rio Gila. -<span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span></p> -<p>De oevers der Rio Gila maken door hunne vruchtbaarheid een sterk contrast met de dorre -vlakten in hare nabijheid; de reis van don Sylva, ofschoon hervat op het oogenblik -toen de zon in het toppunt stond en hare stralen loodrecht nederschoot, was nu niets -anders dan een aangename wandelrit van weinige uren, onder de schaduw van het loofrijkst -geboomte dat hier met een in ons klimaat onbekenden wasdom opschiet. -</p> -<p>Het was ongeveer drie uren in den namiddag toen onze reizigers nauwelijks vijftig -passen voor zich uit de kolonie Guetzalli zagen liggen, welke door den graaf de Lhorailles -gesticht en ofschoon nog geen drie jaren tellende, reeds eene aanzienlijke uitbreiding -had bekomen en tot in hooge mate ontwikkeld was. -</p> -<p>Deze kolonie bestond uit eene hacienda of landhoeve, rondom welke de arbeiderswoningen -in groepen verspreid lagen; wij zullen haar in weinige woorden beschrijven. -</p> -<p>De hacienda verhief zich op een schiereiland van drie mijlen in den omtrek, met bosschen, -akkers en weidevelden, in welke laatsten meer dan vier duizend stuks vee vrijelijk -liepen grazen, die des avonds in parken dicht bij het huis werden samengebracht. Aan -drie zijden door de rivier omgeven, diende deze haar als een natuurlijke schans; de -smalle landtong van nauwelijks acht ellen breedte, die haar met het vaste land verbond, -werd bestreken door eene batterij van vijf stukken grof geschut, behoorlijk gedekt -door aardewerken en versterkt door eene diepe met water gevulde gracht. -</p> -<p>Het heerenhuis, door hooge gecreneleerde muren omringd en aan de vier hoeken met torens -versterkt, was een soort van vesting, op zich zelf reeds voldoende in staat om een -geregeld beleg te verduren, dank zij de acht kanonnen op de vier hoektorens, die al -de toegangen verdedigden. Het bestond uit een hoofdgebouw, twee verdiepingen hoog -en met een plat dak; in den voorgevel waren tien vensters, en links en rechts stonden -twee andere gebouwen met den rug naar voren gekeerd; het een dienende tot bergplaats -voor granen en hooi en het ander tot woonhuis voor den capataz of hofmeester en de -talrijke bedienden der hacienda. -</p> -<p>Eene breede stoep, voorzien van eene dubbele ijzeren balie, sierlijk bewerkt en bekroond -met eene veranda, geleidde naar de vertrekken van den graaf, die op de wijze der landhoeven -in <span class="corr" id="xd30e2301" title="Bron: Spaansch Amerika">Spaansch-Amerika</span> even eenvoudig als smaakvol en schilderachtig waren gemeubeld. -</p> -<p>Tusschen het woonhuis en den ringmuur, waarin tegenover de stoep een cederhouten deur -was van vijf duim dik en met sterke ijzeren platen beslagen, lag een groote welonderhouden -Engelsche tuin zeer fraai aangelegd en zoo dicht beplant dat men geen tien passen -er doorheen kon zien. De ruimte achter het huis was voor stallen en parken bestemd, -waar men iederen avond het vee in opsloot, en verder eene groote open plaats, waar -men op zekeren <span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span>tijd des jaars gewoon was de <i lang="es">matanza del ganado</i>—de slacht voor den wintervoorraad te houden. -</p> -<p>Geen schilderachtiger gezicht laat zich denken dan de aanblik van dit witte huis, -dat men reeds in de verte kon zien liggen, half verscholen achter de welige bosschages -als achter een gordijn van groen daar het oog met welgevallen op bleef rusten. -</p> -<p>Uit de vensters der bovenverdieping had men aan de eene zijde het onbelemmerde uitzicht -over de ruime vlakte en aan de andere over de Rio Gila, die als een breed zilver lint -in de grilligste bochten voortkronkelde en zich in onafzienbare verte verloor in het -nevelig verschiet van den blauwenden horizont. -</p> -<p>Sedert de Apachen bijna op het punt waren geweest van de hacienda te bemachtigen, -was er op het dak van het hoofdgebouw een mirador of wachttoren geplaatst, in welken -nacht en dag een schildwacht op den uitkijk stond om de omstreken te bewaken, en dadelijk -door middel van een koehoorn moest waarschuwen als hij een vreemdeling de kolonie -zag naderen. -</p> -<p>Bovendien werd de batterij aan de landengte door een post van zes man bewaakt, terwijl -de kanonnen altijd geladen stonden om bij den minsten onraad los te branden. -</p> -<p>Zoo was de karavaan nog ver van de hacienda verwijderd, toen hare komst aldaar werd -opgemerkt en een der luitenants van den graaf, een oud soldaat uit Afrika met name -Martin Leroux, volgens order, te paard achter de verschansing zich gereed hield om -de nieuw aankomenden te ondervragen zoodra zij onder het bereik zijner stem zouden -zijn. -</p> -<p>Don Sylva was intusschen met de wachtorde der hacienda ten volle bekend, eene dienstregeling -trouwens die op alle buitenbezittingen der blanken gevolgd werd; want op de posten -aan de grenzen, waar men voor de aanvallen en strooptochten der Indianen onophoudelijk -blootstond, was men wel genoodzaakt om gedurig op zijne hoede te zijn. -</p> -<p>Eén ding echter begreep de Mexicaan niet recht, namelijk dat de eigen luitenant van -den graaf, die hem ongetwijfeld moest hebben herkend, hem niet dadelijk de deuren -had geopend. -</p> -<p>Hij deed dit terstond aan den graaf opmerken. -</p> -<p>»Daar zou hij verkeerd aan hebben gedaan,” zeide deze, »de kolonie Guetzalli is een -gewapende post en altoos in staat van oorlog; de wachtorde moet dus stipt gevolgd -worden voor ieder die zich aanmeldt, wie dan ook; van deze stipte waarneming hangt -het algemeen welzijn af. Martin heeft mij reeds lang herkend, dat weet ik zeker, maar -hij vooronderstelt dat ik door de Indianen gevangen zou kunnen zijn, en dat zij mij -in schijn vrij lieten, om de kolonie des te beter te kunnen overrompelen. Ik verzeker -u, dat mijn brave luitenant ons niet door zal laten, alvorens hij overtuigd is dat -er onder onze Europeesche kleederen geen Roodhuiden schuilen.” -</p> -<p>»Ja,” mompelde don Sylva in zich zelven, »dat is maar al te <span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>juist; die Europeanen denken om alles, zij zijn ons ver vooruit.” -</p> -<p>De karavaan was thans nauwelijks twintig passen ver van de hacienda. -</p> -<p>»Ik geloof” zeide de graaf, »als wij ten minste geen hagelbui van kogels op het lijf -willen krijgen, dat wij wijs zullen doen van hier stil te houden.” -</p> -<p>»Hoe dat!” riep don Sylva verschrikt, »zouden zij schieten?” -</p> -<p>»Zonder twijfel.” -</p> -<p>De beide mannen hielden hunne paarden in en bleven staan wachten tot men hen ondervroeg. -</p> -<p>»Wiedaar!” riep eene krachtvolle stem in ’t Fransch van achter de batterij. -</p> -<p>»Wel, wat vindt gij er nu van, don Sylva?” vroeg hij den haciendero. -</p> -<p>»’t Is iets ongehoords?” mompelde don Sylva. -</p> -<p>»Vrienden!” riep nu de graaf in antwoord op de vraag van den schildwacht, »Lhorailles -en de vrijheid.” -</p> -<p>»Alles wel! De poort open!” kommandeerde de stem, »het zijn vrienden, zoo als ik hoop -dat de Hemel ons nog dikwijls zenden zal.” -</p> -<p>De peons lieten de brug neêr, de eenige toegang om in de hacienda te komen. -</p> -<p>De karavaan trok nu binnen, en de brug werd onmiddellijk achter hem weder opgehaald. -</p> -<p>»Gij zult het mij niet kwalijk nemen, kapitein,” zeide Martin Leroux terwijl hij den -graaf eerbiedig te gemoet trad, »maar ofschoon ik u zeer goed herkende, wij leven -in een land waar men mijns bedunkens niet te voorzichtig kan zijn.” -</p> -<p>»Gij hebt uw plicht gedaan, luitenant, ik kan u niet anders dan geluk wenschen. Wat -is er voor nieuws?” -</p> -<p>»Niet veel bijzonders: een troep jagers, door mij in de wildernis gevonden, heeft -mij bericht dat zij een verlaten vuur op de vlakte hebben ontdekt; ik denk dat er -weer Indianen om ons heen zwerven.” -</p> -<p>»Wij zullen een wakend oog op hen houden.” -</p> -<p>»O, ik houd goed de wacht, vooral tegenwoordig nu wij de maand naderen die de Comanchen -zoo brutaal zijn de Maan van Mexico te noemen; ik zou er niets tegen hebben als zij -eens bij ons kwamen, om hun een les te kunnen geven die zij in ’t vervolg konden onthouden.” -</p> -<p>»Ik ben het volkomen met u eens; verdubbelen wij dus onze waakzaamheid en alles zal -wel gaan.” -</p> -<p>»Hebt gij mij geen andere orders te geven<span class="corr" id="xd30e2347" title="Bron: .">?</span>” -</p> -<p>»Neen.” -</p> -<p>»Dan wil ik gaan, kapitein; gij weet dat gij mij het algemeen toezicht hebt opgedragen, -ik moet dus een weinig overal zijn.” -</p> -<p>»Ga, luitenant, laat ik u niet langer ophouden.” -</p> -<p>De oude soldaat boog voor zijn kommandant en verwijderde zich, terwijl hij onder de -hand den capataz minzaam groette, die hem volgde met de peons van don Sylva en de -pakezels. -<span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span></p> -<p>De graaf zelf geleidde zijne vrienden naar dat gedeelte van het hoofdgebouw, dat voor -de vreemde gasten bestemd was, en waar een appartement met alle noodige gemakken voor -hen was ingericht. -</p> -<p>»Neem nu een weinig rust, don Sylva,” zeide hij tegen den haciendero, »gij zult wel -vermoeid zijn van de reis zoo wel als <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita; morgen met uw goedvinden, spreken wij wel over onze zaken.” -</p> -<p>»Zoo als gij verlangt, vriend.” -</p> -<p>De graaf boog voor zijne gasten. Sedert hij het meisje ontmoet had was er nog geen -woord tusschen hem en haar gewisseld. -</p> -<p>Op het voorplein ontmoette de graaf den Hiaqui, die een pijp rookte en op zijn gemak -rondslenterde; hij trad naar hem toe. -</p> -<p>»Ziedaar de tien piasters die ik u beloofd heb,” zeide hij. -</p> -<p>»Dank u,” zeide de Indiaan terwijl hij ze aannam. -</p> -<p>»Wat gaat gij nu doen?” -</p> -<p>»Rusten tot morgen, en dan keer ik tot mijne broeders terug.” -</p> -<p>»Hebt gij zoo veel haast hen weder te zien?” -</p> -<p>»Ik! o neen.” -</p> -<p>»Blijf dan hier.” -</p> -<p>»Om wat te doen?” -</p> -<p>»Dat zal ik u zeggen: misschien zal ik u binnen een paar dagen noodig hebben.” -</p> -<p>»Krijg ik daar geld voor?” -</p> -<p>»Volop; zijt gij nu tevreden?” -</p> -<p>»Ja.” -</p> -<p>»Dus blijft gij?” -</p> -<p>»Ja, ik blijf.” -</p> -<p>De graaf verwijderde zich, zonder den vreemden blik op te merken dien de Indiaan hem -toewierp. -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e2089"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2089src">1</a></span> Bengaalsche vink. <a class="fnarrow" href="#xd30e2089src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2247"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2247src">2</a></span> De haas. <a class="fnarrow" href="#xd30e2247src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6895">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">IX.</h2> -<h2 class="main">DE LEGERSCHANS IN DE WILDERNIS.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Op ongeveer drie geweerschoten afstands van de hacienda, in een dicht bosch van lentisken, -nopals en inktboomen, doormengd met eenige acajou-ceders, wilde katoen- en Peruboomen, -steeg een uur voor zonsondergang een ruiter af, en kluisterde zijn paard—een heerlijken -mustang met fonkelend oog, fieren hals en golvende manen. Nadat de ruiter een bespiedenden -blik in het rond had geworpen, blijkbaar welvoldaan over de diepe heerschende stilte, -maakte hij zich gereed om te kampeeren. -</p> -<p>De onbekende had de helft van zijne levensbaan reeds afgelegd: het was een Indiaansch -krijgsman, lang en forsch van gestalte, en <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>gekleed in het kostuum der Comanchen in zijne grootste zuiverheid. Ofschoon reeds -meer dan zestig jaar oud was hij nog vol levendigheid en kracht en vertoonde zich -geen spoor van ouderdom of verval in zijne gespierde leden; de arendsveer die midden -uit zijn oorlogskuif opstak deed hem kennen als een opperhoofd of sachem. -</p> -<p>Deze man was de Arendskop, het Comanchenhoofd, waarmede de lezer reeds in een vorig -werk kennis heeft gemaakt<a class="noteRef" id="xd30e2393src" href="#xd30e2393">1</a>. -</p> -<p>Na zijne wapens afgedaan en zijn geweer te hebben in rust gebracht, verzamelde hij -een hoop droog hout en stak het in brand. Vervolgens legde hij eenige ellen tasajo, -een stuk hertebout en een half dozijn maïskoeken op de kolen. Onder het maken van -deze toebereidsels voor een stevig souper, vulde hij zijne calumet en toen hij er -mede klaar was ging hij bij het vuur zitten; en begon te rooken met al de bedaardheid -die den Indianen eigen is en hen in geenerlei omstandigheden verlegen laat. -</p> -<p>Zoo gingen er twee uren vreedzaam voorbij, zonder dat de rust van het Indiaansch hoofd -in het minst gestoord werd. -</p> -<p>De nacht was op den dag gevolgd, de duisternis had de wildernis ingenomen, en met -haar begon het rijk der stilte en der eenzaamheid in de geheimzinnige diepte der prairiën. -</p> -<p>De Indiaan bleef steeds onbeweeglijk zitten en vergenoegde zich met nu en dan naar -zijn paard om te zien, dat lustig zijne wilde doperwten en jonge bladrijzen knabbelde. -</p> -<p>Op eens echter stak de Arendskop het hoofd op, boog het lijf naar voren en zonder -zich verder te verroeren greep hij naar zijn geweer, terwijl de mustang ophield met -vreten, de ooren spitste en een krachtig gehinnik aanhief. -</p> -<p>Het bosch bleef intusschen even kalm: er was al de scherpte van een Indiaansch gehoor -toe noodig om in deze stilte nog eenig verdacht geluid op te merken. -</p> -<p>Een oogenblik daarna werden de samengetrokken wenkbrauwen van het opperhoofd weder -effen, hij hernam zijne onbezorgde houding en de beide voorvingers aan den mond brengende, -bootste hij met zonderlinge juistheid, gedurende twee of drie minuten het welluidend -gezang der centzontle of Mexicaanschen nachtegaal na; ook het paard had zijn afgebroken -maaltijd weder hervat. -</p> -<p>Er verliep nauwelijks een minuut, of het geschrei van den watersperwer klonk tweemaal -aan de zijde der rivier. -</p> -<p>Weldra hoorde men een gedruisch van paarden, vermengd met het kraken van takken en -geschuifel van bladeren, en er verschenen twee ruiters. -</p> -<p>Het opperhoofd keek niet eens op om te zien wie het waren; hij had hen waarschijnlijk -reeds herkend en wist dat zij, hetzij beiden of althans een van hen, bij hem zouden -komen. -<span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span></p> -<p>Deze twee ruiters waren don Louis en Goedsmoeds. -</p> -<p>Zij kluisterden hunne paarden bij dat van het opperhoofd, gingen op een stilzwijgenden -wenk van den Indiaan bij het vuur zitten en vielen met kracht aan op het souper dat -te hunnen gerieve was gereed gemaakt. -</p> -<p>Den vorigen dag van de Rancho vertrokken zijnde, hadden zij onafgebroken doorgereisd -zonder een oogenblik te verliezen om bij den Arendskop te komen. -</p> -<p>De graaf de Lhorailles had hun in de pulqueria aangeboden om samen te reizen, maar -dat aanbod was door Goedsmoeds geweigerd. -</p> -<p>Niet wetende met welk oogmerk de Indiaan hem in de woestijn had afgesproken, wilde -hij niet gaarne een vreemdeling in de zaken van zijn vriend opening geven. -</p> -<p>Evenwel waren de drie mannen op den besten voet van elkander gescheiden en had de -graaf don Louis en den Canadees uitgenoodigd om hem te Guetzalli te komen opzoeken, -eene beleefdheid die zij min of meer uitwijkend beantwoordden. -</p> -<p>De sympathie is soms wonderlijk in hare uitwerkselen: de indruk door den graaf op -de twee avonturiers gemaakt was voor hem zoo ongunstig geweest, dat deze, ofschoon -zijn verzoek met welwillendheid ontvangende het niet raadzaam vonden, zich te laten -kennen, maar te zijnen aanzien de meeste terughouding in acht te nemen, hunne voorzichtigheid -zelfs zoo ver drijvende dat zij hunnen landaard voor hem verborgen hielden, en het -gesprek bleven voortzetten in het Spaansch, ofschoon zij hem reeds bij zijn eerste -woord voor een Franschman hadden herkend. -</p> -<p>Toen het souper geëindigd was, stopte Goedsmoeds zijne pijp en strekte de hand naar -het vuur om er een brandhout uit te grijpen. -</p> -<p>»Wacht!” riep de Arendskop met drift. -</p> -<p>Dit was het eerste woord dat de Indiaan sprak; tot op dit oogenblik hadden de drie -vrienden nog geen syllabe gewisseld. -</p> -<p>Goedsmoeds keek hem aan. -</p> -<p>»Wel!” riep hij, »wat is er dan nu weer voor nieuws?” -</p> -<p>»Ik weet het nog niet,” antwoordde het opperhoofd, »maar ik heb een verdacht geritsel -in de bladeren gehoord, en op verren afstand van ons, onder den wind, zijn verscheidene -buffels die vreedzaam liepen grazen, op eens op de vlucht gegaan, zonder dat ik er -eenige reden voor zie.” -</p> -<p>»Zoo!” hernam de Canadees, »dat wordt ernstig; wat denkt gij er van, Louis?” -</p> -<p>»In de wildernis,” antwoordde deze bedaard, »heeft alles zijne oorzaak, en geschiedt -er niets bij toeval; ik denk, onder verbetering, dat wij wel zullen doen, op onze -hoede te zijn. Ei zie,” vervolgde hij opkijkende en zijnen vrienden een troep vogels -wijzende, die snel boven hunne hoofden voorbij vlogen, »hebt gij ooit een troep condors -op dit uur en zoo laag in de lucht zien vliegen?” -<span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span></p> -<p>De Indiaan schudde het hoofd. -</p> -<p>»Er is iets aan de hand,” mompelde hij, »de Apachenhonden zijn op de jacht.” -</p> -<p>»’t Is mogelijk,” zei Goedsmoeds. -</p> -<p>»Voor alles,” merkte de Franschman aan, »laten wij het vuur uitdoen; het schijnsel, -hoe zwak ook, zou ons kunnen verraden.” -</p> -<p>Zijne kameraden volgden zijn raad, het vuur werd oogenblikkelijk uitgedoofd. -</p> -<p>»Mijn bleeke broeder is voorzichtig,” zei het opperhoofd beleefd; »hij kent de woestijn, -ik ben blijde dat ik hem bij mij zie.” -</p> -<p>Don Louis dankte den Indiaan met eene buiging. -</p> -<p>»Thans zijn wij nagenoeg onzichtbaar,” vervolgde Goedsmoeds, »dreigend gevaar hebben -wij vooreerst niet te duchten, laten wij samen raad houden. Het opperhoofd was de -eerste die onraad heeft bespeurd, hij moet ons uitleggen wat hij er van denkt.” -</p> -<p>De Indiaan wikkelde zich in zijn mantel en de drie mannen gingen zoo dicht bijeen -zitten dat het gesprek fluisterend kon worden voortgezet. -</p> -<p>»Reeds dezen morgen met zonsopgang ben ik op reis gegaan,” zei de Arendskop; »en daar -ik haast had om het afgesproken punt te bereiken, reed ik dwars door de prairie om -de reis te bekorten. Maar den geheelen weg over zag ik duidelijke sporen van een talrijken -troep ruiters, die sporen waren breed en vol, als gewoonlijk van een detachement dat -sterk genoeg is om voor geen onverhoedsche aanranding te vreezen; ik heb die sporen -een geruimen tijd kunnen waarnemen en volgen, tot zij op eens verdwenen waren, zonder -dat ik ze bij mogelijkheid heb kunnen terugvinden.” -</p> -<p>»Te duivel!” mompelde de Canadees, »dat ziet er gek uit.” -</p> -<p>»In ’t eerst dacht ik mij met die sporen niet bezig te houden, maar later begon ik -er ongerust over te worden en daarom heb ik gemeend er u van te moeten spreken.” -</p> -<p>»Om welke reden werdt gij ongerust?” -</p> -<p>»Ik denk, en als het wezen moet, durf ik wel zeggen ik weet het zeker, dat het door -mij ontdekte spoor gericht is naar de groote hut der bleekgezichten te Guetzalli.” -</p> -<p>»Welken grond hebt gij voor die veronderstelling?” vroeg Louis. -</p> -<p>»Deze: op het uur dat de alligator den modderigen oever verlaat om zich weder in de -Gila te dompelen, hoorde ik op korten afstand van mij een gedruisch van paarden, zoodat -ik uit vrees van ontdekt te worden genoodzaakt was mij achter een boschje van wortelboomen -en floripondio’s te verbergen; toen ik daar veilig zat keek ik uit en nu reed er geen -boogschot ver van mij af een troep bleekgezichten voorbij, in de richting van Guetzalli.” -</p> -<p>»Ik begrijp er niets van,” riep Goedsmoeds, »ga voort.” -</p> -<p>»Ondanks al de zorg waarmede hij zich onkenbaar had zoeken te maken, herkende ik den -man die de karavaan als gids diende, en <span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>toen begreep ik terstond welk een helsch komplot die Apachen-honden hebben gesmeed.” -</p> -<p>»En wie is die man?” -</p> -<p>»O mijn broeder kent hem wel: het is Wahsho chegora—de <span class="corr" id="xd30e2455" title="Bron: Zwarte Beer">Zwarte-Beer</span>—het voornaamste opperhoofd van den stam der Witte Raven.” -</p> -<p>»Als gij u daarin niet vergist hebt, hoofdman, dan zullen hier binnen kort vreeselijke -dingen gebeuren; de <span class="corr" id="xd30e2460" title="Bron: Zwarte Beer">Zwarte-Beer</span> is de onverzoenlijkste vijand der blanken.” -</p> -<p>»Dat is de eenige reden waarom ik mijn broeder heb willen spreken. Overigens gaat -het ons niet aan; in de wildernis hebben wij genoeg met onze eigene zaken te doen, -zonder dat wij ons met die van anderen bemoeien.” -</p> -<p>De Canadees schudde het hoofd. -</p> -<p>»Wat gij daar zegt is wel waar,” antwoordde hij, »wij zouden misschien wijs doen als -wij de bewoners der hacienda aan hun lot overlaten en ons niet steken in zaken daar -wij grooten last van kunnen hebben.” -</p> -<p>»Zijt gij dan voornemens werkelijk zoo te handelen,” vroeg de Franschman met drift. -</p> -<p>»Dat wil ik niet stellig zeggen,” hernam de Canadees, »maar het is een moeielijk geval; -wij zullen met een talrijken vijand te doen krijgen.” -</p> -<p>»Ja, maar die men wil overrompelen zijn uwe landgenooten.” -</p> -<p>»Dat is waar, en dat maakt de zaak inderdaad zeer netelig, ik zou die ongelukkigen -niet gaarne zien scalpeeren. Aan den anderen kant, als wij ons onbedacht in den strijd -werpen, loopen wij gevaar om zelven er het slachtoffer van te worden.” -</p> -<p>»Waarom bedenkt gij er u zoo lang over?” -</p> -<p>»Pardi! om het voor en tegen goed na te gaan; ik aarzel altijd om mij in eene onderneming -te wagen, daar ik te voren niet al de gevolgen van heb berekend; ben ik er eenmaal -in, dan geef ik er minder om.” -</p> -<p>Don Louis kon zich moeielijk zonder lachen houden bij deze zonderlinge redeneering, -en staarde zijn vriend aan. -</p> -<p>»Mijn besluit is genomen,” hervatte de Canadees een oogenblik later. »Eer de nacht -voorbij is zullen wij zeker wat nieuws zien gebeuren; gaan wij dichter bij de rivier, -ik twijfel niet of wij krijgen daar weldra de noodige aanwijzing om er ons plan naar -te regelen. Onze paarden staan hier veilig, wij kunnen ze gerust achter laten, zij -zouden ons bovendien maar belemmeren.” -</p> -<p>De drie mannen gingen plat op den grond liggen en kropen stil naar de rivier, in de -door Goedsmoeds aangewezen richting. -</p> -<p>De nacht was heerlijk, de maan scheen in vollen luister en de dampkring was zoo doorzichtig -dat men het kleinste voorwerp op grooten afstand kon onderscheiden. -<span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span></p> -<p>De drie avonturiers kwamen eindelijk uit de struiken tevoorschijn, maar verborgen -zich aan den rand der rivier, in een ondoordringbaar boschje, waar zij bleven wachten -met al het geduld dat den woudloopers eigen is. -</p> -<p>De heerschende stilte in de woestijn was zoo diep, dat ook het zwakste geluid merkbaar -werd; een vallend blad in het water, een keitje dat zich aan den oever loswoelde, -het zacht en eentonig gemurmel van den stroom over zijn zandige bedding, de ritselende -vleugelslag van een uil, die van tak tot tak sprong, was het eenige dat zich hooren -liet. -</p> -<p>Zoo zaten de drie avonturiers reeds verscheidene uren onverdroten te waken, met open -oog en ooren, met den vinger aan de gespannen buks, uit vrees van overrompeling en -nog was er niets gebeurd dat de vermoedens van den Arendskop of de voorspellingen -van Goedsmoeds kon versterken, toen Louis de hand van den Indiaan zacht aan zijn schouder -voelde drukken, hem naar de rivier wijzende; de Franschman richtte zich op de knieën -en keek uit. -</p> -<p>Eene bijna onmerkbare beweging beroerde de oppervlakte van het water, als zwom er -een alligator voorbij. -</p> -<p>»Ha ha!” mompelde Goedsmoeds, »daar komt eindelijk wat wij zoo lang gewacht hebben, -denk ik.” -</p> -<p>Een zwarte massa verscheen weldra, meer drijvend dan zwemmend, op de rivier en naderde -van lieverlede de plaats waar de jagers zich verscholen hielden. -</p> -<p>Na verloop van eenige minuten hield de donkere massa, wat zij dan ook wezen mocht, -stil en hoorde men verscheidene malen achtereen het gejank van den hond der prairiën. -</p> -<p>Weldra klonk het gehuil van den coyote met kracht en zoo dicht in de nabijheid, dat -de drie wakers huns ondanks er van schrikten. Oogenblikkelijk zagen zij een man met -beide handen van een acajou-eik afhangen en eensklaps op den grond vallen, geen zes -passen ver van de plek waar zij zich bevonden. -</p> -<p>Die man was in Mexicaansche kleeding. -</p> -<p>»Kom hier, hoofdman,” zeide hij, half overluid tegen de zwarte massa in het water, -zonder zich te dicht aan den oever te wagen. »Kom vrij, wij zijn alleen.” -</p> -<p>De toegesprokene zwarte massa, blijkbaar een Indiaan, kwam uit het water en kroop -op handen en voeten naar den man uit den boom. -</p> -<p>»Mijn broeder spreekt te hard,” zeide hij; »in de woestijn is men nooit alleen; de -bladeren hebben oogen en de boomen ooren.” -</p> -<p>»Bah! wat gij mij daar zegt is al te gek; wie duivel zou ons hier bespieden. Uwe krijgslieden -er buiten gerekend, die waarschijnlijk in den omtrek verborgen zijn, kan niemand ons -hier zien of hooren.” -</p> -<p>De Indiaan schudde bedenkelijk het hoofd. -</p> -<p>Nu deze op vasten bodem was, nauwelijks tien passen van onze <span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>avonturiers, moest Goedsmoeds bekennen dat de Arendskop zich niet bedrogen had en -dat de bedoelde man werkelijk niemand anders was dan de Zwarte-Beer. -</p> -<p>De beide mannen stonden een poosje zwijgend tegenover elkander. -</p> -<p>Eindelijk vatte de Mexicaan het woord weder op. -</p> -<p>»Gij hebt goed gemanoeuvreerd, hoofdman,” zeide hij op vleienden toon; »ik weet niet -hoe gij het gedaan hebt gekregen, maar ik veronderstel dat het u gelukt is om binnen -de hacienda te komen?” -</p> -<p>»Dat is het,” antwoordde de Indiaan. -</p> -<p>»Dan hebben wij nu niets meer te doen dan onze laatste maatregelen te beramen; gij -zijt een groot opperhoofd, in wien ik het onbepaaldste vertrouwen stel; ziedaar wat -ik u beloofd heb; ik behoefde u eerst later te betalen, maar ik wil dat er niet de -minste reden van verwijt tusschen ons besta.” -</p> -<p>De Indiaan wees de hem aangeboden goudbeurs met weerzin terug. -</p> -<p>»De Zwarte-Beer heeft zich bedacht,” zeide hij koel. -</p> -<p>»In welk opzicht, als ik u vragen mag?” -</p> -<p>»Een krijgsman is geen vrouw dat hij noodeloos woorden zou verspillen; wat mijn broeder -den Zwarten-Beer had aangeboden, weigert de Apache stellig.” -</p> -<p>»Dat wil zeggen?” -</p> -<p>»Dat alles tusschen ons verbroken is.” -</p> -<p>De Mexicaan onderdrukte met moeite zijne teleurstelling. -</p> -<p>»Derhalve hebt gij uwe krijgslieden niet gewaarschuwd; en zult gij wanneer ik het -u beveel de hacienda niet aantasten?” -</p> -<p>»De Zwarte-Beer heeft zijne krijgers gewaarschuwd, hij zal de bleekgezichten aantasten.” -</p> -<p>»En wat zegt gij mij dan daar even? Ik moet u verklaren dat ik u niet begrijp, hoofdman.” -</p> -<p>»Dat komt omdat het bleekgezicht mij niet begrijpen wil: de Zwarte-Beer zal de hacienda -wel aantasten, maar voor zijn eigen rekening.” -</p> -<p>»Dat was immers tusschen ons afgesproken, zoo ik meen?” -</p> -<p>»Ja, maar de Zwarte-Beer heeft de zingende vogel gezien, zijne tent is ledig, hij -wil er de jonge bleeke maagd in huisvesten.” -</p> -<p>»Ellendeling!” riep de Mexicaan verbolgen, »moet gij mij aldus verraden?” -</p> -<p>»Waarin verraad ik het bleekgezicht?” antwoordde de Indiaan altijd onverstoord; »hij -heeft mij een koop aangeboden, en ik heb dien geweigerd, daarin zie ik niets dan volkomen -trouw en eerlijkheid.” -</p> -<p>De Mexicaan verbeet zich de lippen van woede; hij zag zich gevangen, en had niets -meer te antwoorden. -</p> -<p>»Ik zal mij wreken!” riep hij stampvoetend. -</p> -<p>»De Zwarte-Beer is een machtig opperhoofd: hij lacht met het gekras der raven; het -bleekgezicht kan niets tegen hem doen.” -<span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span></p> -<p>Met een sprong sneller dan eene gedachte wierp de Mexicaan zich op den Apache, greep -hem bij de keel, trok zijn mes en hief het reeds op om hem te treffen. -</p> -<p>Maar de Indiaan had de bewegingen van zijn tegenpartij te goed in ’t oog gehouden; -met een niet minder snellen wrong, ontrukte hij zich aan diens vuist en stond met -een sprong buiten zijn bereik. -</p> -<p>»De bleekmuil heeft een sachem durven aantasten,” zeide hij met eene heesche stem, -»hij zal sterven.” -</p> -<p>De Mexicaan haalde de schouders op en greep de pistolen in zijn gordel. -</p> -<p>Het is moeielijk te gissen hoe dit tooneel zou zijn afgeloopen, zoo er geen nieuw -geval tusschen beide gekomen ware, dat de geheele toedracht van gedaante deed veranderen. -</p> -<p>Uit den zelfden boom, daar weinige minuten te voren de Mexicaan in verborgen had gezeten, -kwam plotseling een tweede persoon te voorschijn, en viel juist op den Apache, dien -hij op den grond wierp en volkomen weerloos maakte, eer hij door dezen onverhoedschen -aanval verschrikt er aan denken kon zich te verdedigen. -</p> -<p>»Wat is dat?” fluisterde Goedsmoeds met een gesmoorden lach, tegen zijne vrienden, -»hoe veel duivels zitten er toch in dien <span class="corr" id="xd30e2534" title="Bron: acajouceder">acajou-ceder</span>?” -</p> -<p>De Mexicaan en de man die hem zoo in tijds ter hulp kwam, hadden den Apache binnen -weinige oogenblikken met eene reata zoo stijf vast gebonden, dat hij geen lid meer -verroeren kon. -</p> -<p>»Nu zijt gij in mijne macht, hoofdman,” zei de Mexicaan, »en nu zult gij wel moeten -toestemmen in hetgeen ik verlang.” -</p> -<p>De Apache meesmuilde en maakte een scherp gefluit. -</p> -<p>Op dit signaal kwamen eensklaps alsof zij uit den grond oprezen een vijftigtal Indiaansche -krijgslieden van alle kanten toeschieten, en wel met zooveel spoed, dat de twee Mexicanen -zich oogenblikkelijk binnen een ondoordringbaren kring van vijanden zagen opgesloten. -</p> -<p>»Te duivel!” riep Goedsmoeds bij zich zelven, »dat begint ingewikkelder te worden; -hoe zullen zij zich daaruit redden?” -</p> -<p>»En wij dan?” lispelde don Louis hem in ’t oor. -</p> -<p>De Canadees beantwoordde hem met dat veelbeteekenend schouderophalen, dat in alle -talen, zoo veel wil zeggen als »in vredesnaam, als het God behaagt!” en begon opnieuw -met de meeste belangstelling te turen hoe dit ingewikkelde tooneel zou afloopen. -</p> -<p>»Cuchares,” hoorde hij den Mexicaan tegen zijn kameraad zeggen, »houd dien kerel goed -vast, en dood hem als een hond bij de minste beweging, die hij maakt.” -</p> -<p>»Wees maar gerust, don Martial, antwoordde de lepero terwijl hij uit zijn jachtlaars -een mes te voorschijn bracht, welks blauwe lemmer in het maanlicht glinsterde. -</p> -<p>»Waartoe besluit de Zwarte-Beer?” hervatte don Martial tegen den sachem, die weerloos -aan zijne voeten lag. -<span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span></p> -<p>»Het leven van een opperhoofd is in uwe macht, hond van een bleekmuil; neem het zoo -gij durft!” antwoordde de Apache met een minachtenden grijns. -</p> -<p>»Ik zal u niet dooden; niet omdat ik bang ben, want dat gevoel ken ik niet,” riep -de Mexicaan, »maar omdat ik het beneden mij acht het bloed te storten van een vijand -die weerloos is, al is die vijand een onreine hond en een valsche coyote zoo als gij.” -</p> -<p>»Dood mij, zeg ik u, als gij kunt, maar scheld mij niet uit. Haast u, want als mijne -krijgslieden hun geduld verliezen zullen zij u aan hunne woede opofferen, en dan sterft -gij ongewroken.” -</p> -<p>»Gij schertst, uwe krijgslieden zullen zich niet verroeren zoo lang ik u hier vast -heb, dat weet gij wel. Ik wil u liever den vrede aanbieden.” -</p> -<p>»Vrede!” riep de sachem en er fonkelde een heldere blik uit zijn oog, »op welke voorwaarden?” -</p> -<p>»Op twee voorwaarden.” -</p> -<p>»Goed.” -</p> -<p>»Cuchares, ontdoe dien man van de lasso; maar houd hem altijd in het oog.” -</p> -<p>De lepero gehoorzaamde. -</p> -<p>»Dank u,” zeide de Zwarte-Beer zich op de knieën oprichtende; »spreek, mijne ooren -zijn geopend. Welke zijn uwe voorwaarden?” -</p> -<p>»Vooreerst dat het mij en mijn kameraad vrij zal staan ons te verwijderen waarheen -wij willen,” -</p> -<p>»Goed, ten tweede.” -</p> -<p>»Ten tweede dat gij u verbindt om bij uwe krijgslieden te blijven en niet weder onder -dezelfde vermomming naar de hacienda te gaan, ten minste niet in de eerste vier en -twintig uren.” -</p> -<p>»Is dat alles?” -</p> -<p>»Dat is alles.” -</p> -<p>»Hoor mij op mijne beurt, bleekgezicht. Ik neem uwe voorwaarden aan, maar ik wil u -de mijne zeggen.” -</p> -<p>»Spreek.” -</p> -<p>»Ik zal de hacienda niet weder binnentrekken dan met de arendsveer in mijn oorlogskuif, -en aan het hoofd van mijne krijgslieden, en dat zal zijn eer de zon driemaal achter -de hooge bergtoppen van het westen geslapen heeft.<span class="corr" id="xd30e2571" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>»Gij pocht, Apache; ’t is onmogelijk dat gij de hacienda binnenkomt anders dan door -verraad.” -</p> -<p>»Wij zullen zien,” zeide hij, en liet er met een dreigenden glimlach op volgen: »de -vogel die zingt zal in de hut van een Apachenhoofd wonen en er het wild voor hem braden.” -</p> -<p>De Mexicaan haalde minachtend de schouders op. -</p> -<p>»Beproef het om de hacienda te nemen en u van het meisje meester te maken,” zeide -hij. -</p> -<p>»Ik zal het beproeven. Geef mij uwe hand!” -<span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span></p> -<p>»Ziedaar.” -</p> -<p>De Zwarte-Beer wendde zich naar zijne krijgslieden en met de hand van den Tigrero -in de zijne, sprak hij met luider stem en op een toon van de hoogste majesteit: -</p> -<p>»Broeders, dit bleekgezicht is de vriend van den Zwarte-Beer, dat niemand hem lastig -zij.” -</p> -<p>De krijgslieden bogen eerbiedig en verwijderden zich links en rechts, om de twee blanken -door te laten. -</p> -<p>»Vaarwel,” zeide de Zwarte-Beer zijn vijand groetende, »binnen vier en twintig uren -volg ik uw spoor.” -</p> -<p>»Gij vergist u, Apachenhond,” antwoordde don Martial trotsch, »ik integendeel zal -het uwe volgen.” -</p> -<p>»Goed!<span id="xd30e2589"></span> dan zijn wij in ieder geval zeker dat wij elkander weer ontmoeten,” hernam de Zwarte-Beer. -</p> -<p>Hij verwijderde zich langzaam met fieren en vasten tred, gevolgd door zijne krijgslieden, -terwijl hunne stappen weldra in de diepte van het bosch verdwenen. -</p> -<p>»Bij mijne ziel, don Martial,” sprak de lepero, »ik geloof dat gij verkeerd hebt gedaan -met den Indiaanschen rekel zoo gemakkelijk te laten ontsnappen.” -</p> -<p>De Tigrero haalde de schouders op. -</p> -<p>»Moest ik mij dan niet uit de klem zoeken te redden daar wij in waren,” zeide hij. -»Bah! de partij is remise. Zoeken wij onze paarden.<span class="corr" id="xd30e2596" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>»Wacht nog even, als gij er niets tegen hebt,” riep nu op eens Goedsmoeds, zijn schuilhoek -verlatende en ongedwongen te voorschijn tredende, gevolgd door zijne twee kameraden. -</p> -<p>»Wat is dat?” riep Cuchares, onmiddellijk zijn mes grijpende, terwijl don Martial -bedaard de hand aan zijne pistolen sloeg. -</p> -<p>»Wat het is, caballero?” hernam Goedsmoeds op vredelievenden toon, »dat ziet gij wel, -zou ik denken.” -</p> -<p>»Ik zie drie mannen.” -</p> -<p>»Juist, daar hebt gij gelijk in, drie mannen die ongezien het tooneel hebben aanschouwd, -dat gij zoo braaf hebt afgespeeld; drie mannen die zich gereed hielden om u bij te -springen in geval van nood en die u thans nog aanbieden gemeene zaak met u te maken, -om met u de plundering der hacienda te helpen beletten daar de Apachen stellig het -voornemen toe hebben: komt u dat gelegen?” -</p> -<p>»Dat hangt er van af,” meesmuilde de Tigrero, »ik moet eerst nog weten wat u beweegt -om aldus te handelen.” -</p> -<p>»Vooreerst om u een genoegen te doen,” hernam Goedsmoeds beleefd, »ten tweede omdat -ik die arme kolonisten voor het scalpeermes dier vervloekte Roodhuiden wil bewaren.<span class="corr" id="xd30e2607" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>»In dat geval neem ik uw voorstel van ganscher harte aan.” -</p> -<p>»Volg ons dan naar ons kamp, daar kunnen wij samen ons plan van den veldtocht bespreken.” -</p> -<p>Zoodra Cuchares begreep dat de lieden die hier op zulk eene zonderlinge <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>wijs verschenen, bepaaldelijk vrienden waren, had hij zich gehaast zijn mes weder -in zijne laars te steken en was hij de paarden gaan halen, die zij op korten afstand -hadden gelaten. Hij kwam juist terug, de beide paarden aan de hand leidende, en nu -gingen de vijf mannen gezamenlijk naar het kampement. -</p> -<p>»Neem u in acht,” zei Goedsmoeds tegen don Martial, »gij hebt u dezen nacht een onverzoenlijken -vijand gemaakt, zoo gij u niet haast den Zwarte-Beer te dooden zal hij zich bij de -een of andere gelegenheid op u wreken; de Apachen vergeven nimmer eene beleediging.” -</p> -<p>»Dat weet ik; en ik zal er mijne maatregelen naar nemen, stel u gerust.” -</p> -<p>»Dat is uwe zaak. Misschien hadt gij beter gedaan hem uit den weg te ruimen toen hij -in uwe macht was, onverschillig wat er het gevolg van zou geweest zijn.<span class="corr" id="xd30e2620" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>»Kon ik dan raden dat ik zoo dicht bij mij vrienden had? O! had ik dat maar geweten.” -</p> -<p>»Geen nazorgen, wat gedaan is is gedaan, daar kan men niet meer op terugkomen.” -</p> -<p>»Zoudt gij denken dat die man zijne voorwaarden stipt zal nakomen?” -</p> -<p>»Gij schijnt den Zwarte-Beer niet te kennen; die man is hooghartig, hij heeft zijne -vaste begrippen van trouw en riddereer. Hebt gij niet gezien hoe hij bij zijne onderhandeling -met u geen list heeft willen gebruiken; wat hij sprak was altijd rond en oprecht.” -</p> -<p>»Dat is zoo.” -</p> -<p>»Wees daarom verzekerd dat hij zijne belofte zal houden.” -</p> -<p>Hier bleef het gesprek steken. Don Martial was op eens nadenkend geworden, de bedreigingen -van den Apache gaven hem nu des te meer stof tot bezorgdheid. -</p> -<p>Zij bereikten het kamp. -</p> -<p>De Arendskop ging dadelijk aan ’t werk om een vuur aan te leggen. -</p> -<p>»Wat doet gij?” riep Goedsmoeds terstond, »zoo zult gij immers onze tegenwoordigheid -verraden.” -</p> -<p>»Neen,” antwoordde de Indiaan hoofdschuddend, »de Zwarte-Beer is met zijn volk vertrokken; -zij zijn thans reeds ver van hier; waarom zouden wij onnoodige voorzorgen gebruiken?” -</p> -<p>Weldra vlamde het vuur knappend omhoog. De vijf mannen gingen er bij zitten, staken -hunne pijpen aan en begonnen deftig te rooken. -</p> -<p>»Ik moet bekennen,” hervatte de Canadees een oogenblik later, <span class="corr" id="xd30e2637" title="Bron: «">»</span>zonder de door u betoonde koelbloedigheid, weet ik niet hoe gij u uit den nood zoudt -hebben gered.” -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e2641" title="Bron: «">»</span>Laten wij thans zien hoe wij het voornemen van die duivelsche kerels het best zullen -verijdelen,” riep de Mexicaan. -<span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span></p> -<p>»O! dat is eenvoudig genoeg,” zei Louis, »een van ons gaat morgen naar de hacienda -en verwittigt den eigenaar van hetgeen er dezen nacht gebeurd is, dan kan hij op zijne -hoede zijn en alles is in orde.” -</p> -<p>»Ja, ik denk wel dat dit het beste middel is en dat wij het moeten gebruiken,” zei -Goedsmoeds. -</p> -<p>»Vijf mannen zijn niets tegen vijfhonderd,” merkte de Arendskop aan; »wij moeten de -bleekgezichten waarschuwen.” -</p> -<p>»Dat is juist wat wij voornemens zijn te doen, hoofdman,” zei de Tigrero; »maar wie -van ons zal zich nu met die taak belasten en naar de hacienda gaan? Mijn kameraad -en ik kunnen er ons niet aanmelden.” -</p> -<p>»Waarom niet! ik zou nu haast denken dat er een liefdehistorie onder loopt,” riep -de Canadees schalks, »en dan begrijp ik wel dat het u moeielijk valt, om.…” -</p> -<p>»Laten wij er niet langer over haspelen,” viel Louis hem in de rede; <span class="corr" id="xd30e2652" title="Bron: «">»</span>morgen, met zonsopgang ga ik naar de hacienda, ik neem die taak op mij en hoop den -eigenaar in allen deele behoorlijk in te lichten omtrent het gevaar dat hem boven -het hoofd hangt.” -</p> -<p>»Goed; dat is afgesproken en daarmede is alles gezegd,” riep Goedsmoeds. -</p> -<p>»Zeer goed,” zei don Martial, »dan zeggen mijn kameraad en ik, zoodra onze paarden -hebben uitgerust, u hier vaarwel en keeren naar Guaymas terug,” -</p> -<p>»Toch niet, met uw welnemen,” zei de Franschman schielijk, »ik geloof dat gij beter -zult doen, hier zoo lang te wachten tot ik van de hacienda terugkom, om te weten hoe -het met mijn boodschap afloopt, dat gaat u nog meer aan dan ons, zou ik denken.” -</p> -<p>De Mexicaan onderdrukte met moeite een opkomend gevoel van tegenzin. -</p> -<p>»Gij hebt gelijk,” zeide hij, »daar dacht ik niet aan. Ik zal wachten tot gij terugkomt.” -</p> -<p>De jagers wisselden nog eenige woorden samen, toen wikkelden zij zich in hunne dekens, -legden zich op den grond neder en waren weldra in slaap. -</p> -<p>De diepste stilte heerschte thans in het sombere boschkamp, dat slechts flauw verlicht -werd door den rooden gloed van het uitstervende vuur. -</p> -<p>Reeds twee uren ongeveer hadden de avonturiers geslapen, toen de struiken zachtjes -werden uiteengeschoven, en een man verscheen. -</p> -<p>Hij bleef een oogenblik staan, zoo het scheen om te luisteren; daarop kroop hij zonder -het minste gedruisch te maken voort naar de plek waar de Tigrero gerust sliep. -</p> -<p>Dichter bij gekomen, en in het schijnsel van het vuur, had men hem duidelijk genoeg -als den Zwarte-Beer kunnen onderkennen. Het Apachenhoofd haalde zijn scalpeermes uit -zijn gordel en legde het <span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span>zacht op de borst van den Tigrero; toen nog eens rondkijkende om zich te verzekeren -dat de vijf mannen gerust sliepen, verwijderde hij zich met dezelfde voorzichtigheid -als hij gekomen was en verdween weldra in de struiken, die zich achter hem sloten. -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e2393"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2393src">1</a></span> Zie <i>de Pelsjagers van de Arkansas</i>. <a class="fnarrow" href="#xd30e2393src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6904">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">X.</h2> -<h2 class="main">VOOR DEN AANVAL.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Op het eerste gefluit van den maukawis, dat wil zeggen, met het opgaan der zon, werden -de avonturiers wakker. -</p> -<p>De nacht was rustig voorbijgegaan en hun slaap was door niets gestoord geworden; slechts -een weinig verkleumd door den overvloedigen dauw, die hunne dekens geheel doortrokken -had, haastten zij zich om op te staan, en eenige keeren het kamp op en neer te stappen, -ten einde bij zich den bloedsomloop te herstellen en hunne verdoofde leden te ontgloeien. -</p> -<p>Met de eerste beweging die don Martial bij het opstaan maakte, viel er een mes van -hem af op den grond. De Mexicaan raapte het op en slaakte een kreet van verbazing, -bijna van schrik, terwijl hij het aan zijne kameraden liet zien. -</p> -<p>Het zoo onverwacht gevonden wapen was een scalpeermes, op het lemmer vertoonden zich -nog sporen van bloed. -</p> -<p>Wij weten reeds wie het mes op de borst van den Tigrero gelegd had. -</p> -<p>»Wat beteekent dat?” riep hij, terwijl hij het wapen verontwaardigd omhoog hield. -</p> -<p></p> -<div class="figure p092width"><img src="images/p092.jpg" alt="De Arendskop nam het en bekeek het nauwkeurig. Bladz. 92." width="491" height="720"><p class="figureHead">De Arendskop nam het en bekeek het nauwkeurig. Bladz. 92.</p> -</div><p> -</p> -<p>De Arendskop nam het en bekeek het nauwkeurig. -</p> -<p>»Ooah!” riep hij verwonderd, »de Zwarte-Beer is hier geweest terwijl wij sliepen.” -</p> -<p>De jagers konden hun schrik niet verbergen. -</p> -<p>»Dat is onmogelijk,” beweerde Goedsmoeds. -</p> -<p>De Indiaan schudde van neen en liet hem het mes zien. -</p> -<p>»Ziedaar,” zeide hij, »’t is het scalpeermes van den Apache, het totem van zijn stam -staat er op den steel ingesneden.” -</p> -<p>»Ja, waarlijk!” -</p> -<p>»De Zwarte-Beer is een vermaard krijgshoofd, zijn hart is groot genoeg om eene wereld -te bevatten. Daar hij zich gedwongen zag de hem opgelegde voorwaarden te vervullen, -heeft hij zijnen vijand willen bewijzen dat diens leven in zijne macht was en dat -hij het hem ontnemen kon wanneer het hem goeddacht; dat is eenvoudig de beteekenis -van het mes, nedergelegd op de borst van een slapenden <i>Yori</i>—Spanjaard.” -</p> -<p>De avonturiers waren alles behalve op hun gemak over dezen <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>trek van stoutmoedigheid; zij beefden bij de gedachte dat hun leven in de macht had -gestaan van den Apache, die zich niet verwaardigd had hen te dooden, maar alleen had -willen toonen dat hij hen durfde trotseeren; den Mexicaan vooral ging bij dat idee -eene rilling over het lijf. -</p> -<p>De Canadees was de eerste die zijne gewone bedaardheid terugkreeg. -</p> -<p>»Canario!” riep hij, »die Apachenhond heeft wel gedaan dat hij ons waarschuwde; nu -zullen wij voortaan beter oppassen.” -</p> -<p>»Hm,” riep Cuchares met de handen in zijn dik en kroesig haar, »ik zou niet gaarne -gescalpeerd worden.” -</p> -<p>»Bah!” antwoordde Goedsmoeds, »men komt er niet altijd even kaal af.” -</p> -<p>»Dat kan waar zijn, maar ik zou er niet gaarne de proef van nemen.” -</p> -<p>»Daar het intusschen geheel dag is geworden,” merkte don Louis aan, »geloof ik dat -het voor mij tijd wordt om naar de hacienda te vertrekken, wat dunkt u?” -</p> -<p>»Wij hebben geen oogenblik te verliezen om de plannen des vijands te verijdelen,” -drong don Martial nader aan. -</p> -<p>»Des te minder daar wij nog zekere maatregelen moeten nemen, waarover wij elkander -hoe eer hoe beter dienen te verstaan,” zei Goedsmoeds. -</p> -<p>De Indiaan en de lepero gaven hunne toestemming alleen met een hoofdknik te kennen. -</p> -<p>»Bepalen wij vooraf onze eerste samenkomst,” hervatte Louis. -</p> -<p>»Gij kunt mij hier niet blijven wachten, waar de Indianen ons veel te gemakkelijk -vinden zouden.” -</p> -<p>»Ja,” antwoordde Goedsmoeds zich bedenkend, »maar ik ben met deze streek niet goed -bekend en ik zou zeer verlegen staan als ik een geschikt punt moest aanwijzen.” -</p> -<p>»Ik weet er wel een,” zei nu de Arendskop, »ik zal er u zelf brengen; onze bleeke -broeder kan daar bij ons komen.” -</p> -<p>»Zeer goed, maar dan dien ik vooraf te weten welke plaats gij bedoelt.” -</p> -<p>»Laat mijn broeder zich daar niet over verontrusten, zoodra hij de groote hut uitkomt -ben ik bij hem.” -</p> -<p>»Dan is alles in orde. Tot weerziens.” -</p> -<p>Louis zadelde zijn paard en reed weg in gestrekten draf in de richting der hacienda, -die trouwens niet verder dan drie geweerschoten verwijderd lag van de plaats waar -de avonturiers zich thans bevonden. -</p> -<p>Laten wij thans de jagers een poos alleen en zien wij wat er inmiddels in de hacienda -gebeurd was. -</p> -<p>De graaf de Lhorailles stapte met een bezorgd gelaat op en neder in de benedenzaal, -die tevens als vestibule voor het hoofdgebouw diende. -</p> -<p>Tegen wil en dank hield zijne ontmoeting met den Mexicaan hem <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>levendig bezig; hij wenschte gaarne met <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita in het bijzijn van haar vader een ronde verklaring te hooren, die alle onzekerheid -zou opheffen, of althans den sleutel van het ten haren opzichte bestaande geheim zou -aan de hand geven. -</p> -<p>Nog een andere omstandigheid had hem uit zijn humeur gebracht en verdubbelde zijne -onrust: -</p> -<p>Met het aanbreken van den dag was Diego Leon, een zijner luitenants, bij hem gekomen -met bericht, dat de Indiaan, dien hij den vorigen dag als gids had medegenomen, dien -nacht spoorloos verdwenen was. -</p> -<p>De staat van zaken begon ernstig te worden; de Mexicaansche Maan was ophanden; de -gids was blijkbaar een Indiaansche spion die zich van de sterkte der hacienda had -willen verzekeren en van de beste middelen om haar te overrompelen. -</p> -<p>De Apachen en Comanchen konden niet veraf wezen, <span class="corr" id="xd30e2732" title="Bron: mischiens">misschien</span> zaten zij reeds in het hooge gras te loeren op een gunstig oogenblik om hunne onverzoenlijke -vijanden te bestormen. -</p> -<p>De graaf ontveinsde zich daarbij niet, dat zoo zijn toestand moeielijk was, hij dit -grootendeels aan zich zelven te wijten had. -</p> -<p>Van gouvernementswege met een gewichtig kommando belast, inzonderheid ten doel hebbende -om de grenzen tegen de invallen der Indianen te beschermen, had hij nog hoegenaamd -geen aanstalten gemaakt of maatregelen genomen om het mandaat te vervullen dat hem -niet alleen was opgedragen, maar wat meer zegt, daar hij zelf om gevraagd had. -</p> -<p>De zoogenaamde Maan van Mexico zou binnen eene maand intreden; voor dien tijd was -het volstrekt noodig om een beslissenden slag te slaan, die den Indianen een heilzamen -schrik zou inboezemen en hen beletten zich te vereenigen, en alzoo hunne plannen te -verijdelen. -</p> -<p>De graaf had hierover reeds een geruimen tijd nagedacht en was er zoo diep mede bezig, -dat hij vergat naar zijne gasten te laten vragen, die hij den vorigen avond onder -zijn dak had ontvangen. -</p> -<p>Op eens stond zijn oude luitenant voor hem. -</p> -<p>»Wat wilt gij, Martin?” vroeg hij hem. -</p> -<p>»Met uw verlof, kapitein, ik hoop niet dat ik u stoor of ongelegen kom, maar Diego -Leon, die met acht man op de batterij aan de landtong de wacht heeft, heeft mij laten -zeggen dat een ruiter verzoekt om binnen te komen, daar hij u over ernstige zaken -spreken moet.” -</p> -<p>»Wie is die man?” -</p> -<p>»Een blanke, goed gekleed, en bereden op een uitmuntend paard.” -</p> -<p>»Heeft hij niets anders meer gezegd?” -</p> -<p>»Verschooning; nog dit: zeg aan uw kommandant dat ik een van de twee personen ben -die hij in de Rancho van José heeft gesproken.” -</p> -<p>Het gelaat van den graaf helderde op. -<span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span></p> -<p>»Laat hem binnen komen, het is een vriend.” -</p> -<p>De luitenant ging heen. -</p> -<p>Zoodra de graaf weder alleen was hervatte hij zijne wandeling. -</p> -<p>»Wat kan die man mij te zeggen hebben?” prevelde hij, »toen ik in de Rancho hem en -zijn vriend aanbood om met mij mede te gaan, hebben zij beiden geweigerd. Wat kan -hen zoo spoedig van besluit hebben doen veranderen? Bah! waartoe langer te gissen,” -vervolgde hij, terwijl hij het trappelen van een paard op het patio hoorde; »ik zal -het dadelijk weten.” -</p> -<p>Bijna op hetzelfde oogenblik verscheen don Louis, <span class="corr" id="xd30e2757" title="Bron: binnen geleid">binnengeleid</span> door den luitenant, die op een wenk van den graaf zich terstond verwijderde. -</p> -<p>»Aan welk gelukkig toeval,” zei de graaf de Lhorailles beleefd, »dank ik de eer van -een bezoek dat ik zoo weinig durfde verwachten?” -</p> -<p>Don Louis gaf hem zijne buiging even wellevend terug en antwoordde: -</p> -<p>»Het is geen gelukkig toeval dat mij herwaarts voer, integendeel de Hemel geve dat -ik geen ongeluksbode moge zijn.” -</p> -<p>»Wat bedoelt gij daarmede, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>?” vroeg hij ongerust, »ik begrijp u niet.” -</p> -<p>»Ik zal het u dadelijk ophelderen. Maar laten wij Fransch spreken, als gij dat goedvindt; -dan verstaan wij elkander beter,” zeide hij, terstond het Spaansch latende varen daar -hij zich tot hiertoe van bediend had. -</p> -<p>»Wat!” riep de graaf verwonderd, »spreekt gij Fransch, mijnheer.” -</p> -<p>»Ja, mijnheer,” hernam Louis, »wat meer is, ik heb de eer uw landgenoot te zijn, en -al ben ik,” vervolgde hij, »sinds bijna tien jaren uitlandig geweest, is het mij altijd -een onbeschrijfelijk genoegen als ik mijne eigen taal mag spreken.” -</p> -<p>Toen de graaf hem dit hoorde zeggen, scheen hij dezelfde man niet meer. -</p> -<p>»O!” riep hij in vervoering, »laat ik u de hand drukken, mijnheer; twee Franschen, -die elkander in dit verre land ontmoeten, zijn broeders: vergeten wij voor een poos -de plaats waar wij zijn en spreken wij over Frankrijk, dat dierbare vaderland, dat -ons zoo na aan het hart ligt en daar wij zoo ver af zijn.” -</p> -<p>»Helaas! mijnheer,” antwoordde Louis, die zijne ontroering bedwingen moest. »Ik gevoel -mij gelukkig dat ik voor eenige oogenblikken mijne omgeving kan vergeten om de herinneringen -van ons gemeenschappelijk vaderland te verlevendigen. Jammer slechts is het oogenblik -ernstig en zijn de gevaren die u bedreigen zoo groot, dat de tijd dien wij dus met -praten zouden verliezen, voor u de vreeselijkste gevolgen zou kunnen hebben.” -</p> -<p>»Gij doet mij schrikken, mijnheer. Wat is er dan gaande? welk vreeselijk nieuws hebt -gij mij mede te deelen?” -<span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span></p> -<p>»Ik heb u immers reeds gezegd, mijnheer, dat ik een Jobsbode was, en kwade tijding -kwam brengen.” -</p> -<p>»Laat u dat niet bezwaren; wat het ook zij, door u gesproken zal het mij welkom zijn; -wat kan ik op mijn tegenwoordigen post in de woestijn anders verwachten dan nu en -dan een ongeluk?” -</p> -<p>»Ik hoop dat ik u het gevaar zal kunnen helpen afwenden, dat u thans boven het hoofd -zweeft.” -</p> -<p>»Ik dank u voorshands voor uw broederlijke belangstelling, mijnheer; spreek nu vrij -uit, wat gij mij ook moogt te vertellen hebben, ik zal u rustig aanhooren, ik verlang -het te weten en luister met aandacht.” -</p> -<p>Zonder van zijne ontmoeting met den Tigrero te reppen, verhaalde don Louis thans den -graaf, hoe hij toevallig een gesprek tusschen den gids en verscheidene Apachenhoofden -had afgeluisterd, die in den omtrek der hacienda verscholen zaten en welk plan zij -hadden gevormd om de kolonie te overrompelen. -</p> -<p>»Ziedaar, mijnheer,” zeide hij ten slotte, »oordeel nu zelf over het gewicht der tijding -en over de maatregelen die gij zult moeten nemen om het plan uwer vijanden te verijdelen.” -</p> -<p>»Ik zeg u dank, mijnheer; reeds eenige minuten voor uwe komst, toen mijn luitenant -mij kwam zeggen dat de gids verdwenen was, heb ik begrepen dat ik met een spion te -doen had; wat gij mij meldt brengt dit vermoeden tot zekerheid. Zoo als gij wel zegt -is er geen oogenblik te verliezen; ik zal mij onmiddellijk beraden om de noodige maatregelen -te beramen.” -</p> -<p>Hij klopte op de tafel. -</p> -<p>Er kwam een peon binnen. -</p> -<p>»Roep den eersten luitenant,” zeide hij. -</p> -<p>Na een paar minuten verscheen Martin Leroux. -</p> -<p>»Luitenant,” zei de graaf, »gij moet met twintig ruiters al de omstreken drie mijlen -in ’t rond gaan verkennen, want ik hoor daareven dat er Indianen in de nabijheid zijn -die op ons loeren.” -</p> -<p>De oude soldaat boog zonder te antwoorden en verwijderde zich om te gehoorzamen. -</p> -<p>»Wacht even!” riep don Louis in ’t Fransch, hem met een wenk tegenhoudende; »nog een -woord.” -</p> -<p>»Hé!” riep Martin Leroux met verwondering terugkeerende, »spreekt gij nu toch Fransch?” -</p> -<p>»Zoo als ge hoort,” antwoordde don Louis glimlachend. -</p> -<p>»Hadt gij het een of ander op te merken?” vroeg de graaf. -</p> -<p>»Ik woon reeds sinds lang in Amerika en in de woestijn, zoodat ik de Indianen heb -leeren kennen en met hen in list kan wedijveren. Met uw verlof zal ik u eenigen raad -geven dien ik meen dat u in de tegenwoordige omstandigheden niet ondienstig zal zijn.” -</p> -<p>»Pardi!” riep de graaf, »spreek op, waarde landsman, uw raad kon ons niet anders dan -nuttig zijn, daar ben ik van overtuigd.” -</p> -<p>Op dit oogenblik trad don Sylva de kamer binnen. -<span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span></p> -<p>»Zoo, beste vriend!” vervolgde de graaf, toen hij hem zag, »gij komt juist van pas, -wij hebben u zeer noodig; uwe kennis van de zeden der Indianen zal ons zeer te stade -komen.” -</p> -<p>»Wat is er toch gaande?” vroeg de haciendero met een hoffelijken groet tegen de aanwezigen. -</p> -<p>»Er is gaande, dat de Apachen ons met eenen aanval bedreigen.” -</p> -<p>»O! dat is erg, vriend; wat denkt gij te doen?” -</p> -<p>»Dat weet ik nog niet. Ik had mijn luitenant Martin reeds gelast om de omstreken te -gaan opnemen, maar deze heer, in wien ik de eer heb u een mijner landgenooten voor -te stellen, schijnt van een ander gevoelen.” -</p> -<p>»De caballero heeft gelijk,” antwoordde de Mexicaan met eene buiging voor don Louis;—»maar -vooreerst, zijt gij wel zoo zeker van dien aanval?” -</p> -<p>»Mijnheer is opzettelijk herwaarts gekomen om mij te waarschuwen.” -</p> -<p>»Dan valt er niet meer aan te twijfelen, en moeten de noodige voorzorgen onverwijld -genomen worden. En hoe denkt de caballero er over?” -</p> -<p>»Dat wilde hij mij juist opgeven toen gij binnen kwaamt.” -</p> -<p>»Laat ik dan uw onderhoud niet langer storen; ik luister, spreek, mijnheer.” -</p> -<p>Don Louis boog en nam het woord. -</p> -<p>»Caballero,” sprak hij, zich tot don Sylva wendende; »wat ik zeggen zal, is inzonderheid -voor de Fransche <span class="corr" id="xd30e2816" title="Bron: senores">señores</span> bestemd, die te veel aan de oorlogen der blanken in Europa gewoon, niets begrijpen -van de wijze waarop de Indianen hier te werk gaan.” -</p> -<p>»Dat is waar,” merkte de graaf aan. -</p> -<p>»Bah!” riep Leroux, terwijl hij met zeker gevoel van eigenwaarde zijn knevelbaard -opstreek, »dan zullen wij hooren.” -</p> -<p>»Pas maar op dat het niet tot uw nadeel zij!” vervolgde don Louis. »De Indiaansche -oorlog is een krijg van listen en hinderlagen. Geen vijand zal u ooit in het open -veld aantasten; hij houdt zich altijd schuil en zoo hij slechts overwinnaar blijft -is ieder middel hem welkom, bovenal verraad. Vijf honderd Apachen, onder aanvoering -van een stoutmoedig opperhoofd, zouden het in de prairie tegen uwe beste soldaten -volhouden, hen afmatten en decimeeren, zonder dat deze ooit tot een bepaald treffen -konden komen.” -</p> -<p>»Zoo?” mompelde de graaf. »Is dit hun eenige manier van strijdvoeren?” -</p> -<p>»De eenige,” bevestigde de haciendero. -</p> -<p>»Hm!” riep Leroux, »dat heeft dunkt mij veel van den oorlog in Afrika.” -</p> -<p>»Niet zoo veel als gij denkt. De Arabieren vertoonen zich nog, terwijl de Apachen, -zooals ik u reeds gezegd heb, zich niet dan in de uiterste noodzakelijkheid bloot -geven.” -</p> -<p>»Dus is mijn plan om eene verkenning naar buiten te bewerkstelligen.…” -<span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span></p> -<p>»Onuitvoerbaar om twee redenen: òf uwe ruiters, hoezeer door tal van vijanden omgeven, -zouden er niet een van te zien krijgen; òf zij zouden in een hinderlaag worden gelokt, -waar zij ondanks wonderen van dapperheid tot den laatsten man zouden sneuvelen.” -</p> -<p>»Al wat deze heer zegt is volkomen juist; het laat zich wel hooren dat hij met den -Indiaanschen oorlog grondig bekend is en zich menigmaal met de <i lang="es">Indios bravos</i> zal gemeten hebben.” -</p> -<p>»Die ondervinding heb ik met mijn aardsch geluk moeten betalen, mijne geliefden zijn -door deze woeste vijanden vermoord,” antwoordde don Louis treurig; »bereid u op een -gelijk lot zoo gij niet op uwe hoede zijt. Ik weet hoe veel het aan uw ridderlijken -volksaard kost om zulk een gedragslijn te volgen; maar als ik u raden mag is het uwe -eenige kans op behoud.” -</p> -<p>»Wij hebben hier verscheidene vrouwen en kinderen, uwe dochter, don Sylva, bovenal: -wij moeten haar niet alleen volstrekt buiten gevaar stellen, maar zelfs voor den minsten -schrik behoeden. Ik vereenig mij dus geheel met het gevoelen van mijnheer Louis en -ben voornemens om met de meeste omzichtigheid te werk te gaan.” -</p> -<p>»Ik zeg u dank, zoo voor mij als voor mijne dochter.” -</p> -<p>»Maar nu, mijnheer, daar wij reeds zoo veel goeden raad van u gehoord hebben moet -gij het er niet bij laten, maar uw werk de kroon opzetten door mij te zeggen wat gij -in mijne plaats doen zoudt?” -</p> -<p>»Mijnheer,” antwoordde Louis ernstig, »wat ik zou doen is dit: de Apachen zullen u -stellig aanvallen, om zekere reden, die ik wel weet maar te beuzelachtig reken om -er ons thans mede op te houden; zij maken het welgelukken van dezen aanval tot een -punt van eer; versterk u dus hier zoo veel gij maar kunt. Gij hebt een aanzienlijk -garnizoen, uit beproefde mannen samengesteld; bij gevolg zijn alle kansen bijna in -uw voordeel.” -</p> -<p>»Ik heb zeventig dappere Franschen, allen oud-gedienden, die weten wat oorlogvoeren -is.” -</p> -<p>»Achter goede muren en wel gewapend is dat meer dan gij er noodig hebt.” -</p> -<p>»Behalve nog de veertig peons, op de Indianenjacht afgericht, die ik heb medegebracht,<span class="corr" id="xd30e2845" title="Niet in bron">”</span> zei don Sylva. -</p> -<p>»Zijn die mannen op dit oogenblik hier?” vroeg don Louis met drift. -</p> -<p>»Ja, mijnheer.” -</p> -<p>»O, dat vereenvoudigt de zaak aanmerkelijk; geloof mij, mijne heeren, nu zijn het -de Indianen die het meeste te duchten hebben.” -</p> -<p>»Verklaar u nader.” -</p> -<p>»Allerwaarschijnlijkst zult gij aan de zijde der rivier worden aangetast; misschien -zullen de Indianen om uwe krachten te verdeelen een gewaanden aanval op het fort aan -de landengte doen, maar dat punt is te goed versterkt dan dat zij in ernst zouden -beproeven het <span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span>te veroveren; ik herhaal u dus dat de vijand zijne hoofdmacht aan den rivierkant zal -samentrekken.” -</p> -<p>»Ik moet u doen opmerken, mijnheer,” zei de luitenant, »dat de rivier op dit oogenblik -onbevaarbaar is, door de duizende boomstammen die de jongste onweders in de bergen -hebben losgerukt en die zij op haar stroom medevoert.” -</p> -<p>»Ik weet niet of de rivier al dan niet bevaarbaar is,” antwoordde don Louis beslissend; -»maar daarvan ben ik overtuigd, dat de Apachen u van die zijde zullen aantasten.” -</p> -<p>»In ieder geval, en om niet onvoorziens overrompeld te worden, zal ik twee stukken -van de batterij aan de landengte laten nemen; daar blijven er dan nog vier over, hetgeen -meer dan voldoende is; ik zal die twee stukken zoo laten stellen dat zij de rivier -bestrijken en ze tevens maskeeren zoodat zij niet kunnen gezien worden. Gij hebt mij -verstaan, Leroux? laat vervolgens een der lange veldstukken op het plat der mirador -in batterij stellen, dan bestrijken wij den loop der Gila ook van dien kant. Ga nu, -en zorg dat mijne orders onmiddellijk worden uitgevoerd.” -</p> -<p>De oude soldaat ging heen zonder te antwoorden, om de bevelen van zijn chef uit te -voeren. -</p> -<p>»Gij ziet, mijne heeren,” vervolgde de graaf zoodra zijn luitenant weg was, »dat ik -mij den raad dien gij mij geeft dadelijk ten nutte maak; ik beken dat ik van den Indiaanschen -oorlog volstrekt geen ondervinding heb en zeg u nogmaals, dat ik mij gelukkig reken -door u zoo goed geholpen te worden.” -</p> -<p>»Mijnheer Louis heeft alles vooruit gezien,” zeide de haciendero, »even als hij, denk -ik dat de kolonie aan de rivierzijde het meest bloot ligt.” -</p> -<p>»Nog een woord,” hervatte de Franschman. -</p> -<p>»Spreek, mijnheer.” -</p> -<p>»Hebt gij niet gezegd, caballero, dat gij veertig peons hadt medegebracht, allen in -den krijg welervaren mannen en dat zij op dit oogenblik hier zijn?” -</p> -<p>»Ja, dat heb ik gezegd, en het is de zuivere waarheid.” -</p> -<p>»Zeer goed. Laat ik u dan ook daarin raden, mijne heeren; wat ik hier zeggen zal is -maar eene eenvoudige opmerking, maar ik geloof dat gij van de peons meesterlijk partij -zoudt kunnen trekken en u van de overwinning verzekeren door uwe vijanden tusschen -twee vuren te brengen.” -</p> -<p>»Dat zou het ook. Maar hoe meent gij het dan? gij hebt zelf daar zoo even nog gezegd, -dat het eene onvergeeflijke onvoorzichtigheid zou zijn om een detachement van ons -volk op verkenning uit te zenden.” -</p> -<p>»Dat heb ik ook gezegd en dat zeg ik nog. In de bosschen en struiken namelijk zijn, -terwijl wij hier spreken, duizend oogen op de hacienda gevestigd, zoodat er niemand -in of uit kan gaan zonder dat zij het zien.” -<span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span></p> -<p>»Welnu?” -</p> -<p>»Maar heb ik u dan ook niet gezegd dat deze oorlog een oorlog van listen en hinderlagen -was?” -</p> -<p>»Dat hebt gij zeker; en toch moet ik u bekennen dat ik niet begrijp waar gij heen -wilt.” -</p> -<p>»Dat is toch zoo moeielijk niet om te begrijpen; ik zal het u in twee woorden zeggen.” -</p> -<p>»Alles wat ik verlang,” zei don Sylva. -</p> -<p>»<span class="corr" id="xd30e2880" title="Bron: Senor">Señor</span> caballero,” hervatte don Louis zich tot don Sylva wendende, »denkt gij hier te blijven?” -</p> -<p>»Ja, om zekere gewichtige redenen zal ik hier vrij lang moeten vertoeven.” -</p> -<p>»Ik heb voor het minst geen oogmerk, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>, mij in uwe intieme zaken te mengen, geloof mij, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>, als ik maar weet of gij hier blijft.” -</p> -<p>»Ja.” -</p> -<p>»Perfect. Hebt gij onder uwe peons een getrouw man, op wien gij kunt rekenen zoo goed -als op u zelven?” -</p> -<p>»<i>Cascaras!</i> dat zou ik denken: ik heb Blas Vasquez.” -</p> -<p>»Zonder onbescheiden te zijn, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>, moet ik u vragen wie is deze Blas Vasquez, zooals gij hem noemt, daar ik de eer -niet heb hem te kennen.” -</p> -<p>»Blas Vasquez is mijn capataz of majordomo (hofmeester) een flinke vent, daar ik des -noods op kan rekenen zoo goed als op mij zelven.” -</p> -<p>»Nu, dan is alles in orde, dat maakt de zaak zoo eenvoudig mogelijk.” -</p> -<p>»Ik zie nog volstrekt niet hoe,” riep de graaf. -</p> -<p>»Gij zult het aanstonds zien,” hernam don Louis. -</p> -<p>»Hoe eer hoe liever, vriend.” -</p> -<p>»Uw capataz zal zich, onder bepaalde instructiën, eer wij een uur verder zijn aan -het hoofd der peons stellen en openlijk uittrekken op weg naar Guaymas; doch twee -of drie uren van hier<span class="corr" id="xd30e2911" title="Bron: .">,</span> op eene plaats die wij nader zullen bepalen moet hij post vatten: het overige gaat -ons aan en zal door mijne vrienden en mij worden geregeld.” -</p> -<p>»Ja, ik begrijp uw plan: de peons door u met overleg verborgen, zullen de Indianen -in den rug aantasten zoodra de strijd tusschen hen en ons hier begint.” -</p> -<p>»Dat is werkelijk mijn plan.” -</p> -<p>»Maar de Apachen?” -</p> -<p>»Welnu?” -</p> -<p>»Denkt gij, dat zij een troep blanken ongemoeid van hier zullen laten vertrekken?” -</p> -<p>»De Indianen zijn te slim om er zich tegen te verzetten. Wat zouden zij er bij winnen, -een troep aan te tasten die geen bagage bij zich heeft en daar dus niets van te halen -is? Zulk een strijd <span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span>zou alleen hunne stelling kunnen verraden, en daar zullen zij zich wel voor wachten. -Neen, neen, wees gerust, caballero, zij zullen zich niet verroeren; zij hebben er -te veel belang bij om onzichtbaar te blijven, of verbeelden het zich althans, daar -zij niet weten dat gij voor hen gewaarschuwd zijt.” -</p> -<p>»En gij, wat denkt gij te doen?” -</p> -<p>»Ik? de Indianen hebben mij ongetwijfeld herwaarts zien komen; zij weten dat ik hier -ben; als ik tegelijk met u vertrok zou ik alles verklappen. Ik ga dus alleen weg, -zoo als ik gekomen ben, en dat wel oogenblikkelijk.” -</p> -<p>»Uw plan is zoo eenvoudig en zoo goed overlegd, dat het wel slagen moet. Ontvang onzen -dank, mijnheer, en noem ons uw naam, opdat wij den man mogen kennen aan wien wij zoo -veel verplichting hebben.” -</p> -<p>»Waartoe zou dat dienen, mijnheer?” -</p> -<p>»Ik voeg mijn verzoek bij dat van mijn vriend <span class="corr" id="xd30e2930" title="Bron: Gaetano">Gaëtano</span>, caballero, om u te dringen, den naam te openbaren van een man wiens aandenken zoo -diep in onze harten staat gegrift.” -</p> -<p>Don Louis aarzelde. Zonder recht te weten waarom, voelde hij zich ongenegen om tegenover -den graaf de Lhorailles zijn incognito te verbreken. -</p> -<p>De beide heeren hielden echter zoo dringend en zoo beleefd bij hem aan, dat hij, bij -gebreke van stellingen en redelijken grond om onbekend te blijven, zich liet overhalen -zijn naam bekend te maken. -</p> -<p>»Caballeros,” zeide hij eindelijk, »ik ben de graaf Louis Edouard Maxime de Prébois -Crancé.” -</p> -<p>»Wij zijn vrienden, niet waar, mijnheer de graaf?” zeide de Lhorailles hem de hand -toestekende. -</p> -<p>»Wat ik voor u doe, strekt dunkt mij daarvan tot bewijs,” antwoordde hij met een hoffelijke -buiging, maar zonder de hand te drukken die hem werd aangeboden. -</p> -<p>»Ik dank u,” zei de graaf zonder naar ’t scheen de teruggetrokken houding van don -Louis op te merken. »Denkt gij ons spoedig te verlaten?” -</p> -<p>»Ik moet u, met uwe dringende bezigheden alleen laten. Zoo gij er niets tegen hebt, -neem ik dadelijk mijn afscheid.” -</p> -<p>»Toch niet zonder ten minste vooraf met ons ontbeten te hebben?” -</p> -<p>»Gij zult mij verschoonen, de tijd dringt ons. Mijne vrienden, die ik reeds sedert -een paar uren verlaten heb, zullen zich over mijn lang uitblijven zeer ongerust maken.” -</p> -<p>»Daar zij weten dat gij bij mij zijt, mijnheer, is zoo iets toch onmogelijk,” zei -de graaf min of meer geraakt. -</p> -<p>»Zij weten niet dat ik hier zonder letsel ben aangekomen.” -</p> -<p>»Dat verandert de zaak, dan wil ik u niet langer ophouden, nogmaals dank, mijnheer.” -<span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span></p> -<p>»Ik heb volgens mijn geweten gehandeld, mijnheer, gij hebt mij voor niets te danken.” -</p> -<p>De drie heeren gingen nu de zaal uit en wandelden samen naar de landengte, al pratende -over onverschillige zaken. Nauwelijks waren zij half op weg, of zij ontmoetten don -Blas, den capataz. Don Sylva wenkte hem te naderen en gaf hem toen in weinige woorden -te kennen op welke gebeurtenissen men zich voorbereidde en welke rol hij daarbij zou -moeten spelen. -</p> -<p>»<span lang="es">Voto a Dios!