diff options
Diffstat (limited to 'old/65531-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/65531-0.txt | 4711 |
1 files changed, 0 insertions, 4711 deletions
diff --git a/old/65531-0.txt b/old/65531-0.txt deleted file mode 100644 index c1c92b4..0000000 --- a/old/65531-0.txt +++ /dev/null @@ -1,4711 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Het Jongetje, by Henri Borel - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Het Jongetje - -Author: Henri Borel - -Release Date: June 6, 2021 [eBook #65531] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book - was produced from scanned images of public domain material - from the Google Books project.) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET JONGETJE *** - - - - HET JONGETJE - - DOOR - - HENRI BOREL - - - AMSTERDAM, - P. N. VAN KAMPEN & ZOON. - - - - - - - - - - D’allora innanzi dico ch’Amore signoreggiò l’anima mia, la quale fu - si tosto a lui disposata, e cominciò a prendere sopra me tanta - sicurtade e tanta signoria, per la virtù che gli dava la mia - immaginazione, che mi convenia fare compiutamente tutti i suoi - piaceri. Egli mi comandava molte volte che io cercassi per vedere - quest’ angola giovanissima: ond’io nella mia puerizia molte fiate - l’andai cercando; e vedeala di si nobili e laudabili portamenti, - che certo di lei si potea dire quella parola del poeta Omero: „Ella - non pare figliuola d’uomo mortale ma di Dio.” - - (Dante, Vita Nuova.) - - -I. - -Hij was nog een heel erg Jongetje. Hij vond zichzelf al een beetje een -meneer, sedert hij op de Hoogere Burgerschool was, en een lange broek -aan had. Ook wist hij zoo nog al het een en ander, wat schooljongens in -den Haag al zoo heel gauw weten, en hij vloekte ook wel, als de anderen -er bij waren, en lachte om allerlei leelijke dingen, zonder de -gemeenheid te voelen. - -Maar in zijn hart was hij nog een heel erg Jongetje gebleven. En ik zeg -dit, omdat ik het weten kan. Hij liep meestal in een zwart pakje, dat -stond hem het beste, zei moê; zijn lange broek had hij nog maar kort -aan; en daarom liepen zijn beenen er nog wat moeilijk en verlegen in, -alsof hij nog niet goed groot durfde zijn. Hij droeg een rond zwart -hoedje, met zijde geboord en met een zijden lint. Onder een wit liggend -boordje droeg hij een breedgestrikte das, en aan zijn mouwen -vastgespeld witte manchetten. Een wit zakdoekje kwam uit zijn -vestjeszak kijken. Voor al die dingen zorgde moê. Maar het boordje en -de manchetten waren heel gauw vuil, en hij beet gaatjes in zijn -zakdoeken, en smeerde er inkt aan. Hij had een wandelstok met een -gouden knop, dien hij zooveel mogelijk op straat liet zien. Nog al een -deftig jongetje was hij, en wou dat ook erg graag zijn. Hij was in den -groei, en erg tenger, met een bleek gezicht, en hij wist dat dit een -beetje voornaam was. Hij wist ook, dat de meisjes hem wel mochten, en -liep een heele boel meisjes tegelijk na. Op de groote kinderbals in den -Haag kwam hij vroeger in zwart fluweel, met korte broek, zwart zijden -kousen en verlakte schoentjes met strikken, en dan maakte hij zichzelf -wijs dat hij een prins of een graaf was. Vol decoraties, gouden sterren -en bloemen van de cotillon, kwam hij daarvan thuis, en dan stond hij -zich heel lang in den spiegel te bekijken, met al die glorie op zijn -borst, vóór hij in bed ging. Een roosje en een lintje van het -állerliefste meisje,—van een klein, wonderteer wezentje, feeëriek in -tulle en kant,—ging meê, onder zijn kussen.—Maar hij had telkens weer -een ánder allerliefst meisje, en was heel ontrouw, ofschoon hij een -ridder wilde zijn. Hij bewaarde zorgvuldig allerlei lokjes haar en -bloempjes en briefjes, en kon dikwijls met trots zijn verzameling -bekijken.— - -Het Jongetje was een meisjesgek, zeiden ze, en het was waar, dat hij -overal meisjes naliep, en overal heenging waar hij dacht dat ze zijn -zouden. Meisjes waren iets héél vreemds en geheimzinnigs voor hem. Ze -waren zoo heel anders dan jongens. Ze hadden zulk mooi haar. Zoo lief -waren ze. Ze liepen zoo veel zachter. Haar japonnetjes waren zoo mooi, -en voelden zoo heerlijk aan, zoo van zijde en satijn en allemaal zachte -dingen. Haar altijd schoone handen, haar stemmen zoo klaar en lief, -haar beweging zoo blij en lucht!—Je moet voor haar vechten, en haar -altijd overal helpen, en straffen wie haar kwaad doet. Ze zijn -misschien eigenlijk engelen. Wat het was, wist het Jongetje niet, maar -voor ieder meisje had hij een heiligen eerbied en tegelijk een -verlangen om er heel lief-samen meê te zijn, en allemaal zachte dingen -tegen te zeggen, en bloemen te brengen, en er iets voor te doen wat ze -wou. Misschien kwam het van ’t vele lezen in ridderverhalen en in -Aimard, maar altijd was die reverentie in hem gebleven, ook toen hij -grooter werd en op school zooveel vreemde dingen hoorde, waar hij zoo -nieuwsgierig naar was, maar die hij weer heelemaal vergeten was bij een -meisje. Dáárom vooral zei ik, dat Paul nog een heel erg Jongetje was -gebleven, al droeg hij een lange broek. En ik ben de eenige die dat -absoluut kan weten.— - -Hij woonde van zijn vroegste jeugd af in den Haag.—Zaterdag- en -Woensdagmiddag was er geen school, en dan ging hij meestal naar den -Dierentuin. Hij was daar al jaren lang geregeld naar toe gegaan en was -de grootste vrinden met alle beesten, van de papegaaien aan den ingang -af tot de olifant toe, die hij nog had zien aankomen toen ze heel klein -was, in een hok met luchtgaten, op een wagen. Onder zijn jasje nam hij -altijd stukken brood mee, die hij thuis uit de broodbak haalde. Hij was -te groot om een mandje mee te nemen en hij moest eens een jongen -tegenkomen waar hij Apache en Comanche mee speelde, met heusche -pistolen en messen! Daarom verstopte hij het in een doekje onder zijn -jasje, dat dan wel eens heel raar ópstond.—Als het brood op was plukte -hij gras af voor de herten, dat was verboden en dus erg prettig om te -doen. - -En zóó gebeurde het. Op een Woensdag in de vacantie, den 18en Juli -1883, zoowat om vier uur. Hij wist dat allemaal precies, want hij heeft -het opgeschreven in een dagboek dat hij daarna is gaan maken, en dat ik -zelf heb gelezen. - -Het was op een stil plekje in den dierentuin, met veel groen, waar het -heerlijk rook van zoeten bloemengeur, rozen en heliothropen. Er was -heel veel licht. Alles was heel blij en vertrouwd.—Er was daar een -nieuw hok gemaakt voor een pas gekomen ree. Het was een heel schuw -beestje. Het durfde nog niet naar voren te komen en stond bij het -deurtje áchter, waar het ’s nachts sliep, beverig te dralen, met een -voorpootje in de hoogte. Paul was daar heengegaan om vrindjes te -worden. Hij had eerst een stuk brood en toen een handvol frisch gras -door de tralies gestoken, en geroepen. Maar het ree-tje wou niet komen. -Het hielp hem niet of hij al zacht en lief riep. En toen was hij boos -geworden. Als hij liefdeed en vooruitkwam en als er dan iets anders -was, dat wantrouwig deed en terugtrok, was dat een heel erg ding voor -hem. Hij vond het een beetje een lam beest, en gooide er met een steen -naar. Dat was bijvoorbeeld óók een teeken, dat hij nog maar een -Jongetje was. Toen ging hij op een bankje zitten, vlakbij, om te -wachten, of het ree-tje er misschien nog niet eens uit zou komen. Er -was toen niemand in het laantje. - -En toen kwam een heel zacht geluid aan. Iets heel zachts en liefs, op -een lucht rythmusje, voetstapjes, anders niets. En daar was het. Toén -is het aangekomen. - -Fel klopte opeens het hartje van het Jongetje, en hij schrikte ofschoon -hij nog niets gezien had. Het was inééns gekomen. Het was voor hém, -voor hém heel alleen, het had eigenlijk al lang moeten komen, nú wist -hij pas hoe hij altijd had geweten dat het komen moest. Het was blank -en rose en goud. Het was licht. Het Meisje. - -Ik kan het niet anders vertellen van ’t Jongetje, want véél later wist -hij het pas, en op ’t oogenblik zelf kon hij niet denken. Maar zoo -voelde hij het; zooals heel zacht beweegt één boomekruin, éven -ruischend in den nacht, en weêr een, en nog een, en zwaar-sonoor zwelt -het aan, met groote golven. Zoo bewoog het in zijn zieltje, dat eerst -zoo stil was. - -Je kon het niet aan hem zien. Hij wachtte en wachtte.... Hij kon niets -doen, hij wist niet wat het was, en zou het niet verteld kunnen hebben. -Wie het vertelt, dien beroert het niet meer, want het is te groot voor -woorden, en te kuisch. Hij wachtte, en alles gebeurde aan hem, waar hij -lijdzaam zat. - -Het Meisje! Licht, zacht, wonderroze, lichtroze wuivend om blank en -goud.... Oogen—o! die oogen!—stralen van hemel-blauw, een teêr -gezichtje van transparant licht,.... en waaiend goud, fonkelschitterend -goud van golvende haren. - -Hij zag het eerst later goed. Toen was het enkel een wonder, een -groote, lichte glorie, een zon. Het was een intens Licht over zijn -zieltje, eindeloos uitglanzend over verre onbewustheden. Alleen het -Jongetje, als het gebleven was, zou het kunnen vertellen, maar het -Jongetje is weg, en een ander, groot mensch kan het niet zeggen, want -die weet te veel, en het weten doodt het ontzachlijke van die emotie. - -Het kwam nader en nader.... het ging vlak langs hem.... - -Hij voelde het heel dicht bij zich, want hij werd eerst doodkoud van -rilling, en tóen brandde opeens een gloed naar zijn hoofd. - -Het Meisje bleef staan voor het hokje van de ree.—En zij riep met een -hooge, blijde stem. - -Het ging héél vanbinnen in het Jongetje door, en het was of overal in -hem iets openging; het werd grooter en grooter, overal was het weer, -verder en verder, en die klare stem vulde zijn uitspreidend zieltje met -zalige muziek. - -Het Meisje riep: „Kom dan lieveling, kom dan toch bij ’t vrouwtje!.... -Kom dan, lief beestje, ik héb wat voor je....” En het kwám, het -Jongetje zág het gebeuren, de kleine ree kwam naar die stem toe. En -kijk! nu is het fijne, teêre beestje bij ’t Meisje, en haar kopje is in -twee witte, witte handjes. Het is gegeven, en het is aangenomen. - -Hij stond op. Als een bloem zoo onbewust, zoo heel, heel zacht brak -zijn zieltje open en neeg naar het Meisje, naar den kant, vanwaar die -wondere stem was gekomen. En zooals die bloem keert naar het licht, -ging hij naar het Meisje toe, niet bang meer, en zéér stellig dit -willende zonder te weten van willen. - -„Wat ben je een héél lief meisje!” zei hij, natuurlijk, alsof hij haar -al lang kende. - -Zij keek hem eens aan, schrikte even op, en lachte. - -„Je kunt zoo vriendelijk roepen,” zei hij, haar aanziende, en met zijn -oogleden knippend, omdat het nog te sterk voor hem was. „Je bent zoo -mooi. Wat een mooi haar heb je! Allemaal goud!” - -Het meisje lachte alsof ze ’t zoo wel prettig vond, en zei met ’t -zelfde lieve stemmetje van zooeven: „Wat ben je een malle jongen! En -zoo maar dadelijk!” - -Maar hij was heel gelukkig dat ze sprak, en blij vroeg hij: „Mag ik -alsjeblieft een eindje meê? Mag ik je vriendje zijn?” Dat kwam inééns -uit zijn hartje, zoo maar, omdat het natuurlijk was. - -Ik geloof dat het Meisje het wel een beetje vreemd vond en ook wel -aardig. Maar ik heb nooit geweten wat het Meisje vond, en het Jongetje -heelemáál niet. Ik geloof het dus alleen maar zoo. Ze keek hem eens -aan. Ze vond hem wel een aardig baasje, wèl een jongeheertje voor zoo’n -klein dametje om zich het hof door te laten maken. Ze wist, geloof ik, -in ’t geheel niet hoe’n raar baasje het eigenlijk wel was, en wat er -voor hem gebeurde. Het was wel een grappig incidentje voor haar, en dat -kon ze niet helpen. - -Hij stond haar aan te kijken, in bange verwachting wat ze zeggen zou, -met kloppend hart. Hij voelde de tranen in zijn oogen komen. - -„Nu, dan mag je wel even mee, als je heel galant bent,” zei de zingende -stem; „hoe heet je?” - -„Ik heet Paul, en jij?” - -„Ik heet Corrie, maar ze noemen me ook Cor. En hoe nog meer?” - -„Waerens, en jij?” - -„Van Meeden, van de van den Boschstraat.” - -En hij hoorde haar praten als van groote openbaringen, ieder woord -bracht hem dichter bij haar, in de warmte van haar leven. Hij kon haar -nog altijd maar niet lang aanzien, want het was of hij in de zon zag. -Het was zoo heel goud en licht, en het werd hoe langer hoe grooter, het -was of een brand over alles om hem heenging.—En hij stond te staren als -een, die niet begrijpt.—Hij hield zijn hand voor zijn voorhoofd, waar -het klopte. - -„Heb je hoofdpijn?” vroeg ze nu lief. „Wil je wat eau-de-cologne?” Zij -maakte het zakdoekje nat uit een flaconnetje, en hij nam het van haar -aan en hield het voorzichtig tegen zijn hoofd. Iets heel weldadig koels -maakte het op de branding. - -Toen kuste hij het fijne doekje als een kleine ridder, en gaf het haar -met een buiging terug. - -„Hoe goed van je,” zei hij, „mag ik je een hand geven?” - -Ze was niet meer verlegen. Ze vond hem nu wel een aardig jongetje. En -wat kon hij grappig buigen! Ze keek hem een beetje verliefd aan en gaf -hem haar handje. - -Als een kostbare schat nam hij dat warme, bloemig blanke, levende van -haar in zijn twee voorzichtig saamgesloten handen.—Hij voelde iets -daarvan ín zich gaan, iets ongekend zaligs, vér doortrillende in hem -van binnen. Hij duizelde er van. Het was groot, als of hij aan de zee -stond. - -En het Meisje lachte, en lachte. Zijn lief Meisje. Het Meisje van het -Jongetje. - -Er was overal heel veel licht.—Ja, nu zíe ik het Jongetje zélf ook -weer, en het Meisje naast hem, in teêr roze naast zijn donker zwart.—O -hoe licht was het, hoe blij en licht! Zacht bewegend groen rondom. -Zacht-droomende geuren van rozen en héliotrope—Goud, goud haar lange, -golvende haar, goud lichter dan licht. Haar wondere blauwe oogen en -haar lief-lichtende lach! - -Hij heel deemoedig en heel klein.—Héél overgegeven, alles, alles van -hem, gansch alles gegeven. - -Alles zuiver, puur, absoluut rein en volkomen. Het was van die twee -kinderen gedaan in den divienen staat van eenvoud, simpel, zooals de -boomen staan, vèr tegen de lucht, met reinuitkomende takjes; het was -natuurlijk en groot van waarheid, absoluut zonder iéts slechts, als de -zee, en de wouden, en de bergen. - - - -Zóó is het toen gebeurd, en zóó is het begonnen, dat van het Jongetje, -wat ik vertellen ga. Dit was het heel eenvoudige en zuivere begin. - -En wie het niet kunnen gelooven, dat er zoo’n jongetje was, die het zóó -hevig kon voelen, zóó uitverkoren het allerheiligste in de oneindige -werelden zoo jong mocht voelen, die hebben nooit de onsterfelijke -regelen van den eeuwiggezegenden zanger der diviene Liefde geloofd, die -ik met van reverentie bevende hand voor in dit boek van het lang -gestorven Jongetje heb durven schrijven. - - - - - - - - - -II. - - -Paul wist het zoo bewust niet van zichzelf, anders zou hij het Jongetje -niet geweest zijn, en was het ook nooit zoo’n geluk geweest, maar de -groote wereld was zóó voor hem. - -Vlak bij hem, het aller-innigst vertrouwde, zijn Moeder. Altijd òm en -bij hem was ze, alles ging van haar uit, al het warme, blije, zachte, -zorgende, haar stem áltijd liefderijk, haar handen streelend om zijn -hoofd, haar kussen, waarmeê de dag begon, en ’s avonds haar -liefkoozing, als ze hem toedekte, groot als hij al was. Alles van hem -ging naar háár, alles wat van zijn leventje was, zijn minste dingen en -kleine daden verteld, die hij nooit in kon houden, zoo absoluut moest -het alles eerst naar háár toe. Het was niet bewust in hem, van het moet -en het hoort zoo, het was heel van-zelf en natuurlijk; alléén was er -niets voor hem, alles was samen en van elkaar, hij was in haar zorg als -een bloem in het licht, en dag en nacht kwam het stralende over hem -heen, zonder dat hij dankbaar was of ontroerd, het was nu eenmaal zoo -het bestaan, dat niet anders kón. - -Zijn vader er buiten, want streng en niet zacht, zijn vader iets niet -intiem, want véél te groot, met een donkere schaduw, waar hij niet bij -durfde. Als hij iets kwaads had gedaan, of er kwam een leelijke brief -van school, of iets anders, kwam over Paul de harde, gestrenge stem, -het ver àf dringende, een bons, en hij vluchtte naar moeder, die nooit -hard deed, en waar hij absoluut veilig rustte in een zachten schoot, -met troostende woordjes geliefkoosd, door zachte handen gestreeld. Dat -was niet heel wijs van Paul’s moeder, maar daarom was zij ook zoo -innig, innig vertrouwd en heelemaal in zijn leven, en geloofde hij met -zoo’n vast vertrouwen, dat alles goed was wat van haar uitging, wat in -en om haar was. - -De wereld zoo buiten, straten, wegen, boomen, duinen, een natuurlijk -leven met hem sámen, niet eens mooi of goed, alleen natuurlijk, van -hém, altijd om hem heen geweest, zonder mysterie. Een gewoon er meé -leven, niet denken, niet misschien iets aparts, het wás er nu eenmaal. - -De menschen goed en slecht. De groote menschen ver en groot boven hem, -vreeselijk volmaakt, en zooveel weten, en zoo heel anders doen dan hij, -en getrouwd zijn, en apart in huizen wonen, meneeren en mevrouwen. Je -moet er je hoed voor afnemen als je ze kent, en je moet erg beleefd -zijn als ze komen. Op een diner mag je alleen aan ’t dessert er bij -zijn, en ieder een hand geven, en later weer weg. In de gang hooge -hoeden en vreemde mantels en jassen. Heelemaal buiten zijn leven, en -iets erg gewichtigs. - -De school een groot deel van zijn bestaan verder. De leeraars, de -groote localen, het allemaal moéten, en anders straf. Het -onvermijdelijke, gedwongene, het op een zelfde uur er altijd wezen. De -koude woorden tegen hem. Het onvriendelijke, altijd formeel. Het -gebeurde niet binnen-in, zoo warm, als alles van zijn moeder, er kroop -iets diep in hem weg op school. Maar toch heel groot doen, en lachen -met de jongens, en net of het heel prettig is. Het met vriendjes wezen, -samen uitgaan, en praten over dingen die ze thuis niet mogen weten, en -elkaar boeken leenen, die niemand mag zien. Ook vechten en twisten, de -jongens zijn goeie venten en mispunten. De leeraars zijn leuk en -beroerd, en ze heeten Neus of Puist buiten de klas. Dat zoo iederen -dag, naar school, de les kennen, of „rijen”, ieder uur wat anders, en -dan weer naar huis, blij in de straten want weer vrij. Maar heelemaal -zonder liefde, de school. Het heel lieve en warme alleen moê thuis, en -de boeken van Aimard en Verne en Cooper, en de meisjes, maar de meisjes -heel vér, van bijna niet bíj durven komen en toch heel erg bij willen -wezen, van iets heel anders dan al het andere, en een heel klein beetje -er van, een lachje, een briefje al zoo’n groot geluk. Later trouw je er -mee, je valt op je knieën er voor, dan zeggen ze ja, en je gaat er mee -in één huis wonen. Maar daarachter was ’t allemaal onbekend, en zoover -ging het daarover-denken niet. - -Ik vertel dit zoo maar van ’t Jongetje, maar het was heel anders omdat -hij ’t niet wist, en als je ’t weet is het al niet meer zoo. - - - -Het was een héél erg ding zoo ineens, dat Meisje. Want het was héél, -héél anders dan al het vroegere. - -Hij had het niet dadelijk aan moê gezegd toen hij thuis kwam van den -Dierentuin. Hij was stil geweest, en had gegeten, en toen het huiswerk -gedaan voor morgen op school. ’s Avonds, in bed, was het als bang. Moê -was er niet in, moê was er niet in. Het was of hij ergens in ’t donker -was, en heel ver van alles af, alleen. Hij kon niet slapen. - -De stem van het Meisje. De oogen, de zachte handjes, hij zag ze ergens -in het donker; dat haar, hoe wàs het ook weer, van goud, van licht.... - -Een heel vreemd gevoel van binnen, het dringt hem vooruit, het doet -pijn om stil te liggen. - -Ja, het hébben, dit moet hij absoluut, verschrikkelijk stellig hebben, -want het moét, het kán nu niet anders meer. Hebben moet hij het, héél -alleen hebben, nooit iemand anders er bij komen, het is alléén van hém. -Er kwam iets aan, zijn ooren ruischten, het kwam met groote golven van -binnen aan, over hem heen, en het drukte op zijn hoofd. Heel ver was -hij van moê, waarom kwam ze nu niet.... Hij mocht het aan niemand -zeggen.... Zóó heel arm lag het Jongetje in zijn bed, voor den eersten -keer eenzaam, zonder wil lag hij pijn en angst te hebben, het was of -hij werd getrokken en gerekt, en of iets losliet waar zijn leven altijd -vast aan was, voortgesleurd, heel alleen, naar het Meisje, en buiten -haar was niets. Maar zij stond in het heel onbekende, en óm haar was -het vreemd en geheim, en ook bang. Zij stond ver, ver van wat -altijd-geweest was, maar hij moést, hij moest, want het klopte en -bonsde en trok en duwde zoo, met zware, rukkende schokken tegen zijn -zieltje.... - -Eindelijk slapen, en ’s ochtends alles weer licht. De huizen aan den -overkant weer wélbekend gewoon, en moê in de kamer met het theeblad, en -alle intieme dingen in het rond. Maar toch een heerlijke blijdschap dat -het vacantie was, en hij nu vanmiddag naar Scheveningen kon. Ze zou er -misschien wel zijn. En toch nog niets aan moê zeggen, want het was heel -apart. - -En ’s middags aan het strand, op Scheveningen. Veel menschen, in lichte -pakken en japonnen, en overal kleuren blij in de zon. De dag was goud, -en de zomerzon hield de zee. Prettige warmte in de lucht. De groote, -groote zee voor hem, die hij zoo goed kende, die er altijd geweest was -nu eenmaal, in zijn leven. Heel ver alles zoo licht en vol vreugde, en -een groot zeil op het water, goud in de zon. Hij liep door de -strandstoelen, en aan de zee, en overal zocht hij, of het nu niet komen -zou. Het was zoo natuurlijk dat het weer komen zou, in al dat licht en -die blijdschap van den zomer, aan die koele, vertrouwde zee. - -En het kwam. Ze ging hem vlug voorbij, ze was in wit, ruischende, haar -rokje waaiende om de beenen, stappend met lage, gele schoentjes. Enkel -maar een meisje zoo, mooi aangekleed, met lang haar over de schouders -naar voren, maar wat immens groot voor het Jongetje, wat héél anders -dan zoo maar een meisje. Ze zàg hem wel, maar ze wou het niet weten. En -hij schrok, want het deed weer pijn. Maar toch riep hij haar: - -„Corrie!” - -„Zóó, Paul!” - -Daar was het weer. Haar heele gezichtje van gisteren. Het was niet bang -meer. Heel warm en goed was het.... - -„Wat ben je mooi!.... Wat mooi wit.....” zeide hij, naïef zooals hij -voelde. - -„Wat heb jij een grappig rond hoedje op,” zei ze. - -Zulke luchte woorden! Maar zoo lief en intiem. Zoo of alles goed was! -En dan gehoord met de ziel van het Jongetje alléén, gehoord de -melodieuze liefheid van haar stem, elk woord er door subliem. - -En dan die zee! En dan het licht overal! En dan de hemel.... zoo groot -daarboven!.... Hij mocht weer mee. Ze had een schopje in de hand. Had -hij er geen? Ze zou er een voor hem halen. Er was er nog een bij mama, -in dien stoel daar. - -Hij wachtte gehoorzaam op méér van haar stem, en elk woord was een -groote genade. - -„Kijk, een mooie schop, hè, een nieuwe. Nou mag je me eens helpen en -heel galant zijn. Kijk, hier een berg maken, straks komt de zee, het is -vloed.” - -Haar lieve stem. Wat vreemd voor hem. Hoe lucht beweegt ze, wat is dat -allemaal zacht aan haar, en wat wit! En haar haren, en o! haar -oogen.... - -Nu was het heel niet meer angstig.... Heel teer en lief alleen. Wat een -klein meisje was ze eigenlijk nog! Maar mooier dan álles. - -Wat heerlijk, zoo samen met haar graven, hij aan één kant van het -bergje, zij aan een anderen. Hij had het in langen tijd niet meer -gedaan, sedert zijn lange broek en de Hoogere Burgerschool. - -En onder het praten met haar een zacht gedenk in hem van binnen: Wat -heel fijn toch, zoo’n Meisje! Vooral niets hards er tegen zeggen! Erg -er meê oppassen! Wat moet het heerlijk zijn om even dat mooie haar te -voelen, en tegen je wang te houden! Een kus niet eens durven.... Alleen -maar zoo blijven aankijken, en misschien een hand geven. - -Maar toch doorsprekende. Of ze niet erg van de zee hield, zooals hij. -Hield ze van bloemen, hield ze van de duinen? Was ze véértien jaar? -Bijna vijftien? Wat aardig, hij ook. Wat een groote berg nu al! Maar -daar komt de zee! Gauw, gauw er op! - -En ze stonden samen op het bergje. Heel dicht bij elkaar nu. - -„Daar is-t-ie! Hoû me vast!” Een gilletje en lachen. Een groote, zalige -rilling, want het goudlichte haar nu waaiend in zijn gezicht, warm van -háár eigen leven. Het was te groot, te groot. Zingen, úitzingen en -lachen. Een hand warm in de zijne.—Iets héél warms heelemaal door hem -heen, en over zijn bevende zieltje.— - -„Hoû me vast, daar is de zee weer,” zong de muziek van haar stem. - -„O! ik wil je zoo áltijd vasthouden,” zei hij, met den intensen ernst -van de helden in zijn boeken, „ik wil je zoo altijd beschermen.” - -„—Hou me vast, ik waai er af!” - -„—Ik wou dat ’k de wind was. Ik zou je meênemen. Ik zou je zoo héél -zacht weer ergens neêrleggen.” - -Zóó begon het, en dit waren de woorden, die het Jongetje later zoo goed -wist, of ze waren opgeschreven en vóór hem lagen. Elk met een eigen, -melodieus geluid, en door enkel ziel gezongen. Maar wie het -transcendente, mystieke wezen van heel gewone dingen kennen, weten hoe -eindeloos gelukkig het Jongetje er mee voelde, en hoe die woorden -altijd even bleven doorklinken in zijn ziel, ook toen hij niet meer het -Jongetje wás.—O! die diepste beteekenis van de kleinste dingen! Want -onvergankelijk stond het in Pauls kleine ziel, de blije lachjes, die -over haar lief gezichtje lichtten, het gebaartje, waarmeê ze het -schopje telkens optilde, het witte gewaadje door den wind strak tegen -haar knieën, en gewapper om haar blauwe kousjes; de buiging van haar -arm, en hoe het haar telkens om de teêre schoudertjes waaide; en de -fladderende linten van haar hoed, en de fijne figuurtjes van de kanten -kraag. En dit sterk en fel, in ál de teederheid, als met een -wondervreemd licht verlicht, héél apart en in een bizondere sfeer -stralend, tegen het groote daaromheen, de blinkende, wijde zee, de -sneeuwen wolken in de lucht, en vér de duinen. Want alles was héél -anders dan vroeger, er was over álle dingen opeens een glans van groote -vreugde gegaan, en zij lagen daarin gekoesterd in een intens, nieuw -licht.... - -Hij mocht den heelen middag bij haar blijven.... Hij moest absoluut -even mee naar haar moeder. Een vriendelijke dame, erg deftig, in een -eigen windstoel, die van binnen bekleed was. Hij nam heel diep zijn -hoedje af, en werd een aardig vrijertje voor Corrie gevonden. Hij mocht -een voetenbankje halen en een glas melk. Hij kocht ook nog een roosje, -dat hij heel plechtig aan Corrie’s mama gaf, maar dat Corrie zélf -kreeg, en op de witte kant tegen haar borst werd gespeld. Corrie hield -veel van jongensboeken, want in den stoel lag „De Vrijbuiters” van -Aimard. En hij begon te vertellen hoe het verder ging, en raakte -heelemaal in vuur, met gloeiende wangen, en Corrie vond het heel -mooi.—Hij vertelde nog véél meer, allemaal van vechten, en meisjes -helpen, wie ze kwaad deden, en eeden houden om de onschuld te wreken, -en altijd heel trouw en heel dapper en heel ridderlijk zijn. Hij was -toen heusch wel een heel lief Jongetje, geloof ik, met het glanzende -haar een beetje onder zijn zwarte hoedje uit, met zijn heldere, klare -stem, en al die geestdrift in zijn oogen. Later kwam nog een dikke, -oude dame, dat was Grootmama, zei Corrie, en ze was een barones. Ze -droeg een gouden lorgnon, en ze praatte fransch, dat de kinderen het -niet hooren zouden. Corrie liep gauw weg toen ze bij haar mama was -komen zitten, en ze hield niet van haar, zei ze. Paul had iets heel -benauwds gevoeld, onbewust iets van bang voor haar, van iets vijandigs, -dat hem kwaad wou. Ze liepen samen verder te praten, het strand af, tot -bij den vuurtoren. En de twee kinderzieltjes negen elkaar meer en meer -toe. Twee teere wezentjes, onbewust, heel van zelf, blij in het lichte -van de lente en de zon, zonder te weten.—Ze begonnen te vertellen van -elkaars leventje, waar ze alzoo woonden, wat ze deden, van mama en -papa, van wanneer jarig zijn, en waar veel van houden.—Ze kwamen -dichter en dichter in mekaars wezen, zij lief-lachend gevend, en -prettig blij met dien galanten eerbied, dat heel ernstig ridderlijke -waarmee hij haar aanzag en naïef zeide, dat ze zoo lief en heel mooi -was; een heel erg Meisje nog, dat zich graag het hof laat maken; híj in -groote reverentie alles aannemend, dol-gelukkig met zoo’n erg mooi, -deftig meisje, diep onder den indruk van haar stem, haar oogen, haar -mooie haar, en al het wondere van teêre, lichte, blanke, in-lieve -meisjesheid.