summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/65531-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/65531-0.txt')
-rw-r--r--old/65531-0.txt4711
1 files changed, 0 insertions, 4711 deletions
diff --git a/old/65531-0.txt b/old/65531-0.txt
deleted file mode 100644
index c1c92b4..0000000
--- a/old/65531-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,4711 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Het Jongetje, by Henri Borel
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Het Jongetje
-
-Author: Henri Borel
-
-Release Date: June 6, 2021 [eBook #65531]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book
- was produced from scanned images of public domain material
- from the Google Books project.)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET JONGETJE ***
-
-
-
- HET JONGETJE
-
- DOOR
-
- HENRI BOREL
-
-
- AMSTERDAM,
- P. N. VAN KAMPEN & ZOON.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- D’allora innanzi dico ch’Amore signoreggiò l’anima mia, la quale fu
- si tosto a lui disposata, e cominciò a prendere sopra me tanta
- sicurtade e tanta signoria, per la virtù che gli dava la mia
- immaginazione, che mi convenia fare compiutamente tutti i suoi
- piaceri. Egli mi comandava molte volte che io cercassi per vedere
- quest’ angola giovanissima: ond’io nella mia puerizia molte fiate
- l’andai cercando; e vedeala di si nobili e laudabili portamenti,
- che certo di lei si potea dire quella parola del poeta Omero: „Ella
- non pare figliuola d’uomo mortale ma di Dio.”
-
- (Dante, Vita Nuova.)
-
-
-I.
-
-Hij was nog een heel erg Jongetje. Hij vond zichzelf al een beetje een
-meneer, sedert hij op de Hoogere Burgerschool was, en een lange broek
-aan had. Ook wist hij zoo nog al het een en ander, wat schooljongens in
-den Haag al zoo heel gauw weten, en hij vloekte ook wel, als de anderen
-er bij waren, en lachte om allerlei leelijke dingen, zonder de
-gemeenheid te voelen.
-
-Maar in zijn hart was hij nog een heel erg Jongetje gebleven. En ik zeg
-dit, omdat ik het weten kan. Hij liep meestal in een zwart pakje, dat
-stond hem het beste, zei moê; zijn lange broek had hij nog maar kort
-aan; en daarom liepen zijn beenen er nog wat moeilijk en verlegen in,
-alsof hij nog niet goed groot durfde zijn. Hij droeg een rond zwart
-hoedje, met zijde geboord en met een zijden lint. Onder een wit liggend
-boordje droeg hij een breedgestrikte das, en aan zijn mouwen
-vastgespeld witte manchetten. Een wit zakdoekje kwam uit zijn
-vestjeszak kijken. Voor al die dingen zorgde moê. Maar het boordje en
-de manchetten waren heel gauw vuil, en hij beet gaatjes in zijn
-zakdoeken, en smeerde er inkt aan. Hij had een wandelstok met een
-gouden knop, dien hij zooveel mogelijk op straat liet zien. Nog al een
-deftig jongetje was hij, en wou dat ook erg graag zijn. Hij was in den
-groei, en erg tenger, met een bleek gezicht, en hij wist dat dit een
-beetje voornaam was. Hij wist ook, dat de meisjes hem wel mochten, en
-liep een heele boel meisjes tegelijk na. Op de groote kinderbals in den
-Haag kwam hij vroeger in zwart fluweel, met korte broek, zwart zijden
-kousen en verlakte schoentjes met strikken, en dan maakte hij zichzelf
-wijs dat hij een prins of een graaf was. Vol decoraties, gouden sterren
-en bloemen van de cotillon, kwam hij daarvan thuis, en dan stond hij
-zich heel lang in den spiegel te bekijken, met al die glorie op zijn
-borst, vóór hij in bed ging. Een roosje en een lintje van het
-állerliefste meisje,—van een klein, wonderteer wezentje, feeëriek in
-tulle en kant,—ging meê, onder zijn kussen.—Maar hij had telkens weer
-een ánder allerliefst meisje, en was heel ontrouw, ofschoon hij een
-ridder wilde zijn. Hij bewaarde zorgvuldig allerlei lokjes haar en
-bloempjes en briefjes, en kon dikwijls met trots zijn verzameling
-bekijken.—
-
-Het Jongetje was een meisjesgek, zeiden ze, en het was waar, dat hij
-overal meisjes naliep, en overal heenging waar hij dacht dat ze zijn
-zouden. Meisjes waren iets héél vreemds en geheimzinnigs voor hem. Ze
-waren zoo heel anders dan jongens. Ze hadden zulk mooi haar. Zoo lief
-waren ze. Ze liepen zoo veel zachter. Haar japonnetjes waren zoo mooi,
-en voelden zoo heerlijk aan, zoo van zijde en satijn en allemaal zachte
-dingen. Haar altijd schoone handen, haar stemmen zoo klaar en lief,
-haar beweging zoo blij en lucht!—Je moet voor haar vechten, en haar
-altijd overal helpen, en straffen wie haar kwaad doet. Ze zijn
-misschien eigenlijk engelen. Wat het was, wist het Jongetje niet, maar
-voor ieder meisje had hij een heiligen eerbied en tegelijk een
-verlangen om er heel lief-samen meê te zijn, en allemaal zachte dingen
-tegen te zeggen, en bloemen te brengen, en er iets voor te doen wat ze
-wou. Misschien kwam het van ’t vele lezen in ridderverhalen en in
-Aimard, maar altijd was die reverentie in hem gebleven, ook toen hij
-grooter werd en op school zooveel vreemde dingen hoorde, waar hij zoo
-nieuwsgierig naar was, maar die hij weer heelemaal vergeten was bij een
-meisje. Dáárom vooral zei ik, dat Paul nog een heel erg Jongetje was
-gebleven, al droeg hij een lange broek. En ik ben de eenige die dat
-absoluut kan weten.—
-
-Hij woonde van zijn vroegste jeugd af in den Haag.—Zaterdag- en
-Woensdagmiddag was er geen school, en dan ging hij meestal naar den
-Dierentuin. Hij was daar al jaren lang geregeld naar toe gegaan en was
-de grootste vrinden met alle beesten, van de papegaaien aan den ingang
-af tot de olifant toe, die hij nog had zien aankomen toen ze heel klein
-was, in een hok met luchtgaten, op een wagen. Onder zijn jasje nam hij
-altijd stukken brood mee, die hij thuis uit de broodbak haalde. Hij was
-te groot om een mandje mee te nemen en hij moest eens een jongen
-tegenkomen waar hij Apache en Comanche mee speelde, met heusche
-pistolen en messen! Daarom verstopte hij het in een doekje onder zijn
-jasje, dat dan wel eens heel raar ópstond.—Als het brood op was plukte
-hij gras af voor de herten, dat was verboden en dus erg prettig om te
-doen.
-
-En zóó gebeurde het. Op een Woensdag in de vacantie, den 18en Juli
-1883, zoowat om vier uur. Hij wist dat allemaal precies, want hij heeft
-het opgeschreven in een dagboek dat hij daarna is gaan maken, en dat ik
-zelf heb gelezen.
-
-Het was op een stil plekje in den dierentuin, met veel groen, waar het
-heerlijk rook van zoeten bloemengeur, rozen en heliothropen. Er was
-heel veel licht. Alles was heel blij en vertrouwd.—Er was daar een
-nieuw hok gemaakt voor een pas gekomen ree. Het was een heel schuw
-beestje. Het durfde nog niet naar voren te komen en stond bij het
-deurtje áchter, waar het ’s nachts sliep, beverig te dralen, met een
-voorpootje in de hoogte. Paul was daar heengegaan om vrindjes te
-worden. Hij had eerst een stuk brood en toen een handvol frisch gras
-door de tralies gestoken, en geroepen. Maar het ree-tje wou niet komen.
-Het hielp hem niet of hij al zacht en lief riep. En toen was hij boos
-geworden. Als hij liefdeed en vooruitkwam en als er dan iets anders
-was, dat wantrouwig deed en terugtrok, was dat een heel erg ding voor
-hem. Hij vond het een beetje een lam beest, en gooide er met een steen
-naar. Dat was bijvoorbeeld óók een teeken, dat hij nog maar een
-Jongetje was. Toen ging hij op een bankje zitten, vlakbij, om te
-wachten, of het ree-tje er misschien nog niet eens uit zou komen. Er
-was toen niemand in het laantje.
-
-En toen kwam een heel zacht geluid aan. Iets heel zachts en liefs, op
-een lucht rythmusje, voetstapjes, anders niets. En daar was het. Toén
-is het aangekomen.
-
-Fel klopte opeens het hartje van het Jongetje, en hij schrikte ofschoon
-hij nog niets gezien had. Het was inééns gekomen. Het was voor hém,
-voor hém heel alleen, het had eigenlijk al lang moeten komen, nú wist
-hij pas hoe hij altijd had geweten dat het komen moest. Het was blank
-en rose en goud. Het was licht. Het Meisje.
-
-Ik kan het niet anders vertellen van ’t Jongetje, want véél later wist
-hij het pas, en op ’t oogenblik zelf kon hij niet denken. Maar zoo
-voelde hij het; zooals heel zacht beweegt één boomekruin, éven
-ruischend in den nacht, en weêr een, en nog een, en zwaar-sonoor zwelt
-het aan, met groote golven. Zoo bewoog het in zijn zieltje, dat eerst
-zoo stil was.
-
-Je kon het niet aan hem zien. Hij wachtte en wachtte.... Hij kon niets
-doen, hij wist niet wat het was, en zou het niet verteld kunnen hebben.
-Wie het vertelt, dien beroert het niet meer, want het is te groot voor
-woorden, en te kuisch. Hij wachtte, en alles gebeurde aan hem, waar hij
-lijdzaam zat.
-
-Het Meisje! Licht, zacht, wonderroze, lichtroze wuivend om blank en
-goud.... Oogen—o! die oogen!—stralen van hemel-blauw, een teêr
-gezichtje van transparant licht,.... en waaiend goud, fonkelschitterend
-goud van golvende haren.
-
-Hij zag het eerst later goed. Toen was het enkel een wonder, een
-groote, lichte glorie, een zon. Het was een intens Licht over zijn
-zieltje, eindeloos uitglanzend over verre onbewustheden. Alleen het
-Jongetje, als het gebleven was, zou het kunnen vertellen, maar het
-Jongetje is weg, en een ander, groot mensch kan het niet zeggen, want
-die weet te veel, en het weten doodt het ontzachlijke van die emotie.
-
-Het kwam nader en nader.... het ging vlak langs hem....
-
-Hij voelde het heel dicht bij zich, want hij werd eerst doodkoud van
-rilling, en tóen brandde opeens een gloed naar zijn hoofd.
-
-Het Meisje bleef staan voor het hokje van de ree.—En zij riep met een
-hooge, blijde stem.
-
-Het ging héél vanbinnen in het Jongetje door, en het was of overal in
-hem iets openging; het werd grooter en grooter, overal was het weer,
-verder en verder, en die klare stem vulde zijn uitspreidend zieltje met
-zalige muziek.
-
-Het Meisje riep: „Kom dan lieveling, kom dan toch bij ’t vrouwtje!....
-Kom dan, lief beestje, ik héb wat voor je....” En het kwám, het
-Jongetje zág het gebeuren, de kleine ree kwam naar die stem toe. En
-kijk! nu is het fijne, teêre beestje bij ’t Meisje, en haar kopje is in
-twee witte, witte handjes. Het is gegeven, en het is aangenomen.
-
-Hij stond op. Als een bloem zoo onbewust, zoo heel, heel zacht brak
-zijn zieltje open en neeg naar het Meisje, naar den kant, vanwaar die
-wondere stem was gekomen. En zooals die bloem keert naar het licht,
-ging hij naar het Meisje toe, niet bang meer, en zéér stellig dit
-willende zonder te weten van willen.
-
-„Wat ben je een héél lief meisje!” zei hij, natuurlijk, alsof hij haar
-al lang kende.
-
-Zij keek hem eens aan, schrikte even op, en lachte.
-
-„Je kunt zoo vriendelijk roepen,” zei hij, haar aanziende, en met zijn
-oogleden knippend, omdat het nog te sterk voor hem was. „Je bent zoo
-mooi. Wat een mooi haar heb je! Allemaal goud!”
-
-Het meisje lachte alsof ze ’t zoo wel prettig vond, en zei met ’t
-zelfde lieve stemmetje van zooeven: „Wat ben je een malle jongen! En
-zoo maar dadelijk!”
-
-Maar hij was heel gelukkig dat ze sprak, en blij vroeg hij: „Mag ik
-alsjeblieft een eindje meê? Mag ik je vriendje zijn?” Dat kwam inééns
-uit zijn hartje, zoo maar, omdat het natuurlijk was.
-
-Ik geloof dat het Meisje het wel een beetje vreemd vond en ook wel
-aardig. Maar ik heb nooit geweten wat het Meisje vond, en het Jongetje
-heelemáál niet. Ik geloof het dus alleen maar zoo. Ze keek hem eens
-aan. Ze vond hem wel een aardig baasje, wèl een jongeheertje voor zoo’n
-klein dametje om zich het hof door te laten maken. Ze wist, geloof ik,
-in ’t geheel niet hoe’n raar baasje het eigenlijk wel was, en wat er
-voor hem gebeurde. Het was wel een grappig incidentje voor haar, en dat
-kon ze niet helpen.
-
-Hij stond haar aan te kijken, in bange verwachting wat ze zeggen zou,
-met kloppend hart. Hij voelde de tranen in zijn oogen komen.
-
-„Nu, dan mag je wel even mee, als je heel galant bent,” zei de zingende
-stem; „hoe heet je?”
-
-„Ik heet Paul, en jij?”
-
-„Ik heet Corrie, maar ze noemen me ook Cor. En hoe nog meer?”
-
-„Waerens, en jij?”
-
-„Van Meeden, van de van den Boschstraat.”
-
-En hij hoorde haar praten als van groote openbaringen, ieder woord
-bracht hem dichter bij haar, in de warmte van haar leven. Hij kon haar
-nog altijd maar niet lang aanzien, want het was of hij in de zon zag.
-Het was zoo heel goud en licht, en het werd hoe langer hoe grooter, het
-was of een brand over alles om hem heenging.—En hij stond te staren als
-een, die niet begrijpt.—Hij hield zijn hand voor zijn voorhoofd, waar
-het klopte.
-
-„Heb je hoofdpijn?” vroeg ze nu lief. „Wil je wat eau-de-cologne?” Zij
-maakte het zakdoekje nat uit een flaconnetje, en hij nam het van haar
-aan en hield het voorzichtig tegen zijn hoofd. Iets heel weldadig koels
-maakte het op de branding.
-
-Toen kuste hij het fijne doekje als een kleine ridder, en gaf het haar
-met een buiging terug.
-
-„Hoe goed van je,” zei hij, „mag ik je een hand geven?”
-
-Ze was niet meer verlegen. Ze vond hem nu wel een aardig jongetje. En
-wat kon hij grappig buigen! Ze keek hem een beetje verliefd aan en gaf
-hem haar handje.
-
-Als een kostbare schat nam hij dat warme, bloemig blanke, levende van
-haar in zijn twee voorzichtig saamgesloten handen.—Hij voelde iets
-daarvan ín zich gaan, iets ongekend zaligs, vér doortrillende in hem
-van binnen. Hij duizelde er van. Het was groot, als of hij aan de zee
-stond.
-
-En het Meisje lachte, en lachte. Zijn lief Meisje. Het Meisje van het
-Jongetje.
-
-Er was overal heel veel licht.—Ja, nu zíe ik het Jongetje zélf ook
-weer, en het Meisje naast hem, in teêr roze naast zijn donker zwart.—O
-hoe licht was het, hoe blij en licht! Zacht bewegend groen rondom.
-Zacht-droomende geuren van rozen en héliotrope—Goud, goud haar lange,
-golvende haar, goud lichter dan licht. Haar wondere blauwe oogen en
-haar lief-lichtende lach!
-
-Hij heel deemoedig en heel klein.—Héél overgegeven, alles, alles van
-hem, gansch alles gegeven.
-
-Alles zuiver, puur, absoluut rein en volkomen. Het was van die twee
-kinderen gedaan in den divienen staat van eenvoud, simpel, zooals de
-boomen staan, vèr tegen de lucht, met reinuitkomende takjes; het was
-natuurlijk en groot van waarheid, absoluut zonder iéts slechts, als de
-zee, en de wouden, en de bergen.
-
-
-
-Zóó is het toen gebeurd, en zóó is het begonnen, dat van het Jongetje,
-wat ik vertellen ga. Dit was het heel eenvoudige en zuivere begin.
-
-En wie het niet kunnen gelooven, dat er zoo’n jongetje was, die het zóó
-hevig kon voelen, zóó uitverkoren het allerheiligste in de oneindige
-werelden zoo jong mocht voelen, die hebben nooit de onsterfelijke
-regelen van den eeuwiggezegenden zanger der diviene Liefde geloofd, die
-ik met van reverentie bevende hand voor in dit boek van het lang
-gestorven Jongetje heb durven schrijven.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-
-Paul wist het zoo bewust niet van zichzelf, anders zou hij het Jongetje
-niet geweest zijn, en was het ook nooit zoo’n geluk geweest, maar de
-groote wereld was zóó voor hem.
-
-Vlak bij hem, het aller-innigst vertrouwde, zijn Moeder. Altijd òm en
-bij hem was ze, alles ging van haar uit, al het warme, blije, zachte,
-zorgende, haar stem áltijd liefderijk, haar handen streelend om zijn
-hoofd, haar kussen, waarmeê de dag begon, en ’s avonds haar
-liefkoozing, als ze hem toedekte, groot als hij al was. Alles van hem
-ging naar háár, alles wat van zijn leventje was, zijn minste dingen en
-kleine daden verteld, die hij nooit in kon houden, zoo absoluut moest
-het alles eerst naar háár toe. Het was niet bewust in hem, van het moet
-en het hoort zoo, het was heel van-zelf en natuurlijk; alléén was er
-niets voor hem, alles was samen en van elkaar, hij was in haar zorg als
-een bloem in het licht, en dag en nacht kwam het stralende over hem
-heen, zonder dat hij dankbaar was of ontroerd, het was nu eenmaal zoo
-het bestaan, dat niet anders kón.
-
-Zijn vader er buiten, want streng en niet zacht, zijn vader iets niet
-intiem, want véél te groot, met een donkere schaduw, waar hij niet bij
-durfde. Als hij iets kwaads had gedaan, of er kwam een leelijke brief
-van school, of iets anders, kwam over Paul de harde, gestrenge stem,
-het ver àf dringende, een bons, en hij vluchtte naar moeder, die nooit
-hard deed, en waar hij absoluut veilig rustte in een zachten schoot,
-met troostende woordjes geliefkoosd, door zachte handen gestreeld. Dat
-was niet heel wijs van Paul’s moeder, maar daarom was zij ook zoo
-innig, innig vertrouwd en heelemaal in zijn leven, en geloofde hij met
-zoo’n vast vertrouwen, dat alles goed was wat van haar uitging, wat in
-en om haar was.
-
-De wereld zoo buiten, straten, wegen, boomen, duinen, een natuurlijk
-leven met hem sámen, niet eens mooi of goed, alleen natuurlijk, van
-hém, altijd om hem heen geweest, zonder mysterie. Een gewoon er meé
-leven, niet denken, niet misschien iets aparts, het wás er nu eenmaal.
-
-De menschen goed en slecht. De groote menschen ver en groot boven hem,
-vreeselijk volmaakt, en zooveel weten, en zoo heel anders doen dan hij,
-en getrouwd zijn, en apart in huizen wonen, meneeren en mevrouwen. Je
-moet er je hoed voor afnemen als je ze kent, en je moet erg beleefd
-zijn als ze komen. Op een diner mag je alleen aan ’t dessert er bij
-zijn, en ieder een hand geven, en later weer weg. In de gang hooge
-hoeden en vreemde mantels en jassen. Heelemaal buiten zijn leven, en
-iets erg gewichtigs.
-
-De school een groot deel van zijn bestaan verder. De leeraars, de
-groote localen, het allemaal moéten, en anders straf. Het
-onvermijdelijke, gedwongene, het op een zelfde uur er altijd wezen. De
-koude woorden tegen hem. Het onvriendelijke, altijd formeel. Het
-gebeurde niet binnen-in, zoo warm, als alles van zijn moeder, er kroop
-iets diep in hem weg op school. Maar toch heel groot doen, en lachen
-met de jongens, en net of het heel prettig is. Het met vriendjes wezen,
-samen uitgaan, en praten over dingen die ze thuis niet mogen weten, en
-elkaar boeken leenen, die niemand mag zien. Ook vechten en twisten, de
-jongens zijn goeie venten en mispunten. De leeraars zijn leuk en
-beroerd, en ze heeten Neus of Puist buiten de klas. Dat zoo iederen
-dag, naar school, de les kennen, of „rijen”, ieder uur wat anders, en
-dan weer naar huis, blij in de straten want weer vrij. Maar heelemaal
-zonder liefde, de school. Het heel lieve en warme alleen moê thuis, en
-de boeken van Aimard en Verne en Cooper, en de meisjes, maar de meisjes
-heel vér, van bijna niet bíj durven komen en toch heel erg bij willen
-wezen, van iets heel anders dan al het andere, en een heel klein beetje
-er van, een lachje, een briefje al zoo’n groot geluk. Later trouw je er
-mee, je valt op je knieën er voor, dan zeggen ze ja, en je gaat er mee
-in één huis wonen. Maar daarachter was ’t allemaal onbekend, en zoover
-ging het daarover-denken niet.
-
-Ik vertel dit zoo maar van ’t Jongetje, maar het was heel anders omdat
-hij ’t niet wist, en als je ’t weet is het al niet meer zoo.
-
-
-
-Het was een héél erg ding zoo ineens, dat Meisje. Want het was héél,
-héél anders dan al het vroegere.
-
-Hij had het niet dadelijk aan moê gezegd toen hij thuis kwam van den
-Dierentuin. Hij was stil geweest, en had gegeten, en toen het huiswerk
-gedaan voor morgen op school. ’s Avonds, in bed, was het als bang. Moê
-was er niet in, moê was er niet in. Het was of hij ergens in ’t donker
-was, en heel ver van alles af, alleen. Hij kon niet slapen.
-
-De stem van het Meisje. De oogen, de zachte handjes, hij zag ze ergens
-in het donker; dat haar, hoe wàs het ook weer, van goud, van licht....
-
-Een heel vreemd gevoel van binnen, het dringt hem vooruit, het doet
-pijn om stil te liggen.
-
-Ja, het hébben, dit moet hij absoluut, verschrikkelijk stellig hebben,
-want het moét, het kán nu niet anders meer. Hebben moet hij het, héél
-alleen hebben, nooit iemand anders er bij komen, het is alléén van hém.
-Er kwam iets aan, zijn ooren ruischten, het kwam met groote golven van
-binnen aan, over hem heen, en het drukte op zijn hoofd. Heel ver was
-hij van moê, waarom kwam ze nu niet.... Hij mocht het aan niemand
-zeggen.... Zóó heel arm lag het Jongetje in zijn bed, voor den eersten
-keer eenzaam, zonder wil lag hij pijn en angst te hebben, het was of
-hij werd getrokken en gerekt, en of iets losliet waar zijn leven altijd
-vast aan was, voortgesleurd, heel alleen, naar het Meisje, en buiten
-haar was niets. Maar zij stond in het heel onbekende, en óm haar was
-het vreemd en geheim, en ook bang. Zij stond ver, ver van wat
-altijd-geweest was, maar hij moést, hij moest, want het klopte en
-bonsde en trok en duwde zoo, met zware, rukkende schokken tegen zijn
-zieltje....
-
-Eindelijk slapen, en ’s ochtends alles weer licht. De huizen aan den
-overkant weer wélbekend gewoon, en moê in de kamer met het theeblad, en
-alle intieme dingen in het rond. Maar toch een heerlijke blijdschap dat
-het vacantie was, en hij nu vanmiddag naar Scheveningen kon. Ze zou er
-misschien wel zijn. En toch nog niets aan moê zeggen, want het was heel
-apart.
-
-En ’s middags aan het strand, op Scheveningen. Veel menschen, in lichte
-pakken en japonnen, en overal kleuren blij in de zon. De dag was goud,
-en de zomerzon hield de zee. Prettige warmte in de lucht. De groote,
-groote zee voor hem, die hij zoo goed kende, die er altijd geweest was
-nu eenmaal, in zijn leven. Heel ver alles zoo licht en vol vreugde, en
-een groot zeil op het water, goud in de zon. Hij liep door de
-strandstoelen, en aan de zee, en overal zocht hij, of het nu niet komen
-zou. Het was zoo natuurlijk dat het weer komen zou, in al dat licht en
-die blijdschap van den zomer, aan die koele, vertrouwde zee.
-
-En het kwam. Ze ging hem vlug voorbij, ze was in wit, ruischende, haar
-rokje waaiende om de beenen, stappend met lage, gele schoentjes. Enkel
-maar een meisje zoo, mooi aangekleed, met lang haar over de schouders
-naar voren, maar wat immens groot voor het Jongetje, wat héél anders
-dan zoo maar een meisje. Ze zàg hem wel, maar ze wou het niet weten. En
-hij schrok, want het deed weer pijn. Maar toch riep hij haar:
-
-„Corrie!”
-
-„Zóó, Paul!”
-
-Daar was het weer. Haar heele gezichtje van gisteren. Het was niet bang
-meer. Heel warm en goed was het....
-
-„Wat ben je mooi!.... Wat mooi wit.....” zeide hij, naïef zooals hij
-voelde.
-
-„Wat heb jij een grappig rond hoedje op,” zei ze.
-
-Zulke luchte woorden! Maar zoo lief en intiem. Zoo of alles goed was!
-En dan gehoord met de ziel van het Jongetje alléén, gehoord de
-melodieuze liefheid van haar stem, elk woord er door subliem.
-
-En dan die zee! En dan het licht overal! En dan de hemel.... zoo groot
-daarboven!.... Hij mocht weer mee. Ze had een schopje in de hand. Had
-hij er geen? Ze zou er een voor hem halen. Er was er nog een bij mama,
-in dien stoel daar.
-
-Hij wachtte gehoorzaam op méér van haar stem, en elk woord was een
-groote genade.
-
-„Kijk, een mooie schop, hè, een nieuwe. Nou mag je me eens helpen en
-heel galant zijn. Kijk, hier een berg maken, straks komt de zee, het is
-vloed.”
-
-Haar lieve stem. Wat vreemd voor hem. Hoe lucht beweegt ze, wat is dat
-allemaal zacht aan haar, en wat wit! En haar haren, en o! haar
-oogen....
-
-Nu was het heel niet meer angstig.... Heel teer en lief alleen. Wat een
-klein meisje was ze eigenlijk nog! Maar mooier dan álles.
-
-Wat heerlijk, zoo samen met haar graven, hij aan één kant van het
-bergje, zij aan een anderen. Hij had het in langen tijd niet meer
-gedaan, sedert zijn lange broek en de Hoogere Burgerschool.
-
-En onder het praten met haar een zacht gedenk in hem van binnen: Wat
-heel fijn toch, zoo’n Meisje! Vooral niets hards er tegen zeggen! Erg
-er meê oppassen! Wat moet het heerlijk zijn om even dat mooie haar te
-voelen, en tegen je wang te houden! Een kus niet eens durven.... Alleen
-maar zoo blijven aankijken, en misschien een hand geven.
-
-Maar toch doorsprekende. Of ze niet erg van de zee hield, zooals hij.
-Hield ze van bloemen, hield ze van de duinen? Was ze véértien jaar?
-Bijna vijftien? Wat aardig, hij ook. Wat een groote berg nu al! Maar
-daar komt de zee! Gauw, gauw er op!
-
-En ze stonden samen op het bergje. Heel dicht bij elkaar nu.
-
-„Daar is-t-ie! Hoû me vast!” Een gilletje en lachen. Een groote, zalige
-rilling, want het goudlichte haar nu waaiend in zijn gezicht, warm van
-háár eigen leven. Het was te groot, te groot. Zingen, úitzingen en
-lachen. Een hand warm in de zijne.—Iets héél warms heelemaal door hem
-heen, en over zijn bevende zieltje.—
-
-„Hoû me vast, daar is de zee weer,” zong de muziek van haar stem.
-
-„O! ik wil je zoo áltijd vasthouden,” zei hij, met den intensen ernst
-van de helden in zijn boeken, „ik wil je zoo altijd beschermen.”
-
-„—Hou me vast, ik waai er af!”
-
-„—Ik wou dat ’k de wind was. Ik zou je meênemen. Ik zou je zoo héél
-zacht weer ergens neêrleggen.”
-
-Zóó begon het, en dit waren de woorden, die het Jongetje later zoo goed
-wist, of ze waren opgeschreven en vóór hem lagen. Elk met een eigen,
-melodieus geluid, en door enkel ziel gezongen. Maar wie het
-transcendente, mystieke wezen van heel gewone dingen kennen, weten hoe
-eindeloos gelukkig het Jongetje er mee voelde, en hoe die woorden
-altijd even bleven doorklinken in zijn ziel, ook toen hij niet meer het
-Jongetje wás.—O! die diepste beteekenis van de kleinste dingen! Want
-onvergankelijk stond het in Pauls kleine ziel, de blije lachjes, die
-over haar lief gezichtje lichtten, het gebaartje, waarmeê ze het
-schopje telkens optilde, het witte gewaadje door den wind strak tegen
-haar knieën, en gewapper om haar blauwe kousjes; de buiging van haar
-arm, en hoe het haar telkens om de teêre schoudertjes waaide; en de
-fladderende linten van haar hoed, en de fijne figuurtjes van de kanten
-kraag. En dit sterk en fel, in ál de teederheid, als met een
-wondervreemd licht verlicht, héél apart en in een bizondere sfeer
-stralend, tegen het groote daaromheen, de blinkende, wijde zee, de
-sneeuwen wolken in de lucht, en vér de duinen. Want alles was héél
-anders dan vroeger, er was over álle dingen opeens een glans van groote
-vreugde gegaan, en zij lagen daarin gekoesterd in een intens, nieuw
-licht....
-
-Hij mocht den heelen middag bij haar blijven.... Hij moest absoluut
-even mee naar haar moeder. Een vriendelijke dame, erg deftig, in een
-eigen windstoel, die van binnen bekleed was. Hij nam heel diep zijn
-hoedje af, en werd een aardig vrijertje voor Corrie gevonden. Hij mocht
-een voetenbankje halen en een glas melk. Hij kocht ook nog een roosje,
-dat hij heel plechtig aan Corrie’s mama gaf, maar dat Corrie zélf
-kreeg, en op de witte kant tegen haar borst werd gespeld. Corrie hield
-veel van jongensboeken, want in den stoel lag „De Vrijbuiters” van
-Aimard. En hij begon te vertellen hoe het verder ging, en raakte
-heelemaal in vuur, met gloeiende wangen, en Corrie vond het heel
-mooi.—Hij vertelde nog véél meer, allemaal van vechten, en meisjes
-helpen, wie ze kwaad deden, en eeden houden om de onschuld te wreken,
-en altijd heel trouw en heel dapper en heel ridderlijk zijn. Hij was
-toen heusch wel een heel lief Jongetje, geloof ik, met het glanzende
-haar een beetje onder zijn zwarte hoedje uit, met zijn heldere, klare
-stem, en al die geestdrift in zijn oogen. Later kwam nog een dikke,
-oude dame, dat was Grootmama, zei Corrie, en ze was een barones. Ze
-droeg een gouden lorgnon, en ze praatte fransch, dat de kinderen het
-niet hooren zouden. Corrie liep gauw weg toen ze bij haar mama was
-komen zitten, en ze hield niet van haar, zei ze. Paul had iets heel
-benauwds gevoeld, onbewust iets van bang voor haar, van iets vijandigs,
-dat hem kwaad wou. Ze liepen samen verder te praten, het strand af, tot
-bij den vuurtoren. En de twee kinderzieltjes negen elkaar meer en meer
-toe. Twee teere wezentjes, onbewust, heel van zelf, blij in het lichte
-van de lente en de zon, zonder te weten.—Ze begonnen te vertellen van
-elkaars leventje, waar ze alzoo woonden, wat ze deden, van mama en
-papa, van wanneer jarig zijn, en waar veel van houden.—Ze kwamen
-dichter en dichter in mekaars wezen, zij lief-lachend gevend, en
-prettig blij met dien galanten eerbied, dat heel ernstig ridderlijke
-waarmee hij haar aanzag en naïef zeide, dat ze zoo lief en heel mooi
-was; een heel erg Meisje nog, dat zich graag het hof laat maken; híj in
-groote reverentie alles aannemend, dol-gelukkig met zoo’n erg mooi,
-deftig meisje, diep onder den indruk van haar stem, haar oogen, haar
-mooie haar, en al het wondere van teêre, lichte, blanke, in-lieve
-meisjesheid.—Hij mocht weer even haar zakdoekje hebben. Hij mocht even
-haar hoedje vasthouden, want het lintje van het haar was los gegaan.
-Wit stroo, met een blauw lint, en witte bloemen. Een heel gewichtig en
-groot ding voor hem.
-
-Zou zij niet met andere jongens loopen? Zou hij altijd van háár mogen
-blijven? En zíj plagen: wat dacht-ie wel, ze kende hem nog maar pas;
-maar ze zou eens zien, als hij heel galant was; misschien liep híj zelf
-wel met andere meisjes, dat doen alle jongens, en misschien zeí hij ’t
-zoo maar. En hij weer van nee, heusch niet, en bijna met tranen, hij
-zou nooit naar een ander meisje kunnen kijken, ze waren allemaal
-leelijk, ze wist toch zelf wel dat zíj de mooiste was van allen, ze was
-een koningin, en hij was haar trouwe ridder.—Zoo enkel maar twee
-kinderen leek het wel, een jongetje dat met een meisje loopt, en een
-beetje verliefd is. Alles heel kinderlijk en heel klein. Maar alles ook
-heel ernstig en heel groot, en met de absoluut volkomen reine
-simpelheid van het onbewust van-zelve, het heelemaal geven, niets
-achterhouden, en de heilige reverentie van een geloof zonder schaduw
-van twijfel.—
-
-Later haar wegbrengen met haar mama naar het station van de stoomtrem,
-en híj galant het boek dragen en de schopjes, en mevrouw een hand geven
-bij het instappen. Toen zijn hoedje af, en tweemaal diep buigen, ééns
-voor mama, ééns voor haar, als een deftig jongetje, die weet hoe ’t
-hoort.