</span>” riep de wakkere hofmeester vroolijk, »ik dank u, don Sylva, voor dat goede nieuws. -Wij zullen dus eindelijk met die verwenschte Apachen aan den slag komen. Caraï! zij -zullen wat zien, dat zweer ik u.” -</p> -<p>»Dat is u wel toevertrouwd, Blas, ik verlaat mij geheel op u<span class="corr" id="xd30e2957" title="Niet in bron">.</span>” -</p> -<p>»Maar op welke hoogte moet ik dezen caballero afwachten!” -</p> -<p>»Inderdaad! wij hebben de plaats nog niet bepaald.” -</p> -<p>»Inderdaad!” herhaalde don Louis. »Ongeveer drie mijlen van hier in de richting van -Guaymas waar de weg een bocht maakt, ligt een eenzame heuvel, zoo ik meen heet hij -<i lang="es">el Pan de Azucar</i>; daar kunt gij u gerust verbergen zonder vrees van ontdekt te worden. Ik zal daar -met mijne vrienden bij u komen.” -</p> -<p>»Dat is afgesproken. Tegen hoe laat zoo wat?” -</p> -<p>»Dat kan ik u nog niet bepaald zeggen; het hangt van omstandigheden af.” -</p> -<p>Eenige minuten later keerde don Louis naar de prairie terug terwijl de graaf de Lhorailles -en de beide Mexicanen zich bezig hielden met de noodige toebereidsels voor eene ernstige -verdediging der hacienda. -</p> -<p>»’t Is toch zonderling,” <span class="corr" id="xd30e2972" title="Bron: momdelde">mompelde</span> don Louis in zich zelven terwijl hij in snellen galop wegreed, »al is die man mijn -landgenoot en al zal ik eerlang misschien mijn leven voor hem wagen, gevoel ik voor -hem geen de minste sympathie.” -</p> -<p>Op eens maakte zijn paard een zijsprong, en de Franschman, zoo plotseling in zijne -beschouwingen gestoord, hield op. -</p> -<p>De Arendskop stond voor hem. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6914">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XI.</h2> -<h2 class="main">DE MEXICAANSCHE MAAN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Na zijn nachtelijk bezoek in het jagerskamp was de Zwarte-Beer met zijne ruiterschaar -onmiddellijk op marsch gegaan naar zeker niet verafgelegen eiland, Chole-Heckel genaamd, -een der uiterste posten van den stam der Apachen op de grenzen van Mexico. -</p> -<p>De Sachem met zijn troep bereikte dit eiland tegen het krieken van den dag. Daar ter -plaatse heeft de Rio Gila hare grootste breedte, <span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span>beslaande elk der beide rivierarmen die het eiland insluiten, meer dan twee mijlen -van den eenen oever tot den anderen. -</p> -<p>Chole-Heckel, dat zich midden in den stroom verheft en, uit de verte gezien, als een -trotsche bloemenmand schijnt te drijven op het spiegelend watervlak, heeft ongeveer -drie mijlen lengte bij eene mijl breedte, en is om zoo te zeggen eene reusachtige -bouquet van bloeiende boomen en gewassen, die de welriekendste geuren uitwasemt en -in wier welige takken eene ontelbare menigte vogels onder lustig gekweel en gesnater -zich paart tot een melodisch natuurconcert. -</p> -<p>Onder de luisterrijke stralen der opgaande zon bood het eiland op dit oogenblik bovendien -een ander, ongewoon en allerzonderlingst schouwspel, dat wel in staat was den blik -van iederen reiziger te treffen, en geen Europeaan, zonder het gezien te hebben, zich -ooit naar waarde zou kunnen verbeelden. -</p> -<p>Zoover het oog reikte, zoowel op het eiland zelf als aan de beide oevers der Rio Gila, -zag men honderden tenten van bisonshuid of hutten van groene takken gevlochten, in -geregelde orde, dicht aan elkander geplaatst en uitwendig met allerlei opzichtige -stoffen versierd of met schreeuwende kleuren beschilderd, zoodat de bonte mengeling, -thans door de gloeiende morgenzon beschenen, het oog deed schemeren. -</p> -<p>Tallooze kleine prauwen rond van vorm, uit samengenaaide paardenhuiden of meer rank -en spits, uit holle boomstammen vervaardigd, doorkliefden de rivier in alle richtingen. -</p> -<p>De krijgslieden van den Zwarte-Beer stegen af en gaven hunnen paarden de vrijheid, -die weldra begonnen te grazen en zich onder eene menigte anderen verstrooiden. -</p> -<p>Het opperhoofd begaf zich onmiddellijk naar de hutten en tenten, voor welke behalve -wimpels van doek en vederbossen eene menigte haarschedels van beroemde in den krijg -gedoode vijanden op de morgenkoelte wapperden, en ging tusschen de vrouwen door, die -reeds druk bezig waren met het ochtendmaal te bereiden. -</p> -<p>De Zwarte-Beer werd echter bij zijne komst dadelijk herkend; iedereen haastte zich -dus hem te gemoet te gaan en zich op zijn weg te scharen, om hem met een eerbiedige -buiging te begroeten. Wat een Europeaan misschien moeielijk zou gelooven, is het diep -ontzag dat alle Indianen, zonder uitzondering, hunnen opperhoofden toedragen. Vooral -bij die Indianen, welke aan de voorvaderlijke gewoonten getrouw gebleven, de Europeesche -beschaving met verachting hebben afgewezen om als vrije mannen in de onbeperkte savanen -te kunnen omzwerven, is dit ontzag tot dweepzuchtige en schier tot afgodische vereering -overgeslagen. -</p> -<p>De gouden met twee bisonshoorns versierde haarband die op het voorhoofd van den Zwarte-Beer -prijkte, maakte hem terstond bij allen kenbaar en deed alom op zijn pad een levendig -vreugdegejuich opgaan. -<span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span></p> -<p>Eindelijk bereikte hij den oever der rivier; daar komende wenkte hij een man, die -op korten afstand met zijne prauw lag te visschen; deze haastte zich te gehoorzamen, -en de sachem stak den stroom over naar het eiland. -</p> -<p>Eene hut van takken stond aldaar voor hem gereed. Waarschijnlijk hadden de hier en -daar verborgen schildwachts hem reeds uit de verte gadegeslagen, want op het oogenblik -dat hij voet aan wal zette, trad een der opperhoofden met name de Kleine-Panter hem -te gemoet. -</p> -<p>»Het groote opperhoofd is welkom bij zijne kinderen,” zeide hij met eene hoffelijke -buiging voor den Zwarte-Beer; »o! heeft mijn vader eene goede reis gehad?” -</p> -<p>»Ik heb eene goede reis gehad, ik dank mijn broeder.” -</p> -<p>»Zoo mijn vader het goed vindt zal ik hem naar de <i>jacal</i><a class="noteRef" id="xd30e3004src" href="#xd30e3004">1</a> geleiden die wij gebouwd hebben om hem te ontvangen.” -</p> -<p>»Laten wij gaan,” zei de sachem. -</p> -<p>De Kleine-Panter boog ten tweeden male en geleidde thans het opperhoofd langs een -smal pad dat door de struiken gebaand was; weldra kwamen zij aan eene jacal die naar -de wijze der Indianen, zoowel door hare grootte als door hare netheid en de schitterende -kleuren waarmede zij beschilderd was, uitmuntte en aan hun ideaal van gemak of weelde -beantwoordde. -</p> -<p>»Hier is mijns vaders huis,” zeide de Kleine-Panter terwijl hij eerbiedig de <i>fressada</i>—wollen deken—ophief, die de jacal als een gordijn sloot, en toen een weinig ter zijde -trad om den Zwarte-Beer door te laten. -</p> -<p>Deze trad binnen. -</p> -<p>»Mijn broeder volge mij,” zeide de Zwarte-Beer. -</p> -<p>De <span class="corr" id="xd30e3018" title="Bron: kleine-Panter">Kleine-Panter</span> trad achter hem binnen en liet het gordijn weder vallen. -</p> -<p>De jacal, ofschoon buitengewoon groot, verschilde overigens niet van die der andere -Indianen; in het midden brandde een vuur; de Zwarte-Beer wenkte den anderen sachem -om naast hem op een bisonsschedel te gaan zitten; nam er zelf een en beiden namen -plaats bij het vuur. -</p> -<p>Na een poosje stilzwijgens, dat de sachems besteedden om deftig hunne pijp te rooken, -richtte de Zwarte-Beer het woord tot den Kleine-Panter. -</p> -<p>»Zijn al de hoofden onzer volksstammen op het eiland Chole-Heckel vereenigd, zoo als -ik bevolen had?” -</p> -<p>»Allen zijn er vereenigd.” -</p> -<p>»Wanneer zullen zij in mijne jacal komen?” -</p> -<p>»Dat hangt van mijn vader af; zij wachten op zijn welbehagen.” -<span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span></p> -<p>De Zwarte-Beer begon weder stilzwijgend te rooken en op deze wijze verliep er een -geruime tijd. -</p> -<p>»Is er gedurende den tijd, dat ik afwezig was, niets nieuws voorgevallen?” vroeg de -Zwarte-Beer terwijl hij de asch uit zijn calumet op den nagel van den duim zijner -linkerhand schudde. -</p> -<p>»Drie opperhoofden van de Comanchen der prairiën zijn hier gekomen, om als afgezanten -van hun volk met de Apachen te onderhandelen.” -</p> -<p>»Ooah!” riep de Zwarte-Beer; »zijn het beroemde opperhoofden?” -</p> -<p>»Zij hebben tal van wolvenstaarten aan hunne <i>mocksens</i><a class="noteRef" id="xd30e3037src" href="#xd30e3037">2</a>. Zij moeten dus wel dapper zijn.” -</p> -<p>De Zwarte-Beer boog toestemmend. -</p> -<p>»De een,” zegt men, »is de Spotvogel,” vervolgde de Kleine-Panter. -</p> -<p>»Is mijn broeder zeker van hetgeen hij mij zegt?” vroeg de sachem met belangstelling. -</p> -<p>»De Comanchenhoofden hebben geweigerd hun naam te zeggen, toen zij hoorden dat mijn -vader afwezig was. Zij antwoordden dat zij zouden wachten tot hij terugkwam.” -</p> -<p>»Goed! Het zijn opperhoofden. Waar houden zij hun verblijf<span class="corr" id="xd30e3046" title="Bron: ”.">?”</span> -</p> -<p>»Zij hebben een vuur ontstoken en er zich bij gelegerd.” -</p> -<p>»Zeer goed. De tijd is kostbaar: mijn broeder ga de Apachenhoofden zeggen dat ik hen -rondom het raadsvuur wensch te vereenigen.” -</p> -<p>De Kleine-Panter stond op zonder te antwoorden en ging de jacal uit. -</p> -<p>Een uur lang ongeveer zat het opperhoofd alleen en in diepe gepeinzen verzonken; na -verloop van dien tijd hoorde men daarbuiten de voetstappen van verscheidene mannen -naderen: het gordijn der jacal werd opgeheven en de Kleine-Panter verscheen. -</p> -<p>»Wel?” zei de Zwarte-Beer. -</p> -<p>»De hoofden wachten op u.” -</p> -<p>»Laat hen binnenkomen.” -</p> -<p>De opperhoofden stonden reeds voor de hut. -</p> -<p>Zij waren tien in getal, allen in hun beste kostuum, op het schoonst versierd, beschilderd -en gewapend als ten oorlog. -</p> -<p>Zij stapten zwijgend binnen, en namen plaats bij het vuur, na voor het opperhoofd -gebogen en den zoom van zijn mantel gekust te hebben. -</p> -<p>Nauwelijks hadden zich al de opperhoofden in de <i lang="es">toldo</i> (raadshut) verzameld, of een troep Apachen-krijgslieden schaarde er zich omheen, -ten einde de nieuwsgierigen te verwijderen en het geheim van de beraadslaging der -sachems te verzekeren. -</p> -<p>Ondanks zijne zelfbeheersching kon de Zwarte-Beer zijne vreugde <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>niet bedwingen, toen hij zoo vele mannen bijeen zag die hem geheel waren toegedaan -en met wier hulp hij zich zeker waande zijne dwaze plannen te kunnen uitvoeren. -</p> -<p>»Ik heet mijne broeders welkom!” zeide hij, hen met een wenk uitnoodigend op de bisonsschedels -plaats te nemen, die rondom het vuur geschaard stonden, »ik heb hen met ongeduld verbeid.” -</p> -<p>De opperhoofden maakten eene buiging en gingen zitten. Het volgende oogenblik kwam -de pijpdrager binnen met de groote calumet, die hij aan al de sachems rondpresenteerde, -om er elk op zijn beurt een paar trekken uit te laten doen. Toen deze ceremonie was -afgeloopen en de pijpdrager zich verwijderd had, werd de beraadslaging geopend. -</p> -<p>»Voor alle dingen,” zoo begon de Zwarte-Beer, »moet ik u van mijne zending verslag -doen. De Zwarte-Beer heeft haar volkomen vervuld, hij is in de groote hut der blanken -geweest, en heeft haar tot in de kleinste bijzonderheden onderzocht, hij kent het -aantal bleekgezichten die haar verdedigen en als het uur komt om er mijne krijgslieden -binnen te leiden zal de Zwarte-Beer overal den weg weten te vinden.” -</p> -<p>De hoofden bogen ten teeken van goedkeuring. -</p> -<p>»Die groote hut der blanken,” vervolgde de Zwarte-Beer, »is het eenige ernstige bezwaar -dat onze onderneming in den weg staat.” -</p> -<p>»De Yoris zijn honden zonder moed, de Apachen zullen hen van vrouwenrokken voorzien -en hen ons wildbraad laten gereed maken,” zei de Kleine-Panter met een schamperen -grijns. -</p> -<p><span id="xd30e3077"></span>De Zwarte-Beer schudde het hoofd. -</p> -<p>»De bleekgezichten der groote hut van Guetzalli zijn geene Yoris,” riep hij; »een -sachem heeft hen gezien, het zijn wel degelijk mannen. Zij hebben meerendeels blauwe -oogen en de kleur van hun haar is als die van het rijpe maïs, zij komen mij zeer dapper -voor: laten mijne broeders zich niet vergissen!” -</p> -<p>»En weet mijn vader ook wie deze zijn?” vroeg een der sachems. -</p> -<p>»Dat weet de Zwarte-Beer niet, doch daar ginds bij het groote Zoutmeer, is hem gezegd -dat zij een land bewonen zeer ver van hier tegen de opgaande zon: dat is alles.” -</p> -<p>»Die mannen hebben dus zeker geen boomen, noch vruchten, noch bisons in hun land, -dat zij zoo ver komen om de onze te stelen.<span class="corr" id="xd30e3084" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>»De bleekgezichten zijn onverzadelijk,” hernam de Zwarte-Beer; »zij vergeten dat de -Groote Geest hun even als andere menschen slechts één mond en twee handen gegeven -heeft; alles wat zij zien willen zij bezitten; de Wacondah, die zijne roode kinderen -bemint, heeft ons in een rijk land doen geboren worden en ons met zijne gaven overstelpt, -daarop zijn de bleekgezichten jaloersch en daarom zoeken zij ons gedurig te bestelen -en er ons uit te verdrijven; maar de Apachen zijn dappere krijgslieden, zij zullen -de jachtgronden weten <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>te verdedigen en te beschermen, die zij van hunne vaderen geërfd hebben, en beletten -dat zij betreden worden door de voeten der vagebonden die van de overzijde van het -groote Zoutmeer zijn gekomen, op hunne drijvende hutten van de <i>groote medicijn</i>.”<a class="noteRef" id="xd30e3092src" href="#xd30e3092">3</a> -</p> -<p>De opperhoofden juichten deze rede met geestdrift toe, daar zij hunne gevoelens zoo -juist wedergaf en den bitteren haat uitdrukte die hen bezielde tegen de blanken, dat -alles overwinnend en veroverend ras, dat gedurig voorwaarts dringt en de Roodhuiden -steeds verder en verder in de wildernis terugdrijft en hun weldra niet langer de noodige -ruimte zal laten om vrij te ademen, veelmin rustig naar hun zin en wijze te leven. -</p> -<p>»De groote natie der Comanchen van het Meer, die zich de Koningin der Prairiën noemt, -heeft naar ons volk drie beroemde krijgslieden afgevaardigd. Het doel dezer ambassade -is mij onbekend, maar mijns bedunkens kan het niet anders dan vredelievend zijn. Behaagt -het u, hoofden mijns volks, hen onder u te ontvangen en te vergunnen met ons de vredespijp -te rooken rondom het vuur van den raad?” -</p> -<p>»Mijn vader is een zeer wijze sachem,” antwoordde de Kleine-Panter; »hij weet, wanneer -hij dit wil, de verborgenste gedachten zijner vijanden te raden; wat hij doet zal -welgedaan zijn; de hoofden van zijn volk zullen zich gelukkig rekenen zich te gedragen -naar den raad dien hij hun zal gelieven te geven.” -</p> -<p>De Zwarte-Beer liet zijn blik over de vergadering weiden om zich te verzekeren of -de Kleine-Panter wel het algemeene gevoelen had uitgesproken. -</p> -<p>Al de leden van den raad bogen zwijgend het hoofd, ten teeken van goedkeuring. -</p> -<p>De sachem glimlachte hoogmoedig, toen hij zag dat zijne mede-opperhoofden hem zoo -wel begrepen hadden en wendde zich onmiddellijk tot den Kleine-Panter: -</p> -<p>»Dat mijne broeders de opperhoofden der Comanchen binnengeleid worden,” zeide hij. -</p> -<p>Deze woorden werden uitgesproken op een toon van majesteit, daar een Europeesch vorst -die in zijn parlement voorzit zich aan kon spiegelen. -</p> -<p>De Kleine-Panter ging de hut uit om het ontvangen bevel ten uitvoer te brengen. -</p> -<p>Gedurende zijne afwezigheid, die vrij lang aanhield, werd er geen woord tusschen de -sachems gewisseld; daar zaten zij op hunne bisonsschedels, met de ellebogen op de -knieën, de kin op de handpalmen, onbewegelijk en zwijgend, strak voor zich te kijken, -en naar het scheen in het diepste nadenken verzonken. -<span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span></p> -<p>De Kleine-Panter kwam eindelijk terug, met de drie Comanchenhoofden in zijn gevolg. -</p> -<p>Bij hunne komst stonden de Apachenhoofden op en begroetten hen met eene plechtstatige -buiging. De Comanchen gaven hunne begroeting niet minder plechtstatig terug, doch -namen een diep stilzwijgen in acht en bleven staan wachten tot men hen het eerst zou -toespreken. -</p> -<p>Het waren drie kloeke, jonge mannen, rank van gestalte, krijgshaftig van houding, -met vrijen blik en nadenkend voorhoofd. Terwijl zij daar zoo stonden in hun nationaal -kostuum, met opgeheven hoofd, de hand fier op de rechterheup, hadden zij iets edels -en oprechts, dat terstond belangstelling wekte en vertrouwen inboezemde. Inzonderheid -een van hen, de jongste der drie—hij kon nauwelijks vijf en twintig jaar geweest zijn—was, -naar zijn uiterlijk voorkomen te oordeelen, iemand van hoogeren aanleg en rang; zijne -strenge gelaatstrekken, de glans van zijn schitterenden oogopslag, zijne houding vol -zwier en majesteit, alles deed hem reeds dadelijk kennen als een man uit duizend. -</p> -<p>Hij heette de Spot-Vogel en zooals de bos condorsveeren in zijn oorlogskuif aanduidde, -was hij een der voornaamste krijgshoofden van zijn stam. -</p> -<p>Zonder zich daarom aan onbescheiden nieuwsgierigheid schuldig te maken, vestigden -de Apachen op hunne nieuwe gasten dien doordringenden blik van onderzoek, dien de -Indianen in zulk eene hooge mate bezitten. -</p> -<p>De Comanchen, ofschoon zij gevoelden dat aller oog op hen gericht was en zij het mikpunt -waren der algemeene belangstelling, hielden zich alsof zij hiervan niets bemerkten -en geen spier bewoog zich op hun strak gelaat. -</p> -<p>Machiavelli, de schrijver van den <i>Vorst</i>, was, bij de Roodhuiden vergeleken, slechts een kind in zake van politiek en staatslist. -Deze arme ongeleerde wildemannen, zooals men ze uit onkunde vaak noemt, zijn de leepste -en geslepenste diplomaten die er bestaan kunnen. -</p> -<p>Na eenige oogenblikken stilte, deed de Zwarte-Beer een stap voorwaarts en naderde -hij de Comanchen, de rechterhand uitstrekkende met de palm naar voren. -</p> -<p>»Ik acht mij gelukkig,” zeide hij, »de Comanchen van het Meer te ontvangen onder mijn -totem, en hen te begroeten te midden van mijn volk. Dat zij plaats nemen aan het vuur -van onzen raad en de vredescalumet rooken met hunne broederen.” -</p> -<p>»Zoo zij het,” antwoordde de Spotvogel op strengen toon; »zijn wij niet allen kinderen -van den Wacondah?” -</p> -<p>En zonder er verder een woord bij te voegen nam hij, gevolgd door de andere opperhoofden, -plaats bij het vuur van den raad in gelijken rang met de Apachen<span class="corr" id="xd30e3124" title="Niet in bron">.</span> -</p> -<p>Het gesprek bleef andermaal steken. Ieder rookte in stilte. -<span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span></p> -<p>Eindelijk, toen in de calumets niets meer was overgebleven dan de asch, wendde de -Zwarte-Beer zich met een glimlach tot den Spotvogel. -</p> -<p>»Mijne broeders de Comanchen van het Meer waren zeker niet ver van hier op de bisonsjacht: -en toen hebben zij gedacht hunnen broeders de Apachen een bezoek te brengen. Ik zeg -hun hiervoor dank.” -</p> -<p>De Spotvogel boog en antwoordde: -</p> -<p>»De Comanchen van het Meer zijn nog ver weg, op het jachtveld der antilopen aan de -Rio del Norte, alleen de Spotvogel en weinige getrouwe krijgslieden van zijn stam -liggen hier in den omtrek gekampeerd.” -</p> -<p>»De Spotvogel is een beroemd opperhoofd in de prairie,” antwoordde de Apache vleiend; -»de Zwarte-Beer acht zich gelukkig hem te zien. Een zoo groot krijgsman als mijn broeder -doet zulk een verren tocht niet zonder een bepaald en gewichtig doel.” -</p> -<p>»De Zwarte-Beer heeft wel geraden: de Spotvogel is herwaarts gekomen om de banden -der vriendschap tusschen hem en zijne broeders de Apachen nader toe te halen. Waarom -toch zouden wij elkander een grondgebied betwisten daar wij beiden gelijk recht op -hebben? Zouden wij niet wijzer doen met het tusschen ons te verdeelen? Moeten de Roode -menschen elkander nog langer onderling verdelgen? Zou het niet beter zijn bij het -vuur van den raad, de oorlogsbijl zoo diep te begraven, dat voortaan wanneer een Apache -een Comanch ontmoet, deze in hem niets anders ziet dan een welbeminden broeder? De -bleekgezichten, die met iedere maan meer en meer onze bezittingen innemen, voeren -immers tegen ons een te bitteren oorlog, dan dat wij door onze inwendige geschillen -hun overmoed zouden in de hand werken?” -</p> -<p>De Zwarte-Beer stond op en strekte den arm gezagvoerend uit. -</p> -<p>»Mijn broeder de Spotvogel heeft gelijk,” zeide hij, »slechts één gevoel behoort ons -voortaan te leiden, vaderlandsliefde; stellen wij dus onze kleine hatelijkheden ter -zijde, om aan niets anders te denken dan aan de vrijheid! De bleekgezichten weten -volstrekt niets van onze plannen; gedurende de weinige dagen, door mij te Guaymas -doorgebracht, was ik in staat mij hiervan te overtuigen; onze onverhoedsche inval -zal dus voor hen een bliksemstraal zijn, die hen van schrik doet verstijven; onze -enkele aannadering reeds maakt hen half overwonnen.” -</p> -<p>Er volgde eene diepe stilte. -</p> -<p>De Spotvogel liet nu zijn blik kalm en fier over de vergadering rondgaan, en riep: -</p> -<p>»Binnen twee maal vier en twintig uren begint de Mexicaansche Maan. Roodhuiden en -krijgslieden, zouden wij haar laten voorbijgaan zonder een van die stoutmoedige invallen -te hebben gewaagd, welke wij in dezen tijd des jaars gewoon zijn te doen? Bovenal -is er eene bezitting <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>daar wij als een orkaan op moeten losstormen; die bezitting, nog kort geleden door -bleekgezichten gevestigd, die geen Yoris zijn, is voor ons eene voortdurende bedreiging. -Ik wil niet met u dingen, hoofden der Apachen, maar ik kom u, zoo gij de kolonie Guetzalli -wilt aantasten, ronduit een onderstand van vier honderd uitgelezen Comanchen-krijgslieden -aanbieden, aan welks hoofd ik mij stellen zal.” -</p> -<p>Dit voorstel deed de aanwezigen van vreugde sidderen. -</p> -<p>»Ik neem met vreugde het voorstel mijns broeders aan,” riep de Zwarte-Beer. »Ook ik -heb nagenoeg een gelijk aantal krijgslieden onder mijn bevel; onze beide troepen zullen, -naar ik hoop, genoeg zijn om de kolonie der bleekgezichten geheel te vernietigen. -Morgen, met het opkomen der maan, zetten wij ons in beweging.” -</p> -<p>De sachems verwijderden zich. -</p> -<p>De Zwarte-Beer en de Spotvogel bleven alleen. -</p> -<p>Deze twee opperhoofden genoten bij hun stam eene gelijke vermaardheid, beiden werden -door hunne onderhoorigen schier aangebeden. -</p> -<p>Zij beschouwden elkander eene poos met zwijgende belangstelling. Tot dusver waren -zij altijd vijanden geweest en hadden nimmer gelegenheid gehad elkander te zien dan -met de wapenen in de hand. -</p> -<p>»Ik zeg mijn broeder dank, voor zijn vriendelijk aanbod,” zei de Zwarte-Beer eindelijk. -»In de tegenwoordige omstandigheden zal zijne hulp ons zeer te stade komen, maar als -de overwinning eenmaal beslist is, zullen de voordeelen gelijkelijk tusschen de twee -natiën verdeeld worden.” -</p> -<p>De Spotvogel boog. -</p> -<p>»Welk plan heeft mijn broeder zich voorgesteld?” vroeg hij. -</p> -<p>»Een zeer eenvoudig plan. De Comanchen zijn geachte ruiters; met mijn broeder als -aanvoerder moeten zij onverwinnelijk zijn. Zoodra de maan aan den hemel schijnt, zal -de Spotvogel met zijne krijgslieden opbreken naar Guetzalli en al het land voor zich -uit afbranden, om een zwart gordijn van rook tusschen hem en den vijand op te halen, -dat dezen beletten zal hen te zien aankomen of hunne sterkte te tellen. Indien de -bleekgezichten, hetgeen echter niet waarschijnlijk is, vedetten buiten hunne groote -hut hebben geplaatst om onze nadering te bespieden, zal mijn broeder trachten deze -vedetten op te lichten en hen terstond laten dooden, om te beletten dat zij hunne -vrienden waarschuwen. In de tegenwoordige onderneming, even als zulks bij vorige gelegenheden -telken jare plaats had, moet alles wat den bleekgezichten behoort, huizen, hutten -en jacals, met vuur worden verbrand, alsmede het vee geroofd en naar achteren worden -vervoerd. Voor Guetzalli komende, zal mijn broeder zich zoo geschikt mogelijk in hinderlaag -stellen en het sein afwachten dat ik hem geven zal om de bleekgezichten aan te vallen.” -</p> -<p>»Goed. Mijn broeder is een opperhoofd vol beleid; hij zal zeker slagen; alles wat -mijn broeder mij bevolen heeft, zal ik stipt uitvoeren. <span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>Maar wat zal mijn broeder zelf intusschen doen, terwijl ik mij met dit gedeelte van -ons plan belast?” -</p> -<p>De Zwarte-Beer begon te glimlachen op eene wijze die zich niet laat beschrijven. -</p> -<p>»Dat zal mijn broeder zien,” zeide hij den Comanch met de hand op den schouder kloppende, -»hij late het opperhoofd vrij begaan, ik beloof mijn broeder eene schoone overwinning.” -</p> -<p>»Goed,” antwoordde de Comanch; »mijn broeder is de eerste man van zijn stam, hij weet -hoe hij zich gedragen moet; de Apachen zijn geene vrouwen. Ik ga terstond naar mijne -krijgslieden.” -</p> -<p>»Goed, mijn broeder heeft mij begrepen, morgen als de maan opkomt.” -</p> -<p>De Spotvogel boog en de twee opperhoofden scheidden, naar het scheen op den meest -vriendschappelijken voet. -</p> -<p>Eenige minuten later kwam in den kamp der Apachen alles in beweging. De vrouwen braken -de tenten af, laadden de muildieren op, de kinderen hielpen de paarden opvangen en -zadelen, kortom, men maakte met allen spoed aanstalten voor een onverwijld vertrek. -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e3004"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3004src">1</a></span> Takkenhut <a class="fnarrow" href="#xd30e3004src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e3037"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3037src">2</a></span> Sandalen. <a class="fnarrow" href="#xd30e3037src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e3092"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3092src">3</a></span> Dezen term gebruiken de Indianen voor alles wat hun onbegrijpelijk voorkomt. <a class="fnarrow" href="#xd30e3092src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6923">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XII.</h2> -<h2 class="main">VROUWENLIST.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Tegen den avond van den volgenden dag, met het opkomen der maan, volgens afspraak, -gaf ook de Spotvogel zijn troep order om op te breken en den tocht te beginnen. -</p> -<p>Weldra had een kleine afdeeling ruiters, die als verspieders vooruit waren gezonden -om de velden in vlam te zetten, brandende houten in de struiken geworpen, en na verloop -van eenige minuten steeg er als een gordijn van vlammen ten hemel, dat den ganschen -horizont bedekte. -</p> -<p>De Comanchen hadden de bevelen van het Apachenhoofd zoo snel en met zooveel overleg -uitgevoerd, dat in minder dan een half uur al het omliggende land in de asch was gelegd. -</p> -<p>De Zwarte-Beer, die zich met de zijnen op het eiland verschanst had, was nog niet -opgebroken. De sporen door de Comanchen achtergelaten, waren helaas! overal zichtbaar, -want dit landschap, den vorigen morgen nog zoo schoon, zoo rijk en zoo bloeiend, geleek -thans eene treurige dorre en eenzame woestijn; geen groen was er meer te zien, geen -bloemen geurden er meer, geen vogeltjes zongen er meer als om strijd tusschen de takken! -</p> -<p>Het plan der Indianen was tot hiertoe volkomen gelukt en de kolonisten te Guetzalli -zouden ontwijfelbaar overrompeld zijn geworden, <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>zoo Goedsmoeds en diens vrienden elkander niet op den weg der Indianen hadden aangetroffen. -</p> -<p>De Canadees was op zijne hoede. -</p> -<p>Bij het gezicht der eerste rookwolk die hij in de verte zag opgaan, had hij het voornemen -der Roodhuiden begrepen en zonder een oogenblik te verliezen, den Arendskop naar de -kolonie gezonden om don Louis te waarschuwen, dien de Indiaan, gelijk wij reeds gezien -hebben, dicht bij de hacienda ontmoette. -</p> -<p>Intusschen kwamen achter den brand de Comanchen in vollen galop aanrennen, alles vertrappende -en vernielende wat door het vuur mocht gespaard zijn. -</p> -<p>De nacht was volkomen gedaald toen de Spotvogel in het gezicht der kolonie kwam. In -de veronderstelling dat de snelheid van zijn marsch den blanken geen tijd zou hebben -gelaten om zich in staat van tegenweer te stellen, plaatste hij een gedeelte van zijn -troep in hinderlaag en trok aan ’t hoofd der overigen, met al de in dergelijke gevallen -gebruikelijke voorzorgen, langzaam voortkruipend naar de batterij aan de landengte. -</p> -<p>Niemand vertoonde zich daar; de taluds en de verschansingen schenen verlaten; de Spotvogel -verhief zijn oorlogskreet, sprong plotseling te voorschijn en klauterde met zijne -krijgslieden vlug als tijgerkatten tegen de verschansingen op; doch op het oogenblik -dat de Comanchen aan de binnenschans meenden te kunnen afdalen, werd er een volle -laag uit grof en klein geschut op de aanvallers gelost, die er bijna de helft van -wegmaaide; de overblijvenden trokken ijlings terug en namen de vlucht. -</p> -<p>De Comanchen hadden een groot nadeel tegenover de blanken, daar zij van geen vuurwapenen -voorzien waren. Het klein geweervuur decimeerde hen, terwijl zij niets anders hadden -om het te beantwoorden dan hunne pijlen en werpspiesen, of ook steenen die zij met -den slinger wierpen. -</p> -<p>Weldra, doch een weinig te laat, inziende dat de Franschen op hunne hoede waren, wilde -de Spotvogel het door de geleden verliezen reeds merkelijk geschokte vertrouwen zijner -krijgslieden niet verder door nuttelooze pogingen verzwakken. Hij trok dus met zijn -detachement terug onder bedekking van het bosch, waar hij besloot het signaal van -den Zwarte-Beer af te wachten eer hij zich opnieuw in beweging zette. -</p> -<p>Intusschen was don Louis met den Arendskop naar Goedsmoeds teruggekeerd. De Indiaan -moest hierbij de geleider zijn en bracht hem, na verscheidene omwegen, bijna tegenover -de batterij aan de landengte naar een dicht boschje cactus, aloë’s en floripondio’s. -</p> -<p>»Hier kan mijn broeder afstijgen,<span class="corr" id="xd30e3190" title="Niet in bron">”</span> zeide hij tot den Franschman, »wij zijn er.” -</p> -<p>»Wij zijn er! waarzoo dan?” vroeg don Louis vruchteloos de oogen opslaande. -<span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span></p> -<p>Zonder te antwoorden nam de Indiaan het paard reeds bij den teugel, en bracht het -weg; terwijl Louis naar alle zijden bleef uitkijken, maar al zijne pogingen waren -vergeefs. -</p> -<p>»Wel,” vroeg hem de Arendskop toen hij zonder paard terugkwam, »heeft mijn broeder -zich kunnen thuis vinden?” -</p> -<p>»Carai! neen hoofdman, ik geef het op.” -</p> -<p>De Indiaan lachte. -</p> -<p>»De bleekgezichten hebben mollenoogen,” zeide hij. -</p> -<p>»Dat is wel mogelijk; maar hoe dit wezen mag, zal ik u dankbaar zijn als gij mij de -uwe wilt leenen.” -</p> -<p>»Goed, mijn broeder zal zien.” -</p> -<p>De Arendskop ging zoo lang als hij was op den grond liggen. Louis deed het zelfde, -en beiden slopen nu op handen en voeten het boschje in. Na dit vermoeiende werk een -kwartier te hebben voortgezet hield de Indiaan stil. -</p> -<p>»Laat mijn broeder nu eens zien,” zeide hij. -</p> -<p>Zij bevonden zich op een klein open grasveld van alle zijden door boomen en struiken -ingesloten, die zoo volkomen door lianen en andere slingerplanten waren samengeweven, -dat het zonder welervaren en scherp onderzoek onmogelijk was deze wijkplaats te ontdekken -of zelfs te vermoeden. -</p> -<p>Hier zaten Goedsmoeds en de twee Mexicanen met philosofisch geduld, al rookende, op -de terugkomst van hun uitgezonden vriend te wachten. -</p> -<p>»Welkom binnen,” riep de Canadees zoodra hij hen gewaar werd; »hoe vindt gij ons schuilhoekje? -Charmant, niet waar? dat heeft de Arendskop voor ons uitgevonden, die weêrgasche Indianen -hebben een bijzonderen neus om hinderlagen te zoeken, wij zijn hier zoo veilig als -in de kathedraal te Quebec.” -</p> -<p>Gedurende dezen woordenvloed, dien Louis niet anders beantwoordde dan met een warmen -handdruk, had de Franschman zich reeds bij zijne kameraden nedergezet en was hij met -goeden eetlust begonnen de noodige eer te bewijzen aan het ontbijt dat deze voor hem -bewaard hadden. -</p> -<p>»Maar waar zijn onze paarden?” vroeg hij. -</p> -<p>»Geen tien passen van hier en door niemand te vinden dan door ons zelf,” was het antwoord. -</p> -<p>»Zeer goed; en kunnen wij deze dadelijk krijgen als wij ze noodig hebben?” -</p> -<p>»Nu! dat zou ik denken.” -</p> -<p>»’t Is maar dat wij ze waarschijnlijk spoedig noodig zullen hebben.” -</p> -<p>»Maar laat ik u niet storen,” vervolgde hij zich zelven in de rede vallende, »ik doe -niets dan babbelen, en denk er niet om dat gij wel grooten honger moet hebben; eet -liever eerst, wij zullen straks wel praten.” -</p> -<p>»O! ik kan u zeer goed antwoord geven, al eet ik.” -<span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span></p> -<p>»Neen, alles op zijn tijd; ontbijt maar eerst, wij zullen u straks wel hooren.” -</p> -<p>Nauwelijks had don Louis met eten gedaan of hij deed een uitvoerig verslag van de -wijze waarop hij zijne zending volvoerd had. -</p> -<p>»Dat gaat alles naar wensch,” zei Goedsmoeds toen de Franschman zijn verhaal eindigde; -»ik geloof dat wij vooreerst over het lot onzer landgenooten niet bezorgd behoeven -te zijn, vooral met behulp der veertig peons van den capataz die den vijand tusschen -twee vuren zullen brengen.<span class="corr" id="xd30e3223" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>»Maar waar willen zij zich versteken?” -</p> -<p>»Dat gaat den Arendskop aan. Het opperhoofd is met deze streek door en door bekend, -hij heeft hier lang gejaagd, ik ben zeker dat hij een geschikt punt voor de Mexicanen -zal vinden; wat zegt gij er van, hoofdman?” -</p> -<p>»In de prairie kan men zich gemakkelijk verbergen,” zei de Indiaan lakoniek. -</p> -<p>»Ja,” merkte don Martial hierop aan, »maar één ding vergeet gij.” -</p> -<p>»Wat dan?” -</p> -<p>»Ik heb lang op de grenzen gewoond en ben dus met de taktiek der Indianen zeer goed -bekend; als de Apachen eene vesting naderen laten zij zich altijd voorafgaan door -een gordijn van rook; daartoe steken zij de vlakte in brand, die weldra niets anders -zal zijn dan een zee van vlammen, tegen welke wij ons vruchteloos zullen verweren -en die ons ten slotte zullen verslinden, zoo wij niet in tijds de noodige voorzorgen -nemen.” -</p> -<p>»Dat is waar, het is een ernstig geval. Ongelukkig zie ik maar één middel om ons aan -het dreigend gevaar te onttrekken, maar dat middel kunnen wij dan ook gebruiken.” -</p> -<p>»Welk middel bedoelt gij?” -</p> -<p>»Pardi! dat wij op de vlucht gaan.” -</p> -<p>»Dan weet ik wel een beter,” zei de Arendskop. -</p> -<p>»Gij, hoofdman? Dan zult gij toch wel zoo goed zijn het ons mede te deelen.” -</p> -<p>»Zoo de bleekgezichten slechts gelieven te luisteren. De Rio Gila, gelijk alle andere -rivieren, voert op haar stroom doode boomen mede en somwijlen in zulk eene groote -menigte, dat zij haar op zekere plaatsen verstoppen en blijven liggen; door den tijd -schuiven die boomen zich dichter aaneen en vlechten de takken zich samen; vervolgens -groeien er waterplanten tusschen, die ze nog nauwer verbinden; zand en aarde verzamelen -er zich op, er groeit gras en riet en weldra andere kruiden op, zoodat deze ontzaglijk -groote houtvlotten in de verte er als wezenlijke eilanden uitzien, tot eindelijk een -hevige storm of een hooggezwollen vloed het vlottende eiland losrukt, den stroom afvoert -en langzamerhand vaneen scheurt of geheel vernietigt.” -</p> -<p>»Ja, dat weet ik, hoofdman, daarvan heb ik meer dan eens voorbeelden gezien,” antwoordde -Goedsmoeds, »zulke vlottende eilanden <span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span>gelijken vaak zoo zeer naar vaste, dat iemand, al is hij aan het leven in de wildernis -en aan de grootsche tooneelen aldaar gewoon, er toch door bedrogen wordt. Ik begrijp -wel waar gij heen wilt en welk voordeel wij van uw idee zouden kunnen trekken, als -ik maar eenige kans zag om dat middel te gebruiken, maar dat is ongelukkigerwijs niet -het geval.” -</p> -<p>»<i>Ooah!</i> dat is gemakkelijk genoeg,” hervatte de Arendskop, »het oog van een Indiaan is goed, -hij ziet op drie boogschot afstand alles. Even boven de groote hut der bleekgezichten -ligt een van die kleine vloteilanden, geen vijftig passen van den oever; heeft mijn -broeder dat niet opgemerkt?” -</p> -<p>»Inderdaad!” riep Goedsmoeds »wat gij zegt is volkomen waar. Ik herinner mij thans -dat eiland, daar had ik volstrekt niet aan gedacht.” -</p> -<p>»Wat de plaatselijke ligging betreft heeft het niets van den brand te duchten,” merkte -Louis aan; »als het groot genoeg is om ons allen te bergen, zou het ons bij uitstek -van dienst kunnen zijn als voorpost.” -</p> -<p>»Wij hebben geen oogenblik te verliezen, maar moeten er dadelijk heen om het te onderzoeken, -en als wij zeker zijn dat het ons de noodige veiligheid aanbiedt, zullen wij er dadelijk -gebruik van maken en er de peons heenbrengen.” -</p> -<p>»Op weg dus en niet langer geaarzeld,” riep de Tigrero opstaande. -</p> -<p>De anderen deden hetzelfde, en de vijf mannen verlieten het boschkamp. -</p> -<p>Na hunne paarden te hebben teruggevonden, namen zij hunne richting naar het eiland -onder geleide van den Arendskop. -</p> -<p>De Sachem had zich niet bedrogen; met den onfeilbaren blik die zijnen landgenooten -eigen is, had hij alles gezien en herkend en het welgekozen punt met de meeste juistheid -beoordeeld. -</p> -<p>Een ander voordeel kwam den avonturiers te stade: een dichte strook van zoogenaamde -wortelboomen, die den oever omzoomde, stak ver genoeg in den stroom uit om den afstand -tusschen het eiland en het vaste land merkelijk te verminderen en tevens eene natuurlijke -bedekking te vormen voor de peons, die in het lange gras verscholen zaten; terwijl -de Indianen zich onmogelijk in de wortelboomen zouden kunnen nestelen om van daar -hunne vijanden te bestoken, maar integendeel door dezen zonder gevaar zouden worden -gedecimeerd. -</p> -<p>Het eiland zelf, dat wij zoo zullen blijven noemen, ofschoon het eigenlijk een vlot -moest heeten, was met een dichte massa droog, sterk en ongeveer twee ellen hoog rietgras -bedekt, waarachter mannen en paarden geheel onzichtbaar waren. Na de volbrachte verkenning -vestigden Goedsmoeds en de beide Mexicanen hun kamp in het centrum, terwijl don Louis -en de Arendskop weder naar den anderen oever terugkeerden om den capataz en zijne -peons te gemoet te gaan. -</p> -<p>Don Martial had weinig lust hen te vergezellen, hij vreesde, zoo <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>dicht in de nabijheid der kolonie zijnde, door don Sylva <span class="corr" id="xd30e3260" title="Bron: herkende">herkend</span> te worden en wenschte liever zoo lang mogelijk zijn incognito te bewaren, dat ter -bevordering zijner latere plannen volstrekt noodig was. -</p> -<p>Louis, die hem eerst gevraagd had of hij mede wilde gaan, drong niet verder bij hem -aan, en scheen zijne weigering stilzwijgend goed te keuren. -</p> -<p>Het eigenlijke van de zaak was dat de graaf Prébois, zonder te kunnen zeggen waarom, -een heimelijken afkeer gevoelde van den Tigrero, wiens sluwe en gedurig aarzelende -houding hem zeer tegen de borst hadden gestuit. -</p> -<p>De Arendskop en Louis, overtuigd dat de Zwarte-Beer zich stellig met zijn detachement -verwijderd had, zonder spionnen in de prairie achter te laten, achtten het onnoodig -om de peons eerst een langen en vermoeienden omweg te laten maken alvorens hunne bestemming -te bereiken; bij gevolg verborgen zij zich in een boschje dicht bij de landengte, -ten einde hen daar af te wachten en regelrecht naar het afgesproken punt te geleiden. -</p> -<p>Intusschen had het bericht van den graaf de Prébois Crancé in de kolonie Guetzalli -alles op stelten gezet. Want ofschoon de Indianen sedert de grondvesting der hacienda -reeds meermalen getracht hadden de Franschen te verontrusten, waren hunne pogingen -van weinig beteekenis geweest, eerst nu zouden de kolonisten voor den eersten keer -tot een ernstigen strijd met hunne woeste geburen worden geroepen. -</p> -<p>De graaf de Lhorailles had ongeveer over twee honderd <span class="corr" id="xd30e3270" title="Bron: Dauphyeers">Dauph’yeers</span> te beschikken, afkomstig uit Valparaiso, Guyaquil, Callao en andere havens aan de -stille Zuidzee, waar het van gelukzoekers van allerlei soort wemelt. -</p> -<p>Zijn troep was een zonderling samenraapsel van alle nationaliteiten uit de twee halfronden -des aardbols; meerendeels, echter waren het Franschen, half bandieten, half soldaten, -losbollen of vagebonden, die in den chef hunner eigen vrije keus onbepaald vertrouwen -stelden. -</p> -<p>Het bericht van den voorgenomen aanval der Apachen werd door het garnizoen met een -vroolijken juichkreet ontvangen. Schieten en vechten was voor deze avonturiers zoo -veel als een pleizierpartij, of, zoo als zij het in hunne schilderachtige taal noemden, -een geschikte gelegenheid om zich op te frisschen, en voor schimmelen of roesten te -bewaren. -</p> -<p>Wat meer is wenschten zij den Apachen een lesje te geven en te laten zien welk onderscheid -er bestond tusschen de Kreolen en kolonisten, daar zij van eeuwen her mede te kampen -hadden gehad en de Europeanen, die zij nog niet kenden. -</p> -<p>De graaf behoefde hun dus niet aan te bevelen zich ferm te houden, integendeel was -hij verplicht hun ijver te matigen en tot voorzichtigheid te vermanen, hun belovende -dat hij hun spoedig gelegenheid zou verschaffen zich met de Roodhuiden in open kamp -te meten. -<span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span></p> -<p>De lezer herinnert zich zonder twijfel, dat het Mexicaansche gouvernement de kolonie -Guetzalli aan den graaf de Lhorailles had <span class="corr" id="xd30e3281" title="Bron: afgegestaan">afgestaan</span>, onder beding dat hij de Apachen en Comanchen nadrukkelijk zou bestrijden, ten einde -hen van de Mexicaansche grenzen te verwijderen, die zij reeds lang gewoon waren op -zekeren tijd des jaars te verwoesten. -</p> -<p>Op deze voorwaarde van het verdrag maakte hij zijne soldaten inzonderheid opmerkzaam. -</p> -<p>Zoodra dus de noodige maatregelen van verdediging genomen waren, namelijk aan ieder -zijn post aangewezen en de wapenen en krijgsbehoeften rondgedeeld, verliet de graaf -zich op zijne twee luitenants, den Biskayer Diego Leon en Martin Leroux, twee oude -krijgsmannen, op welke hij meende te kunnen vertrouwen; vervolgens rekende hij op -Blas Vasquez en diens peons. -</p> -<p>Daar het wel waarschijnlijk was dat de Indianen spionnen in den omtrek der kolonie -gelaten hadden, trachtte hij dezen in den waan te brengen dat de peons werkelijk vertrokken -waren; dientengevolge werden er verscheidene muilezels geladen met leeftocht als voor -eene verre reis; vervolgens stelde de wel onderrichte capataz zich aan het hoofd van -zijn troep en vertrok uit de kolonie met de karabijn op de heup. -</p> -<p>De Lhorailles, don Sylva en de andere bewoners oogden met licht verklaarbare belangstelling -het kleine detachement na, zich gereed houdende het te ondersteunen zoo het mocht -worden aangevallen. -</p> -<p>Maar geen muis bewoog zich in de prairie, alles bleef kalm en rustig en weldra waren -de Mexicanen in het hooge gras verdwenen. -</p> -<p>»Ik begrijp de taktiek der Indianen niet,” mompelde don Sylva in zich zelven. »Er -schuilt zeker weder een fijne streek onder, dat zij dien kleinen troep zoo stil laten -vertrekken, die hun zulk een schoone kans op voordeel scheen te beloven.” -</p> -<p>»Wij zullen spoedig weten wat er van is,” antwoordde de graaf; »overigens zijn wij -gereed hen te ontvangen; het spijt mij slechts dat <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita zich hier bevindt, niet dat zij eenig persoonlijk gevaar loopt, maar het tumult -van den strijd mocht haar verschrikken.” -</p> -<p>»Gij vergist u, heer graaf,” zei <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita die op dit oogenblik het huis uitkwam; »wees voor mij maar niet bevreesd, ik -ben eene echte Mexicaansche en geen van die kleine teere Europeesche poppetjes, die -bij het geringste alarm eene flauwte krijgen of in onmacht vallen. Ik heb zoo vaak -in veel moeielijker omstandigheden dan de tegenwoordige den oorlogskreet der Apachen -in mijn oor hooren weergalmen, zonder iets van dien angst te gevoelen dien gij thans -voor mij schijnt te duchten.” -</p> -<p>Na deze woorden op fieren en minachtenden toon te hebben uitgesproken, daar de vrouwen -zich tegen den man dien zij niet beminnen zoo behendig van weten te bedienen, trad -<span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita den graaf voorbij zonder hem aan te zien en nam zij haar vader bij den arm. -<span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span></p> -<p>De Franschman antwoordde niet; hij verbeet zich de lippen dat er het bloed voorstond, -maakte eene beleefde buiging en deed alsof hij van den scherpen zet niets begrepen -had, zich voorbehoudende om dit verschil nader te vereffenen; want, ofschoon hij zijne -bruid eigenlijk niet beminde, kon hij toch, gelijk meestal onder dergelijke omstandigheden, -niet dulden dat zij door een ander bemind wierd, en allerminst dat zij zich jegens -hem zoo trotsch en onverschillig toonde. -</p> -<p>De snelle gang der jongste gebeurtenissen hadden hem echter tot dusver belet om met -<span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita tot eene beslissende verklaring te komen. -</p> -<p>De rijke mijnhoudersdochter, in Mexico geboren en in de nabuurschap der Indianen opgevoed, -was een Andalusische van top tot teen, vurig en hartstochtelijk, en alleen handelend -op den snellen indruk van haar hart en gevoel. Innig verliefd en door hare liefde -voor don Martial gevrijwaard, had zij den graaf de Lhorailles in koelen bloede beoordeeld -en onder den oppervlakkigen schijn zijner galante ridderlijkheid aldra den speculant -ontdekt, die haar terstond een onverbiddelijken afkeer inboezemde. Zoo werd haar besluit -onmiddellijk genomen om zich zonder voorbehoud buiten de mogelijkheid te stellen ooit -zijne vrouw te kunnen worden. Maar een openlijken strijd tegen haar vader te beginnen -.… daar zag zij tegen op .… om zich daaraan te wagen, kende zij te goed het oude Spaansche -bloed dat in zijne aderen bruiste. De kracht der vrouwen, is hare schijnbare zwakheid; -haar middel van verdediging is de list. Evenzeer Indiaansch als Spaansch van karakter, -koos zij de list als het geduchte wapen der vrouwen dat haar soms zoo gevaarlijk maakt. -</p> -<p>Blas Vasquez, de oude hofmeester van don Sylva, had <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita zien geboren worden; zijne vrouw had haar gezoogd, met andere woorden hij was -zoo innig aan het meisje verknocht dat hij op een wenk van haar, ja zijne ziel aan -den duivel zou hebben verpand. -</p> -<p>Toen de graaf de Prébois Crancé op de hacienda was gekomen, had zijne verschijning -hare belangstelling zeer gaande gemaakt en nauwelijks was hij weder vertrokken of -zij sprak er den capataz over en vroeg hem met een onverschillig gezicht opheldering, -die haar oude vriend natuurlijk geen bezwaar vond haar te geven, des te minder, daar -weldra ieder in de kolonie weten zou, en weten moest, welk nieuws de graaf Louis had -aangebracht; wat echter niemand kon weten en wat door <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita alleen bij onbedriegelijk instinct geraden werd, was dat don Martial zich onder -de jagers bevond die in de nabijheid der kolonie verscholen lagen. -</p> -<p>Toen don Martial haar te Guaymas verliet, had hij haar gezegd dat hij over haar zou -waken en haar aan het haar dreigende lot zou weten te onttrekken; het lag dus in de -reden dat hij haar gevolgd zou zijn, en hieraan twijfelde zij geen oogenblik. Volgens -haar begrip, moest hij ontegenzeggelijk deel uitmaken van de heldhaftige vriendenschaar -die in dezen stond, terwijl zij de kolonie zochten te redden, tevens voor haar behoud -werkzaam waren. -<span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span></p> -<p>De eenige logika die stellig spreekt en nimmer bedriegt, is die van het hart; wij -althans hebben gezien dat <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita, door haar gevoel geleid, juist had geredeneerd. -</p> -<p>Toen zij van den capataz al de inlichtingen bekomen had die zij verlangde, zeide zij: -</p> -<p>»Don Blas, het is wel waarschijnlijk, als gij bij dezen aanval op de kolonie de gevorderde -diensten hebt bewezen, dat mijn vader of don <span class="corr" id="xd30e3336" title="Bron: Gaetano">Gaëtano</span> u, daar zij uw volk dan niet meer noodig hebben, order zullen geven om naar Guaymas -terug te keeren.” -</p> -<p>»Ja, waarschijnlijk wel, <span class="corr" id="xd30e3341" title="Bron: senorita">señorita</span>,” antwoordde de brave capataz. -</p> -<p>»Dan zult gij mij ook wel een kleinen dienst willen bewijzen, niet waar?” vroeg zij, -hem op het vriendelijkst toelachende. -</p> -<p>»Gij weet immers wel, <span class="corr" id="xd30e3347" title="Bron: senorita">señorita</span>, dat ik voor u door een vuur <span class="corr" id="xd30e3350" title="Bron: zouloopen">zou loopen</span>?” -</p> -<p>»Nu, zoo zwaar zal ik uwe vriendschap niet op de proef stellen, waarde don Blas; intusschen -dank ik u wel voor uwe goede gevoelens jegens mij.” -</p> -<p>»Wat kan ik doen om u aangenaam te zijn?” -</p> -<p>»O! een heel gemakkelijk ding.” -</p> -<p>»Zoo!” -</p> -<p>»Och hemel! ja,” riep zij op luchthartigen toon; »gij weet wel dat ik sedert lang -de gekheid heb gehad om met alle geweld een voetkleedje van tijgervellen in mijne -slaapkamer te verlangen.” -</p> -<p>»Neen,” antwoordde hij oprecht, »dat wist ik niet.” -</p> -<p>»Hé!.… welnu, dan zeg ik het u thans; dus weet gij het nu.” -</p> -<p>»En ik zal het niet meer vergeten, <span class="corr" id="xd30e3363" title="Bron: senorita">señorita</span>, dat beloof ik u.” -</p> -<p>»Dank u, don Blas; maar dat is eigenlijk niet wat ik verlang.” -</p> -<p>»Wat dan?” -</p> -<p>»Wel, dat gij hier twee tijgervellen bezorgdet, bedoel ik.” -</p> -<p>»Zeer goed; welnu, zoodra ik een dag vrij heb, kunt gij er op rekenen dat ik ze u -bezorg.” -</p> -<p>»O, maar het is niet noodig dat gij u om een gril van mij in gevaar zoudt begeven -en misschien met die schrikkelijke beesten een ongeluk krijgen.” -</p> -<p>»Kom, <span class="corr" id="xd30e3373" title="Bron: senorita">señorita</span>!” riep hij een weinig geaffronteerd. -</p> -<p>»Neen, dat wil ik volstrekt niet; ik weet een goed middel om ze gemakkelijk te bekomen.” -</p> -<p>»Nu, des te beter dan; en wat is dat?” -</p> -<p>»Er is sedert eenige dagen te Guaymas een vermaarde tijgerjager gekomen.…” -</p> -<p>»Don Martial Asuzena?” viel hij haar met drift in de rede. -</p> -<p>»Kent gij hem?” -</p> -<p>»Wie zou don Martial den Tigrero niet kennen?” -</p> -<p>»Dat valt dan goed meê.” -</p> -<p>»Hoedat meê.” -</p> -<p>»Wel, van zijne laatste jacht in de prairiën van het Westen heeft de Tigrero naar -ik hoor een aantal prachtige jaguarsvellen medegebracht, <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>die hij zeker voor een goeden prijs wel zal willen afstaan.” -</p> -<p>»Daar twijfel ik niet aan.” -</p> -<p>»Nu,” riep zij, een klein verzegeld briefje uit haar boezem voor den dag halende, -»hier heb ik een paar woorden die gij den Tigrero moet overhandigen. Ik schrijf hem -dat ik de vellen bereid wil hebben en wat ik er hem voor betalen wil. Ziedaar is geld;” -vervolgde zij hem eene beurs ter hand stellende, »gij zult dat wel voor mij regelen -zoo als gij denkt dat goed is.” -</p> -<p>»Gij hadt hem zelfs niet eens behoeven te schrijven, <span class="corr" id="xd30e3393" title="Bron: senorita">señorita</span>,” merkte de capataz aan. -</p> -<p>»Met uw welnemen, vriend, maar gij hebt aan zooveel zaken te denken, dat ik niet weet -of zulk eene kleinigheid niet licht uit het hoofd zou kunnen gaan.” -</p> -<p>»Alles is mogelijk, <span class="corr" id="xd30e3400" title="Bron: senorita">señorita</span>, dus dat ook; maar zooals gij het wilt is het altijd beter.” -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e3404" title="Niet in bron">»</span>Niet waar? dat is dus afgesproken, gij zult mijne <span class="corr" id="xd30e3406" title="Bron: boodschapdoen">boodschap doen</span>?” -</p> -<p>»Kunt gij daaraan twijfelen?” -</p> -<p>»Neen, don Blas. Wacht! nog iets: zeg geen woord aan mijn vader; gij weet hoe goed -hij is; hij zou ze mij cadeau willen maken en ik wil deze kleinigheid volstrekt uit -mijn eigen beurs betalen.” -</p> -<p>De capataz lachte met een gezicht alsof hij het wel met haar wist. De goede man gevoelde -zich gelukkig dat hij in een geheim mocht deelen, hoe gering dan ook, van zijn troetelkind, -zooals hij zijne jonge meesteres gewoonlijk noemde. -</p> -<p>»Het blijft onder ons,” zeide hij, »ik ben zoo stom als een visch.” -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita knipoogde hem vriendelijk toe, en verwijderde zich met een vergenoegd lachje. -</p> -<p>Wat beduidde die brief? en waarom had zij dien geschreven? -</p> -<p>Dat zullen wij straks zien. -</p> -<p>Dien geheelen dag viel er op de hacienda niets bijzonders voor; alleen zocht de graaf -de Lhorailles <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita verscheidene keeren te zien en tot een ernstig gesprek over te halen, dat deze -echter telkens wist te ontwijken. -</p> -<p>Blas Vasquez vertrok in de richting van Guaymas en stelde zich aan het hoofd van zijn -troep, die het terstond in vollen galop zette uit vrees van overrompeld te worden. -</p> -<p>Nauwelijks was hij buiten het gezicht der kolonie en omtrent twintig minuten ver in -het hooge prairiegras verdwenen, of plotseling sprongen er twee mannen op zijn pad -te voorschijn, die de paarden tegenhielden en vlak voor hem bleven staan. -</p> -<p>Van deze twee mannen was de eene, zooals uit alles bleek een Indiaan; in den anderen -herkende de capataz dadelijk denzelfden persoon dien hij des morgens op de hacienda -gezien had. -</p> -<p>Blas Vasquez wenkte zijn troep om halt te maken en reed de beide vreemdelingen alleen -te gemoet. -<span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span></p> -<p>»Door welk toeval ontmoet ik u hier, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> Frances?” zeide hij, »wij zijn hier nog ver van het punt dat gij mij als standplaats -hebt aangewezen.” -</p> -<p>Hierop boog hij beleefd. -</p> -<p>Don Louis boog insgelijks. -</p> -<p>»Wij zijn wel is waar ver van ons punt van afspraak,” antwoordde hij, »doch daar wij -geen spoor van Apachen in de prairie hebben gevonden, achtten wij het onnoodig u zulk -een langen omweg te laten maken; ik ben dus afgezonden om u naar de hinderlaag te -geleiden die wij voor u gekozen hebben.” -</p> -<p>»Gij hebt welgedaan. Moeten wij nu nog lang marcheeren?” -</p> -<p>»Neen, geen kwartier ver meer; wij gaan naar een eilandje dat gij van hier reeds kunt -zien, als gij u een weinig in de stijgbeugels opheft,” voegde hij er bij, met de hand -in de richting van het bedoelde eiland wijzende. -</p> -<p>»Ei zoo!” riep de capataz, »dat punt is goed gekozen; van daar bestrijken wij de heele -rivier.” -</p> -<p>»Juist daarom hebben wij ons bij dat punt bepaald.” -</p> -<p>»Wil dan onze gids maar zijn, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> Frances; wij zullen u volgen.” -</p> -<p>Het detachement hervatte den marsch. Gelijk don Louis gezegd had, werden de capataz -en zijne veertig peons thans bij de vijf avonturiers op het eiland gekampeerd en zoo -goed door het lange gras en de wortelboomen gedekt, dat men van de beide rivieroevers -onmogelijk iets van hen kon bemerken. -</p> -<p>Zoodra de capataz zijn plicht als hoofdman van het detachement had volbracht, nam -hij plaats aan het bivakvuur bij zijne nieuwe vrienden, aan welke don Louis hem voorstelde. -</p> -<p>De eerste persoon dien don Blas hier vond was don Martial de Tigrero. -</p> -<p>Bij deze ontmoeting kon hij zijne verrassing kwalijk verbergen. -</p> -<p>»Caspita!” riep hij met een hartelijken lach, »wat zonderlinge ontmoeting!” -</p> -<p>»Hoedat?” vroeg de Mexicaan tamelijk onthutst over deze herkenning, die hij gansch -niet verwachtte, daar hij meende bij den capataz niet bekend te zijn. -</p> -<p>»Is u niet don Martial Asuzena, de Tigrero?” vervolgde Blas Vasquez. -</p> -<p>»Die ben ik,” antwoordde don Martial meer en meer ongerust. -</p> -<p>»Mijn hemel! het zou mij vrij wat moeite gekost hebben u te Guaymas te vinden, en -ik dacht waarlijk niet dat ik zoo gelukkig zou zijn u hier reeds aan te treffen.” -</p> -<p>»Verklaar u nader als ik u verzoeken mag, ik begrijp niets van hetgeen gij zegt.” -</p> -<p>»Ik heb eene boodschap voor u van wege mijne jonge meesteres.” -</p> -<p>»Wat zegt gij!” riep de Tigrero, wiens hart klopte van verrassing. -<span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span></p> -<p>»Niets anders dan hetgeen ik zeg; <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita wil naar het schijnt een paar tijgervellen van u koopen.” -</p> -<p>»Van mij?” -</p> -<p>»Welzeker.” -</p> -<p>Don Martial keek hem met zulk een verwezen blik aan, dat de ronde capataz begon te -schateren van lachen. Dit gelach bracht den jongman tot bezinning en deed hem bevroeden -dat er misschien een geheim achter verscholen lag en dat hij, wanneer hij nog langer -vreemd opkeek, bij den eenvoudigen hofmeester licht andere vermoedens zou opwekken -die deze thans niet bezat, daar hij niets van het groote geheim wist. -</p> -<p>»Inderdaad,” zeide hij alsof hij zich iets herinnerde, »ik geloof dat ik eenigen tijd -geleden …” -</p> -<p>»Ha!” viel hem de capataz in de rede, »dat dacht ik wel half; welnu, zij heeft mij -met een brief belast, dien ik u bij mijne eerste ontmoeting zou overhandigen.” -</p> -<p>»Een brief! van wie?” -</p> -<p>»Wel, van mijne jonge meesteres zelve, denk ik.” -</p> -<p>»Van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita?” -</p> -<p>»Ja, van wie anders?” -</p> -<p>»Geef hem mij dadelijk!” riep de Tigrero in vervoering. -</p> -<p>De capataz haalde den brief uit zijn zak, en don Martial ontrukte hem dien meer dan -hij die aannam, brak het zegel met bevende hand open en las den inhoud. -</p> -<p>Toen hij hem gelezen had stak hij hem in zijne borst. -</p> -<p>»Wel, wat schrijft nu mijne meesteres?” -</p> -<p>»Niets anders dan hetgeen gij mij gezegd hebt,” antwoordde de Tigrero min of meer -stotterend. -</p> -<p>Blas Vasquez schudde het hoofd. -</p> -<p>»Hm! die man heeft zeker iets dat hij voor mij niet wil weten,” mompelde hij. »Zou -<span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita mij soms gefopt hebben?” -</p> -<p>Intusschen was de Tigrero opgestaan en stapte driftig op en neer, alsof er een belangrijk -ontwerp bij hem omging; eindelijk trad hij naar Goedsmoeds, die stil zat te rooken, -bukte aan zijn oor en fluisterde hem eenige woorden in, die de Canadees toestemmend -beantwoordde. Een lichtstraal van vreugde blonk op het sombere gelaat van den Tigrero -en terwijl hij Cuchares een wenk gaf verlieten zij samen het bivak. -</p> -<p>Eenige minuten daarna zaten don Martial en de lepero reeds te paard, en staken de -rivier over die het eiland van het vaste land afscheidde. -</p> -<p>De capataz bemerkte hen eerst toen zij aan de overzijde aan land stapten. -</p> -<p>Hij slaakte een kreet van verbazing. -</p> -<p>»Caspita,” riep hij, »de Tigrero schijnt ons te verlaten; waar of hij heen gaat?” -<span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span></p> -<p>Goedsmoeds keek don Blas aan met een schalksch gezicht, half zuur, half zoet, en antwoordde -op schertsenden toon: -</p> -<p>»Wie weet? misschien gaat hij een antwoord brengen op den brief dien hij van u ontvangen -heeft.” -</p> -<p>»Dat zou niet onmogelijk zijn,” hernam de capataz nadenkend, daar hij niet recht wist -wat hij er op zeggen zou. -</p> -<p>Op dit oogenblik ging de zon majestueus onder, in een zee van gouden en purperen dampen, -achter de besneeuwde toppen van de hooge bergen der Sierra Madre; de nacht zou weldra -zijn zwarten mantel over het sluimerende aardrijk uitspreiden. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6932">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XIII.</h2> -<h2 class="main">EEN WEDLOOP BIJ NACHT.