—Hij mocht weer even haar zakdoekje hebben. Hij mocht even -haar hoedje vasthouden, want het lintje van het haar was los gegaan. -Wit stroo, met een blauw lint, en witte bloemen. Een heel gewichtig en -groot ding voor hem. - -Zou zij niet met andere jongens loopen? Zou hij altijd van háár mogen -blijven? En zíj plagen: wat dacht-ie wel, ze kende hem nog maar pas; -maar ze zou eens zien, als hij heel galant was; misschien liep híj zelf -wel met andere meisjes, dat doen alle jongens, en misschien zeí hij ’t -zoo maar. En hij weer van nee, heusch niet, en bijna met tranen, hij -zou nooit naar een ander meisje kunnen kijken, ze waren allemaal -leelijk, ze wist toch zelf wel dat zíj de mooiste was van allen, ze was -een koningin, en hij was haar trouwe ridder.—Zoo enkel maar twee -kinderen leek het wel, een jongetje dat met een meisje loopt, en een -beetje verliefd is. Alles heel kinderlijk en heel klein. Maar alles ook -heel ernstig en heel groot, en met de absoluut volkomen reine -simpelheid van het onbewust van-zelve, het heelemaal geven, niets -achterhouden, en de heilige reverentie van een geloof zonder schaduw -van twijfel.— - -Later haar wegbrengen met haar mama naar het station van de stoomtrem, -en híj galant het boek dragen en de schopjes, en mevrouw een hand geven -bij het instappen. Toen zijn hoedje af, en tweemaal diep buigen, ééns -voor mama, ééns voor haar, als een deftig jongetje, die weet hoe ’t -hoort. - -En toen hij alléén loopen naar huis, want hij kon maar ééns tremmen, -anders werd het te duur, en hij was met de trem gekomen. Blij fluitend -en neurieënd den Nieuwen Weg langs, in den lichten middag, met overal -zacht golvende duinen, en witte wegjes. Het jubelend zingen van vogels -in de struiken en boompjes langs den weg. Overal geluid en beweging en -licht.—Tevreden in de groote, blinkende, zingende wereld, waar alles -blij was en vreugde.—Alles was goed. - - - -Thuis gekomen kon Paul het niet meer inhouden, en vertelde hij alles -aan zijn moeder. Hij vertelde het in ’t heerlijke uurtje vóór ’t diner, -als papa nog niet thuis was van de societeit, en ze samen alleen waren -op de canapé, met de tafel al gedekt.—Maar hier begon het eerste ding, -dat Paul niet samen met moeder deelde. Want ze plaagde hem met zijn -nieuwe meisje, en vroeg of nu Annie en Jo en al de vorigen alweer -vergeten waren, en hoelang dit nu wel zou duren voor er weer een ander -kwam.—Het was een deftige familie, zei ze; mevrouw van Meeden was een -geboren Wallaert, en die grootmama, baronesse Wallaert, was heel -trotsch en behoorde tot de hooge aristocratie. Ze dacht niet dat die -familie Paul later graag bij Corrie zou zien als hij grooter was, en -daarom moest hij maar niet te veel van haar gaan houden, zei ze, want -dat zou later veel verdriet geven.—Maar Paul versloeg al die -redeneeringen met zijn zegevierend: - -„Maar als ze nu van me hoúdt, moê, en als ik nu heel hard werk en een -mooie betrekking krijg?” - -Op ’t laatst, toen moê het maar niet wou gelooven, werd hij bedroefd. -Hij voelde zich opeens alleen, of hij ver van zijn moeder was. Er was -iets gekomen, dat tusschen moê en hem was, zoodat ze niet meer samen -zouden kunnen voelen. Maar het was onherroepelijk, dát voelde Paul heel -intens, er was niets meer aan te doen, als het moest zou hij naar -Corrie gaan, al moest hij zijn moeder alleen laten. En hij schrok over -die éven gedachte mogelijkheid. Maar die bedroefdheid ging weer gauw -weg. Maar zou hij niet bij allebei mogen blijven? Zulke rare dingen te -denken! - - - - - - - - - -III. - - -Na het eten—het was Woensdag, en een Kurhaus was er nog niet—ging Paul -met zijn ouders naar de tent in het Haagsche bosch, waar dien avond -muziek was. Die concerten waren altijd heel heerlijk voor hem. - -Er naar toe gaan, in een mooi pak, ’s avonds tegen zeven uur, en onder -hooge boomen loopen, die ruischten boven zijn hoofd! Op den grooten weg -allemaal andere menschen, óók blij en plezierig. En overal ook meisjes -in blauw, en wit, en roze, zoo mooi om te zien. De groene bladeren, de -lichte gezichten, het lachen van meisjes, wat kon dat alles het -Jongetje blij maken! En dan de muziek. Het eerste stuk was altijd een -Marsch, dat klonk zoo vroolijk, en het was zoo prettig op de maat te -stappen. - -Dien avond keek Paul bij het binnenkomen naar al de tafeltjes, die hij -voorbijkwam, of Corrie er niet was. En hij zag ze heel gauw, ze zat met -haar mama, haar grootmama en een ouden heer met bakkebaarden—haar papa -zeker—vóór onder de galerij van het gebouw over de muziektent.—Hij -voelde een schokje van geluk, want hij zag dat ze zijn roosje van -vanmiddag op haar borst had. Hij nam heel diep zijn hoedje af en ze -knikte lief terug! In een licht roze japonnetje was ze, met een ander -wit strooien hoedje op dan op Scheveningen.—Toen zijn ouders een -tafeltje hadden uitgekozen vertelde hij aan moê dat ze er was, en of ze -in de pauze goed wou kijken, als ze voorbijkwam. Hoe zat hij te wachten -tot de vier stukken voor de pauze uit waren!— - -Het was toen al heel donker geworden. Het societeitsterrein was helder -verlicht door de witte balonnen van de lantarens. Maar buiten was alles -heel duister. De hooge boomen stonden ontzachelijk opgerezen in den -avond, met breede zwaar-zwarte kruinen. Daar leek het heel -geheimzinnig, en zoo veilig voelde Paul zich als hij dat zwarte, -sombere zag daar overal in het rond, en híj in het licht bij al de -menschen, zijn moeder naast zich, en ook ergens het Meisje, waar hij -straks naar toe zou gaan. Dan voelde hij zich stil gelukkig, en zoo -vertrouwd, in zijn zondagsche pak, met een schoon boordje en witte -manchetten, een deftig meneertje onder allemaal deftige menschen. - -Na het laatste accoord voor de pauze was Paul al van zijn plaats om -Corrie te zoeken. Voor de muziektent kwam hij haar al tegen. O! hoe ze -daar aankwam, op haar luchte, zwevende pasjes, zoo wonderteêr roze, een -wezentje van rythmus en glans, zoo frêle en lieftallig, met dat innig -vriendelijke lachje, hoe apart en bizonder leek ze onder al die -menschen, en wat klopte zijn hart, wat een vreugde, wat een groote, -zalige heerlijkheid in hem, hoe absoluut rein en zuiver was het! En die -oprechte, zich heelemaal gevende blijdschap in zijn stem! - -„Dag Corrie!” - -„Dag Paul!” - -„Waar ga je naar toe?” - -„Ik ga Wies halen om te loopen.” - -—„Hè toe, ga met mij mee,”—vleiend dit, om een héél groote gunst. - -—„Nou goed, maar als Wies dan maar niet boos is.”— - -—„—Wat lief van je, om mijn roosje te bewaren. Ik ben er zoo blij mee.” - -—„Ja, ik heb het maar meêgenomen, ik dacht eigenlijk wel dat je er zijn -zou.” Een blosje bij die bekentenis, een glans over het fijne wit van -haar halsje, en de oogen een beetje verlegen neêr. - -En hij ineens, heel zacht, dat niemand van al de menschen om hen het -hooren kon, heel aangedaan, met een gevoel van tranen, of dit hoog -blije bijna droef was: „Ik ben toch zoo blij, Corrie, ik ben toch zoo -héél blij dat je gekomen bent, ik hoû zoo van je.” - -Zulke heel eenvoudige woordjes! En zoo’n heel groot geluk! Hij liep met -haar uit het gedrang om het vierkant van tafeltjes in het midden, naar -de paadjes bij den ingang, langs het hek, waar het stiller was, en waar -geen menschen zaten.—Aldoor vriendelijk pratende, aldoor, met liever en -liever woordjes, en aldoor gelukkiger en gelukkiger. Telkens golven van -geluk van binnen opkomend, en dan zacht-gloeiend uitvloeiende over zijn -lijf, in ongekende zaligheid. Zoo mooi was ze, zoo mooi! Hoe heerlijk -om te zien, hoe blij voor zijn oogen! Ze was een lief matroosje in -licht roze, met een lange kraag, en ankertjes van wit op de mouwen. Als -ze liep ruischte het somtijds om haar, want het was een wijd -japonnetje, en het waaide wat. En haar lange haren los, zonder strik, -ze vielen in gouden stralen ver over haar rug. Een pracht van -schittering maakte het om haar heen.—En zoo vertrouwelijk als ze hem -aanzag kwam het over hem van haar gezicht, zoo zuiver en oprecht kwam -al haar meisjesheid naar hem toe, het zachte, gevende, streelende, met -lachjes en warm-vriendelijken gloed.— - -En dit teêre Meisje in den zachten avondnacht. In het liefdroomende -schemerduister met vagen afglans van ver lantarenlicht, en buiten de -donkere, immense boomen-massa’s, met trotsche, zwartende kruinen -langzaam-wuivende in het hooge, en op open plekken daarboven stille, -sereen lichtende sterren.—En het plechtige woudgeruisch, ernstig als -een zwaar gebed..... - -Zoo simpel alles, en zoo eindeloos groot. Het teere Meisje in roze, in -schemerend licht. Het gouden haar voor hem glanzend. De donkere boomen -buiten, in sombere majesteit. En zijn zieltje, dat onbewust openbrak in -adoratie voor dien reinen, zéér bizonderen vrouwenvorm,—de opperste -manifestatie van al het goddelijk schoone op de aarde. - -Maar dit wist het Jongetje niet, omdat hij enkel voelde. Hij wist niet -van wat gebeurde het diepe, diviene wezen, hij voelde alleen die -wondere, in hem gloeiende zaligheid van toen hij haar voor het eerst -zag, en die aldoor met grooter golven in hem opsloeg en weer zacht -vervloeide. Iedere liefheid die hij in haar zag deed het ópwerken in -sterker rythmus. O! haar oogen, hoe licht, o! haar blonde haar! Het -leek wel zonnestralen van puur goud, een bundel van fijne, aparte, -weeke stralen, tintelend en fonkelend van haar hoofd en schouders.—Dit -had alleen ook de Madonna op een prentje in moe’s gebedenboek, maar dat -had zóó’n wonderen glans niet. - -Paul was een beetje een dichter. Hij had al heel wat verzen gemaakt; ze -lagen in een boek opgesloten in zijn kastje, en ze waren over heel wat -meisjes, en er kwam van liefde en wanhoop in voor. Maar hij had nog -nooit zoo sterk gevoeld. Want wat hij nu voelde was als nooit te voren, -en het was of nu eerst zijn leven begon.—Even had hij nog tijd om zacht -te denken: „Ze is mooier dan alles wat ik weet, mooier dan een bloem, -mooier dan de maan en de sterren.”— - -Hij bleef even staan, op een hoek van de laan. - -„Corrie,” zei hij, ineens ernstig, „hoû je van me?” - -Ze lachte weer even, als bij het hokje van de ree, en zei: - -„Wat ben je nieuwsgierig! Wou je het zóó graag weten?” - -En híj héel angstig: „Ja, heel graag.” - -Toen zíj met een plagend gebaartje: „dan zal ik ’t je eens niet zeggen, -hoor, omdat je zoo nieuwsgierig bent.” - -Maar opeens voelde Paul een stekende pijn van binnen, en bijna huilend -zei hij: - -„Als je niet van me houdt zou ik, geloof ik, dood gaan, Corrie. Ik hou -meêr van je dan van moê. Ik moet altijd bij je blijven. Ik zal altijd -alles doen wat je wilt als ik bij je mag blijven. Ik zou heel graag -voor je vechten, of iets héél ergs voor je doen en dan doodgaan.” - -Maar Corrie was een veel te vroolijk meisje. - -„Wat een malle jongen ben je,” zei ze.—En toen een beetje verlegen, aan -de knoopjes trekkend van haar japonnetje: „Ik vind het immers prettig -als je bij me bent. Je komt morgen toch weer op Scheveningen?.... Mama -zei dat ze je een heel galanten cavalier voor me vond..... Ben je nu -tevreden?.....” - -Het waren niet zoo de woorden, het was de muziek van haar stem, die hem -weer gerust maakte. Haar stem was een intieme, vriendelijke liefheid, -streelend als melodieuze kussen van muziek. Zijn heele ziel was vervuld -van dat zoete geluid, als een woud van zachten geur.— - -„Krijg ik morgen een lokje haar?” vroeg hij vleiend. „Breng het dan meê -in een envelop, toe, wil je?” - -„Misschien,” zei ze, „maar je mag het aan niemand vertellen, hoor! Maar -laten we nu wat onder de menschen gaan loopen. Het stáát niet, zoo in -de donkere laantjes.” - -Hij begreep dat niet heel goed, van dat het niet stond. Maar heel -trotsch liep hij nu naast haar, langs de muziektent, en het vierkant -om. Hoe intiem, zoo met zijn meisje, heel alleen gelukkig loopen wezen, -waar de anderen niet van wisten, al die vreemde, deftige menschen, mooi -aangekleed, in het vroolijke licht der witte lantarenballonnen. Er -kwamen ook jongens voorbij van de klas, die beleefd groetten en hem -zeker benijdden, dacht hij, dat hij met het allermooiste meisje liep. -Het was voor hèm alléén, voor hem heelemaal alléén was ze, niemand van -al de jongens mocht bij haar komen, niemand mocht haar ooit aanraken, -alleen hij, en ze mocht van niemand anders houden. Een erg chic jong -heertje, die gebrekkig was, en wat hinkte op een stok, kwam voorbij, en -zei familiaar: - -„Dag Corrie!” - -Verschrikt en angstig vroeg hij: - -„Wie is dat, waarom zegt hij zoo maar Corrie?” - -„—Het is Verholthe,” zei ze, „ik ken hem heel goed, we spelen dikwijls -in den tuin bij hem, in die groote villa op ’t Bezuidenhout, Wies en -ik.” - -„—Hij is zeker verliefd op je,” zei Paul jaloersch. „Hij keek je zoo -aan.” - -Zij haalde haar neusje op en zei met afkeer: „Dacht je dat ik met hem -loopen zou? Hij heeft een bééntje.” - -En Paul blij, niet denkend om het wreede in dat antwoord, blij dat ze -toch heusch van hem alleen was. Als dat chique ventje haar naliep zou -hij hem dat wel eens afleeren. Dat was niet lief van het Jongetje, maar -daar was hij het Jongetje voor. Het Jongetje wou héél alleen dat mooie -hebben, met al de kracht van zijn wil, hij zoú en moest het hebben, -omdat het hem zoo gelukkig maakte, en al de anderen moesten er ver van -blijven, die gingen hem niet aan, die moesten zelf maar weten wat ze -deden, als ze maar afbleven van het zijne. Omdat ze licht was en lief, -fijn en bizonder, zoo zacht roze en zoo zacht blank, omdat er niets -mooiers was in de wereld, omdat hij gedrongen werd door een -onweerstaanbaren drang er naar toe, sterker dan dorst en honger, -sterker dan hij ooit verlangd had naar iets anders, daarom moest hij -haar alléén hebben, en alles van haar voor hèm, haar oogen, haar -lippen, haar gouden haar, en ook alles wat ze aanhad, haar hoedje, haar -japonnetje, haar handschoenen, niemand mocht het aanraken dan hij. -Zooals ze daar liep, zoo apart en teêr onder al die menschen, al die -groote meneeren en mevrouwen, zoo was ze voor hèm, heel alleen gekomen -voor hèm, en niemand wist er van dan zij tweeën...... - -Toen de muziek begon te spelen bracht hij haar terug naar haar tafeltje -en nam weer diep zijn hoed af. Mevrouw riep lief: „dag Paul!” en zei -iets tegen den heer met de bakkebaarden, die ook keek en toen even -lachte. Hij werd weer een aardige kleine cavalier voor Corrie gevonden. -Het waren immers nog kinderen. - -Paul ging óók terug naar zijn plaats en moê zei: „Nu, heb je haar -gezien?” - -„Ja,” knikte hij, maar hij zei niet veel, hij was te gelukkig om veel -te zeggen. - -De muziek speelde lage, sombere accoorden, het begin van de ouverture -„Sakuntala” van Goldmark. Accoorden donker en mysterieus als het bosch -daarbuiten, al die dik-zwartende, breede boomenkruinen, die daar -plechtig ruischende waren in den nacht. Hoe groot en vreemd zag Paul -opeens dat zwarte bosch, hoe bang en donker, wat stond dat zwarte daar -majestueus en ontzachelijk in het rond! En opeens zag hij Corrie, een -klein, licht glanzend meisje in roze, hoe teeder en broos, hoe bizonder -in al dat sombere, grandioze alom, met die zware, lage accoorden -galmend in den nacht! Het was of ze al lichter en lichter werd, hij zag -haar voor zich in gouden, schitterende stralen, het vloeide fonkelend -goud om haar heen, en het was een ster van vuur in het groote -nachtzwart; star staarden zijne oogen in dit fonkelend visioen, tot hij -van pijn tranen voelde, en over alles, menschen en boomen, opeens een -tintelend waas droomde als van diamanten-dauw. - -Zoo brak het geluk uit in die kleine, opengegane ziel, die beroerd was -door de schoonheid van een meisje. - - - - - - - - - -IV. - - -Het was niet het voor hem zélf pleizierige, het genot áls genot er van, -dat de herinnering aan dit kinderlijk lieven later tot het heiligste in -Paul’s leven maakte; het was het absoluut zuivere, het puur intieme, -zonder één smetje volmaakt-reine. De wereld één groot mooi, om met -vriendelijk lachen aan te zien, de menschen goed en vertrouwd, alles -één voortdurend geluk van dag aan dag, en gezien door de groote -verrukking, die het Meisje in hem deed gloeien. - -Elke nieuwe dag bracht nieuw geluk, en altijd werd het grooter. Hij -kwam nu héélemaal in haar leventje. Hij wist hoe laat ze opstond, wat -ze alzoo thuis deed, wat ze leerde, waar ze van hield, wat ze graag at, -wat ze verdrietig vond. Hij kende al haar japonnetjes, met de kanten en -figuren er op, en haar ringetjes en broches en armbanden, en ook de -lintjes in haar mooie haar. Dat waren allen heel gewichtige dingen voor -hem. - -Er was een onrust in hem als hij niet bij haar was, een gevoel van -leegheid en honger. Maar als zij er was werd het stil en rustig in hem. -Het liefste was nog ergens kalm bij haar zitten, op een mooi plekje, -zonder veel spreken. Dan was het of hij grooter en grooter werd, en -alles zich uitspreidde in een eindeloos zalige atmosfeer. En dit -ondergaan zonder denken, zonder vragen van waarom, natuurlijk en -vanzelf. - -Zoo’n heel klein Jongetje nog, en zoo’n klein Meisje! - -Maar daarom juist zoo zuiver en rein. - - - -Ze zullen dit niet begrijpen, en er misschien om lachen. En ik kan het -ook niet meer goed zeggen, nu de kinderen allebei dood zijn. Ik houd -het ook telkens weer in, omdat ik niet durf. Want is het niet ál te -teêr en ál te natuurlijk in dit groote leven van schijn en ruwheid? Hoe -het Jongetje wel eens aan haar dacht, hoe ze sliep: - -Een meisje in een wit bedje, zoo wit, wit, wit. Hoe ze daar heel stil -met het hoofdje in het kussen lag, en in sluimer lachte. Hoe haar -gezichtje dan rustig en lief, o liéf, liéf zou zijn, met de oogen -dicht, en een blank handje op het laken ... En ánders niet in dit -zuiver denken van het Jongetje, dan éven heel zacht te mogen aankomen, -een kus geven op het mooie, blonde haar en dan weer wèggaan, zalig, -dólgelukkig..... - -Of wel: het wachten bij het station in Scheveningen, van de stoomtrem, -of ze nog niet zou komen. Het kloppen van zijn hart als er een trem -aankwam, en de menschen stapten uit, of ze er bij zou zijn, of ze wel -zou komen, o! ze moést komen, want ze had het beloofd!..... - -En als ze er dan wàs, hoe vertrouwelijk hij dan naar haar mama ging, -die vriendelijke dame, hoe deftig hij groette, hoe trotsch hij dan -naast zijn lief meisje voortstapte, in het zachte, warme, blije -zomerlicht. En hoe blauw de zee, hoe frisch en goed en weldadig de -menschen in hun lichte pakken, het blanke strand, de witte zeilen op -het water, en over alles het gouden zonlicht. En in dit groote, àlom -vertrouwde, híj met háár zoo intiem één, ál zijn woorden één liefdoen -en streelen; wat moet hij vroolijk en blij hebben gekeken, wat moet -alles ééns goed en heerlijk zijn geweest! Niet wijs en welbewust, en -niet artistiek, o neen, vooral niet, maar zuiver als niet één sentiment -van nu. - -Hoe kregen alle dingen van haar voor hem een wondere, diepe beteekenis! -Een arm, verlept bloemetje van haar borst, een programma, dat in haar -handen was geweest op een concert, een stukje lint uit het mooie haar, -een zakdoekje dat ze hem had gegeven, hoe blij en trotsch maakten ze -hem, hoe voorzichtig kon hij zoo iets kussen vóór hij naar bed ging, -als hij alleen was in zijn kamertje, en als hij al die schatten te -voorschijn haalde! Hoe lief en intiem werd elk plekje, waar hij met -haar had geloopen, het was of overal een fijne essence van haar bleef -ronddroomen, waar ze éénmaal haar teêr, lucht lichaampje had bewogen. -Het lag op alle wegen, die hij met haar gegaan was, het beefde in de -lucht, het lichtte over de groote, groote zee. - -Hoe blij gingen nu de dagen van dien zomer voorbij! - -Het staat allemaal in een oud, geel geworden dagboekje dat het Jongetje -toen aanhield. lederen dag schreef hij in heel korte zinnetjes heel -vluchtig op, wat hij gedaan had. Als hij op een dag Corrie niet gezien -had schreef hij niets dan „Vandaag Corrie niet gezien.” Dat was -gelukkig maar heel zelden. Wat waren het blije, prettige dagen, de -meeste! Op Scheveningen met haar gespeeld, met haar alleen naar huis -gewandeld langs den Nieuwen Weg, haar Woendagsavonds ontmoet in de tent -in het Bosch, of in den Dierentuin, Maandags en Vrijdags of ook wel ’s -middags in den Dierentuin, tusschen drie en vijf. Die mooie geurige -tuin vol bloemen! Hoe prettig, het wachten voor het hek bij den ingang! -Hij was er altijd veel eerder dan zij. Zij moest van den kant van het -Bosch komen, en hij stond dan in zoo’n gespannen verwachting. En wat -een emotie, als ze dan eindelijk aantrippelde op de brug, in een licht -zomerponnetje! Het liefst zag hij haar in ’t roze, de kleur die zij -aanhad, toen hij haar voor het eerst had gezien. Ze had daar een -groote, witte stroohoed bij op, met een roze lint, en wat keek haar -lichte gezichtje daar lief onder uit! En ze had een mooi mandje bij -zich, van binnen met rood gevoerd, vol brood en klontjes en koekjes. -Wat deed ze dan lief met alle beesten! De papegaaien, die in de laan -voor den ingang buiten onder de boomen hingen, kenden haar allen, en -als ze aankwam waren er die van pret de dolste bewegingen maakten, en -eindelijk schreeuwend met den kop naar beneden aan hun ketting gingen -hangen tot ze dichtbij was. En dan begon haar hooge stemmetje weer te -vleien en te zingen, net als toen den eersten keer bij het hertje. - -„Koppie krauwen?..... koppie krauwen, mooi witje, mooi roodbekje?....” - -En dan haar rozige handje in het sneeuwige wit van zoo’n donzig -lorrekoppetje, dat zich lief voor haar boog. - -En dan bij den grooten vijver, met de eenden, en ganzen, en pelikanen. -Die kwamen allemaal aanwandelen, zoo gauw zij konden, als ze met haar -mandje over het hek lag en ze begon te roepen. Alle beesten kenden dat -fijne, hooge sopraantje. Ze kwamen tot vlak bij haar, en ze gooide de -stukjes brood in hun bek. - -En Bets, de olifant! Dat was al een heel bizonder groote vriendin van -haar. Die groote, hooge lobbes met haar wijde flapooren hield ook al -van dat kleine, lichte wezentje in het roze. Die maakte complimentjes -voor haar en viel op de dikke knieën zonder dat de knecht het behoefde -te zeggen, zoodra haar melodieuze vleistemmetje het maar vroeg. Als -Corrie aankwam stak Bets haar langen snuit dadelijk door de tralies en -legde hem op haar fijne schoudertjes. Dan begon Corrie haar zacht te -aaien, en wat keek Bets haar verstandig aan met haar kleine slimme -oogjes! - -„Dag Bets!.... dag dikke, groote Bets!.... daar is ’t vrouwtje weêr.... -hoe maak je ’t, Bets, hoe maak je ’t, dikkertje?.... wat zoek je met je -langen snuit?..... wat reik je daar over mijn schouders?.... zoek je ’t -mandje weer, snoepert, zoek je de suikertjes?..... - -En dan kwamen de klontjes voor den dag, één voor één. Dan werd het -suikertje in ’t rozige neusgaatje gestoken en het ging in den -kolossalen bek. Na ieder klontje moest Bets haar compliment maken. En -dan riep het meisje: „Mooi zoo! mooi zoo! wat ben je beleefd, wat ben -je een deftige, dikke dame!” - -Als Corrie dan eindelijk wegging, rekte de olifant haar snuit zoo ver -mogelijk achter haar na, en liet een zacht klagend gebrom hooren. - -Maar in het Aquarium, daar was het pas gezellig! Dat was een grot, met -neerhangende rotspunten, in allerlei grillige vormen. En wat was het -daar donker!—Alleen het water achter de glazen was van boven helder -verlicht, en daar zwommen zulke mooie, vreemde visschen!—Het prettigste -er van was, dat er maar zelden menschen kwamen, en hij er heel alleen -met haar was. Dat was een uitgezochte gelegenheid voor kusjes. Als hij -dan zoo vlak naast haar naar de visschen stond te staren, legde hij -zijn arm over haar schoudertjes, en gaf haar heel, heel voorzichtig een -zoen op haar wang. Haar zoete, fluweelige, rozige wangetje, dat zoo -zacht, heerlijk aanvoelde. Hoe zalig, als haar innige, warme leventje -dan even onder zijn lippen gloeide! Dan voelde het Jongetje alsof er -iets van haar in hem vervloeide, met zachte, golvende strooming door -zijn lijf.—En hij gaf haar zooveel kusjes tot ze zeide, dat het nu -heusch mooi was, en hij haar kraagje in de war maakte, en hij veel te -zoenerig was voor zoo’n grooten jongen. Maar ze vond het toch eigenlijk -ook wel aardig, zoo’n vrijerijtje in de donkere grot. - -In hetzelfde gebouw, naast het Aquarium, was de groote vogelzaal. En -daar waren twee heel speciale lievelingen van Paul en Corrie. De twee -parkietjes. De inséparabeltjes. Twee heel kleine, groene vogeltjes op -een stokje, in een kleine kooi. Ze waren altijd dicht tegen elkaar -aangekropen, met de vlerkjes in elkaar. Ze zaten heel zacht iets te -mummelen tegen elkaar, met een teer, zwak gepiep, of het geheimpjes -waren, die niemand mocht hooren. Ze keken elkaar zoo verliefd van ter -zijde aan, en tusschenbeide gaven ze elkaar bekjes. Nooit waren ze van -elkaar af. Soms ging er wel eens een aan een einde van den stok zitten, -alleen om eens te kijken wat de andere zou doen. Die bleef dan wel eens -even trotsch zitten of het hem niet kon schelen. Maar dat duurde niet -lang. Trip, trip, trip, daar schoof hij met vlugge stapjes weer op, -vlak tegen de ander aan, heel dicht en warmpjes tegen haar aan -geknuffeld, en bleef dan weer verliefd zitten genieten en geheimpjes -vertellen. - -Corrie had zelf óók eens twee van die beestjes gehad, vertelde zij. Die -zaten ook altijd precies eender bij elkaar. Het wijfje was doodgegaan, -en was plechtig in den tuin begraven, in een sigarenkistje van papa. En -het mannetje was alleen midden op het stokje blijven zitten. Hij had -niets meer willen eten of drinken. Hij had maar heel stil voor zich uit -zitten kijken. En op een morgen, kort nadat ’t vrouwtje was begraven, -was het mannetje ineens van het stokje gerold, en dood blijven liggen. -Toen had hij naast zijn wijfje een grafje gekregen, in net zoo’n -kistje. - -En Paul zei dadelijk, dat die twee vogeltjes daar voor hen ook zulke -echte lievelingen waren. De eene was Corrie, en de ander was hij. Hij -zou ook wel zoo’n vogeltje willen wezen, en altijd zoo warmpjes bij -haar kruipen. Wat moet dat gezellig zijn, altijd zoo samen op een -stokje, en zoo zachtjes fluisteren, en kusjes geven!—Altijd, altijd bij -elkaar en als de een dood ging de ander ook! - -En Corrie zei, dat ze het ook wel zou willen. Maar niet in zoo’n kooi. -Ergens in een groot bosch met bloemen. En ze beloofden elkaar dat ze -altijd evenveel van elkaar zouden houën als de parkietjes, en net zoo -trouw zouden zijn.—En dat meenden ze toen allebei even heusch als -groote menschen die een eed doen.— - -Na de parkietjes was het liefste beest uit den Dierentuin het -hertje.—Het was nu al gewend, en niet zoo schuw meer. Als het in de -verte het heldere sopraantje hoorde kwam het al op zijn fijne dunne -pootjes aanhuppelen, en stak de goedige kop door de tralies, de wijde -ooren gespitst.—En dan was het precies als den eersten keer, toen Paul -het Meisje had zien aankomen. Hetzelfde zangerige gevlei van het hooge -stemmetje, dat tot diep in zijn ziel neêrzong. En de zachte ree kon het -Meisje zoo vertrouwelijk aanzien, met haar groote, goedige oogen, of ze -een liefste vriendin van haar was.—En het was telkens een groot -evenement in het leven van het Jongetje, om daar weer het Meisje te -zien, zoo mooi in haar licht roze japonnetje, met haar armen om den -hals van de fijne, zachte ree geslagen, en allerlei vriendelijke, zoete -woordjes kweelend met haar melodieuze stem. - -En daaromheen die lichte, zonnige tuin vol groene boomen, en overal -perken vol bloeiende bloemen.