-
-En toen hij alléén loopen naar huis, want hij kon maar ééns tremmen,
-anders werd het te duur, en hij was met de trem gekomen. Blij fluitend
-en neurieënd den Nieuwen Weg langs, in den lichten middag, met overal
-zacht golvende duinen, en witte wegjes. Het jubelend zingen van vogels
-in de struiken en boompjes langs den weg. Overal geluid en beweging en
-licht.—Tevreden in de groote, blinkende, zingende wereld, waar alles
-blij was en vreugde.—Alles was goed.
-
-
-
-Thuis gekomen kon Paul het niet meer inhouden, en vertelde hij alles
-aan zijn moeder. Hij vertelde het in ’t heerlijke uurtje vóór ’t diner,
-als papa nog niet thuis was van de societeit, en ze samen alleen waren
-op de canapé, met de tafel al gedekt.—Maar hier begon het eerste ding,
-dat Paul niet samen met moeder deelde. Want ze plaagde hem met zijn
-nieuwe meisje, en vroeg of nu Annie en Jo en al de vorigen alweer
-vergeten waren, en hoelang dit nu wel zou duren voor er weer een ander
-kwam.—Het was een deftige familie, zei ze; mevrouw van Meeden was een
-geboren Wallaert, en die grootmama, baronesse Wallaert, was heel
-trotsch en behoorde tot de hooge aristocratie. Ze dacht niet dat die
-familie Paul later graag bij Corrie zou zien als hij grooter was, en
-daarom moest hij maar niet te veel van haar gaan houden, zei ze, want
-dat zou later veel verdriet geven.—Maar Paul versloeg al die
-redeneeringen met zijn zegevierend:
-
-„Maar als ze nu van me hoúdt, moê, en als ik nu heel hard werk en een
-mooie betrekking krijg?”
-
-Op ’t laatst, toen moê het maar niet wou gelooven, werd hij bedroefd.
-Hij voelde zich opeens alleen, of hij ver van zijn moeder was. Er was
-iets gekomen, dat tusschen moê en hem was, zoodat ze niet meer samen
-zouden kunnen voelen. Maar het was onherroepelijk, dát voelde Paul heel
-intens, er was niets meer aan te doen, als het moest zou hij naar
-Corrie gaan, al moest hij zijn moeder alleen laten. En hij schrok over
-die éven gedachte mogelijkheid. Maar die bedroefdheid ging weer gauw
-weg. Maar zou hij niet bij allebei mogen blijven? Zulke rare dingen te
-denken!
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-
-Na het eten—het was Woensdag, en een Kurhaus was er nog niet—ging Paul
-met zijn ouders naar de tent in het Haagsche bosch, waar dien avond
-muziek was. Die concerten waren altijd heel heerlijk voor hem.
-
-Er naar toe gaan, in een mooi pak, ’s avonds tegen zeven uur, en onder
-hooge boomen loopen, die ruischten boven zijn hoofd! Op den grooten weg
-allemaal andere menschen, óók blij en plezierig. En overal ook meisjes
-in blauw, en wit, en roze, zoo mooi om te zien. De groene bladeren, de
-lichte gezichten, het lachen van meisjes, wat kon dat alles het
-Jongetje blij maken! En dan de muziek. Het eerste stuk was altijd een
-Marsch, dat klonk zoo vroolijk, en het was zoo prettig op de maat te
-stappen.
-
-Dien avond keek Paul bij het binnenkomen naar al de tafeltjes, die hij
-voorbijkwam, of Corrie er niet was. En hij zag ze heel gauw, ze zat met
-haar mama, haar grootmama en een ouden heer met bakkebaarden—haar papa
-zeker—vóór onder de galerij van het gebouw over de muziektent.—Hij
-voelde een schokje van geluk, want hij zag dat ze zijn roosje van
-vanmiddag op haar borst had. Hij nam heel diep zijn hoedje af en ze
-knikte lief terug! In een licht roze japonnetje was ze, met een ander
-wit strooien hoedje op dan op Scheveningen.—Toen zijn ouders een
-tafeltje hadden uitgekozen vertelde hij aan moê dat ze er was, en of ze
-in de pauze goed wou kijken, als ze voorbijkwam. Hoe zat hij te wachten
-tot de vier stukken voor de pauze uit waren!—
-
-Het was toen al heel donker geworden. Het societeitsterrein was helder
-verlicht door de witte balonnen van de lantarens. Maar buiten was alles
-heel duister. De hooge boomen stonden ontzachelijk opgerezen in den
-avond, met breede zwaar-zwarte kruinen. Daar leek het heel
-geheimzinnig, en zoo veilig voelde Paul zich als hij dat zwarte,
-sombere zag daar overal in het rond, en híj in het licht bij al de
-menschen, zijn moeder naast zich, en ook ergens het Meisje, waar hij
-straks naar toe zou gaan. Dan voelde hij zich stil gelukkig, en zoo
-vertrouwd, in zijn zondagsche pak, met een schoon boordje en witte
-manchetten, een deftig meneertje onder allemaal deftige menschen.
-
-Na het laatste accoord voor de pauze was Paul al van zijn plaats om
-Corrie te zoeken. Voor de muziektent kwam hij haar al tegen. O! hoe ze
-daar aankwam, op haar luchte, zwevende pasjes, zoo wonderteêr roze, een
-wezentje van rythmus en glans, zoo frêle en lieftallig, met dat innig
-vriendelijke lachje, hoe apart en bizonder leek ze onder al die
-menschen, en wat klopte zijn hart, wat een vreugde, wat een groote,
-zalige heerlijkheid in hem, hoe absoluut rein en zuiver was het! En die
-oprechte, zich heelemaal gevende blijdschap in zijn stem!
-
-„Dag Corrie!”
-
-„Dag Paul!”
-
-„Waar ga je naar toe?”
-
-„Ik ga Wies halen om te loopen.”
-
-—„Hè toe, ga met mij mee,”—vleiend dit, om een héél groote gunst.
-
-—„Nou goed, maar als Wies dan maar niet boos is.”—
-
-—„—Wat lief van je, om mijn roosje te bewaren. Ik ben er zoo blij mee.”
-
-—„Ja, ik heb het maar meêgenomen, ik dacht eigenlijk wel dat je er zijn
-zou.” Een blosje bij die bekentenis, een glans over het fijne wit van
-haar halsje, en de oogen een beetje verlegen neêr.
-
-En hij ineens, heel zacht, dat niemand van al de menschen om hen het
-hooren kon, heel aangedaan, met een gevoel van tranen, of dit hoog
-blije bijna droef was: „Ik ben toch zoo blij, Corrie, ik ben toch zoo
-héél blij dat je gekomen bent, ik hoû zoo van je.”
-
-Zulke heel eenvoudige woordjes! En zoo’n heel groot geluk! Hij liep met
-haar uit het gedrang om het vierkant van tafeltjes in het midden, naar
-de paadjes bij den ingang, langs het hek, waar het stiller was, en waar
-geen menschen zaten.—Aldoor vriendelijk pratende, aldoor, met liever en
-liever woordjes, en aldoor gelukkiger en gelukkiger. Telkens golven van
-geluk van binnen opkomend, en dan zacht-gloeiend uitvloeiende over zijn
-lijf, in ongekende zaligheid. Zoo mooi was ze, zoo mooi! Hoe heerlijk
-om te zien, hoe blij voor zijn oogen! Ze was een lief matroosje in
-licht roze, met een lange kraag, en ankertjes van wit op de mouwen. Als
-ze liep ruischte het somtijds om haar, want het was een wijd
-japonnetje, en het waaide wat. En haar lange haren los, zonder strik,
-ze vielen in gouden stralen ver over haar rug. Een pracht van
-schittering maakte het om haar heen.—En zoo vertrouwelijk als ze hem
-aanzag kwam het over hem van haar gezicht, zoo zuiver en oprecht kwam
-al haar meisjesheid naar hem toe, het zachte, gevende, streelende, met
-lachjes en warm-vriendelijken gloed.—
-
-En dit teêre Meisje in den zachten avondnacht. In het liefdroomende
-schemerduister met vagen afglans van ver lantarenlicht, en buiten de
-donkere, immense boomen-massa’s, met trotsche, zwartende kruinen
-langzaam-wuivende in het hooge, en op open plekken daarboven stille,
-sereen lichtende sterren.—En het plechtige woudgeruisch, ernstig als
-een zwaar gebed.....
-
-Zoo simpel alles, en zoo eindeloos groot. Het teere Meisje in roze, in
-schemerend licht. Het gouden haar voor hem glanzend. De donkere boomen
-buiten, in sombere majesteit. En zijn zieltje, dat onbewust openbrak in
-adoratie voor dien reinen, zéér bizonderen vrouwenvorm,—de opperste
-manifestatie van al het goddelijk schoone op de aarde.
-
-Maar dit wist het Jongetje niet, omdat hij enkel voelde. Hij wist niet
-van wat gebeurde het diepe, diviene wezen, hij voelde alleen die
-wondere, in hem gloeiende zaligheid van toen hij haar voor het eerst
-zag, en die aldoor met grooter golven in hem opsloeg en weer zacht
-vervloeide. Iedere liefheid die hij in haar zag deed het ópwerken in
-sterker rythmus. O! haar oogen, hoe licht, o! haar blonde haar! Het
-leek wel zonnestralen van puur goud, een bundel van fijne, aparte,
-weeke stralen, tintelend en fonkelend van haar hoofd en schouders.—Dit
-had alleen ook de Madonna op een prentje in moe’s gebedenboek, maar dat
-had zóó’n wonderen glans niet.
-
-Paul was een beetje een dichter. Hij had al heel wat verzen gemaakt; ze
-lagen in een boek opgesloten in zijn kastje, en ze waren over heel wat
-meisjes, en er kwam van liefde en wanhoop in voor. Maar hij had nog
-nooit zoo sterk gevoeld. Want wat hij nu voelde was als nooit te voren,
-en het was of nu eerst zijn leven begon.—Even had hij nog tijd om zacht
-te denken: „Ze is mooier dan alles wat ik weet, mooier dan een bloem,
-mooier dan de maan en de sterren.”—
-
-Hij bleef even staan, op een hoek van de laan.
-
-„Corrie,” zei hij, ineens ernstig, „hoû je van me?”
-
-Ze lachte weer even, als bij het hokje van de ree, en zei:
-
-„Wat ben je nieuwsgierig! Wou je het zóó graag weten?”
-
-En híj héel angstig: „Ja, heel graag.”
-
-Toen zíj met een plagend gebaartje: „dan zal ik ’t je eens niet zeggen,
-hoor, omdat je zoo nieuwsgierig bent.”
-
-Maar opeens voelde Paul een stekende pijn van binnen, en bijna huilend
-zei hij:
-
-„Als je niet van me houdt zou ik, geloof ik, dood gaan, Corrie. Ik hou
-meêr van je dan van moê. Ik moet altijd bij je blijven. Ik zal altijd
-alles doen wat je wilt als ik bij je mag blijven. Ik zou heel graag
-voor je vechten, of iets héél ergs voor je doen en dan doodgaan.”
-
-Maar Corrie was een veel te vroolijk meisje.
-
-„Wat een malle jongen ben je,” zei ze.—En toen een beetje verlegen, aan
-de knoopjes trekkend van haar japonnetje: „Ik vind het immers prettig
-als je bij me bent. Je komt morgen toch weer op Scheveningen?.... Mama
-zei dat ze je een heel galanten cavalier voor me vond..... Ben je nu
-tevreden?.....”
-
-Het waren niet zoo de woorden, het was de muziek van haar stem, die hem
-weer gerust maakte. Haar stem was een intieme, vriendelijke liefheid,
-streelend als melodieuze kussen van muziek. Zijn heele ziel was vervuld
-van dat zoete geluid, als een woud van zachten geur.—
-
-„Krijg ik morgen een lokje haar?” vroeg hij vleiend. „Breng het dan meê
-in een envelop, toe, wil je?”
-
-„Misschien,” zei ze, „maar je mag het aan niemand vertellen, hoor! Maar
-laten we nu wat onder de menschen gaan loopen. Het stáát niet, zoo in
-de donkere laantjes.”
-
-Hij begreep dat niet heel goed, van dat het niet stond. Maar heel
-trotsch liep hij nu naast haar, langs de muziektent, en het vierkant
-om. Hoe intiem, zoo met zijn meisje, heel alleen gelukkig loopen wezen,
-waar de anderen niet van wisten, al die vreemde, deftige menschen, mooi
-aangekleed, in het vroolijke licht der witte lantarenballonnen. Er
-kwamen ook jongens voorbij van de klas, die beleefd groetten en hem
-zeker benijdden, dacht hij, dat hij met het allermooiste meisje liep.
-Het was voor hèm alléén, voor hem heelemaal alléén was ze, niemand van
-al de jongens mocht bij haar komen, niemand mocht haar ooit aanraken,
-alleen hij, en ze mocht van niemand anders houden. Een erg chic jong
-heertje, die gebrekkig was, en wat hinkte op een stok, kwam voorbij, en
-zei familiaar:
-
-„Dag Corrie!”
-
-Verschrikt en angstig vroeg hij:
-
-„Wie is dat, waarom zegt hij zoo maar Corrie?”
-
-„—Het is Verholthe,” zei ze, „ik ken hem heel goed, we spelen dikwijls
-in den tuin bij hem, in die groote villa op ’t Bezuidenhout, Wies en
-ik.”
-
-„—Hij is zeker verliefd op je,” zei Paul jaloersch. „Hij keek je zoo
-aan.”
-
-Zij haalde haar neusje op en zei met afkeer: „Dacht je dat ik met hem
-loopen zou? Hij heeft een bééntje.”
-
-En Paul blij, niet denkend om het wreede in dat antwoord, blij dat ze
-toch heusch van hem alleen was. Als dat chique ventje haar naliep zou
-hij hem dat wel eens afleeren. Dat was niet lief van het Jongetje, maar
-daar was hij het Jongetje voor. Het Jongetje wou héél alleen dat mooie
-hebben, met al de kracht van zijn wil, hij zoú en moest het hebben,
-omdat het hem zoo gelukkig maakte, en al de anderen moesten er ver van
-blijven, die gingen hem niet aan, die moesten zelf maar weten wat ze
-deden, als ze maar afbleven van het zijne. Omdat ze licht was en lief,
-fijn en bizonder, zoo zacht roze en zoo zacht blank, omdat er niets
-mooiers was in de wereld, omdat hij gedrongen werd door een
-onweerstaanbaren drang er naar toe, sterker dan dorst en honger,
-sterker dan hij ooit verlangd had naar iets anders, daarom moest hij
-haar alléén hebben, en alles van haar voor hèm, haar oogen, haar
-lippen, haar gouden haar, en ook alles wat ze aanhad, haar hoedje, haar
-japonnetje, haar handschoenen, niemand mocht het aanraken dan hij.
-Zooals ze daar liep, zoo apart en teêr onder al die menschen, al die
-groote meneeren en mevrouwen, zoo was ze voor hèm, heel alleen gekomen
-voor hèm, en niemand wist er van dan zij tweeën......
-
-Toen de muziek begon te spelen bracht hij haar terug naar haar tafeltje
-en nam weer diep zijn hoed af. Mevrouw riep lief: „dag Paul!” en zei
-iets tegen den heer met de bakkebaarden, die ook keek en toen even
-lachte. Hij werd weer een aardige kleine cavalier voor Corrie gevonden.
-Het waren immers nog kinderen.
-
-Paul ging óók terug naar zijn plaats en moê zei: „Nu, heb je haar
-gezien?”
-
-„Ja,” knikte hij, maar hij zei niet veel, hij was te gelukkig om veel
-te zeggen.
-
-De muziek speelde lage, sombere accoorden, het begin van de ouverture
-„Sakuntala” van Goldmark. Accoorden donker en mysterieus als het bosch
-daarbuiten, al die dik-zwartende, breede boomenkruinen, die daar
-plechtig ruischende waren in den nacht. Hoe groot en vreemd zag Paul
-opeens dat zwarte bosch, hoe bang en donker, wat stond dat zwarte daar
-majestueus en ontzachelijk in het rond! En opeens zag hij Corrie, een
-klein, licht glanzend meisje in roze, hoe teeder en broos, hoe bizonder
-in al dat sombere, grandioze alom, met die zware, lage accoorden
-galmend in den nacht! Het was of ze al lichter en lichter werd, hij zag
-haar voor zich in gouden, schitterende stralen, het vloeide fonkelend
-goud om haar heen, en het was een ster van vuur in het groote
-nachtzwart; star staarden zijne oogen in dit fonkelend visioen, tot hij
-van pijn tranen voelde, en over alles, menschen en boomen, opeens een
-tintelend waas droomde als van diamanten-dauw.
-
-Zoo brak het geluk uit in die kleine, opengegane ziel, die beroerd was
-door de schoonheid van een meisje.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-
-Het was niet het voor hem zélf pleizierige, het genot áls genot er van,
-dat de herinnering aan dit kinderlijk lieven later tot het heiligste in
-Paul’s leven maakte; het was het absoluut zuivere, het puur intieme,
-zonder één smetje volmaakt-reine. De wereld één groot mooi, om met
-vriendelijk lachen aan te zien, de menschen goed en vertrouwd, alles
-één voortdurend geluk van dag aan dag, en gezien door de groote
-verrukking, die het Meisje in hem deed gloeien.
-
-Elke nieuwe dag bracht nieuw geluk, en altijd werd het grooter. Hij
-kwam nu héélemaal in haar leventje. Hij wist hoe laat ze opstond, wat
-ze alzoo thuis deed, wat ze leerde, waar ze van hield, wat ze graag at,
-wat ze verdrietig vond. Hij kende al haar japonnetjes, met de kanten en
-figuren er op, en haar ringetjes en broches en armbanden, en ook de
-lintjes in haar mooie haar. Dat waren allen heel gewichtige dingen voor
-hem.
-
-Er was een onrust in hem als hij niet bij haar was, een gevoel van
-leegheid en honger. Maar als zij er was werd het stil en rustig in hem.
-Het liefste was nog ergens kalm bij haar zitten, op een mooi plekje,
-zonder veel spreken. Dan was het of hij grooter en grooter werd, en
-alles zich uitspreidde in een eindeloos zalige atmosfeer. En dit
-ondergaan zonder denken, zonder vragen van waarom, natuurlijk en
-vanzelf.
-
-Zoo’n heel klein Jongetje nog, en zoo’n klein Meisje!
-
-Maar daarom juist zoo zuiver en rein.
-
-
-
-Ze zullen dit niet begrijpen, en er misschien om lachen. En ik kan het
-ook niet meer goed zeggen, nu de kinderen allebei dood zijn. Ik houd
-het ook telkens weer in, omdat ik niet durf. Want is het niet ál te
-teêr en ál te natuurlijk in dit groote leven van schijn en ruwheid? Hoe
-het Jongetje wel eens aan haar dacht, hoe ze sliep:
-
-Een meisje in een wit bedje, zoo wit, wit, wit. Hoe ze daar heel stil
-met het hoofdje in het kussen lag, en in sluimer lachte. Hoe haar
-gezichtje dan rustig en lief, o liéf, liéf zou zijn, met de oogen
-dicht, en een blank handje op het laken ... En ánders niet in dit
-zuiver denken van het Jongetje, dan éven heel zacht te mogen aankomen,
-een kus geven op het mooie, blonde haar en dan weer wèggaan, zalig,
-dólgelukkig.....
-
-Of wel: het wachten bij het station in Scheveningen, van de stoomtrem,
-of ze nog niet zou komen. Het kloppen van zijn hart als er een trem
-aankwam, en de menschen stapten uit, of ze er bij zou zijn, of ze wel
-zou komen, o! ze moést komen, want ze had het beloofd!.....
-
-En als ze er dan wàs, hoe vertrouwelijk hij dan naar haar mama ging,
-die vriendelijke dame, hoe deftig hij groette, hoe trotsch hij dan
-naast zijn lief meisje voortstapte, in het zachte, warme, blije
-zomerlicht. En hoe blauw de zee, hoe frisch en goed en weldadig de
-menschen in hun lichte pakken, het blanke strand, de witte zeilen op
-het water, en over alles het gouden zonlicht. En in dit groote, àlom
-vertrouwde, híj met háár zoo intiem één, ál zijn woorden één liefdoen
-en streelen; wat moet hij vroolijk en blij hebben gekeken, wat moet
-alles ééns goed en heerlijk zijn geweest! Niet wijs en welbewust, en
-niet artistiek, o neen, vooral niet, maar zuiver als niet één sentiment
-van nu.
-
-Hoe kregen alle dingen van haar voor hem een wondere, diepe beteekenis!
-Een arm, verlept bloemetje van haar borst, een programma, dat in haar
-handen was geweest op een concert, een stukje lint uit het mooie haar,
-een zakdoekje dat ze hem had gegeven, hoe blij en trotsch maakten ze
-hem, hoe voorzichtig kon hij zoo iets kussen vóór hij naar bed ging,
-als hij alleen was in zijn kamertje, en als hij al die schatten te
-voorschijn haalde! Hoe lief en intiem werd elk plekje, waar hij met
-haar had geloopen, het was of overal een fijne essence van haar bleef
-ronddroomen, waar ze éénmaal haar teêr, lucht lichaampje had bewogen.
-Het lag op alle wegen, die hij met haar gegaan was, het beefde in de
-lucht, het lichtte over de groote, groote zee.
-
-Hoe blij gingen nu de dagen van dien zomer voorbij!
-
-Het staat allemaal in een oud, geel geworden dagboekje dat het Jongetje
-toen aanhield. lederen dag schreef hij in heel korte zinnetjes heel
-vluchtig op, wat hij gedaan had. Als hij op een dag Corrie niet gezien
-had schreef hij niets dan „Vandaag Corrie niet gezien.” Dat was
-gelukkig maar heel zelden. Wat waren het blije, prettige dagen, de
-meeste! Op Scheveningen met haar gespeeld, met haar alleen naar huis
-gewandeld langs den Nieuwen Weg, haar Woendagsavonds ontmoet in de tent
-in het Bosch, of in den Dierentuin, Maandags en Vrijdags of ook wel ’s
-middags in den Dierentuin, tusschen drie en vijf. Die mooie geurige
-tuin vol bloemen! Hoe prettig, het wachten voor het hek bij den ingang!
-Hij was er altijd veel eerder dan zij. Zij moest van den kant van het
-Bosch komen, en hij stond dan in zoo’n gespannen verwachting. En wat
-een emotie, als ze dan eindelijk aantrippelde op de brug, in een licht
-zomerponnetje! Het liefst zag hij haar in ’t roze, de kleur die zij
-aanhad, toen hij haar voor het eerst had gezien. Ze had daar een
-groote, witte stroohoed bij op, met een roze lint, en wat keek haar
-lichte gezichtje daar lief onder uit! En ze had een mooi mandje bij
-zich, van binnen met rood gevoerd, vol brood en klontjes en koekjes.
-Wat deed ze dan lief met alle beesten! De papegaaien, die in de laan
-voor den ingang buiten onder de boomen hingen, kenden haar allen, en
-als ze aankwam waren er die van pret de dolste bewegingen maakten, en
-eindelijk schreeuwend met den kop naar beneden aan hun ketting gingen
-hangen tot ze dichtbij was. En dan begon haar hooge stemmetje weer te
-vleien en te zingen, net als toen den eersten keer bij het hertje.
-
-„Koppie krauwen?..... koppie krauwen, mooi witje, mooi roodbekje?....”
-
-En dan haar rozige handje in het sneeuwige wit van zoo’n donzig
-lorrekoppetje, dat zich lief voor haar boog.
-
-En dan bij den grooten vijver, met de eenden, en ganzen, en pelikanen.
-Die kwamen allemaal aanwandelen, zoo gauw zij konden, als ze met haar
-mandje over het hek lag en ze begon te roepen. Alle beesten kenden dat
-fijne, hooge sopraantje. Ze kwamen tot vlak bij haar, en ze gooide de
-stukjes brood in hun bek.
-
-En Bets, de olifant! Dat was al een heel bizonder groote vriendin van
-haar. Die groote, hooge lobbes met haar wijde flapooren hield ook al
-van dat kleine, lichte wezentje in het roze. Die maakte complimentjes
-voor haar en viel op de dikke knieën zonder dat de knecht het behoefde
-te zeggen, zoodra haar melodieuze vleistemmetje het maar vroeg. Als
-Corrie aankwam stak Bets haar langen snuit dadelijk door de tralies en
-legde hem op haar fijne schoudertjes. Dan begon Corrie haar zacht te
-aaien, en wat keek Bets haar verstandig aan met haar kleine slimme
-oogjes!
-
-„Dag Bets!.... dag dikke, groote Bets!.... daar is ’t vrouwtje weêr....
-hoe maak je ’t, Bets, hoe maak je ’t, dikkertje?.... wat zoek je met je
-langen snuit?..... wat reik je daar over mijn schouders?.... zoek je ’t
-mandje weer, snoepert, zoek je de suikertjes?.....
-
-En dan kwamen de klontjes voor den dag, één voor één. Dan werd het
-suikertje in ’t rozige neusgaatje gestoken en het ging in den
-kolossalen bek. Na ieder klontje moest Bets haar compliment maken. En
-dan riep het meisje: „Mooi zoo! mooi zoo! wat ben je beleefd, wat ben
-je een deftige, dikke dame!”
-
-Als Corrie dan eindelijk wegging, rekte de olifant haar snuit zoo ver
-mogelijk achter haar na, en liet een zacht klagend gebrom hooren.
-
-Maar in het Aquarium, daar was het pas gezellig! Dat was een grot, met
-neerhangende rotspunten, in allerlei grillige vormen. En wat was het
-daar donker!—Alleen het water achter de glazen was van boven helder
-verlicht, en daar zwommen zulke mooie, vreemde visschen!—Het prettigste
-er van was, dat er maar zelden menschen kwamen, en hij er heel alleen
-met haar was. Dat was een uitgezochte gelegenheid voor kusjes. Als hij
-dan zoo vlak naast haar naar de visschen stond te staren, legde hij
-zijn arm over haar schoudertjes, en gaf haar heel, heel voorzichtig een
-zoen op haar wang. Haar zoete, fluweelige, rozige wangetje, dat zoo
-zacht, heerlijk aanvoelde. Hoe zalig, als haar innige, warme leventje
-dan even onder zijn lippen gloeide! Dan voelde het Jongetje alsof er
-iets van haar in hem vervloeide, met zachte, golvende strooming door
-zijn lijf.—En hij gaf haar zooveel kusjes tot ze zeide, dat het nu
-heusch mooi was, en hij haar kraagje in de war maakte, en hij veel te
-zoenerig was voor zoo’n grooten jongen. Maar ze vond het toch eigenlijk
-ook wel aardig, zoo’n vrijerijtje in de donkere grot.
-
-In hetzelfde gebouw, naast het Aquarium, was de groote vogelzaal. En
-daar waren twee heel speciale lievelingen van Paul en Corrie. De twee
-parkietjes. De inséparabeltjes. Twee heel kleine, groene vogeltjes op
-een stokje, in een kleine kooi. Ze waren altijd dicht tegen elkaar
-aangekropen, met de vlerkjes in elkaar. Ze zaten heel zacht iets te
-mummelen tegen elkaar, met een teer, zwak gepiep, of het geheimpjes
-waren, die niemand mocht hooren. Ze keken elkaar zoo verliefd van ter
-zijde aan, en tusschenbeide gaven ze elkaar bekjes. Nooit waren ze van
-elkaar af. Soms ging er wel eens een aan een einde van den stok zitten,
-alleen om eens te kijken wat de andere zou doen. Die bleef dan wel eens
-even trotsch zitten of het hem niet kon schelen. Maar dat duurde niet
-lang. Trip, trip, trip, daar schoof hij met vlugge stapjes weer op,
-vlak tegen de ander aan, heel dicht en warmpjes tegen haar aan
-geknuffeld, en bleef dan weer verliefd zitten genieten en geheimpjes
-vertellen.
-
-Corrie had zelf óók eens twee van die beestjes gehad, vertelde zij. Die
-zaten ook altijd precies eender bij elkaar. Het wijfje was doodgegaan,
-en was plechtig in den tuin begraven, in een sigarenkistje van papa. En
-het mannetje was alleen midden op het stokje blijven zitten. Hij had
-niets meer willen eten of drinken. Hij had maar heel stil voor zich uit
-zitten kijken. En op een morgen, kort nadat ’t vrouwtje was begraven,
-was het mannetje ineens van het stokje gerold, en dood blijven liggen.
-Toen had hij naast zijn wijfje een grafje gekregen, in net zoo’n
-kistje.
-
-En Paul zei dadelijk, dat die twee vogeltjes daar voor hen ook zulke
-echte lievelingen waren. De eene was Corrie, en de ander was hij. Hij
-zou ook wel zoo’n vogeltje willen wezen, en altijd zoo warmpjes bij
-haar kruipen. Wat moet dat gezellig zijn, altijd zoo samen op een
-stokje, en zoo zachtjes fluisteren, en kusjes geven!—Altijd, altijd bij
-elkaar en als de een dood ging de ander ook!
-
-En Corrie zei, dat ze het ook wel zou willen. Maar niet in zoo’n kooi.
-Ergens in een groot bosch met bloemen. En ze beloofden elkaar dat ze
-altijd evenveel van elkaar zouden houën als de parkietjes, en net zoo
-trouw zouden zijn.—En dat meenden ze toen allebei even heusch als
-groote menschen die een eed doen.—
-
-Na de parkietjes was het liefste beest uit den Dierentuin het
-hertje.—Het was nu al gewend, en niet zoo schuw meer. Als het in de
-verte het heldere sopraantje hoorde kwam het al op zijn fijne dunne
-pootjes aanhuppelen, en stak de goedige kop door de tralies, de wijde
-ooren gespitst.—En dan was het precies als den eersten keer, toen Paul
-het Meisje had zien aankomen. Hetzelfde zangerige gevlei van het hooge
-stemmetje, dat tot diep in zijn ziel neêrzong. En de zachte ree kon het
-Meisje zoo vertrouwelijk aanzien, met haar groote, goedige oogen, of ze
-een liefste vriendin van haar was.—En het was telkens een groot
-evenement in het leven van het Jongetje, om daar weer het Meisje te
-zien, zoo mooi in haar licht roze japonnetje, met haar armen om den
-hals van de fijne, zachte ree geslagen, en allerlei vriendelijke, zoete
-woordjes kweelend met haar melodieuze stem.
-
-En daaromheen die lichte, zonnige tuin vol groene boomen, en overal
-perken vol bloeiende bloemen.—Hoe licht en zalig leek dan wel het leven
-voor het Jongetje, hoe om te zingen van lief geluk! Niemand, die hem
-kwaad wilde, en tegen zijn liefde inging. Paul was nu in genade
-aangenomen als Corrie’s kleine cavalier, en de familie had er schik in.
-Ze waren nog zulke kinderen! Mevrouw van Meeden had altijd pleizier,
-als zij haar Corrie zag thuiskomen, en zij zag Paul zijn hoed afnemen
-en diep voor zijn grazieuze dametje buigen, alsof hij al een deftige,
-geëngageerde meneer was. Maar wat in de fijne ziel van het Jongetje
-voor wonderlijk teeders gebeurde, en de groote heilige ernst van dat
-schijnbaar kleine jonge lieven, dat zag mevrouw van Meeden niet, en ook
-niet de familie.
-
-Het leek van buiten zoo wat lief-gespeel, en kinderlijk geflirt, en
-zacht aanvallig koozen van een kleinen jongen en een klein meisje, erg
-aardig om te zien voor heusche groote menschen, die het Leven zoo goed
-kennen, en heelemaal van begin tot einde door de Liefde der conventie
-zijn gegaan, en toen zoo wijs en zoo verstandig werden.
-
-Maar het essentieele van dien lieven schijn, het hoog ernstige
-voor-héél-het-Leven, zooals het voor het Jongetje was, het gansche
-geven van zijn zieltje aan de schoonheid, zooals hij die het innigst
-aanschouwde in de heerlijk reine openbaring van het Meisje, dit weten
-gij en ik alleen, niet waar, mijn jongen?
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-
-Ze was zoo’n heel teêr wezentje! Ze had zoo’n heel zacht gezichtje, dat
-zoo lief kon opkijken, en zoo gevoelig was, met fijne roze kleurtjes,
-en reine lijntjes. Zoo als ze hem aanzag, als hij iets vertelde, lief
-luisterend, met groote kinderoogen, en zulke lange, zijden wimpertjes,
-en dan het haar, dat langs haar schouders woei over haar wangen, en dat
-ze dan, zoo, even, met een mooi gebaartje teruggolfde. Zoo wit haar
-halsje, en zoo satijnig daar tegen, een blauw lintje, zoo heel teêrtjes
-de schelpen van haar ooren, met kleuren en tinten daarin als van roze
-bloemen. En haar handen zoo klein en broos,—de zijne zooveel
-grooter,—en zoo schoon en frisch altijd, omdat ze zoo’n deftig klein
-dametje was, en met zulke ijle, teedere blauwe adertjes er in! En dan
-haar schoudertjes en haar borstje, dat even, even welfde. Ze was
-heelemaal gemaakt van mooiigheid en liefheid, ze was om vooral erg
-voorzichtig en eerbiedig tegen te doen, om maar heel even te streelen,
-en zacht met verliefde lippen te beroeren, want alles was immers zoo
-frêle en fijn aan haar, het was zoo heel anders dan bij een jongen, zoo
-iets als bloemen, of porselein, of transparante schelpen was het, iets
-dat misschien wel dadelijk zou breken als je te hard er tegen deed. En
-dan, zooals ze kon loopen, was het niet lucht als een kleine ree, zoo
-met haar licht zweefrythmusje van klein meisje, met de schoudertjes dan
-een beetje naar achteren, wat zwaaiend met de ellebogen, en het rokje
-wapperend om de beenen?