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De gebeurtenissen wisselden elkander in dezen nacht zoo snel af, dat wij, ten einde -het front der hoofdzaken op eene lijn te houden, genoodzaakt zijn om gedurig van den -eenen persoon tot den anderen over te gaan. -</p> -<p>Don Martial was rijk, zelfs buitengewoon rijk. Daarbij eergierig van aard en even -krijgshaftig als ongestadig, had hij het vak van Tigrero, of tijgerjager, alleen bij -de hand genomen om een gepast voorwendsel of ernstig doel te vinden voor zijne onophoudelijke -omzwerving door de wildernissen, daar hij het grootste gedeelte van zijn onrustig -leven had doorgebracht. -</p> -<p>De tigreros zijn gewoonlijk verdienstelijke woudloopers of jagers, die zich voor een -zeker dagloon, en een premie voor elke huid bovendien, bij de hacienderos verhuren -om de wilde beesten te schieten, die vaak de weerlooze kudden aanranden. -</p> -<p>Wat andere tigreros voor geld doen, deed hij voor zijn eigen genoegen of voor tijdverdrijf; -aan de grenzen was hij zeer bemind en gezien, vooral bij de hacienderos, die in hem -behalve den afgerichten en onverschrokken jager tevens een goed tafelvriend en volmaakt -edelman wisten te waardeeren. -</p> -<p>Don Martial had <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita voor de eerste maal gezien toen zijn wisselvallig beroep hem bij toeval op -een aan don Sylva toebehoorende hacienda bracht, waar hij in minder dan eene maand -tijd een tiental jaguars en andere verscheurende dieren had gedood. -</p> -<p>Daar de Tigrero de schoone Anita, die hij niet leerde kennen zonder er smoorlijk op -te verlieven, gedurig naging en bespiedde, had hij eens het geluk of ongeluk haar -te ontmoeten juist op het oogenblik dat haar paard aan het hollen geraakte, en hij -in de gelegenheid was haar te redden bijna ten koste van zijn eigen leven. -</p> -<p>Het was ten gevolge dezer gebeurtenis dat het meisje hem voor <span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span>het eerst opmerkte en toesprak, het overige is den lezer bekend. -</p> -<p>Na den brief van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita gelezen te hebben had don Martial het eiland verlaten, vergezeld van Cuchares. -</p> -<p>Dit besluit had den lepero bitter teleurgesteld; hij verwenschte in zijn binnenste -dat hij zoo dwaas was geweest om zich aan den man te verbinden, dien hij thans als -met hangende ooren volgde en die hem van oogenblik tot oogenblik blootstelde om met -een Indiaansche pijl doorschoten te worden, zonder eenig voordeel of zelfs prijswaardige -reden. Intusschen was Cuchares de man niet om den Tigrero zijn kwade luim te toonen. -</p> -<p>Hij begreep dat er wel zeer geldige redenen moesten bestaan om tegen het vallen van -den nacht een bivak te verlaten, waar men zoo goed tegen den aanval der wilde dieren -beveiligd was en den bijstand der jagers op te geven, om zonder blijkbaar doel door -de wildernis te gaan zwerven. Hij brandde van verlangen om deze redenen te leeren -kennen, maar hij wist dat don Martial weinig sprak en vooral niet kon dulden dat men -zijne geheimen zocht uit te vorschen, en daar de lepero ondanks al zijn hollebolligheid -den Tigrero inwendig grooten eerbied, ja zelfs een goede dosis vrees toedroeg, stelde -hij de talrijke vragen die hij hem te doen had uit tot gelegener oogenblik. -</p> -<p>De beide mannen reden dus stil naast elkander en vervolgden hun weg, terwijl zij den -teugel achteloos op den hals hunner paarden lieten rusten en ieder voor zich zelven -nadacht; Cuchares bemerkte echter weldra dat de Tigrero in plaats van zich dieper -in het bosch te begeven, veeleer met opzet den rand van het water verkoos te volgen -en zijn paard zoo dicht mogelijk bij de rivier te houden. -</p> -<p>Inmiddels nam de duisternis hand over hand toe; de meer verwijderde voorwerpen begonnen -met de donkere massas aan den horizont samen te smelten, en weldra bevonden de beide -ruiters zich in volslagen duisternis. -</p> -<p>Sinds eenigen tijd reeds had de lepero, hetzij door hoesten of door nu en dan een -uitroep de aandacht van zijn tochtgenoot pogen gaande te maken; doch toen hij zag -dat de nacht zoo donker als pik was geworden, terwijl de Tigrero er niet om scheen -te geven maar steeds in den zelfden galop voortreed, verstoutte hij zich eindelijk -het woord tot hem te richten. -</p> -<p>»Don Martial!” begon hij. -</p> -<p>»Wel?” antwoordde deze onverschillig. -</p> -<p>»Vindt gij niet dat het tijd wordt een weinig stil te houden?” -</p> -<p>»Om welke reden?” -</p> -<p>»Om welke reden?” herhaalde de lepero op een toon van verbazing. -</p> -<p>»Ja, wij zijn immers nog niet waar wij wezen moeten?” -</p> -<p>»Gaan wij dan ergens heen?” -</p> -<p>»Waartoe zouden wij anders onze vrienden verlaten hebben?” -</p> -<p>»Dat is waar. Maar waar gaan wij dan heen? Dat zou ik wel willen weten.” -<span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span></p> -<p>»Gij zult het spoedig weten.” -</p> -<p>»Ik moet u zeggen dat ik er zeer naar verlang.” -</p> -<p>Er volgde weder een poos stilte en zij reden steeds verder. -</p> -<p>Zij hadden den heuvel van Guetzalli reeds ver achter zich en bereikten eene soort -van kreek, die door hare sterke kromming bijna evenwijdig liep met het achtergedeelte -der hacienda, wier donkere massa zich recht voor hen verhief en hen met hare schaduw -verborg. -</p> -<p>Don Martial bleef staan. -</p> -<p>»Wij zijn er,” zeide hij. -</p> -<p>»Eindelijk!” bromde de lepero met een zucht van genoegen. -</p> -<p>»Dat wil zeggen,” hervatte de Tigrero; »dat de gemakkelijkste helft van onze onderneming -voorbij is.” -</p> -<p>»Wij hebben dus eene onderneming.” -</p> -<p>»Pardi! denkt gij dan, mijn waarde, dat ik louter voor pleizier zoo laat in den nacht -langs den oever der Rio Gila loop dwalen?” -</p> -<p>»Dat verwonderde mij ook al.” -</p> -<p>»Thans zal onze onderneming eigenlijk pas beginnen.” -</p> -<p>»Goed.” -</p> -<p>»Alleen moet ik u zeggen dat zij vrij gevaarlijk is; in allen gevalle reken ik op -u.” -</p> -<p>»Ik dank u,” antwoordde Cuchares, terwijl hij een leelijk gezicht trok, dat voor een -glimlach moest doorgaan. -</p> -<p>Ronduit gezegd, had de lepero liever gewild dat zijn vriend hem dit blijk van vertrouwen -niet gegeven had. -</p> -<p>Don Martial vervolgde. -</p> -<p>»Dáár moeten wij heen,” zeide hij met de hand naar de rivier wijzende. -</p> -<p>»Wat! daar heen? naar de hacienda?” -</p> -<p>»Ja!” -</p> -<p>»Wilt gij u dan in de pan laten hakken?” -</p> -<p>»Hoezoo?” -</p> -<p>»Denkt gij dat wij de hacienda bereiken kunnen zonder ontdekt te worden?” -</p> -<p>»Daar zullen wij de proef van nemen.” -</p> -<p>»Ja, en als het ons niet gelukt, zullen die duivelsche Franschen, die zoo scherp op -de loer liggen, ons voor wilden aanzien en kort en goed doodschieten.” -</p> -<p>»Daar is wel eenige kans op.” -</p> -<p>»Ik dank u hartelijk! ik blijf liever hier; want om u de waarheid te zeggen ben ik -nog niet gek genoeg om met een vroolijk hart den leeuw in den muil te loopen; ga gij -maar alleen, zoo gij er lust toe hebt; maar ik blijf hier.” -</p> -<p>De Tigrero kon zijn lach niet langer bedwingen. -</p> -<p>»Het gevaar is niet zoo groot als gij u verbeeldt, wij worden op <span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span>de hacienda verwacht, door iemand, die zonder twijfel den schildwacht zal weten te -verwijderen van het punt waar wij aan land komen.” -</p> -<p>»Dat is wel mogelijk, maar ik verkies er liever niet de proef van te nemen, want een -kogel weet van geen medelijden; en bovendien, die duivelsche Franschen schieten raak -om van te beven.” -</p> -<p>De Tigrero antwoordde niet, hij scheen zelfs de aanmerking van zijn kameraad niet -gehoord te hebben, zijne gedachten zwierven elders. In gebogen houding stond hij te -luisteren. -</p> -<p>Sedert eenige minuten had de wildernis een zonderlinge gedaante bekomen, zij scheen -te ontwaken: geluiden zonder naam rezen op uit de diepte der bosschen en struiken; -dieren van allerlei soort sprongen verschrikt te voorschijn en snelden de avonturiers -voorbij zonder hen te zien; de vogels uit hun eersten slaap opgewekt, vlogen op onder -scherp krijschend geschreeuw en verhieven zich hoog in de lucht; op de rivier zag -men de schimmen der wilde dieren, die haar met drift overzwommen om den anderen oever -te bereiken. Ongetwijfeld ging er iets buitengewoons om in de prairiën. -</p> -<p>Van tijd tot tijd hoorde men in de verte geknetter en gekraak, gevolgd door een dof -geloei als van een opkomenden vloed, dat van oogenblik tot oogenblik duidelijker werd. -</p> -<p>Aan den uitersten horizont vertoonde zich een breede roode band, die zich van minuut -tot minuut uitbreidde, en het landschap kleurde met een glans van purper en goud en -er een fantastisch voorkomen aan leende, omtrent als een toovertooneel met bengaalsche -vuren. -</p> -<p>Reeds tweemaal waren er verbazende rookwolken, hier en daar met vonken besprenkeld, -als rollende bergen over hunne hoofden voorbijgedreven. -</p> -<p>»Zeg, wat zou dat zijn?” riep de lepero; »zie toch onze paarden eens, don Martial.” -</p> -<p>Werkelijk stonden de edele dieren, met gerekte halzen en gestreken ooren, te hijgen -van angst en te stampvoeten als zochten zij hunne meesters te ontsnappen. -</p> -<p>»Wat hun schort, caspita!” antwoordde de Tigrero bedaard, »zij ruiken den brand, anders -niets.” -</p> -<p>»Hoedat den brand! denkt gij dan dat er brand is in de prairie?” -</p> -<p>»Ik denk het niet, maar ik weet het zeker, het hangt alleen van u zelven af om het -te zien, even goed als ik.” -</p> -<p>»En wat moet dat beduiden?” -</p> -<p>»Niet veel bijzonders, het is maar zoo’n gewone streek van de Indianen, wij zijn immers -in de Maan van Mexico, weet gij dat nog niet?” -</p> -<p>»Neem mij niet kwalijk; ik ben geen woudlooper; ik wil u wel zeggen dat mij dit alles -zeer ongerust maakt en dat ik een goed ding zou willen geven als ik er uit was.” -<span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span></p> -<p>De lepero gaf alle blijken van angst. -</p> -<p>»Gij lijkt wel een kind,” lachte don Martial; »weet gij dan niet dat het de Indianen -zijn, die, om hun aantal te verbergen de prairie in brand hebben gestoken; zij volgen -onmiddellijk op het vuur, zoo aanstonds zult gij hun oorlogskreet hooren weergalmen; -achter dat gordijn van rook en vlammen, dat gedurig al nader komt, rukken zij op en -zullen zij u weldra van alle kanten omsingelen. Als gij hier blijft, loopt gij op -drieërlei wijze gevaar: hetzij om gebraden, gescalpeerd of gedood te worden, alle -drie zeer onaangename zaken, die u als ik mij niet vergis maar half moeten bevallen. -Geloof mij toch en doe wat ik u zeg, ga met mij mede; of wilt gij liever gedood worden, -zeg het dan maar ronduit, er zit niets anders op. Hoe is ’t? wilt gij in de rivier -afdalen? het vuur nadert: over drie minuten hebt gij geen tijd meer. Wat wilt gij?” -</p> -<p>»Ik volg u,” antwoordde de lepero met een bedrukte stem; »ik moet immers wel! Ik was -dwaas, of de duivel heeft mij verleid om Guaymas te verlaten, waar ik zoo gelukkig -was, waar ik niets behoefde te doen; en mij dan hier in zulke voetangels en klemmen -te steken! Ik wil u wel zeggen, als ik er ooit levend afkom, dat het een knap man -zal moeten zijn die mij hier ooit weer ziet.” -</p> -<p>»Ba, ba! dat zeggen ze altijd; laten wij ons haasten, de tijd dringt.” -</p> -<p>Werkelijk stond de wildernis over een uitgestrektheid van verscheidene mijlen in brand -als de krater van een onmetelijken vulkaan, de vlammen golfden en rolden voort als -de baren der zee; de dikste boomen wegmaaiend en verdelgend als stroohalmen. -</p> -<p>Uit het dikke koperroode rookgordijn dat den brand voorafging, sprongen nog gedurig -gansche troepen wolven, bisons of jaguars te voorschijn, en stortten zich in de Rio -Gila onder angstig gehuil, geloei en gebrul. -</p> -<p>Don Martial en de lepero daalden met hunne paarden in de rivier af. -</p> -<p>De schrandere dieren, door hun instinct geleid, drongen haastig voorwaarts naar den -anderen oever. -</p> -<p>Dit gedeelte van de woestijn maakte wel een zonderling contrast met hetgeen zij verlaten -hadden, dat veel had van een onmetelijk fornuis, vol onbestemde geluiden, schrik en -jammerkreten en noodgeschrei; een zee van vuur wier grootsche en onverbiddelijke baren -alles verzwolgen en verslonden wat haar in den weg stond; het ging over heuvels en -dalen, rotsen en wildernissen en deed binnen weinige minuten alle voortbrengsels zoo -planten als dieren verschroeien of in rook opgaan of in asch verstuiven. -</p> -<p>De Rio Gila, omstreeks dezen tijd des jaars door de gevallen regens in de Sierra Madre -gezwollen, was dubbel zoo breed als gedurende den zomer, en uithoofde harer snelheid -een gevaarlijke stroom; op het oogenblik echter dat onze twee avonturiers haar <span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span>overzwommen, hadden de menigte dieren die haar in dichte troepen tegelijkertijd zochten -te passeeren hare kracht zoo zeer gebroken, dat zij den overtocht van den eenen oever -naar den anderen in betrekkelijk korten tijd volbrachten. -</p> -<p>»Hé!” riep Cuchares op het oogenblik dat de paarden vasten grond onder de voeten kregen, -en tegen den steilen kant opklauterden, »hebt gij mij niet gezegd, don Martial, dat -wij naar de hacienda moesten? dan zijn wij dunkt mij niet op den rechten weg.” -</p> -<p>»Uw dunk is verkeerd, kameraad,” antwoordde don Martial; »onthoud deze les: als gij -in de woestijn reist moet gij altijd doen of gij het doel ontwijkt dat gij bereiken -wilt, anders komt gij er nooit.” -</p> -<p>»Dat wil zeggen.…?” -</p> -<p>»Dat wij vooreerst onze paarden in dit boschje dennen en acajou-ceders zullen vastmaken, -waar zij volkomen veilig zullen zijn en daarna gaan wij naar de hacienda.” -</p> -<p>De Tigrero stapte terstond af, bracht zijn paard onder het lommer der hooge boomen, -nam het den hoofdstel af om het vrij te laten grazen, deed het de kluisters aan en -keerde naar den oever terug. -</p> -<p>Cuchares met de kracht der wanhoop gewapend, die in zekere omstandigheden den schijn -aanneemt van waren heldenmoed, had het voorbeeld van zijn tochtgenoot in allen deele -stiptelijk gevolgd. De eerzame lepero eindelijk besloten hebbende een dapper man te -zijn, wel overtuigd dat hij anders verloren was, gaf zich over aan de luimen van zijne -goede of kwade gesternte met het dwepende optimisme der mestiezen, die op dit punt -voor de oosterlingen niet behoeven onder te doen. -</p> -<p>Wij hebben hierboven reeds te kennen gegeven, dat aan deze zijde der rivier alles -in de diepste rust gedompeld lag; de avonturiers bevonden zich dus voor alle gevaar -beveiligd. -</p> -<p>»Hoor eens,” riep de lepero opnieuw, »het rek is een beetje lang van hier naar de -hacienda; ik geloof nooit dat ik zoo ver zal kunnen zwemmen.” -</p> -<p>»Geduld; als gij niet tegen een weinig moeite opziet, zullen wij zonder twijfel wel -een middeltje vinden om ons den weg te bekorten. Ah! wacht, wat heb ik u gezegd,” -riep hij een oogenblik later, hem met den vinger een kleine prauw aanwijzende, die -in een smalle kreek aan een paal vast lag. -</p> -<p>»De kolonisten komen hier vaak visschen,” vervolgde hij, »zij hebben zoo een aantal -prauwen van afstand tot afstand in de biezen verborgen. Wij zullen deze maar nemen, -dan zijn wij binnen weinig minuten waar wij wezen moeten; kunt gij met de pagaaien -omgaan?” -</p> -<p>»Ja, als ik niet bang behoef te wezen.” -</p> -<p>Don Martial keek hem eenige <span class="corr" id="xd30e3627" title="Bron: sekonden">seconden</span> strak aan en legde hem toen <span class="corr" id="xd30e3630" title="Bron: ontzacht">onzacht</span> de hand op den schouder. -</p> -<p>»Hoor eens, vriend Cuchares,” zeide hij op een drogen, bijtenden <span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span>toon, »ik heb geen tijd om lang met u te praten, maar ik heb zeer ernstige redenen -om te doen wat ik doe en ik eisch van u volkomen vertrouwen, zonder aarzeling of argwaan -hoe ook genaamd; houd u dus voor gewaarschuwd. Gij kent mij, op de eerste verdachte -beweging die gij maakt schiet ik u een kogel door den kop als een coyote. Kom, help -mij nu de prauw los maken en wij gaan dadelijk op weg.” -</p> -<p>De lepero had het begrepen, hij onderwierp zich. Binnen een paar minuten was de prauw -gereed en de twee mannen er in. -</p> -<p>De tocht dien zij te maken hadden om het achtergedeelte der hacienda te bereiken was -niet bijzonder ver, maar met hindernissen bezaaid, en in vele opzichten gevaarlijk; -vooreerst uithoofde van den sterken stroom, die wat meer zegt, een groot aantal doode -boomen medesleepte, de meesten nog in hun volle gewei van takken en wortels, die half -boven water drijvende, telkens dreigden de zwakke boot omver te werpen; vervolgens -de menigte wilde dieren die uit vrees voor brand de rivier in dichte troepen overzwommen, -zoodat de prauw wanneer zij in zulk eene als verdwaasd vluchtende manade bezet raakte, -ontwijfelbaar zou worden verpletterd met al wat er in was; een derde gevaar dat de -avonturiers liepen, was nog, dat de schildwachten, die hier en daar in het dichte -hakhout verscholen zaten om de toegangen der kolonie aan den rivierkant te verdedigen, -hun een kogel toezonden. -</p> -<p>Dit gevaar was echter niets in vergelijking der andere door ons opgenoemde, daar het -zich liet aanzien dat de Franschen, door het schijnsel van den naderenden brand opgewekt, -al hunne blikken naar het vaste land zouden richten. Voor het overige meende don Martial -zeker te zijn dat hij van de schildwachts niets te vreezen had, daar men deze wel -zou verwijderd hebben. -</p> -<p>Op een wenk van don Martial greep de lepero de pagaaien en zij staken van wal. -</p> -<p>De brand breidde zich snel uit in de richting van het westen en zette zijne verwoestingen -met kracht voort. -</p> -<p>De prauw kon slechts langzaam en niet dan met de meeste voorzichtigheid vorderen, -uithoofde van den sterken stroom en de menigte voorwerpen die de vaart belemmerden. -</p> -<p>Bleek als een lijk van angst, met stoppelende haren en van schrik uitpuilende oogen, -hanteerde Cuchares de pagaaien en beval zijne ziel aan al de heiligen der vergulde -legende van Spanje, meer dan ooit overtuigd dat hij niet goed af zou komen van de -onderneming, waarin hij zich zoo onhandig gestoken had. -</p> -<p>Overigens schenen de omstandigheden zoo ernstig, dat zelfs de Tigrero al zijne onversaagdheid -en vooral de opgewondenheid noodig had, waartoe zijn beoogde doel hem aanvuurde, om -niet in den zelfden schrik te deelen die zijn kameraad bezielde. -</p> -<p>Hoe verder zij kwamen, hoe talrijker de hindernissen werden; <span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span>gedurig verplicht om de boomen te mijden, die in menigte op den stroom dreven en hun -telkens den doortocht beletten, draaiden zij om zoo te zeggen als in een cirkel rond, -kwamen wel tienmaal op hetzelfde punt terug en moesten schier aan alle kanten tegelijk -acht geven, om niet omgeworpen te worden of door een warnet van onzichtbare of zichtbare -wortels en takken te worden medegesleept. -</p> -<p>Zoo hadden zij reeds bijna twee uren met de grootste inspanning gevaren, en naderden -zij eindelijk van lieverlede de hacienda, die zich als eene donkere massa tegen den -helderen sterrenhemel afteekende. Plotseling klonk er een vervaarlijke kreet uit eenige -honderd woeste kelen door de nachtelijke ruimte, onmiddellijk gevolgd door een donderende -losbranding van grof geschut en klein geweer. -</p> -<p></p> -<div class="figure p130width"><img src="images/p130.jpg" alt="«Santa Virgo!» riep Cuchares terwijl hij de pagaaien losliet en de handen samenvouwde, «wij zijn verloren.» Bladz. 130." width="496" height="720"><p class="figureHead">«Santa Virgo!» riep Cuchares terwijl hij de pagaaien losliet en de handen samenvouwde, -«wij zijn verloren.» Bladz. 130.</p> -</div><p> -</p> -<p>»<i>Santa Virgo!</i>” riep Cuchares terwijl hij de pagaaien losliet en de handen samenvouwde, »wij zijn -verloren.” -</p> -<p>»<i>Carai!</i>” zei de Tigrero, »integendeel, nu zijn wij behouden, de Indianen bestormen de kolonie, -al de Franschen zijn dus op de wallen en niemand denkt meer aan ons<span class="corr" id="xd30e3663" title="Niet in bron">.</span> Wakker op! jongen, nog een paar riemslagen en wij zijn er.” -</p> -<p>»God geeft dat gij waarheid spreekt!” mompelde de lepero en hij begon weder te pagaaien, -al was het ook met bevende hand. -</p> -<p>»Caramba! dat schijnt daar een ernstige aanval,” vervolgde de Tigrero. »Des te beter! -hoe meer ze daar ginder vechten, hoe minder men hier op ons zal letten; maken wij -intusschen voort.” -</p> -<p>Aan de zijde der landengte hoorde men het rumoer van den strijd, die met ieder oogenblik -heviger scheen te worden. -</p> -<p>De twee avonturiers, in de schaduw onzichtbaar, pagaaiden stil voort en naderden meer -en meer de hacienda. -</p> -<p>Don Martial wierp een bespiedenden blik in het rond; aan dit gedeelte van den oever, -ofschoon <span class="corr" id="xd30e3671" title="Bron: nauwlijks">nauwelijks</span> een half pistoolschot ver van de hacienda, was alles doodstil en roerloos. Niets -deed vermoeden dat men hen bemerkt had. -</p> -<p>De Tigrero bukte naar zijn kameraad. -</p> -<p>»Houd op,” zeide hij zacht, »wij zijn aan.” -</p> -<p>»Hoedat! aan?” herhaalde de lepero met een ontsteld gezicht, »wij zijn nog veraf.” -</p> -<p>»Neen; op de plaats waar wij thans zijn hebt gij hoegenaamd niets te vreezen; blijf -hier in de prauw, leg haar vast aan een boomstam in de nabijheid, om hier op mij te -wachten.” -</p> -<p>»En gij dan?” -</p> -<p>»Ik? ik ga weg en laat u voor een paar uren alleen; houd vooral goed de wacht. Als -gij iets bijzonders bespeurt, waarschuw mij dan door tweemaal op verschillende wijze -te roepen als een waterhoen; hebt gij mij begrepen?” -</p> -<p>»Opperbest. Maar als ons eens onmiddellijk gevaar dreigde, wat moet ik dan doen?” -<span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span></p> -<p>De Tigrero bedacht zich een oogenblik. -</p> -<p>»Welk gevaar zou u hier kunnen dreigen?” vroeg hij toen. -</p> -<p>»Dat weet ik niet,” zei Cuchares, »maar de Indianen zijn zulke kwaadaardige duivels; -met hen moet men op alles bedacht zijn.” -</p> -<p>»Gij hebt gelijk. Welnu, als u eenig ernstig gevaar mocht bedreigen, maar alleen in -dat enkele geval, hoor! moet gij nadat gij een signaal hebt gegeven, de prauw voortstuwen -naar dat punt dat gij van hier zien kunt; die wortelboomen daar ginds bedoel ik: daar -tusschen zijt gij volkomen beschut en daar kom ik onmiddellijk bij u.” -</p> -<p>»Goed, dat is afgesproken; maar dan, hoe zal ik weten waar ik u vinden moet.” -</p> -<p>»Ik zal tweemaal het geluid van den prairiehond nabootsen. Pas nu op, en wees voorzichtig.” -</p> -<p>»Gij kunt op mij rekenen.” -</p> -<p>De Tigrero ontdeed zich van de kleederen die hem hadden kunnen belemmeren, zooals -zijn <i lang="es">zarape</i>, en zijne <i lang="es">botas vaqueras</i>, en hield niet anders aan dan zijn broek en vest, stak zijn mes in zijn gordel, hing -zijne pistolen, zijne buks en zijn patroontasch om, en bootste op eene bedriegelijke -wijze het gefluit van den <i>maukawis</i> na. Weldra klonk hetzelfde geluid van den oever; en de Tigrero, na zijn kameraad -voor de laatste maal waakzaamheid te hebben aanbevolen, nam zijne wapens zorgvuldig -op zijn hoofd en liet zich zacht in het water glijden. De lepero zag hem weldra rustig -en met kracht wegzwemmen, koers houdende naar de hacienda; maar allengs begon de Tigrero -in de verte te verdwijnen tot hij eindelijk in de schaduw van den oever onzichtbaar -werd. -</p> -<p>Zoodra Cuchares alleen was, bekeek hij, zonder bepaald te weten waarom, zorgvuldig -zijne wapens om te zien of ze wel goed in orde waren en deed nieuw kruit op de pan, -ten einde gereed te zijn en niet weerloos overrompeld te worden; vervolgens gerustgesteld -door de kalmte die in den omtrek bleef heerschen ging hij ondanks de waarschuwing -van den Tigrero op den bodem der prauw liggen en schikte zich om te slapen. -</p> -<p>Het rumoer van den strijd was langzamerhand verminderd en had eindelijk geheel opgehouden, -men hoorde niet meer <span class="corr" id="xd30e3705" title="Bron: scheeuwen">schreeuwen</span> noch schieten; de Indianen, door de kolonisten teruggeslagen, hadden van hun aanval -afgezien. Ook de brand in de prairie was merkelijk verflauwd, kortom, de woestijn -scheen tot hare gewone stilte en eenzaamheid teruggekeerd. -</p> -<p>De lepero lag op zijn rug op den bodem der prauw en keek naar de heldere sterren, -die in het blauwe hemelruim schitterden en fonkelden. Zacht wiegelend op den schommelenden -stroom gaf hij zich over aan onbezorgde droomen, en sloot nu en dan de oogen; eindelijk -kwam hij op het geheimzinnige punt dat geen waken noch slapen meer heeten mag, en -zou hij waarschijnlijk spoedig zijn ingedommeld, zoo hij niet even voordat hij bepaald -de oogen zou sluiten, <span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span>gewetenshalve zijn reeds door slaap benevelden blik voor het laatst had rondgeslagen—wat -zag hij? hij ontroerde er van, zou bijna een schreeuw hebben gegeven van angst en -stond zoo haastig op, dat het weinig scheelde of hij had de prauw doen omslaan. -</p> -<p>Cuchares had een ontzettend visioen gehad, hij wreef zich de oogen om zich te verzekeren -dat hij wakker was, en keek opnieuw rond. -</p> -<p>Wat hij voor een visioen had gehouden, was inderdaad iets wezenlijks; hij had wel -goed gezien. -</p> -<p>Gelijk wij straks gezegd hebben dreven er een menigte doode boomen met takken en wortels -op den stroom. Sedert eenigen tijd had zich een groot aantal dezer boomen in de nabijheid -der prauw verzameld: zonder dat de lepero er eene voldoende reden voor kon vinden, -te minder daar deze boomen terwijl zij natuurlijkerwijs den stroom van het water hadden -moeten volgen, integendeel in allerlei richtingen dreven en in plaats van midden in -de rivier te blijven veeleer den oever waar de hacienda op lag meer en meer naderden. -</p> -<p>Wat nog zonderlinger scheen, was dat de gang dezer vlottende stammen zich bepaald -naar hetzelfde punt richtte, namelijk het uiteinde der landtong, juist achter de hacienda; -voorts—het was inderdaad om van te huiveren—zag Cuchares te midden van al deze stammen, -takken en wortels, vurige oogen schitteren, en akelige hoofden met afschuwelijke aangezichten -opsteken. -</p> -<p>Er viel niet langer aan te twijfelen, in iederen boom zaten zes of meer Apachen; de -Roodhuiden, na in hun eerste poging aan de landzijde gefaald te hebben, trachtten -nu de kolonie aan den rivierkant te naderen en haar onder bedekking der boomen daar -zij zich achter verscholen hielden, te overrompelen. -</p> -<p>De positie van den lepero was hachelijk. -</p> -<p>Tot dusver hadden de Indianen, te veel met het uitvoeren van hun plan bezig, zeker -niet op de prauw gelet of zoo zij die al hadden gezien, er zich niet om bekreund, -in den waan dat zij aan een der hunnen toebehoorde; met ieder oogenblik echter kon -deze dwaling ontdekt en de lepero herkend worden, en dan wist hij maar al te goed -dat hij verloren was. -</p> -<p>Reeds twee of drie malen was er voor een oogenblik eene hand aan het boord der ranke -boot geslagen, maar als door bijzondere bewaring had de Indiaan die dit deed niet -goedgevonden even in de prauw te kijken. -</p> -<p>Al deze en nog vele andere beschouwingen gingen den armen Cuchares door het hoofd, -terwijl hij schijnbaar zoo gemakkelijk op zijn rug in de prauw lag, zacht wiegende -op de hobbelende baren en terwijl hij boven zijn hoofd de heldere sterren aan het -firmament zag blinken. Met een door schrik vertrokken aangezicht, bleek als de dood, -in iedere hand een pistool krampachtig vastklemmend, en zich in stilte aan zijn bijzonderen -beschermheilige aanbevelende, wachtte hij <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>de schrikkelijke uitkomst af die met iedere verloopende minuut dreigender werd. -</p> -<p>Hij behoefde niet lang te wachten. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6941">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XIV.</h2> -<h2 class="main">EEN INDIAANSCHE LIST.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Onder de ongetemde natiën die in de onmetelijke wildernissen der delta door de Rio -Gila, de Rio del Norte en de Rio Colorado gevormd rondzwerven, zijn er twee die zich -de heerschappij boven de overigen willen aanmatigen, deze twee natiën zijn de Apachen -en de Comanchen. -</p> -<p>Onverzoenlijke vijanden en gedurig in oorlog met elkander, slaan deze natiën vaak -de handen ineen en vereenigen zij zich in gemeenschappelijken haat tegen de blanken -en tegen al wat tot dit verafschuwde ras behoort. -</p> -<p>Als voortreffelijke ruiters, onverschrokken jagers en woeste krijgers zonder genade, -zijn de Comanchen en Apachen geduchte vijanden voor de ingezetenen van Nieuw-Mexico. -Jaar op jaar in de zelfde maand verlaten deze woeste krijgslieden bij duizenden hunne -savanen, doorwaden zij de stroomen, trekken op verschillende punten over de grenzen -van Mexico, plunderen en branden alles wat hun voorkomt, voeren vrouwen en kinderen -weg in slavernij, en verspreiden schrik en verwoesting tot meer dan tien ja soms twintig -mijlen ver over het meer beschaafde grondgebied der blanken. -</p> -<p>Tijdens de Spaansche heerschappij was dit anders. De talrijke zendingsposten, versterkte -plaatsen (presidio’s) en van afstand tot afstand uitsluitend voor dezen dienst bestemde -en langs de geheele grenzen gekantonneerde legerkorpsen weerden de aanvallen der Indianen -krachtdadig af, dreven hen naar de wildernis terug en hielden hen binnen de perken -van hunne jachtgronden. Sedert het uitroepen der onafhankelijkheid echter hebben de -Mexicanen de handen zoo vol met zich onderling te dooden en door omwentelingen zonder -doel of redelijkheid het land te verscheuren, dat de troepencordons zijn ingetrokken, -de zendingsposten geplunderd, de presidio’s verlaten en de grenzen beschermd geworden, -zoo als zij best konden, dat wil zeggen in ’t geheel niet. Natuurlijk zijn de wilde -Indianen toen allengs weder genaderd en de rivieren opnieuw overgetrokken, zonder -noemenswaardigen weerstand te vinden daar de Mexicaansche regeering onder strenge -straffen verbiedt den beschaafden Indiaan vuurwapenen in handen te geven, waarmede -zij alleen in staat zouden zijn de woeste indringers met goed gevolg te helpen bestrijden; -zoo hebben laatstgenoemden binnen weinige jaren heroverd wat Spanje met zijn gansche -<span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span>macht, gedurende meer dan drie eeuwen nauwelijks in staat was hun te ontweldigen. -</p> -<p>Een gevolg van dit alles is dat de vruchtbaarste en heerlijkste landen van de wereld -onbebouwd liggen, dat men in dat ongelukkige gewest geen stap voorwaarts doen kan -zonder overal schier rookende puinhoopen te ontmoeten, en de stoutheid der wilde Roodhuiden -zoodanig is toegenomen dat zij thans hunne strooptochten en invallen niet eens meer -geheim houden, maar ze jaarlijks in dezelfde maand en vaak op denzelfden dag herhalen; -welke maand door hen met den spotnaam van <i>Mexicaansche Maan</i> wordt bestempeld, dat wil zeggen de maand gedurende welke zij de Mexicanen plunderen. -</p> -<p>Al de hier door ons aangevoerde feiten zouden voor eene kolossale tooneelklucht kunnen -doorgaan, zoo zij niet gepaard gingen met de gruwzaamste barbaarschheid en wreedheid. -</p> -<p>De Zwarte-Beer had het groote verbond, waarvan wij vroeger gewaagden, alleen gesloten -met het doel om zich in de oogen zijner landgenooten te verheffen, daar hij door verscheiden -mislukte ondernemingen werkelijk in hunne achting was gedaald. Even als alle voorname -Indiaansche opperhoofden, bezielde hem eene ontembare eerzucht; reeds was het hem -gelukt eenige zwakkere volksstammen uit te delgen of met zijne natie ineen te smelten, -en nu beoogde hij niets minder dan om ook de Comanchen te verplichten zijne opperheerschappij -te erkennen; dit was echter eene zeer moeilijke om niet te zeggen onmogelijke onderneming, -want de Comanchennatie staat te recht beroemd als de krijgshaftigste en meest geduchte -der woestijn; in haren hoogmoed geeft zij zich zelve den titel van Koningin der Prairiën -en duldt te nauwernood de tegenwoordigheid der Apachen op het terrein dat zij als -de haar erfelijk toekomende jachtgronden beschouwt. De Comanchen hebben op de andere -Roodhuiden een groot voordeel, dat hunne eigenlijke sterkte uitmaakt en de basis hunner -onafhankelijkheid is, zoodat zij door al hunne vijanden gevreesd worden, namelijk -hunne matigheid. Dank zij de loffelijke standvastigheid waarmede zij zich van het -gebruik van geestrijke dranken hebben weten te onthouden, zijn zij bewaard voor de -algemeene verdierlijking en voor de menigte kwalen die de andere Indianenstammen zoo -deerlijk teisteren en blijven zij tot hiertoe nog even krachtig en verstandig als -ooit. -</p> -<p>De Spotvogel geloofde evenmin als de Zwarte-Beer aan de duurzaamheid van het verbond, -dat thans tusschen de beide natiën bezworen was; de haat dien hij de Apachen toedroeg -had bij hem te diepe wortels geschoten om dit zelfs ernstig te verlangen; maar de -stichting der Fransche kolonie te Guetzalli, waardoor de blanken vasten voet kregen -op een terrein dat zij als hun wettig eigendom beschouwden, was voor de Comanchen -en andere <span lang="es">Indios bravos</span> eene te ernstige bedreiging, dan dat zij niet elk middel zouden hebben te baat genomen -om zich van deze geduchte geburen te ontslaan. <span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span>Zij hadden dus voor het oogenblik hun ouden wrok en bijzondere veeten doen zwijgen -voor de eischen van het algemeen belang en zich daarvoor vereenigd, maar ook daarvoor -alleen. Ieder behield zich stilzwijgend voor, om zoodra de gehate vreemdelingen verdreven -waren, weder naar eigen goedvinden te handelen. -</p> -<p>Wij hebben reeds gezien hoe de Spotvogel de vijandelijkheden begonnen was; de Zwarte-Beer -had sinds lang een plan gevormd dat hij tot dusver nog niet had kunnen uitvoeren; -niet wetende waar hij de noodige inlichting en middelen zou vinden was hij naar Guaymas -gegaan, en toen de Tigrero hem voorsloeg om zich als gids in de kolonie in te dringen, -had hij ongezocht aanleiding gevonden om zijn lang gewenscht doel te bereiken; ook -had hij de weinige uren, door hem in de hacienda doorgebracht, niet ongebruikt gelaten -en met de gewone geslepenheid van een Indiaan al de zwakke punten der plaats tot in -de kleinste bijzonderheden opgenomen. -</p> -<p>Bovendien bestond er nog eene reden die hem aanspoorde zich van de hacienda meester -te maken; gelijk alle Roodhuiden, droomde hij van niets liever dan van eene blanke -vrouw in zijne hut te hebben; nu had het toeval hem <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita doen aantreffen en daar door was zijn sedert lang heimelijk gekoesterde wensch -op eens verlevendigd, door de veronderstelling, dat hij in haar eindelijk de vrouw -gevonden had die zijn droom zou verwezenlijken. -</p> -<p>Men moet zich daarom niet verbeelden dat de Zwarte-Beer zoo bijzonder op <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita verliefd was; hij verlangde alleen eene blanke vrouw te bezitten, dit was alles; -hij voelde zich gekrenkt dat de andere hoofden zijns volks, slavinnen van die kleur -hadden, en hij er nog geene bezat. -</p> -<p>Ware <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita leelijk geweest, dan zou hij toch beproefd hebben haar meester te worden, maar -nu zij schoon was, zooveel te beter; en wij moeten hier ten slotte nog doen opmerken -dat het Apachenhoofd haar eigenlijk niet zoo bijzonder mooi vond; volgens den maatstaf -van zijn Indiaansch schoonheidsgevoel was de jonge vrouw hoogstens maar een dagelijksch -gezicht; het eenige wat hij in haar op prijs stelde was hare kleur. -</p> -<p>De Zwarte-Beer had zijne voornaamste krijgers op de uiterste punt van het eiland bijeengeroepen -en stond in hun midden, met de armen op de borst gekruist, zwijgend en met de oogen -naar de vlakte gericht, tot op het oogenblik toen het eerste bloedige rood van den -brand door den Spotvogel ontstoken, zich aan den horizont begon te vertoonen. -</p> -<p>»Mijn broeder de Spotvogel is een welervaren opperhoofd,” zeide hij, »en een trouw -bondgenoot; hij heeft de zending die ik hem opdroeg naar behooren volbracht; hij is -reeds bezig met de bleekmuilen te berooken; wat de Comanchen begonnen zullen de Apachen -voleinden.” -</p> -<p>»De Zwarte-Beer is de eerste krijgsman van zijn stam,” antwoordde de Kleine-Panter; -»wie zou hem durven bestrijden?” -<span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span></p> -<p>De sachem glimlachte bij deze vleierij en sprak: -</p> -<p>»Zijn de Comanchen antilopen, de Apachen zijn otters; zij weten, wanneer het noodig -is, te zwemmen in het water zoo wel als te loopen op de aarde en te vliegen door de -lucht; de bleekgezichten hebben geleefd; de Groote Geest is in mij, hij blaast mij -de woorden in die mijne borst uitblaast.” -</p> -<p>De krijgslieden bogen eerbiedig, en een oogenblik later vervolgde hij: -</p> -<p>»Wat geven de Apachen om de vlammende donderpijpen der bleekgezichten! Hebben zij -geen gekartelde pijlen en onverschrokken harten? Mijne zonen zullen mij volgen, wij -zullen die bleeke honden hunne haarschedels aftrekken, om ze aan den hals onzer paarden -te hechten, en hunne vrouwen zullen onze slavinnen zijn.” -</p> -<p>De krijgslieden beantwoordden deze grootspraak met uitbundig gejuich. -</p> -<p>»Op den stroom drijft een tal van boomen,” vervolgde hij; »mijne zonen zijn geene -vrouwen die rasch moede worden, zij zullen zich op die doode boomen zetten en er de -rivier mede afdrijven, tot aan de hut der bleekgezichten. Dat mijne zonen zich gereed -maken; de Zwarte-Beer vertrekt tegen zestien ure, zoodra de blauwe uil tweemaal gezongen -en de walkon tweemaal gefloten heeft. Twee honderd krijgslieden zullen den Zwarte-Beer -volgen. Ik heb gezegd.” -</p> -<p>De opperhoofden bogen eerbiedig voor den sachem en lieten hem alleen. -</p> -<p>Hij wikkelde zich in zijn bisonsvellen mantel, hurkte neder bij een vuurpot met glimmende -kolen die voor hem stond, stak zijn calumet aan met behulp van een toovertangetje, -dat aardig met kleine chelletjes en bonte veeren versierd was, en bleef toen stil -zitten rooken met de oogen onafgewend op den rooden gloed gericht, die aan den gezichteinder -steeds uitgebreider en duidelijker werd. -</p> -<p>Het eiland waar het opperhoofd zijn kamp had opgeslagen lag slechts op korten afstand -van de Fransche kolonie; het plan om zich met den stroom te laten afdrijven had dus -niets gevaarlijks voor menschen die, aan alle lichaamsoefeningen gewoon, zwommen als -visschen; hij had daarbij het groote voordeel om de naderende krijgslieden in het -water en tusschen de takken verborgen te houden, die dan op een bepaald oogenblik -als een troep uitgehongerde gieren plotseling op de kolonie zouden losgaan. -</p> -<p>De Zwarte-Beer hield zich van het welslagen dezer buitensporige krijgslist, die alleen -in het brein van een Indiaan kon opkomen, zoo sterk overtuigd, dat hij niet meer dan -twee honderd man van zijn volk wilde medenemen, het overbodig oordeelende om grooter -macht aan te voeren tegen vijanden, die men onvoorziens dacht te overrompelen en die -reeds verplicht om zich tegen den Spotvogel te verweren, door hem zelven in den rug -aangetast en verpletterd moesten worden, eer zij den noodigen tijd hadden gehad om -tot bezinning te komen. -<span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span></p> -<p>De nacht valt snel in en bijna plotseling in deze streken, waar de schemering nauwelijks -eenige <span class="corr" id="xd30e3787" title="Bron: sekonden">seconden</span> duurt; weldra was het volkomen duister geworden; alleen in de verte teekende een -breede koperroode streep den voortgang van den brand, achter welken over den nog gloeienden -grond de Comanchen volgden als een troep akelige wolven, terwijl hunne galoppeerende -paarden de <span class="corr" id="xd30e3790" title="Bron: nauwlijks">nauwelijks</span> uitgedoofde en bekoelde asch en houtskolen met de hoeven vertrapten of voortschopten. -</p> -<p>Toen de Zwarte-Beer oordeelde dat het beslissende oogenblik gekomen was, doofde hij -zijn calumet uit, schudde bedaard de asch op het vuur van den haard en wenkte den -Kleine-Panter, die reeds op den sprong stond om de bevelen van het opperhoofd dadelijk -uit te voeren. -</p> -<p>Bijna onmiddellijk kwamen de twee honderd krijgslieden te voorschijn om de hun opgelegde -taak te beginnen. -</p> -<p>Het waren allen uitgelezen mannen; met knodsen en pieken gewapend, en met het oorlogsschild -op den rug. -</p> -<p>Na een oogenblik stilte, dat de sachem besteedde om over hen eene soort van inspectie -te houden, zeide hij met eene diepe stem: -</p> -<p>»Wij gaan vertrekken, mijne kinderen; de bleekgezichten die wij te bestrijden hebben -zijn geene Yoris; men zegt dat zij zeer dapper zijn; maar de Apachen zijn de dapperste -krijgslieden der wereld; niemand kan het tegen hen volhouden. Mijne zonen zullen zich -laten dooden, maar zij zullen overwinnaars zijn.” -</p> -<p>»De krijgslieden zullen zich laten dooden,” antwoordden allen uit éénen mond. -</p> -<p>»<i>Ooah!</i>” hervatte de Zwarte-Beer, »mijne zonen hebben goed gesproken, de Zwarte-Beer stelt -in hen zijn volle vertrouwen. De Wacondah—de Groote Geest—zal hen niet verlaten; hij -bemint de roode menschen. Gaat nu, mijne zonen, en verzamelt de doode boomstammen -die drijven op de rivier en begeeft u met dezelve op den stroom. Het gekrijsch van -den condor zal het signaal zijn om op de bleekgezichten in te stormen.” -</p> -<p>De Indianen gingen dadelijk aan ’t werk om de bevelen van het opperhoofd uit te voeren; -zij wedijverden onderling om de boomstammen bij elkander te brengen en eenige minuten -later hadden zij er reeds een aantal aan de punt van het eiland vereenigd. De Zwarte-Beer -wierp een laatsten blik om zich heen, gaf een wenk om te vertrekken, en was zelf de -eerste die te water ging om zich op een boom te plaatsen; al de anderen volgden terstond -zijn voorbeeld. -</p> -<p>De Apachen hadden bij het verzamelen der boomstammen aan den rand van het eiland hunne -stelling zoo wel gekozen, dat, toen zij er plaats op namen, en ze van wal stieten, -de stammen oogenblikkelijk weder op gang kwamen en den gewonen loop volgende als van -zelf en ongemerkt den stroom afdreven, juist in de richting der kolonie waar zij dachten -te landen. -<span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span></p> -<p>Intusschen had deze zonderlinge scheepvaart haar eigenaardige moeielijkheden en was -zij niet zonder ernstige gevaren voor de ondernemers. -</p> -<p>De Indianen die los op de boomen zaten en geen pagaaien hadden om hen te besturen, -moesten zich klakkeloos door den stroom laten medevoeren en slaagden niet zonder geweldige -inspanning om in eene behoorlijke positie te blijven: gelijk alle vlottend hout dat -op de genade der grilzieke baren dobbert behielden de stammen steeds hun eigen manier -van beweging en kantelden van tijd tot tijd om, zoodat degenen die er <span class="corr" id="xd30e3811" title="Bron: opzaten">op zaten</span> telkens gedwongen werden van plaats te veranderen om in balans te blijven en niet -met iedere omwenteling in het water te vallen<span class="corr" id="xd30e3814" title="Bron: :">;</span> voorts waren zij toch menigmaal verplicht zich te water te begeven, wanneer de stammen -eene verkeerde richting dreigden te nemen en in plaats van naar de kolonie naar het -midden der rivier wilden afdrijven. Een derde bezwaar, nog het lastigste van allen, -was dat de boomen onder het afzakken soms tegen elkander stieten en met hunne takken -of wortels zoo vast in elkander verward raakten, dat het bepaald onmogelijk was ze -weder los te krijgen, zoo dat men hen goedschiks kwaadschiks moest laten begaan en -men ze na verloop van een half uur gezamenlijk op stroom zag drijven als een enkel -groot vlot, dat bijna de gansche breedte besloeg. -</p> -<p>De Indianen zijn volhardend in hun doen; als zij iets ondernemen geven zij hun plan -niet op voor dat het volstrekt onmogelijk wordt er mede voort te gaan; is dat niet -het geval, dan houden zij tot het uiterste vol. Dat gebeurde ook thans; sommige Indianen -verdronken, andere werden zoo ernstig gekwetst, dat zij genoodzaakt waren om met levensgevaar -aan land te zwemmen. Evenwel, verre de meesten hielden zich goed en onder aanvoering -van hun opperhoofd, die hen gedurig met voorbeeld en stem aanmoedigde, zakten zij -ordelijk stroomafwaarts. -</p> -<p>Reeds sedert lang was het eiland, vanwaar zij vertrokken waren, ver achter hen in -de kronkelingen van de rivier verdwenen en kregen zij het punt waar de gebouwen der -kolonie zich verhieven voor zich uit in ’t gezicht. Reeds teekende zich op een pijlschot -afstand van de plaats waar zij zich bevonden, de donkere gestalte der hacienda zwart -en somber tegen het nachtelijke blauw des hemels, toen de Zwarte-Beer, die zich aan -het hoofd der vloot gereed hield en wiens scherpziende blik gedurig in ’t rond spiedde -om den stand der zaken op te nemen, op eens eenige vadems lengte van zich af eene -kleine prauw aan een boom vastgemaakt op den stroom zag schommelen. -</p> -<p>Deze prauw was terstond een verdacht voorwerp voor den argwanenden Roodhuid, het scheen -hem niet natuurlijk op zulk een laat uur in den nacht een vaartuig van welken aard -ook op deze wijs vastgelegd en aan den stroom overgelaten te vinden; maar de Zwarte-Beer -was een man van kloeke besluiten die niet licht verlegen werd <span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span>en in alle voorkomende zaken wijselijk partij koos. Na de raadselachtige altoos stil -voor hem liggende prauw met aandacht te hebben bespied, bukte hij naar den Kleine-Panter, -die naast hem op denzelfden boom zat om zijne gereede orders uit te voeren, en het -mes tusschen de tanden nemende verliet het opperhoofd zijn steunpunt en dompelde hij -onder water. -</p> -<p>Dicht bij de prauw kwam hij weder boven, greep haar met forsche hand aan boord, zoodat -zij overhelde, en sprong er in eens in, vlak op de borst van Cuchares, dien hij terstond -bij den strot vatte. -</p> -<p>Deze manoeuvre was zoo gezwind uitgevoerd, dat de lepero geen gebruik kon maken van -zijne wapenen en geheel in de macht van zijn vijand was, eer hij nog wist wat hem -overkwam. -</p> -<p>»<i>Ooah!</i>” riep de Indiaan toen hij hem met verrassing herkende. »Wat maakt mijn broeder daar?” -</p> -<p>Van zijnen kant had ook de lepero den sachem herkend, en zonder recht te weten waarom, -gaf hem dit weder een weinig moed. -</p> -<p>»Dat ziet gij wel,” was zijn antwoord, »ik slaap.” -</p> -<p>»Ooah! mijn broeder is bang voor den brand en daarom heeft hij zich zeker op de rivier -begeven.” -</p> -<p>»Juist!” zei Cuchares, »dat hebt gij eens knap geraden, hoofdman, ik ben bang voor -den brand.” -</p> -<p>»Goed,” hervatte de Apache met een boertenden glimlach, die hem anders niet eigen -was, »mijn broeder is zeker niet alleen, waar is de Groote-Bison?” -</p> -<p>»Wat! de Groote-Bison, dien ken ik niet, hoofdman, ik weet zelfs niet van wien gij -spreekt.” -</p> -<p>»Alle bleekhuiden hebben eene leugenachtige tong,” riep de sachem, »waarom zegt mijn -broeder de waarheid niet?” -</p> -<p>»Dat zou ik gaarne doen, als ik u maar begreep.” -</p> -<p>»De Zwarte-Beer is een groot krijgsman der Apachen; hij spreekt de taal van zijn eigen -volk, maar verstaat slecht die der Yoris.” -</p> -<p>»Dat is niet wat ik meen te zeggen, gij hebt zeer goed in ’t Spaansch gesproken, ik -bedoel alleen dat gij van een persoon spreekt dien ik niet ken.” -</p> -<p>»<i>Ooah!</i> kan dat mogelijk zijn?” antwoordde de Indiaan met geveinsde verwondering, »zou mijn -broeder den krijgsman niet kennen die twee dagen geleden bij hem was?” -</p> -<p>»Ah ja! nu begrijp ik u, gij spreekt van don Martial; ja zeker, dien ken ik wel.” -</p> -<p>»Goed,” hernam het opperhoofd, »ik wist wel dat ik mij niet vergiste, waarom is mijn -broeder op dit oogenblik niet bij hem?” -</p> -<p>»Dat zal waarschijnlijk zijn omdat ik hier alleen ben,” riep de lepero spottenderwijs. -</p> -<p>»Dat is waar, maar daar ik haast heb en mijn broeder mij niet antwoorden wil, zal -ik hem dooden.” -<span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span></p> -<p>Dit zeggende op een toon die voor geen dubbelzinnige uitlegging vatbaar was, hief -de Zwarte-Beer zijn ponjaard reeds op om er gevolg aan te geven. De lepero begreep, -dat als hij den Indiaan zijn zin niet gaf, hij onvermijdelijk verloren zou zijn, zijne -aarzeling hield dus oogenblikkelijk op. -</p> -<p>»Wat wilt gij van mij?” vroeg hij. -</p> -<p>»De waarheid.” -</p> -<p>»Vraag dan.” -</p> -<p>»Zal mijn broeder antwoorden?” -</p> -<p>»Ja.” -</p> -<p>»Goed, waar is de Groote-Bison?” -</p> -<p>»Daar,” riep de lepero terwijl hij den arm in de richting <span class="corr" id="xd30e3861" title="Bron: derhacienda">der hacienda</span> uitstak. -</p> -<p>»Sedert lang?” -</p> -<p>»Sedert een uur reeds.” -</p> -<p>»Om welke reden is hij daar?” -</p> -<p>»Dat kunt gij licht raden.” -</p> -<p>»Ja. Zijn zij daar samen?” -</p> -<p>»Zij moeten er wel zijn, daar zij hem geroepen heeft.” -</p> -<p>»<i>Ooah!</i> En wanneer moet hij terugkomen?” -</p> -<p>»Dat weet ik niet.” -</p> -<p>»Heeft hij niets aan mijn broeder gezegd?” -</p> -<p>»Neen.” -</p> -<p>»Zou hij alleen terugkomen?” -</p> -<p>»Dat weet ik niet.” -</p> -<p>De Indiaan schoot hem een blik toe als of hij tot op den bodem van zijn hart had willen -zien; de lepero bleef kalm als het graf, hij had eerlijk gezegd alles wat hij wist. -</p> -<p>»Goed,” hervatte de Indiaan een oogenblik daarna, »maar heeft de Groote-Bison met -mijn broeder geen signaal afgesproken, zoodat hij bij hem kan komen wanneer hij dit -verkiest?” -</p> -<p>»Dat heeft hij.” -</p> -<p>»En welk is dat signaal?” -</p> -<p>Bij deze vraag kwam Cuchares een zonderling idee te binnen. De leperos zijn een wonderlijk -slag van menschen, die in de wereld huns gelijken niet hebben, dan met de bekende -Lazzaroni te Napels. -</p> -<p>Even spilziek als gierig, hebzuchtig als belangloos en vermetel als lafhartig, zijn -deze menschen het vreemdsoortigst en monsterachtigst samenstel van al wat men zich -goed en kwaad verbeelden kan; bij hen gaat alles zoo als men zegt met horten en stooten, -gebrekkig en gezwind, zij doen niets dan op den sprong en op den indruk van het oogenblik, -evenzeer zonder hartstocht als nadenken; eeuwige spotters en grondelooze loshoofden -gelooven zij aan niets en aan alles; in een woord hun leven is een gedurige tegenspraak, -en voor een guitenstreek die hun eigen leven zou kunnen kosten, offeren zij het <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>leven of de belangen op van hun besten vriend, even gereed en vroolijk als zij hem -zouden redden. -</p> -<p>Cuchares was de volmaakte type van dit buitensporig misgewas der Mexicaansche maatschappij. -Ofschoon de dolk van den Apache geen twee duim boven zijn hart glinsterde en hij stellig -wist, dat zijn woeste vijand hem geen genade zou bewijzen, besloot hij toch om hem -een trek te spelen en hem het kostte wat het kostte een staaltje te geven van zijne -behendigheid. Wij voegen er hier op eigen gezag bij, dat misschien zijne vriendschap -voor don Martial ofschoon onbewust min of meer in ’t spel kwam, want wij herhalen -de lepero heeft geen vriendschap voor iemand ter wereld, zelfs niet voor zijn trouwsten -beschermer, zijn hart is inderdaad niets meer dan een onmisbaar, koudbloedig en lillend -ingewand. -</p> -<p>»Verlangt de hoofdman dat signaal te kennen?” vroeg hij. -</p> -<p>»Ja,” antwoordde de Apache. -</p> -<p>Cuchares bootste thans met de grootste bedaardheid het geschreeuw na van een waterhoen. -</p> -<p>»Houd u stil,” bromde de Zwarte-Beer, »dat is het niet.” -</p> -<p>»Neem mij niet kwalijk,” hernam de lepero, »dan heb ik het misschien niet goed gedaan,” -en hij herhaalde nog eens denzelfden schreeuw. -</p> -<p>De Indiaan, ontzet door de verregaande onbeschaamdheid van zijn vijand, wierp zich -op hem om hem met een enkelen stoot af te maken. -</p> -<p>Maar door woede verblind had hij zijn stoot slecht berekend, en deelde hij aan de -prauw zulk eene felle beweging mede, dat het lichte schuitje zijn evenwicht verloor -en omkantelde, zoodat de vijanden beiden in het water geraakten. -</p> -<p>Eenmaal in het water zijnde verzuimde de lepero, die zwemmen kon als een otter, zijne -kans niet; hij dook onder en zwom blindelings in de richting der hacienda, zoo snel -als zijne krachten gedoogden. -</p> -<p>Maar zwom de lepero goed, de Zwarte-Beer zwom ten minste <span class="corr" id="xd30e3901" title="Bron: evenzoo">even zoo</span> goed als hij, en nadat de eerste strubbeling over was had de Indiaan spoedig gezien -waar hij heen moest en volgde hij zijn vijand onmiddellijk op het spoor. -</p> -<p>Nu begon er tusschen deze twee een wedstrijd van kracht en behendigheid, en misschien -zou het voordeel zich aan de zijde van den blanke verklaard hebben, die op zijn tegenstander -reeds een goed eind gewonnen had, zoo niet verscheidene Apachen, getuigen van het -gebeurde, zich in de rivier hadden geworpen om den vluchteling den pas af te snijden. -</p> -<p>Cuchares zag weldra dat vluchten onmogelijk was, zonder dus een strijd langer voort -te zetten dien hij begreep dat doelloos was geworden, zette hij koers naar een boomstam, -daar hij zich aan vast klemde en wachtte toen bedaard af wat er verder gebeuren zou. -<span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span></p> -<p>De Zwarte-Beer had hem spoedig ingehaald. De Indiaan toonde zich volstrekt niet gebelgd -over den trek dien de lepero hem gespeeld had. -</p> -<p>»Ooah!” zeide hij almede een tak van den boom grijpende, »mijn broeder is een krijgsman, -hij is zoo listig als een <span class="corr" id="xd30e3912" title="Bron: oppossum">opossum</span>.” -</p> -<p>»Wat zal het mij baten?” antwoordde Cuchares onverschillig, »daar ik toch mijne haren -niet kan redden.” -</p> -<p>»Wie weet?” hernam de Indiaan; »als mijn broeder mij maar zegt waar de Groote-Bison -is.” -</p> -<p>»Dat heb ik al gezegd, hoofdman.” -</p> -<p>»Ja: mijn broeder heeft mij wel gezegd dat zijn vriend in de groote hut der bleekmuilen -is, maar niet in welk gedeelte.” -</p> -<p>»Hm! en als ik u die plaats aanwijs, zal ik dan vrij zijn?” -</p> -<p>»Ja, als mijn broeder geen dubbele tong heeft en mij de waarheid zegt, zal hij zoodra -wij aan land komen vrij zijn om te gaan waar hij goedvindt.” -</p> -<p>»Dat is ook een gunst!” mompelde de lepero hoofdschuddend. -</p> -<p>»Hoe is ’t?” hervatte de <span class="corr" id="xd30e3924" title="Bron: Zwarte Beer">Zwarte-Beer</span>, »wat doet mijn broeder?” -</p> -<p>»Wat duivel!” antwoordde Cuchares op eens tot een besluit komende, »ik heb voor don -Martial alles gedaan wat menschelijkerwijs mogelijk was; nu hij gewaarschuwd is mag -hij zelf zien hoe hij te recht komt; ieder voor zich, ik moet mijne huid redden. Geef -acht, hoofdman, ik zal het u met de hand aanwijzen waar hij is: ziet gij die wortelboomen, -daar ginds, op dat vooruitspringend punt?” -</p> -<p>»Ja, die zie ik.” -</p> -<p>»Welnu, achter die wortelboomen zult gij den man vinden, dien gij den Groote-Bison -noemt.” -</p> -<p>»Goed, de Zwarte-Beer is een sachem, hij heeft maar één woord, het bleekgezicht zal -vrij zijn.” -</p> -<p>»Dank u.” -</p> -<p>Hier werd hun gesprek, dat voortaan noodeloos was geworden, plotseling afgebroken; -te meer daar de Apachen snel den oever naderden. Zij hadden de meeste boomen daar -zij op verdeeld waren laten drijven en zaten thans bij ploegen van tien of twaalf -op een gering aantal der dikste stammen vereenigd. -</p> -<p>Op de hacienda was alles doodstil, er brandde zelfs geen licht, men zou gezegd hebben -dat het huis geheel verlaten was. -</p> -<p>Deze diepe stilte kwam den Zwarte-Beer zeer verdacht voor; hij meende er de voorbode -van een aanstaanden storm in te zien. Alvorens zich nu aan eene ontscheping te wagen, -wilde hij zich met eigen oog van den stand der zaken gaan verzekeren. Hij bootste -dus het geschreeuw van den hagedis na, sprong in de rivier en zwom naar de kolonie. -</p> -<p>De Apachen begrepen terstond wat hun opperhoofd bedoelde en hielden zich stil. -</p> -<p>Na verloop van een paar minuten zagen zij hem tegen den zandigen <span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span>oever opkruipen; hij deed eenige stappen het land in en bleef staan. Hij zag of hoorde -niets; daardoor <span class="corr" id="xd30e3941" title="Bron: gerust gesteld">gerustgesteld</span>, keerde hij naar den oever terug en gaf het sein voor de landing. -</p> -<p>De Apachen verlieten de boomen en zwommen naar wal. Cuchares maakte zich deze gelegenheid -ten nutte om weg te komen, dat hij gemakkelijk doen kon, daar op dat oogenblik van -verwarring niemand aan hem dacht. -</p> -<p>Intusschen hadden de Apachen een rechte lijn geformeerd en zwommen zij met kracht -voort. Binnen weinige minuten bereikten zij den oever en stapten aan land. Onmiddellijk -liepen zij naar den wal daar zij snel tegen <span class="corr" id="xd30e3947" title="Bron: opklouterden">opklauterden</span>. -</p> -<p>»Vuur!” klonk op eens eene stentorstem. -</p> -<p>Er volgde eene vreeselijke losbranding, bijna met de tromp op de borst. -</p> -<p>De Apachen beantwoordden haar met een gehuil van woede en verrast door degenen die -zij meenden te verrassen, stormden zij er op in met blank geweer. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6950">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XV.</h2> -<h2 class="main">SCHERP TEGEN SCHERP.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Wij moeten thans naar de jagers terugkeeren, die wij maar al te lang uit het oog hebben -verloren, want gedurende de boven door ons vermelde gebeurtenissen hadden ook zij, -zoo veel noodig en doenlijk was, niet stil gezeten. -</p> -<p>Na het vertrek der twee Mexicanen, zaten Goedsmoeds en zijne vrienden eene poos stilzwijgend -te peinzen. -</p> -<p>De Canadees speelde voor tijdverdrijf met de punt van zijn laars met de halfgedoofde -houtskolen, die uit het langzaam inzakkend haardvuur op den grond waren gerold; werkelijk -wist hij nauwelijks wat hij deed, zoo diep was zijn gepeins. De graaf Prébois Crancé, -anders gezegd don Louis, zat met den elleboog op de knie en de hand onder de kin, -even afgetrokken te staren op de tintelende kolen die beurtelings uitgingen en weder -aanglimden; alleen de Arendskop, dicht in zijn bisonsmantel gewikkeld, rookte deftig -zijn calumet, met het kalme en onverstoorde gelaat dat het Indiaansche ras zoo bijzonder -kenmerkt. -</p> -<p>»Wat er ook van wezen mag,” zei de Canadees op eens, meer in antwoord op de gedachten -die hem inwendig bezig hielden, dan met oogmerk om het gesprek weder aan te knoopen, -»het gedrag dezer twee mannen komt mij zeer buitengewoon voor, om er niets anders -van te zeggen.” -</p> -<p>»Zoudt gij van hunnen kant eenig verraad vreezen?” vroeg don Louis opkijkende. -<span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span></p> -<p>»In de woestijn kan men altoos aan verraad denken,” zei Goedsmoeds beslissend, »vooral -wat nieuwe kameraden aangaat die men toevallig heeft opgedaan.” -</p> -<p>»Die Tigrero, of don Martial—zooals ik meen dat hij heet—ziet er toch te rond en oprecht -uit, om een verrader te zijn.” -</p> -<p>»Dat is zoo; en toch zult gij mij toestemmen dat zijn gedrag sedert wij hem ontmoetten -vrij zonderling geweest is.” -</p> -<p>»Dat geef ik u toe; maar gij weet even goed als ik hoe de hartstocht een mensch soms -verblinden kan. Ik geloof dat hij verliefd is.” -</p> -<p>»Dat geloof ik ook. Ik verzoek u intusschen op te merken, dat hij in die gansche zaak, -die hem als ik het zeggen moet zoo bijzonder aangaat, en daar wij ons met verzuim -onzer eigen bezigheden in begeven hebben alleen om hem een dienst te bewijzen, zich -steeds heeft teruggetrokken, alsof hij bang was om er mede voor den dag te komen.” -</p> -<p>Op dit oogenblik kwam Blas Vasquez, na eerst de peons op korten afstand en derwijze -geplaatst te hebben dat zij geheel buiten het gezicht stonden, terug en ging nevens -de jagers bij het vuur zitten. -</p> -<p>»Ziedaar,” zeide hij, »alles is gereed; nu mogen de Apachen ons aanvallen als zij -het goedvinden.” -</p> -<p>»Een woordje, capataz,” zei Goedsmoeds. -</p> -<p>»Twee zelfs zoo het u behaagt.” -</p> -<p>»Kent gij dien man, daar gij straks dien brief aan overhandigd hebt?” -</p> -<p>»Waarom vraagt gij dat?” -</p> -<p>»Omdat ik gaarne door u nader omtrent hem zou worden ingelicht.” -</p> -<p>»Persoonlijk ken ik hem al zeer weinig; alles wat ik er u van zeggen kan is, dat hij -in de gansche provincie ter goeder naam en faam staat, en men hem algemeen voor een -caballero en fatsoenlijk edelman houdt.” -</p> -<p>»Dat is zeker veel,” mompelde de Canadees hoofdschuddend; »maar met dat al, ik weet -niet waarom, maakt zijn overhaast vertrek mij zeer ongerust.” -</p> -<p>»Ooah!” riep op eens de Arendskop, terwijl hij haastig de calumet uit zijn mond nam, -het hoofd vooruitstak en de anderen wenkte zich stil te houden. -</p> -<p>Allen zaten onbeweeglijk met de oogen op den Indiaan gericht. -</p> -<p>»Wat gebeurt er?” vroeg Goedsmoeds eindelijk. -</p> -<p>»Er is brand!” antwoordde hij kalm. »De Apachen komen, zij hebben de prairie voor -zich uit in brand gestoken.” -</p> -<p>»Wat zegt gij?” riep Goedsmoeds opstaande en naar alle kanten rondziende, »ik zie -nog niets dat naar vuur gelijkt.” -</p> -<p>»Nog niet; maar het vuur is er, ik ruik het.” -</p> -<p>»O! als de sachem het zegt, zal het wel waar zijn, een krijgsman van zoo veel ondervinding -bedriegt zich niet; wat nu gedaan?” -</p> -<p>»Wij hebben hier niets van den brand te vreezen,” merkte de capataz aan. -<span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span></p> -<p>»O, neen,” riep de graaf de Prébois; »maar de bewoners der hacienda?” -</p> -<p>»Evenmin,” hernam Goedsmoeds; »zoo als gij weet zijn al de boomen tot op goeden afstand -van de kolonie omgehouwen en uitgeroeid zoodat het vuur daar niet komen kan; het is -slechts een krijgslist der Indianen, om haar te kunnen naderen zonder hunne getalsterkte -te doen blijken.” -</p> -<p>»Ik ben het toch met den caballero eens,” zei de capataz, »dat het niet kwaad zou -zijn als wij de kolonie gingen waarschuwen.” -</p> -<p>»Er is nog iets anders te doen, dat misschien wel zoo noodig is,” zei don Louis, »wij -moeten een bekwaam veldontdekker uitzenden, om stellig te weten wie onze vijanden -zijn en hoe sterk hun aantal is.” -</p> -<p>»Beiden kan evenzeer geschieden,” hervatte Goedsmoeds, »in de gegeven omstandigheden -zijn twee voorzorgen beter dan een. Mijn raad is deze, dat de Arendskop den vijand -zal gaan verkennen, terwijl wij ons naar de hacienda zullen begeven.” -</p> -<p>»Wij allen?” vroeg de capataz. -</p> -<p>»Neen, gij niet, gij zijt hier veilig en gij kunt ons, als wij soms wierden aangevallen, -goede diensten bewijzen. Don Louis en ik gaan alleen naar de kolonie en gij, onthoud -dit wel, moogt u volstrekt niet vertoonen of verroeren. Wat er ook gebeure, in ieder -geval wacht gij onze bevelen af: is dit afgesproken?” -</p> -<p>»Ja, caballero, ga gerust heen, ik zal uw vertrouwen niet te leur stellen.” -</p> -<p>»Goed, thans aan ’t werk; u, hoofdman, heb ik niets aan te bevelen; gij kunt ons op -de hacienda vinden als gij ons iets van belang te melden hebt.” -</p> -<p>Hierop scheidden deze krachtvolle mannen; van ouds gewoon om te handelen zonder den -kostelijken tijd met nuttelooze woorden te verspillen, gingen zij na korte afspraak -uiteen, don Louis en Goedsmoeds staken de rivier over naar de hacienda, de Indiaan -insgelijks, maar in tegenovergestelde richting. -</p> -<p>Blas Vasquez bleef met zijne peons alleen op het eiland achter. -</p> -<p>Intusschen begreep de capataz, die den oorlog met de Indianen bij ondervinding had -leeren kennen, welk eene verantwoordelijkheid er van nu af aan op hem rustte en gevoelde -hij dat het noodig was zijne waakzaamheid te verdubbelen; bijgevolg zette hij op alle -punten schildwachten uit; hun aanbevelende om zorgvuldig acht te geven op alles wat -aan de vaste kust omging; toen keerde hij naar zijn vuur terug, wikkelde zich in zijne -<i>fressada</i> en sliep gerust in, daar hij zeker kon zijn dat de peons hem bij den minsten onraad -terstond zouden wekken. -</p> -<p>Wij zullen thans hem zoo wel als don Louis en Goedsmoeds een poosje verlaten om den -Arendskop te volgen. -</p> -<p>De taak die hij op zich genomen, of liever daar zijne vrienden hem mede belast hadden, -was alles behalve gemakkelijk; maar de <span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span>Arendskop was een man van ondervinding, op de hoogte der sluwe Indianenstreken en -begaafd met de stoorlooze bedaardheid die in groote levensaangelegenheden schier de -hoofdvoorwaarde is om wel te slagen. Na van zijne vrienden afscheid te hebben genomen, -reed hij met zijn paard stapvoets naar de rivier en eer hij het punt bereikte waar -hij haar wilde overgaan, had hij zijn gansche plan reeds helder in zijn hoofd. -</p> -<p>In plaats van de rivier over te steken in de richting waar de Indianen achter hun -vuurstroom snel naderden, koos hij den tegenovergestelden kant. Nauwelijks was hij -er over of hij steeg af om zijn paard eenige minuten te laten uithijgen, wreef het -zorgvuldig met een stroowisch af, zette zich met een enkelen sprong op het pantervel, -dat hem tot zadel diende en reed oogenblikkelijk in vliegenden galop naar het vijandelijk -kamp. -</p> -<p>Deze woedende rid duurde twee volle uren. De nacht was reeds lang gedaald en het onzekere -schijnsel van den brand strekte hem tot baken om hem in de duisternis het rechte spoor -te wijzen. -</p> -<p>Na verloop van die twee uren bevond de Arendskop zich tegenover het meest vooruitspringende -punt des eilands, waar de Apachen juist bezig waren met de drijvende boomstammen te -vergaderen, om als vervoermiddelen te dienen voor de overrompeling die zij tegen de -kolonie in den zin hadden. -</p> -<p>De Arendskop bleef staan. -</p> -<p>Aan zijne rechterhand, ofschoon vrij ver achter hem, lichtte de prairiebrand aan den -gezichteinder; rondom hem was alles eenzaamheid en duisternis. -</p> -<p>Lang nam de Indiaan het eiland in oogenschouw; een heimelijk voorgevoel waarschuwde -hem dat daar voor hem het gevaar gelegen was. -</p> -<p>Evenwel, na de zaak rijpelijk overwogen te hebben, besloot hij nog eenige passen verder -te gaan<span class="corr" id="xd30e4021" title="Bron: .">,</span> om dan opnieuw de rivier over te steken, ten einde het eiland te onderzoeken, dat -hem wegens zijne bijzondere kalmte des te meer verdacht voorkwam. -</p> -<p>Eer hij echter dit plan ten uitvoer bracht, rees eene andere gedachte bij hem op; -hij stapte af, verborg zijn paard ergens in het houtgewas, ontdeed zich van zijn geweer -en zijn mantel; en na een doordringenden blik in de hem omringende duisternis, ging -hij op den grond liggen en kroop dwars door het hooge gras tot dicht aan de rivier: -hij liet er zich zacht in afglijden en zwom met de grootste voorzorg nu eens onderduikend -en dan weder boven water naar het eiland, dat hij weldra bereikte. -</p> -<p>Maar op het oogenblik toen hij den voet op het oeverzand zette om zich op te richten -hoorde hij een schier onmerkbaar geluid, en meende hij dicht in zijne nabijheid eene -beweging in het water te bespeuren; hij dook opnieuw onder en verwijderde zich van -den oever, dien hij reeds op het punt was te beklimmen. -<span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span></p> -<p>Op eens, toen hij weer boven water kwam om even versche lucht te scheppen, zag hij -vlak voor zich twee gloeiende oogen schitteren; op hetzelfde oogenblik ontving hij -een hevigen slag op de borst, die hem deed omkantelen en ofschoon half door dezen -onverhoedschen aanval bedwelmd, voelde hij eene krachtige hand die hem als met een -ijzeren nijptang de keel toekneep. -</p> -<p>Het oogenblik was hachelijk; de Arendskop begreep dadelijk dat hij zonder eene wanhopige -poging verloren was; hij waagde die poging. -</p> -<p>Op zijne beurt den onbekenden vijand aangrijpende omklemde hij hem met de kracht der -wanhoop. -</p> -<p>Nu begon er tusschen deze twee in den stroom eene vreeselijke en noodlottige worsteling, -waarbij elke strijder zijn tegenstander poogde te verstikken, zonder om eigen lijfsbehoud -of bepaalde zelfverdediging te denken. Het water door de felle beweging der beide -worstelaars geschokt en geteisterd, kookte en schuimde alsof er twee alligators aan -’t vechten waren. Eindelijk kwam er een bloedig en misvormd lichaam boven water dat -<span class="corr" id="xd30e4034" title="Bron: bewegenloos">bewegingsloos</span> wegdreef; en weinige <span class="corr" id="xd30e4037" title="Bron: sekonden">seconden</span> later vertoonde zich niet ver van daar een bleek en verwilderd hoofd, dat door de -vreeselijke inspanning van den strijd ontkleurd en gezwollen, bijna onmenschelijk -scheen en naar alle zijden schuw rondkeek. -</p> -<p>Bij het zien van het lijk zijns vijands slaakte de overwinnaar een duivelschen lach; -zwom er naar toe, greep het bij de haren en sleepte het, niet naar het eiland maar -naar de vaste kust. -</p> -<p>De Arendskop had den Apache overwonnen die hem zoo onverwachts had aangerand. -</p> -<p>De Comanch bereikte weldra den anderen oever, maar liet het lijk niet los voor dat -hij het geheel veilig op het droge had gehaald, toen sneed hij het gezwind den haarschedel -af, hechtte dien als een afschuwelijke trofee aan zijn gordel en steeg weder te paard. -</p> -<p>Hij had de taktiek der Apachen volkomen begrepen; de aanval van welke hij bijna het -slachtoffer was geworden, had hem de krijgslist ontdekt dien zij in den zin hadden. -Hij behoefde dus zijn onderzoek op het eiland niet verder door te zetten. Wat het -lijk van zijn vijand betreft, als hij het in den stroom had gelaten, dan zou het spoedig -door zijne kameraden ontdekt zijn geworden en hun de tegenwoordigheid van een spion -verraden hebben; daarom gaf hij zich de moeite om het naar den anderen oever te brengen, -waar niemand het, althans niet dan bij zeldzame toevalligheid, ontdekken zou eer dat -de zon was opgekomen. -</p> -<p>De weinige minuten rust die zijn paard had genoten, waren genoeg geweest om het al -zijne kracht weder te geven. De Arendskop had nu naar zijne vrienden kunnen terugkeeren, -want hetgeen hij ontdekt had was voor hen belangrijk genoeg; maar Goedsmoeds had hem -vooral opgedragen om de getalsterkte en samenstelling van <span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span>het vijandelijk detachement te verkennen dat tegen de kolonie oprukte, en deze last -zou de Indiaan voor niets hebben willen verzuimen; bovendien had de pas doorgestane -strijd, daar hij zoo wonderwel als overwinnaar was afgekomen, hem in zekere mate opgewonden, -zoodat hij bijzonderen lust gevoelde om het uiterste te wagen. -</p> -<p>Daar hij een lichte wond aan den linkerarm had bekomen nam hij een paar oregonbladeren, -bond ze met een stukje boomschors op de wond en dreef toen zijn paard andermaal de -rivier in. -</p> -<p>Daar hij thans niets te onderzoeken had en hij niet gaarne ontdekt wilde worden, droeg -hij wel zorg om zijn overgang op vrij verren afstand van het eiland te doen. -</p> -<p>Op den anderen oever, waar de Indianen alles hadden platgebrand, was het spoor breed -genoeg en duidelijk zichtbaar, zoo dat de sachem het ondanks de duisternis zonder -moeite kon volgen. -</p> -<p>De brand door de Indianen gesticht had echter in deze streek niet zooveel verwoesting -aangericht als elders. Het geheele terrein was hier, met uitzondering van enkele verspreide -groepjes populierboomen, met het gewone hooge, door de felle zomerzon reeds half verschroeide -prairiegras bedekt. -</p> -<p>Dit gras dat weinig brandstof bevatte was snel ontvlamd en had, wat de Indianen liefst -verlangden, des te meer rook veroorzaakt, maar den grond bijna niet verhit, zoodat -zij er dadelijk over konden marcheeren naar de kolonie. -</p> -<p>Dank zij de snelheid waarmede de Arendskop doorzette en de paar uren die de Indianen -met het afbranden der prairie verloren hadden, kwam hij bijna gelijktijdig met hen -aan de hacienda; hij haalde hen juist in op het oogenblik toen zij, na een nutteloozen -aanval op de batterij aan de landtong te hebben beproefd, waren teruggeslagen en in -allerijl de vlucht namen, vervolgd door het schrootvuur der batterij, dat hen des -te meer afbreuk deed, daar zij ten gevolge van hun eigen brandstichting geen boomen -meer hadden om zich achter te verschuilen; evenwel was het hun, dank zij de vlugheid -hunner paarden, voor het grootste gedeelte gelukt aan de slachting te ontkomen. De -Arendskop bevond zich zonder het te willen en toen hij er het minst aan dacht op eens -te midden der vluchtenden. In de eerste oogenblikken was ieder te zeer op lijfsbehoud -bedacht om op hem te letten en hem te herkennen; hij maakte hiervan gebruik om ter -zijde te gaan en zich achter een rots te begeven, waar hij zich schuil hield. -</p> -<p>Thans echter had er iets zonderlings plaats. <span class="corr" id="xd30e4057" title="Bron: Nauwlijks">Nauwelijks</span> had de sachem zich aan het oog der vluchtelingen onttrokken en hen een poosje in -stilte gadegeslagen, of een onbeschrijfelijke glimlach krulde zijne lippen; op eens -gaf hij zijn paard de sporen en rende in hun midden, onder het aanheffen van een doordringenden, -tweemaal op verschillende wijze herhaalden rauwen kreet. -</p> -<p>Op dit bekende geroep staakten de Indianen terstond hunne vlucht, <span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span>snelden zij van alle kanten naar hem toe, en schaarden zich onstuimig rondom het opperhoofd -met alle blijken van bijgeloovigen eerbied en lijdelijke gehoorzaamheid. -</p> -<p>De Arendskop liet zijn blik fier en ontzagwekkend weiden over de menigte die zich -rondom hem verdrong en daar hij een hoofd hoog boven uitstak. -</p> -<p>»<i>Ooah!