—Hoe licht en zalig leek dan wel het leven -voor het Jongetje, hoe om te zingen van lief geluk! Niemand, die hem -kwaad wilde, en tegen zijn liefde inging. Paul was nu in genade -aangenomen als Corrie’s kleine cavalier, en de familie had er schik in. -Ze waren nog zulke kinderen! Mevrouw van Meeden had altijd pleizier, -als zij haar Corrie zag thuiskomen, en zij zag Paul zijn hoed afnemen -en diep voor zijn grazieuze dametje buigen, alsof hij al een deftige, -geëngageerde meneer was. Maar wat in de fijne ziel van het Jongetje -voor wonderlijk teeders gebeurde, en de groote heilige ernst van dat -schijnbaar kleine jonge lieven, dat zag mevrouw van Meeden niet, en ook -niet de familie. - -Het leek van buiten zoo wat lief-gespeel, en kinderlijk geflirt, en -zacht aanvallig koozen van een kleinen jongen en een klein meisje, erg -aardig om te zien voor heusche groote menschen, die het Leven zoo goed -kennen, en heelemaal van begin tot einde door de Liefde der conventie -zijn gegaan, en toen zoo wijs en zoo verstandig werden. - -Maar het essentieele van dien lieven schijn, het hoog ernstige -voor-héél-het-Leven, zooals het voor het Jongetje was, het gansche -geven van zijn zieltje aan de schoonheid, zooals hij die het innigst -aanschouwde in de heerlijk reine openbaring van het Meisje, dit weten -gij en ik alleen, niet waar, mijn jongen? - - - - - - - - - -V. - - -Ze was zoo’n heel teêr wezentje! Ze had zoo’n heel zacht gezichtje, dat -zoo lief kon opkijken, en zoo gevoelig was, met fijne roze kleurtjes, -en reine lijntjes. Zoo als ze hem aanzag, als hij iets vertelde, lief -luisterend, met groote kinderoogen, en zulke lange, zijden wimpertjes, -en dan het haar, dat langs haar schouders woei over haar wangen, en dat -ze dan, zoo, even, met een mooi gebaartje teruggolfde. Zoo wit haar -halsje, en zoo satijnig daar tegen, een blauw lintje, zoo heel teêrtjes -de schelpen van haar ooren, met kleuren en tinten daarin als van roze -bloemen. En haar handen zoo klein en broos,—de zijne zooveel -grooter,—en zoo schoon en frisch altijd, omdat ze zoo’n deftig klein -dametje was, en met zulke ijle, teedere blauwe adertjes er in! En dan -haar schoudertjes en haar borstje, dat even, even welfde. Ze was -heelemaal gemaakt van mooiigheid en liefheid, ze was om vooral erg -voorzichtig en eerbiedig tegen te doen, om maar heel even te streelen, -en zacht met verliefde lippen te beroeren, want alles was immers zoo -frêle en fijn aan haar, het was zoo heel anders dan bij een jongen, zoo -iets als bloemen, of porselein, of transparante schelpen was het, iets -dat misschien wel dadelijk zou breken als je te hard er tegen deed. En -dan, zooals ze kon loopen, was het niet lucht als een kleine ree, zoo -met haar licht zweefrythmusje van klein meisje, met de schoudertjes dan -een beetje naar achteren, wat zwaaiend met de ellebogen, en het rokje -wapperend om de beenen? - -Hoe blij en lief werden de straten waar zij kwam, hoe heerlijk was het, -op haar te wachten, en dan te kijken naar den kant, van waar zij komen -moest, en dan het half-bange, half-zalige gevoel, als ergens een -voordeur openging, en het bedroefde, als het dan ergens anders was. -Maar o! als ze dan kwam, en in de verte wuifde ze al met haar -zakdoekje, en ze begon al wat hard te loopen om gauw bij hem te zijn! -Als ze wat bij zich had, een boek, een pakje, hoe blij was hij dan het -voor haar te dragen, en wat een voorname dingen werden die dan dadelijk -voor hem! - -En hoe dol-gelukkig, om met haar voorop te staan in de stoomtrem, erg -deftig, zij met die mooie, kleurige japonnetjes aan, met die fijne -kanten, en met zijden handschoenen, zoo’n echt gedistingeerd, mooi jong -dametje, en hij met vooral bizonder schoon boordje en manchetten, in -zijn beste pak, en zich heelemaal den cavalier voelende van dat -wondermooie meisje. Want de mooiste, de allermooiste, en liefste, en -heerlijkste van álle meisjes was ze, niemand had zulk een mooi, lang -haar, niemand zulke mooie oogen, zoo’n mooi roze en blank gezichtje, -alle andere meisjes leken wel niets bij haar, en hij was de eenige, -waar ze van hield, en die bij haar mocht zijn. Er was een soort -minachting in hem gekomen voor andere jongens; wat waren zij allemaal -ruw en grof, zij zouden nooit met zoo’n meisje als Corrie kunnen -loopen, ze zouden er nooit lief en voorzichtig genoeg meê kunnen -omgaan, ze zouden het niet eens begrijpen, waarom ze zoo mooi was, en -hoe fijn en broos alles aan haar was. Hij sprak ook nooit over haar met -andere jongens; ja met mama, die toch altijd in alles van zijn leven -was, praatte hij maar heel weinig over haar. Het was een soort -bizondere kuischheid in hem om haar heelemaal voor zich alléén te -houden; ze was nu eenmaal iets heel anders dan al het andere, iets -heelemaal nieuws, waardoor alles anders was geworden, en het was zoo -apart heerlijk, en goed, en zalig, dat het leelijk zou zijn, dat niet -heel alleen veilig te bewaren. Hij begreep niet, dat hij vroeger, toen -zij er niet was, ook blij en gelukkig was geweest, en heel vast en -zeker wist hij, dat het voortaan zonder haar onmogelijk zou zijn om nog -te leven. Mama sprak wel eens van later, later, beste jongen, en groot -worden, en dan niet meer zoo altijd bij haar mogen zijn, omdat zij dan -een groote dame zou worden, en haar familie dan niet meer zoo lief zou -zijn, maar dat begreep hij niet. Hij kon zich in ’t geheel niet -voorstellen dat Corrie een groote dame zou worden, zooals zijn nicht -Marie bijvoorbeeld, die lange rokken had gekregen, opeens zoo was -opgegroeid, en alleen maar van groote heeren wilde weten, en hem een -schooljongen vond. Want Corrie, vond hij, was juist zoo mooi omdat ze -zoo klein en tenger was, zoo’n broos wezentje, dat zoo teer op heel -fijne beentjes liep, met die kleine voetjes, en alles zoo vol satijnen -zijigheid. En hoe zou ze ooit als nicht Marie die mooie, lange haren -kunnen dragen in een kapsel op het hoofd, dat mooie, gouden haar, dat -zoo golfde en schitterde? - -Er was ook géén meisje, dat altijd zoo vriendelijk was, en zoo -altijddoor lief. Anderen waren wel eens snibbig, en hatelijk, en -plaagden. Maar háár stem was altijd zoo innig, dat de eenvoudigste -woorden groote openbaringen voor hem waren. Het deed hem aan als -muziek, al haar woorden waren liefkoozingen, en het werd warm en zacht -en zalig in hem zoodrá ze maar sprak. Hij was toch zoo’n vrééselijk -verliefd Jongetje! In grooten ernst verzekerde hij haar, dat ze een -engel was, dat een hand van haar hem liever was dan alles wat hij had, -dat hij heel graag voor haar zou doodgaan als hij dan maar een kus van -haar kreeg, dat hij wou dat alle menschen er niet meer waren—dit vooral -was een geliefkoosd idee van hem—en alleen hij met haar, ergens in een -paradijs, met veel bloemen en vogels; dat haar oogen veel mooier waren -dan de hemel en al de sterren, dat de maan lang niet zoo lief en zacht -kijken kon als haar gezichtje, en dat haar haren zonnestralen waren, -heel van goud, die ze gekregen had, omdat ze zoo lief en goed was, want -o! o! ze wist het niet, maar zoo lief, zoo lief was ze! „Zie je, -Corrie, je moet altijd, altijd bij me blijven, want het zou -verschrikkelijk zijn als je er niet meer was, en ik kon je nooit meer -een hand geven, en nooit meer je stem hooren, en nooit meer heel zacht -met mijn wang langs de jouwe aaien, en geen kus meer geven op je -voorhoofd!” En onder al dat lieve, dat heelemaal uitzeggen van wat in -hem onbestemd brandde en gloeide van verlangen, liep ze maar te lachen, -en blij te zijn, en een beetje trotsch ook, dat hij dat allemaal zoo -zei. En als ze ergens heel alleen waren, op het plekje in ’t Aquarium, -of in de duinen, of in het bosch, en hij keek haar zoo zacht aan, en -zei allemaal zulke prettige en lieve dingen, dan beloofde ze alles wat -hij vroeg, ja, ze zou altijd van hem houden, ze zou nooit naar andere -jongens kijken, ze zou als ze groot waren met hem trouwen.—En dan -geloofde hij haar vaster en met zekerder weten dan hij ooit zijn eigen -moeder geloofd had,—want was ze niet het beste en mooiste en liefste -wat er was, zij, zijn lieveling, zijn eigen meisje voor áltijd? - -Zoo’n jongetje was hij nog, hoe teer en broos, zoo’n zieltje, dat pas -begint te leven, en nog maar vaag vermoedt! Hoe gingen de dingen van de -wereld over hem als ál melodie en liefelijk beweeg! De open dagen vol -zonneschijn, met blinkende, blauwe luchten, en waaiende pracht van -groen, en lichte, goede menschen; de schemeringen zacht, met weifelende -kleuren, en tintelende lantarenrijen, en het zachte avondwindje om het -hoofd, als even een lieve hand, zoo vertrouwd; en de nachten die hem -aanzagen met stille, sereene sterren, en zoo diep waren van eindeloos -geheim. Al het leven één groot mooi van goede dingen, wijd om hem heen, -waarin hij behoorde, en wel nooit van weg wou. En dat Meisje als het -mooiste mooi van alles, en luchter dan een vlindervleugel, en teerder -dan de fijne kleuren in parelmoer, en vager dan de tinten op de zee, o -wát het was wist hij niet, dat hem zoo met geluk beroerde, en tranen -deed wellen in zijn oogen; niet haar oogen alleen, en niet haar wangen, -en niet haar mond, en ook niet enkel haar stem; er ging iets anders van -haar uit, en over zijn ziel lag een wijding, als zij bij hem was, als -over een zee in den nacht van majesteit. Hij wist niet, en ook dacht -hij niet, het Jongetje, over wat het toch wel was, dat van het Meisje, -wat hem zoo zalig maakte.—En het lijkt wel heel klein, zoo’n lucht -wezentje, zoo wat moois van gouden haar, en oogenblauw, en roze bloed -door lelieë wangen, als morgenrood door blanke wolken droomend, het -lijkt wel of het zoo vergaan kan, zoo verdroomen in het niet, maar de -openbaring, door dit schoon gedaan, is van een wonderbaar wezen, en de -essence er van kan niet sterven en blijft onvergankelijk.—Het Jongetje -was nog in zijn eersten droom, en zag dat frêle, half-ontloken -meisjesmooi als het aanbiddelijke centrum van heel het wereld-leven. - -Ziet hem gaan, mijn Jongetje, met kloppend hartje zoekend naar dat mooi -van Meisje, overal volgend waar zij gaat, langend naar dit lichte -wezentje met heel de kracht van zijn zieltje, op het uiterste -gespannen.... Lief Jongetje, wat heb je je gegeven, alles wat je hadt, -wat heb je aangedragen alles wat je maar voor liefs bezat, wat vondt je -het mooi, het Meisje, zonder één vlekje, zonder één ding van slecht, -wat absoluut zuiver en rein; wat was het een groot, groot mooi voor je, -dat Meisje in zoo’n wit gewaadje, met fijne kantjes en zijden linten, -zwevend gaande op de fijne beentjes, en zoo vol licht haar gezicht, en -het warmzachte gegloei van haar oogen, en de gouden glorie van dat -haar; wat was je er tevreden mee, niets verlangde je meer, zóó was het -goed en volmaakt, en niets anders; wat moet je er verschrikkelijk van -gehouden hebben, mijn jongen, en hoe vast en onverbrekelijk sterk was -je zieltje aan dat lichte wicht verbonden! - -Zoo bloeide in het Jongetje òp het idee van wat in de vele, vele dingen -der wereld is een Meisje: - -Een Meisje is het héél, héél zachte, dat alleen van teêre, innige -liefheid bestaat, dat leeft in gewaden van blijde kleur, en heel -vreemd-zalig is om áán te voelen. Een Meisje is het goede, genadige in -het leven, dat altijd vriendelijk en weldadig doet, dat nooit over -ruwe, leelijke dingen spreekt, als de jongens op school, en waar je ook -maar enkel allerliefelijkste woorden tegen zeggen moet, om haar toch -vooral niet te verschrikken. Ze leeft in een heel andere sfeer dan het -Jongetje, zoo met allemaal zachte dingen om haar heen, van kant en -zijde en satijn; haar gezicht is zoo veel liever en vertrouwelijker, en -haar vel zoo blank en fluweelig, met heel fijne adertjes er even onder, -en het Meisje is altijd zoo frisch en rein, met schoone, zachte, o! hoe -heerlijk zachte handjes en zoo witte zakdoekjes, en mooie handschoenen, -en haar japonnetjes zoo keurig, met nergens een vlekje, en er hooren -bloemen bij, witte lelieën, of van die lichte, gele theerozen, en -viooltjes, en lief-blauw vergeetmijniet, en ook broches en ringen van -goud, die blinken op mousselien en zijde en blanke vingeren, en er is -een fijn, zacht gloeiend lint in haar fonkelend, blond haar, en een -zoete geur is om haar heen. - -En het Meisje stapt zoo luchtjes, zoo heel anders dan het Jongetje en -dan groote menschen, het stapt op een rythmusje dat de ziel zoo vreemd -beroert, en haar rokje ruischt er bij, zoo zoet en suizelend, en al -haar teêre bewegingkjes en lijntjes geven genot en ontroeren toch zoo. -Het mooiste, het allermooiste in het leven van het Jongetje. Mooier dan -muziek, en mooier dan de zee, en mooier dan de vogelen en de bloemen. - -Het meisje was voor hem een groote, absolute zuiverheid, een wonder -mooi van zachte couleur en licht, rythmisch beweeg, het -allerkostbaarste in het leven, in de groote, groote wereld.—Al het -leelijke was ver buiten haar, en geen allervaagste schaduw er van -bereikte haar reine beeld. Nooit kon er iets anders bij het Meisje zijn -dan het uiterst pure van haar stem, dan het zoete licht van haar lach, -dan de zachtheid van haar zijde en satijn en blank, wit linnen; nooit -kon daar iets anders aan gedaan worden dan eerbiediglijk aanbidden, dan -lieve, streelende woordjes fluisteren, dan bloemen brengen, de mooiste -van geur en kleuren, dan heel voorzichtig een arm om haar middel -vleien, en haar warm, blinkend haar beroeren, en éven een wang zacht -tegen háár wang, en een teeder kusje op haar roode lipjes, en dan gauw -weer weg, bang om haar pijn te doen. - -Hoe vreemd, hoe vreemd, om angstig en toch zalig van te rillen, als -daar dat teêre en brooze vlak naast je staat, zoo ritselend en -suizelend en wuivend van kant en tulle en fijne zijde, en éven voel je -het weeke, zachte vleesch van een blanken, blanken arm, en de muziek -van haar stem zoo vlak bij de ooren, en het lange goudhaar wel eens -waaiend tegen je wang! Hoe licht, licht, als een lach glanst over zoo’n -lief gezicht, met overal weerschijn en schittering, en het plooien van -zoete kuiltjes, en het stralen van blauwe oogen! Het Jongetje wou toch -zoo graag altijd bij haar blijven, en stil-tevreden vergaan in al dat -heerlijke meisjesmooi; o! kon hij maar zelf dat Meisje wezen, zich -wèg-kussen over haar blond hoofdje van gloeiend goudlicht, zacht -verglijden over haar bloeme-blank voorhoofd en fijne schoudertjes, -heelemaal wègwezen in haar éven-welvend borstje, in al haar warme -zachtigheden, en in de blozeroode wangetjes, en in de kleine, reine -handjes, en altijd bij haar en in haar en om haar, een heel klein -stukje desnoods van haar zijn, als ’t maar in haar warme, liefelijke -leven was, heelmaal éen er mee! - -O! Het Meisje! Het Meisje! Het mooiste, zachtste, reinste, lichtste, -blinkendste wat het Jongetje maar kon droomen, heel apart als een -wonder in de wereld staande, in een altijd-stralende glorie van -allerzuiversten glans, waar al het leelijke, donkere ver van bleef, en -waar hij zonder een nevengedachte, met àlgeheele overgave zijn zieltje -aan kwam brengen, alleen maar bang, dat het veel te weinig was, en zij -het misschien niet eens zou willen hebben! Want zij was zoo heel -aanbiddelijk en vriendelijk en zacht, en zoo vol schoone couleur en -lachend licht, en hij maar zoo’n klein, verliefd kereltje, dat heel arm -en nietig was, als hij niet bij haar kon zijn. Niet bij haar was hij -midden in het leelijke en koude van zijn kameraads op school, en -klonken grove, ruwe woorden over duistere, geheime dingen, die alleen -maar geniepig gezegd worden, en waar je nooit over mag spreken, dingen -van leelijks tusschen jongens en meisjes, toevallig gevonden in een -boek, of afgeluisterd van groote menschen.... Het staat groot er om te -lachen.... Maar als heel even in de verte het rokje ruischte van het -Meisje was al het leelijke weg, als een booze droom, en het Jongetje -wist niets meer. Dan was het haar licht-lachend gezichtje dat naderbij -kwam, o! daar kwam ze! daar kwam ze! een zoete weldadige warmte in hem, -een groot geluk dat uít wou jubelen in lieve, koozende woordjes, en -alles was weer rein, en blank, en stil-tevreden, zonder een schaduw van -twijfel of het wel zoo mooi, zoo wonder heerlijk, verrukkelijk, -volmaakt mooi kon zijn, zoo’n teêr broos wezentje van licht en kleur en -liefelijk beweeg.... - - - - - - - - - -VI. - - -Zachtjes aan kwam de tijd, dat de scholen weêr begonnen. Paul zat nu in -de derde klas van de Hoogere Burgerschool. Een heele meneer al. Als men -hem toen een Jongetje had genoemd, zou hij erg nijdig hebben opgekeken. -Hij was nu al vijftien, over een jaartje zou hij misschien al aan een -snor gaan denken. Hij begon nu aan engelsch, en aan -gelijk-en-gelijkvormige driehoeken, en allerlei moeilijke en gewichtige -dingen. Maar ik noem hem toch nog altijd het Jongetje. - -Nu werd alles heel anders met het Meisje. Zij ging school in „de Laan” -bij juffrouw de Ridder, en dus moest zij van het Bezuidenhout langs de -Heerengracht door de Pooten, de Spuistraat en de Vlamingstraat gaan. ’s -Ochtends om half negen stond Paul al te wachten, op den hoek van het -Bleyenburg, waar de Hoogere Burgerschool is, en de Heerengracht. Corrie -had hem beloofd, gauw te eten, en dan vroeg weg te gaan. Het was dan -vol van jongens op die plek, maar Paul bleef goed op een afstandje, en -stoorde er zich niet aan, als ze om hem lachten en hem plaagden. Het -was zoo prettig, in den morgen. Vroeger zag hij haar altijd ’s middags -of ’s avonds. ’s Morgens was het zoo blij en frisch in de lucht, de -huizen zoo in vreugde van heldere kleuren, en alles zoo nieuw en klaar. -Hoe keek het Jongetje verlangend naar de brug van het Bezuidenhout, -waar menschen gingen en kwamen. Zou ze dat zijn?.... neen, dat is een -ander meisje.... ....als het nu maar niet te laat wordt.... kom toch, -kom toch, lievert.... mijn hart klopt.... kom toch gauw in den -frisschen morgen, ...ik hoû, ik hoû zoo... - -En dan, eindelijk, kwam ze. Op de brug. Een teer, gevoelig figuurtje... -Is ze ’t?. is ze ’t?.. ja, dat kan zij alleen maar wezen... ze is -’t!... ze is ’t!... - -En dan heel gauw er op af, verlangend, op een drafje. Daar is ze! Zoo -licht, zoo licht in den morgen! Zoo met haar lief, zacht snoetje, met -roze wangetjes, zoo lacherig en blij, en zoo vriendelijk, zoo -vriendelijk! Nu is ze een beetje anders.... Ze heeft nu een eenvoudiger -bruin stroohoedje op, en een bruin manteltje, nog niet gezien, met -groote stalen knoopen. (Ik weet dat manteltje nog zoo goed!..... ik zou -het kunnen teekenen.... ik weet alles, alles van haar nog zoo goed....) -Zij had nu het haar in een vlecht... Wat aardig zoo’n dikke vlecht, en -wat is er nu een mooi blank halsje te zien, waar vroeger al dat haar -langs viel.... - -Wat mooi, zoo’n Meisje in den morgen! Zoo licht en lachend! Zoo blij en -vriendelijk! Zoo’n frisch gezichtje, en zoo schoontjes en snoezig -alles, zoo prettig om te zien en dan te zingen, in de jonge lucht. - -„Dag, Corrie.... wat ben je aardig.... wat een aardig manteltje.... en -wat een mooie vlecht, wat staat je dat mooi.... ik heb nog twintig -minuten tijd.... ik mag wel een eindje meê?....” - -Ik geloof dat ik in het begin van mijn boek wel eens geschreven heb, -dat ik niet weet wat het Meisje eigenlijk wel voelde of dacht. Maar -nu—vreemd—nu zie ik haar ineens weer zooals ze daar bij het Jongetje -was gekomen. Ja, nu zie ik haar weer zoo heel goed. En nu weet ik het -toch weer heel zeker, zoo zeker als ik het beste en eenige weet, waar -ik van leef. Nu zie ik haar vriendelijk, oprecht gezichtje, met die -onschuldige blauwe kinderoogen, en dat zonnige lachje om haar mooie -mondje.... o, hoe goed zie ik haar weer!... zie ik niet het fijne roze -dons van haar zachte wangen, zie ik niet het teere oortje, en haar -blank halsje, en haar fijne, neergaande schoudertjes?... Ja, nu weet ik -het, dat ze van het Jongetje hield met het allerzuiverste, -allermaagdelijkste van haar zieltje, zooals het, nog ongerept van het -Leven, in den oorspronkelijken, lelieën staat, een pure onbewuste -liefde ademde in de onbevlekte sfeer van het door geen -hartstochttrilling ontheiligde virginale... Het Jongetje heeft van haar -gehad den grootsten, reinsten schat, dien ik weet op aarde, haar -zieltje van Meisje, onbewust, en ver van het Leven, in de engelensfeer -van maagdelijkheid, waar zulk een wonderrein wezentje vandaan is -gekomen.... - -Maar het Jongetje dacht niet en het Jongetje wist niet. Hij was alleen -blij en gelukkig met haar frisch handje in het zijne, en haar stemmetje -dat hem streelde: - -„Dag Paul!... heb ik me nu niet gehaast?... Ma vroeg al, waarom eet je -zoo gauw, en wat rep je je toch... maar ik woû je nog zien... en ik had -het je immers beloofd...” - -En dan samen, vertrouwelijk, aan den wandel. Eerst langs al die -jongens, daar op den hoek. En een gevoel van grooten trots in Paultje. -„Zie je, dat is nu mijn meisje, van mij alleen.” En ook een voelen van -heel stellige superioriteit. Hij alleen kon met zijn meisje loopen. En -al die anderen voelden niet waarom ze zoo’n engel was, en zagen niet, -dat zij het mooiste van alles was. En al zagen zij dat wèl, ze hadden -niet de minste kans, nooit. - -En het werd nu even vertrouwelijk daar ’s morgens op straat als vroeger -op het strand en in de duinen. Jammer alleen, dat het zoo kort was. Het -duurde maar tot het midden van de Spuistraat, daar bij den winkel van -Sarluis, waar al die vreemde, mooie dingen waren. Dan was het tijd. O -jee, nog maar zeven minuten. Nu gauw weg. „Dag lieverd.... gauw een -hand.... tot vier uur.... dag!....” - -En dan zij nog even blijven staan, half òmgewend, wuivend met haar -handje, en haar hoog stemmetje zoo blij in den morgen: - -„Dag!... dàg!... dàg!...” lang uitgehaald, elk woordje met telkens -liever en melodieuzer intonatie... - -En dan op een drafje naar school, om nog maar éven op ’t nippertje -binnen te wezen. En dan ineens het heel andere. Het zóó vreemd andere, -dat het was als uit een heel liefelijken droom wakker zijn in het -gewone. Het gewichtige, strenge, gedwongene. Meneeren die het allemaal -wisten, verbazend wisten. Koude, witte muren, en jongens in rijen -banken, en een meneer er voor in ’t zwart. Het Jongetje was er niet -meer in. Het was niet meer als vóór de vacantie, toen hij altijd nummer -één zat, en alle moeite deed om het te blijven, omdat moê er zoo blij -om was, en hem zoo kuste, als het rapport kwam. Hij had nooit veel om -de eer zelf gegeven, en nooit geleerd omdat hij het zoo prettig vond, -want het ging veel te koud alles. - -Maar nu, dien eersten ochtend, was het ineens heelemaal veranderd. Dat -voelde Paul zoodra hij in de bank zat, en de les was begonnen. - -„Wat zag ze er lief uit.... wat anders weer, hè?.... zoo’n vlecht staat -haar óók wel goed.... maar àlles staat haar natuurlijk goed.... en wat -een aardig manteltje.... op zij zijn zakjes met kleppen.... zoo’n -lieverd om zich voor me te haasten....” - -En zoo ging het maar door in het Jongetje. Hij heeft dien morgen niet -veel aan de lessen gehad. Hij was al die weken veel te vol geweest van -het Meisje. Er was niets meer dan het Meisje voor hem. Zijn gedachten -gingen naar het Meisje, of ze haar duifjes waren, die ál maar naar haar -toe wilden, en nergens anders kunnen ze heen. Het Meisje was zoo opeens -met intenze innigheid in zijn leventje gekomen, in zulk stralend, -schitterend licht, dat nu alles van hem daar naar toe wilde, al zijn -gedachten en verlangens en wenschen... - -En ondertusschen zijn twee driehoeken gelijk en gelijkvormig in zoo’n -hééle boel gevallen, en is - - -(a + b)² = a² + 2 ab + b².... - - -Daar gaat niets van af. En dat moet je nu eenmaal weten, al ben je nu -nog zoo’n verliefd jongetje.... - -En ik woû dat hij dat maar altijd goed onthouden had, dat hij dat zoo -absoluut toch óók leeren en weten moest, en ook dat het kwadraat van de -hypothenusa is gelijk aan de som van de kwadraten van de beide -rechthoekszijden, en nog zoo véél, véél, véél meer. - -Had hij daar toch maar aan gedacht, mijn Jongetje! Want het was -gevaarlijker dan hij weten kon, en het zou zoo héél, héél gewichtig -worden in zijn leven, dat hij dat niet beter onthouden heeft! - -Maar hij dacht alleen om ’t Meisje. Om zijn mooie lieveling, zooals ze -daar was gekomen in het jonge licht van den blijden morgen. Wat was het -mooi weêr! O! Nu met haar uitgaan, naar Scheveningen, naar de zee!—Met -haar samen in de duinen zitten en kijken naar de zee! De duinen, blond -in den morgen, met vroolijk wuivend helm, en de zee, o! de zee, zoo -schitterend in de zon, fonkelend blauw en zilver, aangolvend met lange -ruischingen van vreugde en geluk.—Buiten is alles nu groot en mooi, en -alles blinkt en zingt van zalig genieten.—En hier binnen die muren is -het koud en leeg.— - -Ja, buiten met Corrie in de duinen, en met haar staren over de groote, -groote zee! En haar vertellen van de wondere landen daar vér, vér weg, -van de eindelooze prairieën van Aimard, en van de Comanchen en Apachen, -van Arendsveer en de Blauwe Vos.... hij zelf zoo’n pelsjager wezen als -Edelhart of Valentin Guillois.... en zij een wonderschoone donna, de -dochter van een rijken haciendero.... en zij geroofd door de Apachen, -en vóór op het paard van de Zwarte Kat.... maar híj er achter, met zijn -dappere jagers, en de trouwe Comanchen, op wilde mustangs.... heisa! -ha! hoe gaat het over de eindelooze savanne!.... vooruit! mijn edel -koningspaard, vooruit dan mijn lief, sterk strijdros!.... wij moeten de -Liefste redden.... en eindelijk, eindelijk, daar zijn ze.... hoera!.... -het schel krijgsgegil der Apachen, de donderende oorlogskreet der -Comanchen.... hoera! hoera!.... met de kolf van de buks en de bloote -machete!.... hoera! met speer en tomahawk!.... Sterf! Hond der Apachen, -gij zijt een oude vrouw, de wolven zullen uw ellendig lijk -verscheuren!.... Goed zoo, Arendsveer, trouwe vriend, scalpeer hem, -zonder genade!.... - -En de geredde lieveling ligt in zijn armen.... Lieveling, Corrie, word -wakker.... kijk, ík ben het, Paul, de strikkenzetter, ik hoû van je, ik -heb je gered, en zal je altijd, altijd beschermen en bij je -blijven!.... - -Ja, de duinen, en de zee, en de prairieën, lucht, licht en leven, en de -Liefde, trouw tot het graf, reddend in ’t vreeselijkst doodsgevaar, en -beloond met de blonde geliefde, de groote overwinning van het Recht en -de Trouw, dáár droomde je van, mijn jongen, daar op die gele -schoolbanken, tusschen die kale, sjofele muren, toen je pas terug was -van je lief Meisje.... - -En dat was toch heusch verkeerd van je, mijn brave! want (a + b)² is a² -+ 2 ab + b², en er zijn een hééleboel gevallen waarin driehoeken van -allerlei mogelijke soorten gelijk en gelijkvormig zijn!................ - -Om twaalf uur is het voorbij.... Dan gauw naar huis, door het -Voorhout—dat staat dan statig en klaar in het middaglicht,—door den -Denneweg, de brug over naar de Frederikstraat, en zóó naar huis, de -Javastraat, dicht bij de Koninginnegracht. Het is nu al veertien jaar -geleden, dat mijn Jongetje daar liep. Maar wat weet ik het nog goed. -Hier, ver, ver, in een armzalig hoekje van Indië zit ik dit te -schrijven. Maar nu zie ik al de dingen van dien tijd weer klaar en -helder voor mij, als pas gezien. Het komediestraatje van ’t Bleyenburg -naar ’t Voorhout, met een winkel van albums en portretlijsten, en de -paaltjes in ’t midden, waar het Jongetje in een vroolijke bui overheen -sprong, de affiches van den schouwburg, met die groote, vette letters, -zwart op rood, „Carmen” of „Faust”, en de mooie boomen in het -Voorhout.... zoo, zoo waren hun takken, ja, vooral die eene, hè, zoo -boog die eene groote tak omlaag...., en ik weet nog wel het gezicht van -een schildwacht voor het paleis van Prins Hendrik,.... en de taartjes -voor de vitrine van den banketbakker over het paleis van van Brienen, -nu het Hotel des Indes.... en den spekslager en den slager op den -Denneweg.... en de menschen, die het Jongetje altijd geregeld -tegenkwam, heeren van ’t ministerie, met portefeuilles onder den arm; -er was er één bij, met zoo’n langen baard, die een beetje scheel zag... - -Dan kwam Paul thuis, in de gezelligheid van de eetkamer, met mama voor -de koffietafel. Dan werd moê gezoend en gepakt, en kwam haar -vriendelijke moederstem zoo zacht over hem heen. - -„En hoe was het op school, ventje?” - -—„Moe, het was zoo saai.... maar ik heb haar vanochtend gezien, ik heb -haar een eindje gebracht.... Ze was zoo lief, maatje, ze had een -vlecht, dat stond haar zoo aardig.... en ze had zoo’n grappig, bruin -manteltje om.... U had haar moeten zien....” - -Mevrouw Waerens was zelf ook veel van Corrie gaan houden. Zij zag de -van Meedens niet, maar er was een zekere intieme vriendelijkheid -gekomen tusschen haar en mevrouw.—Dikwijls was Paul met zijn moeder -alleen in Scheveningen, en Corrie met de hare.—Dan maakten de dames een -praatje en lachten samen om de kinderen.—En zij vertelden elkaar, dat -de kinderen toch zooveel van elkaar hielden, en zoo aardig samen waren, -en wat ging het deftig, wat konden ze elkaar groeten, alsof ze een -heele dame was, en hij een cavalier! - -Mevrouw Waerens maakte zich wel eens ongerust. Zij kende haar Paul zoo. -Zij wist, hoe innig hij zich aan Corrie had gehecht, en hoeveel ernst -en meenens het voor hem was, zijn verliefdheid, die in het binnenste, -allerheiligste van zijn zieltje was gaan groeien. - -Na de koffie ging Paul gauw weer naar school, verlangend dat de les -maar weer begon, dan was hij alweer dichter bij vier uur.—En eindelijk -was de bel gegaan, en kon hij het lokaal uitstormen, en dan met een -paar sprongen de trap af, en op straat.—Nu op een drafje de Pooten -door, de Spuistraat in, en gewacht op den hoek van Vlamingstraat en -Wagenstraat, volgens afspraak.—De „stad” is dan vol van menschen om -vier uur, groote menschen, meneeren en mevrouwen, die aan ’t winkelen -zijn. Erg gewichtig en deftig lijkt dat voor zoo’n Jongetje. Maar even -na vieren wordt het in de donkere Vlamingstraat lief en intiem van -zonnige gezichtjes en lichtende lachjes, en gerucht van hooge stemmen. -Dan komen de meisjes van de Hoogere Burgerschool en andere scholen in -de buurt. Dan komen ze op luchte rythmusjes, met zwevende pasjes van -liefelijk beweeg, babbelend en kwetterend als kweelende vogeltjes, met -opgegloei van blond goudhaar en donkerzijden lokjes, met vriendelijk -oogenschijnen, en veel heldere kleur van roze en blauw en rood, en -maken de lucht blij van melodieus geluid.