-
-Hoe blij en lief werden de straten waar zij kwam, hoe heerlijk was het,
-op haar te wachten, en dan te kijken naar den kant, van waar zij komen
-moest, en dan het half-bange, half-zalige gevoel, als ergens een
-voordeur openging, en het bedroefde, als het dan ergens anders was.
-Maar o! als ze dan kwam, en in de verte wuifde ze al met haar
-zakdoekje, en ze begon al wat hard te loopen om gauw bij hem te zijn!
-Als ze wat bij zich had, een boek, een pakje, hoe blij was hij dan het
-voor haar te dragen, en wat een voorname dingen werden die dan dadelijk
-voor hem!
-
-En hoe dol-gelukkig, om met haar voorop te staan in de stoomtrem, erg
-deftig, zij met die mooie, kleurige japonnetjes aan, met die fijne
-kanten, en met zijden handschoenen, zoo’n echt gedistingeerd, mooi jong
-dametje, en hij met vooral bizonder schoon boordje en manchetten, in
-zijn beste pak, en zich heelemaal den cavalier voelende van dat
-wondermooie meisje. Want de mooiste, de allermooiste, en liefste, en
-heerlijkste van álle meisjes was ze, niemand had zulk een mooi, lang
-haar, niemand zulke mooie oogen, zoo’n mooi roze en blank gezichtje,
-alle andere meisjes leken wel niets bij haar, en hij was de eenige,
-waar ze van hield, en die bij haar mocht zijn. Er was een soort
-minachting in hem gekomen voor andere jongens; wat waren zij allemaal
-ruw en grof, zij zouden nooit met zoo’n meisje als Corrie kunnen
-loopen, ze zouden er nooit lief en voorzichtig genoeg meê kunnen
-omgaan, ze zouden het niet eens begrijpen, waarom ze zoo mooi was, en
-hoe fijn en broos alles aan haar was. Hij sprak ook nooit over haar met
-andere jongens; ja met mama, die toch altijd in alles van zijn leven
-was, praatte hij maar heel weinig over haar. Het was een soort
-bizondere kuischheid in hem om haar heelemaal voor zich alléén te
-houden; ze was nu eenmaal iets heel anders dan al het andere, iets
-heelemaal nieuws, waardoor alles anders was geworden, en het was zoo
-apart heerlijk, en goed, en zalig, dat het leelijk zou zijn, dat niet
-heel alleen veilig te bewaren. Hij begreep niet, dat hij vroeger, toen
-zij er niet was, ook blij en gelukkig was geweest, en heel vast en
-zeker wist hij, dat het voortaan zonder haar onmogelijk zou zijn om nog
-te leven. Mama sprak wel eens van later, later, beste jongen, en groot
-worden, en dan niet meer zoo altijd bij haar mogen zijn, omdat zij dan
-een groote dame zou worden, en haar familie dan niet meer zoo lief zou
-zijn, maar dat begreep hij niet. Hij kon zich in ’t geheel niet
-voorstellen dat Corrie een groote dame zou worden, zooals zijn nicht
-Marie bijvoorbeeld, die lange rokken had gekregen, opeens zoo was
-opgegroeid, en alleen maar van groote heeren wilde weten, en hem een
-schooljongen vond. Want Corrie, vond hij, was juist zoo mooi omdat ze
-zoo klein en tenger was, zoo’n broos wezentje, dat zoo teer op heel
-fijne beentjes liep, met die kleine voetjes, en alles zoo vol satijnen
-zijigheid. En hoe zou ze ooit als nicht Marie die mooie, lange haren
-kunnen dragen in een kapsel op het hoofd, dat mooie, gouden haar, dat
-zoo golfde en schitterde?
-
-Er was ook géén meisje, dat altijd zoo vriendelijk was, en zoo
-altijddoor lief. Anderen waren wel eens snibbig, en hatelijk, en
-plaagden. Maar háár stem was altijd zoo innig, dat de eenvoudigste
-woorden groote openbaringen voor hem waren. Het deed hem aan als
-muziek, al haar woorden waren liefkoozingen, en het werd warm en zacht
-en zalig in hem zoodrá ze maar sprak. Hij was toch zoo’n vrééselijk
-verliefd Jongetje! In grooten ernst verzekerde hij haar, dat ze een
-engel was, dat een hand van haar hem liever was dan alles wat hij had,
-dat hij heel graag voor haar zou doodgaan als hij dan maar een kus van
-haar kreeg, dat hij wou dat alle menschen er niet meer waren—dit vooral
-was een geliefkoosd idee van hem—en alleen hij met haar, ergens in een
-paradijs, met veel bloemen en vogels; dat haar oogen veel mooier waren
-dan de hemel en al de sterren, dat de maan lang niet zoo lief en zacht
-kijken kon als haar gezichtje, en dat haar haren zonnestralen waren,
-heel van goud, die ze gekregen had, omdat ze zoo lief en goed was, want
-o! o! ze wist het niet, maar zoo lief, zoo lief was ze! „Zie je,
-Corrie, je moet altijd, altijd bij me blijven, want het zou
-verschrikkelijk zijn als je er niet meer was, en ik kon je nooit meer
-een hand geven, en nooit meer je stem hooren, en nooit meer heel zacht
-met mijn wang langs de jouwe aaien, en geen kus meer geven op je
-voorhoofd!” En onder al dat lieve, dat heelemaal uitzeggen van wat in
-hem onbestemd brandde en gloeide van verlangen, liep ze maar te lachen,
-en blij te zijn, en een beetje trotsch ook, dat hij dat allemaal zoo
-zei. En als ze ergens heel alleen waren, op het plekje in ’t Aquarium,
-of in de duinen, of in het bosch, en hij keek haar zoo zacht aan, en
-zei allemaal zulke prettige en lieve dingen, dan beloofde ze alles wat
-hij vroeg, ja, ze zou altijd van hem houden, ze zou nooit naar andere
-jongens kijken, ze zou als ze groot waren met hem trouwen.—En dan
-geloofde hij haar vaster en met zekerder weten dan hij ooit zijn eigen
-moeder geloofd had,—want was ze niet het beste en mooiste en liefste
-wat er was, zij, zijn lieveling, zijn eigen meisje voor áltijd?
-
-Zoo’n jongetje was hij nog, hoe teer en broos, zoo’n zieltje, dat pas
-begint te leven, en nog maar vaag vermoedt! Hoe gingen de dingen van de
-wereld over hem als ál melodie en liefelijk beweeg! De open dagen vol
-zonneschijn, met blinkende, blauwe luchten, en waaiende pracht van
-groen, en lichte, goede menschen; de schemeringen zacht, met weifelende
-kleuren, en tintelende lantarenrijen, en het zachte avondwindje om het
-hoofd, als even een lieve hand, zoo vertrouwd; en de nachten die hem
-aanzagen met stille, sereene sterren, en zoo diep waren van eindeloos
-geheim. Al het leven één groot mooi van goede dingen, wijd om hem heen,
-waarin hij behoorde, en wel nooit van weg wou. En dat Meisje als het
-mooiste mooi van alles, en luchter dan een vlindervleugel, en teerder
-dan de fijne kleuren in parelmoer, en vager dan de tinten op de zee, o
-wát het was wist hij niet, dat hem zoo met geluk beroerde, en tranen
-deed wellen in zijn oogen; niet haar oogen alleen, en niet haar wangen,
-en niet haar mond, en ook niet enkel haar stem; er ging iets anders van
-haar uit, en over zijn ziel lag een wijding, als zij bij hem was, als
-over een zee in den nacht van majesteit. Hij wist niet, en ook dacht
-hij niet, het Jongetje, over wat het toch wel was, dat van het Meisje,
-wat hem zoo zalig maakte.—En het lijkt wel heel klein, zoo’n lucht
-wezentje, zoo wat moois van gouden haar, en oogenblauw, en roze bloed
-door lelieë wangen, als morgenrood door blanke wolken droomend, het
-lijkt wel of het zoo vergaan kan, zoo verdroomen in het niet, maar de
-openbaring, door dit schoon gedaan, is van een wonderbaar wezen, en de
-essence er van kan niet sterven en blijft onvergankelijk.—Het Jongetje
-was nog in zijn eersten droom, en zag dat frêle, half-ontloken
-meisjesmooi als het aanbiddelijke centrum van heel het wereld-leven.
-
-Ziet hem gaan, mijn Jongetje, met kloppend hartje zoekend naar dat mooi
-van Meisje, overal volgend waar zij gaat, langend naar dit lichte
-wezentje met heel de kracht van zijn zieltje, op het uiterste
-gespannen.... Lief Jongetje, wat heb je je gegeven, alles wat je hadt,
-wat heb je aangedragen alles wat je maar voor liefs bezat, wat vondt je
-het mooi, het Meisje, zonder één vlekje, zonder één ding van slecht,
-wat absoluut zuiver en rein; wat was het een groot, groot mooi voor je,
-dat Meisje in zoo’n wit gewaadje, met fijne kantjes en zijden linten,
-zwevend gaande op de fijne beentjes, en zoo vol licht haar gezicht, en
-het warmzachte gegloei van haar oogen, en de gouden glorie van dat
-haar; wat was je er tevreden mee, niets verlangde je meer, zóó was het
-goed en volmaakt, en niets anders; wat moet je er verschrikkelijk van
-gehouden hebben, mijn jongen, en hoe vast en onverbrekelijk sterk was
-je zieltje aan dat lichte wicht verbonden!
-
-Zoo bloeide in het Jongetje òp het idee van wat in de vele, vele dingen
-der wereld is een Meisje:
-
-Een Meisje is het héél, héél zachte, dat alleen van teêre, innige
-liefheid bestaat, dat leeft in gewaden van blijde kleur, en heel
-vreemd-zalig is om áán te voelen. Een Meisje is het goede, genadige in
-het leven, dat altijd vriendelijk en weldadig doet, dat nooit over
-ruwe, leelijke dingen spreekt, als de jongens op school, en waar je ook
-maar enkel allerliefelijkste woorden tegen zeggen moet, om haar toch
-vooral niet te verschrikken. Ze leeft in een heel andere sfeer dan het
-Jongetje, zoo met allemaal zachte dingen om haar heen, van kant en
-zijde en satijn; haar gezicht is zoo veel liever en vertrouwelijker, en
-haar vel zoo blank en fluweelig, met heel fijne adertjes er even onder,
-en het Meisje is altijd zoo frisch en rein, met schoone, zachte, o! hoe
-heerlijk zachte handjes en zoo witte zakdoekjes, en mooie handschoenen,
-en haar japonnetjes zoo keurig, met nergens een vlekje, en er hooren
-bloemen bij, witte lelieën, of van die lichte, gele theerozen, en
-viooltjes, en lief-blauw vergeetmijniet, en ook broches en ringen van
-goud, die blinken op mousselien en zijde en blanke vingeren, en er is
-een fijn, zacht gloeiend lint in haar fonkelend, blond haar, en een
-zoete geur is om haar heen.
-
-En het Meisje stapt zoo luchtjes, zoo heel anders dan het Jongetje en
-dan groote menschen, het stapt op een rythmusje dat de ziel zoo vreemd
-beroert, en haar rokje ruischt er bij, zoo zoet en suizelend, en al
-haar teêre bewegingkjes en lijntjes geven genot en ontroeren toch zoo.
-Het mooiste, het allermooiste in het leven van het Jongetje. Mooier dan
-muziek, en mooier dan de zee, en mooier dan de vogelen en de bloemen.
-
-Het meisje was voor hem een groote, absolute zuiverheid, een wonder
-mooi van zachte couleur en licht, rythmisch beweeg, het
-allerkostbaarste in het leven, in de groote, groote wereld.—Al het
-leelijke was ver buiten haar, en geen allervaagste schaduw er van
-bereikte haar reine beeld. Nooit kon er iets anders bij het Meisje zijn
-dan het uiterst pure van haar stem, dan het zoete licht van haar lach,
-dan de zachtheid van haar zijde en satijn en blank, wit linnen; nooit
-kon daar iets anders aan gedaan worden dan eerbiediglijk aanbidden, dan
-lieve, streelende woordjes fluisteren, dan bloemen brengen, de mooiste
-van geur en kleuren, dan heel voorzichtig een arm om haar middel
-vleien, en haar warm, blinkend haar beroeren, en éven een wang zacht
-tegen háár wang, en een teeder kusje op haar roode lipjes, en dan gauw
-weer weg, bang om haar pijn te doen.
-
-Hoe vreemd, hoe vreemd, om angstig en toch zalig van te rillen, als
-daar dat teêre en brooze vlak naast je staat, zoo ritselend en
-suizelend en wuivend van kant en tulle en fijne zijde, en éven voel je
-het weeke, zachte vleesch van een blanken, blanken arm, en de muziek
-van haar stem zoo vlak bij de ooren, en het lange goudhaar wel eens
-waaiend tegen je wang! Hoe licht, licht, als een lach glanst over zoo’n
-lief gezicht, met overal weerschijn en schittering, en het plooien van
-zoete kuiltjes, en het stralen van blauwe oogen! Het Jongetje wou toch
-zoo graag altijd bij haar blijven, en stil-tevreden vergaan in al dat
-heerlijke meisjesmooi; o! kon hij maar zelf dat Meisje wezen, zich
-wèg-kussen over haar blond hoofdje van gloeiend goudlicht, zacht
-verglijden over haar bloeme-blank voorhoofd en fijne schoudertjes,
-heelemaal wègwezen in haar éven-welvend borstje, in al haar warme
-zachtigheden, en in de blozeroode wangetjes, en in de kleine, reine
-handjes, en altijd bij haar en in haar en om haar, een heel klein
-stukje desnoods van haar zijn, als ’t maar in haar warme, liefelijke
-leven was, heelmaal éen er mee!
-
-O! Het Meisje! Het Meisje! Het mooiste, zachtste, reinste, lichtste,
-blinkendste wat het Jongetje maar kon droomen, heel apart als een
-wonder in de wereld staande, in een altijd-stralende glorie van
-allerzuiversten glans, waar al het leelijke, donkere ver van bleef, en
-waar hij zonder een nevengedachte, met àlgeheele overgave zijn zieltje
-aan kwam brengen, alleen maar bang, dat het veel te weinig was, en zij
-het misschien niet eens zou willen hebben! Want zij was zoo heel
-aanbiddelijk en vriendelijk en zacht, en zoo vol schoone couleur en
-lachend licht, en hij maar zoo’n klein, verliefd kereltje, dat heel arm
-en nietig was, als hij niet bij haar kon zijn. Niet bij haar was hij
-midden in het leelijke en koude van zijn kameraads op school, en
-klonken grove, ruwe woorden over duistere, geheime dingen, die alleen
-maar geniepig gezegd worden, en waar je nooit over mag spreken, dingen
-van leelijks tusschen jongens en meisjes, toevallig gevonden in een
-boek, of afgeluisterd van groote menschen.... Het staat groot er om te
-lachen.... Maar als heel even in de verte het rokje ruischte van het
-Meisje was al het leelijke weg, als een booze droom, en het Jongetje
-wist niets meer. Dan was het haar licht-lachend gezichtje dat naderbij
-kwam, o! daar kwam ze! daar kwam ze! een zoete weldadige warmte in hem,
-een groot geluk dat uít wou jubelen in lieve, koozende woordjes, en
-alles was weer rein, en blank, en stil-tevreden, zonder een schaduw van
-twijfel of het wel zoo mooi, zoo wonder heerlijk, verrukkelijk,
-volmaakt mooi kon zijn, zoo’n teêr broos wezentje van licht en kleur en
-liefelijk beweeg....
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-
-Zachtjes aan kwam de tijd, dat de scholen weêr begonnen. Paul zat nu in
-de derde klas van de Hoogere Burgerschool. Een heele meneer al. Als men
-hem toen een Jongetje had genoemd, zou hij erg nijdig hebben opgekeken.
-Hij was nu al vijftien, over een jaartje zou hij misschien al aan een
-snor gaan denken. Hij begon nu aan engelsch, en aan
-gelijk-en-gelijkvormige driehoeken, en allerlei moeilijke en gewichtige
-dingen. Maar ik noem hem toch nog altijd het Jongetje.
-
-Nu werd alles heel anders met het Meisje. Zij ging school in „de Laan”
-bij juffrouw de Ridder, en dus moest zij van het Bezuidenhout langs de
-Heerengracht door de Pooten, de Spuistraat en de Vlamingstraat gaan. ’s
-Ochtends om half negen stond Paul al te wachten, op den hoek van het
-Bleyenburg, waar de Hoogere Burgerschool is, en de Heerengracht. Corrie
-had hem beloofd, gauw te eten, en dan vroeg weg te gaan. Het was dan
-vol van jongens op die plek, maar Paul bleef goed op een afstandje, en
-stoorde er zich niet aan, als ze om hem lachten en hem plaagden. Het
-was zoo prettig, in den morgen. Vroeger zag hij haar altijd ’s middags
-of ’s avonds. ’s Morgens was het zoo blij en frisch in de lucht, de
-huizen zoo in vreugde van heldere kleuren, en alles zoo nieuw en klaar.
-Hoe keek het Jongetje verlangend naar de brug van het Bezuidenhout,
-waar menschen gingen en kwamen. Zou ze dat zijn?.... neen, dat is een
-ander meisje.... ....als het nu maar niet te laat wordt.... kom toch,
-kom toch, lievert.... mijn hart klopt.... kom toch gauw in den
-frisschen morgen, ...ik hoû, ik hoû zoo...
-
-En dan, eindelijk, kwam ze. Op de brug. Een teer, gevoelig figuurtje...
-Is ze ’t?. is ze ’t?.. ja, dat kan zij alleen maar wezen... ze is
-’t!... ze is ’t!...
-
-En dan heel gauw er op af, verlangend, op een drafje. Daar is ze! Zoo
-licht, zoo licht in den morgen! Zoo met haar lief, zacht snoetje, met
-roze wangetjes, zoo lacherig en blij, en zoo vriendelijk, zoo
-vriendelijk! Nu is ze een beetje anders.... Ze heeft nu een eenvoudiger
-bruin stroohoedje op, en een bruin manteltje, nog niet gezien, met
-groote stalen knoopen. (Ik weet dat manteltje nog zoo goed!..... ik zou
-het kunnen teekenen.... ik weet alles, alles van haar nog zoo goed....)
-Zij had nu het haar in een vlecht... Wat aardig zoo’n dikke vlecht, en
-wat is er nu een mooi blank halsje te zien, waar vroeger al dat haar
-langs viel....
-
-Wat mooi, zoo’n Meisje in den morgen! Zoo licht en lachend! Zoo blij en
-vriendelijk! Zoo’n frisch gezichtje, en zoo schoontjes en snoezig
-alles, zoo prettig om te zien en dan te zingen, in de jonge lucht.
-
-„Dag, Corrie.... wat ben je aardig.... wat een aardig manteltje.... en
-wat een mooie vlecht, wat staat je dat mooi.... ik heb nog twintig
-minuten tijd.... ik mag wel een eindje meê?....”
-
-Ik geloof dat ik in het begin van mijn boek wel eens geschreven heb,
-dat ik niet weet wat het Meisje eigenlijk wel voelde of dacht. Maar
-nu—vreemd—nu zie ik haar ineens weer zooals ze daar bij het Jongetje
-was gekomen. Ja, nu zie ik haar weer zoo heel goed. En nu weet ik het
-toch weer heel zeker, zoo zeker als ik het beste en eenige weet, waar
-ik van leef. Nu zie ik haar vriendelijk, oprecht gezichtje, met die
-onschuldige blauwe kinderoogen, en dat zonnige lachje om haar mooie
-mondje.... o, hoe goed zie ik haar weer!... zie ik niet het fijne roze
-dons van haar zachte wangen, zie ik niet het teere oortje, en haar
-blank halsje, en haar fijne, neergaande schoudertjes?... Ja, nu weet ik
-het, dat ze van het Jongetje hield met het allerzuiverste,
-allermaagdelijkste van haar zieltje, zooals het, nog ongerept van het
-Leven, in den oorspronkelijken, lelieën staat, een pure onbewuste
-liefde ademde in de onbevlekte sfeer van het door geen
-hartstochttrilling ontheiligde virginale... Het Jongetje heeft van haar
-gehad den grootsten, reinsten schat, dien ik weet op aarde, haar
-zieltje van Meisje, onbewust, en ver van het Leven, in de engelensfeer
-van maagdelijkheid, waar zulk een wonderrein wezentje vandaan is
-gekomen....
-
-Maar het Jongetje dacht niet en het Jongetje wist niet. Hij was alleen
-blij en gelukkig met haar frisch handje in het zijne, en haar stemmetje
-dat hem streelde:
-
-„Dag Paul!... heb ik me nu niet gehaast?... Ma vroeg al, waarom eet je
-zoo gauw, en wat rep je je toch... maar ik woû je nog zien... en ik had
-het je immers beloofd...”
-
-En dan samen, vertrouwelijk, aan den wandel. Eerst langs al die
-jongens, daar op den hoek. En een gevoel van grooten trots in Paultje.
-„Zie je, dat is nu mijn meisje, van mij alleen.” En ook een voelen van
-heel stellige superioriteit. Hij alleen kon met zijn meisje loopen. En
-al die anderen voelden niet waarom ze zoo’n engel was, en zagen niet,
-dat zij het mooiste van alles was. En al zagen zij dat wèl, ze hadden
-niet de minste kans, nooit.
-
-En het werd nu even vertrouwelijk daar ’s morgens op straat als vroeger
-op het strand en in de duinen. Jammer alleen, dat het zoo kort was. Het
-duurde maar tot het midden van de Spuistraat, daar bij den winkel van
-Sarluis, waar al die vreemde, mooie dingen waren. Dan was het tijd. O
-jee, nog maar zeven minuten. Nu gauw weg. „Dag lieverd.... gauw een
-hand.... tot vier uur.... dag!....”
-
-En dan zij nog even blijven staan, half òmgewend, wuivend met haar
-handje, en haar hoog stemmetje zoo blij in den morgen:
-
-„Dag!... dàg!... dàg!...” lang uitgehaald, elk woordje met telkens
-liever en melodieuzer intonatie...
-
-En dan op een drafje naar school, om nog maar éven op ’t nippertje
-binnen te wezen. En dan ineens het heel andere. Het zóó vreemd andere,
-dat het was als uit een heel liefelijken droom wakker zijn in het
-gewone. Het gewichtige, strenge, gedwongene. Meneeren die het allemaal
-wisten, verbazend wisten. Koude, witte muren, en jongens in rijen
-banken, en een meneer er voor in ’t zwart. Het Jongetje was er niet
-meer in. Het was niet meer als vóór de vacantie, toen hij altijd nummer
-één zat, en alle moeite deed om het te blijven, omdat moê er zoo blij
-om was, en hem zoo kuste, als het rapport kwam. Hij had nooit veel om
-de eer zelf gegeven, en nooit geleerd omdat hij het zoo prettig vond,
-want het ging veel te koud alles.
-
-Maar nu, dien eersten ochtend, was het ineens heelemaal veranderd. Dat
-voelde Paul zoodra hij in de bank zat, en de les was begonnen.
-
-„Wat zag ze er lief uit.... wat anders weer, hè?.... zoo’n vlecht staat
-haar óók wel goed.... maar àlles staat haar natuurlijk goed.... en wat
-een aardig manteltje.... op zij zijn zakjes met kleppen.... zoo’n
-lieverd om zich voor me te haasten....”
-
-En zoo ging het maar door in het Jongetje. Hij heeft dien morgen niet
-veel aan de lessen gehad. Hij was al die weken veel te vol geweest van
-het Meisje. Er was niets meer dan het Meisje voor hem. Zijn gedachten
-gingen naar het Meisje, of ze haar duifjes waren, die ál maar naar haar
-toe wilden, en nergens anders kunnen ze heen. Het Meisje was zoo opeens
-met intenze innigheid in zijn leventje gekomen, in zulk stralend,
-schitterend licht, dat nu alles van hem daar naar toe wilde, al zijn
-gedachten en verlangens en wenschen...
-
-En ondertusschen zijn twee driehoeken gelijk en gelijkvormig in zoo’n
-hééle boel gevallen, en is
-
-
-(a + b)² = a² + 2 ab + b²....
-
-
-Daar gaat niets van af. En dat moet je nu eenmaal weten, al ben je nu
-nog zoo’n verliefd jongetje....
-
-En ik woû dat hij dat maar altijd goed onthouden had, dat hij dat zoo
-absoluut toch óók leeren en weten moest, en ook dat het kwadraat van de
-hypothenusa is gelijk aan de som van de kwadraten van de beide
-rechthoekszijden, en nog zoo véél, véél, véél meer.
-
-Had hij daar toch maar aan gedacht, mijn Jongetje! Want het was
-gevaarlijker dan hij weten kon, en het zou zoo héél, héél gewichtig
-worden in zijn leven, dat hij dat niet beter onthouden heeft!
-
-Maar hij dacht alleen om ’t Meisje. Om zijn mooie lieveling, zooals ze
-daar was gekomen in het jonge licht van den blijden morgen. Wat was het
-mooi weêr! O! Nu met haar uitgaan, naar Scheveningen, naar de zee!—Met
-haar samen in de duinen zitten en kijken naar de zee! De duinen, blond
-in den morgen, met vroolijk wuivend helm, en de zee, o! de zee, zoo
-schitterend in de zon, fonkelend blauw en zilver, aangolvend met lange
-ruischingen van vreugde en geluk.—Buiten is alles nu groot en mooi, en
-alles blinkt en zingt van zalig genieten.—En hier binnen die muren is
-het koud en leeg.—
-
-Ja, buiten met Corrie in de duinen, en met haar staren over de groote,
-groote zee! En haar vertellen van de wondere landen daar vér, vér weg,
-van de eindelooze prairieën van Aimard, en van de Comanchen en Apachen,
-van Arendsveer en de Blauwe Vos.... hij zelf zoo’n pelsjager wezen als
-Edelhart of Valentin Guillois.... en zij een wonderschoone donna, de
-dochter van een rijken haciendero.... en zij geroofd door de Apachen,
-en vóór op het paard van de Zwarte Kat.... maar híj er achter, met zijn
-dappere jagers, en de trouwe Comanchen, op wilde mustangs.... heisa!
-ha! hoe gaat het over de eindelooze savanne!.... vooruit! mijn edel
-koningspaard, vooruit dan mijn lief, sterk strijdros!.... wij moeten de
-Liefste redden.... en eindelijk, eindelijk, daar zijn ze.... hoera!....
-het schel krijgsgegil der Apachen, de donderende oorlogskreet der
-Comanchen.... hoera! hoera!.... met de kolf van de buks en de bloote
-machete!.... hoera! met speer en tomahawk!.... Sterf! Hond der Apachen,
-gij zijt een oude vrouw, de wolven zullen uw ellendig lijk
-verscheuren!.... Goed zoo, Arendsveer, trouwe vriend, scalpeer hem,
-zonder genade!....
-
-En de geredde lieveling ligt in zijn armen.... Lieveling, Corrie, word
-wakker.... kijk, ík ben het, Paul, de strikkenzetter, ik hoû van je, ik
-heb je gered, en zal je altijd, altijd beschermen en bij je
-blijven!....
-
-Ja, de duinen, en de zee, en de prairieën, lucht, licht en leven, en de
-Liefde, trouw tot het graf, reddend in ’t vreeselijkst doodsgevaar, en
-beloond met de blonde geliefde, de groote overwinning van het Recht en
-de Trouw, dáár droomde je van, mijn jongen, daar op die gele
-schoolbanken, tusschen die kale, sjofele muren, toen je pas terug was
-van je lief Meisje....
-
-En dat was toch heusch verkeerd van je, mijn brave! want (a + b)² is a²
-+ 2 ab + b², en er zijn een hééleboel gevallen waarin driehoeken van
-allerlei mogelijke soorten gelijk en gelijkvormig zijn!................
-
-Om twaalf uur is het voorbij.... Dan gauw naar huis, door het
-Voorhout—dat staat dan statig en klaar in het middaglicht,—door den
-Denneweg, de brug over naar de Frederikstraat, en zóó naar huis, de
-Javastraat, dicht bij de Koninginnegracht. Het is nu al veertien jaar
-geleden, dat mijn Jongetje daar liep. Maar wat weet ik het nog goed.
-Hier, ver, ver, in een armzalig hoekje van Indië zit ik dit te
-schrijven. Maar nu zie ik al de dingen van dien tijd weer klaar en
-helder voor mij, als pas gezien. Het komediestraatje van ’t Bleyenburg
-naar ’t Voorhout, met een winkel van albums en portretlijsten, en de
-paaltjes in ’t midden, waar het Jongetje in een vroolijke bui overheen
-sprong, de affiches van den schouwburg, met die groote, vette letters,
-zwart op rood, „Carmen” of „Faust”, en de mooie boomen in het
-Voorhout.... zoo, zoo waren hun takken, ja, vooral die eene, hè, zoo
-boog die eene groote tak omlaag...., en ik weet nog wel het gezicht van
-een schildwacht voor het paleis van Prins Hendrik,.... en de taartjes
-voor de vitrine van den banketbakker over het paleis van van Brienen,
-nu het Hotel des Indes.... en den spekslager en den slager op den
-Denneweg.... en de menschen, die het Jongetje altijd geregeld
-tegenkwam, heeren van ’t ministerie, met portefeuilles onder den arm;
-er was er één bij, met zoo’n langen baard, die een beetje scheel zag...
-
-Dan kwam Paul thuis, in de gezelligheid van de eetkamer, met mama voor
-de koffietafel. Dan werd moê gezoend en gepakt, en kwam haar
-vriendelijke moederstem zoo zacht over hem heen.
-
-„En hoe was het op school, ventje?”
-
-—„Moe, het was zoo saai.... maar ik heb haar vanochtend gezien, ik heb
-haar een eindje gebracht.... Ze was zoo lief, maatje, ze had een
-vlecht, dat stond haar zoo aardig.... en ze had zoo’n grappig, bruin
-manteltje om.... U had haar moeten zien....”
-
-Mevrouw Waerens was zelf ook veel van Corrie gaan houden. Zij zag de
-van Meedens niet, maar er was een zekere intieme vriendelijkheid
-gekomen tusschen haar en mevrouw.—Dikwijls was Paul met zijn moeder
-alleen in Scheveningen, en Corrie met de hare.—Dan maakten de dames een
-praatje en lachten samen om de kinderen.—En zij vertelden elkaar, dat
-de kinderen toch zooveel van elkaar hielden, en zoo aardig samen waren,
-en wat ging het deftig, wat konden ze elkaar groeten, alsof ze een
-heele dame was, en hij een cavalier!
-
-Mevrouw Waerens maakte zich wel eens ongerust. Zij kende haar Paul zoo.
-Zij wist, hoe innig hij zich aan Corrie had gehecht, en hoeveel ernst
-en meenens het voor hem was, zijn verliefdheid, die in het binnenste,
-allerheiligste van zijn zieltje was gaan groeien.
-
-Na de koffie ging Paul gauw weer naar school, verlangend dat de les
-maar weer begon, dan was hij alweer dichter bij vier uur.—En eindelijk
-was de bel gegaan, en kon hij het lokaal uitstormen, en dan met een
-paar sprongen de trap af, en op straat.—Nu op een drafje de Pooten
-door, de Spuistraat in, en gewacht op den hoek van Vlamingstraat en
-Wagenstraat, volgens afspraak.—De „stad” is dan vol van menschen om
-vier uur, groote menschen, meneeren en mevrouwen, die aan ’t winkelen
-zijn. Erg gewichtig en deftig lijkt dat voor zoo’n Jongetje. Maar even
-na vieren wordt het in de donkere Vlamingstraat lief en intiem van
-zonnige gezichtjes en lichtende lachjes, en gerucht van hooge stemmen.
-Dan komen de meisjes van de Hoogere Burgerschool en andere scholen in
-de buurt. Dan komen ze op luchte rythmusjes, met zwevende pasjes van
-liefelijk beweeg, babbelend en kwetterend als kweelende vogeltjes, met
-opgegloei van blond goudhaar en donkerzijden lokjes, met vriendelijk
-oogenschijnen, en veel heldere kleur van roze en blauw en rood, en
-maken de lucht blij van melodieus geluid.—Dat was nu net iets voor
-zoo’n verliefd Jongetje als Paul. Maar hij zag al die meisjes alleen
-maar als mooie, lieve dingen, zooals bloemen en vogels, wat wuivende
-kleur en streelend geluid, hij wachtte op de ééne, de één liefste
-lieveling uit allen, het Meisje, dat heel apart voor hém was. En ze
-kwam, de laatste, en alleen.......
-
-Daar komt ze, even lief als van morgen, kijk, daar is ze, met haar
-vriendelijk snoetje, daar komt ze aangeloopen op haar teer
-zweef-rythmusje van klein meisje...... ik zie haar naar het Jongetje
-toekomen, in haar bruin manteltje, waar zoo mooi het blauwe rokje onder
-uitkomt,.... ik zie haar zwartblauwe oogjes lichten van blijdschap...
-een kleurtje heeft ze van ’t harde loopen. En ik zie alles om haar
-licht en gelukkig, de geheele straat staat zoo heerlijk in hooge
-vreugde......