</i>” riep hij eindelijk met een krakende stem vol bitter verwijt: »zijn de Comanchen -dan nu vreesachtige antilopen geworden, dat zij als Apachenhonden vluchten voor de -kogels der bleekhuiden?” -</p> -<p>»De Arendskop! de Arendskop!” riepen al de krijgslieden uit éénen mond met gemengde -blijdschap en schaamte, terwijl zij de oogen neersloegen voor den vlammenden blik -van hun opperhoofd. -</p> -<p>»Waarom hebben mijne zonen zonder het bevel van hun sachem de jachtgronden der Rio -del Norte verlaten? Zijn zij dan de <i>rastrero’s</i> (speurhonden) der Apachen geworden?” -</p> -<p>Een dof gemompel doorliep de gelederen op dit scherpe verwijt. -</p> -<p>»Een sachem heeft gesproken,” hervatte de Arendskop streng, »is hier niemand om hem -te beantwoorden? Hebben de Comanchen van het Meer geen opperhoofden die hun voorgaan -en bevelen geven?” -</p> -<p>Onmiddellijk na dezen eisch openden zich de gelederen der Comanchen. Een enkele ruiter -kwam te voorschijn, naderde den Arendskop, en maakte eene eerbiedige buiging met het -voorhoofd tot op den hals van zijn paard. -</p> -<p>»De Spotvogel is een opperhoofd,” antwoordde hij met eene zachte en welluidende stem. -</p> -<p>Het gelaat van den Arendskop helderde zichtbaar op, zijne trekken verloren oogenblikkelijk -hunne woeste uitdrukking, hij wierp den jeugdigen krijgsman die voor hem stond een -minzamen blik toe en strekte de hand naar hem uit met de palm naar voren. -</p> -<p>»Och!” zeide hij, »mijn hart verheugt zich u te zien, mijn zoon de Spotvogel: De krijgslieden -zullen hier kampeeren terwijl de twee sachems samen raad houden.” -</p> -<p>En met een vorstelijken wenk gebood hij het opperhoofd hem te volgen. Zij gingen samen -heen, nageoogd door de Roodhuiden, die zich haastten om het bevel dat zoo stellig -gegeven was uit te voeren. -</p> -<p>De Arendskop en de Spotvogel verwijderden zich op genoegzamen afstand van het kamp, -om bij hun gesprek niet beluisterd te kunnen worden. -</p> -<p>»Laten wij hier raad houden,” zei het opperhoofd terwijl hij op een heuveltje ging -zitten en den Spotvogel een wenk gaf, om naast hem plaats te nemen. -</p> -<p>De jonge sachem gehoorzaamde zonder tegenspraak. -</p> -<p>Er volgde eene vrij lange poos stilte tusschen de twee Indianen, die ondanks hunne -geveinsde onverschilligheid elkander nauwlettend opnamen. -<span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span></p> -<p>Eindelijk nam de Arendskop het woord en begon langzaam en met eene nadrukkelijke stem: -</p> -<p>»De Arendskop is een beroemd krijgsman in zijn stam,” zeide hij, »hij is de eerste -sachem der Comanchen van het Meer; onder de gezegende en beschermende schaduw van -zijn machtige totem verschuilen zich ontelbare zonen van den grooten geheiligden schildpad -<i>Chemin-Antou</i>, wiens luisterrijk schild de wereld draagt, sedert de Wacondah den eersten man en -de eerste vrouw na hunne overtreding in de onbegrensde ruimte wierp. De woorden die -de borst van den Arendskop uitblaast zijn die van een <i>Sagamore</i>; zijne tong is niet dubbel. De logen heeft nooit zijne lippen bezoedeld. De Arendskop is den Spotvogel tot vader geweest, -hij was het die hem geleerd heeft zijn paard te temmen, den snellen antilope met de -pijl te treffen, of den monsterachtigen beer in zijne armen te verstikken. De Arendskop -bemint den Spotvogel, die de zoon is van de zuster zijner derde vrouw; de Arendskop -heeft den Spotvogel eene plaats bij het vuur van den raad verleend; hij heeft hem -tot sachem gemaakt, en toen hij de dorpen van zijn stam verliet heeft hij tot hem -gezegd: »Mijn zoon zal mijne krijgslieden kommandeeren, hij zal hen ter jacht, ter -vischvangst en ten oorlog voeren.<span class="corr" id="xd30e4097" title="Niet in bron">”</span> Zijn deze woorden waarheid? en kan de Arendskop liegen?” -</p> -<p>»De woorden van mijn vader zijn waarheid,” antwoordde de jonge sachem met een eerbiedige -buiging, »de wijsheid spreekt uit zijn mond.” -</p> -<p>»Waarom heeft mijn zoon zich dan met de vijanden van zijn volk verbonden om de vrienden -van zijn vader den grooten sachem te bestrijden?” -</p> -<p>De Spotvogel neigde verlegen het hoofd. -</p> -<p>»Waarom?” vervolgde de Arendskop, »waarom heeft hij zonder zijn vader te raadplegen, -die hem altijd met zijn raad geholpen en gesterkt heeft, een onrechtvaardigen oorlog -ondernomen?” -</p> -<p>»Een onrechtvaardigen oorlog,” herhaalde het jonge opperhoofd min of meer gevoelig. -</p> -<p>»Ja, want hij wordt gevoerd in gemeenschap met de vijanden van ons volk.” -</p> -<p>»De Apachen zijn Roodhuiden.” -</p> -<p>»De Apachen zijn lafhartige en diefachtige honden, dien ik de leugensprekende tong -zal uitrukken.” -</p> -<p>»Maar de bleekgezichten zijn de vijanden der Indianen!” -</p> -<p>»De bleekgezichten die mijn zoon heden nacht heeft aangevallen zijn geen Yoris; het -zijn vrienden van den Arendskop.” -</p> -<p>»Mijn vader zal het den Spotvogel vergeven; hij heeft het niet geweten.” -</p> -<p>»Heeft de Spotvogel het inderdaad niet geweten, zou hij dan werkelijk voornemens zijn -om den door hem beganen misslag te herstellen?” -</p> -<p>»De Spotvogel heeft drie honderd strijders onder zijn totem; de Arendskop is gekomen; -zij zijn tot zijnen dienst.” -<span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span></p> -<p>»Goed, ik zie dat de Spotvogel nog altijd mijn beminde zoon is. Met welk opperhoofd -heeft hij een verbond gemaakt? het kan toch de Zwarte-Beer niet zijn, den onverbiddelijken -vijand der Comanchen die nog geen vier manen geleden, twee dorpen van mijn stam heeft -verbrand.” -</p> -<p>»Een wolk had het verstand van den Spotvogel beneveld; zijn haat tegen de blanken -heeft hem verblind, de wijsheid heeft hem ontbroken; hij heeft zich werkelijk aan -den Zwarte-Beer verbonden.” -</p> -<p>»<i>Ooah!</i> de Arendskop had wel gelijk dat hij naar de dorpen zijner vaderen wenschte terug -te keeren. Zal mijn zoon den sachem gehoorzamen?” -</p> -<p>»Wat hij ook bevele, ik zal gehoorzamen.” -</p> -<p>»Goed! dat mijn zoon mij dan volge.” -</p> -<p>De beide opperhoofden stonden op. -</p> -<p>De Arendskop begaf zich dadelijk naar de landengte, reeds van verre met de rechterhand -zijn bisonsmantel zwaaiende ten teeken van vrede, terwijl de Spotvogel eenige passen -achter hem volgde. -</p> -<p>De Comanchen zagen met verbazing dat hunne sachems een mondgesprek met de Yoris gingen -vragen, maar gewoon om hunne opperhoofden blindelings te gehoorzamen in alles wat -deze hun geliefden te bevelen, toonden zij zich over dit bedrijf geenszins gebelgd, -al begrepen zij er het doel niet van. -</p> -<p>De Mexicaansche schildwachten, achter de batterij verscholen, konden in het heldere -maanlicht de vredelievende houding der Indianen gemakkelijk onderscheiden en lieten -hen vrijelijk tot aan den rand der gracht naderen. -</p> -<p>»Een sachem verlangt een mondgesprek met het opperhoofd der bleekgezichten,” riep -de Arendskop. -</p> -<p>»Goed,” antwoordde eene stem in het Spaansch, »wacht een oogenblik, men zal het opperhoofd -waarschuwen.” -</p> -<p>De beide Comanchen maakten eene statige buiging, kruisten de armen op de borst en -bleven staan wachten. -</p> -<p>De graaf Prébois Crancé, anders gezegd don Louis, en Goedsmoeds, die, zooals wij weten, -rechtstreeks naar de hacienda waren gegaan, en er dus eenige uren vroeger aankwamen, -hadden daar met don Sylva de Torres en den graaf de Lhorailles reeds een langdurig -gesprek gehad, waarin zij hem mededeelden door wien en op welke wijs zij te weten -waren gekomen dat de Indianen een aanval op de kolonie zouden doen, hoe de zelfde -man die hen hiervan zoo goed onderricht had, na hen eerst in zekeren zin gedwongen -te hebben zich in eene gevaarlijke onderneming te mengen, welke hun volstrekt niet -aanging, hen zonder eenige blijkbaar geldige reden eensklaps verlaten had, onder het -nietige voorwendsel dat hij even naar Guaymas terug moest, waar, zoo hij zeide, allergewichtigste -zaken zijne tegenwoordigheid voor een oogenblik vereischten. -</p> -<p>Deze nieuwtjes hadden op de beide heeren een levendigen indruk <span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span>gemaakt; vooral don Sylva kon zijn toorn niet bedwingen, toen hij hoorde dat die persoon -niemand anders was dan don Martial; hij kwam reeds dadelijk op het vermoeden dat de -Tigrero zeker plan had gevormd om van de verwarring gebruik te maken en <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita op te lichten. De haciendero wilde echter zijn aanstaanden schoonzoon niets -van dezen argwaan doen blijken, zich voorbehoudende om hem zoo het noodig was, op -het juiste oogenblik te waarschuwen, daar hij vreesde dat er onder het overhaast vertrek -van don Martial een krijgslist verscholen lag. -</p> -<p>Goedsmoeds berichtte hem bovendien in welke stelling hij den capataz en zijne peons -had geplaatst, en welke taak de Arendskop had op zich genomen, waarvan hij waarschijnlijk -den uitslag weldra aan de hacienda zelf zou komen melden. -</p> -<p>De graaf de Lhorailles betuigde zijn warmen dank aan deze twee mannen, die zonder -hem te kennen hem zulke gewichtige diensten kwamen bewijzen; hij liet hun terstond -de noodige ververschingen voorzetten, en verwijderde zich om aan zijn luitenant order -te geven hem te waarschuwen, zoodra zich een Indiaan als parlementair zou aanmelden. -</p> -<p>Ook don Sylva verwijderde zich, schijnbaar met oogmerk om zijne dochter gerust te -stellen, maar eigenlijk om zich met eigen oog van de waakzaamheid der wachtposten -aan de achterzijde der hacienda te overtuigen. -</p> -<p>Toen de Indianen een half uur later een aanval op de landengte deden, waren de Franschen -dus op hunne hoede en werden zij door de bezetting zoo warm ontvangen, dat zij reeds -bij den eersten stoot genoeg hadden en de dwaasheid hunner onderneming inziende, met -groot verlies en in wanorde terugtrokken, gelijk wij den lezer reeds in een vorig -hoofdstuk beschreven hebben. -</p> -<p>De graaf de Lhorailles zat nog met don Louis en Goedsmoeds te praten over de bijzonderheden -van het gevecht en verwonderde zich over het lang uitblijven van don Sylva, die sedert -een uur reeds verdwenen was, zonder dat men wist waarheen, toen de luitenant Leroux -de zaal binnentrad. -</p> -<p>»Wat wilt gij?” vroeg hem de graaf. -</p> -<p>»Kapitein,” antwoordde hij, »er staan twee Indianen aan den buitenwal, met verzoek -om binnengelaten te worden.” -</p> -<p>»Twee?” riep Goedsmoeds. -</p> -<p>»Ja, twee.” -</p> -<p>»Dat is vreemd,” zei de Canadees. -</p> -<p>»Hoe zouden wij doen?” vroeg de graaf. -</p> -<p>»Zelf gaan, om te zien wie zij zijn.” -</p> -<p>Zij gingen terstond naar de batterij. -</p> -<p>»Welnu, Goedsmoeds, wat dunkt u,” zei de graaf. -</p> -<p>»Wel, mijnheer de graaf, een van de twee is zonder twijfel de Arendskop; maar den -andere ken ik niet.” -<span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span></p> -<p>»En wat denkt gij er van?” -</p> -<p>»Dat wij ze binnen zullen laten. Daar die tweede Indiaan, die een opperhoofd schijnt -te zijn, met den Arendskop mede komt, kan hij niets anders zijn dan een vriend.” -</p> -<p>»Goed dan.” -</p> -<p>De graaf gaf de wacht een wenk; de valbrug werd nedergelaten en de twee Indianen kwamen -binnen. -</p> -<p>De sachems groetten de aanwezigen met de natuurlijke waardigheid die hun ras en hun -rang onderscheidt, daarna, op verzoek van Goedsmoeds, deed de Arendskop verslag van -zijne volbrachte taak. -</p> -<p>De Franschen hoorden hem met aandacht en bewondering aan, niet alleen wegens de behendigheid -waarmede hij was te werk gegaan maar ook wegens zijn daarbij betoonden moed. -</p> -<p>»Intusschen,” vervolgde het opperhoofd ten slotte, »heeft de Spotvogel den misslag -erkend waartoe hij zich door blinden haat had laten vervoeren; hij heeft het verbond -dat hij met de Apachen gesloten had reeds verbroken om zijn vader den Arendskop te -volgen, en zijne fout weder goed te maken. De Arendskop is een sachem, zijn woord -is als graniet; hij stelt drie honderd Comanchen-krijgslieden ter beschikking van -zijn blanken broeder.” -</p> -<p>De graaf de Lhorailles keek den Canadees weifelend aan; daar hij de listige streken -der Indianen kende, huiverde hij zich aan hen toe te vertrouwen. -</p> -<p>Goedsmoeds haalde even de schouders op. -</p> -<p>»De groote hoofdman der blanken zegt zijn broeder den Arendskop dank,” zeide hij, -»hij neemt diens aanbod met blijdschap aan. Zijne hand zal steeds open en zijn hart -rein zijn voor de Comanchen. Het oorlogsdetachement dat mijn broeder mij aanbiedt -zal in twee afdeelingen worden gesplitst, de eene onder het kommando van den Spotvogel<span class="corr" id="xd30e4170" title="Niet in bron">,</span> zal zich aan gene zijde der rivier in hinderlaag stellen om de Apachen den aftocht -af te snijden, de andere gaat met den Arendskop naar de hacienda om de bleekgezichten -te ondersteunen; op het eiland, op twee boogschot afstand van de groote hut, zijn -gewapende Yoris verscholen; deze zullen den Spotvogel vergezellen.” -</p> -<p>»Goed,” antwoordde de Arendskop; »het zal geschieden zooals mijn broeder verlangt.” -</p> -<p>De beide opperhoofden namen afscheid en vertrokken. -</p> -<p>Goedsmoeds legde nu den graaf uit, welke schikkingen hij met den sachem der Comanchen -getroffen had. -</p> -<p>»Duivelsch!” riep de Lhorailles, »ik moet u bekennen dat ik in die Indianen geen het minste vertrouwen stel. Zooals gij weet is verraad hun geliefkoosd wapen.” -</p> -<p>»Gij kent de Comanchen nog niet, vooral kent gij den Arendskop niet. Ik neem de verantwoordelijkheid -van alles op mij.” -</p> -<p>»Handel dan naar uw goeddunken; ik ben u te veel verschuldigd <span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span>om uwe plannen tegen te werken, vooral daar ik weet dat gij mijn voordeel zoekt.” -</p> -<p>Goedsmoeds ging den capataz zelf verwittigen van de verandering die in het verdedigingsplan -was gekomen. -</p> -<p>De Spotvogel en zijne honderd en vijftig krijgslieden, thans met de veertig peons -vereenigd<span class="corr" id="xd30e4188" title="Bron: .">,</span> trokken dadelijk de rivier over en verscholen zich in hinderlaag achter de wortelboomen -op den anderen oever, gereed om op het eerste signaal te voorschijn te komen. -</p> -<p>Een tiental Franschen met den Arendskop en den tweeden troep Indianen werden ter verdediging -bij de landengte gelaten, aan welke zijde men het minste gevaar van aanval vreesde: -al de overige kolonisten verspreidden zich in de dichte boschjes achter de hacienda, -met bevel om tot het eerste uur onzichtbaar te blijven. Voorts, toen alles geregeld -en overal de noodige schikkingen genomen waren, wachtten de graaf de Lhorailles en -zijne kameraden met kloppende harten den storm der Apachen af. -</p> -<p>Zij behoefden niet lang te wachten. Wij hebben hierboven reeds gezien hoe de Zwarte-Beer -zou ontvangen worden. -</p> -<p>Het Apachenhoofd was moedig als een leeuw: zijn volk bestond uit uitgelezen strijders. -De schok der bestorming was vreeselijk; de Roodhuiden gaven geen duim breed kamp. -</p> -<p>Ofschoon krachtdadig afgeslagen keerden zij telkens tot den aanval terug, en streden -met den moed der vertwijfeling man tegen man tegen de Franschen, die ondanks hunne -dapperheid, krijgstucht en de meerdere voortreffelijkheid hunner wapenen, niet in -staat waren om hen te doen wijken. -</p> -<p>De strijd ontaardde weldra in een vreeselijke slachting; men greep elkander aan met -blank geweer, met dolken, messen en sabels zonder kamp of kwartier te geven. Goedsmoeds -begreep nu dat het tijd werd om een beslissenden slag te wagen, ten einde het met -die duivels uit te maken, die onoverwinnelijk en onkwetsbaar schenen. Hij wendde zich -tot Louis, die aan zijne zijde streed, en fluisterde hem eenige woorden in. -</p> -<p>De Franschman maakte zich van den bijzonderen vijand af, daar hij mede vocht, en liep -hard weg. -</p> -<p>Eenige minuten later hoorde men den ontzettenden oorlogskreet der Comanchen en vielen -laatstgenoemden, die als een bergstroom kwamen aanrollen, met gedrilde lans en zwaaiende -strijdbijl als tijgers op de Apachen aan. -</p> -<p>In het eerste oogenblik meende de Zwarte-Beer dat zij hem ter hulp kwamen, hij beschouwde -dus de kolonie zoo goed als genomen en in de macht zijner bondgenooten; maar weldra -had hij zijne dwaling ingezien, en nu werd de moed der Apachen dadelijk geknakt; er -ontstond verwarring in hunne gelederen; zij aarzelden en wankelden; eindelijk gaven -zij den storm op, keerden de hacienda den rug toe, wierpen zich in den stroom en lieten -meer dan twee derden der hunnen dood op het slagveld achter. -<span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span></p> -<p>De kolonisten vergenoegden zich met den vluchtelingen eenige ladingen schroot achterna -te zenden; wel overtuigd dat zij niet aan de hinderlaag zouden ontsnappen die hen -op den terugweg den pas moest afsnijden. -</p> -<p>Werkelijk hoorde men binnen weinige minuten, in de verte het kleingeweervuur der peons, -vermengd met den oorlogskreet der Comanchen. -</p> -<p>In deze mislukte onderneming had de Zwarte-Beer in minder dan een uur de bloem zijner -vermaardste strijders verloren: het opperhoofd zelf, met wonden overdekt en slechts -van een tiental der zijnen vergezeld, ontkwam te nauwernood aan de slachting. -</p> -<p>De overwinning der Franschen was volkomen. Dank zij dit glorierijk wapenfeit, was -de kolonie voor langen tijd tegen de aanvallen der Roodhuiden beveiligd. -</p> -<p>Eerst nadat de strijd op alle punten geëindigd was en de daardoor ontstane verwarring -had opgehouden, miste men don Sylva en zijne dochter, en zocht men hen overal te vergeefs; -beiden waren spoorloos verdwenen, zonder dat iemand vermoeden kon hoe of waarheen. -Dit geheimzinnig en onverklaarbaar feit bracht alle gemoederen in de kolonie in beweging -en deed de vreugde der overwinning in rouw verkeeren, want eene enkele gedachte bezielde -allen: -</p> -<p>»Don Sylva en zijne dochter zijn door den Zwarte-Beer opgelicht.” -</p> -<p>Toen de graaf de Lhorailles na het nauwkeurigst onderzoek zich gedwongen zag te erkennen, -dat de haciendero en zijne dochter inderdaad verdwenen waren zonder het minste spoor -achter te laten, ontstak hij met al de drift van zijn onstuimig karakter in woede -tegen de Apachen, en zwoer met een duren eed, dat hij hen onmiddellijk zou nazetten -en ten bloedigste vervolgen, tot het meisje terug zou zijn gevonden, dat hij reeds -als zijne vrouw beschouwde en wier verlies met een enkelen slag de schitterende toekomst -vernietigde die hij zich gedroomd had. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6959">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XVI.</h2> -<h2 class="main">DE CASA GRANDE DE MONTECUZOMA.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">In een verwijderd tijdperk, misschien duizend en meer jaren geleden, toen de aloude -Azteken, als door eene onzichtbare hand geleid, zonder bijna zelf te weten waarheen, -uit het verre noorden zuidwaarts trokken, naar de hooge bergvlakte van Anahuac, waar -zij later het machtige rijk van Mexico hebben gesticht, hielden zij wel is waar dat -onbekende zoo vurig door hen begeerde land standvastig in ’t oog, maar vonden zij -nu en dan goed hunnen tocht te staken, alsof zij door vermoeienis en ontberingen uitgeput -op eens de hoop lieten varen het doel hunner reis immer te zullen bereiken. -<span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span></p> -<p>Alsdan, in plaats van op de plek waar deze vermoeidheid hen overviel eenvoudig hun -kamp op te slaan, vestigden zij er zich als hadden zij geen plan meer om verder te -trekken en bouwden er vaak steden en dorpen. -</p> -<p>Thans, na verloop van zoo vele eeuwen, terwijl het volk zelf dat deze steden heeft -gesticht reeds sedert lang van den aardbodem verdwenen is, wekken hare bouwvallen, -die over eene ruimte van meer dan duizend mijlen verspreid liggen, nog altijd de bewondering -van den vermetelen reiziger die trots tallooze<span class="corr" id="xd30e4219" title="Niet in bron"> gevaren</span> het waagt deze afgelegen streken te bezoeken. -</p> -<p>Een der merkwaardigste van deze bouwvallen is ontegenzeggelijk die, welke bekend onder -den naam van de <i lang="es">Casa Grande de Montecuzoma</i> zich op ongeveer twee kilometers afstand van de slijkerige oevers der <span class="corr" id="xd30e4226" title="Bron: Rio-Gila">Rio Gila</span> verheft, in eene woeste onherbergzame streek, aan de grens der vreeselijke zandwoestijn, -de zoogenaamde del Norta. -</p> -<p>De grond waarop dit gebouw werd gesticht, is aan alle zijden open en vlak. -</p> -<p>De ruïnen der stad, die er om heen liggen, strekken zich zuidwaarts meer dan vier -kilometers ver uit, en in de overige richtingen is het terrein allerwege met gebroken -aardewerk van allerlei soort: vazen, kannen, borden enz. als bezaaid; eene menigte -dezer scherven zijn met verschillende kleuren beschilderd, hetzij wit en blauw, of -geel en rood, hetgeen in ’t voorbijgaan gezegd, duidelijk bewijst niet alleen dat -die stad in zekere mate beschaafd was, maar tevens dat zij bewoond werd door Indianen -van gansch ander ras dan die welke thans in deze streken rondzwerven, bij welke de -kunst van pottenbakken geheel onbekend is. -</p> -<p>De Casa Grande vormt een langwerpig vierkant, juist in de richting der vier hoofdstreken -van het kompas. -</p> -<p>Het geheel is omgeven door een muur, die niet alleen dit huis maar ook andere gebouwen -insluit, waarvan nog duidelijke sporen zijn overgebleven, want achter het hoofdgebouw -ligt eene ruïne van eene verdieping hoog en in verscheidene kamers verdeeld. -</p> -<p>De Casa Grande is deels van aarde gebouwd en de muren zoo veel men zien kan van pleisterklei, -in blokken van verschillende grootte: zij schijnt drie verdiepingen te hebben gehad -boven den grond, maar de inwendige betimmering is sedert lang verdwenen. -</p> -<p>De zalen, vijf in getal op elke verdieping, werden, althans naar de overblijfsels -te oordeelen, alleen verlicht door de deur en eenige ronde gaten in de muren die op -het oosten en westen uitzien. -</p> -<p>Door deze openingen keek, volgens de overlevering, de mensch Amer—<i>el hombre Amargo</i>—zoo als de Indianen den souverein der Azteken noemen, naar de zon uit, om haar des -morgens en des avonds bij op- en ondergang te begroeten. -</p> -<p>Een kanaal, dat thans bijna geheel droog ligt, stond in verband met de rivier en diende -om de stad van water te voorzien. -<span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span></p> -<p>De bouwvallen der Casa Grande liggen doorgaans eenzaam en verlaten en bieden een tooneel -van akelige doodstilte. Zij brokkelen langzamerhand weg voor den gloed der tropische -zon die ze verteert en verkoolt, en strekken tot een ongestoord verblijf voor afschuwelijke -roofvogels, gieren en urubus. -</p> -<p>De Indiaan vermijdt met opzet deze sombere streek te bezoeken, afgeschrikt door zekere -bijgeloovige vrees, daar hij zich geen reden van weet te geven. -</p> -<p>Maar wat hier ook van wezen mag, zooveel is zeker, dat een Indiaansch krijgsman, Comanch, -Sioux, Apache, of Pawnie, wanneer hij toevallig hetzij op de jacht of door eenige -andere aanleiding, in den nacht van den vierden op den vijfden der zoogenaamde <i>Champasciasoni</i>—kersenmaan—dat is ongeveer eene maand na de boven door ons verhaalde gebeurtenissen, -deze geheimzinnige ruïne genaderd ware, hij ongetwijfeld door schrik overstelpt, zoo -snel als zijn paard hem dragen kon het vreemde schouwspel zou ontvloden hebben dat -hij er in dien nacht te zien kreeg. -</p> -<p>Verbeeldt u een helder blauwen, door de volle maan verlichten en met sterren bezaaiden -hemel, waartegen het aloude paleis der Azteken koningen zijn reusachtige schaduw scherp -afteekende. Uit al de gaten en scheuren, hetzij door de hand des tijds of der menschen -in zijne vervallen muren ontstaan, straalt een gloed van roodachtig licht, terwijl -uit de spookachtig verlichte kamers het luidruchtig gezang, geschreeuw en gelach onophoudelijk -opgaat, zoodat de wilde dieren, door het ongewone verschijnsel uit hunne holen opgeschrikt -of op hunne nachtelijke rooftochten gestoord, huilend en brullend in alle richtingen -de vlucht nemen. Binnen den ringmuur, tusschen de bouwvallen, zag men in het bleeke -maanlicht eene menigte donkere gestalten van menschen en paarden zich bewegen, of -rondom groote hier en daar verspreide vuren gegroepeerd, terwijl een tiental welgewapende -ruiters, op lange lansen geleund, als bronzen standbeelden onbeweeglijk voor de poorten -van den ringmuur op post stonden. -</p> -<p>Was het inwendige der ruïne licht en leven, daar buiten was alles stilte en duisternis. -</p> -<p>Intusschen verliep de nacht, de maan had haar loop reeds voor twee derden volbracht, -de niet langer aangehouden vuren gingen het een na het andere uit; alleen in het oude -huis bleef het licht branden als een sombere vuurbaak in de duisternis. -</p> -<p>Op dit oogenblik hoorde men in de verte den snellen en regelmatigen galop van een -paard op de zandvlakte dof weergalmen. -</p> -<p>De schildwachts, die als vedetten aan den ingang stonden, hieven hunne door slaap -bezwaarde of door de koelheid der eerste morgenuren bevangen hoofden op en wendden -den blik naar dien kant waar het gedruisch <span class="corr" id="xd30e4255" title="Bron: van daan">vandaan</span> kwam. -</p> -<p>Weldra verscheen er een ruiter aan den hoek van het pad dat naar de ruïne leidde. -<span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span></p> -<p>De onbekende, zonder zich om het vreemde schouwspel te bekommeren, reed recht op het -huis aan. -</p> -<p>Hij overschreed den buitensten <span class="corr" id="xd30e4265" title="Bron: king">kring</span> der bouwvallen en ongeveer binnen tien passen de schildwachts genaderd, bleef hij -staan, steeg af, wierp de teugels op den hals van zijn paard, en zonder er zich verder -mede op te houden stapte hij met een vasten tred naar de schildwachts, die altijd -stom en roerloos stonden. -</p> -<p>Nauwelijks echter was hij hen tot op twee sabellengten genaderd, of al de lansen daalden -tegelijk en vereenigden zich op zijne borst, terwijl een ruwe stem riep: -</p> -<p>»Halt!” -</p> -<p>De onbekende bleef staan zonder te antwoorden. -</p> -<p>»Wie zijt gij? en wat wilt gij?” hervatte de schildwacht. -</p> -<p>»Ik ben een <i lang="es">costeno</i><a class="noteRef" id="xd30e4276src" href="#xd30e4276">1</a>; ik heb een verre reis gemaakt om uw chef te zien, dien ik gaarne zou willen spreken,” -antwoordde de onbekende. -</p> -<p>In het flauwe en onzekere maanlicht was het den ruiter reeds moeielijk de trekken -van den spreker te onderscheiden, maar het werd hem geheel onmogelijk gemaakt door -dat deze zich tot over de ooren in zijn mantel had gewikkeld. -</p> -<p>»Hoe is uw naam?” vroeg hij hem wrevelig, toen hij zag dat al zijne pogingen vruchteloos -bleven. -</p> -<p>»Waar zou dat toe dienen? Uw chef kent mij niet, mijn naam zou hem dus weinig baten.” -</p> -<p>»Wie weet? maar dat is uwe zaak; bewaar uw incognito als gij dat goedvindt; alleen -moet gij u dan getroosten dat ik u niet bij den kapitein toelaat; hij zit op dit oogenblik -met zijne officieren aan het souper en zal zich dus zoo diep in den nacht niet laten -storen om een onbekende te spreken.” -</p> -<p>»Wie weet? zeg ik u op mijne beurt,” hernam de andere gevat; »hoor eens, gij zijt -een oud soldaat, niet waar?” -</p> -<p>»Ik ben het nog,” antwoordde de kavalerist, zich fier in den zadel zettende. -</p> -<p>»Ofschoon gij zeer goed Spaansch spreekt, meen ik toch een Franschman te herkennen.” -</p> -<p>»Ik heb de eer het te zijn.” -</p> -<p>De onbekende lachte in zijn vuist. Hij gevoelde zijn man beet te hebben, daar hij -zijne zwakke zijde gevonden had. -</p> -<p>»Ik ben alleen,” hervatte hij; »gij zijt ik weet niet met hoevele kameraden, laat -mij den kapitein spreken; waar zoudt gij voor vreezen?” -</p> -<p>»Voor niets; maar mijne orders zijn stellig, ik kan ze niet breken.” -</p> -<p>»Wij zijn hier in het hartje van de wildernis, meer dan honderd mijlen ver van iedere -beschaafde woning,” zei de onbekende volhoudend; »gij kunt wel begrijpen dat ik ernstige -drangredenen gehad <span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span>heb om de gevaren van zulk een verren tocht te trotseeren, voor een onderhoud van -weinige oogenblikken met den graaf de Lhorailles. Zoudt gij mij nu in het gezicht -der haven laten schipbreuk lijden, nu er slechts een weinig beleefdheid van uwen kant -noodig is om mij het beoogde doel te doen bereiken?” -</p> -<p>De schildwacht aarzelde: de redenen door den onbekende aangevoerd hadden hem reeds -half overtuigd, maar na eenige <span class="corr" id="xd30e4297" title="Bron: sekonden">seconden</span> beraad antwoordde hij hoofdschuddend: -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e4301" title="Bron: «">»</span>Neen, ’t kan onmogelijk; de kapitein is zoo streng: ik zou niet gaarne mijne wachtmeestersstrepen -verbeuren; al wat ik voor u kan doen, is u verlof geven, hier met de kameraden onder -den blauwen hemel te kampeeren tot morgen. Zoodra de dag aanbreekt, komt de kapitein -zelf naar buiten, dien kunt gij dan zelf spreken en uw eigen zaken met hem regelen, -dan gaat het mij niet meer aan.” -</p> -<p>»Hm!” zei de vreemdeling, »dat is nog zoo lang.” -</p> -<p>»Bah!” riep de wachtmeester onbekommerd, »de nacht is spoedig voorbij; daarbij is -het uw eigen schuld; gij hebt zulke geheimzinnige manieren, dat men wel een beetje -huiverig zou worden; wat duivel! men dient toch zijn naam te zeggen.” -</p> -<p>»Maar ik herhaal u, dat uw kapitein hem nooit heeft hooren noemen.” -</p> -<p>»Bah! wat kan u dat schelen? Een naam is altijd een naam.” -</p> -<p>»Wacht!” riep de onbekende; »ik geloof dat ik er een middel op gevonden heb.” -</p> -<p>»Laat hooren uw middel; als het goed is zal ik er gebruik van maken.” -</p> -<p>»’t Is uitmuntend,” -</p> -<p>»Zooveel te beter! spreek op.” -</p> -<p>»Zeg aan uw kapitein, dat de man die een maand geleden in de Rancho te Guaymas een -pistool op hem gelost heeft, hier is en hem verlangt te spreken.” -</p> -<p>»Wat zegt gij?” -</p> -<p>»Hebt gij mij niet verstaan?” -</p> -<p>»Integendeel, al te goed.” -</p> -<p>»Welnu, waar wacht gij dan op?” -</p> -<p>»Te duivel! onder ons gezegd, vind ik uwe aanbeveling alles behalve voldoende.” -</p> -<p>»Zoudt gij dat denken?” -</p> -<p>»Parbleu! het scheelde maar weinig of hij was toen door u vermoord. Ei, ei! waart -gij dat?” -</p> -<p>»Ja, ik, en nog iemand.” -</p> -<p>»Ik maak u mijn kompliment, waarlijk.” -</p> -<p>»Dank u; nu, gaat gij nog al niet?” -</p> -<p>»Ik moet u bekennen dat ik aarzel.” -</p> -<p>»Gij doet verkeerd; de graaf de Lhorailles is een kordaat man, aan wiens gevoel van -eer niet te twijfelen valt. Hij kan onze ontmoeting niet anders dan in gunstig aandenken -hebben gehouden.” -</p> -<p>»Alles wel overwogen is het mogelijk dat gij gelijk hebt, en <span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span>daar gij een vreemdeling zijt, zou ik het mij zelven kwalijk nemen als ik u zulk een -kleinen dienst weigerde; ik ga dus. Blijf hier staan wachten, maar wees niet ongeduldig, -want ik beloof u niet stellig dat ik slagen zal.” -</p> -<p>»Ik ben er zeker van.” -</p> -<p>»Ik mag het lijden.” -</p> -<p>De oude knevelbaard steeg af, haalde de schouders op en stapte het huis in. -</p> -<p>Hij bleef vrij lang weg. -</p> -<p>De vreemdeling scheen aan het gelukken van zijne boodschap niet te twijfelen, want -zoodra de wachtmeester verdwenen was, naderde hij de deur reeds. -</p> -<p>Na verloop van tien minuten kwam de onderofficier terug. -</p> -<p>»Wel,” vroeg de onbekende, »wat heeft de kapitein u geantwoord?” -</p> -<p>»Hij heeft gelachen en mij gelast u binnen te leiden.” -</p> -<p>»Ziet gij nu wel dat ik gelijk had.” -</p> -<p>»’t Is waar! maar dat doet er niet toe, het was altijd een wonderlijk soort van aanbeveling, -eene poging tot moord!” -</p> -<p>»Een eerlijke ontmoeting,” verbeterde de onbekende. -</p> -<p>»Ik weet niet hoe gij die dingen hier noemt, maar in Frankrijk noemen wij zoo iets -een schelmstuk. Wilt gij medegaan?” -</p> -<p>De vreemdeling antwoordde niet, hij bepaalde zich bij schouder ophalen en volgde den -eerlijken soldaat. -</p> -<p>In een verbazend ruime zaal, welker ontkalkte muren in puin dreigden te storten terwijl -het blauwe sterrendak haar tot zoldering diende, zaten vier mannen met krachtige gelaatstrekken -en fonkelende blikken, rondom eene tafel, waarop een luisterrijk souper was aangericht, -voorzien van alles wat weelde en gemak tot streeling der zinnen kan opleveren. -</p> -<p>Deze vier mannen waren de graaf de Lhorailles en de officieren van zijn staf, namelijk -de luitenants Diego Leon, Martin Leroux, en de oude capataz van don Sylva de Torres, -Blas Vasquez. -</p> -<p>De graaf de Lhorailles kampeerde met zijne vrijcompagnie sinds vijf dagen in de <span class="corr" id="xd30e4350" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> van Montecuzoma. -</p> -<p>Na den aanval der Apachen op de kolonie had de graaf, in de hoop van zijne bruid terug -te vinden, die op zoo geheimzinnige wijze gedurende het gevecht verdwenen en waarschijnlijk -door de Indianen was opgelicht, onmiddellijk besloten om den last te volbrengen dien -hij sedert lang van de regeering ontvangen en tot hiertoe had uitgesteld, onder min -of meer geldige voorwendsels, maar eigenlijk omdat hij zich, hoe dapper hij anders -wezen mocht, ongaarne met de Roodhuiden wilde meten, die zoo geducht en zoo moeielijk -te overwinnen zijn, vooral als men ze op hun eigen grondgebied aantast. -</p> -<p>De graaf had twee honderd twintig Franschen uit de kolonie vereenigd, waarbij de capataz, -die almede brandde van verlangen om <span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span>zijn meester en diens dochter te bevrijden, dertig kloeke peons voegde, zoodat de -getalsterkte thans twee honderdvijftig welgewapende en strijdlustige mannen bedroeg. -</p> -<p>Met het oog op de onberekenbare diensten vroeger door hen bewezen, had de graaf de -drie jagers verzocht hem te willen vergezellen; en het zou hem zeer aangenaam zijn -geweest zulke onverschrokken kameraden, maar vooral zulke veilige gidsen tot opsporing -der Indianen in de hem onbekende wildernis bij zich te hebben; maar don Louis en zijne -twee vrienden hadden dit vereerend verzoek zoowel als de daarbij toegezegde schitterende -belooningen stellig van de hand gewezen, zonder andere redenen voor hunne weigering -op te geven dan dat zij hunne reis noodzakelijk moesten vervolgen, zoodat er niet -verder van gesproken werd en zij nog denzelfden dag van den graaf afscheid namen. -</p> -<p>Diensvolgens moest de graaf zich met den capataz en zijne peons vergenoegen; ongelukkigerwijs -waren al deze mannen <i lang="es">costenos</i>, dat is kustbewoners, en dus weinig of in ’t geheel niet bekend met het zoogenoemde -<i lang="es">terra a dentro</i> of binnenland. -</p> -<p>Onder geleide dezer onervaren gidsen was de graaf uit Guetzalli vertrokken den weg -inslaande naar het onmetelijk Apacheria. -</p> -<p>De onderneming was aanvankelijk niet ongelukkig geweest; binnen de drie eerste dagen -werden de Apachen tweemaal door de Franschen achterhaald, overrompeld en geslagen -en zonder genade zooveel zij onder hun bereik kwamen in de pan gehakt. -</p> -<p>De graaf had daarbij geen gevangenen willen maken, en om den barbaren schrik in te -boezemen, al de Indianen die levend in handen der Franschen vielen, onbarmhartig laten -doodschieten of aan boomen ophangen. -</p> -<p>Evenwel, na deze twee voor hen zoo noodlottige ontmoetingen hadden de Indianen er -zoo ’t scheen den schrik van gekregen, en was het den Franschen ondanks al hunne pogingen -niet gelukt hen andermaal tot staan te brengen. De onverbiddelijke tucht door den -graaf op hen toegepast scheen niet alleen doel te hebben getroffen, maar zelfs verder -te zijn gegaan dan hij wenschte, daar de Apachen zich niet meer lieten zien. -</p> -<p>Ongeveer drie weken lang had de graaf hun spoor gezocht zonder het te kunnen ontdekken. -</p> -<p>Eindelijk echter, midden op den dag vóór dien waarmede, dit hoofdstuk begint, vertoonde -zich in de verte op eens een troep van zeven of acht honderd paarden, schijnbaar geheel -los en onbereden, want volgens een niet ongewone Indiaansche list lieten de ruiters -zich bijna geheel onzichtbaar aan de eene zijde van hun paard afhangen; de troep naderde -snel, bereikte binnen weinige minuten de bouwvallen der stad en kwam in vliegenden -galop op de Casa Grande af. -</p> -<p>Eene losbranding uit klein geweer van achter de in der haast opgeworpen barrikaden, -bracht wel is waar wanorde in de gelederen <span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span>der aanstormende kolonne, maar kon haar onbeteugelde vaart niet stuiten, zoodat de -schok voor de Franschen vreeselijk zou zijn. -</p> -<p>In een oogwenk had zich daarbij het aanzien der gansche bende veranderd. Al de Apachen -hadden zich met bliksemsnelheid opgericht, en nu zag men hen, het half naakte lijf -met blauwe en gele strepen<span id="xd30e4380"></span> beschilderd, het hoofd met de groote vederbossen bekroond, de lange bisonsmantels -van hun schouder golvend op den wind, de gespannen boog in de hand, en hunne paarden -met de knieën besturende, komen aanrennen, inderdaad in eene houding vol heldenzwier -en met een vertoon van krijgshaftigheid die wel in staat was om den dapperste te doen -vervaren. -</p> -<p>De Franschen wachtten hen echter onverschrokken af, al werden zij schier doof door -den vreeselijken oorlogskreet, dien hunne vijanden aanhieven en blind door een wolk -van pijlen, die dicht als hagel rondom hen nederkletterden. -</p> -<p>Maar de Apachen verlangden evenmin als de Franschen eene bloote schermutseling, het -was hun om een beslissenden strijd te doen. Als bij onderlinge afspraak vielen zij -op elkander aan met blank geweer. -</p> -<p>Te midden dier Indiaansche krijgers was de Zwarte-Beer gemakkelijk te onderkennen -aan zijne hooge vederbos en de prachtige arendspennen die er uit opstaken. Het opperhoofd -vuurde de zijnen aan om over de jongst geleden nederlagen wraak te nemen door zich -van de <span class="corr" id="xd30e4386" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> meester te maken. Alsnu volgde er een van die vreeselijke Amerikaansche grensgevechten, -in welke met zooveel verbittering gestreden wordt dat niemand gevangenen maakt of -kwartier geeft, en de beide partijen wreedheden begaan die alle beschrijving tarten. -De <i lang="es">bolas perdidas</i><a class="noteRef" id="xd30e4391src" href="#xd30e4391">2</a>, de bajonet en de lans waren de eenigste wapenen die men bezigde. Dit gevecht, daar -de Indianen gedurig versterking kregen, had reeds bijna twee uren geduurd en de verdedigers -achter de barrikaden lieten zich liever dooden dan een duimbreed te wijken. -</p> -<p>In de hoop dat de Indianen door zulk een langen en hardnekkigen wederstand vermoeid, -weldra zouden aftrekken, daar zij reeds schenen te verslappen, verdubbelden de Franschen -hunne pogingen, toen zij achter zich op eens den kreet hoorden opgaan: -</p> -<p>»Verraad! verraad!” -</p> -<p>De graaf en de capataz, die in de voorste gelederen der vrijwilligers en peons vochten -als leeuwen, keken om. -</p> -<p>Hun toestand werd inderdaad hachelijk, de Franschen zagen zich letterlijk tusschen -twee vuren gebracht, daar de Kleine-Panter met een vijftigtal ruiters de stelling -was omgetrokken en achter de barrikaden naar binnen drong. Dronken van vreugde dat -alles hun zoo goed gelukte, hieven de Roodhuiden een triumfkreet aan die de lucht -deed weergalmen. -<span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span></p> -<p>De graaf liet den blik beslissend over het slagveld rondgaan, zijn plan was onmiddellijk -vastgesteld. -</p> -<p>Hij sprak eenige woorden met den capataz, die zich weder aan het hoofd der strijders -stelde, hun voorschreef wat zij te doen hadden en het gunstig oogenblik afwachtte -om ten uitvoer te brengen wat hij met den graaf had afgesproken. -</p> -<p>Deze liet intusschen zijn tijd niet ongebruikt voorbijgaan, hij nam een vaatje kruid, -stak er een brandende lont in en wierp het midden in den dichtsten drom der Indianen, -waar het bijna oogenblikkelijk ontplofte en eene vreeselijke verwoesting aanrichtte. -</p> -<p>De Apachen stoven uit elkander en vloden in alle richtingen om door deze nieuwe soort -van bommen niet verder verpletterd te worden. -</p> -<p>Van dit gunstig oogenblik maakten de belegerden behendig gebruik; op order van den -capataz keerden zij zich om en rukten in den stormpas op de Apachen van den Kleine-Panter -los, die slechts weinige ellen van hen verwijderd waren, en met hunne vreeselijke -knodsen alles neerbeukten wat hun in den weg kwam. -</p> -<p>Het terrein was niet gunstig voor de Indianen, die in een nauw slop tusschen muren -samengedrongen, met hunne paarden niet geschikt konden manoeuvreeren; maar toch, de -Kleine-Panter en zijne Apachen stormden voorwaarts met een huilenden oorlogskreet. -</p> -<p>De Franschen, even behendig en dapper als hunne tegenstanders maakten halt en wachtten -met gevelde bajonet onversaagd den verpletterenden ruiterdrom af die in vliegenden -galop op hen aankwam. -</p> -<p>De schok was vreeselijk, maar de Roodhuiden werden overhoop geworpen. Weldra geraakten -zij geheel in verwarring, en namen zij in alle richtingen de vlucht. -</p> -<p>De graaf liet hen door eenige peons te paard nazetten, die hen dicht op de hielen -vervolgden en niet voor den avond terugkeerden. -</p> -<p>De Apachen hadden zich eerst eenige mijlen verder weder kunnen vereenigen en waren -toen rustig naar de woestijn afgetrokken. -</p> -<p>De graaf ofschoon wel voldaan over de behaalde overwinning, want het verlies des vijands -was ontzettend groot, beschouwde haar echter niet als beslissend, vooral daar de Zwarte-Beer -hem ontsnapt was, en wat meer zegt, daar hij zijn doel niet had bereikt, namelijk -het terugvinden van don Sylva en zijne dochter, die hij gezworen had te zullen redden. -</p> -<p>Hij gaf zijne <i lang="es">cuadrilla</i> (bende) order zich gereed te houden om op te breken, en liet de noodige maatregelen -nemen tot het verzekeren van zijn aanstaanden tocht door de wildernis. -</p> -<p>Reeds den volgenden morgen zouden de Franschen bepaald hunne stelling in de <span class="corr" id="xd30e4420" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> verlaten. -</p> -<p>De graaf vierde met zijne officieren de luisterrijke overwinning van den vorigen dag, -en stelde juist een dronk in op het welslagen der onderneming op den volgenden. -<span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span></p> -<p>Opgewonden door de menigte toasten die hij gedronken had en inzonderheid door de hoop -op een goeden uitslag eerlang te voorzien, was de graaf in de allerbeste luim om den -zonderlingen gast te ontvangen, dien de oude onderofficier op zijn eigen verantwoording -gewaagd had bij hem aan te dienen. -</p> -<p>»En wat is dat voor een slag van een man?” vroeg hij, toen de andere zijn boodschap -zoo goed of kwaad mogelijk had voorgedragen. -</p> -<p>»In ernst, kapitein,” antwoordde de wachtmeester, »zoo veel ik heb kunnen zien, schijnt -de kerel nog tamelijk jong, welgemaakt van lijf en leden en vooral begaafd met eene -zeldzame vrijpostigheid, om er niets meer van te zeggen.” -</p> -<p>De graaf de Lhorailles dacht een oogenblik na. -</p> -<p>»Zal ik hem maar laten doodschieten, kapitein,” vroeg de soldaat, die dit stilzwijgen -voor eene veroordeeling aanzag. -</p> -<p>»Peste! wat slaat gij door, Boilaud,” riep de graaf terwijl hij lachend opkeek. »Volstrekt -niet, wij mogen van geluk spreken dat die kerel bij ons kwam. Breng hem integendeel -hier, en met de meest mogelijke beleefdheid.” -</p> -<p>De wachtmeester boog en verwijderde zich. -</p> -<p>»Mijne heeren,” zei de graaf, »gij herinnert u zeker die aanranding wel te Guaymas, -daar ik bijna het slachtoffer van werd; die geheimzinnige zaak is mij altijd een raadsel -geweest, dat ik niet heb kunnen ontsluieren. De man die mij thans verlangt te spreken -komt mij zeker, dat voel ik vooruit, eenige ophelderingen geven over dat tot hiertoe -zoo onverklaarbaar feit.” -</p> -<p>»<span class="corr" id="xd30e4437" title="Bron: Senor">Señor</span> conde, neem u in acht,” zeide de capataz, »gij kent de lieden in dit land nog niet; -die man komt misschien veeleer om u een nieuwen strik te spannen.” -</p> -<p>»Waarom zou hij dat?” -</p> -<p>»<i lang="es">Quien sabe!</i>”—wie weet,—antwoordde Blas Vasquez met eene gewone Spaansche spreekwijs, die alles -beteekenen kan en zich onmogelijk in onze taal laat weêrgeven. -</p> -<p>»Ba, ba!” riep de graaf, »laat het gerust aan mij over dien spitsboef te ontmaskeren, -als hij, wat ik niet denk, soms een spion is.” -</p> -<p>De capataz vergenoegde zich met even de schouders op te halen; de graaf was een van -die menschen, wier stellige en hooggestemde manier van spreken geen tegenwerping duldt -en alle redeneering onmogelijk maakt. -</p> -<p>De Europeanen en vooral de Franschen, nemen in Amerika tegenover de inboorlingen, -zoo blanken als mestiezen en Roodhuiden, een toon van hooghartigheid en minachting -aan die in al hunne daden en woorden doorstraalt; bewust van hunne verstandelijke -meerderheid boven de inwoners des lands, toonen zij hun een beleedigend soort van -medelijden en scheppen behagen om hen gedurig belachelijk te maken, te spotten met -hunne gewoonten of denkwijzen, en hun ten slotte slechts een min of meer ontwikkeld -instinct toe te kennen dan de dieren bezitten. -<span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span></p> -<p>Dit gevoelen is niet alleen onbillijk, maar tevens geheel bezijden de waarheid. De -Spaansch-Amerikanen zijn wel is waar zeer achterlijk wat wetenschappelijke beschaving, -nijverheid, werktuigkunde enz. betreft; de ontwikkeling der maatschappij gaat bij -hen traag vooruit, daar zij gedurig belemmerd wordt door het veelsoortig bijgeloof -dat nevens en met hun geloof opschiet, maar men kan deze lieden niet aansprakelijk -stellen voor een staat van zaken die hun zelven mishaagt en waarvan alleen de Spanjaarden -de schuld zijn, door het heillooze stelsel van onderdrukking en vernedering, in één -woord de looden dwingelandij, die meer dan drie eeuwen op de bevolking heeft gewogen -en haar zwoegende onder het juk van trotsche en onverbiddelijke meesters, het karakter -van listige, bedriegelijke en lafhartige slaven heeft ingedrukt. -</p> -<p>Op enkele zeldzame en loffelijke uitzonderingen na betreft dit inzonderheid de Indianen, -want de blanken zijn sedert de laatste jaren op den weg der beschaving met reuzenschreden -vooruitgegaan, maar de massa der Indiaansche bevolking, is bepaald listig, oneerlijk -en slecht. -</p> -<p>Om die reden wordt dan ook de Europeaan wanneer hij zich tegenover een kleurling bevindt, -ondanks de verstandelijke meerderheid waarmede hij zich vleit, steeds onvermijdelijk -het slachtoffer der list en ontrouw van laatstgenoemden. -</p> -<p>Intusschen geldt het in <span class="corr" id="xd30e4457" title="Bron: Spaansch Amerika">Spaansch-Amerika</span> schier als een geloofsartikel, dat de Indianen en mestiezen arme stumpers zijn, zonder -redelijk begrip en alleen begaafd met het noodige verstand om van den eenen dag op -den anderen te leven, terwijl de hoogmoedige blanken zich bij uitsluiting den titel -geven van <i lang="es">gente de razon</i>—redelijke menschen. -</p> -<p>Wij moeten hier bijvoegen dat deze hooge dunk bij den Europeaan, na eenige jaren in -Amerika te hebben vertoefd merkelijk wordt gewijzigd en dat hij eindelijk geheel anders -over de kleurlingen leert denken<span class="corr" id="xd30e4465" title="Bron: .">,</span> naarmate hij beter met den landaard bekend wordt en dagelijks met de mestiezen in -aanraking komt. Maar de graaf de Lhorailles was nog zoo ver niet; hij zag in een Indiaan -of mesties nog altoos weinig meer dan een redeloos dier, en ging met hen naar dit -valsche oogpunt te werk. -</p> -<p>Deze dwaling zou later voor hem zeer ernstige en schadelijke gevolgen hebben, gelijk -wij nader zien zullen. -</p> -<p>De graaf de Lhorailles had het schouderophalen van den capataz niet onopgemerkt gelaten; -en was juist gereed hem te antwoorden toen de wachtmeester binnenkwam, gevolgd door -den vreemdeling, op wien zich terstond aller oogen vestigden. -</p> -<p>De onbekende stond dit kruisvuur van blikken ongehinderd door, en zonder zich van -den mantel te ontdoen in welks ruime plooien hij bijna geheel verborgen was, groette -hij de aanwezigen met onbetaalbare koelzinnigheid en zwier. -<span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span></p> -<p>De onverwachte komst van dezen man in de feestzaal maakte bij de gasten een alleronaangenaamsten -indruk, daar zij zich geen rekenschap van wisten te geven maar die hen plotseling -deed verstommen. -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e4276"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4276src">1</a></span> Een kustlander, in onderscheiding van de inwoners in het binnenland. <a class="fnarrow" href="#xd30e4276src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e4391"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4391src">2</a></span> Zeker oorlogstuig uit een lederen riem bestaande, aan ieder eind met een looden kogel. <a class="fnarrow" href="#xd30e4391src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch17" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6973">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XVII.</h2> -<h2 class="main">DE MESTIES.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het stilzwijgen, dat al te lang dreigde te zullen duren, begon voor al de aanwezigen -lastig te worden. De graaf de Lhorailles begreep zulks. Edelman door merg en been, -dat wil zeggen, gewoon om de meest bijzondere en moeielijkste toestanden dadelijk -te beheerschen, stond hij op, naderde met een glimlach op de lippen den vreemdeling, -reikte hem de hand, en zich toen tot zijne officieren wendende, zeide hij met een -allerhoffelijkste buiging en op een toon die zich onmogelijk laat beschrijven: -</p> -<p>»Mijne heeren, mag ik zoo vrij zijn u dezen caballero voor te stellen, wiens naam -mij tot dusver onbekend is, maar die volgens zijne eigene verklaring een mijner intiemste -vijanden moet zijn.” -</p> -<p>»O! mijnheer de graaf,” riep de onbekende met eene half gesmoorde stem. -</p> -<p>»Vive Dios! ik ben er van gecharmeerd,” riep de graaf, »zoek u toch niet te verdedigen, -mijn allerwaardste vijand, en neem hier nevens mij plaats, als ik u verzoeken mag.” -</p> -<p>»Uw vijand,” herhaalde de vreemdeling, »die ben ik nooit geweest, mijnheer de graaf; -en het beste bewijs is, dat ik twee honderd mijlen ver heb gereisd om u een dienst -te komen verzoeken.” -</p> -<p>»Zij is u bij voorraad toegestaan,” zei de graaf. »Dus de ernstige zaken tot morgen; -neem vooreerst deze champagne, als ’t u b’lieft.” -</p> -<p>De onbekende boog, nam het glas, groette de aanwezigen en zei: -</p> -<p>»<span class="corr" id="xd30e4487" title="Bron: Senores">Señores</span>, ik drink het welslagen uwer onderneming.” -</p> -<p>Hij zette het glas aan zijne lippen en ledigde het in een enkelen teug. -</p> -<p>»Gij zijt een uitmuntende kameraad, caballero, ik dank u voor uw toast, zij belooft -ons alles goeds.” -</p> -<p>»Wees toch zoo goed, heer kapitein,” riep de luitenant, »en breng ons hoe eerder hoe -liever op de hoogte van uwe charmante betrekkingen met dezen caballero.” -</p> -<p>»Dat zou ik volgaarne doen, <span class="corr" id="xd30e4496" title="Bron: senores">señores</span>, maar dan moet ik dezen caballero, daar hij toch zoo dringend heeft verlangd mij -te spreken, vooraf verzoeken zijn incognito te breken, dat, dunkt mij, reeds al te -lang geduurd heeft, en hem in de gelegenheid stellen ons zijn naam te zeggen, opdat -wij weten wien wij de eer hebben te ontvangen.” -<span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span></p> -<p>De onbekende begon te lachen, liet de slip van zijn mantel vallen, die tot hiertoe -zijn gelaat bedekt had, en antwoordde: -</p> -<p>»Met alle genoegen, caballeros, maar ik geloof dat mijn naam evenmin als mijn gelaat -u iets leeren zal. Wij hebben elkaar slechts eenmaal ontmoet, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> conde, en toen was het donkere nacht, en het gesprek tusschen u en mijn kameraad -zoo levendig dat mijne trekken, zoo gij ze al hebt kunnen zien, u niet diep in het -geheugen zullen zijn geprent.” -</p> -<p>»Inderdaad, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>,” hernam de graaf, die hem intusschen even nieuwsgierig als nauwlettend had opgenomen, -»ik moet bekennen dat ik mij niet kan herinneren u reeds vroeger gezien te hebben.” -</p> -<p>»Dat wist ik wel.” -</p> -<p>»En waarom,” riep de graaf met drift, »waarom hebt gij dan uw aangezicht zoo zorgvuldig -zoeken te verbergen?” -</p> -<p>»Ja! mijnheer de graaf, daarvoor had ik misschien mijne goede redenen; wie weet of -het u niet te eeniger tijd berouwen zal mij een incognito te hebben doen breken, dat -ik waarschijnlijk uit belangstelling in u, liever had willen bewaren.” -</p> -<p>Deze ingewikkelde verklaring werd op een gemengden toon van sarcasme en bedreiging -uitgesproken, dien niemand ontgaan kon, ondanks de schijnbare onverschilligheid van -den onbekende. -</p> -<p>»Het maakt weinig uit, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>,” zei de graaf hooghartig, »ik ben een van die menschen, die hun woord met den degen -durven gestand doen; zeg mij dus zonder verdere omwegen en uitvluchten uw naam.” -</p> -<p>»Welken naam wilt gij van mij weten, caballero? mijn naam als krijgsman, mijn naam -als avonturier, mijn naam als.….?” -</p> -<p>»Noem dien gij wilt!” riep de graaf ongeduldig, »als wij maar een naam van u mogen -hooren.” -</p> -<p>De onbekende stond op en wierp een trotschen blik in het rond. -</p> -<p>»Toen ik deze zaal binnentrad, caballero,” begon hij met een ferme stem, »heb ik u -gezegd dat ik twee honderd uren ver had gereisd om u een dienst of eene gunst te verzoeken, -maar ik heb u bedrogen; ik verwacht niets van u, noch dienst noch gunst, integendeel -ben ik het die u een dienst wil bewijzen, daarvoor kwam ik hier, en nergens anders -om. Waartoe zou het dan dienen dat gij weet wie ik ben, of hoe ik heet, daar ik aan -u geene verplichting zal hebben maar gij integendeel aan mij?” -</p> -<p>»Zooveel te meer reden, caballero, om u het masker af te lichten; ik wil uwe hoedanigheid -als gast, die gij u hier eigendunkelijk aanmatigt, wel in zoover ontzien dat ik u -niet met geweld zal dwingen tot hetgeen ik van u verlang, maar onthoud dit: dat ik -vast besloten heb u niet aan te hooren en u verzoeken zal onmiddellijk heen te gaan, -zoo gij nog langer weigert aan mijne billijke vordering te voldoen, en uw naam te -zeggen.” -</p> -<p>»Gij zult er berouw van hebben, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> conde,” hervatte de vreemdeling met een spottenden grijns. »Een enkel woord nog; -ik ben <span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>bereid om mij zelven bekend te maken; maar aan u afzonderlijk, daar hetgeen ik u te -zeggen heb door niemand gehoord mag worden dan door u.” -</p> -<p>»Wel duivelsch!” riep de luitenant Martin, »dat is bijna niet om te gelooven, zulk -volhouden heb ik nog nooit bijgewoond.” -</p> -<p>»Ik weet niet of ik mij bedrieg,” beweerde de capataz slim, »maar ik ben zeker dat -ik de ontdekking van het gewichtige geheim van dezen caballero grootelijks in den -weg sta, en als hij voor iemand hier vreest, dan is het voor mij.” -</p> -<p>»Juist geraden, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> don Blas,” hervatte de vreemdeling met eene buiging; »zoo als gij ziet ken ik u. -Overigens kent gij mij ook zeer goed, al is het op dit oogenblik, gelukkig voor mij, -niet van aanzien, maar bij naam en faam. Welnu, te recht of ten onrechte ben ik overtuigd, -dat als ik mijn naam in uwe tegenwoordigheid noemde, gij uw vriend zoudt zoeken over -te halen mij niet aan te hooren.” -</p> -<p>»En wat zou er dan gebeuren?” vroeg de capataz hem in de rede vallende. -</p> -<p>»Een groot ongeluk waarschijnlijk” zei de vreemdeling met eene ferme stem; »wat gij -er ook van zeggen of denken moogt, ik ga rond met u te werk, dat ziet gij. Ik wensch -den heer graaf niet langer dan tien minuten alleen te spreken; daarna kan hij met -het geheim dat ik hem mededeel en met het nieuws dat ik hem breng, doen wat hij goedvindt.” -</p> -<p>Er volgde een poosje stilte. -</p> -<p>De graaf de Lhorailles bespiedde met<span id="xd30e4546"></span> scherpzinnigen blik het onverstoorbaar gelaat van den onbekende en stond een poos -in beraad<span class="corr" id="xd30e4548" title="Niet in bron">.</span> -</p> -<p>Eindelijk scheen de onbekende ongeduldig te worden; hij stond op, boog voor den graaf -en vroeg: -</p> -<p>»Wat moet ik doen, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>, blijven of vertrekken?” -</p> -<p>De graaf wierp hem een doorborenden blik toe, dien de ander zonder de minste verlegenheid -doorstond. -</p> -<p>»Blijf,” zei de graaf. -</p> -<p>»Goed,” hernam de onbekende en zette zich weder op zijne <i>butacca</i>. -</p> -<p>»Mijne heeren,” vervolgde de Lhorailles tegen zijne gasten, »gij hebt het gehoord; -ik neem de vrijheid u eenige minuten belet te geven.” -</p> -<p>De officieren stonden op en verwijderden zich zonder een woord te spreken. De capataz -ging daarbij het laatste de zaal uit, na den onbekende een van die blikken te hebben -toegeworpen, waarmede men iemands hart tot in de diepste plooien zoekt te bespieden. -Maar even als vroeger bij den blik van den graaf, bleef het gelaat van den vreemdeling -koud en onbewogen. -</p> -<p>»Welaan, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>,” hervatte de graaf de Lhorailles tegen zijn gast zoodra de deur gesloten was, »nu -zijn wij alleen en wacht ik de vervulling uwer belofte.” -<span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span></p> -<p>»Ik ben gereed u te voldoen.” -</p> -<p>»Wie zijt gij dan en hoe heet gij?” -</p> -<p>»Met uw verlof, <span class="corr" id="xd30e4575" title="Bron: monsenor">monseñor</span>,” antwoordde de vreemdeling op een toon van luchtige scherts, »als wij zoo voortgaan -zullen wij veel tijd verliezen en zult gij ten slotte niets of althans zeer weinig -van mij vernemen.” -</p> -<p>De graaf onderdrukte met moeite zijn opkomend ongeduld. -</p> -<p>»Vervolg dan maar zoo als gij zelf goedvindt,” zeide hij. -</p> -<p>»Goed, op die wijs zullen wij elkander spoedig verstaan.” -</p> -<p>»Ik luister al.” -</p> -<p>»Hoor dan, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>. Gij zijt in dit land vreemd; nauwelijks een paar jaar in Mexico kent gij weinig -of niets van het karakter, de zeden of gebruiken der inwoners. Sterk door de meerdere -kennis, die gij in uw eigen vaderland hebt opgedaan, dacht gij bij uwe komst in het -onze dat hier alles naar uwe wenschen en begrippen moest geschieden, omdat zoo gij -meent uw verstand het onze ver overtreft; volgens dit beginsel zijt gij te werk gegaan.” -</p> -<p>»Ter zake, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>, ter zake,” viel de graaf hem met ongeduld in de rede. -</p> -<p>»Zachtjes aan, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>, ik vervolg. Voortgeholpen door veelvermogende beschermers werdt gij reeds dadelijk -in een allervoordeeligsten toestand geplaatst. Gij hebt een heerlijke kolonie gesticht -in de rijkste provincie van Mexico aan de grenzen der woestijn; daarop hebt gij van -de regeering den rang van kapitein gekregen, met het recht om eene vrij-kompagnie -op te richten, samengesteld uit uwe eigene landgenooten en bijzonder bestemd om jacht -te maken op de Apachen, Comanchen enz.; dat laat zich begrijpen, wij Mexicanen zijn -daartoe veel te lafhartig.” -</p> -<p>»<span class="corr" id="xd30e4599" title="Bron: Senor">Señor</span>, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>, ik moet u onder het oog brengen dat al wat gij mij daar zegt minstens overbodig -is,” riep de graaf gebelgd. -</p> -<p>»Niet zoo overbodig als gij wel denkt;<span class="corr" id="xd30e4607" title="Niet in bron">”</span> hernam de andere altoos onverstoord; »maar houd u bedaard, ik heb gedaan, en ik kom -eindelijk op het punt dat u bijzonder aanbelangt; ik heb u alleen willen doen zien -dat, al kent gij mij niet, ik u daarentegen veel beter ken dan gij wel dacht.” -</p> -<p>Om niet in drift uit te breken sloeg de graaf met de vuist op de tafel en wiegelde -onrustig met het rechter been over het linker. -</p> -<p>»Ik hervat,” vervolgde de onbekende. »Toen gij in Mexico aanlanddet hebt gij zeker -hoe groot uwe eerzucht ook was, niet kunnen denken dat gij binnen zoo korten tijd -zulk eene schitterende positie zoudt verwerven. Gemakkelijk verkregen fortuin is gevaarlijk; -het te veel van gisteren is niet genoeg voor heden, en zoodra gij gezien hadt dat -alles u zoo vlotte, hebt gij met een enkelen meesterlijken zet uw werk willen bekroonen -en u voor altijd in veiligheid willen stellen tegen de nukken der fortuin, die heden -uwe slavin is, maar morgen u wellicht den rug toekeert. Ik misprijs u niet, <span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span>verre van daar, gij hebt meesterlijk gespeeld en daar ik zelf een trage speler ben, -weet ik in anderen een talent te waardeeren dat ik zelf niet bezit.” -</p> -<p>»O!” riep de graaf bijna opvliegend. -</p> -<p>»Geduld! nu ben ik er; toen hebt gij rondgezien en rustten uwe oogen natuurlijk op -don Sylva de Torres. Die caballero was nu genegen en bezat al de hoedanigheden die -gij in een schoonvader zocht, want uw eerste wensch was het sluiten van een rijk huwelijk. -Wat dunkt u! valt gij mij nu nog wel in de rede? ik geloof dat uw eigen historie, -die ik u vertel, u thans belang begint in te boezemen. Don Sylva is goed, is lichtgeloovig; -wat meer zegt, is ontzaglijk rijk, zelfs voor dit land, waar de fortuinen zoo onmetelijk -zijn; bovendien is zijne dochter <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita zeer schoon; kortom, gij hebt u bij don Sylva als vriend laten voorstellen, -gij hebt hem om de hand zijner dochter gevraagd, en hij heeft u die toegestaan; het -huwelijk had zelfs reeds eene maand geleden moeten gesloten zijn. Verdubbel thans -uwe aandacht, caballero, want ik kom aan het belangrijkste gedeelte van mijn verhaal.” -</p> -<p>»Ga voort, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>, gij ziet wel dat ik voor uw verslag het noodige geduld overheb.” -</p> -<p>»Deze beleefdheid zal niet onbeloond blijven, caballero, stel u gerust,” riep de onbekende -met een <span class="corr" id="xd30e4628" title="Bron: nauwlijks">nauwelijks</span> merkbaren zweem van spotternij. -</p> -<p>»Ik heb haast om het slot te vernemen, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>.” -</p> -<p>»Hier is het: ongelukkig voor uwe plannen, was <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita door haar vader op de keus van haar aanstaanden echtgenoot niet gehoord; sinds -lang reeds beminde zij in ’t geheim een jongman die haar bij eene zekere gelegenheid -een grooten dienst had bewezen.” -</p> -<p>»De naam van dien jongman is u zeer zeker bekend, niet waar?” -</p> -<p>»Ja, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>.” -</p> -<p>»Zeg hem mij.” -</p> -<p>»Nog niet; die man beminde haar wederkeerig. De beide jongelieden ontmoetten elkander -buiten weten van don Sylva en zwoeren elkaar eene eeuwige liefde. Toen <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita door haars vaders bevel gedwongen werd u als haar verloofde te beschouwen, -veinsde zij te gehoorzamen, daar zij haar vader geen openlijken weêrstand durfde bieden; -doch zij gaf er haar minnaar kennis van en na elkander opnieuw trouw te hebben gezworen, -waren zij op een middel bedacht om dat noodlottige huwelijk te verbreken.” -</p> -<p>De graaf was intusschen reeds opgestaan en stapte met groote schreden de zaal op en -neer; toen hij de laatste woorden hoorde, trad hij naar den onbekende. -</p> -<p>»Derhalve,” zeide hij op somberen toon, »was de aanranding in de Rancho.…” -</p> -<p>»Een middel door uw medeminnaar beraamd om zich van u te ontslaan, ja, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>, zoo is het,” antwoordde de vreemdeling bedaard. -<span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span></p> -<p>»Die man is dus niets dan een ellendige moordenaar!” hernam de graaf met minachting. -</p> -<p>»Gij vergist u, caballero, hij wilde u alleen dwingen om hem het veld ruim te laten, -een bewijs daarvan is dat hij, toen uw leven in zijne hand was, u niet heeft gedood.” -</p> -<p>»Enfin, moordenaar of geen moordenaar,” riep de graaf, »gij zult mij toch nu zijn -naam wel willen noemen, want gij hebt uw verhaal uit, zoo ik meen.” -</p> -<p>»Nog niet. Na de ontmoeting in de Rancho zijt gij naar uwe hacienda vertrokken, vergezeld -van uw aanstaanden schoonvader en zijne dochter; ook daar heeft de verloofde van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita u geen rust gelaten, en hebben de Apachen u aangevallen.” -</p> -<p>»Wat meer?” -</p> -<p>»Nog meer? moet ik u dan alles uitleggen? Begrijpt gij dan niet dat die man met de -Roodhuiden in verband stond?” -</p> -<p>»En wist <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita daarvan?” -</p> -<p>»Dat durf ik niet verzekeren, maar waarschijnlijk wel.” -</p> -<p>»O!” -</p> -<p>»Het was fijn gespeeld, niet waar?” -</p> -<p>De graaf verbeet zich de lippen dat er het bloed voorstond om niet uit te varen. -</p> -<p>»En gij weet door wie <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita is opgelicht?” -</p> -<p>»Dat weet ik.” -</p> -<p>»Niet door de Roodhuiden?” -</p> -<p>»Neen.” -</p> -<p>»Door dien man zeker?” -</p> -<p>»Ja, door hem.” -</p> -<p>»Maar haar vader don Sylva de Torres is ook opgelicht.” -</p> -<p>»Dat weet ik; maar dat was geheel tegen zijn zin, ik verzeker het u.” -</p> -<p>»Waar is don Sylva op dit oogenblik?” -</p> -<p>»Veilig en wel in zijn huis te Guaymas.” -</p> -<p>»Is zijne dochter bij hem?” -</p> -<p>»Neen.” -</p> -<p>»Dan is zij bij dezen man, niet waar?” -</p> -<p>»Gij gist als een waarzegger.” -</p> -<p>»En weet gij waar zij thans zijn?” -</p> -<p>»Dat weet ik.” -</p> -<p>Snel als een bliksemstraal sprong de graaf op den onbekende, greep hem met de linkerhand -bij den kraag en zette hem met de rechter een pistool op de borst. -</p> -<p>»Thans, ellendeling<span class="corr" id="xd30e4706" title="Bron: ?">,</span>” brulde hij met eene rauwe stem, »zult gij mij zeggen waar zij zijn.” -</p> -<p>»Moeten wij dat soort van spel spelen!” riep de onbekende; »ga dan gerust uw gang, -caballero.” -</p> -<p>Oogenblikkelijk zijn mantel openrukkende, zette hij den graaf met iedere hand een -pistool op de borst. -<span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span></p> -<p>Deze beweging van den onbekende was zoo snel, dat de graaf haar onmogelijk had kunnen -beletten. Buitendien was deze reeds tot andere gedachten gekomen. Hij trok zijn wapen -terug en stak het weder in zijn gordel. -</p> -<p>»Ik was dwaas,” prevelde hij, »vergeef mij die opwelling van toorn.” -</p> -<p>»Van ganscher harte,” antwoordde de onbekende terwijl hij de pistolen bedaard naast -zich op de tafel legde. -</p> -<p>»Nogmaals verschooning,” hervatte de graaf; »nu ik nadenk over hetgeen gij mij gezegd -hebt begin ik werkelijk te gelooven dat gij mij eene dienst wil bewijzen.” -</p> -<p>De onbekende boog toestemmend. -</p> -<p>»Maar één ding is er dat ik niet begrijp.” -</p> -<p>»Wat begrijpt gij niet?” -</p> -<p>»De wijze hoe gij dit alles zijt te weten gekomen.” -</p> -<p>»Dood eenvoudig.” -</p> -<p>»Gij zult mij verplichten door mij te zeggen hoe.” -</p> -<p>»Met genoegen, caballero. Twee mannen vielen u aan in de Rancho.” -</p> -<p>»Ja.” -</p> -<p>»Ik ben het die u op den grond wierp.” -</p> -<p>»Zoo,” zei de graaf op zonderlingen toon. -</p> -<p>»In één woord, ik heet Cuchares; ik ben lepero, dat wil zeggen ik hou meer van de -zon dan van de schaduw, van de rust dan van den arbeid en van een dolksteek nu en -dan, mits ik er voor betaald word, dan van een goede daad die mij niets opbrengt; -begrijpt gij mij?” -</p> -<p>»Zeer goed.” -</p> -<p>»Dus verstaan wij elkander nu?” -</p> -<p>»Dat denk ik wel.” -</p> -<p>»Ik ook, en daarom ben ik juist hier gekomen.” -</p> -<p>»Nog eene vraag.” -</p> -<p>»Toegestaan.” -</p> -<p>»Maar op dit oogenblik verraadt gij immers uwe vrienden?” -</p> -<p>»Ik! Welke?” -</p> -<p>»Degenen die gij tot dusver gediend hebt.” -</p> -<p>»Een man als ik, caballero, heeft geene vrienden, hij heeft slechts cliënten.” -</p> -<p>»Cliënten of vrienden, gij speelt verraad met hen.” -</p> -<p>»Poeh! Wij hebben onze rekening gesloten; zij zijn mij niets meer schuldig en ik hun -evenmin; wij zijn quit. Zoo als gij weet, caballero, iedere zaak heeft twee kanten, -daar een bekwaam man gelijkelijk zijn voordeel mede weet te doen. Van den eenen heb -ik alles gehaald wat ik kon, en nu wil ik eens zien wat mij de andere zal opleveren.” -</p> -<p>De graaf hoorde met gemengden schrik en verbazing deze zonderlinge <span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span>theorie van den lepero; zulk eene ruwe en onbeschaamde hondsvotterij deed hem tegen -wil en dank huiveren, ofschoon de graaf de Lhorailles anders niet zeer gevoelig was. -</p> -<p>»Wij stellen dus dat gij hier komt om mij een dienst te bewijzen.” -</p> -<p>De lepero glimlachte. -</p> -<p>»Laten wij elkander wel verstaan: ik heb dat maar zoo gezegd, om het geweten te sparen -van de caballeros die zich hier bevonden toen ik inkwam; maar tusschen u en mij zal -ik openhartiger zijn.” -</p> -<p>»Dat wil zeggen?”