—Dat was nu net iets voor -zoo’n verliefd Jongetje als Paul. Maar hij zag al die meisjes alleen -maar als mooie, lieve dingen, zooals bloemen en vogels, wat wuivende -kleur en streelend geluid, hij wachtte op de ééne, de één liefste -lieveling uit allen, het Meisje, dat heel apart voor hém was. En ze -kwam, de laatste, en alleen....... - -Daar komt ze, even lief als van morgen, kijk, daar is ze, met haar -vriendelijk snoetje, daar komt ze aangeloopen op haar teer -zweef-rythmusje van klein meisje...... ik zie haar naar het Jongetje -toekomen, in haar bruin manteltje, waar zoo mooi het blauwe rokje onder -uitkomt,.... ik zie haar zwartblauwe oogjes lichten van blijdschap... -een kleurtje heeft ze van ’t harde loopen. En ik zie alles om haar -licht en gelukkig, de geheele straat staat zoo heerlijk in hooge -vreugde...... - -„Dag Paul... ik ben een beetje moeten blijven, want ik had de som nog -niet af..... maar het was wel heel goed, nu hoefde ik niet met Wies en -Jo samen de school uit..... Wat ben ik blij dat het uit is.... het was -zoo saai....” - -—„Dag Corrie, dag lieverd,..... ik heb zoo naar je verlangd den heelen -dag, maar nu bén je er.... nu bén je er, hè.... mag ik je een arm -geven?..... - -—„Nee hoor, in de stad niet, dat gaat niet... wel later, als het donker -is, en als we op ’t Bezuidenhout zijn, onder de boomen... in October -wordt het al gauw donker....” - -Zulke gewone woordjes allemaal. Maar dat stemmetje! Dat stemmetje! En -dat ìn-lieve gezichtje daarbij, en die mooie, blinkende oogjes! - -Als zij praatte was het of zijn ziel een piano was met blanke, blanke -toetsen, en ieder melodieus woordje van haar klonk na, en het zong in -hem van binnen, het zong zoo, en dan werd het zoo licht en zoo groot en -zoo heerlijk! - -En hij praatte terug, zoo over allerlei dingen, waar zulke groote -kinderen over spreken, ook zoo maar wat gewone woordjes, maar die -gedrenkt waren van het lieve warme gevoel, dat van binnen in hem -opsteeg zoodra háár stemmetje maar had geklonken, woordjes, die elk -iets van zijn ziel liefkoozend naar haar toe ruischten. De wondere, -wondere klank van die woorden! Als ik nu het Jongetje in herinnering -zoo hoor spreken, heeft elk gewoon woordje een innige, aparte -beteekenis gekregen, en klinkt met zoo’n welluidend accent van reine -goedheid!—Hoe koud en ledig lijkt mij nu het praten van alledag, hoe -schel en hard is alles.— - -En dan het jonge, hooge stemmetje van het Meisje! Zingt het niet als -een zoet-kweelend, gouden vogeltje in dat droeve herrefstwoud van mijn -herinnering? - -Maar ik mag zoo niet van mij zelf spreken. Ik zou alleen van het -Jongetje vertellen, en dat is nu immers dood, al zoo lang..... - -En zoo ging het door, het lieve, intieme leven van de kinderen, dag aan -dag.... De tijd verdeeld in bij elkaar zijn, en niet bij elkaar zijn. -Niet bij haar zijn was voor Paul de school, het koude en -onverschillige, met alleen prettig de lessen in de talen en de -gymnastiekles, maar de rest zonder emotie, het altijd hetzelfde, van -het eene vakuur in het andere. Bij haar zijn was de groote, heerlijke -verrukking, het zingende blije spreken, en ook het vertrouwde, stille -naast elkaar loopen, zonder iets te zeggen. En ook het pas van haar af -zijn hoorde daar nog bij, met het prettig in z’n eentje aan haar te -loopen denken, langs stille grachten naar huis gaande, nog eens -nà-genieten hoe ze ook weer geweest was, wat ze ook weer gezegd had, -hoe lief ze er weêr had uitgezien. - -Ik zie hem nóg loopen, mijn Jongetje, langs de Koninginnegracht, en dan -de brug bij den Dierentuin over naar de Koningskade, tegen dat het -donker werd, en de boomen aan weerszijden van het Kanaal zoo zacht en -teêr uitkwamen in den avond, met de takken en bladeren zoo duidelijk en -fijn in de avondlucht, en de deftige huizen aan den overkant in stille, -gedempte kleuren. Hij begon al groot te worden, maar het ging nog niet -goed, hij was tóch nog maar een Jongetje en hij liep met zijn hoofd een -beetje gebogen, als hij zoo aan haar dacht, heelemaal in zijn gepeins -verloren.—Eén voor één begonnen de lantarens te pinken, en dat was zoo -vriendelijk, dat wenken van lichtjes in den avond. Wat een gelukkig -gedenk en genieten, met niets dat het verstoorde, en dan straks thuis -komen, waar het warm en vertrouwd is, en waar moeder wacht om nóg meer -liefs te geven.— - -Zoo zonder erg, dat leven van het Jongetje in die groote stad, die vol -zoete herinnering was, en waar niets slechts hem wondde. Hoe sterk -leefde hij in zijn jongen droom, dat géén der geruchten van de wereld -òm hem dien verstoorde! - - - -Tegen het einde van November werden de dagen korter, en toen werd het -afhalen van de school nog veel intiemer. Als Paul uit de les kwam om -vier uur ging er al een heel vaag duister over de stad. De bladerlooze -boomen op het Plein stonden met hun takken zoo stil en rustig in de -schemering. Wat teeder en broos, die heel dunne takjes overal, vooral -zoo in de verte, het was als fijne vingeren die iets wenken. Wat druk, -die menschen in de stad, zoo tegen St. Nicolaas, wat een heerlijke -emotie, als in de Vlamingstraat, onder al die zwarte, wemelende -gestalten, in de verte het fijne figuurtje aankwam van het Meisje, zijn -Meisje, het eene, bizondere, wonderteêre in al het onverschillige, -gewone rondom. Hij ging dan samen boodschappen met haar doen, allerlei -vertrouwelijke dingen, nieuwe handschoenen koopen, of stukjes zeep, -iets aan haar horlogetje repareeren, en wat kant of borduursel -uitzoeken, en dan ook altijd iets lekkers met haar snoepen, flikjes of -pralines bij Sprecher, en soms in het gezellige kamertje achter, -taartjes eten. Ze was nu weer heel anders gekleed dan in September, -weer veel mooier, ze werd hoe langer hoe mooier. Ze had een donkergroen -rokje en lijfje met roodwollen voering van binnen, en een klein, rond -mutsje van hetzelfde groen. Over het lijfje een mooi, dik, zwart bont, -zoo warmpjes en glanzend over haar teere schoudertjes en haar borst, en -het haar droeg ze weer los, omdat hij daar zoo om gevraagd had. En dat -in de vredige, vertrouwelijke zachtheid van een stille -winterschemering, als in het Bezuidenhout de boomen zoo vreemd -mijmerend staan te droomen, met zacht gloeiend roze en teêr zeegroen en -licht violet en allemaal wondere, nooit geziene kleuren en tinten er -weifelend achter!—Het Meisje zoo warm en licht in den reinen, kouden -avond, als hier en daar al een ster begint te pinkelen boven de mat -gekleurde gele en roode huizen, en de lange lantarenrijen zoo -vriendelijk wenken en wenken! Wat was haar gezichtje rood en -zachtjes-gloeiend, wat was ze warmpjes en wèl onder dat lekkere, dikke -bont, en, het mooiste van alles aan haar, wat golfde dat fonkelende, -gouden haar er glorieus overheen, dat glanzende goud over glanzend -zwart! En wat was het gezellig warm in haar mofje! Hij stak daar zijn -rechterhand in, en speelde daar met haar vingers, en dan deed ze expres -haar handschoen er voor uit, kleine, brooze glacétjes, met een randje -bont er om.—Eens heeft hij er een gekregen, en lang, lang bewaard—het -is er nú nog, er is nog de indruk in van een fijn teêr kinderhandje—en -hoe klein was het in zijn groote handen! Somtijds liepen ze een heel -eind zonder iets te zeggen, alsof er nu niets meer te spreken viel, en -het zoo goed was in hun kinderlijke zielen, stil-gelukkig, zonder -behoefte om zich te uiten.—Thuis gekomen legde Corrie gauw haar boeken -weg en haalde Zor, een klein wit smoushondje, dat zijn avondwandeling -moest doen. En dan ging het om ’t vierkantje in ’t midden van de eerste -en tweede Van den Boschstraat, een groote tuin met een hek er om over -de geheele lengte. Er waren dan maar zelden menschen in die eenzame -straten.—Zij liepen dan zoo intiem-gezellig bij elkaar, dicht tegen -elkaar aan, en hij genoot van de warmte in haar mofje, en het zachte -van haar bont, tusschenbeide met zijn wang er langs aaiend. Somtijds -riep ze ’t hondje: „Zorrie! lieve Zorrie! kom dan bij ’t vrouwtje!” -precies zooals ze het hertje had geroepen in den Dierentuin, toen hij -haar voor ’t eerst zag. Ze kon dat zoo innig lief doen, met zoo’n -melodieus, hoog engelenstemmetje, dat hem wel eens de tranen in de -oogen sprongen en hij wist zelf niet waarom. En ééns zei hij, toen hij -den vorigen dag in Heine had gebladerd, dat, als hij eens dood was, en -zij bij zijn graf kwam en hem zóó riep, hij weer op zou staan om bij -haar te komen.—Maar dat vond ze akelig. „Foei, je mag niet dood gaan, -je moet altijd bij me blijven.”—Toch had het Jongetje er wel eens voor -willen doodgaan, alleen om het te probeeren. Hij zou heel graag eens -iets voor haar willen doen. Hij kon maar zoo heel weinig voor haar, en -dat hinderde hem zoo. Het eenige wat de moeite waard geweest was, was -dat hij een veel grooteren jongen van ’t Bezuidenhout, die haar eens -gestompt had, omdat ze niet met hem loopen wou, een jongen van zestien -jaar, een bloedneus en een blauw oog had geslagen en op de vlucht -gejaagd. Maar dat was toch niet zoo heel veel bizonders. Waarom kwam er -geen brand bij haar in huis, dat hij haar kon redden uit de bovenste -verdieping? Kon hij haar maar eens verlossen van roovers of wilden! Kon -hij haar maar eens uit het water halen, of een bloem voor haar plukken -in een vijandig land vol gevaren, of haar eer verdedigen in een -tournooi! En soms, als hij haar even een kus mocht geven, en haar -zachte, fluweelige wang tegen zijn gelukkige lippen voelde, dacht hij -wel eens, dat hij het eigenlijk nog niet verdiend had, en het nog niet -waard was.— - -Wat werd het nog véél, véél gezelliger toen het was gaan sneeuwen! Dan -liepen Paul en Corrie zoo gauw zij konden naar huis, en werd de slee -voor den dag gehaald. Corrie met het hondje er in, en hij duwen.—Hij -liep dan met zijn hoofd voorovergebogen, vlak aan haar oor te -praten,—het mooie, fijne oortje, dat zoo rozig onder het mutsje -uitkwam!—vlak bij haar zachte wangen, met haar warme, zijige haar -telkens tegen hem aanstreelend.—En dan liep hij heel ver het -Bezuidenhout uit, voorbij de Laan van Nieuw Oost-Indië, en dan links -af, een eindje het Bosch in. Het Bosch zoo statig-stil, met die hooge, -witte boomen, in den vrede van sneeuwen avondglans! Dan was zij een -beetje bang zoo geheel alleen, in dat groote, groote Bosch, en zij -leunde het hoofd achterover, om hem telkens goed te voelen, dat hij -dicht bij haar was. En hij moest haar wel eens geruststellen dat er -niets was, heusch, heusch niets was, maar bij zichzelven dacht hij: -„wás er maar iets, kwám er nu maar eens wat!”—Hoe heerlijk, haar te -kunnen beschermen, haar hulp en steun te wezen, haar tegen je aan te -voelen leunen, met haar teêr, warm, goudblond hoofdje! En wat lief werd -ze als het een beetje begon te sneeuwen, dan kwamen fijne witte -kristalletjes op haar mutsje neêrdwarrelen, en gingen er zoo héél, héél -zachtjes tegen aan zitten, en haar glanzend goudhaar kwam vol van die -witte bloemetjes, en haar zwarte bont werd witgespikkeld! Ze leek dan -wel de fee van het winterbosch, en wat tintelde alles aan haar, als ze -langs een lantaren kwam; ze was zoo schitterend van diamanten schijn! -En al die boomen zoo statig in het rond, met hun witte armen zoo -plechtig uitgespreid boven haar hoofd, als om het te zegenen! - -Nóg zie ik hem gaan, mijn Jongetje, nu ik dit schrijf, in zijn dikken, -blauwen ulster, met hooge kaplaarzen aan, en een bruine pelsmuts op, -een groote jongen al, wat tenger gebouwd, met ferme stappen achter de -slee, en het kleine Meisje, warmpjes in een deken, en zoo lekker in -haar bont gedoken, met haar hoofdje achterover leunende tegen zijn -borst en haar lange, lichtende goudhaar langs zijn jas, twee -lievelingen, zoo heerlijk alleen in het witte bosch, in den reinen -winterwind, twee mooie, gezonde kinderen die van elkaar houden. - -En met den winter kwam nog een andere, heerlijke dag in Paul’s leven. -’s Zondags morgens, om tien uur, moest Corrie naar de duitsche kerk, op -het Bleyenburg. Een heel intiem, klein kerkje, niets dan witte muren, -en hooge vensters met groene gordijnen, en de preekstoel, de banken, de -lichtkroon, alles heel gewoon, maar met een groote vertrouwelijkheid, -iets zoo veiligs en rustigs, dat het Jongetje er bijzonder op zijn -gemak maakte. Mannen en vrouwen zaten er door elkaar, en Paul zat naast -Corrie, op een der voorste banken. Hij was niet godsdienstig, en wist -nog maar zoo heel weinig van God, maar o! hoe dicht, hoe heel innig -dicht bij God was, onbewust, zijn zieltje als uit het orgel klaar -choraal omhoog ruischte, en het plechtig psalmgezang opklonk, met vlak -bij hem de heldere kindersopraan van het Meisje, zoo teêr en zwak nog, -maar zoo vroom en puur als het zacht uitzingen van een engel! Dan was -zijn ziel in zoo groote genade en volzaligheid onder die zilveren, -jubileerende stem, die er zoo vér, vér doordrong met lange, -zoet-vibreerende ademen... - -En dan, als de zwarte, ernstige gestalte in den preekstoel de handen -samenvouwde, met langzamen zwaai van zijne armen, en diep het hoofd -neeg, in gebed! Dan bogen alle hoofden der menschen, en de mannen -stonden op, eerbiedig. Dan stond hij naast Corrie, en zij bleef -roerloos zitten, het hoofd gezonken op de borst, de handen gevouwen op -haar schoot... En o! de vrome neiging van lijnen om haar ranke lijfje, -het deemoedige van dat biddende hoofdje, van het glanzend goud harer -lokken omschenen.... En die stilte, die plechtige stilte rondom, met -die ernstige, galmende stem van den prediker, boven de zacht-genegen -hoofden der menschen! - -En als hij dan neêrstaarde op het reine, biddende hoofdje van het -Meisje, waar haar teêre kindergestalte was neergebogen in zoo diepen -ootmoed, dan welden hem zacht de tranen naar de oogen, en was hij, -onbewust, zoo héél dicht bij zijnen God!.... - -En zóó ging het leven der kinderen rustiglijk door, met niets dat hun -lieven stoorde. De groote wereld liet hen met vrede, ze konden stil hun -gang gaan, en hun leven werd niet gemoeid door anderen. - -Maar één avond, één heilige, heerlijke winteravond was de mooiste van -allen. En ik weet niet in mijn eigen menschenleven een avond, ook zelfs -één moment niet, van zoo hooge, goddelijke wijding. - -Het leek maar zoo heel eenvoudig, een lief incidentje tusschen twee -kinderen.—Hij moest ’s avonds een heel moeilijk algebra-vraagstuk -uitwerken bij een vriend, die in de Rijnstraat woonde. Dadelijk na het -eten, om zeven uur, moest hij er heen. En toen hij na de school zijn -lieveling naar huis bracht, had hij haar gevraagd, hoe laat ze naar bed -ging. - -„Soms om negen uur, soms wel eens half tien,” had ze gezegd. - -En hij: „Denk je wel eens om me als je naar bed gaat?” - -„—Ik denk altijd dat ik je morgen weer zien zal, en dat is zoo’n -prettig idee voor me. Dan doe ik mijn gebed en kruip er lekkertjes in. -Doe jij ook een gebed voor je gaat slapen?” - -Maar dat was het Jongetje alleen geleerd, toen hij heel klein was.—Zijn -ouders waren niet godsdienstig, er werd nooit gebeden in huis, en nooit -over God gesproken. En Paul antwoordde dus maar niet op de vraag, hij -durfde niet goed te bekennen, dat hij niet bidden kon.— - -„Zeg,” zei hij ineens, „ik kom om negen uur zoowat van Jan van Maere -vandaan, ik moet wat met hem gaan werken. Mag ik je dan even goeien -nacht komen zeggen? Het is toch zoo vlakbij, alleen maar het eindje van -af de Rijnstraat. Kom dan even voor ’t raam, dat ik je nog éven zien -kan!” - -Hij kon haar zoo lief en vleiend iets vragen, en ze zei dadelijk van -ja, dat ze het zoo’n aardig plannetje vond, en ze heusch zou komen. - -Hoe gauw ging die avond bij Van Maere voorbij, en hoe vlug was het -moeilijke vraagstuk opgelost! Precies om negen uur kon Paul weggaan, en -ging hij het Bezuidenhout op. Wat was alles wit en puur en rein! De -sneeuwen grond lag zacht te glanzen in het manelicht, en hoe blonken de -witte daken van de huizen, en hoe stil, o! hoe stil stonden de witte -boomen met hunne takken zoo roerloos uitgestrekt! Wat was er in de -lucht voor een nieuwe, wondere schijn, en wat was er in het maanlicht, -dat het Jongetje op eens zoo ernstig en eerbiedig werd, alsof er iets -heel heiligs zacht naar hem toe was gekomen, waar zijn ziel van beefde? -Nooit had hij zich zoo vreemd bewogen gevoeld. Hij bleef even staan, en -keek om zich heen. Niets dan stilte, en eenzaamheid, alleen heel in de -verte kwamen menschen aan.—Alles was wit, wit, wit rondom.—De -lantarenlichten rijden pinkend weg, en schenen één fijne streep licht -in de verte.—De statige huizen, de stille boomen, de sneeuw zoo -zacht.—En aan den lichtblauwen hemel de sereene sterren, en de ronde, -blanke maan.—Dat was al van vroeger, al meer gezien, en welbekend. En -toch, er was iets, wat was er...? En het Jongetje ging peinzend door. - -Nu, in de Van den Boschstraat, aan den overkant van de huizenrij gaan -loopen, langs den muur van den tuin in het midden. Daar is het.... -nommer tien is het derde huis voorbij de tweede lantaren.... Wat zijn -al die huizen stil en rustig! Ze schijnen te slapen. - -Beneden is alles dicht. Kijk, er is licht op in haar kamer. Het eerste -raam boven de voordeur.—Het witte gordijn is verlicht. Nu maar bij dien -boom gaan staan, en wachten, wachten.... O! haar éven, éven zien.... -Zoú ze komen, zoú ze komen....? Ja, ze heeft het beloofd.... - -Wat is het stil!... wat is alles wit en rein en rustig.... En wat is -het manelicht zoo mooi.... - -Waarom komt ze nu nog niet?.... Ze doet zeker haar gebed.... Haar -gebed!.... Dan spreekt ze met God, met onzen Lieven Heer.... „Ik spreek -nooit met God,” dacht het Jongetje.... „maar ik spreek met háár, en ik -hoor nu eenmaal bij háár, en zóó, als zij ’t doet, ben ik er eigenlijk -óók bij....” - -Opeens, het licht weg. Het raam is donker. O! ze heeft het vergeten.... -Het Jongetje voelde zijn hart kloppen. ....Nog éven wachten, nog -éven.... Ja, kijk! weer een klein plekje licht op het gordijn.... het -wordt grooter.... - -En toen is het gebeurd. Zoo heel eenvoudig. En zoo heel groot, zoo -onvergankelijk.—Daar werd het raam weer lichter. Langzaam, langzaam -rolde het gordijn omhoog. En daar stond ze, o! hoe stond ze daar! Het -Meisje. Ze stond in haar blank nachtgewaadje. Een Meisje in een wit -hemdje, in manelicht. Ze hield in de eene, opgeheven hand een -kaars.—Hoe wit, hoe rein en kuisch was haar bloote halsje! Haar gouden -haar hing los, en golfde over haar schouders, over haar teere borst, -een stroom van heilig licht. Om haar hoofdje was het een glanzende -aureool. Ze stond blank en rustig als een stille engel. Hoe straalde -haar onschuldig maagdegezichtje van zoo wonderzoeten glans! Starende -naar beneden stond ze, bewegingloos, een bruidje van Onzen Lieven Heer, -een engel, zelf zoo licht, die uitziet in het donker buiten. Een -vreemde, witte schijn van hemelglans was om haar heen. Zacht beefde de -Ziel van het Meisje in die teere sfeer..... - -Het Jongetje stond zoo stil, zoo stil..... Hij wou wel groeten en iets -liefs doen, maar hij kon niet. Roerloos zag hij omhoog..... Zóó stond -hij stil, zoo stil.... in diepe, diepe vereering..... - -Tot eindelijk, ziet! er beweegt iets..... zachtjes wuift een wijde, -witte mouw..... en langzaam, langzaam valt het gordijn..... - -Toen voelde hij zijn ziel heerlijk opdeinen, als werd hij door de -golven van een eindelooze zee zacht opgeheven naar den hoogen, hoogen -hemel van maneglans en sterrenlicht. Een groote zaligheid van zoete -tranen welde op naar zijne oogen, hij vouwde de handen in gebed, en het -Jongetje weende zoo zacht, zoo heel zacht en vroom in den stillen -nacht..... - - - -Zoo was het goed, zoo was het goed, nietwaar, mijn jongen?..... zoo was -je ziel zoo gansch tevreden, en zoo zalig..... alléén dit, en niets, -niets méér.... Hoe zou het kunnen, méér... hoe zou nog ooit iets kunnen -komen boven dit, nog ooit iets kunnen stijgen boven dezen eindeloozen -vrede?.... Wat is er nog dat heerlijker kan wezen dan dit stille, -biddende aanzien?... O! Het pure, blanke beeld als, door haar reine -engelenlichaam, der Liefste Ziel zoo gansch rustiglijk heenschijnt, in -allerzuiverste essence!... Hoe zou nog ooit één ding bestaanbaar zijn, -een ding van leven of verlangen, waarbij dit heilige symbool verbleeken -kan van het allergoddelijkste in ’t groote leven: een Maagd zoo kuisch -en rein, in zulk een blank gewaad?... Het stille aanzien, de handen -gevouwen, het roerloos, zwijgend bidden voor der Liefste Ziel... dit is -genoeg, en niets kan nu meer komen... laat niets nu ooit nog komen, dat -die zoete rust verstoort... dít is het allerhoogste, en de grootste -Godsgenade, de kuische contemplatie van de Liefste, als haar Ziele -heenschijnt door haar blanke leden, gelijk het reine maanlicht door de -witte wolken droomt..... Ach, kon je mij maar hooren, mijn jongen, je -zoudt gelukkig zijn.... Want nú weet ik het, o! ik weet het zoo sterk -en zeker, niemand heeft ooit het Meisje gehad dan jij, mijn brave, -niemand heeft ooit de ziel van het Meisje gezien, toen de misère van -het Leven nog niet de groote, duistere schaduw had geworpen over haar -maagdelijk hoofd..... - - - - - - - - - -VII. - - -Tot nu toe was alles zoo vol licht en blijde zon, en de dagen gingen -zoo zorgeloos voorbij, in altijd nieuwe vreugde. Het Jongetje liep maar -te genieten, en dacht niet, want alles ging vanzelf zoo goed. - -Maar nu moet ik van heel droeve tijden gaan vertellen, al voel ik mij -bang nu ik begin, zoo bang, alsof ik alles zelf nog eens moet gaan -beleven, wat nu gebeuren zal. En het is alles de schuld van het -Jongetje zelf, dat is het ergste nog. - -Paul was niet meer op school de vlugge baas van vroeger, die altijd -nommer één zat. Hij was zoo vol van het Meisje, dat hij al het andere -vergat. Bij de les lette hij niet op, en thuis werkte hij niet. Hij -wilde wel, en probeerde telkens en telkens, boven, alleen op zijn -kamertje. Hij ging er voor zitten, met al zijn boeken, en in ’t begin -vlotte het ook wel. Maar o jee! dan kwam het blonde hoofdje van het -Meisje uit de boeken kijken, en hij wist niet meer van lijnen en van -hoeken en van cijfers, hij leunde met het hoofd op de armen, en -droomde, droomde...... - -Het was heel liefelijk wat hij droomde, heel goed en rein. Het was zoo -mooi, het zachte engelengezichtje, dat daar in die droomen lichtte, en -o! hoe gaarne gaf ik van mijn beste weten om nog ééns met zulke reine -oogen als het Jongetje in zoo groote puurheid naar dat maagdelijk -schoon te zien.... - -Maar het was heel dwaas en ongehoorzaam van Paul, hij was al veel te -groot om niet wat wijs te wezen, en zijn belangen te begrijpen, en zijn -plicht als zoon, en nog zoo heel veel dingen meer. Het is hem alles -later zoo goed voorgehouden en zoo bitter weinig kon hij er tegen -zeggen. Hij is een domme en dwaze jongen geweest; pas véél later heeft -hij geweten, wat hij zich zelf daarmee heeft aangedaan. - -En nu wilde het toeval dat, door den dood van een leeraar in het -Nederlandsch, opeens een nieuwe meester voor de klasse kwam. Mijnheer -Van Raavendonk had nog maar weinig routine van met jongens om te gaan, -en stond vreemd en verlegen te doceeren. En binnen enkele dagen was de -klasse in vollen opstand, zoodra hij de deur maar achter zich gesloten -had. Hij was een groote, lange man, met iets vreemds in zijn verlegen -gezicht, en hij had rood haar, en hier en daar een puist.—En „de rooie” -werd het mikpunt van alle laffe, wreede kwâjongensgrappen, die de -jongens, ook de beste, vanzelf beginnen, als uit instinct, zoodra zij -zien, dat hun leeraar bang voor hen is.—De les werd een concert van -fluiten, brommen en gillen, en de toestand kon op den duur zoo niet -blijven. - -De directeur hield een toespraak in de klas, en waarschuwde de jongens, -dat hij een voorbeeld zou stellen, en den eerste den beste, die zich -weer misdroeg, van de school zou verwijderen. - -En zoo gebeurde het, dat op een Zaterdag vier jongens toch weer moesten -terugkomen om één uur ’s middags, om tot vier uur strafwerk te -schrijven. Zaterdagmiddag, een vrije middag, de eenige in de week sinds -met de tweede klasse ook de vrije Woensdagmiddag was verloren! Maar er -was niet aan te doen. En Paul zat met zijn drie kameraden treurig in -het triestige lokaal, met saai copieerwerk voor zich. En buiten wachtte -Corrie in den Dierentuin, niet begrijpend waarom hij toch niet kwam, en -zeker vol verlangen uitkijkend aan den ingang!.... - -Toen is er in de jongens een wanhopig idee opgekomen. Zij zaten in een -bank dicht bij de deur, en de leeraar aan ’t andere einde van ’t -lokaal, erg verdiept in corrigeerwerk. Stil, stil schoven zij naar de -deur, en opeens, allen met dezelfde impulsie, de deur uit! Maar juist -toen zij er uit waren het woedende opstaan van den leeraar, een stoel -hard omver.... Piet van Kemper, bang, en éven ziende dat de sleutel van -buiten stak, de deur op slot.... En toen allen, haast je rep je, naar -beneden, en op straat. De portier was aan het andere einde van de -school, en zou dus wel vooreerst het kloppen van den opgesloten leeraar -niet hooren.... - -En den volgenden dag kwam de directeur voor de klas, en zeide, dat de -jongen, die de deur gesloten had, zou verwijderd worden.—De heer van -Raavendonk was eerst om half vijf uit zijne opsluiting verlost. En het -verschrikte Jongetje, dat nu pas de portée begon te begrijpen van wat -ging gebeuren, werd door den directeur uitgekozen om voor de anderen te -boeten. Alleen als hij wilde zeggen, indien hij onschuldig was, wíe dan -schuld had, zou hij mogen blijven, werd hem nog gezegd. - -Maar het Jongetje had veel te veel in de ridderromans en in de boeken -van Aimard gelezen om dat te doen. Een kameraad verraden, dat doet -zoo’n Jongetje nu eenmaal niet. En Piet van Kemper zweeg, en sloeg de -oogen neer.... Dat was misschien veel verstandiger van Piet.—Maar ik -ben nog altijd heel blij dat Paul het niet heeft willen zeggen, en geen -verrader was. Want dan zou hij toen al niet meer het Jongetje zijn -geweest. En zoo gebeurde het, dat ’s avonds, toen de familie Waerens -juist had gegeten, de brief kwam van den directeur, waarin werd kennis -gegeven van het gebeurde. - -Dom, dwaas mannetje! Nu gaan ze je van ’t Meisje wegnemen, en wat moet -er dan van de twee inséparabeltjes worden?— - -Paul verwachtte dat er iets verschrikkelijks zou gebeuren, dat zijn -vader woedend zou bovenkomen, en hem hevige verwijten doen, en dreigen, -misschien wel slaan. - -Maar er gebeurde niets.—Alleen werd de sleutel van zijn kamer -omgedraaid, en mocht hij niet uit. Het eten werd door de meid -binnengebracht. - -Hoe eenzaam zat daar het Jongetje, en hoe klein leek hem opeens zijn -kamer! Hoe lang, lang, lang duurden de dagen. Zelfs mama kwam niet. Hij -hoorde haar loopen in de gang. Hij riep door het sleutelgat „Moesje! -moesje!” Maar zij kwam niet. - -Dat duurde drie dagen. Het Jongetje was een uitgestooten wezentje, -ergens alleen in een hoekje, waar niemand om gaf. En hij voelde alsof -het in hem van binnen, waar het zoo groot was geweest, nu weer alles -ineenkromp. - -Den vierden dag ’s ochtends vóór het ontbijt, kwam zijn moeder binnen. -Zij zag bleek, en had zeker veel gehuild. Het Jongetje vloog haar -tegemoet, wilde haar kussen en vergeving vragen. Maar zij weerde hem -zacht af. - -„Je hebt ons zooveel verdriet gedaan, dat je me niet meer kussen mag -voor je weer een brave jongen bent geworden,” zei ze. „Je mag nu weer -uit, maar vandaag een week ga je naar Schotevelde bij je oom Cateur. -Papa wil je niet langer in huis hebben, en je moet de Hoogere -Burgerschool afloopen. Je moet nu maar eens in die week overdenken, wat -je gedaan hebt. Neen,.... je behoeft nu niet lief te doen, en niet te -huilen, want dat helpt niets.... alleen als je het bij oom goedmaakt, -en heel goed leert, mag je me weer kussen.... - -En zij keerde zich haastig om, en was weer weg. Het Jongetje wist niet -dat zij papa had moeten beloven, zich zoo koel en streng te houden, en -dat zij alleen met groote moeite de tranen weerhield, die in haar oogen -stonden, en den lust bedwong om haar jongen in de armen te sluiten en -te troosten. - -Hoe arm en bleekjes stond daar het Jongetje. Zijn hart bonsde en -bonsde. Met een vreeselijken slag op zijn hoofd, op zijn hart, op heel -zijn levende lijf kwam het plotseling over hem: - -„Ik moet van Corrie weg!” - -Hij dacht niet eens om moeder, en om zijn huis. Hij dacht alleen om -Corrie. - -Van Corrie weg! Maar dat kon niet! Dat mocht niet! Dat zou niemand -kunnen doen! Dat zou onze Lieve Heer niet eens kunnen doen! Dan ging je -dood, allebei. Hoe zou je nu alléén kunnen leven, verbeeld je, alle -dagen haar niet zien, niet bij haar zijn!