-
-„Dag Paul... ik ben een beetje moeten blijven, want ik had de som nog
-niet af..... maar het was wel heel goed, nu hoefde ik niet met Wies en
-Jo samen de school uit..... Wat ben ik blij dat het uit is.... het was
-zoo saai....”
-
-—„Dag Corrie, dag lieverd,..... ik heb zoo naar je verlangd den heelen
-dag, maar nu bén je er.... nu bén je er, hè.... mag ik je een arm
-geven?.....
-
-—„Nee hoor, in de stad niet, dat gaat niet... wel later, als het donker
-is, en als we op ’t Bezuidenhout zijn, onder de boomen... in October
-wordt het al gauw donker....”
-
-Zulke gewone woordjes allemaal. Maar dat stemmetje! Dat stemmetje! En
-dat ìn-lieve gezichtje daarbij, en die mooie, blinkende oogjes!
-
-Als zij praatte was het of zijn ziel een piano was met blanke, blanke
-toetsen, en ieder melodieus woordje van haar klonk na, en het zong in
-hem van binnen, het zong zoo, en dan werd het zoo licht en zoo groot en
-zoo heerlijk!
-
-En hij praatte terug, zoo over allerlei dingen, waar zulke groote
-kinderen over spreken, ook zoo maar wat gewone woordjes, maar die
-gedrenkt waren van het lieve warme gevoel, dat van binnen in hem
-opsteeg zoodra háár stemmetje maar had geklonken, woordjes, die elk
-iets van zijn ziel liefkoozend naar haar toe ruischten. De wondere,
-wondere klank van die woorden! Als ik nu het Jongetje in herinnering
-zoo hoor spreken, heeft elk gewoon woordje een innige, aparte
-beteekenis gekregen, en klinkt met zoo’n welluidend accent van reine
-goedheid!—Hoe koud en ledig lijkt mij nu het praten van alledag, hoe
-schel en hard is alles.—
-
-En dan het jonge, hooge stemmetje van het Meisje! Zingt het niet als
-een zoet-kweelend, gouden vogeltje in dat droeve herrefstwoud van mijn
-herinnering?
-
-Maar ik mag zoo niet van mij zelf spreken. Ik zou alleen van het
-Jongetje vertellen, en dat is nu immers dood, al zoo lang.....
-
-En zoo ging het door, het lieve, intieme leven van de kinderen, dag aan
-dag.... De tijd verdeeld in bij elkaar zijn, en niet bij elkaar zijn.
-Niet bij haar zijn was voor Paul de school, het koude en
-onverschillige, met alleen prettig de lessen in de talen en de
-gymnastiekles, maar de rest zonder emotie, het altijd hetzelfde, van
-het eene vakuur in het andere. Bij haar zijn was de groote, heerlijke
-verrukking, het zingende blije spreken, en ook het vertrouwde, stille
-naast elkaar loopen, zonder iets te zeggen. En ook het pas van haar af
-zijn hoorde daar nog bij, met het prettig in z’n eentje aan haar te
-loopen denken, langs stille grachten naar huis gaande, nog eens
-nà-genieten hoe ze ook weer geweest was, wat ze ook weer gezegd had,
-hoe lief ze er weêr had uitgezien.
-
-Ik zie hem nóg loopen, mijn Jongetje, langs de Koninginnegracht, en dan
-de brug bij den Dierentuin over naar de Koningskade, tegen dat het
-donker werd, en de boomen aan weerszijden van het Kanaal zoo zacht en
-teêr uitkwamen in den avond, met de takken en bladeren zoo duidelijk en
-fijn in de avondlucht, en de deftige huizen aan den overkant in stille,
-gedempte kleuren. Hij begon al groot te worden, maar het ging nog niet
-goed, hij was tóch nog maar een Jongetje en hij liep met zijn hoofd een
-beetje gebogen, als hij zoo aan haar dacht, heelemaal in zijn gepeins
-verloren.—Eén voor één begonnen de lantarens te pinken, en dat was zoo
-vriendelijk, dat wenken van lichtjes in den avond. Wat een gelukkig
-gedenk en genieten, met niets dat het verstoorde, en dan straks thuis
-komen, waar het warm en vertrouwd is, en waar moeder wacht om nóg meer
-liefs te geven.—
-
-Zoo zonder erg, dat leven van het Jongetje in die groote stad, die vol
-zoete herinnering was, en waar niets slechts hem wondde. Hoe sterk
-leefde hij in zijn jongen droom, dat géén der geruchten van de wereld
-òm hem dien verstoorde!
-
-
-
-Tegen het einde van November werden de dagen korter, en toen werd het
-afhalen van de school nog veel intiemer. Als Paul uit de les kwam om
-vier uur ging er al een heel vaag duister over de stad. De bladerlooze
-boomen op het Plein stonden met hun takken zoo stil en rustig in de
-schemering. Wat teeder en broos, die heel dunne takjes overal, vooral
-zoo in de verte, het was als fijne vingeren die iets wenken. Wat druk,
-die menschen in de stad, zoo tegen St. Nicolaas, wat een heerlijke
-emotie, als in de Vlamingstraat, onder al die zwarte, wemelende
-gestalten, in de verte het fijne figuurtje aankwam van het Meisje, zijn
-Meisje, het eene, bizondere, wonderteêre in al het onverschillige,
-gewone rondom. Hij ging dan samen boodschappen met haar doen, allerlei
-vertrouwelijke dingen, nieuwe handschoenen koopen, of stukjes zeep,
-iets aan haar horlogetje repareeren, en wat kant of borduursel
-uitzoeken, en dan ook altijd iets lekkers met haar snoepen, flikjes of
-pralines bij Sprecher, en soms in het gezellige kamertje achter,
-taartjes eten. Ze was nu weer heel anders gekleed dan in September,
-weer veel mooier, ze werd hoe langer hoe mooier. Ze had een donkergroen
-rokje en lijfje met roodwollen voering van binnen, en een klein, rond
-mutsje van hetzelfde groen. Over het lijfje een mooi, dik, zwart bont,
-zoo warmpjes en glanzend over haar teere schoudertjes en haar borst, en
-het haar droeg ze weer los, omdat hij daar zoo om gevraagd had. En dat
-in de vredige, vertrouwelijke zachtheid van een stille
-winterschemering, als in het Bezuidenhout de boomen zoo vreemd
-mijmerend staan te droomen, met zacht gloeiend roze en teêr zeegroen en
-licht violet en allemaal wondere, nooit geziene kleuren en tinten er
-weifelend achter!—Het Meisje zoo warm en licht in den reinen, kouden
-avond, als hier en daar al een ster begint te pinkelen boven de mat
-gekleurde gele en roode huizen, en de lange lantarenrijen zoo
-vriendelijk wenken en wenken! Wat was haar gezichtje rood en
-zachtjes-gloeiend, wat was ze warmpjes en wèl onder dat lekkere, dikke
-bont, en, het mooiste van alles aan haar, wat golfde dat fonkelende,
-gouden haar er glorieus overheen, dat glanzende goud over glanzend
-zwart! En wat was het gezellig warm in haar mofje! Hij stak daar zijn
-rechterhand in, en speelde daar met haar vingers, en dan deed ze expres
-haar handschoen er voor uit, kleine, brooze glacétjes, met een randje
-bont er om.—Eens heeft hij er een gekregen, en lang, lang bewaard—het
-is er nú nog, er is nog de indruk in van een fijn teêr kinderhandje—en
-hoe klein was het in zijn groote handen! Somtijds liepen ze een heel
-eind zonder iets te zeggen, alsof er nu niets meer te spreken viel, en
-het zoo goed was in hun kinderlijke zielen, stil-gelukkig, zonder
-behoefte om zich te uiten.—Thuis gekomen legde Corrie gauw haar boeken
-weg en haalde Zor, een klein wit smoushondje, dat zijn avondwandeling
-moest doen. En dan ging het om ’t vierkantje in ’t midden van de eerste
-en tweede Van den Boschstraat, een groote tuin met een hek er om over
-de geheele lengte. Er waren dan maar zelden menschen in die eenzame
-straten.—Zij liepen dan zoo intiem-gezellig bij elkaar, dicht tegen
-elkaar aan, en hij genoot van de warmte in haar mofje, en het zachte
-van haar bont, tusschenbeide met zijn wang er langs aaiend. Somtijds
-riep ze ’t hondje: „Zorrie! lieve Zorrie! kom dan bij ’t vrouwtje!”
-precies zooals ze het hertje had geroepen in den Dierentuin, toen hij
-haar voor ’t eerst zag. Ze kon dat zoo innig lief doen, met zoo’n
-melodieus, hoog engelenstemmetje, dat hem wel eens de tranen in de
-oogen sprongen en hij wist zelf niet waarom. En ééns zei hij, toen hij
-den vorigen dag in Heine had gebladerd, dat, als hij eens dood was, en
-zij bij zijn graf kwam en hem zóó riep, hij weer op zou staan om bij
-haar te komen.—Maar dat vond ze akelig. „Foei, je mag niet dood gaan,
-je moet altijd bij me blijven.”—Toch had het Jongetje er wel eens voor
-willen doodgaan, alleen om het te probeeren. Hij zou heel graag eens
-iets voor haar willen doen. Hij kon maar zoo heel weinig voor haar, en
-dat hinderde hem zoo. Het eenige wat de moeite waard geweest was, was
-dat hij een veel grooteren jongen van ’t Bezuidenhout, die haar eens
-gestompt had, omdat ze niet met hem loopen wou, een jongen van zestien
-jaar, een bloedneus en een blauw oog had geslagen en op de vlucht
-gejaagd. Maar dat was toch niet zoo heel veel bizonders. Waarom kwam er
-geen brand bij haar in huis, dat hij haar kon redden uit de bovenste
-verdieping? Kon hij haar maar eens verlossen van roovers of wilden! Kon
-hij haar maar eens uit het water halen, of een bloem voor haar plukken
-in een vijandig land vol gevaren, of haar eer verdedigen in een
-tournooi! En soms, als hij haar even een kus mocht geven, en haar
-zachte, fluweelige wang tegen zijn gelukkige lippen voelde, dacht hij
-wel eens, dat hij het eigenlijk nog niet verdiend had, en het nog niet
-waard was.—
-
-Wat werd het nog véél, véél gezelliger toen het was gaan sneeuwen! Dan
-liepen Paul en Corrie zoo gauw zij konden naar huis, en werd de slee
-voor den dag gehaald. Corrie met het hondje er in, en hij duwen.—Hij
-liep dan met zijn hoofd voorovergebogen, vlak aan haar oor te
-praten,—het mooie, fijne oortje, dat zoo rozig onder het mutsje
-uitkwam!—vlak bij haar zachte wangen, met haar warme, zijige haar
-telkens tegen hem aanstreelend.—En dan liep hij heel ver het
-Bezuidenhout uit, voorbij de Laan van Nieuw Oost-Indië, en dan links
-af, een eindje het Bosch in. Het Bosch zoo statig-stil, met die hooge,
-witte boomen, in den vrede van sneeuwen avondglans! Dan was zij een
-beetje bang zoo geheel alleen, in dat groote, groote Bosch, en zij
-leunde het hoofd achterover, om hem telkens goed te voelen, dat hij
-dicht bij haar was. En hij moest haar wel eens geruststellen dat er
-niets was, heusch, heusch niets was, maar bij zichzelven dacht hij:
-„wás er maar iets, kwám er nu maar eens wat!”—Hoe heerlijk, haar te
-kunnen beschermen, haar hulp en steun te wezen, haar tegen je aan te
-voelen leunen, met haar teêr, warm, goudblond hoofdje! En wat lief werd
-ze als het een beetje begon te sneeuwen, dan kwamen fijne witte
-kristalletjes op haar mutsje neêrdwarrelen, en gingen er zoo héél, héél
-zachtjes tegen aan zitten, en haar glanzend goudhaar kwam vol van die
-witte bloemetjes, en haar zwarte bont werd witgespikkeld! Ze leek dan
-wel de fee van het winterbosch, en wat tintelde alles aan haar, als ze
-langs een lantaren kwam; ze was zoo schitterend van diamanten schijn!
-En al die boomen zoo statig in het rond, met hun witte armen zoo
-plechtig uitgespreid boven haar hoofd, als om het te zegenen!
-
-Nóg zie ik hem gaan, mijn Jongetje, nu ik dit schrijf, in zijn dikken,
-blauwen ulster, met hooge kaplaarzen aan, en een bruine pelsmuts op,
-een groote jongen al, wat tenger gebouwd, met ferme stappen achter de
-slee, en het kleine Meisje, warmpjes in een deken, en zoo lekker in
-haar bont gedoken, met haar hoofdje achterover leunende tegen zijn
-borst en haar lange, lichtende goudhaar langs zijn jas, twee
-lievelingen, zoo heerlijk alleen in het witte bosch, in den reinen
-winterwind, twee mooie, gezonde kinderen die van elkaar houden.
-
-En met den winter kwam nog een andere, heerlijke dag in Paul’s leven.
-’s Zondags morgens, om tien uur, moest Corrie naar de duitsche kerk, op
-het Bleyenburg. Een heel intiem, klein kerkje, niets dan witte muren,
-en hooge vensters met groene gordijnen, en de preekstoel, de banken, de
-lichtkroon, alles heel gewoon, maar met een groote vertrouwelijkheid,
-iets zoo veiligs en rustigs, dat het Jongetje er bijzonder op zijn
-gemak maakte. Mannen en vrouwen zaten er door elkaar, en Paul zat naast
-Corrie, op een der voorste banken. Hij was niet godsdienstig, en wist
-nog maar zoo heel weinig van God, maar o! hoe dicht, hoe heel innig
-dicht bij God was, onbewust, zijn zieltje als uit het orgel klaar
-choraal omhoog ruischte, en het plechtig psalmgezang opklonk, met vlak
-bij hem de heldere kindersopraan van het Meisje, zoo teêr en zwak nog,
-maar zoo vroom en puur als het zacht uitzingen van een engel! Dan was
-zijn ziel in zoo groote genade en volzaligheid onder die zilveren,
-jubileerende stem, die er zoo vér, vér doordrong met lange,
-zoet-vibreerende ademen...
-
-En dan, als de zwarte, ernstige gestalte in den preekstoel de handen
-samenvouwde, met langzamen zwaai van zijne armen, en diep het hoofd
-neeg, in gebed! Dan bogen alle hoofden der menschen, en de mannen
-stonden op, eerbiedig. Dan stond hij naast Corrie, en zij bleef
-roerloos zitten, het hoofd gezonken op de borst, de handen gevouwen op
-haar schoot... En o! de vrome neiging van lijnen om haar ranke lijfje,
-het deemoedige van dat biddende hoofdje, van het glanzend goud harer
-lokken omschenen.... En die stilte, die plechtige stilte rondom, met
-die ernstige, galmende stem van den prediker, boven de zacht-genegen
-hoofden der menschen!
-
-En als hij dan neêrstaarde op het reine, biddende hoofdje van het
-Meisje, waar haar teêre kindergestalte was neergebogen in zoo diepen
-ootmoed, dan welden hem zacht de tranen naar de oogen, en was hij,
-onbewust, zoo héél dicht bij zijnen God!....
-
-En zóó ging het leven der kinderen rustiglijk door, met niets dat hun
-lieven stoorde. De groote wereld liet hen met vrede, ze konden stil hun
-gang gaan, en hun leven werd niet gemoeid door anderen.
-
-Maar één avond, één heilige, heerlijke winteravond was de mooiste van
-allen. En ik weet niet in mijn eigen menschenleven een avond, ook zelfs
-één moment niet, van zoo hooge, goddelijke wijding.
-
-Het leek maar zoo heel eenvoudig, een lief incidentje tusschen twee
-kinderen.—Hij moest ’s avonds een heel moeilijk algebra-vraagstuk
-uitwerken bij een vriend, die in de Rijnstraat woonde. Dadelijk na het
-eten, om zeven uur, moest hij er heen. En toen hij na de school zijn
-lieveling naar huis bracht, had hij haar gevraagd, hoe laat ze naar bed
-ging.
-
-„Soms om negen uur, soms wel eens half tien,” had ze gezegd.
-
-En hij: „Denk je wel eens om me als je naar bed gaat?”
-
-„—Ik denk altijd dat ik je morgen weer zien zal, en dat is zoo’n
-prettig idee voor me. Dan doe ik mijn gebed en kruip er lekkertjes in.
-Doe jij ook een gebed voor je gaat slapen?”
-
-Maar dat was het Jongetje alleen geleerd, toen hij heel klein was.—Zijn
-ouders waren niet godsdienstig, er werd nooit gebeden in huis, en nooit
-over God gesproken. En Paul antwoordde dus maar niet op de vraag, hij
-durfde niet goed te bekennen, dat hij niet bidden kon.—
-
-„Zeg,” zei hij ineens, „ik kom om negen uur zoowat van Jan van Maere
-vandaan, ik moet wat met hem gaan werken. Mag ik je dan even goeien
-nacht komen zeggen? Het is toch zoo vlakbij, alleen maar het eindje van
-af de Rijnstraat. Kom dan even voor ’t raam, dat ik je nog éven zien
-kan!”
-
-Hij kon haar zoo lief en vleiend iets vragen, en ze zei dadelijk van
-ja, dat ze het zoo’n aardig plannetje vond, en ze heusch zou komen.
-
-Hoe gauw ging die avond bij Van Maere voorbij, en hoe vlug was het
-moeilijke vraagstuk opgelost! Precies om negen uur kon Paul weggaan, en
-ging hij het Bezuidenhout op. Wat was alles wit en puur en rein! De
-sneeuwen grond lag zacht te glanzen in het manelicht, en hoe blonken de
-witte daken van de huizen, en hoe stil, o! hoe stil stonden de witte
-boomen met hunne takken zoo roerloos uitgestrekt! Wat was er in de
-lucht voor een nieuwe, wondere schijn, en wat was er in het maanlicht,
-dat het Jongetje op eens zoo ernstig en eerbiedig werd, alsof er iets
-heel heiligs zacht naar hem toe was gekomen, waar zijn ziel van beefde?
-Nooit had hij zich zoo vreemd bewogen gevoeld. Hij bleef even staan, en
-keek om zich heen. Niets dan stilte, en eenzaamheid, alleen heel in de
-verte kwamen menschen aan.—Alles was wit, wit, wit rondom.—De
-lantarenlichten rijden pinkend weg, en schenen één fijne streep licht
-in de verte.—De statige huizen, de stille boomen, de sneeuw zoo
-zacht.—En aan den lichtblauwen hemel de sereene sterren, en de ronde,
-blanke maan.—Dat was al van vroeger, al meer gezien, en welbekend. En
-toch, er was iets, wat was er...? En het Jongetje ging peinzend door.
-
-Nu, in de Van den Boschstraat, aan den overkant van de huizenrij gaan
-loopen, langs den muur van den tuin in het midden. Daar is het....
-nommer tien is het derde huis voorbij de tweede lantaren.... Wat zijn
-al die huizen stil en rustig! Ze schijnen te slapen.
-
-Beneden is alles dicht. Kijk, er is licht op in haar kamer. Het eerste
-raam boven de voordeur.—Het witte gordijn is verlicht. Nu maar bij dien
-boom gaan staan, en wachten, wachten.... O! haar éven, éven zien....
-Zoú ze komen, zoú ze komen....? Ja, ze heeft het beloofd....
-
-Wat is het stil!... wat is alles wit en rein en rustig.... En wat is
-het manelicht zoo mooi....
-
-Waarom komt ze nu nog niet?.... Ze doet zeker haar gebed.... Haar
-gebed!.... Dan spreekt ze met God, met onzen Lieven Heer.... „Ik spreek
-nooit met God,” dacht het Jongetje.... „maar ik spreek met háár, en ik
-hoor nu eenmaal bij háár, en zóó, als zij ’t doet, ben ik er eigenlijk
-óók bij....”
-
-Opeens, het licht weg. Het raam is donker. O! ze heeft het vergeten....
-Het Jongetje voelde zijn hart kloppen. ....Nog éven wachten, nog
-éven.... Ja, kijk! weer een klein plekje licht op het gordijn.... het
-wordt grooter....
-
-En toen is het gebeurd. Zoo heel eenvoudig. En zoo heel groot, zoo
-onvergankelijk.—Daar werd het raam weer lichter. Langzaam, langzaam
-rolde het gordijn omhoog. En daar stond ze, o! hoe stond ze daar! Het
-Meisje. Ze stond in haar blank nachtgewaadje. Een Meisje in een wit
-hemdje, in manelicht. Ze hield in de eene, opgeheven hand een
-kaars.—Hoe wit, hoe rein en kuisch was haar bloote halsje! Haar gouden
-haar hing los, en golfde over haar schouders, over haar teere borst,
-een stroom van heilig licht. Om haar hoofdje was het een glanzende
-aureool. Ze stond blank en rustig als een stille engel. Hoe straalde
-haar onschuldig maagdegezichtje van zoo wonderzoeten glans! Starende
-naar beneden stond ze, bewegingloos, een bruidje van Onzen Lieven Heer,
-een engel, zelf zoo licht, die uitziet in het donker buiten. Een
-vreemde, witte schijn van hemelglans was om haar heen. Zacht beefde de
-Ziel van het Meisje in die teere sfeer.....
-
-Het Jongetje stond zoo stil, zoo stil..... Hij wou wel groeten en iets
-liefs doen, maar hij kon niet. Roerloos zag hij omhoog..... Zóó stond
-hij stil, zoo stil.... in diepe, diepe vereering.....
-
-Tot eindelijk, ziet! er beweegt iets..... zachtjes wuift een wijde,
-witte mouw..... en langzaam, langzaam valt het gordijn.....
-
-Toen voelde hij zijn ziel heerlijk opdeinen, als werd hij door de
-golven van een eindelooze zee zacht opgeheven naar den hoogen, hoogen
-hemel van maneglans en sterrenlicht. Een groote zaligheid van zoete
-tranen welde op naar zijne oogen, hij vouwde de handen in gebed, en het
-Jongetje weende zoo zacht, zoo heel zacht en vroom in den stillen
-nacht.....
-
-
-
-Zoo was het goed, zoo was het goed, nietwaar, mijn jongen?..... zoo was
-je ziel zoo gansch tevreden, en zoo zalig..... alléén dit, en niets,
-niets méér.... Hoe zou het kunnen, méér... hoe zou nog ooit iets kunnen
-komen boven dit, nog ooit iets kunnen stijgen boven dezen eindeloozen
-vrede?.... Wat is er nog dat heerlijker kan wezen dan dit stille,
-biddende aanzien?... O! Het pure, blanke beeld als, door haar reine
-engelenlichaam, der Liefste Ziel zoo gansch rustiglijk heenschijnt, in
-allerzuiverste essence!... Hoe zou nog ooit één ding bestaanbaar zijn,
-een ding van leven of verlangen, waarbij dit heilige symbool verbleeken
-kan van het allergoddelijkste in ’t groote leven: een Maagd zoo kuisch
-en rein, in zulk een blank gewaad?... Het stille aanzien, de handen
-gevouwen, het roerloos, zwijgend bidden voor der Liefste Ziel... dit is
-genoeg, en niets kan nu meer komen... laat niets nu ooit nog komen, dat
-die zoete rust verstoort... dít is het allerhoogste, en de grootste
-Godsgenade, de kuische contemplatie van de Liefste, als haar Ziele
-heenschijnt door haar blanke leden, gelijk het reine maanlicht door de
-witte wolken droomt..... Ach, kon je mij maar hooren, mijn jongen, je
-zoudt gelukkig zijn.... Want nú weet ik het, o! ik weet het zoo sterk
-en zeker, niemand heeft ooit het Meisje gehad dan jij, mijn brave,
-niemand heeft ooit de ziel van het Meisje gezien, toen de misère van
-het Leven nog niet de groote, duistere schaduw had geworpen over haar
-maagdelijk hoofd.....
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-
-Tot nu toe was alles zoo vol licht en blijde zon, en de dagen gingen
-zoo zorgeloos voorbij, in altijd nieuwe vreugde. Het Jongetje liep maar
-te genieten, en dacht niet, want alles ging vanzelf zoo goed.
-
-Maar nu moet ik van heel droeve tijden gaan vertellen, al voel ik mij
-bang nu ik begin, zoo bang, alsof ik alles zelf nog eens moet gaan
-beleven, wat nu gebeuren zal. En het is alles de schuld van het
-Jongetje zelf, dat is het ergste nog.
-
-Paul was niet meer op school de vlugge baas van vroeger, die altijd
-nommer één zat. Hij was zoo vol van het Meisje, dat hij al het andere
-vergat. Bij de les lette hij niet op, en thuis werkte hij niet. Hij
-wilde wel, en probeerde telkens en telkens, boven, alleen op zijn
-kamertje. Hij ging er voor zitten, met al zijn boeken, en in ’t begin
-vlotte het ook wel. Maar o jee! dan kwam het blonde hoofdje van het
-Meisje uit de boeken kijken, en hij wist niet meer van lijnen en van
-hoeken en van cijfers, hij leunde met het hoofd op de armen, en
-droomde, droomde......
-
-Het was heel liefelijk wat hij droomde, heel goed en rein. Het was zoo
-mooi, het zachte engelengezichtje, dat daar in die droomen lichtte, en
-o! hoe gaarne gaf ik van mijn beste weten om nog ééns met zulke reine
-oogen als het Jongetje in zoo groote puurheid naar dat maagdelijk
-schoon te zien....
-
-Maar het was heel dwaas en ongehoorzaam van Paul, hij was al veel te
-groot om niet wat wijs te wezen, en zijn belangen te begrijpen, en zijn
-plicht als zoon, en nog zoo heel veel dingen meer. Het is hem alles
-later zoo goed voorgehouden en zoo bitter weinig kon hij er tegen
-zeggen. Hij is een domme en dwaze jongen geweest; pas véél later heeft
-hij geweten, wat hij zich zelf daarmee heeft aangedaan.
-
-En nu wilde het toeval dat, door den dood van een leeraar in het
-Nederlandsch, opeens een nieuwe meester voor de klasse kwam. Mijnheer
-Van Raavendonk had nog maar weinig routine van met jongens om te gaan,
-en stond vreemd en verlegen te doceeren. En binnen enkele dagen was de
-klasse in vollen opstand, zoodra hij de deur maar achter zich gesloten
-had. Hij was een groote, lange man, met iets vreemds in zijn verlegen
-gezicht, en hij had rood haar, en hier en daar een puist.—En „de rooie”
-werd het mikpunt van alle laffe, wreede kwâjongensgrappen, die de
-jongens, ook de beste, vanzelf beginnen, als uit instinct, zoodra zij
-zien, dat hun leeraar bang voor hen is.—De les werd een concert van
-fluiten, brommen en gillen, en de toestand kon op den duur zoo niet
-blijven.
-
-De directeur hield een toespraak in de klas, en waarschuwde de jongens,
-dat hij een voorbeeld zou stellen, en den eerste den beste, die zich
-weer misdroeg, van de school zou verwijderen.
-
-En zoo gebeurde het, dat op een Zaterdag vier jongens toch weer moesten
-terugkomen om één uur ’s middags, om tot vier uur strafwerk te
-schrijven. Zaterdagmiddag, een vrije middag, de eenige in de week sinds
-met de tweede klasse ook de vrije Woensdagmiddag was verloren! Maar er
-was niet aan te doen. En Paul zat met zijn drie kameraden treurig in
-het triestige lokaal, met saai copieerwerk voor zich. En buiten wachtte
-Corrie in den Dierentuin, niet begrijpend waarom hij toch niet kwam, en
-zeker vol verlangen uitkijkend aan den ingang!....
-
-Toen is er in de jongens een wanhopig idee opgekomen. Zij zaten in een
-bank dicht bij de deur, en de leeraar aan ’t andere einde van ’t
-lokaal, erg verdiept in corrigeerwerk. Stil, stil schoven zij naar de
-deur, en opeens, allen met dezelfde impulsie, de deur uit! Maar juist
-toen zij er uit waren het woedende opstaan van den leeraar, een stoel
-hard omver.... Piet van Kemper, bang, en éven ziende dat de sleutel van
-buiten stak, de deur op slot.... En toen allen, haast je rep je, naar
-beneden, en op straat. De portier was aan het andere einde van de
-school, en zou dus wel vooreerst het kloppen van den opgesloten leeraar
-niet hooren....
-
-En den volgenden dag kwam de directeur voor de klas, en zeide, dat de
-jongen, die de deur gesloten had, zou verwijderd worden.—De heer van
-Raavendonk was eerst om half vijf uit zijne opsluiting verlost. En het
-verschrikte Jongetje, dat nu pas de portée begon te begrijpen van wat
-ging gebeuren, werd door den directeur uitgekozen om voor de anderen te
-boeten. Alleen als hij wilde zeggen, indien hij onschuldig was, wíe dan
-schuld had, zou hij mogen blijven, werd hem nog gezegd.
-
-Maar het Jongetje had veel te veel in de ridderromans en in de boeken
-van Aimard gelezen om dat te doen. Een kameraad verraden, dat doet
-zoo’n Jongetje nu eenmaal niet. En Piet van Kemper zweeg, en sloeg de
-oogen neer.... Dat was misschien veel verstandiger van Piet.—Maar ik
-ben nog altijd heel blij dat Paul het niet heeft willen zeggen, en geen
-verrader was. Want dan zou hij toen al niet meer het Jongetje zijn
-geweest. En zoo gebeurde het, dat ’s avonds, toen de familie Waerens
-juist had gegeten, de brief kwam van den directeur, waarin werd kennis
-gegeven van het gebeurde.
-
-Dom, dwaas mannetje! Nu gaan ze je van ’t Meisje wegnemen, en wat moet
-er dan van de twee inséparabeltjes worden?—
-
-Paul verwachtte dat er iets verschrikkelijks zou gebeuren, dat zijn
-vader woedend zou bovenkomen, en hem hevige verwijten doen, en dreigen,
-misschien wel slaan.
-
-Maar er gebeurde niets.—Alleen werd de sleutel van zijn kamer
-omgedraaid, en mocht hij niet uit. Het eten werd door de meid
-binnengebracht.
-
-Hoe eenzaam zat daar het Jongetje, en hoe klein leek hem opeens zijn
-kamer! Hoe lang, lang, lang duurden de dagen. Zelfs mama kwam niet. Hij
-hoorde haar loopen in de gang. Hij riep door het sleutelgat „Moesje!
-moesje!” Maar zij kwam niet.
-
-Dat duurde drie dagen. Het Jongetje was een uitgestooten wezentje,
-ergens alleen in een hoekje, waar niemand om gaf. En hij voelde alsof
-het in hem van binnen, waar het zoo groot was geweest, nu weer alles
-ineenkromp.
-
-Den vierden dag ’s ochtends vóór het ontbijt, kwam zijn moeder binnen.
-Zij zag bleek, en had zeker veel gehuild. Het Jongetje vloog haar
-tegemoet, wilde haar kussen en vergeving vragen. Maar zij weerde hem
-zacht af.
-
-„Je hebt ons zooveel verdriet gedaan, dat je me niet meer kussen mag
-voor je weer een brave jongen bent geworden,” zei ze. „Je mag nu weer
-uit, maar vandaag een week ga je naar Schotevelde bij je oom Cateur.
-Papa wil je niet langer in huis hebben, en je moet de Hoogere
-Burgerschool afloopen. Je moet nu maar eens in die week overdenken, wat
-je gedaan hebt. Neen,.... je behoeft nu niet lief te doen, en niet te
-huilen, want dat helpt niets.... alleen als je het bij oom goedmaakt,
-en heel goed leert, mag je me weer kussen....
-
-En zij keerde zich haastig om, en was weer weg. Het Jongetje wist niet
-dat zij papa had moeten beloven, zich zoo koel en streng te houden, en
-dat zij alleen met groote moeite de tranen weerhield, die in haar oogen
-stonden, en den lust bedwong om haar jongen in de armen te sluiten en
-te troosten.
-
-Hoe arm en bleekjes stond daar het Jongetje. Zijn hart bonsde en
-bonsde. Met een vreeselijken slag op zijn hoofd, op zijn hart, op heel
-zijn levende lijf kwam het plotseling over hem:
-
-„Ik moet van Corrie weg!”
-
-Hij dacht niet eens om moeder, en om zijn huis. Hij dacht alleen om
-Corrie.
-
-Van Corrie weg! Maar dat kon niet! Dat mocht niet! Dat zou niemand
-kunnen doen! Dat zou onze Lieve Heer niet eens kunnen doen! Dan ging je
-dood, allebei. Hoe zou je nu alléén kunnen leven, verbeeld je, alle
-dagen haar niet zien, niet bij haar zijn!—Waar is dan het licht en de
-warmte? O! wat moet het dan donker, akelig donker zijn, en zoo leêg,
-zoo leêg....
-
-Het was gelukkig Woensdag. Nu om twaalf uur naar Corrie, en haar alles,
-alles vertellen.—En precies op tijd stond hij op zijn post, op het
-hoekje van de Vlamingstraat en de Groote Markt.
-
-En het Meisje had ook al treurig nieuws. Grootmama Wallaert had in den
-laatsten tijd al zoo tegen haar mama geknord, dat zij Corrie maar zoo
-altijd met een jongen liet loopen. Dat stond niet, had grootmama
-gezegd, en Corrie begon nu al zoo langzamerhand groot te worden, en de
-menschen praatten er over. En eergisteren was grootma ’s middags weer
-gekomen, en had verteld, dat Paul Waerens van school was gejaagd, en
-dus zeker een slechte jongen was, en dat Corrie nu niet meer met hem
-mocht omgaan, en dat het nu uit moest zijn, anders zou zij er met papa
-over spreken. Wat zou tante Van Meeden wel zeggen, van de
-Surinamestraat, en nicht Wallaert van Hoogland van het Voorhout, die
-hofdame was van de koningin? Er was al over gepraat in de familie. En
-grootmama had ook háár, Corrie, apart bij zich aan huis geroepen, en
-haar gezegd, dat het niet te pas kwam, zoo maar overal met een jongen
-te loopen, en dat het nu heelemaal niet meer mocht met Paul, want hij
-was een gemeene jongen, die uit de school was weggejaagd. En ze had
-grootmama moeten beloven, het nooit meer te doen.