.… -</p> -<p>»Dat ik hier ben gekomen om er u een te verkoopen.” -</p> -<p>»Goed.” -</p> -<p>»En duur te verkoopen.” -</p> -<p>»Goed.” -</p> -<p>»Heel duur.” -</p> -<p>»Dat maakt weinig uit, als het maar de moeite waard is.” -</p> -<p>»Komaan!” riep de lepero vroolijk, »gij zijt een man zoo als ik er juist een dacht -te zullen vinden. Welnu, laat het dan maar aan mij over.” -</p> -<p>»Ik moet wel, omdat ik niet anders kan.” -</p> -<p>»Wat zoudt gij anders willen? Zoo gaat het in de wereld, <span class="corr" id="xd30e4762" title="Bron: van daag">vandaag</span> is het mijne beurt, morgen de uwe. Bah! om eenige duizend piasters moet men niet -knijzen.” -</p> -<p>»Dan vooreerst de naam van mijn mededinger.” -</p> -<p>»Die naam zal u vijftig oncen kosten, dat zeker niets te veel is.” -</p> -<p>»Daar zijn ze,” zei de graaf terwijl hij hem de goudstukken over de tafel toeschoof. -</p> -<p>De lepero deed ze oogenblikkelijk in een zijner diepe zakken verdwijnen. -</p> -<p>»Uw mededinger, caballero, heet don Martial; hij is Tigrero—tijgerjager—en, wat meer -zegt, zeer rijk.” -</p> -<p>»Ik meen dien naam door don Sylva te hebben hooren noemen?” -</p> -<p>»Wel waarschijnlijk; don Sylva mag hem niet lijden, vooral niet omdat don Martial -eens zijne dochter Anita het leven heeft gered.” -</p> -<p>»Inderdaad, ik herinner mij deze bijzonderheid; don Sylva heeft er mij meermalen van -gesproken. Maar hoe heeft don Martial dat meisje ooit kunnen oplichten?” -</p> -<p>»Zeer gemakkelijk, te meer daar zij zelve verlangde hem te volgen. Terwijl gij met -de Apachen aan ’t vechten waart bracht hij <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita in eene prauw, waarin ik haar vader bereids, gebonden en den mond gestopt, -geborgen had; toen zijn wij met ons vieren vertrokken; wij hebben den ganschen nacht -op de rivier gezwalkt om geen spoor van onze vlucht achter te laten, en met het krieken -van den dag hadden wij ruim vijftien mijlen gemaakt. Wij vreesden toen niet meer ontdekt -te zullen worden en gingen aan land; wij kochten paarden van de <i>mansos</i><a class="noteRef" id="xd30e4780src" href="#xd30e4780">1</a> Indianen. Don Martial gelastte mij den vader van het <span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span>meisje naar Guaymas te brengen, van welken plicht ik mij met eere gekweten heb. Don -Sylva wilde mij niet goedschiks volgen, maar eindelijk kreeg ik hem toch behouden -in zijn huis, waar ik hem gelaten heb, om mij weder bij don Martial te voegen die -mij gelast had eenige dingen mede te brengen en mij daartoe op zeker afgesproken punt -wachten zou.” -</p> -<p>»Zoo!” riep de graaf, »en waarom zijt gij dan van hem gescheiden?” -</p> -<p>»Mijn hemel! caballero, wij zijn gescheiden zoo als dat vaak met de beste vrienden -gebeurt, door een nietig misverstand.” -</p> -<p>»Zeer goed; en hij heeft u weggejaagd.” -</p> -<p>»Zoo veel als weggejaagd, dat moet ik bekennen.” -</p> -<p>»Is het reeds lang sedert gij hem verlaten hebt?” -</p> -<p>De lepero kneep het rechteroog dicht. -</p> -<p>»Neen,” antwoordde hij. -</p> -<p>»Zoudt gij mij kunnen brengen waar hij zich thans bevindt?” -</p> -<p>»Ja, zoodra gij wilt.” -</p> -<p>»Zeer goed. Is het ver?” -</p> -<p>»Neen; maar met uw welnemen, caballero, eerst het een en dan het ander; wilt gij? -vraag ik u.” -</p> -<p>»Wij zullen zien.” -</p> -<p>»Hoe veel geeft gij mij als ik u zeg waar don Martial en <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita heen gevlucht zijn?” -</p> -<p>»Twee honderd oncen.” -</p> -<p>»Geef.” -</p> -<p>»Daar zijn ze.” -</p> -<p>De graaf nam eenige handen vol goud uit een ijzeren kistje dat in een hoek van de -zaal stond en gaf ze aan den lepero.<span id="xd30e4809"></span> -</p> -<p>»Het is pleizierig om met zulke menschen te doen te hebben,” zei Cuchares terwijl -hij met ongewone handigheid de nieuwe oncen bij de vorige stak. »Had ik geen gelijk -toen ik u zeide dat ik u een dienst kwam bewijzen?” -</p> -<p>»’t Is waar, ik zeg u dank; waar zijn nu don Martial en <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita?” -</p> -<p>»Zij zijn aan den zendingspost San Francisco.. en nu zal ik zoo vrij zijn om afscheid -van u te nemen.” -</p> -<p>»Nog niet.” -</p> -<p>»Waarom niet?” -</p> -<p>»Om twee redenen: vooreerst omdat ik ondanks al het vertrouwen dat ik in u stel, volstrekt -geen bewijs heb dat gij mij de waarheid hebt gezegd.” -</p> -<p>»O!” riep de lepero met eene afwijzende beweging. -</p> -<p>»Ik weet wel ik heb ongelijk, maar wat zal ik er tegen doen, ik ben nu eenmaal zoo -wantrouwig van aard.” -</p> -<p>»Goed, dan blijf ik; maar uwe tweede reden.” -</p> -<p>»Luister, ik heb u nog een dienst te verzoeken.” -<span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span></p> -<p>»Tegen betaling?” -</p> -<p>»Dat verstaat zich.” -</p> -<p>»Ik luister.” -</p> -<p>»Ik geef u honderd oncen als gij mij bij mijn mededinger wilt brengen.” -</p> -<p>»Canarios!” riep de lepero. -</p> -<p>»Honderd oncen,” herhaalde de graaf. -</p> -<p>»Ik versta u wel. Honderd oncen, ’t is een aardig bod! maar gij moet weten, caballero, -ik ben een <i>costeno</i>, en daarbij een <i>lepero</i>. Het leven in de prairie deugt niet voor mijn gestel, het bederft mijn gezondheid. -Ik heb gezworen het niet langer voort te zetten; de reis van hier naar San Francisco -is moeielijk, wij moeten de groote woestijn door. Neen, caballero, alles wel ingezien -is het onmogelijk.” -</p> -<p>»Dat spijt mij,” antwoordde de graaf onverschillig. -</p> -<p>»Ja?” -</p> -<p>»Omdat ik u,” vervolgde hij, »in plaats van honderd oncen twee honderd oncen zou gegeven -hebben.” -</p> -<p>»Zoo!” riep Cuchares de ooren spitsend. -</p> -<p>»Maar, daar gij weigert, want gij weigert immers? zal ik tot mijn leedwezen verplicht -zijn u te doen doodschieten.” -</p> -<p>»Wat b’lieft u?” schreeuwde de lepero bijna van schrik. -</p> -<p>»Mijn hemel!” hervatte de graaf goedhalzig, »hoor toch eens, mijn waarde, gij zijt -zoo knap in zaken, wie weet, daar gij reeds twee kanten aan deze gevonden hebt, ben -ik maar bang dat gij er misschien nog een derden aan zoudt ontdekken.” -</p> -<p>En eer Cuchares tijd had om het te beletten, maakte de graaf zich met een gezwinden -greep meester van de twee pistolen die op de tafel lagen. -</p> -<p>De lepero ontstelde zichtbaar. -</p> -<p>»Met uw verlof, met uw geachte verlof, caballero,” riep hij met een haperende stem, -»daar gij het zoo bepaald schijnt te verlangen, zou het mij razend veel leed doen -als ik u teleurstelde, ik neem de twee honderd oncen aan.” -</p> -<p>»Mooi zoo!” riep de graaf. »Ja, ik wist ook wel dat wij het eindelijk samen eens zouden -worden.” -</p> -<p>Hij ging naar het koffertje om het geld te krijgen, en moest daarbij den lepero den -rug toekeeren, zoodat hij den zonderlingen spotlach niet zag die zich op diens lippen -bewoog; ware dit anders geweest dan zou hij minder luid victorie gekraaid hebben. -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e4780"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4780src">1</a></span> Half beschaafde Indianen. <a class="fnarrow" href="#xd30e4780src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch18" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6982">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XVIII.</h2> -<h2 class="main">EEN STAP ACHTERWAARTS.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het verhaal van den lepero, ofschoon in den grond waarheid bevattende, was wat den -vorm en de inkleeding betreft geheel valsch <span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span>en logenachtig. Had hij misschien zijne redenen om den graaf de Lhorailles te misleiden? -Dit zal de lezer zelf kunnen beoordeelen wanneer hij ons nieuwe hoofdstuk heeft ten -einde gebracht. -</p> -<p>Wij zijn dus andermaal genoodzaakt den draad onzer historie te breken en eenige passen -terug te keeren. -</p> -<p>Na, zooals wij in een der vorige hoofdstukken gezien hebben, als door een wonder aan -de handen der Apachen te zijn ontsnapt daar hij zoo ongelukkig in vervallen was, had -Cuchares door onder water te duiken, al zwemmende het midden der rivier kunnen bereiken. -Toen hij het hoofd weder boven stak om adem te scheppen, zag hij rond; hij was alleen. -</p> -<p>De lepero smoorde een vreugdekreet en na een minuut van rijp overleg zwom hij uit -al zijn macht naar de wortelboomen, waar don Martial ingevolge het afgesproken signaal, -dat hij door den nood gedrongen reeds had gegeven, hem zonder twijfel stond te wachten. -</p> -<p>Met eenige krachtige armslagen bereikte hij de wortelboomen, tusschen welke hij zich -onmiddellijk onzichtbaar maakte; maar hier wachtte hem eene nieuwe verrassing, de -omgekantelde en aan zich zelve overgelaten prauw was met eenige andere stukken drijfhout -tegen een boomstam aangedreven en daar blijven steken. -</p> -<p>Cuchares, die reeds aan land was gestapt, hoosde de prauw leeg en bracht haar weder -te water. Deze kleine vaartuigen, meestal uit berkenschors vervaardigd, die de Indianen -met behulp van heet water van den stam weten te scheiden, zijn uiterst licht en laten -zich zeer gemakkelijk behandelen. -</p> -<p>Nauwelijks was de lepero er mede klaar of er kwam eene schaduw naar hem toe en fluisterde -hem in ’t oor: -</p> -<p>»Wat komt gij laat.” -</p> -<p>De lepero deed een sprong van schrik, maar herkende don Martial; met een paar woorden -deelde hij hem mede wat er gebeurd was. -</p> -<p>»Alles gaat opperbest, er is niets meê verloren, nu gij weder hier zijt,” antwoordde -de Tigrero; »verberg u maar in de wortelboomen en kom onder geen beding te voorschijn, -voor dat ik weer hier ben.” -</p> -<p>Hij verwijderde zich snel. -</p> -<p>Cuchares maakte des te meer haast om te gehoorzamen, daar hij niet ver van hem af -het rumoer van den hevigen strijd hoorde die op dit oogenblik tusschen de Franschen -en Apachen gestreden werd en in vollen gang was. -</p> -<p>Don Martial was intusschen, met een dolk in de hand om op alles gereed te zijn, als -een spook naar een dicht boschje van floripondio’s geslopen, waar <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita hem bevend verbeidde. -</p> -<p>Op het punt van de takken uiteen te schuiven die hem van het meisje afzonderden bleef -hij staan, met hijgenden adem en gefronste wenkbrauwen: zij was niet alleen! -<span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span></p> -<p>Hare stem, hetzij door aandoening of door toorn bewogen, klonk scherp en gebiedend; -zij scheen met iemand in gesprek. -</p> -<p>Maar met wie? Wie zou haar op deze plek, waar zij zich zoo goed geborgen waande, hebben -weten te vinden en naar alle waarschijnlijkheid haar willen overhalen of desnoods -dwingen hem te volgen? -</p> -<p>De Tigrero luisterde scherp toe. -</p> -<p>Weldra bewoog hij zich toornig en dreigend, hij had de stem herkend van den man die -met <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita sprak: het was haar vader. -</p> -<p>Alles was verloren. -</p> -<p>De haciendero trachtte zijne dochter te bewegen naar den kant der gebouwen terug te -keeren en gebruikte daartoe alle middelen van overreding. Zoo het scheen vermoedde -hij iets van de reden waarom zijne dochter zich op deze plaats bevond. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita weigerde stellig mede te gaan, verklarende dat zij liever in handen van een -Indiaanschen strooper zou willen vallen, dan zich aan het gevaar bloot te stellen -dat zij tot iederen prijs wilde vermijden. -</p> -<p>Don Martial sloeg zich met de hand op het voorhoofd, een zonderlinge glimlach plooide -zijne lippen, zijn oog fonkelde en hij verwijderde zich snel in de richting der rivier. -</p> -<p>Inmiddels woedde de strijd steeds voort; nu eens scheen het rumoer nader te komen -en hoorde men vloekkreten en verwenschingen, dan eens flikkerde er als bliksemlicht -door de lucht en hoorde men de kogels tegen muren of boomen neerkomen, met dat eigenaardig -gekletter, dat voor nieuwelingen in den krijg zoo verontrustend is. -</p> -<p>»In ’s hemels naam! lieve dochter,” hervatte don Sylva dringender dan ooit, »kom toch, -wij hebben geen oogenblik te verliezen, binnen weinige seconden wellicht wordt ons -de terugtocht afgesneden; kom toch bid ik u.” -</p> -<p>»Neen, vader,” antwoordde zij hoofdschuddend, »ik wacht mijn lot af; wat er ook gebeure, -ik zeg u nog eens, ik ga hier niet <span class="corr" id="xd30e4901" title="Bron: van daan">vandaan</span>.” -</p> -<p>»Maar dat is dwaasheid,” riep de haciendero, »wilt gij dan sterven?” -</p> -<p>»Wat geef ik om sterven,” riep zij treurig, »ben ik niet op alle manieren veroordeeld? -God is mijn getuige, vader, dat ik om het voor mij bestemde huwelijk te ontgaan liever -zou willen sterven!” -</p> -<p>»Anita, in ’s hemels naam!” -</p> -<p>»Wat kan het u schelen, vader, of ik heden den woesten heidenen in handen val, daar -gij mij morgen met eigen hand aan een man zult overleveren dien ik verafschuw?” -</p> -<p>»Spreek toch zoo niet, meisje. Buitendien, het oogenblik is dunkt mij voor het bespreken -van zulk eene zaak zeer slecht gekozen, <span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span>kom toch meê, het rumoer neemt toe; weldra zal het te laat zijn.” -</p> -<p>»Ga maar gerust heen, vader, als gij dat goedvindt,” antwoordde zij ronduit; <span class="corr" id="xd30e4914" title="Niet in bron">»</span>maar ik blijf hier, wat er ook moge gebeuren.” -</p> -<p>»In dat geval en als gij volstandig weigert mij te gehoorzamen, zal ik de macht gebruiken -die ik bezit en u met geweld wegvoeren.” -</p> -<p>Het meisje sloeg den linkerarm om een jongen acajou-ceder en keek haar vader aan met -een blik van onverzettelijken onwil. -</p> -<p>»Waag het maar niet, vader, om het te doen!” riep zij, »want ik zeg u vooruit dat -bij den eersten stap dien gij mij nadert gebeuren zal wat gij zoo zeer vreest; ik -zal zoo hard schreeuwen dat de heidensche Roodhuiden het hooren en terstond hier zullen -komen.” -</p> -<p>Don Sylva bleef aarzelend staan; hij kende het vastberaden karakter zijner dochter -en wist dat zij in staat was hare bedreiging onmiddellijk ten uitvoer te brengen. -</p> -<p>Er verliepen eenige minuten, gedurende welke vader en dochter tegenover elkander stonden, -met strakke blikken elkander aankijkend, maar zonder een woord te spreken of een spier -te verroeren. -</p> -<p>Op eens ontstond er een hevig gekraak in het floripondioboschje, de takken werden -met woest geweld uit elkander gebogen, om twee mannen, of liever twee duivels door -te laten, die als met tijgersprongen op den haciendero aanvielen en hem op den grond -wierpen. Eer nog don Sylva in het schemerende sterrenlicht in staat was zijne onverwachte -aanvallers te herkennen, hadden zij hem reeds gekneveld, een prop in den mond gestopt -en een doek over het hoofd geknoopt, zoodat hij niets meer zien kon van hetgeen er -rondom hem gebeurde, noch weten wat er niet alleen met hem maar ook wat er met zijne -dochter gebeuren zou. -</p> -<p>Laatstgenoemde door deze plotselinge overrompeling onthutst had een schreeuw gedaan -van schrik, maar voorzichtigheidshalve terstond weder gezwegen, daar zij don Martial -herkende. -</p> -<p>»Stil,” zeide de Tigrero schielijk en zacht, »ik wist geen ander middel om het gedaan -te krijgen, maar kom dadelijk mede; uw vader, weet gij, is mij heilig, om uwentwil -zal hem geen leed geschieden.” -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita antwoordde niet. -</p> -<p>Op een wenk van don Martial had Cuchares den haciendero op zijne schouders genomen -en hem naar de wortelboomen gedragen. -</p> -<p>»Waar gaan wij heen?” vroeg <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita met eene bevende stem. -</p> -<p>»Waar wij zoo ik hoop samen gelukkig zullen zijn,” fluisterde de Tigrero teergevoelig, -terwijl hij haar gezwind opnam en op een drafje naar de prauw droeg. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita bood geen weerstand, integendeel, zij glimlachte, sloeg haar rechter arm om -den hals van den drager, om het evenwicht beter te bewaren, dat bij deze harddraverij -over de wortelboomen wel noodig was terwijl don Martial van tak tot tak stapte of -sprong, of zich aan de lianen vasthield, met stem en gebaar zijn kostbaren last aanmoedigende. -<span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span></p> -<p>Cuchares had don Sylva op den bodem der prauw gelegd, en met de pagaai in de hand -wachtte hij vol ongeduld de komst van don Martial, daar het gedruisch van den strijd -nog scheen toe te nemen, ofschoon uit het wel onderhouden geweervuur en uit de verschillende -kreten die men nu en dan hoorde, gemakkelijk was op te maken dat de overwinning aan -de zijde der Franschen verbleef. -</p> -<p>»Wat zullen wij doen?” vroeg Cuchares. -</p> -<p>»Naar het midden der rivier roeien en den stroom afzakken.” -</p> -<p>»Maar onze paarden?” vroeg de lepero. -</p> -<p>»Redden wij eerst ons zelven, de paarden zullen wij later wel vinden. Het blijkt duidelijk -dat de blanken het winnen. Zoodra het gevecht over is, zal de graaf de Lhorailles -overal zijne bruid en zijn schoonvader laten zoeken; het is van belang geen sporen -achter te laten, anders zijn wij verloren. De Franschen zijn duivels, zij zouden ons -zeker terugvinden.” -</p> -<p>»Intusschen geloof ik.…” begon Cuchares. -</p> -<p>»Van wal, zeg ik u,” riep de Tigrero op gebiedenden toon terwijl hij de prauw met -een krachtigen schop in het ruime sop duwde. -</p> -<p>Zij vertrokken. -</p> -<p>De eerste oogenblikken der reis gingen zwijgend voorbij, ieder dacht voor zich zelve -na over den zonderlingen toestand waarin zij zich bevonden. -</p> -<p>Don Martial had een onmetelijke verantwoordelijkheid op zich genomen door, om zoo -te zeggen, op een enkele kaart het geluk zijner beminde en van hem zelven te wagen. -Wat hem nog het meeste stof tot bezwaar gaf, daar op den bodem der prauw lag de haciendero; -zijn toestand was inderdaad ernstig en de uitkomst moeielijk te vinden. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita zat met het hoofd gebogen en met afgetrokken blik; in gedachten verdiept liet -zij hare kleine hand over den rand der prauw in het water hangen dat snel langs het -boord voorbij schoot. -</p> -<p>Cuchares, die uit al zijn macht roeide, dacht ook bij zich zelven na en vond het leven -dat hij tegenwoordig leidde alles behalve aangenaam; te Guaymas was hij veel gelukkiger, -als hij met het hoofd in de schaduw en de beenen in de zon onder het portiek eener -kerk kon liggen en zijn middagslaapje doen, gestreeld door den verfrisschenden zeewind -of zacht indommelend onder het geheimzinnig murmelen der branding tegen de keien op -het rotsige zeestrand. -</p> -<p>Wat don Sylva betreft, men kon niet zeggen dat hij dacht; aan eene stille woede ten -prooi, die als zij te lang duurde ontwijfelbaar in razernij moest eindigen, beet hij -kwaadaardig op de prop die hem den mond sloot en kromde zich in zijne banden, zonder -ze te kunnen verbreken. -</p> -<p>De verschillende geluiden van den strijd werden al zwakker en zwakker en hielden eindelijk -geheel op. -</p> -<p>De reizigers bleven nog een geruimen tijd zwijgen, niet zoozeer <span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span>verdiept in hun eigen gedachten dan wel weggesleept door de streelende gewaarwordingen -eener droomende zwaarmoedigheid, die zoo vaak bij krachtige maar geschokte gemoederen -opkomt onder den indruk der roerloos plechtige stilte, ontzagwekkende eenzaamheid -en aangrijpende harmonie der Amerikaansche wildernis, wier beschrijving geen menschelijke -pen in staat is in al hare grootheid en majesteit weêr te geven. -</p> -<p>De sterren begonnen aan den hemel allengs te verbleeken, een opalen lichtstreep teekende -zich flauw aan den horizont; de logge alligators woelden zich los uit de modder en -gingen uit om hun morgenmaal te zoeken; de uil in de boomen aan den rivierkant verscholen, -begroette de naderende komst van de zon; de coyotes zwierven in schichtige troepen -aan den zandigen oever en verhieven nu en dan hun heesch gekef; de wilde dieren keerden -naar hunne holen terug, met haastigen stap, ofschoon na hun gewone maal bezwaard door -den slaap; de dag zou weldra aanbreken. <span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita neigde behaagziek het hoofd aan den schouder van don Martial. -</p> -<p>»Waar gaan wij zoo heen?” vroeg zij met eene zachte stem en op een toon van gedweeheid. -</p> -<p>»Wij vluchten,” antwoordde hij lakonisch. -</p> -<p>»Wij zijn nu reeds zes uren lang de rivier afgevaren, gedragen door den stroom en -gestuurd door uwe vier krachtig gehanteerde pagaaien; zijn wij nu nog niet buiten -het bereik?” -</p> -<p>»Ja, sinds lang reeds; maar het is de vrees voor de Franschen niet die mij dit oogenblik -drijft.” -</p> -<p>»Wat is het dan?” -</p> -<p>De Tigrero wees haar met een veelbeduidenden wenk op don Sylva, die na uitputting -van toorn en kracht, eindelijk stilzwijgend zijn onvermogen erkend had en geëindigd -was met op den bodem der prauw in te slapen. -</p> -<p>»Helaas!” zeide zij, »gij hebt gelijk, dat kan zoo niet blijven, die toestand is onverdragelijk.” -</p> -<p>»Zoo gij mij naar eigen goedvinden laat begaan, zal uw vader mij eer wij een kwartieruurs -verder zijn nog bedanken.” -</p> -<p>»Gij weet immers dat ik mij geheel op u verlaat?” -</p> -<p>»Dank u,” zeide hij, en zich tot Cuchares wendende, fluisterde hij hem eenige woorden -in ’t oor. -</p> -<p>»Ha ha! dat is een gelukkige inval,” grinnikte de lepero. -</p> -<p>Vijf minuten later kwam de prauw aan wal. -</p> -<p>Don Sylva werd met de uiterste voorzichtigheid door de beide mannen opgenomen en aan -land gedragen, zonder dat hij ontwaakte. -</p> -<p>»Nu is de beurt aan u,” zei don Martial tegen het meisje; »gij dient eene kleine rol -te spelen; om de list die ik er op verzonnen heb wel te doen gelukken, moet gij mij -toestaan u voor een paar minuten aan dien inktboom vast te binden.” -</p> -<p>»Ga uw gang, vriend.” -<span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span></p> -<p>De Tigrero nam haar in zijne forsche armen, droeg haar aan land en in een oogenblik -had hij haar met een riem aan den boomstam gebonden. -</p> -<p>»Houd nu dit in het oog,” zeide hij schielijk, »de vertooning is, dat uw vader en -gij door de Apachen uit de hacienda zijn opgelicht, dat wij u bij toeval hier ontmoeten -en.…” -</p> -<p>»Ons komt redden, niet waar?” riep zij lachende. -</p> -<p>»Juist; alleen moet gij nu nog een paar keeren, hoe harder hoe beter schreeuwen en -gillen, als of gij erg bang en verschrikt waart. Dat begrijpt gij, niet waar?” -</p> -<p>»O! zeer goed.” -</p> -<p>Volgens bovenstaand programma werd de komedie gespeeld. <span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita begon geweldig te gillen, waarop de twee avonturiers uit de verte antwoordden, -hunne geweren en pistolen afschoten alsof er gevochten werd en toen naar den haciendero -liepen, dien zij gezwind van zijne banden bevrijdden en niet alleen het vrije gebruik -zijner ledematen teruggaven, maar ook dat van zijne spraak en van zijn gezicht. -</p> -<p></p> -<div class="figure p181width"><img src="images/p181.jpg" alt="Don Sylva richtte zich eerst half op en zag zijne dochter met hangende haren aan een boom gebonden. Bladz. 181." width="493" height="720"><p class="figureHead">Don Sylva richtte zich eerst half op en zag zijne dochter met hangende haren aan een -boom gebonden. Bladz. 181.</p> -</div><p> -</p> -<p>Don Sylva richtte zich eerst half op, wierp een verwezen blik om zich heen, en zag -zijne dochter met hangende haren aan een boom gebonden, terwijl twee mannen zich haastten -haar te hulp te komen en los te maken. De haciendero sloeg de oogen op en dankte den -hemel in stilte voor zijne bevrijding. -</p> -<p>Zoodra ook Anita weder vrij was ijlde zij naar haar vader, viel hem om den hals en -na hem gekust te hebben verborg zij haar gelaat, wellicht uit schaamte over de verregaande -wijs waarop zij den edelen grijsaard had helpen bedriegen, blozend aan zijne borst. -</p> -<p>»Mijn arm, dierbaar kind,” riep hij tot tranen bewogen; »voor u, voor u alleen, heb -ik gebeefd in dezen langen, vreeselijken nacht.” -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita antwoordde niet, haar hart klopte hevig bij dit grievend verwijt. -</p> -<p>Don Martial en Cuchares, het oogenblik gunstig achtende, traden thans naderbij met -de nog rookende buksen in hunne handen. -</p> -<p>Toen de haciendero hen zag en herkende, kwam er een wolk op zijn gezicht, een donker -vermoeden bekroop zijne ziel. Hij keek de beide mannen en zijne dochter beurtelings -aan met een uitvorschenden blik, stond op met gefronste wenkbrauwen en bevende lippen, -zonder nochtans een woord te uiten. -</p> -<p>De Tigrero werd tegen wil en dank ongerust over dit stilzwijgen, dat hij wel verre -was van te verwachten. Na den dienst, die hij had voorgewend den haciendero bewezen -te hebben, gevoelde hij zich verplicht het eerst te spreken. -</p> -<p>»Ik acht mij gelukkig,” begon hij min of meer stotterend, »dat ik hier zoo toevallig -op den aanslag kwam, don Sylva, om u aan de handen der Roodhuiden te ontrukken.” -</p> -<p>»Ik zeg u dank, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> don Martial,” antwoordde de haciendero <span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span>droog, »van uwe bekende rechtschapenheid kon ik niets minder verwachten. Het heeft -zoo moeten wezen; het schijnt wel, dat gij na de dochter te hebben gered, ook haar -vader hebt moeten redden. Gij schijnt voorbestemd om de bevrijder van mijne geheele -familie te zijn; ontvang daarvoor mijne oprechte dankbetuiging.” -</p> -<p>Deze woorden werden op een toon van spotternij uitgesproken, die den Tigrero als een -pijl in het hart trof; hij kon geen gepast antwoord vinden en maakte eene onhandige -buiging om zijne verlegenheid te verbergen. -</p> -<p>»Vader,” zij <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita op vleienden toon, »don Martial heeft zijn leven voor ons gewaagd.” -</p> -<p>»Ik heb er hem immers reeds voor bedankt,” zeide hij. »Het is zoo, het schijnt een -heete strijd geweest; maar de heidenen hebben wel spoedig het hazenpad gekozen; is -er niemand van hen gedood?” -</p> -<p>Dit zeggende deed de haciendero alsof hij rondkeek. -</p> -<p>Don Martial herstelde zich. -</p> -<p>»<span class="corr" id="xd30e5032" title="Bron: Senor">Señor</span> don Sylva de Torres,” riep hij met eene vaste stem, »dit voorval bracht ons weder -tegenover elkander, geef mij dus de vrijheid u te zeggen dat slechts weinige menschen -u zoo genegen en getrouw zijn als ik.” -</p> -<p>»Dat hebt gij mij zoo even bewezen, caballero.” -</p> -<p>»Spreken wij daar niet meer van,” zei don Martial, »nu gij weder uw eigen meester -zijt en vrij kunt handelen, hebt gij slechts te spreken en te bevelen. Ik ben bereid -om te beproeven wat gij van mij eischt, ten einde u te kunnen bewijzen, hoe gelukkig -ik mij acht alles te doen wat u aangenaam is.” -</p> -<p>»Dat is ronde taal, die ik begrijp, caballero, en daar ik u even rond op zal antwoorden. -Gewichtige redenen nopen mij om naar de kolonie Guetzalli terug te keeren, waar ik -was toen de heidenen mij zoo verraderlijk hebben opgelicht.” -</p> -<p>»Wanneer wilt gij vertrekken.” -</p> -<p>»Dadelijk, zoo dit mogelijk is.” -</p> -<p>»Alles is mogelijk, caballero, alleen moet ik u doen opmerken, dat wij hier dertig -mijlen van die hacienda verwijderd zijn, dat het land waar wij ons bevinden eene eenzame -wildernis is, zoodat wij uiterst moeielijk paarden zullen krijgen en dat wij met den -besten wil van de wereld die reis niet te voet kunnen afleggen.” -</p> -<p>»Vooral mijne dochter niet, niet waar?” hervatte hij met een bitteren glimlach. -</p> -<p>»Ja,” herhaalde de Tigrero, »vooral de <span class="corr" id="xd30e5045" title="Bron: senorita">señorita</span>.” -</p> -<p>»Wat dan gedaan? want ik ben volstrekt verplicht om derwaarts terug te keeren, vooral -om mijne dochter,” voegde hij er bij met nadruk op de laatste woorden, »en dat wel -zoo spoedig mogelijk.” -</p> -<p>De Tigrero loog een weinig toen hij don Sylva verzekerde dat zij dertig mijlen van -de kolonie af waren; de afstand bedroeg niet meer <span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span>dan achttien mijlen; maar in zulk een onherbergzame streek, waar geene wegen bestaan, -zijn zestien of achttien mijlen bijna onoverkomelijk voor iemand die, aan het ruwe -woestijnleven ongewoon, tegen de daarvan onafscheidelijke vermoeienis niet gehard -is. Don Sylva, ofschoon hij de prairie nooit doorreisd had dan op den weelderigsten -voet en voorzien van al de gemakken, die men zich in deze verre streken met mogelijkheid -verschaffen kan, wist ten minste, zoo al niet bij ondervinding dan toch bij geruchte, -hoevele moeielijkheden er bij iederen stap konden oprijzen en welke belemmeringen -hij op zijn weg ontmoeten kon. Zijn besluit was dus dadelijk genomen. -</p> -<p>Gelijk velen zijner landgenooten bezat don Sylva eene groote mate van stijfhoofdigheid; -wanneer hij eenmaal een plan gevormd of een doel zich voor oogen had gesteld, onverschillig -wat het ook wezen mocht, zou hij er alles aan gewaagd hebben en werd iedere hindernis -die hem in den weg kwam een nieuwe prikkel om het te bereiken. -</p> -<p>»Hoor mij dan, don Martial,” zeide hij tegen den Tigrero, »ik wil rond met u te werk -gaan: ik behoef u niet voor nieuws te vertellen, dat mijne dochter op het punt staat -van met den graaf de Lhorailles te huwen; dat huwelijk moet gesloten worden, ik heb -het gezworen en het zal geschieden, trots al wat men zegge of doe om het te beletten. -En nu, na deze verklaring, zal ik uwe trouw jegens mij, daar gij zoo hoog van opgeeft, -op de proef stellen.” -</p> -<p>»Spreek, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span>,” zei don Martial. -</p> -<p>»Zend dan uw kameraad naar de graaf de Lhorailles; ik zal hem een brief medegeven -om zijne ongerustheid te doen bedaren en hem mijne aanstaande komst aan te kondigen.” -</p> -<p>»Goed.” -</p> -<p>»Zal hij het doen?” -</p> -<p>»Oogenblikkelijk.” -</p> -<p>»Dank u. Wat thans u zelven aangaat, geef ik u vrijheid ons te verlaten of te volgen, -zoo als gij verkiest, maar vooreerst hebben wij paarden en wapenen en bovenal een -goed eskorte noodig. Ik zou niet gaarne weder in handen der heidenen vallen; misschien -zou ik dezen keer het geluk niet hebben om er zoo goed af te komen.” -</p> -<p>»Blijf hier, binnen twee uren kom ik met paarden terug; wat een eskorte betreft, daar -zal ik u aan zien te helpen, maar dat durf ik u niet stellig verzekeren. Daar gij -er niets tegen hebt dat ik medega, zal ik u verzellen tot gij den graaf ontmoet. Gedurende -den tijd dien ik het geluk zal hebben met u op reis door te brengen, hoop ik u te -bewijzen dat gij u in mij vergist hebt.” -</p> -<p>Deze woorden werden op zulk een ondubbelzinnigen toon uitgesproken, dat de haciendero -er zich door getroffen gevoelde. -</p> -<p>»Wat er ook gebeure,” zeide hij, »ik zeg u dank, gij zult mij <span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span>in ieder geval een onuitsprekelijken dienst hebben bewezen, daar ik u eeuwig erkentelijk -voor zal zijn.” -</p> -<p>Don Sylva scheurde een blad papier uit zijn zakboekje, schreef er met potlood eenige -woorden op, vouwde het toe en gaf het den Tigrero. -</p> -<p>»Zijt gij zeker van dien man?” vroeg hij. -</p> -<p>»Zoo goed als van mij zelven,” antwoordde don Martial uitwijkend; »wees gerust dat -hij den graaf zien zal.” -</p> -<p>De haciendero wees met de hand dat hij voldaan was, en de Tigrero naderde Cuchares. -</p> -<p>»Ziedaar,” zeide hij met eene luide stem terwijl hij hem het briefje ter hand stelde, -»breng dat binnen twee uren bij den kommandant van Guetzalli. Hebt gij mij verstaan?” -</p> -<p>»Ja,” antwoordde de lepero. -</p> -<p>»Vertrek, en de hemel beware u voor kwade ontmoetingen. Over een kwartier achter dien -heuvel daar;” liet hij schielijk en fluisterend er op volgen. -</p> -<p>»Afgesproken,” riep de andere met eene buiging. -</p> -<p>»Neem deze prauw,” vervolgde de Tigrero. -</p> -<p>Zoo de haciendero al eenigen argwaan had kunnen koesteren, thans verdween deze geheel, -nu hij zag dat Cuchares in de prauw sprong, de pagaaien greep en dadelijk van wal -stak, zonder taal of teeken met den Tigrero te wisselen en zelfs zonder het hoofd -om te wenden. -</p> -<p>»Dat is het eerste gedeelte uwer beschikkingen, die gij in vervulling ziet overgaan,” -zei de Tigrero toen hij bij don Sylva terugkwam; »nu zal ik mij met het tweede belasten; -neem mijne pistolen en mijne machete, dan kunt gij u althans te weer stellen in geval -van nood, want ik laat u hier achter, maar vooral verwijder u niet, binnen twee uren -op zijn langst ben ik weder bij u.” -</p> -<p>»Weet gij dan een middel om hier paarden te vinden?” vroeg don Sylva. -</p> -<p>»Weet gij nog niet dat de woestijn mijne dagelijksche woonplaats is?” antwoordde hij -met een somberen glimlach. »Ik ben hier thuis; weldra zult gij er het bewijs van zien. -Tot wederziens?” -</p> -<p>En hij verwijderde zich snel in tegenovergestelde richting als de prauw. -</p> -<p>Toen hij een poos geloopen had en achter een dicht boschje van acajou-boomen en kreupelhout -voor don Sylva onzichtbaar was geworden, maakte hij op eens een scherpen hoek rechts, -van de rivier af en liep hard terug tot hij de andere zijde van den heuvel bereikte. -</p> -<p>Daar zat <span class="corr" id="xd30e5091" title="Bron: Guchares">Cuchares</span> bedaard zijne cigarette rookend op hem te wachten. -</p> -<p>»Geen woorden, maar daden,” zei de Tigrero, »de tijd dringt.” -</p> -<p>»Ik wacht uwe bevelen.” -<span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span></p> -<p>»Ziet gij dezen diamant?” en hij wees den lepero op den ring aan zijn das. -</p> -<p>»Hij is duizend piasters waard,” zei de lepero die hem met het oog van een kenner -bekeek. -</p> -<p>Don Martial bood hem den ring aan. -</p> -<p>»Dien geef ik u,” zeide hij. -</p> -<p>De andere nam hem aan en stak hem bij zich. -</p> -<p>»Wat moet ik er voor doen?” -</p> -<p>»Mij dadelijk den brief geven.” -</p> -<p>»Daar is hij.” -</p> -<p>Don Martial nam hem en scheurde hem in duizend stukjes. -</p> -<p>»Wat volgt?” vroeg Cuchares. -</p> -<p>»Wat volgt,” herhaalde de Tigrero, »ik heb nog een diamant van gelijke waarde ter -uwer beschikking; gij verstaat mij?” -</p> -<p>»Ja, ik neem het aan.” -</p> -<p>»Maar op eene voorwaarde.” -</p> -<p>»Die ken ik,” zeide de lepero met een veelbeteekenenden wenk. -</p> -<p>»Gij neemt het stellig aan, zegt gij?” -</p> -<p>»Stellig.” -</p> -<p>»Dat is afgesproken.” -</p> -<p>»Gij zult nooit weêr verdriet van hem hebben.” -</p> -<p>»Goed; maar gij begrijpt, ik verwacht bewijzen.” -</p> -<p>»Die zult gij hebben.” -</p> -<p>»Dan tot weerziens.” -</p> -<p>»Tot weerziens.” -</p> -<p>De beide medeplichtigen scheidden ten hoogste voldaan, zij hadden elkander met een -enkel woord begrepen. -</p> -<p>Wij hebben reeds gezien op welke wijs Cuchares zich kweet van de zending daar don -Sylva hem mede belast had. -</p> -<p>Na zijn kort gesprek met Cuchares ging don Martial er op uit om ergens paarden te -zoeken. -</p> -<p>Twee uren later keerde hij terug; niet alleen had hij uitmuntende paarden medegebracht, -maar tevens twee peons of die er voor moesten doorgaan om tot geleide te dienen. -</p> -<p>De haciendero waardeerde in allen deele de kieschheid waarmede don Martial te zijnen -opzichte te werk ging, en ofschoon het uitzicht en de manieren zijner nieuwe beschermers -niet van de echte soort waren, bedankte hij den Tigrero toch hartelijk voor de moeite -die deze zich gegeven had om aan zijn verlangen te voldoen, en thans omtrent den afloop -zijner reis volkomen gerustgesteld, nam hij met goeden eetlust deel aan het ontbijt, -een gebraden hertebout met een dronk pulque, die don Martial hem mede had weten te -bezorgen. -</p> -<p>Toen de maaltijd geëindigd was ging de kleine troep, wel gewapend en vol moed op marsch -in de richting naar de kolonie Guetzalli, waar don Sylva, op zijn gemak reizende, -en zoo er ten minste <span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span>niets in den weg kwam, berekende binnen drie dagen te zullen aankomen. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch19" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6991">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XIX.</h2> -<h2 class="main">IN DE PRAIRIE.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De noordoostelijke grens van Mexico tot aan de oude thans verlaten en in puin vallende -zendelingsposten der Jezuïeten, vormt den rand der groote prairie van de <span class="corr" id="xd30e5138" title="Bron: Rio-Gila">Rio Gila</span>, of Apacheria, die zich uitstrekt tot aan de onvruchtbare woestijn del Norte. -</p> -<p>In dit gedeelte der prairie spreidt de natuur om zoo te zeggen met verkwistende praalzucht, -een rijkdom van groeikracht en vruchtbaarheid ten toon die men elders te vergeefs -zou zoeken. -</p> -<p>Guetzalli was aangelegd op de bouwvallen van een der bovengenoemde, voorheen zoo bloeiende -zendelingsposten der paters Jezuïeten, die sedert het decreet der uitdrijving uit -deze streek verdwenen zijn. -</p> -<p>Zonder hier in eenige beschouwingen hetzij voor of tegen de Jezuïetenorde te treden, -zullen wij alleen in ’t voorbijgaan zeggen, dat zij in dit gedeelte van Amerika groote -diensten heeft bewezen; dat al de zendingsposten, door de paters in de wildernis gesticht, -bloeiden; dat de Indianen van alle kanten toestroomden om zich onder hunne vaderlijke -wetten te stellen, en dat sommige missiën, die wij bij name zouden kunnen noemen, -niet minder dan zestig duizend bekeerlingen telden; ten bewijze van de deugd hunner -instellingen kan men aanvoeren, dat toen de Jezuïeten van hooger hand bevel kregen -hunne posten aan andere geestelijke broeders over te geven, de proselieten hun uit -eigen beweging en met vele tranen smeekten om dit willekeurig bevel niet te gehoorzamen, -hun aanbiedende om hen desnoods tegen alles te zullen verdedigen. -</p> -<p>Tot staving van dezen lof dien wij den Jezuïeten hoezeer spade toekennen, kan verder -dienen, dat na hun vertrek de zendingsposten spoedig zijn vervallen, en de proselieten -die zij met zooveel moeite in den schoot der Kerk hadden gebracht, allen tot het wilde -leven zijn teruggekeerd; ofschoon na verloop van zoo vele jaren de geheugenis der -weldaden hun door de zendelingen bewezen, nog altijd in het hart der Indianen leeft -en een hoofdonderwerp uitmaakt hunner gesprekken, wanneer zij des avonds rondom hunne -kampvuren samen keuvelen, over den goeden ouden tijd, toen de blanke vaders nog voor -hen zorgden en waakten. -</p> -<p>Don Sylva de Torres wenschte zoo spoedig mogelijk en langs den kortsten weg de kolonie -Guetzalli te bereiken; ongelukkig moest hij daartoe, om zoo te zeggen als een vogel -door de lucht, eene uitgebreide landstreek doortrekken, waar geen spoor van pad of -weg te vinden was; bovendien was hij door zijn gemis van plaatselijke kennis <span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span>genoodzaakt zich geheel op don Martial te verlaten, een uitmuntende gids ongetwijfeld -waar het op schranderheid of kennis van de wildernis aankwam, maar in wien hij om -andere redenen, daar hij zich niet recht rekenschap van wist te geven, niet veel vertrouwen -stelde. -</p> -<p>Evenwel gaf de Tigrero, in schijn althans, bewijs van de meeste <span class="corr" id="xd30e5151" title="Bron: voorkomenheid">voorkomendheid</span> en zorg voor den haciendero, voerde hem zooveel mogelijk langs begaanbare wegen, -deed hem de moeielijkste plaatsen vermijden of omtrekken en waakte met voorbeeldigen -ijver voor de veiligheid der kleine karavaan. -</p> -<p>Iederen avond kampeerde de troep op de kruin van een heuvel, vanwaar men tot op verren -afstand kon uitzien, ten einde eene overrompeling te vermijden. -</p> -<p>Op den avond van den vierden dag, na een vermoeienden marsch over een verbrokkeld -terrein, bereikten zij een heuvel, waar don Martial hun weder voorstelde te kampeeren. -</p> -<p>De haciendero nam dit voorstel des te gretiger aan, daar hij weinig aan deze manier -van reizen gewoon, zich uiterst vermoeid gevoelde. Na een sober maal, uit gebraden -maïskoeken en gestoofde, met piment gekruide en met pulque gedoopte peren bestaande, -wikkelde don Sylva, zonder zelfs aan zijne vaste gewoonte te denken om na den maaltijd -een cigarette te rooken, zich zorgvuldig in zijn mantel, strekte zich op den grond -uit, met de voeten aan het vuur en het hoofd op een stapeltje zoden en zonk bijna -onmiddellijk in een diepen slaap. -</p> -<p>Don Martial en Anita bleven eene poos stilzwijgend bij het vuur zitten met de oogen -op den slapende gericht en met aandacht zijne ademhaling bespiedende. Eindelijk, toen -de Tigrero overtuigd was dat de haciendero werkelijk sliep, wendde hij zich tot het -meisje en fluisterde haar met eene zachte stem in ’t oor: -</p> -<p>»Vergeving, <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita, vergeving!” -</p> -<p>»Vergeving! en waarom?” vroeg zij verwonderd. -</p> -<p>»Helaas! het is voor mij dat gij zooveel moet lijden.” -</p> -<p>»Egoïst,” riep zij met een bekoorlijken lach, »is het dan ook niet tevens voor mij, -omdat ik u zoo bemin?” -</p> -<p>»O! dank!” riep hij, »gij geeft mij den moed terug dien ik in mijn hart voelde wegzinken. -Maar o! hoe zal dit alles nog afloopen?” -</p> -<p>»Goed, daarvan ben ik overtuigd,” riep zij levendig, »wij hebben slechts een weinig -geduld noodig; mijn vader, denk dat maar, zal spoedig voor u gewonnen zijn.” -</p> -<p>De Tigrero glimlachte droevig. -</p> -<p>»Ik kan u toch niet zoo eindeloos in de prairie laten zwerven.” -</p> -<p>»Dat is zoo,” hervatte zij bezorgd. »Wat zullen wij doen?” -</p> -<p>»Ik weet het niet. Sedert twee dagen doen wij niets anders dan om de kolonie heen -zwerven, daar wij nauwelijks drie uren ver van verwijderd zijn, zonder dat ik den -moed heb om er binnen te trekken.” -</p> -<p>»Helaas!” mompelde het meisje. -<span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span></p> -<p>»Ach! <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita!” vervolgde hij op zekeren toon van moedeloosheid, »waarom hebt gij toch zulk -een vader?” -</p> -<p>»O spreek zoo niet,” riep zij hem schielijk de hand op den mond leggende als om hem -te doen zwijgen, »waarom zoudt gij wanhopen? God is goed. Hij zal ons niet verlaten; -wie weet hoe zich alles nog ten beste keert, laten wij op Hem vertrouwen?” -</p> -<p>»Maar, mijne lieve,” riep hij hoofdschuddend, »onze toestand is onhoudbaar. Langer -zonder doel voorttrekken is onmogelijk. Uw vader, hoe weinig hij ook met dit land -bekend is, zal eindelijk zien dat ik hem misleid, en dan kan ik niets meer bij hem -uitrichten. Aan den anderen kant, als ik de kolonie binnen trok, zou ik u terugbrengen -onder het juk van den man met wien men u dwingen wil te trouwen; tot zulke eene schandelijke -dwaasheid kan ik niet besluiten. O! ik zou gaarne tien van mijne levensjaren geven -om te weten wat ik doen moet.” -</p> -<p>Op dit oogenblik als had de hemel zijnen wensch gehoord en er onmiddellijk op willen -antwoorden zag de Tigrero, wiens oogen werktuigelijk over de prairie weidden, waar -alles thans in de diepste duisternis gedompeld lag, op korten afstand tusschen de -hooge grashalmen een licht, op verschillende wijze herhaald, opsteken en bepaalde -telegraphische figuren in de lucht beschrijven. En op hetzelfde oogenblik hoorde zijn -geoefend oor zoo hij meende in de verte het gehinnik van een paard. -</p> -<p>»Dat is iets buitengewoons,” mompelde hij in zich zelven. »Wat zou dat beteekenen? -Zou het een signaal zijn? Intusschen zijn wij hier alleen; ik heb den ganschen dag -geen spoor of teeken van menschelijk leven ontdekt. En toch, dat licht en dat gehinnik, -zoo onmiddellijk achter elkander …?” -</p> -<p>»Wat schort u, mijn vriend!” vroeg <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita bezorgd. »Gij schijnt ongerust; welk gevaar bedreigt ons? Zeg het vrij. Gij -weet, ik ben moedig, en bovendien wat zou ik vreezen daar ik u bij mij heb! Verzwijg -mij niets. Er is zeker iets buitengewoons, is het niet?” -</p> -<p>»Nu ja,” antwoordde hij ronduit, daar hij het toch niet voor haar kon verbergen, »er -gebeurt iets ongewoons; maar verontrust u niet, ik geloof niet dat gij iets te vreezen -hebt.” -</p> -<p>»Maar wat is het dan? Ik heb niets gezien.” -</p> -<p>»Kijk eens, daar ginds,” zeide hij, de hand uitstrekkende. -</p> -<p>Het meisje keek scherp uit, en zag nu wat de Tigrero reeds eenige oogenblikken vroeger -gezien had, een licht in de verte, dat als een roode stip in de duisternis schitterde -en zeer bepaalde lijnen beschreef. -</p> -<p>»Dat is blijkbaar een signaal,” hernam de Tigrero, »daar moet iemand verscholen zijn.” -</p> -<p>»Wacht gij dan iemand?” vroeg zij. -</p> -<p>»Bepaald niemand, en toch, ik weet niet waarom, geloof ik dat dit signaal voor mij -bestemd is.” -<span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span></p> -<p>»Ja, maar gij weet wel wij zijn in de prairie en worden waarschijnlijk door een aantal -Indiaansche jagers omringd; dus kan dat licht wel een signaal zijn dat zij elkander -geven.” -</p> -<p>»Neen, <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita, gij vergist u, wij worden althans op dit oogenblik niet door Indiaansche jagers -omringd; ik weet zeker dat wij hier alleen zijn.” -</p> -<p>»Hoe kunt gij dat weten, vriend, daar gij geen oogenblik hier <span class="corr" id="xd30e5209" title="Bron: van daan">vandaan</span> zijt geweest om het te onderzoeken?” -</p> -<p>»Mijn lieve <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita,” antwoordde hij op ernstig nadrukkelijken toon, »de prairie is een open boek, -waarin Gods hand duizend geheimen heeft opgeteekend, die de mensch, aan het leven -der woestijn gewoon, er op iedere bladzijde leest: de wind die door de takken ruischt, -het water dat over de keien der beek murmelt, de vogel die de lucht doorvliegt, het -hert of de bison die in de vlakte graast, de alligator die zich omwentelt in het oeverslijk, -zijn voor mij zoovele teekenen daar ik mij nooit in vergissen zal. Sedert twee dagen -hebben wij geen spoor of teeken van de Roodhuiden ontdekt, de bisons en andere dieren -die wij ontmoetten graasden rustig en zonder mistrouwen; de vogels vlogen ongestoord, -en de alligators waren zoo diep onder het slib weggedoken dat men ze bijna niet zien -kon. Al deze dieren ruiken de nadering van den mensch, vooral van den Indiaan reeds -op verren afstand, en nauwelijks hebben zij er de lucht van, of zij vluchten met allen -spoed, zoo groot is de vrees die de koning der schepping hun inboezemt. Ik herhaal -u, wij zijn alleen, gansch alleen; dat signaal is dus zeker voor mij. En ziedaar, -het begint op nieuw.” -</p> -<p>»’t Is waar, ik zie het duidelijk,” riep <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita. -</p> -<p>»Ik moet weten wat dit beduidt,” zeide hij, zijn geweer nemende. -</p> -<p>»O! don Martial; ik bid u, pas toch op! en wees voorzichtig. Denk om mij,” vervolgde -zij angstig. -</p> -<p>»Maak u niet ongerust, <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita, ik ben te lang woudlooper geweest om mij door zulk een grove list te laten -beet nemen; tot flusjes! ik kom dadelijk weêr bij u.” -</p> -<p>Zonder verder naar het meisje te luisteren, dat hem met tranen en beden zocht te weêrhouden, -liep hij snel ofschoon behoedzaam den heuvel af. -</p> -<p>In de vlakte komende bleef hij staan, om te zien waar hij was en wat hij verder doen -moest. -</p> -<p>Zijn kamp lag op twee pijlschoten afstands van de Rio Gila bijna recht tegenover een -groot eiland, dat inderdaad uit eene enkele rots bestaat, die ongeveer de gedaante -van een mensch heeft en bijgevolg door de Apachen <i>de Meester des levens van den mensch</i> is genoemd. -</p> -<p>Bij hunne invallen op Mexicaansch grondgebied zullen de Roodhuiden nooit verzuimen -dit eiland te bezoeken om er hunne <span class="corr" id="xd30e5238" title="Bron: offerhanden">offeranden</span> te brengen, eene ceremonie die hoofdzakelijk bestaat in dansen en <span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span>daarbij in het water werpen van tabak, dieren- of menschenhaar en <span class="corr" id="xd30e5243" title="Bron: verderen">vederen</span> van vogels. -</p> -<p>De bovengenoemde rots, die er in de verte zeer wonderlijk en ontzagwekkend uitziet, -is met twee holen doorboord, elk van twaalf honderd schreden lang en veertig breed, -en de kruin heeft den vorm van een boog. -</p> -<p>Wat de opmerkzaamheid van den Tigrero bijzonder getroffen en hem terstond had doen -besluiten het vermeende signaal nader te gaan onderzoeken, was dat het van dit eiland -was uitgegaan, een ongewoon verschijnsel, des te meer daar hij wist dat de Indianen -voor dit eiland eene bijgeloovige vrees koesteren, zoodat geen Roodhuid hoe dapper -hij ook wezen mocht gewaagd zou hebben er den nacht door te brengen. Zijne bekendheid -met die vrees had hem terstond bewogen om het geheimzinnig signaal nader te onderzoeken. -</p> -<p>Er groeide hoog en dicht gras tot aan den rand der rivier. Daar komende onder bedekking -van dichte tot een ondoordringbaar warnet in elkander gegroeide wortelboomen en waterwilgen, -sloop de Tigrero behoedzaam naar den vrij steilen oever, en toen hij dezen bereikt -had, greep hij een overhangenden tak en liet zich in het water zakken, zoodat zijne -indompeling geen het minste geplas maakte. -</p> -<p>Toen zijn geweer met de eene hand boven water houdende, om het voor nat worden te -bewaren, zwom hij met de andere hand de rivier over naar het eiland. -</p> -<p>De afstand was kort, de Tigrero was een goed zwemmer, weldra bereikte hij het punt -waar hij wilde aanlanden. -</p> -<p>Nauwelijks was hij aan wal of hij ging op zijn buik liggen en kroop door de struiken, -zorgvuldig achtgevend op het minste geluid en zoo scherp mogelijk rondziende in de -duisternis. -</p> -<p>Hij zag of hoorde niets; nu stond hij op en liep naar een der holen en grotten, aan -welks ingang hij het schijnsel van een vuur zag blinken. Bij dat vuur zat een man, -met het hoofd op de beide handpalmen geleund, zoo rustig te rooken alsof hij in een -pulqueria te Guaymas gezeten was. -</p> -<p>Na dezen man eene minuut lang te hebben bespied, kon hij nauwelijks een vroolijken -uitroep bedwingen en trad hij zonder zich langer te verbergen regelrecht naar hem -toe. -</p> -<p>Hij had zijn ouden vertrouweling, Cuchares den lepero herkend. -</p> -<p>Het gedruisch der voetstappen van den Tigrero deed Cuchares opkijken. -</p> -<p>»Wel, wel! komt gij eindelijk, don Martial!” riep hij, »ik heb mij een uur lang vermoeid -met alle seinen te geven die ik bedenken kon, zonder dat gij u verwaardigd hebt mij -te antwoorden.” -</p> -<p>»Ja, mijn waarde,” zei de Tigrero vroolijk, »als ik had kunnen vermoeden dat gij het -waart, zou ik reeds lang hier zijn geweest; maar ik was zoo ver van u te verwachten.” -</p> -<p>»Wel ingezien hebt gij gelijk, en in eene streek als hier kan men niet te voorzichtig -zijn.” -<span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span></p> -<p>»Maar zeg mij, is er wat nieuws?” hervatte de Tigrero terwijl hij dicht bij het vuur -plaats nam, om zijne druipnatte kleeren te drogen. -</p> -<p>»<i>Caspita!</i> of er wat nieuws is! anders zaagt gij mij zeker niet hier.” -</p> -<p>»Dat’s waar; gij zijt een goede kameraad, ik dank u dat gij gekomen zijt; gij weet -wel dat ik goed onthouden kan?” -</p> -<p>»Dat weet ik.” -</p> -<p>»Ter zake, zeg mij wat hebt gij mij mede te deelen; ik heb haast om uw nieuws te hooren, -en vooraf nog eene vraag.” -</p> -<p>»Welke?” -</p> -<p>»Is het goed?” -</p> -<p>»Onverbeterlijk; gij zult het zelf kunnen beoordeelen.” -</p> -<p>»<i>Carai!</i> als dat zoo is, neem dan dezen ring, dien ik niet verplicht was u te geven voordat -onze zaken geheel waren afgedaan; maar wees verzekerd, als wij onze rekening sluiten, -zal ik nog wel iets vinden dat u bevallen zal.” -</p> -<p>De oogen van den lepero schitterden van blijdschap en begeerigheid; hij nam den ring -en borg hem bij den anderen dien hij eenige dagen te voren ontvangen had. -</p> -<p>»Ik dank u,” zeide hij, »Vive Dios! Het is een pleizier om zaken met u te doen: gij -knibbelt ten minste niet.<span class="corr" id="xd30e5281" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>»Thans uw nieuws.” -</p> -<p>»Hier is het, kort, maar goed. El <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> conde, radeloos over het verdwijnen zijner bruid, die hij meent dat door de Apachen -is opgelicht, heeft zich aan ’t hoofd zijner kompagnie gesteld, is van de hacienda -vertrokken en doorkruist thans de prairie in alle richtingen om den Zwarte-Beer na -te zetten.” -</p> -<p>»Carai! dat is de gelukkigste tijding die gij mij ooit brengen kondt. En wat denkt -gij nu te doen?” -</p> -<p>»Wel, wij zijn immers afgesproken dat <i lang="es">el conde</i>.…” -</p> -<p>»Zonder twijfel!” viel de Tigrero hem in de rede; »maar dan moeten wij hem eerst aantreffen, -hetgeen naar ik meen thans niet gemakkelijk gaan zal.” -</p> -<p>»Integendeel.” -</p> -<p>»Hoe dan?” -</p> -<p>»Wel, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> don Martial, zoudt gij mij nu de oneer willen aandoen van te zeggen dat ik een <i lang="es">pavo</i>—een kalkoen—ben.” -</p> -<p>»Wel neen, compadre, maar.…” -</p> -<p>»Maar gij denkt het toch; dan moet ik u tot mijn genoegen zeggen dat gij u bedriegt; -gedurende de weinige oogenblikken die ik in de hacienda was, heb ik zooveel mogelijk -navraag gedaan en mij goed laten inlichten, en daar ik mij in mijn geleende kwaliteit -als boodschapper aanmeldde, heeft niemand eenig bezwaar gemaakt mij te antwoorden. -Het schijnt dat de Apachen in plaats van veld te winnen, door de Franschen, daar zij -in parenthesis den schrik van <span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span>hebben gezet, zoo dapper zijn afgeslagen dat zij zich naar de woestijn del Norte hebben -teruggetrokken, om hunne dorpen te bereiken; el conde zet hen na, niet waar?” -</p> -<p>»Ja, dat hebt gij mij gezegd.” -</p> -<p>»Welnu, naar alle waarschijnlijkheid zal hij zich niet in die woestijn durven wagen.” -</p> -<p>»Natuurlijk niet,” riep de Tigrero huiverend, »hoe dapper hij ook wezen mag.” -</p> -<p>»Zeer goed! en dan kan hij slechts op één punt post vatten.” -</p> -<p>»Aan de <span class="corr" id="xd30e5318" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span>!” riep don Martial schielijk. -</p> -<p>»Juist! Ik ben dus zeker dat ik hem daar ontmoeten zal.” -</p> -<p>»Slapperment! dan moet gij daar dadelijk heen.” -</p> -<p>»Ik ga op weg zoodra gij vertrokken zijt.” -</p> -<p>De Tigrero staarde hem met zekere verbazing aan. -</p> -<p>»Diablo! Cuchares,” riep hij een oogenblik later, »gij zijt een <span class="corr" id="xd30e5328" title="Bron: cordaat">kordaat</span> man, ik acht mij gelukkig dat ik mij in u niet bedrogen heb.” -</p> -<p>»Wat belieft u,” antwoordde de schelm zedig terwijl hij met zijne grijze oogen kwaadaardig -knipte, »de betrekkingen die ik met u heb aangegaan zijn zoo aangenaam dat ik de macht -niet heb u iets te weigeren.” -</p> -<p>Beiden schoten in een lach over dezen tamelijk dubbelzinnigen kwinkslag. -</p> -<p>»Welnu, daar alles tusschen ons is afgesproken,” hervatte don Martial, »kunnen wij -scheiden.” -</p> -<p>»Hoe zijt gij hier gekomen?” vroeg de lepero. -</p> -<p>»Dat kunt gij dunkt mij wel zien, al zwemmende.… En gij?” -</p> -<p>»Op mijn paard. Ik zou u wel aanbieden u weder aan wal te brengen, maar wij moeten -elk een anderen kant uit.” -</p> -<p>»Voor het oogenblik nog niet.” -</p> -<p>»Denkt gij dan spoedig naar ginds te gaan?” -</p> -<p>»Waarschijnlijk,” riep hij met een dubbelzinnigen glimlach. -</p> -<p>»O! dan zullen wij elkander spoedig weêrzien.” -</p> -<p>»Ik hoop ja.” -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e5344" title="Niet in bron">»</span>Hoor eens, don Martial, daar ik zie dat uwe kleederen volkomen droog zijn, zou het -mij spijten als gij u voor de tweede maal moest nat maken, ik geloof dat er eene prauw -in de nabijheid is; gij weet dat de Indianen die overal gereed hebben en ergens verbergen.” -</p> -<p>De Tigrero trad de grot in, keek rond en zag werkelijk een prauw, ordelijk met de -daarbij behoorende pagaaien tegen den wand geplaatst; hij nam haar onbeschroomd op, -en droeg haar op zijne schouders naar den rivierkant. -</p> -<p>»Maar eer wij verder gaan, zeg eens, waarom hebt gij deze plaats gekozen om bij mij -te komen?” -</p> -<p>»Om niet gestoord te worden; of zou het u bevallen zijn, dat iemand ons gesprek had -beluisterd!” -</p> -<p>»Neen, dat stem ik u toe. Kom, tot weêrziens dan.” -<span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span></p> -<p>»Tot weêrziens!” -</p> -<p>De twee mannen scheidden, Cuchares om een verren tocht te beginnen, en don Martial -om naar zijn kampement terug te keeren. -</p> -<p>Zij hadden zich intusschen bedrogen, toen zij meenden door niemand beluisterd te worden. -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e5357" title="Bron: Nauwlijks">Nauwelijks</span> hadden zij het eiland verlaten en zich in verschillende richting verwijderd, of er -stak uit eene dichte massa dahlia’s en floripondio’s aan den ingang der grot een leelijk -hoofd op, dat omzichtig links en rechts rondkeek; vervolgens, een oogenblik later, -werden de takken meer en meer uit elkander geduwd en volgde op het hoofd het geheele -lichaam, en weldra trad een Apache-Indiaan, als oorlogsman beschilderd en gewapend -te voorschijn. -</p> -<p>Die Indiaan was de Zwarte-Beer. -</p> -<p>»Ooah!” mompelde hij met een dreigend gebaar, »de bleekgezichten zijn honden, de Apachen-krijgslieden -zullen hen op den voet volgen.” -</p> -<p>Nadat hij nog een poosje den helderen sterrenhemel had aangekeken ging hij de grot -in. -</p> -<p>Intusschen had de Tigrero zijn kamp weder bereikt. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita, ongerust over zijn lang uitblijven, wachtte hem met angstige bezorgdheid. -</p> -<p>»Wel?” vroeg zij, hem te gemoet snellende, zoodra zij hem zag aankomen. -</p> -<p>»Goed nieuws,” antwoordde hij. -</p> -<p>»O, wat heb ik in angst gezeten.” -</p> -<p>»Ik zeg u dank, het is juist gegaan zoo als ik verwacht had; het signaal was werkelijk -voor mij.” -</p> -<p>»Dat.…” -</p> -<p>»Ik heb een vriend ontmoet die mij de middelen heeft verschaft om uit de valsche stelling -te geraken waarin wij ons bevinden.” -</p> -<p>»Op welke wijs?” -</p> -<p>»Verontrust u over niets, zeg ik u en laat mij begaan.” -</p> -<p>Het meisje gehoorzaamde stilzwijgend en ondanks hare nieuwsgierigheid, verwijderde -zij zich in de jacal,—eene hut van samengevlochten takken—die voor haar was gereed -gemaakt, zonder don Martial verder te vragen wat er van was. -</p> -<p>In plaats van te slapen vlijde de Tigrero zich onder een boom neer, kruiste de armen -op de borst en bleef onbeweeglijk zitten, in sombere gepeinzen verzonken tot de dag -aankwam. -</p> -<p>Met het opgaan der zon stond hij op, stapte eenige malen op en neder om de stramme -vadsigheid van den nacht te verdrijven en riep zijne kameraden. -</p> -<p>Tien minuten later hervatte de kleine troep weder den marsch. -</p> -<p>»O ho! don Martial, wat zijt gij er vroeg bij, dezen morgen,” riep de haciendero. -</p> -<p>»Hebt gij dan niet opgemerkt dat wij vooraf niet ontbeten hebben, zoo als wij anders -alle dagen deden?” -<span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span></p> -<p>»Caramba, neen!” -</p> -<p>»Weet gij waarom? ’t Is omdat wij heden te Guetzalli zullen ontbijten, daar wij over -twee uren aankomen.” -</p> -<p>»Ah! te weerga!” riep <span class="corr" id="xd30e5390" title="Niet in bron">de </span>haciendero, »dat hoor ik met bijzonder genoegen.” -</p> -<p>»Niet waar?” -</p> -<p>»Ik verzeker u van ja.” -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita had toen zij dit gesprek hoorde don Martial een ongerusten blik toegeworpen, -maar zijn gelaat stond zoo kalm en hij glimlachte zoo vroolijk, dat zij onmiddellijk -tot bedaren kwam, wel vermoedende dat de stilzwijgendheid van den Tigrero te haren -opzichte haar eene aangename verrassing wilde bereiden. -</p> -<p>Zooals don Martial gezegd had, kwam de karavaan twee uren later werkelijk aan de kolonie. -</p> -<p>Nauwelijks waren zij door de schildwachts herkend, of de valbrug aan de landengte -werd neergelaten en zij reden de hacienda binnen, waar zij met al de vereischte eerbewijzen -ontvangen werden. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita, die geen oog van den Tigrero <span class="corr" id="xd30e5404" title="Bron: afhad">af had</span>, werd beurtelings bleek en rood, daar zij zijne volkomen bedaardheid volstrekt niet -begreep. -</p> -<p>Zij stapten af op de tweede binnenplaats, voor de groote deur. -</p> -<p>»Waar is toch de graaf de Lhorailles?” vroeg don Sylva, ten hoogste verwonderd dat -hij zijn aanstaanden schoonzoon niet zag verschijnen om hem naar behooren te ontvangen. -</p> -<p>»Mijnheer de graaf zal wanhopig zijn als hij hoort dat gij zijt teruggekomen terwijl -hij afwezig is,” antwoordde de majordomo met een stroom van verontschuldigingen. -</p> -<p>»Is hij dan van huis?” -</p> -<p>»Ja, <span class="corr" id="xd30e5414" title="Bron: senoria">señoria</span>.” -</p> -<p>»Maar komt hij spoedig terug?” -</p> -<p>»Dat denk ik niet; de kapitein is vertrokken aan het hoofd van zijne gansche compagnie, -om de Roodhuiden te vervolgen.” -</p> -<p>Dat bericht klonk don Sylva als een donderslag. -</p> -<p>De Tigrero en <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita wisselden een blik van genoegen. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch20" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7000">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XX.</h2> -<h2 class="main">IN DEN ZADEL.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De groote zandwoestijn del Norte is de Sahara van Amerika, misschien minder uitgestrekt, -maar veel doodscher en akeliger dan die van Afrika. -</p> -<p>Daar vindt men nog lachende oasen, door prachtige boomgroepen overschaduwd en door -koele bronnen verfrischt. Maar in del Norte niets van dat alles. Onder een hemel als -van geel koper strekken <span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span>zich onmetelijke vlakten uit van vaalgrijs zand, van horizont tot horizont, in iedere -richting zand, niets dan zand; een fijn ontastbaar zand of veeleer fijn stof, dat -de wind in groote wolken opjaagt, verplaatst en er mede voortwervelt, zoodat de gedaante -der woestijn gedurig verandert en telkens nieuwe valleien gegraven en nieuwe heuvels -worden opgehoopt, zoo vaak de ontzaglijke <i lang="es">cordonazo</i> er den mullen grond omwoelt. -</p> -<p>Grauwe rotsen, met een schraal en verschroeid mos bedekt, steken hier en daar de kale -kruinen omhoog te midden van dezen chaos, die sinds het uur der schepping nog niet -van gedaante veranderd is. -</p> -<p>De bison, de asshata, de snelle antilope ontvluchten deze woestijn, waar de mulle -bodem hunne pooten weigert te dragen; de gieren alleen, met hun bloedig en loerend -oog, vliegen bij troepen in dit onherbergzaam gewest om er een zeldzamen maar zekeren -buit te zoeken; want deze woestenij is zoo vreeselijk, dat de Indianen <span class="corr" id="xd30e5440" title="Bron: zee ven">zelven</span> er zich niet dan sidderend in wagen en haar zoo snel mogelijk<span id="xd30e5443"></span> doortrekken, wanneer zij naar hunne dorpen terug moeten na eenen rooftocht op Mexicaansch -grondgebied; maar ondanks hunnen ongelooflijk snellen loop teekent zich hun spoor -in eene onuitwischbare reeks van geraamten van muildieren en paarden, die zij bij -gebrek aan voedsel verplicht zijn aan hun lot over te laten, en wier gebeente op den -naakten bodem ligt te verbleeken en te verkalken, tot de van nieuws ontboeide storm -het als met een doodskleed van zand bedekt. -</p> -<p>En toch, als had de hand des Scheppers, gelijk overal, ook in de dorre woestijn hare -zorgende almacht willen ten toon spreiden, ziet men, bij zeer groote tusschenruimten,—o -wonderbare verschijning! half in het zand begraven, te midden der ordeloos daarheen -geworpen rotsen, een krachtigen boom oprijzen, met vervaarlijk dikken stam, die wellicht -den storm van 10 à 20 eeuwen heeft getrotseerd en wiens dicht gebladerte den matten -reiziger onder zijne schaduw eenige rust schijnt te willen bieden. -</p> -<p>Zulke boomen echter verlevendigen de doodelijke vlakte niet dan mijlen ver van elkander, -en nooit of althans zeer zelden zal men er twee op dezelfde plaats bijeen vinden. -</p> -<p>Deze patriarchen der woestijn, eerwaardig door ouderdom en majestueuze eenzaamheid, -worden door de jagers en woudloopers op hoogen prijs gesteld, en door de Indianen -schier afgodisch vereerd. -</p> -<p>Doch wij herhalen het, behalve deze weinige mijlpalen, als onmerkbare stippen in de -onmetelijke ruimte verloren, ziet men geen planten noch dieren in de gansche del Norte, -niets dan zand, altoos zand. -</p> -<p>De <span class="corr" id="xd30e5451" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> van Montecuzoma, waar in dezen oogenblik de vrijcompagnie van den graaf de Lhorailles -gekantonneerd lag, verhief zich, en verheft zich waarschijnlijk thans nog, aan de -uiterste grens der prairie, hoogstens twee mijlen van de zandwoestijn. -<span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span></p> -<p>De lijn van afscheiding tusschen deze twee gewesten is scherp en stout afgeteekend. -</p> -<p>Aan de eene zijde eene weelderig rijke en door overvloed van sap en groeikracht gekenmerkte -plantenwereld; vroolijk groenende vlakten, bedekt met hoog en dicht gras, waarop dieren -van allerlei soort weide en voedsel vinden; het zingen der vogels, het geschuifel -der slangen, het loeien der bisons, het gonzen van duizende insekten, in een woord, -het groote, krachtige, bovenal lustig werkzame leven dat door al de poriën dezer gezegende -natuur heendringt en ademt. -</p> -<p>Aan de andere zijde eene eeuwige stilte des doods, een grauwe horizont, een oceaan -van zand, welks onrustige golven van alle kanten voortdringen om de prairie te veroveren; -maar geen struik of grashalm hoe gering ook, geen wortel, geen mos, niets dan stuivend -zand! -</p> -<p>In de <span class="corr" id="xd30e5461" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span>, na zijn gesprek met Cuchares, had de graaf zijne officieren teruggeroepen, en zich -weder met hen vereenigd in vroolijk gezwets, gedrink en gelach. -</p> -<p>Eerst laat in den nacht stond men van tafel op om zich ter rust te begeven. -</p> -<p>Cuchares alleen sliep niet, hij lag te denken. Wij weten reeds, nagenoeg althans, -met welk doel hij den graaf in de <span class="corr" id="xd30e5467" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> was komen bezoeken. -</p> -<p>Met zonsopgang klonk de trompet voor de morgenwaak. -</p> -<p>De soldaten rezen op van den bedauwden grond, waar zij geslapen hadden, rekten hunne -stramme leden en haastten zich om de nachtkoude te verdrijven, door het verzorgen -der paarden en het maken der noodige toebereidselen voor den ochtendmaaltijd. -</p> -<p>Binnen weinige minuten had het kamp dien levendigen en vroolijken toon aangenomen, -die alle soldaten en inzonderheid de Fransche kenmerkt wanneer zij te velde zijn getrokken. -</p> -<p>In de ruime zaal der <span class="corr" id="xd30e5475" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> zaten de graaf en zijne luitenants op uitgedroogde bisonsschedels en hielden samen -raad; de beraadslaging werd bijzonder levendig. -</p> -<p>»Binnen een uur,” zei de graaf, »gaan wij weder op marsch, wij hebben twintig muildieren -beladen met levensmiddelen, tien met drinkwater, en acht met oorlogsbehoeften; derhalve -hebben wij niets te vreezen.” -</p> -<p>»Dat is in zooverre waar, <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> conde,” merkte de capataz aan, »maar.