—Waar is dan het licht en de -warmte? O! wat moet het dan donker, akelig donker zijn, en zoo leêg, -zoo leêg.... - -Het was gelukkig Woensdag. Nu om twaalf uur naar Corrie, en haar alles, -alles vertellen.—En precies op tijd stond hij op zijn post, op het -hoekje van de Vlamingstraat en de Groote Markt. - -En het Meisje had ook al treurig nieuws. Grootmama Wallaert had in den -laatsten tijd al zoo tegen haar mama geknord, dat zij Corrie maar zoo -altijd met een jongen liet loopen. Dat stond niet, had grootmama -gezegd, en Corrie begon nu al zoo langzamerhand groot te worden, en de -menschen praatten er over. En eergisteren was grootma ’s middags weer -gekomen, en had verteld, dat Paul Waerens van school was gejaagd, en -dus zeker een slechte jongen was, en dat Corrie nu niet meer met hem -mocht omgaan, en dat het nu uit moest zijn, anders zou zij er met papa -over spreken. Wat zou tante Van Meeden wel zeggen, van de -Surinamestraat, en nicht Wallaert van Hoogland van het Voorhout, die -hofdame was van de koningin? Er was al over gepraat in de familie. En -grootmama had ook háár, Corrie, apart bij zich aan huis geroepen, en -haar gezegd, dat het niet te pas kwam, zoo maar overal met een jongen -te loopen, en dat het nu heelemaal niet meer mocht met Paul, want hij -was een gemeene jongen, die uit de school was weggejaagd. En ze had -grootmama moeten beloven, het nooit meer te doen. - -„En heb je het belóófd?” vroeg Paul, angstig. - -„—Ik moest wel,” zei Corrie, een beetje beschaamd.— - -Toen voelde het Jongetje een steek in zijn hart en zag haar verwijtend -aan, dat zij hem zoo pijn kon doen, zij, die hem het liefste was van -alles op de wereld. - -„Maar ik doe het toch,” zei Corrie er gauw bij. „Ik kan je toch zoo -maar niet in den steek laten.... en ik hoû veel te veel van je.... we -zullen er wel iets op vinden, hoor.... We zullen nu wel niet meer naar -den Dierentuin kunnen, maar dan maar ergens anders, waar ze ons niet -zien.... Maar pas op, ga nu gauw weg.... daar is de knecht van -grootmama.... ze heeft hem zeker uitgestuurd om eens te kijken....” - -En weg was ze, naar de overzijde van de straat. Paul, om haar te -helpen, ging een winkel in. - -Dit is de eerste keer, dat het Jongetje het liefste en beste van zijn -ziel heeft moeten verbergen, alsof het iets leelijks was, en de eerste -keer, dat het Meisje van hem is weggeloopen. Toen is ook voor den -eersten keer het vijandige van de wereld tegen wat heel goed is en -eenvoudig tegen hem in gekomen, en is hij er voor teruggegaan, alsof -het zonde en schuld was, te aanbidden wat mooi en rein is.... - -Het werd nu heel moeilijk om Corrie te zien. Zij werd bespionneerd door -haar deftige grootmama, die zoo op het fatsoen van de familie was -gesteld. Toen begreep hij het nog zoo niet, maar later heeft hij dat -fatsoen van heel nabij teruggezien, en door en door leeren kennen!.... -Nu eens was het de knecht, dan weer de juffrouw van gezelschap, en ook -wel grootmama zelf, die in de Vlamingstraat wandelde als de school -uitging, of ook wel verder, op de Heerengracht, of het Bezuidenhout. - -En zoo gingen de dagen voorbij.—Hij kon maar niet bij het Meisje komen. -Hij kon haar alleen maar in de verte zien, en o!—hoe klopte dan zijn -hart van groot verlangen! Thuis was alles streng en koud geworden. Papa -sprak in ’t geheel niet tegen hem, en mama maar heel weinig. Was zij -dan zijn oude, lieve moedertje niet meer?..... Kon alles dan maar zóó -ineens veranderen?.... Had hij dan maar liever een verklikker moeten -zijn, en zijn makker verraden?.... Hij begreep er niets meer van, en -was heelemaal in de war, het Jongetje.... En dan liep hij, smachtend om -wat liefde en vriendelijkheid, het huis uit, om een laatste -toevluchtsoord bij Corrie. Maar daar liep de knecht of de juffrouw, die -moesten zorgen voor het fatsoen, en het Meisje durfde niet naar hem toe -te komen.... - -En zoo werd het Donderdag. En ’s Zaterdags zou hij weggaan! Toen -schreef hij een briefje, dat hij door Wies, een vriendinnetje, aan -Corrie liet geven. - - - Lieve, mooie Corrie. - - Ik smeek je, kom toch morgen om half twee voor den Dierentuin. Het - is wel school, maar toe, blijf voor mij dan eens weg. Het is de - laatste keer, ik moet Zaterdagmorgen weg. Er is niemand lief tegen - me. Ik mag niet eens mama een kus geven. Als je niet komt wil ik - dood zijn. Ik ga heusch dood als ik weg moet zonder je nog eens te - hebben gekust. Ik doe niets als huilen. Denk om de parkietjes. - - Je innig liefhebbende Paul. - - P.S. Je zult komen, ja ik weet het zeker, je zult komen. Je kunt me - zoo niet alleen laten. Dit briefje zit vol kussen voor je.— - - -Dien dag was het Jongetje heel stil. Hij heeft aan tafel van niets -gegeten.—En na het eten is hij dadelijk naar bed gegaan. Daar heeft hij -liggen wachten en wachten tot het morgen werd, met al de reliquietjes -van ’t Meisje onder zijn kussen, een lok haar in een roze envelopje, -een handschoen, een pakje briefjes, en vier lintjes van om haar hals, -die ze hem gegeven had.... Zoo’n groote, groote schat voor zoo’n -Jongetje! - -En om één uur precies stond hij den volgenden dag al voor den -Dierentuin op de brug te wachten. Het was koud, en het vroor een -beetje, maar de lucht was helder. Als het eens erg gewaaid en gesneeuwd -had! Hij was eerst naar de stad geweest om in de Veenestraat een broche -voor Corrie te koopen, een blauw porseleinen duifje op goud, en in de -Schouwburgstraat was hij in den albumwinkel een paar gedroogde -Edelweiss-bloemen machtig geworden, op mooi papier geplakt. Dat waren -bloemen, had hij gelezen, die hoog in de bergen groeiden, en die het -symbool zijn van vlekkelooze onschuld, van altijd door blank en rein -blijven, de bloemen van het edele wit.... de bloemen van ’t Meisje.... - -Wat stonden de boomen van ’t Bosch weer mooi! Ze waren wèl kaal, maar -hoe fijn en gevoelig al die teere takjes, zoo roerloos uitgestrekt. En -wat stonden de huizen klaar en gelukkig in het heldere -wintermiddaglicht! Er was iets in de lucht, alsof ze wel komen zou.... - -En ja, daar kwám ze, daar kwám ze. Dat was het groene manteltje in de -verte, dat was het mooie rood van de flanellen voering als het even -opwoei.—Ze had hem niet vergeten. Daar is het Meisje weer voor het -Jongetje gekomen. Ze kon hem zóó niet laten weggaan. En ze was alleen, -heel alleen. Geen knecht, geen juffrouw achter haar, en geen fatsoen. -Het Meisje van altijd vroeger, met alleen haar liefelijk, teer -maagdelijfje, daar komt ze aanstappen op haar zweefrythmusje van -dansende pasjes. Dat is het oude Meisje weer van vroeger, dat bij het -hertje kwam.... - -„Dag Paul, dag lieve Paul! daar ben ik weer,” riep het mooie -sopraantje, „wees nu maar niet bedroefd, hoor, ik mag weer bij je -zijn.... ik heb gisteren alles aan mama verteld, en ik heb haar je -briefje laten lezen, en ze vindt het goed dat je geen verrader wou -zijn, hoor.... en nu mag ik den heelen middag bij je zijn, en grootmama -zal er niets van weten.... Wat zie je bleek, heb je zoo’n verdriet -gehad?.... Ben je nu niet blij dat ik er weer ben?....” - -Of hij blij was! - -Kijk, daar stond ze immers weer voor hem, met het vriendelijke -gezichtje, en haar blauwe, zachte oogen, en haar wangen, en haar -lippen, en haar wit halsje, en al haar glanzende gouden haar. Daar -waren haar schoudertjes weer, en haar éven, teer welvende borstje, en -haar handen, en haar kleine voeten en alles, alles van haar. En het was -van hém, van hém, van niemand anders. Het kon nooit van een ander zijn. -Het hoorde bij hem, evengoed als zijn eigen hoofd, en zijn handen, en -zijn voeten. Het hoorde allemaal bij zijn eigen ziel. Hij kon weggaan, -en ver van haar af zijn, maar het kon toch nooit verloren zijn, het -moest toch ééns weer terugkomen, dat kon niet anders.... - -En het Jongetje klaarde weer op, en lichtte van den ouden, blijden -glans. - -Ze zouden niet naar den Dierentuin gaan, daar moest grootmama eens -komen, met dat mooie weer. Neen, ergens waar ze heel alleen waren en -niemand konden tegenkomen. Naar Scheveningen, daar was nu niemand in -den winter. Om twee uur ging er een stoomtrem van de Rijnstraat, die -konden zij nemen.—Dus hier maar even wachten. - -De trein was leeg. Nu in de eerste klas, voor dezen keer, hij had nog -een oud abonnementje van den zomer, van mama. Wat gezellig, op die -zachte banken, en de deuren toe, en nu de gordijnen achter en voor -uitschuiven. Zoo zag niemand je. Zoo heel lekker in een hoekje, dicht -tegen elkaar aan, warmpjes, als de inséparabeltjes op het stokje. - -En nu al het leed vertellen. Corrie was ook erg verdrietig geweest. Ze -was wel bang geweest voor grootmama, en had niet durven komen, maar -dacht je dat ze niet heel bedroefd was geweest? Ze had ééns in haar bed -liggen huilen, en ook gisterenavond, toen ze mama had overgehaald, -waren de tranen alweer voor den dag gekomen. Ze zou hem niet vergeten, -hoor, ze zou altijd om hem blijven denken, en hem wel eens schrijven -ook, en nooit naar andere jongens kijken. Dáár behoefde hij in ’t -gehéél niet bang voor te zijn, hoor, hij wist wel dat ze maar van één -kon houden, en ze zou áltijd, áltijd zijn Meisje blijven, wát er ook -gebeurde.... - -Ze was nog nooit zoo lief tegen hem geweest, en zoo innig had ze nog -nooit met hem gesproken. Was het misschien ’t onbewuste zieltje van het -Meisje, dat zich uit intuïtie aan hem vast wou klemmen om toch vooral -goed en rein te blijven en nooit te veranderen in ’t Leven, dat nu -aankwam?.... - -En wáár, absoluut oprecht en wáár was alles wat het Meisje toen gezegd -heeft, dit weet ik vast en zeker, als ik mij in stilte neig over mijn -ziel; en vèr, vèr in mijn herinnering hoor ik vaag de reine stem, -zooals die daar nog zachtkens, zachtkens doorzingt.... - -Al het verdriet was nu weer vergeten. Corrie zou immers altijd van hém -blijven al was hij weg! Dat was in de boeken toch ook altijd gebeurd, -daar waren ze somtijds wel jaren en jaren van elkaar, en hun liefde -werd juist grooter en grooter. - -De trouw van twee lievelingen komt pas uit in de beproeving. Misschien -was het wel goed om eens gescheiden te zijn. Hij kon nu toonen, dat hij -een echte, trouwe ridder was, hij kon nu goed, flink leeren, en heel -knap worden, en dan terugkomen, als hij het verdiend had. Je mocht er -toch heusch wel wat voor doen. Het was eigenlijk wèl wat véél geweest, -om al dien tijd zoo heel gelukkig te zijn zonder er iets voor gedaan te -hebben.... - -„Nu moet je heel dapper zijn,” zei Corrie, „en niet meer zoo treuren, -hoor! Je gelooft me wel, hè, en je vertrouwt toch wel op me?” - -En nooit heeft het Jongetje iets zekerder geloofd. Wat die reine stem -zeide met haar zoet geluid kon immers niets dan heilige waarheid zijn! - -In Scheveningen waren ze heel alleen.—Het Badhuis en de Galeries, ’s -zomers zoo vol, stonden eenzaam, alsof daar niemand woonde.—Nu gauw -naar boven, tegen den wind in, naar het terras. En kijk! daar is de -zee! - -O! Hoe eindeloos groot was de zee! Was dit de kalme, zachte, van in den -zomer? Met hooge, grauwe golven stormde de zee wild aan, en sloeg met -sombere, doffe slagen op het verlaten strand.—En zwaar-sonoor galmde -een bang gezang uit de wijde, wijde woeling. - -Het werd stil in de zielen der kinderen. - -En Paul trok haar zachtjes mede naar beneden, naar het strand.—Er was -maar weinig over, de zee stond veel verder dan ’s zomers. Zij moesten -door de mulle duinen, want de houten trapjes waren weggenomen. Er waren -geen tentjes, geen stoelen, geen koetsen. Het strand was eenzaam en -stil. Hoe groot, hoe rustig rezen de duinen in de verte! Hoe zuiver en -puur was alles nu, met niets slechts, overal hooge, strenge waarheid, -de zachte duinen, de ruischende zee, het eenzame strand! En de ernst -van dit waarachtig schoone kwam over het Jongetje en het Meisje. - -„Hoor, hoor,” zei hij zachtjes, „is het niet of het je iets zeggen wil? -Maar ik weet niet wat... ik heb er vroeger ook zoo dikwijls naar -geluisterd, maar ik begrijp het niet.... En toch is het iets.... hoor -jij ’t niet?....” - -Zij luisterde, met de hand aan een oor, en boog voorover. Hoe klein en -frêle stond ze daar, zacht luisterend kinderfiguurtje, voor de groote, -groote zee.... - -„Het is zoo mooi, het is zoo mooi, Paul,” antwoordde zij,..... „maar -het is te groot..... je wéét niet wat het zeggen wil.... ik word er -bang van als ik er lang naar luister....” - -—„Ik ben niet bang,” zei Paul. „Het is of er daar, ver, ver, ergens een -land is waar het heel goed is en heel mooi.... en het is of ze ons -roepen.... O! Ik zou nu wel met je weg willen, daar over de zee, en -nooit meer terugkomen.... Heel alleen op een eiland met jou, altijd bij -elkaar, en overal in het rond de golven die zoo zingen....” - -En ze bleven nu zwijgend doorloopen. Hij had zijn arm om haar heen -geslagen, en zij leunde het hoofd tegen hem aan. Ze bleven maar -luisteren naar de zee, en ze hadden langen tijd niets te zeggen, zoo -innig waren ze toen één. Niets was op het strand te zien dan hun teêre -gestalten, dicht tegen elkaar, zoo klein, zoo klein in dat groote álom! - -Het is of ik ze weer zie gaan, zooals toen. ....Hoe groot zie ik nu dat -strand, zoo ver, zoo ver, met die duinen rijzend en dalend!.... En hoe -eindeloos de zee, kijk, hooge, hooge golven, grauw met wit, overal, -overal komt het aan, met wilde, breede deining, hier, en daar, en -ginds, en vér, en vér. ....Het heeft geen einde, en het is eenzaam, en -het is onvergankelijk groot.... En daar ergens, heel teer, twee -kindergestalten, zoo zwak en verloren in dat groote, een heel klein -gelukje, zoo broos, zoo broos.... - -Ze hebben daar heel lang geloopen, en nooit hebben ze zooveel van -elkaar gehouden, hun jonge zielen spreidden zich uit, wijder en wijder, -met die eindeloosheid voor hen. - -Corrie werd het eerste moe. Er was in de duinen zand in haar schoen -gekomen, en er waren fijne steentjes bij. Haar voet deed pijn. Even -gaan zitten en de schoen uit doen, ginds bij dat duin.—Mocht hij haar -even helpen? Wat een kleine laarsjes! Daar zou hij niet in kunnen. -Alles is toch zoo klein en teeder bij zoo’n meisje!.... Het schoentje -zat vol zand. ....Maar o, wee! nu is het nog niet weg.... er zitten -steentjes onder de kous, er was zeker ergens een gaatje in. ....En het -doet pijn.... Nu maar even de kous ook nog uitdoen.... - -Hoe voorzichtigjes deed ze dat! Haar rokje ver over het been.... en -daar is opeens een klein, klein voetje in het zand.... Zoo zacht en -witjes, wat een lief, heerlijk voetje, en wat fijne blanke -nageltjes!...... En het Jongetje, heel ondeugend, nam het in zijn hand -en kuste het af met grage lippen.... Het Meisje bloosde en deed of ze -boos was. En dadelijk was de kous weer aan. Ze was erg verlegen, en de -blos lag zacht-roze over haar hals. - -„Je bent verlegen! je bent verlegen!” plaagde hij. „Maar toch heb ik je -voetje gekust, hoor. Je hebt het kleinste voetje in het land, net als -Asschepoes.... Hoe kom je toch zoo mooi, er is géén meisje zoo mooi als -jij....” - -Zij lachte en zei dat hij altijd maar vleide. Ze wist heel goed dat ze -niet mooi was, hoor! Ze was net als een ander, een heel gewoon wichtje, -en niets bizonders. En hij meende er niets van, hij wist wel beter en -ze hield niet van complimentjes.... - -Maar heimelijk vond het Meisje het heel prettig, en ze wist heel goed -dat ze zoo mooi was. Dat kon ze heusch niet helpen. Haar spiegeltje had -het haar zoo dikwijls verteld, en dat spreekt altijd waarheid. - -Het was al laat geworden, bijna vier uur. Nu nog even blijven zitten, -hier tegen het duin. Wat heerlijk frisch in den wind! Alleen je -vingers, die worden te koud. Maar daar is Corrie’s mof wel goed voor. -Laat hij nu ook maar zijn handen er in doen. Ziezoo, nu is het warm. Is -het nu niet gezellig? „Is hij nu niet heel dicht bij haar, en is hij nu -niet bedroefd meer, is het nu goed?” - -Ja, nu is het goed.... nu is het heelemaal, heelemaal goed.... nu is -hij dicht bij haar, en haar hoofdje is op zijn schouder.... haar -zachte, zijige haar valt over zijn borst, het is goud, edel, glanzend -goud.... haar ranke lijfje is dicht tegen hem aan, en het is goed en -warm bij haar.... zacht gloeit het in hem van binnen van geluk... en -hoor, hier is haar stem, die zoete muziek is... - -Niemand is òm hen, ze zijn alleen, alleen met de rustige duinen, en het -wijde, eenzame strand, en de groote zee.... Wèl slaan de golven zoo -woest op het zand, met zoo somberen, harden slag.... Maar het is zoo -veilig en vertrouwd, en er is niets, wat hun kwaad wil.... - -Zóó is het goed, volmaakt, ganschelijk goed. Er is nu niets meer wat de -ziel van het Jongetje nog wil, alleen zoo, heerlijk bij haar zijn, -veilig tegen haar aan, met haar handen in de zijne, en haar hoofd tegen -zijn borst..... Een groote, zalige vrede is in hunne harten, dit is het -pure, maagdelijke geluk, dat eindeloos zacht is en stil.... En nu zal -het ook goed worden. Hij moet weggaan, en vèr van haar af, maar wat is -dat, een paar jaren?.... Het zal blijven, nooit zal het weggaan, want -dit kan niet sterven, dit geluk.... - - - -Het begon al een beetje donker te worden, toen zij met de stoomtrem van -half vijf naar huis reden. Zij waren zoo innig van elkaar vervuld, dat -zij stil hand in hand zaten, zonder iets te zeggen, tevreden, en zoo -veilig tusschen de dichte deuren, achter de groene gordijntjes. En voor -ze het wisten waren ze alweer bij de brug voor den Dierentuin. - -Nu hier uitstappen, en dan nog gezellig samen door het bosch, de -Maliebaan over. Het begint nu te schemeren. De boomen staan heel teer -en voorzichtig in het late licht, en hun roerlooze, naakte kruinen, zij -wachten en wachten.... Alle takjes komen zoo helder en duidelijk uit, -en alles staat zich zoo oprecht en eerlijk te geven. En zoo liepen de -twee lievelingen in het open, wijde Malieveld, met in het vierkant de -rijen statige boomen die hun innigste pracht uitspreidden in de kuische -schemering. Een vaag rood bloosde zachtjes in het Westen.... En de ziel -van het Jongetje was tevreden en gerust. Alles was goed en zou goed -blijven. Alles wist het, dat hij nu éénmaal hoorde bij het Meisje. De -zee wist het, en de duinen, en ook het bosch. Zij hadden alles van zijn -zoete liefde gezien en begrepen. O! Hoe zeker wist hij het, zoo in het -zacht-eerwaardige licht van de schemering, met al die stille, wachtende -boomen, en het teeder opdroomende rood daarginds, het was alles goed, -en altijd zou het goed blijven.... nooit, nooit kon het verloren gaan, -en het zou eeuwig leven.... - -En toen zij voor haar huis stond was hij niet eens meer bedroefd en -opgewonden. Hij vroeg haar alleen nog heel zacht, en al zéker van wat -zou komen: - -„Dus zal je altijd aan me denken, Corrie?.... zal je me nooit, nooit -vergeten?.... En als ik met de vacantie terugkom ben je mijn lieve -Meisje weer van vroeger?....” - -Kijk ze nu liefderijk, innig zacht met haar mooie, onschuldige -maagdegezichtje naar hem opzien, kijk nu die reine, blauwe engelenoogen -eerlijk en oprecht in de zijnen staren! - -„Ik zal je nooit vergeten, dat weet je wel.... ik heb je beloofd dat ik -een heel trouw meisje zal zijn.... en je weet wel, al had ik niets -beloofd, hè, ik zou immers toch nooit van een ander kúnnen houden!.... - -En hij, smeekend: „En krijg ik nu een kus?”—Zij had hem nog nooit een -kus gegeven. Hij had wel háár gekust, maar zij had hem nog nooit een -zoen teruggegeven. Ze was zoo’n deftig jong dametje altijd! - -Gelukkig, dat de straat zoo eenzaam was, zoo heelemaal aan ’t einde van -de stad! Alleen in de verte, aan den Boschkant, was de lantarenopsteker -met zijn lichtje. - -„Dag, beste Paul!” zei ze innig, met haar lief sopraantje zoo -vriendelijk als het nog nooit geweest was, „daar heb je je kus, hoor!” - -En haar zachte, reine lippen, waar haar maagdelijk zieltje op beefde, -kusten kuisch zijn mond.—Hoe sterk en groot en uitverkoren voelde hij -zich! Toen nam hij zijn hoed af, zooals hij altijd gedaan had als hij -haar goedendag zeide, en boog diep, in grooten eerbied. - -En resoluut, zonder dralen, ging hij heen. - -Een kus! Een kus van háár!—Nu moet je ook dapper en geduldig zijn, -dacht hij. Nu moet je er ook een heeleboel voor doen en als het kan een -heeleboel lijden, eer je weer zoo’n geluk verdiend hebt! - -En hij verlangde bìjna om nú al weg te zijn, om nú al dadelijk te -beginnen, en te toonen dat hij nu wel jaren, jaren verdriet zou willen -hebben en heel alleen zijn, om dan eindelijk nog weer één zoo’n kus te -mogen halen. Laten ze hem nu thuis maar negeeren, laten ze nu maar -niets tegen hem zeggen, laten ze maar veel leelijks tegen hem doen en -hem erg slecht vinden. Laat hij nu maar asjeblieft ergens komen, waar -ze hem slecht behandelen en geen eten geven, en koû laten lijden. O! -eindelijk zou hij dan toch iets kunnen doen om haar te verdienen. Hoe -gemakkelijk zou hij alles dragen! Want had zij hem niet gekust, het -liefste, mooiste meisje van de hééle wereld, en was het niet van hém, -van hem alléén, het reinste, blankste, heerlijkste wat bestond? - - - - - - - - - -VIII. - - -Den volgenden dag was hij in Schotevelde. - -Het was heel anders gegaan dan hij verwacht had. Mama was weer -heelemaal goed met hem geworden, en had hem alles vergeven, en hem -afgekust. Zij was hem ’s avonds nog komen toedekken, zooals vroeger, -toen hij nog kleiner was, en had allerlei lekkers in zijn koffer -gedaan, en een beurs met vijf gulden, een heele schat. Papa had heel -ernstig met hem gesproken, maar was veel zachter geweest dan vroeger. -Hij had hem gebracht tot Roosendaal, en hem daar in den trein naar -Schotevelde geholpen; hij had hem toen een kus gegeven, en heel -vriendelijk gezegd, dat zij nu voortaan goede vrienden zouden blijven, -als er maar flink gewerkt werd. - -Aan het station in Schotevelde was oom Cateur, de directeur van de -Hoogere Burgerschool, bij wien hij in den kost zou komen. Paul was -eerst een beetje bang geweest, zoo naar een directeur te moeten gaan, -en had hem zich voorgesteld als een nijdigen, grimmigen ouden heer. -Maar wat wás dat meegevallen! Wat een vriendelijk, prettig gezicht, zoo -heelemaal geen schoolfrik, zoo net een goede, oude oom uit een boek. En -tegelijk zoo knap, zoo of hij alles uit zijn hoofd wist. - -Toen zij thuis waren gekomen nam mijnheer Cateur Paul even apart, in -het spreekkamertje. - -„Hoor eens, Paul,” zei hij vriendelijk, hem met zijn goedige oogen over -den gouden bril heen aankijkend, „ik heb gehoord dat je in den Haag van -de school bent verwijderd, omdat je het daar te bont maakte. Je mama -heeft me alles geschreven, en ik weet overal van, hoor! Maar pas op dat -je me hier op school níet méér van die aardigheden uithaalt, want dat -zou je leelijk opbreken, en we maken hier korte metten. Je mama heeft -me ook van je meisje geschreven,—nou! krijg nu maar geen kleur, hoor! -het is niets verkeerds, en ik mág dat wel,—maar als je dat meisje nog -wilt terugzien in je leven, dan moet je hier niet den kwâjongen -uithangen, maar een flinke vent worden. Begrepen? Dat je zooveel van de -natuur houdt, en graag buiten bent, en dat je graag leest, dat doet me -plezier. Ik heb een heeleboel boeken en die mag je allemaal lezen. Maar -dat mag je niet verhinderen om ook te leeren, wat je nu minder prettig -vindt, en alles te doen wat de leeraars je opgeven. Je moet me beloven -om nu de studie voor je plezier te laten gaan, en je vooral toe te -leggen op de wiskundige vakken, waar je achterlijk in bent. Dan zullen -we goede vrienden worden, en je zult het hier goed hebben.—En als er -iets is wat je hindert of wat je niet begrijpt, ook al is het niet -direct van de school, dan kom je me maar vragen wat je wilt, hoor! -Nooit iets achterhouden of achter mijn rug doen, want dat vind ik -leelijk, en dan krijg ik het land aan je. Ziezoo, ik geloof dat we -elkaar begrijpen, hè?....” - -Dat speechje, met die zachte, vriendelijke stem, en die goedige oogen, -hem diep in de zijnen kijkend, maakte indruk op Paul. Dát was me nu pas -een directeur! Als de leeraars zoo allemaal waren! - -Mijnheer Cateur was weduwnaar. Zijn eenige zoon was in de Oost, en zijn -ongetrouwde zuster, een vriendelijk oud vrouwtje, nog ouder dan hij, -deed het huishouden.—Paul kreeg een heel gezellige kamer om te -studeeren, en een klein slaapkamertje. - -Toen hij den volgenden morgen aan het ontbijt kwam lag er een brief op -zijn bord.—Hij kreeg een kleur van blijdschap, maar durfde hem niet -openmaken onder ’t eten; dat stond niet. - -„Lees maar gerust eerst je brief, hoor! Je zult wel nieuwsgierig zijn,” -zei meneer Cateur met een lachje. „Wat een mooi roze envelopje!” - -En Paul deed gauw zijn brief open. Ja, hij had zich niet vergist! Hij -was van Corrie! En een lange, van bijna vier zijdjes, met haar mooie -lettertjes zoo wijd uit elkaar. - - - Lieve, beste Paul! - - Je zult wel erg bedroefd zijn en daarom maak ik gauw dat je wat van - mij hoort. Ik ben ook verdrietig. Nu je weg bent merk ik pas - hoeveel ik van je houd. Ik moet je zeggen dat ik je eigenlijk niet - schrijven mag want dat staat niet, zegt ma, en grootmama moest er - eens achter komen! Maar ik zal het toch nog wel eens stilletjes - doen. Als je weer terugbent houden we toch evenveel van elkaar. - - Toen je gisteren weg was, is er nog iets heel vreeselijks gebeurd. - Een van mijn sijsjes was dood. Ik heb hem in den tuin begraven bij - de parkietjes. Het was zoo moeilijk want de grond was zoo hard. Ik - lees de sprookjes van Andersen die zoo mooi zijn, heb je gezegd. - - Ik ga geloof ik niet meer naar den Dierentuin, want daar moet het - nu erg saai zijn als jij er niet bent. Ik kijk nooit naar andere - jongens, daar behoef je niet bang voor te zijn. En jij mag niet - naar andere meisjes kijken hoor! We gaan immers later samen trouwen - en dan gaan we in een mooi huis wonen en een grooten hond koopen - net als oom Frits. Maar dan moet je eerst heel knap worden en veel - leeren, zegt ma. - - Ik kan me nog niet begrijpen dat je weg bent en als ik naar school - ga denk ik altijd dat je op den hoek zult staan bij de Pooten. - Morgen ga ik met mama een nieuwe jurk koopen en ik ga blauw nemen - omdat je dat zoo mooi vindt. Het broche met het duifje zal daar erg - goed op staan. En de Edelweiss ligt in de sprookjes bij het - leelijke jonge eendje. Ik wou dat je maar weer hier was want ik - verlang zoo naar je en ik verveel me erg. - - Hè, gorrie, want heb ik een langen brief geschreven! Ik moet nu - naar bed, zegt ma. Ik laat Kaatje mijn brief nog even in de bus - doen om den hoek. Nu wel te rusten! Wees nu maar niet bedroefd - hoor, want ik houd toch zoo van je. Dag Paul! Slaap lekker hoor! - Dag! dag! dag! - - Je altijd liefhebbende Corrie. - - P.S. Je moet maken dat ik jou brief zoowat tegen den middag krijg - dan is pa uit. Ik zal toch nog wel eens stilletjes schrijven. Ik - tel de dagen tot je weer terug bent. - - -Paul had wel kunnen huilen van plezier, maar hij hield zich goed. Wat -lief van haar zoo om hem te denken! Wat een beste, goeie lieveling! Ja, -hij zou knap worden en veel leeren, o! zoo veel! Dat zou haar mama eens -zien. Er was zooveel niet aan, hoor, aan die Meetkunde en die Algebra. -Nu het voor háár was zou hij nog wel véél, véél meer kunnen. Het was -eigenlijk wel goed dat hij van haar weg was. Nu kon hij eens toonen wat -hij wel voor haar doen kon. Het zou nu wel goed gaan. - -En het gíng goed. Hij was er nú al heel gauw achter wat (a + b + c)² -is, en waarom het kwadraat van de hypothenusa gelijk is aan de som van -de kwadraten der beide rechthoekzijden. En nog een heeleboel dingen -meer. Hij begon er zelf meer plezier in te krijgen, nu hij niet meer -zoo altijd verlangde dat de les uit zou zijn, om naar ’t Meisje te -vliegen. Het werd nu langzamerhand veel rustiger in zijn zieltje. - -Het was héél zenuwachtig geweest al dien tijd met het Meisje, en hoe -langer hoe erger. Altijd maar verlangen en verlangen om bij haar te -zijn, en als zij er niet was werd hij zoo onrustig en klopte zijn hart -van begeerte dat de tijd toch maar vooruit ging! - -Maar nú was alles kalm en vlak in hem. Nu had hij er zich bij -neêrgelegd haar niet te zien, nu hij het beschouwde als iets wat hij -doen moest, om haar te verdienen. En hij kon met plezier zitten werken -aan allerlei moeilijke vraagstukken, iets wat hij in langen tijd niet -alleen had kunnen doen. - -Onder de jongens op school had hij geen intieme vriendjes. Ze vonden -hem te deftig, ze noemden hem het Haagsche heertje. Hij zag er altijd -zoo netjes uit, met manchetten en hooge boordjes. En de Schoteveldsche -jongens kwamen voor ’t grootste deel van de dorpen uit den omtrek en -vonden hem een fatje, wat hij misschien wel een beetje was. Meisjes -waren er óók. Wel aardige meisjes waren er bij. Maar Paul liep ze niet -na. Niet waar, als je Corrie eenmaal gekend hebt, hè? Dan is daar -immers geen kwestie van! Het léék er niet na! Één ja, die was heel erg -mooi; maar alleen omdat ze ook zulk lang blond haar had. Maar dat van -Corrie was natuurlijk véél, véél mooier. - -Toch was het altijd prettig om meisjes te zien. Want meisjes is ’t -mooiste op de wereld. Meisjes zijn nu eenmaal meisjes. En al heb je het -állermooiste Meisje wat bestaat, toch zijn de andere altijd even zacht -en lief en vriendelijk. En je bent blij als je er tegenkomt en je hoort -die heldere, hooge stemmetjes en je ziet die lachjes en al dat -grazieuze, teedere, aardige gedoe. Het blijft altijd iets om je hoed -voor af te nemen en diep voor te buigen. Het is zoo héél veel anders en -beters dan jongens. - -Schotevelde was een mooi stadje om te wandelen. Zoo anders dan den -Haag. Zoo alles Zeeuwsche natuur, wijde weilanden met runderen, en -hooge dijken, en polders. Je komt er weinig menschen tegen en je bent -alleen met je gedachten. - -En van Paul waren het al héél lichte en blijde gedachten! Dat was iets -nieuws, zoo heel alleen tegen zoo’n dijk te liggen, met vér en klein de -stad, lekker buiten, en dan zoo om haar te liggen denken. Wat ze nu -doen zou. Hoe ze er nu uit zou zien. Of ze ook aan hém zou denken? Ja, -natúúrlijk zou ze dat. Dat wist hij zeker. Misschien was ze wel in den -Dierentuin, het was Zaterdagmiddag. - -Altijd, altijd was ze bij hem.