-
-„En heb je het belóófd?” vroeg Paul, angstig.
-
-„—Ik moest wel,” zei Corrie, een beetje beschaamd.—
-
-Toen voelde het Jongetje een steek in zijn hart en zag haar verwijtend
-aan, dat zij hem zoo pijn kon doen, zij, die hem het liefste was van
-alles op de wereld.
-
-„Maar ik doe het toch,” zei Corrie er gauw bij. „Ik kan je toch zoo
-maar niet in den steek laten.... en ik hoû veel te veel van je.... we
-zullen er wel iets op vinden, hoor.... We zullen nu wel niet meer naar
-den Dierentuin kunnen, maar dan maar ergens anders, waar ze ons niet
-zien.... Maar pas op, ga nu gauw weg.... daar is de knecht van
-grootmama.... ze heeft hem zeker uitgestuurd om eens te kijken....”
-
-En weg was ze, naar de overzijde van de straat. Paul, om haar te
-helpen, ging een winkel in.
-
-Dit is de eerste keer, dat het Jongetje het liefste en beste van zijn
-ziel heeft moeten verbergen, alsof het iets leelijks was, en de eerste
-keer, dat het Meisje van hem is weggeloopen. Toen is ook voor den
-eersten keer het vijandige van de wereld tegen wat heel goed is en
-eenvoudig tegen hem in gekomen, en is hij er voor teruggegaan, alsof
-het zonde en schuld was, te aanbidden wat mooi en rein is....
-
-Het werd nu heel moeilijk om Corrie te zien. Zij werd bespionneerd door
-haar deftige grootmama, die zoo op het fatsoen van de familie was
-gesteld. Toen begreep hij het nog zoo niet, maar later heeft hij dat
-fatsoen van heel nabij teruggezien, en door en door leeren kennen!....
-Nu eens was het de knecht, dan weer de juffrouw van gezelschap, en ook
-wel grootmama zelf, die in de Vlamingstraat wandelde als de school
-uitging, of ook wel verder, op de Heerengracht, of het Bezuidenhout.
-
-En zoo gingen de dagen voorbij.—Hij kon maar niet bij het Meisje komen.
-Hij kon haar alleen maar in de verte zien, en o!—hoe klopte dan zijn
-hart van groot verlangen! Thuis was alles streng en koud geworden. Papa
-sprak in ’t geheel niet tegen hem, en mama maar heel weinig. Was zij
-dan zijn oude, lieve moedertje niet meer?..... Kon alles dan maar zóó
-ineens veranderen?.... Had hij dan maar liever een verklikker moeten
-zijn, en zijn makker verraden?.... Hij begreep er niets meer van, en
-was heelemaal in de war, het Jongetje.... En dan liep hij, smachtend om
-wat liefde en vriendelijkheid, het huis uit, om een laatste
-toevluchtsoord bij Corrie. Maar daar liep de knecht of de juffrouw, die
-moesten zorgen voor het fatsoen, en het Meisje durfde niet naar hem toe
-te komen....
-
-En zoo werd het Donderdag. En ’s Zaterdags zou hij weggaan! Toen
-schreef hij een briefje, dat hij door Wies, een vriendinnetje, aan
-Corrie liet geven.
-
-
- Lieve, mooie Corrie.
-
- Ik smeek je, kom toch morgen om half twee voor den Dierentuin. Het
- is wel school, maar toe, blijf voor mij dan eens weg. Het is de
- laatste keer, ik moet Zaterdagmorgen weg. Er is niemand lief tegen
- me. Ik mag niet eens mama een kus geven. Als je niet komt wil ik
- dood zijn. Ik ga heusch dood als ik weg moet zonder je nog eens te
- hebben gekust. Ik doe niets als huilen. Denk om de parkietjes.
-
- Je innig liefhebbende Paul.
-
- P.S. Je zult komen, ja ik weet het zeker, je zult komen. Je kunt me
- zoo niet alleen laten. Dit briefje zit vol kussen voor je.—
-
-
-Dien dag was het Jongetje heel stil. Hij heeft aan tafel van niets
-gegeten.—En na het eten is hij dadelijk naar bed gegaan. Daar heeft hij
-liggen wachten en wachten tot het morgen werd, met al de reliquietjes
-van ’t Meisje onder zijn kussen, een lok haar in een roze envelopje,
-een handschoen, een pakje briefjes, en vier lintjes van om haar hals,
-die ze hem gegeven had.... Zoo’n groote, groote schat voor zoo’n
-Jongetje!
-
-En om één uur precies stond hij den volgenden dag al voor den
-Dierentuin op de brug te wachten. Het was koud, en het vroor een
-beetje, maar de lucht was helder. Als het eens erg gewaaid en gesneeuwd
-had! Hij was eerst naar de stad geweest om in de Veenestraat een broche
-voor Corrie te koopen, een blauw porseleinen duifje op goud, en in de
-Schouwburgstraat was hij in den albumwinkel een paar gedroogde
-Edelweiss-bloemen machtig geworden, op mooi papier geplakt. Dat waren
-bloemen, had hij gelezen, die hoog in de bergen groeiden, en die het
-symbool zijn van vlekkelooze onschuld, van altijd door blank en rein
-blijven, de bloemen van het edele wit.... de bloemen van ’t Meisje....
-
-Wat stonden de boomen van ’t Bosch weer mooi! Ze waren wèl kaal, maar
-hoe fijn en gevoelig al die teere takjes, zoo roerloos uitgestrekt. En
-wat stonden de huizen klaar en gelukkig in het heldere
-wintermiddaglicht! Er was iets in de lucht, alsof ze wel komen zou....
-
-En ja, daar kwám ze, daar kwám ze. Dat was het groene manteltje in de
-verte, dat was het mooie rood van de flanellen voering als het even
-opwoei.—Ze had hem niet vergeten. Daar is het Meisje weer voor het
-Jongetje gekomen. Ze kon hem zóó niet laten weggaan. En ze was alleen,
-heel alleen. Geen knecht, geen juffrouw achter haar, en geen fatsoen.
-Het Meisje van altijd vroeger, met alleen haar liefelijk, teer
-maagdelijfje, daar komt ze aanstappen op haar zweefrythmusje van
-dansende pasjes. Dat is het oude Meisje weer van vroeger, dat bij het
-hertje kwam....
-
-„Dag Paul, dag lieve Paul! daar ben ik weer,” riep het mooie
-sopraantje, „wees nu maar niet bedroefd, hoor, ik mag weer bij je
-zijn.... ik heb gisteren alles aan mama verteld, en ik heb haar je
-briefje laten lezen, en ze vindt het goed dat je geen verrader wou
-zijn, hoor.... en nu mag ik den heelen middag bij je zijn, en grootmama
-zal er niets van weten.... Wat zie je bleek, heb je zoo’n verdriet
-gehad?.... Ben je nu niet blij dat ik er weer ben?....”
-
-Of hij blij was!
-
-Kijk, daar stond ze immers weer voor hem, met het vriendelijke
-gezichtje, en haar blauwe, zachte oogen, en haar wangen, en haar
-lippen, en haar wit halsje, en al haar glanzende gouden haar. Daar
-waren haar schoudertjes weer, en haar éven, teer welvende borstje, en
-haar handen, en haar kleine voeten en alles, alles van haar. En het was
-van hém, van hém, van niemand anders. Het kon nooit van een ander zijn.
-Het hoorde bij hem, evengoed als zijn eigen hoofd, en zijn handen, en
-zijn voeten. Het hoorde allemaal bij zijn eigen ziel. Hij kon weggaan,
-en ver van haar af zijn, maar het kon toch nooit verloren zijn, het
-moest toch ééns weer terugkomen, dat kon niet anders....
-
-En het Jongetje klaarde weer op, en lichtte van den ouden, blijden
-glans.
-
-Ze zouden niet naar den Dierentuin gaan, daar moest grootmama eens
-komen, met dat mooie weer. Neen, ergens waar ze heel alleen waren en
-niemand konden tegenkomen. Naar Scheveningen, daar was nu niemand in
-den winter. Om twee uur ging er een stoomtrem van de Rijnstraat, die
-konden zij nemen.—Dus hier maar even wachten.
-
-De trein was leeg. Nu in de eerste klas, voor dezen keer, hij had nog
-een oud abonnementje van den zomer, van mama. Wat gezellig, op die
-zachte banken, en de deuren toe, en nu de gordijnen achter en voor
-uitschuiven. Zoo zag niemand je. Zoo heel lekker in een hoekje, dicht
-tegen elkaar aan, warmpjes, als de inséparabeltjes op het stokje.
-
-En nu al het leed vertellen. Corrie was ook erg verdrietig geweest. Ze
-was wel bang geweest voor grootmama, en had niet durven komen, maar
-dacht je dat ze niet heel bedroefd was geweest? Ze had ééns in haar bed
-liggen huilen, en ook gisterenavond, toen ze mama had overgehaald,
-waren de tranen alweer voor den dag gekomen. Ze zou hem niet vergeten,
-hoor, ze zou altijd om hem blijven denken, en hem wel eens schrijven
-ook, en nooit naar andere jongens kijken. Dáár behoefde hij in ’t
-gehéél niet bang voor te zijn, hoor, hij wist wel dat ze maar van één
-kon houden, en ze zou áltijd, áltijd zijn Meisje blijven, wát er ook
-gebeurde....
-
-Ze was nog nooit zoo lief tegen hem geweest, en zoo innig had ze nog
-nooit met hem gesproken. Was het misschien ’t onbewuste zieltje van het
-Meisje, dat zich uit intuïtie aan hem vast wou klemmen om toch vooral
-goed en rein te blijven en nooit te veranderen in ’t Leven, dat nu
-aankwam?....
-
-En wáár, absoluut oprecht en wáár was alles wat het Meisje toen gezegd
-heeft, dit weet ik vast en zeker, als ik mij in stilte neig over mijn
-ziel; en vèr, vèr in mijn herinnering hoor ik vaag de reine stem,
-zooals die daar nog zachtkens, zachtkens doorzingt....
-
-Al het verdriet was nu weer vergeten. Corrie zou immers altijd van hém
-blijven al was hij weg! Dat was in de boeken toch ook altijd gebeurd,
-daar waren ze somtijds wel jaren en jaren van elkaar, en hun liefde
-werd juist grooter en grooter.
-
-De trouw van twee lievelingen komt pas uit in de beproeving. Misschien
-was het wel goed om eens gescheiden te zijn. Hij kon nu toonen, dat hij
-een echte, trouwe ridder was, hij kon nu goed, flink leeren, en heel
-knap worden, en dan terugkomen, als hij het verdiend had. Je mocht er
-toch heusch wel wat voor doen. Het was eigenlijk wèl wat véél geweest,
-om al dien tijd zoo heel gelukkig te zijn zonder er iets voor gedaan te
-hebben....
-
-„Nu moet je heel dapper zijn,” zei Corrie, „en niet meer zoo treuren,
-hoor! Je gelooft me wel, hè, en je vertrouwt toch wel op me?”
-
-En nooit heeft het Jongetje iets zekerder geloofd. Wat die reine stem
-zeide met haar zoet geluid kon immers niets dan heilige waarheid zijn!
-
-In Scheveningen waren ze heel alleen.—Het Badhuis en de Galeries, ’s
-zomers zoo vol, stonden eenzaam, alsof daar niemand woonde.—Nu gauw
-naar boven, tegen den wind in, naar het terras. En kijk! daar is de
-zee!
-
-O! Hoe eindeloos groot was de zee! Was dit de kalme, zachte, van in den
-zomer? Met hooge, grauwe golven stormde de zee wild aan, en sloeg met
-sombere, doffe slagen op het verlaten strand.—En zwaar-sonoor galmde
-een bang gezang uit de wijde, wijde woeling.
-
-Het werd stil in de zielen der kinderen.
-
-En Paul trok haar zachtjes mede naar beneden, naar het strand.—Er was
-maar weinig over, de zee stond veel verder dan ’s zomers. Zij moesten
-door de mulle duinen, want de houten trapjes waren weggenomen. Er waren
-geen tentjes, geen stoelen, geen koetsen. Het strand was eenzaam en
-stil. Hoe groot, hoe rustig rezen de duinen in de verte! Hoe zuiver en
-puur was alles nu, met niets slechts, overal hooge, strenge waarheid,
-de zachte duinen, de ruischende zee, het eenzame strand! En de ernst
-van dit waarachtig schoone kwam over het Jongetje en het Meisje.
-
-„Hoor, hoor,” zei hij zachtjes, „is het niet of het je iets zeggen wil?
-Maar ik weet niet wat... ik heb er vroeger ook zoo dikwijls naar
-geluisterd, maar ik begrijp het niet.... En toch is het iets.... hoor
-jij ’t niet?....”
-
-Zij luisterde, met de hand aan een oor, en boog voorover. Hoe klein en
-frêle stond ze daar, zacht luisterend kinderfiguurtje, voor de groote,
-groote zee....
-
-„Het is zoo mooi, het is zoo mooi, Paul,” antwoordde zij,..... „maar
-het is te groot..... je wéét niet wat het zeggen wil.... ik word er
-bang van als ik er lang naar luister....”
-
-—„Ik ben niet bang,” zei Paul. „Het is of er daar, ver, ver, ergens een
-land is waar het heel goed is en heel mooi.... en het is of ze ons
-roepen.... O! Ik zou nu wel met je weg willen, daar over de zee, en
-nooit meer terugkomen.... Heel alleen op een eiland met jou, altijd bij
-elkaar, en overal in het rond de golven die zoo zingen....”
-
-En ze bleven nu zwijgend doorloopen. Hij had zijn arm om haar heen
-geslagen, en zij leunde het hoofd tegen hem aan. Ze bleven maar
-luisteren naar de zee, en ze hadden langen tijd niets te zeggen, zoo
-innig waren ze toen één. Niets was op het strand te zien dan hun teêre
-gestalten, dicht tegen elkaar, zoo klein, zoo klein in dat groote álom!
-
-Het is of ik ze weer zie gaan, zooals toen. ....Hoe groot zie ik nu dat
-strand, zoo ver, zoo ver, met die duinen rijzend en dalend!.... En hoe
-eindeloos de zee, kijk, hooge, hooge golven, grauw met wit, overal,
-overal komt het aan, met wilde, breede deining, hier, en daar, en
-ginds, en vér, en vér. ....Het heeft geen einde, en het is eenzaam, en
-het is onvergankelijk groot.... En daar ergens, heel teer, twee
-kindergestalten, zoo zwak en verloren in dat groote, een heel klein
-gelukje, zoo broos, zoo broos....
-
-Ze hebben daar heel lang geloopen, en nooit hebben ze zooveel van
-elkaar gehouden, hun jonge zielen spreidden zich uit, wijder en wijder,
-met die eindeloosheid voor hen.
-
-Corrie werd het eerste moe. Er was in de duinen zand in haar schoen
-gekomen, en er waren fijne steentjes bij. Haar voet deed pijn. Even
-gaan zitten en de schoen uit doen, ginds bij dat duin.—Mocht hij haar
-even helpen? Wat een kleine laarsjes! Daar zou hij niet in kunnen.
-Alles is toch zoo klein en teeder bij zoo’n meisje!.... Het schoentje
-zat vol zand. ....Maar o, wee! nu is het nog niet weg.... er zitten
-steentjes onder de kous, er was zeker ergens een gaatje in. ....En het
-doet pijn.... Nu maar even de kous ook nog uitdoen....
-
-Hoe voorzichtigjes deed ze dat! Haar rokje ver over het been.... en
-daar is opeens een klein, klein voetje in het zand.... Zoo zacht en
-witjes, wat een lief, heerlijk voetje, en wat fijne blanke
-nageltjes!...... En het Jongetje, heel ondeugend, nam het in zijn hand
-en kuste het af met grage lippen.... Het Meisje bloosde en deed of ze
-boos was. En dadelijk was de kous weer aan. Ze was erg verlegen, en de
-blos lag zacht-roze over haar hals.
-
-„Je bent verlegen! je bent verlegen!” plaagde hij. „Maar toch heb ik je
-voetje gekust, hoor. Je hebt het kleinste voetje in het land, net als
-Asschepoes.... Hoe kom je toch zoo mooi, er is géén meisje zoo mooi als
-jij....”
-
-Zij lachte en zei dat hij altijd maar vleide. Ze wist heel goed dat ze
-niet mooi was, hoor! Ze was net als een ander, een heel gewoon wichtje,
-en niets bizonders. En hij meende er niets van, hij wist wel beter en
-ze hield niet van complimentjes....
-
-Maar heimelijk vond het Meisje het heel prettig, en ze wist heel goed
-dat ze zoo mooi was. Dat kon ze heusch niet helpen. Haar spiegeltje had
-het haar zoo dikwijls verteld, en dat spreekt altijd waarheid.
-
-Het was al laat geworden, bijna vier uur. Nu nog even blijven zitten,
-hier tegen het duin. Wat heerlijk frisch in den wind! Alleen je
-vingers, die worden te koud. Maar daar is Corrie’s mof wel goed voor.
-Laat hij nu ook maar zijn handen er in doen. Ziezoo, nu is het warm. Is
-het nu niet gezellig? „Is hij nu niet heel dicht bij haar, en is hij nu
-niet bedroefd meer, is het nu goed?”
-
-Ja, nu is het goed.... nu is het heelemaal, heelemaal goed.... nu is
-hij dicht bij haar, en haar hoofdje is op zijn schouder.... haar
-zachte, zijige haar valt over zijn borst, het is goud, edel, glanzend
-goud.... haar ranke lijfje is dicht tegen hem aan, en het is goed en
-warm bij haar.... zacht gloeit het in hem van binnen van geluk... en
-hoor, hier is haar stem, die zoete muziek is...
-
-Niemand is òm hen, ze zijn alleen, alleen met de rustige duinen, en het
-wijde, eenzame strand, en de groote zee.... Wèl slaan de golven zoo
-woest op het zand, met zoo somberen, harden slag.... Maar het is zoo
-veilig en vertrouwd, en er is niets, wat hun kwaad wil....
-
-Zóó is het goed, volmaakt, ganschelijk goed. Er is nu niets meer wat de
-ziel van het Jongetje nog wil, alleen zoo, heerlijk bij haar zijn,
-veilig tegen haar aan, met haar handen in de zijne, en haar hoofd tegen
-zijn borst..... Een groote, zalige vrede is in hunne harten, dit is het
-pure, maagdelijke geluk, dat eindeloos zacht is en stil.... En nu zal
-het ook goed worden. Hij moet weggaan, en vèr van haar af, maar wat is
-dat, een paar jaren?.... Het zal blijven, nooit zal het weggaan, want
-dit kan niet sterven, dit geluk....
-
-
-
-Het begon al een beetje donker te worden, toen zij met de stoomtrem van
-half vijf naar huis reden. Zij waren zoo innig van elkaar vervuld, dat
-zij stil hand in hand zaten, zonder iets te zeggen, tevreden, en zoo
-veilig tusschen de dichte deuren, achter de groene gordijntjes. En voor
-ze het wisten waren ze alweer bij de brug voor den Dierentuin.
-
-Nu hier uitstappen, en dan nog gezellig samen door het bosch, de
-Maliebaan over. Het begint nu te schemeren. De boomen staan heel teer
-en voorzichtig in het late licht, en hun roerlooze, naakte kruinen, zij
-wachten en wachten.... Alle takjes komen zoo helder en duidelijk uit,
-en alles staat zich zoo oprecht en eerlijk te geven. En zoo liepen de
-twee lievelingen in het open, wijde Malieveld, met in het vierkant de
-rijen statige boomen die hun innigste pracht uitspreidden in de kuische
-schemering. Een vaag rood bloosde zachtjes in het Westen.... En de ziel
-van het Jongetje was tevreden en gerust. Alles was goed en zou goed
-blijven. Alles wist het, dat hij nu éénmaal hoorde bij het Meisje. De
-zee wist het, en de duinen, en ook het bosch. Zij hadden alles van zijn
-zoete liefde gezien en begrepen. O! Hoe zeker wist hij het, zoo in het
-zacht-eerwaardige licht van de schemering, met al die stille, wachtende
-boomen, en het teeder opdroomende rood daarginds, het was alles goed,
-en altijd zou het goed blijven.... nooit, nooit kon het verloren gaan,
-en het zou eeuwig leven....
-
-En toen zij voor haar huis stond was hij niet eens meer bedroefd en
-opgewonden. Hij vroeg haar alleen nog heel zacht, en al zéker van wat
-zou komen:
-
-„Dus zal je altijd aan me denken, Corrie?.... zal je me nooit, nooit
-vergeten?.... En als ik met de vacantie terugkom ben je mijn lieve
-Meisje weer van vroeger?....”
-
-Kijk ze nu liefderijk, innig zacht met haar mooie, onschuldige
-maagdegezichtje naar hem opzien, kijk nu die reine, blauwe engelenoogen
-eerlijk en oprecht in de zijnen staren!
-
-„Ik zal je nooit vergeten, dat weet je wel.... ik heb je beloofd dat ik
-een heel trouw meisje zal zijn.... en je weet wel, al had ik niets
-beloofd, hè, ik zou immers toch nooit van een ander kúnnen houden!....
-
-En hij, smeekend: „En krijg ik nu een kus?”—Zij had hem nog nooit een
-kus gegeven. Hij had wel háár gekust, maar zij had hem nog nooit een
-zoen teruggegeven. Ze was zoo’n deftig jong dametje altijd!
-
-Gelukkig, dat de straat zoo eenzaam was, zoo heelemaal aan ’t einde van
-de stad! Alleen in de verte, aan den Boschkant, was de lantarenopsteker
-met zijn lichtje.
-
-„Dag, beste Paul!” zei ze innig, met haar lief sopraantje zoo
-vriendelijk als het nog nooit geweest was, „daar heb je je kus, hoor!”
-
-En haar zachte, reine lippen, waar haar maagdelijk zieltje op beefde,
-kusten kuisch zijn mond.—Hoe sterk en groot en uitverkoren voelde hij
-zich! Toen nam hij zijn hoed af, zooals hij altijd gedaan had als hij
-haar goedendag zeide, en boog diep, in grooten eerbied.
-
-En resoluut, zonder dralen, ging hij heen.
-
-Een kus! Een kus van háár!—Nu moet je ook dapper en geduldig zijn,
-dacht hij. Nu moet je er ook een heeleboel voor doen en als het kan een
-heeleboel lijden, eer je weer zoo’n geluk verdiend hebt!
-
-En hij verlangde bìjna om nú al weg te zijn, om nú al dadelijk te
-beginnen, en te toonen dat hij nu wel jaren, jaren verdriet zou willen
-hebben en heel alleen zijn, om dan eindelijk nog weer één zoo’n kus te
-mogen halen. Laten ze hem nu thuis maar negeeren, laten ze nu maar
-niets tegen hem zeggen, laten ze maar veel leelijks tegen hem doen en
-hem erg slecht vinden. Laat hij nu maar asjeblieft ergens komen, waar
-ze hem slecht behandelen en geen eten geven, en koû laten lijden. O!
-eindelijk zou hij dan toch iets kunnen doen om haar te verdienen. Hoe
-gemakkelijk zou hij alles dragen! Want had zij hem niet gekust, het
-liefste, mooiste meisje van de hééle wereld, en was het niet van hém,
-van hem alléén, het reinste, blankste, heerlijkste wat bestond?
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-
-Den volgenden dag was hij in Schotevelde.
-
-Het was heel anders gegaan dan hij verwacht had. Mama was weer
-heelemaal goed met hem geworden, en had hem alles vergeven, en hem
-afgekust. Zij was hem ’s avonds nog komen toedekken, zooals vroeger,
-toen hij nog kleiner was, en had allerlei lekkers in zijn koffer
-gedaan, en een beurs met vijf gulden, een heele schat. Papa had heel
-ernstig met hem gesproken, maar was veel zachter geweest dan vroeger.
-Hij had hem gebracht tot Roosendaal, en hem daar in den trein naar
-Schotevelde geholpen; hij had hem toen een kus gegeven, en heel
-vriendelijk gezegd, dat zij nu voortaan goede vrienden zouden blijven,
-als er maar flink gewerkt werd.
-
-Aan het station in Schotevelde was oom Cateur, de directeur van de
-Hoogere Burgerschool, bij wien hij in den kost zou komen. Paul was
-eerst een beetje bang geweest, zoo naar een directeur te moeten gaan,
-en had hem zich voorgesteld als een nijdigen, grimmigen ouden heer.
-Maar wat wás dat meegevallen! Wat een vriendelijk, prettig gezicht, zoo
-heelemaal geen schoolfrik, zoo net een goede, oude oom uit een boek. En
-tegelijk zoo knap, zoo of hij alles uit zijn hoofd wist.
-
-Toen zij thuis waren gekomen nam mijnheer Cateur Paul even apart, in
-het spreekkamertje.
-
-„Hoor eens, Paul,” zei hij vriendelijk, hem met zijn goedige oogen over
-den gouden bril heen aankijkend, „ik heb gehoord dat je in den Haag van
-de school bent verwijderd, omdat je het daar te bont maakte. Je mama
-heeft me alles geschreven, en ik weet overal van, hoor! Maar pas op dat
-je me hier op school níet méér van die aardigheden uithaalt, want dat
-zou je leelijk opbreken, en we maken hier korte metten. Je mama heeft
-me ook van je meisje geschreven,—nou! krijg nu maar geen kleur, hoor!
-het is niets verkeerds, en ik mág dat wel,—maar als je dat meisje nog
-wilt terugzien in je leven, dan moet je hier niet den kwâjongen
-uithangen, maar een flinke vent worden. Begrepen? Dat je zooveel van de
-natuur houdt, en graag buiten bent, en dat je graag leest, dat doet me
-plezier. Ik heb een heeleboel boeken en die mag je allemaal lezen. Maar
-dat mag je niet verhinderen om ook te leeren, wat je nu minder prettig
-vindt, en alles te doen wat de leeraars je opgeven. Je moet me beloven
-om nu de studie voor je plezier te laten gaan, en je vooral toe te
-leggen op de wiskundige vakken, waar je achterlijk in bent. Dan zullen
-we goede vrienden worden, en je zult het hier goed hebben.—En als er
-iets is wat je hindert of wat je niet begrijpt, ook al is het niet
-direct van de school, dan kom je me maar vragen wat je wilt, hoor!
-Nooit iets achterhouden of achter mijn rug doen, want dat vind ik
-leelijk, en dan krijg ik het land aan je. Ziezoo, ik geloof dat we
-elkaar begrijpen, hè?....”
-
-Dat speechje, met die zachte, vriendelijke stem, en die goedige oogen,
-hem diep in de zijnen kijkend, maakte indruk op Paul. Dát was me nu pas
-een directeur! Als de leeraars zoo allemaal waren!
-
-Mijnheer Cateur was weduwnaar. Zijn eenige zoon was in de Oost, en zijn
-ongetrouwde zuster, een vriendelijk oud vrouwtje, nog ouder dan hij,
-deed het huishouden.—Paul kreeg een heel gezellige kamer om te
-studeeren, en een klein slaapkamertje.
-
-Toen hij den volgenden morgen aan het ontbijt kwam lag er een brief op
-zijn bord.—Hij kreeg een kleur van blijdschap, maar durfde hem niet
-openmaken onder ’t eten; dat stond niet.
-
-„Lees maar gerust eerst je brief, hoor! Je zult wel nieuwsgierig zijn,”
-zei meneer Cateur met een lachje. „Wat een mooi roze envelopje!”
-
-En Paul deed gauw zijn brief open. Ja, hij had zich niet vergist! Hij
-was van Corrie! En een lange, van bijna vier zijdjes, met haar mooie
-lettertjes zoo wijd uit elkaar.
-
-
- Lieve, beste Paul!
-
- Je zult wel erg bedroefd zijn en daarom maak ik gauw dat je wat van
- mij hoort. Ik ben ook verdrietig. Nu je weg bent merk ik pas
- hoeveel ik van je houd. Ik moet je zeggen dat ik je eigenlijk niet
- schrijven mag want dat staat niet, zegt ma, en grootmama moest er
- eens achter komen! Maar ik zal het toch nog wel eens stilletjes
- doen. Als je weer terugbent houden we toch evenveel van elkaar.
-
- Toen je gisteren weg was, is er nog iets heel vreeselijks gebeurd.
- Een van mijn sijsjes was dood. Ik heb hem in den tuin begraven bij
- de parkietjes. Het was zoo moeilijk want de grond was zoo hard. Ik
- lees de sprookjes van Andersen die zoo mooi zijn, heb je gezegd.
-
- Ik ga geloof ik niet meer naar den Dierentuin, want daar moet het
- nu erg saai zijn als jij er niet bent. Ik kijk nooit naar andere
- jongens, daar behoef je niet bang voor te zijn. En jij mag niet
- naar andere meisjes kijken hoor! We gaan immers later samen trouwen
- en dan gaan we in een mooi huis wonen en een grooten hond koopen
- net als oom Frits. Maar dan moet je eerst heel knap worden en veel
- leeren, zegt ma.
-
- Ik kan me nog niet begrijpen dat je weg bent en als ik naar school
- ga denk ik altijd dat je op den hoek zult staan bij de Pooten.
- Morgen ga ik met mama een nieuwe jurk koopen en ik ga blauw nemen
- omdat je dat zoo mooi vindt. Het broche met het duifje zal daar erg
- goed op staan. En de Edelweiss ligt in de sprookjes bij het
- leelijke jonge eendje. Ik wou dat je maar weer hier was want ik
- verlang zoo naar je en ik verveel me erg.
-
- Hè, gorrie, want heb ik een langen brief geschreven! Ik moet nu
- naar bed, zegt ma. Ik laat Kaatje mijn brief nog even in de bus
- doen om den hoek. Nu wel te rusten! Wees nu maar niet bedroefd
- hoor, want ik houd toch zoo van je. Dag Paul! Slaap lekker hoor!
- Dag! dag! dag!
-
- Je altijd liefhebbende Corrie.
-
- P.S. Je moet maken dat ik jou brief zoowat tegen den middag krijg
- dan is pa uit. Ik zal toch nog wel eens stilletjes schrijven. Ik
- tel de dagen tot je weer terug bent.
-
-
-Paul had wel kunnen huilen van plezier, maar hij hield zich goed. Wat
-lief van haar zoo om hem te denken! Wat een beste, goeie lieveling! Ja,
-hij zou knap worden en veel leeren, o! zoo veel! Dat zou haar mama eens
-zien. Er was zooveel niet aan, hoor, aan die Meetkunde en die Algebra.
-Nu het voor háár was zou hij nog wel véél, véél meer kunnen. Het was
-eigenlijk wel goed dat hij van haar weg was. Nu kon hij eens toonen wat
-hij wel voor haar doen kon. Het zou nu wel goed gaan.
-
-En het gíng goed. Hij was er nú al heel gauw achter wat (a + b + c)²
-is, en waarom het kwadraat van de hypothenusa gelijk is aan de som van
-de kwadraten der beide rechthoekzijden. En nog een heeleboel dingen
-meer. Hij begon er zelf meer plezier in te krijgen, nu hij niet meer
-zoo altijd verlangde dat de les uit zou zijn, om naar ’t Meisje te
-vliegen. Het werd nu langzamerhand veel rustiger in zijn zieltje.
-
-Het was héél zenuwachtig geweest al dien tijd met het Meisje, en hoe
-langer hoe erger. Altijd maar verlangen en verlangen om bij haar te
-zijn, en als zij er niet was werd hij zoo onrustig en klopte zijn hart
-van begeerte dat de tijd toch maar vooruit ging!
-
-Maar nú was alles kalm en vlak in hem. Nu had hij er zich bij
-neêrgelegd haar niet te zien, nu hij het beschouwde als iets wat hij
-doen moest, om haar te verdienen. En hij kon met plezier zitten werken
-aan allerlei moeilijke vraagstukken, iets wat hij in langen tijd niet
-alleen had kunnen doen.
-
-Onder de jongens op school had hij geen intieme vriendjes. Ze vonden
-hem te deftig, ze noemden hem het Haagsche heertje. Hij zag er altijd
-zoo netjes uit, met manchetten en hooge boordjes. En de Schoteveldsche
-jongens kwamen voor ’t grootste deel van de dorpen uit den omtrek en
-vonden hem een fatje, wat hij misschien wel een beetje was. Meisjes
-waren er óók. Wel aardige meisjes waren er bij. Maar Paul liep ze niet
-na. Niet waar, als je Corrie eenmaal gekend hebt, hè? Dan is daar
-immers geen kwestie van! Het léék er niet na! Één ja, die was heel erg
-mooi; maar alleen omdat ze ook zulk lang blond haar had. Maar dat van
-Corrie was natuurlijk véél, véél mooier.
-
-Toch was het altijd prettig om meisjes te zien. Want meisjes is ’t
-mooiste op de wereld. Meisjes zijn nu eenmaal meisjes. En al heb je het
-állermooiste Meisje wat bestaat, toch zijn de andere altijd even zacht
-en lief en vriendelijk. En je bent blij als je er tegenkomt en je hoort
-die heldere, hooge stemmetjes en je ziet die lachjes en al dat
-grazieuze, teedere, aardige gedoe. Het blijft altijd iets om je hoed
-voor af te nemen en diep voor te buigen. Het is zoo héél veel anders en
-beters dan jongens.
-
-Schotevelde was een mooi stadje om te wandelen. Zoo anders dan den
-Haag. Zoo alles Zeeuwsche natuur, wijde weilanden met runderen, en
-hooge dijken, en polders. Je komt er weinig menschen tegen en je bent
-alleen met je gedachten.