…” -</p> -<p>»Wat bedoelt gij daarmede?” -</p> -<p>»Wij hebben geen gidsen.” -</p> -<p>»Wat zouden wij met gidsen doen?” riep de graaf driftig, »wij behoeven het spoor der -Apachen slechts te volgen, dat is dunkt mij voldoende.” -</p> -<p>Blas Vasquez schudde het hoofd. -</p> -<p>»Gij kent de del Norte niet, <span class="corr" id="xd30e5491" title="Bron: senoria">señoria</span>,” sprak hij ronduit. -<span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span></p> -<p>»Dat doe ik ook niet; het is de eerste maal dat de omstandigheden er mij heen voeren.” -</p> -<p>»Gij moogt den hemel bidden dat het niet tevens de laatste zij.” -</p> -<p>»Wat zegt gij daar?” riep de graaf inwendig huiverend. -</p> -<p>»Heer graaf, de del Norte is geen wildernis maar een draaikolk van wielend zand; de -minste windvlaag in deze doodsche vlakte jaagt het zand in wolken omhoog en verzwelgt -menschen en paarden, zonder een spoor van hen over te laten; alles verdwijnt er en -wordt voor eeuwig als onder een doodkleed van zand begraven.” -</p> -<p>»Wel, wel!” riep de graaf nadenkend. -</p> -<p>»Geloof mij, heer graaf,” vervolgde de capataz, »ik raad u stellig af u met uw dappere -kompagnie in die onverbiddelijke woestijn te wagen; niemand van u zou er weder uitkomen.” -</p> -<p>»Ondertusschen, de Apachen zijn ook menschen; zij zijn immers niets dapperder, noch -beter gewapend dan wij?” -</p> -<p>»Dat geef ik toe.” -</p> -<p>»Welnu, en die trekken de del Norte wel door, van het noorden naar het zuiden en van -het oosten naar het westen, en dat niet eens in het jaar maar tienmaal, ja zoo dikwijls -het hun in den zin komt.” -</p> -<p>»Weet gij tot welken prijs dit geschiedt, heer graaf? hebt gij de lijken geteld die -zij langs den weg achterlaten, als treurige merkteekens waar zij geweest zijn? En -buitendien, gij kunt u niet met de Roodhuiden gelijk stellen, voor wie de woestijn -geene geheimen meer heeft, zij kennen haar in volle lengte en breedte.” -</p> -<p>»Dus beweert gij,” riep de graaf ongeduldig, »dat.…” -</p> -<p>»Dat de Apachen door u herwaarts te lokken en door u twee dagen geleden aan te vallen, -u een strik zoeken te spannen; zij willen u verleiden om hen in de woestijn te volgen, -wel verzekerd niet alleen dat gij hen nooit zult inhalen, maar dat gij en al uw volk -er uw gebeente zult laten.” -</p> -<p>»Gij zult mij intusschen moeten toestemmen, mijn waarde don Blas, dat het al zeer -vreemd zou zijn, als er van al uwe peons geen enkele te vinden was die ons door de -woestijn den weg kan wijzen. Wat duivel! het zijn toch Mexicanen.” -</p> -<p>»Ja <span class="corr" id="xd30e5511" title="Bron: senoria">señoria</span>, maar ik heb naar ik meen reeds meermalen de eer gehad u te doen opmerken, dat al -deze lieden costenos, dat wil zeggen kustbewoners zijn, die vroeger nooit zoo diep -in het binnenland zijn gedrongen.” -</p> -<p>»Wat moeten wij dan doen?” riep de graaf weifelend. -</p> -<p>»Naar de kolonie terugkeeren,” hernam de capataz; »ik zie er niets anders op.” -</p> -<p>»En don Sylva dan en <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita, moeten wij die maar laten varen?” -</p> -<p>Blas Vasquez fronste de wenkbrauwen, zijn gelaat betrok zichtbaar, terwijl hij met -een bewogen stem en op ernstigen toon antwoordde: -<span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span></p> -<p>»<span class="corr" id="xd30e5527" title="Bron: Senoria">Señoria</span>, ik ben op het erf van de familie de Torres geboren, niemand kan sterker met lijf -en ziel aan de beide door u genoemde personen verknocht zijn, dan ik. Maar niemand -is tot het onmogelijke verplicht. De woestijn in te trekken, onder zulke omstandigheden -als waarin wij ons bevinden, zou zijn God te verzoeken; wij mogen op geen wonderen -rekenen en een wonderwerk alleen zou ons kunnen redden.” -</p> -<p>Er volgde een poos stilte, de woorden van den eerlijken capataz hadden op den graaf -een indruk gemaakt, dien hij te vergeefs zocht meester te worden. -</p> -<p>De lepero bemerkte zijne aarzeling en trad terstond naderbij. -</p> -<p>»Waarom,” vroeg hij op fleemenden toon, »hebt gij mij niet gezegd dat gij een gids -noodig hadt, <i><span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> conde</i>?” -</p> -<p>»Waarom zou ik u dat gezegd hebben?” -</p> -<p>»’t Is waar ook, het was eigenlijk niet noodig, daar ik mij reeds als gids verbonden -had om u naar don Sylva te geleiden, dat waart gij zeker vergeten.” -</p> -<p>»Weet <i>gij</i> dan den weg?” -</p> -<p>»Ja! ten minste zoo goed als iemand hem kennen kan die hem slechts tweemaal gegaan -is.” -</p> -<p>»Vive Dios!” riep de graaf, »dan kunnen wij voorwaarts en er is geen reden meer om -ons langer op te houden.” -</p> -<p>»Diego Leon, laat onmiddellijk in den zadel blazen, en gij, mijn brave kameraad, wees -onze gids, gij zult ondervinden dat ik niet ondankbaar ben.” -</p> -<p>»O, <span class="corr" id="xd30e5551" title="Bron: Senor">Señor</span> conde, gij kunt u gerust op mij verlaten,” antwoordde de lepero met een dubbelzinnigen -lach, »ik verzeker u dat ik u brengen zal waar gij wezen moet.” -</p> -<p>»Dat is al wat ik van u verlang.” -</p> -<p>Blas Vasquez, met het gewone instinkt van wantrouwen dat alle eerlijke zielen is aangeboren -en terstond spreekt wanneer zij met slechte karakters in aanraking komen, gevoelde -voor den lepero onwillekeurig een onverwinnelijken afkeer. Deze afkeer bezielde hem -reeds van het eerste oogenblik dat Cuchares den vorigen avond in de zaal verscheen. -Hij hield hem dus scherp in ’t oog terwijl hij met den graaf de Lhorailles sprak, -en zoodra de lepero zweeg gaf hij den graaf een wenk. Deze kwam ongemerkt naar hem -toe. -</p> -<p>De capataz ging met hem naar een afgelegen hoek der zaal en fluisterde hem in ’t oor: -</p> -<p>»Wees op uwe hoede, kapitein, die kerel bedriegt u.” -</p> -<p>»Weet gij dat zeker?” -</p> -<p>»Neen, maar ik ben er van overtuigd.” -</p> -<p>»Hoe dat?” -</p> -<p>»Eene inwendige stem zegt het mij.” -</p> -<p>»Hebt gij er het bewijs voor?” -</p> -<p>»Geen het minste.” -<span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span></p> -<p>»Loop heen dan, gij zijt dwaas, de vrees benevelt uw verstand.” -</p> -<p>»De hemel geve dat ik mij niet bedrieg!” -</p> -<p>»Hoor eens, vriend, gij zijt niet verplicht ons te volgen. Blijf hier gerust op ons -wachten, dan kunt gij de gevaren ontgaan die gij meent dat ons bedreigen.” -</p> -<p>De capataz richtte zich fier op in zijne volle lengte, en zei met een blik vol majesteit -maar zoo koel en bedaard mogelijk: -</p> -<p>»Het is genoeg, don <span class="corr" id="xd30e5573" title="Bron: Gaetan">Gaëtan</span>. Ik heb het mijne gedaan door u te waarschuwen zooals mijn geweten dat gebood. Gij -wilt mijn raad niet aannemen, dat staat u vrij, ik heb mijn plicht naar behooren gedaan. -Gij wilt voorwaarts trekken; ik zal u volgen en hoop u weldra te bewijzen, dat terwijl -ik voorzichtig was, ik tevens wanneer het wezen moet zoo dapper ben als de dapperste.” -</p> -<p>»Ik zeg u dank,” antwoordde de graaf, hem met warmte de hand drukkende, »ik dacht -wel dat gij mij niet verlaten zoudt.” -</p> -<p>Op dit oogenblik verhief zich buiten de zaal een geweldig leven, en stormde de luitenant -Diego Leon driftig de zaal binnen. -</p> -<p>»Wat is dat, luitenant?” vroeg hem de graaf gestreng, »hoe zijt gij zoo verschrikt -en waarom komt gij zoo onstuimig binnen?” -</p> -<p>»Kapitein,” antwoordde de luitenant met eene hijgende stem, »de kompagnie is in opstand.” -</p> -<p>»Wat! wat zegt gij daar, luitenant, zijn mijne ruiters oproerig?” -</p> -<p>»Ja, kapitein.” -</p> -<p>»Ha!” riep hij op zijn knevel bijtende, »en waarom zijn zij oproerig, als ik verzoeken -mag?” -</p> -<p>»Omdat zij de woestijn niet in willen.” -</p> -<p>»Willen zij niet,” herhaalde de graaf met nadruk op ieder syllabe, »weet gij wel zeker -wat gij daar zegt, luitenant?” -</p> -<p>»Ik zweer het u, kapitein, hoor maar hoe zij te werk gaan.” -</p> -<p>Werkelijk hoorde men daar buiten vloeken, razen en tieren en werd het rumoer met ieder -oogenblik sterker zoo dat het eindelijk hoogst bedenkelijk scheen. -</p> -<p>»O ho! dat wordt dunkt mij ernstig,” hervatte don <span class="corr" id="xd30e5590" title="Bron: Gaetan">Gaëtan</span>. -</p> -<p>»Ernstiger dan gij denkt, kapitein; ik zweer u, de gansche kompagnie slaat aan ’t -muiten, de rebellen hebben hunne geweren geladen, zij omsingelen het huis en doen -niets dan schreeuwen en dreigen, zij zeggen dat zij u spreken willen en zweren dat -zij goedschiks of kwaadschiks verkrijgen zullen wat zij verlangen.” -</p> -<p>»Dat zou ik wel eens zien willen,” zei de graaf altoos bedaard terwijl hij reeds naar -de deur trad. -</p> -<p>»Blijf hier, kapitein!” riepen de officieren hem vooruitsnellend om hem tegen te houden; -»de manschappen kennen zich zelven niet, het zou u een ongeluk kunnen kosten.” -</p> -<p>»Loop heen, mijne heeren!” antwoordde hij, hen met een koelzinnigen wenk terugwijzend, -»gij zijt dwaas: zij kennen mij nog niet, ik zal die bandieten toonen dat ik waard -ben hen te kommandeeren.” -<span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span></p> -<p>Zonder naar verdere afmaning te hooren, trad hij bedaard en met fermen tred de zaal -door en naar buiten. -</p> -<p>Wat er gebeurd was laten wij hier volgen. -</p> -<p>De peons van Blas Vasquez hadden sedert de laatste dagen, terwijl zij met de kompagnie -van don <span class="corr" id="xd30e5604" title="Bron: Gaetan">Gaëtan</span> in de ruïnen bivakkeerden, aan de Franschen, niet zonder de noodige overdrijving, -allerlei sombere en akelige historie’s nopens de woestijn del Norte verteld en over -dit verwenscht gewest bijzonderheden aan ’t licht gebracht, die wel in staat waren -om den stoutsten het haar te doen stoppelen. Ongelukkigerwijs kampeerde de kompagnie -zoo als wij reeds gezegd hebben nauwelijks twee mijlen ver van de del Norte; zoo dat -bij het maken van kleine uitstappen, de sombere aanblik der woestijn aan de akelige -voorstelling die hun door de peons gegeven was niet weinig kracht bijzette. -</p> -<p>Al de soldaten van den graaf de Lhorailles waren fransche Dauph’yeers, meerendeels -lieden zonder eer of geweten, onverlaten door merg en been, maar dapper en, even als -alle andere Franschen, gemakkelijk op te winden of op te ruien en even gereed ten -kwade als ten goede. Sedert zij zich onder het kommando van den graaf de Lhorailles -bevonden, had hij hen bij meer dan eene gelegenheid onversaagd tegen den vijand zien -aanrukken, en toch gehoorzaamden zij hem niet dan met zekeren weerzin. -</p> -<p>De graaf de Lhorailles bezat in hun oog groote gebreken: vooreerst dat hij graaf, -ten tweede dat hij te beschaafd was, zijne stem was hun te zacht, zijne manieren waren -te kiesch en te verwijfd; zij konden zich niet verbeelden dat zulk een fijn edelman, -zoo keurig gekleed, gedast en gehandschoend in staat was hen groote dingen te doen -uitrichten, zij hadden liever een kommandant gezien van krachtigen bouw, ruwe stem, -en brutale manieren, met wien zij alzoo meer op zekeren voet van gelijkheid stonden. -</p> -<p>Vroeg in den morgen was onder hen het gerucht verspreid, dat het kamp zou worden opgebroken -en dat de kompagnie met allen spoed de woestijn zou intrekken om de Apachen te vervolgen. -</p> -<p>Reeds dadelijk waren er samenscholingen gevormd, scherpe aanmerkingen gemaakt en de -hoofden warm geworden; weldra begon de weêrstand zich in stilte te organiseeren, en -toen de luitenant Diego Leon werkelijk order kwam brengen om het kamp op te breken -werd hij met gelach, gefluit en spotternij ontvangen, men had hem zotte vragen gedaan -en beschimpt, kortom hij zag zich eindelijk genoodzaakt voor de onlusten en opschudding -te wijken en naar den kapitein terug te keeren, om van den verkeerden loop der zaken -verslag te doen. -</p> -<p>In zulke omstandigheden zijne kalmte of zelfbeheersching te verliezen of voor het -oproer plaats te ruimen, is het grootste gebrek dat een officier bezitten kan: hij -moet zich desnoods liever laten dooden dan een duim breed uit den weg te gaan. -<span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span></p> -<p>Bij oproer voert de eerste inwilliging gereedelijk tot meerdere en dan moet onvermijdelijk -het volgende gebeuren: dat de rebellen hun eigen sterkte beginnen op te nemen en tegelijkertijd -hunne officieren gaan schatten; zij gevoelen welk een overwicht de brutale kracht -hen voor het oogenblik reeds geeft en maken onmiddellijk misbruik van de zwakheid -of werkeloosheid hunner chefs, niet om een eenvoudige wijziging ten gunste hunner -grieven te bewerken maar veeleer om een radicale verandering te vorderen. -</p> -<p>Dit was ook werkelijk hier het geval: nauwelijks had de luitenant zich verwijderd, -of men beschouwde zijn vertrek reeds als een overwinning. De soldaten begonnen voort -te redeneeren, onder opruiing, zoo als gewoonlijk, door diegenen onder hen, die het -vlugste babbelen of het hardste schreeuwen konden; het was nu niet langer weigeren -om de woestijn in te trekken, maar men zou andere officieren benoemen en dadelijk -naar de kolonie terugkeeren; de geheele staf moest worden veranderd, en de officieren -gekozen bij stemming, door de soldaten zelf, en vooral dezulken die bij hunne kameraden -het meeste vertrouwen genoten, dat is, vaak de meest partijdige, waanwijze en verwardste -stijfhoofden. -</p> -<p>De gisting had thans haar hoogste punt bereikt: de soldaten zwaaiden woest met de -wapens, en voeren uit in de grofste bedreigingen tegen den graaf en zijne luitenants. -</p> -<p>Op eens ging de deur der <span class="corr" id="xd30e5620" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> open en de graaf trad naar buiten. -</p> -<p>Hij was bleek maar kalm, en liet zijn vasten blik rondgaan over de muitende menigte, -die om hem heen tierde en bulderde. -</p> -<p>»De kapitein! daar is de kapitein!” riepen eenigen der soldaten. -</p> -<p>»Laten wij hem een kop kleiner maken!” riepen anderen. -</p> -<p>»Weg met hem! dood hem!” brulden sommigen. -</p> -<p>Allen stormden met blanke wapens en onder het uitbraken van dreigementen en verwenschingen -op hem af. -</p> -<p>De graaf deinsde niet terug, integendeel deed hij een stap vooruit. -</p> -<p>Hij had een fijne <span class="corr" id="xd30e5631" title="Bron: cigaar">sigaar</span> van maïsstroo in den mond en rookte met al de regelmatigheid van een saletjonker -die gereed is zijn middagslaapje te doen. -</p> -<p>Er is niets dat de oproerige massa meer ontzag inboezemt dan koelbloedigheid en moed -zonder praalvertooning. -</p> -<p>Er volgde een tempo in den opstand. -</p> -<p>De muitende menigte kwam voor een oogenblik tot staan. -</p> -<p>De kapitein en zijne soldaten beschouwden elkander als twee tijgers, die hunne wederzijdsche -krachten meten, alvorens den sprong te wagen om elkander te verscheuren. -</p> -<p>De graaf maakte zich het oogenblik der door hem te weeg gebrachte stilte ten nutte -om het woord te nemen. -</p> -<p>»Wat wilt gij?” vroeg hij met een kalme stem, terwijl hij bedaard <span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span>de sigaar uit zijn mond nam, en met helderen blik het blauwe rookzuiltje volgde dat -krullend omhoog steeg. -</p> -<p>Bij deze vraag van hun kapitein was de eerste indruk der begoocheling gebroken; het -geschreeuw en getier begon met verdubbelde woede, de muiters waren over zich zelven -verontwaardigd dat zij zich een oogenblik door de ferme houding van den kapitein hadden -laten beteugelen. -</p> -<p>Allen spraken te gelijk; zij bestormden den graaf aan alle kanten, trokken hem links -en rechts, om het eerst gehoor te krijgen. -</p> -<p>Ingesloten, gedrongen, gesleurd door zoo vele kerels, die alle krijgstucht vergetende -zich zeker waanden van straffeloosheid, in een land waar geen openbare gerechtigheid -bestaat anders dan in naam, verloor de graaf nochtans zijne zelfstandigheid niet en -bleef zijne koelbloedigheid zich volkomen gelijk. -</p> -<p>Hij liet de soldaten eenige minuten met vlammende blikken en schuimende lippen naar -hartelust schreeuwen en uitrazen; eerst toen hij dacht dat het lang genoeg had geduurd -hervatte hij met een even kalme en bedaarde stem als den vorigen keer: -</p> -<p>»Mijne vrienden, ’t is niet mogelijk om langer op deze wijs gesprek te voeren; ik -begrijp geen woord van al wat gij zegt. Laat een uwer kameraden zich belasten met -mij uit aller naam uwe grieven voor te stellen; en indien ik ze billijk en gegrond -vind zal ik er recht op doen, weest daarvan verzekerd.” -</p> -<p>Na deze woorden luid en krachtig te hebben uitgesproken, plaatste de graaf zich met -den schouder tegen den deurpost geleund, kruiste de armen op de borst en begon weder -rustig zijne sigaar te rooken, in schijn onverschillig voor al wat er omging. -</p> -<p>De koelbloedigheid en fermiteit door den graaf de Lhorailles van het begin af aan -den dag gelegd, had reeds goede vruchten gedragen; hij had een aantal harten onder -zijne beste soldaten gewonnen; wel is waar durfden deze nog niet openlijk voor hun -chef partij kiezen, maar ondersteunden toch met warmte het door hem gedane voorstel. -</p> -<p>»De kapitein heeft gelijk,” zeiden zij; »als wij zoo voortgaan hem allen te gelijk -een hoop zotteklap in de ooren te toeten, is het niet mogelijk dat hij er een woord -van begrijpt.” -</p> -<p>»Wat de kapitein eischt is niet meer dan billijk,” herhaalden anderen, »hoe kan hij -ons recht doen als wij hem niet klaar en duidelijk uiteenzetten wat wij willen.” -</p> -<p>Het oproer had dus een grooten stap achterwaarts gedaan, het sprak reeds niet meer -van het afzetten der officieren, maar bepaalde zich met aan den kapitein om recht -te vragen. -</p> -<p>Eindelijk, na veel over en weder sprekens tusschen de muiters onderling, werd een -van hen aangewezen om voor allen het woord te voeren. -</p> -<p>Dit individu, kort en gezet van gestalte, vierkant van schouders, <span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span>forsch gespierd van leden, met een schelmachtig gezicht, opgeluisterd door twee kleine -grijze oogen, die fonkelden van list en kwaadaardigheid, kortom, een slecht sujet -door en door<span class="corr" id="xd30e5663" title="Bron: .">,</span> de type van een avonturier der laagste klasse bij wien alles zich oploste in moord -en plundering. -</p> -<p>Deze man, bekend onder den naam van Curtius, was Parijzenaar van geboorte, een gewezen -straatjongen uit de voorstad Saint-Marceau. Oud soldaat, oud matroos, kende hij alle -vakken, behalve misschien dat van eerlijk man. Sedert zijne komst in de kolonie had -hij zich steeds onderscheiden door zijne oproerigheid, brutaalheid en vooral door -zijne pochende grootspraak. Hij beroemde zich dat hij acht dooden schuldig was, met -andere woorden, dat hij acht maal een manslag had begaan. Onwillekeurig waren zijne -kameraden bang voor hem. -</p> -<p>Toen zij hem hadden aangewezen om voor allen het woord te voeren, wierp hij met een -vuiststoot zijn hoed op een oor en riep tegen zijne kameraden op schamperen toon: -</p> -<p>»Gij zult eens zien hoe ik dat varken zal wasschen!” en hiermede stapte de ploert -half dansend, half sluipend naar den kapitein, die hem zag naderen en in het oog hield -met een onbeschrijfelijken glimlach op de lippen. -</p> -<p>Plotseling was de woelige menigte doodstil geworden, alle harten klopten sterker, -de aangezichten stonden angstig, ieder gevoelde werktuigelijk dat er iets buitengewoons -en beslissends gebeuren zou. -</p> -<p>Toen Curtius den kapitein tot op twee passen genaderd was, bleef hij staan en nam -hij zijn kommandant op van het hoofd tot de voeten op een alleronbeschaamdste manier. -</p> -<p>»Als ik het zeggen moet, kapitein,” begon hij, »is dit de zaak.…” -</p> -<p></p> -<div class="figure p203width"><img src="images/p203.jpg" alt="De graaf liet hem den tijd niet om voort te gaan; maar trok op eens een pistool uit zijn gordel. Bladz. 203." width="493" height="720"><p class="figureHead">De graaf liet hem den tijd niet om voort te gaan; maar trok op eens een pistool uit -zijn gordel. Bladz. 203.</p> -</div><p> -</p> -<p>De graaf liet hem den tijd niet om voort te gaan; maar trok op eens een pistool uit -zijn gordel, en schoot er hem mede door het hoofd. -</p> -<p>De bandiet rolde in het stof met een gebroken schedel. -</p> -<p>De graaf stak zijn revolver weder weg en keek koelbloedig rond. -</p> -<p>»Is er nog iemand die iets te zeggen heeft,” vroeg hij met eene ferme stem. -</p> -<p>Geen van hen durfde bijna te ademen, de bandieten waren op eens lammeren geworden. -</p> -<p>Zij bleven zwijgend staan voor hun chef als boetelingen voor hun meester; zij hadden -hem begrepen. -</p> -<p>De graaf meesmuilde minachtend. -</p> -<p>»Neem dat kreng weg,” zeide hij terwijl hij met den voet tegen het lijk schopte, »wij -zijn Dauph’yeers; wee! die de termen van ons contract durft schenden, ik dood hem -als een hond; hangt dezen ellendeling op met de beenen aan een boom, dan mogen de -gieren hem verslinden. Binnen tien minuten geef ik het sein om op te zitten, wee hem -die niet gereed is!” -<span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span></p> -<p>Na deze verpletterende toespraak ging de graaf weder in huis met denzelfden vasten -tred als hij er uit was gekomen. -</p> -<p>Het oproer was gestild, de woeste bandieten hadden den ijzeren klauw gevoeld die onder -den fluweelen handschoen verborgen zat, thans waren zij voor altijd getemd en zouden -zij zich laten dooden zonder een klacht te durven uiten. -</p> -<p>»Het moet gezegd worden,” mompelden de soldaten onder elkander, »de kommandant is -een ruwe gast, zijne oogen zullen niet licht overloopen.” -</p> -<p>Ieder haastte zich nu om voor het vertrek gereed te zijn. -</p> -<p>Tien minuten daarna, zoo als hij had aangekondigd, verscheen de kapitein weder; de -kompagnie zat reeds in den zadel en stond in orde geschaard en gereed om op marsch -te gaan. -</p> -<p>De kapitein glimlachte en gaf order om te vertrekken. -</p> -<p>»Hm!” bromde Cuchares in zich zelven, »’t is wel jammer dat don Martial zulke schoone -diamanten heeft. Anders zou ik hem, na hetgeen ik hier gezien heb, gaarne zijn woord -teruggeven.” -</p> -<p>Weldra was de gansche vrijkompagnie, met den kapitein aan het hoofd, verdwenen in -de stofwolken van de woestijn del Norte. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch21" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7009">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXI.</h2> -<h2 class="main">DE BEKENTENIS.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De haciendero en zijne dochter hadden de kolonie verlaten onder eskorte van don Martial -en de vier peons die laatstgenoemde in dienst had genomen. -</p> -<p>De kleine troep reed westwaarts, in dezelfde richting als de vrijkompagnie van den -graaf de Lhorailles, toen deze de Apachen op hun spoor ging vervolgen. -</p> -<p>Don Sylva maakte des te meer spoed om bij de Franschen te komen, daar hij wist dat -hun tocht geen ander doel had dan hem en zijne dochter uit de macht der Roodhuiden -te verlossen. -</p> -<p>De reis ging treurig en zwijgend. Naarmate de karavaan de woestijn naderde, kreeg -het landschap allengs dat voorkomen van somberen ernst en eenzame grootheid, dat onwillekeurig -op het gemoed van den reiziger werkt en hem in eene soort van neerslachtigheid dompelt -daar hij zich niet boven weet te verheffen. -</p> -<p>Geen lachende weiden of bebouwde akkers meer, geen pachthoeven, hutten of jacals, -geen reizigers zelfs op den weg die u met toegenegen blik of vriendelijken groet in -’t voorbijgaan eene goede reis wenschten, maar integendeel een woest en oneffen terrein, -afgebrokkelde rotsgronden, holle wegen, diepe donkere valleien, en ondoordringbare -bosschen, met wilde dieren bevolkt, wier fonkelende blik <span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span>u als een vurige kool van achter de dicht ineengestrengelde lianen of uit het warrige -kreupelbosch en het hooge prairiegras tegenloert. -</p> -<p>Van tijd tot tijd zagen de reizigers het breede spoor door de Franschen nagelaten, -kenbaar aan de menigte paardenhoeven in het vochtige zand of in het plat getreden -gras; maar dan veranderde het terrein plotseling van gedaante en ieder spoor was onherroepelijk -verdwenen. -</p> -<p>Iederen avond, nadat de Tigrero een mijl in het rond in de bosschen en struiken eene -soort van klopjacht had gehouden om het verscheurende gedierte te verdrijven, werd -het kamp hetzij op een heuvel of aan den oever eener beek opgeslagen, de vuren ontstoken, -een hut van takken gebouwd om <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita tegen de nachtkoude te beschutten; en dan, na een sober avondmaal, wikkelde -ieder zich in zijne fressada of zarape en sliep in tot den volgenden morgen. -</p> -<p>Het eenige wat nu en dan in dit eentonige leven eenige afwisseling bracht, was het -voorbijspringen van een eland of damhert, dat dan door don Martial en zijne vier peons -in vliegenden galop werd vervolgd tot het arme dier, soms eerst na eene jacht van -twee of drie uren, achterhaald en gedood werd. -</p> -<p>Maar vroolijke gesprekken of vertrouwelijke mededeelingen die zoo geschikt zijn om -eene verre en vervelende reis te bekorten, waren niet meer aan de orde. -</p> -<p>De reizigers bewaarden jegens elkander een somber en achterhoudend stilzwijgen, dat -niet slechts alle gemeenzaamheid maar zelfs alle vertrouwen den pas afsneed. Zij spraken -niet tot elkander dan in geval van volstrekte noodzakelijkheid, en dan nog werden -slechts eenige karige woorden gewisseld. -</p> -<p>De reden hiervan was niet ver te zoeken, elk dezer drie personen had voor den anderen -een geheim te bewaren dat hun zwaar op het hart woog en daar zij zich inwendig over -schaamden. -</p> -<p>De mensch is van nature een onvolmaakt en zondig schepsel, niet geheel en al slecht, -en nog veel minder volkomen goed, maar eene wonderlijke mengeling van beiden; de verkeerde -daden die hij onder den ijzeren dwang van hartstocht of van eigenbelang begaat, worden -later, zoodra zijne drift bekoeld is en hij den afgrond ziet waarin zijne dwaasheid -hem gestort heeft of dreigt te storten, eene bron van bitter berouw, vooral wanneer -zijn leven, zonder daarom onberispelijk te zijn geweest, uit een oogpunt van gewone -zedelijkheid zich tot hiertoe gelukkig voor grove misslagen heeft weten te bewaren. -</p> -<p>Zoo was ongeveer, op dit oogenblik de toestand van don Martial en <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita. Beiden hadden zich, door wederkeerigen hartstocht verblind, tot een misslag -laten vervoeren dien zij thans bitter betreurden; want om onze lezers aangaande het -karakter dezer twee personen niet langer in ’t onzekere te laten, moeten wij hier -zeggen, dat het hart dezer twee gelieven betrekkelijk goed was en dat zij op het oogenblik -hunner dwaselijk beraamde en uitgevoerde vlucht geenszins <span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span>de noodlottige gevolgen berekenden, die dit hopeloos bedrijf na zich zou slepen. -</p> -<p>Don Martial inzonderheid, na de bevelen die hij aan Cuchares gegeven had en tegenover -het hardnekkig besluit van don Sylva, om zich naar den graaf de Lhorailles te begeven, -begreep duidelijk dat zijn toestand met ieder oogenblik hachelijker werd, en dat hij -zich in eene engte had gedreven daar hij niet licht weder uit zou komen. -</p> -<p>De beide gelieven, door het geheim hunner vlucht op eene zoo noodlottige wijs saamverbonden, -bewaarden echter tegenover elkander een ander geheim, namelijk dat van spijt en berouw -die hen inwendig folterden; zij gevoelden bij iederen stap dat de grond onder hunne -voeten als ondermijnd was, en dat het oogenblik met rassche schreden naderde waarop -de mijn zou moeten springen. -</p> -<p>In zulk eenen toestand werd het leven ondragelijk, daar alle gemeenschap van gedachten -en gevoelens tusschen de drie personen verbroken was. Dat het eindelijk tusschen hen -tot eene botsing zou moeten komen was blijkbaar, maar de schok volgde wellicht spoediger -dan een van hen verwachtte, en zulks door den loop der omstandigheden zelve, waarin -zij zich zoo geweldig verwikkeld hadden. Na eene reis van omtrent veertien dagen, -gedurende welke er met hen niets meldenswaardig gebeurd was, bereikten don Martial -en zijn gezelschap, nu eens afgaande op de inlichtingen door hem op de hacienda bekomen, -dan op het spoor zelf door den graaf en diens talrijke bende achtergelaten, eindelijk -de beruchte bouwvallen in welks midden de <span class="corr" id="xd30e5731" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> van <span class="corr" id="xd30e5734" title="Bron: Moctecuzoma">Montecuzoma</span> zich verheft, aan de uiterste grens tusschen het bewoonbare land en de woestijn Del -Norte. -</p> -<p>Het was ongeveer zeven uren des avonds toen de kleine karavaan de ruïnen binnenreed; -de zon, juist aan de kimmen weggezonken, verlichtte de aarde nog slechts door de snel -afwisselende kleuren van het hemelsche prisma, waarin de laatste weerglans van hare -stralen nog een poos blijft schitteren nadat de koningin des dags zelve reeds verdwenen -is. -</p> -<p>Terwijl zij op eenigen afstand achter elkander reden wierpen don Sylva en de Tigrero -bespiedende blikken in het rond, en trokken niet dan met de meeste behoedzaamheid -en met de hand aan den trekker van hun geweer, voort in dit verwarde doolhof van kreupelbosschen -en puinhoopen, zoo gunstig voor de Indiaansche hinderlagen en waar zooveel gevaren -zich konden verschuilen. -</p> -<p>Eindelijk kwamen zij aan de <span class="corr" id="xd30e5741" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span>, zonder dat zij iets buitengewoons hadden gezien. -</p> -<p>De nacht was reeds bijna gedaald, en de voorwerpen begonnen in de schemering als weg -te smelten. Don Martial, die zich gereed maakte om af te stijgen, bleef op eens staan -en slaakte een kreet van verbazing, bijna van schrik. -</p> -<p>»Wat is er?” vroeg don Sylva met drift, terwijl hij zich omkeerde en den Tigrero naderde. -<span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span></p> -<p>»Zie eens,” antwoordde de laatste, met de hand naar een groep knoestige boomen wijzende, -die eenige passen van hen af allerwonderlijkst tusschen de puinhoopen waren opgeschoten. -</p> -<p>De menschelijke stem bezit een zonderbaar vermogen op de dieren, namelijk dat zij -hun een onverwinnelijke vrees en ontzag inboezemt. De weinige woorden tusschen de -beide mannen gewisseld, werden onmiddellijk beantwoord door zeven of acht wolkoppige -arenden, die in hun maaltijd gestoord met wild en krassend geschreeuw opvlogen, en -uit de zooeven genoemde boomgroep zich met zwaren wiekslag in de lucht verheffend, -boven het hoofd der reizigers groote kringen beschreven en bleven rondgieren onder -het aanhoudend getier hunner helsche muziek. -</p> -<p>»Zie toch!” herhaalde don Martial. -</p> -<p>»Maar ik zie volstrekt niets,” zei don Sylva; »het is daar zoo donker als de nacht.” -</p> -<p>»Dat is waar; maar kijk eens scherp toe en let op het punt dat ik u aanwijs, dan zult -gij weldra zien wat ik bedoel.” -</p> -<p>Zonder te antwoorden deed de haciendero zijn paard eenige stappen voortgaan. -</p> -<p>»Hu! Een man, aan de beenen opgehangen!” riep hij op een toon van schrik en afgrijzen, -terwijl hij op eens staan bleef. »Wat is hier gebeurd?” -</p> -<p>»Wie weet?<span id="xd30e5758"></span> Die man is geen Indiaan, zijne kleur en zijne kleeding laten daaromtrent geen twijfel -over. Maar hij heeft zijn haar nog, hij is dus niet door de Apachen gedood; wat kan -dat beteekenen?” -</p> -<p>»Een oproer misschien,” opperde de haciendero. -</p> -<p>Don Martial bedacht zich een poos; zijn wenkbrauwen trokken zich samen. -</p> -<p>»Dat is niet mogelijk!” prevelde hij half in zich zelven. -</p> -<p>Een oogenblik later hervatte hij: -</p> -<p>»Laten wij eerst in huis gaan, en <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita niet langer alleen laten; ons achterblijven zal haar reeds verwonderen en als -het langer duurt zal zij er zich over verontrusten. Zoodra het kamp gereed is ga ik -die zaak eens nader onderzoeken, en ik zou mij zeer vergissen als ik het noodlottige -raadsel niet oplos dat zich hier aan ons zoo wonderlijk voordoet.” -</p> -<p>De beide mannen reden weêr voort en kwamen weldra bij <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita, die eenige passen verder onder bescherming der peons op hen wachtte. -</p> -<p>Nadat de reizigers afgestegen en de <span class="corr" id="xd30e5777" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> waren binnengetreden, ontstak don Martial eenige fakkels van <i>ocote</i>-hout om in de duisternis licht te maken en bracht toen zijne gezellen naar de groote -zaal, waar wij onze lezers reeds eenmaal hebben binnengeleid. -</p> -<p>Ook de Tigrero had meermalen deze ruïnen bezocht; gedurende zijne langdurige jachten -in de prairie hadden zij hem vaak tot verblijf gestrekt; hij was dus met de plaatselijke -gelegenheid zeer goed <span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span>bekend. Daarom had hij er zoo sterk op aangedrongen dat de karavaan den weg naar de -<span class="corr" id="xd30e5786" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> zou nemen, wel overtuigd dat de graaf de Lhorailles aldaar voor zich en zijne kompagnie -een gemakkelijk en veilig bivak zou hebben gezocht. -</p> -<p>De groote zaal, in wier midden een tafel stond, droeg de duidelijke sporen dat er -nog kort geleden een aantal personen waren geweest en er tamelijk lang verblijf hadden -gehouden. -</p> -<p>»Gij ziet wel dat ik mij niet bedrogen heb,” zei don Martial tegen den haciendero; -»de lieden die ons zoeken hebben zich hier opgehouden.” -</p> -<p>»Dat is zoo; en denkt gij dat zij reeds lang vertrokken zijn.” -</p> -<p>»Dat zou ik nog niet durven zeggen, maar terwijl gij bezig zijt u hier te vestigen -en het avondmaal wordt gereed gemaakt, zal ik daar buiten den boel eens opnemen; zoodra -ik terugkom hoop ik het genoegen te hebben uwe nieuwsgierigheid te kunnen bevredigen.” -</p> -<p>En met deze woorden stak hij de toorts, die hij in zijne hand had, in een kram aan -den muur en ging het huis uit. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita had reeds plaats genomen op een toevallig aanwezige ruw houten tabouret, en -zat bij de tafel diep in gedachten verzonken. -</p> -<p>Geholpen door de peons, hield de haciendero zich ijverig bezig met alles voor den -nacht in orde te brengen; de paarden werden ontzadeld en in eene soort van corral—open -stal tusschen vier muren—geplaatst, daar ze niet uit weg konden loopen, en ruim van -haver voorzien; de muilezels werden afgeladen en de pakken in de groote zaal gebracht, -waar men ze op een hoop stapelde, na er een geopend te hebben om er den noodigen mondvoorraad -uit te nemen; vervolgens werd er een groot vuur ontstoken, boven hetwelk weldra een -hertebout te braden hing. -</p> -<p>Nadat al deze toebereidsels waren afgeloopen, ging de haciendero op een der in de -zaal voorhanden bisonsschedels zitten, stak een <span class="corr" id="xd30e5802" title="Bron: maïscigaar">maïssigaar</span> aan en begon te rooken, nu en dan een smartelijken blik werpende naar zijne dochter, -die nog altijd in hare treurige beschouwingen verdiept zat. -</p> -<p>Don Martial bleef vrij lang uit: eerst na twee uren afwezigheid hoorde men het getrappel -van zijn paard op den steenachtigen bodem der ruïne en trad hij onverwijld binnen. -</p> -<p>»Wel?” vroeg hem don Sylva. -</p> -<p>»Laten wij eerst eten,” antwoordde de Tigrero met een wenk naar <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita, dien de haciendero begreep. -</p> -<p>Het maal was zooals dat van bekommerde en vermoeide lieden na een lange dagreis wezen -moest, dat wil zeggen zeer kort. Overigens bestond het, behalve uit de hertenbout, -uit niets dan maïskoeken en gebraden peren met peper. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita gebruikte nauwelijks een paar lepels ingelegde tamarinde; daarna de aanwezigen -gegroet hebbende, stond zij op en verwijderde zich naar een klein in de zaal uitkomend -vertrekje, waar <span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span>men voor haar van bisonsmantels en pelterijen een soort van bed had gereed gemaakt, -en dat bij gebrek van deur zoo goed mogelijk was afgesloten met een paardendek aan -een paar spijkers in den muur opgehangen. -</p> -<p>»Wat u betreft,” zei de Tigrero tegen de peons zoodra <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita weg was, »gij moogt wel goed wachthouden als gij uwe haren behouden wilt. Ik -ben verplicht u te waarschuwen dat wij hier in een land vol vijanden zijn, en als -gij zorgeloos inslaapt, het waarschijnlijk duur zullen moeten bekoopen.” -</p> -<p>De peons verzekerden den Tigrero dat zij dubbel waakzaam zouden zijn, en gingen naar -buiten om de ontvangen bevelen uit te voeren. -</p> -<p>De beide heeren bleven dus alleen en zaten een oogenblik zwijgend tegenover elkander. -</p> -<p>»Welnu, wat is het?” begon don Sylva, de vraag herhalende die hij reeds even te voren -gedaan had, »hebt gij iets bijzonders ontdekt of vernomen?” -</p> -<p>»Al wat er met mogelijkheid te ontdekken of te vernemen is, don Sylva,” antwoordde -de Tigrero min of meer onstuimig; »zoo het anders ware, zou ik een armzalige jager -zijn en de wilde dieren, tijgers en jaguars mij reeds lang verslonden hebben.” -</p> -<p>»Zijn de inlichtingen die gij hebt opgedaan gunstig te noemen?” -</p> -<p>»Dat is naar dat gij ze nemen wilt; de Franschen zijn hier geweest en hebben er een -paar weken gekampeerd; gedurende hun verblijf in de ruïnen zijn zij door de Apachen -hevig aangevallen, doch het is hun gelukt hen af te slaan. Intusschen schijnt het, -ofschoon ik het niet zou kunnen bevestigen, dat de soldaten om een of andere reden -aan ’t muiten geslagen zijn, ten gevolge waarvan die arme duivel, dien wij tot aas -voor de gieren aan den boom zagen hangen, misschien als de belhamel, misschien ook, -zooals het wel eens meer gegaan is, als het ongelukkige slachtoffer voor allen het -gelag heeft moeten betalen.” -</p> -<p>»Ik zeg u dank voor uwe toelichting, die ons buitendien bewijst dat wij ons niet vergist -hebben maar het rechte spoor zijn gevolgd; kunt gij mij nu deze toelichting nog aanvullen, -in zoover dat gij mij weet te zeggen of de Franschen de ruïnen sinds lang verlaten -hebben en in welke richting zij vertrokken zijn?” -</p> -<p>»Deze vragen zijn gemakkelijk op te lossen; de vrijkompagnie heeft gisteren morgen -even na zonsopgang haar kamp opgebroken om de woestijn in te trekken.” -</p> -<p>»De woestijn?” herhaalde de haciendero, terwijl hij moedeloos de armen bij het lijf -liet hangen. -</p> -<p>Er volgde eenige minuten stilte, gedurende welke de beide mannen over het gesprokene -nadachten. Eindelijk nam don Sylva het woord weder op. -</p> -<p>»Dat is niet mogelijk,” riep hij. -<span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span></p> -<p>»En toch is het zoo.” -</p> -<p>»Maar dat is eene onvoorzichtigheid zoo groot als er een zijn kan, ja het is dollemanswerk!” -</p> -<p>»Dat zal ik niet tegenspreken.” -</p> -<p>»O! die ongelukkigen!” -</p> -<p>»Het is zoo met hen gelegen, dat er een wonder zal moeten gebeuren als zij er goed -afkomen.” -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e5845" title="Niet in bron">»</span>Dat ben ik volkomen met u eens; maar wat nu gedaan?” -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e5848" title="Niet in bron">»</span>De zaak ligt er toe, en met al ons gejammer is er niets aan te veranderen; ik geloof -dus, don Sylva, dat wij de wijste partij zullen kiezen door er niet meer aan te denken; -zij moeten zelf maar zien hoe zij er goed afkomen.” -</p> -<p>»Is dat uwe gedachte?” -</p> -<p>»Volkomen,” antwoordde de Tigrero luchthartig. -</p> -<p>»Uw plan is dus?” -</p> -<p>»Mijn plan is,” antwoordde hij met drift, »om twee of drie dagen hier te vertoeven -en te zien wat er misschien gebeuren kan; hebben wij na verloop van drie dagen niets -nieuws gezien of gehoord, dan stijgen wij te paard en keeren langs denzelfden weg -dien wij gekomen zijn naar Guetzalli terug, zonder zelfs de moeite te nemen van om -te zien, want hoe eer wij deze verschrikkelijke streek uit zijn, hoe beter.” -</p> -<p>De haciendero schudde van neen, als iemand die op eens zijn vaste besluit had genomen. -</p> -<p>»Dan zult gij alleen vertrekken, don Martial,” zeide hij droog. -</p> -<p>»Wat zegt gij!” riep de andere hem strak aanziende. -</p> -<p>»Ik zeg u, dat ik denzelfden weg niet terugga dien ik gekomen ben; ik doe geen stap -achteruit, in één woord ik vlucht niet.” -</p> -<p>Don Martial was door dit antwoord als verbluft. -</p> -<p>»Wat denkt gij dan te doen?” -</p> -<p>»Kunt gij dat niet begrijpen? Om welke reden zijn wij hier gekomen; en met welk doel -hebben wij tot hiertoe gereisd?” -</p> -<p>»Maar, don Sylva, bedenk toch, de zaken zijn nu geheel veranderd. Gij zult hoop ik -redelijk genoeg zijn te erkennen dat ik u zonder tegenspreken gehoorzaamd heb en gedurende -deze reis een trouwe gids voor u geweest ben.” -</p> -<p>»Dat erken ik inderdaad; maar zeg mij dan hoe gij er over denkt.” -</p> -<p>»Hoe ik er over denk, don Sylva; dat zult gij hooren. Zoolang wij in de prairie waren, -in dagelijksch gevaar van door de wilde beesten verscheurd te worden, heb ik gedwee -voor u gebogen en mij geenszins tegen uwe plannen verzet, omdat ik stilzwijgend bekennen -moest dat gij plichtmatig handeldet; zelfs nu nog, zou ik mij, als wij alleen waren, -zonder morren aan uw vaste besluit onderwerpen. Maar bedenk doch, bid ik u, dat gij -uwe dochter bij u hebt en dat zij duizend angsten zal moeten uitstaan, zoo gij haar -verplicht om u te volgen in een woestijn die u beiden zal verslinden.” -<span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span></p> -<p>Don Sylva antwoordde niet. -</p> -<p>De Tigrero vervolgde: -</p> -<p>»Onze troep is zwak; wij hebben slechts voor weinige dagen levensmiddelen bij ons, -en gij weet, als wij eens in de del Norte zijn, is er geen water of wild meer te krijgen. -Worden wij daarbij nog door een storm overvallen, dan zijn wij verloren, reddeloos -verloren.” -</p> -<p>»Al wat gij mij daar zegt is waar, dat weet ik, en toch kan ik uw raad niet volgen. -Hoor mij op uwe beurt, don Martial: de graaf de Lhorailles is mijn vriend, weldra -zal hij mijn schoonzoon zijn; ik zeg dat niet om u te krenken, maar om u te doen beseffen -in welke verhouding ik tegenover hem sta. Om mijnentwil, om mij te verlossen uit de -macht van hen die hij meent dat mij en mijne dochter hadden opgelicht, is hij zonder -aarzelen of baatzuchtige berekening en alleen door zijn edele hart gedreven, de zandwoestijn -ingetrokken; kan ik hem daar nu laten omkomen, zonder hem hulp toe te brengen? Is -hij niet vreemdeling in Mexico, mijn gast en mijn vriend? neen, don Martial, het is -mijn plicht hem te redden, en ik zal het beproeven, hoe het ook gaan mag.” -</p> -<p>»Nu ik zie dat gij er zoo over denkt, don Sylva, zal ik niet langer een besluit zoeken -te keeren dat bij u zoo onherroepelijk vaststaat. Ik zal u niet zeggen dat de man -dien gij uwe dochter ter vrouwe wilt geven een gelukzoeker, een verloopen edelman -is, die ter zake van wangedrag zijn land heeft moeten verlaten en die door het huwelijk -dat hij met uwe dochter hoopt te sluiten niets anders bedoelt dan uw onmetelijk fortuin -in zijn bezit te krijgen. Al deze dingen en nog veel meer bovendien zou ik u vergeefs -trachten te bewijzen, gij zoudt mij toch niet gelooven, want gij zoudt in de feiten -die ik u opnoemde niets anders willen zien dan nietswaardige pogingen van een mededinger; -spreken wij er dus niet verder over. Wilt gij de zandwoestijn in, goed, ik zal u volgen; -en wat er ook gebeurt zult gij mij aan uwe zijde vinden, gereed om u te beschermen -en u te helpen. Maar nu het uur eindelijk daar is om tot ronde verklaringen te komen, -wil ik niet langer dat er een wolk van ongenoegen tusschen ons blijve bestaan; gij -moet den man kennen, met wien gij de wanhopige onderneming gaat wagen die gij u hebt -voorgenomen, opdat gij in hem uw volle vertrouwen moogt stellen.” -</p> -<p>De haciendero keek hem verwonderd aan. -</p> -<p>Op dit oogenblik werd het gordijn voor het vertrekje daar <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita zich bevond opgeheven, het meisje verscheen, trad langzaam de zaal door, knielde -voor haar vader neder en wendde zich tot den Tigrero. -</p> -<p>»Nu moogt gij vrij spreken, don Martial,” zeide zij; »misschien zal mijn vader mij -vergeven, als hij ziet dat ik hem dus om vergeving vraag.” -</p> -<p>»Vergeving?” riep de haciendero, terwijl hij beurtelings zijne dochter en den man -aanstaarde, die met een beschaamd gelaat en gebogen <span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span>hoofd voor hem stond; »wat moet dat beteekenen? welk misdrijf hebt gij begaan?” -</p> -<p>»Een misdrijf, daar ik alleen schuld aan heb, don Sylva, en daar ik alleen de straf -voor ondergaan moet; ik heb u schandelijk bedrogen, ik ben de man die uwe dochter -uit de kolonie heeft weggevoerd.” -</p> -<p>»Gij!” riep de haciendero met een blik van woede, »ben ik dus uw speelbal, uw bedrogene -geweest?” -</p> -<p>»De hartstocht redeneert niet; ik zal maar een woord ter mijner verdediging zeggen: -ik bemin uwe dochter. Helaas, don Sylva, ik gevoel eerst nu hoe schuldig ik was; het -nadenken, hoe laat ook, is eindelijk gekomen, en terwijl <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita aan uwe voeten weent, verneder ik mij voor u en bid ik u om vergeving.” -</p> -<p>»Vergeving, vader!” herhaalde het meisje zacht. -</p> -<p>De haciendero gaf een wenk van onwil. -</p> -<p>»O!” hervatte de Tigrero met drift, »wees grootmoedig, don Sylva; stoot ons niet terug! -Ons berouw is waar en oprecht. Ik heb het vaste voornemen om het gedane kwaad te herstellen; -ik ben dwaas geweest, de hartstocht had mij verblind, verguis mij niet.” -</p> -<p>»Vader,” snikte <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita met tranen op de wangen en eene gesmoorde stem, »ik bemin hem! Evenwel, toen -wij uit de kolonie vertrokken, hadden wij kunnen vluchten en u verlaten; dit hebben -wij niet gewild, wij hebben er zelfs geen oogenblik aan gedacht, wij hebben ons geschaamd -over onzen misstap. Nu zijn wij hier beiden gereed om u te gehoorzamen en zonder tegenspraak -alles te doen wat gij ons gebieden zult; wees dus niet onverbiddelijk, vader, vergeef -ons!” -</p> -<p>De haciendero richtte zich op. -</p> -<p>»Gij ziet het, ik kan niet langer aarzelen,” zeide hij streng; »ik moet den graaf -de Lhorailles redden, tot iederen prijs; deed ik het niet, dan was ik uw medeplichtige.” -</p> -<p>De Tigrero stapte met innige ontroering de zaal door in de vreeselijkste spanning, -zijne wenkbrauwen waren samengetrokken, zijn gelaat doodsbleek. -</p> -<p>»Ja,” riep hij eindelijk met eene geschokte stem, »ja, wij moeten hem redden; wat -geef ik er om hoe het daarna met mij gaat? Geen lafhartige zwakheid! Ik heb een misslag -begaan, ik moet en zal er de gevolgen van boeten.” -</p> -<p>»Als gij mij oprecht en trouw in mijne nasporingen helpt, zal ik u vergeven;” zei -don Sylva met eene ernstige stem; »mijn eer is in uw misslag betrokken, ik stel die -in uwe handen.” -</p> -<p>»Dank u, don Sylva, gij zult er geen berouw van hebben dat gij u op mij verlaat,” -antwoordde de Tigrero edelmoedig. -</p> -<p>De haciendero hief zijne dochter minzaam op, sloot haar in zijne armen en kuste haar -bij herhaling. -</p> -<p>»Mijn arm kind!” zeide hij, »ik vergeef u. Helaas! wie weet of <span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span>ik niet binnen weinige dagen op mijne beurt uwe vergeving zal moeten inroepen voor -al het leed dat ik u heb aangebracht? Ga nu een weinig slapen, het is diep in den -nacht, gij hebt rust noodig.” -</p> -<p>»O hoe goed zijt gij, vader, en hoe lief heb ik u,” riep zij geroerd, »vrees niets, -welk lot mij in de toekomst ook verbeidt, ik zal het dragen zonder morren, nu ben -ik gelukkig, nu gij mij vergeven hebt.” -</p> -<p>Don Martial volgde het meisje met de oogen terwijl zij zich verwijderde. -</p> -<p>»Wanneer denkt gij op marsch te gaan, don Sylva,” vroeg hij met een gesmoorden zucht. -</p> -<p>»Morgen, zoo dat mogelijk is.” -</p> -<p>»Goed, morgen dan op Gods genade.” -</p> -<p>Na nog een poosje gesproken te hebben om de noodige zaken te regelen, wikkelde don -Sylva zich in zijne dekens en sliep weldra in. Wat den Tigrero betreft, deze ging -het huis uit, om te zien of de peons wel goed voor de algemeene veiligheid waakten. -</p> -<p>»O, als die verwenschte Cuchares mijne orders maar niet heeft uitgevoerd!” mompelde -hij. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch22" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7019">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXII.</h2> -<h2 class="main">EEN MENSCHENJACHT.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Den volgenden dag met het eerste morgenkrieken trok de kleine karavaan uit de <span class="corr" id="xd30e5925" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> van <span class="corr" id="xd30e5928" title="Bron: Moctecuzoma">Montecuzoma</span>; twee uren later waren zij reeds in de woestijn del Norte. -</p> -<p>Bij het gezicht der woestijn kromp het hart van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita samen van angst, het was alsof een heimelijk voorgevoel haar voorspelde dat -de tocht voor haar noodlottig zou zijn. Zij keerde zich om en wierp een treurigen -terugblik op de donkere wouden, die achter haar groenden aan den horizont, en slaakte -een onwillekeurigen zucht. -</p> -<p>De luchtsgesteldheid was heet, de hemel van het zuiverste blauw, geen tochtje verkoelde -den dampkring; op het mulle zand zag men nog de diepe sporen der paarden waar de vrijkompagnie -van den graaf de Lhorailles er doorgetrokken was. -</p> -<p>»Wij zijn op den goeden weg,” merkte de haciendero aan, »hunne sporen zijn duidelijk -zichtbaar.” -</p> -<p>»Ja,” mompelde de Tigrero, »en dat zullen ze blijven zoo lang tot er een stormwind -losbreekt.” -</p> -<p>»O! dan moge God ons helpen!” riep <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita. -</p> -<p>»Amen!” riepen al de reizigers een kruis makende in antwoord op de heimelijke stem -in hun binnenste, die hun niets dan ongeluk voorspelde. -<span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span></p> -<p>Er verliepen eenige uren. -</p> -<p>Het weêr bleef verrukkelijk schoon; van tijd tot tijd, hoog in de lucht, zagen de -reizigers tallooze zwermen vogels voorbijvliegen, die naar het warme land trokken—of -de <i lang="es">terres calientes</i> zoo als men hier zegt, en zich haastten om de woestijn over te komen. -</p> -<p>Maar overal elders zag men niets dan grauw en dof zand, of sombere rotsen, grillig -op een gestapeld als naamlooze ruïnen van eene onbekende voormenschelijke wereld, -zoo als men die vaak in hoogere bergstreken aantreft. -</p> -<p>Tegen het vallen van den avond kampeerde de karavaan onder beschutting van een groot -granietblok, en een sober vuur werd ontstoken, dat nauwelijks voldoende was om de -reizigers tegen de koude te beschutten die des nachts in deze streken heerscht. -</p> -<p>Don Martial galoppeerde gedurig aan de zijden van den troep, nu links dan rechts, -dan voor dan achter en waakte met broederlijke zorg voor alle veiligheid; noch door -de verzoeken van don Sylva noch door de gebeden van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita was hij te bewegen om eenige rust te nemen. -</p> -<p>»Neen,” riep hij telkens, »van mijne waakzaamheid hangt uw behoud af. Laat mij handelen -naar eigen goedvinden, ik zou het mij zelven nooit vergeven, als ik u had laten overrompelen.<span class="corr" id="xd30e5963" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Intusschen waren de sporen, door de vrijkompagnie achtergelaten, van tijd tot tijd -minder zichtbaar geworden en eindelijk geheel verdwenen. -</p> -<p>Op zekeren avond, terwijl de reizigers hun kamp onder een vervaarlijk overhangende -rots hadden opgeslagen, die boven hun hoofd een soort van beschermend dak vormde, -wees de haciendero don Martial in de verte op een witten damp, die zich vrij sterk -tegen het donkere blauw des hemels afteekende. -</p> -<p>»Het luchtazuur begint te verschieten,” zeide hij, »wij krijgen waarschijnlijk spoedig -verandering van weer. Geve God dat hetgeen orkaan zij die ons bedreigt.” -</p> -<p>De Tigrero schudde het hoofd. -</p> -<p>»Neen,” zeide hij, »gij vergist u, uwe oogen zijn minder gewoon dan de mijne om den -hemel te raadplegen; dat is daar ginds geen wolk.” -</p> -<p>»Wat is het dan?” -</p> -<p>»Rook van bisonsmest, door reizigers aangestoken; wij zijn dus niet zonder buren.” -</p> -<p>»O!” riep de haciendero, »zouden wij onze vrienden dan weder op het spoor zijn, die -wij reeds uit het oog hadden verloren?” -</p> -<p>Don Martial bewaarde de stilte; hij bespiedde nauwkeurig de wolk, die als flauwe damp -weldra in het blauw des hemels wegsmolt. Eindelijk antwoordde hij: -</p> -<p>»Die rook voorspelt weinig goeds. Onze vrienden, zoo als gij ze noemt, zijn Franschen, -met andere woorden geheel onbekend met de gewoonten der woestijn; als zij zoo dicht -bij ons waren, zouden wij hen even gemakkelijk zien als deze rots hier; zij zouden -dan <span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span>niet één klein vuur hebben ontstoken, maar tien ja twintig groote vuren, wier vlammen -en rook ons onmiddellijk hunne tegenwoordigheid hadden bewezen. Zij zijn zoo keurig -niet op hunne brandstof, zij nemen hout, nat of droog is hun onverschillig, daar zij -niet weten van hoeveel belang het is in de woestijn zijne tegenwoordigheid voor den -vijand te verbergen.” -</p> -<p>»Wat maakt gij daaruit op?” -</p> -<p>»Daaruit maak ik op, dat de rook dien wij thans zien, afkomstig is van een vuur door -Roodhuiden of ten minste door ervaren woudloopers gestookt die met de gebruiken der -Indianen zeer goed bekend zijn. Dat blijkt aan alles; daar zijt gij zelf, ofschoon -min of meer met de wildernis bekend, hebt gij het voor een wolk aangezien; ieder oppervlakkig -beschouwer zou met u dezelfde fout begaan hebben, zoo fijn, zachtgolvend en doorzichtig -als deze rook is en zoo weinig als hij verschilt van de gewone dampen die de zon onophoudelijk -uit de aarde optrekt. De lieden die dit vuur ontstoken hebben, wie het ook zijn mogen, -hebben niets bij geval gedaan maar alles berekend en alles voorzien, en ik zou mij -zeer bedriegen als het geen vijanden zijn.” -</p> -<p>»Hoe ver zijn zij van ons af, denkt gij?” -</p> -<p>»Vier mijlen op zijn verst; maar wat zegt vier mijlen in de woestijn, waar men zoo -gemakkelijk in eene rechte lijn overal heen kan.” -</p> -<p>»Dus zoudt gij denken”.… riep de haciendero. -</p> -<p>»Overweeg mijne woorden wel, don Sylva, en vooral bid ik u, geef er geen andere beteekenis -aan dan die ik er mede bedoel. ’t Is eene ongehoorde bijzonderheid in de jaarboeken -van del Norte, dat wij de woestijn bijna drie weken lang hebben doorkruist zonder -door iets gestoord te worden; terwijl wij nu reeds sedert acht dagen op goed geluk -rondzwerven om een spoor te zoeken dat wij onmogelijk schijnen te kunnen wedervinden.” -</p> -<p>»’t Is waar.” -</p> -<p>»Ik ben dus met mijne redeneering tot eene slotsom gekomen die ik meen dat ontegenzeggelijk -is en zonder twijfel door u zal worden beaamd. Gij zult mij toestemmen dat de Franschen -niet bij verkiezing de woestijn zijn ingetrokken, en er alleen toe overgegaan zijn -om de Apachen te vervolgen, niet waar?” -</p> -<p>»Ja.” -</p> -<p>»Goed. Zij zullen haar dus in een rechte lijn doortrekken. Den tijd dien wij hadden, -hadden zij ook; hun doel, hun belang noopte hen om geen tijd te verliezen, maar bij -hun marsch de hoogst mogelijke snelheid in acht te nemen. Eene vervolging, dat weet -gij zoo goed als ik, is als een wedren, een rid om het hardst, waarbij ieder de eerste -tracht te zijn.…” -</p> -<p>»Gij veronderstelt dus.…,” viel don Sylva hem in de rede. -</p> -<p>»Ik veronderstel niet, ik ben ten volle overtuigd dat de Franschen zich reeds sedert -lang niet meer in de woestijn bevinden, maar thans <span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span>de vlakte van Apacheria doorkruisen; het vuur dat wij straks gezien hebben is er een -afdoend bewijs van.” -</p> -<p>»Hoedat?” -</p> -<p>»Ik zal het u duidelijk maken: de Apachen hebben er het grootste belang bij om de -Franschen van hunne jachtgronden te verwijderen. Geen raad wetende nu zij hen reeds -daar zien, zijn zij zelven de woestijn weder ingetrokken en hebben waarschijnlijk -daar dat vuur ontstoken, ten einde hen te misleiden en te verplichten er weder terug -te komen.” -</p> -<p>De haciendero stond een poos in gedachten. De redenen hem door don Martial gegeven -kwamen hem zoo gegrond voor, dat hij niet wist waartoe te besluiten. -</p> -<p>»Ter zake!” riep hij eenige oogenblikken later, »wat oordeelt gij zelf van dat alles?” -</p> -<p>»Dat wij dwaas zouden doen,” antwoordde don Martial beslissend, »nog langer onzen -tijd te verspillen, met hier te zoeken naar lieden die er niet meer te vinden zijn, -en daarbij gevaar te loopen door een <i lang="es">temporale</i> overvallen te worden, een dier verschrikkelijke orkanen die in deze streek ieder -oogenblik kunnen opkomen en alles wat er zich bevindt onder het zand begraven.” -</p> -<p>»Dus wilt gij op uwe stappen terugkeeren?” -</p> -<p>»Integendeel; ik wil vooruit en de woestijn recht doortrekken, om zoo spoedig mogelijk -naar Apacheria te komen, waar ik zeker ben, dat ik weldra het spoor onzer vrienden -ontdekken zal.” -</p> -<p>»O! dat vind ik zeer goed; maar wij zijn immers hier nog al te ver van de prairie?” -</p> -<p>»Niet zoo ver als gij denkt; doch voor het oogenblik zullen wij ons gesprek hierbij -laten; ik wil op verkenning uit, dat vuur daar is mij een doorn in ’t oog, het wekt -al mijne nieuwsgierigheid, ik moet het van nabij gaan onderzoeken.” -</p> -<p>»Wees toch voorzichtig.” -</p> -<p>»Het is immers om uw en ons aller behoud te doen,” hernam de Tigrero met een treurigen -blik op <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita. -</p> -<p>Hij stond op, zadelde zijn paard en na even te hebben rondgezien reed hij weg. -</p> -<p>»Moedige ziel!” prevelde <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita terwijl zij hem in den avondnevel zag verdwijnen. -</p> -<p>De haciendero zuchtte en liet het hoofd vol gedachten op de borst zakken. Don Martial -verwijderde zich snel in het bleeke maanlicht, dat de eenzame woestijn overgoot met -haar sidderend en fantastisch schijnsel. Telkens ontmoette hij kale en steile rotsen, -die op haar voetstuk schenen te waggelen, als sombere en sluimerende schildwachts -wier reusachtige schaduw zich ver over de grauwe zandvlakte uitbreidde; of nu en dan -een ontzaglijken <i>ahuehuelt</i><a class="noteRef" id="xd30e6024src" href="#xd30e6024">1</a>, welks kale <span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span>takken met zoogenaamd spaansche baard waren beladen, zeker dik mos dat er in lange -en gepruikte trossen bij neerhing en bij het minste geblaas van den wind zich beweegt. -</p> -<p>Na ongeveer een uur lang gereden te hebben, bracht de Tigrero zijn paard tot staan, -steeg af en keek opmerkzaam rond. -</p> -<p>Weldra had hij gevonden wat hij zocht; niet ver van hem af was een vrij diepe, hetzij -door den wind of door den regen uitgeholde ravijn, waar hij zijn paard in liet afdalen; -hij maakte het met de lasso stevig aan een groot steenblok vast, bond het de neusgaten -dicht, opdat het niet zou brieschen, nam zijn geweer op schouder en verwijderde zich. -</p> -<p>Van de plaats waar hij zich thans bevond was het vuur duidelijk zichtbaar en teekende -de roode gloed zich scherp af in de duisternis. -</p> -<p>Rondom het vuur zag hij een aantal gestalten onbeweeglijk nedergehurkt, die hij bij -den eersten oogopslag reeds voor Indianen herkende. -</p> -<p>De Tigrero had zich niet bedrogen, zijne ondervinding als jager was hem zeer goed -te stade gekomen; het waren wel degelijk Roodhuiden die daar zoo dicht bij zijne karavaan -in de woestijn gekampeerd lagen. -</p> -<p>Doch wie waren deze Roodhuiden, waren het vrienden of vijanden? Ziedaar eene vraag -die hij volstrekt wilde opgelost zien. -</p> -<p>Het was geen gemakkelijke taak op zulk een effen en geheel open terrein hen ongemerkt -te naderen, want de Indianen zijn als de wilde dieren, zij hebben het voorrecht van -even scherp te zien, als te hooren en te ruiken: hunne glasachtige oogappels hebben -het vermogen zich te verwijden als die van tijgers en, zoo kunnen zij hunne vijanden -even goed zien in de dikste duisternis als in het meest verblindende zonlicht. -</p> -<p>Intusschen gaf don Martial zijn plan niet op. -</p> -<p>Niet ver van het kamp der Roodhuiden lag een groot blok graniet, aan welks voet drie -of vier ahuehuelts waren opgeschoten, die door verloop van tijd hunne takken zoo dicht -in elkander hadden gevlochten, dat zij op zekere hoogte aan den eenen kant van de -rots een ondoordringbaar warbosch vormden. -</p> -<p>De Mexicaan ging plat op den grond liggen en schoof zich met behulp van knieën en -ellebogen, duim voor duim en streep voor streep, zachtkens vooruit naar de rots, daarbij -behendig gebruik makende van de schaduw die de rots zelve en de daarnevenstaande boomen -op een gedeelte van het terrein wierpen. -</p> -<p>De Tigrero besteedde bijna een half uur om de weinig meer dan veertig ellen gronds -die hem van de rots scheidden, af te leggen. -</p> -<p>Eindelijk had hij haar bereikt; en toen hield hij even stil om adem te scheppen en -slaakte een zucht van voldoening. -</p> -<p>Het overige was niets meer; hij vreesde niet langer, gezien te <span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span>zullen worden, dank zij het dichte gordijn van takken dat hem voor het oog der Indianen -verborg, maar daarentegen des te meer dat men hem mocht hooren. -</p> -<p>Na eenige oogenblikken uitgerust te hebben begon hij opnieuw te kruipen, en zich van -lieverlede langs de steilte der rotshelling naar boven te werken: eindelijk bevond -hij zich op gelijke hoogte met het warbosch, waar hij dadelijk inkroop en verdween, -zonder dat iemand zijne aanwezigheid aan die plaats kon vermoeden. -</p> -<p>Uit dit schuilhoekje, dat hij zoo gelukkig ontdekt en bereikt had, overzag hij niet -alleen het gansche kamp der Roodhuiden, maar kon hij duidelijk hooren wat zij onderling -spraken. -</p> -<p>Het zal niet noodig zijn hier aan te merken, dat don Martial de verschillende taaleigens -der talrijke, in de uitgestrekte wildernissen verspreide Indianen-stammen even goed -verstond als sprak. -</p> -<p>De hier aanwezige Roodhuiden herkende hij onmiddellijk als Apachen. -</p> -<p>Dus waren al zijne vermoedens verwezenlijkt. -</p> -<p>Rondom een vuur van bisonsmest, dat hoog opvlamde zonder eenigen althans noemenswaardigen -rook te verspreiden, zaten een aantal Indianenhoofden deftig nedergehurkt, in allen -ernst hunne calumet te rooken en zich tevens te warmen, want de nacht was fijn koud. -</p> -<p>Onder hen herkende don Martial den Zwarte-Beer. -</p> -<p>De sachem zag er somber en norsch uit, hij scheen aan eene kwalijk verkropte gramschap -ten prooi; nu en dan hief hij onrustig het hoofd op en richtte zijn blik beurtelings -naar den helderen sterrenhemel en de hem omringende ruimte, als wilde hij de duisternis -doorboren. Een dof en aansnellend gedruisch liet zich hooren, en weldra verscheen -er een Indiaan te paard in het verlichte gedeelte van het kamp. -</p> -<p>Na te zijn afgestegen, naderde de nieuw aankomende het vuur, hurkte neder bij zijne -kameraden, stak zijn calumet aan en begon te rooken, met een strak en ongevoelig gezicht, -ofschoon men aan het stof waarmede hij bedekt was en aan de snelheid zijner ademhaling, -wel bemerken kon dat hij een verren en moeielijken tocht gemaakt had. -</p> -<p>Bij zijne komst had de Zwarte-Beer hem tamelijk lang en bespiedend aangestaard, maar -was toen weder gaan rooken zonder hem een woord toe te voegen, daar de Indiaansche -etiquette verbiedt, dat de eene sachem den anderen ondervraagt, eer deze de asch uit -zijn uitgerookte pijp in den haard heeft geschud. -</p> -<p>In het ongeduld van den Zwarte-Beer werd blijkbaar door de overige Indianen gedeeld. -Intusschen bewaarden allen een deftig stilzwijgen. Eindelijk trok de nieuwgekomene -een laatste teug rook uit zijne pijp, dien hij door mond en neusgaten weder uitblies, -schudde haar leeg en stak haar bedaard in zijn gordel. -</p> -<p>De Zwarte-Beer richtte thans het woord tot hem. -</p> -<p>»De Kleine-Panter komt wel laat terug,” zeide hij. -<span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span></p> -<p>Dit was geen rechtstreeksche vraag; de Indiaan bepaalde zich dus hij eene buiging -maar antwoordde niet. -</p> -<p>»De gieren trekken met groote troepen over de woestijn,” hervatte de sachem een poos -later, »de coyotes scherpen hunne spitse klauwen, de Apachen rieken een geur van bloed, -die het hart in hunne borst van vreugde doet opspringen; heeft mijn zoon ook iets -gezien?” -</p> -<p>»De Kleine-Panter is een vermaard krijgsman in zijn stam<span class="corr" id="xd30e6067" title="Bron: .">,</span>” antwoordde de Indiaan, »als de eerste bladeren komen zal hij ook een opperhoofd -zijn; hij heeft de zending volbracht die zijn vader hem opdroeg.” -</p> -<p>»<i>Ooah!</i> wat doen de Lang-Messen?” -</p> -<p>»De Lang-Messen zijn honden, die huilen zonder te kunnen bijten, een Apachen krijgsman -heeft hen verschrikt.” -</p> -<p>De sachems glimlachten hoogmoedig bij deze zotte grootspraak, die zij eenvoudig in -goeden ernst opnamen. -</p> -<p>»De Kleine-Panter heeft hun kamp gezien,” hervatte de Indiaan, »hij heeft hen geteld, -zij zuchten als vrouwen en huilen als kleine kinderen zonder moed of kracht; twee -van hen zullen dezen nacht geen plaats meer nemen aan het raadvuur hunner broederen.” -</p> -<p>En met zekeren, niet van krijgsadel ontblooten zwier sloeg de Indiaan de katoenen -kiel op, die hem van den hals tot aan de knieën reikte, en liet hem een paar versche -haarschedels zien die aan zijn gordel hingen. -</p> -<p>»<i>Ooah!</i><span class="corr" id="xd30e6081" title="Niet in bron">”</span> juichten de opperhoofden met geestdrift, »de Kleine-Panter heeft dapper gestreden!” -</p> -<p>De Zwarte-Beer wenkte den Indiaan hem de twee bloedige trofeën te overhandigen. -</p> -<p>De <span class="corr" id="xd30e6086" title="Bron: kleine Panter">Kleine-Panter</span> maakte ze los en reikte ze hem over. -</p> -<p>De Zwarte-Beer bekeek ze met alle aandacht. Al de andere hoofden wachtten met belangstelling -op zijn oordeel. -</p> -<p>»<i>Asch’het!</i>” (Zeer goed) riep hij onmiddellijk, »mijn zoon heeft een Lang-Mes gedood en een Yori.” -</p> -<p>En hiermede gaf hij de bloedige trofeën aan den eigenaar terug, die ze weder aan zijn -gordel hechtte. -</p> -<p>»Hebben de bleekmuilen het spoor der Apachen ontdekt?” vroeg hij. -</p> -<p>»De <span class="corr" id="xd30e6099" title="Bron: Bleekmuilen">bleekmuilen</span> zijn blinde mollen. Zij deugen nergens dan in hunne steenen dorpen.” -</p> -<p>»Wat heeft mijn zoon gedaan?” -</p> -<p>»De Panter heeft de bevelen die hij van zijn vader ontvangen had, stipt uitgevoerd; -toen de krijgsman begreep dat de bleekgezichten hem niet wilden zien, is hij stout -op hen ingetreden en heeft hen gesard, en toen hebben zij hem drie uren lang vervolgd -tot in het hart der woestijn.” -</p> -<p>»Goed: mijn zoon heeft zich braaf gedragen. Wat heeft hij nog meer gedaan?” -</p> -<p>»Toen hij de Lang-Messen ver genoeg had gebracht, heeft hij hen <span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span>verlaten, na eerst twee van hen gedood te hebben tot een aandenken van zijne ontmoeting; -daarop is hij naar het kamp zijner broederen teruggereden.” -</p> -<p>»Mijn zoon zal wel moede zijn; het uur der rust is voor hem gekomen.” -</p> -<p>»Nog niet,” antwoordde de Indiaan ernstig. -</p> -<p>»<i>Ooah!