—Het Jongetje leefde wel ver van haar, -alleen, en de dagen gingen en kwamen, en hij leerde nieuwe dingen, en -voelde nieuwe indrukken, maar het eigenlijke, innige leven van het -Jongetje bleef hetzelfde. Daar veranderde niets aan. Het Meisje bleef -het groote heiligdom van zijn hart, dat waar hij voor leefde, en waar -hij voor bestond. Alles kwam toch maar alleen op het Meisje neer. Hij -werkte voor het Meisje. Hij leefde alleen om ’t Meisje later weer terug -te zien. Hij stond op en dacht dadelijk om ’t Meisje, hij zei trouw -iederen avond als hij slapen ging: „dag lieve Corrie! wèl te rusten -hoor!” en heel dikwijls droomde hij ’s nachts van haar. - -Wat een heerlijk leven moet dat voor ’t Jongetje geweest zijn! Ik weet -maar heel weinig van al de kleine dingen van zijn leven toen en van -zijn doen van alle dag, hoewel ik álles weet, precies, van vroeger met -het Meisje.—Alles van toen in Schotevelde schijnt mij zoo gauw te zijn -voorbijgegaan. Ik weet van wandelingen en partijtjes op een -boerenhofsteê en van roeitochtjes op het kanaal naar de Schelde. Maar -zoo precies, elken dag, zooals van vroeger toen hij met het Meisje -leefde, met heel duidelijk hoe toen de boomen waren en de luchten, en -alle dingen in ’t rond, zoo weet ik niets meer. Het was het groote -licht dat van het Meisje afstraalde, wat alles vroeger zoo intens deed -pralen voor zijn ziel, geloof ik. En nú in zijn eenzaamheid werden de -dingen zachter en flauwer, en met de dagen vervloden zij in zijn -herinnering. - -Maar één ding, het allergewichtigste, weet ik alleen vast en zeker van -zijn leven toen: dat het ganschelijk om het Meisje heendraaide, en het -Meisje was het middenpunt van zijn ziel. - -De grootste evenementen waren brieven van Corrie en van zijn moeder. -Die van Corrie kwamen maar heel zelden. Ze moest het heel stilletjes -doen, zei ze. Ma wist wel dat ze het deed, maar pa mocht het niet -weten. Ze vertelde allerlei incidentjes uit haar leven, voor hém -allergewichtigste dingen. Hoe het met Zorrie ging en met haar poesjes -en haar vogeltjes. Ze had gewandeld met Wies, haar vriendinnetje. Hoe -er een buitenpartij was geweest, en hoe het bal was geweest bij Marie. -Ze stuurde hem haar balboekje om te laten zien hoe weinig ze maar -gedanst had en nooit tweemaal met denzelfden jongen. Het was saai en -vervelend als hij er niet was. Ze had een nieuwe jurk gekregen, met een -langen rok, want ze werd nu al een groot meisje, zei ma. En dat vond ze -heel akelig, je liep er zoo moeielijk mede. Ze wou geen groot meisje -zijn, ze wou altijd zoo blijven als ze was. En ze moest deftig doen, ze -was nu een jonge dame, zei grootmama. Ze werd in Augustus zestien, dan -mocht ze het haar niet meer los dragen. Maar ze zou het natuurlijk toch -doen als hij terug was. - -Zulke gewone, kleine dingen. Maar hoe groot en gewichtig voor het -Jongetje. Wat een heerlijkheid zoo’n brief, en wat werd hij afgezoend, -en dan ’s avonds onder zijn kussen gelegd, als hij ging slapen! - -En dan de brieven van mama! Wat vertelde zij trouw wanneer zij Corrie -was tegengekomen. Het Meisje liep dan altijd een eindje met haar mede, -ééns hadden ze samen plombières gegeten bij Sprecher. Ze had dit of dat -jurkje aan en dát hoedje had ze op. Ze groeide erg. Ze werd een heele -jonge dame. Altijd was ze alleen of met Wies of haar mama. Nooit was ze -met een anderen jongen. Mevrouw Waerens wist hoe alles van Corrie haar -jongen interesseerde, en maakte dikwijls haar geheelen brief vol van -haar, om hem maar plezier te doen. - -Als er dan weer zoo’n brief gekomen was dan leefde het Jongetje er voor -een paar maanden van. En zóó ging de tijd al heel gauw voorbij. In -Januari was Paul in Schotevelde gekomen, en met de zomervacantie mocht -hij nog niet terug, al was hij met succes in de vierde klasse -overgegaan. Hij moest eerst een jaar van huis zijn geweest en goed -hebben opgepast, dan mocht hij weer komen. Met de kerstvacantie, in -December misschien. - -En hij droeg het heel dapper. Het was immers allemaal voor Corrie! Je -kon haar toch zoo maar niet krijgen zonder er iets voor te doen! Wat -hadden de ridders vroeger al niet moeten doen! Die maakten heele -kruistochten, en waren jaren gevangen in donkere kerkers, en bleven -toch trouw. Dat was nog iets véél ergers! - -Het ging op school van een leien dakje, en de wiskunde was nu niet meer -zoo moeilijk, al bleef hij het beste in de talen. Hij mocht zooveel -lezen van oom Cateur als hij maar wilde. Het allerliefste was Heine. -Heine! dat was pas een groot, goddelijk dichter, die had pas van -meisjes gehouden! Die zou pas verliefd zijn geweest op Corrie! Goed dat -hij haar nooit gezien had! En heel wat tranen van het Jongetje zijn op -het Buch der Lieder gevallen. Hij begreep niet dat Heine nog was -blijven leven toen het Meisje weg was. Hij kon het zich eigenlijk niet -voorstellen hoe Corrie ooit weg zou kúnnen zijn, maar hij zou doodgaan, -dat was zéker. Maar Corrie was veel te lief en te goed, zij zou hem -nooit verdriet kunnen doen. En toch moest hij heel erg huilen toen hij -las van den Fichtenbaum en de Palme. En onbewust was het altijd Corrie, -die in het Buch der Lieder werd bezongen, en een bloem was, en een -ster, en een engel, en de Loreley met het goudene haar. Wat heerlijk, -om zoo zacht in de golven te verzinken, als zíj daar bóven zat op de -rots, en hem lief aanzag met haar blauwe oogen, en zij zong. Wat -goddelijk, met haar te drijven in een ranke boot, en in de verte -schemert het geesteneiland, en stil, stil kabbelt het water. En o! als -zij eens dood waren en ’s nachts op een kerkhof, zou hij óók niet in -haar grafje komen, en heel dicht bij haar blijven liggen in het -kistje?—Toch deed hem al dat mooie soms heel veel pijn. Het Meisje van -Heine had hem bedrogen, en zijn hart was vol vergif, zeide hij. Hoe kon -dat nu? Hoe kan zoo’n Meisje ooit haar lieveling pijn doen en liegen? - -Want zoo dacht het Jongetje over den loop der dingen: het Recht -zegeviert en de Liefde. Er is wel veel strijd en veel slechts, en het -lijkt somtijds wel of de Goeden verslagen zijn en de Kwaden winnen, -maar als je maar wacht, dan is het niet zoo. Het Goede wint altijd. De -Liefde is de schoone ridder uit de sprookjes, die de draken en roovers -verslaat, en altijd overwint. Als je maar goed bent en je blijft maar -altijd van elkaar houën dan wordt je ééns gelukkig. Als je maar dapper -bent en ridderlijk, dan is alles rechtvaardig in de wereld. Dat dacht -het Jongetje toen heusch, en het was zijn hoogste levenswijsheid, al -was hij zich dat zoo niet bewust. Hij vond het zoo gemakkelijk, en zoo -eenvoudig was het! Hoe kon hij nu anders dan houën van Corrie, en wie -zou niet dapper zijn, om háár te winnen? Hoe kon het leven ooit leelijk -zijn, of de wereld slecht, met zoo’n heerlijk mooi Meisje, met zoo’n -zuivere, schitterende, stralende liefheid, die over álle dingen -lichtte, hoe kon er ooit leugen bestaan, die niet wijken moest voor -haar oprechte, trouwe oogen vol waarheid en liefde? - -Corrie was altijd bij het mooiste wat hij las en hoorde en zag. De -heldin van elk boek was eigenlijk Corrie. Hij stelde haar zich altijd -voor als Corrie, en hoe vreeselijk als zij ongelukkig was en leed, en -hoe heerlijk als het dan weer goed werd! Hoe gemakkelijk was het -eigenlijk voor hem, die haar liefhad, om goed te zijn, en sterk te -blijven en eindelijk te zegevieren. Want de gedachte, dat zij van hem -hield, die moest hem vanzelf wel onoverwinnelijk maken! - -De zomer ging voorbij, verbleekend in den herfst, en de herfst stierf -weg in den winter, en iederen dag bracht het Jongetje weer dichter bij -het Meisje. Elken avond als hij zijn kalender afscheurde dacht hij vol -hoop: „alweêr een! alweêr een dichter bij haar!”— - -En eindelijk, eindelijk liep het naar Kerstmis. Nu kwamen de donkere -dagen van verleden jaar, toen hij van school was gestuurd, en alleen -had zitten treuren, opgesloten in zijn kamer. Wat was het nu anders! Nú -was het groote geluk weêr ophanden, en was iedere dag een nieuwe -blijdschap omdat hij hem er weer dichter bij bracht. - -De rapporten van school waren mooi geweest. De wiskundige vakken waren -voldoende, en in de talen had hij op één na ’t hoogste cijfer dat kon -gegeven worden. Papa was erg tevreden, en er kwam een brief, dat hij -met de vacantie mocht thuiskomen. - -Een paar dagen daarna zag een blij jongenshoofd, ver uit het -portierraampje van een wagon gestoken, met vroolijk lachende oogen den -trouwen, grijzen toren van den Haag statig omhoog rijzen, toen de -sneltrein met stormende vaart het Jongetje weer terugbracht naar het -Meisje.— - - - - - - - - - -IX. - - -Eerst de vreugde van weer thuis zijn. Mama om den hals gevlogen en -gekust, gekust! Papa veel vriendelijker dan vroeger, omdat hij zoo goed -gewerkt had, en er zulke mooie rapporten waren gekomen. - -En, zoodra er maar een gelegenheid was gekomen, stil met mama in een -hoekje aan ’t fluisteren. Hoe zag ze er uit? Toe, maatje, alles zeggen! -Was ze zoo groot geworden, zoo inééns, in dat ééne jaar? Was ze erg, -héél erg deftig? Droeg ze héusch lange rokken, en stond het haar lief? -Droeg ze dat mooie haar in een kapsel, en niet meer los? Had ze haar -hier, en dáár, en daar gezien? En wat had ze toen gezegd? Met wie liep -ze? Ze was nog net even mooi en lief, hè, neen, nog mooier en nog -liever, hè? - -Hij had in drie maanden geen brief van haar gehad, maar ze kón zeker -niet, het stáát niet, zeggen ze. Maar nu was hij er zelf. Hij zou haar -wel vinden, o jee, dat zou mama eens zien. Wat gewed dat het vandáág -nog was! - -En om drie uur ’s middags liep Paul in de stad. Misschien was ze daar -wel aan ’t winkelen, het was de tijd nu, zoo tegen Nieuwjaar. Nu maar -de Hoogstraat, en de Veenestraat en de Spuistraat op en neer loopen. -Wat heerlijk, al die oude straten van vroeger! Hier heb je Bahlmann, -waar we zoo dikwijls samen handschoenen en lintjes hebben gekocht, en -verder de winkel van Perry. Kijk, de Vlamingstraat. Dáár stond ik, een -jaar geleden. Een jaar? Welneen, een paar dagen maar. Het is alles -precies eender als vroeger. En straks komt ze. Ik wéét het. Ze komt, ze -komt! Ik zal haar weer zíen! God, God, wat ben ik gelukkig; zie je wel -dat het altijd weer goed wordt, ze komt, ze komt! - -O, waar is ze, waar is ze? Het Jongetje is terug! Wat ’n menschen! Ik -ken ze niet, wat loopen die daar nu allemaal, wat moet dat nu?.... - -En opeens—net als vroeger,—felle, zoete pijn klopt in zijn hart. Het -wordt héél licht. Daar is ze, daar is ze! Daar komt ze aan, in de -verte! Ze blijft stilstaan voor den winkel van Sarluis. Maar o! wat een -fijn, rank, gracieus dametje! - -Wat is ze groot! Grooter dan hij! En wat deftig! Met lange rokken! Met -een grooten hoed op, en een voile voor! Is dat zíj?.... Is dat het -Meisje?.... Het Meisje van den Dierentuin, en van het strand?.... -Vreemd, vreemd .... Hoe is dit nu ineens zoo ánders? - -En het Jongetje werd bang. Het is veel te groot voor hem. Er is -weggegaan. Er is iets bijgekomen wat hij nog niet kende.... Hij zal -niet meer durven, hij is te klein.... Het is ineens heel hoog bóven -hem!.... - -Stil, daar komt ze.... Ze is met een oude dame; o jee, het is die -grootmama.... Daar komt ze, daar komt ze.... ze ziet hem niet.... Zoú -hij durven?.... - -O God, God, daar ís ze..... vlák bij hem.... - -Ootmoedig, in diepen eerbied, neemt hij zijn hoed af. Ze kijkt, ze -kijkt.... Daar is ’t Meisje weer, het Meisje, het Meisje!.... Kijk ze -nu lachen, kijk nu dat mooie, vriendelijke gezichtje lachen!.... het is -van vroeger!.... er is niets veranderd!.... Dag lieveling, dag mooie, -heerlijke, beste, brave lieveling! - -Nu naar haar toevliegen, voor haar op de knieën vallen, haar voeten -kussen.... Maar o wee! die grootmama!.... Het gáát niet.—Nú nog -niet.... En al die menschen!.... - -Stil, stil nu. Héél voorzichtig! Op een afstandje haar achterna.... Nu -zullen ze wel naar rechts gaan, de Veenestraat in.... Kijk, om den hoek -blijft ze nog even staan.... Ze lacht, ze lacht, en ze knikt.... en nóg -eens!.... dag lieve, lieve, lieve Corrie, dag mijn mooie, mooie, mooie -lieveling!.... Wat ben ik blij, zoo blij! zoo blij!.... - -Nu zíe ik het allemaal weêr. Kijk, zoo waren de huizen, en zoo de -straat.... en zoo gaan de menschen.... Het is weer alles in een groot -licht. - -En daar gaat ze, voor hem uit. Ja, ze is grooter.—Maar zoo rank, zoo -teêr! Zoo lucht loopt ze, en zacht beweegt haar lijf.... Je zíet haar -dádelijk. Hoe apart, onder al die menschen!.... Wat wordt die straat er -lief en mooi van!.... - -Daar kijkt ze wéér om!.... ze wijst éven op haar grootmama, die -deftige, dikke dame.... Het Jongetje begrijpt haar. Ja, hij zal -oppassen. Die nijdige, oude theetante mag niet zien dat hij er weer is, -want dan zou alles misloopen. Ze heeft hem nog niet herkend.—Hij maakt -een gebaar van schrijven, en zij knikt van ja. Nu is alles in orde!.... - -En nu gauw terug naar huis, en alles aan moê vertellen. En dan goed -verzinnen hoe haar een briefje te bezorgen. - -Wat een heerlijke dag verder! Alles is weer terug. Het is niets -veranderd. Corrie is er weer. En moê is er weer. En wat heerlijk, weer -eten thuis. Moê heeft alles gegeven wat hij lekker vindt, wat een -gesmul! Wat gezellig, die oude dingen weer om je heen. Zie je wel dat -het zoo gebleven is en dat het tóch altijd goed blijft!.... - -En, vreemd, al die dingen in Schotevelde zijn zoo verflauwd, ik zie ze -nog maar vaag. Maar nu opeens zie ik zoo goed die oude, intieme -zitkamer, en al de dingen er in kijken me zoo aan! En daar komt die -ouwe, goeie Mie binnen, en ze zegt zoo lief,—ja lief zei ze ’t, of ze -’t wist: „Een brief voor den jongeneer!” Een brief, een brief! -Natúúrlijk van Corrie. Gauw, gauw!.... - - - Lieve Paul, - - Wat was ik blij toen ik je weer zag. Ik heb je niet meer kunnen - schrijven want ik mocht niet meer voor ma. Het zal erg moeilijk - gaan om je te zien want ik ben een groot meisje en nu mag ik niet - meer. Ze mogen niet weten dat je er bent, anders laten ze me nooit - alleen. Loop dus niet meer in de stad. Ik zal probeeren om - overmorgen met Wies te gaan wandelen en dan kom ik in den - Dierentuin. Is dat geen goed plannetje? Ben ik niet groot geworden? - Jij bent ook groot geworden, maar niet zoo groot als ik. Ben ik - heúsch een dame, vind je? Kaatje zal dit briefje stilletjes bij je - afgeven. - - Je liefhebbende Corrie. - - P.S. Wat ben je een heertje geworden. Je moet erg galant zijn hoor! - In haast. Ik hoop maar dat het lukt. - - -Anders niets. Zoo maar een briefje. Van een jong meisje. Van een klein -Haagsch dametje. - -Maar kijk, hoe nu het gezicht van mijn Jongetje glanst! Hij ziet op. -Dáár zit zijn vader in den grooten fauteuil, met de courant. Dáár zit -zijn moeder, en lacht zoo vriendelijk, wetend wat daar voor liefs voor -hem is gekomen. Dáár is de piano, en daar zijn de stoelen, en de -schilderijen, al die lieve, oude dingen, en het theeblad staat te -wachten. Anders niets. Maar daar staan ineens de groote, warme tranen -in de oogen van mijn Jongetje, en het geluk, het krópt op naar zijn -keel, en alles begint te wemelen en te draaien, en luid snikkend valt -hij zijn moeder om den hals.... - - - -Het was hetzelfde mooie weer als toen hij haar voor het laatst zag, een -jaar te voren. Het was of ’t pas een paar dagen geleden was. Want kijk, -het Bosch daar was precies eender, toen hij wachtte voor de brug van -den Dierentuin. Zóó waren toen ook de boomen geweest, en zóó de -Maliebaan. Zoo was de brug geweest, en de huizen aan den overkant van -de Koninginnegracht. En nu stond hij daar weer precies eender te -wachten. Wat was een jaar gauw voorbij! En wat was alles goed gebleven! -Zie je nu wel? - -Zóó stond Paul te peinzen op de brug, starende naar de Maliebaan, of ze -nu nog niet komen zou.—Wat knusjes, daar weer te mogen wachten, net als -vroeger! Er was niets, niets veranderd. Ja, Corrie was grooter -geworden. Ze was nu een heel erg deftig dametje. Nu ja, maar híj was -ook grooter. Hij droeg hooge boorden en een lorgnet, en in plaats van -een rond hoedje een bruine heerenhoed. Je wordt natuurlijk een beetje -ouder. Maar het houën van mekaar, dat blijft toch hetzelfde. - -Daar komen twee meisjes aan, in de verte. Ja, ze zijn het, Corrie met -Wies.—Nu gaat het geluk weer beginnen. Zie ik er wel netjes uit? Zit -mijn boordje goed? En mijn dasje? Even de manchetten wat uittrekken, -dat je ze zien kunt. - -Hij nam heel diep zijn hoed af, en de meisjes groetten deftig terug, -zooals ’t hoort. - -„Wat lief dat je gekomen bent!” zei Paul. - -„Als ze het maar niet te weten komen,” zei Corrie. „Wies komt me om -vier uur hier weer halen, want ik moet met háár weer thuiskomen.” - -„Ja, ik wil geen fâcheuse troisième zijn,” riep Wies in ’t weggaan, -„flirt maar prettig!” - -Paul begreep het niet goed. Waarom nu die vreemde woorden? Maar Wies -was weg, dat was één ding. Nu was hij met het Meisje alleen. - -Een beetje vreemd was het eerst. Wat was ze groot! Wat een deftig -dametje! Haar kleeren allemaal nieuw, die hij nog niet kende. Er was -iets bijgekomen, waar hij een beetje bang voor was. Waar was haar mooie -haar gebleven? Waar al die lieve, intieme dingen van vroeger? Het -groene manteltje, en het bont, en het mutsje? Ze had geen mandje met -brood en suiker bij zich, zooals vroeger. Daar was ze nu zeker te groot -voor. En hij voelde wat pijn en was een beetje bang. Zoo liepen zij den -Dierentuin in, de laan aan den ingang door.— - -„Nu, wat ben je stil,” zei Corrie, „zég je nu niets?”— - -—„Ik ben zoo blij dat ik weer bij je ben. Ik durf niet goed. Je bent -zoo groot geworden, Corrie. Je steekt boven mij uit. Ik ben bang dat ik -een beetje te klein voor je ben.” - -—„Ja, ik ben groot, vind je niet? Ik vond het vroeger erg akelig om -groot te zijn. Maar nu vind ik het wel prettig. Ik ben nu ook al vijf -maanden zestien. Maar ben ik zóó veranderd dat je me niet meer hebben -wilt?” - -—„Dat wéét je wel! Maar ik vind het níet prettig dat je zoo groot bent. -Ik ben nu een beetje bang voor je. En waar is nu je mooie haar? Mag ik -je nu nooit meer zien? En mag ik je nu nooit meer een kus geven?” - -Zij lachte, en bloosde even. - -„Zóó zóó, moet je maar weer dadelijk kussen? Ben je nog altijd zoo -zoenerig? Maar groote meisjes mogen zich zóo maar niet laten kussen, -hoor! Wat denk je wèl? Dan moet je eerst geëngageerd zijn, zegt ma.” - -En híj: „Geëngageerd zijn?? Hoe bedoel je dat, Corrie? Dat kan nú toch -nog niet?” - -—„Geëngageerd zijn, dat is als je later wilt gaan trouwen, en het mág, -en ze vinden het allemaal goed. Dat wéét je toch wel. Als je nu erg -knap bent geworden en je krijgt een betrekking, dan moet je heel deftig -naar pa en ma gaan en dan vraag je om mijn hand. En als ze het dan -goedvinden dan gaan we samen uit, arm in arm, en dan mogen we overal -samen naar toe, en behoeven we niet bang meer te zijn voor grootmama. -Is dat nu niet aardig? Of wil je dan tegen dien tijd al niet meer van -me weten?” - -Paul deed of hij het heel grappig vond, dat idee van geëngageerd te -zijn. Maar hij moest er nog niet veel van hebben. Verbeeld je, -geëngageerd zijn! En hij zat nog maar pas in de vierde klas! Hij wou -liever nog maar wat klein blijven zooals vroeger, en alles met haar -stilletjes alléén hebben, zonder dat de anderen er van behoefden te -weten. Hij wou het haar wel zeggen, want er kropte iets op in zijn keel -van verdriet alsof er iets weg was gegaan, maar hij durfde niet, hier -in die lichte laan, waar ook wat menschen liepen. O! nu met haar alléén -in een hoekje! Wacht, een idee. In de serres gaan; daar was bijna nooit -iemand, in de middelste zaal, waar de bank stond, onder de palmen. - -En hij troonde haar zachtjes mee, langs het hoofdgebouw en den vijver -om, doorpratende over allerlei dingen tot ze bij de serres waren. - -„Hè, nu nog eens al die mooie planten zien,” zei hij, en deed de glazen -deur open om haar binnen te laten. - -—„En nu gáuw weer sluiten, voor den tocht.”— - -Plof, daar was de deur weer dicht. En ze waren alleen. Alleen in een -pracht van groene varens en vreemde, wondere bloemen, in een warme -zacht-trillende atmosfeer. Nu gauw de eerste zaal door, en in de -tweede. De deuren weer goed, stevig dicht. En nu in dien grooten, -ronden koepel van mat groen glas, waar een teeder, bleek licht doorheen -zilverde. Overal palmen, met breede, statige waaier-bladen. Hoe stil, -hoe stil was het daar, en hoe zalig warm, met zachte, exotische geuren! -Hier en daar keek een vreemde, geelroode bloem mystiek door het -fijn-kanten groen van ranke varens en grassen.... - -Eindelijk, eindelijk, hier is het goed. Hij nam het Meisje bij de hand, -en trok haar zachtjes mede naar de bank. Laat zij nu éven, éven maar -bij hem komen zitten.... Zoo, zoo is het goed. - -Nu zat het Meisje weer naast hem, voor hém alleen, veilig, achter die -glazen deuren, in dat stille teêrgroene licht. Een groot, donker -palmblad troonde plechtig boven hunne hoofden, en bewoog niet in de -droomerige stilte. - -Toen durfde het Jongetje spreken en gaf zijn schuchtere ziel zich weer -ganschelijk bloot. - -„Bén je daar weer?.... bén je daar weer?....” zei hij lief, „ik heb een -héél jaar op je gewacht, Corrie, en ik heb zoo mijn best gedaan, ik heb -zoo hard gewerkt, en het ging zoo gemakkelijk.... ik heb áltijd, áltijd -aan je gedacht..... Als ik wakker werd zei ik „dag lieveling” en als ik -ging slapen riep ik „wèl te rusten”.... Ik sliep met je briefjes onder -mijn kussen, en vóór ik naar bed ging zoende ik je lokje haar.... bèn -je daar dan weer, bèn je daar dan weer, en hoû je nog van me, zeg, hoû -je nog altijd van me? ....Je bent zoo groot geworden.... ik ben een -beetje bang dat er wat weg is gegaan, en dat er wat bij is gekomen, ik -weet niet wat, er is iets vreemds aan je, dat er vroeger niet was.... -ik ben bang dat ik een beetje te klein voor je ben.... maar ik hoû toch -zoo van je, o, ik hoû zoo van je....” - -Hij had zijn arm voorzichtig om haar heen geslagen, en leunde zijn -hoofd tegen haar schouder.... O! heerlijk, heerlijk!.... daar voelde -hij haar weer.... daar was weer dat zachte, warme, weldadige, dat -bevend in hem vervloeide.... daar was weer het oude, groote geluk! - -Kijk, daar zijn weer haar handjes,—gauw, die handschoenen uit,—ja, daar -zijn ze weer, zoo klein, zoo fijn, met dat roze, fluweelige vel en die -teêre adertjes.... o! even kussen, eventjes maar.... en hier is weer -haar zachte borst, nóg zachter dan vroeger, nóg zaliger, om zacht je -hoofd aan te vleien.... en hier zijn haar witte halsje, en haar roode, -roode lippen, en haar mooie, blozende wangen, en kijk, haar -engelachtige oogen, en haar gouden haar, het glanst nog éven prachtig, -o! alles, alles is er nog, het hééle goddelijke Meisje, en hoor! hoor! -daar is het klare sopraantje weer. - -„Wat bèn je toch nog een verliefde jongen, Paul.... wat bén je weer -zoenerig....” zei ze plagend, en trok coquet haar handje terug. Maar -haar oogen keken heel vriendelijk en zagen hem innig in de zijne. - -„Ik heb een kus van je gehad toen je wegging,” zei hij vleiend. „Ik -krijg er nog een, hè? Ik heb er zoo geduldig op gewacht! Denk eens, -Corrie, een héél jaar!” - -„—Neen, neen, daar komt niets van in, hoor.... Ik ben een groot meisje -en mag geen jongens zoenen.... Wacht maar tot later, over een paar -jaar, als je heel goed oppast!” - -„—Nee, ik wil niet wachten.... ik wil niet groot zijn.... Je moet niet -zoo zeggen dat je groot bent, Corrie.... dat doet me pijn.... je mág -niet anders wezen dan vroeger.... je moet net hetzelfde zijn.... er mag -nooit iets weggaan.... je moet altijd mijn oude lieveling van vroeger -blijven.... als het anders moet worden wil ik liever dood zijn.... zeg, -je houdt nog evenveel van me, hé?” - -Hij zag haar angstig aan, met zijn oogen heel dicht bij de hare. Zijn -stem beefde een beetje. - -Toen werd het zieltje van het Meisje weer heelemaal wakker en waar het -eerst schuchter verscholen lag onder haar idee van groot zijn kwam het -nu ineens naar voren, en glansde uit haar mooie, blauwe kijkers. Zie, -nu is de ziel van het Meisje weêr gekomen, het Meisje van de zee en de -duinen, het Meisje van dien avond aan het venster, in het reine -manelicht. - -Verlegen en zacht-blozend boog ze het hoofd naar hem toe, en onder den -kuischen drang van haar ziel, die naar de ziel toe wilde van het -Jongetje, drukte zij haar reine lippen éven, zacht, op de zijne. - -En daar kweelt weer fluisterend het engelensopraantje: - -„Ja, ik hoû nog wel van je, hoor!.... Ik hoû nog wel van je....” - -De jonge, teedere zielen, zij raken elkaar aan.... de zuivere, de -onbevlekte, de puur-maagdelijke, vér van ’t Leven.... de ziel van het -Meisje komt zacht-bevend neer naar de ziel van het Jongetje, en die -twee ongerepte heiligheden droomen éven, stil, tegen elkaar aan.... Dit -is het geluk, dit is het geluk.... - -Zwijgend bleven zij zitten, onbewust ondergaande wat gebeurde, hand aan -hand en ziel aan ziel. Zwaar trilde de loome warmte om hen heen, en -zalig-moê droomden hunne hoofden in die vreemde sfeer.... Somtijds -zuchtte vaag een luchttochtje over hen heen, en zachtjes, zachtjes -wuifden éven de veêren varens.... - - - -Toen Paul dien avond naar bed was voelde hij zich moê, moê van geluk. -Hij was het niet meer gewoon geweest, al dien tijd, een geheel jaar. -Het was een zacht, rustig wachten geweest, een tevreden glijden van den -eenen dag in den anderen, met ergens vér een zaligheid die ééns bereikt -zou worden. En nu het geluk gekomen was, nu het Meisje zoo opeens weer -voor hem gestaan had, in het intenze licht van haar mooi-zijn, nu hij -zich had durven aanvleien tegen haar heerlijk lichaam, en zijn ziel in -zoete mengeling met de hare had gedroomd, nu was hij moê, moê van al -dat geluk, en voelde hij zich loom van lieven. - -Het was zoo heerlijk geweest! Ze hadden nog lang onder den palm -gezeten, dicht tegen elkaar, tot er eindelijk menschen kwamen, en toen -waren zij deftig opgewandeld, om niets te laten bemerken. Ze waren nog -overal geweest, bij de olifant, en in het Aquarium, waar hij haar nog -een kus had mogen geven, en bij de parkietjes ook. Die zaten nog -precies eender bij elkaar te vrijen op het stokje, en vertelden elkaar -weer nieuwe geheimpjes. En het hertje was er ook nog en was dadelijk -komen aantrippelen toen het sopraantje riep. Alles was nog net eender -als vroeger, en er was niets veranderd. Hij was er al gauw aan gewend -geraakt dat ze zoo groot was. Het was eigenlijk nog een beetje aardiger -zoo, en hij was ongemakkelijk trotsch geworden dat hij nu zoo’n elegant -jong dametje als meisje had. En wat zag ze er netjes uit! Wat een -keurigen mantel had ze aan, en wat had zij een fijn middeltje gekregen! -En wat zacht glansde haar mooie, vriendelijke gezichtje achter die -transparante, witte voile! Dat was toch wel mooi zoo’n voile, en als je -een kus geeft doe je haar maar even in de hoogte. - -Tegen vier uur was Wies gekomen, met een grooten jongen, eigenlijk een -meneer al, en toen was Corrie weer ineens groot en erg deftig geworden. -Zij had hem heel ernstig aan dat heertje voorgesteld: „mijn neef Jan -van Meeden, en Paul Waerens”, en hij had „aangenaam kennismaken” -gezegd. Een erg chique vent, die Van Meeden, die er verbazend -dandy-achtig uitzag. Die was zeker verliefd op Wies, dacht hij -dadelijk.