-
-En van Paul waren het al héél lichte en blijde gedachten! Dat was iets
-nieuws, zoo heel alleen tegen zoo’n dijk te liggen, met vér en klein de
-stad, lekker buiten, en dan zoo om haar te liggen denken. Wat ze nu
-doen zou. Hoe ze er nu uit zou zien. Of ze ook aan hém zou denken? Ja,
-natúúrlijk zou ze dat. Dat wist hij zeker. Misschien was ze wel in den
-Dierentuin, het was Zaterdagmiddag.
-
-Altijd, altijd was ze bij hem.—Het Jongetje leefde wel ver van haar,
-alleen, en de dagen gingen en kwamen, en hij leerde nieuwe dingen, en
-voelde nieuwe indrukken, maar het eigenlijke, innige leven van het
-Jongetje bleef hetzelfde. Daar veranderde niets aan. Het Meisje bleef
-het groote heiligdom van zijn hart, dat waar hij voor leefde, en waar
-hij voor bestond. Alles kwam toch maar alleen op het Meisje neer. Hij
-werkte voor het Meisje. Hij leefde alleen om ’t Meisje later weer terug
-te zien. Hij stond op en dacht dadelijk om ’t Meisje, hij zei trouw
-iederen avond als hij slapen ging: „dag lieve Corrie! wèl te rusten
-hoor!” en heel dikwijls droomde hij ’s nachts van haar.
-
-Wat een heerlijk leven moet dat voor ’t Jongetje geweest zijn! Ik weet
-maar heel weinig van al de kleine dingen van zijn leven toen en van
-zijn doen van alle dag, hoewel ik álles weet, precies, van vroeger met
-het Meisje.—Alles van toen in Schotevelde schijnt mij zoo gauw te zijn
-voorbijgegaan. Ik weet van wandelingen en partijtjes op een
-boerenhofsteê en van roeitochtjes op het kanaal naar de Schelde. Maar
-zoo precies, elken dag, zooals van vroeger toen hij met het Meisje
-leefde, met heel duidelijk hoe toen de boomen waren en de luchten, en
-alle dingen in ’t rond, zoo weet ik niets meer. Het was het groote
-licht dat van het Meisje afstraalde, wat alles vroeger zoo intens deed
-pralen voor zijn ziel, geloof ik. En nú in zijn eenzaamheid werden de
-dingen zachter en flauwer, en met de dagen vervloden zij in zijn
-herinnering.
-
-Maar één ding, het allergewichtigste, weet ik alleen vast en zeker van
-zijn leven toen: dat het ganschelijk om het Meisje heendraaide, en het
-Meisje was het middenpunt van zijn ziel.
-
-De grootste evenementen waren brieven van Corrie en van zijn moeder.
-Die van Corrie kwamen maar heel zelden. Ze moest het heel stilletjes
-doen, zei ze. Ma wist wel dat ze het deed, maar pa mocht het niet
-weten. Ze vertelde allerlei incidentjes uit haar leven, voor hém
-allergewichtigste dingen. Hoe het met Zorrie ging en met haar poesjes
-en haar vogeltjes. Ze had gewandeld met Wies, haar vriendinnetje. Hoe
-er een buitenpartij was geweest, en hoe het bal was geweest bij Marie.
-Ze stuurde hem haar balboekje om te laten zien hoe weinig ze maar
-gedanst had en nooit tweemaal met denzelfden jongen. Het was saai en
-vervelend als hij er niet was. Ze had een nieuwe jurk gekregen, met een
-langen rok, want ze werd nu al een groot meisje, zei ma. En dat vond ze
-heel akelig, je liep er zoo moeielijk mede. Ze wou geen groot meisje
-zijn, ze wou altijd zoo blijven als ze was. En ze moest deftig doen, ze
-was nu een jonge dame, zei grootmama. Ze werd in Augustus zestien, dan
-mocht ze het haar niet meer los dragen. Maar ze zou het natuurlijk toch
-doen als hij terug was.
-
-Zulke gewone, kleine dingen. Maar hoe groot en gewichtig voor het
-Jongetje. Wat een heerlijkheid zoo’n brief, en wat werd hij afgezoend,
-en dan ’s avonds onder zijn kussen gelegd, als hij ging slapen!
-
-En dan de brieven van mama! Wat vertelde zij trouw wanneer zij Corrie
-was tegengekomen. Het Meisje liep dan altijd een eindje met haar mede,
-ééns hadden ze samen plombières gegeten bij Sprecher. Ze had dit of dat
-jurkje aan en dát hoedje had ze op. Ze groeide erg. Ze werd een heele
-jonge dame. Altijd was ze alleen of met Wies of haar mama. Nooit was ze
-met een anderen jongen. Mevrouw Waerens wist hoe alles van Corrie haar
-jongen interesseerde, en maakte dikwijls haar geheelen brief vol van
-haar, om hem maar plezier te doen.
-
-Als er dan weer zoo’n brief gekomen was dan leefde het Jongetje er voor
-een paar maanden van. En zóó ging de tijd al heel gauw voorbij. In
-Januari was Paul in Schotevelde gekomen, en met de zomervacantie mocht
-hij nog niet terug, al was hij met succes in de vierde klasse
-overgegaan. Hij moest eerst een jaar van huis zijn geweest en goed
-hebben opgepast, dan mocht hij weer komen. Met de kerstvacantie, in
-December misschien.
-
-En hij droeg het heel dapper. Het was immers allemaal voor Corrie! Je
-kon haar toch zoo maar niet krijgen zonder er iets voor te doen! Wat
-hadden de ridders vroeger al niet moeten doen! Die maakten heele
-kruistochten, en waren jaren gevangen in donkere kerkers, en bleven
-toch trouw. Dat was nog iets véél ergers!
-
-Het ging op school van een leien dakje, en de wiskunde was nu niet meer
-zoo moeilijk, al bleef hij het beste in de talen. Hij mocht zooveel
-lezen van oom Cateur als hij maar wilde. Het allerliefste was Heine.
-Heine! dat was pas een groot, goddelijk dichter, die had pas van
-meisjes gehouden! Die zou pas verliefd zijn geweest op Corrie! Goed dat
-hij haar nooit gezien had! En heel wat tranen van het Jongetje zijn op
-het Buch der Lieder gevallen. Hij begreep niet dat Heine nog was
-blijven leven toen het Meisje weg was. Hij kon het zich eigenlijk niet
-voorstellen hoe Corrie ooit weg zou kúnnen zijn, maar hij zou doodgaan,
-dat was zéker. Maar Corrie was veel te lief en te goed, zij zou hem
-nooit verdriet kunnen doen. En toch moest hij heel erg huilen toen hij
-las van den Fichtenbaum en de Palme. En onbewust was het altijd Corrie,
-die in het Buch der Lieder werd bezongen, en een bloem was, en een
-ster, en een engel, en de Loreley met het goudene haar. Wat heerlijk,
-om zoo zacht in de golven te verzinken, als zíj daar bóven zat op de
-rots, en hem lief aanzag met haar blauwe oogen, en zij zong. Wat
-goddelijk, met haar te drijven in een ranke boot, en in de verte
-schemert het geesteneiland, en stil, stil kabbelt het water. En o! als
-zij eens dood waren en ’s nachts op een kerkhof, zou hij óók niet in
-haar grafje komen, en heel dicht bij haar blijven liggen in het
-kistje?—Toch deed hem al dat mooie soms heel veel pijn. Het Meisje van
-Heine had hem bedrogen, en zijn hart was vol vergif, zeide hij. Hoe kon
-dat nu? Hoe kan zoo’n Meisje ooit haar lieveling pijn doen en liegen?
-
-Want zoo dacht het Jongetje over den loop der dingen: het Recht
-zegeviert en de Liefde. Er is wel veel strijd en veel slechts, en het
-lijkt somtijds wel of de Goeden verslagen zijn en de Kwaden winnen,
-maar als je maar wacht, dan is het niet zoo. Het Goede wint altijd. De
-Liefde is de schoone ridder uit de sprookjes, die de draken en roovers
-verslaat, en altijd overwint. Als je maar goed bent en je blijft maar
-altijd van elkaar houën dan wordt je ééns gelukkig. Als je maar dapper
-bent en ridderlijk, dan is alles rechtvaardig in de wereld. Dat dacht
-het Jongetje toen heusch, en het was zijn hoogste levenswijsheid, al
-was hij zich dat zoo niet bewust. Hij vond het zoo gemakkelijk, en zoo
-eenvoudig was het! Hoe kon hij nu anders dan houën van Corrie, en wie
-zou niet dapper zijn, om háár te winnen? Hoe kon het leven ooit leelijk
-zijn, of de wereld slecht, met zoo’n heerlijk mooi Meisje, met zoo’n
-zuivere, schitterende, stralende liefheid, die over álle dingen
-lichtte, hoe kon er ooit leugen bestaan, die niet wijken moest voor
-haar oprechte, trouwe oogen vol waarheid en liefde?
-
-Corrie was altijd bij het mooiste wat hij las en hoorde en zag. De
-heldin van elk boek was eigenlijk Corrie. Hij stelde haar zich altijd
-voor als Corrie, en hoe vreeselijk als zij ongelukkig was en leed, en
-hoe heerlijk als het dan weer goed werd! Hoe gemakkelijk was het
-eigenlijk voor hem, die haar liefhad, om goed te zijn, en sterk te
-blijven en eindelijk te zegevieren. Want de gedachte, dat zij van hem
-hield, die moest hem vanzelf wel onoverwinnelijk maken!
-
-De zomer ging voorbij, verbleekend in den herfst, en de herfst stierf
-weg in den winter, en iederen dag bracht het Jongetje weer dichter bij
-het Meisje. Elken avond als hij zijn kalender afscheurde dacht hij vol
-hoop: „alweêr een! alweêr een dichter bij haar!”—
-
-En eindelijk, eindelijk liep het naar Kerstmis. Nu kwamen de donkere
-dagen van verleden jaar, toen hij van school was gestuurd, en alleen
-had zitten treuren, opgesloten in zijn kamer. Wat was het nu anders! Nú
-was het groote geluk weêr ophanden, en was iedere dag een nieuwe
-blijdschap omdat hij hem er weer dichter bij bracht.
-
-De rapporten van school waren mooi geweest. De wiskundige vakken waren
-voldoende, en in de talen had hij op één na ’t hoogste cijfer dat kon
-gegeven worden. Papa was erg tevreden, en er kwam een brief, dat hij
-met de vacantie mocht thuiskomen.
-
-Een paar dagen daarna zag een blij jongenshoofd, ver uit het
-portierraampje van een wagon gestoken, met vroolijk lachende oogen den
-trouwen, grijzen toren van den Haag statig omhoog rijzen, toen de
-sneltrein met stormende vaart het Jongetje weer terugbracht naar het
-Meisje.—
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-
-Eerst de vreugde van weer thuis zijn. Mama om den hals gevlogen en
-gekust, gekust! Papa veel vriendelijker dan vroeger, omdat hij zoo goed
-gewerkt had, en er zulke mooie rapporten waren gekomen.
-
-En, zoodra er maar een gelegenheid was gekomen, stil met mama in een
-hoekje aan ’t fluisteren. Hoe zag ze er uit? Toe, maatje, alles zeggen!
-Was ze zoo groot geworden, zoo inééns, in dat ééne jaar? Was ze erg,
-héél erg deftig? Droeg ze héusch lange rokken, en stond het haar lief?
-Droeg ze dat mooie haar in een kapsel, en niet meer los? Had ze haar
-hier, en dáár, en daar gezien? En wat had ze toen gezegd? Met wie liep
-ze? Ze was nog net even mooi en lief, hè, neen, nog mooier en nog
-liever, hè?
-
-Hij had in drie maanden geen brief van haar gehad, maar ze kón zeker
-niet, het stáát niet, zeggen ze. Maar nu was hij er zelf. Hij zou haar
-wel vinden, o jee, dat zou mama eens zien. Wat gewed dat het vandáág
-nog was!
-
-En om drie uur ’s middags liep Paul in de stad. Misschien was ze daar
-wel aan ’t winkelen, het was de tijd nu, zoo tegen Nieuwjaar. Nu maar
-de Hoogstraat, en de Veenestraat en de Spuistraat op en neer loopen.
-Wat heerlijk, al die oude straten van vroeger! Hier heb je Bahlmann,
-waar we zoo dikwijls samen handschoenen en lintjes hebben gekocht, en
-verder de winkel van Perry. Kijk, de Vlamingstraat. Dáár stond ik, een
-jaar geleden. Een jaar? Welneen, een paar dagen maar. Het is alles
-precies eender als vroeger. En straks komt ze. Ik wéét het. Ze komt, ze
-komt! Ik zal haar weer zíen! God, God, wat ben ik gelukkig; zie je wel
-dat het altijd weer goed wordt, ze komt, ze komt!
-
-O, waar is ze, waar is ze? Het Jongetje is terug! Wat ’n menschen! Ik
-ken ze niet, wat loopen die daar nu allemaal, wat moet dat nu?....
-
-En opeens—net als vroeger,—felle, zoete pijn klopt in zijn hart. Het
-wordt héél licht. Daar is ze, daar is ze! Daar komt ze aan, in de
-verte! Ze blijft stilstaan voor den winkel van Sarluis. Maar o! wat een
-fijn, rank, gracieus dametje!
-
-Wat is ze groot! Grooter dan hij! En wat deftig! Met lange rokken! Met
-een grooten hoed op, en een voile voor! Is dat zíj?.... Is dat het
-Meisje?.... Het Meisje van den Dierentuin, en van het strand?....
-Vreemd, vreemd .... Hoe is dit nu ineens zoo ánders?
-
-En het Jongetje werd bang. Het is veel te groot voor hem. Er is
-weggegaan. Er is iets bijgekomen wat hij nog niet kende.... Hij zal
-niet meer durven, hij is te klein.... Het is ineens heel hoog bóven
-hem!....
-
-Stil, daar komt ze.... Ze is met een oude dame; o jee, het is die
-grootmama.... Daar komt ze, daar komt ze.... ze ziet hem niet.... Zoú
-hij durven?....
-
-O God, God, daar ís ze..... vlák bij hem....
-
-Ootmoedig, in diepen eerbied, neemt hij zijn hoed af. Ze kijkt, ze
-kijkt.... Daar is ’t Meisje weer, het Meisje, het Meisje!.... Kijk ze
-nu lachen, kijk nu dat mooie, vriendelijke gezichtje lachen!.... het is
-van vroeger!.... er is niets veranderd!.... Dag lieveling, dag mooie,
-heerlijke, beste, brave lieveling!
-
-Nu naar haar toevliegen, voor haar op de knieën vallen, haar voeten
-kussen.... Maar o wee! die grootmama!.... Het gáát niet.—Nú nog
-niet.... En al die menschen!....
-
-Stil, stil nu. Héél voorzichtig! Op een afstandje haar achterna.... Nu
-zullen ze wel naar rechts gaan, de Veenestraat in.... Kijk, om den hoek
-blijft ze nog even staan.... Ze lacht, ze lacht, en ze knikt.... en nóg
-eens!.... dag lieve, lieve, lieve Corrie, dag mijn mooie, mooie, mooie
-lieveling!.... Wat ben ik blij, zoo blij! zoo blij!....
-
-Nu zíe ik het allemaal weêr. Kijk, zoo waren de huizen, en zoo de
-straat.... en zoo gaan de menschen.... Het is weer alles in een groot
-licht.
-
-En daar gaat ze, voor hem uit. Ja, ze is grooter.—Maar zoo rank, zoo
-teêr! Zoo lucht loopt ze, en zacht beweegt haar lijf.... Je zíet haar
-dádelijk. Hoe apart, onder al die menschen!.... Wat wordt die straat er
-lief en mooi van!....
-
-Daar kijkt ze wéér om!.... ze wijst éven op haar grootmama, die
-deftige, dikke dame.... Het Jongetje begrijpt haar. Ja, hij zal
-oppassen. Die nijdige, oude theetante mag niet zien dat hij er weer is,
-want dan zou alles misloopen. Ze heeft hem nog niet herkend.—Hij maakt
-een gebaar van schrijven, en zij knikt van ja. Nu is alles in orde!....
-
-En nu gauw terug naar huis, en alles aan moê vertellen. En dan goed
-verzinnen hoe haar een briefje te bezorgen.
-
-Wat een heerlijke dag verder! Alles is weer terug. Het is niets
-veranderd. Corrie is er weer. En moê is er weer. En wat heerlijk, weer
-eten thuis. Moê heeft alles gegeven wat hij lekker vindt, wat een
-gesmul! Wat gezellig, die oude dingen weer om je heen. Zie je wel dat
-het zoo gebleven is en dat het tóch altijd goed blijft!....
-
-En, vreemd, al die dingen in Schotevelde zijn zoo verflauwd, ik zie ze
-nog maar vaag. Maar nu opeens zie ik zoo goed die oude, intieme
-zitkamer, en al de dingen er in kijken me zoo aan! En daar komt die
-ouwe, goeie Mie binnen, en ze zegt zoo lief,—ja lief zei ze ’t, of ze
-’t wist: „Een brief voor den jongeneer!” Een brief, een brief!
-Natúúrlijk van Corrie. Gauw, gauw!....
-
-
- Lieve Paul,
-
- Wat was ik blij toen ik je weer zag. Ik heb je niet meer kunnen
- schrijven want ik mocht niet meer voor ma. Het zal erg moeilijk
- gaan om je te zien want ik ben een groot meisje en nu mag ik niet
- meer. Ze mogen niet weten dat je er bent, anders laten ze me nooit
- alleen. Loop dus niet meer in de stad. Ik zal probeeren om
- overmorgen met Wies te gaan wandelen en dan kom ik in den
- Dierentuin. Is dat geen goed plannetje? Ben ik niet groot geworden?
- Jij bent ook groot geworden, maar niet zoo groot als ik. Ben ik
- heúsch een dame, vind je? Kaatje zal dit briefje stilletjes bij je
- afgeven.
-
- Je liefhebbende Corrie.
-
- P.S. Wat ben je een heertje geworden. Je moet erg galant zijn hoor!
- In haast. Ik hoop maar dat het lukt.
-
-
-Anders niets. Zoo maar een briefje. Van een jong meisje. Van een klein
-Haagsch dametje.
-
-Maar kijk, hoe nu het gezicht van mijn Jongetje glanst! Hij ziet op.
-Dáár zit zijn vader in den grooten fauteuil, met de courant. Dáár zit
-zijn moeder, en lacht zoo vriendelijk, wetend wat daar voor liefs voor
-hem is gekomen. Dáár is de piano, en daar zijn de stoelen, en de
-schilderijen, al die lieve, oude dingen, en het theeblad staat te
-wachten. Anders niets. Maar daar staan ineens de groote, warme tranen
-in de oogen van mijn Jongetje, en het geluk, het krópt op naar zijn
-keel, en alles begint te wemelen en te draaien, en luid snikkend valt
-hij zijn moeder om den hals....
-
-
-
-Het was hetzelfde mooie weer als toen hij haar voor het laatst zag, een
-jaar te voren. Het was of ’t pas een paar dagen geleden was. Want kijk,
-het Bosch daar was precies eender, toen hij wachtte voor de brug van
-den Dierentuin. Zóó waren toen ook de boomen geweest, en zóó de
-Maliebaan. Zoo was de brug geweest, en de huizen aan den overkant van
-de Koninginnegracht. En nu stond hij daar weer precies eender te
-wachten. Wat was een jaar gauw voorbij! En wat was alles goed gebleven!
-Zie je nu wel?
-
-Zóó stond Paul te peinzen op de brug, starende naar de Maliebaan, of ze
-nu nog niet komen zou.—Wat knusjes, daar weer te mogen wachten, net als
-vroeger! Er was niets, niets veranderd. Ja, Corrie was grooter
-geworden. Ze was nu een heel erg deftig dametje. Nu ja, maar híj was
-ook grooter. Hij droeg hooge boorden en een lorgnet, en in plaats van
-een rond hoedje een bruine heerenhoed. Je wordt natuurlijk een beetje
-ouder. Maar het houën van mekaar, dat blijft toch hetzelfde.
-
-Daar komen twee meisjes aan, in de verte. Ja, ze zijn het, Corrie met
-Wies.—Nu gaat het geluk weer beginnen. Zie ik er wel netjes uit? Zit
-mijn boordje goed? En mijn dasje? Even de manchetten wat uittrekken,
-dat je ze zien kunt.
-
-Hij nam heel diep zijn hoed af, en de meisjes groetten deftig terug,
-zooals ’t hoort.
-
-„Wat lief dat je gekomen bent!” zei Paul.
-
-„Als ze het maar niet te weten komen,” zei Corrie. „Wies komt me om
-vier uur hier weer halen, want ik moet met háár weer thuiskomen.”
-
-„Ja, ik wil geen fâcheuse troisième zijn,” riep Wies in ’t weggaan,
-„flirt maar prettig!”
-
-Paul begreep het niet goed. Waarom nu die vreemde woorden? Maar Wies
-was weg, dat was één ding. Nu was hij met het Meisje alleen.
-
-Een beetje vreemd was het eerst. Wat was ze groot! Wat een deftig
-dametje! Haar kleeren allemaal nieuw, die hij nog niet kende. Er was
-iets bijgekomen, waar hij een beetje bang voor was. Waar was haar mooie
-haar gebleven? Waar al die lieve, intieme dingen van vroeger? Het
-groene manteltje, en het bont, en het mutsje? Ze had geen mandje met
-brood en suiker bij zich, zooals vroeger. Daar was ze nu zeker te groot
-voor. En hij voelde wat pijn en was een beetje bang. Zoo liepen zij den
-Dierentuin in, de laan aan den ingang door.—
-
-„Nu, wat ben je stil,” zei Corrie, „zég je nu niets?”—
-
-—„Ik ben zoo blij dat ik weer bij je ben. Ik durf niet goed. Je bent
-zoo groot geworden, Corrie. Je steekt boven mij uit. Ik ben bang dat ik
-een beetje te klein voor je ben.”
-
-—„Ja, ik ben groot, vind je niet? Ik vond het vroeger erg akelig om
-groot te zijn. Maar nu vind ik het wel prettig. Ik ben nu ook al vijf
-maanden zestien. Maar ben ik zóó veranderd dat je me niet meer hebben
-wilt?”
-
-—„Dat wéét je wel! Maar ik vind het níet prettig dat je zoo groot bent.
-Ik ben nu een beetje bang voor je. En waar is nu je mooie haar? Mag ik
-je nu nooit meer zien? En mag ik je nu nooit meer een kus geven?”
-
-Zij lachte, en bloosde even.
-
-„Zóó zóó, moet je maar weer dadelijk kussen? Ben je nog altijd zoo
-zoenerig? Maar groote meisjes mogen zich zóo maar niet laten kussen,
-hoor! Wat denk je wèl? Dan moet je eerst geëngageerd zijn, zegt ma.”
-
-En híj: „Geëngageerd zijn?? Hoe bedoel je dat, Corrie? Dat kan nú toch
-nog niet?”
-
-—„Geëngageerd zijn, dat is als je later wilt gaan trouwen, en het mág,
-en ze vinden het allemaal goed. Dat wéét je toch wel. Als je nu erg
-knap bent geworden en je krijgt een betrekking, dan moet je heel deftig
-naar pa en ma gaan en dan vraag je om mijn hand. En als ze het dan
-goedvinden dan gaan we samen uit, arm in arm, en dan mogen we overal
-samen naar toe, en behoeven we niet bang meer te zijn voor grootmama.
-Is dat nu niet aardig? Of wil je dan tegen dien tijd al niet meer van
-me weten?”
-
-Paul deed of hij het heel grappig vond, dat idee van geëngageerd te
-zijn. Maar hij moest er nog niet veel van hebben. Verbeeld je,
-geëngageerd zijn! En hij zat nog maar pas in de vierde klas! Hij wou
-liever nog maar wat klein blijven zooals vroeger, en alles met haar
-stilletjes alléén hebben, zonder dat de anderen er van behoefden te
-weten. Hij wou het haar wel zeggen, want er kropte iets op in zijn keel
-van verdriet alsof er iets weg was gegaan, maar hij durfde niet, hier
-in die lichte laan, waar ook wat menschen liepen. O! nu met haar alléén
-in een hoekje! Wacht, een idee. In de serres gaan; daar was bijna nooit
-iemand, in de middelste zaal, waar de bank stond, onder de palmen.
-
-En hij troonde haar zachtjes mee, langs het hoofdgebouw en den vijver
-om, doorpratende over allerlei dingen tot ze bij de serres waren.
-
-„Hè, nu nog eens al die mooie planten zien,” zei hij, en deed de glazen
-deur open om haar binnen te laten.
-
-—„En nu gáuw weer sluiten, voor den tocht.”—
-
-Plof, daar was de deur weer dicht. En ze waren alleen. Alleen in een
-pracht van groene varens en vreemde, wondere bloemen, in een warme
-zacht-trillende atmosfeer. Nu gauw de eerste zaal door, en in de
-tweede. De deuren weer goed, stevig dicht. En nu in dien grooten,
-ronden koepel van mat groen glas, waar een teeder, bleek licht doorheen
-zilverde. Overal palmen, met breede, statige waaier-bladen. Hoe stil,
-hoe stil was het daar, en hoe zalig warm, met zachte, exotische geuren!
-Hier en daar keek een vreemde, geelroode bloem mystiek door het
-fijn-kanten groen van ranke varens en grassen....
-
-Eindelijk, eindelijk, hier is het goed. Hij nam het Meisje bij de hand,
-en trok haar zachtjes mede naar de bank. Laat zij nu éven, éven maar
-bij hem komen zitten.... Zoo, zoo is het goed.
-
-Nu zat het Meisje weer naast hem, voor hém alleen, veilig, achter die
-glazen deuren, in dat stille teêrgroene licht. Een groot, donker
-palmblad troonde plechtig boven hunne hoofden, en bewoog niet in de
-droomerige stilte.
-
-Toen durfde het Jongetje spreken en gaf zijn schuchtere ziel zich weer
-ganschelijk bloot.
-
-„Bén je daar weer?.... bén je daar weer?....” zei hij lief, „ik heb een
-héél jaar op je gewacht, Corrie, en ik heb zoo mijn best gedaan, ik heb
-zoo hard gewerkt, en het ging zoo gemakkelijk.... ik heb áltijd, áltijd
-aan je gedacht..... Als ik wakker werd zei ik „dag lieveling” en als ik
-ging slapen riep ik „wèl te rusten”.... Ik sliep met je briefjes onder
-mijn kussen, en vóór ik naar bed ging zoende ik je lokje haar.... bèn
-je daar dan weer, bèn je daar dan weer, en hoû je nog van me, zeg, hoû
-je nog altijd van me? ....Je bent zoo groot geworden.... ik ben een
-beetje bang dat er wat weg is gegaan, en dat er wat bij is gekomen, ik
-weet niet wat, er is iets vreemds aan je, dat er vroeger niet was....
-ik ben bang dat ik een beetje te klein voor je ben.... maar ik hoû toch
-zoo van je, o, ik hoû zoo van je....”
-
-Hij had zijn arm voorzichtig om haar heen geslagen, en leunde zijn
-hoofd tegen haar schouder.... O! heerlijk, heerlijk!.... daar voelde
-hij haar weer.... daar was weer dat zachte, warme, weldadige, dat
-bevend in hem vervloeide.... daar was weer het oude, groote geluk!
-
-Kijk, daar zijn weer haar handjes,—gauw, die handschoenen uit,—ja, daar
-zijn ze weer, zoo klein, zoo fijn, met dat roze, fluweelige vel en die
-teêre adertjes.... o! even kussen, eventjes maar.... en hier is weer
-haar zachte borst, nóg zachter dan vroeger, nóg zaliger, om zacht je
-hoofd aan te vleien.... en hier zijn haar witte halsje, en haar roode,
-roode lippen, en haar mooie, blozende wangen, en kijk, haar
-engelachtige oogen, en haar gouden haar, het glanst nog éven prachtig,
-o! alles, alles is er nog, het hééle goddelijke Meisje, en hoor! hoor!
-daar is het klare sopraantje weer.
-
-„Wat bèn je toch nog een verliefde jongen, Paul.... wat bén je weer
-zoenerig....” zei ze plagend, en trok coquet haar handje terug. Maar
-haar oogen keken heel vriendelijk en zagen hem innig in de zijne.
-
-„Ik heb een kus van je gehad toen je wegging,” zei hij vleiend. „Ik
-krijg er nog een, hè? Ik heb er zoo geduldig op gewacht! Denk eens,
-Corrie, een héél jaar!”
-
-„—Neen, neen, daar komt niets van in, hoor.... Ik ben een groot meisje
-en mag geen jongens zoenen.... Wacht maar tot later, over een paar
-jaar, als je heel goed oppast!”
-
-„—Nee, ik wil niet wachten.... ik wil niet groot zijn.... Je moet niet
-zoo zeggen dat je groot bent, Corrie.... dat doet me pijn.... je mág
-niet anders wezen dan vroeger.... je moet net hetzelfde zijn.... er mag
-nooit iets weggaan.... je moet altijd mijn oude lieveling van vroeger
-blijven.... als het anders moet worden wil ik liever dood zijn.... zeg,
-je houdt nog evenveel van me, hé?”
-
-Hij zag haar angstig aan, met zijn oogen heel dicht bij de hare. Zijn
-stem beefde een beetje.
-
-Toen werd het zieltje van het Meisje weer heelemaal wakker en waar het
-eerst schuchter verscholen lag onder haar idee van groot zijn kwam het
-nu ineens naar voren, en glansde uit haar mooie, blauwe kijkers. Zie,
-nu is de ziel van het Meisje weêr gekomen, het Meisje van de zee en de
-duinen, het Meisje van dien avond aan het venster, in het reine
-manelicht.
-
-Verlegen en zacht-blozend boog ze het hoofd naar hem toe, en onder den
-kuischen drang van haar ziel, die naar de ziel toe wilde van het
-Jongetje, drukte zij haar reine lippen éven, zacht, op de zijne.
-
-En daar kweelt weer fluisterend het engelensopraantje:
-
-„Ja, ik hoû nog wel van je, hoor!.... Ik hoû nog wel van je....”
-
-De jonge, teedere zielen, zij raken elkaar aan.... de zuivere, de
-onbevlekte, de puur-maagdelijke, vér van ’t Leven.... de ziel van het
-Meisje komt zacht-bevend neer naar de ziel van het Jongetje, en die
-twee ongerepte heiligheden droomen éven, stil, tegen elkaar aan.... Dit
-is het geluk, dit is het geluk....
-
-Zwijgend bleven zij zitten, onbewust ondergaande wat gebeurde, hand aan
-hand en ziel aan ziel. Zwaar trilde de loome warmte om hen heen, en
-zalig-moê droomden hunne hoofden in die vreemde sfeer.... Somtijds
-zuchtte vaag een luchttochtje over hen heen, en zachtjes, zachtjes
-wuifden éven de veêren varens....
-
-
-
-Toen Paul dien avond naar bed was voelde hij zich moê, moê van geluk.
-Hij was het niet meer gewoon geweest, al dien tijd, een geheel jaar.
-Het was een zacht, rustig wachten geweest, een tevreden glijden van den
-eenen dag in den anderen, met ergens vér een zaligheid die ééns bereikt
-zou worden. En nu het geluk gekomen was, nu het Meisje zoo opeens weer
-voor hem gestaan had, in het intenze licht van haar mooi-zijn, nu hij
-zich had durven aanvleien tegen haar heerlijk lichaam, en zijn ziel in
-zoete mengeling met de hare had gedroomd, nu was hij moê, moê van al
-dat geluk, en voelde hij zich loom van lieven.
-
-Het was zoo heerlijk geweest! Ze hadden nog lang onder den palm
-gezeten, dicht tegen elkaar, tot er eindelijk menschen kwamen, en toen
-waren zij deftig opgewandeld, om niets te laten bemerken. Ze waren nog
-overal geweest, bij de olifant, en in het Aquarium, waar hij haar nog
-een kus had mogen geven, en bij de parkietjes ook. Die zaten nog
-precies eender bij elkaar te vrijen op het stokje, en vertelden elkaar
-weer nieuwe geheimpjes. En het hertje was er ook nog en was dadelijk
-komen aantrippelen toen het sopraantje riep. Alles was nog net eender
-als vroeger, en er was niets veranderd. Hij was er al gauw aan gewend
-geraakt dat ze zoo groot was. Het was eigenlijk nog een beetje aardiger
-zoo, en hij was ongemakkelijk trotsch geworden dat hij nu zoo’n elegant
-jong dametje als meisje had. En wat zag ze er netjes uit! Wat een
-keurigen mantel had ze aan, en wat had zij een fijn middeltje gekregen!
-En wat zacht glansde haar mooie, vriendelijke gezichtje achter die
-transparante, witte voile! Dat was toch wel mooi zoo’n voile, en als je
-een kus geeft doe je haar maar even in de hoogte.
-
-Tegen vier uur was Wies gekomen, met een grooten jongen, eigenlijk een
-meneer al, en toen was Corrie weer ineens groot en erg deftig geworden.
-Zij had hem heel ernstig aan dat heertje voorgesteld: „mijn neef Jan
-van Meeden, en Paul Waerens”, en hij had „aangenaam kennismaken”
-gezegd. Een erg chique vent, die Van Meeden, die er verbazend
-dandy-achtig uitzag. Die was zeker verliefd op Wies, dacht hij
-dadelijk.—De meisjes waren toen voorop gewandeld en hij met Van Meeden
-er achter. Bij het hek gekomen was er deftig afscheid genomen, en van
-een kus was geen kwestie meer. Van Meeden en hij hadden diep hun hoed
-afgenomen en gebogen, en een buiging teruggehad. Toen was hij een
-eindje met den neef opgewandeld en had de kennis voortgezet. Het was
-wel een aardige vent. Hij zat al in de vijfde klas en zou dit jaar
-eindexamen doen. Hij was verliefd op Wies, juist zooals Paul gedacht
-had, en hij wist dat Paul op Corrie verliefd was. „Het is jammer dat je
-niet wat ouder bent,” had Van Meeden gezegd.—
-
-„Waarom?” vroeg Paul.