</i> dat mijn zoon zich verklare.” -</p> -<p>Zonder te weten waarom, maar bij dit woord voelde de Tigrero, die alles stipt had -afgeluisterd, zijn hart beven van angst. -</p> -<p>De Indiaan vervolgde: -</p> -<p>»Er zijn niet alleen Lang-Messen in de woestijn, de Kleine-Panter heeft een tweede -spoor ontdekt.” -</p> -<p>»Een tweede spoor?” -</p> -<p>»Ja. Dat spoor is weinig zichtbaar: het telt maar zeven paarden en drie muildieren -in ’t geheel; ik heb den stap van een dezer paarden herkend.” -</p> -<p>»<i>Ooah!</i> ik verwacht dat mijn zoon mij alles zal mededeelen.” -</p> -<p>»Zes gewapende Yoris te paard, met eene vrouw bij zich, zijn de woestijn binnen getrokken.” -</p> -<p>Het oog van den Zwarte-Beer fonkelde. -</p> -<p>»Eene bleeke vrouw?” vroeg hij. -</p> -<p>De Indiaan knikte toestemmend. -</p> -<p>De sachem dacht een oogenblik na, maar spoedig hernam zijn gelaat het masker van onverschilligheid -dat hem eigen was. -</p> -<p>»De Zwarte-Beer heeft zich niet vergist,” zeide hij, »hij rook den geur des bloeds, -ik beloof mijne zonen eene goede jacht. Morgen met de <i>endit-ha</i><a class="noteRef" id="xd30e6134src" href="#xd30e6134">2</a> zullen de krijgslieden te paard stijgen. De hut van den sachem is eenzaam; dat zij -onze eerste zorg. Laten wij dus de Lang-Messen aan hun lot over,” vervolgde hij de -oogen naar den hemel richtende. »Nyang, de geest des kwaads, zal zich wel met de taak -belasten hen onder het zand te begraven, de Meester des levens roept den storm reeds; -ons werk is afgedaan, volgen wij liever de Yoris en keeren wij dan naar onze jachtvelden -terug; de orkaan zal weldra over de woestijn losbreken en haar omkeeren. Mijne zonen -kunnen zich aan den slaap overgeven, een opperhoofd zal over hen waken; ik heb gesproken.” -</p> -<p>De krijgslieden bogen stilzwijgend, stonden de een na den ander op en vlijden zich -eenige stappen verder op den zandbodem neêr. -</p> -<p>Na verloop van een paar minuten waren allen in diepen slaap. -</p> -<p>Alleen de Zwarte-Beer waakte. Met het hoofd in de beide handpalmen, en de ellebogen -op de knieën, zat hij strak in den met sterren bezaaiden hemel te staren. Somwijlen -werd zijn oog minder streng, scheen zijn gelaat te verteederen en trilde er een vluchtige -glimlach op zijne lippen. -</p> -<p>Welke gedachten hielden hem bezig? waarover peinsde de sachem? -<span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span></p> -<p>Don Martial had alles beluisterd en geraden, en een heimelijke schrik deed hem huiveren -van afgrijzen. -</p> -<p>Hij bleef nog bijna een half uur onbeweeglijk in zijn schuilhoek, uit vrees van ontdekt -te worden; daarna begon hij de rots af te klimmen gelijk hij haar was opgeklauterd, -maar met nog grooter zorgvuldigheid: want in deze oogenblikken, nu eene roerlooze -stilte de natuur beheerschte, zou het minste geritsel zijne tegenwoordigheid voor -het scherpe gehoor van den Indiaan hebben verraden. -</p> -<p>Na alles wat hij zoo ongedacht had afgeluisterd vreesde hij meer dan ooit om ontdekt -te worden. -</p> -<p>Eindelijk gelukte het hem veilig de plek te bereiken waar hij zijn paard had achtergelaten. -</p> -<p>Onmiddellijk steeg hij in den zadel, maar liet een geruimen tijd den teugel achteloos -op den hals van zijn trouwe dier rusten en terwijl hij stapvoets voortreed, riep hij -zich nog eens al het gehoorde voor den geest, en begon hij op middelen te peinzen -om het vreeselijk gevaar af te wenden, dat hem en zijne tochtgenooten bedreigde. -</p> -<p>Zijne verlegenheid kende geene grenzen, hij zag geen kans om het raadsel op te lossen -en wist niet waartoe te besluiten. Hij kende don Sylva de Torres te goed om te veronderstellen -dat deze ooit om redenen van persoonlijk behoud zijn plan op zou geven en zijne vrienden -in den steek laten, zonder het uiterste te beproeven om hen te helpen. Maar moest -of mocht hij dan <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita opofferen aan deze overdreven nauwgezetheid, aan dit kwalijk begrepen punt -van eer, ten gevalle van een man die in geenerlei opzicht zooveel belang verdiende -als de haciendero in hem stelde? -</p> -<p>Nog altijd was er kans om met inspanning van kracht en beleid de Apachen te ontwijken -en aan hunnen overmoed te ontsnappen;—maar hoe zou men ontsnappen aan den temporal, -dien gevreesden storm! die wellicht reeds binnen weinige uren over de woestijn zou -losbreken, alle plaatselijke kenmerken zou doen verdwijnen, alle sporen uitwisschen -en zoodoende iedere vlucht onmogelijk maken? -</p> -<p>Doch hoe het ook gaan mocht, boven alles, het meisje moest hij redden tot iederen -prijs! Deze gedachte kwam bij den Tigrero telkens met nieuwe kracht weder boven en -brandde hem als gloeiend staal op het hart. Het klamme zweet parelde op zijn voorhoofd -en hij verzonk als het ware in stomme razernij tegenover de stoffelijke onmogelijkheid, -die hier zoo onverbiddelijk voor hem oprees. -</p> -<p>Hoe zou hij haar redden? Dit was nu de alles beheerschende vraag, en op deze vraag -wist hij geen antwoord. -</p> -<p>Zoo reed hij een geruimen tijd stapvoets voort met het hoofd op de borst gebogen, -en pijnigde zijn geest af om een middel te vinden en zich uit dien moeielijken toestand -te redden, die hem meer en meer beknelde. Eindelijk ging er in zijne gedachten een -licht op; hij hief het hoofd fier omhoog en met een uitdagenden blik naar <span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span>den kant zijner vijanden, die zich reeds zeker waanden hem en zijne reisgenooten te -zullen meester worden, gaf hij zijn paard de sporen en zette door in vliegenden galop. -</p> -<p>Toen hij de plaats bereikte waar de karavaan gekampeerd lag, vond hij, behalve den -peon die op wacht stond, alles in diepen slaap. -</p> -<p>Het was reeds laat geworden, ongeveer een uur na middernacht, de hoogstaande maan -verspreidde een schitterend licht over de zandvlakte, zoodat men alles bijna even -goed zien kon als op den vollen middag. De Apachen zouden volgens hun plan niet opbreken -voor dat de zon opging; hij had dus nog vier volle uren te zijner beschikking om vrij -te handelen, en hij besloot om zich die ten nutte te maken. Vier uren welbesteed, -zijn onberekenbaar veel bij eene vlucht. -</p> -<p>De Tigrero begon met zijn paard zorgvuldig af te rossen, om het de zoo noodige lenigheid -weêr te geven, want hij zou dien dag van zijne vlugheid en kracht het uiterste moeten -vergen. Daarna, geholpen door de peons, laadde hij de muildieren op en zadelde de -paarden. -</p> -<p>Alles gereed zijnde, bedacht hij zich een oogenblik en nu maakte hij haastig een aantal -kleine zakken van schapenvellen met zand gevuld, om er de pooten der paarden in te -steken. Deze list moest naar zijne berekening dienen om de Roodhuiden te misleiden, -die het door hen verwachte spoor niet langer herkennende, aan vervalsching zouden -denken en hen dus niet rechtstreeks zouden vervolgen. -</p> -<p>Tot overmaat van veiligheid, liet hij drie of vier lederen zakken met mezcal onder -de rots achter, wel verzekerd dat de Apachen met hunnen bekenden lust naar sterken -drank niet zouden nalaten zich te bedrinken. -</p> -<p>Toen dit alles gedaan was, wekte hij don Sylva en zijne dochter. -</p> -<p>»Te paard!” riep hij op een toon die geen tegenspraak gedoogde. -</p> -<p>»Wat is het?” vroeg de haciendero nog half slapende. -</p> -<p>»Wat het is?—als wij niet oogenblikkelijk vertrekken, zijn wij verloren.” -</p> -<p>»Wat? wat zegt gij, verloren?” -</p> -<p>»Te paard! te paard!” hervatte hij, »iedere minuut die wij hier verspillen brengt -ons nader bij onzen dood! Later zal ik u alles ophelderen.” -</p> -<p>»Maar in ’s hemels naam! wat is er dan toch gebeurd?” -</p> -<p>»Gij zult het spoedig weten, kom meê, kom meê!” -</p> -<p>Zonder verder op zijne vragen acht te slaan, noopte hij den haciendero tegen wil en -dank dadelijk te paard te stijgen; <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita zat reeds in den zadel, de Tigrero wierp een laatsten blik rugwaarts en gaf -toen het sein om te vertrekken. -</p> -<p>De kleine karavaan zette zich in beweging en stoof onmiddellijk voorwaarts, zoo snel -de paarden en muildieren maar loopen konden. -<span class="pageNum" id="pb223">[<a href="#pb223">223</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e6024"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6024src">1</a></span> Water of bronboom. <a class="fnarrow" href="#xd30e6024src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e6134"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6134src">2</a></span> Zonsopgang. <a class="fnarrow" href="#xd30e6134src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch23" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7028">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXIII.</h2> -<h2 class="main">DE APACHEN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Niets is akeliger dan een tocht door de woestijn bij nacht, en onder zulke omstandigheden -als die onze reizigers noodzaakten tot eene overhaaste vlucht. -</p> -<p>De nacht is de vader der spoken; in de schemering wordt het vroolijkste landschap -somber en zwart; al het wezenlijke schijnt van gedaante te wisselen, en het onwezenlijke -krijgt eene gestalte om den reiziger te verschrikken; zelfs de maan, hoe helder zij -schijnen mag, geeft aan de voorwerpen een spookachtig aanzien en een nog spookachtiger -schaduw, die wel in staat is den stoutste te doen sidderen. -</p> -<p>De doodsche stilte der woestijn, hare onbegrensde eenzaamheid, die den armen reiziger -van alle kanten omgeeft, drukt en benauwt, en door zijne kranke verbeelding met schrikgestalten -bevolkt wordt; de tastbare duisternis, die hem opsluit als in een looden doodkist: -alles spant samen om zijn brein te ontstellen en hem, om het zoo eens te noemen, een -angstkoorts aan te jagen, die de levenwekkende luister der opgaande zon alleen in -staat is weder te verdrijven. -</p> -<p>Onwillekeurig ondergingen onze reizigers den druk van al deze verschrikkingen, die -hun geschokte hersengestel te voorschijn riep; zij renden voort in den tastbaren nacht, -zonder—althans de meesten hunner—te weten waarom of waarheen; zij bekommerden er zich -ook niet om; met een bezwaard hoofd, benevelde zinnen, door sluimerzucht bevangen -blik, en de oogen half gesloten, hadden zij slechts ééne gedachte: slapen. Zwaaiend -en dommelend door hunne voortstormende paarden gedragen en met duizelingwekkende snelheid -weggevoerd, schenen de dorre rotsen en enkele hier en daar verspreide boomen hun als -in een satanischen wedren voorbij te vliegen, tot zij eindelijk de oogen geheel sloten -en zich zoo vast mogelijk in den zadel zetteden om zich over te geven aan den slaap, -dien zij de macht niet hadden om te weêrstaan. -</p> -<p>De slaap is voor den mensch wellicht een der sterkste en onverbiddelijkste behoeften, -die hem alles doet verachten, alles doet vergeten. -</p> -<p>Wie door slaap overvallen wordt, geeft er zich aan over, ongevraagd hoe of waar, en -onverschillig hoe groot het gevaar is dat hem bedreigt. Honger of dorst kan men, ten -minste een tijdlang, door moed en wilskracht bedwingen, maar den slaap, neen, tegen -hem is niemand opgewassen en de strijd onmogelijk; hij omklemt als met fluweelen maar -ijzeren hand en werpt zijn tegenstander binnen weinige minuten hijgend en overwonnen -ter neder. -</p> -<p>Behalve don Martial, die altijd wakker van blik en helder van geest was gebleven, -hadden de overige leden der karavaan veel van <span class="pageNum" id="pb224">[<a href="#pb224">224</a>]</span>somnambulen; aan hunne paarden als vastgeketend, met gesloten oogen, zonder nadenken -of zelfbewustheid reden zij voort als in een droom, en in een soort van nachtmerrie, -dien benauwenden toestand zonder naam, die noch slapen noch waken mag heeten, maar -slechts eene verdooving is der zinnen en een kluistering der ziel. -</p> -<p>Dat duurde den geheelen nacht door. -</p> -<p>De karavaan had twintig mijlen gemaakt; de reizigers waren doodaf. -</p> -<p>Met het opgaan der zon en onder den invloed van hare koesterende stralen kwamen zij -weder een weinig tot verademing; de spanning die hen beknelde hield op, zij openden -de oogen, richtten zich op en keken nieuwsgierig rond; en gelijk het in zulke omstandigheden -gewoonlijk gaat, volgde er een vloed van uitroepingen en vragen. -</p> -<p>De kleine karavaan had de boorden der Rio del Norte bereikt, wier troebele wateren -aan deze zijde de grens der woestijn uitmaken. -</p> -<p>Don Martial, na de plaats waar zij zich bevonden nauwkeurig te hebben opgenomen, maakte -op den oever der rivier zelve halt. -</p> -<p>De paarden werden van voeder voorzien, en hunne hoeven van de met zand gevulde sokken -ontdaan. Wat de menschen betreft, deze moesten zich vooreerst met een teug refino -vergenoegen, om nieuwe krachten te bekomen. -</p> -<p>Het landschap had hier een gansch ander aanzien; aan de overzijde der rivier was de -grond met stug en sterk gras bedekt, terwijl uitgestrekte bosschen den horizont omzoomden. -</p> -<p>»Oef!” riep don Sylva zich met een onbeschrijfelijk gevoel van genot op den grond -nedervlijende, »wat een rid! ik ben geheel af; als dat zoo nog een dag duren moest, -<i lang="es">voto a brios!</i> dan hield ik het niet vol. Ik heb noch honger noch dorst, ik ga slapen.” -</p> -<p>En met dat zeggen schikte de haciendero zich zoo zacht mogelijk tot een verkwikkelijk -slaapje. -</p> -<p>»Nog niet, don Sylva,” riep de Tigrero met drift terwijl hij hem duchtig bij den arm -schudde, »of hebt gij lust om hier uw gebeente achter te laten?” -</p> -<p>»Loop naar den drommel! ik wil slapen, zeg ik u.” -</p> -<p>»Zeer goed,” antwoordde don Martial koelzinnig, »maar als <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita dan in handen der Apachen valt, moet gij het mij niet wijten.” -</p> -<p>»Wat!” riep de haciendero opstaande en hem strak in de oogen ziende, »spreekt gij -mij weêr van de Apachen?” -</p> -<p>»Ik herhaal u dat de Apachen ons nazetten; wij hebben nauwelijks eenige uren op hen -voor, zoo wij ons niet haasten zijn wij verloren.” -</p> -<p>»Canarios! dan moeten wij vluchten!” riep don Sylva thans geheel wakker, »ik wil mijne -dochter niet in handen van die duivels zien vallen.” -</p> -<p>Wat <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita betreft, die wist op dit oogenblik weinig van zorg, zij sliep, zoo als de Spanjaarden -zeggen, met gesloten vuisten. -</p> -<p>»Laten wij de paarden dubbel voer geven, wij vertrekken onmiddellijk, <span class="pageNum" id="pb225">[<a href="#pb225">225</a>]</span>en wij hebben een langen toer te maken; zij moeten in staat zijn om ons zoo ver te -brengen; die weinige minuten toevens zullen <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita ten goede komen om hare krachten te herstellen.” -</p> -<p>»Dat arme schaap!” zuchtte de haciendero, »van al wat er gebeurt ben ik de schuld, -het is mijne vervloekte stijfhoofdigheid die haar hier gebracht heeft.” -</p> -<p>»Waartoe dat zelfverwijt, don Sylva,” zei don Martial, »wij allen hebben er schuld -aan; laten wij het gebeurde vergeten, en alleen aan het tegenwoordige denken.” -</p> -<p>»Ach ja! gij hebt gelijk, waarom langer gepraat over gedane zaken? Nu ik weder geheel -wakker ben, moest gij mij liever eens vertellen wat gij dezen nacht gedaan hebt en -waarom gij ons zoo plotseling gedrongen hebt om te vertrekken.” -</p> -<p>»Mijn hemel! don Sylva, dat verhaal zal zeer kort zijn, maar toch geloof ik dat gij -het zeer belangrijk zult vinden. Oordeel zelf. Gij zult het hooren. Nadat ik u gisteren -verlaten had om op verkenning uit te gaan, gij herinnert het u immers.…?” -</p> -<p>»Zeer goed! gij zoudt het vuur gaan onderzoeken dat u zoo verdacht voorkwam.” -</p> -<p>»Juist. Welnu, ik had mij niet bedrogen, dat vuur was zooals ik wel vermoedde een -kampvuur van wilden. Het was door Apachen aangelegd<span class="corr" id="xd30e6242" title="Niet in bron">.</span> Het gelukte mij ongemerkt tot hen door te dringen en hun gesprek af te luisteren. -Weet gij wat zij zeiden?” -</p> -<p>»Caramba! hoe kan ik weten wat zulke domkoppen elkander te vertellen hebben?” -</p> -<p>»Niet zoo dom als gij wellicht een weinig te lichtvaardig denkt, don Sylva, een renbode -bracht den sachem van den stam verslag van eene door hem volbrachte zending; onder -meer andere belangrijke zaken, zeide hij een spoor van bleekgezichten te hebben ontdekt, -en dat zich onder hen eene vrouw bevond.” -</p> -<p>»Caspita!” riep de haciendero met schrik, »zijt gij daar zeker van, don Martial?” -</p> -<p>»Zoo zeker zelfs, dat ik door het opperhoofd letterlijk het volgende hoorde antwoorden; -luister nu wel toe, don Sylva.” -</p> -<p>»Ik ben geheel oor, vriend, ga voort.” -</p> -<p>»Met zonsopgang trekken wij snel op weg om de bleekhuiden te vervolgen; de hut van -den sachem is eenzaam, hij heeft eene blanke vrouw noodig om haar te verlevendigen.” -</p> -<p>»Caramba!” -</p> -<p>»Ja. Toen wist ik genoeg van de onderneming die de Roodhuiden in den zin hebben; ik -sloop even stil weg als ik gekomen was en keerde zoo spoedig mogelijk naar ons kamp -terug. Het overige weet gij.” -</p> -<p>»O! o!” antwoordde don Sylva blijkbaar ontroerd en met warme belangstelling. -</p> -<p>»Ja, ik weet het overige, don Martial, en ik zeg u oprechtelijk dank niet alleen voor -het goed overleg waarmede gij bij deze gelegenheid <span class="pageNum" id="pb226">[<a href="#pb226">226</a>]</span>zijt te werk gegaan, maar ook voor den ijver waarmede gij, zonder u aan onze tegenstribbeling -te storen, ons gedwongen hebt u te volgen.” -</p> -<p>»Ik heb niet anders gedaan dan mijn plicht mij gebood, don Sylva. Heb ik u niet gezworen -dat ik u getrouw zou blijven?” -</p> -<p>»Ja, mijn vriend, en gij doet uw eed ridderlijk gestand.” -</p> -<p>Sedert de haciendero don Martial had leeren kennen, was dit de eerste maal dat hij -werkelijk rond en oprecht met hem sprak en hem den titel van vriend schonk. -</p> -<p>De Tigrero was er door getroffen, deze ontboezeming ging hem door de ziel, en zoo -hij tot hiertoe jegens don Sylva eenige vooroordeelen was blijven koesteren, werden -zij op dit oogenblik geheel bij hem uitgewischt, om in zijn hart niets dan een innig -gevoel van dankbaarheid over te laten. -</p> -<p>Intusschen was <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita gedurende dit gesprek wakker geworden, en nu hoorde zij met onbeschrijfelijk -genoegen hoe vriendschappelijk zij samen spraken. -</p> -<p>Toen haar vader haar nu de reden vertelde waarom don Martial hen gedrongen had in -het holst van den nacht zulk een vermoeienden tocht te ondernemen, bedankte zij den -Tigrero van harte en beloonde hem met een van die teedere blikken, daar de vrouwen -alleen het geheim van bezitten en in welke zij als het ware haar geheele ziel doen -spreken. -</p> -<p>Toen de Tigrero zag dat zijn getrouwe ijver naar waarde geschat werd, vergat hij al -zijne vermoeienis en kende hij geen ander verlangen, dan om zijne wel begonnen taak -gelukkig ten einde te brengen. -</p> -<p>Zoodra de paarden gevoederd waren werd er opnieuw opgestegen. -</p> -<p>»Ik verlaat mij op u, don Martial,” zei de haciendero, »gij alleen kunt ons redden.” -</p> -<p>»<span class="corr" id="xd30e6274" title="Bron: Een">En</span> met Gods hulp zal ik het doen,” antwoordde de Tigrero hartstochtelijk. -</p> -<p>Men daalde in de rivier af, die op dit punt vrij breed was. In plaats van haar in -eene rechte lijn over te steken, verkoos don Martial, ten einde de Roodhuiden beter -van ’t spoor te helpen, liever eene poos den stroom van het water te volgen, en stuurde -hij de karavaan met menige wending en kronkeling in eene schuinsche richting naar -den overkant. -</p> -<p>Eindelijk aan een plek komende waar de rivier tusschen oevers van kalksteen besloten -was, en dus de hoeven der paarden en muilezels geen zichtbare indruksels op het natte -zand of de vochtige klei konden achterlaten, steeg hij aan wal. -</p> -<p>De karavaan had thans de woestijn verlaten. Voor haar uit lag de onmetelijke prairie, -wier golvende bodem zich langzaam verheft tot de eerste heuveltrappen der Sierra Madre -en der Sierra de los Comanchos. Hier was het geen woeste onvruchtbare vlakte meer, -zonder bosch of gras of water. Eene overdadig welige natuur, rijk bedeeld <span class="pageNum" id="pb227">[<a href="#pb227">227</a>]</span>met onvergelijkelijke groeikracht, van boomen, bloemen en kruiden, tallooze vogels -die vroolijk kwinkeleerden tusschen het gebladerte, dieren van allerlei soort die -in deze natuurlijke weiden liepen grazen of rondhuppelden en zich verlustigden. -</p> -<p>De mensch, waar en wanneer ook, en onder welke zorgen en bemoeiingen zijn geest ook -gebukt gaat, ondervindt onwillekeurig den invloed der uitwendige voorwerpen die hem -omringen; eene lachende natuur maakt hem vroolijk, zoowel als een somber en dor of -verlaten landschap hem tot treurigheid stemt. -</p> -<p>De reizigers gaven zich werktuigelijk over aan den weldadigen indruk der groote verandering, -die het gezicht van het prachtig en heerlijk schouwspel dat de prairie hun bood bij -hen teweegbracht, in vergelijking met de eenzame, dorre woestijn die zij pas verlaten -en daar zij zoo lang op goed geluk in rondgedoold hadden. Deze tegenstelling was voor -hen vol bekoorlijkheid en zij gevoelden daarbij den moed en de hoop in hunne harten -herleven. -</p> -<p>Tegen elf ure des voormiddags echter, waren de paarden zoo moê geloopen, dat men zich -genoodzaakt zag te kampeeren om hun eenige uren rust te gunnen en de grootste hitte -van den dag te laten voorbijgaan. -</p> -<p>Don Martial koos daartoe de kruin van een boschrijken heuvel, van waar men den ganschen -omtrek kon overzien, terwijl men zelf tusschen het geboomte onzichtbaar bleef. -</p> -<p>Toen men echter een vuur wilde aanleggen om spijzen te koken, verzette de Tigrero -er zich tegen, daar de rook alleen genoeg zou zijn geweest om hunnen schuilhoek kenbaar -te maken, en in de tegenwoordige oogenblikken konden zij niet te voorzichtig zijn; -want dat de Apachen met zonsopgang waren opgebroken om hen te vervolgen was maar al -te zeker; en deze fijne windhonden het spoor bijster te maken, was eene volstrekte -noodzakelijkheid. Ondanks al zijne voorzorgen, twijfelde de Tigrero nog altijd of -het hem gelukken zou de in dit opzicht zoo slimme Roodhuiden te verschalken. -</p> -<p>Na in der haast een paar maïskoekjes gegeten te hebben liet hij zijne kameraden de -weinige rust genieten, die zij zoo grootelijks behoefden, en stond op om den omtrek -te bespieden en te zien of hij ook iets ontdekken kon dat hun veiliger uitweg of althans -zekerder schuilplaats aanbood. -</p> -<p>De Tigrero was een man als van ijzer, de vermoeienis had geen vat op hem; zijn wilskracht -was zoo vast dat zij aan alles weêrstand bood, en de zucht om de vrouw die hij lief -had voor onheil te behoeden verleende hem schier bovennatuurlijke sterkte. -</p> -<p>Langzaam daalde hij den heuvel af, lettende op iederen struik, rondziende ieder oogenblik, -en niet dan met de uiterste behoedzaamheid, met de hand aan den trekker van zijn geweer -en met het oor gespitst op het minste geluid. -</p> -<p>Toen hij in de vlakte kwam, waar hij, dank zij het hooge prairiegras, <span class="pageNum" id="pb228">[<a href="#pb228">228</a>]</span>door niemand gezien kon worden, stapte hij haastig voort in de richting van een donker -en dicht bosch, welks eerste geboomte zich bijna tot aan den voet des heuvels uitstrekte. -</p> -<p>Dit bosch bleek inderdaad te zijn wat hij reeds vermoedde, namelijk een ongerept natuurwoud; -de boomen waren door de menigte lianen en slingerplanten zoo vast aan elkander geweven -dat zij een ondoordringbaar net vormden, waar men zich alleen met de hakbijl of door -middel van vuur een doortocht had kunnen banen. -</p> -<p>Als hij alleen ware geweest zou de Tigrero tegen dit schijnbaar onoverkomelijk bezwaar -niet hebben opgezien; of anders met zijne gewone behendigheid en kracht den weg tusschen -hemel en aarde gekozen en zich van tak tot tak of over de toppen der boomen hebben -gewaagd, zoo als hij wel meer gedaan had. Maar wat een man zoo onvervaard en sterk -als hij had kunnen doen, daaraan viel voor eene zwakke, vreesachtige vrouw niet te -denken. -</p> -<p>Hij was geheel buiten raad. Een oogenblik voelde de Tigrero den moed hem ontzinken, -maar dit duurde ook slechts een oogenblik. Met fierheid verhief hij zich weder en -kreeg terstond al zijne zielskracht terug; hij stapte voort naar het bosch, dat hij -voor een gedeelte langs ging, speurend en spiedend als een roofdier dat zijn prooi -zoekt. -</p> -<p>Op eens slaakte hij een half gesmoorden kreet van verrassing. -</p> -<p>Hij had gevonden wat hij bijna niet durfde hopen te zullen ontdekken. -</p> -<p>Voor hem uit, onder een dicht gewelf van groene takken en bladen, kronkelde een dier -smalle, donkere paden of loopsporen, door het wild gedierte reeds sedert eeuwen getrokken -om bij nacht naar de rivier te gaan drinken, en die alleen een geoefend oog als dat -van den Tigrero in staat was te ontdekken; onverschrokken waagde hij er zich in en -stapte een geruimen tijd voort. -</p> -<p>Gelijk alle door roofdieren getrokken sporen, liep ook dit met tallooze omwegen en -keerde menigmaal op zich zelve terug. Na het een tijd lang gevolgd te zijn, had de -Tigrero genoeg gezien en besloot hij dadelijk naar den heuvel terug te keeren. -</p> -<p>Zijne kameraden, niet weinig ongerust over zijn lang uitblijven verwachtten hem reeds -met ongeduld en ontvingen hem met groote blijdschap. Hij gaf hun verslag van het door -hem gevonden spoor en van hetgeen hij verder gezien had. -</p> -<p>Intusschen, terwijl don Martial alzoo op verkenning uit was geweest, had ook een der -peons niet stil gezeten, maar aan de eene zijde van den heuvel daar de karavaan kampeerde -eene ontdekking gedaan, die in de gegeven omstandigheden voor de reizigers onwaardeerbaar -was. -</p> -<p>Voor tijdverblijf en zonder bepaald doel in den omtrek ronddolende, had hij den ingang -eener grot ontdekt, in welke hij echter niet durfde binnengaan, uit vrees dat hij -misschien onverwachts door een of ander roofdier zou overvallen worden. -<span class="pageNum" id="pb229">[<a href="#pb229">229</a>]</span></p> -<p>Don Martial trilde van blijdschap bij dit bericht, hij nam een ocote-fakkel en gelastte -den peon hem naar de grot te brengen. -</p> -<p>Zij lag slechts weinige schreden ver, aan de zijde des heuvels die op de rivier uitzag. -</p> -<p>De toegang was zoodanig met struiken en woekerplanten bezet, dat er blijkbaar sinds -lange jaren geen levend schepsel was binnengedrongen. -</p> -<p>De Tigrero boog de struiken met de meeste behendigheid en zorg uit elkander, ten einde -ze niet te beschadigen, en sloop de spelonk binnen. De ingang was tamelijk hoog, ofschoon -dan ook nauw. Alvorens verder te gaan, sloeg hij vuur en ontstak zijn toorts. -</p> -<p>De spelonk was een door de natuur gevormde onderaardsche gang, zooals men er in deze -streken meerdere aantreft, de wanden waren steil en droog, de grond bestond uit fijn -zand. Zij ontving waarschijnlijk versche lucht door onzichtbare spleten, want geen -dierlijke of verstikkende uitwasemingen lieten er zich in bespeuren, en men haalde -er onbelemmerd adem, kortom, ofschoon vrij donker, was zij wel geschikt om te bewonen. -Met een zacht afglooienden bodem, terwijl het gewelf langzamerhand lager werd, liep -zij uit in een groote zaal, in welks midden een diepe kolk was, daar don Martial ondanks -het heldere licht van zijn fakkel onmogelijk den bodem van kon zien. Hij keek hier -een oogenblik rond en zag een stuk steen liggen dat waarschijnlijk van het gewelf -was gevallen, nam het en wierp het in den afgrond. -</p> -<p>Vrij lang hoorde men den steen, langs de wanden kaatsend naar beneden vallen en eindelijk -klotsen, als een zwaar voorwerp dat in het water stort. -</p> -<p>Don Martial wist nu al wat hij verlangde te weten. Hij ging om de kolk heen en vervolgde -zijn weg in een vrij engen tunnel, die snel afwaarts daalde. Na op deze wijs omtrent -tien minuten te zijn voortgestapt, bespeurde hij in de verte daglicht. De grot had -twee uitgangen! -</p> -<p>Nu haastte hij zich terug te keeren. -</p> -<p>»Wij zijn gered!” riep hij vroolijk tegen zijn gezellen; »kom, haast u en volg mij, -wij hebben geen oogenblik te verliezen, om de schuilplaats te bereiken die de Voorzienigheid -ons zoo gunstig aanbiedt.” -</p> -<p>Allen stonden op om hem te volgen. -</p> -<p>»Maar,” merkte don Sylva aan, »onze paarden, wat zullen wij daarmede doen?” -</p> -<p>»Maak u daar niet ongerust over, ik weet waar ik ze verbergen moet. Laten wij onze -levensmiddelen naar de grot brengen, want naar alle waarschijnlijkheid zullen wij -genoodzaakt zijn er eenigen tijd te blijven, bewaren wij dus hier ook de zadels en -tuigen, daar ik buiten de grot geen plaats voor zou weten. Wat de paarden aangaat, -dat is mijne zaak.” -<span class="pageNum" id="pb230">[<a href="#pb230">230</a>]</span></p> -<p>Allen gingen thans aan ’t werk met dien koortsachtigen ijver dien de hoop op ontsnapping -aan een dreigend gevaar gewoonlijk inboezemt, en na verloop van een uur op zijn langst -waren de pakgoederen, de levensmiddelen en de menschen in de grot verborgen en in -veiligheid. -</p> -<p>Don Martial bracht de struiken weder in orde, om de sporen waar zijne kameraden waren -doorgegaan, te doen verdwijnen; daarop haalde hij ruimer adem, met het zoete gevoel -van welvoldaanheid dat steeds op het gelukken van een stout, schier onuitvoerlijk -plan volgt, en beklom den top van den heuvel. -</p> -<p>Hij koppelde de paarden met behulp van een lasso en leidde hen den berg af naar de -vlakte, in de richting van het bosch, waar hij weldra in de kronkelingen van het vroeger -door hem gevonden loopspoor verdween. -</p> -<p>Het pad was smal, zoodat de paarden er niet dan achter elkander en dan nog met groote -moeite door konden. Eindelijk bereikte hij een klein open kamp, waar hij de arme dieren -aan hun lot overliet, hun al den voorraad boonen en klaver achterlatende, die hij -uit voorzorg met de muildieren had medegenomen. -</p> -<p>De Tigrero wist vooruit wel dat de paarden en muilezels zich uit eigen beweging niet -ver van de plaats zouden verwijderen waar hij hen moest achterlaten, en dat hij hen, -zoodra hij ze weder noodig had, gemakkelijk zou terugvinden. -</p> -<p>Al deze bemoeiingen namen veel tijd weg; de dag spoedde reeds ten einde eer don Martial -voor goed het bosch verliet. -</p> -<p>De zon, tot dicht aan de kimmen gedaald, vertoonde zich als een schitterende vuurbol -bijna met de oppervlakte der aarde gelijk. De schaduw der boomen verlengde zich tot -in het oneindige; de avondkoelte verhief zich met zacht geblaas tusschen de hoogste -toppen van het geboomte; reeds hoorde men van tijd tot tijd in de diepte der bosschen -eenige rauwe kreten opgaan, ten bewijze dat de roofdieren ontwaakten, die gevreesde -gasten der wildernis! wier ongestoorde heerschappij over de prairie een aanvang nam -om er gedurende den nacht als onbeperkte koningen te regeeren. -</p> -<p>Nogmaals naar den top des heuvels teruggekeerd, eer hij zich naar de grot zou begeven, -bespiedde don Martial den gezichteinder in het laatste licht der stervende zonnestralen. -</p> -<p>Op eens verbleekte hij, eene zenuwachtige huivering liep hem door de leden; zijne -oogen, door schrik wijder geopend, bleven onafgewend op de rivier gericht, en stampvoetend -mompelde hij met eene half gesmoorde stem: -</p> -<p>»Reeds daar!.… die duivels!” -</p> -<p>Wat de Tigrero gezien had was werkelijk om van te beven. -</p> -<p></p> -<div class="figure p230width"><img src="images/p230.jpg" alt="Eene troep Indiaansche ruiters trok den stroom over. Bladz. 230." width="494" height="720"><p class="figureHead">Eene troep Indiaansche ruiters trok den stroom over. Bladz. 230.</p> -</div><p> -</p> -<p>Eene troep Indiaansche ruiters trok den stroom over, juist op het zelfde punt waar -hij er met zijne reismakkers eenige uren vroeger was overgegaan. -</p> -<p>De Tigrero volgde hunne bewegingen met klimmende ongerustheid. <span class="pageNum" id="pb231">[<a href="#pb231">231</a>]</span>Aan den anderen oever komende, zetten zij zonder zich op te houden hun tocht voort -juist langs denzelfden weg dien hij met zijne kameraden gekozen had. -</p> -<p>Er viel niet meer aan te twijfelen; de Apachen hadden zich door de listige voorbehoedmiddelen -van den Tigrero niet laten bedriegen, maar waren de karavaan rechtstreeks gevolgd -en kwamen nu met allen spoed opzetten. In minder dan een uur konden zij den heuvel -bereiken, en als dat gebeurde, met hunne duivelsche behendigheid in het ontdekken -van sporen, was het ergste te vreezen! -</p> -<p>Den Tigrero klopte het hart in den boezem alsof het dreigde te barsten. Hij klom ijlings -den heuvel af en half waanzinnig van teleurstelling stormde hij de grot in. -</p> -<p>Toen de anderen hem zoo bleek en verwilderd zagen binnenkomen, snelden zij hem verschrikt -te gemoet. -</p> -<p>»Wat schort u?” vroegen allen. -</p> -<p>»Wij zijn verloren!” riep hij wanhopig, »daar zijn de Apachen!” -</p> -<p>»De Apachen!” herhaalden zij met schrik. -</p> -<p>»O, mijn God! red mij, red mij!.…” riep <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita op de knieën zinkend en de handen angstig samenvouwend. -</p> -<p>De Tigrero snelde naar het meisje, richtte haar op en nam haar met de kracht van een -razende in zijne armen en zich tot den haciendero wendende, riep hij: -</p> -<p>»Kom! Kom! volg mij! misschien blijft ons nog eene kans op behoud over!” -</p> -<p>Hiermede ijlde hij de diepte der grot in; al de anderen volgden hem. -</p> -<p>Zoo liepen zij een geruimen tijd voort. <span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita, die half in onmacht lag, liet haar schoone maar doodsbleeke hoofd op den schouder -van den Tigrero rusten. -</p> -<p>Deze spoedde zich altoos verder. -</p> -<p>»Kijk! kijk! daar ginds,” riep hij in de verte wijzende, »weldra zijn wij behouden!” -</p> -<p>Zijne kameraden slaakten een kreet van blijde verrassing; zij hadden, voor zich uit, -de tweede opening der grot gezien. -</p> -<p>Plotseling, juist op het oogenblik toen don Martial den uitgang bereikte, en naar -buiten meende te snellen, stond er een man voor hem. -</p> -<p>Die man was de Zwarte-Beer. -</p> -<p>De Tigrero sprong met een brullenden kreet als een wild dier terug. -</p> -<p>»Ooah!” riep de Apache op spottenden toon, »mijn broeder weet wel dat ik die vrouw -bemin; en om mij te behagen haast hij zich mij haar zelf te brengen.” -</p> -<p>»Gij hebt haar nog niet, demon!” krijschte don Martial, terwijl hij <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita nederzette en voor haar ging staan met een pistool in elke hand; »kom haar -halen.” -</p> -<p>Achter zich in de diepte der grot hoorde hij voetstappen, die snel naderden. -<span class="pageNum" id="pb232">[<a href="#pb232">232</a>]</span></p> -<p>De Mexicanen werden dus tusschen twee vuren gebracht! -</p> -<p>De Zwarte-Beer, met het oog op den Tigrero gericht, bespiedde al diens bewegingen; -plotseling nam hij zijne kans waar en sprong als een tijgerkat vooruit met een woesten -aanvalskreet. -</p> -<p>Don Martial loste zijne pistolen op den Apache en greep hem met de armen om het lijf. -</p> -<p>De beide mannen rolden over den grond, elkaâr omstrengelend als twee slangen. -</p> -<p>Don Sylva en de peons vochten als wanhopigen tegen de andere Indianen. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch24" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7037">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXIV.</h2> -<h2 class="main">DE WOUDLOOPERS.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Wij moeten thans tot sommige personen uit ons verhaal terugkeeren, die wij maar al -te lang uit het oog hebben verloren, en verplaatsen ons naar het slot van het vijftiende -hoofdstuk. -</p> -<p>Ofschoon de Franschen, bij de bestorming der kolonie door de Apachen, meester waren -gebleven van het slagveld en het hun gelukt was hunne woeste vijanden in de Rio Gila -terug te werpen, ontveinsden zij zich geenszins dat zij deze onverwachte zegepraal -niet enkel aan hun moed te danken hadden; de laatste aanval der Comanchen onder aanvoering -van den Arendskop had eigenlijk de overwinning beslist. Zoodra dus de vijanden verdwenen -waren, had dan ook de graaf de Lhorailles, met eene grootheid van ziel en eene rondborstigheid -die men van een man van zijn stempel niet zou hebben verwacht, de Comanchen bedankt -en aan de jagers de prachtigste geschenken aangeboden. -</p> -<p>Laatstgenoemden ontvingen de vleiende loftuitingen van den graaf met gepaste zedigheid, -maar wezen al zijne aanbiedingen en voorstellen bepaald van de hand. -</p> -<p>Even als Goedsmoeds, hadden zij voor hun gehouden gedrag geen andere beweegredenen -gehad dan de drift om hunne landgenooten te hulp te komen; toen dus alles geëindigd -was en de Franschen voor langen tijd van de aanvallen der wilden bevrijd waren, hadden -zij niets meer te doen dan van den graaf zoo spoedig mogelijk afscheid te nemen en -hunne reis te vervolgen. -</p> -<p>De graaf de Lhorailles wist echter zoo veel bij hen uit te werken, dat zij nog twee -dagen in de kolonie zouden vertoeven. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita en haar vader waren op zulk eene geheimzinnige wijs verdwenen, dat de Franschen, -te weinig met de listen der Roodhuiden <span class="pageNum" id="pb233">[<a href="#pb233">233</a>]</span>bekend en geheel onkundig van de wijze waarop men een spoor in de wildernis moest -uitvinden, buiten staat waren om de twee vermiste personen te gaan zoeken. -</p> -<p>De graaf de Lhorailles had intusschen stilzwijgend gehoopt, dat hij hierin door de -ondervinding van den Arendskop en de schranderheid zijner krijgslieden zou worden -geholpen. -</p> -<p>Hij verklaarde dus onbewimpeld aan de jagers en de Comanchen, welke goede diensten -hij van hunne welwillendheid verwachtte, zoodat zij hem die niet langer durfden weigeren. -</p> -<p>Den volgenden morgen, met het krieken van den dageraad, splitste de Arendskop zijne -ruiterschaar in vier afdeelingen, elk onder kommando van een beroemd krijgsman, en -na hun de noodige voorschriften gegeven te hebben, verspreidde hij hen in vier verschillende -richtingen. -</p> -<p>De Comanchen begonnen terstond hunne nasporingen en onderzochten de omringende wildernis -met al de bekwaamheid die den Roodhuiden eigen is, maar alles was vergeefs. -</p> -<p>De vier afdeelingen kwamen de eene na de andere op de hacienda terug zonder iets ontdekt -te hebben, ofschoon zij de wildernis twintig mijlen in het rond hadden afgeloopen -en daarbij zoo te zeggen geen struik of grashalm onopgemerkt hadden gelaten; van don -Sylva en zijne dochter was geen spoor of teeken te vinden; wij weten reeds om welke -reden: <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita was met haar vader de Rio Gila afgevoerd, en het water laat geen spoor over. -</p> -<p>»Gij ziet het,” zeide Goedsmoeds tegen den graaf, »wij hebben alles gedaan wat menschelijkerwijs -mogelijk was, om de twee na het gevecht vermiste personen op te sporen; het blijkt -duidelijk dat de oplichters hen langs de rivier tot op verren afstand hebben weggevoerd -alvorens weder aan land te gaan. Wie weet waar zij zich thans bevinden? De Roodhuiden -zijn snel in hunne bewegingen, vooral wanneer zij vluchten; zij hebben een verbazend -eind op ons vooruit; het mislukken onzer pogingen bewijst dit; het zou eene dwaasheid -zijn hen weder te willen bereiken. Vergun ons dus te vertrekken; wellicht dat wij -op onze reis door de prairie in staat zijn nadere inlichtingen op te doen, die u later -van dienst kunnen zijn.” -</p> -<p>»Ik wil niet langer van uwe beleefdheid jegens mij misbruik maken,” antwoordde de -graaf minzaam; »vertrekt wanneer het u goeddunkt, caballeros; maar neemt de betuiging -mijner dankbaarheid met u, en gelooft dat ik mij gelukkig zal rekenen u die eenmaal -met meer dan louter woorden te kunnen bewijzen. Bovendien verlaat ik zelf de kolonie, -misschien dat wij elkander in de woestijn nog ontmoeten zullen.” -</p> -<p>Den volgenden dag met zonsopgang vertrokken de jagers en Comanchen uit de hacienda -en begaven zich naar de prairie. -</p> -<p>Tegen den avond liet de Arendskop het kamp opslaan en de nachtvuren ontsteken. -<span class="pageNum" id="pb234">[<a href="#pb234">234</a>]</span></p> -<p>Even na het souper, op het oogenblik dat ieder op slapen bedacht was, liet de sachem -door den <i>hachesto</i> (omroeper) afkondigen dat de hoofden zich aan het raadvuur zouden vereenigen. -</p> -<p>»Mijne bleeke broeders zullen daar nevens de sachems plaats nemen,” zei de Arendskop -tegen den Franschman en den Canadees. -</p> -<p>Dezen namen met eene buiging het voorstel aan en schaarden zich mede rondom den haard, -waar de Comanchenhoofden reeds in deftige stilte zaten te verbeiden wat de sachem -hun zou mededeelen. -</p> -<p>Toen ook de Arendskop had plaats genomen, wenkte hij den pijpdrager. -</p> -<p>Deze verwijderde zich en kwam weldra terug, eerbiedig de groote toovercalumet dragende, -wier vijf voet lange roer met prachtige vederen en eene menigte kleine rinkels versierd -was, terwijl de kop uit een fijnen witten steen bestond, dien men alleen in de Rotsbergen -vindt. -</p> -<p>De pijp was reeds gevuld en ontstoken. -</p> -<p>Zoodra de pijpdrager zich binnen den kring bevond, wees hij met den kop in de richting -der vier windstreken, onder het murmelen van eenige geheimzinnige spreuken of gebeden, -om de gunst van Wacondah, den Meester des Levens, over den raad in te roepen en den -boozen invloed van den »eersten mensch” op het gemoed der sachems, af te wenden. -</p> -<p>Vervolgens den kop van de pijp in de hand nemende, bood hij den steel met het mondstuk -het eerst aan den Arendskop, roepende met plechtige en luide stem: -</p> -<p>»Mijn vader is de eerste sachem van het dappere volk der Comanchen; de wijsheid woont -in zijn hoofd, al heeft de sneeuw des ouderdoms het nog niet vergrijsd. Maar even -als alle andere menschen is hij vatbaar om te dwalen, dat mijn vader dus overwege -alvorens te spreken; de woorden die uit zijne borst over zijne lippen zullen komen, -moeten zoodanig zijn dat de Comanchen ze kunnen gehoorzamen.” -</p> -<p>»Mijn zoon heeft goed gesproken,” antwoordde de sachem. -</p> -<p>Hij nam het roer en deed zwijgend eenige trekken, toen nam hij het mondstuk uit zijne -lippen en bood het aan den sachem die naast hem zat. -</p> -<p>Zoo ging de vredespijp den kring rond, zonder dat een der opperhoofden een woord sprak. -</p> -<p>Toen allen gerookt hadden en de tabak in den kop was opgebrand, schudde de pijpdrager -de asch in zijne rechterhand en wierp ze in den haard met den uitroep: -</p> -<p>»Hier zijn de hoofden vereenigd in den raad; hunne woorden zijn geheiligd. Wacondah -heeft ons gebed gehoord en zal het verhooren. Wee hem, die vergeet dat het geweten -zijn eenigste richtsnoer zijn moet!” -</p> -<p>Na deze weinige woorden met de meeste plechtigheid te hebben <span class="pageNum" id="pb235">[<a href="#pb235">235</a>]</span>uitgesproken, trad de pijpdrager buiten den kring en wierp den sachems, die onbewegelijk -rondom het vuur zaten, een laatsten blik toe, onder het mompelen met zachte en bijna -onhoorbare stem: -</p> -<p>»Gelijk de asch die ik in het vuur wierp, heilig en voor altijd verdwenen is, mogen -ook de woorden, die de sachems spreken zullen, heilig zijn en niet buiten den kring -des raads gehoord worden. Dat mijne vaderen nu spreken; de raad is begonnen.” -</p> -<p>Na deze vermaning, die bijna voor een openbare bestraffing kon gelden, verwijderde -de pijpdrager zich. -</p> -<p>Toen stond de Arendskop op, liet zijn blik over de raadsleden rondgaan en nam het -woord. -</p> -<p>»Hoofden en krijgslieden der Comanchen,” begon hij, »reeds zijn er vele manen verloopen, -sedert ik het dorp mijner natie verliet, en nog vele manen zullen voorbijgaan eer -de Wacondah mij vergunnen zal, mij aan het groote raadvuur met de opperste sachems -der Comanchen neder te zetten. Het bloed heeft altijd rood in mijne aderen gevloeid -en geen huid heeft mijn hart voor mijne broederen bedekt. De woorden die mijne borst -uitblaast komen mij op de lippen door den wil van den Grooten Geest; Hij weet hoe -ik mijne liefde voor u allen bewaard heb. -</p> -<p>»De natie der Comanchen is machtig, zij is de koningin der prairiën. Hare jachtgronden -dekken de gansche aarde, wat behoeft zij zich met andere natiën te verbinden om hunne -grieven te wreken? Keert de onreine coyote in tot het hol van den trotschen jaguar? -Legt de uil zijne eieren in het nest van den arend? Waarom zou dan de Comanch op het -oorlogspad uittrekken met de honden der Apachen? De Apachen zijn bloohartige vrouwen -en verraders. -</p> -<p>»Ik zeg mijne broeders dank, niet alleen dat zij met de Apachen hebben gebroken, maar -dat zij mij geholpen hebben hen te verslaan; nu is mijn hart treurig en dekt een nevel -mijnen geest, omdat ik van mijne broeders scheiden moet. Behage het hun mijn vaarwel, -aan te nemen; dat de Spotvogel mij beklage, daar ik ver van hen verwijderd in de schaduw -zal wandelen, de stralen der zon hoe vurig zij schijnen mogen zullen mij niet kunnen -verwarmen. Ik heb gezegd. Heb ik goed gesproken, machtige mannen?” -</p> -<p>De Arendskop ging weder zitten te midden van een algemeen gemompel van smart, en bedekte -zijn gelaat met een slip van zijn bisonsmantel. -</p> -<p>Er volgde in de vergadering eene diepe stilte. De Spotvogel scheen de andere hoofden -met zijne blikken te ondervragen; eindelijk stond hij op, en nam op zijne beurt het -woord om den Arendskop te beantwoorden. -</p> -<p>»De Spotvogel is jong,” zeide hij, »en zijn hoofd is goed, ofschoon het de wijsheid -van zijn vader nog niet bezit. De Arendskop is een sachem dien de Wacondah lief heeft: -waarom heeft de Meester des levens het opperhoofd onder de krijgslieden van zijn volk -teruggebracht? Was dit opdat hij hen schier onmiddellijk weder verlaten <span class="pageNum" id="pb236">[<a href="#pb236">236</a>]</span>zou? Neen! de Meester des levens bemint zijne kinderen de Comanchen; hij heeft dit -dus niet kunnen willen! De krijgslieden hebben een wijs en welervaren voorganger noodig -om hen op het oorlogspad te geleiden en aan het vuur van den raad te onderrichten; -het hoofd van mijn vader is grijs, hij behoort de krijgslieden te onderwijzen en aan -te voeren; de Spotvogel kan zulks niet, hij is nog te jong en te onervaren. Waar mijn -vader dus heengaat, zullen zijne zonen hem volgen, wat mijn vader wil zullen zijne -zonen willen; doch hij spreke niet van hen te verlaten; laat hij de wolk verdrijven -die zijn geest verduistert, zijne zonen smeeken het hem bij monde van den Spotvogel, -het kind dat hij zelf opgevoed, dat hij zoo wel bemind en tot een man gemaakt heeft. -Ik heb gesproken. Ziedaar mijne wampum! heb ik goed gesproken, machtige mannen?” -</p> -<p>Na die laatste woorden gezegd te hebben, nam de Spotvogel zijn halsketen van wampum-kralen, -wierp haar voor de voeten van den Arendskop en ging weder zitten. -</p> -<p>»Dat de groote sachem bij zijne kinderen blijve!” riepen alle krijgslieden tegelijk, -terwijl ieder zijn wampum-ketting bij dien van den Spotvogel wierp. -</p> -<p>De Arendskop richtte zich op met een houding vol fierheid en adeldom, hij liet de -slip van zijn bisonsmantel vallen en sprak tot de aandachtige en belangstellende vergadering: -</p> -<p>»Ik heb het lied van den walkon, den geliefden vogel van Wacondah, in mijn oor hooren -weergalmen,” zeide hij; »zijne welluidende stem is in mijn hart doorgedrongen en heeft -het van vreugde doen sidderen. Mijne zonen zijn goed, ik bemin hen; de Spotvogel en -tien krijgslieden, door hem zelven te kiezen, zullen mij vergezellen; de overigen -zullen naar de groote dorpen van mijn volk terugkeeren, om den sachems te verkondigen -dat de Arendskop weder bij zijne kinderen is; ik heb gezegd.” -</p> -<p>De Spotvogel vroeg thans om de groote calumet, die de pijpdrager hem onmiddellijk -bracht, de pijp werd opnieuw ontstoken, en ging onder de sachems rond zonder dat er -een woord gewisseld werd. -</p> -<p>Toen de laatste mondvol rook in de lucht verdwenen was riep de hachesto, nadat de -Spotvogel hem eenige woorden zacht in het oor gesproken had, met luider stem de namen -af der tien krijgslieden die gekozen waren om den Arendskop te vergezellen. -</p> -<p>De hoofden stonden op, bogen diep voor den Arendskop, stegen stilzwijgend in den zadel -en reden weg in galop. -</p> -<p>Gedurende een geruimen tijd bleven de Spotvogel en de Arendskop samen praten of liever -fluisteren. -</p> -<p>Toen hun gesprek uit was, steeg ook de Spotvogel te paard en reed op zijne beurt met -zijne krijgslieden weg. -</p> -<p>De Arendskop, Goedsmoeds en don Louis bleven thans alleen achter. -</p> -<p>De Canadees keek met verstrooiden blik de Indianen na, die zich <span class="pageNum" id="pb237">[<a href="#pb237">237</a>]</span>snel verwijderden; toen zij verdwenen waren wendde hij zich tot den sachem. -</p> -<p>»Ziedaar, hoofdman,” zeide hij, »nu zijn wij eindelijk vrij om elkander de noodige -ophelderingen te geven, of acht gij het uur nog niet gekomen om ronduit te spreken -en onze zaken af te doen? Sedert wij ons gewone verblijf verlieten, hebben wij ons -dunkt mij te veel met anderen en al zeer weinig met ons zelven beziggehouden; zou -het niet haast tijd worden om aan onze eigene zaken te denken?” -</p> -<p>»De Arendskop vergeet niets, hij denkt er reeds aan om zijnen bleeken broeders groot -genoegen te geven.” -</p> -<p>Goedsmoeds begon hartelijk te lachen. -</p> -<p>»Met uw verlof, hoofdman,” zeide hij; »maar mijne zaken zijn zoo eenvoudig, en wat -genoegen betreft ben ik al zeer spoedig voldaan; gij hebt mij beloofd mij op reis -te vergezellen en dat doet gij immers. Ik mag een Apachen-hond wezen als ik meer van -u verlang. Met don Louis is het iets anders, die zoekt naar een dierbaren vriend van -hem; gij weet wel dat wij hem beloofd hebben hem hierin behulpzaam te zijn.” -</p> -<p>»O! zeker,” hernam het opperhoofd; »de Arendskop heeft zijn hart tusschen zijne twee -bleeke broeders verdeeld; zij hebben er ieder de helft van. De weg dien wij moeten -afleggen is lang en kan nog verscheidene manen duren. Wij moeten door de groote woestijn. -De Spotvogel is met zijn troep reeds vooruitgegaan om bisons te dooden en voor den -noodigen mondkost te zorgen op de reis. Ik denk mijne broeders naar eene plaats te -brengen, die ik eenige manen geleden ontdekte en die aan niemand bekend is dan aan -mij. De Wacondah, toen hij den mensch schiep, heeft hem kracht en moed en vele jachtvelden -geschonken en tot hem gezegd: Wees vrij en gelukkig. Aan de bleekgezichten gaf hij -wijsheid en wetenschap om de waarde der blinkende steenen en gele bikkels te kennen; -Roodhuiden en Bleekgezichten volgen ieder den weg dien de Groote Geest hun aanwees; -ik zal mijne broeders naar een <i lang="es">placer</i> (zilver- of goudmijn) geleiden.” -</p> -<p>»Naar een <i lang="es">placer</i>!” riepen de twee anderen verwonderd. -</p> -<p>»Ja, wat zou een Indiaansch overste met zoovele schatten doen, daar hij toch niets -mede kan uitrichten? Het goud is alleen voor de blanken; laten mijne broeders er gelukkig -mede zijn, de Arendskop zal er hun meer van verschaffen, dan zij ooit dachten te zullen -bezitten.” -</p> -<p>»Met uw welnemen! niet zoo voorbarig, hoofdman,” riep Goedsmoeds. »Wat drommel meent -gij dat ik met al uw goud zou doen? ik ben niets anders dan een jager, die aan zijn -paard en zijne buks genoeg heeft. In vroeger tijd, toen ik nog met Edelhart samen -de prairie doorkruiste, hebben wij zoo menigmaal een klompje gouderts met voeten geschopt -of vertreden, maar het altijd onaangeroerd laten liggen, zonder ons te verwaardigen -het op te rapen.” -<span class="pageNum" id="pb238">[<a href="#pb238">238</a>]</span></p> -<p>»Wat zouden wij met goud doen?” voegde don Louis er bij: »laten wij die goudmijn, -hoe rijk zij ook wezen mag, maar uit onze gedachten stellen en haar bestaan zelfs -aan niemand openbaren, er gebeuren tegenwoordig reeds wandaden genoeg om het lieve -goud; dat is geene zaak voor ons, hoofdman. Geef uw plan maar op. Wij zeggen u dank -voor uw edelmoedig aanbod, maar wij kunnen het onmogelijk aannemen.” -</p> -<p>»Goed gesproken!” riep Goedsmoeds vroolijk; »wat zouden wij met dat duivelsche goud -beginnen, daar hebben wij niets aan, wij willen leven als vrije jagers zoo als wij -werkelijk zijn. Caspita! hoofdman, ik verzeker u, als gij mij te la Noria gezegd hadt -met welk oogmerk gij verlangdet dat ik u vergezellen zou, dan had ik u liever alleen -laten vertrekken.” -</p> -<p>De Arendskop glimlachte. -</p> -<p>»Dat antwoord heb ik juist van mijne broeders verwacht, en ik ben blijde te zien dat -ik mij hierin niet bedrogen heb. Ja, goud is voor hen geheel nutteloos, zij hebben -gelijk; maar dat is nog geen bewijs dat zij het moeten verachten; gelijk alle andere -dingen door den grooten Geest op aarde geschapen, heeft ook het goud zijne waarde. -Mijne broeders moeten dus met mij medegaan naar de goudmijn; niet zooals zij veronderstellen, -om er de goudkorrels groot of klein op te zamelen, maar om te weten waar zij is en -haar des noods te kunnen wedervinden. Ongeluk, behoefte en armoede komen altijd onverwacht, -en de gelukkigen die de Groote Geest heden het meest begunstigt, worden morgen vaak -door Hem het zwaarst bezocht. Nu dan, zoo het goud uit die <i lang="es">placer</i> het geluk mijner broeders niet kan vergrooten, wie zegt hun dat zij niet nog eenmaal -dienen zal om er een of ander hunner vrienden mede uit dringenden nood te redden.” -</p> -<p>»Dat is waar,” riep don Louis die de juistheid dezer redeneering moest erkennen, »wat -gij daar zegt is zeer verstandig en laat zich wel hooren. Wij kunnen voor ons zelven -het bezit van rijkdommen wel verachten, maar wij mogen ze niet verwerpen als middelen -om er misschien anderen mede te helpen.” -</p> -<p>»Zoo dit bepaald uw gevoelen is,” zei Goedsmoeds, »kan ik er mij wel mede vereenigen; -daarbij, wij zijn nu eenmaal op weg, en kunnen onzen tocht wel ten einde toe voortzetten. -Wel wel! wie had dat ooit gedacht,” vervolgde hij, »als mij iemand voorspeld had dat -ik nog eens een goudzoeker worden zou, zou ik wel vreemd hebben opgekeken. Intusschen -ga ik eens zien of ik een hert kan schieten.” -</p> -<p>Met deze woorden nam Goedsmoeds zijn geweer en verwijderde zich al fluitende. -</p> -<p>Wat den Spotvogel betreft, deze bleef twee dagen afwezig; tegen het midden van den -derden dag kwam hij terug; zes paarden, door hem in de prairie achtergelaten, waren -met levensmiddelen beladen, zes anderen droegen zakken vol water. -<span class="pageNum" id="pb239">[<a href="#pb239">239</a>]</span></p> -<p>De Arendskop was uiterst voldaan over de wijze waarop hij zich van zijne taak gekweten -had, doch daar zij een langen tocht te maken hadden en de woestijn del Norte in hare -volle lengte moesten doortrekken, gelastte hij dat elke ruiter uit voorzorg, behalve -de haver voor de paarden, twee kleine zakken met water aan zijn zadel zou mede dragen. -</p> -<p>Nadat deze maatregelen wijselijk genomen, de paarden en ruiters wel uitgerust, en -verfrischt waren, brak de kleine troep den volgenden morgen met het eerste krieken -van den dageraad op, en trok op marsch in de richting der woestijn del Norte. -</p> -<p>Wij zullen deze reis hier niet nader beschrijven, dan dat zij gelukkig en onder de -beste omstandigheden volbracht werd. Geen enkel ongeval stoorde hare kalme eentonigheid. -</p> -<p>De Comanchen en hunne twee blanke vrienden doorreden de woestijn als een voortstuivende -wervelwind, met die duizelingwekkende snelheid, waar zij alleen het geheim van bezitten -en die de Roodhuiden bij hunne invallen aan de Mexicaansche grenzen zoo geducht maakt. -</p> -<p>In de prairiën der Sierra de los Comanchos aangekomen zijnde, gaf de Arendskop den -Spotvogel en diens krijgslieden bevel om te kampeeren, aan den rand van een groot -natuurwoud, op een tamelijk ruim grasveld, aan den oever van eene onbekende beek of -kleine rivier, die zich eenige mijlen verder in de Rio del Norte uitstort, en verwijderde -zich met zijne twee vrienden Goedsmoeds en don Louis. -</p> -<p>De sachem was voorzichtig in alles; ofschoon de Spotvogel zijn volste vertrouwen bezat, -achtte hij het echter ongeraden hem met de ligging der goudmijn bekend te maken; en -later had hij reden genoeg om zich met dezen wijzen maatregel geluk te wenschen. -</p> -<p>De drie jagers reden rechtstreeks naar de bergen, die zich voor hen uit verhieven, -zoo ’t scheen als onverbiddelijke en ontoegankelijke muren graniet. -</p> -<p>Doch naarmate zij dezelve naderden werden de kanten en hellingen allengs minder steil -en ontoegankelijk. Weldra trokken zij een engen bergpas binnen, aan welks ingang zij -reeds genoodzaakt waren af te stijgen en hunne paarden achter te laten. Waarschijnlijk -was het alleen aan deze bijzonderheid te danken, dat de Indianen deze goudmijn nooit -ontdekt hadden; de Roodhuiden toch zullen bij geene gelegenheid afstijgen anders dan -om te kampeeren; men zou met recht van hen kunnen zeggen wat men van de Gauchos der -oostelijke pampas en in Patagonië zegt: dat zij te paard leven en sterven. -</p> -<p>Geheel toevallig, had de Arendskop eenige maanden geleden, terwijl hij op de jacht -was en een door hem gekwetst damhert vervolgde, deze goudmijn ontdekt. Het damhert, -dat hij sedert een paar uren had nagezeten en niet gaarne wilde laten ontsnappen, -was in den bergpas gevlucht om er te sterven, en de moedige jager had niet geaarzeld, -het ook daar te volgen. Na den woesten bergpas <span class="pageNum" id="pb240">[<a href="#pb240">240</a>]</span>in zijne geheele lengte te zijn doorgegaan bereikte hij een kleine vallei of dalkom, -diep tusschen steile bergen ingesloten, en behalve van dezen kant, bezwaarlijk zoo -al niet geheel onmogelijk te naderen. Daar had hij het arme dier zieltogend vinden -liggen op een zandigen met goudkorrels bezaaiden bodem, die in het felle zonlicht -glinsterde als duizend diamanten. -</p> -<p>Toen onze beide jagers in deze vallei afdaalden, konden zij een kreet van verbazing -niet bedwingen. -</p> -<p>Hoe sterk een mensch ook zij en hoeveel zelfbeheersching hij bezitten mag, toch trekt -het goud hem met onweerstaanbare toovermacht en is wel in staat om hem, althans voor -eenige oogenblikken, te verbijsteren. -</p> -<p>Goedsmoeds was de eerste die zijne gewone koelbloedigheid terugkreeg. -</p> -<p>»O!” riep hij terwijl hij het zweet afwischte dat hem van het gelaat gudste, »er liggen -in dit afgesloten hoekje wat schatten verborgen. God geef dat zij er nog lang verborgen -blijven! daar zal het menschdom niets aan verliezen.” -</p> -<p>»Wat zullen wij er mede doen?” vroeg Louis hijgend en met fonkelende blikken. -</p> -<p>De Arendskop was de eenige die deze onberekenbare schatten onverschillig aanzag. -</p> -<p>»Hm!” hervatte de Canadees, »dit goud is ontegenzeggelijk ons eigendom, daar de sachem -het aan ons overlaat.” -</p> -<p>De Arendskop knikte toestemmend. -</p> -<p>»Wat ik u wilde voorstellen,” vervolgde Goedsmoeds, »is dit: wij hebben dat goud niet -noodig, op dit oogenblik zou het ons zelfs meer schaden dan voordeel doen. Evenwel, -daar niemand weet wat de toekomst baren zal, moeten wij ons eigendomsrecht verzekeren; -laten wij dezen zandgrond met takken en bladeren bedekken, zoodat geen jager, wanneer -hij bij geval op een der omliggende hoogten komt en van daar nederblikt, dit goud -in de diepte <span class="corr" id="xd30e6525" title="Bron: zie">ziet</span> schitteren. Vervolgens zullen wij zoo veel mogelijk steenen verzamelen en er den -ingang der bergkloof mede verstoppen; het toeval dat eenmaal den Arendskop begunstigde, -zou ook wel een ander kunnen gebeuren. Wat dunkt u hiervan?” -</p> -<p>»Dadelijk aan ’t werk!” riep don Louis; »ik wil dat goud niet langer zien schitteren, -hoe eer het bedekt is hoe beter; dat duivelsche metaal zou mij anders nog geheel duizelig -maken.” -</p> -<p>»Aan ’t werk dan!” herhaalde Goedsmoeds. -</p> -<p>De drie mannen hieuwen takken van de boomen en maakten er een dik tapijt van, onder -hetwelk de goudklompen weldra geheel onzichtbaar werden. -</p> -<p>»Wilt gij niet een staaltje van die goudklompjes bij u steken?” vroeg Goedsmoeds aan -don Louis, »misschien was het niet kwaad om er een paar van mede te nemen.” -<span class="pageNum" id="pb241">[<a href="#pb241">241</a>]</span></p> -<p>»O neen ik niet, wat zou ik er mede doen?” antwoordde deze de schouders ophalend, -»ik stel er geen den minsten prijs op; neem gij er maar wat van meê, als gij wilt; -wat mij aangaat, ik zal er geen hand naar uitsteken.” -</p> -<p>Goedsmoeds begon te lachen, raapte twee of drie gouden bikkels op, zoo groot als hazelnoten, -en stak ze in zijn kogeltasch. -</p> -<p>»Sakkerloot!” riep hij, »als ik daar een paar Apachen mede doodschiet, hebben ze waarlijk -geen reden zich te beklagen.” -</p> -<p>De drie jagers gingen de bergkloof door, wier mond zij met rotsblokken toestopten -en onkenbaar maakten; daarop stegen zij te paard en keerden naar het kamp terug, na -vooraf eenige merken aan de boomen gemaakt te hebben om de plaats te kunnen wedervinden, -zoo de omstandigheden hen ooit dwongen er later op terug te komen, hetgeen wij tot -hun eer moeten zeggen dat zij geen van allen verlangden. -</p> -<p>De Spotvogel wachtte zijne vrienden met het grootste ongeduld. -</p> -<p>Er was onraad in de prairie. Sedert dien morgen hadden de voorloopers een kleinen -troep blanken de Rio del Norte zien overtrekken, naar een heuvel, op welks top zij -hun kamp hadden opgeslagen. Een poosje later was er een talrijk detachement <span class="corr" id="xd30e6542" title="Bron: Apachen krijgslieden">Apachen-krijgslieden</span> op hetzelfde punt over de rivier gegaan, zoo het scheen, op het spoor der bovengenoemde -blanken. -</p> -<p>»O!” riep Goedsmoeds, »het is duidelijk dat die duivelsche Roodhuiden onze broeders -vervolgen.” -</p> -<p>»Zullen wij hen onder ons oog laten vermoorden?” riep graaf Louis verontwaardigd. -</p> -<p>»Bij mijne ziel! neen, zooveel wij er tegen doen kunnen,” antwoordde de Canadees, -»misschien kunnen wij met deze goede daad de dwaze begeerlijkheid weder goed maken -die wij straks deden blijken, en die ons bijna verleid had. Zeg, Arendskop, wat denkt -gij er van?” -</p> -<p>»Wij moeten de bleekgezichten redden,” antwoordde het opperhoofd zonder aarzelen. -</p> -<p>Onmiddellijk werden door den sachem de noodige bevelen gegeven en door zijne onderhebbenden -uitgevoerd, met al de vaardigheid en juistheid die den uitgelezen krijgslieden der -Roodhuiden op het oorlogspad kenmerkt. -</p> -<p>De paarden werden onder het opzicht van een Comanch achtergelaten; het detachement -verdeelde zich in twee partijen, en zoo trok men behoedzaam de prairie in. -</p> -<p>Alleen de Spotvogel, de Arendskop, don Louis en Goedsmoeds hadden jachtgeweren, al -de anderen waren met pieken en met pijl en boog gewapend. -</p> -<p>»List tegen list,” fluisterde de Canadees tegen de anderen; »wij zullen ze overrompelen -die anderen zoeken te overrompelen.” -</p> -<p>Op hetzelfde oogenblik vielen er twee geweerschoten, weldra door meerderen gevolgd; -daarop hoorde men den aanvalskreet der Apachen, die de lucht deed weêrgalmen. -<span class="pageNum" id="pb242">[<a href="#pb242">242</a>]</span></p> -<p>»Oho!” riep Goedsmoeds sneller voortmakend, »zij weten niet dat wij zoo dicht in de -nabijheid zijn.” -</p> -<p>Allen ijlden hem na. -</p> -<p>Intusschen was het gevecht in de grot op eene vreeselijke wijs aan den gang: don Sylva -en de peons boden moedig weêrstand; maar wat vermochten zij tegen de schaar van vijanden -die hen van twee zijden bestormde! -</p> -<p>De Tigrero en de Zwarte-Beer, gelijk wij straks reeds gezegd hebben, lagen als twee -saamgekronkelde slangen te worstelen en zochten elkander met den ponjaard af te maken. -</p> -<p>Op eens knalden er verscheidene geweerschoten, en in de verte klonk de donderende -oorlogskreet der Comanchen. -</p> -<p>De Zwarte-Beer liet don Martial los, sprong op en ijlde naar <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita, om haar te grijpen. -</p> -<p>Het doodelijk verschrikte meisje stiet hem terug en vluchtte als een gejaagde hinde -de gang door tot aan de zaal, in welker midden zich de vroeger beschreven kolk bevond. -</p> -<p>De Zwarte-Beer snelde haar na om haar andermaal te grijpen, maar reeds door een pistoolschot -van den Tigrero gewond, was hij minder vlug dan anders. -</p> -<p>Aan de kolk komende, deinsde hij terug, wankelde en verloor het evenwicht. Hij voelde -dat hij vallen zou, strekte werktuigelijk de hand uit om zich vast te houden, en greep -don Martial, die intusschen weder opgestaan en hem na was geijld; maar nog half bedwelmd -van de worsteling en het harde loopen, op zijne beurt wankelde, en beiden tuimelden -met een vervaarlijken kreet in den afgrond. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita, die er niet ver af stond, snelde toe; zij was verloren. -</p> -<p>Plotseling voelde zij zich door een krachtige hand aangrijpen, opheffen en achterwaarts -trekken. Zij viel in onmacht. -</p> -<p>De Comanchen waren te laat gekomen. -</p> -<p>Van de zeven personen die de karavaan uitmaakten waren er vijf gedood. -</p> -<p>Een zwaar gekwetste peon en <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita, waren alleen levend overgebleven. -</p> -<p>Het ongelukkige meisje was door Goedsmoeds gered. -</p> -<p>Toen zij de oogen weder opende, glimlachte zij zacht, en begon als een onnoozel kind, -met eene stem zoo helder als een vogel, eene Mexicaansche <span lang="es">seguedilla</span> (ballade) te zingen. -</p> -<p>De jagers deinsden met smart terug. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Anita was krankzinnig! -<span class="pageNum" id="pb243">[<a href="#pb243">243</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch25" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7046">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXV.</h2> -<h2 class="main">EL AHUEHUELT.