—De meisjes waren toen voorop gewandeld en hij met Van Meeden -er achter. Bij het hek gekomen was er deftig afscheid genomen, en van -een kus was geen kwestie meer. Van Meeden en hij hadden diep hun hoed -afgenomen en gebogen, en een buiging teruggehad. Toen was hij een -eindje met den neef opgewandeld en had de kennis voortgezet. Het was -wel een aardige vent. Hij zat al in de vijfde klas en zou dit jaar -eindexamen doen. Hij was verliefd op Wies, juist zooals Paul gedacht -had, en hij wist dat Paul op Corrie verliefd was. „Het is jammer dat je -niet wat ouder bent,” had Van Meeden gezegd.— - -„Waarom?” vroeg Paul. - -„Och.... zóó....” zei Jan ontwijkend. - -Maar Paul maakte zich niet ongerust. Hij wist wel dat Corrie op hem zou -wachten. Ze hóórden immers bij elkaar!.... - -Hij was vroeg naar bed gegaan, zoo moê was hij, en het duurde lang eer -hij insliep, met een klein takje varen onder zijn hemd, op zijn borst, -dat zij afgeplukt had in de serre. - -Den volgenden dag, toen hij wakker werd, was natuurlijk zijn eerste -idee: Corrie weer zien. Ja, maar hoe? Het zou nu niet zoo gemakkelijk -meer gaan als vroeger. Ze kon niet meer zoo iederen dag alleen uit, had -ze gezegd. Maar ze kwam nog al veel in de stad, en ’s Zondags wandelde -zij met haar mama op den Scheveningschen Weg. Nu moest hij maar -tevreden zijn met wat hij krijgen kon. - -En het was toch óók wel prettig, zooals het nú werd. Het verlangend -loopen wachten in de stad, tot ze dan eindelijk kwam, en dan het lieve -lachje dat hij kreeg, als hij groette, en dan gaúw een zijstraatje in -en even òmloopen om haar weèr tegen te komen, en dan nogeens. En dán -weer terug, en op de trem, om haar, heel toevallig natuurlijk, nog eens -tegen te komen, en hoe ze dan knikte, en nogeens omkeek, en, als haar -ma er niet op lette, even wuifde met haar zakdoekje. Of op den -Scheveningschen Weg loopen, tot ze eindelijk kwam, zíj op het Bovenpad, -en dan hij stilletjes op het Benedenpad, op een afstandje, en hoe ze -dan telkens omzag, en lachte, en wel eens wenkte. Dan had hij zoo héél -lang haar lucht, rank figuurtje voor hem uit, en hoe heerlijk was het -voor hem, daar in zijn eentje van te loopen genieten, en te denken, -„zie je, ze is van míj, van míj, wácht maar!” - -Hij was zoo al heel tevreden. Bijna iederen dag zag hij haar. Hij kende -nu weer haar japonnetjes. Het kwam weer alles in zijn leven wat aan en -òm haar was. Eéns was hij ’s avonds weer langs haar huis gewandeld, om -half tien. Het gordijn was weer verlicht, en dáár was haar kamertje. O! -kwam ze nu maar weer eens éven, éven kijken!.... Maar er kwam niets. - -En o, wee! wat waren opeens die dagen gauw om! Nu was het al een week, -het was Vrijdag, en Zondagmiddag moest hij weer weg. Gelukkig kwam hij -Wies tegen in de stad, die hij een briefje mee kon geven. Of zij toch -asjeblieft nog ééns komen wou, stond er in, toe, het was zoo -vreeselijk, hij moest overmorgen weer weg, nog één keertje maar, dan -zou hij tevreden zijn, en weer geduldig wachten, tot de groote -vacantie. Ze moest hem nu zoo niet laten weggaan.... - -En ja, gelukkig, daar kwam ’s avonds weer een briefje. Hoera! Hoera! Of -hij dan morgen avond om half acht maar even langs de deur kwam, want -overdag ging het niet. Pa en ma gingen naar een concert, en ze was -alleen thuis met Kaatje de meid, die niets vertellen zou.—Het mócht -eigenlijk in ’t geheel niet, schreef ze, maar voor één enkelen keer dan -maar. - -En hij den volgenden avond er op af. Het vroor een beetje, en zijne -ooren deden pijn. Maar wat heerlijk, zoo stilletjes naar je Meisje te -gaan, in het donker ’s avonds! Wat gezellig waren die straten, met al -die lichtjes, en wat liepen alle menschen er vroolijk! Wat was het toch -een goddelijke stad, dat lieve, goede, oude den Haag! En wat mooi toch, -dat Bezuidenhout, met dat bosch aan je linkerhand. Die zware, stille -boomen zoo roerloos in de koude, reine lucht. En die deftige -heerenhuizen met het licht achter roode gordijnen, hoe kende hij ze -allen van vroeger! - -Daar is de oude, oude straat, waar zij woont. Kijk, éven voorbij de -tweede lantaren, daar is het. Daar is het Meisje nu dat hééle jaar -geweest, toen hij ver weg was. En dat is nu voorbij, zoo gauw hè, het -lijkt alles nog pas geleden. - -Er is niemand te zien. Nu voorzichtig langs de huizen, tot nommer tien. -Daar is het. Nu even door het glazen raam van de voordeur kijken. Er -staat iemand achter. Ze is het! De deur gaat open, op een kiertje. - -„Kom, gauw,” zegt het sopraantje, maar héél, héél zacht. - -En daar staat hij in het portaal! En daar is ze weer bij hem! - -„Als ze het te weten komen zal het wat geven,” zegt ze bang. „Als ze -het eens gezien hadden hiernaast! Ma zou zoo boos zijn! Maar je kunt -zoo dwingen, en nu mag je even afscheid nemen, maar éventjes, hoor!” - -Hij hoorde niet goed wat ze zeide. Hij stond haar in innige bewondering -aan te staren. Zoo lief had hij haar nog niet gezien. Ze had een blauw -huisjaponnetje aan, heel wijd en heel lang, zonder ceinture. Haar -voetjes in goudleeren muiltjes staken er onder uit.—Een lange, dikke -vlecht hing tot over haar middel neer, met een blauwen strik aan het -eind.— - -„O! Corrie, wat ben je mooi, wat ben je mooi geworden! Je bent nog véél -mooier dan vroeger!” - -„Géén complimentjes, géén complimentjes,” lachte ze. Maar hij zag wel, -dat ze het wàt aardig vond. - -Er stond een bank in het portaal. Nu éven, éventjes maar daar zitten, -toe, éventjes.—En ze liet zich meêtroonen. Wat gloeide haar gezichtje -lief in den schijn van den rooden ballon boven hun hoofd. - -„Je mag maar éven blijven, hoor! Ik ben vreeselijk bang,” zei ze. - -„Ja, dadelijk,” zei Paul, „maar eerst even samen zitten, hoor!” - -Hij vleide haar tegen zich aan. Het bloed golfde naar zijn hoofd. Wat -was ze zacht en warm, zoo zonder mantel, wat gloeide zij ineens tegen -hem aan! Wat was ze toch mooi, o God, o God, wat was ze mooi! Wat een -vlecht! Stil, stil het lintje er af van onderen, en nu zachtjes -uitvlechten. En kijk, opeens, een golf van goud, het valt wijd over -zijn schouders, en op zijn schoot! - -„Ha!” juichte hij, „daar heb ik het weer! Nu heb ik al je mooie haar -weer, dat zoo stijf in dat kapsel zat! Nu ben je weer het oude Meisje -van vroeger. Maar het is nog veel langer, en véél mooier geworden!” - -Zij deed of ze een beetje boos was, maar het was zoo erg niet, dat zag -hij wel. - -Zacht liet hij haar zijige haar door zijn handen glijden, en hield het -tegen zijn wang, en kuste het. - -„Dag lieve Corrie, je zult me niet vergeten, hè?” vroeg hij. „Je zult -aan me denken, hè? En je zult niet te groot voor me worden, en ik mag -je weêr zien zien als ik terugkom met de groote vacantie. Nu is het -maar een hálf jaar.” - -En ze beloofde het hem, als vroeger. Ja, ze zou op hem wachten. En als -hij maakte dat de brief tegen den middag kwam mocht hij haar nog wel -eens schrijven ook. Kaatje zou dien wel stilletjes aan haar geven. Maar -nu was het al mooi geweest, hoor! Ja, een zoen, dat mocht hij nog, -éentje. Hè, dat is valsch, nu geeft hij er haar drie! Dag Paul, hoû je -maar goed, en werk maar goed, hoor!” - -Nu stil de deur weer open, op een kier, en nu gauw er uit. Dag!.... -dag!.... - -Dapper liep Paul door, zonder om te zien. Maar hoor! ineens weer het -sopraantje, zoo klaar in den avond, en zoo luid: - -„Paul! Paul!” - -Was zij nu niet bang meer? Ze stond voor de deur, in de koû, met haar -bloote hoofd. - -Hij vloog terug. - -„Wat is er.... wat is er, lieveling?....” - -Hoe stond ze daar zacht en ganschelijk kuisch, in haar wijde, blauwe -gewaad, met het lange blonde haar golvend over haar schouders, in het -flauwe licht van de lantaren.... - -Ze was een beetje bleek. Haar mooie oogen keken bedroefd. Ze zag hem -zwijgend aan.... - -Het was haar zieltje van Meisje, dat hem nog ééns riep.... het zieltje -van het Meisje heeft áltijd bij het Jongetje willen zijn.... en het was -of het opeens héél, héél bang werd, voor wát wist het niet, en daarom -riep het hem terug, in kuisch verlangen. O! Laat hem toch niet weggaan, -laat hem niet weggaan, en het Meisje alleen laten in die groote stad, -met al die menschen, en al het fatsoen, dat zeide dat het niet -mocht!.... - -„Wat ís er, wat ís er?” vroeg hij. „O, huil je heúsch omdat ik wegga?” - -En hij voelde hoe het Meisje heel dicht bij hem kwam, en daar was haar -lieve, lieve gezichtje, nat van tranen, en o! daar kreeg hij een kus; -daar voelde hij haar zoete, warme lippen.... Nog éven, nog éven.... Nog -éven raakte de maagdelijke ziel van het Meisje zacht de zijne, in -allerheiligsten, onbevlekten staat.... éven beeft nog het onbewuste, -reine Geluk van kuische zielemengeling door hun zalig sidderende -harten.... Dán is het hoog moment voorbij. - -Het Meisje loopt inééns weer weg, en dicht gaat de deur, met een slag. - -En zacht snikkend gaat het Jongetje zijn weg, daar gaat hij, eenzaam -door de koude straten, ik zie hem loopen, met bleek gezichtje, en -tranen in de oogen; o! waar ga je nu heen, waar ga je nu heen, mijn -jongen?.... - - - - - - - - - -X. - - -Toen hij weer in Schotevelde terug was leek alles van de vacantie wel -als een mooie droom. Hij herkende zijn kamer weer, en alles in het huis -van oom Cateur, en de straten van het stadje. Dat was wáár ook. Daar -had hij nu al een jaar gewoond, en in den Haag was hij het glad -vergeten! Een héél jaar had hij daar op Corrie gewacht, en nú had hij -haar alweer gezien, en het was alweer voorbij. Hoe gauw, hoe gauw gaat -alles! En hoe gemakkelijk! Als één jaar zoo gauw doorgemaakt was, dan -zouden vier of vijf jaar toch óók wel ééns over zijn. En dan zou hij -óok groot zijn. Dan was de Hoogere Burgerschool al lang voorbij, en was -hij al een paar jaar student. Corrie zou dan een en twintig zijn, en -hij ook. En dan zou hij ’t heusch doen, wat zij gezegd had. Dan zou hij -heel deftig naar haar papa en mama gaan en om haar hand vragen. Haar -hand! Neen, haar héélemaal, haar mooie gezichtje, en haar schoudertjes -en haar zachte borstje, haar hééle Meisje. En dan mocht zij altijd bij -hem blijven, altijd, altijd. Verbeeld je eens, zeg, altijd zoo’n -lieveling bij je in huis hebben, en de deuren toe, heel alleen van je -eigen, en al de andere menschen zijn buiten, en mogen niet binnenkomen! - -Als ze maar bleef van hem houën! Als Corrie maar altijd om hem bleef -denken. Ze was zoo héél, héél mooi! Er zouden zooveel ánderen verliefd -op haar worden. Natuurlijk, dat moést wel. Ze was het mooiste meisje -van den Haag. En die anderen waren misschien veel ouder dan hij, en -misschien wel erg rijk! Zou ze dan wel om het Jongetje blijven denken? -Ja, natuurlijk zou ze dat. Het is leelijk om niet te gelooven wat ze -gezegd heeft. En hoe zou het nu ook kúnnen? Ze hóórden nu eenmaal bij -elkaar, evenals de twee parkietjes. Dat had ze zèlf gezegd. - -Zoo filosofeerde het Jongetje daar in zijn eentje, toen hij weer terug -was. - -En zijn gewone leven van alle dag begon weer. Ik weet het zoo goed niet -meer, wat hij alzoo deed. De dingen op school gingen gauw voorbij. -Wiskunde, en aardrijkskunde, en natuurkunde, en natuurlijke historie, -en zooveel meer. Het was niet zoo erg moeilijk nu hij zooveel tijd had, -en niet meer altijd naar het Meisje kon. En oom Cateur hielp hem altijd -als hij iets niet begreep. Het was of die een tweede papa voor hem -werd, en ik herinner mij nog heel goed zijn vriendelijk gezicht, met de -grijze haren, en die goedige oogen, die zoo aardig over den gouden bril -konden kijken. Wat had hij veel boeken! Als het werk voor school af was -mocht Paul altijd in zijn bibliotheek snuffelen. Het Buch der Lieder -had hij op zijn verjaardag cadeau gekregen, en dat werd als een -bijbeltje voor hem. Het was een kleine uitgave in een rood bandje met -gouden stempel. Hoeveel tranen van het Jongetje zijn daar op gevallen! -Hoe innig, innig hield hij van dien grooten, ongelukkigen dichter, die -zijn lieveling had verloren en toch niet dood was gegaan! Eenzaam en -verlaten, met vreeselijke pijnen, half-blind had hij op zijn ziekbed -gelegen: - - - - Es kommt der Tod—jetzt will ich sagen - Was zu verschweigen ewiglich - Mein Stolz gebot: für dich, für dich, - Es hat mein Herz für dich geschlagen! - - - -O! wat een emotie is dat geweest voor het Jongetje! En juist omdat hij -zoo gelukkig was, en zoo blij uitzag in de toekomst, één altijddurende -zaligheid met het Meisje, begon hij van zijn dichter te houden zooals -kinderen van vrome menschen houden van Jezus, die zoo leed. Het was het -éérste van groot, statig lijden wat het Jongetje hoorde. Er was thuis -nooit over Jezus gesproken, en hij was nooit op de catechisatie -geweest. Door Heine leerde hij voelen wat lijden is, intuïtief, omdat -hij zelf nog niet geleden had. - -Het was wèl een beetje gevaarlijke lectuur voor zoo’n klein Jongetje, -vind ik nu, omdat er ook zulke ontzettende dingen in staan. En toch -deed het hem geen kwaad als hij las: - - - - ........was gut und gross - Und schön, das nimmt ein slechtes Ende. - - - -Want dat was niet waar, voelde hij. Dat had Heine zoo maar gezegd in -zijn lijden, zonder te weten wat hij deed. Want het Goede overwint. Het -dúúrt wel eens lang, maar het overwint. Dat zou je altijd zien. Dat zag -je ook uit de geschiedenis. De vrijheid wint en het recht. De Goeden -zijn de sterksten. - -O! Die heerlijke avonden, tegen de lente, als Paul ging wandelen, met -zijn bijbeltje in den zak. Wat was het dan mooi in de weilanden! Hoe -rustig en zacht-tevreden lagen zij uitgestrekt, en wat stonden de -koeien stil te wachten in het late licht! Wat zacht, die boomen op de -dijkjes in het verschiet, wat ’n teere, fijne stammetjes! En dan heel -in de verte van den dijk een kar met een paard, zoo gevoelig om te zien -aantrippelen! Hij liep altijd zoo ver mogelijk den kant op waar hij -dacht dat den Haag was. Daar was je toch een héél klein beetje dichter -bij haar, dacht hij. En als hij dan moê was, en ging uitrusten onder -een boom, dan keek hij heel innig naar het Noord-Westen, waar zij nu -ergens vér, vér zijn moest, en zei „Dag Corrie! Dag lieveling!” - -Zoo’n Jongetje nog! - -Ook bleef hij wel voor het open venster zitten. Zijn kamer zag uit op -de kade, waar veel schepen lagen. Als het begon te schemeren lagen zij -zoo stil op het water, met hunne hooge masten zoo plechtig, roerloos in -de lucht. Beneden was lachen en praten, en hooge stemmen van meisjes op -een brug. Zóó zat hij ééns, dít weet ik opeens nog heel goed, het was -ook zoo’n gewichtig ding,—een vogeltje was heel zacht aan ’t kweelen in -den boom voor zijn raam—o ja, zóó zat hij eens vroeg op een avond met -een nieuw boek. Het was eene engelsche vertaling van Dante, door -Rossetti. „The New Life” heette het, Vita Nuova. Dat moest van heel -mooie, edele liefde zijn, had hij gehoord. En toen lás hij het, in de -zachte schemering: - -„Nine times already since my birth had the heaven of light returned to -the selfsame point almost, as concerns its own revolution, when first -the glorious Lady of my mind was made manifest to mine eyes; even she -who was called Beatrice by many who knew not wherefore. She had already -been in this life so long as that, within her time, the starry heaven -had moved towards the Eastern quarter one of the twelve parts of a -degree; so that she appeared to me at the beginning of her ninth year -almost, and I saw her almost at the end of my ninth year....” - -Zie je nu wel dat het kon? Negen jaar waren ze maar, negen jaar! En dan -hadden ze nog wel gezegd dat het niet kon als je nog zoo jong was! En -Corrie en hij waren al veertien geweest! En zou dat dan niet nog beter -kunnen? Gekheid, kalverliefde, had papa eens gezegd. Maar Dante, die -wist wel beter. Hoe heerlijk, hoe heerlijk! Dante, dat was immers de -allergrootste dichter geweest, had oom Cateur wel eens gezegd, die had -geschreven van de Hel, en het Vagevuur, en het Paradijs. Dat zou hij -later ook gaan lezen! En zoo iemand, zoo’n hééle Groote, waar eeuwen na -zijn dood de menschen nog met eerbied van spreken, die had het Meisje -gezien toen hij nog maar negen jaar was, en die was altijd zijn -lieveling gebleven. En later was hij bij haar in den Hemel gekomen, had -oom gezegd. - -Toen voelde Paul zich trotsch. Dante, díe zou hem wel geloofd hebben. -Díe zou het wel mooi gevonden hebben dat hij al zoo vroeg was gaan -houën, al was het nog zooveel láter dan híj met Beatrice. En wat dan de -andere menschen er van zeiden, dat deed er immers niet toe. Heine en -Dante, díe weten het wel. - -Het was een heel moeilijk boek verder. Moeilijk Engelsch ook. En die -verzen die er in stonden, die begreep hij nog niet. Maar van dien avond -af aan was Dante óók iets heel groots en gewichtigs in zijn leven -geworden. - -Dat was toch nog véél, véél mooier dan Cooper en Aimard en Verne -vroeger! - -Het Jongetje werd ook grooter, net als ’t Meisje. Ik spreek nog altijd -maar van hem als van ’t Jongetje, maar als hij toen zoo genoemd was zou -hij raar opgekeken hebben. Hij liep nu naar de zeventien. Hij groeide -erg in de lengte, en was op één na de grootste van de klas. Hij droeg -een heerenhoed, en zelfs een pandjas, english fashion, in de vacantie -in den Haag gemaakt, en heel hooge boorden met omgeslagen punten, en de -nieuwste dassen die ze in den Haag droegen. Hij leek al heel aardig op -een pas aangekomen student, en liep er al een beetje naar, met -gewichtige, wijde stappen, het hoofd een beetje vooruit gestoken, en -met een Haagschen stokzwaai. Je zoudt hem niet voor een Jongetje hebben -gehouden, maar voor een would-be studentje, zooals er in de hoogste -klasse van ’t gymnasium zijn in den Haag. - -En dat ik nog altijd van het Jongetje spreek is omdat ik niet dien -aankomenden student zie, met zijn uiterlijkheden en zijn schijn van -grootzijn, maar omdat ik zijn ziel maar altijddoor zie, zijn jonge -ziel, die van niets droomde dan het Meisje, het Meisje, het Meisje. - -En dat was nog héél erg de ziel van een Jongetje! - -Het onwankelbare geloof aan recht en trouw en liefde, het naïeve voelen -van de onoverwinnelijke macht van het goede en schoone over het slechte -en leelijke, is dit niet nog héél erg van een Jongetje? - -En nu zie ik opeens een heel zwarten tijd voor het Jongetje. Het was -kort nadat hij weer terug was. Hij had een nieuwe plaats gekregen in de -klas. - -Toen kwam er iets heel gevaarlijks voor Paul. Naast hem in de bank zat -een groote jongen, Anton Meeker, al een lange slungel van bijna -achttien jaar, veel te oud voor de derde klas. Hij was erg achterlijk, -en schaamde zich niet eens om met zooveel kleine kameraden te zitten. - -Anton was een gemeene jongen. Hij was bekend om zijn succes bij -meisjes, en daarom had de geheele klasse een soort eerbied voor hem. En -toch sprak hij altijd heel plat en minachtend over meisjes. Hij lichtte -zoo tusschenbeide zijn medescholieren over allerlei dingen in, waar zij -wel veel van hadden gehoord, maar toch nog niet het fijne van wisten. -Gemeene, triviale dingen, gezegd met grove woorden, onder snood -gelach.... - -Ik kan het alles niet zeggen. Ik kan het niet over mij krijgen om het -hier neêr te schrijven in dit boek van het Jongetje.—Het is de gore, -brutale schijn-realiteit van het leven, als het niet wordt gezien in ’t -licht van reine Liefde. De Liefde wèg en kijk!.... hoe droef en duister -wordt het leven, hoe dierlijk wordt het doen der menschen, en hoe bang -en vreeselijk wordt het gansche wereld-wezen. Dan lijkt wel alles -troebel en van slechten reuk, dan is het doen der menschen als het -wilde drijven van het redelooze dier. En zoo was Anton Meeker’s -opvatting van het leven. Hij was een wees, die nooit zijn moeder had -gekend. - -En hij had er een zeker bruut plezier in, om zijn jongere vrienden te -vertellen wat hij wist. Te vertellen van meisjes en wat ze eigenlijk -waren, en wat je van haar hebben moest, en waar het eigenlijk wel om te -doen was, en niets anders..... - -En toen hij zag, dat het Jongetje onder den indruk kwam, en het hem -pijn deed, koos hij hem tot zijn voornaamsten vertrouweling. - -Toen is er over de ziel van het Jongetje een schaduw gevallen, die -elken dag grooter en grooter werd. Vroeger, toen hij altijd bij Corrie -was, had hij er nooit bizonder over nagedacht.—Zij maakte het zoo licht -en zuiver in hem, dat al ’t slechtere wegvluchtte uit zijn binnenste, -zoodra haar reine oogen er kwamen schijnen.— - -Maar nu, nu hij alleen was, durfde het booze wel weer opstaan in de -duistere onbewustheden van zijn wezen, en Anton Meeker’s schennende -woorden vielen als gif in zijn ziel. - -De meisjes, waar Anton over sprak, waren zusters van zijn lieveling, en -ieder woord, dat een meisje ontheiligde, dreigde naar háár eigen, -aangebeden wezen. Anton had een groot meisje van de Normaalschool, waar -heel veel over gesproken werd, en dat al bijna eens uit de school was -gezet om een reden waar de jongens op de les grinnekend over -fluisterden. En Anton pochte op zijn intimiteit met haar, en verzon er -lange, geheimzinnige verhalen over. Paul had haar wel eens gezien, en -kon het niet gelooven. Ze leek een heel lief meisje, en had een mooie, -blonde vlecht, als die van Corrie, bijna even mooi.... En bij ieder -nieuw ding dat hij over haar hoorde, voelde hij pijn. Totdat ze -eindelijk werkelijk werd weggestuurd uit de school, en ze uit de stad -werd gezonden door haar ouders. - -Toen was Paul heel bedroefd en dacht: „Hoe kan dat zijn, zoo’n meisje, -zoo’n lief meisje, hoe kan daar slechts bij wezen?” En dagen lang liep -hij er mede rond, al denkende en denkende.— - -Maar op een avond, toen hij er steeds maar aan bleef denken, ging hij -naar de kamer van oom Cateur. - -„Wat is er, mijn jongen?” zeide de directeur. „Heb je wat te vragen?” - -Het zag er zoo echt vertrouwd en gezellig uit in de studeerkamer!—De -boeken achter de glazen kastdeuren, en de platen en fotografieën aan -den wand maakten het zoo vertrouwelijk.—En wat had oom Cateur toch een -vriendelijk gezicht, wat keken zijn bruine oogen zacht en hartelijk -over den grooten bril! - -Toen ging Paul vastberaden bij hem zitten in een armstoel en vertelde -hem zoo goed hij kon wat hem hinderde. Het was een heele durf, maar die -oogen vóór hem keken zoo vriendelijk en gaven hem moed, en toen hij -eenmaal aan ’t spreken was, en om Corrie dacht, ging het hoe langer hoe -beter. - -Toch stonden er tranen in zijn oogen, toen hij eindelijk vroeg: „Is het -wáár, oom, is het wáár dat alles zoo is, en dat alles dan maar -eigenlijk leelijk en slecht en vuil is?” - -Mijnheer Cateur keek heel ernstig toen het Jongetje had gesproken. Hij -bleef even nadenken, en zag het ventje medelijdend aan.—Toen nam hij -hem bij een hand, en zeide langzaam, om het goed te laten begrijpen: - -„Ik vind het heel flink van je, dat je mij dit alles hebt verteld, mijn -jongen..... de meeste jongens en ook de groote menschen zwijgen er maar -over, en dat is toch zoo verkeerd.... het is heel moeilijk om het je -uit te leggen, omdat je nog zoo heel jong bent, en je het niet -begrijpen zou.... ja, dat meisje van Anton Meeker was een slecht -meisje, ik weet alles van haar en wat met haar gebeurd is.... en er -zijn een heeleboel erg leelijke dingen in de wereld.... en wat Anton je -heeft verteld van trouwen en van kinderen krijgen is ook waar in -hoofdzaak.... maar, nu wil ik je eerst eens dit vragen: al kan ik het -je nu nog niet uitleggen, omdat je nog te jong bent, zou je me dan vast -willen gelóóven als ik je heel stellig iets verzeker, dat het wáár is, -en je er op áán kunt?”.... - -Wat had die oom Cateur een zachte, lieve stem! Nog nooit had Paul zoo -van hem gehouden. En dadelijk zei hij vol vertrouwen: „Ja meneer! ik -geloof U! Natuurlijk!” - -—„Nu dan,” zei de heer Cateur, heel ernstig, „wat Anton je verteld -heeft is wel in hoofdzaak waar, maar zooals hij het vertelt, is het -niet waar. Hij gelooft het zelf en bedriegt je niet, en hij ziet het -allemaal zelf zoo als waar, maar dat komt omdat hij een slechte jongen -is.... Hij heeft zeker nog nooit van iemand gehouden.... Ik heb van je -moeder gehoord dat je een heel lief vriendinnetje hebt, waar je erg -veel van houdt.... Nu, onthoud dan dit, beste jongen, en geloof me.... -Als je maar altijd heel veel van je meisje houdt, of als een man heel -veel van zijn vrouw houdt, dan is er niets slechts of leelijks.... Er -is iets in de wereld, dat alles rein maakt wat zoo oppervlakkig leelijk -schijnt, en dat is de Liefde.... De Liefde, waar je wel van leest in -verzen en romans, maar waar heel weinig menschen het heilige en eeuwig -goede van weten.... Die maakt alles wat zwart lijkt zoo wit als sneeuw, -en niets, wat bij die Liefde hoort, is slecht of leelijk, niets, -niets.... alles wat die jongen je verteld heeft is alleen waar als er -geen Liefde was.... Alleen als er Liefde is, mijn jongen, dan is er -niets slechts, dan wordt alles wat vuil en leelijk schijnt verreind, en -dan is alles heilig.... Zoolang je dus maar in Liefde gelooft is al het -leelijke wat Anton je vertelt een leugen, een grove leugen, hoor je, al -lijkt het allemaal ook nog zoo wáar.....” - -Toen werd het weer heelemaal licht in de ziel van het Jongetje.—Alles -was dus goed, en mooi, en rein. Want er was Liefde.... Hij had Corrie -lief, o! hij hield van haar, hij hield van haar, zijn lief, lief -Meisje! - -En hij beloofde oom Cateur om er altijd om te blijven denken, en het -nooit, nooit te vergeten. - -„Als je ooit weer iets hebt, en je voelt je ongelukkig, kom dan maar -gerust je hart nog eens uitstorten,” zei de oude meester nog. - -En met een verlicht hart ging Paul naar zijn kamer. Daar bleef hij nog -wat in zijn leuningstoel zitten mijmeren voor hij naar bed ging. - -Wat was het toch eigenlijk eenvoudig! Hoe had hij zoo weken achtereen -kunnen suffen, en zich zoo laten beetnemen door de taal van zoo’n ruwen -jongen! Het was zoo heel eenvoudig, als je maar blijft houën, dan is -alles rein. Hoe had hij het kunnen vergeten! Hoe zou nu ooit bij Corrie -iets slechts kunnen zijn, bij Corrie, waar alles zoo teer en rein en -zuiver aan was? - -En hij schaamde zich, en voelde of hij iets leelijks tegen zijn -lieveling had gedaan door zoo te denken. Hij zag opeens weer het blanke -maagdelijn voor het raam, in haar wit nachtponnetje. Kuisch, onschuldig -kind! Lief bruidje van Onzen Lieven Heer, met je gouden haren, en je -rank lichaampje, zoo zoet en teeder! Wondere sfeer van heiligheid, -bevende om haar heen! - -„Ja, het is goed, het is zuiver, het is alles mooi van het leven. Het -vuil is buiten mij en mijn lieveling,” dacht het Jongetje. - -„Het is ook niet wild en grof, zooals die slechte jongen heeft gezegd. -Want juist het erge houën, de Liefde maakte die grove, harde dingen zoo -zacht en wonderlijk teeder....” - -En enkel door geloof en heldere intuïtie wist het Jongetje opeens de -hoogste wijsheid, die filosofen maar zoo zelden met de gedachte -bereiken. Want de simpele waarheid is voor de eenvoudigen van geest, in -wie de pure liefde woont. - -„Ik houd van haar, zij houdt van mij, dus is er niets slechts. Alles is -heilig.” - -En die sterke zekerheid droeg hij voortaan altijd met zich mede, als -een schild voor zijn borst. - -Zóó ging het leven veilig voor hem verder, en de schaduw was weg van -zijn ziel.— - -Nog veel, veel uren op de school, nog veel, veel wandelingen door de -velden, en stille avonden van droomen aan het open venster, nog veel -lief luisteren, onder bloesemende boomen, naar ’t zoet gekweel van -vogelen in de lente, en de zomer kwam, de heerlijke, heerlijke zomer -van de vacantie. - -Corrie had niet meer geschreven. Ze durfde zeker niet. Maar ze had wèl -tweemaal de groeten laten doen door zijn moeder. Mama kwam haar nog wel -eens tegen in de stad, en als zij alleen was, kwam Corrie naar haar -toe, en vroeg hoe Paul het maakte, en liet hem groeten. In den laatsten -tijd had ze haar niet meer alleen gezien, schreef mama. Ze was bijna -altijd met haar moeder, en dan liep er nog een officier bij, een -kapitein van het indische leger, zeker een oom of een neef. Maar ze -liep nooit met andere jongens, hoor, of met jonge heertjes, en Paul kon -gerust zijn! - -Nu nog de drukte van de repetities, voor de groote vacantie. Dat is een -kwestie van overgaan in de volgende klas, òf blijven zitten. Verbeeld -je, blijven zitten, en niet naar huis mogen!—De verzen en de romans -bleven nu in de kast, en het Jongetje was een paar weken aan ’t blokken -van belang. De wiskunde, daar was hij pas bang voor! - -Maar het liep hem mee. Hij kreeg allemaal vragen die hij wist, en bofte -even hard met het schriftelijk werk. Hij was er door, hoor! - -Alweêr wat dichter bij Corrie! Hoera! Nu nog maar één klas en dan -student! Gauw het goede nieuws naar huis schrijven. En een dikke brief -van moê terug. Hij was een flinke, beste vent geweest. Nu waren ze -trotsch op hem. Alles was nu weer goed, hoor! En, het heerlijkste van -alles nog, er was wel een kansje dat hij nu weer terug zou mogen komen. -Papa zou met den directeur spreken, en hij dacht wel dat Paul zou mogen -terugkomen in den Haag, en de vijfde klas doormaken.