-
-„Och.... zóó....” zei Jan ontwijkend.
-
-Maar Paul maakte zich niet ongerust. Hij wist wel dat Corrie op hem zou
-wachten. Ze hóórden immers bij elkaar!....
-
-Hij was vroeg naar bed gegaan, zoo moê was hij, en het duurde lang eer
-hij insliep, met een klein takje varen onder zijn hemd, op zijn borst,
-dat zij afgeplukt had in de serre.
-
-Den volgenden dag, toen hij wakker werd, was natuurlijk zijn eerste
-idee: Corrie weer zien. Ja, maar hoe? Het zou nu niet zoo gemakkelijk
-meer gaan als vroeger. Ze kon niet meer zoo iederen dag alleen uit, had
-ze gezegd. Maar ze kwam nog al veel in de stad, en ’s Zondags wandelde
-zij met haar mama op den Scheveningschen Weg. Nu moest hij maar
-tevreden zijn met wat hij krijgen kon.
-
-En het was toch óók wel prettig, zooals het nú werd. Het verlangend
-loopen wachten in de stad, tot ze dan eindelijk kwam, en dan het lieve
-lachje dat hij kreeg, als hij groette, en dan gaúw een zijstraatje in
-en even òmloopen om haar weèr tegen te komen, en dan nogeens. En dán
-weer terug, en op de trem, om haar, heel toevallig natuurlijk, nog eens
-tegen te komen, en hoe ze dan knikte, en nogeens omkeek, en, als haar
-ma er niet op lette, even wuifde met haar zakdoekje. Of op den
-Scheveningschen Weg loopen, tot ze eindelijk kwam, zíj op het Bovenpad,
-en dan hij stilletjes op het Benedenpad, op een afstandje, en hoe ze
-dan telkens omzag, en lachte, en wel eens wenkte. Dan had hij zoo héél
-lang haar lucht, rank figuurtje voor hem uit, en hoe heerlijk was het
-voor hem, daar in zijn eentje van te loopen genieten, en te denken,
-„zie je, ze is van míj, van míj, wácht maar!”
-
-Hij was zoo al heel tevreden. Bijna iederen dag zag hij haar. Hij kende
-nu weer haar japonnetjes. Het kwam weer alles in zijn leven wat aan en
-òm haar was. Eéns was hij ’s avonds weer langs haar huis gewandeld, om
-half tien. Het gordijn was weer verlicht, en dáár was haar kamertje. O!
-kwam ze nu maar weer eens éven, éven kijken!.... Maar er kwam niets.
-
-En o, wee! wat waren opeens die dagen gauw om! Nu was het al een week,
-het was Vrijdag, en Zondagmiddag moest hij weer weg. Gelukkig kwam hij
-Wies tegen in de stad, die hij een briefje mee kon geven. Of zij toch
-asjeblieft nog ééns komen wou, stond er in, toe, het was zoo
-vreeselijk, hij moest overmorgen weer weg, nog één keertje maar, dan
-zou hij tevreden zijn, en weer geduldig wachten, tot de groote
-vacantie. Ze moest hem nu zoo niet laten weggaan....
-
-En ja, gelukkig, daar kwam ’s avonds weer een briefje. Hoera! Hoera! Of
-hij dan morgen avond om half acht maar even langs de deur kwam, want
-overdag ging het niet. Pa en ma gingen naar een concert, en ze was
-alleen thuis met Kaatje de meid, die niets vertellen zou.—Het mócht
-eigenlijk in ’t geheel niet, schreef ze, maar voor één enkelen keer dan
-maar.
-
-En hij den volgenden avond er op af. Het vroor een beetje, en zijne
-ooren deden pijn. Maar wat heerlijk, zoo stilletjes naar je Meisje te
-gaan, in het donker ’s avonds! Wat gezellig waren die straten, met al
-die lichtjes, en wat liepen alle menschen er vroolijk! Wat was het toch
-een goddelijke stad, dat lieve, goede, oude den Haag! En wat mooi toch,
-dat Bezuidenhout, met dat bosch aan je linkerhand. Die zware, stille
-boomen zoo roerloos in de koude, reine lucht. En die deftige
-heerenhuizen met het licht achter roode gordijnen, hoe kende hij ze
-allen van vroeger!
-
-Daar is de oude, oude straat, waar zij woont. Kijk, éven voorbij de
-tweede lantaren, daar is het. Daar is het Meisje nu dat hééle jaar
-geweest, toen hij ver weg was. En dat is nu voorbij, zoo gauw hè, het
-lijkt alles nog pas geleden.
-
-Er is niemand te zien. Nu voorzichtig langs de huizen, tot nommer tien.
-Daar is het. Nu even door het glazen raam van de voordeur kijken. Er
-staat iemand achter. Ze is het! De deur gaat open, op een kiertje.
-
-„Kom, gauw,” zegt het sopraantje, maar héél, héél zacht.
-
-En daar staat hij in het portaal! En daar is ze weer bij hem!
-
-„Als ze het te weten komen zal het wat geven,” zegt ze bang. „Als ze
-het eens gezien hadden hiernaast! Ma zou zoo boos zijn! Maar je kunt
-zoo dwingen, en nu mag je even afscheid nemen, maar éventjes, hoor!”
-
-Hij hoorde niet goed wat ze zeide. Hij stond haar in innige bewondering
-aan te staren. Zoo lief had hij haar nog niet gezien. Ze had een blauw
-huisjaponnetje aan, heel wijd en heel lang, zonder ceinture. Haar
-voetjes in goudleeren muiltjes staken er onder uit.—Een lange, dikke
-vlecht hing tot over haar middel neer, met een blauwen strik aan het
-eind.—
-
-„O! Corrie, wat ben je mooi, wat ben je mooi geworden! Je bent nog véél
-mooier dan vroeger!”
-
-„Géén complimentjes, géén complimentjes,” lachte ze. Maar hij zag wel,
-dat ze het wàt aardig vond.
-
-Er stond een bank in het portaal. Nu éven, éventjes maar daar zitten,
-toe, éventjes.—En ze liet zich meêtroonen. Wat gloeide haar gezichtje
-lief in den schijn van den rooden ballon boven hun hoofd.
-
-„Je mag maar éven blijven, hoor! Ik ben vreeselijk bang,” zei ze.
-
-„Ja, dadelijk,” zei Paul, „maar eerst even samen zitten, hoor!”
-
-Hij vleide haar tegen zich aan. Het bloed golfde naar zijn hoofd. Wat
-was ze zacht en warm, zoo zonder mantel, wat gloeide zij ineens tegen
-hem aan! Wat was ze toch mooi, o God, o God, wat was ze mooi! Wat een
-vlecht! Stil, stil het lintje er af van onderen, en nu zachtjes
-uitvlechten. En kijk, opeens, een golf van goud, het valt wijd over
-zijn schouders, en op zijn schoot!
-
-„Ha!” juichte hij, „daar heb ik het weer! Nu heb ik al je mooie haar
-weer, dat zoo stijf in dat kapsel zat! Nu ben je weer het oude Meisje
-van vroeger. Maar het is nog veel langer, en véél mooier geworden!”
-
-Zij deed of ze een beetje boos was, maar het was zoo erg niet, dat zag
-hij wel.
-
-Zacht liet hij haar zijige haar door zijn handen glijden, en hield het
-tegen zijn wang, en kuste het.
-
-„Dag lieve Corrie, je zult me niet vergeten, hè?” vroeg hij. „Je zult
-aan me denken, hè? En je zult niet te groot voor me worden, en ik mag
-je weêr zien zien als ik terugkom met de groote vacantie. Nu is het
-maar een hálf jaar.”
-
-En ze beloofde het hem, als vroeger. Ja, ze zou op hem wachten. En als
-hij maakte dat de brief tegen den middag kwam mocht hij haar nog wel
-eens schrijven ook. Kaatje zou dien wel stilletjes aan haar geven. Maar
-nu was het al mooi geweest, hoor! Ja, een zoen, dat mocht hij nog,
-éentje. Hè, dat is valsch, nu geeft hij er haar drie! Dag Paul, hoû je
-maar goed, en werk maar goed, hoor!”
-
-Nu stil de deur weer open, op een kier, en nu gauw er uit. Dag!....
-dag!....
-
-Dapper liep Paul door, zonder om te zien. Maar hoor! ineens weer het
-sopraantje, zoo klaar in den avond, en zoo luid:
-
-„Paul! Paul!”
-
-Was zij nu niet bang meer? Ze stond voor de deur, in de koû, met haar
-bloote hoofd.
-
-Hij vloog terug.
-
-„Wat is er.... wat is er, lieveling?....”
-
-Hoe stond ze daar zacht en ganschelijk kuisch, in haar wijde, blauwe
-gewaad, met het lange blonde haar golvend over haar schouders, in het
-flauwe licht van de lantaren....
-
-Ze was een beetje bleek. Haar mooie oogen keken bedroefd. Ze zag hem
-zwijgend aan....
-
-Het was haar zieltje van Meisje, dat hem nog ééns riep.... het zieltje
-van het Meisje heeft áltijd bij het Jongetje willen zijn.... en het was
-of het opeens héél, héél bang werd, voor wát wist het niet, en daarom
-riep het hem terug, in kuisch verlangen. O! Laat hem toch niet weggaan,
-laat hem niet weggaan, en het Meisje alleen laten in die groote stad,
-met al die menschen, en al het fatsoen, dat zeide dat het niet
-mocht!....
-
-„Wat ís er, wat ís er?” vroeg hij. „O, huil je heúsch omdat ik wegga?”
-
-En hij voelde hoe het Meisje heel dicht bij hem kwam, en daar was haar
-lieve, lieve gezichtje, nat van tranen, en o! daar kreeg hij een kus;
-daar voelde hij haar zoete, warme lippen.... Nog éven, nog éven.... Nog
-éven raakte de maagdelijke ziel van het Meisje zacht de zijne, in
-allerheiligsten, onbevlekten staat.... éven beeft nog het onbewuste,
-reine Geluk van kuische zielemengeling door hun zalig sidderende
-harten.... Dán is het hoog moment voorbij.
-
-Het Meisje loopt inééns weer weg, en dicht gaat de deur, met een slag.
-
-En zacht snikkend gaat het Jongetje zijn weg, daar gaat hij, eenzaam
-door de koude straten, ik zie hem loopen, met bleek gezichtje, en
-tranen in de oogen; o! waar ga je nu heen, waar ga je nu heen, mijn
-jongen?....
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-
-Toen hij weer in Schotevelde terug was leek alles van de vacantie wel
-als een mooie droom. Hij herkende zijn kamer weer, en alles in het huis
-van oom Cateur, en de straten van het stadje. Dat was wáár ook. Daar
-had hij nu al een jaar gewoond, en in den Haag was hij het glad
-vergeten! Een héél jaar had hij daar op Corrie gewacht, en nú had hij
-haar alweer gezien, en het was alweer voorbij. Hoe gauw, hoe gauw gaat
-alles! En hoe gemakkelijk! Als één jaar zoo gauw doorgemaakt was, dan
-zouden vier of vijf jaar toch óók wel ééns over zijn. En dan zou hij
-óok groot zijn. Dan was de Hoogere Burgerschool al lang voorbij, en was
-hij al een paar jaar student. Corrie zou dan een en twintig zijn, en
-hij ook. En dan zou hij ’t heusch doen, wat zij gezegd had. Dan zou hij
-heel deftig naar haar papa en mama gaan en om haar hand vragen. Haar
-hand! Neen, haar héélemaal, haar mooie gezichtje, en haar schoudertjes
-en haar zachte borstje, haar hééle Meisje. En dan mocht zij altijd bij
-hem blijven, altijd, altijd. Verbeeld je eens, zeg, altijd zoo’n
-lieveling bij je in huis hebben, en de deuren toe, heel alleen van je
-eigen, en al de andere menschen zijn buiten, en mogen niet binnenkomen!
-
-Als ze maar bleef van hem houën! Als Corrie maar altijd om hem bleef
-denken. Ze was zoo héél, héél mooi! Er zouden zooveel ánderen verliefd
-op haar worden. Natuurlijk, dat moést wel. Ze was het mooiste meisje
-van den Haag. En die anderen waren misschien veel ouder dan hij, en
-misschien wel erg rijk! Zou ze dan wel om het Jongetje blijven denken?
-Ja, natuurlijk zou ze dat. Het is leelijk om niet te gelooven wat ze
-gezegd heeft. En hoe zou het nu ook kúnnen? Ze hóórden nu eenmaal bij
-elkaar, evenals de twee parkietjes. Dat had ze zèlf gezegd.
-
-Zoo filosofeerde het Jongetje daar in zijn eentje, toen hij weer terug
-was.
-
-En zijn gewone leven van alle dag begon weer. Ik weet het zoo goed niet
-meer, wat hij alzoo deed. De dingen op school gingen gauw voorbij.
-Wiskunde, en aardrijkskunde, en natuurkunde, en natuurlijke historie,
-en zooveel meer. Het was niet zoo erg moeilijk nu hij zooveel tijd had,
-en niet meer altijd naar het Meisje kon. En oom Cateur hielp hem altijd
-als hij iets niet begreep. Het was of die een tweede papa voor hem
-werd, en ik herinner mij nog heel goed zijn vriendelijk gezicht, met de
-grijze haren, en die goedige oogen, die zoo aardig over den gouden bril
-konden kijken. Wat had hij veel boeken! Als het werk voor school af was
-mocht Paul altijd in zijn bibliotheek snuffelen. Het Buch der Lieder
-had hij op zijn verjaardag cadeau gekregen, en dat werd als een
-bijbeltje voor hem. Het was een kleine uitgave in een rood bandje met
-gouden stempel. Hoeveel tranen van het Jongetje zijn daar op gevallen!
-Hoe innig, innig hield hij van dien grooten, ongelukkigen dichter, die
-zijn lieveling had verloren en toch niet dood was gegaan! Eenzaam en
-verlaten, met vreeselijke pijnen, half-blind had hij op zijn ziekbed
-gelegen:
-
-
-
- Es kommt der Tod—jetzt will ich sagen
- Was zu verschweigen ewiglich
- Mein Stolz gebot: für dich, für dich,
- Es hat mein Herz für dich geschlagen!
-
-
-
-O! wat een emotie is dat geweest voor het Jongetje! En juist omdat hij
-zoo gelukkig was, en zoo blij uitzag in de toekomst, één altijddurende
-zaligheid met het Meisje, begon hij van zijn dichter te houden zooals
-kinderen van vrome menschen houden van Jezus, die zoo leed. Het was het
-éérste van groot, statig lijden wat het Jongetje hoorde. Er was thuis
-nooit over Jezus gesproken, en hij was nooit op de catechisatie
-geweest. Door Heine leerde hij voelen wat lijden is, intuïtief, omdat
-hij zelf nog niet geleden had.
-
-Het was wèl een beetje gevaarlijke lectuur voor zoo’n klein Jongetje,
-vind ik nu, omdat er ook zulke ontzettende dingen in staan. En toch
-deed het hem geen kwaad als hij las:
-
-
-
- ........was gut und gross
- Und schön, das nimmt ein slechtes Ende.
-
-
-
-Want dat was niet waar, voelde hij. Dat had Heine zoo maar gezegd in
-zijn lijden, zonder te weten wat hij deed. Want het Goede overwint. Het
-dúúrt wel eens lang, maar het overwint. Dat zou je altijd zien. Dat zag
-je ook uit de geschiedenis. De vrijheid wint en het recht. De Goeden
-zijn de sterksten.
-
-O! Die heerlijke avonden, tegen de lente, als Paul ging wandelen, met
-zijn bijbeltje in den zak. Wat was het dan mooi in de weilanden! Hoe
-rustig en zacht-tevreden lagen zij uitgestrekt, en wat stonden de
-koeien stil te wachten in het late licht! Wat zacht, die boomen op de
-dijkjes in het verschiet, wat ’n teere, fijne stammetjes! En dan heel
-in de verte van den dijk een kar met een paard, zoo gevoelig om te zien
-aantrippelen! Hij liep altijd zoo ver mogelijk den kant op waar hij
-dacht dat den Haag was. Daar was je toch een héél klein beetje dichter
-bij haar, dacht hij. En als hij dan moê was, en ging uitrusten onder
-een boom, dan keek hij heel innig naar het Noord-Westen, waar zij nu
-ergens vér, vér zijn moest, en zei „Dag Corrie! Dag lieveling!”
-
-Zoo’n Jongetje nog!
-
-Ook bleef hij wel voor het open venster zitten. Zijn kamer zag uit op
-de kade, waar veel schepen lagen. Als het begon te schemeren lagen zij
-zoo stil op het water, met hunne hooge masten zoo plechtig, roerloos in
-de lucht. Beneden was lachen en praten, en hooge stemmen van meisjes op
-een brug. Zóó zat hij ééns, dít weet ik opeens nog heel goed, het was
-ook zoo’n gewichtig ding,—een vogeltje was heel zacht aan ’t kweelen in
-den boom voor zijn raam—o ja, zóó zat hij eens vroeg op een avond met
-een nieuw boek. Het was eene engelsche vertaling van Dante, door
-Rossetti. „The New Life” heette het, Vita Nuova. Dat moest van heel
-mooie, edele liefde zijn, had hij gehoord. En toen lás hij het, in de
-zachte schemering:
-
-„Nine times already since my birth had the heaven of light returned to
-the selfsame point almost, as concerns its own revolution, when first
-the glorious Lady of my mind was made manifest to mine eyes; even she
-who was called Beatrice by many who knew not wherefore. She had already
-been in this life so long as that, within her time, the starry heaven
-had moved towards the Eastern quarter one of the twelve parts of a
-degree; so that she appeared to me at the beginning of her ninth year
-almost, and I saw her almost at the end of my ninth year....”
-
-Zie je nu wel dat het kon? Negen jaar waren ze maar, negen jaar! En dan
-hadden ze nog wel gezegd dat het niet kon als je nog zoo jong was! En
-Corrie en hij waren al veertien geweest! En zou dat dan niet nog beter
-kunnen? Gekheid, kalverliefde, had papa eens gezegd. Maar Dante, die
-wist wel beter. Hoe heerlijk, hoe heerlijk! Dante, dat was immers de
-allergrootste dichter geweest, had oom Cateur wel eens gezegd, die had
-geschreven van de Hel, en het Vagevuur, en het Paradijs. Dat zou hij
-later ook gaan lezen! En zoo iemand, zoo’n hééle Groote, waar eeuwen na
-zijn dood de menschen nog met eerbied van spreken, die had het Meisje
-gezien toen hij nog maar negen jaar was, en die was altijd zijn
-lieveling gebleven. En later was hij bij haar in den Hemel gekomen, had
-oom gezegd.
-
-Toen voelde Paul zich trotsch. Dante, díe zou hem wel geloofd hebben.
-Díe zou het wel mooi gevonden hebben dat hij al zoo vroeg was gaan
-houën, al was het nog zooveel láter dan híj met Beatrice. En wat dan de
-andere menschen er van zeiden, dat deed er immers niet toe. Heine en
-Dante, díe weten het wel.
-
-Het was een heel moeilijk boek verder. Moeilijk Engelsch ook. En die
-verzen die er in stonden, die begreep hij nog niet. Maar van dien avond
-af aan was Dante óók iets heel groots en gewichtigs in zijn leven
-geworden.
-
-Dat was toch nog véél, véél mooier dan Cooper en Aimard en Verne
-vroeger!
-
-Het Jongetje werd ook grooter, net als ’t Meisje. Ik spreek nog altijd
-maar van hem als van ’t Jongetje, maar als hij toen zoo genoemd was zou
-hij raar opgekeken hebben. Hij liep nu naar de zeventien. Hij groeide
-erg in de lengte, en was op één na de grootste van de klas. Hij droeg
-een heerenhoed, en zelfs een pandjas, english fashion, in de vacantie
-in den Haag gemaakt, en heel hooge boorden met omgeslagen punten, en de
-nieuwste dassen die ze in den Haag droegen. Hij leek al heel aardig op
-een pas aangekomen student, en liep er al een beetje naar, met
-gewichtige, wijde stappen, het hoofd een beetje vooruit gestoken, en
-met een Haagschen stokzwaai. Je zoudt hem niet voor een Jongetje hebben
-gehouden, maar voor een would-be studentje, zooals er in de hoogste
-klasse van ’t gymnasium zijn in den Haag.
-
-En dat ik nog altijd van het Jongetje spreek is omdat ik niet dien
-aankomenden student zie, met zijn uiterlijkheden en zijn schijn van
-grootzijn, maar omdat ik zijn ziel maar altijddoor zie, zijn jonge
-ziel, die van niets droomde dan het Meisje, het Meisje, het Meisje.
-
-En dat was nog héél erg de ziel van een Jongetje!
-
-Het onwankelbare geloof aan recht en trouw en liefde, het naïeve voelen
-van de onoverwinnelijke macht van het goede en schoone over het slechte
-en leelijke, is dit niet nog héél erg van een Jongetje?
-
-En nu zie ik opeens een heel zwarten tijd voor het Jongetje. Het was
-kort nadat hij weer terug was. Hij had een nieuwe plaats gekregen in de
-klas.
-
-Toen kwam er iets heel gevaarlijks voor Paul. Naast hem in de bank zat
-een groote jongen, Anton Meeker, al een lange slungel van bijna
-achttien jaar, veel te oud voor de derde klas. Hij was erg achterlijk,
-en schaamde zich niet eens om met zooveel kleine kameraden te zitten.
-
-Anton was een gemeene jongen. Hij was bekend om zijn succes bij
-meisjes, en daarom had de geheele klasse een soort eerbied voor hem. En
-toch sprak hij altijd heel plat en minachtend over meisjes. Hij lichtte
-zoo tusschenbeide zijn medescholieren over allerlei dingen in, waar zij
-wel veel van hadden gehoord, maar toch nog niet het fijne van wisten.
-Gemeene, triviale dingen, gezegd met grove woorden, onder snood
-gelach....
-
-Ik kan het alles niet zeggen. Ik kan het niet over mij krijgen om het
-hier neêr te schrijven in dit boek van het Jongetje.—Het is de gore,
-brutale schijn-realiteit van het leven, als het niet wordt gezien in ’t
-licht van reine Liefde. De Liefde wèg en kijk!.... hoe droef en duister
-wordt het leven, hoe dierlijk wordt het doen der menschen, en hoe bang
-en vreeselijk wordt het gansche wereld-wezen. Dan lijkt wel alles
-troebel en van slechten reuk, dan is het doen der menschen als het
-wilde drijven van het redelooze dier. En zoo was Anton Meeker’s
-opvatting van het leven. Hij was een wees, die nooit zijn moeder had
-gekend.
-
-En hij had er een zeker bruut plezier in, om zijn jongere vrienden te
-vertellen wat hij wist. Te vertellen van meisjes en wat ze eigenlijk
-waren, en wat je van haar hebben moest, en waar het eigenlijk wel om te
-doen was, en niets anders.....
-
-En toen hij zag, dat het Jongetje onder den indruk kwam, en het hem
-pijn deed, koos hij hem tot zijn voornaamsten vertrouweling.
-
-Toen is er over de ziel van het Jongetje een schaduw gevallen, die
-elken dag grooter en grooter werd. Vroeger, toen hij altijd bij Corrie
-was, had hij er nooit bizonder over nagedacht.—Zij maakte het zoo licht
-en zuiver in hem, dat al ’t slechtere wegvluchtte uit zijn binnenste,
-zoodra haar reine oogen er kwamen schijnen.—
-
-Maar nu, nu hij alleen was, durfde het booze wel weer opstaan in de
-duistere onbewustheden van zijn wezen, en Anton Meeker’s schennende
-woorden vielen als gif in zijn ziel.
-
-De meisjes, waar Anton over sprak, waren zusters van zijn lieveling, en
-ieder woord, dat een meisje ontheiligde, dreigde naar háár eigen,
-aangebeden wezen. Anton had een groot meisje van de Normaalschool, waar
-heel veel over gesproken werd, en dat al bijna eens uit de school was
-gezet om een reden waar de jongens op de les grinnekend over
-fluisterden. En Anton pochte op zijn intimiteit met haar, en verzon er
-lange, geheimzinnige verhalen over. Paul had haar wel eens gezien, en
-kon het niet gelooven. Ze leek een heel lief meisje, en had een mooie,
-blonde vlecht, als die van Corrie, bijna even mooi.... En bij ieder
-nieuw ding dat hij over haar hoorde, voelde hij pijn. Totdat ze
-eindelijk werkelijk werd weggestuurd uit de school, en ze uit de stad
-werd gezonden door haar ouders.
-
-Toen was Paul heel bedroefd en dacht: „Hoe kan dat zijn, zoo’n meisje,
-zoo’n lief meisje, hoe kan daar slechts bij wezen?” En dagen lang liep
-hij er mede rond, al denkende en denkende.—
-
-Maar op een avond, toen hij er steeds maar aan bleef denken, ging hij
-naar de kamer van oom Cateur.
-
-„Wat is er, mijn jongen?” zeide de directeur. „Heb je wat te vragen?”
-
-Het zag er zoo echt vertrouwd en gezellig uit in de studeerkamer!—De
-boeken achter de glazen kastdeuren, en de platen en fotografieën aan
-den wand maakten het zoo vertrouwelijk.—En wat had oom Cateur toch een
-vriendelijk gezicht, wat keken zijn bruine oogen zacht en hartelijk
-over den grooten bril!
-
-Toen ging Paul vastberaden bij hem zitten in een armstoel en vertelde
-hem zoo goed hij kon wat hem hinderde. Het was een heele durf, maar die
-oogen vóór hem keken zoo vriendelijk en gaven hem moed, en toen hij
-eenmaal aan ’t spreken was, en om Corrie dacht, ging het hoe langer hoe
-beter.
-
-Toch stonden er tranen in zijn oogen, toen hij eindelijk vroeg: „Is het
-wáár, oom, is het wáár dat alles zoo is, en dat alles dan maar
-eigenlijk leelijk en slecht en vuil is?”
-
-Mijnheer Cateur keek heel ernstig toen het Jongetje had gesproken. Hij
-bleef even nadenken, en zag het ventje medelijdend aan.—Toen nam hij
-hem bij een hand, en zeide langzaam, om het goed te laten begrijpen:
-
-„Ik vind het heel flink van je, dat je mij dit alles hebt verteld, mijn
-jongen..... de meeste jongens en ook de groote menschen zwijgen er maar
-over, en dat is toch zoo verkeerd.... het is heel moeilijk om het je
-uit te leggen, omdat je nog zoo heel jong bent, en je het niet
-begrijpen zou.... ja, dat meisje van Anton Meeker was een slecht
-meisje, ik weet alles van haar en wat met haar gebeurd is.... en er
-zijn een heeleboel erg leelijke dingen in de wereld.... en wat Anton je
-heeft verteld van trouwen en van kinderen krijgen is ook waar in
-hoofdzaak.... maar, nu wil ik je eerst eens dit vragen: al kan ik het
-je nu nog niet uitleggen, omdat je nog te jong bent, zou je me dan vast
-willen gelóóven als ik je heel stellig iets verzeker, dat het wáár is,
-en je er op áán kunt?”....
-
-Wat had die oom Cateur een zachte, lieve stem! Nog nooit had Paul zoo
-van hem gehouden. En dadelijk zei hij vol vertrouwen: „Ja meneer! ik
-geloof U! Natuurlijk!”
-
-—„Nu dan,” zei de heer Cateur, heel ernstig, „wat Anton je verteld
-heeft is wel in hoofdzaak waar, maar zooals hij het vertelt, is het
-niet waar. Hij gelooft het zelf en bedriegt je niet, en hij ziet het
-allemaal zelf zoo als waar, maar dat komt omdat hij een slechte jongen
-is.... Hij heeft zeker nog nooit van iemand gehouden.... Ik heb van je
-moeder gehoord dat je een heel lief vriendinnetje hebt, waar je erg
-veel van houdt.... Nu, onthoud dan dit, beste jongen, en geloof me....
-Als je maar altijd heel veel van je meisje houdt, of als een man heel
-veel van zijn vrouw houdt, dan is er niets slechts of leelijks.... Er
-is iets in de wereld, dat alles rein maakt wat zoo oppervlakkig leelijk
-schijnt, en dat is de Liefde.... De Liefde, waar je wel van leest in
-verzen en romans, maar waar heel weinig menschen het heilige en eeuwig
-goede van weten.... Die maakt alles wat zwart lijkt zoo wit als sneeuw,
-en niets, wat bij die Liefde hoort, is slecht of leelijk, niets,
-niets.... alles wat die jongen je verteld heeft is alleen waar als er
-geen Liefde was.... Alleen als er Liefde is, mijn jongen, dan is er
-niets slechts, dan wordt alles wat vuil en leelijk schijnt verreind, en
-dan is alles heilig.... Zoolang je dus maar in Liefde gelooft is al het
-leelijke wat Anton je vertelt een leugen, een grove leugen, hoor je, al
-lijkt het allemaal ook nog zoo wáar.....”
-
-Toen werd het weer heelemaal licht in de ziel van het Jongetje.—Alles
-was dus goed, en mooi, en rein. Want er was Liefde.... Hij had Corrie
-lief, o! hij hield van haar, hij hield van haar, zijn lief, lief
-Meisje!
-
-En hij beloofde oom Cateur om er altijd om te blijven denken, en het
-nooit, nooit te vergeten.
-
-„Als je ooit weer iets hebt, en je voelt je ongelukkig, kom dan maar
-gerust je hart nog eens uitstorten,” zei de oude meester nog.
-
-En met een verlicht hart ging Paul naar zijn kamer. Daar bleef hij nog
-wat in zijn leuningstoel zitten mijmeren voor hij naar bed ging.
-
-Wat was het toch eigenlijk eenvoudig! Hoe had hij zoo weken achtereen
-kunnen suffen, en zich zoo laten beetnemen door de taal van zoo’n ruwen
-jongen! Het was zoo heel eenvoudig, als je maar blijft houën, dan is
-alles rein. Hoe had hij het kunnen vergeten! Hoe zou nu ooit bij Corrie
-iets slechts kunnen zijn, bij Corrie, waar alles zoo teer en rein en
-zuiver aan was?
-
-En hij schaamde zich, en voelde of hij iets leelijks tegen zijn
-lieveling had gedaan door zoo te denken. Hij zag opeens weer het blanke
-maagdelijn voor het raam, in haar wit nachtponnetje. Kuisch, onschuldig
-kind! Lief bruidje van Onzen Lieven Heer, met je gouden haren, en je
-rank lichaampje, zoo zoet en teeder! Wondere sfeer van heiligheid,
-bevende om haar heen!
-
-„Ja, het is goed, het is zuiver, het is alles mooi van het leven. Het
-vuil is buiten mij en mijn lieveling,” dacht het Jongetje.
-
-„Het is ook niet wild en grof, zooals die slechte jongen heeft gezegd.
-Want juist het erge houën, de Liefde maakte die grove, harde dingen zoo
-zacht en wonderlijk teeder....”
-
-En enkel door geloof en heldere intuïtie wist het Jongetje opeens de
-hoogste wijsheid, die filosofen maar zoo zelden met de gedachte
-bereiken. Want de simpele waarheid is voor de eenvoudigen van geest, in
-wie de pure liefde woont.
-
-„Ik houd van haar, zij houdt van mij, dus is er niets slechts. Alles is
-heilig.”
-
-En die sterke zekerheid droeg hij voortaan altijd met zich mede, als
-een schild voor zijn borst.
-
-Zóó ging het leven veilig voor hem verder, en de schaduw was weg van
-zijn ziel.—
-
-Nog veel, veel uren op de school, nog veel, veel wandelingen door de
-velden, en stille avonden van droomen aan het open venster, nog veel
-lief luisteren, onder bloesemende boomen, naar ’t zoet gekweel van
-vogelen in de lente, en de zomer kwam, de heerlijke, heerlijke zomer
-van de vacantie.
-
-Corrie had niet meer geschreven. Ze durfde zeker niet. Maar ze had wèl
-tweemaal de groeten laten doen door zijn moeder. Mama kwam haar nog wel
-eens tegen in de stad, en als zij alleen was, kwam Corrie naar haar
-toe, en vroeg hoe Paul het maakte, en liet hem groeten. In den laatsten
-tijd had ze haar niet meer alleen gezien, schreef mama. Ze was bijna
-altijd met haar moeder, en dan liep er nog een officier bij, een
-kapitein van het indische leger, zeker een oom of een neef. Maar ze
-liep nooit met andere jongens, hoor, of met jonge heertjes, en Paul kon
-gerust zijn!
-
-Nu nog de drukte van de repetities, voor de groote vacantie. Dat is een
-kwestie van overgaan in de volgende klas, òf blijven zitten. Verbeeld
-je, blijven zitten, en niet naar huis mogen!—De verzen en de romans
-bleven nu in de kast, en het Jongetje was een paar weken aan ’t blokken
-van belang. De wiskunde, daar was hij pas bang voor!
-
-Maar het liep hem mee. Hij kreeg allemaal vragen die hij wist, en bofte
-even hard met het schriftelijk werk. Hij was er door, hoor!
-
-Alweêr wat dichter bij Corrie! Hoera! Nu nog maar één klas en dan
-student! Gauw het goede nieuws naar huis schrijven. En een dikke brief
-van moê terug. Hij was een flinke, beste vent geweest. Nu waren ze
-trotsch op hem. Alles was nu weer goed, hoor! En, het heerlijkste van
-alles nog, er was wel een kansje dat hij nu weer terug zou mogen komen.
-Papa zou met den directeur spreken, en hij dacht wel dat Paul zou mogen
-terugkomen in den Haag, en de vijfde klas doormaken.—Er was één leelijk
-ding in den brief. Corrie was met haar oudelui op reis, had ma gehoord.