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Wij gaan andermaal een stap terug, naar de groote woestijn del Norte, waar de graaf -de Lhorailles was binnengetrokken, onder geleide van Cuchares. -</p> -<p>Gedurende de eerste dagen der reis ging alles goed, het weêr was heerlijk schoon, -en aan leeftocht geen gebrek. Met de hun aangeboren luchthartigheid vergaten de Franschen -al hun geleden leed, en lachten luidkeels om de gedurige vrees der Mexicaansche peons, -die beter met de gevaren der woestijn bekend, hunne bezorgdheid niet verheelden over -het lang gerekt verblijf der vrijcompagnie in deze onherbergzame, vaak doodelijke -streek. -</p> -<p>Onder de beschaafde volken bezitten de Franschen een zonderlinge eigenschap, die hen, -wellicht zonder dat zij het weten, meer dan andere in staat stelt om in zeer vele -dingen de eerste te zijn; die eigenschap is hunne blijkbare, door andere volken, misschien -uit nijd maar toch vaak niet zonder grond, voor lichtzinnigheid uitgekreten onbezorgdheid -en wispelturigheid; ofschoon die volken overigens niet ongenegen zijn om zelfs de -dwaaste grillen der Parijsche mode, zoo in de politiek als kleederdracht, tot in de -kleinste bijzonderheden slaafs te volgen. -</p> -<p>Niets is echter onbillijker dan het verwijt van lichtzinnigheid of zorgeloosheid, -dat den Franschen door hunne naburen onophoudelijk en in alles wordt naar het hoofd -gesmeten. Onbezorgde moed en luchthartigheid maken de Franschen misschien tot de beste -soldaten van de wereld, zoodat zij zich gereedelijk, zelfs voor allerlei dwaze ondernemingen -van veroveringszucht en dolende ridderschap laten gebruiken, alle ontberingen zich -getroosten en met geestdrift hun leven zouden wagen als er maar een weinig roem te -behalen is. -</p> -<p>Maar achter die soldaten bevindt zich eene schrandere en werkzame bevolking, die vooral -in tijden van rust en onder een wijs en krachtig bewind, zeker niet zoo dwaas is dat -zij hare beste belangen zou verwaarloozen. Gelijk alle beschaafde volken die den vooruitgang -beheerschen en helpen bevorderen, houden ook de Franschen het oog steeds op de toekomst -gevestigd, en het oor geopend voor ieder gerucht dat de wereld beweegt. Wellicht zijn -zij voortvarender dan anderen, het verledene vergeten zij, het heden bekommert hen -niet veel, maar het morgen is alles voor hen, omdat in dat morgen de toekomst besloten -ligt, namelijk de oplossing van het groote vraagstuk der beschaving. Wel is waar brengt -hun vurig en onbedachtzaam karakter hen niet zelden van het spoor, en dan is er een -krachtig bestuur noodig om het hollende span tot staan te brengen. Vandaar de groote -tegenstrijdigheden die de geschiedschrijver vaak in hen <span class="pageNum" id="pb244">[<a href="#pb244">244</a>]</span>opmerkt en hun te last legt en die niet weinig studie vereischen om hen naar waarde -en billijkheid te beoordeelen. -</p> -<p>Maar hoe dit ook zij, wat wij hier willen beweren blijft ontegenzeggelijk waar, de -Franschen zijn eene strijdlustige en veroveringszuchtige natie en hun leger beschouwt -zich zoo gaarne als de voorhoede der beschaving, bestemd om de wereld op de baan der -vrijheid en der verlichting voor te gaan en Frankrijk tot de eerste der natiën te -verheffen. Vandaar dat de oogen der naburige volken zich staag op Frankrijk richten, -om hetzij in hoop of in vrees te zien wat aldaar omgaat, ten einde het na te volgen -of er zich tegen te wapenen. -</p> -<p>Wat onze Fransche vrijcompagnie betreft, zij bracht haar tijd door met de woestijn -te doorkruisen om er de Apachen te zoeken, die zich sedert eenige dagen bepaald onzichtbaar -hadden gemaakt. Slechts nu en dan bij lange tusschenpoozen zagen zij een enkelen Indiaanschen -ruiter, die op korten afstand van hunne voorposten, als om hen te sarren, rijtoeren -en manegekunsten kwam vertoonen. -</p> -<p>Dan werd er »in den zadel” geblazen, allen stegen te paard, men stormde den vrijpostigen -ruiter te gemoet, die na zich lang genoeg te hebben laten vervolgen, eensklaps weder -verdween gelijk hij gekomen was. -</p> -<p>Dit doelloos en eentonig leven begon hun echter te vervelen en eindelijk onverdragelijk -te worden. Niets anders te zien dan zand, altijd zand, geen vogels, geen wild, geen -verscheurend dier zelfs; niets dan grauwe en verbrokkelde rotsen; en eenige reusachtige -Ahuehuelten, een soort van ceders, met lange, soms bladerlooze doch zwaar met een -grijsachtig mos bedekte takken, dat er in groote festonnen bij nederhing; dit alles -had weinig vermakelijks, en nadat de compagnie er het eerste nieuws had afgezien begon -het haar spoedig te walgen. -</p> -<p>De weêrkaatsing der zonnestralen op het barre zand, verwekte oogziekten; het water -door de hitte bedorven, werd ondrinkbaar; de verdere levensmiddelen werden oneetbaar, -het scorbut begon onder de soldaten te heerschen, weldra door het heimwee gevolgd, -dat menigeen ten grave sleepte. -</p> -<p>Deze staat van zaken was ondragelijk, men moest op middelen bedacht zijn om er zoo -spoedig mogelijk een eind aan te maken. -</p> -<p>De graaf riep dus zijne officieren bijeen om met hen raad te houden. -</p> -<p>Deze raad bestond uit de luitenants Diego Leon, en Martin Leroux, den sergeant Boileau, -Blas Vasquez en Cuchares. -</p> -<p>Deze vijf personen, voorgezeten door den graaf de Lhorailles, plaatsten zich op de -pakbalen terwijl de soldaten niet ver van hen af op den grond liggende, een schuilhoek -zochten in de schaduw der paarden, die aan piketten gekoppeld stonden. -</p> -<p>Het werd dringend noodig den raad te beleggen, want de krijgstucht <span class="pageNum" id="pb245">[<a href="#pb245">245</a>]</span>onder de compagnie was snel aan ’t afnemen, er was oproer in den wind, men klaagde -reeds nu en dan overluid. De strafoefening aan de <span class="corr" id="xd30e6622" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> was reeds geheel vergeten en als men niet spoedig middelen vond om het kwaad te keer -te gaan, kon niemand zeggen op welke vreeselijke uitersten het algemeene ongenoegen -zou uitloopen. -</p> -<p>»Mijne heeren,” zei de graaf de Lhorailles, »ik heb u bijeengeroepen om met u de middelen -te beramen, ten einde den moedeloozen ja slechten geest te doen ophouden, die bij -de compagnie sedert eenige dagen heerscht. De omstandigheden zijn zoo ernstig, dat -ik u danken zal voor elken goeden raad dien gij mij oprecht en onbewimpeld geeft; -ons aller welzijn is er in betrokken, en in zulk een staat van zaken heeft ieder het -recht om zijn gevoelen uit te brengen, zonder vrees dat hij de eigenliefde zou kwetsen -van wien ook. Spreekt dus, mijne heeren, ik zal u aanhooren. Gij het eerst, sergeant -Boileau; als de minste in rang moet gij het eerste woord hebben.” -</p> -<p>Sergeant Boileau was een voormalig spahis uit Afrika, die de soldatenschool op zijn -duimpje kende, trouw als staal en in allen opzichte wat men in het leger een oud-gediende -noemt; alleen moeten wij hier zeggen dat hij geen meester in de redekunst was. -</p> -<p>Bij de rechtstreeksche interpellatie van zijn kommandant begon hij te glimlachen, -daarop te blozen als een jong meisje, toen liet hij het hoofd hangen en opende den -mond, om reeds bij het eerste woord te blijven steken. -</p> -<p>De graaf de Lhorailles, zijne verlegenheid bemerkende, spoorde hem op goedwilligen -toon aan om te spreken. Eindelijk, na menige vergeefsche poging, gelukte het den sergeant -met eene heesche stem en tamelijk verward zijn woord te doen. -</p> -<p>»Pardi! kapitein,” begon hij, »ik begrijp dat de toestand alles behalve vroolijk is; -maar oorlog is oorlog, en op marsch gaat het niet anders. Als men soldaat is, is men -soldaat. Ik wil dus maar zeggen, kapitein, naar mijn begrip, dat gij maar doen moet -wat gij denkt dat goed is, en dat wij hier zijn om u in alles te gehoorzamen; dat -is strikt genomen niet meer dan een staaltje van onzen plicht, zonder onnoodige napraatjes.” -</p> -<p>De overige raadsleden konden zich moeielijk zonder lachen houden over deze gulle bekentenis -van den eerlijken sergeant, die opnieuw verlegen werd en zweeg. -</p> -<p>»Uw beurt, Blas Vasquez,” zei de graaf, »wat is uw advies?” -</p> -<p>De capataz richtte zijn vurigen blik op den graaf. -</p> -<p>»Vraagt gij mij dat wel ronduit, kapitein?” antwoordde hij. -</p> -<p>»Zonder twijfel.” -</p> -<p>»Hoort dan gij allen,” hernam de capataz met eene vaste stem en op een toon van volle -overtuiging. »Mijn advies is, dat wij verkocht en verraden worden; dat wij nooit uit -deze woestijn zullen <span class="pageNum" id="pb246">[<a href="#pb246">246</a>]</span>komen, maar hier allen den dood zullen vinden zoo wij nog langer volhouden die onbereikbare -vijanden te vervolgen; men heeft ons in een strik gelokt daar wij niet weder uit kunnen.” -</p> -<p>Deze verklaring bracht op de aanwezigen een diepen indruk te weeg, daar men al de -juistheid er van begreep. -</p> -<p>De kapitein schudde twijfelmoedig het hoofd. -</p> -<p>»Don Blas,” zeide hij, »wat gij daar gezegd hebt behelst eene zware beschuldiging. -Hebt gij de beteekenis uwer woorden wel nauwkeurig overwogen?” -</p> -<p>»Ja,” antwoordde hij. »Alleen.…” -</p> -<p>»Bedenk wel wat gij zegt, don Blas. Wij kunnen hier geen onbestemde vermoedens toelaten; -de zaken zijn tot zulk een uiterste gekomen, dat wij u het overigens welverdiende -vertrouwen niet kunnen verleenen, tenzij gij uwe beschuldiging nader bepaalt en, desnoods, -niet terugdeinst om namen te noemen.” -</p> -<p>»Ik deins voor niets of voor niemand terug, heer graaf; ik weet al de verantwoordelijkheid -die ik op mij neem; geene overweging, van welken aard ook, zal mij doen afwijken van -hetgeen ik als heiligen plicht beschouw.” -</p> -<p>»Spreek dan in ’s hemels naam, en geve God dat uwe ophelderende verklaring mij niet -andermaal noodzake een onzer kameraden op een voorbeeldige wijze te straffen.” -</p> -<p>De capataz bedacht zich een poos, en iedereen wachtte met ongeduld op zijne nadere -toelichting; Cuchares inzonderheid, was derwijze in ’t nauw gebracht, dat hij zijne -ongerustheid moeielijk wist te verbergen. -</p> -<p>Eindelijk nam de capataz het woord en vestigde daarbij zulk een zonderlingen blik -op den graaf de Lhorailles, dat deze tegen wil en dank eindelijk begon te begrijpen, -dat hij en de zijnen de slachtoffers waren van het schandelijkst verraad. -</p> -<p>»Heer graaf,” zei Blas Vasquez, »wij Mexicanen hebben eene wet daar wij nimmer van -afwijken, eene wet trouwens die in het hart van alle eerlijke lieden geschreven staat, -namelijk deze: dat, gelijk de loods verantwoordelijk is voor het schip dat hij op -<span class="corr" id="xd30e6652" title="Bron: zicht">zich</span> neemt in de veilige haven te brengen, evenzoo de gids met zijn leven verantwoordelijk -is voor het behoud der reizigers die hij aanneemt door de woestijn te geleiden. Hierover -komt geene verdere redeneering te pas; van tweeën een: of de gids is onkundig, of -hij is het niet; is hij onkundig, dan had hij ons niet tegen ons aller gevoelen moeten -dwingen de woestijn in te trekken, noch daarbij de geheele verantwoordelijkheid onzer -reis mogen op zich nemen. Is hij daarentegen der zake kundig, dan had hij ons de woestijn -moeten doorvoeren, waartoe hij zich verbonden heeft, in plaats van ons op goed geluk -te laten rondzwerven om naar vijanden te zoeken, die hij even goed weet als wij het -weten, dat niet in de woestijn del Norte wonen, maar ze slechts nu en dan in geval -van noodzakelijkheid doortrekken, <span class="pageNum" id="pb247">[<a href="#pb247">247</a>]</span>zoo snel als hunne paarden loopen kunnen. Op onzen gids alleen werp ik dus de schuld -van alles wat ons overkomt; want hij is de man, die meester was van de gebeurtenissen -en ze naar zijn goedvinden heeft geregeld.” -</p> -<p>Cuchares, meer en meer in verwarring gebracht, wist niet meer hoe hij zich keeren -of wenden zou, zijne ontsteltenis was voor iedereen zichtbaar. -</p> -<p>»Wat hebt gij hierop te antwoorden, Cuchares?” vroeg de kapitein. -</p> -<p>In omstandigheden als de tegenwoordige, heeft een beschuldigde slechts twee middelen -van verdediging: of geveinsde verontwaardiging of minachting. -</p> -<p>Cuchares koos het laatste: de minachting. -</p> -<p>Al zijne stoutmoedigheid en onbeschaamdheid te hulp roepende, zorgde hij eerst zijne -stem te verzekeren, haalde verachtelijk de schouders op en antwoordde op sarcastischen -toon: -</p> -<p>»Ik zal <span class="corr" title="Bron: senor">señor</span> don Blas de eer niet doen van zijne woorden te bespreken; er zijn van die beschuldigingen -waarop een eerlijk man het stilzwijgen bewaart. Ik heb mij in alles moeten gedragen -aan den kapitein, die hier alleen te bevelen heeft. Sedert wij ons in de woestijn -bevinden hebben wij twintig man hetzij door de moordbijl der Indianen, of door ziekte -verloren; kan men mij redelijk- en billijkerwijs verantwoordelijk stellen voor deze -grieven? Sta ik niet even zeer als de anderen klaar om in de woestijn om te komen? -Heb ik het in mijne macht om het gevaar te ontsnappen dat ulieden bedreigt? Zoo de -kapitein mij bevolen had om de woestijn del Norte slechts door te trekken, zouden -wij er reeds lang uit zijn; maar hij heeft mij gezegd dat hij de Apachen wilde achterhalen, -ik heb mij naar zijn last moeten gedragen.” -</p> -<p>Deze redeneering, hoe listig gesponnen en spitsvondig zij wezen mocht, werd nochtans -door de officieren voor goede munt opgenomen; Cuchares haalde weder adem, maar hij -had het met den capataz nog niet afgemaakt. -</p> -<p>»Goed,” zeide deze; »strikt genomen hebt gij misschien gelijk dat gij zoo spreekt, -en ik zou geloof kunnen hechten aan uw voorgeven, zoo ik geen andere en veel ernstiger -zaken tegen u had in te brengen.” -</p> -<p>De lepero haalde de schouders op. -</p> -<p>»Ik weet,” vervolgde de capataz, »en ik kan er dadelijk het bewijs van leveren, dat -gij door uwe gesprekken en zijdelingsche beschuldigingen oproer onder de peons en -soldaten der compagnie hebt gezaaid. Heden morgen vóór de revelje, terwijl gij dacht -dat niemand u zag, zijt gij opgestaan en hebt met uw ponjaard tien van de vijftien -zakken water doorgestoken die wij nog over hebben; alleen het gerucht, dat ik onwillekeurig -maakte terwijl ik naar u toekwam om het u te beletten, heeft u teruggehouden uw misdadig -opzet ten <span class="pageNum" id="pb248">[<a href="#pb248">248</a>]</span>einde te brengen. Op het oogenblik toen de kapitein ons bijeen liet roepen om raad -te houden, was ik juist gereed om hem van uw bedrijf kennis te geven en u aan te klagen. -Wat hebt gij daarop te antwoorden? Verdedig u als gij er kans toe ziet.” -</p> -<p>Aller oogen richtten zich nu op den lepero; hij was doodsbleek, zijne oogen stonden -rood en wild; eer iemand met mogelijkheid gissen kon wat hij voornemens was, greep -hij een pistool en schoot het rakelings af op de borst van den capataz, die ter aarde -stortte zonder een woord of zucht meer te slaken; daarop steeg de moordenaar met een -tijgersprong te paard, en reed in vliegenden galop weg. -</p> -<p>Nu volgde er een onbeschrijfelijke opschudding, allen stegen te paard om den lepero -na te zetten. -</p> -<p>»Voort! voort! den moordenaar na! den moordenaar na!” schreeuwde de kapitein, zijne -manschappen aansporende met stem en voorbeeld om den onverlaat te vervolgen. -</p> -<p>De Franschen, door dezen afloop der zaak woedend geworden, vervolgden den lepero en -schoten op hem als op een verscheurend dier; een geruimen tijd wist hij in alle richtingen -te ontwijken en zag men hem nu hier dan daar heen rennen, om uit den cirkel te geraken -dien het den kavaleristen gelukt was rondom hem te sluiten; eindelijk zag men hem -waggelen in den zadel, poogde hij zich nog aan de manen van zijn paard vast te klemmen, -maar tuimelde hij op het zand als een machtelooze klomp onder het uiten van een laatsten -kreet. -</p> -<p>Hij was dood. -</p> -<p>Deze gebeurtenis voerde de ontsteltenis onder de soldaten ten top, van dit oogenblik -af gevoelden zij dat men hen verraden had en begonnen zij te begrijpen dat hun toestand -inderdaad hopeloos was. -</p> -<p>Te vergeefs poogde de kapitein hun een weinig moed in te spreken, zij wilden naar -niets meer hooren, maar gaven zich prijs aan eene radeloosheid die alle maatregelen -verlamt en alle krijgstucht oplost. -</p> -<p>Als een laatste middel om gehoor te krijgen, gaf de graaf order om op te breken, en -men trok op marsch. -</p> -<p>Maar waarheen? in welke richting, en waar was uitkomst? geen spoor of pad was er te -zien. Intusschen trok men toch voort, veeleer om van plaats te veranderen, dan om -weg te komen, of met eenige hoop om uit het onmetelijk zandgraf te geraken, daar men -niet anders voorzag dan voor altijd en onherroepelijk in bedolven te zullen worden. -</p> -<p>Acht dagen verliepen, acht eeuwen van jammer, gedurende welke de vrijcompagnisten -met de vreeselijkste kwellingen van honger en dorst te kampen hadden. -</p> -<p>De compagnie als zoodanig bestond niet langer, er waren geen chefs, geen soldaten -meer; het was een legioen afschuwelijk uitgemergelde <span class="pageNum" id="pb249">[<a href="#pb249">249</a>]</span>spookgestalten, een troep uitgehongerde roofdieren, gereed om elkander bij de eerste -gelegenheid te verscheuren en te verslinden. -</p> -<p>Het was er eindelijk zoo ver mede gekomen, dat men de weinige paarden of muildieren -die nog overbleven, de ooren opensneed om het bloed uit te zuigen, ten einde honger -en dorst te lesschen. -</p> -<p>In ’t onzekere rondzwervende, nu eens naar dezen dan naar genen kant, door luchtspiegeling -misleid, door den fellen zonnegloed geblakerd, door het mulle zand afgemat en uitgeput, -waren zij ten prooi aan eene vertwijfeling, die sommigen met een stompzinnig gelaat -en een hollen lach verdroegen; dat waren nog de gelukkigsten, zij hadden geen gevoel -meer van hun leed, want zij waren krankzinnig; anderen zwaaiden woest met de wapenen, -vloekten en dreigden en staken de vuisten naar den hemel op, die als een onmetelijke -tombe van koper, hunne zandige grafstede scheen te overwelven; enkelen door het ongeluk -razend geworden schoten zich voor het hoofd, met een spottenden glimlach jegens hunne -kameraden, die te zwak waren of den moed niet hadden hun voorbeeld te volgen. -</p> -<p>De Franschen zijn misschien het moedigste volk dat er bestaat, maar daarentegen zijn -zij de eerste om alle tucht of zelfbeheersching te verliezen. Is hun aandrift onweêrstaanbaar -zoo lang zij voorwaarts rukken, even onweêrstaanbaar zijn zij ook als zij terug moeten; -dan zijn zij door niets, door dwang noch door redeneering noch door bedreiging tot -staan te brengen; overdreven in alles, is de Franschman soms sterker dan een mensch, -of zwakker dan een kind! -</p> -<p>De graaf de Lhorailles was geen kwaad overste, hij staarde zwijgend en somber op den -ondergang van al zijne verwachtingen, maar bleef zijnen rang en zijn karakter getrouw. -Altoos de eerste om te marcheeren, en de laatste om te rusten, zou hij geen brok genuttigd -hebben eer hij wist dat ieder man zijn aandeel had gehad, troostte hij ieder die naar -hem hooren wilde en waakte met voorbeeldelooze zorg en zelfverloochening voor zijne -arme soldaten, die, zonderling genoeg, te midden van al hun jammer en dreigenden ondergang -er niet aan dachten hun overste eenig verwijt toe te voegen. -</p> -<p>De peons van Blas Vasquez waren meest allen bezweken, of hadden na zijn dood een goed -heenkomen gezocht, dat wil zeggen, een weinig verder een onbekend graf gevonden. Die -den graaf nog getrouw bleven, waren allen Europeanen, meerendeels Franschen, brave -Dauph’yeers, geheel onkundig hoe zij den onverbiddelijken vijand zouden bekampen met -welken zij hier te doen hadden, de doodelijke del Norte. -</p> -<p>Van de twee honderd vijf en veertig man, die de compagnie bij hare intrede in de woestijn -sterk was, leefden er nog nauwelijks honderd dertig, zoo het leven mocht heeten dat -deze verbleekte en vermagerde spoken bezielde. -<span class="pageNum" id="pb250">[<a href="#pb250">250</a>]</span></p> -<p>De ergste ramp die iemand in de woestijn kan overkomen is zeker de akelige kwaal, -door de Mexicanen de <i lang="es">calentura</i> genoemd. -</p> -<p>De <span lang="es">calentura</span>! -</p> -<p>Deze tusschenpoozende waanzin spiegelt den lijder gedurende den korteren of langeren -aanval, visioenen voor van de lekkerste en keurigste spijzen, de helderste waterbronnen, -de uitmuntendste wijnen, die hem, zoo hij zich verbeeldt, volop verzadigen maar tevens -ontzenuwen, want na den afloop der zinsverbijstering gevoelt hij zich zwakker en verslagener -dan ooit, door de herinnering van al wat hij in den droom gezien en genoten had. -</p> -<p>Op zekeren dag eindelijk, toen de ongelukkige vrijcompagnie door jammer en ellende -overstelpt, weigerde om verder te gaan en allen reikhalsden om te sterven waar het -toeval hen gebracht had, legerden zij zich op het gloeiende zand, in de schaduw van -eenige Ahuehuelten, met het vaste besluit om daar onbeweeglijk te blijven liggen, -tot de dood, dien zij reeds zoolang overluid hadden ingeroepen, hen eindelijk van -hunne kwalen zou komen verlossen. -</p> -<p>De zon hulde zich in een onheilspellenden nevel en ging onder in eene zee van purperen -en gouden wolken. Alles in de woestijn was doodstil en men hoorde niets dan hier en -daar eene verwensching of een zucht van de ongelukkigen, die niets meer verwachtten, -niets meer hoopten, en niets meer overhielden dan het instinct van woeste of redelooze -dieren. -</p> -<p>Intusschen volgde de nacht op den dag, en langzamerhand kwam ook de vrijcompagnie -tot rust en stilte. De slaap, die groote vertrooster der lijdende menschheid, bezwaarde -de oogleden der rampzaligen, en zoo zij al niet sliepen, genoten zij toch eene soort -van sluimering, die hun, voor een poos althans, hunne ondragelijke folteringen deed -vergeten. -</p> -<p>Op eens, tegen middernacht, klonk er een vervaarlijk geluid, dat allen verschrikt -deed ontwaken; een verstikkend lauwe wervelwind ging over hen heen, en de donder boven -hunne hoofden barstte klaterend los. -</p> -<p>De hemel was zwart als inkt, geen maan of ster was er te zien, niets dan tastbare -duisternis, die zelfs niet toeliet de meest nabijzijnde voorwerpen te onderscheiden, -dan nu en dan bij het flikkeren van een bliksemstraal welke slechts diende om de daarop -volgende duisternis nog dikker te maken. -</p> -<p>De arme drommels sprongen vol ontzetting op en slopen waggelend naar elkander, als -een troep schapen bij onweder en als wilden zij bij de laatste vonk van hun ingeschapen -menschelijk instinct, te zamen sterven. -</p> -<p>»De temporal!<span id="xd30e6718"></span> de temporal!” schreeuwden allen op een toon van angst die zich niet laat beschrijven. -</p> -<p>Werkelijk was het de temporal, die ontzettende plaag, die al hare woede ontketende -en over de woestijn deed losbreken om er de gedaante van om te keeren. -<span class="pageNum" id="pb251">[<a href="#pb251">251</a>]</span></p> -<p>De stormwind loeide met ontzettende kracht, en joeg wolken stof omhoog die in de lucht -ronddwarrelden en zandhoozen vormden, die met groote snelheid voortwervelden tot zij -op eens met een vreeselijk gekraak uiteenspatteden. -</p> -<p>Menschen of dieren, of steenen door deze wervelende zuilen medegesleept, werden als -stroobossen in de ruimte weggeslingerd. -</p> -<p>»Plat op den grond!” riep de graaf met eene krachtige stem, »plat op den grond liggen! -het is als de Afrikaansche Simoun, plat op den buik liggen! zoo gij uw leven lief -hebt!” -</p> -<p>Vreemd als het schijnen mag, maar al deze mannen, ofschoon door hopeloos lijden overstelpt, -gehoorzaamden als kinderen het bevel van hun overste, zoo groot is de schrik dien -de dood, wanneer hij op het oogenblik onherroepelijk schijnt te naderen, inboezemt. -</p> -<p>Zij vielen met hun aangezicht in het zand, en groeven met hunne handen kuilen om de -heete lucht te ontgaan, die hen dreigde te verstikken. De paarden, met gerekten hals -op den grond uitgestrekt, volgden bij instinct het voorbeeld hunner meesters. -</p> -<p>Bij tusschenpoozen, als plotselinge windstilte den rampzaligen soms een oogenblik -verademing schonk, om hen daarna des te erbarmloozer te benauwen, hoorde men het gekerm -of het doodsgereutel vermengd met vloeken of vurige gebeden, uit de menigte opgaan, -die bevreesd of stervend op den grond lag uitgestrekt. -</p> -<p>De orkaan bulderde den geheelen nacht door met onverpoosde woede; tegen den morgen -begon hij allengs te bedaren, en met het opgaan der zon was zijne kracht uitgeput -of naar andere streken verplaatst. -</p> -<p>Het aanzien der woestijn was geheel veranderd; waar den vorigen dag heuvels stonden, -waren nu dalen; de weinige boomen hier en daar, waren door den wind geknot, omgeworpen -of verzengd, en vertoonden niets dan zwarte en kaalgestroopte geraamten; geen spoor -meer van pad of voetstap, alles was effen en plat gewaaid of met golven gerimpeld -als een plotselinge bevroren zee. -</p> -<p>Van de vrijcompagnie waren niet meer dan zestig man levend overgebleven, de overigen -waren hetzij door den wind opgenomen of onder den grond bedolven, zonder dat er een -spoor van overbleef; het zand had alles begraven en bedekte hen als met een onmetelijk -grauwe doodwaâ. -</p> -<p>Het eerste gevoel dat de levend overgeblevenen bezielde, was schrik; het tweede, wanhoop, -en daarop begon het gejammer en beklag met vernieuwde, altoos toenemende kracht. -</p> -<p></p> -<div class="figure p251width"><img src="images/p251.jpg" alt="De graaf staarde op het overschot zijner vrijcompagnie. Bladz. 251." width="720" height="500"><p class="figureHead">De graaf staarde op het overschot zijner vrijcompagnie. Bladz. 251.</p> -</div><p> -</p> -<p>De graaf staarde op het overschot zijner vrijcompagnie met treurig somberen blik en -eene uitdrukking van onbeschrijfelijken weemoed. -</p> -<p>Op eens barstte hij los in een stuipachtigen schaterlach, hij trad naar zijn paard, -het eenig overgeblevene en als door een wonder aan den algemeenen jammer ontsnapte, -zadelde het, streelde het met de hand, onder het binnensmonds neuriën eener treurige -melodie van eigen vinding. -<span class="pageNum" id="pb252">[<a href="#pb252">252</a>]</span></p> -<p>Zijne kameraden zagen hem aan met stommen schrik en een gevoel van verbazing daar -zij zich geen rekenschap van konden geven; hoe gezonken en moedeloos van geest zij -zelven ook mochten geweest zijn, de kapitein had tot hiertoe steeds zijne meerderheid -van verstand en vastheid van wil weten te behouden, twee hoedanigheden die op minder -beschaafde en geschokte gemoederen zoo veel vermogen, zelfs wanneer de omstandigheden -hun aanleiding gaven er zich tegen te verzetten. Hoe ellendig zij ook waren groepeerden -zij zich rondom hun overste, als kinderen zouden gedaan hebben rondom hun stervenden -of plotseling krankzinnig geworden vader of moeder; hij had hen altijd getroost, hun -het voorbeeld van moed en zelfverloochening gegeven, en nu, terwijl zij hem zagen -te werk gaan gelijk hij deed, hadden zij een voorgevoel van een nieuw en nog grooter -ongeluk. -</p> -<p>Nadat de graaf zijn paard gezadeld had, steeg hij voorzichtig in den zadel en liet -het eenige minuten lang springen en zwenken, ofschoon het arme dier <span class="corr" id="xd30e6746" title="Bron: nauwlijks">nauwelijks</span> in staat was zich op de bevende beenen te houden. -</p> -<p>»Haha! mijne braven!” riep hij op eens, »komt allen hier, komt bij mij en hoort den -goeden raad dien ik u geven wil eer ik vertrekken ga.” -</p> -<p>De soldaten sleepten zich zooveel zij konden voort en verzamelden zich rondom hun -chef. -</p> -<p>De graaf wierp een zonderlingen blik van zelfvoldoening om zich heen. -</p> -<p>»Het leven is een jammerlijk apenspel, niet waar,” sprak hij met een schaterenden -lach, »en daarbij dikwijls een keten die zwaar valt om te dragen. Hoe menigmaal zult -gij in het helsche verblijf daar wij zonder uitkomst in rondzwerven, deze opmerking -niet in stilte hebben gemaakt, die ik onbewimpeld voor u uitspreek! Welnu, ik moet -u bekennen, zoolang ik hoop had u te redden heb ik met moed tegen het ongeluk gestreden; -die hoop heb ik niet meer. En daar wij hier nu binnen eenige dagen, misschien binnen -weinige uren reeds, van kommer en gebrek moeten vergaan, wil ik liever dadelijk sterven. -Gelooft mij, volgt mijn voorbeeld; het is spoedig gedaan, gij zult het zien.” -</p> -<p>Bij het uitspreken dezer woorden trok hij een pistool uit zijn gordel. -</p> -<p>Op dit oogenblik hoorde men in de verte schreeuwen. -</p> -<p>»Wat is het? wat is het, wat gebeurt er nog?” -</p> -<p>»Zie eens! kapitein, men komt ons te hulp; wij zijn gered!” riep de sergeant Boileau, -die als een schim aan zijne zijde stond en hem bij den arm greep. -</p> -<p>De graaf rukte zijn arm los en zei met een glimlach, terwijl hij in de aangewezen -richting uitkeek, waar zich werkelijk een wolk van stof verhief, die snel naderde. -</p> -<p>»Gij zijt dwaas, mijn arme kameraad. Men kan ons hier niet <span class="pageNum" id="pb253">[<a href="#pb253">253</a>]</span>komen helpen. Wij hebben hier zelfs minder hoop dan de schipbreukelingen der Medusa,” -vervolgde hij met bittere ironie; »wij zijn gedoemd om in deze helsche woestijn te -sterven. Vaartwel, allen! vaartwel!” -</p> -<p>Hij hief zijn pistool op. -</p> -<p>»Kapitein?” riep de sergeant op verwijtenden toon, »denk om uwe verantwoording, gij -hebt het recht niet om u zelven te dooden, gij zijt onze overste, gij behoort het -laatst van allen te sterven of anders zijt gij een lafaard!” -</p> -<p>De graaf sprong op in den zadel alsof hem een adder gebeten had, en dreigde zich op -den sergeant te werpen; zijn uitzicht was daarbij zoo woest en zijne beweging zoo -verschrikkelijk, dat Boileau er bang van werd en terugdeinsde. -</p> -<p>De kapitein maakte van dit vrije oogenblik gebruik, zette zich het pistool voor het -hoofd, en drukte af; hij stortte ter aarde met een verbrijzelde hersenpan. -</p> -<p>De avonturiers waren nog niet van den schrik bekomen dien dit vreeselijk ongeluk bij -hen teweegbracht, toen de stofwolk die zij hadden zien naderen reeds dicht in hunne -nabijheid was en plotseling als vaneen scheurde, en nu ontwaarden zij een troep Indiaansche -ruiters, in welks midden eene vrouw en twee of drie blanken, die in vollen ren op -hen afkwamen. -</p> -<p>Vast overtuigd dat de Apachen hen, als roofvogels op dood aas, zouden overvallen en -den genadeslag komen geven, beproefden zij het zelfs niet om een oogenblik weêrstand -te bieden. -</p> -<p>»O!” riep op eens een der jagers snel afstijgende en naar hen toeloopende, »arme menschen!” -</p> -<p>De nieuw aankomenden waren Goedsmoeds, don Louis en hunne vrienden de Comanchen. -</p> -<p>Weinige woorden waren genoeg om hun het gebeurde mede te deelen en hun met den gruwzamen -nood bekend te maken dien de Franschen hadden moeten verduren<span class="corr" id="xd30e6773" title="Bron: ?">.</span> -</p> -<p>»Maar,” riep Goedsmoeds, »al heeft het u aan de noodige spijzen ontbroken, water hadt -gij toch in overvloed, hoe kunt gij u zoozeer beklagen over dorst?” -</p> -<p>Zonder iets te zeggen begonnen de Arendskop en de Spotvogel met hunne machetes reeds -een kuil te delven aan den voet van een Ahuehuelt. Na verloop van tien minuten sprong -het water te voorschijn en weldra vloeide er een milde en heldere bron over het zand. -</p> -<p>De Franschen stortten zich als razenden op het water. -</p> -<p>»Arme menschen!” mompelde don Louis; »zullen wij ze hier niet <span class="corr" id="xd30e6782" title="Bron: van daan">vandaan</span> helpen?” -</p> -<p>»Denkt gij dan dat ik hen zou laten omkomen nu ik hun weder moed heb gegeven?” zei -Goedsmoeds. »Arm meisje,” vervolgde hij, half in zich zelven met een weemoedigen blik -op <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Anita, die er bij stond te lachen en hare vingers deed klappen als castagnetten, -<span class="pageNum" id="pb254">[<a href="#pb254">254</a>]</span>»waarom kan ik haar niet even gemakkelijk het verstand teruggeven?” -</p> -<p>Don Louis zuchtte zonder te antwoorden. -</p> -<p>De Franschen hoorden met stomme verbazing een feit vermelden, dat hen waarschijnlijk -zou hebben gered zoo zij het maar eerder geweten hadden; namelijk dat de Ahuehuelt, -welke naam in de taal der Comanchen »<i>heer der wateren</i>” beteekent, een boom is die wel is waar alleen op dorre en zandige plaatsen opschiet, -maar onder zijne wortels steeds een waterader verbergt, waaraan hij zijn wasdom en -sappen ontleent, en om deze reden dragen de Roodhuiden dezen boom een bijgeloovigen -eerbied toe en noemen zij hem, daar hij vooral in de zandwoestijn voorkomt en van -onberekenbaar nut is <i>de groote medicijn der reizigers</i>. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Twee dagen later waren de avonturiers, onder geleide der jagers en der Comanchen, -buiten de zandwoestijn. Weldra hadden zij de <span class="corr" id="xd30e6803" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> de <span class="corr" id="xd30e6806" title="Bron: Moctecuzoma">Montecuzoma</span> bereikt, waar hunne redders, na hen van de noodige levensmiddelen te hebben voorzien, -hen voor goed verlieten, nauwelijks wetende hoe zij zich aan hunne warme dankbetuigingen -en zegenwenschen zouden onttrekken. -<span class="pageNum" id="pb255">[<a href="#pb255">255</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="back"> -<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">INHOUD.</h2> -<table class="tocList"> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> -</td> -<td class="tocPageNum">Bladz.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">1.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch1" id="xd30e6823">Feria de Plata</a> </td> -<td class="tocPageNum">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">2.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2" id="xd30e6832">Don Sylva de Torres</a> </td> -<td class="tocPageNum">12</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">3.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch3" id="xd30e6841">Twee oude kennissen van den lezer</a> </td> -<td class="tocPageNum">21</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">4.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch4" id="xd30e6850">De graaf Maxima Gaëtan de Lhorailles</a> </td> -<td class="tocPageNum">31</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">5.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch5" id="xd30e6859">De Dauph’yeers</a> </td> -<td class="tocPageNum">40</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">6.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch6" id="xd30e6868">Door het venster</a> </td> -<td class="tocPageNum">51</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">7.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch7" id="xd30e6877">Een tweegevecht</a> </td> -<td class="tocPageNum">60</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">8.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch8" id="xd30e6886">Het vertrek</a> </td> -<td class="tocPageNum">69</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">9.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch9" id="xd30e6895">De legerschans in de wildernis</a> </td> -<td class="tocPageNum">80</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">10.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch10" id="xd30e6904">Vóór den aanval</a> </td> -<td class="tocPageNum">92</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">11.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch11" id="xd30e6914">De Mexicaansche maan</a> </td> -<td class="tocPageNum">102</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">12.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch12" id="xd30e6923">Vrouwenlist</a> </td> -<td class="tocPageNum">111</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">13.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch13" id="xd30e6932">Een wedloop bij nacht</a> </td> -<td class="tocPageNum">123</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">14.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch14" id="xd30e6941">Een Indiaansche list</a> </td> -<td class="tocPageNum">133</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">15.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch15" id="xd30e6950">Scherp tegen scherp</a> </td> -<td class="tocPageNum">143</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">16.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch16" id="xd30e6959">De <span class="corr" id="xd30e6961" title="Bron: Casa-Grande">Casa Grande</span> de <span class="corr" id="xd30e6964" title="Bron: Moctecuzoma">Montecuzoma</span></a> </td> -<td class="tocPageNum">155</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">17.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch17" id="xd30e6973">De Mesties</a> </td> -<td class="tocPageNum">166</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">18.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch18" id="xd30e6982">Een stap achterwaarts</a> </td> -<td class="tocPageNum">175</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">19.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch19" id="xd30e6991">In de Prairie</a> </td> -<td class="tocPageNum">186</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">20.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch20" id="xd30e7000">In den zadel</a> </td> -<td class="tocPageNum">194</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">21.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch21" id="xd30e7009">De bekentenis</a> </td> -<td class="tocPageNum">204</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">22.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch22" id="xd30e7019">Een menschenjacht</a> </td> -<td class="tocPageNum">213</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">23.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch23" id="xd30e7028">De Apachen</a> </td> -<td class="tocPageNum">223</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">24.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch24" id="xd30e7037">De woudloopers</a> </td> -<td class="tocPageNum">232</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">25.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch25" id="xd30e7046">El Ahuehuelt</a> </td> -<td class="tocPageNum">243</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> -<div class="transcriberNote"> -<h2 class="main">Colofon</h2> -<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> -<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen -van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden -van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd30e44" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. -</p> -<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd30e44" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>. -</p> -<h3 class="main">Metadata</h3> -<table class="colophonMetadata" summary="Metadata"> -<tr> -<td><b>Titel:</b></td> -<td>De graaf de Lhorailles</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Auteur:</b></td> -<td>Gustave Aimard (1818–1883)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/9841962/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Illustrator:</b></td> -<td>Charles Rochussen (1814–1894)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/37073188/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Taal:</b></td> -<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td> -<td>1884</td> -<td></td> -</tr> -</table> -<h3 class="main">Codering</h3> -<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het -einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel -zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van -dit boek.</p> -<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> -<ul> -<li>2021-05-13 Begonnen. -</li> -</ul> -<h3 class="main">Externe Referenties</h3> -<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links -voor u niet werken.</p> -<h3 class="main">Verbeteringen</h3> -<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> -<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> -<tr> -<th>Bladzijde</th> -<th>Bron</th> -<th>Verbetering</th> -<th>Bewerkingsafstand</th> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e163">2</a></td> -<td class="width40 bottom">San-Blas</td> -<td class="width40 bottom">San Blas</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e166">2</a></td> -<td class="width40 bottom">San-Francisco</td> -<td class="width40 bottom">San Francisco</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e191">3</a></td> -<td class="width40 bottom">Mexio</td> -<td class="width40 bottom">Mexico</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e196">3</a></td> -<td class="width40 bottom">Rio-Mayo</td> -<td class="width40 bottom">Rio Mayo</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e211">3</a></td> -<td class="width40 bottom">San-José</td> -<td class="width40 bottom">San José</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><i title="44 gevallen">Passim. -</i></td> -<td class="width40 bottom">senor</td> -<td class="width40 bottom">señor</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e269">6</a>, <a class="pageref" href="#xd30e374">8</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1309">42</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2880">100</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4437">164</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4599">169</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5032">182</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5551">198</a></td> -<td class="width40 bottom">Senor</td> -<td class="width40 bottom">Señor</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e275">6</a></td> -<td class="width40 bottom">Nueetro</td> -<td class="width40 bottom">Nuestra</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e278">6</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1748">58</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1770">58</a></td> -<td class="width40 bottom">Senora</td> -<td class="width40 bottom">Señora</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e384">9</a>, <a class="pageref" href="#xd30e390">9</a>, <a class="pageref" href="#xd30e435">10</a>, <a class="pageref" href="#xd30e662">17</a>, <a class="pageref" href="#xd30e668">17</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2139">72</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2146">72</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2152">72</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2158">72</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2164">72</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5414">194</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5491">196</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5511">197</a></td> -<td class="width40 bottom">senoria</td> -<td class="width40 bottom">señoria</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e403">9</a>, <a class="pageref" href="#xd30e421">9</a>, <a class="pageref" href="#xd30e471">10</a>, <a class="pageref" href="#xd30e478">10</a>, <a class="pageref" href="#xd30e496">11</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4575">169</a></td> -<td class="width40 bottom">monsenor</td> -<td class="width40 bottom">monseñor</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e447">10</a>, <a class="pageref" href="#xd30e629">16</a>, <a class="pageref" href="#xd30e717">18</a>, <a class="pageref" href="#xd30e773">20</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1704">57</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1710">57</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1713">57</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1716">57</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1759">58</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3341">119</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3347">119</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3363">119</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3373">119</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3393">120</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3400">120</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5045">182</a></td> -<td class="width40 bottom">senorita</td> -<td class="width40 bottom">señorita</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e468">10</a></td> -<td class="width40 bottom">’</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e481">10</a></td> -<td class="width40 bottom">vier honderd vijftig</td> -<td class="width40 bottom">vierhonderdvijftig</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e490">10</a></td> -<td class="width40 bottom">negen duizend vier honderd</td> -<td class="width40 bottom">negenduizend vierhonderd</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><i title="85 gevallen">Passim. -</i></td> -<td class="width40 bottom">dona</td> -<td class="width40 bottom">doña</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e522">11</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1874">62</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2127">72</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5631">201</a></td> -<td class="width40 bottom">cigaar</td> -<td class="width40 bottom">sigaar</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e552">13</a></td> -<td class="width40 bottom">veelmeer</td> -<td class="width40 bottom">veel meer</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e564">13</a></td> -<td class="width40 bottom">fijn gevormde</td> -<td class="width40 bottom">fijngevormde</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e567">13</a></td> -<td class="width40 bottom">ratie</td> -<td class="width40 bottom">gratie</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e602">15</a>, <a class="pageref" href="#xd30e867">23</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1294">42</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1431">47</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1707">57</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3671">130</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3790">137</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4628">170</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6746">252</a></td> -<td class="width40 bottom">nauwlijks</td> -<td class="width40 bottom">nauwelijks</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e612">16</a>, <a class="pageref" href="#xd30e877">23</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1192">37</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4255">157</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4901">177</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5209">189</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6782">253</a></td> -<td class="width40 bottom">van daan</td> -<td class="width40 bottom">vandaan</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e626">16</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5527">198</a></td> -<td class="width40 bottom">Senoria</td> -<td class="width40 bottom">Señoria</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><i title="28 gevallen">Passim. -</i></td> -<td class="width40 bottom">Dona</td> -<td class="width40 bottom">Doña</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e642">16</a></td> -<td class="width40 bottom">Senorita</td> -<td class="width40 bottom">Señorita</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e674">17</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1206">38</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1518">52</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2018">67</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2271">76</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3404">120</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4914">178</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5344">192</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5845">210</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5848">210</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">»</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e692">17</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1381">45</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4487">166</a></td> -<td class="width40 bottom">Senores</td> -<td class="width40 bottom">Señores</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e731">19</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5573">199</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5590">199</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5604">200</a></td> -<td class="width40 bottom">Gaetan</td> -<td class="width40 bottom">Gaëtan</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e778">20</a></td> -<td class="width40 bottom">sekonde</td> -<td class="width40 bottom">seconde</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e800">21</a>, <a class="pageref" href="#xd30e814">21</a></td> -<td class="width40 bottom">San-Jose</td> -<td class="width40 bottom">San José</td> -<td class="bottom">2 / 1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e809">21</a></td> -<td class="width40 bottom">Stille-Zuidzee</td> -<td class="width40 bottom">Stille Zuidzee</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e900">24</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1677">56</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3627">128</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3787">137</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4037">147</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4297">159</a></td> -<td class="width40 bottom">sekonden</td> -<td class="width40 bottom">seconden</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e922">24</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1173">36</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1178">36</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1182">36</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1464">49</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2637">90</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2641">90</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2652">91</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4301">159</a></td> -<td class="width40 bottom">«</td> -<td class="width40 bottom">»</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1160">35</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1414">46</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2571">88</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2596">89</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2607">89</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2620">90</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2845">98</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3084">106</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3190">112</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3223">114</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4097">150</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4607">169</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5281">191</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5963">214</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6081">219</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1162">35</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1923">64</a></td> -<td class="width40 bottom">sarkastisch</td> -<td class="width40 bottom">sarcastisch</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1250">40</a></td> -<td class="width40 bottom">kettingje</td> -<td class="width40 bottom">kettinkje</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1288">42</a></td> -<td class="width40 bottom">naar mate</td> -<td class="width40 bottom">naarmate</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1333">43</a></td> -<td class="width40 bottom">het</td> -<td class="width40 bottom">Het</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1356">44</a></td> -<td class="width40 bottom">welberekende</td> -<td class="width40 bottom">welberekenende</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1443">48</a></td> -<td class="width40 bottom">af</td> -<td class="width40 bottom">of</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1456">49</a></td> -<td class="width40 bottom">ge asten</td> -<td class="width40 bottom">gelasten</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1481">50</a></td> -<td class="width40 bottom">Spurzheim</td> -<td class="width40 bottom">Spurtzheim</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1577">54</a></td> -<td class="width40 bottom">amelijk</td> -<td class="width40 bottom">tamelijk</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1616">55</a></td> -<td class="width40 bottom">nina</td> -<td class="width40 bottom">niña</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1622">55</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4170">153</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1637">55</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4762">173</a></td> -<td class="width40 bottom">van daag</td> -<td class="width40 bottom">vandaag</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1650">56</a></td> -<td class="width40 bottom">sarkastischen</td> -<td class="width40 bottom">sarcastischen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1674">56</a></td> -<td class="width40 bottom">panthers</td> -<td class="width40 bottom">panters</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1737">58</a></td> -<td class="width40 bottom">senora</td> -<td class="width40 bottom">señora</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1867">62</a></td> -<td class="width40 bottom">de</td> -<td class="width40 bottom">der</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1881">62</a></td> -<td class="width40 bottom">panther</td> -<td class="width40 bottom">panter</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2016">67</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">«</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2111">71</a></td> -<td class="width40 bottom">Nina</td> -<td class="width40 bottom">Niña</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2301">77</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4457">165</a></td> -<td class="width40 bottom">Spaansch Amerika</td> -<td class="width40 bottom">Spaansch-Amerika</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2347">79</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom">?</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2455">84</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2460">84</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3924">142</a></td> -<td class="width40 bottom">Zwarte Beer</td> -<td class="width40 bottom">Zwarte-Beer</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2534">87</a></td> -<td class="width40 bottom">acajouceder</td> -<td class="width40 bottom">acajou-ceder</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2589">89</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4809">174</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5758">207</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6718">250</a></td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2732">94</a></td> -<td class="width40 bottom">mischiens</td> -<td class="width40 bottom">misschien</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2757">95</a></td> -<td class="width40 bottom">binnen geleid</td> -<td class="width40 bottom">binnengeleid</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2816">97</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4496">166</a></td> -<td class="width40 bottom">senores</td> -<td class="width40 bottom">señores</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2911">100</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4021">146</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4188">154</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4465">165</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5663">203</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6067">219</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2930">101</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3336">119</a></td> -<td class="width40 bottom">Gaetano</td> -<td class="width40 bottom">Gaëtano</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2957">102</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3124">108</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3663">130</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4548">168</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6242">225</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2972">102</a></td> -<td class="width40 bottom">momdelde</td> -<td class="width40 bottom">mompelde</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3018">104</a></td> -<td class="width40 bottom">kleine-Panter</td> -<td class="width40 bottom">Kleine-Panter</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3046">105</a></td> -<td class="width40 bottom">”.</td> -<td class="width40 bottom">?”</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3077">106</a></td> -<td class="width40 bottom">»</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3260">116</a></td> -<td class="width40 bottom">herkende</td> -<td class="width40 bottom">herkend</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3270">116</a></td> -<td class="width40 bottom">Dauphyeers</td> -<td class="width40 bottom">Dauph’yeers</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3281">117</a></td> -<td class="width40 bottom">afgegestaan</td> -<td class="width40 bottom">afgestaan</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3350">119</a></td> -<td class="width40 bottom">zouloopen</td> -<td class="width40 bottom">zou loopen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3406">120</a></td> -<td class="width40 bottom">boodschapdoen</td> -<td class="width40 bottom">boodschap doen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3630">128</a></td> -<td class="width40 bottom">ontzacht</td> -<td class="width40 bottom">onzacht</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3705">131</a></td> -<td class="width40 bottom">scheeuwen</td> -<td class="width40 bottom">schreeuwen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3811">138</a></td> -<td class="width40 bottom">opzaten</td> -<td class="width40 bottom">op zaten</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3814">138</a></td> -<td class="width40 bottom">:</td> -<td class="width40 bottom">;</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3861">140</a></td> -<td class="width40 bottom">derhacienda</td> -<td class="width40 bottom">der hacienda</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3901">141</a></td> -<td class="width40 bottom">evenzoo</td> -<td class="width40 bottom">even zoo</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3912">142</a></td> -<td class="width40 bottom">oppossum</td> -<td class="width40 bottom">opossum</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3941">143</a></td> -<td class="width40 bottom">gerust gesteld</td> -<td class="width40 bottom">gerustgesteld</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3947">143</a></td> -<td class="width40 bottom">opklouterden</td> -<td class="width40 bottom">opklauterden</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4034">147</a></td> -<td class="width40 bottom">bewegenloos</td> -<td class="width40 bottom">bewegingsloos</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4057">148</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5357">193</a></td> -<td class="width40 bottom">Nauwlijks</td> -<td class="width40 bottom">Nauwelijks</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4219">156</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom"> gevaren</td> -<td class="bottom">8</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4226">156</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5138">186</a></td> -<td class="width40 bottom">Rio-Gila</td> -<td class="width40 bottom">Rio Gila</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4265">158</a></td> -<td class="width40 bottom">king</td> -<td class="width40 bottom">kring</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4350">160</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4386">162</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4420">163</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5318">192</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5451">195</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5461">196</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5467">196</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5475">196</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5620">201</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5731">206</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5741">206</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5777">207</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5786">208</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5925">213</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6622">245</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6803">254</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6961">255</a></td> -<td class="width40 bottom">Casa-Grande</td> -<td class="width40 bottom">Casa Grande</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4380">162</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4546">168</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4706">171</a></td> -<td class="width40 bottom">?</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5091">184</a></td> -<td class="width40 bottom">Guchares</td> -<td class="width40 bottom">Cuchares</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5151">187</a></td> -<td class="width40 bottom">voorkomenheid</td> -<td class="width40 bottom">voorkomendheid</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5238">189</a></td> -<td class="width40 bottom">offerhanden</td> -<td class="width40 bottom">offeranden</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5243">190</a></td> -<td class="width40 bottom">verderen</td> -<td class="width40 bottom">vederen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5328">192</a></td> -<td class="width40 bottom">cordaat</td> -<td class="width40 bottom">kordaat</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5390">194</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">de </td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5404">194</a></td> -<td class="width40 bottom">afhad</td> -<td class="width40 bottom">af had</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5440">195</a></td> -<td class="width40 bottom">zee ven</td> -<td class="width40 bottom">zelven</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5443">195</a></td> -<td class="width40 bottom">-</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5734">206</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5928">213</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6806">254</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6964">255</a></td> -<td class="width40 bottom">Moctecuzoma</td> -<td class="width40 bottom">Montecuzoma</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5802">208</a></td> -<td class="width40 bottom">maïscigaar</td> -<td class="width40 bottom">maïssigaar</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6086">219</a></td> -<td class="width40 bottom">kleine Panter</td> -<td class="width40 bottom">Kleine-Panter</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6099">219</a></td> -<td class="width40 bottom">Bleekmuilen</td> -<td class="width40 bottom">bleekmuilen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6274">226</a></td> -<td class="width40 bottom">Een</td> -<td class="width40 bottom">En</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6525">240</a></td> -<td class="width40 bottom">zie</td> -<td class="width40 bottom">ziet</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6542">241</a></td> -<td class="width40 bottom">Apachen krijgslieden</td> -<td class="width40 bottom">Apachen-krijgslieden</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6652">246</a></td> -<td class="width40 bottom">zicht</td> -<td class="width40 bottom">zich</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6773">253</a></td> -<td class="width40 bottom">?</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> -<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GRAAF DE LHORAILLES ***</div> -<div style='text-align:left'> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Updated editions will replace the previous one—the old editions will -be renamed. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. -</div> - -<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br> -<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br> -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span> -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase “Project -Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg™ License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person -or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ -electronic works. See paragraph 1.E below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the -Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg™ License when -you share it without charge with others. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work -on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the -phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: -</div> - -<blockquote> - <div style='display:block; margin:1em 0'> - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most - other parts of the world at no cost and with almost no restrictions - whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms - of the Project Gutenberg License included with this eBook or online - at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you - are not located in the United States, you will have to check the laws - of the country where you are located before using this eBook. - </div> -</blockquote> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase “Project -Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg™. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg™ License. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format -other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg™ website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain -Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works -provided that: -</div> - -<div style='margin-left:0.7em;'> - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation.” - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ - works. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg™ works. - </div> -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right -of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any -Defect you cause. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s -goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg™ and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state’s laws. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation’s website -and official page at www.gutenberg.org/contact -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread -public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state -visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of -volunteer support. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Most people start at our website which has the main PG search -facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This website includes information about Project Gutenberg™, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. -</div> - -</div> - -</body> -</html> diff --git a/old/65517-h/images/frontispiece.jpg b/old/65517-h/images/frontispiece.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 709c816..0000000 --- a/old/65517-h/images/frontispiece.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/65517-h/images/new-cover.jpg b/old/65517-h/images/new-cover.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 8867fd0..0000000 --- a/old/65517-h/images/new-cover.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/65517-h/images/p067.jpg b/old/65517-h/images/p067.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 597135a..0000000 --- a/old/65517-h/images/p067.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/65517-h/images/p092.jpg b/old/65517-h/images/p092.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index bdc78ac..0000000 --- a/old/65517-h/images/p092.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/65517-h/images/p130.jpg b/old/65517-h/images/p130.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index bbbb38a..0000000 --- a/old/65517-h/images/p130.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/65517-h/images/p181.jpg b/old/65517-h/images/p181.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 6e9a1ca..0000000 --- a/old/65517-h/images/p181.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/65517-h/images/p203.jpg b/old/65517-h/images/p203.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 4fafa02..0000000 --- a/old/65517-h/images/p203.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/65517-h/images/p230.jpg b/old/65517-h/images/p230.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 5475f9f..0000000 --- a/old/65517-h/images/p230.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/65517-h/images/p251.jpg b/old/65517-h/images/p251.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index dd0ae4d..0000000 --- a/old/65517-h/images/p251.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/65517-h/images/titlepage.png b/old/65517-h/images/titlepage.png Binary files differdeleted file mode 100644 index abd62fb..0000000 --- a/old/65517-h/images/titlepage.png +++ /dev/null |