—Er was één leelijk -ding in den brief. Corrie was met haar oudelui op reis, had ma gehoord. -Ze waren ergens in Duitschland, wáár wist ze niet precies. Maar ze -zouden natuurlijk wel weer terugkomen. - -Hoe dol, dolblij was Paul! - -Toch stonden de tranen in zijn oogen, toen hij afscheid nam van oom -Cateur. De beste, goeie, vriendelijke oom, die hem altijd zoo geholpen -had! En toen hij voor ’t laatst in zijn kamertje stond, waar hij zoo -dikwijls had zitten droomen, voelde hij ook iets héél droevigs. - -Maar het heerlijke, heerlijke dat komen ging! Weer terug zijn in den -Haag, en altijd, altijd bij haar blijven, haar elken dag weer zien! - -En daar zit mijn Jongetje weer in den trein. Hoera, hoe ijlt hij in -bliksemsnelle vaart vooruit, harder nog maar, véél, véél harder, daar -gaat mijn Jongetje dan weer eindelijk terug naar ’t Meisje!..... - - - - - - - - - -XI. - - -Nu wéér, wéér wachten en wachten, maar nú in den Haag. Ze was op reis, -naar den Harz, en naar Wiesbaden, en Berlijn. Hij was Jan van Meeden -tegengekomen, en die had het hem gezegd. Maar Paul was geduldig. Nu -maar al de mooie plekjes van vroeger opzoeken, waar ze samen geweest -waren, en dan goed weer alles herinneren. Dat was toch ook een genot! -Einde Augustus zou ze weer terug zijn. - -Alles was weer als vroeger. Scheveningen, en de muziekuitvoeringen in -den Dierentuin en het Bosch waren weer in vollen gang, en de menschen -liepen weer in luchte, kleurige pakken, en alles was licht en blij en -groen. Alleen was er een nieuw Kurhaus gekomen op Scheveningen. Wat een -gebouw daar zoo ineens, in dien korten tijd verrezen! Maar het Jongetje -had liever het oude Badhuis gezien. Alles moest als vroeger blijven, er -mocht niets, niets veranderen. - -Wat waren er in den Haag veel mooie meisjes! Maar Paul keek er maar -weinig na. Híj had dan toch maar ’t áller-, állermooiste, en daar -haalde niets bij.... - - - -Ik zit te aarzelen nu ik dit schrijf. Het wíl niet goed meer. Ik wou nu -wel heel graag dit boek dicht doen, en wegsluiten voor goed, en er -niets meer van weten..... Het zal pijn gaan doen.... Ik zou nu wel -willen vertellen van al de wandelingen die hij maakte, de lieve, stille -bedevaarten naar alle oude plekjes, en hoe hij dan droomde, en hoe hij -verlangde, o! hoe hij verlangde..... - -Maar het wil niet meer, het wil niet.... Ik zie nu altijddoor wat komen -gaat, kijk, o, God! daar zal het komen, daar zal het komen.... en dan -kán ik niet, dan kán ik niet vertellen van nog meer teêre, heilige -zieledingen, als ik zie die dreigende, zwarte schaduw die daar aankomt, -valsch en verraderlijk, onverwachts.... - - - -Zóó is het gebeurd. - -Het was in de schemering, aan het strand. Paul had vroeg gegeten en was -om zeven uur al naar Scheveningen gegaan. Het was erg warm geweest, en -aan de zee zou het nu zoo heerlijk zijn. Hij zit lekkertjes in een -stoel te droomen... onder het zacht geruisen van de zee.... Zou ze nu -komen?.... zou ze nu nog niet komen?.... - -En daar staat opeens Jan van Meeden voor hem. - -Nu komt het. Nu komt het.—En alles is gewoon. De zee, het strand met de -stoelen, de menschen, alles is gewoon. Maar o! Nu komt het! nu komt -het! - -„Zóó, kerel, hoe maakt je ’t?.... Weet je ’t nieuws al?” - -„’t Nieuws? .... Welk nieuws?....” zei Paul zonder erg. - -—„Wel, van Corrie, mijn nichtje.... Ze is geëngageerd moet je weten. -Het is op de reis áángekomen....” - -—„Wát?.... Hè?....” - -—„Ja, kijk nu maar niet zoo raar, het is wáár, hoor. ....En een -schandaal vind ik het.... Stel je voor, ze is geëngageerd met een ouden -kerel, een kapitein van het indische leger, Van Boolen, een vent van -bij de veertig, en zij is pas zeventien.....” - -Nú je goed houden, mijn jongen! Niets laten merken, al ga je er dood -van! Hoû je goed, arme kerel! Goed zoo, en nu heel kalm vragen: - -„Maar dat kan toch niet, zeg, ze kan immers niet van zoo’n ouden man -houden! Ze is nog een kind!” - -—„Ja, dat heb ik ook al gezegd,” antwoordt Van Meeden. „Maar dat -schijnt er niet op aan te komen ....hij is van nogal goede familie en -heeft wat geld.... en nu is zij „bezorgd”, zeggen ze.... Ze zal wel van -hem lééren houden, als ze getrouwd zijn, heet het.... Maar het is zoo -prettig tegenover de andere meisjes om al geëngageerd te zijn, en aan -den arm van zoo’n grooten meneer te loopen.... hij is al kapitein en -heeft de Willemsorde.... en de familie heeft het haar zoo’n beetje -opgedrongen, vooral grootmama, die was er erg vóor.... Het is maar -zoowat spelen van haar, ik wed dat ze niet eens goed weet wat trouwen -is.... Maar ik vind het een schande dat zoo’n vent zoo’n jong meisje -krijgt!....” - -—„Hoe bedoel je dat, een schande?” - -—„Wel, je weet toch wel dat zoo’n kerel al heel wat heeft -doorgemaakt?.... Je moet dat leven in Indië kennen.... als je daar zoo -ongetrouwd tot je veertigste jaar geleefd hebt, ben je vrij wel op de -hoogte, hoor.... ook hier heeft die Van Boolen in ’t eerste jaar van -zijn verlof heel wat afgescharreld.... ik zag hem zoo nogal eens laat -in den avond met een meid rondboemelen.... en dat krijgt nu nog zoo’n -mooi, jong ding als Corrie.... Ik vertik het.... ik ga niet -feliciteeren.... Ze zijn terug, ze zullen straks misschien wel in ’t -Kurhaus komen. ....Maar wat kijk je beroerd, kerel.... o ja, da’s wáár -ook.... jij hadt ook een oogje op haar, hè....? Vin je het èrg -beroerd?....” - -„Ik?” kon Paul nog onverschillig zeggen. „Ik? Ben je gek, kerel! Ze -moet zelf weten wat ze doet, hoor! Er zijn nog meisjes genoeg!” - -—„Nu, bonjour, tot ziens.” - -—„Bonjour!” - -Heel gewoon. Alles is nog hetzelfde. - -Maar daar zit mijn arm Jongetje wezenloos voor zich uit te staren. Hij -kan niet huilen. Hij kan niet denken. Hij zit zoo stil, zoo stil, en -beweegt niet.... Langzaam valt het donker over de zee, en vage nevelen -wuiven zacht over het water.... Zoo zit hij daar lang. Dan staat hij -ineens op en zegt: „het kán niet, het kán niet.”—Die gemeene kerel -heeft hem voor den gek willen houden. Naar boven, naar het Kurhaus, -gauw!.... Er is muziek buiten.... Nu zoeken, zoeken.... Omloopen, hier, -daar, en nòg eens.... O! God! Kijk!.... Dáár.... dáár.... dáár, bij de -muziektent.... O! rank, lucht maagdefiguurtje, zoo teêr in witte kant -en mousseline.... Kijk, daar is haar lief, vriendelijk gezichtje zoo -blank en roze.... Wat is ze slank geworden, kijk haar fijne middel.... -het Meisje! het Meisje! o! het Meisje is er weêr!.... - -Maar o! daar naast haar. ....Een korte, dikke bruine man.... een -indische man ....een officier.... Hij heeft een groote snor.... Een -ouwe vent al.... Het haar op zijn hoofd is kaal.... Wat worden die -menschen bruin.... - -Kijk, ze verliest haar zakdoek, en bukt om hem op te rapen.... Die man -kijkt in haar hals, en zegt wat, lachend.... Wat een oogen heeft-ie.... -Wat een rare, vreemd glinsterende oogen, met valsch licht.... kijk hij -haar aankijken!.... - -O! God!.... het is wáár, het is waar!!.... Het kán niet, het kán niet, -maar het is wáár!.... - -Dat is het Meisje, dat is het Meisje, en ze is groot en ze is voor dien -man.... Ze is heelemaal voor hem.... Ze gaan samen trouwen.... Trouwen, -trouwen, trouwen, hóór je? Je weet toch wel wat dat is?.... - -Alles begint te draaien.... de lichten wemelen.... het wordt donker.... -en het wordt warm, o! het is om te stikken.... het vlamt, het -brandt!.... - -O wèg, wèg, wèg.... Weg van die menschen allemaal.... je stikt, je -stikt,.... terug, gauw, naar de zee.... - -En daar staat het Jongetje hijgend aan de zee. Ha! die zeewind, dat is -goed.... Nu wordt het weer beter.... - -En langzaam, langzaam begon hij weer te denken over wat er voor -verschrikkelijks gebeurd was. Nog eens goed kijken.... Hoe was ’t ook -weer?.... Ja, zoo!.... - -Hoe goed had hij hem gezien!—Hier, in het schemerduister, met die vage -avondzee onder droomende nevelen, hier stond hij vóór hem, al deed hij -de oogen dicht. Zijn bruut, bruin, verhit gezicht. Zijn goor-glanzende, -zwarte oogen. Zoo’n mannelijke snor, brutaal opgestreken. Zijn kort, -dik lijf, grof, met wat schitterende knoopen en een kruisje, hè ja, dat -vinden de meisjes mooi, moet je weten, al is ’t niets dan een uniform -met vleesch er in. Precies.—Een man, een echte man, met een snor, met -haar op zijn handen, en roodbruin vel, en een slagersnek. Heerlijk hè? -O, die loerende, gretige, flikkerende oogen! Hoe voelde het Jongetje -wat die wilden! En heel klaar, in bruut, hard licht stond het voor hem, -wat er eigenlijk ging gebeuren.—Hoe kon hij het zoo altijd, altijd -vergeten hebben, wat hij toch al héél vroeg op school was komen te -weten, al die leelijke dingen, die toch blijkbaar heel gewoon -waren?—Hij, die bruine sabreur, een echte indischman, van zoowat -veertig jaar.... In Indië alles doorgemaakt, zat en moê van al het -gesjouw, van brandy-soda en bruine vrouwen, er op lòsgeleefd tegen de -klippen op, meneertje, wàt ik je verzekeren kan, hoor! Maar eindelijk -beu geworden, en de dokter hem gezegd van verlof vragen, en nu gaan -oppassen, en kalm worden, een geregeld leven leiden, een vrouw -„zoeken.”— - -Ja, zóó moet het gegaan zijn. En toen is die patser gaan „zoeken.”—En -toen is hij, met al zijn glimmende knoopen, en zijn snor, en zijn -brute, bruine tronie tegen een heel jong kindje aangeloopen, een lief, -zacht poppetje van melk en bloed, aha! dát wás iets voor hem, -potverdorie ja, zoo’n piepjong schepseltje, ’t neusje van de zalm! - -En toen is-t-ie met z’n opgestreken knevel, en zijn kletterenden sabel, -en al zijn staatsie van veroveraar en vechtersbaas er op afgegaan, de -borst vooruit, de insignes blinkend, met al het moois van zijn uniform -opgepoetst, victorie daar ben ik, parmantig, een haan met vurige kam en -felle sporen.... - -En het Meisje—o! dat ik dit schrijven moet, dat ik dit met eigen -hartebloed moet gaan schrijven, als een verhaaltje!—het Meisje, arme -lieveling, mooi, goddelijk koningskind, het Meisje was geen veertien -jaar meer, het was al ouder geworden.... en dan verandert er zooveel in -zoo’n lelieblank engelenlichaampje, niet waar?... dan wordt het zoo -meer een vrouwtje, met allerlei neigingen en verlangens, waar niemand -ooit over durft praten, en die ze niet kan begrijpen en richten.... het -Meisje zag dien mooien, bruinen, mannelijken man, met zijn gullen -knevel, en zijn stierennek, en zijn harige handen, met al die mooie -dingen om zijn leden.... en het Meisje kon het misschien ook niet -helpen.... en toen woû ze wel.... het was heusch het Meisje van -veertien jaar niet meer.... en.... - -Maar ik kán niet, ik kán niet, ik kán niet meer zoo schrijven. Ik heb -zoo van dat Jongetje gehouden, waar ik van vertel. En hij was zoo arm, -en zoo alleenig, daar op het strand! Hij stond ál maar te staren, over -de duinen, en over de zee, en dan weer naar boven, waar al die lichtjes -brandden, en waar die muziek was, alles blijheid en geluk, en waar ze -nu zeker samen rondliepen, die bruine, brute kerel, en dat zachte, -blanke lam. En het Jongetje liep te praten, heel alleen, en te denken: - -„Lieveling, het kán niet, het kán niet.... hij zal je pijn doen.... hij -is zoo sterk en ruig.... hij is zoo grof, met zijn lompe knuisten en -zijn rooien nek.... en jij bent mijn zwakke, blanke lieveling, zoo -klein en teêrtjes.... weet je nog hoe bang je was, toen je bij de zee -had geloopen, en je voet deed pijn van de schelpen, en hoe verlegen je -je bloote beentje voor me verborg?.... het was zoo fijn en zoo witjes, -hoe graag had ik er nog véél méér kusjes op gegeven, maar ik durfde -niet.... Ik durfde nooit, mijn meisje, als ik bij je was.... het was -zoo rein, en zoo heilig, alles van je, ik werd er zoo bang van.... -alleen héél even je aanraken, maar o! hoe voorzichtig, want alles is -zoo broos en ijl aan je.... weet je nog dat roze japonnetje met die -fijne kanten, al die teêre figuurtjes?.... of dat blauwe matroosje, of -dien groenen wintermantel, met rood flanel gevoerd?.... en wat warm was -het in je mofje!.... - -Lieveling, pas toch op voor dien bruinen man.... zie je zijn oogen dan -niet?.... zie je niet, hoe bruut alles aan hem is?.... hoe kan die nu -ooit lief voor je zijn, en voorzichtig en zacht genoeg, voor zoo’n -teêr, lucht wezentje als jij?... hij zal je pijn doen, lieveling, hij -is zoo sterk en donker, en jij zoo rank en licht....” - -En ineens een felle, felle pijn in zijn hart, een pijn die bliksemde -naar zijn hoofd, dat het gloeide, en klopte, en flitste.... O! dat -denken! dat denken!.... - -Hij zal haar meesleuren.... hij zal alles, alles met haar doen wat hij -wil.... haar blanke borstje zal hij zien.... haar lief, wit beentje, -dat ze ééns zoo verborg voor mij, zoo verlegen.... en haar roze -voetjes, met die fijne nageltjes,.... hij zal al dat heilige, reine, -maagdelijke mogen zien en hebben.... híj is niet bang voor haar brooze -kleêrtjes, en de kantjes op haar borst, en al de zachtheid, die haar -heerlijk lijfje kleedt.... hij mag haar hébben, hébben, heelemaal -hebben, ....hij, met dat uitgefuifde gezicht, met de restjes van al -zijn uitgesjouwde begeerte zal hij haar besmetten, bevuilen, -bemodderen.... - -O God! O God!—.... het kán toch niet.... het kán toch niet!.... - -Lieveling, het kán toch niet!.... het is een booze droom.... wees toch -niet boos dat ik zoo gedroomd heb.... je bent altijd zoo goed -geweest.... ik heb zooveel zachte kusjes van je gehad.... ik heb zoo -van je gehouën.... van alles van je, van je japonnetjes, en je -manteltjes, en alles aan je en om je; als je maar éven iets aangeraakt -had was het al heilig voor me.... en wat zou ik nu moeten beginnen als -je er niet meer was?.... dan zou alles in elkaar vallen, en het zou zoo -donker worden, zoo donker.... en als ik wandelde, zoo ver weg, en ik -liep zoo lang, zoo lang tot ik moê was, hoe blij was ik, dan bij ieder -stapje wat dichter bij je te zijn!.... En nu zou jij weggaan, voor -goed, naar Indië, heel, heel ver, met dien boozen man?.... Neen, ik zal -wachten hier bij de zee, zooals vroeger.... en straks zal je komen, en -mijn hoofd mag weer tegen je zachte schoudertjes rusten, zoo veilig en -warm.... en ik zal zoo lief en zacht zijn, ik ben de eenige, die dat -ooit genoeg zijn kan, want ik weet hoe teêr en fijn alles van je is.... -mooie, zoete lieveling,.... mijn zacht duifje.... mijn lief, rein -Edelweiss....” - -En heusch, het Jongetje heeft toen nog lang gekeken, of zij niet -kwam.—Hij kon in het Kurhaus de menschen zien krioelen, en staarde maar -aldoor naar de groote trap boven, of daar niet een lief, rank figuurtje -in wit zou komen aanwuiven, als vroeger op de brug van ’t -Bezuidenhout.... Maar er is niets gekomen voor het Jongetje. En áldoor -maar dat denken, dat denken.... Dat verschrikkelijke denken van wat -gebeuren zou aan zijn lieveling, zijn Meisje..... - -Zou er dan niets, niets hem helpen? - -Zoo eenzaam was het strand. De duinen waren vaag in den nevel, en keken -zoo dof en triestig. De zee ruischte zoo dof en somber; treurig -klotsten trage golfjes op het zand. Alles was heel stil en verlaten. En -het Jongetje voelde hoe héél alleen hij was, hoe alles om hem heen -apart leefde, alles met een eigen gang. - -Was dit dezelfde zee die hem altijd met háár had gezien, en heelemaal -in hun leven was, en van alles afwist? - -Met betraande oogen liep hij wat vooruit, om te hooren, wat het sombere -golfgeklots toch zeide, om van heel dichtbij zijn grooten, ouden vriend -weer terug te voelen. - -Maar de zee wist niet. Groot en eenzaam deinsde zij onder den grauwen -hemel. En plots een koude, felle plas water, brutaal over zijn voeten. -Met een huivering deinsde hij terug. - -Toen ging het Jongetje weg van de zee, die hem verlaten had, en met -loome, kille voeten liep hij naar boven. - -Waar nu heen? Hij wist het niet. Maar wèg, wèg van dat licht, van die -muziek, van die menschen. Daar zat ze ergens, in dat feestende Kurhaus, -met haar nieuwen lieveling, een bruten, bruinen man.... En alles ging -gewoon zijn gang. Er was niets gebeurd. Er werd niets gedaan. De -menschen liepen blij te praten, en wiegden hunne hoofden op walsmuziek, -en dronken thee. Er was volstrekt niets bizonders gebeurd. Alles hoorde -zoo. Een klein meisje moest worden overgeleverd aan een ouden man, die -op is. Boem! boem! gaat de muziek. En de zee weet niet, en ook niet de -sterren en niet de blauwe lucht.... - -Nu gauw op de stoomtrem,.... neen, niet zitten, je zou stikken, stikken -in die nauwe doos.... buiten staan.... kijk, al die lichtjes van het -Kurhaus, en van de Galeries, en al die rijtuigen .....hoe vriendelijk -wenkt en pinkelt alles.... alles heeft plezier.... het is dan ook zoo -verschrikkelijk, verschrikkelijk prettig!.... - -Gelukkig gaat de trem nu voort.... Hoe snijdt de wind in die felle -vaart!.... En kijk, daar gaat het weg, het Kurhaus wordt vaag, en al -die gebouwen.... de lichtjes worden flauwer.... het is of ze nog heel -zacht iets willen roepen.... maar Paul moet wèg, wèg, en het nooit, -nooit weer terugzien.... - -En toch moest hij kijken, of hij wilde of niet, en zacht, o! zoo zacht, -fluisterde hij voor zich uit: „o! Corrie! Corrie! Corrie!” - -Was het dan toch mogelijk?.... kon dan alles maar zoo ineens weg zijn -zonder dat er iets vreeselijks gebeurde?.... bleef alles zoo maar zijn -gang gaan, al werd het heiligste vermoord? .....Of droomde hij?.... -Neen, dit is geen droom.... Dit is de trem, wèlbekend, met de banken, -en de latten, en de ijzers.... heel gewoon.... en dit is de Nieuwe Weg, -en straks komen het Kanaal, en de Koninginnegracht, en de -Koningskade.... en hoe scherp en hard schelt de bel.... hoe bruut, als -het in je hoofd zoo bonst en klopt!.... Ai!.... - -Gelukkig, hier is nu al de brug bij den Dierentuin. Nu afstappen. -Alleen zijn. Nog eens denken, denken, goed denken.... - -Het bosch stond somber, zwijgend, grootsch opgerezen. Een donkere, -zwarte massa, vol duister geheim. Er was geen licht dan somtijds ergens -een paar sterren, hoog boven een opening in de zware bladerkronen. - -En het Jongetje kende het Bosch niet meer, en het Bosch kende evenmin -het Jongetje. Het had niets met hem te maken, dit voelde hij dadelijk, -het was even apart als de zee. Treurig liep hij een eind de Boorlaan -in, en ging op een bank zitten. Hoe eenzaam en hoe groot was het daar! -Hoe somber en zwart rezen die hooge gevaarten op in het donker, en hoe -stil, hoe stil, hoe wanhopig doodstil was het in het rond. - -En hij zoo klein en arm; zoo alleen en verlaten! - -En weer stond het scherp en fel voor hem, als een hel, reëel ding, dat -de wereld om hem heen apart leefde, en hij een enkel, apart wezen was, -zonder verband met het andere. - -Ja, dát was het.... hoe was het in Godsnaam mogelijk, dat nú eerst te -zien!.... hij had al die jaren apart geleefd, en wat nog véél erger -was, ook Corrie had apart geleefd.... - -Ze was grooter geworden. Ze had nieuwe indrukken gekregen. Ze was -veranderd. Haar lichaam was anders geworden. Ze was veel ouder dan hij. -Een meisje van zeventien is ouder dan een jongen van zeventien. Die -kijkt niet naar jongens, maar naar heeren. Die kan trouwen.... - -Stil, stil.... stil.... o! God, daar komt het, wat ze op school hebben -gezegd.... wat ik altijd heb vergeten als ik bij háár was.... o! al het -leelijke, het vuile, het gore, het slechte.... ”Alleen als er Liefde -is, mijn jongen, dan is er niets slechts, dan wordt alles wat vuil en -leelijk schijnt verreind, en dan is alles heilig,” had mijnheer Cateur -gezegd.... ja, ”maar zonder Liefde, echte, zuivere Liefde is het -leelijk, is het héél leelijk.” - -En plotseling, als een afgrond die zich opent, vol goor ongedierte en -vunzige walmen, zag Paul de vreeselijke realiteit voor zich van wat -gebeurd was, en wat gebeuren ging. Dat kon geen Liefde zijn tusschen -Corrie en dien man. Dat kon zijn lichamelijke attractie, spelerij en -grillige fantazie van een kind, maar geen Liefde. En.... groote God.... -dan was het vuil, dan was het leelijk!.... Kijk, dít, dít, dít zal -gebeuren.... zij weet het niet, géén meisje dat zoo trouwt weet het in -al zijn brutale, gore verschrikking, maar hij, die man, híj weet het -wèl, en hij verheugt zich er op, hij likt zijn baard van gulzige -verwachting en zet de borst hoog op van trots!.... - -O, God! o, God!.... dit is het gevaar.... dit is het groote, groote -gevaar, dat maar niet komen wou.... Maar nú is het er, en is niets meer -te redden.... dit zijn geen woeste bandieten, en wilde draken en -vlammen.... dit is de gewone loop der dingen, waar niemand wat in -ziet.... waar alles over feest en jubelt.... dit is het trouwen zonder -heusche, reine liefde..... het offeren van een schuldeloos, jong wicht -aan een ouden zondaar.... - -„Lieveling! lieveling!” snikte het Jongetje, „lieveling kom dan toch!” - -Maar het was eenzaam en donker rondom. En het Bosch wist niet, en stond -somber zwijgend in den nacht. „Het kàn niet!.... het kàn niet!” riep -hij radeloos in de stilte. - -Neen, het kon niet. Als hij zuiver, kalm nadacht, kom, nu bedaard, mijn -jongen, en niet zoo huilen, dan kòn het niet. Ze is zoo teêr en zwakjes -nog. Die fijne schoudertjes. Al die frêle, luchtige dingetjes van haar. -De handschoentjes, de droomefijne kantjes en borduurseltjes, het zachte -bont, en het fluweel en de glanzige zijde. Dit is toch veel te teer om -zoo maar ruw te durven aanvatten.—Zoo’n rank, slank figuurtje, dat is -om éven je hand om te leggen, maar zoo voorzichtig, zoo voorzichtigjes, -het zou breken!... zulk goud, zacht haar, hoe fijn en licht zijn al die -lichte lokken, daar kan je heel even je wang aan houden, maar zoo -zacht, zoo vol eerbied.... en die mooie lijfjes van mousseline, en -zijde, en crêpe..... je zou haar japonnetjes zoo kreuken als je haar -wat hard tegen je aandrukt.... o! wonder, fragiel wezentje van rozige -teêrheid.... wat is het alles broos, en lucht, en ijl aan haar!.... - -En ja, niet waar?... dien avond, dien heerlijken, heiligen avond.... ze -is een bruidje van God... een wit bruidje met een kuische -offerkaars.... een kind in een wit hemdje.... en ze stond zoo stil, zoo -stil, zoo stil.... er was zoo’n vreemd wonder licht om haar,.... en ze -had haar gebed gedaan.... het gouden haar lichtte een aureool om haar -maagdelijk hoofd...... o! Weenen, weenen.... O! Bidden, bidden.... -Neen, niet bidden, want God hóórt niet.... God, waar ze voor geknield -heeft in de kerk, met het hoofd zoo vroom gebogen.... en al die -menschen in gebed.... en de statige stem van den dominé.... - -Was het dan dáárvoor alles geweest.... moest dan zoo dat uiterst reine -verloren gaan, onder bruten hartstocht van een man, die niet waard is -haar éven maar te zien?.... Is dit dan het einde voor wat goed en edel -en rein is?.... Is dit dan de wereld, die dat toelaat, dat de Liefde -wordt vermoord?.... En dan is er nog Recht, verbeeld je, Recht, dat -richt over moordenaars en dieven.... En schaamteloos wordt de Liefde -vermoord, het heiligste op de aarde, en het Recht weet niet, en ziet -niet om.... Het is fatsoenlijk, zooals het is, en ze gaan naar ’t -stadhuis, en, groote God, naar de kerk, en ze zingen en bidden er, -juist als vroeger.... O! niet bidden, niet bidden.... Vloeken.... -vloeken.... het is alles verdoemd.... Het is verdoemd.... Het is niet -de Liefde, die het leven beweegt.... Het is het fatsoen.... Het is dan -ook zoo heel fatsoenlijk, dat deftige stadhuis, en die kerk.... Ze -zullen nu allen bij elkaar komen, de fatsoenlijke familie, om het -feestelijk te vieren.... een blank lam, dat niet weet, en ten offer -wordt geleid.... met wijn en bloemen en vlaggen moet het worden -gevierd, de dood van het Meisje.... en zij weet niet, zij kón niet -weten, het is nog alles spel bij haar, zoo heel van buiten.... en -argeloos, met blijden lach, loopt het Meisje in ’t gevaar.... En het -zachte, het lelie-reine, het moet gebroken, vernield, door ruwe, roode -handen.... En alles gaat zijn gang, het evenwicht der wereld is niet -verstoord, omdat de Liefde sterven moet, en het reine neêrbuigt in het -slijk.... Vast en machtig staan de dingen en weten niet, en leven hun -apart leven, onbewogen.... - -Met brandend hoofd stond het Jongetje op, en beefde over al zijn leden. -O! wat bonsde en bonsde het tegen zijn slapen.... Nu weg, weer weg, ook -hier is het niet meer veilig.... en het Bosch kent hem niet en is -somber en zwart.... - -Werktuigelijk liep hij de laan uit, en de brug over, de -Koninginnegracht langs, en het Voorhout.... Dit is de stad.... hier -branden de lichten.... en vele menschen gaan er, elk naar eigen -doel.... ze weten niets van wat hij lijdt, hij is een eenzaam, arm -wezen.... Nu door de Houtstraat, en hier is het Plein.... rijk -schittert het licht van de Witte Societeit.... het lijkt daar ál -vreugde en geluk.... dat licht, dat licht, de menschen weenen niet, -maar lachen.... Er is niets gebeurd, niets.... Maar ai! hoe brandt zijn -hoofd, hoe bonst en brandt het! - -En opeens een stem, brutaal, vlakbij, met valsch gefleem: - -„Zèg, lievert, ga je méé?” - -Met een schok bleef hij staan. Wat moet die stem daar? hoe -durft-ie!.... - -En hij zag haar. Een flets, bleek gezicht. Een valsche flauwe lach. Het -leek een vrouw. - -En hij begreep, opééns.... - -Dit is het allerlaatste.... dit is de zuster van het Meisje.... dit is -ééns ook een Meisje geweest.... en dit wil hem nu geven de schande van -het lelie-reine, de ruïne van het hoogst gewijde, voor wat geld..... En -velen zijn de zusteren van het Meisje.... en ook zíj zal nu heel gauw -het Meisje niet meer zijn.... Het is te véél, mijn God, het is te véél, -dit is het einde van álles.... - -Toen daalde de groote nacht over de ziel van het Jongetje, de groote, -sombere nacht van duisternis, met zware, zwarte schaduwen wijd -neervallend over wat daar blank en licht was geweest...... - -En toen is het Jongetje daar eenzaam en verlaten gestorven, toen hij -het absolute Kwaad van aangezicht tot aangezicht aanschouwde, en hij -zag de fatale, droeve gelijkenis met wat het reinste en heiligste was -uit zijn grimmig, omnacht gelaat.... En wie dit allerwreedste van het -leven heeft gezien, als ’t absoluut slechte eensklaps uit het -allerreinste loert, als giftige adder uit het blinkend groen, en niet -meer waakt over hem de Liefde, die scharlakenrood maakt wit,—die weet -hoe toen mijn Jongetje wel moest heengaan, om nooit weer terug te -komen. Toen het Meisje zou gaan sterven kon ’t Jongetje niet langer -leven, en wèl trouw hield hij zijn woord, tot in den dood...... - - - -En dit is de geschiedenis van ’t Jongetje, zooals ik die heb gevonden -in oude, gele dagboekjes, en half vergane reliquiën, en lokjes haar, en -heel ver in vage schuilhoeken van mijn herinnering. - -Ik weet wel dat Paul nog altijd leeft, al heeft hij ’t Meisje nooit -weer teruggezien, en ik geloof dat ik nog wel eens zal kunnen -schrijven, hoe het verder met hem ging, en hoe het lange duister -eindelijk eens weer wijken zou voor ’t groote licht der wijsheid, en -hoe over alle donkere dingen nieuwe glans van wijding ging.... - -Maar het Jongetje is dood, sinds het fijne droomenweefsel van zijn -zieltje opeens met fellen, wreeden slag verscheurd werd.... Ik zal nu -ook van Paul niet meer verhalen met zoo fijne, lieve woordjes, van zoo -teeder, zwak geluid.... Die pasten alleen bij zoo’n droomend Jongetje, -die met zoo bevende oogen de werelddingen aanzag, en met heel fijne -vingeren de uiterlijkheden van het leven zoo voorzichtigjes beroerde, -bang dat hij ze breken zou.... - -Nu is mijn Jongetje begraven in dit Boek, om nooit weer op te staan, en -er is niets, niets meer van hem over dan wat zachte woorden en wat lief -geluid, dat in mijne herinnering gefluisterd heeft, al jaren lang, tot -ik het eindelijk opschreef, in wat stille uren.... Nu was het hier, dan -daar, dat vaag gefluister, en als ik even stilstond, en luisterde, -midden in het doen van alle dagen, dan was het plotseling weer -heengegaan en riep ik tevergeefs.... - -Toen heb ik mij heel diep over mijn ziel gebogen, en alle dingen van -buiten heb ik weggedaan, en lang, lang heb ik geluisterd, waar het -eenzaam was en stil.... en geen gerucht der wereld dat het kon -verstoren.... - -En toen is alles weêrgekomen, voorzichtig, voorzichtig, en met brooze, -teêre woorden heb ik het langzaam in dit boek gezet van het -Jongetje.... - -Nu kan het Leven vrij weer doorgaan. Ik ben bereid en onvervaard.... - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET JONGETJE *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