-Ze waren ergens in Duitschland, wáár wist ze niet precies. Maar ze
-zouden natuurlijk wel weer terugkomen.
-
-Hoe dol, dolblij was Paul!
-
-Toch stonden de tranen in zijn oogen, toen hij afscheid nam van oom
-Cateur. De beste, goeie, vriendelijke oom, die hem altijd zoo geholpen
-had! En toen hij voor ’t laatst in zijn kamertje stond, waar hij zoo
-dikwijls had zitten droomen, voelde hij ook iets héél droevigs.
-
-Maar het heerlijke, heerlijke dat komen ging! Weer terug zijn in den
-Haag, en altijd, altijd bij haar blijven, haar elken dag weer zien!
-
-En daar zit mijn Jongetje weer in den trein. Hoera, hoe ijlt hij in
-bliksemsnelle vaart vooruit, harder nog maar, véél, véél harder, daar
-gaat mijn Jongetje dan weer eindelijk terug naar ’t Meisje!.....
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XI.
-
-
-Nu wéér, wéér wachten en wachten, maar nú in den Haag. Ze was op reis,
-naar den Harz, en naar Wiesbaden, en Berlijn. Hij was Jan van Meeden
-tegengekomen, en die had het hem gezegd. Maar Paul was geduldig. Nu
-maar al de mooie plekjes van vroeger opzoeken, waar ze samen geweest
-waren, en dan goed weer alles herinneren. Dat was toch ook een genot!
-Einde Augustus zou ze weer terug zijn.
-
-Alles was weer als vroeger. Scheveningen, en de muziekuitvoeringen in
-den Dierentuin en het Bosch waren weer in vollen gang, en de menschen
-liepen weer in luchte, kleurige pakken, en alles was licht en blij en
-groen. Alleen was er een nieuw Kurhaus gekomen op Scheveningen. Wat een
-gebouw daar zoo ineens, in dien korten tijd verrezen! Maar het Jongetje
-had liever het oude Badhuis gezien. Alles moest als vroeger blijven, er
-mocht niets, niets veranderen.
-
-Wat waren er in den Haag veel mooie meisjes! Maar Paul keek er maar
-weinig na. Híj had dan toch maar ’t áller-, állermooiste, en daar
-haalde niets bij....
-
-
-
-Ik zit te aarzelen nu ik dit schrijf. Het wíl niet goed meer. Ik wou nu
-wel heel graag dit boek dicht doen, en wegsluiten voor goed, en er
-niets meer van weten..... Het zal pijn gaan doen.... Ik zou nu wel
-willen vertellen van al de wandelingen die hij maakte, de lieve, stille
-bedevaarten naar alle oude plekjes, en hoe hij dan droomde, en hoe hij
-verlangde, o! hoe hij verlangde.....
-
-Maar het wil niet meer, het wil niet.... Ik zie nu altijddoor wat komen
-gaat, kijk, o, God! daar zal het komen, daar zal het komen.... en dan
-kán ik niet, dan kán ik niet vertellen van nog meer teêre, heilige
-zieledingen, als ik zie die dreigende, zwarte schaduw die daar aankomt,
-valsch en verraderlijk, onverwachts....
-
-
-
-Zóó is het gebeurd.
-
-Het was in de schemering, aan het strand. Paul had vroeg gegeten en was
-om zeven uur al naar Scheveningen gegaan. Het was erg warm geweest, en
-aan de zee zou het nu zoo heerlijk zijn. Hij zit lekkertjes in een
-stoel te droomen... onder het zacht geruisen van de zee.... Zou ze nu
-komen?.... zou ze nu nog niet komen?....
-
-En daar staat opeens Jan van Meeden voor hem.
-
-Nu komt het. Nu komt het.—En alles is gewoon. De zee, het strand met de
-stoelen, de menschen, alles is gewoon. Maar o! Nu komt het! nu komt
-het!
-
-„Zóó, kerel, hoe maakt je ’t?.... Weet je ’t nieuws al?”
-
-„’t Nieuws? .... Welk nieuws?....” zei Paul zonder erg.
-
-—„Wel, van Corrie, mijn nichtje.... Ze is geëngageerd moet je weten.
-Het is op de reis áángekomen....”
-
-—„Wát?.... Hè?....”
-
-—„Ja, kijk nu maar niet zoo raar, het is wáár, hoor. ....En een
-schandaal vind ik het.... Stel je voor, ze is geëngageerd met een ouden
-kerel, een kapitein van het indische leger, Van Boolen, een vent van
-bij de veertig, en zij is pas zeventien.....”
-
-Nú je goed houden, mijn jongen! Niets laten merken, al ga je er dood
-van! Hoû je goed, arme kerel! Goed zoo, en nu heel kalm vragen:
-
-„Maar dat kan toch niet, zeg, ze kan immers niet van zoo’n ouden man
-houden! Ze is nog een kind!”
-
-—„Ja, dat heb ik ook al gezegd,” antwoordt Van Meeden. „Maar dat
-schijnt er niet op aan te komen ....hij is van nogal goede familie en
-heeft wat geld.... en nu is zij „bezorgd”, zeggen ze.... Ze zal wel van
-hem lééren houden, als ze getrouwd zijn, heet het.... Maar het is zoo
-prettig tegenover de andere meisjes om al geëngageerd te zijn, en aan
-den arm van zoo’n grooten meneer te loopen.... hij is al kapitein en
-heeft de Willemsorde.... en de familie heeft het haar zoo’n beetje
-opgedrongen, vooral grootmama, die was er erg vóor.... Het is maar
-zoowat spelen van haar, ik wed dat ze niet eens goed weet wat trouwen
-is.... Maar ik vind het een schande dat zoo’n vent zoo’n jong meisje
-krijgt!....”
-
-—„Hoe bedoel je dat, een schande?”
-
-—„Wel, je weet toch wel dat zoo’n kerel al heel wat heeft
-doorgemaakt?.... Je moet dat leven in Indië kennen.... als je daar zoo
-ongetrouwd tot je veertigste jaar geleefd hebt, ben je vrij wel op de
-hoogte, hoor.... ook hier heeft die Van Boolen in ’t eerste jaar van
-zijn verlof heel wat afgescharreld.... ik zag hem zoo nogal eens laat
-in den avond met een meid rondboemelen.... en dat krijgt nu nog zoo’n
-mooi, jong ding als Corrie.... Ik vertik het.... ik ga niet
-feliciteeren.... Ze zijn terug, ze zullen straks misschien wel in ’t
-Kurhaus komen. ....Maar wat kijk je beroerd, kerel.... o ja, da’s wáár
-ook.... jij hadt ook een oogje op haar, hè....? Vin je het èrg
-beroerd?....”
-
-„Ik?” kon Paul nog onverschillig zeggen. „Ik? Ben je gek, kerel! Ze
-moet zelf weten wat ze doet, hoor! Er zijn nog meisjes genoeg!”
-
-—„Nu, bonjour, tot ziens.”
-
-—„Bonjour!”
-
-Heel gewoon. Alles is nog hetzelfde.
-
-Maar daar zit mijn arm Jongetje wezenloos voor zich uit te staren. Hij
-kan niet huilen. Hij kan niet denken. Hij zit zoo stil, zoo stil, en
-beweegt niet.... Langzaam valt het donker over de zee, en vage nevelen
-wuiven zacht over het water.... Zoo zit hij daar lang. Dan staat hij
-ineens op en zegt: „het kán niet, het kán niet.”—Die gemeene kerel
-heeft hem voor den gek willen houden. Naar boven, naar het Kurhaus,
-gauw!.... Er is muziek buiten.... Nu zoeken, zoeken.... Omloopen, hier,
-daar, en nòg eens.... O! God! Kijk!.... Dáár.... dáár.... dáár, bij de
-muziektent.... O! rank, lucht maagdefiguurtje, zoo teêr in witte kant
-en mousseline.... Kijk, daar is haar lief, vriendelijk gezichtje zoo
-blank en roze.... Wat is ze slank geworden, kijk haar fijne middel....
-het Meisje! het Meisje! o! het Meisje is er weêr!....
-
-Maar o! daar naast haar. ....Een korte, dikke bruine man.... een
-indische man ....een officier.... Hij heeft een groote snor.... Een
-ouwe vent al.... Het haar op zijn hoofd is kaal.... Wat worden die
-menschen bruin....
-
-Kijk, ze verliest haar zakdoek, en bukt om hem op te rapen.... Die man
-kijkt in haar hals, en zegt wat, lachend.... Wat een oogen heeft-ie....
-Wat een rare, vreemd glinsterende oogen, met valsch licht.... kijk hij
-haar aankijken!....
-
-O! God!.... het is wáár, het is waar!!.... Het kán niet, het kán niet,
-maar het is wáár!....
-
-Dat is het Meisje, dat is het Meisje, en ze is groot en ze is voor dien
-man.... Ze is heelemaal voor hem.... Ze gaan samen trouwen.... Trouwen,
-trouwen, trouwen, hóór je? Je weet toch wel wat dat is?....
-
-Alles begint te draaien.... de lichten wemelen.... het wordt donker....
-en het wordt warm, o! het is om te stikken.... het vlamt, het
-brandt!....
-
-O wèg, wèg, wèg.... Weg van die menschen allemaal.... je stikt, je
-stikt,.... terug, gauw, naar de zee....
-
-En daar staat het Jongetje hijgend aan de zee. Ha! die zeewind, dat is
-goed.... Nu wordt het weer beter....
-
-En langzaam, langzaam begon hij weer te denken over wat er voor
-verschrikkelijks gebeurd was. Nog eens goed kijken.... Hoe was ’t ook
-weer?.... Ja, zoo!....
-
-Hoe goed had hij hem gezien!—Hier, in het schemerduister, met die vage
-avondzee onder droomende nevelen, hier stond hij vóór hem, al deed hij
-de oogen dicht. Zijn bruut, bruin, verhit gezicht. Zijn goor-glanzende,
-zwarte oogen. Zoo’n mannelijke snor, brutaal opgestreken. Zijn kort,
-dik lijf, grof, met wat schitterende knoopen en een kruisje, hè ja, dat
-vinden de meisjes mooi, moet je weten, al is ’t niets dan een uniform
-met vleesch er in. Precies.—Een man, een echte man, met een snor, met
-haar op zijn handen, en roodbruin vel, en een slagersnek. Heerlijk hè?
-O, die loerende, gretige, flikkerende oogen! Hoe voelde het Jongetje
-wat die wilden! En heel klaar, in bruut, hard licht stond het voor hem,
-wat er eigenlijk ging gebeuren.—Hoe kon hij het zoo altijd, altijd
-vergeten hebben, wat hij toch al héél vroeg op school was komen te
-weten, al die leelijke dingen, die toch blijkbaar heel gewoon
-waren?—Hij, die bruine sabreur, een echte indischman, van zoowat
-veertig jaar.... In Indië alles doorgemaakt, zat en moê van al het
-gesjouw, van brandy-soda en bruine vrouwen, er op lòsgeleefd tegen de
-klippen op, meneertje, wàt ik je verzekeren kan, hoor! Maar eindelijk
-beu geworden, en de dokter hem gezegd van verlof vragen, en nu gaan
-oppassen, en kalm worden, een geregeld leven leiden, een vrouw
-„zoeken.”—
-
-Ja, zóó moet het gegaan zijn. En toen is die patser gaan „zoeken.”—En
-toen is hij, met al zijn glimmende knoopen, en zijn snor, en zijn
-brute, bruine tronie tegen een heel jong kindje aangeloopen, een lief,
-zacht poppetje van melk en bloed, aha! dát wás iets voor hem,
-potverdorie ja, zoo’n piepjong schepseltje, ’t neusje van de zalm!
-
-En toen is-t-ie met z’n opgestreken knevel, en zijn kletterenden sabel,
-en al zijn staatsie van veroveraar en vechtersbaas er op afgegaan, de
-borst vooruit, de insignes blinkend, met al het moois van zijn uniform
-opgepoetst, victorie daar ben ik, parmantig, een haan met vurige kam en
-felle sporen....
-
-En het Meisje—o! dat ik dit schrijven moet, dat ik dit met eigen
-hartebloed moet gaan schrijven, als een verhaaltje!—het Meisje, arme
-lieveling, mooi, goddelijk koningskind, het Meisje was geen veertien
-jaar meer, het was al ouder geworden.... en dan verandert er zooveel in
-zoo’n lelieblank engelenlichaampje, niet waar?... dan wordt het zoo
-meer een vrouwtje, met allerlei neigingen en verlangens, waar niemand
-ooit over durft praten, en die ze niet kan begrijpen en richten.... het
-Meisje zag dien mooien, bruinen, mannelijken man, met zijn gullen
-knevel, en zijn stierennek, en zijn harige handen, met al die mooie
-dingen om zijn leden.... en het Meisje kon het misschien ook niet
-helpen.... en toen woû ze wel.... het was heusch het Meisje van
-veertien jaar niet meer.... en....
-
-Maar ik kán niet, ik kán niet, ik kán niet meer zoo schrijven. Ik heb
-zoo van dat Jongetje gehouden, waar ik van vertel. En hij was zoo arm,
-en zoo alleenig, daar op het strand! Hij stond ál maar te staren, over
-de duinen, en over de zee, en dan weer naar boven, waar al die lichtjes
-brandden, en waar die muziek was, alles blijheid en geluk, en waar ze
-nu zeker samen rondliepen, die bruine, brute kerel, en dat zachte,
-blanke lam. En het Jongetje liep te praten, heel alleen, en te denken:
-
-„Lieveling, het kán niet, het kán niet.... hij zal je pijn doen.... hij
-is zoo sterk en ruig.... hij is zoo grof, met zijn lompe knuisten en
-zijn rooien nek.... en jij bent mijn zwakke, blanke lieveling, zoo
-klein en teêrtjes.... weet je nog hoe bang je was, toen je bij de zee
-had geloopen, en je voet deed pijn van de schelpen, en hoe verlegen je
-je bloote beentje voor me verborg?.... het was zoo fijn en zoo witjes,
-hoe graag had ik er nog véél méér kusjes op gegeven, maar ik durfde
-niet.... Ik durfde nooit, mijn meisje, als ik bij je was.... het was
-zoo rein, en zoo heilig, alles van je, ik werd er zoo bang van....
-alleen héél even je aanraken, maar o! hoe voorzichtig, want alles is
-zoo broos en ijl aan je.... weet je nog dat roze japonnetje met die
-fijne kanten, al die teêre figuurtjes?.... of dat blauwe matroosje, of
-dien groenen wintermantel, met rood flanel gevoerd?.... en wat warm was
-het in je mofje!....
-
-Lieveling, pas toch op voor dien bruinen man.... zie je zijn oogen dan
-niet?.... zie je niet, hoe bruut alles aan hem is?.... hoe kan die nu
-ooit lief voor je zijn, en voorzichtig en zacht genoeg, voor zoo’n
-teêr, lucht wezentje als jij?... hij zal je pijn doen, lieveling, hij
-is zoo sterk en donker, en jij zoo rank en licht....”
-
-En ineens een felle, felle pijn in zijn hart, een pijn die bliksemde
-naar zijn hoofd, dat het gloeide, en klopte, en flitste.... O! dat
-denken! dat denken!....
-
-Hij zal haar meesleuren.... hij zal alles, alles met haar doen wat hij
-wil.... haar blanke borstje zal hij zien.... haar lief, wit beentje,
-dat ze ééns zoo verborg voor mij, zoo verlegen.... en haar roze
-voetjes, met die fijne nageltjes,.... hij zal al dat heilige, reine,
-maagdelijke mogen zien en hebben.... híj is niet bang voor haar brooze
-kleêrtjes, en de kantjes op haar borst, en al de zachtheid, die haar
-heerlijk lijfje kleedt.... hij mag haar hébben, hébben, heelemaal
-hebben, ....hij, met dat uitgefuifde gezicht, met de restjes van al
-zijn uitgesjouwde begeerte zal hij haar besmetten, bevuilen,
-bemodderen....
-
-O God! O God!—.... het kán toch niet.... het kán toch niet!....
-
-Lieveling, het kán toch niet!.... het is een booze droom.... wees toch
-niet boos dat ik zoo gedroomd heb.... je bent altijd zoo goed
-geweest.... ik heb zooveel zachte kusjes van je gehad.... ik heb zoo
-van je gehouën.... van alles van je, van je japonnetjes, en je
-manteltjes, en alles aan je en om je; als je maar éven iets aangeraakt
-had was het al heilig voor me.... en wat zou ik nu moeten beginnen als
-je er niet meer was?.... dan zou alles in elkaar vallen, en het zou zoo
-donker worden, zoo donker.... en als ik wandelde, zoo ver weg, en ik
-liep zoo lang, zoo lang tot ik moê was, hoe blij was ik, dan bij ieder
-stapje wat dichter bij je te zijn!.... En nu zou jij weggaan, voor
-goed, naar Indië, heel, heel ver, met dien boozen man?.... Neen, ik zal
-wachten hier bij de zee, zooals vroeger.... en straks zal je komen, en
-mijn hoofd mag weer tegen je zachte schoudertjes rusten, zoo veilig en
-warm.... en ik zal zoo lief en zacht zijn, ik ben de eenige, die dat
-ooit genoeg zijn kan, want ik weet hoe teêr en fijn alles van je is....
-mooie, zoete lieveling,.... mijn zacht duifje.... mijn lief, rein
-Edelweiss....”
-
-En heusch, het Jongetje heeft toen nog lang gekeken, of zij niet
-kwam.—Hij kon in het Kurhaus de menschen zien krioelen, en staarde maar
-aldoor naar de groote trap boven, of daar niet een lief, rank figuurtje
-in wit zou komen aanwuiven, als vroeger op de brug van ’t
-Bezuidenhout.... Maar er is niets gekomen voor het Jongetje. En áldoor
-maar dat denken, dat denken.... Dat verschrikkelijke denken van wat
-gebeuren zou aan zijn lieveling, zijn Meisje.....
-
-Zou er dan niets, niets hem helpen?
-
-Zoo eenzaam was het strand. De duinen waren vaag in den nevel, en keken
-zoo dof en triestig. De zee ruischte zoo dof en somber; treurig
-klotsten trage golfjes op het zand. Alles was heel stil en verlaten. En
-het Jongetje voelde hoe héél alleen hij was, hoe alles om hem heen
-apart leefde, alles met een eigen gang.
-
-Was dit dezelfde zee die hem altijd met háár had gezien, en heelemaal
-in hun leven was, en van alles afwist?
-
-Met betraande oogen liep hij wat vooruit, om te hooren, wat het sombere
-golfgeklots toch zeide, om van heel dichtbij zijn grooten, ouden vriend
-weer terug te voelen.
-
-Maar de zee wist niet. Groot en eenzaam deinsde zij onder den grauwen
-hemel. En plots een koude, felle plas water, brutaal over zijn voeten.
-Met een huivering deinsde hij terug.
-
-Toen ging het Jongetje weg van de zee, die hem verlaten had, en met
-loome, kille voeten liep hij naar boven.
-
-Waar nu heen? Hij wist het niet. Maar wèg, wèg van dat licht, van die
-muziek, van die menschen. Daar zat ze ergens, in dat feestende Kurhaus,
-met haar nieuwen lieveling, een bruten, bruinen man.... En alles ging
-gewoon zijn gang. Er was niets gebeurd. Er werd niets gedaan. De
-menschen liepen blij te praten, en wiegden hunne hoofden op walsmuziek,
-en dronken thee. Er was volstrekt niets bizonders gebeurd. Alles hoorde
-zoo. Een klein meisje moest worden overgeleverd aan een ouden man, die
-op is. Boem! boem! gaat de muziek. En de zee weet niet, en ook niet de
-sterren en niet de blauwe lucht....
-
-Nu gauw op de stoomtrem,.... neen, niet zitten, je zou stikken, stikken
-in die nauwe doos.... buiten staan.... kijk, al die lichtjes van het
-Kurhaus, en van de Galeries, en al die rijtuigen .....hoe vriendelijk
-wenkt en pinkelt alles.... alles heeft plezier.... het is dan ook zoo
-verschrikkelijk, verschrikkelijk prettig!....
-
-Gelukkig gaat de trem nu voort.... Hoe snijdt de wind in die felle
-vaart!.... En kijk, daar gaat het weg, het Kurhaus wordt vaag, en al
-die gebouwen.... de lichtjes worden flauwer.... het is of ze nog heel
-zacht iets willen roepen.... maar Paul moet wèg, wèg, en het nooit,
-nooit weer terugzien....
-
-En toch moest hij kijken, of hij wilde of niet, en zacht, o! zoo zacht,
-fluisterde hij voor zich uit: „o! Corrie! Corrie! Corrie!”
-
-Was het dan toch mogelijk?.... kon dan alles maar zoo ineens weg zijn
-zonder dat er iets vreeselijks gebeurde?.... bleef alles zoo maar zijn
-gang gaan, al werd het heiligste vermoord? .....Of droomde hij?....
-Neen, dit is geen droom.... Dit is de trem, wèlbekend, met de banken,
-en de latten, en de ijzers.... heel gewoon.... en dit is de Nieuwe Weg,
-en straks komen het Kanaal, en de Koninginnegracht, en de
-Koningskade.... en hoe scherp en hard schelt de bel.... hoe bruut, als
-het in je hoofd zoo bonst en klopt!.... Ai!....
-
-Gelukkig, hier is nu al de brug bij den Dierentuin. Nu afstappen.
-Alleen zijn. Nog eens denken, denken, goed denken....
-
-Het bosch stond somber, zwijgend, grootsch opgerezen. Een donkere,
-zwarte massa, vol duister geheim. Er was geen licht dan somtijds ergens
-een paar sterren, hoog boven een opening in de zware bladerkronen.
-
-En het Jongetje kende het Bosch niet meer, en het Bosch kende evenmin
-het Jongetje. Het had niets met hem te maken, dit voelde hij dadelijk,
-het was even apart als de zee. Treurig liep hij een eind de Boorlaan
-in, en ging op een bank zitten. Hoe eenzaam en hoe groot was het daar!
-Hoe somber en zwart rezen die hooge gevaarten op in het donker, en hoe
-stil, hoe stil, hoe wanhopig doodstil was het in het rond.
-
-En hij zoo klein en arm; zoo alleen en verlaten!
-
-En weer stond het scherp en fel voor hem, als een hel, reëel ding, dat
-de wereld om hem heen apart leefde, en hij een enkel, apart wezen was,
-zonder verband met het andere.
-
-Ja, dát was het.... hoe was het in Godsnaam mogelijk, dat nú eerst te
-zien!.... hij had al die jaren apart geleefd, en wat nog véél erger
-was, ook Corrie had apart geleefd....
-
-Ze was grooter geworden. Ze had nieuwe indrukken gekregen. Ze was
-veranderd. Haar lichaam was anders geworden. Ze was veel ouder dan hij.
-Een meisje van zeventien is ouder dan een jongen van zeventien. Die
-kijkt niet naar jongens, maar naar heeren. Die kan trouwen....
-
-Stil, stil.... stil.... o! God, daar komt het, wat ze op school hebben
-gezegd.... wat ik altijd heb vergeten als ik bij háár was.... o! al het
-leelijke, het vuile, het gore, het slechte.... ”Alleen als er Liefde
-is, mijn jongen, dan is er niets slechts, dan wordt alles wat vuil en
-leelijk schijnt verreind, en dan is alles heilig,” had mijnheer Cateur
-gezegd.... ja, ”maar zonder Liefde, echte, zuivere Liefde is het
-leelijk, is het héél leelijk.”
-
-En plotseling, als een afgrond die zich opent, vol goor ongedierte en
-vunzige walmen, zag Paul de vreeselijke realiteit voor zich van wat
-gebeurd was, en wat gebeuren ging. Dat kon geen Liefde zijn tusschen
-Corrie en dien man. Dat kon zijn lichamelijke attractie, spelerij en
-grillige fantazie van een kind, maar geen Liefde. En.... groote God....
-dan was het vuil, dan was het leelijk!.... Kijk, dít, dít, dít zal
-gebeuren.... zij weet het niet, géén meisje dat zoo trouwt weet het in
-al zijn brutale, gore verschrikking, maar hij, die man, híj weet het
-wèl, en hij verheugt zich er op, hij likt zijn baard van gulzige
-verwachting en zet de borst hoog op van trots!....
-
-O, God! o, God!.... dit is het gevaar.... dit is het groote, groote
-gevaar, dat maar niet komen wou.... Maar nú is het er, en is niets meer
-te redden.... dit zijn geen woeste bandieten, en wilde draken en
-vlammen.... dit is de gewone loop der dingen, waar niemand wat in
-ziet.... waar alles over feest en jubelt.... dit is het trouwen zonder
-heusche, reine liefde..... het offeren van een schuldeloos, jong wicht
-aan een ouden zondaar....
-
-„Lieveling! lieveling!” snikte het Jongetje, „lieveling kom dan toch!”
-
-Maar het was eenzaam en donker rondom. En het Bosch wist niet, en stond
-somber zwijgend in den nacht. „Het kàn niet!.... het kàn niet!” riep
-hij radeloos in de stilte.
-
-Neen, het kon niet. Als hij zuiver, kalm nadacht, kom, nu bedaard, mijn
-jongen, en niet zoo huilen, dan kòn het niet. Ze is zoo teêr en zwakjes
-nog. Die fijne schoudertjes. Al die frêle, luchtige dingetjes van haar.
-De handschoentjes, de droomefijne kantjes en borduurseltjes, het zachte
-bont, en het fluweel en de glanzige zijde. Dit is toch veel te teer om
-zoo maar ruw te durven aanvatten.—Zoo’n rank, slank figuurtje, dat is
-om éven je hand om te leggen, maar zoo voorzichtig, zoo voorzichtigjes,
-het zou breken!... zulk goud, zacht haar, hoe fijn en licht zijn al die
-lichte lokken, daar kan je heel even je wang aan houden, maar zoo
-zacht, zoo vol eerbied.... en die mooie lijfjes van mousseline, en
-zijde, en crêpe..... je zou haar japonnetjes zoo kreuken als je haar
-wat hard tegen je aandrukt.... o! wonder, fragiel wezentje van rozige
-teêrheid.... wat is het alles broos, en lucht, en ijl aan haar!....
-
-En ja, niet waar?... dien avond, dien heerlijken, heiligen avond.... ze
-is een bruidje van God... een wit bruidje met een kuische
-offerkaars.... een kind in een wit hemdje.... en ze stond zoo stil, zoo
-stil, zoo stil.... er was zoo’n vreemd wonder licht om haar,.... en ze
-had haar gebed gedaan.... het gouden haar lichtte een aureool om haar
-maagdelijk hoofd...... o! Weenen, weenen.... O! Bidden, bidden....
-Neen, niet bidden, want God hóórt niet.... God, waar ze voor geknield
-heeft in de kerk, met het hoofd zoo vroom gebogen.... en al die
-menschen in gebed.... en de statige stem van den dominé....
-
-Was het dan dáárvoor alles geweest.... moest dan zoo dat uiterst reine
-verloren gaan, onder bruten hartstocht van een man, die niet waard is
-haar éven maar te zien?.... Is dit dan het einde voor wat goed en edel
-en rein is?.... Is dit dan de wereld, die dat toelaat, dat de Liefde
-wordt vermoord?.... En dan is er nog Recht, verbeeld je, Recht, dat
-richt over moordenaars en dieven.... En schaamteloos wordt de Liefde
-vermoord, het heiligste op de aarde, en het Recht weet niet, en ziet
-niet om.... Het is fatsoenlijk, zooals het is, en ze gaan naar ’t
-stadhuis, en, groote God, naar de kerk, en ze zingen en bidden er,
-juist als vroeger.... O! niet bidden, niet bidden.... Vloeken....
-vloeken.... het is alles verdoemd.... Het is verdoemd.... Het is niet
-de Liefde, die het leven beweegt.... Het is het fatsoen.... Het is dan
-ook zoo heel fatsoenlijk, dat deftige stadhuis, en die kerk.... Ze
-zullen nu allen bij elkaar komen, de fatsoenlijke familie, om het
-feestelijk te vieren.... een blank lam, dat niet weet, en ten offer
-wordt geleid.... met wijn en bloemen en vlaggen moet het worden
-gevierd, de dood van het Meisje.... en zij weet niet, zij kón niet
-weten, het is nog alles spel bij haar, zoo heel van buiten.... en
-argeloos, met blijden lach, loopt het Meisje in ’t gevaar.... En het
-zachte, het lelie-reine, het moet gebroken, vernield, door ruwe, roode
-handen.... En alles gaat zijn gang, het evenwicht der wereld is niet
-verstoord, omdat de Liefde sterven moet, en het reine neêrbuigt in het
-slijk.... Vast en machtig staan de dingen en weten niet, en leven hun
-apart leven, onbewogen....
-
-Met brandend hoofd stond het Jongetje op, en beefde over al zijn leden.
-O! wat bonsde en bonsde het tegen zijn slapen.... Nu weg, weer weg, ook
-hier is het niet meer veilig.... en het Bosch kent hem niet en is
-somber en zwart....
-
-Werktuigelijk liep hij de laan uit, en de brug over, de
-Koninginnegracht langs, en het Voorhout.... Dit is de stad.... hier
-branden de lichten.... en vele menschen gaan er, elk naar eigen
-doel.... ze weten niets van wat hij lijdt, hij is een eenzaam, arm
-wezen.... Nu door de Houtstraat, en hier is het Plein.... rijk
-schittert het licht van de Witte Societeit.... het lijkt daar ál
-vreugde en geluk.... dat licht, dat licht, de menschen weenen niet,
-maar lachen.... Er is niets gebeurd, niets.... Maar ai! hoe brandt zijn
-hoofd, hoe bonst en brandt het!
-
-En opeens een stem, brutaal, vlakbij, met valsch gefleem:
-
-„Zèg, lievert, ga je méé?”
-
-Met een schok bleef hij staan. Wat moet die stem daar? hoe
-durft-ie!....
-
-En hij zag haar. Een flets, bleek gezicht. Een valsche flauwe lach. Het
-leek een vrouw.
-
-En hij begreep, opééns....
-
-Dit is het allerlaatste.... dit is de zuster van het Meisje.... dit is
-ééns ook een Meisje geweest.... en dit wil hem nu geven de schande van
-het lelie-reine, de ruïne van het hoogst gewijde, voor wat geld..... En
-velen zijn de zusteren van het Meisje.... en ook zíj zal nu heel gauw
-het Meisje niet meer zijn.... Het is te véél, mijn God, het is te véél,
-dit is het einde van álles....
-
-Toen daalde de groote nacht over de ziel van het Jongetje, de groote,
-sombere nacht van duisternis, met zware, zwarte schaduwen wijd
-neervallend over wat daar blank en licht was geweest......
-
-En toen is het Jongetje daar eenzaam en verlaten gestorven, toen hij
-het absolute Kwaad van aangezicht tot aangezicht aanschouwde, en hij
-zag de fatale, droeve gelijkenis met wat het reinste en heiligste was
-uit zijn grimmig, omnacht gelaat.... En wie dit allerwreedste van het
-leven heeft gezien, als ’t absoluut slechte eensklaps uit het
-allerreinste loert, als giftige adder uit het blinkend groen, en niet
-meer waakt over hem de Liefde, die scharlakenrood maakt wit,—die weet
-hoe toen mijn Jongetje wel moest heengaan, om nooit weer terug te
-komen. Toen het Meisje zou gaan sterven kon ’t Jongetje niet langer
-leven, en wèl trouw hield hij zijn woord, tot in den dood......
-
-
-
-En dit is de geschiedenis van ’t Jongetje, zooals ik die heb gevonden
-in oude, gele dagboekjes, en half vergane reliquiën, en lokjes haar, en
-heel ver in vage schuilhoeken van mijn herinnering.
-
-Ik weet wel dat Paul nog altijd leeft, al heeft hij ’t Meisje nooit
-weer teruggezien, en ik geloof dat ik nog wel eens zal kunnen
-schrijven, hoe het verder met hem ging, en hoe het lange duister
-eindelijk eens weer wijken zou voor ’t groote licht der wijsheid, en
-hoe over alle donkere dingen nieuwe glans van wijding ging....
-
-Maar het Jongetje is dood, sinds het fijne droomenweefsel van zijn
-zieltje opeens met fellen, wreeden slag verscheurd werd.... Ik zal nu
-ook van Paul niet meer verhalen met zoo fijne, lieve woordjes, van zoo
-teeder, zwak geluid.... Die pasten alleen bij zoo’n droomend Jongetje,
-die met zoo bevende oogen de werelddingen aanzag, en met heel fijne
-vingeren de uiterlijkheden van het leven zoo voorzichtigjes beroerde,
-bang dat hij ze breken zou....
-
-Nu is mijn Jongetje begraven in dit Boek, om nooit weer op te staan, en
-er is niets, niets meer van hem over dan wat zachte woorden en wat lief
-geluid, dat in mijne herinnering gefluisterd heeft, al jaren lang, tot
-ik het eindelijk opschreef, in wat stille uren.... Nu was het hier, dan
-daar, dat vaag gefluister, en als ik even stilstond, en luisterde,
-midden in het doen van alle dagen, dan was het plotseling weer
-heengegaan en riep ik tevergeefs....
-
-Toen heb ik mij heel diep over mijn ziel gebogen, en alle dingen van
-buiten heb ik weggedaan, en lang, lang heb ik geluisterd, waar het
-eenzaam was en stil.... en geen gerucht der wereld dat het kon
-verstoren....
-
-En toen is alles weêrgekomen, voorzichtig, voorzichtig, en met brooze,
-teêre woorden heb ik het langzaam in dit boek gezet van het
-Jongetje....
-
-Nu kan het Leven vrij weer doorgaan. Ik ben bereid en onvervaard....
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET JONGETJE ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.